-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

y. sy ^

l

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

?\'

i) E NAVOLG1N Ü v ^

O N Z E S H K E R E N

JESUS CHHISTUSj,

DOOR

THOMAS A KEMPIS.

e

^Zeveode Druk.

Met Oefeningen en Gebeden na ieder Hoofdstuk; Misgebeden, Vesperpsalmen, enz.

Naar liet Fransch ïati ihn Eerw. Pater de GonneliBi.\'!quot;

lquot; |

1 I

Met Goedkeuring.

VENLOO,

bi.) de Wed. H. Bontamps.

188 S.

-ocr page 8-

leveu, om alsChriatciieii te kuuueu sterven.

Deïe nieuwe uitgave is vermeerderil geworden door zeer stichteade oefeuingea en gebeden , achter ieder hoofdstuk geplaatst, volgens het fransch van den eerwaarden Pater de Gonnklihu, in welke in korte doch treffende bewoordingen den inhoud van elk hoofdstuk herdacht wordt, terwijl in het daaropvolgend gebed de noodige kracht en hulp tot beoefening der deugden en bestrijding omer hartstochten van God wordt afgesmeekt.

Bij deze uitgave is verder bijgevoegd , een register van den hoofdinhoud, verdeeld overeenkomstig de verschillende behoeften der geloovigen. Het stelt hen in staat, om gemakkelijker de hoofdstukken te kunnen vinden , welke hun ter lezing nuttig zijn , naar den werkelijken toestand hunner ziel, en om het leven over hetzelfde onderwerp af te wisselen.

Een tweede register geeft het middel aan de hand, om de hoofdstukken te lezen, in overeenkomst met de evangeliën der zondagen en de voornaamste feesten des jaars.

-ocr page 9-

HET LEVEN

VAN

Thomas a Kempis.

Volgens verscheidene Schrijvers bijeen-vergaderd.

Thomas van Kempen zag het licht in eene plaats, Kempen genaamd,gelfgen op deniter-ste grenzen van het bisdom van Keulen, tuaschen Gulich en Cleef, en waarvan hem de naam is bijgebleven. Zijne ouders, Joannes en Gertrudis, waren (indien men naar de wereld wil oordeelen) van geringe afkomst, en muntten niet in rijkdom uit; doch hun adel bestond in hunne godvruchtigheid, en hun j iarlijksch inkomen in een\' onberis-pelijken levenswandel. Daar zij hunne nooddruft met den zuren arbeid hunner handen wonnen, waren zij met het weinige, hun van God in hun leven verleend, wel tevreden. Deze echtelingen wonnen bij elkander twéé zonen, (van meer ia er geen stellig bewij!-gegeven.) Joannes, de oudste, deed zijne letteroefeningen of studiën te Deventer, had veel omgang met Gerardus Magnus, en kwam tot alle volmaaktheid van zeden. Ook bediende hij, in de orde der regulieren, onder het kapittel van Windeaem, verscheidene voorna-

-ocr page 10-

HET LEVEN

me ambten, en ontsliep daarna zacht en zalig.

Thomas werd geboren in den jare onzes Heeren 1380, ten tijde dat Paus ürbanus de VI. en Carol us de IV, het christen rijk regeerden. Nadat hij /.ijne kindsche jaren onder de oogeo zijner ouders doorgebragt had, en bekwaam scheen te zijn om ter school besteed te worden, vertrok hij naar Deventer, in den ouderdom van dertien jaren. Hij werd bijzonder aangemoedigd aan deze stad de voorkeur te geven, door de vermaardheid van den god-vruchtigen en geleerden Florentius, priester en overste van het Broederhuis, hetwelk door de studenten, die van daar kwamen, overal geprezen werd. De oefening der vrije kunsten was ten dien tijde daar in zulken bloei, dat men zoude gezegd hebben, dat Deventer in Nederland was, zoo als de vermaarde school van Athene bij de Grieken,

Toen hij te Deventer kwam , was zijne eerste zorg, naar zijnen broeder te vernemen, opdat hij door deszelfs raad en hulp (want zijn leergeld was zeer gering) tot de studiën zou mogen besteld worden. Daar nu Gerardus Magnus reeds in het jaar ISSé-, als Thomas slechts vier jaren oud was, van de wereld was gescheiden , werd hij aan den eerwaarden priester Florentius aanbevolen, die hem zeer pulharti? ontving, en hem eene kamer, boeken en het noodige voedsel bezorgde. De omgang met deze mannen, die door de godvruchtigheid en geleerdheid zeer beroemd waren, en die onder dezen Florentius in alle godsdienstigheid, eenvoudigheid des levens en oprechtheid der zeden

6

-ocr page 11-

VAN THOMAS A KEMPI8. 7

uitmuntten, maakte dat deze vrome jongeling hunne zeden in alles navolgde en in hun gezelschap veel genoegen vond. In huis was hij naarsti?, in de scholen geschikt en aandachtig, in de kerk godvruchtig en ingetogen, in dier voege, dat hij binnen weinige jaren niet alleen in de studiën, maar ook in de godvruchtigheid grooten vooruitgang deed, zoo als genoegzaam blijkt uit de menigte der door hem opsestelde boeken. Terwijl hij in het Broederhtns woonde, droeg hij alles, wat hij met schrijven koude winnen en waar-in hij zeer bedreven was, tot de gemeene onderhouding en hulp van hetzelve op

Van zijne kindschheid afwas hij zeer toegedaan tot de dienst der heilige maagd Maria, aan welke hij dagelijks eenige bepaalde gebeden gewoon was op te offeren. Maar zoo als de kinderlijke godvruchtigheid zeer onstandvastig is, begon ook in Thomas^ deze heilige gewoonte, door onachtzaamheid te verflauwen. Hij verzuimde dan allengs zijne gewone gebeden en aanroepingen , in het eerst 6énen dag, daarna twee, drie of vier dagen, ja poms eene gehrele week, en wat te beklagen is, liet die ten laatste geheel achter. Terwijl hij aldus voortging, kreeg hij eens een nachtgezigt of visioen. Hij dacht, dat hij in de zaal van meester Florentius stond, alwaar hij met de andere studenten, die ook gekomen waren om het woord Gods te aan-hooren, \'.eer ijverig toeluisterde, en de heilige Moeder Gods uit den hemel zag nederdalen, met een gul gelaat en in een blinkend kleed,

-ocr page 12-

HET LEVEN

8

in de gezegde zaal gekomen zijnde, rondom de broeders ging, en terwijl zij nu dezen en dan genen zeer vriendelijk omhelsde, hun hare dankbaarheid scheen te bewijzen, omdat zij zorgvuldig waren om door hunne godvruchtige vermaningen eenieder «aan te wakkeren, dat de prijs van het dierbaar bloed van haren lieven Zoon in de jongelingen niet zou verloren gean. Daar Thomas zag en bemerkte, dat zij de broeders zoo gulhartig omhelsde, stond hij met gretige blikken, vol hoop, dit schouwspel aan te staren; en zijne liefdevolle blikken tot haar wendende, zeide hij bij zich zeiven : ik zal een weinig vertoeven , en als de allerzaligste Maagd al de anderen genoegzaam hare teekenen van liefde zal bewezen hebben, zal zij ten laatste ook mij, al heb ik haar niet met zoo waardige liefde als het wel behoorde, echter toch met zulke liefde als ik wel konde, gediend, goe-dertierenlijk eene omhelzing der liefde aanbieden. Thomas had den kus, welke een teeder onderpand der liefde is, wel verhoopt, lt;• maar werd integendeel zeer streng bekeven. Want nadat de heilige Maagd al degenen, die de leerlingen, welke daar hunne letteroefeningen kwamen doen , met godvruchtige vermaningen tot alle deugden beleerden, door teedere omhelzingen alle liefde betoond had , kwam zij eindelijk bij Thomas, en zeide hem met een ernstig gelaat : vruchteloos wacht gij, mijn wreede vijand, naar den kus van heilige liefde ; gij, die door eene verfoeije-lijke en berispelijke onachtzaamheid, het

-ocr page 13-

VAN THOMAS A KEMPI8. 9

getal uwer gewoonlijke en vurige gebeden mij niet hebt betaald. Want, waar zijn toch uwe gewone gebeden? Wflar zijn uwe godvruchtige begeerten, die gij met zuchten en tranen tot mij placht te zenden ? Is de vorige liefde niet gansch in u verkoeld, en is de godvruchtigheid, die gij voorheeu tot mij gehad hebt, niet geheel wankelbaar geworden? En echter durft gij, alsof gij niets misdaan had-det, met een stout en onbeschaamd aangezigt, eene omhelzing verwachten, gij, die met alle recht verdient berispt te worden! En als geheel verbolgen en gestoord, keerde zij haar gelaat van hem af, en zeide: ga van mij, want gij zijt onwaardig van mij omhelsd te worden , gij, die zoo gemakkelijk een kort gebed tot uwe welbeminde veronachtzaamd hebt uit te storten. En nadat zij hem alzoo berispt had , verdween zij uit zijne oogen. Thomas, na dit visioen of nachtgezigt wakker geworden, onderzocht zijn geweten, bekende zijne schuld en beloofde beterschap. En opdat hem voortaan de omhelzingen van de heilige Maagd « niet zouden onttrokken worden, begon hij de achtergelatene gebeden der heilige Maagd met zulk een vlijt; te hernemen , dat hij die niet een enkelen dag, tot het einde zijns levens toe, durfde verzuimen. O zalige bestrafling, die de misdaad verbetert, en het verbond der liefde, nu een weinig onderbroken zijnde, wederom in zijn geheel hersteld heeft !...

Als hij nu zeven jaren met den priester Florentius en met de andere broeders derzelfde vergadering verkeerd had, en reeds voor de

-ocr page 14-

HET LEVEN

menachen in alle deugden wel beproefd was, werd hij met ijver ontstoken om religieus te worden, waartoe voornoemde Florentius soms eenige vonkjes in zijn hart verwekt had. In het jaar onzes Heeren 1399, loen de priester Florentius, overste dor broeders, in den Heer ontsliep , vertrok Ttiomas naar den berg , aan de H. Agnes toegewijd, en die niet verre van de stad Zwolle gelegfu was, alwaar eenigen tijd te voren een klooster der Regulieren, onder het kleed en den regel van den heiligen Augustinas, gesticht was. Dit huis was in dien tijd nog niet vermaard, aan weinig lieden bekend, en werd, zoo als gemeenlijk de beginselen van alle dingen veracht en zwaar zijn, slechts van zeer weinige burgeren geëerd. Als hij op dezen berg, door de brieven van gezegden priester Florentius aanbevolen zijnde, kwam, werd hij van zijnen broeder, die alsdan eerste overste van hef klooster was, zeer beleefd ontvangen, en beiden hieven verheugd dezen hemelschen lofzang aan : hoe zoet eu genoegd jk is het, als broeders mei el-bander eendrachtig wonen / ( Pa. 131. v. I.)

Om niet onbedacht deze nieuwe levenswijze, waarna hij zoo vurig verlangde, aan te nemen, deed hij eerst, na vijf volle proefjaren gedaan te hebben , zijne plechtige kloosterbelofte. Men zag in hem bijzonder uitschijnen eene allersterkste liefde tot God, eene eerbiedige onderwerping aan zijne oversten , en eene l^fderijke genegenheid tot zijne medebroeders. Nooit bracht hij eenige uren in ledigheid door, maar was aanhoudend bezig

10

-ocr page 15-

VA.N THOMAS A KEMPIS. 11

met de heilige Schrift en godvruchtige boeken te lezen, of dezelve tot aangenaam voordeel uit te schrijven, hetwelk hij meestendeel des middernachts na de Metten deed, en krenkte hierdoor bovenmate zijne gezondheid. Tot op den dag van heden, is nog, de gansche Bijbel, in vier deslen verdeeld, en een groote Missaal, alsook sommige stukken van den H. Bernardus, met eene bijzondere kunst en groote vernuftheid van Thomas geschreven, overgebleven.

Het lezen der heilige Schrift behaagde hem zoo zeer, en hij was zoo gaarne in zijne cel. dat hij dit spreekwoord dikwijls mondelings placht te gebruiken en in zijne boeken schreef:/;/ omnibus requiem quczsivi, sed non inveni nisi in angello cum libello: hetwelk beteekent: In alles heb ik rust gezocht^ maar heb die niet gevonden, dan in een hoekje met een boekje: hierdoor willende te kennen geven, dat men in de gansche wereld geene rust kan vinden , dan in afgezonderde plaatsen en gebedenboeken.

Hij was ook zoo spraakzaam en zachtmoedig , dat hij, met algemeene stemmen, toen hij nog jong was, tot overste der gemeente gekozen werd, niettegenstaande hij zich langen tijd daar tegenstclde.

Niet zelden gebeurde het dat hij, wanneer hij met de broeders verkeerde en met hen over eenige zaken sprak, de inspraak Gods in zich gevoelde; alsdan nam hij van hen zeer beleefdelijk afscheid, juist alsof er iemand om hem te spreken wachtende was, en ging in

-ocr page 16-

HET LEVEN

zijne kamer, alwaar hij zijn hart voor God uitstortte, en de wijsheid putte, die alle godvruchtige harten in zijne heilige boeken zoo zeer bewonderen.

De almachtige God heeft zich ook gewaar-digd zijnen dienaar met veropenbaringen te vereeren ; want als hij eens van den berg der H. Agues naar Windesem vertrokken was, en aldaar overnachtte, om den kranken Joannes van Heusden te bezoeken, en over eenige zaken aangaande de heilige religie van de orde te spreken, gebeurde het, dat hij omtrent het aanbreken van den dag verscheidene Engelen en Heiligen, zeer blinkende, zag te zamen loopen, alsof zij zich haastten om ter uitvaart te gaan met het lijk van een voornaam persoon, om zijne zalige ziel in den hemel te brengen. En hij was in zijn nachtgezigt niet bedrogen, daar hij met zijne ooren hetzelfde ook gewaar werd. Want ontwaakt zijnde door het geklop van een plankje, waarmede de religieuzen plachten bijer n geroepen te worden, sprong hij uit het bed, en de toekomende dingen voorziende, voorspelde hij den dood des priors van Windesem.

Door de ondervinding geleerd zijnde, achtte hij de vervaardmaking in de spokerij der duivelen zeer weinig. Men verhaalt, dat als eens de duivel in eene verschrikkelijke gedaante bij hem stond, en poogde tot zijn bed te naderen , hij in het eerste verschrikt was op het aanzien van zulk een vervaarlijk spook, en niet wist welke middelen hij zoude aanwenden tegen de listen van zulk eenen vreeselijken

12

-ocr page 17-

VAN THOMAS A KEMPIS, 13

vijand. Eindelijk, door deu p^eest Gods gedreven, begon hij de groetenis des Engels met eene bevende stem (gelijk gemeenlijk geschiedt in de bevreesdheid) en zoo goed hij kon, te lezen. Doch de duivel was geenszins verlegen door deze groetenis en naderde al digter bij den bevenden, tot dat Thomas ten laatste in gemelde Groetenis aan deze woorden gekomen was : Gezegend is de vrucht uw8 ligchaams Jesvs.

Zoodra de duivel dien geduchten naam hoorde, keerde hij, als door eenen zwaren donderslag verschrikt zijnde, zijn aangezicht om, en nam in allerijl, op de stem van den roependen, de vlucht.

Thomas, nu ziende dat de duivel door de kracht van dien verheven naam niet konde blijven staan, verhief zijn bevend hoofd een weinig stouter, en riep den vluchtenden vijand verscheidene maal met deze woorden na ; gezegend zij de naam van Jesus Christus ! en hoe harder hij riep, hoe sneller ook de verschrikte geest henen vlood. Zoodra de godvruchtige man dit bemerkte, zeide hij, God lovende, bij zich zeiven : indien ik door den allerheiligsten naam Jesus zoo gemakkelijk de geheele macht des duivels kan verbreken en vernietigen, zoo wil ik voortaan, gelijk ik tot dusverre gedaan heb, de aanvechtingen der duivelen niet meer vreezen, en zal door hunne bedreigingen, hoe schrikkelijk die ook zijn, door een wankelend geloof niet meer ontsteld worden.

Nadat Thomas 71 jaren, met inbegrip zijner

-ocr page 18-

14 HET LEVEN VAN THOMAS A KÉMPIS. proefjaren, op den berg van de 11. Agues , met grooten lot\', en tot nut en zaligheid zijner medegezellen, toegebrncht had, werd hij van den lieer naar den berg der eeuwigheid, dien hij zoo dikwijls aanschouwd en waarnaar hij zoo menigmaal gehaakt had, geroepen; en zijne zalige ziel, het aarden vat des lichaams verlaten hebbende, verhuisde naar de eeuwige abernakelen, om haren God aldaar eeuwig te genieten. Hij stierf op den 35«n Julij 1471, tu het 92« jaar zijns ouderdoms.

-ocr page 19-

Ü6li»0cheï*cw.

Korte verklaring der Mis.

De Introitvs (ingang 1 vermeldt den lof van God met de woorden der heilige Schrift, en meestal in verzen uit de psalmen van David. Hierop volgt de belijdenis der zonde of de zoogenaamde openlijke schuldbelijdenis, waardoorwij onzenietigheidbekennen, en deswege God om genade en ontferming aanroepen.

De Gloria is een lofzang aan God en Jesus , die aanvangt met de woorden, welke de en • gelen bij de geboorte van Jesus zongen, waarbij men de hemelsche heerlijkheid en het Vaderland der heiligen gedenkt. Bij eene treurdienst en bij zielmissen wordt die weggelaten, gelijk mede in zoogenaamde bid-mis-sen, die ons aan onze zwakheid herinneren, of ons opvorderen, om voor onze zonden Gods barmhartigheid aan te roeppn.

Het (kerkgebed) is altijd rechtstreeks

tot God gerigt; hier bidt de priester, in den

-ocr page 20-

MISGEBEDEN.

uaaiu der Kerk, voor het aanwezige volk, opdat het door Gods ontferming ol\' door bemiddeling van d« heiligen wier gedachtenis gevierd wordt, ter deelneming aan de heilige geheimen waardig bevonden worde.

De Epistel en het Evangelie zijn leerstukken uit de Evangelien en Zendbrieven der Apostelen aan de eerste Christenen, welke door den priester, tot leering en stichting der aanwezenden, gelezen worden. Het opstaan bij het lezen des Evangelies is een teeken van de eerbiedigheid en standvastige bereidwilligheid, om de lessen en voorbeelden van Jesus te volgen.

Het Credo of de geloofsbelijdenis bevat het hoofdzakelijkste uit de geloofsleer. —De beste geloofsbekentenis is een christelijk leven; en het werkdadig geloof maakt zalig.

Het Ojferiomm was in vroeger tijd het brood-en wijuoffer, dat de Christenen zeiven tot het avondmaal brachten. De priester draagt nu vereenigd met het volk het offer op. Eer hij nochtans tot de Consecratie zelve, die door de goddelijke macht bewerkt wordt, overgaat, vermaant hij ons tot aandacht, en dit geschiedt door de Prefatie, waarbij de priester in zijne gebeden de Kerk, d^.rzelver opperhoofden, enz. gedenkt, alsmede de heiligen, welker bescherming hij voor de persouen afsmeekt, voor welke hij het oifer opdraagt. Na deze voorbereiding gaat hij over tot

De Consecratie, wKAxh\'i] datgene geschiedt, watJesus Ciiristus in zijn laatste avondmaal deed en den zijnen te doen heeft aanbevolen.

10

-ocr page 21-

MISGEBEDEN. 17

Hieraau sluiten nu gebeden, die daartoe be\' stemd zijn, om het bijzondere geloof te verwekken , en voor zich, voor de gemeente en voor de zielen in het vagevuur God om genade aan te roepen ; opdat Hij de straffen diergenen verzachte, die aldaar nog voor hunne zonden moeten boeten

De Communie heet gemeenschap; eu deze handeling ontleent daarvan haren naam, dat daardoor de innige voortdurende gemeenschap met Christus onder de Christenen werd onderhouden. De priester heeft zich door het voorafgegane Onze Vader, als ook door het gebed om den vrede der Kerk, tot het ontvangsn der heilige communie (het avondmaal) voorbereid. Daarna communiceren de aanwezen-den , of werkelijk , of geestelijkerwijze, of, gelijk het bij de zielmissen plaats heeft, men wenscht den overledenen het zaligende genot toe van het hemelsche brood.

Tot Besluit wordt nog het begin van het Evangelie van Joannes gelezen, als het heerlijkste getuigenis van de godheid van Jesus Christus. Vervolgens nog betuigt, de priester met het volk den eeuwigen God, door een vroom gebed , den verschuldigden dank daarvoor, dat zij verwaardigd worden om deel te nemen aan deze heilige geheimen.

De priesterlijke klecding.

Volgens de verklaring der Trentsche Kerkvergadering, wordt door de heilige Mis de bloedige offerande, welke Jesus Christus op liet altaar des kruises zijnen eeuwigen Vader

2

-ocr page 22-

MISÜEBEDKN.

deed voor het heil der wereld, en welke hij totge-dachteuis van zijn lijden en sterven wilde voortgezet hebben, op eene onbloedige wijze voorgesteld.

l)e doek om den hals {humeraal) duidt de doek ol liet omhulsel aan, \'t welk de beulen over Jesus Christus wierpen, terwijl zij hem in het aangezicht spogen en hem daarop vroegen en zeiden: profeteert, wie heeft U geslagen ?

De linnen albe (of tunica) duidt dat kleed aan, waarin Herodes met zijne lijfwacht Christus bespotte en Hem tot Pilatus terugzond.

Het cingulum beduidt den strik, waarmede Christus in den hof om het lichaam gebonden werd.

De manipel beduidt-de banden waarmede de heilige handen des Verlossers, even als die van eenen misdadiger, zijn gebonden geworden.

De stola toont liet touw aan, hetwelk men om zijnen hals had geworpen, toen Hij met het kruis dragende naar den Calvarieberg werd gevoerd.

Het miskleed stelt ons het purpergewaad voor, dat men Christus gaf in li\'-t huis van Pilatus,

Het Jcruis op hei miskleed herinnert ons aan liet kruis, hetwelk Christus voor ons gedragen heeft en waarann Hij voor ons heelt gehangen.

De kelk beduidt den bitteren lijdenskelk, welken Christus voor ons vrijwillig heeft gedronken.

Het altaar zelfstelt den Calvarieberg voor, waar eens onze Verlosser zich zeiven tot een b\'oodig offer heeft opgedragen.

De heilige doeken , welke op het altaar liggen uitgespreid , verwijzen naar de doeken, waarin het heilige lichaam van Jesus Christus is ingewikkeld geworden.

18

-ocr page 23-

MISGEBEDEN.

VOORBEREIDING.

De pleclitigste vereeriug, welke wij God kunnen betoonen, bestaat hierin, dat wij Hem een offer brengen , en daardoor onze algeheele afhankelijkheid van hem openlijk bekennen. Wie Gode olfert, die erkent God als het hoogste Wezen, als den Heer en Schepper aller dingen, als den Gever van al het goede, aan wien wij lof, dank, eer en aanbidding verschuldigd zijn. — Wie is dan ons offer ? Het is Jesus Christus zelf, de eeniggeboren Zoon van God, Jen Almachtigen Vader;de Allerhoogste, Reinste en Heiligste, die zich voor ons ten offer geeft; Hij is een offer tot heil der wereld , een offer van oneindige waarde, gelijk God zelf oneindig is.

Ik ben nu voornemens, aan die hooge godsdienstverrichting deel te nemen . welke tot gedachtenis van Jesus dood , tot heil der wereld , is ingesteld. Dat dezelve voor mij geene bloote plechtigheid zij ! Niet mijne tegenwoordigheid, maar mijn levendig geloof, mijne aandacht en vrome gezindheid zal U eeren. Aanbiddende en dankende wil ik het groote werk uwer liefde , dat Jesus door zijnen dood voleindde, betrachten, en mij voorbereiden dat ik de vergeving mijner zonden en alle genade deelachtig kunne worden, welke de vruchten zijn van zijne opoffering in deze heilige verrichting. De heilige Geest leide en versterke mij; Hij zegene geheel mijn pogen. —

19

-ocr page 24-

de heilige mis.

DE HEILIGE MIS,

zoo als de Priester die aan het Altaar leest. ( )

(Uit liet Latijn.)

Priester, {aan den voet des altaars) In den naam des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geestes. Amen. Ik zal ingaan tot Gods altaar.

Dienaar in naam der gemeente. Tot God, die mijne jeugd verblijdt.

PR. Wees mijn rechter, o God, en beslis mijne zaak tegen het onheilig volk ; verlos mij van den boozen en bedriegelijken mensch.

dr. Want Gij, o God , zijt mijne sterkte; waarom hebt Gij mij verstooten ? En waarom ga ik bedroefd, terwijl de vijand mij kwelt?

PR. Zend mij uw licht en uwe waarheid; deze zullen mij leiden; zij zullen mij op uwen heiligen berg en in uwe heilige woningen brengen.

dr. En ik zal ingaan tot het altaar des Heeren, tot God die mijne jeugd verblijdt.

20

PR. Ik zal U loven op de harp, o God, mijn

-ocr page 25-

tgt;e heilige mis. 21

Ci od! Wftarom zijt gij bedroefd, mijne ziel; waaroin ontstelt gij mij?

du. Betrouw op God: want ik zal Hem altijd loven; Hij is mijn heil en mijn God.

pk, Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heiligen Geest.

dr. Gelijk het was in den beginne, en un en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Ameu. pr. Ik zal ingaan tot Gods altaar.

dr. Tot God die mijne jeugd verblijdt. pr. Onze hulp is in den naam des Heeren. dr. Die hemel en aarde gemaakt heeft. pk. Ik belijd voor den almachtigen God, de iipilige Maria, altijd maagd, den heiligen Aartsengel Michaël, den heiligen Joannes den doo-per, de heilige apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen en voor u , mijne broeders , dat ik zeer gezondigd heb , door gedachten, woorden en werken: het is mijne schuld, mijne schuld, mijn« allergrootste schuld. Daarom bid ik de heilige Maria, altijd maagd, den heiligen aartsengel Michaël, den heiligen Joannes den dooper, de heilige apostelen Petius en Paulus, alle Heiligen, en u, mijne broeders, den Heer, onzen God, voor mij te willen bidden.

dr. De almachtige God ontferme zich over u; Hij vergeve u uwe zonden en geleide u tot het eeuwige leven. pr. Amen.

dr. Wij belijden voor den almachtigen God, enz. ( Tot slot zegt hij, in plaats va// mijne broeders: o Vader.)

ps. De almachtige God ontferme zich over u; Hij vergeve u uwe zonden en geleide u tot het eeuwige leven. dr. Amen.

-ocr page 26-

DE HEILIGE MIS.

FR. De «Imachtige en barmhartige Heer ver-leene ous kwijtschelding, ontbinding en vergiffenis onzer zonden.

DR. Amen.

PR. Keer ü tot ons, o God 1 c\\\\ Gij zult ons doen herleven.

dr. En n^v volk zul zicli in U verheugen. pr. Toon ons, Heer, uwe barmhartigheid. ur. En geef ons uw heil.

PR. Heer! verhoor mijn pebed.

dr. En mijn geroep kome tot u.

PR. De Heer zij met u.

dr. En met uwen geest.

pr. ( Terwijl hij op het altaar treedt) Wij bidden TJ, o Heer, neem onze boosheid van ons weg: opdat wij waardig worden met een rein Imt in te gaan tot het heiligdom; door Christus, onzen Heer. Amen.

PR. (huigt zich in het midden des altaars en bidt:) Wij bidden U, o Heer, door de verdiensten van uwe heiligen; wier overblijfselen hier bewaard worden , en van alle overige Heiligen, dat Gij ons onze zonden wilt vergeven. Amen.

pr. (aan den kant van den Epistel) Ik beu het heil mijns volks, spreekt de Heer; ik zal hen verhooren, in welke aangelegenheid zij zich ooit tot mij wenden : ik wil hun God zijn tot in eeuwigheid.

Hoor mijn volk, naar mijne geboden, «mi neig uwe ooren tot de woorden mijns monds.

Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heiligen Geest: gelijk het was in den beginne, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen, Amen.

32

-ocr page 27-

de heilige mis. ^3

1»R. (hl het midden des altaars) Heer! ontferm U onzer.

DR.. Heer, ontferm U onzer.

?r. Heer, ontferm U onzer.

dr. Christus, ontferm U onzer, pu, Christus, ontferm U onzer. dr. Christus, ontferm (j onzer.

pr. Heer, ontferm U onzer.

dr. Heer, ontferm U onzer.

pr. Heer, ontferm U onzer.

Gloria.

pr. Kere zij God in het allerhoogste, en vr^de op aarde den menschen die van uoeden wille zijn. Wij loven TJ; wij prijzen U ; wij annbidden TJ; wij verheerlijken TJ : wij danken TT voor uwe eroote heerlijkheid. Heer God , koning des hemels. God almachtige Vader! Heer Jesus Christus, Heer God, Lam Gods, Zoon des Vaders, dat de zonden der wereld wearneemt, ontferm U onzer: dat de zonden der wereld wegneemt, verhoor genadiglijk ons gebed; die zit aan de rechterhand des Vaders, ontferm U onzer, want Gij alleen zijt heilig; Gij alleen zijt de Heer, Gij alleen zijt de allerhoogste, Jesus Christus, met den heiligen Geest, in de heerlijkheid van God den Vader. Amen.

fr. (Zich tot het volk Tteerende) De Heer zij met u.

dr. En met uwen geest.

PR. Laat ons bidden :

Verleen ons, Heer, genadiglijk uwe onuitsprekelijke barmhartigheid, en verlos ons niet

-ocr page 28-

24quot; de heilig?, mis.

alleen van onze zonden, maar ook van de «traliën, welke wij daardoor verdienen ; door onzen Heer Jesns Christus, uwen Zoon, die met U leeft en heerseht, in deeenigheid des heiligen Geestes , God van eeuwigheid tot eeuwigheid, dr. Amen.

Epistel.

(Ilit de Sohrita van den profeet Jeremias. Kap. li)

Heer! onze zonden getuigen tegen ons, mnar om uws naams wil, heb medelijden met ons. Onze overtredingen zijn menigvuldig; — tegen U hebben wij gezondigd; alleen op U, o Verlosser, berust ten tijde der benaauwdheid de hoop van Israël. O Heer! sta ons bij, om uws naams wil, en verlaat ons niet, o Heer, onze God.

dr. God zij gedankt.

pr. ó Heer! Gij hebt ons gered uit de handen onzer vervolgers : — Gij hebt onze vijanden verootmoedigd. Den ganschen dsg zullen wij God loven, en zijnen heiligen naam in eeuwigheid prijzen.

ó Heer! vergeef ons onze zonden ; opdat de ongeloovigen niet steeds vragen : waar is hun God ?

pr. {In het midden des altaars) Almachtige God! reinig mijn hart en mijne lippen, die dezelven eens den profeet Jesaias met eene gloeiende kool hebt gereinigd: alzoo reinig ook mij door uwe liefdevolle barmhartigheid, opdat ik uw heilig Evangelie waardiglijk moge verkondigen, Door Christus, onzen Heer.

-ocr page 29-

de heilige mis. 25

Heer, zegou ous! Dc Heer zij iu mij 11 hart cn o]) mijne lippen : opdat ik zijn Evangelie waardiglijk en behoorlijk verkondige. Amen. PR. De lieer zij met u.

PR. En met uwen geest.

evangelie.

pr. Het Evangelie, volgens Marc. XI: 22-20. pr. Eere zij U, o God !

pr. In dien tijd sprak Jesus tot zijne leerlingen: Hebt geloof tot God ! —Want ik verzeker u, wie tot dezen berg zegt: heft n op en stort u in de zee, — en in zijne ziel niet daaraan twijfelt , maar gelooft dat het geschieden zal, wat hij zegt, zoo zal aan dezen worden wat hij zegt. Daarom zeg ik u: alles, waarom gij Hem zult bidden , gelooft, dat gij het zult verkrijgen, en gij zult het ontvangen. En als gij u stelt om te bidden, zoo vergeeft, indien gij iets tegen iemand hebt; opdat nw Vader in den hemel ook n de zonden vergeve. — Maar indien gij niet vergeeft, zoo zal nw hemelsehe Vader ook u niet vergeven. pr. Lof zij U, o Christus.

C r e d o.

Ik geloof in éénen God , den almaehtigen Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen ; en in éénen Heer, Jesus Christus, den eeniggeboren Zoon van God, uit den Vader voor alle eeuwen ge-

-ocr page 30-

2f) DE HEILIGE MIS.

boren; God van God; licht vau licht; waarachtig God van den waarachtigen God; geboren en niet gemaakt; één wezen met den Vader, door wien alle dingen gemaakt zijn : die om ons menschen en om onze zaligheid uit den hemel is nedergedaald en het vleescii heeft aangenomen door den heiligen Geest, uit de maagd Maria, en is mensch geworden. Hij is ook voor ons gekruist onder Pontius Pilatus, Hij heeft geleden en is begraven en ten derden dage is Hij verrezen, volgens de Schriften. Hij is opgeklommen ten hemel en zit aan de rechterhand des Vaders. Hij zal met heerlijkheid wederkomen , om de levenden en dooden te oordeelen, wiens rijk geen einde zal liebben. Tk geloot\' ook in den heiligen Geest, den Heer en levendmaker , die uit den Vader en den Zoon voortkomt, die met den Vader en den Zoon zamen aangebeden en verheerlijkt wordt; die door de Profeten gesproken heeft.— Ik geloof ééne heilige, kathol ij ke en aposte-lijke Kerk. Ik belijd een doopsel tot vergitlenis der zouden, en ik verwacht de verrijzenis der dooden en het eeuwige leven, Amen.

Ofte r tori u 111.

PR. De Heer zij met u.

uil. En met uwen geest.

PR. Laat ons bidden : Waaneer ik mij ook te midden van droefenissen bevind, zult Gij, o Heer, mij opbeuren. Gij zult uwe hand uitstrekken over de grimmigheid mijner vijanden, en uwe rechterhand zal mij houden.

-ocr page 31-

UF. IIEILIRF MIS

Bij de Opoffering van hei Brood.

ó Heilige Vader, almachtige, eeuwige God! ontvang deze onbevlekte offerande , welke ik, uw onwaardige dienaar, U, mijnen levenden en waarachtigen God, opdraag voor mijne tal-looze zouden, beleedigingen eu verzuimenis-sen, — en voor allen die hier tegenwoordig zijn; als ook voor alle geloovige Christenen, levenden en overledenen; opdat het mij eu hun diene tot zaligheid en ten eeuwigen leven. Amen.

Bij de vermeDjiog van het Water met den WijD.

ó God, die de waardigheid der menschelijke natuur op eene wonderbare wijze geschapen eu nog verwonderlijker hersteld hebt : geef ons, door het geheim van dit water en dezen wijn, deelachtig te worden aan de godheid desgenen , die zich gewaardigd heeft onze mensche-lijke natuur aau te nemen : Jesus Christus, uw Zoon, onze Heer, die met U leeft en regeert, iu eenheid des heiligen Geestes, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Bi] de Opoffering des Waters en Wijns in den Selk.

Wij otferen U, o Heer, deu kelk des heils, en bidden uwe goedertierenheid, dat dezelve voor oivze zaligheid eu voor die der gansche wereld; met eenen aangenameu geur, tot voor

27

-ocr page 32-

1)F, HEILIGE MIS.

liet aanschijn uwer goddelijke niajesieit op-klimnic. Amen.

PR. (met neergebogen hoofd:) lu den geest van ootmoedigheid en met een vermorzeld hart, laat ons, o Heer, door U worden aangenomen , en dat heden onze ofl\'erande in uwe tegenwoordigheid zóó geschiede, dat zij aan U, o God, aangenaam zij.

De Priester zegent het Brood en den Wijn

Kom, Heiligmaker, almachtige, eeuwige God, en zegen deze offerande, welke wij voor uwen heiligen naam bereid hebben.

Bij het wasschen der handen.

In onschuld, o Heer, zal ik mijne handen wasschen, en dan tot uw altaar naderen.

Opdat ik luide dankliederen aanhefte, en uwe wonderen vertelle.

o Heer! ik bemin den luister van uw huis en de plaats waar uwe heerlijkheid troont.

Raap mij niet weg, gelijk den zondaar; beneem mij het leven niet, gelijk den bloeddor-stigen, in wier handen ongerechtigheden zijn en welker rechterhand vol geschenken is.

Nochtans, ik wandel in onschuld-, red mij en wees mij genadig.

Mijn voet wandelde op den nchten weg: in de vergadering uwer geloovigen zal ik u prijzen , o Heer!

Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heilgen Geest; gelijk het was in den beginne, en nu en altijd, en iu de eeiiwen der eeuweu. Amen.

28

-ocr page 33-

de heilige mis.

pb. (i/i het midden des altaars) Ontvang genadiglijk, heilige Drievuldigheid, deze offerande , welke wij ü opdragen ter gedachtenis van het lijden , van de verrijzenis en hemelvaart onzes Heeren Jesus Christus, ook ter tere van de zalige, altijd zuivere maagd Maria, van den heiligen Joannes den dooner, van de heilige apostelen Petrus en Paulas, en van alle Heiligen ; opdat deze offerande hun tot eer en ons tot zaligheid verstrekke, en zij zich gewaar-digen in den hemel voor ons te bidden, wier gedachtenis wij hier op aarde vieren; door Christus onzen Heer. Amen.

pr. {zich tot het volk wendende zerjt;) Bidt, broeders, opdat mijne en uwe offerande aangenaam worde bij God, den almaehtigen Vader.

dr. De Heer neme de offerande uit uwe handen aan, tot lof en verheerlijking zijns naams, tot ons voordeel en van zijne gansche heilige Kerk.

pr. Amen.

De stille Gebeden.

pr. ó Heer! wij smeeken U, reinig ons door dit tegenwoordig offer , en laat ons waardig aan hetzelve deelnemen : door Jesus Christus , onzen Heer, die met U en den heiligen Geest, als een eenig God leeft en regeert, door alle eeuwen der eeuwen. pr. Amen.

De Prefatie.

pk. De Heer zij met u.

dr. En met uwen geest.

39

-ocr page 34-

de heilige mis.

pk. Heft uwe harten omhoog.

du. Wij hebben die tot den Heere opgeheven. pk. Laat ons den Heer, onzen God, dankzeggen.

i)r. Dat is billijk en rechtmatig. PR. Waarlijk, het is billijk en reehtmatig, betamelijk en heilzaam , dat wij U, heilige Heer, almaehtige Vader, eeuwige God, altijd en overal dankbetuigen, door Christus ouzen Heer, door wien de engelen uwe Majesteit loven , de heerscharen ü aanbidden, de machten sidderen, de hemel en de krachten der hemelen, gelijk de zalige serafs, met groote vreugd uwen heiligen naam eenstemmig loven. Wij bidden U, laat ook onze stemmen met den lof en de dankzegging van die allen tot U komen, terwijl wij vol ootmoed belijden en zeggen : Heilig heilig, heilig is de Heer, de God Sabaoth. Hemel en aarde zijn vol van uwe heerlijkheid. Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren ! Hosanna in de hoogste plaatse!

Stille 31is.

pk. Goederlierenste Vader! wij bidden U oot-moediglijk, door uwen Zoon , onzen Heer Jesus Christus, dat Gij deze gaven, deze giften, deze heilige onbevlekte offerande, welgevallig wilt aannemen en zegenen. Wij dragen U deze offers inzonderheid op voor uwe heilige katho-lijke Kerk ; opdat gij dezelve dooi de geheele wereld in eeuigheid der liefde en des vredes wilt bewaren en besturen : dat Gij moogt zegenen met de volheid uws zegens uwen dienaar,

30

-ocr page 35-

DE HEILIGE MIS.

onzen Paus N., en onzen bisschop K., en alle oprechte vereerders van het ware, katholijke en apostolijke geloof.

Voorbede voor onze levendeMedecliristcneii, voor welke wen bijzonderlijk wil bidden.

Heer! wees gedachtig aan uwe dienaren en dienaressen N. N,, en aan alle aanwezigen, wier geloof en godsvrucht U bekend is — voor welke wij U — of die TJ dit lof- en dankoffer opdragen , zoo voor zich zeiven als voor hunne nabestaanden, ter verlossing hunner zielen, tot hoop van hunne zaligheid en welvaart, en die U, den eeuwigen, levenden, waren God, hunne geloften aanbieden.

Gedachtenis van de Heiligen.

Wij houden ook de gemeenschap en gedachtenis der altijd lofwaardige, zuivere maagd Maria, de Moeder van onzen lieer Jesus Christus ; van de heilige Apostelen en bloedgetuigen Petrus en Paulus, Andreas, Jacobus. Joannes, Thomas, Jacobus, Philippus, Bartholomeus, Mattheus, Simon en Thadeus, van den heiligen Linus, Cletus , Clemens, Syxtus, Cornelius , Cyprianus, Lanrentius, Chrysogonus, Joannes en Paulus, Cosmus en Damianus, en van al uwe Heiligen, door welker verdiensten en voorbeden Gij ons in alle aangelegenheden hulp en bescherming wilt verleenen; door den-zelven Jesus Christus, onzen Heer. Amen.

31

-ocr page 36-

DE HEILIGE MIS.

Voor de Consecratie.

Zie dan, o Heer , genadiglijk neder op deze gaven, welke wij, uwe dienaren, en al uwe kinderen, U offeren, en hat onze bede verhoord worden : dat onze da^en zacht henen vlieden in vrede: dat wij van de eeuwige verdoemenis bevrijd en onze uamen onder liet getal uwer uitverkoorneu geplaatst mogen worden; door Christus, onzen Heer. Amen.

Wij bidden, o God. verleen naar uwe genade , dat deze offerande tjanseh gezegend, ü gewijd, geheiligd, redelijk en welgevallig zij: opdat het voor ons het lichaam en bloed van uwen geliefden Zoon Jeans Christus, onzen Heer, worde. —

(Uier worden de woorden van de Consecratie (/esproken.)

Gebed bij de opheffing der heilige Hostie.

o Heer! Gij zijt Jesus Christus, de Zoon van den levenden God, zelve met vleesch en bloed hier tegenwoordig. Ik aanbid U met den diepsten eerbied en ootmoedigheid. Gij mijne toevlucht, mijne hoop, mijne liefde! Gij zijt mijn God en mijn al. Aan U draag ik mijn hart op. O, dat alles in mij werke tot een vroom en heilig leven. Amen.

Gebed bij de Oplict\'üng des heiligen Keiks, met liet heilige Bloed.

O waarachtig en levendig Bloed van Jesu» Christus! ik aanbid ü met alle engelen en

33

-ocr page 37-

DE HEILIGE MIS.

heiligen. Gij werdf tot mijn heil en tot verzoening vergoten. Wasoh de menigte mijner zonden af, reinig en sterk mijne ziel tot het eeuwig leven ! Amen,

Na de Consecratie.

Wij, nwe dienaren en uw heilig volk, zijn daarom ook indachtig, o Heer, het zaligmakende lijden , de verrijzenis van den dood en de heerlijke hemelvaart van denzelfden Christus, uwen Zoon, onzen Heer; en ofleren voor uwe verhevene Majesteit van uwe graven en giften eene reine ufferande ^ eene heilige offerande , eene onbevlekte offerande, het heilige brood des eeuwigen levens, en den kelk der eeuwige zaligheid.

Wil, o Heer ,met eenen genadigen en gun-stigen blik op deze oflerande nederzien en laat U dezelve aangenaam zijn, zoo als Gij u ge-waardigd hebt met welgevallen aan te nemen de offerande van Abel, de offerande van onzen aartsvader Abraham , en de heilige, reine offerande, welke U uwe hoogepriester Melchisedech heeft opgedragen.

Almagtige God! in diepe ootmoedigheid smeeken wij U, laat deze offerande, door de handen uws heiligen engels gedragen worden op uw verheven altaar, voor het aanschijn uwer goddelijke Majesteit; opdat allen, welke aan het heilig Ligchaamen BloeduwsZoons, door genot van dit altaar geheim, deel nemen, vervuld mogen worden met alle hemelsche zegeningen en alle gebeden; door denzelfden Christus, ouzeu Heer. Amen.

33

3

-ocr page 38-

DE HEILIGE MIS.

Ue priester bidt voor de Overledeneu.

Wees ook, Heer , eed achtte aan uwe dienaren en dienaressen N. N. die ons met het teeken des peloofs zijn voorgegaan en in de sluimerin? des vredes rusten. —Verleen hun en allen die in Christus rusten, de plaats der verkwikking, des lichts en des vredes; door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.

Laat ook eenmaal ons zondaren, uwe dienaren , die op uwe groote barmhartigheid vertrouwen , deelnemen aan het gezelschap uwer heilige apostelen en martelaren , met den heiligen Joannes, Stephanus , Mattheus, Barnabas , Ignatius, Alexander,Marcellinus,Petrus, Felicitas, Perpetua, Agatha , Lucia , Agnes, Cecilia, Annastasia, en met al uwe dienaren en heiligen. Neem ons aan in hunne gemeenschap, niet om onze verdiensten, maar om uwe barmhartigheid, krachtens welke Gij gaarne vergeeft : door Christus, onzen Heer, door wien Gij alles voortbrengt en onderhoudt, wat goed is , en heiligt , en bezielt, en zegent, en ons schenkt. Door Hem, met Hem en in Hem hebt Gij, o God , almachtige Vader, in eenheid des heiligen Geestes , alle eer en heerlijkheid, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Na de stille Mis.

PR. Laat ons bidden. Door heilzame geboden opgewekt, en door goddelijk onderricht onder-

34

-ocr page 39-

de heilige mis. 35

we/eu, durven wij zegden : Onze Vader, die in de hemelen.zijt; uw naam worde geheiligd : ons foekome uw rijk ; uw wil geschiede op de aarde, gelijk in den hemel; geef ons heden ons dagelijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren ; en leid ons niet in bekoring. dr. Maar verlos ons van den kwade. pr. Amen. Wij bidden U , o Heer, verlos ons van alle verleden, tegenwoordig en toekomstig kwaad, en verleen ons, door de voorbede der zalige en glorierijke, altijd reine maagd Maria , moeder van God, en door die van uwe apostelen Petrus en Paulus , Andreas en alle heiligen , genadiglijk vrede in onze dagen; opdat wij, door den bijstand uwer barmhartigheid, steeds van alle zonden bevrijd en van alle dwaling bewaard blijven ; door Jesus Christus, uwen Zoon , onzen Heer, die met U,in eenheid des heiligen Geestes, leeft en regeert, God in alle eeuwen der eeuwen, dr. Amen. pr. De vrede des Heeren zij altijd met u. dr En met uwen geest.

pr. (laat een Mem gedeelte der heilige Hostie in den kelk vallen en zegt) : Deze vermenging en zegening van het Ligchaam en Bloed onzes Heeren Jesus Christus gedije ons, die ze nuttigen, tot het eeuwige leven. Amen.

ó Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer.

o Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld , ontferm U onzer.

ó Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verleen ons den vrede.

-ocr page 40-

DE HEILIGE MIS.

Vuur de heilige l\'ommuuie,

PR. O Heer Jesus Christus, die tot uwe apostelen gezegd hebt: „Ik laat u mijnen vrede; Ik geef u mijnen vredequot; zie niet op mijne zonden , maxr op het g«loof uwer Kerk, en verleen haar, volgens uwen wil, vrede en eendra,?t: d^e daar leefc en heerscht, in alle eeuwiuhpid Am^n.

Heer, Jesu:- Christus , Zoon van den levenden God, die volgend den wil uvvs Vaders, ouder medewerking des heiligen Geeates, door uwen dood aan de wereld het leven hebt wedergegeven : verlos mij door dit uw allerheiligste Ligchaam en Bloed van al mijne zooden en alle ongeregtigheden; en verleen mij de genade, dat ik uwe geboden steeds opvolge en nimmer van TJgescheiden worde: die daar leeft en heerscht, met God den Vader, en den heiligen Geest, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Heer, Jesus Christus ! laat de nuttiging van uw heilig Ligchaam, dat ik wil ontvangen, niet strekken tot mijn oordeel en mijne verdoemenis , maar door uwe goedertierenheid mij voordeelig zijn tot bescherming en zaligheid van mijn ligchaam en mijne ziel; die daar leeft en regeert, met God den Vader , in eenheid des heiligen Geestes, God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Communie.

Ik zal het hemelsch brood onivangeii en den naam des Heeren aanroepen.

36

-ocr page 41-

DE HEILIGE MIS. 37

„ O Heer! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek alleen één woord , en mijne ziel zal gezond worden.quot;

„O Heer! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek alleen één woord, en mijne ziel zal gezond worden.quot;

„O Heer! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek alleen één woord, en mijne ziel zal gezond worden.quot;

„ Het Ligchaam van onzen Heer Jesns Christus, beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.

Wat zal ik den Heer vergelden voor alles , wat Hij aan mij verleend heeft? Ik zal den zaligmakenden kelk nemen , en den naam des Heeren aanroepen. Al lovende zal ik den Heer aanroepen, en ik zal van mijne vijanden verlost worden.

Het Bloed van onzen Heer Jesus Christus beware mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.

Na de Oonnnuie.

O Heer ! geef dat wij, hetgeen wij met den mond genuttigd hebben, in een rein hart bewaren, en dat deze tijdelijke gave ons een geneesmiddel worde voor de eeuwigheid.

O Heer! laat uw ligchaam , \'t welk ik genuttigd en uw Bloed, dat ik gedronken heb , zich vereenigen in mijn binnenste , opdat in mij, die met reine en heilige Sakramenten ben gelaafd geworden, geen vlek der zonde ver-blijve: die leeft en regeert ,in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 42-

38 de heilige mis.

Zoo dikwijii gij dat brood eet en dezen drinkbeker drinkt, zoo verkondict den dood des Heeren , tot dat Hij komt. Wie alzoo dit Brood onwaardiglijk eet, of den kelk des Heeren onwaardiglijk drinkt, die maakt zich schuldig aan het Bloed des Heeren.

PR. De Heer zij met u.

dr. En met uwen geest,

PR. Laat ons bidden.

Wij bidden U, o Heer, bevrijd ons van alle aardsche driften; opdat wij streven naar de volheid van het hemelsch geheim, welks voorsmaak Gij ons door dit heilig Sakrament verleend hebt\', door Jesus Christus onzen Heer, die met U en den heiligen Geest, een eenig God, leeft en regeert, in eeuwigheid, Amen.

PR. De Heer zij met u,

dr. En met uweu geest.

PR. Gaat henen , de offerande is volbracht.

dr. Gode zij dank.

PR. Laat, o heilige drievuldigheid, deze betuigingen van mijne onderworpenheid U welgevallig zijn, en verleen, dat deze oiftirande , welke ik onwaardig voor uw goddelijk aanschijn verricht heb, U aangenaam zij en mij en allen, voor welke ik dezelve heb opgedragen , door uwe barmhartigheid: tot eene verzoening verstrekke: door Christus onzen Heer. Amen.

-ocr page 43-

Dl HBILIamp;E MIS.

BE ZEGÏN.

PR. De almachtige God; de Vader, de Zoon , en de heilige Geest zegene u.

DR. Amen.

PB. De Heer zij met u.

DB. En met uwen geest.

PB. Het begin van het Efangelie van den H. Joannes.

DR. Eer zij U o Heer.

PR. In het begin was het Woord, en liet Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in het begin bij God- alle dingen zijn door het zelve gemaakt, en zonder hetzelve is er niets gemaakt, van hetgeen er gemaakt is. In hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen, en het licht schijnt in de duisternissen ; en de duisternissen hebben het niet begrepen. Er werd een mcnsch door God gezonden , wiens naam was Joannes; deze kwam tot getuige, om getuigenis te geven van het licht : opdat zij allen door Hem zouden gelooven. Deze was het licht niet; maar om getuigenis te geven van het, licht. Hij (Gods Zoon) was liet waarachtig licht, hetwelk alle mensclien verlicht, die in de, wereld komen. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt , en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam in zijn eigen , doch de zijnen hebben Hem niet aangenomen Maar allen, die Hem aangenomen hebben , heeft 11 ij macht gegeven, om Gods kinderen te worden ; namelijk : degene die in Hem geloo-

39

-ocr page 44-

40 de vesper-psalmen

ven, welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. En (dit zeggende \'knielt men) het Woord is vleescn geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben ziine heerlijkheid gezien; eene heerlijkheid als van den eenig geboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid. dr. Gode zij dank.

DE VESPER-PSALM O

VOOR DEN ZONDAG,

ó God! kom mij te hulp. — Heer! haast U mij te helpen.

Eere zij den Vader, en den Zoon, en den heiligen Geest; gelijk in den beginne, zoo nu, cn altijd, en in eeuwigheid. Amen.

Lof zij U, Heer, koning der eeuwige heerlijkheid.

Psalm 109.

De Heer heeft gesprohen tot mijnen Heer: zit aan mijne rechterhahd , tot dat ik uwe vijanden stelle tot eene voetbank uwer voeten.

De schepter uwer mncht zal de Heer uit Sion doen komen; heerscht in het midden uwer vijanden.

-ocr page 45-

VOOR DEN ZONDAG, 4lt;]

Bij U is het vorstendom ten dagr uwer kracht, met vollen lu\'ster van heiligheid: voor de morgensterre heb ik u uit den schoot geteeld.

De Heer heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen : gij zijt priester in eeuwigheid , naar de orde van Melchisedech.

De Heer is aan uwe rechterhand; en zal koningen vernielen, ten dage zijne gramschap.

Hij zal gerecht houden over de volken; Hij zal de verwoesting vermeerderen; de hoofden van vele landen verdelgen.

Uit de beek aan den weg zr.1 Hij drinken ; en daarom zal Hij zijn hoofd verheffen.

Eere zij den Vader , enz.

Psalm 110,

Ik zal U loven, Heer, met geheel mijn hart; in den raad der rechtvaardigen en in de vergadering.

Groot zijn de werken des Heeren, uitgelezen naar zijnen volmaakten wil.

Lofwaardig en heerlijk is zijn werk; en zijne rechvaardigheid duurt eeuwiglijk.

Een gedenkteeken zijner wonderen—heeft de genadige en barmhartige Heer gesteld; Hij heeft spijze gegeven aan degenen, die Hem vreezen.

Hij gedenkt in eeuwigheid zijn verbond : de kracht zijner werken heeft Hij zijn volk bekend gemaakt.

Terwijl Hij hun het erfdeel der heidenen

-ocr page 46-

DE VESPER-PSALMEN

gegeven heeft: de werken zijner handen zijn waarheid en rechtvaardigheid.

Al zijne bevelen zijn getrouw, voor alle eeuwen bevestigd , gemaakt volgens waarheid en billijkheid.

Hij heeft verlossi ag aan zijn volk gezonden; Hij heeft voor eeuwig zijn verbond vaatgeeteld.

Heilig en ontzaggelijk ia zijn naam ; de vreeze des Heeren is het begin der wijsheid.

Het verstand is goed voor allen, die er naar doen ; zijn lof blijft in alle eeuwigheid.

Eere zij den Vader, enz.

Psalm 111.

Gelukzalig de man, die den Heer vreest, die groot genoegen vindt in zijne geboden.

Zijn zaad zal magtig zijn aarde; het geslacht der oprechten wordt gezegend.

Eer en rijkdom zullen in zijn huis zijn, en zijne rechtvaardigheid danrt in eeuwigheid.

Voor de oprechten is een liclil opgegaan in de duisternis; want de Heer is genadig en barmhartig en rechtvaardig.

Gelukzalig de man, die medelijden heeft en uitleent; die zijne woorden met oordeel schikt : want hij wankelt niet.

De rechtvaardige zal in eeuwig aandenken zijn ; hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen.

Zijn hart is bereid en hoopt op den Heere; zijn hart is versterkt, hij vreest niets, tot hij op zijne vijanden kan nederzien.

Hij deelt uit en geeft den armen; zijne reeht-

43

-ocr page 47-

VOOR DEN ZONDAG. 43

vaardigheid duurt eeuwiglijk: zijn hoofd wordt in heerlijkheid verhoogd.

De boosdoener zal het zien en toornig worden, hij zal op zijne tanden knarsen en uittee-ren; de begeerten der zondaren zijn verloren.

Eere zij den Vader, enz.

Psalm 112.

Looft den Heer, gij zijne dienaars; looft den naam des lleeren.

De naam des Heeren zij gezegend: van nu af tot in eeuwigheid.

Van den opgang der zon tot haren ondergang, zij den naam des Heeren geloofd.

Verheven boven alle volkeren is de Heer; en zijne heerlijkheid boven de hemelen.

Wie is gelijk de Heer onze God, die in de hoogte woont, en het nederige in den hemel en op aarde gadeslaat P

Die den geringen opricht uit het stof, en uit den drek den armen verhoogt.

Om hem te plaatsen nevens de vorsten, nevens de vorsten zijns volks.

Die de onvruchtbare doet wonen in een huisgezin, en haar maakt tot eene blijde moeder van kinderen. Alleluja!

Eere zij den Vader, enz.

Psalm 113.

Als Israël uit Egypte toog; Jacobs geslacht uit een vreemd volk :

Toen werd Juda zijn heiligdom : Israël zijne heerschappij.

-ocr page 48-

44 DE YESPER-PSALMEN

De zee zag het en vlood; de Jordaan keerde terug.

De bergen sprongen op als rammen, en de heuvels als jonge lammeren.

Wat is u, o zee, dat gij vliedt, en u Jordaan , dat gij terugkee rt ?

Dat gij, bergen, opspringt als rammen, en gij heuvels als jonge lammeren!

Voor het aanschijn des Heeren beefde de aarde; voor het aanschijn van Jacobs God; die de rots in eene waterbron verandert en de steenen in waterwellen.

Niet ons, o Heer, niet ons, maar geef de eer aan uwen naam, om uwer barmhartigheid en waarheid wil: opdat de heidenen niet zeggen ; waar is hun God? Want onze God is in den hemel: Hij doot al wat Hem behaagt.

De afgoden der heidenen zijn zilver en goud; werken van menechen handen.

Zij hebben eenen mond maar spreken niet, oogen hebben zij, maar zien niet.

Zij hebben ooren, doch hooren niet; eenen neus hebben zij , doch ruiken niet.

Zij hebben handen, doch tasten niet; voeten hebben zij, doch kunnen niet gaan; zij geven met hunne keel geen geluid.

Die dezelve maken, worden hun golijk; en allen , die op hen vertrouwen.

Het huis van Israël hoopt op den Heer ; Hij is hun helper en beschermer.

Het huis van Aaron hoopt op den Heer : Hij is hun helper en beschermer.

Die den Heer vreezen , hopen op den Heer : Hij is hun helper en beschermer.

-ocr page 49-

VOOK DEN ZONDAG. 45

.Üc Heer is onzer indaelifig en zegent uns; Hij zegent het huis van Israël, Ifij zegent het huis van Jacob.

Hij zegent allen, die den Heer vree/en ; kleinen en grooten.

Zijt gezegend van den Heer, die hemel en aarde l emaakt heeft.

De hemel der hemelen is voor den Heer; maar den menschen kinderen heeft Hij de aarde begeven.

De dooden zullen U niet loven, o Heer, noch die in deu kuil nederdalen.

Maar wij, die leven, zullen U loven, o Heer, van nu af tot in eeuwigheid.

Eere zij den Vader, enz.

Gezegend zij God, de Vader on zes Heeren Jesus Christus, de Vader der ontfermingeu, en de Goil van alle vertroosting, die ons troost in alle droefeuissen.

Bemint elkander, gelijk ik u bemind heb. Daaraan zult gij erkennen, dat gij mijne volgelingen zijt, indien gij u wederkeerig lief hebt, — Weest daarom weldadig, barmhartig, toegevend jegens elkander, gelijk God in Christus zich goedertieren en genadig jegens ons bewezen heeft... Volgt God na, als zijne geliefde kinderen, en wandelt in de liefde: gelijk ook Christus ons heeft lief gehad en zich voor ons heeft overgegeven tot eene offerande, die aan God welgevallig\' was.

O—^

-ocr page 50-

quot;DE VESPER-P8ALMBN

DE MAaWIFICAT.

Mijne ziel lofprijst den Heer, en mijn geest juicht tot God, mijnen Heiland.

Dat Hij de nederigheid zijner dienstmaagd gadesloeg; zie, van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen.

Want Hij, die machtig is, heeft groote dingen aan mij iredaan ; en heilig is zijn naam.

En zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over degenen die Hem vreezen.

Hij liet zijnen arm machtig werken; Hij verstrooide degenen, wier hart vol hoogmoed is.

Hij stiet machtigen van den troon en verhoogde de nederigen.

De behoeft igen vervulde Hij met goederen, en de rijken zond Hij ledig henen.

Hij heeft Israël, zijnen Zoon, opgenomen, indachtig (gelijk Hij beloofd heeft) zijner barmhartigheid over Abraham en zijn zaad, tot in eeuwigheid.

Eere zij den Vader, enz. Alleluja!

Hoe zal ik U loven, o mijn God! Daar Gij zonder mijn toedoen mij geschapen hebt, naar uw welbehazen, zoo bestaat ook uw lot\'zonder mijn toedoen. Voor U, o Heer, zijt Gij zelf uw lof! Volgens uwe onmetelijke grootheid, moeten U uwe werken loven! Uw lof is onuitsprekelijk; wijl uwe grootheid onuitsprekelijk is. Uw lof laat zich niet bevatten in het hart, niet meten met den mond, niet vernemen door het oor; want dit alles gaat voorbij, maar uw lof blijft eeuwiglijk. Onze menschelijke ge-

40

-ocr page 51-

VOOH PPN ZONDAG. 4-7

dachten beginneu en eindigen; het woord wordt gehoord en de klank vervliegt : maar uw lol* staat eeuwi? vast.

Wie zoude nu uwen lof waardiglijk kunnen verkondi?en? Diegene looft. IJ, die gelooft, dat Gij zijn lof zijt. Diegene looft U, die van zich zei ven overtuigd is, dat hij niet in staat is uw lof te vermelden. Niet wij loven U, o Heer, Gij looft door U en looft ü zeiven. Wij zeiven bezitten slechts dan waren lof, wanneer wij door U geloofd worden. Zoo dikwijls wij van eenen anderen dan van IJ lof zoeken, ver-liezpu wij den uwe. Verlangen wij de onvergankelijke eer, dan kunnen wij de vergankelijke niet beminnen. O Heer! laat mij U bezitten, dan kan ik U loven. Want wat hen ik uit mij-zelven , dat ik TJ zoude loven? Stof en assche beu ik, een worm en verrotting. Hoe kan het vleesch den geest loven, die aan alle vleesch leven g^eft ? Kan de duisternis het licht loven of de dood het leven ? Kan een ijdel niets de loutere waarheid loven ? Zal mijne bouwvalligheid U waarditr loven of mijn sterfelijk wezen, dat heden is en morcen verdwijnt? Heer ! hoe zoude de mensch, die in zonden ontvangen en geboren is , ü betamelijk kunnen loven ? Zekerlijk klinkt het woord lof niet schoon in den mond des zondaars. Daarom love U, o Heer, mijn God, uwe onuitsprekelijke magt, uwe onbegrensde wijsheid en goedertierenheid; ü love uwe alle gedachten te bovengaande barmhartigheid, uwe eeuwige kracht en goedheid. Op uwe goedertierenheid vertrouw ik, want door haar hebt Gij mij ge-

-ocr page 52-

4-8 DE VESl\'ER-PSALMKN.

schapeu. Laat uw schepsel, dat door uwe liefde gevormd is, niet te groude gaan in de ellende der zonde. Bewaar, o Heer, wat Gij geschapen hebt; onderhoudt Gij mij niet, dan keer ik in het niet terug. Het was niet mijne verdienste , dat Gij mij het aanwezen gaaft, maar uwe liefde. O mogte deze zelfde liefde U doen besluiten, mij te leiden en te regeeren. Red mij, Heer! uwe hand is niet verkort, dat zij mij niet zoude kunnen helpen , en uw oor is niet hard, dat het niet zoude hooren. Heer! verhoor mij; Heer! om uws naams wille. Amen.

-ocr page 53-

DE NAVOLGmG

VAN

Qeamp;n» ©ijvi^twö.

lt;$amp;amp;

EERSTE BOEK.

Nuttige lessen voor het geestelijk leven.

T. HOOFDSTUK.

Over de navolging van Christus en de verachting van alle wereldse he ij delheden,

1. Wie mij volgt, wandelt niet in de duisternis , zegt de fleer. (Joan. 8.) Dit zijn de woorden vun Christus, waardoor Hij ons vermaant zijn leven en gedrag na te volgen , willen wij waarlijk verlicht en van alle blindheid des harten verlost worden.

4

-ocr page 54-

50 DE NAVOLG ING VAN JESUS CHRISTUS.

Onze voornaamste bezigheid zij dus over het leven van Jesus Christus na te denken.

2. De leer van Christus overtreft al de leerinpen der Heiligen. Wie zijn geest bezit, moet daarin een verborgen hemeïspijze vinden.

Maar velen, na het Evangelie dikwijls gehoord te hebben, gevoelen er geen grooter verlangen naar, omdat zij den geest van Christus niet bezitten.

Wie dan de woorden van Christus ten volle wil verstaan en smaken, trachte zijn geheel leven Hem gelijkvormig te maken.

3. Wat baat het u diepzinnig over de Drievuldigheid te twisten, zoo het u aan ootmoed ontbreekt, en gij dus der Drievuldigheid mishaagt ?

Waarlijk, verheven woorden maken den heilige en rechtvaardige niet; maar een deugdzaam leven maakt behaaglijk aan God.

Ik wensch liever berouw te gevoelen, dan daarvan de beschrijving te kunnen geven.

Al wist gij den ganschen Bijbel van buiten met al de gezegden der wijsgeeren, wat aou u dit alles baten zonder de liefde en genade Gods ?

IJdelheid der ij delheden, alles is IJdelheid , ( Eccl. 1.) behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.

De hoogste wijsheid is deze : door de verachting der wereld naar het rijk des hemels te streven.

4. Het is dus ijdelheid verganklijke rijk-

-ocr page 55-

I. BOEK. I. HOOFDSTUK. 51

dommen te zoeken en daarop te vertrouwen.

Ook is het ijdelheid eergierig te zijn en zich tot een hoosren staat te verheffen.

IJdelheid is het de lusten des vleesches te volgen en datgene te verlangen, wat eens zwaar moet worden gestraft.

Het is ijdelheid een lang leven te wen-schen en zich weinig om een goed leven te bekommeren.

IJdelheid is het alleen te letten op het tegenwoordige leven en niet te voorzien wat er op volgen moet.

Het is ijdelheid zich te hechten aan hetgeen zoo haastig voorbijgaat, en zich niet derwaarts te spoeden, waar de vreugde eeuwig blijft.

5. Denk dikwijls aan deze spreuk: het oog wordt niet verzadigd van zien, noch het oor van hooren. (Eccl. 1.)

Tracht dan uw hart van de liefde tot het zichtbare af te trekken, om het te keeren tot het onzichtbare.

Want die hunne zinlijkheid opvolgen, bevlekken hun geweten en verliezen de genade Gods.

OETENING.

Om Jesus Christus volmaakt, te vereeren, en door de eer, die meu Hem bewijst, den plicht van een oprecht Christen te vervullen, moet men zich bevlijtigen om Hem te kennen, te beminnen en na te volgen : dit is volstrekt noodzakelijk tot het «euwige heil van al de Christenen, die niet Christen zijn

-ocr page 56-

52 1gt;E NAVOLGING VAN JfcSÜ» CHRISTUS, dan door de kennis, door de liefde cn de navolging van onzen Zaligmaker. Zich laten voorstaan van den Heer behagelijk te zijn door de verhevene kennissen, welke men van zijne Godheid heeft, zonder te trachten zijne voorbeelden te volgen en te leven zoo als Hij geleefd heeft, dit is de gevaarlijkste aller ijdelheden.

GEBED,

Dierbare Heiland ! eenige weg tot waarheid en tot leven ! getrouwe leidsman op het pad der deugd! aangenaam is mij uwe uitnoodi-ging. Ja ik wil U voleen en zal dus niet in het duistere dwalen. Uwe leer zal mij een fakkel, uw voorbeeld een gids zijn. Geene wereldsche ijdelheid zal mijn hart meer boeien. Ik zal het daarboven trachten te verheffen, om het te vrijer aan den heilzamen invloed uwer voorschriften over te geven. Zegen dit mijn besluit en help het volbrengen.

TWEEDE HOOEDSTUK.

Over de gering achting van zichzelven.

1. Ieder mensch is van nature begeerig naar kennis : maar wat baat de wetenschap zonder de vreeze Gods ?

Beter voorwaar is een nederig landman die God dient, dan een hoogmoedig wijsgeer die, terwijl hij zichzelf vergeet, den loop der at er ren naspoort.

-ocr page 57-

ï. BOEK. II. HOOFDSTUK. 53

Wie zichzelven recht kent,, wordt gering in zijn eisen oo{?pn en vindt ^een vermaak in den lot\' der raenschen.

Al wist ik alles wat er in de wereld is, en ik had de liefde niet; vat zou \'t mij baten voor God, die mij oordr\'elen zal naar mijne daden ?

3. Ontdoe u van een te grooten weetlnst : want daarin wordt a:roote verstrooiing en bedrog gevonden.

Die veel weet wil gaarne verstandig schijnen en heeten. Er is zooveel, waarvan de kennis weinig of geen nnt aan de ziel toebrengt !

En hij is wel zeer onverstandig die zich op iets anders toelegt, dan op hetgeen zijne zaligheid bevordert.

Vele woorden verzadigende ziel niet; maar een goed leven verkwikt den geest, en een rein geweten geeft een. groot vertrouwen op God.

3. Hoe meer en beter gij weet, hoe strenger gij er naar geoordeeld zult worden, zoo gij niet heiliger geleefd hebt.

Verhef u alzoo niet op eenige gave of wetenschap; maar vrees liever wegens de u geschonken kennis.

Meent gij veel te weten en vrij wel te verstaan; denk dat er nog veel meer is, dat gij niet weet.

Heb derhalve geen hoog gevoelen; maar erken liever uwe onwetendheid.

Waarom wilt gij u iemand voortrekken , daar er velen gevonden worden geleerder en in Gods wet ervarener dan gij ?

-ocr page 58-

1 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Wilt iets uuttigs weten en lecren, leer onbekend te zijn en voor niets geaclit te worden.

4\\ De hoogste wetenschap en de nuttigste les is, zichzelven wèl te kennen en niets te achten.

Van zichzelven niets te maken, en van anderen steeds wèl en gunstig te denken, is eene groote wijsheid en volmaaktheid.

Zoo gij iemand openlijk zaagt zondigen ol\' zwaar misdoen, behoordet gij u daarom niet beter te achten : want gij weet niet, hoe lang gij zelf in het goede kunt staande blijven.

Wij allen zijn zwak ; maar gij, houd niemand voor zwakker dan uzelf.

OEFENING.

\'s Menschen wetenschappen, zegt de heilige Schrift, zijn ijdel en nutteloos, zoo hij zich niet toelegt God te kennen en te beminnen, en om zich zeiven te vergeten en te haten. Het eenvoudige en levende geloof van eenen mensch, die zonder aarzelen en zonder te onderzoeken, al datgene gelooft, wat God wil dat wij gelooven, en die in zijn hart alzoo gesteld is om alles te doen, wat God wil, dat wij voor onze zaligheid zouden verrichten, dit geloof, zeg ik, is verkieslijk boven de goddelijke en menschelijke kennissen, die, zonder dit levend geloof, den geest ver-hoovaardigen, het hart verdorren, en die tevens vruchteloos voor het eeuwige heil eens Christens zijn.

-ocr page 59-

1. J$OF,K. III. HOOFDSTUK. 55

GEBED»

Ja, mijn God! nederig van mijzelven te gevoelen, houde ik voor plicht. Al mijn weten is eigenlijk een niet weten. En wat baat voor U ook de diepste kennis, zoo mijn wandel U mishaagt ? Gij toch zult mij naar mijne daden oordeelen. Laat dan nimmer eenige zelfverheffing bij mij huisvesten ; maar doe mij, van mijne zwakheid bewust, steeds in ootmoed voor U wandelen, mijne daden naar mijne kennis inrichten, en toegeeflijk omtrent anderen zijn.

DERDE HOOFDSTUK.

Over de leer der waarheid.

1. Gelukkig hij, dien de waarheid door zichzelve onderwijst , niet door beelden noch voorbijvliegende woorden, maar zoo als zij is !

Onze meening en onze zinnen bedriegen ons vaak; zij zien niet verre.

Wat baat veel twistens over verborgen en duistere zaken, welke niet geweten te hebben ons in het oordeel tot geen verwijt zal strekken ?

\'t Is eene groote dwaasheid het nuttige «u noodige te verzuimen, om zich te meer met het nuttelooze en schadelijke op te houden. Wij hebben oogen, en zien niet!

2, Wat vermoeien wij ons met spitsvondige wijsgeerige vraagstukken ?

Hij, tot wien het eeuwige Woord spreekt,

-ocr page 60-

S6 DE NAVOLGING VAN JESOS CHRISTÜS. wordt uit eene menigte fffivoelp-nH ontward.

Alles is uit dit éene Woord, alles spreekt daarvan. Het is het beginsel, dat tot ons spreekt; zonder dat verstaat niemand iets wèl of oordeelt juist.

Hij , voor wien dit éene alles is, die alles tot dit éene terugbrengt, en alles in dit ééne ziet, die kan standvastiff van harte zijn en in God bestendige rust genieten.

O God ! Gij, die de waarheid zelve zijt! maak mij één met TJ door eeuwige liefde !

Het verveelt mij dikwijls veel te lezen en te hooren; in U is alles wat ik wil en wensch.

Dat alle leeraars zwijgen, dat alle schepselen voor uw aanschijn verstommen! spreek Gij alleen tot mij.

3. Hoe meer iemand ingetogen en eenvoudig van harte is, te meer en verhevener zaken zal hij zonder moeite verstaan : want van boven zal hij het licht des verstands ontvangen.

Eene zuivere, eenvoudige en standvastige ziel zal zich niet in veel arbeids verstrooien , omdat zij alles doet ter eere Gods en zich van alle zelfzucht traoht vrij te houden.

Wat hindert en bezwaart u meer dan de onbedwongen neigingen uws harten ?

Een vroom en godvruchtig mensch beschikt eerst bij zichzelven alles , wat hij uitwendig moet doen.

Hij laat zich bij zijne daden niet ten wel-gevalle zijner bedorven neigingen wegsleepen : maar hij schikt die naar de inspraak vau het gezond verstand.

-ocr page 61-

J. BOFK. III. HOOFDSTUK. 57

Wie heeft een harder strijd dan liij , die tracht zichzelven te overwinnen ?

En nochtans moest dit ons voornaamste werk zijn : onszelvente overwinnen, dadelijks in krachten over onszelven toe te nemen en in het soede eeni^zins te vorderen.

4. Alle volmaaktheid in dit leven gaat van eenige onvolmaaktheid vergezeld, en geen on/.er beschouwingen is van aUe duisterheid vrij.

Eene nederige zelfkennis is een zekerder weg tot God, dan de diepste nasporing eener wetenschap.

Daarom is niet de wetenschap, of elke eenvoudige kennis eener zaak te laken; zij ia op zichzelve beschouwd goed en door God verordend ; maar een goed eeweten en een deugdzame wandel zijn steeds daarboven te achten.

Omdat nu de meesten meer haken naar kennis dan naar een deugdzaam leven, daarom dwalen zij zoo dikwijls en brengen geene of weinige vruchten voort,

6. O, dat zij denzelfden ijver hadden om gebreken uit te roeien en deugden in te planten , als om twistvragen op te werpen ! dan zou er niet zoo veel kwaads en aanstootelijks onder het volk, geene zoo groote losbandigheid in de kloosters zijn.

Waarlijk, wanneer de Oordeelsdag komt, zal men ons niet vragen , wat wij gelezen, maar wat wij gedaan, niet of wij wM gesproken, maar of wij godvruchtig geleefd hebben.

-ocr page 62-

58 DE NAVOLGING VAN JE8US CHRISTUS.

Zep mij : wuar zijn nu al die heeren en meesters, die zoo wèl liebt gekend, toen zij nog leefden en door hunne wetenschap beroemd waren ?

Hunne plaatsen zijn nu door anderen bezet, en ik weet niet of dezen wel eens aan hen denken. Bij hun leven schenen zij iets te zijn; en nu zwijgt men van hen.

6. Hoe ras gaat de heerlijkheid der wereld voorbij ! Mocht hun leven aan hunne kennis beantwoord hebben, dan zouden zij met vrucht gelezen en zich geoefend hebben.

Hoe velen gaan in de wereld niet verloren door hunne ijdele wetenschap, dewijl zij zich weinig kekommeren om den dienst van God !

En omdat zij liever groot dan nederig willen zijn, daarom worden zij verijdeld in hunne overleggingen.

Waarlijk groot is hij, die eene groote liefde bezit.

Waarlijk groot is hij, die klein is bij zich zeiven en den hoogaten trap van eer als niets acht.

Waarlijk wijs is hij, die al het aardsche acht als vuiligheid, om Christus te winnen. (Phillpp. 3.)

En hij is waarlijk wèl geleerd, die Gods wil doet en zijn eigen wil verzaakt.

OEFENING.

De waarheden bestudeeren , niet zoo zeer om dezelve te kennen, dan wel om ze te beoefenen ; het eeuwige woord aanhooren, hetwelk meer tot het hart dan tot den geest spreekt;

-ocr page 63-

I. BOFK. III. HOOFDSTUK. 50

weten hefgene ter zaliglftid noodig is, en hetzelve doen ; ziedaar wat de weienscliap van den Christen moet uitmaken.

De bespiegelende kennis moede, die de nieuwsgierigheid van mijnen geest streelt, en die mijn hart noch treft noch verandert, verveelt het mij zoo vele dingen te weten, on zooveel te hooren zeggen over de eeuwige waarheden, en over mijne zaligheid, en zoo weinig te doen ter bewerking van mijn eeuwig heil.

GEBED.

Eeuwige Waarheid! aanbiddelijk Woord ! waardoor alles het aanzijn heeft : maar al te ze?-r gevoel ik behoefte aan eene hooge verlichting. Zonder uwe inspraak baten mij de verhevenste lessen niet, is alles bij mij duister. Spreek Gij dan tot mij en houd mij met uwe leering bezig. Zoo zal een hemelsch licht mij op alle mijne wegen bestralen, mij ware grootheid en wijsheid leeren, en de edelste deugden zullen daarvan te wachten zijn.

VIERDE HOOFDSTUK.

Over een voorzichtig gedrag.

1. Men mag niet alle woord noch alle ingeving gelooven; maar men moet eene zaak bedaard en voorzichtig volgens God overwegen.

Helaas! dikwijls gelooft en zegt men van een ander eer het kwade dan het goede; zoo zwak zijn wij!

-ocr page 64-

60 DE NAVOLG INC. VAN JESUS CHRISTUS.

Maar volmaakte menschen gelooven niet licht elk verhaal : want zij weten dat de menschelijke zwakheid ten kwade overhelt en lieht in woorden zondigt.

2. Het is een grooto wijsheid i.iet- overijld te werk te paan en niet hardnekkig zijn eigen hoofd te volgen.

Hiertoe behoort ook, dat men niet al de gezegden der menschen geloof geeft, en hetgeen men hoort of gelooft, niet aanstonds aan het oor van anderen overbrengt.

Pleeg raad met een verstandig en nauwgezet man, en zoek liever door eeuen betere onderricht te worden, dan uw eigen hoofd te volgen.

Een deuedzaam leven maakt den mensch wijs voor God en in vele opzigten ervaren.

Hoe nederiger iemand bij ziehzelven is , en hoe meer onderworpen aan God; hoe verstandiger en rustiger hij in alles zal zijn.

OEFENING.

Niets is tegenstrijdiger aan de liefde en rampzaliger aan de zaligheid, dan de echte of valsche aanbrengingen van den eeneu aan den anderen; dewijl deze de gemoederen verbitteren, de harten ontroeren, de oneenig-heden voeden , en den haat vermeerderen, en dat men over dezelve de vergeving van den Heer niet kan bekomen, zoo men in de biecht niet vast besloten heeft , het toegebrachte kwaad te herstellen en de personen te verzoenen, tusachen welke men tweedracht heeft

-ocr page 65-

I. BOEK. V. HOOFDSTUK. 61

verwekt. Men moet derhalve geene dingen overdragen ol\' aan de aanbrenging geen geloof slaan; en zoo men iets tegen den naaste gehoord heeft, moet men dit bij zich houden, en er aan niemand iets van zeggen.

GEBED.

Voorzichtig te zijn bij al mijne daden, is voor mij, o God ! een gewichtige plicht. Hoe dikwijls moest ik de nadeelige gevolgen van een onbezonnen gedrag ondervinden ! Doe mij dan in alles voorzichtig te werk gaan. Regel mijne keus in het verkiezen eens vriends , wien ik al mijn vertrouwen schenken mag. Verstandig zij hij om mij raad te geven, deugdzaam om mij voor te lichten. Dat ik hem in eere houde, zijnen raad opvolge en daardoor mijn geluk bevordere.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over het lezen der Heilige Schrift.

1. Waarheid, geen welsprekendheid moet men in de Heilige Schriften zoeken.

Men moet de geheele Heilige Schrift lezen met denzelfden geest, in welken zij gesteldis.

Wig moeten in de Heilige Schrift meer trachten naar geestelijk voordcel dan sierlijkheid van taal.

Wij moeten eren gaarne godvruchtige en eenvoudige boeken lezen als verhevene en diepzinnige.

Houd u niet op bij het gezag van den schrij-

-ocr page 66-

63 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, ver, of hij van kleine of groote geleerdheid zij; maar liefde tot de zuivere waarheid zette n tot- lezen aan.

Vraas: niet wie dit bezeerd hebbe; maar let op hetgeen gezegd wordt.

2. De raenschen gaan voorbij ; maar des Heeren waarheid blijft eeuwig.

Zonder aanzien van personen spreekt God tot ons op velerlei wijze.

Bij het lezen der Schriften hindert ons dikwijls onze nieuwsgierigheid, daar wij bevatten en beredeneeren willen wat wij eenvoudig moesten voorbijgaan.

Wilt gij er voordeel uit trekken, lees nederig, eenvoudig en geloovig, en beoog nooit den naam van geleerde.

Ondervraag gaarne, en hoor stilzwijgend de woorden der Heiligen; en dat de spreuken der Ouden u niet mishagen : niet te vergeefs toeh worden zij bijgebracht.

OEFENING.

Lees de Schrift en de godvruchtige boeken met denzelfden geest, in welken zij geschreven zijn; lees dezelve, om er de waarheid in op te sporen, om u te onderwijzen, u te stichten, om in u een oprecht christelijk leven te vormen. Lees de heilige Schrift met geloof, ootmoed, eebied en onderwerping; bid daartoe den heiligen Geest, die dezelve heeft ingegeven , van ze te mogen verstaan, daarin smaak te vinden en dezelve in het werk te stellen.

-ocr page 67-

I. HOEK. VI. HOOFDSTUK.

G E B E D.

Dierbaar, o God! is mij uw woord. Het is mij het kostbaarste geschenk dat ik van ■uwe hand ontving, eene rijke bron van troost , eene fakkel op de paden mijns levens. Laat geen onverschilligheid mij deze gunst onwaardig maken; vervul mij met eerbied voor uw woord. Verlicht mijn verstand zoo dikwerf ik het leze; schenk mij den geest van nederigheid en godsvrucht, en laat den invloed van uw woord blijkbaar zijn uit mijn gedrag.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over de ongeregelde hartstochten.

1. Zoodra een mensch iets ongeregeld begeert , wordt hij aanstonds bij zichzelf onrustig.

De hoogmoedige en gierige rusten nooit, maar de arme en nederige van geest hebben overvloed van vrede.

De mensch die zichzelf nog niet volmaakt is afgestorven, wordt ras bekoord en door de kleinste, ja nietigste zaken overwonnen.

De zwakke naar den geest en die. nog eenigermate vleeschelijk is en tot het zinlijke overhelt, kan zich moeilijk van de aardsche begeerlijkheden geheel losmaken.

Daarom heeft hij dikwijls droefheid, als hij zich daaraan onttrekt; ook wordt hij licht toornig, als iemand hem tegenstreeft.

63

-ocr page 68-

64* DE NAVOLGING VAN JKSU8 CHRISTUS.

3. Eu heeft hij verkreuen wat liij begeert; terstond wordt hij bezwaard door het verwijt van zijn zweten, omdat hij zijner drilt op-tjsvolgd is; want dit brengt niets toe tot de bevrediging die hij zocht.

Door de driften p.lzoo te wederstaan wordt de\' ware vrede des harten gevonden, niet door ze in te volgen.

Er is dus geen vrede in het hart van den vleeschelijken mensch, noch in dengene die aan het uiterlijke is overgegeven, maar bij den ijverige en geestelijk gezinde.

OEFENING.

Na de genaden Gods is de vrede des harten het grootste aller goederen , en niets mogen wij sparen om dien in ons te onderhouden. Doch wij kunnen dien vrede der ziel niet vinden, noch hem behouden, dan met aan onze hartstochten en ongeregelde verlangens wederstand te bieden; want hoe meer wij dezelve willen bevredigen, des te minder wij vergenoegd zullen zijn; hoe meer wij dezelve bestrijden, des te minder zij ons lastig zullen vallen ; hoe meer wederstand wij haar zullen bieden, hoe meer zij ons in vrede zullen laten.

G E B E T).

Hoe belangrijk, o üod! moet mij deze herinnering zijn! Geen rust voor mij, geen ware vrede, zoo lang de driften in mij woelen en ik harer heerschappij onderworpen beu. Meer dan ooit zie ik de verplichting in om die te wederstreven en mijzelven af te

-ocr page 69-

I. BOEK. VII. HOOFDSTUK. G5

sterven, wil ik deugdzaam worden en zachte kalmte genieten. Dit zal van heden af mijn ernstig voornemen zijn; zegen het, o mijn God ! Ondersteun mij in den strijd; stil de stormen mijner driften: dat zij de inspraak mijner rede gehoor geven.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Vlucht de ij dele hoop en den hoogmoed.

1. IJdel is hij, die zijne hoop op mensehen olquot; schepselen stelt.

Schaam u nifit, uit liefde voor Jesus Christus, anderen te dienen en in deze wereld arm te schijnen.

Sta niet op uzelven, maar vestig uwe hoop op God.

Doe wat in u is, en God zal uwen goeden wil ondersteunen.

3. Vertrouw niet op uwe wetenschap, noch op de doorslepenheid van eenig sterveling, maar liever op de genade van God , die de nederigen helpt en de vermetelen vernedert.

Roem niet op de rijkdommen , zoo gij ze bezit, noch op uwe vrienden, omdat zij vermogend zijn; maar op God, die alles geeft en zichzelven boven alles wenscht te schenken.

Verhef u niet op de grootte of schoonheid des ligchaams : want de geringste ongesteldheid kan die verminken of misvormen.

Heb geen zelfbehagen wegens uwe bekwaamheid of verstand, opdat gij niet mishaagt aan

5

-ocr page 70-

66 Dl NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS. God, wieu alles toebelioort wat gij van nature goeds bezit.

3. Acht u niet beter dan een ander, opdat gij niet slechter betonden wordt voor God , die weet wat in den mensch is.

Verhef u niet op goede werken; want de oordeelen Gods zijn anders dan die der men-schen. Hem mishaagt dikwijls, wat den raen-schen behaagt.

Hebt gij iets goeds, denk van anderen beter, om den ootmoed te bewaren.

Het schaadt niet als gij u beneden allen stelt; maar zeer veel schaadt het, zoo gij u boven een eenigen stelf.

Bij een nederige is duurzame vrede, maar in het hart des hoogmoedigen dikwijls ijverzucht en toorn.

OEFENING.

Steun slechts op datgene, wat onwankelbaar is, namelijk op God, op wien men alleen kan staat maken: immers niets is zwakker, onzekerder en onstandvastiger dan de mensch, die slechts de dwaling, de arglist en de leugen ten aandeel heeft. Verhoop derhalve alles van God, en verwacht niets van u zclven noch van alle anderen. Beroem u niet over uwe goede werken, noch over uwe kunde : maar geef in en van alle dingen de glorie aan God , aan wien zij alleen toekomt.

GEBED.

Ja, op U alleen, o God! moeten wij in alle prevallen ons vertrouwen stellen. Alle

-ocr page 71-

I. BOEK. VIII. HOOFDSTUK. 67

schepsel is zwak, onstandvastig, der verandering onderhevig; en wij gevoelen te zeer onze eigene onmacht, dan dat wij ons op onszelven zouden kunnen verlaten. Boezem ons dan steeds een onwankelbaar vertrouwen op U in ; laat dit dat der menschen vervangen , en alle ijdel zelfvertrouwen verbannen-nen. Van alles wat wij goeds bezitten, zij niet aan ons, maar U alleen ie eer, U dank in eeuwigheid!

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over eene te groote gemeenzaamheid.

1. Ley nw hart niet voor iedereen bloot; maar spreek over uwe zaken met den wijze en godvruchtige.

Wees zelden met jongelieden en vreemdelingen.

Vlei de rijken niet en verschijn niet gaarne voor de grooten.

Voeg u bij de nederigen en eenvoudigen, bij de godvruchtigen en vromen, en spreek over hetgeen stichtelijk is.

Wees met geene vrouw gemeenzaam; maar beveel alle goede vrouwen in het algemeen aan God.

Wensch met God alleen en zijne Engelen gemeenzaam om te gaan; ontwijk de aandacht der menschen.

3. Liefde moet men voor allen hebben; maar gemeenzaamheid doet geen nut.

Somtijds gebeurt het dat een onbekend persoon door zijn goeden naam schittert,

-ocr page 72-

68 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, wiens tesrenwoordi^heid nochtans de oogen der aanschouwers benevelt.

Wij denken somtijds anderen te behagen door onzen omgan?, en wij be?innen eer te mishagen door de verkeerdheid van zeden , in ons opgemerkt.

OEFENING.

Vlied de wereldsche gezelschappen, de nntte-looze gesprekken, de uitstorting en de genegenheden des harten, die door Gods liefde noch geregeld noch beheerscht zijn : want dit alles verstrooit eene ziel, verwijdert haar van God , onttrekt haar de ingetogenheid en den inner-lijken geest, die zoo noodzakelijk ter zaligheid is, werpt haar in gevaarlijke gelegenheden van te zondigen, en leid haar langzamerhand in de ongeregeldheid. Dat uwe vrienden personen zijn, die een godvreezend , geregeld en onberispelijk leven leiden , teneinde hun voorbeeld u tot de deugd brenge, en u van het pad der ondeugd verwijdere. Gelukkig is de Christen, die zich aan zijnen Zaligmaker, aan zijne plichten en aan zijne zaligheid gekleefd houdt, en die slechts van en voor God levende, hier reeds op aarde datgene begint te doen, wat hij in de eeuwigheid zal voortzetten.

GEBED.

Hoe dikwerf, o God! had ik reden om mij over eene te groote vertrouwelijkheid te beklagen ! Hoe dikwerf opende ik mijn hart aan menscheu en beschouwde hen als mijne

-ocr page 73-

I. BOEK. VU I. HOOJTDSTüK., 69

vrienden, die op mijnen ondergang loerden! Ach ! laat mij niet langer de gevolgen mijner lichtzinnigheid betreuren. Leer mij in alles omzichtig zijn, niet elk vertrouwen, en den omgaug van godsdkustige en deugdzame lieden zoeken, üij vooral wees mijn vriend , mijn raad, mijn troost, mijn hoogste goed, mijn al!

NEGENDE HOOFDSTUK.

Over de gehoorzaamheid en onderwerping,

1. Het is een zeer groot iets onder gehoorzaamheid te staan, onder een overste te leven en niet zijn eigen meester te zijn.

Het is veel veiliger, onderhoorige dan overste te zijn.

Velen zijn onder gehoorzaamheid meer uit dwang uan uit liefde; ook hebben zij moeilijkheid en morren licht.

Zij zuilen de vrijheid des geestes niet verkrijgen, voor zij zich om Gods wille Van ganschcr harte onderwerpen.

Loop ginds en herwaarts, gij zult geen rust vinden, tenzij in een uederige onderwerping aan het bestuur van uw overste.

De verbeelding dat het hun door verandering van plaats beter zou gaan, heeft velen bedrogen.

2. Het is waar dat elk gaarne naar zijn eigen gevoelen handelt en dengenen meer genegen is, die van zijn gevoelen zijn.

Maar zal God in ons wonen, dan moeten wij ook somtijds om vredes wille ons gevoelen opgeven.

-ocr page 74-

70 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Wie is zoo wijs dat hij alles volkomen weet ?

Vertrouw dan niet te veel op uw eigen gevoelen ; maar wil ook gaarne het gevoelen van anderen hooren.

Is uw gevoelen go?d , en geeft gij het echter om Godswille op, om dat van een ander te te volgen, gij zult daardoor te meer voortgang maken.

3, Want ik heb meermalen hooren zeggen , dat het veiliger is raad te hooren en aai» te nemen dan te geven.

Het kan zijn dat het gevoelen van ieder goed is; maar naar anderen niet te willen luisteren, als de rede of de zaak het vordert, is een teeken van hoogmoed en halstarrigheid#

OEFENING.

Welk geluk van niet af te hangen dan van God, in den persoon der oversten, die zijne plaats bekleeden. Hoe verdienstelijk is de volstandige oefening der gehoorzaamheid, aangezien zij een aanhoudend werk van verloochening, van verzaking aan zichzelven en van de volmaaktste liefde Gods is. Het is de gehoorzaamheid, die de uitmuntendheid , het geluk en de verdienste van het christelijk en kloosterlijk leven uitmaakt, en die God tot den volkomen meester en eigenaar van onze harten maakt. Maar hiertoe wordt vereischt, dat de geest, het hart en de werken zamen-spannen , om ons de gehoorzaamheid te doen oefenen : de geest om dezelve goed te kennen, het hart om ze te Item innen, en de

-ocr page 75-

I. BOEK. X. HOOFDSTUK. 71

werken om ze spoedig, edelmoedig en standvastig te oefenen,

GEBED.

Ook ik, o God! moet gehoorzaam en aan anderen onderworpen zijn. Als mensch, als burger , vooral als Christen, gevoel ik het billijke van dezen plicht. Geene samenleving zonder orde, geen orde zonder onderwerping. Laat mij steeds dit bewustzijn behouden en daarmede overeenkomstig handelen. Het voorbeeld van uw Zoon zij mij daartoe eene krachtige aansporing. De knecht is niet meer dan zijn heer, de leerling niet beter dan de meesier.

TIENDE HOOFDSTUK.

07Jer het vermijden van nuttelaoze gesprekken»

1. Mijd , zoo veel gij kunt, het gewoel der menschen: want het behandelen van wereld-sche zaken hindert grootelijks, al geschiedt het met een zuiver oogmerk.

Wij worden zoo ras door de ijdelheid besmet en gevangen !

Ik wenschte dat ik meer gezwegen en niet onder de menschen verkeerd hadde.

Maar waarom spreken wij en onderhouden wij elkander zoo gaarne, daar wij zoo zelden zonder kwetsing des gewetens tot het stilzwijgen wederkeeren ?

Daarom spreken wij zoo gaarne, omdat wij door onderlinge gesprekken troost bij el-

-ocr page 76-

72 1gt;E NAVOLGING VAN JESüS CHRISTUS, kander zoeken, en \'t door velerlei gedachten bezwaarde hart wenschen op te beuren.

Ook spreken en denken wij zeer gaarne over hetgeen wij zeer beminnen of begeeren, of over hetgeen ons tegenstaat.

2. Maar helaas! dikwijls zonder nut en te vergeefs : want die uitwendige troost doet niet weinig hinder aan den inwendigen en goddelijkeu troost.

Daarom waak en bid, opdat de tijd niet ledig voorbij ga.

Staat het viij en komt het te pas te spreken, spreek over iets stichtelijks.

Een kwade gewoonte en veronachtzaming van onzen voortgang zijn veelal oorzaak, dat wij geen wacht houden over onzen mond.

Echter bevordert niet weinig onzen geestelijken voortgang een godvruchtig gesprek over geestelijke onderwerpen , vooral wanneer zich daartoe in God veretuigen personen,die eens van hart en ziel zijn.

OEFENING.

Waken en bidden is het efnige middel, hetwelk Jesus Christus in het Evangelie aan den Christen geeft, om de zonde te vluchten, om aan de bekoring te wederstaan en zijne zaligheid te verzekeren. Weinig tot de schepselen en veel tot God spreken, de onnoodige en nieuwsgierige gesprekken vermijden, zijne tong niet gebruiken dan om goede en nuttige dingen te zeggen, is een voortreffelijk middel, om eenen inwendigen mensch te worden , om de zuiverheid des haiten en den vrede des

-ocr page 77-

I. ÜOEK. XI. HOOi\'-DSTUK. 73

gewetens te behouden, en om zich innig met God te vereenigen. Eene ziel, die te veel met de menschen omgaat, die gansch wereldsch is en zich met beuzelarijen ophoudt, vindt niet veel bmaak in God, houdt zich niet veel met het gebed bezig, en oefent weinig de overweging ( meditatie); zaken, die nochtans tot de zaligheid der christenen nuttig en zoo noodzakelijk zijn. Wat doet gij verstrooide en dolende ziel, zegt de H. Augustinus, wanneer gij u door geschapene voorwerpen , vergankelijke vermaken en tijdelijke goederen zoekt te bevredigen? Zoek in u zeiven, door de overweging, het ware en het opperste goed, hetwelk in u is en hetgeen alleen u kan bevredigen.

G E 15 E D.

Ook ik, o God! wenschte dikwijls wat minder onder de menschen geweest te zijn, wat minder gesproken te hebben. Te vaak moest ik van mijnen omgang heiliooze gevolgen ontwaren. Te vaak ging ik mij in gesprekken te buiten , en zondigde tegen IJ of tegen mijnen broeder. Dat geen ijdel geklap mij langer vermake ! Dat ik leere mijne tong bedwingen ; de lof van U, de stichting van mijzelven en mijne broeders, zij het eenigste doel bij mijne gesprekken.

ELFDE HOOFDSTUK.

Ovsr de middelen lot vrede, en den ijver tot voortgang.

1. Veel rust en vrede konden wij hebben ,

-ocr page 78-

74 DE NAVOLG-ING VAN JESUS CHRISTUS, wilden wij om niet bemoeien met de woorden ea daden van anderen, welke ons niet aangaan.

Hoe kan hij lang in vrede blijven, die zich met eens anders zaken bemoeit, die steeds luiten zichzelven gelegenheden tot bekommering zoekt, en weinig of zelden tot zichzelven terugkeert ?

Gelukzalig de eenvoudigen : want zij zullen overvloedigen vrede hebben.

2. Waarom zijn sommige Heiligen tot zulk eene volmaaktheid en hooge bespiegeling gestegen.

Omdat zij getracht hebben alle aardsche begeerlijkheden af te sterven. Daarom konden zij met geheel hun hart Gode aanhangen, em zich vrij met zichzelven ophouden.

Wij houden ons te zeer met onze eigene driften op, en ontrusten ons te veel over het-gene voorbijsnelt.

Zelden ook overwinnen wij eenig gebrek geheel, en wij worden niet tot dageiijkschen voortgang aangevuurd; daarom blijven wij koud en lauw.

3. Waren wij ouszelven volkomen afgestorven en van binnon niet in verwarring, dan konden wij ook het goddelijke smaken en iets van de hemelsche bespiegeling ondervinden.

Het grootste, ja eemge beletsel is, dat wij niet vrij vijn van driften en begeerlijkheden, en dat wij niet trachten den volmaakten weg der Heiligen in te slaan.

Als una ook de geringste tegenstand ontmoet, zijn wij aanstonds terneergeslagen en

-ocr page 79-

I. BOEK. XI. HOOrDSTUK. 75

wenden wij ons tot den troost der menschen.

4. Deden wij ons best om als dappere mannen in den strijd te staan, voorwaar wij zouden des Heeren hulp van den hemel over ons zien neerkomen.

Hij toch is bereid die strijden en op zijne genade hopen te helpen. Hij ^eeft ons gelegenheid tot strijden, opdat: w j overwinnen

Stellen wij onzen voortgang in \'t goede alleen n uiterlijke oefeningen, onze godsvrucht zal dra een einde nemen.

Laat ons.de bijl aan den wortel leggfen en onze ongeregelde driften uitroeien, opdat wij een rustig gemoed mo?en bezitten.

5. Mochten wij elk jaar éene ondeugd uitroeien, wij zouden spoedig volmaakte mannen zijn.

Maar nu ontwaren wij dikwijls het tegendeel en bevinden dat wij in het begin onzer bekeering beter en zuiverder waren, dan wij nu, na vele jaren zijn.

Dadelijks moesten onze ijver en voortgang toenemen, en nu schijnt het al veel, als iemand van zijn eersten ijver een gedeelte kan behouden.

Deden wij ons in den beginne slechts een weinitr gewelds, wij zouden daarna alles met gemak en vreugde kunnen doen.

6. Zwaar valt het eene gewoonte af te leggen; maar nog zwaarder tegen zijn eigen wil te handelen.

Zoo gij mi het kleine eu lichte niet .overwint , boe zult gij hH zwaardere te hoven komen ?

-ocr page 80-

70 JJE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Wedersta in den beginne uwe neiging en ontdoe u van eene slechte gewoonte; opdat zij u niet allengskens in grootere zwarigheid brenge.

O, zoo gij beseftet, welke rust gij uzelveu en welk genoegen gij anderen veroorzaakt door u wèl te gedragen ! ik geloof dat gij voor uw geestelijken voortgang meer bezorgd zoudt zijn.

OEFENING.

Even als er niets tegenstrijdiger is aan den waien vrede, aan het geluk en de rust des levens, dan zich aan zijne ongeregelde lusten over te geven eu zicii derzelver slaaf en slacht-oller te maken, alzoo is er niets geschikter om in ons eene ware gewetensrust voort te brengen, om liet geluk van dit leven uit te maken, en onze zaligheid te verzekeren, dan onophoudelijk onze booze neigingen te bestrijden cn te overwinnen , en in alle gelegenheden wederstand te bieden aan de ongeiegelde begeerten van ons hart. Leg u dan ernstig toe om u te versterven; om datgene wat u tegeu-strijdt, te overwinnen, om aan de hevigheid uwer lusten te wederstaan en om in alles aan uwen wil te verzaken. En die oplettendheid, die zorg, en dit heilig geweld, hetwelk volstrekt tot uwe zaligheid noodig is, zal u in den tijd en in de eeuwigheid gelukkig maken, aangezien er geen ware viede des gewetens , noch eenige verdienste te vinden is, dan in hetgene men vuor God , eu tegen zich zelven doet.

-ocr page 81-

G E B E T).

Welke tevredenheid, o God! welke ziels-kalmte zoude ik smaken, bijaldien ik mij met anderen wat minder bemoeide, en met mijn eisen hart en zijn verzedelijking wat meer ophield! De heilrijkste frevoluen daarvan zouden zich in mijnen wandel vertoouen, en ik een hoogen trap van volmaaktheid bestijgen. Doe mij den eenigen weg daartoe inslaan. Leer mij de noodige middelen bezigen . mijzelven overwinnen en volkomen meester blijven.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over het nut der tegenspoeden.

1. liet is ons goed dat wij somtijds eenige moeielijkheden en tegenspoeden hebben.

Dikwijls roepen zij den mensch in zijn binnenste terug, inzooverre hij gevoelt dat hij in ballingschap is en zijne hoop op niets ter wereld stellen moet.

Het is goed dat wij somtijds tegenspraak ontmoeten, en dat men kwaad en ongunstig van ons denkt, zelfs als wij wèl doen en het wèl meenen; dit bevorderd dikwijls den ootmoed en bewaart ons voor ijdele roemzucht.

Want dan, als wij van buiten door de menschen veracht ol\' niet wèl beoordeeld worden, zoeken wij beter God, ala onzen inwendigen getuige.

2. Daarom moest de mensch zich zoo ge-

-ocr page 82-

78 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

heel in God vestigen, dat hij niet noodig had veel raenschelijkku troost te zoeken.

Wordt een welgezind mensch bedrukt, bekoord of door kwade gedachten gekweld, dan gevoelt hij dat hij God het meest noodig heeft, zonder wienhij ziet dat hij niets goeds vermag.

Dan ook treurt hij, en zucht en bidt, over de rampen die hij lijdt.

Dan verdriet het hem langer te leven , en wenpcht hij dat de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en met Christus zijn.

Dan ook ontwaart hij recht dat er op de wereld noch volkomen veiligheid, noch volle vrede kan bestaan.

OEFENING.

Men moet den tegenspoed beschouwen als beproevingen der liefde, en dezelve zuiveren, en haar bovennatuurlijk in ons doen worden. Indien een ieder de achting en het ontzag voor ons had, welke onze eigenliefde verlangt, en welke zij ons dikwijls wijs maakt te verdienen, zouden wij voor den evenmensch slechts eene verkeering hebben , die ons zou lastig vallen, als eene menschelijke erkentenis en een geheim welbehagen jegens ons zeiven. Maar God wil, dat wij overal tegenspraak , onverwachte toevallen en wederstand ontmoe-ton, en lijden van degenen, met welke wij leven, opdat wij hen alleenlijk ten aanzien van Hem zouden beminnen, en omdat Hij het gebiedt. Gelukkig is een hart dat door tegen-

-ocr page 83-

I. BOEK. XIII. HOOFDSTUK. 7^

spoed beproefd eu door bekorinjreu gezuiverd wordt, zoo als het goud door het vuur beproefd en gezuiverd wordt. Het is hierdoor, zegt de Wijze-man, dat bet waardig wordt met God te zijn, en bekwaam om volgens zijn hart te wezen.

GEBED.

Hoeveel mijne zinlijkheid daartegen hebbe, ik zie, o God! meer dan ooit dat tegenspoeden mij nuttig zijn en mijn heil bevorderen. Zij zijn de middelen, door IJ aangewend, om mij godsdienst en deugd beminnelijk , en voor hunnen troost vatbaar te maken. Laat dan nimmer toe, dat ik mij tegen uwe wijze oogmerken verzette of onder den last bezwijke , dien Gij op mijne schouders legt. Alles zij mij lief en welkom van uwe hand, in alles worde uwe goedheid geprezen!

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Over het weerstaan der bekoringen.

1. Zoolang wij in de wereld leven , kunnen wij niet zonder kwelling en bekoring zijn.

Daarom staat er bij Job : \'smenschen leven op aarde is een strijd. (Job. 7.)

Daarom moest ieder bij zijne bekoringen op zijne hoede zijn, waken en bidden, opdat de duivel treene gelegenheid vinde tot verleiding : want die slaapt nooit, maar gaat rond, zoekende wien hij kan verslinden. (I. Petr. 5 )

-ocr page 84-

80 DF. NiVOLGlNfi VA.N JESUS CHRISTUS.

Niemand is zoo volmaakt en heili?, d-it hij niet somtijds bekoringen heeft; zelfs kunnen wij die niet geheel ontberen.

2. lloe lastig en moeilijk de bekorinoren ook vallen, zij zijn dikwijls den mensch zeer nuttig, omdat hij daardoor vernederd, gereinigd en onderwezen wordt.

Alle Heiligen zijn vele verdrukkingen en bekoringen doorgegaan, en aldus volmaakt geworden.

Maar zij die de bekoringen niet konden doorstaan, zijn bezweken en verworpen geworden.

Geen stand is er zoo heilig, geen plaats zoo verborgen, waar geen bekoringf n of wederwaardigheden zijn

3. Zoolang de mensch leeft is hij niet geheel veilig tegen de bekoring : want de bron der bekoring is in onszelven, daar wij met begeerlijkheden geboren worden.

Wijkt de eene bekoring of moeilijkheid , de andere is daar : en altoos zullen wij iets moeten lijden, dear wij het goed van ons eerste geluk verloren hebben.

Velen trachten de bekoringen te ontvluchten en vallen daHrin te dieper.

Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen, maar door geduld en waren ootmoed worden wij sterker dan al onze vijanden.

4-. Wie slechts van buiten ontwijkt en niet den wortel uitrukt, zal weinig vorderen; ja te eer zullen de bekoringen tot hem weder-keeren, en zal hij zich te erger bevinden.

-ocr page 85-

I. BOEK. XIII. HOOFDSTUK. 81

Alleugskeus en door geduld en door lankmoedigheid zult gij ze met Gods hulp beter overwinnen, dan door een hardnekkig en lastig tegenstreven.

Neem dikwijls rand bij de bekoring, en wil den bekoorde niet hard behandelen; maar bied hem troost, zooals gij wenschen zoudt dat men u deed.

5. Onbestendigheid van geest en gering vertrouwen op God zijn de bron van alle kwade bekoringen.

Want gelijk een schip zonder stuurman door de baren heen en weer geslingerd wordt; zoo wordt een kleinmoedig mensch, die van zijne voornemens afwijkt, op velerlei wijze bekoord.

Het vuur beproeft het ijzer, de bekoring den regtvaardigen mensch.

Dikwijls weten wij niet wat wij kunnen ; maar de bekoring toont wat wij zijn.

6. Nochtans moet men waken, vooral bij den r.anvansr eener bekoring : want lichter wordt de vijand overwonnen, als men niet duldt dat hij de ziel binnentreedt, maar hem, zoodra hij aanklopt, aan den drempel weert.

Daarom heeft iemand gezegd : wedersta het begin : te laat Tcomt de artsenij, vmnneer het kwaad door lang verzuim de overhand heeft gelregen.

Want eerst vertoont zich aan de ziel de enkele gedachte, dan eene sterke verbeelding, vervolgens het welbehagen, de kwade beweging en de toestemming.

Zoo treedt de booze vijand allengskens 6

-ocr page 86-

83 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

heel biunen, als meu hem uiet in den beginne tegenstand biedt.

En hoe langer iemand wacht met weerstand bieden, hoe zwakker hij dagelijks in zich-zelven wordt, en hoe sterker tegen hem de vijand.

7. Sommigen lijden zwaardere bekoringen in het begin hnnner bekeering, anderen op het einde.

Sommigen worden gekweld schier hun leven lang, anderen slechts licht bekoord, volgens de wijze en billijke schikkingen Gods, die den staat en de verdiensten der menschen weegt, en alles tot heil zijner uitverkorenen voorbeschikt.

8. Daarom moeten wij, wanneer wij bekoord worden, niet wanhopen , maar te vuriger God bidden, dat Hij ons in alle wederwaardigheid gelieve bij te staan : Hij toch , zal volgens het gezegde van Paul us, met de bekoring ook de uitkomst ^even om ze te kunnen verdragen.

Buigen wij dan bij alle bekoring eu wederwaardigheid onze zielen onder de hand van God : want Hij zal de nederigen van geest redden en verheffen.

9. Welken voortgang de mensch gemaakt heeft, blijkt bij bekoringen en ongevallen. Ook dan neemt de verdienste toe en komt de deugd meer uit.

Het is niets groots dat een mensch godvruchtig en ijverig is, als hij niets zwaars gevoelt: maar wanneer hij ten tijde van te-

-ocr page 87-

I. BOEK. XIII. HOOFDSTUK. 83

genspoed het -reduldig uithoudt, dan is er hoop op grooten voortgang.

Sommigen worden voor zware bekoringen bewaard en dikwijls in kleine, dagelijksche overwonnen; opdat zij, vernederd, in het srroote nooit te veel op zich zeiven mochten vertrouwen, daar zij in het kleine zoo zwak zijn geweest.

OEFENING.

De bekoringen dienen om ons van de geheime verkleefdheid te zuiveren, welke wij tot de ijdelheid en tot de eigenliefde hebben, als ook van het vertrouwen, hetwelk wij in ons zeiven hebben, met ons het gewicht onzer ellenden te doen gevoelen : met ons van de voldoening eenen afkeer te geven, en met ons te verplichten om op God alleen te vertrouwen. Zij dienen daarenboven nog om ons te verootmoedigen, door de ondervinding onzer zwakheden, en door al het gevoel van den wortel van verdorvenheden, dien wij in ons dragen. Zij dienen, ten laatste, om ons te onderrichten over de machteloosheid, in welke wij zijn, van iets goeds ter zaligheid te doen, of oms ons van de zonden te bevrijden zonder de hulp Gods.

GEBED.

Uat de mensch aan veelvuldige bekoringen is blootgesteld, o God ! ondervind ik genoeg. Van alle kanten doen zich vijanden op en moet ik mij ten strijde gereedhouden. Doch , wel verre van deswegen ontevreden te zijn ,

-ocr page 88-

84 DE NAVOLGING VAN JESüS CHRISTUS, eerbiedig ik ook hierin uwen heiligen wil. Ja de bekoringen zijn mij nuttig; want zij oefenen mijne deugd. Gelukkig zij, zoo zij de proef uithoudt! Geef mij hiertoe uwe genade, o God! waardoor ik alles vermag; help mij strijden en overwinnen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Over de ligtvaardige oordeelvellingen,

1. Sla uw oogen op uzelven en wacht u de daden van anderen te beoordeelen.

Wie anderen beoordeelt werkt vergeefs, dwaalt veel en zondigt licht.

Maar wie zich zeiven beoordeeld en beproeft, werkt altoos met vrucht.

Zooals eene zaak ons ter harte gaat, oor-deelen wij veeltijds daarover ; want door onze eigenliefde wijkt ons oordeel licht va n de waarheid af.

Ware God altoos het eenige doel onzer begeerten , wij zouden zoo licht niet ontroerd worden als men onzen zin weerstaat.

2. Maar dikwijls schuilt er van binnen iets of doet zich iets van buiten op, dat ons nog medesleept.

Velen zoeken in hetgeen zij doen heimelijk zichzelven, en weten het niet.

Ook schijnen zij in goeden vrede gevestigd, als de zaken naar hun wensch en zin gaan : maar val iets tegen hun wensch uit, terstond zijn zij ontroerd en droevig.

TJit het verschil van meening en gevoelen

-ocr page 89-

I. BOEK. XIV. HOOFDSTUK. 85

ui it Hiaat dikwijls gcuoeg tweedracht iusschcu vrienden eu medeburgers , tusschen geestelijke en godvruchtige personen.

3. eene oude gewoonte laat zich moeilijk afleggen, en niemand wordt gaarne van zijn eigen zienswijze afgebracht.

Indien gij meer steunt op eigen doorzicht of kloekheid , dan op de kracht uwer onderwerping aan J e s u s C h r i s t u s, gij zult zelden en laat een verlicht man worden.

Immers God wil dat wij ons volkomen aan Hem onderwerpen, en dat wij door eene brandende liefde alle redeneeringen teboven-stijgen.

OEFENING.

Wij oordeelen vaker door de neiging van ons hart, dan door het licht van onzen geest. Onze eigenliefde brengt gewoonlijk te weeg, dat wij in ons zeiven goedkeuren, wat wij in anderen veroordeelen, en wij zijn zooveel te scherpzinniger op de gebreken van den naaste, als wij te verblind zijn op de onze. Een geest, die zich gestadig met God bezig houdt, en eene ziel die getrouw is aan de beweging zijner genade, eene ziel, die alzoo met God bezig en aan hem gehecht is, houdt zich in haar zelve niet op dan met God, en met haar in God, en daar zij haar hart tracht te bewaren, vergeeft zij niets aan zich zelve en vergeeft alles aan anderen.

GEBED.

Mocht, o God ! deze overweging op mijn

-ocr page 90-

86 DE NAVOLGING V\\N JESUS CHRISTUS.

hart van een weldadigeu invloed zijn, raiju oo|? zich op U gevestigd houden en uw wil mij steeds voor den geest zweven ! dan zoude ik mij in vele opzichten voorzichtiger gedragen, en niet zoo vaak over mijn broeder een ligtvaardig oordeel vellen. Doe mij wijzer worden. Dat ik mij bezighoude met mijzel-ven, zonder mij met anderen te bemoeien. U alleen te beminnen, te behagen zij mijn doel; mijn eigen heil te bevorderen, mijne hoofdbezigheid !

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Over de werken uit liefde verricht.

1. Om niets ter wereld en ter liefde van geen eenig raensch mag men iets kwaads doen.

Nochtans mag men vrij, ten nutte van hem die het noodig heeft, somtijds eenig goed werk uitstellen of liever door een beter vervangen.

Op deze wijze toch gaat het goede werk niet verloren, maar in een beter over.

Zonder liefde kan een uitwendig werk niets baten.

Maar alles wat uit liefde geschiedt, hoe gering en ongeacht het zij, wordt geheel vruchtbaar.

Want God weegt meer waarom iemand handelt, dan de daad die hij verricht.

2. Hij doet veel, die veel liefheeft, Ook doet hij veel, die iets wel doet.

Hij doet wèl, die meer het algemeen belang dan zijn eigen wil dient.

-ocr page 91-

I. JJOEK. 1. HOOFDSTUK. 8?

Dikwijls schijnt iets liefde te zijn en is eerder zinlijkheid : want zelden laten natuurlijke neiging, eigen wil, hoop op vergelding, baatzucht zich buitensluiten.

3. Wie eene ware en volmaakte liefde bezit , zoekt in niets zichzelven, maar wenscht dat de eer van God alleen in alles bevorderd worde.

Ook benijdt hij niemand, omdat hij geen vreugde bemint die hij alleen geniet.

Niet in zichzelven wil hij zich verheugen, maaa in God wenscht hij boven alle goederen zijne gelukzaligheid te vinden.

Aan niemand schrijft hij iets goeds toe , maar brengt het geheel terug tot God , uit wien als uit eene bron alles voortvloeit, en in wien als hun laatste einde alle Heiligen zalig rusten.

O! wie een vonkje der ware liefde bezat, hij zou in waarheid gevoelen dat al het aard-sche vol ijdelheid is.

OEFENING.

Men kan niet genoeg die woorden van den schrijver herhalen, die zegt, dat God zoo zeer niet aanziet hoeveel men doet, als uit hoe groote liefde het werk voortkomt, en dat men veel doet, als men veel bemint; dat is dat onze werken aan God waarlijk niet be-hagen, dan voor zooveel zij bezield zijn door het verhingen van aan hem aangenaam te wezen, en als door het zegel der liefde gestempeld zijn. Doet, zegt de heilige Paulu8, al wat gij doet, door ingeving en beweging

-ocr page 92-

88 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, van de liefde God». Het is die levende en werkende liefde, wanneer zij menigwerf her-haald wordt, die de verdienste van onze goede werken uitmaakt; en het geloof zelfs is zwak en kwijnend in ons, indien het door eene godvruchtige geneigdheid niet bezield is tot God, die ons deszelfs waarheden veropenbaard heeft. Laat ons dan trachten den Heer te beminnen in alles wat wij doen, met God te beminnen. Heer! alles voor en in U. Ziedaar hetgene ons hart moet zeggen en onophoudelijk doen, om een bovennatuurlijk en verdienstelijk leven te leiden, en om in den tijd te beginnen, hetgene wij in de eeuwigheid zullen vorderen.

GEBED.

God der liefde! bron der zuiverste liefde! van wiens liefde alles wat aanzijn heeft getuigt, en die door liefde uwe redelijke schepselen ten hoogaten trap van volmaaktheid brengt, vervul mijn hart met zulk edel gevoel. Geef dat ik U boven alles, en mijnen naaste liefhebbe als mijzelven. Zonder liefde kan ik nimmer behagen, geen leerling van Jesus zijn; zonder liefde is alles ijdel, en mijn Christendom eene hersenschim.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Over het verdragen der gebreken van anderen.

1, Wat de menach in zichzelven of in

-ocr page 93-

ï. BOEK. XVI. HOOFDSTUK. 89

audereu niet kan verbeteren, dut moet hij pedaldit; verdragen, totdat God het anders beschikke.

Denk dat het zoo wellicht beter in om u te beproeven en in lijdzaamheid te oefenen, zonder welke al onze verdiensten niet veel te achten zijn.

Nochtans moet gij bij zulke bezwaren bidden dat God u te hulp kome, opdat gij ze goedwillig moogt verdragen.

2. Indien iemand, eens of tweemaal vermaand, niet luistert, wil niet met hem twisten; maar geef het alles aan God over, opdat zijn wil geschiede en Hij in al zijne dienaren verheerlijkt worde : Ilij toch weet wel het kwade in het goede te verkeeren.

Beijver u geduldig te zijn in het verdragen van de gebreken en allerlei zwakheden van anderen , daar ook gij veel hebt, dat anderen verdragen moeten.

Kunt gij uzelven niet zóo maken als gij wenscht, hoe kunt gij dan een ander naar uwen zin hebben ?

3. Wij willen gaarne anderen volmaakt hebben, en wij verbeteren onze eigene gebreken niet.

Wij willen dat anderen streng bestraft worden, en wij willen niet dat men ons be-straffe.

Veel toegevendheid voor anderen mishaagt ons, en nochtans willen wij niet dat men ons weigere hetgeen wij vragen.

Wij willen dat anderen door regels in toom

-ocr page 94-

00 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, gehouden worden, maar zeiven willen wij in niets bedwongen zijn.

Dus blijkt het hoe zelden wij onzen naaste als onszelven achten.

Waren allen volmaakt, wat zouden wij dan van anderen om Godswil te verdragen hebben ?

4-. Maar nu heeft God het zóo geschikt, opdat wij leeren elkanders lasten te dragen.

Want er is niemand zonder gebrek , niemand zonder last, niemand zichzelven genoegzaam , niemand voor zichzelven wijs genoeg.

Daarom moeten wij elkander verdragen, elkander troosten, gelijk ook helpen, onderwijzen en vermanen.

Hoe groot dan de deugd van iemand zij, blijkt best ten tijde van tegenspoed.

Want niet de gelegenheden maken den mensch zwak, zij toonen wat hij is.

OEFENING.

Hoeheiligmakend is de oefening, en welk voortreffelijk middel is de beoefening van liefde, om ons den hemel te doen bekomen, namelijk van in ons en in anderen de zwakheden te verdragen, welke wij niet kunnen verbeteren! Want er is niets bekwamer om ons te verootmoedigen en ons voor God te vernederen, dan het gevoel van onze ellenden; en niets is regtvaardiger, dan van anderen te verdragen, hetamp;ene men wil , dat men van ons verdrage. Wij moeten dan alles, wat uit de gesteltenis van den naaste voortkomt, verduldig verdragen, en niemand iets

-ocr page 95-

I. ROEK. XVII. HOOFDSTUK. 91

door on\'.e gesteltenis doen lijden. Het is al-zoo volgens den heiligen Paulus, dat wij elkanders last drngen en de wet van Christus volbrengen zullen, die de wet van liefde, van zoetheid en van geduld is.

G E B E D.

Hoe verre nog, o God! beu ik van den geest dezer lessen verwijderd ! Eigenliefde belet mij doorgaans mijne eigene gebreken te zien, en ik wil mij nochtans als verbeteraar mijns broeders opwerpen! Hoe strijdig is dit gedrag met de liefderijke voorschriften van het heilig Evangelie! Laat toch deze voorschriften meer indruk op mij maken; leer mij anderen verdragen, gelijk zij mij verdragen moeten, overeenkomstig de les van uwen Zoen: al wat gij wilt dat anderen u doen, doe hun desgelijks.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het kloosterleven.

1. Gij moet uzelven in vele opzichten lee-ren buigen , wilt gij vrede en eendracht met anderen behouden.

Het is geen kleinigheid in een klooster of in een vereeniging te wonen, aldaar zonder klachte te verkeeren en getrouw te volharden tot aan den dood.

Gelukzalig hij, die een vroom leven gelukkig voltrokken heeft !

Wilt gij behoorlijk volharden en voortgang

-ocr page 96-

02 DE NAVOLGING VAN JE8US CHRISTUS, maken, beschouw u als een balling en vreemdeling op aarde.

Om Christus\' wil moet gij als een dwaas willeu beschouwd worden, zoo gij eon godvruchtig leven wilt leiden.

2. Kap en kruin doen er weinig toe; maar verandering van zeden en volkomen veraterving der driften maken den waren kloosterling.

Wie iets anders zoekt dan God alleen en het heil zijner ziele, zal niets dan kwelling en smart vinden.

Ook kan hij er niet lang in vrede blijven, die niet tracht de geringste te zijn en aan allen onderworpen.

3. Gij zijt gekomen om te dienen , niet om te heerschen.

Weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te werken, niet om ledig te loopen of te klappen.

Hier dus worden de menschen beproefd, gelijk het goud in den oven.

Hier kan niemand het uithouden, tenzij hij zich van ganscher harte ter liefde Gods wil vernederen.

OEFENING

Men moet veel vermogen op zich zeiven hebben , zich kunnen inhouden en zich in verscheidene gelegenheden kunnen overwinnen , om gelukkig en tevreden in eene gemeente of in een klooster te leven, en aldaar krachtdadig aan zijne volmaaktheid en zijne zaligheid te werken. Even als de inborst van den-gene, met wien men leeft, dikwijls met de

-ocr page 97-

I. BOEK. XVIII. HOOPDSXUK. 93 onze niet overeenkomt, moet de genade den vrede en de liefde onderhouden, door de sterkte die zij geeft, om de tegenstrijdigheid van inborst te lijden en te verdragen; even gelijk de natnnr den vrede in de wereld, door de tegenstrijdigheid der elementen onderhoudt. Zoo dan, gij zult noch ware gewetensrust, noch verzekering der zaligheid vinden, dan in de inwendige versterving, die u aanzet om u in alles te overwinnen en die u in de ware ootmoedigheid des harten aanmoedigt om alles te verdragen.

G E B E D.

Ook voor mij, o God! schoon in de wereld levende, heeft deze les haar nut. In el-ken staat toch kan ik U dienen, en moet ik op het heil mijner ziel aandachtig zijn. Waar ik mij ook bevinde, ootmoed, godsvrucht en zelfbeheersching blijven voor mij gewichtige verplichtingen. Leer mij die meer en meer kennen, en geef mij kracht om ze getrouw en standvastig ten uitvoer te brengen. Dat de wereld mij bespotte, zoo veel zij wil; ik heb aan uw welbehagen genoeg.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Over het voorbeeld der heilige Vaders.

1. Vestig het oog op de levendige voorbeelden der heilige Vaders, die uitblonken in de ware volmaaktheid en godsvrucht, en gij zult zien hoe gering het is, ja bijkans niets wat wij doen.

-ocr page 98-

94 DE NAVOLGING VAN JESüS CHRISTUS.

Ach ! wat is ons leven bij het hunne vergeleken ?

De Heiligen en vrienden van Christus 1 lebben den Heere gediend !n honger en dorst, in koude en naaktheid, in arbeid en vermoeienis, in waken en vasten, in gebeden en heilige overdenkingen, in velerlei smaad en vervolgingen.

\'2. Hoe vele en zware verdrukkingen hebben niet ondergaan de Apostelen, de Martelaars, de Belijders, de Maagden en al de overigen, die de voetstappen van Christus hebben willen volgen 1

Want zij hebben in deze wereld hunne zielen gehaat, om die voor het eeuwige leven te behouden.

Welk een streng en verstervend leven hebben de heilisre Vaders in de woestijn geleid! Wat langdurige en zware bekoringen hebben zij doorgestaan! Hoe menigmaal werden zij door den vijand gekweld ! wat menigvuldige en vurige gebeden hebben zij Gode opgedragen, welke strenge onthoudingen uitgeoefend !

Hoe groot was hun ijver en vurigheid tot geestelijken voortgang! Welken harden strijd voerden zij bij het beteugelen hunner gebreken ! Hoe zuiver en oprecht was hunne bedoeling tot God gericht!

Des daags arbeidden zij, en den nacht brachten zij met lange gebeden door, schoon zij onder den arbeid niet ophielden met den geest te bidden,

3. Al hun lijd besteedden zij nuttig. Elk

-ocr page 99-

I. BOEK. XVIII. HOOFDSTUK. 95

uur scheen hun te kort in den omgang, niet God doorgebracht.

Ja, het lieflijke der bespiegeling deed hen de behoefte der lichamelijke verkwikking vergeten.

Yan alle rijkdommen, waardigheden, eer, vrienden en bloedverwanten deden zij afstand: zij begeerden niets van de wereld te bezitten.

Nauwlijks namen zij \'s leeens nooddruft, de verzorging des lichaams , zelfs in \'t noodzakelijke , viel hun lastig.

4. Zij waren dus arm in aardsche goederen, maar zeer rijk in genade en deugden.

Vanbuiten hadden zij gebrek, maar vanbinnen werden zij door de genade en den god-delijken troost verkwikt.

Der wereld waren zij vreemd, maar Gode zeer nabij en vertrouwelijke vrienden.

In hun eigen oogen waren zij niets en bij de menschen veracht; maar in de oogen van God waren zij dierbaar en uitverkoren.

Zij volhardden in waren ootmoed; zij leel-deu in eenvoudige onderwerping; zij wandelden in liefde en lijdzaamheid.

En daarom vorderden zij dagelijks in het geestelijk leven en verkregen van God groote genade.

Zij zijn aan alle kloosterlingen tot voorbeeld gegeven, en zij moeten ons sterker aansporen tot gestadigen voortgang, dan de menigte lauwen tot verslapping.

5. Hoe groot was de ijver aller kloosterlingen bij den aanvang hunner heilige instelling! floe groot hunne godsvrucht bij het

-ocr page 100-

96 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, ^e.bed! Hoe groot hun naijver tot deugd! Welke strenge tucht onderhielden zij! Hoe bloeiden, hij allen, eerbied voor en onderwerping aan de voorschriften huns Meesters!

Nog lieden getuigen de nagelaten sporen, dat zij waarlijk heilige en volmaakte mannen geweest zijn, die zoo dapper strijdende de wereld onder den voet gebracht hebben.

En nu wordt hij groot geacht die geen overtreder is, die hetgeen hij op zich genomen heeft, geduldig kan dragen.

6. O lauwheid en nalatigheid van onzen stand! dat wij van den eersten ijver zoo spoedig afwijken, ja wegens vermoeiing en traagheid het leven moede worden !

O , dat toch de zucht tot geestelijken voortgang niet geheel in u mocht slapen, die dikwijls zoo vele voorbeelden van godvruchtigen onder het oog gehad hebt!

OEFENING.

Niets is bekwamer om ons aan te moedigen van wel te leven, dan het voorbeeld diergenen die wel geleefd hebben. Het is dit voorbeeld , hetwelk de deugd mogelijk, gevoelig en gemakkelijk maakt, en ons dezelve voorstelt in anderen, die ze reeds geoefend hebben, en ons haar als tot ons gebruik aantoont; want wij moeten tot ons zeiven zeggen, wanneer wij de levensbeschrijvingen der Heiligen lezen of hunne voorbeelden aanschouwen: ziedaar wat menschen, als wij, gedaan , verdragen en verlaten hebben, om den hemel te ver-

-ocr page 101-

I. BOEK. XIX. HOOFDSTUK. 9?

dienen, welken wij hopen. En wij, wat hebben wij tot dusverre gedaan ? Waarom zouden wij niet doen hetgeue zij gedaan hebben, om dezelfde vergelding te verdienen ? Helaas! hoe zeer moet ik niet vrezen , wanneer ik voor God zal vcischijnen, dat Hij mij van den eenen kant mijn geloof, mijne godsdienst en de voorbeelden der deugdzame menschen , die in denzelfden staat als ik geleefd hebben , zal toonen en tot mij zal zeggen, wanneer hij mij met deze getuigen zal vergelijken ; ziedaar wat gij moest gedaan hebben, en zie wat gij gedaan hebt; oordeel zelf, wat verdient gijP

O E B ED.

Schaamrood word ik, o üod! als ik mij de voorbeelden uwer heilige vrienden herinner, en mijn wandel daartegen oveistel. Zoo ni\'ft in alles, toch in vele opziclitin konde ik hen navolgen, al ware het alleen door zuivere godsvrucht en liefde fot deugd in mijn hart aan te kweeken. Maar acli! hoe verre ben ik daarvan verwijderd! Wek dan bij mij den lust tot navolging op , ondersteun mij met uwe genade en help mij alle beletselen overwinnen.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Over de oefeningen van den waren kloosterling»

I. ilet leveu eens waren klooaterlings moet in allerlei deugden uitschitteren , opdat hij

7

-ocr page 102-

08 DE NAVOLG INC. VAN JESUS CHRISTUS, iawendig zij zooals hij nifwendig de nienschen voortkomt.

Ja, inwendig moet hij veel meer zijn dan men uitwendig aan hem bespeurt.

Want die in ons binnenste ziet is God , dien wij, wpar wij ons bevinden, ten hoor-ste moeten eerbiedigen, en voor wiens aangezicht wij zuiver a^s Engelen moeten wandelen.

Eiken dag moeten wij ons voornemen vernieuwen en ons tot ijver opwekken, als waren wij eerst heden tot bekeeriug gekomen.

Wij moeten zegffen: help mij, Heere God! in mijn goed voornemen en in uwen heiligen dienst. Geef dat ik heden eens recht beginne : want, wat ik tot nu toe deed is niets.

2. Gelijk ons voornemen , zoo is de gang onzer vordering. En die wél wil vorderen , moet groote vlijt aanwenden.

Want als hij die ernstig voorneemt dikwijls verflauwt, wat dan hij die zelden of min ernstig iets voorneemt?

Nochtans geschiedt het verlaten van ons voornemen op velerlei wijze, en ook het geringste verzuim in onze oefeningen heeft nauwelijks plaats zonder eenig nadeel.

Der rechtvaardigen voornemen hangt mee-af van de genade Gods dan van eigen wijsheid; wat zij ook ondernemen , op Hem vertrouwen zij steeds.

Want de mensch wikt, maar God beschikt, en \'s menschen weg is niet in zijn eigen macht Indien uit godsvrucht of om het nut eens broeders Bomtijds eene gewone oefening na-

-ocr page 103-

T, l?Of;K. XIX HOOFDSTUK. 90

gelaten wordt., zoo kan dit naderhand licht hersteld worden.

Maar indien men ze te licht, uit tegenzin of onachtzaamheid verzuimt, zoo is dat zeer te berispen, en men zal het schadelijk ervan ontwaren.

Doen wij ons best, zooveel wij kunneu : nog in vele dingen zullen wij licht te kort schieten.

Desnietemin moeten wij altoos iets zekers voornemen, vooral tegen hetgeen ons het meest hindert.

Wij moeten zoo wel het uitwendige als het inwendige onderzoeken en regelen : want beiden helpen tot voortgang.

4. Kunt gij niet aanhoudend tot uzelven terugkeeren, doe het evenwel somtijds, tenminste tweemaal daags, des morgens en des avonds.

\'s Morgens maak uw voornemen; \'s avonds onderzoek uw gedrag: hoe gij dien da? geweest zijt in gedachten : woorden en werken ; misschien hebt gij daardoor dikwijls God en den naaste beleedigd.

Omgord u als een man tegen de listen des duivels.

Bedwing de onmatigheid , en gij zult te lichter al de neigingen van het vleeach be-teuselen.

Wees nooit geheel ledig, maar altoos bezig met lezen of schrijven, of met bidden of overdenken of met iet» nuttigs voor het algemeen te doen.

Ligchamelijke oefeningen nochtans moeten

-ocr page 104-

100 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, met onzichtelijkheid geschieden ; zij zijn niet voor allen even dienstig.

5. Wat niet aan allen gemeen is , moet niet in het openbaar vertoond worden : want de bijzondere oefeningen geschieden veiligst verborgen.

Wacht u intnsaclicn van traag voor het algemeen, en ijveriger voor het bijzondere te zijn.

Maar nadat gij het verschuldigde en opgelegde geheel en getrouw verricht hebt, en u blijft nog tijd over, geef u aan uzelventerug volgens het verlangen uwer godsvrucht.

Niet allen kunnen dezelfde oefening hebben, maar den eene dient deze meer, gene eene andere.

Naar den eisch der tijden behaagt verschil van oefeningen : want deze zullen op de feest-, andere op do gewone dagen meer bevallen ; sommigen hebben wij noodig ten tijde der bekoring, andere ten tijde van rust en vrede. Deze gedachten behagen wanneer wij droevig zijn, gene als wij ons in den Heer verheugen.

6. Tegen de voorname feestdagen moeten nuttige oefeningen vernieuwd en der Heiligen voorspraak te ijveriger afgesmeekt worden.

Van den eenen feestdag tot den anderen moeten wij ons voorstellen, alsof wij dan uit deze wereld verhuizen en tot het eeuwige feest overgaan zullen.

Daarom ook moeten wij ons op die tijden van godsvrucht zorgvuldig voorbereiden, god-

-ocr page 105-

I. BOEK. XIX. HOOFDSTUK. 101 vmchtiger wandelen en te stipter al onze verplichtingen nakomen, alsoi wij eerlang het loon onzes arbeids van God stonden te ontvangen.

7. En wordt dit uitgesteld, denken wij dan dat wij nog niet genoeg zijn voorbereidden nog niet waardig die groote heerlijkheid, welke ons ten bestemden tijde zal worden geopenbaard, en trachten wij ons beter tot dien overgang voor te bereiden.

GeluWig die knecht, staat er bij den Evangelist Lucas, dien zijn Heer hij zijne komst wakend zal vinden ! Ik zeg v voorwaar, Hij zal hem stellen over al zijne goederen.

OEFENING.

O, welk een groot vermogen hebben op ons de levende, krachtdadige en volstandige verlangens van aan ons zeiven te sterven , en in en voor God te leven, en dit om ons op te wekken om hetzelve in het werk te stellen; want men doet altijd wat men waarlijk wil : maar ons ongeluk is, dat wij dikwijls nie1 dan zwakke en krachtelooze verlangens hebben om God te bevredigen, terwijl wij er zulke levende en krachtdadige vormen, om ons zelvcn Te oldoen. Hierdoor geschiedt het, dat de nutte\'oos\'ieid on/er wen-schen en verlangens een groot beletsel tot onze volmaaktheid en tot onze zaligheid is. Men zou zich wel geheel aan God willen overgeven, maar men wil dit niet volstrekt; men wil dit ten tijde van het gebed en van de communie, en men wil dit niet meer in

-ocr page 106-

102 DE NAVOLGING VA.N JE8US \'JHRISIUS. andere omstandigheden. Men wil zich niet dan gedeeltelijk en voor eenigen tijd van zijne plichten kwijten, hetgene zoo veel te weeg brengt, dat ons leven niets is dan eene aaneenschakeling van goede verlangens en slechte uitwerkselen, van beloften en ougetronwhe-heden. Indien men zoo leeft, is dit krachtdadig aan zijne zaligheid werken ?

gebed.

Ook voor mij, o üod ! moet deze overwe-wing belangrijk zijn. Als mensch en Christen heb ik dc verlievenste bestemming. Weemij, als ik in dit opzicht nalatig ben, en in deugd geenen of weinigen voortgang maak ! Open mijn hart voor den invloed dier heilige leeringen, en laat mijn gedrag daarvan blijken dragen. Dan zal ik geeu dood behoeven te vreezen; in het zalig bewustzijn van steeds wakeud bevonden te worden en het toegezegde loon te zullen ontvangen.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de liefde tot eenzaamheid en stilzwijgendheid.

I. Kies een geschikteu tijd uit om met uzelveii be/.ig te zijn, en overdenk dikwijls de vveldiideii Go Is.

Laat daar hetgeen voor de nieuwsgierigheid is; lees zulke stoffen welke meer hart roeren dan den geest bezighouden.

Zio gij u onttrekt aan overtollige gesprek-

-ocr page 107-

I. ÜOEK. XX. HOOfÜSTUK. 103

keu en ledig rondloopen, aan het hooren naar nieuwigheden en geruchten, gij zult genoeg en bekwamen lijd vinden om u aan heilzame betrachtingen over te geven.

De grootste Heiligen, zooveel zij konden, vermeden den omgang met meuschen en verkozen liever God in de eenzaamheid te dienen.

2. Iemand heeft gezegd : „ zoo dikwerf ik „ onder de meuschen geweest ben, keerde ik minder mensch terug.quot; Dit ontwaren wij dikwijls , wanneer wij lang met elkauder pralen.

Het valt lichter geheel te zwijgen, dan iu woorden zich niet te buiten te gaau.

Het valt lichter iu huis te blijven, dan zich buitenshuis genoeg in acht te nemen.

Wie alzoo tot het inwendige en geestelijke komen wil, moet zich met Jesus van de menigte afzonderen.

Niemand verschijnt veilig in het openbaar dan hij, die zich gaarne verbergt.

Niemand spreekt veilig dan hij, die gaarne zwijgt.

Niemand is veilig overste dan hij, die gaarne onderdanig is.

Niemand gebiedt veilig dan hij, die wèl geleerd heeft te gehoorzamen.

3. Niemand verheugt zich veilig dan hij , die de getuigenis van een goed geweten in zich heeft.

Met dat al was der Heiligen gerustheid altoos gepaard met de vree/.e Gods.

Eu zij waren daarom niet minder bezorgd

-ocr page 108-

104 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, en nederig, omdat zij in groote deugd en genade uitschitterden.

De gerustheid der boozen daarentegen komt van hoogmoed en vermetelheid voort, en gaat eindelijk in zelfbedrog over.

Beloof u nimmer gerustheid in dit leven, al schijnt gij een goed kloosterling of godvruchtig kluizenaar te zijn.

Zij die in het oog der menschen zeer heilig waren, liepen dikwijls te erooter gevaar wegens hun te groot vertrouwen.

Daarom is het velen nuttiger dat zij niet geheel zonder bekoringen blijven, maar dikwijls bevochten worden, opdat zij niet te gerust zijn, zich niet tot hoogmoed laten vervoeren, ook niet te licht tot uitwendigen troost hun toevlucht nemen.

Welk een goed geweten zoude hij hebben, die nooit naar eene voorbijgaande vreugde zocht, die zich nooit met de wereld ophield !

Welk een grooten vrede en rust zoude hij bezitten, die alle ijdele zorg afsneed om slechts te denken aan God en zijne zaligheid, en zijne hoop te vestigen op God alleen.

5. Niemand is den hemelschen troost waardig, tenzij hij zich ijverig in een heilig berouw geoefend hebbe.

Wilt gij hartelijk geroerd worden, treed in uwe kamer en sluit het gedruisch der wereld buiten, gelijk er geschreven staat : heht berouw op uwe legerstede. ( Ps. 4)

In uwe cel zult gij vinden wat gij dikwijls daarbuiten zoudt verliezen.

Veel bewoond, wordt de cel steeds aan-

-ocr page 109-

I. BOEK. XX. HOOFDSTUK. 105 genaam, maar slecht bewaard, baart zij verveling.

Hebt gij haar in het begin uwer bekeering wel bewoond en gehouden, zij zal u daarna eene geliefde vriendin en zeer dierbare troosteres worden.

6. In de stilte en rust maakt eene godvruchtige ziel voortgang, en leert de geheimen der Schriften kennen.

Daar vindt zij strooraen van tranen, waarin zij zich alle nachten wascht en reinigt , opdat zij met haren Schepper te gemeenzamer worde, hoe meer zij zich van al het gewoel der wereld verwijdert.

Wie zich alzoo van zijne vrienden en bekenden afzondert , dien nadert God met zijne heilige Engelen.

Het is beter verborgen te blijven en voor zich te zorgen, dan wonderen te doen en zicli te verwaarloozen.

7. Het is loffelijk in een kloosterling dat hij zelden uitgaat, vermijdt gezien te worden , ja de menschen niet wil zien.

Waarom zoudt gij willen zien hetgeen gij niet moogt bezitten ? Be wereld gaat voorhij en hare hegeerljkheid. (Joan. 2.)

De trek der zinnelijkheid lokt u tot uitgaan; maar wanneer het uur voorbij is, wat anders brengt gij terug dan een bezwaard geweten en een verstrooid hart ?

Een vrolijk uitgaan baart dikwijls een treurig thuiskomen. En een vrolijke laten avond maakt een droeven morgen.

Zoo treedt alle zinnelijk vermaak aange-

-ocr page 110-

106 DE NAVOLGING JESÜS CHRISTUS, naam binnen, maar op het einde kwetst en doodt het.

8. Wat kunt gij elders zien dat gij hier niet ziet ? Ziedaar den hemel en de aarde en al de hoofdstoffen: daaruit is toch alles samengesteld.

Wat kunt gij ergens zien. dat onder de zon lang kan staande blijven ?

Gij denkt misschien u te kunnen verzadigen, maar daartoe kunt gij niet komen.

En al zaagt gij ook alles voor uw oogen, wat zoude het anders dan een ijdel gezicht zijn ?

Hef uw oogen tot God in de hoogte , en bid voor uwe zonden en nalatigheden.

9. Laat den ij dele het ij dele en let gij slechts op hetgeen God u gebiedt.

Sluit uwe deur achter u en roep tot u Jesns, uwen geliefde.

Blijf met Hem in uwe cel ; want nergens zult gij zooveel rust vinden.

Waart gij niet uitgegaan, noch hadt gij naar geruchten geluisterd, gij zoudt beter in goede rust gebleven zijn.

Van het oogenblik dat gij vermaak hebt om somtijds iets nieuws te hooren, moet gij ook daarvan de kwelling des harten dragen.

OEFENING.

De uiterlijke eenzaamheid is niet toereikend om een hart bezig te houden en te bevredigen, hetwelk zich alleen vau de schepselen zou ontmaken, om met zichzelf bezig te zijn ; neeu. men moet er de inweuditre eenzaam-

-ocr page 111-

I. BOEK. XX. HOOrDSTÜK. 107

heid bijvoegen, welke in heilige overdenkingen en in het gebed gelegen is. Eene ziel, die van alle zinnelijke vermaken is afgescheiden , zoekt en vinüt in God die volkomene voldoening, welke zij in geen schepsel kan aantreffen. De geest van dusdanige personen houdt zicli gedurig bezig met een eerbiedig aandenken aan de tegenwoordigheid van zijnen God; zijn hart is bezield door een levendig en vurig verlangen van hem te behagen en zijner liel\'de waardig te worden.

De ziel bekommert zich niet dan met Hem alleen, en het overige trekt zij-zich niet aan. In hare aangename eenzaamheid geeft zij zich geheel aan God over, zij is in hem ver-blonden. Zij is door zijne liefde vervuld, zij vergeet alles, om steeds aan hem te deuken ; zij zucht gedurig inde tegenwoordigheid van haren God, gansch doordrongen van droefheid over hare ongetrouwheden; zij haakt onophoudelijk naar het geluk van hem te zien, van hem te beminnen en hem in den hemel te bezitten; zij voedt zich met het lezen der heilige boeken en met de oefening des gebeds; zij heeft geen verdriet, wanneer zij met God over de zaken harer zaligheid spreekt, of wel zij verdraagt ootmoedig liet verdriet; dat zij in die handelingen heeft; en om zijne opperste heerschappij te eeren, door de vernietiging der zonde in zich, ziet zij gaarne af van haar eigen vergenoegen , om hem te bevredigen.

-ocr page 112-

108 DF. NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

GEBED.

Mocht, o goede Vader! deze overweging voor mij heilzaam zijn, en ik in een stil, ingetogen, ja somtijds afgetrokken leven behagen vinden! Ook midden in de wereld zoude ik mij onbesmet bewaren en het heil mijner ziel als mijn hoogste doel betrachten kunnen. Uw bijzijn zoude, mij alle opoffering vergoeden, en een blik op eene zalige toekomst allen last verzuchten. Geef mij hiertoe uwe genade, en doe op mijnen wensch uw zegen rusten.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het berouw des harten.

1. Wilt gij eenigen voortgang maken, bewaar u in de vreeze Gods, wees niet te vrij, maar houd al uwe zinnen onder tucht en geef u niet aan eene dwnze vreugde over; schik u tot een hartelijk berouw, en gij zult de godsvrucht vinden.

Het berouw geeft toegang tot veel goeds, dat door uitgelatenheid doorgaans dra verloren gaat.

Het is te verwonderen dat een mensch ooit in dit leven recht vrolijk kan zijn , als hij zijne ballingschap en zoo vele gevaren zijner ziele gedenkt en overweegt.

2. l)e lichtzinnigheid des harten en de onoplettendheid op onze gebreken zijn oorzaak dat wij de smarten onzer ziel niet out-

-ocr page 113-

I. BOEK. XXI. HOOFDSTUK. 109 wareu; dikwijls lacheu wij dwaselijk, daar wij met reden moesten weenen !

Er is geen ware vrijheid noch rechte vreugde , tenzij in de vreeze Gods en in een goed geweten.

Gelukkig hij, die alle verstrooiende hin-deruis afwerpen en de krachten zijner ziel tot een heilig berouw verzamelen kan !

Gelukkig hij, die alles wegwerpt wat zijn geweten kan bevlekken of bezwaieu.

Strijd moedig! eene gewoonte wordt door eene gewoonte overwonnen.

Kunt gij u ontdoen van de menscheu, ook zij zullen u uw werk laten doen.

3. Trek u de zaken van anderen niet aan, noch meng u in de aangelegenheden der grooten.

Heb voor alles steeds het oog op uzelven, en vermaan uzelven bijzonder boven al uwe vrienden.

Hebt gij de gunst der menschen niet, wee; daarover niet bedroefd; maar dit valle u zwaar, d:it gij u zoo wèl en omzichtig niet gedraagt, als een dienaar Gods en vromen kloosterling betaamt.

Dikwijls is het nuttiger en veiliger dat de mensch in dit leven niet veel vertroostingen hebbe, vooral naar den vleesche.

Nochtans dat wij geen goddelijken troost ontvangen of zelden dien ontwaren, is onze schuld; omdat wij het berouw des harten niet zoeken en den ijdelen uiterlijken troost niet geheel verwerpen.

4-. Erken dat gij den goddelijken trooist

-ocr page 114-

110 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, onwaardig en oprder velerlei kwellingen waardig zijt.

Wanneer een mensch waarachtiff berouw heeft, dan valt hem de geheele wereld zwaar en bitter.

Een rechtschapen mensch vindt slofs ge-noes om bedroefd te zijn on te weenen.

Want hetzij hij zichzelven beschouwt, hetzij over zijuen naaste nadonkt, hij weet dat hier niemand leeft zonder smart , en hoe nauwkeuriger hij zichzelven gadeslaat, hoe bedroefder hij is.

Stoffen eener rechtmatige droefheid en van een innerlijk berouw zijn onze zonden en ondeugden, waarin wij zoo verstrikt ligffeu, dat wij zelden hemelsche dingen kunnen beschouwen.

5. Indien gij meer aan uwen dood dan aan een lang leven dacht, ongetwijfeld zoudt gij met meer ijver u verbeteren.

Zoo gij ook de toekomende straffen der helle of van het vagevuur ernstig overwoogt, dan, geloof ik, zoudt gij arbeid en smart sewilliff verdragen en geene gestrengheid vreezen.

Maar omdat dit niet tot het hart doordringt, en wij noch eehecht zijn aan\'t geen ons streelt, daarom blijven wij koud en zeer traag.

6. Het is dikwijls bij gebrek aan geesteskracht, dat het ellendige lichaam zoo lich-teliik klaagt.

Bidt dan ootmoedig tot God dat Hij u den geest van berouw geve en zeg met den Pro-

-ocr page 115-

I: BOEK. XXI. nOOFDRTUK, 111 feet: Spijs mj, o Heer! met tranenhrood, cn laai mij iv overvloed traven drinlev. (Ps. 79.)

OEFENING.

Kunnen wij onze ellende gevoelen, zonder dezelve te beweenen, zonder ons over dezelve voor God te vernederen , en zonder onophoudelijk tot iiem onze toevlugt te nemen , opdat hij ons onderpteune en bevrijde van hen te vergrammen? Het. is dit gevoelen vol ootmoedigheid , en die toevlugt vol vertrouwen tot God, die den geest van berouw uitmaken , waarover de schrijver in dit hoofdstuk spreekt. Hoe is het mogelijk een oogenblik van blijdschap in dit leven te genieten, waarin men altijd lijdt, altijd zondigt, waarin men als banneling van het Paradijs leeft? Ach ! met hoe groote reden heeft de heilige Augustinus gezegd, dat een ware Christen het leven verdraagt en naar den dood verlangt, die een einde aan de zonde zal stellen en hem voor altijd aan zijnen God onderwerpen. Hoe verdrietig is het te eevoelen dat men altijd geneigd is om God te vergrammen, en altijd in gevaar van verloren te gaan. O leven! hoe zeer strekt gij tot last aan eene ziel , die waarlijk haren God bemint , en die verdriet vindt in gescheiden van hem en als uit het Paradijs gebannen te zijn. O dood! hoe aangenaam zijt gij voor eene ziel, die niet dan naar God verzucht, en die niet meer wil leven zonder hem te bezitten.

-ocr page 116-

112 UE NAVOLGING\' VA.N JESUS CHfilSTUS.

GEBED.

Mocht ik, o God! deu toestand mijns harten kennen en tegelijk de misdaden overwegen die het bevlekken, met de menigvuldige gebreken die daarin als ingeworteld zijn; tranen van berouw zouden mijn aangezicht bedekken , en meer dan ooit zoude ik de verbetering mijns wandels ter harte nemen. Doe mij voor deze zelfkennis vatbaar worden; geef mij een berouwhebbend hart, vervul het met eene heilige vrees en verban daaruit alle aardsche gezindheden.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK. Beschouwing der menschelijke ellende.

1. Waar gij ook zijt, en werwaarts gij u wendt, zoo gij u niet tot God keert, gij zult ellendig zijn.

Waarom wordt gij ontsteld, wanneer liet u niet gaat naar wil en wensch?

Wie is hij die alles naar zijnen wil heeft? Noch gij, noch ik, noch eenig mensch op aarde.

Er is niemand ter wereld zonder eenigen druk of kwelling, hij zij koning of paus.

En wie is er het beste aan ? Voorzeker, die iets voor God kan lijden.

2. Vele onverstandigen en zwakken zeggen ; wat heeft die mensch een goed leven! hoe rijk is hij! hoe groot! hoe machtig! hoe verheven!

-ocr page 117-

I. BOEK. XXII. HOOFDSTUK. 113

Maar let op de goederen des hemels, en gij zult zien , dat al deze tijdelijke niets zijn, maar zeer onzeker en eer tot last, omdat men die nimmer zonder zorg en vrees kan bezitten.

\'s Mensehen geluk bestaat niet in overvloed van tijdelijke goederen te hebben: de middelmaat is hem genoeg.

In waarheid, het is eene ellende op aarde te l«ven.

Hoe meer de mensch naar het geestelijke tracht, hoe bitterder hem hot tegenwoordige leven wordt: want te meer gevoelt hij en te klaarder ziet hij het gebrekkige zijner bedorven natuur.

Want eten, drinken, waken, slapen, rusten, arbeiden en al de andere behoeften der natuur onderhevig te zijn, is waarlijk eene groote ellende en droefheid voor den god-vruchtigen mensch, die zoo gaarne van dat alles ontheven en vrij van alle zonde wezen zou.

3. Inderdaad de inwendige mensch wordt in deze wereld door de lichamelijke behoeften zwaar gedrukt.

Daarom bidt de Proleet vurig om daarvan bevrijd te mogen worden , zeggende : Heer ! red mij uit mijne nooden. (Pa. 24\'.)

Maar wee hun, die hunne ellende niet kennen! En nog meer wee hun, die dit ellendig en vergankelijk leven beminnen!

Want sommigen zijn daaraan zoo gehecht schoon zij nauwelijks door arbeid of bedehui het noodige hebben, dat zij, mochten zij hior

8

-ocr page 118-

114? DE NAVOLOINfi VAN JESUS CHRISTUS.

altoos leven, zich om het rijk van God niet zonden bekommeren.

4-. o Dwazen en ongeloovigen van harte, die zoo diep in het aardsche liggen, dat zij in niets dan in hat vleeschelijke smaak hebben!

Maar die ongelukkigen zullen tot hnnne smart op het einde ontwaren , hoe laag en nietig het was wat zij bemind hebben.

De Heiligen Gods daarentegen en alle ge-1 rouwe vrienden van Christus gaven geen acht op hetgeen het vleesch behaagde, noch op hetgeen in deze eeuw in aanzien was ; maar al hun hopen en begeeren haakte naar de eeuwige goederen

Al hun verlangen streefde naar boven, naar het duurzame en onzichtbare, opdat zij niet door liefde tot liet zichtbare naar de laagte mochten getrokken worden.

5. o Broeder! verlies toch nooit het vertrouwen op voortgang in het geestelijke : gij hebt nu nog tijd en gelegenheid.

Waarom wilt gij uw voornemen tot morgen uitstellen? Sta op, begin oogenblikkelijk en zeg : nu is het tijd om te werken, nu is het tijd om te strijden ; nu is het. de bekwame tijd om mij te verbeteren.

Wanneer gij het kwalijk hebt en gedrukt wordt, dan is het tijd om te verdienen.

Gij moet eerst door vuur en water gaan , • voordat gij tot verkwikking komt.

Zoo gij u geen geweld aandoet, zult gij de ondeugd niet meester worden.

Zoolang wij dit brooze lichaam omdragen,

-ocr page 119-

I. BOEK. XXIT. nOOPDSTUK. 115 kunnen wij evenmin zonder zonde wezen, als leven zonder verdriet en smart.

Gaarne zouden wij van alle ellende bevrijd zijn, maar dewijl wij door de zonde de onschuld verloren hebben, is ook het ware ge-luk voor ons verbeurd.

Daarom moeten wij geduld hebben e:i Gods barmhartigheid afwachten, totdat de ongerechtigheid voorbijga en het sterfelijke verslonden worde door het leven.

6. Ach! hoe groot is de menschelijke zwakheid, altoos overhellende tot ondeugd!

Heden belijdt gij uwe zonden, en morgen doet gij opnieuw wat gij gebiecht hebt.

Nu neemt gij u voor u te wachten, en een uur daarna gedraagt gij u als hadt gij u niets voorgenomen.

Met recht dan kunnen wij ons verootmoedigen en nooit eenig hoog gevoelen van ons-zelven hebben , daar wij zoo broos en onstandvastig zijn.

Ook kan spoedig door onachtzaamheid verloren gaan , wat wij eindelijk na veel arbeids en door de genade nauwelijks gewonnen hadden.

7. Wat zal er nog op het einde van ons worden, die reeds zoo vroeg lauw zijn.

Wee ons, indien wij nu al zoeken fe rusten , als ware er nu reeds vrede en veiligheid, daar er zich noch geen spoor van ware heiligheid in onzen wandel vertoont!

Het M are wel noodig dat wij ons, als goede beginners, vannieuws tot betere zeden lieten opleiden , of er nog hoop mocht zijn op eenige

-ocr page 120-

J16 DE NAVOLGING VAN JESüS CHRISTUS, toekomende verbetering en grooteren voortgang in de deugd.

OEFENING.

Welk geluk en welke verdienste, het hart van een en barrahartigen God te mogen zoeken en te kunnen vinden, om in hetzelve al zijne ellenden af te leggen en er van als ontslagen te worden. Eu hoe gelakkig is men, wanneer men begrijpt en smaakt, dat het ware a:eluk, en als het aardsche paradijs, bestaat, in voor God te lijden, en van onder alle kwellingen diegene het liefste te verdragen, welke ons het meeste tegeustrijdt en verootmoedigt. Want er is niets dan de liefde Gods, die ons kan aanmoedigen om die te verdragen. Hoe ongelukkig is het de ellenden dezes levens niet te kennen, of dezelve niet te beminnen, en niet onophoudelijk naar het ware geluk van het toekomende leven te zuchten ! Met reden heeft de heilige Gregorius gezegd , dat men den honger en zijn ongeluk bemint, en dat men zijne verzadiging en zijn geluk niet zoekt. Is het mogelijk , steeds de onstandvastigheid en de zwakheid zijns harten te gevoelen, hetwelk zjo gemakkelijk zijne goede voornemens vergeet, en bijna niets doet van het-gene hetzelve aan God beloofd heeft, zonder zich in zijne tegenwoordigheid te verootmoedigen, en hem, in de gelegenheid zelve, even als Judith, te bidden van ons te versterken en ons getrouw te maken?

-ocr page 121-

I. BOEK, XXIII. HOOFDSTUK. 117

G E li E 1).

Ja, mijn God! dit leven is aan velerlei ellende onderhevig. Er is niemand of hij heeft zijne kwelling, van welken rang of stand hij zij. En nochtans zijn wij aan dit leven zoo zeer verslaafd, dat wij het overmatig beminnen , ja vafik tot ons hoofddeel maken. Leer ons toch dit leven uit het ware oogpunt be-schouwen, als eene voorbereiding tot een beter; dat het gevoel onzer ellende ons los-make van het aardsche, en het verlangen naar het hemelsche opwekke.

DllIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Overdenking des doods.

1. Hier zal het weldra met u gedaan zijn; zie maar hoe het met u gesteld is; heden is de mensch, en morgen verschijnt hij niet meer. Eu is hij eens uit de oogen, dra is hij ook uit de gedachte.

o Blindheid en versteendheid van het men-schelijk hart: dat men slechts aan het tegenwoordige denkt en het toekomende niet meer vooruitziet!

Gij moest u bij al uw doen en denken zoo gedragen, als moest gij heden sterven.

Hadt gij een gotd geweten, gij zoudt den dood niet veel vreezen.

Het ware beter de zonden te vermijden dan den dood te ontvluchten.

Zijt gij heden niet bereid, hoe zult gij

-ocr page 122-

118 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, het morgen zijn ? Morgen is een onzekere dag, en hoe weet a^ij of gij deu dag van morgen hebben zult ?

2. Wat baat liet lang te leven, als wij ons zoo weinig verbeteren.

Ach ! een lang leven maakt niet altoos beter, maar vermeerdert dikwijls de schnld.

O, mochten wij ook maar éen dag in deze wereld wèl geleefd hebben!

Velen tellen de jaren sedert hunne bekeering; maar dikwijls is de vrucht van verbetering gering.

Is het verschrikkelijk te sterven, het zal wellicht gevaarlijker zijn langer te leven.

Gelukkig hijj, die het uur zijns doods steeds voor oogen houdt en zich dagelijks tot sterven bereidt.

Zaagt gij ooit een menach sterven, denk dat ook gij denzelfden weg gaan zult.

3. Hijst de morgenstond, denk dat gij den avond niet halen zult; en is de avond daar, durf u den dag van morgen niet beloven.

Wees dus altoos gereed, en leef zóo dat de dood u nimmer onbereid vinde.

Velen sterven schielijk en onverwachts : want des menschen zoon zal komen op een uur, als men het niet denkt. ( Luc. 12.)

En als dat laatste uur zal gekomen zijn, zult gij over geheel uw vorig leven heel anders beginnen te denken , en u zeer beklagen dat gij zoo traag en onachtzaam geweest zijt.

4?. Hoe gelukkig en wijs is hij, die nu bij zijn leven zoo tracht te zijn, als hij bij zijnen dood wenscht bevonden te worden !

-ocr page 123-

I. BOEK. XXIII. HOOFDSTUK. lit?

Want een groot vertrouwen op een geluk-kigen dood geven eene volkomen verachting der wereld, een brandende ijver om in de deugd voort te gaan , liefde tot tucht, strenge boetedoening, vaardige gehoorzaamheid, zelfverloochening , en het geduldig dragen van allerlei rampspoed uit liefde tot Christus.

Veel goeds kunt gij doen terwijl gij gezond zijt; maar wat gij ziek zijnde zult kunnen . weet ik niet.

Weinigen worden door ziekte verbeterd, gelijk zij die veel bedevaarten doen, zelden heiliger worden.

5. Vertrouw niet op uw vrienden en bekenden , noch stel uw heil tot in de toekomst uit: want de menschen zullen u spoediger vergeten dan gij denkt.

Beter is het nu bijtijds te voorzien en eenig goeds vooruit te zenden, dan op de hulp van anderen te hopen.

Indien gij nu omtrent uzeiven niet bezorgd zijt, wie zal in het vervolg voor u bezorgd zijn ?

Nu is het een kostbare tijd, nu zijn het de dagen des heils, nu is het een aangename tijd.

Maar ach! dat gij dien niet beter besteedt, daar hij u toch gegeven is om een eeuwig leven te kunnen verdienen.

Eens zal de tijd komen, dat gij een dag, ja éen uur ter verbetering zult lerugwen-schen, en ik weet niet of gij het verwerven zult ?

6. Ach, zeergeliefde! uit hoe groot ge-

-ocr page 124-

120 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, vaar kunt gij u redden en vau hoe groote vrees u bevrijden, zoo gij nu altoos in vrees en op den dood bedacht zijt.

Tracht nu zóo te leven, dat gij in het uur des doods u meer verheugen dan ontrusten moogt.

Leer nu der wereld afsterven, opdat gij dan moogt beginnen met Christus televen.

Leer nu alles versmaden, om dan vrij tot Christus te kunnen t\'aan.

Tachtig nu uw lichaam door boetvaardigheid , opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben.

7. o Dwaas! waarom denkt gij lang te zullen leven, daar gij van niet éenen dag zeker zijt ?

Hoe velen worden bedrogen en onverwachts uit het lichaam gerukt!

Hoe dikwijls hebt gij niet hooren zeggen : „ deze viel door het zwaard, die is verdron-,i ken : deze viel van eene hoogte en brak ,i den nek, geene stikte in het eten, deze „ vond zijn eind onder het spel ? quot;

De eene kwam om door het vuur, een ander door het staal, een ander door de pest, een ander door struikroovers. En zoo is het einde van allen de dood, en \'s menschen leven gaat als eene schaduwe schielijk voorbij.

8. Wie zal uwer na uwen dood gedenken en wie zal voor u bidden ?

Doe dan, zeergeliefde! doe nu al wat gij doen kunt; dewijl gij niet weet wanneer gij sterven zult, en evenmin wat er na den dood voor u volgen zal.

-ocr page 125-

T. BOEK. XXIII. HOOFDSTUK. 121

Terwijl jrij uog tijd hebt, vergader u on-vemankelijke schatten.

Denk aan niets dan aan uwe zaligheid; behartig slechts hetgeen Godes is.

Maak u nu vrienden door Gods Heiligen te vereeren en hun daden na te volgen , opdat zij u, wanneer gij uit dit leven scheiden zult, in de eeuwige woonstede opnemen.

9. Houd u steeds als een reiziger en vreemdeling op aarde, wien de dingen dezer wereld niet aansaan.

Houd uw hart vrij en gericht naar boven tot God : want gij hebt hier geen duurzaam verblijf. (Hebr. 13.)

Richt daarhenen dagelijks uw gebeden, uw zuchten en tranen, opdat i.a uw dood uwe ziel waardig zij een gelukkigen overgang tot den Heer. Amen.

OEFENING.

Den dood vreezen, zonder^de zonden te schuwen, die alleen denzelven voor ons rampzalig maken , is den dood vruchteloos ter zaligheid vreezen; want als men dien als een Christen vreest, dan maakt men van de vrees des doods den regel en de beweegreden van een vroom leven. Het groote geheim en de beste oefening om wel te sterven, is, in den staat te leven, waarin men wenscht in het uur des doods te wezen, en in welken men wenscht dat God ons zou vinden. Men moet dan alle goed doen en alle deugden oefenen, gelijk wij in het doodsuur zouden weuschen hetzelve gedaan te hebben. Tracht

-ocr page 126-

122 DE NAVOLGING VAN JESU8 CHRISTUS, u dagelijks in iets te versterveu, hetgeue gij iu het uur des doods zult moeten verlaten. Heil dien Cliristeu, wiens hart voor dat lichaam sterft. Zijn dood zal heilig en dierbaar in de oogen des Heeren wezen.

GEBED,

Niets zekerder, o God! dan dat ik eens zal sterven, niets onzekerder dan wanneer dat oogeublik zijn zal. Aan u alleen is liet bekend; heil mij, wanneer ik hieraan dikwijls denk en mij bijtijds tot mijnen overgang voorbereid! Dan heeft de dood niets verschrikkelijks. Hij is mij een vriend en leidsman tot een beter leven. Geef mij , o God! daartoe uwe genade, en doe mij steeds zoo handeion, als ik bij mijnen dood wen-schen zal gehandeld te hebben.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over h:t oor dal en de straffen der zondefi.

1. In alle zaken zie op het einde en iioe gij voor den strengen Rechter verschijnen zult, wien niets verborgen is; die door geen geschenken bevredigt wordt, noch verontschuldigingen aanneemt, maar die oordeelt volgens hetgeen recht is.

o Ellendige en dwaze zondaar! wat zult gij antwoorden aan een God , die al uwe verkeerdheden kent, gij die soms liet aanschijn ducht van een toornig mensch ?

-ocr page 127-

1. BOEK. XXIV. HOOFDSTUK. 123

Waarom gebruikt gij geen voorzorg tegen deu oordeelsdag, wanneer niemand door een ander zal kunnen verontschnldigd ol\' verdedigd worden, waar ceuieder zichzelven tot last genoeg zal zijn.

Nn kan uw werk nog vrucht dragen, uw geween aangenomen, uw zuchten verhoord worden, uwe droefheid tot voldoening en reiniging strekken.

2. Een groot en heilzaam vagevuur heeft een geduldig mensch die, beleedigingen ontvangende, meer de verkeerdheid van een ander dan liet hem aangedane ongelijk betreurt; die gaarne voor zijne wederstrevers bidt en van harte het leed vergeeft, die zelf niet aarzelt andereu vergiffenis te vragen; die lichter tot ontferming dan tot toorn overgaat ; die zichzelven dikwijls geweld aandoet en het vleech geheel aan den geest tracht te onderwerpen.

Het is beter zich nu te reinigeu van de zonden en de ondeugden uit te roeien , dan ze voor de toekomstige reiniging te bewaren.

Waarlijk wij bedriegen ons zclven door de ongeregelde liefde, welke wij tot het vleesch liebben.

5. Wat toch anders zal dat vuur verslinden dan uwe zonden ?

Hoe meer gij nu uzelven spaart en uwe zinnelijke lusten opvolgt hoe zwaarder gij hierna gestraft wordt en hoe meer stof gij bewaart voor het vuur.

Waarin dc mensch gezondigd iieef\'t, daarin zal hij het zwaarst gestraft worden.

-ocr page 128-

124 DE NJLVOLGIN» VAN JF.SUS CHRISTUS.

Daar zullen de tragen met gloeiende prikkels gestoken , en de gulzigen met grooten honger en dorst gekweld worden.

Daar zullen de weliustigen en ontuchtigen met brandend pik en slinkende zwavel overstort worden , terwijl de nijdigen a!s woedende honden zullen huilen van smart.

4. Ja geen ondeugd zal er zijn, die niet hare eigene foltering hebbe.

Daar zullen de hoogmoedigen met allerlei smaad overdekt, en de gierigaards door het grootste gebrek benauwd worden.

Daar z 1 een uur strafs zwaarder zijn dan hier honderd jaren in de strengste boetedoening.

Daar zal geen rust, geen troost voor de veroordeelden zijn; terwijl men hier soms van zijnen arbeid uitrust en den troost van vrienden geniet.

Wees dan hier bekommerd en bedroefd o-ver uwe zonden , opdat gij ten oordeelsdage met de gelukzaligen moogt veilig zijn.

Want dan zullen de regtvaardigen met groo-te vrijmoedigheid optreden tegen degenen, die hen beangstigd en verdrukt hebben. (Sap. 5.)

Dan zal hij die zich hier aan het oordeel der menscben nederig onderwierp, zelf opstaan te oordeelen.

Dan zal de arme en nederige een groot vertrouwen hebben, terwijl de hoogmoedige van alle kant zal beven,

5. Dan zal het blijken dat hij in deze wereld wijs was, die geleerd heeft om Christus\' wil dwaas en veracht te zijn.

Dan zal elke geduldig verdragen weder-

-ocr page 129-

I. BOEK. XXIV. HOOFDSTUK. 125 waardigheid vreugde geven, en alle boosheid den mond gestopt worden.

Dan zal elk godvruchtige juigen en elk ongodsdienstige treuren.

Dan zal het gekruisigde vleesch zich meer verheugen, dnn wanneer het steeds in weelde ware gekoesterd geweest.

Dan xal het grove kleed schitteren, en het fijne gewaad zijn glans verliezen.

Dan zal de armoedige stulp boven het vergulde paleis geacht worden.

Dan zal standvastige lijdzaamheid meer baten dan alle aardsche macht.

Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid verheven worden boven alle wereldsche sluwheid.

6. Dan zal een rein en goed geweten meer vreugde geven dan eene groote geleerdheid.

Düu zal de verachting van rijkdommen zwaarder wegen dan de schatten der menschen.

Dan zal een godvruchtig gebed u meer troost geven dan de smakelijkste maaltijd.

Dan zult gij u meer verheugen over het bewaarde stilzwijgen dan over een lang gesprek.

Dan zullen heilige werken meer gelden dan vele schooue woorden.

Dan zal een streng leven en zware boet-pleging meer behagen dan alle aardsche vermaken.

Leer derhalve nu een weinig verdragen om dan het zwaardere te kunnen ontgaan.

Beproef hier eerst wat gij naderhand zult kunnen.

-ocr page 130-

126 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Kunt gij nu zoo weinig verdragen, hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen doorstaan ?

Indien een gering lijden u thans zoo ongeduldig maakt, walt; zal dan de hel doen ?

Zie in waarheid, tweederlei vreugde kunt kunt gij niet hebben : hier in de wereld u vermaken, en naderhand met Christus hcerschen.

En hadt gij eens tot den huidigen dag steeds in aanzien en wellust geleefd, wat zoude u dat alles baten zoo gij op het oogen-blik moest sterven ?

Alles is dus ijdellieid, behalve God lief te hebben en Hem alleen te dienen.

Hij toch, die God van ganscher harte lief heeft, vreest noch dood noch straf, noch oordeel noch hel, dewijl eene volmaakte liefde eenen veiligen toegang tot God geeft.

Maar die nog vermaak in de zonde vindt, wat wonder zoo hij den dood en het oordeel vreest ?

Intusschen is het goed dat, zoo de liefde u van het kwade nog niet terughoudt, ten minste de vrees voor de hel u beteugele.

Maar wie de vreezr, Gods terzijdeatélt kan niet lang in het ijoede staande blijven, maar zal welhaast in de strikken des duivels vallen.

OEFENING.

Hoe bekwaam is het aanschouwen en de vrees van Gods oordeclen en van eene ongelukkige eeuwigheid, om onze driften te be-

-ocr page 131-

I. BOEK. XXIV. HOOFDSTUK, 327 tcugelen, om de gramstoriglieid van onzen inborst tegen te honden, en om ons te dwingen de vermaken en aanlokselen der zonde van ons te verwijderen ! Waartoe ( zouden wij somtijds moeten zeggen,) waartoe zal het zondige vermaak van die wraak, van die onknischheid , van die gramstoriglieid , van die onrechtvaardigheid en van die kwaadsprekendheid dienen ? Alleen om mij een oogen-blik te bevredigen. En wanneer ik sterf, na mij hieraan overgegeven te hebben, en dit zonder Sakramenten of zonder bekeering, zoo als dit geschieden kan, en zoo als het aan vele stervelingen is geschied, waarop zal die voldoening der zonde dan uitkomen ? Op eene ongelukkige eeuwigheid!

Een oogenblik van voldoening, — eene eeuwige pijn ! Neen, ik zal mij niet blootstellen, om voor een kortstondig vermaak voor altijd ongelukkig te zijn. Ach! het is maar al te waar, hetgene de Wijze-man zegt, namelijk: dat, om niette zondigen, ten minste uit gewoonte, men alleen de uitersten van den mensch behoort indachtig te wezen. Want als men dikwijls en innig overdenkt, dat men eens rekening zal moeten geven over den staat van ons geweten, over onze levenswijze, en over al onze zonden, en dit aan eenen Rechter die alles kent en niets vergeet, wie is er dan die, over dit oordeel en over die geduchte rekening verschrikt zijnde, op zichzelven niet zal waken en zijn leven verbeteren ? Wij moeten dan overtuigd zijn, dat het ware middel, om in het andere

-ocr page 132-

128 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, leven niet veroordeeld te worden, is : ons zeiven hier te oordeelen en te straffen.

GEBED.

Op den Dood volgt het Oordeel, loon of straf: dit is eene waarheid waaraan niet valt te twijfelen. Gij, o Je sus, zult de Rechter zijn en eenieder loon naar werken doen toekomen. Welk een gewichtig oogen-blik , waarvan ons lot voor eene eeuwigheid afhangt! Laat deze gedachte bij mij steeds levendig blijven en mij van het kwade afhouden; en wanneer dat oogenblik genaakt, wees mij een Heiland, Gij, die onder ons verschenen zijt om zondaren te behouden en en uw bloed voor hen deedt stroomen.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de ijverige verbetering omes levens.

1. Wees waakzaam en vlijtig in den dienst van God en denk dikwijls: waartoe zijt gij hier gekomen, waarom hebt gij de wereld verlaten ? Was het niet om voor God te leven en een geestelijk mensch te worden?

Wees dus vurig om voort te gaan ; want spoedig zult gij het loon van uw arbeid ontvangen , en dan zullen vrees en smart u niet meer kunnen naderen.

Gij hebt nog een weinig te arbeiden, en znlt eene groote rust ja eeuwige blijdschap vinden.

-ocr page 133-

i. boek. xxv. hoofdstuk. 129

Blijft gij getrouw en ijverig in wèl te doen, God zal ongetwijfeld getrouw en overvloedig in vergelding wezen.

2. Gij moet steeds de goede hoop koesteren dat gij de kroon verkrijgen zult; maar gij moogt u daarvan niet verzekerd houden om niet te verflauwen nocli hoogmoedig te worden.

Iemand beangstigd en dikwerf tusschen vrees en hoop dobberende, op zekeren tijd door droefheid overmand, wierp zich in de kerk voor een altaar biddend neder, bij zich-zelven denkende en zeggende ; „ o! mocht ik weten, dat ik zoude volharden.quot; Eq terstand hoorde hij van binnen dit goddelijk antwoord ; n zoo gij dit wist, wat zoudt gij wil-„ len doen ? — Doe nu hetgeen gij dan zoudt i, willen doen, en gij zult zeker genoeg zijn.quot;

En aanstonds vertroost en versterkt, gaf hij zich aan den wil van God over, en — zijn angstig dobberen hield op.

En hij wilde niet meer nieuwsgierig onderzoeken om te weten, wat hem overkomen zoude; maar beijverde zich te meer om te weten, welke de welbehagelijke en volkomen wil van God zij, om alle goed werk te beginnen en te voleinden.

3. Vertrouw op den Keer, en doe het goede, zegt de Profeet, en gij zult de aarde bewonen , en gevoed worden van haren rijkdom. (Ps. 36.)

Iets is er dat velen terughoudt van voortgang en ijverige verbetering : de vrees voor moeielijkheid of de last van den strijd.

Inderdaad maken zij boven anderen in de 9

-ocr page 134-

130 DE NAVOLGING VAN JESTTS ClIRISTtrS.

deugd den raeesten voortgang die, wat hun het zwaarste is en meest tegenstaat, te ijveriger pogen te overwinnen.

Want daar vordert de raensch meer en verdient hij overvloediger genade, waar hij zichzelven meer overwint en naar den geest afsterft.

4-. Niet allen hebben evenveel te overwinnen en af te sterven.

Maar altoos zal een ijverig strever, al heeft hij ook meer driften, beter in staat zijn tot voortgang, dan een ander die, ofschoon van goede zeden, echter minder ijver heeft voor de deugd.

Twee dingen vooral helpen zeer ter verbetering, te weten, zich met geweld aan datgene te onttrekken, waartoe de bedorven natuur overhelt, en ijverig te streven naar dat goede, wat ons het meest ontbreekt.

Zoek ook datgene het meest te vermijden en te overwinnen, wat u in anderen het meest mishaagt.

5. Beoog in alles uwen voortgang. Ziet oi hoort gij goede voorbeelden, wordt ter navolging ontstoken.

Merkt gij daarentegen iets berispelijks op , wacht u hetzelfde te doen; of hebt gij het somtijds gedaan, tracht u ten spoedigste te verbeteren.

Gelijk uw oog anderen beschouwt, zoo wordt gij ook van anderen opgemerkt.

Hoe aangenaam en liefelijk is het broeders te zien, alle ijverig en godvruchtig, en even rein van zeden als gehoorzaam aan de tucht 1

-ocr page 135-

I. BOEK. XXV. HOOFDSTUK. 131

Hoe bedroevend en smartelijk er te zien van een ongeregelden wandel, die niet volbrengen waartoe zij geroepen zijn !

Hoe schadelijk is het niet \'t oogmerk zijner roeping te verwaarloozen, en de zinnen te stellen op datgene waarmede men niet belast is!

6. Wees uw genomen besluit steeds gedachtig en stel u het beeld van den Gekruiste voor.

Gij moet wel blozen, wanneer gij het leven van Jeans Christus overweegt, dewijl gij u nog niet meer beijverd hebt om Hem gelijkvormig te worden , ofschoon gij reeds lang op den weg van God geweest zijt.

De kloosterling, die zich aandachtig en godvruchtig met het allerheiligst leven en lijden des Heeren bezighoudt, zal ddar alles wat hem noodig en nuttig is in overvloed vinden, en behoeft buiten J e s u 8 niets beters te zoeken.

O, mocht de gekruiste J e s u s in ons hart komen, hoe spoedig en voldoende onderwezen zouden wij zijn!

7. Een ijverig kloosterling draagt wol en neemt alles aan wat hem opgelegd wordt.

Een nalatig en lauw kloosterling heeft kwelling op kwelling en vindt zich van alle zijden benauwd, omdat hij den inwendigen troost mist, terwijl hem belet wordt den uit-wendigen te zoeken.

Een kloosterling die zich aan de tucht onttrekt, stelt zich bloot aan zwaren val.

Wie gemak en toegevendheid zoekt zal al-

-ocr page 136-

132 DE NAVOLGING VAN JE SUS CHRISTUS, loos in het nauw zijn : want of het eene ol het andere zal hem mishagen.

8. Hoe maken het zoo vele andere kloosterlingen, die onder kloostertucht vrij streng gebonden zijn ?

Zij gaan zelden uit, zij leven afgetrokken ; zij eten zeer schraal, gaan grof gekleed ; zij arbeiden veel, spreken weinig, waken lang, staan vroeg op, doen lanpe gebeden, lezen veel en onderhouden in alles den regel.

Let op de Karthuizers, op de Bernardij-nen, op de broeders en zusters van verscheidene orden, hoe zij alle nachten opstaan om den Heer te loven.

Het zoude dus wel schandelijk zijn, zoo gij zulk heilig werk traag verrichtet, als zulke groote menigte kloosterlingen Gods lof begint te zingen.

9. O, mocht gij niets anders te doen hebben dan onzen Heer en God met geheel uw hart en mond te loven 1

O, dat gij niet behoefdet te eten, noch te drinken, noch te slapen; maar altoos God kondet loven, en u alleen met geestelijke oefeningen bezighouden! dan zoudt gij veel gelukkiger zijn dan nu, daar gij het lichaam in allerlei behoeften dient.

Ach! bestonden die behoeften niet, maar slechts geestelijke verkwikkingen der ziele, welke wij helaas! zelden smaken.

10. Wanneer de mensch zoo ver gekomen is dat hij zijnen troost bij geenerlei schepsel meer zoekt, dan eerst begint hij God volko-

-ocr page 137-

I. BOEK. XXV. HOOFDSTUK, 133 men te smaken, en dan zal hij wèltevreden zijn met alles wat gebeurt.

Dan zal hij zich over het groote niet verblijden noch over het kleine bedroeven, maar hij zal zich geheel en met vertrouwen stellen in de hand van God, die hem alles in alles is; vnor wien niets sterft of vergaat, maar voor wien alles leeft en aan wiens wenk alles onverwijld gehoorzaamt.

11. Denk altoos aan uw einde en dat de verloren tijd niet wederkeert.

Zonder zorg en vlijt zult gij nooit deugden bekomen.

Zoodra gij begint te verflauwen, zult gij beginnen het kwalijk te hebben; maar geeft gij u aan uwen ijver over, gij zult grooten vrede vinden en den arbeid lichter gevoelen, wegens de genade Gods en de liefde tot de deugd.

Een ijverig en vlijtig mensch is tot alles gereed.

Het is grooter arbeid ondeugden en driften te wederstaan, dan ouder lichamelijk werk te zweeten.

Wie kleine gebreken niet vermijdt zal al-Icngskens tot grootere vervallen.

Gij zult u altoos des avonds verheugen, als ?ij den dag met vrucht besteed hebt.

Waak over uzelven, spoor uzelven aan , vermaan uzelven, en wat er ook van anderen zij, verwaarloos gij uzelven niet.

Naarmate gij uzelven geweld aandoet zal ook uw voortgang zijn.

-ocr page 138-

134: DE NAVOLGING- VAN JESUS CHRISTUS.

OEFENING.

Volgens den ijver , dien men heeft voor zijnen voortgang, trekt men voordeel uit al hetgene men ziet dat goed is, om hetzelve in het werk te stellen en zich tot God te begeven. Om voortgang in de deugd te maken, moet men zichzelven overwinnen, aan alles verzaken en aan de geneigdheden zijns harten versterven; het is zeker, dat men in de dienst van God niet vordert, dan voor zoo veel men zich geweld aandoet. Laat ons dus de ongeregelde genegenheden bestrijden en overwinnen, die ons tot kwaad of tot verslapping brengen; hierdoor zullen wij onze zaligheid verzekeren. Een levend, volstandig en edelmoedig geweld, dat men aanwendt om zichzelven te overwinnen, doet eene ziel op den weg der zaligheid en volmaaktheid meer voortgang maken, dan honderd ijdele verlangens eener ziel, die zich geheel aan God zou willen overgeven, en die niets doet van hetgeen zij zou willen verrigten. Hoe meer men zichzelven versterft, hoe meer men voor God leeft; en hoe meer voldoening men aan zichzelven ontzegt, des te meer men aan God geeft. Gelukkig, als men zijn leven doorbrengt, zonder zichzelven te bevredigen, en God in alles voldoet. Hoe zeker is men hierdoor van eene gelukzalige eeuwigheid te bekomen !

-ocr page 139-

I. BOEK, XXV. HOOFDSTUK. 185

GEBED.

Welk een schat van nnttige lessen bevat o God ! voor mij deze overweging! Mocht ze op mijn hart van gewensehte werking zijn ! Mocht ik met ijver de handen aan liet werk slaan, op den weg der deu^d voortgang maken en ten einde tos volharaen ! Dat het met dien wensch tot vervulling kome ! Ondersteun mijne zwakheid ; leer mij gebreken uitroeien en in huune plaats deugden aan-k weeken, opdat ik alzoo het doel mijner bestemming nadere, heilig en zalig worde. Amen,

-ocr page 140-

DE NAVOLGING

VA N

lt;$imgt;amp;

TWEEDE BOEK.

Vermaningen die tot het inwendige werken.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over den omgang viet zichzelven.

1. Het rijk Gods is hïnnen u, zegt de Heer. (Luc. 17.) Wend u van ganscher harte lot den Heer, en laat deze ellendige wereld daar, en uwe ziel zal rust vinden.

Leer het uitwendige versmaden en u aan het inwendige overgeven, en gij zult het rijk Gods in u zien komen.

Wnnl het rijk Gods is vrede en vreugde in

-ocr page 141-

II. BOEK. I. HOOFDSTUK. 13?

den H. Geestgt; (Hom. Ié.) en dat wordt den goddeloozen niet geschonken.

Christus zal tot u komen en u zijnen troost schenken, zoo gij Hem van binnen eene waardige woonplaats bereidt.

Al zijne heerlijkheid en schoonheid is van binnen en dóar vindt Hij welbehagen.

Dikwijls bezoekt Hij den inwendigen mensch; liefelijk is zijn onderhoud, verkwikkend zijn troost, overvloedig zijn vrede en zijn gemeenzaamheid bij uitstek groot.

2. Welaan dan, getrouwe ziel! bereid uw hart voor dezen bruidegom, dewijl Hij zich verwaardigt tot u te komen en bij u te wonen.

Dus toch spreekt hij ; zoo iemand mij liefheeft, hij «al mijn woord onderhonden; en mijn Vader zal hem liefhehhen; en wij zullen tot hem quot;komen en eene woning hij hem maken. (Joan. 14.)

Maak dan plaats voor Christus, en weiger al het overige toegang.

Wanneer gij Christus bezit, dan zijt gij rijk, en Hij is u genoeg.

Hij zal u voorzien en getrouw verzorgen in alles, zoodat gij niet noodig hebt op menschen te hopen.

Dra toch veranderen de menschen en ontvallen spoedig; maar Christus blijft in eeuwigheid en is een sterke steun ten einde toe.

3. Er is geen groot vertrouwen te stellen op een broos en sterfelijk mensch, ai is hij nog zoo nuttig en geliefd.

Ook mag men zich niet te zeer bedroeven,

-ocr page 142-

138 DE NAVOLG-ING- VAN JESUS CHRISTUS, zoo hij soms tegenwerkt of tegenspreekt. Die heden met u zijn, kunnen morgen tegen u wezen, en omgekeerd; want dikwijls draaien zij als de wind.

Vestig uw geheel vertrouwen op God; Hij zij het voorwerp uwer vrees en liefde. Hij zal voor u verantwoorden en alles wèl beschikken , zooals het best zal zijn.

Gij hebt hier geene blijvende stad; (Hebr. 33) en waar gij zijn moogt, gij zijt een vreemdeling en pelgrim en zult nergens rust hebben, tenzij gij met Christus inniglijk ver-eenigd zijt.

4;. Wat ziet gij hier rond, daar dit de plaats uwer rust niet is?

In den hemel moet uwe woning zijn; al het aardsche moet, als in het voorbijgaan, beschouwd worden.

Alles gaat voorbij, en gij tevens daarmede. Zorg dat gij u daaraan niet hecht, opdat gij niet gevangen wordt, en u in het verderf stort.

Uw gedachte zij bij den Allerhoogste, en uw gebed onophoudelijk tot Christus gericht.

Kunt gij nog niet hooge en hemelsche dingen beschouwen , blijf bij bet lijden van Christus, en houd u gaarne bij zijne heilige wonder, op.

Want zoo gij godvruchtig tot de wonden en kostbare litteekenen van Jesus uw toevlucht neemt, zult gij eene groote kracht bij wederwaardigheid ontwaren, en u weinig aan de verachting der menschen storen, ja lasterende woorden licht verdragen.

-ocr page 143-

II. BOEK. I. HOOFDSTUK. 139

5. Ook Christus werd op de wereld door de menschen veracht, en in den grootsten nood door bekenden en vrienden te midden der verguizing verlaten.

Christus heeft willen lijden en veracht worden, en gij durft over iets klagen?

Christus heeft vijanden en tegensprekers gehad, en gij wilt allen tot vrienden en weldoeners hebben ?

Vanwaar zal uw geduld gekroond worden, zoo gij geen tegenspoed ontmoet ?

En zoo gij geen tegenstand wilt lijden, hoe zult gij een vriend van Christus zijn?

Verdraag met Christus en voor Christus, zoo gij met Christus wilt heerachen.

6. Waart gij eens volkomen doorgedrongen tot het hart van Jesus en hadt gij een weinig van zijne brandende liefde geproefd, dan zoudt gij u over eigen voordeel noch nadeel bekommeren, maar veeleer u over den aangedanen smaad verblijden: want de liefde tot Jesus maakt dat de mensch zich-zelven versmaadt.

Wie Jesus en de waarheid liefheeft, wie waarlijk inwendig en vrij van ongeregelde neigingen is, die kan zich vrij tot God wenden, zich in den geest boven zichzelven ver-heffen en genoegelijk rusten.

7. Hij die alles waardeert naar hetgeen het is, niet naar hetgeen men er van denkt of zegt, is waarlijk wijs en onderwezen meer door God dan door de menschen.

Ilij die weet met zichzelven om te gaan eu hetgeen builen hem is gering te schatten,

-ocr page 144-

140 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

ziet niet om naar plaatsen noch wacht op tijden om met godvruchtige oefeningen bezig te zijn.

Een inwendig mensch is ras tot zichzelven teruggekeerd, dewijl hij zich nooit geheel naar buiten uithtort.

Geen uitwendige arbeid, noch van tijd tot lijd noodzakelijke bezigheid hindert hem; hij schikt zich naar alles zoo als het komt.

Wie inwendig wèl gesteld en geregeld is, stoort zich niet aan de wonderlijke en verkeerde handelingen der menschen.

Iemand wordt gehinderd en verstrooid, naarmate hij zich de zaken aantrekt.

8. Waart gij wèl gesteld en wèl gereinigd, alles zoude zich ten uwen beste en tot uwen voortgang schikken.

Veel toch mishaagt u en ontroert u vaak, omdat gij uzelven nog niet volkomen afgestorven zijt en niet geheel aan al het aard-sche onthecht.

Niets bevlekt en hindert zoo \'s menschen hart als eene onreine liefde tot de schepselen.

Ziet gij af van de uitwendige vertroostingen, dan kunt gij het hemelsche beschouwen en dikwerf inwendig juichen.

OEFENING.

Deze woorden van den schrijver: Open vw hart voor Jesus Christus, en sluit het voor al het overige; laat de uitwendige zalen daar, en houd n met de inwendige bezig : deze woorden , zeg ik , toonen ons dat het ware geluk en de ware verdiensten dezes levens gelegen

-ocr page 145-

II. BOEK. I. HOOFDSTUK. 141 zijn, iu zich in te keeren tot zijn gemoed en zich tot God te begeven, door een eerbiedig aandenken aan zijne tegenwoordigheid, en door eene gedurige verhetfing zijns harten tot hem. Een ingekeerde geest en een getrouw hart, ziedaar het kenteeken van eenen in-wendigen persoon, en van een Christen, die den Heer in geest en in waarheid aanbidt; dat is te zeggen, die hem die inwendige dienst bewijst, welke men aan zijne opperste goedheid verschuldigd is, en die zoo noodzakelijk is voor eene ziel, die al wat zij is, niet is dan om uit liefde voor God te leven. Het is de woning van God in de ziel, die vaste woning van de ziel in God, door verheffing dea harten, door smeekingen,door zuchten, door overgevingen van zichzelven aan hem , die haar door een inwendig, bovennatuurlijk en verdienstelijk leven doet leven, die haar als in een paradijs op deze wereld doet leven, eu die voor haar als eene voorafgaande bezitting van het hart en van het geluk van God zeiven is. Mijn voornemen is : mijne zinnen te versterven, mijnen geest met geene ijdele en nuttelooze gedachten op te houden, en over mijn hart te waken, om er niets in te laten binnen komen, dan hetgene mij opwekt om Jesus Christus te vreezen of te beminnen. Al het overige zal voor mij wezen, als of het niet aanwezig ware; en voornamelijk wil ik mij bevlijtigen om Jesus Christus te kennen , te beminnen en na te volgen, tevreden zijnde, om alles voor hem en gelijk hij te lijden, om eens met hem te heerschen. O mijne ziel!

-ocr page 146-

143 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

haak niet dau naar zijue liefje, leef niet dan voor hem, en verlang niet dan het geluk van hem te bezitten.

G L B E D.

Mocht ik, o God! de kunst verstaan om mij met U en met mij zei ven bezig te houden , hoe zegenrijk zouden daarvan de gevolgen zijn! Gijzelf zoudt bij mij uwen intrek nemen en mij met uwen hemelschen troost verkwikken. Maar ach! mijn hart is nog te zeer gehecht aan het aardsche en laat zich niet dan bezwaarlijk daarvan losrukken. Verander dan dat vleeschelijke hart, maak het gevoelig voor zijne ware belangen, doe het vatbaar worden voor uwe zegeningen.

TWEEDE HOOPDSTÜK.

Over de nederige onderwerping.

1. Geef er weinig om wie voor u of tegen u zij ; maar doe zóo en zorgt dat God met u zij in alles wat gij doet.

Heb een goed geweten, en God zal u wel beschermen.

Want wien God wil bijstaan, dien kan niemands boosheid schaden.

Weet gij te zwijgen en te lijden, dan zult gij ongetwijfeld \'s Heeren bijstand ontwaren.

Hij weet den tijd en de wijze om u te verlossen, en daarom moet gij u aan Hem overgeven.

-ocr page 147-

II. BOEK. II. HOOFDSTUK. 14-3

Het komt God toe u te helpen eu u van alle schande te bevrijden.

Dikwijls is het zeer nuttig, om ons in te grooter ootmoed te houden, dat anderen onze gebreken weten en bestraffen.

2. Als een mensch zich over zijn gebreken vernedert, dan bevredigt hij licht anderen en voldoet zonder moeite die op hem vertoornd waren.

God beschermt en bevrijdt den nederige. l)en nederige heeft Hij lief en vertroost Hij. Tot den nederige buigt Hij zich neder; aan den nederige schenkt Hij groote genade en verheft hem na zijne verdrukking tot heerlijkheid.

Den nederige openbaart Hij zijne geheimen en trekt hem zachtelijk ennoodigt hem tot zich.

De nederige, al wordt hij versmaad, blijft vast gevestigd in vrede : want hij steunt op God en niet op de wereld.

Denk niet dat gij iets gevordert zijt, tenzij gij u beneden allen acht.

OEFENIN G.

Wanneer men van een ieder geacht en geprezen wordt, dan is het gemakkelijk te zeggen, dat men die eer niet waardig is, en men niet dan smaad verdient. Om te weten of men de waarheid zegt, moet men inzien of men liet in de versmading zegt. Mijn voornemen op dit punt is, om al het kwaad, dat men van mij zal zeggen of mij zal aandoen, van de hand Gods te aanvaarden, als iets dat ik

-ocr page 148-

144- DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, verdiend heb; en verre van daarover te morren , zal ik den Heer zegenen, dat hij gedoogt, dat men mij rechtvaardigheid doe, om mij barmhartigheid te knnnen bewijzen : ik zal mij gelukkig achten in den geest der mensehen te sterven en uitgedoofd te worden, en slechts in den geest van God te leven, door de versmading in dank aan te nemen, en in zijn hart, door de oefening der ware ootmoedigheid.

GEBED.

Mocht, o goede Vader! deze les mij wol ter harte gaan en bij mij gevoelens van gelatenheid en ootmoed teweegbrengen ! Te zeer toch liet ik mij aan de gevoelens der raen-schen gelegen zijn, te zeer stoorde ik mij aan hunne oordeelvellingen. Dat het voortaan mijn hoofddoel zij U alleen te behagen. Leer mij zwijgen en verdragen. Dat ik mij wegens mijne gebreken verootmoedig en met ijver aan mijne verbetering arbeide.

DERDE HOOFDSTUK.

De goede vreedzame mensch.

1. Houd gij u eerst in vrede, en dan zult gij anderen kunnen bevredigen.

Een vredelievend mensch is nuttiger dan een zeer geleerde.

Een hartstochtelijk mensch hoort zelfs het goede in het kwade en gelooft licht het kwade.

-ocr page 149-

II. BOEK. III. HOOFDSTUK. 145

Een goed vredelievend mensch keert alles ten goede.

Die in den vrede wel gevestigd is voedt van niemand argwaan ; maar die onvergenoegd en licht geraakt is, wordt door allerlei argwaan rondgedreven; hij heeft zelf geen rust en laat anderen niet rusten.

Dikwijls zegt hij wat hij niet moest zeggen , en doet hij niet wat hg liever behoorde te doen.

Hij gaat na wat anderen moeten doen, en verzuimt wat hij moest doen.

IJver dan eerst voor uzelven, en dan zult gij terecht ook voor uwen naaste kunnen ijveren,

2. Uw eigen daden weet gij wel te verontschuldigen en te verbloemen, en de verontschuldigingen van anderen wilt gij niet aannemen.

Het ware billijker uzelven te beschuldigen en uw broeder te verschoonen.

Wilt gij dat men u verdrage, verdraag ook een ander.

Zie, hoe verre gij nog verwijderd zijt van de ware liefde en van de nederigheid, die zich vertoornen of verontwaardigen kan over niemand dan over zichzelve.

3. Het is niets groots met goede en zachtmoedige menschen te verkeeren, want dit behaagt natuurlijk aan allen; ook leeft elk gaarne in vrede, en heeft hen het meest lief die van zijn gevoelen zijn.

Maar met stuursche en booze, met ongeregelde of ons wederstrevende menschen vreed-

io

-ocr page 150-

146 Dl NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS. za»m te kunnen leven, is eene groote genade, eene zeer roemwaardige manhaftige zaak.

Daar zijn er die zichzelven in vrede houden, en ook met anderen vrede hebben.

Daar zijn er ook die noch vrede hebben, noch anderen met vrede laten; zij vallen anderen lastig , maar zichzelven altoos lastiger.

Eindelijk zijn er die zichzelven in vrede houden, en anderen tot vrede terugbiengen.

Nochtans is onze geheele vrede in dit ellendige leven eerder te stellen in een nederig verdragen, dan in \'t niet gevoelen van wederwaardigheden.

Wie \'t best weet te lijden zal den meesten vrede hebben. Hij is de overwinnaar van zichzelven en de Heer der wereld, de vriend van Christus en de erfgenaam des hemels.

OEFENING.

Wanneer men dien grondregel van den schrijver aanneemt, namelijk, dat de ware vrede veeleer bestaat in de grootmoedige onderwerping aan hetgene ons tegenstaat, dan in niets te vinden hetgene ons tegenstrijdt, dan moeten wij besluiten den vrede te zoeken in de tegenspraak , en de rust in de onheilen, met al het kwaad, dat men ons zou kunnen aandoen of van ons zou kunnen zeggen, met zulk een geduld en eene zoetaardigheid te verdragen, die alle vervolgingen overwint. Eene ziel, die waarlijk ootmoedig is , weet op niemand iets te zeggen dan op zichzelve; zij legt zich toe om anderen te verontschuldigen

-ocr page 151-

II. BOEK. IV HOOPDSTUK. 147 en zichzelve te beschuldigen, en is nooit vergramd dan op zichzelve. Mijn voornemen is dan, in vrede met God te leven en hem in alles gehoorzaam te wezen; jegsns mijnen naaste; om het gedrag van niemand te berispen , mij met de zaken van een ander niet te bemoeien : en jegens mijzelven; om in alle genegenheden de neigingen en tegenstrijdigheden mijns harten te bevechten en te overwinnen.

GEBED.

Vrede, o God! ja vrede, is een behoefte voor mijn hart. Vrede met U, vrede met mijzelven , vrede met mijnen evenmensch, wat kan er voor mij heilzamer zijn ? Intus-schen ben ik nog verre van znlken toestand. Ik wederstreef uwen wil, volg mijne neigingen op, weet mijnen broeder niet het minst toe te geven: en hoe zoude dan bij mij vrede kunnen wonen ? God dep vredes! boezem mij andere gevoelens in, en duurzame kalmte zal in mijne ziel heerschen.

VIERDE HOOFDSTUK.

Over de reinheid des harten e7i een voudigheid in bedoeling,

i. Op twee wieken verheft zich de mensch boven het aardsche, te weten : eenvoudigheid en reinheid.

Eenvoudigheid moet in de bedoeling, reinheid in de neiging zijn. Eenvoudigheid zoekt

-ocr page 152-

148 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS. God, de reinheid vindt en smaakt Hem.

Geen goede daad zal n hinderen, zoo gij inwendig van ongeregelde neiging vrij zijt.

En zoo gij niets anders bedoelt en zoekt dan Gods welbehagen en uws naasten nut, gij zult de innerlijke vrijheid genieten.

Ware uw hart oprecht, alle schepsel zoude u een levensspiegel zijn en een boek van heilige leering.

Geen schepsel is er zoo gering en ongeacht, dat Gods goedheid niet vertoont.

3. Waart gij inwendig goed en rein, gij zoudt alles onbelemmerd zien en recht vatten.

Een rein hart dringt door hemel en hel.

Zooals een ieder inwendig is, zoo beoordeelt hij het uitwendige.

Is er vreugde in de wereld, haar bezit voorzeker de man van reinen harte.

En is er ergens smart en angst, een kwaad geweten kent ze het beat.

Gelijk het ijzer in het vuur gelegd zijn roest veiliest en gansch gloeiend wordt; dus wordt ook de mensch, die zich geheel tot God keert, van traagheid ontdaan en in een nieuwen mensch veranderd.

3. Wanneer de mensch begint te verflauwen , dan vreest hij den geringsteu arbeid en ontvangt gaarne uitwendigen troost.

Maar heeft hij begonnen zichzelven volkomen te overwinnen en moedig op den weg Gods te wandelen, hij acht gering wat hij te voren bevond zwaar te zijn.

-ocr page 153-

TT. «OF,K. IV. HOOFDSTUK. 14-9

O K F E N I N G.

De zuiverheid dos harten bestaat, in eene afgescheidenheid van alles, wat het zou kunnen bevlekken. Eene vrijwillige ontrouw , eene zonde door het gezicht bedreven , eene afge-keerdheid van God, prenten in de ziel eene vlek , die iiare schoonheid verduistert en haar voor de oogen van God mismaakt doet worden. Za/ip zijn degenen, zegt Jesus Christus, (üe zuiver van harte zijn , want zij zullen God zien. Zij zullen hem door een levend geloof in dit leven kennen, hetwelk hun, gelijk er van Mozes gezegd is, het gezicht van den On-zichtbaren zal doen verdragen , alsof zij Hem met hunne oogen aanschouwden, en zij zullen Hem in het andere leven door het licht der glorie aanschouwen. Men moet dan op dit punt een besluit nemen, van zoo min mogelijk zoude te bedrijven, of ten minste er geen gewoonte van aannemen, vermits zij de zuiverheid eener ziel verdooft, haar tot slaaf van hare eigenliefde maakt, haar aan de vermaken der zinnen vasthecht eu ongeschikt maakt om zich tot God te verhellen. Om die zuiverheid des harten te bekomen, moet men ze daarenboven onophoudelijk aan God vragen , en hem met den koninklijken Profeet bidden : schep in mij, o mijn God! een zuiver hart, en hernieuw in het binnenste mijner ziel eenen opregten geest en eene zuivere meening, die niets anders zoekt dan U in alles en boven alles te behagen. Einde-

-ocr page 154-

150 DE NA.VOLGING VAN JESUS CHRISTUS, lijk, men moet zich uan niets dan a»n («od en aan zijnen wil hechten ; want alle verkleefdheid aan het schepsel besmeurt eene ziel en maakt haar onbekwaam en onwaardig om met God vereenigd te worden.

GEBED.

Schep in mij, o God! een rein hart en vernieuw den rechten geest in mijn binnenste, zoo, o Vader! mag ook ik Ü bidden. Mochten mijne gevoelens steeds zuiver zijn, mijne bedoelingen eenvoudig op U gericht blijven, om U te beminnen en ü alleen te hftzitteu! Mocht mijn hart, vrij van alle onedele neigingen, alleen voor U, mijn hoogste goed, kloppen! dan gewis zoude ik mij boven al het aardsche hemelwaarts verheffen, en niets mijne vlucht hinderen. Geef, o God ! mij daartoe uwen zegen:

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de beschouwing van ziehzelven.

1. Wij mogen onszelven niet te veel ge-looven, dewijl het ons dikwijls aan genade en verstand ontbreekt.

Een zwak lichtje is in ons, en dit verliezen wij spoedig door onachtzaamheid.

Ook merken wij veeltijds niet dat wij inwendig zoo blind zijn.

Dikwijls doen wij kwaad en maken het, door verachooning, nog erger.

-ocr page 155-

II. BOEK. V. HOOFDSTUK. Ï5l

Somtijds spoort dc drilt ons aan cn wij nemen het voor ijver.

Het geringe berispen wij in anderen , en het grootere bij ons gaan wij voorbij.

Ras genoeg gevoelen en wegen wij hetgeen wij van anderen verdragen, doch wij letten niet hoe veel anderen van ons verdragen moeten.

Wie zijn eigen daden wèi en recht overweegt, zal geen reden hebben om over een ander streng te oordeelen.

2. Een inwendig mensch stelt de zorg over zichzelven boven alle andere zorgen; en die vlijtig op zichzelven let zwijgt licht van anderen.

Nooit zult gij inwendig en godvruchtig zijn, tenzij gij van anderen zwijgt en bijzonder op uzelven let.

Zoo gij u geheel met uzelven en met God bezighoudt, zal u weinig treffen hetgeen gij buiten opmerkt.

Waar zijt gij, als gij niet bij uzelven zijt ? En wanneer gij alles doorloopen, maar uzelven voorbijgezien hebt, wat hebt gij gewonnen ?

Als gij waren vrede wilt hebben en met God vereenigd zijn, moet gij al het overige terzijdestellen en uzelven alleen voor oogen houden.

3. Gij zult alzoo grooten voortgang maken als gij u vrijhoudt van alle tijdelijke zorg ; maar gij zult zeer achteruitgaan, zoo gij iets tijdelijks acht.

Niets zij u groot, niets verheven, niets

-ocr page 156-

152 DE NAVOLG IN Pr VAN JESUS CHRISTUS, aangenaam, niets genoegclijk tenzij God alleen of wat God betreft.

Houd al hetgeen troostelijks van eenig schepsel komt voor enkele IJdelheid.

Eene ziel die God liefheeft, stelt alles beneden God.

God alleen, de eeuwige en oneindige, de alles vervullende is de troost der ziele en de ware vreugde des harten.

O E F E Njf N G.

De onnoodige bemerkingen op ons zeiven en op de uitwendige voorwerpen doen ons veeltijd, genade en verdiensten verliezen. Indien wij ons best deden om de eerbiedige gedachte aan God, te stellen in de plaats van die ijdele en moeielijke gedachten jegen ons zeiven en jegens de schepselen, dan zouden wij altijd heilig bezig zijn, God in zichzel-ven aanschouwen en zichzelven aanschouwen in God; onder de oogen des Zaligmakers leven door de betrachting; tusschen zijne handen, door de onderwerping aan zijnen wil; aan zijne voeten, door ootmoedigheid en de op-regte belijdenis onzer ellenden: ziedaar wat wij moeten doen om als ware Christenen te leven, die niet zijn al wat wij zijn, dan dooide vereeniging met Jesus Christus. Waarom zich dan zoo sterk en zoo menigmaal bezig houden met nieuwstijdingen, met nieuwsgierigheden en ij del heden, en zich zoo weinig en zeldzaam ophouden met zijnen God, met zijne plichten en met zijne zaligheid P Het is, omdat men onverschillig is voor de zaken

-ocr page 157-

II. BOEK. VI. HOOFDSTUK. 153 der eeuwigheid, en te zeer verkleefd aan het lijdelijke. Laat ons dan beginnen met te zijn hetgene wij eens zullen wezen, dat is, alleen bezig met, voor en in God.

G E B E 1).

Niets is heilzamer voor mij, o God, dan mijzelven gade te slaan en mij in zelfkennis te oefenen. Mocht ik steeds dit bewustzijn hebben, welken voortgang zoude ik maken! Veel zoude ik te verbeteren vinden en, genoeg met mijzelven hebbende te doen, zoude ik aan alles wat buiten mij is vreemd worden en mij ialig achten U met een rein hart te mogen bezitten. Stort dan , bid ik IJ, mij zulk eene neiging in en maak mij meer en meer los van het zinnelijke.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over de vreugde van een goed geweten.

1. De roem van een goed mensch is de getuigenis van een goed geweten.

Heb een goed geweten en gij zult altoos vreugde hebben.

Een goed geweten kan zeer veel dragen en is zeer blijde in tegenspoed.

Een kwaad geweten is altoos vreesachtig en ongerust.

Liefelijk zal uwe rust zijn, zoo uw hart u niets verwijt.

-ocr page 158-

154« DE NAVOLOING VAN .TESUS CHRISTUS.

Verheug u niet tenzij wanneer gij welgedaan hebt.

De boozen hebben nooit ware vreugde, noch gevoelen den inwendigen vrede : wani er is yeen vrede voor de goddeloozen, zegt de Heer. (Is. 57/)

En zeggen zij : wij zijn in vrede, geen kwaad zal ons treffen en wie zoude ons durven schaden? geloot\' hun niet : want eensklaps zal Gods toorn zich verheffen, al hunne daden zullen tot niets gebracht en hunne gedachten verijdeld worden.

2. Hem die liefheeft, valt het niet zwaar in de verdrukking te roemen : want zoo te roemen is te roemen in het Kruis des Hee-ren.

Kortstondig is de roem die van menschen gegeven en ontvangen wordt.

De roem der wereld is steeds van treurigheid vergezeld.

Der braven roem is in hun geweten en niet in den mond der menschen.

De vreugde der rechtvaardigen is van God en in God, en hun vermaak in de waarheid.

Wie naar den waren en eeuwigen roem verlangt, acht den tijdelijken niet.

En wie naar tijdelijken roem verlangt of dien niet van harte versmaadt, bewijst dat hij den hemelschen weinig bemint.

Hij bezit eene groote rust des harten, die zich om der menschen lof noch blaam bekommert.

3. Licht zal hij tevreden en gerust zijn wiens geweten rein is.

-ocr page 159-

II. BOEK. vr. HOOFDSTUK. 155

Gij zijt, niet lieiliger omdat men « roemt, noch slechter omdat men u laakt.

Wat ^ij zijt, zijt gij; en ^rooter moogt p:ij niet genoemd worden, dan Grii zijt voor God.

Wanneer ^ij let op hetgeen gij inwendig bij uzelven zijt, dan zult gij u er niet aan storen wat de menschen van u zeggen.

Be mensch ziet hetgeen in het oog valt, maar God ziet in hei harty (1. Reg. 16.) De mensch ziet op de daden, maar God weegt de bedoelingen.

Altoos wèl te doen en zichzelven weinig te achten kenmerkt een nederig gemoed.

Geen troost van eenig schepsel te willen is het teeken van groote reinheid en inwen-\' dig vertronwen.

4. Wie voor zich geene getuigenis van buiten zoekt, toont dat hij zich geheel aan God heeft overgegeven.

Want, gelijk de H. Paul us zegt, niet hij die zichtclven aanprijst, maar dien de Keer aanprijst, is beproefd. (2. Cor. 10.)

Inwendig met God te verkeeren en uitwendig door geene geneigdheid gebonden te zijn , is de staat van den inwendigen mensch.

OEFENING.

De vrede van een goed geweten neemt niet altijd de ongerustheden weg, die de bekoringen en inwendige kwellingen in den geest veroorzaken; maar zij brengt zooveel voort, dat onder al de beroerten, die hierin ontstaan, het hart onderworpen en getrouw is

-ocr page 160-

156 quot;DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, aau zijnen God; oudcrworpen om de kwelling te lijden , en getrouw om ze niet in te volgen; maar om te wederstnan, om te strijden en om niets uit krauht van de kwelling te veronaehtzamen. Het is alzoo , dat eeno bedroefde en onderworpene ziel, volgens den koninklijken Profeet, een aangenaam slachtoffer is voor God, die nooit een vermorzeld en verootmoedigd hart verwerpt; — verootmoedigd van zich onderworpen te zien aan het gevoelen zijner ellendon , en vermorzeld over de gelegenheid, die hei aan God gegeven heeft, van ze iiem te doen gevoelen. Laat ons daarom een vast en volstandig besluit nemen, nooit door onzen val, noch door oudervinding onzer ellenden den moed te laten zinken; maar van ons voor God te verootmoedigen, dat wij zoo ellendig zijn; van hem vergiffenis te vragen over de zonden die wij bedreven hebben, met geenen wederstand te bieden, zoo als wij dit moesten doen, tegen de aanvallen van de vijanden onzer zaligheid ; van er ons zoo aanstonds over te straffen, met ons eeuige voldoening te ontzeggen. Laat ons daarna in vrede zijn; want het gerust geweten is zulk een, dat vrij van zonde is door de getrouwheid, of dat door de boetvaardigheid gezuiverd is.

GEBED.

Een rein geweten, o God, is een groote schat en eene onuitputbaie bron van troost. Wat toch zal mij hinderen, als mijn geweten zich in eenen goeden staat bevindt ? Menachen

-ocr page 161-

II. BOEK. VII. HOOFDSTUK. 15? mogen mij veroordeelen, lasteren en vervolgen, geen nood, zoolang ik de getuigenis van een rein geweten bezit. Gerust zal ik het hoofd mogen opheffen tot U, die mijne onschuld kent en aan het licht zult brengen. Doe dit bewustzijn steeds in mij leven en laat mij den troost daarvan ondervinden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over de alles overtreffende liefde ioi Je s u s.

1. Gelukkig hij die weet wat het is J esus te beminnen, en zichzelven te versmaden om Je sus\' wille.

Men moet al wat men bemint voor dezen Beminde verlaten ; want J e s u s wil alleen boven alles bemind worden.

De liefde eens schepsels is bedriegelijk en onbestendig; maar de liefde van Jesus getrouw en bestendig.

Wie zich aan het schepsel hecht valt met het zwakke schepsel: maar wie Jesus omhelst staat eeuwig onbewegelijk.

Bemin Hem en houd Hem tot uwen vriend die, als alles u begeeft, u niet zal verlaten, noch dulden dat gij op het einde verloren gaat.

Hetzij gij wilt of niet, gij moet eens van alles gescheiden worden.

2. Houd u aan Jesus bij leven en dood, en geef u aan de trouw van Hem over die, wanneer alles u verlaat, u alleen kan helpen.

-ocr page 162-

158 DE NAVOLGING VAN JE8US CHRISTUS.

Uw beminde is vaii dien aard dat Hij geen anderen naast zich duldt; maar Hij wil uw hart alleen bezitten 4en er zetelen als een koning op zijn eigen troon.

Wist gij u van alle schepsel recht te ontledigen, Jesus zoude gaarne bij u willen wonon.

Gij zult alles bijkans geheel als verloren bevinden, wat gij buiten Jesus bij de raen-schen zoekt.

Vertrouw noch steun op een riet, dat door den wind bewogen wordt. Want alle vleesch is gras, en al zijne heerlijkheid valt af als de veldbloem. (Is. 4.0.)

3. Dra zult gij bedrogen worden, zoo gij alleen het uitwendig voorkomen der menschen aanschouwt.

Want zoo gij uw troost en voordeel bij anderen zoekt zult gij dikwerf schade vinden.

Zoekt gij in alles J esus, gij zult Hem gewis vinden.

Maar zoekt gij uzelven, gij zult ook uzel-ven vinden, maar tot uw verderf.

T)e mensch toch die Jesus niet zoekt, schaadt zichzelven meer dan de geheele wereld en al zijne vijanden,

OEFENING.

Leg geheel uwen geest toe om Jesus Christus te kennen, geheel uw hart om Hem te beminnen , en al uwe zorg om Hem na te volgen, daar het hiertoe alleen ia, dat Gij Christenen zijt. Welke moeite zult gij vinden in onzen God-Mensch te beminnen, die alles

-ocr page 163-

II. BOEK. VIII. HOOFDSTUK. 159 wat liij is , niet is dan om u te beminnen en n zalig te maken? Maak dan het voornemen, n met hem bezig te houden, hem in al zijne werken te bestudeeren, zijne inzichten te doordringen , en de gevoelens en den geest zijner geheimen te omhelzen, en tracht even als hij te wandelen, te lijden en te leven; want al de verdiensten van den Christen in dit leven bestaan in de gelijkvormigheid, welke hij met Jesus Christus moet hebben, en het is deze, welke zijn geluk in het andere leven zal uitmaken. Zoo hij in zijn ootmoedig en lijdend leven tracht deel te nemen , zal hij ook aan zijn glorierijk en onsterfelijk leven deelachtig worden.

GEBED.

Ja wel gelukkig hij, mijn Heiland! die weet wat het zij U boven alles lief te hebben, alles aan uwe liefde op te offeren, alles om U te verdragen! Zalig in alle opzichten mag men zijnen toestand noemen, boven alles wat de wereld bezit of geven kan. Maak mij vatbaar voor die zalige genoegers. Trek mij meer en meer af van het zwakke en onbestendige schepsel; dat ik U in alles zoeke en vinde; dat ik niets beooge dan het bevorderen van uwe eer.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over den verlrouwclijken omgang met Jesus.

1. Als Jesus tegenwoordig is, dan is

-ocr page 164-

160 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, alles wèl en niets schijnt moeielijk; maar is Je sus niet tegenwoordig, alles valt zwaar.

Als Jesus van binnen niet spreekt, alle troost is niets; maar spreekt Jesus slechts een woord, men gevoelt een grooten Iroost.

Rees Maria niet aanstonds op van de plaats, waar zij weende, toen Martha tot haar zeide : de Meester is daar, en hij roept n? (Joan. 11.)

Gelukkige stond, wanneer Jesus van het weenen tot de vreugde des geestes roept!

Hoe dor en ongevoelig zijt gij zonder J e s u s ! Hoe dwaas en ij del zoo gij iets buiten Jesus verlangt!

Is dit geene grootere schade dan de geheele wereld te verliezen ?

3. Wat kan u de wereld geven zonder J e s u s ?

Zonder Jesus te zijn is eene ondragelijke hel; met Jesus te zijn, een genoe-gelijk paradijs.

Wanneer Jesus met u is, geen vijand kan u schaden.

Wie Jesus vindt, vindt een goeden schat, ja een goed boven alle goed.

Maar wie Jesus verliest, verliest bovenmate veel, ja meer dan de gansche wereld.

Wie zonder Jesus leeft is zeer arm; die wèl met Jesus staat is zeer rijk.

3. Het is een groote kunst met Jesus weten om te gaan, en Jesus te kunnen bij zich houden eene groote voorzichtigheid.

Wees nederig en vreedzaam, en Jesus zal met u zijn.

-ocr page 165-

li. BOEK. VIII. HOOFDSTUK. 161

Wees godvruchtig e-n rustig, en Jesus zal bij u blijven.

Gij kunt Jesus ras verwijderen en zijne genade verliezen, zoo gij u tot het uitwendige wilt keeren.

En hebt gij Hem verwijderd en verloren , tot wien zult gij uwe toevlucht nemen en wien tot vriend kiezen ?

Zonder vriend kunt gij niet wel leven. Maar zoo Jesus niet boven allen uw vriend is, hoe bedroefd en verlaten zult gij zijn!

Dwaas handelt gij dus, zoo gij in iemand anders vertrouwen of vreugde stelt.

Het ware verkieslijker de gansche wereld tegen te hebben dan Jesus te beleedigen.

Onder al uwe geliefden dan zij Jesus alleen uw bijzonder geliefde.

4-. Dat allen bemind worden om Jesus\' wil; maar Jesus om Hemzeiven.

Jesus Christus alleen verdient bijzonder bemind te worden, omdat Hij alleen hoven alle vrienden goed en getrouw bevonden wordt,

Om Hem en in Hem behooren, zoo vijanden als vrienden , u lief te zijn; en voor allen moet gij bidden, opdat allen Hem kennen en liefhebben.

Verlang nooit bij uitsluiting geprezen of bemind te worden : want dit komt Gode alleen toe die zijnsgelijke niet heeft.

Begeer ook niet dat iemand zijn hart melt;-u vervulle, en gij, laat uw hart niet met liefde voor iemand vervuld worden; maar Jesus zij in u en in elk goed mensch.

11

-ocr page 166-

Tgt;E NWOLRINft VAN JESUS CHRISTUS.

5. Wens rein nu vrij vuu binnen, zonder gehechtheid aan eeni^ schepsel.

Gij moet ontbloot zijn van alles en een rein hart tot God brengen, indien gij inwendig wilt rusten en zien hoe goed de Heer is.

6, Doch inderdaad zult gij niet daartoe seraken, tenzij gij door zijne genade wordt voorgekomen en getrokken, zoodat ffij, met terzijdestellingen verwijdering van alles, met Hem alleen vereenigd wordt.

Want wflnneer Gods genade tot den mensch komt, dan wordt hij tot alles bekwaam; maar wijkt die, hij is arm en zwak, en als alleen tot slagen overgelaten.

Tn dezen moet hij niet moedeloos worden noch wanhopen, maar zich wel gemoed naar den wille Gods schikken, en alles wat hem overkomt ter eere van Jesus Christus lijden; want op den winter volgt de zomer, op den nacht volgt de dag en op den storm groote kalmte.

OEFENING.

Het is moeielijk te leven , zonder iemand te hebben aan wien men zijn hart kan openen , en aan wien men zijne geheimen kan toevertrouwen. Nu, aan wien kunt gij beter uw hart openen dan aan Jesus, die van al de vrienden, welke gij onder de stervelingen kunt aantreffen, de getrouwste en standvas-tigste is, en die het meest uw vertrouwen verdient? Zofk dan uwen troost en uwen vrede niet dan in hem; stort onophoudelijk uw hart in zijne tegenwoordigheid uit; neem

-ocr page 167-

TI. BOF.K. VIII. HOOFDSTUK. 163 uwe toevlucht tot hem in aJ uwe wederwaardigheden ; laat den moed niet. zinken om zijne schijnbare verstootinfjen, die niets dan uitwerkselen zijner liefde tot u, en beproevingen uwer getrouwheid tot hem zijn. Bid, verzoek, smeek zijne goedheid om u te hulp te komen , en wees verzekerd, dat hij u vroeg of laat de uitwerkselen zijr.er goedheid zal doen gevoelen. Maar houd uw hart vrij eu onthecht van alle schepselen; bemin niets dan hem, uit liefde tot hem , en bemin niets dan hetgene u opwekt om hem te beminnen. Dat de wederwaardigheden, het ongeluk , de droefheden en verootmoedicineen de heer-schende voorwerpen van uw hart worden, gelijk zij het van het hart van Jesus geweest zijn. Dat de achting en lof der menschen voor u een voorwerp van schrik en versma-dinff worden, daar zij het ook voor Jesus sreweest zijn. Eindelijk, span alles in om hem te kennen, om met hem te spreken, om hem te beminnen en aan hem te behaeren ; opdat, aldus in de heilige oefening der liefde van Jesus levende , de laatste beweging uws harten eene oefening van zijne liefde moge wezen.

GEBED.

Zonder U, o Jesus! heb ik niets, met U alles. Gij zijt mijn beste vriend , en hebt mij het.treffendst bewijs van uwe liefde gegeven door uw leven voor mijn heil op te offeren. Wat is er billijker dan dat ik U mijne wederliefde toone ? Ik geef U dan mijn hart ;

-ocr page 168-

1G4; DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, het zij U boven alles gewijd, maak het tot eene U waardige woning, Heerseh daarin als op uwen troon; beschik daarover geheel; dat ik voor U leve, door U leve, eeuwig met U leve.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Over het wissen va?i allen troost.

Het valt niet zwaar mensehelijken troost te versmaden, als de goddelijke daar is.

Maar het is groot en zeer groot zoowel den mensehelijken als goddelijken troost te kunnen ontberen, en tot Gods eere de ballingschap des harten gewillig te verdra?en , in niets zichzelven te zoeken, noch op eigene verdienste te zien.

Wat groots is erin gelegen opgeruimd en godvruchtig te zijn, als de genade komt? Voor allen is die stond wenschelijk.

Hij rijdt vrij gemakkelijk wien Gods genade draagt.

En wat wonder dat hij den last niet gevoelt, die door den Almachtige gedragen en door den oppersten Leidsman geleid wordt ?

2. Gaarne hebben wij iets tot onzen troost, en bezwaarlijk ontdoet de mensch zich van zichzelven.

De heilige martelaar Laurentius nochtans heeft de wereld en zijnen priester overwonnen; want hij versmaadde alles wat in de wereld genoegliik scheen , en duldde zelfs gaarne, ter liefde van Christus, dat

-ocr page 169-

II. BOEK. IX. HOOFDSTUK. 165 Goda Opperpriester Sixtus dien hij hartelijk liefhad, van hem weggenomen wierd.

Door liefde tot den Schepper overwon hij de liefde tot den mensch, en verkoos Gods welbehagen boven den menschel ijken troost.

Leer gij dus ook een noodzakelijken en geliefden vriend ter lietde Gods verlaten.

En laat het u ook niet te zeer treffen, als gij van een vriend verlaten wordt, wetende dat wij allen eens van elkander moeten scheiden.

3. Veel en lang moet de mensch in zich-zelven strijden, eer hij leere zichzelven volkomen te overwinnen en zijne geheele liefde tot God over te brengen.

Zoolang de mensch nog op zichzelven steunt zal hij licht vervallen tot den troost der menschen.

Maar de ware vriend van Christus en ijverige deugdbetrachter valt niet op vertroostingen , noch zoekt zulke zinnelijke genoegens, maar veeleer moeielijke oefeningen en zware beproevingen om Christus\' wille door te staan.

4. Wordt u dan geestelijke troost van God geschonken , neem dien met dankzegging aan ; maar weet dat het een geschenk van God is, en niet uwe verdienste.

Wil u niet verheffen, wil u niet te veel verheugen noch iets ijdelijk laten voorstaan; maar wees wegens die gift te nederiger en te omzichtiger en behoedzamer in al uwe

-ocr page 170-

166 DE NAVOLGING VAN JE SUS CHRISTUS, daden : want deze stond zal voorbijgaan en de bekoring volgen.

Ais de troost ontnomen is geel\'den moed niet aanstonds op; maar wacht met nederigheid en geduld het bezoek des Hemels af: want God is machtig om u een overvloediger troost terug te geven.

5. Dit is niet nieuw noch vreemd voor de iu Gods wegen ervarenen: want ook de grootste Heiligen en aloude Profeten hebben dikwijls zulke afwisseling ondergaan.

Daarom sprak een hunner, als de genade bij hem was : Ik zeïde in mijnen overvloed: in eeuwigheid zal ik niet wankelen.

Maar als de genade week voegde hij er bij wat hij ondervond , en zeide: Maar toen Gij uw aangezicht van mij afivenddet, werd ik ontroerd.

Tntusschcn verloor hij den moed niet, maar bad te vuriger tot den Heer en zeide : Tot TJy o Hw! zal ik roepen, en mijnen God zal ik bidden.

Daarop verhaalt hij de vrucht van zijn gebed en getuigd dat hij verhoord werd , zeggende : De Heer heeft mij verhoord, en zich mijner ontfermd; de Heer is mijn helper geworden.

Maar waarin? Gij heht, zegt hij, mijne klachten veranderd in gejuich, en mij met vreugde omgeven. (Pa. 29.)

Is aldus met groote Heiligen gehandeld, dan mogen wij , zwakken en ellendigen , niet wanhopen, als wij ons nu ijverig dan weder

-ocr page 171-

II. BOTK. IX. HOOrDSTUK. 167 koud bevinden : want de Geest komt en vertrekt volgens zijn welbehagen.

Daarom zegt de heilige Job: Gij bezoekt den mensch in den morgenstond; maar spoedig beproeft Gij hem weder. (Job. 7.

6. Waarop kan ik dan hopen, waarop moet ik vertrouwen, tenzij op Gods groote barmhartigheid en op de hoop der hemelsche genade alleen?

Want hetzij ik bij mij hebbe deugdzame mensehen of godvruchtige broeders, of getrouwe vrienden of heilige boequot;ken, of schoone verhandelingen of liefelijke gezangen en liederen ; dit alles baat weinig, smaakt weinig, als ik van de genade verlaten en aan eigene armoede overgelaten ben.

Dan is er geen beter middel dan geduld en zelfouderwerping aan den wil Gods.

7- Nooit vond ik iemand zoo vroom en godvruchtig, die niet nu en dan onttrekking der genade had of geene vermindering van ijver gevoelde.

Nooit was er een heilige zoo hoog vervoerd en verlicht, die niet te voren of daarna in bekoring viel.

Hij toch is de hooge aanschouwing van God niet waardig, die niet om Godswil door eenig leed geoefend werd.

Want eene voorafgaande bekoring is doorgaans het teeken eener volgende vertroosting.

Ook wordt aan die door de bekoring beproefd zijn de hemelsche troost toegezegd : Wie overwint, zegt de Heer, ik zal hem aeven dat hij ete van den boom des levens. (Openo. 2,}

-ocr page 172-

IfiS 1gt;E NAVOLGING VA.N JESU8 CHRISTUS.

8. De Goddelijke troost nu wordt gegeveu, opdat de luensch te sterker zij tot het doorstaan van tegenspoed.

Ook volgt de bekoring , opdat hij zich over het goede niet verheffe.

De duivel slaapt niet, en het vleesch ia nog niet dood. Daarom houd niet op u lot den strijd te bereiden ; want aan uwe recli-ter- en linkerhand staan vijanden die nimmer rusten.

OEFENING.

Even als men door het geloof, en niet door de zinnen, tot God nadert, en dat het geloof uit zichzelven dor en duister is, moeten wij niet verwonderd zijn, dat wij ons nu eens dor en mistroostig en dan weder in vertroosting en blijdschap gevoelen. Alles bestaat in den troost met ootmoedigheid te ontvangen, in de mistroostigheid met kloekmoedigheid te verdragen. Het goud en zilver, zegt de Wijze man , zuivert men door het vuur, en de zielen die zich waardig maken in het hart van Jesus aangenomen te worden, worden door de moeie-lijkste en vernederendsle kwellingen gezuiverd en beproefd, en die door de onderwerping, met welke men ze verdraagt, zooveel uitwerken, dat God ons zijner waardig maakt en vindt. Verneder dan uw hart onder de almogende hand Gods, en doorsta met geduld de beproevingen des Heeren , die u door het bevechten der bekoringen ootmoedig, klein en van Hem afhankelijk maakt, en die wil, dat gij hem, volgens het voorbeeld der heilige

-ocr page 173-

II: BOKK. IX. HOOFDSTUK, 169 Martelaars, al lijdende bemint, en dat gij, met hem te beminnen, lijdt, en zijne grootheid eert door de vernietiging van geheel uzelven.

GEBED.

Dierbaar, o Vader! is mij uw troost, hij is de grootste verkwikking voor mijn hart. Niet dan met droefheid ontwaar ik zijn gemis. Doch zoude ik daarom den moed opgeven ? Dan zoude ik U niet om uzelven , maar om uwe weldaden beminnen. Niet mijn wil, o Vader! maar de Uwe geschiede! Wilt Gij mij troost schenken, ik zal die weldaad waardeeren. Wilt Gij mij dien onttrekken, ook hierin zal ik berusten en uwen wil eerbiedigen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Over de dankbaarheid voor de genade Gods.

1. Waarom zoekt gij rust daar gij geboren zijf om te arbeiden.

Zet u meer tot geduld dan tot troost, en meer tot het dragen van het kruis dan tot blijdschap.

Welk wereldsch mensch toch zoude niet gaarne geestelijke troost en vreugde outvan-gen , zoo hij die altoos konde bekomen ?

Want de geestelijke vertroostingen overtreffen alle wereldsche vermaken en wellusten des vleesches.

-ocr page 174-

170 DE NA.VOLGING VAN JESUS CHRISITJS.

Al de wpreldsche vermaken toch zijn of ijilel of\' schandelijk ; de geestelijke genoegens alleen zijn aangenaam en eerlijk; zij vloeien voort uit de deugd en worden door God den reinen van harte ingestort.

Maar niemand kun deze goddelijke vertroos-troostingen altijd naar zijn welgevallen genieten , omdat de tijd van bekoring niet lang uitblijfr.

3. Hetgeen nu het hemelsche bezoek veel tegenwerkt is eene valsche vrijheid d^s gees-tes en een groot zelfvertrouwen.

God bewijst eene weldaad wanneer Hij de genade der vertroosting schenkt ; maar de mensch handelt kwalijk, als hij niet alles tot God met dankzegging terugbrengt.

En daarom kunnen do genadegaven op ons niet vloeien, omdat wij jegens den Schenker ondankbaar zijn en niet alles tot do oorspronkelijke bron terugbrengen.

Want altoos wordt de genade geschonken aan hem die behoorlijk dankbaar is, en aan den trotsche wordt ontnomen hetgeen den nederige pleegt gegeven te worden.

3. Ik wil geen troost die mij het berouw ontneemt, noch zoek die heogeaanschouwing welke tot zelfverheffing voert.

Want niet al het verhevene is heilig, noch al het genoeglijke goed, noch al het wen-schelijke rein , noch al het dierbare Gode aangenaam.

Gaarne ontvang ik eene genade, waardoor ik steeds nederiger en godvreezender en ge-reeder tot zelfverzaking worde.

-ocr page 175-

II. BOEK. X. HOOFDSTUK. 171

Wie door de gave der genade geleerd en door den geesel harer onttrekking onderwezen ia, die zal zichzelf niets goeds durven toeschrijven, maar liever bekennen dat hij arm is en ontbloot van alles.

üeef üode wat üoües is, en schrijf u toe wat het uwe is; dat wil zeggen : dank God voor de genade, en erken tlat de zonde u alleen toebehoort en de rechtvaardige straf der zonde.

4?. Stel u altoos op de laagste plaats en men zal u de hoogste geven : want het hooge bestaat met zonder hec lage.

De grootste Heiligen bij üod zijn bij zich-zelven de gcrmgsten, en hoe meer verheerlijkt hoe nederiger in zichzelven.

Vervuld van de waarheid en hemelsche heerlijkheid zijn zij niet begeerig naar ijde-leu roem.

iu üod gezegend en gevestigd kunnen zij op geenerlei wijze hoogmoedig zijn.

Eu die God« ulles toeschrijven wat zij goeds ontvangen hebben , zoeken geen roem bij elkander, maar willen slechts den roem die van God komt, en weuschen dat Q0(l in hen en in alle Heiligen boven alles geprezen worde, en hiernaar is voortdurend hun stre-veu gericht.

5. Wees dankbaar voor het gerings\'e en gij zult waardig zijn het grooiere te ontvan-gen.

Het geringste zij u al8 het grootste , en jiel meest verachtelijke ee,ie bijzondere gu nat.

Als de waardigheid van den Ge/er over-

-ocr page 176-

172 DE NAVOLGING VAN JESXJS CHRISTUS, wogen wordt, zal geene gave gering noch te verachtelijk schijnen ; want niets is gering wat van den allerhoogsten God gegeven wordt.

Ja al zond Hij kastijdingen en plagen , het zoude ons moeten aangenaam zijn ; want Hij bedoelt altoos ons heil in alles wat Hij ons laat overkomen.

Wie Gods genade wenscht te behouden , zij dankbaar voor de ontvangene genade en geduldig bij de onttrekking; hij smeeke dat zij wederkome, en zij behoedzaam en nederig opdat hij ze niet verlieze.

OEFEN ING.

Bemoei u nooit over Gods gaven, die dikwijls gevolgen van uwe zwakheid, altijd uitwerkselen van zijno goedheid, en gewoonlijk boven uwe verdiensten zijn. Wanneer gij nu, na God vergramd te hebben, gevoelt dat uw hart over uwe ondankbaarheid en uwe ongetrouwheid geraakt is, moet gij u voor God vernederen en verootmoedigen, omdat gij Hem zoo vol goedheid en u zeiven zoo vol boosheid ziet. Doordrongen van droefheid, van liet liart eens Zaligmakers gewond te hebben, die u zelfs opzoekt als gij Hem vlucht, rn die u met zijne genade vervult, als gij u die onwaardig maakt ; keer tot Hem terug door «ene ware boetvaardigheid, vraag Hem vergiffenis over uwe zonden, en denk niet meer dan om Hem te wreken en u zeiven te straffen.

-ocr page 177-

II. BOEK. XI. HOOFDSTUK. 173

GEBED.

IToe «jroot, o God! zijn de vertroost in pen door IJ den reinen van harte ingestort! Maar zoo proot die weldaad is, zoo proot is ook de verplichtiner welke op mij rust. Ik moet U dankbaar zijn, en omdat ik mij van deze verplichting niet {renoecr kwijt, daarom blijf ik vaak van uwe. weldaden verstoken. Tk wil U voortaan sreven wat U toekomt, dankbanr zijn voor de fferinffste zoowel als voor de errootste gunst; Gij zult mij dan uwe milde hand niet onttrekken.

ELFDE HOOFDSTUK.

Over de wehiige vrienden 2/«« Je sus\' Kruis.

1. Jesus heeft thans wel vele beminnaars van zijn heraelsch rijk, maar weinige drapers van zijn kruis.

Velen heeft Hij die naar troost, maar weinigen die naar lijden verlangen.

Velen vindt Hij die aan zijne tafel, maar weinigen die aan zijn vasten deelnemen.

Allen willen zich met Hem verheugen, weinigen willen voor Hem iets lijden.

Velen volgen Jesus tot aan het breken des broods, maar weinigen tot aan het drinken van den lijdensbeker.

Velen eerbiedigen zijne wonderdaden, weinigen volgen den smaad zijns kruises.

Velen hebban Jesus lief zoolang hun niets ongunstigs bejegent.

-ocr page 178-

IT\'i\' 1gt;E NA.VOT,G[NO V.V\\ .TFSTJS CHRISTUS.

Velfin loven on prijzen Hem zoolang zij eeniKen troost van Hem ontvr«niron; maar verheret zich Jesus en verlaat Hij hen een oosrenblik, dan vervallen zij of tot geklap of tot groote moedelooslieid.

2. Zij die Jesus om Jesus liefhebben en niet om een teen eiojen troost, prijzen Hem in allerlei tegenspoed en zielsangst zoowel als bij den srrootsten troost.

Ja, al wilde Hij ben nooit troost seven, evenwel zouden zij Hem altoos dank willen toebrengen.

3. O, hoeveel vermag een e reine liefde tot .lesus, met geen eigenbaat of eigenliefde vermengd !

Zijn zij niet allen huurlingen te noemen die altijd troost zoeken ?

Betoonen zij zich niet meer beminnaars van zichzelven dan van Christus, die altoos aan eigen gemak en voordeel denken ?

Waar vindt men hem die God om niet wil dienen ?

4. Zelden vindt men een zoo sreestelijk mensch dat hij ontbloot van alles is.

Waar toch vindt men den waren arme van geest en los van alle schepsel ? Verre en op de uiterste grenzen is die schat te zoeken.

Al gaf de mensch zijn geheel vermogen we?, het is nog niets.

En al deed hij groote boetvaardiïheid, het is no? weinig.

Eu al verkreeg hij alle wetenschap, het is er nog verre af.

En al bezat hij groote deugd en de bran-

-ocr page 179-

IT. BOl-K. XI. HOOFDSTUK. 17\') deiulstc godsvrucht, no^ontbreekt hnu veel, te weten , het eenige wat hij het meest behoeft.

En dat is? Dat hij , alles verhaakt hebbende , zichzelven verzake en geheel uit zich-yelven uitga, niets van zijne eigenliefde over-houde, en dat hij, alles gedaan hebbende wat hij meende te moeten doen, gevoele niets gedaan te hebben.

Dat hij het niet veel rekene wat veel konde geacht worden, maar zich in waarheid een onnutten knecht noeme, gelijk de Waarheid zegt : Wanneer gij zult gedaan hebben, aJ hetgeen u bevolen is, zou zegt : wij zijn onnutte hiechten, en hebben slechts gedaan wat wij schuldig waren te doen. (Luc. 17.)

Alsdan zal bij waarlijk ontbloot van alles en arm van geest kunnen zijn en met den Profeet zeggen : ik hen eenzaam en behoeftig. (Ps. 24.)

En nochtans is er niemand rijker, niemand machtiger, niemand vrijer dan hij, die zichzelven en alles weet te verzaken en zich op de laagste plaats te stellen.

OEFENING.

Hoe vele Christenen zijn er, die Jesus Christus arm in zijne krib, en lijdende op het kruis aanbidden, en die zeiven niets willen lijden noch aan iets gebrek hebben! En echter ia hij in armoede en pijnen geboren; Hij heeft geleefd en is gestorven, om ons de ontblooting van alles en het geduld in druk en lijden te leeren; om ons noodzakelijke deugden ter zaligheid te leeren; om ona die

-ocr page 180-

17G DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, door zijne woorden en voorbeelden te leeren, en om er ons de oefening: door zijne genade van te verdienen. Wat boat het u, Jesns Christus, uwen Zaligmaker en u-w voorbeeld te aanbidden, indien ffij hom niet. navolfft. en geheel uw vertrouwen in hem niet stelt ? Maak dan het voornemen, de ontbering van alles te oefenen, door aan uwe zinnen de irevaarlijke en nuttelooze vermaken te ont-zegaren ; door aan uwen ïeest alle ij delheid en vrijwillig: welbehagen over zichzelven te weigeren, en u alle argl:st in het veroordee-len van anderen te ontzeggen , door uw hart van alle verkleefdheid aan ziine eigene voldoening te berooven , of het alle genegenheid voor zichzelven in alle gelegenheden te onttrekken. Zet zelfs die inwendige armoede en ontblooting zooverre voort, door in alles aan uwen eigen wil te verzaken, om niet dan dien van God te verlangen en te volbrengen. Het is aldus, met in alle gevallen u aan God te onderwerpen, dat gij Hem als den meester en eigenair vin uw hart zult aanstellen, en door de oefening dier gestadige ontblooting, God zeiven in eeuwigheid tot aandeel zult hebben.

GEBED.

Ja, Je sus! ook ik erken mijne schuld ; ook ik behoor onder die loontrekkende dienaren, die meer zichzelven dan U liefhebben. In dagen van voorspoed, roemde ik een leerling van U te zijn; maar weldra sluipten ontrouw en moedeloosheid in mijn hart, als

-ocr page 181-

II. BOEK. XII. HOOFUSTGK. 177 gij mijne liefde door tegenspoed beproefdet! Meer dan ooit verfoei ik dit gedrag, voortaan wil ik U getrouw blijven ook in de donkerste dagen en dan vooral toonen dat ik U ora Uzelven liefheb.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Ouer den koninklijken weg des heiligen kruisen,

1. Velen schijnt dit gezegde hard: Verloochen uzelven, neem uw kruis op en volg J e su s Matth. 16 )

Maar veel harder zal het zijn dit laatste woord te liooren; Gaat weg van mij,gij vervloeit en ! in het eeuwige vuur. (Matth. 25)

Zij toch die thans gaarne het woord des kruisen hooren en volgen, zullen dan niette vreezen hebben voor het woord der eeuwige verdoemenis

Dit teeken van het kruis zal aan den hemel zijn : wanneer de fleer ten oordeele komt.

Dan y.ullen al de dienaren des bruisen, die zich in hun leven den Gekruiste hebben gelijkvormig gemankt, tot Christus, den Rechter, met groot vertrouwen naderen.

2. Wat vreest gij dan het kruis op te nemen , daar het ten rijkszetel voert ?

In het kruis is heil, in het krnis het leven, in het krnis beach\'irming tegen de vijanden in het kruis over/loed van henelschen troost, in het kruis zielskracht, in het 12

-ocr page 182-

178 DE NA.VOLG ING VA.N JESUS CHRISTUS, kruis peestesvreugde, in het krnis het toppunt der deugd, in het kruis de volmaking der heiligheid.

Er is geen heil voor de ziel noch hoop op het eeuwige leven, dan in het kruis.

Keem dan uw kruis op eu volg Jesus j en gij zult tot het eeuwige leven gaan.

Hij ging voor, torsende zijn kruis, en is voor u aan het kruis gestorven, opdat ook gij uw kruis zoudt dragen en trachten aan het kruis te sterven»

Want zijt gij met Hem gestorven , gij zult ook met Hem leven , en zijt gij deelgenoot geweest van zijn lijden, gij zult het ook van zijne heerlijkheid wezen.

3. Zie, alles is in het kruis opgesloten en alles bestaat in het sterven.

Er is geen andere weg tot het leven en tot den wflren inwendigen vrede, dan de weg van het heilige kruis en eener dagelijksehe versterving.

Ga werwaarts gij wilt, zoek wat frij wilt, gij zult boven u geen hoogeren , noch beneden u eenen veiliger, weg vinden, dan dien van het heilige kruis.

Beschik en regel alles naar uwen wil en goeddunken , en gij zult bevinden dat gij altoos willens of onwillens iets moet lijden, en dus zult gij immer een kruis aantreffen.

Of gij zult in het lichaam smart gevoelen , of naar de ziel geesteskwelling lijden.

4. Somtijds zult gij van God verlaten , somtijds door uwen naaste geplaagd worden , en

-ocr page 183-

II. KOEK. XII. HOOTPSTUK. 179 wat nog erger is. gij zult dikwijls uzelven tot laat zijn.

Nochtans zult gij door geenerlei middel noch troost kunnen verlost of verlicht worden , maar zoolang God het wil, zult gij het moeten dragen.

Want God wil dat gij smart zonder troost leert lijden , en dat gij u geheel aan Hem onderwerpt, en dat gij door lijden nederiger wordt.

Niemand gevoelt zoo hartelijk het lijden van Christus, als hij wien liet te beurt viel iets dergelijks te lijden.

Er is alzoo altoos een kruis gereed en het wacht u overal op.

Gij kunt het niet ontvluchten werwaarts gij loopt; want waar gij komt gij draagt u-zelven mede en vindt uzelven overal.

Wend u naar boven, wend u naar beueden , wend u naar buiten , wend u naar binnen , overal vindt gij het kruis en overal moet gij geduld oefenen , wilt gij innerlijk vrede hebben en dp eeuwige kroon verdienen,

5. Zoo gij uw kruis gewillig draagt, het zal ook u dragen en ten gewenschten einde brengen , waar namelijk het lijden eindigen zal ofschoon het niet hier zal wezen.

Draagt gij het onwillig, gij maakt u eenen last en bezwaart uzelven te meer, en toch moet gij hel dragen.

Werpt gij éen kruis van u af, gij zult ongetwijfeld een ander en wellicht zwaarder vinden.

-ocr page 184-

180 DE NAVOLGING VAN .TESUS CHRISTUS.

G. Denkt gij te ontwijken wat geen sterveling heeft kunnen ontgaan ?

Welk Heilige is op aarde zonder kruis en lijden geweest?

Zelfs immers is J e s u s Christus, onze Heer, zoolang hij leefde, geen uur zonder lijdenssmart geweest. De Christus moest lijden, zeide Hij, en van de dooden opstaan en alzoo ingaan in zijne heerlijkheid. (Luc. 24-,)

Hoe zoekt gij dan een anderen weg, dan dezen koninklijken weg, den weg des heiligen kruisen?

7. Het geheele leven van Christus was kruis en marteling, en gij zoekt voor u rust en vreugde?

Gij dwaalt , gij dwaalt, zoo gij iets anders zoekt dan tegenspoed te lijden : want dit geheele sterfelijk leven is vol ellende en met kruken omringd.

En hoe meer iemand in het geestelijk leven gevorderd is, hoe zwaarder kruisen hij dikwijs vindt : want de ellende zijner bil-lingschap neemt toe naar zijne liefde.

Nochtans is deze zoo veel geplaagde niet zonder opbeurenden troost: want naarmate hij zijn krui» draagt, gevoelt hij de heerlijkste vruchten ervan toenemen.

Want daar hij zich gewillig daaraan onderwerpt, gaat ook al de last des lijdens in vertrouwen op den coddelijken troost over.

En hoe meer het vleesch door het lijden verzwakt wordt, te meer wordt de geest door de inwendige genade versterkt.

-ocr page 185-

of lijden zoude willen leven ; daar men ^e-loolt dat men zich te meer bij üod aangenaam maakt, hoe meerder en zwaarder laat men om zijnentwil kan dragen.

Dit is niet het werk des menschen maar der genade van Christus, die op liet brooze vleesch zoo veel vermag en uitwerkt, dat het met ijver des geestea aangrijpt en bemint hetgeen \'t van nature altoos haat en vlucht.

9. Het is den meusch niet eigen het kruis te dragen, het kruis te beminnen , het lichaam te tuchtigen en dienstbaar te maken, de eer te vlieden, den smaad gewillig te verdragen, zichzelven te verachten en gaarne veracht te willen worden, allerlei tegenheden en verliezen te lijden, en naar geenerlei voorspoed op deze wereld te verlangen.

Indien gij op uzelven ziet zult gij niets van dat alles vermogen.

Maar vertrouwt gij op den Heer, dan zal n de sterkte van boven gegeven en wereld en vleesch aan uw gebied onderworpen worden.

Zelfs den vijand, den duivel, zult gij niet vreezen, zoo gij met het geloof gewapend en met het kruis van Christus geteekeud zijt.

10. Bereid u dan , als een goed en getrouw dienaar van Christus, om het kruis uwa

-ocr page 186-

182 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, Heeren , uit, lieftlo voor u pekruist, moedig te dragen.

Bereid u om iu dit ellendig leven velerlei tegenheden en allerhande ongemakken te verdragen ; want waar gij ook zijt, dat zal uw lot wezen; en gij zult het dus in waarheid bevinden waar gij u ook verschuilt.

Het moet zoo zijn; en er is geen middel om den druk der rampen en smarten te ontgaan dan die te verdragen.

Drink met blijdschap den kelk des Herren; indien gij zijn vriend wilt zijn en deel met Hein hebben.

Laat het troosten aan God over; Hij doe daarmede zooals Hem behaagt.

Wat u betreft, zet u tot het verdragen van tegenheden en stel daarin uwen groot sten troost: want het lijden van dezen tijd is niet te achten om te verdienen de toekomende heer-lijkheid, welke aan ons zal worden ge op en-haard , (2 Oor. 12.) al kondet gij het ook alles alleen verdragen.

Wanneer gij zoo ver gekomen zijt dat de tegenspoed u zoet is en om Christus\' wil wel smaakt, denk dan dat het met u wèl is; want gij hebt op aarde een paradijs gevonden.

Zoolang het lijden u zwaar valt en gij het tracht te ontgaan, zoolang zal het met u kwalijk zijn, en het lijden dat gij vlucht zal u overal volgen.

Schikt gij u, waartoe gij verplicht zijt, te weten, tot lijden en zelfversterving, zoo zal het ras beter worden en gij zult vrede vinden.

Al waart gij met Paul us tot inden derden

-ocr page 187-

11. BOPK. Xll. IIOOFJJSTUK. 18^

hemel opgevoerd , gij zoudt daarom niet verzekerd zijn van niets tegenstrijdigs te lijden Ik zal hem, zegt J e s u s, toonen hoeveel hij om mijnen naam moet lijden. (Aet. 9.)

Lijden moet gij dus, zoo gij Jesus beminnen en Hem voor altoos dienen wilt.

O, mocht gij waardig zijn iets voor den naam van Jesus te li;den ! Welk eene groote glorie zoude u wachten , welke vreugde zoude het voor alle Gods Heiligen en welk eene stichting voor uw evenmensch zijn!

Maar allen prijzen de lijdzaamheid aan, ofschoon weinigen slechts willen lijden.

Terecht behoord et gij voor Christus een weinig te lijden, daar zoo velen voor de wereld wel meer verdragen.

14. Houd het voor zeker dat gij een stervend leven leiden moet; en hoe meer iemand zich afsterft, te meer begint hij voor God te leven.

Niemand is bekwaam om het hemelsche te bevatten, tenzij hij zich onderwerpe aan het dragen van rampen om Christus\' wille.

Niets is aangenamer aan God, niets u heilzamer op deze wereld dan gewillig voor Christus te lijden.

Ja zoo gij te kiezen hadt, moest gij liever wenschen voor Christus rampen te lijden, dan door velerlei troost verkwikt te worden : want zoo zoudt gij meer gelijk aan Christus en meer gelijkvormig aan al de Heiligen zijn.

Want onze verdienste en de voortgang van onzen staat zijn niet in veel genoegens en

-ocr page 188-

184quot; DF. NAVOLGING VAN JÏSUS CHRISTUS, troost gelegen, raanr eerder in liet drygen van groute moeielijkheden en rampen.

15. Ware er iels betfrs en heilzaraers voor den mensch dan te lijden, zeker zonde Christus dat door leer en voorbeeld aangewezen hebben.

Maar Hij vermaant zijne leerlinsren die Hem volgden, en allen die Hem willen volgen, uitdrukkelijk om hun kruis fe dragen, zeggende ; Zoo iemand achter Mij wil I\'omen, die verloochene zichzelven, neme zijn Iruis op en vol ge Mij. (Matth. 16.)

Na alles dan wèl doorlezen en onderzocht te hebben zij dit eindelijk het besluit: Wij moeten door vele verdrMitigen ingaan in het rijk Qods. (Act. 14)

OEFENING.

Kan men de wonderbare voordeden van het kruis en de groote verdiensten van den druk en het lijden, die de schrijver hier aanhaalt, lezen, gelooven en doordringen, zonder opgewekt te worden om de wederwaardigheden van de hand en het hart van Jesus Christus te ontvangen, en zich te onderwerpen om te lijden al wat Hij zal willen en zooveel Hij za! willen ? Veel lijden eu wèl lijden is trouwens een volstrekt noodzakelijk middel om zalig te worden , en het gevoeligste en krachtigste uitwerksel van Gods goedheid jegens u, die ons de tijdelijke kwellingen overzendt, om ons van de eeuwige te bevrijden ! Het is, volgens den fl. Paulus ,

-ocr page 189-

eeu ziclitbaar kenteekeu van ceiieu voorbc-scliikfe , gclijkvoriiiij aan Jesus Christus te wezen, dat is te zegpen, aan eeneu verootmoedigden , vervolgden en lijdenden God; het is zich zijn glorierijk leven waardig maken, met deel te nemen in zijn lijdend leven; het is de pijn welke men voor zijne zonden schuldig is, uitwisschen door eene volmaakte oefening van boetvaardigheid ; het is het hart van Je sus Christus winnen, zijne liefde verdienen, Hem wreken en ons straffen. Hem eeren door onze vernedering, en zijn welbehagen voor onze voldoening stellen. Is dit alles niet geschikt om den Christen in zijne kwellingen te troosten en hem aan te moedigen om wel te lijden ? Zeg dan lijdende , om wel te mogen lijden: de hel, die ik verdiend heb, is Hchrikkelijker dan al wat ik kan lijden; mijn Zaligmaker heeft veel meer dan ik geleden, en het Paradijs is zeker wel eenig lijden waard.

GEBED.

Tot hiertoe, o God ! ik moet het bekennen, verklaarde ik mij als vijand van het kruis. Het had voor mij iets verschrikkelijks; daarom wilde ik het ontvluchten, en ik ellendige zag daardoor den last meer en meer toenemen. Doe mij verstandiger wor-•den. iS\'een, er is geen ander weg des heils voor mij , dan die des kruisen. Laat; mij dien weg dan moedig betreden en uwen Zoon, mijnen grooten Meester , navolgen die voor mij aan het kruis gestorven is. Amen.

-ocr page 190-

DB NAVOLGING

va n

DERDE BOEK.

Over de inwondige vertroosting.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over het inwendige onderhond van Christus met de geloovige ziel.

1. De geloovifrE. Ik zal hooren naar het-(jeen de Hecre God in mij spreien zal. ( Pa. 84-)

De Heer. Zalig de ziel die naar den Ileere hoort als Hij iu haar «preekt , eu uit ziju mond het woord van troost ontvangt!

Zalig de ooren die liet gefluister van het goddelijk woord opvangen en van de influistering dezer wereld niets vernemen !

-ocr page 191-

iii. üoi\'iK. 1. HOOFDSTUK. 187

Ju wel zalig de ooien die niet luisteren naar de stem welke d-iarbuiten klinkt, maar naar de waarheid die van binnen leert!

Zalig de oogen die voor het uitwendige gesloten, maar op het inwendige gevestigd zijn !

Ztilig zij die tot liet binnenste doordringen en zich, door dagelijkache oefeningen , meer en meer trachten bekwaam te maken tot het bevatten der hemelsche verborgenheden !

Zalig zij die vurig verlangen met God om te gaan, en zich van alle hindernis der wereld ontdoen !

2. De (jeloovigk. Let hierop, mijne ziel! en sluit de deuren uwer zinnelijkheid; opdat gij hooren moogt naar hetgeen de Heer uw God in u spreekt.

De Hf.eu. Dit zegt uw Geliefde; ik ben uw heil, uw vrede en uw leven.

Houd u aan Mij en gij zult vrede vinden.

Laat al het vergankelijke daar, zoek het eeuwige.

Wat is al het tijdelijke, tenzij verleiding ? En wat baten al de schepselen, zoo gij van den Schepper verlaten zijt ?

Alles dan verlatende, maak u behagelijk en getrouw aan uwen Schepper, opdat gij het ware geluk moogt verwerven.

oefening.

De ziel bereidt zich wel om te aanhooreu , hetgeen de Heer haar inwendig zegt, als zij in de eenzaamheid, in stilzwijgendheid en

-ocr page 192-

188 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, gebed leeft, niets meer verlangt dan alleen met haren (Joil (e wezen, en als zij Hem in zich door een levcud en eerbiedig geloof zoekt; als zij aandachtig en getrouw is aan de bewegingen zijner genaden, aan den indruk zijner tegeuwoord;gheid, en aan (!e betrachting zijner lgt;fde. Derhalve, eenen aandach-tigen geest hebbende en eene getrouwe liefde, den geest aandachtig op hetgene God van ons begeert, en het besluit in het hart van hetzelve te doen, dit is zich krachtdadig voorbereiden om God te aanhooren, en om die in de innigste mededeeling van zijnen geest te ontvangen. God spreekt onophoudelijk tot ons door zijne ingevingen en de heilige voornemens, die Hij ons geeft om ons zeiven te versterven en voor Hem alleen te doen leven.

Maar wij luisteren naar Hem niet, of wij luisteren alleen in het voorbijgaan : en onze ziel, geheel door de zinnen verslonden, geheel door hare driften ontroerd en met uitwendige zaken bezig, maakt zich ongeschikt en onwaardig om de inwendige werkingen van God te gevoelen. Men moet dan den geest een besluit doen nemen, van weinig aan de schepselen te denken en van hen te spreken, van liet stilzwijgen en de eenzaamheid te beminnen, van onze ziel met de tegenwoordigheid Gods, en ons hart met zijne liefde te voeden, en van in alles voor Hem en onder zijne oogen te werken, om een inwendigeu mensch te worden, die uiten voor üod leeft, gelijk ieder Christen moet doen om zalig te worden.

-ocr page 193-

iii. boek. it. hoofdstuk. 189

GEBED.

Ja wel gelukkig: hij, mijn God! die zijn hart voor den zaligen invloed uwer goddelijke inspraak open houdt! Gelukkig: hij, die naar uwe stem hoort en de leiding uwer genade volgt! Hoe veel bedt zulk een , waarvan hij de waarde nimmer beseflVn kan ! Niets van al het aardsche is daarbij iets te achten. Laat ook mij dat geluk ontwaren. Woon Gij bij mij, en maak mijn hart vatbaar voor den invloed van uwe vertroostende stem. Gij zijt mijn heil, vrede en leven.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Waarheid spreekt in ons -zonder geluid van woorden.

1. De geloovige. Spreek, o Heer! want vw dienaar hoort. ( 1. Reg. 3.) IJ: hen uw dienaar ; geef mij verstand y op\'Jat ik uwe getuigenissen lennr. (Ps. 118.)

iVWy mijn hart tot de woorden vws tnonds: (Ib ) dat uwe rode als de morgendauw vloeie.

Wel -or zeiden Israels kinderen tot Mozes : SpreeJ: gij tot ons en wij zullen Jiooren : maar dat God tot ons niet spreke opdat wij niet ster een. (Exod. 20.)

Ts\'iet alzoo, o He-.r! niet alzoo bid ik ; liever smeek ik met den Profeet Samuël ootmoedig en vurig: Spreelc, o Heer! want uw dienaar hoort^

-ocr page 194-

100 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Dat niet Mozes noch een der Profeten tot mij spreke, mnar spreek Gij liever, Heere God ! ingever en verlichter van al de Profeten : want Gij alleen kunt mij zonder hen volkomen onderrichten, terwijl zij zonder U niets vermogen.

2. Woorden kunnen zij wel doen klinken; maar den geest schenken zij niet.

Zij spreken voortreffelijk, maar zwijgt Gij, zij ontvlammen het hart niet.

Zij geven letters, maar Gij ontvouwt den zin.

Zij dragen geheimenissen voor, maar Gij doet de beteekenis van het bcteckeude vatten.

Zij maken de geboden bekend, maar Gij helpt die volbrengen.

Zij wijzen den weg; maar Gij sterkt om dien te bewandelen.

Zij werken slechts van buiten, maar Gij onderricht en verlicht het hart

Zij begieten uitwendig, maar Gij geeft de vruchtbaarheid.

Zij spreken luid door woorden, maar Gij geeft aan het gehoor het begrip.

3. Dat dan niet Mozes tot mij spreke, maar Gij, Heere mijn God! de eeuwige waarheid, opdat ik niet sterve en zonder vrucht blijvc, als ik slechts uitwendig gewaarschuwd ben en niet inwendig ontvlamd.

Opdat het mij niet ten oordeel strekke het woord gehoord en ni^t gedaan, gekend en niet bemind, geloofd en niet onderhouden te hebben.

Spreek Gij dan , o Heer I v.ani uw dienaar

-ocr page 195-

III. BOEK. If. HOOFDSTUK. 191 hoort, en Gij licht de woorden des eeuwigen levens. (Joan. 6.)

Spreek Gij tot mij tol eenigen troost mijner ziele en ter verbetering van mijnen ije-heelen wiindel, U tot lof en roem en eeuwige eer.

OEFENING.

God spreekt tot den geest door zijn liclit, en tot- liet hart door zijne ingevingen. Alles, wat ons de Profeten zeggen door het lezen van de lieilige Schrift , en de predikers door de waarheden, welke zij ons verkondigen, dit alles overtuigt geenen geest, noch raakt een hart, indien God niet tevens door zijne genade tot hem spreekt. Men moet dan den Heer bidden , dat Hij tot ons inwendig spreke, als wij uitwendig de heilige waarheden hooren verkondigen of ze lezen : uit vrees van voor zijne oogen nog pliehtiger te worden, indien wij het woord Gods aanhooren, zon\'Ier het te onderhouden ; als wij de waarbeden kennen , zonder ze te volgen; als wij zijnen wil kennen, zonder dien te volbrengen.

6 E B E D.

Ja spreek Gij tot mij, o God ! en dat alle schepselen zwijgen ! Spreek tot mijne ziel; maak haar uwen heiligen wil bekend en geef haar de kracht om dien te volbrengen. Wat toch baat mij uwe Heilige Schrift , zoo Gij mij niet daarvan den zin opent ? Gij, Gij alleen onderricht den geest, ontvlamt het hart en sterkt den gang. Daarom, spreek Gij,

-ocr page 196-

192 de navolciing van jesus christus, o Heer! uw dienaar hoort. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. Gij zijt mijn licht en sterkte.

DERDE HOOFDSTUK.

Het woord Gods moet met ootmoed

gehoord worden , velen nemen hel niet ter harte.

i De Heer. Mijn Zoon, hoor mar mijne woorden, woorden vol lieflijkheid en verheven boven al de wetenschap der geleerden en wijzen dezer wereld.

Mijne woorden zijn geest en leven ( Joan. 6), en moien niet geschat worden naar het gevoelen der menschen.

Ook raag men daarin geen ijdel behagen zoeken , maar men moot ze in stilte aanhoo-ren en met allen ootmoed en groote liefde opnemen.

2. De Geloovige. Gelukkig is hij, o Heer ! dien Gij onderricht en uwe wet leert om hem in bange dagen te verkwikken (Pa. 93) ; en opdat hij nief op aarde verlaten zij.

3. De Heer. Ik heb van den beginne al\' de Profeten onderwezen en tot nu toe houde ik niet op tot allen te spreken, maar velen zijn doof voor mijne stem en verhard.

Velen hooren liever de wereld dan God , en volgen liever de lusten huns vleesches dan hef welbehagen Gods.

De wereld belooft het tijdelijke en geringe en wordt met grooten ijver gediend : ik

-ocr page 197-

Ill BOEK. Ill HOOFDSTUK. 193 beloof het. hoogste en eeuwige, en der stervelingen hart blijft koud!

Wie dient en gehoorzaamt Mij in alles met die zorg, waarmede men de wereld en hare heeren dient ?

Bloos, o Sidon! zegt de zee. (Is. 23 ) En vraagt gij de reden, hoor, zij is deze :

Om een gering inkomen legt men een grooten weg af; voor het eeuwige leven willen velen nauwlijks éen voet van den grond oplichten.

Men streeft naar een slecht gewin : om éen stuk gelds wordt somtijds schandelijk getwist; om een ijdel ding en eene beuzelachtige belofte aarzelt men niet zich dag en nacht te vermoeien.

4-. Maar, o schande ! voor een onvergankelijk goed , voor een ouwaardeerbaren prijs , voor de hoogste eer en eindelooze heerlijkheid is men traag de minste moeite te doen !

Bloos dan , traag en klaagziek dienstknecht! daar genen ijveriger tot hun verderf dat gij ten leven bevonden wordt.

Zij smaken meer vreugde bij de ijdelheid dan gij bij de waarheid.

En toch worden zij somtijds in hunne hoop bedrogen, terwijl mijne belofte niemand bedriegt, noch die op Mij vertrouwen ledig wegzendt.

Wat Ik beloofd heb zal Ik geven, wat Ik gezegd heb zal Ik nakomen, mits men in mijne liefde getrouw blijve ten einde toe.

Ik ben het die alle braven beloon, Ik die de vromen sterk beproef.

18

-ocr page 198-

194? DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

5. Schrijf mijne woorden in uw luirl en overweeg ze vlijtig; want ten tijde der bekoring zullen zij zeer noodzakelijk «zijn.

Wat gij bij het lezen niet verstaat, i-ult gij begrijpen ten dage van mijn bezoek.

Ik plerg mijn uitverkorenen op tweederlei wijze te bezoeken, door beproeving namelijk en vertroosting.

Twee lessen ook lees ik hun dagelijks, de eene door hun gebreken Ie berispen, de andere door hen op te wekken tot voortgang in de deugd.

Wie mijne woorden hoort en ze versmaadt, heeft een* die hem vonnissen zal ten jong-sten dage.

6. De Geloovige. Heere mijn God! al mijn goed zijt Gij. En wie ben ik dat ik tot U durf spreken ? Ik ben uw armste dienstknecht en een nietig aardworm , veel armer en verachtelijker dan ik weet of zeggen durf.

Gedenk toch, o Heer 1 dat ik niets ben , niets heb en niets vermag.

Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig. Gij vermoogt alles. Gij geeft alles. Gij vervult alles, den zondaar alleen ledig latende.

Gedenk uwer ontfermingen en vervul mijn hart met uwe genade. Gij die uwe werken niet ledig wilt laten.

7. Hoe zal ik in dit ellendig leven den last van mijzelven dragen, als uwe ontferming en genade mij niet ondersteunen ?

Wend uw aanschijn niet van mij af; wil uw bezoek niet uitstellen; wil mij uwen troost niet onttrekken, opdat mijne ziel voor

-ocr page 199-

TIT. BOEK. TIT. ITOOPPSTUK. 105

77 niet worde nis een land zonder water ^ (Ps. 14/2)

Heer ! leer mij innen wil doen, (Ib.) leer mij voor U waardij? en in ootmoed wandelen.

Gij toch zijt mijne wijsheid, die mij in waarheid kent en reeds gekend hebt , voordat de wereld was en voordat ik in de wereld geboren werd.

OEFENING.

Het is wonderlijk te zien, hoe veel eene ijdele en bedriegelijke hoop aan de mensehen voor een tijdelijk en vergnnkelijk goed doet ondernemen , en het weinige dat eene vaste en zekere hoop, gegrond op het woord van God zeiven , aan de Christenen voor een geestelijk eeuwig goed doet ondernemen. Het vooruitzicht vnn eenig belang, en de hoop van eenige goederen te winnen , hoe onzeker ook, moedigt alle harte aan, behaagt ons zeer, droogt alle tranen af, en ondersteunt ons in alle moeielijkheden ; en men acht zich voor zijnen arbeid wel beloond , als men de eer behaald , het vermaak genooten of het goed hekomen heeft, hetwelk men verlangde. Er is niets dan de hoop op het paradijs en het vooruitzicht van een eeuwig geluk, hetwelk door het geduld en door de goede werken kan verdiend worden, hetgeen niemand aanmoedigt, oadersteunt, noch troost; en men is alzoo neerslachtig en moedeloos op het aanzien van den hemel, dien men kan winnen met te trachten wel te lijden, als of de hemel niets ware. Hoe komt dit? Het is , omdat men te veel verkleefdheid voor de tegenwoordige za-

-ocr page 200-

196 de navolging VA.n jesus christus, keu, en te veel onverschilligheid voor de toekomende heeft; en die zwakheid van onze hoop komt uit de kwijning van. ons geloof voort.

GEBED.

Beschamend , o God! is voor mij deze overweging. Een verkeerde geest die mij zoo vaak bezielt; belet uwe woorden toegang tot mijn hart, dat zich ook meer genegen toont om der wereld gehoor te geven en zich aan haar te verbinden. Mocht deze verblindheid ophouden, en ik mijn zelfbedrog ontwaren! Boe mij de wereld in hare ware gedaante beschouwen. Dit zal genoeg zijn om haar mijn hart te ontrukken en het tot U over te brengen, die alleen het kunt bevredigen.

VIERDE HOOFDSTUK.

Men moet in waarheid en ootmoed voor God wandelen.

i. De Heer. Zoon! wandel voor Mij in waarheid en zoek Mij altoos in de eenvoudigheid uws harten.

Wie voor Mij in waarheid wandelt zal tegen booze aanvallen beveiligd zijn , en de waarheid zal hem bevrijden van de verleiders en van den iaster der kwaadwilligen.

Heeft de waarheid u bevrijd, dan zult gij waarlijk vrij zijn en op de ij dele woorden der menschen geen acht geven.

-ocr page 201-

iii. boek. iv. hoordstuk. 197 3. de Geloovige. Heer! het is gelijk Gij zegt! dat , bid ik, mij dus geschiede; dat uwe waarheid mij leere, dat zij mij beware en tot een heilzaam einde behoude.

Dat zij mij vrijmake van alle kwade neiging en ongeregelde verkleefdheid; dan zal ik met U in groote vrijheid des harten wandelen.

3. De Heer. Ik, zegt de Waarheid, zal u leeren wat recht en Mij behagelijk is.

Overweeg met een groot mishagen en droefheid uwe zonden, en acht u nooit iets te zijn om uwe goede werken.

Inderdaad, gij zijt een zondaar, aan vele driften onderworpen en daarin verward.

Uit uzelven helt gij altoos over tot het niet; spoedig valt gij, spoedig wordt gij overwonnen, spoedig ontrust, spoedig ontmoedigd.

Niets hebt gij waarop gij kunt roemen, maar veel waarover gij u moet vernederen : want gij zijt veel zwakker dan gij bevatten kunt.

4. Van alles dan wat gij doet schijne u niets groot: houd niets als groot, niets als kostbaar, bewonderens- ol roemenswaardig; want niets is verheven , niets waarlijk prijzenswaardig en begeerlijk dan hetgeen eeuwig is.

Dat de eeuwige waarheid u boven alles be-hage, uwe overgroote onwaardigheid u steeds mishage.

Vrees, veracht en vlucht niets zoo zeer

-ocr page 202-

198 DE NAVOLGING VAN JE8US CHRISTUS, als uwe gebreken en zonden, waarvan gij meer afkeer moet hebben dan van aller zaken verlies.

Sommigen wandelen voor Mij niet oprecht ; maar, door zekere nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijne verborgenheden kennen en de diepte Gods peilen, terwijl zij zichzelven en hun heil verwaar-loozen.

Dezen, daar Ik Mij tegen hen stel, vallen dikwijls door hun hoogmoed en nieuwsgie-righeid in groote bekoringen en zonden.

5. Gij, vrees Gods oordeeleu, sidder voor den toorn des Alraachtigen.

Wil niet de werken des Allerhoogsten be-oordeelen; maar doorzoek uwe ongerechtigheden, in hoeveel gij misdaan en hoeveel goe^s gij verzuimd hebt.

Soramigen stellen hunne godsvracht alleen in boeken, sommigen in beelden , anderen in uitwendige teekenen en vormen.

Sommigen hebben Mij inden mond, maar weinig in het hart.

Er zijn anderen die, van verstand verlicht en van harte gereinigd, altoos naar het eeuwige hijgen; zij willen nauwelijks van hel aardsche hooren en voldoen met weerzin aan de behoeften der natuur.

En deze gevoelen wat de geest der waarheid in hen spreekt.

Want hij leert hen \'t aardsche versmaden en \'t hemelsche beminnen, de wereld verou-achtzamen en dag en nacht onophoudelijk naar den hemel verlangen.

-ocr page 203-

IH. BOEK. IV, HOOIDSTUK. 199

OEFENING.

Niets zal u beter doen beseffen wat Gij zijt, dan het gevoelen nwer ellenden. Even ah gij niets dau neiging tot het kwaad gevoelt, zoo moet gij U door geene gevoelens van ijdelheid of welbehagen verheffen. Gelukkig eene ziel, die zich tracht te kennen , en weet te zuchten over al de zwakheden , ellenden en ongeregelde neigingen, die zij in zich vindt! Want dit is het, wat haar aan God onderwerpt, wat haar dringt dikwijls tot hem hare toevlucht te nemen en zich onder zijne almogende hand te vernederen. Het is dat onophoudelijk gevaar waarin zij zich bevindt, van onder de bekoringen te bezwijken, hetgene zooveel voortbrengt, dat zij, ten opzichte van God zich in eenen staat van gedurige afhankelijk , heid , en van eens oprechte en volstandige ontblooting behoudt. Maak van nu af het voornemen, alle beproevingen, welke Hij u zal overzenden, van Gods hand te aanvaarden , zijne inzichten te volbrengen, en u aan zijn welbehagen te onderwerpen.

GEBED.

Dierbare Heiland! Vriend der oprechten en eenvoudigen van harte! mocht ik zoo gelukkig zijn onder het aantal dezer uwer uitverkorenen te behooren, en mijn hart de krachtige inspraak uwer eeuwige waarheid gevoelen 1 Dan zoude ik mij licht boven al het zinnelijke kunnen verheffen , mijn hart beter leere kannen en mij zijne verbetering

-ocr page 204-

200 de navolging van jesus christus, meer aantrekken. Dat het toch eens daartoe kome. Uwe waarheid zij mijne geleidster, zij brenge mij tot een eeuwig zalig leven !

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over tie wonderbare werking dei-goddelijke liefde.

1. De Gfloovige. Ik zegen U, o hemel-sche Vader! Vader van mijnen Heer Je sus Christus! dat Gij U verwaardigd hebt mij arme te gedenken.

o Vader der barmhartigheid en God aller vertroosting! U zij dank dat Gij mij , allen troost onwaardige , nu en dan met uwen troost verkwikt.

U zegen ik en verheerlijk ik met uwen eeniggeboren Zoon en den Heil gen Geest, den trooster in de eeuwen der eeuwen.

o Heer God! mijn heilige minnaar? wanneer Gij komt in mijn hart, dan zal alles wat in mij is zich verheugen.

Gij zijt mijn roem en de vreugde mijns harten; Gij zijt mijn hoop en toevlucht ten tijde mijner benauwdheid.

2. Maar omdat ik in de liefde nog zwak ben en in de deu?d onvolmaakt, daarom behoef ik volstrekt door U verbterkt en getroost te worden. Bezoek mij dan dikwijls en onderwijs mij in uwe heilige leerirgen.

Bevrijd mij van kwade driften en genees mijn hart van alle ongeregelde neigingeu; opdat ik , van binnen genezen en wM gereinigd,

-ocr page 205-

iii. boek. v. hoofdstuk. 201 bekwaam worde om U te beminnen, sterk om te lijden en standvastig om te volharden.

3. Db Heer. De liefde is iets groots, een zeer groot goed.

Zij alleen maakt licht al wat zwaar is, en draagt al het ongelijke gelijkelijk.

Want zij draagt den last zonder last, en maakt al het bittere zoet en smakelijk.

De liefde tot Jesus is edelmoedig, drijft tot groote daden aan en wekt steeds de begeerte tot het volmaaktere op.

De liefde streeft naar boven en laat zich door niets laags wederhouden.

De liefde wil vrij zijn en van alle wereld-sche gehechtheid ontheven, opdat haar innerlijke blik niet verhinderd worde, opdat om geenerlei tijdelijk belang in verlegenheid kome noch wegens ongeval bezwijke.

Er is niets zoeter dan de liefde, niets krachtiger, niets verhevener, niels uitgebreider, niets genoegelijker, niets vollediger, niets beter in hemel en op aarde.

Want de liefde is uit God geboren en kan niet dan in God boven al het geschapene rusten.

4«. Wie bemint, loopt, vliegt en is verheugd ; hij is vrij en wordt niet wederhouden.

Hij geeft alles voor alles en heeft alles in alles, dewijl hij boven alles in het eenige hoogste rust, uit hetwelk alle goed vloeit en voortkomt.

Hij ziet niet op giften, maar wendt zich, boven alle goederen, tot den gever.

-ocr page 206-

202 de navolging van jesus christus.

De liefde kent dikwijls geene maat, maar brandt boven alle mate.

De liefde gevoelt geen last, zij acht geen arbeid; zij tracht naar meer dan zij vermag, zij wendt nooit onmogelijkheid voor, omdat zij meent dat haar alles mogelijk en geoorloofd is.

Zij is dus tot alles in staat; zij volbrengt veel en voert uit, waar hij die niet bemint, te kort schiet en bezwijkt.

5. De liefde waakt en slapende sluimert zij niet.

Vermoeid, is zij niet afgemat; geprangd, wordt zij niet ingedrukt; verschrikt, ontstelt zij zich niet; maar gelijk een levende vlam en brandende toorts breekt zij uit naar boven en dringt ongehinderd door.

Wie bemint weet wat deze stem roept. Ook is het een sterk geroep in het oor van God, wanneer eene van liefde brandende ziel uitroept: Mijn God! mijne liefde! Gij geheel de mijne, ik geheel de uwe.

6. De Gelooviue. Breid in mij de liefde uit, opdat ik met den inwendigen mond des harlen leere smaken, hoe zoet het zij te beminnen en in liefde te smelten en te zwemmen !

Mocht ik door liefde zoo bevangen worden, dat ik door haar gloed en overmaat boven mijzelven vervoerd wierd !

Mocht ik het lied der liefde zingen en U, mijn Geliefde! in de hoogte volgen; mocht mijne van liefde juichende ziel ouder uwen lof bezwijken!

-ocr page 207-

iii. boek. v. hoojfdstuk. 208

Mocht ik U meer dan mijzelven beminnen en mijzelven alleen om U, en in U allen die U waarlijk beminnen, gelijk de wet der liefde, van Ü afkomstig, gebiedt!

7. -De Heer. De liefde is vlug, ongeveinsd, vroom , bevallig en aangenaam, sterk, geduldig , getrouw, voorzichtig, lankmoedig, manhaftig en nooit zichzelve zoekende: want waar iemand zichzelven zoekt daar valt de liefde weg.

De liefde is omzichtig, nederig en oprecht , niet lafhartig, niet lichtzinnig noch op ijdel-heden bedacht, ingetogen, kuisch, bestendig, bedaard eu wachthoudende over alle zinnen.

De liefde is ouderworpen en gehoorzaam aan de oversten, in haar eigen oog gering en ongeacht, Gode gewijd en dankbaar, altoos hopende cu vertrouwende op Hem, ook als zij voor God geen smaak gevoelt ; want zonder smart leeft men in de liefde ni -t

8. Wie niet gereed is om alles te lijden en zich naar den wil zijns geliefden te schikken, verdient den naam van minnaar niet.

Een minnaar behoort zich gaarne om zijnen geliefde al het harde en bittere te getroosten, en door geene voorvallende tegenlieden van hem te laten aftrekken.

oefening.

Wie zal ooit de wonderbare uitwerkingen der liefde Gods in eene ziel, die aan hare indrukken en beproevingen getrouw is , kun-, nen begrijpen en uitleggen? liet is beter ze te gevoelen dan te bespreken, en het is vol-

-ocr page 208-

204 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, maakter ze in het werk te stellen dan die te gevoelen. Wat werkt de liefde Gods niet uit, als zij levend, sterk en volledig is in eene ziel, die door de .schoonheden en goedheden van haren Schepper is ingenomen, en door de vurigheid van zijne heilige liefde bezield ? Zij denkt dikwijls aan Hem, want men kan niet vergeten wat men bemint; zij onderneemt alles om Hem te behagen, zij verdraagt alles om zijne liefde; zij vermijdt zorgvuldig de lichte onvrijwillige gebreken: want hoe kan men God beminnen en Hem willen mishagen? Zij wenscht den Heere alle goed wat hij bezit en wat hij is; zij zou willen, dat al de harten der menschen maar één hart waren, cn dat dit éene hart van eenen seraf ware ; zij verblijdt zich over al den lof en de eer, die Hem in den hemel en op de aarde gegeven wordt; zij noodigt alle schepselen uit om Hem te beminnen en te loven; zij zou Hem met verlies van haar leven , en van haar wezen zelfs, eene vermeerdering van geluk der voldoening willen bezorgen, indien dit koude wezen; zij kan zich over zijn verlies niet troosten; zij zucht onophoudelijk naar het geluk van Hem te aanschouwen; zij ann-ziet het leven ;ils eene ballingschap, welke de wil alleen van haren God voor haar verdra-gelijk maakt; zij aanziet met vreugd den dood als het eeuig middel om Hem te bezitten en Hem nooit meer te vergrammen; zij brandt door een geheim, hevig en gloeiend vuur, dat haar iu Gods tegenwoordigheid, in- en voor God verteert; zij behoort aan zich zelve

-ocr page 209-

III. BOEK. V. HOOFDSTUK. 205 niet meer, maar aan Hom, dien zij meer dan zichzelve bemint; zij zoekt, zij vindt, zij ziet overal haren God ; hare vreugde en haar geluk in deze wereld is : te lijden, zich te vernederen, zichzelve te verzaken , zich te versterven, en aan alles, wat zinnelijk is, te sterven, om het hart van haren God te winnen. Zij gelooft, zij hoopt, zij bemint ten hoogste, door den eerbied, de achting en verkleefdheid, die zij voor den Bewerker van haar geloof, van hare hoop en van hare liefde heeft. God bestaat, zegt zij, en dat is genoeg voor mijn geluk, voor mijnen troost en voor mijne blijdschap. God verdient dat men hem diene; hij wil dat ik dit of dat voor hem doe en lijde; Jesus Christus heeft het wel voor mij gedaan en geleden: ziedaar de beweegredenen , die haar doet werken en lijden. Zij houdt zich niet tevreden met zich in alles aan de geboden van haren God te onderwerpen; maar volgt nog zijne genegenheden in, en rekent het zich tot eene wet zijn welbehagen te volbrengen. Kortom, eene ziel, die haren God bemint, leeft niet meer, maar God leeft in haar.

GEBED.

Kan ik U, o God der liefde! wel te dikwijls om liefde bidden, daar van haar mijne volmaaktheid en zaligheid afhangen? Mocht ik zoo gelukkig zijn de ware liefde te kenuen en haren krachtigen invloed te ontwaren! mochten de echte kenmerken daarvan zich meer en meer bij mij vertoonen ! welk een

-ocr page 210-

20G DE NAVOLGING VAN JESUS CHKISTUa, trroot, onwaardeerbaar goed zoude ik bezitten! God der liefde! stort mij eene reine, alles overtreffende liefde in. Wees Gij de mijne, ik zij de uwe, eeuwig de uwe, alleen de uwe.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over den toetssteen der ware liefde.

1. De Heer. Mijn zoon! gij zijt nog geen sterk en welberaden minnaar.

2. De Geloovioe. Waarom, Heer?

3. De Heer. Omdat gij wegens eene geringe tegenheid uw opzet laat varen en te gretig naar vertroosting omziet.

Een sterk minnaar staat pal bij de bekoringen en slaat aan des vijands listige ingevingen geen geloof. Gelijk Ik hem behaag in voorspoed, zoo mishaag Ik hem niet in tegenspoed.

4. Een welberaden minnaar ziet niet zoo zeer op des geliefden gifte als op des gevers liefde.

Hij hecht meer aan het hart dan aan het geschenk, en hij stelt al de gaven beneden den beminde.

Een edelmoedig minnaar berust niet in het geschenk, maar in Mij boven alle geschenken,

5. Daarom is alles niet verloren, al gevoelt gij u eens jegens Mij of mijne Heiligen minder welgezind dan gij wenschtet.

Die goede en liefelijke gesteldheid, welke gij somtijds ontwaart, is het uitwerksel der

-ocr page 211-

III. BOEK. vr. HOOFDSTUK. 207 aauweztae genade en zekere voorsmaak van hei liemelKch vaderland, doch waarop gij niet te voel rnoogt steunen : want zij gaat, en zij komt.

Maar te strijden tegen de invallende kwade bewegingen des harten, en de ingevingen des Satans te verachten, is een teeken van deugd en groote verdienste.

6. Laat u dan niet ontrusten door vreemde voorstellingen; omtrent welke zaak ook ontstaan. Houd u standvastig bij uw voornemen en uw oogmerk tot God gericht.

Ook is het eeen bedrog, als gij soms schielijk in verrukking wordt opgevoerd en aanstonds tot de gewone ongerijmdheden des harten wederkeert : want deze lijdt gij meer tegen uwen zin dan dat gij ze bewerkt. En zoo lang zij u mishagen en gij tegenstreeft, strekken ze u tot verdienste en niet tot schade.

7. Weet dat de oude vijand op allerlei wijze tracht uw verlangen ten goede te verhinderen en u van elke godvruchtige oefening af te trekken; namelijk van de vereering der Heiligen , van de zalige overweging mijns lijdens, van zoo nuttige herinnering uwer zonden, van de waakzaamheid over uw eigen hart en van het vast voornemen om in de deugd voort te gaan.

Daarom dringt hij u ve^e kwade gedachten op om u verdriet en afgrijzen te veroorzaken, ten einde u van het gebed en het godvruch • tig lezen af te leiden.

Ook mishaagt hem eene ootmoedige schuld-

-ocr page 212-

208 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, belijdenis. Ja indien hij konde, hij zoude u van \'s Hceren tafel afhouden.

Geloof hem niet noch stoor u aan hem , hoe dikwijls ook hij u zijne bedriegelijke strikken spanne.

Werp ze hem met verachting terug als hij u kwade en onreine gedachten ingeeft, en zeg tot hem : „ Weg onreine geest! bloos, rampzalige! gij zijt wel zeer onrein, om mij zulke dingen in het oor te blazen. quot;

„ Wijk van mij , snoodste verleider ! gij zult geen deel aan mij hebben; maar Je sus zal als een krachtig strijder met mij zijn, en gij zult beschaamd staan.quot;

i, Liever wil ik sterven en alle smart lijden dan met u instemmen.quot;

i, Zwijg en verstom! Ik zal niet meer naar u hooren, hoeveel moeielijkheden ook 2ij mij aandoet. De Heer is mij71 licht en mijn heil, wien zoude ik vreezen ? De Heer is mijne levenskracht: voor wien zoude ik sidderen ? Al stonden er ook ley ers tegen mij op ^ mijn hart zoude niet vreezen. De Heer is mijn helper en mijn verlosser. (Ps. 16 )

8. Strijd dan als een goed krijgsknecht, en valt gij soms uit zwakheid, herneem den moed meer dan te voren en vertrouw op mijne overvloediger genade, maar wacht u zeer voor ijdel zelfbehagen en hoogmoed.

Daardoor toch worden velen in dwaling gebracht en vervallen somtijds tot eene ongeneeslijke blindheid.

Dat de val dier hooïmoedia\'en die zich

-ocr page 213-

III. BOEK. VI. HOOFDSTUK. 209 dwaselijk zooveel verbeelden, u tot behoedzaamheid en steeds tot ootmoed strekke.

OEFENING.

Ik begrijp , dal de ware liefde voor God meer kan bestaan, in voor Hem de dorheid des geestes, de smakeloosheid en lastige bekoringen te verduren, zonder ze nochtans te volgen , dan in het ontvangen van den inwendigen smaak, de zoetheid en vertroostingen; wamt in deze ontvangt men veel van zijnen God, maar in de eerste geeft men Hem veel. In de eene bemint men de gaven Gods, en in de andere bemint men Hem zeiven in zijnen heiligen wil, bij voorkeur van al zijne gaven; en de liefde, die ons God doet beminnen voor hetgene hij is , is volmaakter dan die, welke ons hem doet beminnen voor hetgene hij ons geeft. O, welk groot vermaak schept God in het aanschouwen van eene ziel, die altijd op zichzelve waakt, om haar hart van de minste gebreken te bevrijden; die zich altijd met hare plichten bezig houdt, uit eerbied voor zijne geboden en door verkleefdheid aan zijnen heiligen wil; en die altijd edelmoedig is om al de ongeregelde bewegingen te bestrijden, welke hare begeerlijkheid en de bekoringen des duivels in haar doen oprijzen! Eene ziel, die aan zichzelve niets toelaat of zich niets vergeeft ; die haar best doet om te beantwoorden aan de inzichten, die God over haar heeft, om in zich al wat menschelijk is te vernietigen, en in zich het rijk der eigenliefde uit te roeien ,

14

-ocr page 214-

210 DE NAVOLGING VAN JE8US CHRISTUS, zulk een ziel neemt tot regel van haar gedrag deze grondstelling van de ware liefde : Alles om aan God te behagen, en niets om mij zelve te voldoen. Maar wat het hart van God verrukt, is te zien, dat die ziel, waarlijk door de sterkte en de genade van zijnen geest bekleed, in den strijd tegen hare driften , niets kan verdragen wat aan het welbehagen van God zou strijdig wezen ; van te zien, zeg ik, dat zij geenen troost noch eenige zichtbare hulp vraagt, zoekt of ontvangt, en haar vermaak stelt in het genoegen, dat God neemt van haar te zien lijden, zonder zelfs verzekerd te wezen dat hij er vermaak in neemt. Hare onderwerping en overgeving zijn haar troost en hare hulp; zij acht zich gelukkig , een slachtoffer voor de liefde van haren God te wezen.

GEBED.

Ja, mijn God! nog veel heb ik te leerou, eer mijne liefde gezegd kan worden de proef te hebben doorgestaan. Nog in vele opzichten moet ik haar gebrekkig noemen. Ik heb U lief, maar is het niet veelal om uwe gaven, om eenig voordeel? De minste bekoring, het minste ongeval doet mij wankelen. Wil mij in uwe liefde sterker maken en van eigenliefde zuiveren; dat ik U liefhebbe om Uzel-ven, dat niets in staat zij mij van IJ af te trekken!

-ocr page 215-

iii. boek. vii. hoopdstuk. 211

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Dat uien de genade onder de hoede der nederigheid moet verbergen.

1. De Heer. Mijn zoon! het is voor u nuttiger en veiliger de genade der godsvrucht te verbergen; u daarop niet te verheffen nocli veel daarvan te spreken en die niet te veel te achten, maar eer uzelven te verachten en te vreezen dat zij eenen onwaardige gegeven is.

Men raag niet te veel hechten aan eene gesteltenis, welke zoo ras tot het tegendeel kan overslaan.

Bedenk bij het genot der genade hoe ellendig en beroofd gij zonder de genade pleegt te zijn.

Noch ligt de voortgang van het geestelijke leven alleen daarin, dat gij de genade der vertroosting bezit; maar daarin dat gij met ootmoedige zelfverzaking en geduld hare onthouding verdraagt, zoodat gij dan niet in het gebed vertraagt, noch uwe overige gewone oefeningen geheel terzijdestelt; maar dat gij volgens uw best vermogen en doorzicht gewillig doet wat gij kunt en u wegens de dorheid of benauwdheid , welke uwe ziel ontwaart, niet geheel verwaarloost.

3. Velen toch zijn er die, zoodra het hun niet naar wensch gaat, terstond ongeduldig en traag worden.

\'s Menschen weg is immers niet altoos in zijne macht; maar het komt God toe te ge-

-ocr page 216-

212 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, ven en te troosten, wanneer Hij wil en zooveel Hij wil en wien Hij wil, volgens zijn welbehagen en niet meer.

Eenige onvoorzichtigen hebben zich wegens de genade der godsvrucht in het verderf gestort, omdat z\'j meer wilden doen dan zij vermochten ; geen acht gevende op de mate hunner geringheid, maar liever de neiging des harten volgende dan het oordeel des verstands.

En daar zij meer ondernamen dan Gode behagelijk was, daarom hebben zij de genade spoedig verloren.

Aldus werden zij die in den hemel wilden nestelen, beroofd en aan hunne nietigheid overgelaten, opdat zij, vernederd en verarmd, leeren mochten niet op eigen wieken te vliegen maar onder mijne vleugelen te schuilen.

3. Zij die in den weg des Heeren nog nieuwelingen en onervarenen zijn, kunnen licht bedrogen en teleurgesteld worden, tenzij zij zich door den raad van verstandigen laten leiden.

Of willen zij liever hun eigen zin volgen dan meer ervarenen geloof geven, dan zal hun einde gevaarlijk zijn, zoo zij namelijk van hun eigen begrip niet willen terugkomen.

Zij die zichzelven wijs genoeg zijn, laten zich zelden nederig door anderen geleiden.

Beter is weinig kennis en een gering verstand met ootmoed, dan groote schatten van geleerdheid met ijdel zelfbehagen.

Beter is weinig te hebben, dan veel waarover gij u kondet verhoovaardigen.

-ocr page 217-

IIT. BOEK. VII. HOOFDSTUK. 213

Hij handelt niet voorzichtig genoeg die zich geheel aan de vreugde overgeeft, vergetende zijne vorige armoede en de ingetogene vreeze des Heeren, welke steeds beducht is de nan^eboden genade te verliezen.

En hij is ook niet sterk genoeg van geest die zich, ten tijde van tegenspoed en het geringste ongeval, te wanhopig gedraagt en minder vertrouwelijk dan het behoort omtrent Mij denkt en gevoelt.

4-. Wie in vredestijd te gerust heeft willen zijn, zal dikwijls in oorlogstijd te neerslag-tig en te vreesachtig bevonden worden.

Wist gij altoos nederig en bij uzelven klein te zijn, en uwen geest wèl te regelen en te besturen , gij zoudt u zoo licht niet aan gevaar blootstellen noch aanstoot vinden.

Het is een goede raad : ontwaart gij in u den geest van godsvrucht, overweeg hoe liet zal zijn als dat licht u verlaten heelt.

En gebeurt dit, denk dat dat licht dra kan wederkomen , hetwelk ik u voor een tijd ontnomen heb tot uwe behoedzaamheid en mijne verheerlijking.

5, Een zoodanige beproeving is dikwijls nuttiger dan dat het u altoos welga naar uwen wensch.

Want de verdiensten zijn niet daarnaar te meten, of iemand velerlei openbaringen en vertooRtingcn hebbe, noch of hij bedreven in de Schriften zij of in een hoogen rang geplaatst; maar of hij in waren ootmoed gevestigd zij en met de liefde Gods vervuld; of hij de eer van God altoos zuiver en volkomen be-

-ocr page 218-

314? DE NAVOLGING V\\N JESUS CHRISTUS, ooge, ol\' hij zich 7, el ven niets achte en waarlijk versmade, en meer behagen vinde in van anderen veracht en vernederd dan geëerd te worden.

O E F E N I N S.

In den staat van onschuld, zonde mensen God met gewilligheid, gemak en volheid zijner liefde gediend hebben, omdat alles in hem zonder liefde aan zijne geboden zon onderworpen geweest zijn; maar in den staat van zonde , waarin wij zijn, kunnen wij God bijna niet dienen dan met onophoudelijk tegen ons zeiven te strijden, noch hem beminnen zonder ons zeiven te haten; en wij doen bijna niets voor hem, dan dit, hetwelk wij tegen ons doen. Derhalve moeten wij ons ootmoedig aan de smakeloosheden, aan d« dorheid en aan het verdriet, dat wij in onze oefeningen van godsvrucht ontmoeten, onderwerpen : wij moeten in de inzichten van God treden, en ons eene verdienste maken van Hem zoeken te behagen, zonder ons zeiven te bevredigen, en als slachtoffers zijner liefde, onze vernietiging aanvaarden, om Hem te eeren, wij moeten gelijk zijn aan de lamp , die voor het allerheiligste Sakrament brandt, en aan de kaars gedurende het heilig misoffer, die door het vuur allengs vernietigd wordt, om de vernietiging van den Zaligmaker op het Altaar te eeren. Indien eene oprecht christene ziel kende, hoezeer een bedrukte staat een heilige en zaligmakende staat kan wezen, een staat van zuivere en beproefde

-ocr page 219-

111. BOEK. VII. HOOFDSTUK, 215 liefde voor God, eindelijk een staat, waarin men zichzelven noch zoekt, noch zich in iets vindt, en waarin men alleen God zoekt en vindt, welke achting zou zij voor zulk eenen staat niet hebben! Welke zorg zou zij niet dragen om er nut uit te trekken, dat wil zeggen, om met geduld te lijden, om met kloekmoedigheid den Heer te verdragen, en om niets uit kracht van kwellingen na te laten ! Indien jnen wel overtuigd en doordrongen ware van de voortdurende verdiensten van den staat van dorheid, als men dien zonder morren verdraagt, dan zou men ongetwijfeld trachten aan de inzichten van God te beantwoorden, die ons hierdoor wil brengen om onszelven menschelijkerwijze in niets te zoeken, om Hem in alles te bevredigen en ons eene ware verdiensten van zijn welbehagen te maken. Men zou zich gelukkig achten, de voldoening van zijn hart voor die van het hart van God op te offeren, van voor Hem te wijken, en zich van zijne plichten te kwijten, zonder het vermaak te genieten van te weten dat men Hem behaagt4

GEBED.

Ook ik, o God ! mag mij niet verheffen op een voorrecht dat ik zoo spoedig kan verliezen, op eene gesteltenis welke zoo ras voorbij kan zijn. Welke groote gunsten ook mij te beurt vallen, ik behoor mij ootmoedig te gedragen en het geringste van mijzelven te denken. Zulk eene gemoedsgesteldheid is U aangenaam en verzekert mij van uwe goed-

-ocr page 220-

216 de navolging van jesus chrirtu8. guustigheid. Dat zij mij dau steeds oudcr-acheide ; dat ik iu ootmoed waudele en daarin gevestigd blijve !

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Hoe gering men zich moet achten in het oog van God.

1. De Geloovige. Ik zal spreken tot mij\'

nen Heere , hoewel ik stof en asch ben. (Gen. 18-)

Zoo ik mij voor iets meer acht, zie, Gij stelt U tegen mij , en mijne overtredingen geven eene ware getuigenis die ik niet weerleggen kan.

Maar verneder ik mij en maak ik mij tot niets; leg ik alle zelfverbeelding af en breng ik mij tot stof, gelijk ik ben, dan zal uwe genade mij gunstig en uw licht mijn hart nabij zijn.

En dan zal alle zelfverbeelding, hoe gering ook, in de diepte mijner nietigheid verzwolgen worden en voor eeuwig vergaan.

Dilar vertoont Gij mij aan mij zeiven, wat ik ben, wat ik was en waartoe ik gekomen ben : want ik ben niets en ik wist het niet!

Worde ik aan mijzelven overgelaten, zie, dan ben ik niets en geheel zwakheid ; maar werpt Gij spoedig weder een blik op mij , dan word ik aanstonds sterk en met nieuwe vreugde vervuld.

En hoe wonderbaar dat ik zoo aanstonds weder worde opgebeurd en zoo vriendelijk

-ocr page 221-

Ut. BOEK. Vin. HOOFDSTUK. 21? door U outviuigen, ik , die door eigene zwaarte steeds uaar beneden hel.

2. Dit ia liet werk uwer liefde , die mij onverdiend voorkomt en in zoo vele noodwendigheden bijstand biedt, die mij ook voor groote gevaren behoedt, ja om de waarheid te zeggen, aan ontelbare rampen ontrukt.

Want door mijzelven verkeerdelijk te beminnen heb ik mijzelven verloren maar door U alleen te zoeken en oprecht te beminnen, heb ik mijzelven en tevens U gevonden , en ben door liefde in mijne nietigheid nog dieper gezonken, omdat Gij, o Beminnenswaardigste ! aan mij wéldoet boven alle verdienste; ja boven hetgeen ik zoude durven hop«u of begeeren.

3. Wees dan gezegend, o mijn God! dat, hoezeer ik al uwe weldaden onwaardig ben, uwe edelmoedigheid en oneindige goedheid toch nimmer ophouden wèl te doen, zelfs aan ondankbaren en verre van U afgewekenen.

Doe ons tot U wederkeeren, opdat wij dankbaar, nederig en U toegewijd mogen zijn : want Gij zijt ons heil, onze kracht en sterkte.

OEFENING.

Wanneer men eenige gevoelens van ijdel-heid of welbehagen jegens zichzelven ontwaart , moet men slechts een oogenhlik den onuitputtelijken grond zijner bedorvenheid aanmerken en als den afgrond zijner ellenden peilen, om die beweging van hoovaardigheid van het begin af uit te dooven. Immers, hoe

-ocr page 222-

318 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, zou men zich dit algemeene onvermogen , hetwelk men voor het bovennatuurlijke goed gevoelt, kunnen voorstellen, die ongeregelde neiging en helling tot het kwaad, die verblindheid van onzen geest, die boosheid van ons hart, die woede der driften welke altijd tegen de rede opstaan: kortom , hoe zou men zich kunnen voorstellen wat men is, en wat men gevoelt te zijn, zonder zichzelven klein te achten, en onder alle schepselen te verootmoedigen? Maar als men zich beschouwt ten opzichte van God, indien men denkt op hetgene Hij is, en hetgene wij voor zijne oogen zijn, namelijk een enkele niet, zondaars, maar zondaars met duizende schelmstukken beladen, die wij wel weten bedreven te hebben, maar die wij niet weten, of zij ons vergeven zijn geweest; zwakke en brooze schepselen, die zoo ongestadig in het goede en zoo gestadig in het kwaad zijn ; helaas ! misschien stervelingen, die voor de oogen van God leven en sterven in den staat van zonde , en verdienen het voorwerp van zijnen eeuwigen haat te wezen; hoe is het mogelijk, wanneer wij dit overwegen, dat wij aan eene gedachte van ijdelheid kunnen toegeven ? Ach! het is maar al te waar, dat als men voor zichzelven eenige achting heeft, men zichzelven miskent en vergeet.

ö E B E D.

God ! ook ik mag vragen : wie ben ik om met U te sprekenP Ik. stof en asch. Ja ik gevoel mijne nietigheid en erken het openlijk

-ocr page 223-

iii. boek. ix. hoofdstuk. 210

dat inijue lippen niet rein genoeg zijn om uwen heiligen naam te noemen. Maar zal dit bewustzijn mij ternederslaau ? Neen ! Gij zijt mijn Vader en houdt niet op mij wèl te doen. Dat dit gevoel mij steeds beziele , en ik onberispelijk voor U wandele. Dan zal ik U onbeschroomd mogen naderen en TJ met recht Vader mogen noemen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Dat men alles tot God, als het laatste einde moet terugbrengen.

1, De Heer. Mijn zoon ! ik moet uw hoogste en laatste einde wezen, zoo gij wanrlijk gelukkig wilt worden.

Door deze bedoeling zullen uwe neigingen gezuiverd worden, die zich vaak verkeerd tot uzelven en de schepselen nederbuigeu.

Want zoodra gij in iets uzelven zoekt, verkwijnt gij en verdort.

Breng dus alles tot Mij als de bron terug : want Ik ben het die alles geef.

Beschouw alles als vloeiende uitliet hoogste goed ; waarom ook alles tot Mij, als tot zijnen oorsprong , moet worden teruggebracht.

3. Uit Mij putten klein en groot, arm en rijk levendig water, als uit eene levende bron; terwijl zij die Mij vrij en gewillig dienen, genade voor genade zullen ontvangen.

Maar wie buiten Mij wil roemen of in eenig bijzonder goed zijn vermaak nemen , zal niet in de ware vreugde bevestigd worden

-ocr page 224-

220 DE NAVOLGING VAN JESUS CHBISTUS. uoch opgeruimd van harte zijn ; maar hij zal op velerlei wijze belemmerd en benauwd worden.

Gij moogt u dan van het goede niets toeschrijven ; ken ook aan geen raensch de deugd toe, maar geef alles aan God, zonder wien de mensch niets heeft.

Ik heb alles gegeven, Ik wil alles terughebben en eisch ten strengste daarvoor dankzeggingen.

3. Bit is eene waarheid waardoor de ijdel-heid der roemzucht verdreven wordt.

En zijn de hemelsche genade en ware liefde eens binnengegaan, dan zal geen nijd, noch kwelling des harten, noch eigenliefde plaats vinden.

Want de goddelijke liefde overwint alles» en ontwikkelt al de krachten der ziele.

Zoo gij recht verstandig zijt zult gij u in Mij alleen verheugen, op Mij alleen hopen ; want. niemand is goed, dan God alleen, ( Matth. 19.) die boven alles te loven en in alles te prijzen is.

OEFENING.

Heb in al uwe werken eene zuivere en oprechte meening om den Heer te behagen, en tracht hem al den roem van het goed, dat Hij verricht, te geven, daar Hij de oorsprong en de volheid is van alle goed. Draag nergens roem op dan in uwe ellenden, en stel uwe eer in ze menigmaal aan eenen barm-hartigen God op te offeren, die behagen

-ocr page 225-

iii. boek. x. hoofdstuk. 221

schept in eciie ziel, die door de overweging harer nietigheid getroffen is. Houd u niet. op met gedachten van ijdelheid en welbehagen jegens uzelven, of met het verlangen om van anderen geacht en geëerd te worden; want God , zegt de koninklijke Profeet, overdekt met schaamte en verachting degenen, die den lof der menschen najagen en hen willen behagen. Het eenicre middel, dat gij bezit om God te behagen en zijn hart te winnen, is uzelven te versmaden en te haten,

GEBED.

Gij mijn God! zijt mijn hoogste goed Gij behoort ook mijn hoogste doel, mijn laatste einde te zijn. Wat heb ik dat ik van TJ niet heb ontvangen ? Wat goeds bezitten de schepselen waarvan Gij de bron niet zijt? VanU komt alle goed, in U zijn wij; leven wij en bewegen wij ons. Dat deze gedachte bij mij levendig blijve en mij tot dankbaarheid aanzette. Wees Gij mijn hoogste goed; wees Gij ook mijn hoogste doel waarnaar ik onophoudelijk streve.

TIENDE HOOFDSTUK.

Hoe genoeglijk het zij, met verachting der wereld, God te dienen.

1. De Geloovige. Nu, Heer! zal ik andermaal spreken en niet zwijgen, Ik zal in

-ocr page 226-

222 DE NAVOLGING VAN .TESUS CHRISTUS, de ooren vau mijnen God, van mijnen Heer en Koning, die in de hoogte is, zeggen:

Hoe groot is het goed, o Heer! dat Gij Jicht weggelegd voor hen die TI vreezen. ( Ps. 30,)

Maar wat zijt Gij voor hen die U herain-nen, wat voor hen die U van ganscher harte dienen !

Waarlijk onuitsprekelijk is het genoegen uwer aanschouwing, hetwelk Gij verleent aan hen die U beminnen.

Daarin vooral hebt Gij mij het zoete uwer liefde getoond, dat Gij mij het aanzijn gegeven hebt toen ik nog niet was, en mij toen ik verre van U afdwaalde tot uwen dienst teruggebracht hebt, en mij bevolen hebt U te beminnen.

2. o Bron der eeuwige liefde ! wat zal ik van U zeggen ?

lioe zoude ik U kunnen vergeten, die U verwaardigd hebt mijner te gedenken ook toen ik verdord en bedorven was ?

Gij hebt boven alle hoop uwen dienstknecht barmhartigheid bewezen , en hem, bovenalle verdienste, genade en vriendschap beloond.

Hoe zal ik (J die gunst vergelden ? Het is toch aan allen niet gegeven om met verzaking van alles der wereld vaarwel te zeg-gen en het kloosterleven te omhelzen.

Is het dan iets groots dat ik ü diene,wien alle schepsel dienen moet ?

Het mag mij niet groot schijnen U te dienen; maar dit liever schijnt mij groot en bewonderenswaardig, dat Gij U verwaardigt

-ocr page 227-

III. BOEK. X. HOOrDSTUK. 223 zulk een arme en onwaardige tot uwen dienstknecht op te nemen en onder uwe geliefde dienstknechten te plaatsen.

3. Zie, al wat ik heb en waarmede ik U dien is het uwe.

In waarheid, Gij dient mij omgekeerd meer dan ik U.

Zie! hemel en aarde welke Gij tot \'s men-schen dienst geschapen hebt , staan gereed en doen dagelijks hetgeen Gij hun hebt op-gelegd.

En dit is nog weinig. Ook de Engelen hebt Gij ten dienste des menschen bestemd.

Maar wat dit alles nog te boven gaat, Gij hebt U zelfs verwaardigd den mensch te dienen en beloofd Uzelven aan hem te zullen geven.

4. Wat zal ik U voor al die ontelbare weldaden wedergeven?

Ach! dat ik U dienen mocht al de dagen mijns levens! Ach ! dat ik slechts een dag U waardig dienen konde!

Inderdaad Gij zijt allerlei dienst, allerlei eer en eeuwigen lof waardig.

Waarlijk Gij zijt mijn Heer en ik uw arme dienstknecht; ik ben verplicht Uquot; uit alle krachten te dienen en mag nimmer in uwen lof verflauwen.

Dit wil ik, dit verlang ik; en wat mij mocht ontbreken , verwaardig Gij dat aan te vullen.

5. Het is een groote eer, een groote roem U te dienen en om uwentwille alles te versmaden,

-ocr page 228-

224* DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS.

Want zij die zich gewillig aan uwen allerheiligsten dienst onderwerpen , zullen groote genade bekomen.

Zij die om uwentwil alle vleesehelijke genoegens hebben verzaakt, zullen den aange-namen troost des H. Geestes vinden.

En zij zullen eene groote vrijheid des harten genieten, die om uwen naam den en-gen weg hebben ingeslagen en alle wereldsche zorgen versmaad.

6. o Aangename en genoeglijke dienst van God, waardoor de mensch waarlijk vrij en heilig wordt!

o Heilige staat der kloosterlijke dienstbaarheid, die den mensch gelijk maakt aan de Engelen, behaaglijk aan God, geducht voor de duivelen en bij alle geloovigen achtenswaardig !

o Aannemens- en altoos wenschenswaardige dienst, waardoor het hoogste goed verdiend en eene eeuwigdurende vreugde verkregen wordt.

OEFENING.

Zich alle genaden onwaardig oordeelen; aan al diegenen beantwoorden , welke men van God ontvangt; Hem al de glorie geven van de getrouwheid, die men voor Hem heeft; Hem dikwijls bedanken voor de goedheid , welke Hij gehad heeft, van ons in onze dwaling op te zoeken, en ons na zoo vele zonden te ontvangen; alles van zijne barmhartigheid te hopen , en zich geheel in zijne handen stellen; ziedaar wat eene oprecht

-ocr page 229-

III. no EK. X. HOOFDSTUK. 325 christcue ziel moet doen, die weet wat Jesus Cliristus voor liaar is, eu wat zij voor Hem moet wezen,

Gelukkig als men in zich niets ontmoet, hetwelk eenig gevoelen van ij delheid of zelfbehagen kan voortbrengen! Gelukkig eene ziel, die niet verplicht wordt uit zichzelve te gaan, dan om in God te verblijven ! O , hoe geschikt is het gevoelen zijner ellende, om ze in het hart van eenen barmhartigen God te stellen! En hoe zeer verplicht ons de oudervinding, die men heeft van het onvermogen tot alle goed , en van de neiging tot alle kwaad, het alleen met God te houden, en dikwijls tot Hem onze toevlucht te nemen !

GEBED.

Hoe zoude ik U, o God ! kunnen vergeten zonder de ondankbaarste uwer schepselen te zijn! Wie zal de weldaden optellen mij onwaardige bewezen ? En ik zoude U niet dienen, U, die allerlei dienst, allerlei eer waardig zijt en dezen dienst met de beste zegeningen bekroont ? Laat mij nimmer zoo ondankbaar zijn. Uw wil zij mijn genoegen , dien te volbrengen mijne zaligheid ! Gij zijt mijn Heer, ik ben uw dienaar; Gij mijn Vader, ik uw kind.

15

-ocr page 230-

320 DE NAVOLOING VAN JESiTS CHRISTUS.

ELFDE HOOFDSTUK.

Dat men de begeerten zijns harten moet toetsen en matigen.

1. De Heer. Mijn zoon ! gij hebt nos: veel te leeren dat gij nog iret genoeg geleerd hebt.

De Geloovioe. Wat is dat, Heer?

De Heer. Dat gij uwe begeerten geheel naar mijn welbehagen schikt en geen minnaar van uzelven zijt, maar een ijveriger nastrever van mijnen wil.

Uwe begeerten ontvlammen u dikwijls en drijven u geweldig voort; maar overweeg of gij meer te mijner eere dan te uwen voor-deele aangedreven wordt.

Ben Ik uwe bedoeling, dan zult gij wèl tevreden zijn hoe Ik ook besehikke; maar schuilt er nog iets van eigenbelang onder , zie dat is het wat u hindert en bezwaart.

3. Wacht u dan dat gij u te veel verlaat op ecne begeerte, opgekomen zonder Mij raad te vragen, opdat u naderhand niet berouwe of mishage hetgeen u tevoren beviel en waarvoor gij, als het beste, ijverdet.

Want niet elke neiging die goed schijnt, moet aanstonds gevolgd worden; maar ook niet alle tegenovergestelde beweging aanstonds vermeden.

Het is nuttig zich somtijds ook bij goede oefeningen en begeerten te beteugelen; opdat gij niet door ontijdigheid tot verstrooiing des

-ocr page 231-

III. BOftK. XI. HOOFDSTUK. 32? cfeestes vervalt, of door fucliteloosliftid anderen aanstoot crecfl , oi\' ook door den tegenstand van anderen onverwachts verward en terneder^eslagen wordt.

3, Somtijds zelfs moet men geweld gebruiken en der zinnelijke neiging kloeken wederstand bieden, zonder te letten op hetgeen \'t vleesch al of niet wil, manr dit alleen behartigende, dat het vleesch ook zijns ondanks den geest onderworpen zij.

Ja zoolang moet gij het tuchtigen en tot onderwerping dwingen, totdat het tot alles gereed zij en leere zich met weini? te vergenoegen , in het eenvoudige vermaak te vinden en over geenerlei ongeval te morren.

OEFENING.

Men moet zijne begeerten volgens den wil van God reeelen, ze volgens de beweging zijner genade matieen, en ze allen schikken om aan Hem te behagen. De ware boetvaardigheid des harten bestaat : in de vurigheid zijner betreerten te bedwingen, in hare hevigheid tegen zichzelve te keeren, en in ze allen te vereenigen om God te behagen. De heilige oefening der zelfverloochening, die volstrekt ter zalieheid aller Christenen noodiff is, en die den geest des Evangelies, den plicht van ons Doopsel en de onvermijdbare verbindte-nis van eenen Christen uitmaakt; die oefening, zeg ik, bestaat geheel, in het bedwingen zijner ongeregelde neigingen, in het schikken van zijne onverschillige en natuurlijke

-ocr page 232-

328 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS begeerteu tot een bovennatuurlijk einde, en in het verzekeren zijner begeerten ter zaligheid, door de volbrenging der goede voornemens; dewijl een bovennatuurlijk en verdienstelijk leven, waarin men de begeerte met de werking vereenigt, tot de zaligheid noo-dig is.

GEBED.

Ook ik, o God! heb nog veel te leereu. Te vaak heb ik van mijne begeerten de beste gedachten, zonder mijne bedoelingen wèl beproefd te hebben; terwijl een blinde ijver , door eigenliefde geleid, mij tot gevaarlijke uitersten medesleept. Doe mij toch in alles voorzichtig zijn. Dat ik mijne begeerten eerst wèl beproeve, van alle eigenliefde zuivere en aan uwen wil onderworpen houde ; dat geene zinlijkheid mij beheersche, maar ik haar meester blijve.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over het oefenen der lijdzaamheid e?i het bestrijden der kwade fusten.

1. De Geloovige. Mijn Heer en mijn God! gelijk ik zie, is geduld mij zeer noodzakelijk; in dit leven toch ontmoeten ona vele tegenheden , en hoe ik ook mijnen vrede zoeke te verzekeren , mijn leven kan zonder strijd en smart niet zijn.

Dit Heee. Zoo is het, mijn zoon ! Ook wil

-ocr page 233-

ui, boek. xii. hoorrstuk. S29 Ik niet dat gij znlken vrede zoekt, die vrij van bekoring zij of geenen tegenspoed ont-ware; maar dat gij ook dan denkt den vrede te hebben gevonden, als gij door velerlei kwellingen geoefend en door velerlei tegen-heden beproefd wordt.

2. Zegt gij, dat gij niet veel knnt verdragen; hoe zult gij dan het vagevuur doorstaan ?

quot;Van tweederlei kwaad moet men altoos het minste kiezen. Om dan de eeuwige pijnen der toekomst te ontgaan, tracht de tegenwoordige ongevallen om Gods wille geduldig te dragen.

Meent gij dat de lieden dezer wereld niets of weinig te lijden hebben ? Dit zultrgij niet bevinden, al zoekt gij de weelderigsten.

3. De Geloovige. Maar zij hebben toch vele genoegens, zij volgen hun eigen zin en daarom achten zij weinig liunne kwellingen.

De Heer. pit zij zoo. Zij hebben wat zij willen : hoe lang, meent gij, zal dat duren ?

Zie, als rook zullen dfi rijken dezer eeuw verdwijnen, en van de vroegere vreugde zal geene herinnering overig zijn.

Maar zelfs terwijl zij nog leven , kunnen zij niet zonder bitterheid, verdriet en kommer erbij berusten.

Want in dezelfde zaak waarin zij vermaak zoeken, vinden zij dikwijls eene gevoelige straf.

En hun geschiedt recht dat zij, daar zij ongeregeld vermaken zoeken en volgen, zich daaraan niet zonder schande en bitterheid overgeven.

-ocr page 234-

330 DE WATOLGINO- VAW J£SU8 CHRISTUS.

4. O, hoe kortstondig, hoe bedriegelijk, hoe ongeregeld en schandelijk zijn deze allen!

En nogthans zoo dronken en verblind zijn zij dat zij het niet beseffen; maar, als stomme dieren, veroorzaken zij hunner ziele den dood, en dat om een weinig genots in Uit vergankelijk leven!

Gij dan, mijn zoon! willig uwen hsten

niet in, maar beteugel -uwe begeerten ( Eccli. 18-)

Verlustig u in den Heer, Hij zal u geven wat KW hart verlangt. ( Ps. 36.j

5. Inderdaad, wilt gij waar genoegensmaken en overvloedig door Mij getroost worden , zie, het verachten van al het wereldsche en het verwerpen van alle lage genoegens zal n tot zegen zijn en overvloed van troost g^ven.

En hoe meer gij u aan der schepselen troost onttrekt, te genoegelijker en sterker troost zult gij bij vinden.

Maar daartoe kunt gij niet aanstonds zonder eenige droefheid en een moeielijken strijd komen.

Eene ingewortelde gewoonte zal zich verzetten , doch deze zal door eene betere gewoonte overwonnen worden.

Het vleesch zal daartegen morren , maar de ijver des geestes zal het beteugelen.

De oude slang zal u aanzetten cn tergen; maar door het gebei zult gij iiaar verjagen , en daarenboven door nuttigen arbeid den hoofdingang afsluiten.

-ocr page 235-

III. BOEK. XII. HOOFDSTOK. 331

OEFENING.

De ware vrede bestaat, in de ootmoedige en standvastige onderwerping aan Gods wil, in de hevigste kwellingen, in de grootste bekoringen , en als gij in uzelven niet meer zult vinden dan opstand, onrust en verdriet, en dit alles in de handen van God stelt; het is hierin dat gij de ware rust van eene ziel zult vinden, die, op zichzelve niet steunende, niet anders dan in God bestaat, door het vertrouwen en de onderwerping. Zich ontmaken van alles wat ons behaagt, alles wat ons kwelt van de hand des Heeren aanvaarden, alles wat ons tegenstaat overwinnen, ziedaar het ware middel om in vrede te wezen.

GEBED.

Hoe troostend, o God! zijn mij uwe woorden ! Ja, geduld en moed zijn mij onontbeerlijk, wil ik onder den last des levens niet bezwijken. Veel heb ik te dragen, veel te bestrijden •, maar wie is er op aarde die geene tegenheden heeft? Niemand, zelfs de slaaf der ondeugd niet. Laat dan, bid ik U, uwe genade mij steeds vergezellen. Versterk mij in den strijd, dien ik tegen inijzelven voeren moet. Door U vermag ik alles, zonder U niets.

-ocr page 236-

832 de NAVOLGING VAN JE8U8 CHRISTUS.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Over de gehoorzaamheid van een nederig

onderhoorig? , naar het voorbeeld van Je sus Christus.

1. De Heer. Mijn zoon! wie zich aan de gehoorzaamheid zoekt te onttrekken, onttrekt zich aan de genade en die zijn bijzonder voordeel zoekt, zal het gemeenschappelijk verliezen.

Wie zich niet gewillig en vanzelf zijnen overste onderwerpt, toont dat zijn vleesch hem nog niet volkomen gehoorzaamt, maar dat het nog dikwijls mort en tegenstreeft.

Daarom leer u aanstonds aan uwen overste onderwerpen, zoo gij uw vleesch wilt ten onder brengen.

Want eerder wordt de uitwendige vijand overwonnen, wanneer de inwendige mensch niet in wanorde is.

Geen lastiger noch slimmer vijand is er voor de ziel dan gij uzelven zijt,als gij met den geest niet wel samenstemt.

Wilt gij over vleesch en bloed zegevieren, gij moet inderdaad tegen uzelven eene ware minachting opvatten.

Want omdat, gij uzelven nog te ongeregeld bemint, daarom aarzelt gij u volkomen aan den wil van anderen te onderwerpen.

2. Maar wat groots is het. dat gij , stof zijt en nietigheid, u om Gods wil aan een mensch

-ocr page 237-

Ill, BOEK. XIII. HOOJDSTUK. 333 onderwerpt, daar Ik, de Almachtige en Allerhoogste, die alles uit niets geschapen heb. Mij om uwentwil den mensch ootmoedig onderworpen heb.

Ik ben de nederigste en geringste geworden, opdat gij door mijnen ootmoed uwen hoogmoed zoudt overwinnen.

Leer gehoorzamen, stof! Leer u vernederen , slijk en aarde! en u onder de voeten van allen buigen.

Leer uwen wil verbreken en u lot alle onderwerping schikken.

3. IJver tegen uzelven en laat geen hoogmoed in u leven.

Toon u zoo onderworpen en gering, dat allen over u kunnen gaan en u als het slijk der straten vertreden.

Wat hebt gij te klagen, nietig mensch? Wat kunt gij, snoode zondaar! inbrengen tegen hen die u bestrallen, gij die God zoo vaak beleedigd en de hel zoo dikwijls verdiend hebt ?

Omdat uwe ziel dierbaar was voor mijn aangezicht, daarom heelt mijn oog u gespaard, opdat gij mijne liefde zuudt erkennen en voor mijne weldaden steeds dankbaar zijn, en opdat gij u altoos tot ware onderwerping en tot ootmoed zoudt schikken, en de verachting, u door anderen aangedaan , geduldig verdragen.

O E F E N I N G.

Men moet zich niet tevreden stellen met uitwendig te gehoorzamsn, en in zaken die

-ocr page 238-

334; DE NAVOLGING VAN JESU5 CHRISTUS, gemakkelijk zijn, maar men moet ook uit ganscher harte en in de moeielijkste dingen gehoorzaam wezen. Want hoe lastiger het ons valt te gehoorzamen, hoe meer verdienste men heeft. Zou men zich niet kunnen onderwerpen aan eenen mensch, om God, nadat men gezien heeft, dat God zich voor ons aan de menschen heeft ouderworpen , ja aan zijne beulen zelfs ?

Jesus Christus heeft geheel zijn leven willen gehoorzaam wezen , ja gehoorzaam tot den dood des kruises; en ik zou mijn leven niet willen doorbrengen met te gehoorzamen, en van de gehoorzaamheid mijne verdienste en mijn kruis maken ? De onafhankelijkheid is het aandeel van eenen God , en hij is mensch geworden om van een ieder af te hangen , en om de afhankelijkheid in zich te heiligen. Ik wil mij dan naar het voorbeeld van eenen on-derdanigen, afhankelijken en gehoorzamen God schikken, en over niets in mij, noch zelfs over mijnen eigen wil beschikken.

GEBED.

Hoeveel, o mijn Heiland! doet zich bij mij nog te overwinnen op. Hoe meer ik uwe lessen aanhoor, hoe meer ik daarvan de waarheid gevoel. Neen, ik ben mijzelven nog geen volkomen meester, anders zoude ik mij gereeder toonen om mijn eigen wil te verbreken en aan anderen onderworpen te zijn. Leer mij ook hierin mijzelven be-heerschen. Dat uw voorbeeld mij beschame en dat uw ootmoed mijn hoogmoed overvvinne!

-ocr page 239-

iii. BOEK. xiv. HOOFDSTUK. 335

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De overweging van de verborgen oor-deelen Gods, een middel tegen zelfverheffing.

1. Db Geloovige. Gij dondert, o Heer! over mij uw oordeelen en schudt al mijne beenderen van vrees en schrik ; mijne ziel is zeer ontsteld.

Ik sta verbaasd, en overweeg dat ook de hemelen niet zuiver zijn in uw oog.

Hebt Gij in uwe engelen boosheid gevonden en hen niet gespaard, wat zal van mij worden ?

Sterren zijn van den hemel gevallen , en ik, stof, wat vermeet ik mij?

Menschen wier werken lofwaardig schenen zijn diep gevallen , en die het brood der Engelen aten zag ik lust vinden in zwijnendraf.

2. Er is dan geene heiligheid, zoo Gij o Heer! uwe hand onttrekt.

Geene wijsheid baat, zoo Gij nalaat haar te besturen.

Geene sterkte is vermogend, zoo Gij ophoudt die te ondersteunen.

Geene kuischheid ia veilig, zoo Gij haar niet beschermt.

Geene eigene behoedzaamheid baat, zoo uwe heilige hoede niet daarbij komt.

Want door U verlaten, zinken wij en vergaan , maar door U geholpen, richten wij ons op en leven.

Want wij zijn onbestendig, maar worden

-ocr page 240-

836 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

door U versterkt; wij zijn lauw, maar worden door U ontvlamd.

O, hoe nederig en laag moet ik van mij-zelven denken, hoe gering het achten, zoo ik iets goeds schijn te hebben.

O, hoe diep moet ik mij onder uwe ondoorgrondelijke oordeelen vernederen, o Heer! daar ik in mij niets anders vinde dan een niet, ja een louter niet.

ó Zware last! o grenzelooze zee! waarin ik vau mij niets terugvinde dan een volstrekt niet!

Waar is dan eene schuilplaats voor roem? Waar het betrouwen op eigene deugd?

In de diepte uwer oordeelen over mij is alle ijdele roemzucht verzwolgen.

4. Wat is alle vleesch voor uw aangezicht? zal het leem roemen tegen zijn formeerder. (Ts. 29. Rom. 0.)

Hoe kan Hij, wiens hart waarlijk Gode onderworpen i», iloor vleitaal hoogmoedig worden ?

Wien de waarheid zich onderworpen heeft, dien zal de gansche wereld niet verhoovaar-digen; en die op God zijne geheele hoop gevestigd heeft ; /al door den lof ook van allen niet bewogen worden.

Want ook zij die spreken, zijn allen niets; zij gaan m^t den klank hunner woorden voorbij. Maar des Ueeren waarheid hlijft eeuwig. (Ps.

OEFENING.

Ueondoorgromlclijkheid der oordeelen Gods,

-ocr page 241-

III. BOEK. XIV. HOOFDSTUK. 33? voor wiens oogen alle mensch slechts een niet en zonde is, moei alle gevoel van trofcsciiheid in onze ziel uitdooven en haar treffen bij het besef van Gods heiligheid en zuiverheid, en het gedenken aan deu grond van onzuiverheid en verdorvenheid , dien wij in ons draden. Een engel zondigt. God kan hem niet verdragen; Hij verwerpt hem om eene enkele zonde uit zijn hart en uit zijn paradijs. De mensch zondigt , en Hij verdraagt hem ; Hij opent voor hem zijn hart en zijnen hemel, indien hij door eene spoedige en oprechte bekeering tot Hem wil wederkomen. Laten wij uit het eene eenen diepen afschrik voor de zoude en eene heilzame vrees voor Gods rechtvaardigheid opvatten , en uit het andere eeu vast vertrouwen in zijne barmhartigheid stellen, niet om haar te misbruiken , met onze boetvaardigheid uit te stellen; maar om ons aan te moedigen haar te beoefenen, en met te trachten eene volkomene erkentenis voor al zijne weldaden te hebben.

GEBED.

Geen beter middel, o God ! tegen zelfverheffing dan te overwegen wat ik beu. Ja, ik ben een niets, een zwak ellendig schepsel; aan mijzelven overgelaten, verval ik tot allerlei dwaasheden en ongeregeldheden. Uwe hand alleen kan mij staande houden, uwe hoede mij beveiligen. Ach ! onttrek mij dan uwen bijstand niet, en laat het bewustzijn dien niet te kunnen ontberen alle opwellingen van hoogmoed bij mij onderdrukken.

-ocr page 242-

338 de navolging van jesus christus.

VIJITIENÜE HOOFDSTUK.

Hoe men zich bij al het wenschelijke moet

gedrage?i, en hoe men moet bidden.

1. De Heer. Mijn zoon! bij alles moet ,?ij ze^?en ; „ Heer! als het U behaaglijk is, dat het dan dus geschiede!

I/ Heer! zoo dit strekke tot uwe eer, het geschiede in uwen naam!

1, Heer ! zoo het U dunkt dat het mij voe^t en Gij het nuttig oordeelt, geef dat ik het tot uwe eer aanwende.

n Maar ziet Gij dat iets mij schadelijk en het heil mijner ziel niet bevorderlijk is, neem dan van mij zulke begeerte weg.quot;

Want niet elke begeerte is van den H. Geest, al schijnt zij den mensch recht en goed.

Het is moeielijk naar waarheid te beoor-deelen of een goede dan een kwade geest u aanzette om dit of dat te begeeren, alsmede of gij door uw eigen geest bewogen wordt.

Velen werden op het einde bedrogen, die in den beginne meenden door een goeden geest gedreven te zijn.

2. Wat zich dan ook aan uwen geest als wenschenswaardig vertoone, gij moet het altoos in de vreeze Gods en in ootmoed des harten wenschen te vragen; vooral moet gij, met zelfverzaking, alle» geheel aan mij overlaten en zeggen :

-ocr page 243-

iii. boek. xv. hoofdstuk. 339

7 lieer! Gij weet wat het beste y,ij. quot;Dut dit of dat geschiede naar uw welbehagen.

„ Geef wat Gij wilt en zooveel Gij wilt, en wanneer Gij wilt.

,i Doe met mij volgens uwe oogmerken, zoo als U het meest behaagt en uwe eer het meest bevordert.

a Plaats mij waar Gij wiit, en beschik in alles vrij over mij.

„ Ik ben in uwe hand; draai en wend mij om en om.

i, Zie! ik ben uw dienstknecht tot alles bereid : want niet voor mij, maar voor U begeer ik te leven: mocht ik dat waardig en volmaakt doen !quot;

De Geloovige. Goedertierenste J e s u s ! geef mij uwe genade, opdat zij met mij zij en met mij arbeide en mij ten einde toe bij-blijve.

Geef dat ik altoos wensche en wille hetgeen U het aangenaamst en meest behaaglijk is.

Uw wil zij de mijne, en mijn wil volge altoos den uwen en strooke daarmede volkomen.

Laat mijn willen en niet willen met het uwe overeenstemmen; dat ik nooit iets anders kunne willen of niet willen dan hetgeen Gij wilt of niet wilt.

4?. Geef mij af te sterven alles wat we-reldsch is, en om uwentwil gaarne in deze wereld veracht en onbekend te zijn.

Geef dat ik, boven alles wat ik wensch, in ü ruste en mijn hart in U vrede vinde.

-ocr page 244-

340 DE NA.VOLGIN6 VAN JESUS CHRISTUS.

ttij zijt de ware vrede des harten , Gij de eenigc rust. Buiten U is alles zwaar en onrustig.

In dezen vrede dan, dat is in U, het eenigst hoogste en eeuwige goed , zal ik slapen en rusten. (Ps. 4;.) Amen.

OEFENING.

Dewijl God alles wil wat ons overkomt, cn Hij het wil voor ons welzijn en voor ouze zaligheid , zoo moeten wij ons in alles aan zijnen heiligen wil overgeven, dat wil zeggen in de oefening: lo Met niets te willen dan hetgeen God wil, en het willen gelijk Hij dit wil en als Hij dit wil. 2o Ons nooit van zijnen heiligen wil door eene vrijwillige ontrouw verwijderen, en nimmer aan ons hart toelaten iets te zeggen of te doen, wat met den wil van God strijdig is. 3° Nooit uit eenig inzicht zondigen , en ons niet tegen God stellen in hetgene Hij van ons wil.

Er is slechts een sterk en standvastig voornemen noodig om alles te doen, te laten en te lijden hetgene Hij wil of van onze getrouwheid zou willen , om ons slachtoffers van zijne liefde en van zijn welbehagen te maken , en ons op aarde datgene te doen beginnen , wat wij hopen in den hemel te blijven doen. Laat ons dus den Heer dikwijls bidden , dat zijn wil in ons hier op aarde geschiede, gelijk Hij in ons in eeuwigheid zal geschieden.

GEBED.

Vader 1 uw wil geschiede! Uw wil is de

-ocr page 245-

iii. BOEK. xvi. HOOFDSTUK. 84-1 beate, de wijste. Gij weet het beste wat ons dienstig is, terwijl wij maar al te vaak het noodige doorzicht missen. Dat dan van nu af uw wil alleen het richtsnoer mijner begeerten zij : dat mijn wil aan den uwen volkomen onderworpen blijve. Doe met mij iu alles naar uw heilig welbehagen. Zie, ik ben in uwe hand, uw dienstknecht tot alles bereid. Uw wil zij de mijne: want Gij zijt mijn vader, en ik ben uw kind.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Dat men bij God alleen waren troost moet zoeken.

1. De Gelooviamp;e. Alles wat ik tot mijnen troost verlangen of bedenken kan, wacht ik niet hier maar in de toekomst.

Want al had ik alleen al de verkwikkingen der wereld en al koude ik alle genoegens genieten, zoo is het zeker dat zij van geen langen duur kunnen zijn.

Gij dan, mijne ziel! kunt geen volkomen troost, geen volmaakt genoegen vinden tenzij bij God , den trooster der armen, den beschermer der ootmoedigen.

Wacht, mijne ziel! een weinig, wacht op de beloften van God en gij zult in den hemel overvloed van alle goederen hebben.

Maar zoo gij de tegenwoordige te ongeregeld najaagt, dan zult gij de eeuwige en hemelsche verliezen.

16

-ocr page 246-

34-2 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Hei. tegenwoordige zij tot uw gebruik, liet eeuwige trekke uw verlangen.

Geen tijdelijk goed kan verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te genieten.

3. Al bezaat gij ook alle geschapene goederen , zoo zoudt gij niet gelukkig noch zalig kunnen zijn ; maar in God, die alles geschapen heeft, is uw volkomen zaligheid en uw geluk gelegen.

Niet zooals die den dwazen minnaars der wereld toeschijnt en door hen wordt geroemd, maar zooals de goede geloovigen van Christus verwachten, en waarvan de geestelijk-gezinden en zuiveren van harte, wier omgang in den hemel is, somtijds een voorsmaak hebben.

3. IJdel en kortstondig is alle mensche-lijke troost; waar en zalig is die, welken men inwendig door de Waarheid ontvangt.

Een godvruchtig mensch draagt overal zijn trooster J e s u s met zich om , en zegt tot hem :

„ Blijf mij bij , Heere J e s u s ! in alle plaatsen en tijden.

„ Dit zij mijn troost, allen menschelijken troost gaarne te willen ontberen!

„ En wordt ook uw troost onthouden, dat dan uw wil en rechtvaardige beproeving mijn grooUten troost uitmaken.

f, Gij zult toch niet altoos vergramd zijn en niet eevmglijlt bedreigen. Ps. 102.)

OEFENING.

God is het middenpunt onzer harten, zegt

-ocr page 247-

in. boek. xvi. HoorrsTUK. 343 de H. AuguBtinus, en zij zullen altijd onrus-iip leven, zoo lang zij in Hem niet zullen rusten; dit is , zoo lang als zij , aan zich zeiven en aan de schepselen verkleefd, hun geluk buiten God zullen zoeken. Men moet zich dan onthechten aan alles wat God niet is, zich van alles afscheiden, als dood zijn voor alles, om het ware geluk te bezitten, hetwelk eene ziel in God vestigt. Zeggen wij dus niet, gelijk de wereldlingen : gelukkig zij, die alles, wat zij verlangen, in overvloed hebben , en aan welke noch goederen, noch wereldsche vermaken ontbreken! Laat ons liever zeggen : gelukkig een hart, voor hetwelk God alleen genoegzaam is! Gelukkig een Christen, die niet bemint, dan datgene wat hij altijd zal beminnen!

GEBED.

Ja, Heer! waarachtig is uw woord. Hoe dikwerf dacht ik mij aan het aardsche te bevredigen en zag ik mij bedrogen ! Het is zooals Gij zegt, al de aardsche goederen te zamen kunnen mij niet bevredigen, dewijl ik voor verhevener en meer duurzame goederen ben bestemd. Gij, o God! kunt alleen mijn trooster en volkomen bevrediger zijn. Wees Gij \'t dan ook en blijf mij bij : zoo zal ik allen menschelijken troost kunnen ontberen.

-ocr page 248-

344 de navolging van jesus christus.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Dat 7fie7i alle zorg op God moet werpen.

1. De Heer. Mijn zoon! laat mij met u doen zooals Ik wil. Ik weet wat u dient.

Gij deukt als een menscli, uw gevoelen is in vele dingen volgens hetgeen men schel ij ke aandoeningen ingeven.

2. De Geloovige. Heer! het is waar hetgeen Gij zegt. Uwe zorg voor mij is grooter dan alle zorg die ik voor mijzelven kan hebben.

Hij toch staat zeer waggelend, die niet al zijne zorgen op U werpt.

Daarom, o Heer! als maar mijn wil oprecht en vast aan U gehecht blijft, doe dan met mij wat U behaagt.

Want wat Gij met mij doet, het kan niet dan goed zijn.

Wilt Gij dat ik nog in de duisternis blijve, wees gezegend , en wilt Gij dat ik in het licht zij, wees insgelijks gezegend.

Verwaardigt Gij U mij te troosten, wees gezegend, en wilt Gij dat ik gekweld worde, wees altoos evenzeer gezegend.

3. De Heer. Mijn zoon ! zoo moet gij gesteld zijn, verlangt gij met Mij te wandelen.

Gij moet even bereid zijn om te lijden als om u te verblijden; gij moeteven gaarne in armoede en behoefte als in overvloed en rijkdom leven.

Db Geloovige. Heer! wat U ook be-

-ocr page 249-

III. BOEK. XVII. HOOFDSTUK. 345 hage over mij te laten komen, ik zul liet voor U gewillig lijden.

Ik wil onverschillig liet goede en het kwade, het zoete en het bittere, het blijde en liet droevige van uwe hand aannemen, en ü voor alles wat mij overkomt danken.

Behoed mij voor alle zonde, en ik zal dood noch hel vreezen.

Verwerp mij slechts niet voor eeuwig en schrap mij niet uit het boek des levens, dan schaadt het mij niet, welke kwellingen ook over mij komen.

OEFEN ING.

Om den vrede in onrust te bewaren , moet onze wil in God onwankelbaar zijn, en God altijd tot doeleinde hebben, dat wil zeggen, dat men in de oefening moet geschikt zijn , om alles van de hand en van het hart van God, van zijne rechtvaardigheid en goedheid, met eene ootmoedige onderwerping aan zijn welbehagen te ontvangen. Goed en kwaad, gezondheid en ziekte, voor- en tegenspoed, verlroosting en mistroostigheid, bekoring en vrede, inwendige vertroostingen, beproeving en kastijding, alles moet in eene ziel met ootmoed, geduld en onderwerping ontvangen worden, als komende van de hand Gods, en dit is het eenige middel om den vrede te midden der grootste beroerten aan te treffen.

GEBED.

Aan wien , o God! zoude ik mijne zorgen

-ocr page 250-

346 de navolging van jesüs christus, beter kuimeu toevortrouweu dan aim IJ, die de lotgevallea uwer kinderen zoo wijselijk bestuurt ? Ik leg dan al mijne zorgen ia uwfn schoot neder. Gij weet wat mij het beste is. Belieft het (J mij met voorspoed te zegenen, ik zal U loven; wilt Gij mij met tegenspoed bezoeken , ook daarvoor zal ik U danken. Bewaar mij voor het allergrootste kwaad, de zonde; al het overige zij U overgelaten.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Dat men de rampen des levens naar het voorbeeld van Christus, met gelijkmoedigheid moet dragen.

1. De Heer. Mijn zoon! om uwer zaligheids wille ben ik van den hemel nedergedaald ; Ik heb uwe ellenden op Mij genomen niet uit dwang maar getrokken door liefde, opdat gij geduld zoudt leeren en de tijdelijke rampen gewillig dragen.

Want van het uur mijner geboorte tot mijn verscheiden aan het kruis, ontbrak hel Mij nooit aan lijdenssmart.

Ik heb groot gebrek aan tijdelijke goederen gehad en dikwijls velerlei klachten over Mij gehoord.

Met zachtmoedigheid verdroeg Ik beleedi-gingen en smaad ; voor weldaden ontving Ik ondankbaarheid, voor wonderwerken laster, voor mijne leer berispingen.

2. Dr Geloovige. Heer ! dewijl Gij in uw

-ocr page 251-

III. BOEK. XVIII. HOOFDSTUK. 847 leveu geduldig waart en daardoor vooral het bevel uws Vaders volbraeht, zoo is liet billijk dat ik, ellendige zondaar, naar uwen wil in geduld het uithoude, en den last van dit verderfelijk leven om mijner zaligheids wille zoolang krage, als het Ü zal believen.

Hoe zwaar ook de last van het tegenwoordige leven drukke, het is toch nu door uwe genade zeer verdienstelijk gemaakt. Ook door uw voorbeeld en de voetstappen uwer Heiligen is het den zwakke draaglijker en helderder geworden.

En ook is daaraan meer troost verbonden dan voorheen onder de Oude Wet, toen de toegang ten hemel gesloten bleef, en ook de weg ten hemel scheen duisterder, toen zoo weinigen moeiten deden om het hemelrijk te zoeken.

Zelfs ook zij, die toen rechtvaardig en ter zaligheid geroepen waren, konden het rijk der hemelen niet binnengaan, voordat door uw lijden en heiligen dood de schuld afgedaan was.

8. O, hoeveel dank moet ik U niet bewijzen, dat Gij U verwaardigd hebt mij en allen geloovigen den rechten en zekeren weg naar het eeuwig koninkrijk te toonen!

Want uw leven is onze weg en door heilige lijdzaamheid gaan wij tot U, die onze kroon zijt.

Waart Gij ons niet voorgegaan en hadt Gij ons niet onderwezen, wie zoude moeite doen om te volgen?

Helaas 1 hoevelen zouden niet verre ach-

-ocr page 252-

34\'8 DE NAVOLGING V\\N JESUS GIIRISTü\'S. terblijven, zoo zij op uw heerlijk voorljeeld niet konden staren!

Zie! wij blijven nu nog lauw, nadat wij zoo vele wonderwerken en leerinjjen gehoord hebben; wat zoude het zijn, indien wij zulk een groot licht niet hadden om U te volgen ?

OEFENING.

Dikwijls moeten wij op het smartvol lijden des Zaligmakers denken, die voor ons de straffen, welke wij schuldig waren, heeft geboet, en dit om ons op te wekken om behoorlijk te lijden. Het lijden, dat God ona overzendt, zijn proefnemingen om onze getrouwheid te doorgronden, of regtvaardige straffen om onze ongetrouwheden te tuchtigen. Wij moeten het met eene ootmoedige onderwerpingen inden waren geest van boetvaardigheid aannemen. Gelukkig nog, dat wij aan de goddelijke rechtvaardigheid in den tijd mogen voldoen, om Gods goedheid in eeuwigheid te mogen aanschouwen.

De grootste kwelling die wij hebben , is van onszelven te verdragen. De opstand onzer driften, de bitterheden van ons hart, de droefgeestigheid van onzen aard, de ongeregeldheden onzer gedachten , en geheel ons eigen , is zoo strijdig aan God, zouden een kruis wezen dat zeer moeielijk te dragen is, tenzij wij menigmaal dachten aan het geduld , waarmede God ons verdraagt, en dat wij moeten navolgen in ons zei ven te verdragen. Laat ons dan trachten in kwellingen te leven en

-ocr page 253-

iii. boek. xix. hoofdstuk, 349 ze geduldig imuvfiardeu, om mei den troaai te sterven , dat ou/.e zonden door liet goede gebruik der smarten van dit leven uitgewiacht zijn, welke het noodzakelijkste geduld is tot de zaligheid van eenen Christen.

GEBED.

Hoe kan ik, o God! over eenig lijden klagen, daar ik in J esus uwen Zoon een voorbeeld heb! Hij droeg den zwaarsten last, verdroeg allerlei lijden, en mij zoude reeds het geringste lijden ondraaglijk vallen ? Dat mijn oog op dezen grooten voorganger gevestigd blijve, en ik mij bevlijtige zijn voetspoor te drukken. Dat ik van Hem geduld leere : zoo mag ik mij in waarheid een leerling van Hem noemen, en zie ik mijn geduld door Mem bij U bekroond.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het verdragen van smaad.

De ware geduldige.

1. De Heer. Wat zegt gij, mijn zoon? Houd op met klagen bij de overweging vau mijn lijden en dat mijner Heiligen.

Gij hebt immers nog niet tot hloedverpe-tens toe gestreden. (Hebr. 12.)

Wat gij lijdt is weinig in vergelijking van hen, die zooveel geleden hebben, die zoo hevig bekoord, zoo zwaar verdrukt en op zoo velerlei wijze beproefd en geoefend zijn.

-ocr page 254-

350 DE NAVOLGING VJLN JESUS CHRISTUS.

Gij moet u dus liet zwaardere van anderen voor den ^eeat brengen, opdnt gij het geringere te lichter moogt dragen.

En komt het a zoo gering niet voor, zie toe of uw ongeduld daarvan niet de oorzaak zij.

Docli liet moge klein of groot zijn, beijver u om alles geduldig te dragen.

2. Hoe beter gij u tot lijden schikt, zooveel te wijzer handelt gij en te meer verdient gij-

Ook zult gij alles lichter dragen, als gij u door moed en oefening daartoe voorbereidt.

Zeg niet : „ dit kan ik van dien mensch niet verdragen , ook behoef ik zoo iets niet te lijden; want hij heeft mij groote schade gedaan en verwijt mij dingen, waaraan ik nooit gedacht heb. Van een ander zoude ik gaarne verdragen, wat ik zoude meenen te moeten verdragen.

Dwaas is dusdanige gedachte, welke de deugd des gcdulds niet in aanmerking neemt, noch van wien zij bekroond zal worden, maar eer let op personen en aangedane be-leedigingen.

3. Hij is de ware geduldige niet, die niet wil lijden dan zooveel hem goeddunkt en van wien het hem belieft.

Maar de ware geduldige ziet er niet op door wien hij geoefend worde, ol hij zijn overste of zijnsgelijke of een mindere, of het een vroom en heilig dan een boos en nietswaardig mensch zij.

Maar hoeveel en van welk schepsel ook

-ocr page 255-

iii. boek. xix. hoofdstuk. 851 eu hoe dikwijls hem eenig kwaad ovcrkome, alles ueemt hij zonder eenig onderscheid uit Gods hand met dankbaarheid aan en houdt het voor een groot gewin : want niets , hoe gering ook, indien men het slechts om Gods wil lijdt, kan bij God onbeloond blijven.

■k Wees derhalve steeds bereid tot den strijd , zoo gij de zege wilt behalen.

Zonder strijd kunt gij de kroon des ge-dulds niet bekomen.

Wilt gij niet lijden, gij wilt niet gekroond worden; maar verlangt gij gekroond te worden, strijd dan kloekmoedig, verdraag met geduld.

Zonder arbeid komt men niet tot rust ; zonder strijd behaalt men geene overwinning.

5. De Geloovige. Dat mij, o Heer! door uwe genade mogelijk worde, wat mij van nature onmogelijk schijnt.

Gij weet hoe weinig ik verdragen kan en iioe ras ik bij het opkomen van den gering-sten tegenspoed ternederligge.

Laat elke oefening van verdrukking mij om uwen naam behaaglijk en wenschelijk worden : want om uwentwil te lijden en gekweld te worden is allerheilzaamst voor mijne ziel.

oefening.

De oefening van het geduld bestaat; 1. In aller wederwaardigheden van de hand Gods te ontvangen. 2. In alles met onderwerping te lijden, 3. In nooit over eenige tegenspraak te klagen. 4. In te gelooven, dat er ons , na

-ocr page 256-

352 DE NA.VOLGING V\\N JESÜS CHRISTUS, dc hel verdiend te hebben , geen ongelijk noch onregtvaardigheid kan wedervaren,5. In geene klachten dan over ons zeiven te doen. 6. In niets te zeggen als men ontsteld is, 7. In God voor het kwaad, zoo wel als voor het goed te bedanken. 8. Eindelijk, in dikwerf met Job te zeggen : De Heer had het mij gegeven , de Heer heeft het mij ontnomen, zijn naam zij geprezen. Ziedaar, welke de oefening moet wezen, die ter zaligheid van alle christenen noodzakelijk is, en die nochtans in de christene wereld zoo zeldzaam gevonden wordt; want er is niemand , of hij lijdt veel, en weinigen, die behoorlijk lijden.

Een lang en standvastig geduld in de wederwaardigheden , is eene zeer krachtige boet-plegingom de zonden uit te wisschen , welke God niet tweemaal straft; en wanneer hij ons in dit leven tuchtigt, toont hij ons hierdoor, dat hij ze in het andere niet zal straffen.

GEBED.

Hoe meer ik o God! uw woord overweeg, hoe meer ik mij zeiven beschouw, hoe noodzakelijker ik voor mij de oefening van geduld houde. Maar ach ! hoe verzet zich daartegen mijne zinnelijkheid! Gij weet hoe weinig ik verdragen kan en hoe dra ik, bij het geringste windje van tegenspoed, be-zwijke. Leer mij meer en meer mijzelven overwinnen, en laat mij door uwe genade datgene mogelijk worden, wat mijner zinnelijkheid zoo vaak onmogelijk schijnt.

-ocr page 257-

III. boek. XIX. hoordstuk. 353

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de bekentenis van eigene ziuak-

heid en over de rampen des levens.

1. De Geloovige. Ik zal tegen mij mijne ongerechtigheid belijden : ( Ps. 31. ) ik zal, o Heer! voor U mijne zwakheid belijden.

Dikwijls is het eene geringe zaak , welke mij terneerslaat en bedroeft.

Ik neem voor mij kloekmoedig te gedragen ; maar als eene geringe bekoring komt, overvalt mij groote angst.

Somtijds is het een allerellendigst ding, waaruit eene zware bekoring ontstaat.

En wanneer ik mij, omdat ik niets gevoel, een weinig veilig acht, dan bevind ik mij somtijas door een klein windje bijna overwonnen.

2. Zie dan, o Heer! neder op mijne zwakheid en broosiieid, U door en door bekend.

Ontferm U mijner en trek mij uit het slijk dat ik daarin niet hlijve steken ( Ps. 68 ), opdat ik niet teenemaal neerslachtig blijve.

Dit is het dat mij zoo vaak ternederslaat en voor U beschaamt, dat ik zoo licht val en zoo zwak ben ter bestrijding van mijne driften.

En al komt het niet geheel tot toestemming, is mij echter hunne aanvechting lastig en moeilijk, en het verdriet mij zeer al-zoo dagelijks in twist en strijd te leven.

Ook daaruit wordt mijne zwakheid mij be-

-ocr page 258-

354? DE NAVOLGING VA.N JESUS CHRISTUS, kend, dat de verfoeilijke voorstellingen altoos veel lichter opkomen dan vertrekken.

3. Ach ! zeer vermogende God van Israël! — ij veraar der getrouwe zielen! zie op den arbeid en druk van uwen dienstknecht neder, en sta hem bij in aüea wat hij onderneemt.

Versterk mij met hemelsche kracht, opdat de oude mensch, het ellendige vleesch, den geest nog niet, geheel onderworpen, niet de overhand krijge; tegen hetwelk ik zoolang zal moeten strijden, als ik in dit zeer ellendige leven ademhale.

Ach ! wat is dit leven, waar rampen en ellenden niet ontbreken en alles vol is van strikken en vijanden.

quot;Want de eene kwelling of bekoring wijkt niet, of de andere is dc\'iar; ja, terwijl een vorige strijd nog duurt, komen er onverwachts meer andere op.

4. Hoe kan men dan een leven beminnen, dat zooveel bitterheids heeft en aan zoovele rampen en ellenden onderhevig is ?

Hoe noemt men het nog een leven, dat zooveel dood en verderf teelt?

En nochtans bemint men het, en velen zoeken daarin iiun genoegen.

Dikwijls verwijt men de wereld dat zij bedrieglijk en ijdel is; nochtans verlaat men haar niet licht, wijl de begeerlijkheden des vleesches te veel de overhand hebben.

Want iets anders trekt tot het beminnen, iets anders tot het verachten der wereld.

Tot de liefde der wereld trekken de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid

-ocr page 259-

III. BOEK. XX. HOOFDSTUK. 355 der oogeu en de hoovaardij des levens; maar de daarop billijk volgende straffen en ellenden verwekken haat der wereld en verdriet.

5. Doch helaas! de kwade begeerte sleept de wereldschgezinde ziel mede, die het een wellust acht op doornen te liggen (Job 30), omdat zij de liefelijkheid van God en de innerlijke genoegens der deugd noch gekend noch gesmaakt heeft.

Zij daarentegen die de wereld volkomen versmaden en voor God onder eene heilige nicht zoeken te leven, zijn niet onbekend de goddelijke liefelijkheid, toegezegd aan ware verzakers, en zien het duidelijker in hoezeer de wereld dwaalt en op hoevelerlei wijze zij bedrogen wordt.

OEFENING.

liet is niet genoeg zijne zwakheid en ellende te gevoelen cn te kennen, als ook het gedurig gevaar, waarin men zich bevindt, van zijne driften te volgen en in zonden te vallen ; men moet zich nog hierover in Gods tegenwoordigheid verootmoedigen, met vertrouwen tot hem zijne toevlucht nemen, steeds over de kwellingen onzer ballingschap zuchten, zich in de armen van den Zaligmaker werpen en op zijne goedheid steunen, tot hem wederkeeren zoodra men gevallen is, zich na den val weder oprichten, en nooit in den staat vhu zonde, noch van lauwheid, of trouweloosheid , waartoe onze zwakheid ons aanzet, blijven voorigaan.

-ocr page 260-

356 DE NAVOLGING VAN JÊSUS CHRISTUS

Dit leven is zoo vol bekoringen, wederwaardigheden en ellenden, dat het ondragelijk wordt voor eene ziel, die haren God bemint en hem vieest te beleedigen. Het middel , roept zij nit, van te leven zonder te zondigen ! maar het middel van te zondigen en te leven? Hoe! altijd vallen, altijd zich weder oprichten, altijd zijne driften bestrijden en altijd aan de ongeregelde neigingen zijns harten wederstaan ! Dat is geen leven , dit is zonder ophouden sterven. Laat ons niet ophouden onze heerschende driften in te toomen, te bevechten en te overwinnen, aangezien hierin de verdienste van een bovennatuurlijk leven bestaat, hetwelk den hemel waardig is.

GEBED.

Opnieuw belijde ik voor U, 0 God! mijne zwakheid. Zwak ben ik; dagelijks ontwaar ik daarvan de blijken. Niet slechts is de geringste tegenspoed in staat om mij terneder te slaan , maar ook de geringste bekoring om mij te overwinnen. Ik ken het bedriege-lijke der wereld, en echter laat ik mij door haar schijnschoon verleiden. Dat dit bedrog eens ophoude! Versterk mij door uwe kracht en doe mij over wereld en vleesch zegevieren.

-ocr page 261-

iii. boek. xxt. hoofdstuk.

EEN EN TWINTIGSTE HOOEDSTUK.

Dat men in God boven alle goederen en gaven moet rusten.

1. De Geloovige. Gij dan , mijne ziel! rust boven alles en in alles steeds in den Heer : want Hij is de rust der Heiligen.

Geel\', o allerliefelijkste en beminnelijkste J e s u s! dat ik in U boven alle schepsel ruste, boven alle gezondheid en schoonheid, boven allen roem en eer, boven alle macht en waardigheid, boven alle wetenschap en vernuft, boven alle rijkdommen en kunsten, boven alle vreugde en blijdschap, boven alle faam en naam, boven alle genoegens en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en verlangen , boven alle giften en gaven welke Gij kunt geven en uitstorten , boven alle vroolijkheid en verrukking welke de ziel vatten en voelen kan ; eindelijk boven alle Engelen en Aartsengelen en boven het gansche hemelsch heir; boven alle zichtbare en onzichtbare dingen en boven alles, wat Gij, mijn God! niet zijt.

2. Gij toch , Heere mijn God! zijt boven alles de beste; Gij alleen de allerhoogste , Gij alleen de machtigste ; Gij alleen de aller-ijenoegzaamste en rijkste ; Gij alleen de allerliefelijkste en troostrijkste; Gij alleen de allerschoonste en allerbeminnelijkste; Gij alleen de alleredelste en allerroemrijkste; in

17

257

-ocr page 262-

258 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

wien alle goed, tegelijk eu volkomen is, en altoos was en zijn zal.

Daarom is alles gering en ongenoegzaam, wat Gij mij buiten Uzelven schenkt, of van Uzelven openbaart, of belooft, zoolang ik U niet aanschouwen noch volkomen genieten mae.

Want mijn hart kan niet waarlijk rusten noch ten volle bevredigd worden, tenzij het in U ruste en zich boven alle gaven en boven alle schepsel verheffe.

3. oJesus Christus! dierbaarute bruidegom! zuiverste minnaar! Heer van al het geschapene ! wie zal mij vleugelen eener ware vrijheid geven om tot U te vliegen en in U te rusten ?

O , wanneer zal het mij vergund worden, geheel vrij te zijn en te zien hoe lieflijk Gij zijt, Heere mijn God!

Wanneer zal ik mij volkomen met U vereenigen, zoodat ik door liefde tot U mij-zelven niet gevoele, maar U alleen boven alle besef en mate, op eene wijze aan allen niet bekend.

Doch thans zucht ik dikwijls en draag mijn ongeluk met smart : want in dit dal der ellende bejegent mij veel kwaads, dat mij dikwijls ontstelt, bedroeft en benevelt, dat mij dikwijls hindert en aftrekt, aanlokt en verstrikt, zoodat ik geen vrijen toegang tot U hebbe en die genoegelijke omhelzingen misse, welke de zalige geesten steeds genieten.

Mochten mijne verzuchtingen en de me-

-ocr page 263-

III. BOEK. XXI. HOOFDSTUK. 259 nigvuldige kwellingen hier op aarde U bewegen !

4.0 J e s u s ! glans der eeuwige heerlijkheid ! troost der ziele in hare vreemdelingschap ! voor U is mijn mond zonder spraak, maar mijn stilzwijgen spreekt tot U.

Hoe lang toeft mijn Heer nog tot mij te komen ?

Dat Hij kome tot mij, zijn armen dienst knecht, en mij verblijde; dat Hij zijne hand uitstrekke en een ellendige rukke uit allen angst !

O kom! kom! want zonder U heb ik geen blijden dag noch uur : Gij zijt mijne vreugde en zonder U is mijne tafel lediff.

Ik ben ellendig gekerkerd en met kluisters beladen, totdat Gij mij door het licht uws bijzijns verkwikt, mij de vrijheid wedergeeft en mij uw vriendelijk aanschijn laat aanschouwen.

5. Dat anderen in plaats van U iets anders zoeken wat zij willen ; mij behaagt in-tusschen niets en zal niets behagen, tenzij Gij mijn God l mijne hoop, mijn eeuwig heil.

Ik zal niet zwijgen noch ophouden met bidden, totdat uwe genade terugkeere en Gij inwendig tot mij spreekt.

De Hier. Zie, hier ben ik. Zie ik kom tot u, daar gij Mij hebt aangeroepen. Uwe tranen en de begeerten uwer ziele , uwe vernedering en droefheid des harten hebben Mij bewogen en tot u gebracht.

6. De Geloovige. Ja Heer! ik heb U geroeped, en ik heb verlangd U te genieten,

-ocr page 264-

260 Dl NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, gereed om alles om uwentwille te versmaden. Gij toch hebt mii eerst opgewekt, dat ik U mocht zoeken.

Wees dan gezegend, o Heer! die uwen dienstknecht deze goedheid bewezen hebt naar de menigte uwer barmhartigheden.

En wat heeft uw dienstknecht voor U nog meer te zeggen, dan dat hij zich voor U diep vernedere, steeds indachtig zijner ongerechtigheid en nietigheid.

Want onder al het wonderbare in hemel en op aarde is uwsgelijke niet.

Overgoed zijn uwe werken, billijk uwe oordeelen, en alles wordt door uwe voorzienigheid bestuurd.

Daarom, o wijsheid des Vaders! zij U lof en heerlijkheid. Dat mijn mond, mijne ziel en al het geschapene te zamen U loven en prijzen.

OEFENING.

Men moet God stellen boven alles wat bestaat, en niet is wat Hij is; dat wil zeggen, dat men in de oefening zich moet toeleggen om zichzelven te verlaten, zich in alles te verloochenen, alle zelfvoldoening af te sterven , en zich honderde geoorloofde vermaken te ontzeggen, om zich te straffen over de zondige vermaken, welke men genoten heeft. Zich versterven, zich verlaten en zich voor God opofferen; zich boven al het geschapene verheffen, om tot God te kunnen naderen en zich geheel in Hem te verliezen; in zich

-ocr page 265-

III. BOEK. XXI. HOOFDSTUK. 261 eenen voorfcdurenden staat behouden van inwendige en opperste aanbidding voor God, voor wien alles in ons moet wijken; Hem door onze werken en door de opoffering van alles, wat ons behaagt, als den volkomen Meester en den God van onze harten aanstellen ; door de liefde Gods in zoo verre doordrongen zijn, dat men niets meer smake dan Hem , in het paradijs dezer aarde, en als een voorsmaak van de eeuwigheid. Maar om hiertoe te geraken, moet men zich ontdoen van de vermaken des geestes, die denzelve verstrooien en van God aftrekken; van de verkleefdheid des harten, die hetzelve aan het schepsel hecht ; opdat de ziel gansch vrij en ontslagen van het slavenjuk harer driften , zoo als de koninklijke Profeet zegt, vleugels van eene duif neme, om tot God te vliegen en in Hem alleen te rusten.

GEBED,

Mocht ik zoo gelukkig zijn in U, o God! boven alles mijne rust te zoeken en ook te vinden! Koude ik mij boven het aardsche verheffen om mij te nauwer aan U te verbinden ! Doe dat oogenblik waarnaar ik zoo zeer verlang, dra verschijnen. Kom toch, Heere Jesus ! kom , verbreek de banden , die mij binden en in mijne vlucht belemmeren. Kom , troost mijn naar licht begeerig hart en verbind het aan U door zuivere, onbepaalde , alles overtreffende liefde.

-ocr page 266-

362 de navolging van JESU8 christus.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOEDSTUK.

Over het gedenken van Gods menig vul dige weldaden,

1. De Geloovige. Heer! open mijn hart voor uwe wet en leer mij naar uwe geboden wandelen.

Geef mij dat ik uwen wil versta en met grooten eerbied en eene ernstige overweging uwe weldaden, zoo in het algemeen als in het bijzonder, gedenke, opdat ik U daarvoor waardig dank betuige.

Maar ik weet en beken dat ik ook voor de geringste zaak U de schuldige dankzegging niet kan toebrengen.

Ik ben verre beneden al de goederen mij geschonken , en als ik let op uwe verh^evenheid , dan bezwijkt mijn geest voor die grootheid.

3. Alles wat wij hebben naar ziel en lichaam , en alles wat wij uitwendig of inwendig op eene natuurlijke of bovennatuurlijke wijze bezitten , is uw geschenk en kondigt U aan als den liefderijke, weldadige en goede , van wien wij alle goed ontvangen hebben.

Al heeft de eene meer, de andere minder ontvangen, alles is toch het uwe, en zonder TT kan men niet het minste bezitten.

Hij die meer ontvangen heeft, mag niet roemen op zijne verdienste noch zicli boven anderen verheffen, ook niet den mindere be-

-ocr page 267-

III. BOEK. XXII. HOOrDSTÜK. 268 spotten; want deze i» de grootste en beste, die zichzelven het minste toeschrijft en in liet bedanken het nederigste en ijverigste is.

En wie zich voor den geringste van allen houdt en als den onwaardigste oordeelt, is het geschiktst om grootere gaven te ontvangen.

3. Die nu minder ontvangen heeft mag zich niet bedroeven noch het kwalijk nemen, noch den meer bedeelde benijden: maarliever moet hij op U zien en uwe goedheid te meer prijzen , dat Gij uwe geschenken zoo mild, zoo om niet en zoo gewillig, zonder aanzien van personen, uitdeelt.

Alles is uit U en daarom zijt Gij in alles te loven.

Gij weet wat eenieder nuttig is te geven, en waarom deze minder en die meer hebbe staat niet aan ons te beslissen, maar aan U, bij wien de verdiensten van ieder zijn bepaald.

4\'. Daarom, Heere God! acht ik het ook eene groote weldaad niet veel te hebben, waaruit naar het uitwendige en volgens den mensch lof en roem voortkomt; zoodat iemand, bij de beschouwing van zijn eigen armoede en geringheid , des wegens niet alleen geen bezwaar of droefheid of misnoegdheid mag gevoelen , maar eer troost en groote vreugde , omdat Gij, o God ! de armen en nederigen en bij de wereld verachten tot uwe vertrouwelingen en huisgenooten verkoren hebt.

Getuigen zijn uwe Apostelen zeiven, die

-ocr page 268-

264 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS. Gij als vorsten over de geheele aarde hebt gesteld.

Echter verkeerden zij in de wereld zonder kin gen, zoo nederig en eenvoudig en zoo vreemd van alle list en bedrog , dat zij zich zelfs verheugden om uws naams wille smaad te lijden en datgene wat de wereld schuwt, met grooten ijver omhelsden.

5. Niets derhalve moet hem , die U bemint en uwe weldaden kent zoo verheugen , als uw wil over hem en het welbehagen uwer eeuwige beschikking.

Ja daarover moet hij zoo tevreden en getroost zijn, dat hij even gaarne de minste zoude willen blijven als een ander wenscht de grootste te zijn ; en evenzoo vreedzaam en vergenoegd op de laagste plaats als op de eerste; en even gaarne veracht en verworpen zelfs zonder naam en faam, als boven de overigen in de wereld geëerd en verheven.

Want uw wil en de ijver voor uwe eer moeten boven alles gaan, en hem meer troost en genoegen geven dan al de weldaden, hem geschonken of nog te schenken.

OEFENING.

Gelukkig eene ziel, die zich in hare oogen gering acht; die evenzeeer tevreden is onder anderen te staan, als anderen tevreden zijn boven allen geacht te worden ; die al hare verdiensten en haar geluk stelt in onbekend, verworpen en versmaad te wezen ; die even vurig verlangt de verachting en als afschrik

-ocr page 269-

III. BOEK. XXII. HOOFDSTUK. 205 der wereld te wezen , als anderen wenschen door haar geacht en geëerd te worden ! Want die ziel stelt haar vermaak in het hart van God ; zij is groot in de oogen van zijne Majesteit, en verdient door hare ootmoedigheid zijne grootste genaden. Om tot dien graad van volmaaktheid te komen , moet men gaarne een onbekend en verworpen leven leiden ; niets doen uit inzicht van geacht of geprezen te worden; zeer gaarne eene versmading en eenen slechten uitval aanvaarden ais iets dat wij verdienen , en met eene ootmoedige onderwerping de minachting, tegenspraak en den laster ontvangen ; zich met schande voeden, gelijk Jesus Christus zich daarmede heeft gevoed , en het zich tot eer rekenen aan hem gelijkvormig te zijn.

GEBED.

Hoe zal ik, o God ! al de weldaden optellen die ik van U ontvangen heb ? Ik verlies mij in deze diepte. Alles wat ik bezit, is uwe gave. Hij die meer bezit, mag zich daarop niet beroemen , gelijk iiij zich niet beklagen mag die minder heeft: Gij toch weet hem dit te vergoeden. Laat dit geloof mij steeds bezielen en tevredenheid inboezemen. Bewaar mij in voorspoed voor zelfverheffing en in tegenspoed voor mismoedigheid.

-ocr page 270-

266 de navolging- van jesüs christus.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De vier dingen die den vrede grootelijks bevorderen.

1. De Heer. Mijn zoon ! nu zal ik n den weg des vredes en dér ware vrijheid leeren.

2. De Geloovige. Doe, o Heer! wat Gij zegt : want dat hoor ik gaarne.

3. De Heer. Leg u toe, mijn zoon ! om liever den wil van een ander dan den uwen te doen.

Verkies steeds liever min dan veel te hebben.

Zoek altoos de laagste plaats en aan allen onderworpen te zijn.

quot;Wensch steeds en bid dat de wil van God in u volkomen geschiede.

Zie, zulk een man treedt het gebied des vredes en der ruste binnen.

4?. De Geloovigé. Heer ! deze uwe korte rede bevat in zich eeue groote volmaaktheid. Klein is zij in woorden, maar vol van zin en overvloedig in vruchten.

Kondc ik ze maar getrouw nakomen, dan zoude niet zoo licht ontroering in mij ont-staan.

Want zoo dikwijls ik mij onrustig cn bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van deze leer afgeweken beu.

Maar Gij, die alles vermoogt en wien de voortgang mijner ziele steeds ter harte gaat, vermeerder uwe genade te meer, opdat ik

-ocr page 271-

iii. boek, xxiii. hoofdstuk. 36? uw voorschrift nakomen en mijne zaligheid bewerken moge.

5. De Geloovige. Heere mijn God ! verwijder U met van mij; o mijn God! zie op te mijner hidpe : (Ps. 70) want zoovelerlei bedenkingen zijn bij mij opgekomen en groote angsten, welke mijne ziel benauwen.

Hoe zal ik er onbesc\'iadigd doorkomen ? hoe er doorbreken ?

De Heer. Ik zal u voorgaan en de trotschen der aarde vernederen* (Is. 4?3.) Ui zal de deuren des lerkers openen en u verborgene schat\' ten openharen, (Is. 45.)

Dk 6eloovige. Heer! doe gelijk Gij zegt, en dat alle booze gedachten voor uw aanschijn vlieden.

Dit is mijne hoop en eenige troost, in alle benauwdheid tot U mijn toevlucht te nemen, op U te vertrouwen, U uit het binnenste des harten aan te roepen en uwen troost geduldig al\' te wachten.

(i. Verlicht mij, goede Je sus! met de stralen van het inwendig licht, en verdrijf alle duisternis uit de woning mijns harten.

Beteugel de veelvuldige verstrooiingen, en verijdel de bekoringeu die mij geweld doen.

Strijd krachtig voor mij en overwin die booze dieren, ik bedoel de verlokkelijke begeerlijkheden , opdat er door uwe kracht vrede zij en uw heilige tempel, die van een zuiver geweten, van den overvloed uws lofs weergalme.

Gebied den winden en stormen; zeg tot de zee: wees stil, en tot den noordenwind:

-ocr page 272-

268 DE NAVOLGING- TA.N JESUS CHRISTUS, blais niet meer, en er zal groote stilte zijn.

7. Zend mij uw licht en uwe waarheid: (Ps. 42) dat zij de aarde beschijnen ; want ik ben eene ledige en woeste aarde, totdat Gij mij verlichü.

Stort van boven uwe genade uit en doortrek mijn hart met uwen hemelschen dauw. Giet de wateren der godsvrucht om de oppervlakte der aarde te besproeien, opdat zij goede en zeer goede vruchten voorbrenge.

Beur mijne door den last der zonden neergedrukte ziel op, en richt al mijn verlangen ten temel, opdat het mij, het lieïelijke eener hoogere zaligheid gesmaakt hebbende, ver-driete aan het aarde te denken.

8. Voer mij weg en ontruk mij aan allen vergankelijken troost der schepselen; want niets dat geschapen is kan mijn verlangen volkomen bevredigen noch vertroosten.

Hecht mij aan ü door den onverbreekbaren band der liefde : want Gij alleen zijt den beminnende genoeg en buiten U is alles nietig.

OEFENING.

Niemand kan zich aan het gezicht , noch aan de rechtvaardigheid Gods onttrekken ; men moet dan, lo. onophoudelijk over zich zeiven waken; 2o. aan zich niets vergeven noch toelaten wat den Heer mishaagt; 3o. onder zijne oogen en onder zijne hand leven, dat wit zeggen, alles in zijne tegenwoordig-heid doen en met het inzicht van Hem te

-ocr page 273-

III. BOEK. XXIII. HOOFDSTUK. 209 behagen; 4o. in alle omstandigheden de beweging zijner genade volgen; geen wederstand aan zijnen heiligen wil bieden, en geen oogen-blik uitstellen om dien te volbrengen, zoodat men geenen tusschentijd stelle tussehen te kennen , te willen en te doen, wat God wil dat wij doen. Niets is \'zoo aangenaam aan den Heer, dan zijn vertrouwen in Hem te stellen, zich op Hem te verlaten , zich geheel aan Hem over te geven, en in alles van Hem af te hangen. Gelukkig die ziel, welke, alles van de liand Gods aannemende, zich in alles aan zijnen heiligen wil onderwerpt, die niets wil dan hetgene God wil , en alles wil, wat haar overkomt, omdat God het al zoo wil.

GEBED.

Heere Je sus! weinig zijn uwe woorden, maar ruim in beteekenis. Dierbaar zijn zij voor mijn hart, daar zij de middelen voorschrijven waardoor de ware vrede verkregen wordt. O, mocht het dra daarvan de vruchten ontwaren ! Maar ach ! Gij weet wat mij tot beletsel is; Gij kent het geweld mijner driften. Verlos mij daarvan en van hare verderfelijke gevolgen. Spreek slechts een woord en kalmte zal in mijn binnenste heerschen.

-ocr page 274-

370 de navolging van JESUS christus.

VIER EN TWINTIGSTE HOOEUSTUK.

Dat men moet vermijden naar ee?ts anders gedrag nieuwsgierig te onderzoeken,

1. Dk Heer. Mijn zoon ! wees niet nieuwsgierig en voed geene ij dele zorgen.

Wat raakt u dit of dat? Vol? gij Mij.

Wat toch gaat het u aan, of deze dus of zoo gesteld zij, of gene dus of zoo handele of spreke?

Gij behoeft voor anderen niet te verantwoorden , maar zult voor uzelven rekenschap geven. Waarmede laat gij u dan inP

Zie, Ik ken allen : Ik zie alles wat onder de zon geschiedt. Ik weet hoe het met eenieder gesteld is, wat hij denkt, wat hij wil en werwaarts zijne bedoeling gaat.

Aan Mij dus moet alles overgelaten worden. Gij dan, houd u in goeden vrede en laat den onrustige woelen zooveel hij wil.

Wat hij gedaan of gezegd zal hebben, zal op hem nederkomen ; want Mij kan hij niet bedrieejen.

2. Wees niet bezorgd om de schaduw van een grooten naam, om de gemeenzaamheid met velen, noch om de bijzondere genegenheid der menschen : want daaruit ontstaat verstrooiing en groote duisternis des harten.

Gaarne zoude ik mijn woord tot u richten en u geheimen openbaren, zoo gij zorgvul-

-ocr page 275-

UT. BOEK. XXIV. HOOFDSTUK. 2?! (lig acht ?aat\'t op mijne komst en Mij de deur uws harten opendet.\'

Wees omzichtig, waak in het gebed en verneder u in alles.

OEFENING.

Om den waren vrede der ziel te genieten , moet men : lo alle nieuwsgierigheid vlieden t wegens alles wat den naaste aangaat; 2o met geduld de kwellingen aanvaarden, die ons door de rechtvaardigheid Gods of door de onrechtvaardigheid der menschen overkomen ; 3o zich aan het lijden gewennen, alsmede aan de berooving van zijnen zin en van de vertroosting : 4?n aan God al de voldoening van onzen geest, van ons hart en van onze zinnen opofferen , en Hem bedanken, dat Hij niet toelaat, dat wij iets ter onzer bevrediging buiten Hem vinden.

GEBED.

Uw woord is waarheid, o God! te vaak liet ik mij met zaken in die mij vreemd waren, en matigde ik mij een oordeel aan, dat ü alleen toekomt. Bezorgd omtrent ijdele zaken, was ik zorgeloos omtrent mijn eigen heil en ondermijnde ik de rust mijns harten. Doe mij voorzichtiger en waakzamer worden, en boven alles bekommerd zijn omtrent het éene uoodige, mijn eeuwig hei). Dat zij mijne hoofdbezigheid, daaraan offere ik alles op.

-ocr page 276-

372 de navolging van jesus christus.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de duurzame vrede des harten en de ware voortgang bestaan.

1. De Hber. Mijn zoon ! ik heb gezegd : vrede laat iJc v ; mijnen vrede geef ik u, niet qelijh de wereld geeft, geef ik n dien. (Joan. 14.)

Allen verlangen den vrede: maar niet allen zorgen voor hetgeen tot waren vrede dient.

Mijn vrede is met de nederigen en zacht-moedigen van harte; uw vrede zal zijn in «^roote lijdzaamheid.

Zoo gij naar Mij hoort en mijne stem volgt, zult gij grootere vrede kunnen genieten.

2. De Geloovige. Wat moet ik dan doen?

3. De Heer. Let in alles op uzelven,wat gij doet en wat gij zegt; en richt al uwe bedoelingen daarhenen om Mij alleen te behagen en buiten Mij niets te begeeren of te zoeken.

Vel ook geen lichtvaardig oordeel over de woorden of daden van anderen, en wikkel u niet in zaken welke u niet zijn toevertrouwd; zoo is het mogelijk dat gij weinig of zelden onrust ontwaart.

Maar nooit eenige onrust te ontwaren eu nooit eenige ziels- ol\' lichaamskwelling te lijden behoort niet tot dezen tijd, maar tot den staat der eeuwige ruste.

Denk derhalve niet den waren vrede ge ^on-

-ocr page 277-

ui. bock. xxv. hoofdstuk. 273 den (o linbbon wanneer uij geenen druk pc-voelt, of dat dan alles goed is als niemand ii tegenstreeft, of dat dit volmaaktheid is , wanneer alles naar uwen zin gelukt.

Deuk ook niet dat ^ij dan iets groots zijt, noch houd u voor een bijzonder lieveling, als gij eeue groote godsvrucht en vertroosting ontwaart : daaraan toch wordt de ware vriend der deugd niet gekend, en daarin bestaat niet \'smeuschen voortgang en volmaaktheid.

4. De Geloovige. Waarin dan, Heer 1

De Heer. In uzelven van ganscher harte aan den wil Gods over te geven, in niets het uwe te zerken, noch in het kleine noch in het groote, noch in den tijd noch in de eeuwiffheid : zoodat gij, met een gelijk gelaat alles in dezelfde schaal afwegende, zoowel in tegenspoed als voorspoed Mij blijft danken.

Wanneer gij zoo sterk en in de hoop volhardende zijt. dftt gij bij de onthouding van inwendigen troost zelfs uw hart toerust om nog meer te verdragen, en gij uzelven niet rechtvaardigt als behoordet gij dit en zooveel niet te lijden , maar Mij in al mijne schikkingen recht geeft en als heilig prijst; dan bewandelt gij den waren en rechten weg des vredes, en er is ontwijfelbare hoop dat gij weder met vreugde mijn aanschijn zult aanschouwen.

En zijt gij tot eene volkomen zelfversma-ding gekomen, weel dat gij alsdan zulk een 18

-ocr page 278-

S7\'l\' DE NAVOLGING VAN J£SUS CHRISTUS, overvloed van vrede zult genieten, :\\ls met uwe vreemdelingschap bestaanbaar is.

OEFENING.

Men moet zieli geheel en al aan den god-delijken wil onderwerpen, en alles evenzoo willen als God wil, dat wil zeggen : in de beoelening lo niets wensehen dan hetgeen God wil; 2o niets weigeren van de rampen, welke God ons overzendt: 3o zieh stellen in eeue volkomene versmading van ziehzelven, zelfs tot de vernedering en tegenspraak aan te nemen, als iets dat wij moeten lijden ; 4-o sterk, getrouw en standvastig blijven in datgene wat God van ons wil, alhoewel men noch vertroosting, noch smaak, noch gerustheid gevoelt; 5o in een woord, vermaak scheppen in het vermaak van Gods hart, dat is : de volbrenging van zijnen heiligen wil.

G E B E J).

Ook ik, o God! heb dikwijls naar vrede gewenscht, maar dien niet gezocht langs wegen, waarop ik dien konde vinden. Gij wijst mij daartoe den eenigen waren weg, dien van zelfverloochening. Hard is voor mijne zinlijkheid die eisch; maar mijn hart heeft behoefte aan vrede. Ik wil alzoo den weg betreden , door TJ mij aangewezen , hoe moeielijk hij ook moge schijnen. Vestig Gij daarop mijne treden en laat mij nimmer daarvan afwijken.

-ocr page 279-

iii. boek. xxvi. hoofdstuk. c75

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de hooge waarde van een vrij

gemoed, dat men eerder verkrijgt door n ede gig bidden dan door veel lezen.

1. De Geloovige. Heer! dit is \'t werk van een volmaakt mensch, zijn hart nooit ai\' te trekken van het streven naar het he-melsche en tusschen de veelvuldige zorgen als zonder zorg door te gaan; niet uit traagheid, maar door een zeker voorrecht van eene vrije ziel, zich aan geen schepsel door eene ongeregelde liefde hechtende.

2. Tk smeek U, mijn allcrgenadigste God ! behoed mij voor de zorgen dezes levens, opdat ik daarin niet te zeer verward worde; voor de veelvuldige lichamelijke behoeften , opdat de wellust mij niet overmcestere; voor al de hindernissen der ziele, opdat ik niet door kwellingen ontmoedigd, bczwijke.

Niet slechts bedoel ik zulke dingen, welke de wereldsche ijdelheid mei alle drift najaagt; maar ook die ellenden, welke als een gevolg van den vloek over alle stervelingen uitgesproken, de ziel van uwen dienstknecht zoozeer bezwaren en beletten tot de vrijheid des geestes te komen, zoo dikwijls zij wilde.

3. o Mijn God! onuitsprekelijke zoetigheid ! verkeer voor mij in bitterheid allen vleeschelijken troost, die mij van de liefde

-ocr page 280-

276 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS» tot het eeuwige aftrekt eu mij ongelukkig lot zich lokt door het lokaas van eenig tegenwoordig gerot.

Dat toch , o mijn God! dat toch geen vleesch en bloed mij overwinnen; dat de wereld met hare kortstondige heerlijkheid mij niet misleide ; dat de duivel met zijne listen mij niet verschalke.

Geef mij kracht tot tegenstand, geduld ter verdraging, standvastigheid ter volharding.

Geel mij voor al den troost der wereld dc allerliefelijkste zalving van uwen geest, en voor eene vleeschelijke liefde stort in mij de liefde tot uwen naam.

4-. Zie, spijs, drank, kleeding en de overige benoodigdheden, tot onderhoud des li-chaams behoorende. zijn eene naar den hemel smachtende ziele tot last.

Geef dat ik mij van al zulke verkwikkingen matig bediene, zonder ze te driftig aan te hangen.

Alle mag ik niet verwerpen omdat de natuur ondersteund moet worden; maar liet overtollige te zoeken en hetgeen \'t meest vermaakt, verbiedt uwe heilige wet; want anders zoude het vleesch over den geest de overhand krijgen.

Dat dan , smeek ik ü , uwe hand mij bij dat alles geleide en mij leere het overtollige te vermijden.

O E F E N 1 N G.

|)e versterving der zinnen en do overwin

-ocr page 281-

IIT. BOEK. XXVI. HOOFDSXITi:. 277 ning der eigenzinnigheid zijn een zoo wezenlijke plicht voor penen Christen ter zaligheid, dut men mag zegden , dat de ziel die zich met uiterlijke voorwerpen ophoudt en dikwijls meer met zichzelven dan met God bezig is, niet verdient in Hem te bestaan en voor Hem te leven; omdat zij , door zich aan hare driften over te geven, als niet rekent aan God te behagen. Ach ! hoe zal zij in het uur des doods van gevoelen en gedachte veranderen, als zij, alleen met haren God, van Hem dit verwijt zal moeten hooren : ik ben voor U niets geweest gedurende uw leven; ik zal voor U ook niets zijn in de eeuwigheid. Gij hebt uw zingenot hoven het geluk van mij te behagen gesteld; het is billijk dat gij aau de ijsselijkheden eener ongelukkige eeuwigheid overgeleverd wordt. (Recepiste bona in vita tua. XVI. v. 35.) Aldus werd geantwoord aau den rijken vrek, toen hij in de hel over de strengheid der pijnen jammerde; en het zal tot die zinnelijke zielen gezegd worden, die zich niet bedwingen , noch zich in iets versterven , tenzij zij trachten het geluk der eeuwigheid hooger te achten dan de vermaken dezes levens, en den hemel door liet intoomen der driften te verdienen.

GEBED.

Zoude ik, o God! met deze bede niet instemmen V Ja ook ik wensch van alle aardsche afleidingen bevrijd, mij onophoudelijk met Cf en mijne eeuwige belangen bezig te houden;

-ocr page 282-

378 de navolging van jesus christus, maar ach ! noj? te zeer word ik door mijne zinlijkheid eu aardsche zorgen gestoord. Trek dan mijn hart meer en meer van liet aardsehe at\' eu breng het tot het eeuwige over. Doe mij het noodige slechts als middel, niet ais doel, matig gebruiken te uwer eere eu lot heil mijner ziele.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat de eigenliefde van het hoogste goed ten sterkste aftrekt.

1. De Heeii. Mijn zoon! gij moet alles voor alles geven, en in niets uws zelfs zijn.

Weet dat de liefde tot uzelven u meer schaadt dan eenige zaak ter wereld.

Naar de liefde en genegenheid die gij hebt, zal elke zaak u meer of min aankleven.

Is uwe liefde rein, eenvoudig en wèl geregeld , gij zult aan niets verslaafd wezen.

Begeer niet wat gij niet moogt bezitten; wil niet bezitten wat u kan hinderen en van de inwendige vrijheid berooveu.

Het is zonderling dat gij u niet van gan-scher harte met alles wat Gij kunt wenschen of bezitten aan mij toevertrouwt.

3. Waarom u door ijdelen kommer verteerd ? Waarom door overtollige zorgen vermoeid ?

Houd u aan mijn welbehagen en gij zult geen nadeel lijden.

Indien gij dit of dat zoekt en iiier of daar wilt zijn om uw eigenbelang en om naar

-ocr page 283-

iii. boek. xxvii hoofdstuk. 27^ uwen eigen zin te leven , 7.00 zult gij uooit in rust noch vrij van kommer zijn : want in alles zal eenig gebrek gevonden worden en op elke plaats zal iemand zijn , die u tegenstreeft.

3. Het is dus dienstig niet allerlei tijdelijk goed te verkrijgen ol\' te vermeerderen , maar liever het te versmaden en de begeerte daarnaar tot den wortel uit uw hart te roeien.

Dit moet gij niet alleen verstaan van het bezit van geld en rijkdommen, maar ook van de zucht naar ijdelen roem, die alle met de wereld voorbijgaan.

Eene plaats geeft weinig veiligheid, zoo de sjeest des ijvers ontbreekt.

En de vrede, van buiten gezocht, zal niet lang bestaan, zoo de staat uws harten den waren grondslag mist, dat is: zoolang gij niet op Mij rust.

Gij kunt wel van plaats veranderen, maar u niet verbeteren ; want zoo ras de gelegenheid zich opdoet, en gij u daarvan bedient, zult gij vinden hetgeen gij ontvlucht en nog meer.

4. De Geloovige. Bevestig mij, o God l door de genade van den Heiligen Geest.

Geef\' dat de kracht in den inwendigen mensch versterkt worde, en dat mijn hart zich van alle onnoodige zorg en angst ont-ledige; dat ik niet door allerlei begeerten naar welke zaak ook, gering ot\' kostbaar , getrokken worde, maar alle zaken als voorbijgaande beschouwe en mijzelven al» voorbijgaande met haar.

-ocr page 284-

280 de navolging van jesus christus.

Want. er is niets bestendigs ouder de zon ; alles is ijdelheid en hreliinq des geest es. (Eecli. 1)

De Heer. o, hoe wijs is hij die dit aldus inziet!

5. De Geloovige. Geef mij, o Heer, de. hemelache wijsheid , opdat ik itere U boven alles te zoeken en te vinden, boven alles te smaken en te beminnen, en al het overige zoo in te zien, als het naar de orde uwer wijsheid waarlijk is.

Geef dat ik den vleier voorzichtig vermij-de en den tegenstrever geduldig verdrage.

Want dit is eene groote wijsheid, niet door allen wind van woorden bewogen te worden , noch het oor te leenen aan het gevaarlijk gevlei van valschc vrienden ; zoo toch zet men den ingeshgen weg veilig voort.

oefening.

Zich geheel zonder eenige uitzondering aan Gol overgeven, is : lo zich niets te verwijten, in iets wat men Hem gegeven heeft ; 2o in alle gelegenheden zich aan Hem overgeven ; Zijnen wil stellen boven de genegenheden tot eigenliefds, 3o niets aan zich toelaten of zich in niets verschöonen, hetgeue men weet aan God te mishagen; 4o Hem den volstrekten meester en als eigenaar van ous hart maken, zoodat hij over alles beschikke, wat iu ous is en ous toebehoort, en zelfs vau onzen geheeleu persjou, volgeus zijnen heiligen wil; 5o leven in eene afhankelijkheid en

-ocr page 285-

Ill KOT.K. XXVII HOOFDSTUK. 231 gedurige onderwerping aan de bewegingen der genade.

Aan God aldus geheel en zonder uitzondering toebehooren, is bet ware middel om Hem te bezitten en in vrede te leven. Dan , helaas! hoe weinige zielen worden er aange-troll\'en, die alzoo aan God geheel overgegeven zijn ! En hoe velen zijn er, die aan Hem slechts half toebehooren, die hun hart tim-schen God en liet schepsel, tusschen de liefde Gods en hunne eigenliefde verdoelen, alhoewel zij weten, dat alle verdeeling liet hart van God kwetst, en Hem belet geheel en al te heerschen in onze harten, waarvan Hij de meester niet is, tenzij Hij alleen het bezit , en waarin Hij als God niet heerscht, wanneer Hij er niet alléén heerscht en in alles den voorrang bekomt.

GEBED.

Ja, o God! eene overdreven liefde tot mij-zelven stoort vaak mijne rust en doet mij me?r nadeel dan al mijne vijanden mij kunnen doen. Zij bindt mij aan het vergankelijke, kwelt mij met tallooze zorgen en verwijdert mij meer en meer van mijn doel. Wie zal mij van hare heerschappij verlossen ? Wie die sterke banden verbreken? Wie anders, dan Gij! Doe dit dan, o Heer! breng mijn hart geheel tot U over en hond het onveranderlijk op U gericht.

-ocr page 286-

\'282 df. navolging van jesüs christus.

acht i:n twintigste hoofdstuk.

Teg/fj kwaadsprekende tongen.

]. De Heer Mijn zoon! het verdriele u niet als sommigen van n kwaad denken en n wat idj niet gaarne hoort.

„ moet nog er-cer van nzelven deuken en niemand zwakker dan nzelven achten.

Verkeert gij inwendig met nzelven, ^ij zult weinig aan voorbijvliegende woorden hechten.

Het is geen kleine voorzichtigheid ten kwaden tijde te zwijgen en inwendig zich tol Mij te keeren en zich door geen menschelijk oordeel te laten ontrusten.

3. Dat uw vrede van der menschen mond niet afhange: want oi\' ze iets wèl of kwalijk uitleggen, gij zijt daarom geen ander mensch.

Waar is ware vrede en waren roem ? Is het niet bij mij ?

Wie den menschen niet zoekt te beiiagen noch vreest te mishagen, zal veel vrede genieten.

Uit eene ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaan alle onrust des harten en verstrooiing des geestes.

oefening.

Niets is bekwamer om ons te ontrusten en te storen, dan de oordeelvellingen en gesprekken van anderen jegens ons. Wij achten ons

-ocr page 287-

ITI. BOEK. XXVIII. IIOOFDSTUK. 283 trolukkiir wanneer wij hun behagen, rn ongelukkig ;ils wij door hen versmwul worden; en nochtans wat is de achting of smaad der wereld, dan eene schaduw, een rook, een voorbijvliegende damp, die niets kan bijzetten aan hetgene wij zijn oiquot; moeten wezen ! Wij zijn slechts datgene, wat wij voor de oogen van God zijn, en moeten al de goede of slechte gevoelens , die men van ons heeft, als een niet rekenen. O menschelijk opzicht! wanneer zult gij in ons voor de eer, die wij onzen God schuldig zijn, onderdoen? Helaas! hoezeer werpt het menschelijk opzicht in ons alles omver, waardoor wij aan God zouden kunnen behagen ! Wat zal men van mij zeggen, indien ik dit of dat zeg of doe ? Maar wat zal de Zaligmaker zeggen, indien ik dit of dat niet zeg of\' doe ? Is het niet beter aan God dan aan de menschen te gehoorzamen , en aan God dan aan de wereld te behagen? Waarom doe ik dan zulks niet ?

GEBED.

Zoo min ik mij, o God ! op den lof van vleiers mag verheffen, zoo min mag ik mij aan lastertaal storen. Welk nadeel zullen woorden mij aanbrengen die als de wind vervliegen? Ik blijf die ik ben, en Gij, Alwetende ! zijt de getuige mijns harten. Laat dit geloof bij mij steeds levendig zijn, wanneer ik door laster vervolgd worde. Mijn oog zij op U gevestigd, die alles gadeslaat en ieder beloont naar zijne werken.

-ocr page 288-

284- de wa-volring van jesus christus.

NEGEN EN TW INTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoe vien in wederwaardigheden God moet aanroepen e?i zegenen.

1. I)k Geloovige. Heer! eeuwig zij uw uaum gezegend, die gewild hebt dat deze bekoring eu kwelling over mij komen zouden.

Ontvluchten kin ik ze niet; maar tot ü moet ik mijne toevlucht nemen, opdat Gij mij moogt helpen en ze mij ton goede koeren.

Heer! thans ben ik in lijden; het is mijn hart niet wel, maar ik word door het tegenwoordige lijden zeer gekweld.

En nu, geliefde Vader! wat zal ik zeggen? Ik ben omgeven van benaauwdheden. Verlos mij van dit uur.

Doch daarom beu ik in dit uur gekomen, opdat Gij zoudt verheerlijkt worden , nadat ik dieper vernederd en dan door TT verlosf zal zijn.

Heer! dat hei U hehage mij te redden l (Vs. 30) want ik arme, wat kan ik doen en waarheen zal ik gaan zonder U ?

Geef geduld, o Heer! ook ditmaal.

Help mij, mijn God! dan zal ik niet vreezen , hoezeer ook bezwaard.

3. Doch wat zal ik intimchen zeggen ? — Heer! uw wil geschiede! Matth. fi.

Ik heb wel verdiend gekweld en bezwaard te worden: ik moet dus wel verdragen: o

-ocr page 289-

ITT. BOEK. XXIX. HOOFDSTUK. 285 mocht het. geduldig zijn, totdat het onweder voorbijga en het beter worde.

Overigens is uwe almogende hand machtig genoeg om ook deze bekoring van mij weg te nemen of haren aan\'1 rang te matigen, zoo-dat ik niet geheel bezwijke ; zooals Gij , mijn God! mijn ontfermer! tevoren dikwijls met mij gedaan hebt.

En hoe zwaarder mij deze beproeving val-le , des te lichter valt u zulk cenc vcrandc-ring van de rechterhand des Allerhoogsien. (Ps. 76)

OEFENING.

Men moet hevig en gedurig aan de bekoring wederstaan, maar tevens moet men ook tot God met vertrouwen zijne toevlucht nemen, om ze te overwinnen. Dikwijls laat God\'toe, dat wij zoo hevig aangevallen en zoo zwaar onder het gewicht onzer ellende gedrukt worden , dat wij geen middel zien om staande te blijven en wederstand te bieden, dan ons krachtig met Rem vereenigd te houden en ons als afhankelijk van de hulp zijner genade te beschouwen. Derhalve, hoe minder liulpmid-delen wij in ons ontmoeten , des te meer moeten wij van Hem verwachten : en wanneer wij op het punt zijn van onder de bekoring te bezwijken en te vergaan, tot Hem zeggen ; Heer, red ons , wij vergaan ; onze oogen zijn opgeheven tot U , Gij die onze God zijt, en die ons kunt helpen ; Gij die onze Vader zijt, en ons wilt helpen; Gij die onze Zaligmaker

-ocr page 290-

280 DE navolging van JESUS christus.

zijl, en deze lioedanisheid hiertoe verpliclif zijt Wij rekenen op IJ. Hoe zwakker ik mij uit mij zeiven gevoel, des te meer verwacht ik van U de sterkte om te wederstaan. Uwe verheerlijking en uw voordeel hebben er be-Inn^ bij om mij bijtestaan ; aangezien mijne ziel het werk uwer lianden en de prijs uws bloeds is.

GEBED.

Dat, o God! deze bede ook de mijne zij, zoo dikwijls het U believen zal mij met rampen te bezoeken. Zij is mij als menseh en Christen waardig en kenschetst het onderworpen hart, in de school van uwen Zoon gevormd. Welaan dan, lieve Vader! ik wil daartoe mijn beat doen. lieer! uw wil geschiede! niet mijn wil, mtar uw wil geschiede! zoo zal ik hartelijk bidden, gelijk Jesus mijn heiland gebeden heeft: en ik zal verlichting ontwaren.

DE RTIGSTE 1IOO F DST U K.

Dat men Gods hu \'p moet afsmeeken en op de wederkomst der genade verf rouwen.

i. Dt Heek. Mijn zoon! Ik beu de Heer, die sterlde (/erft ien (huje van verdruldnny. ( Nah. i) Kom tot Mij, als het u niet wel gaat.

Wat wel hel meest deu hemelschen troost

-ocr page 291-

Til. BOEK. XXX. HOOFDSTUK. 287 verhindert , is dat gij u zoo laat tot het ire-bed begeeft.

Want alvorens Mij vurig te bidden, ziet gij intnsschen naar veel anderen troost om en zoekt verkwikking in het uiterlijke.

En van daar dat alles weinig baat, totdat gij opmerkt dat Ik het ben die degenen redt die op Mij hopen, en dat er buiten Mij noeh krachtige hulp, noch nuttige raad, noeh bestendig redmiddel is.

Doch nu na den storm uw geest bekomen is, herstel u in het lielit mijner ontfermingen; want Ik ben nabij, zegt de Heer, om alles niet slechts volkomen maar overvloedig en bovenmate te hentcüen.

3. Of is mij wel iels moeilijJc \'f (Jer. 32.) Of zoude Ik \'gelijk zijn aan hem die zegt en niet doet ?

Waar is uw geloof? sta vasl en volhard.

Wees lijdzaam en een dapper man; de troost zal u op zijn tijd toekomen.

Wacht op Mij, wacht: Tk zal komen en u genezen.

Het is eene bekoring die u kwelt, en eene ijdele vrees welke u verschrikt.

Waartoe dient die zorg over hetgeen in de toekomst gebeuren mag, dan om u droefheid op droefheid te baren ? Elke day heeft genoeg aan zijn eigen hmad. (Matth. 6.)

Het is ijdel en nutteloos zich te bedroeven of te verblijden over iets, dat nog komen moet en wellicht nooit komen zal.

1^. Maar het is mensehelijk door zulke voorstellingen misleid te worden, en een bewijs

-ocr page 292-

288 IVE NAVOLfrlNG VAN JjiSUS CHRISTUS, vun reu non zwakkou geest zoo licht de iu-jiovingen des vijands gehoor te geven.

Hem toch is het om het even ol\' hij door het ware dan door het valsche begoochele en misleide; ot\' hij door liefde tot het tegenwoordige dan door vrees voor het toekomende ten val brenge.

Dat dan uw hart niet ontroerd worde noch vreeze. Geloof\' in Mij en vertrouw op mijne barmhartigheid.

Dikwijls als gij meent dat gij van Mij verwijderd zijt, ben Ik het dichtst bij u.

En wanneer gij bijna alles verloren acht , is er dikwijls de meeste winst te doen.

Het is niet alles verloren, als eene zaak tegenvalt.

Gij moogt niet oordeelen naar het eerste gevoel, noch ook zoeveel hechten aan eenig bezwaar, vanwaar het kome, ot\' het zoo opvatten , als ware alle hoop op uitkomst ontnomen.

4\'. Denk niet dat gij geheel verlaten zijt, als Ik u voor een tijd eenigen druk lr«at toekomen, of ook den gewenschten troost onttrek : want dus komt men tot het Hemelrijk.

Het is ongetwijfeld voor u en mijne overige dienstknechten heilzamer door tegenheden geoelead te worden dan wanneer gij alles naar wensch hadt.

Ik weet de verborgenste gedachten, en dat het voor uw heil zeer nuttig is dat gij somtijd» smakeloos gelaten wordt; opdat gij u niet bij voorspoed verhetTen mochtet, en zelf-

-ocr page 293-

III. BOEK. XXX. IIOOPDSTUK. 289 behagen willen zoeken in hetgeen £rij niet zijl.

Wat Ik gegeven heb, kan Ik afnemen eu het teruggeven als het mij behagen zal.

5. Als Ik het gegeven heb, is het \'t mijne; als Ik het terugneem, ontneem ik het uwe niet : want alle goede gave eo alle volmaakte gifte is het mijne.

Indien Ik u eenig bezwaar of tegenheid toezend, wordt daarover niet misnoegd en dat uw moed niet bezwijke : ras kan Ik helpen en alle smart in vreugde veranderen.

Intusschen ben Ik rechtvaardig en verdien grooten lof als Ik zoo met u handel.

6. Indien «rij recht wijs zijt en naar waarheid oordeelt, dan moet gij nooit over eenigen tegenspoed zoo moedeloos treuren, maar eer u verblijden en danken, ja dit als uwe eenigste vreugde achten, dat 11- v met smarten verdrukhende, ?/ niet spaar. (Job 6.)

Gelijk de Vader mij heeft liefgehad, ahoo hel) ik u ook lief, (Joan. 15) zeide Ik tot mijne geliefde leerlingen, die Ik evenwel niet tot tijdelijke vreugde maar tot zwaren strijd uitzond; niet om geëerd maar om veracht te worden; niet tot lediggang maar tot arbeid; niet om rust te hebben maar om veel vrucht te dragen in lijdzaamheid.

Wees, mijn zoon ! deze woorden gedachtig.

OEFENING.

Ik hen, zegt de Heer, door eenen Profeet, ik beu de God, die sterkte geeft in üen dag

19

-ocr page 294-

290 DE NAVOLGING VAN JÊSUS CHRISTUS der verdrukking, eu diegenen uit het irevaur verlos, welke op mij vertrouwen. Hoe geschikt ziju deze woorden ora eene z;el in de bekoring en in de wederwaardiffheden te vertroosten , te ondersteunen en te versterken , als zij MpcMs getrouw en standvastig blijft in alles wat God van haar eischt! En dit is het, wat de H. Schrift noerat : den Heer verbeiden en langmoedig afwachten.

Geloof in mij, zegt de Zaligmaker, en dat uw hart noch ontsteld noch bevreesd zij. Derhalve moet men in de gelegenheden van in-of uitwendige kwelb\'ngpn. 1. Met vertrouwen tot God zijne toevlucht nemen; 2. zich aan zijnen heiligen wil onderweipen; 3. niets van r\'.e oefenineen achterlaten ; 4-. zich overwinnen, beteugelen, zich in alles verzaken, om eenstemmig met G)d voort te gaan ; 5. zijn geluk en zijne verdienste stellen in Gods majesteit te verheerlijken ; 6. eindelijk, tevreden zijn met een gekruist en lijdend hart te draeen, hetwelk met smarten en bitterheid overladen, en de gesteldheid is van het hart van Jesus op het kruis.

GEBET).

Ja wel zal ik, o God! deze woorden ge-dj»chtie zijn en dikwijls overwegen. Vaak toch zoude ik uwe hulp ontwaren, wist ik mij daarvoor wat, meer gereed Ie houden en die geduldig nf te wachten. Gij toch, zijl, ten dage mijner verdrukking, mij met uwen troost nader bij dan ik mij verbeelde. Dit zij dan

-ocr page 295-

I[[. boïk. xxxi. hoofdstuk. 291 steeds iniju troost , wanneer Gij mij met ou-gevalien bezoekt, Daardoor gesterkt, zal niets mij ontrusten, veel minder den moed benemen.

REN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Om den Schepper te kunnen vinden moet 7nen alle schepsel laten varen.

1. De gfloovige. Heer! wèl heb ik groo-tere genade coodig, moet ik nog daartoe ko-men dat mij geen mensch noch eenig ander schepsel meer kan hinderen.

Want 7,00 lang mij nog iets wederhoudt, kan ik niet vrij tot U vliegen.

Vrij wenschte hij te vliegen die sprak : Ach , had de ik toch vleugelen als eene duif, ilc zon heenvliegen en gaan uitrusten. ( Ps. 54 ) Wat is rustiger dan een eenvoudig oog en vrijer dan hij, die niets op aarde verlangt?

Men moet, zich dan boven alle schepsel verhetfen en zichzelven geheel verlaten, en in den ffeest opgetogen blijven om te zien dat Gij, de Schepper van alles , niets gemeens hebt met de schepselen.

En alwie nog niet van alle schepselen is losgemaakt, zal zich niet vrij op het goddelijke kunnen toeleggen.

2. De Heer. Daarom, mijn zoon ! worden er weinigen geschikt gevonden voor het beschouwend leven , omdat weinigen zich van de vergankelijke schepselen geheel weten te ontdoen.

-ocr page 296-

292 de navolging van jïsus christus.

Daartoe wordt eeue groote genade vereischt, welke de ziel opbeurt en boveu haarzelve vervoert.

En zoolang Je mensch in den geest ni»*t verheven is, los van al het geschapene en geheel met God vereenigd, alles wat hij weet, ook alles wat hij heeft is van weinige waarde.

Lang zal hij klein zijn en op den grond liggen, die nog iets hoogacht behalve het eenige, oneindige, eeuwige goed.

Want alles wat God zeil\' niet is, is niets en moet voor niets gehouden worden.

Er is een groot verfchil tusschen de wijsheid van den verlichten en godvruchtigen mensch, en de wetenschap van een geletterd en leergierig geestelijke.

Veel edeler is de kennis, welke van boven door goddelijke ingeving nederdaalt, dan die door menschelijk vernuft met moeite wordt verkregen.

3. Men vindt er velen die naar de beschouwing verlangen; maar zij trachten niet te doen wat daartoe gevorderd wordt.

Een groote hinderpaal is dat men fe veel blijft staan bij het uiterlijke en zichtbare en weinig wepks maakt van eene volkomene versterving.

De Geloovige. Ik weet niet wat het is noch door welken geest wij gedreven worden , r.n wat wij voorgeven, die als geestelijken willen doorgaan, dat wij zoo veel arbeid en zoo groote zorg besteden aan voorbijgaande eu nietige zaken, en zoo zeiden eene vol-

-ocr page 297-

III. BOEK. XXXI. HOOrDSTUK. 293 komen ingetogenheid van zinnen aan ons inwendig denken.

4?. Helaas ! na een weinig overwegens storten wij aanstonds weder naar buiten, zonder onze daden door een streng onderzoek te we^en.

Wij letten er niet op waaraan onze nei-iringen hechten, en wij betreuren niet dat alles zoo onrein is.

Toen alle vleesch zijnen weg bedorven had, volgde de groote watervloed.

Daar nu onze inwendige neiging zeer bedorven is, moet ook de daaruit volgende daad, ten blijke van gebrek aan innerlijke gezondheid, bedorven zijn.

Uit een rein hart komen vruchten van een goed leven voort.

5. Men vraagt hoeveel ieviiand gftdaan heeft; maar men onderzoekt zoo vlijtig niet met welk goed oogmerk hij handelt.

Men vorscht na of iemand dapper, rijk, schoon , bekwaam is ; ot\' hij wèl schrijft, wel zingt, wèl werkt; maar hoe arm hij is van sjeest, hoe lijdzaam en zachtmoedig , hoe godvruchtig en inwendig, daarnaar wordt door velen niet gevraagd.

De natuur ziet op het uitwendige des mcnschen; maar de genade keert ziel» tot het inwendige.

Gene wordt vaak bedrogen ; deze vertrouwt op God om niet bedrogen te worden.

O E F T N I N G.

Niets is waardig door het hart eens Chris-

-ocr page 298-

29é DE NAVOLamp;INCr VAN JF-SUS CHRISTUS, lens bezeten te worden, dan wat eeuwig is, en wij moeten slechts datgene lief hebben, wat wij altijd zullen beminnen. Laat ons derhalve trachten 1. het welbehagen van God boven al onze voldoeningen te achten ; 2. in alles slechts zijn welbehagen te zoeken; 3. alle druk en lijden , dat hij ons over/.endt, met ootmoedige onderwerping van zijne hand te ontvangen; 4lt;. dikwijls niet geestelijke zaken in Gods tegenwoordigheid bezig te zijn, en in alles van Hem af te hangen.

Waarom ons met beuzelarijen en ijdele overwegingen op ons zeiven en met ongerustheid jegens anderen onledig houden , terwijl God, in ons zijnde, de eerbewijzingen onzer harten ca het offer van onzen geheelen persoon verwacht ? Hoo vele genaden ontsnappen er aan eene ziel, die verstrooid is, en bijna geene aandacht neemt op hetgene God van haar verzoekt ! En echter wpet wen hoe gevaarlijk het misbruik der genaden voor de zaligheid is.

G E B E l).

Ook ik, o Vader! heb eene bijzondere genade noodig, eer ik mij op dien trap van volmaaktheid hevinde, dat niets van het aardsche mij in mijne vlucht tot U kan hinderen. Jloe vreemd ben ik nog aan die edele vrijheid, uwen kinderen zoozeer eigen! Doe mij dien zaligen toestand kennen; schenk mij vleugelen als van eene duif; dan zal ik boven alle schepselen tot TT vliegen om eeuwig in U alleen te rusten en in n\\v gehot zalig te zijn.

-ocr page 299-

iii. boek. xxxii. BOOrilSlDK. 296

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de zelfverloochening en verzaking van alle begeerlijkheid.

1. De Hker. Mijn zoon! gij kunt geene volkomen vrijheid bezitten , tenzij gij uzelven geheel verzaakt.

Gekluisterd zijn alle eigenbaatzuchtigen en zelfminnaars ; zij zijn begeerlijk, nieuwsgierig en ongestadig; zij zoeken steeds hun geraak en niet wat Mij behaagt; zij ontwerpen en ondernemen vaak dingen die geen stand houden, want alles wat van God niet komt, zal vergaan.

Onthoud dit korte en alles bevattende woord : verlaat alles en gij zult alles vinden; leg de begeerlijkheid alquot;, zoo vindt gij rust.

Overweeg dit bij uzelven , en wanneer gij het zult volbracht hebben , zult gij alles versta m.

3. De Gr-loovige. Heer! dit h geen werk van een dag noch kinderspel ; ja in dit weinige is alle volmaaktheid eens kloosterlings op^eslotrn.

f)e Heer. Mijn zoon! gij moet zoo aan-stouds niet al\'keerig noch moedeloos worden, y.oodra gij van den weg der veimaaktheid hoort; maar te meer tot het hoogere opgewekt worden of ten minste daarnaar vurig verhngen.

Och, olquot; het zoo met u gesteld ware ! oi\'

-ocr page 300-

390 DE NAVOLGING VAN JESU8 CHRISTUS. I?ij zoo verre gekomen waart dat gij uzelven niet meer bemindet, maar u volkomen naar den wenk van Mij en van uwen overste schik-tet! dan zondt gij Mij zeer behagen en uw geheel leven slijten in vreugde en rust.

Nog veel hebt gij te verlaten; en tenzij gij Mij alles volkomen afstaat, zult gij niet verkrijgen wat gij vraagt,

3, Ik raad v dat gij van Mij koopt goud, door het tuur beproefd, opdat gij rijk moogt worden, (Apoc. b) te weten : de hemelsche wijsheid, die al het aardsche onder de voeten treedt.

Geef haar de voorkeur boven de aardsche wijsheid, boven alle menschelijk en eigen welbehagen.

4. Aldus zeg Ik u: koop hetgeen gering is bij de menschen voor hetgeen kostbaar en verheven is in hunne schatting.

Want zeer laag en gering en bijkans vergeten schijnt de ware hemelsche wijsheid, die van zichzelve niet hoog denkt noch op aarde zoekt verheven te worden.

Velen prijzen haar met den mond, maar wijken er verre af in hun gedrag.

En toch is zij die kostbare parel, voor velen verborgen.

O Z f E N I N G.

Wat is : alles verlaten? Het is 1. zich verloochenen en afsterven; 2. het is; zijne zinnen, zijnen geest en zijn hart versterven; 3. het is ; zicli van alles onthechten wat ons

-ocr page 301-

III. BO£K. XXXII. HOOFDSTUK. 297 mishaagt, eii met ootmoedige onderwerping al datgene aannemen, wat ons moeieiijk valt; 4. het is ; zijne vrienden in God, en zijne vijanden voor God beminnen, en zichzelven haten , 5. het is ; aan niets dan aan zijnen üod}aau zijne plichten en aan zijne zaligheid verkleeld zijn; Ö. het is : al de bewegingen des liarlen tegen zich, en alleen voor Gotl ie doen dienen; 7. het is : zich slechts ophouden met de zorg om Hem in alles te bevredigen , en met de vrees van Hem te mishagen 8. het is : zijn geluk en zijne eer te stellen in de winst van Zijn iiart en in het bezit van Zijne liefde.

Hoe gemakkelijk zegt men: ik zou gaarne alles verlaten , om geheel voor (iod te wezen ! maar hoe moeieiijk stelt men liet in liet werk, tenzij men alle getrouwheid gebruike om zich van alles te 0ntdoen, wat ons niet tot God geleidt. Een weinig liefde tot God in een hart gedrukt, maakt dien afstand en die zelibpof-lering aan God voor het hart mogelijk en gemakkelijk. Men moet ze willen en vragen, en zonder ophouden in het werk stellen,

GEEK 1).

Ik zie, o God! dat er, om waarlijk vrij te zijn, van mij nog veel gevorderd wordt. Ik moet om vrij tot U te vliegen mijzelven als afsterven, volkomen verlaten, dat is, mijne eigenliefde aan uwe liefde geheel opofferen. Dit is de ware wijsheid , welke van zoo weinigen wordt op prijs gesteld en zoo

-ocr page 302-

295 DE NAV0LÖ1NG VAN JE5ÜS CHRISTUS, groote waarde heeft. Leer mij deze heilzame kunst, deze hemelsehe wijsheid kennen ; dal zij mij een kostbare parel zij, voor wier bezit ik alles overheb.

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over dc onsfandvastigheid des harten,

en dat God onze laatste bedoeling moet zijn.

]. De Heer. Mijn zoon! vertrouw niet op uwe tegenwoordige gemoedsgesteltenis : want zij zal ras in eene andere ovrergaan.

Zoolang gij leeft, zijt gij ook uws ondanks der veranderlijkheid onderworpen ; zoodat gij nu eens blijde, dan treurig, nu gerust, dan ongerust; nu godvruchtig, dan zonder godsvrucht: nu ijverig, dan traag; nu ernstig, dan lichtzinnig zult bevonden worden.

Doch de wijze en in den geest wèl on-derwezene blijft, bij nl deze afwisselingen , staande.

Hij let nijt op hetgeen hij bij zich ontwaart noch vanwaar de wind der onbestendigheid blaast; maar hierop, dat de geheele bedoeling zijns geestes naar het behoorlijke rn {rewenschte einde strekke.

Want dus, dojr liet eenvoudig oo,r zijner bedoeling bij zoo velerlei voorvallen, onafgewend op Mij te vestigen, zal hij éin en de/.elfde en o iwriklmr kunnen blijven.

2. Hoe reiner nu het oog der bedoeling is.

-ocr page 303-

III. BOEK. XXXUI. HOOZDSTUK. 299 boe slandvHstiger men tusschen velerlei stormen doorgaat.

Maar bij velen is het oog eener reine bedoeling beneveld ; want alms vestigt het zich op iets genoegelijks dat zich voordoet.

Daarom vindt men zeiden iemand geheel vrij van de vlek der zelfzucht.

Dus kwamen weleer de Joden naar nïè tot M a r t h a en Maria, niet om J esn s alleen, maar ook om Lazarus te zien

Men moet dus het oog der bedoeling reinigen, zoodat het eenvoudig eu oprecht zij en hat, boven al hetgeen slechts middel is, op Mij alleen richten.

O F. F E N I N G.

Om de ongestadigheid van ous hart in dat-gene wat de dienst Gods en de zorg der zaligheid betrelV, te bepalen, moet men 1. zich /.elven mistrouwen, en zijn vertrouwen op God stellen; 2. tot. God zijne toevlucht nemen, en zijn bijstan i in de gelegenheid verzoeken; 3. Dikwijls zijne meening hernieuwen van Go l te bevredigen, zonder zich zeiven te willen bevredigen; 4-, steeds bestrijden wat ons tegengaat; 5. niets willen dan wa! God wil, en het krachtdadig willen ; 6. zijn hart aan de liefde Gods gewennen, en ons de heilige vriendschap voorstellen, welke Hij met ons in eeuwigheid hebben wil; 7. nanw-keurlg de ingevingen en bewegingen der genade volgen.

-ocr page 304-

300 DE navolging van jesus christus.

GEBED.

Neen, mijn God ! ik kan noch mag te veel vertrouwen op eene gesteltenis, welke aan zoo vele veranderingen onderhevig is. Ook hierin behoor ik mijzelven Ie verlaten en het oog mijner bedoeling op U alleen te vestigen. Gij zijt onveranderlijk dezelfde die Gij van eeuwigheid waart; in IJ alleen kan mijn hart volkomen rusten. quot;Dat dan mijn oog zich boven alles verheffe; dat het zuiver zij van alle eigenbelang, oprecht en onveranderlijk tot U gekeerd.

VIEll Els DERTIGSTE HOOEDSTUK.

De ware minnaar vindt bij alles en

boven alles in God zijn genoegen.

1. Df. Geloovige. Zie, God is mijn en mijn al! Wat wil ik meer en wat kan ik zaliger wcnschen ?

o Zoet on liefelijk woord ! docli voor hem , die het Woord des Vaders en niet de wereld noch hetgeen in de wereld is, bemint.

Mijn God en mijn al! genoeg gezegd-voor hem die het verstaat; terwijl de veelvuldige herhaling ervan genoeglijk is voor hem, die bemint.

Want zijt Gij tegenwoordig, alles is genoeglijk; maar zijt Gij afwezig, alles mishaagt.

Gij geeft de rust des harten, een groolen vrede en eene feestelijke blijdschap.

-ocr page 305-

in. BOEK. XXXIV. HOOFDSTUK. 301

Gij doet over alles wèl denken en U in alles loven,

Zonder U kan niefs lang; behagen; maar zal iets aangenaam zijn en wM smaken ; zoo moet nwe genade daarbij zijn en de krniderij uw«-r wijsheid dat toebereiden.

2. Wat zal hem niet smaken, die in IT smaak vindt ? En wat zal hem genoegen kunnen geven, die in U pjeen smaak vindt?

De wijsheid van de wereld en de genegenheid tot liet vleesch worden door nwe wijsheid te niet gedaan: want in die dwaze wijsheid is veel ijdelheid en in het vleesch is de dood.

Maar zij, die U door de verachting dei-wereld en afsterving des vleesch es navolgen , worden bevonden ware wijzen te zijn, omdat zij zich van de ijdelheid tot de waarheid en van het vleesch tot den geest laten overbrengen.

Deze vinden smaak in God; en, welk goed zij bij de schepselen vinden, zij brengen het geheel over tot lof van hunnen Schepper.

Intusschen is er een verschil en groet verschil tusschen den smaak voor den Schepper en het schepsel, voor de eeuwigheid en voor den tijd, voor het ot,geschapen licht eu het meegedeelde licht.

3. o Eeuwig Licht, al de geschapene lichten overtreffende ! schiet uit de hoogte stralen, die tot. geheel het binnenste mijns harten doordringen.

Reinig, verkwik, verlicht en verlevendia: mijne ziel eu hare vermogens, zoodat. zij zich

-ocr page 306-

302 DE NA.VOLGING VAN JESUS CHRISTUS, aan (J in .juichende, verrukking vustliechte.

O , wanneer zal dat zalifre en ir^woiisclite nur komen, dat Gij mij met uw bijzijn zult verzadiqren en mii alles in alles zijn !

Zoolansr mij dit niet wordt eeschonken , zal mün vreugde niet volkomen zijn.

4. Maar helaas ! noe leeft de oude mensch in mij ; hij is niet geheel ffekruisiffd , niet volkomen gestorven.

Nog altoos begeert hij sterk teeen den ireest, verwekt inwendigen oorlos: en laat aan het rijk der ziel geene rust.

Maar Oij, die heerscht over de woede der zee en het geweld har er golven stilt, ( Ps. 88 ) sta op te mijner hulpe. (Ps. 48.) Verstrooide volleer en die belust zijn op oorlog; (Ps. 67.) verpletter ze door mee macht. (Ps. 58J

Toon, bid ik U, uwe grootheid, en dat nwe rechterhand verheerlijkt worde ; want geene andere hoop, geene andere toevlucht is mij over, dan bij U, o Heere mijn God !

OEPENING.

Niet beminnen dan God, en ITem hoven alles beminnen, is : geen behagen hebben dan in Hem alleen, is niets dan Hem alleen zoeken ; is uit liefde tot Hem verzaken aan alles, wat ons uit de natuur kan bevredigen, volgens deze woorden van den koninklijken Profeet: mijne ziel verwerpt den troost der menschen; zij heeft zich tot God gekeerd , en in Hem alle voldoeningen haar verlangen gevonden.

Om aldus niet dan God te beminnen, moet

-ocr page 307-

III. BOEK. XXXV. HOOFDSTUK. 303 men /.ijno zinueu versterven, zijueu {(eest bedwingen, zijn hart beteuffe\'en, zijn lichaam in bedwani? houden, en zich duizende wereld-sche voldoeninsren ontzeggen, om alleen aan het hart van God te behagen. Ileil de ziel , die tevredrn is met den gekruisten staat, in welken het lichaam van Jesns Christus zich op het kruis bevond, om met den Apostel te kunnen zeggen : ik leef om Christus alleen, en het is voor mij eene winst aan alles te sterven, om alleen voor Hem te leven.

6 E B E D.

Opnieuw, mijn God! vereenig ik mij niet deze IWe. Hoe gaarne wenschte ik voor tl alleftn smaak te gevoelen, U mijn God en mijn al te noemen , en in U als mijn hoogste goed te rusten ! Wauneer zal dat blijde oogen-hlik voor mij komen ? Maar ach ! de oude inensch leeft nog in mij, en in niet geheel gedood! Vandaar die hindernissen, welke ik ontwaar. Kom mij dan te hulp; verlicht, bestraal mijn hart; dat uwe genade in mij verheerlijkt worde.

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men in dit leven niet veilig is voor bekoringen.

1. De Heek. Mijn zoon ! in dit leven zijt gij uooit veilig, maar hebt, zoolang gij leelt, altoos geestelijke wapenen noodig.

-ocr page 308-

304- DE NAVOLG ING VAN JFSIJS CnRISTUS. Gij vorkeert ondpr vijandpn en wordt rechts en links aanbevallen,

Zoo grij dus niet vnn alle kanten het schild des ffednlds frebruikt, zult ffij niet lans: on-pewond blijven.

Daarenboven , houdt ?ij uwhnrt niet vnst tot Mij tferirM, met den zuiveren W\'l om alles voor Mij te lijden , dan kunt srij die hitte niet doorstaan, noch den palmtak der geluV-zaHffeu hekomen.

Gij moet dus moedi» door alle» heen?aan en een krachtieen arm gebruiken tegen hetgeen u wederstaat.

Want aan den overwinnaar wordt het manna «reoreven , maar de lafhartige aan vele ellende overgelaten.

2. Zoo gij in dit leven rust, zoekt; hoe zult gij dan tot de eeuwige rust komen ?

Zet ii hier niet tot veel rust maar tot groote lijdzaamheid.

Zoek den waren vrede niet op aarde maar in den hemel; niet bij de menschen ot\' de overige schepselen , maar bij God alleen.

Om Godswil moet eij alles gewillisr onderdaan , te weten: arbeid en smarten, bekoringen en kwellingen , benauwdheden en behoeften ,krankheden enbeleedieingen, tegenspraak en berispingen, vernederina:en en beschamingen , bestraffingen eu versmadingen.

Dit alles helpt tot deufrd, stelt den Christen leerling op de proef en vlecht de hemel-sclie kroon.

Ik zal voor korstondigen arbeid eeuwig

-ocr page 309-

111. BOKK. XXXV. HOOFDSTUK. 305 loon , eu voor eene voorbijgaande bescliamin^ onvergankelijke heerlijkheid schenken.

3. Meent gij dat gij steeds de geestelijke vertroostingen naar wil en wenseh zult genieten ?

Mijne Heiligen hebben deze niet altoos gehad : maar vele bezwaren, velerlei bekoringen en groote moedeloosheden.

Doch in dat alles hebben zij zich geduldig gedragen en meer op God dan op zichzelven vertrouwd; wetende, dat al het lijden van dezen tijd niet te achten is om de toekomende heerlijlcheid te verdienen. (Hom. 8)

Wilt gij aanstonds hebben , wat zoo velen na vele tranen en zwaren arbeid nauwelijks hebben bekomen ?

Wacht op den Heer, gedraag v mannelijk nn houd moed. (Ps. 26)

Wantrouw niet, wijk niet af; maar geef standvastig lichaam en ziel tot Gods eer ten beste.

Ik zal zeer rijkelijk vergelden ; ik zal met u zijn in allen nood.

O E F E N I N G.

Bereid uwe ziel voor op de bekoring, zegt. de Wijze-man , dat is ; 1, stel uw geluk niet , in bevrijd te zijn van kwellingen, maar in die wél te verdragen; 2. stel u niet bloot aan de bekoring, noch aan de gelegenheden van zondigen ; maar indien gij u door de eene aangevallen en in de andere gewikkeld ziet, bied dan wederstand , strijd, vlucht en

20

-ocr page 310-

306 Dt NATOLOING VAN JF.SUS CHRISTUS, ueem met vertrouwen uwe toevlucht tot God : 3. waak, bid, verneder u voor God, en wees doordrongen van eeue ootmoedige vrees in zijne tegenwoordigheid , en van een heilig mistrouwen in uzelven , om al uwe sterkte te stellen in God, die u tegen de aanvallen van de vijanden uwer zaligheid zal verdedigen.

Eene oprechte ehristene ziel moet haar verblijf op Calvarië en in de wonden van Jesus Christus vestigen, om met geduld, met sterkte en getrouwheid de wederwaardigheden te lijden , welke Hij haar overzendt. Want om een ware Christen te ziju en de plichten van zijnen staat te volbrengen, moet men altijd bereid zijn om voor zijnen God te lijden en te sterven , aangezien de Christenpn, zoo als de heilige Cyprianus zegt, de erfgenamen van den Gekruiste zijn.

G E B E 1).

God! Gij zijt voor mij onuitputbaar in troost en schenkt mij dien naar behoefte. Neen, er is voor mij geene ware rust noch veiligheid , tenzij ik mij tot strijden gereed Koude en mij bereid toone alles om uwentwil te lijden. Zoo toch was het lot van uwe beste vrienden , en ik durf mij geen ander toezeggen. Welaan ! ik ben bereid , en wii mij dapper gedragen. Handel met mij volgens uwe belofte en laat mij niet alleen in den strijd.

-ocr page 311-

iii. boek. xxxvi hoofdstuk. S07

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen de ijdele beoordeelingen der menschen.

1. De Ilt-er. Mijn zcoq ! vestig uw hart vast op deu Heer en vrees des mensehen oordeel niet, wanneer uw geweten u goed en onschuldig houdt.

Het is goed en heilzaam dus te lijden , en dit zal niet zwaar vallen voor een nederig hart , dat meer op God dan O\'p zichzelven vertrouwt.

Velen spreken veel ; en daarom moet men rr weinig geloof\' aan hechten.

Ook is het niet mogelijk allen te voldoen.

Ofschoon Tan lus zocht allen in den Heere te behagen en allen alles werd, achtte hij het toch niet het minste door een mensche-lijk gericht geoordeeld te worden.

2. Hij heeft genoeg gedaan, zooveel in hem was en hij konde, tot stichting en heil van anderen ; maar hij koude niet belefteo, dat hij somtijds van anderen geoordeeld ja veracht werd.

Daarom gaf hij alles aan God over die alles wist, en verdedigde zich door geduld en ootmoed tegen den mond dergenen, die kwaadspraken , of het ijdele en valsche uitdachten en naar willekeur alles uitstrooiden.

Nochtans heeft hij somtijds geantwoord , opdat de zwakken niet door zijn stilzwijgen mochten geergerd worden.

-ocr page 312-

308 DE NA.VOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

3. Wie zijt gij, dat gij een sterfelijk mensch vreest? Heden is hij, en morgen verschijnt hij niet meer.

Vrees God. en gij zult der meuschen bedreigingen niet vreezen.

Wat vermag een mensch tegen u met woorden ot\' lasteringen ? Hij benadeelt zichzelven meer dan u, en, wie hij zij, Gods oordcel kan hij niet ontgaan.

Houd gij God voor oogen, en wil niet twisten noch klagen.

Al schijnt gij ook voor het tegenwoordige onder te liggen en onverdienden smaad te lijden, wordt daarom niet verstoord, noch verminder uwe kroon door ongeduld.

Maar zie liever hemelwaarte tot Mij, die machtig ben om u te redden uit allen smaad en beleediging en eenieder te vergelden naar zijne werken.

OEFENING.

Een Christen, die aan de lastertaal en boosaardigheid der meuschen is blootgesteld, mogen deze beproevingen eigenlijk welkom zijn, aangezien zij hem in de gelukkige noodzakelijkheid stellen, zijne toevlucht tot God, en niemand dan Hem tot getuige van zijn geweten te nemen. Want alhoewel wij overtuigd zijn, dat de achting oi\' versmading, de goede of kwade oordeelvellingen der meuschen , ons noch gelukkiger noch ongelukkiger maken, zoeken wij nochthans niet dan hunne goedkeuring te bekomen. Ach, waarom trachten

-ocr page 313-

itt. boek. xxxvti. ttoofpstuk. 309 wij ons niet veeleer te stellen in den geest en in liet hart van God, die Opperheer onzer eeuwigheid is!

GEBED.

Uw woord, o God ! is balsem voor mijn hart. Hoe vaak toch stoorde ik mij aan de beoordeelingen van anderen, zonder mijn oog tot TT te heffen en vandaar mijnen troost te ontleenen! Geen wonder alzoo , dat ik mij steeds in onrust bevond. Doe mij verstandiger worden, en laat het voorbeeld van uwen Apostel op mijn hart van eene krachtige werking zijn ! Dat mijn oog alleen op IJ gevestigd blijve; dan vrees ik niets; daar Gij mij een helper en redder zijt.

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over den zuiveren en gehcelen afstam! van zichzelven om de vrijheid des harten te bekomen.

1. De Heer. Mijn zoon! verlaat n, en gij zult Mij vinden.

Doe afstand van allen eigen zin en eigen wil, en gij zult altoos winnen.

Want zoodra gij u zult overgegeven hebben zonder terugtrekking, zal u grootere genade worden toegevoegd.

2. De Geloovigb. Heer! iioe dikwijls moet ik mij afstaan en waarin mij verlaten?

-ocr page 314-

310 de navolging van jf.SUS christus.

3. De Heer. Altoos en elk uur, in liet groote zoowel als in het kleine. Ik zonder niets uit, maar wil u van alles ontbloot vinden.

Hoe anders kunt gij de mijne en Tk de uwe zijn, zoo gij niet inwendig en uitwendig allen eigen wil uitgeschud hebt.

Hoe eer gij dat doet, hoe beter gij het hebben zult, en hoe volkoinener en oprechter, hoe meer gij Mij zult behagen en winst doen.

. Sommigen staan zich af, doch met zeker voorbehoud : want zij vertrouwen God niet volkomen en trachten daarom zichzelven le verzorgen.

Sommigen ook geven zicli aanstonds geheel aan Mij over; maar naderhand, als de bekoring hen overvalt, keeren zij tot het eigene terug, waarom zij in de deugd het minst niet vorderen.

Dezulke zullen niet tot de ware vrijheid van een. zuiver hart, noch tot de gunst mijner genoeglijke verkeering geraken, tenzij zij zich geheel hebben afgestaan, en dagelijks aan Mij opotferen, zonder hetwelk geene zalige vereenigiug met mij bestaat, noch kan bestaan.

5. Dikwijls heb Tk u gezegd en Ik herhaal het nogmaals: verlaat u, sta u af, en gij zult inwendig grooten vrede hebben.

Üeet\' alles voor alles, zoek niets, vorder uiets terug; houd n zuiver en zonder aarzeling aan Mij en gij zult Mij bezitten; gij

-ocr page 315-

III. BOEK. XXXVII. IIOOTDSTUK. 311 zult vrij zijn van harte en de duisternis zal u niet oveiacliaduwen.

Streef daarnaar, bid hierom en weusch dit, dat gij u van al het eigene moogt ontdoen, en naakt den naakten Jesus volgen, uzelven afsterven en voor Mij eeuwig leven.

Dan zullen alle ijdele voorstellingen slechte ontroeringen en overtollige zorgen verdwijnen.

Dan ook zal alle onmatige vrees wijken en de ongeregelde liefde sterven.

OEFENING.

Wat is ziehzelven verlaten, zich verzaken en zich geheel aan God overgeven, zonder iets te behouden? Het is: 1. niet handelen dan door de ingeving zijner genade, en door een werkelijk verlangen om Hem te behagen, welk verlangen zeer dikwijls moet gevoed en hernieuwd worden. 2. Zich geheel in alle gelegenheden aan God overlaten. en Zijne voldoening voor de onze stellen. 3. In alles zijnen eigen wil verzaken, om niet dan dien van God te volgen. 4*. Vermaak Fcheppen in het vermaak van Zijn hart, en in niets belang stellen dan in zijne verheerlijking. 5. Het is eindelijk, gehoorzamen aan de ingeving van den heiligen Geest en de bewegingen van zijne liefde volgen. Maar helaas l wie is er die alzoo leeft? wie is er, die zich alzoo verlaat en zich geheel zonder uitzondering aan God overgeeft? Men verlaat ziehzelven in eenige omstandigheden , en in andere blijft men aan zich verkleefd; men ver-

-ocr page 316-

812 T)E NA.VOT.GTNf» VAN JESUS CHRTSTTJS.

zaakt /.ichzelvfii voor eenen tijd, en later zoekt men zieh vveder. i)e geest des Heereu, zegt de koninklijke Profeet, trekt alleen door zekere zielen; maar hij houdt zich in deze op, en als hij wederkomt, kent hij zijne plaats niet meer; dat is, dat hij eene ziel ontmoet, die meer aan zich dan aan haren God is overgegeven.

GEBED.

Nog veel, o God ! blijft mij over te doen, eer mijn hart eene volkomen vrijheid bezit. Ik moet van mijzelven als uitgaan en mij geheel, met alles wat mij betreft, aan U overgeven. Ik zie de waarheid van uwe vermaning in ; maar ik gevoel te gelijk mijne zwakheid. Overwin die door uwe almogende genade. Dat mijne eigenliefde zich in uwe liefde geheel verlieze, en dat uwe zalige ver-eeniging mij alle opoftering vergoede.

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over een goed bestuur in het uitwendige, en hoe men in gevaren zich tot God moet begeven.

1. De Heer. Mijn zoon! vlijtig moet srij daarnaar trachten, dat gij overal en in alle handeling of uitwendige bezigheid inwendig vrij en uzelven meester blijft, dat alles aan u onderworpen zij , en gij aan niets.

-ocr page 317-

III. BOFK. XXXVIIT. HOOFDSTUK. 313

Daardoor zult gij heer en bestuurder van uwe daden zijn, geeu dienstknecht of «laai\'; maar liever een vrij en waar Hebreër, tot het erfdeel en de vrijheid van Gods kinderen overgebracht.

Die zich verheften hoven het tegenwoordige en op het eeuwige zien; die het voorbijgaande met het linker oog beschouwen , en het hemelsche met het rechter; die zich door het tijdelijke niet laten trekken , om daaraan te hechten; maar het veelmeer trekken, opdat het wel diene, zooals het door God verordend en door den oppersten werkmeester ingesteld is, die in zijne schepselen niets ongeregelds overliet.

2. Indien gij u ook bij alle gebeurtenis niet ophoudt bij den uiterlijken schijn , noch hetgeen ?ij ziet of hoort, meteenvlee-schelijk oog beschouwt; maar terstond bij iedere zaak met Mo zes in den tabernakel treedt, om den Heer raad te vragen , dan zult gij somtijds een goddelijk antwoord vernemen en over vele tegenwoordige en toekomende zaken ingelicht terugkeeren.

M o z e s immers nam altoos ter oplossing van twijfelachtige en ingewikkelde zaken tot den tabernakel zijne toevlucht en zocht hulp in het gebed, om uit de gevaren en de kwaadwilligheid der menschen gered te worden.

Zoo ook moet gij uw toevlucht nemen tot de geheime kamer uws harten, om den god-delijken bijstand vurig af te smeeken.

Want wij lezen dat Jozue en de kindereu Israels door de Gabaonïeten zijn misleid

-ocr page 318-

314 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS, geworden, omdat zij niet tevoren den mond des Heeren om raad hadden gevraagd, maar vleiende taal te licht geloovendc, zich door valsch mededoqgea lieten verleiden.

oefening.

De uiterlijke bezigheden trekken de ziel dikwijls tot het uitwendige, en beletten haar ingekeerd te zijn en zich voor Gods tegenwoordigheid Ie houden, voornamelijk als men zich geheel aan die uitwendige zaken overgeeft, zonder zijn hart vrij en aan den Heer gehecht te houden. Indien men echter zich met die uitwendige bezigheden niet ophoudt , dan om hierdoor den wil van God te volbrengen, welke ze ons oplegt, dan is men er niet in verstrooid en doet in die onderscheidene bezigheden slechts ééne zaak , namelijk Gods wil bevredigen. Men heeft altijd den vrede , als men altijd vergenoegd is; men heeft dien altijd, als men alles heeft wat men verlangt ; en men heeft dien altijd , als men slechts aau God tracht te behagen. Derhalve kunnen al die uitwendige werken eene ziel niet verstrooien, die alles tot de eenheid brengt, dat wil zeggen, die niet zoekt dan den lieer te behagen, en die alles in Hem vindt.

G E B E T).

Hoe vele atieidiugen, o God ! heb ik in dit leven te bestrijden, eer ik eene zoozeer gewenschte vrijheid geniete ! Wil ik waarlijk

-ocr page 319-

iii. bof.k. xxxix. HOOFDSTUK. 315 vrij /,iju , dan moet ik, ook vau a! mijne verrichtingen, meester blijven; maar acli , hoe vaak ben ik daarvan de slaaf! Dat uwe vermaning mij ter harte ga. Dat ik bij alles wat ik onderneem, met U raadplege en uwen raad opvolge. Dit zal mij voor bedrog bewaren en omtrent vele zaken inlichten.

NEGEN EN DEKTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zich over zijne zaken niet mag kwellen.

1. De Heer. Mijn zoon ! vertrouw mij altoos uwe zaak toe; Ik zal op zijnen tijd wel beschikken.

Wacht mijne beschikking af; en gij zult daarbij voordeel vinden.

3. De Geloovge. Heer! gaarne genoeg vertrouw ik U alle zaken toe : want. mijne overlegging kan weinig baten.

O, mocht ik aan toekomende gebeurtenis-sen niet veel hechten, maar mij bereidwillig aan uw welbehagen overgeven !

3. De Heer. Mijn zoon l dikwijls is de mensch zeer bekommerd over iets, dat hij verlangt; maar heeft hij het bekomen, hij begint er anders over te denken : want de neigingen blijven niet altoos bij hetzelfde ; maar drijven eer van het eene tot het andere.

Het is dus niet gering, ook in het geringste zichzelve.n te verloochenen.

4. \'s Menschen ware voortgang bestaat in

-ocr page 320-

316 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, zelfverloochening, en ecu zichzelven verloo-ciienend mensch is zeer vrij en veilig.

Maar de onde vijand, al het goede wederstrevende, laat niet al\' te hekoren, maar legt tlag en nacht gevaarlijke lagen , om den on-behoedzame in zijn bedrieglijk net te kunnen verstrikken.

Waakt en htdi, zegt de Heer, opdat pij met in heJcoring komt. (Matth 20.)

OEFENING.

Te vergeefs is men voor het toekomende bekommerd, en laat men den moed zinkeu op het aanzien zijner ellende; alle» bestaat, met zich in alles op God te verlaten, en op Hem te rekenen, in zich aan zijnen wil over te geven, en niet te ontzien om aan Hem te behagen. Het gebeurt dikwijls, dat God wil of toelaat , dat wij ons in eenen staat bevinden, waarin wij vermeenen dat alles verloren is , om ons te verplichten in Hem alleen al ons vertrouwen te stellen. Immers, hoe minder ouderstand wij bij de schepselen ontmoeten, des te meer vinden wij er bij God, die liet zich tot eer rekent en er vermaak in schept ons bij te staan, als men zich in alles op Hem verlaat. Laat ons dan trachten al de ongerustheden opzichtens onze zaligheid in het hart van onzen Zaligmaker over te storten, overtuigd zijnde , dat Hij er zorg voor draagt: eu laat ons alles aanwenden , om aan zijne inzichten te beantwoorden • door onze getrouwheid in het volgen derzelve.

-ocr page 321-

111. boek. xl. hoofdstuk. 317

r e 13 e 1).

Kau ik, o God! wel aan iemand mijne belangen beter toevertrouwen, dan aan U ? Zelfs de geringste uwer schepselen ontgaat uwe Vaderzorg niet; en .k, uw edelst schepsel , zoude mij niet aan IJ toevertrouwen ? Hoe dikwijls mocht ik niet de teederste blijken ontwaren, dat Gij in alles uwe kinderen gadeslaat en hun welzijn beoogt! Boezem mij dan een kinderlijk vertrouwen in; dat ik alles aanU overgeve en mij aan uwe beschikkingen onderwerpe.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat de mensch uit ziehzelven niets goeds heeft en over niets kan roemen.

]. De Geloovige. Heer ! wat is de mensch , dat Gij zijner gedenkt? of des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt? (Ps. 8.)

Welke verdienste heeft de mensch , dat Gij hem uwe genade bewijst ?

Heer! hoe kan ik klagen als Gij mij verlaat? of wat kan ik billijk inbrengen, wanneer Gij niet duet hetgeen ik verzoek ?

Ja zeker, dit kan ik met waarheid denken en zeggen ; Heer! ik ben niets, ik kan niets , ik heb niets goeds van mij zeiven, maar schiet in alles te kort en streef altoos naar het niets. En zoo gij mij niet helpt en inwendig versterkt, wordt ik geheel lauw en los.

-ocr page 322-

31 S DE NAVOLGING- VAN JESUS CHRISTUS

?. Maar gij, o Heer! zijt altoos dezelfde, (Ps. 101) en blijft eeuwig, altoos goed, rechtvaardig en heilig in alles wat Gij doet, en alles met wijsheid beschikkende.

Maar ik, die meer overhel tot afwijking dan tot vordering, blijf niet lang inden zelfden staat volharden: want ik ben veelvuldige verandering onderhevig.

Nochtans wordt het ras beter ; als het U behaagt en Gij de behulpzame hand biedt: want Gij alleen kunt zonder menschelijke hulp helpen en zoo versterken, dat mijn gelaat niet meer gedurig verandere, maar dat mijn hart tot U alleen zicli wende en in U alleen rnste.

3 Daarom, wist ik allen menschelijken troost weg te geven , hetzij ter verkrijging van godsvrucht , hetzij uit noodzakelijkheid, die mij aandrijft U te zoeken, daar geen mensch mij troosten kan dan /.oude ik terecht o]) uwe genade kunnen hopen en mij verblijden over het geschenk eener nieuwe vertroosting.

U zij dank , van wien alles komt, zoo dikwijls het mij wèl gaat.

Ik immers ben voor U ijdelheid en niets, een onstandvastig en zwak mensch.

Waarop kan ik dan roemen P Of waarom wensch ik te worden geroemd ? Om een niet? dat ware de grootste ijdelheid,

4. Waarlijk , de. ijdele roemzucht is eene erge pest, eene, zeer groote ijdelheid : want zij trekt af van den waren roem en beroofd van de hemelsche genade.

-ocr page 323-

nr. BOEK. XL. HOOTDSTUK, 310

Want zoolang de mensch zichzelvfii behaagt , mishaagt hij IJ, en zoolang hij jaagt naar menschenlol\', is hij van ware deugd beroofd.

5. Maar de ware roem en heilige blijdschap is in U te roemen en niet in zichzel-ven , zich te verheugen in uwen naam, niet in eigen deugd , en geen genoegen in eenig schepsel te nemen tenzij om U.

Uw naam worde geloofd niet de mijne; uw werk worde verheerlijkt, niet het mijne; uw heilige naam worde gezegend , maar mij worde van \'s menschen lof niets toggeëigend.

Gij zijt mijn roem, Gij de vreugde mijns harten. In IJ zal ik roemen en mij verblijden den geheelen dag; doch voor mij is geen roem (fan in mijne zw alt heden. (2, Oor. 12)

6. Dat de Joden roem van elkander zoeken ; ik zal dien zoeken , die alleen van God is.

Want alle. menschelijke roem , alle tijdelijke eer; allewereldsche grootheid, vergeleken bij uwe eeuwige heerlijkheid , is ijdelheid en dwaasheid.

o Mijne waarheid en barmhartigheid! mijn God! gelukzalige Drieëenhrid! TJ alleen zij lof, eer, kracht en heerlijkheid tot in de eindelooze eeuwen der eeuwen.

oy.FE N l N G.

Ik gevoel mijne ellende , die mij ongeschikt maken tot eenig bovennatuurlijk goe.l en bekwaam tot alle kwaad ; maar ik offer ze op aan eenen barmhartigen God, die veel van

-ocr page 324-

320 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, weinig , en alles uit mei kan maken. Derhalve is liet niet genoeg te weten, dat ik niet uit mijn eigen ben, en mij niet dan in U moet beroemen , o mijn God ! maar het gewichtigste is , in de gelegenheden, de heilige b?wegingen van ootmoedigheid en vertrouwen in U te volgen , aan wien niets onmogelijk is. Als ik ze niet bij de menschen vind, dan word ik tot de gelukkige noodzakelijkheid gebracht mijne toevlucht tot God te nemen en van Hem af te hangen. Gelukkig beu ik. Heer ! als mij alles buiten U ontbreekt, om alles in U te vinden. O, hoewel heeft de heilige man Job gezegd : Uwe oogen zijn op mij gevestigd, en ik zal in mij niet meer bestaan. Want als ik aan U denk, o mijn God ! gevoel ik in mij een vurig verlangen om aan U te behagen , en alles verdwijnt voor mijne oogen , zoodra Gij in mijn hart verschijnt.

G E B E 1).

Ja, mijn God! wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt? Wat is \'s menschen zoon, dat Gij hem zoo gunstrijk bezoekt ? Wat heb ik, dat Gij zoo genadevol op mij nederziet? Niets heb ik van mijzelven, waarop ik mij voor ü zoude kunnen beroemen. Dat dan geene ij dele roemzucht bij mij wone ; dat ik mij in IJ alleen beroeme, en over de goedheid , mij betoond. TJ alleen zij lof en eer en dankzegging in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 325-

iii. boek. xli. hoofdstuk. 3*21

KEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de versmading van alle tijdelijke eer.

1. De Heer. Mijn zoon! trek het u niet aan als gij anderen vereerd en verhoogd ziet, maar nzelven veracht en vernederd.

Verhef uw hart hemelwaarts tot Mij, eu het zal u niet bedroeven op aarde van de menschen veracht te worden.

2. De Geloovige. Heer! wij zijn verblind eu worden ras door de ijdelheid verleid.

Wanneer ik mijzelven recht beschouw, dan is mij nog nooit door eenig schepsel onrecht gedaan : derhalve heb ik ook geen reden om mij voor U te beklagen.

Integendeel, omdat ik tegen U dikwijls en zwaar gezondigd heb, wapent zich met recht alle schepsel tegen mij.

Mij komt dus terecht smaad eu verachting toe, maar U lof eer en heerlijkheid.

En tenzij ik mij daartoe bereide, om gaarne van alle schepsel veracht, verlaten en volstrekt voor niets gehouden te worden, kan ik niet inwendig bevredigd, noch uaar deu geest verlicht, noch volkomen met U veree-nigd zijn.

o e f e n i n g.

Het gezicht van God op ons moet eenen diepen eerbied voor te weeti- brengen ,

21

-ocr page 326-

322 DE NAVOLGTNfr VAN JESUS CHRFSTUS. en de oosren onzer ziel opheffende tot God , moet ous dit volkomen vertrouwen op Hem inboezemen. God ziet mij; hoe zou ik Hem kunnen vergiammen, als ik op Hem denk? Tk aanzie God : hoe zou ik kunnen moedeloos worden als ik aan Hem denk? God!..... ziedaar wat toereikend moet wezen om in alle ongenoegen eene oprecht ehristene ziel te troosten, aangezien zij God meer om Hem, dan om zichzelven moet beminnen. Maar God is mijn Vader; is er iets meer noodig om al mijne ongerustheden te stillen? En is het niet genoeg te denken, dat hij de goedheid zelve is, om zich op»Hem te verlaten en op Zijne zorg te rekenen? Hij kent, bestuurt, schikt alles voor mijne zaligheid : kan die zaligheid beter zijn dan in het hart van mijnen Zaligmaker?

GEBED.

Mocht, o God ! deze waarheid mij wèl ter harte gaan, zoo dikwijls ik de verachting mijner mede.menschenontwaar! Neen, eigeu-lijk geschiedt mij geen onrecht, daar de overtredingen waaraan ik mij voor U schuldig bevind, zoo groot en menigvuldig zijn, en de billijkheid dezer tuchtiging bewijzen. Leer mij dan meer en meer den staat mijns harfen kennen, en in den vuuroven geduldig zijn , opdat ik daaruit gelouterd te voorschijn kome.

-ocr page 327-

iti. boek. xltt. hoofdstuk. 323

TWEE EN VEERTIGSTE HO O ED STUK.

Dat men zijnen vrede niet bij de menschen moet zoeken.

1. De Heer. Mijn zoon ! indien gij uwen vrede op eenig mensch bouwt, omdat hij met u van éen gevoelen is en met n wel weet te leven, gij zult onbestendig en onrustig zijn.

Maar neemt gij uwen toevlucht tot de steeds levende en bestendige waarheid, geene scheiding of dood van eenen vriend zal u bedroeven.

In Mij moet de liefde van eenen vriend gevestigd zijn, en om mijnentwil moet gij beminnen eenieder, die u als goed voorkomt en in dit leven bijzonder dierbaar is.

Zonder Mij is geene vriendschap goed noch duurzaam; en het is geene ware en reine liefde, waarvan Ik niet den band toehale.

Gij moet soortgelijke genegenheden voor geliefde personen zóo afgestorven zijn, dat gij, wat u aangaat, allen omgang met menschen zoudt willen derven.

Hoe verder een mensch zich van allen aardschen troost verwijdert, hoe meer hij God nadert.

Ook hoe dieper hij in zich nederdaalt en hoe geringer hij bij zichzelven wordt, hoe hooger hij tot God opklimt.

2. Maar wie zichzelven iets goeds toeschrijft , bilet Gods genade tot hem te komen:

-ocr page 328-

04t VtL «AVUl^ltlWtr VAiN Jlïnua L;nK.19TUSa

want de genade des Heiligen Geeates zoekt altoos een nederig hart.

Wist gij volkomen te vernietigen en van alle liefde tot het geschapene te ontledigen, Ik zoude in u met groote genade nederdalen.

Wanneer gij uw oog op de schepselen vestigt ; wordt u de aanblik des Scheppers onttrokken.

Leer u in alles, om des Scheppers wil , overwinnen; dan zult gij tot de kennis van God kunnen komen.

Hoe gering ook iets zij , wordt het ongeregeld bemind of begeerd, het houdt van het hoogste goed af en besmet.

OEFENING.

Hoe dieper men in den afgrond van zijn\' niet nederdaalt, des te meer verheft men zich in het hart van den Schepper; dat wil zeggen, dat men in de oefening 1, zich klein, ootmoedig en afhankelijk van God moet maken, om zich in zijn hart te vestigen; 2. dat, hoe meer ellenden men in zich gevoelt, men ze des te meer in den schoot van Gods barmhartigheid moet brengen en uitstorten; 3. dat, hoe minder men in zich het goede bevestigd ziet, hoe meer men zich voor God moet verootmoedigen, met alles van zijne goedheid af te wachten; 4?. dat \'s menschen hart zich niet moet hechten dan aan zijnen God, zijne plichten en zijne zaligheid; en dat hij moet trachten niette beminnen, dan ketgene hij altijd zal beminnen, en beginnen

-ocr page 329-

III. BOEK. XLIII. HOOPDSTUK. 825 met in zijn leven te doen , wat hy in de eeuwigheid moet voortzetten. Alle vriendschap, die niet in en om God is, is berispelijk , aangezien wij God moeten beminnen, en Hem alleen van ganscher harte beminnen. Men moet dan zijn hart vrij en onthecht van alles behoeden, om het niet te houden dan met God, die alleen het middenpunt onzer harten is, en ze alleen kan bevredigen.

GEBED.

Ook deze vermaning, o God! is voor mij belangrijk. Mocht ik ze steeds ter harte nemen ! Hoe dikwerf toch stel ik mijn vertrouwen op menschen en zoek ik in hunne vriendschap mijnen troost, zonder naar dien troost om te zien welke alleen van U komt. Dat niet langer deze lichtzinnigheid mij beheer-sche. Wees gij mijn dierbaarste vriend, mijn beste trooster. Dat aan viw bezit alle vrienden, ja alle schepselen opgeofferd worden. Waarlijk als ik U bezit, heb ik genoeg.

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen de ij dele wetenschap der wereld,

1. De Heer. Mijn zoon! laat u niet vervoeren door de schoone en spitsvondige redenen der menschen, wani niet in woorden waar in kracht is het Godsrijk. (1. Cor. 4.)

Lef. op mijne woorden, die het hart ont-

-ocr page 330-

326 DE NATOLO-ING- VAN JESUS CHRISTUS, steken en den geest verlichten; die het gemoed vermorzelen en velerhande troost verschaffen.

Lees nooi\'j iets om geleerder en wijzer te kunnen schijnen; maar leg u toe om uwe gebreken te dooden. Dit zal u meer nut doen, dan de kennis van vele moeielijke vraagstukken.

2. Na veel gelezen en verstaan te hebben , moet gij altoos tot het eenige grondbeginsel terugkomen.

Ik ben het, die den mensck wetenschap leery ( Ps. 93.) en aan de kleinen helderder doorzicht geef, dan men van menschen bekomen kan.

Hij, tot wien Ik spreek, zal ras wijs zijn en in den geest grooten voortgang maken.

Wee hun , die naar vele vreemde dingen onderzoek doen bij de menschen, en er zich weinig over bekommeren hoe zij Mij moeten dienen.

De tijd zal komen dat de Meester der meesters, Christus, de Heer der Engelen, verschijnen zal om allen de les te overhoo-ren , dat is ; om elka geweten te onderzoeken.

En dan zal Jeruzalem met fakkelen worden doorzocht; ; (Soph. 1.) dan zal het gene in de duisternis verborgen was, aan het licht Iwmen, en de menschelijTce redeneeringen zullen verstommen^ (1. Cor. 4.)

3. Ik beu het, die den nederigen geest in éen oogenblik zój verhelquot;, dat hij van de eeuwige waarheid meer begrijpt, dan wanneer

-ocr page 331-

III. BOEK. XLIII. HOOFDSTUK. 327 hij zich tien jaren lang in de scholen geoefend hadde.

Ik onderwijs zonder gedruisch van woorden , zonder verwarring van gevoelens, zonder eerzucht, zonder redetwist.

Ik ben het, die leer het aardsche verachten, van het tegenwoordige walgen, naar het eeuwige zoeken, het eeuwige smaken, eerbetoon vluchten , ergernis dragen , alle hoop op Mij stellen, niets buiten Mij begeeren en Mij boven alles vurig beminnen.

Want door Mij innig te beminnen leerde iemand het goddelijke kennen en daarover wonderlijk spreken.

Door alles te verlaten vorderde hij meer dan door zich op spitsvondigheden toe te leggen.

Aan sommigen nu zeg Ik algemeene, aan sommigen bijzondere zaken; aan sommigen openbaar Ik Mij zachtelijk, door teekenen en beelden: aan anderen stel Ik de geheimen in een groot licht voor-

De stem der boeken is wel dezelfde; maar zij onderwijst niet allen gelijkelijk: want Ik hen de inwendige le.eraar der waarheid, de doorzoeker des harten, de kenner der gedachten , de bevorderaar der daden, eenieder gevende wat Ik billijk acht.

OEFENING.

God deelt zich weinig mede aan de trotsche en laatdunkende gemoedereu, die een ijdel zelfbehagen gevoelen, omdat zij Hem de eer

-ocr page 332-

328 DE Nl-VOLG-ING- VAN JESUS CHEISTDS. outnemen, welke Hem alleen toekomt. Maar hij deelt zijne vurigste en krachtigste genaden aan de ootmoedige zielen uit, die, zich zeiven mistrouwende en , in zich niet dan gebreken en ellenden ontmoetende, alleen steunen op Hem , die haar zijne liefde kan doen waardig worden.

Waartoe dient het eene christene ziel, de zaken van den godsdienst te bestudeeren en te kennen, wanneer zij zich niet toelegt om ze in het werk te stellen ? Waarop komen zoo vele twistredenen aangaande de kracht en werking der genade uit, wanneer men niet alles aanwendt om hieraan getrouw te wezeo , en nauwkeurig de ingevingen van den heiligen Geest te volgen ? Men weet genoegzaam , hetgene Jesus Christus in het Evangelie voorhoudt, dat diegene, die zegt; Heer! Heer! in het rijk der hemelen niet zal komen, indien hij in alles den wil van God niet tracht te volbrengen en de deugden van zijnen staat te beoefenen. Men weet dit , en nochtans doet men er meer noch minder om.

GEBED.

Uw woord is waariieid, mijn God! al mijn lezen en onderzoeken is ijdel, tenzij Gij mijn hart bestraalt, ©ij moet tot mij spreken, zal ik nut doen met hetgeen ik leef». Hij , tot wien Gij spreekt, wordt ras wijs en verlicht. Schenk mij dan dat licht, hemelsche leeraar! Eeuwige waarheid ! open mijn hart voor uwen invloed, en doe mij voortgang maken in die

-ocr page 333-

iii. boek. xliv. hoofdstuk. 329 heilzame kunst., van welker beoefening mijn zedelijke volmaking en hierna mijne zaligheid afhangt.

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zich het uitwendige niet 7/10et aantrekken.

1. Df. Heek. Mijn zoon! omtrent vele dingen moet Gij onwetend blijven en u aanzien als een doode op aarde, voor wien de geheele wereld gekruisigd is.

Ook moet gij veel met doove ooren voor-hijgaan, en liever bedenken hetgeen u tot vrede dient.

Het is nuttiger de. oogen af te wenden van hetgeen mishaagt en eenieder zijn gevoelen te laten, dan zich met woordentwisten op te houden.

Zoo gij wèl staat met God en op zijn oordeel ziet, gij zult te lichter verdragen overwonnen te zijn.

3. ük Geloovige. Acli , Heer! waartoe zijn wij gekomen ! Zie , om een tijdelijk verlies weent men ; men arbeidt en draaft om eene geringe winst , en geestelijke schade vergeet men, en nauwelijks komt men laat daarop terug.

Men let op hetgeen weinig of in het geheel geen nut doet , en hel hoogst noodzakelijke loopt men nalatig voorbij.

Want de mensch geeft zich geheel aan het

-ocr page 334-

330 DE NAVOLamp;INamp; VAN JESUS CHRISTUS, uitwendige over, en tenzij hij zich ras bezinne, blijft hij gaarne in het uitwendige liggen.

OEFENING.

Zich aanzien als een persoon, die aan de wereld gestorven en gekruist is , is: 1. zich aan niets hechten dan aan God, aan zijne plichten en aan zijne zaligheid : 3. alle dingen in het voorbijgaan zien en tot zichzelven zeggen : heden ben ik hier, morgen zal ik er niet meer zijn. Wat zullen voor mij die eer, die rijkdommen, die voldoening in het uur des doods wezen? Hetgene ik wil, is, dat zij voor mij zijn gedurende mijn leven.

Gelukkig de Christen, wiens hart aldus voor het lichaam sterft, en die dagelijks met verdienste aan eene der zaken tracht te sterven, welke hij in zijnen dood moet verlaten! Die gelukkige stervende, is zeker eens wèl te sterven.

Men beweent een tijdelijk verlies, men houdt er zich gedurig mede onledig, het kost moeite om er over getroost te worden : en men vergeet, dat men zijne ziel verliest, voor welker verlies men ongevoelig is, en hetgene alleen eenen Christen zou moeten troffen. Dat is te zeggen, o mijn God! dat alle men-Bchen geen goed dan met spijt verliezen, en dat er niets is dan TJ , die het opperste zijl, dien zij zonder droefheid verliezen.

gek f. d.

Ook ik, mijn God, mag uitroepen : waar-

-ocr page 335-

iii. bokk, xlv. hooidstuk,, 381 toe ben ik gekomen! Nog heeft het zinnelijke bij mij de overhand. Het geringste tijdelijk verlies gaat mij ter harte, en wat het verlies mijner ziele, de hoofdzaak, betreft, dat trek ik mij weinig aan. Hoever ben ik van mijne bestemming afgeweken! Open mijne oogen, breng mijn hart van het zinnelijke tot het bovenzinnelijke over. Wat kan mij de geheele wereld baten, als ik schade aan mijne ziel lijde ?

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men niet aan allen geloof mag

geven, en over het licht struikelen in woorden.

1. Dk Geloovige. Schenk Gij, o Heer! ons redding uit den nood: want menschenhulp is ijdelheid. ( Ps. 59)

Hoe dikwijls vond ik geene trouw, waar ik ze dacht te vinden !

Hoe dikwijls vond ik ze ook, waar ik het niet vermoedde!

IJdel is dus de hoop op menschen: bij U, o God! is der rechtvaardigen heil.

Wees Gij dan, Heere mijn God! gezegend in alles, wat ons overkomt. Wij zijn zwak en onbestendig; licht worden wij bedrogen en veranderen wij.

2. Wie is de man, die zich in alles zoo omzichtig en behoedzaam weet te gedragen, dat hij niet somtijds tot eeuige misleiding of verlegenheid vervalle ?

-ocr page 336-

332 DE NAVOLG-ING- VAN JESUS CHRISTUS.

Maar wie, o Heer! op U vertrouwt en IJ met een eenvoudig hart zoekt, valt zoo licht niet.

En al komt hij in eenig lijden, op welk eene wijze hij ook ingewikkeld worde, hij zal toch schielijk door U gered of vertroost worden : want Gij verlaat dengene niet, die op U ten einde toe vertrouwt.

3. Zeldzaam is een trouwe vriend , die bij al de rampen zijns vriends standvastig blijft.

Gij, o Heer, Gij alleen zijt in alles de allergetrouwste en buiten U is er zoo geen.

O, hoe recht wijs was die heilige ziel, welke zeide: mijn hart is bevestigd en in Christus gegrondvest! (S. Agatha.)

Ware het zoo met mij gesteld, geene men-schenvrees zoude mij zoo licht kwellen en geene bitse woorden mij ontroeren.

Wie kan alles voorzien ? Wie de toekomende rampen voorkomen ?

Zoo ook hetgeen men voorzag dikwijls grieft , hoe zwaarder zal niet het onvoorziene treffen ?

4-. Maar waarom heb ik mij ellendigen niet, beter verzorgd? Waarom ook heb ik anderen zoo licht geloofd ?

Maar wij zijn meuschen en niets meer dan brooze menschen, al worden wij ook door velen als Engelen aangezien en aldus genoemd.

Wien dan, o lieer, zal ik gelooven? Wien anders dan ÏJ ? Gij zijt de waarheid die niet bedriegt, noch bedrogen kunt worden.

Daarentegm is alle mensch leugenachtig,

-ocr page 337-

III. BOF.K. XLV. HOOFDSTUK. 333

(Ps. 115) zwak, onbestendig: en licht struikelende, vooral in woorden, zoodat men nauwelijks aanstonds gelooven raa^, hetgeen op het eerste oogenblik als waarneid schijnt te klinken.

5. Hoe wijselijk hebt Gij vermaand , zich voor de menschen te wachten , en dat ook menschen huisgenooten zijne vijanden zijn; (Matth. 10) en dat men niet gelooven móest zoo iemand zeide : Zie, hier of daar is hij! ( Matth. 24lt;.)

Door mijne schade heb ik geleerd, en ach, mocht het mij zijn tot grootere voorzichtigheid en niet tot nieuwe dwaasheid.

Wees omzichtig,quot; zegt iemand; „ wees omzichtig; houd voor u wat ik u zeg.quot; En terwijl ik zwijg en het verborgen acht, kan hijzelf niet zwijgen hetgeen hij gebood te zwijgen; maar aanstonds verraadt hij mij en zich zeiven en gaat henen.

Behoed mij, o Heer! voor zulke snapachtige en onvoorzichtige menschen ; dat ik niet in hunne handen valle , of ooit zelf zoo handele.

Leg in mijnen mond ware en overander-lijke woorden en geef mij een grooten afkeer van eene arglistige tong.

Wat ik niet lijden mag, daarvoor moet ik mij allezins wachten.

ö. O, hoe goed en vredebevorderend is het van anderen te zwijgen en niet onverschillig alle» te gelooveu , noch te licht, te verspreiden, zich bij weinigen uit t\'; laten en steeds naar ü, den kenner des harten,

-ocr page 338-

334 BE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, om te zien; zich niet door allen wind van woorden te laten ontvoeren, maar te wen-schen dal al hetgeen in en buiten ons is naar het welbehagen van uwen wil geschiede!

Hoe veilig is het ter bewaring van de he-melsche genade de vertooning onder de raen-schen te ontwijken, niet te verlangen naar hetgeen van buiten verwondering schijnt te baren, maar met alle vlijt datgene na te jagen, wat verbetering van leven en ijver bevordert!

Hoevelen was het schadelijk dat hunne deugd bekend en te vroeg geprezen werd •

Hoe nuttig daarentegen de genade stilzwijgend te hebben bewaard in dit gebrekkige leven, dat geheel in bekoring en strijd wordt doorgebracht.

OEFENING.

Wat is, op Jesus Christus gegrond en in Hem sterk gevestigd zijn, zoo als de heilige Agatha in hare pijnigingen zeide ^ Het is 1. zich op Hem alleen vertrouwen en slechts op Hem rekenen; want men mag bijna op de beloften der menschen geen staat maken ; 2. het is : zijne genade en liefde stellen boven de vriendschap en achting van alle stervelingen der wereld; want er is geen waarachtig goed, dan in vriendschap te zijn met zijnen God ; 3. het is, dikwijls met Hem in onze ziel handelen , tot Hem met vertrouwen in alle kwellingen onze toevlucht nemen, en ons hart, om zoo te zeggen, vor-

-ocr page 339-

Ill TiOrK. XLVI. TIOOFPSTUK. 335 men om Hem to beminnen, opdat wij in het oogenblik des doods, wanneer wij voor Hem moeten verschijnen, in Hem eenen Vader van barmhartigheid ontmoeten en eenen Zaligmaker, dien wij reeds gekend en bemind hebben, en niet eenen vreeselijken Rechter en onbekende God , die tot ons zou zeggen: gij hebt u niet toegelegd om mij tijdens uw leven te kennen en te beminnen : Ik ken u niet om Mij toe te behooren, en gij zult niet voor mij in eeuwigheid wezen.

6 e b e 1).

fk kan, o God! uwen raad niet genoeg ter harte nemen, dat ik mij voor de men-schen moet wachten. Neen, ik mag hun niet lichtzinnig geloof geven, noch onbepaald vertrouwen schenken. Zij zijn als de wind aau verandering onderhevig; en wat is hun bijval anders dan eene ijdele schaduw ? Trek mijn hart van dat ijdele, onbestendige af, en doe mij in alles op mijne hoede zijn. Dat ik op U vertrouwe, Uquot; met een oprecht hart zoeke; ik zal mij daarbij wèl bevinden.

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men bij scherpe ivoor den op God moet vertrouwen,

1. De Heeh. Mijn zoon ! sta vast en hoop op Mij : wat toch zijn woorden dan woorden?

-ocr page 340-

336 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS. Zij vliesen door de lucht, maar bewegen eeueu steen niet.

Zijt tfij schuldig, denk dat gij u gaarne beteren wilt.

Zijt gij u niets bewust , denk dat gij dit gaarne voor God wilt verdragen.

liet is weinig genoeg dat gij somtijds woorden verdraagt, gij , die nog geeue zwaardere slagen kunt verduren.

En waarom treffen u zulke kleinigheden tot in het hart, tenzij omdat gij nog vlee-selielijk zijt en meer let op de mensehen dan behoort: want omdat gij vreest veracht te worden , wilt gij u niet over uwe verkeerd.-heden laten berispen, en zoekt gij de schaduw der verontschuldiging.

2. Maar beschouw uzelven beter, en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft en de ijdele zucht om den menschen te behagen.

Want, dat gij niet wilt vernederd noch over uwe gebreken beschaamd worden , bewijst dat gij noch waarlijk nederig zijt, noch der wereld recht afgestorven, nocli dat de wereld voor u gekruisigd is.

Maar hoor naar mijn woord , en gij zult u aan geen tienduizend woorden van menschen storen.

Zie, al wierd tegen n gezegd alles wat men boosaardigst verzinnen kan, wat nadeel zoude het u doeu , zoo gij dat liet voorbijgaan en het niet meer dan een strontje teldetP

Zoude hel u ook een haartje kunnen uittrekken P

-ocr page 341-

III. BOEK. ILVI. HOOTDSTUK, 337

3. Maar wie zijn hart niet ingekeerd noch God voor oogen heeft, wordt licht door een .smaadwoord ontroerd.

Doch die op Mij vertrouwt en niet op zijn eigen gevoelen wil staan, zal zonder menschenvrees zijn.

Want Ik ben de rechter en kenner van alle geheimen. Ik weet hoe de zaak is geschied; Ik ken den beleediger en dien het verdraagt.

Van Mij is dat woord uitgegaan, door mijne toelating is dat geschied, opdat de gedachten van veler harten zouden geopenbaard worden. (Luc. 3.)

Ik zal den schuldige en den onschuldige oordeelen; maar beiden wilde ik eerst door een heimelijk oordeel beproeven.

4. Der menschen getuigenis bedriegt dikwijls ; mijn oordeel is waarachtig; het zal standhouden en niet omvergeworpen worden.

Meestal is het verborgen en bij weinigen tot in het bijzondere gekend; het faalt nochtans nimmer en kan ook niet falen, al schijnt het in der dwazen oog niet billijk.

Bij alle oordeel dan moet men zijne toevlucht tot Mij nemen en nooit op eigen goeddunken steunen.

Want de rechtvaardige zal niet gestoord worden y wat hem ooh van Gods wege over-kome. (Prov. 10)

En al wordt iets ten onrechte tegen hem ingebracht, hij /,al zich dat niet veel aan 1 rek ken.

Maar ook zal hij zich op goede gronden 22

-ocr page 342-

338 de navolging van jesus christus, niet ijdel verblijden, al w^rdt hij door anderen verschoond.

Want hij overweegt dat Ik die harten en nieren doorzoek, ( Apoc. 3.) niet oordeel naar het uiterlijke van den menschelijken schijn.

Want vaak wordt in mijne oogen berispelijk bevonden , wat naar het oordeel der raen-schen loffelijk gehouden wordt.

5 De Geloovige. Heer mijn God ! rechtvaardige Hechter ? machtige, lankmoedige ! die der menschen broosheid en bedorvenheid kent, wees mijne sterkte , mijn gansch vertrouwen: want mijn geweten is mij niet genoeg.

Gij weet wat ik niet weet: en daarom moet ik mij bij alle berisping vernederen en 7.e zachtmoedig verdragen.

Vergeef het mij ook genadig, zoo dikwerf ik mij niet zoo gedragen heb, en geef mij weder de genade van een grooter geduld.

Want uwe overvloedige barmhartigheid baat mij meer ter bekoming van vergiffenis, dan mijne ingebeelde gerechtigheid ter verdediging van een verborgen geweten.

En al ben ik mij niets bewust, toch zoude ik mij daarom niet kunnen rechtvaardigen: want buiten uwe barmhartigheid zal niemand die leeft voor vv: aangezicht rechtvaardig zijn. (Ps. 14^2)

o e p k n ing.

Het is moeielijk geen leedgevoel te ontwaren, als men ons berispt, misprijst of min-

-ocr page 343-

III. BOEK. XLVI. HOOFDSTUK. 339 acht ; maar de ware ootmoedigheid van een Christen bestaat, in het niet onderhonden noch volgen van dat leedgevoel, dat wil zeggen : lo men moet zich niet ophouden met de droevige en versmadende! gedachten , die in ons oprijzen jegens onze heleedigers; 2o de droefheid , welke wij er over gevoelen in ons nitdooven en aan God opofferen; 3o die personen met goedheid behandelen , met hen spreken, en hun in alle gelegenheden dienstbewijzen; hun zoo veel goed doen als wij gelooven dat zij ons schade hebben toegebracht. Maar helaas ! hoe weinig personen \'worden er gevonden, welke die ware ootmoedigheid uitoefenen, en een goed gebruik van de opspraak en versmading maken , alhoewel allen gelooven ; dat zonder de ware ootmoedigheid het onmogelijk is zalig te worden.

G E B E D.

Ja, mijn God! wat zijn des menschen woorden anders dan woorden van ijdele klanken , die met den wind vervliegen ? En met dat al laat ik mij daardoor ontrusten , en beklaag mij voor ü , hoezeer ik dikwerf berisping verdien. Vergeef het mij, o genadige God! dat ik mij niet zoo gedragen heb als ik behoorde. Dat ik bij verongelijkingen op U het oog houde, kenner des harten ; dat ik mij in geduld oefene en zorgvuldig ver-betere, wat er aan mij berispelijk is.

-ocr page 344-

340 de NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men alle lijden om het eeuwige leven moet verdragen.

1. De Heer. Mijn zoon! laat u niet ontmoedigen door den arbeid dien gij om mijnentwil op u genomen hebt, en dat geene kwellingen n ooit ternederslaan ; maar dat mijne belolte bij alle voorvallen u trooste en versterke.

Ik ben genoegzaam om n te vergelden boven alle maat en grenzen.

Gij zult hier niet lang arbeiden , noch altoos door smart gedrukt worden.

Wacht een weinig , en dra zult gij het einde uwer kwalen zien.

Eens zal een tijd komen , dat alle arbeid en onrust zal ophouden.

Gering en kort is alles, wat voorbijgaat met den tijd.

2. Doe wél hetgeen gij doet; arbeid getrouw in mijnen wijngaard: ik zal uw loon zijn.

Schrijf, lees , zing, zucht, zwijg, bid en draag de tegenheden moedig : het eeuwige leven is dit alles en grooter strijd waardig.

Eens zal de vrede komen op een dag den Heere bekend , en het zal geen dag met een nacht zijn gelijk van dezen tijd, maar een eeuwig licht, eindelooze klaarheid, vaste vrede en verzekerde rust.

-ocr page 345-

III. BOEK. XLVII. HOOFDSTUK. 34l Dan zult gij niet. zeggen ; Wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods ? (Rora, 7. ) noch roepen: Ach mij! dal mijne vreemdelingschap zoolang duurt. (Ps. 119)

Want de dood zal vernietigd worden en de zaligheid onafgebroken zijn; geenerlei angst doch volmaakt genoegen in een liefelijk en schitterend gezelschap.

3. O, hadt gij de onwelkbare kronen der Heiligen in den hemel gezien , alsook in welke heerlijkheid zij nu juichen, die weleer in deze wereld versmaad , ja als het leven onwaardig geacht werden—waarlijk gij zoudt u terstond tot ia het stof vernederea en liever trachten aan allen onderworpen te zijn , dan over eenen gesteld te wezen.

Ook zoudt gij in dit leven geene blijde dagen begeeren, maar liever u in lijden om Gods wil verblijden, ja het voor een zeer groot gewin houden bij de menschen als niets geacht te worden.

4. O, mocht gij hierin smaak vinden en het diep tot in uw hart doordringen , hoe zoudt gij ook maar eens durven klagen?

Moet men niet om het eeuwige leven allen arbeid verdragen?

Het is geen kleinigheid het rijk Gods te verliezen of te winnen.

Hef dan uw gezicht naar den hemel. Zie Mij daar en al mijne Heiligen met Mij, die in deze wereld eenen zwaren strijd gehad hebben. Thans verheugen zij zich, thans worden zij getroost, thans zijn zij veilig, thans

-ocr page 346-

342 DE NAVOLGING VA.N JESUS CHRISTUS, rusten zij en zullen zonder einde met Mij in het rijk mijns Vaders verblijven.

OEFENING.

Hoe pijnlijk ia dit woord; men moet altijd lijden, zich altijd bestrijden , altijd aan zich zelve verzaken en altijd aan zichzelve sterven ; zonder dit is er geene zekerheid voor de zaligheid ! Maar hoezeer is het geloof en de hoop van eeuwig geluk, hetwelk wij door de wederwaardigheden en onverwachte toevallen dezes levens moeten bekomen; geschikt om ons aan te moedigen, om de eene te verdragen en ons aan de andere te gewennen : aangezien het zeker is, dat er ons bij den dood niets meer zal vertroosten , dan wat ons gedurende het leven smart heeft veroorzaakt , indien wij alles hebben aangewend om er een goed gebruik van te maken; want als dan zullen wij zien, dat wij voor God niets gedaan hebben, dan hetgene wij tegen on-zelven hebben gedaan, en dat een oprecht christelijk leven, een leven van kruisen en zelfverloochening is,

GEBED.

Uw woord is waarheid, o God! en troostvol voor mijn hart. Wat beteekent hier al het lijden, bij de toekomende heerlijkheid vergeleken F Wat beduiden alle rampen bij de vreugde, waarmede Gij ons geduld beloont ? Het lijden gaat voorbij met den tijd; terwijl de belooning die ons wacht; eeuwig, onver-

-ocr page 347-

ril. bof.k. xi,viii» hoofdstuk. 34ü irankelijk is. Welke troost voor mij! Waarlijk , dat geel\'t mij moed in lijden. Dat deze overweging bij mij steeds levendig zij en rijke vruchten voortbrenge.

ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over den dag der eeuwigheid e?i de ellenden van dit leven.

1. De Geloovige. o Allerzaligst verblijf der hemelsche stad 1 o allerhelderste dag der eeuwigheid, dien geen nacht verduistert, maar de opperste Waarheid steeds bestraalt; altoos blijde dag, altoos veilig en nooit van staat veranderende!

O, ware die dag reeds aangebrokeu en hadde al het tijdelijke eeu einde genomen !

Voor de Heiligen ja, schittert hij met eeuwigen , luistervollen glans ; maar niet dan van verre en door een spiegel voor ons reizigers op aarde.

2. De burgers des hemels weten hoe zalig dat alles is; de zonen van Eva zuchten over het bittere en vervelende van hunne balliug-schap.

De dagen dezes tijds zijn weinig en boos, vol van smart en kommer; als waarin de mensch door velerlei zonden besmet, door velerlei driften verstrikt, door velerlei vrees gejaagd, door velerlei zorgen geprangd, door velerlei nieuwsgierigheid verstrooid , in velerlei ijdelhedeu gewikkeld, door velerlei dwalingen omgeven, door velerlei arbeid alge-

-ocr page 348-

344 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, mat, door bekoringen gedrukt, door wellust ontzenuwd, door gebrek gepijnigd wordt!

3. O, wanneer zal het einde van deze rampen zijn ? Wanneer zal ik van de ellendige slavernij der zonden verlost worden ?

Wanneer, o Heer! zal ik alleen uwer gedenken, wanneer mij volkomen in U verblijden?

Wanneer zal ik zonder eenigen hinder in ware vrijheid zijn, vrij van alle bezwaar naar geest en lichaam ?

Wanneer zal er vaste vrede zijn , een onverstoorbare en zekere vrede, vrede van binnen en van buiten, een van alle zijden gevestigde vrede?

Goede Jesus! wanneer zal ik voor U staan om U te zien? Wanneer zal ik de heerlijkheid van uw rijk aanschouwen? Wanneer zult Gij mij alles in alles zijn ?

O, wanneer zal ik met U zijn in uw rijk, hetwelk Gij voor uwe geliefden van eeuwigheid hebt bereid ?

Ik ben arm gelaten en een balling in een vijandig land, waar dagelijksche strijden en zeer groote rampspoeden zijn.

4. Vertroost mijne ballingschap , verzacht mijne smarten : want al mijn verlangen hijgt naar U, omdat alles wat de wereld troostrijks aanbiedt, mij geheel tot last is.

Ik verlang U inniglijk te genieten; maar ik kan er niet toe komen !

Ik wenRch mij aan het hemelschete hechten; maar de tijdelijke zaken en onverstorven driften trekken mij terneder.

-ocr page 349-

ttl. BOEK. XLVIII. HOOFDSTUK. 345

Met den peeHt wil ik over alles heerschen; maar door het vleescli word ik mijns ondanks tot. onderwerping gedwongen.

Zoo ben ik, ongelukkig mensch ! met mij zeiven in strijd en ben mijzelven tot last geworden, daar de geest naar boven, en het vleesch naar beneden wil.

5. Ach ! wat lijd ik inwendig, als ik met den geest het hemelsche overweeg, en ras een drom van vleeschelijke gedachten mij onder het bidden bestormt!

Mijn God! wees niet ver van mij (Ps. 70) en wijs uwen dienstknecht niet af in vwen toorn. (Ps. 26.)

Schiet uwe bliksems, en verdrijf ze, zend vwe pijlen af, (Ps. MS) en dat alle ingevingen des vijands verstrooid worden.

Vestig al mijn zinnen weer op U, doe mij al het wereldsche vergeten; geef dat ik dadelijk de zondige voorstellingen afwijze en verachte.

Eeuwige Waarheid! help mij, opdat geene ij delheid mij ontroere.

Kom neder, hemelsche zoetheid! en dat alle onreinheid voor uw aanschijn vliede.

Vergeef mij ook en verschoon mij genadig zoo dikwijls ik in het gebed aan iets anders dan aan Ü denke.

In waarheid, ik beken dat ik gewoonlijk zeer verstrooid ben.

Want veeltijds ben ik niet daar, waar ik lichamelijk sta of zit; maar veeleer ben ik d£ar werwaarta de gedachten mij voeren.

Ik ben d^ar, waar mijne gedachte is; en

-ocr page 350-

34(1 D?, NAVOLGING VA.N iÈS\'üS CHRlSTtfS. mijne gedachte is doorgaans daar, waar is hetgeen ik bemin.

Datgene vertoont zieh terstond aan mij , wat mij natuurlijk behaagt ol\' door gewoonte bevalt.

6. Daarom hebt Gij, o Waarheid ! duidelijk gezegd : Waar uw schat is, daar is ook uw hart. (Matth. 6.)

Bemin ik den hemel, ik denk gaarne aan het hemelsche; bemin ik de wereld, ik verblijd mij over haren voorspoed en bedroef mij over liaren tegenspoed.

Bemin ik het vleesch, ik denk dikwijls aan hetgeen des vleesches is; bemin ik den geest, ik vind vermaak in geestelijke overdenkingen.

Want van hetgeen mij lief is, daarvan spreek ik en hoor ik gaarne, en draag ervan de beelden met mij naar huis.

Maar gelukkig de mensch die om uwentwil o Heer ! aan alle schepselen vaarwelzegt, die der natuur geweld aandoet en door den ijver des geestes de lusten des vleesches kruisigt ; opdat hij met een kalm geweten U reine gebeden opdrage, en zoowel van binnen als van buiten al het aardsche uitgesloten hebbende, waardig zij tot de reien der Engelen toegelaten te worden.

OEFENING.

Wat zou het baten de ellenden dezes levens te gevoelen en te beween en, en naar de goederen van het andere te haken, indien wij

-ocr page 351-

III. BOEK. XLVIIT. HOOFDSTUK. 847 niet trachten door het geduld een goed gebruik va» de tijdelijke kwellingen te maken, met ze van Gods hand te aanvaarden, en te erkennen dat wij ze verdienen te lijden; eu indien wij ons door eene aanhoudende getrouwheid niet toeleggen om die eeuwige goederen te bekomen , waarnaar wij zoo vurig haken ? O zalige dag! o eeuwige vreugd! oneindig en altijddurend geluk ! o vaste woning:o volheid van God in ons, en van ons in God ! o verrukking ! o gelukzaligheid ! o verandering van eene gelukzalige ziel in haren God, die voor haar alles is! wanneer zal ik U bezitten ? Maar wanneer zal ik U waardig wezen? Van mijzelven en van de nutteloosheid mijner begeerten vermoeid, haak ik vurig naar u, o Paradijs ! en echter doe ik zoo weinig om dat eeuwig geluk waardig te worden, hetwelk Gij mij voorstelt. Mijne ziel, laat ons de verdienste van het Paradijs met de achting van het Paradijs vereenigen. Laat ons hetzelve aanzien als eene kroon, die men moet winnen, door het geweld, dat wij ons zeiven moeten aandoen, en als eene vergelding, die men door een oprecht, bovennatuurlijk eu verdienstelijk leven moet bekomen.

GEBED.

Mijn God ! mijn al! mocht ik ook reeds in het zalige genot van uw aanschijn deeleu ! wanneer zal die dag voor mij aanbreken ! wanneer zullen de bauden mijns liehaams out-bonden zijn! Hoe lang zal mijne vreemde-

-ocr page 352-

348 de navolging van jesüs christus, lingschap nog duren ? Dat het gezegend uur mijner verloising dra kome; dat mijn oog onafgebroken op mijn vaderland gevestigd blijve. Wees Gij mijn steun zoolang mijne vreemdelingschap duurt, en houd mij op den weg die ten leven leidt.

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het verlangen naar het eeuwige

leven ; en hoe groote goederen den strijders beloofd zijn.

1. De Heer. Mijn zoon! wanneer gij u van boven het verlangen naar de eeuwige gelukzaligheid voelt ingestort en wenscht de tente des lichaams te verlaten, opdat gij mijnen glans zonder schaduwe van verwisseling moogt aanschouwen, verwijd dan uw hart en neem deze heilige ingeving met alle begeerte op.

Betuig den ruimsten dank aan de hoogste goedheid, die dus genadig met u handelt, u zoo goedig bezoekt, zoo vurig opwekt, zoo krachtig ondersteunt, opdat gij niet door eigen zwaarte naar het aardsche moogt neder-zinken.

Want dit hebt gij niet aan eigen beleid ol\' poging te danken, maar alleen aan de gunst der heraelsche genade en van den aanblik Gods; opdat gij in deugden en meerderen ootmoed zoudt vord. m, u tot toekomenden strijd bereiden en u toeleggen om Mij

-ocr page 353-

III. BOEK. XL1X. HOOFDSTUK. 349 uit al de neiging uws harten aan te hangen en met brandenden ijver te dienen.

2. Mijn zoon ! veeltijds brandt het vuur; maar de vlam stijgt niet op zonder rook.

Zoo ook branden sommigen van verlangen naar het hemelsche, en nochtans zijn zij niet vrij van de bekoring eener vleeschelijke begeerlijkheid.

Daarom gaan zij niet geheel zuiver om Gods wil alleen te werk in hetgeen zij van Hem zoo vurig afsmeeken.

En dusdanig is ook dikwijls uw verlangen, hetwelk gij als zoo hevig hebt opgegeven.

Want al wat met eigenbelang is besmet, is noch zuiver noch volmaakt.

3. Vraag dan niet hetgeen u genoeglijk en voordeelig is, maar wat Hem behaagt en verheerlijkt.

Want zoo gij recht oordeelt, moet gij Mijne beschikking boven uw verlangen, ja boven al het verlangde stellen en najagen.

Ik ken uw verlangen en Ik heb uwe menigvuldige verzuchtingen gehoord.

Gij zoudt reeds in het bezit der vrijheid, der heerlijkheid van Gods kinderen willen zijn; gij schept reeds behagen in het eeuwige huis, in het hemelsch vreugdevol vaderland.

Maar die uur is nog niet gekomen; thans is het een andere tijd, te weten, een tijd van strijd, een tijd van arbeid en beproeving.

Gij wenscht met het hoogste goed verzadigd te worden ; maar daartoe kunt gij nog niet komen.

-ocr page 354-

350 DE NA.VOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Tk ben da\', goed. Wacht op Mij , zegt de Heer. totdp.t liet Godsrijk kome.

4. Gij nuet nog op aarde beproefd en in vele dingen geoefend worden.

Nu en dan zal u troost gegeven, maar geenc volkomen verzadiging vergund worden.

Versterk u dan en houd moed ( Jos. 1.) zoo om te doen als om te lijden, hetgeen der natuur tegenstaat.

Gij moet den nieuwen mensch aandoen (Epli. •1\') en in een anderen man veranderd worden.

Dikwijls moet gij doen wrat gij niet wilt, en laten wat gij wilt.

Wat anderen behaagt , zal wèl slagen ; wat u behaagt, zal niet gelukken.

Wat anderen zeggen, zal gehoor vinden; wat gij zegt, als niets geacht worden.

Anderen zullen vragen en verkrijgen ; gij zult vragen en niet bekomen.

5. Anderen zullen groot zijn in den mond der menschen, maar van u zal men zwijgen,

Aan anderen zal dit of dat worden toevertrouwd, maar u zal men tot niets geschikt achten.

Daarover zal de natuur zich somtijds bedroeven, en het zal u groot voordeel doen, als gij het zwijgende verdraagt.

In dit en meer dergelijks wordt de getrouwe dienstknecht des Heeren doorgaans beproefd , hoeverre hij zich zal kunnen verzaken en in alles breken.

Er is nauwelijks iets, waarin gij u zoo moet afsterven , als in het zien en duiden van hetgeen met uwen wil strijdt, vooral

-ocr page 355-

III. BOEK. XLIX. HOOFDSTUK. 351 wanneer er dingen bevolen worden, die u on-voegzHHiu en min nuttig schijnen.

En daar gij, onder een ander staande, geen hooger gezag durft wederstreven, daarom schijnt het u hard toe u naar den wenk eens anderen te schikken en al eigen gevoelen er aan te geven.

6. Maar, mijn zoon! overweeg de vrucht van dezen arbeid , het naderend einde ervan en de overgroote belooning, en gij zult geen last ontwaren, maar den allerkrachtigsten troost van uwe lijdzaamheid.

Want voor het gewillig opgeven van uwen eigen wil in dit geringe, zult gij in den hemel altoos uwen wil hebben.

Daar toch zult gij alles vinden wat gij begeert, alles wat gij kunt verlangen.

Daar zult gij voorraad hebben van alle goed, zonder vrees van het te verliezen.

Daar zal uw wil altoos met den Mijnen een, niets vreemds noch bijzonders begeeren.

Déar zal niemand zich tegeif u verzetten, niemand over u klagen, niemand u hinderen , niets u in den weg staan; maar alles wat gij wenscht zal aanstonds daar zijn, en uwe geheele begeerte voldoen en op het vol-komenst vervullen.

Daar zal Ik voor geleden smaad heerlijkheid, voor droefheid een eerekleed, voor de laagste plaats eenen zetel in het eeuwige rijk wedergeven.

Daar zal de vrucht der gehoorzaamheid blijken; d.iar zal de smart der boetvaardig-

-ocr page 356-

352 DE NAVOLGING-VAN JESUS CHRISTUS.

heid in vreugde veranderd en de nederige onderwerping heerlijk gekroond worden.

7. Buig a dan nu nederig onder de hand van allen, en let er niet op, wie dit gezegd ot\' bevolen hebbe.

Maar zorg bijzonder daarvoor, dat gij, hetzij uw overste, hetzij uw minder, ketzij uwsgelijke iets van u vraagt of verlangt, alles ten goede opneemt en het met oprechten wille tracht na te komen.

Dat de eene dit, de andere dat zoeke, de eene hierover en de andere daarover zich beroeme, en duizende en duizende malen worde geprezen, verheug gij u noch in het een noch in het ander, maar in de gering-achting van uzelven en in het welbehagen en de verheerlijking van Mij alleen.

Dit moet gij wenschen, dat zoowel bij leven als bij sterven God altoos in u verheerlijkt worde.

OEFENING.

Men wordt moede de beproevingen van God te verdragen, en men zou gaarne onophoudelijke vertroostingen van Hem ontvangen; doch de vertroostingen worden slechts gegeven om de beproevingen te ondersteunen, en de zoetheden der vertroostingen zijn de sterkte, welke de Heer ons geeft, om de oogen-schijnlijke strengheden zijner oprechte goedheid te verdragen, welke bestaan in ons de tijdelijke kwellingen over te zenden, om ons van die der eeuwigheid te bevrijden. Verbeeld

-ocr page 357-

III. BOEK. XLIX. HOOFDSTUK. 353 li dan niet, dat van God verworpen zijt, wanueer jfij niet dan tegenzin in zijne dienst ontmoet: maar verricht dan , om Hem te behagen, wat gij zondt doen, indien gij smaak in zijne dienst vondt. Verootmoedig u dan, met u onwaardig te oordelen van eenige vertroosting te ontvangen, en verdraag den Heer, die vermaakt schept in te zien dat gij hem r.mder smaak dient, en dat gij uwen walg voor het goede, uwe genegenheid tot het kwade overwint , alleen uit enkele zucht om Mem te behagen , en uit eene oprechte |vrees van Hem te vergrammen. Hoe zeer zullen de kwellingen dezes levens door eene gelukzalige eeuwigheid vergoed wordeu , indien men ze met vertrouwen, met getrouwheid en geduld lijdt. Schep dan moed, mijne ziel! er is slechts één oogenblik meer te lijden, en wij zullen eeuwig gelukkig zijn.

GEBED.

Neen , mijn God! mijn verlangen naar den hemel is niet zuiver en werkdadig genoeg. Het is nog met eigenliefde besmet en berooid van die vruchten, welke het moesten vergezellen. Hoeveel arbeids blijft mij overig , hoeveel heb ik noch te overwinnen , eer ik uwer heerlijkheid deelachtig worde! Reinig mijne verlangens en doe ze werkdadiger worden. Rust mij uit met uwe kracht, opdat ik vlijtig arbeide , moedig strijde en alzoo de kroon der overn inning erlange.

23

-ocr page 358-

354; de navolging van jesus christus

VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoe de troostelooze mensch zieh in Gods hand moet overgeven.

1. T)e Geloovige. Heere God! Heilipe Vader! wew.s nu en in eeuwigheid gezegend : want gelijk srij wilt, dus is geschied, en wat Gij doet ia goed.

Dat uw dienstknecht, zich verheuge in U, niet in zichzelven noch in iemand anders: want Gij alleen, o Heer! zijt de ware blijdschap, Gij mijne hoop en mijne kronn, Gij mijne vreugde en mijne eer.

Wat heeft uw dienstknecht; hetgeen hij van U niet ontving, ook zonder zijne verdienste ?

Alles wat Gij gaaft, alles wat Gij deedt is het uwe.

Ik hen arm en in verdrulclcingen van mijne jeugd af (Ps. 87) en mijne ziel bedroeft zich somtijds tot weenens toe ; dikwijls ook wordt zij in zichzelve ontroerd wegens het lijden dat haar dreigt.

2. Ik verlang naar de vreugde des vredes; ik smeek om den vrede uwer kinderen, die door U met het licht van uwen troost worden verkwikt.

Indien Gij den vrede schenkt, indien Gij mij de heilige vreugde instort, dan zal de ziel van uwen dienstknecht vol gejuich zijn en TJ vurig loven.

Maar onttrekt Gij U, gelijk gij zeer dik-

-ocr page 359-

III. BOEK. L. HOOFDSTUK. *355 gewoon zijt, dan kan hij in den weg uwer geboden niet wandelen; maar veeleer buigt hij de knieën om zich op de borst te slaan, omdat het met hem niet meer gesteld is gelijk gistereu en eergisteren, toen uw licht scheen over zijn hoofd, en hij onder de schaduw uwer vleugelen tegen de aanvallen der bekoringen gedekt was.

3, Rechtvaardige en altoos prijzenswaar-digen Vader! hei uur is gekomen dat uw dienstknecht beproefd zal worden.

Beminnenswaardige Vader! het is billijk dat uw dienstknecht in dit uur voor U iets lijde.

Immer aanbiddelijke Vader! het uur is gekomen , door U van eeuwigheid voorzien, dat uw dienstknecht naar het vleesch voor een weinig tijds bezwijke, maar naar den geest voortdurend bij U leve.

Hij moet een weinig bij de menschen ge-riuggeacht, vernederd en ontmoedigd , door lijden en smarten vermorzeld worden , opdat hij met U in den dageraad van een nieuw licht weder verrijze en in den hemel verheerlijkt worde.

Heilige Vader! Gij hebt het zoo beschikt en zoo gewild, en het is geschied wat Gij-zelf bevolen hebt.

4gt;, Dit is toch voor uw vriend eene genade , in de wereld om uwentwil te lijden en verdrukt te worden, zoo menigmaal en door wien Gij dat laat geschieden.

Zonder uw raad en voorzienigheid en zonder reden geschiedt er niets op aarde.

-ocr page 360-

35Ö DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Het is nnj goed, o Heer! dat Gij inj vernederd hebt, opdat ik uwe gerechtigheden leem

(Ps. 118)

Het is mij nuttig dat schande mijn aangezicht bedekte, opdat ik liever bij U dan bij de menschen mijn troost zoeke.

Ook heb ik daaruit geleerd uw ondoorgrondelijk cordeel te vreezen , daar Gij den rechtvaardige met den boosdoener bedroeft, doch niet zonder recht en billijkheid.

h. Ik dank U dat Gij mijne verkeerdheden niet verschoond maar mij met zware slagen vermorzeld hebt, door mij smarten aan te doen en mij uit en inwendig benaauwheden toe te voegen.

Van allen die onder den hemel zijn is er niemand die mij troosten kan, tenzij Gij, Heere , miju God 1 hemelsche arts der zielen , die slaat en heelt, grafwaarts voert en terugbrengt.

Uwe tucht over mij en uwe roede zelve zal mij tot leering zijn.

6. Zie, geliefde Vader! Jk ben in uwe hand; ik buig mij onder de roede uwer kastijding.

Sla mijnen rug en mijnen nek , opdat ik mi\' 1 il naar uwen wil buige.

vroom en neederig leer-

ling , gelijk Gij zoo wel weet te doen, opdat ik naar al uwe wenken wandele.

Ik geef mij en al het mijne ter verbetering aan U over: het is beter hier dan hierna gestraft te worden.

Gij weet alles in \'t gemeen en in \'t bij-

-ocr page 361-

III. BOEK. L. HOOrDSTUK, 857 zonder en niets is voor U in \'s menschen geweten verborgen.

Gij weet het toekomende eer het geschiedt, en Gij hebt niet noodig dat iemand U onderwijze of berichte aangaande hetgene op aarde gebeurt.

Gij weet wat tot mijnen voortgang dient en hoeveel de kwelling bijdraagt om den roest der ondeugden af te schuren.

Doe met mij naar uw wil en welbehagen; versmaad mij niet om mijn zondig leven, aan niemand beter en vollediger bekend dan aan TJ alleen.

7. Geef mij, o Heer! dat ik wete wat ik moet weten, berninne wat ik moet beminnen; dat ik prijze wat U meest behaagt; dat ik achte wat voor U kostbaar, verachte wat in uwe oogen verachtelijk is.

Duld niet dat ik naar den uiterlijken schijn der oogen oordeele, noch naar het hnoren zeggen van onverstandige menschen vonnis veile; maar dat ik volgens een juist oordeel het zinnelijke en geestelijke onder-scheide, en boven alles altoos den wil uws welbehagens betrachte.

8, Vaak laten de menschen zich bij hun oordeel door de zinnen misleiden.

Ook bedriegen zich de beminnaars der wereld door alleen het zichtbare aan te hangen.

Hoe ! is daarom een mensch beter, omdat hij door een mensch voor groot gehouden wordt ?

De bedrieger misleidt den bedrieger, de ijdele den ijdele, de blinde den blinde, de

-ocr page 362-

858 DE NAVOLGING VA,N JESU8 CHRISTUS, kranke den kranke , als hij hem dus verheft, en door hfira ijdelijk te prijzen onteert hij hem inderdaad te meer.

Immers, wat een mensch in uwe oogen is, zooveel is hij en niets meer, zegt de ootmoedige H. Franciscus.

OEFENING.

Gelijk God de opperste zuiverheid en in zijn wezen de heiligheid zelve is, zoo is hij bezorgd , dat de zielen, om liem in den hemel te bezitten , in dit leven door de drukkendste en ootmoedigste kwellingen, en in het vagevuur door de smartelijkste en hevigste pijnen gezuiverd worden. Het is hierdoor, dat hij ze tot dien graad van zuiverheid brengt, welke zij moeten hebben, om het eeuwige en gelukzalige bezit zijner heiligheid binnen te treden. Derhalve moet eene trouwe ziel, om aan de inzichten van God, wegens hare voldoeningen hare zaligheid, te beantwoorden, het volgende doen: 1. in eene zuiverheid des harten leven, die haar verwijdert van alle vrijwillige zonden, van alle men-schelijke verkleefdheid, en voornamelijk van alle aanzoekingen der eigenliefde, van hare gewone gebreken en van de volbrenging van haren wil. 2. Zij moet zich opwekken, om met onderwerping van de hand en van het hart vanJesus Christus de verootmoedigend-ste en aan onze genegenheid tegenstrijdigste kwellingen te ontvangen, 3. Zij moet de geweldigste en lastigste bekoringen lijden en onophoudelijk strijden, met geduldig hare

-ocr page 363-

III. BOEK. L. HOOFDSTUK. 859 toevlucht tot God te nemen en een edelmoedig vertrouwen in zijne goedheid te stellen. 4. Zij moet in hare kwellingen eenen geest van leedwe/ien, van versterving en afschrik van de zonde hebben, eene gesteltenis, die haar belet er in te bezwijken. Zij moet zonder ophouden op hare zinnen en op haar hart waken, om de te zinnelijke en te menaclie-lijke voldoeningen er uit te sluiten, (i. Eindelijk moet zij ootmoedig, afhankelijk, gering en als vernietigd onder de hand van God worden, om niet anders te willen dan hetgene hij wil, en tevreden te zijn met hetgene hij wil, zelfs te midden der grootste kwellingen.

GEBED.

Hoeveel reden heb ik, o God ! om over uwe beschikkingen tevreden te zijn! In alles wat mij overkomt, beoogt Gij mijn heil. Zelfs als Gij slaat, tuchtigt Gij als Vader en beoogt de verbetering van uw kind. Ik erken en belijd dat uwe oordeelen rechtvaardig zijn, als Gij mij door lijden bezoekt. Ik onderwerp mij volkomen aan uwen wil. Zie ! ik ben in uwe handen. Zuiver mij hier in den smeltkroes des lijdens, opdat ik geschikt worde om uw aanschijn te aanschouwen.

-ocr page 364-

360 de navolging van jesu8 christus.

EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zich op geringer werken moet toeleggen als men in verhevener te kort schiet.

1. De Heer. Mijn zoon! gij kunt niet altoos in het vurigst verlangen naar deugd volharden, noch u op den hoogsten trap van beschouwing staande houden ; maar, wegens uwe oorspronkelijke bedorvenheid , moet gij somtijds tot het lagere afdalen en den last van dit gebrekkige leven, ook uws ondanks en met verdriet, dragen.

Zoolang gij het sterfelijke lichaam omdraagt, zult gij onlust gevoelen en bezwaar des harten.

Dus moet gij in het vleesch onder den last des vleesches dikwijls zuchten, omdat gij u niet onophoudelijk met geestelijke oefeningen en hemehche beschouwingen kunt bezighouden.

3. Alsdan is het u nuttig tot mindere en uitwendige oeleningen uwe toevlucht te nemen en u in goede werken te verlustigen , met een vast vertrouwen mijne komst eu hemelsch bezoek af te wachten, en uwe ballingschap en dorheid des geestes geduldig te verdragen , totdat gij weder door Mij bezocht en van allen angst bevrijd wordt.

Want Tk zal u uwen arbeid doen vergeten en inwendig rust doen smaken.

-ocr page 365-

III. BOEK. LI. HOOrDSTUK. 361

Ik zal voor u de weiden der Schriften ontsluiten, opdat gij met een verruimd hart op den weg mijner geboden moogt beginnen te loopen.

En dan zult gij zegden ; het lijden van dezen tijd is niet te achten bij de ioekomende heer-Ijhheid, welke aan ons zal worden geopenbaard. (Hora. 8.

OEFENING.

Hoe groot is het verschil tusschen de heiligheid der gelukzaligen in den hemel en die der stervelingen op aarde! De eene is vrij van alle kwellingen en vol zoetheid, de andere is met bitterheid en ellenden vervuld; de eene is eigen aan het aangename verblijf van ons vaderland, en de andere betaamt aan de droevige verblijfplaats onzer ballingschap; in de eeuwigheid zullen wij God beminnen, met Hem te bezitten en het geluk van zijn hart te genieten; en in den tijd beminnen wij Hem, met voor Hem te lijden en het kruis van Jesus Christus met geduld te dragen. Daar zullen wij met God tevreden zijn en verzekerd wezen, altijd door Hem bemind te worden; hier weten wij niet of wij Hem bevredigen en beminnen. Laat ons dus in onze dorheden en ons verdriet, ons met eenige uitwendige zaken om God bezig te houden, aangezien wij in ons niets vinden wat ons gevoelen tot Hem wederbrengt; maallaat ons tevens niets van onze inwendige oefeningen (les gebeds, van den inwendigen geest, van onze gedurige toevlucht, die wij

-ocr page 366-

363 de navolging van jesu8 christus, tot God moeten nemen, veronachtzamen, om ons staande te honden.

GEBED.

Het is zoo, o God! gelijk Gij zegt. Vele zijn de verstrooiingen, welke ik op den weg der deugd ontmoet. De last des vleesclies drnkü mij vaak ter neder, zoodat mijn geest bij zijne beschouwingen hinder ontwaart en licht tot moedeloosheid vervalt. Doch ik wil uwen raad opvolgen en mij met het mindere vergenoegen, als ik mij tot het meerdere niet in staat gevoel. Help dit besluit ten uitvoer en verkwik mij daarbij met uwen hemelschen troost.

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Men achte zich geen troost, maar eer strafwaardig.

1. De Geloovige. Heer! ik ben noch uw troost noch eenig geestelijk Dezoek waardig : daarom handelt Gij naar recht met mij , wanneer Gij mij arm en nutteloos laat.

Want al koude ik als eene zee van tranen storten, noch zoude ik uwen troost niet waardig zijn.

Dus verdien ik niets dan getuchtigd en gestraft te worden, omdat ik U zwaar en dikwijls beleedigd heb en in vele dingen zeer misdaan.

Zoodat ik, alles wèl overwogen, zell\'s den geringsten troost niet verdien.

-ocr page 367-

III. BOEK. LH. HOOIDSTUK. 863

Maar Gij , o geuadige en barmhartige God ! die uiet wilt dat uwe werken vergaan; opdat gij den rijkdom uwer goedheid jegens de vaten uwer barmhartigheid zoudt toonen, Gij verwaardigt U uwen dienstknecht , zelfs zonder eenige verdienste en boven alle mensche-lijke mate, te troosten: want uwe vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der mensehen.

2. Wat heb ik dan, o Heer! gedaan, dat Gij mij eenigen hemelschen troost zoudt schenken ?

Ik herinner mij niets goeds gedaan te hebben ; maar wel, dat ik altoos tot het kwade genegen en traag ter verbetering was.

Dat is de waarheid, en ik kan het niet ontkennen. Sprak ik anders , Gij zoudt tegen mij opstaan , en niemand zoude mij verdedigen.

at heb ik voor mijne zonden verdiend, tenzij de hel en liet eeuwige vuur?

Ik belijde het oprechtelijk dat ik allen smaad en spot waardig ben, en dat het mij niet voegt onder het aantal uwer dienaren genoemd te worden.

En hoe ongaarne ik dit hoore, zoo wil ik toch naar waarheid tegen mijzelven mijne zonden belijden, opdat ik te eer bij U barmhartigheid moge vinden.

3. Wat zal ik zeggen, schuldige die ik ben en geheel van schaamte bedekt.

Ik heb geen mond om te spreken dan dit eenige woord : ik heb gezondigd , o lieer! ik heb gezondigd ; ontferm U mijner, vergeef mij..

-ocr page 368-

364; DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

Gun mij gt;10ff een oogenbliky opdat ik mijne ellende heweene , eer ik hen enga naar dat duistere land, omhuld met de schaduwe des doods. ( Job. 10.)

Wat eischt Gij vau zulk eeu schuldig en ellendig zondaar, dan dat hij zich met een vermorzeld hart om zijne zonden vernedere ?

Door de ware vermorzeling en vernedering des harten wordt de hoop van vergiffenis geboren, het ontrust geweten bevredigd, de verloren genade herwonnen, de mensch tegen den toekomenden toorn gedekt, terwijl God en de boetvaardige ziel elkander met een heiligen kus ontmoeten.

4. Der zondaren nederige vermorzeling is IJ, o Heer! eeu welgevallig otter, voor uw aangezicht veel liefelijker riekende dan brandende wierook.

Zij is ook die aangename balsem, die Gij over uwe heilige voeten hebt laten storten : want het vermorzeld en verootmoedigd hart hebt Gij nooit versmaad.

Daar is e,ene schuilplaats tegen de woede des vijands; daar wordt alles verbeterd en afgewasschen wat misdreven was en besmet.

OEfENING.

Alhoewel wij ons altijd zeer onwaardig moeten achten om van God eenigen troost in onze wederwaardigheden te ontvangen, en moesten oordeelen , dat wij de grootste strat-ien verdienen, na zoo menigwerfde hel verdiend te hebben, is het nochtans voordeelig

-ocr page 369-

III. BOEK. III. HOOFDSTUK. 365 in ouze ballingschap te zuchten, en in het gevoelen onzer ellenden onze toevlucht tc nemen tot den barmhartigen Vader en God van alle vertroosting; want de bede of\' verzuchting van eene ziel, doordrongen van erkentenis voor Gods goedheid, en door eene groote droefheid over hare zonde , is bekwaam om zijne gramschap te ontwapenen, zijne barmhartigheid te bewegen, en Hem op Ie wekken om haar vergiffenis te verlceneu.

Eene ziel, hoe diep zij onder het gewicht harer boosheden zucht , o hoe getroost en z«ker is zij van Gods goedheid, zoodra zij door eene ware droefheid over hare zonden, door een vast voornemen ze te verlaten en van leven te veranderen, tot hem wederkeert.! Alsdan houdt God, die meer genegen is om ons vergiffenis toe te staan, dan wij om ze af te smeeken, op haar rechter te wezen ; Hij wordt haar Vader, Hij vergeet wat zij geweest is, en wordt gedachtig hetgene zij is: Hij behandelt haar met zoo veel goedheid, alsof zij Hem nooit beleedigd hadde.

GEBED.

Mijn God! ja ik wil der waarheid hulde doen en eene getuigenis tegen mijzelven afleggen. Tk ben een zondaar, niets meer dan een zwak mensch, aan vele dwalingen onderhevig, met vele gebreken besmet. Tk ben de minste gunst van U niet waardia:, maar heb uwe rechtvaardige straffen verdiend. Doch uwe onttermingea zijn greuzenloos : dat geeft mij moed. Ja, ik durf hopen eu roep dus

-ocr page 370-

366 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

met den Profeet : ontferm U mijner, wees mij genadig!

BllIE EN VIJFTIGSTE HOOEDSTUK.

Dat Gods genade 7iiet bestamibaar is vi et aardse hg ezindheid.

1. De Heer. Mijn zoon! kostbaar is mijne genade; zij laat zich niet met uitwendige dingen noch aardsche genoeeens vermengen.

Gij moet dns afwerpen alles wat der ee-nade hinderlijk is, indien gij wenscht dat zij u ingestort worden.

Zoek de afzondering, verkeer gaarne met u alleen, tracht naar het nnderiiond met niemand, maar stort liever voor God een vurig gebed, opdat gij een vermorzeld hart en een rein geweten moogt behouden.

Acht de geheele wereld als niets, stel den omsang met God boven al het uitwendige.

Want gij kunt u niet met mij bezighouden en te gelijk u in het vergankelijke verlustigen.

Gij moet u van uwe bekenden en vrienden verwijderen en uwen geest van allen tijdelij-ken troost vrijhouden.

Zoo toch vermaant de Heilige Apostel Petrus de geloovigen van Christus, dat zij zich in deze wereld als reizigers en vreemdelingen onthouden (van de lusten des vleesches , die tegen de ziel strijden. (1 Petr. 2.)

2. O, welk een vertrouwen zal een stervende hebben; die door geenerlei gehecht-

-ocr page 371-

III. BOÏ.K. LUI. HOOFDSTUK. 36?

heid aan iets in de wereld teruggehouden wordt!

Doch dus het hart van alles los te houden, bevat een krank gemoed nog niet; evenmin als een zinnelijk no.ensch de vrijheid van den inwendigen menseh kent.

Nochtans, wil hij waarlijk naar den geest leven , hij moet zoowel van het afgelegene als nabijzijnde afzien en zich voor niemand meer wachten dan voor zichzelven.

Hebt gij uzelven volkomen overwonnen, te lichter zult gij het overige ten onder brengen.

Over zichzelven te zegevieren is de vol-komenate zegepraal.

Wie nu zichzelven zoo onderworpen houdt, dat de zinnelijkheid aan de rede en de rede in alles aan Mij gehoorzaamt, die is in waarheid overwinnaar van zichzelven en heer der wereld.

3. Wilt gij tot dat toppunt klimmen, gij moet met mannenkracht aan het werk gaan en de bijl aan den wortel zetten, om uit te roeien en te verdelgen alle verborgen ongeregelde neiging tot uzelven en tot alle bijzonder en stoffelijk goed.

Want aan dit gebrek, dat de mensch zichzelven te ongeregeld bemint, hangt bijna alles, wat hij tot den wortel toe heeft te overwinnen»

Heeft hij dat kwaad overwonnen en ten ondergebracht, er zal aanstonds groote vrede en gerustheid zijn.

Maar omdat weinigen trachten zichzelven

-ocr page 372-

3Ö8 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, volkomen al te sterven en geheel van zicli uitgaan, daarom blijven zij in zich gewikkeld en kunnen zich niet in den geest boven zichzelven verheffen.

Wie dan met mij in vrijheid verlangt te wandelen , moet noodzakelijk al zijne verkeerde en ongeregelde neieringen dooden, en aan geenerlei schepsel met eene bijzondere liefde hartstochtelijk gehecht zijn.

OEFENING.

üm zijn hart van vele dingen en van zichzelven af te scheiden, most men : 1. het dikwijls tot God verheffen en opwekken om niets te zoeken noch te beminnen dan Hem alleen, en dit in alles en boven alles; 2. het vrij behouden van alle vrijwillige verkleefdheid aan het schepsel, en van alle geneigdheid voor zichzelven ; 3. het ontbinden en verwijderen van de voorwerpen, die het natuurlijk behagen, met het te verplichten, alle zaken te aanschouwen als een reiziger en vreemdeling op deze aarde, die zich met niets ophoudt wat hij op zijne reis ontmoet, omdat hij slechts doortrekt.

Een Christen die door deze woorden van den Apostel wel doordrongen is : Wij hebben hier geene blijvende si ad, maar zoelen er eene in het toekomende; een Christen zeg ik, die dat gevoelen heeft, hecht zich weinig aan de goederen, aan de ijdelheden en vermaken der wereld, aangezien hij begrijpt dat alles voorbijgtiat en de dood hem een» alles moet

-ocr page 373-

III. BOEK. LUI. HOOFDSTUK. 369 ontnemen. Uct is gemakkelijk , zegt de heilige llierouymus, al het aardsche te versmaden , als men denkt dat men moet sterven en het verlaten.

Waarom dan, gelijk de heilige Pan!na spreekt, maakt de schijn der wereld, die voorbij vliegt en uit onze oogen verdwijnt, /.00 veel indruk op ons hart? en waarom maken de ware goederen der eeuwigheid, die alleen onvergankelijk zijn, zoo weinig indruk? Waarom hechten wij ons zoo sterk aan datgene, wat wij alleen in het voorbij-gaan genieten en in bewaring hebben ? en waarom hechten wij ons zoo weinig aan datgene, wat ons toebehoort, en dit voor altijd, namelijk aan het eeuwige geluk?

G E B F, ]).

Neen, mijn God! er kan geene gemeenschap tusschen een aardschgezind hart en tusschen uwe genade plaats hebben, zoo min als er gemeenschap tusschen U en de wereld kan bestaan. Doe deze herinnering bij mij steeds levendig en van eenen werkdadigen invloed zijn. Maak mij los van al wat we-reldsch is; leer mij mijzelven meester worden en stel mij door den omgang met U schadeloos voor de opofferingen, welke Gij billijk van mij eischt.

24

-ocr page 374-

370 DE NAVOLamp;ING VAK JESUS CHRISTUS.

YIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de verschillende neigingen der natuur en der genade,

1. De Heer. Mijn zoon ! gepf vlijtig acht op de neigingen van de natuur en van de genade : want zij werken zeer Tegenstrijdig, en dat zoo fijn, dat zij nauwelijks, tenzij door den geestelijken en innig verlichten mensch onderscheiden worden.

Alle menschen zoeken wel het goede en wenden bij hunne woorden en daden iets goeds voor; maar daarom worden velen door den schijn van het goede bedrogen.

2. De natuur is listig; zij trekt, verstrikt en misleidt er velen, en heeft altoos zich-zelve ten doel.

Maar de genade wandelt in eenvoudigheid, mijdt allen schijn van kwaad , zoekt niet te bedriegen en doet alles zuiver om God, in wien zij ook, als haar doel, rust.

3. De natuur wil ongaarne zichzelve afsterven , noch gedrukt, noch bedwongen, noch onderworpen, noch onder het juk gebracht worden.

Maar de genade legt zich op zelfverster-ving toe; wederstaat de zinnelijkheid, zoekt onderworpen te zijn, verlangt overwonnen te worden, wil geene eigene vrijheid genieten, maar gaarne onder tucht gehouden worden .

Zij begeert over niemand te heerfchen, maar altoos onder God te staan, Ie leven

-ocr page 375-

III. BOEK. LTV. HOOFDSTUK. 371 en te zijn , en is steeds bereid om uit liefde tot God voor alle mensehelijk schepsel nederig te bukken.

4. De natuur werkt om haar eigen voordeel , en let er op welke winst zij van een ander kan trekken.

Maar de genade ziet niet op hetgeen haar nattig en voordeelig is, maar meer op hetgeen velen van nut kan zijn.

5. De natuur ontvangt gaarne per en hulde.

Maar de genade wijst getrouw alle eer en

roem Gode toe.

6. De natuur vreest schande en smaad.

Maar de genade verheugt zich om Je sus\'

wil smaad te lijden.

7. De natuur bemint ledigheid en lichaams-rust.

Maar de genade kan niet ledig zijn; zij neemt gereedelijk den arbeid op zich.

8. De natuur tracht het zeldzame en fraaie te bezitten; zij heeft een afkeer van wat gering is en grof.

Maar de genade vindt vermaak in het eenvoudige en nederige; zij schuwt liet ruwe niet, noch weigert een versleten kleed te dragen.

9. De natuur ziet op het tijdelijke, verblijdt zich over aardsche winst, is over verlies bedroefd en wordt toornig oVer een gering smaadwoord.

Maar de genade let op het eeuwige, hangt niet aan het lijdelijke; zij laat zich door geen verlies van zaken ontroeren, noch door harde woorden verbitteren, omdat zij haren

-ocr page 376-

373 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, schat en hare vreugde in den hemel plaatst , waar niets vergaat.

10. De natuur is inhalig en ontvangt liever dan zij geeft; zij wil gaarne iets alleen bezitten.

Maar de genade is liefdadig en mededeelzaam. Zij mijdt het bijzondere, is met weinig tevreden en oordeelt dat het zalujer is te geven dan te ontvangen. (Act. 20)

11. De natuur neigt tot het schepsel, tot liet eigen vleesch, tot ijdelheden en rond-loopen.

Maar de genade trekt tot God en tot de deugd , ziet af van de schepselen, vlucht de wereld, haat de lusten des vleesches, beperkt het rondzwerven en schroomt in het openbaar te verschijnen.

12. De natuur heeft gaarne eenig uitwendig genoegen, waarin de zinnen zich verlustigen.

Maar de genade zoekt haren troost in God alleen , en haren lust in het hoogste goed boven al het zichtbare.

13. De natuur doet alles om eigen winst en belang; zij kan niets doen om niet, maar hoopt altoos voor weldaden of iets evenredigs of beters, of lof of gunst te bekomen, en begeert dat men hare daden en hare giften hoogschatte.

Maar de genade zoekt niets tijdelijks, nocli eischt ter belooning een anderen prijs dan God alleen, ja verlangt van de aardsche nooddruft niets meer, dan zooveel haar ter verkrijging van het eeuwige dienen kan.

-ocr page 377-

III. BOEK. LIV. HOOFDSTUK. 373

14\'. De nutuur verheugt zich in vele vrienden en nahestannden, roemt wegens :«dcl en hooge geboorte, is beleefd jegens de machtigen, vleit de rijken en juicht haarsgelijken toe.

Maar de genade bemint ook hare vijanden, en verheft zich niet op de menigte harer vrienden; zij let noch op rang noch op geboorte, tenzij daarmede eene grootere deugd gepaard ga.

Zij begunstigt meer den arme dan den rijke; zij neemt meer deel in het lijden van den onschuldige dan van den machtige; zij verheugt zich met den oprechte, niet met den onoprechte, en wekt steeds de goeden op om naar grootere gaven te streven en den Zoon van God in deugden gelijk te worden.

15. De natuur klaagt licht over gebrek en ongemak.

De genade draagt de armoede geduldig.

17. De natuur brengt alles op zichzelve terug, Rtrijdt en twist voor zichzelve.

Maar de genade brengt alles weder tot God, van wien het oorspronkelijk afdaalt; zij schrijft zicli niets goeds toe, noch matigt zich vermetel iets aan; zij twist niet noch stelt haar gevoelen boven dat van anderen ; maar bij al hare gevoelens en begrippen, onderwerpt zij zich aan de eeuwige wijsheid en het oordeel Gods.

De natuur zoekt geheimen te weten en nieuwigheden te hooren ; zij wil uitwendig schitteren en veel door hare zinnen onder-

-ocr page 378-

374 DE NAVOLGING VA.N JESUS CHRISTUS, viuden; zij wensclit bekend te zijn en te doen wat lol\' en bewondering baart.

Maar de genade zoekt niets nieuws nocli zeldzaams te vernemen; want dit alles komt voort van de oude verdorvenheid, daar er niets nieuws en duurzaams is op aarde.

Zij leert alzoo de zinnen beteugelen, ijdel zelfbehagen en vertooning vermijden, het roem- en bewonderenswaardige nederig verbergen , en bij al ons doen en weten nuttige vruchten en Gods lof en eer beoogen.

Zij wil zichzelve noch het hare geprezen hebben, maar wenscht dat God in zijne gaven geprezen worde, die alles uit loutere liefde schenkt.

17. Deze genade is een bovennatuurlijk licht en eene bijzondere gave Gods. Zij is eigenlijk het kenmerk der uitverkorenen en het onderpand der eeuwige zaligheid; zij, die den mensch van het aardsche tot de liefde voor het hemelsche verheft en van vleesche-lijk geestelijk maakt.

Hoe meer dus de natuur wordt terneergedrukt en overwonnen, hoe overvloediger de genade wordt ingestort; terwijl de inwendige mensch door vernieuwden toevloed dagelijks naar het beeld van God hervormd wordt.

OEFENING.

Wat is dat, in God, als in zijn laatste einde rusten? Uet is ; niets wenschen , niets zoeken en niets beminnen dan Hem; het is, alles voor Hem doen en lijden ; in alles aaii

-ocr page 379-

III. BOEK. L1V. HOOFDSTUK. S\'/Ö zijm\'ti wensch voldoen; niets willen, dan het-gene Hij wil; zich nooit verwijderen van den weg zijns welbehasjens; eindelijk, zijn geluk en zijne rust stellen in Hem te bevredigen ; maar deze handelwijze is strijdig aan de natuur; en de genade alleen kan dit voltrekken.

1. De natuur heeft altijd tot doeleinde hare eigene voldoening, en de genade zet ons altijd aan, om ons geweld aan te doen, dat is, om ons in niets te voldoen, en ons in alles te versterven.

2. De natuur wil noch sterven; noch zich-zelve bedwingen , noch onderworpen zijn ; de genade integendeel, wil, dat de ziel zich be-dwinge, zich matige, en zich onderwerpe aan datgene, wat voor haar het moeielijkste en tegenstrijdigste is; dat zij in alle gelegenheden aan hare eigene vrijheid verzake ; dat zij hare inborst best rijde ; dat zij voor God wijke, en, om zijne opperste heerschappij over haar te eeren , aanvaarde verootmoedigd, onderworpen en beteugeld te worden.

3. De natuur wil altijd over anderen heer-schen; de genade maakt, dat eene ziel zich onder de almogende hand Gods verootmoedigt, en dat zij, ora deszelfs liefde, zich aan de personen onderwerpt, die zijne plaats be-kleeden.

4. De natuur werkt altijd voor haar eigen belang, om zich te bevredigen en zich te vestigen : maar de genade werkt niet dan voor de belangen van God, waakt gedurig op de bewegingen des harten, om het van zonden te bevrijden, en doet het geene vaste woon-

-ocr page 380-

376 DE NAVOLGING VA.N JESUS CHRISTUS, plaats zoeken dan in liet hart van Jesua Christus.

5, De natuur schept haar behagen in de achting en den lof der raenschen, welke zij meent te verdienen; maar de genade doet zooveel, dat men dezelve onwaardig acht en de eer van alle dingen aan God geeft; en zij is zoo moeielijk op die zaak, dat zij aan eene ootmoedige en getrouwe ziel geene de minste beweging van ijdelheid jegens zichzelve toelaat , uit vrees, dat zij eenig welbehagen trekke uit het goede wat zij verricht.

G. De natuur vreesten vliedt de verachting en den slechten uitval in hare ondernemingen , en het is datgene, wat de genade verdraagt en aanneemt als zaken , die ons zondaars betamen; zij moedigt ons zelfs aan om Jesus Christus te bedanken , dat Hij ons datgene wil overzenden, wat het vermaak zijns harten uitmaakt.

7. De natuur bemint de rust van een zacht, ledig en nutteloos leven; maar de genade zoekt slechts den arbeid; zij vreest en vermijdt de uuttelooze woorden, gedachten en werken ; en in eene ziel de ledigheid des harten en des geestes niet kunnende verdragen, moedigt zij deze aan om zich met Gods t«gen-woordigheid te vervullen , gene om door zijne liefde te leven.

8. De natuur legt zich toe op al wat groot, schoon, voortreffelijk en gemakkelijk is; de genade versmaadt en vlucht dit alles, en oordeelt niets zoo groot, dan wat goddelijk, bovennatuurlijk en eeuwig is.

-ocr page 381-

iii. boek. lv. hoofdstuk. 377

Maar lioe meer de nutuur bedwongen wordt, des le overvloediger wordt de genade in eene ziel gestort, welke zijdoor eeuen inwendigeu geest hernieuwt , en haar volkomen in God vestigt.

g e b e i).

Ja, mijn God! er is een groot onderscheid tusschen uwe genade en mijne zinnelijke nutuur. Hoe edel is de eerste, hoe gebrekkig de andere! Terwijl wij door onze zinnelijkheid tot nietigheden vervallen, doet uwe ue-nade ons boven het zinnelijke hemelwaarts stijgen en naar gelijkvormigheid aan het oorspronkelijke beeld trachten. Dat ik dat onderscheid steeds wel besetl\'e en eene gave waar-deere, die alles wat de aarde heeft, oneindig overtreft.

VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de verdorvenheid der natuur eti de kracht der goddelijke genade*

1. De Geloovige. Heere miju God! die mij naar uw beeld en uwe gelijkenis geschapen hebt, schenk mij die genade, welke Gij mij getoond liebt zoo voortrelfelijk en le mijner zaligheid zoo noodig to zijn, opdat ik mijne zeer booze natuur , die mij tot zonde en verderf wegsleept, overwinne.

Want ik gevoel in mijn vleesch de wet der zonde, die de wet mijns gemoeds weder-streeit, en mij gevangen wegvoert om aan de

-ocr page 382-

378 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTÜS. zinnelijkheid in vele dingen te gehoorzamen ; en deze hare aandrift kan ik niet wederstaan , tenzij uwe allerheiligste genade mijn hart vurig ingestort worde en mij te hulp kome.

2. Uwe genade, ja eene groote genade is er noodig om de natuur te overwiuneu, die van de jeugd af altoos ten kwade geneigd is.

Want sedert zij door den eersten mensch Adam ten val gebracht en door de zoude verdorven is, gaat de straf dier vlek op alle menschen over; zoodat diezelfde natuur, welke door U goed en recht geschapen was, nu vervangen is door iiet gebrek en de zwakheid eener verdorven natuur, omdat hare neiging, aan zichzelve overgelaten, tot het kwade en aardsche trekt.

Immers de weinige kracht, welke haar is overgebleven, is als een vonkje onder de asch verborgen.

Dat vonkje is de natuurlijke rede, met dikke duisternis omhuld, het oordeel tus-schen goed en kwaad en de onderscheiding tusschen waar en valsch nog overhoudende , ofschoon zij onmachtig is om al hetgeen zij goedkeurt, te volbrengen, en niet meer het volle licht der waarheid noch de gezondheid harer neigingen geniet.

3, Vandaar, o mijn God ! dat ik naar den tmcendïgen mensch vermaak vind In moe wei, (Kom. 7.) wetende dat uwe bevelen goed, rechtvaardig en heilig zijn. ( Ib.) ook leerende dat men alle kwaad en zoude moet vluchten.

Maar naar het vleesch dien ik de wet der

-ocr page 383-

III. BOEK. LV. HOOFDSTUK. 379 zonde, (Ib.) daar ik me.ftr nun de zinnelijkheid dan aan de rede gehoorzaam.

Vandaar dat wel het goede te willen hij mij is, waar hef te volbrengen, dat vind ik niet. (ib.)

Vandaar dat ik mij dikwijls veel goeds voorneem, maar omdat mij de genade ter ondersteuning mijner zwakheid ontbreekt, wijk ik bij den geringsten tegenstand bezwijk.

Vandaar dat ik wel den weg der volmaaktheid ken en klaar genoeg zie hoe ik handelen moet; maar neergedrukt door het gewicht mijner verdorvenheid, hef ik mij niet tot het volmaaktere op.

4. O, hoe volstrekt noodig is mij dan uwe genade, o Heer! om het goede te beginnen , voort te zetten en te voleindigen!

Want zonder haar kan ik niets doen; maar door uwe genade versterkt kan ik alles in LI.

o Waarlijk hemelsehe genade, zonder welke alle verdiensten, ook alle natuurlijke gaven niet te achten zijn !\'

Noch kunsten noch wetenschappen, noch rijkdom noch schoonheid, noch sterkte noch vernuft, noch welsprekendheid gelden bij U, o Heer! iets zonder de genade.

Want de gaven der natuur zijn aan goeden en kwaden gemeen, maar de genade of de liefde is eene den uitverkorenen eigene gave : wie daarmede gekenmerkt zijn , worden het eeuwige leven waardig geacht.

Zoo voort re lïel ijk ia die genade, dat zouder haar noch de gave van voorzegging, noch de

-ocr page 384-

380 DE NAVOLGING VAN JESU8 CHRISTUS, kracht van *vonderteekeueii, noch eenige beschouwing hoe verheven ook, iefa te achten is.

Ja, zonder deze liefde en genade is noch geloof\', nocli hoop, noch eenige andere deugd U behaaglijk.

5. o Zegenrijke genade, die den arme van geest in deugden rijk maakt, en den met velerlei gaven bedeelde uederig van harte doet zijn: kom, daal in mij neder en vervul mij vroeg met uwen troost, opdat mijne ziel niet van vermoeiing en dorheid des harten bezwijke.

Ik smeek U, o Heer! laat mij genade vinden in uwe oogen : want uwe genade is mij genoeg, al verkrijg ik ook al het overige niet, dat de natuur verlangt.

Al word ik dan bekoord en door vele te-genheden gekweld, zoolang uwe genade bij mij, is, zal ik geen kwaad vreezen.

0. Zij is mijne kracht, zij geeft raad en hulp.

Zij is machtiger dan alle vijanden en wijzer dan alle wijzen.

7. Zij is de leermeesteres der waarheid, de leidster tot tucht, het licht des harten, een troost in druk ; zij verbant de droefheid , verjaagt de vrees, voedt de godsvrucht en brengt tranen \'voort.

Wat ben ik zonder haar, tenzij een dor hout en een onnutte stam, die uitgeroeid moet worden ?

Dat dan, o Heer! uwe genade mij altoos en voorkome en volge. Zij doe mij steeds be-

-ocr page 385-

III. BOEK. LV. HOOFDSTUK. 381 dacht zijn op goede werken , door J e s n s Christus uwen Zoon. Amen.

OEFENING.

Wij doen ons zeiven recht, met onze eigene krachten te mistrouwen , en wij doen recht aan God, met een vast vertrouwen in de hulp zijner genade te stellen. Die genade ontbreekt ons nooit: maar wij ontbreken dikwijls er aan te beantwoorden; en het eenije middel om zijne zaligheid re verzekeren, is, aan de bewegingen der genade getrouw te zijn , aangezien deze getrouwheid de oefening der deugden en van alle middelen der zaligheid in zicli zelve besluit.

Daar de menschelijke natuur door de zonde van den eersten mensch werd bedorven , is de straf van die bedorvenheid , alsook de vlek van zijne zonden , in alle menschen overgegaan ; en dit verplicht ons onophoudelijk de ongeregelde bewegingen der natuur te bevechten , om die der genade te volgen. Zjnder dien heiligen haat van ons zeiven, die ons opwekt om ons zeiven te verzaken en te overwinnen, is liet onmogelijk zalig te worden : want, daar in den staat van onschuld alles in den mensch geregeld was , en hij aan God, door Jesus oorspronkelijke rechtvaardigheid was onderworpen, zouden de driften tegen de rede niet opgestaan zijn; maar dewijl in den staat van zonde, waarin wij ons bevinden, onze begeerlijkheid en neiging tot het kwaad , onze grootste vijand is, moeten wij niet ophouden ze te bestrijden zoo lang wij leven.

-ocr page 386-

382 1)?. navolging van jesus christus

g e b e 1).

Ook ik, o God! gevoel hot licht uwer genade noodig te hebben, bij alles wat ik ou-derneem, bij alles wat ik wenseh tot een gelukkig einde te brengen. Zonder den bijstand uwer genade vermag ik niets, mijner bestemming waardig, en door haar vermag ik alles; zonder haar zijn alle andere gaven weinig te achten. Dat ik dan genade in uwe oogen vinde; dat zij mij steeds vergezelle, mijnen wandel geleide en mij voere tot een zalig einde.

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat wij onszelven moeten verloochenen e?i Christus op den weg des kruis es volgen.

1. De Heer. Mijn zoon! hoe meer gij van uzelven kunt uitgaan, hoe meer gij tot Mij kunt ingaan.

Gelijk het den inwendigen vrede bevordert niets uitwendigs te begeeren , zoo vereenigt men zich met God door zich innerlijk te verlaten.

Ik wil dat gij leert u volkomen verzaken geheel naar mijnen wil, zonder tegenspraak of klach te.

Vohjl Mij : (Matlh. 9.) // de wcy, de waarheid c;/ het leven * (Joan. 14.)

Zonder weg gaat men niet, zonder waar-

-ocr page 387-

iii. boek. evi. hooedstuk. 383

heid kent meu niet, zonder leven leeft men niet.

Ik ben de wejr, dien jjij moet volgen, de waarheid, die gij moet gelooven, liet leven, hetwelk gij moet verhopen.

fk ben de onbedriegelijke weg, de onfeilbare waarheid, het onvergankelijke leven.

Ik ben de rechtste weg , de opperste waarheid , het ware, zalige, ongeschapen leven.

Indien gij blijft op mijnen weg, gij zult dc waarheid kennen en de waarheid zal n vrij maliën (Joan. 8) en gij znlt het eeuwige leven verwerven.

2. Wilt gij tot het leven ingaan, onderhoud de geboden. ( Matth. 19 )

Wilt gij de waarheid kennen , geloof in Mij.

Wilt gij volmaakt zijn * vertoon alles. (Matth. 19 ^

Wilt gij mijn leerling zijn, verloochen nzcl-ven. ( Luc. 9)

Wilt gij het zalige leven bezitten, veracht het tegenwoordige.

Wilt gij in den hemel verheven worden, verneder u op aarde.

Wilt gij met Mij heerschen, draag het kruis met Mij.

Want alleen de dienaars van het kruis vinden den weg der zaligheid en des waren lichts.

3. De Geloovige. Ueere Jesus! daar uw weg rug is cn door de wereld veracht, geef dat ik ü ook niet verachting der wereld volge.

Want de leerling is niet hoven den mees-

-ocr page 388-

384- DE natolging van jesus christus. ter, noch de dienstknecht hoven zijnen heer. (Matth. 10)

Dat dan de dienstknecht zich in de navolging van uw leven oefene : want daarin is mijn heil en ware heiligheid.

Wat ik leze of hoore buiten uw leven, verkwikt noch verlustigt mij geheel.

4. De Heer. Mijn zoon ! daar gij dat alles weet en gelezen hebt, zult gij gelukkig zijn indien gij het nakomt.

Die mijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij liefheeft. Ooit II,- zal hem lief hebben en M. ijzelven aan hem openbaren. (Joan. 14) en zal hem met Mij doen aanzitten in het rijk mijns Vaders.

5. De Geloovige. Heere Je sus! het geschiede gelijk Gij gezegd en beloofd hebt en moge het mij gelukken zulks te verdienen.

Ik heb het kruis opgenomen ; ik heb het uit uwe hand ontvangen. Ik zal het dragen ja, dragen tot aan mijn dood , zooals Gij het mij opgelegd hebt.

In waarheid het leven eens vromen kloos-terlings is een kruis, maar een kruis dat ten hemel leidt.

Ik ben begonnen; teruggaan mag ik niet , en stilstaan betaamt niet.

6. Welaan, broeders! laat ons te zamen voortgaan : Jesus zal met ons wezen.

Om Jesus namen wij dat kruis op: laat ons om Jesus bij het kruis volharden. Hij zal onze helper zijn , die onze aanvoerder en voorganger is.

-ocr page 389-

ITI. BOEK. LVT. HOOFDSTUK. 385

Zie ! onze Koning gaat ons voor: Hij zal voor ons strijden.

Laat ons moedig volgen; dat niemand iets verschrikkelijks duchte! Zijn wij bereid in den krijg heldhaftig te sterven; laten wij onzen roem de smet niet aandoen dat wij voor het kruis zouden vluchten.

OEFENING.

Datgene wat Jesus Christus in het Evangelie zegt, namelijk dat hij, die tot hem wil komen, zich moet verloochenen, zijn kruis opnemen en Hem volgen , behelst in zich de oefening vaneen oprecht christelijk leven , en eenen zekeren weg tot de zaligheid, vermits Jesus Christus de weg, de waarheid en het leven is: de weg, dien wij moeten volgen; de waarheid, welke wij moeten gelooven, en het leven , dat wij moeten hopen. Want om als een waar Christen te leven en zijne zaligheid te verzekeren, moet men beginnen met aan zichzelven te verzaken en te versterven ; en het is die verzaking en die geest van verloo-chening, welke het grondbeginsel van het Evangelie , de grondwet van het Christendom, de wezenlijke plicht van den Christen en een volstrekt noodzakelijk middel ter zaligheid zijn. Het is die inwendige versterving, die besnijding des harten , welke bestaat in het ontzeggen van alle strafplichtige, gevaarlijke of nuttelooze voldoening , die het onderscheid der uitverkorenen en der verdoemden uitmaakt. Het kenteeken van onzen staat, die een staat 25

-ocr page 390-

3S8 DE NAVOLGING VAN JESüft CHRISTUS, van zoude is, moet een staat vau boetvaardigheid, het doel des Christendoms en de zekerheid der zaligheid wezen.

Zijn kruis met Jesus Christus dragen, is, van een ieder alles verdragen, zonder iemand te doen lijden; het is, van de hand en het hart van Jesus Christus al de kwellingen dea geestes en des lichaams aanvaarden; het is, met geduld al het kwaad verduren, dat wij van de rechtvaardigheid Gods en van de onrechtvaardigheid der menschen ontvangen; het is de versmading aannemen als iets wal men verdient, en als een groot ongeluk rekenen, niets te lijden voor God ; en als het grootste geluk des levens, altijd voor zijne liefde te lijden.

GEBED.

Neen, mijn Heiland! er is geen beter, geen veiliger weg voor mij om tot deusd en zaligheid te komen , dan Gijzelf zijt, Gij zijt de weg, de waarheid en het leven. Maar hoe zal ik dien weg vinden ? Heil mij! Gij hebt mij dien aangewezen ; ik moet mij zeiven verloochenen, mijner zinnelijkheid geweld aandoen, mijn kruis opnemen en TJ navolgen. Geleid mij op dien weg, vestig daarop mijne schreden en dat ik nimmer daarvan afwijke.

-ocr page 391-

iii. bop.k. lvti. nootdstttk. 887

ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

De viensch zij niet te neerslachtig wanneer hij in eenigen misslag valt.

1. df heer. Mijn zoon! geduld en nederigheid in tegenspoed behagen Mij meer, dan veel troost en ijver in voorspoed.

Waarom bedroeft u eene kleinigheid, die tegen u gezeed wordt ?

Al ware het iets grooters geweest, het had n niet moeten ontrosren.

Laat het dan nu voorbijgaan. Het is niet het eerste noch iets nieuws, het zal ook het laatste niet zijn, zoo gij lang leeft.

Zoolang u niets kwaads ontmoet, zijt gij moedig genoeg; ook geeft gij goeden raad en weet anderen door woorden te versterken; maar vertoont zich onverwachts eenig ongeval voor uwe deur, het ontbreekt u aan raad en sterkte.

Let op uwe groote broosheid, welke gij zoo dikwijls bij de geringste voorvallen ondervindt.

Intusschen geschiedt het alleen tot uw heil, wanneer deze en soortgelijke dingen u treffen.

2. Stel het, zoo goed gij kunt, uit uw hart; en heeft het u geraakt, dat het u niet ternedersla noch lang hindere.

Draag het ten minste geduldig, zoo gij het niet blijmoedig kunt.

Ook zoo gij het ongaarne hoort en u verontwaardigd gevoelt, bedwing u en laat niets

-ocr page 392-

38S de navolging va.n jesus cttrtstus. onbehoorlijks uwen mond ontvallen, dat den zwakke aanstoot ^eeft.

Spoedig zal de ontstane ontroering bedaren , en de inwendige smart door de terugkomende Erenade verzoet worden.

Want Ik leef nog, zegt de Heer, bereid om u te helpen en buitengewonen troost te schenken, zoo gij op Mij vertrouwt en vurig tot Mij roept.

3. Houd goeden moed en bereid u om nog meer te lijden.

A-lles is uiet verloren, al gevoelt gij u dikwijls gedrukt of zwaar bekoord.

Gij zijt een mensch, en geen God; gij zijt vleeseh, geen Engel.

Hoe zoudt gij altoos in denzelfden staat van deugd kunnen volharden, daar dit den Engelen in den hemel en den eersten mensch in het Paradijs niet heeft mogen gebeuren.

Ik ben het die de bedrukten opbeur en red, en hen die hunne zwakheid kennen tot mijne godheid opvoer.

4quot;. De Geloovige. Heer! gezegend zij uw woord, mij zoeter dan homy en honigzeem in den mond. (Ps. 18.)

Wat zoude ik onder zoo vele rampen en benauwdheden doen, tenzij mij door uwe hpi-lige woorden versterktet?

Als ik slechts ten laatste de haven der zaligheid mag binnenzeilen, wat is er a\'in gelegen wat en hoeveel ik geleden heb ?

Geef een goed einde, geef een gelukkig verscheiden uit deze wereld.

Gedenk mijner, mijn God! en geleid mij

-ocr page 393-

III. BOEK. LVII. HOOFDSTUK. 389 langs den rechten weg naar uw rijk. Amen.

OEFENING.

Wanneer het ons verdriet altijd en veel te lijden, moet men zich herinneren, dat de ootmoedige onderwerping aan de kwellingen onvergelijkelijk aangenamer is aan God, dan de zoetheid van zijne vertroostingen, en dat alzoo de grootste vertroosting voor eene ziel is van alle vertroostingen beroofd te zijn, en\' evenwel niet na te laten God getrouw te blijven.

Als men tot zonde bekoord en aangedreven wordt, moet men ze trachten alquot; te weren, aan zijne zondige neigingen met alle kracht en alle mogelijke dapperheid tegenstand bieden , en aanstonds zijne toevlucht nemen tot den Heer en tot de allerheiligste Maagd, om door hen geholpen te worden. Nochtans moet het gevoel van liet kwaad ons niet neerslachtig maken noch den moed benemen, maar het moet, bij eenen grooten afschrik voorde zonde, ons met een des te vaster vertrouwen tot God verhelfen; men moet, zooveel mogelijk, den geest van de oneerlijke voorwerpen, die hem treffen , en ons hart van het straf-plichtig vermaak, dat het opwekt om aan de zonden toe te stemmen, aftrekken. En om in de tegenspraak getrouw te wezen, zoo tracht niets met een ontsteld gemoed te zeggen, en doe al het mogelijke, om de droevige bemerkingen cn aandoeningen van wraak tegen de personen die u beleedigcn, aan God op te

-ocr page 394-

390 de navolging van jesus christus.

offeren, overtuigd zijnde, dat alles, wat gij t

denkt, wat gij wilt, en wat gij tegen hen zegt, dat dit alles tegen Jeans Christus geschiedt.

Herinner n in uwe inwendige kwellingen,

dat alles niet verloren is , omdat gij geweldig bedrukt en bekoord wordt. Maar bied wederstand aan de bekoring, onderwerp u aan de vernedering, en stel u voor dat gij , om tot de vereeniging met God verheven te worden,

alvorens tot in het diepste uwer ellenden moet vernederd worden.

GEBED.

Dank, o God! voor dezen troost. Ja uw woord is mij zoeter dan honig. Gezegend ,

welkom zij het mij ! Dat het mij dierbaar blijve en bij lijden met troost verkwikke. Zie,

ik ben tot alles bereid. Geen lijden zal mij te moeielijk vallen, zoo uwe genade mij vergezelt en ik eens mag aanlanden in de veilige haven mijner zaligheid. Geleid mij toch daarhenen, en geef dat mijn verscheiden uit deze wereld gelukkig zij.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Men mag geene te verheven zaken noch

de verborgene raadsbesluiten Gods onderzoeken.

1. 1)f. Heer. Mijn zoon! wacht u over te hooge zaken en de verborgen oordcelen Gods

-ocr page 395-

III. BOEK. LVIII. HOOFDSTUK. 891 te redetwisten ; waarom deze zoo verlaten, gene tot zulke groote genade opgevoerd worde ; waarom deze zoo bedroefd, gene zoo hoog verheven worde P

Dat gaat al \'s menschen bereik te boven ; en geen rede of onderzoek is vermogend om Gods oordeel te doorgronden.

Wanneer dan de vijand u zoo iets ingeeft, of wel sommige nieuwsgierige menschen daarnaar vragen, antwoord met den Profeet : quot; \'\' quot;J quot;ij, o Heer ! en billijk is uw

dteleii zijn waarachtig, rechtvaardig altemaal.

alsook : des Heereti oor-

Mijne oordeelen moet men vree zen, niet onderzoeken, vermits zij ontoegankelijk zijn voor \'s menschen verstand.

2. Wil ook niet onderzoeken noch redetwisten over de verdienste11 der Heiligen, wie hunner heiliger of grooter is in het hemelrijk.

Dit brengt dikwijls onnutte twisten en krakeelen voort, voedt ook den hoogmoed en ijdelen waan; waaruit nijd en tweedracht ontstaan, daar de eene dezen Heilige, gene een anderen trotschelijk tracht te verheffen.

Zulke dingen te willen weten en te onderzoeken doet geen vrucht en mishaagt eer den Heiligen, wijl Ik geen God ben van tweedracht, maar van vrede; welke vrede meer in waren ootmoed dan in zelfverheffing bestaat.

3. Sommigen worden meer tot dezen of genen getrokken, maar door eene voorliefde die meer menschel ijk dan goddelijk is.

-ocr page 396-

392 DE NAVOLGING VAN JESÜ8 CHRISTUS.

Ik ben degene , die alle Heiligen gesclm-pen heb; Ik heb hun genade gegeven ; Ik heb hun heerlijkheid geschonken.

Ik ken ieders verdienstenen heb hen met mijne heilzame zegeningen voorkomen.

Ik heb voor eeuwen mijne geliefden gekend; Ik heb hen uit de wereld verkozen, niet zij hebben eerst Mij verkozen.

Ik heb hen door genade geroepen, door barmharmhartigheid getrokken; Ik heb hen door velerlei bekoringen henengevoerd.

Ik heb hun groote vertroostingen ingestort; Ik heb hun volharding verleend; Ik heb hun geduld bekroond.

4. Ik ken zoowel den eerste als den laatste ; Ik bemin ze allen met onschatbare liefde.

Ik moet in al mijne Heiligen geprezen worden; Ik moet boven alles gezegend en in elk hunner vereerd worden , die Ik zoo hoog verheerlijkt en daartoe voorbestemd heb, zonder eenige voorafgaande eigene verdiensten.

Wie dan een mijner geringsten veracht , eert ook den grootste niet: want Ik heb den geringste en den grootste geschapen.

En wie éen Heilige te kort doet, doet ook Mij en al den overigen in het hemelrijk te kort.

Want zij zijn allen èen door den band der liefde; zij hebben éen gevoelen, éen wi), en beminnen elkander in éenen, in Mij.

5, Ja, wat veel meer is, zij beminnen Mij meer dan zichzeiven en hunne verdiensten.

Want, boven zichzeiven verrukt en aan

-ocr page 397-

III. BOEK. LVIII. HOOFDSTUK. 393 alle eigen liefde onttrokken, gaan zij geheel in mijne liefde over, waarin zij ook genoeglijk rusten.

Niets is er dat hen kan aftrekken of ne-derdrukken , daar zij , met de eeuwige waarheid vervuld, door het vuur eener onuit-bluschbare liefde branden.

Dat dan vleeschelijke en zinnelijke men-schen ophouden over den staat der Heiligen te twisten, daar zij niets dan hun bijzonder vermaak weten te beminnen.

Zij geven of ontnemen hun volgens hunne neiging, niet gelijk het der eeuwige Waarheid behaagt.

6. Bij velen is het onkunde, vooral bij hen die weinig verlicht, zelden iemand met eeue volkomen geestelijke liefde weten te beminnen.

Zij worden nog te zeer door natuurlijke Neiging en mensciielijke vriendschap tot dezen üf genen getrokken; en gelijk zij zich in het aardsche gedragen, zoo denken zij ook over het hemelsche.

Maar er is een oneindig verschil tusschen de gedachten van onvolmaakten en hetgeen verlichte mannen door eene hoogere openbaring zicli voorstellen.

7. Wacht u dan, mijn zoon ! u met zulke zaken, welke uw begrip te boven gaan, nieuwsgierig in te laten; maar beijver u liever en leg u hierop toe, dat gij ook maar de minste in het rijk van God moocht bevonden worden.

Eu al wist iemand, wie boven anderen

-ocr page 398-

394; DE NAVOLG-ING- VAN JE6US CHRISTUS, heilig en groot in het hemelrijk gehouden wordt, wat zoude hem die kennis baten, zoo hij daardoor voor Mij niet nederiger wierd en opgewekt om mijnen naam te meer te loven ?

Hij die over de grootheid zijner zonden en de geringheid zijner deugden nadenkt en hoever hij nog van de volmaaktheid der Heiligen at\' ia , doet eene Gode veel behaaglijker werk, dan hij die over hunne meerderheid olquot; minderheid twist.

Het is beter de Heiligen met vurige gebeden en tranen aan te roepen en hunne heerlijke voorbidding nederig af te smeeken, dan door een ijdel onderzoek hunne geheimen uit

te vorscheu-

8. Zij zjjn Wt\'l en zeerwel tevreden, wis-ien de menschen maar wèl tevreden te zijn en hun ijdel gepraat te bedwingen \'•

Zij roemen niet in hunne eigea verdiensten, daar zij zichzelven niets goeds toeschrijven, maar alles aan Mij, die hun alles uit onbegrensde liefde geschonken heb.

Zij zijn met zulke groote liefde tot de Godheid en met zoo eene overmaat van vreugde vervuld, dat er niets ontbreekt aan hunne heerlijkheid en niets aan hunne zaligheid ontbreken kan.

Alle Heiligen, hoe meer zij in heerlijkheid verheven, hoe nederiger zij in zichzelven en hoe nader en geliefder zij Mij zijn.

Daarom vindt gij geschreven : zij wierpen livnne kronen neder voor God en vielen op hunne aangezkhlcn voor hel Lam , en aanha-

-ocr page 399-

III. BOEK. LVIII. HOOrDSTUK. 395

den Hem, die tot in de eeuwen der eeuwen leeft. (Apoc. 4 en 5.)

9. Velen onderzoeken wie de grootste zij in het rijk van God, zij, die niet weten ol\' zij waardig znllen zijn onder de geringsten gerekend te worden.

Het is groot ook de geringste in den hemel te zijn, alwaar allen groot zijn, omdat zij allen Gods kinderen genoemd worden en zijn zullen.

JJe geringste zal er tot duizend worden, terwijl ook de honderdjarige zondaar sterven zal, ( is. 60 en 05 )

Want toen mijne leerlingen Mij vroegen, wie de grootste ware in het hemelrijk , vernamen zij dit antwoord : tenzij (jij u bekeert en word^ dis de kinderen, zult gij niet ingaan in he^ rijk der hekelen. Alwie zich derhalve zal ver. nederf n gt; gelijk dit kind, die is de grootst6 in hét der hemelen. (Matth. 18)

10. Wee hun die weigeren zich gewillig met de kinderen te vernederen: want de lage poort van het hemelrijk zal hun niet laten binnengaan.

Wee ook den rijken die hier hunnen troost weghebben: want terwijl de armen het rijk Gods zullen binnengaan, zullen zij buiten staan en weenen.

Verblijdt u, gij nederigen ! juicht, gij armen! want u is het rijk van God, mits gij in waarheid wandelt.

o t: F E N in o.

Om aan de Heiligen de verschuldigde eer

-ocr page 400-

396 DE NAVOLGING VAN JESUS CHKISTÜS. te bewijzen, moet men hen aanroepen en navolgen , zonder te twisten over de grootheid hunner heerlijkheid in den hemel. Men moet trachten de goede voorbeelden na te volgen, welke zij ons op aarde gegeven hebben; en men eert volmaaktelijk de Heiligen, als men zich, even als zij, heilig maakt. God heeft al de Heiligen naar het voorbeeld van het Mensch geworden Woord, zijnen Zoon, gevormd ; en het is onmogelijk het voorwerp van Gods liefde te zijn, zonder dat men Jesus Christus tot voorbeeld onzer navolging neme ! Hij heeft gewild, dat er heiligen uit alle standen der wereld zouden wezen, om aan de menschen te doen verstaan, dat zij zich kunnen zalig maken en heiligen, met heilig en christelijk, ieder in zijnen staat, te leven- H. Cyprianus.) Hij geeft ons de Heiligen tot beschermers en voorbeelden, om ons te helpen, en ons den hemel, dien zij bezitten, te lecren verdienen, aangezien het waar is, dat zij onze gebeden aanhooren , en dat, verzekerd van hun geluk, zooveel hun staat het toelaat, zij voor het onze bezorgd zijn.

Laat ons dan trachten te leven en te lijden gelijk zij; om eens met hen te leven en te heerschen, en bedenken wij, dat er maar een weg is, om tot het gelukkige einde te geraken , tot hetwelk de Heiligen gekomen zijn ; en die weg is, volgens de opmerkingen van het Evangelie, een boetvaardig afgestorven en van de wereld afgezonderd leven : elke andere weg is, volgens Jesus Christus /elven , een weg van verderf.

-ocr page 401-

ITT. BOEK. LTX. HOOFPSTUK, 39?

GEBED.

Billijk, o Heer! is deze uwe vermaninir. Het twisteu over de geheime wegen Gods bevat geen nut en kan ons licht tot hoosr-moed en vermetelheid vervoeren. Wie is hij, die slechts eenvoudia; de gaven aanwendt, door U hem medegedeeld. Hij ia voor U de grootste in uw rijk , naarmate hij de geringste in zijn eigen oogen is. Boezem mij zulke nederige gedachten in en maak mij waardig ook de geringste plaats in uw hemelach rijk.

NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men alle hoop en vertrouwen op God alleen moet stellen,

1. De GÉLOOVIGE. O Heer! welk is in dit leven mijn vertrouwen? Of welk is mijn grootste troost te midden van alles wat onder de zon bestaat P Zijt Gij het niet, ileere mijn God! wiens barmhartigheid grenzen-loos is?

Waar bevond ik mij ooit goed zonder U? Of wanneer koude het mij kwalijk gaan, als Gij bij mij waart ?

Liever wil ik arm zijn om U, dan rijk zonder U.

Liever verkies ik op aarde met U om. te zwerven, dan zonder U den hemel te bezitten.

-ocr page 402-

39R DF, NAVOLGING VAN JESUS CTTRISTUS.

Waar Gij zijt, d.-iar is de hemel, en waar Gij niet zijt, de dood en de hel,

Gi.i zijt mijn verlangen : daarom moet ik tot Ü zuchten, roepen en smeeken.

Eindelijk; er is niemand op wien ik volkomen kan vertrouwen om mij in mijnen nood ter rechter tijd te helpen, dan op U alleen, mijn God !

Ja Gij zijt mijne hoop. Gij mijn vertrouwen; Gij mijn trooster en in alles mijn cje-trouwste vriend.

2. Allen zoeken het hunne; Gij beoogt alleen mijn heil en mijnen voorte:ansj en doet mij alles ten .^oede keer en.

Ook wanneer Gij mij aan velerlei bekoringen en wederwaardigheden blootstelt, dan beschikt Gij dat alles te mijnen beste. Gij die gewoon zijt uwe geliefden op allerlei wijze te beproeven.

Bij deze beproeving moet gij niet minder bemind en geprezen worden, dan of Gij mij met uwe hemelsche vertroostingen vervuldet.

3. Op U dan, o Heere God! stel ik al mijne hoop en mijn vertrouwen; op U werp ik al mijn kommer en angsten, dewijl ik alles, wat ik buiten U opmerk, als zwak en ongestadig bevinde.

Want noch vele vrienden kunnen baten , noch machtige beschermers helpen, noch voorzichtige raadslieden goeden raad geven , noch de boeken der geleerden troosten, noch kostbaarheden van welken aard ook redden, noch eenige verborgen en aangename plaats beveiligen, zoo Gij zelf niet nabij zijt, helpt,

-ocr page 403-

TTT. BOEK. LTX. TIOOFBSTUK. 309 versterft, vertroost, onderricht en bewaart.

4. Want alles wat den vrede en het geluk schijnt te kunnen bevorderen, is zonder U niets en brengt in waarheid geenerlei geluk aan.

Gij alzoo zijt de voltooiing van alle goed. Gij de volheid des levens, de bron der wijsheid, en op U boven alles te hopen is de kracht isrste troost voor uwe dienaren.

Tot U zijn mijne oogen gericht; op IJ vertrouw ik , miju God, Vader der barmhartigheden !

Zpgen en lieiliff mijne ziel met uwe he-melsche zegeningen, opdat zij U eene heilige woning en uwer eeuwige heerlijkheid een zetel worde; opdat er in dezen tempel uwer opperwaardigheid niets gevonden worde, dat het oog uwer Majesteit mishaaagt.

Zie op mij naar de grootte uwer goedheid en de menigte uwer barmhartigheden en verhoor de bede van uwen armen dienstknecht , die verre van U, als balling in het land van de schaduw des doods omzwerft.

Bescherm en bewaar de ziel uws armen dienstknechts onder zoovele gevaren van het vergankelijk leven; dat uwe genade haar ver-gezelle en haar leide langs den weg des vre-des naar het vaderland des eeuwigen lichts. Amen.

OEPENING.

Wanneer wij bemerken, dat wij bedrukt of met inwendige kwellingen, met lichame-

-ocr page 404-

400 DE NAVOLRTNG VAN JP.RUS CTTKTSTUS. ^ijke smarten on uiterlijke wederwanrdiehe-den overladen worden , of met al deze ongelukken te zamen, laat ons dan met vertrouwen onze toevlneht tot God nemen , die alleen ons kan helpen r n bijstaan, en laat ons met de Machabeërs tot hem zeggen : Heer ! Gij kent de voornemens, welke de vijanden onzer ziel en van onze zaligheid tegen ons opvatten : hoe zullen wij hun ooit tegenstand kunnen bieden, tenzij Gij ons te hulp komt? Wij heffen dan onze oogen en ons hart tot TJ op, tot U, die ons kunt helpen, want Gij zijt onze God; die ons moet helpen, want Gij zijt onze Zaligmaker; die ons wilt helpen, want Gij zijt onze Vader; en wij verzoeken uwe hulp, om niet te bezwijken noch verloren te gaan.

GEBED.

Mijn God ! mijne hoop ! mijn vertrouwen ! mijn al! Op wien zal ik vertrouwen, zoo ik op U niet vertrouw? Tot wien mijne toevlucht nemen, zoo ik uwe hulp niet verwacht ? Neen , zonder U kan alles, wat de aarde troostrijks heeft, niet baten; geene menschelijke hulp helpen. Heil mij ! dat ik eenen Vader heb, op wien ik in allen nood mag hopen! Goede Vader! bevestig in mij dit geloof; wees mij met uwe hulp nabij en breng mij eindelijk over in de gewesten des vredes.

-ocr page 405-

DE NAVOLGING

va n

VIERDE BOEK.

Over het allerheiligste Sakrameut.

EERSTE HOOFDSTUK.

Vurige uitnoodiging tot de heilige Communie. — Met welken eerbied men Christus moet ontvangen.

1. De Heer. Komt allen tot Mij, die vermoeid en heiast zijt, en U zal u verkioiJcken. (Matth. 11.)

Het hrood dat Ik geven zal, is mijn vlees ch voor het leven der wereld * (Joan. 6.)

Neemt en eet : dit is mijn lichaam, dat voor n zal overgegeven worden. Boet dit tot mijne gedachtenis. (Matth. 2fi, Lnc. 32. I. Cor. 11.)

2fi

-ocr page 406-

4lt;03 de nayolging van jesus christus.

Die mijn vleesch eet en mijn hloed drinkt, blijft in Mij, ew Ik in hem. ( Joan. 6.)

Be woorden die Ik tot n gesproken heb, zijn (jesst en leven, (Ib.)

2. De Geloovige. Dit zijn, o J e s u s C h r i s t u s! eeuwige Waarheid, uwe eigene woorden, ofschoon niet op éenen tijd gesproken , noch op èene plaats geschreven.

Daar zij dan de uwe en waarachtig zijn, moet ik ze alle dankbaar en geloovig aan^ nemen.

Zij zijn de uwe, omdat Gij ze hebt voortgebracht; zij zijn ook de mijne, daar Gij ze tot mijn heil gesproken hebt.

Gewillig neem ik ze uit uwen mond aan , opdat zij te dieper in mijn hart geprent worden.

Woorden zoo teeder; zoo vol zoetigheid en liefde wekken mij op; maar mijne verkeerdheden schrikken mij af, en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke groote geheimen te naderen.

De liefelijkheid uwer woorden lokt mij ; maar de menigte mijner gebreken hindert mij.

3. Gij beveelt mij met vertrouwen tot U te naderen, zoo ik deel met ü wil hebben, en het voedsel der onsterfelijkheid te nemen, zoo ik het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid wil bekomen.

Komt) zegt Gij, allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en ITf zal v verkwikken.

o Liefelijk en vriendelijk woord in het oor des zondaars, dat Gij, Heere mijn God ! eenen behoeftige en arme noodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam !

-ocr page 407-

IV. BOEK. I. HOOFDSTUK. 403

Maar wie ben ik, o Heer! dat ik mij verst oute tot U te nadereü?

Zie, de hemel der hemelen omvat U niet, on Gij zegt: Komt allen tot Mij ?

4-, Wat wil die liefderijke toegevendheid cn eene zoo vriendelijke uitnoodiging ?

Hoe zal ik durven komen, die mij niets goeds bewust ben, waarom ik het zoude mogen ondernemen ?

Hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden, die zoo dikwijls uw goedertiereust aanschijn beleedigd heb ?

De Engelen en Aartsengelen zijn vol eerbied; de Heiligen en rechtvaardigen vreezen, en Gij zegt: Komt allen tot Mij !\'

Zoo Gij, o Heer! het niet zeidet, wie zoude het voor waar houden? En zoo Gij het niet ^eboodt, wie zoude durven naderen P

5. Zie Noë, een rechtvaardig man, werkte honderd jaren aan het maken eener arke, om met weinigen gered te worden : en ik, hoe zoude ik mij in een uur kunnen voorbereiden om den Bouwheer der wereld eerbiedig te ontvangen ?

Mo zes, uw voortreffelijke dienstknecht en bijzondere vriend, maakte eene kist van onverderfelijk hout cn overtrok ze met het zuiverste goud om de tafelen der wet er in te leggen; en ik, verdorven schepsel, zoude TJ, den Gever der wet, de bron des levens zoo licht durven opnemen ?

Salomon, de wijste der koningen Isro-(\'Is, bouwde zeven j iren aan eenen prachtigen tempel, ter verheerlijking van uwen naam.

-ocr page 408-

éOé* DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, Acht dagen lang vierde hij het feest der inwijding; duizende dankoffers slachtte hij : onder trompetgeschal en gejuich bracht hij de Verbondskisc plechtig ter plaatse, haar bereid.

En ik, ongelukkige en armste der men-schen, hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden , die nauwelijks een half uur godvruchtig weet door te brengen ? En raochte het ook maar eens een half uur waardig geschieden !

9. o Mijn God ! hoeveel hebben deze niet getracht te doen om U te behagen ! Ach! hoe weinig is het wat ik doe! Hoe weinig tijds besteed ik, als ik mij tot uwe Tafel voorbereid !

Zelden ben ik geheel in mijzelven gekeerd , zeer zelden vrij van alle verstrooiing.

En voorwaar , in uwer Godheids heilrijke tegenwoordigheid, moest geene onbetamelijke gedachte bij mij opkomen, ook geen schepsel mij bezighouden, vermits ik geen Engel maar den Heer der Engelen als gast moet ontvangen.

7. Intusschen is er een zeer groot verschil tusschen de Verbondskist met hetgeen zij bevatte en uw allerzuiverst Lichaam met zijne onuitsprekelijke krachten; tusschen die offers der wet, louter afbeeldsels van het toekomende, en het ware offer uws Lichaams, de vervulling van alle oude offers,

8. Waarom dan ben ik niet vuriger bij uwe aanbiddelijke tegenwoordigheid V

Waarom bereid ik mij niet met meer zorg

-ocr page 409-

IV. BOEK.I. HOOrDSTüK. 405 lot het ontvangen van uwe heilige geheimen, daar die heilige Aartsvaders en Profeten, zelfs Koningen en Vorsten, met al het volk, zooveel godvruehtigen ijver voor den dienst van God hebben getoond?

David, de allergodvrnchtigste koning, danste uit al zijne krachten voor de arke, zich de weldaden herinnerende, weleer den vaderen verleend. Hij deed velerlei speeltuig vervaardigen, dichtte liederen en liet die met vrolijkheid zingen; hijzelf, bezield door de genade van den Heiligen Geest, zong die dikwijls bij de harp; hij leerde Israels volk God van ganscher harte loven en dagelijks met eenstemmigen mond zegenen en verheerlijken.

Werd toen zooveel godsvrucht betoond en voor de Verbondskist de lof van God vermeld , welken eerbied en godsvrucht behoor ik en het gansche Christenvolk dan nu te hebben, in tegenwoordigheid van het allerheiligste Sakrament, bij de nuttiging van het allerkostbaarst Lichaam van Christus !

9, Velen loopen naar verscheiden plaatsen om der Heiligen overblijfsels te bezoeken; zij zijn bij het hooren hunner daden verwonderd ; zij bezichtigen de sierlijke tempels hun ter eere gebouwd, en kussen hunne heilige , in zijde en goud gewikkelde beenderen.

En zie! hier zijt Gij bij mij op het Altaar tegenwoordig, mijn God! de Heilige der Heiligen, de Schepper der menschen, de Heer der Engelen !

Dikwijls is het de nieuwsgierigheid der

-ocr page 410-

400 DE NAVOLfilNG VAN JESUS CHRISTUS, der menschen, en de nieuwheid van hetgene zij niet gezien hebben, die hen tot die reizen uitlokken; ook wordt er weinige vrucht van verbetering weggedragen, vooral als die tochten zoo lichtzinnig, zonder waar berouw geschieden.

Maar hier in het Sakrament des Altaars zijtGij, Christus Je sus! God en mensch geheel tegenwoordig; daar ook oogst men eenen overvloed van vruchten des eeuwigen heils, zoo dikwerf men U waardig en godvruchtig ontvangt.

En hiertoe lokt geenerlei lichtzinnigheid, noch nieuwsgierigheid, noch zinnelijkheid, maar een vast geloof, eene levendige hoop en eene oprechte liefde.

10. o God! onzichtbare Schepper der wereld ! hoe wonderlijk handelt Gij met ons ! Hoe minzaam en genadig gaat Gij met uwe uitverkorenen te werk, aan wie Gij Uzelven in het Sakrament tot spijze voorstelt !

O, dit gaat alle verstand te boven; dit vooral trekt de harten der godvruchtigen en ontvlamt hunne liefde.

Immers uwe ware geloovigen, die hun geheel leven tot verbetering besteden, ontvangen dikwijls in dit allerheiligst Sakrament eene groote genade van godsvrucht en liefde tot de deugd.

11. o Wonderbare en verborgen genade van dit Sakrament, alleen bekend aan de trouwe dienaars van Christus, en welke de ontrouwen en zondedienaars niet kunnen ondervinden.

-ocr page 411-

IV. BOEK. T. TTOOFDSTTJK. 407

Door dit Sakrament toch wordt de genade des H. Geestesgeschonken, de verloren zielskracht hersteld en de schoonheid, welke door de zonde ontsierd was, terngbekomen.

Zoo groot is wel eens deze genade, dat, wegens de volheid der bekomen godsvrucht, niet slechts de geest, maar ook het zwakke lichaam, vermeerdering van krachten ontwaart.

12. Intusschen is zij zeer te betreuren en te bejammeren onze lauw- en onachtzaamheid , dat wij niet met sterkere drift getrokken worden om Christus te ontvangen, op wien alle hoop en verdienste dergenen , die zalig zullen worden, rust.

Hij toch is onze heiligmaking en verlossing ; Hij de troost der reizigers en het eeuwige genot der Heiligen.

Het is dus zeer te betreuren dat velen zoo. weinig acht geven op dit heilvol geheim, dat de vreugd is des hemels en het behoud der gansche wereld.

o Blindheid en verhardheid des menschelij-ken harten, dat men zulk een onuitsprekelijk geschenk niet meer acht, en zelfs door da-gelijksch gebruik tot onachtzaamheid vervalt!

13. Wierd toch dit allerheiligst Sakrament slechts op éene plaats gevierd en slechts door éenen Priester over de geheele wereld geconsacreerd , met welke geestdrift, meent gij, zouden niet de menschen naar die plaats en naar dien Priester Gods henensnellen, om de goddelijke geheimen te zien vieren \\

Maar nu zijn er vele Priesters aangesteld

-ocr page 412-

40S DE NilVOLGINÖ VAN JE5US CHPwISTÜS. eu wordt C h r i s t u a op vele plaatsen geofferd, opdfit Gods genade en liefde tot den mensch te meer uitblinken, naarmate de heilige Communie meer verspreid is over den aardbol.

Dank zij U, o goede J e s n s ! eeuwige Herder! dat Gij U verwaardigd hebt ons, arme ballingen, met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken, en zelfs tot het ontvangen van deze geheimen met de woorden van uw eigen mond te noodigen, zeggende : Komt allen tot Mij, die vermoeid en heiast zijt, en II- zal u verhoihken.

OEFENING.

Wie zal ooit kunnen begrijpen of uitleggen, de uitmuntendheid der goddelijke gave, die de Zoon Gods ons schenkt, met ons zijn Lichaam en zijn Bloed in het allerheiligste Sakrament te geven, aangezien het zeker is, dat wij hierin geheel de grootheid en \'Majesteit van eenen God, al de volmaaktheden en de volheid zijner Godheid, al de deugden en genaden zijner menschheid, eu al de verdiensten van eenen God-mensch ontvangen ? Zoo dat men met den II. Augustinus mag zeggen, dat God, hoe almogend Hij ook zij, ons niets meer kan geven, dan zich aldus aan ons te geven; dat hoe rijk eu milddadig Hij ook moge wezen, die gave alleen, welke Hij ons doet van zijn Lichaam, van zijn Bloed, eu van geheel zijnen, persoon, al de schatten zijner milddadigheid uitput, en dat Hij, al-

-ocr page 413-

IV. BOEK. I. HOOFDSTUK. 409 hoewel Hij de ongeschapene en vleesehge-wordene Wijsheid des Vaders is, geen kracli-tiger middel heeft kunnen vinden om onze harten te winnen, dan ze door de heilige Communie binnen te treden , om ons met zijn hart te vereenigen en ons in Hem te veranderen.

Maar wat onze geest en ons hart moet verrukken, is, dat Hij in de heilige Hostie, welke wij ontvangen, en zelfs in het kleinste gedeelte der hostie, al de schatten zijner goedheid, wijsheid en liefde heeft besloten , om ze ons mede.te deelen, om ons in het mededeelen derzelve te doen leven door een bovennatuurlijk en Goddelijk leven , met te leven en ons met eenen God te voeden; want het is met dit inzicht, dat Hij op onze altaren een nieuw leven aanneemt, om het ons door de heilige Communie in te drukken, door welke Hij, volgens de Kerkvergadering van Trente, al de schatten zijner liefde in onze ziel uitstort. Ja, mijn Zaligmaker! na ons al de goederen der natuur en der genade gegeven te hebben, voegt Gij U zeiven nog bij uwe gaven en geeft ü geheel aan ons in het allerheiligste Sakrament des Altaars; dat wil zeggen, dat Gij, na milddadig geweest te zijn in uwe goederen ten onzen opzichte, welke, hoe kostelijk zij ook mogen wezen, altijd veel minder zijn dan Gij zijt, in dit aanbiddelijk Sakrament U zeiven ten beste geeft.

Wie zou na dit alles aan zijnen God kunnen wederstaan, en Hem niet dat hart geven.

-ocr page 414-

410 de navolging van jesus christus, waarvan Hij-zelf bezit komt nemen, als van een ijoed , dat Hem rechtmatig toebehoort ?

GEBED.

Dierbare Heiland l wie kan uwe liefde bevatten ? Gij noodigt mij tot U te komen en stelt mij uw eigen Vleesch tot spijze voor, om U alzoo op het nauwst met mij ie ver-eeuigen. Ik kan slechts aanbidden, bewonderen en zwijgen. Maar ach! hoe zal ik U waardig ontvangen, die mijner misdaden bewust ben? Reinste, maak mij rein van alles wat onrein is! Heiligste! maak mij heilig; Liefde! leer mij liefhebben en uwe weldaad waardeeren.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de groote goedheid en liefde^ door God in het heilig Sakrament den mensch bewezefi.

1. De Gkloovige. o Heer! vertrouwende op uwe goedheid en groote barmhartigheid, nader ik kranke tot mijnen redder, hongerige en dorstige tot de bron des levens, behoeftige tot den Koning des hemels, dienstknecht tot mijnen Heer, schepsel tot den Schepper, verlatene tot mijnen liefderijken trooster.

Maar vanwaar gebeurt mij dit, dat Gij tot mij komt? Wie ben ik, dat Gij U zeiven aau mij schenkt ?

-ocr page 415-

IV. ROKK. II. HOOFDSTUK. 411

Hoc durft een zondaar voor U verschijnen? Eu Gij, hoe verwaardigt Gij U tot eenen zondaar te komen ?

Gij kent uwen dienstknecht, en weet dat hij niets goeds aan zich heeft, waarom Gij hem deze gunst zoudt bewijzen.

Ik beken dan mijne onwaardigheid, ik erken uwe goedheid; ik prijs uwe barmhartigheid en dank U wegens uwe overgroote liefde.

Want Gij doet dus om uwszelfs wille, niet om mijne verdiensten, opdat uwe goedheid mij te meer kenbaar, ik in liefde te meer ontstoken , en de ootmoed te volko-mener aangeprezen worde.

Daar dit dan U behaagt en Gij het dus verordend hebt, behaagt mij ook deze uwe goedgunstigheid. O, mocht mijne ongerech-tigheid geen beletsel zijn !

2. o Allerminnelijkste en liefderijkste J e-sus! hoeveel eerbied en dankzegging met ouophoudelijken lof is men U niet schuldig voor het ontvangen van uw heilig Lichaam, welks hooge waarde te verklaren geen mensch in staat bevouden wordt.

Maar welke zullen mijne gedachten zijn bij deze Communie, bij het naderen tot mijnen Heer, dien ik niet naar waarde kan vereeren, en nochtans godvruchtig wensch te ontvangen?

Wat kan ik beter en heilzamer denken, dan mij geheel en al voor ü te vernederen en uwe oneindige goedheid jegens mij le verheffen ?

-ocr page 416-

413 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

U looiquot; ik . mijn God ! eu verheerlijk ik iu eeuwigheid. Ik veracht mijzelven en onderwerp mij aan U in den aigrond mijner nietigheid.

3. Zie , Gij zijt de Heilige der Heiligen, en ik ben de slechste der zondaren.

Zie, Gij buigt TJ tot mij neder , die niet waardig ben tot U op te zien.

Zie, Gij komt tot mij; Gij wilt met mij zijn; Gij noodigt mij aan uwe Tafel.

Gij wilt mij hemelsche spijze, het brood der Engelen, te eten geven; ja, geen ander dan Uzelven, hei brood des levens, van den hemel nedergedaald, dat aan de wereld het leven geeft. (Joan. 6.)

41. Ziedaar, vanwaar de liefde voortkomt en hoe zich de goedheid vertoont! Welken grooten dank en lof zijn wij U niet daarvoor schuldig!

O! hoe heilzaam en nuttig was uw besluit, toen Gij dit iusteldet! Hoe liefelijk en aangenaam het gastmaal, toen Gij Uzelven tot spijze gaaft!

O, hoe wonderbaar is uwe werking, o Heer! hoe vermogend uwe kracht ! hoe onfeilbaar uwe waarheid!

Want Gij spraakt, en alles is geworden, en wat Gij geboodt is uitgevoerd.

5. Wonderlijke zaak en alle geloof waardig , maar \'s menschen verstand te boven gaande, dat Gij, Heere mijn God! waarachtig God en mensch, geheel ouder de geringe gedaanten van brood en wijn bevat wordt,

-ocr page 417-

IV. BOEK. II. HOOrDSTÜK. 413 Gij, Heer van het heelal! die niemand behoeft, hebt uochtaus door uw Sakranient in ons willen wonen ; bewaar mijn hart en mijn lichaam onbevlekt, opdat ik, met een opgeruimd en rein geweten, dikwijls uwe geheimen moge vieren en tot mijn eeuwig heil ontvangen, hetwelk Gij bijzonder te uwer eere en eeuwige gedachtenis verordend en ingesteld hebt.

9. Verheug u , mijne ziel! en dank den Heer voor zulk een edel geschenk en zoo bijzonderen troost, u in dit tranendal nagelaten.

Want zoo dikwijls gij dit geheim viert en het Lichaam van Christus ontvangt, zoo dikwijls vernieuwt gij het werk uwer verlossing , en wordt gij al de verdiensten van Christus deelachtig. —

De liefde van Christus toch vermindert nooit, en de volheid zijner verzoening wordt nooit uitgeput.

Daarom moet gij u altoos met eene ge-heele vernieuwing des harten daartoe voorbereiden , en dat groote geheim des heils met eene groote opmerkzaamheid overwegen.

Ja, hetzij gij de 11. Mis leest, hetzij gij ze hoort, zoo groot, nieuw en behaaglijk moet het u schijnen, alsof op dienzelfden dag Christus voor het eerstin den schoot der Heilige Maagd nederdalende mensch wierd , of aan het kruis hangeade, voor het heil der menschen leed en stierf.

en van dengenen die U ontvangt genuttigd wordt, zonder verteerd te worden.

-ocr page 418-

■il-i UE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

OEFENING.

1. Overweeg, waaneer tot de heilige Tafel nadert, welke de grootheid en majesteit is van Hem , dien gij gaat ontvangen; en welke de verworpenheid en onwaardigheid van een gering schepsel ia, hetwelk zijnen God ontvangt. Verootmoedig n in zijne tegenwoordigheid en zeg Hem; wie ben ik , Heer, om tot U te durven naderen ? En wie zijt Gij zelf, om U zoo zeer te vernederen van tot mij te komen ? Indien ik van den eenen kant de uitmuntendheid uwer heiligheid en zuiverheid, en van den andereu de bedorvenheid en ongerechtigheid mijner ziel overweeg, dan erken ik in uwe tegenwoordigheid , dat ik geheel onwaardig ben U te ontvangen, en zonder vermetelheid TJ in mijn hart niet kan doen binnenkomen. Maar vermits ik de overmaat uwer goedheid aanzie , alsook de noodwendigheid, U tot mijne voldoening en tot mijne zaligheid te bezitten , zal ik tot U , o mijn Zaligmaker ! met een heilig vertrouwen naderen , wel wetende wat Gij in het Evangelie gezegd hebt : dat de zieken, meer dan de gezonden, den geneesheer noodig hebben, en dat Gij tot ons komt om diegenen op te zoeken en zalig te maken , welke zich van U verwijderd \'nebben , en die in gevaar waren verloren te gaan; tot TJ, die alles, wat Gij zijt, niet zijt dan om ons te beminnen en zalig te maken : tot (J, eindelijk, wiens grootste genegenheid is voor een geraakt, veranderd en waarlijk boet-

-ocr page 419-

IV. BOE-K. II. HOOfDSTUK. 4:15 vaardig hart. Wel is waar, ik ben zondaar, maar ik wil het niet meer wezen. Tk vind noch troost, noch smaak in uwe tegenwoordigheid; maar ik gevoel mijne ellenden en breng ze voor eenen barmhartigen God , en dit is voor mij genoeg.

2. Van waar komt mij de eer en het geluk dat de opperste Majesteit van eenen God zich zoo zeer wil vernederen , om het voedsel en het leven mijner ziel te wezen ?0 ! dit komt nit de groote ootmoedigheid van eenen God-Mensch, die zijne vernietiging zoo verre heeft voortgezet van niet meer te schijnen , ik zeg niet een God , maar zelfs niet een mensch, en van den luister zijner grootheid te verduisteren, om in dit aanbiddelijk Sakrament niet dan een overmaat zijner goedheid en de bekoorlijkheid zijner liefde te doen uitschijnen. O mijn Zaligmaker ! Gij verbergt uwe goddelijke volmaaktheden voor onze oogen, om zeniet te verblinden ; maar Gij doet aan onze harten de grootte uwer ootmoedigheid gevoelen, om ons op te wekken haar na te volgen ! O mijn hart! kunt gij verlangen uitte munten, ziende eenen God , die voor onze oogen in het allerheiligste Sakrament als verdwijnt ? En hoe zou een aardworm als ik zich willen verheffen, als ik overweeg, dat een God zich vernietigt in dit geheim , om hem het kenteeken zijner ootmoedigheid in te drukken?

3. Christene zielen! zegt niet dat gij zoo, dikwijls tot. eenen zoo grooten en geduchten God niet durf naderen. Gij zijt hiertoe onwaardig , zulks i.s waar, en zult bij voortduring

-ocr page 420-

4:16 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, onwaardig wezen, tenzij gij alles werkstellig maakt om het niet te zijn, door eene gedurige waakzaamheid op u zeiven. Maar dit brood der Engelen is geen vergift, zegt de heilige Augustinns, het is een voedsel tot uw gebruik, en noodzakelijk tot zaligheid van uwe zielen. Ontvangt het dikwijls ; voedt er uwe harten mede ; maar dat dit hemelsche vleeseh bij u hetzelfde uitwerksel niet hebbe van het lekkere vleeseh dezer aarde, waaraan men zich gewent, en waarvan men door de gewoonte den smaak verliest. De heilige gesteltenis, waarin gij moet wezen, als gij dezen heiligen God ontvangt, moet aangroeien naarmate gij tot zijne Tafel nadert. Het komt ons niet toe dien voortgang, als wij altijd meer en meer ons best doen, om door de waakzaamheid en ootmoedigheid heiliger te worden.

GEBED.

Vanwaar, o Heiland! komt mij het geluk dat Gij mij bezoekt ? Wie ben ik, dat Gij TJ aan mij wilt schenken ? Gij weet dat ik een zondaar ben en deze gunst onwaardig; ik verneder mij voor TJ in het stof en verzink in den afgrond mijner nietigheid. Ik bewonder uwe barmhartigkeid. Juist dit doet mij vertrouwend tot u naderen, als de kranke tot zijnen redder. Dat ik genade vinde in uw oog en uwe heilige geheimen waardig behandele.

-ocr page 421-

TV. BOKK. in. HOOFDSTUK. 417

DERDE HOOFDSTUK.

Hoe nut lig het is dikwijls te conunu-niceeren.

1. Dr Geloovige. Zie. ik kom tot U, o lieer! opdat, uw areachenk mij te nutte worde, en ik mij aan uwen heiligen maaltijd verheuge, dien Gij, o God ! door uwe goedheid voor den arme bereid hehi. ( Ps. 68.)

Zie, in U is alles , wat ik kan en moet verlangen : Gij zijt mijn heil en mijne verlossing; mijne hoop en sterkte, mijne eer en roem.

Verblijd dan hpden de ziel van uwen dienst-hiecht: want tot U, o Heere J e s u s, verhef ilc mijne ziel. (Ps. 95.)

Thans verlang ik U godvruchtie: en eerbiedig te ontvangen ; ik wensch U in mijn huis binnen te leiden, opdat ik met Zac-e h e u s verdiene door ü gezegend en onder de zonen van Abraham geteld te worden.

2. Mijne ziel haakt naar uw Lichaam, mijn hart verlangt met U vereenigd te worden.

Schenk U aan mij, en het is genoeg; want buiten U geldt geen troost; zonder U kan ik niet zijn, en zonder uw bezoek kan ik niet leven.

En daarom moet ik dikwijls tot U naderen en U als een middel mijner zaligheid ontvangen, opdat ik niet bij gebrek dier hemel-sche spijze op den weg bezwijke.

27

-ocr page 422-

418 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

/00 toch hebt Gij, o allerharmhurtiRste J e B u s ! toen Gij de 11 volke ])redikte en ver-scheipene kwalen genaast, oens gezea:d ; //* vil hen mei nvchier vaar huis laten gaan , opdat zij onderweg niet hezwijken. (Matth. 15.)

Handel dan ook zoo met mij, Gij, die ü tot der freloovigen troost in het Sakrament nagelaten hebt.

Want Gij zijt eene liefelijke verkwikking der ziele, en wie U waardig eet, wordt deelgenoot en erfgenaam der eeuwige heerlijkheid.

3. Mij toch, die 7.00 dikwijls val en zondig, die zoo ras verflauw en te kort schiet, is liet volstrekt noodig, dat ik mij door een veelvuldig bidden en biechten en door hel ontvangen uws heilieren Lichaams hernieuwe, reinige en ontvlamme : anders mccht ik door een fe lang verzuim van mijn heilig voornemen afwijken.

Want van der jeugd af zijn menschen zinnen ten hvade geneigd, (Gen. 8) en tenzij dat goddelijk geneesmiddel te hulp kome, vervalt de mensch dra tot erger.

Dus trekt de heilige Communie van het kwade en versterkt in het goede.

Indien ik toch nu reeds zoodikwijls onachtzaam en lauw ben, als ik eommuniceer of de H. Mis lees, wat zoude het zijn, als ik dat geneesmiddel niet gebruikte en eene zoo krachtige hulp niet zocht ?

En al ben ik eiken dag niet bereid noch behoorlijk gestemd om het heilig Misoffer op te dragen, zal ik echter mijn beat doen om

-ocr page 423-

TV. BOEK. III. HOOFDSTUK. 419 op ifrprisf.p tijden de lieilijre cobeinïPii tn ont-vaneen en eener zoo crroote jjpnade (leelnnh-tig: te worden.

Want de eeniere voorname troost voor eene sjelnoviere ziel, zoolang zij in dit sterfelijk lichaam verre van U omdwaalt, is dat zij dikwijls h«ren God s^edachtiej zij en haren Geliefde met een ?odvrnchtii? hart ontvanff«.

4. o Wonderbare voorkomenheid van uwe yoedheid tot ons, d«f Gij, Heero God! Schepper en Levensbron van alle «reesten ! U verwaardigt to1 eene arme ziel te komen en haren honger met uwe p-eheele godheid en mensch-heid te verzaden !

o Gelukkig hart en zalige ziel! welke waardig ia ü, haren Heer en God, godvruchtig te ontvangen en U ontvangende met geestelijke vreugde vervuld te, worden !

o Welk een groot Heer ontvangt zij ! welk een beminnelijken gastvriend neemt zij op ! welk een aangenamen medegezel bekomt zij! welk een getrouwen vriend vindt zij! welk een schoonen en edelen, boven alle geliefden en boven al wat wensche\'ijk is beminnens-waardigen bruidegom omhelst zij !

Dat, o dierbaarste Beminde! hemel en aarde met al hunne schoonheden voor uw aanschijn /.wijgen : want wat zij lofwaardigs en schoons hebben , is een geschenk uwer milddadigheid , en nimmer zullen zij de heerlijkheid uws naams n-ibijkomen, wiens wijsheidgeene palen heeft. (Ps. 146.)

-ocr page 424-

420 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

OEFENING.

Vurig verlauffeu om te communicesren, of len minstede noodzakelijkheid sjevoflen, om dit te doen of dikwijls te doen.

Wij hebben een jrroote reden om ons fe verootmoedigen en ons voor onzen Heer Jesus Christus te schamen, als wij in ons niet dan koelheid en onverschilligheid gevoelen , om tot Hem te naderen, en als het de gehoorzaamheid alleen is , en niet de vurigheid onzer verlangens, die ons tot de heilige Tafel doet naderen. Immers, mijn Jesus! hoe kan men U kennen, zonder U te beminnen, en U beminnen, zonder te verlangen met uw hart vereenigd te worden, en zich in U door eene goede en dikwijls herhaalde communie te veranderen? En nochtans, o mijn God ! hee menigwerf heb ik voor U niet dan pene ongevoeligheid , die mij bedroeft en mij moedeloos zou maken, indien ik niet wist, dat Gij» gebreke van deze liefde, welke ik zou willen bezitten, die ik mij niet kan geven, en welke ik verzoek, tevreden zijt, als ik U ontvange uit inzicht van eene gehoorzaamheid met ootmoedigheid gepaard! Wat zou er van mij geworden, o mijn God! in de dorheid, waarin ik mij bevind, indien ik niet wist, dat de groote ellenden mijner ziel uwe barmhartigheden over haar trekken, en dat Gij vermaak schept met in een hart te verblijven , hetwelk zich onwaardig keet om U

-ocr page 425-

IV. BOEK. III. HOOFDSTUK. 421 te ontvangen, en hetwelk doet wat in zijn vermogen is om het niet te wezen P Inderdaad, de ootmoedige belijdenis VHn onze onwaardigheid, na de volledigste biecht, waartoe een Christen bekwaam is, vergoedt het gebrek der vurige begeerten tot de heilige Communie; eu wij kunnen het hart van onzen God niet beter eeren, noch beter bevredigen, dan met ons voor Hem en in zijne tegenwoordigheid te vernederen. Wij moeten ons dan van de heilige Communie uiet verwijderen, omdat wij geene godsvrucht of vurige begeerte gevoelen om tot haar te naderen; maar wij moeten zoo menigwerf te communie gaan als onze biechtvader het gebiedt, dien wij voorzichtig en wijs hebben moeten verkiezen, en Jesus Christus ontvangen uit gehoorzaamheid aan den priester, gelijk Hij zelf op het altaar tegenwoordig komt uit gehoorzaamheid , welke Hij aan de stem des priester» toont.

Is er iets gemakkelijker en vertroostender voor ons, wanneer wij ons op ons beste tot de heilige Communie bereiden, dan te bedenken wat Jesus Cnristus in hei Evangelie gezegd heeft, namelijk dat de zieken en niet de gezonden den geneesheer noodig hebben ?

GEBED.

Ja wel, o God ! heb ik een krachtig ziele-voedsel noodig, zal ik op den weg des levens niet bezwijken. Ik weet; hoe licht ik in het goede verzwak, hoe dikwijls ik val en struikel. o Gij, wiens barmhartigheid grenzenloos

-ocr page 426-

433 de navolcflncf van jzsus chkistuö is, vooriie in de behoefte vhh uwen dienaar. Doe hem aan uwe heilige Tafel dikwijls verschijnen en aldaar de. noodige krachten vMi-den. Verkwik zijne ziel met dat hemelsche voedsel; dat der woning zijns harten heil geschiede.

VIERDE HOOEDSTÜK.

Over de groote voordeelen aan eene

godvruchtige Communie verbonden.

1. Djfi Gt/loovige. Heere, mijn God! voorkom uwen dienstknecht met de zegeningen uwer goedheid, opdat ik verdiene tot uw hoogwaardig Sakrament waardig en godvruchtig te naderen.

Wek mijn hart tot ü op en ontdoe mij van die groote loomheid. Bezoek mij met uwe heilrijke genade om in den geest uwe zoetheid te smaken, die in dit Sakrament, aU in eene bron, overvloedi;; schuilt.

Verlicht ook mijne oogen om zulk een ^root geheim te aanschouwen, en versterk mij om het met een onwankelbaar geloof te gelooven.

Immers is het uw werk, Keen werk der menuchen; uwe heilige instelling, geen instelling van den mensch.

Ook is niemand uit zich/.elven bekwaam om dit te bevatten en te verstaan, dat yell\'s bet vernuft der Engelen te hoven gaat.

Wat zoude ik dan , onwaardig zondaar, stof en nsch, van zulk een hoog en heUi!gt; geheim doorgronden of bevatten kunnen ?

-ocr page 427-

IV. BOEK. IV. HOOFDSTUK. 433

2, Heer ! in de eenvoudigheid mijns harten , mei een oprecht vast gelooi\', eu op uw bevel nader ik tot ü met vertrouwen en eerbied , en geloof waarlijk dat Gij als God en mensch hier in het Sakrament tegenwoordig zijt.

Gij wilt alzoo dat ik U ontvange en mij in liefde met U vereenige. Waarom ik uwe goedertierenheid bidde en U smeeke mij deze bijzondere genade te geven, dat ik geheel in ü versmelte, mij in uwe liefde veriieze en mij in geen anderen troost meer inlate.

Want dit verhevenste en hoogwaardigste Sakrament is een heilmiddel voor ziel en lichaam, eeneartsenij voor allerlei geestelijke kwalen. Daardoor worden mijne gebreken genezen , de driften beteugeld, de bekoringen overwonnen of verzwakt, eene grootere genade ingestort i de outlokene deugd vermeerderd, liet geloof bevestigd , de hoop versterkt en de liefde ontvlamd en uitgebreid.

3. Want Gij, mijn God ! steun mijner ziel, hersteller der menschelijke zwakheid en schenker van allen inwendigen troost, hebt in dit Sakrament aan uwe geliefden, die er godvruchtig deel aan nemen , vele goederen geschonken en schenkt hun die nog dikwijls.

Gij toch schenkt hun velerlei troost tegen veelvuldige wederwaardigheden; Gij verheft hen uit de diepte hunner neerslachtigheid tot de hope op uwe bescherming; Gij verkwikt en verlicht hen inwendig door eene nieuwe genade, zoodat zij, die vóór de Oom-munie zich eerst, beangstigd en liefdeloos tfevoelden» zich dnarua, door die hemelache

-ocr page 428-

424; DE NAVOLGING VAN JESU8 CHRISTUS, spijs en drank verkwikt, in betere menschen vemnderd bevoDdrn.

En Gij handelt zoo vrijgevig met uwe uitverkorenen, opdat zij in waarheid erkennen en ten volle ondervinden hoe zwak zij uit zichzelven zijn, en hoeveel goedheid en genade zij van U ontvangen.

Want uit zichzelven koud, ongevoelig en ongodvruchtig, verdienen zij door U vurig, ijverig en godvruchtig te zijn.

Wie toch nadert ootmoedig tot de bron der zoetigheid, en draagt niet daarvan eenige zoetigheid weg ?

Of wie staat bij een groot vuur en krijgt er niet eenige warmte van ?

Gij nu zijt eene altoos volle en overvloeiende bron, een altoos gloeiend en nooit ver-tlauwend vuur.

4quot;. Daarom, is het mij niet geoorloofd uit de volheid dier bron te scheppen en tot ver-zadigens toe te drinken, zal ik toch mijnen mond aan de opening der hemelsche ader stellen, om er tenminste een drupje van op te vangen ter lessching van mijnen dorst, en opdat ik niet geheel verdorre.

En, kan ik nog niet geheel hemelsch , noch brandende zijn zoo als de Cherubs en Serafs , zal ik toch trachten mij op godsvrucht toe te leggen , en mijn hart voor te bereiden , opdat ik dit levendmakend Sakrament ootmoedig ontvangende, ten minste een klein vonkje van dat goddelijk vuur bekome.

Wat mij nog ontbreekt, vul Gij dat, goede Jesus ! heiligste Verlosser! voor mij liefderijk

-ocr page 429-

IV. BOEK. IV. HOOFDSTUK. 425 en genadig aan, die LF verwaardigd hebt allen tot U te roepen, zeggende : Komt allen tot Mij, die vermoeid ca heiaden zijt: Ik zal n verkwikken.

5. Ik toch arbeid in het zweet mijns aan-schijns; de smart mijns harten loitert mij; ik ben beladen met zonden; ik wordt door bekoringen ontrust, door vele kwade driften gekluisterd en gedrukt; en er is niemand die Helpt, niemand die verlost en redt, clan Gij, Heere God, mijn Verlosser, wien ik mijzei-ven en al het mijne toevertrouw , opdat Gij my moogt bewaren en tot het eeuwig leven brengen.

Neem mij aan tot lol\' en verheerlijking van uwen naam, die mij uw Lichaam en Uloed tot spijs en drank bereid hebt.

Geef, Heere God , mijn Heiland ! dat naarmate ik aan uw geheim deelneem, de gevoelens mijner godsvrucht toenemen.

OEFENING.

Om van onzen Zaligmaker een levend geloof aan zijne wezenlijke tegenwoordigheid in hel allerheiligste Sakrament des Altaars , en eenc vurige liefde tot hem te verzoeken,

Fk geloof. Heer! dat Gij in het aanbiddelijke Sakrament, hetwelk ik ga ontvangen , met ziel en lichaam tegenwoordig zijt: dal Gij mij in de heilige Communie deelachtig maakt aan de verdiensten van uwe heilige Menschheid, en dal wij hierin verzadigd worden door de volheid uwer Godheid, Verander

-ocr page 430-

426 DE NAVOLGING Vgt;NJESUS CHRISTDS. (Uu , Heer ! verander de onverschilligheid mi mijn hart voorU, in eene vurige begeerte om U te beminnen, te behagen en te bezitten. Laat niet toe, üat ik ü met koelheid aanschouwe en ontvange , Gij die in mij komt om mijne ziel door uwe liefde te ontsteken. Vervul wat aan mijn geloof voor dit geheim ontbreekt , wat voor het meuschelijk verstand onbegrijpelijk is ; beziel mijn geloof met eeneu levenden indruk voor uwe tegenwoordigheid, en maak dat mijn hart U met eerbied ontvange als zijnen God, met vertrouwen als zijnen Zaligmaker, met liefde als zijnen Vader.

Is het mogelijk, o mijne ziel! dat gij, die als omringd en vervuld zijt met al de vurigheid der goddelijke liefde voor u , dat gij nog ijskoud zijt te midden van zoo veel vuur l Helaas! mijn Jesus, hoe ongelukkig ben ik , zoo veel vurigheid te hebben om mij zei ven te bevredigen . en zoo veel traagheid om Lf te behagen! Heer! indien Gij wilt, kunt Gij mij genezen; zeg dan tot mij, zoo als aan \'ten melaatsche, die TJ dit gebed toestierde : Ik wil het, wees van uwe lauwheid en ongevoeligheid jegens mij genezen,

6 E B E 1).

Hoé groot, o Heiland! zijn de goederen, welke gij uwen vrienden mededeelt! hoe groot de gunsten, welke zij aan uwe heilige Tafel ontvangen! Alles wat.hen troosten, versterken, bevredigen kan, is in deze hemelsehe spijs tf vinden. Wiemand , «lic waardig nadert,

-ocr page 431-

IV. BOEK. V HOOFDSTUK. 437

ktert vau deze levensbron ledig terug. Doe mij dan ook tot U waardig naderen, en laat in ij bij het genot uwer liei\'de in liefde tot tot (J overgaan en mijn gedrag daarvan blijken dragen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de waardigheid van het Sacrament en over den priesterlijken staat.

1. De Hkhi. Ai hadt gij de reiuheid eens Engels en de heiligheid van den heiligen Joannes den Dooper, nog zoudt gij niet waardig zijn dit Sacrament te ontvangen ot\' te behandelen.

Want aan dquot;.r jnenschen verdiensten is men het niet verschuldigd, dat feu mensch het Sacrament van Christus consacreert en behandelt en het Brood der Engelen tot spijs neemt.

Groot geheim! en groote waardigheid der Priesters, wien verdund is wat den Engelen niet wordt toegestaan.

Want alleen de Priesters, iu de Kerk wettig gewijd, hebben macht om de H. Mis te lezen en het Lichaam van Christus te consacreeren.

De Priester is wel de dienaar van God , gebruikende het woord van God , volgens liods bevel eu instelling; maar God is aldaar de voorname persoon en onzichtbare bewerker, wien alles onderworpen is wat Wij wil, en alles gehoorzaamt als Hij beveelt.

-ocr page 432-

428 DE NA.VOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

2. Daarom moet gij, bij dit hoogwaardigste Sacrament, meer deu alrnachtigen God dan aan uw eigen zinnen of eenig zichtbaar tee-Ken gelooven.

Eq daarom ook moet gij met vreeze en eerbied tot dat werk naderen.

Neem u dan in acht, en bedenk wiens bediening u door de oplegging van \'s Bisschops handen is toevertrouwd.

Zie, gij zijt Priester geworden en gewijd om de li. Mis le doen; zie dan toe dat gy God op zijnen tijd met geloof en godsvrucut het offer daarbrengt en uzeiven onberispelijk gedraagt.

Gij hebt uwen last niet verlicht, maar zijt aan een nauwer band van tucht gelegd en tot een hoogeren trap van heiligheid verplicht.

\'ó. Een Priester moet met al!erlei deugden versierd zijn en aan anderen ee11 voorbeeld van een goed leveu geven.

Zijn omgang zij niet met het volk , noch met het gemeen der menschen, maar met de Engelen in deu hemel of met volmaakte menschen op aarde.

Een Priester, met het heilige gewaad uitgedost , bekleedt de plaats van Christus, om God voor zichzelven en voor al het volk eerbiedig en nederig te smeeken.

üij heeft voor en achter zich het teekeu van \'s Heeren kruis, om zich het lijden van C h r i s t. u s steeds re herinneren.

Hij draagt van voren op de kazuifel het kruis, opdat hij de voetstappen vau C h ri s-

-ocr page 433-

IV. BOEK. V. HOOFDSTUK. 42!) tus vlijtig naga en die ijverig poge na te volgen.

Hij is van nehter met het kruis geteekend, opdat bij allerlei tegenheden hem door anderen aangedaan, om Gods wille geduldig verdrnge.

Hij draagt het kruis van voren, opdat hij zijne eigene zonden hetreure; van achteren, opdat hij ook die door snderen bedreven uit medelijden bevveene, en wete dat hij nis middelaar tussehen God en den zondaar gesteld is , en dus in het gebed en heiliue offer niet verflauwe , totdat hij waardig worde genade en barmhartigheid te verwerven.

Wanneer een Priester de H. Mis leest, dan eert hij God , verblijdt de Engelen, sticht de geloovigen, helpt de levenden, bezorgt den dooden rust en maakt zichzelven aan allerlei goed deelachtig.

OEFENING.

Over de heilige voorbereiding, welke een Priester moet in het werk stellen, om waardig het heilige Misoffer op te dragen : en van die, welke een Christen moet hebben, om het godvruchtig te hooren en er voordeel uit te trekken.

üe Priester heeft door het merkteeken zijner wijding de macht ontvangen , eenen God op het altaar te consacreeren , zoo dat, volgens den H. Augustinus, die God eenigerwijze menseh wordt en een nieuw leven aanueemt

-ocr page 434-

430 T)F, NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, in de handen van den Priester, door de kracht van zijn woord. Het is deze wacht, die }iem in zekeren zin boven de Encrelen stelt, pn die de uitmuntendheid zijner waardigheid boven alle schepselen plaatst, die hem deelachtisr maakt aan het opperste tre-luk van den eeuwisren Yader, die van alle eenwieheid hetzelfde quot;Woord voorthrenet, hetwelk de Priester in den tiid voortbrengt, en die hem deel doet nemen in de maagdelijke vrnchtbaarheid van Maria, om een nieuw wezen aan eenen God te sreven. Dit zijn juist de twee «rroote voorbeelden, welke een Priester in zijn sredra^ moet vol een. en de twee verbindtenissen , die zijn merkteeken hem ffeeft om heilig te zijn , te weten : de heiligheid van den eeuwieren Vader, en de zuiverheid van Maria , aangezien hij de eer heeft op het altaar denzelfden Zoon Gods voort te brensjen , welken zij, de eene i n eeuwigheid , en de andere in den tijd voorl-brengen.

Begrijpt hieruit, Priesters des Heeren, het uitmuntende uwer waardigheid en de grootheid uwer verbindtenissen. Zijt gedurende den geheelen dag, hetgene q-ij aan het altaar tracht te wezen , dat wil zeggen, ver-eenigt met God, bezig met zijne tegenwoordigheid , getrouw aan zijne genade, ijverig tot uwe plichten, en hebbende voor Jesus Christus, gedurende den loop van den dag, eene voorbereiding , en als eenen staat van slachtoffer, geheel aan zijne verheerlijkiug en de zaligheid der zielen overgegeven, gelijk

-ocr page 435-

IV. BOF/K. V. HOOFDSTUK. 431 •rij l«pi/plvo moot doen updurendn liet lieiUp misoffer.

Wanneer (rij dit aanbiddelijk offer opdraaft, tracht 1. in uw hart te doen wnt Jesua ChristuR on het altaar doet, u te vernederen, u op te offeren en te bidden. 2. Vereen iet het offer van uwe ziel met dat van het Lichaam van Jesus Christus; neemt zijne gevoelens en zijne sresteltenis aan ; en bedienaars van het offer, dat Hij aan zijnen Vader door en in u opoffert tot zaligheid der menschen , maakt u slachtoffers van de liefde van penen (rod, die zich zei ven slachtoffer van uwe liefde maakt. Houdt op aan uzelven toe te behooren, om geheel voor Hem te wezen , gelijk Hij ophoudt op het altaar te wezen , en zijn sacramenteel leven in uw hart aanneemt, om daarin het groote werk uwer zaligheid te voltrekken.

Een Priester, die van eenen God leeft, en zich dagelijks met zijn Lichaam en Bloed voedt, moet niet dan voor God leven, zegt de H. Augnstinus; en indien de priesters der oude Wet verplicht waren heilig te leven , omdat zij brood en wierook aan den Heer opdroegen, hoeveel volmaakter moet de heiligheid van de priesters der nieuwe Wet niet wezen, zij, die dagelijks op het altaar eenen God aan God zeiven opofferen! Hoe zuiver, zegt d\'». H. Chiysostomn», moet de hand van den Priester n\'et wezen, en hoe onbevlekt zijne tong, aangezien de eene het Lichaam van het Vleeschge.worden Woord slachtoffert, en de andere met zijn Bloed ge-

-ocr page 436-

432 DIE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS.

verwd is, en hij in zijn li art al datgeno. ont-vanfft wat pen God-Mensch is!

Gedenk dan, Priester des Heeren, dat Jesus Christus, de opperste Priester, het hei-He misoffer door u opdraaft, en dat, daar Hij u met zijne macht hekleed heeft om Hem op het altaar te consaereeren, srij dnor zijnen tjeest moet bezield vezen en door zün leven leven. Ovenveecr, wanneer !*ij de woorden der consecratie uitspreekt, dat ^ii u geheel aan Hem moet overtreven, en Hem uw hart schenken, s:elijk p:ij Hem uwe tonp leent.

Als srij uw priesterlijk gewaad aantrekt,

denk aan de geheimen vin het lijden van Jesus Christus, hetwelk dit verbeeldt, en vraag Hem vergiffenis over uwe zonden, die er de oorzaak van geweest zijn.

Als eij na^r het altaar gaat, denk dat gij Jesus Christus naar den Calvarieberg vergezelt, en dat eij Hem door de oogen van uw geloof en door uwe handen gaat zien sterven.

Vraag als eij aan den voet des altaars staat, vergiffenis over uwe zonden en over die van al de geloovigen wier plaats srii be-kleeilt, en wier zaakbezorger en middelaar gij zijt.

Bid Hem onder het Gloria in exce.his, u en allen die in het heilie offer tegenwoordis zijn, eenen krachtigen wil voor de zalisrheid te verleenen.

Wek, aan den quot;Epistel, in u eene heilige begeerte op, om Jesus Christus op het altaar en in al de harten te doen geboren worden: eene begeerte, welke de Profeten had-

\' 0 \' «5-

-ocr page 437-

IV. BOT\'-K. V. HOOFDSTUK. 4j33 (leu naar de komst van den Messias, en die de Apostelen hadden, om Jesus Christus in de harten voort te brengen.

Verlevendig, aan het Evangelie, nw geloof en uwen ijver: uw geloof, om het Evangelie te gelooven en in het werk te stellen, en uwen ijver, om er u de grondstellingen van in te boezemen.

Bid, aan het Credo, den Heer, dat uw leven met uw geloof overeenkomstig moge zijn.

Offer, aan de Offerande, het heilige misoffer op, om God te eeren , om Hem te bedanken, om de vergiffenis uwer zonden en de noodzakelijke deugden ter zaligheid te bekomen, en tot lafenis der zielen in het vagevuur.

Begeef u , aan den Canon, met uwen geest in den hemel; tracht de gesteltenis der heilige Maagd en van de Apostelen in u op te wekken, om Hem op hei altaar en in al de harten te doen geboren worden.

Aan de Consecratie, dat alles in u wijke voor eenen God , die op des priesters stem op het altaar komt, en door zijne woorden op hetzelve een nieuw leven aanneemt. Ver-eenig u met Christus inzichten ; bid door Hem , geef u geheel aan Hem over, en offer Hem, van zijne liefde doordrongen , aan zijnen Vader voor de levenden en voor de dooden op.

Aan het Pater no ster, wek in u al de gevoelens van een volkomen vertrouwen in Jeans Christus op.

Ah\', men de heilige floslie verdeelt en als 28

-ocr page 438-

434 DE NAVOLGING VAN JISUR CHRISTUS, eenen geestelijken dood aan Jesus Christus toebrengt, bid Hem, in u den dood aan u zeiven, een heilig leven en eenen goeden dood voort te brengen, en niet te dulden, dat gij voor Hem niet dan een verdeeld hart en eene uitgezonderde liefde hebt.

Aan de Communie ^ hernieuw uw geloof jegens eenen God, dien gij ontvangt; uw vertrouwen jegens uwen Zaligmaker, en uwe liefde voor eenen Vader, die bezit van uw hart gaat nemen, met u het zijne te geven als een erfdeel, hetwelk Hij aan u verschuldigd is, en zeg Hem: wees de God mijns harten en mijn aandeel in eeuwigheid.

Na de Communie, bedank Jesus Christus, dat Hij zich geheel aan u heeft overgegeven, en bid Hem, dat niets u van zijne genade en liefde verwijdere.

Eindelijk, bedienaars des Heeren, na het heilige Misoffer opgedragen te hebben , en gij Christenen , na daarbij tegenwoordig geweest te zijn : tracht door een leven, afgescheiden van de ijdelheden en vermaken der wereld, verstorven aan uwe driften en geheel aan uwe plichten besteed, tracht u, gelijk de H. Ambrosius zegt. Priesters des Heeren te maken volgens den geest, en zijne slachtoffers volgens het vleesch; tracht u, gij die de heilige Mis hoort. Priester te maken, niet door merkteekenen en macht, maar door de meening van u te vereenigen met de inzichten van Jesus Christus op het altaar. Wee» indachtig, indien de Heidenen zeiven van Calvarie henen gingen, doordrongen van

-ocr page 439-

iv. boek. v. hoofdstuk. 435 een levend jreloot\' aan Jesus Christus, van droefheid over hunne zonden, en waarlijk bekeerd, dat gij na het heilig misoffer, dat het zelfde olfpr van Calvariö is, opgedragen of na hetzelve gehoord te hebben , dat gij waarlijk geslachtotFerd, bekeerd en vol geloof, liefde en ijver voor Jezus Christus moet wezen.

GEBED.

Hoe rein, o God! moet hij zijn die tot uwe Tafel vvenscht te naderen , hoe rein hij aan wien Gij het uitdeelen uwer aanbiddelijke geheimen hebt toevertrouwd! Hoeveel ontbreekt mij nog, wanneer ik den toestand van mijn hart oprechtelijk overweeg! Zie genadig op mij neder, en vul liefderijk aan hetgeen mij mocht ontbreken. Rust al uwe bedienaren met den waren geest van godsvrucht uit; dat zij, overeenkomstig hunne roeping, hun ambt waardig bekleeden.

ZESDE HOOFDSTUK.

Ondervraging naar eene oefening voor de H. Communie.

1. De Geloovige. Wanneer ik, o Heer! uwe waardigheid en mijne onwaardigheid overweeg, dan sidder ik zeer en sta over mijzelven beschaamd.

Want treed ik niet toe, ik vlied het le*

-ocr page 440-

4-36 DE NAVOLamp;INamp; VAN JESUS CHRISTUS, ven; dring ik mij onwaardig op, ik val in onirenade.

Wat zal ik dan doen, o mijn God! mijn helper en raadgever in den nood ?

2. Leer Gij mij den rechten weg; schrijf mij eenige korte oefening voor , op de heilige Communie passende.

Want het is nuttig te weten, hoe ik namelijk godvruchtig en eerbiedig U mijn hart zal voorbereiden, om uw Sacrament met vrucht te ontvangen, of ook om zulk een groot en goddelijk offer op te dragen.

OEFEN I N G.

Eene der beste gesteltenissen, welke gij kunt hebben om eene goede communie te doen, is bij u vast te stellen, van Jesus Christus in uw hart te doen heerschen, zoodat Hij er volstrekt als God in heerscht; dat wil zeggen. Hem in alles te gehoorzamen en Hem niets te weigeren van alles wat Hij van u vraagt. Want het is in hoedanigheid van koning, en van eenen koning, vol van goedheid, dat Hij tot u komt, gelijk er in de heilige Schrift geschreven staat, dat is : dat Hij in uw hart komt, en eene nieuwe geboorte aanneemt, om er over uwe driften en geneigdheden te heerschen.

a E B E 1).

Ja, mijn God! leer mij den rechten weg, de ware wij/.e kennen, hoe ik mij met de

-ocr page 441-

iv. boek. vii. hoofdstuk. 437 uiec\'ite vrucht tot uwe heiliKc Tafel zul voorbereiden. De zaak is van het grootste aau-belang. Niets minder dan mijn eeuwig heil staat daarmede in verband. En wie zal mij beter tot leidsman strekken, dan Gij, de bron van licht en waarheid ? Open dan mijn hart, opdat ik met geestdrift uwe lessen aau-neme, die voor altoos in mijn hart preute en ze getrouw nakome.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over het onderzoek des gewetens en het voornemen ter verbetering.

1. Du Heer. Voor alles behoort Gods Priester om dit Sacrament te vieren, te behandelen en te ontvangen, zich met den grootsten ootmoed des harten, met diepen eerbied, een vol geloof en met het zuivere oogmerk van Gods eer daartoe te begeven.

Onderzoek nauwkeurig uw geweten , naar uw vermogen reinig en zuiver het door een oprecht berouw en eene ootmoedige biecht, zoodat gij niets bezwarends overhoudt, noch ontwaart dat u iets knage of den vrijen toegang verhiudere.

Heb afkeer van al uwe zonden in liet gemeen , en bedroef u en zucht meer in het bijzonder over uwe dagelijkache overtredingen.

Eu, laat de tijd het toe, belijd dan voor God , in het binnenste uws harten al de ellenden uwer driften.

2. Zucht en betr.ïur, dat gij nog zoo

-ocr page 442-

4jS8 de navolging van jesus Christus vleeschelijk en wereldsch zijt, zoo weinig uwe driften afgestorven, zoo vol ongeregelde beweginger..

Zoo weinig waakzanm over uwe uiterlijke zinnen, zoo vaak ingewikkeld in allerlei ijdele voorstellingen: zoo overhellende tot het uiterlijke, zoo onachtzaam omtrent het innerlijke.

Zoo licht vervoerd tot l ichen en ongebondenheid , zoo verhard tot weenen en berouw; zoo vaardig tot verslapping en vleeschelijk gemak, zoo traag tot strengheid en ijver.

Zoo driftig om iets nieuws te hooren en iets schoons te zien: zoo flauw om het lage en verachte te omhelzen; zoo begeerig om veel te hebben, zoo karig in het geven, zoo taai in het behouden.

Zoo onbedachtzaam in het sprekeu, zoo onwillig tot zwijgen; zoo ongeregeld van zeden, zoo ontijdig in uwe handelingen.

Zoo gulzig bij het eten, zoo doof bij het woord Gods ; zoo gretig naar rust, zoo traag tot den arbeid.

Zoo wakker bij ijdelen klap, zoo slaperig bij het heilige nachtgebed, zoo hakende naar het einde, zoo onbestendig in aandacht.

Zoo onachtzaam bij het opzeggen der getijden , zoo lauw bij het Mislezen, zoo dor bij het commuuiceereu.

Zoo licht verstrooid, zoo zelden volkomen ingetogen ; zoo ras in toorn ontstoken , zoo geneigd om anderen misnoegen te geven; zoo gereed tot oordeelen, zoo streng in het berispen.

-ocr page 443-

IV. BOEK. VII. HOOFDSTUK. 4^9

Zoo uitgelaten in voorspoed, zooteraeder-gesla^on in tegenspoed : zoo; dikwijls veel goeds voornemende, en weinig ten uitvoer brengende.

3. Wanneer pij deze en andere gebreken met berouw en een groot mishagen in uwe zwakheid beleden en beweend hebt, maak dan een vast beslnit om steeds uw leven te verbeteren en in het goede voort te gaan.

Offer vervolgens met een volkomen afstand en een oprechten wil uzelven ter eere mijns naams op het altaar van uw hartals een gedurig brandoffer door namelijk mij uw lichaam en ziel getrouwelijk over te geven; opdat gij dus verdienen moogt waardig te naderen, om Gode het offer op te dragen en het Sacrament van mijn Lichaam met vrucht te ontvangen.

4. Want er is geen waardiger offer noch grootere voldoening ter uitwissching der zonden , dan zichzelven zuiver en volkomen met het offer van Christus\' Lichaam, onder de Mis en bij de Communie: Gode op te dragen.

Heeft de mensch gedaan, wat in hem is, en heeft hij een waar berouw , zoo dikwijls hij bij Mij om vergeving en genade komt, zoo waar ih leve, zegt de Heer, ik heb geen hst in den dood des zondaars, maar daarin , dat hij rich hekeere en leve: Ik tal zijner overtredingen niet meer gedenken ; (Ezech. 22. en 23) alle zullen hem kwijtgescholden zijn.

-ocr page 444-

440 DE NAVOLGING VA.N JESUS CHRISTUS.

OEEEN ING.

1. De gesteltenis, waarin men moet wezen om waardig de heilige Communie te ontvangen , is de zuiverheid des harten , welke het onthecht van alle vrijwillige zonden en van alle genegenheid tot zonden. Het is in dezen zin, dat de heilige Augustinus , sprekende tot de Priesters en de Geloovige, die het Lichaam des Heeren ontvangen , zegt, dat men de onschuld tot het altaar moet brengen. Onderzoek derhalve omstandig uw geweten nopens uwe gewone gebreken. Onderzoek , in de tegenwoordigheid Gods; of uwe ziel met geene groote zonden beladen is, en zoo ja, belijd ze met eeue oprechte droefheid; want in dit geval, zegt de Kerkvergadering van Trente, liet is niet genoeg eene oefening van berouw te verwekken, maar men moet zijne zonden biechten voor aleer men ter Communie gaat; het is aldus, dat zij deze woorden van den Apostel uitlegt: dat de mensch zich he proeve , en zich bereide om waardig dit hemelsche Brood te ontvangen en het. niet onwaardig te nuttigen.

2. Maar stel u niet tevreden, met voor de Communie te zien of uw geweten u geene groote zonde verwijt; onderzoek voor God, en verfoei de lichte gebreken, die gij zoo gemakkelijk bedrijft, en bijzonder die, welke gij met opzet en tegen uw voornemen doet; verfoei de zonden van gewoonte, van verkleefdheid , en de zulke die het meest met uwe

-ocr page 445-

IV. BOEK. VIII. HOOFDSTUK. 441 uafcuuriijkc gestelteuissen ovcreenkomeu ; verfoei de vreemde zouden, tot welke gij nau-leidinET geeft en waarin gij deel neemt; verfoei de geheime zonden , enz., vraag hierover vergiffenis aan Jesus Christus vóóraleer gij Hem ontvangt, en bid Hem, dat Hij u de genade, verleene , om u hiervan te beteren en er u over te straffen.

GEBED.

Ja, dierbare Heiland! ik belijde het voor U, dat ik een onreine zondaar, een gronte zondaar ben. Gij kent mijne zonden en nalatigheden beter dan ik ze. ken. Ik verneder mij deswegens, en gevoel het hartelijkste berouw. O Gij, die geen lust in den dood des zondaars hebt, maar daarin, dat hij zich bekeere . betoon ook aan mij uwe barmhartigheid. Heer! zoo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Wasch mij van al mijne zonden, wees mij genadig, vergeef mij!

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over de opoffering van Christus aan het kruis en de opoffering van zichzelven.

1. De Heek. Gelijk ik Mijzelven naakt met uitgestrekte armen aan het kruis voor uwe zonden vrijwillig aan mijnen heme.ischen Vader hel) opgedragen, zoodat, iu mij niels overig bleef, dat niet geheel in een ott\'er ter

-ocr page 446-

442 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS, verzoening: met God overpinp, zoo moet gij ook uzelven dagelijks bij de H. Mis vrijwillig uit alle uwe kracht en neigingen, op liet innigst als gij kunt, tot een rein en heilig offer aan Mij opdragen.

Wat eisch ik meer van u, dan dat gij u toelegt om uzelven volkomen aan mij af te staan ?

Alles wat gij mij buiten uzelven geeft, acht Ik niet; Ik toch zoek niet uwe gaven, maar u.

2. Gelijk het u niet genoeg zoude zijn alles te bezitten buiten Mij, zoo kan ook Mij niets van alles wat gij geeft behagen , zoo gij uzelven niet aanbiedt.

Offer u aan mij op en geef u zeiven geheel voor God; dan zal uw offer behagen.

Zie ik heb mij geheel aan den Vader voor u opgeofferd; Ik heb u ook geheel mijn Lichaam en Bloed tot spijze gegeven , omdat Ik geheel de uwe zij, en gij de mijne moogt blijven.

Maar staat gij nog op uzelven en offert gij u niet gewillig aan mijn welbehagen op, uw offer zal onvolkomen en onder ons geen volmaakte vereeniging zijn.

Eene vrijwillige overgave van u zeiven in de hand Gods moet dus al uwe werken voorafgaan , zoo gij vrijheid en genade wilt verwerven.

3. Want daarom worden zoo weinigen verlicht en innerlijk vrij, omdat zij zichzelven niet volkomen weten te verzaken.

Mijne uitspraak blijft vast; Wie niet alles verzaakt, lean mijn leerling niet zijn. (Luc. 14)

-ocr page 447-

IV. KOEK, VIII. HOOFDSTUK. 44-3

Wilt gij dan mijn leerling zijn, zoo offer uzelven aan Mij op met al uwe neigingen.

OEFENING.

Wil niet van die Christenen wezen, die in de C.ïinraunie geheel voor God, en na dezelve geheel voor zich zeiven zijn , en die , hun leven in goede begeerten en in slechte uitwerkselen doorbrengen nooit vast staan in de vrees of in de liefde Gods. Het is van die zielen, gierig jegens eenen God, die Zich Zeiven geheel voor haar ten besten geeft, dat de Profeet spreekt als hij zegt: om de boosheid hunner gierigheid^ waardoor zij mij een hart ontnemen, hetwelk zij mij gegevtfn hebben , heb ik hen met blindheid en ongevoeligheid geslagen , en geheel haar leven wordtin de onachtzaamheid en in ijdele verlangens naar hare zaligheid doorbracht.

GEBED.

Geen behaaglijker offer kan ik U brengen, o God! dan mijzelven. Al het overige waf ik U aanbiede, heeft voor U geene waarde, tenzij liet met de volkomenste zelfopoffering gepaard ga. Leer mij deze heilzame kunst kennen en in navolging van uwen Zoon, in uitoefening brengen, opdat ik alzoo waardig worde aan uwe groote geheimen deel te heb-ben en, van alle afleiding ontheven , in de volkomenste vereeniging met U mijne hoogste zaligheid vinde.

-ocr page 448-

444- de NAVOLGING VA.n jesus christus.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Dat wij ons en al het o?ize moeten opofferen en voor allen bidden.

1. üe Geloovige. Heer! alles, wat in den hemel is en op de aarde is het uwe.

Ik verlang mijzelven aan U tot een vrijwillig offer op te dragen en eenwig de uwe te blijven.

Heer! heden oti\'er ik ü mijzelven in eenvoudigheid des harten op, om voor altoos uw dienstknecht te zijn, U te gehoorzamen en een offer van eeuwigdurenden lof te worden.

Neem mij aan te gelijk met dit heilige offer van uw dierbaar Lichaam, liet welk ik U heden in het bijzijn der ons hier onzichtbaar omringende Engelen opdraag , opdat liet mij en al den volke tot heil strekke.

2. Ook leg ik, o Heer! al mijne zouden en overtredingen, die ik voor U en voor uwe heilige Engelen heb begaan van den dag dat ik het eerst heb kunnen zondigen tot nu toe, op uw zoen altaar neder: opdat Gij die alle in het vuur uwer liefde aansteken en verbranden moogt, al de vlekken mijner zonden uitwisschen, mijn geweten van alle misdrijf reinigeu , mij uwe , door de zouden verbeurde, genade teruggeven, door mij alles volkomen kwijt te schelden en mij tot den kus van vrede barmhartig op te nemen.

3. Wat anders kan ik voor mijne zonden

-ocr page 449-

IV. BOEK. IX. HOOFDSTUK. 445 doen, dan zo nederig belijden, beweenen en onophoudelijk uwe barmhartigheid inroepen?

Ik smeek (J dan, verhoor mij genadig nu ik voor ü sta , o mijn God !

Al mijne zonden mishagen mij zeer. Nimmer wil ik ze weder begaan. Ik betreur ze en zal ze betreuren zoolang ik leef, bereid om boete te doen en voldoening te geven naar mijn vermogen.

Vergeet\' mij, o God! vergeef mij mijne zonden om uws heiligen Naams wille; red mijne ziel, die Gij met uw dierbaar Bloed hebt vrijgekocht.

Zie, ik vertrouw mij aan uwe barmhartigheid en geef mij over in uw handen. Handel met mij naar uwe goedheid, niet naar mijne boosheid en ongerechtigheid.

4-, Ook oller ik U op alles wat ik goeds heb, ofschoon het zeer gering en onvolkomen is, opdat Gij het moogt verbeteren en heiligen , het. met welgevallen aannemen en ü behaaglijk maken.; opdat Gij het steeds tot een hoogere volmaaktheid en mij uw tragen, onnutten, nietigen mensch tot een gelukkig en loffelijk einde brengen moogt.

5. Ook leg ik op uw outer neer al de vrome wenschen der godvrnchtigen , de noodwendigheden van mijne ouders en vrienden , broeders en zusters en van allen die mij dierbaar zijn; ook van hen die mij of anderen uit liefde voor IT eenig goed gedaan hebben, desgelijks ook van degenen, die verlangd en verzochl hebben dal ik gebeden en de II. Mis zoude opdragen voor hen of de hunnen,

-ocr page 450-

446 DE NAVOLGING VAN JESUS CH11ISTUS. hetzij dat ze nog leven ot\'reeds jrestorven zijn.

Tk bidde dat zij allen door deze II. Offerande mogen ondervinden de hulp uwer genade, den steun uwer vertroosting, de be-seherraing in de gevaren en de bevrijding van hunne stralfen, opdat zij aan alle onheil onttrokken, U blijmoedig den ruimsten dank toe brengen.

6. ^Nog draag ik U gebeden en zoenoffers op bijzonder voor hen, die mij in eenig op-zieht beleedigd, bedroefd, gesmaad, mij ee-nige schade of moeilijkheid toegebracht hebben ; alsmede voor hen allen , die ik somtijds bedroefd, ontrust bezwaard of geërgerd heb, door woorden of daden , wetend of onwetende; opdat Gij ons allen gezamelijk onze zonden en wederzijdsche beleedigingen moogt vergeven.

Neem, o Heer! uit onze harten weg allen argwaan, verbittering, toorn, twist, en alles wat de liefde kan kwetsen en de broederlijke genegenheid verminderen.

Ontferm U, o lieer! ontferm IJ over allen die uwe ontferming afsmeeken; schenk genade aan allen die ze behoeven , en doe ons zoodanig worden , dat wij waardig zijn uwe genade te ontvangen en voortgang maken ten eeuwigen leven. Amen.

OEPENING.

Vermoeid van de slavernij onzer driften, en afgemat van de vruchteloosheid onzer verlangens, waardoor wij aan God beloven , wat wij niet volbrengen, en waardoor wij aan

-ocr page 451-

IV. BOEK. IX. HOOTDSTUK. 447 Hem verhingen toe te behooren, zonder na fe laten aan ons, aan de wereld en aan de ijdelhedrn verkleefd te blijven, laat ons dan eindelijk een vast voornemen maken, ons aan God over te geven, na Hem ontvangen te hebben, en ons voor altijd aan zijne liei\'de vast te hechten. Het is tijd, o mijn Zaligmaker! dat mijn hart, hetwelk Gij geschapen hebt om U te beminnen, en door uw dierbaar bloed is vrijgekocht, voor altijd op-houde aan zich zeiven toe te behooren en zich geheel aan U door een onherroepelijk geschenk o vergeve. Ik beloof hier aan uwe voeten , dat het mijn wil is, dat dit alzoo geschiede. Dit hart heeftU ontvangen, o mijn Jesus, en Gij wilt er het nieuwe leven in voltrekken, wat Gij op het altaar hebt aangenomen, om er een slachtoffer uwer liefde van te maken. Offer dan aan uwen Vader uw heilig en mijn misdadig leven, en gedoog niet, dat ik ooit dit hart terugneme, hetwelk zich heden aan TJ overgeeft.

GE BED.

Ja, mijn God ! alles wat ik goeds aan mij heb, is het uwe. Alles moet dus ook, door vrije onderwerping des harten, het uwe zijn. Neem mij als een behaaglijk offer aan. Ik wijd mij geheel aan U toe, Heersch over mijn hart en reinig het van alles wat U mishaagt. Tegelijk draag ik U de belangen van de mijnen, ja van alle menschen op. Vader der menschen ! zie genadig up hen neder, out-

-ocr page 452-

448 DE NAVOLamp;ING VAN JESUS ClIklITUS.

ferm U over alleu cu breug alleu tot het eeuwige leven.

TIENDE HOOFDSTUK.

Dat men de heilige Communie niet licht moet achterlaten.

1. De Heer. Dikwijls moet gij uwe toevlucht nemen tot de bron van genade en goddelijke ontferming, tot de bron van alle goeden reinheid, opdat gij alzoo van uwe driften en gebreken moogt genezen worden, en verdienen tegen alle bekoringen en listen des duivels sterker en waakzamer te zijn.

De vijand wetende welke vrucht en allerkrachtigst geneesmiddel in de heilige Communie gelegen is, tracht op allerlei wijzeen bij alle gelegenheid, zooveel hij kan , de ge-loovigen en godvruehtigen al te trekken en te verhinderen.

3. Sommigen inderdaad, als zij zich tot de heilige Communie trachten voor te bereiden, ontwaren dan de ergste ingevingen des Satans.

Want die kwade geest komt, gelijk er in liet boek Job geschreven staat, midden onder de kinderen Gods, opdat hij ze door zijne gewone arglistigheid in verwarring brenge , of te zeer bevreesd en verlegen make, om alzoo hunne liefde te verminderen, of door zijne aanvallen hun het geloof te ontnemen; of zij misschien de Communie geheel mogen achlerlaten , of met lauwheid naderen.

-ocr page 453-

TV. KOEK. X. nnOFDSTlTK. 440

Maar men moet zich aan zijne listen en voorstellingen , hoe schandelijk en afgrijslijk ook , hoegenaamd niet storen, maar hem al die ingevingen in het aangezicht terugwerpen.

Verachten moet men den ellendeling en bespotten , en om zijne aanvallen en de ontroeringen die hij verwekt, de heilige Communie geenszins nalaten.

3. Dikwijls ook wordt men verhinderd door eene te groote bezorgdheid om godsvrucht te hebben, en door eeneu zekeren angst omtrent de vooralgaande biecht.

Handel volgens den raad van verstandige menschen en leg uw angst en bezwaren al\': want deze verhinderen de genade Gods en verstoren de godsvrucht des gemoeds.

Wil niet om eenige kleinige entrusting ol\' bezwaar de heilige Communie achterlaten, maar ga des te eerder te biechten en vergeef gaarne aan anderen al hunne beleed igingen.

Of hebt gijzelt\' iemand beleedigd, vraag hem nederig om vergeving, en God zal u gaarne vergeven.

4-. Welk nut doet het met biechten lang te wachten of de heilige Communie uit te stellen ?

Reinig u ten eerste, werp spoedig het vergift uit en haast u de artsenij in te nemen : gij zult u daarbij beter bevinden dan met lang uit te stellen.

Indien gij het heden om deze reden uitstelt, morgen zal er zich wellicht iets ge-wichtigers opdoen , en zoo kondst gij lang

29

-ocr page 454-

450 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, van de Communie afgehouden en te owp:e-achikter worden.

Ontdoe u , zoodra gij kunt, van de tegenwoordige bezwaren en loomheid : want het haat niets lang in nngst en ongerustheid voort te leven, en zich door dagelijksche beletsels van de goddelijke geheimen te laten afhouden.

Integendeel schaadt het zeer de Communie lang uit te stellen ; want doorgaans brengt het groote lauwheid teweeg.

5. Helaas! sommige lauwen en ongebon-denen stellen gaarne het biechten uit en wenschen daarom de heilige Communie te verschuiven, opdat zij niet verplicht worden strenger wacht over zichzelven te houden.

Ach ! hoe weinige liefde en zwakke godsvrucht hebben zij, die de heilige Communie zoo licht verschuiven!

Hoe gelukkig en Gode behaaglijk ia hij, die zóo leeft en zijn geweten zóo rein bewaart, dat hij bereid en wèl genegen zoude zijn om zelfs eiken dag te communiceeren , wierd hem dat veroorloofd en koude hij het zonder opspraak doen.

Indien iemand somtijds uit ootmoed of om eenig wettig beletsel terugblijft, hij is om zijnen eerbied te prijzen.

Maar loopt daaronder lauwheid, hij moet zichzelven opwekken en doen wat hij kan ; en God zal zijn verlangen te gemoet komen om zijnen goeden wil, waarop Hij inzonderheid ziet.

6. Wordt iemand wettig verhinderd , dat

-ocr page 455-

IV, BOEK. X. HOOFDSTUK. 451 hij dan een goeden wil en godvruchtig voornemen hebbe om te communiceeren ; en dus zal hij van de vrucht des Sacraments niet verstoken zijn.

Want ieder godvruchtige kan eiken dag en elk uur met vrucht en ongehinderd, iu den geest, tot den Maaltijd van Christus naderen.

Nochtans moet hij op zekere dagen en ten gestelden tijde , het Lichaam zijns Verlossers werkelijk met harte!ijken eerbied ontvangen, en meer Gods lof en eer beoogen dan zijn eigen troost zoeken.

Overigens men communiceert in den geest en wordt onzichtbaar verkwikt, zoo dikwijls men het geheim van de menschwording en het lijden van Christus godvruchtig overweegt en in liefde tot Hem ontstoken wordt.

7. Wie zicli anders niet voorbereidt dan bij het naderen van een leest of door gewoonte gedwongen , zal dikwijls onbereid zijn.

Gelukkig hij, die zich den Heere teu brandoffer opdraagt, zoo dikwijls hij de H. Mis leest of communiceert.

Wees gij intusscheu, bij het Mislezen, noch te langzaam noch te overhaastig; maar volg het gewone goede gebruik dergenen, onder welke gij leeft.

Gij moet anderen geen last noch verveling baren, maar den gewonen weg houden naar de instelling der voorvaderen, en meer het nut van anderen dan uwe eigen godsvrucht of genegenheid beoogen.

-ocr page 456-

453 DE NAVOLGING VAN JESIIS CHRTSTUS.

OEFENING.

1. Het vurige verlangen, hetwelk Jesus Christus ons toont om in onze harten te komen, er bezit van te nemen eu als God in te heersehen, moet ons overtuigen, dut men Hem een groot genoegen verschaft, als men zich dikwijls waardig maakt om de heilige Communie te ontvangen. Door eeuen oogenschijnlijken eerbied en uit ware traagheid zich van de heilige Tafel verwijderen , gelijk zoo vele Christenen doen, is Jesus Christus van de voldoening berooven, welke Hij neemt van in ons te verblijven, gelijk Hij ons betuigt door deze woorden ; mijn vermaak is, te zijn met de kinderen der men-schen. Het is, zich stellen tegen de inzichten zijner wijsheid, het is de keten verbreken van onze voorbeschikking , omdat men zich berooft van een der krachtigste middelen om onze zaligheid te verzekeren, welke is in eene goede en dikwijls herhaalde Communie; (immers men mag nooit deze twee zaken van elkander scheiden), en het is zich blootstellen aan het verlies van de beslissende genaden der eeuwigheid, als men door zijne schuld de heilige Communie verzuimt.

2. Nu, de wezenlijkste gesteltenissen voor eene goede en dikwijls herhaalde Communie zijn: 1. tot de heilige Tafel te naderen , zonder den wil van te zondigen; 2. na de biecht een vast voornemen gemaakt hebben om zich van zijue gebreken te beteren, en een oprecht christelijk leven te leiden; 3. te hopen, dat

-ocr page 457-

IV. BOEK. X. HOOFDSTUK. 453

de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in onze zielen, en de kracht zijner genade in ons dit dubbel voornemen zal behouden ; derhalve moeten de zondaars , die uit gewoonte de zonde bedrijven en ter oorzake hunner onwaardigheid slechts zeldzaam tot de heiligd Tafel naderen, hunne slechte gewoonten verzaken , en zich in staat stellen van waardig te communiceeren. De wereldsche zielen , die, om niet dikwijls het Lichaam des Heeren te ontvangen, tot verontschuldiging hunne verkleefdheid aan de wereld voorgeven , zijn verplicht de ijdelheden, de tooneelen en aan-gekleefdheid aan liet wereldsche te verlaten, om zich te bereiden waardig en dikwijls te communiceeren; en de godvruchtige personen, die vreezen dikwijls slecht de Communie te ontvangen, moeten zicli, uit eene verkeerde ootmoedigheid , niet van de heilige Tafel verwijderen , maar zich vernederen en te communie gaan, zoo als het de schrijver van het boek der Navolging zegt.

G E B E ]).

Heer! liet is waar, ik kan mij tot uwe heilige Tafel niet genoeg voorbereiden. Maar zal dit mij van U verwijderd houden ? Neen , ik moet tot de bron der heiligheid en genade mijne toevlucht nemen. Immers het zijn de kranken, die de hulp van den arts behoeven. Ik wil tot U dan dikwijls naderen, omdat ik uwen bijstand zoozeer noodig heb. Mocht ik die gunst meer en meer waardig

-ocr page 458-

454 DE NAVOLGrlNG VAN JESüS CHRISTUS, worden on daarin eon versterkend raiddel voor mijne zwakheid vindon!

ELFDE HOOFDSTUK.

Dat het Lichaam van Christus cn de heilige Schrift voor ee/ie geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn.

1. De Geloovige. o Beminnelijkste Heerc Je sus! hoe groot is het genoegen van eene godvruchtige ziel , die met U eet aan uwen disch, waar haar geen andere spijs re eten wordt voorgesteld dan Gij, haar eenig Beminde, wenschelijk boven al de verlangens haars harten !

Ook mij zoude het genoeglijk zijn in uwe tegenwoordigheid uit het diepst mijns harten tranen te storten, en met de godvruchtige Magdalena uwe voeten met tranen te besproeien.

Doch waar is die godsvrucht ? waar die overvloed van heilige tranen ?

Voorwaar mijn geheel hart moest voor uw aanschijn en dat uwer heilige Engelen gloeien en van vreugde weenen.

Want in het Sacrament zijt Gij waarlijk tegenwoordig, ofschoon onder eene vreemde gedaante verborgen.

2. Want U in uwe eigene en goddelijke klaarheid te aanschouwen zouden mijne oogen niet kunnen uithouden , ja de geheele wereld

-ocr page 459-

IV. BOEK. XI. HOOFDSTUK. 455 zoude tegen den schitterenden glans uwer Majesteit niet bestand zijn.

Hierin derhalve voegt Gij U naar mijne zwakheid, dat gij U in het Sacrament verbergt.

Ik bezit in waarheid en aanbid Hem, dien de Engelen in den hemel aanbidden; maar ik intusschen nog door het geloof, en zij van aanschijn en zonder sluier.

Ik moet mij met het licht des waren ge-loofs vergenoegen en daarin wandelen totdat de dag der eeuwige klaarheid aanbreke en de schaduwen der beeldnissen verdwijnen.

Maar is datgene gekomen, dat volmaakt is, dan zal het gebruik der Sacramenten ophouden ; want de gelukzaligen in de hemelsche heerlijkheid behoeven niet meer het geneesmiddel der Sacramenten.

Zij toch verblijden zich onophoudelijk in de tegenwoordigheid Gods, daar zij zijne heerlijkheid van aanschijn tot aanschijn aanschouwen. Eu, van klaarheid tot klaarheid der oneindige Godheid overgaande, smaken zij het vleeschgeworden Woord van God, gelijk het was van den beginne en in eeuwigheid blijft.

3. Als ik deze wonderen overdenk , dan wordt mij zelfs elke geestelijke troost een groot verdriet; want zoolang ik mijnen Heer in zijne heerlijkheid niet openlijk aanschouw, acht ik alles, wat ik op aarde zie of hoore, als niets.

Gij zijt mijn getuige, o God! dat niets mij vertroosten, noch eenig schepsel mij

-ocr page 460-

4)56 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, bevredigen kan, tenzij Gij, mijn God! dien ik ecuwig wensch te aanschouwen.

Maar dit is niet mogelijk, zoolang dit sterfelijk leven duurt.

Daarom moet ik mij zetten tot groot geduld en mij met al mijn verlangens aan U onderwerpen.

Want ook uwe Heiligen, o Heer! die nu reeds in het hemelrijk zich met U verblijden , hebben gedurende hun leven de toekomst uwer heerlijkheid met gelooi en groot geduld verbeid.

Wat zij geloofd hebben, geloof ik ook; wat zij gehoopt hebben, hoop ik ook; waar zij aangeland zijn, vertrouw ook ik door uwe genade te zullen komen.

Intusschen zal ik, door het voorbeeld der Heiligen versterkt, in het geloof voortwan-delen.

Ook zal ik de heilige boeken tot troost eu levensspiegel hebben, en boven dat alles uw allerheiligst Lichaam tot een bijzonder geneesmiddel en toevlucht.

4. Want twee dingen ontwaar ik in dit leven zeer te behoeven, zonder welke dit ellendige leven mij ondraaglijk zou wezen.

in den kerker dezes lichaams opgesloten, beken ik twee zaken noodig te hebben, voedsel namelijk en licht.

Derhalve hebt Gij mij, zwakke , uw heilig Lichaam gegeven ter verkwikking van ziel en lichaam, en mij uw woord tot eene fakkel voor mijne voeten gesteld.

Zonder deze beide dingen zoude ik niet

-ocr page 461-

IV. BOEK. X!. HOOFDSTUK. 457

wèl kunnen leven: want het woord van God is liet licht mijner ziel , en uw Sacrament het brood des levens.

5. Ook kunnen deze genoemd worden twee tafels in do schatkamer uwer heilige Kerk wederzijds geplaatst.

De eene tafel is die des heiligen altaars , waarop het heilige brood, dat ia het kostbaar Lichaam van Christus rust.

De andere is die der goddelijke wet; op deze ligt de heilige leer, die ons in het waar geloof onderricht, en met vasten tred tot binnen het voorhangael, waar het Heilig der heiligen is, henenleidt.

6. Dank zij U , Heere J e s u s! Licht van het eeuwige Licht! voor de tafel der heilige leer, welke gij ons door uwe dienaren de Profeten de Apostelen en andere leeraren hebt aangericht!

Dank zij U, Schepper en Verlosser der menscheu ! die om der gansche wereld uwe liefde te bewijzen, een groot Avondmaal hebt aangelegd , waar Gij ons geen zinnebeeldig Paaschlam, maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed tot voedsel voorstelt, verblijdende door dat heilige gastmaal al uwe geloovigen, en hen verkwikkende uit den beker des Keils, welke al de genoegens van het Paradijs bevat ; terwijl ook de heilige Engelen met ons gastmaal houden, ofschoon met zaliger genoegen.

7. O, hoe groot en waardig is het ambt der Priesters, wien het gegeven is den Heer der heerlijkheid door de heilige vvjorden te

-ocr page 462-

458 Dl NAVOLGING VAN JK8Ü8 CHEI8TU8, consRcreereD, met hunne lippen te zegenen, in hnnne handen te houden, met hunnen mond te nemen en aan anderen toe te reiken!

O , hoe rein moeten die handen , hoe rein de mond, hoe heilig het lichaam, hoe onbevlekt het hart eens Priesters zijn, bij wien zoo dikwijls de bron van reinheid haren intrek neemt.

Uit den mond eens Priesters mag geen woord voortkomen, dat niet heilig, niet eerbaar en nuttig is, daar hij zoo dikwijls het Sacrament van Christus ontvangt.

Zijne oogen moeten eenvoudig en kuisch zijn, welke het Lichaam van Christus gedurig aanschouwen.

Zijne handen moeten zuiver en ten hemel geheven zijn, welke zoo dikwijls den Schepper van hemel en aarde aanraken.

Tot de Priesters vooral wordt in de Wet gezegd : Weest heilig; want IJc de Heer uw God hen heilig. (Lev. 19)

8. Dat dan uwe genade ons heipe, almachtige God! opdat wij die het Priesterambt op ons genomen hebben , U waardig en godvruch-lig, met alle reinheid en een goed geweten mogen dienen.

En kunnen wij ons leven in zoo eene onschuld niet doorbrengen als wij moeten , geel\' ons ten minste dat wij de misdrijven, die wij hebben begaan, behoorlijk beweenen en U voortaan in den geest van ootmoed , alsmede met het voornemen om het goede te willen ijveriger dienen.

-ocr page 463-

IV. BOEK. XI. HOOrDSTUK. 459

O E J: n: N I N G.

Over liet lezen der heilige boeken , hetwelk moet dienen om ons tot de heilige Communie te bereiden en er de vrucht van te behouden.

God gaf eertijds in de woestijn aan de Israëlieten eene vurige en heldere wolkkolom, om hen te verlichten, en het manna, om hen gedurende de reis naar het land van belofte te spijzen. Alzoo heeft onze Heer aan de Christenen de heilige boeken gegeven om hen te verlichten, en het aanbiddelijke Lichaam en Bloed , om hen in hunnen doortocht tot den hemel te versterken. Zij moeten die beide menigwerf gebruiken om er toe te geraken, de lezing der heilige boeken, om niet te dwalen , en het allerheiligste Sacrament des Altaars, ter versterking op den engen weg, die tot het Paradijs geleidt.

Het is hierom zeer nuttig, \'s avonds vóór dat men te Communie gaat en op den dag dat men tot de heilige Tafel is genaderd, een godvruchtig boek te lezen, dat van het allerheiligste Sacrament des Altaars handelt, om in zijna ziel dien geest van vurigheid, getrouwheid en liefde tot God te onderhouden, alsook dat heili-re vuur, hetwelk Jesus Christus er is komen of zal komen ontsteken. Men kan het gesprek lezen , dat Jesus Christus met zijne Apostelen na de instelling van het allerheiligste Sakrament des Altaars

-ocr page 464-

4-60 DE navolging van jksus christus, hield; maa/ men moet de heilige boekeu lezen in deu geest met welken de heilige Geest ze geschriven heeft; met geloof, met eerbied en met die onderwerping welke zij waardig zijn, en ook degenen inboezemen, welke ze dikwijls lezen. Men moet ze lezen met die aandacht, welke men aan de tegenwoordigheid Gods verschuldigd is, met een vurig verlangen om er nnt uit te trekken en er zicii mede te voeden, en met eene toevlucht vol vertrouwen in den heiligen Geest, die ze heeft voorgeschreven.

GEBED.

Hoe goed zijt Gij , o J e s u s ! hoe liefderijk is uwe zorg voor mij ! Gij schenkt mij licht en voedsel. Uw woord is mijn licht, uw Lichaam mijn voedsel. Hartelijk dank voor deze groote weldaden. Dat zij mij niet tevergeefs geschonken zijn ! Dat ik mij aan uw woord houde en in uw Lichaam mijn waar voedsel vinde. 33us voorgelicht en versterkt, wandel ik rustig voort, totdal ik kome waar geloof in aanschouwen en hoop in genot overgaat,

quot;TWAALFDE HOOFDSTUK

Dat degene die conimuniceeren wil, zich )net groote vlijt moet voorbereiden.

De Heer. Ik hen de minnaar der zuiverheid en de gever van alle heiligheid.

-ocr page 465-

iv. BOP.K. xrr. noornsTUK. 401

Ik zofik eeu rein hart : ddar is de plaats mijner ruste.

Bereid mij eene yroote welversierde eetzaal. en IJc zal met mijne leerlingen hij n hetpaasch-maal houden, (Mare. 14. Luc. 23.)

Wilt gij dat Ik tot u kome en bij u blij-ve, zuiver u dan van den ouden zuurdeesem en reinig de woning uws harten.

Sluit de geheele wereld en al het gewoel der ondeugden buiten.

Zit als eene eenzame musch op het dak en overdenk in de bitterheid uwer ziele uwe overtredingen.

Want alwie liefhèeft, bereidt zijnen geliefden vriend de beste en schoonste plaats : daaraan toeli wordt de genegenheid van hem , die zijn vriend ontvangt, gekend.

2. Weet nochtans dat gij door Je verdienste uwer werken niet aan deze voorbereiding voldoen kunt, al zoudt gij u een geheel jaar voorbereiden en op niets anders bedacht zijn.

Maar alleen door mijne goedheid en genade wordt u toegestaan tot mijne Tafel te naderen; evenals wierd een bedelaar aan de tafel eens rijken genoodigd, en hij niets anders had om diens weldaden te vergelden, dan ootmoedige dankzegging.

Doe wat gij kunt, en doe het vlijtig. Ontvang, niet uit gewoonte, niet uit dwang, maar met vreeze, eerbied en Liefde het Lichaam van uwen geliefden Heere God, die zich verwaardigt tot u te komen.

Ik ben het die genoodigd heb; Ik heb bevolen dat het geschieden zoude: Ik zal aan-

-ocr page 466-

4()2 DE NAVOLGING VAN JF.SUS CTIRrSTUS. vullen wat u ontbreekt; kom en ontvang Mij.

3. Wanneer ik u de genade der godsvrucht schenk, Jank dan uwen Godeniet omdat gij ze waardig zijt, maar omdat ik Mij over u ontlermd heb.

Hebt gij die niet, maar gevoelt gij u veeleer dor, volhard in liet gebed, zucht en klop, en laat niet af totdat gij verdient een kruimeltje of druppelt je der heilrijke genade te ontvangen.

Gij hebt Mij noodig. Ik heb u niet noo-dig. Ook komt gij niet om Mij te heiligen, maar Tk kom om u te heiligen en te verbeteren .

Gij komt om door Mij geheiligd en met Mij vereenigd te worden, om nieuwe genade te ontvangen en om opnieuw ontstoken te worden ter verbetering.

Wil deze genade niet verzuimen : maar bereid uw hart met alle vlijt en leid uwen Geliefde bij u binnen.

4. Overigens moet gij u niet slechts voor de Communie tot godsvrucht voorbereiden , maar die ook zorgvuldig bewaren na \'t ontvangen van het Sacrament.

En geene mindere behoedzaamheid wordt daarna vereischt, dan te voren godvruchtige voorbereiding.

Want eene goede behoedzaamheid daarna is weder de beste voorbereiding om grootere genade te bekomen.

Daardoor toch wordt iemand zeer ongeschikt, als hij zich aanstonds te veel aan uitwendige verkwikkingen overgeeft.

-ocr page 467-

IV. BOEK. XII. HOOFDSTUK. 4(i3

Vermijd liet veelvuldig gepraat; blijf afgezonderd en geniet uwen God ; want Hem bezit gij, dien de geheele wereld u niet kan ontnemen.

Ik ben het aan wien gij u geheel moet overgeven, zoodat gij voortaan niet meer in uzelven, maar in Mr, zonder de minste bezorgdheid voortleeft.

OEFENING.

Op welke wijze men het Lichaam en Bloed van Jesus Christus moet nuttigen.

Gelijk het allerheiligste Sakrament den Altaars een Sacrament is, dat ons den hemel op aarde en (iod zeiven in ons doet vinden, en dit Ket groote wouderteeken van de liefde Gods jegens de stervelingenis, zoo ook moet men , om er voordeel uit te trekken, daartoe naderen met een levend geloof, met eene vaste hoop en met eene vurige liefde voor Jesus Christus. Maar tevens moet men hopen, dat hij in ons zal aanvullen het gebrek van het gevoel dezer drie deugden, met ze in ons te drukken als wij dikwijls tot de heilige Communie zullen gaan, en als wij zullen doen wat mogelijk is om er waardig toe te naderen. Derhalve, zij die zich van de heilige Communie verwijderen, omdat zij niet den heiligen indruk der deugden, noch de vurigheid tot Jesus Christus voelen, moeten hierom de Communie niet ualaten, welke hun noodig is, om hen op te wekken ten einde

-ocr page 468-

4(M\' 1)E NAvOTiG-ING VAN JESUS CHTITSTIIS. de christelijke deugden en de plichten van hunnen, staat nit te oefenen; maar zij moeten Jesus Christus ontvangen , omdat zij hem gedurig noodip: hebben.

De heilige Martelaren der eerste Kerk waren gewoon, vooral eer zij voor hunne rechters verschenen om de geloofswaarheden voor hen te verdedigen, eerst het Lichaam des lleeren te ontvangen; volgens den heiligen Cyprianus vermeenden zij zonder dit niet in staat te zijn ol\' de sterkte niet te hebben om den marteldood te onderstaan. .Zoo ook moeten de Christenen, om hunne hartstochten te bestrijden en aan de bekoringen des duivels te wederstaal!, zich bekleeden en zich als voeden met de kracht van het Lichaam en Bloed van Jesus Christus, zonder welke zij in gevaar zijn te bezwijken en zich in hun verderf te storten.

GEBED.

Ik weet het, mijn Heiland! dat er eene groote voorbereiding gevorderd wordt om van uwe gunsten gebruik te maken. Dan ik weet ook hoe weinig ik daartoe uit mijzelven ver-ma». Daar Gij dan zoo liefderijk in mijne behoeften voorziet, zoo wil ook het gebrekkige bij mij aanvullen. Geef mij de genade der godsvrucht. Dat ik die zorgvuldig beware, daarmede getrouw ^rbeide en aldus waardig worde U en met U dn heilrijkste zegeningen te ontvangen.

-ocr page 469-

IV. BO BK, XIII. HOOFDSTUK. 465

DERTIENDE HOOFDSTUK

Dat eene godvruchtige ziel van ganse her

harte moet verlangen naar de ver-ceniging met C li r i s t u s in het Sacrament,

1. De Géloovige. Wie, o Heer! geeft mij dat ik U alleen vinde , dat ik U mijn geheel hart opene en U geniete zooals mijne ziel begeert, zoodat niemand mij verachte, noch eenig schepsel mij bewege of op mij acht geve, maar Gij alleen tot mij spreket en ik tot U, gelijk een geliefde gewoon is tot den geliefde te spreken, en de vriend met den vriend te verkeeren.

Dit bid ik, dit verlang ik, dat ik geheel met TJ vereenigd worde en mijn hart van al het geschapene aftrekke, en dat ik door de heilige Communie en het menigvuldig Mislezen meer en meer leere het hemelsche en eeuwige te smaken.

Ach, Heere God ! wanneer zal ik geheel met U vereenigd en in U verslonden zijn en mijzelven geheel vergeten ?

Gij in mij, en ik in U! vergun dat wij dus te zamen vereenigd blijven !

Gij zijt waarlijk mijn Geliefde, nïi duizenden uit verhoren, (Cant. 5) bij wien mijne ziel verlangt te wonen al de dagen haars levens.

Waarlijk Gij zijt mijn bevrediger , in wien de hoogste vrede en ware rust, buiten wien

30

-ocr page 470-

4)66 DE NAVOLGING VA.N JESUS CHRISTUS, niets dan last, droefheid eu eiudclooze ellende gevonden wordt.

Waarlijk, Gij zijt een verborgen God. (Is. 45.) Uw raad is niet met de goddeloozen; nw onderhoud is met ootmoedigen en een-voudigen.

O, hoe liefelijk , o Heer! is uw geest, die om uwen kinderen uwe teederheid te toonen , U verwaardigt hen te verkwikken met het smakelijkste brood, van den hemel nedergedaald.

Waarlijk er is geen ander volk, hoe groot ook, hetwelk Goden heeft, hvn zoo nabij , gelijk Gij, onze God! nabij zijt. ( Deut. 4 ) allen uwen geloovigen, aan welke Gij, om hen dagelijks te troosten en hun hart hemelwaarts te heffen , Uzelven te eten en te genieten geeft,

3. Want welk ander volk is zoo geacht als dat der Christenen? Of welk schepsel onder de zon is zoo geliefd als eene godvruchtige ziel, tot welke God zijnen intrek neemt om haar met zijn heerlijk Vleesch te voeden ?

o Onuitsprekelijke genade! o wonderlijke goedheid! o onbegrensde liefde den mensch alleen betoond !

Maar wat zal ik den Heer voor die genade, en voor eene zoo uitnemende liefde wedergeven ?

Niets aangenamers kan ik geven , dan dat ik aan mijn God mijn hart geheel schenke fn met Hem op het nauwste vereenige.

Dan ook zal geheel mijn binnenste juichen ,

-ocr page 471-

IV. BOEK. XIII. HOOFDSTUK, 467 «il? mijne ziel volkomen met God zal veree-uigd zijn.

Dan zal Hij tot mij zeggen : „ will gij met Mij zijn, Ik wil met u zijn,quot; cu ik zal Hem antwoorden; Verwaardig IT, o Heer, bij mij te blijven : ik wil gaarne bij U zijn. Dit is al mijn verlangen dat mijn hart met U vereen igd zij.quot;

OEFENING.

Over de inzichten van Jesus Christus in het verblijven op onze altaren, en over de godvruchtige gevoelens waarmede wij in de Mis en in het Lof of bij andere Bezoeken moeten tegenwoordig zijn.

1. De Zoon Gods wil op onze altaren verblijven buiten den tijd van het heilig Misoffer en van de heilige Communie : 1. om aldaar onze gebeden te aanhooren en ze te verhooren, en om het ambt van middelaar tnsschen God en de menschen voort te zetten, hetwelk Hij op het kruis heeft uitgeoefend; 2. om onze hozoRken , onze eerbe wij zingen en onze aanbiddingen te ontvangen ; de Christenen, die Hem zeldzaam, koel, uit gewoonte en als onverschillig bezoeken, zijn dus zeer te berispen, als zij voor hunnei God, hunnen Zaligmaker en hunnen Hechter verschijnen , zonder hem te eerbiedigen , te vreezen en te beminnen; 3. om ons in onze verdrukkingen te troosten en in onze kwellingen te helpen, en om onzen twijfel te beslissen en weg te nemen, volgens hetgene er geschreven staat:

-ocr page 472-

468 DE NAVOLGING VAN JESÜS CHRISTUS. laat ons tot den zoon van Josef (Josef werd voor den Vader van Jesus Christus gehouden , wienp. voedstervader hij slechts was.) gaan, en Hij zal ons vertroosten, en volgens hetwelk een Profeet zeide aan eenen vorst, die iemand gezonden had om bij eenen val-schen god te rade te gaan : Is er dan (jeen God in Israël? 4, om ons tot spijs te dienen gedurende het leven, en tot reisgeld in den dood.

2. Een Christen, die met vlijt, eerbied en erkentenis in het allerheiligste Sacrament zijnen koning, zijnen God, en zijnen Zaligmaker aanbidt; die nooit, als het hem mogelijk was , het heilige Misoffer heeft verzuimd, maar in de Mis en in het Lof getracht heeft met eenen geest van godsvrucht tegenwoordig te wezen, en die altijd getroffen, bekeerd en beter daaruit is wedergekeerd : zulk een Christen , zeg ik, die getrouw is aan zijne godvruchtige plichten jegens Jesus Christus, welke voor hem op onze altaren geslachtofferd wordt, moet zijne hoop in de goedheid en barmhartigheid van dien God stellen, in zijn leven en in het uur van zijnen dood. Integendeel, zal de Zoon Gods eens geene reden hebben aan vele Christenen, die ver-waarloozen Hem in het allerheiligste Sacrament te bezoeken, of dit met zoo weinige godsvrucht doen, hunne oneerbiedigheden en weinig geloof te verwijten en tot hun te zeggen : reeds zoo Jang hen 11- met u, en gij hiebi M// niet geiend? Gij verzuimt te kennen en eenen God te bezoeken , die in het midden

-ocr page 473-

IV. BOKK. XIII. HOOFDSTUK. 4R9 van u is. Het is te vergeefs, dat ik in het allerheiligste Sacrament des Altaars wonderea van almacht, wijsheid en goedheid uitwerk, om uwe harten te winnen; Ik heb u nog niet kuonen bewegen om uwe huisselijke zaken en uwe vermaken te verlaten, om Mij uwe eer-bewijzing te komen betoonen.

Om dan te beantwoorden aan de inzichten, welke Jesus Christus jegens ons heeft in het allerheiligste Sacrament, moet men Hem bezoeken, in de Mis tegenwoordig zijn en liet Lof bijwonen, en dit verrichten met de onderwerping en den eerbied van eenen hoveling voor zijnen koning, met de ingetogenheid en vurigheid der Engelen voor hunnen God in het Allerheiligste rustende, met de ootmoedige vrees van eenen misdadige voor zijnen rechter, met het vertrouwen op de liefde van een kind voor zijnen vader.

GEBED.

Dierbare Jesus! hoe meer ik uwe liefdein het heilig Sacrament overweeg, hoe meer ik die bewonder en hoe meer ik naar ü verlang. Wat zal ik U voor zoo eene overmaat van liefde wedergeven? Tk kan U niets aangena-mers schenken, dan mijn hart, om het alleen te bezitten en daarin alleen te heerschen. Welaan! het zij, het blijve U geschonken ! Wees Gij bij mij ; ik wil gaarne bij U zijn. Arereenig mij met CJ door den band eener alleaovertretfende liefde.

-ocr page 474-

4.70 de na.volging va.n jesus christus.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Over het vurig verlangen van sojnm\'.ge

godvruchtig en naar het Lichaam van Christus.

1. De Geloovige. Hoe veelvuldig, oKeer! is het goed dat Gij weggelegd hebt voor die U vreezen. ( Ps. 30.)

Als ik overweeg, o Heer! hoe sommige godvruehtigeu met de grootste godsvrucht en liel\'de tot uw Sacrament naderen, dan word ik dikwijls bij mijzelven beschaamd en bloos, dat ik zoo lauw en koud tot uw altaar en de tafel der heilige Communie toetrede: dat ik zoo dor en zonder aandoening des harten blijve.

Tk word verlegen dat ik voor ü, mijn God ! niet geheel ontstoken ben, noch zoo sterk getrokken en aangedaan als vele godvruehtigeu waren, die wegens hun overgroot verlangen naar de Communie en hevige liel\'de des harten zich van tranen niet konden bedwingen; maar tegelijk met den mond des harten en des lichaams, naar U, o God! de levensbron, innig haakten, hunnen honger niet anders kunnende stillen of verzadigen , dan nadat zij uw Lichaam met de hoogste verrukking en \'t vurigst zielsverlangen outvan gen iiadden.

2. O , hun waarlijk brandend geloof strekt

-ocr page 475-

IV. BOEK. XIV. HOOFDSTUK. 4\'U tot eeu overtuigend bewijs vau uwe heilige tegenwoordigheid !

Want zij erkennen waarlijk hunnen Heer bij het breken des broods, wier hart zoozeer in hen brandt, als Jesus met hen wandelt.

Maar, ach! dikwijls zijn zulke aandoeningen en zulke godsvrucht, zulke sterke liefde en srloed verre van mij!

Wees mij genadig, goede, beminnelijke en goedertieren Jesus! en vergun aan uwen armen bedelaar bij de heilige Communie ten minste somtijds een weinig van dien liefdegloed jegens U in zijn hart te ontwaren , opdat mijn gelooi\' meer in kracht toeneme, mijne hoop op uwe goedheid vermeerdere, en mijne liefde, eens wèl ontstoken en met dit hemelsch manna gevoed, nimmer bezwijke.

3. Uwe barmhartigheid immers is machtig om mij ook deze gewenschte genade te bewijzen, en mij, wanneer de dag uws welbe-hagens zal gekomen zijn, met den geest van vurigheid allergenadigst te bezoeken.

Want al brand ik niet van zulk een verlangen als uwe zoo bijzonder godvrucht»gen, verlang ik echter door uwe genade zulk eeu brandend verlangen te hebben, wenschende en smiekende dat ik van al deze uwe ijverige beminnaars deelgenoot en onder hun heilig gezelschap medegerekend worde.

-ocr page 476-

4-72 DE NAVOLGING VA.N JESUS CnRlSTTJS.

OEFENING.

Om waardig tie geestelijke Communie te doen.

De geestelijke Communie, welke de heilige Kerkvergadering van Trente goedkeurt, aanraadt en den Christenen aanbeveelt, als eene vervanging van het aacramenteele en lichamelijke ontvangen van Jeans Christus, kan ten allen tijde en op alle plaatse geschieden, hetzij men zich iu de tegenwoordigheid van het allerheiligste Sacrament des Altaars bevindt of van dit geluk beroofd is. Men kan ze op ieder uur van den dag doen, of na een TVeen gegroet, hetwelk men ter eere van de heilige Maagd en Moeder Gods zal lezen in vereenigiug met de heilige gesteltenissen, waarin zij was, om Jesus Christus in haren kuischen schoot te ontvangen. Men vormt in zijnen geest een eerbiedig aandenken aan onzen lieer iu het allerheiligste Sacrament; men aanbidt Hem in hetzelve, en keert zijn hart tot Hem, gelijk Daniël het zijne naar den tempel keerde : men geeft zich geheel aan Hem over, met het vurige verlangen Hem in het heilige Sacrament te ontvangen , en vermits men dit niet kan doen of hiertoe niet gesteld is, verzoekt men Hem hierin te voorzien, door de mededeeling van zijnen geest, in plaats van die zijns lichaam».

Maar de geschiktste tijd om wel de geestelijke Communie te doen, is, als men in

-ocr page 477-

IV. BOEK. XIV. HOOFDSTUK. 4-73 liet heilige MisolFer tegenwoordig is, onder de Communie des priesters; want een Christen, alsdan met een levendig en dadelijk geloof in de tegenwoordigheid van Jesns Christus in het allerheiligste Sacrament bezield , alsook met een vurig verlangen om zich innig met Hem te vereenigen, toont het eene en andere, met zich nederig in zijne tegenwoordigheid te verootmoedigen ; en terwijl hij zich onwaardig kent om Hem wezenlijk te ontvangen, bidt hij Hem, door het gelool in zijnen geest te komen en te blijven, en in zijn hart, door de liefde en erkentenis zijner goedheid, en van zooveel in hem te weeg te brengen, dat zijne ziel niet meer leve dan door en om God.

GEBED,

Ook ik, mijn God! word schaamrood, als ik overweeg hoe anderen tot uwe heilige Ta-lel naderen. Hoe levendig is hun geloof, hoe vurig hunne godsvrucht, hoe zuiver hunne liefde! Daarentegen hoe doren ongevoelig blijft mijn hart ! iioe traag en koud bij het deelnemen aan uwe heilige geheimen ! Wees mij genadig. Barmhartige ! dat de godsvrucht van anderen bij mij godsvrucht opwekke en mijn hart in liefde ontsteke.

-ocr page 478-

4«74\' de navolging van je8us chutstus.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Dat de genade der godsvrucht door ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt.

1. De Heer. Gij moet de genade der godsvrucht ernstig zoeken, vurig atsmeekeu, geduldig en met vertrouwen afwachten, dankbaar aannemen, in ootmoed bewaren, vlijtig daarmede arbeiden, en aan God den tijd eu de wijze van het hemelsche bezoek overlaten , totdat Hij kome.

üij moet u vooral vernederen wanneer gij inwendig weinig oi\' geene godsvrucht gevoelt, maar er niet te neerslachtig noch te zeer bedroefd om worden.

Dikwijls schenkt God ineen oogenblikwat Hij langen tijd weigerde. Somtijds geeft Hij op het einde des gebeds wat Hij in den beginne uitstelde te geven,

3. Wierd de genade altoos onverwijld geschonken en ware zij naar wensch steeds daar, de zwakke mensch zoude zulks niet wel dragen kunnen.

Daarom moet de genade der godsvrucht in goede hope en nederige verduldigheid worden afgewacht; nochtans wijt het uzelven en uwe zonden , wanneer zij u niet gegeven of ook heimelijk onttrokken wordt.

Het is somtijds iets gerings , dat de genade hindert en verbergt, zoo men het gering

-ocr page 479-

IV. BOEK. XV. HOOFDSTUK. 475 en uiet eerder moet uoemeu , hetgeen

een zoo groote weldaad onthoudt.

Maar hebt gij dat geringe of groote uit den weg geruimd eu geheel overwonnen, dan /.al uw wensch u gewordeu.

3. Want zoo ras gij u van ganseher harte aan God zult overgegeven hebben en niet meer dit ot\' dat naar uwen eigen zin otquot; lust begeert maar u geheel aan Hem overlaat, zult gij u vereenigd en bevredigd vinden: want niets zal u zoo wèl smaken ot\' behagen , als het welbehagen van den goddelijkeu wil.

Wie dus zijne bedoeling in eenvoudigheid des harten omhoog tot God gericht en zich van alle ongeregelde liel\'de ol\' misnoegen o-ver eenig geschapen voorwerp zal out daan hebben , die zal het best geschikt wezen om de genade te ontvangen en de gave der godsvrucht waardig zijn.

Want God zendt zijnen zegen daar, waar hij ledige vaten vindt.

Ku hoe volkomener iemand van het aard-sche afziet, hoe meer hij door zelfversmading zichzelven afsterft, des te schielijkcr komt de genade, des te overvloediger dringt zij door en des te liooger verheft zij het vrije hart.

4. Dan zal hij zien en overvioeijen en verwonderd staan, zijn hart zich verwijden , omdat des Heeren hand met hem is, eu hij zich geiieel en voor eeuwig in zijne hand gesteld heeft.

Zie, zoo wordt de mensch gezegend die

-ocr page 480-

4\'7fi DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS. God van g\'tnscher harte zoekt en zijne ziel niet zet op jdelheid. (Ps. 23.)

Zulk een verdient bij liet outvaugeu van het heilige Sacrament de groote genade der goddelijke vereeniging, omdat hij niet ziet op eigen godsvrucht of troost , maar boven alle godsvrucht en troost op Gods eer en verheerlijking,

OEFENING.

Hoe men zich moet bereiden om de eigene

genade der heilige Communie te ontvangen en daaruit nut te trekken.

Het doeleinde des goddelijken Sacraments is, ons met Jesus Christus innig te vereenigen,\'en in onze zielen als eene zedelijke menschwording van zijnen geest en van zijne deugden te vormen , hetwelk de heilige Vaders dwingt dit aanbiddelijk Sacrament eene uitbreiding der menschwording te noemen; het is, om in ons het rijk zijner genade en zijner liefde te doen voortduren , en ons altijd te doen leven door een bovennatuurlijk en goddelijk leven in en door Jesus Christus. Dus is de genade, welke de heilige Communie in ons voortbrengt, overeenkomstig met het doeleinde van dit Sacrament, dat wil zeggen, volgens hetgene Jesus Christus in het Evangelie er van zegt: 1. dat Hij ons in Hem doet blijven , met in on/.e zielen het karakter zijner deugden te vormen en te prenten, zooals een ze^el de trekken van zijne inetsing op het was teekent; 3. dat Hij ona

-ocr page 481-

IV. BOEK. XV. HOOFDSTUK. 4r77 voor Hem en door Hem doet leven , dat is te zeggen, dat Hij ons alleen doet handelen om aan Hem te behagen en door den indruk zijner liefde; 3. dat Hij ons altijd doet leven door het leven der genade : zoodat de genade, die Jesus Christus ons door de heilige Communie mededeelt, is van zich in ons te vestigen, van ons in alles door Hem en voor Hem te doen handelen en te leven, en van ons eeuwig te doen leven. Men moet zich bereiden om die genade en de drie uitwerkselen eener goede Communie te bekomen ; 1. met zich at te scheiden van allen wil tot zonde; 2. met onophoudelijk aan zichzeiven te verzaken en te sterven ; 3. met zich altijd in de getrouwheid zijner genade en in het bezit zijner liefde te houden.

GEBED.

Dank, dierbare Je sus! voor dit onderricht. Ku weet ik hoe ik de gave der godsvrucht het best zal verkrijgen en behouden. Ik moet vlijtig bidden , geduldig aanhouden, vertrouwend afwachten en mijn hart, vrij van alle bijoogmerken , op U alleen richten. Leer mij , bij het gemis uwer genade , tot deze middelen mijne toevlucht nemen. Bewaar mij voor moedeloosheid; doe mij in het gebed volharden en bekroon mijne bede met uwen zegen.

-ocr page 482-

\'1-78 DE NAVOLGING VAN JJ5SUS CHRISTUS.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Dat wij onze behoeften aan Christus

moeien blootleggen en zijne genade afsmeeken.

1. Dk Geloovige. o Allerzoetste en bc-ininuelijkste Heer! dien ik nu wenscht god-vrnchiig te ontvangen, Gij kent mijne zwakheid en mijnen nood; Gij weet hoevele kwalen en gebreken ik onder worpen ben ; mijne menigvuldige zwarigheden, bekoringen, ont-steltenissen en zonden zijn U bekend.

Ik kom bij U om een hulpmiddel, ik smeek U om trc1 en verlichting.

Ik spreek tot den Alwetende, wien geheel mijn binnenste bekend is, en die alleen mij volkomen kan troosten en helpen.

Gij weet welk goed ik boven alles noodig heb en hoe arm aan deugden ik ben,

2. Zie, arm en naakt sta ik voor U , smee-kende om genade en barmhartigheid inroepende.

Verkwik uwen hongerigen bedelaar, ont-vonk mijne koudheid door het vuur uwer liefde, verlicht mijne blindheid door den glans uwer tegenwoordigheid.

Doe mij al het aarsche in bitterheid alle bezwaar en tegenheid in geduld, al het lage en geschapene in verachting en vergetelheid overgaan.

Hef mijn hart tot ü hemelwaarts op en laat mij niet op aarde rondzwerven.

-ocr page 483-

IV. BOEK. XVI. UOOJTUSTUK. . 4.-79

Wees Gij alleeu van nu al\' tot in eeuwigheid mijn vermaak; want Gij allen zijt mijn spijs en drank , mijne liefde en vreugde , mijn genoegen en eenigst goed.

3. Ach , mocht Gij mij door uwe tegenwoordigheid geheel ontgloeien, ontbranden en in U doen overgaan , zoadat ik een geest met U wierd door de genade eener innerlijke ver-eeniging en de samensmelting eener vurige liefde!

Duld niet dat ik hongerig en dorstig van U vertrekke ; maar handel niet mij barmhar-tiglijk, gelijk Gij dikwijls met uwe Heiligen wonderlijk gehandeld hebt.

Wat wonder dat ik door U geheel ont-vlamme en in mijzelven verteere, daar Gij een vuur zijt dat altoos brandt en nimmer vergaat , eene liefde welke het hart reinigt en het verstand verlicht.

OEFENING.

Van dit en het volgende hoofdstuk.

De Heiland, na met zijne woorden onderwezen , met zijne voorbeelden geleerd en door zijne genaden de wezenlijke en noodzakelijke deugden ter zaligheid van eenen Christen verdiend te hebben, heeft het allerheiligste Sa-krament des altaars willen inslellen , om ze zelf in onze harten te drukken. Onder deze christelijke deugden is eene der eerste de ootmoedigheid waarvan Jesus Christus ons een allerschoonst voorbeeld geeft in het allerhei-

-ocr page 484-

4*80 DE NAVOLGING- VAN JESUS CHRISTUS, ligste Sacrament; want Hij blijft hierin verborgen , vernietigd en onbekend. Gedurende zijn leven waren al de volmaaktheden zijner Godheid ve-borgen en als in zijne mensehheid vernietigd; maar in het allerheiligste Sacrament is zijne mensehheid zelve nog voor onze oogen bedekt, en niets vertoont er zich van eenen God-mensch , dan aan de oogen van ons geloof. Ziedaar hetgene wij op de wereld moeten wezen, en. waarin wij die ootmoedigheid en vernietiging van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament moeten navolgen , 1. liet verborgen en verworpen leven beminnen : 2. den lof, de achting en de eer vluchten en versmaden, en de versmading gaarne ontvangen als eene zaak, die aan zondaars als wij, verschuldigd is; 3. trachten wel te leven , zonder het te willen schijnen en onze werken doen, niet om van de menschen gezien en geacht te worden , maar alleen om aan God te behagen; 4. overtuigd zijn, dat de mensch God niet voortreffelijker kan eeren , dan met zich voor Hem te vernederen en te verootmoedigen ; 5. wijken voor de oploopende menschen, om den vrede te behouden; 6. nooit uit menschelijk opzicht voortgaan , maar door den indruk van eene eerbiedige vrees , die men voor God moet hebben; 7. noch goed van zichzelven, noch kwaad van anderen zeggen.

4-. De Zoon Gods geeft ons nog, in het allerheiligste Sacrament des Altaars het voorbeeld eener volmaakte gehoorzaamheid en verduldigheid, die wederstaat aan al de be-

-ocr page 485-

TV. IIOFK. xvr. TIOOFDSTITK. 481 Jeedigingen, welke 11 ij in hetzelve oatvangt, door eene nauwkeurige, volstandige en wonderdoende gehoorzaamheid aau den priester, met op het altaar tegenwo3rdig te komen , zoodra de woorden der Consecratie gesproken zijn, en er te verblijven totdat de mensch verlangt Hem in zijn hart te ontvangen. O groote God , wiens kenteeken en aandeel de onafhankelijkheid en opperheerschappij zijn : welke schaamte voor ons te zien , hoe groote God Gij ook zijt, dat Gij zonder uitstel aan eenen mensch gehoorzaamt, terwijl de mensch weigert ol\' uitstelt zijnen God te gehoorzamen.

O mijn Zaligmaker ! Ik wil dan voortaan, om uwe volmaakte gehoorzaamheid in het allerheiligste Sacrament te eeren en na te vol-pen, spoedig, edelmoedig en volstandig aan alles gehoorzamen, wat Gij mij door uwe ingevingen, door mijne oversten en door mijne plichten zult gebieden.

3. Eindelijk, Jesus Christus leert en boezemt ons het geduld in , met hetzelve in het allerheiligste Sacrament des Altaars uit te oefenen , alwaar Hij het voorwerp is van de versmading en de onzedigheden der stervelingen , van de vergetenheid der Christenen, van de onverschilligheid eener menigte harten , die weinig aan Hem, veel aan de wereld en geheel aan zich/.elven toebehooren ; alwaar Hij zich blootgesteld ziet aan slechte of vruchte-looze commnniën van zoo vele zielen, die een leven leiden, of wel gansch strafbaar door de gewoonte en gelegenheid der dood-

31

-ocr page 486-

4?82 T)E NAVOLGING VAN JESUS ClITUSTUS.

zonde , of geheel vruchteloos voor den hemel. Hij verdraagt nochtans deze beleedigingcn met een onverwinnelijk geduld, en verdraagt ze al zo o, om ons te leeren en aan te moedigen , gelaten de tegenspraak en de belee-digingen fe verdragen.

4, O mijn Jesus, Slachtoffer onzer zaligheid . en onzer zonden ! moeten wij dan dagelijks door onze onzedigheden , onze verstrooiingen en ongodsdienstigheden do beleedigingen hernieuwen , welke Gij op liet kruis hebt ontvangen , en die zelfs hernieuwen op het aanzien van dien staat, waarin Gij voor ons het kruisoffer hernieuwt? Vergiffenis, mijn Jesus! vergiffenis voor al de ongevoeligheden onverschilligheden en ongodsdienstigheden, waarmede wij tot de heilige Communie zijn genaderd, wij , die altijd het gebod des Evangelies hebben gevolgd van ons te verzoenen voor de heilige Communie; vergiffenis nog voor onze onverduldigheden en oploopendheden , die door onze communiën in ons niet veranderd zijn, omdat wij er geen nut uit trekken. Gedoog niet, dat onze tong, die als het rustaltaar van uw heilig Lichaam is , en die zoo dikwijls met uw Bloed is geverwd geweest, het werktuig onzer gramschap en lastertaal zij. Wel hoe, Heer! Gij , die gedurende uw leven de ongeneeslijkste ziekten hebt genezen , zult Gij den vloed onzer tong niet tegenhouden , met haar aau te raken om in ons hart over te gaan? Ja, mijn Zaligmaker! om nut uit mijne communiën te trekken , wil ik niets meer zeggen als mijn

-ocr page 487-

iv. 1?0t-;k. xvii. tioofdstuic. 488 hart ontsteld is, en in de gelegenheid een woord voor eeuen God opofferen, die voor mij al zijn bloed heeft ten beste gegeven.

GEBED.

Mocht ik, o Heiland! dra voor het zalige jrenot uwer vereeniging vatbaar zijn ! o Gij, die alles weet, die tot mijn binnenste ziet. Gij kent ook mijne zwakheid, en weet wat mij nog ontbreekt. Opgebeurd door uwe taal, kom ik tot U om hulp on troost te vinden. Laat mij niet ledig van U vertrekken; verlicht mijn verstand, ontvonk mijn hart door eene brandende liefde, opdat ik een met TJ worde en eeuwig met ü, mijn God en mijn al! vereenigd blijve.

ZEVENTIENDE UOOEDSTUK.

Over de bloeiende liefde e?i brandende begeerte om C h r i s t u s tc ontvciyigcn.

1. De Geloovige. Heer! ik verlang TJ met de meeste godsvrucht en eene vurige liefde, met al de genegenheid en den gloed des harten Ie ontvangen, zooals vele Heiligen en godvruchtige personen bij de Communie naar ü hebben verlangd, die U door de heiligheid van hun leven zeer behaagd en in de bran-denste godsvrucht verkeerd hebben.

o Mijn God! eeuwige liefde! mijn eenigat goed en eindelooze gelukzaligheid! CJ begeer

-ocr page 488-

4-84lt; DE NAVOLGING VAN JT.SIIS CTTRISTUS. ik met het allervurigst verlangen en den diep-sten eerbied te ontvangen, nis ooit eenig Heilige gshad heeft of gevoelen koude.

3. En schoon ik onwaardig ben al die gevoelens van godsvrucht te hebben , draag ik U echter geheel de aandoening mijns harten op, als bezate ik alleen al die vurige en U behaaglijke verlangens.

Ook. alles wat eene godvruchtige ziel bedenken en verlangen kan, bied ik U aan en draag ik U op met den diepsten eerbied en den innigsten ijver.

Niets wil ik mij voorbehouden, maar mij en al het mijne U gewillig en zeer gaarne opofferen.

lleere mijn God ! mijn Schepper en mijn Verlosser! met zoodanig gevoel, eerbied, lol\' en eer, dankbaarheid, waardigheid en liefde, met zulk een geloof, hoop en zuiverheid , verlang ik U heden te ontvangen, als waarmede uwe allerheiligste Moeder, de verheerlijkte Maagd Maria, naar U verlangd en U ontvangen heeft, toen zij den Engel, die haar het geheim der menschwording boodschapte , nederig en godvruchtig antwoordde : Zie des Heeren dienstmaagd: mij geschiede naar vw woord ! ( Luc. 1.)

3. En gelijk uw gelukzalige voorlooper, de voortreffelijkste onder de Heiligen, Joannes de Dooper bij uwe tegenwoordigheid , in de vreugde des heiligen Geestes vroolijk opsprong, toen hij nog in \'smoeders lichaam opgesloten was, en Jesus vervolgens onder de menschen ziende wandelen, zich diep ver-

-ocr page 489-

IV. BOEK. XVII. HOOFDSTUK. 485 uederende, met teedere aandoening zeide : De

vriend des hruïdeyoms, die staat en hem aanhoort , verblijdt zich zeer over des hruïdeyoms stemme, (Joan. 3) evenzoo wensch ik in hevige en heilige verlangens ontstoken te worden en mij van gansclier harte aan U voor te stellen.

Daarom draag ik U op en bied U aan het gejuich, de vurige aandoeningen, zielsvorrnk-kingen, bovenzinnelijke verlichtingen en he-melsche visioenen van alle godvruchtige zielen , met al de dengden en lofzangen door al de schepselen in hemel en op aarde aangeheven en nog aan te heffen, voor mij en voor allen, die zich mijner voorbede hebben aanbevolen , opdat Gij door allen waardig moogt geloofd en eeuwig verheerlijkt worden.

4. Neem , Heere mijn God ! mijn wenschcn aan, alsmede mijn verlangens om LT in het oneindige te loven en bovenmate te zegenen, zooals U, wegens de grootheid uwer onuitsprekelijke waardigheid met recht toekomt.

Die bied ik U aan en verlang ik U aan te bieden eiken dag en elk oogenblik. Ook noodig ik uit en smeek ik door innige gebeden al de hemelsche geesten en al uwe ge-loovigen, om met mij U lof en dank toe te brengen.

5. Dat alle volken, geslachten en tongen IJ loven en uwen heiligen en liefelijken naam met vrolijk gejubel en vurige godsvrucht prijzen !

Dat ook allen, die eerbiedig en godvruchtig uw hoogwaardig Sacrament vieren en met

-ocr page 490-

486 DE NAVOLSING VAIf JE8US CHRISTUS een volkomen geloof ontvangen, genade en ontferming bij U mogeu vinden, en voor mij zondaar ootmoedig bidden.

En, als zij de gewensebte godsvrucht en zalige vereeniging genoten hebben, en wèl getroost en wonderbaar verkwikt van uwe heilige en hemelsche Tafel wederkeeren , dat z ij dan zich verwaardigen m ij be hoef tig en te gedenken.

OEFENINamp;,

-Dezcllde als vau bet voorgaande Hoofdstuk, bladz. 479.

GEBED.

Mocht ik , mijn Heiland ! mocht ik met dezelfde godsvrucht tot uwe Tafel naderen , welke vele uwer heilige vrieuden onderscheidde ! Hoe weinig ik ook nog daarvoor vatbaar ben, wil ik toch alles doen wat ik kan. Neem mijnen goeden wil welbehaaglijk aan. Zie op de voorbede uwer geliefde vrienden, dat zij mij helpen in uwen lof te verbreiden ! La d mij aau buune godsvrucht deel hebben, gelijk mede aau de zegeningen waarmede\' (Jij hen zoo wonderbaar bedeelt.

-ocr page 491-

iv. boek. xviii, hoofdstuk. 487

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Dat dó mensch aangaande het Sacrament niet nieuwsgierig mag onderzoeken , maar dat hij Christus nederig moei navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloof onderwerpen.

1. Dk Heer. Wacht u naar dit ondoor-groudelijk Sacrament nieuwsgierig en nutteloos te onderzoeken , wilt gij niet in eenen afgrond van twijfel storten.

Hij die Gods Majesteit wil doorgronden, zul door den ylans onderdruM worden. (Prov, 25.) God kan meer doen dan de mensch begrijpen kan.

Een nederig en godvruchtig onderzoek naar de waarheid is te gedoogen, mits het altoos bereid zij om zich te laten onderrichten en trachte volgens de gezonde leer der Vaderen voort tc gaan.

3. Gelukkige eenvoudigheid, welke de moeilijke paden der vraagstukken verlaat en den elfen en zekeren weg van Gods genade bewandelt !

Velen hebben de godsvrucht verloren, terwijl zij verheven dingen wilden doorgronden.

Men eischt van u geloof en oprechten wandel, geen diep doorzicht noch doorgronden van Gods verborgenheden.

Verstaat gij niet noch bevat gij vv.at bene-

-ocr page 492-

488 DE NAVOLGING VAN JESU3 CHRISTUS, den u ia, hoe zult gij begrijpen wat boven u Ih ?

Onderwerp u aauGod,en Ituig uwe zinnen onder het geloof; en u zal het licht der kcn-nisse gegeven worden, zooveel u nuttig en noodig is,

3. Sommigen worden ten aanzien van het geloof en het Sacrament zwaar bekoord; maar dit moet men niet aan hen maar liever den vijand wijten.

Stoor er u niet aan noch twist met uwe bedenkingen en antwoord niet op de twijfelingen , door den vijand ingeblazen; maar geef geloof aan de woorden van God ; geloof zijne Heiligen en Profeten, en de booze zal van u vluchten.

Dikwijls is het zeer voordeelig dat Gods dienstknecht op zulke wijze beproefd wordt.

Want ongeloovigen en zondaren brengt hij niet in bekoring, als welke hij reeds zeker bezit; maar geloovigen en godvruchtigen bekoort en kwelt hij op verscheiden wijzen.

4. Ga dan voort met een eenvoudig en onwankelbaar geloof, en nader met diepen eerbied tot het Sacrament.

Wat gij niet begrijpen kunt, laat dat gerust aan den almachtigen God over.

God bedriegt u niet; maar hij bedriegt zich, die zichzelven te veel gelooft.

God wandelt met de eenvoudigen; Hij openbaart zich aan de nederigen; Hij geeft den kleinen verstand. Hij opent den geest aan reine zielen, maar verbergt zijne genade voor nieuwsgierigen en hoogmoedigen.

-ocr page 493-

IV. BOEK. XVIII. HOOFDSTUK. 489 \'sMenschen rede is zwak en kan falen; maar het geloof is waarachtig en kan niet dwalen.

5. Alle rede en natuurlijk onderzoek moet het geloof volgen, niet voorafgaan noch bestrijden.

Want geloof en liefde heerschen hier bovenal en werken in dit allerheiligste en allervoortreffelijkste Sacrament op verborgen wijzen.

God, de eeuwige en onmeetbare en oneindig almachtige, doet groote en ondoorgrondelijke dingen in hemel en op aarde, en er is geen onderzoeken aan zijne wonderbare werken.

Waren Gods werken zoodanig , dat zij van \'s menschen rede licht konden bevat worden , men zoude ze niet wonderbaar noch onuitsprekelijk mogen noemen.

OEFENING.

Het geloof doen zegepralen over de zinnen en over de rede, met vastelijk te gelooven, en ootmoedig het Lichaam en Bloed van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament te ontvangen.

1. Dit zeker grondbeginsel aangenomen zijnde, dat God meerdere dingen kan doen dan de mensch kan begrijpen; dat het verstand van den mensch kan bedrogen worden , maar dat het geloof ons niet kan bedriegen : en dat wij eindelijk Jesus Christus en zijn

-ocr page 494-

490 DE NAVOLGING VAN JESUS CHRISTUS, woord moeten gelooven, als Hij aan zijne

Apostelen zegt : Dit is mijn Tichaam , het-well- voo)\' ii zal geleverd worden; dit is mijn Bloed, dat voor u zal vergoten worden, moeten wij zonder twijfel de wezenlijke tegenwoordigheid van het Lichaam en Bloed van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars gelooven; en zonder de verborgenheid van dit geheim te willen doorgronden, dat voor het verstand onbegrijpelijk en voor den geest van den mensch ondoorgrondelijk is, moet het geloof de gebreken onzer zinnen vervangen, en, ons bevredigende met te denken dat God dit heeft kniinen doen , en Hij ons verklaard heeft het gedaan te hebben, moeten wij ons alleen bezighouden met Jesus Christus, in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars, te vereeren en te ontvangen,

3. Welk gelijk alzoo, in de geheimenis van ons geloof, even als in al de andere van onze godsdienst, al het licht van het men-schelijke verstand te mogen o lieren voor de waarheid van het Woord Gods, alsook al de verkleefdheid van \'s menschen hart, voor de oneindige liefde welke de Zaligmaker ons toont in de instelling en het gebruik van het allerheiligste Sacrament, in hetwelk Hij, volgens den 11. Bernardus, geheel liefde voor ons is: waarin Hij, volgens de heilige kerkvergadering van Trente, al de schatten zijner liefde iu onze harten uitstort, maar van eene milddadige, grenzelooze liefde, welke Hem opwekt om er zich geheel in ten beste

-ocr page 495-

IV. BOEK. XVIII. HOOFDSTUK. 491

te treveu. Want liet is, zegt de heilige tekst, in dit Sakrament, hetwelk Hij op het einde, zijns levens heeft ingesteld, dat Hij ons de aundoeulijkste en wezenlijkste teekens zijner liefde heeft gegeven, dour zich innig met ons te vereenigen, om van nu af bezit te nemen van onze haften, en ons hierdoor een onder-pand te geven van het bezit, hetwelk Hij in eeuwigheid er van zal nemen.

3. Ziedaar de wonderbare inzichten van Jesus Christus in het allexh. Sakrament! Het is aan ons, te trachten hieraan te beantwoorden, door een waardig en dikwijls herhaald gebruik van hetzelve. Een oprecht en eerbiedig geloof, een christelijk en van de wereld atgeseheiden leven, eene groote ootmoedigheid , eene eenvoudige buigzaamheid om te gclooven, eene werkende gehoorzaamheid om niet aan Jesus Christus te weigeren hetgene Hij van ons verzoekt, als Hij door het heilige Sacrament in onze zielen komt ; eene opoffering van geheel ons zeiven, om zijne vernietigde grootheid te eeren en de vurigheid zijner liefde te erkennen ; ziedaar al wat Jlij van ons verzoekt, en al wat wij moeten doen om ons in dit Sacrament wel te bereiden en er nut uit te trekken. Maar laat ons altijd indachtig we/.en, dat Hij ter voorbereiding tot de Communie niet datgene verzoekt, wat er het uitwerksel van is, en dat, voor zoo veel wij daartoe naderen met een oprecht voornemen om ons^te bekeeren , te kennen gegeven door eene/ goede biecht en door eene vaste hoop, dat Jesus Christus ons

-ocr page 496-

493 DE NAVOLGING VAN Jf SUS CHRISTUS.

door zijne tegeiiwoordisheid in zijne genade en liefde zal behouden ; wij ons moeten opwekken om dikwijls met vertrouwen de heilige Communie te ontvangen, om in ons den moed te ontstaan en te behouden ons zeiven te overwinnen, de getrouwheid in onze godvruchtige oefeningen, de volharding in de-genade en in de liefde van God, die het ware uitwerksel eener goede en dikwijls herhaalde Communie zijn.

GEBED.

Goddelijke Je sus! ook deze laatste les les wil ik mij ten nutte maken. Ik geloof aan uw woord; want uw woord is waarheid en kan mij niet bedriegen. Gaarne wil ik aan hetzelve mijne zwakke rede onderwerpen. Doe mijn geloof steeds levendig blijven , vooral als ik mij tot uwe iieilige Tafel begeef. Heer! ik geloof, versterk mijn geloof, laat het nimmer wankelen. Gij zijt de Zoon van God en hebt de woorden des eeuwigen levens.

Amen.

-ocr page 497-

B IJ \\r O E G S E L,

BEHELZENDE

verselieiib\'iie zoo alpine om* als li ij zo ml ere Urundregcls en Zedelossen.

Belrokken nil 3e werken van den H. Franciscus de Sales.

§ 3.

Christelijke zedelessen jegens God.

1. Men mag nooit van God noch vau de goddelijke zaken zonder achting en oplettendheid spreken, maar altijd met groote achting en nederig gevoelen.

2. Men vraagt ons geheime en krachtige middelen om voortgang te doen in de volmaaktheid. Doch ik ken geene andere , dan God te beminnen, God lief te hebben nit ganscher harte, en den naaste als zichzelven.

3. Aan wien God alles is, aan zulk eenen is de wereld een mei.

4. Men moet Gods oordeelen vreezen zonder den moed te verliezen , en bemoedigd zijn zonder op zich te steunen.

5. liet beste middel om eenvoudig te worden, is, zijn hart met God, die een allereenvoudigst Wezen is, te vereenigen.

ö. Keer uw gelaat gestadig tot God, en tot uzelveu, en gij zult God nooit zonder goedheid,noch uzelveu zonder ellende vinden.

-ocr page 498-

404 T.TJVOEfiSTL.

7. Men moet in al zijne werken niets anders betrachten dan wat God wil, en als men hetzelve kent, met blijdschap, of ten minste mev. mannenmoed trachten uit te werken, ja zelfs dien wil van God beminnen.

8. Men moet in het gebed volharden, hetzij met God aan te zien, of eenige andere zaak om God, hetzij met Hem aan te spreken zonder bemerkingen, eenvondiglijk blijvende waar hij ons gesteld heeft, gelijk een ongevoelig beeld op zijne plaats.

0. Ach nooit eenige zaak, dan volgens de wijze, waarop zij aan God behaagt.

10. Laat ons zijn hetgene God wil, als wij maar aan Hem behagen ; maar laat ons nooit tegen zijnen dank zijn hetgene wij willen.

11. Ik ben, zal zijn, en wil immer aan de goddelijke besturing onderdanig wezen, zonder dat mijn eigene wil daar eenig ander deel in neme dan dien te volgen.

12. God heeft geen behagen dan in de harten, die vernederd zijn door ootmoed en uitgebreid door liefde.

13. Tk kan niet dulden, dat men zegt: men moet liever dit dan dat doen, wijl dit groo-tere verdienste in zich besluit: men moet alles ter eere van God verrichten.

14\'. Men mag zich in de beproevingen niet ontstellen, maar vast blijven in de welgeplaatste en zoete overgeving aan Gods wil.

15. Het groote voordeel der zielen in het oefenen der deugd , is niet gelegen in veel op God te denken, maar in Hem veel te beminnen.

-ocr page 499-

BIJVOEGSEL. 495

IC. Overdenk dikwijls, dat God in het midden van nw Jijden n met een minnelijk oo^ aanschouwt, om te zien , hoe i^ij u in zijnen wil gedragen zult : oefen n dan ten tijde der beproevingen niet genoegen in zijne liefde.

§ 2.

Christelijke zedelessen jegens onze naasten.

1. De ziel vnn onzen naaste is nis de boom der kennis van goed en kwaad; het is in ons op groote straf verboden de hand daaraan te slaan, om die te veroordcelen, dewijl God dat oordeel aan zich gehouden heeft.

2. liet is eene geestelijke onrechtvaardigheid het onze te verbeteren.

3. Als men den naaste vermaant, om datgene fe doen , wat men zelf niet doet, moet men spreken als afgezanten van God, die in zijnen, en niet in hunnen eigen naam bevelen.

4. Aanzien wij onzen naaste met een eenvoudig oog, zonder te willen onderzoeken wat hij doet, of wat er van hem zal geworden.

5. Handelen wij gelijk de bijen, die honig uit alle bloemen zuigen; dat is : laten wij onze oogen slaan op de goede begaafdheden van onzen naaste, en ons bevlijtigen om die na te volgen.

0, Indien wij eenige gebreken in hem bemerken, laat ons die aanzien met medelijden, en trachten wij ze te verbeteren.

7. De vriendschap tot den naaste moet op de liefde gegrond zijn, en alsdan zal zij veel

-ocr page 500-

406 TUJVOEGSTT,.

vaster staan dan alles, wat op vleesch en bloed ol\' menschelijk ontza» gebouwd is.

8. Wij moeten elkander beminnen op deze wereld, gelijk wij elkander in den hemel zullen beminnen.

0. De Heidenen beminnen degenen , die hen beminnen : maar de Christenen moeten ook diegrenen liefde bewijzen, die hen niet beminnen.

10. Wij kunnen nooit onzen naaste te zeer beminnen , noch de rede hierin te buiten gaan; maar wij kunnen hem wel uitwendig eene al te groote liefde bewijzen.

11. Wij moeten onzen naaste niet beminnen uit genegenheid, noch omdat bijgoed is , of hoop seeft van goed te worden ; maar voornamelijk omdat zulks Gods wil is.

13. liet verdragen der gebreken van onzen naaste is een der voornaamste deelen van de liefde, die wij hem schuldig zijn.

13. Onze Zaligmaker heeft van zijn dierbaar bloed, hetwelk Hij aan het kruis vergoten heeft, eenen heiligen en krachtigen mortel gemaakt, om de steenen zijner heilige Kerk , dat is ; de geloovigen, onder elkander te vereenigen , in een te smelten en als één te maken.

14. Wij moeten onzen naaste zoo verre beminnen; dat wij hem in alle zaken boven ons el ellen in de liefdebewijzing, zonder hem iets te weigeren, hetwelk tot zijn voordeel kan strekken, behalve onze eigene verdoemenis.

15. Wij moeten onzen naaste uiterlijk ook betuigen dat wij hem liefhebben; maar met heilige en onberispelijke betuigingen.

-ocr page 501-

BIJVOEGSEL. 497

Ifi. Wie zijnen naaste voorkomt met allen zoeten zegen, die is een oprecht navolger van onzen Zaligmaker.

f3.

Christelijke zedelessen jegens ons zeiven.

!. Wie zijne mensehelijke neigingen meest bedwingt, die zal allermeest de bovennatuurlijke inspraken tot zich trekken.

3. Wij moeten alle werken in Gods tegenwoordigheid doen, opdat onze ziel wel geschikt zij.

3. Wij moeten op deze wereld leven, alsof onze zielen in den hemel, en onze lichamen in het graf waren.

4\'. Wie vergenoegd wil zijn met liet weinige dat hij bezit, die moet niet letten op degenen, die meer, maar op hen, die minder hebben dan hij.

5. Als men iets misdaan heeft, moet men zich voor God vernederen en aanstonds opstaan , en daar niet verder op denken, dan om telkens aan God zijne schuld te belijden.

fi. Wie oprecht ootmoedig is , die denkt nimmer dat men hem ongelijk doet.

7. Wij moeten ons niet ontblooten van ons zeiven, om naakt te blijven; maar om ons met den gekruisigden Christus te bekleeden.

8. Wij moeten onze nietigheid wel bekennen , maar in onzen niet niet blijven ; want wij moeten onszelven slechts vernietigen , om ons met ons al^ dat is met God , te vereenigen.

32

-ocr page 502-

BIJVOEGSEL.

9. Wij mogen vau ouszelven niet oor-deelen volgens het goede gevoelen, hetwelk een ander van ons heeft; want die gevoelens gaan doorgaans buiten de waarheid.

10. Bezie uwe kruisen nooit, dan te midden ol\' door het kruis van Christus, en gij zult die zoo vertroostend, of ten minste zoo aangenaam vinden, dat gij die meer zult beminnen, dan al de vertroosting der wereld.

11. In het hnis van den rechtvaardige is alles bezig : niets is er onnuttig of ledig.

12. De bekoringen ontstellen ons slechts, omdat wij er te zeer aan denken, en wij die te zeer vreezen. De bekoringen kunnen geenszins hem, die bemint, ontstellen,

13. Verblijd u, dat de wereld op u geen acht slaat; doch indien zij u in achting houdt, lach haar dan blijmoedig uit, terwijl gij hare oordeelen en uwe ellende aanziet.

14. Men moet zijne gebreken luiten: doch met eenen bevredigden en bedaarden, maar niet met eenen grammoedigen en onstuimi-gen geest.

]5. Overweeg dikwerf de langdurige eeuwigheid , en geene voorvallen van dit sterfelijk leven zullen u ooit ontrusten.

§ 4.

Algemeene lessen om wel te leven.

1, De mensch, die om God geschapen is, moet in God leven ; en hoe meer hij in God leeft, des te meer hij aan de wereld en aan zichzelven zal sterven.

498

-ocr page 503-

%

BIJVOEGSEL. 499

2. Tiet baat weinig aan een mensch, dat hij leeft; maar wel te leven, daarin is alles gelegen. Derhalve is het hem meer iioodig wel en heilig te leven, dan te leven.

3. Om wel te leven, moet men zijne natuur bevechten en zijne geneigdheden verloochenen. Hoe meer men die wederstaat, des te meer men door de beweging der genade leeft.

4\'. Leven en sterven moet hetzelfde zijn aan een godminnend hart; maar liet is veel beter eens wel te sterven, dan altijd IwalijTc te leven.

5. Om wel. te leven moet men op sterven denken : en om wel te sterven, moet men zoo leven, alsof men alle oogenblikken den dood verbeidde.

6. Wie het laatste oordeel niet wil vreezen , die moet zichzelven veroordeelen; hoe strenger hij zich veroordeelt, des te zachter hem Christus oordeelen zal.

7. Om nooit in de hel te komen, moet men dikwijls aan de hel denken, en ernstig overwegen, dat men, om eene eenige doodzonde, daar eeuwig zal branden.

8. Om in den hemel te komen, moet men nederdalen en zich vernederen : want hoe meer men zichzelven veracht heeft, des te grooter de eer zal wezen.

9. Wie de versmading niet bemint, die kan niet zeggen dat hij volmaakt God bemint. Het begin der liefde is de haat van zichzelven.

10. Wie zichzelven te zeer bemint, die zal zichzelven in het verderf storten, en wie

-ocr page 504-

500 BIJVOEGSEL.

zichzelveu om Je.sus wil verliest of haat, die

zal zich zei ven behouden.

11. Duizend werelden zijn niet te schatten hij eene ziel, die in de genade leeft; maar voor die, welke in de zonde verkeert, begint van nn af hare hel.

12. De straf der zoude is veel grooter dan de genoegens, die de zonde vergezellen.

13. De ware moed van eenen Christen is gelegen in de zonden te wederstaan : het is eene allergrootste lafhartigheid die te bedrijven.

14. Wie God bemint zoo het behoort, die kan zelfs aan eene enkele dagelijksche zonde geene toestemming geven. De doodzonde en de liefde vinden zich nooit te zamen in hetzelfde hart.

15. Zijne onvolmaaktheden beminnen, is zichzelveu verraden; die te verschoouen, is zich plichtig maken ; en die in iets te voeden, is voedsel geven aan de helsche vlammen.

16. De zouden zoeken is zijne eigene ziel willen verderven; en zich in gevaar stellen van te zondigen, is zichzelveu iu eenen afgrond werpen, uit welken men zonder veel moeite niet kan geraken.

17. Het is eigen aan eene vrome ziel weinig werk te maken van alles, wat tot God niet leidt, en vervreemd te zijn van al het-geue ons van God aftrekt.

IS. Een dag alleen, ja zelfs een uur dodr-gebracht in Gods tegenwoordigheid , is meer te schatten dan duizend jaren nutteloos in de tegenwoordigheid der schepselen doorgebracht.

-ocr page 505-

BIJVOEGSEL. 501

19. Hoe meer de mensch zichzelven mistrouwt, des te bekwamer is hij om wouder-lieden uit te werken; en hoe meer hij op de meuschen vertrouwt, des te meer wankelt hij.

20. Duizende schatten zijn niet te waar-deeren bij een sroed geweten ; wie dit bezit , die mag zich op zijnen rijkdom beroemen, al ware het dat hem alles ontbrak.

31. Niemand weet, hoe zoet het is , wel te leven, dan hij , die aan de wereld gestorven zijnde, heilig leeft in God.

\'32. Het is veel lastiger kwalijk dan wel te leven ; want om wel te leven, moet men slechts willen.

23. Het goede leven is nimmer zonder eenig lijden. Hij heeft altijd zijnen vervolger, die slechts dient om het goede leven te voltrek-ken.

24quot;. Wie begonnen is wel te leven, die zal geenszins verflauwen, zoo hij denkt, dat hij eeuwig moet leven.

25 Men kan de zoetheid van het heilige leven niet smaken, indien men in zonde blijft; en men kan niet heilig leven, zoo men de zinnelijkheid bemint.

26. Voor God en voor de wereld leven, is eene onmogelijke zaak; men moet aan het eene sterven, zoo men voor het andere wil leven.

27. Alles doen om God, en in tegenwoor-tligheid van God, is het eenigste middel om wel te leven.

28. Die eenwig wil leven, moet wel leven,

-ocr page 506-

502 BIJVOEGSEL.

eu niets doen, wat hij in zijn sterven zonde

wenschen niet gedaan te hebben.

20. Aan het kwade leven zijn meer doornen dan rozen gehecht: indien zij nu niet steken, zal echter de tijd komen, dat zij hare scherpe punten wel zullen doen gevoelen.

30. Hem, die wel leeft, zal het nooit berouwen : maar wie kwalijk leeft, moet gewis cenen altijd knagenden worm verwachten.

f

§ 5.

Bijzondere lessen om iii de goddelijke genade getrouw te blijven volharden.

1. Het is veel gemakkelijker in Gods genade dan in het vermaak der zonde te leven. De zonde brengt altijd hare straf, en de genade hare genoegens mede.

2. Om in Gods genade te leven, moet men slechts willen, en niets is er zoo licht aan hem, die zulks waarlijk wil.

3. De genade en de zonde kunnen geenszins in de ziel te zamen heerschen. Daar, waar de genade de overhand heeft, kan de zonde niet bestaan.

4. De minste genade is meer waard, dan al de goederen der wereld.

5. Die in de genade leeft, mag zich beroemen, dat hij het kenteeken van Gods kinderen en van zijne uitverkoren bezit.

0. Die lang in de genade wil blijven volharden, moet zijne natuur bestrijden en zijne neigingen bedwingen.

7. Om in de genade te leven, moet men

-ocr page 507-

BTjVOEGRT.Ii.

eene driederlei vrees hebben. De vrees van haar te verliezen, als men die heeft; de vrees over haar verlies, als men haar niet heeft: en de vrees van haar wederom te verliezen , als men ze herkregen heeft.

8. Een enkel oogenblik van genade kan het beein eener gelukkige eeuwigheid wezen.

9. Het gebed te beminnen en het dikwijls te oefenen, is het middel om in de genade te leven.

10. Dp genade is zoo dierbaar dat men ze niet kan versmaden, of men moet te gelijk het Bloed van Christus versmaden.

11. De doodzonde alleen kan de genade-vernietigen. Versmaadheden,ziekten en smar-tcu dienen meer om die te vermeerderen, dan om ze weg te nemen.

12. Men kan Gods genade op één oogen-blik verliezen, en men kan haar ook op één oogenblik herkrijgen.

13. Wie op zijne hoede is om de genade van God niet te verliezen, die verliest haar zelden; maar wie niet waakt, die verliest haar zeer lichtelijk.

14\'. De genade van God te verhezen om het vermaak van de zonde, is eene uiterste hwaasheid ; maar zich niet bevlijtigen om haar weder te krijgen door de boetvaardigheid, is verstoktheid.

15. Op wat tijd de zondaar zich zal bekee-ren en Gods genade verzoeken, zal God hem met opene armen ontvangen en hem genade

bewijzen. , ■ , ^ i

16. De genade van God wordt in het leven

-ocr page 508-

5ó4j bijtoegsel.

door deze vier elementen behouden : door liet vuur der liefde, door de lucht der godsvrucht, door het water der boetvaardigheid en door de aarde der nederigheid.

17. Te vertrouwen dat men in Gods genade zonder zijne hulp zal volharden , is laatdunkendheid ; maar die hulp niet te verhopen, is een al te groot mistrouwen.

18. Hoe meer eene ziel in de genade leeft, des te meer zij de zonde vreest; en hoe meer zij die vreest, des te meer is zij verzekerd van iu de genade te sterven,

19. Iu de genade te sterven, is beginnen te leven; maar buiten de genade Gods te sterven, is voor eeuwig sterven.

20. Hetv kan den mensch niet baten lang geleefd te hebben, indien hij in de genade niet sterft; en bijaldien hij daarin sterft, is hij verzekerd, dat hij God eeuwig zal genieten.

§ 0.

Verscheidene christelijke grondregels van den heiligen Franciscns van Sales.

1. Vier dingen w e i n i g , en twee veel maken den mensch heilig; 1. Weinig weten ; 2. weinig denken ; 3. weinig verlangen; 4. weinig spreken. Veel beminnen on veel doen.

2. Van twee zaken, die men doen mag, diegene verkiezen, welke meest aan God behaagt,

3. Niets doen om lof ea eer, zelfs niet de heiligste werken, maar alles om aan God (e behagen.

In alle gelegenheden ondertoeken wat

-ocr page 509-

BIJVOEGSEL. 505

Christus in zulk eeu geval gedaan zou hebben.

5. Wij zullen nooit vrede met ous zeiven hebben, tenzij wij in vrede met God zijn.

G. Allo godsvrucht, die strijdig is aan onzen roep, is eene valsche godsvrucht.

7. Het treüelijkste sieraad van een goed hart is de onverschilligheid, niet alleen om dit of dat te doen , maar ook wegens den uitval aller zaken , God aanbiddende in alles wat er geschiedt , zelfs in de toelating van onze gebreken ; want zulks dient om ons te vernederen zonder moedeloos te worden.

8. De godsvrucht, die eigenzinnig is, is geene ware godsvrucht maar eigenliefde.

9. De godsvrucht moet niet alleen plaats hebben in de kerk, in het gebed en in de overdenking; maar men moet haar bewerkstelligen en leven gelijk men in zijnen ijver beloofd heeft. Als er dan een smaad- , een hard woord of iets kwaads voorvalt, moet men dat omhelzen met een bevredigd gemoed, en God aanbidden in de stilte van zijn hart.

10. Daarom is er op de wereld geene andere vermakelijke, oprechte, duurzame en smartelijke zoetheid te vinden , dan degene die van de godsvrucht komt. De aardsche genoegens gaan niet verder dan de huid; maar die van den inwendigen vrede dringen tot in het binnenste der ziel.

11. Een hart moet, om waarlijk goed te wezen, zuiver, trouw , kloekmoedig, standvastig, zoetaardig , eenvoudig, gelijkvormig, onwrikbaar naar Gods hart, en volkomen ootmoedig zijn.

-ocr page 510-

BIJVOEGSEL.

12. Niets verlangen on niets weigeren, is onverschilJig- en waardig zijn ten opzichte van alles, zonder aangekleolclheid aan zijne eigene geaaehten, hoe heilig zij aan onze eigenliefde ook mochten schijnen.

• \'f verachten: een werkman kan

met dulden, dat men in zijn bijzijn zijn werk veracht; doch God is overal en de mensch is zijn maaksel.

1- * ^el overtuigd zijn, dat er geen ander \'waad in de wereld is, dan de zonde ; ja dat oneer, armoede, ziekte en de hel zelfs zoo groot kwaad niet is als eene eeniffe doodzonde.

15. De rijkdommen, dc eerambten en de genoegens zijn geene groote zaken; want indien zij te bekomen waren voor eene enkele dagelijksche zonde , zou men ze zoo duur niet mogen betalen.

10. Daarom ware het beter de geheele wereld te laten vergaan, dan eene enkele leugen to spreken.

17. Niets ondernemen zonder raad , is het middel om niet te falen, en altijd gerust te zijn.

18. Als iets wel uitvalt, moet men al dc eer daarvan aan God toeschrijven en de men-schen daarvan niet spreken; zoo iets slecht uitvalt, moet men rechtzinnig onderzoeken , of men daar eenige schuld in heeft, om God vergiffenis te vragen en zich te beteren; bijaldien men geene schuld bevindt, evenwel deuken, dat het om onze zonden geschiedt, en zich voor de goddelijke goedheid vernederen.

-ocr page 511-

BIJVOEGSEL

19. Meu moet voor eene kloekmoedige verachting het gepraat der menschen versmaden, voornamelijk die rampzalige woorden : aürf ~a( men seygen ! wal sal men de,den ? Men :cd dit doen. Men :nl mij vit lachen. Men moet zich gewennen op God en op zijne Engelen te denken, denkende ; wat zal Hij zegt/en ? enz. en verder niet.

20. Men moet gestadig leven in eene tee-dorc kinderlijke vrees, zonder zich veel op zijne goede meening te vertrouwen ; want er is niets zoo gevaarlijk, als het goed gevoelen van zichzelven, en\'de glans eener goede mee-ning : die schitterende zonnestralen hebben de oogen van vele menschen bedwelmd, die, niets anders meenende te zoeken dan God alleen, zich zeiven gevonden hebben, en door de ijdelheid zijn verloren gegaan.

21. Dewijl de geest menigmaal verflauwt, moet men zich gewennen zijne goede mcemng dikwijls te vernieuwen, zijne gedachten te zuiveren, zijn hart recht tot God te stieren , en voor Hem alleen te leven , Hem al onze werken op te dragen, en zich wachten van die uit enkele gewoonte te doen.

§ 7. Bijzondere grondregels tot het bewaren van den inwendigen vrede.

1. Nie\' wenschim naar eenen grooten naam, noch naar de eer der wereld.

3. Niet verkleefd zijn aan de vertroostingen ot\' de vriendschap der menschen,

3. Het leven niet beminnen, en al hetgene

507

-ocr page 512-

BIJVOEGSEL.

wat aan de natuurlijke geneigdheden pijnlijk valt, verachten.

4-. Manmoedig de lichamelijke pijnen en ziekten verdragen, door zich aan Gods wil te onderwerpen.

5. üp het oordeel der menschen geen acht nemen.

6. De ongenadige oordeelvellingen der menschen zwijgend verdragen.

7. ü niet verontrusten wegens hetgene men van u zal zeggen ; maar Gods oordeel afwachten en uwe veroordeelaars verwijzen.

8. Overdenken voor wie gij uwe werken doet; en zij, die u wenschen te stooreu , zullen daartoe geen vermogen hebben.

9. Waar eenig geestelijk gewin te doen is, moet men geene schande ontzien.

508

-ocr page 513-

BLADWIJZER

Voorrede. ...... 3

Het leven van Tlioraas Kempis . . 5 Misgebeden. — Korte verklariii}? der Mis. 15 De heilige Mis, zoo als de Priester die

aan liet altaar leest . . . .20 De Vesper-psalmen voor den Zondag . 40

EERSTE BOEK.

Nuttige lessen voor het geestelijk leven.

1. iioottdstuk. Over de navolging van Christus en de verachting van alle

wereldsche ijdelheden

4-0

2

„ Over de geringachting van

5-2

ziehzelven. . . . .

3.

4.

„ Over de leer der waarheid . ff Over een voorzichtig gedrag.

55

59

5.

„ Over het lezen der Heilige

Schrift......

61

fi.

„ Over de ongeregelde hart

63

stochten ......

7.

„ Vlucht de ij dele hoop en den

65

hoogmoed.....

8.

Over eene te groote gemeen

07

zaamheid. .....

9.

„ Over de gehoorzaamheid en

69

en onderwerping ....

-ocr page 514-

BLADWIJZER. 10. hoofdstuk. Over liet vermijden van

nuttelooze gesprekken . . .71 ^1 • // Over de middelen tot vrede,

en den ijver tot voortgang . . 73 13. „ Over het nut der tegenspoeden ......77

13. v Over het weerstaan der bekoringen......70

v Over de lichtvaardige oordeelvellingen . , . t .84;

15. „ Over de werken uit liefde verricht........

16. ,, • Over het verdragen der gebreken van anderen . . .88

17. i, Over het kloosterleven . 91 . ir Over het voorbeeld der heilige Vaders.......

1^- 7 Over de oefeningen van den

waren kloosterling ... 97 20. „ Over de liefde tot eenzaam-^ lieid en stilzwijgendheid. . , 102 ~ it Over het berouw des harten. 108 7 Beschouwing der mcnsche-lijke ellende . . # _ .112 -3- ir Overdenking des doods . 117 ■gt; Over het oordeel en de atraf-fen. der zonden . . . . 1C3 \'25• 7 Over de ijverige verbetering onzes levens........

-ocr page 515-

BLADWIJZER.

TWEEDE BOEK

Vennaiiiiiirt\'ii ilic liet inwendige werken.

1. HOOFDSTUK. Over den omgang met

ziclizelven . . . .130

2. „ Over de nederige onderwer-

ping

. M-2

3, „ De goede vreedzame meusch 144

4, „ Over de reinheid des harten

en eenvoudigheid in bedoeling . 147

5, „ Over de beschouwing van zich/.elven . . . . .150

O. „ Over de vreugde van een

goed geweten.....15quot;^

7. Over de allea overtreffende liefde tot Jesus . . . .157

8. ,, Over den vertrouwelijken omgang met Jesus . . . .159

»). \',, Over het missen van allen

troost......löl\'

10. „ Over de dankbaarheid voor

de genade Gods .... 169

11. „ Over de weinige vrienden van Jesus\' Kruis , . .173

12. „ Over den koninklijken weg

des heiligen kruises . . .177

-ocr page 516-

bladwijzer.

DTÜRDE BOEK.

Over de inwendige Tcrtroostiug.

1. hoofdstuk. Over het inwendige onderhoud van Christus niet de jj^e-loovige ziel . . . . 180

3. if De Waarheid spreekt in ons zonder geluid van woorden . . 1SJ)

8. v Het woord Gods moet niet ootmoed gehoord worden, velen nemen het niet ter harte . . . 192

4. ,r Men moei in waarheid en ootmoed voor God wandelen . .190

5. 7 Over de wonderbare werking

der goddelijke liefde . . , 200

fi. v Over den toetasteen der ware

liefde......206

7. n Dat men de genade onder de hoede der nederigheid moet verbergen ......211

8. v Hoe gering men zieh moet aehten in het oog van God . .210

if Dat men alles tot God, als het laatste einde moet terugbrengen. 210

10. „ Hoe genoeglijk het zij , met verachting der wereld, God te dienen.......231

11. ir Dat men de begeerten zijns harten moet toetsen ca matigen . 226

12. „ Over het oefenen der lijdzaamheid en het bestrijden der kwade lusten . . , . , 228

-ocr page 517-

bladwuzïr.

13. hoofdstuk. Over de gehoorzsamheid

van een nederig onderhoorige, naar het voorbeeld van Jesus Christus . 232

14. i, De overweging van de verborgen oordeelen Gods, een raiddel tegen zelfverheffing. . . . 285

15. i, Hoe men zich bij al het wenschelijke moei gedragen, en hoe men moet bidden .... 288

Ifi. „ Dat men bij God alleen

waren troost moet zoeken . . 241

17. i, Dat men alle zorg op God werpen ...... 244

18. i, Dat men de rampen des levens naar liet voorbeeld van Christus, met gelijkmoedigheid moet dragen.......246

19. „ Over het verdragen van smaad. De ware geduldige . . 249

20. a Over de bekentenis van eigene zwakheid en over de rampen des levens ...... 25S

21. i, Dat men in God boven alle goederen en gaven moet rusten. . 257

22. i, Over het gedenken van Gods menigvuldige weldaden . . . 262

23. i, De vier dingen die den vrede grootelijks bevorderen , . . 266

24«. ii Dat men moet vermijden naar eens anders gedrag nieuwsgierig te onderzoeken .... 270

25. „ Waarin de duurzame vrede des harten en de ware voortgang bestaan......272

33

-ocr page 518-

bladwijzer.

20. hoofdstuk. Over de hooge svaarde van een vrij gemoed, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door veel lezen.

27. a Dat de eigenliefde van het hoogste goed ten sterkste aftrekt .

28. „ Tegen kwaadsprekende tongen. , . . . .

29. i, Uoe men in wederwaardigheden God moet aanroepen en zegenen ......

30. „ Dat men Gods hulp moet afsmeeken en op de wederkomst der genade vertrouwen ....

31. „ Om den Schepper te kunnen vinden moet men alle schepsel laten varen ......

32. „ Over de zelt\'verloochening en verzaking van alle begeerlijkheid,

33. „ Over de onstandvastigheid des harten, en dat God onze laatste bedoeling moet zijn .

34. i, De ware minnaar vindt bij alles en boven alles in God zijn genoegen......

35. Dat men in dit leven niet veilig is voor bekoringen

3ü. „ Tegen de ijdele beoordeelingen der menschen

37. 7 Over den zuiveren en ge-heelen afstand van zichzelven om de vrijheid des harten te bekomen

38. i, Over een goed bestuur in het uitwendige, en hoe men in ge-

-ocr page 519-

BLADWIJZER.

varen zich tot God moet begeven ,

39. hoofdstuk. Dat men zich over zijne

zaken niet mag kwellen.

40. a Dat de mensch uit zich-zelven niets goeds heeft en over niets kan roemen ....

41. ;/ Over de versmading van alle tijdelijke eer .....

42. ,/ Dat men zijnen vrede niet bij dc mensch en moet zoeken

43. a Tegen de ijdele wetenschap der wereld . . . . .

44. Dat men zich het uitwendige niet moet aantrekken

45. a Dat men niet aan allen geloof mag geven , en over het licht struikelen in woorden .

4(5. 7 Dat men hij scherpe woorden op God moet vertrouwen.

47. ii Dat men alle lijden om het eeuwige leven moet verdragen

48. 7 Over den dag der eeuwigheid en de ellenden van dit leven .

40. „ Over het verlangen naar het eeuwige leven ; en hoe groote goederen den strijders beloofd zijn

50. ir Hoe de troostelooze mensch zich in Gods hand moet overgeven .

51. a Dat men zich op geringer werken moet toeleggen als men in verhevener te kort schiet

53, ii Men achte zich geen troost, maar eer strafwaardig

53. 7 Dat Gods genade niet be-

-ocr page 520-

bladwijzer.

staanhaar is met aardschgezindheid . 366

54lt;. hoofdstuk Over de verschillende neigingen der natuur en der ganade . 370

55. „ Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade......377

56. „ , Dat wij onszelven moeten verloochenen en Christus op den weg des kruises volgen . . . 382

57. 7 De mensch zij niet te neerslachtig wanneer hij in eenigen misslag valt......387

58. 7 Men mag geene te verheven zaken noch de verborgene raadsbesluiten Gods onderzoeken . . 390

59. ir Dat men alle hooj) en vertrouwen op God alleen moet stellen. 397

VIERDE BOEK.

Over het allerheiligste Sacrament.

1. hoofdstuk. Vurige uitnoodiging tot de heilige Communie. — Met welken eerbied men Christus moet ontvangen. 401

2. „ Over de groote goedheid en liefde, door God in het heilig Sacrament den mensch bewezen . . 410

3. h Hoe nuttig het is dikwijls te cominuniceeren . . .417

Oefening. Vurig verlangen om te com-municeeren, of ten minste de noodzakelijkheid gevoelen, om dit te doen of dikwijls te doen .... 420

-ocr page 521-

BLADWIJZER.

4. HOOPDSTUK. Over de groote voordee-len aan eene godvruchtige Communie verbonden ...... 432

Oefening. Om van onzen Zaligmaker een levend geloof aan zijne wezenlijke tegenwoordigheid in het allerheiligste Sacrament des Altaars , en eene vurige liefde tot hem te verzoeken . . 425

5. „ Over de waardigheid van het Sacrament en over den priesterlijken staat...... 427

Oefening. Over de heilige voorbereiding , welke een Priester moet in het werk stellen, om waardig het heilige Misoffer op te dragen, en van die, welke een Christen moet hebben , om het godvruchtig te hooren en er voordeel uit te trekken .... 429

6. Ondervraging naar eene oefening voor de H. Communie. . 435

7. a Over het onderzoek des gewetens en het voornemen ter verbetering .......437

8. „ Over de opoffering van Christus aan het kruis en de opoffering van zichzelven .... 441

9. „ Dat wij ons en al het onze moeten opofferen en voor allen bidden.......444

10. „ Pat men de heilige Communie niet licht moet achterlaten . 44S

11. „ Dat het Lichaam van Christus en de heilige Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn. 4i4

-ocr page 522-

bla.dwijzer.

Oefening. Over het lezen der heilige boeken, hetwelk moet dienen om ons tot de heilige Communie te bereiden en er de vrucht van te behouden . éöP

12. hoofdstuk. Dat degene die commu-niceeren wil, zich met groote vlijt moet voorbereiden .... 4-60

Oefening. Op welke wijze men het Lichaam en Bloed van Jesus Christus moet nuttigen .... 463

13. „ Dat eene godvruchtige ziel van ganscher harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus

in het Sacrament .... 4-65

Oefening. Over de inzichten van Jesus Christus in het verblijven op onze altaren , en over de godvruchtige gevoelens waarmede wij in de Mis en in het Lof of bij andere Bezoeken moeten tegenwoordig zijn.....467

14. „ Over het vurig verlangen van sommige godvruchtigen naar

het Lichaam van Christus. . . 470

Oefening. Om waardig de geestelijke Communie te doen .... 472

15. „ Dat de genade der godsvrucht door ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt.... 474

Oefening. Hoe men zich moet bereiden om de eigene genade der heilige Communie te ontvangen en daaruit nut te trekken.....476

16. „ Dat wij onze behoeften aan Christus moeten blootleggen en

-ocr page 523-

bladwijzer.

zijne, genade afameeken . . .4*78

17, hoofdstuk. Over de bloeiende liefde en brandende begeerte om Christus te ontvangen......48S

18. „ Dat de mensch aangaande het Sacrament niet nieuwsgierig mag onderzoeken , maar dat hij Christus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloof onderwerpen . , . . . . 487

Oefening. Het geloof doen zegepralen over de zinnen en over de rede , met vastelijk te gelooven, en ootmoedig het Lichaam en Bloed van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament te ontvangen......489

Bijvoegsel. — Verschillende gebeden . 493

-ocr page 524-

APPROB ATIO.

Imprimatur.

Mechlina, 11 Decembris 1844.

J. B. Pauwels. Vic. Gen.

-ocr page 525-
-ocr page 526-
-ocr page 527-
-ocr page 528-