-ocr page 1-

Vak 76a

... Jf

Jr .

t\'

fv

137

-ocr page 2-

• * -■

rni

.■\'\'\'\\»/? vr,--— ^ v

(\'*(\' DRACHTEN ),■\'■ j) ____gt; ♦/

-ocr page 3-

L\'n%*

nl

THOMAS a KEMPIS.

VIER BOEKEN

OVER

\\AVÖL(rl\\li VAN mmi

TWEEDE DRUJC.

Kerkelijk goedgekeurd.

? L\\

• V K-N I.ÜO\\

Wed. H. BONT AMPS.

) 8 S 9.

-ocr page 4-

Excudi ot iii lucem edi p e r m i 11 i t u r. RüKiEMFNDiE , 8 Decembvis I880.

P. J. H RUSSEL, Can. et Prof.

ad hoc delegatus.

-ocr page 5-

—^OrtOMOrtOHOMWOilOMOHOHOMOHOHOH OHO» «O»

VOORBERICHT.

De Navolginy van Chrktus is de kostbaarste ])arel der heele cliriste-lijke letterkunde. Geen hoek, door menschenliaiul geschreven, heeft een grooteren roem verworven en vijf eeuwen lang behouden, geen boek is zooveel (luizende en nogmaals dui-zende reizen herdrukt, liet is overgezet niet slechts in de talen en tongvallen van alle christenlanden, maar ook in \'t Ohineesch en Japan-neesch, in \'t Hebreeuwsch en Arme-nisch, enz, enz., in verzen zoowel als in proza.

Sedert 500 jaar wordt het over de geheele beschaafde wereld met

-ocr page 6-

vooKimuciiT.

voortduroiul stijs\'cmiu l)oliiugstelling ji en HoCdu golczon, hurlezcn on in vrome j stiltL\' overpeinsd. De grootste geleerden, zoowel in vroegere tijden als in onze dagen , Protestanten zoowel als Katholieken, iieldien openlijk hulde gebracht aan dat heerlijk Werk.

,, I)e Navolg big nan Chris tun, \'5 zegt de beroemde Leibnitz. « is een der voortreffelijkste w erken, die ooit , geschreven zijn. Gelukkig hij, ciie naar den inhoud daarvan leeft en zich niet vergenoegt met het alleen te bewonderen.quot;

.Thomas Morns, de geleerde ea vermaarde kanselier van Kngeland, de verheerlijkte bloedgetuige van ons heilig Geloot\', herhaalde dikwijls dat n men met de Navotr/ing van Christus goed gezorgd zou hebben voor de al- : gemeene welvaart van Groot-Brittaa- ■

IV

-ocr page 7-

VOORBERICHT.

|je, indien de Kugelschen hot boek hafldcn willen lezen en zijn voorschriften opvolgen quot;

n Ik zocht een vriend, .. (\' zoo spreekt Sailer^) inde hom eiïen har-telijko taal) //dien ik thuis steeds bij mij kon houden cn ook op reis licht meenomen , zonder den voerlieden reden te geven om zich te beklagen over oon te zwaron last. Ik zocht een vriend, die mij in alle govallon do waarheid dorst zessen, mij overal op den afgrond dor eigenliefde on op hot vonkje licht, dat over don afgrond schemert, dat is

V

-ocr page 8-

VI VOORBERICHT.

op mijzelven opmerkzaam maakte; een vriend , die den trage aanporde en den ijverige op het spoor hield, die den treurige opbeurde en den blijmoedige intoomde, den falende bestrafte en den afgematte verkwikte. Nu wist ik wel dat buiten God nergens zulk een alomtegenwoordigen vriend te vinden is. Maar juist daarom had ik een tweeden, zichtbaren vriend noodig, die mij den alomtegenwoordigen , on zichtbaren vriend herinnerde en tot Hem henendreef. En dezen getrouwen, zichtbaren vriend, die mij aan God herinnerde eu tot God henendreef, vond ik in het boek der Navolging van Chrintus.quot;

Overdeze nieuwe uitgave is slechts weinig te zeggen. Ze is bewerkt naar de beste reeds bestaande vertalingen, die alle, na vergelijking

-ocr page 9-

VOORBERICHT.

mol don grondtekst cu ccnige overzettingen in vreemde talen, het hunne in ruimer of minder mate hebben bijgedragen.

Ons (wegens omstandigheden mislukt) plan was ze een viertal jaren vroeger in \'t lioht te geven, ter ge-, legenheid namelijk van Thomas a Kempis\' SOOjariggeboortef\'eest, wanneer zelfs in \'t Protestantsche Noorden eene (Katholieke) prachtuitgave verscheen, zoo sierlijk eenvoudig als we zelden zagen.

Deze uitgave is in taal on spelling en vooral iu uiterlijke inkleeding meer overeenkomstig met de tegenwoordige cischen der studeerende jeugd, voor wie.ze inzonderheid bestemd is. Het bevallig voorkomen van het boeksken zal \'t menigeen tot vriend maken; wie toch ziet niet gaar-

VU

-ocr page 10-

VOOR B Kill CUT.

ne zijn vriend neljos uitgedost, zoowel als vrij van allen wuften opschik.

Hoogst verdienstelijk voorde Thomas iï Kerapis-literatuur hebben zich gemaakt tal v,an geleerde en ijverige mannen, o. a. de zeereerwaarde hee-ren O. A. Spitzen, Pastoor te Zwolle en Victor Becker S. .1., die door hunnen uitmuntenden arbeid onx nationaal eigendomsrecht van de Navolging zoo krachtig gehandhaafd hebben, en veel bijgedragei om den roem van onzen Thomas i~i Kempis, ook in het buitenland, te verbreiden.

Desalniettemin is\'t onze bescheiden meening dat het boekje zelf op verre na niet zoo veel gelezen en zoo goed gekend wordtals het verdient, endatop zijn schrijver eenigzins toepasselijk is, wat de dichter getnigt van die andere Katholiekeglorie van Nederland:

VIII

-ocr page 11-

VOOHBKRiCUT.

a Zijn liooggevierdeu luuim iiaai- namen te vernoemen,

Die de Oudlieul grootst en roemrijkst had,

Gebuur en vreemdling met ^ijn lofspraak doof te roemen, — Ja, alle dagen hoort men dat! Maar hem te Iuzku, hem te ke.nnen, hem te smaken ,

Ziedaar wat sohaarsoh is in fdeze] eeuw quot;......

ÏX

Moge deze uitgave het hare hij-dragen om \'t gulden hoeksken in een ruimeren kring van lezers te verspreiden ! mogen velen daarin troost, verkwikking en opbeuring zoeken en vinden !

o—«

-ocr page 12-

Gebed voor de lezing.

Spreek, o Heer! want, uw dienaar i hoort. Ik ben uw dienaar; geef mij ver-I stand, opdat ik uwe getuigenissen ken-|| ne. Spreek Grij tot mij tot eenigen troost mijner ziel en ter verbetering van mij-! nen gelieelen wandel , U tot lof en roem j! en eeuwige eer.

( III Boek. IT Hoofdstuk )

Gebed na de lezing.

Neig mijn hart tol de woorden uws 1 monds, Heere mijn God, Gij, eeuwige Waarheid ! opdat ik niet sterve en zonder vrucht blijve , als ik slechts uitwendig gewaarschuwd ben en niet inwendig, ontvlamd; opdat het mij niet ten oordeel strekke het woord gehoord en niet gedaan , gekend en niet bemind, ge-| loofd en niet onderhouden te hebben. Amen. (Ibidem.)

-ocr page 13-

(amp;evamp;te

NUTTIGE LESSEN VOOR HET GEESTELIJK LEVEN.

-^TTVT^-

-ocr page 14-
-ocr page 15-

EERSTE HOOFDSTUK.

Oner (Je navolqiny van Christus en de verachting van alle wereldsrhe ijdelheden.

1. Wie mij volgt, wandelt niet in de duisternis, zegt de Heer. (Joan. 8) Dit zijn de woorden van Christ u s, waardoor Hij ons Termaant zijn leven en gedrag na te volgen, willen wij waarlijk verlicht en van alle blindheid des harten verlost worden.

Onze voornaamste bezigheid zij dus over het leven van Jezus Christus na te denken.

2. De leer van Christus overtreft al de leeringen der Heiligen. Wie zijn geest bezit, moet daarin een verborgen hemelspijze vinden.

Maar velen, na het Evangelie dikwijls gehoord te hebben, gevoelen er geen

-ocr page 16-

2 I HOEK. I ITOOrDSTUIv.

«root. verlangen naar, omdat zij den geest van Christus niet bezitten.

Wie dan de woorden van Christus ten volle wil verstaan en smaken, trachte zijn geheel leven Hem gelijkvormig te maken.

3. Wat baat het n diepzinnig over de Drieëenheid te twisten, zoo het u aan ootmoed ontbreekt, en gij dns der Drieëenheid mishaagt ?

Waarlijk, verheven woorden maken den heilige en rechtvaardige niet; maar een deugdzaam leven maakt behaaglijk aan God.

Tk wensch liever berouw te gevoelen, dan daarvan de beschrijving te knnnen geven.

Al wist gij den ganschen Bijbel van buiten met al de gezegden der wijsgee-ren, wat zon u dit alles baten zonder de liefde en genade Gods.

IJdelheid der ij del lieden , alles ia ijdel-heid, (Eeel. 1) behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.

De hoogste wijsheid is deze: door de verachting der wereld naar het rijk des hemels te streven.

-ocr page 17-

I BOEK. I UOOrDSTTTK.

•1. Het is dus ijdcllicid vergankelijke

I rijkdommen te zoeken en daarop te vertrouwen.

Ook is liet ijdelheid eergierig te zijn \' en zich tot een hoogen staat te verheften.

IJdelheid is het de lusten des vlee-sches te volgen en datgene te verlangen, i wal eens zwaar moet worden gestraft, jj Het is ijdelheid een lang leven te

II wensehen en zich weinig om een goed leven te bekommeren.

IJdelheid is het alleen te letten op het tegenwoordige leven en niet te voorzien wat er op volgen moet.

Het is ijdelheid zich te hechten aan hetgeen zoo haastig voorbijgaat, en zich niet derwaarts te spoeden, waar de vreugde eeuwig blijft.

5. Henk dikwijls aan deze spreuk : het oo// wordt niet verzadigd eau zien , noch het oor van hoorei}. (Eccl. 1.)

Tracht dan uw hart van de liefde tot het zichtbare af te trekken, om het te keeren tot het onzichtbare.

Want die hunne zinlijkheid opvolgen, bevlekken hun geweten en verliezen de genade G-ods.

-ocr page 18-

4 I I HOEK. II ITOOrDSTXTK.

G E quot;B I\' 1gt;.

])ierbare Heiland I eeuige weg f ol waarheid eu tol leven! getrouwe leidsman op het pad der deugd! aangenaam is mij uwe uitnoodiging. Ja ik wil U volgen en zal dus niet in het duistere dwalen. Uwe leer zal mij een fakkel, uw voorbeeld een gids zijn. Greene wereld-sehe ijdelheid zal mijn hart meer boeien. Tk zal het daarboven trachten te verheffen , om het te vrijer aan den heil-zamen invloed uwer voorschriften over te geven. Zegen dit mijn besluit en help het volbrengen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Ocer de (jerïngachting van zichzeli\'oi.

1. Teder mensch is van nature begee-rig naar kennis : maar wat baat de wetenschap zonder de vreeze Gods ?

Beter voorwaar is een nederig landman die God dient, dan een hoogmoedig wijsgeer die, terwijl hij zichzelf vergeet, den loop der sterren naspoort.

-ocr page 19-

I quot;BOEK. II HOOTDPTTJlv. 5

quot;Wie zichzclvcn recht kent, wordt gering in zijn eigen oogen en vindt geen Termaak in den lof der menschen.

Al wist ik alles wat er in de wereld is, en ik liad de liefde niet; wat zou\'t mij baten voor God, die mij oordeelen zal naar mijne daden ?

2. Ontdoe u van een te grooten weet-lust: want daarin wordt groote verstrooiing en bedrog gevonden.

Die veel weet wil gaarne verstandig schijnen en heeten. Er is zooveel, waarvan de kennis weinig of geen nut aan de ziel toebrengt !

En bij is wel zeer onverstandig die zich op iets anders toelegt , dan op betgeen zijne zaligheid bevordert,

Yele woorden verzadigen de ziel niet; maar een goed leven verkwikt den geest, en een rein geweten geeft een groot vertrouwen op God.

3. Hoe meer en beter gij weet, boe strenger gij er naar geoordeeld zult worden, zoo gij niet heiliger geleefd hebt.

Verhef u al zoo niet op eenige gave of wetenschap; maar vrees liever wegens de u geschonken kennis.

-ocr page 20-

I BOEK. 11 HOOFDSTUK.

Meent gij veel te weten en vrij wel tc verstaan; denk dat er nog veel meer is, dat gij niet weet.

Heb derhalve geen hoog gevoelen; maar erken liever uwe onwetendheid.

quot;Waarom wilt gij u iemand voortrekken , daar er velen gevonden worden geleerder en in Gods wet ervarener dan

SU ! . .. .

Wilt gij iets nuttigs weten en leeren, leer onbekend te zijn en voor niets geacht te worden.

4. De hoogste wetenschap en de nuttigste les is, zichzelven wèl te kennen en niets te achten.

Van zichzelven niets te maken, en van anderen steeds wèl en gunstig te denken, is eene groote wijsheid en volmaaktheid.

Zoo gij iemand openlijk zaagt zondigen of zwaar misdoen, behoordet gij u daarom niet beter te achten : want gij weet niet, hoe lang gijzeltquot; in het goede kunt staande blijven.

Wij allen zijn zwak; maar gij. houd niemand voor zwakker dan uzelf.

-ocr page 21-

I BOEK. Ill UOOrDSTUK. 7

GEBED.

Ja, mijn God! nederig van mijzelven te gevoelen, honde ik voor plicht. Al mijn weten is eigenlijk een niet weten. En wat baat voor IJ ook de diepste kennis, /00 mijn wandel U mishaagt ? Gij toch zult mij naar mijne daden oor-deelen. Laat dan nimmer eenige zelfverheffing bij mij huisvesten: maar doe mij, van mijne zwakheid bewust, steeds in ootmoed voor U wandelen, mijne daden naar mijne kennis inrichten , en toegeeflijk omtrent anderen zijn.

DERDE HOOFDSTUK.

O oer de leer der waarheid.

1. Gelukkig hij, dien de waarheid door zichzelve onderw ijst, niet door beelden noch voorbijvliegende woorden , maar zoo als zij is !

Onze meening en onze zinnen bedriegen ons vaak; zij zien niet verre.

Wat baat veel twistens over verborgen en duistere zaken, welke niet ge-

-ocr page 22-

T HfVFK. TTI nOOTDSTFK.

welen te hebben ons in het oordeel tot geen verwijt za! strekken ?

\'l Ts eene groote dwaasheid het nut-lige en noodige te verzuimen, om zicli te meer mei het nnttelooze en schadelijke op te honden. Wij hebben oogen , en zien niet!

2. Wat v (mm n oei en wij ons met spitsvondige wijsgeerige vraagstukken ?

Hij, tot wien liet eeuwige Woord spreekt, wordt uit eene menigte gevoelens ontward.

Alles is uit dit éene Woord , alles spreekt daarvan. Het is hel beginsel, dat tot ons spreekt ; zonder dat verstaat niemand iets wel of oordeelt j iist.

Hij, voor wien dit eene alles is, die alles tot dit eene terugbrengt, en alles in dit eene ziet, die kan standvastig van liarte zijn en in Grod bestendige rust genieten.

O God! Gij, die de waarheid zelve zijt ! maak mij een met U door eeuwige liefde !

Het verveelt mij dikwijls veel te lezen en te hooren; in U is alles wat ik wil en wenseh.

-ocr page 23-

I BOEK. Ill irOOFPSTTTK. 9

^ Dat alle leeraars zwijgen , dat alle schepselen voor uw aanschijn verstom-inen ! spreek Gij alleen tot mij.

3. Hoe meer iemand ingetogen en i\'envoudig van harte is, te meer en verhevener zaken zal hij zonder moeite verstaan : want van boven zal hij liet licht des verstands ontvangen.

Eene zuivere, eenvoudige en standvastige ziel zal zich niet in veel arbeids verstrooien, omdat zij alles doet ter eer e iGrods en zich van alle zelfzucht tracht |vry te houden.

Wat hindert en bezwaart u meer dan de onbedwongen neigingen uws harten ?

Een vroom en godvruchtig mensch jbeschikt eerst bij zichzelven alles, wat li ij uitwendig moet doen.

Hij laat zich bij zijne daden niet ten welgevalle zijner bedorven neigingen weg-Isleepen; maar hij schikt die naar de inspraak van het gezond verstand.

Wie heeft een harder strijd dan hij , die tracht zichzelven te overwinnen ?

En nochtans moest dit ons voornaamste werk zijn : onszelven te overwinnen, dagelijks in krachten over onszelven toe

I

-ocr page 24-

I BOEK. Ill llOOl\'Damp;TFJf.

to nemen en in het goede eenigzins ie vorderen.

•1. Alle volmaaktlieid in dit leven gaal van eenige onvolmaaktheid vergezeld, en geen onzer beschouwingen is van alle duisterheid vrij.

Eene nederige zelfkennis is een zekerder weg tot God, dan de diepste nasporing eener wetenschap.

Daarom is niet de wetenschap, of elke eenvoudige konnis eener zaak te laken ; zij is op zichzelvo beschouwd goed en door God verordend; maar een goed geweten en een deugdzame wandel zijn steeds daarboven te achten.

Omdat nu do meesten moor haken naar kennis dan naar een deugdzaam leven, daarom dwalen zij zoo dikwijls en brengen geeno of weinige vruchten voort.

5. O , dat zij donzolfdon ijver hadden om gebreken uit te rooien en deugden in te planten, als om twistvragen opto worpen ! dan zou or niet zoo voel kwaads en aanstootolijks onder liet volk , geeno zoo grooto losbandigheid in de kloosters zijn.

JO

-ocr page 25-

I BOEK. Ill HOOFDSTUK.

Waarlijk, wanneer de oordeelsdag komt, zal men ous niet vragen, wat wij gelezen, maar wat wij gedaan, niet of wij wel gesproken, maar of wij godvruchtig geleefd hebben.

Zeg mij : waar zijn van al die heeren en meesters, die gij zoo wèl hebt gekend , toen zij nog leefden en door hunne wetenschap beroemd waren ?

Hunne plaatsen zijn nu door anderen bezet, en ik weet niet of dezen wel eens aan hen denken. Bij hun leven schenen zij iets te zijn; en nu zwijgt men van hen.

G. Hoe ras gaat de heerlijkheid der wereld voorbij ! Mocht hun leven aan hunne kennis beantwoord hebben, dan zouden zij met vrucht gelezen en zich geoefend hebben.

Hoe velen gaan in de wereld niet verloren door hunne ijdele wetenschap, dewijl zij zich weinig bekommeren om den dienst van G-od !

En omdat zij liever groot dan nederig willen zijn, daarom worden zij verijdeld in hunne overleggingen.

11

-ocr page 26-

12 I J HOEK. Ill HOOFDSTUK.

A\\ aarlijk groot is liij , die eene grooto liefde bezit.

Waarlijk groot is hij, die klein is bij ziclizelven en den hoogsten trap van eer als niets aebt.

Waarlijk wijs is hij , die al het aardsebe aebt als mdligheid, om Christus Ie irimmi. (Philipp. 3.)

En bij is waarlijk wèl geleerd . die Gods wil duet en zijn eigen wil verzaakt.

o- E IJ E D.

Eeuwige Waarheid ! aanbiddelijk Woord ! waardoor alles het aanzijn beeft: maar al te zeer gevoel ik behoefte aan eene hooge verlichting. Zonder uwe inspraak baten mij de verhevenste lessen niet, is alles bij mij duister. Spreek Oij dan tot mij en houd mij met uwe leering bezig. Zoo zal een hemelsch licht mij op alle mijne wegen bestralen, mij ware grootheid en wijsheid leeren, en de edelste deugden zullen daarvan te wachten zijn.

-ocr page 27-

1 BOKK. IV. HOOFDSTUK. 13

VTKRDE HOOFDSTUK.

Over ecu voorzwhtui (icdraij.

1. Men mag niet alle woord noch alle ingeving gelooven; maar men moet eene zaak voor/zielitig en bedaard volgens God overwegen.

Helaas! dikwijls gelooft en zegt men van een ander eer het kwade dan het goede; zoo zwak zijn wij !

Maar volmaakte menschen gelooven niet licht elk verhaal : want zij weten dat de menschelijke zwakheid ten kwade overhelt en licht in woorden zondigt.

2. Het is een groote wijsheid niet overijld te werk te gaan en niet hardnekkig zijn eigen hoofd te volgen.

Hiertoe behoort ook, dat men niet al de gezegden der menschen geloof\' geeft, en hetgeen men hoort of gelooft, niet aanstonds aan het oor van anderen overbrengt.

Pleeg raad met een verstandig en nauwgezet man, en zoek liever door eenen betere onderricht te worden, dan uw eigen hoofd te volgen.

-ocr page 28-

I BOEK. IV HOOFDSTUK.

14

Een deugdzaam leven maakt den menscli \' I wijs voor Grod en in vele opzichten ervaren.

Hoe nederiger iemand l)ij ziehzelven is, en hoe meer onderworpen aan God , lioe verstandiger en rustiger hij in alles zal zijn.

Voorzichtig te zijn bij al mijne daden , is voor mij , o God! een gewichtige plicht. Hoe dikwijls moest ik de nadee-lige gevolgen van een onbezonnen gedrag ondervinden ! Doe mij dan in alles voorzichtig te werk gaan. Regel mijne keus in het verkiezen eens vriends; wien ik al mijn vertrouwen schenken mag. Verstandig zij hij om mij raad te geven , deugdzaam om mij voor te lichten. Pat ik hem in eere houde, zijnen raad op-volge en daardoor mijn geluk bevordere.

-ocr page 29-

I BOEK. T IIOOFDSTTTE. | 15

VIJFDE HOOFDSTUK.

Ocer het lezen der Ifeili\'je Schrift.

1. Waarheid, geeu welsprekendheid moet men iu de Heilige Schriften zoeken.

Men moet de geheele Heilige Schrift liezen met denzelfden geest, in welken zij gesteld is.

Wij moeten in de Heilige Schrift meer trachten naar geestelijk voordeel dan sierlijkheid van taal.

Wij moeten even gaarne godvruchtige en eenvoudige hoeken lezen als verhevene en diepzinnige.

Koud u niet op hij het gezag van den schrijver, of hij van kleine of grootegeleerdheid zij; maar liefde tot de zuivere waarheid zette u tot lezen aan.

Yraag niet wie dit gezegd hehhe; maar let op hetgeen gezegd wordt.

2. T)e mensehen gaan voorbij; maar des Heeren waarheid blijft eeuwig.

Zonder aanzien van personen spreekt God tot ons op velerlei wijze.

Bij het lezen der Schriften hindert ons dikwijls onze nieuwsgierigheid, daar wij

2

-ocr page 30-

16

bevatten en beredeneeren willen wat wij eenvoudig moesten voorbijgaan.

Wilt gij er voordeel uit trekken, lees nederig , eenvoudig en geloovig, en beoog nooit den naam van geleerde.

Ondervraag gaarne . en hoor stilzwijgend de woorden der Heiligen ; en dat de spreuken der Ouden u niet mishagen : niet te vergeefs toch worden zij bijgebracht.

G E B £ D.

Dierbaar, o God! is mij uw woord. Het is mij het kostbaarste geschenk dat ik van uwe hand ontving. eene rijke bron van troost, eene fakkel op de paden mijns levens. Laat geen onverschilligheid mij deze gunst onwaardig maken; vervul mij met eerbied voor uw woord. Verlicht mijn verstand zoo dikwerf ik het leze ; schenk mij den geest van nederigheid en godsvrucht, en laat den invloed van uw woord blijkbaar zijn uit mijn gedrag.

-ocr page 31-

I BOEK. VI HOOFDSTUK. : 17

ZESDE HOOFDSTUK.

O eer de omiereyelde luvrtatoehten.

1. Zoodra een meiiseli iets ongeregeld begeert, wordt hij aanstonds bij zichzelf onrustig.

De hoogmoedige en gierige rusten nooit. maar de arme en nederige van geest hebben overvloed van vrede.

De menseh die zichzelf nog niet volmaakt is afgestorven, wordt ras bekoord en door de kleinste , ja nietigste zaken overwonnen.

De zwakke naar den geest en die nog eenigermate vleeschelijk is en tot het zinlijke overhelt , kan zich moeilijk van de aardsche begeerlijkheden geheel losmaken.

Daarom heeft hij dikwijls droefheid , als hij zich daaraan onttrekt; ook wordt hij licht toornig, als iemand hem tegenstreeft.

2. En heelt hij verkregen wat hij begeert; terstond wordt hij bezwaard door het verwijt van zijn geweten. omdat hij zijner drift opgevolgd is; want dit brengt

-ocr page 32-

18 I BOEK. VI HOOFDSTUK.

niets loc tot de bevrediging die hij zocht.

Door de driften al zoo te wederstaan wordt de ware vrede des harten gevonden . niet door ze in te volgen.

Kr is dus geen vrede in het hart van den vleesehelijken nienseh , noch in den-gene die aan het uiterlijke is overgegeven . maar bij den ijverige en geestelijk gezinde.

(r E li £ igt;.

Hoe belangrijk, o Grod! moet mij deze herinnering zijn I Geen rust voor mij , geen ware vrede, zoo lang de driften in mij woelen en ik harer heerschappij onderworpen ben. Meer dan ooit zie ik de verplichting in om die te wederstreven en mij zei ven af testerven, wil ik deugdzaam worden en zachte kalmte genieten. Dit zal van heden af mijn ernstig voornemen zijn; zegen het, o mijn Grod! Ondersteun mij in den st .•ijd ; stil de stormen mijner driften; dat zij de inspraak mijner rede gehoor geven.

-ocr page 33-

T BOTvK. VII HOCVFDSTUK. ! 19

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Vlucht de IJdele hoop en den hoogmoed.

1. IJdel is hij , die zijne hoop op meu-seheu of schepselen stelt.

Schaam n niet, uit liefde voor Jezus Christus, anderen te dienen en in deze wereld arm te schijnen.

Sta niet op uzelven, maar vestig uwe hoop op God.

Doe wat in u is, en Grod zal uwen goeden wil ondersteunen.

2. Vertrouw niet op uwe wetenschap, noch op de doorslepenhcid van eenig sterveling, maar liever op de genade van Grod, die de nederigen helpt en de ver-metelen vernedert.

Roem niet op de rijkdommen, zoo gij ze bezit, noch op uwe vrienden, omdat zij vermogend zijn; maar op Grod, die alles geeft en zichzelven boven alles wenscht te schenken.

Verhef u niet op de grootte of schoonheid des lichaams: want de geringste ongesteldheid kan die verminken of misvormen.

-ocr page 34-

20 i kokk\'. vu hoofdstuk:.

Heb geen zelfbehagen wegens uwe bekwaamheid of verstand, opdat gij niet mishaagt aan God, wien alles toebehoort wat gij van nature goeds bezit.

.3. Aeht u niet beter dan een ander, opdat gij niet slechter bevonden wordt voor God, die weet wat in den menseh is.

Verhef u niet op goede werken; want de oordeelen Gods zijn anders dan die der mensehen. Hem mishaagt dikwijls wat den menschen behaagt.

Hebt gij iets goeds, denk van anderen beter, om den ootmoed te bewaren.

Het schaadt niet als gij u beneden allen stelt; maar zeer veel schaadt het, zoo gij u boven eenen eenigen stelt.

Bij den nederige is duurzame vrede, maar in liet hart des hoogmoedigen dikwijls ijverzucht en toorn.

g- e b e d.

Ja, op U alleen, o God! moeten wij in alle gevallen ons vertrouwen stellen. Alle schepsel is zwak, onstandvastig, der verandering onderhevig ; en wij gevoelen te zeer onze eigene onmacht, dan dat wij ons op onszei ven zouden kunnen

-ocr page 35-

1 UOEK. VIII iiOOi\'DSTTJK. 21

verlaten. Boezem ons dan steeds een on-wankelbaar vertrouwen op U in; laat dit dat der mensehen vervangen, en alle ijdel zelfvertrouwen verbannen. Van alles wat wij goeds bezitten, zij niet aan ons, maar Ü alleen de eer, U dank in eeuwigheid !

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Ocer eene te yroote gemeenzaamheid•

1. Ley uw hart niet voor iedereen hloot ; maar spreek over uwe zaken met den wijze en godvruchtige.

Wees zelden met jongelieden en vreemdelingen.

Vlei de rijken niet en verschijn niet gaarne voor de grooten.

Voeg u bij de nederigen en eenvou-digen, bij de godvruchtigen en vromen, en spreek over hetgeen stichtelijk is.

Wees met geene vrouw gemeenzaam ; maar beveel alle goede vrouwen in het algemeen aan Grod.

Wensch met Ood alleen en zijne En-

-ocr page 36-

22 i 1 HOEK. VJH HOOFDSTUK.

^clen geinconzaum urn ie gaau; ontwijk de aaudacht der menscheu.

2. Liefde moet men voor allen liebben; maar gemeenzaamheid doet geen nut.

Somtijds gebeurt liet dat een onbekend persoon door zijn goeden naam sehittert, wiens tegenwoordigheid noehtansde oogen der aanschouwers benevelt.

Wij denken somtijds anderen te behagen door onzen omgang, en wij beginnen eer te mishagen door de verkeerd-heid van zeden, in ons opgemerkt.

G- E B E D.

Hoe dikwerf, o God! had ik reden om mij over eene te groot e vertrouwelijkheid te beklagen ! Hoe dikwerf opende ik mijn hart aan mensehen en beschouwde hen als mijne vrienden, die op mijnen ondergang loerden! Ach ! iaat mij niet langer de gevolgen mijner lichtzinnigheid betreuren. Leer mij in alles omzichtig zijn, niet elk vertrouwen, en den omgang van godsdienstige en deugdzame lieden zoeken. Gij vooral wees mijn vriend, mijn raad, mijn troost, mijn hoogste goed, mijn al!

-ocr page 37-

1 HOEK. JX HOOFDSTUK. 23

JSt EaEJNTJ3 li] HOOFDSTUK.

Over de gehoorzaamheid en onderwerping.

I. Het is een zeer groot iets ouder gehoorzaamheid te staan, ouder eeu overste te leveu eu uiet ziju eigeu meester te zijn.

Met is veel veiliger ouderhoorige dan overste te zijn.

Velen zijn onder gehoorzaamheid meer uit dwang dan uit liefde ; ook hebben zij moeilijkheid en morren licht.

Zij zullen de vrijheid des geestes niet verkrijgen, voor zij zich om Gfods wille van ganscher harte onderwerpen.

.Loop ginds en herwaarts, gij zult geen rust vinden, tenzij in een nederige onderwerping aan het bestuur van uw overste.

JJe verbeelding dat het hun door verandering van plaats beter zou gaan, heelt velen bedrogen.

2. Het is waar dat elk gaarne naar zijn eigen gevoelen handelt en dengenen meer genegen is, die van zijn gevoelen zijn.

Maar zal God in ous wonen, dau moeten wij ook somtijds om vredeswille ons gevoelen opgeven.

-ocr page 38-

24 I boek. ix hoofdstuk:.

Wie is zoo wijs dat hij alles volkomen weet ?

Vertrouw dan niet te veel op uw eigen gevoelen; maar wil ook gaarne liet gevoelen van anderen hooren.

Is uw gevoelen goed, en geeft gij het echter om Godswille op, om dat van een ander te volgen , gij zult daardoor te meer voortgang maken.

3. Want ik heb meermalen hooren zeggen , dat het veiliger is raad te hooren en aan te nemen dan te geven.

Het kan zijn dat het gevoelen van ieder goed is; maar naar anderen niet te willen luisteren, als de rede of de zaak het vordert, is een teekeu van hoogmoed en halstarrigheid.

GEBED.

Ook ik , o Grod! moet gehoorzaam en aan anderen onderworpen zijn. Als menseh , als burger, vooral als Christen, gevoel ik het billijke van dezen plicht. Greene samenleving zonder orde, geen orde zonder onderwerping. Laat mij steeds dit bewustzijn behouden en daarmede overeenkomstig handelen, liet voorbeeld van uw

-ocr page 39-

L BOEK. X HOOFDSTUK. 25

Zoon zij mij daartoe eene krachtige aau-sporing. De knecht is niet meer dan zijn lieer , de leerling niet beter dan de meester.

TIENDE HOOFDSTUK.

Over hel vermijden van mdteJooze gesprekken.

1. Mijd, zoo veel gij kunt, het gewoel der menschen : want het behandelen van wereldsche zaken hindert groote-lijks , al geschiedt het met een zuiver oogmerk.

Wij worden zoo ras door de ij del he id besmet en gevangen !

Ik wenschte dat ik meer gezwegen en niet onder de menschen verkeerd luidde.

Maar waarom spreken wij en onderhouden wij elkander zoo gaarne, daar wij zoo zelden zonder kwetsing des gewetens tot het stilzwijgen wederkeeren ?

Daarom spreken wij zoo gaarne, omdat wij door onderlinge gesprekken troost bij elkander zoeken, en \'t door velerlei

-ocr page 40-

20 I BOEK. X HOOrDSTUK.

gedachten bezwaarde hart wenschen op te beuren.

Ook spreken en denken wij zeer gaarne over hetgeen wij zeer beminnen of be-geeren, of over hetgeen ons tegenstaat.

2. Maar helaas ! dikwijls zonder nut en te vergeefs: want die uitwendige troost doet niet weinig hinder aan den inwen-digen en goddelijken troost.

Daarom waak en bid, opdat de tijd niet ledig voorbij ga.

Staat het vrij en komt het te pas te spreken, spreek over iets stichtelijks.

Een kwade gewoonte en veronachtzaming van onzen voortgang zijn veelal oorzaak , dat wij geen wacht houden over onzen mond.

Echter bevordert niet weinig onzen geestelijken voortgang een godvruchtig gesprek over geestelijke onderwerpen, vooral wanneer zich daartoe in God vereenigen personen, die eens van hart en ziel zijn.

GEBED.

Ook ik, o Grod! wenschte dikwijls wat minder onder de menschen geweest

-ocr page 41-

I BOEK. XI HOOFDSTUK. j 27

tc . Aval minder gesproken t e lie\'bbeu. Te vaak moest ik van mijnen omgang heillooze gevolgen ontwaren. Te vaak ging ik mij in gesprekken te buiten, en zondigde tegen U of tegen mijnen broeder. Dat geen ijdel geklap mij langer vermake Dat ik leere mijne tong bedwingen; de lol van XI, de stieliting van mijzelven en mijne broeders, zij het eenigste doel bij mijne gesprekken.

ELFDE HOOFDSTUK.

O eer de middelen tot vrede , en. den ijver tot voortgam/,

1. Veel rust en vrede konden wij hebben , wilden wij ons niet bemoeien met de woorden en daden van anderen welke ons niet aangaan.

Hoe kan hij lang in vrede blijven , die zich met eens anders zaken bemoeit, di«j steeds buiten ziehzelven gelegenheden tot bekommering zoekt, en weinig of zelden tot zichzelven terugkeert ?

Gelukzalig de eenvoudigen: want zij zullen overvloedigen wede hebben.

2. Waarom zijn sommige Heiligen tot

-ocr page 42-

28 1 IJOEJv. XI HOOFDSTUK.

zulk eene volmaaktheid en hooge bespiegeling gestegen ?

Omdat zij getracht hebben alle aard-sche begeerlijkheden af te sterven. Daarom konden zij met geheel hun hart Grode aanhangen , en zich vrij met zichzelven ophouden.

Wij houden ons te zeer met onze eigene driften op, en ontrusten ons te veel over hetgene voorbij snelt.

Zelden ook overwinnen wij een eenig gebrek geheel, en wij worden niet tot-dagelijkschen voortgang aangevuurd : daarom blijven wij koud en lauw.

•quot;j. Waren wij onszelven volkomen afgestorven en van binnen niet in verwarring, dan konden wij ook het goddelijke smaken en iets van de hemelsche bespiegeling ondervinden.

Het grootste, ja eenige beletsel is, dat wij niet vrij zijn van driften en begeerlijkheden , en dat wij niet trachten den volmaakten weg der Heiligen in te slaan.

Als ons ook de geringste tegenstand ontmoet, zijn wij aanstonds terneergeslagen en wenden wij ons tot den troost der menschen.

-ocr page 43-

I BOEK. XI HOOi\'DSTUX. 1 29

1. Deden wij ous best om als dappere mannen in den strijd te staan, voorwaar wij zouden des Heeren hulp van den hemel over ons zien neerkomen.

Hij toch is bereid die strijden en op zijne genade hopen te helpen. Hij geeft ons gelegenheid tot strijden, opdat wij overwinnen.

Stellen wij onzen voortgang in \'t goede alleen in uiterlijke oefeningen, onze godsvrucht zal dra een einde nemen.

Laat ons de bijl aan den wortel leggen en onze ongeregelde driften uitroeien , opdat wij een rustig gemoed mogen bezitten.

5. Mochten wij elk jaar éene ondeugd uitroeien, wij zouden spoedig volmaakte mannen zijn.

Maar nu ontwaren wij dikwijls het tegendeel en bevinden dat wij in het begin onzer bekeering beter en zuiverder waren, dan wij nu, na vele jaren zijn.

Dagelijks moesten onze ijver en voortgang toenemen, en nu schijnt het al veel, als iemand van zijn eersten ijver een gedeelte kan behouden.

Deden wij ons in den beginne slechts

-ocr page 44-

30 I BOEK. XI IIOOrDSTUK.

corn weinig gcwclds, wij zouden daarna alles met gemak en vreugde kunnen doen.

(gt;. Zwaar valt hel eene gewoonte af te leggen; maar liet is nog zwaarder tegen zijn eigen wil te handelen.

Zoo gij nu het kleine en lichte niet overwint, hoe zult gij het zwaardere te boven komen ?

quot;Wedersta in den beginne uwe neiging en ontdoe u van eene slechte gewoonte. opdat zij u niet allengskens in grootere zwarigheid brenge.

O . zoo gij beseftet, welke rust gij u zelveu en welk genoegen gij anderen veroorzaakt door u wM te gedragen! ik geloof dat gij voor uw geestelijken voortgang meer bezorgd zoudt zijn.

(t t: n !•: i).

Welke tevredeuheid, o God 1 welke zielskalmte zoude ik smaken, bijaldien ik mij met anderen wat minder bemoeide, en met mijn eigen hart en zijn ver-zedelijking wat meer ophield ! T)e heilrijkste gevolgen daarvan zouden zieh in mijnen wandel vertoonen , en ik een

-ocr page 45-

J HOEK. Xii HOOFDSTUK. 31

hoogen trap van volmaaktheid bestijgen. Doe mij den eenigen weg daartoe iu-slaan. Leer mij dc noodige middelen bezigen , inijzelven overwinnen en volkomen meester blijven.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over het nut der tegenspoeden.

1. Het is ons goed dat wij somtijds eenige moeielijkheden en tegenspoeden 1 lebben.

Dikwijls roepen zij den mensch in zijn binnenste terug, in zooverre hij gevoelt dat hij in ballingschap is en zijne hoop op niets ter wereld stellen moet.

Het is goed dat wij somtijds tegenspraak ontmoeten, en dat men kwaad en ongunstig van ons denkt, zelfs als wij wel doen en liet wèl meenen ; dit bevordert dikwijls den ootmoed en bewaart ons voor ijdele roemzucht.

Want dan, als wij van buiten door de menschen veracht of niet wèl beoordeeld worden , zoeken wij beter Grod, als onzen inwendigen getuige.

-ocr page 46-

.quot;i\'i I liÜEK. X1J JlOOEDSTinC.

2. Daarom moest de meusch zich zoo geheel in God vestigen, dat hij niet noo-dig had veel mensehelijken troost te zoeken.

Wordt een welgezind mensch bedrukt, bekoord ol\' door kwade gedachten gekweld, dan gevoelt hij dat hij God het meest noodig heeft, zonder wien hij ziet dat hij niets goeds vermag.

Dan ook treurt hij , en zucht en bidt, over de rampen die hij lijdt.

Dan verdriet het hem langer te leven , en wenscht hij dat de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en met Christus zijn.

Dan ook ontwaart hij recht dat er op de wereld noch volkomen veiligheid , noch volle vrede kan bestaan.

GEBED.

Hoeveel mijne zinlijkheid daartegen hebbe, ik zie, o God ! meer dan ooit dat tegenspoeden mij nuttig zijn en mijn heil bevorderen. Zij zijn de middelen , door U aangewend, om mij godsdienst en deugd beminnelijk , en voor hunnen

-ocr page 47-

1 BOEK. Xiri HOOFDSTUK. 33

troost vatbaar te maken. Laat dan nimmer toe, dat ik mij tegen uwe wijze oogmerken verzette of onder den last be-zwijke, dien Gij op mijne schouders legt. Alles zij mij Helen welkom van uwe hand, : in alles worde uwe goedheid geprezen ! {

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Over hef weerstaan der hekorimjen.

1. Zoolang wij in de wereld leven, kun- ; nen wij niet zonder kwelling en beko- i ring zijn.

Daarom staat er bij Job: \'smenschen leven op aarde is een strijd. ( Job 7 )

Daarom moest ieder bij zijne bekoringen op zijne hoede zijn , waken en bidden , ópdat de duivel geene gelegenheid vinde tot verleiding ; want die slaapt nooit, maar gaat rond, zoekende wien hij kan verslinden. ( l Petr. 5)

Niemand is zoo volmaakt en heilig , dat hij niet somtijds bekoringen heeft; zelfs kunnen wij die niet geheel ontberea.

2. Hoe lastig en moeilijk de bekoringen ook vallen, zij zijn dikwijls den

-ocr page 48-

I 34 I HOICK. XIII HOOFDSTUK.

mensch zeer nuttig, omdat bij daardoor vernederd, gereinigd en onderwezen wordt.

Alle Heiligen zijn vele verdrukkingen en bekoringen doorgegaan , en aldus volmaakt geworden.

Maar zij die de bekoringen niet konden doorstaan, zijn bezweken en verworpen geworden.

Green stand is er zoo heilig, geen plaatszoo verborgen, waar geen bekoringen of wederwaardigheden zijn.

3. Zoolang de mensch leeft is hij niet geheel veilig tegen de bekoring : want de bron der bekoring is in ons zeiven, daar ; wij met begeerlijkheden geboren worden.

Wijkt de eene bekoring of moeilijkheid de andere is daar; en altoos zullen wij iets moeten lijden, daar wij het goed van j ons eerste geluk verloren hebben.

Telen trachten de bekoringen te ontvluchten en vallen daarin te dieper.

Door de vlucht alleen kunnen wij niet ! overwinnen , maar door geduld en waren \' ootmoed worden wij sterker dan al onze \' vijanden.

-I. Wie slechts van buiten ontwijkt en niet den wortel uitrukt, zal weinig vor-

-ocr page 49-

I BOEK. XIII HOOFDSTUK. 35

deren; ja te eer zullen de bekoringen tot hem wederkeeren, en zal hij zich te erger bevinden.

Allengskens en door geduld en lankmoedigheid zult gij ze met (rods hulp beter overwinnen, dan dooreen hardnekkig en lastig tegenstreven.

Neem dikwijls raad bij de bekoring, en wil don bekoorde niet hard behandelen ; maar bied hem troost, zooals gij wenschen zoudt dat men u deed.

5. Onbestendigheid van geesten gering vertrouwen op Clod zijn de bron van alle kwade bekoringen.

Want gelijk een schip zonder stuurman door de baren heen en weer geslingerd wordt; zoo wordt een kleinmoedig mensch die van zijn voornemens afwijkt, op velerlei wijze bekoord.

Het vuur beproeft het ijzer, de bekoring den rechtvaardigen mensch.

Dikwijls weten wij niet wat wij kunnen; maar de bekoring toont wat wij zijn.

G. Xochthans moet men waken, vooral bij den aanvang eener bekoring: want lichter wordt de vijand overwonnen, als men niet duldt dat hij de ziel binnentreedt,

-ocr page 50-

36 I BOEK. XIII HOOFDSTUK.

maar licra, zoodra hij aanklopt, aan don drempel weert.

Daarom heeft iemand gezegd: weder-sta hel hecfin: ie laat komt de artsenij , wanneer hef hraad door lan/f verzuim de overhand heeft t/ekrefjen.

ant eerst vertoont zich aan de ziel de eukeie gedachte , dan eene sterke verbeelding, vervolgens het welbehagen de kwade beweging en de toestemming.

Zoo treedt de booze vijand allengskens geheel binnen, als men hein niet in den beginne tegenstand biedt.

En hoe langer iemand wacht: met weerstand bieden , hoe zwakker hij dagelijks in zichzelven wordt, en hoe sterker tegen hem de vijand.

7. Sommigen lijden zwaardere bekoringen in liet begin hunner hekeering, anderen op het einde.

Sommigen worden gekweld schier hun leven lang, anderen slechts licht bekoord, volgens de wijze en billijke schikkingen Grods, die den staat en de verdiensten der menschen weegt, en alles tot heil zijner \\iitverkorenen voorl)eschi kt.

8. Daarom moeten wij, wanneer wij

-ocr page 51-

I BOEK. XIII HOOFDSTUK. 37

bekoord worden, niet wanhopen, maar te vuriger God bidden, dat Hij ons in alle wederwaardigheid gelieve bij te staan : Hij toch zal, volgens het gezegde van P a n lus, met de helcurimj ook da uitkomst (/even om ze te kunnen verdragen.

\'Buigen wij dan bij alle bekoring en wederwaardigheid onze zielen onder de hand van God: want Hij zal de nederi-gen van geest redden en verheffen.

9. Welken voortgang de menseh gemaakt heeft, blijkt bij bekoringen en ongevallen. Ook dan neemt de verdienste toe en komt de deugd meer uit.

Het is niets groots dat een menseii godvruchtig en ijverig is, als hij niets zwaars gevoelt, maar wanneer hij ten tijde van tegenspoed het geduldig uithoudt, dan is er hoop op grooten voortgang.

Sommigen worden voor zware bekoringen bewaard en dikwijls in kleine, dage-lijksche overwonnen; opdat zij, vernederd , in liet groote nooit te veel op zich-zelven mochten vertrouwen daar zij in het kleine zoo zwak zijn geweest.

-ocr page 52-

38 1 BOEK. XIV HOOFDSTUK.

GEBED.

!Dat de meusch aan veelvuldige be-koringen is blootgesteld, o Crod! ondervind ik genoeg. Van alle kanten doen zich vijanden op en moet ik mij ten strijde gereedhouden. Doch, wol verre van deswegens ontevreden te zijn, eerbiedig ik ook hierin uwen heiligen wil. Ja de bekoringen zijn inij nuttig; want zij oefenen mijne deugd. Gelukkig zij , zoo zij de proef uithoudt! Geef mij hiertoe uwe genade, o God ! waardoor ik alles vermag; help mij strijden en overwinnen.

VBERTI KAM) H J1 ÜOFIJSTL\'K.

Over de VicUtvaardige oordeelvellinqen.

1. Sla uw oogen op uzelven en wacht u de daden van anderen te bcoordeelen.

Wie anderen beoordeelt werkt vergeefs, dwaalt veel en zondigt licht.

Maar wie zichzelven beoordeelt en beproeft, werkt altoos met vrucht.

Zooals eene zaak ons ter harte gaat,

-ocr page 53-

I 130EK. XIY llOOFDSTUK. 39

oordeelen wij veeltijds daarover; want door onze eigenliefde wijkt ons oordeel licht van de waarheid af.

Ware Grod altoos het eenige doel onzer begeerten , wij zouden zoo licht niet ontroerd worden als men onzen zin weerstaat.

2. Maar dikwijls schuilt er van binnen iets of doet zich iets van buiten op, dat ons nog medesleept.

Velen zoeken in hetgeen zij doen heimelijk zich zei veu , en weten liet niet.

Ook schijnen zij in goeden vrede gevestigd, als de zaken naar hun wensch en zin gaan : maar valt iets tegen hun wensch uit, terstond zijn zij ontroerd en droevig.

Uit het verschil van meening en gevoelen ontstaat dikwijls genoeg tweedracht tussch en vrienden en medeburgers, tusschen geestelijke en godvruchtige personen.

3. Eene oude gewoonte laat zich moeilijk afleggen; en niemand wordt gaarne van zijn eigen zienswijze afgebracht.

Indien gij meer steunt op eigen doorzicht of kloekheid, dan op de kracht

-ocr page 54-

^ 1 BOEK. XIV ilOOUSTCK.

uweronderWepping aau Jezus OhHs-

linlif 0 ,zelcleu 011 Jaat een ver

in Ml man worden.

ruimers God wil dat wij ons volko-■quot;on aan J eu. onderwerpen . on dat wii

sraag?..................

lt; r E IJ E D,

O (lod ! deze overwe-rin.\' „„ ln\'JU Vau ^eldadigen 1uvJS /■ijn.mim oog ziel, op U gevestigd houden en nw wd mij steeds voor den geest zweven ! dan zoude ik mij in vele m zichten voorziel,tiger gedragen , en niet zoo vaak over mijn broeder een lichtvaardig oordeel vellen. Doe mij wijzer

quot;eh\'en\'1 z ] \'^^oude meT m !

zeJven, zonder mij met anderen te be moeien. TJ alleen te beminnen, te behagen zy mijn doel ; mijn eigen heil e bevorderen, mijne hoofdbezigheid!

-ocr page 55-

I BOEK. XV llOOFDSTUK. 11

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Over de werken uit liefde verricht.

1. Om uiels ter wereld en ter liefde van geen eenig meuscli mag men iets kwaads doen.

Nochtans mag men vrij, ten nntte van hem die het noodig heeft, somtijds eeuig goed werk uitstellen of liever door een beter vervangen.

Óp deze wijze toeh gaat het goede werk niet verloren, maar in een heter over.

Zonder liefde kan een uitwendig werk niets baten.

Maar alles wat uit lielde geschiedt, hoe gering en ongeacht het zij , wordt geheel vruchtbaar.

Want God weegt meer waarom iemand handelt, dan de daad die liij verricht.

2. Hij doet veel , die veel liefheeil. Ook doet hij veel, die iels wM doet.

lüij doet wM, die meer het algemeen belang dan zijn eigen wil dient.

Dikwijls schijnt iets lielde te zijn en

-ocr page 56-

42 1 BOEK. XV HOOFDSTUK.

is eerder zinlijkheid: want zelden laten natuurlijke neiging , eigen wil, hoop op vergelding , baatzucht zicli buitensluiten.

3. Wie eene ware en volmaakte liefde bezit, zoekt in niets zichzelven, maar wenscht dat de eer van God alleen in alles bevorderd worde.

Ook benijdt hij niemand, omdat hij geen vreugd bemint die hij alleen geniet.

IS\'iet in zichzelven wil hij zich verheugen, maar iu God wenscht hij boven alle goederen zijne gelukzaligheid te vinden.

Aan niemand schrijft hij iets goeds toe , maar brengt liet geheel terug tot God , uit wien als uit eene bron alles voortvloeit, en in wien als hun laatste einde alle Heiligen zalig rusten.

O ! wie een vonkje der ware liefde bezat, hij zou in waarheid gevoelen dat al het aardsche vol ijdelheid is.

(; E 15 K 1).

God der liefde! bron der zuiverste Heide! van wiens liefde alles wat aanzijn heeft getuigt, en die door liefde uwe

-ocr page 57-

1 HOEK. XVI HOOFDSTUK. 13

i redelijke schepselen ten lioogsten trap 1 van volmaalvtlieid brengl . vervul mijn ;

hart met zulk edel gevoel. Greef dat ik i U boven alles, en mijnen naaste lief- li j hebbe als mijzei ven. Zonder liefde kan ij I ik U nimmer behagen, geen leerling i I van Jezus zijn; zonder liefde is alles i ijdel, en mijn Christendom eene hersen-I schim.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Over hef verdragen der f/ehrelcen van anderen.

j 1. Wat de mensch in zich zeiven of • in anderen niet kan verbeteren, dat i j moet hij geduldig verdragen, totdat God J het anders beschikke.

Denk dat het zoo wellicht beter is om u te beproeven en in lijdzaamheid j te oefenen , zonder welke al onze ver-1 diensten niet veel te achten zijn.

Nochtans moot gij bij zulke bezwaren : bidden dat God u te hulp kome, opdat j gij ze goedwillig moogt verdragen.

2. Indien iemand, eens of tweemaal

-ocr page 58-

; ! ItOKK. XVI HOOFDSTUK.

vermaand, mot luistert, wil niet met hem twisten; maar geef het alles aan God over , opdat zijn wil geschiede en Hij in al zijne dienaren verheerlijkt worde ■\'llii quot;\'Pel wel liet kwade in het goede te verkeeren.

Beijver u geduldig te zijn in het verdragen van de gebreken en allerlei zwakheden van anderen, daar ook gij veel liebt, dat anderen verdragen moeten.

Ivunt gij nzelven niet zoo maken als gij wenseht, hoe kunt gij dan een ander naar uwen zin hebben ?

3. Wij willen gaarne anderen volmaakt nebben, en wij verbeteren onze eigen gebreken met. 6

Wij willen dat anderen streng bestraft

bestraffe\' dat meU üns

Veel toegevendheid voor anderen mis-naagt ons, en noelitans willen wij niet quot;at men ons weigere hetgeen wij vragen.

\\i ij willen dat anderen door rebels m toom gehouden worden, maar zeiven willen wij m niets bedwongen zijn.

J)iis blijkt het hoe zelden wij onzen naaste als onszelven acliten.

II

-ocr page 59-

I HOKK. XVI 11OO KUST IT ic. j 15

Waren allen volmaakt, wat zonden wij clan van anderen om Crodswil te verdragen liebben ?

I. Maar nu heeft (Tod het zoo ge-sehikt, opdat wij leeren elkanders lasten te dragen.

Want er is niemand zonder gebrek, niemand zonder last, niemand ziehzelven genoegzaam, niemand voor ziehzelven wijs genoeg.

Daarom moeten wij elkander verdragen , elkander troosten , gelijk ook helpen, onderwijzen en vermanen.

Hoe groot dan de deugd van iemand zi j, blijkt best ten tijde van tegenspoed.

Want niet de gelegenheden makenden mensch zwak , zij toonen wat hij is.

G- E B E Tgt;.

Hoe verre nog, o God! ben ik van den geest dezer lessen verwijderd! Eigenliefde belet mij doorgaans mijne eigene gebreken te zien , en ik wil mij nochtans als verbeteraar mijns broeders opwerpen ! Hoe strijdig is dit gedrag met de liefderijke voorschriften van het heilig Evangelie ! Laat toch deze voorschriften meer

-ocr page 60-

46 l BOEK. XV11 JIÜOÏDSTUK.

; indruk op mij maken; leer mij anderen I verdragen, gelijk zij mij verdragen moe-j ten, overeenkomstig de les van uwen | Zoon : al wat gij wilt dat anderen u doen, doe hun desgelijks.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het Moosierheen.

1. Grij moet uzelven in vele opzichten leeren huigen , wilt gij vrede en eendracht met anderen behouden.

Het is geen kleinigheid in een klooster of in een vereeniging te wonen, en aldaar zonder klachte te verkeeren en | getrouw te volharden tot aan den dood.

Gelukzalig hij die een vroom leven gelukkig voltrokken heeft!

Wilt gij behoorlijk volharden en voortgang maken, beschouw u als een hailing en vreemdeling op aarde.

Om Christus\' wil moet gij als een dwaas willen beschouwd worden , zoo gij een godvruchtig leven wilt leiden.

2. Kap en kruin doen er weinig toe; maar verandering van zeden onvolkomen

-ocr page 61-

I BOEK. XVII HOOFDSTF-lv. 47

versterving der driften maken den waren kloosterling.

Wie iets anders zoekt dan God alleen en liet heil zijner ziele, zal niets dan kwelling en smart vinden.

Ook kan hij er niet lang in vrede blijven , die niet tracht de geringste te zijn en aan allen onderworpen.

3. Gij zijt gekomen om te dienen, niet \' om te heerschen.

Weet dat gij geroepen zijt om te lijden I en te werken, niet om ledig te loopen of\' te klappen.

Hier dns worden de menschen beproefd, gelijk het goud in den oven.

Hier kan niemand het uithouden, tenzi j hij zich van ganscher harte ter liefde Gods wil vernederen.

GEB E D.

Ook voor mij, o God ! schoon in de wereld levende, heelt deze les haar nut. In eiken staat toch kan ik ü dienen , en moet ik op het heil mijner ziel aandachtig zijn. Waar ik mij ook bevind e , ooi moed, gods vruc lil en zelf beheerschiu g

4

-ocr page 62-

4S 1 I T50EK- XVIII HOOFDSTTTE.

blijven voor mij gewichtige Terpliclitm-gen. Leer mij die meer en meer kennen, en geef mij kracht om ze getrouw en standvastig ten uitvoer te brengen. Dat de wereld mij bespotte, zooveel zij wil; ik heb aan uw welbehagen genoeg.

ACHTTIE^ DE HOOFDSTUK.

Ocer het coorheeld der heilige Vadei\'S.

I . A\'estig het oog op de levendige voorbeelden der heilige Vaders, die uitblonken in de ware volmaaktheid en godsvrucht. en gij zult zien hoe gering het is, ja bijkans niets wat wij doen.

Ach! wat is ons leven bij het hunne vergeleken :

De Heiligen en vrienden van Christus hebben den Heere gediend in honger en dorsi . in koude en naaktheid , in arbeid en vermoeienis, in waken en vasten , in gebeden en heilige overdenkingen . in velerlei smaad en vervolgingen.

2. Hoe vele en zware verdrukkingen hebben niet ondergaan de Apostelen, de

-ocr page 63-

I BOEK. xvrn HOOFDSTUK. 19

Martelaars, de Belijders, de Maagden \' en al de overigen, die de voetstappen van Christus hebben willen volgen!

Want zij hebben in deze wereld hunne i zielen gehaat, om die voor het eeuwige \' leven te behouden.

Welk een streng en verstervend leven hebben de heilige Vaders in de woestijn geleid ! Wat langdurige en zware bekoringen hebben zij doorgestaan ! Hoe menigmaal werden zij door den vijand gekweld! Wat menigvuldige en vurige gebeden hebben zij Gode opgedragen , welke J strenge onthoudingen uitgeoefend !

Hoe grool was hun ijver en vurigheid tot geestelijken voortgang! Welken harden strijd voerden zij bij het beteugelen hunner gebreken ! Hoe zuiver en oprecht was hunne bedoeling lot Godgerieht!

Des daags arbeiden zij . en den naeht ; brachten zij mei Isinge gebeden door. schoon zij onder den arbeid niet ophielden met den geest te hidden.

\'i. Al iiun tijd hesteedden zij nuttig. Kik uur scheen hun le kort in den omgang, met God doorgebracht.

•lii, het liellijke der bespiegeling deed

-ocr page 64-

I BOEK. XVIII nOOFDSTPK.

lien do lu\'Iuiritr der licliamolijke verkwikking vergeten.

Van alle rijkdommen, waardigheden , eer, vrienden en bloedverwanten deden zij afstand : zij begeerden niets van de wereld te bezitten.

Xauwlijks namen zij \'s levens uouil-drul\'t; de verzorging des lichaams, zelfs in \'t noodzakelijke, viel him lastig.

I. Zij waren dus arm in aardsche goederen. maar zeer rijk in genade en cknigcleu.

Vaubuiteu llaclden zij gebrek , mnar vanbiuuen werden zij door de geuade en den goddelijker! troost verkwikt.

Der wereld waren zij vreemd, maar (lode zeer nabij en vertrouwelijke vrienden.

In bnn eigen oogen waren zij niets en bij de mensclien veraclit; maar in de oogen van God waren zij dierbaar en uitverkoren.

Zij volhardden in waren ootmoed; /.ij leefden in eenvoudige onderwerping; zij wandelden in liefde en lijdzaamlieid.

Kn daarom vorderden zij dagelijks in liet geestelijk leven en verkregen van God grooie genade.

50

-ocr page 65-

T quot;ROETC. XY1TT HOOFDSTUK. M

Zij zijn aan allo kloosterlingen tol voorbeeld gegeven, en zij moeten ons sterker aansporen tot gestadigen voortgang, dan de menigte la uwen tot verslapping.

5. Hoe groot was de ijver aller kloosterlingen bij den aanvang hunner heilige instelling 1 Hoe groot hunne gods-vrueht bij het gebed ! Hoe grool hun naijver tot deugd! Welke strenge tucht onderhielden zij ! Hoe bloeiden, hij allen, eerbied voor en onderwerping aan de voorschriften huns Meesters !

iS\'og heden getuigen de nagelaten sporen, dat zij waarlijk heilige e i volmaakte mannen geweest zijn, die zoo dapper strijdende de wereld onder den voet gebracht hebben.

Kn nu wordt hij groot geacht die geen overtreder is , die hetgeen hij op zich genomen heeft, geduldig kan dragen.

ü. O lauwheid en nalatigheid van onzen stand! dat wij van den eersten ijver zoo spoedig afwijken, ja wegens vermoeiing en traagheid het leven moede worden !

O, dat toch de zucht tot geestelijken voortgang niet geheel in u mocht slapen, die dikwijls zoo vele voorbeelden

-ocr page 66-

52 1 HOKIv. XIX 11 ()0 KI) STUK.

van gorlvriichti^en onder het oog gehad hebt!

a i: H i: D.

Schaamrood word ik , o God ! als ik mij de voorbeelden uwer heilige vrienden herinner, en mijn wandel daartegen overstel. Zoo niet in alles, toch in vele opzichten konde ik hen navolgen, al ware het alleen door zuivere godsvrucht en liefde tot deugd in mijn hart aan te kweeken. Maar ach ! hoe verre ben ik daarvan verwijderd 1 Wek dan bij mij den lust tot navolging op, ondersteun mij met uwe genade en help mij alle beletselen overwinnen.

XKGENTTENDE TT(KVKDSTrK.

0/v?r de. oefenimien van iïru waren Tclooslerlivfj.

1. liet leven eens waren kloosterlings moet in allerlei deugden uitschitteren, opdat hij inwendig zij zooals hij uitwendig den menschen voorkomt.

Ja, inwendig moet hij veel •meer zijn

-ocr page 67-

I BOEK. XIX HbOFDSTtTK. 53

dan men uitwendig aan liem bespeurt.

Want die in ons binnenste ziet is G od , dien wij, waar wij ons bevinden , ten hoogste moeten eerbiedigen , en voor wiens aangezicht wij zuiver als Engelen moeten wandelen.

Eiken dag moeten wij ons voornemen vernieuwen en ons tot ijver opwekken, als waren wij eerst heden tot bekeering gekomen.

Wij moeten zeggen : Help mij, Heere God! in mijn goed voornemen en in uwen heiligen dienst. Geef dat ik heden eens recht beginne : want, wat ik tot nu toe deed is niets.

2. Gelijk ons voornemen, zoo is de gang onzei\' vordering. En die wèl wil vorderen, moet groote vlijt aanwenden.

Want als hij die ernstig voorneemt dikwijls verflauwt, wat dan hij die zelden of min ernstig iets voorneemt ?

Nochtans geschiedt het verlaten van ons voornemen op velerlei wijze, en ook het geringste verzuim in onze oefeningen heeft nauwelijks plaats zonder eenig nadeel.

Der rechtvaardigen voornemen hangt

-ocr page 68-

54 I I quot;ROEK, XIX TTOOPDSTUK.

meer af van de genade Gods dan van eigen wijsheid ; wat zij ook ondernemen, op Hem vertrouwen zij steeds.

Want de mensch wikt, maar Grod beschikt, en \'s mensehen weg is niet in zijn eigen maeht.

.3. Indien nit godsvrucht of om liet nut eens broeders somtijds eene gewone oefening nagelaten wordt, zoo kan dit naderhand licht hersteld worden.

Maar indien men ze te licht uit tegenzin of onachtzaamheid verzuimt, zoo is dat zeer te berispen, en men zal het schadelijke ervan ontwaren.

Doen wij ons best, zooveel wij kunnen : nog in vele dingen zullen wij licht te kort schieten.

Desniettemin moeten wij altoos iets zekers voornemen, vooral tegen hetgeen ons het meest hindert.

Wij moeten zoo wel het uitwendige ais het inwendige onderzoeken en regelen: want beiden helpen tot voortgang.

4. Kunt gij niet aanhoudend tot uzel-ven terugkeeren, doe het evenwel somtijds, ten minste tweemaal daags, des morgens en des avonds.

-ocr page 69-

I RODk\'. XTX HOOPDSTFK.

\'s Morgens maak uw voornemen ; \'s avonds onderzoek uw gedrag; hoe gij dien dag geweest zijt in gedachten , woorden en werken; misschien hebt gij daardoor dikwijls God en den naaste heleedigd.

Omgord u als een man tegen de listen des duivels.

.Bedwing de onmatig!leid, en gij zult te i lichter al de neigingen van het vleesch beteugelen.

Wees nooit geheel ledig, maar altoos bezig met lezen of schrijven, of met bidden of overdenken, olquot; met iets nuttigs voor het algemeen te doen.

Lichamelijke oefeningen nochtans moeien met omzichtigheid geschieden : zij zijn niet voor allen even dienstig.

.). \\\\ at niet aan allen gemeen is, moei ! niet in het openbaar vertoond worden : j want de bijzondere oefeningen geschieden veiligst verborgen.

Wacht u intusschen van traag voor het algemeen en ijveriger voor liet l)ij-zondere te zijn.

Maar nadat gij het verschuldigde en opgelegde geheel en getrouw verricht

-ocr page 70-

56 I BOEK. XIX HOOFDSTUK.

hebt, on u nog tijd over, geef u

aan u/elven terug volgens liet verlangen uwer godsvrueht.

ïsiet allen kunnen dezelfde oefening hebben, maar den eene dient doze moer, gene eene andere.

Naar den eiseh der tijden beliaagt verschil van oefeningen : want doze zullen op de feest-, anderen op de gewone dagen meer bevallen; sommige hebben wij noodig ten tijde der bekoring, andore ten tijde van rust en vrede. Deze go-dachten behagen wanneer wij droevig zijn, gene als wij ons in den Heer verheugen.

ü. Togen de voorname feestdagen moeten nuttige oefeningen vernieuwd en dor Heiligen voorspraak te ijveriger afgesmeekt worden.

Van don oenen feestdag tot don andoren moeten wij ons voorstellen, alsof wij dan uit deze wereld verhuizen en tot het eeuwige feest overgaan zullen.

Daarom ook moeten wij ons op die tijden van godsvrucht zorgvuldig voorbereiden, godvruchtiger wandelen en te stipter al onze verpliohtingon nakomen,

-ocr page 71-

I HOEK. XIX HOOFDSTUK. .\'gt;7

alsof wij eerlang hei. loon on zes ar beids van God stonden te ontvangen.

7. En wordt dit uitgesteld, denken wij dan dat wij nog niet genoeg zijn voorbereid , en nog niet waardig die groote heerlijkheid , welke ons ten bestemden tijde zal worden geopenbaard, en trachten wij ons beter tot dien overgang voor te bereiden.

GeluJcTciy de knecht, staat er bij den Evangelist Lucas, dien zijn JTeer b\'j I zijne Icomst ivaicend zal vinden ! Ik zen n voorwaar, Hij zal hem stellen over a! zijne goederen,

GEBED.

Ook voor mij , o God! moet deze overweging belangrijk zijn. Als menseh en Christen heb ik de verhevenste bestemming. Wee mij als ik in dit opzicht nalatig ben , en in deugd geenen of weinigen voortgang maak! Open mijn hart voor den invloed dier heilige leeringen, en laat mijn gedrag daarvan blijken dragen. Dau zul ik geen lood behoeven te vreezen; in het zalig bewustzijn van steeds wakend bevonden te worden en het toegezegde loon te zullen ontvangen.

-ocr page 72-

58 T TWF.K. XX TTOOPT^TTJK.

TW tjSTTGSTE HOOFDSTUK.

Over de Hef de tol eenzaamheid en sli Izivijgendheicl.

1. Kies een gesehikten tijd uit om met iizelvon bezig te zijn, en overdenk dikwijls de weldaden Gods.

Laat daar hetgeen voor de nieuwsgierigheid is; lees zulke stoffen welke meer liet hart roeren dan den geest bezig-bouden.

Zoo gij u onttrekt aan overtollige gesprekken en ledig rondloopen, aan bel boeren naar nieuwigbeden en geruebten , lit genoeg en bekwamen tijd vinden om u aan heilzame betraebtingen over te geven.

J)e grootste Heiligen, zooveel zij kouden , vermeden den omgang met meu-scben en verkozen liever God in de eeu-zaambeid te dienen.

2. Iemand beeft gezegd : quot; zoo dik-quot; werf ik onder de meuseben geweest quot; ben, keerde ik minder menseb terug. quot; lgt;il outwareu wij dikwijls, wanueer wij lang met elkander praten.

-ocr page 73-

I BOEK. XX nOOPDSTUK. I 59

Het valt lichter geheel te zwijgen, dan in woorden zich niet te bniten te gaan.

Het Talt lichter in hnis te blijven, dan zich buitenshuis genoeg in acht te nemen.

Wie alzoo tot liet inwendige en geestelijke komen wil, moet zich met Jezus van de menigte afzonderen.

Niemand verschijnt veilig in het openhaar dan hij , die zich gaarne verbergt.

Niemand spreekt veilig dan hij , die gaarne zwijgt.

Niemand is veilig overste dan liij . die gaarne onderdanig is.

Niemand gebiedt veilig dan liij . die wel geleerd heeft te gehoorzamen.

.3. Niemand verheugt zich veilig dan hij , die de getuigenis van een goed geweten in zich heeft.

Met dat al was der Heiligen gerustheid altoos gepaard met de vreeze Gods.

En zij waren daarom niet minder bezorgd en nederig, omdat zij in groote deugd en genade uitschitterden.

De gerustheid der boozen daarentegen komt van hoogmoed en vermetelheid voort, en gaal eindelijk in zelfbedrog over.

-ocr page 74-

I BOEK. XX HOOFDSTUK.

Boloolquot; ii liimmei* genist]icid iu dit loven, al schijnt «j;ij een goed kloosterling of godvruchtig kluizenaar te zijn.

4. Zij die in het oog der raenschen zeer, heilig waren , liepen dikwijls te

j grooter gevaar wegens hun te groot ver-| trouwen.

Daarom is het velen nuttiger dat zij niet geheel zonder bekoringen blijven . | maar dikwijls bevochten worden, opdat j zij niet te gerust zijn, zich niet lot hoogmoed laten vervoeren , ook niet te licht ij tot uitwendigen troost hun toevlucht 1} nemen.

Welk (\'«\'ii goed geweten zoude hij hebben, die nooit naar ccne voorbij-I gaande vreugde zocht , die zich nooit i met de wereld ophield !

Welk een grooten vrede en rnst zoude hij bezitten, die alle ijdele zorg afsneed, ! om slechts te denken aan God en zijne zaligheid, en zijne hoop te vestigen op Grod alleen.

5, Niemand is den hemelsehen troost

1 waardig , tenzij liij zicli ijverig in een ! 1 heilig heronu geoefend hebbe.

Will gij hartelijk geroerd worden, 1

-ocr page 75-

r BOEK. XX HOOFDSTUK. 61

(reed in uwe kamer eu sliiii liet gé-druisch der wereld buiten , gelijk er ge- j schreven staat: hebt hero uw op mee legerstede. ( Ps. 4.)

Tn uwe cel zult gij vinden wat gij dikwijls daarbuiten zoudt verliezen.

Yeel bewoond, wordt de cel steeds aangenaam, maar slecht bewaard, baart zij verveling.

Hebt gij haar in het begin uwer be-keering wel bewoond en gehouden. zij \' zal ii daarna eene geliefde vriendin en ; zeer dierbare troosteres worden.

6. Tn de stilte en rust maakt eene godvruchtige ziel voortgang, eu leert de geheimen der Schriften kennen.

\'Daar vindt zij stroomen van tranen , 1 waarin zij zich alle nachten wascht en ! reinigt, opdat zij met baren Schepper te gemeeuzaiuer worde . boe meer zij zich van al bet gewoel der wereld verwijdert.

Wie zicb alzoo van zijne vrienden en bekenden afzondert, dien nadert God met zijne heilige Kngrlen.

liet is beter verborgen te blijven en voor zicb Ie zorgen, dan wouderen te i] doen en zich Ie verwaarloozen.

-ocr page 76-

62 I I BOEK. XX nOOFDSTUX.

7. Het is loffelijk in ecu kloosterling dut hij zelden uitgaat, vermijdt gezien te worden, ja de menschen niet wil zien.

AVaaroin zoudt gij willen zien hetgeen niet moogt bezitten ? De wereld gaat roorhij en hare hef/eerlIjJckeid. (Joan. 2.)

De trek der zinnelijkheid lokt u tot uitgaan; maar wanneer het uur voorbij is, wat anders brengt gij terug dan een bezwaard geweten en een verstrooid hart ?

Een vrolijk uitgaan baart dikwijls een treurig thuiskomen. Kn een vrolijke late avond maakt een droeven morgen.

Zoo treedt alle zinnelijk vermaak aangenaam binnen , maar op het einde kwetst en doodt het.

8. Wat kunt gij elders zien dat ^ij hier niet ziet ? Ziedaar den hemel en de aarde en al de hoofdstoffen : daaruit is toch alles samengesteld.

Wat kunt gij ergens zien , dat ouder de zon kan staande blijven ?

Gij denkt misschien u te kunnen verzadigen, maar daartoe kunt gij niet komen.

Kn al zaagt gij ook alles voor uw oogeu. wat zoude het anders dan een ijdel gezicht zijn ?

-ocr page 77-

I BOEK. XX HOOFDSTUK.

Hef uwe oogen tot G-ocl iu de hoogte, en i j bid voor uwe zouden en nalatigheden.

9. Laat den ijdele het ijdele en let gij | slechts op hetgeen God u gebiedt.

Sluit uwe deur achter u en roep tot u 1 Jesus, uwen geliefde.

Blijf met Hem iu uwe cel: want ner- i gens zult gij zooveel rust vinden.

Waart gij niet uitgegaan, noch hadt gij j | naar geruchten geluisterd, gij zoudt, be- i I ter iu goede rust gebleven zijn.

Yan het oogenblik dat gij vermaak hebt 1 om somtijds iets nieuws te hooren, moet | i gij ook daarvan de kwelling des harten ; dragen.

» a E B E D.

Mocht, o goede \\rader! deze overwe- ! i ging voor mij heilzaam zijn, en ik in een 1 ; stil, ingetogen, ja somtijds afgetrokken ;

leven behagen vinden! Ook midden in de | wereld zoude ik mij onbesmet bewaren en ; : het heil mijner ziel als mijn hoogste doel \' betrachten kunnen. Uw bijzijn zoude mij alle opoffering vergoeden, en een blik op eene zalige toekomst, allen last verzachten.

0 r

-ocr page 78-

64 i boek. xxi hoofdstuk.

Geef in ij hiertoe uwe genade, en doe op mijnen wenscli uw zegen rusten.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het herouw des harten,

t. Wilt gij eenigen voortgang maken, bewaar u in de vreeze Gods, wees niet te vrij, maar houd al uwe zinnen onder tucht en geef u niet aan eene dwaze vreugde over; schik u tot een hartelijk berouw, en gij zult de godsvrucht vinden.

Het berouw geeft toegang tot veel goeds dat door uitgelatenheid doorgaans dra verloren gaat.

Het is te verwonderen dat een mensch ooit in dit leven recht vrolijk kan zijn, als hij zijne ballingschap en zoo vele gevaren zijner ziele gedenkt en overweegt.

2. De lichtzinnigheid des harten en de onoplettendheid op onze gebreken zijn oorzaak dat wij de smarten onzer ziel niet ontwaren; dikwijls lachen wij dwaselijk , daar wij met reden moesten weenen!

Er is geen ware vrijheid noch rechte

-ocr page 79-

1 quot;BOEK. XXI HOOFDSTUK. 65

vreugde, tenzij iu de vreeze Gods en in een goed geweten.

Gelukkig hij, die alle verstrooiende liindernis afwerpt en de krachten zijner ziel tot een heilig berouw verzamelen kan.

Gelukkig hij, die alles wegwerpt wat zijn geweten kan bevlekken of bezwaren.

Strijd moedig! eene gewoonte wordt door eene gewoonte overwonnen.

Kunt gij u ontdoen van de menschen , oo laten doen.

aan, noch meng u in de aangelegenheden der grooten.

Heb voor alles steeds liet oog op uzelven, en vermaan uzelven bijzonder boven al uwe vrienden.

Hebt gij de gunst der menschen niet wees daarover niet bedroefd; maar dit valle u zwaar, dat gij u zoo wel en omzichtig niet gedraagt, als een dienaar Gods en vromen kloosterling betaamt.

Dikwijl s is het nuttiger en veiliger dat de mensch in dit leven niet veel vertroostingen hebbe, vooral naar den vleesche.

Xochtans dat wij geen goddelijken troost ontvangen of zelden dien onlwa-

-ocr page 80-

I BOEK. XXI HOOFDSTUK.

reu, is ouze schuld, ouidat wij liet berouw des harten uiet zoeken en den ijde-leu uilerlijken troost niet geheel verwer-

1 K\'U.

1. Erken dat gij den goddelijken troost I onwaardig en eerder velerlei kwellingen waardig zijt.

Wanneer een mensch waarachtig he-vouw heeft. dan valt hem de geheele wereld zwaar en hitter.

Een rechtschapen mensch vindt stols ; genoeg om bedroefd te zijn en te weeneu.

Want hetzij hij zichzelven beschouwt, hetzij over zijnen naaste nadenkt, hij weet dat hier niemand leeft zonder smart, en hoe nauwkeuriger hij zichzelven gade-1 slaat, lioe bedroefder hij is.

Stoffen eener rechtmatige droefheid en van een innerlijk berouw zijn onze zonden en ondeugden, waarin wij zoo verstrikt liggen, dat wij zelden hemelsche dingen kunnen beschouwen.

5. Indien gij meer aan uwen dood dan aan een lang leven dacht, ongetwijfeld zoudt gij met meer ijver u verbeteren.

Zoo gij onk de toekomende straffen der helle of van het vagevuur ernstig

-ocr page 81-

I BOEK. XXI HOOFDSTUK.

0 v cr w (jogt j clan j geloot ik. zoudt gij lt;vr-beid cu smart gewillig verdragen cu geeuc gestrengheid vreezen.

Maar omdat dit niet tot liet hart doordringt , en wij nog gehecht zijn aan \'t geeii ons streelt, daarom blijven wij koud en zeer traag.

(i Het is dikwijls bij gebrek aan geesteskracht, dat het ellendige lichaam zoo

1 lichtelijk klaagt.

Bid dan ootmoedig tot God dat Hij u den geest van berouw geve cn zeg met den Profeet: Spijs mij , u Itecr ! met tra-■ iienhrood, en Umt mij in overvloed tranen \\ drinken. (Ps. 79)

i; E B n i).

Mocht ik , o God, den toestand mijns harten kennen cn tegelijk de misdaden overwegen die het bevlekken , mot de menigvuldige gebreken die daarin als ingeworteld zijn ; tranen van berouw zouden mijn aangezicht bedekken , en meer dan ooit zoude ik de verbetering mijns wandels ter hartenemen. Doe mij voor deze zelfkennis vatbaar werden;

-ocr page 82-

68 I BOEK. XXII HOOFDSTUK.

geef mij een berouwhebbend hart, vervul bet met eene beilige vrees en verban daaruit alle aardsehe geziudbeden.

ÏWKE K\\ TWTXÏTGSTK HOOFDSTUK.

Rrsc/ioiiiriiir/ der menxc/iejijke pUendc.

1. AVaar gij ooi; zijt en werwaarts gij u wendt, zoo gij u niet tot God keen\', gij zult ellendig zijn.

Waarom wordt gij ontsteld , wanneer bet u niet gaat naar wil en wenseb.

Wie is bij die alles naar zijnen wil beeft: Xoeb gij, noch ik. noeb eenig tnenseh op aarde.

Er is niemand ter wereld zonder eeni-gen druk of kwelling, bij zij koning of paus.

Kn wie is er bet beste aau ? Voorzeker, die iets voor God kan lijden,

\'2, Vele ouverstandigen en zwakken zeggen : wat beeft die menseb een goed leven ! boe rijk is bij ! boe groot 1 boe maebtig ! hoe verheven !

-ocr page 83-

_ ^

I BOEK. XXII HOOFDSTUK. 69

Maar let op de goederen des hemels. en gij zult zien dat al deze tijdelijke niets zijn, maar zeer onzeker en eer tol last, omdat men die nimmer zonder zorg en vrees kan bezitten.

\'s Mensclien geluk bestaat niet in overvloed van tijdelijke goederen te lieblum ; de middelmaat is hem genoeg.

Tn waarheid, het is eene ellehde op aarde te leven.

Hoe meer de mensch naar het geestelijke traeht, hoe bitterder hem het tegenwoordige leven wordt: want temeer gevoelt hij en te klaarder ziet hij het gebrekkige zijner bedorven natuur.

Want eten, drinken, waken, slapen , rusten, arbeiden, en al de andere behoeften der natuur onderhevig te zijn . is waarlijk eene groote ellende en droefheid voor den godvruehtigen mensch , die zoo gaarne van dat alles ontheven en vrij van alle zonde wezen zou.

.3. Inderdaad de inwendige inenseh wordt in deze wereld door de liehame-lijke behoeften zwaar gedrukt.

Daarom bidt de Profeet vurig om daarvan bevrijd te mogen worden , zeg-

-ocr page 84-

70 I BOEK. XXII HOOFDSTUK.

geneic : Heer ! red mi) uit mijne nooden, (Ps. 24.)

j\\Iaar wee hun, die hunne ellende niet kennen ! En nog meer wee hun , die dit ellendig en vergankelijk leren beminnen !

Want sommigen zijn daaraan zoo gehecht, schoon zij nauwelijks door arbeid of bedelen het noodige hebben, dat zij, mochten zij hier altoos leven, zich om het rijk van God niet zouden bekommeren.

4. o Dwazen en ongeloovigen van harte , die zoo diep in het aardsche liggen, dat zij in niets dan in het vlee-schelijke smaak hebben !

Maar die ongelukkigen zullen tot hunne smart op het einde ontwaren, hoe laag en nietig het was wat zij bemind hebben.

De Heiligen Gods daarentegen en alle getrouwe vrienden van Christus gaven geen acht op hetgeen het vleesch behaagde , noch op hetgeen in deze eeuw in aanzien was; maar al hun hopen en begeeren haakte naar de eeuwige goederen.

-ocr page 85-

I BOEK. XXII liOOl\'DSÏUK. 71

Al liun verlangen streefde naar^boven. naar liet duurzame en onzichtbare , opdat zij niet door liefde tot het zichtbare naar de laagte mochten getrokken worden.

5. o Broeder 1 verlies toch nooit het vertrouwen op voortgang in liet geestelijke : gij hebt nu nog tijd en gelegenheid.

Waarom wilt gij uw voornemen tot morgen uitstellen ? Sta op, begin oogen-blikkelijk en zeg : nu is het tijd om te werken, nu is het tijd om te strijden; nu is het de bekwame tijd om mij te verbeteren.

Wanneer gij het kwalijk hebt en gedrukt wordt, dan is het tijd om te verdienen.

Grij moet eerst door vuur en water gaan, voordat gij tot verkwikking komt.

Zoo gij »i geen geweld aandoet, zult gij de ondeugd niet meester worden.

Zoolang wij dil broze lichaam omdragen, kunnen wij evenmin zonder zonde wezen, als leven zonder verdriet en smart.

Gaarne zouden wij van alle ellende bevrijd zijn, maar dewijl wij door de

-ocr page 86-

72 I BOEK. XXII HOOFDSTUK.

zonde de onsehuid verloren hebben , is ook het ware geluk voor ons verbeurd.

Daa rom moeten wij geduld hebben en Gods barmhartigheid afwachten , totdat de ongerechtigheid voorbijga en het sterflijke verslonden worde door het leven.

0. Ach ! hoe groot is de menschel ijk c zwakheid, altoos overhellende tot ondeugd !

Heden belijdt gij uwe zonden, en morgen doet gij opnieuw wat gij gebiecht hebt.

Xu neemt gij u voor te wachten , en een uur daarna gedraagt gij u als hadt gij u niets voorgenomen.

Met recht dan kunnen wij ons ver-ootmoedigen en nooit eenig hoog gevoelen van onszelven hebben, daar wij zoo broos en onstandvastig zijn.

Ook kan spoedig door onachtzaamheid verloren gaan, wat wij eindelijk na veel arbeids en door de genade nauwelijks gewonnen hadden.

7. Wat zal er nog op liet einde van ons worden, die reeds zoo vroeg lauw zijn.

Wee ons, indien wij nu al zoeken te rusten, als ware er nu reeds vrede en

-ocr page 87-

I BOEK. XXII HOOFDSTUK.

veiligheid, daar er zicli noch geen spoor van ware heiligheid in onzen wandel vertoont!

JTel ware wel noodig dat wij ons , als goede beginners, van nieuws tot betere zeden lieten opleiden, of er nog hoop inoclit zijn op eénige toekomende ver-botering en grooteren voortgang in de deugd.

G- E Ti E T).

Ja, mijn God 1 dit leven is aan velerlei ellende onderhevig. Er is niemand of liij heeft zijne kwelling, van welken rang of stand hij zij. En nochtans zijn wij aan dit leven zoo zeer verslaafd , dat wij liet overmatig beminnen, ja vaal\' tol ons hoofddoel maken. Leer ons toch dit leven uit het ware oogpunt beschouwen , als ecne voorbereiding tot een heter; dat het gevoel onzer ellende ons losinake aan het aardsche, en het verlangen naar het hemelsche opwekke.

73

-ocr page 88-

I BOEK. XXIII HOOFDSTUK.

DlUE EN TWIjSTIG-ÖTE HOOFDSTUK.

Overdenkiny des doods.

I. Hier zal liet weldra met u gedaan zijn : zie maar hoe liet met u gesteld is : heden is de menseli, en morgen verschijnt hij niet meer. En is hij eens uit de oogen, dra is hij ook uit de gedachte.

o Blindheid en versteendheid van het menschelijk hart, dat men slechts aan het tegenwoordige denkt en het toekomende niet meer vooruitziet.

Gij moest n bij al uw doen en denken zoo gedragen, als moest gij heden sterven.

Hadt gij een goed geweten, gij zoudt den dood niet veel vreezen.

Het ware beter de zonden te vermijden dan den dood ie ontvluchten.

Zijt gij heden niet bereid, hoe zult gij hel morgen zijn? Morgen is een onzekere dag , en hoe weet gij of gij den dag van morgen hebben zult ?

Wat baat het lang te leven, als wij ons zoo weinig verbeteren.

-ocr page 89-

1 BOEK. XXIII HOOFDSTUK\'.

Aoh ! eeu lang leven raaakt niet altoos beter . maar vermeerdert dikwijls de schuld.

O, mochten wij ook maar een dag in deze wereld wèl geleefd hebben !

Velen tellen de jaren sedert hunne bekeering; maar dikwijls is de vruclil van verbetering gering.

Ts het verschrikkelijk te sterven, het zal wellicht gevaarlijker zijn langer te leven.

i Grelnkkig hij , die het uur zijn^ doods ! steeds voor oogen houdt en zich dage-I lijts tot sterven bereidt.

Zaagt gij ooit een mensch sterven, denk ij dat ook gij denzeif\'den weg gaan zult.

3. Rijst de morgenstond, denk dat gij den avond niet halen zult; en is de : avond daar. durf u den dag van morgen | niet beloven.

Wees dus altoos gereed, en leef zoo dat de dood u nimmer onbereid vinde.

Velen sterven schielijk en onverwachts: i ivant des menschea zoon zal komen op een uur ah men het niet denkt. (Luc. 12)

En nis dat laatste uur zal gekomen zijn, zult gij over geheel uw vorig leven

-ocr page 90-

T BOEK. XXI If HOOFDSTUK.

heel anders beginueu te denken, en n zeer beklagen dat gij zoo traag en 011-aelitzaam geweest zijt.

-J. Hoe gelukkig en wijs is liij, die nu lgt;ij zijn leven zoo traelit te zijn, als liij bij zijnen dood wenselit bevonden te worden !

Want een groot vertrouwen op een gelukkigen dood geven eene volkomen verachting der wereld, een brandende ijver om in de deugd voort te gaan , liefde tot tucht, strenge boetedoening, vaardige gehoorzaamheid, zelfverloochening , en liet geduldig dragen van allerlei rampspoed uit liefde tot Christus.

Yeel goeds kunt gij doen terwijl gij gezond zijt; maar wat gij ziek zijnde zult kunnen doen, weet ik niet.

Weinigen worden door ziekte verbeterd, gelijk zij die veel bedevaarten doen, zelden heiliger worden.

5. Vertrouw niet op uw vrienden en bekenden, noch stel uw heil tot in de toekomst uit : want de menschen zullen u spoediger vergeten dan gij denkt.

Beter is het nu bijtijds te voorzien

-ocr page 91-

r I BOEK. XXIII HOOFDSTUK. \',\'i

en eenig goeds vooruit te zenden, dan op de liul)) van anderen te liepen.

Indien gij nu omtrent uzelven niet bezorgd zijt, wie zal in liet vervolg voor li bezorgd zijn ?

Nu is het een kostbare tijd, nu zijn liet de dagen des heils , nu is liet een aangename tijd.

Maar ach ! dat gij dieu niet beter besteedt, daar hij u toch gegeven is om een eeuwig leven te kunnen verdienen.

Eens zal de tijd komen , dat gij een dag, ja een uur ter verbetering zult terug-wenschen, en ik weet niet of gij het verwerven zult?

(i. Ach, zeergeliefde ! uit hoe groot gevaar kunt gij u redden en van hoe groote vrees u bevrijden, zoo gij nu altoos in vrees en op den dood bedacht zijt.

Tracht nu zoo te leven, dat gij iu het uur des doods u meer verheugen dan ontrusten moogt.

Leer nu der wereld afsterven, opdat gij dan moogt beginnen met C hriutus te leven.

-ocr page 92-

74 I BOEK. XXIII HOOTDSTUK.

mUK EIS\' XWIjSTIGSÏK HOOFDSTUK.

Overdenking des doods.

1. Hier z;il het weldra met u gediiiui /ij ii ; xie maar lioe ]iet met u gesteld is : lieden is de menseli. eu morgen ver-seliijnt hij niet meer. En is hij eens uit dc oogen, dra is hij ook uit de gedachte.

o Blindheid en versteendheid Tan het menschelijk hart, dat men slechts aan het tegenwoordige deukt eu het toekomende uiet meer vooruitziet.

Gij moest u bij al uw doen eu deuken zóo gedragen, als moest gij heden sterven.

Hadt gij een goed geweten, gij zoudt deu dood uiet veel vreezen.

Het ware beter de zonden te vcriuij-tleu dan deu dood te ontvluehteu.

Zijt, gij hedeu uiel bereid, hoe zuil I gij het morgen zijn? Morgen is eeu onzekere dag , eu hoe weet gij of gij den dag van morgen hebben zult ?

\\\\ at baat bet lang te leven, als wij ons zoo weinig verbeteren.

-ocr page 93-

ï BOEK. xxni HOOFDSTUK\'.

Aoli ! een lang leven maalvt niet altoos ï beter , maai\' vermeerdert dikwijls de i scliuld.

O, mocliten wij ool\\ maar een dag in | deze wereld wèl geleefd hebben !

Velen tellen de jaren sedert bnnne j bekeering; maar dikwijls is de vrncbt 1 van verbetering gering.

Is liet verschrikkelijk te sterven, het I zal wellicht gevaarlijker zijn langer te 1 leven.

Gelukkig hij . die het imr zijns doods I steeds voor oogen hondt en zich dage-| lijks tot sterven bereidt.

Zaagt gij ooit een mensch sterven. denk ; dat ook gij denzelfden weg gaan zult.

3. Hijst de morgenstond, denk dat gij den avond niet halen znlt; en is de j avond daar, durf u den dag van morgen | niet beloven.

Wees dus altoos gereed, en leef zoo dat de dood u nimmer onbereid vinde.

Velen sterven schielijk en onverwachts: want des menachen zoon zal komen op een uur als men het niet denkt. ( Luc. 12)

En als dat laatste uur zal gekomen zijn, zult gij over geheel uw vorig leven

-ocr page 94-

I HOEK. XXIII HOOFDSTUK.

heel anders beginnen te denken, en u zeer beklagen dat gij zoo traag en 011-i achtzaam geweest zijl.

I. Hoe gelukkig en wijs is liij, die nu l)ij zijn leven zoo tracht te zijn, als hij bij zijnen dood wenscht bevonden te worden !

Want een groot vertrouwen op een gelukkigen dood geven eene volkomen verachting der wereld, een brandende ijver om in de deugd voort te gaan , liefde tot tucht, strenge boetedoening, vaardige gehoorzaamheid, zelfverloochening, en het geduldig dragen van allerlei rampspoed uitliefde tot Christus.

Teel goeds kunt gij doen terwijl gij gezond zijt; maar wat gij ziek zijnde zult kunnen doen, weet ik niet.

Weinigen worden door ziekte verbeterd, gelijk zij die veel bedevaarten doen, zelden heiliger worden.

5. Vertrouw niet op uw vrienden en bekenden, noch stel uw heil tot in de toekomst uit : want de menschen zullen u spoediger vergeten dan gij denkt.

Beter is het nu bijtijds te voorzien

-ocr page 95-

1 BOEK. XXJII HOOFDSTUK.

eu eenig goeds vooruit te zenden, dan op de hnlp van anderen te hopen.

Indien gij nu omtrent uzelven niet bezorgd zijt, wie zal in het vervolg voor ii bezorgd zijn ?

-Nu is liet een kostbare tijd, nu zijn het de dagen des heils , nu is het een aangename tijd.

Maar ach ! dat gij dien niet beter besteedt, daar liij u toch gegeven is om een eeuwig leven te kunnen verdienen.

Eens zal de tijd komen , dat gij een ja écu uur ter verbetering zult terug-weusehen, en ik weet niet of gij liet verwerven zult?

G. Acli, zeergelk\'tde! uit lioe groot gevaar kunt gij u redden eu van lioe groote vrees u bevrijden, zoo gij nu altoos in vrees en op den dood bedacht zijt.

Tracht nu zoo te leven, dat gij in het uur des doods u meer verheugen dan ontrusten moogt.

Leer nu der wereld afsterven, opdat gij dan moogt beginnen met Christus te leven.

-ocr page 96-

1 HOEK;. XXI11 UOOMiSTTJK.

Leer mi alles versmaden, om dan vrij tot Christus te kuuueu gaan.

Tuchtig nu uw lichaam door boetvaardigheid , opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben.

7. o Dwaas! waarom denkt gij lang te zullen leven , daar gij van niet óenen dag

zeker zijt?

Hoe velen worden bedrogen en om er-wacht s uit het lichaam gerukt.

Hoe dikwijls hebt gij niet hooren zcg-cren : » deze viel door het zwaard. die ° is verdronken; deze viel vaneene hoogte „en brak den nek, geene stikte m het „ eten, deze vond zijn emd onder het

i)e eene kwam om door het vuur. een ander door het staal, een ander dooide pest, een ander door strmkroovers. Kn zoo is het einde van allen de dood . en \'s menschen leven gaat als eene scha-duwe schielijk voorbij.

S. Wie zal uwer na den dood gedenken en wie zal voor u bidden?

J)oe dau, zeergeliefde! doe mi .\'U wat quot;ii doen kunt; dewijl gij niet »eet, wanneer gij sterven zult . en evenmin

-ocr page 97-

I BOEK. XXIII HOOFDSTUK. j 79

wat er na deu dood voor u volgen zal.

Terwijl gij nog tijd hebt, vergader n onvergankel ij k e schatten.

Denk aan niets dan aan uwe zaligheid; behartig slechts hetgeen Godes is.

Maak u nu vrienden door Grods Hei-ligen te vereeren en hun daden na te volgen. opdat zij u. wanneer gij uit dit leven scheiden zult, in de eeuwige woonsteden opnemen.

9. Houd u steeds als een reiziger en vreemdeling op aarde, wien de dingen dezer wereld niet aangaan.

Houd uw hart vrij en gericht naar boven tot God : want gij hebt hier geen duurzaam verblijf, (Hebr. 13)

Richt daarhenen dagelijks uw gebeden , uw zuchten en tranen , opdat na uw dood uwe ziel waardig zij een gelukkigen overgang tot den Heer. Amen.

GEBET).

Niets zekerder, o God! dan dat ik eens zal sterven, niets onzekerder dan wanneer dat oogenblik zijn zal. Aan U alleen is het bekend; heil mij, wanneer ik hieraan dikwijls denk en mij bijlijds

quot;6

-ocr page 98-

I BOF.K. XX1T ITOOrDSTU-K.

I,it inijiuMi ovorgang voorlioi-oid ! IJan

tu-i\'lH ilo dood uiets versflirilillt;olijlis. Hi,|

is mij ecu vriend on leidsman tol oen ■ holer\'loven. Geef mij . o God ! daartoe uwe genade. en doe mij steeds zoo lian- |! delen, als ik bij mijnen dood wcnselien zal geliandeld te hebben.

V1 Kil liN TWINTIGSTE HOüVD-STVK.

\'

Om- het oordeel en de straffen der zoi/den.

i, In allo zaken zie op liet einde en boe gij Toor den strengen Rechter verschijnen zult, wion niets verborgen is. j die door geen geschenken bevredigd i wordt, noch verontschuldigingen aanneemt, maar die oordeelt volgens het-lt;iccu recht is.

o Ellcudige on dwaze zoudciar . ^«it zult «rij antAVüorden aan een God, die al ivue verkeerdheden kent, gij die soms bot aanschijn ducht van oen toornig mensch r

Waarom gebruikt gij geen voorzorg tegen den oordeelsdag , wanneer niemand

-ocr page 99-

r BOEK. XXIT nOOFDSTFK.

door (vn ander zal Icimuen vrmnl-sfliuldi^d dI verdedigd worden. maar eenieder zich/elven tot last genoeg zal zijn.

Nu kan uav werk noeh vrnelit dragen, uw geween aangenomen. nw zuchten verhoord worden, uwe droefheid tot voldoening en reiniging strekken.

\'2. Een groot en heilzaam vagevuur heeft een geduldig menseh die, htgt;lledigingen ontvangende . meer de verkeerdheid van een ander dan het hem aangedane ongelijk betreurt; die gaarne voor zijne wederstrevers bidt en van harte het leed vergeeft ; die zelf niet\' aarzelt anderen vergiffenis te vragen; die iiehter tot ontferming dan tot toorn overgaat ; die ziehzelveu dikwijls geweld aandoet en hetvleeseh geheel aan den geest tracht te onderwerpen.

Het is beter zich nu te reinigen van de zonden en de ondeugden uit te roeien . dan ze voor de toekomstige reiniging te bewaren.

W aarlijk wij bedriegen onszelvcn door de ongeregelde liefde . welke wij tot het vleesch hebben.

-ocr page 100-

82 T BOEK. XXIV nOOFDSTTJK.

Wat iocli anders zal dat vuur ver-slinden dan uwe zonden ?

Hoe meer gij nu nzelven spaart en uwe zinnelijke lusten opvolgt , lioe zwaarder «rij hierna zult gestraft worden en hoe meer stof gij bewaart voor het vuur.

Waarin de menseh gezondigd heeft. daarin zal hij het zwaarst gestraft worden.

Daar zullen de tragen met gloeiende prikkels gestoken, en de gulzigen met grooten honger en dorst gekweld worden.

Daar zullen de wellustigen en ontueh-tigen met brandend pik en stinkende zua-vel overstort worden, terwijl de nijdigen als woedende honden zullen huilen van smart.

1. Ja geen ondeugd zal er zijn . die niet hare eigene foltering hebbe.

Daar zullen de hoogmoodigen mei allerlei smaad overdekt, en de gierigaards door het grootste gebrek benauwd worden.

Daar zal een uur strafs zwaarder zijn dan hier honderd jaren in de strengste boetedoening.

Daar zal geen rust , geen troost voor 1 de vcrooi-iloelden zijn; terwijl men )iier

-ocr page 101-

I IIOKK. XXIV IIOOKDSTL\'lv.

soms van zijnen arbeid uitrust en den 1 roost van vrienden geniet.

\'Wees dan hier hekoimnerd en bedroefd over uwe zonden, opdat gij ten oordeelsdage inel de gelukzaligen moogt veilig zijn.

Want dan zullen de reclUvaardliien me! (jroote vrijmoedu/heid op!reden legen degenen , die hen heani/slU^l en cerdnirct heb-hen. ( Sap. 5 )

Dan zal hij die zieh hier aan het oordeel der menschen nederig onderwierp , zelf opstaan om te oordeelen.

Dan zal de arme en nederige een groot vertrouwen hebben, terwijl de hoogmoedige van alle kant zal beven.

.*). Dan zal het blijken dat hij in deze wereld wijs was , die geleerd heeft om C h r i s t u s\' wil dwaas en veracht te zijn.

Dan zal elke geduldig verdragen wederwaardigheid vreugde geven, en alle boosheid de mond gestopt worden.

Dan zal elk godvruehtige juieheu enelk ongodsdienstige treuren.

Dan zal het gekruisigde vieesch zich meer verheugen , dan wanneer het steeds in weelde ware gekoesterd geweest.

-ocr page 102-

i s i I BOEK. XXIV ItOOFDSTUK.

Dan zal hei; grove kleed schitteren , I en het fijne gewaad zijn glans verliezen.

Dan zal de armoedige stnlp boven het ! vergulde paleis geacht worden.

Dan zal standvastige lijdzaamheid meer I haten dan alle aardsche macht.

Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid ! verheven worden boven alle wereldsche-j sluwheid.

ü. Dan zal een rein en goed geweten j meer vreugde geven dan eene groote ge-! leerdheid.

Dan zal de verachting van rijkdom-I men zwaarder wegen dan de schatten der i menschen.

Dan zal een godvruchtig gebed u meer ; troost geven dan de smakelijkste maaltijd.

Dan zult gij u meer verheugen over I het bezwaarde stilzwijgen dan over een | lang gesprek.

Dan zullen heilige werken meer gelden i dan vele schoone woorden.

Dan zal een streng leven en zware I boetpleging meer behagen dan alle aard-Ij sche vermaken.

Leer derbalve nn een weinig verdragen ■ om dun het zwaardere te kunnen ontgaan.

-ocr page 103-

I BOEK. XXIV HOOFDSTUK. *5

Beproef hier eerst wat gij naderhand zult kunnen.

Kunt nu zou weinig verdragen, hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen doorstaan ?

Indien een gering lijden u thans zoo ongeduldig maakt, wat zal dan de hel doen ?

Zie in waarheid, tweederlei vreugde k unt sli niet hebben: hier in de wereld ii vermaken, en naderhand met Christus heerschen.

En hadt gij eens tot den huidigen dag steeds in aanzien en wellust geleefd , wat zoude u dat alles baten zoo gij op hel oogenblik moest sterven ?

Alles is dus ijdelheid. behalve God lief te hebben en Hem alleen te dienen.

Hij toch , die Grod van ganseher harte liefheeft, vreest noch dood noch straf, noch oordeel noch hel, dewijl eene volmaakte liefde eenen veiligen toegang tot G od geeft.

Maar die nog vermaak in de zonde vindt, wat wonder zoo Inj den dood en het oordeel vreest?

Intusschen is het goed dat, zoo de

-ocr page 104-

8(i ï BOEK. XXIV HOOFDSTUK\'.

liül\'tle u van liet kwade iiog niet terughoudt, tenminste de vrees voor de hel u beteugele.

Maar wie de vreeze Gods terzijdestelt kan niet lang in liet goede staande blijven , maar zal welhaast in de strikken des duivels vallen.

GE B E I).

Op den dood volgt liet Oordeel, loon of straf, dit is eene waarheid waarvan niet valt te twijfelen. Gij , o Jezus! zult de Rechter zijn en eenieder loon naar werk en doen toekomen. Welk een gewichtig oogenhlik, waarvan ons lot voor eene eeuwigheid afhangt 1 Laat deze gedachte bij mij steeds levendig blijven en mij van het kwade afhouden; en wanneer dat oogenhlik genaakt, wees mij een Heiland, Gij, die onder ons verschenen zijt om zondaren te behouden en uw bloed voor hen deedt stroomen.

-ocr page 105-

I HOEK. XX\\\' HOOFDSTUK\'. S/

VIJF EJN1 TWr.NTfGSTK HOOFDSTUK.

Over de ijverige verheterïng onzen levens.

1. Wees waakzaam en vlijtig in den dienst van Grod en denk dikwijls : waartoe zijt gij hier gekomen, waarom hebt gij de wereld verlaten ? Was liet niet om voor God te leven en een geestelijk mensch te worden ?

Wees dns vurig om voort te gaan; want spoedig zult gij liet loon van uw arbeid ontvangen, en dan zullen vrees en smart u niet meer kunnen naderen.

Gij hebt nog een weinig te arbeiden , en zult eene groote rust Ja eeuwige blijdschap vinden.

BI ijlt gij getrouw en ijverig in wèl te doen , God zal ongetwijteld getrouw en overvloedig in vergelding wezen.

2. Gij moet steeds de goede hoop koesteren dat gij de kroon verkrijgen zult; maar gij moogt u daarvan niet verzekerd houden om niet te verflauwen noch hoogmoedig te worden.

-ocr page 106-

1 r.OKK. XXV HOOFDSTUK.

Tom and l)cgt;iiiigsi.igcl cn dikwerf tus-i sclien A\'i\'cos on lioop dobhorondo , op ; zokoron lijd door droollioid overmand, ! wierp zicii iu lt;1lt;gt; kwk voor eou altaar ! biddend neder, Mj zielizelyen denkende en ?,equot;gende : quot; o ! nloclit ik weten, dat | ik\' zonde volharden. quot; En terstond Uoor-II de hij van binnen dit goddelijk antn oord : | » zoo gij dit wist, wat zoudt gij willen ■ doen : — Doe nu hetgeen gij dan zoudt - willen doen, en gij znll zeker genoeg

quot; ziju- quot; .n

Én aanstonds vertroost en versterkt ,

gaf hij zich aan den wil van God over , en - zijn angstig dobberen hield op.

Tin hij wilde niet meer nieuwsgierig onderzoeken om te weten, wat hem overkomen zoude; maar beijverde zich te meer om te weten, welke de welbehage-| lijke en volkomen wil van God zij , om alle uoed werk te beginnen en te volem-

: den. ,,7/

3. yerti\'ouu\' op den Ifeei\', en doel hd t/oedi\'. zegt de \'Profeet, en (jij zul\' de i \',(,n-dr he tronen, en t/emed irorden van i haren ri\'/Icdom. (\'

Iets \'is er dat velen terughoudt van

-ocr page 107-

I tJOEK. XXV IIOOL\'DSTUK. 89

voortgang on ijverige verbetering : de vrees voor moeilijkheid of de last van den strijd.

Inderdaad maken zij boven anderen in de deugd don meesten voortgang die, wat hun het zwaarste is en meest tegenstaat, te ijveriger pogen te overwinneu.

Want daar vordert de inenseh meer en verdient hij overvloediger genade, waar hij zichzelven meer overwint en naar den geest afsterft.

-I. Niet allen hebben evenveel te overwinnen en af te sterven.

Maar altoos zal oen ijverig strever. al heelt hij ook meer driften, beter in staat zijn tot voortgang, dan een ander die, ofschoon van goede zeden, echter min-dor ijver hoeft voor de deugd.

Twee dingen vooral helpen zeer tor verbetering, te weten, zich met gewold aan datgene te onttrokken , waartoe do bedorven natuur overhelt, on ijverig to streven naar dat goede, wat ons hot meest ontbreekt.

Zoek ook datgene hot moosl te vermijden en te overwimien , wat n in anderen het meest mishaagt.

-ocr page 108-

, ndUK. XXV UOOW8WIC.

o in illc-i uwen voortgaug.

^ oW.............Uk-u\'

woi\'dt gij ook vau ^Xbroo-

HooaangenaajneuWuk^^^^

devs te zieu, alle yvei „ n , tig, eu even rem van zeden als „en

zsiam aan c\\e tucht 1 , i--i. ... fe

lluü bedr0eVorevegeldeuawauclel , die

^ZiZ^^rtoo zij geroepen **lt;* ^

S^leu OP datgene waannede

quot;T Weeesbenwt Gnomen besluit steeds gedaeldig eu stel u M l.eeld van den | OeVruiste voov ^ liet

; aIJ moei «a WOquot; ^ s ovel..

meerbe-

-ocr page 109-

I BOEK. XXT ITOOrDSTUK. 91

ijvml hebt oru llcui gclijlvvonuig te worden, ofschoon lt;;ij reeds lang op don wog van (rod geweest zijt.

Do kloosterling, die zioh aandaolitig on godvruchtig met hot allorhoiligst lovon on lijden dos Hoeren bezighoudt. zal djiar alios wal hem noodig on nuttig is in overvloed vindon, on behoeft buiten J ozus niets beters te zoeken.

O, mocht de gekruiste Jezus in ons hart komen, hoe spoedig en voldoende onderwezen zouden wij zijn !

7. Ken ijverig kloosterling draagt wol en neemt alles aan wat hom opgelegd wordt.

Een nalatig en lauw kloosterling hooft kwelling op kwelling on vindt zich van alle zijdon benauwd , omdat hij don in-wondigon troost mist, terwijl hom belet wordt don inwondigen to zooken.

Een kloosterling die zich aan de tucht onttrekt, stolt zich bloot aan zwaron val.

Wie gemak en toogovondhoid zoekt zal altoos in hot uamv zijn : want o.\' hot oouo ofquot; het andere zal hem mishagen.

8. Moe maken het zoo vele andere

-ocr page 110-

I BOEK. XXV BOOrBSTTK.

Idooslci-lin^Mi. (Vu- muil-V litoos civonff sebondcii ziju ■

\'Xamp;^*issrst*

l;on; Zij eten /.eei - spreTien wei-

^:VZ S op . aoeu

i^^^beden^l^en reel en ondevhou-

op de Bo.- j

\'tii /ulVlieiliquot; wei-l; Iraag Tevnehtel .

XSÏroote Menigte lcloostevlmgon (rods lof liegint te \'quot;Wquot;- ^ aoeu

\'X (). moflil gu 11 , t

liel\'lien dan onzen Heei- ^ ^ ,

iiav havt en mond ie loven .

r: /iquot;-1 .......quot;quot;quot;

\'quot;trfTl\'Soo.!.» l«l,o.ri.u «w.

\'32

-ocr page 111-

I BOEK. XXV HOOFDSTUK.

maai* sUvhls pvsiolijkr vcrkwikkiu^M» «lor ziele . Avelkc wij helaas ! zelden «xe-noeg smaken.

10. Wanneer de menscli /.ou Ter gekomen is dat hij zijnen troost bij lt;;ee-nerlei schepsel meer zoekt. dan eerst begint hij God volkomen te smaken. en dan zal hij weltevreden zijn met alles wat gebeurt.

Dan zal hij zich over het groove niel verblijden noch over het kleine bedroeven, maar hij zal zich geheel en met vertrouwen stellen in de hand van Ood. die hem alles in alles is; voor wien niets sterlt of vergaat, maar voor wien alles leeft en aan wiens wenk alles onverwijld gehoorzaamt.

1 i. Denk altoos aan uw einde en dat de verloren tijd niet wederkeert.

Zonder zorg en vlijt zult gij nooit deugden bekomen.

Zoodra gij begint te verflauwen zult gij beginnen liet kwalijk te hebben: maar geeft gij u aan uwen ijver over. ^ij zult grooten vrede vinden en den arbeid lichter gevoelen , wegens de genade Gods en de liefde tot de deugd.

93

j

-ocr page 112-

94 i boek. xxv hoordstok.

Kou ijverig en vlijtig monsel. is tot

al Hof r gvooter arbeid ondeugden en ai,un,u to woderstaan. dan onder Uelia-

quot;^U^eleSruictve^dt^

g.n.\'als gij don dag met vruelit bestcec.

heWaak over n.elven. spoor u^Itou vermaan n/.elvon. on wat or ooV van andoren zij , verwaarloos

Naarmate gij U7,elven geweld aanrtoei zal ook uw voortgang zijn-

ft f. b e j).

Wolk oen seliat van nuttige lessen bevat o God! voor mij deZe overwe-• r\' Miiclit ze ingt; mijn liart van „i-

trstel.rn\'.jnl^.waU.eid; leor .nij ge-

-ocr page 113-

I BOEK. XXV HOOFDSTUK. 95

breken uitroeien en in hunne plaats deugden aankweeken, opdat ik alzoo liet doel mijner beatemming nadere, heilig en zalig worde. Amen.

EINDE VAN HET EERSTE BOEK.

7

-ocr page 114-
-ocr page 115-

VERM ANTNO EN TOT II KT TNWENJ)IGr LEVEN.

-ocr page 116-
-ocr page 117-

EERSTE HOOFDSTUK.

Over den oinqanq met zichzelven.

1. Het rijk Gods is Vinnen u, zegt de Heer. ( Lue. 17) Wend u van ganseher harte tot den Heer, en laat deze ellendige wereld daar, en nwe ziel zal rust vinden.

Leer het uitwendige versmaden en u aan het inwendige overgeven, en gij zult het rijk Gods in u zien komen.

\'Want het rijk Gods is vrede en vrevflde in den H. Geest, ( Rom. 14 ) en dat wordt den goddeloozen niet geschonken.

Christus zal tot u komen en u zijnen troost schenken, zoo gij Hem van binnen eene waardige woonplaats bereidt.

Al zijne heerlijkheid en schoonheid

-ocr page 118-

100 II BOEK. I HOOFDSTUK.

is van binnen en daar vindt Hij vvelbe-Imgcn.

Dikwijls bezoekt Hij den imvendigen mensch; liefelijk is zijn onderhond, verkwikkend zijn troost, overvloedig zijn vrede en zijn gemeenzaamheid bij uitstek groot.

2. Welaan dan. getrouwe ziel 1 bereid uw hart voor dezen bruidegom, dewijl Hij zich verwaardigt tot u te komen en bij u te wonen.

Dus toch spreekt hij: zoo Iemand mij liefheeft, hij zal mijn woord onderhouden; en mijn Vader zal hem liefhebhen; en irij zullen tot hem komen en eene woninr/ bij hem maken. (Joan. 14)

Maak dan plaats Christ us, en weiger al het overige den toegang.

Wanneer gij Christus bezit, dan zijt gij rijk , en Hij is u genoeg.

Hij zal u voorzien en getrouw verzorgen in alles, zoodat gij niet noodig hebt oj) menschen te hopen.

Dra toch veranderen de menschen en ontvallen spoedig; maar Christus blijfr in eeuwigheid en is een sterke steun ten einde toe.

-ocr page 119-

II BOEK. I HOOrDSTrK. 101

3. Er is geen groot vertrouwen to stellen op een broos en sterfelijk menseh . :»1 is liij nog zoo nuttig en geliefd.

Ook mag men zieh niet te zeer bedroeven , /,00 bij soms tegenwerkt of\' tegenspreekt. Die beden met u zijn , kannen morgen tegen u wezen, en omgekeerd; want dikwijls draaien zij als de wind.

Vestig uw gebeel vertrouwen op God ; 11 ij zij bet voorwerp uwer vrees en liefde. Hij zal voor u verantwoorden en alles wèl besebikken , zooals bet best zal zijn.

Gij held hier (feene hlijvende .stad : ( Hebr. 13) en waar gij zijn moogt, lt;iij zijl een vreemdeling en pelgrim en zult nergens rust hebben. tenzij gij met C b r i s t u s inniglijk vereenigd zijl.

4. Wat ziet gij bier rond. daar dit de plaats uwer rust niet is ?

In den bemel moet uwe woning zijn ; al bet aardsebe moet , als in bet voorbijgaan . besehouwd worden.

Alles gaat voorbij, en gij tevens daarmede. Zorg dat gij u daaraan niet beebt, opdat gij niet gevangen wordt , en u in bet verderf stort.

-ocr page 120-

102 II -ROEK. I HOOFDSTUK.

Uw gedachte zij bij den Allerhoogste , en uw gebed onophoudelijk tot Chris-t u s gericht.

Kunt gij nog niet hooge en hemelsche dingen beschouwen, blijf bij het lijden van Christus, en hond u gaarne bij zijne heilige wonden op.

Want zoo gij godvruchtig tot de wonden en kostbare litteekenen van Jezus uw toevlucht neemt, zult gij eene groote kracht bij wederwaardigheid ontwaren , en u weinig aan de verachting der men-sehen storen, ja lasterende woorden licht verdragen.

5. Ook Chris t u s werd op de wereld door de menschen veracht, en in den grootsten nood door bekenden en vrienden te midden der verguizing verlaten.

Christus heeft willen lijden en veracht worden, en gij durft over iets kla-I gen ?

Christus heeft vijanden en tegen-h sprekers gehad, en gij wilt allen tot vrienden en weldoeners hebben ?

Vanwaar zal uw geduld gekroond worden, zoo gij geen tegenspoed ontmoet?

-ocr page 121-

II BOEK. I HOOFDSTUK. 103

En zoo gij geen tegenstand wilt lijden, hoe zult gij een vriend van Christus zijn ?

Verdraag met Christus en voor Christus, zoo gij met Christus wilt heerschen.

0. Waart gij eens volkomen doorgedrongen tot het hart van Jezus en hadt gij een weinig van zijne brandende liefde geproefd , dan zoudt gij u over eigen voordeel noch nadeel bekommeren , maar veeleer u over den aangeda-nen smaad verblijden; want de liefde tot Jezus maakt dat de menseh zieh-zelven versmaadt.

Wie Jezus en de waarheid liefheeft , wie waarlijk inwendig en vrij van ongeregelde neigingen is, die kan zich vrij tot God wenden, zich in den geest boven zich zeiven verheffen en genoege-lijk rusten.

7. Hij die alles waardeert naar hetgeen het is, niet naar hetgeen men er van denkt of zegt, is waarlijk wijs en onderwezen meer door God dan door de meuschen.

Hij die weet met zichzelveu om te

-ocr page 122-

IT HOEK. I UOOTDPTTJK.

I (Taan en tietgeen huiten liom is gering j ,| (c schatten, ziet niet om naar plaatsen ij noch wacht op tijden om met godvrucli-|j tige oefeningen bezig te zijn.

Ken inwendig inrusch is ras tol zich-zelven teruggekeerd, dewijl hij zi \'li nooit : geheel naar huiten uitstort.

Creenuitwendige arheid, noch van tijd tul tijd noodzakelijke hezigheid hindert 1 hem; hij schikt zich naar alles zoo als ■ het komt. •

AVie inwendig wel gesteld en geregeld | j is . stoort zich niet aan de wonderlijke en ; verkeerde handelingen der mcnschcn.

remand wordt gehinderd en verstrooid naarmate hij zich de zaken aantrekt.

S. Waart gij wèl gesteld en wèl gereinigd . alles zonde zich ten uwen beste j cn tot uwen voortgang schikken.

Veel toch mishaagt n en ontroert u vaak . omdat gij uzelven nog niet volko- ; men afgestorven zijt en niet geheel aan j al het aardsche onthecht.

Niets bevlekt en hindert zoo \'s men-schen hart als eene onreine liefde tot de gt; schepselen.

Ziet gij af van de uitwendige vertroos- i

101

-ocr page 123-

II BOEK. II HOOFDSTUK.

ji tiugen , dan Iviml gij lid liemelsclie be-jj si\'liouwell (Mi dikworf imvenclig juicljen.

G E B E J).

Mocht ik , o CtuiI ! de kunst verstaan il om mij met U en met mijzelven bezig te bonden, hoe zegenrijk zouden daar-I van de gevolgen zijn ! Grijzelf zoudt bij mij uwen intrek nemen en mij met uwen hemelsehen troost verkwikken. Maar aeli ! mijn hart is nog te zeer gehecht I aan liet aardsche en laat zich niet dan bezwaarlijk daarvan losrukken. Verander dan dat vleesohelijke hart, maak het [ gevoelig voor zijne ware belangen, doe liet vatbaar worden voor uwe ze^enin^iMi.

TWEEDE HOOFDSTUK.

O eer de nederif/e onderwerping.

1. G-eef er weinig om wie voor u of tegen u zij; maar doe zoo en zegt; dat God met u zij in alles wat «^ij doet.

Heb een goed geweten . en (Tod zal u wel beschermen.

105

-ocr page 124-

106 II BOEK. II HOOFDSTUK.

Want wieu ftod wil bijstaan. dien kan nicmands boosheid schaden.

Weet gij te zwijgen en te lijden, aan znlt gij ongetwijfeld \'s Ileeren bijstand

ontwaren.

Hij weet den tijd en de wijze om n te verlossen, en daarom moet gij u aan Hem overgeven.

Het komt G-od toe u te helpen en u van alle schande te bevrijden.

Dikwijls is het zeer nnttig, om ons in te grooter ootmoed te houden , dat anderen onze gebreken weten en bestrat-

fcn. . ,

■i \\ 1 s een mensquot;h zich over zijn gi-breken vernedert, dan bevredigt hij licht anderen en voldoet zonder moeite die op hem vertoornd waren.

God beschermt en bevrijdt den nederige. Den nederige heeft Hij lief en vertroost Hij. Tot den nederige buigt Hij zich neder; aan den nederige schenkt Hij groot e genade en verheit hem na zijne verdrukking tot heerlijkheid.

Den nederige openbaart Hij zijne geheimen en trekt hem zachtelijk en noc-digt hem tot zieh,

-ocr page 125-

II BOEK. II HOOFDSTUK. 107

De nederige, al wordt hij versmaad , blijft vaat gevestigd in vrede : want liij steunt op Grod en niet op de wereld.

Denk niet dat gij iets gevordert zijt, tenzij gij n beueden allen acht.

GEBED.

Mocht, o goede Vader! deze les mij wèl ter harte gaan en bij mij gevoelens van gelatenheid en ootmoed teweegbrengen ! Te zeer toch liet ik mij aan de gevoelens der menschen gelegen zijn , te zeer stoorde ik mij aan hunne oordeelvellingen. Dat het voortaan mijn hoofddoel zij U alleen te behagen. Leer mij zwijgen en verdragen. Dat ik mij wegens mijne gebreken verootinoedige en met ijver aan mijne verbetering arbeide.

-ocr page 126-

HIS i n BOTÏK. ITT UOOpnSTtTK.

OTCK.DE IKIOFDSTUIv.

De goeie vreedzame menxcli.

I. Houd gij li eerst in vrede, en dan zult gij anderen kunnen, bevredigen.

Een vredelievend menseh is nuttiger dun een zeer geleerde.

Een liartstochtelijk menscli hoort noeli zelfs liet goede in het kwade en gelooft licht het kwade.

Een goed vredelievend menseh keert alles ten goede.

Die in den vrede wel gevestigd is voedt van niemand argwaan; maar die onvergenoegd en iieht geraakt is, wordt door allerlei argwaan rondgedreven ; hij heeft zelf geen rust, en laat anderen niet rusten.

Dikwijls zegt hij wat hij niet moest zeggen, en doet hij niet wat hij liever behoorde te doen.

Hij gaat na wat anderen moeten doen, en verzuimt wat hij moest doen.

IJver dan eerst voor uzelven, en dar.

-ocr page 127-

n TÏORK\'. Iff ITOOFDPTUK\'. ÏUV

zult gij terecht ook voor uwen naaste kuimeu ijveren.

2. I \\v eigen daden weet gij wel te verontacliuldigen en te verbloemen, en de verontseliuldigingen van anderen will gij niet aannemen.

liet ware billijker u/elven te beselml-digen en uw broeder te verschopnen.

\\\\ ilt gij dat men u verdrage, verdraag ook een ander.

Zie, hoe verre gij nog verwijderd zijt van de ware liefde en van de nederigheid , die zich vertoornen ot\' veront-waardigen kan over niemand dan over p zichzelve.

Het is niets groots met goede en zachtmoedige menschen te verkeeren , want dit behaagt natuurlijk aan tillen ; ook leeft elk gaarne in vrede , en heelt 1 hen het meest liet\'die van zijn gevoelen i zijn.

Maar met stuursche en booze, met | ongeregelde of ons wederstrevende menschen vreedzaam Ie kunnen leven , is I eene groote genade, eene zeer roemwaar- ! dige manhaftige zaak.

Daar zijn er die zichzelven in vrede i

-ocr page 128-

110 II TJOEK. Ill HOOFDSTUK.

houden, eii ook met anderen vrede hebben.

Daar zijn er ook die noch vrede hebben , nocli anderen met vrede laten; zij vallen anderen lastig, maar zichzelven altoos lastiger.

Eindelijk zijn er die zichzelven in vrede houden , en anderen tot vrede terugbrengen.

Nochtans is onze geheele vrede in dit ellendige leven eerder te stellen in een nederig verdragen, dan in \'t niet gevoelen van wederwaardigheden.

Wie \'t best weet te lijden zal den meesten vrede hebben. Hij is de overwinnaar van zichzelven en de heer der wereld , de vriend van Christus en de erfgenaam des hemels.

a E B E o.

Vrede, o God! ja vrede, is een behoefte voor mijn hart. Vrede met U , | vrede met mijzelven, vrede met mijnen i evenmensch, wat kan er voor mij heilzamer zijn ? Intusschen ben ik nog : verre van zulken toestand. Ik weder- 1

-ocr page 129-

II BOEK. IV HOOFDSTUK. 11 1

slroof uwen wil , voljj; mijne ueigiugeii op! weet mijnen bi-oeder niet liet minst toe te geven; en hoe zoude dan bij mij vrede kunnen wonen? (rod des vredes ! boezem mij andere gevoelens in, en duurzame kalmte zal in mijne ziel heersehen.

VIERDE HOOFDSTUK.

O eer de reinheid des har ten en eenvoml\'uj-heïd in hedoelhuj.

I. Op twee wieken verheft zieli de mensch boven het aardsche. te weten : eenvoudigheid en reinheid.

Eenvoudigheid moet in de bedoeling , reinheid in de neiging zijn. Eenvoudigheid zoekt Grod, de reinheid vindt en smaakt Hem.

Geen goede daad zal u hinderen, zoo

inwendig van ongeregelde neiging vrij

zijl-

Ru zoo gij niets anders bedoelt en zoekt dan (rods welbehagen en uws naasten nut, gij zult de innerlijke vrijheid genieten.

W are uw hart opreelit, alle selien.sel

-ocr page 130-

112 II BOEK. IV HOOFDSTUK.

zoude u ecu leveubspiegel ziju en een boek | van heilige leering.

(reen schepsel is er zoo gering en on- i geacht, dat Gods goedheid niet vertoont.

2. Waart gij inwendig goed en rein. gij zoudt alles onbelemmerd zien en recht; vatten.

Een rein hart driugt door hemel en beh

Zooals een ieder inwendig is, zoo beoordeelt hij het uitwendige.

Is er vreugde in de wereld, haar bezit voorzeker de man van reinen harte.

En is er ergens smart en angst, een kwaad geweten kent ze het best.

G-elijk het ijzer in vuur gelegd zijn roest verliest en gansch gloeiend wordt; dus wordt ook de mensch , die zich geheel tot God keert, van traagheid ontdaan en in een nieuwen mensch veranderd.

3. Wanneer de mensch begint te ver-tlauweu, dan vreest hij den geringsten arbeid en ontvangt gaarne uitwendigen troost.

Maar heeft hij begonnen zich zeiven volkomen te overwinnen en moedig om den weg Gods te wandelen, bij acht gering wat hij tevoren bevond zwaar te zij ra.

-ocr page 131-

II BOEK. T HOOPDSTUK. | 113

u J-: li J-: i).

fSclu\'l) in mij . o God! ceu rein liart en vernieuw den i\'eclilon geest in mijn binnenste, zoo. o Vader I mag ook ik ü bidden. Moeliten mijne gevoelens sleeds zuiver zijn . mijne bedoelingen eenvoudig op U geriebt blijven , om U te beminnen en U alleen te bezitten I Mocbt mijn hart, vrij van alle onedele neigingen, alleen voor U, mijn hoogste goed . kloppen ! dan gewis zoude ik mij boven al bet aardsebe hemelwaarts verhellen . en niets mijne vlucht hinderen. Geef. o God ! mij daartoe uwen zegen.

VIJFDE KOOFDSTUK.

Over de heschoiminy van zichzelven.

1. Wij mogen onszelven niet te veel gelooven , dewijl het ons dikwijls aan genade en verstand ontbreekt.

Ken zwak liehtje is in ons, en dit verliezen wij spoedig door onaehtzaam-heid,

-ocr page 132-

114 II BOEK. V HOOFDSTUK.

Ook merken wij Teeltijds niet dat wij | inwendig zoo blind zijn.

Dikwijls doen wij kwaad en maken

I liet. door verschooning, nog erger.

Somtijds spoort de drift ons aan en wij | nemen het voor ijver.

Het geringe berispen wij in anderen, ij en het grootere bij ons gaan wij voorbij. Kas genoog gevoelen en wegen wij het-

II geen wij van anderen verdragen, doch li wij letten niet hoe veel anderen van ons

: verdragen moeten.

Wie zijn eigen daden wèl en recht overweegt, zal geen reden hebben om over een ander streng te oordeel en. 2. Een inwendig mensch stelt de zorg | over ziehzelven boven alle andere zorgen;

en die vlijtig op ziehzelven let zwijgt licht j van anderen.

Nooit zult gij inwendig en godvruchtig j zijn , tenzij gij van anderen zwijgt en bij-zonder op uzelven let.

Zoo gij u geheel met uzelven en met j God bezighoudt, zal u weinig treffen het-|j geen gij buiten opmerkt.

Waar zijt gij , als gij niet bij uzelven I zijt: Eu wanneer gij alles doorloopen ,

f

-ocr page 133-

TI quot;BOEK. V HOOFDSTUK. 115

maar uzelven voorbijgezien hebt, wat liebt gij gewonnen ?

Als gij waren vrede wilt hebben en met God vereenigd zijn , moet gij al het overige terzijdestellen en nzelven alleen voor ;n honden.

G-ij zult al zoo grooten voortgang maken als gij u vrijhoudt van alle tijdelijke zorg; maar gij zult zeer aehteruit-gaan , zoo gij iets tijdelijks acht.

Xiets zij u groot, niets verheven , niets aangenaam, niets genoegelijk tenzij God alleen of wat God betreft.

Houd al hetgeen troostelijks van eenig schepsel komt voor enkele ijdelheid.

Eene ziel die God liefheeft, stelt alles beneden God.

G od alleen , de eeuwige en oneindige , de alles vervullende is de troost der ziele de ware vreugde des harten.

GEBED

Niets is heilzamer voor mij , o God , dan mijzelven gade te slaan en mij in zelfkennis te oefenen. Mocht ik steeds dit bewustzijn hebben , welken voortgang zoude ik maken ! Veel zoude ik te ver-

-ocr page 134-

I hi II HOEK. VI HOOFDSTUK.

beteren vinden en, genoeg met mijzelven hebbende ie doen, zoude ik aan alles wat buiten mij is vreemd worden en mij zalig achten L\' met een rein hart te mogen bezitten. Stort dan, bid ik U, mij zulk eene neiging in en maak mij meer en meer los van het zinnelijke.

ZESDE HOOFDSTUK.

Oner (Je vreuqde van een cjoeil geweten.

I. De roem van een goed mensch is de getuigenis van eeu goed geweten.

Heb een goed geweten en gij zult altoos vreugde hebben.

Een goed geweten kan zeer veel dragen en is zeer blijde in tegenspoed.

Een kwaad geweten is altoos vreesachtig en ongerust.

Liefelijk zal uwe rust zijn, zoo uw hart u niets verwijt.

Verheug u niet tenzij wanneer gij wel gedaan hebt.

De boozen hebben nooit ware vreugde , noch gevoelen den inweudigen vrede : want er is (/een vrede voor de goddeloozen, zegt de Heer. (Is. 57 )

-ocr page 135-

II HOEK. Vi HOOrDSTÜK. j 117

Eu zeggen zij: wij zijn in vrede, geen j kwaad zal ons treffen en zoude ons durven schaden? geloot\' hun niet: want eensklaps zal Grods toorn zich verhellen, al hunne daden zullen tot niet geb racht | en hunne gedachten verijdeld worden.

2. Hem die liefheeft, valt het niet zwaar in de verdrukking te roemen : want zoo te roemen is te roemen in het Kruis des Heeren.

Kortstondig is de roem die van men-schen gegeven en ontvangen wordt.

De roem der wereld is steeds van treurigheid vergezeld.

Der braven roem is in hun geweten en niet in den mond der menschen.

De vreugde der rechtvaardigen is van G od en in Grod, en hun vermaak in de waarheid.

Wie naar den waren en eeuwigen roem verlangt, acht den tijdelijken niet.

En wie naar tijdelijken roem verlangt of dien niet van harte versmaadt, bewijst dat hij den hemelsehen weinig bemint.

Hij bezit eene groote rust des harten, die zich om der menschen lof noch blaam bekommert.

-ocr page 136-

118 TI EOEK. TI HOOPDSTUK.

•gt;. Jiiclit zal liij tevreden en gerust zijn wiens geweten rein is.

Gij zijt niet heiliger omdat men u roemt, noch slechter omdat men u laakt.

Wat gij zijt, zijt gij ; en grooter moogt gij niet genoemd worden, dan gij zijt voor God.

\\\\ anneer gij let op hetgeen gij inwendig hij uzelven zijt, dan zult gij u er niet aan storen wat de menschen van u zeggen.

De wensch ziel hetgeen ht hel oog valt, waar God ziet in het hart. ( I lieg. lü) De mensch ziel oj) de daden, maar God weegt de hedoeiingen.

Altoos wèl te doen en zichzelven weinig te achten kenmerkt een nederiop gemoed.

Geen troost van eenig schepsel te willen is het teeken van groote reinheid en inwendig vertouwen.

4. \\\\ ie voor zich geene getuigenis van huiten zoekt, toont dat hij zich geheel aan God heelt overgegeven.

\\\\ ant, gelijk de J1. J\' a n I u s zegt., niet hij die zichzelven aanprijst, maar dien de lieer aanprijst, is beproefd. ^ 2 (Jor. lü)

-ocr page 137-

II BOEK. TIT ITOOPDSTIJK.

Imvendig met God te verkeereu en uitweiulig door geene geneigdheid gebonden te zijn, is de staat van den iu-wendigen menseli.

GEBED.

Een rein geweten, o God, is een groote schat, en eene onnitputbare bron van troost. Wat toch zal mij hinderen, als mijn geweten zich in eenen goeden staat bevindt? Menschen mogen mij ver-oordcelen , lasteren en vervolgen , geen nood, zoo lang ik de getuigenis van een rein geweten bezit. Gerust zal ik het hoofd mogen ophetten tot U, die mijne onschuld kent en aan liet licht zult. brengen. Doe dit bewustzijn steeds in mij leven en laat mij den troost daarvan ondervinden.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over de alles overtreffende liefde tot »1 e z u s.

1. Gelukkig hij die weet wat het is Jezus te beminnen, en zichzelven te versmaden om Jezus\' wille.

119

-ocr page 138-

II 150KK. Vil HOOFDSTITX.

Men moet al wat men bemint voor dezen Beminde verlaten : want Jezns wil alleen boven alles bemind worden. ;

J)e liefde eens schepsels is bedriege- | lijk en onbestendig; maar de liefde van Jezns getrouw en bestendig.

Wie zieli aan hei schepsel hecht valt j met het zwakke schepsel; maar wie Je- i zus omhelst staat eeuwig onbewegelijk.

Bemin Hem en houd hem tot uwen vriend die, als alles u begeeft, u niet | zal verlaten, noch dulden dat gij op het i einde verloren gaat.

Hetzij gij wilt of niet, gij moet eens van alles gescheiden worden.

2. Houd u aan Jezus bij leven en dood , en geef u aan de trouw van Hem i over die, wanneer alles u verlaat, u alleen kan helpen.

Uw Beminde is van dien aard dat Hij geen anderen naast zich duldt; maar Hij i wil uw hart alleen bezitten en er zetelen 1 als een koning op zijn eigen troon.

Wist gij u van alle schepsel recht te ontledigen, Jezus zoude gaarne bij n willen wonen.

Gij zult alles bijkans geheel als ver-

120

-ocr page 139-

II HOEK\'. VII HOOFDSTUK.

loren hevinflen, wat i;i j buiton Jozus

lgt;ij (lo HRlllSCllOll /,(K\'l\\ 1.

Vertrouw uocli stcuu up een quot;riet, dal door den wind hewogen wordt. Want alle vlee.sch is//ras, en al zijne heerlijkheid valt af als de veldhloem. (Ts. 10)

.3. J)ra zult gij bedrogen worden , zoo gij alleen het uitwendig voorkomen der menschen aanschouwt.

Want zoo gij uw troost en voordeel hij anderen zoekt zult gij dikwerf schade vinden.

Zoekt gij in alles Jezus, gij zuil Hem gewis vinden.

Maar zoekt gij uzelven , gij zult ook nzelven vinden, maar tot uw verderf.

De mensch toch die J es us nietzoekl , schaadt zichzelven meer dan de geheele wereld en al zijne vijanden.

G r, B E D.

Ja wel gelukkig hij, mijn Heiland! die weet wat het zij U boven alles licl\' te hebben, alles aan uwe liefde üj) te olleren , alles om L te verdragen! Zalig in alle opzichten mag men zijnen toestand noemen, boven alles wat de wereld

lil

-ocr page 140-

122 II quot;BOF.K. VIII HOOFDSTUK.

bezit of geven kan. Maak mij vatbaar voor die zalige genoegens. Trek mij meer on meer af van bet zwakke en onbe-stendige schepsel; dat ik V m alles zoeke en vinde; dat ik niets beooge dan liet bevorderen van uwe eer.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Orer (hu vertmHinelijken omt/nmi met J ez n s.

1. Als Jezus tegenwoordig is, dan is alles wöl en niets sehijnt moeielijk ; j maar is Jezus niet tegenwoordig, alles valt zwaar.

Als Jezus van binnen niet spreekt, alle troost is niets; maar spreekt J e z u s 1! slechts oen woord, men gevoelt een grooten troost.

Kees Maria niet aanstonds op van de plaats, waar zij weende, toen Martha tol baar zeide : de Meester h daar, ea Hij roept ni (Joan. II.)

(jelukkige stond, wanneer Jezus van quot;i het weenen tot de vreugde des gees

i roept!

-ocr page 141-

II BOEK. VIII HOOFDSTUK. 123

Hoe dor 011 ongevoelig zijt gij zonder Jezus! Hoe dwaas en IJdel, zoo gij iets buiten Jezus verlangt !

Is dit geene grootere schade dan de gelieele wereld te verliezen ?

2. Wat kan u de wereld geven zonder J e z u s ?

Zonder Jezus te zijn, is eene ondragelijke liel; met Jezus te zijn, een genoeglijk paradijs.

Wanneer Jezus met u is, geen vijand kan u schaden.

Wie Jezus vindt , vindt een goeden schat. ja een goed boven alle goed.

Maar wie Jezus verliest, verliest bovenmate veel, ja meer dan de gansche i wereld.

Wie zonder Jezus leeft is zeer arm; die wel met Jezus staat is zeer rijk.

3. Het is een groote kunst met Jezus weten om te gaan, en Jezus te kun-nen bij zich houden eene groote voorzichtigheid.

Wees nederig en vreedzaam .en Jezus zal met u zijn.

Wees godvruchtig en rustig,en Jezus zal bij u blijven.

-ocr page 142-

124 II BOEK. TUI HOOTDSTUK.

«ij liiiul Jezus ras vonvijdercu eu zijne genade rei-liezen, zoo gij w tot liet iiitwendige will kccrcn.

En hebt gij liem verwijderd en ver-loven, tot wien zult gij uwp toeThiclit nemen en wien tot vriend kiezen .

Zonder vriend kunt gij niet wel leven. Maar zoo Jezus niet boven allen lt;i\\v vriend is, lioe bedroefd en verlaten zult

gij zijn 1 ,

\' Dwaas handelt gij dus. zoo gij m iemand anders vertrouwen ol vreugde stelt.

Het ware verkieslijker de gansclie wereld tegen te hebben dan Jezus te be-

leedigen. ..

Onder al uwe gelieldcu dan zij .1 ezus alleen uw bijzonder geliefde. ^

4, 3)at. allen bemind worden om Jezus

wil; maar Jezus om Kemzelven.

Jezus Christus alleen verdient bijzonder bemind te worden, omdat Hij alleen boven alle vrienden goed en getrouw bevonden wordt.

Om Hem en in Hem bchooren, zoo vijanden als vrienden, u hel te zijn .en voor allen moet gij hidden, opdat allen Hem kennen en lieiliebbeu.

-ocr page 143-

II BOEK. VIII HOOFDSTUK. 125

Verlang nooit Imj uilsluiling gopivziMi of bemind te w orden. want dit komt Gode alleen toe, die zijnsgelijke iii(4t heeft.

Begeer ook niet dat iemand zijn liart met ii vervnlle, en gij . laat uw hart niet met liefde voor iemand verTuld worden; maar Jezus zij in u en in elk goed menseh.

5. Wees rein en vrij van binnen, zonder gehechtheid aan eenig schepsel.

Gij moet ontbloot zijn van alles en een rein hart tot God brengen, indien gij inwendig wilt rusten en zien hoe goed de Heer is.

G. Doch inderdaad zult gij niet daartoe geraken, tenzij gij door zijne genade wordt voorgekomen en getrokken, zoodat gij, met terzijdestelling en verwijdering van alles, met Hem alleen vereenigd wordt.

Want wanneer Gods genade tot den menseh komt, dan wordt hij tot alles hekwanm ; maar wijkt die, hij is e.rm en zwak , en als alleen tol slagen overgelaten.

Tn dezen moet hij niel moedeloos worden noch wanhopen, maar zich wèl ge-

-ocr page 144-

126 II BOEK. IX HOOFDSTUK.

moed ii:uu* don willo G-ods sdiikkcu, cu idles wal Item OTCi\'komt ter eere van .Tezus Christus lijden; want op den winter volgt de zomer. op den nacht volgt de dag en op den storm groote kalmte.

O E B E D.

Zonder U , o .1 e zus! heb ik niets, met U alles. Cxij zijl mijn beste vriend en hebt mij het treffendst bewijs van uwe liefde gegeven door uw leven voor mijn heil op te offeren. Wat is er billijker dan dat ik TJ mijne wederliefde toone? Tk geef U dan mijn hart; het zij TJ boven alles gewijd, maak het tot eeue TJ waardige woning. Heerseh daarin als op uwen troon; beschik daarover geheel; dat ik voor U leve, door U leve, eeuwig met U leve.

i\\ EGEJSi DE J tOOFDSTUK.

Over liet inisaen i\\m allen /roost.

Het valt niet zwaar mensehelijken troost te versmaden, als de goddelijke daar is.

-ocr page 145-

II BOEK. IX HOOFDSTUK\'.

Maar het is groot 011 zeer groot zoowel ileu menschelijlveii als goddel ij keu troost te \'kuuiieii ontberen , en tot Grods eere de ballingsehap des harten gewillig te verdragen, in niets zichzelven te zoeken, noch op eigene verdienste te zien.

Wat groots is erin gelegen opgeruimd en godvruehtig te zijn, als de genade komt ? Voor allen is die stond wensche-lp.

Hij rijdt vrij gemakkelijk wien Gods genade draagt.

En wat wonder dat hij den last niet gevoelt, die door den Almachtige gedragen en door den oppersten Leidsman geleid wordt ?

2. Gaarne hebben wij iets tot onzen ; troost, en bezwaarlijk ontdoet de menseh j zich van zichzelven.

De heilige martelaar L a u rent i u s ; nochtans heeft de wereld en zijnen priester overwonnen; want hij versmaad- j de alles wat in de wereld genoeglijk scheen, en dulde zelfs gaarne, ter liefde van Christus, dat Gods Opperpriester S i x t ii s dien hij 1 lartelijk lief had, van hem weggenomen wierd.

127

-ocr page 146-

II HOEK. IX HOOFDSTUK.

Door liefde tot den Schepper overwon | liij de liefde tot den inenseh, en verkoos j Gods welbehagen boven den menschelij- ; ken troost.

Leer gij dus ook een noodzakelijken 1 i\'ii geliefden vriend ter liefde Gods ver- ! laten.

Kn laat liet n ook niet te zeer tref- ; fen ; als gij van een vriend verlaten wordt, wetende dat wij allen eens van elkander moeten scheiden.

3. Veel en lang moet de mensch in | zichzelven strijden, eer hij leere zich- ; zeiven volkomen te overwinnen en zijne | geheele liefde tot Clod over te brengen.

Zoolang de mensch nog op zichzel- \' ven steunt zal hij licht vervallen tot den troost der mensch en.

Maar de ware vriend van Christus ; en ijverige deugdbetrachter valt niet op vertroostingen, noch zoekt zulke zinnelijke genoegens, maar veeleer moeilijke oefeningen en zware beproevingen om Oh r i s t u s\' wille door te staan.

-1. Wordt u dan geestelijke troost van God geschonken , neem dien met dankzegging aan; maar weet dat het een

128

-ocr page 147-

11 BOEK. IX HOOFDSTUK.

geschenk van God is, en niet uwe verdienste.

Wil ii niet verbetten , wil u niet te veel verheugen noeh iets ijdelijk laten voorstaan ; maar wees wegens die gift te nederiger en te omzichtiger en behoedzamer in al uwe daden : want deze stond zal voorhijgaan en de bekoring volgen.

Als de troost ontnomen is geef den moed niet aanstonds op; maar wacht met nederigheid en geduld het bezoek des Hemels af : want God is machtig om u een overvloediger troost terug te geven.

5. Dit is niet nieuw noch vreemd voor de in Gods wegen ervarenen : want ook de grootste Heiligen en aloude Profeten beoben dikwijls zulke afwisseling ondergaan.

Daarom sprak een hunner, als de genade bij hem was: Ik zeide in mijnen overvloed : in eeuwigheid zal ik niet wankelen.

Maar als de genade week voegde hij er bij wat hij ondervond, en zeide : Maar toen Gij ine aangezicht van mij af wendde t: iverd ik ontroerd.

-ocr page 148-

130 11 BOE IC. IX HOOFDSTUK.

Intusscheu verloor hij den moed niet, maar bad te vuriger tot den Heer eu zeide : Tot U, o Heer ! zal ïk roepen , en mijnen God zal ik hidden.

Daarop verhaalt hij de vrucht van zijn gebed eu getuigt dat hij verhoord werd, zeggende : De Heer heeft mij verhoord , en zich mijner on tfermd; de Heer is mijn helper geworden.

Maar waarin ? Gij hebt, zegt hij , mijne klachten veranderd in gejuich, en m ij met vreugde omgeven. (Ps. 29).

Is aldus met groote Heiligen gehandeld , dan mogen wij , zwakken en el-lendigen, niet wanhopen, als wij ons nu ijverig dan weder koud bevinden : want de Greest komt en vertrekt volgens zijn welbehagen.

Daarom zegt de heilige Job : Gij he zoekt den menseh in den morgenstond : maar spoedig beproeft Gij hem weder. (Job. 7.)

G. Waarop kan ik dan hopen, waarop moet ik vertrouwen, tenzij op Gods groote barmhartigheid en op de hoop der hemelsche genade alleen \'

Want hetzij ik bij mij hebbe deugd-

-ocr page 149-

II BOEK. IX hoofdsttjb;. ! 131

zame nionsclion of godvruchiige broeders, ol\' getrouwe vrienden ol\' heilige boeken, of selioone verhandelingen of liefelijke ge/angen en liederen: dit alles baat weinig, smaakt weinig, als ik van de genade verlaten en aan eigene armoede overgelaten ben.

Dan is er geen beter middel dan geduld en \'quot; 1 \' ; aan den wil (rods.

iemand zoo vroom

en godvruchtig, die niet nu en dan out-trekking der genade had of geene vermindering van ijver gevoelde.

Xooit was er een Heilige zoo hoog vervoerd en verlicht, die niet te voren of daarna in bekoring viel.

Hij toch is de hooge aanschouwing van God niet waardig, die niet om Godswil door eenig leed geoefend werd.

Want eene voorafgaande bekoring is doorgaans het teeken eener volgende vertroosting.

Ook wordt aan die door de bekoring beproefd zijn de henielsche troost toegezegd : Wie ocer wint, zegt de Heer, \\lc zal hem (jecen dat hij eie van den hoorn des levens. ( Openb. 2).

-ocr page 150-

132 II BOEK. IX HOOFDSTUK.

S. De Goddelijke troost nu wordt gegeven. opdat de menseli te sterker zij lol lief doorslaan van tegenspoed.

Ook volgl de bekoring, opdaf hij zieli over hel goede niet verhefle.

De duivel slaapl niet. en hel vleeseh is nog niet dood. J)aaroni houd niet op u lol den strijd te bereiden : want aan uwe reehter- en linkerhand staan vijanden die nimmer rusten.

GEBED.

Dierbaar, o Vader! is mij uw troost , hij is de grootste verkwikking voor mijn hart. Niet dan met droefheid ontwaar ik zijn gemis. Doeh zoude ik daarom || den moed opgeven ? Dan zoude ik U ij niet om uzelven, maar om uwe welda-den beminnen. Niet mijn wil, o Vader, maar de Uwe geschiede I Wilt Crij mij troost sehenken . ik zal die weldaad waar-deeren. Wilt Gij mij dien onttrekken , ook hierin zal ik berusten en uwen wil eerbiedigen.

-ocr page 151-

II BOEK. X HOOTDPTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.

Over de dankbaarheid voor de (fenade Gods.

I. Waarom zoekt gij rust daar gij ge- | boren zijt om te arbeiden.

Zet n meer tot geduld dan tot troost . en meer tot liet dragen van liet kruis ij dan tot blijdschap.

AVelk wereldseh mensch toch zoude niet gaarne geestelijke troost en vreugde ontvangen , zoo hij die altoos koude bekomen ?

Want de geestelijke vertroostingen overtreflen alle wereldsehe vermaken en wellusten des vleesehes.

Al de wereldsche vermaken toch zijn of ijdel of schandelijk: de geestelijke genoegens alleen zijn aangenaam en eerlijk ; zij vloeien voort uit de deugd en worden door God den reinen van harte ingestort.

Maar niemand kan deze goddelijke vertroostingen altijd naar zijn welgevallen genieten, omdat de tijd van bekoring niet lang uitblijft.

133

-ocr page 152-

131 11 HOEK. X HOOFDSTUK.

2. Hetgeen mi het hemelsehe bezoek i veel tegenwerkt is eene valsche Trijheid j des geestes en een groot zelfvertrouwen.

God bewijst eene weldaad wanneer IFij de genade der vertroosting schenkt ; maar de menseh handelt kwalijk , als | liij niet alles tot God met dankzegging i terugbrengt.

En daarom kunnen de genadegaven \' op ons niet vloeien, omdat wij jegens I den Schenker ondankbaar zijn en niet 1 alles tot de oorspronkelijke bron terugbrengen.

ant altoos wordt de genade gesehon-ken aan hem die behoorlijk dankbaar is, en aan den trotsche wordt ontnomen hetgeen den nederige jdeogt gegeven te 1 worden.

3. Ik wil geen 1 roost die mij het be ouw ontneemt, noch zoek die hooge ; aanschouwing welke tot zelfverheffing | voert.

Want niet al het verhevene is heilig, j noch al het genoeglijke goed , noch al het wenschelijke rein, noch al het dier- 1 bare Gode aangenaam.

Gaarne ontvang ik eene genade,

-ocr page 153-

II BOEK. X HOOFDSTUK. 135

waardoor ik steeds nederiger en godvreezender en gereeder tot zelfverzaking worde.

Wie door de gave der genade geleerd en door den geesel harer onttrekking onderwezen is, die zal ziehzelf niets goeds durven toeschrijven, maar liever bekennen dat hij arm is en ontbloot van alles.

Geef Grode wat Godes is, en schrijf li toe wat het uwe is; dat wil zeggen : dank God voor de genade, en erken dat de zonde u alleen toebehoort en de rechtvaardige straf der zonde.

4. Stel u altoos op de laagste plaats en men zal u de hoogste geven: want het hooge bestaat niet zonder het lage.

De grootste Heiligen bij God zijn bij zichzelven de geringsten, en hoe meer verheerlijkt hoe nederiger in zichzelven.

Vervuld van de waarheid en hemel-sche heerlijkheid zijn zij niet begeerig naar ij del en roem.

In God gezegend en gevestigd kunnen zij op geenerlei wijze hoogmoedig zijn.

En die Gode alles toeschrijven wat zij goeds ontvangen hebben, zoeken geen roem bij elkander, maar willen

-ocr page 154-

II BOEK. X HOOFDSTrK.

slechts den roem die van Grod komt, en wenschen dat God in lien en in alle 1 Heiligen boven alles geprezen worde, en j liiernaar is voortdurend hun streven || gericht,

ó. Wees dankbaar voor het geringste ! en gij zult waardig zijn het grootere te ontvangen.

Het geringste zij u als het grootste, en het moest verachtelijke eene bijzondere gunst.

Als de waardigheid van den Gever overwogen wordt, zal geene gave gering noch te verachtelijk schijnen: want niets is gering wat van den ailerhoogsten God gegeven wordt.

Ja al zond Hij kastijdingen en plagen, het zoude ons moeten aangenaam zijn : want Hij bedoelt altoos ons heil in alles wat Hij ons laat overkomen.

Wie Gods genade wenscht te behouden ! zij dankbaar voor de ontvangene «renade en geduldig bij de onttrekking; i hij smeeke dat zij wederkome , en zij ij behoedzaam en nederig opdat hij ze niet verlieze.

136

-ocr page 155-

II BOEK. XI HOOrDSTTJE.

G K B E D.

Hue groot . o God! zijn de vertroos-iingeii door ü den reinen van harte ingestort! Maar zoo groot die weldaad is. zoo groot is ook de verplichting welke op mij rust. Tk moet U dankbaar zijn , en omdat ik mij van deze verplichting niet genoeg kwijt, daarom blijf ik vaak van uwe weldaden verstoken. Tk wil U voortaan geven wat tl toekomt, dankbaar zijn voor de geringste zoowel als voor de grootste gunst; Grij zult mij dan uwe milde hand niet onttrekken.

ELFDE HOOFDSTUK.

Over de weinige vrienden van J e z u s \' Kruis.

l Jezus heeft thans wel vele beminnaars van zijn liemelsch rijk , maar weinige dragers van zijn kruis.

Velen heeft Hij die naar troost , maar weinigen die naar lijden verlangen.

137

-ocr page 156-

138 II BOEK. XI HOOFDSTUK.

Yclen vindt ITij die aan zijne tafel , maar weinigen die aan zijn vasten deel\' nemen.

Allen willen zieli met Hem verheugen , weinigen willen voor Hem iets lijden.

Velen volgen J ezns tot aan liet lire-ken des broods, maar weinigen tot aan liet drinken van den lijdensbeker.

Velen eerbiedigen zijne wonderdaden . weinigen volgen den smaad zijns kruises.

Velen hebben Jezus lief zoolang hun niets ongunstigs bejegent.

Velen loven en prijzen Hem zoolang zij eenigen troost van Hem ontvangen, maar verbergt zieb Jezus en verlaat Hij hen een oogenblik, dan vervallen zij of tot gelvlag of tot groote moedeloosheid.

2. Zij die »1 ez u s om J e z u s liefhebben en niet om eenigen eigen troost. prijzen Hem in allerlei tegenspoed en zielsangst zoowel als bij den grootsten troost.

Ja , al wilde ITij hen nooit troost geven , evenwel zouden zi j Jlem altoos dank willen toebrengen.

3. O, hoeveel vermag eeue reine liefde tot Jezus, met geen eigenbaai of eigenliefde vermengd !

-ocr page 157-

r

I

ït BOEK. XI HOOFDSTUK.

Zijn zij niet allen hiuirlingeii te uoe-i men die altijd troost zoeken ?

Betooneu zij zich niet meer beminnaars van ziehzelven dan van C li r i s t u s , die altoos aan eigen gemak en voordeel denken?

Waar vindt men hem die God om i niet wil dienen ?

-I. Zelden vindt men een zoo geestelijk ji mensch dat hij ontbloot van alles is.

Waar toch vindt men den waren arme | van geest en los van alle schepsel? Verre ji en op de uiterste grenzen is die schat I te zoeken.

Al gaf de mensch zijn geheel vermogen |j weg , liet is nog niets.

En al deed hij groote boetvaardigheid , ;! het is nog weinig.

En al verkreeg bij alle wetenschap , | liet is er nog verre af.

En al bezat hij groote deugd en de j! brandendste godsvrucht, nog ontbreekt | hem veel, te weten, het eenige wat hij li het meest behoeft.

En dat is? Dat hij, alles verzaakt | hebbende , zichzelven verzake en geheel uit zichzelven uitga , niets van zijne

139

-ocr page 158-

140 II BOEK. XI HOOFDSTUK.

eigenliefde overlioude, en dat hij, alles gedaan hebbende wal hij meende te moeten doen, gevoele niets gedaan te hebben.

Dat hij het niet veel rekene wat veel konde geacht worden, maar zieh in waarheid een onnutten knecht noeme , gelijk de Waarheid zegt: Wanneer fpj zult (fedaan hehhen, al hetgeen u bevolen ia , zoo zegt : wij zijn onnutte knechten , en Jiehheu slechts gedaan n at wij schuldig waren te doen. ( Luc. 1 7 )

Alsdan zal hij waarlijk ontbloot van alles en arm van geest kunnen zijn en met den Profeet zeggen : ik hen eenzaam en behoeftig. (Ps. 24)

En nochtans is er niemand rijker , niemand machtiger, niemand vrijer dan hij , die zichzelven en alles weet te verzaken en zieh op de laagste plaats te stellen.

GEBED.

Ja , Jez u s! ook ik erken mijne schuld » ook ik behoor onder die loontrekkende dienaren, die meer zichzelven dan U liefhebbeu. In dagen van voorspoed j roemde ik een leerling van U te zijn •

-ocr page 159-

11 BOEK. XI1 HOOFDSTUK.

maai* weldra sluipteu ontrouw en moe-deloosheid in mijn hart, als gij mijne liefde door tegenspoed beproeidet! Meer dan ooit verfoei ik dit gedrag, voortaan wil ik U getrouw blijven ook in de donkerste dagen en dan vooral toonen dat ik L om Uzelven liefheb.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over den koninklijken weg des heiligen kruisen.

I. Velen schijnt dit gezegde hard ; / er loochen uzelven , neem uir kruis op en rohj Jezus. ( Matth. 10 )

Maar veel harder zal het zijn dit laatste woord te hooren : Cxuul weg veen mij, gij verdoekten! in het eeuwiqe vuur ( Math. 25)

Zij toch die thans gaarne liet woord des kruises hooren en volgen , zullen dan niet te vreezen hebben voor het woord der eeuwige verdoemenis.

Dit teeken van het kruis zal aan den hemel zijn, wanneer de Heer ten oor-deele komt.

li

141 |

-ocr page 160-

142 II BOEK. XII HOOFDSTUK.

Dan zullen al de dienaren des kruisen, die zich in hun leven den Gekruiste Ij hebben gelijkvormig gemaakt, tot Christus, den Rechter, met groot vertrouw lmi naderen.

2. Wat vreest gij dan het kruis op te nemen, daar het ten rijkszetel voert :

In het kruis is heil, in het kruis het ; leven, in het kruis bescherming tegen de I vijanden , in liet kruis overvloed van hemelsehen troost, in het kruis zielskracht . \' in het kruis geestesvreugde, in het kruis ! het toppunt der deugd, in het kruis de volmaking der heiligheid.

Er is geen heil voor de ziel noch hoop op het eeuwige leven , dan in het kruis.

Neem dan uw kruis op en volg Jezus , en gij zult tot het eeuwige leven gaan.

Hij ging voort, torsende zijn kruis, en is voor u aan het kruis gest orven , opdat ook gij uw kruis zoudt dragen en tracli-ten aan het kruis te sterven.

Want zijt gij met Hein gestorven , gij zult ook met Hem leven, en zijt gij deelgenoot geweest van zijn lijden, gij zult ! het ook van zijne heerlijkheid wezen.

-ocr page 161-

II BOEK. XII HOOFDSTUK. | 143

3. Zie, alles is in het kruis opgesloten en alles bestaat in liet sterven.

Er is geen andere weg tot het leven en tot den waren inwendigen vrede, dan de weg van het heilige kruis en eener dagelijksche versterving.

G-a werwaarts gij wilt, zoekt wat gij wilt. gij zult boven u geen hoogeren . noeh beneden u eenen veiliger weg vinden , dan dien van het heilige kruis.

Besehik en regel alles naar uwen wil en goeddunken , en gij zuil bevinden dat gij altoos willens of onwillens iets moet lijden, en dus zult gij immer een kruis aantreffen.

Of gij zult in het lichaam smart gevoelen , of naar de ziel geesteskwelling lijden.

4. Somtijds zult gij van Gfod verlaten, somtijds door uwen naaste geplaagd worden , en wat nog erger is, gij zult dikwijls uzelven tot last zijn.

Nochtans zult gij door geenerlei middel noch troost kunnen verlost of verlicht worden, maar zoolang (Tod hel wil, zult cjij het moeten dragen.

Want God wil dat gij smart zonder 10

-ocr page 162-

11 BOEK. XTT HOOFDSTrK.

troosl leert lijfleu. en aan Hem onderwerpt .

lijden nederiger wordt.

Niemand gevoelt zoo hartelijk liet den van Christus, als hij wien het te heurt viel iets dergelijks te lijden.

Kr is alzoo altoos een kruis gereed en het wacht u overal op.

Gij kimt het niet ontvluchten wer-^aarts gij loopt; want waar gij komt gij draagt nzelven mede en vindt nzelven overal.

Wend n naar boven, wend u naar beneden, wend u naar hniten, wend u naar binnen, overal vindt gij het kruis en overal moet gij geduld oefenen, wilt gij innerlijk vrede hebben en de eeuwige kroon verdienen.

5. Zoo gij uw kruis gewillig draagt , liet zal ook u dragen en ten gewenschten einde brengen, waar namelijk het lijden eindigen zal, ofschoon het niet hier zal wezen.

Draagt gij het onwillig, gij maakt u eenen last en bezwaart nzelven te meer en toch moet gij het dragen.

Werpt gij een kruis van u af, gij

144

dat gij u geheel en dat gij door

u-

-ocr page 163-

TI BOEK. XIT HOOFDSTUK.

zult ongel wij leid een ander en wellicht zwaarder vinden.

(). Denkl gij te ontwijken wat geen sterveling heelt kunnen ontgaan?

Welk Heilige is op aarde zonder kruis «Mi lijden geweest ?

Zelfs immers is Jezus Christ us, onze Heer. zoo lang hij leefde, geen uur zonder lijdenssmart geweest. De Christus moest lijden, zeide Hij. ca eau. de dooden opstaan en alzoo uit/aan in zijne heerlijkheid. (Lue. 24)

Hoe zoekt gij dan een anderen weg. dan dezen koninklijken weg, den weg «les heiligen kruisen?

7. Het geheele leven van Christus was kruis en marteling. en gij zoekt voor u rust en vreugde ?

Gij dwaalt, gij dwaalt, zoo gij iets anders zoekt, dan tegenspoed te lijden: want dit geheele sterfelijk leven is vol ellende en met kruisen omringd.

Kn hoe meer iemand in het geestePjk leven gevorderd is. hoe zwaarder kruisen hij dikwijls vindt : want de ellende zijner hallingsfliaj) neemt toe naar zijne liefde. Nochtans is deze zoo veel geplaagde

145

-ocr page 164-

TI BOEK. XTI HOOFDSTUK.

iiiel /.ondor opbeurenden troost: want uanrmate liij zijn kruis draagt, gevoelt hij de heerlijkste vrucliten ervan toenemen.

Wan! daar hij zich gewillig daaraan onderwerpt, gaat ook al de last des lijdeus in vertrouwen op den goddelijken troost over.

Kn lioe meer het vleeseh door het lijden verzwakt wordt, te meer wordt de geest door de inwendige genade versterkt.

Ja somtijds wordt men door den lust tot ramp en tegenspoed , uit zuc\'it naar gelijkvormigheid aan het kruis van Ch rist us zoodanig versterkt. dat men niet zonder smart of lijden zoude wille n leven; daar uien gelooft dat men zich te meer bij God aangenaam maakt, hoe meerder en zwaarder last men om zijnentwil kan dragen.

Dit is niet het werk des mensehen maar der genade van Christus, die oj) het brooze vleeseh zoo veel vermag en uitwerkt, dat het met ijver des gees-tes aangrijpt eu bemint hetgeen \'1 van nature altoos haat en vlucht.

9. FTet is den menseh niet eigen het kruis te dragen? het kruis te beminnen,

I 4G

-ocr page 165-

IT HOEK. Xlf IIOOFUSTUK. 1 1-J 7

i

liet lichaam te tuclitigen en dienstbaar te maken, de eer te vlieden, den smaad gewillig te verdragen, zichzelven te verachten en gaarne veracht te willen worden, allerlei tegenheden en verliezen te lijden , en naar geenerlei voorspoed oji deze wereld te verlangen.

Indien gij op uzelven ziet zult gij niets van dat alles vermogen.

Maar vertrouwt gij op den Heer , dan zal u de sterkte van boven gegeven en wereld en vleesch aan uw gebied onderworpen worden.

Zelfs den vijand, den duivel, zult niet vreezen, zoo gij met het geloof gewapend en met het kruis van Chris t n s geteekend zijt.

10. Bereid u dan, als een goed en get rouw dienaar van Christus, om het kruis uws Heeren, uit liefde voor u gekruist, moedig te dragen.

Bereid u om in dit ellendige leven velerlei tegenheden en allerhande ongemakken te verdragen : want waar gij ook zijt, dat zal uw lot wezen; en gij zult het dus in waarheid bevinden waar gÜ u ook verschuilt.

-ocr page 166-

148 II \'BOEK. XII HOOFDSTUKquot;.

Het moet zijn; en er is geen middel 1 om den druk der rampen en smarten 1 te ontgaan dan die te verdragen.

Drink met blijdschap den kelk des ; Heeren; indien gij zijn vriend wilt zijn en deel met Hem hebben.

Laat het troosten aan God over; Hij doe daarmede zooals Hem behaagt.

Wat u betreft, zet n tot het verdra- ■ gen van tegenheden en stel daarin uwer grootsten troost : wan/ het lijden van | dezen lijd is niet te achten om te ver- |: dienen de toekomende heerlijlcheid, irelJce j aan ons zal worden (jeopenhaard, (2 Cor. | 12) al kondet ijij het ook alles alleen verdragen.

Wanneer gij zoo ver gekomen zijt dat de tegenspoed u zoet is en om Christus\' | wil wèl smaakt, denk dan dat het met u wèl is; want gij hebt op aarde een paradijs gevonden.

Zoolang het lijden u zwaar valt en gij het tracht te ontgaan , zoolang zal het met u kwalijk zijn, en het lijden zal ii overal volgen.

Schikt gij u, waartoe gij verplicht zijt, te weten, tot lijden en zei (Versterving,

-ocr page 167-

IT quot;BOEK. XII HOOFDSTUK.

zoo zal het ras beter worden en ««[ij zult vrede vinden.

Al waart gij met Panlus tot in den derden hemel opgevoerd, gij zoudt daarom niet verzekerd zijn van niets tegenstrijdigs te lijden. JA* zal hem, zegt Jezus, toonen hoeveel hij om mijnen naam moet lijden. (Act. 9)

Lijden moet gij dus zoo gij J e z u s beminnen en Hem voor altoos dienen wilt.

O , mocht gij waardig zijn iets voor den naam van Jezus te lijden! Welk eene groote glorie zoude u wachten, welke vreugde zoude het voor alle G-ods Heiligen en welk eene stichting voor uw evenmensch zijn !

Maar allen prijzen de lijdzaamheid aan, ofschoon weinigen slechts willen lijden.

Terecht behoordet gij voor Christus een weinig te lijden, daar zoo velen voor de wereld wel meer verdragen.

14. Houd het voor zeker dat gij een stervend leven leiden moet; en hoe meer iemand zich afsterft, te meer begint hij voor God te leven.

Niemand is bekwaam om het hemel-sche te bevatten, tenzij hij zich onder-

-ocr page 168-

II l?ÜEK. Xii HOOFDSTUK.

werpe aau liet dragen van rampen om Christus\' wille.

Aiets is aangenamer aan God, nieta u heilzamer op deze wereld dan gewillig voor Christus te lijden.

Ja zoo gij te kiezen hadt, moest gij liever wenschen voor Christus rampen te lijden, dan door velerlei troost verkwikt te worden : want zoo zoudt gij meer gelijk aan Christus en meer gelijkvormig aan al de Heiligen zijn.

\\\\ aut onze verdienste en de voortgang van onzen staat zijn niet in veel genoegens en troost gelegen, maar eerder in liet dragen van groote moeielljkhedeu en rampen.

15. \\\\ are er iets beters en heilzamers voor den mensch dan te lijden , zeker zoude Christus dat door leer en voor-j beeld aangewezen hebben.

Maar Hij vermaant zijne leerlingen die Hem volgden, en allen die Hem willen i volgen, uitdrukkelijk om hun kruis te ; dragen, zeggende: Zoo Iemand achter Mij wil komen , die verloochene zich-zeiven y neme zijn kruis op en oolqe Mij. (Matth. 16) * J

-ocr page 169-

J1 BOEK. Xll HOOFDSTUK.

Na alles dan wei doorlezeu eii onderzocht te hebben zij dit eindelijk het besluit : Wij motten door vele verdrukkingen ingaan in hef rijk Gods. (Act. 14)

GEBED.

151

Tot hiertoe, o God ! ik moet het bekennen , verklaarde ik mij als vijand van liet kruis. Het had voor mij iels verschrikkelijks ; daarom wilde ik het ontvluchten , en ik ellendige zag daardoor den last meer en meer toenemen. Doe mij verstandiger worden. Neen, er is geen ander weg des hells voor mij , dan die des kruisen. Laat mij dien weg dan moedig betreden en uwen Zoon, mijnen grooteu Meester, navolgen die voor mij aan het kruis gestorven is. Amen.

EINDE VAX HET TWEEDE EOEK.

-ocr page 170-
-ocr page 171-

gU\'X-bc

\\ A N I) ICN rWVi\'NIKGKN ÏLiüOÖ\'J\'.

-ocr page 172-
-ocr page 173-

i»C»OJ»QHCIIOlt;lt;ÓtlQgt;gt;tfU^M.OtlQttOl|Ggt;fCMCHClieüfes a

iB

-.ra lt;*2i

JOr^ , dixit, gt; ifac». ™ _____

=ei»oT»wofrofioH.oitoT»^^H©iTftirófl9H«iiwrffïï»T»rtnfP

\'zy v v ^ïgt; •!gt; Ty—-------—-----------

EERSTE HOOFDSTUK.

Over hef inwendige under koud van Christus mef de r/eloovu/e ziel.

1. De gkloovigk. Ik zal hooren naar hetgeen de Heere God in mij spreken za/. (Ps. 84.)

De Heer. Zalig de ziel die naar den Heere hoort als Hij in haar spreekt , en nit. zijn mond het woord van troost ontvangt !

Zalig de ooren die het gefluister van het goddelijk woord opvangen en van de influistering dezer wereld niets vernemen !

Ja wel zalig de ooren die niet luisteren naar de stem welke daarbuiten klinkt , maar naar de waarheid die van binnen leert!

-ocr page 174-

Iff

156 nr boek. T ttoofdptttk:.

Zaliu de uogon tlic voor liet uilwcmdige ^oslolcn, maar op hot inweudige geves-ji tigd zijn !

Zalig zij die tot liet Miinonsto door-dn\'ugon on zicli. door dagolijksclio oofo-ningon, moer ou meer traehten bekwaam te maken tot het bevatten dor hemelscho verborgenheden !

Zalig zij die vurig verlangen met God om te gaan en zich van alle hindernis der wereld ontdoen I »j1 2. De CrELOüviG-E. Let hierop, mijne

ziel ! en sluit de deuren uwer zinnelijkheid; opdat gij hooren moogt naar hetgeen de Hoer uw God in u spreekt.

De Heeh. Dit zegt uw Geliefde : ik bon uw heil. uw vrede en uw loven, i Houd u aan AFij en gij zult vrede

vinden.

Laat al hot vorgankolijko daar . zoek hot eeuwige.

A\\ at is al liet tijdelijke tenzij verleiding : En wat baten al de sehopselen . zoo gij van den Seln^jjior voi\'laten zijt ?

Alles dan verlatende, maak n behage-lijk en getrouw aan uwen Scliopper, opdat gij het ware geluk moogt verwerven,

-ocr page 175-

Ill BOEK. II HOOPDSTUK. 157

a i: H E i).

Ja wel gelvikkig liij . mijii G-od I die zijn Imrt voor don zaligen invloed nwei\' goddelijke inspraak open houdt ! Gelukkig hij . die naar nwe stem hoort en de leiding uvrer genade volgt I Hoeveel he-zil zulk een. waarvan hij de waarde nimmer beseften kan I ^Niets van al het aardsehe is daarbij iets te achten. Laat ook mij dat geluk ontwaren. Woon Gij bij mij. en maak mijn hart vatbaar voor den invloed van nwe vertroostende stem. Gij zijt mijn heil. vrede en leven.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Be Waarheid spreekt in o/us zonder fjeluid can woorden.

1. De (jELOOVitrE ! Spreek , o Uur! icanf uw dienaar hoort. ( 1 Reg. 3.) Ik hen uw dienaar : (jeef mij eerst and . opdet ik uwe (fetn if jen issen ken ne.. (Psalm 118.)

(-iij mi)n hart tot de troorden nirs monds (Tb.); dat nwe rede als de morgendauw vloeie.

-ocr page 176-

III BOEK. II HOOFDSTUK.

Weleer zeiden Fsmëls kinderen lot Mozes : Spreek gij lof onsen wij zullen hoor en ; maar dat G-od lot ons niet spreke opdat wij niet sterven. ( Exod. 20)

Niet alzoo . o Heer ! niet alzoo bid ik ; liever smeek ik met den Profeet Samu-ë 1 ootmoedig en vurig : Spreek, o Heer ! want uw dienaar hoort.

Dat niet Mozes noeli een der Profeten tot mij spreke, maar spreek (rij liever, Heere G-od! ingever en verlieh-ter van al deProfeten: want Gij alleenkunt mij zonder hen volkomen onderrichten, terwijl zij zonder U niets vermogen.

2. Woorden kunnen zij wel doen klinken; maar den geest schenken zij niet.

Zij spreken voortreffelijk , maar zwijgt Gij . zij ontvlammen het hart niet.

Zij geven letters. maar Gij ontvouwt den zin.

Zij dragen geheimenissen voor, maar Gij doet de heteekenis van het hetee-kende vatten.

Zij maken de geboden bekend , maar Gij helpt die volbrengen.

Zij wijzen den weg, maar Gij sterkt om diej) te bewandelen.

158

-ocr page 177-

TIT -ROEK. TT HOOFDSTUK. 159

Zij werken slechts vau buiten, maar Hij onderricht en verlicht het hart.

Zij begieten uil wendig, maar Grij geelt de vruchtbaarheid.

Zij spreken luid door woorden , maar G ij geeft aan het gehoor het begrip.

3. Dat dan niet Mozes tot mij spreke, maar Grij , Heere mijn God! de eeuwige waarheid , opdat ik niet sterve en zonder vrucht blijve, als ik slechts uitwendig gewaarschuwd ben en niet inwendig ontvlamd.

Opdat het mij niet ten oordeel strekke liet woord gehoord en niet gedaan, gekend en niet bemind, geloofd en niet onderhouden te hebben.

Spreek Gij dan, o Heer ! ivaut uw dienaar hoort, en Gij hebt de woorden des eeuwiyen levens. (Joan. 0.)

Spreek Crij tot mij tot eenigen troost mijner ziele en ter verbetering van mijnen goheelen wandel, U tot lof en roem en eeuwige eer.

ii E B E D.

Ja spreek Grij tot mij , o God ! en dat 11

-ocr page 178-

100 III BOEK. Ill HOOFDSTUK.

jillo sclu\'pst\'len zwijgen! Spreek tot mijne ziel; maak haar uwen heiligen wil be-lu\'iul en geelquot; haar de kracht uni dien Ie volhreugeii. Wat tocli haat iiiij uwe Heilige Sciirilï . zoo Gij mij uiet daarvan den zin openl ? Clij, G ij alleen onder-richl den geest, ontvlamt het hart en sterkt den gang. Daarom, spreek Gij, o lieer! uw dienaar hoort. Gij hebt de woorden des eeuwigen levens; Grij zijt mijn licht en sterkte.

DERDE HOOFDSTUK.

liet woord Gods moid met ootmoed (fehoord worden; velen nemen het met ter harte.

1. Di: Heeb. Mijn zoon! hoor naar mijne woorden, woorden vol liellijkheid en verheven boven al de wetenschap der geleerden en wijzen dezer wereld.

Mijne woorden zijn geest en leven (Joan, ü), en mogen niet geschat worden naar het gevoelen der menschen.

Ook mag men daarin geen ijdel behagen zoeken, maar men moet ze in stilte

-ocr page 179-

Ill UOEK. Ill HOOFDSTUK. 161

aauhooren en met alien ootmoed en groote liefde opnemen.

2. J)e Gklooatge. Gelaklcu/ is hij, o Heer ! dien (jij onderricht en mre ivet leert om hem in hanye dagen te. verhmkTcen (Ph. 93), en opdat hij niet op aarde verlaten zij.

5. De Heer. Ik heb van den beginne af de Profeten onderwezen en tot nn toe houde ik niet op tot allen te spreken , maar velen zijn doof voor mijne stem en verhard.

Velen hooren liever de wereld dan God, en volgen liever de lusten hnns vleesches dan het welbehagen G-ods.

De wereld belooft het tijdelijke en geringe en wordt met grooten ijver gediend : ik beloof het hoogste en eeuwige, en der stervelingen hart blijft koud.

Wie dient en gehoorzaamt Mij in alles met die zorg, waarmede men de wereld en hare heeren dient ?

Bloos, o Sidon! zegt de zee. (Is. 23) En vraagt gij de reden, hoor, zij is deze:

Om een gering inkomen legt men een grooten weg af; voor het eeuwige leven

-ocr page 180-

I(i2 III BOEK. TÏI HOOPDSTtTK.

willen veleu nauwelijks een voet van den grond oplichten.

Men streeft naar een slecht gewin; om een stuk gelds wordt somtijds schandelijk getwist; om een ijdel ding en eeue beuzelachtige belofte aarzelt men niet zich dag en nacht te vermoeien.

4. Maar, o schande! voor een onvergankelijk goed , voor een onwaardeerbaren prijs, voor de hoogste eer en eindelooze heerlijkheid is men traag de minste moeite te doen.

Bloos dan, traag en klaagziek dienstknecht! daar geneii ijveriger tot hun verderf dan gij ten leven bevonden wordt.

Zij smaken meer vreugde bij de ijdel-lieid dan gij bij de waarheid.

En toch worden zij somtijds in hunne hoop bedrogen, terwijl mijne belofte niemand bedriegt, noch die op Mij vertrouwen ledig wegzendt.

Wat Ik beloofd heb zal Ik geven, wat Ik gezegd heb zal Ik nakomen, mits men in mijne liefde getrouw blijve ten einde toe.

Ik ben het die alle braven beloon, Ik , die de vromen sterk beproef.

-ocr page 181-

Ill BOEK. Ill HOOFDSTUK. 163

Schrijf mijne woorden in mv hart en overweeg ze vlijtig; want ten tijde der bekoring znllen zij zeer noodzakelijk zijn.

Wat gij bij het lezen niet verstaat, zult gi j begrijpen ten dage van mijn bezoek.

Ik pleeg mijn uitverkorenen op tweederlei wijze te bezoeken , door beproeving namelijk en vertroosting.

Twee lessen ook lees ik hun dagelijks, de eene door hun gebreken te berispen, de andere door hen op te wekken tot voortgang in de deugd.

Wie mijne woorden hoort en ze versmaadt. heeft een\' die hem vonnissen zal ten Jongst en dage.

6. De Geloovige. Heere mijn God! al mijn goed zijl Gij. Kn wie ben ik dal ik tot IJ durf spreken? Ik ben uw armste dienstkneeht en een nietig aardworm, veel armer en veraehtelijker dan ik weet of zeggen durf.

Gedenk toeh, o Heer! dat ik niets ben, niets heb en niets vermag.

Gij alleen zijl goed, rechtvaardig en heilig. GJij vermoogt alles, Gij geeft alles. Gij vervuil alles, den zondaar alleen ledig latende.

-ocr page 182-

164 III BOEK. Ill HOOFDSTUK.

Gedenk uwer ontfermingen en vervul mijn hart met uwe genade, Gij die uwe werken niet ledig wilt laten.

7. Hoe zal ik in dit ellendig leven ; den last Aan mijzelven dragen, als uwe ! ontferming en genade mij niet onder-j steunen :

Wend uw aanscliijn niet van mij af; j wil uw bezoek niet uitstellen; wil mij || uwen troost niet onttrekken, opdat mijne I ziel voor U niet worde ah een land zonder ! icaier. (Ps. 1-12)

Heer! leer mij utren ivil doen, (Th.) | leer mij voor U waardig en in ootmoed wandelen.

Gij toch zijt mijne wijsheid, die mij in waarheid kent en reeds gekend liéht, voordat de wereld was en voordat ik in de wereld geboren werd.

Gr E B E I).

Beschamend. o God ! is voor mij deze | overweging. Een verkeerde geest die mij : zoo vaak bezielt, belet uwe woorden toegang tot mijn hart, dat zich ook meer genegen toont om der wereld ge-

-ocr page 183-

Ill BOEK. IV HOOFDSTUK. 165

hoor ie geven en zich aan haar Ie verhinden. Moehl deze verhlindlieid ophouden . en ik mijn zeifbedrorr ontwaren ! Doe mij de wereld in hare gedaante he-sehonwen. Dit zal genoeg zijn om haar mijn hart te ontrnlvken en het tot U over te hrengen, die» alleen het kunt bevredigen.

VTER3) E HOOin)STUK.

Men moet m iraarheid en ootmoed voor God wandelen.

1. Dl-: Ukkk. Zoon! wandel voor Mij in waarheid en zoek Mij altoos in de eenvoudigheid uws harten.

Wie voor Mij in waarheid wandelt zal tegen booze aanvallen beveiligd zijn, en de waarheid zal hem bevrijden van de verleiders en van den laster der kwaadwilligen.

Heeft de waarheid u bevrijd, dan zult gij waarlijk vrij zijn en op de ijdele woorden der mensehen geen aehl geven.

2. De GrELOOViCrE. Heer! het is gelijk Gij zegt; dal , bid ik , mij dns gesehiede;

-ocr page 184-

166 HI BO-EK. IV HOOFDSTUK.

dat uwe waarheid mij leere, dat zij mij bezware en tot een heilzaam einde be-houde.

Dat zij mij vrijmake van alle kwade neiging en ongeregelde verkleefdheid ; dan zal ik met l in groote vrijheid des harten wandelen.

3. De Heer. Tk, zegt de Waarheid, zal u leeren wat recht en Mij hehage-lijk is.

Overweeg met een groot mishagen en droefheid uwe zonden , en acht u nooit iets te zijn om uwe goede werken.

Inderdaad, gij zijl een zondaar, aan vele driften onderworpen en daarin verward.

Uit u zei ven helt gij altoos over tot het niet; spoedig valt gij, spoec wordt gi j overwonnen, spoedig ontrust, spoedig ontmoedigd.

Niets hebt gij waarop gij kunt roemen, maar veel waarover gij u moet vernederen; want gij zijl veel zwakker dan gij bevatten kunt.

■J. Van alles dan wat gij doet schijne ii niets groot: houd niets als groot, niets als kostbaar, bewonderens- of roemens-

-ocr page 185-

Ill BOEK. IV liOOPDSÏUK:. 167

waardig : want niets is verheven. niets waarlijk prijzenswaardig en begeerlijk dan hetgeen eenwig is.

Dat de eeuwige waarheid n hoven alles behage, nwe overgroote onwaardigheid n steeds mishage.

Vrees, veracht en vlucht nicls zoo zeer als uwe gebreken en zonden, waarvan gij meer afkeer moet hebben dan van aller zaken verlies.

Sommigen wandelen voor mij niet oprecht; maar, door zekere nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijne verborgenheden kennen en de diepte Gods peilen, terwijl zij zich/.elven en hun heil verwaarloozen.

Dezen. daar Ik jNIij tegen hen stel, vallen dikwijls door hun hoogmoed en nieuwsgierigheid in groote bekoringen en zonden.

5. Rij , vrees Gods oordeelen, sidder voor den troon des Aliuaehtigen.

\\\\ ii nici de werkeu des Allerhoogsteu beoordeel en ; maar doorzoek uwe ongerechtigheden . in hoeveel gij misdaan en hoeveel goeds gij verzuimd hebt.

{Sommigen stellen hunne godsvrucht

-ocr page 186-

168

alleen in booiven , sommigen in beelden aiuleren in uitwendige leek enen en vormen.

Sommigen hebben Mij in den mond , maar weinig in het hart.

Kr zijn anderen die, van verstand verlicht en van harte gereinigd, altoos naar het eeuwige hijgen; zij willen nauwe-lijV.s van het aardsche hooren en voldoen met weerzin aan de behoeften der natuur.

Kn deze gevoelen wat de geest der waarheid in hen spreekt.

Want hij leert hen \'t aardsche versmaden en \'1 hemelsche beminnen , de wereld vcronachtzainen en dag en nacht onophoudelijk naar den hemel verlangen.

GEBED.

Dierbare Heiland! Vriend der oprechten en eenvoudigen van harte ! mocht ik zoo gelukkig zijn onder het aantal dezer uwer uilverkoornen te behooren . en mijn hart de krachtige inspraak uwer eeuwige waarheid gevoelen ! Dan zoude ik mij licht boven nl het zinnelijke kun-

-ocr page 187-

Ill BOEK. V HOOPDSTTJK. 169

nen Terheffen, mijn hart heter leeren kennen en mij zijne verbetering meer aantrekken. Dat liet toeli eens daarloe kome. Uwe waarheid zij mijne geleidster, zij brenge mij tot een eenwig zalig leven !

VTJFDE HOOFDSTUK.

O eer de n\'Oïfderhare /rerkinr/ der (jocl-delijlce liefde.

1. ])i: Geloovige. Tk zegen U. o liemelsebe Vader! Arader van mijnen lieer Jezus Christus! dat Gij U verwaardigd hebt mij arme te gedenken.

o Vader der barmhartigheid en God aller vertroosting! U zij dank dat Gij mij, allen troost onwaardige, nu en dan met uwen troost verkwikt.

U zegen ik en verheerlijk ik met uwen eeniggeboren Zoon en den Heiligen Geest, den Trooster, in de eeuwen der eeuwen.

o Heere God ! mijn heilige minnaar ! wanneer Gij komt in mijn hart, dan zal alles wal in mij is zich verheugen.

-ocr page 188-

170 1 iii boek. v iiooidstijk.

(rij zijl. mijn room en do vreugde mijns Imrtcn; Gij zijt mijn hoop en toovl uclit Ion tijde mijnor beniiuwdheid.

2. .\\l,i ar omdat ik in de liefde nog zwak hen en in de deugd onvolmaakt . daarom behoef ik volstrekt door U versterkt en getroost te worden. Bezoek mij dan dikwijls en onderwijst mij in uwe heilige leeringen.

Hevrijd mij van kwade driften en genees mijn hart van alle ongeregelde neigingen : opdat ik . van hinnen genezen en wèl gereinigd, hekwaam worde om U te heminnen, sterk om te lijden en standvastig om te volharden.

3. De ITfïeiï. De liefde is iets groots, een zeer groot goed.

Zij alleen maakt licht, al wat zwaar is. en draagt al hel ongelijke gelijkelijk.

Want zij draag! den last zonder last, en maakt al het hittere zoet en smakelijk.

De liefde tut Jezus is edelmoedig, drijtt tot groote daden aan en wekt steeds de begeerte tot het volmaaktere op.

De liefde streeft naar hoven en laat zich door niets laags wederhouden.

-ocr page 189-

ÏTT ÜOEK. V irOOFBSTFTv. 1/1

JJe lielde wil vrij zijn ou van alle wcreldsclio gehechtlioid onllieven , opdat haar innerlijke Itlik niet verhinderd worde, opdat zij om geenerlei tijdelijk belang in verlegenheid kome noch wegens ongeval bezwijke.

Er is niets zoeter dan de liefde, niets krachtiger, mets ver)levener , niets uitgebreider, niets genoegelijker, niets vollediger , niets beter in hemel en op aarde.

Want de lielde is uit Ood geboren en kan niet dan in God boven al het geschapene rusten.

4. W ie bemint, loopt, vliegt en is verheugd ; hij is vrij en wordt niet we-derhonden.

Hij geeft alles voor alles en heeft alles voor alles , dewijl hij boven alles in het eenige hoogste rust, uit hetwelk alle goed vloeit en voortkomt.

Hij ziet niet op giften, maar wendt zich , boven alle goederen, tot den gever.

He liefde kent dikwijls geeue maat, maar brandt boven alle mate.

He liefde gevoelt geen last, zij acht geen arbeid; zij tracht naar meer dan zij

-ocr page 190-

Ill IK)KK. V llOOKDSTUIv.

vermag, zij wendt nooit onmogelijkheid voor, omdat zij meent dat haar alles mogelijk en geoorloofd is.

Zij is dus tot alles in staat; zij volbrengt veel en voert uit, waar hij die niet bemint, te kort schiet en bezwijkt.

De liefde waakt en slapende sluimert zij niet.

Vermoeid, is zij niet afgemat; geprangd. wordt zij niet ingedrukt; verschrikt, ontstelt zij zich niet; maar gelijk een levende vlam en brandende toorts breekt zij uit naar boven en dringt ongehinderd door.

Wie bemint weet wat deze stem roept. Ook is het een sterk geroep in het ooi-van (rod, wanneer eene van liefde brandende ziel uitroept: Mijn God ! mijne liefde ! O ij geheel de mijne, ik geheel de uwe.

ü. De oeloovk; j;. Breid in mij de liefde uit, opdat ik met den inwendigen mond des harten leere smaken, hoe zoet het zij te beminnen en in liefde te smelten en te zwemmen !

Mocht ik door liefde zoo bevangen worden, dat ik door haar gloed en over-

-ocr page 191-

Ill 110Klv. X HOOFDSTUK. 1 7.quot;«

maat boven inijzelven vervoord wiml I

Aloclit ik het; lied dcr liol\'dc zingen en U,iiiijn Gclielde! in de lioogte volgen; inoelit. mijne van lielde jnicliende ziel onder nwen lolquot; bezwijken !

Mocht ik U meer dan inijzelven beminnen en inijzelven alleen om 1 , en in U allen die U waarlijk beminnen, gelijk de wet der liefde , van U afkomstig , gebiedt !

7. De Heer. De liefde is vlug, ongeveinsd . vroom , bevallig en aangenaam, sterk geduldig , getrouw, voorzichtig, lankmoedig, manhaftig en nooit zieb-zelve zoekende : want waar iemand zieb-zelven zoekt daar valt de liefde weg.

De liefde is omziebtig, nederig en oprecht, niet lafhartig , niet liehtzinnig noch ()]gt; ijdelheden bedacht, ingetogen, kuisch , bestendig, bedaard en wachthoudende over alle zinnen.

De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten, in haar eigen oog gering en ongeacht , (lode gewijd en dankbaar, altoos hopende en vertrouwende op Hem, ook als zij voor G-od

-ocr page 192-

174 itr hoek. v iroopdstuk.

goen smaak gevoelt; want zonder smart leeft men in de liefde niet.

8. Wie niet gereed is om alles te lijden en zich naar den wil zijns geliefden te selukken , verdient den naam van minnaar niet.

Een minnaar behoort zich gaarne om zijnen geliefde al het harde en hittere tc getroosten, en door geene voorvallende tegenheden van hem te laten aftrekken.

g e t? e d.

Kan ik U, o Q-od der liefde ! wel te dikwijls om liefde hidden, daar van haar mijne volmaaktheid en zaligheid afhangen ? Mocht ik zoo gelukkig zijn de ware liefde te kennen en haren kraeh-tigen invloed te ontwaren! mochten de echte kenmerken daarvan zich meer en meer bij mij vertoonen ! welk een groot, onwaardeerbaar goed zoude ik bezitten ! Crod der liefde ! stort mij eene reine , alles overtreffende liefde in. Wees Gij de mijne, ik zij de uwe, eeuwig de uwe, alleen de uwe.

-ocr page 193-

ill boek. vi hoofdstuk.

ZESDE HOOFDSTUK.

Ocer den toetssteen der ware liefde.

1. De Heer. Mijn zoon! lt;jfij /ijt nog geen sterk en welberaden miimaar.

2. De Gteloovige. Waarom, Heer?

4. De Heer. Omdat gij wegens eene

geringe tegenheid uw opzet laat varen en te gretig naar vertroosting omziet.

Een sterk minnaar staat pal bij de bekoringen en slaat aan des vijands listige ingevingen geen gelootquot;. Grelijk fk hem behaag in voorspoed . zoo mishaag Fk hem niet in tegenspoed.

4. Een welberaden minnaar ziet niet zoo zeer op des geliefden gitte als op des gevers liefde.

Hij heeht meer aan het hart dan aan het gesehenk . en hij stelt al de gaven beneden den beminde.

Een edelmoedig minnaar berust niel in het geschenk . maar in Mij boven alle geschenken.

Daarom is alles niel verloren . :il gevoelt gij u eens jegens Mij ol\' mijne 1-2

175

-ocr page 194-

170 III BOEK. VI HOOFDSTUK.

llciligeii minder welgezind dan gij wenschtet.

Die goede en liefelijke gesteldheid, welke gij somtijds ontwaart, is het uitwerksel d er aanwezige genade en zekere voorsmaak van liet hemelsch vaderland , doch waarop gij niet te veel moogt steunen : want zij gaat en zij komt.

Maar te strijden tegen de invallende kwade bewegingen des harten , en de ingevingen des Satans te verachten , is een teeken van deugd en groote verdienste.

6. Laat u dan niet ontrusten door vreemde voorstellingen , omtrent welke zaak ook ontstaan.

Houd u standvastig bij uw voornemen en uw oogmerk tot God gericht.

Ook is hetgeen bedrog, als gij soms schielijk in verrukking wordt opgevoerd en aanstonds tot de gewone ongerijmdheden des harten wederkeert: want deze lijdt gij meer tegen uwen zin dan dat ze bewerkt. En zoo lang zij u mis-gen en gij tegenstreeft, strekken ze u tot verdienste en niet tot schade.

7. Weet dat de oude vijand op aller-

-ocr page 195-

Ill BOEK. VI HOOFDSTUK. 177

lei wijze tracht uw verlangen ten goede te verhinderen en u van elke godvruchtige oefening af te trcliken; namelijk van de vereering der Heiligen, van de zalige overweging mijns lijdeus, van dc zoo nuttige herinnering uwer zonden . van de waakzaamheid over uw eigen hart en van het vast voornemen om ii de deugd voort te gaan.

Daarom dringt hij u vele kwade gedachten op om ii verdriet en afgrijzen te veroorzaken, teneinde u van het gebed en het godvruchtig leven af te leiden.

Ook mishaagt hem eene ootmoedige schuldbelijdenis. Ja indien hij koude, hij zoude u van \'s Ileercn tafel afhouden.

Geloof hem niet noch stoor u aan hem , hoe dikwijls ook liij u zijne he-driegelijke strikken spanne.

Werp ze hem met verachting terug als hij u kwade en onreine gedachten ingeeft, en zeg tot hem : - Weg onreine geest! bloos, rampzalige 1 gij zijt wel zeer onrein, om mij zulke dingen in het oor te blazen.quot;

Wijk van mij, snoodste verleider 1 oij zult geen deel aan mij hebben ; maar

-ocr page 196-

178 III BOEK. VI HOOFDSTUK.

Jezus /al als eon krachtig strijder niet mij zijn, en gij zult beschaamd staan.quot;

// Liever wil ik sterven en alle smart lijden dan met u instemmen. quot;

// Zwijg en verstom! Tk zal niet meiM* naar u hoeren, hoeveel moeilijkheden ook gij mij aandoet. De Heer is mijn licht en mijn heil, ivien i.oude ik vree-zen ? De Heer in mijne levenshracht: voor men zoude iJc .sidderen ? Af .stonden er ook legers tegen mij op, mijn hart zonde niet vreezen. De If eer is mijn helper e.i mijn verlosser, (Ps. 16).

8. Strijd dan als een goed krijgsknecht, en valt gij soms uit zwakheid, herneem den moed meer dan te voren, en vertrouw op mijne overvloediger genade, maar wacht u zeer voor ijdel zelfbehagen en hoogmoed.

Daardoor toch worden velen in dwaling gebracht en vervallen somtijds tot eene ongeneeslijke blindheid.

Dat de val dier hoogmoedigen , die zich dwaselijk zooveel verbeelden, u ïot behoedzaamheid en steeds tot ootmoed strek ke.

-ocr page 197-

iiï quot;boek. vii hoofdstuk. l/\'.)

ö e b e d.

Ja , mijn God, nog veel heb ik te lee-reu, eer mijue liefde gezegd kan worden de proef te hebbeu doorgestaau.

Nog iu vele opzichten moet ik haar ge brekkig noemen. Tk heb U lief, maar is het niet veelal om uwe gaven, om eenig voordeel ? De minste bekoring, hel minste ongeval doet mij wankelen.

Wil mij in uwe liefde sterker maken en van eigenliefde zuiveren ; dat ik U lief-hebbe om Uzelven , dat niets in staat zij mij van U af te trekken !

ZEVENDE HOOFDSTUK\'.

Dat men de genade onder de hoede der nederigheid moei verbergen.

1. De Heee. Mijn zoon ! het is voor u nnttiger en veiliger de genade der gods-vrucht te verbergen, u daarop niet te verheflfen noch veel daarvan te spreken en die niet te veel te achten , maar eer uzelven te verachten en te vreezen dat hij eenen onwaardige gegeven is.

-ocr page 198-

180 ITT -nOEFC. TTT nOOPDSTTTTC.

Men mag niet te veel hechten aan eene gesteltenis , welke zoo ras tot het tegendeel kan overslaan.

Bedenk bij het genot der genade hoe ellendig en beroofd gij zonder de genade pleegt te zijn.

Noch ligt de voortgang van het geestelijke leven alleen daarin . dat gij de genade der vertroosting bezit; maar daarin dat gij met ootmoedige zelfverzaking en geduld hare onthouding verdraagt; zoodat gij dan niet in het gebed vertraagt, noch uwe overige gewone oefeningen geheel terzijdestelt ; maar dat gij volgens uw best vermogen en doorzicht gewillig doet wat gij kunt enn wegens de dorheid of benauwdheid, welke uwe ziel ontwaart , niet geheel verwaarloost.

2. Velen toch zijn er die , zoodra het hun niet naar wensch gaat, terstond ongeduldig en traag worden.

\'s Menschen weg is immers niet altoos in zijne macht; maar het komt Cfod toe te geven en te troosten, wanneer Hij wil en zooveel Hij wil en wien Hij wil. volgens zijn welbehagen, en niet meer.

Eenige onvoorzichtigen hebben ziel:

-ocr page 199-

TTT quot;nOEKquot;. VTT TTOOTDRTTTT?. 181 ;

wegens de genade der godsvrucht in liet verderf gestort, omdat zij meer wilden doen dan zij vermochten; geen achtgevende op de mate hunner geringheid , maar liever de neiging des harten volgende dan het oordeel des verstands.

En daar zij meer ondernamen dan Grode hehagelijk was , daarom hebben zij de genade spoedig verloren.

Aldus werden zij die in den hemel wilden nestelen, beroofd en aan hunne nietigheid overgelaten, opdat zij vernederd en verarmd , leeren mochten niet op eigen wieken te vliegen maar onder mijne vleugelen te schuilen.

3. Zij die in den weg des Heeren nog nieuwelingen en onervarenen zijn, kunnen licht bedrogen en teleurgesteld worden , tenzij zij zich door den raad van verstandigen laten leiden.

Of willen zij liever hun eigen zin volgen dan meer ervarenen geloof geven , dan zal hun einde gevaarlijk zijn , zoo zij namelijk van hun eigen begrip niet willen terugkomen.

Zij diezichzelven wijs genoeg zijn , laten zich zelden nederig door anderen geleiden.

-ocr page 200-

1S2 m HOEK. VJf HOOFDSTUK.

.Beter is weinig kennis en eeu gering versland met ootmoed, dan groote schatten van geleerdheid met ijdel zelfbeha-gen.

Heler is weinig te hebben , dan vee] waarover gij u kondel verhoovaardigen.

Hij handelt niet voorzichtig genoeg die zich geheel aan de vreugde overgeeft, vergetende zijne vorige armoede en de ingetogene vreeze des Heeren, welke steeds beducht is de aangeboden genade lt; verliezen.

Kil li ij is ook niet sterk genoeg van geest die zich , ten tijde van tegenspoed en liet geringste ongeval, te wanhopig ge-draagl on minder vertrouwelijk dan liet behoorl omtrent Mij denkt en gevoelt.

I. Wie in vredestijd te gerust heelt willen zijn, zal dikwijls in oorlogstijd te neerslaclil ig en te vreesaclitig bevonden worden.

Wist gij altoos nederig en bij uzelven klein te zijn , en uwen geest wél te regelen en te besturen, gij zoudt u zoo licht niet aan gevaar blootstellen noch aanstoot vinden.

Het is een goede raad : ontwaart gij

-ocr page 201-

Ill UOKK. VJI HOOFDSTUK. I S3

iu u deu geest van godsvrucht, overweeg hoe het zal zijn als dat licht u verlaten heeft.

En gebeurt dit, denk dat dat licht dra kan wederkomen, hetwelk ik u voor een tijd ontnomen heb tot uwe behoedzaamheid en mijne verheerlijking.

5. Eeu zoodanige beproeving is dikwijls nuttiger dan dat het u altoos welga naar uwen wensch.

Want de verdiensten zijn niet daarnaar Ie meten, of iemand velerlei openbaringen en vertroostingen hebbe, noch of hij bedreven in de Schriften zij of in een hoogen rang geplaatst ; maar of hij iu waren ootmoed gevestigd zij en met de liefde Gods vervuld ; of hij de eer van God altoos zuiver en volkomen beooge , of hij zichzelven niets aclite en waarlijk versmade , en meer behagen viude in van anderen veracht en vernederd dan geëerd te worden.

a E E E D.

Ook ik , o God ! mag mij niet verheffen op een voorrecht dat ik zoo spoe-

-ocr page 202-

18 1 TTT P.OTTC. VUT 1T00PTgt;PTTTK.

cli^ knn verliezen, op eenc gesteltenis welke zoo rus voorbij kan zijn. Welke grooie gunsten ook mij te benrt vallen, ik behoor mij ootmoedig te gedragen en het geringste van mijzolven te denken. Zulk eene gemoedsgesteldheid is U aangenaam en verzekert mij van uwe goedgunstigheid. Dat zij mij dan steeds onderscheidde ; dat ik in ootmoed wandele i en daarin gevestigd blijve 1

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Hoe gering wen zich moet achten in het oog van God.

1. De Q-eloovige. Ik zal spreicen tot mijnen He ere, hoewel ik stof en asch hen, (Óen. 18)

Zoo ik mij voor iets meer acht, zie, G ij stelt U tegen mij , en mijne overtredingen geven eene ware getuigenis die ik niet weerleggen kan.

Maar verneder ik mij en maak ik mij tot niets; leg ik allo zelfverbeelding af en breng ik mij tot stof, gelijk ik ben ,

-ocr page 203-

TIT TUVFTv. YTTT TTOOFDSTrK. 185

dan zal uwe genade mij gunstig en uw liflil mijn hart nabij zijn.

En dan zal alle zelfverbeelding , hoe gering ook , in de diepte mijner nietig-lieid verzwolgen worden en voor eeuwig vergaan.

Daar vertoont Crij mij aan mijzelven, wat ik ben , wat ik was en waartoe ik gekomen ben; want ik ben niets en ik wist het niet !

Worde ik aan mijzelven overgelaten, zie, dan ben ik niets en geheel zwakheid; maar werpt Grij spoedig weder een blik op mij , dan word ik aanstonds sterk en met nieuwe vreugde vervuld.

En hoe wonderbaar dat ik zoo aanstonds weder worde opgebeurd en zoo vriendelijk door U ontvangen, ik , die ; door eigene zwaarte steeds naar beneden hel.

2. Dit is liet werk uwer liefde, die mij onverdiend voorkomt en in zoo vele noodwendigheden bijstand biedt, die mij ook voor groote gevaren behoed, ja om de waarheid te zeggen, aan ontelbare rampen ontrukt.

Want door mijzelven verkeerdelijk te

-ocr page 204-

I S(i III quot;ROEK. Arl 11 HOOFDSTUK.

beminnen heb ik inijzelven verloren maar door U alleen te zoeken en oprecht te beminnen, heb ik inijzelven en tevens U gevonden , en ben door liefde in mijne nietigheid nog dieper gezonken, omdat Gij , o Beminnenswaardigste 1 aan mij wéldoet boven alle verdienste, ja boven hetgeen ik zoude durven hopen of begeeren.

.3. Wees dan gezegend, o mijn God ! dat, hoezeer ik al uwe weldaden onwaardig ben, uwe edelmoedigheid en oneindige goedheid toch nimmer ophouden wèl te doen, zelfs aan ondankbaren en verre van U afgewekenen.

Doe ons tot V wederkeeren , opdat wij dankbaar, nederig en U toegewijd mogen zijn: want Gij zijt ons heil, onze kracht en sterkte.

n T: B E T).

God ! ook ik mag vragen : wie ben ik om met U te spreken ? Ik , stol en asch. Ja ik gevoel mijne nietigheid en erken het openlijk dat mijne lippen niet rein genoog zijn om uwen heiligen naam te

-ocr page 205-

Ill BOEK. IX HOOPDSTÜK. 187

noemen. Maar zal dit bewustzijn mij ier-nederslaan ? Xeen ! Grij zijt mijn Vador en houdt niet op mij wèl te doen. Dat dit gevoel mij steeds beziele , en ik onberispelijk voor U wandele. Dan zal ik U onbeschroomd mogen naderen en U met recht Vader mogen noemen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Dat men allen tof God, als het laat ate einde moet teruffhremien.

1. De Heer. Mijn zoon! Tk moet uw hoogste en laatste einde wezen , zoo gij waarlijk gelukkig wilt worden.

Door deze bedoeling zullen uwe neigingen gezuiverd worden, die zich vaak verkeerd tot uzelven en de schepselen nederbnigen.

Want zoodra gij in iets uzelven zoekt verkwijnt ^ij en verdort.

Breng dus alles tot Mij als de bron terug: want Tk ben het die alles geef.

Beschouw alles als vloeiende uit het hoogste goed; waarom ook alles tot Mij ,

-ocr page 206-

188 in hoek. ix hooi-ustuk;.

als tot zijnen oorsprong, moet worden teruggebracht.

2. Uit Mij putten klein en groot, arm ij en rijk levendig water , aio uit eene levende bron; terwijl zij die .Mij vrij en gewillig dienen, genade voor genade zullen i ontvangen.

Maar wie buiten Mij wil roemen of in eenig bijzonder good zijn vermaak nemen , zal niet in de ware vreugde bevestigd worden noch opgeruimd van harte zijn; maar hij zal op velerlei wijze belemmerd ; en benauwd worden.

Gij moogt ii dan van het goede niets ! toeschrijven; ken ouk aan geen inensch de deugd toe, maar geef alles aan Grod . zonder wien de mensch niets heeft.

Ik heb alles gegeven, ik wil alles terug-1 hebben en eisch ten strengste daarvoor dankzeggingen.

.3. Dit is eene waarheid waardoor de ijdelheid der roemzucht verdreven wordt.

En zijn de hemelsche genade en ware liefde eens binnengegaan, dan zal geen nijd , noch kwelling des harten , noch eigenliefde plaats vinden.

Want de goddelijke liefde overwint

-ocr page 207-

Ill BOEK. IX HOOFDSTUK. 189

alles ou ontwikkelt al de krachten dei-ziele.

. Zoo gij recht verstandig zijt zult gij u in Mij alleen verheugen, op Mij alleen hopen : want ulemand is (joed dan God alleen, ( Matth. 19) die hoven alles te loven en in alles te prijzen is.

GEB K D.

Gij mijn God! zijt mijn hoogste goed. Gij behoort ook mijn hoogste doel. mijn laatste einde te zijn. Wat heb ik dat ik van TJ niet heb ontvangen ? Wat goeds bezitten de schepselen waarvan Gij de bron niet zijt? Van TJ komt alle goed, in U zijn wij. leven wij en bewegen wij ons. Dat deze gedachte bij mij levendig blijve en mij tot dankbaarheid aanzette. Wees Gij mijn hoogste goed; Wees Gij ook mijn hoogste doel waarnaar ik onophoudelijk streve.

-ocr page 208-

190 I iii boek. x hoofdstuk.

TIENDE HOOFDSTUK.

Koe riemeylijlc het zij, met verachthiff der wereld, God te dienen.

1. De Gteloovige. Nu, Heer! zal ik andermaal spreken en niet zwijgen. Fk zal in de ooren van luijnen Grod , van mijnen Heer en Koning, die in de hoogte is. zeggen :

Hoe fjroot is het fjoed, o Heer ! dat Gij hebt weggelerjd voor hen die U oreezen, (Ps. .30)

Maar wat zijt Grij voor lien die U l)e-minnen . wat voor hen die Ü van ganscher harte dienen !

Waarlijk onuitsprekelijk is liet genoegen uwer aanschouwing, hetwelk Gij verleent aan hen die U beminnen.

Daarin vooral hebt Gij mij het zoete uwer liefde getoond, dat Gij mij liet aanzijn gegeven hebt toen ik nog niet was, en mij toen ik verre van U afdwaalde tot uwen dienaar teruggebracht hebt. en mij bevolen hehl 1 te beminnen.

-ocr page 209-

TIT HOEK. X HOOFDSTUK. 191

2. o Bron der eeuwige liefde ! wat zal ik van U zeggen ?

Hoe zoude ik U kuuueu vergeten , die U verwaardigt hebt mijner te gedenken ook toen ik verdord en bedorven was ?

Gij liebt boven alle hoop uwen dienstknecht barmhartigheid bewezen , en hem, boven alle verdienste, genade en vriendschap betoond.

Hoe zal ik U die gunst vergelden ? Het is toch aan allen niet gegeven om met verzaking van alles der wereld vaarwel te zeggen en het kloosterleven te omhelzen.

Is het dan iets groots dat ik U diene , wien alle schepsel dienen moet ?

Het mag mij niet groot schijnen U te dienen; maar dit liever schijnt mij groot en bewonderenswaardig , dat O i j 1\' verwaardigt zulk een arme en onwaardige tol uwen dienstknecht op te nemen en onder uwe geliefde dienstknechten te plaatsen.

Zie, al wat ik heb en waarmede ik U dien is het uwe.

13

-ocr page 210-

192 II] BOEK. X HOOFDSTUK.

hi waarheid, Gij dient mij omgekeerd meer dan ik 17.

/ie ! hemel en aarde welke TJij tot \'s mensohen dienst geschapen hehl , stann gereed en doen dagelijks heigeen (Jij hnn liebt opgelegd.

I\'iii dit is nog weinig. (gt;()k tie Knge-Ifii lichi Gij ten dienste des meusehen

-Maar wat dit alles nog te hoven gaat, (!ij heht L zelfs verwaardigd den inenseh te dienen en beloofd Uzelven aan hem te zullen geven.

I. Wat zal ik U voor al die ontelbare weldaden wedergeven ?

Ach ! dat ik U dienen moeht al de , dagen mijns levens! Ach ! dat ik slechts ren dag U waardig dienen koude !

Fnderdaad Gij zijt allerlei dienst, allerlei eer en eeuwigen lof waardig.

Waarlijk Gij zijt mijn Heer en ik uw arme dienstknecht; ik ben verplicht U uit alle krachten te dienen en mag nimmer iu uwen lof verflauwen.

Dit wil ik, dit verlang ik; en wat mij mocht ontbreken , verwaardig Gij dat aan ta vullen.

-ocr page 211-

Ill BOÜK. X HOOmPTUK. 193

r). Het is eeu groote eer , eeu groote roem 1 le dienen en om uwentwille alles Ie versmaden.

Want zij die zich gewillig aan uweu nllerlieiligsten dienst onderwerpen, zullen groote genade bekomen.

Zij die om uwentwil alle vleesclielijke genoegens hebben verzaakt, zullen den aangenainen iroost des II. Geestes vinden.

En zij zullen eene groote vrijheid des harten genieten, die om uwen naam den engen weg hebben ingeslagen en alle wereldsche zorgen versmaad.

0. o Aangename en genoeglijke dienst van God, waardoor de mensch waarlijk vrij en heilig wordt !

o Heilige staat der kloosterlijke dienstbaarheid, die den mensch gelijk maakt aan de Engelen, behaaglijk aan God , geducht voor de duivelen en bij alle geloovigen achtenswaardig !

o Aannemens- en altoos wenschens-waardige dienst, waardoor het hoogste goed verdiend en eene eeuwigdurende vreugde verkregen wordt.

-ocr page 212-

l\'.M III BOEK. XT HOOFDSTUK.

GEBED.

Hoe zoude ik U, o Groei ! kunnen vergeten zonder de ondankbaarste uwer schepselen te zijn ! Wie zal de weldaden optellen mij onwaardige bewezen ? Kn ik zoude U niet dienen, U,die al-allerlei dienst, allerlei eer waardig zijt en dezen dienst met de beste zegeningen bekroont ? Laat mij nimmer zoo ondankbaar zijn. Uw wil zij mijn genoegen , dien te volbrengen mijne zaligheid ! Gij zijt mijn Heer, ik ben uw dienaar; Gij mijn Vader, ik uw kind.

ELFDE HOOFDSTUK.

Dat men de heg eer ten zijns Jiavten woel toetsen en matujen.

I. De Heer. Mijn zoon! gij hebt nog veel te leeren dat gij nog niet genoeg geleerd hebt.

De Geloovige. Wat is dat. Heer?

De Heer. Dat gij uwe begeerten geheel naar Mijn welbehagen schikt en

-ocr page 213-

Ill BOEK. XI HOOFDSTUK. 195

geen minnaar van nzelven zijt. maar orn ijverig nastrever van Mijnen wil.

I we begeerten ontvlammen u dikwijls en drijven u geweldig voort; maar overweeg otquot; gij meer te Mijner eere dan te uwen voordeele aangedreven wordt.

Igt;en Ik uwe bedoeling, dan zult gij wèl tevreden zijn hoe Tk ook beschikker maar schuilt er nog iets van eigenbelang onder, zie dat is het wat u hindert en-bezwaart.

2. Wacht u dan dat gij u te veel verlaat op eene begeerte , opgekomen zonder Mij raad te vragen, opdat u naderhand niet berouwe of mishage hetgeen u tevoren beviel en waarvoor gij , als het beste , ijverdet.

Want niet elke neiging die goed schijnt, moet aanstonds gevolgd worden; maar ook niet alle tegenovergestelde beweging aanstonds vermeden.

Het is nuttig zich somtijds ook bij goede oefeningen en begeerten te beteugelen; opdat gij niet door ontijdigheid lot verstrooiing des geest es vervalt, of door tuchteloosheid anderen aanstoot geeft, of ook door den tegenstand vau

-ocr page 214-

1% 111 BOEK. XI HOOFDSTUK.

andoren onverwachts verward en lerne-dergeslagen wordt.

3. Somtijds zelfs moet men geweld gebrniken en der zinnelijke neiging kloeken wederstand bieden, zonder le letten op hetgeen \'t vleeseli al of niet wil, maar dit alleen behartigende, dat het vleeseli ook zijns ondanks den geest onderworpen zij.

Ja zoolang moet gij het tnchtigcn en tot onderwerping dwingen, totdat het tot alles gereed zij en leere zich met weinig te vergenoegen, in het eenvoudige vermaak te vinden en over geenerlei ongeval te morren.

K n !•: Ü.

Ook ik, o God! heb nog veel te loeren. Te vaak heb ik van mijne begeerten de beste gedachten, zonder mijne bedoelingen wèl beproefd te hebben; terwijl een blinde ijver, door eigenliefde geleid, mij tot gevaarlijke uitersten medesleept. Doe mij to\'h in alles voorzichtig zijn. Dat ik mijne begeerten eerst wèl beproeve, van alle

-ocr page 215-

Ill BOEK. Xll HOOFDSTUK. | 197

eigenliefde zuivere eu aan uwen wil onderworpen lioude;dat geene zinlijkluufl mij beheersche, maar ik haar meester blijve.

T WA A I jVD h] HOO FDSTU K.

O oer liet oefenen der lijdzamnkehl eu het hes f rijden der k nut,de lm ten.

1. De GrELOOVKiE. Mijn Heer eu mijn God ! gelijk ik zie , is geduld mij zeer noodzakelijk; in dit leven toch ontmoeten ons vele tegenheden, en hoe ik ook mijnen vrede zoeke te verzekeren. mijn leven kan zonder strijd en smart niet zijn.

De Heer. Zoo is het, mijn zoon ! Ook wil Tk niet dat gij zulkon vrede zoekt. die vrij van bekoring zij of geenen tegenspoed ontware; maar dat gij ook dan denkt den vrede te hebben gevonden . als gij door velerlei kwellingen geoefend en door velerlei tegenheden beproefd wordl.

2. Zegt gij , dat gij niet veel kunt verdragen ; hoe zult gij dan het vagevuur doorstaan ?

Van tweederlei kwaad moet men al-

-ocr page 216-

ill HOEK. XII HOOl\'DbTCK.

toos liet minste kiezen. Om dan de eevi-wige pijnen der toekomst te ontgaan . Jraolit de tegenwoordige ongevallen om (rods wille geduldig te dragen.

Meent gij dat de lieden quot;dezer wereld niets of weinig te lijden liebben ? Dit zult gij niet bevinden, al zoekt gij de weelderigsten.

3, De Gej.oovjce. Maar zij hebben toob vele genoegens, zij volgen bun eigen zin en daarom acbten zij weinig hunne kwellingen.

De Heek. Dit zij zoo. Zij hebben wat zij willen: boe lang, meent gij, zal dat duren ?

Zie , als rook zullen de rijken dezer eeuw verdwijnen, en van de vroegere vreugde zal geene berrinnering overiquot; zijn. h

Maar zelfs terwijl zij nog leven, kunnen zij niet zonder bitterheid , verdriet en kommer erbij berusten.

Want in dezelfde zaak waarin zij vermaak zoeken , vinden zij dikwijls eene gevoelige straf.

En hun geschiedt recht dat zij , daar zij ongeregeld vermaken zoeken en volgen ,

-ocr page 217-

Ill BOEK. XII HOOFDSTUK. 199

zicli daaraan niet zonder scliando en lgt;ii-torlioid overgeven.

1. O . hoe kortstondig, hoe bedriege-lijk . hoe ongeregeld en schandelijk zijn deze allen !

En nochtans zoo dronken en verblind zijn zij dat zij het niet beseffen; maar. als stomme dieren, veroorzaken zij hunner ziele den dood. en dat om een weinig genots in dit vergankelijk leven I

Orij dan . mijn zoon I ivlll\'u/ mveu lusten met \'in , mudr helèugcl mve Ixujeerteu (Eccli. 18)

Verlmt\'iy u in den Heer. Hij zal u //even tcal tur har! rerhin//!. (Ps. 30 ) • 5. Inderdaad , wilt gij waar genoegen smaken en overvloedig door Mij getroost worden, zie, het verachten van al het wereldsche en het verwerpen van alle lage genoegens zal u tot zegen zijn en overvloed van troost geven.

En hoe meer gij n aan der schepselen troost onttrekt. Ie genoegd ij lier en sterker troost/.uil gij bij Mij vinden.

.Maar daartoe kunt gij niet aanstonds zonder eenige droefheid en een moeielij-ken strijd komen.

-ocr page 218-

200 111 BOEK- 511 HOOFDSTUK,

Keue ingewortelde gewoonte zal zich verzetten , doch deze zal door eene betere gewoonte overwonnen worden.

Hel vleeseh zal daartegen morren , maar de ijver des geestes zal liet beteugelen.

De oude slang zal u aanzetten en tergen ; maar door het gebed zult gij haar verjagen , en daarenboven door nuttigen arbeid den hoofdingang afsluiten.

Cr E li E i).

Hoe troostend, o Grod! zijn mij nwe woorden! Ja, geduld en moed zijn mij onontbeerlijk , wil ik onder den last des levens niet bezwijken. Veel heb ik te dragen , veel te bestrijden ; maar wie is er op aarde die geene tegenheden heeft ? Niemand , zelfs de slaaf der ondeugd niet. Laat dan , bid ik U, uwr genade mij steeds vergezellen. Versterk mij in den strijd, dien ik tegen mijzelven voeren moet. Door TT vermag ik alles , zonder I\' niets.

-ocr page 219-

ill boek. xiii hoofdstuk. 201

DKKTl EjSDE UOOFDISTI K.

Oct i\' ile gehoorzaamheid eau een. ueden(i

onderlioor\'iye, naar het coorheeld can J ezus Cli risi us.

I. De li kek. Mijn zoou 1 wie zich aan «Ie gehoorzaamheid zoekt te onttrekken . onttrekt zich aan de genade en die zijn bijzonder voordeel zoekt. zal het gemeenschappelijk verliezen.

Wie zich niet gewillig en vanzelf zijnen overste onderwerpt, toont dat zijn vleesch hem nog niet volkomen gehoorzaamt , maar dat het nog dikwijls mort en tegenstreeft.

Daarom leer u aanstonds aan uwen overste onderwerpen , zoo gij uw vleesch wilt ten onder brengen.

Want eerder wordt de uitwendige vijand overwonnen, wanneer de inwendige inenseh niet in wanorde is.

Geen lastiger noch slimmer vijand is er voor de ziel dan gij uzelven zijt, als gij met den geest niet wel samenstemt.

-ocr page 220-

202 111 BOEK. XIII HOOFDSTUK.

Will gij over vlecsch en bloed zege-\\ ieren , gij moet inderdaad tegen uzelvon eene ware minachting opvatten.

AVanl omdat gij nzelven nog te ongeregeld bemint. daarom aarzelt gij u rcil-koinen aan den wil van anderen te onderwerpen.

2. Maar wal groots is liet dat gij, die stol\' zijl en nietigheid, u om Gods w.1 aan een menseb onderwerpt, daar [1\\ , de Almachtige en Allerhoogste, die alles nil niets geschapen hebt, Mij om uwentwil den menscli ootmoedig onderworpen heb.

Tk ben de nederigste en geringste geworden , opdat gij doormijnen ootmoed nwen hoogmoed zondl overwinnen.

Leer gehoorzamen, stof! Leer n vernederen, slijk en aarde! en u onder de voeten van allen buigen.

Leer uwen wil verbreken en u lol alle onderwerping sehikken.

3. LI ver legen nzelven en Iaat geen hoogmoed in u leven.

Toon u zoo onderworpen en gering , dat allen over u kunnen gaan en u j\'ls het slijk der straten vertreden.

-ocr page 221-

ÏIÏ ROE IC. XT TT irOOFDSTITIC,

Wat hebt gij te klagen, nietig mensch ! Wat kimt gij, snoode zondaar! inbrengen tegen hen die u bestrallen, gij die j Grod zoo vaak beleedigd en de liel zoo dikwijls verdiend hebt ?

Omdat uwe ziel dierbaar was voor mijn aangezicht , daarom heeft mijn oog ii gespaard, opdat gij mijne liefde zondt erkennen en voor mijne weldaden steeds dankbaar zijn, en opdat gij n altoos | tot ware onderwerping en tot ootmoed j zondt schikken, en de verachting, n i door anderen aangedaan. geduldig ver- | dragen.

G- E B E D.

Hoeveel, o mijn Heiland! doet zich I bij mij nog te overwinnen op. Hoe meer ; ik uwe lessen aanhoor, hoe meer ik daarvan de waarheid gevoel. -Neen, ik ben mijzelven nog geen volkomen mees- j ter, anders zoude ik mij gereeder too-nen 0111 mijn eigen wil te verbreken en aan anderen onderworpen te zijn. Leer mij ook hierin mijzelven beheersehen. Dal. uw voorbeeld mij besehame en dat uw ootmoed mijn hoogmoed overwinne.

20:;

-ocr page 222-

20 i in boek. xiy hoofdstuk.

V KKimiONDE IIOOVDS\'I HK.

/gt;iquot; (nu\'i\'irrti\'iiiji tuin dr rerhcnuicn oovilrf-/rj/ cc)} middel Ifjli-il Zf!/\'-

wvlu\'lfi////.

I. Di: Cteioovioe. Gij (londciM . o j I rei\'! nvcr mij uw oordeoleii en Heli uil • iI uiijnc iKHMidmMi van vrees en selink ; niijne ziel is /eer ontsteld.

fk sta verbaasd , en overweeg dat ook\' (!«• hemelen niet zuiver zijn in uw oo»;.

Helgt;t Gij in uwe Engelen boosheid gevonden en lien niet gespaard . wat zal van mij worden ?

Sterren zijn van den hemel gevallen , en ik, stolquot;, wat vermeet ik mij?

Mensehen wier werken lofwaardig sehenen zijn diep gevallen. en die het brood der Engelen aten zag ik lust vinden in zwijriendraf.

2. Er is dan geene heiligheid , zoo O ij o Heer! uwe hand onttrekt.

Geene wijsheid baat, zoo Gij nalaat haar to teatnren.

-ocr page 223-

11 r BOEK. XIV HOOFDSTUK. 20.*»

deene siorklo is vermogeud, zoo CJij ojiliuiult di»\' ie oiKlersteuneu.

Ueeno kuisehlieid is veilig, zoo Gij litiMi\' niei beschermt.

CJeene eigeue belioedzaamlieid baat , /00 uwe lieilige hoede niet daarbij komj.

Want door V verlaten . zinken wij ei vergaan, maar door XT geholpen, richten wij ons op en leven.

Want wij zijn onbestendig, maar worden door U versterkt; wij zijn lauw. maar worden door XJ ontvlamd.

O, hoe nederig en laag moet ik van mijzelven denken, hoe gering het achten, zoo ik iets goeds schijn te hebben.

O, hoe diep moet ik mij onder uwe ondoorgrondelijke oordeelen vernederen, o Heer! daar ik in mij niets anders vinde dan een niet, ja louter niet.

o Zware last! o grenzelooze zee ! waarin ik van mij niets terugvinde dan een volstrekt niet!

Waar is dan eene schuilplaats voor roem ? Waar het betrouwen op eige.ie deugd?

In de diepte uwer oordeelen over mij is fille ijdele roemzucht vnrzwolgeu.

-ocr page 224-

200 Til BOEK. XTV TTOOPDSTTTK.

-1. W:it is jille vleescli voor uw aange-ziflit ? zal liet leem roemen tegen zijn (ormeerder. (Ts. 29. Kom. 9)

ifoekan liij , wiéns hart waarlijk Grode onderworpen is, door vleitaal hoogmoedig worden ?

Wien de waarheid zich onderworpen heeft, dien zal de gansehe wereld niet v erhoovaardigen; en die op God zijne geheele hoop gevestigd heei\'t, zal door den lof ook van allen niet bewogen worden.

Want ook zij die spreken, zijn alien niets; zij gaan met den klank hunner woorden voorbij. Maar des Meereu irauv-heid hl ij ft eeiuvig. ( Ps. IK»)

(J E IJ E T).

Green beter middel. o Cfod ! legen zelfverhelling dan te overwegen wat ik ben. Ja, ik ben een niets een zwak, ellendig schepsel; aan mijzelven overgelaten , verval ik tot allerlei dwaasheden i\'n ongeregeldheden. L we l and alleen kan mij staande honden , uwe hoede mij beveiligen. Ach ! omtrek

-ocr page 225-

ui boek. xiv hoofdstuk.

mij dan uwen hijstand niet. on laai hel bownsfczijn dien niet te kunnen ontberen allo opwellingen van hoogmoed hij mij onderdrukken.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Hot\' men ziek hij al het tcenschelijlco moet (ledrayen, en hoe men moet hidden.

1. De Heek. Mijn zoon! bij alles moei gij zeggen : // Heer! als het IT behaaglijk is, dat hot dan dus geschiede I

quot; Heer, zoo dit strekke tot uwe eer. het geschiede in uwen naam !

« Heer ! zoo het IJ dunkt dat hel mij voegt en Gij het nuttig oordeelt, geef dat ik het tot uwe eer aanwende.

quot; Maar ziet gij dat iets mij sohadelijk-en het heil mijner ziel niet bevorderlijk is, neem dan van mij zulke begeerte weg.quot;

Want niet elke begeerte is van don Ff. Greest, al schijnt zij den mensoh recht j \' M goed.

ITet is moeielijk naar waarheid. !•\' hc-^ oordeelen of een goede dan een kwade h/eesl 11 aanzette om dit of dat ie bo-

20;

-ocr page 226-

III BOEK. XV HOOFDSTUK.

gee ren . alsmede of gij door uw ei^en geeet bewogen wordt.

Velen werden op liet einde bedrogen . dir in den beginne meenden door .4ei» goeden geest gedreven te zijn.

2. AVat zieh dan ook aan uwen geest nis w ensehenswaardig vertoone. gij moet het altoos in de vreeze Gods en in ootmoed des harten wenschen en vragen ; vooral moet gij . met zelfverzaking, alles geheel aan Mij overlaten en zeggen:

■ Heer ! Gij weet wat het beste zij. Dat dit of dat gesehiede naar uw welbehagen.

* Geef wat Gij wilt en zooveel Gij wilt , en wanneer Gij wilt.

quot; Doe met mij volgens uwe oogmerken . zoo als 1\' liet meest behaagt en uwe eer het meest bevordert.

// Plaats mij waar Gij wilt, en beschik iu alles vrij over mij.

quot; Ik ben in uwe hand ; draai en wend mij om en om.

„ /ie ik ben uw dienstknecht . tot alles bereid : want niet voor mij , maar voor l begeer ik televen: mocht ik dat waardig en volmaakt doen!quot;

208

-ocr page 227-

iit boek. xv hoofdstuk. 209

1) e Ct i: i, o o v l (i k. Groedcrt ien^uste Jozus! geef mij uwe genade, opdat zij met mij zij en met mij arbeide en mij ten einde toe bij Wij ve.

Geef dat ik altoos wensehe en wilde hetgeen V liet aangenaamst en meest behaaglijk is.

Uw wil zij de mijne, en mijn wil volgt\' altoos den uwen en strooke daarmede volkomen.

Laat mijn willen en niet willen met het uwe overeenstemmen; dat ik nooit iets anders kunne willen otquot; niet willen dan hetgeen ft ij wilt oi niet wilt.

3. Geef mij af te sterven alles wal wereldsch is, en om uwentwil gaarne in deze wereld veracht en onbekend te zijn.

Geef dal ik . boven alles wat ik wenseh , in U ruste en mijn hart in U vrede vinde.

Gij zijt de ware vrede des harten. Gij de eenige rust. Huilen l is alles zwaar en onrustig,

lii dezen wede dun, dat is in l . liet cenifst hoogste en eeuwige goed . zo! H sla/pen en rusten. ( Ps. -I) Amen.

-ocr page 228-

210 m BOF.Ts\'. XV! TlOOFDclTK-

(1 K 15 K I).

N ndor ! uw wil «rcschicdo! l\'w wil is • boHlo . de wijste. (Jij wool hel bcslo wal ons dicnslijr is. iorwijl wij maar al lo vaak liet noodige doorziclit misson. Dal dan van nu af uw wil alloou li i rirlilsnoor mijner bogeorten zij : dal mijn wil aan den uwen rolkomen onderworpen blijTO. Doe mot mij in alles naar uw boilig Avelboliagen. Zie. ik ben ie uwe band. uw dienslkneebt tot alles bereid. I w wil /ij de mijne : want Gij /ijl mijn vader . en ik ben uw kind.

ZESTIEJS\' de hoofdstuk.

Ihil luen f/ij Crocl (illeeu trdreu fi\'ooxf moet zoeTcen.

-ocr page 229-

Ill UOTIJC. XVI IIOMFDSTirK. 211

genoegens genieten. zoo is het zeker dat zij van geen langen dunr kunnen zijn.

Gij dan. mijne ziel ! knnl geen volkomen troost , geen volmaakt genoegen vinden tenzij bij (rod, den trooster der armen, den bescliermer dor ootmoedigen.

Wacht mijne ziel! een weinig, waeht op de beloften van God en gij zult in den hemel overvloed van alle goederen hebben.

Maar zoo gij de tegenwoordige te ongeregeld najaagt, dan zult gij de eeuwige en hemelsehe verliezen.

liet tegenwoordige zij tot nw gebruik , liet eeuwige trekke nw verlangen.

(leen tijdelijk goed kan verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te genieten.

2. Al bezaat gij ook alle geschapene goederen . zoozondt gij niet gelukkig noch zalig kunnen zijn; maar in God, die alles geschapen heelt , is uw volkom.\'u zaligheid en uw geluk gelegen.

Niet zooals die den dwazen minnaars der wereld toesehijnt en door hen wordt geroemd, maar zooals de goede geloo-vigen van Christus verwachten, en

-ocr page 230-

J I \'1 lil HOKK. XVI HOOTDfiTttlC»

waarvan de geestelijkgezinden en zuiveren van harte, wier omgang in den hemel is, somtijds een voorsmaak hebben.

.3. IJdel en kortstondig is alle men-sehelijke troost; waar en zalig is die, welken men inwendig door de Waarcleid ontvangt.

Ken godvruchtig menseh draagt overal zijn troost Jezus met zich om, en zegt tot hem :

// Blijf mij bij, Heere Jezus 1 in a.le plaatsen en tijden.

- Dit zij mijn troost, allen mensche-lijken troost gaarne te willen ontberen!

- Eu wordt ook uw troost onthouden , dat dan uw wil en rechtvaardige beproeving mijn grootsten troost uitmaken.

■ Gij zulf toch niet altoos veri/noud zijn en niet eennHf/lijlc heclreicfen. (Ps. 102)

G E B E 1).

Ja, Heer! waarachtig is uw woord. Hoe dikwerf dacht ik mij aan hetaardsflie te bevredigen en zag ik mij bedrogen ! Het ia zooals Gij zegt, al de aardsche goederen te zamen kunnen mij niet be-

-ocr page 231-

tt i iiokk. xvti iroofhftük. 2 i ••

vredigeu, dewijl ik voor verhevener eu meer duurzame goederen ben bestemd, (lij, o Grod! kunt alleen mijn trooster en volkomen bevrediger zijn. Wees Gij \'1 dan ook en blijf mij bij : zoo zal ik allen menschelijken troost kunnen ontberen.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Dal men dl Ie zorg op God moet werpen.

1. De Heer. Mijn zoon! laat mij met u doen zooals Tk wil. Tk weet wat u dient.

Gij denkt als een niensch, uw gevoelen is in vele dingen volgens betgeen men-scbelijke aandoeningen ingeven.

2. De Geloovige. Heer ! bet is waar betgeen Gij zegt. Uwe zorg voor mij is grooter dan alle zorg die ik voor mij-zelven kan hebben.

Hij toch staat zeer waggelend. die niet al zijne zorgen op U werpt.

Daarom, o Heer! als maar mijn w;l oprecht en vast aan U gehecht blijft , doe dan met mij wat U behaagt.

-ocr page 232-

21-1 ill quot;BOEK. XVII HOOÏDSTUJC.

Want wat Gij uiel mij doet, het kan niet dan goed zijn.

\\\\ ill Gij dat ik nog in de duisternis Mijve, wees gezegend, en wilt Gij dal ik in liet licht zij, wees insgelijks gezegend.

Verwaardigt Gij ü mij te troosten , wees gezegend, en wilt Gij dat ik gekweld worde, wees altoos evenzeer gezegend.

lt;»• Heek. Mijn zoon ! zoo moet gij gesteld zijn, verlangt gij met Mij te wandelen.

(Jij moet. even bereid zijn om te lijden ids om ii te verblijden; gij moei even gaarne in armoede en behoefte als in overvloed en rijkdom leven.

i. De Geloot i ge. iieer! wat L: ook behage over mij te laten komen, ik zal li«\'l voor U gewillig lijden.

Ik \\nJ onverschillig het goede en liet kwade, liet zoete en het hittere, liet blijde en liet droevige van uwe hand aan nemen, en l voor alles wat mij overkomt danken.

Behoed mij voor alle zonde en ik .\':al dood noch hel vreezen.

-ocr page 233-

lil koek. xviij moot* ostttx. 21.quot;)

Verwerp mij slechts niet voor eeuwig i eu schrap mij niet uit liet boek des levens, dan schaadt het mij niet, welke kwel- \' lingen ook over mij komen.

GEBED.

Aan wien, o God! zonde ik mijne zorgen beter kunnen toevertrouwen dan aan ü, die de lotgevallen uwer kinderen zoo wijselijk bestuurt? Ik leg dan ai mijne I zorgen in uwen schoot neder, (lij weet wat mij het beste is. Belieft liet li mij met voorspoed te zegenen, ik zal 1 loven; will (Jij mij met tegenspoed bezoe- | keu, ook daarvoor zal ik L\' danken. Bewaar mij voor liet allergrootste kwaad , de | zoude; al het overige /.ij l overgelaten!

AOUTTtEiSDE HOOFJJSTl K.

Dal wen de rampen des lerens, naar hei voorheeld ran Christus, met (ielijlemoedigheid moei dragen.

1. 1)e Heer. Mijn zoon! om uwer zaligheids wille ben ik van den hemel

-ocr page 234-

■gt; i r, ttt -noeic. xvrri ttootdptttk.

nedergedaald ; fk lioli uwe ellenden op Mij genomen niet nit dwang maar ge-trokkeu door liefde, opdat gij geduld zoudt leeren en de tijdelijke rampen gewillig dragen.

Want van het uur mijner geboorte tot mijn verscheiden aan het kruis, onthrak het Mij nooit aan lijdenssmart.

Ik heb groot gebrek aan tijdelijke goederen gehad en dikwijls velerlei klaehten over Mij gehoord.

Met zachtmoedigheid verdroeg Ik he-leedigingen on smaad; voor weldaden ontving Ik ondankbaarheid , voor wonderwerken laster, voor mijne leer berispingen.

2. De Gteloovige. Heer! dewijl f.ij in uw leven geduldig waart en daardoor vooral het bevel uws Vaders volbracht, zoo is het billijk dat ik, ellendige zondaar, naar uwen wil in geduld het i\'il-houde, en den last van dit verderfelijk lijk leven om mijner zaligheids wille zoolang drage , :ils hel 1 zal believen.

Hoe zwaar ook de last van het tegenwoordige leven drukke, het is toch nu door uwe genade zeer verdienstelijk ge-

-ocr page 235-

Ill nOKK. XVTTI llOOKDSTTTIv. 217 I

maakt. Ook door uw voorbeeld en de voetstappen uwer Heiligen is het den zwakke draaglijker en helderder geworden.

En ook is daaraan meer troost verbonden dan voorheen onder de Oude Wet, toen de toegang ten hemel gesloten bleef, en ook de weg ten hemel scheen duisterder, toen zoo weinigen moeite deden om het hemelrijk te zoeken.

Zelfs ook zij, die toen rechtvaardig en ter zaligheid geroepen waren, konden het rijk der hemelen niet binnengaan , voordat door uw lijden en heiligen dood de schuld afgedaan was.

3. O, hoeveel dank moet ik U niet bewijzen, dat Gij V verwaardigd hebt mij en allen geloovigen den rechten en zekeren weg naar het eeuwig koningrijk te toonen !

Want uw leven is onze weg en door heilige lijdzaamheid gaan wij tot U, die onze kroon zijt.

Waart (lij ons niet voorgegaan en hadl Gij ons niet ouderwezen , wie zoude moeite doen om te volgen ?

Helaas ! hoevelen zouden niet verre

-ocr page 236-

Ill IIOKK. XVIII IIOOI\'DSTUK.

iichtei\'blijven , zoo zij op uw heerlijk voorbeeld niet lvouden staren I

/ie ! wij blijven nu nog lauw , na lat wij zoo vele wonderwerken en leeringeu geboord li ebben ; wat zoude bet zijn , indien wij zulk een groot liebt niet haddtm om l te volgen ?

G E 15 E Tgt;.

Hoe kan ik, o God! over eenig lijdea klagen, daar ik in Jezus uwen Zoon een voorbeeld beb ! Mij droeg den /waar-sten last. verdroeg allerlei lijden, en mij zoude reeds bet geringste lijden ondraaglijk vallen ? Dat mijn oog op dezen grooten voorganger gevestigd Mijve. en ik mij bevlijtige zijn voetspoor te drukken. Dat ik van Hem geduld leere : zoo mag ik mij in waarheid een leerling van Hem noemen, en zie ik mijn geduld door Hem hij l bekroond.

-ocr page 237-

Ill BOEK quot;XIX HOOFDSTUK. : 219

NKOEiXTlEJS DE HOOEJJöTL K.

Oar hef mrdrayeu can smaad.

De ii\'are yeduldiye.

1. Dk IJi:kiï. Wal zegt gij. mija zoon . Houd op met klagen bij do overweging van mijn lijden eu dat mijner Heiligen.

Gij liebt immers nog niet tof hloed-reryieteus tot gestreden. (Hebr. 12

Wat gij lijdt is weinig in vergelijking van hen , die zooveel geleden hebben . die zoo hevig bekoord, zoo zwaar verdrukt en op zoo velerlei wijze beproefd en geoefend zijn.

Gij moet u dus het zwaardere van anderen voor den geest brengen . opdat gij het geringere te lichter moogt dragen.

En komt hel u zoo gering niet voor . zie toe of uw ongeduld daarvan niet de oorzaak zij.

Doch het moge klein of groot zijn , beijver u om alles geduldig te dragen.

2. Hoe beter gij u tot lijden schild , zooveel le wijzer handelt gij en te meer verdien 1 gij.

-ocr page 238-

220 Til BOEK. XIX HOOFDSTUK.

Ook zult gij alles lichter dragen, alp gij ii door moed en oefening daartoe voorbereidt.

Zeg niet : - dit kan ik van dien menseli niet verdragen, ook behoef ik /00 iets niet te lijden; want hij heeft mij groote schade gedaan en verwijt mij dingen, waaraan ik nooit gedacht heb. Yan een ander zoude ik gaarne verdragen , wat ik zoude meenen te moeten verdragen.

Dwaas is dusdanige gedachte, welke de deugd des gedulds niet in aanmerking neemt, noch van wien zij bekroond zal worden; maar eer let op personen en aangedane beleedigingen.

3. Mij is de ware geduldige niet , die niet wil lijden dan zooveel hem goeddunkt en van wien het hem belieft.

Maar de ware geduldige ziet er niet op door wien hij geoefend worde, of hij zijn overste of zijnsgelijke of een mindere , of het een vroom en heilig dan een boos en nietswaardig mensch zij.

Maar hoeveel en van welk schepsel ook en hoe dikwijls hem eenig kwaad overkouie, alles neemt hij zonder o.ider-scheid uit Gods hand met dankbaarheid

-ocr page 239-

1 11 BO K K . X i V MOO F Df- ITK. \'2 2 1

aan on lioudl hot voor oon groot gewin : want niets, lioe gering ook . indien men liet slechts om Gods wil lijdt. kan bij God onbeloond blijven.

I. quot;Wees derhalve steeds bereid tot den strijd . zoo gij de zege wilt behalen.

Zonder strijd kunt gij de kroon ties godulds niet bekomen.

Wilt gij niet lijden , gij wilt niet gekroond worden ; maar verlangt gij gekroond te worden , strijd dan kloekmoedig , verdraag met geduld.

Zonder arbeid komt men niet tot rust; zonder strijd behaalt men geene overwinning.

5. De Geloovjck. Pat mij, o Heer! door uwe genade mogelijk worde , wat mij van nature onmogelijk schijnt.

Gij weet hoe weinig ik verdragen kan en hoe ras ik bij het opkomen van den geringsten tegenspoed ternederligge.

Laat elke oefening van verdrukking mij om uwen naam behaaglijk en wen-sehelijk worden : want om uwentwil te lijden en gekweld te worden is allerheilzaamst voor mijne ziel.

-ocr page 240-

222 III BOEK. XX UOOF-DGTU-ÈL.

(r I? 15 E 1).

Hor iiKvr illt; . o God ! uw woonl over-hoc meer ik mljzelven beschouw, lioe noodzakelijker ik voor mij de ode-niug ran geduld houde. Maar ach 1 hoe ver/.et zich daartegen mijne zinlijkheid 1 (Tij weet hoe weinig ik Tcrdragcn kan «mi hoe dra ik . bij het geringste windje van tegenspoed, bezwijke. Leer mij meer «mi meer mijzelven overwinnen, en laat mij door uwe genade datgene mogelijk worden. wat mijner zinlijkheid zoo vaak onmogelijk schijnt.

TWLN T COST E HOOFDST IK.

Orer de hekeutenis vaa eigene zicakJteid en o eer de rampen den lerens.

1. De lt; veloovi(jie, Ik zal legen mi, mijne ongerechlujhehl belijden: (Ps. 31) ik zal, o E«;er! voor XT mijne zwakheid belijden.

Dikwijls is li«-j «m\'ih\' gering»! zaak . \\v«\'lk«\' mij 1 «MMHM\'.j\'siiial. en hcdro«!it.

fk iM\'crri vo«)r inij kl«)ekm«»!dig 1«\' gc-

-ocr page 241-

ÏTI HOKK. XX HOOFDSTUK. 223

dragen; maar als eene geringe bekoring komt, overvalt mij groote angst.

Somtijds is het een allerellendigst ding, waarnit eene zware bekoring ontstaat.

Rn wanneer ik mij , omdat ik niets gevoel , een weinig veilig acht, dan bevind ik mij somtijds door een klein windje bijna overwonnen.

2. Zie dan , o Heer ! neder op mijne zwakheid en broosheid , TJ door en door bekend.

Ontferm U mijner, en trek mij mt hei al ijk dat ik daarin niet hlijve steken ( Ps. 68), opdat ik niet teenemaal neerslachtig blijve.

Dit is het dat mij zoo vaak terneder-slaat en voor U beschaamt, dat ik zoo licht val en zoo zwak ben ter bestrijding van mijne driften.

En al komt het niet geheel tot toestemming , is mij echter hnnne aanvechting lastig en moeilijk , en het verdriet mij zeer alzoo dagelijks in twist en strijd te leven.

Dok daaruit wordt mijne zwakheid mij bekend, dat de verfoeilijke voorstel-15

-ocr page 242-

224 ll[ HOKK\'. XX IIOOl\'DSTUK.

liugen altoos veel lichter opkomen dan vertrekken.

Ach ! zeer vermogende God van Israel! ijveraar der getrouwe zielen ! zie op den arbeid en druk van uwen dienstknecht neder, en sta hem bij in alles wat hij onderneemt.

Versterk mij met hemelsche kracht , opdat de oude mensch, het ellendige vleesch, den geest nog niet geheel onderworpen, niet de overhand krijg3 ; tegen hetwelk ik zoolang zal moetan strijden, als ik in dit zeer ellendige leven ademhale.

Ach ! wat is dit leven, waar rampen en ellenden niet ontbreken en alles vol is van strikken en vijanden.

Want de eene kwelling of bekoring wijkt niet, of de andere is daar ; ja , terwijl een vorige strijd nog duurt, komen er onverwachts meer andere op.

4. Hoe kan men dan een leven beminnen, dat zooveel bitterheid heef: en aan zoovele rampen en ellenden onderhevig is ?

Hoe noemt men het nog een leven , dat zooveel dood en verderf teelt ?

-ocr page 243-

Ill HOEK. XX HOOFDSTUK. 22\')

Eu noclitaus bemint meu het, en velen zoeken daarin hun genoegen.

Dikwijls verwijt men de wereld dat zij bedrieglijk en ijdel is ; nochtans verlaat men haar niet licht, wijl de begeerlijkheden des vleesches te veel de overhand hebben.

Want iets anders trekt tot het beminnen , iets anders tot het verachten der wereld.

Tot de liefde der wereld trekken de begeerlijkheid des vleesches , de begeerlijkheid der oogen en de hoovaardij des levens ; maar de daarop billijk volgende straffen en ellenden verwekken haat der wereld en verdriet.

5. Doch helaas ! de kwade begeerte sleept de wereldschgezinde ziel mede , die het een wellust ach/ op doornen ie liggen (Job 30), omdat zij de liefelijkheid van God en de innerlijke genoegens der deugd noch gekend noch gesmaakt heeft.

Zij daarentegen die de wereld volkomen versmaden en voor God onder eene heilige tucht zoeken te leven , zijn niet onbekend met de goddelijke liefelijkheid,

-ocr page 244-

22() iii boek. xxi hoopdstlfk.

toegezegd aau alle ware verzakers, en zien het duidelijker in hoezeer de wereld dwaalt en op hoevelerlei wijze zij bedrogen wordt.

GEBED.

Opnieuw belijde ik voor U, o G-od ! mijne zwakheid. Zwak ben ik ; dagelijks ontwaar ik daarvan de blijken. Niet slechts ia de geringste tegenspoed in staat om mij terneder te slaan , maar ook de geringste bekoring om mij te overwinnen. Ik ben het bedriegelijke der wereld , en echter laat ik mij door haar schijnschoon verleiden Dat dit bedrog eens ophoude! Versterk mij door uwe kracht en doe mij over wereld en vleesch zegevieren.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFD- i STUK.

Dat men in God hoven alle goederen en I gaven moet rusten.

1. De G-elootige. G-ij dan, mijne

-ocr page 245-

Ill BOEK. XXI HOOFDSTrK. 227

ziel ! rust boven alles eu in allee steeds in den Heer: want Hij is de rust dei-Heiligen.

Geef, o allerlieflijkste en beminnelijkste Jezus ! dat ik in U boven alle schepsel ruste, boven alle gezondheid en schoonheid, boven allen roem eu eer, boven alle macht eu waardigheid . boven alle weteusehap eu vernuft, boveu alle rijkdommen en kunsten, boven alle vreugde eu blijdschap, boveu alle faam en naam , boveu alle genoegens en troost, boveu alle hoop eu belofte, boveu alle verdienste en verlangen , boven alle giften en gaven welke Gij kunt geven eu uitstorten , boveu alle vroolijkheid eu verrukking welke de ziel vatten en voelen kan; eindelijk boven alle Engelen en Aartsengelen en boven het gansche hemelsch heir; boven alle zichtbare eu onzichtbare dingen en boveu alles, wat Gij, mijn God! niet zijl.

2. Gij toch, Heere mijn God! zijl boveu alles de beste; Gij alleen de allerhoogste, Gij alleen de machtigste; Gij alleen de allergeuoegzaamste en rijkste, Gij alleen de alleriiefiijksle en troost-

-ocr page 246-

228 III BOEK. XXI HOOFBSTtrK.

rijkste ; Gij alleen de allerschoonste en allerbeminnelijkste ; Gij alleen de alleredelste en allerroemrijkste; in Trien alle goed , tegelijk en volkomen is , en altoos was ou zijn zal.

Daarom is alios gering 011 ougonooff-zaam . wat CJ ij mij buiten Uzolven sohenkt of vau Uzelveu openbaart, of belooft , zoolang ik I, niet aanscliouwen noch volkom en genieten mag.

Want mijn hart kan niet waarlijk rus-Ion noch ten volle bevredigd worden , tenzij hot in L ruste en zich boven allo gaven ou boven alle schepsel vorhoflb.

3. o Jezus Christus! dierbaarste bruidegom! zuiverste minnaar! Hoer van al hot geschapene ! wie zal mij vleugelen oen er ware vrijheid geven om tot Ü to vliegen on in Ü te rusten ?

O , wanneer zal het mij vergund wor-den , geheel vrij te zijn en te zien hoe lieflijk Gij zijl , Ileere mijn God?

anueor zal ik mij volkomen mei U vereenigon , zoodat ik door liefde tot 1\' mijzei ven niet gevoele, maar U alleen, boven allo besef en mate , op eene wijze aan allen uiet bekend.

-ocr page 247-

Ill BOEK. XXI HOOFDSTUK. 229

Doch tliaus zucht ik dikwijls en draag mijn ongeluk met smart: want in dit dal der ellende bejegent mij veel kwaads, dat mij dikwijls ontstelt, bedroeft en benevelt, dat mij dikwijls hindert en benevelt , dat mij dikwijls hindert en aftrekt, aanlokt en verstrikt , zoodat Ik geen vrijen toegang tot U hebbe en die genoegelijke omhelzingen misse, welke de zalige geesten steeds genieten.

Mochten mijne verzuchtingen en de menigvuldige kwellingen hier op aarde U bewegen !

4. o Jezus! glans der eeuwige heerlijkheid ! troost der ziele in hare vreemdelingschap! voor U is mijn mond zonder spraak , maar mijn stilzwijgen spreekt tot U.

Hoe lang toeft mijn Heer nog tot mij te komen ?

Dat Hij kome tot mij zijn armen dienstknecht, en mij verblijde; dat Hij zijne band uitstrekte en een ellendige rnkke uit allen angst !

O kom ! kom ! want zonder U heb ik geen blijden dag noch uur; (rij zijt mijne vreugde on zonder l* is mijne tafel ledig.

-ocr page 248-

230 lil BOEK. XXI HOOFDSTUK.

Tk ben ellendig gekerkerd en met kluie-ters beladen, totdat G-ij mij door het licht uns bijzijns verkwikt, mij de vrijheid wedergeeft eu mij uw vriendelijk aanschijn laat aanschouwen.

5. Dat anderen in plaats van L\' iets anders zoeken wat zij willen ; mij behaagt intussohen niets en zal niets behagen, tenzij Gij mijn God! mijne hoop, mijn eeuwig heil.

Ik zal niet zwijgen noch ophouden niet bidden, totdat uwe genade terug-keere en Gij inwendig tot mij spreekt.

De Heer. Zie, hier ben fk. Zie Ik kom tot u, daar Gij mij hebt aangeroepen. 1 we tranen en de begeerten uw er ziele, uwe vernedering en droefheid des harten hebben Mij bewogen en tot u gebracht.

ti. De Geloovige. Ja Heer! ik heb U geroepen, eu ik heb verlangd V te genieten, gereed om alles om uwentwille te versmaden. Gij toch heb\' mij eerst opgewekt , dat ik U mocht zoeken.

Wees dan gezegend, o Heer! die uwen dienstknecht deze goedheid bewezen hebt uaar de menigte uwer barmhartigheden.

-ocr page 249-

111 BOEK. XXi HOOFDSTUK.

En wat. lieeft uw dienstknecht voor U uoj; meer te zeggen , dan dat liij zicli voor 17 diep* vernedere. steeds indacli-tig zijner ongereclitigheid en nietigheid.

Want onder al het wonderbare in hemel en op aarde is uwsgelijke niet.

Overgoed zijn uwe werken, billijk uwe oordeelen. en alles wordt door uwe voorzienigheid bestuurd.

231

Daarom , o wijsheid des Yaders ! zij U lof en heerlijkheid. Dat mijn mond , mijne ziel en al het geschapene te zamen LT loven en prijzen.

Mocht ik zoo gelukkig zijn in IT. o God! hoven alles mijne rust te zoeken en ook te vinden ! Konde ik mij boven het aardsehe verheffen om mij te nauwer aan 1 te verbinden! Doe dat oogenblik waarnaar ik zoo zeer verlang , dra verschijnen. Kom toch , M eere »1 e s u s ! kom , verbreek de banden . die mij binden en in mijne vlucht belemmeren. Kom . troost mijn naar lieht begeerig hart en

-ocr page 250-

232 III BOEK. XXII HOOFDSTUK.

en rerbincl hot aan U door zuivere, onbepaalde, alles overtreffende liefde.

TWEE EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Occr hei r/edenTcen van Gods menigvul-duje weldaden.

1. ])e CxKLooYKrE. Heer! open mijn | hart voor uwe wet en leer mij naar uwe i geboden wandelen.

Geef mij dat ik uwen wil versta en \' met grooten eerbied en eene ernstige overweging uwe weldaden, zoo in bel algemeen als in liet bijzonder , gedenke, 1 opdat ik IT daarvoor waardig dank be- i tuige.

AI aai* ik weet en beken dat ik ook voer i de geringste zaak U de schuldige dankzegging niet kan toebrengen.

Ik ben verre beneden al de goederen ; mij geschonken, en als ik let op uwe verhevenheid, dan bezwijkt mijn geest voor die grootheid.

2. Alles wat wij hebben naar ziel en

-ocr page 251-

Ill BOEK. XXII HOOFDSTUK.

licliaavn , cn alles wat wij uitwendig of inwendig op eene natuurlijke of boven-natimrlijke wijze bezitten, is uw geschenk en kondigt U aan als den liefderijke . weldadige en goede , van wien wij alle goed ontvangen hebben.

Al heeft de eene meer, de andere minder ontvangen, alles is toch het uwe, en zonder U kan men niet het minste bezitten.

Hij die meer ontvangen heeft, mag niet roemen op zijne verdienste noch zich boven anderen verheffen, ook niet den mindere bespotten; want deze is de grootste cn beste, die zichzelven het minste toeschrijft en in het bedanken hef nederigste en ijverigste is.

En wie zich voor den geringste van allen houdt en als den onwaardigste oordeelt, is het geschikst om grootere gaven te ontvangen.

3. Die nu minder ontvangen heeft ma»; zich niet bedroeven noch het kwalijk nemen. noch den meer bedeelde benijden: maar liever moet hij op 1* zien en uwe goedheid te meer prijzen, dat Gij uwe geschenken zoo mild, zoo om niet en

233

-ocr page 252-

23-1 I III BOEK. XXII HOOFDSTUK.

zoo gewillig, zonder aanzien van personen , uitdeelt.

Alles is uit T\' en daarom zijt Grij in alles te loven.

Grij weet wat eenieder nuttig is te geven, en waarom deze minder en die meer hebbe staat niet aan ons te beslissen , maar aan U, bij wien de verdiensten van ieder zijn bepaald.

•J. Daarom, Jfeere God 1 aclit Ik het ook eene groote weldaad niet veel te hebben , waaruit naar liet uitwendige en volgens den mensch lof en roem voortkomt; zoodal iemand, bij de beschouwing van zijn eigen armoede en geringheid , deswegens niet alleen geen bezwaar oiquot; droefheid of misnoegdheid mag gevoelen , maar eer troost en groote vreugde, omdat Gij , o God ! de armen en nederigen en bij de wereld verachten tot uwe vertrouwelingen en huisgenooten verkoren

Getuigen zijn uwe Apostelen zeiven, die Gij als vorsten over de geheele aarde hebt gesteld.

Echter verkeerden zij in tie wereld zonder klagen , zoo nederig en eenvoudig

-ocr page 253-

m quot;BOEK. HOOFDSTUK.

en 7.00 vreemd van alle list en bedrog, dat zij zich zelfs verheugden om uws naams wille smaad te lijden en datgene wat de wereld schuwt, met grooten ijver omhelsden.

5. Niets derhalve moet hem, die U bemint en uwe weldaden kent zoo verheugen , als uw wil over hem en het welbehagen uwer eeuwige beschikking.

Ja daarover moet hij zoo tevreden en getroost zijn, dat hij even gaarne de minste zoude willen blijven als een ander wenscht de grootste te zijn; en evenzoo vreedzaam en vergenoegd op de laagste plaats als op de eerste; en even gaarne veracht en verworpen zelfs zonder naam en faam, als boven de overigen in de wereld geëerd en verheven.

Want uw wil on de ijver voor uwe eer moeten boven alles gaan, en hem meer troost en genoegen geven dan al de weldaden, hem geschonken of nog te schenken.

G E B E D.

Hoe zal ik, o Q-od ! ai de weldaden optellen die ik van U ontvangen heb ?

23rgt;

-ocr page 254-

-•iquot;» III HORK\'. XXIII IIOÖVhSTlTK;.

Fk verlies mij in deze diepte. Alles wat ik bezit, is uwe gave. Hij die meer bezit , mag zich daarop niet beroemen , gelijk bij zieb niet beklagen mag die minder beeft : Gij toeli weet bem dit te vergoeden. Laat dit geloofquot; mij steeds bezielen en tevredenheid inboezemen. Bewaar mij in voorspoed vooi* zelfver-beffing en in tegenspoed voor mismoe-digbeid.

DRTE EN TWTXTIGrST K HOOFDSTUK.

De vier dinyen die den vrede (f roolelijTct\' he vorder en.

1. De Heer. Mijn zoon! nu zal ik u den weg des vredes en der ware vrijheid leeren.

\'2. De Geloovige. Doe, o Heer! wat Gij zegt : want dat boor ik gaarne.

3. De Heek. Leg u toe, mijn zoon ! om liever den wil van een ander dan den uwen te doen.

Verkies steeds liever min dan veel te hebben.

-ocr page 255-

Ill ROElv. XX III HOOK DST (Tic.

Zoek altoos de laagste plaats en aan allen onderworpen te zijn.

Wensch steeds en bid dat de wil van God in n volkomen geschiede.

Zie, znlk een man treedt het gebied des vredes en der ruste binnen.

-I. De Gkloovigk. Heer! deze uwe korte rede bevat in zich eene groote volmaaktheid. Klein is zij in woorden , maar vol van zin en overvloedig in vruchten.

Koude ik ze maar getrouw nakomen , dan zoude niet zoo licht ontroering in mij ontstaan.

Want zoo dikwijls ik mij onrustig en bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van deze leer afgeweken ben.

Maar Gij, die alles vermoogt en wien de voortgang mijner ziele steeds ter harte gaat, vermeerder uwe genade te meer , opdat ik uw voorschrift nakomen en mijne zaligheid bewerken moge.

5. De Geloovige. Heere, mijn God ! verwijder U met can mij , o mijn God! zie op le mijner huljpe : ( Ps. 70) want zoo velerlei bedenkingen zijn bij mij opgekomen en groote angsten, welke mijne ziel benauwen.

-ocr page 256-

23S I Til BOEK. XXI n HOOFDSTUK.

Hoe zal ik er onbeschadigd doorkomen ? hoe er doorbreken ?

De Heer. [Je zal a voorgaan en de Irotschen der aarde vernederen. ( Ts. -l.\'i ) Ik zal de deuren der kerkers openen en n verhorrjen schatten openharen. ( ta. 15)

De GrELOOViGE. Heer! doe gelijk Gij zegt, en dat alle booze gedachten voor uw aanschijn vlieden.

Dit is mijne hoop en eenige troost, in alle benauwdheid tot U mijn toevlucht te nemen , opU te vertrouwen , U uit het binnenste des harten aan te roepen en uwen troost geduldig af te wachten.

ü. Verlicht mij , goede J e z u s ! met de stralen van het inwendig licht, en verdrijf alle duisternis uit de woning mijns harten.

Beteugel de veelvuldige verstrooiingen, en verijdel de bekoringen die mij geweld doen.

Strijd krachtig voor mij en overwin die booze dieren, ik bedeel die verlokkelijke begeerlijkheden, opdat er door uwe kracht vrede zij en uw heilige tempel , die van een zuiver geweten, van den overvloed uws lofs weergalme.

-ocr page 257-

Ill BOEK. XXIII HOOFDSTUK. 239

G-ebied den winden eu stormen; zeg tot de zee : wees stil, en tot den noordenwind : blaas niet meer. en er zal groote stilte zijn.

7. Zend mij uiv licht en itice waarheid : ( Ps. 42) dat zij de aarde beschijnen : want ik ben eene ledige en woeste aarde, totdat Gij mij verlicht.

Stort van boven uwe genade uit en doortrek mijn hart met uwen hemel-schen dauw. Griet de wateren der godsvrucht om de oppervlakte der aarde te besproeien , opdat zij goede en zeer goede vruchten voortbrenge.

Beur mijne door den last der zonden neergedrukte ziel op, en richt al mijn verlangen ten hemel , opdat het mij , het liefelijke eener hoogere zaligheid gesmaakt hebbende, verdriete aan het aardsche ie denken.

8. Voer mij weg en ontruk mij aan allen vergaukelijken troost der schepselen; want niets dat geschapen is kan mijn verlangen volkomen bevredigen noch vertroosten.

Hecht mij aan U door den onver-breekbaren band der liefdr : want Gij lü

-ocr page 258-

, 240 iii bom. xxivquot; hoofdsick.

alleen zijt den bemiuueudo genoeg en hviitcu U is alles uietig.

g e e j; d.

Heei-e Jezus ! weiuig ziju uwe jj woorden, maar ruim in beteekeuis. Dierbaar zijn zij voor mijn hart, daar zij de middelen voorschrijven waardoor de ware vrede verkregen wordt. O. mocht bet dra daarvan de vruchten ont-w aren 1 Maar ach ! Gij weet wat mij tol beletsel is ; Gij kent het geweld mijner j driften. Verlos mij daarvan en van hare verderfelijke gevolgen. Spreek slechts i een woord en kalmte zal in mijn bin-j nenste heerschen.

VIBB JO TWINTIGSTE HOOFD-STIK.

Dat ttltit. moe! ctnuijdtn naar ttrns anders ijedrai/ nietiwsijieru/ te onderzoeken,

1. De Heek. Mijn zoon! wees niet nieuwsgierig en voed geene ijdele zorgen.

-ocr page 259-

Ill BOEK. XXIV HOOfDSTCK. 241

Wat raakt u dit of dat: Volg gij Mij.

Wat tocli gaat het u aan. olquot; deze dus of zoo gesteld zij. of gene dus ol zoo liandele of spreke ?

(rij behoeft voor anderen niet te verantwoorden, maar zult voor uzelveu rekenschap geven. Waarmede laat gij u dan in :

Zie. fk ken allen : Fk zie alles wat onder de zon geschiedt. Tk weet hoe het met een ieder gesteld is. wat hij denkt, wat liij wil en werwaarts zijne bedoeling gaat.

Aan Mij dus moet alles overgelaten worden. Gij dan, hond u in goeden vrede en laat den onrustige woelen zooveel hij wil.

Wat hij gedaan ol gezegd zalquot; hebben. zal oj) hem nederkomeu ; want Mij kan hij niet bedriegen.

2. Wees niet bezorgd om de sehaduw van een grooten naam , om de gemeenzaamheid met velen. noch om de bij-zondere genegenheid der mensclien : want daaruit ontstaat verstrooiing en groote duisternis des harten.

Gaarne zoude ik mijn woord tot u

-ocr page 260-

ill boek. xx.\\ uoofustuk.

ric.Jiien on u gclieiiacn openbaren . zoo liij zorgvuldig acht gaaft op mijne komst en Mij do deur uws harten opendet.

Wees omzichtig, waak in het gebed en verneder u in alles.

GEBED.

Uw woord is waarheid, o (rod te vaak liet ik mij met zaken in die mij vreemd waren. en matigde ik mij een oordeel aan. dat U alleen toekoirt. Bezorgd omtrent ijdele zaken . was ik zorgeloos omtrent mijn eigen heil en ondermijnde ik de rust mijns harten. Doe mij voorzichtiger en waakzamer wo;*deu. en boven alles bekommerd zijn om:rent liet éene noodige, mijn eeuwig heil. Dat zij mijne hoofdbezigheid. daaraan oftere ik alles op.

VTJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

JVao/i\'m ilf ihmrzame wede des har hut en de irare ijOOThjamf hes taan.

1, De Heek. Mijn zoon ! ik heb ge-

-ocr page 261-

Ill hoek:. xxv hoofdstuk. j 2 13

zegd : vrede, laai ik n: mijnen vrede qeej ik n , nie! (jelijk de irereld jjeef!, (jeef ik a dien. (Joan. 11)

Allen verlangen den vrede; maar niet allen zorgen voor hetgeen tot waren vrede dient.

Mijn vrede is met de nederigen en zacht moedigen van harte; uw vrede zal zijn in groote lijdzaamheid.

Zoo gij naar Mij hoort en mijne stem volgt, zult gij grooten vrede kunnen genieten.

2. De Geloovige. Wat moet ik dan doen ?

De Heer. Let in alles op uzelven , wat gij doet en wat gij zegt; en richt al uwe bedoelingen daarhenen om Mij alleen te behagen en buiten Mij niets te begeeren of te zoeken.

Vel ook geen lichtvaardig oordeel over de woorden olquot; daden van anderen , en wikkel u niet in zaken welke u niet zijn toevertrouwd ; zoo is het mogelijk dat gij weinig of zelden onrust ontwaart.

Maar nooit eenige onrust te ontwaren en nooit eenige ziels- of lichaamskwel-

-ocr page 262-

- i i mi iiork\'. xxv irooviiptirk.

ling te lijden belioorl uicl; lot. dezen tijd . maar tot den staat dei* eeuwige ruste.

Denk derhalve niet den waren vrede gevonden te iieblien , wanneer gij geenen druk gevoeil , of dat dan alles goed is als niemand u tegenstreeft , of dat dit volmaaktheid is . wanneer alles naar uwen zin gelukt.

Deuk ook niet dat gij dan iets groots zijt, noch houd u voor een bijzonder lieveling, als gij eene groote godsvrucht eu vertroosting ontwaart: daaraan toch wordt de ware vriend der deugd uiet gekend, en daarin bestaat uiet \'s men-achen voortgang en volmaaktheid.

4. Dr G ki.oovh; k. Waarin dan, Heer!

Dr Hket!. In u/.elven van ganscher harte aan den wil Groda over te geven. in niets het uwe te zoeken . noch in het kleine noch in het groote, noch in den tijd noch in de eeuwigheid; zoodat gij. met een gelijk gelaat alles iu dezeffde schaal afwegende, zoowel in tegenspoed als voorspoed Mij blijft danken.

\\\\ anneer gij zoo sterk en in de hoop volhardende zijt, dat gij bij de onthouding van inwendigeu livioost zelfs uw

-ocr page 263-

m BOEK. quot;XXV TTOOP^STTTK. 2-1.)

liart toovusl om nog moor te vordragen , en gij uzolven niet reolitvaardigt als beli oord et gij dit en zooveel niet te lijden . maar Mij in al mijne sehikkingen recht geeft en als heilig prijst; dan bewandelt gij den waren en rechten weg des vredes, en er is ont wijfelbare hoop dat quot;ij weder met vreugde mijn aanschijn zult aanschouwen.

Eu zijt gij tot eene volkomen zeil versmading gekomen , weet dat gij alsdan zulk een overvloed van vrede zult genieten , als met uwe vreemdelingschap bestaanbaar is.

GEBED.

Ook ik , o Grod , heb dikwijls naar vrede gewenscht, maar dien niet gezocht 1 au O\'s wegen, waarop ik dien koude vin-dein CJij wijst mij daartoe den eenigen waren weg, dien van zeliverlooehening. Hard is voor mijne zinlijkheid die eisch ; maar mijn hart heeft behoefte aan vrede. Ik wil alzoo den weg betreden, door l mij aangewezen . hoe moeilijk hij ook moge schijnen. A estig G ij daarop mijne

-ocr page 264-

24(i j 111 boek. XXVI jioofdstuk.

treden en laat mij nimmer daarvan afwijken.

ZES EiS TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de hooge waarde van een vr ij gemoed-, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door vee! lezen.

De GtELOOVIGE. Heer! dit is \'t werk van een volmaakt mensch, zijn hart nooit af te trekken van het streven naar het hemelsche en tusschen de veelvuldige zorgen als zonder zorg door te gaan; niet uit traagheid, maar door een zeker voorrecht van eene vrije ziel, zich aan geeu schepsel door eene ongeregelde liefde hechtende.

2. Ik smeek U , mijn allergenadigste God ! behoed mij voor de zorgen dezes levens , opdat ik daarin niet te zeer verward worde; voor de veelvuldige lieha-melijke behoeften , opdat de wellust mij niet overmeestere; voor al de hindernis sen der ziele, opdat ik uiet door kwellingen ontmoedigd, bezwijke.

-ocr page 265-

T

111 »01?K. XXVI HOOFDSTUK, i 2 17

Niet sleclifs bedoel ik zulke dingen , welke de wereldsche IJdelheid met alle drift najaagt ; maar ook die ellenden , welke als een gevolg van den vloek over alle stervelingen uitgesproken, de ziel van uwen dienstknecht zoozeer bezwaren en beletten tot de vrijheid des geestes te komen, zoo dikwijls zij wilde.

3. o Mijn God ! onuitsprekelijke zoetigheid ! verkeer voor mij in bitterheid allen vleeschelijken troost, die mij van

| de liefde tot het eeuwige aftrekt en mij ongelukkig tot zich lokt door het lokaas van eenig tegenwoordig genot.

Dat toch , o mijn God! dat toch geen vleesch en bloed mij overwinnen; dat de wereld met hare kortstondige heerlijkheid mij niet misleide; dat de duivel mef ; zijne listen mij niet verschalke.

Geef mij kracht tot tegenstand, geduld ter verdraging, standvastigheid ter volharding.

Geef mij voor al den troost der wereld de allerliefelijkste zalving van uwen geest, en voor eene vleeschelijke liefde stort in mij de liefde tot uwen naam.

4. Zie, spijs, drank, kleeding en de

-ocr page 266-

2-18 1 IT 7MVRTC. XXTI UOOTTïPTFK.

ovovigc 1gt;oii()Ofligrlli(.fl(,n t f,0f, ontlerlioud dos licliaiims ^cjiooroiidc, zijn eone naar den liomcl sinaclitende ziele tot last.

Geef dal ik mij van al zulke verkwikkingen matig bediene, zonder ze te driftig aan te hangen.

Alle mag ik niet verwerpen omdat de natnnr ondersteund moet worden ; maar liet overtollige te zoeken en hetgeen \'t meest vermaakt, verbiedt uwe heiige wet: want anders zoude het vleesch over den geest de overhand krijgen.

Dat dan, smeek ik L , uwe hand mij bij dat alles geleide en mij leere het overtollige te vermijden.

G- E quot;B E D.

Zoude ik, o G od! met deze bede niet instemmen ? Ja ook ik wenseh, van alle aardsche afleidingen bevrijd, mij onophoudelijk met l en mijne eeuwige belangen bezig te houden; maar aeh ! nog te zeer word ik door mijne zinlijkheid on aardsehe zorgen gestoord. Trek dan mijn hart meer en meer van het aardsehe af en breng het tot het eeuwige over.

-ocr page 267-

NT TiOKIC. xxvn iiookhstitk.

])oe mij liet noodi^o slcclils als middel, niet als doel. matig gebruiken te uwer eere en tof heil mijner ziele.

ZEVEJS EJS TWTJS\'TIGSTE HOOFDSTUK.

Dat de eifienliefdp van het hooyste rjoed ten sterkste ajïreli.

1. T)e Heer. -Mijn zoon! gij moet alles voor alles geven, en in niets uws zelfs zijn.

Weet dat de liefde tot uzelven u meer schaadt dan eenige zaak ter wereld.

Naar de liefde en genegenheid die gij hebt, zal elke zaak u meer of min aankleven.

Is uwe liefde rein, eenvoudig en wèl geregeld, ^ij zult aan niets verslaafd wezen.

Begeer niet wat gij niet moogt bezitten; wil niet bezitten wat u kan biu-deren en van de inwendige vrijbeid be-rooven.

Het is zonderling dat gij u niet van

-ocr page 268-

Hl MOKIv. XXVII irOOFDSTUK.

gauscluir harte met alios wal. Gij Ivmil wensöhen ol lgt;czilloii aan Mij toevertrouwt.

2. Waarom u door ijdelen kommer verteerd ? Waarom door overtollige zorgen vermoeid ?

Houd u aan mijn welbehagen en gij zult geen nadeel lijden.

Indien gij dit ofquot; dat zoekt en hier of daar wilt zijn om uw eigenbelang en om naar uwen eigen zin te leven, zoo zult gij nooit in rust noch vrij van komm t zijn : want in alles zal eenig gebrek glt;\'-yonden worden en op elke plaats zul iemand zijn, die u tegenstreeft.

3. liet is dus dienstig niet allerlei tij-delijk goed te verkrijgen of te vermeerderen, maar liever het te versmaden en de begeerte daarnaar tot den wortel uil uw hart te roeien.

Dit moet gij niet alleen verstaan van het bezit van geld en rijkdommen , maar ook van de zucht naar ijdelen lof eu roem, die alle met de wereld voorbijgaan.

Eene plaats geeft weinig veiligheid , zoo de geest des ij vers ontbreekt.

-ocr page 269-

J1I BOEK. XXV11 HOOFDSTUK. | 251

l^u lt;lc Trede vau buiten gezoehi . zal niet lang bestaan, zoo de staat nws har-len den waren grondslag mist. dat is : zoolang gij niet op Mij rust.

(rij kunt wel van plaats veranderen . raaar u niet verbeteren : want zoo ras de gelegenheid zich opdoet en gij u daarvan bedient. zult gij vinden hetgeen gij ontvlucht en nog meer.

4. De G-eloovige. Bevestig mij . o God 1 door de genade van den Heiligen Greest.

Geef\' dal de kracht in den inwendigen mensch versterkt worde. en dat mijn hart zich van alle onnoodige zorg en angst ontledige; dat ik niet door allerlei begeerten naar welke zaak ook . gering of kostbaar, getrokken worde, maar alle zaken :ils voorbijgaande beschouwe en rnijzelvcn als voorbijgaande met haar.

Want er is niets bestendigs onder de zon; alles i.s Ijdel/teid en Tcicellhuj den (jeesfe-s. ( Rccli. 1 )

De Heer. O, hoe wijs is hij die dit aldus inziet !

ó. De Gtej.oovig i:. Geefquot; mij , o Heer ! de hemelsche wijsheid, opdat ik leere

-ocr page 270-

252 III BOEK. XXVII HOOFDSTUK.

I boven alios te zuelven en te vinden . boven alles te smaken en te beminnen, en al het overige zoo in te zien. als liet naai\' de orde uwer wijsheid waarlijk is.

Geef dat ik den vleier voorzichtig vermijde en den tegenstrever geduldig verdrage.

ant dit is eene groote wijsheid, niet door allen wind van woorden bewogen le worden, noch liet oor te leenen aan liet gevaarlijk gevlei van valsehe vrienden ; zoo toch zet men den ingeslagen weg veilig voort.

(i.j-: ij K j).

Ja . o Gfod ! eene overdreven liefde tot mijzelven stoort vaak mijne rust en doet mij meer nadeel dan ai mijne vijanden mij kunnen doen. Zij bindt mij aan het vergankelijke, kwelt mij met tallooze zorgen en verwijdert mij meer en meer van mijn doel. \\\\ ie zal mij van hare lieersclnipjnj verlossen ? Wie die sterke banden verbreken : \\\\ ie anders dan Gij ! Doe dit dan. o Heer! breng mijn hart

-ocr page 271-

ril boek. XXVlir IXOOfdstük.

geheel tut U over eu houd het auclerlijk op Ü gerielit.

ACHT EK TWTM\'ICtSTE HOOFDSTUK.

Teyeu kivaadsprekemle fonqen,

1. Di; Hekji. Mijn zoon! het verdriet( u niet als sommigen van u kwaad denken en zeggen wat gij niet gaarne hoort.

Gij moet nog erger van nzelven denken en niemand zwakker dan nzelven achten.

Verkeert gij inwendig met nzelven. gij znlt weinig aati voorhij vliegende woorden hechten.

Het is geen kleine voorzichtigheid ten kwaden tijde te zwijgen en inwendig zich tot mij te keeren en zich door geen mensehelijk oordeel te laten ont-rnsten.

2. Dat uw vrede van der menschen mond niet afhange : want of ze iet» w 1 of kwalijk uitleggen . gij zijt daarom geen ander mensch.

, 253 onver-

-ocr page 272-

2bi III BOEK. XXA\'llI UOOFDSTUE.

Waar is ware vredo en waren roem r Ts liet niet bij Mij ?

Wie den mensehen niet zoekt te be-bagen noch vreest te mishagen , zal veel vrede genieten.

Uit eene ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaan alle onrust des harten en verstrooiing des geestes.

G E B E D.

Zoo min ik mij, o God ! op den lolquot; van vleiers mag Terheffen. zoo min mag ik mij aan lastertaal storen. Welk nadeel zullen woorden mij aanbrengen die als de wind vervliegen ? Tk blijf die ik ben . en Gij , Alwetende! zijt de getuige mijns harten. Laat dit geloof bij mij steeds levendig zijn. wanneer ik door laster vervolgd worde. Mijn oog zij op U gevestigd . die alles gadeslaat en ieder beloont naar zijn werken.

-ocr page 273-

iit boek. xxix hoofdstuk. 255

XEGEN EN TWTNTTGrSTE HOOFDSTUK.

Hoe men in tvederwaa/rdigheden God moet aanroepen en zegenen.

1. De Geloovige. Heer! eeuwig zij uw naam gezegend, die gewild hebt dat deze bekoring en kwelling over mij komen zouden.

Ontvluchten kan ik ze niet; maar tot TJ moet ik mijne toevlucht nemen, opdat Grij mij moogt helpen en ze mij ten goede kceren.

Heer ! thans ben ik in lijden; het is mijn hart niet wèl, maar ik word door het tegenwoordige lijden zeer gekweld.

En nu , geliefde Vader! wat zal ik zeggen ? Tk ben omgeven van benauwdheden. Verlos mij uit dit uur.

Doch daarom ben ik in dit uur gekomen , opdat Gij zoudt verheerlijkt worden , nadat ik dieper vernederd en dan door U verlost zal zijn.

Heer ! dat het U hehaye mij te redden ! (Ps. 39) want ik arme, wat kan 17

-ocr page 274-

256 III BOEK. XXIX HOOFDSTUK.

ik doen en ■waarheen zal ik gaan zonder U ?

Geef\'geduld, o Heer! ook ditmaal.

Help mij, mijn God! dan zal ik niet i vreezen, hoezeer ook bezwaard.

2. Doch wat zal ik intnsschen zoggen ? j

Meer ! uiv ivil (jescliiede ! (Matth. G)

Fk heb wel verdiend gekweld 311 be- ; zwaard te worden : ik moet dus wel ver-dragen : o mooht het geduldig zijn, totdat liet on weder voorbijga en het beter ; worde.

Overigens is uwe almogende hand ! machtig genoeg om ook deze bekoring | van mij weg te nemen of haren aan- | drang te matigen , zoodat ik niet geheel ; bezwijke; zooals Gij, mijn God! mijn ontfermer ! tevoren dikwijls met mij gedaan hebt.

En hoe zwaarder mij deze beproeving valle, des te lichter valt u zulk eeae , verandering van de rechterhand des Al-I er hoogs ten. ( P s. 7 ü.)

GEBED.

Dat, o God ! deze bede ook de mijne zij, zoo dikwijls het U believen za •. mij

-ocr page 275-

Ill BOEK. XXX HOOFDSTUK. 257

met rampen te bezoeken. Zij is mij als mensch en Christen waardig en kenschetst het onderworpen hart, in de school van nwen Zoon gevormd. Welaan dan, lieve Vader ! ik wil daartoe mijn best doen. Heer 1 nw wil geschiede ! niet mijn wil, maar nw wil geschiede ! zoo zal ik hartelijk bidden , gelijk Jezus mijn Heiland gebeden heeft; en ik zal verlichting ontwaren.

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men Gods hulp moet afsmeekeH en op de tred er komst der genade vertrouwen.

1. De Heer. Mijn zoon ! Ik ben de Heer, die sterkte geeft ten dage van verdriiJcJcing. ( Xah. 1) Kom tot Mij , als het ii niet wel gaat.

Wat wel het meest den hemelschen troost verhindert, is dat gij u zoo laat tot het gebed begeeft.

Want alvorens Mij vurig te bidden , ziet gij intusschen naar veel anderen

-ocr page 276-

258 III BOEK. XXX 1IOOPDSTUK.

troost om en zoekt verkwikking in liet uiterlijke.

En vandaar dat alles weinig baat, totdat gij opmerkt dat Tk het ben die degenen redt die op Mij hopen, en dat er buiten Mij noch krachtige hulp , noch nuttige raad, noch bestendig redmiddel is.

Doch nu na den storm uw geest bekomen is, herstel u in het licht mijner ontfermingen : want Tk ben nabij , zegt de Heer , om alles niet slechts volkomen maar overvloedig en bovenmate te herstellen.

2. Of is Mij wel iets moe iel ijk ? (Jer. 32 ) Of zoude Tk gelijk zijn aan hem die zegt en niet doet ?

Waar is uw geloof? sta vast en volhard.

Wees lijdzaam en een dapper man; de troost zal u op zijn tijd toekomen.

Wacht op Mij, wacht : Tk zal komen en u genezen.

Het is eene bekoring die u kwelt, en eene ijdele vrees welke u verschrikt.

Waartoe dient die zorg over hetgeen iu de toekomst gebeuren mag, dan om

-ocr page 277-

Ill BOEK. XXX HOOFDSTUK. 259

droefheid op droefheid te baren ? Elke (huf heeft genoecf aan zijn elf)en kwaad. { Matth. ü)

Het is ijdel en nutteloos zich te bedroeven of te verblijden over iets, dal nog komen moet en wellicht nooit komen zal.

3. Maar het is menschelijk door zulke voorstellingen misleid te worden, en een bewijs van een nog zwakken geest zoo licht aan de ingevingen des vijands gehoor te geven.

Hem toch is liet om het even of hij door het ware dan door het valsehe be-goochele en misleide; of hij door liefde tot het tegenwoordige dan door vrees voor het toekomende ten val brenge.

Dat dan uw hart niet ontroerd worde noch vreeze. Geloof in Mij en vertrouw op mijne barmhartigheid.

Dikwijls als gij meent dat gij van Mij verwijderd zijt, ben tk het dichtst bij u.

En wanneer gij bijna alles verloren acht, is er dikwijls de meeste winst te doen.

Het is niet alles verloren . als eene xaak tegenvalt.

-ocr page 278-

260 III BOEK. XXX HOOFDSTFK.

Gij in oog I ii iet oordcelcn naar liet eerste gevoel, noeli ook zooveel heeliteu aan eenig bezwaar , vanwaar het kome . of liet zoo opvatten , als ware alle liooj) oj) uitkomst ontnomen.

I. Denk niet dat gij geheel verlaten zijl, als ik u voor een tijd eenigen druk laat toekomen, of ook den gewensehten troost onttrek : want dus komt men tot het Hemelrijk.

Het is ongetwijfeld voor u en mijne overige dienstknechten heilzamer door tegenheden geoefend te worden dan wanneer gij alles naar wensch hadt.

ik weet de verborgenste gedachten , en dat het voor uw heil zeer nuttig is dat gij somtijds smakeloos gelaten wordt : opdat gij u niet bij voorspoed verhcHen mochtet, en zelfbehagen willen zoeken in hetgeen gij niet zijt.

Wat Fk gegeven heb, kan Ek afnemen en het teruggeven als het Mij believen zal.

5. Als ik het gegeven heb, is heft mijne; als Fk het terugneem, ontneem ik het uwe niet: want alle goede gave en al)p volmaakte gifte is het mijne.

-ocr page 279-

in quot;boek:, xsx hoopdstfk. 261

Indien Ik u eenig hczwaar of tegenlieid toezend, word daarover niet misnoegd en dat uw moed niet bezwijke: ras kan fk helpen en alle smart in vreugde veranderen.

rntussehen ben ik rechtvaardigen verdien grooten lof als Fk zoo met u handel.

6. Indien gij recht wijs zijt en naar waarheid oordeelt, dan moet gij nooit over eenigen tegenspoed zoo moedeloos treuren , maar eer u verblijden en danken , ja dit als uwe eenigste vreugde achten, dat ÏTc u mei smarten verdrukkende . u met spaar. (Joh (i )

Gelijk de Vader mij heeft liefgehad . alzoo heb ik u ook lief, ( Joan. 15 ) zeide Fk tot mijne geliefde leerlingen; die ik evenwel niet tot tijdelijke vreugde maar tot zwaren strijd uitzond; niet om ge-eerd maar om veracht te worden ; niet tot lediggang maar tot arbeid ; niet om rust te hebben maar om veel vrucht te dragen in lijdzaamheid.

Wees, mijn zoon! deze woorden gedachtig.

-ocr page 280-

262 111 boek. xxxi hoofdstuk.

GEBED.

Ja wel zal ik, o Grod! deze woorden gedachtig zijn en dikwijls overwegen. Vaak toch zonde ik uwe hulp ontwaren, wist ik mij daarvoor wat meer gereed te houden en die geduldig af te wachten. Grij toch zijt, ten dage mijner verdrukking, mij met uwen troost nader bij dan ik mij verbeelde. Dit zij dan steeds mijn troost, wanneer Gij mij met ongevallen bezoekt. Daardoor gesterkt, zal mets mij ontrusten, veel minder den moed benemen.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Om den Schepper te Tcunnen vinden moet men alle schepsel laten varen.

1. De Geloovige. Heer ! wèl heb ik grootere genade noodig, moet ik nog daartoe komen dat mij geen mensch noch eenig ander schepsel meer kan hinderen.

Want zoolang mij nog iets weder-houdt, kan ik niet vrij tot U vliegen.

-ocr page 281-

ill boek. xxxi hoofdstuk. 263

Vrij wcnschte hij te vliegen die sprak : Ach , hadde ik toch vletu/eïen als eene duif, ik zou heenvliegen en gaan uitrusten. (Ps. 54) Wat is rustiger dan een eenvoudig oog en wat vrijer dan liij , die niets op aarde verlangt ?

Men moet zicli dan boven alle schepsel verheffen en zichzelven geheel verlaten ? en in den geest opgetogen blijven om te zien dat Grij , de Schepper van alles , niets gemeens hebt met de schepselen.

En ahvie nog niet van alle schepselen is losgemaakt, zal zich niet vrij op het goddelijke kunnen toeleggen.

2. De Heer. Daarom, mijn zoon ! worden er weinigen geschikt gevonden voor liet beschouwend leven , omdat weinigen zich van de vergankelijke schepselen geheel weten te ontdoen.

Daartoe wordt eene groote genade vereischt, welke de ziel opbeurt en boven haarzelve vervoert.

Eu zoolang de mensch in den geest niet verheven is, los van al liet geschapene en geheel met God vereenigd alles wat hij weet, ook alles wat hij heeft is van weinige waarde.

-ocr page 282-

264 ITT BOT:IT. XXXI HOOrDSTFX.

Lang zal liij kloin zijn en op den grond liggen . die nog iets Iioogaeht behalve het eenige, oneindige, eeuwige good.

Want alles wat God zelf niet is. is niets en moet voor niets gehouden worden.

Kr is een groot verschil tussehen de wijsheid van den verlichten en god-vruchtigen mensch, en de wetenschap van een geletterd en leergierig geestelijke.

Teel edeler is de kennis , welke van boven dooi* goddelijke ingeving nederdaalt , dan die door menschelijke vernuft met moeite wordt verkregen.

3. Men vindt er velen die naar de beschouwing verlangen; maar zij trachten niet te doen wat daartoe gevorderd wordt.

Een groote hinderpaal is dat men te veel blijft staan bij het uiterlijke en zichtbare en weinig werks maakt van eene volkomene versterving.

De GtEloovige. Ik weet niet wat het )•« noch door welken geest w|j gedreven

-ocr page 283-

Ill BOEK. XXXTTTOOFDPTTrK. 265

worden, en wat wij voorgeven, die als geestelijken willen doorgaan, dat. wij i zoo veel arbeid en zoo groot e zorg He- I steden aan voorbijgaande en nietige za- j ken. en zoo zelden met eene volkomen ingetogenheid van zinnen aan ons in- I wendig denken.

I. Helaas! na een weinig overwegons storten wij aanstonds weder naar buiten , | zonder onze daden door een streng onderzoek te wegen.

Wij letten er niet op waaraan onze ! neigingen hechten , en wij betreuren niet dat alles zoo onrein is.

Toen alle vleesch zijnen weg bedorven luid . volgde de groote watervloed.

Daar nu onze inwendige neiging zeer bedorven is , moet ook de daaruit vol- I gende daad, ten blijke van gebrek aan ! innerlijke gezondheid, bedorven zijn.

Uit een rein hart komen vruchten | van een goed leven voort.

5. Men vraagt hoeveel iemand gedaan I heeft; maar men onderzoekt zoo vlijtig || niet met welk goed oogmerk hij handelt. ■

Alen vorseht na of\' iemand dapper . j

-ocr page 284-

2Ü0 111 BOEK. XSX1 JIOOPDSTCK.

rijk . pchoou . liol;w:iain is ; of liij ncl sclu\'ijft, wel ziugt, wel werkt; maar lioe arm liij is van gecst, hoc lijdzaam en zachtmoedig, hoe godvruchtig en inwendig, daarnaar wordt door velen niet gevraagd.

De natuur ziet op het uitwendige des menschen; maar de genade keert zich tot het inwendige.

Gene wordt vaak bedrogen ; deze vertrouwt op God om niet bedrogen te worden.

G E B E D.

Ook ik , o Vader ! heb eene bijzen-dere genade noodig , eer ik mij op dien trap van volmaaktheid bevinde , dat niet van liet aardsche mij in mijne vlucht tot U kan hinderen. Hoe vreemd ben ik nog aan die edele vrijheid, uwen kinderen zoo zeer eigen ! l)oe mij dien zaligen toestand kennen; schenk mij vleugelen als van eene duit\'; dan zal ik boven alle schepselen tot u vliegen om eeuwig in U alleen te rusten eu in uw genot zalig te zijn.

-ocr page 285-

tïi boek. xxxif ttoopdptttk. 207

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

Over de zeIfverloochenïny en verzaTcinff rrw alle hef/eerlijlcheid.

1. De Heeb. Mijn zoon! gij kunt. ; geene volkomen vrijheid bezitten, tenzij 1 gij uzelven geheel verzaakt.

Gekluisterd zijn alle eigenbaatzuohti-gen en zelfminnaars ; zij zijn begeerlijk, i nieuwsgierig en ongestadig; zij zoeken i steeds hun gemak en niet wat Mij be-i haagt; zij ontwerpen en ondernemen ji

i vaak dingen die geen stand houden; ij | want alles wat van God niet komt, zal ij | vergaan.

ii Onthoud dit korte en alles bevattende

ij woord: verlaat alles en gij zult alles vin- || den; legde begeerlijkheid af. zoo vindt

li gÜ i\'nst.

Overweeg dit bij uzelven , en wanneer ! ij gij het zult volbracht hebben , zult gij , ij alles verstaan.

2. De Geloovige. Heer ! dit is geen

-ocr page 286-

j 208 III BOEK. XXXU HOÜÏ\'DSTUJv

1 werk van een dag noch kinderspel : ja i iu dit weinige is allo vohnaaktlieid eens j kloosterlings opgesloten.

])e Heer. Mijn zoon ! gij moet zoo I aanstonds niet at\'keerig noch moedeloos i worden , zoodra gij van den weg der volmaaktheid hoort; maar te meer lot | het hoogere opgewekt worden of ten min-| ste daarnaar vurig verlangen.

Och, of het zoo met n gesteld ware ! I of gij zoo verre gekomen waart dat gij I uzelven niet meer bemindet, maar u j volkomen naar den wenk van Mij en var uwen overste schiktet! dan zoudt ge Mij zeer behagen en uw geheel leven slijten in vreugde en rust.

Nog veel hebt gij te verlaten; en tenzij j gij Mij alles volkomen afstaat , zult gij j niet verkrijgen wat gij vraagt.

3. Ik raad u dat gij van Mij koopt j (fond, door het vuur beproefd, opdat fffj | r\'ijh moocjt worden, ( Apoe. 3 ) te weten : ; de hemelsche wijsheid , die al het aard-selie onder de voeten treedt.

Geef haar de voorkeur boven de aard-! sehe wijsheid , boven alle mensehelijk ea eigen welbehagen.

-ocr page 287-

Ill 1J0EK. XXXII HOOFDSTUK. 2lilt;

4. Aldus zeg Ik u : koop hetgeen gering ia bij de menschen voor hetgeen kostbaar en verheven is in hunne schatting.

Want zeer laag en gering en bijkans vergeten schijnt de ware hemelsche wijsheid , die van zichzelve niet hoog denkt noch op aarde zoekt verheven te worden.

Velen prijzen haar met den mond, maar wijken er verre af in hun gedrag.

Rn toch is zij die kostbare parel, voor velen verborgen.

GEBED.

Tk zie, o God ! dat er, om waarlijk vrij te zijn, van mij nog veel gevorderd wordt. Tk moet om vrij tot U te vliegen mijzelven als afsterven, volkomen verlaten, dat is, mijne eigenliefde aan uwe liefde geheel opofferen. ])it is de ware wijsheid, welke van zoo weinigen wordt op prijs gesteld en zoo groote waarde heeft. Leer mij deze heilzame kunst, deze hemelsche wijsheid kennen ; dat zij mij een kostbare parel zij , voor wier bezit ik alles overheb.

-ocr page 288-

111 quot;BOEK. XXXIII HOOFDSTUK.

DRTE EN DERTIGSTE HOOET)-STUK.

i Ot\'pv de oiiachtzaamheul des harten, en I tin! God onze laatste hedoelinq moet zijn.

1. De Heer. Mijn zoon! vertrouw , niet op nwe tegenwoordige gemoedsge-; steltenis : want zij zal ras in eene an-I dere overgaan.

Zoolang gij leeft , zijt gij ook nws jj ondanks der veranderlijkheid onderworpen; zoodat gij nn eens blijde, dan tren-1 rig; nn genist, dan ongerust; nn god-: vruchtig, dan zonder godsvrucht; nu || ijverig, dan traag; nu ernstig, dan ij lichtzinnig zult bevonden worden.

Doch de wijze en in den geest wèl I onderwezene blijft. bij al deze afwisse-i lingen, staande.

Hij let niet oj) hetgeen hij bij zich ontwaart noch vanwaar de wind der onbestendigheid blaast; maar hierop, dat de geheele bedoeling zijns geestes naar het behoorlijke en gewenschte einde atrekke.

270

-ocr page 289-

UI BOEK. TCXTTTI HOOFDSTUK. 271

Waul; dus, door liet eenvoudig oolt;ï zijner bedoeling bij 7.00 velerlei voorvallen , onafgewend op Mij te vestigen, zal hij éen en dezelfde en onwrikbaar kunnen blijven.

Hoe reiner nu liet oog der bedoeling is . boe standvastiger men tusscheu velerlei stormen doorgaat.

Maar bij velen is liet oog eener reine bedoeling beneveld : want alras vostigf bet zich op iets genoeglijks dal zich voordoet.

Daarom vindt men zelden iemand «xe-beel vrij van de vlek der zelfzucht.

Dus kwamen weleer de Joden naar Jiefhanië tot Mart h a en M a r i a , niet om Jezus alleen , maar ook om L a-z a r u s te zien.

Men moet dus het oog der bedoeling reinigen, zoodat het eenvoudig en oprecht zij en het. boven al hetgeen slechts middel is, op Mij alleen richten.

GEBED.

Neen , mijn G-od ! ik kan noch mag te veel vertrouwen op eene gesteltenis , welke aan zoo vele veranderingen on-18

-ocr page 290-

272 in boek. xxxiv hoofdstue;.

derhevig is. Ook hierin behoor ik mijzelven te verlaten en het oog mijner bedoeling op U alleen te vestigen. Gij zijt onveranderlijk dezelfde die Grij van eeuwigheid waart; in U alleen kan mijn hart volkomen rusten. Dat dan mijn oog zich boven alles verheffe; dat het zuiver zij van alle eigenbelang, oprecht en onveranderlijk tot U gekeerd.

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De ware minnaar vindt hij alles en hooeti alles in God zijn genoegen.

I. De Geloovige. Zie, God is mijn en mijn al 1 Wat wil ik meer en wat kan ik zaliger wenschen ?

o Zoet en liefelijk woord! doch voor hem , die het Woord des Vaders en niet de wereld noeh hetgeen in de wereld is , bemint.

Mijn God en mijn al ! genoeg gezeg;! voor hem die het verstaat; terwijl de veelvuldige herhaling ervan genoegelijk is voor hem , die bemint.

-ocr page 291-

Ill BOEK. XXXIV HOOrDSTUK.

Want zijt Gij fogouwoordig . alles is genoeglijk ; maar zijt Gij afwezig, alles mishaagt.

Gij geeft de rust des harten, een groo-ten vrede en eene feestelijke blijdsehap.

Gij doet over alles wèl denken en U in alles loven.

Zonder U kan niets lang behagen; maar zal iets aangenaam zijn en wèl smaken, zoo» moet uwe genade daarbij zijn en de kruiderij uwer wijsheid dat toebereiden.

\'2. Wat zal hem niet smaken, die in U smaak vindt ? En wat zal hem genoegen kunnen geven , die in IJ geen smaak vindt ?

De wijsheid van de wereld en de genegenheid tot het vleesch worden door uwe wijsheid te niet gedaan : want in die dwaze wijsheid is veel ijdelheid en in het vleesch is de dood.

Maar zij , die U door de verachting der wereld en afsterving des vleesches navolgen , worden bevonden ware wijzen te zijn, omdat zij zich van de ijdelheid tot de waarheid en van het vleesch tol den geest laten overbrengen.

273

-ocr page 292-

2/4 in BOEK. XXXIT HOOPDSTTJK-

l)(v.o viudcMi smaalv in Grod; on. wolk I n;ood zij bij de schepselen vinden. zij brengen bet geheel over tot lofquot; van lum-

n n

ij nen Schepper.

Fntiisscben is er een verschil en groot j verschil tnsschen den smaak voor den li Schepper en bet schepsel, voorde ecu- ! wigbeid en voor den tijd . voor het onge- ; schapen licht en het meegedeelde licht.

3. o Eeuwig Licht. al ile geschapene lichten overtreflende ! schiet uit de hoog-

| ste stralen . die tot geheel het binnenste | mijns harten doordringen.

quot;Reinig, verkwik, verlicht en ver.r-l| vendig mijne ziel en hare vermogens . || zoodat zij zich aan Ü in juichende ver- | i! rukking vasthechte.

O, wanneer zal dal zalige en gewensch-i te uur komen, dat Grij mij met uw bijzijn zult verzadigen en mij alles in alles

li zün!

Zoolang mij dit niet wordt geschon- j || ken . zal mijn vreugde niet volkomen i i ZÜ11*

4. Maar belaas I nog leeft de oude j Ij mensch in mij; hij is niet geheel ge-

j kruisigd, niet volkomen gestorven.]

-ocr page 293-

JU B0I3K. XXXIV HOOFDSTITK. 2/ .»

Nog altoos begeert; liij sterk tegeii den geest, verwekt inweudigen oorlog eu laat aan het rijk der ziel geene rust.

Maar Gij, die Jieerschl over de woede der zee eu hel geweld haver yolven stil/ , ( Ps. 88 ) sla op Ie mijner hnlpe. (Ps. -l.\'? N\' I \'ersir ooi de rol keren die helust zijn op oorlog; (Ps. ü7) verpleller ze door /are macht. (Ps. 58.)

Toon, bid ik U, uwe grootheid , en dat uwe rechterhand verheerlijkt worde : want geene andere hoop, geene andere toevlucht is mij over, dan bij U, o Heere mijn God !

G E H E 1).

Opnieuw, mijn God ! vereenig ik mij met deze bede. Hoe gaarne wenschte ik voor U alleen smaak te gevoelen, U mijn G od en mijn al te noemen, en in U als mijn hoogste goed te rusten ! \\\\ anneer zal dat blijde oogenblik voor mij komen ? Maar ach ! de oude mensch leeft nog in mij, en is niet geheel gedood ! Vandaar die hindernissen, welke ik ontwaar. Kom mij dan te hulp ; verlicht, bestraal

-ocr page 294-

27r» in boek. xxxv hoofdstuk.

mijn hart; dat uwe genade iu mij verheerlijkt worde.

VIJF EX DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Da! men in dit leren niet reiTuf is voor helcorlnf/en.

1. Be Heer. Mijn zoon! in dit lever, zijt gij nooit veilig, maar hebt, zoolang gij leeft, altoos geestelijke wapenen noo-dig.

Gij verkeert onder vijanden en wordt rechts en links aangevallen.

Zoo gij dus niet van alle kanten het schild des gedulds gebruikt, zuil gij niet l:»ng ongewond blijven.

Daarenboven, houdt gij uw liart niet vast tot Mij gericht, met den z ui vertin wil om alles voor Mij te lijden, dan kunt gij die hitte niet doorstaan , noch den palmtak der gelukzaligen bekomen.

Gij moet dus moedig door alles heengaan en een krachtigen arm gebruiken tegen hetgeen u wederstaat.

Want aan den overwinnaar wordt her

-ocr page 295-

Ill BOEK. XXXV HOOFDSTUK. 2/7

manna gegeven , maar de lafhartige aan vele ellende overgelaten.

2. Zoo gij in dit leven rust zoekt, hoe zult gij dan tot de eeuwige rust komen ?

Zet u hier niet tot veel rust, maar tot groote lijdzaamheid.

Zoek den waren vrede niet op aarde maar in den hemel; niet bij de mensehen of de overige schepselen, maar hij God alleen.

Om G-odswil moet gij alles gewillig ondergaan, te weten ; arbeid en smarten , bekoringen en kwellingen, benauwdheden en behoeften, krankheden en beleedigingen, tegenspraak en berispingen. vernederingen en beschamingen, bestraffingen en versmadingen.

Dit alles helpt tot deugd , stelt den Christen leerling op de proef en vlecht de hemelsche kroon.

Tk zal voor kortstondigen arbeid eeuwig loon, en voor eene voorbijgaande beschaming onvergankelijke heerlijkheid schenken.

.3. Meent gij dat gij steeds de geestelijke vertroostingen naar wil en wensch zult genieten ?

-ocr page 296-

278 III BOEK. XXXV HOOFDSTUK.

Mijne Heiligen licbbeu deze niet al-loos gehad : maar vele bezwaren, velerlei bekoringen en groote moedeloosheden.

Doch in dat alles hebben zij zich geduldig gedragen en meer op God dan zichzelven vertrouwd; wetende, dat al het lijden van dezen tijd niet te achten \'is om de toekomende heerlijkheid te verdienen. (Kom. 8)

Wilt gij aanstonds hebben , wat zoo velen na vele tranen en zwaren arbeid nauwelijks hebben bekomen ?

Wacht O}) den Jfeer, yedraag u mannelijk en hond moed. ^ lJs. 20)

Wantrouw niet, wijk niet ai\'; maar geelquot; standvastig lichaam ei» ziel lot Oods eer ten beste.

Ik zal zeer rijkelijk vergelden; Ik zal met u zijn in allen nood.

GEBED.

God ! Gij zijt voor mij onuitputbaar in troost en scheukt mij dien naar be hoefte. Neen, er id voor mij geene ware rust noch veiligheid, tenzij ik mij tot

-ocr page 297-

ill boek. xxxvi uoofdstux. 27v

strijden gereed houde en mij bereid loone alles om uwentwil te lijden. Zoo tocli was het lot van uwe beste vrienden , en ik durf mij geen ander toezeggen. Welaan ! ik ben bereid en wil mij dapper gedragen. Handel met mij volgens uwe belofte en laat mij niet alleen in den strijd.

ZES EN DEBTiaSTE HOOFDSTUK.

Teyen de ij dele heoordeeh nifeu der mensoheu.

1. De Heer. Mijn zoon! vestig uw hart vast op den Heer en vrees des menschen oordeel niet, wanneer uw geweten u goed en onschuldig houdt.

Het is goed en heilzaam dus te lijden, en dit zal niet zwaar vallen voor een nederig hart, dat meer op God dan op zichzelf vertrouwt.

Velen spreken veel: en daarom moet men er weinig geloof aan hechten.

Ook is het niet mogelijk allen te voldoen.

Ofschoon P a u 1 u s zocht allen in dan

iT

Ji

-ocr page 298-

280 III HOEK. XXXVI HOOFOSTFK.

Heerc tc behagen en allen alles werd, aelitte hij het toeh niet liet minste door een menschelijk gericht geoordeeld te worden.

2. Hij heeft genoeg gedaan, zooveel in hein was en hij konde, tot stichting en heil van anderen; maar hij koude niet beletten, dat hij somtijds van anderen geoordeeld ja veracht werd.

Daarom gaf hij alles aan God over die alles wist, en verdedigde zich door geduld en ootmoed tegen den mond \'dergenen , die kwaadspraken of het ijdele en valsche uitdachten en naar willekeur alles uitstrooiden.

Nochtans heeft hij somtijds geantwoord , opdat de zwakken niet door zijn stilzwijgen mochten geërgerd worden.

3. Wie zijt gij , dat gij een sterfelijk mensch vreest ? Heden is hij, en morgen verschijnt hij niet meer.

Vrees Grod, en gij zult der menschen bedreigingen niet vreezen.

Wat vermag een mensch tegen u met woorden of lasteringen ? Hij benadeelquot; zichzelven meer dan u, en, wie hij zij, Gods oordeel kan hij niet ontgaan.

-ocr page 299-

Ill HOICK. XXXVl HOOFDSTUK. 281

Houd gij God voor oogen, en wil niet twisten noch klagen.

Al schijnt gij ook voor het tegenwoordige onder te liggen en onverdienden smaad te lijden, wordt daarom niet verstoord , noch verminder uwe kroon door ongeduld.

Maar zie liever hemelwaarts tot Mij, die machtig ben om u te redden uit allen smaad en beleediging en eenieder te vergelden naar zijne werken.

G E H E D.

Uw woord , o God! is balsem voor mijn hart. IToe vaak toch stoorde ik mij aan de beoordeelingen van anderen , zonder mijn oog tot U te heffen en vandaar mijnen troost te ontleenen ! Geen wonder alzoo, dat ik mij steeds in onrust bevond. Doe mij verstandiger worden , en laat het voorbeeld van uwen Apostel op mijn hart van eene krachtige werking zijn! Dat mijn oog alleen op Ü gevestigd blijve; dan vrees ik niets, daar Gij mij een helper en redder zijt.

-ocr page 300-

282 iir hoek. xxxvii hoofdstuk:.

ZK VEN KN UERTIÜSTJL HOOFDSTUK.

Or er den zuiveren en geheel en afstand ran zichzelven om de vrijheid des harten Ie hekomen.

1. De Heer. Mijn zoon! verlaat u, en gij zult Mij vinden.

Doe afstand van allen eigen zin en eigen wil, en gij zult altoos winnen.

Want zoodra gij u zult overgegeven hebben zonder terugtrekking, zal u groo-tere genade worden toegevoegd.

2. De G-eloovige. Heer! boe dikwijls moet ik mij afstaan en waarin mij verlaten ?

X De Heer. Altoos en elk uur , in liet groote zoowel als in bet kleine, fk zonder niets uit, maar wil u van alles ontbloot vinden.

Hoe anders kunt gij de mijne en Ik de uwe zijn , zoo gij niet inwendig en uitwendig allen eigen wil uitgesebnd hebt.

Hoe eer gij dat doet, lioe beter gij bet hebben zult, en hoe volkomener en

-ocr page 301-

Ill BOEK. XXXTTT HOOFDSTTK. | 283

opivcliirr. lioo moei\' gij Mij /.uil lgt;olia-go u en winst doen.

I. Sommigen staan zich af. doch met zeker voorbehoud : want zij vertrouwen (rod niet volkomen en trachten daarom zich zei ven te verzorgen.

Sommigen ook geven zich aanstonds geheel aan mij over; maar naderhand . als de bekoring hen overvalt. keeren zij tot het eigene terug, waarom zij in de deugd het minst niet vorderen.

Dezulke zullen niet tot de ware vrij-jj beid van een zuiver hart. noch tot de gunst mijner genoeglijke verkeering geraken. tenzij zij zich geheel hebben afgestaan en dagelijks aan Mij opofferen . zonder hetwelk geene zalige vereeniging met Mij bestaat. noch kan bestaan.

5. Dikwijls heb Fk u gezegd en Tk herhaal het nogmaals: verlaat u, sta u af, en gij zult inwendig grooten vrede hebben.

Greef alles voor alles; zoek niets, vorder niets terug ; houd u zuiver en zonder i aarzelinir aan Mij en gij zult Mij bezitten ; gij zult vrij zijn van harte en «le duisternis zal u niet overschaduwen.

-ocr page 302-

284 III BOEK. XXXVII HOOFDSrUK.

8lrcel\' daar naar, bid hierom vn weusch ili( . dal ^ij u vaii al liet eigene moogt onUloen, en naakt den naakten Jezus volgen, uzelven afsterven en voor mij eeuwig leven.

Dan zullen alle ijdele voorstellingen, sleehte ontroeringen en overtollige zorgen verdwijnen.

Dan ook zal alle onmatige vrees wijken en de ongeregelde liefde sterven.

uitgaan en mij geheel, met alles wat mij betreft, aan U overgeven. Tk zie de waarlieid van uwe vermaning in; maar ik gevoel te gelijk mijne zwakheid. Overwin die door uwe almogende genade. Dat mijne eigenliefde zich in uwe liefde geheel verlieze, en dat uwe zalige ver-eeniging mij alle opoffering vergoede.

-ocr page 303-

Ill BOEK. TXXVIII HOOFDSTUK.

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over een ffoed hesfuar ia hef aUfvendifle, en hoe men in fjeccvren zich fof Got\' moet hegeven.

1. De Heek. Miju zoon! vlijtig moet daarnaar trachten , dat gij overal en in alle handeling of uitwendige bezigheid inwendig vrij en uzelven meester blijft. dat alles aan u onderworpen zij, en gij aan niets.

Daardoor zult gij lieer en bestuurder van uwe daden zijn, geen dienstkneelit of slaaf; maar liever een vrij eu waar Hebreer, tot liet erfdeel en de vrijheid van Gods kinderen overgebracht.

Die zich verheH\'en boven liet tegenwoordige en o]) het eeuwige zien ; die het voorbijgaande met het linker oog beschouwen, en het hemelsche met hel rechter; die zich door het tijdelijke niet laten trekken om daaraan te hechten; maar het veelmeer trekken, opdat het wèl diene. zooals het door God

285

-ocr page 304-

286 TIT BOEK. Txxvni nOOPPSTTTK.

voronloud eu door den oppersten werkmeester ingesteld is . die in zijne schepselen niets ongeregelds overliet.

2. tndien gij n ool\\ hij alle gebeurtenis niet ophoudt hij den niterlijken schijn , noeh hetgeen gij ziet of hoort. met een vleesehelijk oog hesehouwt; maar terstond hij iedere zaak met Mo-zes in den tahernakel treedt, om den Heer raad te vragen, dan znlt gij somtijds een goddelijk antwoord vernemen en over vele tegenwoordige en toekomende zaken ingelicht terngkeeren.

Mozes immers nam altoos ter oplossing van twijfelachtige en ingewikkelde zaken tot den tabernakel zijne toevlncht en zocht hulp in het gebed, om uit de gevaren en de kwaadwilligheid der menschen gered te worden.

Zoo ook moet gij uw toevlucht nemen tot de geheime kamer uws harten , om den goddel ijken bijstand vurig af te smeek en.

Want wij lezen dat J ozue en de kinderen Csrar/s door de Q-ahaonieten zij n misleid geworden , omdat zij niet to voren den mond des Hoeren om raad

-ocr page 305-

i it hoek. xxxix hofvfdptitk. 2s7

Imtldon gevraagd, maar vloiciitlc 1:inl Ic licht goloovoudo, ziel I dooi\' vnlscli niodc-doogen lieten A7oi,lt\'iden.

GEBED.

Itoe vele afleidingen, o God! liel) W in dit leven te bestrijden , eer ik tvuv zoozeer gewensclite vrijheid geiiielc 1 \\\\ il ik waarlijk vrij zijn, dan moet ik. ook van al mijne verriehtingen , meester blijven; maar ach , hoe vaak ben ik daarvan de slaaf! Dat nwe vermaning mij ter harte ga. Dat ik bij alles wal ik onderneem , met U raadplege en nwen raad opvol ge. Dit zal mij voor bedrog bewaren en omtrent vele zaken inliehten.

NEGEjS EjS\' dertigste hoofdstuk.

Dat men zich over zijne zaken niet man 1c wellen.

I. Dr Heek. Mijn zoon! vertrouw mij altoos nwe zaak toe; fk zal op zijnen tijd wèl besehikken.

1\'.\'

-ocr page 306-

288 ! Ill 1J01SK. XXXIX HOOl\'DSTUK.

Waclit mijnt\' l)esclii1vl\\ing af, en /nil daai\'l)!] voordeel vinden.

2. Dk GeloovKjt;. Heer ! gaarne genoeg vertrouw ik 1 alle zaken toe : want mijne overlegging kan weinig baten.

O, moehl ik aan toekomende gebeurtenissen niet veel beebten , manr mij lgt;e-reid\\viHigt; aan uw welbebagen overgevi\'ii 1

.*gt;. J)k Himmj. .Mijn zoon! dikwijls is de menscli zeer bekommerd over iets, dat bij verlangt; maar heelt bij bet bekomen, bij begint er anders over te denken : want de neigingen blijven niet altoos bij hetzelfde, maar drijven eer van bet eene tot bet andere.

Het is dus niet gering, ook in het geringste ziebzelven te verloochenen.

4. \'s Menseben ware voortgang bestaat in zeHVerlooebening, en een ziebzelven verloochenend menseb is zeer vrij en veilig.

Maar de oude vijand, al bet goede wederstrevende , laat niet alquot; te bekoren , maar legt dag en nacht gevaarlijke lagen, om den onbehoedzame in zijn be-driegelijk net te kunnen verstrikken.

Waakt en Vult, zegt de lieer, opdat yi] niet in hekoring komt. (Matth. 26)

-ocr page 307-

iir hoek. xl hoofdstuk. 289

q- e b e d.

Kan ik . o God! wel aan iemand mijne belangen beter toeverlrouwen , dan aan 1 ? Zelfs de geringste uwer sehepselen ontgaat uwe Vaderzorg niet; en ik, uw edelst schepsel, zoude mij niet aan L toevertrouwen ? Hoe dikwijls moebt ik niet de teederste 1)1 ijk en ontwaren, dat Gij in alles uwe kinderen gadeslaat en hun welzijn beoogt! Boezem mij dan een kinderlijk vertrouwen in; dat ik alles aan U overgeve en mij aan uwe beschikkingen onderwerpe.

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dal de mensch uit zichzeheu niets (/oeih heeft en over niets hm roemen.

1. De Geloovige. Keer! wat is de mensch , dat Gij zijner gedeiikt ? of des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt / (Ps. 8)

Welke verdienste heeft de memch, dat Gij hem uwe genade bewijat ?

-ocr page 308-

200 TTT quot;BOEK. XT. HOOTDSTUK.

Heer! hoe kan ik klagen . als Gij mij verlaat ? of\' wat kan ik billijk inbrengen , wanneer Gij niet doet hetgeen ik verzoek ?

Ja zeker, dit kan ik met waarheid denken en zeggen : Heer ! ik beu niets , ik kan niets, ik heb niets goeds van mijzelven, maar sehiet in alles te kort en streef altoos naar het niets. En zoo Gij mij niet helpt en inwendig versterkt, word ik geheel lauw en los.

2. Maar Gij, o Heer ! zijt altoos dezelfde, (Ps. 101) en blijft eeuwig, altoos goed , rechtvaardig en heilig, goed, rechtvaardig en heilig in alles wat Gij doet, en alles met wijsheid beschikt kende.

Maar ik, die meer overhel tot afwijking dan tot vordering, blijf niet lang in denzelfdeu staat volharden : want ik ben veelvuldige verandering onderhevig.

Nochtans wordt het ras beter, als het U behaagt en Gij de behulpzame hand biedt : want Gij alleen kunt zonder men-schelijke hulp helpen en zoo versterken, dat mijn gelaat niet meer gedurig ver-andere, maar dat mijn hart tot ü alleen zich wende en in XJ alleen ruste.

-ocr page 309-

Ill BOEK. XL UOOFDtiTVK. 201

3. Daarom, wist ik allen meuschelij-ken troost weg te geven , hetzij tot verkrijging van godsvrucht, hetzij uit noodzakelijkheid, die mij aandrijft U te zoeken , daar geen mensch mij troosten kan; dan zoude ik terecht op uwe genade kunnen hopen en mij verblijden over het geschenk eener nieuwe vertroosting.

Ü zij dank , van wien alles komt, zoo dikwijls liet mij wel gaat.

Ik immers ben voor U ijdelheid en niets , een onstandvastig en zwak mensch.

Waarop kan ik dan roemen? of waarom wensch ik te worden geroemd ? Om een niet ? dat ware de grootste ijdelheid.

4. Waarlijk, de ijdele roemzucht is eene erge pest, eene zeer groote ijdelheid : want zij trekt af van den waren roem en berooft van de hemelsche genade.

Want zoolang de mensch zichzelven behaagt, mishaagt hij U, en zoolang hij jaagt naar menschenlof, is hij van ware deugd beroofd.

5. Maar de ware roem en heilige blijdschap is in Ü te roemen en niet in

-ocr page 310-

292 III BOEK. XL hoofdsttje:.

ziclizelveu, zich te verheugen in uwen naam, niet in eigen deugd, en geen ge- : noegen in eenig schepsel te nemen ten- i zij om U.

Uw naam worde geloofd, niet de i mijne; uw werk worde verheerlijk:. niet het mijne; uw heilige naam worde ge- j zegend , maar mij worde van \'s mensclien | lot\' niets toegeëigend.

Gij zijt mijn roem , Gij de vreugde i mijns harten. In Ü zal ik roemen en mij verblijden den geheelen dag; doch \\ coor mij is (/een roem dan in mijne zwak- j heden. ( 2 Cor. 12)

6. Dat de Joden roem van elkander j zoeken ; ik zal dien zoeken, die alleen | van Grod is.

Want alle menschelijke roem, alle tijdelijke eer, alle wereldsehe grootheid, vergeleken bij uwe eeuwige heerlijkheid, is ijdelheid en dwaasheid.

o Mijne waarheid en barmhartigheid ! j mijn God ! gelukzalige Drieëenheid! U alleen zij lof, eer, kracht en heerlijkheid tot in de eindelooze eeuwen der ■ eenwen.

-ocr page 311-

Ill BOEK. XLI HOOFDSTUK. | 293

g e b e d.

Ja . mijn God ! wal is do nioiiscli . dal (Jij /.ij li er godenkl ? Wal is \'s iikmi-scIumi zoon, dal (rij liom zoo «xunslrijk he/oelvl. ? Wal liob ik. dal (lij zoo nadevol op mij uederziel ? Niels lieb ik van mij zei ven, waarop ik mij voor U zoude kunnen beroemen. Dat dan goene ijdele roemzuelit bij mij wone; dal ik mij in U alleen beroeme. en over de goedheid , mij betoond. V alleen zij lol\' en eer en dankzegging in alle eenwen der eeuwen. Amen.

EKN EN VEERTIGrSTK HOOFDSTUK.

O eer de versmaling van. alle tijdelijke eer.

1. De Heer. Mijn zoon! trek l el u niet aan als gij anderen vereerd en verhoogd ziet, maar nzelven verachl en vernederd.

Verhel\' uw harl heuielwaarts tot Mij .

-ocr page 312-

291 III BOEK. XL1 HOOFDSTUK.

on het zal u niet bedroeven op aarde van de mensohen veracht te worden.

2. De Gteloovige. Heer! wij zijn verblind on worden ras door de jdel-heid verleid.

Wanneer ik mijzelven recht heschouw, dan is mij nog nooit door eenig schepsel onrecht gedaan : derhalve hel» ik ook geen reden om mij voor IJ te beklagen.

Integendeel, omdat ik tegen U dikwijls en zwaar gezondigd heb, wapent zich met recht alle schepsel tegen mij.

Mij komt dus terecht smaad en verachting toe, maar IT lof\', eer en heerlij kheid.

En tenzij ik mij daartoe bereide, om gaarne van alle schepsel veracht, verlaten en volstrekt voor niets gehouden te worden, kan ik niet inwendig bevredigd en bevestigd, noch naar den geest verlicht, noch volkomen met vcree-nigd zijn.

g e b e d.

Mocht, o (rod ! deze waarheid in.j wèl

-ocr page 313-

Ill BOEK. XL1I HOOFDSTUK. 295

ter harte gaan, zoo dikwijls ik de verachting mijner medemensehen ontwaar! Neen, eigenlijk geschiedt mij geen onrecht, daar de overtredingen waaraan ik mij voor U schuldig bevind, zoo groot en menigvuldig zijn , en de billijkheid dezer tuchtiging bewijzen. Leer mij dan meer en meer den staat mijns harten kennen, en in den vuuroven geduldig zijn, opdat ik daaruit gelouterd te voorschijn kome.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zijnen vrede niet hij de menschen moet zoeken.

1. De Heer. Mijn zoon! indien gij uwen vrede op eenig mensch bouwt, omdat hij met u van een gevoelen is en met u wel weet te leven, gÜ zult onbestendig en onrustig zijn.

Maar neemt gij uwen toevlucht tot de steeds levende en bestendige waarheid, geene scheiding ot\' dood van eenen vriend zal u bedroeven.

-ocr page 314-

2% III BOEK. XLir HOOFDGTUK.

Tn quot;AI ij mooi do liofdo van oonon rriend govosl igd zijn , on om mijnentwil mooi bominnon ooniodor, dio n als good voorkomt on in dit lovon hijzondor dior-baar is.

Zondor Mij is goono vriondscliap goolt;l nooli duurzaam; en hol is goone ware on roino liofdo, waarvan Fk niet don band tooliaio.

Gij moot soortgelijke gonegenhodon voor goliefde personen zoo afgestorven zijn . dat gij . wat u aangaat, allen omgang mot monselien zoudt willen derven.

Hoe vorder oen monseh zich van allo i aardsohen troost verwijdert, hoe moor liij God nadert.

Ook hoe dieper li ij in zieli nederdaalt en hoe geringer hij hij ziohzelven wordt, hoe hooger hij tot God opklimt.

2. Maar wie ziohzelven iets goeds toeschrijft, belet Gods genade tot hom te komen : want do genade dos Heiligen Goestos zoekt altoos oen nederig harl.

Wist gij u volkomen te vernietigen en van allo liefde tot het geschapene te ontledigen , Fk zonde in n mol groote genade nedordalon.

-ocr page 315-

Ill BOEK. XLII HOOFUSTTJK. 297

Wanneer gij uw oog op de pcliepselen vest igt, wordt u de aanblik des Scheppers onttrokken.

Leer u in alles, om des Selieppers wil, OTcrwinnen; dan zult gij tot de kennis van God kunnen komen.

Hoe gering ook iets zij, wordt liet ongeregeld bemind of\' begeerd, bet boudt van bet hoogste goed af\' en besmet.

GEBED.

Ook deze venmming, o God\', is voor mij belangrijk. Moeh ik ze steeds ter harte nemen! Hoe dikwerf\' toeh stel ik mijn vertrouwen op mensehen en zoek ik in hunne vriendschap mijnen troost. zonder naar dien troost om te zien welke alleen van Ü komt. Dat niet langer deze lichtzinnigheid mij beheersche. AYces gij mijn dierbaarste vriend, mijn beste trooster. Dat aan uw bezit alle vrienden, ja alle schepselen opgeofferd worden. Waarlijk als ik U bezit , heb ik genoeg.

-ocr page 316-

298 111 boek. xllil hoofdstuk;.

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Teijen de ijdele wetenschap der wereld.

1. De Heek. Mijn zoon! laat u niet vervoeren door de schoone en spitsvondige redenen der mensehen, ivant niet in woorden maar in kracht is het Godsrijk. (1 Oor. 4)

Let op mijne woorden, die liet hart ontsteken en den geest verlichten: die het gemoed vermorzelen en velerhande troost verschaffen.

Lees nooit iets om geleen Ier en wijzer te kunnen schijnen; maar leg li toe om uwe gebreken te dooden. Dit zal u meer nut doen, dan de kennis van vele moeie-lijke vraagstukken.

2. Na veel gelezen en verstaan te hebben, moet gij altoos tot het cenige grondbeginsel terugkomen.

Ik ben het, die den mensch wetenschap leer, (lJs. 93) en aan de kleinen helderder doorzicht geef . dan men va i men-schen bekomen kan.

-ocr page 317-

Ill quot;BOElv. XLTII TTOOFTgt;STTTK.

Hij , tot wieu Tk spreek, zal ras wijs I zijn en in den geest grooten voortgang | maken.

Wee hun, die naar vele vreemde dingen onderzoek doen bij de mensehen , en | er zich weinig over bekommeren hoe zij i Mij moeten dienen.

J)e tijd zal komen dat de Meester der i meesters, Christus, de Heer der En-j gelen, verschijnen zal om allen de les te overhooren, dat is : om elks geweten te ! onderzoeken.

En dan zal Jeruzalem mei fakkelen worden doorzocht; (Soph. 1) dan zal hei(]ene in de duisiernis verborgen teas, aan j hei licht komen, en de menschelijke redeneeringen zullen verstommen. (1 Cor. 4)

3. Ik ben het, die den nederigen geest j in een oogenblik zoo verhef, dat hij van 1 de eeuwige waarheid meer begrijpt, dan ! wanneer hij zich tien jaren in de scholen 5 geoefend hadde.

Tk onderwijs zonder gedruisch van | woorden, zonder verwarring van gevoe-| lens; zonder eerzucht, zonder redetwist.

Ik ben het, die leer het aardsche ver-; achten, van liet tegenwoordige walgen,

290

-ocr page 318-

Ill HORIv. XliTTI HOOFDSTUK.

naar hot eeuwige zoeken: het eeuwige smaken , eerbetoon vluehteu , ergernis dragen, alle hoop op Mij stellen, niets Imiten Mij hegeeren en Mij hoven alles vurig beminnen.

Want door Mij innig te beminnen, leerde iemand het goddelijke kennen en daarover wonderlijk spreken.

Door alles te verlaten vorderde hij meer dan door zich op spitsvondigheden toe te leggen.

4. Aan sommigen nu zeg Tk algemee-ne, aan sommigen bijzondere zaken, aan sommigen openbaar Ik Mij zaehtelijk door teekenen en beelden ; aan anderen stel Tk de geheimen in een groot licht voor.

De stem der boeken is wel dezelfde; maar zij onderwijst niet allen gelijkelijk : want Ik ben de inwendige leeraar dei-waarheid, de doorzoeker des harten, de kenner der gedachten, de bevorderaar der daden, eenieder gevende wat [k billijk acht.

GEBED.

Uw woord is waarheid, mijn G-od !

-ocr page 319-

ill hükk. x li \\\' hoofdstuk. | .\'ju 1

al mijn lozen on onderzoekon is ijdol, tenzij O ij mijn liart; bestraalt. Gij rnoot tot mij spreken , zal ik nnt doen met liet-geen ik lees. irij, tot wien G ij spreekt , wordt ras wijs en vorliolit. Solienk mij dan dat licht, hemelsolie leoraar! Eeuwige waarheid ! open mijn hart voor uwen invloed, en doe mij voortgang ma kon in die lieilzame kunst, van welker booolo-ning mijn zedelijke volmaking en hierna mijne zaligheid afhangt.

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Vtdl men zich het uitivendifie nlef moet aantreklcen.

1. De Heek. Mijn zoon! omtrent volt\' dingen moet Gij onwetend blijven en n aanzien als een doode op aarde, voor wien do gehoole wereld gekruisigd is.

Ook moot gij veel met doovo ooren voorbijgaan, en liever bedenken hetgeen li tot vrede dient.

Het is nuttiger de oogen af te wenden

-ocr page 320-

.302 TTI EOEK. XLTV HOOFDSTUK.

van hetgeen mishaagt en eenieder zijn gevoelen te laten , dan zich met woordentwisten op te honden.

Zoo gij wèl staat met Grod en op zijn oordeel ziet, gij znlt te lichter verdragen overwonnen te zijn.

2. De Geloovige. Ach, Heer! waartoe zijn wij gekomen ! Zie, om een tijdelijk verlies weent men ; men arbeidt en draaft om eene geringe winst, en geestelijke schade vergeet men, en nauwelijks komt men laat daarop terug.

Men let op hetgeen weinig of in het geheel geen nnt doet, en het hoogst noodzakelijke loopt men nalatig voorhij.

Want de mensch geeft zich geheel aan het uitwendige over, en tenzij hij zich ras bezinne, blijft hij gaarne in het uitwendige liggen.

GEBED.

Ook ik, mijn God, mag uitroepen: waartoe ben ik gekomen! Nog heeft het zinnelijke bij mij de overhand. Het geringste tijdelijk verlies gaat mij ter harte, en wat het verlies mijner ziele, de hoofd-

-ocr page 321-

ill boek. xlv hoofdstuk. j 303

7,aal\\ . betreft, dat trek ik mij weinig aan. Hoever ben ik van mijne bestemming afgeweken ! Open mijne oogen. breng mijn hart van het zinnelijke tot het; bovenzinnelijke over. Wat kan mij de geheele wereld baten, als ik schade aan mijne ziel lijde ?

vijf en yeertktste hoofdstuk.

Dat men niet aan allen (je.Joof nuiq qeven . en over het licht struikelen in woorden.

i. de gteloovicte. Schenk Gij . o Heer ! ons redding ait den nood : want menschen-hulp is ijclelheid. (Ps. 50 t

Hoe dikwijls vond ik geene trouw, waar ik ze dacht te vinden !

Hoe dikwijls vond ik ze ook . waai: ik het niet vermoedde !

TJdel is dus de hoop op menschen : bij TT . o Grod ! is der rechtvaardigen heil.

Wees Gij dan. Ileere mijn God! geze-2ü

-ocr page 322-

•TO I UI BOEK. X I. V HOOFDSTUK.

^cikI in alles, wal- ons orcrkoml. Wij /ijn /waV cn onbestendig; lielit worden wij bedrogen en Tevanderen wij.

\'2. Wie is de man , die zich in alles /00 om/-ielitig en behoedzaam weet ie gedragen, dat liij niet: somtijds tot eenige misleiding of verlegenheid vervalle ?

Maar wie. o Heer! op XJ vcrtroviAvt en U met een eenvoudig hart zoekt , valt zoo licht niet.

En al komt hij in eenig lijden , op welk eene wijze liij ook ingewikkeld worde . hij zal toch schielijk door U gered olquot; vertroost worden : want G ij verlaat dengene niet , die op IJ ten einde toe verlrouwt.

3. Zeldzaam is een trouwe vriend , die Itij al de rampen zijns vriends standvastig blijft.

(rij. o Heer, C-rij alleen zijt in alles de allergetronwste en bniten IJ is er zoo geen.

O. iioe recht wijs was die heilige ziel, welke zeide : mijn karfi.sheveshqd en \'iu (\' li r i s t us (jeyrondvest! ( S. Agatha )

Ware het zoo met mij geste.d , geene menschenvrees zonde mij zoo licht kwel-

-ocr page 323-

Ill BOEK. XLV HOOFDSTUK. 305

leu en gecnc bitse woorden mij ontroeren.

Wie kan alles voorzien ? Wie de toekomende rampen voorkomen ?

Zoo ook hetgeen men voorzag dikwijls grieft, hoe zwaarder zal niet het onvoorziene treffen ?

4. Maar waarom heb ik mij eliendigen niet beter verzorgd? Waarom ook heb ik anderen zoo licht geloofd :

Maar wij zijn mensehen en niets meer dan brooze menschen, al worden wij ook door velen als Engelen aangezien en aldus genoemd.

Wien dan, o Heer, zal ik gelooven : Wien anders dan XJ ? Grij zijt de waarheid die niet bedriegt, noch bedrogen kunt worden.

Daarentegen is alle mensch leiufenach-lig, (Ps. 115) zwak, onbestendig en lieht struikelende, vooral in woorden, zoodat men nauwelijks aanstonds gelooven mag, hetgeen op het eerste oogen-blik als waarheid schijnt te klinken.

5. Hoe wijselijk hebt Gij vermaand zich voor de menschen te wachten , en dat ook \'ó\' menschen kiusifenoolen zijne

-ocr page 324-

306 III BOEK. XLV HOOFDSTUK.

vijanden zijn; ( Matth. 10) eu dal iiumi niet gclooTi\'u moest zoo icmaml ze iele ; Zie, hier of daar is hij ! (Matth. 24.)

Door mijne sehade heb ik geleerd, en aeh, mocht het mij zijn tot grootere voorzichtigheid en niet tot nieuwe dwaasheid.

/\' Wees omzichtig,quot; zegt iemand. / wees omzichtig; houd voor u wal ik ii zeg.quot; En terwijl ik zwijg en het ver-horgen acht. kan hijzelf niet zwijgen hetgeen hij gebood te zwijgen; maar aanstonds verraadt hij mij en zichzelven en gaat henen.

Behoed mij, o Heer! voor zulke snapachtige en onvoorzichtige menschen ; dat ik niet in hunne handen valle, otquot; ooit zelf zoo handele.

Leg in mijnen mond ware eu onver- j anderlijke woorden en geelquot; mij een j grooten afkeer van eene arglistige tong.

Wat ik niel lijden mag, daarvoor moet ik mij allezins wachten.

0. O , hoe goed en vredebevorderend is liet van anderen te zwijgen en niel onverschillig alles te gelooven , nocli te licht te verspreiden, zich bij weinigen

-ocr page 325-

ITT quot;BOEK. XJ.V HOOFDPTtTïC. 307

uit te laten en steeds naar U , den kenner des harten, om te zien; zich niet door allen wind van woorden te laten omvoeren , maar te wensehen dat al hetgeen in en buiten ons is naar het welbehagen van uwen wil geschiede !

Hoe veilig is het ter bewaring van de hemelsche genade de vertooning onder de menschen te ontwijken, niet te verlangen naar hetgeen van buiten verwondering schijnt te baren, maar met alle vlijt datgene na te Jagen, wat verbetering van leven en ijver bevordert!

Hoevelen was het schadelijk dat hunne deugd bekend en te vroeg geprezen werd !

Hoe nuttig daarentegen de genade stilzwijgend te hebben bewaard in dit gebrekkige leven , dat geheel in bekoring en strijd wordt doorgebracht.

GEBED.

Tk kan, o God! uwen raad niet genoeg ter harte nemen , dat ik mij voor de menschen moet wachten. JNeen , ik mag hun niet lichtzinnig geloof geven ,

-ocr page 326-

308 itt boek. xt.ti hoofdstuk\'»

noch onbepaald vertrouwen schenken. Zij zijn als de wind, aan verandering onderhevig; en wat is hun bijval anders dan eene ijdele schaduw ? Trek mijn hart van dat ijdele, onbestendige af, en doe mij in alles op mijne hoede zijn. Pat ik O]) U vertrouwe , Ü met een oprecht hart zoeke; ik zal mij daarbij wèl bevinden.

ZE.S EX VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dai wen hij scherpe woorden op God moet vertrouwen.

1. De Heer. Mijn zoon! sta vast en hoop op Mij : wat toch zijn woorden dan woorden ? Zij vliegen door de lucht, maar bewegen eenen steen niet.

Zijtgij schuldig, denk dat gij u gaarne beteren wilt.

gU 11 niets bewust, denk dat gij dit gaarne voor God wilt verdragen.

Het is weinig genoeg dat gij somtijds woorden verdraagt, gij, die nog geene zwaardere slagen kunt verduren.

En waarom treffen u zulke kleinig-

-ocr page 327-

in ■roer:, xi.vt ivoofpptfi:.

lieden tot in hoi liarl , ienzij omdat gij nog vleeschelijk zijt en meer let op (!gt;■ mensclien dan behoort : want onirlat gij vreest veracht te worden, wilt gij u niot over uwe verkeerdheden laten beriepen, en zoekt gij de schaduw der verontschuldiging.

2. Maar beschouw uzelven beter , en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft en de ijdele zucht om den men-schen te behagen.

Want, dat gij niet wilt vernederd noch over uwe gebreken beschaamd worden . bewijst dat gij noch waarlijk nederig zijt, noch dat de wereld voor u gekruisigd is.

Maar hoor naar mijn woord, en gij zult u aan geen tienduizend woorden van menschen storen.

Zie , al wierd tegen u gezegd alles wat men boosaardigst verzinnen kan , wat nadeel zoude het u doen, zoo gij dut liet voorbijgaan en het niet meer dan ecu strootje teldet ?

Zoude het u ook een haartje Kunnen uittrekken ?

3. Maar wie zijn hart niet ingekeerd

-ocr page 328-

310 I 111 KOEK. XLVI HOOFDSTUK.

noch Grod voor oogen heeft, wordt licht door een smaadwoord ontroerd.

Hoch die op Mij vertrouwt en niet op zijn eigen gevoelen wil .staan, /,al zonder menschenvrees zijn.

\\\\rant Ik ben de vechter en kenner van alle geheimen. Ik weet hoe de zaak is geschied; Ik ken den beleedigcr eu dien het verdraagt.

Va u Mij i.s dat woord uitgegaan , duur mijne tuelating is dat geschied, updd de (/edachlen van veler harten zonden ye-openbaard worden. ^ Luc. 2.)

Ik zal den schuldige enden onschuldige ourdeelen; maar beiden wilde ik eerst duur een heimelijk uurdeel beprue-ven.

i. Der menschen getuigenis bedriegt dikwijls; mijn oordeel is waarachtig; het zal standhunden en niet umverge-wurpen worden.

Meestal is het verborgen en bij wei nigen tot in het bijzundere gekend; het litalt nochtans nimmer en kan ook niet talen, al schijnt het in der dwazen oog niet billijk.

-ocr page 329-

Ill BOEIC. XT,VI HOOFDSTUK. 31 I

.Bij alle oordeel daii moet men zijne toevlucht tot Mij nemen en nooit op eigen goeddunken steunen.

Want de rechtvaardige zal met gestoord worden, wat kern ook van Grodd wege ooerkome. (Prov. 1U )

En al wordt iets teu onrechte tegen hem ingebracht, hij zal zich dat uicl veel aantrekken.

Maar ook zal hij zich op goede grou den niet ijdel verblijden, al wordt hij door anderen verschoond.

Want hij overweegt dat ik die harten en meren doorzoek, ( Apoc. 2) niet oordcel naar het uiterlijke van den nien-schelijken schijn.

Want vaak wordt in mijne oogen berispelijk bevonden . wat naar het oordeel der menschen lotlelijk gehouden wordt.

Ük GELOüVlöE. Heere, mijn God ! rechtvaardige Hechter, machtige, lauk-moedige! die der menschen broosheid en bedorvenheid kent, wees mijne sterkte, mijn gansche vertrouwen : want mijn geweten is mij niet genoég.

Grij weet wat ik niet weet; en daarom moet ik mij bij alle berisping ver-

-ocr page 330-

TTT -ROTIK. XT.TT 1T00PTgt;PTITK.

liederen en ze zaclitmoedig verdragen.

Vergeef het mij ook genadig, zoo dikwerf ik mij niet zoo gedragen heb, en geef mij weder de genade van een groo-tor geduld.

Want nwe overvloedige barmhartig-heid baat mij meer ter bekoming van vergiffenis , dan mijne ingebeelde gereeh-tigheid ter verdediging van een verborgen geweten.

312

En al ben ik mij niets bewust, toeh zoude ik mij daarom niet kunnen rechtvaardigen : want buiten uwe barmhartigheid zal niemand die leeft voor uw aangezicht rechtvaardig zijn. (Ps. 1-12 )

Ja, mijn Grod ! wat zijn des menschen woorden anders dan woorden en ijdele klanken, die met den wind vervliegen? En met dat al laat ik mij daardoor ontrusten, en beklaag mij voor U, hoezeer ik dikwerf berisping verdien. Vergeelquot; het mij, o genadige God ! dat ik mij niet zoo gedragen heb als ik behoorde. Dat ik bij verongelijkingen op TJ het

-ocr page 331-

ÏTT BOEK. xt Vri irOOPDSTFK. 313

oog houde, kenner der harten; dat ik mij in geduld oefene en zorgvuldig ver-betere. wat er aan mij berispelijk is.

ZEVEN EIST VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

1)af men alle lijden om hef eennnge leven moet verdragen.

1. De Heer. Mijn zoon! laat u niet ontmoedigen door den arbeid dien gij om mijnentwil op n genomen hebt, en dat geene kwellingen u ooit terneder-slaan ; maar dat mijne belofte bij alle voorvallen u trooste en versterke.

Ik ben genoegzaam om u te vergelden hoven alle maat en grenzen.

Gij zult hier niet lang arbeiden , noch altoos door smart gedrukt worden.

Wacht een weinig, en dra zult gij heleinde uwer kwalen zien.

Eens zal een tijd komen , dat alle arbeid en onrnst zal ophouden.

Gering en kort is alles, wat voorbijgaat met den tijd.

2. Doe wel hetgeen gij doet; arbeid

-ocr page 332-

31-1 ITI BOEK. XLVIT HOOFDSTUK.

getrouw in mijnen wijngaard; Ik zal uw loon zijn.

Schrijf\', lees, zing, zucht, zwijg, bid en draag de tegenhedeu moedig: hel eeuwige leven is dit alles en grooter strijd waardig.

Eens zal de vrede komen op een dag den Heere bekend , en het zal geen dag met een nacht zijn gelijk van dezen tijd, maar een eeuwig licht, eindelooze klaarheid , vaste vrede en verzekerde rust.

Dan zult gij niet zeggen : Wie zal mij ver/ossen uit dit lichaam des doods? (Kom. 7) noch roepen : Ach mij! dat mijne meenrde ling schap zoolang duurt. ( Ps. 119)

Want de dood zal vernietigd worden en de zaligheid onafgebroken zijn; geenerlei angst doch volmaakt genoegen in een liefelijk en schitterend gezelschap.

.\'5. O, hadt gij de onwelkbare kronen der Heiligen in den hemel gezien , alsook in welke heerlijkheid zij nu juichen , die weleer in deze wereld versmaad, ja als het leven onwaardig ge-

-ocr page 333-

Ill BOEK. XI.TIT HOOTDSTtTK. 315

aclil vrerdeu — waarlijk «»;ij zoudt m terstond tot in liet stof Ternederen en lieTer Irachten aan allen onderworpen te zijn. dan over eenen gesteld te wezen.

Ook zoudt gÜ in dit leven geene blijde dagen begeeren . maar liever u in lijden om Gods wil verblijden, ja het voor een zeer groot gewin honden bij de menschen als niets geacht te worden.

4. O. mocht gij hierin smaak vinden en het diep tot in uw hart doordringen . hoe zoudt gij ook maar eens durven klagen ?

Moet men niet om het eeuwige leven allen arbeid verdragen ?

Het is geen kleinigheid het rijk Gods te verliezen of te winnen.

Hef dan uw gezicht naar den hemel. Zie mij daar en al mijne Heiligen met Mij. die in deze wereld eenen zwaren strijd gehad hebben. Thans verheugen zij zich . thans worden zij getroost. thans zijn zij veilig. thans rusten zij en zullen zonder einde met Mij in het rijk mijns Vaders verblijven.

-ocr page 334-

ill boek. xlvi11 hoofdstuk.

GEBED.

Uw woord is waarheid . o God ! on Irooslvol voor mijn hart. Wat betcclvcnl liior al het lijden, bij de toekomende heerlijkheid vergeleken? Wat beduiden alle rampen bij de vreugde, waarmede Gij ons geduld beloont: Het lijden gaat voorbij met den tijd ; terwijl de beloo- ; ning die ons wacht, eeuwig onvergan- | kei ijk is. Welke troost voor mij 1 Waar- | lijk . dat geeft mij moed in lijden. Dat I deze overweging bij mij steeds levendig zij en rijke vruchten voortbrenge.

ACHT EjS\' VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

(Jwr den day der eeuivifj/ieid ea de ellenden van dit leven.

1. De Geloovige. o Allerzaligst verblijfquot; der liemelscbe stad 1 o allerlielderste j dag der eeuwigheid , dien geen nacht i verduistert, maar do opperste Waarheid

-ocr page 335-

Ill UO£K. XliVHI HOOFDSTUK. 317

stcotls besii\'iuvlt; altoos blijde dag. altoos veilig en nooit ran staat veranderende 1

O, ware die dag reeds aangebroken «mi luidde al het tijdelijke een einde genomen !

Voor de Heiligen ja, schittert hij niet eeuwigen , luistervol 1 en glans; maar niet dan van verre en door een spiegel voor ons reizigers op aarde.

2. De burgers des hemels weten hoe zalig dat alles is; de zonen van Eva zuchten over het bittere en vervelende van hunne ballingschap.

De dagen dezes tijds zijn weinig en boos, vol van smart en kommer; als waarin de mensch door velerlei zonden besmet, door velerlei driften verstrikt , door velerlei vrees gejaagd, door velerlei zorgen geprangd. door velerlei nieuwsgierigheid verstrooid, in velerlei ijdelheden gewikkeld, door velerlei dwalingen omgeven, door velerlei arbeid afgemat, door bekoringen gedrukt , door wellust ontzenuwd, door gebrek gepijnigd wordt!

3. O. wanneer zal het einde van deze

-ocr page 336-

3IS III BOEK. XLVIII nOOFDSTXTK.

rampen zijn : Wanneer zal ik van de ellendige slavernij der zonden verlost, worden ?

Wanneer, o Heer! zal ik alleen uwer gedenken, wanneer mij volkomen in U verblijden ?

Wanneer zal ik zonder eenigen hinder in ware vrijheid zijn . vrij van alle bezwaar naar geest en lichaam ?

Wanneer zal er vaste vrede zijn, een onverstoorbare en zekere vrede, vrede van binnen en van buiten. een van alle zijden gevestigde vrede ?

Goede Jezus! wanneer zal ik voor U staan om U te zien ? Wanneer zaï ik de heerlijkheid van uw rijk aanschouwen? Wanneer zult Gij mij alles in alles zijn ?

O, wanneer zal ik met IJ zijn in uw rijk , hetwelk Gij voor uwe geliefden ^an eeuwigheid hebt bereid !

Ik ben arm gelaten en een balling in een vijandig land, waar dagelijksehe strijden en zeer groote rampspoeden zijn.

t. Vertroost mijne ballingschap, ver-zaehl mijne smarten : want al niijr verlangen hijgt naar U, omdat alles wat

-ocr page 337-

Ill quot;ROEK. XT,VIII HOOFDSTUK.

de wereld troostrijks aanbiedt, mij geheel tot last is.

Tk verlang U inniglijk te genieten; maar ik kan er niet toe komen !

Ik wensch mij aan het hemelsehe te hechten; maar de tijdelijke zaken en onverstorven driften trekken mij terneder.

Met den geest wil ik over alles heer-schen; maar door het vleeseh word ik mijns ondanks tot onderwerping gedwon-gen.

Zoo ben ik , ongelnkkig mensch! met mijzelven in strijd en ben raijzelven tot last geworden, daar de geest naar boven en het vleeseh naar beneden wil.

5. Ach! wat lijd ik inwendig, als ik met den geest het hemelsehe overweeg, en ras een drom van vleeschelijke gedachten mij onder het bidden bestormt !

Mijn God! wees niet ver van mij ( Ps. 70 ) en wijs uwen dienstknecht niet af in uwen toorn. ( Ps. 20 )

Schiet uwe bliksems , en verdrijf ze , zend uwe pijlen af, (Ps. 14.3) en dat alle ingevingen des vijands verstrooid worden.

Vestig al mijn zinnen weer op U, 21

-ocr page 338-

320 TTI quot;BOEK. XLVTTI HOOPDSTTTK.

doe mij al het wereldsche vergeten ; gee^ dat ik dadelijk de zondige voorstellingen afwijze en verachte.

Eeuwige Waarheid! help mij, opdat geene ijdelheid mij ontroere.

Kom neder, hemelsche zoetheid ! en dat alle onreinheid voor uw aanschijn vliede.

Vergeef mij ook en verschoon mij genadig zoo dikwijls ik in het gebed aan iets anders dan aan U denke.

Tn waarheid, ik beken dat ik gewoonlijk zeer verstrooid ben.

Want veeltijds ben ik niet daar, waar ik lichamelijk sta of\' zit; maar veeleer hen ik daar werwaarts de gedachten mij voeren.

Ik ben daar , waar mijne gedachte is ; en mijne gedachte is doorgaans daar , waar is hetgeen ik bemin.

Datgene vertoont zich terstond aan mij , wat mij natuurlijk behaagt of door gewoonte bevalt.

0. Daarom hebt Gij, o Waarheid ! duidelijk gezegd : Waar uw schat is, daar is ook uw hart. ( Matth. ü )

Bemin ik den hemel, ik denk gaarne

-ocr page 339-

m quot;BOTIK XLVIII HOOPPPTUE. 321

aan liet lieraelsche : bemin ik do wereld . ik verblijd mij over haren voorspoed en bedroef mij over haren tegenspoed.

Bemin ik het vleeach, ik denk dikwijls aan hetgeen des vleesehes is; bemin ik den geest, ik vind vermaak in geestelijke overdenkingen.

Want van hetgeen mij lief is, daarvan spreek ik en hoor ik gaarne, en draag ervan de beelden met mij naar huis.

Maar gelukkig de mensch die om uwentwil o Heer! aan alle schepselen vaarwelzegt, die der natuurgeweld aandoet en door den ijver des geestes de lusten des vleesehes kruisigt; opdat hij met een kalm geweten U reine gebeden opdrage, en zoowel van binnen als van buiten al het aardsche uitgesloten hebbende , waardig zij tot de reien der Engelen toegelaten te worden.

GEBED.

Mijn God! mijn al ! mocht ik ook reeds iu het zalige genot van uw aanschijn deelen! wanneer zal die dag voor

-ocr page 340-

322 ut •boek. xr.ix hoopdstuk:.

mij aanbreken! wanneer zullen de banden mijns lichaams ontbonden zijn! Hoelang zal mijne vreemdelingschap nog duren ? Dat het gezegend uur mijner verlossing dra kome ; dat mijn oog onafgebroken op mijn vaderland gevestigd blij ve.

Wees Gij mijn steun zoolang mijne vreemdelingschap duurt, en houd mij op den weg die ten leven leidt.

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het verlangen naar het eeuiviqp leren ; en hoe groote goederen den strijders heloofd zijn.

1. De Heer. Mijn zoon ! wanneer gij u van boven het verlangen naar de eeuwige gelukzaligheid voelt ingestort en wenscht de tente des lichaams te verlaten , opdat gij mijnen glans zonder scha-duwe van verwisseling moogt aanschouwen , verwijd dan uw hart en neem deze heilige ingeving met alle begeerte op.

Betui? den ruimsten dank aan de

-ocr page 341-

Ill BOEK. KLIX HOOFDSTUK. 323

hoogste goedheid. die dus genadig met u handelt, u zoo goedig bezoekt, zoo vurig opwekt , zoo krachtig ondersteunt , opdat gij niet door eigen zwaarte naar liet aardsche moogt nederzinken.

Want dit hebt gij niet aan eigen beleid of poging te danken, maar alleen aan de gunst der hemelsche genade en van den aanblik Gods; opdat gij in deugden en meerderen ootmoed zoudt vorderen , u tot toekomenden strijd bereiden en u toeleggen om Mij uit al de neiging uws harten aan te hangen en met brandenden ijver te dienen.

2. Mijn zoon! veeltijds brandt het vuur; maar de vlam stijgt niet op zonder rook.

Zoo ook branden sommigen van verlangen naar het hemelsche, en nochtans zijn zij niet vrij van de bekoring eener vleeschelijke begeerlijkheid.

Daarom gaan zij niet geheel zuiver om Gods wil alleen te werk in hetgeen zij van Hem zoo vurig afsmeeken.

Kn dusdanig is ook dikwijls uw verlangen , hetwelk gij als zoo hevig hebt opgegeven.

-ocr page 342-

324 III BOEK. XLIX HOOPDBlrK.

W anl al wat inet oigcnbolang is be-smet, is noch zuiver noch vol inn aki.

3. Vraag dan niet hetgeen u genoeglijk en voordeelig is, maar wat Hem behaagt en verheerlijkt.

Want zoo gij recht oordeelt, moet gij Mijne beschikking boven uw verlangen, ja boven al het verlangde, stellen en najagen.

Ik ken uw verlangen en Ik heb uwe menigvuldige verzuchtingen gehoord.

Gij zoudt reeds in het bezit der vrijheid, der heerlijkheid van Gods kinderen willen zijn; gij schept reeds behagen in het eeuwige huis, in het hemelsch vreugdevol vaderland.

Maar die uur is nog niet gek omen ; thans is het een andere tijd , te weten : een tijd van strijd, een tijd van arbeid en beproeving.

Gij wenscht met het hoogste goed verzadigd te worden; maar daartoe kunt gij nog niet komen.

Ik ben dat goed. Wacht op Mij, zegt de Heer , totdat het Godsrijk kome.

4. Gij moet nog op aarde beproefd en in vele dingen geoefend worden.

-ocr page 343-

Ill BOEK. XLIX HOOFDSTTJ-K. 325

]Su en dan zal u troost gegeven . maar geene volkomen verzadiging vergund worden.

/\'ersterk u dan en hoiul moed, (Jos. I) zoo om te doen als om te lijden, hetgeen der natnnr tegenstaat.

Gr i j moet den nieuwen men.sch (Ki ndoen y Epli. I) en in een ander man veranderd worden.

Dikwijls moet gij doen wat ^ij niet wilt. en laten wat gij wilt.

Wat anderen behaagt, zal wèl slagen; wat ii behaagt, zal niet gelukken.

Wat anderen zeggen, zal gehoor vinden : wat gij zegt, als niets geacjifc worden.

Anderen zullen vragen en verkrijgen; gij zult vragen en niet bekomen.

5. Anderen zullen groot zijn in den mond der menschen, maar van u zal men zwijgen.

Aan anderen zal dit of dat worden toevertrouwd, rnaar u zal men tot niets geschikt achten.

Daarover zal de natuur zich somtijds bedroeven , en het zal u groot voordeel doen . als gij het zwijgende verdraagt.

In dit en meer dergelijks wordt de

-ocr page 344-

326 III BOEK. XLIX HOOFDSTUK.

getrouwe dienstknecht des Heeren doorgaans beproefd, hoeverre hij zich zal kunnen verzaken en in alles breken.

Er is nauwelijks iets, waarin gij u zoo moet afsterven, als in het zien en dulden van hetgeen met uwen wil strijdt. vooral wanneer er dingen bevolen worden , die u onvoegzaam en min nuttig schijnen.

En daar gij, onder een ander staande , geen hooger gezag durft wederstreven , daarom schijnt het u hard toe u naar den wenk eens anderen te schikken en al eigen gevoelen er aan te geven.

6. Maar, mijn zoon! overweeg de vrucht van dezen arbeid, het naderend einde ervan en de overgroote belooning, en gij zult geen last ontwaren, maar den allerkrachtigsten troost van uwe lijdzaamheid.

Want voor het gewillig opgeven van uwen eigen wil in dit geringe, zult gij in den hemel altoos uwen wil hebben.

Daar toch zult gij alles vinden wat gij begeert, alles wat gij kunt verlangen.

Daar zult gij voorraad hebben van alle goed, zonder vrees van het te verliezen.

-ocr page 345-

Ill BOEK. XLIX HOOFDSTUK.

Daar zal uw wil, altoos met don Mij-nen een, r^iets Treemds noch bijzonders i begeeren.

Daar zal niemand zieli tegen u ver- i zetten, niemand over u klagen, niemand n hinderen, niets n in den weg staan; maar alles wat gij wensclit zal aanstonds | daar zijn , en uwe geheele begeerte vol-doen en op het volkomenst vervullen.

Daar zal Fk voor geleden smaad heer- i lijkheid, voor droefheid een eerekleed, i voor de laagste plaats eenen zetel in het j, eeuwige rijk wedergeven.

Daar zal de vrucht der gehoorzaam- || heid blijken ; daar zal de smart der boet- I vaardigheid in vreugde veranderd en de j nederige onderwerping heerlijk gekroond i worden.

7. Duig u dan nu nederig onder de hand van allen, en let er niet op, wie ! dit gezegd of bevolen hebbe.

Maar zorg bijzonder daarvoor, dat gij. hetzij uw overste, hetzij uw minder, | hetzij uwsgelijke iets van u vraagt oi\' verlangt , alles ten goede opneemt en \' het met oprechten wille tracht na te ! komen.

j|

-ocr page 346-

328 III BOEK. XLIX HOOFDSTFE.

J)at de eeue dil . de andere dat zoeke, de ecne liierover en de andere daarover /icli beroeine , en dnizende en duizende malen worde geprezen, verlieng gij n noch in liet een nocli in lief ander, maar in de geringaeliting van nzelven en in bei welbeliagen en de verheerlijking van Mij alleen.

Dil moet gij wenselien. dat zoowel lgt;ii leven als bij sterven God altoos in u verheerlijkt worde.

G E B E 1).

Neen, mijn God! mijn verlangen naar den hemel is niet zuiver en werkdadig genoeg. Het is nog met eigenliefde besmet en beroofd van die vruchten , welke het moesten vergezellen. Hoeveel arbeids blijft mij overig, hoeveel heb ik nog te overwinnen, eer ik uwer heerlijkheid deelachtig worde! Reinig mijne verlangens en doe ze werkdadiger worden. Rust mij uit mót uwe kracht, opdat ik vlijtig arbeide, moedig strijde en alzoo de kroon der overwinning erlange.

-ocr page 347-

ill boek. l hoofdsttje..

VIJ FT I JI OOF 1 )«T V K.

J foe dc troosteloozc nmnavh z\'u-h in Gods hand moet overgeven.

I. ])k Geloovige. Hccrc God! Ilci- j| ligo Vadcr! wees uu on in eenwiglioid i gezegend: want gelijk Gij wilt, dus is | geschied , en wat Gij doet is goed.

Dat uw dienstknecht zich verheuge ji in U , niet in zichzelven noch in iemand || anders: want Gij alleen, o Heer! zijt I de ware blijdschap, Gij mijne hoop en mijne kroon, Gij mijne Treugde en mijne i eer.

Wat heeft uw dienstknecht, hetgeen 1 liij van U niet ontving, ook zonder zijne ! verdienste ?

.Mies wal Gij gaaft , alles wat Gij dcedl is het uwe.

Ik hen arm en in verdrukkingen ran ! mijne jeugd af. (Ps. 87) en mijne ziel ! bedroeft zich somtijds tot weenens toe ; i dikwijls ook wordt zij in zichzelve ont- j! roerd wegens liet lijden dat haar dreigt.

-ocr page 348-

330 III BOEK. L HOOFDSTUK.

2. Ik verlang naar de Trengcle des vredes; ik smeek om den vrede uwer kinderen, die door U met het licht van uwen troost worden verkwikt.

Indien Gij den vrede schenkt, indien Gij mij de heilige vreugde instort . dan zal de /-iel van uwen dienstknecht vol gejuich zijn en U vurig loven.

Maar onttrekt Gij U, gelijk Gij zeer dikwijls gewoon zijt, dan kan hij in den weg uwer geboden niet wandelen; maar veeleer buigt hij de knieën om zich op de borst te slaan , omdat het met hem niet meer gesteld is gelijk gisteren en eergisteren, toen uw licht scheen over zijn hoofd, en hij onder de schaduwe uwer vleugelen tegen de aanvallen der bekoringen gedekt was.

3. Rechtvaardige en altoos prijzenswaardige Vader ! liet uur is gekomen dat uw dienstknecht beproefd zal worden.

Beminnenswaardige Vader! het is billijk dat uw dienstknecht in dit uur voor U iets lij de.

Immer aanbiddelijke Vader! het uur is gekomen , door LF van eeuwigheid voorzien , dat uw dienstknecht naar het

-ocr page 349-

Til quot;BOEK. L HOOFDSTUK.

vleescli voor een weinig tijds bezwijke , maar naar den geest voortdurend bij U leve.

Hij moet een weinig bij de menschen geringgeacht, vernederd en ontmoedigd, door lijden en smarten vermorzeld worden , opdat hij met U in den dageraad van een nieuw licht weder verrijze en in den hemel verheerlijkt worde.

Heilige Vader ! Gij hebt het zoo beschikt en zoo gewild , en het is geschied wat Gij zelf bevolen hebt.

4. Dit is toch voor uw vriend eene genade, in de wereld om uwentwil te lijden en verdrukt te worden , zoo menigmaal en door wien Gij dat laat geschieden.

Zonder uw raad en voorzienigheid en zonder reden geschiedt er niets op aarde.

Het is mij goed, o Heer! dat Gij mij vernederd hebt, opdat ik n/ve (ferech-tigheden leere. (Ps. 118)

Het is mij nuttig dat schande mijn aangezicht bedekte, opdat ik liever bij U dan bij de meuschen mijn troost zoeke.

Ook heb ik daaruit geleerd uw ondoorgrondelijk oordeel te vreezen, daar

.m

-ocr page 350-

II .3.S\'2 ITT quot;nOETC. T. IIOOFDFTÏTK

Gij don rechtvaardige met den boostloc-nor bedroeft, doch niet zonder recht en hillijkheid.

5. Ik dank 1T dat Gij mijne verkeerdheden niet verschoond maar mij mei zware slagen vermorzeld hebt, door mij smarten aan te doen en mij uit- en inwendig benauwdheden roe te voegen.

Van allen die onder den benei zijn is erniemaad die mij troosten kan, tenzij Gij, Heere, mijn God! hemelschc arts der zielen , die slaat en heelt, grafwaarts voert en terugbrengt.

Uwe tucht over mij en uwe roede zelve zal mij tot leering zijn.

(i. Zie, geliefde Vader! ik ben in uwe hand; ik buig mij onder de roede uwer kastijding.

Sla mijnen rug en mijnen nek , opdat ik mijn onbuigzamen wil naar uwen wil bui ge.

Maak van mij een vroom en nederig leerling, gelijk Gij zoo wèl weet te doen , opdat ik naar al uwe wenken v/andele.

Tk geef mij en al het mijne ter verbetering aan Ü over : het is bever hier dan hierna gestraft te worden.

-ocr page 351-

Ill HOE IC. Ti IIOOIWTÜK. 333

Gij weet alles in \'t gemeen en in \'t bijzonder en niets is voor XT in \'s men-selieu geweten verborgen.

Gij weet liet toekomende eer het geschiedt, en Gij hebt niet noodig dat iemand U onderwijze of berichte aangaande hetgene op aarde gebeurt.

Gij weet wat tot mijnen voortgang dienten hoeveel de kwelling bijdraagt om den roest der ondeugden al\' te schuren.

Doe met mij naar uw wil en welbehagen; versmaad mij niet om mijn zondig leven , aan niemand beter en vollediger bekend dan aan XJ alleen.

7. Geef mij . o Heer! dat ik wete wat ik moet weten, beminne wat ik moet beminnen; dat ik prijze wat XJ meest behaagt; dat ik achte wat voor U kostbaar, verachte wat in uwe oogen verachtelijk is.

Duld niet dat ik naar den uiterlijken schijn der oogen oordeele, noch naar het hooren zeggen van onverstandige men-schen vonnis veile; maar dat ik volgens een juist oordeel het zinnelijke en geestelijke onderscheide , en boven alles altoos den wil uws welbehagens betrachte.

-ocr page 352-

TIT quot;ROEK. Tj HOOFDSTUK.

8. Vaak laten de raenseliei» zicli bij ; liim oordeel door de ziuuen misleiden.

Ook bedriegen zich de beminnaars der 1 wereld door alleen bet zichtbare aan te I baugen.

Jfoe ! is daarom een menscb beter , 1 omdat bij door een menscb voor groot 1 gebonden wordt ?

J)e bedrieger misleidt den bedrieger, | de ijdele den ijdele , de blinde den blin-| de, de kranke den kranke, als bij bem 1 dus verbeft, eu door bem ijdelijk te prij-| zen onteert bij bem inderdaad te meer.

Immers, wat een menscb in uwe oogen j is, zooveel is bij en niets meer, zegt de ootmoedige H. Franciscus.

GEBED.

Hoeveel reden beb ik, o God ! om j over uwe beschikkingen tevreden te zijn ! 1 Tn alles wat mij overkomt , beoogt Gij ij ïnijii heil. Zelfs als Gij slaat , tuchtigt Gij als Vader en beoogt de verbetering van uw kind. Ik erken en belijd dat uwe oordeelen rechtvaardig zi,n, als Gij mij door lijden bezoekt. Ik onderwerp

-ocr page 353-

ill boek. LI hoofdstuk. | 335

mij volkomen aan uwen wil. Zio! ik ben in nwe handen. Zuiver mij hier in den smeltkroes des lijdens , opdat ik geschikt worde om uw aanschijn te aanschouwen.

EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men, zich op geringer werJcen moet toeleggen, als men in verhevener te kort schiet.

1. De Heer. Mijn zoon i gij kunt niet altoos in het vurigst verlangen naar deugd volharden, noch u op den hoog-sten trap van beschouwing staande houden; maar, wegens uwe oorspronkelijke bedorvenheid , moet gij somtijds tot het lagere afdalen en den last van dit gebrekkige leven. ook uws ondanks en met verdriet, dragen.

Zoolang gij het sterfelijke lichaam omdraagt , zult gij onlust gevoelen en bezwaar des harten.

Dus moet gij in het vleescli onder den last des vleesches dikwijls zuchten .

\'22

-ocr page 354-

336 III BOEK. LI HOOFDSTUK,

omdat gij u iiicl onoplioudclijk mol gees- \' telijlie oefeningen en hemelscho beschouwingen knnt bezighouden.

2. Alsdan is het u nuttig tot mindere en uitwendige oefeningen nwc toevlucht te nemen en u in goede werken te verlustigen, met een vast vertrouwen mijne komst en hemelsch bezoek af te wachten, en uwe ballingschap e:i dorheid | des geestes geduldig te verdragen, tot-j dat gij weder door Mij bezoc.it en van I allen angst bevrijd wordt.

AYant Ik zal u uwen arbeid doen ver- | geten en inwendig rust doen smaken, j;

Fk zal voor u de weiden der Schriften | ontsluiten, opdat gij met een verruimd h hart op den weg mijner geboden moogl || beginnen te loopen.

En dan zult gij zeggen : het lijden can \\ dezen tijd is niet te achten hij de toe- i komende heerlijkheid , weltce aan ons zal j wórden //eopenhaard. ( Kom. 8 )

«eb i; 3).

Het is zoo, o God ! gelijk G-iJ zegt. | A\'ele zijn de verstrooiingen, welke ik:

-ocr page 355-

ill boek. lil hoofdstuk.

op den weg der deugd outmoet. J)e lasl des vlcesehes drukt mij vaak ter neder. zoodat mijn geest bij zijne beschouwingen hinder ontwaart en licht tot moedeloosheid vervalt. Doch ik wil uwen uwen raad opvolgen en mij met liet iniudere vergenoegen, als ik mij tot liet meerdere niet in staat gevoel. Help flit besluit ten uitvoer brengen en verkwik mij daarbij met uwen hemelsehen troost.

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK

Mca achte zich fjeen troost . maai\' eer straf tcaardiq.

I. Dgt;: G-eloovige. Heer! ik ben noch uw troost noch eenig geestelijk bezoek waardig : daarom handelt Gij naar leeht met mij , wanneer Gij mij arm e . hulpeloos laat.

Want al koude ik als eene zee van tranen storten, noch zoude ik uweu troost niet waardig zijn.

Dus verdien ik niets dan getuchtigd en gestralt te worden, omdat ik U zwaar

337

-ocr page 356-

338 III BOEK. Lil HOOFDSTUK.

en dikwijls beleciligd lieb on in vele dingen zeer misdaan.

Zoodat ik, alles weloverwogen, zei Is den geringsteu troost niet verdien.

Maar G-ij, o genadige en barmhartige God ! die niet wilt dal uwe werken vergaan , opdat gij den rijkdom v. wer goedheid jegens de vaten uwer barmhartigheid zoudt toonen, Gij verwaardigt U uwen dienstknecht, zelfs zonder eenige verdienste en boven alle me ischelijke mate, te troosten : want uwe vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der menschen.

2. Wat heb ik dan, o Heer ! gedaan . dat Gij mij eenigen hemelschen troost zoudt schenken ?

Ik herinner mij niets goeds gedaan te hebben; maar wel . dat ik altoos tot het kwade genegen en traag ter verbetering was.

Dat is de waarheid, en ik kan het niet ontkennen. Sprak ik anders , Gij zoudt tegen mij opstaan, en niemand zoude mij verdedigen.

Wat heb ik voor mijne zonden verdiend, tenzij de hel en het eeuwige vuur ?

-ocr page 357-

in boek. r.iT irooFDSTTJfC. 339

Tk belijde liet oprechtelijk dat ik alien smaad eu spot waardig ben, en dat het mij niet voegt onder het aantal nwer dienaren genoemd te worden.

En hoe ongaarne ik dit hoore, zoo wil ik toch naar waarheid tegen mij zei ven mijne zonden belijden , opdat ik te eer bij U barmhartigheid moge vinden.

3. Wat zal ik zeggen, schuldige die ik ben en geheel van schaamte bedekt.

Tk heb geen mond om te spreken dan dit eenige woord : ik heb gezondigd , o Heer! ik heb gezondigd; ontferm U mijner , vergeef mij.

O ten mij nog een oogenMïk, opdat ik mijne ellende heireene, eer iJc henenya naar da t duistere laml, omhuld met (te schadvwe des doods. (Job 10)

Wat eischt Gij van zulk een schuldig en ellendig zondaar, dan dat hij zich met een vermorzeld hart om zijne zouden vernedere ?

lgt;oor de ware vermorzeling en vernedering des harten wordt de hoop van vergiftenis geboren , het ontrust geweten bevredigd, de verloren genade herwonnen, de mensch tegen den toekomenden

-ocr page 358-

340 TTT -ROETC. T.TT TTOOPT^STTTir.

toorn gedekt, terwijl God en de boetvaardige ziel elkander met een heiligen kus ontmoeten.

4. Der zondaren nederige vermorzeling is U , o Heer ! een welgevallig offer, voor uw aangezicht veel lieflijker riekende dan brandende wierook.

Zij is ook die aangename balsem, die (lij over uwe heilige voeten hebt laten storten : want het vermorzeld en verootmoedigd hart hebt Grij nooit versmaad.

Daai\' is geene schuilplaats tegen de woede des vijands; daar wordt alles verbeterd en afgewasschen wat misdreven was en besmet.

GEBED.

Mijn God! ja ik wil der waarheid hulde doen en eene getuigenis tegen mijzelven afleggen. Ik ben een zondaar , niets meer dan een zwak mensch , aan vele dwalingen onderhevig, met vele gebreken besmet. Tk ben de minste gunst van U niet waardig, maar heb uwe rechtvaardige straffen verdiend. Doch uwe ontfermingen zijn grenzenloos : dat

-ocr page 359-

Ill quot;BOEK. TiTfT HOOTDPTUK. i 341

geeft mij moed. Ja, ik durf hopen en i roep dus met den Profeet : ontferm U mijner, wees mij genadig !

DRIE EN VIJFTIGrSTE HOOFDSTUK.

Dat Gods genade niet heataanhaar is met aardschgezindheid.

1. De Heer. Mijn zoon ! kostbaar is i mijne genade; zij laat zich niet met uit-! wendige dingen noch aardsche genoegens i vermengen.

Gij moet dus afwerpen alles wat der I genade hinderlijk is, indien gij wenscht j dat zij u ingestort worden.

Zoek de afzondering , verkeer gaarne ; met ii alleen, tracht naar het onderlioud | met niemand , maar stort liever voor God een vurig gebed , opdat gij een ver-I morzeld hart en een rein geweten moogt behouden.

Acht de geheele wereld als niets; stel den omgang met God boven al het nit-i] wendige.

Want gij kunt u niet met Mij bezig-

-ocr page 360-

342 ill BOEK. LUI HOOFDSTUK.

houden eu tegelijk u iu het vergankelijke verlustigen.

Gij moet u van uwe bekenden en vrienden verwijderen en uwen geest van allen tijdelijken troost vrijhouden.

Zoo toch vermaant de Heii ge Apostel P e t r u s de geloovigen van Christus, dat zij zich ui deze ivtveld als reizlyevx eu vreemdelingen onthouden { van de lusten des vleesches, die tegen de ziel strijden.) ( I Petr. 2.)

2. O , welk een vertrouwen zal een stervende hebben, die door geenerlei gehechtheid aan iets in de wereld teruggehouden wordt. !

JJoeh dus het hart van alles los te houden , bevat een krank gemoed nog niet; evenmin als een zinnelijk meuseh de vrijheid van den inwendigen mensch kent.

Nochtans, wil hij waarlijk naar den geest leve», hij moet zoowel van het afgelegene als nabijzijnde at\'ziei. en zieh voor niemand meer wachten dan voor zichzelven.

Hebt gij uzelven volkomen overwon-

-ocr page 361-

ill boek. lui hoofdstuk;. 343

nen, te lichter zult gij liet overige teu ouder brengeu.

Over zichzelveu te zegevieren is de volkomeuste zegepraal.

Wie uu zichzelveu zoo ouderworju-n houdt, dat de zinuelijkheid aau de reilo eu de rede iu alles aau Mij gehoorzaamt, die is iu waarheid overwiuuaai* vau zichzelveu eu heer der wereld.

3. Wilt gij tot dat toppuut kliniui-ni, gij moet met mauueukraclkt aau liet werk guan eu de bijl aau den wortel zetten, om uit te roeien en te verdelgen alle verborgen ongeregelde neiging tot n/.el-ven en tot alle bijzonder en stoHelijk goed.

Want aan dit gebrek, dat de menseli ziehzelven te ongeregeld bemint, hangt bijna alles, wat hij tot den wortel toe heelt te overwinnen.

.Heelt hij dat kwaad overwonnen en oudergebraeht, er zal aanstonds groote vrede en gerustheid /,ijn.

Maar omdat weinigen trachten zichzelveu volkomen al te sterven eu geheel van zich uitgaan, daarom blijven zij iu zich gewikkeld eu kunnen zich

-ocr page 362-

3-14 TTT quot;ROTIK. T.TTI TTOOTTISTUK-

niet in rlen ^cost boTPn ziolizelven ver- j Ij heffen.

Wie dan met mij in Trijheid verlangt j te wandelen, moet noodzakelijk al zijne jl verkeerde en ongeregelde neigingen doo-l! den , en aan geenerlei schepsel met eene || bijzondere liefde hartstochtelijk gehecht zijn.

a E B T: D.

Neen, mijn God! er kan geene gemeenschap tusschen een aardsohgezind | hart en tusschen uwe genade plaats ! hebben, zoo min als er genuenschap | tusschen TJ en de wereld kan bestaan, i j Doe deze heriflnering bij mij steeds le-1 vendig en van eenen werkdadigen in- ] jl vloed zijn. Maak mij los van al wat j wereldsch is; leer mij mijzelven meester | ii worden en slel mij door den omgang met j | U schadeloos voor de opollemigen, welke | ■ Gij billijk van mij eischt.

-ocr page 363-

ttt boeit. ltv hoopbptfkquot;.

\\rIER EjN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Or er de rerschil lende neigingen der natuur en der genade.

I. De Heer. Mijn zoon! geef vlijtig acht op de ueigingeu van do ualuur eu van de genade: want zij werken zeer tegenstrijdig, en dat zoo lijn, dat zij nauwelijks, tenzij door den geestelijken en innig verlichten mensch onderscheiden worden.

Alle menschen zoeken wel lier. goede en wonden bij hnnne woorden en daden iets goeds voor; maar daarom worden velen door den schijn van het goede bedrogen.

\'2. De natuur is listig; zij trekt, verstrikt en misleidt er velen , en heeft altoos zichzelve ten doel.

Maar de genade wandelt in eenvoudigheid , mijdt allen schijn van kwaad , zoekt niet te bedriegen en doet alles zuiver om God, in wien zij ook, als haar doel, rust.

-ocr page 364-

Pt-Iü UT quot;ROEK. TV1V HOOPDSTUK

3. De natuur wil ongaarne ziclizelve afsterven , noch gedrukt, noch bedwongen , noch onderworpen. noch onder het juk gebracht worden.

Maar de genade legt zich op zelfver-sterving toe, wederstaat de zinnelijkheid, zoektonderworpen te zijn. verlangt overwonnen te worden, wil geene eigene vrijheid genieten, maar gaarne onder tucht gehouden worden.

Zij begeert over niemand te heerschen , maar altoos onder God te staan , te leven en te zijn, en is steeds bereid om uit liefde tot God voor alle menschelijk schepsel nederig te hukken.

I. De natuur werkt om haar eigen voordeel, en let er op welke winst zij van een ander kan trekken.

Maar de genade ziet niet op hetgeen haar nuttig en voordcelig is, maar meer op hetgeen velen van nut kan zijn.

5. De natuur ontvangt gaarne eer en hulde.

Maar de genade wijst getrouw alle eer en roem Gode toe.

6. De natuur vreest schande en smaad.

-ocr page 365-

Ill BOEK. LIV HOOFDSTUK. 347

Maar de genade verheugt zich om J e z ii s\' wil smaad te lijden.

7. De natuur bemint ledigheid en lichaamsrust.

Maar de genade kan niet ledig zijn ; zij neemt gereedelijk den arbeid op zich.

8. De natuur tracht het zeldzame en fraaie te bezitten; zij heeft een afkeer van wat gering is en grof.

Maar de genade vindt vermaak in het eenvoudige en nederige; zij schuwt het ruwe niet, noch weigert een versleten kleed te dragen.

9. De natuur ziet op het tijdelijke . verblijdt zich over aardsche winst. is over verlies bedroefd en wordt toornig over een gering smaadwoord.

Maar de genade let op het eeuwige . hangt niet aan het tijdelijke; zij laat zich door geen verlies van zaken ontroeren , noch door harde woorden verbitteren , omdat zij haren schat en hare vreugde in den hemel plaatst, waar niets vergaat.

10. De natuur is inhalig en ontvangt liever dan zij geeft; zij wil gaarne iets alleen bezitten.

-ocr page 366-

in BOEK. LIV HOOFDSTUK.

MaMi* tic «joiuulc is lidVladig on mede-doe]za%ain. Zij mijdt liet bijzondere. is 1 met weinig tevreden en oordeelt dal liet zalujer is fa (jeeen dan Ie ontvangen, ( A et. 20 )

11. De natuur neigt tot het schepsel, tol het eigen vleesch . tot ijdelheden en rondloopen.

Maar de genade trekt tot Gfod en lot de deugd, /.iet af van de schepselen, vlucht de wereld . haat de lusten des vleesches. beperkt het rondzwerven en schroomt in het openbaar te verschijnen.

12. De natuur heeft gaarne eenig uitwendig genoegen , waarin de zinnen zich verlustigen.

Maar de genade zoekt haren troost in Grod alleen, en haren lust in het hoogste goed boven al het zichtbare.

13. De natuur doet alles om eigen winst en belang; zij kan niets doen om niet, maar hoopt altoos voor weldaden of iets evenredigs of beters , of lof of ifunst te bekomen , en begeert dat men hare daden en giften hoogschatte.

.Maar de genade zoekt niets tijdelijks ,

348

-ocr page 367-

Ill BOEE. T.iV HOOFDSTUK. 349

nodi cisclil ler bclooning «\'en andoren prijs dan Grod alleen, ja verlangt van tie aardsehe nooddruft niets meer . dan zooveel haar ter verkrijging van liet eeuwige dienen kan.

1 4. De natuur verheugt zich in vele vrienden en nabestaanden, roomt wegens adel en hooge geboorte. i.s beleefd jegens de machtigen. vleit de rijken en juicht haarsgelijken toe.

Maar de genade bemint ook hare vijanden. en verheft zich niet op de menigte harer vrienden; zij let noch op rang noch op geboorte, tenzij daarmede eene grootere deugd gepaard ga.

Zij begunstigt meer den arme dan den rijke; zij neemt meer deel in het lijden van den onschuldige dan van den machtige ; zij verheugt zich met den oprechte, niet met den onoprechte, en wekt steeds de goeden op om naar grootere gaven te streven en den Zoon van God in deugden gelijk te worden.

15. De natuur klaagt lichl over gebrek en ongemak.

De genade draagt de armoede geduldig.

-ocr page 368-

350 III BOEK. LIV HOOFDSTUK.

U». Do mil uur brengt alles op zicii-volve terug, strijdt en twist voor zich-zelve.

Maar de genade brengt alles weder tot-God. van wien het oorspronkelijk af daalt ; 7,ij schrijft zich niets goeds toe, noch matigt zich vermetel iets aan; zij fwisl niet noch stolt haar gevoelen boven dat van anderen: maar bij al hare gevoelens en begrippen. onderwerpt zij zich aan de eeuwige wijsheid en het oordeel Gods.

De natuur zoekt geheimen te weten en nieuwigheden tc hooren; zij wil uitwendig schitteren en veel door hare zinnen ondervinden; zij wenscht bekend te zijn en te doen wat lof en bewondering baart.

Maar de genade zoekt niets nieuws noch zeldzaams te vernemen; want dit alles komt voort van de oude verdorvenheid daar er niets nieuws en duurzaams is op aarde.

Zij leert alzoo de zinnen beteugelen . ijdel zelfbehagen en vertooning vermijden . liet roem-en bewonderenswaardige nederig verbergen, en bij ai ons doen

-ocr page 369-

351

ill boek.

liv

uoofdstujc.

eii weten nuttige vruchten en (xuds lot\' en eer beoogen.

Zij wil zichzelve noch het hare geprezen hebben, maar wenscht dat God iu zijne gaven geprezen worde, die alles uit loutere liefde scheukt.

17. Deze genade is een boveuuatuur-lijk licht en eene bijzondere gave Grods. Zij is eigenlijk het kenmerk der uitverkorenen en het onderpand der eeuwige zaligheid ; zij , die den mensch van het aardsche tot de liefde voor het henielsche verheft en van vleesehelijk geestelijk maakt.

Hoe meer dus de natuur wordt terneergedrukt en overwonnen, hoe overvloediger de genade wordt ingestort; terwijl de inwendige mensch door vernieuwden toevloed dagelijks naar het beeld van God hervormd wordt.

a e n e n.

Ja, mijn God! er is een groot onderscheid tusschen uwe genade en mijne zinnelijke natuur. Hoe edel is de eerste, hoe gebrekkig de andere ! Terwijl wij 33

I

-ocr page 370-

352 lli boek. lv jloojj\'dstuk.

door onze zinnelijkheid tot nietigheden vervallen , doet uwe genade ons boven het zinnelijke hemelwaarts stijgen en naar gelijkvormigheid aan liet oorspronkelijke beeld traehten. Dat ik dat onderscheid steeds wel beselfe en eene gave waar-deere, die alles wat de aard.\' heeft, oneindig overtreft.

VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijlce genade.

1. De Geloovige. Ueere mijn God ! die mij naar uw beeld en uwe gelijkenis geschapen hebt, schenk mij die genade, welke Gij mij getoond hebt zoo voortreffelijk en te mijner zaligheid zoo noo-dig te zijn, opdat ik mijne zeer booze natuur, die mij tot zonde en verderf wegsleept, overwinne.

Want ik gevoel in mijn vleesch de wet der zonde, die de wet mijns ge-moeds wederstreeft, en mij gevangen

-ocr page 371-

in TioiïK. r,v itoornsTTjK.

wegvoert om aan de zinnelijkheid in vele dingen te gehoorzamen; en deze hare aandrift kan ik niet wederstaal!, tenzij uwe allerheiligste genade mijn hart vurig ingestort worde en mij te hulp kome.

2, Uwe genade, ja eene groote genade is er noodig om de natuur te overwinnen , die van de jeugd af altoos ten kwade geneigd is.

Want sedert zij door den eersten menseh Adam ten val gebracht en door de zonde verdorven is, gaat de straf dier vlek op alle menschen over; zoodat diezelfde natuur , welke door II goed en recht geschapen was , nu vervangen is door het gebrek en de zwakheid eener verdorven natuur, omdat hare neiging, aan zichzelve overgelaten, tot het kwade en aardsche trekt.

Immers de weinige kracht, welke haar is overgebleven, is als een vonkje onder de asch verborgen.

Bat vonkje is de natuurlijke rede, met dikke duisternis omhuld, het oordeel tussehen goed en kwaad en de onderscheiding tusachen waar en valsch nog overhoudende, ofschoon zij onmachtig

-ocr page 372-

354 \' III BOEK. LV HOOFDSTUK.

is om al hetgeen zij goedkeurt te volbrengen , en niet meer het volle licht der waarheid noch de gezondheid harer neigingen geniet.

3. Vandaar, o mijn Grod! dat ik naar den inwendig en mensch vermaak vind in wee wet, (Rom. 7) wetende dat uwe hevelen goed, rechtvaardig en heilig zijn, (Ib.) ook leerende dat men alle kwaad en zonde moet vluchten.

Maar naar het vleesch dien ik de wet der zonde, (Tb.) daar ik meer aan de zinnelijkheid dan aan de rede gehoorzaam.

Vandaar dat wel het goede te willen hij mij is, maar het te volbrengen, dat vind ik niet. (Ib.)

Vandaar dat ik mij dikwijls veel goeds voorneem , maar omdat mij de genade ter ondersteuning mijner zwakheid ontbreekt , wijk ik bij den geringsten tegenstand en bezwijk.

Vandaar dat ik wel den weg der volmaaktheid ben en klaar genoeg zie hoe ik handelen moet; maar neergedrukt door liet gewicht mijner verdorvenheid, hef ik mij niet tot het volmaaktere op.

-ocr page 373-

in BOEK. LT HOOFDSTUK.

1. O . hoc volsfrckt noodig is mij dan

uwe genade, o Heer! om liet goede tr beginnen, voort te zetten en te voleindigen !

Want zonder haar kan illt; nietsdoen; maar door uwe genade versterkt kan ik alles in U.

o Waarlijk liemelsehe genade , zonder welke alle verdiensten, ook alle natuurlijke gaven niet te aehten zijn !

Noeli kunsten noch wetenschappen. noch rijkdom noch schoonheid, noch sterkte noch vernuft, noch welsprekendheid gelden iets hij U, o Heer! zonder de genade.

Want de gaven der natuur zijn aan goeden en kwaden gemeen , maar de genade of de liefde is eene den uitverkorenen eigene gave : wie daarmede gekenmerkt zijn, worden het eeuwige leven waardig geacht.

Zoo voortreffelijk is die genade , dat zonder haar noch de gave van voorzegging, noch de kracht van wonderteeke-nen, noch eenige beschouwing hoe verheven ook iets te achten is.

Ja , zonder deze liefde en genade is

355

-ocr page 374-

III BOEK. LT HOOFDSTUK.

noch geloof, noch hoop, nocli ecnige andere deugd U behaaglijk.

5. o Zegenrijke genade, die den arme van geest in deugden rijk maakt, en den met velerlei gaven bedeelde nederig van harte doet zijn : kom, daal in mij neder cn vervul mij vroeg met uwen troost, opdat mijne ziel niet van vermoeiing en dorheid des harten bezwijke.

Tk smeek u, o Heer! laat mij genade vinden in uwe oogeu: want uwe genade is mij genoeg, al verkrijg ik ook al het overige niet, dat de natuur verlangt.

Al word ik dan bekoord en door vele tegenheden gekweld, zoolang uwe genade bij mij is, zal ik geen kwaad vreezen.

6. Zij is mijne kracht, zij geeft raad en hulp.

Zij is machtiger dan alle vijanden en wijzer dan alle wijzen.

7. Zij is de leermeesteres der waarheid , de leidster tot tucht, het licht des harten, een troost in druk ; zij verbant de droefheid, verjaagt de vrees, voedt de godsvrucht en brengt tranen voort.

Wat ben ik zonder haar, tenzij een

356

-ocr page 375-

Ill BOEK. LY HOOFDSTTTK. 357

dor hout en een ouuuitc stam, die uitgeroeid moet worden ?

J)at dan . o Heer! uwe genade mij altoos en voorkome en volge. Zij doe mij steeds bedaclit zijn op goede werken , door J e z u s C li r i s t u s uwen Zoon. Amen.

(} e n e d.

Ook ik . o (rod! gevoel liet licht uwer genade noodig te hebben . bij alles wat ik onderneem, bij alles wat ik weuscli tot een gelukkig einde te brengen. Zonder den bijstand uwer genade vermag ik niets, mijner bestemming waardig, en door haar vermag ik alles ; zonder baar zijn alle andere gaven weinig te-achten. Dat ik dan genade in uwe oogen vinde; dat zij mij steeds vergezelle, mijnen wandel geleide en mij voere tot een zalig einde.

-ocr page 376-

Ill BOEK. LVI HOOFDSTFK-.

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat ivij onszelven moeien verloochenen en Christus op den tveq den kruis es vol (jen.

1. De Heek. Mijn zoon ! lioe meer gij van uzelven kunt uitgaan, hoe meer gij tot Mij kunt ingaan.

Gelijk het den inwencligen vrede bevordert niets uitwendigs te hegeeren, rereenigt men zich met God door zich innerlijk te verlaten.

Ik wil dat gij leert n volkomen verzaken geheel naar mijnen wil, zonder tegenspraak of klachte.

J olgt Mij : (Matth. 9) Ik hen de weg, de waarheid en hef leven. (Joan. 1-1)

Zonder weg gaat men niet, zonder waarheid kent men niet, zonder leven leeft men niet.

Ik ben de weg, dien gij moet volgen , de waarheid, die gij moet gelooven, het leven , hetwelk gij moet verhepen.

Ik ben de onbedriegelijke weg, de

-ocr page 377-

Ill BOEK. LVI HOOrDSTUK. 359

onfeilbare waarheid, liet onvergankelijke leven.

Tk ben de rechts! e quot;weg , de opperste waarheid, het ware, zalige, ongeschapen leven.

Tndien gij blijft op mijnen weg . pij zult de traarheiiJ kennen en de waarheid zal u vrij maJcen (Joan. 8) eu gij zult hel eeuwige leven verwerven.

2. TFilt (jij tot het leven in(jaan, onderhoud de geboden, (Matth. 19)

Wilt gij de waarheid kennen , geloot in Mij.

Wilt (jij vohnaalcf zijn , verkoop alles. (Matth.\' 19)

Wilt gij mijn leerling zijn, verloochen. uzelven. ( Luc. 9)

Wilt gij het zalige leven bezitten, veracht het tegenwoordige.

Wilt gij in den hemel verheven worden , verneder u op aarde.

Wilt gij met Mij heerschen, draag het kruis met Mij.

Want alleen de dienaars var het kruis vinden den weg der zaligheid en des waren lichts.

3. De Gtelooviue. Heere Jezus!

-ocr page 378-

in boei:, lvi hoofdstuk.

daal- uw wog png is en door do wereld voi\'aclil , freer dat ik LT ook mef veraci,-\'1 nir der wereld volge.

in,quot;/ de leerhnn i.s niet horen den meester . noch ,1e dienstknecht hoven zijnen heer. ( Mattli. 10)

Da( dan de dienstknecht zieli In de

navolging van uw leven oefene; wanl

daarin is mijn heil en ware heiligheid.

Wal ik leze of hoore li dien uw leven, verkwikt noeh verlustigt mü o-e-lieel; n

4. De Heek. Mijn zoon! daar gij dat alles weet en gelezen hebt, zult gij gelukkig zijn indien gij het nakomt. \'

Die mijne i/ehoden heeft en ze onder-houdt h,, « het. ine Mij liefheeft. Ook , h(\'quot;1 hefheiben en Mijzefven aan hem openharen. (Joan. 14) en zal hem

Vaders aigt;a*\'ttpn in hot rijk mijns

5., De G-elootige. Heere Jezus\' het geschiede gelijk Gij gezegd en be-

zulfs teebvei.dTenerge

360

-ocr page 379-

Ill BOEK. LTI HOOFD STTTK. 361

zal het dragen ja, dragen tot aan mijn dood, zooals Gij het mij opgelegd hebt.

In waarheid het leven eens vromen kloosterlings is een kruis, maar een kruis dat ten hemel leidt.

Tk ben begonnen; teruggaan mag ik niet, en stilstaan betaamt niet.

0. Welaan, broeders! laat ons te za-men voortgaan : Jezus zal met ons wezen.

Om Jezus namen wij dat kruis op : laat ons om Jezus bij het kruis volharden. Hij zal onze helper zijn, die onze aanvoerder en voorganger is.

Zie ! onze Koning gaat ons voor; Hij zal voor ons strijden.

Laat ons moedig volgen ; dat niemand iets verschrikkelijks duehte! Zijn wij bereid in den krijg heldhaftig te sterven ; laten wij onzen roem de smet niet aandoen dat wij voor het kruis zouden vluchten.

(i E B E D.

Neen, mijn Heiland! er is geen beter, geen veiliger weg voor mij om tot

-ocr page 380-

III BOEK. XLVII HOOrUSTlTK.

deugd en zaligheid te komen, dan GriJ-zcli zijl,. Gij 7\'ijt de weg, de waarheid en het leven. Maar hoe zal ik dien weg vinden? Heil mij! G-ij hebt mij dien dien aangewezen ; ik moet mijzelyen ver-looeheneu, mijner zinnelijkheid geweld aandoen , mijn kruis opnemen en XJ navolgen. Geleid mij op dien weg. veslig daarop mijne schreden en dat ik nimmer daarvan afwijke.

ZEVEN EK VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

De mensch zij niet te neerslachtig wanneer hij in eenigen misslag valt.

I. I)k Heer. Mijn zoon! geduld en nederigheid in tegenspoed behagen Mij meer, dan veel troost en ijver in voor-spoed.

Waarom bcdrocit u ceue kleinigheid, die tegen u gezegd wordt ?

-Al ware liet iets grooters geweest. liet had ii niet moeten ontroeren.

Laat liet dan nu voorbijgaan. Het is niet het eerste noch iets nieuws, het

362

-ocr page 381-

Ill BOEK. LVII nOOPDSTTJK. oO.quot;)

zal ook het laatste niet zijn, zoo gij lau^r leeft.

Zoolang u niets kwaads ontmoet, zijt gij moedig genoeg; ook geeft gij goeden raad en weet anderen door woorden tc versterken; maar vertoont zich onverwachts eenig ongeval voor uwe deur, liet ontbreekt u aan raad en sterkte.

Let op uwe groote broosheid, welki\' gij zoo dikwijls bij de geringste voorvallen ondervindt.

Intusschen geschiedt het alleen tol uw heil, wanneer deze en soortgelijke dingen u treffen.

2. Stel het, zoo goed gij kunt, uit uw hart; en heeft het u geraakt, dat het u niet ternedersla noch lang hin-dere.

Draag het ten minste geduldig , zoo gij het niet blijmoedig kunt.

Ook zoo gij het ongaarne hoort en u verontwaardigd gevoelt, bedwing u en laat niets onbehoorlijks uwen mond ontvallen, dat den zwakke aanstoot geeft.

Spoedig zal de ontstane ontroering bedaren , en de inwendige smart door de terugkomende genade verzoet worden.

-ocr page 382-

Ill l{0i:x. liVll HOOFDSTUK.

Want Tk leef nog, zegt. de Heer, bereid om u te helpen en buitengewone» troost te selienken , zoo gij op Mij vertrouwt en vurig tot Mij roeot.

.3. Houd goeden moed en bereid u om nog meer te lijden.

Alles is niet verloren, al gevoelt gij u dikwijls gedrukt of zwaar bekoord.

Gij zijt een menscb , en geen God, quot;Ü zijt vleesch , geen Engel.

Hoe zoudt gij altoos in denzelfden staat van deugd kunnen volharden, daar dit den Engelen in den hemel en den eersten menscb in het paradijs niet heeft mogen gebeuren.

Tk ben het die de bedrukten opbeur en red, en hen die hunne zwakheid kennen tot mijne Godheid opvoer.

4. De Geloovige. Heer! gezegend zij uw woord, mij zoeter dan honicj en honigzeem In den mond. (Ps. 18)

Wat zoude ik onder zoo vele rampen en benauwdheden doen , tenzij Gij mij door uwe heilige woorden versterktet?

Als ik slechts ten laatste de haven der zaligheid mag binnenzeilen, wat is

-ocr page 383-

Ill «OEK. LV11 HOOFDSTUK.. .\'JO5

er aan gelegen wat en hoeveel ik geleden heb ?

Geeiquot; een goed einde , geef een gelukkig verscheiden uit deze wereld.

Gedenk mijner, mijn God! en geleid mij langs den rechten wegnaar uw rijk. Amen.

GEBED.

Dank, o God! voor dezen troost. Ja uw woord is mij zoeter dan honig. Gezegend , welkom zij het mij ! J)at het mij dierbaar blijve en bij lijden met troost verkwikke. Zie, ik ben tot alles bereid. Geen lijden zal mij te moeilijk vallen , zoo uwe genade mij vergezelt en ik eens mag aanlanden in de veilige haven mijner zaligheid. Geleid mij toch daarheen, en geef dat mijn verscheiden uit deze wereld gelukkig zij.

-ocr page 384-

ill boek. ltiii hoofdstuk.

A O [IT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Mfn man qeene te verluioen zaken noch ile i-erhmyen raadxlesluiten Gods onderzoeken.

J. Dn Heer. Miju zoou! wacht u over to liooge zaken en de verborgen oortleeleii Gods te redetwisten, waarom deze zoo verlaten, gene tot zulke groote genade opgevoerd worde j waarom deze zoo bedroefd, gene zoo hoog verheven worde ?

Dat gaat al \'s meuschen bereik te boven; en geen rede of onderzoek is vermogend om Gods oordeel te doorgronden.

Wanneer dan de vijand u zoo iets ingeeft, ol wel sommige nieuwsgierige mensehen daarnaar vragen, antwoord met den Profeet: rechtvaardiy zijt Gij , o Heer ! en billijk is uw oordeel; ( Ps. 11 h ) alsook : des lleeren oordeelen zijn irnm-achfiij, reehtmardiq aliemaal. f Ps tij)

-ocr page 385-

Ill BOEK. LVIII HOOFDSTUK. 367

Mijne oordeelcii moet men vreezen , niet onderzoeken, vermits zij ontoegankelijk zijn voor \'s mensehen verstand.

2. Wil ook niet onderzoeken noeli twisten over de verdiensten der Heiligen . wie hunner heiliger of grooter is in het hemelrijk.

Dit brengt dikwijls onnutte twisten en krakeelen voort, voedt ook den hoogmoed en ijdelen waan; waaruit nijd en tweedracht ontstaan . daar de eene dezen Heilige, gene een anderen trotsehelijk tracht te verheffen.

Zulke dingen te willen weten en te onderzoeken doet geen vrucht en mishaagt eer den Heiligen , wijl ik geen God hen van tweedracht, maar van vrede: welke vrede meer in waren ootmoed dan in zelfverheffing bestaat.

3. Sommigen worden meer tot dezen of genen getrokken, maar door eene voorliefde die meer menschelijk dan goddelijk is.

Tk ben degene, die alle Heiligen geschapen heb ; Tk heb hun genade gegeven ; Tk heb hnn heerlijkheid geschonken.

3*

-ocr page 386-

Ill BOEE. LVIII HOOFDSTUK.

Fk kon ieders verdiensten en heb lien mot mijne heilzame zegeningen voorkomen.

Tk heb voor eeuwen mijne geliefden gekend; Ik heb hen uit de wereld verkozen; niet zij hebben eerst Mij verkozen.

Tk heb hen door genade geroepen . door barmhartigheid getrokken; Tk heb hen door velerlei bekoringen henengevoerd.

Tk heb hun groote vertroostingen ingestort; Tk heb hun volharding verleend; Tk heb hun geduld bekroond.

4. Tk ken zoowel den eerste als den laatste; Tk bemin ze allen met onschatbare liefde.

Tk moet in al mijne Heiligen geprezen worden; Fk moet boven alles gezegend en in elk hunner vereerd worden, die Fk zoo hoog verheerlijkt en daartoe voorbestemd heb, zonder eenige voorafgaande eigene verdiensten.

Wie dan een mijner geringsten veracht, eert ook den grootste niet: want ik heb den geringste en den grootste geschapen.

.En wie een Heilige te kort doet t

-ocr page 387-

irr BOEK. LVIII HOOFDSTUK.

doei ook Mij cu al den overigeu in liet liomelrijlv te kort.

\\V ant zij zijn allen een door den baud der liefde; zij hebben een gevoelen, een wil . en beminnen elkander in eenen , in Mij.

5. Ja , wat veel meer is, zij beminnen Mij meer dan zichzelven en hunne verdiensten.

Want, boven zichzelven verrukt en aan alle eigenliefde onttrokken . gaan zij geheel in mijne liefde over. waarin zij ook genoeglijk rusten.

Niets is er dat hen kan aftrekken of noderdrukken. daar, zij, met de eeuwige waarheid vervuld, door vuur eener onuitbluschbare liefde branden.

Dat dan vleesehelijke en zinnelijke mensehen ophouden over den staat dei-Heiligen te twisten, daar zij niets dan hun bijzonder vermaak weten te beminnen.

Zij geven uf ontnemen hun volgens hunne neiging , niet gelijk hel der eeuwige Waarheid behaagt.

H. Bij velen is liet onkunde , vooral bij hen die weinig verlicht, zelden

369

-ocr page 388-

370 in boek. Lvirr hoofdstijk:.

ieiuaml mot ecuc volkomen geestelijke liefde weten te beminnen.

Zij worden nog te zeer door natuurlijke neiging en menschelijke vriendsehap tot dezen of\' genen getrokken; en gelijk zij zieh in het aardsehe gedragen , zoo denken zij ook over het hemelsche.

Maar er is een oneindig versehil tus-sehen de gelachten van onvol maak ten en hetgeen verlichte mannen door eene hoogere openbaring zieh voorstellen.

7. Wacht u dan, mijn zoon! u met zulke zaken , welke uw begrip te boven gaan, nieuwsgierig in te lï\'ten; maar beijver u liever en leg u hierop toe. dat gij ook maar de minste in het rijk van G-od moogt bevonden worden.

En al wist iemand, wie boven anderen heilig en groot in het hemelrijk gehouden wordt, wat zoude hem die kennis baten, zoo hij daardoor voor Mij niet nederiger wierd en opgewek^ om mijnen naam te meer te loven ?

Hij die over de grootheid zijner zonden en de geringheid zijner deugden nadenkt en hoever hij nog van de volmaaktheid der Heiligen al\' is, doet een

-ocr page 389-

Ill BOEK. LVIII HOOFDSTtfK. 371

Grode veel behaaglijker werk, dan hij die over liunue meerderheid of minderheid twist.

Het is beter de Heiligen met vurige gebeden en tranen aan te roepen en li mme heerlijke voorbidding nederig af te smeeken, dan door een ijdel onderzoek hunne geheimen uit te vorschen.

8. Zij zijn wèl en zeer wèl tevreden , wisten de mensehen maar wèl tevreden te zijn en hun ijdel gepraat te bedwingen !

Zij roemen niet in hunne eigen verdiensten, daar zij ziehzelven niets goeds toeschrijven, maar alles aan Mij, die hun alles uit onbegrensde liefde geschonken heb.

Zij zijn met zulke groote liefde tot de Godheid en met zoo eene overmaat van vreugde vervuld, dat er niets ontbreekt aan hunne heerlijkheid en niets aan hunne zaligheid ontbreken kan.

Alle Heiligen, hoe meer zij in heerlijkheid verheven, hoe nederiger zij in ziehzelven en hoe nader en geliefder zij Mij zijn.

Daarom vindt gij geschreven: zij wierpen hunne kronen neder voor God en

-ocr page 390-

S72 in böek. r,nu hoofdstuk;.

vielen op hunne aangezichten voor het Lam , en aunhmlen Hem, die tot in de eeiuren der eeuwen leeft. ( A poe. 4 eu 5)

IK \\ elou onderzoeken wie (Je grootste zij in liet rijk van Grod, zij, die niet weten of zij waardig zullen zijn onder de geringaten gerekend te worden.

Het is groot ook de geringste in den hemel te zijn, alwaar allen groot zijn, omdat zij allen Gods kinderen genoemd worden en zijn zullen.

De geringste zal er tot duizend worden, terwijl oolc ile honderdjariqe zondnnr stierven zal. ( Ts. GO eu 65 )

Want toen mijn leerlingen Mij vroegen , wie de grootste ware in het hemelrijk , vernamen zij dit antwoord : tenzij gij u hei-eer/ en n-onlf alx de kinderen , zult gij niet ingaan in het rijk der hemelen. Alwie zich derhalve zal vernederen, gelj)k dit kind, die is de grootste in hel rijk der hemelen. ( Matth. 18)

10. Wee hun die weigeren zieli gewillig met de kindereu te vernederen : wam de lage poort van het hemelrijk-zal hun niet laten hiunengaan.

Vi ee ook deu rijken die Jiier hnnueu

-ocr page 391-

IÏI BOEK. T.VIII HOOTOSTtTK. 373

troost weghebben : want terwijl de armen het rijk Gods zullen binnengaan, zullen zij buiten staan en weenen.

Verblijdt u, gij nederigen I juicht, gij armen ! want u is het rijk van Grod, mits gij in waarheid wandelt.

«EliED.

Billijk , o Heer ! is deze uwe vermaning. Het twisten over de geheime wegen Gods bevat geen nut en kan ons licht tot hoogmoed en vermetelheid vervoeren. Wijs is hij , die slechts eenvoudig de gaven aanwendt, door XT hem medegedeeld. Hij is voor IJ de grootste in uw rijk , naarmate hij de geringste in zijn eigen oogon is. Boezem mij zulke nederige gedachten in en maak mij waardig ook de geringste plaats in uw he-melsch rijk.

-ocr page 392-

371 iii boek. 11x hoofdstuk.

is\' KGEJSquot; EK VIJÏIGSÏE

hoofdstuk.

Dai men alle hoop en vertrouwen op God alleen woef stellen.

1. J)r Geloovige. O Heul\'! wolk is in dit leveu iiiijn vertrouwen ? Olquot; welk I is mijn grootste troost te midden van 1 alles wat ouder de zon bestaat ? Zijl (J ij liet niet, Heere mijn God! wiens Imrni-liartiglieid greuzenloos is?

Waar bevond ik mij ooit goed zonder i IJ? Ol\' wanneer koude liet mij kwalijk \' gaan , als G ij bij mij waart ?

Liever wil ik arm zijn om U , dan rijk zonder U.

Liever verkies ik op aarde met U om te zwerven, dan zonder U den hemel ! bezitten.

Waar Gij zijl, daar is de hemel, en waar Gij niet zijt, de dood en de hel.

Gij zijt mijn verlangen, daarom moet { ik tot L\' zuchten, roepen en smeekeu.

Eindelijk , is er niemand op wieu ik volkomen kan vertrouwen om mij in

-ocr page 393-

Ill BOEK. I.IX HOOFDSTUK.

mijnen nood ter rechter tijd te helpen, dan op 17 alleen , mijn God !

Ja Gij zijt mijne hoop, Gij mijn vertrouwen, Gij mijn trooster en in alles mijn getrouwste vriend.

2. Allen zoeken het hunne; Gij beoogt alleen mijn heil en mijnen voortgang en doet mij alles ten goede keeren.

Ook wanneer Gij mij aan velerlei be-koriugen en wederwaardigheden blootstelt, dan beschikt Gij dat alles te mijnen beste, Gij die gewoon zijt uwe geliefden op allerlei wijze te beproeven.

Bij deze beproeving moet Gij niet minder bemind en geprezen worden, dan oi\' Gij mij met uwe hemelsche vertroostingen vervuldet.

.\'i. Op ü dan, o Heere God! stel ik al mijne hoop en mijn vertrouwen; op U werp ik al mijn kommer en angsten, dewijl ik alles, wat ik buiten U opmerk , als zwak en ongestadig bevinde.

Want noch vele vrienden kunnen baten, noch machtige beschermers helpen, noch voorzichtige raadslieden goeden raad geven, noch de boeken der geleerden troosten, noeli kostbaarheden Tan welken

37 5

-ocr page 394-

37(gt; TTT BOEK. TJX ITOOPD^TTriC.

aard ook redden, noch eenige verborgen en aangename plaats beveiligen . zoo Grij-zolfquot; niet nabij zijt, lielpt, versterkt, vertroost, onderriebt en bewaart.

4. Wa nt alles wat den vede en het geluk schijnt te kunnen bevorderen, is zonder U niets en brengt in waarheid geenerlei geluk aan.

Gij alzoo zijt de voltooiing van alle goed. Gij de volheid des levens, de bron der wijsh eid, en op U boven alles te hopen is de krachtigste troost voor uwe dienaren.

Tot U zijn mijne oogen gericht; op U vertrouw ik, mijn God, Yader der barmhartigheden !

Zegen en heilig mijne ziel met uwe hemelsche zegeningen , opdat zij U eene heilige woning en uwer eeuwige heerlijkheid een zetel worde; opdat er in dezen tempel uwer opperwaardigheid niets gevonden worde, dat het oog uwer Majesteit mish aagt.

Zie o]) mij naar de grootte uwer goedheid en de menigte uwer barmhartigheden en verhoor de bede van nwen armen dienstknecht, die verre van U, als bal-

-ocr page 395-

Ill HOEK. LTX uoofdstttk:. 377

ling in het land van de snbadnw des doods omzwerft.

Bescherm en hewaar de ziel uws armen dienstknechts onder zoovele gevaren van het vergankelijk leven; dat uwe genade haar vergezelle en haar lelde langs den weg des vredes naar liet vaderland des eeuwigen lichts. Amen.

G- E B E D.

Mijn God! mijne hoop ! mijn vertrouwen ! mijn al! Op wien zal ik vertrouwen , zoo ik op U niet vertrouw? Tot wien mijne toevlucht nemen, zoo ik uwe hulp niet verwacht ? Meen , zonder 1\' kan alles , wat de aarde trootrijks heeft, niet haten , geene menschelijke hulp lielpen. Heil mijl dat ik eenen Vader heb, op wien ik in allen nood mag hopen! G-oede Vader! bevestig in mij dit geloof; wees mij met uwe hulp nabij en breng mij eindelijk over in de gewesten des vredes.

EIXDE VAN F1ET DERDE BOEK.

-ocr page 396-
-ocr page 397-

IHevbt\' i3ueli.

OVER HKT II. SACRAMENT J)KS ALTAARS.

-ocr page 398-
-ocr page 399-

iUet\'bi? tóuvU.

OVER HET li. SACRAMENT DES ALTAARS.

-ocr page 400-
-ocr page 401-

EERST K J lOOFDST L iv.

l\'uri/ie uitnoodilt;ji/i/j (ut de heilüfe Cum-miciiie. — Met icelTcen eerhied men Christus moet ontvangen.

1. J)e Heek. Komt (dien tot .1/7/. du-vermoeid en heiast zij!. en IJc zal u ver-TcioilcTcen. (Matth. I I .

JTet hrood dat IJc geven zal. is mijn oleesch voor het leoen der wereld. (Joan. (gt; Neemt en eet: dit is mijn lichaam . dat voor n zal ooergegeven worden. Doet dit tot mijne gedachtenis. (Matth 2i\'. Luc. 22. 1 Cor. J1 )

Die mijn oleesch eet en mijn hloed drinJcl, hlijft in Mij, en. 11: in hem. (Joan, ö)

De woorden die Ik tol n gesproken heh , zijn geest en leoen. (Ib.)

2. De G-eloovige. ])it zijn, o Jezus

-ocr page 402-

382 ïv boek. I hoofdstuk.

Clirisius! oouwigc Waarheid, uttc oigone woorden. ofschoon niet op éenon lijd gesproken, noch op éene plaats geschreven.

Daar zij dan de uwe en waarachtig zijn , moet ik ze alle dankbaar en ge-loovig aannemen.

Zij zijn de uwe, omdat Gij ze hebt voortgebracht; zij zijn ook de mijne, daar Gij ze tot mijn heil gesproken hebt.

Gewillig neem ik ze uit uwen mond | aan. opdat zij te dieper in mijn hart ge-! prent worden.

Woorden zoo teeder. zoo vol zoetig-j beid en liefde wekken mij op; maar ; mijne verkeerdheden schrikken mij af. en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke groote geheimen te naderen.

De liefelijkheid uwer woorden lokt mij; maar de menigte mijner gebreken i hindert mij.

3. Gij beveelt mij met vertrouwen t ot U te naderen, zoo ifc deel met U wil hebben. en het voedsel der onster-; felijkheid te nemen, zoo .k het eeuwige leven en de eeuwige hcer.ijkheid wil bekomen.

-ocr page 403-

IV BOEK. T 1TOOFPSTUK. ; .0gt;S.\'5

Komt, zegt G-ij, allen tot Mij , die vermoeid en heiast zij/, en 11c zal a verkirilcJcen.

o Liefelijk en vriendelijk woord in liet oor des zondaars, dat (rij, Heere mijn Grod! eenen behoeftige en arme noodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam !

Maar wie ben ik , o Heer ! dat ik mij verstoute tot U te naderen ?

Zie, de hemel der hemelen omvat U niet, en Grij zegt: Komt allen tot Mij !

4. Wat wil die liefderijke toegevendheid en eene zoo vriendelijke uitnoodiging ?

Hoe zal ik durven komen, die mij niets goeds bewust ben, waarom ik het zoude mogen ondernemen ?

Hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden, die zoo dikwijls uw goedertierenst aanschijn beleedigd heb ?

De Engelen en Aartsengelen zijn vul eerbied; de Heiligen en rechtvaardigen vreezen, en Grij zegt: Komt allen tot Mij !

Zoo Grij , o Heer! het niet zeidet, wie zoude het voor waar houden ? En zoo G ij liet niet geboodt, wie zoude durven naderen ?

5. Zie Noö een rechtvaardig man ,

-ocr page 404-

38-1 IV BOEK. 1 HOOFDSTUK.

werkte honderd jaren aan het maken eener arke, om met weinigen gered te worden: en ik , hoe zonde ik mij in een uur kunnen voorbereiden om deu Bouwheer der wereld eerbiedig i:e ontvangen ?

M ozes, uw voortreffelijke dieust-kucclit t\'ii bijzondere vriend , maakte eeue kist van onverderfelijk hout en overtrok ze met het zuiverste goud om de tafelen tier wet er in te leggen : eu ik ; verdorven schepsel, zoude U, den Gever der wet, de bron des levens zoo licht durven opnemen ?

Salomon, de wijste der koningen Israi\'ls, bouwde zeven jaren aan eenen prachtigen tempel, ter verheerlijking vau uwen naam. Acht dagen lang vierde hij het feest der inwijding; duizende dank-ollers slachtte hij : onder trompetgeschal en gejuig bracht hij de Verbondskist plechtig ter plaatse, haar bereid.

En ik , ongelukkige en armste der menschen, hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden, die nauwelijks een half uur godvruchtig weet docr te brengen ? En m och te het ook maar eens een half uur waardig geschieden !

-ocr page 405-

IV 1JÜEK. 1 HOOFDSTUK. 385

9. o Miju God! hoeveel hebben deze uiet getracht te doen om U te behagen ! Ach ! hoe weinig is het wat ik doe! Hoe weinig tijds besteed ik , als ik mij tot uwe Tafel voorbereid !

Zelden ben ik geheel in mijzelven gekeerd , zeer zelden vrij van alle verstrooiing.

Kn voorwaar, in uwer Godheids heilrijke tegenwoordigheid, moest geene onbetamelijke gedachte bij mij opkomen, ook geen schepsel mij bezighouden, vermits ik geen Engel maar den Heer der Engelen als gast moet ontvangen.

7. Intusschen is er een zeer groot verschil tusscheu de Verbondskist met hetgeen zij bevatte en uw allerzuiverst Lichaam met zijne onuitsprekelijke krachten ; tusschen die otters der wet, louter afbeeldsels van het toekomende , en het ware offer uws Lichaams, de vervulling van alle oude offers.

8. Waarom dan ben ik niet vuriger bij uwe aanbiddelijke tegenwoordigheid ?

Waarom bereid ik mij uier- met meer zorg tot het ontvangen van uwe heilige geheimen, daar die oude heilige

-ocr page 406-

IV BOEK. I HOOFDSïUU.

Aartsvaders eu Profeten , zelfs Kouiugeu eu Vorsten , met al het volk, zooveel gotlvruohtigen ijver voor den dienst van ; God hebben getoond ?

David, de allergodvrnchtigste ko- | ning, danste uit al zijne krachten voor | de arke, zich de weldaden herinnerende, weleer den vaderen verleend, liij deed velerlei speeltuig vervaardigen , dichtte liederen en liet die met vrolijkheid zingen ; hijzelf, bezield dooi* de genade van den Heiligen Greest , zong die dikwijls bij de harp; hij leerde Israels volk God van ganscher harte loven en dagelijks met eenstemmigen mond zegenen en verheerlijken.

Werd toen zooveel godsvrucht betoond en--voor de Verbondskist de lof van God vermeld , welken eerbied en godsvrucht behoor ik en het gansche Christenvolk dan nu te hebben, in tegenwoordigheid van het allerheiligste Sacrament, bij de nuttiging van het allerkostbaarst Lichaam van Christus!

*). Velen loopen naar verscheiden plaatsen om der FTeilige.n overblijfsels te bezoeken; zij zijn bij het hooren

-ocr page 407-

IV BOEK. I HOOFDSTUK.

Imniier daden verwonderd; zij bezicliti-i gen de sierlijke tempels hun ter eerc I gebouwd, en kussen hunne heilige, in zijde en goud gewikkelde beenderen.

En zie ! hier zijl Gij bij mij op het Altaar tegenwoordig, mijn God ! de Hei-| ligen, de Schepper der menschen, de j Heer der Engelen !

Dikwijls is het de nieuwsgierigheid der menschen, eu de nieuwheid van het-gene zij niet gezien hebben, die hen tot ;! die reizen uitlokken; ook wordt er wei-ij nige vrucht van verbetering weggedra-Ij gen, vooral als die tochten zoo lichtzin-I nig, zonder waar berouw geschieden, j. Maar hier in liet Sacrament des Al-1 aars zijl Gij , C h r i s t u s J e z u s ! God en mensch, geheel tegenwoordig: daar | ook oogst men eenen overvloed van j vruchten des eeuwigen heils , zoo dikwerf men U waardig en godvruchtig ontvangt.

En hiertoe lokt geenerlei lichtzinnigheid. noch nieuwsgierigheid, noch zin-| nelijkheid, maar een vast geloof, eene levendige hoop eu eene oprechte liefde.

10. o God 1 onzichtbare Schepper der wereld ! hoe wonderlijk handelt Gij met

387

-ocr page 408-

388 IV BOEK. I HOOFDSTUK.

ons ! Hoc minzaam cn genadig gaat Gij met uwe uitverkoreuen te werk , aan wie Gij Uzelven in liet Sacrament tot spijze voorstelt!

O, dit gaat alle verstand te boven ; dit vooral trekt de hartender godvrucli-tigen en ontvlamt luinue liefde.

Immers uwe ware geloovigen, die hun geheel leven tot verbetering besteden. ontvangen dikwijls in dit allerheiligst Sacrament eene groote genade van gods-vrueht en liefde tot de de igd.

I I. o Wonderbare en verborgen genade van dit Sacrament, alleen bekend aan de trouwe dienaars van Christus, en welke de ontrouwen en zondedienaars niet kunnen ondervinden.

Door dit Sacrament toch wordt de genade des H. Geefctes geschonken. de verloren zielskracht hersteld en de schoonheid , welke door de zonde ontsierd was , terugbekomen.

Zoo groot is wel eens ;leze genade, dal, wegens de volheid der bekomen godsvrucht, niet slechts de geest, maar ook het zwakke lichaam % vermeerdering n krachten ontwaart.

-ocr page 409-

IV BOEK. I HOCVFDSTTJK. | 389

12. Tul ussclien is /ij zeer te bolrourou en te bejainmeren onze lauw- en onaelit-zaamlieid , dal wij niet mei sterkere drill getrokken worden om Christus le ontvangen, op wien alle hoop en verdienste dergenen, die zalig zullen worden . rust.

Hij toeh is onze heiligmaking en verlossing; Hij de troost der reizigers en het eeuwige genot der Heiligen.

Het is dus zeer te betreuren dat velen zoo weinig acht geven op dit heilvol geheim, dat de vreugd is des hemels en het behoud der gansehe wereld.

o Blindheid en verhardheid des men-sehelijken harten, dat men zulk een onuitsprekelijk geschenk niet meer acht, en zelfs door dagelijksch gebruik tot onachtzaamheid vervalt!

13. Wierd toch dit allerheiligst Sacrament slechts op éene plaats gevierd en slechts door éenen Priester over de ge-heele wereld geconsacreerd, raet welke geestdrift, meent gij. zouden niet de menschen naar die plaats en naar dien Priester Gods henensnellen, om de goddelijke geheimen te zien vieren !

-ocr page 410-

390 IV BOEK. 1 HOOFDSTUK.

Maar nu zijn or vele Priesters aangesteld en wordt Christus op vele plaatsen geofferd , opdat Gods genade en liefde tot den mensch te meer uitblinken , naarmate de heilige Communie meer verspreid is over den aardbol.

Dank zij U, o goede J ez u s ! eeuwige Herder! dat Gij U verwaardigd hebt ons, arme ballingen, met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken , en zells tot het ontvangen van deze geheimen met de woorden van uw eigen mond te noodigen , zeggende : Komt allen tof Mij , die vermoeid en hel as f zijt, en Ik zal u verhriJcJcen.

GEBED.

Dierbare Heiland ! wie kan uwe liefde bevatten ? Gij noodigt mij tot U te komen en steil mij uw eigen Vleeseh tot spijze voor, om I alzoo op het nauwst met mij te vereenigen. Tk kan slechts aanbidden . bewonderen en zwijgen. Maar ach 1 hoe zal ik L waardig ontvangen, die mijner misdaden bewust ben ? Reinste, maak mij rein van alles wat onrein is I Heiligste! maak mij heilig; Liefde!

-ocr page 411-

IV BOEK. li JlOOrDSTUK. 391

leer mij liefhebben en uwe vreklaad waarcleeren.

TWEEDE HOOFDSTUK.

O eer de groote c/oedheid en liefde . door Crod hi hei heilifi Sacrament den men sell he wezen.

I. De G-eloovige. o Heer ! vertrouwende op uwe goetllieid en groote barmhartigheid , nader ik kranke tot mijnen redder, hongerige en dorstige tot de bron des levens, behoeftige tot den Koning des hemels, dienstkneeht tot mijnen Heer, schepsel tot den Schepper, verlatene tot mijnen liefderijken trooster.

Maar vanwaar gebeurt mij dit , dat Gij tot mij komt ? Wie hen ik . dat Gij Uzelven aan mij schenkt ?

Hoe durft een zondaar voor U verschijnen ? En Gij, hoe verwaardigt Gij U tot eenen zondaar te komen ?

Gij kent uwen dienstknecht . en weet dat hij niets goeds aan zich heel\'. , aar-om Gij hem deze gunst zoudt bewijzen.

I k heken dan mijne onwaardigheid .

-ocr page 412-

392 TV -BOEK. II HOOFDSTTTK.

il\\ (tIumi uwo goodlioid; ik prijs uwe barniluirlij^lioid ondank ü wo^ons uwe ovcr^roote liefde.

Want Gij doel dus om uwszelfs wille , niel om mijne verdiensten, opdat uwe goedheid mij te meer kenbaar, ik i i liefde te meer ontstoken, en de ootmoed te volkomener aangeprezen worde.

Daar dit dan LT behaagt en Gr ij het dus verordend hebt, behaagt mij ook deze uwe goedgunstigheid. O, mocht mijne ongerechtigheid geen beletsel zijn !

2. o-Mlerminnelijkste en liefderijkste Jezus! hoeveel eerbied en dankzegging met onophoudelijken lof is men U niet schuldig voor het ontvangen van uw heilig Lichaam, welks hooge waarde te verklaren geen mensch in staat bevonden wordt.

Maar welke zullen mijne gedachten zijn bij deze Communie, bij het naderen ^ot mijnen Heer, dien ik niet naar waar-Ie kan vereeren, en nochtans godvruchtig wensch te ontvangen ?

Wat kan ik beter en heilzamer denken, dan mij geheel en al vopl* te

-ocr page 413-

IV BOEK. II HOOFDSTUK. 303

verneclcmi ou uwe oncindi^r goodlioül jegens mij te verheften:

U loof ilc, mijn God ! en verheerlijk ik in eeuwigheid, [k veraeht mijzelven en onderwerp mij aan XJ in den afgrond mijner nietigheid.

3. Zie. Gij zijt de Heilige der Heiligen, en ik hen de slechtste der zondaren.

Zie, Gij huigt U tot mij neder, die niet waardig ben tot U op te zien.

Zie. Gij komt tot mij ; Gij wilt met mij zijn; Gij noodigt mij aan uwe Tafel.

Gij wilt mij hemelsehe spijze, het hrood der Engelen, te eten geven. Ja . geen ander dan Uzei ven , hel hrood des levens, van den hemel nedergedaald, da! aan de irereld het leven geefi. (Joan. 0 )

I. Ziedaar, vanwaar de liefde voortkomt en hoe zich de goedheid vertoont ! Welken grooten dank en lof zijn wij U niet daarvoor schuldig !

O, hoe heilzaam en nuttig was uw besluit, toen Gij dit instelder! Hoe liefelijk en aangenaam het gastmaal , toen Gij Uzelven tot spijze gaail !

O , hoe wonderbaar is uwe werking ,

-ocr page 414-

394 IV BOEK. II HOOFDSTUK.

o ircci\'! lioe vermogend uwe kracht! lioo onfeilbaar nwe waarheid !

Want G-ij spraakt, en alles is geworden, en wat Grij geboodt is uitgevoerd.

5. AVonderlijke zaak en alle geloof waardig , maar \'s menschen verstand te boven gaande, dat Gij. Heere mijn God! waaraebtig Goden inenseli, gehee] onder de geringe gedaanten van brood en wijn bevat wordt, en van dengenen die U ontvangt genuttigd wordt, zonder verteerd te worden.

Gij , Heer van bet beelal ! die niemand behoeft, hebt nochtans door uw tSaerament in ons willen wonen ; bewaar mijn hart en mijn lichaam onbevlekt, opdat ik, met een opgeruimd en rein geweten , dikwijls uwe geheimen moge vieren en tot mijn eeuwig heil ontvangen, hetwelk Gij bijzonder le uwer eere en eeuwige gedachtenis verordend en ingesteld hebt.

(5. Verheug u, mijne ziel ! en dank den Heer voor zulk een edel geschenk en zoo bijzonderen troost, n in dit tranendal nagelaten.

Want zoo dikwijls gij dit geheim

Ill

-ocr page 415-

iv boek:. TI HOOFDSTUK. 395

viert en liet Lichaam vau Christus ontvangt, zoo dikwijls vernieuwt het werk uwer verlossing, en wordt i^ij al de verdiensten van Christus deelachtig.

De liefde van Christus toch ver-miudert nooit, en de volheid zijner verzoening wordt nooit uitgeput.

Daarom moet gij u altoos met eene geheele vernieuwing des harten daartoe voorbereiden , en dat groote geheim des heils met eene groote opmerkzaamheid overwegen.

Ja, hetzij gij de H. Mis leest, hetzij gij ze hoort, zoo groot, nieuw en behaaglijk moet het u schijnen , alsofquot; op dienzellden dag Christus voor het eerst in den schoot der Heilige Maagd nederdalende mensch wierd, oiquot; aan liel kruis hangende , voor het heil der men-schen leed en stierf.

G- E B E D.

Vanwaar, o Heiland! komt mij het geluk dat Gij mij bezoekt? Wie ben ik, dat Grij U aan mij wilt schenken ? Grij

-ocr page 416-

3% iv hoek. ji1 hoofdstuk.

weet dat ik een zondaar beu en deze autist onwaardig ; ik verneder mij voor U in liet stof en verzink in den al-grond mijner nietigheid. Ek bewonder uwe liefde en barmhartigheid. Juist dit doet mij vertrouwend tot U naderen, als de kranke tot zijnen redder. Dat ik genade vinde in uw oog en nwe heilige geheimen waardig behandele.

J)EH DE HOOFDSTUK.

Hoe nulfui het is dik wij Is ie commu-niceeren.

1. 1)k Geloovige. Zie, ik kom tot U, o Heer! opdat uw geschenk mij te nutte worde, en ik mij aan uwen heiligen maaltijd verheuge, dien Gij , o God! door uwe goedheid voor den arme hereid liébt. (Ps. 07)

Zie, in U is alles, wat ik kan en moet verlangen: Gij zijt mijn heil en mijne verlossing, mijne hoop en sterkte, mijn eer en roem.

Verhlijd dan lieden de ziel van uwen

-ocr page 417-

IV HOi; IC. lil llOÜl\'DSTUK.

dienstTcnechf: ivant tot U, o Heere J e-z us, verhef ik mijne ziel. (Ps. 85)

Tlians* verlang ik godvruchtig en eerbiedig te ontvangen; ik weuscli Lr in niijn huis binnen te leiden , opdat ik niet Zaelieus verdiene door U gezegend en onder de zonen van Ab ra li a m geteld te worden.

2. Mijne ziel haakt naar uw Lichaam , mijn hart verlangt met U vereenigd te worden.

Schenk U aan mij, en het is genoeg; want buiten U geldt geen troost; zonder U kan ik niet zijn, en zonder uw bezoek kan ik niet leven.

En daarom moet ik dikwijls tot U naderen en U als een middel mijner zaligheid ontvangen, opdat ik niet bij gebrek dier hemelsche spijze op den weg bezwljke.

Zoo toch hebt G ij, o allerbarmhar-tigste «fez us! toen Gij den volke predikte en verscheidene kwalen genaast, eens gezegd : Lk wil hen niet nuchler naar huls laten (jaan, opdat zij onder wetj niet hezicijicen. (Matth. 15)

Handel dan ook zoo met mij , Gij ,

-ocr page 418-

398 IV HOEK. IIT HOOFDSTUK.

die TJ tot der geloovigen troosi in liet Sacrninent nagelaten hebt.

Want GIJ zijt eene liefelijke verkwikking der ziele , en wie U waardig eet. wordt deelgenoot en erfgenaam der eeuwige heerlijkheid.

.\'). i\\lij toch, die zoo dikwijls val en zondig, die zoo ras verflaitw en tekort seliiet , is het volstrekt noodig , dat ik mij door een veelvuldig bidden en biechten en door het ontvangen nw^ heiligen Liehaams hernienwe, reinige en ont-vlamnie : anders mocht ik door een te lang verzuim van mijn heilig voornemen afwijken.

Want can der jeiujd af zijn, \'s menschen zinnen ten li\'trade (jeneiyd, (Gren. 8) en tenzij dat goddelijk geneesmiddel te hnlp kome, vervalt de mensch dra tot erger.

Dus trekt de heilige Communie van het kwade en versterkt in liet goede.

Indien ik toch nu reeds zoo dikwijls onachtzaam en lauw ben. als ik communiceer of de II. Mis lees, wat ronde het zijn . als ik dat geneesmiddel niet gebruikte en eene zoo krachtige hulp niet zocht:

-ocr page 419-

IV BOEK. Ill FIOOFDSTUK. 399

Km al hen ik clkcn dag nic.fc bereid ihk\'Ii behoorlijk gestemd om liet heilig jVFisoffer op te dragen, zal ik echter mijn best doen om op gepaste tijden de heilige Sacramenten te ontvangen en eener zoo groote genade deelachtig te worden.

Want de eenige voorname troost voor eene geloovige ziel, zoolang zij in dit sterfelijk lichaam verre van U omdwaall , is dat zij dikwijls haren G-od gedachtig zij en haren Geliefde met een godvruchtig hart ontvange.

o Wonderbare voorkomendheid van uwe goedheid tot ons. dat Crij. Heere God\'. Schepper en Levensbron van alle geesten I U verwaardigt tot eene arme ziel te komen en haren honger met uwe geheele godheid en menschheid te verzaden I

o Gelukkig hart en zalige ziel! welke waardig is U, haren Heer en God, godvruchtig te ontvangen en U ontvangende met geestelijke vreugde vervuld te worden !

o Welk een groot Heer ontvangt zij! wrik een beminnelijkeu gastvriend neeuil /ij op! welk een aangeiiaiuen medegezel 2 li

-ocr page 420-

400 IV BOEK. Ill HOOFDSTUK.

bekomt zij ! welk een «jet rouwen vriend vindt zij ! welk een sehoonen en edelen, boven alle geliefden en boven al wat wenschelijk is beminnenswaardigen bruidegom omhelst zij !

Dat. o dierbaarste Beminde! hemel en aarde met al hunne sehoonheden voor uw aanschijn zwijgen: want wat zij lofwaardigs en schoons hebben, is een geschenk uwer milddadigheid, en nimmer zullen zij de heerlijkheid uws naams nabijkomen, wiens icijsheid (jeene palen heeft. ( Ps. 146 )

G E ra E D.

Ja wel, o God I heb ik een krachtig zielevoedsel noodig, zal ik op den. weg des levens niet bezwijken, tk weet hoe licht ik in het goede verzwak , hoe dikwijls ik val en struikel, o Grij, wiens barmhartigheid grenzenloos is, voorzie in de behoefte van uwen dienaar. Doe hem aan uwe heilige Tafel dikwijls verschijnen en aldaar de noodige krachten vinden. Verkwik zijne ziel met dat he-melsche voedsel; dat der woning zijns harten heil geschiede.

-ocr page 421-

IV BOEE. IV HOOFDSTUK. 401

VIERDE HOOFDSTUK.

Over de firoote coord eel en ami eene aod cruchtirfe Com hi urne ver ho nden.

I. De GelooviitE. Hecro mijn God I voorkom uwen dionstknocht mot do zo-goningon uwor goodhoid . opdat ik vor-diouo tot uw hoogwaardig Sacramonl waardig on godvruchtig to nadoron.

Wok mijn hart tot U op on ontdoe mij van dio grooto loomhoid. Bozook mij mot uwe heilrijko genado om in don goosi uwe zoetheid te smaken. die in dit Sacrament, als in oono hron. overvloedig schuilt.

Vorlioht ook mijne oogon om zulk oen groot geheim te aanschouwen. en versterk mij om het mot oen onwankelbaar geloof te golooven.

Immers is het uw werk, geen werk dor menschcn ; uwe heilige instelling . geen instelling van den menach.

Ook is niemand uit zichzolven he-kwaam om dit te bevatten en te ver-

•nel \'ii.

rat ui-

en or )f-;o-01\' 116 en

:ig eg oo k-QS

;io oe r-?ri e-

qs

-ocr page 422-

402 IV BOEK. IV HOOFDSTUK.

| staan, dat zelfs liet vernuft der Engelen Ir boven gaal.

Wat zoude ik dan, omvaardig zondaar. stof en aseh , van zulk een boog en beilig geheim doorgronden of bevatten kunnen?

2. Heer ! in de eenvoudigheid mijns i harten, met een oprecht vast geloof.

en op uw bovel nader ik tot 1\' met ver-1 trouwen en eerbied . en geloof waarlijk dat Gij als God cn mensch hie* in liet Sacrament tegenwoordig zijt.

Gij wilt alzoo dat ik U ontvange en | mij in liefde met IJ vereenige. Waarom ik uwe goedertierenheid bidde en U smeeke mij deze bijzondere genade te geven . dat ik geheel in U versmeke , mij 1 in uwe liefde verlieze en mij in geen j anderen troost meer inlate.

Want dit verbevenste en hoogwaardigste Sacrament is een heilmiddel voor j ziel en lichaam , eene artsenij voor i allerlei geestelijke kwalen. Daardoor ; worden mijne gebreken genezen . de drif-teii beteugeld , de bekoringen («verwonnen of verzwakt , eene grooter-; genade ingestort . de ontlokene deugd vermeer-

-ocr page 423-

iy UOEK. IV JIOOFDSTUX. 403

derd, liet geloof bevestigd, de hoop versterkt en de liefde ontvlamd en uitgebreid.

3. Want Gij , mijn God! steun mijner zu\'l, hersteller der menschelijke zwakheid en schenker van allen inwen-digen troost, hebt in dit Sacrament aan uwe geliefden, die er godvruchtig deel aan nemen, vele goederen geschonken en schenkt huu die nog dikwijls-

Gij toch schenkt hun velerlei troost te^en veelvuldige wederwaardigheden ; Gij verheft beu uit de diepte hunner neerslachtigheid tot de hope op uwe be-seherming ; G ij verkwikt en verlicht hen inwendig door eene nieuwe genade, zoo-dat zij . die voor de Communie zich eerst beangstigd en liefdeloos gevoelen , zich daarna, door die hemelsche spijs en drank verkwikt, in betere menschen veranderd bevonden.

En Gij handelt zoo vrijgevig met uwe uitverkorenen , opdat zij in waarheid erkennen en ten volle ondervinden hoe zwak /.ij uit zich/.elven zijn , en hoeveel goedheid en genade zij van U ontvan-gen.

-ocr page 424-

40 I IV BOEK. IV 11001\'-DSTÜK.-

Want uit zich zei ven koud, ongevoelig en ongodvruchtig, verdieneu zij door U vurig, ijverig en godvruchtig te zijn.

Wie toch nadert ootmoedig tot de bron der zoetigheid, en draagt niet daarvan eenige zoetigheid weg ?

Of wie staat bij een groot vuur en krijgt er niet eenige warmte va» ?

Gij nu zijt eens altoos volle en overvloeiende bron , een altoos gloeiend en nooit verflauwend vuur.

4. Daarom , is het mij niet geoorloofd uit de volheid dier bron te scheppen on tot verzadigens toe te drinken , zal ik toeh mijnen mond aan de opening der hemel-sehe ader stellen om er tenminste een drupje van op te vangen ter lessing van mijnen dorst, en opdat ik niet geheel verdorre.

En , kan ik noch niet geheel hemelseh , noch brandende zijn zoo als de Cherubs en Serafs, zal ik toch trachten mij op godsvrucht toe te leggen , en mijn hart voor te bereiden, opdat ik dit levend makend Sacrament ootmoedig ontvangende, ten minste een klein vonkje van dat goddelijk vuur bekome.

-ocr page 425-

IV quot;BOEK. IV HOOFDSTUK.

Wat mij nog ontbreekt , vul Gij dat , goede J ezu s ! heiligste Verlosser! voor mij liefderijk en genadig aan , die ü verwaardigd liebt allen tot ü te roepen , zeggende: Komt allen tot Mij, die vermoeit en hel aden zijl : Ik zal u verkt rikken.

5, Ik toch arbeid in het zweet mijns aanschijns; de smart mijns harten foltert mij; ik ben beladen met zonden; ik word door bekoringen ontrust, door vole kwade driften gekluisterd en gedrukt , en er is niemand die helpt, niemand die verlost en redt, dan Gij, Heore God, mijn Verlosser, wien ik mijzelven en al het mijne toevertrouw , opdat G ij mij moogt bewaren en tot het eeuwig leven brengen.

Neem mij aan tot lof en verheerlijking van uwen naam, die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank bereid hebt.

Geef, HeereGod, mijn Heiland ! dat, naarmat e ik aan uw geheim deelneem , de gevoelens mijner godsvrucht toenemen.

-ocr page 426-

•iuü iv HOEK., v hool\'dstuk-

g e b e d.

JIoi\' groot, o Heiland ! zijn de goederen , welke gij uwen vrienden mededeelt I lioe groot de gunsten, welke zij aai» uwe heilige Tafel ontvangen ! Alles wat hen troosten , versterken , bevredigen kan , is in deze hemelsche spijs te vinden. JSiemand, die waardig nadert, keert van deze levensbron ledig terng. Doe mij dan ook t ot L waardig naderen , en laat mij hij het genoi uwer liefde in liefde tot L overgaan en mijn gedrag daarvan blijken dragen.

VIJFDE JIOORDSTLK,

Over dr ivaardtgheïd van het Sacrament en over den priesterlijken staat.

I. De Heee. Al hadt gij de reinheid eens Engels en de heiligheid van den heiligen Joannes den Dooper, nog zoudt gij niet waardig zijn dit Saerament te ontvangen of te behandelen.

Want aan der inenschen verdiensten is men het niet verschuldigd, dat een

-ocr page 427-

iV JtOEX. \\\' HOOFJgt;STUIC. JÜ7

meusch liet Sacrament van Christus consacreert en behandelt en liet Brood der Engelen tot spijs neemt.

Groot geheim en groote waardigheid der Priesters, wien vergund is wat den Kngelen niet wordt toegestaan.

Want alleen de Priesters . in de Kerk wettig gewijd, hebben macht om do 11. M is te lezen en het Lichaam van O In* i s-t u s te consacreeren.

De Priester is wel de dienaar van God, gebruikende het woord van God, volgens Gods bevel en inslelling; maar God is aldaar de voorname persoon en onzichtbare bewerker, wien alles onderworpen is wat liij wil, en alles gehoor-zaamt als Hij beveelt.

2. .Daarom moet gij , bij dit hoogwaardigste Sacrament, meer den almachtige n God dan aan uw eigen zinnen ol eenig zichtbaar teeken gelooven.

Kw daarom ook moet gij met yreeze en eerbied tot dal werk naderen,

Neem u dan in achl . en bedenk wiens bediening u door de oplegging van \'s Bisschops handen is toevertrouwd.

Zie, gij zijt Priester geworden en ge-

-ocr page 428-

408 TV -ROEK. V ITOOPDSTÜK.

wijd om de . Mis te doen ; zie dan toe dat gij God op zijnen tijd met geloof en godsvrucht liet ofl\'er daarbrengt en u-zelven onberispelijk gedraagt.

Gij hebt uwen last niet verlicht, maar zijt aan een nauwer band van tucht gelegd en tot een hoogeren trap van heiligheid verplicht.

.3. Een Priester moet met allerlei deugden versierd zijn en aan ande.-en een voorbeeld van een goed leven geven.

Zijn omgang zij niet met het volk , noch met het gemeen der menschen , maar met de Engelen in den hemel ofquot; met volmaakte menschen op aarde.

Een Priester, met het heilige gewaad uitgedost, bekleedt de plaats van C h r i s-tu s , om God voor zichzelven en voor al het volk eerbiedig en nederig te smeeken.

Hij heeft voor en achter zich het tee-ken van \'sHeeren kruis, om zich het lijden van Christus steeds te herinneren.

Hij draagt van voren op de kasuifel het kruis, opdat bij de voetstappen van Christus vlijtig naga en die ijverig poge na te volgen.

-ocr page 429-

rv quot;ROEK. V ITOOFDSÏtTK.

Hij is van achter met het kruis ge-teekend, opdat liij allerlei tegeuhedeu liein door anderen aangedaan , om Gods wille geduldig verdrage.

Hij draagt het kruis van voren, opdat hij zijne eigen zonden betreure; van achteren, opdat hij ook die door anderen bedreven uit medelijden beweene, cu wete dat hij als middelaar tusschen God en den zondaar gesteld is, en dus in het gebed en heilige offer niet verllauwe , totdat hij waardig worde genade en barmhartigheid te verwerven.

Wanneer een Priester de II. Misleest, dan eert hij God, verblijdt de Engelen , sticht de geloovigen, helpt de levenden, bezorgt den dooden rust en maakt zich-zelven aan allerlei goed deelachtig.

GEBED.

Hoe rein, o God ! moet hij zijn die tot uwe Tafel wenscht te naderen . hoe rein hij aan wien Gij het uitdeden uwer aanbiddelijke geheimen hebt toevertrouwd ! Hoeveel ontbreekt mij nog , wanneer ik den toestand van mijn hart oprechtelijk overweeg! Zie genadig op

109 |

-ocr page 430-

•H O IV 150EK. Vi UOOI\'DSÏÜK.

mij neder, eu vul liefderijk aan hetgeen mij mocht ontbreken. Rust al uwe bedienaren met den waren geest van godsvrucht uit ; dat zij, overeenkomstig hunne roeping, hun ambt waardig bekleeden.

ZKSDK HOOFDSTUK.

(Jnderrraciing naar eene oej\'enivff voor de H. Comimime.

1. De Gelootioe. Wanneer ik, o Heer! uwe waardigheid in mijne onwaardigheid overweeg, dan sidder ik zeer cu sta over mijzei ven beschaamd.

Want treed ik niet toe, ik vlied liet leven; dring ik mij onwaardig op, ik val in ongenade.

Wat zal ik dan doen, o mijn God! mijn helper en raadgever in den nood

2. Leer Gij mij den rechten weg; schrijlquot; mij eenige korte oefening v3or, op de heilige Communie, passende.

Want het is nuttig te weten, hoe ik namelijk godvruchtig en eerbiedig U mijn hart zal voorbereiden , om uw Sacrament met vrucht te ontvangen, of

-ocr page 431-

IV BOEK. VII HOOFDSrTJK. I -111

ook om /.nik cru jirool en gotUK\'lijk offer op le dragen.

G E Ti E D.

Ja, mijn God! leer mij den reeliten weg, de ware wijze kennen, hoe ik mij met de meeste vruclil tol uwe heilige Tafel zal voorbereiden. Pe zaak is van helt; grootste aanbelang. Niets minder dan mijn eeuwig heil staar daarmede in verhand. En wie zal mij beter tot leidsman strekken, dan Gij. de bron van licht en waarheid ? Open dan mijn hart . opdat ik met geestdrift uwe lessen aan-neme . die voor altoos in mijn hart prente en ze getrouw nakome.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

(Jver hef onderzoek des (jeicetens en het voornemen ter cerheterlmf.

I. De Heer. Voor alles behoort Gods Priester om dit Sacrament te vieren. te behandelen en te ontvangen, zich met den grootsten ootmoed des harten, met diepen eerbied, een vol geloof en met

-ocr page 432-

412 IV BOEK. VII HOOFDSTUK.

liet zuivere oogmerk van Gods eer «.laar-toe le begeven.

Onderzoek nauwkeurig uw geweien , naar uw vermogen reinig en zuiver liet door een oprecht berouw en een-1 ootmoedige biecht, zoodat gij niets bezwarends overhoudt, noch ontwaart dat u iels knage of den vrijen toegang verhin-dere.

Heb afkeer van al uwe zonden in het gemeen, en bedroef u en zucht neer in het bijzonder over uwe dagelijksehe overtredingen.

En. laat de tijd het toe. belijd dan voor God. in het binnenste uws harten. al de ellenden uwer driften.

2. Zucht en betreur, dat gij nog zoo vleeschelijk en wereldsch zijt , zoo weinig uwe driften afgestorven , zoo vol ongeregelde bewegingen.

Zoo weinig waakzaam over uwe uiterlijke zinnen, zoo vaak ingewikkeld in allerlei ijdele voorstellingen; zoo overhellende tot liet uiterlijke, zoo (\'Uaeht-zaarn omtrent bet innerlijke.

Zoo licht vervoerd tot lachen en ongebondenheid . zoo verhard tot weenen

-ocr page 433-

IV BOEK. Vir HOOFDSTUK. 413

en berouw; zoo vaanlijx tol verslapping en vleesclidijk gemak, zoo traag tot streuglicid en ijver.

Zoo driftig om iets nieuws te hooren en iets selioons te zien, zoo flauw om liet lage en verachte te omhelzen ; zoo hegeerig om veel te hebben, zoo karig in het geven, zoo taai in liet behouden.

Zoo onbedachtzaam in het spreken . zoo onwillig tot zwijgen; zoo ongeregeld van zeden, zoo ontijdig in uwe handelingen.

Zoo gulzig hij het eten , zoo dool bij het woord Gods; zoo gretig naar rust . zoo traag tot den arbeid.

Zoo wakker bij ijdelen klap, zoo slaperig bij het heilige naehtgebed . zoo hakende naar het einde, zoo onbestendig in aandacht.

Zoo onachtzaam bij liet opzeggen der getijden, zoo lauw bij het Mislezen, zoo dor bij bet communiceeren.

Zoo licht verstrooid . zoo zelden volkomen ingetogen ; zoo ras in k-orn ontstoken , zoo geneigd om anderen misnoegen te geven; zoo gereed tot oordee-len. zoo streng in hel berispen.

-ocr page 434-

414 IT BOEK. VII HOOFDSTUK.

Zoo ui (gel alen iu voorspoed; zoo ter-ncdcrgoslagcn iu tegenspoed; zoo dikwijls veel goeds voornemende, en weinig ten uitvoer brengende.

3. Wanneer gij deze en andere gebreken met berouw en een groot mishagen in uwe zwakheid beleden en beweend hebi . maak dan een vast besluit om steeds uw leven te verbeteren en in het goede voort te gaan.

Offer vervolgeus met een volkomen afstand en een opreehten wil ii\'-elven ter eere mijns naams op het altaar van uw hart als een gedurig brandoffer door namelijk mij uw lichaam en ziel getrouwelijk over te geven : opdat gij dus verdienen moogt waardig te naderen. om Gode het offer op te dragen en \'iet Sacrament van mijn Lichaam met vracht te ontvangen.

4. Want er is geen waardiger offer noch grootere voldoening ter uitwisscliing der zonden. dan zichzelven zuiver en volkomen met het offer van Ch rist us\' Lichaam , onder de Mis en bij de Communie, CJod op te dragen.

Heeft de meusch gedaan . wat iu hem

-ocr page 435-

IT BOEK.. VII HOOFDSTUK. 415

is, en heeft hij een waar berouw, zoo dikwijls hij hij Mij 0111 vergeving en genade komt, zoo waar \'ik leve, zegt de Heer, ik hel) (feen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich he-Iceere en leve : Ik zal zijner overtredinffen \\ niet meer gedenken; (Ezech. 22 en 23) ! alle zullen hein kwijtgescholden zijn.

GE B E 33.

Ja , dierbare Heiland ! ik belijde het i voor IJ, dat ik een onreine, een zon-I daar, een groot zondaar ben. Gij kent mijne zonden en nalatigheden beter dan ik ze ken. [k verneder mij des wegens, en gevoel het hartelijkste berouw, o Grij , die geen lust in den dood des zondaars hebt, maar daarin, dat hij zich bekeere, betoon ook aan mij uwe barmhartigheid. Heer! zoo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Wasch mij af van mijne zonden; wees mij genadig, vergeef mij !

27

-ocr page 436-

410 I IV HOEK. Vlll IIOOIDSTUK.

A CHTSTE HOOFDSTUK.

(Jeer dt opoffeviuy van Cli rictus ci/tii hef kruis en de opoffer in a can zichzelven.

1. De Heer. Gelijk ik Mijzelveu naakt met uitgestrekte armen aan het kruin voor uwe zonden vrijwillig aan mijnen Iieinelschen Vader heb opgedragen , zoodat in ]\\Iij niets overig bleef, dat niet geheel in een offer ter verzoening met God overging, zoo moet gij ook uzelven dagelijks bij de H. Mis vrijwillig uit alle uwe kracht en neigingen, op het innigst als gij kunt, tot een rein en heilig offer aan mij opdragen.

Wat eisch ik meer van u , dan dat gij ii toelegt om uzelven volkomen aan Mij al\' te staan ?

Alles wat gij Mij buiten uzelven geeft, acht Ik niet; Tk toch zoek niet uwe gaven, maar u.

2. Gelijk het u niet genoeg zoude zijn alles te bezitten buih n Mij, zoo k va ook Mij niets van alles wat gij

-ocr page 437-

TT noek. vin hoofdstuk;.

geeft behagen, zoo gij u/.elven niet aanbiedt.

Ofler u aan Mij oj) en geefquot; uzelven geheel voor God : dan zal uw offer heilagen.

Zie, Ik heb ^lij geheel aan den Vader voor ii opgeofferd; Ik heb u ook geli eel mijn Lichaam en Bloed tot spijze gegeven, opdat Ik geheel de uwe zij , en gij de mijne moogt blijven.

Maar staat gij nog op uzelven en offert gij u niet gewillig aan mijn welbehagen op, uw offer zal onvolkomen en onder ons geen volmaakte vereeni-ging zijn.

Eene vrijwillige overgave van uzelven in de hand Gods moet dus al uwe werken voorafgaan , zoo gij vrijheid en genade wilt verwerven.

3. Want daarom worden zoo weinigen verlicht, en innerlijk vrij , omdat zij zichzelven niet volkomen weten te verzaken.

Mijne uitspraak blijft vast: Wie niet allen verzaakt, kan mijn leer Hm/ niet zijn. (Lue. 11)

Wilt gij dun mijn leerling zijn, zoo

n;

-ocr page 438-

-118 iv boek. ix hoofdstuk:.

offer uzelven aan Mij op met al uwe neigingen.

GEBED.

Geen behaaglijker otter kan ik U brengen, o God! dan mijzelven. Al het overige wat ik U aanbiede, heeft voor U geene waarde, tenzij het met de vol-komenste zelfopoffering gepaard ga. Leer mij deze heilzame kunst kennen en in navolging van uwen Zoon, in uitoefening brengen , opdat ik alzoo waardig worde aan uwe groote geheimen deel te hebben en, van alle afleiding ontheven in de volkomenste vereeniging met U mijne hoogste zaligheid vinde.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Dat wij ons en al het onze moeten opofferen en voor allen hidden.

1. De Geloovige. Heer! alles, wat in den hemel is en op de aarde is het uwe.

-ocr page 439-

IV BOEK. IX HOOFDSTrK. 410

Ik verlang raijzelven aan V lot een vrijwillig offer op te dragen en eeuwig de uwe tc blijven.

Heer ! heden offer ik U inijzelven in eenvoudigheid des harten op, om voor altoos uw dienstknecht te zijn, l te gehoorzamen en een offer van eeuwig-durenden lof\' te worden.

Neem mij aan te gelijk met dit heilige offer van uw dierbaar Lichaam, hetwelk ik TJ heclen in het bijzijn der ons hier onzichtbaar omringende Engelen opdraag, opdat het mij en al den volke tot heil strekke.

\'2. Ook leg ik, o Heer! al mijne zonden en overtredingen, die ik voor L en voor uwe heilige Engelen heb begaan van den dag dat ik het eerst heb kunnen zondigen tot nu toe, op uw zoenaltaar neder, opdat Gij die alle in het vuur uwer liefde aansteken en verbranden moogt, al de vlekken mijner zonden uitwisschen, mijn geweten van alle misdrijf reinigen , mij uwe, door de zonden verbeurde, genade teruggeven , door mij alles volkomen kwijt te schelden en mij tot den kus

-ocr page 440-

420 IV BOEK. TX HOOFDSTUK.

van vrede barmhartig op te nemen.

3. Wat anders kan ik voor mijne /ouden doen. dan ze nederig belijden, be-weenen en onophoudelijk nwc barmhartigheid inroepen?

Ik smeek U dan, verhoor mij genadig nu ik voor U sta, o mijn Groei!

A\\ mijne zonden mishagen mij zeer. Nimmer wil ik ze weder begaan. Tk betreur ze en zal ze, betreuren zoolaug ik leelquot;, bereid om boete te doe i en voldoening te geven naar mijn vermogen.

Vergeelquot; mij , o God! vergeef mij mijne zonden om uws heiligen Naams wille; red mijne ziel, die Gij met uw dierbaar Bloed hebt vrijgekocht.

Zie , ik vertrouw mij aan uwe barmhartigheid en geef mij over in uwe handen. Handel met mij naar uwe goedheid, niet naar mijne boosheid en on-gereehtigheid.

4. Ook olter ik ü op alles wat ik goeds heb, ofschoon het zeer gering en onvolkomen is, opdat Gij het moogt verbeteren en heiligen, het met welgevallen aannemen en U behaaglijk maken; opdat Gij het steeds tot een hoogere

-ocr page 441-

iy eoee. ix hootdsttk;. 42 T

Tolvnaaliilicid cn mij uw iragcn. onmif-ton . uietigen inenscl» tot een gèluklxi^ en lollelijk einde brengen inoogt.

5. Ook leg ik op uw outer neer al de vrome wensehen der godvruclitigen . de noodwendigheden van mijne ouders en vrienden, broeders en zusters en van allen die mij dierbaar zijn; ook van ben die mij of anderen uit liefde voor U eenig goed gedaan hebben; desgelijks ook van degenen, die verlangd en verzocht hebben dat ik gebeden en de ff. Mis zoude opdragen voor hen of de hunnen, het zij dat ze nog leven of reeds gestorven zijn.

Tk bidde dat zij allen door deze H. Offerande mogen ondervinden de hul]) uwer genade, den steun uwer vertroosting . de bescherming in de gevaren en de bevrijding van hunne straflen. opdat /.[] . aan alle onheil onttrokken . U blijmoedig den ruimsten dank toebrengen.

(i. Nog draag ik U gebeden en zoen-oH\'ers op bijzonder voor hen, die mij in eenig opzicht beleedigd. bedroefd , gesmaad . of mij eenige schade of moeilijkheid toegebracht hebben ; alsmede

-ocr page 442-

422 IV BOEK. IX UOOÏDBTrK.

voor licn allen , die ik somtijrls bedroefd . ontrust, bezwaard of geërgerd heb . door woorden of daden, wetende of onwetende ; opdat Gij on.s allen gezamenlijk onze zonden en wederzijdscho beleedigingeu inoogt vergeven.

Neem, o Heer! uit onze harten weg allen argwaan , verbittering, toorn, twist, en alles wat de liefde kan kwetsen en de broederlijke genegenheid verminderen.

Ontferm ü, o Heer, ontferm U over allen die uwe ontferming afsmeeken ; schenk genade aan allen die ze behoeven , en doe ons zoodanig worden , dat wij waardig zijn uwe genade te ontvangen en voortgang maken ten eeuwigen leven. Amen.

G E E E D.

Ja , mijn Grod! alles wat ik goeds aan mij heb, is het uwe. Alles moet dus ook, door vrije onderwerping des harten , het uwe zijn. Neem mij als een behaaglijk offer aan. Ik wijd mij geheel aan IJ toe. Heersch over inijnjiart en reinig het van alles wat U mishaagt. Tegelijk draag ik U de belangen van de mijnen.

-ocr page 443-

IV boek. X hoofdstuk. 123

ja van allo menscheu op. Vader der meusclien ! zie genadig op hen neder . ontferm Ü oyer allen en brengt allen tot het eeuwige leven.

TIENDE HOOFDSTUK.

Dat men de heilige Communie niet licht moet achterlaten.

1. De Heer. Dikwijls moet gij uwe toevlucht nemen tot de bron van genade en goddelijke ontferming, tot de bron van alle goed- en reinheid, opdat gij alzoo van uwe driften en gebreken moogt genezen worden, en verdienen tegen alle bekoringen en listen des duivels sterker en waakzamer te zijn.

De vijand wetende welke vrucht en allerkrachtigst geneesmiddel in de heilige Communie gelegen is, tracht op allerlei wijze en bij alle gelegenheid , zooveel hij kan, de geloovigen en godvruchtigen af te trekken en te verhinderen,

2. Sommigen inderdaad, als zij zich tot de heilige Commnnie trachten voor

-ocr page 444-

424 TT BOEK. X HOOFDSTTTK.

te ImmmmiUmi . oul warcu dan do cr^slo in-jxcviugcii des Satans.

Want dio kwade geest komt. gelijk er in het boek J ob geschreven slaaf . midden onder de kinderen Gods. opdat hij ze door zijne gewone arglistigheid in verwarring brenge , of te zeer bevreesd en verlegen make , om al/oo hnnne Holde te verminderen, of\'door zijne aanvallen hnn het geloof te ontnemen; of zij misschien de Communie geheel mogen achterlaten, of met lauwheid naderen.

Maar men moet zich aan zijne listen en voorstellingen, hoe schandelijk en afgrijslijk ook, hoegenaamd niet storen, maar hem al die ingevingen in het aangezicht terugwerpen.

Verachten moet men den ellendeling en bespotten, en om zijne aanvallen en de ontroeringen die hij verwekt, de heilige Communie geenszins nalaten.

3. Dikwijls ook wordt men verhinderd door eene te groote bezorgdheid om godsvrucht te hebben, en door ecnen zekeren angst omtrent de voorafgaande biecht.

Handel volgens den raad van verstandige mensehen en leg nw angst en be-

-ocr page 445-

IV BOEK. X HOOTDSTUK. 425

zwjiroii af: want deze verliiudci\'eii tie genade Gods en Tcrstoren de godsvrucht des gemoeds.

A\\ il niet om eenige kleine ontnistiu^ 1)1quot; bezwaar de heilige Communie aehler-lalen , maar ga des le eerder te biechten en vergeef gaarne aan anderen al hunne heleedigingen.

Of hebt gijzeltquot; iemand beleedigd . vraag hem nederig om vergeving, en God zal n gaarne vergeven.

•I. Welk nut doet het met biechten lang te wachten of de heilige Communie uit te stellen ?

Keinig u ten eerste , werp spoedig hel vergift uit en haast u de artsenij i»i te nemen: gij zult u daarbij beter bevinden dan met lang uit te stellen.

Fndien gij het heden om deze reden uitstelt, morgen zal zich wellicht iets gewichtigers opdoen, en zoo kondet gij lang van de Communie afgehouden en te ongeschikter worden.

Ontdoe u, zoodra gij kunt, van de tegenwoordige bezwaren en loomheid: want het baat niets lang iu angst en ongerustheid voort te leven, en zich

-ocr page 446-

-126 IV BOEK. X HOOFDSTUK.

door dagclijksclic beletsels ran de goddelijke geheimen te laten afhonden.

Integendeel schaadt het zeer de Communie lang uit te stellen : want doorgaans brengt het groote lauwheid teweeg.

5. Helaas ! sommige la uwen en onge-bondenen stellen gaarne het biechten uil en wenschen daarom de heilige Communie te verschuiven, opdat zij niet verplicht worden strenger wacht over zich-zelven te houden.

Ach ! hoe weinige liefde mi zwakke godsvrucht hebben zij, die de heilige Communie zoo licht verschuiven !

Hoe gelukkig en Gode behaaglijk is hij, die zoo leeft en zijn geweten zoo rein bewaart, dat liij bereid en wel genegen zoude zijn om zelfs eiken dag te communiceeren, wierd hem dat veroorloofd en konde bij het zonder opspraak doen.

Indien iemand somtijds uil ootmoed of om eenig wettig beletsel tcrugblijfl . hij is om zijnen eerbied Ie prijzen.

Maar loopt daaronder lauwheid, hij moet zich/elven opwekken en doen wat hij kan: en (rod zal zijn verlangen te

-ocr page 447-

IV 150EK. X HOOFDSTUK.

gemoet komen om zijnen goeden wil , waarop Hij inzonderheid ziet.

ü. Wordt iemand wettig verhinderd , dat hij dan een goeden wil en godvruchtig voornemen hebbe om te communi-ceeren; en dns zal hij van de vrucht des Sacraments niet verstoken zijn.

Want ieder godvruchtige kan eiken dag en elk uur met vrucht en ongehinderd, in den geest, tot den Maaltijd van Christus naderen.

Nochtans moet hij op zekere dagen en ten gestelden tijde, het Lichaam zijns Verlossers werkelijk met hartelijken eerbied ontvangen, en meer Gods lof en eer beoogen dan zijn eigen troost zoeken.

Overigens men communiceert in den geest en wordt onzichtbaar verkwikt, zoo dikwijls men het geheim van de menschwording en het lijden van Oh r i s-tus godvruchtig overwe egt en in liefde tot Hem ontstoken wordt.

7. Wie zich anders niet voorbereidt dan bij het naderen van een feest of door gewoonte ged wongen, zal dikwijls onbereid zijn.

127

-ocr page 448-

-12S l\\ KOHK. X IIOOFDSTÜK.

Gelukkig hij , die zich den Heere ten hrandoHer opdraagl . zoo dikv.\'ijls liij de II. ]\\lis leest of communiceert !

Wees intusschen , bij het Mislezen , noch te langzaam noch te overhaastig; maar volg het gewone goede gebruik der-•reneu, onder welke gij leeft.

Gij moet anderen geen last nocli verveling baren, maar den gewonen weg houden naar de instelling der voorvaderen , en meer het nut van anderen dan uwe eigen godsvrucht ot\' genegenheid beoogen.

G- E B E D.

Heer! het is waar, ik kan mij tot uwe heilige Tafel niet genoeg voorbereiden. Maar zal dit mij van IJ verwijderd houden ? Neen, ik moet tot de bron der heiligheid en genade mijne toevlucht nemen. Immers het zijn de kran-ken, die de hulp van den arts behoeven. Ik wil tot IT dan dikwijls naderen , omdat ik uwen bijstand zoozeer noodig heb. Mocht ik die gunst meer en meer waardig worden en daarin een versterkend middel voor mijne zwakheid vinden!

-ocr page 449-

Tl

i\\ 110JvK. XI IIOOI\'DSTÜK.

EIVKDE ITOOFDSTL K

haf hel Lichaam van Christus en de heilige SchriJ\'f ooor eene yeloooiye zie! hoogst noadzakelijlc zijn.

1. De Geloovige. o Bemiuuelijksle Heere J ezus! lioe groot is het genoegen van eene godvruchtige ziel, die met U eet aan uwen disch, waar haar geen andere spijs ie eten wordt voorgesteld dan Gij, haar eenig Beminde, wensche-lijk boven al de verlangens haars harten !

uwe tegenwoordigheid uit het diepst

mijns harten tranen te storten, en met de godvrnchtige M a g d a 1 e n a uwe voeten met tranen te besproeien.

Doch waar is die godsvrucht? waar die overvloed van heilige tranen ?

Voorwaar mijn geheel hart moest voor uw aanschijn en dat nwer heilige Engelen gloeien en van vreugde weenen.

121»

Want in het Sacrament zijt Gij waarlijk tegenwoordig, ofschoon onder eene vreemde gedaante verborgen.

,

=1

-ocr page 450-

-130 IV HOEK. XI HOOrDSTUK.

2. Want U in nwe eigene en goddelijke klaarheid te aanschouwen zouden mijne oogen niet kunnen uithouden, ja de geheele wereld zoude tegen den schitterenden glans uwer Majesteit niet he-; stand zijn.

Hierin derhalve voegt Gij I naar mijne zwakheid, dat gij in het Sacrament verbergt.

Ik bezit in waarheid en aanbid Hem , dien de Engelen in den he nel aanbidden ; maar ik intusschen nog door het i geloof, cn zij van aanschijn en zonder li sluier.

Ik moet mij met het licht des waren 1 geloofs vergenoegen en daarin wandelen , Ij totdat de dag der eeuwige klaarheid i aanbreke en de schaduwen der beeldnis-• sen verdwijnen.

Maar is datgene gekomen, dat vol-i maakt is, dan zal het gebruik der Sacramenten ophouden : want de gelukzaligen in de hemelsche heerlijkheid behoeven niet meer het geneesmiddel der Sacramenten.

Zij toch verblijden zich onophoudelijk in de tegenwoordigheid Gods , daar zij

-ocr page 451-

IT BOEK. XT nOOFDSTTJK. lol

/ijiio li eerlijkheid vau aauseliijn tot aau-schiju aanschouwen. En, van klaarheid tot klaarheid der oneindige Godheid overgaande, smaken zij het vleeschge-worden Woord van God . gelijk het was van den beginne en in eeuwigheid blijft.

3. Als ik deze wonderen overdenk . dan wordt mij zelfs elke geestelijke troost oen groot verdriet : want zoolang ik mijnon Heer in zijne heerlijkheid niet openlijk aanschouw, acht ik alles, wat ik op aarde zie of hoore , als niets.

Gij zijt mijn getuige, o God ! dat niets mij vertroosten, noch eenig schepsel mij : bevredigen kan, tenzij Gij. mijn God I dien ik eeuwig wensch te aanschouwen.

Maar dit is niet mogelijk . zoolang dit sterfelijk leven duurt.

Daarom moet ik mij zetten tot groot geduld en mij met al mijn verlangens aan U onderwerpen.

Want ook uwe Heiligen, o Heer! dio nu reeds in het hemelrijk zich met IT verblijden, hebben gedurende hun leven de toekomst uwer heerlijkheid met geloof en groot geduld verbeid.

Wat zij geloofd hebben . geloof ik ooli ,

28

J

-ocr page 452-

432 iv boek. xr hoofdstpk.

wat zij gehoopt hebben. hoop il\\ ool\\ ; waar zij aangeland zijn, vertrouw oulv ik door uwe genade te zullen komen.

Tntusschen zal ik, door liet voorbeeld der Heiligen versterkt . in het gelooi voort wandel en.

Ook zal ik de heilige boeken tot troost en levensspiegel hebben, en boven dat alles uw allerheiligst Lichaam tot een bijzonder geneesmiddel en toevlucht.

4. Want twee dingen ontwaar ik in dit leven zeer te behoeven , zonder welke dit ellendige leven mij ondraaglijk zou wezen.

Tn den kerker dezes lilt;-hi*ams opgesloten, beken ik twee zaken noodig te hebben, voedsel namelijk en licht.

Derhalve hebt Gij mij, zwakke . uw heilig Lichaam gegeven ter verkwikking van ziel en lichaam , en mij uw woord tot eene fakkel voor mijne voeten gesteld.

Zonder deze beide dingen zoude ik niet wel kunnen leven : want het woord van God is het licht mijner ziel , en uw Sacrament het brood des levens.

ó. Ook kunnen deze genoemd worden

-ocr page 453-

IV BOEK. XI HOOTFDSTTJK. 433

twro tafels in de seliatkamer uwer heilige Kerk wederzijds geplaatst.

De eene tafel is die des heiligen altaars. waarop het heilige brood , dat is het kostbaar Liehaam van Christus rust.

De andere is die der goddelijke wet; op deze ligt de heilige leer. die ous in het waar geloof onderricht, en niet vasten tred tot binnen het voorhangsel . waar het Heilig der heiligen is. henen-leidt.

6. Dank zij U , Heere Jezus 1 Licht van het eeuwige Licht I voor de tafel der heilige leer, welke gij ons door uwe dienaren de Profeten, de Apostelen en andere leeraren hebt aangericht I

Dank zij ü, Schepper en Verlosser der menschen ! die om der gansche wereld uwe liefde te bewijzen , een groot Avondmaal hebt aangelegd, waar Gij ons geen zinnebeeldig Paaschlam. maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed tot voedsel voorstelt. verblijdende door dat heilige gastmaal al uwe geloovigen, cn hen verkwikkende uit den beker des heils; welke al de genoegens van het

-ocr page 454-

IV IJOEK. XI HOOFD ST UK.

Paradijs bevat; terwijl ook do heilige Engelen met ons gastmaal houden . of-; sehoon met zaliger genoegen.

7.0. hoe groot en waardig is het i i ambt der Priesters, wien het gegeven ; | is den Heer der heerlijkheid door de i heilige woorden te eonsacreeren, met 1 hunne lippen te zegenen, iu hunne handen te houden, met hunnen mond te | nemen en aan anderen toe te reiken!

O, hoe rein moeten die handen, hoe | rein de mond, hoe heilig het lichaam, j

hoe onbevlekt het hart eens Priesters J zijn , bij wien zoo dikwijls de bron van ! reinheid haren intrek neemt.

Uit den mond eens Priesters mag il geen woord voortkomen . dat niet hei-ij lig . niet eerbaar en nuttig is, daar hij || zoo dikwijls het Sacrament van Chris-|| t u s ontvangt.

| Zijne oogen moeten eenvoudig en | kuisch zijn, welke het Lichaam van | ]| Christus gedurig aanschouwen.

I Zijne handen moeten zuiver cu ten I hemel geheven zijn , welke zoo dikwijls I den Schepper van hemel en aarde aanraken.

-ocr page 455-

IV l\'.OKK. XI HOOFDSTUK.

Tot de Priesters vooral wordt in de Wet gezegd : Weesf keil\'///; ivant Ik de Heer uw God hen heillq. (Lev. 19)

8. Dat dan uwe genade ons helpe , ! almachtige God! opdat wij die het Pries-| terambt op ons genomen hebben , U i waardig en godvruchtig met alle rein-| beid en een goed geweten mogen dienen.

En kunnen wij ons leven in zoo eene onschuld niet doorbrengen als wij moeten , geef ons ten minste dat wij de misdrijven , die wij hebben begaan, behoorlijk beweenen en Ü voortaan in den geest van ootmoed, alsmede met het | voornemen om het goede te willen ijve-j riger dienen.

GT: EED.

Hoe goed zijt Gij , o J ezus ! hoe lief-i derijk is uwe zorg voor mij! Gij scheukt j mij lichi eu voedsel. I w woord is mijn i lichl , uw Lichaam mijn voedsel. Hartelijk dank voor deze groote weldaden. Dal zij mij niet te vergeefs geschonken zijn ! \' Dat ik mij aan uw woord honde eu in 1 uw Lichaam mijn waar voedsel vinde.

-ocr page 456-

iv hokk. xll hoofdstuk.

Dus voorgelicht en versterkt, wandel ik rustig voort, totdat ik kome waar geloof iu aanschouwen en hoop in genot overgaat.

T WA A LFDE HOO FDSTUK.

Dat deyene die communiceeren wil, zich wet grooie vlijt moet voor-bereiden.

r.

De Heer. Ik hen de minnaar dor zuiverheid en de gever van alle heiligheid.

Tk zoek een rein hart : daar is de plaats mijner ruste.

Bereid mij eene groote /re!versierde eetzaal, en Ik zal met mijne leerlingen hi) u het paaschmaal honden. (Mare. 14. Luc. 22)

Wilt gij dat Tk tot u kome en bij u hlijve , zuiver u dan van den ouden zuurdeesem en reinig de woning uws liarten.

Sluit de geheele wereld eu il het gewoel der ondeugden buiten.

I3(gt;

I

-ocr page 457-

IV BOEK. XII HOOFDSTUK. | 4:37

Zit als eene eenzame musch op hel dak en overdenk in de bitterheid uwer ziele uwe overtredingen.

Want alwie liefheeft, bereidt zijnen geliefden vriend de beste en schoonste plaats: daaraan toch wordt de genegenheid van hem , die zijn vriend ontvangt, gekend.

\'2. Weet nochtans dat gij door de verdienste uwer werken niet aan deze voorbereiding voldoen kunt, al zoudt gij u een geheel jaar voorbereiden en op niets anders bedacht zijn.

Maar alleen door mijne goedheid en genade wordt u toegestaan tot mijne Tafel te naderen ; evenals wierd een bedelaar aan de tafel eens rijken genoodigd, en hij niets anders had om diens weldaden te vergelden, dan ootmoedige dankzegging.

i)oe wat gij kunt, en doe liet vlijtig. Ontvang , niet uit gewoonte, niet uit dwang, maar met vreeze, eerbied en liefde het Lichaam van uwen geliefden 1 feere God. die zich verwaardigt tot u te komen.

Ik ben het die genoodigd heb; Ik heb

-ocr page 458-

13H 1 IV HOEK. XI1 11001\'quot;J)STÜK.

bevolen dat Jiet geschieden zoude: Ik zal aanvullen wat u ontbreekt; komen ontvang Mij.

3. Wanneer ik u de genade der gods-vrucht schenk, dank dan uwen God: niet omdat gij ze waardig zijt, maar omdat ik Mij over u ontfermd lieb.

Hebt gij die niet, maar gevoelt gij u veeleer dor , volhard in het g/bed , zucht en klop, en laat niet al\' totdat gij verdient. een kruimeltje ol druppeltje der heilrijke genade te ontvangen.

(Jij hebt Mij noodig, Ik heb u niet noodig. Ook komt gij niet om Mij te heiligen, maar Ik kom om u te heiligen en te verbeteren.

(Jij komt om door Mij geheiligd en met Mij vereenigd te worden, om nieuwe genade te ontvangen en om op-nieuw ontstoken te worden ter verbetering.

Wil deze genade niet verzuimen : maar bereid uw hart met alle vlijt en leid uwen (Jelielde bij u binnen.

I. Overigens moet gij u niet sleehls vóór de Uommunie tot godsvrucht voorbereiden, maar die ook zorgvuldig be-

-ocr page 459-

JV HOJOK. XIJ HOOKDP\'I\'UK. 139

waren na \'i. ontvangen van liet Saera-ment.

En geene mindere behoedzaamheid wordt daarna vereiseht, dan te voren godvruchtige voorbereiding.

Want eene goede behoedzaamlieiddaar-na is weder de beste voorbereiding om grootere genade te bekomen.

Daardoor tocli wordt iemand zeer ongeschikt, als hij zich aanstonds te veel aan uitwendige verkwikkingen overgeeft.

Vermijd het veelvuldig gepraat; blijf afgezonderd en geniet uwen God; want Hem bezit gij , dien de geheele wereld ii niet kan ontnemen.

I k ben hel aan wien gij u geheel moet overgeven , zoodat gij voortaan niel meer in nzelven maar h Mij zonder de minste bezorg(IIleid v»»ortieeft.

G V. BEU.

Ik weel het, mijn Heiland! dal er eene groote voorbereiding gevorderd wordt om van li we gunsten gebruik te maken. Pan ik weet ook hoe weinig ik daartoe uit

-ocr page 460-

-i 10 IV DOEK. XIII HOOTDSTtJK.

uiijzolven vermag. X)aar Oij dan zoo lief-dor ijk iu mijne behoefteu voorziet, zoo wil ook al het gelirekkige liij mij aanvullen. Geef mij de genade der gods-vrucht. ]gt;at ik die zorgvuldig beware, 1 daarmede getrouw arbeide en aldus | waardig worde U en met TJ de heil- j| rijkste zegeningen te ontvangen.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Dat eene ffodvnichtige ziel van ffamcher ij harte moet verlangen nam- de ver-eeniging met Christ u s in het Sacrament.

-ocr page 461-

IV J30EK. XIII HOOFDSTUX.

Dit bid ik, dit verlang ik, dat ik geheel met U vereenigd worde en mijn hart van al het geschapene aftrekke, on dat ik door dc heilige Communie en het menigvuldige Mislezen meer en meer leere het hemelsche en eeuwige te smaken.

Ach, Heere God ! wanneer zal ik geheel met U vereenigd en in U verslonden zijn en mijzelven geheel vergeten ?

Gij in mij , en ik in ü ! vergun dat wij dus te zamen vereenigd blijven !

Gij z\\jt waarlijk mijn Geliefde , uif duizenden uitverkoren, (Cant. 5) bij wien mijne ziel verlangt te wonen al de dagen haars levens.

Waarlijk Gij zijt mijn bevrediger, in wien de hoogste vrede en ware rust, buiten wien niets dan last, droefheid en eindelooze ellende gevonden wordt.

Waarlijk Gij zijt een verhor yen God. (Ts. 45) Uw raad is niet met de god-deloozen; uw onderhoud is met ootmoe-digen en eenvoudigen.

O , hoe liefelijk . Heer! is uw geest, die om uwen kinderen uwe teederheid

44 i

-ocr page 462-

IV 1501\') K • X I 11 MOÜl\'USTUK.

te loonen. 1\' vcrwaardigi hen te verkwikken mei het smakelijkste brood , van den hemel nedergedaald.

IVaarlijl\' er is (/een ander volle, hoe (jvoot ook, hef welk Goden haej f, hun zoo nahij, (jelijlc (rij, onze God/ mil) ij zijl (Bent. 4) allen nwen geloovigen, aan welke Gij, om hen dagelijks te troosten en hnn hart hemelwaarts te heiten . 1 -zei ven te eten en te genieten geelt.

3. Want welk ander volk is zoo ge-acht als dat der Christenen? 01\' welk schepsel onder de zon is zoo gelield als eene godvruchtige ziel, tot welke Oud zijnen intrek neemt om hanr met /.ijn li eerlijk Yleesch te voeden ?

o Onuitsprekelijke genade! o wonderlijke goedheid ! o onbegrensde lielde den menseli alleen betoond !

Maar wat zal ik den lieer voor die genade , en voor eene zoo \'.litiiememle lielde wedergeven ?

.Niets aangeuamers kan ik geven . dan dat ik aan mijn God mijn hart geheel seheuke en met Hem op het nauwste vereeuige.

Dan ook zal geheel mijn binnenste

-ocr page 463-

IV BOEk\'. XIII HOOFDSTUK. i 443

juifluMi. als mij 110 ziel volkonuMi mot God zal vcroonigd zijn.

Dan zal Hij lot mij zeggon : quot; wilt ^ij met Mij zijn, Ik wil met n zijn.quot; en ik zal Hem antwoorden : quot; Verwaardig lT, o Heer, l»ij mij te blijven: ik wil gaarne bij U zijn. ])it is al mijn verlangen dal mijn hart met U vereenigd zij. quot;

G-E quot;BE D.

Dierbare Jezus! hoe meer ik uwe liefde in het heilig Sacrament overweeg . hoe meer ik die bewonder en hoe meer ik naar V verlang. Wat zal ik U voor zoo eene overmaat van liefde wedergeven ? Tk kan TT niets aangenamers schenken. dan mijn hart. om het alleen te bezitten en daarin alleen te heersehen. Welaan ! het zij . het blijve C geschonken ! Wees G-ij bij mij : ik wil gaarne bij 1quot; zijn. Vereenig mij met l door door den band eener allesovertreü\'ende liefde.

-ocr page 464-

444 iv boek. xiv hoofdstuk.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Over het vurig verlangen can somni\'ige godwiichtigen naar hef Lichaam van Christus.

1. De G-eloovige. Koe veelvuldig, o JTeer / \'is het goed dat Gij weggelegd hebt coor die TJ vreezen. ( Ps. 30

Als ik overweeg, o Heer! hoe sommige godvruchtigen met de grootste godsvrucht en liefde tot uw Sacrament naderen, dan word ik dikwijls bij mij-zelven beschaamd en bloos, dat ik zoo lauw en koud tot uw altaar en de tafel der heilig*1 Communie toetrede ; dat ik zoo dor en zonder aandoening des harten blijve.

Ik word verlegen dat ik voor U, mijn God! niet geheel ontstoken ben, noch zoo sterk getrokken en aangedaan als vele godvruchtigen waren , die wegens hun overgroot verlangen naar de Communie en lievige liefde des harten zich van tranen niet konden bedwingen;

-ocr page 465-

IV BOEK. XIV HOOFDSTUKquot;. 445

maar iegelijk met den mond des harten en des liehaams, naar U. o Grod ! de levensbron, inni^ haakten. hunnen honger niet anders kunnende stillen of verzadigen , dan nadat zij uw Lichaam met de hoogste verrukking en \'t vurigst zielsverlangen ontvangen hadden.

2. O, hun waarlijk brandend geloof strekt tot een overtuigend bewijs van uwe heilige tegenwoordigheid I

Want zij erkennen waarlijk hunnen Heer bij het breken des broods . wier hart voozeer in hen brandt, als J ezus met hen wandelt.

Maar, ach! dikwijls zijn zulke aandoeningen en zulke godsvrucht, zulke sierke liefde en gloed verre van mij !

Wees mij genadig, goede, beminnelijke en goedertieren Jezus! en vergun aan uwen armen bedelaar hij de heilige Communie ten minste somtijds een weinig van dien liefdegloed jegens U in zijn hart te ontwaren, opdat mijn gelooi meer in kracht toeneme, mijne hoop op uwe goedheid vermeerdere, en mijne liefde, eens wél ontstoken en met dit he-jnelsch manna gevoed, nimmer bezwijke.

-ocr page 466-

416 IT BOEK. XIV HOOFDSTUK.

o. Uwe barmhartiglieid immors i.s machtig om mij ook deze gewenschtc gonade te bewijzen. en mij , wanneer de dag uws welbehagens zal gekomen zijn. mot den geest van vurigheid allergena-digst te Iw.oeken.

Want al brand ik niet van zulk een verlangen als uwe zoo bijzonder god-MMichtigen, verlang ik echter door uwe genade zulk een brandend verlangen te hebben, wensehende en smeekende dat ik van al deze uwe ijverige beminnaars deelgenoot en onder hun heilig gezelschap medegerekend worde.

GEBED.

Ook ik , mijn Grod I word schaamrood . :ils ik overweeg hoe anderen tot uwe heilige Tafel naderen. Hoe levendig is hun gelootquot;, hoe vurig huuue godsvrucht. hoe zuiver hunne liefde 1 Daarentegen hoe dor en ongevoelig blijft mijn hart ! hoe traag en koud hij het deelnemen aan uwe heilige geheimen! Wees mij genadig . Harmhartige ! dat de godsvrucht van anderen hij mij godsvrucht opwekke en mijn hart in liefde outsteke.

-ocr page 467-

TY quot;ROEK. XV IfOOFBSTTrK\'. I 17

V IJ FTÏENDE HOOFDSTUK.

Dat dn genade der yodawiicht door ootmoed en zeLfoerloocheninq verkref/en wordt.

1. Df. If eer. Gij moet de genade der gods vrucht ernstig zoeken, vurig at-ameekeu, geduldig eu met vertrouwen afwachten, dankbaar aannemen, in ootmoed bewaren, vlijtig daarmede arbeiden , en aan Grod den tijd en de wijze van liet hemelsche bezoek overlaten, totdat Hij kome.

Grij moet u vooral vernederen wanneer gij inwendig weinig otquot; geene godsvrucht gevoelt, maar er niette neerslachtig noch te zeer bedroefd om worden.

Dikwijls schenkt G-od in een oogen-blik wat Hij langen tijd weigerde. Somtijds geelt Hij op het einde des gebeds wat Hij inden beginne uitstelde te geven.

2. Wierd de genade altoos onverwijld geschonken eu ware zij naar wensch steeds daar , de zwakke menseh zoude zulks niet wèl dragen kunnen.

20

-ocr page 468-

IV ]$Oj:K. XV HOOFDSTUK.

Daarom moet de genade der godsvrucht in goede hope en nederige ver-(luldiglii\'id worden afgewacht; nochtuiis wijt het. u/elven en uwe zoiu\'eu, wau-ueer zij u niet gegeven of ook lieinM^Iijk onttrokken wordt.

Het is somtijds iets gerings, dat de genade hindert en verbergt, zoo uien het gering en niet eerder groot moet noemen , hetgeen een zoo grooto weldiuul onthoudt.

Maar hebt gij dat geringe of groote uit den weg geruimd en geheel overwonnen , dan zal uw wensch u geworden.

3. Want zoo ras gij n van ganseher harte aan God zult overgegeven hebben en niet meer dit of dat naar uwen eigen zin of lust begeert, maar u geheel aan Hem overlaat, zult gij u vereenigd en bevredigd vinden: want niets zal u zoo wél smaken ot behagen, als het welbehagen van den goddelijken wil.

W ie dus zijne bedoeling in eenvoudigheid des harten omhoog tot God gericht en zicli van alle ongeregelde liefde of misnoegen over eenig geschapen voorwerp zal ontdaan hebben, die zal het best

4-1«

-ocr page 469-

IV BOEK. XV HOOFDSTUK. 449

gesol likt wezen om de genade te ontvangen en de gave der godsvriicht waardig zij u.

Want God zendt zijnen zegen daar, waar liij ledige vaten vindt.

lOn hoe volkomener iemand van het aardse he afziet, hoe meer hij door zeil-versmading ziehzelven afsterft, des te srhielijker komt de genade, des te overvloediger dringt zij door, en des te hoo-gcr verheft zij het vrije hart.

4. Dan zal hij zien en overvloeien en verwonderd staan, zijn hart zich verwijden , omdat des Heeren hand met hem is , en hij zieh geheel en voor eeuwig in zijne hand gesteld heeft.

Zie, zoo wordt de mensch gezegend die Grod van ganseher harte zoekt en zijne ziel niet zet op ijdelheid. ( Fs. 23 ) Zulk een verdient bij het ontvangen van het heilige Sacrament de groote genade der goddelijke vereeniging, omdat hij niet ziet op eigen godsvrucht of ^ roost, maar hoven alle godsvruehl. en troost op Gods eer en verheerlijking.

-ocr page 470-

450 iv boek. xvmooppBTtrir.

GEBED.

Dank , dierbare Jezus ! voor dit ou-derriclit. Nu weet ik hoe ik de gave der godavruelit het best zal verkrijgen en he-lioudeu. Tk moet vlijtig bidden, geduldig aanhouden, vertrouwend atwachten en mijn liart, vrij van alle bijoogmerken , op U alleen richten. Leer mij , bij het gemis uwer genade , tot deze middelen mijne toevlucht nemen. Bewaar mij voor moedeloosheid; doe mij in hei: gebed volharden en bekroon mijne bede met uwen zegen.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Dat wij onze behoef ten aan Christus moe/en blootleggen en zijne genade afsmeeken.

1. De Gteloovig-e. o Allerzoetste en beminnelijkste Heer! dien ik nu wensch godvruchtig te ontvangen , Gij kent mijne zwakheid en mijnen nood; Gij weet hoevele kwalen en gebreken quot;k onderworpen ben; mijne menigvuldige zwa-

-ocr page 471-

IV BOEK. XVI HOOFDSTUK. 151

ri^lietlen . bol\\oriugiMi, oiitstolleniBseu (Mi zoiiclcu zijn U bekend.

I k kom bij U om een luilpmiddcl. ik smeek U om troost en verliehting.

[k spreek tot den Alwetende, wien «relieel mijn binnenste bekend is, en die alleen mij volkomen kan troosten en li elpen.

(rij weet welk goed ik boven alles noodig heb en hoe arm aan deugden ik ben.

2. Zie. arm en naakt sta ik voor U, smeekende om genade en barmhartigheid inroepende.

Verkwik uwen hongerigen bedelaar. out vonk mijne koudheid door het vuur uwer liefde, verlicht mijne blindheid door den glans uwer tegenwoordigheid.

Doe mij al liet aardsehe in bitterheid . alle bezwaar «ui tegenheid in geduld, al het lage en geschapene in verachting en v ergetel h eid overga an.

Hef mijn hart tot U hemelwaarts op en laat mij niet op aarde rondzwerven.

Wees Gij alleen van nu af tot in eeu-\\gt; igheid mijn vermaak : want Gij alleen zijt mijn spijs en drank. mijne liefde e.u

-ocr page 472-

452 IV BOEK. XVI HOOFDSTUK.

vmi^do , mijn gcnoogon en oiMii^sli

3. Acli. inoclii Gij mij door uwe tc^cu-woonliglieid geluM,1 ontgloeien, onl,branden en in U doen overgaan, zoodal ik een j*eesl met 1* wierd door de genade eener iunerlijlte vereeniging en de samenstelling eener vurige liefde !

Dnld niet dal ik liongerig en dorstig van U vertrekke; maar handel met mij Imrmhartiglijk , gelijk Gij dik v ijls niet nwe Heiligen wonderlijk gehandeld lieht.

Wat wonder dat ik door 1T geheel ont-vlanime en in mij zelve n vertere, daar (Jij een vnur zijt dat altoos brandt en nimmer vergaat, eene liefde welke het hart reinigt en het verstand verlieht.

G E B E 1).

Mocht ik, o Heiland? dra voor. het zalige genot nwer vereeniging vatbaar zijn! o Gij, die alles weet , die tot mijn binnenste ziet. Gij kent ook mijne /wakheid. en weet wat mij nog ontbreekt. Opgebeurd door nwe taal, kom ik tot U om hul]) en troost te vinden. Laat mij niet ledig van U vertrekken; verlieht mijn verstand, ontvonk mijn hart

-ocr page 473-

it boek. xtii hoofdstuk. 153

door eenc branilpndo liefde, opdat ik ópn mol LF worde en eeitwi^ inej , niijii God en vniju al ! vei\'eenigd blijve.

Z V E N T F EN D F. H O OEI) ST U K.

O eer de fj loeiende liefde en hrandende heef eerie om Christus te ontvangen,

1. De (teloovige. Heer! il% verlan»; lT mefc cle meeste godsvruclit en eene vurige liefde, met al de genegeubeid en den gloed des harten te ontvangen, zoo-als vele Heiligen en godvrnehtige personen bij de Communie naar TT hebben verlangd. die TJ door de heiligheid van bun leven zeer behaagd en in de bran-dendste godsvrucht verkeerd hebben.

o Mijn Grod ! eeuwige liefde!- mijn eenigst goed en eindelooze gelukzalig-lieid ! IT begeer ik met het allervurigst verlangen en den diepsten eerbied te ontvangen, als ooit eenig Heilige gehad beeft of gevoelen koude.

3. En schoon ik onwaardig ben al die gevoelens van godsvrucht te hebben.

-ocr page 474-

-]54 IV HOEK. XYil HOOrDSTÜK.

draag il\\ U echter geheel do aandoening mijns harten op, als bezate ik alleen al die vurige en behaaglijke verlangens.

Ook alles wat eene godvruchtige ziel bedenken en verlangen kan , bied ik U aan en draag ik U op niet den diepsten eerbied en den innigsten ijver.

Xiets wil ik mij voorbehouden, maar mij en al het mijne 11 gewillig en zeer gaarne opofferen.

Heere mijn God ! mijn Schepper en mijn Verlosser! met zoodanig gevoel . eerbied, lof en eer, dankbaarheid, waardigheid en liefde, met zulk een geloof, hoop en zuiverheid, verlang ik V heden te ontvangen, als waarmede uwe allerheiligste Moeder, de verheerlijkte Maagd Maria, naar U verlangd en V ontvangen heeft, toen zij den Engel, die haar het geheim der menschwording boodschapte, nederig en godvruchtig antwoordde : Zie des J leer en diensimaaqd ! mij fjeschiede naar uw woord! (Luc. 1.)

3. En gelijk uw gelukzalige voorloo-per, de voortreffelijkste onder de Heiligen, Joannes de Dooper bij uwe tegenwoordigheid, in de vreugde des

-ocr page 475-

IV BOEX. XVii XiOOrDSTUK. 155

heiligen Gcestcs vrolijk opsprong, toen liij nog in \'s moeders lichaam opgesloten \\vas, en Jezus vervolgens onder de mensehen ziende wandelen. zich diep vernederende, met teedere aandoening zeide : De vriend des hruidefioms. die staat en hem aanhoort. verhl\'ijdt zich zeer over des hruïdeyoms stemme, (Joan 3) evenzoo wensch ik in hevige en heilige verlangens ontstoken te worden en mij van ganscher harte aan U voor te stellen.

Daarom draag ik 1quot; op en hied i\'aan het gejuich, de vurige aandoeningen, zielsverrukkingen, bovenzinnelijke verlichtingen en hemelsche vizioenen van alle godvruchtige zielen . mei al de deugden en lofzangen door al de schepselen in hemel en op aarde aangeheven en nog aan te hefi\'en , voor mij en voor allen , die zich mijner voorbede hebben aanbevolen, opdat G ij door allen waardig moogt geloofd en eeuwig verheerlijk! worden.

-1. !Necm. lieere mijn God ! iiiijn wen se hen aan, alsmede mijn verlangens om U in het oneindige te loven en bo-

-ocr page 476-

456 iv boek;, xtii hoofdstuk.

Tcimialo l»\' zo^oiJcn . zouals II, wr^ens tic ^rontlund uwci* ouuitsprclvolijkr waar-iliglicid vncl roclil toekoinl.

Dio bied ik IJ aan on veriaug ilc CJ aan le bieden eiken dag en elk oogen-hlik. Ook noodig ik iii( en smeek il\\ door innige gebeden al de hemelscbe geesten en al uwe geloovigen . öm jnel mij U lof en dank toe ie brengen.

5. Dal alle volken, geslachten en longen U loven en nwen heiligen en lieCelijken naam met vrolijk gejubel en vurige godsvrucht prijzen !

Dat ook allen, die eerbiedig en god-vruehlig uw hoogwaardig Sacrament vieren en met een volkomen geloof ontvangen . genade en ontferming bij U mogen vinden . en voor mij zondaar ootmoedig bidden.

Kn . als zij de gewenschte godsvrucht en zalige vereeniging genoten hebben . en wM getroost en wonderbaar verkwikt van uwe heilige en hemelscbe Tafel wederkeeren. dal zij dan zich ver-a a r d i g e n m ij b e h o e f t i g c u te gedenken.

-ocr page 477-

IT BOEK. XTIf ITOOrDSTÜE.. -157

CJ E 15 E J).

Murlii ik . iiiijn IIciland ! moflil ik mei (Uv-clfdc godsvniflil lol iiuc Paid iiadoren . wclko veie uwer licili^c vrieiKk\'ii omlcrsi\'hciddo ! JFoo weinig ik ouk nog daarvoor vatbaar beu. wil ik loeit alles doen wat ik kan. jSreeni mijnen goeden wil welbehaaglijk aan. Zie op de voorbede uwer geliefde vrienden, dal zij mij helpen in nwen lolquot; te ver breiden! haal mij aan limine godsvrnelil deel hebben, gelijk mede aan de zegeningen waarmede Gij hen zoo wonderbaar bedeelt.

-ocr page 478-

458 iv boek. xv11i hoofdstuk.

AC JUTTENDE HOOFDSTUK.

Ihil ile menscli aangaande lief Sacrament niet nieuwsgierig mag onder-zoeken, maar dat 7/ij Christus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan het hei Hg ge loof onderwerpen.

\\. ])i; Heek. Wacht u naai- dit ondoorgrondelijk Sacrament nieuwsgierig en nutteloos te onderzoeken, wilt gij niet in eenen afgrond van twijfel storten.

Hij die Gods Majesteit wil doorgronden, zal door den glans onderdrulct worden. (i\'rov. 25) God kan meer doen dan de mensch begrijpen kan.

Een nederig en godvruchtig onderzoek naar de waarheid is te gedoogen , mits het altoos bereid zij om zich te laten onderrichten en trachte volgens de gezonde leer der Vaderen voort te gaan.

2. Gelukkige eenvoudigheid, welke de moeilijke paden der vraagstukken verlaat en den ellen en zekeren weg van Gods geboden bewandell !

-ocr page 479-

]V BOEK. XVIII ITOOFDBTTTIC. 159

Velen hebben de god.svi\'iiehl. verloren, terwijl zij verbeven dingen wilden doorgronden.

Men eischt van n geloof en oprecblen wandel , geen diep doorziebl. noch doorgronden van Gods verborgenbeden.

N erstaat gij niet noeli bevat gij wat beneden n is, boe zult gij begrijpen wnt boven u is ?

Onderwerp n aan Grod, en buig nwe zinnen onder bet geloof; en u zal bet Hebt der kennisse gegeven worden, zooveel u nuttig en noodig is.

3. Sommigen worden ten aanzien van liet geloof en het Sacrament zwaar bekoord; maar dit moet men niet aan ben maar liever den vijand wijten.

Stoor er u niet aan noch twist met uwe bedenkingen en antwoord niet op de twijfelingen, door den vijand ingeblazen; maar geef geloof aan de woorden van Grod; geloof zijne Heiligen en Profeten, en de booze zal van u vluchten.

Dikwijls is het zeer voordeelig dal Gods dienstknecht op zulke wijze beproefd wordt.

Want ongeloovigen en zondaren brengt

-ocr page 480-

4G0 IV HOEK. XVIII HOOFDSTUK.

liij uiel. in bekoring, als welko liij reeds zeker bezit; maar geloovigen eu god-vrucblJgen bekoort en kwelt liij oj) ver-sclicideii wijzen.

1. Ga dan voort met een eenvoudig i\'ii onwankelbaar geloot\', en nader mei. dit\'pt\'ii eerbied tot het Saerainent.

Wal. gij niet begrijpen km 1 . laat dat gerust aan den almaebtigen God over.

Clod lu\'driegt u niet; maar .lij bedriegt zicli, die ziclizelven te veel gelooft.

God wandelt met de eenvoudigen; Hij o[)enbaart zich aan de nederigen; Hij geeft den kleinen verstand. Hij opent den geest aan reine zielen, maar verbergt zijne genade voor nieuwsgierigen en lioog-moedigen.

\'s Menschen rede is zwak eu kan falen; maar bet gelooi\' is waarachtig en kan niet dwalen.

5. Alle rede en natuurlijk onderzoek moet bet geloof volgen, niet voorafgaan noch bestrijden.

Want geloof en liefde beei\'sclieu bier bovenal en werken in dit allerheiligste en nllorvoortreifelijkste Sacrament op verborgen wijzen.

-ocr page 481-

IV BOKK. XVJII IIOOFBSTF-K. 11)1

God , de eeuwige en onmeetbare en oneindig ahnaelilage, doet groote en 011-doorgmndelijlïe dingen in hemel en op •aarde, en er is geen onderzoeken nan /ijne wonderbare werken.

Waren Gods werken zoodanig, dal zij van \'s menselmn rede licbl; konden l)e\\ al worden , men zoude ze niel wondei\'liaar noch nnnitsprekelijk mogen n.H\'men,

G E li V. D.

Goddelijke Jezus! ook deze laalsle les wil ik mij te nutte maken. Tk geloof aan uw woord; want uw woord is waarheid en kan mij niet bedriegen. Gaarne wil ik aan hetzelve mijne zwakke rede onderwerpen. Doe mijn gelooiquot; steeds levendig blijven, vooral als ik mij tot uwe heilige Tafel begeef. Heer! ik geloof, versterk mijn geloof, laat het nimmer wankelen. Gij zijl de Zoon van God en hebt de woorden des eeuwigen levens. Amen.

EINDE VAN HET VIERDE BOEK.

-ocr page 482-
-ocr page 483-

il 111| a U Ö

-ocr page 484-
-ocr page 485-

M ORCTKKOEFEJS\' ÏJS CT.

Aanbidding.

Ik geloot\' aan LT . éen God in drie Personen . Vader. Zoon en H. Geest ; ik geloot\' alles wal Gij mij door \\nve heilige Kerk voorstelt te gelooven. fn dit geloof\' erken ik . aanhid ik IJ als mijn hoogste goed . als mijn goedertieren God en Vader.

Tk stel al mijne hoop, al mijn vertrouwen O]) U en geef mij met geheel mijn wezen in uwe handen over. voor tijd en eeuwigheid.

Fk hemin U boven alles uit geheel mijn hart. uit geheel mijne ziel. uit al mijne kraehten.

(ioed voonieineii.

In deze liefde otl\'er ik mijzelven aan

-ocr page 486-

46fi AR» Titi 1X0 F F K gt;\' I quot;NG.

LT up, nuM alles wat illt; b»Mi. iivci alles wal ik bezit, fnzonderlieicl wil ik den (h\\£ van heden tot uwen heiligen dienst besteden . en alles doen en lijden te uwer eere en tot Termeerderinjx iniinequot; verdiensten voor de eeuwigheid. Tk wil vandaag elke zonde mijden en veel goeds verrichten: geef mij daartoe de gelegenheid on r we genade.

Ik dank 1 voor uwe bescherming gedurende dezen nacht. Neem mij ook dezen dag onder uwe hoede. Bewaar mij voor zware bekoringen en voor iedere zonde ; versterk en verkwik mij door uwe genade , opdat ik mijne bezigheden en de plichten van mijnen staal getrouw moge vervullen; verwijder van mijn ziel en lichaam alle kwaad, onheil en schade; laat mij geen enkel oogen-blik mijne hooge waarde en mijne eindbestemming uit het oog verliezen. Tk hernieuw mijn voornemen deze zonde____ zorgvuldig te vermijden en deze

deugd.... ijverig te beoefenen. Dewijl

-ocr page 487-

ik ecliter zwak beu en mij niet met zekerheid op mijn goeden wil en kraelitvn verlaten kan, l)iil en smeek ik l mij met mve genade bij te staan.

Aaiiroopin^ der Heiligen.

u Maria , Moeder mijns goddel ij ken Heiland, ook mijne Moeder, neem mij mei moederlijke liefde op en verkrijg mij de genade de zonde te sclmwen . veel goeds te verrichten en eens zali»; te sterven.

Heilige Bewaarengel, sta mij beden kraclitig terzijde, besebut mij tegen lt;len bo.i/en vijand . verlicbt mij , moedig mij aan en beboed mij vooralle kwaad naar ziel en licbaam. Amen.

Haarua driemaal bH Wees gegroet, Ma via.

-ocr page 488-

4ÜS AFO\'RG-EXO\'FFTIXIXG.

LITANIE TOT DEN H. NAAM JEZUS.

ITcor. ontferm U onzer.

Christ us , ontferm 1\' onzer.

Heer, ontferm TT onzer.

Jezus, boor ons.

Jezus, verhoor ons.

God, hemelselie Vader, ontferm 1 onzer. God Zoon, Verlosser der were d , God heilige Geest; .

Heilige Drievuldigheid, een God. Jezus, Zoon van den levenden God, C Jezus, luister des Vaders, ^

Jezus, glans van liet eeuwige lielit, 1 Jezus, koning der glorie.

Jezus, zon der gerechtigheid . r-lt;

Jezus, Zoon van de M.-wgd Maria, c Heminuelijke Jezus, ^

Wonderlijke Jezus ,

Jezus , sterke God ,

Jezus, vader van het toekomstig, leven,

Jezus, verkondiger van Gods raadsbesluiten ,

-ocr page 489-

^rOUfiEXOETEXrXO

Almaohtigste «Tezns, oulferm U onzer. Geduldigste Jezus,

Gehoorzaamste Jezus,

Jezus, zachtmoedig eu ootmoedig

vau harte,

Jezus, beminnaar der zuiverheid, Jezus, onze beminnaar,

Jezus , G-od des vredes ,

Jezus, bron des levens,

Jezus, voorbeeld der deugden ,

Jezus, IJveraar der zielen, C

Jezus, onze God ,

Jezus, onze toevlucht, 2\'

Jezus, vader der armen,

Jezus, schat der geloovigon,

Jezus, goede herder, c

Jezus, waarachtig licht, S

Jezus, eeuwig wijsheid, ^

Jezus, oneindige goedheid,

Jezus, onze weg en ons leven,

Jezus , vreugd der Engelen ,

Jezus, koning der Aartsvaders,

Jezus, meester der Apostelen,

Jezus, leeraar der Evangelisten,

Jezus, sterkte der Martelaren,

J^zus, liclil der Beleiders ,

Jezus, zuiverheid der Maagden,

-ocr page 490-

47U MORGENOEFENING.

Jezus, kroon van alle Heiligen, onl-

ferm L onzer.

Wees genadig, spaar ons, Jezus.

Wees genadig, verhoor ons, Jezus Van alle kwaad, verlos ons, Jezus. Van alle zonden,

Van uwen toorn.

Van de lagen dea duivels,

Van den geest der onkuiscliheid , ■lt;; Van den eeuwigen dood,

Van het versmaden uwer ingevingen, t Door het geheim uwer heilige

menschwording, *

Door uwe geboorte ,

Door uwe kindsheid ,

Door uw allergoddelijkst leven, ^ Door uwen arbeid ,

J)oor uw doodstrijd en lijden ,

Door uw kruis en verlatenheid ,

Door uwe smarten ,

Door uw dood en begrafenis,

Door uwe verrijzenis ,

Door uwe hemelvaart,

.Door uwe vreugden ,

Door uwe heerlijkheid,

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons, J ezus.

-ocr page 491-

MOE GEKOE F EX ING.

Lam Gods, dat wegneemt de zouden

der wereld , verhoor ons Jf/.us. Lam Gods. dut wegneem! de zonden der wereld, onllVrm l onzer, Jv-zus, Jezus, boor ons.

Jezus, verhoor ons.

LAAT OKB TilDDEX.

o lieer Jezns Christus die gezegd hebt: vraagt en gij zult verkrijgen . /.oekt eu gij zult vinden, klopt eu u zal ge-opeud worden ; wij bidden eu smeekeu l ons de vurige geutjgeubeid uwer goddelijke lielde te verlceueu , ojnlat wij L van gauseher harte niet. woord eu daad beniiuueu eu nimmer ojdioudeu l te loveu.

CJeel\'ous, o Heer, uwen beiligeu naam alt.ijd te vreezen eu te bciuiuuiMi ; want Gij verlaat diegenen niet, welke Gij in uwe lielde bevestigt. Door ouzen lieer Jezus Christus uwen Zoou , die met LI en met den H. Geest leelt eu heerscht, waarachtig God, in de eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 492-

172 ATONBOEFEKlTCa.

A V ONDOEFENTNG-.

Aanbidding en dankzegging

quot; Don Koning der eeuwen , den onsterfelijk en, onziehtbaren, eenigen G od zij eer en roem in alle eeuwigheid.quot; (I Tim. 1) Ik dank U , o G-od I voor al de weldaden, welke Grij mij vandaag en vroeger in uwe eindelooze goedheid en vrijgevigheid bewezen hebt, bijzonderlijk voor uwe genade, waardoor ik hot goedo verricht en het kwade vermeden heb. O , mocht ik slechts dour mijne handelingen heden mij niet ondankbaar betoond hebben !

Oud er zoele uw geweten over den aftie-loopen day; daarna weJc n op tot Berouw.

lieer! ik ben een zwak , zondig menscli. Ik heb het heden wederom genoeg ondervonden. 11 oo weinig ijver toch toonde ik in het vorvullon mijner [ lichten, hoe dikwijls was ik onbekommerd omtrent het eeuwiire, hoevele zonden en on-

-ocr page 493-

.WOXTOEPEXIXG.

volmaaktliedeu aanschouw ik in mijn leven. Ik heb berouw over alle mijne overtredingen; het doetquot; mij leed dat ik 1quot; . mijn algoeden God en grootsren W\'eldoe-ium* . vergramd heb en ondankbaar geweest ben. Vergeef mij al mijne zonden en onttrek mij uwe gunst en genade niet; neig mijn weerspannigen wil tot tie trouwste gehoorzaamheid aan uwe geboden.

ft E B K D.

Behoed mij dezen nacht voor alle kwaad en ongeval. bescherm mij in iedere bekoring en gevaar van zonde; bewaar mij gezond naar ziel en lichaam, wend alle tijdelijke schade van mij at\'. Neem ook ouder uwe bescherming alle de mijnen; verleen den kranken , lijdenden en bedroefden den troost en de genade van een standvastig geduld; help de tot zonde aan-gezochten, opdat zij niet mogen vallen; sta de stervenden bij. opdat zij in uwe genade verscheiden en in U een gena-digen Rechter vinden mogen. Keus misschien al spoedig zal ook mijn levenseinde komen. Geef mij de groote genade.

-ocr page 494-

-17 4 j AVONDOEPEXIXft.

vroegtijdig en wMvoorbereid de laatste 11. Sai\'ramenteu te ontvaii^en en in uwen \\ redt\' /al 11; te sterven.

Aanroepiug der Heiligen.

Heilige Maria, Gij de Moeder van Christus eu ook mijne Moeder , red mij uit allen nood en gevaren des levens , vooral in den duisteren naeht des doods. \\ erzoen mij met uw Zoon, Iwveel mij aan nu Zoon. vertoon mij aan uw Zoon.

Heilige bewaarengel, wiens oog nooit sluimert. waak over mij en geleid mij steeds langs etl\'en wegen naar mijn lie nu\'lscli Vaderland.

Heilige V. gij. de Patroon dezer pa roeliie, laat ook ik u aanbevolen /.ijn en laat mij uwen maebtigen bijstand ondervinden.

Hat; de zielen aller afgestorveu geloo-vigen door Oods l)Mrniliarl.igbei(l in vrede rusten ! \\ men.

Daarna driemaal het Ween oegroet. Ma/ria.

-ocr page 495-

A TO Nil O KTFy IX amp;. | 473

LITANIE TOT DE 11. MAAGD.

II(ht. ontferm V onzer.

l\'Iiristvis. ontferm U onzer.

iCcer, ontferm U onzer.

Cliristns, hoor ons.

Christus . verhoor ony.

God . hemelsehe Vader. onl term l on/er. (rod Zoon. Verlosser der wereld, ontferm U onzer.

God. heilige Geest, ontterm LT onzer. Heilige Drievuldigheid, een God. ontferm U onzer.

Heilige Maria. bid voor ons.

Maria, zonder vlek ontvangen. H. Moeder Gods .

H. Maagd der maagden .

Moeder van Christus .

Allerreinste moeder.

Allerzuiverste moeder.

Ongeschonden moeder.

Onbevlekte moeder.

Minnelijke moeder,

Wonderlijke moeder,

Moeder des Scheppers,

-ocr page 496-

.iVOgt;\'J)OEF

Arocdri* ele.s Zaligmakers, lgt;iil voor oub. Mlorvoorzichligsto maa^d .

Eerwaardige Maagd .

Lofwaardige maagd.

Arae\'htigc maagd.

Goedertieren maagd .

G-etrouwe maagd,

Spiegel der reehtvaardigheid .

Zetel der wijsheid .

Oorzaak onzer blijdscliaj).

Geestelijk vat, £

Verheven vat.

Eerwaardig vat.

Uitmuntend vat van godsvrudit . £ Verborgen roos.

Toren van David. ^

Tvoren toren ,

Gulden huis,

Ark des verbonds,

Deur des hemels,

Morgenster.

Behoudenis der kranken.

Toevlucht der zondaren:

Troosteres der bedrukten .

Hulp der Christenen.

Koningin der Engelen,

Koningin der Patriarchen.

-ocr page 497-

AVOgt;\'j)Oj:rEXigt;TG. 477

Koningin (Ier Profcfcii. hul voor ons. Koningin (Ier .Apostelen.

Koningin der ^Martelaren .

Koningin der Belijders.

Koningin der Maagden.

Koningin van alle Heiligen.

Koningin onbevlekt ontvangen. Koningin van den allerlieiligsten Rozenkrans ,

Lam Gods. dat wegneemt de zouden der

wereld . spaar ons . Heer.

Lam Gods. dat wegneemt de zonden der

wereld . verhoor ons . Heer. Lam Gods . dat wegneemt de zonden der

wereld . ontferm CJ onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

IFeer, ontferm 17 onzer.

Christus, ontferm TT onzer.

JTeer. ontferm onzer.

Onze Vader. IVees fjeyroet.

Onder uwe beseherming nemen wii ouze toevlueht. o heilige Mo(4der Gods. versmaad onze gebeden niel in ouzeu nood. maar verlos ons altijd van alle gevaren ; o glorierijke en gezegende Maagd .

-ocr page 498-

•i/S ATOKDOEFEKIIS\'G.

otize Vrouw, onze Micldol.ircs , onze Voorspreolxslci*. vovzoimi ons mrl uw Zoon . vorloon ons aan uw Zoon. bcvool ons aan uw Zoon.

v. Rid voor ons . H. jVIocder Gods . j{. Opdat wij de beloften van Christus \\a a a rd i g worden.

LAAT OJS\'S BIDDEN.

Wij bidden U. o Heer! stort uwe genade in onze harten . opdat wij . die door de boodschap des Engels de mensch-wording van Christus uwen Zoon gekend hebhen . door zijn lijden en kruis tot de «ilorie der verrijzenis gebracht worden. Boor denzelfden Christus onzen Heer. Amen.

-ocr page 499-

GEERDE X ONDER DE H. MIS.

V oor bereiding.

In den naam des Vaders, eu des Zoons en des Heiligen Greestes. Amen. Te nwer eere, o aanbiddelijke Drieëen-heid, Vader, Zoon en Heilige Geest, en tot heil mijner ziel wil ik lieden de onbloedige Offerande van het Nieuwe Verbond bijwonen. Verlevendig mijn geloof, vermeerder mijn vertrouwen, ontsteek mijne liefde, opdat ik met passenden eerbied bij dit heilig Geheim moge tegenwoordig zijn en vele genaden verwerven. Amen.

CONriTEOK.

Ik beschuldig mij voor V , o mijn God, voor de allerzuiverste Maagd Maria en al de Heiligen, dat ik gezondigd heb door gedachten, woorden en werken ;

31

-ocr page 500-

(IEBEDEN ON DEI?

daarom bid ik de allerlieiligste Maagd en al de Heiligen dat zij bij L\' voor mij vergifl\'enis van mijne zouden alsmeelien. o Mijn God ! om de verdiensitm van onzen JleerJesus Christus uwen Zoon, vergeel mij alwat ik tegen U misdreven iieb.

KYRIE ELEISON.

Bid driemaal: Heer , ontf\'ern lT onzer ! Christus , ontferm U onzer !

Heer, ontferm U onzer!

GLORIA IN EXCELS IS.

Eere zij God in den Hemel en vrede op aarde aan de mensehen, die van goeden wille zijn. Wij prijzen U , wij aanbidden L\', wij verheerlijken U, wij danken U om uwe groote glorie, Heere God, Koning des Hemels, God, almachtige Vader! O Jezus Christus, Heere God, Lam Gods, eeniggeboren Zoon des Vaders, Gij die de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer! Gij die de zonden der wereld wegneemt, zie genadig neer op ons gebed ! o G:j , die daar zit aan de rechterhand des Vaders, ontferm TT onzer ! Want Gij alleen zijt hei-

-ocr page 501-

Dr H. MIS.

lig, alleen lieer, alleen de Allerhoog-! ste, o Jezus Christus, niet den heiligen I Geeat in de heerlijkheid van God den Vader. Amen.

OM)EU DE GEBEDEX YOOR DEN EPISTEL.

o lieer! verleen ons door de voor-1 spraak van onze Engelbewaarders, 13e-I sehermheiligen en (Ier Onbevlekt ontvangen Xoningiu al die genaden , welke tie Priester, uw dienaar, voor zich en voor ons van U afsmeekt. Met zijn gebed vereenigd, verzoek ik U ook welwillend neer te zien op\' al diegenen, voor welke ik verplicht ben te bidden; schenk ons allen genadiglijk al hetgeen wij behoeven om tot de eeuwige gelukzaligheid te geraken. Daarom smeeken wij U in den naam van Jezus Christus, onzen lieer. Amen.

ONDER DEN EPISTEL.

o Mijn God ! boven zoovele anderen , die nog in de duisternissen der dwaling verkeeren, heb ik \'t geluk uwe heilige Wet te kennen. Uit geheel mijn hart onderwerp ik mij daaraan. Met eerbied luister ik naar de leering, welke Gij ons

-ocr page 502-

riEBEPEN ONDETÏ

door den mond van uwe Profeten ver- | kondigd hebt, en met die onderwerping , welke ]»et scliepsel aau het woord van zijn God verschuldigd is, vereer ik dat woord.

o Mijn God! schenk mij een hart, gelijk aan dat der Heiligen van hetOnde Yerhond! Laat mij zoo vnrig naar L verlangen als de Aartsvaders, laat mij U kennen en eerbiedigen gelijk de Profeten , U beminnen en mij aan V alleen hechten gelijk de Apostelen !

ONDER HET EVANGELIE.

o Mijn God ! het is Jezus Christus , uw eeniggeboren Zoon, die tot mij spreekt in het heilig Evangelie en mij omtrent mijne plichten onderrieht. Ja , het is zijn Woord dat mij hier verkondigd wordt; dat belijd ik. Maar, helaas, wat zal het mij baten, o mijn Jezus ! geloofd te hebben dat het uw Woord is , indien ik naar uw Woord niet leef; wat zal het mij baten , wanneer ik voor uwen rechterstoel zal moeten verschijnen, het ge- i loof gehad te hebben , indien ik overeen- | komstig dat geloof niet geleefd heb. He-

-ocr page 503-

DE H. MIS.

laas! illt; geloof wel, maar ik leef als geloofde ik niet of als geloofde ik aan een Evangelie, tegenstrijdig mei het uwe.

o Mijn Jezus ! geef mij moed en kraeld . om door mijn gedrag te toonen dat ik waarlijk geloof. Laat mij in dit ware geloof volharden, LT tot eer en eeuwigen lof.

CREDO.

ïk geloof in Grod . den Vader almaeh-tig, Schepper van hemel en aarde; en in Jesus Christus, zijnen eenigen Zoon. onzen Heer; die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist , gestorven en hegraven; die nedergedaald is ter helle, len derden dage verrezen van de dooden ; die opgeklommen is ten Hemel, zit aan de rechterhand Gods, des Vaders almachtig; van daar zal Hij komen oor-deelen de levenden en de dooden. Ik geloof in den Heiligen Geest; eene heilige katholieke Kerk . gemeenschap der Heiligen, vergiffenis der zonden, verrijzenis des vleesches, het eeuwige leven. Amen.

-ocr page 504-

GEBEDEN ONDEB

OFFERANDE.

Oneindig heilige Vader, ainiaehtige en eenwige Crod, die de inst.Dlling gewild liebt der OH\'erande van liet Nieuwe \\ erbond , eene OH\'erande waari i Jezus . uw eeniggeboren Zoon, aan XJ zou opgedragen worden; zie, niet Hen: offer ik ook mijzelven aan U, met alles wat uwe goedheid mij verleend heeft. Sla dan een genadigen blik op mij neder en ontferm U mijner.

Tk draag U deze heil ige OHeraudo op , o mijn God, ter erkenning uwer opperheerschappij over mij eu over alle schepselen; tot voldoening voor mijne zouden en tot dankzegging voor al de weldaden . waarmede Gij mij overladen hebt. Eindelijk , ik draag U dit aanbiddelijk oft\'cr op om van uwe oneindige goedheid te ver-krijgen , voor mij, mijne ouders, mijne weldoeners , mijne vrienden en mijne vijanden al die genaden, welke wij noodig hebben om tot dc eeuwige zaligheid te geraken.

484

-ocr page 505-

T)E H. MIS.

PREFATIE.

Vervul mij . o Heer, niet uwen Geest en laat mijn liart. geheel afgetrokken van liet aardsclie, nu alleen aan U denken. o God van Hemel en aarde, almachtige en eeuwige Vader ! hoe groot is mijne verplicht ing om U steeds overal te prijzen en te verheerlijken! Tk vereenig mij met Jezus Christus, om TJ gedurig te aanbidden. Door Hem brengen al de gelukzalige geesten hunne hulde aan nwe goddelijke Majesteit. Duld. u Heer, dat wij onze zwakke stemmen paren bij de lofzangen van die zalige Koren en met hen U toeroepen : Hei-lij;. Heilig, Heilig is de Heer. de God der Heirscharen ! Geheel liet aardrijk is vol van zijne glorie !

GEBED VOOR DE LEVENDEN.

Wij smeekenU, o God! om do verdiensten van het bitter lijden en den «lood van Jesus Christus onzen Heer, bescherm, heilig en verhef uwe Kerk. de Bruid van uwen geliefden Zoon, Vervul uwe bedienaars met uwen hei-

485

-ocr page 506-

486 GEBEDEK OKDEK

ligeu Geest , opdat zij de hun toevertrouwden door een goed voorbeeld stichten , en opdat allen een aan XJ behaaglijk leven leiden en eens het eeuwige leven mogen ingaan. Amen.

In het bijzonder bevelen wij U aan , o mijn God, allen voor welke de rechtvaardigheid , dankbaarheid en liefde ons verplichten te bidden, allen d e bij deze heilige Offerande tegenwoordig zijn . voornamelijk If. en K.

Wij bidden U ook, almachtige God , alle zondaars tot eene oprechte bekeering op te wekken, en al degenen die in gevaar zijn van te zondigen, met uwe i genade te versterken en voor den val te behoeden.

BIJ 1)E OPHEFFllsü.

o Jesus, vleeschgeworden Woord, waarlijk God en waarlijk menseh ! ik i geloof dat Gij hier op dit altaar tegen-I woordig zijt; ik aanbid U allernederigst; ik bemin U uit geheel mijn hart; en dewijl Gij uit liefde tot mij onder deze I nederige gedaante van brood hebt tegenwoordig willen wezen, zoo offer ik

-ocr page 507-

DE H. MIS. 487

ook mij zelve li geheel en al aan CJ op.

ïk aanbid dat kostbaar Bloed, dat Gr ij voor de zaligheid van het menseh-dorn vergoten hebt. O. dat het tóch niet nutteloos voor mij vergoten zij 1 Laat mij deelaehtig worden aan de verdiensten van uw Zoenoffer; mijn leven ofier ik IJ op, o mijn Jezus, uit dankbaarheid voor die liefde, waarmede Gij voor mij den dood des kruises hebt willen sterven.

GEBEDEN VOOlt DE OVERLEDENEN.

Gedenk, o Heer , uwer dienaars en dienaressen, bijzonder ]S\'. en ]S\'. , die in bet ware geloof uit dit leven zijn gescheiden; laat hen en allen die in Christus ontslapen zijn, tot de eeuwige rust en de vreugde des hemels spoedig ingaan, om daar in uw Koninkrijk met al de Engelen en Heiligen uwen lof U\' zingen in alle eeuwigheid. Amen.

PATER NOSTEB.

Hier bidt men aandachtig hel Onze Vader,

-ocr page 508-

GEBEDEN ONDER

AGNUS DEI.

Lara Gods, dal wegneemt dgt;? zouden der wereld . ont ferm U onzer !

Lam Gods ; dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer !

Lam Gods , dat wegneemt di zonden der wereld, schenk ons vrede!

U1J DE COMMUNIE VAN DEN rilIESTEll.

Lieve Jezus ! ik geloof dat Gij in liet allerheiligste Sacrament des Altaars wezenlijk tegenwoordig zijt. ik bemin U bovenal en wenschte U in mijn binnenste te ontvangen. Maar dewijl ik dit thans niet werkelijk doen kan , zoo smeek ik U om ten minste op eeue geestelijke wijze in mijn hart te komen. Zie, ik omhels LT, als hadde ik LT reeds werkelijk ontvangen. en ik vereenig mij geheel en al met LT; laat niet toe, o lieve Jezus, dat ik mij ooit van LT afscheid e !

488

-ocr page 509-

DE H. MIS.

DE COMMUNIE.

Ziel van Clirisius, heilig mij.

LiHiaam van Clirisius, bolioed mij.

Blood van Christus, drenli mij.

Water uil de zijde van Cliristus , reinig mij.

Lijden van Christus, versterk mij.

0 Goede Jezus . verhoor mij.

Fn uwe wonden verberg mij.

Duld niet dat ik mij schelde van U.

Tegen den boozen vijand verdedig mij.

1 n het uur mijns doods roep mij

En laat mij dan komen tot U,

Om LT te prijzen met de lleiligen

Fn de eeuwen der eeuwen. Amen.

ONDER DE LAATSTE GEBEDEN.

Voor mij hebt Grij U. o mijn Jezus, aan uwen hemelsehen Yader opgeofferd; zie, uit dankbaarheid wil ik mij nu ook geheel en al aan U opofferen. Al de wederwaardigheden die het Ü behagen zal mij over te zenden , zal ik met onderwerping aannemen en vereenigen met uw lijden. Zuiver wil ik mijne ziel be-

489

-ocr page 510-

490 GEBEDEIT OKDEE

waren van alle smetten der zonden. Tk zal getrouw zijn aan uwe lieilige wet, en il\\ maak liet vast voornemen liever alles te verliezen, alles te lijden dan tegen U ie zondigen.

DE ZEGEN DES PRIESÏEES.

Zegen, o mijn God, dit heilig voornemen ; zegen ons allen door de hand van den Priester, uw dienaar, en laat uw zegen altijd op ons rusten.

ONDER HET LAATSTE EVANGELIE.

o Jezus , eeniggeboren Zoon des Vaders , die uit den Hemel zijt nedergedaald om ons den weg daarheen te too-nen: ik aanbid U met den diepsten eerbied ; in V alleen stel ik al mijn vertrouwen; ik hoop vastelijk dat; Gij, mijn God ! menseh geworden voor het heil der mensehen, mij de noodige genade zult schenken om op deze wereld mijne zaligheid te bewerken en U eens in alle eeuwigheid te bezitten in den hemel. Amen.

-ocr page 511-

T)T: TT. MTP. 101

GEBEDEN NA T)l^ TT. MIS.

( Voorgeachreveu en met een allaat van .\'{(10 dagen verrijkt door Z. 11. Paus Leo XITI, (i Januari 188-1)

Driemaal liet Wees fjeriroet, Maria.

Daarna :

Wees gegroet, o Koningin, Moeder van barmliartigheid! ons leven , lioop en zoetiglieid, wees gegroet!

Tot U roepen wij, verbannen kinderen Kva\'s ; tot U smeeken wij zuchtend en weenend in dit tranendal.

Welaan dan, onze Voorspreekster, wend tot ons uwe zoo barmhartige oogen, en toon ons na deze ballingschap de gezegende vrucht nws lichaams, Jezus.

o Goedertieren , o meedoogende, o zoete Maagd Maria !

v. 13id voor ons , H. Moeder Gods.

R. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.

LAAT ONS BIDDEN.

o God! onze toevlucht en kracht, ver-

-ocr page 512-

GEBEDEN ONDER DE TT.. IVTIP.

-192

lioüi- de vrome gebeden Uwer Kerk, en geei dat wij door de voorspraak van de roemrijke en Onbevlekte Maagd Maria , van den If. Jozef, van uwe J[. Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen, metterdaad \\ .rk rijgen mogen, betgeen wij in de tegenwoordige beboelien neder if vragen. Hoor denzelfden Christus onzen Heer. Amen.

-ocr page 513-

amp;. it it m ij j t it it.

VAN DIE HOOFDSTUKKEN , WF.LKE \'? MEEST GEÊIUEND SCHIJNEN OM LICHT EN TROOST ! IE OEVEN IN VERSCHEIDEN STANDEN EN BEHOEFTEN DES LEVENS.

Voor Uecstelijkeu.

Boek [ HoolVlstuk IS. 11). 20. 21. 25.

quot;II \' I 1. 12.

■ iti ;i. lu. 3i. rgt;ü.

quot; IV quot; 5. 7. 10. II. 12. 18. |

Vixir stiKlciitni.

Uoi\'k 1 Hoofdstuk 1. 2. 3.

quot; Hl » 3. 38. 3(1. 11. 13.

14. -i.\'i. 17.

quot; IV » 18.

Voor gflilvnifililigc zielen.

ISoek I Hoofdstuk 15. 18. 1(1. 20. 21.

22. 25.

quot;II quot; 1.1.7.8.(1.11.12. quot; UI quot; 5. ü. 7. I 1. 27. 31.

32. 33. 53 — 56.

-ocr page 514-

lO l A ANWF.TZTNr.

Voor lit1 ilroi1 l\'tli\'li eu lijdemleu.

Boek T 11 iiüiVlst uk 12.

. ÏT - 11. 12.

m » 12. 15 — 21. 29.

.■?U. 35. 11. 17 —

50. 52. 55. 5(1.

In bekoi\'ingon.

Boek T Ifooi\'dstuk 13.

„ ii » y.

Voor sterk lii\'iirocfilcii. luwoiiillg gekwrl-deii.

Boek II 1 lool\'datuk 3. 1). II. 12. „ III » li. 7. 12. Ui — 21.

3U. 35. 37. 17 —

52. 55. 5li.

Voor Ipovciiiuate bczorgdeu omtrent ile toekomst.

Boek III Hoofdstuk 39.

Tegen verstrooiingen.

Boek I Hoofdatuk l i. 21 -21. II IU. 12.

„ m „ U. 27. 33. 38. 45. 53. 55.

-ocr page 515-

AAirwiJziire.

Voor gelasterilcn.

Boek TT lloofilutiik 2.

- rrr ,, «. n. 2«. 36. ie.

Voor lauwcn cn raocdloozen.

Book f Hoofdstuk 18. 21. 22. 25. » TI » 10. 11. 12.

rrr » 3.6.27.30.35.37. 54.55. 57.

Voor verharde gemoederen.

Boek I Hoofdstuk 23. 24. » UI » 14. 55.

Voor uleuwbekeerdeu.

Bock T Hoofdstuk 18. 25. quot; TT . 1. » ITT » 6. 7. 23. 25. 26. 27.

33. 37. 52. 54. 55.

Voor eigeuziunigcn en onvolgzaraen.

Book T Hoofdstuk 9.

TTT » 13. 32. 44.

Voor ongednldigen.

Boek TIT Hoofdstuk 15 — 19.

sz

495

-ocr page 516-

AAXWUZIIfS.

Togen Iiuogmued tu zelfznrhl.

Boek I Hoofdstult 7. 14.

„ rr » ii.

„ in » 7. 8. 9. II. 13. 11. 40. 52.

Voor praatzieke ineimhen.

Boek I Hoofdstuk 10.

„ TTT - 24. 44. 45.

Voor die den siilinter beschoHweu in iicl oog Tan anderen, maar den balk in het linnné niet zien.

Boek I Hoofdstuk 11. 14. 10. TT » 5.

Voor lien die een verkeerd hegriv liebben van de ware vroomlieid.

Boek ITT Hoofdstuk 4. 6. 7.

Voor die te veel waarde liec iiten aan de Triendschap der menFchen.

Book I Hoofdstuk 8. 10. „ TT » 7. 8.

TTT » 32. 42. 45.

Voor i.jTerzuclitigen.

Book 1 IT Hoofdstuk 22. 11.

496

-ocr page 517-

AANWIJZING.

Om den inwendigen vrede Ie erlangen.

Boek l Hoofdstuk 0. 11. . [| // 3.

-/ III quot; 7. 23. 25. 38.

Goboden tot verscheiden doeleinden.

E. Hst. Afd. Crobcd om Gods bijstand. TTT 3. li - 7. Om do liefde tot God . Ill l. 2. 2. ti. Om ootmoedigheid en

dankbaarheid . . . TTt 8. Feestelijk dankgebed. . Ill 10. Ootmoedige bekentenis

van eigen geringheid. IIT 14. Kinderlijke overgeving

aan Gods wil . . .III 15.

IIT 17.

Gebed om de genade van

geduld en lijdzaamheid. IIT 18. 2.

III 19. 5.

Feestelijk lofgebed en ootmoedige dankzegging. III 21.

497

-ocr page 518-

AAKWIJZOG.

498

■R. TTst. Afd.

Gebed tegen boozc gedachten......

Gebed om verlichting des barton......

I I i; 23. (J - S,

Gebed om ontliccbting aan de seliepsclen en om kracht tot weerstand aan de zondige neigingen der verdorven natuur . . . . IEI 20.

nr 55.

Gebed om bcmelscbe

wijsheid.....TFf 27. 1-5.

Gebed in zware beproevingen ......m 29.

Gebed om volmaakte

liefde tot God . . . TXT 31.

ITT 50.

Gebed, als men gelasterd wordt . . . . TTT 16. 5.

1 Gebed om zijn roep als Christen getrouw te blijven . . . . . . TIT 5G. 3-5.

! Gebed om vertrouwen

en Gods bescherming. ITT 59.

Ill 23. 5.

-ocr page 519-

AAXWT.TZlNTr.

\'s Morgens leze men V een of ander van

I Book I Hoofdstuk Hi. IS. II 2.

UI // 3. 19. -22. 2li. IV \' 9. Aid. 2-0. \'x A ronds.

Boek 111 Hoofdstuk Aid. 1 - S.

21. 1-3.

1.\'). - 1.

Op Zon- »l\' Feestdagen gediireude of builen den heiligen IMens!

III Hoofilstuk

21.

nr

22.

in

2.

ii r

in

?, 1.

rv

8.

rv

9.

IV

17.

ui

48.

[i

8.

ui

15.

in

17.

-ocr page 520-

500 A ANWItTZINO.

Boek III Hoofdstuk 27. TTT » 37.

Viioi\' de ( itllnitii nie.

Boek It! Hoofdstuk 5. S. 14. 40. . IY 1. 2. S. 4. (i 12. 1 1. 15

52 7. 17.

10.

IS.

Na tie Cuiuniuuie.

Vt

» IV - 5. S. •). 11.

13.

1«.

-----

-ocr page 521-

INHOUD.

Nuttige lessen voor hef (feestelijk leven.

Hoofdstuk. Bladzijde.

1. Over de navolgiug van Chris

tus en de verachting van alle wereldsche ijdelheden. 1

2. Over de geringachting van

zichzelven.......4

3. Over de leer der waarheid . 7 1. Over een voorzichtig gedrag. 13 5. Over het lezen der H. Schrift. 1 5 (gt;. Over de ongeregelde hartstochten .......17

7. Vlucht de ijdele hoop en den

hoogmoed.......19

8. Over eene te groote gemeen

zaamheid .......21

9. Over de gehoorzaamheid en

onderwerping.....23

10. Over het vermijden van nut-

telooze gesprekken . . . . 25

-ocr page 522-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde.

11 Over de middelen tot vrede,

eu den ijver tot voortgang. 27

12 Over het uut der tegenspoe

den .........31

13. Over liet weerstaan der be-

bekoringen.......33

14 Over de lichtvaardige oordeel

vellingen .......38

15 Over de werken uit liefde

verricht........41

1G. Over het verdragen der gebreken van anderen.....43

17 Over het kloosterleven ... 46

18. Over het voorbeeld der hei

lige Vaders......48

19. Over de oefeningen van den waren kloosterling......52

20. Over de liefde tot eenzaam

heid en stilzwijgendheid . . 58

21. Over het berouw des harten. 64

22. Beschouwing der menschelijke

ellende........68

23. Overdenking des doods . . . 74

24. Over het oordeel en de straf

fen der zonden.....80

502

-ocr page 523-

i. is-ho cd.

Hoopdstttk. Bla.dzi.7DE.

25. Over do ijverige verbetering

onzes levens......87

^aek.

Vermaninfien tot hef iniuendlq leven.

I. Over den omgang met zichzel-

2. Over de nederige onderwer

ping .........105

3. De goede vreedzame mensch. . 103

4. Over de reinheid des harten

en eenvoudigheid in bedoeling .........11^

5. Over de beschouwing van zich-

zelven........113

6. Over de vreugde van een goed

geweten........116

7. Over de alles overtreffende lief

de tot Jezus......11?

8. Over den vertrouwelijken om

gang met Jezus.....1--

Ó03

-ocr page 524-

504

Hoofdstuk. Bladzijde.

9. Over het missen van allen

troost........] 2ti

30. Over de dankbaarheid voorde

genade Gods......133

13. Over de weinige vrienden van

Jezus\' Kruis......137

I 2. Over den koninklijken weg des

heiligen kruises.....141

Van den inwendigen troost.

1. Over liet inwendig onderhoud

van Christus met de geloo-vige ziel........155

2. De Waarheid spreekt in ons

zonder geluid van woorden . 157

3. Het woord Gods moet met

ootmoed gehoord worden; velen nemen het niet. ter harte.........100

4. Mee moet in waarheid en oot

moed voor God wandelen . Iü5

-ocr page 525-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde.

5. Over de wonderbare werking

der goddelijke liefde . . .11)9 (i. Over den toetssteen der ware

liefde.........17\'»

7. Dut men de genade onder de

hoede der nederigheid moet verbergen.......179

8. Hoe gering men zich moet ach

ten in het oog van God . .184

9. Dat men alles tot God, als

het laatste einde moet terugbrengen........ 1S7

10. Hoe genoeglijk het zij, met

verachting der wereld, God te dienen.......190

11. Dat men de begeerten zijns

harten moet toetsen en matigen . . .......194

12. Over het oefenen der lijdzaam

heid en het bestrijden der kwade lusten......197

13. Over de gehoorzaamheid van

een nederig onderhoorige,

naar het voorbeeld van Jezus Christus.......201

-ocr page 526-

INHOUD.

Hoojj\'Dstuic. Bladzijde.

H. De overweging vau de verborgen oordeel en Gods, een middel tegen zelfverheffing . . 20 4 IHoe men zich bij al het wen-sehelijke moet gedragen, en hoe men moet bidden. . .207 10. Dat men bij God alleen waren

troost moet zoeken. . . .210

17. Dat men alle zorg op God moet

werpen........213

18. Dal men de rampen des levens,

naar bet voorbeeld van Christus , met gelijkmoedigheid

moet dragen......215

lï). Over het verdragen van smaad.

De ware geduldige . . . .219 20. Over do bekentenis van eigene zwakheid en over de rampen des levens.......222

21. Dat men in God boven alle goe

deren en gaven moet rusten. 226

22. Over het gedenken van Gods

menigvuldige weldaden . . 232

23. De vier dingen die den vrede

grootelijks bevorderen. . . 236

-ocr page 527-

INHOUD.

Hoopdsttjk. Bladzijde.

2-1. Dat men moet vermijdeu naar eens auders gedrag nieuwsgierig te onderzoeken . . . 210 25. Waarin de duurzame vrede des harten en de ware voortgang

bestaan........2 12

20. Over de liooge waarde van een vrij gemoed, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door veel

lezen.........2-16

27. Dat de eigenliefde van het hoogste goed ten sterkste

aftrekt........249

2b. Tegen kwaadsprekende tongen. 253

29. Hoe men in wederwaardighe

den Crod moet aanroepen en zegenen........255

30. Dat men Gods hulp moet aJ-

smeeken en op de wederkomst der genade vertrouwen .........257

31. Om den Schepper te kunnen

vinden , moet men alle schepsel laten varen.....2Ö2

-ocr page 528-

T X TT O F V.

Hoofdstuk. Bladzijde.

32. Over de zelfverloochening en

verzaking van alle begeerlijkheid ........20 7

33. Over de onstandvastigheid des

harten, en dat Grod onze laatste bedoeling moet zijn . 270

34. De waie minnaar vindt bij alles

en boven alles in Grod zijn

genoegen.......272

5. Dat men in dit leven niet veilig is voor de bekoringen . 27ü (gt;. Tegen de ijdele beoordeelingen

der mensehen. . . . .279 7. Over den zuiveren en geheelen afstand van zichzelven om de vrijheid des harten te bekomen 282

38. Over een goed bestuur in het

uitwendige en hoe men in gevaren zich tot Grod moet begeven........285

39. Dat men zich over zijne zaken

niet mag kwellen .... 287 lü. Dat de mensch uit zichzelven niets goeds heeft en over niets kan roemen .... 289

-ocr page 529-

t tt u o f p.

Hoofdstuk. Bladzijde.

11. Over de versmading van alle

tijdelijke eer......293

42. Dat men zijnen vrede niet bij

de menschen moet zoeken . 29.\'i ■1.3. Tegen de ij dele wetenscliap der

wereld........29S

-1-1. Dat men zich het uitwendige

niet moet aantrekken . . . 301 •I\'». Dat men niet aan allen geloof mag geven; en over het licht struikelen in woorden. . . 303 1(». Dat men bij scherpe woorden

op Grod moet vertrouwen. . 308 17. Dat men alle lijden om het eeuwige leven moet verdragen . . ......313

IS. Over den dag der eeuwigheid

en de ellenden van dit leven. 31G •19. Over het verlangen naar het eeuwige leven; en hoe groote goederen den strijders beloofd zijn . . . .. . . .322 50. Hoe de troostelooze mensch zich in Gods hand moet overgeven ........329

-ocr page 530-

510 • iKHori»-

51. Dut men zich op geringer werken moet toeleggen als men in verhevener to kort

schiet........335

.\'»2. Men achte zich geen troost .

maar eer straf waardig . . 3.37 53. Pat Gods genade niet bestaanbaar is met aardschgeziluiheid..........311

51. Over de verschillende naigin-geu der natnur en der genade .........3 15

55. Over de verdorvenheid der na

tnur en de kracht der goddelijke genade.....352

56. Dat wij onszelven moeien ver

loochenen en Christus o|» den weg des kruises volgen . . 358

57. De mensch zij niet te neer

slachtig, wanneer hij in eeni-gen misslag valt.....302

58. Men mag geen te hooge zaken

noch de verborgen raadsbesluiten Gods onderzoeken .........360

-ocr page 531-

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde. 50. Mon moet alle hoop eu vertrouwen o]) Gud alleen stollen . . .....371

Over hel 11, Sacrameui der Altaars.

1. Vurige nilnoocligin»; lot do

lioilige Coinmnnie. — Mot wolken eerbied men Christus moet ontvangen . . . . 381

2. Over de groote goedheid en

liefde . door God in het heilig Sacrament den menseh

bewezen.......301

3. Hoe nuttig het is dikwijls te

oommuniceeren.....306

I Over do groote voordeelen aan oene godvruchtige Communie verbonden.....-101

5. Over de waardigheid van het Sacrament en over den priesterlijken staat......406

511

-ocr page 532-

inhoud.

512

Hoofdstuk.

0. Oiwlorvraginjr naar oenc oefening voordo H. Communie. 110 7. Over hel onderzoek des gewetens en het voornemen ter

verbetering.

S. Over de opoffering van Christus aan het kruis en de opoffering van zichzelven . .416 0. Dat wij ons en al het onze moeten opofferen en voor allen bidden.......418

10 Dat men de heilige Communie

niet licht moet achterlaten. 423

11. Dat het Lichaam van Christus

en de heilige Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn . . . . 420

12. Dat degene die communicee-

ren wil , zich met groote vlijt moet voorbereiden . .43(3

13. Dat eene godvruchtige ziel van

ganscher harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus in het Sacrament . 440

14. Over het vurig verlangen van

Bladzijde.

li I

-ocr page 533-

513

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde.

sormnigc godvrucht,igcn naar liet Licliaam van Christus . 14 1

15. Dal do genade der godsvrucht

door ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt. . 4-17

16. Dat wij onze behoeften aan

Christus moeten blootleggen en zijne genade afsmeeken . 450

17. Over de gloeiende liefde en

brandende begeerte om Christus te ontvangen.....453

18. Dat de mensch aangaande het

Sacrament niet nieuwsgierig mag onderzoeken, maar dat hij Christus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan liet heilig geloof onderwerpen .........\'158

-ocr page 534-

INHOUD.

gUiuljauöamp;tfl,

Morgenoefening.......465

Litanie van den IF. Naam Jesus . 168

Avoncloefening........172

Litanie lot de H. Maagd . . . . 175

Grebeden onder de II. Mis. . . . 179 Aanwijzing van uitgezochte plaatsen . \'t meest geëigend voor bijzondere standen en beboeften

dos levens........J9l

514

-ocr page 535-
-ocr page 536-
-ocr page 537-