-ocr page 1-

1 \' (fir /w 7quot;^

f , r \' • \' ^ ^ ■ vV \'-v - \' }\'\\ ■\'

Z. M. KONING WILLEM III,

op het feest van 12 MEI 1889, in Brussel, \'sYqrsten Geboortestad, f -jr

(lElEr.BHEinSTOËSI\'RAKEK HET HISTORISCHE mnMIItt.

AANGEBODEN

DOOR

ART PIJN ACKER HORDIJK,

pred. hij de Nederl. Evang. Kerk

TE

BRUSSEL.

Uitgegeven ten ?oor(lcele der Nederlandwhe fereeniging ïan Weldadigheid te Brussel.

UTRECH T,

KEMINK amp; ZOON. (Over de Domkerk). 1-889. ,

-ocr page 2-
-ocr page 3-

Z. M. KONING WILLEM III,

op het feest van 12 MEI 1889, in Brussel, \'s Vorsten Geboortestad, herdacht.

GELEMEIDSTOESPm MET HISTORISCHE HERllERMN.

AANGEBODEN

DOOR

ART PTJMCKEB, HORDIJK,

pred. hij de Nederl, Evang. Kerk

TE

BRUSS EL.

Uitgegeven ten Yoordeele der Nederlandsclie ïereeniging ïan Weldadigheid te Brussel,

U T li E C H T ,

KEM1NK amp; ZOON. (Over (te Domkerk). 1889.

-ocr page 4-

VREEST GOD; EERT DEN KONING.

I Pctr. -2 : 17b.

-ocr page 5-

AAN ZIJNE EXCELLENTIE, DEN HEERE BARON GERICKE VAN HERWIJNEN,

Gezant van Zijne Majesteit den Koning- der Nederlanden, Eerevoorzitter der Nederlandsehe Vereeniging- van Weldadigheid en der Nederlandsehe Club te Brussel, den trouwen raadsman van alle Nederlanders in België en inzonderheid in deze stad, wordt dit, onder Z. E. hooge bescherming uitgegeven geschrift

EERBIEDIG OPGEDRAGEN

DOOB

(Ion Sriii\'iivci\'.

-ocr page 6-

INHOUD.

Inleiding.................bl. 5.

Rede op het Koningsfeest..............13.

Aanteekeningen...............* 32.

Adres van hulde.................39.

Aanteekeningen...................46.

Dooprede.....................53.

Aanteekeningen................

-ocr page 7-

INLEIDING.

De 12de Mei van dit jaar zal voor alle Nederlanders onvergetelijk blijven, omdat zij op dien dag de veertigjarige, rijk gezegende en hoogst gelukkige regeering hebben mogen gedenken van Z. M. Willem III, hunnen geëerbiedigden en geliefden koning, die, door Gods goedheid uit eene hoogst ernstige ziekte opgericht, de eerste mocht zijn om zijn volk voor te gaan, niet alleen in een rechtmatig feestelijke, maar ook in een innig dankbare stemming.

De Nederlanders van over de grenzen en inzonderheid zij, die in België\'s schoone hoofdstad woonachtig zijn, bleven niet achter. Wel is alles plotseling opgekomen, daar wij ons door de gevaarlijke krankheid des konings veeleer iets zeer droevigs dan iets zeer verblijdends hadden voorgesteld, maar onze hoop is niet beschaamd geworden en de oogenblikke-lijke uiting van ons hart kon des te treffender wezen, naarmate alles minder langdurig en kunstmatig was voorbereid. Onze geachte stadgenoot de heer de Famars Testas handelde in aller geest, door Z E. den gezant des konings te verzekeren van aller steun, in geval de gewichtige gedenkdag zou worden gevierd en Z. E. nam terstond doeltreffende maatregelen om alles wel te doen slagen. Steller dezer regelen werd met de heeren Testas en Söhngen, president der Ned. Vereeniging van Weldadigheid te dezer stede en Wesly, als vertegenwoordiger der pers, waardoor tevens ver-

-ocr page 8-

6

schillende gezindheden vereenigd waren, door Z. E. den gezant in eene Commissie benoemd, om een adres van hulde en gehechtheid namens alle in Brussel wonende Nederlanders aan Z. M. in gereedheid te brengen. Het door mij op ver-eerend verzoek van Z. E ontworpen geschrift mocht aller instemming en goedkeuring wegdragen en den 12de11 Mei lag het, door den kalligraaf Rooman en den boekbinder Schavye tot een kunststuk herschapen en door den gezant aan alle aanwezigen voorgelezen, in de salons van Z. E., des avonds, op de openbare receptie, voor alle Nederlanders ter teekening.

Een tweede verzoek door Z. E. mij gedaan was niet minder vereerend. Z. E. wenschte eene godsdienstige wijding aan het feest van Zondag 12 Mei te geven en ook dat is tot aller bevrediging- geschied. De Nederlandsche Evangelische kerk op de Katharinaplaats zag eene aanzienlijke schare samen stroomen en was tot aller verrassing schoon en smaakvol versierd.

Maar wij willen hier liever in zijn geheel het verslag laten volgen, dat de correspondent der Nieuwe Rotterdamsche Courant zoo vriendelijk geweest is even welwillend als breedvoerig, den belangstellenden en Oranjelievenden in het Vaderland aan te bieden.

„Dank zij de ijverige bemoeiingen, zoowel van \'s Konings gezant, baron Gericke van Herwijnen, als van de Nederlandsche Vereeniging van weldadigheid te dezer stede, hebben niet alleen de welgestelde, maar ook de minder met aard-sche goederen gezegende, alhier woonachtige Nederlanders den dag van lieden met een opgetogen hart kunnen vieren.

Een Reuter-telegram in uw blad van heden opgenomen, noodzaakt mij hier eene minder juiste, daarin voorkomende, zinsnede te verbeteren, waarin sprake is van „een schitterend feest dat aangeboden wordt aan de Nederlandsche onderdanen in België.quot; Dat aan honderd behoeftige Nederlanders op kosten der Nederlandsche Vereeniging van weldadigheid een voor hunne positie voorzeker rijkelijk maal verschaft werd,

-ocr page 9-

kan toch niet een „den Nerlerlandschen onderdanen in België aangeboden schitterend foestquot; heeten.

Doch ter zake. Heden ochtend dan was de op het Katharina-plein gelegen Nederlandsche Evangelische kerk, — die, evenals een aantal particuliere gebouwen, met de Hollandsche driekleur en oranjestrik aan den voorgevel prijkte, — te klein om het aantal Nederlanders, meest allen inet oranjelinten, kokarden of lintjes getooid, te bevatten. Eene oranjedraperie slingerde zich op een achtergrond van rood fluweel met goudfranje omzoomd, langs de geheele galerij der bovenverdieping, en loste zich, als het ware, aan beide zijden van den kansel in de nationale driekleur op. De eereplaatsen, aan den rechterkant van het preekgestoelte, waren ingenomen door Zr. Ms. gezant baron Gericke van Herwijnen, in staatsieuniform met het Grootkruis der Orde van den Nederlandschen Leeuw: door de echtgenoote van den gezant, en door baron Osy van Zegwaard, kamerheer van Z. M., eveneens in gala-uniform en met de teekenen van zijnen rang; daarop volgden de jonkheeren van Weede, secretaris en van Lennep, attaché, alsook de heer van Stralen, kanselier bij de Nederlandsche legatie, alle insgelijks in ceremonieuniform; de heer Everts consul der Nederlanden; de gezant van Zweden en Noorwegen, de heer de Burenstam, bij de Nederlandsche en Belgische hoven geaccrediteerd, enz. enz.

Ter linkerzijde zaten de voorzitters en eenige leden der „Nederlandsche Vereeniging van weldadigheidquot; en der „Nederlandsche Club,quot; enz enz.

In eene van innige vorsten- en vaderlandsliefde tintelende leerrede herdacht ds. Pijnacker Hordijk de feiten en oorzaken, die het huis van Oranje aan het Nederlandsche volk en het volk aan zijn vorstenstam zoo vast en voortdurend verbonden hebben. Hij herinnerde aan de jaren van geluk, die Nederland onder het bestuur van zijnen tegenwoordigen vorst heeft mogen smaken, en tevens aan de stormen, die den stam van Oranje in de laatste jaren zoozeer geteisterd hebben. Met een gebed voor het behoud van Z. M. en het

-ocr page 10-

8

door het orgel aangeheven Wilhelmus en Wien Neerlands bloed, door alle aanwezigen meegezongen, liep de plechtigheid ten einde.

Te één uur had het feestmaal plaats, dat aan een honderdtal behoeftige Nederlanders — zoowel mannen en vrouwen als kinderen — in de volkskeukens der Sociclé cooperative aliment aire , gelegen in de benedenverdiepingen van de fonda-raentale gebouwen der Colonne du Congres, verstrekt werd. Nadat de gasten aan de drie rijen tafels hadden plaats genomen, werden zij toegesproken door den heer Söhngen, voorzitter der Nederl. Vereeniging van weldadigheid, die hen in weinige doch klare bewoordigingen de beteekenis van den huidigen dag blootlegde.

Omstreeks het midden van het maal verscheen de gezant, vergezeld van zijne echtgenoote, te midden der gasten, die hen met een krachtig Wien Neerlands bloed, verwelkomden. Geruimen tijd verbleef hij daar, onderhield zich op zijne hem eigene innemende wijze met de aan tafel zittende personen, waarna bij zijn vertrek, een luidkeels en eenstemmig herhaald: Leve de Gezant! weerklonk.

Te drie uur was het volksmaal, na het dessert, bestaande uit sigaren, suikergoed en chinaasappels, ten einde, en ontvingen allen bij het verlaten van het lokaal van de Ne-derlandsche Vereeniging van Weldadigheid een halven frank om de feestvreugde iets langer te rekken.

De receptie in het gezantschapshotel nam heden avond omstreeks half negen een aanvang. In eene der eerste zalen prijkte, omgeven van tal van ruikers on van a giorno stralend kaarsenlicht, de beeltenis van Koning Willem en die van Koningin Emma. Onder de vriendelijkste voorkomendheid namen de baron Gericke van Herwijnen en zijne gemalin de honneurs waar. Z. Exc. droeg heden avond de versierselen van Grootkruis van den Leeuw van Nassau. Onder het steeds aangroeiende getal bezoekers, die de vier zalen der gelijkvloersverdieping weldra vulden, bevonden zich ook eenige niet-Nederlanders, als de prins van Aremberg, die den band

-ocr page 11-

9

van Grootkruis van den Leeuw van Nassau droeg; de graaf de Lannoy, grootmeester van het huis der Belgische Koningin; de Zweedsche gezant, en meer andere hooge waardigheids-bekleeders.

In een der nevenvertrekken lag het voor Z. M. den Koning bestemde adres, in keurigen band gehecht, ter onderteekening voor de binnentredenden open. L\'e handteekeningen vulden nu in weinig tijds de verschillende daartoe opengelaten vellen, waarna de gezant voorlezing gaf van het adres. De slotwoorden: Leve de Koning! Oranje boven! werden met geestdrift herhaald en toegejuicht. Nog menige dronk op den Koning werd en petit comité gedronken, totdat men van den gastheer en diens vriendelijke gade afscheid nam.quot;

Veel heb ik hier niet bij te voegen. Met dankbaarheid denk ik aan dien feestelijken dag terug. De taak om eene zoo aanzienlijke en gemengde vergadering te boeien, was wel niet gemakkelijk, doch wie zou toen niet hebben kunnen spreken I Kleurloos kon ik op een Oranjefeest niet zijn, al hield ik ook de treffende woorden van Beets in het geheugen;

Kleurloos en kleurloos is twee.

Het licht is wit; kleur is op weg naar \'t duister;

Hoog rood is donker rood; diep blauw is donker blauw;

Het kleurloos wit is schoon door reinheid, glans eu luister.

Godsdienstloos, en dan voorganger bij een godsdienstoefening, kon ik evenmin wezen; de Vaderlandsche historie in haar hartader wonden, zou\' zelfmoord zijn geweest; het heeft mij mogen gelukken Roomschen, Israëlieten en Protestanten, Hollanders en Vlamingen, gelijkelijk te stichten, terwijl mij, bij monde van den heer de Jager, voorzitter der Nederlandsche club, om de uitgaaf van mijn handschrift, ten voordeele der Nederlandsche Vereeniging van Weldadigheid te dezer stede, werd gevraagd. Z. E. de gezant gaf evenwel zijn verlangen te kennen, om bij de preek ook het door mij gestelde adres, en de dooppreek, nu 72 jaren geleden door den hofprediker Krieger uitgesproken, te voegen

-ocr page 12-

10

en alles, tot een bundel vereenigd, als souvenir aan 12 Mei 1889 uit te geven. De heer de Jager wilde mij hierin ter-wille zijn. Ik zelf ging gaarne op dat plan in en belastte mij terstond met het opstellen eener Inleiding, terwijl ik tevens gelegenheid vond eenige ophelderende aanteekeningen bij de verschillende stukken te voegen, wier lezing ik aanbeveel aan allen, die den koning eerbiedigen en die misschien niet in bijzonderheden zoo alles weten, van hetgeen inzonderheid met de eerste Brusselsche levensjaren van Z. M. an betrekking staat.

Z. E. baron Gericke van Herwijnen, Z1\' Ms Gezant te Brussel, onder wiens hooge bescherming dit kleine geschrift het licht ziet en die mij menige bijzonderheid meedeelde of op het spoor bracht, wilde ook de goedheid hebben de opdracht van het geheel te aanvaarden.

In mijn bezit is een niet onaardige c dlectie preeken uit vorige eeuwen, gelegenheidsredenen, betrekking hebbende op ons vorstenhuis. Allen zijn Oranjelievend, sommigen ietwat opgeschroefd.

Zie hier b. v. eene preek van Gornelis Cleyn, leeraar in Jezus Hervormde Gemeente te Lekkerkerk en Zuidbroek, uitgegeven te Rotterdam bij Hermanns Kentlink en Nikolaes Smithof, Boekverkoopers. 1752.

De titel luidt:

Bijbelsch Grafschrift vau een Godvreezend Oostersch Prins.

Uit het boek van Job. Hoofdstuk l\'J; 25, 2(J, 27.

Op Zijn Doorluchtige Hoogheidt Wilhem, Karei, Henrik, Friso. Prins van Orange en Nassauw. Erfstadhouder. Opperveldheer en Opperzeevoogdt. Van elk der zeeven vereenigde Nederlanden, en van de Unie, enz. enz. enz.

De redenaar herinnert o. a.: .,Bij den Romeinschen Geschiedschrijver Jul. Caesar, vindt men gewag van twee broeders, Nasua en Cimberius, Oversten der Zwaben, zamenspannende om hunne vrijheidt teegen de Waereldtdwingende llomeinen eadelmoedig te handhaven. Een inborst, die aan de Nas-sauwers, altoos wars van snode dwingelanuye, zeekerlijk eigen

-ocr page 13-

11

is. Maar zoo zeker is bet niet, dat deze vorsten, dewijl Nasua en Nassau eenigzins gelijkluidende zijn, uit dien Nasua zouden gesproten wezen; want zoo de overeenstemming van woordenklanken genoegzaam zij, om een Huis oudt te maken, dan zou ik vrij wat hooger klimmen, en komen tot Matth. 1:4: Naasson. Dosh ik ben overtuigt, dat hij, die den jnins met zulk een geslachtlijst ware voorgekomen, buiten twijfel deszelfs Vorstelijke verontwaardiging, over zoodanige pluimstrijkende kittelingen zou hebben ondervonden.quot;

Wij gelooven niet dat wij ons aan overdrijvingen hebben schuldig gemaakt. Maar zoo er iets goeds, iets warms in ons geschrift moge gevonden worden, dan danken wij dat inzonderheid aan dien frisschen, bezielenden en geleerden, vroegeren rector van het Gymnasium te \'s Gravenhage, Dr. L. R. Beynen, die ook vorstelijke personen onderwezen heeft, wiens leerling wij het voorrecht hadden te zijn, en die, ook door zijne lessen en geschriften, maar vooral door zijne onvergetelijke meditatiën en improvisatiën over kunst en vaderlandsche historie, ons hart voor al wat schoon en liefelijk is en wel luidt en niet minder voor Vaderland en Oranje, voor altijd heeft doen ontgloeien.

Gaarne hadden wij bij deze verzameling nog een lezing gevoegd, door ons onlangs gehouden over Oranje en de Zuidelijke Nederlanden. België en vooral Brussel bewaart zooveel herinneringen aan de Nassau\'s. Het voetstuk van ons beeld zou dan evenwel te groot geworden zijn en wij willen liever iets voor later bewaren. Intusschen blijven wij denken aan dat hof van Nassau te Brussel, ter plaatse waar thans het muzelim van Natuurlijke Historie zich bevindt, waar eens (zie Henne et Wauters, Histoire de Bruxelles III. p. 185) overal ter versiering de beide leuzen aangebracht waren: „tardando progredior, langzaam vooruit\'quot; en ..ce sera moi, Nassauquot;.

Reeds lang voor Willem van Oranje was Nassau in Nederland bekend en beroemd. Meer dan één Nederlandsche Nassau lag reeds in Breda begraven alvorens Willem van

-ocr page 14-

12

Oranje, „van Duitschen bloedquot;, ons gemeenebest kwam stichten en in Delft ten grave daalde, getroffen door \'t moordend lood. Hoe gaarne doorbladeren wij de geschiedrollen en gedenken wij de dagen van ouds. Thans evenwel bepalen wij ons bij onzen tegenwoordigen koning. Wij staan met eerbied bij de doopvont stil, waar wij den dierbaren naam: Willem, vervolgens de namen van twee Czaren: Alexander, Paul en daarna de oude en geliefde klanken; Frederik en Lodewijk hooren uitspreken. Wij vergeten ook dat wichtje niet, dat op den zevenden gedenkdag van Waterloo in de Nieuwe kerk te Amsterdam werd gedoopt en kort daarna in de Augustijner kerk te Brussel werd begraven, zie bl. 49 en 50. Wij roepen in onze herinnering terug, al wat er is geschied gedurende het gansche leven van onzen koning; al wat inzonderheid met Brussel in verband staat, waaide koning geboren en gedoopt werd en waar, vooral den 12den Mei van dit jaar, menige bede omhoog steeg voor den erfgenaam van zooveel roems en den drager van zulk een dierbaren naam.

Wij smeeken van uw Vaderhand,

Met diep geroerde borst,

Behoud voor \'tlieve Vaderland,

Voor Vaderland en Vorst.

Uit: „ fVien Neerlandsch Bloed.quot;

-ocr page 15-

LOOF DEN HEEEE, MIJNE ZIEL!

KERKREDE,

uitgesproken OP HET FEEST VAJST 13 MET 18R9.

dook

A. PIJN ACKER HORDIJK,

predikant te Brussel.

---ooooo-

Kerkgebouw. — Katharinaplaats 5.

Adres van den Predikant. — 12 Apostelenstraat 30.

-ocr page 16-

Loof den Heer! Wanneer gij alzoo spreekt, dan uit gij eenen Christelijken toon, al staan die woorden in het Oude Testament, want ook het Oude Testament heeft Christus tot inhoud

Loof den Heer! dat wil evenmin zeggen: loof U zeiven als loof de onbekende godheid, die gij de rede of ook wel het opperste wezen noemt.

Louf den Heer! dat wil zeggen: loof den God der krachten, den God, die wonderen doet, den God des Verbonds, die trouwe houdt in eeuwigheid, in één woord, den God der geschiedenis.

1). Chantepie de la Saussayb.

-ocr page 17-

In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen. (I)

Genade en vrede zij allen, die den naam des Heeren Jezus aanroepen, die hun vertrouwen stellen op God, die wonderen doet. Amen.

Laat ons luisteren naar en instemmen met het lied, dat onze zangvereeniging wil aanheffen.

Prijs en aanbidding zij onzen God!

Want Hij is zeer vriendelijk,

Ver boven aard en hemel gaat Zijne goedheid en genade.

Laat ons met dank voor Zijn aanscliijn treden.

Heel Neerlands volk dankt met ons mede.

Prijs en aanbidding Zij onzen God.

God lof! De koning is hersteld! De koning der Nederlanden ! De Oranjevorst is uit eene zware en langdurige krankheid opgericht! Het is een wonder in onze oogen! Wie had het kunnen denken, durven verwachten na alles wat is voorafgegaan. Wat werden wij ontrust door de steeds ernstiger luidende berichten. Elk oogenhlik dachten wij dat de levenslamp zou worden uitgebluseht. Maar neen, er was nog pit, er was nog olie. De adem des doods bedreigde de vlam; wij vreesden dat zij zou bezwijken, Engelenwieken hebben zich beschermend over haar uitgespreid: eene biddende gemeente, die haar omringde; eene vorstelijke vrouwe, die haar beschutte; een prinselijk kind, dat den dood aanminnig te gemoet trad en ontwapende; de Vorst des Levens, die des Vorsten levensvlam voedde, en zie, zij leeft weer op;

-ocr page 18-

16

zij is rustig; zij wordt krachtig; zij begint ongedacht een helder schijnsel te spreiden, en het feest van de veertigjarige regeering des konings, dat in duisternis scheen onder te gaan, het mag toch worden gevierd, het mag te blijder worden herdacht na zulk een wonderdadig herleven.

Hoe menigmaal hebben wij gesmeekt om het leven des konings, hoe dikwijls hebben wij om uitkomst gebeden ook in het huis des gebeds. Boven bidden en denken heeft God welgedaan. Wij baden, maar onze gedachten waren dikwijls gedachten des doods. God heeft zich betoond als een God, die wonderen doet. Wat wij schier onmogelijk waanden is mogelijk gebleken, en, als wij eene wijziging zouden durven aanbrengen in een bekend volkslied van Tollens, wij zouden jubelen:

De koning leeft, de koning leeft, zoo klinken stem en snaren, \'t Is God die heden uitkomst geeft op \'t feest van veertig jaren.

Het was eene voortreffelijke gedachte, mijne hoorders, door Z. E. den gezant des konings geuit, om deze heugelijke gebeurtenis te zamen te gedenken in het huis des gebeds. (2) Het kerkgebouw onzer gemeente is wel niet ingericht voor de aanzienlijke vergadering, die wij de eer hebben heden rondom dezen kansel vereenigd te zien, maar het huis, waar wij gewoon zijn onzen God te ontmoeten, waar de Allerhoogste zoo dikwijls tot onze ziel heeft willen inkeeren, zal toch zeker geen zijner schepselen afschrikken. Het valt meê, niet waar, als gij binnen treedt; wij zijn hier onder land-genooten, zoo niet geheel, dan toch onder stam- en taal-genooten. Welnu, laat mij U in de schoone taal, waarin wij allen geboren zijn, welkom mogen heeten, aanzienlijke gasten, welkom in het midden der gemeente, welkom op dezen feestelijken dag, nu het God behaagd heeft, aan het Nederlandsche volk, dat met Paschen de Opstanding vierde, en het herleven der natuur in de lente, den koning weer te geven, die, ontrukt aan de omarming des doods, terstond

-ocr page 19-

17

zijn herkregen kracht is gaan wijden aan de belangen van zijn volk.

Verheerlijkt den Heer! verheffen wij saam Zijn liefd\' en Zijn trouw, Zijn grootheid en naam;

[lij heeft Neêrlands koning uit krankheid gered,

Gesteund veertig jaren; Hij hoort liet gebed.

Laat ons te zamen bidden en als één éénig man staande onze aangezichten wenden tot Gods troon in den hemel. (3) Almachtige en goedertierene God ea Vader! Voor wij ons onderwinden om U te danken voor Uwe groote gunst en goedheid, erkennen en belijden wij voor Uwe Goddelijke Majesteit, dat wij zondige menschen zijn, die niet waardig zijn voor Uw heilig aangezicht te verschijnen. Wij hebben gebeden voor het herstel des konings en terwijl wij baden, dikwijls getwijfeld aan Uwe macht en Uwe bereidwilligheid om ons te verhooren. Gij beschaamt ons dagelijks, Heer! Uwe gedachten zijn niet onze gedachten en Uwe wegen niet onze wegen. Uwe gedachten en wegen zijn wonderbaar! Wij danken U, dat gij ons dagelijks leeren wilt, hoe Gij dezelfde blijft, een God, die wonderen doet. Gij handelt niet met ons naar onze zonden. Gij doet niet met ons naar onze ongerechtigheden. O lieer, geef, dat er niet alleen lof op onze lippen, maar vooral dank in onze harten zij. Wil in welgevallen op ons neder zien, waar wij U om een zegen smeeken over dit ons zamen zijn. Gij kent deze gemeente; Gij weet, wie hier voor Uwen troon staan geschaard en wat wij allen behoeven. O, mocht deze gemeente, uit Noorden Zuid-Nederlanders geroepen; mocht deze zamenkomst, uit Hollanders en Vlamingen, uit Zeeuwen en Brabanters, uit personen van allerlei overtuiging en stand en land en sprake bestaande , eenigzints aanschouwelijk kunnen maken, wat voor de toekomst is weggelegd, wanneer het ééne kudde onder éénen herder zal zijn. God onzer vaderen, ontvang den dank onzer harten, voor wat Gij aan den koning van Nederland en aan zijn volk hebt gedaan. Zegen dien Vorst; laat zijn

-ocr page 20-

18

wondervol herstel aan zijn hart mogen geheiligd worden. Zegen de geliefde koningin en prinses Wilhelraina, de hoop des Vaderlands. Zegen ook den koning van België en zijn huis, eveneens zoo zwaar beproefd en nog onlangs in rouw gedompeld. Behoed Noord en Zuid gelijkelijk; bewaar Europa bij den Vrede en deel ons allen uwen go;ldelijken Vrede mede, wanneer wij hier in het huis des gebeds, zooals op dit oogen-blik, vol eerbied en ootmoed te zamen zijn. Heer onze God, laat ons naar Uwen wil, in den naam van onzen Heiland voor U verschenen, verhooring vinden mogen. Leid ons dooiden Heiligen Geest en maak deze ure tot eene feestelijke ure, tot eene ure van verheffing, van stichting en van vertroosting voer ous allen. Amen.

Laat ons te zamen zingen uit Psalm 103, het 19,6 en 2de vers. Doen wij, volgens Gods wil, niet alleen gebeden maar ook aalmoezen en geven wij onder ons zingen naar vermogen onze bijdragen voor kerk en armen.

Loof, loof den Heer, mijn ziel, met alle krachten;

Verhef Zijn\' naam, zoo groot, zoo heilig te achten:

Och, of nu al wat in mij is Hem preez\'!

Loof, loof, mijn ziel! den Hoorder der gebeden;

Vergeet nooit één van Zijn weldadigheden:

Vergeet ze niet: \'t is God die ze u bewees.

Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoe veel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van \'t verderf uw leven wil verschoonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kroonen;

Die in den nood uw Redder is geweest.

Vergunt mij dat ik de volgende verzen uit den onberijmden psalm 103 als leiddraad kieze voor onze overdenking in deze ure.

-ocr page 21-

19

Psalm 103 :1—4.

Loof den Heer, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen naam.

Loof den Heer, mijne ziel! en vergeet, geene van Zijne weldaden,

Die al uwe ongerechtigheid vergeeft,

Die al uwe krankheden geneest;

Die uw leven verlost van het verderf,

Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden.

De lOStte psalm, M. H., is ons overgeleverd als een psalm van David, van dien koning, van vvien wij lezen 2 Samuël 5:4: „Dertig jaar was David oud als hij koning werd, veertig jaren heeft hij geregeerd.quot; De koning, wiens feest wij vieren, was twee en dertig jaar oud, toen hij geroepen werd tot den troon en reeds langer dan veertig (4) jaren mochten wij Z. M. op dien troon behouden. Israëls vorst werd zwaar beproefd en rijk gezegend, Neêrlands koning niet minder. Israëls harpenaar dichtte de psalmen, Hollands koning heeft ze menigmaal kunnen hooren in de bedehuizen zijns volks, (5) want het Oostersch en Westersch Kanaan, de Israëlietische geest in die beide landen, beminde die psalmen gelijkelijk, omdat er overeenkomst was in geschiedenis, in wonderdadige uitreddingen, in goddelijke leidingen. Het Wilhelmus van Nassauwe is geheel in den psalmtoon gezet, en niets belangrijks is er in de geschiedenis dezer landen, waarvoor wij niet iets toepasselijks in het psalmboek zouden kunnen vinden. Zoo zochten wij ook heden niet te vergeefs naar een toepasselijk woord, en wat wij ü voorlazen beantwoordt geheel aan onze verwachting. David prijst den Heer voor Zijne weldaden, waarvan hij er geene wil vergeten, terwijl hij met name noemt de vergeving van al onze ongerechtigheid, de genezing van krankheden, de verlossing des levens van het verderf. Welnu, wat uit Davids hart welt en wat hij zijn volk op de lippen legt, dat gevoelen wij voor onzen koning, dat leeft in aller hart. Lof betaamt den oprechten, en als oprechte vrienden van Oranje

2*

-ocr page 22-

20

nog eenmaal God willen loven voor zijne weldaden aan vorst en volk bewezen, laten zij dan deze gelegenheid niet laten voorbijgaan, die hun zoo ongedacht wordt geschonken.quot;

De Zangvereeniging zong nu:

Heer, onze God, Gij, die de vorsten kroont,

Vader der liefde, die bij de volkren woont;

Wijsheid eu almacht verkonden berg en dalen;

Uw heerlijkheid werpt stralen Uit \'s hemels sterrenpracht!

Heer onze God, U zij lof, die land en koning spaart,

U zij lof in hemel en op aard.

Ja, U zij lof in hemel en op aard.

Loof den Ileere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is Zijnen heiligen naam.

Het eerste, wat ons treft, M. H., in de lofverheffing, die wij van Davids harpe beluisteren, is hare innigheid. Wij leven in een neutralen tijd, M. H., het gevolg van een zeker peil van beschaving. De middelmaat bemint de neutraliteit. Men heeft het naieve geloof achter zich gelaten; de meerderheid blijft een zeker scepticisme en eclecticisme de wereldwijsheid achten, slechts betrekkelijk weinigen heroveren het geloof der kindsheid in den strijd van het leven en stemmen het Thomas van Aquino toe: Halve wetenschap leidt af van God, heele wetenschap voert tot Hem terug. Niets dooft het vuur meer dan de twijfel, neutraal en warm zijn twee. Israels godsdienst is persoonlijk en daarom zoo eenig, zoo innig. Wij kunnen niet in het „hetquot; gelooven: wij kunnen alleen op „Hemquot; ons betrouwen stellen. Godsdienst boven geloofsverdeeldheid , wij begrijpen wel hoe velen, wars van confes-sioneele twisten, er toe gebracht werden om dat begeerlijk te achten, maar godsdienst onder geloofsverdeeldheid kan ons toch meer nog bekoren. Zie, voor de takken uiteengaan, de stevig gewortelde stam trekt ons aan. De oorsprong vim don (Jodsdienst nu kan nergens anders gevonden worden dan bij God, den levenden God. Godsdienst is; dienen van God.

-ocr page 23-

21

Welnu, den levenden God, waar vindt gij Dien in de oudheid anders, behalve in de aspiratiën der volkeren, dan bij Israël, het volk van het Boek. (6)

Wat een gloed in die psalmen, M. II. en wat een hart! Ja, niet ons verstand alleen, maar onze ziel, al wat binnen in ons gevoelt, schreit, liefheeft moet zijn voor den Heer. Hij moet ons nog dierbaarder zijn dan het dierbaarste dat wij op aarde van Hem ontvingen. Zijn naam moet ons boven alles heilig wezen en Zijn lof niet alleen op onze lippen maar vooral in ieders harte zijn. Eu waarom, M. H.? Omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Hij heeft ons den adem en het leven en alle dingen gegeven; Hij gaat voort ons te be-weldadigen; Hij houdt niet op ons te zegenen, Hij wordt niet moede ons te omringen met Zijne groote gunst en goedheid.

Loof den Hcere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen heiligen naam.

Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van Zijne weldaden.

Om Zijne weldaden loven wij den Heer. Niet minder dan David behooren wij tot de beweldadigden en daarom is onze lofverheffing even innig, daarom looft al wat in ons is Zijnen heiligen naam. Een der grootste weldaden ons volk bewezen, M. H., is het bezit van een vorst, van een vorst uit het huis van Oranje-Nassau en het ongestoord bezit van dien vorst gedurende veertig jaren van vrede. O God, wij loven ü en prijzen Uwen naam, omdat Gij ons volk die weldaad hebt bewezen, omdat Gij ons uit allerlei moeielijkheden gered, omdat Gij ons in allerlei tijdsomstandigheden (7) beveiligd hebt. O, dat nu onze lof ook warm, ook innig zij, M. H. Een verdeeld hart kan niet loven; geen loven zonder gelooven. Voorwaar, alleen zij, die in echt historischen zin de lijn der vaderen voortzetten, kunnen in gloed geraken op dit feest. Gelukkig wij, wanneer wij niet alleen uit de hoogte goedkeurend de geestdrift des volks gadeslaan, maar wanneer wij zeiven uit overtuiging en bezieling daarin kunnen deelnemen. Goddank, dat er, ondanks de volksverweeking door

-ocr page 24-

22

volksmisleiding nog een kern is in ons volk, nog merg is in onzen staat Zij nu, die het zuiverst de trouw aan het aloude bewai\'en, zijn de eersten, die het nieuwe kunnen verstaan en huldigen. Het echte nieuwe nu kan nooit in strijd met het ware oude zijn. God onzer vaderen, als ons volk als natie zou moeten ondergaan, laat het niet wegkwijnen door ongeloof. Heer der legerscharen geef ons onze legioenen, onze idealen weder; werp de duivelen uit ons midden uit: den drank, de ontucht, de geblaseerdheid, het nadoen van naburige volken; laten wij ons zelf mogen zijn, op eigen wieken kunnen drijven, en laat de laatste mannelijke telg van Oranje-Nassau niet sterven met een stervend volk, maar met nieuwe kracht i-egeeren over het wedergeboren vaderland.

Al wat binnen in ons is, love den Heer. Er zou weinig lof zijn, als er weinig in ons werd gevonden. Maar er zal zooveel, zooveel ziel in ons ziju, als het God gelieft in ons te verwekken. Gij weet het, bij Hem zijn de schatkameren der kracht, de voorraadschuren der liefde. God, die ons een vorstenhuis schonk, zoo edel, zoo fier, zoo oud, zoo rijk in verdienste voor het Vaderland, diezelfde God schenke den Vorst in zijnen ouderdom in dubbele mate de liefde zijner onderdanen, de hartelijke genegenheid van het gansche volk. Dat zij ook eene vergoeding voor veel, wat aan Z. M. ontviel. Voor onzen geest verrijst het beeld van den geëerbiedigden en invloedrijken Prins Frederik, van den zoo verdienstelijken en geliefden Prins Hendrik, van koningin Sophia, (8) de eerste gemalin des konings, die niet vergeten is maar voort leeft in de heugenis van \'t volk. Wij denken aan \'t sterven van \'s konings moeder Anna Paulowna, \'s konings tante Louise, \'s konings schoonzuster Amalia, \'s konings tante Marianne, en inzonderheid aan dien kroonprins, die de hoop der natie was, en wiens stoffelijk overschot, (9) uit Parijs door Brussel naar Delft gevoerd wordend, door alle Nederlanders in deze stad met tranen werd nagestaard; wij vergeten ook prins Alexander niet, noch den vroegen dood van prins Maurits (10)

-ocr page 25-

23

maar blijven allen gedachtig, dewijl ons hart aan al wat Oranje was hing. Onze liefde voor den koning zij te inniger, naarmate wij op een dag als dezen te meer ons herinneren de stormen, die boven zijn hoofd hebben gewoed, en wij verblijden ons, onze ziel looft den Heer, omdat wij weten, dat koningin Emma en prinses Wilhelmina de vreugde uitmaken van zijn hart en de hoop zijn van ons volk.

Blijde en droeve herinneringen wisselen elkander af, maaide toon des lofs en der aanbidding klinkt boven alles uit.

Loof den Heere, mijne ziel, en vergeel cjeene van Zijne weldaden.

Vergeet geene van Zijne weldaden, maar hoe is dat mogelijk, M. H. daar zij ontelbaar zijn. Laat ons er toch nog enkele noemen. Wij doen het aan de hand der geschiedenis en hebben daarbij inzonderheid het oog op onzen vorst en zijn huis.

Indien één koning, dan mag Willem III het zeggen: ik woon in het midden mijns volks. Wat een voorrecht, M. H.! Vorst en volk zijn bij ons één, evenals het hoofd met het lichaam. Van hoe weinig volken kan men dat getuigen. De eenheid en bloei eener instelling hangt af van den geest die haar bezielt. Geen instelling zoo onvergankelijk, zoo schoon als de christelijke kerk, het lichaam des Heeren. De verheerlijkte Heer is het Hoofd, die den Heiligen Geest heeft gezonden. Dezelfde Christus, die tot ons afdaalde, onze zonden op zich nam en voor ons stierf, heeft nu alle macht ontvangen, daar Hij gezeten is op den troon Gods in den hemel. Willem Hl, bij de gratie Gods koning der Nederlanden, stamt af van dat edel geslacht, dat sinds eeuwen voor ons leed en met ons streed. Als volk, als staat heeft Nederland onnoemelijk veel aan het huis van Oranje te danken. Geen volk van ouds zoo gezegend als wij. Veel hebben wij op andere volken vooruit. Wij hebben eene leuze en die leuze is geen ijdele klank. Wij hebben een vorstelijk huis en tal van helden zijn daaruit naar buiten getreden. Ook

-ocr page 26-

24

toen wij een republiek vormden was toch Oranje de band, die alles samenhield. Door Oranje werd het volk steeds geëlectriseerd. Alles hangt af van het begin, het begin van ons volk nu was eenig. Frankrijk viert thans het eeuwfeest der groote revolutie, zijn centenaire, even beroemd als berucht. Wij gedenken, sedert jaren, schier dagelijks, ons tricenten aire. (11) De geboorteacte onzer vrijheid mag door ieder worden gelezen, onze vrijheidszin was godsdienstzin tevens; steunende op den bijbel verdedigen wij de vrijheid; ziedaar ons program. Een beroemde naam, Auersperg, heeft gezegd: (12) „Archimedes zocht een punt buiten de aarde om haar op te heffen. Dit punt is Nederland in de zestiende eeuw geweest. Door den opstand van de Nederlanders zijn allen gered van Aziatische lafheid en verdooving.quot; Dat is zeker sterk, al te sterk uitgedrukt, maar verneem daarna de uitspraak van den grooten geschiedkenner Heeren, die onzen kamp tegen Spanje „moeilijker en gevaarlijker noemt, dan dien de Hellenen tegen de Perzen wonnen.quot; In de 16e en 17e eeuw hebben de Nederlanders meermalen de weegschaal van Europa\'s leven en dood in handen gehad. Steeds stond een Oranje in de bresse der vrijheid en pal tegen het streven naar de algemeene wereldmonarchie, dat verleidelijk, verbijsterend en gedurig weer opkomend streven. Willem I, saevis tranquillus in undis, rustig te midden der woedende golven, met zijne broeders en zonen tegen Spanje: Graaf Jan, de ziel der Unie; Graaf Lodewijk met de leuzen: nunc aut nunquam, nu of nooit, recuperare aut mori, herwinnen of sterven, in de vaandels geschreven en graaf Hendrik, beide gebleven op de Mookerheide; Graaf Adolf bij Heili-gerlee, van wien wij met aandoening in het Wilhelmuslied lezen en waaruit wij meteen den geest van ons vrijheidslied leeren kennen: „Graaf Adolf is gebleven, in Vriesland in den slag; zijn ziel, in \'t eeuwig leven, verwacht den jongsten dag.quot; Maurits, des Zwijgers dappere zoon bij Nieuwpoort; (13) Frederik Hendrik, de stedendwinger, met het patriaeque patrique, voor mijn vaderland en mijn vader in het hart.

-ocr page 27-

25

Willem III tegen Lodewijk XIV, niet alleen hier maa.r ook in Engeland de beschermer der Vrijheid; de prins van Oranje eerst in Spinje en daarna te Quatre Bras tegen Napoleon.

Gedurende de regeering van onzen koning hebben tal van bekwame en bezielende historieschrijvers, als Motley en Fruin de feiten van voor 300 jaren in onze herinnering teruggeroepen, terwijl wij gedurig een gewichtig feit uit den aanvang van den tachtigjarigen worstelstrijd met Spanje hebben mogen gedenken en met geestdrift hebben kunnen vieren. Heiligerlee, Brielle, Leidens ontzet; Alcmaria victrix, van Alkmaar begint de victorie. Inzonderheid de zeventiger jaren, 1572 en 1672 b. v., zijn in meer clan ééne eeuw vol van de wonderen des Allerhoogsten geweest. Het scheen een oogenblik, alsof ook 1870 ons de grootste gevaren zou aanbrengen, de Almachtige heeft ons bewaard. Zie M. H., ook al had onze koning geen hooge gestalte, toch zou zijn beeld, op het historisch voetstuk waarop het staat, een ieder in het oog moeten springen, en, gesteld dat men onzen vorst niet met zijne groote voorzaten zou kunnen meten, om der vaderen wil zouden wij hem toch nooit anders dan, bij zijn leven als geliefd, na zijnen dood als verheerlijkt ons voorstellen kunnen.

De koning heeft evenwel zelf volkomen aanspraak op onze liefde en dank. (14) Onze koning was echt constitutioneel; Z. M. bleef onbezweken aan de nu veertig jaren geleden bezworen grondwet getrouw, en volkomen stemmen wij in met wat onze hooggeachte gezant, bij gelegenheid van \'s konings zeveutigsten verjaardag, gezegd heeft; „Niet gelijk menige zijner roemrijke voorzaten behoefde Willem de Derde het oorlogszwaard te ontblooten. Vredelievend voerde hij het zwaard der gerechtigheid, beoogende \'s lands welvaart dooiden bloei van wetenschap, letteren, handel en kunst. Zulke eeuwig groenende lauweren zijn de meer bloedige verre overwaard.quot; (15)

Wat God door Oranje sinds eeuwen, wat door dezen Oranjetelg gedurende veertig jaren voor ons heeft gedaan.

-ocr page 28-

26

wij kunnen het nimmer vergeten, de heugenis leeft voort in ons hart.

De gemeente zong nu Psalm 77 : 7.

\'k Zal gedenken hoe voor dezen Ons de Heer heeft gunst bewezen;

\'k Zal de wondren gadeslaan,

Die Gij hebt van ouds gedaan;

\'k Zal naauwkeurig op uw werken En derzelver uitkomst nierken;

En, in plaats van bittre klacht,

Daarvan spreken dag en nacht.

De vergeving onzer ongerechtigheid staat in onzen psalm vooraan onder de weldaden, door God ons bewezen, M. H. En zou dat geen zeer groote weldaad zijn? Of hebben wij weinig ongerechtigheden? of geene? Zou de koning hier vrij uitgaan, of eenig hooggeplaatste of iemand van \'s konings onderdanen? O, M. H. wij zijn allen onderdanen Gods en God is de Heilige. Hoe teederder ons geweten is, en hoe grooter het licht van Gods Geest, ons geschonken, naar mate wij ons nauwkeuriger toetsen aan Zijn woord, des te meer moeten wij in schuldgevoel wegzinken, maar des te meer mag ons hart zich, ook met den koning verblijden, omdat er verzoening is aangebracht, omdat er verlossing is geschied. God was in Christus de wereld met zich zeiven verzoenende, hare zonden haar niet toerekenende. God heeft de bediening der verzoening, de verkondiging van het heerlijk evangelie aan Zijne dienaren willen toevertrouwen. Zoo bidden wij, alsof God door ons bade, laat U met God verzoenen. Danken wij God, die het leven des konings zoo wondervol spaarde en het heden der genade verlengde. Bidden wij den Heer, dat Hij onze oogen opene, opdat wij de vergiffenis van al onze schuld om Zijns heiligen naams wille, leeren beschouwen als de allerrijkste zegen die verkregen, ids de allergrootste weldaad, die door Christus ons geschonken

-ocr page 29-

27

is. Er is maar één rechtvaardige geweest en dat was Gods heilig kind Jezus, van wien God heeft getuigd; Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb. Hoort hem! Niemand zal durven beweren, dat hij als Jezus voor God kan bestaan. God echter kan met iets beneden het god-menschelijk peil geen vrede hebben. Welnu, laat Christus onze gerechtigheid zijn en laat ons in Zijnen naam tot den Vader treden. Als wij Hem aannemen, worden wij door God aangenomen. Wij worden kinderen des Allerhoogsten; wij zullen knechten des Heeren zijn, ja, mannen Gods zullen wij worden en aan niets minder dan aan mannen Gods heeft iedere eeuw, maar inzonderheid onze lichtzinnige tijd behoefte. God heeft lust tot waarheid in het binnenste. Hij kan onze harten vormen, opdat wij als priesters en profeten (16) voor Zijn aangezicht staan, en wegwijzers en aanvoerders, vorsten der volken op weg naar het hemelsch Jerusalem worden.

Die al uwe krankheden geneest, Die uw leven verlost van hel verderf, Die U kroont met goedertierenheid en barmhartigheden, zoo lezen wij verder. Zielearts is God, M. H. Wij hoorden het: Hij vergeeft al onze ongerechtigheid. Maar niet alleen voor de ziel, ook voor het kleed, haar geweven, draagt de Schepper de teederste zorg. Yaai\'t onze ziele wel, M. H, van zelf moet dat gunstig op het lichaam werken. „Een gezond hart, leest gij Spreuken 14:30, een gezond hart is het leven des vleesches, maar nijd is verrotting dei-beenderen, en vers 27: „De vreeze des Heeren is een springader des levens om af te wijken van de strikken des doods.quot; De statistiek zal het eens uitmaken, dat Gods kinderen de langstlevenden (17) zijn, tenzij zij hunne kracht verteeren in plaatsbekleedend lijden en dan sterven zij vroeg. Hoe gaarne zouden wij uitwijden, M. H., want Gods bron is vol waters en onverminderd is onze lust om te putten, maar de tijd mij gesteld dringt tot eindigen. Toch nog één ernstig woord uit de Schriften, die Vorsten en Volken gerechtigheid leeren en wijs kunnen maken tot zaligheid. 2 Chr. lö staat van koning Asa te lezen: „Asa nu werd in

-ocr page 30-

28

het 39ste jaar van zijn koninkrijk krank aan zijne voeten; tot op het hoogste toe was zijne krankheid: daartoe ook zocht hij den Heer niet in zijne krankheid, maar de medicijnmeesters. Alzoo ontsliep Asa met zijne vaderen, en hij stierf in het 41ste jaar zijner regeering.quot; O, als koning Willem en koningin Emma alleen op hunne voortreffelijke medicijnmeesters vertrouwd hadden, zij hadden alle hoop opgegeven, want het leven des konings was opgegeven, opgegeven — maar niet door God, die des konings adem onderhield en de ziekte beval te wijken. Vertrouw op God, o koning, zoo roepen wij eerbiedig met de hand op den geopenden bijbel, Hij is het vertrouwen van koningen waard en koninklijke zielen hebben Hem dan ook steeds vertrouwen geschonken. Vorstelijk mild handelt God, Hij geneest al onze krankheden en vergeeft al onze schuld. Vertrouw op God, o koning, Hij heeft uw leven verlost van het verderf, Hij heeft u van den oever des doods wedergebracht, uit de kaken des grafs u bevrijd; Hij heeft u eerst twee en dertig en daarna veertig jaren gedragen en u gekroond met goedertierenheid en barmhartigheden. Hij zal u verder nabij zijn en, blijft Gij u aan Zijne Majesteit toevertrouwen, dan dragen Zijne eeuwige armen u over graf en doo.1 en plaatsen u naast uwe in den Heer ontslapen vaderen op den hemelschen troon, waar de kroon uit Gods genadige hand voor eeuwig de aardsche vervange.

Edele koningin! blijf gespaard, lang gespaard voor onzen beminden koning en vorm uw vorstelijk kind tot Neêrlands koningin, dat zegt veel, tot dienstmaagd des Heeren, dat zegt meer nog, met hemelschen, dat is met den hoogsten maatstaf gemeten. Als prinses Wilhehaina eenmaal door God op den troon wordt geplaatst, dan moge zij tot die vorstinnen behooren, die hare landen onder den zegen van Boven tot den hoogsten bloei zagen geraken.

En gij, mijn dierbaar vaderland, zoet Holland, gij, met Oranje niet eens, maar meermalen, als uit duizend dooden weer opgestaan, blijf op God betrouwen, drijf op de gebeden

-ocr page 31-

29

uwer zonen als op reddingsboeien! Luctor et emergo, worstel en kom weer boven en riebt u uit eiken nieuwen nood steeds op met de woorden van een uwer grootste dichters:

Opgaan, blinken

En verzinken

Is bet lot van ieder dag,

En wij allen,

Moeten vallen

Wie zijn licht bestralen mag.

Of de kronen Luister toonen

Volken, Staten bloeiend staan.

Langer stonde

Duurt hun ronde,

Maar hun avond spoedt toch aan.

Doch de dampen

Dezer rampen,

Doch de nevels dezer nacht,

Zullen breken.

Bij \'t ontsteken

Van den dag, waarop zij wacht.

Mocht mijn lippen Dat ontglippen.

Wat mijn brekend oog hier ziet!

Mocht ik \'t zingen

En mij dringen

Door dit wemelend verschiet.

Ja, zij zullen Zich vervullen Deze tijden van geluk;

Deez ellenden Gaan volenden,

En, verpletterd wordt het juk.

-ocr page 32-

30

Holland leeft weer,

Holland streeft weer Met zijn afgelegde vlag.

Door de boorden Van het noorden Naar den ongeboren dag

Holland groeit weer,

Holland bloeit weer Hollands naam is weer hersteld;

Holland uit zijn stof verrezen Zal op nieuw ons Holland wezen,

Stervend heb ik \'t U gemeld.

Wij eindigen met een treffend bijbelwoord. Job 14: 7—9 te lezen: „Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich no\'j zal veranderen en zijn scheut niet zal ophouden; indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft, hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal eene tak maken gelijk eene plant.quot; (18)

Aan hoevele en velerlei hoornen heeft het waterrijke en houtrijke Holland dit bewaarheid gezien. God geve, het gelde ook van onzen Oranjestam. De reuk der wateren is het gebed der getrouwen, der stillen in den lande. O mochten die wateren nu eens zachtkens kabbelen, dan weer krachtig bruisen, dat zij toch nimmer ophouden te vloeien; stilstaande wateren ademen een adem des doods maar stroomende wateren geven een reuke des levens. Laat ons als een stroom aan-loopen op onzen God. O God, wij laten U niet los, tenzij Gij ons zegent. Tot wien zouden wij henengaan, Gij alleen zijt tot helpen machtig en bereid Zegen onzen geëerbie-digden vorst, zegen onze beminde vorstin, zegen onze van U gegeven prinses, spaar allen voor elkaar en voor ons. Laat ons het vorstelijk huis mogen omringen met onze gebeden, overspreid Gij dat huis met Uwe vleugelen. Zegen ons dierbaar Vaderland. Zegen ook België en deze schoone

-ocr page 33-

31

stad; zegen den koning van dit land en het gansche koninklijke huis. Zegen alles wat op Uwen zegen wacht. Amen.

Laat ons opstaan en ieder spreke aldus:

Onze Vader, die in de Hemelen zijt! Uw naam worde geheiligd! Uw Koninkrijk kome! Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op aarde! Geef ons heden ons dage-lijksch brood! En vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking maar behoed ons voor den Booze. Want U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.

Laat ons ten slotte zingen: Gezang 3: 6.

quot;Wij zegenen, o Heer! uw goedheid al den dag!

Geef, dat eeuw in eeuw uit ons lied U loven mag;

Geef, dat we bij uw komst onstrafiijk wezen mogeii!

Ontferm, ontferm U, Heer! toon ons uw mededoogen!

Op ü steunt onze hoop, o God van ons vertrouwen!

Zij worden nooit beschaamd, die op uw goedheid bouwen.

Ontvangt den zegen des Heeren.

De genade van onzen Heer Jezus Christus,

De liefde Gods des Vaders,

De gemeenschap des Heiligen Geestes

zij met onzen geëerbiedigden koning, met de geliefde koningin en de beminde prinses, met ons dierbaar Vaderland, zoo ook met dit land en deze stad, met Vorst en Volk van Noord en Zuid, met ons allen. Amen. (19)

-ocr page 34-

A ANTEEKEXI NttEN.

(1) Wij trachten tevens floor dit stuk aan onze Katholieke en Israëlietische stadgenooten eene zij het dan ook gebrekkige proeve te geven eener protestantsche godsdienstoefening.

Een goede preek is als een goed portret,

Zij kijkt U aan, waar ge U ook nederzet

heeft een hooggeschat hoogleeraar, de dichter Dr. N. Beets gezegd.

En ieder dankbaar leerling antwoordt biddende:

Mijn God, dat ik, bij \'t maken van mijn preek, daar steeds op let!

Wat wij hier wagen aan te bieden is evenwel niet zoozeer eene preek, eene leerrede, het wil meer een gelegenheidswoord, eene opwekkende toespraak zijn.

(2) Het Journal de Bruxelles (met de Indépendance, de Réforme en andere Brusselsche bladen gelijkelijk eenstemmig in welwillende beschouwing) schreef in een zeer waardeerend artikel over ons feest: „Comme les catholiques neerlandais, qui sont si nombreux a Bruxelles, ne forment malheureuse-ment pas une paroisse comme leurs coreligionnaires allemands, le service a eu lieu dans le temple protestant neerlandais.quot;

Ongetwijfeld zouden de Nederlandsche Katholieken te Brussel, indien zij een eigen kerkgebouw hadden gehad, een Te Deum hebben gevierd. Onze Koning toch was voor al zijne onderdanen dezelfde en \'s Konings Vader, toen hij den

-ocr page 35-

33

2deii Juli 1815, na de boven verwachting gezegende genezing der in den slag van Waterloo ontvangen wonde, in de Hervormde Kerk te Brussel zijn dankgebed zou opzenden tot den Allerhoogste, werd door hem vooraf met allen, die in Burgerlijk Bestuur of Militnir Gezag eenig aanzien hadden, in de Hoofdkerk dier stad een Te Deum bijgewoond. Gelijk wij weten was toen Noord- en Zuid-Nederland vereeuigd onder den scepter van Koning Willem I.

Zie Bosscha: Leven van Willem II bl 340. Wat 1830 betreft, gelijk onder alles zoo ook hier: een Christen behoort te berusten in het fait accompli.

(3) 1 Timotheüs 2:1,2 enz.

(4) Willem I, de vader des Vaderlands

regeerde

25 j.

, en

werd

51 j. oud.

Prins Maurits,

39 j.

)j

11

57 j. „

Fred. Hendrik,

22 j.

ii

11

63 j. „

Willem II,

11

3 j-

ii

11

24 j, „

Willem III,

11

30 j.

ii

11

52 j. „

Willem IV,

11

^ j-

ii

V

40 j. „

Willem V,

11

29 j.

ii

11

58 j. „

Koning Willem I,

11

27 j.

gt;7

11

71 j. „

„ Willem II,

11

8 j-

11

57

56 j. „

„ Willem III,

11

40 j.

en i

s reeds meer dan

72 j. oud.

(5) Onze Koning,

muzikaal en

ook

in

Brussel bescher-

mer van muzikale talenten, heeft, als wij ons niet vergissen, als knaap de leiding genoten van de voortreffelijke Malibran.

Belangrijk is wat Bosscha, Leven van Willem II, schrijft over de wijze van opvoeding door den vorstelijken vader gevolgd. Bl. 372 e. v. lezen wij:

De Prins van Oranje stelde niet alleen hoogen prijs op godsdienstige indrukken — dagelijks moesten de jonge Prinsen hun morgengebed doen bij hunnen Vader — maar ook nam hijzelf de taak op zich om hen de leidingen Gods in de lotsbestemming der Israëlieten als de beginselen der Christelijke Bijbelleer te doen kennen; en er is een tijd geweest, dat de

3

-ocr page 36-

34

Held van Quatre-Bras wekelijks negen uren godsdienstig ouderwijs gaf aan zijne kinderen.

Later werd dit onderwijs opgedragen aan den Waalschen predikant Daniël Delprat, maar de Prins van Oranje woonde de lessen bij. De Prins van Oranje, die nu eens in het Noorden, dan weer in het Zuiden des lands moest zijn, liet zijne kinderen huisonderwijs geven. Toen de erfprins 6 jaren oud was werd aan Juste Thierry Baron de Constant Rebecque de Villars de opvoeding toevertrouwd. 20 Febr. 1835 had de plechtige meerderjarigverklaring plaats van den erfprins.

(G) Hoogst aangenaam was voor mij de bijval van geachte Israëlietische zijde, vooral omdat ik, zeide men, zooveel uit de oorkonden van Israels geschiedenis geput had. Maar het Oude Testament is immers ook het boek der Christenen; evenwel naar onze innige overtuiging is het een torso zonder het Nieuwe Testament, waarin wij al de lijnen van bet Oude zien uitloopen, tot de Christus, de Zoon voor ons staat, die Hebr. 1 : 1 genoemd wordt liet „afschijnsel van Gods heerlijkheidquot; en het „uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid.quot;

„Onderzoekt de Schriften, zegt Jezus, en met die Schriften wordt natuurlijk het Oude Testament bedoeld, „Onderzoekt de Schriften: gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben en die zijn het, die van mij getuigen.quot; Joh. 5 : 39.

„De getuigenis van Jezus is de geest der profetie.quot; Openb. 19 : 106. Zie de preek van des Amorie van der Hoeven Jr.

(7) Moeielijke tijdsomstandigheden. Wij denken aan den onrustigen toestand in Europa in 1849 en later aan de Limburgsche en Luxemburgsche kwestie, aan den Pruisisch-Oostenrijkschen en aan den Fransch-Duitschen oorlog. Aan oproerige bewegingen iu Indië: met name op Borneo en Sumatra; aan den Atjeh-oorlog. In de binnenlandsche politiek: de Aprilbeweging, de schoolstrijd; in weerwil van alles is Nederland één en staande gebleven.

(8) 18 Juni 1839 huwde de erfprins te Stuttgart met de een en twintigjarige dochter van Wilhelm I van Wurtemberg. Zie: Het licht in de diepte. Toespraak op den dag der

-ocr page 37-

35

begrafenis van wijlen H. M. Sophia, Frederika, Mathilda, koningin der Nederlanden, 20 Juni 1877, door N. de Jonge, predikant te Brussel. Utrecht, Kemink en Zoon, 1877. Uitgegeven ten voordeele der Nederl. Vereeniging van «-eldadig-heid te Brussel.

(9) Ook het stoffelijk overschot van den als stadhouder des konings in Luxemburg overleden Prins Hendrik is door België, (over Spa-Hasselt) naar Delft geleid.

(10) De prins van Oranje, geh. 4 Sept. 1840 overl. 11 Juni 1879. Een broeder was hem voorgegaan, de eenige nog overgeblevene broeder volgde spoedig.

Prins Maurits, geb. 15 Sept. 1843 stierf 4 Juni 1850. Prins Alexander, geb. quot;25 Aug. 1851, „ 21 Juni 1884. \'s Konings moeder, Anna Paulowna „ 1 Maart 1865.

tante, Louisa van Pruisen schoonzuster Amalia

Koningin Sophia Prins Hendrik Prins Frederik \'s Konings tante Marianne

6 Dec. 1870.

1 Mei 1872.

3 Juni 1877.

13 Jan. 1879

8 Sept. 1881.

29 Mei 1883.


Toen Koning Willem II in 1849 te Tilburg overleed, bevond de Kroonprins zich in Schotland. 21 Maart kwam de 32-jarige Koning te Hellevoetsluis binnen. Terstond richtte hij een kloeke en schoone proclamatie aan het Nederlandsche volk, die wij gaarne dankbaar herlezen, evenals de treffende proclamatie, ter gelegenheid van dit veertigjarig gedenkfeest verschenen.

(11) Tricentenaire. Wij denken hier aan den titel van een bundel volksbladen, ter herinnering aan de schoonste bladzijden uit onze geschiedenis: Voor driehonderd jaren. Hoeveel hebben Groen van Prinsterer, Bakhuizen van den Brink, van Vloten, Hofdijk, Beijnen, Bronsveld, van Oosterzee, Beets, Doedes, e. a. tot verheerlijking van het verleden bijgedragen.

(12) Te vinden bij Brill: Voorlezingen over de geschiedenis der Nederlanden. IH, 3. 66.

(13) Ook niet te vergeten de vrome Willem Bodewijk, Stadhouder van Friesland.

-ocr page 38-

36

(14) Wij voegen hier nog bij: Belangrijke wetten zijn tot stand gekomen. De neger-slaven in Suriname zijn vrij verklaard. Hot kanaal- en spoorwegnet is uitgebreid. Woelige meren zijn nu vruchtbare polders. Amsterdam en Rotterdam werden door kostbare werken van waterbouwkunde aan de zee verbonden. Heide- en Veenstreken werden ontgonnen De koning schonk eens f 25000.— voor de Nederl. Heidemaatschappij en even zooveel voor de veenontginningen in N. Brabant. Wij denken ook aan het fonds voor den ge-wapenden dienst en aan het schoone Bronbeek , dat begeerlijk rustoord nan den Velperweg, voor de strijders uit onze Oost en West. Over \'s konings goedhartigheid bij volksrampen spreken wij later. Overigens willen wij hier niet herhalen wat wij in het adres aan Z. M. over den Koning gezegd hebben, naar welk adres wij verwijzen.

(15) Deze toast werd door onzen gezant uitgesproken bij het feestmaal in het hotel de Suède, in de zaal waar, na de omwenteling van 1830 de Orangistische vereenigingen hare samenkomsten hielden, wat toen nog de plundering van het grootste gedeelte van het hotel ten gevolge had.

(16) Predikanten moeten zich van den partijstrijd onthouden. Zij volgen alleen de politiek van dat koninkrijk, welks koning gezegd heeft; mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Zij kunnen veel leeren van Israëls profeten. Even als Nederland stond Israël, de vrijheid verdedigende, tegenover groote mogendheden als Egypte, Assyrië, Babylonië, Perzië, Griekenland en Rome. Veel kunnen wij hierbij genieten o. a van prof. Valeton, in Utrecht den bezielden vertolker van Israels profeten, maar ook van prof. Brill, die ons steeds op den eeuwigen grond der dingen wees en daarom inzonderheid Israël liefhad. Ik herinner mij een woord van een pater Liguorist, wien ik in den trein een nieuwsblad aanbood en die mij antwoordde: „ach, ik weet reeds wat er in staat.quot; Ja, zoo is het; er is niets nieuws onder de zon. Alles ver-giingliche ist nur ein gleichnisz. Lees ook Hand. 17:21.

Wij moeten ons evenwel noch in pietistischen noch in,

-ocr page 39-

37

gelijk Goethe, aesthetisclien hoogmoed van de wereld afzonderen , maar het goede nieuws, het eenige, eeuwige nieuwe, diep en breed opgevat, moeten wij der wereld in aantrekkelijke vormen aan weten te bieden.

(17) De matigheid en godzaligheid der enkelen kan evenwel niet alles uitwerken. Wij zijn in Adam gevallen; wij zijn solidair; wij dragen de zonden der voorgeslachten en onze afstammelingen erven onze zwakheden. Ten slotte blijken wij machteloos te zijn tegenover zoovele verwoestende invloeden, die nooit geheel zonder bondgenooten binnen in ons blijven. Onze eenige troost zij in leven en in sterven het woord der Schrift: „Mijne genade zij u genoeg, mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.quot; „Hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.quot;

(18) Tandem fit surculus arbor was de spreuk van prins Maurits. „Al is ons prinsje nog zoo klein, alevel zal hij stadhouder zijnquot; heeft het volk reeds vroeger gezongen.

(19) Des avonds wederom geroepen om het evangelie te verkondigen, kon ik in de nog met oranje en vlaggen getooide kerk geen beter en gepaster Schriftwoord behandelen dan wat wij lezen 2 Timotheüs 2:8: „Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt, welke is uit den zade Davids, naar mijn evangelie.quot;

Dat is toch het hoogste feit, de hoogste vreugde en eene eeuwige gedachtenis waard, inzonderheid in de veertig dagen tusschen Paschen en Hemelvaart, waarin deze 12de Mei 1889 valt, maar immers op eiken Zondag, op eiken dag des Heeren.

In deze avond-Godsdienstoefening werd gedoopt:

Isabella Maria, dochter van den Heer en Mevrouw van Weede—du Tour van Bellinchave, secretaris der Nederl. legatie. Baron du Tour van Bellinchave, grootvader van moeders zijde, hief zijn kleinkind ten doop.

Zij dit een Souvenir aan die plechtigheid.

Toen ik den volgenden morgen naar Oud Everlee mij begaf om een der drie daar nog levende protestanten, het

-ocr page 40-

38

heilig Avondmaal te brengen, was er langdurig oponthoud te Leuven door het derailleeren eener locomotief\'.

O als de üranjegeest, die Nederland zoo lang reeds heeft voortgestuwd en verder en opwaarts geleid, ons volk eens moest begeven, dacht ik. Maar ik kon er niet aan denken. Gods Geest, de Heilige Geest, blijve ons immer nabij! God ziet en hoort den engel der natie, die voor Zijn aangezicht staat. Wij twijfelen er niet aan, ook wij hebben onzen Gabriël, die voor God staat. Zie; Lucas 1:19.

„Christenvolken sterven nietquot; heeft Martinus des Amorie van der Hoeven naar waarheid tot onze vertroosting gezegd.

.....Ik waande, in mijn bespiegelingen

Dat ik mij door de rij der Vadren zag omringen.

Ik dacht, daar Tlollands lot\' weergalmde uit ieders mond, Dat ik mij in dien tijd, dien gulden tijd hervond.

Ik dweepte mij terug in de onvergeetbre dagen,

Toen d\'aarde \'toog alleen op Neerland had geslagen;

Zoo zong Helmers in zijn „Hollandsche Natie\'quot;. Laat ons bidden dat Gods trouwe Vaderoogen op Neêrland blijven nederzien. En voorts laat ieder opzien naar boven en zijn plicht doen.

-ocr page 41-

Adres van hulde en verknochtheid,

aangeboden aan Z. M Koning WILLEM III,

bij gelegenheid van het gedenken der troonsbeklimming des Konings, nu veertig jaren geleden,

door Zr Ms onderdanen, te Brussel quot;woonachtig-

12 MEI 1889.

-ocr page 42-
-ocr page 43-

Aan Zijne Majesteit WILLEM 111, Koning der Nederlanden,

Prins van Oranje Nassau, Groothertog van Luxemburg, enz, enz. enz.

-ocr page 44-
-ocr page 45-

Sire,

Wij omlci\'geteekemleu, allen Nederlanders te Brussel woonachtig, gevoelen ons gedrongen, op dezen bij uitnemendheid feestelijker! dag, om Uwer Majesteit eerbiedig een bewijs te doen toekomen van onze diepgevoelde dankbaarheid, nu het den Almachtige heeft willen behagen het dierbaar leven van onzen Koning te sparen, en Uwe Majesteit, uit eene langdurige en ernstige krankheid, als van den rand des grafs terug te leiden naar den troon, die veertig jaren geleden door ü werd beklommen en waarop Uwe Majesteit, in ongestoorden vrede tot heil van Vaderland en Volk onafgebroken gezeteld heeft.

Wij vooral willen niet achterblijven, waar het gansche Vaderland feest viert. Overal, waar Nederlanders wonen, zijn zij verblijd, maar nergens buiten de grenzen van het zoo teer beminde Vaderland kunnen zij zoo ernstig en dankbaar gestemd meêjubelen, als in België\'s hoofdstad. Wij mogen er met recht trotsch op zijn. Uwe onderdanen te heeten. Groot is onze verantwoordelijkheid om ons dat voorrecht waardig te maken. Nooit toch mag men, om slechts één gedenkwaardig feit uit de rijke geschiedenis van ons doorluchtig vorstenhuis aan te halen, nooit toch mag men hier vergeten, wat voor de vrijheid van alle deze landen door Uwen vorstelijken vader is gedaan (1), wiens dappere en hardnekkige verdediging van den belangrijken post van Quatre-Bras de overwinning van Waterloo heeft voorbereid; wiens bloed hier beeft gevloeid en die door den schitterendsten moed en door de uitstekendste talenten heeft uitgeblonken.

Brussel is de plek waar Uwe wieg eens stond; in Brussel

-ocr page 46-

44

heeft op den 27s,en Maart 1817, bij de doopplechtigheid in de Nederduitsche Protestantsche kerk, gelijk wij met aandoening in de toen uitgesproken gelegenheidsrede herlezen, de bewogen stem van den voorganger gebeden: „God Almachtig zegene dit dierbaar Wicht, dezen Vorstelijken Telg. Zijn leven zij lang en gelukkig. Hij worde eene eere voor \'t Christendom, een sieraad voor het Koninklijk Geslacht, een zegen voor het Rijk der Nederlanden.quot; De Voorzienigheid heeft die gebeden gehoord. Uw leven, o Koning, bleef gespaard en bewaard, en van het park te Tervueren (2), waar Uwe Majesteit als knaap aan de hand van uwen Vorstelijken vader gewandeld heeft, tot in de lanen van het Loo, waar Uwe Majesteit, nog kloek en krachtig, over de eerste schreden van Uw dierbaar, eenig overgebleven kind, onze op aller handen gedragen en in aller harten levende prinses Wil-helmina, mocht waken, van het begin tot op heden, ja, inzonderheid (3) bij het begin en inzonderheid heden is de Almachtige met U geweest. Smartelijke beproevingen zijn U, helaas! niet gespaard, diepe wonden zijn U geslagen, als wij de jaren gedenken, toen stormen den Oranjestam teisterden en groene twijgen naast rijpe vruchten en zware takken ter aarde vielen, maar veel is er verzoet en vergoed en alles, wat den koning wedervoer, heeft slechts kunnen strekken om de liefde voor Oranje te dieper te doen wortelen in het hart des volks.

In het Vaderland zal men op dezen feestdag veel in de herinnering terug roepen wat onvergetelijk zal blijven. De inhuldiging van Uwe Majesteit te Amsterdam; alles, wat onder Uwer Majesteits langdurige regeering tot stand kwam, waarbij wij ook aan het lief en leed in onze belangrijke overzeesche bezittingen denken; de bescherming, zoo vorstelijk verleend aan de Kunst; Uwe liefde voor Handel, Landbouw en Volksvlijt; de nooit te vergeten hulp, door Uwe Majesteit in Hoogst eigen persoon geboden, bij gelegenheid van den verschrikkelijken watersnood in de jaren 1855 en 1861; het jaar 1863 toen 1813 en 1865 toen 1815 werd

-ocr page 47-

45

herdacht; het jubeljaar 1872; het jaar 1874, toen Nederland de vijf en twintigjarige regeering van zijnen Koning mocht vieren en 1887, toen de driekleur wapperde op den zeventigsten verjaardag van den beminden Vorst.

Ook wij gedenken dat alles, maar daarbij gedenken wij ook het bezoek dooi Uwe Majesteit, nu vijf jaren geleden, aan Brussel gebracht. Hoe trotsch waren wij op onzen Vorst; hoe edel was zijne komst; hoe fier zijn optreden, hoe kloek zijne gestalte (4) en, wat een oogenblik, Sire, toen Uwe Majesteit op het balkon van het stadhuis verscheen en door de ontelbare schare luide werd toegejuicht (5).

Alle Nederlanders zien met hoogachting en bewondering op naar Hare Majesteit, onze geëerbiedigde Koningin, die het leven beeft verjongd en het hart heeft verheugd van onzen Koning, die met de teederste zorg aan Hoogstdeszelfs sponde heeft gewaakt en nu de wondervolle herstelling van den beminden gemaal mag vieren. Indien Hare Majesteit zich niet reeds terstond eene ruime plaats in het hart des volks had veroverd, ongetwijfeld zou dit nu het geval zijn, nu aan dit veertigjarig herinneringsfeest, opdat de dankbaarheid des volks ten top zou stijgen, de blijde oprichting vooraf mag gaan uit een zoo lang en smartelijk lijden, waarvan wij naast Goddelijke Genade aan de zelfverloochening van onze geliefde en geëerbiedigde Koningin de eere geven.

Bij verschillende gelegenheden (G) beeft Europa kunnen zien, hoe hecht de band is, die Oranje en Nederland samenbindt; ook bij deze plechtige gelegenheid willen wij dat toonen. Uit aller hart rijst de bede omhoog, dat het Uwe Majesteit moge gegeven worden ook het vijftigjarig herinneringsfeest Harer troonsbeklimming te beleven. Geschaard rondom Uwer M:ijesteits Gezantschap roepen wij uit volle borst:

Leue de Koning! Oranje hoven !

-ocr page 48-

A A NT EEK EM NOEN.

(1) Hier hebben wij enkele woorden ontleend aan een adres van hulde door de Staten Generaal van alle de Neder-landsclie gewesten, voor de eerste maal en buitengewoon, bij de inhuldiging van Koning Willem I vergaderd, tot den held van Quatre-Bras gericht.

(2) Termeren.

Nadat reeds door de volksvertegenwoordigers van Noord-Nederland het Domein van Soestdijk aan den prins van Oranje was aangeboden, werd vervolgens voor rekening van den Staat te Brussel een paleis gebouwd en vorstelijk van huisraad voorzien en ingericht, \'twelk, benevens het Do-meinpark Tervueren en het aanhoorige lusthuis den Prins van Oranje in vrijen en vollen eigendom kosteloos werd overgedragen. Zie: Hymans: „Bruxelles a travers les agesquot; II, 91.

Eene schoone beschrijving van Tervueren vindt men in „Oud en Jong Brusselquot; door Betsy Perk. Zij zegt terecht; „Anna Paulowna beleefde er haar gelukkigsten, meest zor-geloozen tijd. Toen zij het slot verliet om het paleis te Brussel weder te betrekken, dacht zij niet het nooit weder te zullen zien. Op den 2(;leri Augustus 1823 had de prinses bezit genomen van dit Eden, waarmee zij dweepte.quot; Op een wandeling met Dr. J. C. Voligraff, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te Brussel, in het park te Tervueren spraken wij met een ouden boschwachter, die den koning en diens broeder prins Alexander, op 29 jarigen leeftijc! gestorven, als knapen had gekend. Prins Willem was wel wat wilder dan zijn jongeren broeder, zei de boschwachter. „Wij moeten hier van daan, wij mogen hier niet blijven, zou de prins hem, bij het uitbreken der Belgische revolutie, gezegd

-ocr page 49-

47

hebben; zorg voor mijne duiven.quot; De prins gaf mij een Hollandschen gulden voegde de boschwachter er bij. Ter-vueren, reeds van den tijd van Sint Hubertus een geliefd jachtoord, gelijk alle plaatsen in en bij het bois de Soignes, is later ook bekend geworden door het verblijf der ongelukkige ex-keizerin van Mexico, Charlotte; de vorstelijke bewoonster werd er door de vlammen uit verdreven.

(3) „Inzonderheid bij het beqiti\\ Prinsen uit hel huis van Oranje Nassau, te Brussel geboren of gestorven.

Hier doelen wij op de eerste levensjaren van onzen koning.

Koning Willem III is geboren 19 Februari 1817, in of liever naast het paleis der Natie, daar, waar thans de minister van buitenlandsche zaken woont, gelegen in de Wetstraat, Rue de la Loi, te Brussel. De Staten Generaal hadden nl. in hun zitting van 6 Mei 1816 dat gebouw, den kroonprins der Nederlanden tot verblijf gegeven, totdat er oen paleis voor Zijne Hoogheid zou zijn gebouwd. Koning Willem II heeft als prins van Oranje driemaal zijn geboortefeest gevierd in de rue de la Loi. In 1820, 29 Dec., te f) uren des morgens, brak er onverhoeds een brand uit, veroorzaakt door te sterke verhitting der verwarmingsbuizen; onze tegenwoordige koning, toen een kind van drie jaar, werd er met zijne vorstelijke moeder door de vlammen uitgedreven. De prinses van Oranje, die al haar zilver en een groot gedeelte van haar juweelen verloor, had schier geen tijd om enkele kleedingstukken aan te trekken; de prins bracht zijne beide zonen in veiligheid. Na den brand betrok de prins het hotel van Hoogvorst, het oude hotel van Hoog-straeten, tegenwoordig het ministerie van openbare werken, naast het hertogelijk paleis of dat der wetenschappen (palais ducal, palais des Academies), dat voor den held van Quatre-Bras gebouwd en naar hem nog lang het paleis van Oranje genoemd werd. De prins had in dat paleis eene kostbare verzameling schilderijen en zijne paarden schitterden bij de sledevaarten om het park en in de allee verte. In 1830 heeft de kroonprinses Anna Paulowna het bij een overijlde

-ocr page 50-

48

vlucht met den erfprins moeten verlaten. Wat de geboorte van onzen koning betreft, daaraan worden wij nog op eene aardige wijze herinnerd door eeue oude staalgravure, waarop uit een grooten Oranjeappel een stevige, schoon gevormde zuigeling zijn nieuwsgierig in de wereld blikkend hoofdje te voorschijn steekt; kroon en scepter liggen er naast, terwijl een engel een uurwerk ontbloot, waar, onder de woorden, il est né, de wijzers op kwart voor elven staan. De jeugdige prins werd gedoopt in de Augustijner kerk, die bestemd is om afgebroken te worden en nu tijdelijk als postkantoor dienst doet, maar onder Willem I voor den Nederduitschen protestantschen eeredienst, inzonderheid voor het garnizoen was ingericht. 15ij gelegenheid van het tweede huwelijk van onzen koning met prinses Emma van Waldeck Pyrmont is de doopacte van onzen koning, uit de akten, thans in de Fransche kerk, naar ik meen, voor zoover uit de schipbreuk van 1830 gered, berustende, door mijnen voorganger kunnen overgelegd worden.

Het koor der kerk was voor de doopplechtigheid met kostbare behangsels versierd, die aan den bijbel ontleende taie-reelen te aanschouwen gaven. Hoe jammer, dat ook c\'it historisch gedenkstuk zal moeten verdwijnen. Wanneer wij langs het nieuwe, grootsche, bijna voltooide postkantoor dooide rue du fossé aux loups naar den boulevard Anspach wandelen en wij zien de Augustijner kerk en daarachter het hotel Continental en daarachter den gevel van la maison bleue, dan maken die drie groote gebouwen, ieder aan de spits van andere huizen, op ons steeds den indruk van oorlogschepen, die zich over de breede boulevards naar ons toe bewegen. Zie over de doopplechtigheid ook bl. 70.

Door de vriendelijkheid der familie van Detli van den Heuvel hier ter stede, als goede Nederlanders nog in het bezit van een exemplaar der gedrukte dooppreek, zijn wij in staat een afdruk dier rede hier bij te voegen. Deze kerkelijke rede, als model eener gelegenheidspreek uit dien tijd en als bijdra ge tot de kennis van al wat den eersten levenstijd van

-ocr page 51-

49

onzen koning betreft, zal zeker velen welkom zijn. Alles toch wat Oranje aangaat, moet ons, geschaard rondom den laat-sten mannelijken telg van dut doorluchtige huis, en vooral in eene stad, waar Willem de Zwijger reeds zijn hofhouding had, belangrijk en dierbaar zijn.

Mej. Betsy Perk, in haar „Oud en Jong Brusselquot;, p. 149, over den doop van onzen koning sprekende, zegt: „Iedereen deelde in de vreugde der vorstelijke ouders, die hun eersteling niet ha Iden mogen behouden. Deze was onlangs in diezelfde kerk ter aarde besteld.quot; Hoe komt meu daaraan? Toch niet uit het geschrift: „Les Protestants de Bruxellesquot; par Charles Rahlenbeck , p. 142. Daar lozen wij : ... „Nous decouvrimes dans les papiers de notre père, qui avait été avant 1830 trésorier du grand consistoire de Bruxelles et député laïque au Synode des Pays-Bas pour les églises de ia province de Limbourg, la preuve qu\'un frère cüné de S. M. Guillaume III, roi des Pays-Bas, actucllement règnant et un prince de la maison de Hesse, decédes l\'un et l\'autre a Bru xelles, reposaient dans le caveau royal du temple des Au-gustins; M. le pasteur Vent donna connaissance du fait au ministre de l\'Intérieur, qui s\'empressa d\'en conférer avec le ministre plenij^otentiaire des Pays-Bas. Les restes du prince Hollandais furent réclamés, et comme de juste, M. le pasteur Ernest Vent fut appelé a présider, de concert avec nos auto rités communales, a la remise du corps aux fonctionnaires Neerlandais, chargés de sa translation a la Hayequot;.

Er is hier een in het oog springende vergissing; ten overvloede is Z. E. onze gezant zoo welwillend geweest mij op de kanselarij de actestukken te doen inzien, waaruit blijkt, dat hier geen sprake kan zijn van een ouderen broeder van onzen koning. Ziehier de feiten, algemeen bekend.

21 Febr. 1816. Huwelijk van Z. K H. met de grootvorstin Anna Paulowna. De vorstelijke personen blijven in Rusland en komen 23 Aug. 1816 op het Loo.

19 Febr. 1817. Geboorte van onzen tegenwoordigen koning.

2 Aug. 1818. Geboorte te Soestdijk van prins Willem,

-ocr page 52-

50

Alexander, Frederik, Konstantija, Nikolaas, Michael, overleden 1847.

13 Juni 1820. Geboren te Soestdijk, prins Hendrik.

21 Mei 1822. Geboren te Soestdijk, Willem, Alexander, Frederik, Ernst, Casirair; te Amsterdam gedoopt, gestorven te Brussel, 22 October van datzelfde jaar; 25 October in de Augustijnerkerk begraven. Wellicht is de jeugdige prins Casimir op de reis naar Brussel ongesteld geworden. 20 Maart 1860 is het \'stoffelijk overschot met plechtigheid naar Delft gevoerd, en 10 Mei 1860 is de, aan de achterzijde van de Augustijnerkerk zich bevindende gedenksteen van het prinselijk graf, eveneens naar Delft overgebracht, alles door de goede zorgen der Nederlandsche legatie en in overleg met de Belgische regeering, tot groote voldoening inzonderheid der toen nog levende koningin-moeder Anna Paulowna.

Voor zoover wij weten, is er nog één lid van het huis van Oranje Nassau te Brussel overleden. Wij vonden daaromtrent in de memoriën van Baudartius, het 10e boek, bl. 99, de volgende bijzonderheden.

„Den 21sten Februari 1618 is de oudste zoon van den grooten Zwijger, Philips Willem, prince van Oraniën, te Brussel overleden, des namiddags tusschen een en twee uren, oud zijnde omtrent 64 jaren. Des Zondags te voren was zijne princ. exc. op een groot banket geweest bij den markies Spinola, alwaar ook veel Spaansche, Italiaansche en andere heeren waren. Des maandags ging hij in de mis; des dinsdags morgens was hij opgestaan en gekleed, maar hij gevoelde zich niet wel;. .. . 24 uren daarna is hij gestorven, stervende zoo subytelijk, dat niemand van de geestelijkheid bij hem konde geroepen worden.quot; Deze prins van Oranje is in het Roomsche geloof gestorven, en de streng gereformeerde Baudartius, daarop doelende, haalt de latijnsche spreuk aan: a teneris assuescere multum est, d. w. z. wat men van kindsbeen af gewoon is heeft een grooten invloed. Hij is te Diest begraven. Diest hadden de graven van Nassau gekregen i\'au den hertog van Cleve, bij wisseling van Hensberghe.

-ocr page 53-

51

(4) De kloeke gestalte des konings.

Onze koning heeft nooit het oorlogszwaard behoeven te ontblooten, maar als het had moeten zijn, Z. M. de erfgenaam van zooveel glorie, en zelf zoo krijgshaftig van inborst en voorkomen, Z. M. op pruisische wijze op tienjarigen leeftijd reeds bij de gelederen ingelijfd, voorzeker, ook deze Oranjevorst had het gedaan. Naar waarheid heeft Dr. N. Beets betuigd, op het veld van Heiligerlee:

„En zoo, om \'teven van wat kant,

Een vijand dreigde of onheil baarde,

Zien zoudt gij dat het niet ontaardde (liet bloed der Nassausid.)

Altijd gereed voor volk en land.

Wij weten \'t, Vorsten, die ik groet!

Waar \'t nood — des Konings bloed zou vloeien

En, met het Uwe, een grond besproeien,

Gedrenkt met Uwer Vaadren bloed.

Zoo lang — (o God! dat niets ons scheid\'!) —

Oranje Xeerlands Kroon zal dragen,

Wordt strafloos nooit een hand geslagen

Aan Xeerlands Onafhankelijkheid.

Op Ujarigen leeftijd was de koning, als erfprins met zijne jongere broeders Alexander en Hendrik, allen te paard aanwezig bij de wapenschouwing van 23 Juli 1831, te Rijen in Noord-Brabant. Zie het opstel van kapitein F. de Bis, in de Gids van Augustus 1881. „Twee wapenschouwingen in 1831.quot;

(5) De komst van koning Willem III in de meimaand van het jaar 1884 was merkwaardig, omdat daardoor de laatste sporen der verwijdering tusschen Nederland en België werden uitgewischt. Het is nu juist 50 jaren geleden, dat (19 April 1839) een definitief tractaat met België gesloten werd. Groote opofferingen had de verhouding tusschen Noord en Zuid van 1830—1839 aan beide, landen gekost. Nu was er eindelijk vrede, maar lang zou het duren, eer men elkander het gebeurde ging vergeven; eer men elkaar ging waardeeren en eikaars vriendschap zocht; daar moest nog bijna een halve eeuw over heen gaan. De koning kwam en

-ocr page 54-

52

daardoor werd een nieuw tijdperk ingeluid. Koning Leopold was eerst in Amsterdam feestelijk ontvangen geworden, maaide wijze waarop men hier den koning van Holland in zijne geboortestad toejuichte, liet eveneens niets te wenschen over. De Nederlanders in Brussel gevestigd lieten zich niet onbetuigd. Zij boden den koning een adres aan, terwijl H. M. de koningin een prachtig gemonteerden waaier ontving, bekleed met Brusselsche kant, waarin de wapens van Nederland en W.-iIdeck-Pyrmont waren geweven. De gesloten waaier vormde het middelpunt en tevens den steel van een bloemruiker, die omgeven was door een sierlijke kanten sjerp. Het geschenk werd H. M. door eenige blootshoofds en in \'t wit gekleede meisjes aangeboden. De inteekening voor dit huldeblijk had 2.365.50 fr. opgebracht. Ook de armen werden niet vergeten; zij ontvingen een buitengewone bedeeling. Verscheidene jaren vroeger, onder de regeering van Leopold I, had de koning, uit Parijs komende, terwijl Z. M. anders steeds over Dnitsch grondgebied reisde, reeds eenmaal den bodem van België betreden. Koning Leopold deed al het mogelijke om den hoogen gtist te eeren, en verzocht, aan een feestmaaltijd te Luik, ieder, die Z. M. aangenaam zou kunnen zijn. De koning hield zich evenwel alleen te Luik op en reisde van daar noordwaarts.

(G) Ook hij gelegenheid van \'s konings zeventigsten verjaardag. Van den toast van Z. E. den gezant, toen uitgesproken en luide toegejuicht, maakten wij reeds melding. De bij het diner in het hotel de Suède aanzittende hier wonende Hollandsche schilders, o. a. de Haas, W. Roelofs. David en Pieter Oyens, de Famars Testas, Th. Kruseman en Hul). Vos, de uit Antwerpen overgekomen heeren A. M. Oome\'i en E. J. Boks, werden in een warm woord door Dr. Huyve-naer geëerd. Ruim honderd Nederlanders, uit verschillende plaatsen van België, zag men bij die feestelijkheid vereenigd; ook onder hen velen, die, gewichtige posten in Nederl. Indië bekleed hebbende, in het schoone Brussel rust willen zoeken en de gelederen der Holl. kolonie komen versterken.

-ocr page 55-

KERKELIJKE REDE

BIJ DEN

HEILIGEN DOOP

VAN DEN

EERST GE BOK EN Z 0 0 iN

VAN ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DEN HEER PRINS VAN ORANJE EN HARE KEIZERLIJKE HOOGHEID ME VROUWE DE PRINSES VAN ORANJE, GEBOREN GROOTVORSTIN VAN RUSLAND,

IN DE NEDERDUITSCH PROTESTANTSCHE KERK (1)

TE BRUSSEL,

OP DEN 37. MAART 1817,

DOOR

W. L. KRIEamp;ER,

Ridder der Orde van den Ned. Leeuw, Hofprediker van Z. M. den Koning der Nederlanden, en Predikant te \'s Gtravenhage.

TE \'s GRAVENHAGE, BIJ

DE ERVEN JOHANNES ALLART,

MDCCCXVII.

-ocr page 56-

KERKELIJK GOEDGEKEURD.

Uit naam van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland.

Th. HOOG, loco-President. J. SLUITER, Secretaris.

\'s Gbavenhage , den 2len April 1817.

-ocr page 57-

VOORBERIGT.

Gaarne erkenne ik het als een groot voorregt, dat ik, bij Besluit van Z. M. den Koning, den 10 Maart laatsleden benoemd ben geworden, als eerste Hofprediker, om de godsdienstige plegtiglieid (2) van den Heiligen Doop, te Brussel, op den 27stea van die maand te verrigten, aan den eerstgeboren Zoon van Zijne Koninklijke Hoogheid den Prins van Oranje, van welke Hoogstdeszelfs Gemalinne, op den lO611 Februari laatstleden aldaar bevallen is: waarvoor ik, aan Zijn Majesteit, bij dezen, mijnen openlijken dank betuig.

Ook ontveinze ik niet, dat het mijn genoegen verhoogde, toen ik, bij mijne thuiskomst ontwaarde, dat mijne vrienden het niet alleen, als eenen door mij verschuldigden pligt beschouwden, dat ik hun de korte Kerkelijke Rede, door mij bij die gelegenheid uitgesproken , ter lezing zoude beschikken, maar ook, dat zij dit van mij, als eene gedachtenis van die plegtigheid, voor \'s Gravenhage, begeex\'den te hebben.

Ik aarzelde daarom niet, om mij aan die uitspraak te onderwerpen. Alleenlijk baarde het bij mij eenige bedenking, dat mijn voorstel zoo bijzonder kort was, daar ik gaarn eenige stukken wat nader zoude ontwikkeld hebben; dan, er was bij het Programma slechts een kwartier uurs voor deze Kerkelijke Redevoering bepaald en die grenzen konden niet verre overschreden worden, alzoo dezelve in een nauw verband met andere noodzakelijke schikkingen stonden: ook heeft deze bepaling volkomen aan het oogmerk beantwoord,

-ocr page 58-

56

alzoo de trein met den Doorluchtigen Doopeling, juist van pas aan de Kerk kwam.

Voorts waren alle de inrigtingen, door Zijne Excellentie den Heer Commissaris Generaal, Repelaer van Driel, zoo wel berekend en zoojuist uitgevoerd, dat alles, zonder de minste ongeregeldheid, in de beste orde is afgeloopen.

Treffend was liet gezigt, toen de hooge personen, bij de voorlezing van het Formulier van den Heiligen Doop opstonden, terwijl statige eerbied en betamelijk gevoel bij Hoogstdezelve niet te miskennen waren. De talrijke vergadering rees mede op; eerbiedwekkende stilte heerschte in dezelve: men mag vrijelijk wenschen, dat alomme de bediening van den Heiligen Doop op zulk eene betamelijke wijze verrigt worde!

Met eerbiedige dankzegging aan den God mijner goedertierenheid, erken ik, dat Hij mij geleid, gesterkt en beveiligd heeft.

Hij verhoore genadelijk de gebeden tot Hem opgezoiuler.. voor den Doopeling, den Koning en zijn Huis!

\' Dat de overdenking van hetgene ik hier ter lezing aan-biede, ook nog eenig nut stichte, is mijn hartelijke wensch.

W. L. Kkiegee.

\'s Gravenhage, den 21 April 1817.

-ocr page 59-

K E R K E L IJ K E R EDE

BIJ DEN

HEILIGEN DOOP

VAN DEN

ERFPRINS VAN ORANJE.

-ocr page 60-

Wilhelm Lkendert Kriegee, itic deze rede gehouden lieeft, is geboren in 1748 en overleden in 1822 te \'s Gravenhage. Hij presideerde van 1816 tot 1819 de synodale vergaderingen. Van hem is o. a. ook bekend: „Dank- en biduur bij de inhuldiging van Z. M. den Koning der Nederlanden.quot; Arasterdam 1814.

-ocr page 61-

Deze onze Godsdienstoefening zij in den Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes, Amen!

V O 0 li Z A N G.

Psalm LXV vers I.

De lofzang klimt uit Sions zalen,

Tot U, met stil ontzag;

Daar zal men U, o God! betalen,

Geloften, dag bij dag,

Gij hoort hen, die uw heil verwachten,

O Hoorder der gebeên!

Dies zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treên.

Hoogaanzienlijke en geëerde Hoorders!

Welk een blijde dag! Wij mogen ons in dit ons Bedehuis godsdienstig verheugen! Wij offeren onzen dank, wij zenden onze gebeden ten Hemel, daar de jonggeboren Prins, door den Heiligen Doop, plegtig der Christelijke Kerk zal ingelijfd worden!

Heffen wij dan vereenigd onze harten dankende eu biddende tot God, op de volgende wijze:

Koning der Koningen! Die Hemel en Aarde beheerscht!

-ocr page 62-

60

Wij danken en aanbidden U! Wij brengen de offers van onze dankbare harten aan U, dat Gij het Koninklijke Huis, dat Gij Nederland, door het geschenk van eenen Prins, hebt verblijd!

Wij danken U, dat Gij onze gebeden hebt verhoord, de Vorstelijke Moeder in hare zwangerschap hebt bewaard, toen hare ure van verlossing was gekomen, haar bijgestaan en haar met haren eersteling tot hiertoe zoo voorspoedig gemaakt hebt.

Dit Kind bevelen wij aan uwe genade en ontferming in Christus Jezus; zal het nu door den Doop der Christelijke Kerk ingelijfd worden, gebied daarover uwen zegen en schenk aan ons allen uwen Heiligen Geest!

Geef den Dienaar des Woords uwe hulpe; nimmer hebt Gij hem beschaamd doen uitkomen. Ontvang onze dankoffers in gunst, en verhoor. Hemelsche Vader, onze gebeden, om Jezus Christus wille, Amen!

Het is voor den mensch een onuitsprekelijk genoegen zich zeiven in zijn kroost, als opnieuw te zien geboren worden\' Opgetogen van vreugde wenscht en spelt hij, aan zijn ander ik, allerlei heil!

Vooral stijgt die vreugd als het zake is van instandhouding eens aanzienlijken geslachts, in \'t bijzonder, wanneer duurzaam geluk voor een geheel volk daarmede in verband staat. Zoo is het thans bij ons gelegen. Nederland juicht met reden: ons is een Prins geboren!

Welk een voorregt dit zij, zien wij treffend geteekend door het dichtpenseel van Koning Salomo, in den CXXVII3tea Psalm, het vierde vers, hetwelk ik ten grondslag mijner Rede leg.

Wij lezen daar: Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zoodanig zijn de zonen der jeugd.

Ik zie geene reden waarom wij niet, zooals onze vertaliug het aanduidt, dit zangstuk zouden aanmerken, als uit de dichterlijke ader vau koning Salomo gevloeid.

-ocr page 63-

G1

De hoofdstelling in het geheele stuk is deze: alle voorspoed , al het goede, hetwelk de mensch genieten of wenschen kan, daalt van Jehova af. Een groot huis, Jeruzalem\'s prachtige tempel, zou te vergeefs gebouwd worden, zoo de Heelden arbeid der bouwlieden niet zegende. Te vergeefs is het stad en land te bewaken, zonder den Goddelijken bijstand.

Nacht en dag te zwoegen en te slaven, om rijk en groot te willen worden, zonder God, zou nutteloos zijn. Hij geeft het zijnen beminden als in den slaap. Kinderen, met reden begeerd, zijn een geschenk van Jehova, eene gunstige beloning! Bij de pijlen in de hand van eenen held, zijn de zonen der jeugd te vergelijken.

Gelukkig hij, die daarvan wel voorzien is! Zij zullen dapper zijne eer verdedigen!

In het vierde vers, waarbij ik bijzonder uwe aandacht wilde bepalen , teekent de koninklijke Dichter de waardij van de zonen der jeugd, door de beeldtenis van eenen fleren ooster-schen Held, welke pralende met zijnen welgevulden pijlkoker, werpspies of zwaard, op zijnen vijand aanvalt, hem ter neder velt, grooten roem behaalt, veiligheid en volksgeluk daardoor verspreidt en zijn geslacht tot eere strekt. Zoodanig zijn de zonen der jeugd: in den levensbloei geteeld en zelve in frissche kracht, zijn zij tot eere des heldhaftigen vaders, treden in deszelfs spoor en bewerken vooral zoo het vorstelijke zonen zijn, duurzaam geluk, voor het geslacht en \'t volk, waartoe zij behooren.

Ter verdere ontwikkeling hiervan behoeve ik niets meer te zeggen, daar wij het voorregt genieten van het levende beeld hier voor or.ze oogen te zien! De held der Nederlanden , Overwinnaar in den strijd, keerde tot ons terug, bedekt met lauweren, en nu, versierd met den olijftak des vreiles, gewint hij eenen zoon, die, zooals wij biddend hopen, Hem tot geenen minderen roem zal verstrekken, dan zijn wapentuig in den strijd! Zouden wij het niet met verrukking gadeslaan! God spreekt door daden en zegt: het stamhuis van Oranje zal bestendig zijn!

-ocr page 64-

G2

Ja, wij zien in hetzelve bevestigd, tlat Helden ook Helden teelen! Is er één vorstelijk geslacht; dat op oudheid, hooge herkomst, dappere daden, verhindtenis met de magtigste Hoven van Europa, bescherming van den godsdienst en christelijke deugden bogen kan, voorzeker het Stamhuis van Oranje mag daar roem op dragen! Het Albestuur toonde, ondanks den druk der tijden, daarvoor te zorgen. Temidden der beroeringen werd Ruslands beminnelijke Grootvorstin geboren, wier hand bestemd was voor den roem der Nederlanden, den Held van Waterloo!

Welk eene naauwe betrekking is daardoor ontstaan tus-schen het Huis van Oranje en den magtigsten Monarch van Europa, Alexander den Welbeminden, die zich bij het christendom en de menschheid zoo verdienstelijk maakt!

O hoe aanbiddelijk zijn Gods wegen! Hij schenkt aan onzen Prins eene vorstelijke Gade, die de hoogachting tot zich trekt van allen, welke de eer genieten van haar te ontmoeten ! Hierbij geeft Hij, uit dezen echt, aan \'t Koninklijk Huis eenen Eerstgeboornen, een mannelijk zaad, ten erfdeel, waarover allen, die den Koning en het Vaderland beminnen zich hartelijk verblijden.

Ja, \'t is God die de gebeden, welke in onze tempelen en binnenkameren tot Hem zijn opgezonden, zoo ruim als wij maar eenigzins durfden wenschen, genadiglijk verhoord en dezelve met lof- en dankzeggingen afgewisseld heeft!

Vol van gevoel verheugen wij ons dan in dit Bedehuis! Plegtig zullen wij nu dit Kroost aan den Heere opdragen en het door den Heiligen Doop der Christelijke Kerk inlijven!

Aangelegene plegtigheid! O welk een zegen! Onze kinderen aan God op te mogen dragen, dat Hij voor dezelve een liefderijk Vader zij! De genade van onzen Heer Jezus Christus over dezelve in te roepen! De heiliging van den Heiligen Geest voor hen af te smeeken, dat die hen vatbaar make voor eeuwig heil!

Onschatbaar voorregt, onberekenbaar geluk, dat wij dit niet alleen voor onze kinderen begeeren mogen; maar dat

-ocr page 65-

63

wij hiervan de volkomene bevestiging in den Heiligen Doop ontvangen !

Nu worden onze kinderen, die in zonde ontvangen en geboren zijn, gereinigd door het bad der wedergeboorte; zij ontvangen de verzekering van de afwassching der zonde en de vernieuwing des Heiligen Geestes! Zij worden aan God toegewijd, om voer Hem te leven en eeuwig in zijne zaligheid te deelen!

Dank, eeuwig dank zij dan der genade van onzen Heer Jezus Christus toegebragt; die den Heiligen Doop, dat eenvoudig teeken, instelde en ons dit pand zijner liefde, waardoor ons zoo veel heils wordt vergewist, bij zijn scheiden van de aarde, zoo gunstig achterliet!

BEWELDADIGDE EN VERHEUGDE VADER!

Dus spreek ik U aan, doorluchtig Prins! met den diepsten eerbied, dien ik U schuldig ben. Ik nader op die wijze tot ü, omdat uw hart thans geen belangrijker titel kent, dan den veelbeteekenenden Vadernaam!

God heeft U beweldadigd! O! hoe klopten onze harten, toen Gij met uwen dapperen Broeder uittoogt, om U, elk op zijnen post, aan de spitse der legerbenden te stellen. God verhoorde onze verzuchtingen en heeft U beiden tot onze vreugde gespaard! God heeft U beweldadigd, toen het wondend lood ü trof, dat het niet doodend is geworden !

Hij heeft uw dierbaar leven gespaard, tot groote en weldadige oogmerken. Hij schonk U eene waardige en beminnelijke Getnalinne en verblijdt U nu, met zulk eenen zegen op uwen Echt, dat gansch Nederland zich met ü verheugt!

Geluk! hartelijk wensch ik uwe Koninklijke Hoogheid geluk met al dit goede, hetwelk God U thans geschonken heeft! \'t Is wat groots eenen Zoon geteeld te hebben, eenen eersteling van uwen Echt, die, met uitzigt op God, de hope der Nederlanden is, op wien geheel Europa het oog vestigt, die voor het Vaderland en de menschheid tot zoo vele groote dingen, onder den Goddelijken zegen kan dienstbaar zijn!

-ocr page 66-

6i

Gewigtig is de taak voorzeker, om die spruit tot zulk een verheven doel op te voeden, dit zal uwe Vaderlijke zorg, dit zal uw pogen zijn! Dan, mijn Prins, de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid: er is nog gewigtiger werk U op de hand gezet; Gij hebt eenen Telg voor de eeuwigheid geplant! Dien Telg tot zulk eene hooge bestemming op te kweeken, is de grootste taak, welke U is aanbevolen.

Gij biedt dit uw zaad ten Heiligen Doop, en dus aan de liefde van God in Jezus Christus en de genade des Heiligen Geestes vrijwillig aan. Hare Keizerlijke Hoogheid, uwe Doorluchtige Gemalin, belijdt met ons, dat in het kruis van Jezus Christus, en in do hope der heerlijkheid, door Hem, alleen onze roem en onze zaligheid is: dus stemt uwe Gade mede in, om, met U, dit uw Vorstelijk kroost voor God en voor de eeuwigheid op te voeden!

Thans verlevendigt zich aan mijnen Geest, wat ik gevoelde, toen ik als medelid van den Haagschen Kerkeraad getuige was, dat uwe Koninklijke Hoogheid door den Doop aan God geheiligd werd. Uwe Doorluchtige Ouders hebben hun woerd gestand gedaan, door U niet alleen eene Vorstelijke, maar ook eene Christelijke opvoeding te beschikken, waarvan uwe afgelegde Geloofsbelijdenis onder an leren ten bewijze strekt.

Onder deze zelfde verbindtenis begeeft uwe Hoogheid zich geheel vrijwillig. Den lieveling van uw hart wilt Gij gelukkig, geheel gelukkig maken , voor dit en voor het volgend leven: daarom zult Gij hem opvoeden in de leer en de vermaning des Heeren. Overtuigd, dat ware deugd alleen uit Godsdienst voortvloeit, zal dit bet rigtsnoer uwer handelingen zijn.

Zoo worde hij toebereid, dat in hem uwe minzaamheid, dapperheid en al de deugden van b en uwe Doorluchtige Voorvaderen schitteren; zoo worde dit Wicht éénmaal voor U, hetgene uwe Hoogheid , Prins Frederik en de jonge Prinses thans voor uwe Koninklijke Ouders zijn! Meerder kan uw hart niet begeeren. Daartoe zij God met U! Hij zegene uwe pogingen en doe den jongen Prins voorspoedig opgroeijen! Dat de zaden van wijsheid en deugd zich vroeg in Hem ont-

-ocr page 67-

65

wikkelen en Hij in alle opzigten van God gezegend zij! Dit is alles, wat mijn hart U wenschen kan.

GEËERBIEDIGDE en GELIEFDE KONING en KONINGIN!

Heil zij U, door dezen uwen eerstgeboren kleinzoon! God spare denzelven en ook uw dierbaar leven, Hij geve U lange jaren het genot van dit goede te mogen smaken! De groei en voorspoed van dit uw kroost zij uwe vreugde en overtreffe hetgene wij daarvan begeeren! Weldra moge de liefkozingen van dit wichtje de harten van uwe Majesteiten streelen en eene aangename verpozing beschikken van den zwaren last, dien gij, onze hooggeschatte koning, voor ons torscht!

God zegene U, geliefde koning en koningin, benevens geheel uw huis in en met deze dierbare spruit!

EERBIEDWAARDIGE VORSTIN!

Vergun mij, dat ik mijne deelneming in uw voorregt betuigen mag! Wat zeg ik, mijne deelneming? Neen, het is die van duizenden! Weten wij geen voorbeeld, dat ooit één der prinsessen, aan Oranje gehuwd, haar achter-kleinkind in \'t mannelijk oir zag, wij wenschen Uwe Hoogheid van harte geluk, dat zulks U te beurte viel!

Uw dierbaar leven worde lange gerekt, dat uwe jaren langzaam rollen; de erfprins dartele aan uwen schoot en zij nog vele jaren de vreugd van uw leven!

Dit voorregt zij ook het deel van den prins en de prinsessen van het koninklijk huis!

Jaren des levens, eer en vergenoegen, in het aanschouwen van den bloei en toenemenden luister van \'t Oranje-Huis, verblijden uwe harten!

Dat de vorstelijke Peters en Meters van God gezegend en hunne dagen verlengd worden; dat zij de vervulling der gebeden en wenschen over dezen vorstelijken doopeling, de

5

-ocr page 68-

G6

welvaart en den voorspoed van den koning en het koningrijk der Nederlanden lange mogen zien! Dit worde hun van Hem geschonken, die de eenige bron van alles goeds is !

Geëerde hoorders! Dat diepe eerbied onzer aller harten vervulle in \'t bijwonen van deze heilige plegtigheid, mag ik billijk van u vorderen en wil ik gaarne aan u toebidden, opdat gij voor u zeiven daar nut van moogt hebben.

Ook wij zijn gedoopt! Herinneren wij ons daarbij onze verpligting en onderzoeken wij onze beantwoording daaraan, of wij ons leven in den dienst van God besteed hebben? Die herinnering wekke ons op om, naar heiliging van onze harten door den Heiligen Geest, biddend te staan en om den troost te zamelen, die hierin ligt voor onze harten, in alle moeite en ongevallen van dit leven, en, om eenmaal gelukkig te sterven, in de hope des eeuwigen levens!

Ook onze kinderen zijn gedoopt, en wij zullen eens met hen voor den Overste van de koningen der aarde verschijnen, om rekenschap te geven of wij hen voor de wereld, of voor God en Zijnen dienst opgevoed hebben? Wanneer wij onze kinderen in lijden zien, of dat zij ons ontrukt worden, zij de Doop, aan hun bediend, onze vertroosting!

Met zulke gedachten vervuld, aanschouwen wij dan deze doopsbediening! En bidden, dat God dezelve aan dezen Doopeling zegene. Amen!

Hierop werd het Doopsformulier voorgelezen en op de drie vragen van hetzelve door de vorstelijke personen geantwoord zijnde, deed de leeraar nog deze korte aanspraak:

Onvergetelijk zij U dit oogenblik, hoogaanzienlijke vader en doopgetuigen van dit vorstelijk kind! Gij geeft hetzelve, onder het oog van den Alomtegenwoordigen, aan Jezus Christus en Zijne gemeente over, om het voor Zijnen dienst tot deszelfs tijdelijk en eeuwig geluk op te voeden; deze gelofte zij U heilig, en God zelf geve U genade, om daaraan getrouw te zijn!

Dat wij allen God danken en ons verblijden, dat onze koning en koningin, dat de prinsen en prinsessen van zijn

-ocr page 69-

huis, eerbied voor (iod en Zijnen dienst hebben, dat zij belang stellen in het Evangelie van Jezus Christus. en Hem thans openlijk hulde doen, door hun zaad den Heere te heiligen! Dat wij allen dan betamelijk onder deze Doops-bediening verkeeren! Dit zij zoo !

Vervolgens werd de Heilige Doop bediend aan den Doopeling, welke genaamd is;

WILLEM ALEXANDER PAUL FKEDEKIK LOOEWIJK.

Onmiddelijk daarna werd dozen zegen over donzelveu door den Leeraar uitgesproken:

God almagtig zegene dit dierbaar Wicht, dezen Vorstclijken Telg! Zijn loven zij lang en gelukkig, Gods Vaderlijke liefde in Jezus Christus en de genade van den Heiligen Geest zij over denzelven! Hij worde eene eere voor \'t Christendom , een sieraad voor het Koninklijke Geslacht, een zegen voor het Rijk der Nederlanden en voor de raenschheid, een erfgenaam van dat Koningrijk, hetwelk bereid is van de grondlegging der wereld. Amen!

NAGEBED.

Genadig God cn Vader in Jezus Christus! Aan U wordt dit Kind, met ons in zonden ontvangen en geboren, eerbiedig opgedragen: zie het in gunste aan, schenk aan hetzelve de vervulling onzer ontboezemde zegenwenschen; verhoor alle de gebeden die voor hetzelve tot Uwen troon opklimmen! Uw Vaderlijk liefdeoog zij op hetzelve, Uwe hand geleide het op \'t levenspad; heilig het vroeg door Uwen Geest!

Geef aan de Vorstelijke Ouders genade , om dit Kind door eene Christelijke opvoeding, geduriglijk aan U te heiligen! Zegen onzen zoo liefdewaardigen Koning, dat zijne jaren vele worden, ondersteun Hem in den moeijelijken post Hem aanbevolen; de liefde des Volks zij de vergelding van zijnen zwaren arbeid, die Hij ten onzen beste besteedt.

Dat Zijne Koninklijke Gemalinne, en alle de Piinseu en

-ocr page 70-

68

Prinsessen van \'t Koninklijke Huis, van ü gezegend worden ! Doe wel bij het Vaderland en de Kerk van Jezus Christus op aarde! Ontvang ook den dank van den Dienaar des Woords, dien Gij verwaardigd hebt, dit werk te mogen ver-rigten. Verhoor onze Gebeden, aanschouw onze Dankzeggingen in gunst, O Vader, om Jezus Christus uws lieven Zoons wille. Amen.

NAZANG.

Gezang XCVII, vs. 1 en 3.

U, God cn Heer! Zij eeuwig eer,

Wij roemen Uw genade;

Ontfermend slaat Gij ook ons zaad, Om Jezus offer, gade.

vs. 3.

Heeft Uwe hand, den Doop, ten pand

Van Uw verbond, gegeven, Die blijde troost, doet ons dit kroost Met vreugd, U overgeven.

-ocr page 71-

AA NT EEK EN IN Gr EN.

(1) De Nederduilsch Protestanlsche kerk Ie Brussel. ^ an de zestiende eeuw af, om niet te gewagen van vroegere tijden, van de dagen van Ruysbroek b. v. die te Groenendaal de eenzaamheid zocht, na in de St. Gudule den heiligen dienst vervuld te hebben, van de zestiende eeuw af is het evangelie in protestantschen zin in de Zuidelijke Nederlanden gepredikt geworden in de taal des lands. Merkwaardig inzonderheid is de tijd voor en tijdens Alva en Parma, merkwaardig is ook later de tijd van Joseph II en nog altijd kan men voortgaan steeds grondiger naar de oorzaken te vorschen van die geweldige reformatorische beweging, die in Vlaanderen, in Braband, in Limburg, ja, waar al niet, eerst in anabaptistischen en Lutherschen geest zich openbaarde. Voorzeker zullen ook de maatschappelijke toestanden daar zeer veel aanleiding toe hebben gegeven. Het Nederlandsche element bleef steeds wakker en werd bevorderd door den garnizoensdienst tijdens de Republiek, zoowel in de generaliteitslanden als in de plaatsen, tijdens het Barrièretractaat door de Republiek bezet gehouden. Onder koning Willem I werd de Hollandsche godsdienstoefening in de voormalige Augustijner-kerk gehouden. Na 1830 was het Hollandsche element op kerkelijk gebied schier verstorven; toch smeulde het onder de asch. Wel zochten de meesten en daaronder de aanzienlijken, voor zoover hun hart daarnaar uitging, God, in de fransche taal, de taal van het hof, te ontmoeten, wel vond men zich steeds bevredigd in de zoo gunstig gelegen oude,

-ocr page 72-

70

ook aan Oranje herinnerende, Chapelle de la cour, nu temple du Musee genoemd, of in andere niet minder gunstig gelegene, later daarbij gekomene plaatsen van aanbidding voor een fransch gehoor, maar toch heeft men het Evangelie in deze stad, schier onafgebroken, ook in de N ederlandscho taal hooren verkondigen, terwijl het a m. belang stellenden uit alle standen nimmer ontbrak. Verleden jaar vierden wij hot halve eeuwfeest onzer gemeente; dit jaar hoopt de synode onzer kerken het feit te gedenken van haar ontstaan, nu vijftig jaren geleden.

Na verschillende plaatsen van samenkomst te hebben gehad komt onze uit Noord- en Zuid-Nederlanders bestaande gemeente nu sedert vele jaren in een zeer doelmatig gebouw op de Katharinaplaats eendrachtig ten gebede op.

(2) De Doopplechtigheid. Zie ook bl. 48 en 49.

In het bezit van Z. E. den gezant is een door een kan-stenaar vervaardigde schets, waarop de omtrekken voorkomen van de verschillende personen, die bij den doop tegenwoordig waren. Deze schets was oorspronkelijk bestemd om uitgewerkt te worden, maar er is geen schilderstuk uit ontstaan, hetgeen wel te bejammeren is. Hoe gaarne toch hadden wij de blijde trekken aanschouwd van die eerbiedwaardige Vorstin b. v., die nu haar achterkleinzoon mocht zien doo-pen; daar reeds wijlen haar prinselijke echtgenoot, Stadhouder Willem V, die door lijden gelouterde, innig vrome Oranjevorst, den ö^611 December 1792, bij de geboorte van zijn kleinzoon, den lateren koning Willem II, zich op de knieën had nedergebogen, om God te danken voor het voorrecht, dat hij de allereerste der Nassausche prinsen van Oranje mocht zijn, die zich Grootvader kon hooren noemen. Zie over deze overgrootmoeder onzes konings, in Holland gemeenlijk prinses Willemijntje genoemd, en over haar betrekking tot de troebelen in de toenmalige Oostenrijksche Nederlanden: Van der Aa. Geschiedenis van Willem \\.

c ///r

-ocr page 73-
-ocr page 74-
-ocr page 75-

■i I

j

Ml

J

-ocr page 76-

■ -^. - fl,

- \'• ■ ■

--J :\'■/-■

mi

- •- -

.\'lp; -•

V

ÏK h\' ■

l-

■ f

i t \'.