/?/-///gt;
tik-
Sftï.
- 1.\'
â â¢
,
|
iv ;--H\' - : |
ÃÃêm |
|
/, jr \' |
^tr-. |
|
\'X Jr t_ \' | |
|
ffSm$ | |
|
% § - |
â ; \'i\' â ?, %\'â Ir\' |
|
S\'l t |
rxSp.\' â¢â¢ ivfr- |
|
{X\'ipêBé: |
W*gt;rm
i â \'
\'
ak 131
F
EDEDEELINGEN
ENIGE
Onze Lievt ïron te AfritaaiisclE Isslén.
Voorbede. â I. Sticliting van een Postultat ie Maastricht. â II. De Negers-Marte-laren in Oeganda. â III. Brief van Z. E. Kardinaal Lavigerie over het Apostolaat bij de Leidensche vrouwen. â IV. Beknopte inlichting omtrent de Congregatie der Zuster»-Missionarissen van O. L. Vr. der Afrikaanschc Missiën. â V. Nieuwe Postulaten in Europa. â VI. Brief eener Postulante der Zusters-Missionarissen der missiën in Kabylië. â VII. Kleeding eener Zuster-Missionaris in de Basiliek van O. L. Vr. van Afrika. â VIII Gebeden voor \'t werk der Voortplanting des Geloofs eu voor de bekeering der heidenactie vrouwen. Dames-Kanunnikessen van Karthago. â IX. Aanneming tui Zusters-Missio-narissen. â X. Decreet van lofprijzing door den H. Stoel verleend, ten gunste van de Congregatie der Zusters-Missionaris- â \' sen van O. L. Vr. der Afrik. Missiën in Algiers.
O U D E N B ö S C H,
vas db âAssaijek der Afrikaansche Missiën\'
(cRtotdiz camp;itnazdinin en SIÃ. c?.
1 8 8 8.
110
c
Vak
Ho
ENIGE /ViEDEDEELINGEN
Ei
Bibliotheca Clnventus
Onze Lieïe Yron Ier Afitaanlie Missiën.
Voorrede.
I. Stichting van een Postulaat te Maastricht.
II. De Negers-Martelaren in Oeganda.
III. Brief van Z, E. Kardinaal Lavigerie over het Apostolaat bij de lieidensche vrouwen.
IV. Beknopte inlichting omtrent de Congregatie der Zusters-Missionarissen van O. L. Vr. der Afrikaanschc Missiën.
V. Nieuwe Postulaten in Europa.
VI. Brief eener Postulante der Zusters-Missionarissen der missiën in Kabylië.
VII. Kleeding eener Zuster-Missionaris in de Basiliek van O. L. Vr. van Afrika.
VIII Gebeden voor \'t werk der Voortplanting des Geloofs en voor de bekeering der heidensche vrouwen. Dames-Kanunniken van Karthago.
IX. Aanneming vku Zusters Missionarissen.
X. Decreet van lofprijzing door \' den H. Stoel verleend, ten gunste van de Congregatie der Zusters-Missionarissen van O. L. Vr. der Afrik. Missiën in Algiers.
OUDEN B O S C 11.
Uitgave van de âAnnalen der Aprikaansche Missiënquot;. (cBzoecVs eamp;cznazdinuy cn tyV. c?. )
1 8 8 8.
liclaiigstcllciKlcii, die clc uootllge inlich-(ingcii Avensclien te bekomen, worden verzocht, xich te adreNNeercn aan de Eerwaarde Overste van liet Oesiicht der Zusters-Jflissi-onariwsen van Afrika
Uoogebragsfcraat JVo. lOO, WIJÃCTH-M .V yV«rX^l«I OlIrX\\
VOORREDE.
De goddelijke Voorzienigheid draagt klaarblijkelijk eene bijzondere zorg voor \'t groote Afrikaansche vasteland. Een vijfentwintig jaar geleden scheen het nog dat het binnenland van dit werelddeel voor de wetenschap voor altijd gesloten zou blijven. Sedert echter is men begonnen er in door te dringen en het in alle richtingen te onderzoeken. Aan de edelmoedigheid van Z. M. den Koning der Belgen en der door hem opgerichte internationale maatschappij hebben wij het te danken, dat Afrika reeds herhaaldelijk van de eene zee tot de andere werd doorkruist. Het werk, dat de meest beschaafde volken begonnen hadden, werd vervolgens door de vertegenwoordigers der Europeesche mogendheden, die in Berlijn onder het protectoraat van Z. M. den Duitschen Keizer en onder \'t voorzitterschap van den Rijkskanselier bijeen kwamen, nader bij zijn doel gebracht door het Europeesch bescherm-i heerschap ook over de verschillende Afrikaansche grondgebieden uit te strekken.
]NIu was het uur vooi\' de Katholieke Missiën aangebroken. Nu konden zij ook in het binnenste van Afrika
VOORREDE.
doordringen, tot in de nabijheid van die groole meren, waaruit de Nijl en de Kongo ontspringen. Naast politieke- en handelsnederzettingen, konden zij eveneens Apostolische Staties stichten. Zoo hebben de missionarissen van Algiers de Apostolische Vicariaten van Nyanza, Oenyanyembe, Tanganika en den Boven-Kongo opgericht. Reeds bloeien aldaar talrijke Christengemeenten, en eene van hen, die van Oeganda, heeft verleden jaar een bewijs van christelijken heldenmoed geleverd, die ons in de eerste tijden der Kerk verplaatst.
Nog is echter eene groote leemte aan te vullen. In \'t begin konden wegens de naamlooze moeilijkheden en gevaren Missionarissen slechts zich aan het werk der bekeering toewijden en dientengevolge de eeuwige waarheden slechts aan mannen verkondigd worden, terwijl de vrouwen hulpeloos en verlaten schenen. Wel hadden eenige zusters zich in de kuststreken gevestigd, doch den zwarten vrouwen in Afrika\'s binnenlanden konden zij hare hulprijke hand niet bieden. Dat zal nu beter worden.
Sedert twintig jaren bestaat in Algiers eene Congregatie van Zusters-Missionarissen onder den ⢠naam van O. L. Vr. der Afrikaansche Missiën. Thans, nu de wegen vrij en hier en daar reeds van de veiligheid van \'t verkeer uitgebreide maatregelen van bescherming genomen zijn, staan de Zusters gereed, om op het eerste bevel van hare Oversten, in de barbaarsche landen door te dringen en ook voor vrouwen en dochters dal te doen, wat de Missionarissen reeds voor mannen en jongelingen begonnen hebben.
Ten gunste van dezen verheven kruistocht heeft
It
voorrede.
Z. E. Kard. Lavigerie, Aartsbisschop van Algiers, de Stichter en eerste Overste der Zusters-Missionarissen, eene dringende oproeping gedaan aan de katholieke vrouwen van alle\'landen, van welke natie ook.
Aan die roepstem is reeds van vele zijden gehoor gegeven. Tegelijkertijd wil de doorluchtige Stichter aan zijn werk thans een hooger karakter schenken. Daarom heeft hij het middelpunt der Congregatie uit Algiers, alwaar ze in een klein dorp, te Kouba bij Algiers, gevestigd was, naar Karthago verplaatst. Uit de oude hoofdstad van Afrika moet nu weldra een leger van vredelievende zusters uit de meest verschillende landen uittrekken, om aan de zwarte vrouwen van Afrika\'s binnenlanden al die weldaden te brengen, welke de kroon van de Christelijke vrouw uitmaken; de liefde, de moederzorg, de offervaardigheid en de barmhartigheid.
In verschillende streken zijn postulaten gesticht, om de jonge dochters op te nemen, welke zich aan deze edele roeping zouden willen wijden. Voor Nederland, Duitschland en België is zoodanig een te Maastricht geopend, dus te midden van een streek, waar de talen dier natiën gesproken worden.
Het dool van dit boekje is dus, om de noodlge op-lielderlngen te geven aan al de vrouwen, welke aan de poort van dit nieuwe liuis zouden willen aankloppen.
ill
I.
Sticltlïi ra een Postulaat te Maastriclit
VOOR DE
CoDgregalie 4er Znsters-Missloaarissen Tan Oize Lieve Vrouw ier Afrikaansclie Issiën.
Congregatie der Zusters-Missionarissen van O. L. Vrouw der Afrikaansclie Missiën. â Oprichting van een Postulaat te Maastricht, Ned. Limbvrg. â Beis van Z. E. den Kardinaal Lavigerie. â De H. Hermanns tot patroon gekozen - en waarom ? â Bezoek lij een ouden geestelijke ter gelegenheid van diens juhilé als Briester.
Onze godvruchtige lezers der Annalen kunnen van de eene aflevering tot de andere den vooruitgang nagaan van het door God zoo klaarblijkelijk gezegende werk der Afrikaansclie Ziisters-Missionarissen. In de Juli- en Augustus-aflevering hebben wij hun de stichting van een Postulaat te Lyon gemeld. Het is voor die Fransche jonge dochters bestemd, welke zich geroepen voelen tot de ver afgelegen missiën, vooral tot de door ons geschetste missiën van Afrika\'s binnenlanden. Doch de Fransche jonge dochters zijn niet alleen tot dit verheven werk geroepen ; neen, ook die van alle andere natiën ; want allen zijn met Gods hulp tot een zelfden heldenmoed in staat.
Hét postulaat van Maastriclit is vooral voor jonge dochters uit Nederland, Duitscliland en Vlaanderen bestemd. In genoemde landen heerscht een opgewekt godsdienstig leven. Bovendien strekken deze landen voortdurend hun koloniaal gebied uit, en openen zoodoende aan de missiën een steeds grooter gebied. Voorzeker zal Gods Heilige Voorzienigheid, die immers altijd de middelen geeft, om het voorgestelde doel te bereiken, ook in deze bevoorrechte landen talrijke zielen opwekken, welke zich aan de
apostolische roeping wijden. Dit mogen wij met \'t oog op hetgeen in Lyon gebeurd is hopen. Trouwens, de eerste postulanten, die daar aanklopten, waren twee jonge dochters uit België en Holland; weldra voegden zich bij haar vier Duitsche uit Beieren.
Sedert verscheidene jaren reeds hebben de Paters van Algiers te Wohiwe bij Brussel een apostolische school voor hunne Congregatie gesticht; deze school kan reeds, zoowel wat het aantal als ook wat de bekwaamheden der toekomstige missionarissen betreft, op de- gunstigste uitkomsten wijzen. Die gunstige uitslag heeft Z. E. Kard. Lavigerie, toen hij onlangs in Frankrijk vertoefde, doen besluiten een reis naar België en Nederland te ondernemen, om zich persoonlijk te gaan overtuigen, of daar een vruchtbare grond voor nieuw zaad voorhanden is. Zijne Eminentie reisde eerst naar Brussel, om aldaar over de verschillende plaatsen, die men hem aangewezen had, nauwkeurige inlichtingen in te winnen. Eindelijk werd Maastricht gekozen, om er de bedoelde stichting te vestigen. Die stad biedt voor een missiewerk twee groote voor-deelen aan. Zij is eene echt Katholieke stad. Onder de bescherming van wijze vaderlijke wetten is zij aan haar geloof en aan de oprechte innige godsvrucht der vroegere tijden trouw gebleven. Men kan zich nauwelijks betere menschen, dan de inwoners om Maastricht zijn, voorstellen. De kerken zijn bijzonder goed onderhouden, te beginnen met de oude prachtige basiliek van den H. Servatius, die nog uit de zesde eeuw stamt en door haar uitmuntenden Deken is gerestaureerd, tot op de nieuwe nette kerk van Wijck, welke de ijver der parochianen heett gebouwd en die door haren uitnemenden Herder, Mgi-. Rijkers, een waarlijk ijverig en apostolisch man, keurig in stand gehouden wordt.
Het tweede voordeel, dat Maastricht aanbiedt, is zijne aardrijkskundige ligging tusschen Nederland, Noord-Duitschland en België, waardoor het zoo uitstekend voor het doel geschikt is, dat men bij de stichting van dit postulaat op \'t oog had, om er namelijk jonge dochters uit de drie genoemde landen in op te nemen. Naar Maastricht dus begaf zich Z. E. Kardinaal Lavigerie op den (i Augustus, het feest der Gedaanteverandering des Zaligmakers, \'s Morgens had hij in eene gastvrije woning van \'t diocees Luik de H. Mis gelezen. Bedoelde woning is die van een der meest
vrijgevige weldoensters van ons werk en van alle missiewerken in \'t algemeen. (1)
Het was in den namiddag, dat de Kardinaal-Aartsbisschop van Karthago te Maastricht aankwam. Z. E. werd verwelkomd door Mgr. Rijkers, Deken van Wyck-Maastricht, door Mgr. Brincat, die een dag te voren reeds in Maastricht was aangekomen, en door P. Eoelens, die hem deu weg moest bereiden. Onmiddelijk toog hij aan \'t werk. âIk heb goede hoopquot;, zeide de Kardinaal al glimlachende â\'t is vandaag het feest der Gedaanteverandering âüuzes Heeren, en met bijzondere voorliefde zag ik dezen morgen âin \'t Evangelie de woorden : Domine, honwn est nos hie esse, â(Heer, \'t is ons goed hier te zijn), welke de Apostelen tot den âHeer richtten; ik gevoelde, dat mijne gebeden om eene gastvrije ânederzetting moesten verhoord worden door de verdiensten van âhem dien ik er om smeekte.quot; En inderdaad toonden Mgr. Eijkers en P. Roelens Zijne Eminentie een ledigstaand huis te Wijek-Maastricht, in de eigen Parochie van eerstgenoemden.
De Kardinaal begeeft zich onmiddelijk - daarheen. Het huis is zeer geschikt; ofschoon het groot is loopt het toch weinig in \'t oog. Een aangrenzende tuin veroorlooft aan de Zusters, gedurende haar proeftijd, versche lucht te scheppen en zich de noodige beweging te verschaffen, zonder dat zij behoeven uit te gaan. De prijs wordt niet te hoog geschat. De voortreffelijke Notaris, Mijnheer Boots, zoo recht een man naar Gods hart, neemt op zich de noodige onderhandelingen te voeren en de koopacte op te maken. Binnen een uur is alles in gereedheid. De eerbiedwaardige Bisschop van Roermond verleent gereedeiijk nog denzelfden dag de gevraagde approbatie. Kort daarop wordt een eerste gift van acht duizend francs geschonken ter bestrijding der voorloopige kosten, en later schenken twee goede dames het noodzakelijke voor de uitrusting der Kapel. (2)
Er bleef slechts over, O. L. Vrouw van Afrika en den H. Hermanns, onder wier bescherming het huis zal gesteld worden, te danken.
1
Mevr. de gravin v. Stainlein-Saalenstein
2
De dames Wouters, eigenaressen van \'t Jcasteel Stein bij Maastricht.
4
Waarom Onze Lieve Vrouw van Afrika gekozen is, zal een ieder gemakkelijk begrijpen ; waarom evenwel de H. Hermanns, zal later worden verhaald.
Wel is het huis nu slechts gehuurd; maar men heeft zich het recht voorbehouden, om het gedurende den Imurtijd voor eene op zich zelf geringe som aan te koopen. En nu moet het tocli al slecht gaan , als , na een zoo hijzonder mooi begin, de H. Hermanus zich uit zijn huis weer op straat liet zetten.
Tot zooverre het stoffelijke.
Nauwelijks was het huurcontract geteekend, of een jonge dochter uit de Parochie biedt zicli bij den Kardinaal aan met de bede , haar als novice op te nemen. âZij is juist mijn beste parochiekind, in goede werken zoowel als in deugd evenzeer beproefdquot;, zeide de goede Pastoor. â Sedert, en ofschoon het huis eerst den 15 October zou geopend worden, zijn reeds vijf andere aanvragen gekomen. De vinger Gods is toch, naar ik meen, hier duidelijk zichtbaar.
Doch ten slotte een woord daarover, waarom de H. Hermanus naast O. L. Vrouw van Afrika tot beschermer en patroon van liet postulaat te Maastricht is uitgekozen.
De H. Hermanus was de patroon van eeu jong Beiersch edelman, wien de vrome moeder bij \'t H. Doopsel onder de bescherming van dien alom vereerden Heilige gesteld had. De H. Hermanus is bekend door de reinheid van zijn leven en zijne engelachtige godsvrucht. De schilders stellen hem voor met het Kindje Jesus op de armen, terwijl het hem eene sneeuwwitte lelie aanbiedt. De jonge edelman nu, die den naam van den Heilige droeg, was ook een getrouw navolger zijner deugden. Hij was de eenige zoon eener edele, vrome weduwe, die hein zeer zorgvuldig in de liefde voor de onschuld, voor de weldadigheid en godsvrucht had opgevoed. Alle werken der christelijke weldadigheid waren hein even lief. Op \'t einde van zijn leven intusschen, toen hij reeds door eene doodelijke ziekte verteerd werd, was hij van een onmetelijke liefde voor de arme zwarten vervuld; hij zoowel als zijne moeder waren vol toewijding voor onze missiën, waaraan hij zijne giften rijkelijk schonk. Voor eenige jaren stierf hij als een Heilige; maar stervende dacht hij nog aan de arme zwarten en bad voor
5
lien. Zijne moeder leeft thans eenzaam en alleen naast het graf van haar zoon ; zij wijdt zich g-elieel en al aan de christelijke weldadigheid en aan het gebed toe en hoopt, hem, dien zij op aarde voor den Hemel heeft opgevoed, ook eens in den Hemel weer te vinden. In \'t huis dier vrome dame had Z. E. de Kardinaal-Aartsbisschop van Algiers den B Augustus de Mis van het âBonum est nos hie essequot; gelezen. Krachtens een privilegie, dat den Kardinalen verleend is, las Zijne Eminentie die H. Mis in die zaal van het huis, waarin het portret van den heiligen jongeling hangt.
Gedachtig aan de liefde, die de overledene voor de arme zwarten van Afrika gekoesterd had. kreeg de eerbiedwaardige Aartsbisschop de gedachte, de stichting welke hij van plan was denzelfden dag tot stand te brengen, in de gebeden van den vromen Herman aan te bevelen, in de vaste hoop, dat deze reeds bij Onzen Lieven Heer in den Hemel zal zijn.
Wij hebben verhaald, hoe spoedig alles afliep ; tot dank is nu de H. Hermanns, de naampatroon van den vromen edelman, tot beschermer en patroon van het postulaat dier Zusters uitgekozen, welke zich aan een lievelingswerk des zaligen willen wijden.
Ook zal ter gedachtenis daarvan in de Kapel een beeld van den H. Hermanns worden opgehangen. Door wolken gedragen houdt hier de Heilige het Kindje Jesus in zijne armen, dat den Afrikaanschen volken, die aan den oever staan en smeekend hunne handen tot hem opheffen, een sneeuwwitte lelie aanbiedt.
Het postulaat te Maastricht is, zooals boven reeds werd aangemerkt, den 15 October geopend- Wegens nadere inlichtingen wende men zich tot de Eervv. Moeder van het postulaat der Zusters-Missi-onarissen van Afrika te Wijck-Maastricht.
P. S. Wij ontleenen aan eene Maastrichtsche Courant het volgende :
Toen Z. E. den Heer Boots bij zich ontboden had, om de koopacte te onderteekenen, verhaalde deze den Kardinaal, dat men dien dag in zijne parochie te Amby het gouden jubilé van den waardigen pastoor vierde, en verzocht den Prins der Kerk aan dien door zijne
6
kudde zoo beminden herder eenige regelen ter gelukwenscliing te schrijven. Dit voorstel trof het hart van den Kardinaal. âNeen, zeide hij, âik zul meer doen, ik zal hem in persoon gaan feliciteeren. Dit genoegen heb ik te danken aan zijn getrouwen parochiaan.quot;
Dadelijk begaf hij zich op weg, vergezeld van Mgr. Rijkers en den Heer Boots. Welk eene verrassing voor den waardigen jubilaris, voor de geestelijkheid, voor het volk ! Mgr. Lavigerie kwam juist op \'t oogenblik, waarop de pastoor met zijne parochianen de keurig versierde Kerk van Amby wilden binnentreden. Hij verscheen als uit den Hemel gevallen te midden der menigte. Men keek, men weende, vooral de pastoor stortte overvloedige tranen. Docli \'t schouwspel zou nog verhevener worden. De Kardinaal, de groote Prins der Kerk, werpt zich op de knieën voor den nederigen grijsaard, en vraagt hem zijn zegen op den onvergetelijken dag van zijn vijftig-jarig Priesterschap. Te vergeefs wil de waardige jubilaris zich verontschuldigen : de Kardinaal roept uit: âNon dimittam te nisi henedireris mild. Ik zal u niet laten gaan, voor gij mij gezegend hebt.quot; De pastoor kon aan dit woord der H. Schrift geen weerstand bieden ; hij moest den grooten primaat van Afrika zegenen, die zich toen in al de majesteit van zijne gestalte verhief en tot den eerbiedwaardigen pastoor eenige woorden van gelukwensching richtte. Hij deed dit met luider stemme, in zijne verhevene, buigzame en welluidende taal, waardoor allen nog meer aangedaan werden. Daarna met krachtige stem het â Adjutorium nostrum in nomine Dominiquot; aangeheven hebbende, zegende hij op zijne beurt den waardigen grijsaard en met hem geheel de geestelijkheid en het volk. Toen drukte hij den eerbiedwaardigen jubilaris aan \'t hart en gaf hem den vredekus. Men kan zich onmogelijk een meer treffend tooneel voorstellen. Amby zal het nooit vergeten.
Te half elf ure was Z. E. in het klooster van Wijck teruggekeerd. Een uur daarna vertrok hij met den trein naar Brussel.
II.
De Negers-Martelaren in Oeganda. â⢠Rondgaande brief van Z. E. Kardinaal Lavigerie en mededeeling van een brief van Z. D. H. Mgr. Livinhac, Apost. Vic. van het Nyanza-gébied.
VERKLARING.
Wegens de Kerkelijke wetten wordt hij de.:e verklaard, dat wij in dezen rond.gaanden brief de benamingen âMartelaarquot; en â\'Heiligequot; slechts in uitgestrekten zin gebruiken, in zooverre die benamingen door de Kerk geoorloofd en gebruikt worden, geenszins echter het verheven oordeel van dm H. Stoel willen voondtloopen in eene zaak, die hem in \'t bijzonder is voorbehouden.
-j- Karel Kaed. LAVIGERIE Aartsbisschop van Algiers.
Bem inde Christenen!
Tot heden toe heb ik nooit gedacht, dat ik ambtshalve verplicht zou zijn. in een herderlijken brief tot u over de Missiën te spreken, die de H. Stoel mij in de binnenlanden van Afrika heeft toevertrouwd. Zij liggen immers buiten de grenzen van dit Bisdom en zijn er niet kanoniek mee verbonden. Onder gewone omstandigheden zoude ik hiertoe ook geen aanleiding gehad hebben.
Zou ik bovendien niet de nederigheid der missionarissen van Algiers kwetsen, als ik zoo in \'t openbaar van hunne apostolische werkzaamheid wilde spreken ? Gij weet anders niets van hen, dan wat Gij persoonlijk bij de plechtige afscheids-ceremoniën gezien en gehoord hebt. Gij kwaamt toen, naar oud gebruik, om met ons de voeten van hen te kussen, die ons verlieten, om aan de wilde volken het licht en de weldaden van :t Evangelie te gaan brengen.
Dan, lieden moet ik spreken; ik mag niet langer van \'t heldhaftig voorbeeld zwijgen, dat arme wilden van Afrika aan de geheele Christenheid geven.
8
Ik deel u een schrijven mede van den Hoogeerwaarden Heer Livinhac, van de Congregatie der Missionarissen van Algiers, waarin de vrome Bisschop de vervolgingen verhaalt, onlangs door den laaghartigcn koning van Oeganda tegen de christen-negers van zijn koninkrijk bevolen.
Dezen brief heb ik zooeven aan het âGenootschap tot voortplanting des Geloofsquot; gezonden; doch ik vraag ook aan uwe herders, hem in \'t openbaar in hunne Kerken voor te lezen.
Zij zullen er voor hen zeiven eene eer en eene belooning in vinden.
Ik vergeet inderdaad niet en onze missionarissen vergeten het evenmin, dat de Priesters van \'t diocees van Algiers in stoffelijk opzicht mijne meest werkzame medewerkers geweest zijn bij de stichting van dit kleine gezelschap, bijzonder bestemd om aan een gedeelte van ons werelddeel het Evangelie te verkondigen. Ik vergeet niet dat zij. bij \'t begin van onze apostolische onderneming de wereld hebben willen doorreizen, om de noodige geldmiddelen in te zamelen. Ik vergeet vooral niet. dat de eerste leden van dit gezelschap van missionarissen uit de rijen van onze geestelijkheid zijn voortgekomen, eu dat hij, die op \'t oogenblik in mijn naam aau haar hoofd staat, in onze seminaries zijne geestelijke vorming ontvangen heeft.
Gij weet, beminde Christenen, wat de âWitte Patersquot;, want zoo heeft het volk ze genoemd, voor hun werk reeds geleden hebben. In minder dan twintig jaren hebben elf van hen een bloedigen dood ondergaan; meer dan vijftig anderen zijn in de verschillende streken van Afrika onder vermoeienissen, ontberingen en ziekten bezweken.
Slechts na zulke offers kan het woord van Tertulliaan over de vruchtbaarheid van het Martelaarsbloed in hen bewaarheid worden. Doch heden kunnen wij hun met den profeet toeroepen: ..Landa
sterilifi qmo non paria____ âDilata locum tentorii tui, H pelles taber-
nacidorutn tuorum ertende ... ad dexteram enim ed ad laevam penetrabis : et seinen timm gentes haereditahit, et civitates desertas inhahitabit,quot; enz., liet overige is u even goed bekend als mij.
Het bewijs daarvan levert u do schoone en roerende brief van /. D. H, den Bissr-liop van Pacando.
9
Bij de negers, die nabij de bronnen van den Kongo wonen, aan de oevers van den Tanganyka, in Oenijaniembe, bij het Nyanza-meer, ontstaan en ontwikkelen zich sedert jaren Christengemeenten ; thans is bovendien haar wieg met het purper van \'t martelaarschap versierd.
De vervolgingen in vroegere tijden bieden ons niets, dat meer roerend en bewonderenswaardig is, en in den brief van Mgr. Livinhac, dien wij u zenden, zult gij den trouwen weerklank van de vroegere dagen van ons Christelijk Afrika vinden.
Ik zeg het ter eere Gods, die alleen, evenals voor achttien eeuwen, ook thans weer dien moed heeft ingeboezemd en ondersteund. Daar Zijn Geest altijd dezelfde blijft, zoo zal het u niet verwonderen, dat gij van de lippen dier arme onwetende negers in de hitte van den strijd niet minder verheven woorden verneemt, dan bij de Martelaren van Karthago ten tijde der Romeinen ; evenmin dat onze nieuwbekeerden van Oeganda te midden van den nacht in de ontvangst der H.H. Sacramenten de genade van onverschrokken standvastigheid gaan zoeken, die de martelaren ten tijde van Tertulliaan in dergelijke vergaderingen vonden, en dat, evenals toen, de vervolgers den moed der Christenen aan tooverij en geheime kunsten toeschrijven, omdat zij hem niet anders verklaren kunnen. Weest niet verbaasd, als gij bij de vrouwen dezelfde edelmoedigheid vindt als bij de mannen ; wanneer grijsaards, mannen en kinderen gelijkelijk boven alle vrees voor martelingen verheven zijn; wanneer een der grooten van Oeganda, dien men in godvergeten woede handen en voeten achtereenvolgens had afgehouwen, het vleesch in riemen gesneden en voor zijne oogen op gloeiende kolen had geworpen, drie dagen in doodstrijd heeft kunnen liggen, zonder eeue andere klacht te uiten, dan op\'t einde die van onzen Zaligmaker aan \'t kruis: âIk heb dorst!quot; âSitio!quot; â als een en dertig mannen, van welke de meesten nog in den bloei huns levens waren, toen men hun in \'t gezicht van den brandstapel leven eu vrijheid aanbood, indien zij wilden verzaken âaan \'t gebedquot; (onder die benaming bedoelt men in Oeganda onzen H. Godsdienst), antwoordden: Wij zullen bidden zoolang wij leven! En inderdaad, terwijl zij door een langzaam vuur levendig verbrand werden, hielden zij niét op, gezamenlijk te
10
midden der vlammen hunne gebeden op te zeggen en hunne beulen te trotseeren.
Moeten wij bij zulke tooneelen niet vreezen, dat de schat van \'t ware geloof op eene geheimzinnige wijze tot andere volken zal overgebracht worden ; dat de verwoede barbaren rondom ons opstaan, evenals zij zich eertijds tegen liet door inwendig bederf verteerde Romeinsche wereldrijk verhieven, om al dat vertoon van beschaving, waarop wij zoo trotsch zijn, en dat weldra misschien in atheismus zal ontaarden, te vernietigen ?
Maar, naast die beweegredenen van vrees willen wij toch ook beweegredenen van vertrouwen trachten te vinden.
Die wilden zijn de getuigen Gods op aarde geweest; zij zijn thans Zijne vrienden in den Hemel. Hunne gebeden voor ons kunnen dus krachtig en heilzaam zijn.
Wel verbiedt ons de Kerk, en met recht, de Martelaren openbaar te vereeren, alvorens de H. Stoel in hunne zaak, met zijne gewone wijsheid en bedachtzaamheid, uitspraak gedaan heeft, maar zij verbiedt ons niet hun moed te bewonderen en na te volgen. En wat onze Christenen van Oeganda betreft, kan ik u in den naam van den H. Vader meedeelen, dat Z. H. met veel belangstelling hun marteldood vernomen heeft en naar aanleiding daarvan de levendigste hoop voor den bloei van het geloof in die streken koestert. Ziehier, hoe zich dienaangaande de H. Congregatie der Propaganda fide in den brief uitdrukt, dien zij aan mij gericht heeft:
âTerwijl ik mij over den vooruitgang van de Missiën der âGroote Meren van den Equator verheug, waarin de Paters van ,,Uw Instituut van Algiers, onder\' de wijze en krachtige leiding âvan Uwe Eminentie zoo ijverig werken, heb ik de. eer en liet âgenoegen u mede te deelen, dat in de gisteren verleende audientie âde H. Vader, aan wien in \'t bijzonder alles verhaald werd, wat âUwe Eminentie mij over den marteldood van een groot aantal âChristenen uit Oeganda hebt bericht, ofschoon bedroefd over de âverliezen in deze Missie geleden, toch ook zijne blijdschap aan âden dag heeft gelegd bij de gedachte, dat Jiet Moed der Martelaren het zand der Christenen is.quot; Opdat nu dit zaad overvloedige vruchten drage, heeft Zijne Heiligheid mij gelast, u een
11
âgansch bijzonderen zegen te zenden, dien hij aan Uwe Eminentie âals den Stichter der Missie, aan de ijverige missionarissen en âaan alle geloovigen van Oeganda uit de volheid zijns harten âschenkt.quot;
Dit schrijven is onderteekend door Z. E. den Kardinaal Simeoni, Prefect, en door Mgr. den Aartsbisschop van Tyr, Secretaris der H. Congregatie âde Propaganda Fide.quot;
Tegelijker tijd ontving ik de noodige aanwijzingen, om op de plaatsen zelve door Mgr. den Apost. Vicaris van Nyanza, de eerste gewone informatiën te laten nemen, die aan de Zalig- en Heiligverklaring der Martelaren moeten voorafgaan.
Hier, in ons Afrika, op den heuvel waar eertijds ütica lag, heeft een offervaardig aantal Christenen voor ongeveer zestien eeuwen de Kroon van \'t Martelaarschap verworven. Men noemt hem de Witte Massa, in onze Liturgie Massa Candida ; want volgens de woorden van den H. Augustinus heeft de kalk, waarin zij begraven liggen, ze met een wit lijkkleed omhuld. Mochten eens onze Martelaren als Heiligen vereerd worden, dan zouden wij ze de Zwarte Massa kunnen noemen, om naast de treffende benaming, die eeuwen lang is gebruikt, eene overeenkomstige te bezigen. Zij zijn immers de eersten onder de zwarten, die voor Christus zijn gestorven, en onder de zwarte kolen van den brandstapel liggen zij begraven !
Nu, beminde Christenen, luistert met aandacht naar hetgeen u zal voorgelezen worden en naar de edele gevoelens, welke die lezing in u zal opwekken. Mogen deze gevoelens u aanmoedigen, om te midden der laagheden en geloofsverzakingen van onzen tijd even getrouw als deze Martelaren aan uw geloof en uwen God te blijven, al koste het ook wat het wil!
Gegeven te Algiers, den 19 Maart 1887, feest van den H. Joseph.
â¢{- Charles, Kardinaal LAVIGEEIE, Aartsbisschop van Karthago en Algiers.
P. S. Terwijl wij deze regelen schrijven melden ons de laatste berichten uit Oeganda, dat de bloedige vervolging daar schijnt gestaakt, uit vrees voor de Europeesche mogendheden. Brieven van protestantsche zendelingen uit Midden-Afrika, die ook van
2
12
deze vervolgingen gesproken hebben, ofschoon dikwijls met mindere juistheid, bevestigen dezen keer die laatste tijdingen. Men weet, dat onder bevel van Stanley eene expeditie naar die streken ondernomen wordt. Maar het oogenblik waarop ze die streken nadert, kan voor onze missionarissen noodlottig worden. Wij bevelen ze in de gebeden van allen aan. Eveneens bevelen wij in die gebeden aan den bloei dezer Missiën, die zich zoo wonderbaar te midden, of liever ter oorzake van al die beproevingen, uitbreiden. Ieder nieuwbekeerde wordt daar een apostel, en volgens het laatste schrijven, dat wij van een onzer missionarissen, den Pater Denoit, ontvangen is de tegenwoordigheid van een dier Christenen in een provincie voldoende, om weldra honderd Kate-chumenen om zich te vereenigen.
Brief van Mgr. Livinhae,
Bisschop van Pacando, Apostolisch-Vicaris van Nyanza, dd. Notre-Daine de Kamoga (aan de oevers van het Nyanza-meer) 29 September 1886 ,
aan het Genootschap tot voortplantftig des Geloofs.
Mijne Heeren!
Ik wil aan uwe bezorgdheid en aan die der lezers uwer annalen, tot wie ik ook dezen brief richt, tegemoetkomen door u mededee-lingen te doen omtrent de wreede vervolging, die in liet koninkrijk Oeganda heerscht, hetwelk een deel uitmaakt mijner uitgestrekte missie. Vóór mijne verheffing tot het episcopaat oefende ik zelf daar de apostolische bediening uit als overste van St. Maria de Roebaga.
Door de genade Gods begon het woord des heils overvloedige vruchten voort te brengen onder deze arme volkeren, die overigens in alle bijgeloovigheden en in alle ondeugden verzonken zijn.
13
Verscheidene christengemeenten waren gevormd, en breidden zich meer en meer uit; honderden catechnmenen en nieuwbekeerden woonden onze predikingen bij. Maar de koning Mteza, voornamelijk door Mnzelmansche slavenhandelaars opgehitst, deed weldra blijken dat hij zich. zelfs met geweld, tegen deze beweging wilde verzetten. De missionarissen meenden uit voorzichtigheid eenigen tijd den naderenden storm te moeten ontwijken, en op dien tijd werd ik geroepen de zware taak van het episcopaat te aanvaarden en tevens, om zulk een uitgestrekt grondgebied te besturen.
Mteza stierf echter weldra, en zijn zoon Moeanga, dien ik persoonlijk gekend had en die alsdan vol welwillendheid voor ons was, verlangde uitdrukkelijk dat onze missionarissen in zijne hoofdstad terugkeerden. Maar verscheidene oorzaken gelijk aan die, welke de ongerustheid en het verzet van Mteza opgewekt hadden, deden weldra ook diens zoon van inzicht veranderen. Toen ik van Carthago, waar ik de bisschoppelijke wijding van onzen vereerden Vader Z. E. den Kardinaal Lavigerie ontvangen had. terugkeerde, vernam ik het smartelijke nieuws , dat alles in de missie van Oeganda in den rampzaligsten toestand verkeerde. Mijne oversten hadden mij gelast, er mijne verblijfplaats niet te vestigen met het oog op de mogelijkheid van een vervolging, welke mij het bestuur der overige deelen van mijn vicariaat zoude beletten.
Maar ik dacht niettemin, dat het wel mogelijk zou zijn, mij zelf van den toestand te vergewissen en mijnen medebroeders, den missionarissen van Algiers en hun nieuwbekeerden, de noodige aanmoedigingen en vertroostingen te brengen.
Uw bestuur, mijne heeren, kent al deze bijzonderheden reeds; ik herhaal dezelve hier in het kort, om hetgeen gaat volgen begrijpelijker te maken.
In mijn vorigen brief sprak ik u over den terugkeer der missionarissen in Oeganda en over het gulle onthaal, waarover zij zich bij den jongen koning Moeanga mochten verheugen. Hij zeide -openlijk, dat God, door onze gebeden en die der Christenen getroffen, hem tot den troon verheven had. Om Hem zijne dankbaarheid te tooneu , had hij openlijk de oude bijgeloovigheden van zijne vaderen afgezworen. Hij bad gaarne het Onze Vader en leerde het
14
zijne omgeving, hij spoorde zijne onderdanen aan zich te laten onderwijzen en benoemde onze niemvbekeerdeu tot staatsbetrekkingen. Deze laatsten gaven hem een schitterend blijk van hunne getrouwheid. Eenige maanden na den dood van Mteza vormden de grooten van het koninkrijk, ziende dat de nieuwe koning de lieiden-sche overleveringen van liet land wilde verlaten, en vreezende dat hij hun een godsdienst zou doen omhelzen, welke met hunne ondeugden in strijd was, een samenzwering tegen zijn leven. In een plechtige vergadering zouden zij hem op een gegeven teeken met hunne lansen doorboren en zijn jongen broeder tot koning uitroepen. Drie van onze Christenen, Joseph Mkasa, Andreas Kagoea en een ander, het complot ontdekt hebbende, waarschuwden Moeanga in stilte en zeiden hem, dat hij op hen en al de Christenen en hunne onderhoorigen, omtrent 2000 goed gewapende mannen, rekenen kon.
De koning echter doet Katikiro, zijn eersten minister, roepen, die aan het hoofd der samenzwering stond en verklaart hem dat hij alles weet. Katikiro begint te weeuen, smeekt om genade en belooft getrouwheid. Moeanga vergeeft hem en insgelijks aan alle andere samenzweerders. Van dien dag af werd de haat, dier de minister den Christenen gezworen had, onverzoenbaar. Hij besloot ze allen te verdelgen en met de meest invloedrijksten te beginnen. Het was voor hem een strijd op leven en dood; want de koning had verklaard, dat hij Joseph Mkasa, bij iedereen als vurig Christen bekend, tot eersten minister zou benoemen en André Kagoea als opperbevelhebber zou aanstellen. Ook liet Katikiro niets onbeproefd, de Christenen bij den koning als gevaarlijk voor te stellen, die hem, zoolang zij in kleinen getale waren, getrouw blijven, doch zoodra zij de overhand hadden hem van den troon zouden stooten en een der hunnen in zijne plaats stellen.
Zoowel hier als overal blijft er altijd iets van de lasteringen, zelfs de afschuwelijkste, hangen. Zonder zich eerst openlijk tegen de Christenen te keeren, begon Moeanga hen te wantrouwen en ontdeed zich in de praktijk van een godsdienst, welke de WTeed-heid, onrechtvaardigheid en polygamie, ingewortelde gebruiken van het koninkrijk Oeganda, verbiedt. Hij liet echter zijnen onderdanen de vrijheid, zich in de geloofswaarheden te laten onderwijzen en toonde zich. in het openbaar zoowel als in het bijzon-
15
der, den vriend der Katholieke missionarissen, die men in liet land Baganzi ha Kuhaka, vrienden des konings, noemt. Binnen eenig-e maanden ontvingen 244 der best onderwezen catechumenen het H. Doopsel; zeven- of achthonderd anderen bezochten onzen katechismus met die getrouwheid, welke wij alleen onder de Ba-ganda\'s aangetroffen hebben.
Zoo stonden de zaken, toen de tijding van de verovering van een deel van Midden-Afrika door de Duitschers den Koning ter oore kwam. In die negerlanden zijn alle blanken min of meer solidair. âMisschien waren wij met al onze goede woorden slechts spionnen om den veroveraars den weg te banen.quot; Terwijl de wijzen zich dit afvroegen, ontving men de tijding, dat een blanke, door een sterk escorte gevolgd, in de Boessoga verschenen was en zich naar Oeganda begaf. Volgens ik weet niet welke voorspelling moeten de veroveraars van dien kant komen. De ontsteltenis was algemeen. De bedoelde reiziger was de Anglicaan-sche bisschop Hannington. Moeanga wist slechts één middel om het gevaar te bezweren : hij zond aan het leger, dat toenmaals in Boessoga oorlog voerde het bevel, dien blanke en geheel zijn gevolg te dooden.
Joseph Mkasa, een Christen en geheim raadsheer van den koning, deed al het mogelijke om hem te doen begrijpen, dat hij niets van dien vreemdeling te vreezen had; dat, zoo hij hem niet in zijn koninkrijk wilde toelaten, hij hem slechts den toegang te weigeren had, zonder daarom zijne handen in zijn bloed te doopen. Pater Lourdel en Joseph deden al hun best, en slaagden er eindelijk in den koning te bewegen, een tegenbevel uit te vaardigen; maar hetzij dat de bode niet gezonden werd, hetzij dat hij te laat kwam, de ongelukkige Hannington werd met zijne mannen vermoord, en de herhaalde stappen van patar Lourdel en Joseph, slechts door de zuiverste naastenliefde gedaan, dienden als voorwendsel om Moeanga te overtuigen, dat allen die âbiddenquot;, zijne grootste vijanden waren. Katikiro, die vooral Joseph doodelijk haatte, maakte hiervan gebruik om diens dood te vragen. De koning waardeerde de groote diensten, die Joseph hem bewees; hij kende zijne zeldzame voorzichtigheid en bewonderde zijne toewijding. Daarom wees hij het voorstel van den minister eerst
16
af. Doch deze herhaalde zijne pogingen. Hij stelde Joseph voor als een der grooten, die het meest aan onzen heiligen godsdienst gehecht waren, en daarom als een vijand, van wien men alles te vreezen had. Moeanga gaf eindelijk toe.
Joseph was algemeen bemind. Door zijn ambt kwam hij in gestadige betrekking met den koning. Zonder zich er van te bedienen gelijk zijne voorgangers, om iedereen te benadeelen, deed hij zijn best hun van nut te zijn, en meer dan één heeft het aan zijne voorzichtigheid of aan een goed woord ter rechter tijd door hem gesproken te danken, dat hij zijn post niet verloor of het leven behield. Mkadjanga zelf, de verschrikkelijkste der beulen des konings, schatte hem hoog. Deze wilde dan ook de terechtstelling uitstellen, in de hoop dat Moeanga het doodvonnis, dat de minister van hem verkregen had, zou intrekken. Maar deze laatste, die ook vreesde dat de koning, als zijn toorn voorbij was, het bevel zoude herroepen, beval den beul den veroordeelde onmiddellijk te dooden.
Op de plaats der terechtstelling aangekomen, zeide Joseph, die kalm als naar gewoonte was, tot den beul;
âGij zult van mijnen kant aan Moeanga zeggen, dat hij mij onrechtvaardig heeft veroordeeld, maar dat ik hem van ganscher harte vergeef. Gij zult er bijvoegen, dat ik hem aanraad berouw te hebben, want zoo hij geen berouw gevoelt, zal ik hem voor dm rechterstoel van God aanklagen.quot;
Mkadjanga beloofde hem dit te zeggen en sloeg hem dadelijk het hoofd af. Vervolgens werd zijn lichaam aan de vlammen overgeleverd.
De laatste woorden van Joseph werden den koning gemeld. Eerst hield hij zich, alsof hij er om moest lachen, maar weldra maakten zij een diepen indruk op hem. Om Joseph te beletten hem voor den rechterstoel van God aan te klagen, deed hij in zijn dierlijke woede zekeren Moeganda dooden en gaf het bevel, de asch der beide slachtoffers met de meeste zorg te vermengen. âHoe zal men ze nu kunnen onderscheiden, en hoe kan hij thans mij bij God aanklagen?quot; zeide hij met een zegevierend gelaat.
Met Joseph werden twee of drie Christenen van het hof gedood, die evenals hij schuldig waren, omdat zij den godsdienst van Jesus Christus beleden.
17
Ter zelfder tijd verklaarde de koning\', dat hij alle Christenen van zijn koninkrijk zou uitroeien, en dat hij de missionarissen zou dooden of wegjagen. Gedurende verscheidene weken verwachtten de paters Lourdel en Giraud en de Broeder Amans ieder oogenblik, hun offer te voleinden, en de opkomende Christenheid in stroomen bloeds te zien verdwijnen. Maar voor dezen keer vergenoegde zich Moeanga met een zeker aantal nieuwbekeerden te bedreigen en in de gevangenis te werpen. Langzamerhand volgde eene betrekkelijke kalmte op dat eerste onweer; en ouze medebroeders konden voortgaan met hunne Christenen en katechuinenen te onderwijzen, wier vurigheid, verre vau door de doodstraf van Joseph te verflauwen, meer en meer toenam door een bewonderenswaardige werking der genade, welke voorzeker het bloed der martelaren hun verworven had.
Van hun kant lieten de vijanden van den Christen naam niets onbeproefd, om den koning tegen de Christenen op te hitsen. Sedert hij Joseph deed omkomen, aanhoorde hij met het meeste genoegen de belachelijkste lasteringen, deed alsof hij ze geloofde, en scheen een grooten afkeer van den godsdienst en van hen, die dezen beoefenen, te voeden. âHet zal met hen gedaan zijn,quot; zeide hij tot zijne vertrouwelingen: âik zal ze allen doen vermoorden. Die Christenen verkrijgen van God al wat zij willen. Eertijds beschouwden zij mij als hun vriend; zij baden voor mij en God bewaarde mij voor ongelukken. Nu smeeken zij Hem, mij van den troon te ontzetten. ... Ik moet mij, koste wat liet wil, van die hatemo (moordenaars) ontdoen!\'\'
Onze medebroeders, op de hoogte gehouden van hetgeen aan het hof voorviel door de nieuwbekeerden, die nog steeds in \'s ko-nings omgeving waren, verwachtten een nieuwen storm. Er was slechts een vonkje noodig, om den brand wederom aan te wakkeren. Ziellier waarvan het kwam.
Clara Nalmasi, dochter van koning Mteza, sedert eenige maanden tot onzen H. Godsdienst overgegaan, was aangesteld om het graf van een der vroegere koningen van Boeganda te verzorgen. Zij kon de afschuwelijke bijgeloovigheden en de tooverijen, die er plaats hadden, niet verdragen en begon met de amuletten, die er in grooten getale waren, te verbranden en de toovenaars, die beweerden
18
van de mizimu (zielen der afgestorvenen) of van de loubari (godheden) bezeten te zijn, te verjagen. Na deze eerste handelingen, welke de heidenen reeds geërgerd hadden, deed zij er den 22en Mei nog eene, welke men als een heiligschennis beschouwde. Zij verbrijzelde een onzedig en schandelijk amulet, dat de prinsen en prinsessen met eerbied bewaren, en dat na hun dood het voorwerp is van een belachelijken en dikwerf barbaarschen eeredienst, en wierp het in een hol. Clara vond niets eenvoudiger dan dat voorwerp zoo te behandelen, als ik u verhaald heb. Ik moet er evenwel bijvoegen, dat zij den missionarissen niet vooraf om raad vroeg.
Het nieuws van deze ongehoorde ontheiliging werd weldra als een loopend vuurtje verspreid, en gelijk men lichtelijk kan begrijpen, werd zij geweten aan den godsdienst, welken Nalmasi omhelsd had, en aan hen, die haar in dien godsdienst onderwezen hadden, namelijk aan de missionarissen en aan Joseph Kadoea, haar man, die een van onze nieuwbekeerden was.
Volgens die geruchten zouden de vertoornde geesten zich door eenige algemeene ramp wreken, en men sprak er van hen te verzoenen, door Nalmasi en haar man te verbranden en al de Christenen te vermoorden.
Eenige dagen later, toen Moeanga \'s avonds in zijne hoofdstad rondwandelde, bemerkte hij een van zijne pages, Denys Sebuggoeao, een jongen Christen, die een anderen page onderwees. âWat doet gij daar?quot; vraagt hij hem. âIk onderwijs den katechismus,quot; antwoordde Denys. Reeds verbitterd door de daad van Nalmasi ontsteekt Moeanga in ziedenden toorn. âWacht,quot; zeide hij hem, âik zal u van die onbeschaamdheid genezen.quot; En terzelfder tijd doorsteekt hij hem met zijn degen. Het arme kind zakt ineen en valt stervend en in zijn bloed badend neer.
Het dooden van dit onschuldige kind was het teeken voor de vervolging. De koning deed Katikiro in het midden van den nacht roepen en verklaarde hem, dat hij een algemeen bloedbad wilde van allen die baden. Onder dien schoonen titel bedoelen de barbaren onze Christenen. De poorten van de koninklijke residentie werden dus dadelijk gesloten, en de portiers kregen bevel niemand door te laten. Een van onze Christenen, die wist wat er gaande was, kwam de missionarissen in het midden van den nacht waarschuwen, Pater Lourdel besloot bij het aanbreken van den dag
19
naar Moeanga te gaan, en hem om genade voor zijne nieuwbe-keerden te smeeken. Ziehier wat hij over dit bezoek bij het hof in zijn dagboek, gedateerd 26 Mei, schrijft:
Niettegenstaande de regen valt en de wegen in slijkpoelen verandert, begeef ik mij naar Moeroegnoe, de tegenwoordige residentie van Moeanga, drie uren gaans van onze resideatie Sainte-Marie de Koebaga, gelegen.
Onderweg ontmoet ik een nieuwbekeerde, die mij de aanhouding van Honorat, den opvolger vau Jozeph Mkasa en eveneens Christen, meldt.
Weldra bemerk ik benden krijgsvolk met geweren, lansen en schilden gewapend, die in stormpas komen aanloopen. Men bericht mij, dat deze plunderaars naar de voornaamste verblijfplaatsen der Christenen gezonden worden, om ze uit te plunderen en de hoofden gevangen te nemen. â âNu zal ik te laat komen,quot; sprak ik bij mij zeiven, âom het onheil te bezweren.quot; Ik ga echter voort met loopen, het hart van droefheid overstelpt. Wat zal er van mij worden! Ik kan het niet voorzien en beveel mij aan God, terwijl ik mij geheel en al aan Hem opoffer. Eindelijk ben ik aan het hof gekomen. Alles is stil, maar het is een doodsche stilte. De weinige personen, die ik ontmoet, zien mij verwonderd aan en schijnen te willen zeggen; âWelk een vermetelheid, zich op zulk een dag aan den Kabaka (koning) te durven vertoonen!quot; Mijne aandoening trachtende te verbergen, overschrijd ik met vasten tred de helling, welke naar de wachthut leidt voor de koninklijke audienties en waar de minister zich bevindt, dien ik op de gewone wijze groet, en begeef mij naar de inwendige hoven, waarin men, tot mijne groote verwondering, mij ongestoord laat binnendringen. Mijne verbazing stijgt ten top, als ik onze Christenen van het hof vrij op de plaats zie, die heel rustig van den eenen naar den anderen kant gaan, alsof er niets buitengewoons gebeurd is. Is alles wat men mij verhaald heeft dan een fabel, of ben ik de speelbal van een droom? Helaas! neen. De goede God heeft mij slechts den treurigen troost willen schenken, met mijn eigen oogen mijne dierbare kinderen te zien boeien en hun met den blik een laatst vaarwel te zeggen op het oogenblik, dat zij hun laatsten strijd gaan strijden. Werkelijk zie ik weldra ieder
20
opperhoofd van een groep bedienden diegenen zijner lieden, die Christenen zijn, bij de deur van het hof des koning-s verzamelen. Verscheidenen onzer nienwbekeerden zijn vol vreugde; anderen zien er een weinig bevreesd uit, terwijl nog anderen hunnen hei-denschen vrienden, die hun zeggen: âgij hadt u moeten redden!quot; fier antwoorden: ,.Ons redden, en waarom?quot;
Charles Loeanga, opperhoofd der pages, waaronder wij de meeste nienwbekeerden telden, wordt het eerst met zijne troep geroepen. Zij worden met een hoera! ontvangen, waarboven de donderende stem van den koning uitkomt. Hij doet hun de bitterste verwijten over hun godsdienst en zegt eindelijk: âDat zij, die bidden, zich aan dien kant scharen.quot;
Dadelijk richten zich Charles Loeanga en Kizito, een jong Kate-chumeen, van eene voor zijn leeftijd zeer zeldzame vastheid van karakter, naar de aangewezen plaats. Allen, die Christen zijn, volgen hun voorbeeld. Charles en Kizito waren overeengekomen, dat zij, om elkander aan te moedigen op het beslissende oogen-blik niet te aarzelen, eikaars hand zouden vasthouden.
Op een teeken van den Koning werpen zich de beulen op de moedige belijders van het geloof, binden ze met hunne ruwe touwen en sleepen ze barbaarsch buiten de plaats. Op hetzelfde oogenblik hoor ik de yanzé (dankbetuigingen) van hunne nog heidensche makkers. De heldhaftige troep houdt op eenige passen voor mij stil. Men heeft de jongelieden van achttien tot vijf-en-twintig jaar bijeengebonden. De kinderen maken een andere groep uit. Zij zijn zoodanig geboeid, dat zij slechts met veel moeite en met kleine stappen gaan kunnen, terwijl ze tegen elkander horten en stooten. Ik zie, dat de kleine Kizito om die zonderlinge houding moet lachen, met zulk een vroolijk gezicht, alsof hij met zijn makkeis speelde. Kizito is een zoon van een der machtigste heeren van het koninkrijk. Verscheidene zijner broeders hebben het Christendom omhelsd, en doen zich bijzonder kennen door hun moed en hunne godsvrucht. Kizito is zijnen ouderen broeders waardig. Sedert langen tijd drong hij er bij mij op aan, om gedoopt te worden en zeide, dat Moeanga hem weldra zou dooden. Het is gebeurd, dat hij den nacht in onze hut doorbracht en niet wilde vertrekken, voor wij hem den dag genoemd hadden, waarop hij een kind Gods mocht worden. Ik
21
herinner mij. dat ik eens, oin van hem af te komen, hem in mijn armen genomen heb en hem zoo door het venster buiten zette. Toen ik eindelijk zag, hoe vurig en bereid hij was, had ik onlangs beloofd, hem binnen een maand te zullen doopen. Maar de goede God had besloten, dat deze uitverkoren ziel in haar eigen bloed zou herboren worden.
Toen de pages van Charles Loeanga vertrokken waren, werden de pages, die den naam van hagalagala dragen, tot den koning gevoerd. Wij tellen onder hen slechts een klein aantal nieuwbekeerden en Katechumenen; zij toonden zich even flink als de eersten en werden eveneens gebonden door de beulen. De heidensche hagalagala, doen de lucht weergalmen van hunne yanzamp;s, terwijl zij Zijne Majesteit er voor bedanken, dat hij hun de misdaad van bidden wel heeft willen vergeven, ofschoon zij die nooit bedreven hebben; maar hier wordt men zoo dikwijls ten onrechte veroordeeld, dat, wanneer men van de een of andere fout verdacht wordt, men blij mag zijn er af te komen zonder, zoo niet het leven, dan toch de ooren of oogen er bij te verliezen. Terwijl de Christenen voorbijgaan, zoeken en groeten ze mij met den blik, en smeek ik Hem, die de kracht der martelaren is, in de harten dier helden de uitgelezen en noodige genaden te storten, om te midden der kwellingen in de belijdenis van het geloof te volharden.
Evenwel mijne aandoening overmeestert mij, en mijne krachten voelende bezwijken, leun ik tegen een rieten pallissade en bid de Moeder der smarten, die de kracht had zich onder het kruis staande te houden, mij te hulp te komen. Gelijk zij, ben ook ik onmachtig om de woede der beulen te verminderen, die hunne slachtoffers mee-doogenloos voortsleepen. Het is mij zelfs niet vergund, dien dierbaren kinderen een laatste vermaning te geven, en ik moet mij tevreden stellen met hun gelaat te beschouwen, waarop te gelijker tijd een zachte overgeving aan Gods wil, een heilige vreugde en een mannelijke moed te lezen staan; en niettegenstaande de droeflieid, die mijn hart overstelpt, breng ik Gode de eer en bedank Hem voor die, welke Hij aan de missie van Boeganda verleent, door zich te gewaardigen van hare kinderen de eerste getuigen van het geloof onder de negers te maken.
Na de beambten van het hof wordt een jong soldaat Jacob
22
Boezabaliao voor den koning1 geroepen. De nieuwbekeerde trekt de aandacht door zijn naïeven eenvoud en zijn ijver om de kinderen der hoofdstad te onderwijzen. Moeanga, die hem kent, heeft hem met den dood bedreigd, zoo hij niet ophoudt over den godsdienst te spreken; die bedreigingen hebben hem niet bang gemaakt, en hij heeft met denzelfden ijver zijn apostolaat voortgezet. Moeanga verwijt hem, dat hij ook den koning heeft willen onderwijzen en bekeeren, misdaden groot genoeg, om hem tot een zijner eerste slachtoffers te maken.
Nauwelijks heeft de koning hem geroepen, of hij gaat dadelijk naar de koninklijke hut, wel wetend wat hem te wachten staat.
âZijtgij,quot; zeidehemKabaka, âhethoofd der Christenen van Kigoa?quot;
âHet is waar dat ik Christen ben,quot; antwoordt Jacob, âdoch de titel van hoofd komt mij niet toe.quot;
âDie jonge man,quot; hervat de koning, âwil den grooten heer uithangen; als men hem ziet, zou men hem voor een Mkoninda (grooten heer van het land) houden.\',
âDank u wel,quot; antwoordde Boezabaliao schertsend, âvoor den titel, dien gij mij geeft.quot;
âHij is het,quot; voegt de koning er bij, âdie mij vroeger den godsdienst heeft willen doen omhelzen! Beulen grijpt hem en doodt hem dadelijk; met hem wil ik beginnen.quot;
âGeeraba !quot; (vaarwel) zeide toen de jonge Christen tot den koning, zonder te ontstellen, âik ga daarboven naar het paradijs, om God voor u te bidden.quot;
Een uitbundig gelach volgt op deze woorden, die door de arme heidenen niet begrepen worden.
âDeze Christenen,quot; zeggen ze, âmoeten het verstand verloren hebben om zoo te spreken.quot;
Jacob gaat mij voorbij, met een touw om den hals, door een beul vergezeld, die hem het hoofd moet afslaan. Ik hef de hand op om hem de laatste absolutie te geven. Hij antwoordt mij, door de geboeide handen op te heften en mij den hemel te toonen als de plaats, waar wij elkander zullen weerzien. Hij glimlacht alsof hij naar een feest gaat en schijnt mij te zeggen : âWaarom zoo bedroefd, vader? Dit is wel weinig in vergelijking met de eeuwige goederen, welke gij ons hebt leeren kennen,quot;
23
Vervolgens wacht ik gedurende verscheidene lange uren op de gunst van den koning te zien. Zij wordt mij geweigerd. Vree-zende dat Moeanga in een oogenblik van toorn ons huis zal doen plunderen en onze weezen vermoorden, herneem ik den weg naar St.-Marie de Eoebaga. In de hoop van eenige bijzonderheden te vernemen omtrent de plannen van den koning, vergezel ik den minister Katikiro, die ook het hof verlaat. Katikiro is uitermate beleefd, doch meldt mij niets. Maar als hij mij verlaat, zegt hij mij tot vaarwel een beleedigende scherts: âDe mannen van God weten alles,quot; zegt hij, âmaar den dag van heden hadden zij niet verwacht.quot; Ik antwoord niet en ga verder, vol van de droevigste gedachten over de toekomst van onze aankomende Christenheid, en alleen redding verwachtende van de hulp van God.
De zon is gloeiend heet. Een brandende dorst, door de hevige tooneeleu, waarvan ik zooeven getuige was, verwekt, verslindt mij. Men zegt hier dat de dorst een der grootste kwellingen is van de veroordeelden, en dat een hunner laatste woorden bijna altijd is: âIk heb dorst.quot; Dit is het laatste woord van Onzen Heer aan het Kruis.
De zoo onbarmhartige beulen van Boeganda toonen zich bijna altijd door dit verzoek van hunne slachtoffers getroffen, en bieden hun water of wijn van bananen aan. Thans zou niemand mij het durven geven zonder zich verlaagd te gelooven. Ik ga voorbij de hut van een onzer nieuwbekeerden, den wapenmeester Matheus Kisoelé. In die hut, de gewone plaats van bijeenkomst onzer Christenen, rustte ik vroeger gaarne uit, als ik van het hof kwam. Men haastte zich mij dan ververschingen aan te bieden. Heden is ze verlaten en stil als de dood!
Op eenige schreden vandaar ontmoet ik een kleine bron: ik buk mij om te drinken, en hoor een stem, die mij zegt: âHet lijk van een der slachtoffers is door dit water gesleurd.quot; Ik sta vol schrik op.
Onderweg ontmoet ik den ouden portier Loesaka, een eerlijk heiden, onzen vriend, en vader van drie onzer nieuwbekeerden. Hij, eertijds zoo vroolijk, houdt mij met tranen in de oogen staande: âMijne drie zonen zijn gevangen genomen,quot; zeide hij mij: âwelk een wreedheid! Welk kwaad hebben zij gedaan? Zij hebben
24
noch gestolen, noch den koning beleedigd. Men verwijt hun dat zij bidden, maar is dat een misdaad?quot;
De arme grijsaard drukt mij de handen en is zoo bedroefd, dat ik er diep door getroffen ben, te meer daar ik onderweg menigen vijandigen blik ontmoet van den kant der bloedverwanten dei-slachtoffers, die in mij de oorzaak van hun ongeluk zien. Mij bemerkend, roept een vrouw uit: âO! was ik een man!.... Ik zou dien blanke, die onzen zonen onderwijst en ze zóó doet omkomen, met mijn lans doorboren.quot;
Arme lieden! Indien zij konden begrijpen, hoezeer wij hen beminnen! Zoo zij wisten, hoe goed wij het met hen meenen ; als zij de opofferingen kenden, die wij ons getroost hebben om ons van onze familie, ons vaderland te scheiden en tot hen te komen!.... Maar er staat geschreven, dat de leerling niet beter zal zijn dan de meester, en gelijk onze Goddelijke Meester moeten wij een voorwerp van wantrouwen en haat zijn zelfs voor hen, voor wie wij bereid zijn ons leven te geven. â Odio eritis omnibus propter nomen meum.quot;
Ik ontmoet op mijn weg verscheidene benden plunderaars, met den roof, op onze christenen behaald, beladen, wier dorpen zij verwoest hebben, en kom uitgeput van vermoeienis te St.-Marie aan.
Gedurende den nacht komen vele nieuwbekeerden bij ons eeni-gen troost zoeken en verhalen ons al de bijzonderheden omtrent de plunderingen, door de Christenen ondergaan, welke zij hebben kunnen vernemen. Zij verhalen ons, dat er nog eenige nieuwbekeerden en katechumenen van het hof vrij zijn, daar de koning hunne diensten nog behoeft en zoolang ze zal sparen, tot hij iemand heeft om hen te vervangen.
Intusschen gelukte het aan pater Lourdel, bij den koning te worden toegelaten, om Z. M. van onze aankomst aan de Meren bericht te geven. Ziehier wat hij over dit onderhoud in zijn dagboek zegt;
Ik nader den koning en met betraande oogen wijs ik hem op het nadeel, dat hij zich zelveu berokkent, door zijne beste dienaren te vermoorden; maar alles wat ik zeg schijnt niet den minsten indruk op hem temaken; hij lacht er mee: âIk wil niet meer dat mijne onderdanen bidden,quot; zegt hij mij: âIk ben Kabaka; dat is niet iedereen gegeven; ik ben hier meester en verlang dat niemand
25
mij wederstaat.quot; Zonder mij daardoor uit het veld te laten slaan, smeek ik nogmaals om genade voor onze dierbare Christenen, en doe mijn best Moeanga te doen begrijpen, dat alles wat men tegen hen zegt enkel lastertaal is. âZij zullen niet allen sterven,quot; zegt hij mij, luidkeels lachende, âik zal er eenigen sparen.quot; Meer heb ik niet kunnen verkrijgen.
Pas had pater Lourdel de koninklijke residentie verlaten, of men arresteerde den invloedrijksten onzer nieuwbekeerden, André Ka-goea, heer der Bagao.
André had den koning eene onwrikbare gehechtheid betoond. Hij was een der drie, die de samenzweering tegen den koning, dooiden minister en andere rijksgrooten gesmeed, ontdekte. Verstandig, onversaagd, beminnelijk en tot ieders dienst bereid, had hij de achting en genegenheid van alle weldenkende lieden weten te verwerven. De koning zelf noemde hem zijn mouganzi (vriend) en wilde, gelijk ik zooeven reeds zeide, hem tot opperbevelhebber van het leger benoemen. Op het oogenblik had hij het commando over eenige honderden soldaten. Moeanga - liet hem nooit toe de hoofdstad te verlaten, wel wetende, dat hij in geval van opstand, hem tot den dood toe zou verdedigen. Op de jacht, op de wandeling of op het Nyanza-meer was André altijd aan zijn zijde. Ofschoon de dood van Joseph, zijn vertrouwden vriend, hem zeer bedroefde, was hem nooit een enkele klacht ontglipt. Hij vergenoegde zich met in stilte te weenen en diende zijn meester, om God te gehoorzamen, met dezelfde getrouwheid, ofschoon hij wist dat hij weldra hetzelfde lot als zijn vriend zou ondergaan; want hij was eveneens Christen. Ieder kende zijn ijver. Men wist dat hij zijne vrouw bekeerd en een honderdvijftigtal nieuwbekeerden en katechumenen om zich verzameld had, die hem als een vader liefhadden. Men verweet hem zelfs de misdaad, twee kinderen van den minister bekeerd te hebben, een ontzettende misdaad, die de woede van Katikiro tegen den schuldige ten top deed stijgen, en hem had doen besluiten niets te verzuimen om hem te vernietigen. Zoodra hij dan ook den koning besloten zag om alle Christenen te dooden, haastte hij zich André aan te wijzen als den schuldigste van allen. Eerst aarzelde Moeanga dengene te dooden, dien hij als zijn trouwsten vriend beschouwde; maar de minister schilderde
26
hem zoo zwart at, dat de koning ei- eindelijk toe overging hem te beloven, dat hij eerstdaags met André doen mocht wat hij wilde. Daar Katikiro vreesde, dat de koning ook dit hem afgeperste vonnis zoude intrekken, liet hij haastig Mkadjanga, den vreeselijksten en vlugsten beul, komen.
André wordt dus gebonden en voor den rechterstoel van den minister gebracht. Deze houdt zich alsof hij hem niet herkent en zegt: âgij zijt immers de heer der Bagoa?quot;
André antwoordt met kalmte: âHerkent gij mij dan niet ?.... Gij hebt mij echter meermalen gezien en bijzonder, toen ik u tijdens mijne be-noeming tot den graad van Mgoa met mijne lieden ben komen bedanken.quot;
De minister hervat: âHebt gij mijne kinderen in den godsdienst onderwezen?quot;
âJa,quot; antwoordde André, âik heb het gedaan.quot; De minister voegt er bij: âMkasa (Joseph, het slachtoffer van de eerste vervolging) heeft u, alvorens te sterven, een geweer gegeven om den koning te doode%\' âIndien ik kwade bedoelingen had,quot; antwoordt André, âwas dan dit geweer noodzakelijk om ze te volvoeren? Zijn de talrijke geweren, die ik van lloeanga zelf ontvangen heb, niet evengoed als die van .Mkasa ? â Gij zelf hebt veel geweren van Mteza ontvangen; heeft hij ze u gegeven om zijn opvolger te dooden? . . . .quot; âNeem hem gevangen en dood hem,quot; besloot Katikiro. En zich tot Mkadjanga wendende : âDood hem dadelijk,quot; zeide hij hem: âik zal niet eten, voordat ge mij zijne afgeslagen hand als bewijs vau zijn dood gebracht hebt.quot;
Over het algemeen bewaren de beulen hunne slachtoffers gedurende verscheidene dagen, onderwerpen ze aan verschrikkelijke martelingen en beloven hun dezelve te zullen verzachten, zoo zij hun slaven, ossen, geiten, cauris enz., geven. Alleen wanneer zij niets meer van die ongelukkigen of hunne vrienden kunnen verwachten, geven zij hun den genadeslag. De veroordeelden zijn dus zeer voordeelig voor de beulen. Zij bedanken den koning dan ook zeer, wanneer hij hun iemand overlevert, vooral als hij rijk is.
Mkadjanga, die voor den minister beeft, gelijk deze misschien eenmaal voor hem zal beven, wachtte zich wel André te bewaren, otschoon hij verzekerd had kunnen zijn veel zaken te zullen verkrijgen; want hij was rijk en had talrijke vrienden.
27
Andre, van zijn kant vreezende, dat Mkadjanga, die hem genegen was, het gelukkige oogenblik zijner overwinning zoude uitstellen, zeide hem: âHaast u de bevelen, welke gij zooeven gekregen hebt, uit te voeren. Wanneer de meester u zegt, dat hij honger heeft, en u gelast een vetten bok te slachten, zoo haast ge u, om hem des te eerder eten te kunnen verschaffen. Doodt mij dus spoedig om u de verwijten van den minister te sparen. Gij zult hem mijne hand brengen, wijl hij niet kan eten voordat hij ze gezien heeft.quot;
De beulen voerden Audré naar een plaats, op eenigen afstand van de hut van den minister Katikiro en sloegen hem het hoofd af; vervolgens hieuwen zij hem de hand af en brachten haar dadelijk naar den minister. Wij weten nog niet, waar zijn lichaam is geworpen geworden.
Op dit oogenblik kwamen wij in Boeganda aan. Moeanga en Katikiro, die door pater Lourdel van onze komst vt vwittigd waren, geloofden het voorzichtig ons te beletten met oiu . medebroeders in betrekking te komen : vijf blanken in één huis] dat is bijna een leger, groot genoeg om geheel Oeganda te veroveren. Zij besloten dus in hunne wijsheid eenige ellendige hutten af te staan, op twee uren gaans van St.-Marie de Eoebaga gelegen, waar wij als gevangenen zouden bewaard worden. Gelukkigerwijze kwam pater Lourdel, die door eenige Christenen van liet hof in stilte was gewaarschuwd geworden, ons te gemoet en meldde ons in welke treurige positie men ons wilde plaatsen. Er werd besloten dat pater Denoit en ik dadelijk den weg naar St-Marie zouden inslaan, terwijl pater Lourdel zou blijven om onze bagage te bewaren en te doen vervoeren. Een stortregen, die ons gedurende den weg vergezelde, hield de nieuwsgierigen van ons verwijderd. Van tijd tot tijd kwamen echter eenige nieuwbekeerden, die met onzen doortocht bekend gemaakt waren, uit hunne schuilhoeken te voorschijn om ons hartelijk te groeten. Niet zonder een levendige ontroering zegende ik die dierbare kinderen, die ons sedert hunne bekeering zoovele bewijzen gaven van kinderlijke liefde en onwankelbare gehechtheid aan het geloof, hetwelk wij hun predikten, en dat zij misschien morgen met hun bloed zullen bezegelen.
Wij komen te St.-Marie de Roebaga aan, na een allervermoei-
â¢2H
endsten marsch van drie uren onder regenbuien en over een slij-kerigen en glibberigen grond; maar wij zijn gelukkig, nu wij de plannen van Kabaka en Katikiro verijdeld hebben, die ons aan de boorden van het Nyanza-meer wanen, terwijl wij bij onze dierbare medebroeders zijn.
Den volgenden morgen begaf zich de onvermoeide pater Lourdel naar Zijne Majesteit, om hem onze aankomst in de Missie te melden. Moeanga scheen verwonderd, maar berustte in het feit.
Eenige dagen daarna gingen de Eerw. paters Lourdel, Denoit en ik hein eene visite brengen, en hem in den vorm van een geschenk den prijs van onze reis over het meer betalen. Ik moet bekennen, dat ik mij geweld moest doen om dit bezoek en dit geschenk te brengen; maar dit nalatende, zouden wij de missie geheel en al ruïneeren.
Toen Moeanga mij zag, scheen hij een weinig verlegen, maar weldra herstelde hij zich.
Zonder hem ernstige verwijten te doen, die hem slechts zouden verbitteren en den toestand verergeren, deden wij hem opmerken, dat de gedragslijn, welke hij gevolgd had, hem zijn beste onderdanen had ontroofd en de vreemdelingen van zijn koninkrijk zou verwijderd houden. Wij voegden er bij. dat wij onder deze omstandigheden onmogelijk in grooten getale blijven konden, en ik verzocht hem naar aanleiding van de bevelen, die mijne oversten mij hadden gegeven, mij eenige schepen te willen geven, om den weg naar het Zuiden te hernemen. Deze vraag scheen hem zeer te verwonderen ; hij verklaarde, dat hij mij onmogelijk zoo spoedig kon laten vertrekken, maar wachtte zich wel ons op het einde van de vervolging te laten hopen. Wij hielden met kracht aan en gingen zelfs over tot bedreigingen, deden alle gevoelens, alle redenen gelden. Nuttelooze moeite. Hij stond eindelijk toe mij te laten vertrekken en belastte Adolphe Nantinda, die bij de audiëntie tegenwoordig was. de sloepen te gaan verzamelen.
Daar ik de traagheid kende, waarmede men hier de zaken behandelt, was ik zeker dat ik tijd genoeg had om de statie te bezoeken en de nieuwbekeerden, die tot ons zouden komen, in het geloof te bevestigen ; want zoolang de vervolging duurt, zal het ons niet veroorloofd zijn de- dorpen door te trekken ; onze bekeerlingen zeiven kunnen op klaarlichten dag de Missie bijna niet komen be-
zoeken en, gelijk in de eerste tijden der Kerk, moeten wij hen in
de duisternis vereenigen.....
Grednrende de maand, dat ik te St.-Marie de Roebaga ben gebleven, is er geen nacht voorbijgegaan, of ik werd door eenigen hunner bezocht; en ik heb aan 97 der best voorbereiden het H. Vormsel kunnen toedienen. Het is gebeurd, dat ik vier of vijfmaal in den nacht opstond, om een van die dierbare bezoekers te ontvangen. Het is mij onmogelijk u te zeggen, hoe getroffen ik was, toen ik de wonderdadige uitwerkselen der genade in die zielen zag, die gisteren nog in de dwalingen van het heidendom verzonken waren. Onze Christenen kunnen ieder oogenblik aan de beulen overgeleverd worden ; maar zij zijn er niet bevreesd voor, en zien den dood en de martelingen met dien kalmen moed in de oogen, dien alleen de genade van onzen Heer en een onwankelbaar geloof geven kunnen. âDe beulen,quot; zeiden zij ons dikwijls, kunnen wel het lichaam doo-den, maar de ziel niet; zij zullen ons wel is waar doen lijden, maar op die kwellingen van een oogenblik zal een geluk zonder eind volgen.quot; Verscheidenen hunner hebben ons gevraagd, of zich verbergen niet een soort geloofsverzaking was, en of het niet beter ware, zich voor de vervolgers als Christenen te verklaren.
De heilige gesteltenis dier edelmoedige zielen troostte ons en deed de uren, welke wij doorbrachten met hen te onderwijzen en te vermanen, als vervliegen. Evenwel begon de natuur hare rechten met kracht te doen gelden, en door slaap overmand trachtten wij van onze bezoekers afscheid te nemen. âBlijf nog wat,quot; zeide ons dan de eene, morgen moet ik voor den Koning verschijnen, en zal waarschijnlijk van daar ter dood geleid worden .... ik zal u in deze wereld niet meer zien.quot; â âSlechts met de grootste moeitequot; sprak een ander, âen door een geschenk aan mijn bewaarder te geven, ben ik van de boeien, die mijne voeten vastknelden, bevrijd geworden, en heb ik de vergunning gekregen mijne vrienden vaarwel te zeggen: het is dus de laatste maal dat ik mij met u onderhoud.quot;
Het was onmogelijk aan zulke beden te wederstaan. Wij zetten dus onze gesprekken voort, die meestal handelden over de ijdelheid der genoegens dezer wereld, de kortheid van het langste quot;leven, de vreugden van den Hemel en het geluk door een enkelen slag-dat geluk te verwerven, met voor God zijn leven te geven. Som-
30
tijds deden wij ous de martelingen der nieuwbekeerden verhalen, die hun offer volbracht hadden of wel de kwelling-en dergenen, die nog streden.
Verre van treurig- te zijn, waren onze gesprekken door een zoete vreugde veraangenaamd; en het zien van het gelukkig gelaat dier geloofsbelijders, de beminnelijke scherts, waarmede zij hun verhaal kruidden, deden ons een oogenblik de zware beproeving vergeten, die onze kleine Kerk te doorworstelen had.
Zij, wier leven meer gevaar liep, wachtten tot na middernacht om te kunnen communiceeren; eu door het van den Hemel neergedaald Brood versterkt, gingen zij den strijd van den volgenden morgen moedig trotseeren.
In den loop van den dag ontvingen wij eenige bezoekers, die wij in de afgelegenste vertrekken onzer groote hut verborgen, daar de voorzichtigheid ons aanraadde, onzen nieuwbekeerden te bevelen zich in hunne velden verborgen te houden, zoolang het onweer mocht duren.
Matheus Kisoelé echter, de eerste wapenmeester van den koning. kon ons, zonder zich te veel bloot te stellen, over dag bezoeken. Daar hij een in zijn kunst zeer knap, ja eenig werkman was, had Moeanga hem noodig. De spionnen van Zijne Majesteit weten het wel, doch denken er niet aan hem te grijpen. Hij gaat en komt dan ook ongestoord en laat geen enkelen Zondag- voorbijgaan, zonder in de kapel der Missie te komen bidden.
De koning kent zijne gehechtheid aan onzen H. Uodsdienst en zegt hem dikwijls om hem te beangstigen: âIk weet dat gij bidt; ik zal u doen doodeu of minstens de ooren laten afsnijden.quot;
Op zekeren dag, dat hij wederom zoodanige bedreiging ontvangen had, zeide hij ons lachende: âZie die ooren eem; zij zijn niet meer van mij; Kahaka zal mij er dezer dagen van bevrijden.quot;
Kisoelé heeft vele bezittingen; zijne kunst verschaft hem veel katoenen stoften, cauris (schelpen, munten) talrijke ossen en geitex
Hij maakt van dezen welstand gebruik om de naastenliefde, vooral jegens Christenen, uit te oefenen. De Khatechumenen, die te ver van de Missie wonen, overnachten bij hem, om den Katechismus beter te kunnen bijwonen. Hij ontvangt alle zieke Christenen en verzorgt ze als zijne kinderen. Diegenen onzer nieuwbekeerden.
31
die door lumne heidensche ouders verstooten worden, vinden bij hem een zeker toevluchtsoord. Het is hem gebeurd, dat hij meer dau honderd personen tot zijn last had. Daarbij bepaalt zich echter zijne groote naastenliefde niet; hij verstrekt den Christenen, die gevangen zijn, levensmiddelen, ontrukt dezen aan de kwellingen, door den beulen een geschenk te geven, koopt de vrouw van genen terug, enz.
Daar hij dagelijks veel met menschen omgaat, is hij op de hoogte van alles, wat gezegd en gedaan wordt, en geeft ons in deze slechte dagen de nuttigste inlichtingen. Het is door hem, dat wij de martelingen van verscheidene slachtoffers der vervolging vernomen hebben.
Ziellier, om onzen brief te eindigen, eenige der bijzonderheden, die wij vernomen hebben aangaande de laatste oogenblikken van verscheidenen dier moedige geloofsbelijders.
Karei Loeanga, hoofd der Christen pages, van wien reeds melding gemaakt is, werd van zijne metgezellen gescheiden.
Misschien hoopte men, hen daardoor gemakkelijk hun geloof te doen verzaken. De beul Senkolé, om zijn ijver te toonen, bad den koning, hem Karei over te leveren en beloofde, hem te zullen martelen gelijk hij verdiende.
Hij verbrandde hem dus langzaam, met de voeten beginnende.
Terwijl hij het vuur opstookte, zeide hij hem: âLaat God nu komen en u van den brandstapel halen.quot;
De martelaar (wanneer wij ons van dit woord ot dusdanige woorden bedienen, verstaan wij ze onder den meest uitgebreiden zin, daar wij geenszins het oordeel van den H. Stoel willen voor-uitloopen) antwoordde hem met kalmte: âArme dwaas! Ge weet niet wat gij zegt. Op dit oogenblik is het, alsof gij water over mijn lichaam giet; maar wat u betreft, de God, dien ge be-leedigt, zal u eens in het werkelijke vuur werpen.quot; Na dit gezegd te hebben, zweeg hij en verduurde zijne lange marteling zonder een enkele klacht te uiten.
De drie jongste pages : Simeon Séboeta, Denys Kamioeka en en Oeélaba, eenvoudige Katechumenen, maakten het medelijden van den oppersten beul gaande. De oude Mkadjanga, die gedurende zijn lange loopbaan als scherprechter zijne wreedheden nog nooit had uitgeoefend op kinderen van zoo jeugdigen leeftijd, besloot
32
lien te redden. Hij zeide hun dus : âVerklaart slechts, dat ge niet meer zult bidden, en Kabaka zal u genade verleenen.quot; Doch de kinderen antwoordden : Wij zullen niet ophouden te bidden, zoo lang wij leven.quot;
Mkadjanga hield niet langer aan in de hoop, dat het zien van den marteldood hunner metgezellen misschien zou uitwerken, wat zijne woorden niet konden verkrijgen. Men voerde hen dan met de overigen naar den heuvel Namoegongo, die zich tegenover Sainte-Marie de Roebaga verheft. Zij waren op dien dag ten getale van vier en dertig.
Eene groote hoeveelheid droog riet was op den top van den heuvel opeengestapeld. De beulen maakten er groote takkenbossen van, waarna zij in ieder daarvan een hunner slachtoffers staken en bonden.
Zij maakten er evenwel geen voor Simeon Seboeta gereed. Zich vergeten wanende, riep hij uit; âWaar is nu mijn takkenbos ? Allen hebben \'er een, ik wil ook den mijnen hebben.quot; Men deed alsof men aan zijn verlangen wilde beantwoorden en bond hem gelijk de overigen, maar men legde hem, evenals Denys en Oleélaba ter zijde.
Toen de takkenbossen gereed waren, plaatste men ze horizontaal naast elkaar, met de voeten der slachtoffers in dezelfde richting.
Onder deze bevond zich zelfs de zoon van Mkadjanga, de jonge Mbaga. De ongelukkige vader had alle pogingen aangewend om hem een woord te ontlokken, dat op een geloofsverzaking geleek, maar tevergeefs. Vruchteloos ook had hij gehoopt, dat de toebereidselen voor de terechtstellingen hem zouden afschrikken; het kind had zich in den takkenbos laten binden, zonder een enkel woord te zeggen. Op het beslissende oogenblik waagt de vader een laatste poging. âMijn zoon,quot; zeide hij hem, âstem er slechts in toe, dat ik u bij mij verberg; niemand denkt er aan en men zal er u niet ontdekken.quot; â âVader,quot; antwoordt het kind, âik wil niet verborgen worden. Gij zijt slechts de slaaf van den koning. Hij heeft u gelast mij te dooden. Zoo gij mij niet doodt, haalt ge u onaangenaamheden op den hals; ik wil ze u besparen. Ik ken de oorzaak van mijn dood : het is de godsdienst. Vader, dood mij!quot;
Toen beval Mkadjanga, om zijn zoon de afgrijselijkheden van
33
den vuurdood te besparen, een zijner mannen hem los te maken en hem een krachtigen stokslag in den nek te geven. Op die wijze doodt men de vrienden. Het kind viel dood en het lichaam werd in het riet gestoken en weer op zijn plaats gezet. Na deze terechtstelling werden de takkenbossen aangestoken aan den kant der voeten van de slachtoffers, om ze zoolang mogelijk te doen lijden, en in de hoop dat verscheidenen hun geloof zouden verzaken, zoodra de vlammen hen zouden bereiken. Tevergeefs! De martelaren openen wel is waar den mond, maar alleen om gezamenlijk de gebeden op te zeggen, welke wij hun geleerd hebben ! ! !
De beulen inmiddels roepen hen toe : âWeet wel, dat wij u niet dooden. Het is Nendé die u doodt! Het is Mkasa die u doodt! Het is Kiboeka. Het zijn al onze loébari (goden), die u dooden ; zij , die gij met atkeer Masitoni (duivelen) noemt.quot;
Verscheidene stemmen antwoordden uit de vlammen: âIndien het de duivelen zijn, die ons dooden, zoo zijt gij hunne bedienaars!quot;
Een half uur daarna waren de takkenbossen verbrand, en men bespeurde niets meer dan een rij van lijken, half verbrand en met asch bedekt.
De kleine Simeon en zijne twee makkers beschouwden die roo-kende overblijfselen en wachtten met ongeduld, dat hunne beurt zou komen. âWeest maar niet ongeduldig,quot; zeiden hun de beulen, âwij bewaren u slechts om het feest te eindigen, wel te verstaan, indien gij in uwe koppigheid volhardt; want wij zullen u sparen, zoo gij aan den godsdienst verzaakt.quot;
De jonge pages toonden zich onwankelbaar. De oude Mkadjanga. die voor de eerste maal in zijn leven kinderen den dood zoodanig zag verachten, kon zijn eigen oogen niet gelooven. Hij besloot hen los te maken en naar de gevangenis terug te voeren.
Troosteloos, omdat zij hunne zoetste hoop vervlogen zagen, zeiden de heldhaftige kinderen tot den beul: âWaarom doodt ge ons niet? Wij zijn Christenen, evenals zij die gij zooeven verbrand hebt ; wij hebben onzen godsdienst niet verzaakt; wij zullen dien nooit verzaken! Het is onnoodig ons tot later te bewaren.quot;
Mkadjanga was doof voor hunne klachten. Misschien wilde God niet, dat de omstandigheden van het heldhaftig einde der eenendertig pages van Moeanga onbekend zouden blijven, en had Hij
34
daarom den ouden beul ingegeven de drie kinderen te sparen, die van hun glorierijken marteldood getuigen waren. Zij werden dus naar de gevangenis teruggebracht.
Eenige dagen daarna zeide Mkadjanga tot den koning, dat hij hen had bewaard in de hoop, dat zij berouw zouden gevoelen, daar zij nu niet meer onder den invloed hunner slechte metgezellen waren.
Moeanga berispte hem, zonder echter te bevelen hen te dooden. Zij zijn alzoo de eenige overgeblevenen der moedige martelaars.
Een van onze Christenen, ook waardig bevonden met zijn bloed de grondvesten der aankomende Kerk in Boeganda te bevestigen, was reeds lang aan de woede van Gods vijanden aangewezen, namelijk Mathias Moeroemba, den 8sten Mei 1882 gedoopt. Hij had zich steeds als een stipte beoefenaar van den godsdienst betoond en begreep niet, dat men eenmaal op den goeden weg zijnde, van denzelven af kon wijken. Sedert zijn doopsel leeide hij vreedzaam met zijn Christen vrouw en zijne kinderen, aan wie hij zelf den Katechismus en de gebeden leerde; hij oefende het beroep uit van vrederechter in een der voornaamste districten van het land. In de eerste dagen der vervolging werd hij aangehouden. Men voerde hem tot den minister, die hem vroeg terwijl hij hem een blik vol verachting toewierp; âIs dat Moeroemba, hij, die op zulk een leeftijd den godsdienst omhelsd heeft?quot;
âJa, dat ben ik,quot; antwoordt Mathias.
âWaarom bidt ge?quot; herneemt de minister.
âOmdat ik wil bidden,quot; luidt het antwoord.
âGe hebt al uwe vrouwen heengezonden; gij bereidt dus zelt uw voedsel?quot; vraagt Katikiro op spottenden toon.
âIs het om mijne magerheid of wel om mijnen godsdienst, dat men mij voor de rechtbank brengt?quot; vraagt Mathias op zijn beurt.
De minister zich tot de beulen richtende, zegt; âNeemt en doodt hem.quot;
âDat is al wat ik verlang.quot; antwoordt Mathias.
âBeulen,quot; roept nu Katikiro uit, die zich door zooveel standvastigheid vernederd gevoelde, âgij zult hem de voeten en handen afhouwen, en daarna lange reepen vleesch uit den rug snijden ; gij zult ze onder zijne oogen roosteren;quot; en met een grijnslach voegt hij er bij: âGod zal hem verlossen,quot;
35
Mathias, die zicli door den smaad, God aangedaan, door Hem uit de dagen, tot in liet diepste zijner ziel gekwetst voelde, antwoordt met edele fierheid: âJa, God zal mij verlossen; maar gij znlt niet zien hoe Hij het doen zal, want Hij zal mijn redelijk wezen tot zich nemen en slechts het sterfelijke in uwe handen achterlaten.quot;
Mkadjanga begon het barbaarsche bevel van Katikiro nauwkeurig uit te voeren.
Om niet door toeschouwers verhinderd te. worden, geleidde hij den onverschrokken Chriaten naar den woestcn heuvel van Savaridja.
Men zegt, dat Mathias met gebonden handen en een touw om den hals de beulen met vluggen tred volgde, en zijn gelaat van vreugde schitterde. Zijn vriend, Lucas Banakintoe, denzelfden dag als hij gedoopt en even vurig Christen, werd met hem ter dood gebracht.
Onderweg ontmoetten de beulen een man, dien ze, ik weet niet waarom, verdachten Christen te zijn en bonden hem zonder eenige redenen, om hem met Mathias en Lucas te gelijk te dooden. Mathias kwam voor hem tusschenbeiden: âIk ken degenen, die biddenquot;, sprak hij, âhij bidt niet, laat hem gaan.quot; De beulen lieten hem toen los.
Op de plaats der terechtstelling aangekomen, hieuw Mkadjanga, door zijne mannen geholpen, de voeten en handen van Mathias af, welke hij voor diens oogen deed roosteren. Zij legden hem vervolgens met het gezicht ter aarde en haalden stukken vleesch uit zijn rug, welke zij eveneens roosterden. Ondanks die verschrikkelijke pijnigingen slaakte de heldhaftige Christen geen enkele klacht.
De beulen deden hun best om bloedverlies tegen te gaan, ten einde den martelaar een des te langeren en wreederen doodstrijd te doen lijden. Daarin slaagden zij maar al te wel, want men heeft ons verhaald, dat slaven, die drie dagen later riet gingen snijden en daar voorbijkwamen, eene stem hoorden welke hen riep. Zij naderden. De stervende vroeg hun om wat water; maar op het zien van dien afschuwelijk verminkten ongelukkige namen zij de vlucht, en lieten hem zijn offer volbrengen, gelijk de Goddelijke Meester van de minste verzachting beroofd, onder de afgrijselijkste pijnen.
36
Men zeg\'t dat fie hyena\'s en roofvogels, zoo talrijk in Boeganda, zijn lichaam gespaard hebben, en dat het in de zon verdroogd zou zijn. Wij zelf hebben ons van het feit niet kunnen vergewissen, in de vrees van de nieuwbekeerden, die ons moesten geleiden, in verlegenheid te brengen. Wat Lucas betreft, dezen werd het hoofd afgeslagen;
Terwijl de beulen Mathuis terechtstelden, begaf zich een bende plunderaars naar zijne woning om zich van zijn vrouw, zijne kinderen, goederen en de Christenen, die bij hem woonden, meester te maken. Onder die Christenen bevond zich ook een jongeling, eerst sedert eeuige maanden gedoopt, Noë Moeaggali genoemd. Hij was evenzoo bekend om zijn zachtheid van karakter als om zijne godsvrucht. Zijn heer Mkoenda achtte hem hoog om zijne bekwaamheid in het pottenbakken. Daar hij evenwel vreesde den koning te zullen beleedigen, leverde hij hem aan de beulen over, die hem met hunne lansen doorboorden.
Toen zijne zuster, die in den tuin werkte, gewapende benden zag aankomen, verborg zij zich en kwam eerst uit hare schuilplaats te voorschijn, toen zij vertrokken waren, na alles verwoest te hebben. Zij vernam toen. dat haar broeder om zijn godsdienst was gedood geworden. Onmiddellijk loopt zij de moordenaars achterna, en toen ze hen ingehaald had, riep ze: â (irij hebt mijn broeder gedood, omdat hij bad: ik bid evenals hij, dood mij dan eveneens.quot;
Zulk een moed bij een jeugdig meisje bracht de geheele bende plunderaars in verbazing. Vooral hun opperhoofd, Mboegano, was verrukt van bewondering: hij besloot haar te sparen om haar te huwen, maar zij verklaarde, dat zij daarin nooit zoude toestemmen. Of door natuurlijke goedheid, of door bijgeloovigheid gedreven, Mboegano hield niet aan. Hij besloot zelfs de deugd der heldin te redden, en in plaats van haar aan den koning over te leveren, die haar zou verkocht hebben, verborg hij haar en kwam ons vragen, of wij haar geen toevluchtsoord konden aanbieden.
Hij voegde er bij. dat hij de bevelen van Kabaka tegen wil en dank uitgevoerd en het dorp Moeroemba geplunderd had, en dat hij gelukkig zou zijn, ons zijne kinderen met de Christenen, die hij had gevangen genomen, te geven. Wij namen zijn voorstel aan; en op dit oogenblik is de zuster van Noë in een familie vau
37
ons klein Christen-dorp, dat dicht bij de missie gebouwd is, terwijl zij God bedankt van haar in een verblijf gebracht te hebben, dat de beoefening van den godsdienst zoo vergemakkelijkt. Zij dient tot moeder voor de kleine kinderen van Mathias, waarvan liet eene nauwelijks twee jaar telt. Zoo waakt de vaderlijke goedheid dei-Voorzienigheid over de weezen van den edelen martelaar.
De doodsverachting, welke de Christenen aan den dag legden, en hunne kalmte te midden der kwellingen, hebben den koning, de beulen en al de heidenen zeer verwonderd. Zij beweren, dat wij hun, die zich laten onderwijzen, een lot toewerpen, dat zij niet meer kunnen afwerpen, en dat hun alle aangenaamheden van het leven doet verachten en alle genot in den dood doet vinden.
Om zijne dochter van dat ongelukkige lot te bevrijden, heeft een opperhoofd van het land zijne toevlucht tot een even wreed als onverstandig middel genomen. Hij had zich uitgeput in liefkoozingen en bedreigingen, om haar den godsdienst te doen verzaken. Ziende dat dit niet hielp, wapende hij zich met een mes en maakte daarmede op het hoofd en in het lichaam der jonge christinne diepe insnijdingen, zeggende : âDe slechte leer, welke men u ingeprent heeft, en het lot, dat men u heeft toegeworpen zullen wel door deze openingen weggaan!quot;
Er kwam veel bloed uit, maar de leer en het lot bleven er in.
Zoo luiden de bijzonderheden, mijne heeren, welke ik u heden kan mededeelen. Ik zal ze later aanvullen, naarmate zij mij bekend worden ....
Aanvaard, mijne heeren, de uitdrukking mijner gevoelens van eerbied en toegenegenheid, waarmede ik de eer heb te zijn
Uw nederigen dienaar in Onzen Heer â¢f Leo,
van de Vereeniging der Algiersche Missionarissen Bisschop van Pacando, Apostolisch-Vicaris van Nyanza.
nr.
Brief Tai I. E. Kartmal Lanprie
aan ]je Leden der Vereeniging van de Onbevlekte Maagd Maria voou j)e bekeering der heidensche vrouwen.
I.
Geachte Dames,
Ik liad het genoegen liet jaarverslag te ontvangen, dat uw secretaris over 1885â8« heeft openbaar gemaakt.
Ik kan niet anders dan eene zoo uitmuntende onderneming opnieuw aanbevelen. Aan het gebed, aan goede werken van allerlei aard, die door uwe vereeniging aan God worden opgedragen voor de bekeering der heidensche vrouwen, paart gij eene werkzame naastenliefde, door haar, die in \'t huwelijk treden een uitzet te bezorgen, door onderwijzeressen in den Katechismus te vormen en door de zorg, die gij wijdt aan de in doodsgevaar verkeerende vrouwen, louter werken, die in dringende behoeften voorzien. Niet genoeg kan ik u mijne goedkeuring en bewondering over deze, door God zoo blijkbaar gezegende pogingen, uitdrukken. Doch ik wensch u ook te steunen, en daar ik u geen andere aalmoes geven kan, wijd ik u eenige oogenblikken van een tijd, die reeds door zoo menigvuldige zorgen is ingenomen, om u te verklaren wat mijne gedachte is omtrent den aard en de toekomst uwer vereeniging.
Een oud, wijs spreekwoord is: âOnbekend maakt onbemind.quot;
Over het algemeen weet men in ons beschaafd Europa niet, wat in waarheid eene heidensche vrouw is. Indien alle Christenen, die een middel zoeken om hunnen ijver te toonen, en zich als door God geroepen gevoelen om te arbeiden voor de uitbreiding van Zijn Rijk, doch die niet weten op welke wijze dien ijver aan den dag te leggen, indien zij, zeg ik, wisten wat eene heidensche vrouw is, ik twijfel er niet aan of zij zouden zich aan een zoo noodzakelijk werk wijden. Ik zeg, zulk een noodzakelijk werk; want.
89
ondanks den ijver der missionarissen zullen limine pogingen nimmer blijvende vruchten opleveren, indien zij niet worden bijgestaan door vrouwelijke apostelen, die voor de vrouwen arbeiden, \'t Zijn waarlijk slechts de vrouwen, die zich van deze taak kunnen kwijten; zij zijn het alléén, die vrij tot de heidensche vrouwen kunnen naderen; met christelijke naastenliefde hun lijden kunnen verzachten, en heur hart treffen; vrouwen alleen kun;ien haar de diepte harer vernedering doen begrijpen, door haar te wijzen op de zedelijke hoogte, waarop de Christen vrouw staat.
En \'t is niet alléén op die vrouwen, dat een vrouwelijke apostel, de zuster van barmhartigheid, een onwêerstaanbareu invloed uitoefent, \'t is evenzeer op de mannelijke heidenen. Men ziet het immers daiir, waar de zusters van verschillende orden zich reeds hebben kunnen vestigen, zooals aan de kusten der Middellandsche zee. Men beschouwt haar als bovennatuurlijke wezens en vergelijkt haar bij de Engelen Gods. Steeds herinner ik mij aan de woorden van een ouden Turk, die in een Muzelinansche stad tot een onzer liefdezusters zeide: âZuster, wanneer gij, religieuzen, uit den hemel neerdaalt, zijt gij dan gekleed juist als nu?quot; Welke preek zou grooter uitwerking kunnen hebben ? Daar kan men geen tegenstand aan bieden, zij dringt in het oog en treft het hart. Wat ontbreekt er dus aan, om dergelijk Apostolaat vruchten te doen dragen?
Een enkele zaak: het getal arbeidsters is te gering. De reeds in Europa bestaande Congregatiën worden door de veelvuldige werkzaamheden in eigen kring overstelpt. Zij kunnen slechts enkelen van haar, zelfs al wijden zij zich tegelijkertijd èn aan de missiën èn aan de werken van barmhartigheid, naar onze barbaar-sche streken afzenden: vandaar dat men haar dan ook slechts van tijd tot tijd ontmoet. Daarom is \'t noodig, dat de Heer tal van apostelen zende, die zich uitsluitend aan dit grootsche werk wijden, en het gebed moet ons vermeerdering dier onmisbare krachten geven. Onze Heer zelf geeft het ons duidelijk aan, (en het schijnt, door de gebeurtenissen die zich thans voordoen, dat Hij het op dit oogenblik herhaalt) als Hij ons zegt: âOpent uwe oogen en aanschouwt de velden, die rijp zijn voor den oogst. Vraagt dim den Meester, dat Hij arbeiders zendequot;. Dit nu, geachte dames, is uw werk, en het schijnt dat de Voorzienigheid er dezen tijd
40
voor beschikt heeft. Wanneer nu de Voorzienigheid ons het binnenste dezer landen ontsluit, dan schijnt Zij ons de nadering der barmhartigheid aan te kondigen voor zoovele diepgezonken rassen, voor zoo vele millioenen arme vrouwen, wier vernedering, wier ellende alles overtreft, wat men zich dienaangaande ooit in Europa kon verbeelden, vóór dat men wist, wat wij thans in Afrika zien, en waarvan ik u een Hauw denkbeeld wensch te geven.
II.
Welk eeue onweerstaanbare begeerte tot toewijding en medelijden zou zich van de Europeesche christen vrouwen meester maken, indien zij eens getuige waren van dit schouwspel. Ik spreek niet van Midden-Afrika, waar de grootheid der ellende alle verbeelding overtreft, ik spreek enkel van de ongeloovigen in onze onmiddellijke nabijheid, van hun toestand, na een arbeid van een halve eeuw: ik spreek van haar, die wij in onze naburige gewesten ontmoeten, zooals in Tunis, Marocco, Tripoli, en die toch dagelijks met ons beschaafd Europa in aanraking komen.
O, dat gij wist wat de Muzelmansche vrouwen zijn! Zij zijn in de oogen der mannen, door wie ze onophoudelijk verdrukt worden, geen menschelijke wezens meer. Als slavin geboren zijn allen, van den hoogsten tot den laagsten stand, bestemd om verkocht te worden.
Opdat zij die bestemming als een voor haar onveranderlijk noodlot zouden aannemen, weert men van hare kindschheid af, eiken zedelijken invloed. Men voedt ze op zooals zij moeten leven, dat wil zeggen als dieren, zoodat bij haar slechts twee gevoelens kunnen ontkiemen : zinnelijkheid en vrees. In het vaderlijke huis, als in eene gevangenis opgesloten, kennen zij geen ander lot dan dat, wat zij hare moeder zien ondergaan, namelijk mishandeld, voortdurend geslagen, somtijds zelfs gedood te worden. Zonder hoop, zelfs zonder hoop op Cfods hulp, brengen zij hare jeugd door, immers God zelve, zoo leert men haar, heeft de brutale overheer-sching van den man ingesteld, en de vrouw als een lager wezen geschapen.
Op een leeftijd, waarop zij zich nog geen rekenschap kunnen geven van het eerloos geweld dat haar wordt aangedaan, zonder
41
zelf geraadpleegd te worden, niet in staat om zich zelve eenigszins te verdedigen, daar hunne wetten geen toestemming harerzijds noodig achten, levert men ze over, of beter gezegd verkoopt men ze aan dengene, die den vader het meeste geld biedt. In Noord-Afrika is de prijs tot 100 francs, het derde gedeelte van de waarde van een paard. De kooper verschijnt; het is een onbekende, niet zelden een terugstootend. barbaarsch man. Het jonge meisje, nog een kind, wordt aan hem verkocht. Zij slaakt hartverscheurende kreten en wil zich aan den deurstijl van het vaderlijk huis, aan de kleederen van vader en moeder, door wie zij verkocht werd, vastklemmen; doch te vergeefs: beiden verstooten haar, de eerste om de onnoozele som, die hij als prijs ontving, de laatste omdat zij er nooit aan gedacht heeft dat liet anders kon, daar zij eertijds hetzelfde lot ondergaan heeft en zij bovendien zwijgen moet, als zij niet mishandeld wil worden.
De verkochte weent dus en krijt wanhopend; en. eenmaal in dequot; woning baars meesters gekomen, houdt zij met weenen slechts op door de wees voor de slagen, die haai: meedogenloos worden toegediend. Wat vreeselijke verhalen dringen zich bij het schrijven in mijn geest op. verhalen, waarop ik niet door een enkel woord zelfs zinspelen wil in een brief, die voor u bestemd is.
Dergelijke dingen ondervinden de arme wezens, zoowel in onze vlakten als op onze bergen. In de steden worden deze afgrijselijke tooneelen verborgen achter grillige feesten, bij muziek en tamboerijn; de hoofdzaak echter blijft overal dezelfde, \'t Is een verkocht kind, dat zelf niet werd geraadpleegd en nu, in handen van een onbekende, aan allerlei folteringen is prijsgegeven. Hoe menigmaal hoorde ik de klachten dezer arme schepselen, klachten die eerst bij den dood verstommen.
Maar ook, als zij moeder is geworden, vindt de arme vrouw niet meer medelijden. Ik ken paleizen, waar men haar met haar kind doodt, om een lastigeu erfgenaam niet te zien leven. Andere ken ik, waar men de vrouw uit barbaarschheid tot den dood toe martelt. Geen enkele, die niet geslagen wordt; in de meeste gevallen met afgrijselijke wreedheid.
In de nabijheid van mijn huis in Tunis woont een oude Arabier, die reeds sedert lang gehuwd is, daar hij tien kinderen, jongens
42
en meisjes heeft. Aan een der balken in zijne woning\' is een touw aangebracht, dat tot op den grond reikt. En waartoe, raadt gij, dat dit dienen moet? De barbaar trekt haar in de hoogte om haar daarna met zijn knoestigen stok met geweld op de voeten te slaan. De vrouw en moeder slaakt doordringende kreten in tegenwoordigheid harer schreiende kinderen. De echtgenoot, de vader, indien men dezen geheiligden naam zoo mag ontheiligen, slaat haar op hunne beurt, om hierdoor hunne tranen door schrik te doen opdrogen; echter met geen ander gevolg, dan dat de kleinen nog harder beginnen te schreeuwen. In den eersten tijd vroeg ik mij af, wat deze jammerkreten beduiden konden. Maar sedert vernam ik alles uit den mond der slachtoffers. Eens verweet ik hem dit beulswerk. Op beestachtige manier begon hij te lachen en met een ijselijk gebaar gaf hij mij tot antwoord: âVoor de vrouwen is de stok noodig.quot; Vreemd genoeg, doch niet minder treurig: de slachtoffers denken er niet aan zich te beklagen. In hun oog is deze behandeling het recht van den man en den wil van God.
Nog verschrikkelijker dingen ziet men.
Eenige jaren geleden kwam mij een andere Arabier, die in een dorp, gelegen aan den voet van den heuvel van St. Louis de Carthago woonde, bezoeken om mij een aalmoes te vragen. âMijne vrouw is in den afgeloopen nacht gestorvenquot;, zeide hij mij, âik moet haar heden begraven en heb niets om een doodskleed te koopen; ik heb twintig francs noodig; wil die mij geven. God zal er u voor beloonen.quot;
Ik gaf hem de twintig francs. Maar, omstreeks veertien dagen later vervoegde zich dezelfde man â laten wij hem Mahomed noemen, om hem aan de Fransche justitie niet bekend te maken â-weer tot mij en zeide : âIk wenschte opnieuw te trouwen; ik weet eene vrouw te koop. Men vraagt er mij veertig francs voor: ik heb ze niet en kom ze nu van uwe weldadigheid afsmeeken.quot; Mijn bezoeker was een stevig gebouwd man, een Hercules, met een brutaal, barsch uiterlijk. Ik koesterde wantrouwen en zeide hem: âOm uwe vrouw te begraven heb ik u zonder eenig onderzoek twintig francs gegeven; dit was een werk van barmhartigheid jegens een overledene, doch alvorens u nu weer te geven om een
43
andere levende vrouw te koopen, wenschte ik eerst eenige infor-inatiën omtrent n in te winnen.quot;
Eenigszins verlegen verwijderde hij zich; den volgenden dag-ondervroeg ik eenige der oudste, inwoners van het dorp : mijn wantrouwen bleek niet ongegrond. ..Zijne laatste vrouwquot;, zoo zeide mij een hunner, âwas een arm meisje van zestien of zeventien jaren, dat arme ouders aan hem verkocht hadden.quot; âHij heeft niet opgehouden haar, onder de nietigste voorwendsels te slaan ; ten laatste, zonder andere reden dan dat zij zich een weinig met het eten had verlaat, heeft hij haar zoo deerlijk met stokslagen en schoppen afgemarteld, dat zij als levenloos op den grond is blijven liggen.
âMaar*quot;, vroeg ik, âzijn de lieden van het dorp haar niet te hulp gekomen?quot; âWij waren zoo gewoonquot;, antwoordde men mij, âdie vrouw onder de slagen te hooren schreeuwen, dat wij dachten dat het was als gewoonlijk; den volgenden morgen echter bleek, dat zij een lijk was. Hij had haar den geheelen nacht op de plaats, waar zij was neergevallen, met den dood laten worstelen, zonder haar eenige hulp aan te brengen of die voor haar te vragen.quot;
âEn heeft men de justitie van zulk een fe\'ii niet verwittigd ? Heeft de sdieik hem niet aangeklaagd ?quot;
âHumquot;, antwoordden de grijsaards schouderophalend, als om te kennen te geven, dat de scheiks heel wat te doen zouden hebben, als zij telkens klachten moesten inbrengen, wanneer vrouwen op die wijze door hare mannen werden gemarteld. Gelukkig nog als zij het voorbeeld niet geven!
Bij mijn Mahomed was dit liet geval niet. Vóór de laatste, wier doodsgewaad ik betaald had, had hij twee andere vrouwen gehad, die beiden, op gelijke manier door hem behandeld, schielijk gestorven waren. Hij is dertig jaren oud, leeft ongestoord in zijne hut en zoekt thans zijn vierde slachtoffer, waarvoor hij mij, telkens als hij mij ontmoet, veertig francs vraagt. Hij zal ze niet hebben; anderen echter zullen ze wel geven. Dergelijke toestanden zijn hier algemeen.
In Algiers worden zij door de Fransche justitie vervolgd, als deze er kennis van draagt. Doch gewoonten en vooroordeelen zijn sterker dan de wet. Het Muzelmansche gerechtshof {Medjilés) der
4
44
provincie Orau, onlangs door de Fransche rechtbank geraadpleegd in zake eener echtscheiding, die door eene vronw was aangevraagd, omdat haar echtgenoot haar den arm met den stok verbrijzeld had, antwoordde heel naïef: âIndien iedere vrouw, aan wie door haren echtgenoot de armen stuk geslagen worden, recht tot echtscheiding had, dan zon bij ons het huwelijk niet meer bestaan.quot;
Men haalt een ander gezegde aan van eeue oude Muzelmansche vrouw, die, als getuige opgeroepen in eene zaak, waarbij een echtgenoot zijne vrouw zoodanig had mishandeld, dat zij aan de gevolgen overleden was, ter terechtzitting uitriep: ..Het is eene schande voor u, Pranschen ; gij hebt eeue wet gemaakt die ons verbiedt onze ezels te slaan ; wanneer maakt gij er eene die onze echtgenooten belet ons, vrouwen, dood te slaan ?quot;
En dit is nog niet alles. De vronw heeft zoo weinig te zeggen, dat zij tegen haren echtgenoot niets kan inbrengen, terwijl deze haar onder een of ander voorwendsel wegjaagt. De onnoozelste zaak is voldoende. Voor vijf francs, of minder zelfs, spreekt de Kadi de wegzending uit. Wel schrijft hij voor, welke hulp de vader zijnen kinderen verstrekken moet, doch de vader geeft niets en de vrouw zit vonr last en zorgen. Dan geeft zij zich aan allerlei buitensporigheden over, óf wel haar vader, indien deze nog leeft, huwelijkt haar opnieuw uit. In het eerste geval groeien de kinderen met haar in ondeugd op; in het laatste geval, wanneer zij nog erg jong zijn, verdwijnen de kleinen zonder dat men weet hoe. De Arabische zeden gedoogen niet lang hulpelooze kinderen uit een eerste huwelijk.
Ziedaar het schouwspel, dat zich aan onze oogen voordoet in het Noorden van Afrika. De heidensche vrouw heeft er geen vlijen wil, geen eer en is nooit zeker van haar leven.
Doch in het noorden van Afrika zijn wij nog slechts aan de poort van het heidensche werelddeel met al zijn afschuwelijke laagheden. Naarmate men in het binnenland komt, nadat men het land der Toearegs en dat van Mzab die, evenals Kabylië, de Oasis uitmaken, waar nog gedeeltelijk de christelijke zeden bestaan, welke het lot der vrouw meer verdragelijk maken, nadat men, zeg ik, deze landen is doorgereisd en het land der zwarten binnendringt, wordt het treurspel nog veel droeviger. Daar ver-
toonen zich nog zichtbaar de gevolg\'en der vervloeking, eeue vervloeking-, aan welke nog\' iedere verlossing vreemd is.
Gij hebt gelijk gehad, geachte Dames, om uwe werken tot be-keering der heidensche vrouwen onder bescherming te stellen der Onbevlekte Maagd Maria. Alleen hare bescherming. Haar voorbeeld, de zegeningen, die de vrouw door Hare tusschenkomst (1) heeft ontvangen, hebben aan de christen vrouw de plaats gegeven , die haar in de wereld toekomt.
Daar, waardenaam van Maria nog niet bekend en liet christendom nog niet is doorgedrongen, daar is de vrouw slechts een rampzalig slachtoffer. En welk een slachtoffer in de landen der zwarten !
Op eene andere plaats reeds beschreef ik de afgrijselijkheden der slavernij ; ik kan niet beter doen, dan thans te herhalen wat ik er van zeide. Luistert dan, mijne Dames, en verneemt wat deze bar-baarsche volken zijn, en hoezeer de vrouwen er te lijden hebben.
Is men niet zelve in Afrika en in persoonlijke aanraking met negers, die slaaf zijn of het geweest zijn, dan is het niet mogelijk zich een duidelijk begrip te vormen van de misdaden, de wreedheden, de laagheden van allerlei soort, die slavernij en slavenhandel, de laatste een gevolg van de eerste, met zich brengen. Ik spreek hier, let wel, van wat zich op het oogenblik, waarop ik deze letteren schrijf, nog voordoet; ik spreek van datgene, wat ik met eigen oogen gezien, ot gehoord heb uit den mond zelf der treurige slachtoffers dezer laagheden, en niet, zooals men zou kunnen meenen, van vervlogen tijden. De slavenhandel ter zee is wel is waar opgeheven, doch die te land bestaat nog altijd. Op sommige punten zelfs is hij nog toegenomen. juist door de opheffing van den handel ter zee, en heeft hij nog afschuwelijker karakter aangenomen.
In het Noorden en Oosten van Afrika zijn het de Muzelmannen , die of zeiven of door de negers, die zij aan hunnen handel hebben verbonden. leveranciers van slaven zijn. Zij hebben dan bezoldigde bandieten en moordenaars, die in de binnenlanden der heidensche negers doordringen om er hunue rooverijen te plegen.
Somtijds bepalen zich de jachten dier benden er bij, om vrouwen of kinderen, die ver van hunne woning verwijderd zijn. terooven;
(1) \'t Is door Ilaür, dat alles vao .Tesus tot ons komt. (H. Ambrosias.)
4()
dikwijls ook doen zij geregelde aanvallen op de vreedzame dorpen dei-negers in de binnenlanden. Gedurende den nacht worden die dorpen door deze wilde gelukzoekers omsingeld. Bijna nooit verdedigen zich de negers. verstoken als zij zijn van vuurwapenen: zij die het doen, worden weldra door hunne tot de tanden gewapende aanvallers vermoord. De ongelukkigen trachten in de duisternis te vluchten; doch allen die gevangen genomen worden, zoo mannen, vrouwen als kinderen, worden geketend en opgezonden naar eene markt in het binnenland. Men brengt hen naar streken, die zestig, tachtig, zelfs honderd dagreizen verwijderd zijn.
Dan begint voor hen een reeks van onbeschrijfelijke ellende. Men marcheert den geheeleu dag door. \'s Avonds, wanneer men vertoeft om rust te nemen, krijgen de gevangenen eenige ongekookte groenten. Dit is al hun voedsel. Den volgenden morgen moeten zij weer vertrekken. Maar van de eerste dagen af hebben vermoeienis, smart en uitputting een aantal der gevangenen verzwakt. De vrouwen bezwijken het eerst. Om dan door den schrik deze kudde ellendige menschen aan te sporen, naderen de geleiders de meest uitgeputten en geven, ten einde kruit te sparen, met een knots aan de rampzalige slachtoffers een zoo geweldigen slag in den nek dat zij. een kreet slakende, ter aarde vallen en met den dood gaan worstelen. De verschrikte troep begint dan onmiddellijk zijnen weg te vervolgen; de doodsangst geeft ook aan de zwaksten nieuwe krachten. Telkens als iemand achterblijft, herhaalt zich het afschuwelijk schouwspel. Als de marsch eenige dagen geduurd heeft en men komt \'s avonds op de plaats , waar halt gehouden wordt. dan wacht den gevangenen een niet minder vreeselijk tooneel. Deze meuschenhandelaars weten door ondervinding wat hunne slachtoffers verdragen kunnen. Een oogopslag is voor hen genoeg om te weten, welke van vermoeienis zullen bezwijken. Om het luttel voedsel, dat gegeven wordt, te sparen , gaan de begeleiders met hunne knotsen langs de rijen en slaan met één slag de uitgeputten ter neder. Hunne lijken blijven liggen waar zij gevallen zijn, wanneer men ze niet ophangt aan de takken der nabijzijnde boomen : en in deze omgeving moeten hunne gezellen eten en slapen. Maar welk een slaap! \'t Is niet moeielijk zich daarvan een denkbeeld te vormen.
47
Onder de jonge negers, die wij aan deze aardsche liel onttrokken en de vrijheid weergaven, zijn er. die nog gedurende langen tijd lederen nacht onder het uiten van vreeselijke angstkreten wakker worden. In nachtmerries of droomen zien zij de bloedige tooneelen weder, waarvan zij getuigen waren.
Op deze wijze wordt de weg afgelegd, die soms verscheidene maanden duurt, wanneer de afstand groot is. De karavaan vermindert bij den dag. Indien eenlgen, gedwongen door de buitengewone folteringen die zij te verdragen hebben, eene poging wagen om te vluchten, of zich verzetten, dan snijden hunne wreede meesters hun door middel van een sabel- of messteek de spieren van armen en beenen door; in dien toestand moeten zij, met halsblokken aan elkaar gebonden, de reis afleggen, totdat zij van honger en wanhoop sterven.
Men kan in waarheid zeggen dat, als men den weg verloren is, die loopt van Midden-Afrika naar de steden, waar de slaven verkocht worden, men denzelve gemakkelijk kan terugvinden dooide beenderen der negers, die over den weg verspreid liggen. Men kan aannemen, dat jaarlijks iiierhondenl duizend neger* het slachtoffer dezer barbaarschheid worden.
Eindelijk komt men op de markt aan met het overschot dezer ongelukkigen, dikwijls slechts een derde of vierde gedeelte van het aantal, dat buit gemaakt is, soms zelfs nog een minder getal. Daar hebben tooneelen plaats, die wèl van de vorige verschillen, doch niet minder verfoeielijk zijn. Als beesten worden de negers, gebonden, te koop gesteld. Hen onderzoekt beurtelings hunne voeten, handen, tanden, al hunne lichaamsdeelen, om zich te verzekeren van de diensten, die men van hen verwachten kan. Men handelt over den prijs, dien zij moeten opbrengen, als hadde men met lastdieren te doen, en dit alles in hunne tegenwoordigheid ; en, wanneer de prijs bepaald is, behooreu zij met lichaam en ziel aan hem, die ze betaalt.
Niets wordt meer heilig geacht: nóch de banden des bloeds, want men scheidt meedoogenloos den vader, de moeder van de kinderen, ondanks hunne kreten en tranen : nóch het geweten want zij moeten op staanden voet den godsdienst omhelzen van den Muzelman, die ze koopt; zelfs de eerbaarheid wordt niet meer
48
geëerbiedigd; zij zijn genoodzaakt zich te onderwerpen aan de schandelijkste eischen. Kortom, op genade of ongenade worden zij overgeleverd aan hun nieuwen eigenaar. Niemand is in Midden-Afrika verplicht rekenschap te geven van den dood zijner slaven.
Zoo is de Afrikaansche slavernij in al hare verschrikkelijkheid!
Te midden dezer wreedheden verdient nog de vrouw het meeste medelijden. Indien zij moeder is en hare kinderen wil verdedigen, doodt men haar, na haar de kinderen die zij tracht te beschermen, ontnomen te hebben. Is zij jonge dochter, dan maakt men zich van haar meester, bindt haar de handen, en kluistert de voeten op zoodanige wijze dat iedere beweging haar pijn berokkent. Zoo drijft men haar voor zich uit; den geheelen dag geslagen als zij niet meer gaan kan ; in de duisternis des nachts overgeleverd aan alle afgrijselijkheden ; kortom men sleurt haar voort tot aan de eerste slavenmarkt de beste ; daar wordt zij verkocht en geleverd aan den meestbiedende, die haar gedurende haar geheels leven doet lijden en haar doodt als het hem goeddunkt.
Dit is nu het lot van elke negerin uit de binnenlanden van Afrika.
Geen enkele is er die niet slavin is. De mannen zijn ten minste vrij; althans wanneer hun stam in een oorlog niet is overwonnen geworden; van hare kindschheid af zijn de vrouwen echter nooit vrij. Of wèl gevangen genomen in den oorlog, óf gestolen, óf verkocht, allen hebben zij hare vrijheid verloren.
Indien ik u alles wilde mededeelen, wat onze missionarissen er van schrijven, zoudt gij zien, dat â van welken stand hun meester ook zij â- alle vrouwen aan dezelfde rampen zijn overgeleverd. De Eerwaarde Pater Hauttecoeur, missionaris van Algiers en overste der missie van Sint Josef van Kipalapala (in de richting van Nyanza), schreef ons laatst, dat gedurende de regens van de Mssiha (1) de gronden der naburige vlakten in moerassen herschapen waren. Onmogelijk kon meu er over heen zonder in den modder te zakken. In weerwil hiervan gelastte een neger van het naburige dorp aan zijne slavin, om er over heen te gaan, ten einde hout te verzamelen om het avondeten te bereiden. Zij
(1) Regenseizoen.
49
ging; maar nauwelijks op de vlakte gekomen, zakte zij den grond in en was weldra tot aan de armen in den modder begraven; zij kou zicli niet losmaken en was genoodzaakt zieli onbewegelijk te houden, ten einde niet nog dieper te zinken en om te komen. Met smeekende stem riep zij om hulp. doch zij die langs kwamen lachten slechts om het geval.
De man. die haar niet zag terugkomen, ging haar, met een stok gewapend, zoeken. Hij vond haar in dezen deerniswaardigen toestand en, zonder ook maar een enkele poging te doen om haar te helpen, wierp hij haar van verre een stok toe, waarmede zij zich als zij wilde, koitfle verdedigen tegen de hyena\'s die in aantocht waren. Dood bedaard keerde hij weer naar huis terug. Den volgenden morgen was geen spoor van de ongelukkige vrouw-meer te vinden. Dit is het lot der vrouw van een eenvoudigen ueger; dat van vrouwen van hoogergeplaatsten is niet gelukkiger.
Een ander onzer paters haalt met afgrijzen de woorden aan, die een vorst van Boekombi op een morgen tot hem sprak: âIk JwJj gedurende den nacht vijf mijner vrouwen (jedood.quot; Hij scheen dit niet eens als iets buitengewoons te beschouwen.
De machtige koningen handelen nog erger met de bevolking hunner harems. De Eerwaarde Pater Lévesque, oud-missionaris in Oeganda, heeft mij verhaald, dat, toen hij zich eens in een der buitenste vertrekken aan het hof van koning Mtéza bevond voor eene audiëntie, hij eensklaps de deuren van de Brazah (koninklijke zaal) met geweld zag openen, om toegang te verlee-nen aan twee gewapende soldaten, die een arme slavin bij de voeten medesleurden.
Deze slavin was eene der begunstigde vrouwen des Konings; zij was veroordeeld om terstond neus en ooren en daarna het hoofd te verliezen, omdat zij te hard gesproken had vóór de opening van de audientie des Konings. Het vonnis werd op de plaats zelve, ten aanschomve der menigte, voltrokken. De kreten der ongelukkige, welke het hart der missionarissen verscheurden, werden met uitgelaten vroolijkheid beantwoord.
Nogmaals, dit is het lot der Afrikaansche vrouw. Men dient hier nog bij te voegen de veelwijverij, met de daaruit voortspruitende afgunst en haat; de noodzakelijkheid om den zwaarsten arbeid
50
te verrichten; want de man acht het heneden zich om dien arbeid te doen. \'t Is alleen de vrouw, die lasten draagt en den grond bewerkt. Niets is treuriger dan uit de verte te, zien, dat een dezer ongelukkige schepselen, op het land over de voren gebogen liggende, de werktuigen hanteert, terwijl zij een kind draagt, dat op haren rug is vastgebonden niet riemen. Er zijn op dit oogenblik huee hoinhnl millioen vrouwen, die dergelijk droevig lot ondergaan. Dit cijfer toont den grooten omvang van het kwaad aan.
En nu spreek ik slechts over de smarten dezer wereld. Wat de andere betreft zijn zij, naar het mij toeschijnt, niet minder te beklagen. Er bestaat voor haar geen hoop op eene betere toekomst ; geen berouw zuivert haar. Men kan ten haren opzichte niet eens het vertrouwen koesteren dat men somtijds nog heeft omtrent het lot van andere ongeloovigen, bijvoorbeeld van Moha-inedanen, Indische volkeren of Chineezen.
Ten opzichte van laatstgenoemde volken vinden sommige Godgeleerden (en de Kerk veroordeelt hunne handelwijze niet) redenen om te veronderstellen, dat er voor zekere zielen een als het ware onbepaald geloof in de Verlossing bestaat en eene onbepaalde begeerte om het Doopsel te ontvangen, daar zij alles willen onderhouden wat ze van Gods Wet kennen, genegen zijn om alles aan te nemen, wat Gode mocht behagen hun nog te doen kennen, en alles te willen volbrengen, wat Hij hun zou kunnen bevelen. Met \'t oog op den onvermijdelijken staat van onwetendheid, waarin zij verkeeren, kan die gesteltenis hen in \'t oog van God rechtvaardigen.
In de binnenlanden van Afrika is deze illusie onmogelijk. De laagste bijgeloovigheden, gepaard aan vereering van het zinnelijke, zijn de eenigste overblijfselen van eene meer en meer verdwijnende oorspronkelijke openbaring bij dit arme volk; en de vaak barbaar-sche, met alle uitspattingen verbonden toovenarijen dienen om hare slachtoffers al dieper en dieper in wanhoop te doen zinken.
Nooit heelt zich dan ook elders op dit gebied grooter ellende voorgedaan.
51
ITI
Het zijn juist deze onbeschrijfelijke ellenden, die het hart ge-troffen hebben van de apostolische mannen, welke op dit oogenblik van alle zijden Afrika trachten binnen te dringen. Wij zeiven maken er een gering deel van uit in de personen der missionarissen van Algiers.
Tot dusverre konden zich alleen mannen aan zoodanige gevaren en aan de geweldenarijen «lezer barbaren blootstellen. Vrouwen konden hen niet volgen. Zij moeten zicli inderdaad slechts daar vestigen, waar zij gevrijwaard zijn tegen gevaren, erger nog dan de dood. Het verschrikkelijk voorbeeld der arme religieuzen iu de missie van Zuid-Egypte, die door den Mahdi gevangen genomen waren, toont ons waaraan zij blootgesteld zouden zijn, wanneer men verzuimde voorzichtiglieidsmaatregelen te nemen.
Maar meer en meer komt het arbeidsveld in gereedheid. Frankrijk, België, Dnitschland en andere Europeesche rijken stichten in Afrika geregelde Staten, en nederzettingen van Europeanen beginnen zich daar te ontwikkelen. Algiers, Tunis en Noordelijk Egypte geven voldoende waarborgen van vrede en veiligheid. Het oogenblik nadert dus, waarop, in navolging der missionarissen, zich vrouwelijke apostelen kunnen vormen en komen werken. Ik aarzel niet te zeggen, dat dit de dageraad van eene betere toekomst zal wezen. De invloed der vrouwelijke zal veel machtiger zijn dan die der mannelijke missionarissen, vooral haar invloed op de vrouwen. Dit is voor ons niet bloot meer eene hoop, \'t is thans eene zekerheid. Daar, waar wij haar konden bewonderen te midden der Afrikaansche inboorlingen, zooals in Kabylië, is de proef met den besten uitslag bekroond.
De missionarissen. â ik zeide het reeds in den beginne, doch ik moet het hier herhalen en verklaren, â kunnen zeiven niet direct tot de vrouwen doordringen wegens vooroordeelen der inboorlingen. Zij zouden met haar geen geregeld onderhoud kunnen hebben om haar te onderwijzen. Nóch de Muzelmannen van Midden-Afrik a . noch de barbaarsche negers van het binnenland, staan aan hunne vrouwen eenigen omgang met vreemdelingen toe. In Noordelijk-Afrika zijn de vrouwen van Muzelmannen op straat gesluierd, en in huis worden zij in het binnenste vertrek opgesloten.
waarin nooit een man doordringt. In de negerlanden is eene onscliuldige ontmoeting- genoeg om de veroordeeling der vrouw uit te lokkeu, haar zelfs te doodeu. Maar wat de mannen niet kunueu, kunnen de vrouwen wel. Men staat het haar zeer gemakkelijk, zelfs met vreugde toe. De zieken hopen van haar hulp, want in hunne oogen zijn zij geneeskundigen van bovennatuurlijken rang. Zij gelooveu aan hare geneesmiddelen en nog meer aan haar machtigen invloed hij (rod. De arme vrouwen bovendien vinden, bij de doodelijke verveling in heur leven, bij haar bevrediging eener kinderlijke nieuwsgierigheid.
Zij willen de zusters niet laten gaan; zij trekken haar bij de kleeren en doen duizeude wonderlijke vragen, vooral vragen zij of de zusters terugkomen. Zij roepen hare kleine kinderen, en , wanneer deze erg ziek en den dood nabij zijn, haasten zich de zusters, om met het geneesmiddel voor het lichaam dat voor de ziel toe te dienen. In één woord, zoo moeilijk het is voor mannen, zoo gemakkelijk is het voor Europeesche vrouwen om toegang tot de inlandsche te krijgen.
Jlaar \'t is vooral het zedelijk overwicht der christen vrouw of der religieuze, dat invloed uitoefent op deze misdeelde schepselen. Hoe lager zij\' gevallen zijn, hoe meer zij door de hoogte waarop de Christin staat, getroffen worden.
Grevallen tot den ondersten trap van laagheid en ellende, gebukt onder de wreede hand barer meesters, beschouwen zij, zonder er zich rekenschap van te kunnen geven, de christen vrouwen niet alleen gelijk met, doch verre verheven boven den man, door hare edelmoedigheid, hare kiescliheid, haar levendig geloof, den moed die dit geloof baar ingeeft, de teedere liefde die het in heur hart opwekt; door den eerbied, dien de christen vrouw afdwingt. In \'t begin van dezen brief haalde ik de woorden aan, die een Muzelman tot eene liefdezuster sprak; en zoo is het gevoelen van alle inboorlingen van Afrika.
Nog dezer dagen werd mij dit bevestigd in een schrijven, dat ik uit Kabylië ontving van een jong meisje, behoorende tot eene dei-edelste familiën van Frankrijk. De Kabylische vrouwen waren verwonderd over deze voorname Europeesche dame. âMaar, voegde de Schrijfster er bij, ..de verwondering die ik baarde, is niets bij den
KO öu
indruk , dipn cle zusters op haar makenquot;. Zij vragen niet, zooals omtrent mij, naar liet hoe en waarom. Zij verheelden zich, dat de zusters ergens uit den Hemel vallen , in denzelfden toestand \'waarin zij in Kahylië aankomen.
Daarom is het haar gemakkelijk vertrouwen in te boezemen en hierdoor , met de genade Gods, te geraken tot zedelijke verbetering en tot bekeering voor het Christendom.
Stelt u dergelijke religieuzen voor, aan het Apostolaat gewijd, hoe zij allengs van alle kanten in deze dorpen binnendringen, in deze hutten , onder de ondragelijke hitte van den Equator ; hoe zij zich nederzet bij de heidensche vrouw, eene arme door de slagen krom gebogen slavin, en langzamerhand hare hoop opwekt haar de blikken naar den Hemel doet richten; haar uitlegt, hoe het menschelijk geslacht geheel en al uit de handen van eenen goeden God is voortgekomen ; hoe zij â de heidin â dezen God verlaten heeft en daardoor het voorwerp van vervloeking is geworden ; hoe een Verlosser haar heeft teruggekocht, en hoe Hij nu zooveel volkeren in het licht en den vredequot; doet wandelen ; hoe daarentegen een gedeelte van liet menschelijk geslacht altijd hoe langer zoo meer in het kwaad vervalt, hoe de vrouw, tengevolge harer zwakte , het eerste slachtoffer dezer afdwalingen is ; hoe de Verlosser , gekomen om de kleinen en zwakken te redden , haar nu het eeuwige heil zendt; hoe eene Vrouw, gezegend boven alle andere, hare kunne heeft onttrokken aan de vervloeking , die op haar rustte en ze met eerbied heeft omringd ; hoe in de maatschappij, waar men Jesus en Maria kent, de vrouwen geene laagheden of gruwelijke kastijdingen te verduren hebben , aan welke de Afri-kaansche vrouw blootstaan; hoe een gevoel van rechtvaardigheid, de vrees voor den Rechter, aan wien zij eenmaal rekenschap zal moeten geven , kraclu verleenen om de zwakheid te overwinnen ; hoe zij eindelijk , indien zij het wil, aan deze weldaden kan deelachtig worden, en â al zou op deze wereld haar lijden nog voortduren, â zij in eene betere wereld , die geen einde heeft, het loon voor dit lijden zal ontvangen.
Gelooft gij niet dat deze arme vrouwen , indien zij deze mede-deelingen uit den mond van beschaafde vrouwen hooren, als uit een somberen droom zullen ontwaken ; dat zij getroffen zullen zijn
54
en dat daardoor , met Maria\'s hulp, overvloedige vrachten van licht en heil zullen groeien , niet alleen voor die vrouwen zeiven . doch ook voor haar volk ?
De vruchten van dit Apostolaat hepaleu zich niet bij de vrouw alleen. Immers zij is de oorsprong- van alles, daar zij de moeder is. Hare kinderen zijn zoo , als zij ze maakt. Zij strooit in hunne harten het zaad, dat niet verloren kan gaan, en. ondanks alle tegenwerking, welig opschiet. Zoo dus krijgt men door de vrouwen het huisgezin, door het huisgezin de maatschappij.
\'t Is een grootsch plan, zooals een der eerbiedwaardige prelaten, die uw werk gezegend hebben , u schrijft. âMaarquot;, zult gij misschien zeggen, âwaar zijn de middelen tot verwezenlijking van dit plan?quot; ,.Hoe zult gij,quot; zegt de H. Paulus, âhet goede woon] doen hoor en zonder predikers ?quot; En de predikers ; waar zijn zij ?
Niet verre verwijderd.
Ik zal niet spreken over oude Orden en Congregatiën ; hare namen , hare weldaden zijn over de geheele wereld bekend : maar ook de geheele wereld weet, wat ik in den beginne reeds zeide, namelijk dat deze congregatiën door een menigte van verschillende werkzaamheden overstelpt, en niet voldoende iu getal zijn, om de groote taak naar behooren te kunnen vervullen.
De zusters, door deze congregatiën naar de missiën gezonden . althans naar onze Afrikaansche missiën, zijn zeer zeldzaam. Eij haar kan de roeping niet bloeien, die verborgen in haar hart ontkiemt. Wanneer men de vlam van het Apostolaat in het hart voelt branden, wil men natuurlijk niet door onderwijs aan kinderen in een of ander vreedzaam stadje van Europa worden opgehouden; men wil de zekerheid hebben eens te kunnen werken, lijden , ja sterven te midden der ongeloovigen, die in de duisternis des nachts, evenals eertijds de Macedoniërs ten tijde van Paulus, uit de verte om apostelen roepen.
Dan, eenmaal het religieuze leven ingetreden, moet men zich onderwerpen. Zonder gehoorzaamheid geen geestelijke orde. Een martelaarschap moet het zijn , zich niet te kunnen toewijden, niet te kunnen lijden in die mate, als men het wenschen zou. En dat is het ook inderdaad.
Mijne meening is, dat de roepingen zich niet eenigszins talrijk
zullen openbaren, alvorens er gezelschappen van zusters zijn, uitsluitend bestemd voor de ongeloovige landen. Dan zal men zeker zijn. zicli aan niets anders dan aan het Apostolaat toe te wijden. Welnu, wat mij bekend is, doch u nog niet, is, dat â dank der Voorzienigheid â reeds toebereidselen gemaakt zijn, om dit plan te verwezenlijken. Ik kan niet spreken over de missiën, die ik minder ken; maar voor Afrika, dat tot dusver de meest verlaten missiën heeft, heb ik er reeds het bewijs van.
Sedert meer dan vijftien jaren hebben wij te Koeba, in de nabijheid van Algiers, eene Congregatie, uitsluitend voor dit doel opgericht. Zij leeft in stilte en nederigheid, zooals liet behoort en ik het gewild heb. tot aan den dag die mij gebleken is de-door God bestemde te zijn. Niettemin ontwikkelt zij zicli lang-zamerheid, zonder uiterlijken glans, in de beoefening der apostolische deugden. Zij heeft reeds huizen in Kabylië, te midden van uitsluitend ongeloovigen, en de resultaten, door deze nederige zusters verkregen, overtreffen, zooals ik gezegd heb, die der missionarissen. Evenals wij, heeft zij Maria tot patrones verkozen; immers zij noemt zicli Congregatie der Zusters van Onze Lieve Vrouw der Afrikaansche Missiën.
\'t Is waar, zij telt nog slechts een vijftigtal geprofeste zusters. Dit is -nog slechts een gering zaad, doch talrijke teekenen doen mij gelooven, dat de ontkieming nabij is en dit zaad zich eensklaps sterk zal ontwikkelen. Op bijna bovenaardsche wijze roept God enkelen tot het werk. Ik twijfel geenszins, of indien er een noviciaat in Europa bestond, zoude het weldra te klein zijn om allen te ontvangen, die de oproeping tot dezen kruistocht zouden beantwoorden, een kruistocht van christen vrouwen, niet om slag-te gaan leveren, doch om de ongeloovige vrouwen te gaan dienen en redden. Niet zoo zeer de postulanten, dan wel hare familiën, worden door de gedachte afgeschrikt, dat deze jonge meisjes alleen naar een vreemd land moeten vertrekken; dat ze de zee moeten oversteken, om misschien vervolgens te ontdekken, dat zij zich bedrogen hebben, en zij dan moeten temgkeeren.
In een noviciaat of postulaat in Europa zou deze reden tot vrees niet bestaan.
Wat mij betreft, ik heb de jaren mijner jeugd en van mijn
56
rijperen leeftijd gewijd aan de sticlitiiig\' van liet apostolaat onzer missionarissen. Ik wil mijn ouderdom, zoolang God mij het leven spaart, gebruiken om, als ik kan, liet apostolaat der zusters bevorderlijk te zijn, een apostolaat dat, ik herhaal het, onder de ongeloovigen van ons Afrika in mijn oog belangrijker is dan dat der mannen zeiven.
Maar alléén kan ik niets uitrichten ; \'t is God, die alles moet doen, en ik verzoek namens Hem uwe goede werken en uwe gebeden.
Ik kom zoodoende ten slotte tot liet hoofddoel uwer vereeniging, hetwelk is, om door gebeden en liefdadigheid het apostolaat dei-vrouw onder de heidinnen bevorderlijk te zijn.
God heeft verordend dat, terwijl de soldaten voor Hem op de vlakte strijden, op het gebergte voor hen gebeden wordt. Wij weten uit de Heilige Schrift, dat het gebed niet minder machtig is dan de dapperheid, die getoond wordt, dan het bloed, dat in de veldslagen vloeit. Zij leert ons dat, wanneer het gebed verzwakt of achterwege blijft, de overwinning zich van ons afkeert; dat daarentegen de overwinning zeker is, als liet gebed vurig en aanhoudend is.
Daarom, geachte Dames, durf ik gerust herhalen, dat uw werk een werk der Voorzienigheid is.
Om een gunstigen uitslag te bekomen van het apostolaat dei-vrouwen te midden der heidinnen, moeten wij meer rekenen op het gebed der christen vrouwen, dan op alle overige middelen te zamen.
Wat deze laatste geven is slechts de kracht des menschen; maar wat achttien raillioen malen goede werken en gebeden van u doen, ziet, dat is de kracht van God zelf.
Ik wensclite nog door te gaan, doch mijn brief is reeds zóó lang, dat, wanneer ik hem vervolgde, mij de vrees zou bekruipen, dat hij niet zou worden gelezen.
Ik vind het beter haar, die meerdere inlichtingen of persoonlijken raad van mij wenschen te ontvangen, uit te noodigen zich vol vertrouwen tot mij te wenden. Zij hebben slechts den brief te adresseeren aan mijne residentie te Algiers, van waar men mijne brieven opzendt naar iedere plaats, waarheen mijn apostolische reizen gericht zijn. Ik zal het mij ten plicht rekenen, getrouw op alle vragen te antwoorden.
57
Aanvaardt, geachte Dames, lt;le uitdrukking- mijner oprechte gevoelens, waarmede ik de eer heb, na u van verre mijn herderlijken zegen te hebben geschonken, mij te noemen Uw uederigeu en toegenegen dienaar in Onzen Heer,
-j- Ch. Kardinaal LAVIGEEIE, AartshixscJioji van Carthago cn Algiers.
IV.
Beknopte Inlichting
omtrent j)e CoNGEEüATIE der ZuSfflERS-MlSSIONABISSEN van
Onze Lieve Vkouw dek Afrikaansche Missiën.
Deze Congregatie werd door Z. E. Kardinaal Lavigerie gesticht terzelfder tijd als die der Priesters-missionarissen van Algiers, welke laatste belast is met de verspreiding van liet geloof onder de hei-densclie volken iu een gedeelte van Afrika. Zij vult, volgens liet plan des stichters, liet werk der missionarissen aan, door, vooral onder de heidensche vrouwen en jonge meisjes in Midden-Afrika, een Apostolaat uit te oefenen, dat door \'s lands zeden den maiuie-lijken missionarissen niet mogelijk is.
Wij kunneu niet beter doen, om liet doel der apostolische ver-eeniging te doen kennen, dan de eigen woorden weer te geven van den brief, die door den Kardinaal-Aartsbisschop van Algiers gericht is aan eene godvruchtige vereeniging, die zich ten doel stelt gebeden te storten voor de bekeering der heidensche vrouwen.
âOndanks den ijver der missionarissenquot;, zoo zegt hij in dien brief, âzullen hunne pogingen nooit die menigvuldige vruchten opleveren, die zij konden, wanneer zij iu de heidensche landen van Midden-Afrika werden bijgestaan door vrouwelijke apostelen voor de vrouwen. Inderdaad, dit werk kunneu de mannelijke missionarissen niet verrichten: de vrouwen alleen kunnen in Afrika de heidensche vrouwen vrijelijk naderen, in christelijke liefde haar lijden verzachten en zoodoende hare harten winnen: zij kunnen haar onderrichten en haar de peillooze diepte, waarin zij liggen, doen begrijpen, door haar de zedelijke hoogte te toonen, waarop de christelijke vrouw verheven is.
âEn niet alleen op de ongeloovige vrouwen maakt de zuster, die zich aan de liefdadigheid en liet Apostolaat wijdt, eene onnit-
59
wischbaren indruk maar ook op de mannen. Men ziet liet daar, waar de zusters zich reeds onder de ongeloovigen hebben kunnen vestigen. Deze beschouwen haar als bovennatuurlijke wezens en vergelijken haar bij Engelen Gods. Ik haalde ergens het woord aan van een ouden Turk, die in eene Muzelmansche stad eene zuster ontmoetende, haar vroeg: âIs het waar zuster, dat, als gij religieuzen uit den hemel nederdaalt, gij juist gekleed zijt als nu?quot;
âWelke preek zou meer indruk kunnen maken ?quot;
En verder vervolgt Zijne Eminentie:
âTot dusverre konden zich alleen de mannen blootstellen aan de gevaren, die de Afrikaansche missiën opleveren. De vrouwen konden hen niet volgen. Zij kunnen zich dan ook inderdaad slechts daar vestigen, waar zij beveiligd zijn tegen gevaren, erger nog dan de dood. Maar allengskens wordt het beter. Frankrijk, België, Duitschland en andere Europeesche rijken stichten in Afrika geregelde staten, en nederzettingen van Europeanen beginnen zich daar te ontwikkelen. Algiers, Tunis, Noordelijk-Egypte, bijna alle kustlanden bieden voldoende waarborgen van quot;vrede en veiligheid aan. Het oogenblik is dus gekomen, waarop, in navolging dei-apostelen, zich vereenigingen van apostolische zusters kunnen vormen en haar werk kunnen gaan uitoefenen te midden der ongeloovigen. Ik aarzel niet te zeggen, dat dan voor de ongeloovigen de ware dageraad des heils aanbreekt. Het werk der vrouwen zal machtiger blijken dan dat der mannen. Dit is voor ons niet eene hoop, doch \'t is thans zekerheid. Daar, waar wij de zusters hebben kunnen vestigen onder de Afrikaansche inboorlingen, zooals in Kabylië, heeft de proef de beste uitkomsten opgeleverd.
âDe missionarissen, ik zeide het reeds in den beginne, doch ik wil het herhalen en verklaren, kunnen zelve ter oorzake der heidensche vooroordeelen, inderdaad niet tot de vrouwen naderen. Zij zouden met haar geen geregeld onderhoud kunnen hebben, om haar te onderrichten. Nooit zullen de vrouwen het komen bijwonen. Noch de Muzelmannen van onze provinciën aan de Middellandsche Zee, noch de onbeschaafde negers van het binnenland, staan hunne vrouwen eenige gemeenschap met vreemdelingen toe.
Tu Noordelijk-Afrika sluieren de Arabieren hunne vrouwen als
(iö
zij ovt\'i* straat gaan, en sluiten haar te huis op in vertrekken, waar nooit een man kan hinnenrlring\'en.
In de negerlanden leidt eene onschulclige ontmoeting- tot de veroordeeling\' eener vrouw en tot haren dood.
..Doch wat de mannen niet kunnen, vermogen de vrouwen. Men ontvangt haar zeer gemakkelijk, zelfs met vreugde. De zieken hopen van haar hulp, want in hun oog zijn zij geneesheeren van een bovennatuurlijken rang. Zij vertrouwen op hare geneesmiddelen en meer nog op hare macht hij Uod. De arme opgesloten vrouwen vinden in hare doodelijke verveling hij haar de voldoening\' eener kinderlijke nieuwsgierigheid. Zij willen haar bijna niet meer laten gaan. Zij doen duizeude wonderlijke vragen. Zij verzoeken dat men terugkome: zij roepen hare kleine kinderen, en als deze erg ziek zijn en in doodsgevaar verkeeren maken er de zusters gebruik van, om den kinderen, tegelijk met het geneesmiddel des lichaams, dat der ziel toe te dienen. In één woord, zoo moeielijk het is voor de mannen, zoo gemakkelijk is liet voor Europeesche vrouwen, om bij de heidensche toegang te verkrijgen.
âMaar \'t is vooral het zedelijk overwicht der christen vrouw en der religieuze, dat op deze misdeelde schepselen werkt. Hoe lager zij gevallen zijn, hoe meer zij van dit overwicht door-drongen zijn. Gevallen tot den ondersten trap van laagheid en elleudo. gebukt onder de wreede hand harer meesters, beschouwen ;:ij. zonder er zich rekenschap van te kunnen geven, de christinnen niet gelijk met, doch verre verheven boven den man, door hare edelmoedigheid, hare kieschheid. haar levendig geloof, den moed die dit geloof haar ingeeft, de teedere liefde die hetinhenr hart stort : door den eerbied, dien de christen vrouw afdwingt. In quot;t begin van dezen brief haalde ik de woorden aan, die een Muzelman tot eene liefdezuster sprak; en dit is liet gevoelen van alle inboorlingen van Afrika.
Er zijn wel is waar in de missiën zusters, die tot oudera con-gregatii\'-n behooren. Hare namen, hare weldaden zijn over de uvheelr wereld bekend: maar ook de geheele wereld weet. dat deze congregiitiën door een menigte van verschillende werkzaamheden overstelpt zijn, en dat de zustersquot; niet voldoende in getal
til
zijn, om de gToote. taak naar belioomi te kuimen vervullen. De. zusters, door deze ooug\'regatiën naar de missiën gezonden, althans naar ouze AtVikaansclie missiën, zijn zeer zeldzaam. Bij haar kan de roeping1 niet bloeien, die verborgen in het hart ontkiemt. Wanneer men de vlam van het apostolaat in het hart voelt branden, wil men natuurlijk niet door onderwijs aan kinderen in een of ander vreemd stadje van Europa worden opgehouden. Men wil de zekerheid hebben eens te kunnen werken, lijden, ja sterven te midden der ong\'eloovigeu, die in de duisternis des naclits. evenals eertijds de Maeedoniërs ten tijde van Paulus, uit de verte om apostelen roepen.
Dan eenmaal het religieuze leven ingetreden, moet men zich on lenvcrpen. Zonder gehoorzaamheid geen geestelijke orde. Een martelaarschap moet het zijn, zich niet kunnen toewijden, niet te. kunnen lijden in die mate, als men het wensclien zou.
Mijne meeningquot; is. dat de roepingen zich niet eenigszins talrijk zullen openbaren, alvorens er gezelschappen van zusters zijn opgericht, die uitsluitend bestemd zijn voor de_ongeloovige landen. Dan zal men zeker zijn, zich aan niets anders dan aan het apostolaat toe te wijden.
Ik voor mij. zoo-vervolgt zijne Eminentie, heb mijne jeugdige jaren en mijn rijperen leeftijd toegewijd aan de stichting van het apostolaat onzer missionarissen. Tk geloof mijnen ouderdom niet beter te kunnen gebruiken dan, zoo God mij het leven laat. zooveel in mijn vermogen is. het werk van het Apostolaat der zusters krachtdadig\' te. bevorderen: dit apostolaat is naar mijn inzicht, ik herhaal het. veel belangrijker dan dat der mannen zeiven.
Regels van dei Congregatie,
Om eejie religieuze Congregatie naar waarde te kunnen schatten is het niet voldoende de gedachte te kennen , die heeft voorgezeten bij hare stii-hting; men dient img de vodriiaainste pnnten van den regel te kennen. Uier volgen daarom deze voornaamste punten, zooals zij ons In de (\'onstitutiën en het 1 Urectorinm van de Congregatie der Zusters van Onze Lieve Vrouw der AtVikaansclie missiën zijn gegeven.
62
Doel en Wezen der Congregatie.
Dit kleine gezelschap is een vereeniging\' van religieuzen, die zich toewijden aan de lEissiën van Afrika. Zij leiden een gemeenschappelijk leven, beoefenen dezelfde regels. zijn onderling en met het gezelschap door godsdienstige geloften verhonden alsook door den eed, om zich aan de Missiën te wijden , naar de regels van het gezelschap en onder de gehoorzaamheid aan de Oversten.
Zij beijveren zich tot voorbeeld te nemen de Heilige Maagd en de heilige vrouwen, die de Heer gedurende Zijn leven om zich , vereenigde, om haar te doen deelen in al Zijn lijden en al Zijne werken. Onder de leiding en door de genade van dien G-odlelij-ken Meester volmaken zij zich in alle religieuze en apostolische deugden, bijzonder in de liefde tot Oud en tot de zielen ; en na zich zelven geheiligd te hebben, brengen zij het licht van het heilig Evangelie aan de verloren schapen, tot welke zij gezonden zijn, dat wil zeggen aan de arme ougeloovige vrouwen van Afrika, door de beoefening van liefdadigheid, door woord en voorbeeld.
Haar leven is dus een leven van heiligheid , zuiverheid , versterving, gehoorzaamheid , maar vooral van apostolischen ijver voor de bekeering der heidensche vrouwen. Zij moeten zich alles voor allen maken, om door het geven van ondemcht en het beoefenen van liefdadigheid die arme zielen voor Jesus-Christus en Zijne Kerk te winnen; om te helpen en te trachten langzamerhand vele misdeelde vrouwen uit hare vernedering\' op te heffen ; om voor geen enkele moeite, zelfs niet voor den dood af te schrikken, als dit leiden kan tot uitbreiding van he t rijk Gods.
Voornaarnste werken van de Congregatie.
De voornaamste werken der missie-zusters zijn de volgende :
le. Het apostolaat, door het onderricht der grondleginseleH van den godsdienst aan de ougeloovige vromcen.
2e. De inlandscJie veerhuizen;
Se. De pensionaten en scholen, hetzij voor de ougeloovige kinderen, hetzij voor de in Afrika gevestigde Europeanen;
4e. De hospitalen en andere geneesinriclitingen en de arnvtnapothelcen.
De handwerken.
63
5e. In de missiën de zieke inlanders bezoeken en hen in hunve woningen vei \'zoi \'gen.
6e. De gebeden voor de bekeering der ongeloovigen en in \'t bijzonder der heidenscJie vrouiren van Afrika. Deze gebeden moeten ook door de Dames-Kdmnnikessen van Carthago verricht worden, u-elke niet de Congregatie der Missie-Zusters zijn vereemgd. Het zijn vrouwen, die in de wereld leven en Dames-Ivanunnikessen genoemd teerden. Z.E. Kardinaal Lavigerie alleen kan zulke Dames aannemen.
Regels, welke men te volgen heeft bij het beoefenen dezer* werken.
De grondregels voor lt;le beoefening dezer verschillende werken door de Constitutiën vastgesteld, zijn lt;le volgende:
le. Nooit, in welk geval of onder welk voorwendsel ook. mogen de znsters met minder dan drie in eene school, hospitaal ot missie werkzaam zijn. Men weigert, liever dan dezen regel te overtreden, de voordeeligste en dringendste aanbiedingen.
2e. De zusters leggen nooit alléén bezoeken af bij de ongeloovigen ; zij moeten steeds niet minstens- twee te zamen zijn, onder geleide eener oudere en ondervindingrijke zuster.
Zij gaan niet uit, zonder lastgeving of zonder verlof der Overste.
3e. Overal, waar de zusters gevestigd zijn, is er eene kostelooze school voor de inlandsche kinderen.
4e. In alle huizen, waar zulks mogelijk en nuttig is, is er een apotheek, waar men aan de zieken kosteloos geneesmiddelen uitreikt en hunne wonden verbindt.
5e. Wat betreft de inwendige orde, het onderhouden der stilzwijgendheid buiten den tijd van ontspanning, de verdeeling der werkzaamheden en der bedieningen, het vragen van verlof en al het overige, wat liet gemeenschappelijke alsook het apostolische leven betreft, zijn de zusters geplaatst onder het gezag eener plaatselijke Overste, aan welke zij in alles moeten gehoorzamen als aan de vertegenwoordigster van God.
Gewone dagorde voor de Religieuzen.
Men staat om vijf uren op.
Dan volgt de Meditatie, welke met het morgengebed samen di\'ie kwartier duurt en gemeenschappelijk gedaan wordt.
04
De Heilige Mis wordt g-elezen op het unr. door den regel vim ieder huis daarvoor bepaald, en overeenkomstig- de plaatselijke toestanden.
De uren voor \'t bezoek aan het Heilig\'Sacrament, het bidden van den Heiligen Kozenkrans, voor de geestelijke lezing, het bijzonder onderzoek en den maaltijd, evenals de tijd dien uien besteedt aan handwerken, aan studie, aan het bezoek van zieken en de zorg voor haar. de dag van biechten en eoniniunieeereu worden vastgesteld bij speciaal regiement van ieder huis. naar gelang de ver-eiscliten der verschillende streken.
Om 9 uur gaat men slapen.
Het stilzwijgen is iu alle huizen te alien tijde voorgeschreven, uitgenomen gedurende den tijd van ontspanning en dien der werkzaamheden, als het daarbij noodig is te spreken.
Het inwendige en geestelijke leven in de Congregatie der Zusters-Missionarissen.
Daar de vermeerdering der glorie Gods door de heiliging dei-leden een der hoofdeinden van dit gezelschap is, moeten de zusters buitengewoon belangstellen in alles, wat bevorderlijk kan zijn aan een ingetogen en geestelijk leven: zonder dit leven is er inderdaad geen heiliging mogelijk.
Hare eerste zorg is. dit hoofdpunt steeds voor oogen te houden. Zij leeren daardoor den prijs van arbeid en lijden en de liefde daarvoor, den zielenijver, de zelfverloochening en de ontvluehting dei-wereld. Men leert haar het groote gewicht der versterving, de noodzakelijkheid der ware deugden, der zuivere meening, de heiligheid der religieuze geloften, het gewicht der gehoorzaamheid. het nut en het gebruik van de broederlijke berisping, van de geestelijke leiding, van de gezondheid, van de ziekte, en luie zij moeten trachten zich dagelijks te volmaken in de vervnlling aller verplichtingen van het religieuze leven. In één woord, zij vinden in haar instelling de beginselen en de meest geschikte leiding, om waarlijk heilige religieuzen en ware apostelen te worden.
65
Over het stoffelijk leven in de Congregatie.
Ofschoon het stoffelijke leven en de daaromtrent geg\'even voorschriften in het gezelschap slechts van ondergeschikte beteekenis zijn. zoo heeft men toch de gewichtigste punten in den Regel bepaald en vastgesteld.
Het denkbeeld, dat aan \'t geheel ten grondslag ligt, zoo heef liet daar, is, zoo goed mogelijk de leefwijze der inboorlingen na te volgen. Zonder dit zou de missie eenvoudig onmogelijk zijn, dewijl men zich op vele plaatsen het noodige niet kan verschatten, of het overal zoo duur moet betalen, dat de hulpiniildelcn dor missie weldra zouden uitgeput zijn.
Woning en .Huisraad.
Niets van al wat woning en huisraad aangaat behoort in eigendom aan de religieuzen. Het is haar verboden er over t« beschikken. Het verblijf is sober ingericht. In de missiën zijn de door de zusters bewoonde huizen, daar namelijk waar zij eigen huizen kunnen hebben, en niet gelijk de inboorlingen in hutten moeten wonen, eenvoudig met kalk gewit. Er zijn noch schilderstukken, noch behangsels aan de muren, tenzij in de kapel als die in het huis is.
Behalve bij ziekte of ongesteldheid bestaat het bed slechts uit eene raat op planken, ot hoogstens uit een stroozak, zeowel om zich de gewoonte der inboorlingen eigen te maken, als met \'t oog op gezondheid en versterving der zinnen.
Kleeding.
Er is eene algemeene linnenkamer: niettemin zijn linnengoed en kleeding voor iedere zuster genummerd en vormt als \'t ware een uitzet, dien zij kan meenemen, als zij naar een ander huis verplaatst wordt.
De kleeding bestaat uit:
Een kleed van witte wol met een Scapulier van dezeltde kleur, een kraag en een witten sluier, zoowel binnenshuis als in de missie;
Een kruis, gedragen op de borst aan een paars lint en een
rozenkrans, samengesteld uit witte en zwarte kralen, bevestigd aan een ceintuur. In Europa dragen de religieuzen buitenshuis een zwarten sluier en een zwarten mantel over haar wit kleed.
Over de voornaamste middelen die de Zusters gebruiken, om den geest van hnnnen staat te bewaren.
Het eerste is de algemeene afzondering, die de zusters jaarlijks gedurende vijf volle dagen iu vereeniging houden. Gedurende dezelve moeten zij liet strengste stilzwijgen bewaren, zelfs in den tijd der recreatie.
Het tweede is de maandelijksche afzondering, die in ieder huis eveneens gezamenlijk gehouden wordt.
Het derde is tot de HH. Sacramenten van Biecht en Communie met eene bijzondere zorg te naderen. Zij biechten alle acht dagen en leven zoo heilig, dat zij verdienen, overeenkomstig het verlangen van den stichter van liet gezelschap, dagelijks te comniuniceeren, mits de goedkeuring harer Overste en van haren Biechtvader.
Het vierde is de werkdadige geest van volstrekte gehoorzaamheid aan de Oversten. Zonder dien geest van gehoorzaamheid is er geen gemeenschappelijk werk mogelijk, bijgevolg geen apostolaat. Herkan in het gezelschap geen enkele zuster houden, die niet doordrongen is van den geest van volmaakte gehoorzaamheid.
Bij deze vier hoofdmiddelen tot heiliging en volharding in hare roeping voegen de Zusters nog de volgende:
Zij leven steeds naar het geloof, beminnen de overweging en volharden in den geest des gebeds, zonder welken men niets kan doen.
Volgens :t voorschrift der Regels onderhouden zij nauwkeurig het stilzwijgen, als ten minste de vervulling van haar plichten haar niet tot spreken noopt. Zonder deze oefening der stilzwijgendheid is alle waarlijk inwendig leven onmogelijk.
Met een kinderlijk vertrouwen vereeren zij de H. Maagd en den H. Joseph.
Zij volharden getrouw in den arbeid.
Met zorg vluchten zij het gezelschap en nog meer den geineen-zamen omgang met de wereld.
67
Over de opneming in \'t Grezelschap en de Religieuze Geloften.
Voor personen, die in een religieus Genootschap willen treden, is \'t op de eerste plaats van groot belang de voorwaarden van hunne opneming te kennen. De regels bepalen daaromtrent het volgende:
Niemand kan ââ zelfs niet bij wijze van proefneming â vóór het einde van haar zestiende jaar worden aangenomen. Bovendien moeten ze van vlekkeloozen naam en van fatsoenlijke christelijke familie zijn. Vroegere dienstboden kunnen slechts voor de werkzaamheden aangenomen worden.
Eeu uitzet wordt slechts van degenen verlangd, die het kunnen doen. Evenwel moet elkeen, behalve in bijzondere gevallen, ten minste allo kosten van het postulaat, noviciaat en scholastikaat kunnen dekken. De kosten worden berekend op 250 gulden per jaar.
Bij het begin van \'t noviciaat verklaart elke postulante of zij zich aan \'t onderwijs der kinderen eu de onderwijzing der onge-loovige vrouwen wil wijden, en bijgevolg de daarvoor noodige studies wil maken, of dat zij uitsluitend voor den dienst in de hospitalen en voor uitwendige werkzaamheden en bedieningen in de Congregatie wil gebruikt worden. In dit laatste geval verbindt zij zicli de gewone lichamelijke werkzaamheden te verrichten, zooals de regel dat voorschrijft voor die Zusters, welke niet voor :t onderwijs gebruikt worden.
Voor \'t overige worden de Zusters, hetzij zij voor \'t Onderwijs of voor de werkzaamheden aangenomen zijn, in de Congregatie der Zusters-Missionarissen op volkomen gelijken voet behandeld; zij onderscheiden zich alleen door de soort harer bezigheden. Tus-schen haar bestaat geen ander onderscheid van rang dan tengevolge harer bediening en haar ouderdom.
Allen, die willen aangenomen worden, moeten vóór hare inkleeding zes maanden als postulante in een huis der Congregatie verblijven. Het postulaat eindigt met eene retraite, waarna de inkleeding plaats heeft. Vervolgens doen zij, vóór hare religieuze professie, achttien maanden noviciaat in eeu afzonderlijk huis, afgescheiden van de andere gewone huizen der Congregatie.
Gedurende dien tijd trachten zij, onder de leiding van de No-vicenmeesteres, hare li uiten te verbeteren en leggen zich toe op de religieuze en apostolische deugden, alsook op een grondige kennis van de waarheden van onzen H. Godsdienst eu op de talen der inboorlingen van Afrika, ten einde met de ongeloovige vrouwen te kunnen verkeeren. De Zusters welke in \'t bijzonder voor de werkzaamheden en voor den dienst in de hospitalen bestemd zijn, vormen, onder de leiding der Ondernovicenmeesteres, gedurende de uren voor de werkzaamheden aangewezen, eene afzonderlijke afdeeling. Den overigen tijd nemen zij deel aan de geestelijke oefeningen van het iioviciaat. ISuitendien ontvangen ze dagelijks een uur onderwijs in de waarheden van den Godsdienst eu in lezen, schrijven en rekenen.
Geene novice kan ooit. om welke redenen ook, buiten het noviciaat tot eenig werk gebruikt worden.
Als op \'t einde van \'t noviciaat de novicenmeesteresse en de Algemeene Overste niet haren raad, de novicen waardig keuren, om in de Congregatie te worden opgeuomen, verbinden deze laatsten zich voor God en voor de Congregatie door de religieuze geloften en door den eed, zich aan de Missiën van Afrika te wijden, volgens het hier volgende formulier :
..Ik, Zuster N. N., in tegenwoordigheid, mijner vergaderde Zusters ,.en voor U, (Eerwaarde Moeder, of Eerw. Pater, of Monseigneur âals een prelaat voorzit) beloof aan God en op het H. Evangelie, âGehoorzaamheid, Armoede en Zuiverheid, volgens de Regels en âConstitutiën van de Congregatie der Religieuzen van O. L. Vr. âder Afrikaansche Missiën te Algiers.
âBovendien zweer ik op het H. Evangelie, mij van nu af aan âtot aan mijn dood aan de Missiën van Afrika te wijden, vooral âbij de heidensche meisjes en vrouwen, volgens de Regels en Constitution van genoemde Congregatie.quot;
Deze Geloften en eed worden in dien zin gedaan, dat de Algemeene Overste, in overeenstenuning met den Raad der Congregatie en :net goedkeuring van den Delegaat van den H. Apostolisclien Stoel, daarvan om kanonieke redenen, die zij als voldoende achten, kan dispenseeren.
Deze Geloften worden eerst na volbrachten aciittidijarigen leeftijd afgelegd. In \'t begin zijn \'t slechts jaarlijksche Geloften, die dus
69
elk jaar door elke zuster vernieuwd worden. Na vijf jaar van tijdelijke Geloften wordt men tot de eeuwige Geloften toegelaten.
Bij de tijdelijke Geloften voegt men den eed, altijd in den dienst der Missiën te volharden.
Over liet Scliolastikaat.
Na het Noviciaat, .-u na de Geloften eu den eed voor de Missiën te hebben afgelegd, treden de Zusters, die wenschen voor het onderwijs gebruikt te worden, in het Scliolastikaat, wel te onderscheiden van het Noviciaat, om aldaar, zoo noodig, hare studiën te voltooien.
In het Scliolastikaat heersclit eene bijzondere dagorde; het is voor elke Zuster van verschillenden duur, eu wel naarmate hare reeds verkregen kunde en bekwaamheid.
V.
Nieuwe Postulaten in Europa.
Er blijft ons nog over een kort antwoord te geven op een vraag, die men dikwijls tut ons richt.
Tot dusverre was er slechts één postulaat voor de âCongregatie der zusters van O. L. Vr. der Afrik. Missiën.quot; en wel in Afrika zelve. Meestal intusschen zagen, en met recht, zoowel de postulanten als hare familie op tegen de uitvoering van haar plan. wegens de verre reis, waarvan bovendien het doel, namelijk de intrede voor goed in eeue religieuze Congregatie, nog alles behalve verzekerd was. Van den anderen kant verkeerde de Congregatie eveneens in een moeilijken toestand, als zij een voor haar ongeschikte persoon naar Europa moest terugzenden. Daarom besloten de Oversten der Congregatie, de Postulanten, vóór haar intrede in \'t noviciaat, aan eene eerste beproeving in Europa zelve te onderwerpen.
Dit geschiedt in afzondering in een daartoe bestemd huis van de Congregatie, alwaar de postulanten, terwijl zij hare wereldlijke kleeding nog blijven dragen, grondig hare roeping en hare bekwaamheden kunnen beproeven, alvorens zij de verre reis naar Afrika ondernemen.
Deze proeftijd is naar omstandigheden verschillend van duur ; evenwel nooit langer dan (3 maanden. Zijn in dien tijd de postulanten van hare roeping overtuigd, dan treden zij in \'t No\\i-ciaat, dat zich in Afrika, te Carthago aan \'t graf van den H. Lo-dewijk, bevindt. Zijn ze van hare roeping niet overtuigd, dan keeren zij tot hare familie terug. Om aan de postulanten eene al te verre reis te besparen, zijn voor de verschillende landen ook meerdere postulaten in Frankrijk en de Nederlanden ingericht, waarin zij den proeftijd kunnen doorbrengen. Alle gewenschte schriftelijke opheldering kunnen zij daarover ontvangen.
Aanvragen ter opneming- moeten gericht worden aan de Eenv. Moeder-Overste van de Zusters der AMkaansclie Missiën te Carthago in Tunis, (I) of voor Nederland aan de Eenv. Moeder-Overste van liet postulaat der Zusters van O. L. Vr. der Afrikaansclie Missiën te Maastricht (zie ommezijde van het titelblad.)
(1) La très Uévérendc Mere Supérieure de In Société des Soeurs Missionnaires d\'Afri^uc, li Carthage (Tunisio) Afrique du Nord.
VL
Brief over de Missie van Kabylië.
De Zasters-Missionarissen van Algiers in Kabylië.
{TJit f .. Bulletin der Ahssions (t\\Mglt;\'r. quot;)
\\\\ ij ggluoveu aan aller wensohen te voldoen, als wij aan quot;t .. ISnlIetin des Jlissions d\'Algerquot; den volgenden brief ontleenen over de zoo belang-wekkende werkz;iamlieid der Zusters-ilissionarissen van Algiers.
\'t Is een soort dagboek, door eeue jonge dochter, belioorende tot eene der notabelste familiën van Frankrijk, aan hare moeder gezonden. Alvorens tot het Gezelscliaii der Zusters toe te treden, had zij van hare familie verlof gekregen, van nabij den werkkring der Congregatie te gaan beschouwen en gedurende eenige maanden, alvorens te beslissen, eene proeve te nemen van \'t Apostolische leven
De beslissende stap is thans gedaan.
Na eenige maanden in Kabylië te zijn verbleven, trad de jonge postulante in liet noviciaat en ontving den 25⢠Maart, het feest van Maria-Boodschap, \'t kleed van Zuster der Afrikaansche Missiën uit de handen van Kardinaal. Lavigerie zeiven.
In haar dagboek geeft niejutfrouw de Ij...... zooals men zien
zal, aan hare moeder rekenschap van hetgeen zij iu Kabylië te zien krijgt en van den werkkring dei\' Zusters-missionarissen in dit land. \\\\ j twijfelen er niet aan, of deze verhalen, welke wij slechts met groote moeite konden machtig we rden, znlien in den smaak vallen onzer geachte lezeressen, ea vooral zij zullen er behagen iu vinden, die al eenigszins de roepstem van (rod hebben vernomen.
Ijh\'l\'i\' .
(i Oclnhrr. Mijne belofte nakomende, ga ik 1\' rekenschap geven van de eerste indrukken in de Afrikaansche Missiën ontvangen.
Eindelijk beu ik dan in Kabylië aangekomen in gezelschap van
73
mijn broeder, ilie de goedheid heeft gehad mij te geleiden. (1) Een klein, licht rijtuig bracht ons spoedig door dalen, over rivieren en bergen naar het Fort National. Men waadt door rivieren, men beklautert bergen; in dit land gaat men, zoowel in stoffelijken als in zedelijken zin. altijd maar rechtuit, zonder acht te slaan op de hinderpalen.
Op \'t Fort National hebben wij muildieren genomen, bedekt met een soort van platform, har da geheeten. die den Kabylen tot zadel dient: op die hanla gaat ieder op zijne wijze zitten; men kan er alle mogelijke houdingen op aannemen, zoodat liet rijden, als ik liet zoo noemen mag, minder vermoeienn wordt. Wij reden achter elkander over een smallen weg. die nu aan den eenen, dan aan den anderen kant langs een afgrond liep. In de bergen van Kabylië bestaat geen enkele eigenlijke weg: in plaats daarvan eeu menigte smalle geitenpaden, die de bei-gen in alle richtingen, meestal hoog boven het dal, doorsnijden.
Wanneer ineu uit Fort National komt, is de eerste aanblik van het landschap wel is waar vreemd, doch zeer schilderachtig, \'t Is een opeenhooping en een warklomp van hooge heuvelen, alle van elkaar gescheiden door afgronden of engten, waardoor waterloopen stroomen, die \'s zomers bijna droog zijn, doch \'s winters tot onstuimige vloeden aangroeien. Iedere kruin van die bergen draagt een dorp ; de hellingen zijn bebouwd en niet vijgen- en olijf booinen beplant. Op den achtergrond verhett\'en zich de rotsachtige en steile kruinen van den Djurjura, den Atlas der Ouden.
Fort National en de Ouad\'hias, waarheen wij ons begeven, schijnen, uit de hoogte beschouwd, zeer dicht bijeen, maar bij alle tochten in dit land moet men afdalen in de vlakte, een beek doorwaden en dan weer klimmen, waardoor de afstand verdubbeld wordt. In vier uren hebben wij liet huis der Zusters bereikt; quot;t is een kleine, alleen «taande woning, gelegen bij liet dorp der Ouad\'hias. lt;»|i vijf iniiinten afstauds, aan de overzijde, ligt de missie der Paters. Die twee kleine wit gekalkte woningeu, met hun kruis en hun klok boven liet dak zijn juist, zooals ze iu de âKatholieke Jlissii\'n\'\' zijn afgebeeld.
(I) De broeder van mejuffrouw de L. ... is een der bekwaamste ofllcieren van \'t Fransehe leger.
8 October. Daar ben ik in de Missie, bij mijn toekomstige Zusters, in \'t hart Iiunuer werken, cl. i. te midden der Kabylen, van die arme volken, die vroeger Christenen waren!
Niet zonder aandoening bracht ik mij te binnen, wat de geschiedenis ons meldt van hun verleden en van de heldhaftige worsteling, die zij hebben onderstaan, om met hun vrijheid ook hun geloof voet voor voet tegen den invallenden Islam te verdedigen.
Gij weet voorzeker, dat de Berbers vroeger vele bisschoppen hebben gehad; dat zij. twaalf malen door geweld van wapenen aan den Koran onderworpen, ook evenveel malen terugkeerden tot liet Christeudom, en dat die heldenstrijd, in de achtste eeuw begonnen. voortduurde tot in de twaalfde, het tijdstip, waarop de geschiedschrijvers melding maken van den laatsten bisschop van Kabylië.
Nog twee eeuwen bewaarden verstrooide Christenen hun eere-dienst, maar langzamerhand verdween elk spoor van geloof. . . . \'t Laatste bolwerk van liet Christendom waren die gebergten van den Djurjura, die zich voor ons verheffen. Terwijl de Arabieren dit land overstroomden, hun weg met bloed teekenden en met geweld den Islam opdrongen onder den wapenkreet geloof of sterf, vluchtte het arme volk, dat niet verkoos zich aan een van beide te onderwerpen, in die hooge bergen als in een onneembare sterkt3 om, met de wapenen in de hand. vrijheid en geloof te verdedigen. Men schrijft aan deze voorvallen de dichtheid van bevolking toe tip deze half woeste gronden.
Maar na die worstelingen drong de Muzelmansche eeredienst ook bij deze stammen door. Nadat de Katholieke priesters verdwenen waren, sleepten de Arabische priesters, die ijverig hunne leer verkondigden, gemakkelijk een volk mede, dat door geen enkel uitwendig teeken meer in zijn Godsdienst werd bijeen gehouden. Die ongelukkige volkstammen moeten wij weer tot het ware leven terugvoeren. Zal God niet eenmaal diegenen tot het Katholieke geloof terugroepen, wier voorouders zoo dapper en heldhaftig voor datzelfde geloof hebben gestreden ? O, gij begrijpt licht, dat mijn eerste gebed in dat te midden der ongeloovigen verloren kapelletje was, om mij aan God op te dragen, opdat Hij mij met al mijn krachten moge laten werken aan die wedergeboorte.
/.)
\'t Spreekt van zelf, ilüt mijn eerste bezoek l)ij miju aankomst de kleine kapel gold, een bekrompen heiligdom, maar dat bij al zijn armoede er netjes uitziet. Daar bevindt zich .Fesns altijd, en juist dat is onze troost. Zouden de kloosterlingen hier in dat verre, ongeloovige land willen komen, als zij daar hun Goddelijken Meester niet vonden, die hen ondersteunt en behoedt, na hen te hebben geroepen, om te werken aan de uitbreiding van Zijn rijk en aan het heil der zielen, voor welke Hij gestorven is?
Daarna bezocht ik quot;r geheele huis der Zusters, dat ook het mijne zou worden. O alles is er eenvoudig, arm, geheel missi-onarisachtig. \'t Bestaat uit zes vertrekken: een slaapzaal met bedden, die niets anders zijn dan planken met een stroozak er op : een kleine gemeenschappelijke kamer met een tafel van wit hout en eenige matten stoelen; twee kleine schoollokalen voor de Ka-bylische kinderen, die somwijlen ten getale van tachtig ter school komen; eindelijk de apotheek niet de geneesmiddelen. De zieken gaan er. evenals thuis, op den grond zitten, en. om hen te verbinden, knielt men bij hen neer. De muren zijn eenvoudig gewit, de meubels van dennenhout,\'t tafelgerief van vertind ijzer, \'t vaatwerk van aarde. . . . Deze zes vertrekken vormen eene lange benedenverdieping en worden van drie zijden door een klein terras omringd, waar de Zusters eenige bloemen kweeken.
Ziedaar den indruk van mijn eersten oogslag; maar verre van mij at te schrikken, heeft deze armoede mij de kleine woning, die wij bewonen, dierbaar gemaakt; en wat anders ben ik hier komen zoeken, dan wat ik hier vind\'?
Dat doet mij denken aan hetgeen Don üosco in uwe tegenwoordigheid tot mij zeide te Turijn, toen ik hem over mijne roeping raadpleegde : ..Als gij ongeveer wilt vinden wat gij thuis in een kasteel geniet, ga in een klooster in Frankrijk; wilt gij waarlijk lijden, ga in een missie-klooster !quot;\' Overigens baren die witte muren geen droefheid ; integendeel, de vroolijkheid bewoont deze dierbare missie ; allen zijn i-r opgeruimd, geheel voor den goeden God levende en nooit door \'t gewoel der wereld gestoord.
Ik heb al eikels geproefd ; men heeft ze mij laten eten zonder dat ik het wist. Eene zuster zeide mij. dat er in Kabylië kastanjes groeien, die in vorm een weiuiii\' afwijken van die van Krank-
(i
7 li
rijk. maar bijna gelijk van smaak zijn. ofschoon iets mimlei\' lijn. De vruchten zagen er, gepoft, mooi uit. Zonder aarzelen begon ik er van te eten ; ik moest echter bekennen, dat ze weinig van onze kastanjes weg hebben. Toen begonnen de zusters op een verdachte wijze te glimlachen en na het eten zeiden ze mij: âWelnu, nu kunt gij naar Frankrijk schrijven, dat iiij eikels hebt gegeten!quot; Ik had liet volstrekt niet vermoed.
Ziedaar een lang verhaal; jrenoeg voor vandaag ; maar met toestemming mijner Overste zal ik U later verslag geven van mijne indrukken en van de verrassingen in mijn nieuwen levenskring. Zoo zult gij mij in gedachten volgen en nog met mij leven als vroeger.
IS OctolnT. Tot heden heb ik reeds twee dorpen bezocht. Deze bezoeken, die het verzorgen van zieken en armen ten doel hebben, zijn een der voornaamste werken onzer Missie. De Zusters gaan mt-t twee of drie te zamen uit. nemen een mandje mee, dat een heel kleine apotheek bevat, en treden binnen waar zij gevraagd worden. Zoodra de Kabyleu haar van verre zien aankomen, roepen zij haar een hartelijk welkom toe met de woorden: a them rabatli! (o priesteressen) en er ontstaat een wedijver om de Zusters te mogen ontvangen.
Daags na mijn aankomst als postulante in het huis der Ouad\'hias, in \'t hart van Kabylië, heeft men mij. op mijn verzoek, toegestaan de Zusters te vergezellen. De waarde moeder overste was nieuwsgierig te vernemen, hoe mij de Kabylen zouden bejegenen. Met mijn wereldsche kleedij wekte ik zeer de bewondering- der vrouwen op, die mij lang bleven aangapen; sommigen klommen zelfs op de daken, om mij beter te kunnen opnemen; anderen liepen ons achterna op de straten : zij bekeken mijne kleeren van onder tot boven, verwonderden zich over allerlei kleinigheden en overstelpten de zusters met vragen omtrent mij. âWat raag de vomiii, de christen-dame, toch hier komen doen ? Heeft zij geen moeder, zusters en broeders ? Hoe is :t mogelijk, dat hare moeder haar kan laten gaan? Wat zeide zij, toen hare dochter vertrok?quot;\'
Hare vragen houden niet op: want die arme vrouwen hebben van niets begrip en men moet haur alles uitleggen. De liuizen der Kabylen zijn mij op het punt van reinheid uiet tegengevallen;
I i
er zijn er zelfs onder, die er netjes uitzien; maar hetzij de bewoners rijk zijn ot\' arm, iinn ellende wekt medelijden.
De linizen bestaan nooit uit meer dan een vertrek, dat volkomen leeg\' is. waarin geen vensters zijn. en zoo\'n lage deur. dat men er meestal kruipende binnen moet.
De arme zieke vrouwen liggen op den grond, slechts schamel met eenige lompen bedekt; geene enkele heeft een6 deken; geeue enkele komt op het denkbeeld wat droge bladeren of wat stroo uit te spreiden, om de hardheid van den grond en de koude te verminderen. G-ewoonlijk zitten ze meer ineengekrompen dan dat ze liggen, en rillen van de koude: want op onze hooge bergen valt, trots het Afrikaansche klimaat, gedurende den geheelen winter sneeuw, en dan is het vinnig koud. Wel is waar wordt er te midden van de kamer vunr aangelegd, maar wijl er niet eens een gat in het dak is om den rook door te laten, ontstaat er. wanneer de deur dicht is een lucht, die gij u licht knnt voorstellen, en daarentegen een ijskoude temperatuur als zij open is. Allen dan ook, vooral de kinderen, lijden aan de oogen. Dikwijls vleien zij zich onoplettend bij het vuur neer en dan vatten somwijlen hunne lompen vuur. Niet één winter gaat er voorbij, of er worden bij de Zusters vrouwen of kinderen gebracht, welke zich deerlijk gebrand hebben.
In deze soort van hutten dringen de Zusters door en doen er haar best, om door liefdadigheid het hart dezer ongelukkigen te winnen en onzen heiligen (rodsdieust te doen beminnen; zij maken zich alles voor allen en schrikken voor geen enkelen liefdedienst terug. Met recht mag men dan ook zeggen, dat zij zeer bemind en vereerd worden; alle dagen ben ik er getuige van.
Da Kabylische vrouwsn begrijpen niet, waaraan zulk eeiie toewijding is toe te schrijven. Eerst denken zij, dat de Zusters uit den hemel zijn gevallen, zooals zij daar zijn: maar langzamerhand begrijpen zij, dat deze vrouwen, die haar zoo vreemd schijnen, slechts geleid worden door de liefde(lods en door quot;t verlangen haar te helpen en te onderrichten. Gij kunt niet begrijpen, hoezeer zij getroffen worden als uien haar zegt-, dat de Zusters alles hebben verlaten om haar goed te doen. omdat zij de Kabylen beminnen. Zij overladen haar dan met zegeningen .m wensciien haar altijd den hemel tot loon. âSlechts eene zaak ontbreekt u
78
oin ware heiligen te zijn,\'\' zeide op zekeren keer een oude Muzelman tot haar, âgij moet Mohamed aanroepen.quot;
Anderen, minder dweepziek, erkennen dat onze Godsdienst beter is dan de hunne ; eu \'t apostolaat der Zusters begint dus. met daar haar liefdadigheid te bewijzen en te toonen, dat ze leerlingen van den waren God zijn. Wanneer zij eenmaal openlijk zullen prediken, zullen de bekeeringen geheel voorbereid en de voorooordeelen verdwenen zijn.
De toestand is al merkelijk veranderd, sedert deze missie van liefdadigheid begonnen is. De Paters, die indertijd \'t eerst in Kabylië zijn gekomen, konden \'s nachts geen dorpen binnentreden eu men veegde de plaats schoon, waar zij overdag hadden gezeten, en niemand wilde hun den minsten dienst bewijzen.
De eerste Zusters, die daarna hier zijn gekomen om hare Missie te stichten, werden weinig beter ontvangen. De Kabylen waren bang en liepen weg als zij naderden. Daar zij de landstaal niet kenden, gingen zij met een tolk naar de dorpen en deelden aa i de kinderen lekkers, en aan hen die ze durfden aannemen, geneesmiddelen uit. Men kan licht \'t wantrouwen dezer arme lieden begrijpen, toen zij die onverklaarbare liefdadigheid zagen ; zij konden zich immers afvragen, welk doel die vreemdelingen beoogden, zij die geene andere beweegreden kenden dan het eigenbelang. Zij zagen haar voor spionnen aan. Weldra tot een ander uiterste overslaande, verbeeldden zij zich, dat Engelen uit den Hemel waren nedergedaald om hen te verkwikken, en nu nog zijn er, die met moeite gelooven, dat de Zusters gewone vrouwen zijn. ..Heb je ook een vader en moeder als wij ?quot; vroeg men eens aan eene Zuster. Wat is men het licht dos geloofs nabij, als men zoover is gekomen !
Wel is het een Apostel-leven dat de Zusters hier leiden: zij zijn arm, offervaardig, allerrijkst aan rrciit/de : en wie zich tot missionaris geroepen voelt, kan niet beter haar wenseh vervuld zie i: ik beu dan ook hoogst gelukkig, dat ik eindelijk heb gevonden wat ik verlangd en. gehoopt heb, in weerwil van hen, die mij zooals gij weet, in Krankrijk zeiden, dat hetgeen ik droomde voor een vrouw niet kon bestaan. Mocht ik toch eene dergelijke roeping waardig zijn !
79
Tk quot;\'evoel reeds tint mm mij zou moeten irecjjrifitn om er van af te zien.
2.2 October. De nieuwsgierigheid der inlanders te mijnen opzichte begint te verminderen, (-fisteren evenwel nog wilde eene oude vrouw mij laten zingen, om te weten hoe mijne stem was. AVat haar het meest verrukt is de hlankheid mijner huid. âUw vader is rijk.quot; sprak eene oude vrouw rot mij. ..want uw handen hebben weinig werk gedaan.quot;
Grij zult lachen, lieve moeder, over den prijs, waarop men mij schat. Bij mijn eerste bezoek aan \'t dorp Taourith namelijk hebben de Kabylen onder elkaar geschat, hoeveel ik op de markt zou gelden. Dezen zeiden honderd franken, anderen vijf honderd : eene vrouw voegde er bij. dat men van mij wel een half mud jreld zou maken. Dergelijke redeneeringen schijnen haar geheel natuurlijk, want zooals TJ weet, worden hier alle vrouwen gekocht. Men koopt ze somwijlen direct na hunne geboorte, omdat ze dan goedkooper ziju.
De Kabylische vrouwen echter zijn minder ongelukkig dan de Arabische en dat komt, omdat de Kabylen gewoonlijk maar ééne vrouw te gelijk hebben. Echtscheidingen zijn -evenwel aan-de orde van den dag, en juist dat is voor die arme verlaten vrouwen, die vaak met hare kinderen worden weggejaagd, een bron van ellende. Later kom ik hierop terug.
Tk ben voor goed aan \'t leeren gegaan: ik heb reeds eenige zieken verzorgd, die aan de apotheek kwamen: de gelegenheid ontbreekt niet, want den geheelen dag door wordt onze deur bestormd. De lieden stellen een onbepaald vertrouwen in de kunst.
Ik geloof werkelijk, dat de goede God op eene zeer bijzondere wijze te hulp komt in \'t goede, dat de geneesmiddelen der Zusters-missionarissen uitwerken, want die wij gebruiken zijn hoogst eenvoudig. Met magnesia-zout geneest men alle kwalen ; \'t is zaak nooit hulp te weigeren, om hen niet te ontmoedigen: als de Zusters niets hebben dat geschikt is voor hunne kwaal, is een weinig zoutwater voldoende om hen tevreden te stellen, want dat zuivert toch.
Ik werd getroffen door de vroolijkheid, die onder de Kabylen heerscht: opgeruimdheid schijnt hun aangeboren te zijn. Trots haar kommervol leven lachen en vermaken zich de vrouwen graag: om bij haar in den smaak te vallen, moet men vroolijk zijn en tot haar afdalen, door met haar te spelen.
Zij zijn uiterst gevoelig;. Als men maar den minsten afkeer toont trekken zij zich terug\': daarom past men wel op, haar in dit opzicht niet te kwetsen, wat het ook kosten moge.
Onlangs hood eene oude vrouw aan een onzer een eikel aan, (want die eten zij) die zij met hare tanden had geschild, en daar de Zuster weigerde, zeide zij: âGij weigert omdat gij vies van mij zijt.quot; Om de vrouw niet te bedroeven nam daarop de Zuster den eikel aan.
27 October. Ju den laatsten tijd hebben wij niet veel uitstapjes gedaan; maar alles is nieuw voor mij. zoodat ik altijd stof\' genoeg heb om 11 te schrijven.
De kleederdracht vau de vrouwen van dit land\'is eenvoudig\'en tevens schilderachtig; zij dragen niet anders dan een gandoera, een door middel van een roodcn gordel om quot;t lijf gesloten rok, die aan de zijden open en op de schouders vastgehecht is met groote spelden of met lange houten pinnen: beeuen, hals en armen zijn bloot, in den zomer zoowel als in den winter, als er sneeuw ligt. Daarom Jijden zij dan ook veel koude, en velen sterven aan een borstkwaal.
De vrouwen moeten al het zware werk verrichten; van jeugd aflaat men haar lasten dragen boven hare krachten; zij gaan soms heel ver water halen in zware mgounes, eene soort van kruik, sierlijk van vorm. Zij werken op het land. terwijl hare mannen, in de dorpen op de hoeken der straten neergevleid, met elkaar keuvelen of iiunne kleeren naaien. Somwijlen ontmoet men op de bergpaden eene vrouw, gebogen onder den last van een zwaren takkebos. met haar kind er boven op, terwijl haar man haar op zijn gemak te paard volgt. Toen eene Zuster op zekeren ciag eene dergelijke karavaan ontmoette, vroeg zij den Kabyl, waarom hij zijne vrouw aldus behandelde. He!quot; antwoordde hij, âzij kost mij driehonderd franken, quot;fis wel noodig dat zij werkt: zij is mijn ezel.quot;
Wat is onze roeping schoon! Wij moeten deze ongelukkigen uit hare diepe vernedering opheffen! Daartoe moet men zichzeiven verloochenen; wij kunnen haar slechts dan helpen, als wij ons verootmoedigen en tot degenen afdalen, die wij willen verheffen.
Maar de genade der roeping is eene krachtige en zoete genade; zij vergemakkelijkt alles, wat zonder die genade onmogelijk zou zijn: verschaft het reinste geluk te midden van ontberingen en
81
lijden. Ik gevoel reeds, dat ik de avme Kabylen innig bemin, een gevoel, dat mij tot nu toe geheel vreemd was.
In \'t eerst vermeed ik wel een weinig mij door hen te laten aanraken: want, al heb ik ü gezegd dat linnue huizen niet altijd vuil zijn, niet immer is het zoo gelegen met hun persoon. Nu geef ik daar niets meer om, en ik laat de kinderen in mijne armen op mijne knieën dansen: dat maakt die kleine meisjes jaloersch op elkaar, want ook de jaloerschheid is een sterk sprekende trek van \'t karakter der Kabylen. Haar aldus wint men somtijds liet hart der ouders en de Kabylen beginnen mij dan ook te zeggen, dat zij mij zeer beminnen. Hoe gelukkig maakt mij de gedachte, dat dit vertrouwen mij zal veroorlooveu de zielen hunner kindertjes te redden te beginnen met die, welke in doodsgevaar verkeeren.
11 Novemher. IT hebt in eene illustratie wel eens platen gezien, die negerinnen voorstellen, welke haar kind. met eenige lompen vastgebonden, op den rug dragen. Hier heerscht hetzelfde gebruik: bijna alle kinderen, die in de school der Zusters komen brengen op deze wijze eiken morgen een broertje of een zusje mede van eenige maanden, soms zelfs van drie ot vier jaar. Dikwijls is het kind, dat zijn zusje draagt, niet grooter dan zijn last. In de school leggen zij het kind op den gTond, na het in slaap gesust te hebben: buiten dragen zij het den ganschen dag; zij spelen, loopen. vechten, zonder het af te leggen ; de kleine loopt de slagen op, maar, daar is niets aan gelegen: als\'t wicht schreeuwt krijgt het slaag, en \'t kind weet, dat het stil moet zijn.
\'s Zomers hebben wij al meer dan tachtig kinderen; zij komen, mag men zeggen, van hunne geboorte af tot hun vijftiende jaar. Onder deze laatsten zijn eenige gehuwd, \'t Is aardig, om dat kleine volk te zien aankomen als de bel zich doet hooren; men draagt eene kuip met water buiten, en alle kinderen springen toe om zich tegelijk het gezicht, de armen en voeten te wasschen; de grooteren helpen de kleineren.
De ineesten dezer arme kinderen sterven bijna van honger; onder den speeltijd ziet men ze op de kruiden aanvallen, die in den tuin of op het veld groeien en die ze gretig opeten. Over t algemeen bezitten deze kinderen een goed verstand: zij doen dikwijls vragen, vooral over den Godsdienst, en velen komen tot het besluit.
82
dat hun godsdienst niets waard en dat de onze beter is. Ach, waren wij toch niet meerderen om liet mosterdzaadje te verzorgen ! ! ! Het zaad is uitgestrooid; eenmaal zal de oogst overvloedig zijn; bidt met ons dat vele arbeiders mogen komen om te werken, en dat de oogst, die reeds begint te rijpen, niet verloren ga bij gebrek aan oogsters.
13 Xovemhtr. Onze groote tocht is dan eindelijk volbracht. Wij zijn naar Gondahl geweest. Goiidahl is het verst verwijderde punt van ons bisdom: langer tochten doen wij nooit. G-isteren is te vijf uur Jlis gelezen in de kapel der Eordjs, en om (i uur zijn wij langs den slechten weg van Irill vertrokken; \'t was nauwelijks dag. Een uur later waren wij aan den oever der rivier. Daar \'t water koud was, wilden de Zusters mij de kousen niet laten uittrekken en zij zouden voor mij een brug maken van steenen ; deze was reeds voor drie kwart gereed, toen ik den slechten inval kreeg haar te gaan helpen. Mijn voet gleed uit en ik viel in \'t water. Spoedig had ik weer den oever bereikt, dien ik had verlaten; toen heb ik mijn kousen uitgetrokken en ben door de rivier gewaad. Wij begaven ons weder op weg, aan de zon en den wind de zorg overlatende, om onze kleederen te droogen, terwijl wij hartelijk om de grap lachten. Overigens was de wind sterk en de zon heet, zoodat ik spoedig weer warm en droog was. Hoe goed wij allen ook gaan konden, wij hebben bijna vier uur noodig gehad om Gondahl te bereiken.
Alvorens het dorp binnen te treden hadden wij de voorzorg genomen op den grond, in de schaduw van Olijtboomen, te ontbijten, zonder acht te slaan op eenige Kabylische vrouwen, die bij ons bleven en ons zeer beklaagden, dat wij zoo slecht aten en van zoo verre kwamen.
Wij zagen er nochtans vroolijker uit dan zij en dachten er niet aan, ons zeiven te beklagen. Te elf uur zijn wij begonnen de zieken te helpen. Dit is het treffendste, maar ook het vermoeiendste van onzen tocht; in vergelijking daarvan zijn de acht uren gaans niets. Men deed ons tienmaal denzelfden weg maken, om een zieke te bezoeken, dien wij vergeten hadden. Deze arme lieden, niet gewoon aan de zorgen die wij aan hen besteedden, wilden ous betalen; de een bood ons zes stuivers om koflie te
83
gaan drinken; de ander wilden ons een bak g-erst geven ; maar wij antwoordden , dat wij alles ter liefde Gods deden. Terug gaande volgden wij liet gebergte, en wij vonden dat hier de berggroepen even schilderachtig zijn als in Zwitserland: somwijlen was de weg slechts met moeite begaanbaar, maar toch te verkiezen boven dien van \'s morgens ; kortom, wij kwamen bij maanlicht terug en hadden meer dan twaalf mr gegaan; toch waren wij verrukt over onzen Apostolischen toclir en maakten liet voornemen, dien nog meer te maken. Men heeft ons waardig verklaard naar den Evenaar te gaan.
J8 Xovemher. Ik zon u gaan schrijven, toen men ons kwam roepen om een kind te bezoeken, dat onze Zusters behandelen te Ab-del-Aium en dat zij \'s morgens en \'s avonds bezochten. Daar wij den geheelen dag gewasschen hadden, waren zij er dezen morgen niet geweest en men is ons komen zeggen, dat het kind erg slecht lag. Ofschoon het hard regende, gingen wij het bezoeken. Terngkomende zijn wij door Taourith gekomen, waar een meisje erg ziek lag, dat wij het grooie geneesm \'Mei hebben toegediend, zoodat wij ons voor ons stortbad ruim beloond hebben gezien.
Zoo gaat het in \'t missionaris-leven ; men moet altijd klaar zijn tot vertrek ; maar juist in die oogenblikken voel ik. dat daar mijne roeping is. Nooit beu ik zoo in mijn schik, dan wanneer men ons bij alle weer komt halen, of wanneer wij geen brood hebben, hetgeen \'s winters soms gebeurt, wanneer de rivieren, door den regen gezwollen, niet bewaadbaar zijn. Dan doen wij als de Kabylen wij eten koeken van garst en ... eikels.
Welk geluk, dat men in die dagen den Heer iets kan opofferen tot heil der zielen !
30 Novemher. Salem, een Kabyl, die Christen is geworden, na zijn opvoeding ontvangen te hebben in Frankrijk, heeft een dochtertje gekregen en heeft mij verzocht, dat ik er peettante van zou zijn. Mijn petekind is friscli en blozend , en om zijn schoonheid te vermeerderen, heett men de randen der oogleden zwart geverfd en haar buitengewoon groote wenkbrauwen van dezelfde kleur gemaakt , hetgeen op dat gezichtje een zeer vreemde uitwerking heeft.
Vandaag dan heeft men quot;t kind gedoopt. Na de plechtigheid
84
hepft een klein voorval plaats gehad, dat ons zeer getroffen heeft. Tessadith, een meisje van veertien jaar, kwam de kapel binnen geloopen, toen ik \'t kind wegbracht, wierp zich aan de voeten van den Pater, die het gedoopt had en zeide: âXu ik. Pater, als \'t n belieft!quot; De Pater begreep dat natufirlijk niet en vergenoegde zich er mee, haar te zegenen. Den heelen dag bleef Tessadith ontroostbaar. ,.lk heb geen zegen noodig, herhaalde zij gedurig met tranen in de oogen, ik vroeg om gedoopt te worden.quot; Om haar te doen bedaren, zei de de Pater haar dat zij goed moest leeren schrijven, en als zij dat kon, moest zij zelve aan zijne Eminentie vragen om gedoopt te worden, \'s Anderendaags schreef Tessadith. zonder iemand iets te zeggen, aan den hoog vereerden Kardinaal een eenvondigen maar tretfenden brief, waarvan ik, helaas, den tekst niet heb, maar ik zal er eenige zinnen van nit mijn hoofd opschrijven : ..Monseigneur, een Kabylisch kind, dat Tkent,maar dat Gij niet kent, gaat 1\' schrijven. Ik zou gaarne gedoopt willen worden door Pater Lechaptois, en ik kom U bidden, ja of neen te zeggen; en als ik eenmaal groot ben, zal ik religieuze worden, maar daartoe moet ik eerst gedoopt zijn.quot;
\'t Is waarlijk een zeer aardig en zeer godvruchtig kind : hare moeder is dood. haar vader heeft haar verlaten. Eens, toen zij nog- zeer klein was, had zij liooren spreken van de Heilige Maagd: zij ging zich aan de voeten van haar beeld werpen en riep uit: ,.Welnn, ik die geen moeder heb, neem U tot moeder aan: gij zult mij bewaren en ik zal Christin worden,quot; Zij spreekt ons onophoudelijk van haar verlangen, om eens religieuze te worden.
10 December. Wij zijn weer uit geweest. Ik was zeer blij die arme Kabylen weer te zien. Ik begin hun taal wat beter te verstaan en de bezoeken boezemen mij aldus meer en meer belang in : ik voel, dat ik hen liefheb, en dat zij mij liefhebben; aldus valt alles mij licht.
Wij hadden ons gisteren een langen tocht voorgenomen;\'s morgens was het mooi weer, maar wij vreesden, dat het bij onze terugkomst zon regenen. Daarom hebben wij, om ons te troosten, \'s morgens de rondte gedaan in vijf dorpen. Wij zijn bij een Marabout geweest. Zijn vrouw is vijftien jaar ; als vrouw van een Marabout mag zij nooit uitgaan, en nooit een man bij haar in huis
85
komen. Daarom is zij dan ook zeer nieuwsgierig- en slijt een goed deel van haren tijd met door de reten der deur naar buiten te loeren. In een ander kuis hebben wij eene arme vrouw gevonden, zooals men er hier velen aantreft: zij was door haar mau dermate geslagen en mishandeld, dat zij half stompzinnig scheen : de ellendeling had zijne uoeder uit \'t huis gejaagd en zijne vrouw zat in een hoek neergehurkt, en zag ons met verwilderde oogeu aan ; het was treurig aan te zien. Er werden ons geneesmiddelen voor haar gevraagd, maar wat daaraan te doen ? Wat een treurig leven ! Als die arme vrouwen Christenen waren, wat gelegenheden om verdiensten te verwerven ! Al worden deze ongelukkigen nog zoo slecht behandeld, men hoort ze nooit klagen, want zij weten, dat spreken de slagen zou doen verdubbelen.
De Arabische vrouwen worden treurig genoemd : maar \'t is niet alzoo met de Kabylische ; zij stappen over alles moedig heen. en als een barer wat knorrig is, zeggen de andere: Die is niet goed; men moet de ellenden des levens weten te dragen.
Maar wat vinden wij vaak vrouwen en kinderen, die tengevolge der ontvangen slagen bijna zinneloos zijn geworden! Wij hebben in de missie een meisje, dat ons is toevertrouwd om bet te onttrekken aan de mishandelingen. Zij begreep niets en het scheen onmogelijk haar iets te leeren. In twee jaar is dit kind geheel veranderd : verstand en geheugen zijn teruggekomen en nu volgt het de klasse met bare gezellinnen. Somwijlen schijnt het instinkt barer wilde natuur op een vreemde manier te ontw aken. Toen ze bij ons gebracht werd, verging de arme kleine van honger, en in den eersten tijd zocht zij. meer uit gewoonte dan uit nood, alles wat zij eten kon. Nu nog gebeurt liet, dat ze soep eet uit \'t bakje van den houd, terwijl ze het brood, dat men haar geeft, niet acht.
14 December. Wij hebben gisteren een weinig ondervonden van de moerassen van Centraal-Afrika in \'t jaargetijde der mnaika. nochtans hebben wij een uitmuntenden tocht gehad.
Zooals den laatsten keer zijn wij \'s morgens vroeg vertrokken, en het afdalen van den berg langs een goeden weg was niet onaangenaam ; maar daarna moesten wij door de vlakte, en wij waren er bang voor wegens den velen regen, die er gevallen was. Deze grond is lijmig en kleverig als klei, en wijl hij met water door-
8(i
trokken was, zijn wij er meermalen tnt arn de enkels ingezakt. Xa twee uren gaans zijn wij aan cleu oever der beek gekomen. Onze Moeder-Overste had ons een kleinen ezel willen meegeven, maar wij waren bang. dat hij ons in de vlakte zou hinderen en ophouden : wij hadden de verzekering gegeven, dat wij wel eeu middel zouden vinden om over te komen, en wij hebben bevonden, dat het goed was , dat wij \'t arme beest niet hadden meegenomen. Aan de overzijde der beek waren twee ezeldrijvers met hun lastdieren : de meester kwam ons te hul]), terwijl hij ons verklaarde . dat zijn ezels ons niet zouden kunnen overdragen daar de stroom te sterk was, en inderdaad de rivier stroomde met woest geweld. Om te zien, hoe diep zij was, lieten wij den man er ingaan; het water kwam hem tot bijna aan den gordel. Wij gingen wat lager met hem, op eene plaats, waar de rivier breeder was. en ten tweeden male lieten wij den armen Kabyl er in gaan. die zicli gewillig naar onze wenschen voegde. Dit maal ging hij er in tot de knieën. Na kort beraad besloten wij onze schoenen uit te trekken, en aldus kwam de karavaan over.
Daarna was de weg aangenaam : wij beklommen een zachte helling tusschen olijfbosschen en groote rotsblokken, blijkbaar afkomstig van bergstortingen. Een Marabout bracht ons een weinig van den weg , om ons langs zijn huis te leiden ; zijne vrouw , wit en rood geblanket en met geschilderde wenkbrauwen en oogen, achtte zich verrukkelijk schoon; zij kwam ons nieuwsgierig gadeslaan. Om zijn geleerdheid te toonen , bracht de Marabout ons toen een lias Arabische perkamenten en eenige oude Fransche boeken, waaronder hij ons vooral opmerkzaam maakte op geïllustreerde catalogen van de magazijnen du Louvre en dn Bon-Marché. Hij scheen trotsch op \'t bezit van een dergelijken schat. Spoedig daarna kwamen wij te Beni-Bou-Chinacha. Wij liepen allen het dorp door; er waren veel zieken: maar alle krachtige lieden waren op \'t veld aan \'t werk. Vandaar meenden wij naar een gehucht te gaan, dat men \'t dorp der Marabouts noemt, omdat deze daar zoo talrijk zijn en een hunner, van hooger rang dan de anderen, schijnt een soort opperhoofd te zijn. Men zeide ons. dat het nutteloos was daarheen te gaan. want deze dweepers zouden ons toch niet ontvangen. Daarom juist wilde ik graag de zaak beproeven.
87
en ofschoon wij weinig\' tijd hadden, als wij vnor den avond thuis wilden zijn, gingen wij ev naar toe. Wij liepen langs een diepe vallei, waarin tnsschen rotsen een woeste stortbeek braisclite : langs beide kanten verhieven zich hooge rotswanden ; en op den achtergrond de toppen van den Djnrjara, die met sneeuw bedekt waren. Maar deze vallei is ongezond, want nauwelijks schijnt er de zon in. Het dorp der Marabouts is klein; de huizen zijn regelmatig in twee rijen gebouwd op de helling eener rots. Wij zouden niet toegelaten worden, zeide men. maar nooit werden wij zóó ontvangen.
In \'t dorp kwamen wij eigenlijk niet. Terwijl wij in een huis, een weinig benedenwaarts gelegen, eenige kinderen verzorgden, riep een man, dat wij daar waren; dadelijk kwamen de lieden als in processie naar beneden loepen. Wij plaatsten ons op een groot plein, en gedurende anderhalf uur bestormde men ons van alle kanten om hulp te vragen, en gedurende al dien tijd deelden wij alle drie geneesmiddelen uit en verbonden wonden. Ieder wilde ons hebben. Men liet ons eerst om vier uur vertrekken, toen ons mandje met geneesmiddelen ledig was. Het was laat, en op den terugweg moesten wij ons dus geducht haasten.
In een oogwenk waren wij over de beek; wij liepen alle drie achter elkaar. De nacht overviel ons in de vlakte en wij moesten ineen volkomen duisternis den berg beklimmen. Ik was vóór, maar bij wijlen stond ik stil: Waar is de weg ? Rechts is de afgrond! links en vóór mij de rotsen! Maar er was toch een voetpad om de rotsen te beklouteren. Een andermaal ging ik door een heg en struikelde over een hoop mest; kortom, het was heel aardig en wij lachten hartelijk over onze kleine ongevallen. Om zeven uur waren wij terug en weer klaar om uit te trekken, als het noodig was.
IS Diventher. Alweer heb ik een uitstapje te vertellen. Ik spaar 11 geen enkele bijzonderheid; mij dunkt, dat ieder tochtje nieuw is.
(risteren dan gingen wij op weg met twee zusters. Wij zagen dikwijls in de verte een heuvel, waarvan de helling met huizen bedekt is en wij wilden dien hoek van Kabylië bezoeken. Hooger en verder op waren andere dorpen, en wij vertrokken een weinig op goed geluk af. Na twee en een half uur gaans, nu door de modderige vlakte, dan door \'t ged eener aardige beek, dan weer
88
de rotsen beklimmende, de dorpen op de helling- ter zijde latende, kwamen wij in de laatste woningen der Dharfas, die den heuvel bedekken. Dat is een dorp van Marabouts. Een hunner leidde ons bij hem binnen, liet ons nederzitten op eene mat. terwijl hij uitstuurde om zieken te halen. Vervolgens kreeg hij medelijden met ons en bood ons aan, bij hem te blijven overnachten, ât-xij zult goed te eten krijgen,quot; zeide hij, ..kuskus, wittebrood en vleesch, en morgen kunt gij weer vertrekken.quot; Wij wisten niet goed, wat wij doen zouden : aan den overkant der vallei lagen dorpen, die ons belangrijker toeschenen. Wij hadden hier weinig te doen, en als wij verder wilden gaan. verloren wij bij dezen Marabout onzen tijd. Xa rijpe overweging onttrokken wij ons aan de goedheid der Charfas en vervolgden onzen weg. Nooit hadden de zusters deze streken bezocht, en al kenden ons ook de mannen, daar ze ons elders gezien hadden, werden wij evenwel door de vrouwen met verwondering gade geslagen. Daar hebben wij kunnen zien, wat \'t begin eener missie is. en hoe wij in een onbekend land ontvangen kunnen worden. Eenige vrouwen vroegen, terwijl wij voorbij gingen: âWie zijn dat?quot; â âDat zijn de vrouwen van den goeden God,quot; antwoordde een Kabyl.
Wij behoefden niet tot onder in de vallei af te dalen, en i;i minder dan een uur bereikten wij het eerste dorp: Ai tab-del-Mo urnen. Hier zijn de deuren der huizen niet aan de straat, maar vier of vijt huizen komen op een gemeenschappelijke binnenplaats uit, waarvan de deur zorgvuldig gesloten is : daarom scheen !t dorp in :t begin ledig, en wij wisten niet tot wie ons te wenden. ..Als wij niets voor de zieken doen,quot; zeiden wij, âzullen wij ons ten minste doen kennen, dat is altijd iets gewonnen. Eindelijk ontmoetten wij eenige vrouwen die met de waterkruiken van de fontein terugkeerden, eu ons nieuwsgierig bezagen. âAchou thaon?quot; â âWat is dat?quot; vroegen zij. Verder ontmoetten wij vijf of zes kleine jongens, die op den grond zaten te spelen. Wij vroegen hun wat ze daar deden ; of er zieken bij hen aan huis waren ;
zij wisten het niet. Wij gaven hun lekkers : zij kenden dat niet en durfden er niet van proeven. Wij vervolgden onzen weg, de kinderen volgden ons van verre; nnuir als een onzer zich omkeerde, nam de heele bende de vlucht om spoedig weer op nieuw
80
te vevscliijnen. Wij kwamen langs de Djeraaa; vier of vijf mai-neu zaten daar te rooken; zij lieten ons eerst voorbijgaan, maar na eenig-e stappen haalden twee hunner, die een weinig Fransch spraken, ons in en vroegen ons, of wij geneesmiddelen hadden. Toen bracht een hunner ons in een huis; men liet ons wachten op een binnenplaats, zonder dit men ons binnen liet komen, en al de vrouwen kwamen naar ons kijken, eindelijk kwam de zieke, een arme afgeleefde grijsaard: de Kabyl diende ons tot tolk. bood alle geneesmiddelen aan, maar de grijsaard\'schudde met \'t hoofd, en ging weg zonder iets aan te nemen. De Kabyl bracht ons verder. Men verlangde geneesmiddelen, en toen wij ze wilden geven, durfde men ze niet aan te nemen. Zoodra echter een hunner een geneesmiddel aangenomen had, wilden allen er hebben en verdrongen zij zich om ons heen. :,^ijt gij mannen vroegen de vrouwen ons verbaasd. âWel neen, wij zijn vrouwen als gij: wij zijn Fran-sche vrouwen, maar de Kabylische en de Fransclie vrouwen, dat is kif-kif; wij houden veel van de Kabyleu.quot; Aldus zochten wij haar te winnen. âO neen! zeide de mail, die ons geleidde, gij 1/0)I0, maar de vrouwen der Kabylen micasch bono; gij blanco, de Kabylische vrouwen neyro.quot; Zijn taal was een zonderling mengsel van Kabylisch, Arabisch, Spaansch en Fransch, het zoogenoemde sahir. Hij bracht ons in zijn huis; zijn kind was een mooi, blank jongetje; âU ziet wel, zeide een Zuster, hij daar is blanco.â- Alle maxchafiHcho zijn blank, maar groot geworden, ncgro, macasch bono. Van lieverlede begon de vrees voor ons te verminderen en de Zusters werden nooit met meer blijdschap begroet. De jongens kenden \'t lekkers al en lieten ons geen rust. De huizen en de binnenplaatsen werden ingenomen door een steeds wassende volksmenigte; een vrouw wilde de deur harer plaats sluiten, die al half vol volk was; de bende drong de deur weg. Als men iemand een geneesmiddel had gegeven, wilden allen er van hebben. Ik bestreek de zieke oogen met helschen steen, moest dat toen bij bijna allen doen, zelfs bij de gezonden. Wij lieten hen begaan om hen niet bevreesd te maken. Daar de geneesmiddelen zoodoende opraakten . maakten wij andere klaar.
Een oogenblik waren wij elkander kwijt. Ik had liet korfje met geneesmiddelen, toen een vrouw mij bij den arm nam en haar
90
huis binnentrok; Zuster Suzanna werd in eene andere richting meegenomen. Zuster Maria dacht, dat het beter ware mij te hulp te komen en volgde mij. Ik weet niet hoe wij daar weggekomen zouden zijn, als niet een man gekomen ware, om ons bij onze zuster te brengen, die zich aan zijn huis bevond. Daar zij geen geneesmiddelen meer had, wilde hij ons hebben; de vrouwen moesten dan ook voor hem zwichten.
Ik weet niet, waarvoor men ons hield, of liever, de onwetendheid dezer arme lieden is onbegrijpelijk. Een vrouw komt ons verzoeken bij haar zoon te komen. âWat scheelt uw zoon?quot; â âHij is dood,quot; Wij zeiden haar, dat alleen de goede God hem weer levend kan maken. Een andere vrouw sloeg verwonderd de handen voor zuster Suzanna samen en zeide: âO. die daar, wat is die goed!quot; Ik zou niet gedaan krijgen, als ik al de bijzonderheden van dezen tocht verhaalde ; wij moesten om naar huis te komen ons met geweld los scheuren, want onze Moeder-Overste had ons gedreigd ons niet meer naar het dorp te laten gaan, als wij in den nacht terugkwamen. Wij maakten den terugweg in vier en een half uur, niet het minste vermoeid, maar een weinig zwaar in \'t hoofd door \'t leven, dat men om ons heen had gemaakt. Zoo iets kan men zich niet voorstellen.
26 Decemhir. Gisteren hadden wij \'t feest van Kerstmis. De mis van middernacht is aandoenlijker in een ongeloovig land. lu deze mis waren, behalve onze twee kostleerlingen , nog twee kleine Kabylen- meisjes, waarvan eene Christen wil worden, maar het arme kind is erg mishandeld door hare moeder. die haar doet werken als een slaaf en laat vergaan van honger. Men verhaalt treffende trekken van dit verstandige kind. Den eersten keer, dat zij het 11 fes gegroet hoorde, weende zij van bewondering. âHoe schoon zijn uwe gebeden,quot; zeide zij tot ons, âzeker is uw godsdienst beter dan de onze, maar als ik er tegen mijn moeder van sprak, zou zij mij dooden !quot; Op zekeren dag, toen zij ziek was , zeide eene zuster tot haar ; ..Gij gaat sterven . arme Fathma. â O neen ! antwoordde zij, wees gerust, hier zul ik niet sterven; ik zal bij u gaan sterven, omdat ik sterven wil als gij (d. i. christelijk). Gisteren was zij bijzonder lief. De twee Muzelinansche kinderen, tegenwoordig bij onze Godsdienstoefenin-
ill
gen. troffen ini.j raeer. dan ik n kan zeggen; het sclieen mij toe, dat zij de eerstelingen waren van de bekeering dezer arme Afrikaansclie volkeren. Na de mis vroegen wij aan Fatlima, waaraan zij gedacht had in de kerk. ..Ik heb voor den goeden God gebeden,antwoordde zij. Dabia, kleiner dan haar gezellin, bekende ons openhartig, dat zij niet had geweten, waaraan te denken; maar zij wilde gaarne het kruisteeken leeren maken: .,lk schaamde mij, zeide zij. ..toen gij dat maaktet, omdat ik het niet kon. Leer liet mij, om te kunnen doen zooals gij.quot; En beiden zeiden eenparig: âDe leesten zijn bij de Christenen veel schooner dan bij de Kabylen.quot;
Na de Kerstmis had men de kinderen koffie en brood gegeven. Dabia at niets, maar verborg alles, en nog voor den morgen sloop ze weg, om haar ontbijt aan hare moeder te brengen. Die Kabylen hebben een gouden hart: dusdanige trekken zonden in Frankrijk verhaald worden als iets bijzonders: hier zou iedereen zóó doen.
:J!i December. Men heeft ous een arm klein schepseltje gebracht, dat deernis wekt. \'t Is een meisje van driejaar, geheel misvormd door opzwellingen. Het kan zijn oogen niet meer open doen : het gezicht en \'t geheele lichaam zijn opgezwollen, wit en vol roode vlekken en wonden.
Ik weet niet of elders zooveel kinderen zijn met dergelijke afzichtelijke ziekten, maar\'t schijnt dat de goede G-od deze arme wezens doet lijden voor de bekeering hunner ouders. De moeder dezer arme kleine, dankbaar voor de zorgen, die wij aan haar kind wijdden, zeide tot ons: âJa, gij komt in den hemel!
â En gij ook, gij zult er ook heen gaan. hebben wij haar geantwoord. ,.lt;)! de Kabylen gaan niet naar den hemel !quot; Bijna allen hebben dat denkbeeld. De kleine Fathma, waarvan ik n laatst sprak, zeide ook tot ons: ,.Ik zou nu niet willen sterven. Ik zou niet naar den hemel gaan, de Kabylen gaan er niet heen! - En waarom niet? â Omdat zij stelen en liegen.
â Maar gij hebt toch niet gestolen. â âMen moet tot de Franschen behooren, om naar den hemel te gaan; als ik groot zal zijn. zal ik de liefdadigheid beoefenen zooals de Franschen: ik zal geven al wat ik zal bezitten en dan, wanneer ik sterf, zal ik naar den hemel gaan.quot;
92
Een onzer jonge schoolmeisjes was verkocht door haar vader; haar man bracht haar drie jaren geleden naar een nabnrigen stam. \'t Arme kind was troosteloos. ..Neen, ik wil niet huwen!quot; riep zij. ..ik wil Christen zijn! Men zegt mij, dat (iod zoo goed is, en ik bemin de Heilige Maagd: zal zij mij niemand te hulp zenden? Ik wil niet Imweu!quot;\' Men voerde haar met geweld weg. \'t Volgende jaar werd zij gevaarlijk ziek. Een onzer Zusters, die haar ging bezoeken, vond haar snikkende. ,.Wat scheelt u. Melkhetrquot;\' â Ik ga sterven, eu ik zal niet naar den hemel gaan. â Eu waarom niet ? Gij bemint den goeden God eu Hij zal n tot zich nemen.quot; - Och neen! de Kabylen gaan niet naar den hemel; ik wil Christen worden als de Franschen! Och! Ik bid u, zuster, zeg mij, wat ik moet doen om Christen te worden: als ik uiet naar den hemel ging, zou dat uwe schuld zijn; beloof mij, dat gij mij zóó niet zult laten sterven !quot;
1 Januari 1RS7\'. Fathma is door een Kabyl gekocht, die ze ons vervolgens heeft toevertrouwd om haar te ouderwijzen. Eerst dacht men er over, quot;t verlovingsfeest te vieren, maar \'t werd uiet nuttig geoordeeld. Deze plechtigheid bestaat in \'t schenken van een gandoera en een gordel aau de bruid; de ouders van \'t meisje moeten een diner geven eu aan deu bruidegom een schotel koeskoes en vleesch zenden, dien de jmige man vol koren terugzendt. Daarna geleidt men quot;tjonge meisje plechtig naar haren bruidegom; haar aanstaande schoonmoeder plaatst haar een soort van kapsel op \'t hoofd, eu nadat het kind dan thuis is gebracht, wacht het tot haar man haar gelieft tot zich te nemen. Gedurende eenige dagen moet de bruid oude schoenen dragen. Dat is de eenigste maal iu haar leven, dat zij iets aau de voeten heeft. De nuiiinen dragen in deu winter eene soort schoenen van vel, maar de vrouwen zijn altijd barrevoets eu in dien tijd, wanneer het in onze bergen dikwijls sneeuwt, is het treurig om de kindereu te zien, die naar de school komen, \'f Is altijd dezelfde geschiedenis: mannen eten koeskoes en aan hun vrouwen geven ze brooü van zemelen. Wij zeiden eens tot een Kabyl, die voor ons liep, dat in Frankrijk een man de vrouwen altijd liet voorgaan; iiij antwoordde ons eenvoudig, dat dit mimogelijk was. Wat een zonderling mengsel van karakter bij deze volken ! Hun zedelijke ellende is als een
93
donkere nacht: maar zoodra een lichtstraal doorbreekt, trachten zij zich onmiddellijk te verheffen. Ik heb n s\'euoeg\' kinderlijke trekken aangehaald die bewijzen, wat de genade van deze naturen zon kunnen maken.
ó\' Januari. Ik verneem daar even. dat ik binnen drie dagen eindelijk z:tl vertrekken om in \'t noviciaat te treden. Oij herinnert n, dat kort na onze aankomst in Afrika Zijne Eminentie tot mij zeide: ., Binnen veertien dagen zult gij weten, hoe quot;t niet uw roeping staat, en hebt gij geen roeping, dan zult gij genoeg hebben van uw nieuw leven.quot; Ik heb hier drie volle maanden doorgebracht en wel verre van mij een oogenblik te vervelen, gevoel ik mij meer en meer gelukkig. Ik zou levendig betreuren, dat ik mijn beminde Kabylen ging verlaten, ware het niet, dat ik hoop, eenmaal als werkelijke missionaris in hun midden terug te keeren. Maar ik zie ook duidelijk de noodzakelijkheid in eener ernstige godsdienstige vorming als voorbereiding tot eene zoo verhevene bediening, om niet vurig naar het noviciaat te verlangen. Een nieuw leven gaat voor mij beginnen, en voor eene zoo ernstige zaak blijf ik stilstaan, niet met schrik, want ik ben vol vertrouwen in Hem. die mij mijn roeping heeft geschonken, maar getroffen door ernstige overwegingen.
Waarde moeder, ik ben geroepen tot een groot werk, want ons doel is niets minder dan de bekeering van Afrika. Welnu, als God werkelijk mijn medewerking vraagt tot eene zoo groote zaak. hoe onwaardig zou het dan niet zijn, slechts in schijn aan de roepstem gehoor te geven door zich slechts ten halve toe te wijden? Gedenk, dat op den dag. toen er tot mij gezegd werd: âVertrek,quot; hij die dit woord uitsprak aan u zeiven schreef; âUwe dochter is eene ziel, die tot een volmaakte opoffering is geroepen.quot;
Welnu! \'t oogenblik om zich volmaakt op te offeren is gekomen ; van den eersten dag af moeten gt;vij \'t offer in het binnenste van ons hart geheel en al brengen, opdat men niet meer behoeft terng te komen op die schenking van zich zelve. O! bid met mij. opdat ik hier niet mijne zwakheid zie en dat ik mijne verheven roeping niet al te onwaardig moge zijn, vereenig u met mij om mij aan God op te offeren, en wend de oogen af van \'t offer om die hooger te richten: zie slechts naar God, die u
94
eene gToote genade en eene groote eei\' bewijst door uwe dochter uit te kiezen; en deuk bovendien, dat Hij ze u slechts ontneemt om ze u weder te geven op den dag, waarop Hij n met vreugde en glorie zal overladen, omdat gij ze aan Hem hebt opgeofferd .
TJice dochter,
Maria Loi isk.
VII
Kleeding eener Zuster-Missionaris
ix «e BasiijIka vax ()\\zk Likvi\'. Vitorw van Afrika.
Vrijdag den 25«quot; Maart heeft in de L. V. Kerk van Afrika te Algiers, in tegenwoordig-lieid eener vroome menigte, een aandoenlijke plechtig-lieid plaats gehad, waarvan de beschrijving ons is toegezonden voor de lezers der Annalen.
De Postulante, die op dien dag- quot;t kloosterkleed aanvaardde, is onzen lezers niet onbekend; \'t is de schrijfster van den brief over de Missie in Kabylië.
Het aannemen van \'t kloosterkleed dezer Znster-Missionaris wekte des te meer ieders godvruchtige belangstelling, wijl zij afzag van alle wereldsche vooruitzichten en van al liet menschelijk geluk, wat de adellijke familie, waartoe zij behoort, haar scheen aan te bieden, om in eene Congregatie te treden, waarin haar zooveel lijden wacht. De algemeene aandoening werd nog sterk vermeerderd door de tegenwoordigheid van de moeder van Mej. Maria Louiza Gr. de L., eene groote en standvastige christen vrouw, die dit offer van haar kind had willen bijwonen, eu van een der broeders der postulante, een officier van \'t leger, die zijne zuster ook had willen vergezellen tot aan den voet van \'t altaar, waar hij quot;s morgens, als een ridder van vroeger dagen, de H. Communie had ontvangen.
Z. E. de Kardinaal Lavigerie leidde persoonlijk deze plechtigheid, welke behalve door de Zusters der Congregatie van O. L. Vrouw van de Afrikaansche Missiën, tot welke Mej. de L. zou toetreden, werd bijgewoond door deputaties van bijna alle religieuze Orden van Algiers, en een zoo aanzienlijk getal godvruchtige geloovigen, dat de ruime kerk van O. L. Vrouw van Afrika ze niet kon bevatten. Zijne Eminentie werd geassisteerd door zijn coadjutor, Mgr. Dus-serre, Aartsbisschop van Damascus, door zijn Vicarissen-Generaal en de missionarissen van Afrika, die quot;t koor vulden.
9 (J
De gezangen werden door liet koor der leerlingen van de Apostolische school, ten getale van bijna tachtig, met zulk een gevoel van geloof en godsvrucht uitgevoerd, dat meer dan eens aller oogen zich met tranen vulden.
Wij zullen ons niet ophouden bij de gewone plechtigheden, in gebruik bij het kleeden eener religieuze: onze lezers kennen die : wij zullen alleen de bijzonderheden aanstippen, iu gebruik bij het kleeden der Zusters-Missionarissen van O. L. Vrouw van de Afri-kaansche Missiën, die zich vooral wijden aan een leven van opoffering en geloofsverkondiging.
De plechtigheid begon met het zingen van de Litanie der Heilgen van Afrika. Na de gebruikelijke aanroepingen van de allerheiligste Drievuldigheid en de Heilige Maagd Maria. Moeder van Afrika, wendt men zich tot de groote heiligen dezer oude Kerk; 11. Cypri-anus,quot; zong het koor, ..bid voor haar!quot; âH. Augustinus, bid voor haar!quot; Maar \'t gebed der geestelijkheid en van :t volk richtte zich vooral tot de Afrikaansche H. Vrouwen: âH. Perpetua, bid voor haar! H. Felicitas, bid voor haar! H. Monica, bid voor haar! H. Marciana, bid voor haar! en na iedere aanroeping bad het geheele volk: âHeilige Mannen en Vrouwen van Afrika, bidt voor haar!quot;
Intnsschen begaven zich de Zusters der Missiën, voorafgegaan door de novicen, in processie naar de zaal van het Zusterhuis, dicht bij de kerk gelegen, waar de postulante gekleed in haar bruiloftskleed zich bevond : en nadat de Eerwaarde Moeder-Overste de zaal was binnengetreden, zeide deze: âMijne dochter ziedaar den Bruidegom, die u tegemoet komt, om u te brengen op den weg van de religieuze volmaaktheid en van quot;t Apostolaat onder de ongeloovigen van Afrika ; wilt gij hem volgen ? Als gij Hem in deze wereld volgt, zult gij in de andere deel hebben aan Zijn eer en glorie.
De postulante op de knieën vallende, antwoordde : ..Zeereerwaarde Moeder, ik verlang het van ganscher harte.quot; De Moeder-Overste nam toen de postulante bij de hand, om haar op te richten en zij volgde met haar de processie, terwijl de nieuwelinge achteraan ging, met een kaars in de hand ; naast haar gingen aan weerszijden de novicenmeesteres en hare plaatsvervangster.
U7
lu liet koor aangekomen knielde zij op hare plaats, en de eerbiedwaardige Kardinaivl, bekleel met het bisschoppelijk gewaad, zeide tot haar : Mijne dochter, wat vraagt gij ? â Gods barmhartigheid, Eminentie, en de genade van \'t religieuze en Apostolische kleed.quot; De Kardinaal antwoordde : Deo gratias !quot;
Zich vervolgens naar het altaar keerende en op de onderste trap knielende, hief hij het Veni Creator aan, dat t koor voortzette.
Na het Veni Creator beklom Pater Defour, Overste der Jezuïeten van Algiers, den predikstoel en hield de godvruchtigste en welsprekendste rede over het karakter en de plichten van t religieuze leven eu over de beteekenis der kleeding, die hij op zeer schoone wijze in verband bracht met het feest van Maria-Boodschap, dat dien dag werd gevierd, dour aan te toonen, dat de Zoon Gods zich met ons vleesch had bekleed, om ons te veroorloven, eens het kleed zijner goddelijke heerlijkheid dragen, wanneer wij ons zonder voorbehoud aan hem toewijden, zooals dat geschiedt in het Apostolische leven.
Vervolgens wendde hij zich tot de postulante, wenschte haar geluk. dat zij vaarwel g\'ezegd had aan haar adeldom, hare rijkdommen, aan al de pracht der wereld, om de armoede en de uiterlijke vernedering van quot;t religieuze kleed te omhelzen. Evenzoo richtte hij een woord van vaderlijke liefde tot den jongen ofticier, een oud-leerling der paters, die dicht bij Tt altaar stond, en tot de eerbiedwaardige moeder, wier offer hij luide prees. Zich vervolgens tot de Zusters wendende, zeide hij ten slotte : En gij waarde Zusters, tot nu toe hebt gij in stilte, in godsvrucht geleefd, n uit de verte voorbereidend tot uwe verhevene Apostolische zending op dezen Afrikaanschen bodem. Manr nu gaat gij u ontwikkelen, groeien, noodzakelijk verschijnen voor aller blikken in de uitoefening dier heilige Missie, die onlangs door den heldenmoed van de Martelaren van Oeganda met roem overdekt is geworden. Tot waarborg hebt gij den heldenmoed zelf van \'t offer, dat uwe nieuwe gezellin heden brengt, die met Gods hulp uw leven van lijden, opoffering en armoede wil omhelzen.quot;
Xa de predikatie, die op allen een diepen indruk had teweeggebracht, zegende de Kardinaal de kloosterkleeding der postulante en nu volgde \'t treffendste gedeelte der inkleeding van de Zusters-
98
missionarissen. Op t altaar bevond zich van \'t beg\'in der pleclitig-lieid af een groot kruisbeeld met bloedige wondteekenen, en naast \'t kruisbeeld een doornenkroon. Alvorens de kerk te verlaten om t witte kleed der Zusters-Missionarissen te gaan aantrekken, knielde de postulante in haar bruiloftskleed aan den voet des altaars. De Kardinaal nam toen bet kruisbeeld, gaf het haar en zeide : Ziedaar \'t beeld van Hem. die uw Echtgenoot is geworden, en wiens kruis gij, naar t voorbeeld der Apostelen, alle dagen uws levens moet dragen, als gij waarlijk uwe smarten met de Zijne wilt vereeni-gen, en aan Zijne glorie, aan uwe volmaking en aan \'t iieil der zielen wilt werken.quot;
Daarna zette hij haar de doornenkroon op \'t hoofd, terwijl hij er bij voegde: âGij zijt de echtgenoote van een met doornen gekroonden Koning, maar weet dat deze kroon, als gij ze naar behooren draagt, eenmaal zal veranderen in eene kroon van glorie,quot; De postulante, aldus in haar armen het kruisbeeld en op haar hoofd de doornenkroon dragende, keerde naar hare plaats terug, terwijl t koor zong- : Ik heb de grootheden der wereld en hare ijdele sieraden verracht ter liefde van Jesus Christus mijnen Heer.quot; De eerbiedwaardige Kardinaal had intusschen den predikstoel beklommen en richtte als vader tot zijne dochter de volgende toespraak:
Geliefde Docldtr,
âEen welsprekend en zalvend woord is u toegesproken over de heiligheid uwer roeping. Ik zal niet terugkomen op dit onderwerp en op de verplichtingen, eigen aan alle religieuze instellingen. Inderdaad, haar eerste doel is eigen heiliging en om zoo te zeggen de hervorming barer leden. Eerst wanneer zij aldus geheiligd zijn en gekleed met het kleed van Jesus Christus, kunnen zij met vrucht werken aan \'t heil der zielen.
Maar de plechtigheid, die ik heb voltrokken en ook de toestand, waarin ik u op dit oogeublik zie. nopen mij. u ten minste eenige woorden over \'t bijzondere karakter uwer missie en over de Congregatie, waartoe gij wilt behooren, te zeggen.
Bij t huwelijkskleed, het teeken uwer kuische verloving, zijn nu nog de zinnebeelden uwer geheimzinnige vereeniging met den
99
bruidegom gevoegd: gij draagt zijn beeld in uwe hand, de kroon van zijn koningschap op uw hoofd.
Maar zijn beeld is voor u vol bloed, en zijne kroon is een doornenkroon.
Wat beteekenen zulke zinnebeelden ?
Om \'t goed te begrijpen, moet gij u herinneren, waarde dochter, dat de echtgenoote het leven des Echtgenoots moet deelen, aan hem gelijk worden, of om mij van de krachtige uitdrukkingen des H. Geestes te bedienen: ..slechts één geheel met hem uitmaken.quot;
Daarom hebben mijne handen Hem aan u aangeboden met wonden bedekt, aan het kruis gehecht, de handen doorboord, de voeten met nagels vastgehecht, de zijde met eene lans geopend, liet hoofd door de doornenkroon verscheurd. En dat alles lijdt hij uit gehoorzaamheid en liefde!
Het kruis en de kroon, die gij ontvangen hebt, stellen dus de beteekenis der roeping, die gij gewillig hebt omhelsd, zichtbaar voor oogen.
Want ook gij, mijne dochter, moet om Hem in uwe heilige roeping te volgen, naar :t voorbeeld van uw Echtgenoot alle opofferingen en alle smarten vooruit aannemen: liet offer van gewoonten, sedert de jeugd aangenomen in een leven, dat allen aangenaam zochten te maken, het offer in de ontberingen die u wachten, en die gij reeds hebt willen ondervinden, door op den grond te slapen gelijk de armsten onder de wilden, door geen ander dan grof voedsel te gebruiken, door \'t hoofd te bieden aan de strengheid van \'t vaak doodelijk klimaat ; het offer in de ziekten, in den vroegtijdigen dood; en in meer teedere en gevoelige soort: het offer uwer heiligste genegenheden: want oin Jesus waardig te zijn, hebt gij \'t woord in vervulling gebracht, dat Hij als voorwaarde eener zoodanige eer heeft gesteld, toen Hij in zijn Evangelie zeide : âAl
wie.....zijne moeder.....of zijne broeders meer bemint
dan mij, is mijner niet waardig.quot;
âIk weet het. uw hart heeft er bij gebloed, maar het heeft niet voor u alleen gebloed, het heeft vooral geleden voor een hart, dat nog bitterder verscheurd was dan liet uwe.
Gij, mijne dochter, gij hebt het verheven vooruitzicht van t Apostolaat op dat uitgestrekt veld, dat open licht voor de offervaar-
100
iligiieid uwer deugd; gij hebt in uwe medezusters een nieuwe familie, gij lielit den arbeid iu de Missiën, met hun krachtig opwekkend leven; gij hebt de zekerheid der belooning\', want er staat geschreven : âAl wie zijne moeder of zijne broeders om mij zal verlaten, zal bon lerdvoudig loon ontvangen in deze wereld en in de andere het eeuwige leven.quot;
Maar wat uwe geëerde moeder betreft, die slechts in uwe tegenwoordigheid troost zocht voor de verliezen van \'t verleden, voor de leemten van \'t heden : u te verliezen was voor haar een begin van den dood , u niet meer te zien. u niet meer te hoeren iu die woning, welker leven gij waart, dit was in een zekeren zin een grooter offer dan, het uwe. En toch werd dit offer gebracht; gij weet met welke edelmoedigheid, en God vooral weet dat, want \'t geloof alleen, \'t geloof van Abraham, heeft deze overwinning kunnen behalen.
Dat dit offer zich vandaag met het uwe vereenige, en op u blijve rusten als de zegen, die God aan de zonen der Patriarchen, wegens de deugden hunner vaderen, verleende : Benedict in tihi, Jili mi, quia boni et optimi viri filim es tu.
Het offer tot den dood is dus het eerste voorbeeld, dat gij van uwen echtgenoot ontvangt iu \'t Apostolisch werk, hetwelk gij op zijn;j stem aanvaardt. Nog een ander, veel krachtiger voorbeeld geeft Hij u : de liefde tot de zielen. De liefde tot hen, die lijden, de liefde tot hen, die vergeving vragen en \'t einde hunner kwalen.
Het instituut, dat gij nu gaat binnentreden, heeft zijn ontstaan te danken aan deze liefde, aan de liefde voor \'t heidensch Afrika, waarop nog zoo zwaar de oorspronkelijke vloek rust.
Gebukt onder het juk der barbaarschheid, der onwetendheid, der slavernij en van \'t menscheneten. is het al sedert eeuwen als de aardsche hel van \'t zwakke geslacht.
De vrouw is er zonder bescherming aan al de wreedheden dei-brutale macht overgeleverd. Zij wordt daar verkocht in haar jeugd, men ontrukt haar met geweld haar zonen , als zij moeder is ; altoos wórdt zij met den zwaarsten arbeid belast en , oud geworden, sterft zij onder de slagen. Eu deze wereld is niet het einde van haar lijden! Haar vernedering, haar onwetendheid en \'t bederf, dat er het gevolg van is, gedogen voor haar zelfs
101
de hoop niet op een lieter leven. Evenals de vloek. die op de aarde drukte, Jesus door een oneindige liefde aan dat kruis bracht, welks beeld gij in uw handen houdt, evenzoo is het de liefde, het medelijden voor \'t onbeschaafd Afrika, waardoor uwe Zusters en gij zelf er toe zijt gebracht, u aan \'t kruis te hechten om Afrika eenmaal te redden.
In dit nieuwe instituut verheft gij u. om uit te gaan eu Zijne Apostelen te worden.
Apostolische vrouwen! Ziedaar wat gij aan de Kerk wilt geven op \'t voorbeeld der heilige vrouwen, die Onzen Heer gedurende zijn sterfelijk leven hebben gevolgd. en die ua zijn dood zijn naam hebben gepredikt door haar geloof, hare liefdadigheid en haar voorbeeld.... Of kunnen wij vergeten, dat twee harer, Maria en Martha, met Lazarus haar broeder, de Apostelen eener provincie van Frankrijk zijn geworden ?
Gaat gij dus ook, waarde Zusters. tot de vrouwen van de binnenlanden van Afrika in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Verlicht haar door uw voorbeeld, wint hare harten door uw liefdadigheid, onderwijst haar door uw woord.
En gij . Dochter , gaat een nieuwen naam aannemen in plaats van dien, waaronder gij tot dusver in de wereld waart bekend. Aan dien naam waren herinneringen van een adellijk geslacht en van de dapperheid uwer voorvaderen verbonden; maar grooter nog is de naam, dien gij zult ont vangen : \'t is de naam van een Apostel der Negers, van den heiligen Claver die zijn leven opofferde om hen te helpen, hunne wonden te genezen, hunne zielen te winnen, hun den hemel in plaats van de hel te verzekeren. De groote les, die hij u geeft, is alweer de liefde. Alleen door de liefde heett hij over alles gezegevierd; hij noemde haar het yodde-lijk lokaas, waarmee hij zielen ving.
Bekleed u nu, waarde dochter, met de kleeding van \'t Apostolaat waarnaar gij zoozeer hebt verlangd. Gij hebt er lang naar gewacht. Drie jaren geleden hebt ge mij uit de verte over uw voornemen onderhouden. Ik heb gewild, dat gij zoo lang zoudt wachten, om rijpelijk een plan te overwegen , dat zoo buitengewoon is. Maar eindelijk hebt gij overwonnen, en quot;t allermeest ben ik iretrolfen ireworden door de beweegreden. die u ou-
102
herroepelijk heeft doen besluiten. Gij hebt mij \'t woord van een dienaar Gods herinnerd, een man, bewonderenswaardig om zijn werken en zijn deugden, meer nog om de diepe kennis der zielen en der wegen Gods. Hij sprak tot u. toen gij hem over de verschillende orden hebt geraadpleegd : ..Als gij ongeveer uwe levenswijze wilt behouden, ga dan in een klooster van Frankrijk ; maalais gij werkelijk wilt lijden zooals Jesns, begeef u dan in de Missiën, tot d â Znsters-Missionnarissen.
Dat is \'t woord, dat u heeft doen besluitenen waarin gij de stem Gods hebt erkend, en daarom draagt gij lieden het kruis in uwe armen en de doornenkroon op uw hoofd.
Ongetwijfeld moet gij altijd op dezen weg van beproevingen uwe zwakheid wantrouwen, maar gij moet ook rekenen op de hulp van boven.
Bij quot;t begin dezer plechtigheid heeft geheel dit geloovig volk, hebben deze missionarissen en die talrijke Zusters voor u de Heiligen van Afrika aangeroepen. Zij hebben tot hen voor u gesmeekt om de genade der volharding en om die overvloedige blijdschap, waarvan de Apostel zegt, dat zij alle lijden verzoet.
Terwijl ik mijne stem met deze vurige gebeden mengde, meende ik de heilige mannen en vooral de heilige vrouwen van Afrika te zien, eene Perpetua, eene Felicitas, eene .Monica, zooveel duizenden Martelaressen en godgewijde Maagden, hoe zij zicli voor den troon Gods nederwierpen en dankend en biddend den Heer lofzongen. Zij dankten Hem, dewijl gij van verre zijt gekomen, om aan de opwekking van Afrika, dat haar Vaderland was, te arbeiden ; zij baden Hem, dat Hij de noodige genade mocht ver-leenen, die voor een zoo verheven en moeilijke onderneming noodzakelijk is.
Maar , vóór al die gezegende namen hebben wij die van de Patrones van Afrika aangeroepen. Zij ook heeft den bodem met haren voet gedrukt ten tijde van haar vlucht met liet Goddelijk Kind. Zij is de Koningin der Apostelen , en de Kerk zingt, dat zij alleen over alle dwalingen heeft gezegevierd. Deze dag, waarop gij \'t kloosterleven aanvaardt, is haar bijzonder toegewijd , want op dezen dag ontving zij van den Engel de blijde boodschap van quot;t heil der wereld. Dat deze gedachte voor u hoopvol zij : dat gij
103
namelijk door uwe werken, uw offer, uwe gebeden met die van Jesus te vereenigen, als een andere Esther het heil der volkeren, waarvoor gij bidt, zult verkrijgen, de hoop dat gij. na den arbeid van uw Apostolaat, eenmaal te midden der maagden die altijd den troon van quot;t Lam omgeven, in plaats van de vrijwillig gekozen doornenkroon, de kroon der glorie en der eeuwige zaligheid zult dragen. Amenquot;
Na deze toespraak verliet de postulante de kerk . in processie geleid door de toekomstige Zusters liarer Congregatie, evenals bij hare komst, om zich naar de zaal te begeven waar zij het kloosterkleed zon aantrekken. Vervolgens kwam zij als religieuze gekleed binnen, altijd nog met het kruis en de doornenkroon, en ging voor \'t tabernakel knielen, terwijl \'t koor den drie en tachtigsten psalm zong: ..Hoe liefelijk zijn uwe tabernakelen o Heer. Xa dit gezang richtte de Kardinaal zich tot de postulante, en gat haar in plaats van haren wereldschen naam een nieuwen.
âMijne dochter, opdat u niets meer aan de wereld zou herinneren, zult gij uwen naam en !t huis uws vaders vergeten, en gij zult in \'t vervolg, in den Naam van Jesus Christus, heeten Zuster Maria Claver.quot;
Toen hief het koor het Te Deum aan, en aldus eindigde deze verheven plechtigheid.
Nog een treffende bijzonderheid. Veel menschen, zooals wij boven reeds zeiden, moesten buiten dquot; kerk blijven. Daaronder waren Spaansche, Italiaansche en Maltezer vrouwen. Toen de nieuwe Zuster uit de kerk kwam, in processie door de Zusters geleid, wilden deze goede vrouwen, wat men ook deed om ze terug tè houden, hare handen en hare kleederen kussen, en haar feliciteeren met haar geluk.
VIII
Gfileta «r tet wert Jer wtjlaitii des Geloofs
EX
voor lt;lc Ix\'kocriiia dor houicnselic Vroinvcii van Afrika.
G-ezelschai» dkk I)a m i;s-Kantnni k\'ksskn\' tk Carthago.
Overtuigd, dat menschelijke middelen, hoe machtig- ook. zonder Gods genade niets tot het heil der zielen vermogen, vergenoegen zich de Zusters van O. L. Vr. der Afrik. Missiën niet met de he-oefening van werken van naastenliefde, of het onderwijs van iulandsche vrouwen : neen, zij dringen in hare Regelen voornamelijk aan op dc noodzakelijkheid, en dus ook op de standvastigheid van het gebed. Zij bidden niet alleen zeiven, maar vereenigen zich ook te dien einde overal met godvruchtige personen, die in de wereld leven. Hieruit is ontstaan het gezelschap der Ãames-Kammnikessen van Carthago, welke op een bijzonder innige wijze door het gebed met het Moederhuis van Carthago verbonden zijn. Als zij zulks wenscheu. wordt haar toegestaan, daar levenslang te wonen, mits zij zich aan den regel der Dames-Kanunnikessen onderwerpen.
Deze regel verplicht niet alleen tot de gewone godvruchtige oefeningen, maar ook tot het dagelijks bidden der Kerkelijke Getijden, om van God de uitbreiding van het werk der voortplanting des geloofs en van het apostolaat onder de onge-loovigen, vooral onder de vrouwen, te verkrijgen. In diezelfde meening offeren ook de eere-kanunnikessen, namelijk zulke die niet gemeenschappelijk leven, overal hare gebeden en goede werken aan God op. Die eener aalmoes, die zij bij hare intrede gevm. is de eenige verplichting, welke aan den titel van eere-kauunnikes is verbonden. Volgens kerkelijk voorschrift wordt deze titel door zijne Eminentie, den Kardinaal-Aartsbisschop van Carthago verleend, en nog wel alleen aan ongehuwde vrouwen.
Diezelfde gebedsvereeuiging bestaat in alle Europeesche Postulaten.
105
Alle kiitholieke vrouwen kunneu zich daarbij aansluiten. Elk lid bidt bij haar Morgen- en Avondgebed, ter verbreiding des geloots en van het Apostolaat, het Onze Vader met het Wees gegroet en de aanroeping: âAllerheiligst Hart van .Tesns ontferm n over ons âen over de heidensche vrouwen ; Maria, zonder vlek ontvangen, âbid voor ons en voor de heidensche vrouwen; H. Franciscus âXaverius, bid voor ons en voor de heidensche vrouwen !quot;
Bovendien wordt in de Kapel van \'t Postulaat eiken Zaterdag om 3 uur. dus op \'t uur dat O. L. 11. voor de Zaligheid der wereld stierf, de zegen met het V. H. Sacrament gegeven. Daarbij wordt gezongen :
1. De Litanie van de Atrikaansche Heiligen. Hierop volgt eene onderrichting.
2. De Litanie van de H. Maagd.
3. O Salutaris Hostia.
4. Tantum ergo.
ö. De volgende aanroepingen :
Cor Jesu sacratissimum, miserere nobis !quot;
Maria sine labe concepta, ora pro nobis !
Saucte Francisce Xaveri, ora pro nobis!
De onderricliting welke de Denedictie voorafgaat, kan door een godvruchtige lezing over de voortplanting des geloofs en de missiën, vooral de Afrikaansche, vervangen worden.
De Eere-kanunnikessen en de leden der (irebedsvereeuigiiig voor de Missiën mogen deze godsdienstoefening bijwonen. Zij verdienen daardoor de aflaten, door den H. Stoel verleend.
Adoptie van Zusters-Ivlissionarissen.
Uit liet âBulletin des Missions\'\' kan men zien, welken geest van opottering\' de roeping- eener Zuster-nnssionaris vereisc.lit.
Maar de zelfverloocliening- tot den dood toe is niet voldoende om een missie in stand te houden: deze heeft. gelijk alle men-schelijke zaken, ook stoffelijke behoeften. De Zusters-Missionarissen hebben, evenals de mannelijke geloofsverkondigers dat noodig, wat de H. Paulus voor deze laatsten eischt : het dagelijksch brood.
Daarom komt het werk van het Apostolaat onder de heidensthe vrouwen om ondersteuning smeeken al die Christelijke vrouwen, welke door andere plichten in de wereld worden teruggehouden. Zij kunnen niet, evenals de zusters, die alles verlaten, zic.Ii aan den arbeid en \'t lijden der Missie zelve wijden ; maar daarvoor kunnen zij haar de noodige middelen verschaffen, om hare verheven bediening te kunnen uitoefenen, door dat zij haar een gedeelte van die tijdelijke goederen schenken, die God haar heeft gegeven.
Eene Zuster-Missionaris Iieett bij haar armoedig leven voor haar geheel onderhoud jaarlijks 300 Gulden noodig. Men kan alzoo, door deze som jaarlijks te storten, voor liet onderhoud eener Zuster zorgen, d. w. z. eene zuster adopteeren, en daarmede te gelijkertijd aan hare verdiensten deelnemen.
Wij richten ons tot alle waarlijk christelijke vrouwen, van welke er, Goddank! nog zooveel zijn, met de bede dit werk van geloof en liefde onder hare bescherming te willen nemen. Er mag niet gezegd worden: âMen vindt eerder edelmoedige zielen , die zi^h âaan het Apostolaat en aan het martelaarschap toewijden, dan âzulke, die de kosten van haar onderhoud op zich nemen.quot;
Bovendien zou men ook eene geheele Missie-Statie kunnen adopteeren, d. \\v. z. zorg dragen voor alles, wat in een door Zusters bestuurd huis voor ziekenverpleging en voor \'t onderhond eener
107
scliiiol voor inboorlingen uoodig\' is. Ma;U\' liet arbeidsveld van een zoodanige natistenliefde is onafzienbaar; voor dit doel zon men dus met de Alg-emeene Overste der Zusters-Missionarissen in overleg\' moeten treden.
X.
Decreet van Lofprijzing
verr,eend hoor den IIf.i1.igen Stoei. aan de congregatie der zusters
Missionarissen van O. L V. der jrissiën van Airika, (teAi.giers)
De Opperherder LEO de Deriiendr hcrfi au,i onzr. Conflrrfiaile van Zvjfeys-Hlistii onarisseu niemre aanmoedigingeit geschotike». Op hel verslag van hun orheid en van hvn Apoamp;tolisehe werken, onlangs aan II. gedaan door Z.E. den KardinaalLavigerie, Jfejt de Heilige Vader zieh yewaardigd haar ioe Ie zenden hei volgende Decreet,
|
Cum Kmus ac llquot;lLl3 Cardinnlis Ca-rolus Martialis Lavigerie, Airhiepis-copus Algcriensis el Cai\'tliaginiensis, iam inde ab anno 18(i8 Institntiiin Soronun r.ni tilnlus â Xolre Dame des Missions rl\'Aliif|iiequot; liindavcnil eique linem jiracstitent operibus srcri Apostolalns operam irnpendere, poiis-siiiiinu tuuliere-s inlideles (jna egregio sanctiinoniae exemplo, qua calliolicae l eligionisinstitntione, ad Cln isti lidcm convertendo, in liis Aliieae regioni-lins. in qnibns Missionarii nb ipso Kquot;10 viro institnti aposluliciiui uiinister iuin excrcent. nnpci\' ab Apostolica Sede iniploravit, ut deereto landis idem roruiii Institutuni eulionestaretui\'. Porro cmn coinpertuni appi ime sit. praedictain Sororum Congregationian temporis decursn niaxinie increvisse. nberesqne fiiu-tus ex pii ininisterii exercitio ielulis.se ac i-eferre: et celc-loqnin regulari observnntia et zelo rei christianao pi\'omovendae Sornres niaxinie emineant, SSmus 1). N. I.eo P. P. Xlll in andientia diei 23 ajirilis 1887 Eniinentissimi Kmidatoi-is pre-eibus libeulissinie annuens, pi aesens decrctnin laudi» cxpediri iussil. Datum Roniae ex Aedibns S. C. de I\'ropaganda Fide, die XXIV aprilis an. MDCCC\'LXXXVII. Joannes Card. Simeoni, I. S. Praefectus. j D. Ai\'eliiep. Tyren., Seei\'. |
Zijne Kminentie, de Hoogeerwaarde Kardinaal Karei Martial Lavigerie, Aartsbisschop van Algiers en Cartba-; go, sedert 1868 een instelling van Zns-j ters onder den litel van O L Vrouw (Ier Missiën van Afrika gesticht beb-: bende, die tot doel heeft zicli te wijden aan Apostnlische werken, vooral onder . ungeloovige vrouwen, door ze te be-keeren. hetzij door \'t voorbeeld barer deugden, betzij door t onderricht in den Kalb(dieken Godsdienst, tot \'tge-loofvan Onzen Heer, in dezelfde stre-, ken van Afrika, waar de Missionarissen van Zijn\'- Kminentie hun heil ge bediening uitoefenen, heeft onlangs aan den Heiligen Apostolischen Stoel gevraagd, dat deze instelling zon v Teerd worden niet een decreet van lofprijzing. Welnu, daar \'t vaststaat, dat de voornoemde instelling van Zusters-Missionarissen sedert haar stichting zeer is aangegroeid : dat /ij zeer overvloedige vruchten draagt en heeft gedragen, door de uitoefening barer vrome bediening, en dat deze Zusters zich onderscheiden door een regelmatige levenswij/e en door haar ijver ; voor \'t Geloof, heeft onze Heilige Vader Paus Leo XIII. in zijn audiëntie van 23 April 1887, gaarne het vei zoek van den doorluchtigen Stichter inwilligende, bevolen \'t tegenwoordige decreet van lofprijzing te veileenen. Gegeven te Rome, iu\'t Paleis van de Heilige Congregatie der Propaganda, \'ii April 1887. JOANNES KARD. SlfflEOl, Prelect. -j* D Aartsbisschop van Tyrus, Secretaris |
INHOUD.
Voorrede.
T. Stichting van oen Postulaat te Maastricht, .... BJz. 1.
II. !)lt;â Negers-Martelaren in Oeganda,......... ,, 7.
UI. Brief\' van Z. E. Kardinaal Lavigerie over het
Apostolaat bij de heidensche vrouwen,...... â 38.
IV. Beknopte inlichting omtrent de Congregatie der Zusters-Missionarissen van O. L. Vr. der Afri-kaansehe MissH\'ii,................. ⢠⢠» ;,8.
V. Nieuwe Postulaten in Europa,........... â \'0.
V [. Brief ecner Postulante der Zusters-Missionarissen
over de missiën in Kabylië,............. ,, 72.
\\TII. Kleeding eener Zuster-Missionaris in de Basiliek
van O. L. Vr. van Afrika,....................amp;gt;â¢
VIII. Gebeden voor \'t werk der Voortplanting des Ge-looi\'s en voor de bekeering der heidensche vrouwen. Dames-Kanunnikessen van Karthago,....... â 11)4.
IX. Aanneming van Zusters-Missiomirissen,...... â 10(i.
X. Decreet van lofprijzing door den H. Stoel verleend, ten gunste van de Congregatie der Zusters-Missionarissen van ü. L. Vr. der Afriknansche Missiën in Algiers,................... n 108.