i ■i,.^ -J.-i i -i i j I I i i i I I ■!■ 4 i i 4 i i -i- i ^ i ✓
tiL* ***:**$■ m fï ïm ii?\'
■\'■:■•gt;■ •-\'\'■•*: jr-v- lt;«■■:■ -«■Ï K lt;
►gt;-)lt;-
=f| :ïi: ^ I) r. R E V A N G ELI Ë N
gt;■lt; )lt;-
jghi gt;gt;■••-
-gt;-6r lt;
-^
dook
-gt;i^:i
quot;it; ■^-,^),-
» n^
-Bh\'! ►\'-( gt;lt;-
■*(ifï ►gt;gt;lt;-
Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Stellenboseh,
■\'■::tquot; \' quot;lt;«.■ gt;
••if gt;•\'•lt; !\'-
-it: ►■(*•lt;•
—phl ►\'-lt;*)lt;-
-quot;■Sr. 1
gt;
--gt;^1 »-4fw-
: : gt;a)*-
^ v;.-
r-tiu-
UTRECHT
ii
-gt;m |. W. LEEFLANG
quot;ftVl
■^quot;SK i 1887. lt;.
XYT\'«ft--
....., —.....................
M X-i tlt;-
M)lt;-
EM-1-
P ^y-c-
i£ t ttétttttttttéft-tt\'téé\'t-t-t t-ttt tt 11 té é 11 té. t tAé amp;jt
► •lt;*■gt;lt;-
GUNNING 7D
3
DE CHRISTUS DBfi EVANGELIËN,
iVEn\\TESKiSP£Uni
Hoogleepaar in de Godgeleerdheid te Stellenbosch, Zuid - A f rika.
ft\'U\'f^S\'y Ml V E RSI T EiT Ü TREG H T,
TYP. P. A. GKUKTS, NIJMEÜKN.
a u/e -^jezet /
Hebt gij mijn geschrift: „Jezus\' heerlijkheid, weerspiegeld in Zijn aardsche levenquot; gelezen ? Dit werlt is daarvan eene aanvulling. Beide zijn op dezelfde wijze ontstaan, namelijk uit voordrachten, die ik in de wekelijksche godsdienstige samenkomsten met mijne leerlingen hield.
Ik heb, wet betrekking tot Jezus\'\' persoon, alle vragen vermeden, waarop de Evangelisten ons geen antwoord geven, zoo ver ik hen meen te verstaan.
7 W\'irdt mij al duidelijker, dat het ééne noodige, de kennis is van Jezus Christus, ontstaande uit de algeheele overgave aan Hem, zooals de Evangelisten ons van Hem. getuigen.
Boven alle stemmen Gods lot de Gemeente klinkt deze stem: „wast oj) in de genade en kennis van den lieer Jezus Christus /quot; Daartoe make de Heer ook dit geschrift dienstbaar.
Uw dienaar in Christus, N. .1. Hofmeiju.
Stkllenbosch, 23 Febr. 1887.
Bldz.
1. Jezus\' vraag aan Maria en Jozef................I
II. Zijn woord tot Johannes den Dooper ... l i
III. Gedoopt met den Heiligen Geest..............21!
IV. Verzocht in de woestijn......................,\'{0
V. Verzocht in de woestijn......................39
VI. Jezns\' macht over de natuur..................Ki
VII. Zijne macht over de booze geesten..............52
VIII. Zijne macht over den mensch..................60
IX. Meer dan Mozes en de profeten.........üil
X. De Man van Zijn tijd en de Man voor alle tijden . 74 XI. De Mensch, die meer dan alle menschen is ... . 80
XII. Zoon des menschen, en Zoon van God............8ü
XIII. Altijd en overal Mensch......................94
XIV. Altijd en overal Gods Zoon..................101
XV. Du menschgeworden Zoon van God..............109
XVI. De Zoon, die ons den Vader openbaart..........119
XVII. De Zoon, die ons den Vader openbaart..........127
XVIII. De Zoon, die ons den Vader openbaart..........133
Ié
INHOUD.
XIX. Eén niet den mensch.........
XX. Spiegel van \'s menschen éénheid met God
XXI. Spiegel Van \'s menschen kennis van God.
XXII. Spiegel van \'s menschen verkeer met God
XXIII. \'t Licht door Jezus over de zonde geworpen
XXIV. Middelaar tusschen God en den mensch met zijne zon-
XXV. Middelaar tusschen God en den mensch met zijne oorspronkelijke behoeften........... \'
XXVI. Middelaar voor en na Zijne nienschwording . . • ■
XXVII. Middelaar tusschen God en de schepping . . 202
XXVIII. Stichter van \'t hemelsche Koninkrijk...... 209
XXIX. Voorwerp van \'s menschen vertrouwen...... 210
XXX. De Christus der Evangeliën en de Christus der Apos
tolische Brieven ............ 2-0
XXXI. Wat dunkt u van den Christus? ...... 2.H
VIII
Bldz.
142 •149 150 102 •171
I.
JEZUS\' VKAAG AAN MARIA EN JOZEF.
Luk. 2 : 49. Hij zeide tot hen; Wat is het. dat gij My gezocht hebt? AVist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?
Dit is het eerste ons bekende woord onder de woorden, die de Heer op aarde gesproken heeft. Het is ons medegedeeld om zijne uiterst gewichtige beteekenis. Jezus was toen twaalf jaren oud, een leeftijd, die in het Oosten gelijk staat met een leeftijd van veertien of vijftien jaren bij ons. Hij was toen een ontluikende jongeling, wiens leven, hoe eenvoudig ook, oneindig verheven was boven dat van den besten jongeling, die ooit heeft geleefd. Men kende geen leven, waarop het leven onzes Heeren volkomen geleek. Het was iets, dat geheel nieuw was hier op aarde. Wat het kenmerkte, was niet dat. waardoor het gelijkvormig was aan het vrome leven Zijner voorvaderen; maar dat, waardoor \'tzich van hun leven onderscheidde, en zich oneindig daarboven verhief. Om onzen Heer te kennen, hebben wij niet alleen te letten op wat Hij gemeen heeft met anderen, maar ook en vooral op wat Hem van anderen onderscheidt. Eu dit, wat Hem onderscheidt, is geheel eenig. Het vindt nergens zijn tegenbeeld dan in G-od alleen, \'t Is het goddelijke, dat in Hem menschelijk is geworden. In Hem wordt ons God geopenbaard. In Hem is de Logos — het Woord — vleesch geworden. In Hem aanschouwen wij de heerlijkheid van den Eengeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.
1
JEZUS* VRAAG AAN MARIA EX JOZEF.
Het bevreemdt ons derhalve niet, dat Jozef en Maria niet het Woord verstonden, dat Jezus in den tempel tot hen sprak. Het getuigde van een leven, dat geheel anders was dan het leven van eiken vromen Israëlitischen jongeling. En het was de eerste maal, dat, onder Gods bestier, de Heer van Zich zeiven getuigde. Zij herinnerden zich geene andere woorden des Hee-ren, waarmede zij dit woord konden vergelijken. Voor de eerste maal leide Hij hun Zijn innerlijk leven bloot. En hoe verklaarbaar dit leven voor ons, die de verdere ontwikkeling daarvan kennen, zij, voor hen was het een raadsel, dat op eene bevredigende oplossing wachtte.
Ik zeide, dat wij de verdere ontwikkling van het innerlijk leven des Heeren kennén. Meent echter niet, dat wij dit leven kunnen leeren kennen, anders dan door zeiven er deel aan te hebben. Juist daartoe is in onzen Heer, van Zijne geboorte tot aan Zijne verheffing aan !s Vaders rechterhand, het god -delijke menschelijk geworden, opdat Hij Zijn goddelijk leven aan ons, menschen, zoude mededeelen. Zonder deelname aan dit leven verstaan wij Hem niet, als Hij van Zijn innerlijk leven getuigt, en blijft ook dit woord, door Hem op twaalfjarigen leeftijd uitgesproken, voor ons een onbegrepen klank. Er moet iets in ons zijn, dat een weerklank is op Zijn woord, dat in daarmede overeenstemming is, of wij vatten het niet.
Ik gevoel derhalve, dat ik geen geringe taak aanvaard, als ik u dit getuigenis des Heeren ga verklaren. Ik vertrouw echter iets er van te hebben gevat; hoezeer ik mij ook bewust ben, dat er diepten in zijn, die ik nog niet vermag te peilen.
Om onder den indruk te komen van dit diepzinnig woord des Heeren, moeten wij nauwkeurig letten op elke afzonderlijke uitdrukking, die daarin voorkomt, en wel vooreerst op den naam, dien Hij aan God geeft. Hij noemt Hem
VADER.
Zoo heeft nooit de vrome Israëliet G-od genoemd, als hij van Hem sprak. In de Psalmen vindt gij de uitdrukkingen der
JEZUS* VRAAG AAN MARIA EN JOZEF.
innigste gemeenschap met God , waartoe de vrome Israëliet is gekomen; maar nergens hoort gij hem tet of van God spreken, als zijn Vader. Het vaderlijke in Gods karakter was hem nog niet geopenbaard. Hij was aan God gewijd, zooals de knecht aan zijnen heer, en de onderdaan aan zijnen vorst, maar nog niet zooals het kind aan zijnen vader. Eer de kinderlijke zin tegenover God in den vromen Israëliet kon worden geboren, moest God zich aan hem als Vader openbaren en mededeelen.
In dit opzicht waren Jozef en Maria niet verder gevorderd dan het voorgeslacht. Er was nog een scheidsmuur tusschen hen en God, die moest wegvallen, een voorhangsel, dat moest worden verscheurd. Eerst, als dit zou zijn geschied, kon het verkeer met God tot die innigheid komen, waardoor vanzelf de mensch met God omgaat als het kind met zijnen vader. Deze scheidsmuur zou wegvallen, zoodra de zondeschuld was geboet, en de macht des doods te niet gedaan. En dit is eerst geschied door den dood en de opstanding onzes Heeren. Maar, omdat onze Heer geen zonde heeft gekend, heeft Hij ook dezen scheidsmuur niet gekend. Hij groeide op tegenover God als Kind tegenover Zijnen Vader. Het was Hem eene vanzelfheid van God te hooren, aan God te denken, en tot God te spreken, als Zijn Vader. Al noemde Hij Hem niet bij dien naam — en Hij schijnt dit tot nu toe niet te hebben gedaan — Hij droeg altijd den kinderzin in zich om. Nu echter schijnt de tijd te zijn gekomen, dat Hij zich Zijne kinderlijke betrekking tot God bewust werd. Het was Zijn eerste bezoek aan Jeruzalem, de stad Gods, en aan den tempel, het huis Gods. Het was de eerste maal, dat Hij zoo vrij verkeeren mocht met de schriftgeleerden, terwijl zij de Heilige Schrift verklaarden. Als „zoon der wetquot; nam Hij van nu aan Zijne zelfstandige plaats in onder de Israëlieten tegenover God. Dit een en ander moet een machtigen invloed op Hem hebben uitgeoefend, en een hooge vlucht aan Zijn innerlijk leven hebben gegeven. Het werd Hem in die dagen klaarder
3
JEZUS VRAAG AAN\' MAlilA ES JOZEF.
dan ooit te voren, dat Hij geroepen was, tegenover God een leven van kinderlijke gehoorzaamheid te leiden.
Terwijl met dezen leeftijd voor menigen Israëlietischen jongeling een wettisch leven begon, waariq Gods geboden als een uiterlijk juk hem drukten, waren Gods verordeningen voor Hem vaderlijke bevelen, die Hij kinderlijk, met onuitsprekelijken lust, vervulde. Hoe sterker de drang tot gehoorzaamheid in Hem werkte, des te natuurlijker was het voor Hem, met de liefde van een kind, aan Zijnen God te denken. Juist door die verordeningen, waaraan ook Hij van nu af gebonden was, kwam Zijn God tot Hem nader dan ooit te voren. Nooit was Zijn God Hem zoo na aan het hart geweest, als in deze hoog-heerlijke feestdagen, te Jeruzalem en in den tempel doorgebracht. Nooit was de bewustheid van Gods Vaderlijke liefde jegens Hem, en Zijne kinderlijke liefde jegens God, zoo sterk als nu. Het was van zelf, als Hij getuigt van wat er omgaat tusschen Hem en Zijnen God, dat Hij gansch kinderlijk God Vader noemt. Hij doet meer dan dit: Hij noemt God
mijn Vader.
Dit is allermerkwaardigst. Was het vreemd in de ooren van Jozef en Maria, dat Jezus God Vader noemde, het was hun oneindig vreemder, dat Hij God Mijn Vader heette.
Vanwaar kwam het, dat Jezus zeide Mijn Vader? Hij heeft dit niet opzettelijk gedaan. Hij heeft niet vooraf eraan gedacht, zoo en niet anders van God tot Zijne ouders te spreken. Deze uitdrukking werd in dit oogenblik vanzelf geboren. Hij wilde Jozef en Maria niet laten voelen, dat God Zijn Vader was in eenen zin, waarin Hij niet hun Vader was. Daaraan heeft Hij nooit gedacht. Daaraan heeft Hij niet kunnen denken. Hij heeft zich niet op een hoogte boven hen willen plaatsen — Hij, die terstond, als een gehoorzaam kind, met hen naar huis terugkeerde. De uitdrukking: Mijn Vader, vloeide vanzelf uit Zijn hart. Eer Hij, die van trap tot trap in wijsheid is toegenomen (v, 52), met Zijn verstand, de eenige betrekking, waarin
4
JEZUS\' VRAAG AANT MARIA EN JOZEF. 5
Hij tot den Vader stond, had gevat, leefde Zijn hart in deze betrekking. Het hart heeft van zijne eerste ontwikkeling af in deze betrekking geleefd, zonder dat het verstand zich daarvan rekenschap wist te geven; en ook nu nog liet zich Zijn verstand met deze zaak niet in. Maar zoo diep voelde Hij in dit oogenblik, hoe onuitsprekelijk innig de band is, die Hem aan Zijn Vader bond, dat. Hij niet anders kon, dan zeggen. Mijn Vader.
In het besef hoe innig Hij aan Gfod verbonden is, heeft Hij nooit, met anderen van God sprekende, kunnen zeggen: onze God of onze Vader. Hij zeide altijd: Mijn God of Mijn Vader. In het besef van den bijzonderen band, die Hem aan God bond, heeft ook de vrome Israëliet meermalen gezegd: mijn God. Zoo zeggen ook wij van God, miln Vader. In zulke oogenblikken maken wij ons los van al onze evenmenschen; voor zoover ook onze God ons van hen heeft losgemaakt, door een ieder van ons onze afzonderlijke levensgeschiedenis te doen doorleven. God is in menig opzicht voor mij, wat Hij niet voor u is. Hij doet aan mij, wat Hij niet aan n doet. Onder den indruk hiervan zeg ik mijn God, mijn Vader, en niet onze God, onze Vader; maar niet altijd noem ik Hem zoo. In het besef mijner eenheid met u en met alle Gods kinderen, noem ik Hem ook onzen God, onzen Vader. Daartoe is het echter nooit bijonzen Heer gekomen. Zijne eenheid met ons is geboren uit Zijne nederdaling tot ons. Hij is\'en blijft, voor eeuwig, oneindig boven ons verheven. Die verhevenheid boven ons behoort tot Zijne persoonlijkheid. Hij zou Zijne persoonlijkheid vernietigen, als Hij, ter wille Zijner eenheid met ons, zich tegenover God plaatste, zooals wij tegenover God geplaatst zijn, niet meer weten wil van Zijne oneindige verhevenheid boven ons, en God niet meer Mijn God en Mijn Vader, maar onze God en onze Vader noemt. Maalais Hij op deze wijze, met vernietiging van Zijne eeuwige persoonlijkheid, tot ons nederdaalt, dan kan Hij ons niet ver-heflen tot God. En hiermede was het doel Zijner mensch-
JEZCS\' VRAAG AAN MARIA EN\' JOZEF.
wording verijdeld, namelijk, om ons één te maken met Hem, niet gelijk Hij één is met ons, maar gelijk Hij één is met den Vader (Joh. 17 : 21). Daarom, hoewel Hij ons Zijne broeders noemt, zoo zien wij toch altijd naar Hem op, als den oneindig boven ons Verhevene, en aanbidden wij Hem, gelijk wij den Vader aanbidden, als onzen Heer.
Jozef en Maria dachten aan Jezus, toen Hij in het reisgezelschap werd gemist, als aan een verloren kind. Zij begonnen Hem met angst te zoeken, alsof God Zijne hand, en Hij Gods hand had losgelaten. Hun gedrag was, onbewust, eene loochening van de teedere betrekking tusschen den hemelschen Vader en Ziju kind op aarde. Het griefde den hemelschen Vader. En kon het anders dan ook het kind grieven, toen de moeder, verslagen over Zijn gedrag, zeide: „Waarom hebt gij ons zoo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.quot; Slaat den keisteen, en gij doet het verborgen vuur er uit spatten. En zoo kwam dit getuigenis van het kind aangaande Zijne innige betrekking tot den hemelschen Vader vanzelf, ongekunsteld, voor den dag, omdat het woord der aardsche moeder zich stiet aan deze betrekking, ik had bijna gezegd, haar aanrandde, en haar geweld aandeed. Het was een onuitsprekelijk verheven woord, dat de moeder tot hare eigene bestraffing aan haar kind ontlokte. Het doet ons denken aan het: „Vrouw, wat heb ik met u te doen.quot; dat Hij later op het bruiloftsfeest uitsprak; en aan het: „Ziet Mijne moeder en Mijne broeders; want zoo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder en Mijne zuster en moeder,quot; dat Hij bij eene andere gelegenheid uitte, toen Zijne moeder en Zijne broeders zich bemoeiziek tusschen Hem en Zijn Vader stelden (Joh. 2:4; Mark. 3 : 34, 35).
Denkt u een jongeling, bij wien sterker dan ooit het besef is ontwaakt van de teedere liefde en zorg zijns vaders. Dat gevoel moet in hem worden opgewekt, als anderen, die het gedrag van zijn vader tegenover hem niet verstaan, meenen dat zijn vader hem aan zichzelven heeft overgelaten, en zich
6
JEZUS\' VRAAG AAN MAKIA EN\' JOZEF.
met hunne liefde en zorg willen indringen tusschen hem en zijn vader. Zoo hadden zich Jozef en Maria met hun ouderlijke liefde geplaatst tusschen den hemelschen Vader en Zijn kind Jezus, in een oogenblik, toen Hij, dieper dan ooit, werd ingeleid in de liefde des hemelschen Vaders jegens Hem, en Hij inniger dan ooit zich aan de leiding des Vaders had toevertrouwd. Gegriefd door het woord Zijner moeder, kon Hij niet anders, dan haar, hoewel op kinderlijk ootmoedigen toon, vragen: „Wat is dit, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?quot;
En wat bedoelde Hij bij
DE DINGEN ZIJNS VADEJÏS ?
Hij bedoelde daarbij alles waarin Hij aan de hand des Vaders werd geleid. Hij wist, bijvoorbeeld, dat Hij, als kind. Zijne moeder moest gehoorzamen. Dit was eene der wetten, waaraan Hij niet alleen als kind gebonden was, maar wier verbindende kracht Hij nu meer clan ooit gevoelde. Immers, sedert Hij met Zijn twaalfde jaar een „zoon der wetquot; is geworden, heeft Hij met meerder nadruk dan ooit te voren, met de toeëigening der voorrechten van eenen Israëliet , ook diens verplichtingen op zich genomen. Daarom aarzelt Hij geen oogenblik het gezelschap der leeraren, hoe aangenaam het Hem ook is, te verlaten, en naar het eenzame Nazareth met Zijne moeder terug te keeren, en haar en Jozef aldaar als onderdanige zoon te dienen. God zelf handhaaft de wetten, die Hij geeft. Hij eert ze. Hadden bijvoorbeeld Jozef en Maria aan Jezus gezegd, dat zij Jeruzalem gingen verlaten, en dat Hij met hen naar huis moest terugkeeren, dan had Hij in dit woord de stem Zijns Vaders vernomen, en die onmiddellijk gehoorzaamd. Maar daar zij Hem dit niet hadden gezegd, was het Hem duidelijk, dat de Vader het wilde, dat Hij, zooals gisteren en eergisteren, zou voortgaan aan de voeten der leeraren te zitten, om Zijn dorst naar de hoogste kennis te verzadigen.
Hij had gedurende Zijn verblijf te Jeruzalem Zijnen tijd
V
JEZUS\' VRAAG AAN JIARIA E.NT JuZEF.
elders kunnen doorbrengen, dan bij de leeraren in den tempel, maar Hij was gewoon, niet zelf te kiezen. Daar Zijn vader en moeder Hem in deze zaak hadden vrijgelaten, vroeg Hij Zijnen hemelschen Vader, wat Hij doen moest. Hij was, van jongs af, aan de leiding Zijns hemelschen Vaders gewoon. Sedert Hij tot zelfbewustzijn was gekomen, had Hij de stem des Vaders in Zijn binnenste vernomen. Onder do leiding des Heiligen Geestes was Hij toegenomen in wijsheid en genade bij God. En naarmate Hij, bij toenemende ontwikkeling, de dingen, die in en buiten Hem waren, leerde onderscheiden, werd Hem de stem des hemelschen Vaders in Zijn binnenste al klaarder, omdat er nooit iets in Hem was, om die stem te smoren; daarom is bij Hem nooit een twijfel geweest aangaande den wil des Vaders. En omdat er niets in Hem was, dat Hem van den Vader scheiden kon, sprak de Vader altijd tot Hem. En gelijk een kind bij het opgroeien al dieper doordringt in de beteekenis van de woorden zijns vaders, zoo drong de Heiland van dag tot dag al dieper in den zin, van hetgeen de Vader in Zijn binnenste tot Hem sprak. Nog meer. gelijk een kind soms genoeg heeft aan een enkelen oogwenk, of vingerwijzing, of gelaatsverandering des vaders, zoo was voor onzen Heer eene, voor anderen onmerkbare, beweging in het gemoed genoeg, om te weten in welken weg, naar welke plaats, tot welk gezelschap, tot welk besluit of daad de Vader Hem leidde.
Hij was, daar Hij geene zonde kende, zóó aan den Vader overgegeven, dat Hij geen ander gezag heeft gekend, dan dat van Zijn Vader. Hij werd in alles door den Vader geregeerd. Des Vaders wil was Zijne wet. Zoo deed Hij nooit iets naar eigen keus. Hij wandelde altijd naar de keus, en alzoo in ce dingen Zijns Vaders. Daarom verbaasde Hij zich er over, dat Zijne moeder Hem berispte, alsof Hij Zijn eigen weg was gegaan, en niet in de dingen Zijns Vaders was gebleven, \'t Was Hem of Zijne moeder in haar angst had vergeten, dat Hij zich altijd door den wil Zijns Vaders, in de dingen Zijns Vaders leiden liet.
8
JEZUS\' VjIAAGt AAM MARIA E.\\T JO/iEF.
Had zij het niet vergeten, zij zou het terstond hebben gevat, dat Hij nergens kon zijn dan daar , waar de Vader Hem verwachtte, om Hem als „zoon der wetquot; in te leiden in de beteekenis van den tempeldienst, en van het Woord, dat Hij door de profeten gesproken heeft.
\'t Is opmerkelijk dat Hij niet zegt: „in den tempel,quot; of „bij de leeraren,quot; maar „in de dingen Mijns Vaders.quot; Wat ook de bijzondere dingen, of plaatsen, of verrichtingen van elkander onderscheidde, Hij deed slechts deze ééne vraag, of zij voor Hem dingen des Vaders waren. Was er iets, waarop voor Hem niet de naam des Vaders te lezen was, dan wilde Hij er niets mede te maken hebben. Maar was er de naam des Vaders op geschreven, dan was het Hem iets heiligs. Geheel zijn leven was een zijn in de dingen des Vaders. De tempel is Hem niet heiliger, dan de timmermanswinkel, zoodra de Vader Hem derwaarts roept. Wat Hij in den tempel doet, is Hem niet heiliger dan wat Hij bij de schaafbank doet, omdat Hij daar is, uit gehoorzaamheid aan Zijn vader. In den hoogsten zin van het woord is Hij altijd en overal Gods priester in Gods tempel. Geheel Zijn leven is toewijding aan den Vader.
Hij had kunnen zeggen, dat Hij de dingen Zijns Vaders moest doen, maar Hij betuigt dat Hij er in zijn moet.
Dit woord is Hem niet bij toeval ontglipt. Men kan de dingen Gods doen, zonder er in te zijn. Men kan ze doen, zonder daarin zijn lust en leven en levensdoel te vinden. Men kan ze doen als bijzaak of uit eigen liefhebberij. Men kan ze zóó doen, dat men niets zou missen,, als men ze niet deed. Men kan ze zóó doen, dat men zich haast, om weer zijne eigen dingen te doen. Voor hoe velen, helaas, is het leven verdeeld tusschen een doen van Gods wil, en \'t doen van eigen wil. Men mist daar den rechten grond des levens. Men heeft daar zijn eeuwig levenselement niet gevonden. Men is daar niet in, maar buiten de dingen, die men doet. Zoo was het niet bij Jezus. Hij leefde nooit anders dan in
9
jezus* vraag aan\' maria ex jozef.
de gemeenschap, en alzoo in de dingen Zijns Vaders. Zijn leven was een zijn in de dingen Zijns Vaders. Hart en ziel, geheel Zijn wezen, waren in de dingen Zijns Vaders. En zoo kon Hij, wat Hij deed, niet ten halve doen. Was Hij naar Jeruzalem gekomen, om, door de viering van het Paaschfeest, in de dingen Gods te zijn. die dit feest met zich zou medebrengen, zoo had Hij geen oor om naar iets anders te luisteren, dan naar wat God door deze dingen tot Hem sprak. Hij is in niets ongeduldig, omdat geene eigen zelfzuchtige plannen Hem tot ongeduld verlokken. De geschiedenis van eiken dag en elk uur en elk oogenblik, ontwikkelt zich naar het plan Zijns Vaders. Zijn Vader bracht Hem naar Jeruzalem, in den tempel, tot de leeraren; en Hij blijft daar, onder de invloeden, die Zijn Vader op Hem uitoefent, totdat Zijn Vader Hein duidelijk zegt, dat Zijne feestviering ten einde is.
Zulk een onverdeeld mensch is Hij gebleven, omdat Hij nooit de zonde heeft gekend. Zijn leven was nooit een vluchtig of oppervlakkig aanraken of doen van hetgeen de Vader wilde; maar een zijn, een geheel en al zijn in de dingen Zijns Vaders. Zijn Vader beschikte zoo geheel en al over Hem. en Hij gaf zich zoo geheel en al ter beschikking van den Vader over, dat er niets voor Hem of voor een ander ter beschikking overbleef. Zijn ademtocht was, te leven, zich te bewegen en te zijn, in God en in de dingen Gods.
Hij moest er in zijn.
„Weet gij niet,quot; zoo vraagt Hij aan Zijne moeder, „dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?quot; Het zijn en het moeten zijn in de dingen Zijns Vaders waren bij Hem één. Hij kende geene andere macht, dan den wil Zijns Vaders, en geen andere lust, dan om den wil Zijns Vaders te doen. Er is niets buiten Hem, dat Hem drijft tot de dingen des Vaders, \'s Vaders wil en eigen lust zijn in Hem één. Zijn lust wordt geboren uit den wil des Vaders. Hij moet zijn in de dingen Zijns Vaders, omdat Hij niet anders mag, en niet anders wil, en daarom niet anders kan.
10
JKZUö\' VRAAG AAN MARIA EN JOZEF.
Hij is den leeftijd ingetreden, waarin de wil zich sterk gelden laat. \'t Was niet toevallig, dat, naar Israëlitisch gebruik, in dezen leeftijd de knaap al de verplichtingen der Israëlitische wet op zich nam. Maar hoe meer de jonge Israëliet den diepen zin der wet, als uitdrukking van Gods wil, leerde kennen, des te meer ontdekte hij in zich eene wet, die in strijd was met de wet van God, en die hem als een gevangene met zich meevoerde. Bij hem had het woord moeten eene pijnlijke beteek enis. Het stond vaak in lijnrechten strijd met zijn willen en kunnen. Vaak wilde en kon hij niet, wat hij moest. Deze Innerlijke tweespalt was aan Jezus onbekend. Zulk eene ervaring wordt alleenlijk geboren uit de zonde, die Hem altijd vreemd is gebleven. Hij wist niet wat het was, iets niet te willen of niet te kunnen doen, wat Hij doen moest. Met het licht, dat Hij noodig had om den wil des Vaders te kennen, vloeide Hem ook uit den Vader de kracht toe, om des Vaders wil te kunnen. Hij wandelde nooit in de duisternis. In Zijne ervaring waren licht en kracht één. Des Vaders wil was Hem geen juk, dat Hem kwelde. Alles wat in en aan Hem was, stemde zoo geheel te samen met den wil des Vaders, dat niets Hem kon bewegen de baan te verlaten, die Hem door den wil des Vaders werd beschreven. Geheel Zijn leven ging op in het woord; Ik heb lust, o Mijn Vader, om Uw wil te doen.
En Zijne moeder was er getuige van, dat Hij nooit, om eigen wil te doen, van des Vaders wil was afgeweken. Daarom verbaast Hij zich er over, dat zij ditmaal zoo iets heeft kunnen veronderstellen. Was er iemand, die\'het weten moest, dat Hij niet anders leven kan, dan in de dingen Zijns Vaders, dan was het Zijne moeder, die Hem van Zijne geboorte af, dag aan dag, nauwkeurig had gadegeslagen.
En ligt er niet ook nog iets anders in de vraag van Jezus aan Zijne moeder,
OF ZIJ NIEÏ WEET
dat Hij zijn moet in de dingen Zijns Vaders? Heeft zij zelve Hem niet geleerd, dat Hij altijd in Gods wegen wandelen
11
JEZUS\' VRAAG AAN MARIA EN JÜZEP.
moet? Is zij het niet geweest, die door haar moederlijk onderricht bij Hem het besef heeft doen ontwaken, dat het kind, boven allen, ook boven vader en moeder, God moet gehoorzamen en volgen? En toen zij Hem naar Jeruzalem bracht om, voor het eerst, als Israëliet, onder de feestvierenden Zijne plaats in te nemen, gaf zij Hem niet daardoor geheel en al aan Zijnen God over? Betuigde zij niet daardoor, dat hare moederrechten ondergeschikt waren aan Gods recht over haar kind? En waarom had zij Hem niet overal met zich meegevoerd, en aan hare zijde gehouden? Was het niet, omdat zij in Hem den drang bespeurde, om in dezen gewichtigen tijd Zijns levens, minder met den mensch en meer met God te verkeeren? Moest zij het dan niet weten, dat Hem, in dezen gemoedstoestand, geen beter plaats paste dan de tempel, dan het huis Zijns Vaders?
Voor Jezus zei ven was Zijn gedrag zoo eenvoudig te verklaren, zoo natuurlijk te vatten, dat het Hem ten uiterste verraste en verbaasde, dat het voor Zijne moeder een raadsel was. En toen Hij in een uiterst helder en klaar getuigenis haar weer op het spoor bracht, om Zijn gedrag te verstaan, toen begreep zij ook dit Zijn eenvoudig getuigenis niet. Zij en Jozef verstonden het woord niet. dat Hij tot hen sprak (vers 50).
Om geestelijke dingen te vatten, moet men ze zelf onder de leiding van Gods Geest hebben ervaren. Wij achten Maria, wegens hare godzaligheid, de uitstekendste onder de vrouwen van haren tijd. Maar zoo laag was de trap harer godzaligheid, vergeleken met die van haar kind, dat zij niet begrijpen kon, wat Hij met kinderlijken eenvoud uitsprak. En als zij Hem niet begreep, dan was er gewis niemand in die dagen, die Hem vatten kon.
Zoo gevoelde zich Jezus, ook te midden der godvruchtigen, gansch eenzaam. Zijne diepste ervaringen in de gewichtigste oogenblikken Zijns levens werden niet begrepen. Zoo is het almeer geworden tot aan het einde van Zijn leven. Niemand kende den Zoon, dan de Vader (Matth. 11 : 27).
12
JEZUS\' VRAAG AAN MAR[A EN JOZEF.
Dit was voor Hem, wiens hart in liefde uitging naar Zijne moeder en broeders en zusters, en die de behoefte gevoelde aan gemeenschap met hen, die Hij liefhad, een smartelijk kruis. Hij droeg het in stilte. Het dreef Hem te meer uit tot Zijnen Vader. Daar sprak en weende Hij Zijn hart uit aan \'s Vaders hart. En de Vader liet het Hem niet ontbreken aan Zijne vaderlijke vertroostingen. Het was Zijn hemel op aarde, door den Vader geheel en al te worden begrepen en zelf, van mate tot mate, den Vader te verstaan.
En de Heiland leert Zijne verlosten, om Hem ook op dezen weg na te volgen. Er zijn altijd kinderen Gods geweest, die op paden werden geleid, waar zij, ik zeg niet door de wereld, maar door hunne medeverlosten, die hen het best kenden, niet werden begrepen. Zij waren niet voor hun Uod, niet voor zich zeiven, maar voor anderen, onder zulke omstandigheden, een onbegrepen raadsel (1 Cor. 2 : 15).
Het geestelijk leven van onzen Heer was. van Zijne eerste ontluiking tot aan zijn vollen wasdom op aarde, uit één stuk. Het was van denzelfden aard van het begin tot het einde. Het was wat het wezen moest, van den aanvang tot de voltooiing. Hij had niet noodig rneenigen en gewoonten af te leggen, die uit de zonde zijn geboren. Hij kende geen verwijdering van God, die door de zonde was ontstaan. Hij had geene wedergeboorte noodig uit den Heiligen Geest. Hij werd van Zijne geboorte af, van mate tot mate en van trap tot trap, gansch en al vervuld met den Geest. Zijn geestelijk leven was, in zijn aard, van den beginne af wat het geestelijk leven Zijner geloovigen eerst is geworden na de uitstorting des Heiligen Geestes. Het zijn alleen zij, die door den Geest leven en wandelen, die, in meerdere of mindere mate, verstaan kunnen de getuigenissen des Heeren aangaande Zijn innerlijk leven.
De Heer leide ons door Zijnen Geest al meer in de gemeenschap aan Zijn eigen leven, en alzoo in de rechte kennis Zijner woorden en daden.
13
ZUS WOORD TOT JOHANNES DENT DOOPEK.
II.
ZIJN WOORD TOT JOHANNES DEN DOOPEE.
Jlatth. 3 ; lö. Maar Jezus^ antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af. want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen.
Dit is het tweede ons bekende woord, waarin de Heere Jezus van zich zei ven getuigt, en ons een blik doet werpen in Zijn innerlijk leven.
Hij sprak het uit in een der gewichtigste oogenblikken Zijns levens, toen Hij namelijk zich door Johannes doopen liet.
Hij sprak het in \'t
BESEF ZIJNER MEERDERHEID BOVEN JOHANNES.
Johannes had van Hem getuigd, dat Hij de Christus was, die met den Heiligen Geest en met vuur doopen zou; dat Hij vóór hem geworden was, en dat hij — Johannes — niet waardig was Hem den geringsten slavendienst te bewijzen. Onder den indruk van de oneindige meerderheid des Heeren, zeide Johannes tot Hem: „Mij is noodig van U gedoopt te worden, en komt gij tot mij?quot;
Johannes weet, dat eene nieuwe, namelijk de messiaansche, bedeeling op handen is, en zal ingewijd worden met den doop des Heiligen Geestes door Jezus Christus. Hij weet, dat alle gaven Gods, in de oude bedeeling aan het volk geschonken, niet te vergelijken zijn bij deze heerlijke gave. Hoopt hij niet zelf dezen blijden tijd te beleven, en ook zelf met den Heiligen Geest gedoopt te worden? Geen wonder, dat hij zich voor zijnen Meerdere buigt, met de betuiging: „Mij is noodig van U gedoopt te worden, en komt gij tot mij?quot;
En Jezus wijst dit woord niet als vleierij af. Hij neemt die hulde aan. Zwijgend erkent Hij, dat Hij meer is dan Johannes.
En als de Meerdere bestraft Hij Johannes met dit woord: „Laat nu af, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen.quot;
14
ZIJX WOOED TOT JOHANNES DEX DOOPER. 15
En Johannes buigt zich, met diepen eerbied, onder dit terechtwijzend woord, en gehoorzaamt den Heer terstond.
Hoe is dit besef Ziiner meerderheid bij Jezus ontstaan? Wij durven alleen daarom een antwoord op deze vraag te beproeven, omdat wij weten, dat Hij, in Zijne innerlijke ontwikkeling. ons in alles is gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Zijne eigen ontwikkeling was, juist omdat zij zonder zonde was, het volmaakt voorbeeld van elke echt menschelijke ontwikkeling.
Zijn woord, op twaalfjarigen leeftijd uitgesproken, hoe eenvoudig en natuurlijk ook, stiet in Zijne moeder tegen een leven, dat zich op lager terrein bewoog, dan het Zijne. Hot getuigde van eene innigheid in Zijn omgang met God, die haar nog onbekend was. Zij had God nooit mijn Vader genoemd, en durfde dit ook nu niet doen. Zij had derhalve in haar eigen ervaring geen gegevens, om de ervaring van haar kind, wanneer Hij den diepen grond Zijns levens blootlegde, te verstaan. Zijne diepste ervaringen waren voor haar onbegrepen raadselen (Lukas 2 ; 50).
Gij begrijpt, hoe allengs in Jezus het inzicht moest toenemen, dat Hij een schat in zich omdroeg, dien niet één vrome in Israël kende. Eu hoe meer „Hij toenam in wijsheid en in genade bij Godquot; (Lnk. 2 : 52), des te duidelijker moest het Hem worden, dat Hij in eene betrekking tot God leefde, die aan Israël, en alzoo aan de gansche menschheid, tot nu toe onbekend was geweest. Het werd hem al duidelijker, dat niemand den Vader kende, dan Hij.
En nu moest, vanzelf, de vraag in Hem ontstaan, of deze geestelijke meerderheid boven allen geene verplichting met zich bracht. Wat door de wet was aangeduid, en door de profeten voorspeld, dat had Hij. Gods wet was in Zijn hart geschreven (Ps. 40:7 — 10; Jer. 31: 31 —34). Hij leefde in den zegen des toegezegden Nieuwen Verbonds. Israël kende dien zegen niet. De besten dorstten naar die gerechtigheid, maar misten haar allerpijnlijkst. Zij beseften, dat er nog een scheids-
ZIJX WOORD TOT JOHANNES DEN DOOPER.
muur was tusschen hen eo hunnen God . die uit den weg moest worden geruimd, eer zij tot eene bevredigende rust in God konden komen. Hoe stak Zijn innerlijk leven bij het hunne af! En hoe verlangde Hij er naar, dat ook zij in Zijn leven mochten deelen. Maai\' als Hij er van getuigde, dan begrepen zij Hem niet; dan was Hij, zelfs voor Zijne moeder, een raadsel. Het werd Hem al duidelijker, dat niets minder dan eene nieuwe gave van Boven noodig was, om hen ontvankelijk te maken, voor dat hooger en dieper leven, dat Hij genoot (Gal. 4 : 1 — 5).
quot;Wat bleef Hem over, dan Zijn Vader te bidden, den beteren tijd te doen aanbreken, dat Hij het hart des volks besnijden (Deut. 80 ; 6), en het Nieuwe Verbond invoeren zou (Jer. 31 : 31)? Intuschen zou Hij, stil en geduldig, terwijl Hij Zijn dagelijksch beroep voortzette, wachten, totdat de betere dag was aangebroken.
Maar die dag zou niet komen, vóórdat de Messias kwam, de Profeet, dien God uit het volk verwekken zou. En de Geest van God was juist in die dagen bezig in de vromen het voorgevoel te wekken van de nadering van dezen dag. Ja, op geheimzinnige wijze had zich dit voorgevoel van \'t gansche volk meester gemaakt. Zoodra Johannes de Dooper begon te verkondigen, dat het Koninkrijk der hemelen nabij was gekomen, en het volk opwekte, om zich te laten doopen met den doop der bekeering tot vergeving der zonden, begon de een den ander te vragen, of niet wellicht Johannes de Christus was (Luk. 8 : 15). Ja, de Joodsche Raad vaardigde eenigen naar hem af, om hem plechtig te vragen, of hij de Christus was (Joh. 1 :19-21).
Het spreekt vanzelf, dat niemand meer dan Jezus deze strooming des Geestes gewaar werd, en dat bij niemand meer dan bij Hem de heilige verwachting, het heilige voorgevoel, dat de Christus weldra verschijnen zou, door het optreden van Johannes den Dooper was versterkt.
En toen het Hem werd medegedeeld, of wel, toen Hij zelf het hoorde, dat Johannes aan het volk verkondigde, dat de
16
ZIJX WOORD TOT JOHAXNES DEX DOOPER.
Christus er reeds was. en op \'t punt stond om zich aan hen te openbaren: moest toen niet vanzelf de vraag bij Hem ontstaan: „Ben Ik niet de Christus, Ik die de erfgenaam ben van Davids troon, en aan Wien God innerlijk geleerd heeft, wat tot nog toe aan den beste der profeten onbekend is gebleven? Ben Ik niet de Profeet, wiens naaste voorlooper-Johannes is?quot;
Wij spreken met diepen eerbied uit, wat wij ons van Jezus\' innerlijke ontwikkeling denken. Hij nam in alles toe. Er was een menschelijke wasdom, ook in Zijne hoogere kennis. Ook de zekerheid, dat Hij is de Christus, is Hem niet op eens, onvoorbereid, in al hare klaarheid, geopenbaard. Ook de kennis dezer waarheid behoort tot de wijsheid, waarin Hij is toegenomen (Luk. 2 : 521.
En hebben wij geen recht te veronderstellen, dat juist in dezen tijd. Zijn Vader het zoo bestierde, dat Zijne moeder Hem de geschiedenis Zijner geboorte verhaalde, en de voorspellingen mededeelde, die aan Zijne geboorte waren voorafgegaan, en er op zijn gevolgd?
Zoo komt Hij tot Johannes in \'t heldere en klare besef, dat Hij de Christus is. \'t Is Hem natuurlijk tot Johannes te spreken, als die meer is dan Johannes, en alzoo meer dan alle profeten, ja dan alle menschen. Terwijl Johannes de oude bedeeling sluit, moet Hij de nieuwe aanvangen. Door Hem moet de vrome Israëliet den Doop des Geestes ontvangen, waardoor zijn geestelijk leven tot den hoogsten trap wordt gevoerd, en waardoor Hij ons leert, gelijk Jezus, met God als Vader te verkeeren (Gal. 4 : 1 — 6).
Maar let nu ook op, hoe in Jezus dit besef Zijner meerderheid vereenigd is met
DEN DIEPSTEN OOTMOED.
Hij spreekt Johannes niet uit de hoogte toe: „Laat nu af, want aldus betaamt het «, alle gerechtigheid te vervullen.quot; Hij plaatst zich ootmoedig, met Johannes, onder eene en dezelfde wet en zegt: „Het betaamt ons, alle gerechtigheid te vervullen.quot;
2
17
ZIJN WOOKD TUT JOHANNES DEN DOUPER.
Zoo ver \\Yij weten, heeft Je/Ais nooit op deze wijze tot eenig mensch gesproken. In \'t besef van het geheel eenige en eigenaardige in Zijne betrekking tot God, zeide Hij nooit: wij, maar Ik en gij; niet ons, maar mij en u. Tot Zijne moeder zeide Hij: „Ik moet zijn in de dingen Mijns Vadersquot; en niet „onzes Vaders. Na de opstanding heet het: „Mijn God en uw God, Mijn Vader en uw Vaderquot; en niet: „onze God, en onze Vader.quot; Waarom zegt Hij dan niet tot Johannes: „Het betaamt v, of u en mij, alle gerechtigheid te vervullen, ten einde zich alzoo, in \'t besef Zijner meerderheid, van Johannes af te zonderen? Omdat Hij hier spreekt in \'t besef van Zijne onderdanigheid aan de wet van God. als een Israëliet onder de Israëlieten.
Zoo is Hij tot nu toe, in \'t huisgezin, aan Maria en Jozef onderdanig geweest (Luk. 2 : 51). Hij meende nooit, dat Hij, omdat zoo veel Hem van Zijn broeders en zusters onderscheidde, minder verplicht was dan zij, aan eiken huiselijken regel zich te onderwerpen. Omgekeerd, niemand was te huis aan Maria en Jozef onderdaniger dan Hij. Dit behoorde tot het „zijn in de dingen Zijns Vaders.quot;
Het volk is de uitbreiding van het huisgezin. En wat God aan \'t volk gebiedt, dat gebiedt Hij aan een ieder, die een lid van het volk is. \'t Was uit gehoorzaamheid aan God, dat Hij met Maria en Jozef het Paaschfeest in Jerusalem was gaan vieren, en zich sedert als een vrome Israëliet aan alle Gods geboden en inzettingen onvoorwaardelijk onderwierp. Hij was door en door Israëliet. Hij verwerkelijkte volkomen het ideaal, dat God door de wet in den Israëliet had verwekt. Hij wandelde, als Zacharia en Elisabeth, „rechtvaardig voor God, in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijkquot; (Luk. 1 : 6). Terwijl er bij den vroomsten Israëliet nog altijd iets overbleef, dat hem beschuldigde, dat hij, op onvolkomen wijze, dit ideaal in zijn leven uitdrukte, kende Jezus deze beschuldiging niet. Zijne gehoorzaamheid aan Gods wetten en inzettingen was zoo volkomen, als Zijne
18
ZIJN WOORD TOT JOHANNES DEN DOOPER.
onderdanigheid aan Maria en Jozef. En die gehoorzaamheid was vooral daarom zoo volkomen, omdat zij zoo kinderlijk vrij en ongedwongen was. Geheel Zijn leven was, tot in de kleinste bijzonderheden, de ongedwongen en blijmoedige uitdrukking-van Zijn innerlijken zin.
\'t Is opmerkelijk dat Zijn woord tot Johannes, door en door, den echt Israëlitischen stempel draagt. Het ideaal dat Hij, vooral sedert Zijn twaalfde jaar, zich had gesteld, was: alle gerechtigheid te vervullen, dat is: eiken tittel en jota van Gods wil te volbrengen, hetzij die wil Hem door eene wettelijke inzetting, of door een profetisch woord, of door de luisterende stem hierbinnen, werd bekend gemaakt. Op dit oogen-blik gold het een profetisch woord (Luk. 3 : 2). \'t Was door den Geest des Heeren Johannes opgedragen, gansch Israël tot den doop der bekeering, tot vergeving der zonden, op te wekken. Als Israëliet, als een deel van het volk. was ook Hij geroepen zich te laten doopen. \'t Was een volksdoop, \'twas eene nationale doop, gelijk Israels godsdienst en godsdienstige verordeningen een nationaal karakter droegen.
Heeft Hij niet de influistering des verzoekers vernomen: Gij hebt niet noodig u te laten doopen, want Gij hebt geen behoefte aan zinsverandering, en Gij hebt geene zonde te belijden? Maar weet Hij ook niet, dat de godzalige Daniël (Dan. 9) en de godzalige Nehemia (Neh. 9) de zonden des volks voor God hebben beleden, alsof die hunne eigen zonden waren? Was Hij een zondaar, ja, dan had het besef Zijner meerderheid boven anderen hem kunnen verleiden om zich innerlijk van de overigen af te zonderen, en, van de hoogte Zijner eigen gerechtigheid, den doop dier ongerechtigen in den Jordaan te aanschouwen.
Maar dit was niet mogelijk. Juist omdat Hij zonder zonde was, besefte Hij , zoo als geen mensch het heeft kunnen beseffen, wat het was, één te zijn met Zijn volk, met de mensch-heid, met al wat vleesch van Zijn vleesch en been van Zijn been was. Johannes meende dat het beneden de waardigheid
19
ZIJX WOOED TOT JOHANNES DEN DOOPER.
is van Hem, die de Christus is, zich door een zondigen mensch, met andere zondige menschen, te laten doopen. Maar Hij verwerpt met heilige verontwaardiging deze beschouwing, en betuigt, met nadruk, dat Hij, met Johannes, geroepen is, als vrome Israëlieten, ten voorbeeld voor allen, Gods verordening te gehoorzamen. Slechts één ding past Hem.: te doen wat God gebiedt! Nooit heeft Johannes, die, naast Jezus, de uitstekendste Israëliet van dien tijd is geweest, zulk een diepen indruk ontvangen van het echt Israëlitisch karakter, als toen Jezus hem. den aarzelenden profeet, tegentrad met het korte en besliste woord: „Laat nu af, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen.quot;
Het kon niet anders, of de nederdaling in de rivier om, als elke zondige Israëliet, door Johannes gedoopt te worden, moest bij de menigte den indruk verwekken, dat ook Hij de eene of andere zonde aan God had te belijden. Hoe vernederend is dit voor den Rechtvaardige. Maar in Zijn diepen ootmoed is Hij van harte bereid, ten koste dezer vernedering, alle gerechtigheid te vervullen. Op dit oogenblik, waarin, buiten Jonan-nes, niemand Zijne verborgen heerlijkheid kon ontdekken, beleeft Jezus het toppunt van Zijn volmaakt Israëlitisch leven.
Maar ik heb nog niet het hoogste gezegd, als ik deze daad des Heeren de uiting van zijn diepen ootmoed noem. Zij was
DE GR00TE PRIESTERLIJKE DAAD
die Zijn profetischen arbeid in Israël moest inwijden.
De nationale doop moest de nationale belijdenis zijn, dat Israël als een volk jammerlijk had gefeild, en dat het niet worden kon, wat God wilde dat het worden zou, zoo net niet gedoopt werd met den Heiligen Geest. Het aardsch-Israëlitisch koninkrijk, sinds lang ontbonden, moest vervangen worden door „het hemelsch Koninkrijk.quot;
Niemand zag dit dieper in dan Jezus Christus, omdat Zijne opvatting van het echt Israëlitische leven de volmaakte was. Om, zooals God het van den aanvang had bedoeld, een Israëliet te zijn, moest men met God worden verbonden als
20
ZIJX WOORD TOT JOHAXNES DEN DOOPEK.
een zoon met zijn vader. Jezus alleen begreep dit, omdat voor quot;t eerst in Hem de kinderlijke geest tegenover God aanwezig was.
Hij gevoelde al dieper, van dag tot dag, hoe breed de klove was tusschen Hem en zejfs de besten in Israël. En terwijl Hij dit gevoelde, werd het Hem al duidelijker, dat Hij van den Vader in de wereld gezonden was, opdat door Hem zoowel de Israëliet als do heiden, het hoogere leven, dat Hij leefde, zoude deelachtig worden.
Maar, eer Hij aan den arbeid ging, moest Hij zich priesterlijk buigen onder de ellende Zijns volks. Hij moest die niet van de hoogte Zijner gerechtigheid beoordeelen. maar haar dragen in Zijne éénheid met Zijn volk. Hij moest de zonden der natie, als Zijne eigene aanzien, die verfoeien zooals niemand ze verfoeien kon, en die belijden, zooals niemand die belijden kon. Hij moest het Inirt Zijns volks — en laat mij er bijvoegen — der menschheid zijn. Wat de kranke en stervende leden niet, of slechts zeer gebrekkig konden gevoelen, dat moest het gezonde hart door en doorgevoelen, en priesterlijk voor God brengen.
Hij deed het. Hij gevoelde voor Israël, zooals geen Israëliet voor de natie gevoelen kon- Levende in een volkomen heilig verkeer met God, peilde Hij de onheiligheid Zijns volks, zooals niemand die pijlen kon. Het volkomen besef, dat Hij had van hetgeen den mensch past tegenover God en den naaste, was de spiegel, de weerklank, waaraan Hij Gods afschuw van Israëls zonde en Gods oordeel er over kende.
Maar er was ook iets anders in Hem. Hij liad een medelijden met Israël, zooals nog nooit een mensch heeft gehad. Er was in Hem geene zonde, die aan God belette. Hem Zijn eigen leven — Zijn eigen liefde — mede te deelen. Zijn medelijden was het beeld, waaraan Hij Gods medelijden met Israël erkende, \'t Was Hem duidelijk, dat Gods eeuwige liefde Hem in de wereld had gezonden, om wat verloren is tot God terug te brengen, om als het Lam Gods de zonde der wereld te dragen.
21
ZIJN WOORD ÏOT JOHANNES DEN DOOPEK.
En zoo droeg Hij, medelijdend, Israël, met al den last zijner zonden, priesterlijk voor God, alsof Israels zonden Zijne eigen zonden waren. In den Hoogepriester erkende Hij Zijne voorafschaduwing. Hij boog zich onder Israels zonden en bracht die voor God, niet omdat eene uiterlijke wet Hem daartoe dwong. Hij kon niet anders, \'t Was Hem iets gansch natuurlijks, dit te doen. Deze priesterlijke wet was de uitdrukking van Zijn innerlijk wezen.
Tot deze diepe opvatting moeten wij komen, om te verstaan, wat Jezus er mede bedoelde, toen Hij zeide, dat Hij aan Israels doop moest deelnemen, ten einde alle gerechtigheid te vervullen. Had Hij geweigerd dit te doen, dan had Hij Zijne onmacht verraden, om plaatsvervangend voor Israël bij God in te treden. En dan kon Hij Israels Verlosser niet zijn geworden. Alleen de echte Priester kan de echte Profeet en de echte Koning zijn.
Zoo was de doop voor Jezus de eerste stap op den weg, die eindigt met Zijn plaatsvervangend sterven aan het kruis.
En is er ééne les, die meer dan andere lessen, door den doop des Heeren, ons wordt geleerd, dan is het deze: dat wij geschikt zijn om aan \'t heil van anderen te arbeiden, naarmate wij ons priesterlijk onder hunne zonden kunnen buigen. Maar dan moeten wij ons door Jezus Christus van onze eigen zonden laten verlossen. De priesterlijke zin wordt alleen gevonden, waar het den mensch boven alles ernst is, alle gerechtigheid te vervullen.
Jezus Christus ontbindt in ons, die Hij verlost, de wet en de profeten, maar vervult die, door ons Zijne liefde mede te deelen, die de vervulling is van alle Gods geboden. Alleen in den weg van Gods geboden, worden ook wij tot heil van anderen, priesters, profeten en koningen.
22
GEDOOPT MET DEK H. GEEST.
GEDOOPT MET DEN HEILIGEN GEEST.
Luk. 3 : 21. 22. En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd. en Jezus gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd; en dat de Heilige Geest op hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante. gelijk eene duif. en dat er eene stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb ik Mijn welbehagen. Vgl. Joh. 1 : 32; Hand. 15 : 38.
De Geest daalde op Jezus neder, niet eene gave des Geestes. Hij daalde neder als de vertegenwoordiger des Vaders, of liever: de Vader zelf daalde in den Geest neder tot Jezus. God kon zich aan den mensch niet openbaren, en zich niet aan den mensch mededeelen, anders dan door den Geest. Alleen door den Geest kan er een persoonliik verkeer en een persoonlijke verbintenis zijn, tusschen God en mensch.
Wat bij Jezus\' doop in den Jordaan plaats had tusschen den Vader en den Zoon, dat zou later hier op aarde gebeuren tusschen den Zoon en die in Hem zouden gelooven. Toen Hij de aarde verliet, verwijderde Hij zich van Zijne jongeren slechts naar het vleesch, om door den Geest zich te inniger met hen te verbinden. Door de nederdaling des Geestes op den Pinksterdag, daalde de Zoon zelf tot hen neder. Hij deelde hun niet slechts enkele gaven of krachten des Geestes mede, maar den Geest en daardoor zich zeiven. Hij vervulde toen aan hen Zijne belofte: „Ik zal u geene weezen laten, ik kom weder tot u.quot; Wat de Geest in hen deed, dat deed Hij in hen door den Geest. Wat de Geest in hen sprak, dat sprak Hij in hen. door den Geest.
En zoo ging het Hem in dezen oogenblik. De nederdaling des Geestes was de. nederdaling des Vaders door dea Geest. En het woord des ATaders: „Gij zijt Mijn geliefde Zoon,quot; was niet maar een uitwendige klank, die zijn oor bereikte;
23
GEDOOPT MET DEN H. GEEST.
het was tevens de inwendige stem des Geestes, die de tolk, laat mij zeggen het spreekorgaan des Vaders in Zijn hart was. Hij was zich in dien oogenblik innerlijk bewust, dat de Vader zelf, door den Geest, van den Hemel tot Hem nederdaalde.
En dat deed de Vader niet, om Hem voor een oogenblik te bezoeken, maar om voor eeuwig in Hem te wonen. De Geest bleef op Hem (Joh. 1 : 32). God verscheen somstijds aan de aartsvaders met een of ander doel, en verdween dan weder. Hier is niet zulk eene Godsverschijning. Door zulke Godsverschijningen komt de volle vereeniging tusschen God en mensch niet tot stand. Zij komt alleen tot stand, waar God door den Geest tot den mensch nederdaalt, om door den Geest eeuwig in hem te wonen. Het verkeer van Jezus Christus met Zijne discipelen op aarde, was voor hen eene doorgaande Christusverschijning; maar door die Christusverschijning ontstond niet die volkomen band, die hen later aan Hem bond, sedert de nederdaling des Geestes op den Pinksterdag.
Het verkeer tusschen Jezus Christus en Zijn hemelschen Vader was altijd, naar zijn aard, volkomen. Hij nam in alles toe, ook in genade bij God, ook in den omgang met Zijnen Vader; maar Hij had nooit eene Godsverschijning noodig. Toen Hij, om iets bij name te noemen, op twaalfjarigen leeftijd,, door Zijne moeder in den tempel werd gevonden, wist Hij, dat Hij „in de dingen Zijns Vadersquot; was, niet door een Godsverschijning, maar door de stem Gods in Zijn binnenste (Ps. 51 : 8).
Daarom is deze nederdaling des Geestes voor Hem eene nieuwe, maar niet eene vreemde gebeurtenis. Die nederdaling was de voltooiing van de verbintenis, die er sedert Zijne geboorte, tusschen Zijn geest en Gods Geest, tusschen Hem en den hemelschen Vader had bestaan. De profeten worden door Gods Geest, als iets dat nog niet in hen woonde, aangegrepen en bekrachtigd om Gods woord te hooren, dat zij anderen hadden mede te deelen; waarna de buitengewone opwekking weer verdween. Het innerlijk aanschouwen der
24
GEDOOPT MET DKX H. GEKST.
dingen, die Zy te verkondigen hadden, behoorde niet tot hun gewoon, alledaagsch leven. God woonde niet in hen door Zijnen Geest.
Maar hier daalde Gods Geest neder tot de Hein toebereide en op Hem wachtende woning. Dit wordt aangeduid door het teeken, dat de nederdaling des Geestes vergezelde. Gelijk de duif zaehtkens nederdaalt op haar nest, zoo daalde Gods Geest, waarschijnlijk in een lichtglans, zacht en vriendelijk op Jezus neder.
De Vader verklaarde hierdoor: hier is de mensch, Dien Ik Mij bereid heb, om in Hem voor eeuwig te wonen. En Jezus ontving den Geest, niet in een toestand van verrukking of spanning, maar terwijl Zijn hart in \'t gebed, stil en kalm, uitging tot den Vader, dien Hij nimmer zoo nabij zich heeft gevoeld als nu. \'t Is hier eene wederkeerige ontmoeting tusschen Vader en Zoon.
Geheel het voorgaande leven des Zoons was eene voorbereiding voor dezen stond. Wat Hem allengs al duidelijker was geworden, dat bereikt nu de hoogste duidelijkheid, namelijk, dat de Vader in Hem woonde als in Zijnen Zoon,
En wat was het doel dezer nederdaling des Geestes?
Ik noem het de bevrediging eener ge voelde behoefte. In Jezus Christus is alles volkomen, bij name de ontwikkeling van Zijn geestelijk leven. En tot de volkomenheid dier ontwikkeling behoorde, dat Hij de kostelijkste gave des Vaders niet onwetend en onbewust ontvangt. Hij wordt voor die gave toebereid, door de ontwaakte en sterker wordende behoefte er aan. Hij heeft nooit gevoeld, dat er een breuke is tusschen Hem en Zijn Vader. Het menschelijk bewustzijn, dat er een God is, ontwaakte bij Hem als het bewustzijn, dat God Zijn hemelsche Vader is. Dit bewustzijn sprak Hij uit op twaalfjarigen leeftijd.
Intusschen achtte Hij zich, als echte Israëliet, geroepen in onderdanigheid aan den wil en de wetten des Vaders te wandelen. Hij was in \'t huisgezin zijnen ouders onderdanig (Luk. 2:51).
25
GEDOOPT MET DEN\' H. GEEST.
En \'t was uit onderdanigheid aan den hemelschen Vader, dat Hij zich door Johannes doopen liet. Er was niets gedwongens in Zijne gehoorzaamheid. Zij was volkomen. Hij droeg in zich altijd \'s Vaders goedkeuring; wandelde altijd in het vriendelijk licht van \'s Vaders aangezicht; er was nooit iets, dat scheiding maakte tusschen Hem en Zijnen Vader. Toch was Zijn leven niet de hoogste vorm van tiet geestelijk leven. Het was een leven onder de wet. Tusschen Hem en Zijnen Vader dacht Hij zich de wet.
Eindelijk kwam de tijd dat deze, laat mij hem noemen; Israëlitische vorm van het geestelijk leven, plaats zou maken voor een hoogeren, den hoogsten vorm. Hij moest onder Zijne volksgenooten wandelen, niet alleen als de gehoorzame knecht van God, maar ook als de Zoon, die één is met den Vader, in Wien de Vader woonde, en aan Wien de Vader openbaarde, wat Hij voor anderen verborgen hield.
Hij was het zicli al meer bewust geworden, dat Zijn innerlijk leven, nuf het tot volle rijpheid was gekomen, tot dezen hoogeren vorm moest overgaan. De drang naar dit nog inniger verkeer met den Vader, dan Hij tot nu toe had gekend, werd al sterker in Hem. En deze behoefte werd bevredigd, toen de Vader door den Geest tot Hem neerdaalde, om van nu al\' aan met Hem te verkeeren, als de Vader met Zijn mondigen Zoon.
Voor Hem werd de hemel geopend; tot Hem kwam de stem uit den hemel (Matth. 3 : 16). \'t Was eene zaak tusschen Hem en zijn Vader. Hij ontving den Geest, terwijl Hij bad. Johannes zag wel den Geest nederdalen, maar hoorde dit gebed niet.
Toen de Geest nederdaalde, beleefde Jezus den aanvang en de inwijding van liet innigste verkeer met God, waarvoor de menschelijke natuur vatbaar is. De Vader zette, in dezen oogenblik, de kroon op de gehoorzaamheid, waarin Jezus tot nu toe heeft gewandeld. Bij den eersten Adam is het tot deze blijvende inwoning des Geestes niet gekomen, omdat hij in zijne gehoorzaamheid heeft gefeild.
26
GEDOOPT MET DEN H. GEEST.
Ik zeide u, dat Jezus al sterker naar deze allerinnigste verbintenis met Zijnen Vader heeft verlangd. Maar ook de Vader zelf heeft dit begeerd. God schiep den mensch, met geen ander doel, dan om hem als zoon met zich te verbinden, en hem tot deelgenoot te maken van Zijne diepste, voor andere schepselen verborgen gedachten. En nu is er op aarde, voor het eerst, een mensch, die tot Zijn dertigste jaar, de proef der gehoorzaamheid heeft doorstaan, en in Wien God door Zijn Geest voor eeuwig kan komen wonen, om met Hem om te gaan als een vader met zijnen mondigen zoon. Met welk een vaderlijke vreugde betuigde de hemelsche Vader: „gij zijt Mijn geliefde zoon, in Wien ik een welgevallen gevonden heb.quot; Hij sprak dit woord, met het oog op geheel het voorgaand leven van Jezus, dat „de vervulling is geweest vair alle gerechtigheid.quot;
Maar wilde de Vader zich door den Geest op het allerinnigst met Jezus verbinden, alleen opdat de vreugde van Vader en Zoon vol zou zijn? Neen, van nu aan wil de Vader door den Zoon de verlossing des menschen uitwerken. Daartoe is deze inwoning des Geestes in Hem noodig. Hij wordt daardoor gewijd tot Zijn profetischen arbeid. Door den Geest in Hem zou de Vader Hem van oogenblik tot oogenblik de gedachten mededeelen, die Hij aan de menschen bekend moest maken. Er zijn ja, van tijd tot tijd, profeten geweest. Johannes zelf is een profeet, maar \'t ontbrak tot nog toe aan den profeet, die het wezen des Vaders kent tot op den diepsten bodem, en die de diepste gedachten des Vaders aan ons kan mededeelen. Jezus Christus is, als Zoon des Vaders, deze profeet. Hij is het tegenbeeld des Vaders. Wat de Vader is en denkt en doet. dat is en denkt en doet Jezus als het Beeld des Vaders. Die Hem, van nu af aan, ziet en hoort, ziet en hoort den Vader. Wat van geen profeet kan worden gezegd, dat is van Hem waar: niemand van hen heeft den Vader gezien, niemand kon ons Gods Vaderhart ontdekken; Hij alleen, de Eengeboren Zoon, die in den schoot
27
GEDOOPT MET DEN H. GEEST.
des Vaders is. Die en Die alleen, heeft Hem ons verklaard (Joh. 1 : 18).
Wie zal ons zeggen, wat in \'t gemoed van Jezus is omgegaan bij de gedachte, dat Hij van nu aan niet meer als de gehoorzame knecht in Israël zou wandelen; maar dat Hij als de Zoon, in woord en daad, ons den Vader zon openbaren; en dat de nederdaling des Geestes Zijne wijding tot deze allerhoogste taak is.
Nog meer. Hij zou niet alleen door \'t woord den Vader aan Israël openbaren, maar de Vader zou ook door Hem, als dooiden Middelaar tusschen Hem en de menschen. Zijne verlossende genade aan den mensch mededeelen. Dat Hij van nu af aan de gebondenen des satans van hchaams- en geesteskwalen verlost, dat schrijft Petrus toe aan zijne zalving met den Heiligen Geest bij Zijnen doop (Hand. 10 : 37. 38).
Maar, merkt wel, de krachten waardoor Jezus, van nu aan, op de menschen werkt, zijn niet gaven, die Hem voor een tijd zijn medegedeeld; maar die vanzelf voortvloeien uit Zijne verbintenis met God, als van den mondigen Zoon met den Vader. Omdat de Vader in Hem is en Hij in den Vader; omdat Hij en de Vader één zijn: daarom is het de Vader, die door Hem spreekt en werkt.
Alle middelaren, die er geweest zijn, en door wie onze God den mensch heeft gezegend , waren als schaduwbeelden van dezen Middelaar, in Wien de Vader in Zijne volheid woont, en uit Wien Hij die volheid over eene verloren wereld, tot hare redding, laat uitstroomen.
Hoe verheffend was het van Jezus te weten, dat het heil der wereld aan Hem was gebonden, van Hem afhing — dat de Vader de verlorenen alleen door Hem, den Zoon, redden kon!
\'t Is waar. Hij moet daartoe onder die verlorenen zich buigen, en voor hen hunne ellende en schuld dragen. Maar heeft Hij zich niet daartoe bereid verklaard, toen Hij zich met de zondaren en tollenaren doopen liet? Was deze nederbuiging onder den last van anderen, niet de openbaring van Gods
28
GEDOOPT MET DEN H. GEEST.
medelijden met den schuldigen mensch? Is er iets goddelijkers in God, dan Zijne nederbuiging tot den schuldige, om hem van Zijn schuld en vloek te verheffen ? Er is tot nu toe in \'t leven van Jezus geen daad geweest, waardoor Hij meer Zijne eenheid met den Vader heeft getoond, dan door deze neder-daling door den doop, tot onder den schuldenlast van het schuldige volk. Johannes kon niets van Hem zeggen, dat goddelijker was, dan dat Hij het Lam Gods was, dat de zonden der wereld wegneemt (Joh. 1 : 29).
De nederdaling des Heiligen Geestes op den Pinksterdag, is voor de discipelen des Heeren geweest, wat de nederdaling des Heiligen Geestes op Jezus bij Zijnen doop voor Hem was. \'t Is opmerkelijk dat de Heiland deze mededeeling des Geestes, waardoor Hij en de Vader in hen, als in zonen Gods, zijn komen wonen, verbond aan hunne gehoorzaamheid aan Zijne bevelen (Joh. 14 : 15, 16. 23). Prent het diep in uwe harten, dat de diepere openbaringen des Zoons aan de geloo-vigen, hand aan hand gaan, met een wandel van nauwgezette gehoorzaamheid. Hier vooral, waar wij zien, hoe de Vader zich, zooals nooit te voren, aan Zijn gehoorzaam kind openbaart, herinnert Gods Geest ons aan \'t woord onzes Heeren: .,Die Mijne geboden heeft en dezelve bewaart , die is het die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft zal van Mijnen Vader geliefd werden, en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mij zeiven aan hem openbaren (Joh. 14 : 21).quot;
29
VERZOCHT IN DK WOESTIJN.
IV.
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
Lukas i : 1-13.
Omdat het leven van Jezus door en door menschelijk was, daarom was het onderworpen aan de wet, waaraan \'s menschen leven van den aanvang af onderworpen is geweest, namelijk de wet der verzoeking. Als de eerste mensch, zoo staat ook Hij aan den ingang Zijner roeping, zonder zonde, en moet ook Hij, eer Hij die roeping aanvaardt, worden verzocht. Omdat Zijne roeping de heerlijkste aller roepingen is, daarom is Zijne verzoeking de zwaarste aller verzoekingen.
Men kan zeggen, dat alle verzoekingen tot twee terug te brengen zijn. namelijk: of wij naar de ons toegedachte gave eigenmachtig grijpen willen, of, als wij de gave hebben ontvangen, haar eigenmachtig gebruiken willen.
In de eerste dezer twee beproevingen is de eerste mensch bezweken, en daarom is hij niet gekomen tot de stelling, die de Vader den mensch heeft toegedacht. Jezus, de tweede mensch, heeft in deze verzoeking overwonnen. Hoewel Hij zich bewust was, dat Hij bestemd was, de stelling, die Hem als Zoon van God past, in Israël in te nemen, zoo strekte Hij zich niet eigenmachtig, gelijk Adam gedaan heeft, er naar uit. Hij wachtte op den doop des Geestes, gelijk elk ander Israëliet, en onderwierp zich, als deze, aan den doop van Johannes. Maar nu moet Hij besluiten, hoe Hij de nieuwe gave, die Hij door den doop des Geestes heeft ontvangen, zal gebruiken, hoe Hij zich gedragen zal in de nieuwe stelling, waartoe Zijn Vader Hem heeft verhoogd.
•Ik zeg: de gave, die de Vader Hem heeft gegeven, de stelling, waartoe de Vader Hem hoeft verhoogd. Gij moet niet vergeten, dat de Heiland nimmer zich zelven tot de eene of andere stelling heeft verheven — ook niet tot de plaats, die
30
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
Hij nu aan \'s Vaders rechterhand bekleedt, \'t Is de Vader, die Hem tot eenen Heer en Christus gemaakt heeft (Hand 2 : 36).
Zooals Jezus elke gave ontving, zoo gebruikte Hij die ook. Alles, wat de Vader Hem schonk, was voor Hem eene vrije liefdegave, die Hij niet anders gebruikte, dan in gehoorzaamheid aan den Vader. Aan \'t einde Zijns levens zeide Hij tot Zijne discipelen: „Indien gij Mijne geboden bewaart, zoo zult gij in Mijne liefde blijven, gelijk Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijne liefdequot; (Joh. 15 : 10). Hij deed niets naar Zijnen eigen wil. Hij bleef in alles van den Vader zoo afhankelijk, als iemand, die letterlijk niets had en niets vermocht. Hij was \'s Vaders eigendom. Wat Hij had, dat had Hij rer eere Zijns Vaders. De Vader moest, van oogenblik tot oogenblik, geheel en al over Hem beschikken. Hij dreef niets op eigen hand. Hij volgde slechts, waar de Vader voorging. Ook nu, aan \'s Vaders rechterhand, is de plaats, die Hij bekleedt, aan \'t hoofd van alle schepselen, voor Hem eene gave des Vaders, waarover Hij niet naar willekeur, maar naar den wil Zijns Vaders beschikt.
In de woestijn werd Hij op dit punt verzocht. Eer Hij Zijne roeping als Zoon Gods aanvaardde, moest Hij beslissen over de wijze, waarop Hij dit doen zou. Het gold ,de vraag of Hij, tegenover den Vader, niets, en de Vader alles zijn zou.
Tot driemalen tracht de satan Hem tot een ander beginsel, een anderen weg, eene andere praktijk te voeren. Den eersten keer wil hij, dat Jezus zich door de Hem toegevloeide wondermacht uit Zijnen nood redden zou. Hij komt tot Jezus, zoo denk ik mij de zaak, als een engel des lichts, die aan het twijfelen is geraakt, of Jezus wel de Zoon van God is, en begeert dat Hij hem, en de engelenwereld met hom, van allen twijfel verlossen zal, door steenen in brooden te veranderen. En wat antwoordt Jezus? Dat Hij niet, sedert den doop des Geestes, de macht over de natuur, die Hij zich bewust is, heeft ontvangen, om daardoor minder afhankelijk van God te wezen dan eenig
31
VEKZOCHT IX DE AVOESÉl\'UX.
ander mensch. Hij blijft, met al de gaven, die Hem van anderen onderscheiden, als alle andere menschen, geheel en al van God afhankelijk. Hij hangt niet af van de kracht, die Hij heeft, maar die Hij van oogenblik tot oogenblik van God ontvangt. Hij heeft zich Gode, als een kind zijnen vader, overgegeven, en moet, met kinderlijke gehoorzaamheid en vertrouwen, aan \'s Vaders hand wandelen. En is niet Israels geschiedenis in de woestijn, ook voor Hem, tot navolging geschreven? Toen het Israël aan brood en water en vleesch ontbrak, voorzag God toen niet onmiddellijk in dien nood? Waartoe maakte God Israël, voor een tijd, los van al de overige volkeren, en waarom voerde Hij het in eene woestijn, waar-het niet, als de overige volkeren, zijn onderhoud vinden kon? Was het niet, opdat het leeren zou, hoe liet geheel en al van God afhing, en hoe de mensch niet alleen bij brood leeft, maar bij alle woord, dat uit Gods mond uitgaat (Deut. 8:3)? Was liet niet daarom, dat God Israël Zijn zoon heeft genoemd (Exod. 4 : 22)? Zich aan \'t voorbeeld van Israël spiegelende, weigerde Jezus, op eigen hand en door eigen kracht, zich uit Zijnen nood te redden.
Veronderstel, dat Mij aan den Verzoeker had gehoor gegeven; dan was het gebleken, dat Hij niet geheel en al den Vader onderworpen en overgegeven was; en dan moest de Vader Hem weer ontnemen, wat Hij Hem sedert den doop des Geestes gegeven had; dan was Hij niet langer de tempel des Heiligen Geestes; en met den val ook van dezen Tweeden Adam was alles verloren!
Door echter deze eerste verzoeking te overwinnen, werd de band nog nauwer toegehaald tusschen Hem en Zijnen Vader, en werd Hij toebereid tot de overwinning, ook bij de bange verzoeking in Gethsemane.
In den Aveg, dien Jezus hier gekozen heeft, is Hij blijven leven en werken op aarde. Hij heeft duizenden wonderen verricht, waardoor Hij anderen hielp; maar nooit een enkel wonder, om zich zeiven uit den nood te redden. In Zijn eigen belang
82
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
was Hij willen- en machteloos — was Hij niets. Hij heeft het meermalen betuigd, dat Hij niets uit zich zeiven vermocht. En wat Hij deed tot bestwil van anderen, dat schreef Hij nooit aan Zich zei ven toe, maar altijd aan den Vader, Die in Hem woonde, en door Hem sprak en werkte (Joh 5 : 19, 26, 27, 80).
Welk eene éénheid met den Vader!
In de tweede verzoeking \') richt de satan zijn pijl op het kinderlijk vertrouwen van Jezus, zooals het juist door de eerste verzoeking sterk voor den dag is gekomen. Hij wil dat Jezus zich van de tinne des tempels zal afwerpen, om daardoor te doen blijken, dat Hij de Zoon van God is, althans dat Hij zelf gelooft, dat Hij dit is. En waarom zou Hij dit niet doen ? Mag Hij zich niet verlaten op de hem toegezegde hulp der engelen (Psalm 91 : 11)? Doet Hij dit, dan maakt Hij toch niet een eigenmachtig gebruik van Zijne eigen kracht, dan blijft Hij ootmoedig God, en God alleen vertrouwen. Maar wat antwoordt Jezus den verzoeker? Dat zulk eene daad een verzoeken van God, een tergen van God, een opwekken van Gods toorn zou zijn, gelijk Israël God verzocht heeft, toen het tegen Mozes en alzoo tegen God twistte, omdat er te Mara geen water was (Deut. 6 : 16). Alleen op Gods wegen, en niet op eigengekozen paden, mag de mensch zich verlaten op Gods trouwe hulp. Zoo lang de Vader Hem niet beveelt, zich van de tinne des tempels af te werpen, mag Hij dit niet doen. Onder \'s Vaders bestiering kwam Hij hier, en Hij moet wachten om te zien, hoe Hij, onder \'sVaders bestier, weer hier vandaan komt. Zoo had Israël moeten wachten om te zien, hoe God het zou redden uit de moeie-lijkheden der woestijnreize.
En aan dat beginsel is de Heiland blijven vasthouder tot aan het einde toe. Hij heeft nooit iets gewaagd, meenende dat Hij, daar Hij Gods Zoon was, recht daartoe had. Iets
1) Wij houden ons aan de orde bij Mattheus.
33
3
V BEZOCHT IN DE WOESTIJN.
buiten God om te wagen is God verzoeken. Hij wandelde oprecht als de duif, en voorzichtig als de slang. Hij tartte geene vervolgingen uit. Hij ontweek die, totdat de Vader Hem beduidde, dat de ure om te lijden was gekomen.
Hoe licht waagt de dienstknecht des Heeren iets, meenende dat Hij beloften en goddelijke hulp heeft, die anderen niet hebben. De Heiland ontkwam aan dezen strik alleen daardoor, dat Hij, hoewel Hij de Zoon was, zich op grond daarvan nooit iets heeft aangematigd, en, als ware Hij de geringste onder de geringen, in kinderlijke gehoorzaamheid, aan\'s Vaders hand, heeft gewandeld.
Nu komt de derde verzoeking. De pijl wordt afgericht op de voorzichtigheid van Jezus, die zooeven aan den dag is gekomen. De satan toont Hem welk eene macht hij (de satan) in de wereld heeft. Zal het nu niet gewaagd zijn, het werk, dat Hem in deze wereld is opgedragen, te beginnen, zonder vooraf met den vorst dezer wereld, een verdrag te hebben gesloten ? En \'t is niet veel, dat de Vorst dezer wereld eischt. Eene enkele kniebuiging, en \'t is genoeg. En dan kan Hij er op rekenen, dat de Vorst dezer eeuw, der eere zat, geene eer meer bij de menschen zoeken zal. Hij zal gaarne al zijnen invloed gebruiken, om de eer, die de wereld hem tot nu toe heeft bewezen, op Jezus te doen overgaan.
Hier viel den engel het masker van \'t gelaat. Zijn woord, hoe fijn ook overlegd, maakte hem terstond openbaar; en Jezus verdreef hem van zich, met dit bestraffend woord; „Ga weg van Mij, satan! want er is geschreven: Gij zult den Heer uwen God aanbidden, en Hem alleen dienen.quot;
Tegenover de verleidelijke taal van den afvalligen engel, laat zich de loyaliteit des Zoons te krachtiger gelden. Zijne trouw jegens den Vader steekt te heerlijker af, bij de ontrouw des verzoekers.
En zoo bleef Jezus tot aan \'t einde toe, het voorbeeld van trouw jegens God. Hij heeft in de verste verte geen bondgenootschap willen sluiten, met eene enkele bestaande macht
34
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
in deze wereld. Hij alleen was de Getrouwe onder de ontrouwen. Hij wist van geen transigeeren, van geen heulen met de onheilige wereld. Hij eischte van een ieder, die zich als discipel bij hem wilde aansluiten, niets minder dan deze getrouwheid aan God.
Deze trouw jegens den Vader kostte Hem een aaneengeschakeld lijden, tot den dood des kruises toe: maar niets kon Hem bewegen, iets te spreken of te doen, om de gunst dei-onheilige wereld te winnen. Hij boog zich voor God alleen. Hij diende God alleen. Hij verachtte al wat niet door Zijn Vader werd goedgekeurd, al werd het ook door de gansche wereld toegejuicht. Hij had eerbied alleen voor de dingen, die den Goddelijken stempel droegen, al zag Hij ze in een vorm, die, voor \'t oog der wereld, geen gedaante of heerlijkheid had.
Hoe vaak hebben de dienaren des Heeren op dit punt gefeild, en gemeend de goede zaak te kunnen dienen, met de hulp van wat God niet goedkeuren kon.
Laat mij u op een paar bijzonderheden wijzen in deze geschiedenis der verzoeking van Jezus.
Lukas leidt haar aldus in: „En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van den Jordaan, eh werd door den Geest geleid in de woestijn.quot; Wat bedoelt hij er bij, als hij zegt, dat Jezus vol was van den Heiligen Geest? Hetzelfde, wat hij er bij heeft bedoeld, toen hij later van de honderdentwintig zeide: „Zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest,quot; en van Petrus, dat hij tot den Joodschen Kaad sprak „vervuld zijnde met den Heiligen Geest,quot; en van de gemeente, tot wie Petrus en Johannes van den Raad waren teruggekeerd, „dat zij allen werden vervuld met den Heiligen Geest, en het Woord Gods met vrijmoedigheid sprakenquot; (Hand. 2:4; 4:8, 81). Jezus beleefde nu een der hoogtepunten, ja het glanspunt bij uitnemendheid, in Zijn leven, waarin Hij, in
35
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
meer dan gewone mate, onder de ingeving, de inspiratie, des Geestes stond. Al wat dan ook in de woestijn voorviel was van zeer buitengewonen aard.
Deze buitengewone mate van de inspiratie des Geestes, geëvenredigd aan de buitengewone beteekenis van dien oogen-blik, moeten wij onderscheiden van de gewone leiding dooiden Heiligen Geest. Het buitengewone kenmerkt gewoonlijk den aanvang van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van Gods Koninkrijk. Daarna volgt het meer gewone; maar in \'t gewone blijft dan de gave, die op buitengewone wijze den mensch was medegedeeld. Israël blijft, na zijn uittocht uit Egypte, tot bestwil der overige volkeren, een afgezonderd en aan God gewijd volk; en zoo blijft de gemeente, tot heil der wereld, het lichaam, waarvan de verhoogde Christus het Hoofd is: maar de buitengewone teekenen, die den uittocht uit Egypte, en de uitstorting des Heiligen Geestes vergezelden, zijn er niet meer. Zoo lezen wij niet meer — om met Mat-theus en Markus te spreken — dat Jezus door den Geest ergens heen wordt weggeleid of uitgedreven, om daar, afgezonderd van de menschenwereld, des te nader bij God en de engelen te zijn. Maar Jezus blijft onder de leiding des Geestes. Geheel Zijn volgend leven draagt het kenmerk, dat de Heilige Geest op Hem is neergedaald\', om aan alles, ook het meest gewone, dat Hij doet, eene hoogere wijding te geven. Hij is niet maar nu en dan, in zeer treffende oogen-blikken, maar altijd en overal, de door den Heiligen Geest geheel en al aan God gewijde, de Gezalfde des Heeren. De Geest, die op Hem is neergedaald,i s op Hem gebleven (Joh. 1 : 32; Luk. 4 : 18, 21).
Eene andere bijzonderheid is \'t gebruik, dat Jezus maakte van de Heilige Schrift. Wij stellen ons niet voor, dat Hij de rollen der verschillende bijbelsche boeken bij zich had. Na een dertigjarigen omgang met de Heilige Schrift, is haar inhoud in Zijn geheugen en hart geprent. En zoo ooit, dan is het nu, dat Gods Geest Hem inleidt in de Schrift, en zoo
36
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
wordt het Hem duidelijk, dat dit zijn veertig dagen lange verblijf in de woestijn, tot tegenhanger heeft Israels verblijf in de woestijn gedurende veertig jaren. G-elijk Israël in de woestijn, door Gods buitengewone leiding, werd voorbereid voor de taak, die het, als het profetisch en priesterlijk volk, under de volkeren der aarde, in Kanaan te vervullen had; zoo moest Hij, onder Gods buitengewone leiding, gedurende deze veertig dagen, worden voorbereid voor de taak, die Hij, tot heil der wereld, te vervullen heeft als de profeet en de priester des Heeren. \'t Is daarom, niet maar op de klank af, dat Hij van die woorden zich bediende, welke Mozes tot Israël in de woestijn heeft gesproken. De Heilige Schrift was voor Hem meer dan eene breede tekstenrol. Hij zag Zijn eigen leven en roeping er in weerspiegeld. Hij haalde die woorden aan, omdat Hij Zijne eigen overtuiging niet beter dan in die woorden, die Hij juist in die dagen overdacht, wist uit te drukken. Men kan een bijbeltekst aanhalen, zonder zijn geestelijken zin te vatten, en daarin den levenden weerklank te vinden van Zijne eigen, door Gods Geest gewrochte, overtuiging. Jezus sprak Zijn eigen overtuiging in de taal der Heilige Schrift uit. zoo vaak Hij zich daarvan bediende. Het was Hem in de eerste plaats te doen, om te weten\'wat God Hem, in den tegenwoordigen oogenblik, door Zijnen Geest leerde. Zonder deze leering des Geestes, was de taal der Schrift voor Hem een doode letter gebleven, ook al zou Hij haar met groote nauwkeurigheid hebben nagesproken. De Schrift was Hem dierbaar, omdat de Geest, waaruit zij is ontstaan, de Geest van God is, onder Wiens leering en leiding Hij wist, dat Hij zich bevond.
En omdat Jezus op deze levende en geestelijke wijze met de Heilige Schrift omging, daarom zocht Hij niet altijd, als Hij eenen tegenstander moest beantwoorden, angstvallig naar een schriftwoord. Sommige Zijner treffendste woorden, waarmede Hij den mond Zijner tegenstanders stopte, werden, op \'t oogenblik, voor \'t eerst in Hem geboren. Denk, onder an-
37
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
dere, aan Zijn woord omtrent den plicht, om den keizer schatting te betalen.
Nog ééne opmerking. Die, evenals Jezus, zijn weg bewandelt onder de leiding des Heiligen Geestes, zal het niet moeielijk vinden Gods wil te weten, als hij in verzoeking komt om tegen Gods wil te handelen. Alles hangt in de ure der verzoeking af van de houding, die wij tegenover God hebben aangenomen.
Geheel het leven van Jezus, tot Zijn dertigste jaar, was onbepaalde gehoorzaamheid aan Zijnen Vader. In den weg dezer gehoorzaamheid, werd Hij, wat Hij geworden is, in onderscheiding van Zijne tijdgenooten (Hebr. 5 : 8). Alles wat er goeds of uitstekends in Hem was, dat zag Hij aan als iets, dat aan den Vader alleen, en geheel en al, behoorde gewijd te zijn; omdat Hij al wat Hij was en had, geheel en al aan Zijn Vader had te danken; omdat alles \'s Vaders vrije gave was.
Langs dezen weg werd Hij er toe voorbereid, om, in den doop door Johannes, zich als Zoon Gods, als de Christus Gods, gansch en al aan den Vader en aan \'t volk te wijden. Zijne leuze was: niet Ik; maar Mijn Vader; Ik niets. Mijn Vader alles.
En wat Hij nu in de verzoeking te doen had, was, te blijven in deze houding, die Hij, vooral in den doop, tegenover den Vader had aangenomen, toen de Heilige Geest op Hem was nedergedaald, en de Vader zelf Hem had gewijd tot de roeping, die Hij van nu af aan als Zoon van God heeft te vervullen. Zoolang Hij in die houding bleef, zou Hij blijven in de gemeenschap met den Vader, waarin de Vader alles is voor Hem: het licht en de kracht, die Hij van oogenblik tot oogenblik van noode heeft. In deze houding tegenover den Vader ziet Hij, bij \'t licht, dat van \'s Vaders aangezicht straalt, Zijn pad als een lichtstreep tusschen alle donkere zijpaden. Zijn geestelijke smaak was, in den weg der algeheele gehoorzaamheid aan den Vader, zóó ontwikkeld, dat Hij terstond kon proeven, wat in strijd was met de leus Zijns
38
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
levens: „Ik niets, de Vader alles.quot; Hij heeft in volkomenheid de waarheid ondervonden, dat den oprechten het licht opgaat in de duisternis.
Onze God geve ons genade tot deze onbepaalde gehoorzaamheid, en algeheele overgave en toewijding aan Hem.
V.
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
De verzoeking van Jezus in de woestijn is eene zoo belangrijke gebeurtenis, dat wij nog eens uwe aandacht er bij willen bepalen. Hij werd ook verzocht als ons Voorbeeld. Aan Zijne verzoeking zien wij, wat onze verzoekingen betee-kenen.
\'t Is niet bij uitzondering, dat wij i n d i t g e w i c h t i g o o g e n-blik van Zijn leven de engelen bij Hem aantreffen. Het menschelijk leven is niet los te maken van de engelenwereld. De geopende hemel bij Jezus\' doop doet ons denken aan de nederdaling van engelen op Hem. In de woestijn dienden zij Hem. Tot Nathanaël sprak Hij van \'t opklimmen en \'t nederdalen der engelen op Hem. In Gethsemane kwam een engel Hem versterken. Ook bij Zijne opstanding dienden de engelen Hem.
En \'t is niet bij uitzondering, dat wij de eagelen bij Jezus aantreffen. Zij zijn altijd bij Gods kinderen. Herinner u de ervaringen van Petrus en Paulus (Hand. 12 : 7; 27 ; 23), en vooral de verklaring van Jezus, dat de engelen zich verblijden over de bekeering des zondaars.
Ja, de engelen zijn dienende geesten, die uitgezonden worden tot dienst van hen, die de zaligheid beërven zullen
39
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
( Hebr. 1 : 14). De engel des Heeren legert zich om degenen, die Hem vreezen (Ps. 34 : 8).
Zeg niet, dat gij geen engel gezien hebt. Hebt gij Jezus Christus en Zijnen Vader gezien? En toch wonen zij bij u, zoo gij wandelt naar den wil des Heeren (Joh. 14 : 20).
Het moet u genoeg zijn, dat het leven van Jezus, Die u in alles is gelijk geworden, uitgenomen de zonde, u geopenbaard heeft, dat, waar een mensch is, die God vreest, ook de goede engelen zijn, om, waar het noodig is, hem den eenen of anderen dienst te bewijzen.
Hebben niet vaak stervenden op treffende wijze getuigd, dat zij van engelen waren omringd?
Calvijn verkeerde onder een zeer diepen indruk, dat ook de heilige engelen getuigen zijn van onze daden.
\'t Is geen ijdele inbeelding, als de geloovige de engelenwereld niet verre van zich, maar bij zich denkt.
En het oefent op ons een zeer heilzamen invloed uit, als wij nooit vergeten, dat wij zijn omgeven van deze hoogere wezens. Aan de dwaling der engelen-aanbidding ligt deze waarheid ten grondslag. Zonder deze waarheid zou ook deze dwaling niet bestaan.
\'t Is iets verheffends, de engelen bij ons te denken, in oogenblikken van hooge vreugde of van diepe smart, en vooral in de ure der verzoeking.
Hoe gansch anders wordt voor ons de gedaante der woestijn, zoodra wij ons Jezus voorstellen als in \'t midden der heilige engelen, die op Gods wenk wachten, om Hem op engelen wijze te dienen.
Maar wij komen ook met booze geesten in aanraking, om door hen verzocht te worden.
Het menschelijk leven kan niet worden wat het wezen moet, zonder de verzoeking door den duivel. God heeft het menschelijk leven daarop aangelegd. Ook al was er geen zonde, dan was er toch verzoeking. Adam werd verzocht vóór zijnen val. En Jezus, de Onzondige, werd verzocht in de woestijn.
40
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
Het komt er niet op aan, of de mensch ziet dat de duivel en de booze engelen de hand hebben in al zijne verzoekingen. De verzoeking blijft daarom wat zij is. \'t Is ons genoeg, dat Jezus Christus heeft getuigd, dat Hij door den duivel is verzocht. Deze getuigenis openbaaart ons, wat ons anders wellicht was verborgen gebleven: dat de booze geesten hunne hand hebben in de verzoekingen der kinderen Gods.
Wat is het doel der verzoeking? Door den strijd, dien de verzoeking met zich medebrengt, moeten wij te vaster wortelen in datgene, wat goed en recht en waar is. Juist door de verzoeking worden deze hoogere gaven, deze eeuwige goederen, ons onvervreemdbaar eigendom.
Waarin bestaat dan de verzoeking? Dat zij, zich hechtende aan wat goed en recht en waar is in ons, op eenen weg ons voeren wil, waar wij deze goddelijke gaven verliezen moeten. Denk aan de verzoeking van Jezus. De Vader had bij den doop verklaard, dat Hij Gods Zoon was. Daaraan knoopte zich de verzoeking vast. Maar had Hij aan haar gehoor gegeven, dan zou Hij juist den weg hebben betreden, waarop Hij niet Gods Zoon had kunnen blijven. En zoo knoopte zich bij den eersten mensch de verzoeking aan zijne bestemming, om aan God gelijkvormig te worden.
Is er in den mensch niet meer iets, dat goed of waar of recht kan geheeten worden, dan kan hij ook niet meer worden verzocht. Dan zondigt hij, omdat het zondigen hem eene behoefte en een lust is geworden. Zulk een mensch kan verzoeken, maar niet verzocht worden.
Het is derhalve uit den aard der zaak, dat verzoekingen op Gods genade betooningen volgen. Aan de verzoeking van den eersten mensch ging het ontvangen der uitnemendste gaven uit Gods volheid vooraf. De eerste groote verzoeking van Jezus volgde op de heerlijke openbaring des Vaders aan Hem bij Zijnen doop.
Verwonder u daarom niet, dat tijden van herleving door zware verzoekingen worden gevolgd. De gevaarlijkste dwa-
41
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
lingen hechten zich in den regel aan de gezegendste herlevingen.
En het bevreemde den geloovige niet, dat hij verzocht wordt om juist die waarheid los te laten, die hem, in eene bijzondere mate, met haar heilrijk licht begint te bestralen; of om juist van dien goeden weg af te dwalen, waarop hij pas, door Gods genade, den voet heeft gezet.
Is de verzoeking grondig overwonnen, dan keert zij in dienzelfden vorm niet weder.
Jezus is niet weder verzocht op dezelfde wijze, als in de woestijn. Het doel der verzoeking was, hem te doen beslissen, in welken geest hij Zijn werk verrichten zal. Toen dit was uitgemaakt, heeft de duivel Hem niet weer op dit punt verzocht. De verzoeking was voleindigd, en \'de duivel week van Hem (Luk. 4 : 13). Hij werd in Zijn werk door geene verzoekingen van dezen aard meer belemmerd.
Dit niet alleen. ïoen Hij als overwinnaar uit deze verzoeking trad, aanvaarde Hij Zijn werk met die nieuwe gaven — de profetische inspiratie en de goddelijke wonderkracht — die tot Zijn buitengewone taak werden vereischt.
Waarom is het, dat aan zoovele geloovigen een vaste vrede en een bestendige vreugde en een onbeneveld licht ontbreken ? Omdat zij den verzoeker niet hebben overwonnen, in de eene of andere bepaalde verzoeking, waarin zij hem hadden moeten overwinnen. Hierdoor zijn zij min of meer in zijne macht gebleven, en wandelen zij als kreupelen en gebondenen in den weg des Heeren. De bepaalde verzoeking heeft bij hen niet gansch en al Gods doel uitgewerkt, en werd alzoo niet voleindigd.
Laat \'mij u de zaak ophelderen. De proponent moet eens voor altijd beslissen in welken geesb hij levenslang zijn werk verrichten zal. Wat gebeurt? Hij ontvangt twee beroepen, het eene zeer aantrekkelijk voor het vleesch, terwijl het andere hem niets dan een leven van zelfverloochening voorspelt. Maar eene stem Gods zegt hem in zijn binnenste, dat zijn
42
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
dienst het meest vereischt wordt waar er niets is, dat het vleesch bekoren kan. Het kost hem een langen en bangen strijd om aan Gods stem gehoor te geven. Eindelijk komt hij er toe, met verloochening van allen eigen wil en zin, zich gansch en al Gode dienstbaar te stellen. Wat gebeurt er, zoodra hij, met een volkomen hart, dit offer Gode heeft gebracht? Dat de strijd door een onuitsprekelijken vrede wordt gevolgd; dat zijne vreugde in God grooter is dan ooit te voren; en een nieuwe toevloed van licht en kracht hem ten deele wordt. En terwijl hij in dezen geest zijn werk verricht, wordt het hem, van dag tot dag, al gemakkelijker den weg der zelfverloochening te bewandelen.
Maar veronderstel, dat hij aan den verzoeker had toegegeven, en het andere beroep aangenomen; wat dan? Dan zou hij, naarmate hij een teederder geweten heeft, des te ongelukkiger zijn in zijn bekoorlijken werkkring. Het verwijt zijns Heeren zou hem altijd hinderen. De verzoeker zou groote macht over hem behouden. Zijne vreugde zou, vooral onder moeielijkheden, gedempt, zijn licht beneveld, zijne kracht gebroken zijn. En \'t is mogelijk, dat die ééne nederlaag aan den ingang van zijn openbaren arbeid, oorzaak wordt, dat eene donkere wolk levenslang over hem zweven blijft.
Gij verstaat mij. Met ééne verzoeking is het niet afgedaan. Geheel het leven is in zekeren zin eene doorgaande verzoeking. Maar er zijn bepaalde verzoekingen, die slechts eenmaal kunnen worden doorgestreden, om dan voor altijd door een bepaalden zegen te worden gevolgd.
Er zijn ook opklimmingen in de verzoekingen, gelijk er opklimmingen zijn in het geestelijk leven. Er was eene verbazende klimming tusschen de eerste en de tweede groote verzoeking des Heeren. De overwinning in de eerste verzoeking baande hem den weg tot de overwinning in de laatste, die Hij in Gethsemane heeft doorgestreden.
Gij kunt niet vooruit berekenen, hoe ver zich de gevolgen uitstrekken der overwinning, die gij in eene bepaalde ver-
43
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
zoeking behaalt, welke die verzoeking ook zijn moge.
Daarom bid ik u toe, dat in elke verzoeking, die over u komt, ook van u mag gezegd worden, dat de verzoeking bij u tot de voleindiging is gekomen, en de verzoeker van u is geweken, omdat hij, op dat bepaald punt, geen vat meer op u had.
Zien wij welk een zegen elke verzoeking bestemd is met zich te brengen, dan verstaan wij, waarom Jacobus ons opwekt tot blijdschap wegens de verzoekingen. Maar laat ons niet vergeten, dat eene verzoeking heilzaam is, alleen zoo lang wij in Gods weg aan Gods hand wandelen. Niemand mag uit Gods weg gaan, meenende dat hij ook dan op Gods genade in de verzoeking rekenen mag. Jezus deed alleen, wat de Vader wilde. Hij ging naar de woestijn, omdat het de wil Zijns Vaders was. Hij verliet die niet, dan na veertig dagen, omdat het de wil Zijns Vaders was. quot;Wij moeten niet den verzoeker, maar de verzoeker moet ons opzoeken. Dan vindt hij tot ons geen toegang, tenzij onze God hem dien vergunt. En dan treft hij ons aan in de vesting, waar wij hem niet behoeven te vreezen. Wat den verzoeker naar ons uitlokt, is juist onze wandel in de gehoorzaamheid aan onzen God. En blijft deze gehoorzaamheid aan God\', de ééne zaak, waarover wij ons bekommeren, dan zijn wij onoverwinnelijk. Al gaat onze weg ook dwars door het verblijf der booze geesten, geen nood; onze God is daar onze bescherming en onze sterkte.
Zoodra wij ergens zijn, werwaarts de Heer ons niet heeft geleid, of iets doen, waartoe Hij ons niet heeft geroepen, vallen wij in de macht des verzoekers, en lijden wij schade. Onze Heiland heeft meermalen betuigd, dat Hij niets uit zich zei ven durfde doen, dat Hij in alles den Vader volgde, dat Zijne werken de werken des Vaders, en Zijne woorden de woorden des Vaders waren. En zoo bestaat onze veiligheid tegenover den verzoeker daarin, dat wij alle zelfvertrouwen loslaten, en ons in alle dingen door onzen God, naar Zijn
44
VERZOCHT IN DE WOESTIJN.
welgevallen, laten bestieren en gebruiken. Dan zegt Hij tot den verzoeker: „Kom!quot; en hij komt; „ga!quot; en hij gaat.
\'t Is eene heerlijke waarheid, dat de verzoeker zoozeer in Gods macht is, dat hij ons niet verzoeken kan, zooals en waar en wanneer hij wil. God regelt ook de verzoekingen, die ons treffen. En zij werken Gods bedoelingen met ons uit. En daardoor doen zij ons den alleruitnemendsten dienst. En als de verzoeker Gods plan heeft volvoerd — als hij de verzoeking heeft voleind — dan wijkt hij van ons machteloos en verslagen.
Maar de engelen blijven bij ons. De mensch en de engel behooren bij elkander; niet de mensch en de duivel. Het samentreffen tusschen mensch en duivel, als dit in Gods weg geschiedt, is een doorgangspunt tot een hooger heil en heerlijkheid, waarvan de engelen meer dan bloote aanschouwers zijn. Zij dienen den strijder. Zij dienden Jezus bij Zijnen strijd, in de woestijn en in Gethsemane. Zij dienden Hem bij Zijne opstanding en hemelvaart. Zij dienen Hem nu in Zijne heerlijkheid. Zoo dienen zij ook de zijnen. Hoofd en leden zijn één. Die dienst is hunne vreugde. In dien dienst bereiken de engelen hunne hoogste bestemming. De verzoekingen, waaraan wij in dit leven blootstaan, behooren tot onze vorming en opvoeding voor wat beters, dan dit leven aanbiedt; en de dienst, dien de engelen reeds in dit leven ons bewijzen, behoort tot onze aanvankelijke verheerlijking. Wij danken het aan onze vereeniging met Jezus Christus, dat ook van ieder geloovige, die den verzoeker overwint, mag gezegd worden, dat de hemel voor hem geopend is, en de engelen Gods van hem opklimmen en tot hem nederdalen, \'t Zal een deel onzer aanstaande vreugde zijn kennis te maken en gemeenschap te hebben met de engelen, die onzen Heer, en om Zijnentwil ons gediend hebben, in ons aardsch leven en bij onze opstanding en hemelvaart (Heb. 12 ; 2).
45
JEZUS MACHT OVER DE NATUUR.
VI.
JEZUS\' MACHT OVER DE NATUUR.
Matth. 4 : 23. Jezus omging geheel Galilea, lee-rende in hunne synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks^ en genezende alle ziekten en alle kwalen onder het volk.
Luk. 9 : 2. En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk Gods, en de kranken gezond te maken.
De macht, die Jezus over de natuur oefende, maakt één geheel uit met Zijne prediking. Beide begonnen op hetzelfde oogenblik. De eerste was niet een toevoegsel tot de laatste. Zij kwam niet achterna tot bevestiging van de laatste. Waar het woord geene kracht had, zou het wonder zijne zwakheid niet kunnen verhelpen. Het wonder kan het licht niet aanvullen, dat aan \'t woord ontbreekt. Daarom was het, dat zij, die een afkeer van Jezus\' woord hadden, ook niet door Zijne wonderen van de waarheid Zijns woords werden overtuigd. Woord en wonder waren zoo één, zoo uit één stuk, dat, die Zijn woord verwierpen een teeken eischten, dat van een anderen aard was, dan Zijne wonderen. En Jezus verwierp dezen eisch, als de dwaasheid van een ongeloovig en overspelig geslacht (Matth. 16 : 1 — 4).
De macht des Heeren over de natuur openbaarde zich vooral in de genezing der kranken, en was alzoo eene der openbaringen van het aanzijn van Gods Koninkrijk. De verzekering dat Gods Koninklijk aan \'t komen was, was niet eene aankondiging zonder beteekenis. Is Gods Rijk in Israël aan het komen, dan is God zelf tot Israël nader gekomen. Dat Koninkrijk is niet buiten de menschen. De macht ter genezing, die van Jezus uitging, bewees dit; zij was de genezende macht van Israëls God. Toen God het volk uit Egypte had gevoerd, had Hij zich Israëls Geneesmeester genoemd, en beloofd dat Hij het volk, als het gehoorzaam was, zou bewaren van de krank-
46
jezus\' macht over de natuur.
heden, waaraan de heidenen onderworpen zijn (Deut. 7 : 15).
Hoe weet gij, dat een uitmuntende zanger of spreker onder u is? Niet daardoor, dat een ander u dat zegt, maar dat gij zelf den zanger of spreker hoort. Het lied des zangers en het woord des sprekers openbaren u hunne tegenwoordigheid. En zoo openbaarde Jezus\' macht over de natuur, dat Israels God in nauwere verbinding met Zijn volk was getreden.
Maar deze macht was aan Jezus\' persoon eigen. Zij was niet verspreid in gansch Israël. Jezus alleen bezat haar. Waarom? Omdat God, als Israels God, door jezus in nauwe verbinding met het volk is getreden. Het Koninkrijk Gods is aan \'t komen door Jezus. De stichting van dit Koninkrijk is aan Jezus\' persoon gebonden. Gods nadere openbaring aan Israël als zijn Geneesmeester wordt bemiddeld door Jezus Christus. Gods macht over de natuur werkt door de macht van Jezus over de natuur. God geneest Israëls krankheden door de genezende kracht, die Hij aan Jezus heeft medegedeeld. Jezus is de Middelaar door Wien God zich, zooals nooit te voren, aan Israël als zijn Redder komt openbaren.
Deze macht over de natuur openbaart derhalve de nauwe betrekking, die er is tusschen Jezus en Israëls God. Die er voor vatbaar waren, zagen terstond in deze machtsopenbaring over de natuur een bewijs van de geheel eenige betrekking tusschen Jezus en hun God. „Hoedanig is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn?quot; zoo riep men eens uit. Bij eene andere gelegenheid betuigde men: „Er is nooit dergelijks in Israël gezien.quot; En bij eene andere vroeg nien met ontzetting: „Is niet Deze de Zoon van David?quot; En bij eene andere aanbad men Hem, zeggende; „Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon.quot; Men noemde Hem met eenen naam, dien men tot nu toe geen mensch had durven geven.
Johannes noemt het eerste wonder des Heeren, den aanvang van de openbaring Zijner heerlijkheid — dat is der heerlijkheid, die Hem alleen eigen is, en Hem van alle men-schen onderscheidt.
47
JEZUS\' MACHT OVER DE NATUUR.
Jezus\' macht over de natuur is de openbaring van Gods macht over haar op menschelijke wijze, in menschelijken vorm. Met andere woorden: in Hem werd gezien, dat de mensch de deelgenoot is geworden der Goddelijke macht over de natuur. Als deelgenoot dezer Goddelijke macht oefent Jezus haar uit op Goddelijke wijze, dat is; enkel door Zijnen wil. Wij staan verbaasd, als wij dit aanschouwen. Omdat Hij \'twil, genezen de kranken, vermeerderen de brooden, bedaren de winden. Omdat Hij \'t wil, genezen de kranken, die op eenen verren afstand zijn van Hem. Toen een kranke eenmaal zeide: „Heere, indien Gij wilt. Gij kunt mij reinigen,quot; beleed deze, onbewust, eene zeer diepe waarheid.
Maar deze wil was één met Zijne persoonlijkheid. De wil is de hoogste uitdrukking van \'s menschen persoonlijkheid; daarom wordt Jezus\' macht over de natuur bestierd door Zijne heilige liefde. Die macht openbaarde Zijne heilige liefde. Petrus gevoelde dit, toen hij uitriep: „Ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch.quot; Het volk bespeurde terstond, dat Jezus geen wonderen deed, om daardoor een naam te maken, maar omdat Hij zich ontfermde over de kranken. Zijn medelijden trok de kranken aan, om zich aan Zijne gezegende macht over te geven. En de wijze, waarop Hij hen genas, en \'t woord dat Hij soms tot den genezene sprak (Joh. 5 : 14), overtuigde den beweldadigden, dat Hij de kranken genas, opdat zij zich van de zonden bekeeren, en aan den dienst van hunnen God wijden zouden.
Ik zeide, dat Jezus genas, wien Hij wilde; maar ik haast mij hieraan toe te voegen, dat Zijn wil het voertuig was van des Vaders wil. Wat de Vader wilde voor den kranke, dat openbaarde Hij door den wil van Jezus. Om mij zoo uit te drukken: aan Hem voelde men den polsslag der Goddelijke liefde. Het Koninkrijk Gods op aarde is de openbaring van Gods hoogsten wil, onder andere, ten opzichte der kranken, en die openbaring geschiedt door wat Jezus wil voor de kranken, die Hij tot zich trekt.
48
JEZUS\' MACHT OVER DE NATUUR.
Hier is eene volkomenheid in de gemeenschap tusschen den menschelijken en den Goddelijken wil, die wij ons nooit hadden kunnen denken, hadden wij de openbaring ervan in Jezus Christus niet gezien.
Jezus was in Zijn willen en denken zóó volkomen het voertuig van Gods wil en gedachte, dat Hij in geen enkel geval in twijfel was, wat te doen. De Vader was niet op een afstand, hoe klein ook, van Hem verwijderd. Hij wachtte niet angstvallig, totdat het Hem duidelijk werd, wat Hij al of niet moest doen. Hij was zóó volkomen één met den Vader, dat Hij niets anders dacht, dan wat de Vader op \'t oogenblik dacht, en niets anders wilde, dan wat de Vader op \'t oogenblik wilde, ten opzichte van elk bijzonder geval, waarin Hij verkeerde. Hij zelf betuigde nadrukkelijk niets te willen, te denken, te spreken of te doen, dan wat de Vader in en door Hem wilde, dacht, sprak en deed. Hij was zóó onbepaald, in \'s Vaders handen, het werktuig, waardoor de Vader deed wat de Vader wilde, dat Hij verklaarde van zich zeiven niets te vermogen (Joh. 5 : 30).
Daarom was elke machtsbetooning van Jezus eene zeer heilige daad. Eene ontvankelijke ziel werd Gods tegenwoordigheid er in gewaar. Jezus betoonde die macht met eene rust, kalmte en waardigheid, die de afspiegeling was der majesteit, waarmede God over al Zijne schepselen heerscht.
Niets vertoonde de Hem van God medegedeelde majesteit, voortgevloeid uit Gods eigen wezen, treffender, dan de wijze, waarop Hij over de stomme natuur en over menschen en geesten heerschte.
Maar er is iets anders, waarop ik u vooral wijzen moet, dat elke genezing stempelde, als eene heilige daad. Zij kon alleen plaatshebben, als men zich aan Jezus\' liefde toevertrouwde. Waar Hij geen geloof aantrof, daar kon Hij de kranken niet genezen. Zijne macht over het kranke lichaam hing af van Zijne macht over de ziel. De genezing was eene weldaad aan de ziel, meer nog dan aan het lichaam,
4
49
JEZUS\' MACHT ÜVER DE NATUUR.
bewezen. Zij trok de ziel nader tot Hem, den Heilige. Zij was een der middelen, om voor altijd de ziel aan Hem, en in Hem, aan God te verbinden. Zij was eene zedelijke, eene heilige daad.
Jezus eischte niet, dat men iets aangaande Hem, maar in Hem gelooven, zich Hem toevertrouwen zoude. Al kon men zich geen rekenschap geven van Jezus\' betrekking tot God of mensch; al wist men niet, dat Hij Davids Zoon of dat Hij Gods Zoon was; al wist men niet wat deze namen beteekenden; als men maar aan Zijne heilige liefde zich toevertrouwde, dan was het genoeg. Dan vertrouwde men zich, al was het ook onbewust, aan Gods heilige liefde, aan God zeiven toe. Die in Jezus woonde en werkte. En is niet de overgave aan Gods heilige liefde het doel, waartoe God den mensch heeft geschapen? Komt de mensch daardoor niet in de rechte verhouding tot God?
En omdat de Heilige niets onheiligs doen kan, daarom kon Jezus niet genezen, waar er geen vertrouwen in Zijne heilige liefde was. Hij genas de kranken niet als een behendige wonderdoener. Wij noemen Zijne genezingen wonderen, omdat zij behooren tot eene hoogere orde van zaken, dan de natuurlijke, dat is, omdat zij behooren tot het Koninkrijk Gods. Maar voor Jezus waren zij de natuurlijke uitstroomingen Zijner heilige liefde tot de ontvankelijke ziel. Daarom vloeide Zijne genezende kracht, zooals het schijnt, zelfs onwillekeurig uit in \'t geval der Hem onbekende kranke vrouw, die vol vertrouwen Zijn kleed van achteren had aangeraakt (Mare. 5 : 25—34).
Hier is eene wederkeerige werking. Gelijk de medelijdende macht van Jezus over het kranke lichaam den geloovige tot zich trok, zoo trok het vertrouwen van den kranke deze kracht tot zich aan. Kon Hij zonder dit vertrouwen niemand genezen? Waar dit vertrouwen werkzaam was, daar was de genezing zeker. Daarom verklaarde Jezus meermalen aan den kranke, die zich Hem toevertrouwde: „Uw geloof heeft u behouden.quot;
50
JEZUS\' MACHT OVER DE NATUUR.
\'t Is iets groots in Jezus te zien, hoe de Goddelijke macht over de natuur eene menschelijke macht is geworden; hoe zij niet van buiten aan de menschelijke natuur is toegevoegd, maar sedert den doop in den Jordaan één is met de inwoning des Geestes in de menschelijke natuur van Jezus. Hij oefent deze macht uit, omdat zij, sedert den doop, één is geworden met de gemeensohap aan God, waartoe, in Hem, de menschelijke natuur toen werd verheven.
Zeg niet, dat deze macht van Jezus over de natuur slechts eigen is aan de Goddelijke natuur in Hem. Dan scheidt gij in Hem het Goddelijke en \'t menschelijke van elkander; dan heeft de menschelijke natuur bij Zijne vleeschwording niets gewonnen; dan is in Hem niet het Woord vleesch geworden. In Jezus Christus wordt ons het doel van de schepping der menschen verklaard. God heeft, onder anderen, gewild dat de mensch deelen zou in Zijne macht over de natuur. Maar eer dit kon geschieden, moest de eeuwige Zoon zelf vleesch worden, en moest in Zijn persoon de eenheid tusschen God en mensch worden voltooid.
Niet alleen is Jezus zich deze eenheid tusschen God en mensch in Zijn eigen persoon bewust; Hij is zich ook bewust, dat door Hem, als Middelaar, zij die in Hem gelooven bevoorrecht zijn, om, door \'t geloof in Hem, deze macht uit te oefenen. Hij deelde daarom Zijne macht over kranken en bezetenen, ook aan Zijne discipelen mede (Luk. 9 : 2). En na Zijne Hemelvaart schonk Hij deze gave aan niet weinigen in de gemeente (1 Cor. 12 : 9). En uit den brief van Jacobus vernemen wij, dat, op \'t gebed der ouderlingen, deze genezende kracht in de gemeente werkte (Jac. •5 : 14, 15). Elke genezing, die plaats vond onder de aanroeping van den naam van Jezus Christus, was eene voorttrilling van de macht over de natuur, die sedert den doop van Jezus, den mensch, in Christus Jezus, als eene blijvende gave, is medegedeeld.
Gode zij dank, dat Zijne gemeente, in onze dagen, zich deze
51
JEZUS\' MACHT OVER DE NATUUR.
gave al meerquot; bewust wordt. Waar wij \'s Heeren kracht zien werken tot genezing der kranken, daar aanschouwen wij in de gemeente de voortwerking van de macht, die er woont in haar Hoofd en Heer, sedert de Vader Hem met den Heiligen Geest heeft gezalfd.
Jezus\' wondermacht over de natuur is niet met Zijn aardsch leven voorbijgegaan. Zij duurt in de gemeente nog heden voort, tot heil eener kranke menschheid; en zij waarborgt ons de macht, die van Jezus Christus zal uitgaan, als de Vader door Hem alle dingen nieuw maakt, en wij, in nieuwe lichamen, eene nieuwe aarde bewonen (Openb. 21 : 5; 2 Petr. 3 : 13).
VII.
ZIJNE MACHT OVER DE BOOZE GEESTEN.
Matth. 4 : 24. Zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.
Wat de Evangelisten verhalen van Jezus\' macht over de booze geesten, was voor mij tot vóór korten tijd nog een verzegeld boek. Het lag buiten mijne ervaring. Ik had geene gegevens om het te verstaan. Ik wist niet in hoever de Heiland ook nog in deze dagen deze macht uitoefent. Het bezoek, dat ik in het jaar 1884 aan verschillende inrichtingen in Europa gebracht heb, waar de kranken in Jezus\' naam worden genezen, deed voor mij een gansch nieuw licht over dezen arbeid des Heeren opgaan. In zeven van de acht door mij bezochte inrichtingen, verhaalde men mij van de verlossing der bezetenen, zoowel als van de genezing der kranken, en deelde men mij, uit eigen ervaringen, vele bijzonderheden
52
ZIJXE MACHT OVER DE BOOZE GEESTEN.
mede, die op de treffendste wijze overeenstemden met wat ons door de Evangelisten wordt bericht. De gedachten, die ik thans ga uitspreken, zijn de vrucht van mijn verkeer met de mannen en de vrouwen, die aan het hoofd staan dezer inrichtingen.
\'t Is opmerkelijk, dat de genezing der kranken en de verlossing der bezetenen in éénen adem genoemd worden (Matth. 10 : 8). \'t Is waar, elke kranke was geen bezetene. Er waren kranken, die geene bezetenen waren, en er waren bezetenen, die geene kranken waren. Maar het lijdt ook geen twijfel, dat velen bezeten waren, terwijl zij krank, en velen krank, omdat zij bezeten waren. In den regel was de bezetene ook een kranke; daarom, zooals het schijnt, spreekt Petrus van „de genezing van allen door Jezus, die van den duivel over-Aveldigd waren.quot; Hij noemt de ergsten kranken, omdat het meerdere het mindere insluit (Hand. 10 : 38).
De gevallen, waarin de bezetenen tevens kranken waren, worden ons voorgesteld als gevallen, waarin de macht des Heeren, ter verlossing der lijdenden, ten toppunt steeg. Denk aan den bezetene, die stom was (Matth. 9 ; 32); en aan den anderen, die beiden stom en blind was (Matth. 12 : 22); en aan den anderen, die maanziek was (Matth. 17 : 15); en laat mij ook de vrouw noemen, die achttien jaren lang als eene gebon-dene des satans in elkander gebogen was (Luk. 13 : 11).
Men heeft mij menig bijzonder geval medegedeeld, waarin de kranke tegelijk een gebondene of bezetene des duivels was, en niet kon genezen, voor hij van deze macht der duisternis was verlost.
Uit de wijze, waarop de Evangelisten ons de genezing van sommige bezeten kranken mededeelen, en den ontzetting-wekkenden indruk, dien zulk eene genezing op de toeschouwers te weeg bracht, besluiten wij, dat er eene opklimming was in de macht, waarmede de booze geest zijne prooi vasthield. Dit komt overeen met wat men mij heeft verhaald. In sommige gevallen kostte het een langen en geweldigen gebeds-
53
ZIJNE MACHT OYEU DE BOÜZE GEESTEN.
en geloofskamp, eer men den booze had uitgedreven. Meermalen had men behoefte aan de hulp van anderen, die vast stonden in \'t geloof, en geoefend waren in den strijd tegen den booze door \'t gebed. Van een dezer mannen is het mij verhaald, dat hij meermalen bij het gebed het vasten voegt, als hij den indruk ontvangt, dat de booze niet licht wijken zal.
Als een bewijs van de woede des boozen geestes, die niet gaarne zijne prooi loslaat, verhalen de Evangelisten ons, hoe de geest met een geschreeuw den bezetene verlaat, of, op het oogenblik, dat hij dit doet, den bezetene nog voor \'t laatst jammerlijk mishandelt. Terwijl de maanzieke zoon naar Jezus werd gebracht, scheurde en beukte de duivel hem (Luk. 9 : 42). Dit was een geval, waarin de discipelen niet bij machte waren den bezetene te redden.
Men heeft mij verhaald, hoe in menig geval de bezetene allergeweldigst werd aangedaan, zoodat het geheele lichaam stuiptrekkend samentrok, of als dood ter aarde viel. en hoe soms de booze geest brullend als een dier den bezetene verliet.
De Evangelisten deelen ons mede. dat de bezetene nu eens aan eene lichamelijke krankheid, inzonderheid stomheid en blindheid, dan weder aan krankzinnigheid leed. In \'t geval van den bezeten Gadarener was het eene krankzinnigheid van den hoogsten graad. Hij was met geene kleederen gekleed, bleef niet in huis, waarde rond bij de graven, en brak alle banden en ketenen aan stukken. ,In eene der door mij bezochte inrichtingen bevond zich, toen ik er was, iemand, die op \'t punt stond gered naar huis terug te keeren, die letterlijk als een dier op handen en voeten had gekropen, als een dier moest worden gespijsd, en als een dier had gewoed. Zij was, na hare herstelling, zacht als een lam.
Ik sprak zooeven van den Gadarener. Zijn geval leert ons, dat men door meer dan één boozen geest bezeten kan zijn, en dat daardoor de macht des boozen over zijne prooi wordt versterkt.
54:
ZIJNE MACHT OVER DE BOOZE GEESTEN.
Ik noemde u ook het geval der vrouw, die 18 jaren lang „eenen geest der krankheid had gehadquot; en door den Heiland eene „gebondene des satansquot; werd genoemd (Luk. 13: 11). Zij was niet eene kranke in den gewonen zin des woords, maar ook niet eene bezetene in den gewonen zin des woords; want zij werd niet als eene bezetene behandeld. De Heiland verdreef niet door \'t woord den boozen geest uit haar, maar legde haar, zooals hij aan de kranken deed, de handen op. Hare krankheid gaf wel aan den satan eene bijzondere macht over haar; maar was niet daardoor veroorzaakt, dat zij eene bezetene was.
De vraag komt misschien bij u op; hoe weet men dat iemand een bezetene is; hoe weet men dat de kwaal des lichaams of de krankheid des geestes door bezetenheid is ontstaan? Ik heb deze vraag aan de mannen en vrouwen gedaan, die meermalen door den Heer tot verlossing van bezetenen zijn gebruikt. Zij stemden bijna allen hierin te zamen, dat, zoodra men den naam van Jezus Christus begint aan te roepen, en van de kracht Zijns bloeds te getuigen. de bezetene aan het sidderen of aan \'t woeden raakt. Dit komt op treffende wijze met de verhalen der Evangelisten overeen. Niet de kranken, maar de bezetenen konden het niet uithouden in de tegenwoordigheid van den Heilige Gods, en baden Hem zich van hen te verwijderen (Luk. 8 : 28).
Mij is meer dan één geval .medegedeeld, waarin men te doen had met een bezetene, die op \'t punt stond een woedenden aanval te doen, en alleen daardoor werd tegengehouden, dat men pal stond in \'t geloof aan de kracht des Heeren en aan de kracht van Zijn bloed, en dat men den bezetene in \'s Heeren naam verbood zijn boos opzet ten uitvoer te brengen.
Gij vraagt wat de oorzaak is der bezetenheid? Het lijdt geen twijfel, dat in menig geval het misbruik des lichaams tot eene onreine zonde, den zondaar in de macht des boozen bracht. Meermalen spreken de Evangelisten van een „onreinen duivelquot; of een „onreinen geestquot;, die den bezetene in zijne
OO
ZIJNE MACHT OVER DE BOOZE GEESTEN.
macht heeft (Matth. 12 : 43; Luk. 4 : 33). Naar men mij verhaalde, is de zonde der onreinheid eene vruchtbare bron van bezetenheid of gebondenheid door den booze bij menschen, die reeds onder de genadige werkingen van Gods Geest zijn. Met dezulken neemt de Heer het nauwer dan met anderen. Misbruiken zij het lichaam tot zonde, dan ontvangt de satan eene zekere macht er over, en kwelt of het lichaam of den geest, öf beide, lichaam en geest. Het hoofd van een dezer inrichtingen verhaalde mij, dat daar kort te voren een meisje was gekomen als eene bezetene, en beleden had welke vreeselijke zonden de aanleiding tot die bezetenheid waren geweest. Zij ging hersteld naar huis terug. In eene andere inrichting was ik getuige van de werking des boozen geestes. Er was eene kranke, die, zoodra men in den bedestond was aangevangen den naam des Heeren aan te roepen, onwillekeurig, als eene machtelooze, op den grond viel. Zij zag u, in dien toestand, met starren blik, roerloos aan, en scheen haar bewustzijn verloren te hebben. Zij wist niet, dat zij eene ge-bondene des satans was. Eerst in deze inrichting werd dit aan haar en anderen openbaar. Zij was krank, en elk middel, tot genezing aangewend, had gefeild. Dit bewoog hare ouders, haar naar deze inrichting te zenden. Zij waren god-vreezende lieden. Ook haar broeder, die haar daarhenen had gebracht. Ook zij zelve had zich sedert een paar jaren den Heere overgegeven. Maar — dit beleed zij aan het hoofd der inrichting — zij had zich verlustigd in \'t lezen van verdichte verhalen, die onreine gedachten, beelden en lusten in haar hadden opgewekt. Dit had aan den booze macht over haar lichaam, en door \'t lichaam over haren geest gegeven. Hare oogen verrieden de onrust van haar gemoed — den daemonischen achtergrond van hare kwaal. Kort voor mijn vertrek uit Europa werd mij tot mijne vreugde bericht, dat zij merkbaar aan \'t herstellen was.
Waarschijnlijk was het deelnemen aan heidensche tooverijen eene andere oorzaak van bezetenheid, in de dagen van den Heer
56
ZIJNE MACHT OVER DE BÜOZE GEESTEN.
Jezus. Gij weet, dat de Schrift die tooverijen aan de duivelen toeschrijft en de Israëlieten ten sterkste er tegen waarschuwde. Het is niet bij toeval, dat de bezetenen, die we in de Evangeliën ontmoeten, niet in Jeruzalem, maar nabij of over de grenzen des lands, waar men in velerlei aanraking met de heidenen kwam, woonden. Denk vooral aan den bezetene in het land der CTadarenen. De toestand der bezetenheid was iets alledaags onder de heidenen. Dit lokte Jood-sche duivelbezweerders aan (Hand. 19 : 13). Sommige duivelbezweerders waren Farizeërs (Matth. 12 : 27). Waarschijnlijk behoorden alle duivelbezweerders tot deze richting. Wij besluiten hieruit, dat de mensch de booze geesten soms kan uitbannen, al leeft hij niet in de gemeenschap met den Geest van God. Daarom bevreemdt het ons niet, dat ook spiritisten in onze dagen kranken genezen, niettegenstaande het feit, dat niet zelden de spiritist allengs onder de macht des boozen komt, en zijn leven als een krankzinnige eindigt. Een allertreffendst geval van dezen aard werd mij medegedeeld van een spiritist, die langen tijd, door handenoplegging, kranken had genezen, en eindelijk naar een krankzinnigengesticht moest worden gebracht, waar hij nacht en dag bleef uitroepen: „Ik ben de Christus! Ik ben de Christus!quot;
Zij die geestelijk verstand in deze zaken hebben, waarschuwen tegen alle gebruik van zoogenaamde sympathieën en bezwerings- of besprekingsmiddelen. Dit zijn duivelsche kunsten, die ons licht in de macht van den booze brengen. Het hoofd van een dezer inrichtingen verhaalde mij, dat hij, als hij bij een kranke wordt geroepen, terstond bespeurt, of de kranke zich met toovermiddelen heeft ingelaten, en dat hij in den regel in een of ander verborgen hoek de toover-boeken ontdekt, die de kranke heeft gebruikt. In deze gevallen bidt hij niet voor den kranke, en legt hij hem niet de handen op, tenzij hij eerst deze zonde als zonde belijdt en loslaat.
De wijze, waarop de Heiland den bezetene verloste, was
57
ZIJNE MACHT OVER DE BOOZE GEESTEN.
zeer merkwaardig. Hij gebood den boozen geest den mensch te verlaten. Hij liet enkel door het woord Zijn recht gelden over den mensch, en Zijne macht over den booze. Dit wekte aller verbazing op. Desgelijks had men nooit in Israël gezien (Matth. 9 : 33).
Gansch anders handelde de Heer, als Hij kranken genas. Dan sprak Hij niet in Zijne koninklijke macht, maar handelde Hij met priesterlijk medelijden. Hij raakte den kranke aan — zelfs den onreinen melaatsche. Hij legde den kranke de handen op. En gelijk de kranke in de teedere aanraking der hand, en den teederen blik van \'t oog, en den teederen trek van \'t gelaat, en den teederen toon der stem, \'s Heeren priesterlijk medelijden met eene onuitsprekelijke vreugde gewaarwerd en zich aan Hem toevertrouwde, zoo sidderde de booze geest voor Zijne heilige, rechterlijke macht, en ontvluchtte Hem.
\'t Is mij, als zie ik den fleren blik, als hoor ik de flere stem van den broeder, die mij het volgende verhaalde:
„Nooit vergeet ik het eerste geval, toen ik, als werktuig-in de hand mijns Heeren, eenen bezetene van de booze macht verloste. Te voren heb ik verstaan wat het was, vervuld met hot medelijden van mijnen Heer, in Zijnen naam den kranke priesterlijk de handen opteleggen; maar, gedachtig aan \'t woord des Heeren, dat Zijn discipel den boozen geest bevelen moet den bezetene te verlaten, verstond ik voor \'t eerst wat het was tegenover de duivelen te staan in de gemeenschap aan Jezus\' koninklijke macht en den boozen geest met het koninklijke bevel: „Ik gebied u in Jezusquot; naam. ga uit van dezen mensch,quot; uit den bezetene te bannen.quot;
Hij verhaalde mij, onder anderen, hoe een krankzinnige, die tevens een bezetene was, in tegenwoordigheid zijner twee wachters en van één gerechtsdienaar, die de vergadering van regeeringswege moest bijwonen, woedend op hem aanvloog en hem beetpakte, terwijl hij gansch kalm, enkel door het woord, den bezetene in bedwang hield, en in Jezus\' naam
58
ZIJNE MACHT OVER DE BOOZE GEESTEN.
den booze beval uit hem te varen, die dit dan ook deed, terwijl de bezetene zoo vreeselijk bralde, dat dit onmensche-lijk geluid in de gansche buurt met ontsteltenis werd vernomen (Luk. 8 : 28). Hij liet den verloste door den stadsgeneesheer onderzoeken, en zond hem, voorzien van een certificaat, getuigende dat hij geheel hersteld was, met zijne wachters naar het krankzinnigen-gesticht terug.
Verscheidene broeders hebben mij gezegd, dat zij geene vrijheid hebben den bezetene de handen op te legen, uit vrees van daardoor in eene gevaarlijke aanraking met den booze te zullen komen.
Zoo zien wij, dat Jezus door Zijn reddenden arbeid niet alleen openbaart welk eene macht de daemonen over den mensch hebben, maar ook hoe machteloos zij zijn tegenover Hem en de geloovigen, die in Zijne gemeenschap leven.
Dit niet alleen. Tegenover \'t bestaan der booze geesten heeft Jezus, klaarder dan ooit, getuigenis gegeven van \'t bestaan der goede engelen. Deze zoeken geen verblijf in men-schen, zooals de duivelen. Het zijn de onreine geesten, die in den mensch eene woning zoeken, en hem in woeste plaatsen — waar zij zich te huis gevoelen — doen rondzwerven (Matth. 12 : 43). De goede engelen daarentegen zijn gelukkig in hunne geestelijke lichamen en in de hemelsche gewesten, die zij bewonen. Zij zijn niet in, maar, waar \'t noodig is, als lijfwachten rondom Gods kinderen, weren van hen waarschijnlijk de booze geesten, en oefenen een beschamenden invloed uit tegenover booze menschen (Ps. S-i : 8; Gen. 32: 1 en 2 Kon. 6 : 17).
Laten wij ons er in verblijden, dat Jezus, onze Eedder, zoowel het* Hoofd der engelen als de Rechter der duivelen is.
59
ZIJNE MACHT OVER DEN MENSCH.
VIII.
ZIJNE MACHT OVER DEN MENSCH.
Wij hebben gezien welk eene macht de Heer uitoefende over de natuur en de booze geesten, en vragen thans, welke macht Hij over den mensch heeft uitgeoefend? De mensch staat hooger dan de natuur en de engelen. Hij is, naar Gods oorspronkelijk plan, bestemd een zoon van God en alzoo erfgenaam van God en medeërfgenaam met den eeuwigen Zoon van God te zijn. De macht over den mensch is derhalve de hoogst denkbare macht. Die den mensch aan zich onderwerpen kan, is waard het Hoofd der menschheid. ja der schepping.te zijn.
Jezus oefende de hoogste macht uit over den mensch. Ik zeg: de hoogste, omdat Hij den mensch tot in \'t diepst van zijn wezen raakte; omdat geene macht over den mensch dieper gaan kan, dan Zijne macht gegaan is.
Ik spreek van Zijne macht over den mensch. Zij hing niet af van de uiterlijke omstandigheden, waarin de een of ander zich bevond, of van iets, dat den mensch niet als mensch, niet in zijn innerlijk wezen, aanging. Zij was eene macht, die den mensch aangreep, omdat hij mensch was, afgezien van alles wat niet tot de onveranderlijke, de onvernietigbare kern des menschen behoorde.
Zij was eene macht, die zich gelden liet in het hart en het geweten des menschen, zooals God die heeft geschapen, en zooals zij blijven zullen tot in alle eeuwigheid.
Zij was eene macht, die den mensch aangreep, overal waar zij in den mensch den mensch aantrof.
Hij oefende de hoogste macht over degeleerden. Had Hij over hen geene macht gehad, dan zouden zij zich aan Hem niet hebben gestoord. Maar \'t was hun niet mogelijk, zich van Hem los te maken. Zij moesten zich de vragen doen:
60
ZIJXE MACHT OVER DE2s MENSCH.
„Wat is het, dat Hij leert?quot; „Wie is Hij, die alzoo durft leeren?quot; En zoo geweldig was de macht Zijner persoonlijkheid en Zijner woorden, dat het weldra onder de geleerden de groote vraag van den dag, de groote tijdvraag, de groote levensvraag werd: „Zullen wij ons buigen onder Zijne geestelijke overmacht, of zullen wij Hem uit den weg ruimen?quot;
Nicodemus en Jozef van Arimathea en hunne geestverwanten kwamen allengs onder den machtigen invloed van Jezus, en werden eindelijk Zijne discipelen. Maar de groote meerderheid der schriftgeleerden stootte zich al meer en meer aan Zijn persoon en woord, tot zij eindelijk vast besloten was Hem door den dood onschadelijk te maken.
Hoe machtiger Hij op hun hart en geweten werkte; hoe meer de kalme majesteit Zijner persoonlijkheid afstak bij hun onrust en wrevel; hoe dieper Zijne redenen, als scherpe pijlen, hun door hart en geweten drongen: des te krachtiger werd hun tegenstand, totdat die tot de hoogste spanning steeg en zij geen list en geweld ontzagen, om Hem in hunne macht te krijgen en hun boos opzet ten uitvoer te brengen.
Niet minder was de macht des Heeren over de godvree-zenden onder het volk. Nooit werkte het woord eens profeets in die God vreezen zoo machtig als het Zijne. Het werkte door tot op den bodem hunner harten. Het verdreef daar de dikste duisternis. Het ontdekte aan hen hun God, ja hun eigen wezen, zooals nog nooit was geschied.
En wat was hiervan het gevolg ? Dat ook de godsdienstigen zich niet van Hem konden losmaken. Van den eersten dag af aan, dat zij Hem hoorden, waren zij in Zijne geweldige macht. Die macht hield hen vast en dwong hen, zich aan Hem, als hun Leidsman, over te geven.
Jezus\' onderwijs was gericht tegen den heerschonden letteren vormendienst. Hij eischte de aanbidding des harten, de aanbidding in geest en waarheid. Hij drong aan op gehoorzaamheid, niet aan de letter, maar aan den geest der wet. Terwijl men dequot; wet- en werkheiligheid dier dagen als de
61
ZIJNE MACHT OVEH DEN MENSCH.
echte godsdienstigheid prees, verkondigde Hij met nadruk, dat zij den mensch buiten de gemeenschap met God en buiten het Koninkrijk der hemelen laat.
Die zich door Zijn onderwijs lieten richten en leiden, drongen door tot Zijne diepere opvatting van den godsdienst, werden aanvankelijk nieuwe menschen, en werden voorbereid tot den hun toegezegden doop des Heiligen Geestes. Zij behoorden tot de echte discipelen des Heeren.
Maar die in dit onderwijs geen smaak vonden, ergerden zich er aan, en wel zooals zij nog nooit zich aan iets geërgerd hadden. En hoewel de Heer hun nooit iets kwaads had aangedaan; hoewel Hij hunne kranken had genezen; hoewel Hij menigen weldadigen indruk op hen had teweeggebracht, konden zij Hem al minder verdragen, omdat Hij meedoogenloos hunne oppervlakkige godsdienstigheid in hare naaktheid ten toon stelde.
Hoe meer zij in de overgeleverde godsdienstigheid een welbehagen hadden, des te bitterder was hun haat tegen Hem. En zij lieten niets onaangeroerd, om het volk tegen Hem op te ruien.
Zoo machtig werkten de persoonlijkheid en het woord van Jezus op de uiterlijk godsdienstigen in Israël, dat de uiterlijk godsdienstige wereld in Palestina, zooals nooit is geschied, tot op haren diepsten bodem en tot aan hare uiterste grenzen al meer en meer aan \'t gisten ging, en eindelijk, kookend en schuimend, al wat laag en listig was opwierp tegen den Heilige en Rechtvaardige.
Een ieder werd in deze gisting medegevoerd, en moest of voor of tegen Jezus partij kiezen.
De vraag, of het Zijne vijanden zou gelukken, Hem door \'t volk als een lage booswicht te doen verwerpen, hing af van de zoogenaamde godsdienstigen in Israël — dat is, van hen, die in eigen oog en in \'t oog des volks de godsdienstigen waren. Niet zoozeer de onverschillige Sadduceërs, die zich over den godsdienst niet bekommerden, maar de
62
ZIJNE MACHÏ OVER DEN MENSCH.
godsdienstige Parizeërs hebben Jezus\' veroordeeling tot den dood des kruises doorgedreven.
Zoo machtig werkte het woord van Jezus, dat zij maar ééne keuze hadden: zich er onder te buigen, of Hem uit den weg te ruimen.
Ook de onkundige en ongodsdienstige menigte heeft de buitengewone macht van Jezus gevoeld. Zij hadden niet hunne eigen meeningen. Zij hingen van anderen af. Zij spraken anderen na. Zij lieten door anderen zich leiden. Hierdoor waren zij te toegankelijker voor den invloed van Jezus.
En wat was de uitwerking Zijner persoonlijkheid en prediking op hen? Dat zij zich gansch lijdeliik overgaven aan de macht, die zij in Hem en Zijn onderwijs gewaarwerden. Hij werd voor hen terstond de man des volks. Zij konden zich niet weerhouden Zijnen lof uit te spreken. Zij volgden Hem tot op verre afstanden. Zij bleven soms dagen lang bij Hem..
Als Jezus sprak, dan was de schare enkel vreugde en bewondering. Hij heerscht door Zijn woord over haar, gelijk de wind speelt met het sidderende blad.
Toen Hij het laatste Paaschfeest te Jeruzalem vieren ging, steeg de geestdrift der menigte tot zulk eene hoogte, dat zij Hem. met daverende Hosanna\'s, als Israels Uitverkorene, Jeruzalem binnenvoerden.
Maar de achting, die zij den Heer toedroegen, was even oppervlakkig als uitbundig en luidruchtig, omdat zij zeiven zoo oppervlakkig waren. En toen Jezus zich weerloos aan Zijne vijanden overgaf, en weerloos zich liet bespotten en vertreden, toen bracht dit hen in de war, en lieten zij zich, in dezen ure der duisternis, vorvoeren tot het helsche geschreeuw: „Met Dezen, maar Barabbas! Weg met Hem! kruisig Hem!quot;
Had Jezus zelf zich niet aan Zijne vijanden overgegeven, dan had niemand, juist uit vrees voor de schare, het durven wagen de handen aan Hem te leggen — zoo machtig was Zijn persoonlijke invloed over haar.
63
ZIJNE MACHT OVER DEN MENSCH.
Ook de kleine kinderen hebben de macht Zijner persoonlijkheid ervaren. Natuurlijk waren zij zich niet bewust wat in hen, in Jezus\' tegenwoordigheid, omging. Maar \'t was een nieuw verschijnsel, dat de Man. die door de machtigen onder het volk gevreesd of geëerd werd. de geliefde Vriend der kinderen was. Gelijk de zonnebloem van zelve zich naar öe opgaande zon keert, zoo gevoelden zich de kinderen onwillekeurig tot Jezus aangetrokken. Ontvluchtten anderen Hem; Zij liepen Hem tegemoet, en stil en blij hoorden zij het gebedje aan, dat Hij voor en met hen bad, en gaven zich aan Zijne omhelzing over, en bogen hunne hoofden cnder Zijne zegenende hand.
En de verlorenen onder het volk, de tollenaren en zondaren, die men voor betere indrukken onvatbaar hield? Hij trok ook dezen tot zich en won velen van hen voor \'t Koninkrijk der hemelen.
Hier klom Zijne macht ten toppunt. Nooit had men desgelijks gezien. Die in den morgen nog een hardvochtige gierigaard was, werd in den loop van den dag vermurwd door \'t woord en den persoonlijken invloed des Heeren, en was eer de avond aanbrak een medelijdende vriend der armen. Die gisteren nog als diep gezonkene zondares leefde, waschte heden, door Hem gered. Zijne voeten met tranen van innig berouw en heilige liefde.
Meermalen omringden Hem tollenaren en zondaren, die, door Zijn woord en persoonlijkheid getroffen, Gods genade voor \'t eerst leerden kennen en terstond als verloren zonen en dochters tot den hemelschen Vader terugkeerden.
En ook heidenen en Samaritanen gevoelden zich tot Hem aangetrokken, geloofden in Hem als in hunnen Rechter, en leerden van Hem den hemelschen Vader in geest en waarheid te aanbidden.
Waar Hij zich ook bewoog, daar ontwaarden allen, ieder naar zijn aard en vatbaarheid, dat zij in aanraking kwamen met de machtigste persoonlijkheid, die ooit op aarde was verschenen.
64
ZIJNE MACHT OVER DEN MENSCH.
Hij wandelde op aarde als de Koning der menschheid, van Wien eene nooit gekende macht tot al wat mensch heette uitging.
En waardoor oefende Hij deze ongeëvenaarde macht uit over den mensch? Door de naakte en onopgesmukte, de heilige waarheid.
Hij bediende zich niet van den bekrompen, Joodschen geest — wat men het ontaarde, Joodsche bewustzijn zou kunnen noemen — om de man des volks te worden. Hij verhief niet den Jood, op grond zijner uitverkiezing, boven den heiden. Omgekeerd: Hij verzette zich tegen deze Joodsche bekrompenheid en tastte den Joodschen trots aan tot in zijne fijnste vezelen. Hij verklaarde hun dat de kinderen des koninklijks buiten zullen geworpen worden, en dat velen van \'t Oosten en \'t Westen zullen komen om met Abraham aan te zitten in het Koninkrijk der hemelen. Twee malen roemde Hij het geloof van heidenen boven het geloof, dat Hij in Israël had aangetroffen. Dagen lang bracht Hij als gast door bij de Samaritanen, met wie, als met onreinen, de Joden geen gemeenschap wilden hebben. In eene Zijner gelijkenissen laat Hij den priester en den Leviet veroordeelen, door het lofwaardig gedrag van eenen Samaritaan.
Hij vleide geen rang of stand. Hij eerde in ieder den mensch: in het kind, in de vrouw, in den arme, in den onkundige. Hij sprak dezelfde waarheden tot de hoogsten, die Hij tot de laagsten sprak en omgekeerd. Bij Hem was noch menschen-haat, noch menschenvrees, noch menschendienst.
Hij was oneindig verheven boven alle onheilige praktijken. Zijne wonderen waren zoo onopgesmukt, als Zijne woorden. Hij zocht geen indruk te maken door de manier, waarop Hij sprak, of genas, of duivelen uitwierp. De wijze, waarop Hij sprak en handelde, werd vanzelf uit den aard der zaak en uit Zijne heilige persoonlijkheid geboren. Men gevoelde het, dat eene heilige atmosfeer Zijn persoon en woord en werk omgaf. Die naar Zijn onderwijs luisterde, was zich be-
5
65
ZIJNE MACHT OVER DEN MENSCH.
wust, dat hij naar den Heilige luisterde. Die zich ter genezing aan Hem toevertrouwde, wist dat hij zich den Heilige toevertrouwde.
En hoe won Hij discipelen? Naar den mensch gesproken, waren Zijne eischen zoo hoog, dat Hij het allen te moeilijk maakte om zich als Zijne discipelen aan Hem toe te vertrouwen. Hij betuigde, dat het Koninkrijk der hemelen gesloten is voor hen, die niet eene volmaaktheid begeeren, gelijkvormig aan die van God, en dat niemand Zijn discipel zijn kan, die niet bereid is alles te verlaten, dagelijks Zijn kruis op te nemen, en Hem na te volgen op den weg der algeheele zelfverloochening. Toen eens sommigen niet meer onder Zijne discipelen wilden gerekend worden, van wege Zijne harde redenen, vroeg Hij aan de overigen: „Wilt gijlieden ook niet gaan?quot;
Het laat zich begrijpen, dat het alleen aan den invloed dei-waarheid op waarheidzoekende zielen te danken was, dat zij er toe kwamen, als Zijne discipelen zich bij Hem aan te sluiten.
De waarheid, die Hij verkondigde, bevredigde de diepste behoeften der harten. Zijn woord wekte een dorst naaide kennis van God, zooals nooit te voren. En Hij bevredigde dien dorst. Petrus en honderden, ja duizenden met hem, ondervonden dit. Voor hen waren Zijne woorden voertuigen van eeuwig leven (Joh. 6 ; 68). Voor hen klonk het niet als grootspraak, toen Hij verklaarde, dat niemand den Vader kende dan de Zoon, en wien het de Zoon wil openbaren.
quot;Wij raken hier het diepste geheim aan van Jezus\' macht over den mensch. De mensch blijft onbevredigd totdat hij, niet iets van God, of God op onklare wijze kent; maar God ziet, zooals Hij is. God ziet in \'t volle licht van Zijn eigen wezen, God ziet in de volle openbaring van Zich zeiven. En deze openbaring viel door Jezus Christus den mensch te beurt. In Hem aanschouwde de mensch het volmaakte wezen van God, verstaanbaar geworden in \'t menschelijk leven des
66
ZIJNE MACHT OVER DEN MENSCH.
Zoons hier op aarde. Johannes getuigt, in naam van allen, die in Jezus op aarde dat geheim hadden ontdekt, dat zij in Hem de heerlijkheid hebben gezien van den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid. „Niemand,quot; zegt Hij, „heeft God gezien; de Eeniggeborene, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaardquot; (Joh. 1:14, 18).
Zoo werd de diepste behoefte des menschen voor altijd bevredigd. De Vader heeft den mensch er op aangelegd, om Hem in Zijn menschgeworden Zoon als Zijn zichtbaar Beeld te aanschouwen; en waar het innerlijke oog werd geopend, om in Jezus den Zoon van God te zien, daar werd het diepste heimwee naar God bevredigd. Daar werd het hart van zelf, voor eeuwig, gansch en al Jezus\' eigendom. Daar heerschte Hij over de ziel als haar Heer en God!
En gelijk Jezus Christus de waarheid mededeelde, die de diepste behoefte des menschen bevredigde, zoo verkondigde Hij tevens de waarheid, die berekend was naar de behoefte van Zijn tijd. De tijd der voorbereidende, Oud-Testamentische opvoeding was voorbij. De mensch moest de waarheid zelve zien, die tot nu toe in Israël was voorafgeschaduwd en voorspeld. Het oude kon niet meer bevredigen. Het moest plaats maken voor wat beters, voor \'t volkomene.
De mensch moest er toe komen om met God te kunnen omgaan, als een zoon met zijnen vader, gelijk Jezus met God als met Zijnen Vader omging. Er waren velen, die beseften, dat iets anders, iets beters dan het bestaande noodig was, om nieuw leven te brengen in de ook in Israël kwijnende en stervende menschheid. Terwijl anderen aan \'t bestaande vasthielden of het oude als eene doode letter wilden herstellen , zagen zij smachtend uit naar den beteren, door God beloofden tijd, naar het betere verbond, dat de plaats van het eerste zoude innemen (Hebr. 8 : 13).
En toen Jezus Christus optrad, en de holle overleveringen en vormendienst met buitengewone kracht veroordeelde, en verkondigde dat Hij meer eischte dan Mozes, maar ook meer
67
ZIJNE MACHT OVER DEN\' MENSCH.
bracht dan Mozes en de profeten, ja dat Hij al de begeerten en vooruitzichten kwam vervullen, die door Mozes en de profeten waren gewekt, toen voelde een ieder, die het gevoelen kon, dat Hij de Man van Zijn tijd en alzoo de Man dei-toekomst was, en dat, van nu af aan, alle hoop op wat beters aan Zijn persoon was gebonden.
De discipelen van Johannes, Nathanaël, de Samaritaansche vrouw, en duizenden met hen, gevoelden, bij de eerste kennismaking met Hem, dat Hij was Degene die komen zou, van quot;Wien Mozes en de profeten hadden getuigd.
En de Heiland was zich deze roeping bewust, van \'t eerste oogenblik, dat Hij in Israël optrad. Hij sprak als de Man, die wist dat de voorbijgegane eeuwen den mensch hadden voorbereid, om in Hem het eeuwige leven te vinden; en dat van nu af aan, door galoofsovergave aan Hem, stroomen van levend water uit Hem tot de geloovigen en, door de geloo-vigen, tot de kwijnende en stervende wereld vloeien zouden (Joh. 7 : 38).
Was Hij een gewoon mensch, een gewoon Israëliet geweest, dan had Hij, door in den toon te spreken, waarin Hij altijd sprak, zich tot eene bespottelijke figuur gemaakt. Maar was Hij een gewoon mensch geweest, dan had Hij alzoo niet kunnen spreken. Geen mensch was vatbaar voor de hooge gedachten, die vanzelf, als de eenvoudige waarheid, uit Hem voortvloeiden.
En alle oprechte gemoederen gevoelden, dat Hij niet de krankzinnige, niet de bezetene kon zijn, waarvoor Zijne vijanden Hem scholden, maar dat Hij waarlijk was, wat Hij beleed te zijn; de Christus, de Zoon des levenden Gods. Dit getuigenis was de eenige redelijke verklaring van de ongeëvenaarde macht, die Hij uitoefende over elke menschelijke ziel.
68
MEER DAN MOZES EX DE PROFETEN.
IX.
MEER DAN MOZES EN DE PROFETEN.
Matth. 5 : 17. Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen.
Jezus\' verschijning was anders, dan die van Mozes en de profeten. Hij trad in Israël niet op als een Verlosser van wereldschen druk. Hij berustte in \'t feit, dat Israël aan de liomeinen onderworpen was (Luk. 20 : 25).
Ook trad Hij niet op als een andere Wetgever. Hij proclameerde niet eene nieuwe reeks van wetten. „De wet is door Mozes gegeven, de genade en waarheid zijn door Jezus Christus gewordenquot; (Joh. 1 ; 17).
Hij trad ook niet in Israël op om in de eerste plaats het volk, wegens zijne zonden, door Zijne strafredenen te tuchtigen, of om in de donkere dagen, die het volk beleefde, het op te beuren door voorspellingen aangaande den toekomstigen Zoon van David.
Ook sprak Hij niet, zooals de oude profeten, onder den drang eener buitengewone ingeving, in de poëtische taal, die uit eene buitengewone verheffing des geestes wordt geboren.
En als Hij het volk leerde, dan sprak Hij niet als de leerling van Mozes en de profeten. Het gansche volk, met uitzondering der Sadduceërs, vereerde Mozes en de profeten als zijne leermeesters; en de schriftgeleerden konden naar geen grooter eer dingen dan, als de leerlingen van Mozes en de profeten, door het volk te worden geëerd. Zij beleden niet verder te gaan, dan Mozes en de profeten. Algemeen was men van oordeel, dat niemand verdei- gaan kon. Men onderzocht de schriften van Mozes en de profeten, meenende daarin het eeuwige leven te vinden, \'t Was de eenparige overtuiging, dat deze schriften de regel waren voor geloof en
69
MEER DAN MOZES EN DE PROFETEN.
leven, en dat daaraan moest worden getoetst, wat in Gods naam, aan \'t volk werd geleerd. Zij namen alzoo onder alle godsdienstige geschriften eene geheel eenige plaats in. Zij werden, met uitsluiting van alle andere geschriften, in de godsdienstige vergaderingen gelezen.
Jezus leerde niet als een leeraar, wiens hoogste of wiens voornaamste doel was, deze geschriften aan \'t volk uit te leggen. Slechts bij ééne gelegenheid — \'t was in de synagoge te Nazareth (Luk. 4 : 17) — knoopte Hij Zijne rede vast aan een bepaald Schriftwoord. En dat deed Hij niet, om dat woord op de gewone wijze te verklaren, maar omdat dit woord tot de bijbellezing van dien Sabbathdag behoorde, en Zijn getuigenis aangaande zich zeiven zich zoo gemakkelijk daarbij aansloot. Hij haalde meermalen de woorden der Schrift aan, niet om ze uit te leggen, maar om ze van Hem te doen getuigen. Hij beriep zich op Mozes en de profeten, niet zooals de leerling zich op zijn leermeester, de mindere zich op zijn meerdere beroept.
Hij sprak als de Meerdere dan Mozes en de profeten. Öalomo werd als de wijsste onder de wijzen geacht, en toch, Zijne wijsheid met die van Salomo vergelijkende, betuigt Hij: „Meer dan Salomo is hierquot; (Matth. 12 ; 42).
Hij noemt Johannes meer dan Mozes en de profeten, ja meer dan allen, die van vrouwen geboren zijn. En wat is Johannes tegenover Hem? Zijn meerdere? Neen! Zijn gelijke? Neen! Johannes, dit erkent Hij, heeft voor de waarheid getuigd, toen hij van Hem getuigde, en toch laat Hij in éénen adem op deze lofspraak dit woord volgen: „Ik neem geen getuigenis aan van een menschquot; (Joh. 5 : 34).
Zoo spreekt de door verwaandheid krankzinnige, of de Meerdere dan alle menschen!
Hij gaat zelfs zóó ver, dat Hij, ten aanhoore van een volk, dat Mozes bijna afgodisch vereerde. Zijne leer stelt boven de letter der Mozaïsche wet. Gij hebt gehoord, zoo sprak Hij, dat door de ouderen gezegd is: gij zult niet dooden, maar
70
meer dan mozes en de profeten.
zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht; gij zult geen overspel doen, wie zijne vrouw verlaten zal, geve haar een scheidbrief; gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heer uwe eeden houden; oog om oog, tand om tand; gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten; maar ik zeg u: zoo wie te onrecht op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; wie eene vrouw aanziet om dezelve te begeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan; wie zijne vrouw verlaten zal anders, dan uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel doet, en zoo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel ; zweert ganschelijk niet, maar laat zijn uw woord ja, ja, neen, neen — wat boven deze is, dat is uit den booze; wederstaat den booze niet, maar zoo wie Ju op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; hebt uwe vijanden lief, zegent ze, die u vervloeken, doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen (Matth. 5 : 17-48).
En toch handhaaft Hij de eer van Mozes en de profeten, krachtiger dan ooit is geschied. Hoe hoog ook de schriftgeleerden de overleveringen en inzettingen achtten, die niet van Mozes en de profeten afkomstig waren. Hij veracht ze, en vaagt ze van de Heilige Schrift als spinrag weg (Matth. 15 : 1—9). In de gewichtigste oogenblikken Zijns levens, in de verzoekingen in de woestijn en in G-ethsemane, en in de laatste lijdensure, houdt Hij vast aan den troost en wandelt Hij in \'t licht. Hem door de schriften van Mozes en de Profeten aangeboden (Matth. 4 : 4, 7, 10; 26 ; 31, 54,56; Joh. 19 : 28).
Hij beroept zich meermalen op een Schriftwoord, als getuigenis voor de waarheid, die Hij leert, onder andere, als Hij voor de opstanding der dooden, voor de liefde pleit, die kinderen aan hunne ouders verschuldigd zijn, en voor \'t recht, dat Hij heeft, om zich Gods Zoon te noemen (Luk. 20 : 37; Mark. 7 : 10-13; Joh. 10 : 34).
71
meer dan mozes en de profeten.
Hooger kon Hij de Schrift niet verheffen, dan door haar eenvoudig de schrift te noemen, en van haar te verklaren, dat zij niet kan gebroken worden (Joh. 10 : 35).
Het schijnt, dat men, omdat men het onderscheid tusschen Zijne leer en die van Mozes en de profeten niet begreep, vermoedde, dat Hij iets wilde leeren, dat in strijd was met Mozes en de profeten. Hij vernietigde dezen waan met dit krachtig getuigenis voor hunne geschriften: „Voorwaar Ik zeg u: totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. Zoo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de menschen alzoo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in \'t Koninkrijk der hemelen; maar zoo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelenquot; (Matth. 5 : 18, 19).
Hoe verklaren wij deze lofspraak op Mozes en de profeten in den mond van Hem, die zich, als de Meerdere dan Mozes en de profeten, boven hen verheft? De sleutel tot verklaring dezer tegenstelling is ons gegeven in de waarheid, dat Jezus de Voltooier is. van wat in Mozes en de profeten is begonnen. „Meent niet — zoo heeft Hij betuigd — dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben met gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen.quot;
Hij staat tegenover Mozes en de profeten, niet als het volmaakte tegenover het zondige; maar als het volmaakte tegenover het onvolkomene. Alle ontwikkeling in den boom, van het oogenblik af dat hij een zaadkorrel was, blijft iets onvolkomens, zoolang de boom zijne vrucht niet draagt. De boom is er om de vrucht. Alle arbeid, er aan besteed, is om de vrucht. Zaad, kiem, wortel, stam, blad en bloesem — zij zijn slechts voorspellingen, getuigenissen, van de aanstaande vrucht. Denk u de vrucht weg, en deze dingen zijn geene getuigenissen, geene voorspellingen. Er is dan niets, waarnaar zij heen wijzen. Zij zijn dan zonder doel en zonder beteekenis.
72
meer dan mozes en de profeten.
Zoo is het met Mozes en de profeten. Zij ontleenen hunne beteekenis aan Hem, die komen zou. Zij waren, tot op Johannes den Dooper, de getuigen, die Hem, den Toekomstige, voorspelden, de begeerte naar Hem opwekten, en in de harten eene plaats voor Hem bereidden. Zonder Hem, hebben hun woord en leven geene beteekenis: zijn hunne getuigenissen ijdele klanken, dichterlijke droomen. Zonder Hem zijn hunne personen onverklaarbare raadselen. Maar nu Hij vervult, wat zij hebben aangeduid en voorspeld, nu bekleeden zij, ten dienste der menschheid, de hoogste eereposten, die een mensch bekleeden kan.
Zij spraken in profetische aanschouwing van Hem, met Wiens komst de eeuwige dag over de menschheid zou aanbreken. Zij waren „brandende en lichtende kaarsenquot;, die haar licht in den donkeren nacht lieten schijnen (Joh. 5 : 35), totdat Jezus Christus in de menschheid optrad, getuigende: „ik ben het licht der wereld!quot; (Joh. 8 ; 19).
Zijne woorden en werken waren de stralen, die, metonge-evenaarden glans, uit Hem, het Licht der wereld, uitschoten.
Hit is zich dit bewust. Welk een oogenblik was het in de innerlijke levensgeschiedenis van Maria\'s Zoon, toen Hij zich bewust werd, dat Hij was Degene, van Wien Mozes en de profeten hadden getuigd! Welk een woord was het, dat Hij sprak, zoo menigmalen Hij aan het volk betuigde: gij meent in de Schriften het eeuwige leven te vinden; en die zijn het,
die van mij getuigen!
Als wij naar dit Zijn woord luisteren, dan is het ons, als zien wij Hem in \'t door Gods heerlijkheid verlichte heiligdom, terwijl in den halfverlichten zuilengang, die ons derwaarts voert, Mozes en de profeten in eene achtbare rij zijn geschaard, door \'t schemerlicht heen den Verheerlijkte aanschouwende, en van Hem getuigende; totdat alle stemmen zwijgen, en slechts deze eene stem wordt vernomen: ik ben het! — en de Vader van den Hemel dit amen er op zegt: „Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wien Ik Mijn welbehagen heb, hoort Hem!quot;
73
DE MAN VAN ZIJN TIJD,
X.
DE MAN VAN ZIJN TIJD, EN DE MAN VOOR ALLE TIJDEN.
De man van Zijnen tijd.
Jezus Christus maakt, in aile opzichten, op ons den indruk, dat Hij een kind van Zijnen tijd was. Er was niets in Hem, dat Hem tot een zonderling maakte onder Zijne tijdgenooten. Hij was zoo in alles aan Zijne tijdgenooten gelijk, en was zoo één met Zijne omgeving, Zijn volk en Zijnen tijd, dat de oppervlakkige aanschouwer in de verste verte niet kon vermoeden, dat Hij de man was voor alle tijden, het eigendom van alle volkeren, het Hoofd der gansche menschheid.
Zijn persoonlijk voorkomen was als dat van een ander. Zijne manieren waren die van Zijnen tijd. Hij sprak geen woord tegen de manieren Zijner tijdgenooten. Hij gedroeg zich aan de maaltijden der rijken, zooals anderen. In Zijne gesprekken, met de aanzienlijken te Jeruzalem, en met den landvoogd Pilatus, was Hij zoo beschaafd en wellevend als anderen. Men sprak Hem altijd met de achting toe, die men een beschaafd man waardig achtte.
Zijne kleederdracht schijnt die van een rabbijn te zijn geweest; want men groette Hem op straat als een rabbijn. Zijne discipelen noemden Hem hunnen Rabbi; zoo ook Zijne intiemste vriendinnen — denk aan \'t Rabbouni! van Maria Magdalena, bij \'t open graf.
Hij sprak gewis twee talen, die de meer beschaafden en ontwikkelden onder Zijne landgenooten spraken. Hij drukte zich — zooals Paulus op de trappen van \'t kasteel te Jerusalem deed — in \'t Hebreeuwsch uit, als Hij tot Zijn volk sprak; maar in \'t Grieksch, als Hij in aanraking kwam met Romeinen en Grieken, bijname met den hoofdman te Kaper-naum, en den landvoogd Pilatus.
74
EN DE MAN VOOK ALLE TIJDEN.
En waar leerde Hij het volk? Naar de gewoonte dier dagen, in de Synagogen, en overal waar Hij zich van eene schare omringd zag, hetzij in de huizen, of op de markt, of aan den oever van \'t meer, of in eene stille plaats buiten stad of dorp.
Zoo verzamelde Hij Zijne leerlingen rondom Zijne persoon, gelijk de rabbijnen van naam deden, en noemde ze Zijne discipelen, dat is, leerlingen, terwijl zij Hem hun Rabbi (Meester) heetten. Hij deed zich niet voor aan \'t volk als een profeet van den ouden dag, maar als een rabbijn van Zijnen tijd.
De gebeurtenissen van den dag interresseerden Hem.
Hij leefde niet met Zijne gedachten zoo in \'t verleden of in de toekomst, dat Hij niet opmerkte, wat er dag aan dag voorviel, en niet als Zijne tijdgenooten er door werd aangedaan.
Wetende hoezeer de gevangenneming van Johannes door Herodes Hem ter harte ging, deelde men Hem uitvoerig de omstandigheden mede, waaronder Johannes om \'t leven was gebracht.
Het neerstorten van den toren te Siloam op eenige personen, maakte een diepen indruk op Hem.
Hij kon de wreedheid van Pilatus niet vergeten, die eenige Gallileërs, terwijl zij aan \'t offeren waren, had laten ombrengen.
Met een open oog zag Hij den nood der armen aan, en werd daardoor met innerlijke ontferming over hen bewogen.
Zijn oog was voor alles open. Dit blijkt uit- Zijn onderwijs.
Hij ontleende Zijne ophelderingen aan de bedrijven en gewoonten van Zijnen tijd.
Aan \'t beroep van den landman, den visscher, den koopman, den wijngaardenier en aan den werkkring van de huismoeder.
Aan de gewoonten der kinderen in hunne spelen, der volwassenen aan de maaltijden en bij de bruiloftsviering, en der landbezitters, die het beheer over hunne zaken in handen van anderen laten, terwijl zij in den vreemde verkeeren.
Hij houdt zich aan de bestaande verordeningen.
75
DE MAN VAN ZIJN TIJD,
Te huis, waar Hij als kind een voorbeeld is van gehoorzaamheid en onderdanigheid.
In Israël waar Hij, als een echte Israëliet, de synagogen en den tempel bezoekt, de tempelschatting betaalt, en den Hoogen Raad met eerbied bejegent.
Tegenover de Romeinsche overheid, aan wier heerschappij Hij zich, als aan eene goddelijke beschikking, van harte onderwerpt. „Geef den keizer, dat des keizers is,quot; dit leerde Hij aan anderen, en dit deed Hij zelf. En tegenover Pilatus gedraagt Hij zich, als een eerbiedige onderdaan.
Zoo wist Hij zich te voegen in den tijd, waarin Hij leefde.
En Hij kende den geest van Zijn volk door en door.
Hij bestrafte de heerschende zonden Zijns volks:
Hun trots op hunne afkomst uit Abraham.
Hunne verachting van den vreemde.
Hunne verheffing eener uiterlijke godsdienstigheid boven de innerlijke godsvrucht.
Het opofferen der zedelijke en godsdienstige waarheid, aan de geestdoodende inzettingen en levensregelen, die hun van de vaderen zijn overgeleverd.
Hun jacht op wonderen, die in \'t oog loopen en de zinnen streelen.
Hun hoogmoed jegens de onkundigen en hunne wreedheid jegens de armen.
Hunne huichelarij en geldgierigheid.
Hun ongeloof en afval van God.
Zoo toonde Jezus dat Hij de man was van Zijnen tijd. Hij was meer dan dit: Hij was de man van het tegenwoordige oogenblik.
Zijn onderwijs werd altijd geboren uit de behoeften van het oogenblik.
Oogenblik na oogenblik bracht vanzelf het onderwerp van Zijn onderwijs met zich. Hij overlegde niet in eene studeerkamer, wat Hij van dag tot dag leeren moest. Zijne gedachten en woorden werden van oogenblik tot oogenblik geboren, uit
76
EN DE MAN VOOR ALLE TIJDEN.
Zijne aanraking met de werkelijkheid. quot;Wat Hij leerde was de levende vrucht, ontstaan uit de levende aanraking met de levende werkelijkheid van \'t oogenblik.
Zoo ontstond het onderwijs dat Hij mededeelde:
Aan Nicodemus.
Aan Simon den Parizeer.
En aan de Samaritaansche vrouw.
Zoo ontstonden Zijne redenen tot de schriftgeleerden te Jeruzalem ; en Zijne woorden tot Zijne jongeren, onder andere, onmiddellijk vóór Zijn laatste lijden, en tusschen Zijne hemelvaart en opstanding. ■
Zoo ontstonden Zijne gelijkenissen.
Intusschen, terwijl Hij bij uitnemendheid het kind van Zijn volk en van Zijnen tijd was; zoo was Hij tevens
DE MAN VOOR ALLE VOLKEN EN TIJDEN.
Hoe kwam dat? Voor Hem was er geene breede klove, die het voorbijgaande en het blijvende, het tijdelijke en \'t eeuwige, van elkander scheidde. Hij zag het blijvende in \'t voorbijgaande. Hij hoorde het eeuwige in het tijdelijke. Alles had voor Hem een eeuwigen zin. Alles was voor Hem vol van eene eeuwige beteekenis.
Hij had Gods stem verstaan, die aan Zijne tijdgenooten den aanvang eener nieuwe bedeeling verkondigde.
Hij was de tolk van die stem. En zoo verkondigde Hij het Evangelie van het Koninkrijk der hemelen.
Het was er toe gekomen, dat het oude, zoowel in Israël, als onder de volkeren, had uitgediend. Er waren behoeften gewekt, die alleen konden bevredigd worden door het eeuwige, het eeuwig blijvende, het eeuwig nieuwe. Geen Evangelie kon bevredigen, dan \'tEvangelie van hethemelschKoninkrijk.
Een Koninkrijk derhalve, waarin alle perken wegvallen, die de volkeren, de maatschappelijke standen, en de individuen van elkander scheiden.
Een Koninkrijk, waarin, evenals in de hemelen, alleen het eeuwige, het onvergankelijke geldt.
77
DE MAN VAN ZIJN TIJD,
Een koninkrijk, waarin God met den mensch, alsmeusch, naar Zijne eeuwige behoeften, zich bemoeit, en die eeuwige behoeften bevredigt.
Jezus liet door de twaalven en door de zeventigen, door het gansche land, prediken, niet dat God op het punt is, een aardsch koninkrijk te stichten, met eenen godsdienst, die dan noodzakelijk aan de aardsche verordeningen van dat koninkrijk gebonden is; maar een hemelsch Koninkrijk, waar alle aardsche, alle lagere grenzen zijn te niet gedaan.
\'t Was derhalve geen Evangelie slechts voor dien tijd, of alleen voor Israël.
Toen Zijne tijdgenooten, verslaafd aan den uiterlijken vorm. Hem vroegen: waar dan toch dat Koninkrijk te zien is, antwoordde Hij hun, dat het — naar den aard van het eeuwige — niet met uiterlijk gelaat komt, en reeds onder hen was gesticht.
Zijn onderwijs, dat voornamelijk diende, om duidelijk te maken, wat Hij bedoelde bij \'t Koninkrijk der hemelen, bevat geen enkel woord, dat kan laten denken aan eenen godsdienst, die, zooals alle godsdiensten tot op dien tijd, een beperkt nationaal karakter heeft.
Daarom vond dit onderwijs alleen bijval,
bij hen die in \'t eeuwigblijvende bevrediging zochten.
Zoo viel vanzelf het onderscheid weg, tusschen hoog en laag, rijk en arm, geleerd en ongeleerd.
Alle zielen, die naar God dorstten, vonden verzadiging in Zijn onderwijs. Dat bevredigde hare eeuwige behoeften.
En zoo werden vanzelf Zijne woorden, woorden voor alle Godzoekenden, door alle eeuwen. Boven de eeuwige behoeften, die Hij kwam bevredigen, zijn er geene te denken. En zoo is er geen onderwijs denkbaar, dat verder gaan kon, dan Zijn onderwijs ging. Hij liet niets over voor anderen om aan te vullen, wat aan Zijn onderwijs ontbrak.
Daar Hij, gelijk wij gezien hebben, \'s menschen innerlijke behoeften door Zijn eigen persoon, door \'t geloof in Hem, kwam
78
EN DE MAN VOOR ALLE TIJDEN.
bevredigen, zoo blijft er niets anders over voor alle godsdienst-onderwijzers na Hem, dan uit Zijn ons overgeleverde redenen te leeren, wat Hij van zich zeiven getuigde, en van het geloof in Hem, waardoor men het eeuwige leven ontvangt.
Zoo is Hij de leeraar voor alle Godzoekende zielen, door alle tijden.
Hij, de Man van Zijn tijd, is de Man voor alle tijden.
Ik zeide u, dat de benaming, Koninkrijk der hemelen, aan den Israëliet verkondigde, dat de godsdienst, die Gode behaagt, weldra alle perken, die aan de aardsche koninkrijken eigen zijn, zou wegwerpen. Het Evangelie dezes Koninklijks was derhalve niet uitsluitend voor Israël, maar voor alle volkeren bestemd.
Dit heeft Jezus aan Zijn volk ronduit gezegd. Meer dan dit. Hij heeft hun gezegd dat zij, verslaafd aan het oude, Zijn Evangelie zouden verwerpen, terwijl de andere volkeren het zouden aannemen; dat zij uit het Koninkrijk der hemelen zouden worden buitengesloten en de heidenen er in opgenomen.
Reeds bij Zijn leven op aarde, begon dit woord in vervulling te treden. Meermalen roemde Hij het geloof der heidenen, boven het geloof dat Hij in Israël had gevonden. Terwijl zelfs de godsdienstigen onder Zijn volk zich er aan ergerden, dat Hij zoo weinig hechtte aan heilige plaatsen en tijden, en alleen op den godsdienst des harten aandrong, verheugden zich de Samaritanen over de blijde boodschap, dat de Vader in den hemel niet vraagt, of men in de eene of-andere heilige plaats, in een of anderen heiligen vorm, maar of men in geest en waarheid aanbidt (Joh. 4 : 23).
Onbewust strekten de heilbegeerigen zoowel in Israël, als onder de volkeren, zich reikhalzend uit naar dit Evangelie, dat hen van alle belemmerende inzettingen vrijmaken, en als vrije zonen en dochters met den Vader in den hemel verbinden zou. Jezus werd hierdoor vanzelf de leeraar der volkeren.
En Jezus droeg aan Zijne discipelen op, het Evangelie des hemelschen Koninklijks aan alle volkeren te prediken —
79
80 DE MAN VAN ZIJK TIJD, EN DE MAN VOOR ALLE TIJDEN.
het Evangelie, dat den heilbegeerigen mensch gerechtigheid en vrede en blijdschap, door den H. Geest, mededeelt, en alzoo invoert in \'t Koninkrijk der hemelen (Rora. 14 : 17).
De Heiland leerde altijd in \'t bewustzijn, dat Hij de leeraar der volkeren is, omdat Hij de leeraar des menschen is, gekomen om de eeuwige behoeften des menschen te bevredigen.
Aan den maaltijd te Bethanië, sprak Hij, als zag Hij reeds Zijn Evangelie tot alle volkeren gebracht (Matth. 26 : 13).
En hoe verheven klinkt Zijn bevel aan Zijne discipelen; „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, gaat dan henen, maakt alle volken tot Mijne discipelenquot; (Matth. 28 : 18, 19).
Hij, die het beter dan eenig leeraar verstond, om naar de behoefte van Zijn tijd en volk te spreken. Hij leerde tevens naar de behoefte van alle tijden en volkeren.
XI.
DE MENSCH, DIE MEER DAN ALLE MENSCHEN IS.
M e n s c h.
Jezus\' broeders, die met Hem samen opgroeiden en Hem kenden, zooals slechts broeders elkander kunnen kennen, zagen in Hem den gewonen Israëliet, en ergerden zich er daarom aan, toen Hij later getuigde, dat Hij de Christus, de Zoon van God was (Joh. 7 : 5).
En zoo ging het met Zijne stadgenooten, die Hem jaren lang als den Zoon van Maria en de hulp van Jozef den timmerman hadden gekend, en van Wien velen de speelmakkers en dagelijksche gezellen waren geweest. Ook zij ergerden zich er
DE MENSCH, DIE MEER DA2* ALLE MENSCHEN IS. 81
aan, dat Hij, de zoon des timmermans, na Zijnen doop, in hunne Synagoge, zulk een hoogen toon aansloeg (Luk 4 : 16-29).
Zijne discipelen spraken van Hem, niettegenstaande de buitengewone eer, die zij Hem bewezen, als van een mensch van gelijke behoeften en bewegingen als wij. Hij nam toe, zegt Lukas, in grootte en in wijsheid en in genade bij God en menschen. Nooit is ons een menschelijker leven beschreven, dan \'t leven van Jezus Christus, zooals de Evangelisten het ons geteekend hebben.
Het volk zag Hem aan, groette Hem en sprak Hem toe, als een zijner rabbijnen.
De armen en onkundigen hingen Hem aan, juist omdat Hij zoo menschelijk was, zoo één met hen, als hun medelijdende broeder.
Het geheim der aantrekkingskracht, die Hij op de kleine * kinderen uitoefende, lag in Zijne menschlijkheid. Zij voelden dat Hij hun vriend was, omdat Hij als een kind met de kinderen wist om te gaan. Niemand wordt eerder door iets zonderlings en vreemds in den mensch afgestooten, dan het kleine kind.
En waarom verwierpen Zijne vijanden Hem ? Juist omdat Hij, die in al Zijn doen en laten als een mensch handelde, zich den Christus, den Zoon van God heeft genoemd (Joh. 10:33).
Hoewel de indruk, dien Hij op Pilatus maakte, een buitengewone was, toch was Hij zoo door en door menschelijk, dat Pilatus zich er over verwonderde, toen Hij hoorde, dat deze mensch zich Gods Zoon had genoemd.
Men kon niet anders dan Jezus als een mensch aanzien,
OMDAT HIJ IN ALLES ZICH ALS MENSCH GEDROEG.
Als kind was Hij, zooals het ieder kind past, aan Zijne ouders gehoorzaam.
In lateren leeftijd was Hij, in den timmermanswinkel, de behulpzame zoon Zijns pleegvaders.
En toen Jozef was gestorven, was Hij, als de eerstgeborene, de verzorger Zijner moeder, \'t Was de laatste vervulling van
6
82 DE MENSCH, DIE MEER DAN ALLE MENSCHEN IS.
Zijn kinderplicht op aarde, toen Hij aan het kruis Zijne moeder aan den geliefden discipel toevertrouwde.
Toen Johannes gansch Israël tot den doop opriep, liet ook Hij, als echte Israëliet, zich doopen.
En na Zijn doop treedt Hij in Israël op als een prediker, die verkondigt wat Johannes had verkondigd (Mark. 1:14, 15); en als een rabbijn, die aan \'t volk de dingen leert, waarvan Zijn hart vol is.
Hij is vervuld van echte vaderlandsliefde. Als Hij aan \'t droevig lot denkt, dat Jerzalem wacht, dan kan Hij, te midden eener jubelende menigte. Zijne tranen niet weerhouden. En hoe roerend is Zijn laatste afscheidswoord aan haar, omdat zij niet heeft willen luisteren naar de stem Zijner liefde — niet in die liefde redding heeft gezocht, gelijk de kiekens die zoeken onder de vleugels der hen.
Door Zijne liefde tot den mensch wordt Hij innerlijk met ontferming bewogen, zoo vaak Hij de schare aanziet, die als eene kudde schapen is, vermoeid en dolende zonder herder in de woestijn (Matth. 9 : 36).
Vatbaar voor de aandoeningen der vriendschap gevoelde Hij zich door teedere vriendschapsbanden verbonden aan den uitgelezen kring der vrouwen, die in Zijn onderhoud hielpen voorzien (Luk. 8 : 2, 3), aan het huisgezin van Bethanië en aan Johannes, den geliefden discipel.
Meermalen werd Zijn toorn opgewekt. Denk aan \'t zevenvoudig wee over de Farizeën en Schriftgeleerden uitgesproken; aan de boodschap, die Hij aan „dien vosquot; Herodes zond; aan het „weg achter Mij, satanasquot;, waarmede Hij Petrus bestrafte. Medelijden en toorn openbaarde zich eens bij Hem cp hetzelfde oogenblik (Mark. 3 : 5). Hij sprak met verontwaardiging tot den lagen dienstknecht, die Hem bij Annas in \'t aangezicht had geslagen: „indien Ik kwalijk gesproken heb, getuig van het kwade; indien wel, waarom slaat gij Mij?quot;
Als Hij aan Zijne discipelen mededeelt, dat een hunner Hem verraden zal, dan vervult ontroering Zijne ziel (Joh. 13 : 21).
DE MENSCH, DIE MEEE DAN ALLE MENSCHEN IS. 83
Hij verheugde zich er over, dat de kleine kinderen Zijne liefde konden vatten, en dat zondaren en zondaressen zich tot God bekeerden.
Hij beminde al wat beminnenswaardig was, al ontdekte Hij het ook in iemand, die niet bereid was, op Zijn bevel, Hem te volgen, en Hem verliet (Mark 10 : 21).
Hij bewonderde het bewonderenswaardig geloof van de Kananeesche vrouw en dat van den heidenschen hoofdman.
In Gethsemane werd Hij door zulk een angst aangegrepen, dat Hij tot den dood toe benaauwd werd: en op Golgotha, werd het zoo donker in Zijne ziel, dat Hij klaagde: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?quot;
En als Hij in de veldbloemen een schooner pracht ontdekte, dan waarmede de vorsten zijn bekleed, dan lijdt het geen twijfel, of Hij verstond, beter dan eenig mensch, de rijke spraak der natuur. Zij wekte in Hem den ganschen rijkdom van aandoeningen op, dien zij, uit haren aard, bestemd is, in de menschelijke ziel te wekken. Wie niet doof is voor Gods stem in de natuur, kan eenigszins beseffen, wat in de reine ziel van Jezus moet ziin omgegaan, wanneer Hij een schoonen op- of ondergang der zon aanschouwde, langs het strand van het liefelijke meer Genesareth wandelde of bij een helderen sterrenhemel den berg besteeg, om daar alleen te zijn met Zijnen Vader.
En waartoe wilde Hij daar alleen zijn met den Vader? Omdat Zijn menschelijk hart behoefte had aan de verkwikking en de sterkte, die van God, door \'t gebed, tot den mensch vloeien. Hij bracht nachten in \'t gebed door. Soms stortte Hij, te midden van Zijn spreken tot den evenmensch, een kort gebed tot den Vader uit (Luk. 10 : 21). Hoe menschelijk denkt zich de Evangelist den gebedskamp in Gethsemane, als Hij zegt, „in zwaren strijd zijnde, bad Hij te vuriger.quot; Ja, ook Hij heeft, als andere menschen, gebeden en smeekingen, met sterke roepingen en tranen, tot God opgezonden (Hebr. 5 : 7).
DE MENSCH, DIE MEER DAM ALLE MENSCHEN IS.
Zijn kinderplicht op aarde, toen Hij aan het kruis Zijne moeder aan den geliefden discipel toevertrouwde.
Toen Johannes gansch Israël tot den doop opriep, liet ook Hij, als echte Israëliet, zich doopen.
En na Zijn doop treedt Hij in Israël op als een prediker, die verkondigt wat Johannes had verkondigd (Mark. 1:14,15); en als een rabbijn, die aan \'t volk de dingen leert,waarvan Zijn hart vol is.
Hij is vervuld van echte vaderlandsliefde. Als Hij aan \'t droevig lot denkt, dat Jerzalem wacht, dan kan Hij, te midden eener jubelende menigte, Zijne tranen niet weerhouden. En hoe roerend is Zijn laatste afscheidswoord aan haar, omdat zij niet heeft willen luisteren naar de stem Zijner liefde — niet in die liefde redding heeft gezocht, gelijk de kiekens die zoeken onder de vleugels der hen.
Door Zijne liefde tot den mensch wordt Hij innerlijk met ontferming bewogen, zoo vaak Hij de schare aanziet, die als eene kudde schapen is, vermoeid en dolende zonder herder in de woestijn (Matth. 9 : 36).
Vatbaar voor de aandoeningen der vriendschap gevoelde Hij zich door teedere vriendschapsbanden verbonden aan den uitgelezen kring der vrouwen, die in Zijn onderhoud hielpen voorzien (Luk. 8 : 2, 3), aan het huisgezin van Bethanië en aan Johannes, den geliefden discipel.
Meermalen werd Zijn toorn opgewekt. Denk aan \'t zevenvoudig wee over de Farizeën en Schriftgeleerden uitgesproken; aan de boodschap, die Hij aan „dien vosquot; Herodes zond; aan het „weg achter Mij, satanasquot;, waarmede Hij Petrus bestrafte. Medelijden en toorn openbaarde zich eens bij Hem op hetzelfde oogenblik (Mark. 8 : 5). Hij sprak met verontwaardiging tot den lagen dienstknecht, die Hem bij Annas in \'t aangezicht had geslagen: „indien Ik kwalijk gesproken heb, getuig van het kwade; indien wel, waarom slaat gij Mij?quot;
Als Hij aan Zijne discipelen mededeelt, dat een hunner Hem verraden zal, dan vervult ontroering Zijne ziel (Joh. 13 : 21).
82
DE MENSCH, DIE MEER DAN ALLE MENSCHEÏT IS. 83
Hij verheugde zich er over, dat de kleine kinderen Zijne liefde konden vatten, en dat zondaren en zondaressen zich tot God bekeerden.
Hij beminde al wat beminnenswaardig was, al ontdekte Hij het ook in iemand, die niet bereid was, op Zijn bevel. Hem te volgen, en Hem verliet (Mark 10 : 21).
Hij bewonderde het bewonderenswaardig geloof van de Kananeesche vrouw en dat van den heidenschen hoofdman.
In Gethsemane werd Hij door zulk een angst aangegrepen, dat Hij tot den dood toe benaauwd werd: en op Golgotha, werd het zoo donker in Zijne ziel, dat Hij klaagde: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?quot;
En als Hij in de veldbloemen een schooner pracht ontdekte, dan waarmede de vorsten zijn bekleed, dan lijdt het geen twijfel, of Hij verstond, beter dan eenig mensch, de rijke spraak der natuur. Zij wekte in Hem den ganschen rijkdom van aandoeningen op, dien zij, uit haren aard, bestemd is, in de menschelijke ziel te wekken. Wie niet doof is voor Gods stem in de natuur, kan eenigszins beseffen, wat in de reine ziel van Jezus moet zijn omgegaan, wanneer Hij een schoonen op- of ondergang der zon aanschouwde, langs het strand van het liefeliike meer Genesareth wandelde of bij een helderen sterrenhemel den berg besteeg, om daar alleen te zijn met Zijnen Vader.
En waartoe wilde Hij daar alleen zijn met den Vader? Omdat Zijn mensch el ijk hart behoefte had aan de verkwikking en de sterkte, die van God, door \'t gebed, tot den mensch vloeien. Hij bracht nachten in \'t gebed door. Soms stortte Hij, te midden van Zijn spreken tot den evenmensch, een kort gebed tot den Vader uit (Luk. 10 ; 21). Hoe menschelijk denkt zich de Evangelist den gebedskamp in Gethsemane, als Hij zegt, „in zwaren strijd zijnde, bad Hij te vuriger.quot; Ja, ook Hij heeft, als andere menschen, gebeden en smeekingen, met sterke roepingen en tranen, tot God opgezonden (Hebr. 5 : 7).
84 DE MENSCH, DIE MEER DAN ALLE MENSCHEN IS.
Maar, terwijl Hij zich aldus, door en door, als mensch gedroeg, zoo is Hij tevens
MEER DAN ALLE MENSCHEN.
Versta mij. Hij vertoont niet nu en dan Zijne meerderheid boven alle menschen, door nu en dan op te houden mensch te zijn. Mensch te zijn en meer dan alle menschen te zijn, staan in Hem niet tegenover of naast elkander. Hij is altijd en overal mensch en altijd en overal meer dan alle menschen. Onwillekeurig, vanzelf spreekt Hij het bewustzijn uit, dat Hij meer is dan alle menschen. Hij doet dit bij de meest onderscheidene gelegenheden.
Bij de kinderen. „Laat ze — zoo spreekt Hij — tot Mij komen, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.quot; Als wilde Hij zeggen: „die tot Mij komt, komt tot het Koninkrijk der hemelen; wat in Mij den kinderen aantrekt, is juist wat het Koninkrijk der hemelen tot Koninkrijk der hemelen maakt; die aan Mijn persoon verbonden wordt, gaat dat Koninkrijk in; waar Ik ben, daar is dat Koninkrijk; buiten Mij bestaat het niet; het Koninkrijk der hemelen, ben Ik. Alleen op Zijne. lippen, en dat in den hoogsten zin, past het l\'état, c\'est mol, van den trotschen Lode wijk.
Wat Hij voor de kinderen was, dat was Hij voor de armen en bedrukten. Hij zegt niet, wat wij zouden zeggen; „gaat, vermoeiden en belasten, tot God, en Hij zal u rust gevenquot;; „maar komt tot Mij, en Ik zal u rast geven; neemt Mijn juk op u, en gij zult rust hebben voor uwe ziel.quot; En velen ondervonden de waarheid van dit woord, en konden het Petrus nazeggen: „Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.quot;
Aan de Samaritaansche vrouw, die dorstte naar eene bevredigende kennis van God, verkondigde Hij, dat Hij de beloofde Profeet was, niet alleen voor Israël, maar ook voor de Samaritanen; dat Hij het was, die den dorst naar God in den mensch bevredigt, zoodat, die drinkt van het water des levens, dat Hij aanbiedt iu der eeuwigheid niet meer dorsten
de mensch, die meer dan alle menschen is. 85
zal, daar dit water in hem wordt een fontein van water, springende tot in \'t eeuwige leven.
Aan Zijne vijanden verklaarde Hij, dat Hij, mensch, maar tevens Gods Zoon was; en dat zij geen reden hadden zich hier aan te stooten, omdat de Schrift aan raenschen den naam van Goden geeft (Joh. 10 : 33 — 35). \'t Was vooral door dit woord, dat de Heer de waarheid verdedigde, dat Zijne menschheid in Hem niet ophoudt, waar Hij aanvangt meer dan alle menschen te zijn. Hij, de mensch Jezus, is meer dan alle menschen, is vóór Abraham, is één met den Vader, is de Zoon van God. Hij wordt door den Joodschen Raad juist hierom als Godslasteraar tot den dood veroordeeld, omdat Hij, mensch zijnde, zich Zoon van God noemt, maar zoo ooit, dan is het in deze ure, dat Hij zich klaar bewust is, dat Hij het Hoofd, de Koning der menschen is. Hoe fier spreekt Hij, die daar geketend voor den raad staat, dit bewustzijn uit: „Ik zeg ulieden, van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen, zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemelsquot; (Matth. 26: 64).
Aan Zijne discipelen verklaart Hij, dat alleen Hij den Vader kent, en wien Hij den Vader openbaren wil; dat Hij hun den Heiligen Geest zal mededeelen; dat Hij hen in de wereld zendt om \'t Evangelie te prediken; dat Hem alle macht is gegeven in hemel en op aarde, en dat Hij met hen zijn zal tot het einde der eeuwen. Hij eischte van hen eene liefde, die de liefde van de vrouw tot haren man en van het kind tot zijne ouders te boven gaat. Hij spreekt hen zalig, en zegt hun een eeuwig loon toe, als zij om Zijnentwil worden gelasterd en vervolgd.
Hooger kon Hij zich niet verheffen boven alle menschen, dan het eeuwige leven te verbinden aan de overgave en toewijding aan Hem. Hij zeide het eeuwige leven toe aan allen, die in Hem gelooven, dat is, zich aan Hem toevertrouwen. Hooger kan de Vader zelf zich niet verheffen. Hij zegt niet: „alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij aan een iegelijk,
DE MENSCH, DIE MEEE DAN ALLE MENSCHEN IS.
die in Hem (den Vader) gelooft het eeuwige leven geeft;quot; maar, „alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen Eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem (den Zoon) gelooft, het eeuwige leven hebhequot;; „die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zienquot;; „Ikben de weg, de waarheid en het leven.quot; Zoo spreekt niet de mensch tot zijn gelijke, maar God tot den mensch.
En de geloovige ziel ondervond, dat Jezus Christus voor haar was, wat alleen God voor haar zijn kon — haar licht en leven, haar kracht en vreugde. En in \'t besef van wat Hij voor haar was, noemde zij Hem, met de allerinnigste toewijding en de allerdiepste hulde: „mijn Heer en mijn Godquot; (Joh. 20, 28).
Zoo steekt Jezus Christus, die door en door mensch is, door en door één is met de menschheid, boven de menschheid uit, zoo hoog als God zelf. Hij, onze broeder, is onze Heer. Terwijl niemand ons nader en toegankelijker is dan Hij, is niemand, zelfs God niet, hooger en heerlijker in onze schatting, dan Hij.
XII.
ZOOK DES MENSCHEN, EN ZOON VAN GOD.
Jezus Christus is een mensch als wij — geboren uit eene dochter van Adam, evenals wij. Hij is niet alleen als echte Israëliet één met Israël, maar ook als echte mensch één met de menschheid. Terwijl Mattheus u herinnert aan Zijne afstamming uit Abraham, herinnert Lukas u aan Zijne afstamming uit Adam.
En terwijl Hij een mensch is, voortgesproten uit een mensch.
86
ZOON DES MENSCHEN, EN ZOON VAN GOD.
zoo is Hij de reine mensch gebleven. Hij heeft niet de zonde in zich opgenomen. Dan had Hij ook iets anders in zich, dan wat zuiver menschelijk is. Dan was in Hem het menschelijke ontaard. De zonde is ontstaan, door de ontaarding des menschen. Hoe meer de zonde in den mensch heerscht, des te meer wordt het zuiver menschelijke in hem verwoest. Menigeen ontaardt zóózeer, dat men zijne afkomst uit het eene of andere edele geslacht niet meer ontdekken kan. Maar Jezus bewaarde den adel Zijner menschheid rein. Hij bleef, in den edelsten zin des woords, een Zoon des menschen.
Door Zijne zondeloosheid was er eene oneindige tegenstelling tusschen Hem en de gansche zondige menschheid. Maar, doordien Hij geene zonde gekend heeft, schaamde Hij zich niet, den plicht der liefde jegens de menschheid te vervullen. Het gebeurt vaak, dat iemand zijne tot ondeugd vervallen broeders veracht, zich aan hen onttrekt, en zich schaamt hun broeder genaamd te worden. Zoo deed Jezus niet. Hij had met den gevallen mensch medelijden, als met een gevallen broeder. Hij schaamde zich niet, mensch, een Zoon des menschen, te heeten. De ellende van Zijn geslacht, wekte te meer Zijn liefde en medelijden op. En daar niemand dan Hij, de Reine, de Onschuldige, zich voor het zondige menschenge-slacht in de bres kon stellen, zoo deed Hij dit. Hij leefde voor geen ander doel, dan de verloren zonen en dochters tot hunnen hemelschen Vader terug te voeren, totdat Hij Zijn leven offerde ter verzoening des menschen met God. Hij was, als echte Zoon des menschen, alles voor \'t gevallen menschen-geslacht. Nooit kwam de band, die Hem, als Zoon des menschen aan al wat mensch heet, bond, sterker uit, dan toen Hij voor den mensch Zijn leven gaf.
Maar waarom noemt Hij zich niet een, maar den Zoon des menschen ? Omdat Hij de eenige volmaakte is onder de menschen. Niet alleen is Hij de Onzondige; maar ook elke menschelijke deugd is in Hem tot de hoogste volkomenheid ontwikkeld. Hij is de volmaakte harmonie van alle mensche-
87
zoon des menschen, en zoon van god.
lijke deugden. Hij is de ideale mensch, naar wien de gansche menschheid, tot in alle eeuwigheid, zich getrokken zal gevoelen, opdat ieder naar zijn vatbaarheid, in Hem\'t beeld van alle menschelijke voortreffelijkheden zou bewonderen. Tegenover Hem zijn wij elkanders gelijken. Wat ons van elkander onderscheidt — hoe hoog ook de een sta boven den ander — dat verdwijnt, als wij de uitstekendsten van ons geslacht met Hem vergelijken. Hij is de Onvergelijkelijke. Hoe uitnemender de mensch is. des te dieper buigt hij zich voor de onbereikbare heerlijkheid van Jezus Christus.
Wij zien. ja, in Jezus een mensch van gelijke bewegingen als wij; maar wij aanbidden Hem tevens, als den mensch, die de gansche menschheid oneindig overtreft. Wij huldigen Hem, als het Hoofd der menschheid; en noemen Hem, zooals Hij zelf zich heeft genoemd, den (en niet maar een) zoon
des menschen.
De onderdaan ziet in zijnen koning den man, die aan hem gelijk is, maar hij noemt hem niet zijnen gelijke, en hij bewijst hem eenen eerbied, dien hij aan geen medeonderdaan bewijst. Zoo — om hét groote met het kleine te vergelijken — zien wij in Jezus den mensch, die ons in alles gelijk is, uitgenomen de zonde; maar wij noemen Hem niet onzen gelijke, en wij bewijzen Hem den eerbied, dien H ij alleen waard is, Wien eenmaal, de gansche menschheid als haar Hoofd en Heer aanbidden zal.
Toen Jezus zich voor Kajafas den Zoon des menschen noemde, dacht Hij aan zich als het Hoofd der menschheid, bestemd om te deelen in Gods heerschappij over den mensch.
Het Hoofd des lichaams is één met het lichaam, en zoo is de Zoon des menschen één met de menschheid. Hij is haar natuurlijk Hoofd, Hij is haar Hoofd uit den aard der zaak. Hij alleen vereenigt in zich alle denkbare menschelijke voortreffelijkheden; Hij alleen kon de nood der gevallen menschheid dragen en haar er uit verlossen. Hij alleen kon zich aan haar hoofd stellen, om haar tot hare bestemming te voeren.
88
zoon des menschem, en zoon van god.
Is het toevallig, dat Hij haar Hoofd is geworden? Is Hij het alleen daarom, omdat Hij de Onzondige is? Geenszins! Hij is de Zoon des menschen, omdat Hij is:
de zoon van god.
Het eerste vindt zijn grond in het laatste. Laat ons trachten te verstaan, wat dit laatste beteekent.
Als mensch is Hij een Zoon van God. Ieder mensch is, als hij is wat hij wezen moet, een zoon van God. Een zoon van God te zijn, behoort tot het wezen van den mensch. Jezus zocht de zondaren, als Gods verloren zonen op — denk aan de gelijkenis van den verloren zoon. Lukas noemt Adam een zoon van God. In de wedergeboorte ontvangen wij den Geest der aanneming tot zonen, waardoor wij roepen Abba, Vader!
De schriftgeleerden verstonden in de verte niet deze bestemming van den mensch; daarom ergerden zij zich er aan, dat Jezus Christus, een mensch zijnde, zich Gods Zoon noemde. Alsof mensch te zijn, en van Gods geslacht te zijn, begrippen zijn die elkander noodzakelijk uitsluiten. Om hen van hunne dwaling in dit opzicht te overtuigen, herinnerde Jezus hun, dat menschen door de Schrift goden worden genoemd (Joh. 10 : 33—35).
Dit gesprek met de schriftgeleerden zegt het ons, dat eene lage opvatting van de menschel ij ke persoonlijkheid oorzaak is, van de lage opvatting van de persoonlijkheid van Jezus Christus.
Als mensch, naar de volle beteekenis van dit woord, stamt Jezus niet alleen uit een mensch, maar ook onmiddellijk uit God; en hierom is Hij een Zoon van God. Hij is niet alleen uit Maria, maar ook uit den Heiligen Geest geboren (Luk. 1 : 35). Hij is zoowel uit den tijd als uit de eeuwigheid, zoowel uit den mensch als uit God; vereenigt alzoo in zich het tijdelijke en het eeuwige, het menschelijke en het goddelijke; en is zoowel eens menschen, als Gods Zoon.
Hoe dieper wij, geloovigen, doordringen tot de kennis van
89
ZOON DES MENSCHEN, EN ZOON VAN GOD.
ons zeiven, des te dieper grijpt dit mysterie onzer dubbele geboorte ons aan. Wij menschen zijn kinderen onzer aardsclie ouders en tevens kinderen van God. Wij zijn uit den mensch, maar tevens uit God geboren.
Als mensch derhalve weerspiegelde Jezus Christus het beeld van God, gelijk het kind dat van zijnen Vader. Zijne deugden waren de weerspiegeling van Gods deugden. Toen Hij zich Gods Zoon noemde, begrepen de Schriftgeleerden terstond, dat Hij zich Gode gelijk maakte, \'t Was hun duidelijk dat „Zoon van Godquot; te zijn, niet alleen den oorsprong uit God, maar ook de gelijkvormigheid aan God insloot. En dit klonk hun, in hunne oppervlakkigheid, als eene godslastering.
\'t Is de bestemming van iederen mensch, om aan God gelijkvormig te zijn. \'t Is de menschelijke bestemming, zooals God die heeft gewild. Het behoort tot het wezen van den mensch. De Heiland wekte Zijne discipelen op, om volmaakt te zijn, gelijk hun Vader in de hemelen volmaakt is (Matth. 5 : 48); en Paulus vermaant de geloovigen om Gods navolgers te zijn, als Zijne geliefde kinderen (Efeze 5 :1).
Geen enkele menschelijke deugd is iets oorspronkelijks in den mensch — iets dat eerst met den mensch is ontstaan. Zij was in God, eer zij in den mensch was. Zij behoort tot het wezen van God. De mensch heeft haar uit God, door deel te hebben aan de goddelijke natuur (2 Petr. 1 : 4), door van Gods geslacht, dat is, in goeden zin, eenswezens met God te zijn (Hand. 17 : 28, 29).
Wie derhalve een mensch ziet, die waarlijk is, wat hij wezen moet, ziet in hem het beeld van God, maar in een betrekkelijk en zin. Ik zeg in een betrekke lij ken zin, want de volkomenheid van elk schepsel is slechts eene betrekkelijke volkomenheid, daar het schepsel een deel is van het geheel, en \'t eene schepsel beperkt wordt door het andere. Een mensch kan een beeld, maar niet het beeld van God zijn. Hij kan wel zeggen: „die mij ziet, die ziet in een beperkte mate iets van God in mijmaar het zou eene godslasterlijke ver-
90
zoon des menschen, en zoon van god.
metelheid, eene krankzinnigheid zijn, als hij zeide: „wie mij ziet. ziet in onbeperkten zin, God in al Zijne volkomenheid in mij.quot;
En toch, omdat de mensch bestemd is een beeld van God te zijn, begeert hij God, zijn Tegenbeeld, te zien; omdat hij bestemd is een zoon van God te zijn, begeert hij God, zijn Vader, te zien. Deze begeerte is ontstaan uit het wezen en de bestemming van den mensch. Terwijl het \'s menschen voorrecht is, in eene beperkte mate, iets van God te vertoo-nen, zoo is het \'s menschen gelukzaligheid. God te zien in Zijne onbeperkte volkomenheid.
Hoe kan dit geschieden? Elke mensch, die eenigszins geweest is, wat hij wezen moest, was eene vingerwijzing naar het mysterie, waardoor God zich door den mensch, zou laten zien — eene profetie van den mensch, die zeggen mag, niet, „die Mij ziet, die ziet in Mij iets van den Vaderquot;; maar „die Mij ziet, ziet den Vader in Zijne volkomenheid ; ik, en niemand anders, ik alleen, mag zeggen: ik en de vadee, wij zijn éénquot; (Joh. 10 : 38; 14 : 9-11).
Die Mensch was Jezus Christus. Maar zulk een mensch kon Hij niet zijn als kind van Maria, als een mensch in de rij der menschen, als een deel van het geheel. Waardoor is het dan, dat in dezen mensch de Vader in Zijne onbeperkte volkomenheid is te zien? Daardoor, dat Hij niet slechts een Zoon van God, maar de Zoon van God is. Hij is niet maar een Zoon van God geworden, door een mensch te worden; maar Hij was, vóór Zijne menschwording, vóór de schepping, van alle eeuwigheid, de Zoon van God. Omdat Hij, als de Zoon van God, niet een schepsel, niet de Gewordene, maar de Zijnde is, die zeggen kon: „Eer Abraham werd, ben Ik,quot; daarom vertoont Hij God aan ons niet in beperkte, maar in onbeperkte mate. (Zie Joh. 8 : 58, in \'t oorspronkelijk).
God schiep den eersten mensch met de behoefte, om in den tweeden Mensch de volle openbaring des Vaders te aanschouwen, en alzoo de volle bevrediging zijner behoefte aan eene volledige kennis van God te vinden.
91
zoon des menschem, en zoon van god.
De eerste mensch was de profetie van den tweeden Mensch. Hij wees naar Hem, als de mindere naar den meerdere. Hij was „het voorbeeld Desgenen, Die komen zouquot; (Rom. 5:14).
De eerste mensch was aardsch en ziellijk, (zie I Cor. 15 : 45—49 in \'t oorspronkelijke) en kon niet worden, wat hij wezen moest, zonder den Hemelschen Mensch, die Levendmakende Geest is. Dit bleek ten overvloedigste, toen hij in de eerste verzoeking bezweek.
Door de menschwording des Zoons moesten ook behoeften worden vervuld, die door de zonden zijn ontstaan, maar niet het minst de behoeften, die den mensch sedert zijne schepping eigen waren, en daaronder, inzonderheid, de behoefte om in den Zoon den Vader te zien. De menschwording van Gods Zoon, was het antwoord op de bede, die God zelf in \'t menschelijk hart, van den eersten aanvang, had gelegd: „ïoon mij den Vader.quot;
De Godsverschijningen, die in \'t paradijs zijn begonnen, waren de voorloopige vervulling van \'s menschen behoefte, om God te zien, geopenbaard in \'t vleesch. Zij wezen vooruit naar de verschijning des Vaders in Zijnen Zoon Jezus Christus.
\'t Was het antwoord op de nog onvervulde bede van het Godzoekend hart, toen Jezus, zich tegenover de gansche menschheid plaatsende, zeide: „Zie naar Mij; wie Mij ziet, die ziet den Vader; Ik en de Vader zijn één.quot;
En omdat Hij, die zoo spreekt, de Zoon van God is, vertoont Hij ons niet alleen den Vader — want de Zoon is des Vaders beeld — maar vertoont Hij ons ook den mensch, want wij, menschen, worden, als wij onze bestemming bereiken, zonen Gods. Als de Zoon is Hij het origineel, waarvan wij, geloovigen, de copiën; het oorspronkelijke, waarvan wij de afdruksels zijn — de Eerstgeborene, het Hoofd onder de broederen (Rom. 8 : 29).
Was Hij alleen gebleven, zonder menschen, die naar Zijn beeld geschapen en uit God geboren zijn, dan was Hij slechts de Eeniggeborene, nu is Hij ook de Eerstgeborene. Met
92
zoon des menschen, en zoon van god.
betrekking tot den Vader, is Hij de Eeniggeborene, met betrekking tot ons, is Hij de Eerstgeborene onder vele broederen.
Zoo ontmoeten God en mensch elkander in Jezus Christus. Neen, deze uitdrukking is te zwak. In Hem zijn God en mensch één. Hij, die de Zoon des Menschen is, is tevens niemand minder dan de Zoon van God. Één met ons, is Hij tevens oneindig boven ons, geliik de Vader oneindig boven ons is. In hetzelfde oogenblik, waarin Hij Zijne waarachtige menschheid handhaaft, betuigt Hij: dat de Vader in Hem is, en Hij in den Vader (Joh. 10 : 38).
93
Wij noemen Jezus Christus den Godmensch (ïheanthro-pos); maar waren wij niet, als menschen, naar Gods bestemming, godmenschelijk (theanthropisch); hadden wij niet een dubbelen oorsprong, uit den mensch en uit God; waren wij, geloovigen, niet één èn met het schepsel èn met den Schepper; dan waren wij te eenenmale onvatbaar voor het begrip Godmensch, dan was deze gedachte nooit in een menschenhart ontstaan, en zou dit woord niet in de mensche-lijke taal gevonden worden. Wij kunnen geene waarheid vatten zondeh er deel aan te nemen. Eene waarheid te verstaan, is haar te bezitten; haar wezen in ons wezen te hebben opgenomen; met haar één te zijn geworden. Was derhalve de mensch, naar zijn wezen, niet godmenschelijk, dan ware de Godmensch, in de menschelijke geschiedenis, een verdwijnend verschijnsel, een onverklaarbaar raadsel, een onbegrepen klank, een woord zonder beteekenis gebleven. Nu echter is Hij de verklaring van het mysterie van ons eigen bestaan — nu zien wij in Hem ons zeiven — het Beeld, waarnaar wij geschapen en wedergeboren zijn. Nu is ons niets zoo natuurlijk, zoo eenvoudig, zoo diep, zoo rijk, als het getuigenis van Jezus Christus: „Ik, de Zoon des Menschen, Ik ben de Zoon van God. Ik en de Vader zijn één. Die Mij ziet, ziet den Vader.quot; \')
1) Vergelijk met het bovenstaande hetgeen wij op biz. 144-14G van ons go-
ALTIJD KN OVERAL MENSCH.
XIII.
ALTIJD EN OVERAL MENSCH.
Jezus was altijd en overal mensch. Hij hield niet op de Zoon des menschen te zijn, om vervolgens de Zoon van God te worden. Hij was niet de Zoon des menschen in het eene, het lagere deel Zijner persoonlijkheid, en de Zoon van God in het andere, het hoogere deel. Hij was niet ten deele Zoon des menschen, en ten deele Zoon van God. Hij was niet Zoon des menschen en daarnevens Zoon van God. Hij was altijd en overal, door en door, \'s menschen Zoon, terwijl Hij altijd en overal, door en door, Gods Zoon was. Ik wensch u in drieërlei opzicht het eerste aan te toonen. Denk aan Zijne macht.
Men zou kunnen zeggen, dat zij twee polen Irad, eene negatieve en eene positieve. Hij openbaarde zoowel een gemis, als een overvloed van macht.
Waar het eerste plaats heeft, daar ziet, natuurlijk, een ieder terstond den zwakken mensch in Hem.
Zoo zegt Paulus van Hem, dat Hij in zwakheid heeft geleden (II Cor. 13 : 4), en de brief aan de Hebieën, herinnert ons dat Hij „met zwakheid omvangen wasquot;, en dat Hij „in de dagen Zijns vleesches gebeden en smeekingen tot Dengene, die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd heeft, en verhoord is uit de vreeze (Hebr. 5 ; 2, 7). Hij is benauwd geweest tot den dood toe, klaagde er over aan Zijne jongeren, en werd er door tot een gebedskamp in Gethsemane geperst, zooals nooit op aarde is ondervonden.
schrift: „Jezus\' heerlijkheidquot; schreven, uitgegeven in 1886 door J. W. Leeflasg te Utrecht. Deze diepere eenheid van \'t goddelijke en \'t menschelijke in Jezus Christus, herinnert ons er aan, hoe alle hoogere waarheid de vereeniging van twee tegenovergestelde waarheden is. Laat mij, met het oog hierop, u verwijden naar ons geschrift: „Tegenstellingen in \'s christens leven en leerquot;, uitgegeven in 1885 door Hövekek amp; Zoon te Amsterdam.
94
ALTIJD EN OVERAL MENSCH.
Is ooit iemand neergedaald tot de diepte eener algeheele machteloosheid en hulpeloosheid, dan was het Jezus. Memand heeft dieper ervaren dan Hij, wat het is, een door en door zwak en gansch en al van God afhankelijk mensch te zijn.
Maar is Hij evenzeer mensch aan den anderen kant, waar-wij de positieve pool aantreffen, en zien, hoe Hij eene macht openbaart, zooals nooit te voren of daarna op aarde is aanschouwd? Wij antwoorden: gewis!
Het glanspunt Zijner machtsbetooning is bij \'t graf van Lazarus. De opwekking van dezen doode heeft dieper indruk gemaakt, dan eenige andere daad des Heeren. En nooit heeft Hij een verhevener getuigenis Zijner grootheid afgelegd, dan toen Hij bij deze gelegenheid zeide: „Ik ben de Opstanding en het Leven!quot; En toch gevoelt Hij zich in dit oogenblik even zoo afhankelijk van God, als in Gethsemane, en wekt Hij Lazarus op uit de dooden, alleen door de kracht, die Hij uit den Vader ontvangt. Gij herinnert u het gebed, dat Hij toen, ten aanhoore der schare, heeft uitgesproken. De oogen opwaarts heffende, zeide Hij; „Vader! Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt!quot;
Hoe menschelijk is dit gebed. En hoe menschelijk is Hij in deze ure, waarin Hij weent en ten diepste wordt ontroerd (Joh. 11 : 33, 35, 41).
Het geldt hier eene krachtsbetooning in de natuur — \'t was de levendmaking van het doode lichaam. Maar er is eene andere, eene hoogere krachtsbetooning, die op \'t\'hoogste gebied des geestes plaats heeft. Ik bedoel de vergiffenis dei-zonde. Houdt Jezus op mensch te zijn, als Hij iemand de zonde vergeeft? Is het als Zoon van God, en niet als Zoon des menschen, dat Hij dit doet?
De schriftgeleerden, meenende dat het geen menschelijke daad zijn kon, iemands zonden te vergeven, beschuldigden Jezus van godslastering, toen Hij eens aan een kranke zeide: „Zoon, wees welgemoed! uwe zonden zijn u vergeven.quot; Maar Jezus zeide niet dat zij dwaalden, door te meenen, dat Hij,
95
altijd ent overal mensch.
mensch zijnde, aan een anderen mensch de zonden vergeeft. Hij heeft nooit een mensch el ijker woord gesproken, dan tot dezen kranke. Het oefende juist daarom zulk eene kracht uit, omdat het door den waarachtigen mensch werd gesproken. Niet af-, maar goedkeurend, verhaalt Mattheus ons: „De scharen, dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, Die zoodanige macht den menschen gegeven heeftquot; (Matth. 9 : 1-8).
En gelijk nu Jezus altijd en overal mensch is en blijft, waar er sprake is van Zijne macht, zoo is dit ook waar ten opzichte van
Zijne wetenschap.
Ook hier hebben wij van eene negatieve en positieve pool, van een gebrek en overvloed van wetenschap, te spreken.
Jezus heeft niet alles geweten. Hij heeft bij eigen ervaring de beperktheid van \'t menschelijk weten gekend. Gelyk Hij, sedert Zijne geboorte in lichamelijke kracht toenam tot den vollen mannelijken wasdom; zoo nam Hij ook in wijsheid toe (Luk. 2 ; 52). In \'t dagelijksche leven was Hij omtrent menig ding zoo onkundig, als ieder gewoon mensch. Toen het Hem eens hongerde, ging Hij naar een vijgenboom om te zien of die geen rijpe vijgen had, niet wetende, dat daaraan geen rijpe vijgen te vinden waren (Mark. 11 : 12, 13). Had Hij vooraf geweten welk een groot geloof Hij bij den heidenschen hoofdman zoude aantrefifen. Hij zoude zich over zijn geloof niet, als over een onverwacht verschijnsel hebben verbaasd (Luk. 7 : 9).
Hij sprak, als Profeet, ook over de toekomst; maar ook hier is Zijne wetenschap als van alle menschelijke profeten, uit haren aard, beperkt. Hi] beleed dat Hij, zoo min als de menschen en de engelen, den dag en de ure weet, wanneer Hij als de Verheerlijkte wederkomen zal (Mark. 12 : 13, 32).
Maar hoe is het, waar eene wetenschap in Hem spreekt, waaraan geen onkunde kleeft? Ik bedoel Zijne kennis van God. Gij herinnert u Zijn getuigenis, dat niemand den Vader
96
ALTIJD EN OVERAL MENSCH.
kent, dan Hij, en die aan wien Hij den Vader openbaren wil, en Zijn woord tot den Vader; „Rechtvaardige Vader! de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb ü gekend — en Ik heb Uwen naam bekend gemaaktquot; (Matth. 11: 27; Joh. 17 : 25, 26).
Gij ziet hoe de Heiland hier eene taal spreekt, die in uwen of mijnen mond godslasterlijk klinken zou. De kennis van God is een geheim, dat Hem, en Hem alleen, is toevertrouwd ; en is iemand in dit geheim ingewijd, dan heeft hij dit aan Hem, en Hem alleen te danken. In deze kennis verheft Hij zich boven het geheele menschdom. „Niemand heeft ooit God gezien; de Eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaardquot; (Joh. 1 : 18).
Houdt deze kennis op eene menschelijke te zijn, omdat geen mensch buiten Jezus haar bezit? Geenszins! Want is zij niet menschelijk, hoe kan zij dan aan menschen worden medegedeeld? Hoe kan dan deze kennis uwe en mijne kennis worden?
Bovendien, als de Schrift getuigt, dat Jezus in wijsheid toenam, is dan ook niet Zijne kennis van God er bij ingesloten ?
En wat getuigt Jezus zelf van deze hoogere kennis, die Hem van allen onderscheidde? Dat Hij hierin, van oogenblik tot oogenblik, zoo afhankelijk is van den Vader, als in Zijne machtsbetooning. Zijne kennis is een zien van wat de Vader Hem toont. Is er iets, dat de Vader Hem niet toont, dan ziet Hij het niet, zoo als de dag en de ure Zijner wederkomst. Hij spreekt wat Hij weet, door te getuigen, wat Hij gezien heeft (Joh. 3 : 11).
Om te weten wat Hij zelf doen moest, in navolging van den Vader, moest Zijne kennis van den Vader eene onbedrieglijke zijn. En hoe kwam Hij aan deze gewisse kennis? Hoort wat Hij zegt; „Voorwaar, voorwaar zeg iku: de Zoon kan niets van zich zeiven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen; want zoo wat Die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont Hem
7
97
ALTIJD EN OVERAL MENSCH.
alles, wat Hij doet. Ik kan van Mij zeiven nietsdoen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig. Mijne leer is de Mijne niet, maar Desgenen, die Mij gezonden heeft; deze dingen spreek Ik gelijk Mijn Vader Mij geleerd heeftquot; (Joh. 5 : 19, 20, 30; 7 : 16; 8 : 28). En \'t is opmerkelijk, dat Hij van ieder mensch, die God kent, getuigt, dat diens kennis op dezelfde wijze ontstaat als de Zijne. Een iegelijk — zoo zegt Hij — die van den Vader gehoord en en geleerd heeft (d. i. die, als Hij, Vaders leerling is), die komt tot Mij; die uit God is, die hoort de woorden Godsquot; (Joh. 6 : 45; 8 ; 47).
Zoo ziet gij, dat de Heer, naar Zijn eigen getuigenis, niet ophoudt mensch te zijn, ook als Hij van den Vader getuigt met eene kennis, die Hem alleen onder de menschen eigen is, en die Hij alleen aan anderen kan niededeelen.
En wat vernemen wij, als wij letten op het
GETUIGENIS VAN JEZUS AANGAANDE ZICH ZELVEN ?
\'t Was niet noodig, dat Hij met woorden getuigde, dat Hij mensch was, onderhevig aan al de zwakheden der menschen, uitgenomen de zonde. Dit zag men Hem aan. Hij heeft gezucht over den doofstomme, werd aangegrepen door ontroering bij \'t graf van een vriend, weende bij dat graf, klaagde over groote benauwdheid in Gethsemane, werd er zoo door aangetast, dat een engel Hem moest versterken, en moest op Golgotha klagen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt gij Mij verlaten ?
Men zou kunnen zeggen: „hiér zie en hoor ik den mensch; maar als Hij getuigt, wat Hij alleen durft getuigen, dat Hij de Zoon van God is, dan hoor ik niet meer den Zoon des menschen, maar den Eeuwigen Zoon van God.quot;
De Joden dachten alzoo. Zij meenden, dat iemand, die zoo spreekt, zich van de menschheid losmaakt, en zich met den eeuwigen God gelijkstelt. Zij meenden dat de Eeuwig-Zijnde, niet mensch kan zijn geworden; dat mensch te zijn, en de Eeuwige Zoon van God te zijn, eene eeuwige onmogelijkheid.
98
altijd en overal mensch.
eene onverzoenlijke tegenstrijdigheid is; dat de mensch, die zich de Zoon van God noemt, en zegt dat hij en de Vader één zijn, een Godslasteraar is, en naar de wet van Mozes gesteenigd moet worden.
Natuurlijk, het zou de godslastering van een dweeper of krankzinnige zijn, als gij of ik de onzinnige daad pleegden om te zeggen: ik ben de Zoon van God, ik en de Vader zijn één. Maar hoe verdedigt Jezus zich? Antwoordt Hij den Joden: Ik noem Mij niet als mensch den Zoon van God; Ik zeg niet, als mensch, dat Ik en de Vader één zijn; maar Ik spreek aldus, alleen als Zoon van God; want Ik ben wel beiden. Zoon des menschen en Zoon van God; maar, gij hebt gelijk, er is een onverzoenlijke tegenstelling tusschen de begrippen: \'s menschen Zoon en Gods Zoon; gij moet onderscheid maken tusschen het eene en het andere, dat Ik spreek en doe; nu eens spreek en handel Ik als mensch, dan weer als de Eeuwige Zoon van God; en zoo heb Ik niet als mensch gesproken, toen Ik dat getuigenis uitsprak, dat Ik alleen uitspreken mag, toen Ik zeide: Ik ben Gods Zoon; gij hebt dus geen recht te zeggen, dat Ik, mensch zijnde. Mij tot God — tot den Eeuwige — maak.quot;
Veronderstel, de Heiland had aldus geantwoord, dan had Hij in Zich \'s menschen en Gods Zoon als twee gedacht, afgezonderd van elkander, den laatsten oneindig hoog verheven boven den eersten. En wat had Hij daarmede geloochend ? De centrale waarheid, waarmede al de godsdienstige waarheden staan of vallen; namelijk, de vlëeschwoiïding van het Wooed, de menschwokding van Gods Zoon. Dan was de Logos, Logos gebleven, en niet vleesch geworden; en de Zoon van God was Zoon van God gebleven, en niet Zoon des Menschen geworden; dan had de Heiland de groote waarheid geloochend, die Hij juist is komen verwerkelijken en openbaren.
Daarom, al weet Hij, dat dit de woede Zijner vijanden ten toppunt voeren zal, al weet Hij, dat Hij gevaar loopt, terstond gegrepen, en buiten de stad geleid te worden om gestee-
99
ALTIJD EK OVERAL MENSCH.
nigd te worden, al ziet Hij de Joden met de steenen in de handen, en met oogen, die vonkelen van woede, wegens Zijne godslastering; Hij breekt de spits der waarheid niet af, maar betuigt met des te grooter nadruk, dat Hij, mensch zijnde en blijvende, zich Gods Zoon noemt, dat Hij niet, eer Hij zoo iets belijdt, uit het menschelijke in het goddelijke is overgestapt. Hij beroept zich op de, ook in hun oog, onbedriegelijke Schrift, die aan menschen den naam van Goden geeft, ten bewijze dat het geen godslastering is, als Hij, een mensch zijnde, zich Gods Zoon noemt. Eer zij Hem van godslastering beschuldigen, moeten zij het aangehaalde Schriftwoord een godslasterlijk woord noemen.
Dit konden zij niet dragen, dat Hij, ter verdediging van wat zij Zijne godslastering noemden, zich op de Heilige Schrift-beriep. Zij zochten Hem te grijpen, en als Godslasteraar te dooden; maar, met eene majesteit, die aan Zijn verheven getuigenis paste, ging Hij door hun midden henen, en niemand durfde de handen aan Hem leggen.
Ik kan het begrijpen, hoe het beroep des Heeren op de Schrift, die aan menschen den naam van Goden geeft, voor de Joden allerverrassendst en aanstootelijkst moet zijn geweest. Zij meenden de eer van God te handhaven, door eene onoverkomelijke klove tusschen het goddelijke en het menschelijke, het God-zijn en het mensch-zijn, te vormen. En van deze dwaling uitgaande, moesten zij den mensch, die zich den Zoon van God noemt, als Godslasteraar veroordeelen — gelijk de Joodsche Raad later plechtig heeft gedaan. En toch, hier toont de Heer hun, dat de Schrift aan menschen den titel van Goden geeft; gelijk Hij later, voor den Joodschen Raad, de belijdenis, dat Hij Gods Zoon is, herhaalt, met het oog op de Schrift, die den Koning van \'t hemelsche Rijk als eens menschen Zoon ziet komen, op de wolken des hemels (Matth. 26 : 64; Dan. 7 : 13).
Zoo bleek het, dat juist de Schriftgeleerden in Israël, die de letter der Schrift afgodisch vereerden, niets verstonden van
100
ALTIJD EN OVERAL MENSCH.
den levenden geest, waaruit de letter was geboren. Aan deze hunne onkunde aangaande den geest der heilige Schrift, was het te wijten, dat zij aanstoot namen aan \'t getuigenis van Jezus, dat Hij, die een mensch is, geen mindere is dan de Zoon van God. Zij hadden in de verste verte geen begrip van de hooge beteekenis, die de Schrift aan \'t mensch-zijn hechtte. In plaa ts van in Jezus de heerlijke vervulling te zien van wat de wet en de profeten van de uitnemendheid des waarachtigen menschen getuigen, meenden zij, dat Jezus, als Hij, een waarachtig mensch, van Zijne betrekking tot God sprak, den mensch te hoog verhief en God te na kwam — dat Hij een onbeschaamde Godslastei-aar was.
ALTIJD EN OVERAL GODS ZOON.
In het voorafgaande bleek het ons, dat Jezus Christus, hoe hoog ook het leven in Hem steeg, nergens en nooit ophield de Zoon des menschen te zijn. Ook, als Hij het verhevenste woord sprak of de verhevenste daad deed, dan sprak en handelde in Hem de Zoon des menschen. Het getuigenis, dat Hij de Zoon van God is, was geene loochening, dat hetzelfde mensche-lijke Ik de Zoon van God is, dat verklaard heeft: Ik ben de Zoon des Menschen. Wat kan goddelijker daad zijn, dan den mensch zijne zonden te vergeven? En Hij doet dit op eene zoo menschelijke wijze, dat de schare zich verblijdt, dat God aan den mensch op aarde macht gegeven heeft de zonde te vergeven. En wat kan in gindsche toekomst goddelijker zijn, dan weder te komen in de heerlijkheid des Vaders, om \'t gansche menschengeslacht te oordeelen? En Hij betuigt.
101
ALTIJD EN OVERAL GODS ZOON.
dat Hij dit gericht uitvoert, als Zoon des menschen (Matth. 16 : 27; 25 : 31).
Hoe hoog gij stijgt op den ladder der levensuitingen van Jezus Christus, nergens bereikt gij een punt, waar gij zeggen moet: „hier kan het menschelijke niet verder, hier eindigt het menschelilke en vangt het goddelijke aan, hier heb ik niet meer met den Zoon des menschen, maar met den Zoon van God te doen.quot; Het goddelijke wordt niet aan \'t menschelijke toegevoegd. Tot op de bovenste trede des ladders ontdekt gij het menschelijke.
Maar nu keeren wij de zaak om. Na de hoogste trede des ladders te hebben bereikt, dalen wij af naar beneden en vragen, of het goddelijke nu ook zoo diep afdaalt, als het menschelijke is opgeklommen; of het goddelijke, in de nederwaartsche richting, nergens ophoudt, zoodat daar alleen het menschelijke overblijft ; of wij niet een punt bereiken, waar wij zeggen moeten „hier aanschouw ik niet meer den Zoon van God, maai alleen den Zoon des menschen.quot;
Wij antwoorden; neen! Het goddelijke leven behoort even zoo zeer tot Zijn wezen, wanneer Hij naar de diepste diepte afdaalt, als \'t ons gebleken is, dat het menschelijke leven tot Zijn wezen behoort, wanneer Hij tot het hoogste toppunt stijgt. Nergens is het eene zonder het andere. Nergens zijn ze van elkander gescheiden. Overal maken zij één levend geheel uit.
Noemt Jezus zich Zoon des Menschen, dan spreekt Hij hiermede de bewustheid uit, van Zijne eenheid met het gansche menschengeslacht, door met eiken mensch deel te nemen aan eene en dezelfde menschelijke natuur. Zoo spreekt ieder mensch zijne wezenseenheid uit met de menschheid, als hij zegt; ik ben een zoon des menschen.
Noemt Jezus zich Zoon van God, dan spreekt Hij hiermede eene andere bewustheid uit, namelijk, die Zijner eenheid met God, door deel te hebben aan de goddelijke natuur. De Joden begrepen dit, en wilden Hem daarom als Godslasteraar steenigen.
102
ALTIJD ENT OVERAL GODS ZOON.
Vullen deze twee bewustheden elkander aan tot een geheel, zoodat de eene zonder de andere niet bestaat; of staan ze zelfstandig naast elkander? Niet het laatste, maar het eerste is waar. Er is eene diepere gemeenschappelijke bewustheid, waaruit deze twee bewustheden geboren worden. Deze diepere gemeenschappelijke bewustheid spreekt zich in Jezus Christus aldus uit: hetzelfde ik, dat zegt: Ik ben de Zoon des menschen, ditzelfde ik en geen ander ik. zegt: Ik ben Zoon van God.
Gij vraagt mij, hoe dit mogelijk is. Daal af tot het allerdiepste van uw eigen wezen, en daar zult gij het antwoord vinden op deze vraag. Gij zijt u bewust dat gij een kind des menschen zijt en alzoo der menschelijke natuur deelachtig. Maar zijt gij, als geloovige, u ook niet bewust, dat gij een zoon van God zijt, en alzoo der goddelijke natuur deelachtig (Rom. 8 : 16; II Petr. 1 : 4)?
Gij antwoordt: ja! Maar is nu de eene bewustheid in u afgezonderd van de andere? Zijn ze onvereenigbaar naast elkander? Of drukken zij te zamen eene diepere gemeenschappelijke bewustheid in u uit, waaruit deze deze twee bewustheden zijn geboren? Uw antwoord is gereed. Dit diepere bewustzijn in u getuigt, dat geen ander ik in uzegt: ik ben kind eens menschen, dan het ik, dat zegt: ik ben een kind van God; en omgekeerd, dat geen ander ik in u, een kind van God is, dan het ik, dat zegt: ik ben het kind eens menschen.
Ziet gij dat deze twee bewustheden uit een enkel, een dieper, een gemeenschappelijk grondbewustzijn voortkomen, en daarom nimmer afzonderlijk naast elkander kunnen bestaan ? Zij vullen elkander tot één geheel aan, omdat zij in oorsprong één zijn.
Ja, sedert Zijne menschwording, zijn het goddelijke en het menschelijke in Jezus niet meer van elkander te scheiden. Zij zijn tot één geworden. Zij zijn de uitdrukking van één persoon, door te zamen één levend geheel te vormen. quot;Wilt gij van nu aan, met Hem, als Zoon van God, in aanraking
103
ALTIJD EN OVERAL GODS ZOON.
komen, dan moet gij met Hem als Zoon des menschen in aanraking komen. Wilt gij Hem als Zoon van God aanschouwen, dan moet gij Hem als Zoon des Menschen aanschouwen. Zal Hij u als Zoon van God zegenen, dan moet Hij u als Zoon des menschen zegenen. Hoewel Hij de Zoon van God was, heeft Hij als Zoon des menschen, als een mensch op aarde, de zonde vergeven. En hoewel Hij de Zoon is aan Gods rechterhand, zoo hing de uitstorting des Heiligen Geestes af van Zijne verheerlijking als Zoon des menschen; en ondersteunt Hij van daar de Zijnen hier op aarde als Zoon des menschen (Joh. 16 : 7; Hand. 7 : 56).
Nog eens: niets is zoo waarachtig geschied als de vle esc h-wording des Woords, de menschwording des Eeuwigen Zoons. Wat aan Jezus Christus eigen is als Zoon van God, dat is in Hem, op menschelijke wijze, eigendom geworden van den Zoon des menschen. Wat ons uit Hem, als Zoon van God, van Gods rechterhand toevloeit, dat vloeit ons op verheerlijkt menschelijke wijze uit Hem, als Zoon des menschen, toe. Daar woont de volheid der Godheid lichamelijk in Hem — derhalve in Zijne menschelijke natuur (Col. 2 ; 9).
Welk eene waarheid! Gods Zoon, die, vóór de grondlegging der wereld, één was met den Vader, is zoo één geworden met den mensch, dat Hij, sedert die éénwording met den mensch, op menschvormige, op menschelijke wijze, is wat Hij is, en doet wat Hij doet.
Denk aan Zijn bewustzijn, dat zich aldus uitsprak: „Ik ben de Zoon Mijns Vaders,quot; en dat Hem eigen was vóór de grondlegging der wereld. Dit bewustzijn wordt een mensche-lijk bewustzijn, zooals elk ander menschelijk bewustzijn van helderheid tot helderheid, tot dg volle middagklaarheid zich ontwikkelende. Toen in Hem, als kind, het bewustzijn: „God is Mijn Vader,quot; uit de diepte van Zijn wezen begon te ontwaken, was dit de aanvankeliike openbaring in Hem van \'t eeuwige bewustzijn, dat aldus luidt: „Ik ben Gods Zoon.quot; Waarschijnlijk steeg dit bewustijn tot volle ontwikkeling bij
104
ALTIJD EN OVERAL GODS ZOON.
Zijnen doop, en daarmede klom de openbaring van dit Zijn eeuwig bewustzijn tot volkomenheid. Van nu aan spreekt en handelt Hij met eene te voren niet bereikte kracht, in \'t bewustzijn dat Hij is,
DE ZOON VAN GOD.
En zoo is Zijne menschelijke, Zijne mensclivormige ken nis van God, geene andere dan Zijne eeuwige kennis, die in den vorm der menschelijke kennis zich openbaart.
In Zijne menschelijke liefde voelen wij den polsslag Zijner eeuwige liefde, die de liefde eens menschen is geworden.
In Zijn menschelijke toorn trilt de goddelijke toorn, die in Hem de toorn eens menschen is geworden.
In Zijn menschelijk zuchten, vernemen wij het goddelijk zuchten, dat in Hem het zuchten eens menschen is geworden.
In Zijne menschelijke benauwdheid in Gethsemané wordt ons openbaar, hoe Zijn eeuwig hart, reeds vóór Zijne mensch-wording, door den last onzer nooden werd geperst (Jes. 63 ; 9).
In Zijn bidden vóór Hij Gethsemane intrad, en in Geth-semane en op Golgotha, zien wij hoe reeds vóór de grondlegging der wereld, de Zoon met den Vader omging.
In Zijne gehoorzaamheid jegens den Vader zien wij, hoe de Eeuwige Zoon nooit iets anders heeft gewild, dan wat de Vader wilde.
In de hulde, die Hij, als mensch, den Vader toebracht, zien wij hoe de Eeuwige Zoon den Vader eerde, nog eer er schepselen waren.
Zoo waar het is, dat Zijne woorden en daden. Zijne gebeden en tranen, menschelijk waren, zoo waar is het tevens, dat zij goddelijke woorden en daden en gebeden en tranen zijn geweest.
Wat in Hem in de gestaltenis van God was, dat nam, sedert Zijne mensch wording, de gestaltenis des menschen aan (Fil. 2 ; 6, 7). Het eeuwige Woord is in Hem vleesch geworden (Joh. 1 ; 14).
Gij vraagt: is Jezus eenswezendheid met God, als Zoon
105
ALTIJD EN OVERAL RODS ZOON.
van God, niet van een anderen aard. dan onze eenswezend-heid met God, als zonen Gods? Durven wij zeggen, dat wij, geloovigen, dezelfde goddelijke natuur deelachtig zijn als Hij (2 Petr. 1:4)? Gewis, anders spelen wij met woorden. Ons zoonschap is naar den aard van Jezus zoonschap, omdat het daaruit ontstaan is. Zonder Zijn zoonschap, was het onze niet te denken. Omdat Zijn en ons zoonschap één van aard zijn, daarom is Hij de Eerstgeborene onder vele broederen, en schaamt Hij zich niet ons Ziine broeders te noem\'en (Rom. 8 : 29; Hebr. 2 ; 11).
\'t Is niet iets toevalligs of willekeurigs, dat Jezus Christus, als Zoon Gods, het Hoofd is van alle zonen Gods. Hoofd en lichaam zijn één — van ééne natuur, van één wezen. Wij hebben derhalve volkomen recht van ons zoonschap op te klimmen tot het Zijne, en van onze bewustheid van ons zoonschap tot de Zijne, en te zeggen, dat Zijne dubbele bewustheid van Gods Zoon en \'s menschen Zoon te zijn even als onze dubbele bewustheid, de twee zijden zijn van eene enkele gemeenschappelijke bewustheid, zoodat de eene niet kan bestaan zonder de ander, en beide te zamen één geheel uitmaken. Was het anders, dan was Hij niet waarachtig mensch.
Geen mensch kan volkomen mensch zijn, zonder een zoon van God te zijn. Gij herinnert u, dat Adam door Lukas Gods zoon wordt genoemd, en het Paulus aan de heidenen te Athene verklaarde, dat zij van Gods geslacht waren (Luk. 3 : 38; Hand. 17 : 29).
Maar, zegt gij, wij menschen worden in den tijd zonen Gods, terwijl Jezus Christus reeds Gods Zoon was vóór de grondlegging der wereld, derhalve van eeuwigheid af aan, maakt dit niet een wezenlijk onderscheid tusschen Zijn en ons zoonschap? Geenszins! want de aard eener zaak heeft niet, in de eerste plaats, te doen met de vraag naar den tijd wanneer zij is geworden, maar, hoe zij is geworden. En gelijk de Zoon Zijne eeuwige generatie of geboorte uit God heeft,
106
altijd en overal gods zoon.
zoo zijn ook wij zonder tusschenkomst van eenig schepsel , als zonen Gods onmiddellijk uit God geboren (Joh. 1:13; 3 ; 6).
Wat ik daar zeide, roept u het woord des engels aan Maria in de gedachte: „de Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd wordenquot; (Luk 1 : 35). Gij vraagt mij naar aanleiding van dit woord, of er in Jezus Christus twee zoonschappen te onderscheiden zijn; het eene zoonschap dat Hem als de volkomen mensch, sedert Zijne menschelijke geboorte, eigen is, en het andere zoonschap dat Hem van alle eeuwigheid eigen is ?
Veronderstel, dat dit zoo is: dan zouden wij in Hem een verdeeld leven zien, dat wij voor de eene helft daaraan moeten toeschrijven, dat Hij de zoon van God is; en voor de andere helft daaraan, dat Hij, evenals een onzer, één zoon van God is. Dit is ongerijmd. Zulk een leven was geen volkomen leven. Het was een verdeeld leven. Het was geen levend geheel. Dan was er in Jezus Christus niet een Ik maar twee Ik ken. Dit was een ongerijmdheid.
Maar veronderstel voor een oogenblik, dat dit ongerijmde mogelijk ware, en dat in Jezus twee zonen Gods waren, een in den tijd geworden, een van eeuwigheid af bestaande, wat dan? Dan verviel de hoogste en diepste waarheid, die als fondament alle andere godsdienstige waarheden draagt, als levende wortel alle godsdienstige waarheden voortbrengt; dan was de Zoon van God niet mensch geworden; dan was de Logos niet vleesch geworden; dan had de Zoon van God zich slechts gevoegd bij een Zoon van God — bij een mensch.
Het ondoorgrondelijk en toch doorzichtig geheim der mensch-wording van Gods Zoon is, dat door Zijne geboorte uit Maria, de Eeuwige Zoon van God de bestaanswijze aannam van mensch, van een in den tijd geworden Zoon van God; zoodat, van nu af aan tot in alle eeuwigheid, de zoon, zich niet anders dan op menschvormige, op menschelijke wijze
107
altijd en overal gods zoon.
openbaart en mededeelt. Omdat Jezus Christus een mensch is, wiens menschelljk wezen, van de eerste wording in Maria af, de menschvormige openbaring is van Zijn eeuwig wezen, daarom is deze mensch niet slechts één onder vele menschelijke individuen, niet slechts een mensch, maar de mensch, en treedt Hij, uit den aard der zaak, op, als Hoofd der menschheid; en daarom is deze Zoon van God, niet slechts een zoon onder vele zonen Gods, maar de zoon van God, en neemt Hij uit den aard der zaak Zijne plaats in als Hoofd der zonen Gods — als Hoofd der gemeente.
Beseft gij welk eene werkelijkheid de menschwording van Gods Zoon is, nu wij, hoe diep wij ook in Zijne menschelijke levensuitingen afdalen — tot op Zijne eerste wording als mensch uit Maria — in al Zijne menschelijke levensuitingen, niets minder aanschouwen, dan de bestaanswijze, die de eeuwige levensuitingen van den eeuwigen Zoon, door Zijne vleeschwording, hebben aangenomen?
De eeuwige Zoon werd mensch, Zijn eeuwig leven werd een menschelijk leven. Zijn eeuwige levensuitingen werden menschelijke levensuitingen.
In één woord: het leven van Jezus Christus heeft hierin voor eeuwig Zijne geheel eenige beteekenis, dat het het menschelijk geworden leven is van den Eeuwigen Zoon des Vaders.
De eerste ademhaling van Maria\'s kind was de ademhaling van den menschgeworden Zoon van God.
Zijn eerste polsslag was de polsslag van den menschgeworden Zoon van God.
Zijn eerste kreet was de kreet van den menschgeworden Zoon van God.
Zijn eerste gestamel was het gestamel van den menschgeworden Zoon van God.
De eerste ontwaking van Zijn bewustzijn: Ik ben een mensch, Ik ben Gods kind; was het ontwakend bewustzijn van den menschgeworden Zoon van God.
108
ALTIJD EN OVEKAL GODS ZOON.
En zoo is, sedert Zijne hemelvaart, Zijne heerschappij over allen, aan de rechterhand Gods, de heerschappij van den menschgeworden Zoon van God.
Als onze broeder leefde en leed en stierf Hij op aarde, en als onze broeder aanschouwt en zegent Hij ons, uit de eeuwige heerlijkheid.
XV.
DE MENSCHGEWOEDEN ZOON VAN GOD.
Jezus Christus is de menschgeworden Zoon van God. Gods Zoon is mensch geworden; de mensch is niet Gods Zoon geworden, \'t Is Gods oorspronkelijke verordening, dat de mensch een zoon van Gcd wordt, maar niet, dat hij uit zich zeiven zich daartoe ontwikkelt. Hij werd van God geschapen met den aanleg en de vatbaarheid, om zoon te worden, en als zoon, in \'s Vaders gemeenschap, deel te nemen aan \'s Vaders heerlijkheid; maar het lag tevens in de orde dei-dingen , zooals God die schiep, dat de mensch, alleen in de vereeniging met Gods Zoon, een zoon van God worden kan. En om den mensch als een zoon van God met zich te vereenigen, daartoe werd Gods Zoon mensch. Hij moest één met ons worden, om ons één met Hem te maken. Wij klimmen niet op tot Hem, maar Hij daalt af tot ons. Gods Zoon, zegt Calvijn, moest mensch worden, opdat wij uit genade worden zouden, wat Hij van nature is.
Maar de mensch kan van de overige schepping niet gescheiden worden. Gods Zoon werd daarom mensch, om, met den mensch, ook de schepping tot hare bestemming te voeren. Hoe gering ook de aanvang der schepping moge geweest zijn, van den beginne had God niets minder op \'toog, dan eene schepping, bij name eene aarde, die met den verheer-
109
DE MENSCHGEWORDEN ZOON VAN GOD.
lijkten mensch, Gods heerlijkheid ingaat, en alzoo verlost wordt van alle vergankelijkheid. Wie kan het verschil weten tusschen den toestand der aarde, toen zij nog geen plant of dier voortbrengen en onderhouden kon, en haar toestand, toen God den mensch, wat zijne lagere vermogens aangaat, uit haar formeerde, om door haar te worden gevoed. En zoo is er een nog onmetelijker afstand tusschen wat de aarde nu is, en wat zij wezen zal, als zij door eene verheerlijkte menschheid, met Jezus Christus aan haar hoofd, wordt bewoond. Maar zij kan zich niet tot die heerlijkheid ontwikkelen, zij kan die niet uit zich voortbrengen. Gods Zoon moest een schepsel worden, wiens lichaam uit de aarde is geformeerd, en door haar werd opgebouwd, om de aarde eenmaal, evenals Zijn eigen lichaam, ontdaan van de vergankelijkheid, in Zijne heerlijkheid te doen deelen.
Verruim uw hart om deze kolossale, deze goddelijke gedachte er in op te nemen: God bracht eene schepping voort met liet doel, om haar de deelgenoot Zijner heerlijkheid te maken; en liet Zijn Zoon schepsel worden om de schepping, mensch worden om den mensch, met den Zoon aan hun hoofd, die heerlijkheid in te voeren!
L)e menschwording des Zoons is een volbracht feit, en alzoo is ons het einde gewaarborgd. Onze hoop op eene heerlijke toekomst voor ons zeiven, voor deze aarde, voor de gansche schepping, rust op de waarheid, dat Jezus Christus, de Mensch-geworden Zoon van God is.
Hij heeft zich niet aan den mensch, of den mensch aan zich toegevoegd. Hij is niet voor de ééne helft Gods Zoon en voor de andere helft mensch. Dan was de klove gebleven tusschen God en mensch. Dan had Hij God en Mensch niet nader tot elkander gebracht. Niet naast, maar in het menschelijke, in Jezus Christus, ziet gij Gods Zoon. Wat Hij ook doet als Gods Zoon, dat doet Hij als de\' Zoon van Maria, als de Zoon des menschen. Als de Zoon des menschen verheft Hij zich boven alle menschen, omdat Hij de Zoon van God
no
DE MENSCHGEWOEDEN ZOON VAN GOD.
is; en als Zoon van God behoort Hij tot de rij der schepselen, is Hij één met hen, omdat Hij de menschgewordene is.
Om het groote met het kleine te vergelijken: de mensch behoort tot het dierenrijk; hij is dier; maar hij is ook meer dan dier. Hij behoort ook tot de hoogere wereld. Hij verbindt in zich de lagere en de hoogere wereld. Hij is de levende band tusschen beide. Maar hij is niet voor de ééne helft dier, en voor de andere helft mensch. Het menschelijke bestaat in hem niet naast, maar i n het dierlijke. Hij is als dier verhevener dan alle dieren, omdat hij mensch is. Het dierlijke in hem verheft zich, door gemeenschap met het menschelijke, boven al wat louter dier is; maar houdt daarom niet op dierlijk te zijn. Het menschelijke is neergedaald in quot;t dierlijke, en \'t dierlijke is opgenomen in \'t menschelijke, zoodat het eene in het andere is, en beide te zamen een onverbrekelijk geheel vormen.
Zoo is in Jezus Christus het; bovenmenschelijke neergedaald in het menschelijke, en het menschelijke opgenomen in het bovenmenschelijke, zoodat beide in elkander zijn, en te zamen één onverbrekelijk geheel uitmaken.
Gods Zoon is mensch geworden. Hij is niet in een mensch veranderd. Het Woord is vleesch geworden, en niet in vleesch veranderd. Was dit geschied, dan was Gods Zoon vernietigd. Dan was de mensch Jezus Christus, niet meer dan een ander mensch, en niet de geopenbaarde Zoon van God. De verandering van Gods Zoon in een mensch, is eene dwaze, eene ondenkbare gedachte. Jezus Christus is voor ons en de schepping wat Hij is, niet omdat Hij in den gewonen zin des woords mensch is; maar de menschgeworden Zoon van God. Houdt Hij op Gods Zoon te zijn, dan houdt Hij op voor ons te zijn, wat Hij nu voor ons is.
Maar ook het omgekeerde is waar. De mensch is in Jezus Christus niet veranderd in den Zoon van God. Dit is eene niet minder dwaze en ondenkbare gedachte. Zien wij in Jezus Christus alleen den Zoon van God, en niet
Ill
de mejjschgeworden zoon vax god.
den mensch, dan is de Zoon van God niet mensch geworden, en is Zijn menschelijk leven geene werkelijkheid, maar louter schijn. Dan is het feit, waarop het gansche christendom rust, en daarmede de eenheid tusschen God en mensch, die wij daaraan te danken hebben, vernietigd.
Neen, niets is in \'t gansche heelal meer werkelijk en waarachtig, dan dat de Eeuwige Zoon des Vaders mensch geworden is. Hij heeft een door en door menschelijk leven doorleefd. Hij heeft zich aan alle wetten van het waarachtig menschelijk leven onderworpen. Had de Vader den Zoon aan ééne enkele wet des menschelijken leven onttrokken, dan was het menschelijke in Hem minder menschelijk dan in ons, dan was het niet iets volledigs, maar gebrekkigs. Dan was het slechts ten deele waar, dat Hij mensch geworden is. Neen, Hij is ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde (Hebr. 2 : 17).
Denk aan de wet der ontwikkeling. Geen schepsel is met één wat het wezen moet, omdat het een begin heeft en in verband met andere schepselen worden moet, wat het bestemd is te zijn. Van zijn eersten aanvang heeft een schepsel de vatbaarheid om tot een bepaald schepsel onder de schepselen zich te ontwikkelen; maar in zijn aanvang is het niet wat het eerst later wordt. In zijn eerste aanvang is het schijnbaar zoo nietig, dat geen menschenoog het onderscheiden kan. Alle planten-, dieren- en menschenlevens ontwikkelen zich uit eene moedercel; maar hoezeer ook het menschelijk oog thans, door \'t vergrootglas, zijn ontdekkingsvermogen heeft vermeerderd, het is niet in staat in de cel datgene te ontdekken, wat de dierlijke van de menschelijke cel onderscheidt. De zoo nietige aanvang van eens menschen bestaan ligt op een voor ons onberekenbaren afstand van wat het later zag in een Plato, een Calvijn, een Newton, is geworden. De gedachte aan wat het menschelijk leven in deze individuen in zijn aanvang is geweest, en waartoe het zich allengs heeft ontwikkeld, vervult ons met verbazing en aanbidding.
112
de menschgeworden zoon van god.
Aan deze wet der ontwikkeling heeft zich de Zoon van God onderworpen. Hij, die bij den Vader de Eeuwig zijnde was, werd mensch, en moest alzoo een schijnbaar nietigen aanvang maken, om eindelijk te worden wat Hij als Menschen-zoon wezen moest.
Denk aan Zijne alwetendheid. Hij, die bij den Vader de Alwetende was, werd mensch, en alzoo een kind, dat in den aanvang niets wist, en allengs al meer wist, totdat Hij, als de Alwetende, aan Gods rechterhand Zijne plaats weer innam. Hij nam van eene mindere tot eene meerdere mate van wijsheid toe (Luk. 2 ; 52); en tegen het einde van Zijn aardsche leven verklaarde Hij, dat Hij nog niet wist, wanneer Hij in heerlijkheid wederkomen zou (Mark. 18 : 32). Zoo waarachtig is Hij mensch geworden.
Maar omdat gij in Jezus Christus den menschgeworden zoon van god ziet, daarom ziet gij in \'t onkundig kindje aan moeders borst de vatbaarheid, om eens. als de Alwetende, aan Gods rechterhand Zijne plaats in te nemen.
Denk aan Zijne almacht. Door waarachtig mensch te worden, werd Hij een machteloos kind, dat zich zelf niet helpen kon. Hoe krachteloos gevoelde Hij zich in Gethsemane en aan het kruis (Hebr. 5 : 7; 2 Cor. 13 : 4). Als hulpeloos wichtje in moeders armen, had Hij geene macht hoegenaamd over de natuur en over den mensch. Hoe anders is het, nadat Hij met den Heiligen Geest is gedoopt; en wederom hoe anders, nadat Hij is teruggekeerd tot de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, en nu Hij daar macht oefent over alle schepselen in hemel en op aarde. Van daar kon Hij ook aan de Zijnen den Heiligen Geest mededeelen, wat Hij op aarde niet heeft kunnen doen (Hand. 10; 38; Joh. 7 : 39; 16 : 7; Efeze 1:20 — 22».
Dat kindje, dat gij op den schoot van Maria ziet, is zoo zwak als gij eens als kindeken waart. Maar, omdat dit kindje de menschgeworden zoon van god is, daarom is het vatbaar eenmaal te klimmen tot aan \'t hoofd der gansche schepping, en met den Vader te deelen in de heerschappij over alle dingen.
8
113
de menschgeworden zoon van god.
Zoo waarachtig dat kind, op Maria\'s schoot, niemand anders is dan de Zoon van God, zoo waarachtig is de Zoon aan \'s Vaders rechterhand niemand anders, dan dit kind. Dezelfde, die zich vernederd heeft tot den dood des kruises, is ook verhoogd boven de hoogste hemelen (Fil. 2 : 6 — 11; Efeze 4:9, 10).
Denk u den Zoon van God in Zijne heerlijkheid bij den Vader vóór Zijne menschwording; en denk u Hem als mensch op aarde, den Vader dienende, en eindelijk aan\'t kruis stervende; en gij kunt niet anders zeggen, dan dat de Zoon van God zich van alles, wat Hem bij den Vader van het schepsel onderscheidde, heeft ontledigd, totdat de Vader Hem weder er mede vervulde; dat Hij uit Zijne heerlijkheid is uitgegaan, totdat Hij haar weer is ingetreden; dat Hij, daar Hij rijk was, is arm geworden, totdat Hij Zijn oorspronkelijken rijkdom weder heeft aanvaard (Fil. 2 ; 7, in \'t oorspr.; Joh. 17 : 5; 2 Cor. 8 : 9).
Door mensch te worden is Gods Zoon even afhankelijk geworden, als eenig ander mensch. Onder de schepselen is er geen schepsel zoo afhankelijk van andere schepselen, als de mensch, en ook hierin is de Zoon van God ons gelijk geworden.
Hij had, even als wij, een lichaam, dat uit aardsche be-standdeelen was gevormd, en door de aarde moest worden gevoed en gesterkt. Het werd uit de aarde opgebouwd. De hoogste en voor eeuwig onovertrefbare dienst, dien de aardsche natuur Gode heeft bewezen, is, dat zij de stof aanbood, waaruit God, door de hoogste scheppingsdaad, het lichaam voor Zijn Zoon bereidde, en dat zij dat lichaam 33 jaren lang-trouw heeft onderhouden. Gods Zoon zal, als ik mij zoo mag uitdrukken, haar dit vergelden, door haar de deelgenoot te maken van de heerlijkheid, die nu aan Zijn hemelsch geworden lichaam eigen is.
Hij was, als gij en ik, van Zijne moeder afhankelijkr ook wat Zijne geestes-ontwikkeling aangaat. Door hare lippen —
114
DE MENSCHGEWORDEN ZOON VAN GOD.
niet door engelen — hoorde Hij het eerst den naam van den God der vaderen noemen en van haar leerde Hij tot God te bidden, als tot Zijnen God. De Vader in den Hemel gebruikte haar om de eerste gedachte aan God in Hem op te wekken, waaruit, als uit den eersten en noodzakelijken aanvang, alle latere kennis van God is ontstaan, totdat die bij den Vader zich uitbreidde tot de onbeperkte kennis, die Hem van eeuwigheid eigen is geweest. In hetgeen Zijne moeder voor Hem is geweest, zien wij, wat elke moeder bestemd is voor haar kind te zijn.
Hij was afhankelijk van Zijn tijd en Zijne tijdgenooten. Hij schiep niet, maar vond in den boezem van Zijnen tijd, de allergewichtigste godsdienstige vragen, wachtende op het bevredigende antwoord. Dit was de prikkel, dien de Vader gebruikte, om Hem het rechte antwoord bij Zijn Vader te doen zoeken. Daarom leerde Hij als de man Zijns tijds; als de man, die niet zonder den eigenaardigen invloed van Zijnen tijd, de Leeraar der menscheid is geworden.
Hij was afhankelijk van het voorgeslacht. Wat de Vader Hem leerde stond niet op zich zelf. \'t Was niet los van wat Hij den mensch door Mozes en de profeten had geleerd. Eerst door de kennis van Mozes en de profeten - denk aan den twaalfjarigen knaap in den tempel - kwam Hij er toe, aan den Vader vragen te doen, die Hem leiden moesten tot de kennis van zich zeiven als den Zoon van God, van wien Mozes en de profeten hebben getuigd. Hij trad in Israël op, als de meerdere dan Mozes en de profeten; echter niet, voordat Hij jaren lang hun leerling was geweest. Hij heeft door Zijn voorbeeld aan alle tijden geleerd, dat de mensch niet vooruit komt op den weg der kennis, als hij niet eerst zich heeft toegeëigend wat God hem reeds door Zijne gezanten heeft geleerd. God brak niet den menschelijken band, die Jezus zoowel aan Zijn tijd, als aan de voorgaande tijden bond.
Hij was, wat Zijne kennis aangaat, ook afhankelijk van de zichtbare wereld. Hoe gaarne zouden wij niet, in onze
115
de menschgeworden zoon van god.
dwaasheid, de zichtbare wereld willen doorbreken, om het onzichtbare van aangezicht tot aangezicht te zien. Maar dan waren wij niet één met de zichtbare wereld, dan bewogen wij ons in haar als. vreemdelingen, die in haar niet te huis be-hooren. De gedachten des menschen worden gewekt, door hetgeen hij ziet en hoort, en dit levert de stof, waaruit de geest het kleed zijner gedachten weeft. Jezus Christus dacht en sprak over de hoogste dingen in woorden en spreekwijzen, die uit de aanschouwing der zichtbare wereld waren geboren. In Hem is de goddelijke wijsheid door en door menschelijk geworden. Men kan uit de taal, waarin Hij over de diepste goddelijke en menschelijke geheimen sprak, besluiten, hoedanig het huiselijk, het maatschappelijk en liet staatkundig leven in Zijne dagen in Palestina is geweest. Zijne taal is die van Zijn land en volk en tijd. Zij weerspiegelt geen ander land, dan waarin Hij heeft gewoond; geen ander volk, dan waartoe Hij heeft behoord; geen anderen tijd, dan dien, waarin Hij heeft geleefd — hoewel Hij de eeuwigblijvende waarheden uitsprak, en alzoo de leeraar aller tijden en van alle volkeren is geworden. De taal is de mensch; en er is niets, dat zoozeer bewijst, dat Jezus Christus de menschge-worden Zoon van God is, als de taal, waarin Hij heeft gedacht en geleerd.
En, gelijk wij in Hem den mensch zien, één met, en afhankelijk van Zijne medeschepselen, zoo zien wij Hem tevens één met, en afhankelijk van den Vader in de hemelen. De waarachtige mensch wordt, wat hij, naar Gods verordening, wezen moet, door éénheid met God en algeheele afhankelijkheid van God. Echter niet zoo, dat zijne verbintenis met God zijne ontbinding is van zijne medeschepselen. Omgekeerd ; eerst door zijne gemeenschap met God, treedt de mensch in volle gemeenschap met zijne medeschepselen. Waarom verstond Jezus de voorgaande tijden en Zijn eigen tijd beter dan iemand anders? Waarom was Hij zoo één met al wat menschelijk was, als geen ander? Omdat Hij, zooals niemand
116
de menschgewoeden zoon van god.
anders, één was met den Vader, Zijn leven ontleende aan den Vader, en alles aanschouwde in \'t licht, waarin de Vader alles ziet. Om waarlijk één te ziin met het schepsel, moet men één zijn met den Schepper. Zóó ontwikkelde zich het geestesleven van Jezus Christus van trap tot trap in Zijne éénheid met den Vader; totdat die ontwikkeling voltooid werd bij den Vader, toen Hij daar de heerlijkheid weer aanvaardde, die Hij voor de grondlegging der wereld had.
Daar lost zich Zijne menschheid niet in Zijne Godheid op; zoodat wij in Hem, aan Gods rechterhand, niet meer den mensch, maar alleen den Zoon van God zien. God en mensch blijven eeuwig van elkander onderscheiden. Het menschelijke verslindt niet het goddelijke, en het goddelijke verslindt niet het menschelijke. Het goddelijke vult het menschelijke aan. Gods Zoon werd in Jezus mensch, opdat de volheid Gods in een mensch wonen zou (Col. 1 : 19; 2 ; 9).
Maar niet in een mensch, die afgescheiden is van de overige menschheid en schepping. Dan was Gods Zoon vleesch geworden in een mensch, die bestaat buiten verband met de menschheid. Neen, Hij is de Zoon van Maria geworden, om voor ons, als voor Zijne broeders, door den dood henen, de heerlijkheid terug te winnen, die Hij, toen Hij mensch werd, bij den Vader achterliet (Hebr. 2:11 — 14;; Rom. 8 : 29).
Gods zoon is mensch geworden, opdat wij, mensch en, gods
zonen wouden mogen.
De geboorte van eiken mensch, die, terwijl de aanvang van zijn bestaan zoo nietig schijnt, eenmaal door Gods genade als een zoon van God, met God over de lagere schepping heerscht, is eene vingerwijzing naar de menschwording van Gods Zoon. Zij is een flauw afbeeldsel er van.
Kind van God, gij kunt zoo min, met uw beperkt verstand, den afstand meten tusschen-hetgeen gij bij uwe eerste wording waart en eenmaal in de heerlijkheid zijn zult, als gij den afstand meten kunt tusschen den toestand van Maria\'s zoon bij Zijne eerste wording, en Zijn toestand bij Zijne voltooiing
117
de menschgewohden zoon van god.
aan de rechterhand des Vaders. Het een is niet minder een mysterie, dan het ander. Verklaar mij het een en gij hebt mil 00k het ander verklaard.
Daal af tot het laagste schepsel beneden u, en zoodra gij dat nietig ontast-, onmeet- en onweegbaar stipje, dat het in den aanvang is, vergelijkt met wat het later wordt, stuit gij op ditzelfde mysterie. Die zich aan \'t eene mysterie stoot, moet zich ook aan \'t andere mysterie stooten. De Schepper, die de Ongewordene, de Zijnde is. Hij alleen verstaat de wording van \'t geringste tot het hoogste schepsel toe — van de nietige onzichtbare wezens die in den waterdroppel wemelen, tot den Zoon des menschen die uit Maria is geboren!
Het mysterie der menschwording van Gods Zoon openbaart ons het mysterie der schepping, bij name der wording van den mensch.
Hoe verder onze kennis reikt, des te duidelijker worden wij onze onkunde bewust. Hoe doorzichtiger het mysterie der menschwording van Gods Zoon en der wording van het schepsel voor ons is, des te peilloozer is ons de diepte van dit mysterie. Zoodat wij alleen rust vinden in de liefde van Hem, die alles weet, omdat alles uit en door en tot Hem geworden is.
O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen, en onnaspeurlijk Zijne wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend ? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen.
118
DE ZOON, DIK ONS DEN VADER OPENBAART.
XVI.
DE ZOON, DIE ONS DEN VADER OPENBAART.
Joh. 1 : 18. Niemand heeft ooit God gezien; de Eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard.
Het hoogste, dat eenig wezen doen kan, is God aan andere wezens te openbaren. Inderdaad, de bestemming van elk wezen is, in zijne mate. God te doen zien. De gansche schepping bestaat met geen ander doel dan God door de schepping aan de schepping te vertoonen. Dit is de diepste betee-kenis der menschwordi ng van Gods Zoon.
Jezus Christus, de Schepsel-gewordene, de Menschgewordene, heeft deze bestemming der schepping, bij name des menschen, met meer dan zonneklaarheid ons getoond. Geheel Zijn leven, geheel Zijn bestaan, op aarde, ging uit naar dit ééne doel; den Vader aan ons te toonen en alzoo den Vader in ons oog te verheerlijken. Den Vader te openbaren — dit was Zijn ademtocht, het leven van Zijn leven. Het was voor Hem eene innerlijke onmogelijkheid zich een ander levensdoel te stellen.
Gij herinnert u, dat Hij aan \'t einde van Zijn aardsche leven aan den Vader gezegd heeft: „Ik heb U verheerlijkt op de aarde; ik heb Uwen naam geopenbaard den menschen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt; Ik heb hun Uwen naam bekend gemaakt, en zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in henquot; (Joh. 17 : 4, 6, 26).
Met het oog op dit hooge doel van Jezus menschwording, zegt Johannes, met heilige opgetogenheid: „Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eenig-geborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. Niemand heeft ooit God gezien; de Eeniggeboren Zoon, die
119
120 de zoon, die ons den vader openbaart.
in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard (Joh. 1 : 14, 18).
Niet dat men vóór de menschwording van Gods Zoon God niet heeft gekend. Maar die kennis was onvolledig en daarom onbevredigend. De kennis van God, die in de wet en de profeten doorstraalt, is, vergeleken bij de volledige kennis van God, eene elementaire kennis, de profetie van de volle kennis van God, maar niet die volle kennis zelve. Jezus Christus heeft juist hierdoor de wet en de profeten vervuld, dat Hij de gebrekkige kennis aangaande God vervolledigd heeft.
Er was niemand vóór Jezus Christus, die God als zijn Vader kende; niemand, die Hem Abba, Vader, noemen kon (Gal. 4 : 1—5). Wel had God den mensch met den aanleg, met de bestemming geschapen, om Zijn zoon te zijn, om als zoon met Hem om te gaan; maar niemand was tot de ontdekking van dit geheim doorgedrongen.
Waarom niet? Om mij zei ven als een zoon van God, en alzoo God als mijn Vader te kennen, moet ik de bestemming om een zoon van God te zijn verwezenlijkt hebben, moet ik in den vollen zin des woords een zoon van God zijn, die Hem met kinderlijke liefde en niet met de vreeze van een knecht dient (Gal. 4 ; 1—5). Eerst moet ik zoon zijn, om tot de bewustheid te komen dat ik het ben, en om met bewustheid met God als zoon om te gaan. Omdat niemand vóór Jezus, in den vollen zin des woords, een zoon van God was, daarom kon ook niemand er toe komen God als Zijn Vader aan te zien, en met Hem als Zijn Vader om te gaan.
Wat ontbrak er dan aan? De geest der aanneming tot zoon (Rom. 8 : 15). Die geest was er niet vóór Christus (Gal. 4 : 1-6).
Waarom niet? Omdat hij alleen uit den verheerlijkten menschenzoon aan ons kan worden medegedeeld (Joh. 7 : 89; 14 : 16, 17). De minste in \'t Koninkrijk der hemelen is, als deelgenoot van dezen Geest, meer dan de grootste der oud-Testamentische profeten (Luk. 7 : 28).
de zoon, die ons den vader openbaart. 121
Er waren twee groote daden Gods noodig om den mensch een zoon van God te doen worden. De eerste was de mensch-wording van Gods Zoon. God openbaart zich door den mensch aan den mensch. Door den eenen mensch moet het aan den anderen mensch duidelijk worden, wat God voor den mensch is en wil zijn. De mensch kan, uit den aard der zaak, alleen verstaan, wat zich menschvormig, op menschelijke wijze, aan hem vertoont. Hij kan derhalve niet verstaan, wat het is, als zoon met den hemelschen Vader cm te gaan, tenzij Hij een mensch alzoo met God ziet verkeeren. En de eerste mensch, die alzoo met God verkeerde, was Jezus Christus.
Waarom? Omdat Hij de menschgeworden Zoon van God was. Omdat Hij de eeuwige Zoon des Vaders was. Hij kon niet anders met God omgaan, dan als Zoon met den Vader.
Was niet Gods Zoon mensch geworden, dan hadden wij nooit een mensch gezien, die een Zoon van God is; dan was Gods Vaderschap voor eeuwig voor ons eene verborgenheid gebleven.
Was het echter bij deze ééne goddelijke daad — de mensch-wording des Zoons — gebleven, dan zou geen mensch een zoon van God zijn geworden. Om te verstaan wat het is, een zoon van God te zijn, moet men zelf een zoon van God zijn. Al zag men jaren lang een ander als zoon met God omgaan; zoolang men niet zelf een zoon van God is, blijft dit zoonschap eene verborgenheid. Men moge, anderen naspre-kende, God Vader noemen, maar men weet niet wat dit Vaderschap beteekent. De gegevens om dit te weten ontbreken.
Hoe weet iemand wat het is mensch te zijn, en als mensch te leven ? Niet door menschen te zien, die dit verstaan; maar door zelf mensch te zijn, en zich bewust te zijn, dat hij mensch is. Om te verstaan wat het is een zoon van God te zijn, moet ik zelf een zoon van God wezen, en mij zelven als zoon van God kennen. Zoolang ik mij zelven niet als zoon van God ken, blijft dit zoonschap mij eene verborgenheid en kan ik het in anderen niet zien.
122 de zoon, die ons den vader openbaart.
Zoo was het met de discipelen des Heeren. Jezus ging met God niet anders om, dan als Zoon met den Vader. God was in Hem als Vader en Hij in God als Zoon. Hij noemde God Zijn Vader en zich zeiven Gods Zoon. Maar dit Vader-en zoonschap lag geheel buiten den innerlijken gezichtskring der discipelen, omdat zij zich zeiven niet als Gods zonen kenden. Herinner u dit woord, dat Jezus sprak om Pilippus en zijne medejongeren tot het besef hunner onkunde te brengen. Indien gijlieden Mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook Mijnen Vader gekend hebben. Ben Ik zoo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: toon ons den Vader? Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is (Joh. 14 : 7 — 10)?
Het leven van Jezus op aarde overtuigde hen, dat er iets was in Zijn godsdienstig leven, dat hun ontbrak, en \'t wekte bij hen liet verlangen op naar zulk een leven; maar wat het eigenlijk was, dat was hun een geheim; daaraan wisten zij den rechten naam niet te geven, totdat Jezus dien noemde.
Maar om dit geheim zelf te ontdekken, om Jezus niet slechts na te spreken, moesten zij zeiven zonen Gods worden, en alzoo bij eigene ervaring God als Vader kennen. En om hen tot zonen Gods te maken, daartoe was de tweede goddelijke daad, die wij op \'t oog hadden, van noode.
Welke daad? De mededeeling van den Heiligen Geest, als Geest der aanneming tot zoon, dat is, als den Geest, die in hen de bestemming om zoon van God te zijn, tot eene werkelijkheid maakte. En, zooals wij reeds vernomen hebben, kon deze goddelijke daad niet worden volbracht, tenzij de Mensch-gewordene eerst werd opgenomen in de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, eer de wereld was. Voordat Jezus Christus, als Zoon des Vaders, bij den Vader zou zijn verheerlijkt, kor. Hij geen mensch de gave mededeelen, om, even als Hij, een zoon van God te worden. Zoo lang niet het menschelijk leven in Jezus Christus zijn hoogste toppunt aan Gods rechterhand
de zoon, die ons den vader openbaart. 123
had bereikt, kon Hij deze allerhoogste gave den mensch niet schenken. De mededeeling dezer gave is vrucht Zilner verheerlijking, als \'s Menschen Zoon, aan \'s Vaders rechterhand.
Door deze gave uit de heerlijkheid werd \'s menschen zoonschap en Gods Vaderschap, dat de geloovigen tot op dien tijd een onbegrepen geheim was gebleven, hun innerlijk klaar. Zij werden hierdoor overgebracht in de hoogste betrekking tot God, die wij ons denken kunnen, zij werden zonen Gods; zij leerden het Abba, Vader! uit te spreken.
Deze gave wierp alzoo het licht, dat de discipelen vroeger ontbroken had, op de betrekking tusschen Jezus en God, als tusschen Zoon en Vader. Zij werd de sleutel tot het rechte begrip van Jezus\' leven op aarde. Zonder haar zou geen discipel des Heeren in staat zijn geweest, ons Zijn aardsche leven te beschrijven, dat zoo geheel en al boven de sfeer van het toen gewone godsdienstige leven zich bewoog. Alleen zonen Gods konden het leven van den Zoon van God verstaan. Alleen de Geest der aanneming tot zoon kon de discipelen inleiden in de betrekking tusschen God en mensch, zoo als die voor \'t eerst in Jezus Christus ten volle was openbaar geworden. Zonder deze gave, zou de menschwording van Jezus Christus, als een onbegrepen raadsel, voor den mensch van geen nut zijn geweest, en zou zij zelfs in de menschelijke geschiedenis spoorloos verdwenen zijn.
Gij bemerkt het, dat wij ditmaal den lateren arbeid van Jezus Christus in Zijne heerlijkheid, verbinden met Zijnen vroegeren arbeid in de dagen Zijns vleesches, om u te doen verstaan, hoe Hij God als Vader aan den mensch openbaart. DezetwTee werkaamheden des Heeren zijn van elkander niet te scheiden, \'t Is de taak des Geestes, die Hij uit de heerlijkheid ons mededeelt, om ons Zijn aardsche leven, als van den Zoon des Vaders te verklaren, door ons dit leven mede te deelen. De Heilige Geest toont ons de heerlijkheid des Zoons, door, wat ons ontbreekt, uit den Zoon te nemen en ons mede te deelen (Joh. 15 : 26; 16 : 14).
124 DE ZOON, DIE ONS DEN VADER OPENBAART.
Eer Jezus Christus ten volle God als Vader aan ons openbaren kon, moest Hij de gave aan ons schenken, die de kroon zet op al de gaven, die de mensch sedert de schepping aan den Zoon van God te danken heeft, en die al deze gaven oneindig overtreft.
De Zoon was van den beginne de Middelaar tusschen God en ons. Hij was bij God, en was God. De volheid des Vaders woonde in Hem. En al wat de Vader ooit aan \'t schepsel, bij name aan den mensch mededeelde, dat was eene gift, uit de volheid, die in den Zoon is. De Vader deelde niets aan \'t schepsel mede, buiten den Zoon om. Hij gaf, wat Hij gaf, door den Zoon. De gansche schepping ziet op naar den Zoon, als haren Schepper, Middelaar en Hoofd. Alle dingen zijn door Hem gemaakt. In Hem was het leven, en dit leven is het licht der menschen. Hij was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld. En Hij is mensch geworden, en heeft onder de menschen gewoond, en zij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd — de heerlijkheid van den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid (Joh. 1 ; 1 — 14).
Maar ziet, wat Hij ook al vóór en na Zijne menschwording aan den mensch heeft gedaan, de hoogste gave ontbrak nog. Hij heeft, toen Hij op aarde was, den mensch vele weldaden voor \'t lichaam en den geest geschonken. De hoogste weldaad was de vergiffenis der zonden. Die vergeving geschiedde met het oog op de verzoening, die Hij volbrengen zou; maar waarom niet een stap verder gegaan, en den mensch, dien Hij vergeven heeft en dien Hij liefhad, ook den Geest der aanneming tot kind geschonken? Omdat Hij eerst als de Menschgewordene in de heerlijkheid des Vaders moest worden opgenomen. De gave des Heiligen Geestes, als de Geest der aanneming tot zoon, kon den mensch alleen toevloeien uit den verheerlijkten Menschenzoon. De me n schel ij ke natuur moest eerst in den Zoon des Menschen, aan Gods rechterhand, tot hare hoogste bestemming komen, eer de mensch, in ver-
de zoon, die ons den vader openbaart. 125
bintenis met den Zoon des Menschen, zijne hoogste bestemming bereiken en, in den vollen zin des woords, een zoon van God worden kon.
Hoe hoog stijgt hierdoor de waarde van de kennis van God als van onzen Vader! Om Hem als Vader te kennen, moet de mensch een zoon van God zijn. En om een zoon van God te zijn, moet de mensch meer ontvangen dan de vergiffenis zijner zonden; moet hij ontvangen den Geest der aanneming tot zoon. En dezen Geest kan de Zoon van God den mensch niet mededeelen, of Hij moet eerst mensch worden, en, na onze zondenschuld te hebben uitgedelgd, de menschelijke natuur in Zich opnemen in de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, eer de wereld was.
Gelijk het kind van Maria Gods Zoon moest heeten, omdat het geboren is uit den Heiligen Geest, die uit den Vader is neergedaald (Luk. 1 : 35), zoo wordt de geloovige een zoon van God door den Heiligen Geest, die uit den verheerlijkten Zoon den mensch wordt medegedeeld.
Eene allergewichtigste vraag doet zich hier voor; Is het aan de zonde te wijten, of eischt de aard der zaak het, dat de mensch tot de kennis van God als Vader niet anders komen kon, dan door den menschgeworden Zoon van God ? Wij antwoorden zonder de minste aarzeling, dat de aard der zaak, afgezien van de zonde, eischte, dat Gods Zoon mensch zou worden, eer een mensch, in den vollen zin des woords, een Zoon van God worden kon.
Het is van den menschgswordene, dat Johannes zegt: „Niemand heeft ooit God gezien; de Eeniggeboren Zoon, die in den schoot des vaders is, die heeft Hem ons verklaard (Joh. 1 : 18). Zoolang derhalve nieihand mensch werd, die den Vader zóó kende, als de Eeniggeboren Zoon van God, die in Zijn schoot is, Hem kent, ontbrak ons de mensch, die ons den Vader verklaren kon. Al had Adam niet gezondigd, dan kon hij deze taak aan de overige menschheid niet hebben vervuld. De eerste mensch werd geschapen met de be-
126 de zoon, die ons den vader openbaart.
hoefte aan den tweeden mensch, den menschgeworden Zoon van God, die in den schoot des Vaders is, en alzoo aan den aardschen mensch den Vader vertoonen kon (1 Cor. 15 : 45-49).
Wat zegt de menschgewordene zelf? „Niemand — ook geen onzondig mensch, zoo hij bestond, ook niet de mensch, wiens zonden vergeven zijn, ook niet de volmaakt rechtvaardige — niemand komt tot den Vader, dan door Mij (den Menschgewordene). Die Mij (den Menschgewordene) gezien heeft, die, en geen ander — heeft den Vader gezienquot; (Joh. 14 : 6, 9).
Jezus Christus, de Menschgewordene, is vóór de grondlegging der wereld voorgekend geweest (1 Petr. 1: 20). God heeft zich üe menschheid nooit gedacht, zonder den Menschgewordene, die haar als haar hoofd tot hare bestemming voeren moest.
Als Paul us betuigt, dat de geloovigen vóór de grondlegging der wereld in Jezus Christus — derhalve in de mensch-gewokdene — uitverkorenen zijn, dan zegt hij daarmede, dat het de oorspronkelijke gedachte Gods is, dat de mensch niet worden zou, wat hij wezen moet — niet kind van God zou zijn — anders dan in den menschgewordene in Jezus Christus.
Hoe onuitsprekelijk heerlijk wordt Gods scheppingsplan, zoodra wij verstaan, dat God zich de schepping, in hare voltooiing, nooit anders heeft gedacht, dan met Zijn menschgeworden Zoon aan haar hoofd, in wien, sedert Zijne verheerlijking, de geloovige Zoon van God wordt, en alzoo God als Vader kent.
DE ZOON, DIE ONS DE-T VADER OPENBAART.
XVII.
DE ZOON, DIE ONS DEN VADER OPENBAART.
Joh. 14 : 7. Indiun gljliedan mij gekend hadt, zou zoudt gij ook Mijnen Vader gekend hebben.
Joh. 17 : 25, 26. Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend. — En Ik heb Uwen Naam bekend gemaakt, en zal hem bekend maken.
Ik ga u nog eens bij dit onderwerp bepalen. Ik gevoel andermaal, dat ik in \'t binnenste van Gods openbaring inga. Het laatste en hoogste dat ons God heeft geopenbaard, is dat Hij onze Vader is. Tot in alle eeuwigheid is niets denkbaar, dat hooger of dieper is, dan deze waarheid. Wij hebben hare kennis aan Jezus Christus te danken. Was Hij, de eeuwige Zoon, niet verschenen, dan was zij voor ons nog eene verborgenheid. De voorgaande openbaringen Gods. van de schepping des menschen af aan, doelden op deze laatste openbaring. Daarom kon de mensch niet rusten bij wat hij wist; het allerminst de verstgevorderde. Koningen en profeten hebben verlangd naar de komst van den Beloofde, die zou komen aanvullen wat nog ontbrak. Maar niemand, noch mensch, noch engel, kon vooraf zeggen, wat eigenlijk de groote verborgenheid was, die Hij openbaren, en hoe Hij. de Beloofde, haar aan ons ontdekken zou. Men kon de ontbrekende waarheid niet bij haren naam noemen, zoo lang men haar ■ niet had aanschouwd. Zij zou, zich vertoonende, zelf den sluier doen vallen en haren naam noemen.
Ik kan mij, in \'t gansche gebied der waarheden, geen vraag denken, die dieper daalt en hooger klimt, dan de vraag, hoe Jezus ons den Vader heeft geopenbaard.
Hij deed dit niet door eene verstandelijk geformuleerde leer. Er is niets, waaromtrent Hij ons eene afgeronde leer heeft achtergelaten. Hij heeft dit het allerminst gedaan ten
127
128 de zoon, die ons den vader openbaart.
opzichte van dit allerdiepste geheim. Hij kwam ons in eigen persoon de waarheid vertoonen. Hij zelf was de waarheid (Joh. 14 : 6). Zijn persoon was de levende openbaring der waarheid. Die Hem zag, zag de waarheid. Die Hem kende, kende de waarheid. Met den innerlijken blik ziet men in Hem de waarheid in haar ongebroken geheel. Eerst als wij met ons verstand over de waarheid nadenken, die wij onmiddellijk aanschouwen, ontstaat bij ons de behoefte, onze aanschouwingen verstandiglijk te formuleeren; maar deze formuleering bevredigt het hart te minder, naarmate de onmiddellijke aanschouwing der waarheid te dieper is.
Jezus deelde ons niet in eene leer Zijne gedachten over de waarheid mede. Hij vertoonde ons in woord en daad de volle waarheid. Hij sprak en handelde in \'t klare bewustzijn, dat Hij de geopenbaarde waarheid was, in hare volheid en algeheelheid. Hij kwam niet om de wTaarheid door en voor het verstand te formuleeren, maar, om haar aan \'t oog der ziel te vertoonen; van haar tot het oor des geestes te getuigen.
En is er ééne waarheid, waarvan wij zeggen moeten, dat zij één is met de persoonlijkheid van Jezus, dan is het deze waarheid, dat God Vader is. Jezus\' bestaan kan niet gedacht worden zonder deze waarheid. Hij kon niet leven, denken, spreken, handelen, zonder deze waarheid te openbaren. Hij kon Zich zeiven niet vertoonen, zonder deze waarheid te vertoonen. Hij was één met deze waarheid. Met deze waarheid staat of valt Zijn eigen wezen.
Dat Hij Zoon is, is niet iets toevalligs of bijkomstigs, \'t Is eene eeuwige noodzakelijkheid — ik weet geen beter woord --gelijk het bestaan van God, als Vader, eene eeuwige noodzakelijkheid is.
God is niet eerst God, en daarna Vader. Hij is Vader, omdat Hij God is. God te zijn en Vader te zijn, is één. Het Vader-zijn drukt Zijn eeuwig wezen als God uit.
\'t Is daarom onmogelijk den Vader zonder den Zoo.n te denken — of gij maakt den naam Vader tot een dooden klank.
DE ZOON. DIE ONS DENT VADER OPENBAART.
Deze naam, Vader, is de uitdrukking van Gods liefdewezen. God is liefde. Een God die niet liefde is, is een God, die niet licht en leven en kracht en heerlijkheid is. \'t Is een loochening van God.
Omdat God liefde is, daarom is Hij Vader, en daarom kan Hij niet gedacht worden zonder den eeuwigen Zoon, die uit Hem is, en Wien Hij Zijn wezen — Zijn licht en leven en kracht en heerlijkheid — heeft medegedeeld.
In \'t bewustzijn dezer eeuwige éénheid met den Vader vraagt Jezus: „gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden.spreek, spreek Ik van Mij zelven niet; maar de Vader, die in Mij blijft, dezelve doet de werken. Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij isquot; (Joh. 14 : 10, 11). Verstaat gij dit getuigenis des Heeren? De zoon eens aardschen vaders staat zelfstandig naast zijn vader, hij doet wat hij doet, niet in de kracht zijns vaders; hij kan zelfs zijnen vader op velerlei wijze overtreffen. Maar hier is een Zoon, die geheel en al. in alles, van Zijnen Vader afhangt, in Wiens woorden en daden de Vader zich openbaart.
In \'toog van anderen, die dit geheim niet verstaan, moge de Zoon op den voorgrond treden; in Zijn eigen bewustzijn, treedt de Vader op den voor- en Hij op den achtergrond. Van waar komt Zijne kennis? Niet uit Hem. Gelijk Hij Zijn bestaan. Zijn wezen. Zijne persoonlijkheid als Zoon, van eeuwigheid, onmiddellijk uit den Vader heeft, zoo komt alles, wat Hem als Zoon eigen is, van oogenblik tot oogenblik uit den Vader. Hij ziet niets, wat de Vader niet ziet en Hem laat zien; Hij doet niets, wat de Vader zelf niet door Hem doet; Zijne leer is niet de Zijne, maar die des Vaders; Zijne werken zijn de werken des Vaders (Joh. 5 : 30; 6 : 57; 7 : 16).
Gelijk Hij de Zoon is door deelgenootschap aan \'s Vaders natuur, alzoo weet Hij wat Hij weet, en doet Hij wat Hij doet, door deelname aan \'s Vaders wetenschap en macht.
En de Vader deelt Hem niet Zijne eigen wetenschap en
9
129
DE ZOON, DIE ONS DEN VADER OPENBAAKT.
macht mede, terwijl Hij verre van Hem is, gelijk de hemel ver is van de aarde; maar, terwijl Hij en de Vader hr eene zoo innige persoonlijke gemeenschap met elkander leven, dat Hij die niet anders kan uitdrukken, dan door te zeggen, dat Hij in den Vader is, en de Vader in Hem.
De Heiland bestrafte Zijne jongeren, dat zij zoo stompzinnig waren, dat zij niet verstaan hebben, dat Hij niet alleen met God omging als met Zijn Vader, maar ook als met den Vader, die altijd bij en met en in Hem is — die zoo min los van Hem kan gedacht worden, als Hij van den Vader.quot; Ben Ik zoo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend? Indien gijlieden Mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook Mijnen Vader gekend hebben.quot; — \'t Is of de Heiland met droefheid deze bestraffing uitspreekt. Had Hij dan niet in den toon Zijner gebeden tot God, en Zijner woorden aangaande God, duidelijk laten blijken, dat Hij als Zoon is, wat Hij is, en doet wat Hij doet, omdat de Vader, niet ver van Hem, niet dicht bij Hem, maar in Hem, maar één met Hem is?
quot;Was niet deze allerinnigste gemeenschap tusschen Vader en Zoon de grond en sleutel ter verklaring van geheel Zijn aardsche leven? Hoe kunnen zij dan nog den Vader zoeken, zoeken op een afstand, wie weet hoe verren afstand van den Zoon? quot;Welk eene bestraffing van hunne stompzinnigheid was dit andere woord: „Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: toon ons den Vaderquot; (Joh. 14 : 9)?
Die, als hij Jezus Christus aanschouwt, zooals Hij Zijne eigen persoonlijkheid in woord en daad openbaart, niet in Piem den Vader ziet, zal God als Vader nooit en nergens zien.
Maar kan de mensch de waarheid anders zien dan als het tegenbeeld van \'t beeld, dat hij in zich, in zijn eigen wezen, in zijne eigen persoonlijkheid omdraagt? Kan de mensch de waarheid anders hooren, dan als de klank, die in hem weerklinkt? Geenszins. Daarom zou de Heiland nooit Zijne discipelen hebben bestraft, dat zij den Vader niet in Hem hadden gezien, zoo niet Zijne betrekking tot God, het
130
DE ZOON, DIE ONS DEX VADER OPENBAART. 131
tegenbeeld was van de betrekking des menschen tot God.
De mensch is, naar zijn wezen, zooals dat uit Gods wezen, naar zijne persoonlijkheid, zooals die uit Gods persoonlijkheid is ontstaan, bestemd een zoon van God te zijn. Dit is de eenige grond en sleutel, om het eigenaardige onderscheid te verklaren, dat er is tusschen den mensch en de schepselen, die beneden hem zijn. \'s Menschen natuur is uit Gods natuur, en daarom is des menschen weten uit Gods wetenschap en \'s menschen hooger vermogen uit Gods vermogen ontstaan.
Jezus Christus, de menschgeworden Zoon van God, was zich dit helder bewust. Hij was de eerste mensch, met wien dit het geval is geweest. Hij was daarom de eerste die God Zijn Vader noemde, en in alles toonde dat Hij met God als Zijn Vader verkeerde, en uit God van oogenblik tot oogenblik al Zijn leven en licht en kracht en heerlijkheid ontleende — met één woord, dat wat Hij elk oogenblik was, eene geboorte was uit den Vader.
Intusschen, hoewel Jezus de eerste mensch was, wien \'s menschen oorsprong en bestemming als Zoon des hemelschen Vaders is duidelijk geworden, zoo moest Zijn getuigenis aangaande deze waarheid toch bij ieder geopend gemoed terstond bijval vinden. Heeft de Heiland Zijne jongeren niet geleerd te bidden: „Onze vader, die in de hemelen zijt?quot; Heeft Hij niet meermalen, tot Zijne jongeren sprekende. God hun Vader genoemd?
En gewis, er waren die, door hun omgang met Jezus, begonnen te leeren hoe met God als Vader om te gaan, als met een Vader, die Zijn kind zeer nabij is. Waarschijnlijk behoorden Maria, de zuster van Martha, en Johannes, de geliefde discipel, tot huti getal.
En toch bleef er nog een sluier hangen over deze waarheid. Zij waren tot den omtrek dezer waarheid gekomen, maar nog niet in de kern en \'t middelpunt er van doorgedrongen en bevestigd. Deze waarheid wierp op hen hare stralen, maar
132 DE ZOON, DIE ONS DEN VADER OPENBAART.
straalde nog niet uit van hen. Hun leven was nog niet een leven uit één stuk geworden, ter verklaring waarvan de grond en sleutel hun goddelijk kindschap was.
Dit bleek vooral in de donkere ure van Jezus lijden en dood. \'t Was, of met Hem ook de Vader zich van hen verwijderde; zoodat zij hunnen vrede verloren, en tot op den diepsten bodem van hun bestaan werden geschokt (Joh. 14 ; 1).
\'t Ging met deze waarheid, zooals met elke andere geestelijke waarheid. Zij vond weerklank in \'t gemoed, in de kern van hun wezen; maar eene donkere macht wierp hare schaduw er over, zoodat zij niet vroolijk in \'t licht dezer waarheid konden wandelen, en als in een kerker gekluisterd waren (Rom. 7 : 23). Terwijl hun vroom gemoed zeide: „evenals Jezus, zoo vol geloof en vertrouwen in den hemelschen Vader, moet ook ik wandelen,quot; sprak het tevens: „maar bij \'t willen ontbreekt mij het kunnen; als ik het goede wilde, dan ligt het kwade mij bijquot; (Rom. 7 : 18 — 26).
En zoo bleef het, totdat een nieuwe en blijvende kracht uit den Verheerlijkte tot hen vloeide; namelijk de Geest der aanneming tot Zoon. Hierdoor werd hun leven tot eene diepere diepte en eene hoogere hoogte gevoerd, dan \'t leven van allen, die vóór hen zijn geweest (Luk. 7 : 28). De geest des levens, die hun door den Verheerlijkte werd medegedeeld, maakte in hen alles nieuw. Zij konden van toen aan met God bestendig omgaan, als met den Vader, die ook in hen is, gelijk Hij in Zijnen Zoon op aarde was.
Op deze inleiding in de volle kennis der waarheid, die eerst na Zijn hemelvaart volgen kon, had de Heiland waarschijnlijk het oog, toen Hij tot Zijnen Vader zeide: „Ik heb hun Uwen naam bekend gemaakt, en zal hem bekend makenquot; (Joh. 17 : 26).
DE ZOOS, DIE ONS DENquot; VADER OPENBAART.
XVIII.
DE ZOON, DIE ONK DEN VADER OPENBAART.
Laat mij u met een enkel woord er aan herinneren, in welken zin Jezus Christus ons de waarheid heeft geopenbaard. Hij vertoonde geene nieuwe voorwerpen, maar wierp over de reeds bekende voorwerpen een nieuw licht, en deelde den H. Geest mede, om die voorwerpen in \'t nieuwe licht te aanschouwen. Neem Gods Vaderschap. \'tWas het hoogste, dat Hij ons heeft geopenbaard. Vóór Hem heeft niemand, in den zin, waarin Hij het heeft gedaan, den naam Vader genoemd. Niemand vóór Hem, heeft den Vader zóó gezien, als Hij den Vader aanschouwde. Maar toen de vrome Israëliet, door Jezus geleerd, in God zijnen Vader zag, aanschouwde hij geen nieuwen God. Toen zeide hij: de hemelsche Vader, dien ik door Jezus Christus ken, is niemand anders, dan de God der voorgeslachten en de God mijner jeugd; nu ik in God, mijnen Vader omhels, nu eerst versta ik al de voorgaande betooningen Zijner liefde en genade; nu is het schemerlicht tot daglicht geworden; nu is de sluier opgeheven, die het volle licht van Zijn vriendelijk aangezicht belette tot mij door te dringen; alles is mij nieuw geworden, wegens den glans dei-heerlijkheid, die ik nu in God zie; maar \'t is geen andere, geen vreemde, geen nieuwe God; in den Vader van den Heere Jezus Christus, herken ik den God der patriarchen en der profeten.
En in dit nieuwe licht, in deze hoogere openbaring, vertoonde de Zoon ons den Vader in Zijn eigen persoon. Hij zelf was de volle openbaring Gods aan ons. Zijn persoonlijk wezen vertoont ons het wezen des Vaders. In wat Hij is en doet en lijdt, ontsluiert Hij ons \'s Vaders wezen. Ik ga u thans toonen, hoe drie hoofdeigenschappen des Vaders, door den Zoon, ons in een nieuw, verrassend, volkomen licht vertoond
183
DK ZOON, DIE ONS DEN VADER OPENBAART.
worden. Ik bedoel \'sVaders souvereiniteit, gerechtigheid en liefde.
Dat de Vader met volstrekt souvereinen wil over alle schepselen heerscht, dit laat zich licht, begrijpen. Maar hier hebben wij iemand voor ons, die, hoewel Hij in de rij der schepselen is getreden, en met hen één is geworden, nochtans de eeuwige Zoon des Vaders is. Hij staat, in Zijne eenheid met don Vader, boven alle schepselen. Hij deelt met den Vader in de heerschappij over alle dingen. Hij beschikt met den Vader over de allerhoogste gaven. Hij geeft het leven, het hoogste leven aan ons (Joh. 17 ; 2). Hij deelt ons den Heiligen Geest mede (Joh. 14 : 14; 15 : 26). Hij kon zeggen: „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebtquot; (Joh. 17 : 24); en: „niemand kent den Vader dan de Zoon, en wien het de Zoon wil openbarenquot; (Math. 11 : 27).
En met dat al weet en voelt Hij zich zoo onbeperkt aan \'s Vaders wil gebonden, als het geringste, het nietigste schepsel in \'t heelal. Kan geen muschje van \'t dak, geen haar van \'t hoofd vallen, zonder den wil Zijns Vaders; zijn, wat wij natuurwetten noemen, voor Zijn dieperen blik niets anders, dan de openbaringen van \'sVaders wil; zoo zijn de wetten van Zijn eigen natuurlijk en zedelijk en godsdienstig leven, de uitdrukking van \'s Vaders wil, waaraan Hij van oogenblik tot oogenblik is gebonden; de heilige orde, die over Hem heerscht, de heilige, Hem voorgeteekende baan, waarin Hij zich beweegt.
Nooit heeft iemand dit zoo nadrukkelijk betuigd als Hij. Hij mocht niets anders spreken en doen, dan wat de Vader Hem gebood (Joh. 5 : 19; 6 : 18; 7 ; 16). Sluiten zich sommigen, als discipelen, bij Hem aan, dan zijn ze de Zijnen, omdat de Vader ze aan Hem gegeven heeft (Joh. 6 : 39; 17 : 12). Wordt Hij door een Zijner discipelen verraden, \'t is, omdat de Vader het aldus heeft gewild (Joh. 17 : 12). Heeft Hij de macht, om over Zijn leven ten beste van ande-
]34
DE ZOOS, DIE ONS DENquot; VADER OPENBAART.
ren te beschikken, die macht gebruikt Hij naar het gebod Zijns Vaders (Joh. 10 : 18). Verkiest Hij in Gethsemané den lijdensbeker, dan is het omdat de Vader Hem dien te drinken geeft (Joh. 18 : 11).
Gij kunt u den Zoon geen oogenblik denken, waarin Hij niet onbepaald zich onderwerpt aan \'s Vaders souvereinen wil. \'t Is ons eene nieuwe, eene alles te boven gaande openbaring van \'s Vaders souvereiniteit. Buigt de Zoon zich zoo diep, zoo volkomen, onder \'s Vaders heerschappij, hoe veel te meer hangt al wat schepsel heet aan den wil van God. De Zoon was gansch en al onderworpen aan \'s Vaders souvereinen wil, juist omdat Hij Zoon was. Deze algeheele onderwerping aan de allesomvattende heerschappij des Vaders, behoort tot de openbaring van Zijn wezen, als Zoon Gods. Als Zoon kan Hij niet gedacht worden, zonder haar. En zoo heeft Hij de volstrekte souvereiniteit Zijns Vaders glansrijk gehandhaafd tegenover opstandige engelen en menschen, en getoond, dat een schepsel, indien het is. wat het wezen moet, hoe hooger het in de rij der schepselen staat, des te dieper in ootmoed zich buigt onder Gods souvereinen wil. De Zoon, die hooger is dan alle schepselen, heeft zich dieper dan eenig schepsel onder den Vader gebogen. Daarom heeft de Vader Hem zoo uitermate verhoogd, opdat zich alle knie voor Hem buigen zou, gelijk Hij, als Zoon, zich gebogen heeft onder den wil des Vaders (Fil. 2 ; 6—11; Efeze 4 : 9. 10).
Een andere eigenschap des Vaders, waarover de Zoon een nieuw licht heeft geworpen, is de gerechtigheid des Vaders. quot;Wij verstaan Gods gerechtigheid niet, omdat de liefde, die Hi] heeft jegens den zondaar, dien Hij straft, ons verborgen is. Eens vaders gerechtigheid komt het sterkste uit, als hij zijn kind, dat hij innig liefheeft, lijden moet aandoen. Menige vader kon deze proef zijner gerechtigheid niet doorstaan! \'t Was hem duidelijk, dat hij iets moest doen, wat voor zijn kind pijnlijk zijn zou; maar hij had den moed daartoe niet, omdat hij, in zijne liefde tot zijn kind, de smart van zijn kind niet
135
DE ZOON, DIK ONS DEN VADER OPENBAART.
vermocht aan te zien. En zoo bezweek hij in de, voor zijné gerechtigheid, al te zware proef. De openbaring van zijn rechtsbesef bleef achterwege. Hij daalde daardoor in den eerbied, dien \'t kind den vader verschuldigd is. Hij verloor de koninklijke kroon, omdat hem de koninklijke schepter uit de hand was gevallen.
De Vader in den hemel moest deze proef ten opzichte van Zijn Zoon doorstaan. Ik spreek met aanbidding van dit diep, maar waarachtig geheim. Door Zijne menschwording werd Gods Zoon waarachtig één met de zondige menschheid. Hij werd met haar lotgemeen. Hij deelde met haar in al het lijden, dat door de zonde was veroorzaakt. Had de Vader den Zoon aangezien, zooals Hij in zich zei ven is, de Onzondige, de Heilige, dan had de gerechtigheid van Hem geëischt, den Zoon voor alle lijden te bewaren, dat, naar recht, de zondige menschheid had getroffen. Maar dan was de Zoon op een eeuwigen afstand van de menschheid gebleven, en alleen mensch geworden om hare schuld te openbaren. Dan was Hij niet één geworden met den mensch. Dan was de diepe be-teekenis Zijner menschwording weer opgeheven. Nu Hij eenmaal één was geworden met de zondige menschheid, eischte de goddelijke gerechtigheid, dat Hij, onder anderen, den dood zou ondergaan, waarin de gerechtigheid het vonnis van God over de zonde aan den zondaar voltrekt.
De Vader alleen kon de diepte peilen van zulk een lijden. De dood is de scheiding van God, als van de bron des hoog-sten levens — der vreugde in Zijne gemeenschap. Terwijl het vonnis des doods aan den Zoon werd voltrokken, moest, uit den aard der zaak, het licht dezer vreugde van Hem wijken, en plaats maken voor eene innerlijke ellende, die de Vader alleen tot op den bodem doorgronden kon.
Meermalen was de Zoon, wegens Zijne eenheid met de zondige menschheid, ingegaan in \'smenschen toestand van vervreemding van God. Dan zuchtte Hij onder den last, die Ziin hart ter neer drukte. Maar de blijde gemeenschap met
136
de zoon, die ons de-nt vader openbaart.
den Vader won dan weer spoedig hare veerkracht terug; en, om mij zóó uit te drukken, Hij voelde zich, als altijd, in den hemel, eer Hij ter helle was neergedaald. Maar eindelijk moest de ure komen, dat Zijne eenheid met de zondige menschheid voltooid zou worden, door Zijn afstijgen in \'t gebied des doods, Zijn nederdalen in de hel der Godverlatenheid.
Welk een oogenblik in de geschiedenis van de betrekking tusschen Vader en Zoon. De Vader had Hem van eeuwigheid lief, en daarbij was eene nieuwe liefde gekomen, opgewekt door het leven van volstrekte gehoorzaamheid, dat Zijn Zoon op aarde had geleefd. Geen schepsel kan ons zeggen, wat in \'s Vaders hart omging, toen Hij Zijn Zoon als uit Zijn boezem moest loslaten, en zonder barmhartigheid aan den wreeden dood overgeven (Hebr. 2 : 9 — 11); toen Hij Hem, van wege Zijne volkomen éénheid met de zondige menschheid, als een zondaar, als een vervloekte, ja, als zonde, als een vloek, behandelen en Hem van zich stooten moest (2 Cor. 5 : 21; Gal. 3 : 13).
Wij huiveren als wij aan dit offer denken, dat de Vader voor ons bracht, en kunnen alleen herhalen, wat de Zoon heeft gezegd: „alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen Eeniggeboren Zoon gegeven heeft.quot; Naarmate onze kennis van God toeneemt, zullen wij een dieper blik werpen in de ontzettende openbaring der gerechtigheid Gods, in den dood Zijns Zoons.
Wij verstaan gereedelijk, dat een zondig menschengeslacht buiten Gods blijde gemeenschap is gebannen. Wij verstaan het dat wij, zondaren, aan den dood zijn onderworpen. Maar al was het gansche menschelijke geslacht, van wege de zonde, voor eeuwig buiten Gods gemeenschap gebleven, die betooning der goddelijke gerechtigheid is niet te rekenen bij de openbaring der goddelijke gerechtigheid, toen de Vader Zijnen Zoon, drie uren lang, aan de duistere macht des doods gansch en al overgaf.
Die kreet des Zoons aan \'t kruis: „Mijn God, Mijn God,
137
DE ZOON, DIE ONS DEN VADER OPENBAART.
waarom hebt Gij Mij verlaten?quot; is ons als liet geroep vau \'t kind, terwijl liet gedwee \'s vaders kastijding verduurt: „mijn vader, mijn vader, waarom kastijdt gij mij zoo hard?quot;
Toen de Zoon daar aan \'t kruis in die namelooze ellende verkeerde, toen schitterde Gods gerechtigheid door de hemelen, met een nieuwen glans. En sedert die ure is, in \'t oog-der heilige engelen, Gods majesteit oneindig verhoogd.
Als wij onder den indruk komen der goddelijke gerechtigheid, zooals zij zich aan \'t kruis openbaart, dan kunnen wij geene woorden vinden om dien indruk uit te spreken. Zij wekt ons op tot eene stille, sprakelooze aanbidding.
Hebben wij de openbaring der goddelijke gerechtigheid gevat, dan wacht ons eene nieuwe, en nog heerlijker openbaring, namelijk die der goddelijke liefde.
Als een vader zijn kind kastijdt, en men zijne liefde niet kent, dan noemt men hem wieed en liefdeloos. Alleen de ingewijde ziet op zijn gelaat het bewijs, dat zijne liefde tot zijn kind zich met eene nieuwe kracht samentrekt en tot medelijden wordt. Nooit gevoelt een rechtgeaard vader meer. hoe lief hij zijn kind heeft, dan wanneer hij genoopt wordt, om der gerechtigheid wil, zijn kind te tuchtigen. Hoe snijdt hem door de ziel, de kreet van \'t lijdend kind; vader, ik lijd zware smart! Hoe brandt zijn hart van een onuitsprekelijk teeder medelijden. En als de kastijding voorbij is, en \'t kind, liefhebbend, aan \'s vaders boezem het hoofd nederlegt, hoe teeder omhelst en troost en verkwikt de Vader het kind, na zijn doorgestaan leed.
Dit tooneel aanschouwen wij aan \'t kruis in goddelijke, in oneindige volkomenheid. Nu de Zoon één is geworden met de zondige menschheid, nu smaakt Hij. zonder een inmengsel der goddelijke barmhartigheid, den bitteren beker. Maar wetende dat Hij, naar \'s Vaders wil, ten beste der zondaren, dit lijden lijdt, weet Hij ook, dat de gerechtigheid des Vaders niet \'s Vaders liefde uitbluscht jegens Hem. Neen, \'t is juist quot;s Vaders liefde jegens den verloren mensch, wiens plaats Hij nu
138
DE ZOON, DIK ONS DEN VADER OPEN\'BAART. 139
inneemt, die Hem door dezen donkeren gang der. gerechtigheid voert. Is het in deze diepte zoo donker, dat het licht der goddelijke liefde, geen enkelen straal er in schieten kan. Hij weet, dat de Vader Hem te meer liefheeft, nu Hij zich onder den vloek des doods stelt (Joh. 10 ; 17). Hij houdt \'s Vaders liefde vast, al ziet en voelt Hij haar niet. En uit dit geloof aan \'s Vaders liefde wordt de kinderlijk vrijmoedige kreet geboren: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?quot; \')
Deze verlatenheid heeft maar drie uren geduurd, \'t Is waar, lang genoeg om Hem den beker tot op den bodem te doen ledigen, en Hem voor eeuwig een onvergetelijken indruk te doen bewaren van den vloek der zonde; maar toch, vergeleken met den eeuwigen duur Zijner gemeenschap in \'s Vaders onbenevelde liefde, was zi] slechts een voorbijvliegend oogenblik. En wegens de verhoogde gemeenschap met\'s Vaders liefde, die op deze drie ontzettende uren is gevolgd, heeft de Zoon. bij dit lijden, onuitsprekelijk gewonnen, \'t Was Hem de weg tot de hoogste heerlijkheid (Luk. 24 : 2ö). Hij is door lijden geheiligd (Hebr. 2 : 10). Hij heeft des te hooger eer van den Vader ontvangen (Fil. 2 : 8 — 11). Hij is des te hooger boven alle schepselen verheven; naarmate Hij te dieper zich onder alle schepselen gebogen heeft; want geen mensch of engel, hoe heilig ook, kan zóó diep zich vernederen, als Hij, de Eeniggeborene des Vaders, zich vernederd heeft, toen Hij den dood des zondaars stierf aan het kruis (Efeze 4:9, 10).
Is dit niet eene nieuwe openbaring van Gods liefde? De zondaar kan zich niet losmaken van de gedachte, dat Gods toorn in strijd is met Zijne barmhartigheid; maar nooit werd \'s Vaders barmhartigheid dieper bewogen, dan toen Hij Zijnen Zoon, wegens Zijne eenheid met den zondigen mensch, den dood des zondaars, zonder barmhartigheid, moest laten sterven.
De zondaar denkt zich den toorn niet anders, dan als een
1) De lezer vergelijke hier wat wij in \'t werkje „Jezus Heerlykheidquot; onder \'t hoofd „Golgothaquot; hebben gezegd.
140 DE ZOON, DIK OXS DEN VADER OPENBAART.
persoonlijken haat; was Gods toorn dit, dan kon Hij den toorn tegen de zonde Zijn geliefden Zoon niet laten ondervinden, want Hij kan toch Zijnen Zoon — den Heilige en Rechtvaardige — Zijn volmaakt Evenbeeld — en alzoo zich-zelven — niet haten.
En hoe klaar wordt het ons, dat de rechtvaardige toorn van God, niet het einde van Gods weg, maar de doorgang daartoe is, — niet het doel, maar het middel tot het doel. quot;Was dit eerste en niet dit laatste het geval, moet, wat God in Zijne gerechtigheid spreekt of doet, altijd Zijn laatste woord, altijd Zijne laatste daad zijn, dan was Gods eigen Zoon, ter openbaring dezer waarheid, voor eeuwig in de macht des doods gebleven!
Neen, God is liefde; daarom is de gerechtigheid ondergeschikt aan de liefde. Waar men zich aan de gerechtigheid onderwerpt, daar is zij, met al hare onverbiddelijke gestrengheid, de, voor een oogenblik slechts, zich verbergende liefde. Daar is ze de wolk, die snel voorbij de zon der liefde drijft. Toen de Heiland, moe en mat geleden en gestreden. Zijn hart ter ruste leide aan \'s Vaders hart, zeggende: „Vader in Uwe handen beveel ik Mijnen geestquot;, en de Vader, tee-derder dan ooit, Hem aan Zijn hart drukte, toen sprak de vertrooste en verkwikte ziel: „er is een oogenblik in Uwen toorn, maar een leven — een eeuwig leven — in Uwe goedgunstigheid; ik dank U Vader, dat Gij op mij toornig geweest zijt, maar Uw toom is afgekeerd en Gij troost mijquot; (Jes. 12 : 1).
En wat is de boodschap, die de Zoon aan eiken zondaar zendt? Is het niet dat de Vader, die den vloek van Hem, den Zoon, heeft afgewenteld, dien vloek ook van eiken zondaar, die in Hem gelooft, zal afwentelen; zoodat het des zondaars eigen schuld is, als hij voor eeuwig onder den vloek blijft?
Eerst aan \'t einde van Gods weg, kennen wij Zijne bedoelingen in alles wat vooraf is gegaan. Aan \'t einde wordt de donkerste sluier opgelicht. Door zich met volstrekte onder-
DE ZOON, DIE OSS DEN VADEK OPENBAART.
werping onder \'s Vaders souvereiniteit en gerechtigheid te stellen, kwam Jezus Christus van stap tot stap nader tot eene openbaring van \'s Vaders liefde jegens Hem, die al de vorige liefdes-openbaringen oneindig overtrof en blijft overtreffen. En zoo voert ook ons de volle erkenning van Gods souvereiniteit en gerechtigheid tot de volle openbaring der goddelijke liefde jegens ons, die zich in die souvereiniteit en gerechtigheid heeft verborgen.
En als de ziel in \'t licht dezer liefde leefn, dan wil zij niets liever, dan zich gansch en al, in alle dingen, aan Gods wil overgeven; vooruit wetende, dat de ontzettendstebetooningen der goddelijke gerechtigheid slechts dienen om voor Gods liefde een ruimer baan te breken.
Het werd aan Paulus gegeven, dezen sleutel toe te passen op het ontzettend vraagstuk, dat hem, wellicht jarenlang, tot in \'t diepst zijner ziel heeft bezig gehouden. Wij bedoelen: Israels verwerping. Tegenover het trotsche Israël handhaaft hij Gods souvereiniteit met eene kracht, zooals niemand vóór of na hem heeft gedaan. Met dezelfde kracht rechtvaardigt hij Gods gerechtigheid in de verwerping van Israël en de aanneming der heidenen. Wat hem dit gekost heeft, weet God alleen. Hij had zijn volk zoo lief, dat hij bereid was, voor eene poos, tot bestwil van zijn volk, van Christus te worden verlaten: gelijk Jezus Christus, ter wille des zondaars, voor eene poos van Zijn Vader verlaten was (Rom. 9 : 3). En, om hem in eene anders ondragelijke smart te troosten, toonde God hem, dat deze weg der strengste gerechtigheid, slechts de doorgang der goddelijke liefde was. De verwerping zou slechts voor een tijd duren, want eenmaal wordt Israël door de Gemeente uit de heidenen tot jaloerschheid opgewekt, en zoodra de volheid der heidenen is ingegaan, dan wordt gansch Israël zalig (Rom. 12 : 14-36).
t Is merkwaardig, dat de profeten, die geleefd hebben in dagen waarin Israël, in Gods gerechtigheid, de zwaarste ge-richten had te verduren, tevens het helderst den blijden dag
141
één met den mensch.
hebben voorzien, waarin de wolk des gerichts over dit volk zou voorbijdrijven; en het een blijden dag, als den dag zijner opstanding, beleven zou.
\'t Is natuurlijk, dat, als men in Jezus Christus en in Israels volksgeschiedenis de liefde Gods over het gericht ziet zegevieren, men de vraag doet; of dan niet uiteindelijk al wat mensch en engel heet, zalig wordt. De Schrift opent ons dit vooruitzicht niet. Gods liefde dringt zich aan niemand op, en die haar verwerpt blijft onder Gods toorn.
Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh. 3 ; 36).
Intusschen, hierin kan het hart volkomen berusten, dat Gods gerechtigheid geen willekeurige haat of wreedheid is, dat zij geene verloochening is Zijner liefde, dat Hij in Zijne liefde wil dat alle menschen zalig worden {1 Tim. 2 : 4), en dat alleen zij verloren gaan, die de liefde verwerpen, die hen redden wil (Mark. lö : 10).
XIX.
Één met den mensch.
\'t Is ons gebleken, dat Jezus Christus in Zijn persoon ons God heeft geopenbaard. Hij heeft ons ook den mensch geopenbaard. De mensch blijft zich zeiven een onverklaarbaar raadsel, een donker mysterie, totdat hij zich zeiven in Jezus Christus ziet.
Gij herinnert u, dat Hij in alles en overal, door en door, mensch is geweest. Hij was \'s menschen Zoon en Gods Zoon; maar niet zoo, dat Hij daardoor minder menschelijk is geweest. Het goddelijke overschaduwde niet het menschelijke
142
ÉÉN\' MET DEN MENSCH.
in Hem. Het drong liet menschelijke niet op den achtergrond. Het onderdrukte niet het menschelijke. Het hinderde niet Zijne echt menschelijke ontwikkeling. Het was niet een belemmerend aanhangsel of toevoegsel aan het menschelijke. Omgekeerd: het goddelijke maakte het menschelijke te duidelijker, te doorzichtiger. Het menschelijke werd niet verdonkerd, maar verklaard, verheerlijkt door \'t goddelijke in Hem.
In niemand was het menschelijke duidelijker te lezen dan in Hem. Hij was eenvoudig in al Zijn spreken en doen. Hij verborg niets. Hij vertoonde zich naar buiten, zooals Hij van binnen was. Hij was licht, louter licht. Er was gansch geen duisternis in Hem. Er was niets raadselachtigs, niets geheimzinnigs in Hem. Al wat wij in Hem zien, leidt ons tot peil-looze diepten. Maar \'t is als de peillooze diepte van een helderen onbewolkten hemel.
Wat ons inzonderheid in Hem als mensch treft is Zijne eenheid met de gansche menschheid. Om Zijne eenheid met Israël te doen uitkomen, toont Mattheus in zijn geslachtregister, dat Hij de Zoon van Abraham is; terwijl Lukas, om Zijne eenheid met het gansche menschdom te bewijzen, zijn geslachtregister opvoert tot Adam.
\'t Is in \'t diepe besef Zijner eenheid, niet maar met Israël, maar met het gansche menschdom, dat Jezus zich Zoon des mensch en noemt.
God had een wezen kunnen scheppen met al de eigenschappen, die Jezus Christus had, zonder eene menschelijke moeder. Zoo heeft Hij Adam geschapen. Maar dan was dit wezen, bij al zijne gelijkheid aan den mensch toch geen mensch, zoo als nu, daar het niet een deel der menschheid zou zijn geweest, en niet tot de menschheid zou hebben behoord. Om met den schrijver van den Brief aan de Hebreen te spreken: was Hij niet ons vleesch en bloed deelachtig geworden, dan kon Hij ons niet Zijne broeders heeten (Hebr. 2 ; 11 — 14).
Intusschen, door geboorte uit Maria was er niets meer dan
148
ÉÉN MET DEN\' MENSCH.
eene natuurlijke eenheid tusschen Hem en \'t menschelijke geslacht. Opdat die eenheid, naar Gods verordening, worden zou, wat zij wezen moet in eiken mensch, daartoe moest zij eene zedelijke eenheid worden — eene eenheid, die Hij met Zijne keuze en met Zijnen wil aanvaardt.
Zonder het natuurlijke bestaat het zedelijke niet. Het zedelijke heeft tot grondslag het natuurlijke. Het zedelijke wortelt in het natuurlijke. Maar het verheft zich tevens oneindig boven het natuurlijke, omdat het bewogen wordt door eene kracht, die niet uit de natuur is. Die kracht is de vrije wil.
Zoo lang de mensch alleen daarom één is met het mensch-dom, omdat Hij, door geboorte uit een mensch, een deel is van het menschelijk geslacht; zoo lang is die eenheid niets meer dan eene natuurnoodzakelijkheid. \'t Is iets gansch anders, zoodra deze eenheid de onderlaag wordt eener eenheid, die de mensch met vrije keuze en vrijen wil aanvaardt.
Dit laatste heeft Jezus Christus gedaan. En wel langs den natuurlijken weg. Hoe hoog ook verheven boven het bloot-natuurlijke, niets is natuurlijker dan het waarachtig zedelijke. Het ontstaat niet uit afgetrokken begrippen, die buiten de natuur, als in de lucht zweven; maar uit de rechte verklaring van wat God reeds in de natuur, door de natuur, spreekt. De ware mensch is geen idealist en spiritualist. Hij neemt in zich op, en verwerkt en verklaart in zich, het natuurlijke — het in de natuur voorhandene.
Zoo wordt Jezus zich eerst Zijne eenheid met het huisgezin te Nazareth bewust. Als kind is voor Hem in \'t huisgezin de gansche menschheid vertegenwoordigd en is Hij geroepen zich als een deel van dit geheel te gedragen. Dit doet Hij. Hij wijdt zich aan \'t huisgezin. Hij zondert zich niet af van \'t huiselijk leven. Hij wandelt in de liefde tot ouders en broeders en zusters. Hij doet dit tot aan zijn dertigste jaar..
Toen trad Hij uit den engeren kring van het huiselijk leven, omdat Hij Zijne eenheid met Zijn volk heeft leeren verstaan. Gelijk de individuen in \'t huisgezin tot een levend geheel
144
ÉÉN MET DEN MENSCH.
Gods is. Laten Zijne broeders in \'t gezin te Nazareth Hem los, stooten zij Hem liefdeloos van zich (Joh. 7 : 5), des te inniger houdt Hij ze vast in Zijne liefde, die door gemeenschap met Zijnen Vader, in eiken strijd, al meer aangroeide. En eindelijk, na Zijne opstanding, had Hij de vreugde van de liefde Zijner broeders te herwinnen, en, zooals nooit te voren, één met hen te worden (Hand. 1 : 14).
En zoo deed Hij met Zijn volk. Hoe meer de vijandschap bij Zijne volksgenooten toenam, en de ure naderde, dat zij Hem dooden zouden; des te meer sterkte Hij zich in Zijne liefde tot hen, door Zijn verkeer met den Vader; des te inniger hield Hij aan hen als Zijn volksgenooten vast. Zijn sterven was om hunnentwil; de hoogste daad Zijner liefde jegens hen. Daardoor voltooide Hij, van Zijnen kant, Zijne eenheid met hen. En hoewel Hij nog heden de door Zijn volk verworpene is, toch heeft Hij reeds op aarde, bij voorbaat, zich er in verheugd, dat zij, als Hij zich eenmaal in heerlijkheid aan hen vertoont, in Hem hunnen Redder zullen erkennen en liefhebben (Matth. 23 : 39; Zach. 12 : 10; Rom. 11 ; 26).
En de overige volkeren? Na Zijne opstanding en hemelvaart zond Hij tot hen de blijde tijding, dat Zijn dood ook hunne schuld had uitgewischt, en dat Zijn Vader het hemelsche Koninkrijk ook onder hen vestigen wil. Doch tot op dit oogen-blik is het slechts een betrekkelijk klein getal in elk volk, waar dit Evangelie is verkondigd, dat Hem als Redder heeft aangenomen. Ja, wat erger is, de vijandschap tegen het Evangelie neemt, onder de zoogenaamde christelijke volkeren, in steeds ruimer kringen toe. Dit doet ons denken aan Israels gedrag tegenover Hem. Maar laat Hij de volkeren los ? Geenszins, zoo min Hij Israël heeft losgelaten. Hij blijft ze in liefde vasthouden. En al moet het door zware gerichten gaan, eindelijk zegeviert Zijne liefde, bekeeren de volkeren, met Israël, hun oudsten broeder, zich tot Hem, en worden de koninkrijken der aarde ingelijfd in \'t Koninkrijk der hemelen (Openb. 11 : 15).
147
ÉÉN MET DEN MENSCH.
Hoe openbaart Jezus Christus nu Zijne eenheid met de menschheid? Door Zijne geloovigen! Ik zeide u, dat Jezus Christus als één mensch, die zedelijk en godsdienstig gansch en al een was met de geheele menschheid, een gansch nieuw verschijnsel is geweest. Maar niet om een voorbijgaand verschijnsel te zijn. Hij is geworden de Eerstgeborene onder vele broederen, die naar Hem gelijken (Rom. 8 : 29). Naarmate Zijne verlosten worden, wat zij wezen moeten, naar die mate worden zij menschen, zooals Jezus Christus is geweest — menschen, die hunne natuurlijke eenheid met het gansche menschdom verheffen tot eene zedelijke en godsdienstige eenheid.
De Geest van Jezus Christus beweegt het geloovig kind zich in liefde aan \'t huisgezin, weldra aan zijn volk, eindelijk aan de menschheid te wijden. Uit dezen Geest wordt de hoogste broeder- en vaderlands- en menschenliefde geboren.
En hoe meer de zelfzucht mensch en mensch, maatschappij en maatschappij, volk en volk van elkander scheidt, en — als wilde dieren — tegen elkander wapent, des te machtiger zal de Geest van Christus in de geloovigen tegen deze zelf-zuchtigen geest, zij het ook langs den weg des lijdens, ziel: laten gelden, en in zelfopofferende liefde arbeiden aan \'t behoud van huis- en volksgenooten en medemenschen tot aan de einden der aarde.
Aan Jezus Christus danken wij het, dat wij verstaan, wat de ware eenheid is, die het menschdom tot een geheel maakt; en dat werkelijk sedert Hem eene hoogere klasse van menschen op aarde bestaat, die al meer deze eenheid in hun leven openbare en verwezenlijken — menschen in wie de heilige men-schelijkheid van hunnen Redder zegenend op aarde voortleeft.
148
ÉÉN MET DEN MENSCH.
■zijn vereenigd, zoo zijn ook de huisgezinnen in \'t volk tot een nationaal geheel verbonden. Allengs was Hij tot het besef hiervan ontwaakt, en had zich, met Zijn gezichtskring, ook het besef Zijner verplichtingen verruimd. Eindelijk achtte Hij zich geroepen, zich geheel en al aan Zijn volk te wijden. Zijn doop in den Jordaan is Zijne overgave en toewijding aan Zijn volk geweest.
Hij kon voor Zijn volk zijn, wat niemand anders voor zijn volk zijn kon. En had Hij geweigerd, ten beste van Zijn volk, den engen huiselijken kring te verlaten, dan had Hij Zijne eenheid met Zijn volk zelfzuchtig verloochend. Hij aanvaardde haar echter met vrijen wil, en zij ontwikkelde zich in Hem tot de hoogst mogelijke zedelijke volkomenheid. Hij werd, door Zijne zedelijke eenheid met Israël, in ruimeren zin mensch, dan Hij dit in Zijne eenheid met het huisgezin is geweest.
Maar gelijk de huisgezinnen zich ontwikkelden tot volkeren, zoo maken alle volkeren te zamen de ééne menschheid uit. Ook dit werd de Heiland zich al meer bewust, en met de verruiming van dit bewustzijn, werd ook de liefde ruimer, waarmede Hij eindelijk het gansche menschdom omvatte.
Hoewel Hij Zijne persoonlijke werkzaamheid tot Zijne volks-genooten beperkte, zoo had Hij daarbij het heil der gansche wereld op het oog. Hij wilde het Koninkrijk der hemelen in Israël vestigen, om het van daar, als van een vast punt, over de gansche aarde uit te breiden. Hij verkondigde beginselen en waarheden, die den grondslag moesten uitmaken van eenen algemeen-menschelijken godsdienst, die de plaats moest innemen van alle beperkt-nadonale godsdiensten. Denk, onder anderen, aan zijn gesprek met de Samaritaansche vrouw.
Hij ademde in deze ruime atmosfeer. Hij leefde in deze wereldomvattende liefde. Zonder Zijne liefde tot Zijne betrekkingen en volksgenooten te verloochenen, wijdde Hij Zijn leven aan \'t behoud der wereld. Hij dacht zich de liefde Gods als de liefde tot de wereld, sprak van de andere schapen, die niet tot de Israëlitische schaapskooi behoorden, en zond Zijne
10
145
één met den mensch.
discipelen, eerst ja, tot Israël, maar later tot de volkeren, om hun \'t Evangelie te prediken (Joh. 10 : 16; Matth. 28 : 19).
Iraëls verwerping voorziende, verheugde Hij zich bij voorbaat over de aanneming der heidenen {Luk. 20 : 16).
Het liefst noemde Hij zich Zoon des menschen, omdat Zijne eenheid met Israël was opgegaan in Zijne hoogere eenheid met al wat mensch op aarde heette.
Dit leven, doorschijnend van eene volmaakte liefde tot het gansche menschelijke geslacht, was een nieuw verschijnsel, eene nieuwe openbaring van wat het beteekent mensch, niet Israëliet of Romein of Griek, maar mensch te zijn.
In \'t besef Zijner eenheid met het menschelijke geslacht, werd het menschelijk geslacht in Zijne beschouwing waarlijk één — eene eenheid waarbij alle nationale onderscheidingen als van geene beteekenis verdwenen. Hij zag niet, in de eerste plaats, in den mensch, den Iraëliet of den Griek; maar in den Israëliet of den Griek zag Hij, in de eerste plaats, den mensch.
Door zich Zoon des menschen te noemen gaf Hij, onder anderen, te kennen, dat Hij het eigendom der gansche mensch-heid is.
Langs zedelijken weg werd de natuurlijke eenheid tus-schen Hem en \'t menschelijke geslacht eene menschelijke eenheid. Maar Hij heeft op dezen weg een geweldigen strijd moeten strijden, en in dien strijd overwon Hij alleen, dooide liefde des Vaders in al hare goddelijke macht in Hem te doen wonen. En zoo werd deze zedelijke, tevens eene geestelijke, eene godsdienstige eenheid.
Dit was de ware wijding Zijner eenheid met Zijne betrekkingen, Zijn volk en de menschheid. Hij was zich bewust, dat Zijne liefde haar oorsprong had in \'s Vaders liefde en de voortdurende openbaring van de liefde des Vaders was; zoodat in Zijne liefde de liefde des Vaders op de proef werd gesteld.
Door deze proef werd hij zich bewust, hoe machtig de liefde
146
SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN ÉÉNHEID MET GOD. 151
tuigde met nadruk, dat de Vader Hem tot de wereld gezonden heeft, en dat die Hem ontvangt, den Vader ontvangt, die Hem gezonden heeft (Joh. 10 : 36; Matth. 10 ; 40).
Welk een geheimzinnig woord voor den oppervlakkigen hoorder! Jezus noemde zich Zoon des menschen, omdat Hij, door geboorte uit Maria, uit de menschheid is gesproten, en alzoo één met de menschheid is. Zoo noemde Hij zich ook Zoon van David, omdat Hij Davids nakomeling is, en alzoo één met Israël — een Israëliet onder de Israëlieten. En toch door zich Gods gezant tot de wereld te noemen, plaatst Hij zich buiten en tegenover de wereld, en denkt Hij niet aan zich als een deel der wereld, maar als één met de wereld.
Heb ik eene maatschappij lief, die mij niet lief heeft, en wijd ik mij in die liefde aan haar welzijn, dan sta ik tegenover haar; en zie ik mijn liefdearbeid aan als de taak die God mij heeft opgedragen, dan heb ik recht tot haar te zeggen: „God heeft mij tot u gezonden!quot;
Het was vooral in Zijne liefde tot eene Hem vijandige wereld, dat Jezus zich bewust werd, dat Hij meer was, dan een deel der wereld, en dat de Vader Hem tot de wereld had gezonden.
Er waren koningen, priesters en profeten vóór Hem, die de Vader tot Israël had gezonden, om in Zijnen naam de een of andere taak te verrichten of boodschap over te leveren. Daartoe werden zij gezalfd. Die zalving duidde aan, dat zij door Gods kracht werden toegerust tot de bijzondere roeping, die zij te vervullen hadden. Zij werden Gezalfden, dat is, Christussen geheeten. Met door gaven, die hun van nature, dat is, door hun zamenhang met de menschheid, eigen waren; maar door gaven, die door hun verbintenis met God hun toevloeiden, konden zij, als Gods vertegenwoordigers, tegenover het volk staan, en arbeiden aan hun behoud.
Zoo stond Jezus, als de Christus bij uitnemendheid, tegenover de gansche menschheid. Door Zijne liefde, waarmede Hij de Hem en den Vader vijandige wereld omvatte, was Hij
152 SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN ÉÉNHEID MET GOD.
zich bewust, dat Hij de van den Vader Gezalfde en tot de wereld Gezondene was, opdat Hij de wereld behouden zoude.
\'t Was niet iets toevalligs, dat bij gelegenheid van Zijnen doop in den Jordaan, Zijne zelfovergave aan Zijn volk en Zijne zalving door den Geest in één punt samenvielen.
En gelijk nu Jezus, door Zijne zelfopofferende liefde den Vader tegenover de wereld vertegenwoordigt, zoo is het uwe roeping, geloovige! door diezelfde liefde Christus tegenover de wereld te vertegenwoordigen. Hij zendt u tot de wereld, gelijk de Vader Hem gezonden heeft, zoodat die u ontvangt. Hem ontvangt (Joh. 20 : 21; Matth. 10 : 40).
Welk eene waarheid! Zoomin Jezus Christus tegenover de wereld zonder den Vader kan gedacht worden; zoomin kunt gij tegenover de wereld zonder Jezus Christus gedacht worden. Hij heeft u gezalfd — u tot een Christen gemaakt — gelijk de Vader Hem gezalfd en alzoo tot den Christus gemaakt heeft. Als mensch was Hij een met de menschheid; maar als Christus was Hij één met den Vader. En zoo zijt gij als mensch één met de menschheid; maar als christen één met Christus en God.
Welk eene vrijheid! Terwijl gij weet, dat gij één zijt met de gansche menschheid, weet gij tevens, dat gij, in oneindig hooger en dieper zin, één zijt met God en Christus. In \'t besef uwer eenheid met Christus gevoelt gij u oneindig boven het gansche menschdom verheven, ja op denzelfden troon met Christus (Efeze 2 : 5, 6). Nu reeds, in de gestalte der vernedering, wandelt gij als koningen, naarmate uwe éénheid met Christus u duidelijk wordt.
Ik heb u bij eene vorige gelegenheid gezegd, dat Jezus\' zedelijke eenheid met de menschheid, tot natuurlijken grondslag Zijne geboorte uit een mensch had; en zoo had Zijne godsdienstige eenheid met den Vader tot grondslag. Zijne geboorte uit den Vader. Hij was niet alleen \'smenschen, maar ook Gods Zoon.
Omdat Hij Gods Zoon was, daarom kon Hij den Vader op
spiegel van \'s menschen éénheid met god.
XX.
spiegel van \'s menschen éénheid met god.
U zeiven voor uwen viiand op te offeren, is de hoogst denkbare zedelijke macht. Als iemand mij liefheeft, dan helpt dit mij hem lief te hebben. Liefde heeft vaak liefde gewekt in harten, die schijnbaar buiten staat waren om lief te hebben. Het wordt mij moeielijker iemand lief te hebben, die tegenover mijne liefde koud en onverschillig blijft. Tegenover deze liefdelooze, moet mijne liefde tot eene hoogere kracht stijgen, zal zij niet door zijne koudheid worden uitge-bluscht. Zie ik dat hij mij haat, dan moet mijne liefde tot eene hoogere machtsbetooning stijgen, indien hij het voorwerp mijner liefde blijven zal. En als hij in zijnen haat mij vernietigen wil, en ik, om hem te winnen, te redden, mij door hem gewillig laat vernietigen: dan klimt mijne liefde tot de hoogst denkbare macht.
Zie hier Gods liefde. Hij schiep den mensch uit liefde en overlaadt hem met tallooze bewijzen Zijner liefde. Maar de mensch keert zich van Hem af, en haat Hem, en zou Hem — zoo haat Hij God — gaarne willen vernietigen. En wat doet God? In Zijn Zoon zoekt Hij den mensch op, loopt Hij hem na, zegent Hij hem zooals nooit te voren. Met welk gevolg? Dat de mensch besluit Hem in Zijnen Zoon, zoo mogelijk, onder de wezens te verdelgen, zoodat Zijn naam, als Vader van Jezus Christus, nooit meer genoemd mocht worden. En wat doet Hij ? In plaats van Zijnen Zoon terug te nemen, geeft Hij Hem aan Zijne vijanden over, om in den kruisdood, als vernietigd, een vloek voor de vervloekten te worden.
Hooger kon Gods liefde niet stijgen. Hierin volmaakte zij zich. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen Eeniggeboren Zoon gegeven heeft.quot;
Jezus Christus openbaarde ons deze allerhoogste liefde. Zijne
149
150 SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN ÉÉNHEID MET GOD.
liefde was het beeld van \'s Vaders liefde. Zijn leven was ééne doorgaande zelfovergave aan Zijne vijanden. Hoe meer hun haat toenam, des te vaster werd Zijn besluit om zich aan dien haat, tot den dood des kruises toe, op te offeren. Hij gaf niet iets, niet veel, niet alles — Hij gaf Zich zeiven. Zijn leven, voor Zijne vijanden. Aan \'t kruis, waar de haat Zijner vijanden tot zijn spitse kwam, daar bereikte ook Zijne liefde voor hen haar toppunt. Daar volmaakte zich Zijne liefde. Daar ontplooide zij de hoogste macht, die wij ons denken kunnen. Meer kon Hij niet doen, dan den vloek te dragen, ten einde Zijne vijanden er van te verlossen.
En waartoe zijt Gij een mensch? Wat beteekent het dat gij naar Gods beeld zijt geschapen ? Opdat ook gij deze liefde — de allerhoogste, die zich in God laat denken — tegenover uwe medemenschen openbaren zoudt. Die buiten deze liefde is, is nog niet wat hij wezen moet en is nog buiten het Koninkrijk der hemelen. Herinner u dit woord des Heeren tot Zijne discipelen: ,^3ebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor degenen. die u geweld doen en die u vervolgen. Weest gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt isquot; (Matth. 5 : 44, 48).
En sedert de uitstorting des Heiligen Geestes, heeft men in duizende en tienduizende gevallen, de treffendste openbaringen dezer zelfovergave aan den vijand gezien. Stefanus opende eene lange rij van martelaren, die gewillig tot heil hunner vijanden, hun leven hebben afgelegd.
Intusschen is de martelaarsdood het uitvloeisel der liefde, die er is in eiken geloovige, die is, wat hij wezen moet, ook al wordt hij niet geroepen voor zijne vijanden te sterven. Er is niemand, die door en door een christen is, die niet geroepen wordt deze zelfopofferende liefde tegenover hen, die hem haten, aan den dag te leggen.
In deze zelfovergave aan de wereld, was Jezus Christus de Vertegenwoordiger Zijns Vaders. Hij be-
SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN ÉÉNHEID MET GOD. 155
waar Hij, tot zelfvernietiging toe, zich zeiven verloochende, en aan God en mensch zich offerde: daar werd Hij, zooals nooit te voren, één met God en mensch.
Zijn leven was niet ten deele menschelijk en ten deele goddelijk, maar godmenschelijk, dat is: menschelijk zooals het menschelijke naar Gods oorspronkelijke verordening wezen moet, omdat het tevens goddelijk was.
In Jezus ziet gij niet het menschelijke pijnlijk gescheiden van het goddelijke, of smai~elijk zoekende naar het goddelijke; maar het menschelijke wortelende in het goddelijke, gedragen door het goddelijke, vervuld van het goddelijke, verzadigd door het goddelijke — en dat wel van trap tot trap, en door strijd en worsteling henen, hoewel zonder zonde, tot aan de volkomenheid toe, waarop de eeuwige Sabbatsruste aan \'s Vaders rechterhand is gevolgd.
In Jezus Christus is het zedelijke leven de menschelijke zijde van het goddelijke leven in Hem. Zedelijkheid en godsdienst zijn in Hem één, omdat Hij is èn Zoon des Menschen •èn Zoon van God.
En zoo, geloovige, moet uw menschelijk leven de openbaring zijn van uw christelijk leven. De mensch en de Christen moeten al meer één worden in u. Gij zijt een christen, omdat gij een gezalfde mensch zijt, en gij zijt een gezalfde mensch, omdat gij uit God geboren zijt.
En nu gij het getuigenis van Gods Geest in u omdraagt, dat gij een kind van God zijt, geroepen om in uw leven be-bestendig de heilige liefde van uwen Vader en uwen Heiland te vertoonen, nu verstaat gij, wat \'s menschen hoogheerlijke bestemming is. Had Jezus Christus voor u niet den band der zonde doorgebroken, die u van God verwijderde en die u in de duisternis liet omdolen; had Hij u niet de geboorte tot een Zoon van God door den Heiligen Geest verworven (Gal. 4 : 4, 5): dan was voor u het menschelijk leven een donker, een onverklaarbaar raadsel gebleven. Nu ziet gij in \'t leven van Jezus Christus, uw leven en bestemming afgebeeld. Nu
SPIKGEL VAN \'S MENSCHEN KENNIS VAN GOD.
verstaat gij uwe roeping om, in de navolging van Hem, volmaakt te worden, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is. Hij heeft u geopenbaard, wat het beteeketit, naar Gods verordening mensch te zijn.
XXI.
SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN KENNIS VAN GOD.
De grondslag van Jezus\'kennis van God was Zijne geboorte uit God. Gij kent het spreekwoord: „soort zoekt soortquot;;zoo mag men ook zeggen: „soort kent soort.quot; Om God te kennen, moet men van Gods geslacht zijn. „Niemand heeft God gezien; de Eengeborene, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard.quot; Hij is in den schoot des Vaders, omdat Hij uit den Vader is voortgekomen. Hij is in den Vader, omdat Hij uit den Vader is. Hij is ja, uit den mensch geboren, maar „uit den Heiligen Geest ontvangen.quot;
Zonder eene hoogere geboorte uit God, kan men God niet verstaan, \'t Was eene getuigenis uit de diepte van Zijn zelfbewustzijn geboren, toen Jezus aan Zijne vijanden zeide: „die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijtquot; (Joh. 8 : 47).
De kennis van God heeft haren diepen wortel in de verwantschap aan God. Alleen voor zoover het nog waar is. dat de gevallen mensch van Gods geslacht is, is hij nog vatbaar voor eene zekere mate van de kennis van God. Op die verwantschap mét God rekende Paulus bij de heidenen (Hand. 17 : 28, 29). Maar zonder geboorte uit den H. Geest is de kennis van God, waartoe ook de heiden komen kan, slechts voorbereidend voor de kennis, die met \'smenschen wedergeboorte aanvangt, en die het eeuwige leven met zich brengt.
156
SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN ÉÉNHEID MET GOD. 153
aarde vertegenwoordigen. Door Zijne geboorte uit den Vader behoorde Hij tot de hoogere wereld. Zijne zending tot deze wereld begon met Zijne geboorte uit Maria. Hij was, omdat Hij de Zoon van God was, eene verschijning uit de hoogere wereld. Was Hij niet uit den Vader geboren, dan kon de zalving des Geestes Hem niet tot\'s Vaders vertegenwoordiger op aarde hebben gemaakt. Die zalving veronderstelde Zijne wezenseenheid met den Vader.
\'t Is ons gebleken, dat deze geboorte uit den Vader voor Jezus Christus niet eene voor altijd afgedane en voorbijgegane gebeurtenis was. Hij was niet uit den Vader geboren om, krachtens die geboorte, zich zelfstandig naast den Vader te bewegen, en zich naast den Vader, als des Vaders gelijke, als een ander God, zich aan de wereld te vertoonen. Dan was Hij niet \'sVaders vertegenwoordiger. Van oogen-blik tot oogenblik wist Hii wat Hij wist, deed Hij wat Hij deed, -was Hij wat Hij was, door den Vader — door het licht en de kracht en het leven, die Hem van den Vader toevloeiden. quot;Wat Hij was van oogenblik tot oogenblik dat was, van oogenblik tot oogenblik, eene geboorte uit den Vader. Hij kon zich zonder den Vader niet denken. Zoo min Hij als \'s menschen Zoon kon gedacht worden, zonder onophoudelijk verband met de menschheid, zoo min kon Hij als Gods Zoon gedacht worden, zonder de levende en altijd voortdurende verbintenis met Zijnen Vader. Zijn goddelijk. Zijn hooger leven, was het leven des Vaders in Hem, waardoor Hij als Zoon des Vaders leefde.
En gelijk nu de mensch Jezus, om de Christus te zijn, de Zoon van God wezen moest, zoo moet ook gij, geloo-vige, om een christen te zijn, een kind van God wezen. Uwe zalving met den Heiligen Geest is niet uwe geboorte uit God; maar de verzegeling uwer geboorte uit God en uwe bekrachtiging tot de taak, die gij, tegenover de wereld, als kind van God te vervullen hebt.
En gelijk Jezus Christus als de Zoon van God onophoude-
spiegel van \'s menschen éénheid met god.
lijk al Zijn leven en levenskracht uit den Vader heeft, zoo hebt gij onophoudelijk als christen, als kind van God, al uw leven en levenskracht uit den Zoon en, door Hem, uit den Vader. Hij heeft op aarde kunnen getuigen: „Mijn Vader leeft in Mij, en wat ik leef, dat leef ik door Mijn Vader.quot; En zoo moet het uwe getuigenis zijn: „de Zoon van God leeft in mij, en wat ik leef, dat leef ik door Hemquot; (Gal. 2 : 20).
Waren er dan twee levens in Jezus Christus — \'t eene ontstaan uit Zijne eenheid met de menschheid, en \'t andere ontstaan uit Zijne eenheid met den Vader — \'t eene een men-scheiijk en \'tandere een goddelijk leven? Geenszins, \'t Was het ééne ik, het ééne zelfbewustzijn, de ééne persoon, die altijd in Hem sprak. Wat was dan de verhouding van het menschelijke tot het goddelijke, van het zedelijke tot het godsdienstige in Hem? Het menschelijke was de openbaring van het goddelijke. In \'t menschelijke nam het goddelijke den eigenaardigen vorm aan, waarin het zich blijft vertoonen tot-in alle eeuwigheid, het woord is vleesch gewobden (Joh. 1 : 14). De volheid der godheid woont lichamelijk in Jezus Christus (Col. 2 : 9). Er is niets goddelijks, dat Hem toebehoort, te denken naast het menschelijke in Hem; \'tis alles in \'t menschelijke.
De ontwikkeling in Hem van \'t menschelijke, was tevens de ontwikkeling van het goddelijke, ja hing geheel en al daarvan af. Zijne liefde tot den mensch, en alzoo de band, die Hem aan den mensch bond, nam in Hem toe, naarmate de liefde tot den Vader, die Hem als Zoon des Vaders eigen is, zich in Hem ontwikkelde. Bij den doop trad Zijn Israëlitisch bewustzijn een nieuw tijdperk in, omdat Zijn goddelijk bewustzijn een nieuw tijdperk was ingetreden. Hoe nader Zijne éénheid met den Vader tot het hoogtepunt harer ontwikkeling aan \'t kruis kwam, des te nader kwam ook Zijn éénheid met de menschheid tot hare volledige ontplooiing. Hij is niet alleen mensch, maar ook als Gods Zoon, door lijden geheiligd, dat is, volmaakt geworden (Hebr. 5 : 8). Aan \'t kruis.
154
SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN KENNIS VAN GOD. 159
had geopenbaard. Ik zeide u bij eene vorige gelegenheid, dat wij in Jezus Christus de éénheid zien van het individu met het geheel. Hierin vooral handhaafde God die eenheid, dat Zijn eigen Zoon, toen Hij eenmaal mensch was geworden, in Zijue kennis afhankelijk was, van wat God aangaande zich zeiven aan Israël en alzoo aan \'t menschdom had geopenbaard. Gods Geest leidde Hem in de diepten der Heilige Schrift. Hij ging met Zijn Vader om bij \'t licht, dat de Heilige Schrift op Gods wezen en wegen wierp. Tot op \'t einde van Zijn leven herinnerde Hij Zijne discipelen en anderen aan menig Schriftwoord, dat voor Hem een licht op Zijn pad en een lamp voor Zijnen voet was geworden.
Gods Geest, \'t is waar, toonde Hem ook wat tot nu toe was verborgen gebleven, maar dat nieuwe was één met het oude. Hij was zich ten diepste Zijne eenheid met Mozes en de profeten bewust, en dat het Zijne roeping was, te voltooien wat zij begonnen waren (Matth. 5 : 17). Zoomin zij volledig zijn zonder Hem; zoomin rekende Hij Zijn onderricht volledig zonder het hunne.
Zoo is tot op den huidigen dag onze kennis van God eene, zoo wel uit God, als uit de H. Schrift geborene, \'t Is in innerlijke eenheid met de godsmannen, door wie God van tijd tot tijd gesproken heeft, dat wij God leeren kennen, en dat alzoo hun God onze God wordt. Niemand heeft dezen godde-lijken regel hooger geëerd dan Jezus Christus.
Een ander kenmerk van deze kennis van God en goddelijke zaken is het heilig karakter. Zij is niet los te maken van eene heilige, eene naar God gekeerde, een aan God gewijde gezindheid. Men kan in velerlei wetenschap uitmunten door de vaardigheid van zijn geest, afgescheiden van eene heilige gezindheid des gemoeds. Maar de kennis van God is alleen mogelijk, waar de mensch aan God gehoorzaam is, en in God het leven zoekt. De Heere Jezus getuigde voor deze waarheid, toen Hij de onvatbaarheid Zijner tegenstanders, om Hem te verstaan, toeschreef aan hunne onheilige eerzucht;
160 SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN KENNIS VAN GOD.
verklaarde, dat alleen hij, die Gods wil begeert te doen den soddelijken oorsprong van Zijne leer kon ontdekken, en be tuigde, dat het eeuwige leven is den Vader en dien Hij gezonden heeft te kennen (Joh. 5 ; 45; 7 ; 17; 17 : 3).
Het heilige te kennen, en niet onder de macht van het heilige, dat men kent, te verkeeren; God te kennen en met onder Gods macht zich te buigen en Hem met hef te hebben en te aanbidden, dit was voor Jezus ondenkbaar.
Hii sprak nooit over God en goddelijke zaken, als iemand die eenige begrippen en formules daaromtrent van buiten ha geleerd, of die deze voorwerpen met het koude verstand on -leedde; Hij sprak, ziende de dingen, waarover Hij sprak, en verkeerende onder hunne macht. Hij sprak als bezielde profeet Men moest het terstond gewaar worden, dat Hij in \'t binnenste heiligdom leefde, en daar, in de aanbidding des Vaders, de dingen zag, die de Vader Hem openbaarde.
God en goddelijke dingen te kennen, was voor Jezus God en goddelijke dingen te zien en te beseffen. Hij hee geene afgetrokken leer over God en goddelijke dingen verkondigd. Zijn onderwijs was een heilig getuigenis, dat alleen in verwante gemoederen kon weerklank vinden. De wijze, waarop Hij aan zijne kennis kwam, en waarop Hij getuigde van de dingen, die Hij kende, maakte Hem van ^^P^-feet, een ziener. Hij kon niet anders dan als profeet, dan als
ziener spreken. ,
En zoo is bij eiken mensch de kennis, die in hem uit Gods
Geest is geboren. Het heilige, naar zijn heiligen aard, te zien, omdat, door de inwoning des Heiligen Geestes, het oog er ziel er voor geopend is, omdat God door den H Geest, m den omgang met Hem, het aan ons openbaait ca. is zo gansch anders, dan de woorden en formules na te waarin anderen hunne gedachten daarover hebben ingekleed Het heilige waarlijk te kennen is niets minder, dan met he heilige in gemeenschap te leven, zich m de zedelijke mac van den Heiligen God te weten.
SPIEGEL VAN S MEKSCHEN KENNIS VAN GOD.
Van eiken niet-wedergeborene is het waar, dat hij als natuurlijke, liever als ziellijke, psychische mensch. niet begrijpt de dingen die des Geestes zijn (1 Cor. 2 : 14).
Gods kennis is niet iets, dat later in God is ontstaan. Zijne kennis hangt niet af van iets, dat buiten Hem is: Zijn weten is één met Zijn wezen. Daarom, die door geboorte uit God, deel heeft aan Gods wezen, die heeft ook deel aan Gods weten. De Heiland heeft nadrukkelijk betuigd, dat Hij niets weet, niets ziet, dan wat de Vader Hem toont, gelijk Hij niets vermag, dan door Gods kracht, in Hem werkende (Joh. 5 : 30; 7 : 16; 8 : 38). Beide, Zijn weten en Zijn kunnen, vloeiden Hem toe uit \'s Vaders weten en kunnen.
En zoo oordeelde Hij over \'t godsdienstig weten van eiken mensch. Hij schreef de kennis van Petrus, dat Hij de Christus is, daaraan toe, dat niet een mensch, maar de Vader hem dat had geopenbaard; en Hij heeft bij zekere gelegenheid aan \'tprofetisch woord herinnerd, dat Gods kinderen van Godgeleerd worden (Matth. 16 : 17; Joh. 6 : 4, 5).
Wij staan hier voor een ondoorgrondelijk, maar heerlijk geheim. Zooals Paulus de zaak beschrijft, leidt Gods Geest onzen geest met zich in de diepten, die alleen aan Gods Geest bekend zijn (1 Oor. 2 ; 10, 11). Welk eene gedachte, dat wij, naar de mate onzer vatbaarheid, weten, wat de Geest vau God weet, omdat God ons deelgenooten maakte van Zijn eigen weten.
Ja, ons weten van de eeuwige dingen hangt af van onze gemeenschap met den eeuwigen Geest van God. Jezus, uit eigen ervaring sprekende, noemt den Geest den Geest der waarheid, en beloofde aan Zijne discipelen, dat de Geest hen in alle waarheid leiden zou; zoodat, als wij getuigen wat wij van de eeuwige waarheid zien, wij uitspreken wat Gods Geest in onzen Geest aangaande de waarheid getuigt (Joh. 15 : 26, 27).
Het moet meer en meer daartoe komen, dat wij, even als Jezus Christus, ons bewust worden dat wij niets van de waarheid zien, dan wat de Geest Gods ons er van toont, om dan
157
158 SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN KENNIS VAN GOD.
met vreugde en moed uit te spreken, wat wij aanschouwen.
Intusschen schikt zich deze onderwijzing door den H. Geest geheel en al naar de menschelijke vatbaarheid, zoodat onze kennis van God en goddelijke zaken, terwijl zij onmiddellijk uit God vloeit, tevens eene menschelijke geworden is. Zij is, om mij zoo uit te drukken, met menschelijk vleesch omkleed. Zij begint met de bloote vatbaarheid om te kennen, schreidt voort van een minder tot een meerder weten, én kleedt zich in de vormen, die uit onze eigen ervaringen en uit de gemeenschap met de wereld rondom ons worden geboren.
Het wordt van het kind Jezus gezegd, dat Hij in wijsheid toenam. Hij wist niet op twaalfjarigen leeftijd alles, wat Hij wist. toen Hij, dertig jaren oud zijnde, door Johannes werd gedoopt. En meer dan ééne waarheid, waarop de H. Geest, toen Hij de bergrede uitsprak, Zijn oog nog niet had gevestigd, werd Hem eerst later getoond. Zijne laatste redenen tot Zijne jongeren zijn zooveel dieper dan de eerste, omdat de H. Geest Hem allengs van diepte tot diepte in de waarheid had geleid.
En \'t was niet iets toevalligs, dat Hij, meer dan ooit een leeraar heeft gedaan, Zijne gedachten kleedde in beelden en gelijkenissen, ontleend aan de natuur en \'t menschelijk leven, zooals Hij die in Palestina had leeren kennen. Zijn geestesleven ontwikkelde zich in de innigste gemeenschap met het natuurlijke en het menschelijke; Hij kon daarom niet anders denken dan in de vormen, die daaraan eigen waren. Zijne diepste ervaringen, die uit de diepste gemeenschap met God waren geboren, deelde Hij in zulke vormen mede, als Hij, onder anderen, sprak van \'t hooren van Gods stem, en het zien van Gods gedaante.
Zijne toenemende en menschvormige kennis van God en goddelijke zaken, is de spiegel onzer godsdienstige kennis.
Ook hierin weerspiegelt Zijne kennis de onze, datzijnietlos was van hetgeen God tot op Zijnen tijd aan den mensch
SPIEGEL VAN \'s MENSCHEN KENSI3 VAN G3D. 161
En als God den mensch op de heilige baan voert, waar hij gemeenschap heeft aan \'t goddelijk wezen, dan deelt God hem ■deze heilige kennis niet mede als een privaat bezit, maar om haar tot een gemeen goed te maken. God denkt geen mensch los van andere menschen. Hij scheidt niet van elkaar, wat Hij zelf tot een geheel heeft bestemd. En zoo bindt Hij ook hierdoor de menschen tot een geheel te zamen. dat Hij door den enkele allen verrijkt. Dit was den Heere Jezus zich ten duidelijkste bewust. Hij zag in de geheel eenige kennis, die hem boven al Zijne voorgangers en tijdgenooten oneindig verhief, tevens Zijne roeping om haar tot het eigendom van \'t gansche menschelijke geslacht te maken. Hij muntte niet boven allen in Zijne kennis uit, om daardoor zelfzuchtig zich te behagen, en boven anderen zich te verheffen, of eene school uitnemender dan andere scholen te stichten. Hij wijdde zich geheel en al aan de taak om allen, die maar hooren wilden, mede te deelen, wat de Vader aan Hem had geopenbaard. Omdat, gelijk ons gebleken is, de kennis van God en van goddelijke dingen eene heilige is, daarom kan zij alleen ontstaan in harten, die naar Gods wil het heil des naasten bedoelen.
Waarin bestaat voor een groot deel de kennis van God? In de kennis van het doel, waartoe Hij den mensch heeft geschapen, en dat Hij door de gemeenschap tusschen mensch en mensch uitwerkt. God te kennen is onmogelijk, tenzij ik mij zeiven ken als een der werktuigen, waardoor Hij Zijne liefderijke bedoelingen uitwerkt. Om Gods profeet te zijn, om Gods liefderijken wil te weten, moet ik tevens Gods priester zijn, door wien God Zijn liefderijken wil aan anderen volbrengt. Jezus Christus was profeet en priester bij ■ uitnemendheid. In \'t klare besef van wat de Vader door Hem als \'s Menschen Zoon en als Gods Zoon tot heil dei-wereld wilde volbrengen, offerde Hij zich geheel en al aan Israël en aan de wereld. Dit deed Hij inzonderheid bij den doop in den Jordaan en in den doodskamp in Gethsemane.
11
162 SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN VERKEER MET GOD.
Hoe verschilt de kennis van God en goddelijke dingen van de kennis, waarop vaak de kinderen dezer wereld roem diagen. De school, waarin de H. Geest ons onderwijst, is de school waarin wij gevormd worden, om met God deel te hebben aan Zijnen arbeid tot heil der wereld.
Het licht des H. Geestes schijnt niet in harten, die schuw zijn voor den arbeid of den strijd, waartoe God ze tot heil van den naaste roept.
God en goddelijke dingen te kennen is tevens den weg te kennen, waarlangs God door ons het heil van anderen uitwerkt, en in dien weg, al dragen wij daarop een kruis, behagen te vinden. Waar het ontbreekt aan de priesterlijke liefde, die uit God is, en ons naar Hem gelijken doet, daar kan de H. Geest onze leermeester niet zijn.
XXII.
SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN VERKEER MET GOD.
Wij willen in Jezus Christus ditmaal zien, tot welk een verkeer met God de mensch hier op aarde is bestemd.
Jezus Christus was er zeker van, dat Hij Gods Zoon was. Deze zekerheid was het fondament, waarop geheel Zijn verkeer met God rustte. Zij is de sleutel ter verklaring van Zijn verkeer met God.
Hij is de eerste mensch geweest, die het abba. Vader! tot God op aarde heeft uitgesproken. Het lag in \'smenschen bestemming een Zoon van God te zijn. Geen mensch kon lusten in zijne kennis van God, zoolang hij niet was doorgedrongen tot de kennis, dat hy Gods zoon is. \\ an achteren zien wij, dat de nog beperkte kennis, die de mensch, vóór de komst van Jezus Christus, van God had, naar deze innige betrek-
SPIEGEL VAN \'S MENSOHEN VERKEER MET GOD. 168
king tusschen God en mensch, als met den vinger wees; de vrome genoot reeds bij voorbaat, onbewust, de zegeningen van een zoon van God; hij leefde als kind van het kapitaal, dat hij later als zoon erven zou (Gal. 4 : 1 — 5): maar het bleef hem verborgen, dat hij een zoon van God was, totdat hij door Jezus Christus tot deze hoogere wetenschap kwam. Wat Jezus Christus van nature is — Zoon van God — dat werd de geloovige uit genade, door Jezus Christus.
In den regel worden wij ons pijnlijk bewust, dat in ons niet de kinderlijke geest woont, die het kenmerk van den zoon is, totdat wij, door \'t geloof in Jezus, Gods zonen worden; wij ontwaren onze verwijdering van God, eer wij op \'t innigst met Hem door Jezus Christus worden verbonden; maar Jezus Christus heeft zich zeiven nooit anders dan als Zoon des hemelschen Vader gekend. Niets was Hem natuurlijker, dan God Zijn Vader te heeten. De stem des Vaders door Hem bij den doop vernomen: „deze is Mijn geliefde Zoon,quot; was voor Hem geen vreemde en onverstaanbare klank, maar de weerklank op de innerlijke overtuiging, die in Hem, sedert Hij tot zelfbewustzijn was gekomen, van klaarheid tot klaarheid en van diepte tot diepte, was toegenomen. Hij heeft aan God nooit anders gedacht, en van Hem nooit anders gesproken, dan zooals een kind aan zijn vader denkt, en zooals een kind van zijn vader spreekt. Anderen verbaasden zich er over, terwijl dit voor Hem gansch natuurlijk was. Hij was zich niet bewust, dat Hij iets buitengewoons zeide, toen Hij op twaalfjarigen leeftijd in den tempel God Zijn Vader heette.
En hoe kinderlijk wandelt Hij tot aan \'t einde aan de hand Zijns Vaders. Zoo zeker als Hij wist, dat God Zijn Vader is; zoo zeker wist Hij, dat de Vader Hem, van stap tot stap, aan Zijn eigen hand leidde, op geheel Zijn levensweg.
Herinner u Zijn antwoord aan Zijne moeder toen Hij twaalf jaar oud was: „wist gij niet, dat Ik moest zijn in de dingen Mijns Vaders?quot; En toen Petrus in Gethsemane, het naderend
164 SPIEGEL VAN \'3 MENSCHES VEKKEER MET GOD.
lijden van Hem wilde weren, toen sprak hij even kinderlijk dit woord uit: „de drinkbeker, dien Mij de A adei gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?quot;
Hij wandelde niet alléén — zonder den Vader, om maar nu en dan, als het noodig was, den Vader tot zich te roepen, en des Vaders hand aan te grijpen. De gewichtigste en bangste oogenblikken van Zijn leven, als Hy met bijzondei en eint-t de hand des Vaders aangreep, deden uitkomen wat Hij altijd en onafgebroken gewoon was te doen. Hij wandelde altijd met Zijne hand in \'s Vaders hand. Hij kon zich het leven niet denken, anders dan als een voortbestaan in en door God. \'t Was zoo letterlijk, als maar mogelijk was, gemeend, toen Hij zeide, dat de Zoon niets van zich zeiven vermag (Joh. 5 : 30). Het zwakke kind op aarde hield nooit vaster aan de hand des aardschen vaders, dan Jezus aan de hand Zijns hemelschen Vaders.
Hij dacht en sprak en handelde altijd onder de duidelijke ingeving des Vaders. Hij schreef Zijne gedachten en woorden en daden, alle, aan den Vader toe. Zóó afhankelijk van den Vader leefde nooit een mensch op aarde; daarom was nooit een mensch zoo vol van den Vader als Hij. De A ader was alles en Hij niets. Zoo niet, Hij zou, onder anderen, den verzoeker in de woestijn niet hebben overwonnen. Omdat Hij zich. van oogenblik tot oogenblik, geheel en al door den Vader leiden liet: daarom was Hij de Onfeilbare.
En hoe vertrouwelijk spreekt Hij met Zijnen Vader. Er is niet de allerminste afstand tusschen Hem en Zyn Vader te bespeuren. Hij en de Vader hebben geene geheimen voor elkander. Hij weet dit. Hij weet, dat niemand den Vader kent zooals Hij, en dat de Vader Hem alles toont (Matth. 11 : 27; Joh. 5 : 20). Hij is niet maar de knecht, dien de Vader gebruikt om Zijne verborgen plannen uit te voeren. De Vader gaat met Hem om, als met Zijn mondigen Zoon. Wat vroeger voor profeten en koningen verborgen is gebleven, dat wordt Hem geopenbaard. De verborgenheden van het
SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN VERKEER MET GOD. 1(35
Koninkrijk der hemelen worden Hem ontdekt. En, wat vooral dient opgemerkt te worden, de Vader toont Hem, dat dit Koninkrijk om den wil Zijns Zoon bestaat; dat \'s Vaders belangen de belangen des Zoons zijn; dat de Zoon de erfgenaam is van alle dingen; dat de Vader nu bezig is, door Hem, in natuur en geschiedenis, het vaste fondament te leggen, voor den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarvan de Zoon het eeuwige Hoofd zijn zal.
De Vader had Hem van stap tot stap, naar het noodig was. Zijne rijksgedachten geopenbaard, als aan Zijn mondigen Zoon. Hij had voor Hem geene geheimen. Wat voor Hem heden nog verborgen mocht zijn, dat zou Hem te rechtertijd worden getoond (Joh. 5 : 20, 30).
Omdat de kennis van Jezus aangaande Gods rijkszaken de vrucht was van Zijn kinderlijken en vertrouwelijken omgang met God, daarom treft gij in Hem geen zweem aan van onzekerheid aangaande de dingen des Koninklijks, van ongeduld om te weten, wat Hij nog niet weet (Mark. 13 :32); van verrassing, omdat, wat Hij pijnlijk had gezocht, Hem eindelijk was ontdekt. Zijn omgang met God is het volmaakte beeld van den omgang des mondigen zoons met den vader, voor wien de vader niets verborgen houdt.
En gelijk de Vader Hem Zijne gedachten bekend maakt, zoo houdt Hij niets, wat in Zijn hart omgaat, voor den Vader verborgen. Er is slechts één uitvoerig gebed des Zoons aan ons medegedeeld (Joh. 17); maar \'t is genoeg om ons te doen zien, tot we\'ik eene verheven vertrouwelijkheid, Zijn verkeer met den Vader allengs was gestegen, \'tlsof gij ten hemel zijt gevaren, en daar een tweegesprek aanhoort tusschen den Zoon en den Vader. Zoo zeker is de Zoon dat Zijne belangen even dierbaar zijn aan \'t hart des Vaders, als \'s Vaders belangen Hem na aan quot;t hart op aarde hebben gelegen, dat Hij elke begeerte Zijns harten uitspreekt met de gewisheid, dat de Vader ze vervullen zal, gelijk Hij de begeerten Zijns Vaders op aarde heeft vervuld.
166 SPIEGEL VAN \'s MENSCHEN VERKEER MET GOD.
Als twee personen in dezelfde zaak hetzelfde belang stellen, en die zaak gemeenschappelijk in beider handen berust, hoe groeit dan de weerkeerige vertrouwelijkheid aan! Deze vertrouwelijkheid is tusschen Vader en Zoon tot de hoogste volkomenheid geklommen, omdat het Koninkrijk der hemelen beider gemeenschappelijk belang is geweest.
Om u dit te doen gevoelen, zouden wij het gansche door ons bedoelde gebed moeten uitschrijven. Laat ons volstaan met enkele aanhalingen: „Vader! de ure is gekomen, verheerlijk Uwen Zoon, opdat ook Uw Zoon ü verheerlijke. — Ik heb U verheerlijkt op de aarde. Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen. En nu verheerlijk Mil, C4ij Vader! bij U zeiven met de heerlijkheid, die Ik bij Uhad, eer de wereld was. — Ik ben niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de wereld, en Ik kom tot U. Heilige Vader! bewaar hen in Uwen naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij! Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik hen in Uwen naam; — Vader, Ik wil, dat, waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt: want Gij hebt Mij liefgehad voor de grondlegging dei-wereld.quot;
Zóó vertrouwelijk sprak nooit een mensch met God op aarde! \'t Is alsof de Zoon reeds aan \'s Vaders rechterhand in de eenige heerlijkheid zich bevindt.
En toch. hoe gemeenzamer de Zoon met den Vader verkeerde, des te ootmoediger boog Hij zich onder Gods hooge majesteit. Niemand heeft zich dieper voorGodneergebogen, dan Jezus; omdat niemand God beter kende dan Hij. Hij boog zich niet voor God, in blinde vrees, zcoals de mensch doet. die God niet kent; maar in volzalige aanbidding, omdat Hij, met helderen blik, \'s A aders heerlijkheid aanschouwt, zooals alleen de Zoon, voor wien de Vader niets verbergt, die aanschouwen kon.
Hij sprak nooit een woord zonder beteekenis. Zijne woorden
SPIEGEL VANquot; \'S MENSCHEJT VERKEER MET G )D. 167
drukten altijd uit, wat Hij besefte. Omdat Hij zelf in de aanbidding des Vaders altijd onder den indruk van Gods hemelsche majesteit verkeerde, daarom leerde Hij ons bidden: „Onze Vader, die in de hemelen zijt.quot; Toen Hij eens, verblijd over de ontvankelijkheid van \'t kinderlijke hart voor de waarheid, den Vader hiervoor dankte, sprak Hij aldus : „Vader, Heer des hemels en der aarde. Ik dank U, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze aan de kinderkens geopenbaard.quot; In quot;t gebed dat Hij uitte, voor Hij in Gethsemane ging, sprak Hij God aan als Heilige Vader en Rechtvaardige Vader.
Wat beteekende het, dat Jezus als Hij bad, Zijne oogen ten hemel hief, terwijl Hij toch wist, dat de Vader bij, ja in Hem was? \'t Was het teeken van zijn diep besef van Gods verhevenheid boven \'t gansche heelal. Hij voelde zich één met de gansche schepping, en nam in \'t gebed de houding aan, die \'t schepsel tegenover den Schepper, ja ook den Zoon tegenover den Vader past. De Zoon des Menschen boog zich zoo diep voor den Vader, omdat Hij de Zoon van God was, en alzoo den Vader, in Zijne onvergelijkelijke majesteit, oneindig beter kende, dan eenig mensch of engel.
En hoe diep is Jezus doordrongen van de tegenwoordigheid Zijns Vaders, \'s Vaders alomtegenwoordigheid is voor Hem niet de éigenschap van een Vader, dien Hij zich op verren afstand denkt. In den regel denkt men aan Gods alomtegenwoordigheid, als aan de eigenschap\' van een ver verwijderden God, zoodat God en Gods tegenwoordigheid uit elkander vallen. Hiervan ontdekken wij geen spoor in Jezus Christus. Het geheim is Hem onthuld, dat Hij is wat Hij is, en weet wat Hij weet, en doet wat Hij doet, omdat de Vader in Hem, en Hij in den Vader is. \'s Vaders tegenwoordigheid is voor Hem niets minder dan de onafgebroken mededeeling van \'s Vaders leven en licht en kracht. Hij is zich bewust, dat Hij niet maar bij, dicht bij, zeer dicht bij den Vader leeft, maar in en door den Vader. Hij kan zich
SPIEGEL VAN \'S MENSCHEN VERKEER MET GOD.
nergens en nooit zonder den Vader denken. Hij betuigde met nadruk, dat Hij, zonder den Vader gedacht, niets is en niets vermag. Zijne verbintenis met den Vader was voor Hem één met \'s Vaders tegenwoordigheid, \'s Vaders tegenwoordig-lieid was voor Hem de grond en oorzaak van Zijn voortdurend leven en werken.
En wat \'s Vaders tegenwoordigheid voor Hem was, dat zou zij voor Zijne discipelen zijn. Hij vermaande hen, tegenover den aardschen rechter niet te vreezen, omdat de Vader, die in hen is, hun de noodige wijsheid in\'t spreken geven zou.
En zoo zag Hij den Vader in de gansche schepping tegenwoordig. Dat de schepping voortbestaat, dat eenig schepsel leeft, dat was te danken aan de kracht en \'t leven, die uit den alomtegenwoordigen God tot het geschapene vloeien, aan \'t geschapene worden medegedeeld. In God leeft, beweegt zich en bestaat de schepping. Hij regent over de akkers der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen, H ij laat Zijne zon opgaan over boozen en goeden. Hij bekleedt de leliën des velds met grootere heerlijkheid dan waarmede Salomo was uitgedost. Zelf verkeerende in \'t middelpunt van Gods tegenwoordigheid in de schepping, zag Hij uit dit middelpunt, tot aan de uiterste grenzen der schepping in al wat bestaat, de tegenwoordigheid van den levenden God. Hij zelf was vol van God, en daarom waren, voor Zijnen blik, hemel en aarde vol van God. Zijn luisterend oor vernam in alles het getuigenis aangaande Gods alomtegenwoordigheid. In \'t vallen van \'t nmschje van het dak, zag Hij den wil geschieden des Alomtegenwoordigen. — Noemt Hij God „Vader, Heer des hemels en der aardequot;, dan spreekt Hij aldus onder den indruk van die alomtegenwoordigheid, waardooi God het gansche heelal doet voortbestaan.
Geen wonder, dat Hij zich onafgebroken in God verblijdt. Hij zegt dit niet. Hij schijnt nooit zich er over te hebben verblijd, dat Hij in Zijnen God blijde is. Hij schijnt nooit onderzocht te hebben, of Hij zich in God verblijdt.
168
SPIEGEL VAX \'S MENSCHEN VERKEER MET GOD. 169
Waarom niet? Om dezelfde reden, als de volmaakt gezonde mensch nooit aan zijne gezondheid denkt en vraagt, of hij wel gezond is. \'t Is de herstelde of de ziekelijke mensch r die aan zijne gezondheid denkt, en er opzettelijk van spreekt.
Men ziet liet den gezonden mensch aan, dat hij gezond is. Geheel zijn bestaan getuigt van zijn gezonden toestand. Hij beweegt zich, arbeidt, eet en drinkt, als de gezonde. En zoo straalde \'s Heilands blijdschap in God door in al zijn doen en laten, in geheel zijn bestaan. Het was aan zijne bestendige en diepe blijdschap in God toe te schrijven, dat Hij nooit moedeloos werd onder al den ontzettenden tegenstand, en de bittere beproevingen, die Hij te verduren heeft gehad. Zijne blijdschap in God was de verborgen kracht, die Hem tot Zijn onverpoosden arbeid in staat stelde. Zij was de veerkracht van Zijnen altijd vaardigen geest.
In den donkersten oogenblik hield Hij \'t oog naar Boven geslagen, en wandelde Hij in \'t eeuwige licht. Terwijl Hij weent over Israels afval, verheugt Hij zich over den naderenden dag, als het tot God zal terugkeeren en zeggen: „gezegendis Hij, die komt in den naam des Heeren.quot; Zijn Zijne jongeren neergedrukt bij de gedachte aan Zijnen dood, dan noemt Hij, op blijden toon. Zijn sterven een vooruitgang naar \'s Vaders huis, om voor hen aldaar plaats te bereiden. In \'t oogenblik, dat Hij ter dood wordt veroordeeld en alles verloren schijnt, getuigt Hij, met fleren moed, van Zijn zitten aan \'s Vaders rechterhand, en Zijn richten over de wereld.
Niet, dat Hij geene donkerheid in Zijne ziel heeft gekend, die Zijne vreugde dempte. Maar die druk der ziel kwam van buiten, als iets dat Hem vreemd was. De besten onder de geloovigen zinken soms door hun eigen gewicht naar beneden; Hij werd naar beneden geperst, en dat om onzent wil. \'s Vaders hand drukte op Hem in Gethsemane en op Golgotha, omdat Hij daar de plaats der schuldigen innam, en een vloek werd voor den vervloekte. Doch \'t waren slechts voorbijgaande oogen-blikken. De klachten door Hem in Gethsemane en op Gol-
170 SPIEGEL VAX \'S MENSCHEN VERKEER MET GOD.
gotha geuit, waren de voorbijdrijvende wolken, die de zon, in wier schijnsel Hij steeds heeft geleefd, slechts voor een oogen-blik benevelden.
Hi] heeft nooit \'s Vaders hand losgelaten; Hij rekende er op, dat de Vader Hem in allen arbeid en stiijd en 1 ij den nabij was. Het was een ontzaggelijk oogenblik in Zijn leven, toen Hij ontwaakte tot het bewustzijn, dat Hij de Zoon van God was, door wien de Vader het Koninkrijk der hemelen op aarde wilde stichten, en toen Hij. met deze taak vooi oogen. zich door Johannes doopen liet. t Wordt ons niet gezegd wat Hij bad, toen Hij opklom uit het water: maar \'t was gewis een antwoord op Zijne bede, toen de Heilige Geest op Hem neerdaalde, en Hij door dezen doop des Geestes de kracht ontving, die zich terstond in Zijn openbaren arbeid begon te openbaren (Hand. 70 : 37, 38).
En toen de tijd van werken voorbij was, en die deslijc\'.ens genaakte, toen ontstond eene nieuwe, nooit te voren gekende behoefte in Hem. Eene doodsbenauwdheid maakte zich meester van Hem, waaruit alleen de Vader Hem verlossen kon. Hij daalde, in Zijne eenheid met ons, in Gethsemane, in eene akelige, donkere diepte af. In deze onbeschrijfelijke diepte riep Hij tot den Vader, met sterke roeping en tranen, zooals nooit een schepsel tot God geroepen heeft. En de Vader hief Hem op uit de diepte en zette Zijn voet weer op vasten bodem. En nu ontvouwt Zijn leven in God, op den lijdensweg van Gethsemane naar Golgotha, eene hoogere kracht, dan ooit te voren. Het klom tot de hoogste ontplooiing Zijner innerlijke heerlijkheid.
En toen Hij gedurende drie uren aan \'t kruis niets gevoelen kon van \'s Vaders vriendelijke tegenwoordigheid, en niets proefde dan den vloek, dien de zonde over de schuldige mensch-heid heeft gebracht, en in stikdonkere duisternis van diepte tot diepte neerzonk — toen bleef Hij, meer dan ooit aan den levenden God vasthouden, en werd Hij door den quot;V ader, uit de bodemlooze diepte opgehaald, om aan \'s Vaders boezem van
HET LICHT DOOK JEZUS OVER DE ZONDE GEWORPEN. 171
allen strijd en lijden uit te rusten, en weldra de deelgenoot te worden van \'s Vaders heerschappij over alle dingen.
Hoe trouwer wij den Heiland navolgen, des te duidelijker wordt het ons, dat Hij de voor ons Onbereikbare is; maar ook, dat wij geroepen zijn op het spoor te blijven, dat Hij ons, door Zijn leven en lijden, heeft voorgeteekend. Hoe groot ook de afstand is tusschen Hem en ons, geloovigen, toch heeft Hij ons verlost, opdat wij leven en lijden zouden als Hij. Door den H. Geest zijn ook wij zeker, dat wij zonen Gods zijn, geroepen, om kinderlijk aan de hand des hemelschen Vaders te wandelen, vertrouwelijk met Hem om te gaan, ootmoedig onder Zijne majesteit ons te buigen, ons altijd in Zijne tegenwoordigheid te weten, in Hem ons onophoudelijk te verblijden, en in allen arbeid en strijd en lijden op Hem te rekenen — totdat Hij ook ons opneemt in Zijne heerlijkheid.
XXIII.
HET LICHT DOOR JEZUS OVER DE ZONDE GEWORPEN.
In Jezus Christus zien wij, dat de zonde niet tot het wezen des menschen behoort. Zij behoort niet tot \'s menschen bestemming. Zij is in strijd er mede. Zij is de ontkenning er van. Zij is in hare uiterste gevolgen de vernietiging er van. Een mensch te zijn naar Gods oorspronkelijke bestemming, is een wezen te zijn, dat onzondig is.
Wij zijn zondaren. Van dat onze zelfkennis ontwaakte, ontwaakte in ons het bewustzijn, dat wij zondige wezens zijn. Intusschen, met dit bewustzijn, ontwaakte ook het andere bewustzijn: dat de zonde in ons niet behoort te zijn, dat God haar in ons veroordeelt.
Hoe meer het licht in ons scheen, dat ons de zonde liet
172 HET LICHT DOOR JEZUS OVER DE ZONDE GEWORPEN.
aanzien in hare ware gedaante, des te sterker, des te onuitroeibaarder, werd het bewustzijn in ons, dat de zonde, in strijd is met Gods oorspronkelijke verordening en onze waarachtige bestemming — dat zij niet tot ons wezen behoort.
Dit is een der merkwaardigste zielkundige verschijnselen in den mensch, dat hij overtuigd is, dat de zonde algemeen is, dat er niemand is zonder zonde, en dat hij te gelijk overtuigd is, dat de zonde in den mensch niet behoort te zijn.
En zoo sterk is deze laatste overtuiging in den mensch, dat ouders in \'t huisgezin en overheden in den Staat, de zonden straffen als daden, die men niet behoort te plegen.
Gode zij dank voor dit machtig en algemeen getuigenis in den mensch, dat de zonde en de mensch uiet samenpas-sen — dat de zonde in de menschelijke natuur is ingedrongen. Want nu klimt cnze achting voor de menschelijke natuur, gedacht naar hare bestemming; nu eerbiedigen wij den hoogen adel die nog in haar te ontdekken is; nu zien wij dat, zoo God haar verlossen wil, zij de vatbaarheid er voor behouden heeft, ja, nu erkennen wij in deze vatbaarheid eene blijde profetie.
Maar is het geene inbeelding, als wij zeggen, dat in de menschelijke natuur het getuigenis wordt vernomen, dat de zonde iets is, dat in den mensch niet behoort te zijn, en als zoodanig moet behandeld worden? Er zijn, vooral in onze dagen, menschen die dit beweeren. Zij noemen de zonden natuurlijke, wettige en geoorloofde verschijnselen in den mensch. Neem den toorn: die is, zegt men, zoo min strafbaar als de storm in de natuur. Anderen beweren, dat wat men zonden noemt, zwakheden zijn, die noodzakelijk samenhangen met den toestand der ontwikkeling, waarin zich de mensch bevindt; dat de zonde de noodzakelijke overgang is tot een hooger en krachtiger zedelijk leven.
Zijn niet velen tot deze beschouwingen gekomen door hun ongeloof aan den adel der menschelijke natuur, zoo als God
HEÏ LICHÏ DOOR JEZUS OVER DE ZONDE GEWORPEN. 173
haar heeft geschapen, of door hunne wanhoop aan \'s men-schen verlossing uit zijn tegenwoordigen toestand?
Hoe het zij, wij vragen welk licht Jezus Christus over de zonde werpt. Is mensch te zijn, hetzelfde als zondaar te zijn: kan men geen mensch zijn, zonder zondaar te zijn; is de menschelijke natuur als zoodanig zondig; is de zonde haar oorspronkelijk eigen, en niet een vreemdeling, een vijand, die haar is binnengedrongen? Dan kon Gods Zoon niet vleesch worden, zonder zondaar te worden; dan moest met Zijne natuurlijke ontwikkeling van zelf de zonde zich in Hem hebben ontwikkeld.
Gode zij dank, dat de onzondigheid van Jezus Christus de krachtigst denkbare verklaring is, dat het getuigenis in den zondigen mensch tegen de zonde geen leugenis.
Hoe weldadig verheft het ons, als wij op Jezus, onzen Broeder, zien als op een mensch, die nooit de zonde heeft gekend.
En nooit is er een mensch geweest, die zoo menschelijk was, als Hij. Was het eene eigenschap der menschelijke natuur, zooals God haar schiep, om zondig te zijn; hoe kon Gods Zoon dan mensch worden en zonder zonde blijven? En hoe kon Hij zich dan één met de menschheid hebben gevoeld, en zich Zoon des Menschen hebben genoemd? En hoe kon Hij die machtige aantrekkingskracht op de menscheid hebben uitgeoefend ?
Iö er niet eene stem in eiken mensch, die, zoodra hij Jezus ziet, zegt: zoo moet ik zijn? Van waar komt het, dat geen naam, in de verste verte, zoo wordt geëerd, als de naam van Jezus, ook waar men zich niet aan Hem overgeeft ? Vandaar, dat al wat waarachtig menschelijk is, zelfs in den zondigen mensch, voor den Onzondige partij kiest. De eer, die ook de niet verloste menschheid Jezus toebrengt, is een machtig getuigenis tegen de zonde.
Intusschen, hoezeer ook de zonde zelve niet tot het wezen van den mensch behoort, toch behoort, gedurende zijn
174 HET LICHT DOOR JEZUS OVER DE ZONDE GEWORPEN.
aardsch bestaan, de verzoeking tot zonde tot zijn wezen. De mensch is bestemd om door de zegepraal over verzoekingen te worden, wat hij wezen moet. Jezus Christus is niet zonder de ontzettendste verzoekingen geworden wat Hij wezen moest. \'tWas niet eene natuur-noodwendig-heid, eene blootnatuurlijke van zelfheid, dat Hij als de Heilige heeft gewandeld. \'tKan niet anders, of uit den eikel moet de eik voortkomen, \'t Is eene natuurnoodwendigheid. Maar bij Jezus Christus was de heiligheid een zedelijke triomf, de vrucht van Zijnen tegenstand aan den verzoeker. Hoewel Hij de Zoon was, zoo heeft Hij nochtans, als elk ander mensch. gehoorzaamheid moeten leeren (Hebr. 5 : 8; 4 : 15).
\'t Was niet iets toevalligs dat Hij werd verzocht. Het menschelijke in Hem was niet waarlijk menschelijk geweest, zoo Hij zonder verzoeking ware gebleven.
Was Hij niet als wij verzocht geweest, dan was onze toestand aan Hem, en was Zijn toestand aan ons vreemd gebleven. En dan zou het ontbroken hebben aan de éénheid, die er nu is tusschen Hem en ons. Om volkomen medelijden met ons te hebben, moest Hij ons in alles, wat menschelijk is, gelijk worden, uitgenomen de zonde (Hebr. 4 : 15). Verzócht te worden tot zonde, en de verzoeking te overwinnen, dat is menschelijk; te zondigen, dat is eene afwijking-van de baan, die God den mensch heeft voorgeschreven.
Denk u Jezus Christus als iemand voor wien de verzoeking tot zonde niet denkbaar was; denk u Jezus Christus daarentegen, zóó verzocht tot zonde, dat Hij alleen, door ten uiterste toe aan God vast te houden, de Onzondige blijven kon: stijgt Hij in \'t laatste geval niet oneindig hooger dan in \'t eerste?
Waarom schiep God den mensch met zulk een aard, dat hij de verzoeking tot zonde niet ontwijken kon? Omdat Hij zich wilde omringen van een geslacht van helden en overwinnaars! Omdat Hij wilde, dat het menschelijk leven rijk aan de heerlijkste ervaringen zou zijn!
Welk eene onuitsprekelijk heerlijke beteekenis heeft voor
HET LICHT DOOR JEZUS OVER DE ZONDE GEWORPEN. 175
eeuwig het leven van Jezus, nu het van verzoeking tot verzoeking, een doorgaande zedelijk triomf is geweest. Neem onder andere, de verzoekingen in de woestijn en in Gethse-mane uit het leven van Jezus, en gij berooft het van zijn innerlijke kern en kracht. Gij maakt het kleur- en beteekenisloos. Zeg, dat Jezus Christus de verzoeking tot zonde niet heeft gevoeld, en zich niet met al den ernst van Zijn wezen tegen de verzoeking heeft moeten weren; en ik verstout mij te zeggen, dat zulk een zondeloos leven ver beneden het leven staat van de geloovigen, die al strijdend en triomfeerend hun weg bewandelen. Hij heeft, tot in den laatsten bangsten kamp in Gethsemane, Zich den naam van Heilige als Zijn zedelijk bezit moeten verwerven.
\'t Was voor Jezus zedelijk onmogelijk om te zondigen, daarom, omdat Hij, hoe zwaarder de beproeving werd, zich, met geheel Zijn wezen, te vaster klemde aan Zijn Vader.
Bij den eersten Adam werd de mogelijkheid tot zondigen helaas, tot eene werkelijkheid, omdat Hij in de verzoeking de hand van God heeft losgelaten. Bij den tweeden Adam werd het zondigen, bij toeneming, eene zedelijke onmogelijkheid.
Ik zeide u, dat God den mensch zoo heeft geformeerd, dat zijn niet-zondigen, van wege den strijd, die er mede gepaard moest gaan, de hoogste zedelijke beteekenis moest hebben, waardoor het menschelijk leven een leven van \'t rijkste gehalte zou zijn. Dit werd ons openbaar in\'t leven van Jezus. Was de verzoeking tot zonde iets toevalligs; behoorde zij niet tot den tegenwoordigen toestand van den mensch; dan zou zij in \'t leven van Jezus niet zulk eene voorname beteekenis hebben gehad. En van hoeveel gewicht is zij voor de geestelijke ontwikkeling van eiken geloovige!
De zonde verwijdert van God en verzwakt ons innerlijk leven; niet de verzoeking tot zonde, \'t Is de verzoeking, die tot God uitdrijft, en die, als zij overwonnen wordt, in ons
176 HET LICHT DOOR JEZUS OVER DE ZONDE GEWORPEN.
nieuwe vatbaarheden tot een voller leven in God doet ontstaan. Het menschelijk leven, met zijne eigenaardig mensche-lijke ervaringen is hier op aarde, zonder verzoekingen ondenkbaar. En hoe verder de geloovige vordert, des te gewichtiger worden de verzoekingen, maar ook des te rijker de zegeningen, die elke zegepraal met zich brengt.
\'sMenschen verzoekbaarheid hangt samen met het bestaan eener booze macht, buiten den mensch. \'t Is tegen deze booze macht, dat de strijd moet worden gevoerd. En dooide overwinning over deze booze macht, wordt de mogelijkheid tot zonde niet alleen geene werkelijkheid, maar wordt ook het niet zondigen het hoogste zedelijk leven, dat wij ons denken kunnen.
Had de eerste mensch gezondigd, zonder eene verzoeking, die van buiten tot hem kwam, dan was hij zondig geschapen ; dan was het zondigen voor hem eene natuurnoodwendigheid; dan zou de menschelijke natuur niet, gelijk wij gezien hebben, er tegen getuigen als iets, dat niet behoort te zijn. quot;Wij zien, in de geschiedenis des Heeren, dat de Verzoeker tot Hem kwam. En toen de Verzoeker in de woestijn was overwonnen, klom \'s Heeren leven terstond tot eene vroeger niet bereikte hoogte. Dit laatste bleek uit de macht, waarmede Hij terstond in Israël optrad. Zoo was het, instijgende mate, bij de verzoeking in Gethsemane en aan\'t kruis, totdat Hij, met eene eeuwige winst, geëvenredigd aan deze verzoekingen, boven de mogelijkheid en de behoefte om te worden verzocht, verheven werd tot de hoogste heerlijkheid.
Helaas, gelijk \'s Heeren leven steeg van verzoeking tot verzoeking, zoo is daarentegen het leven van den eersten Adam, en, door hem, dat van \'t menschelijk geslacht, door \'t bezwijken in de eerste verzoeking tot eene jammerlijke laagte neergedaald. Toen de mogelijkheid tot zondigen eene werkelijkheid werd, is de mensch, op schrikbarende wijze in de macht des boozen vervallen.
De verschijning van Jezus Christus heeft, meer dan alles
HET LICHT DOOR JEZUS OVER DE ZONDE GEWORPEN. 177
wat daaraan vooraf is gegaan, de diepten ontdekt, waartoe de mensch is verzonken. Hij was de heerlijkste openbaring van God aan den mensch. Wie, die voor Hem is geweest, is zoo aantrekkelijk geweest als Hij? Wie heeft gesproken, zooals Hij? Wie heeft kunnen redden van allerlei kwalen, zooals Hij? Wie was onzondig, zooals Hij? En toch duizenden stoorden zich niet aan Hem. Zij leefden voort alsof God niet Zijnen Zoon had gezonden, op Wien de eeuwen hadden gewacht. Zoozeer heeft de zonde den mensch verblind en verhard.
En anderen weer, die wel ter dege van Hem kennis namen, zij ha.atten Hem, omdat Zijne leer hun niet geviel; omdat Hij op bekeering en wedergeboorte en op een innerlijken godsdienst aandrong. Zij vooral hebben niet gerust, voor zij het volk tegen Hem hadden opgeruid, om Hem door een ge-weldadigen dood van deze aarde te verw.ijderen.
Tegenover \'s Heilands machtige werkingen, openen zich satanische diepten in \'s menschen afval van God, die ons doen huiveren. Tot welk eene satanische voltooiing kwam de geschiedenis der zonde bij Judas. En hij was het beeld van \'t geslacht, waartoe hij behoorde, \'t Is alleen door de groote macht des satans, die de zinnen heeft verblind, mogelijk geworden, dat duizenden en duizenden, die door Jezus waren be-weldadigd, aan den satanischen uitroep hebben kunnen deelnemen: „Weg met Hem! kruisig Hem!quot; Herinner u het woord, dat Jezus in Gethsemane heeft gesproken: „Dit is Uwe ure en de macht der duisternis!quot;
Maar \'t is niet alles donker, wat wij rondom Jezus zien. Zijne verschijning heeft vooral gediend, om ons te toonen, dat er onpeilbare diepten van vatbaarheid ter verlossing in den zondaar zijn. Hoe machtig werkte het woord van Jezus onder de meest verzonkenen. En hoe snel werkte het vaak. Een enkel woord redt Zacheus. Waarschijnlijk was het eene enkele ontmoeting van Jezus, welke de zondares, die a,an Zijne voeten heeft geweend, uit de macht der zonde heeft
12
MIDDELAAR TUSSCHEN GOD EN DEN
verlost, \'t Was waarschijnlijk dat eene gebed: „Vader, vergeef het hun,quot; dat voor den moordenaar aan \'t kruis de lichtstraal werd, die Hem tot zijnen Redder voerde.
Zoo openen zich, nog heden ten dage, waar Jezus met kracht wordt gepredikt, afgronden van satanischen tegenstand in menschelijke harten, maar ontdekken zich ook onpeilbare diepten van vatbaarheid vbor Gods reddende genade.
XXIV.
MIDDELAAR TUSSCHEN GOD EN DEN MENSCH MET ZIJNE ZONDAARSBEHOEFTEN.
De mensch is onder de macht der natuur met hare schadelijke werkingen. Die schadelijke werkingen brengen ziekte en dood met zich mede. Zooals de zichtbare natuur n u is, en \'smenschen tegenwoordige verhouding tot haar, zijn ziekte en dood natuurlijke verschijnselen.
Jezus Christus had een lichaam gelijkvormig aan\'t zondige vleesch (Rom. 8:3); maar Hij heeft telkenmale den Verzoeker overwonnen, en heeft alzoo de zonde van zich verwijderd gehouden, ja overwonnen. Hierdoor hield Hij zich vrij van de verderfelijke macht, die de natuur op anderen uitoefende. Door Zijne gemeenschap met den Vader, en alzoo met de hoo-gere, de hemelsche natuur, overwon Hij, wat Zijn eigen persoon aangaat, de dood-aanbrengende werking der aardsche natuur hier beneden. Hij is wel moede, maar nooit krank geweest. Gelijk het Hem duidelijk was, dat Hij als Gods Zoon, ter wille van den mensch, op aarde was, zoo was \'t Hem ook duidelijk, dat Hij, ter wille van den mensch, deze macht had over de schadelijke machten der lagere natuur. De kran-ken, die zich aan Hem toevertrouwden, werden door Hem
178
MENSCH MET ZIJNE ZONDAARSBEHOEFTEN. 179
van hunne kwalen genezen. Hij deelde hun Zijne gezondheid mede.
En, let op, dit deed Hij in \'t bewustzijn, dat het des Vaders verordening is, dat door Hem, den Zoon, deze gezondheid tot de kranken vloeien zou, dat Hij, ook in deze zaak, de Middelaar is tusschen God en de menschheid. Terwijl Hij in Zijne éénheid met den mensch, de kranke menschheid op \'t medelijdend hart draagt, en voor God vertegenwoordigt, deelt Hij, in Zijne eenheid met den Vader, aan den kranke de gezondheid mede, die Hij geniet in Zijne gemeenschap met den Vader.
In \'t bewustzijn van dit middelaarschap geeft Hij aan de discipelen de macht om, in Zijnen naam, allen die in Zijnen naam gelooven, van hunne krankheden te genezen. Hij is het middelpunt, waaruit eene genezende kracht wordt medegedeeld aan allen, die door \'t geloof met dit middelpunt in aanraking komen.
Van den dood heeft Hij niemand ten volle verlost, voor zoo ver de personen die Hij uit den dood heeft opgewekt, hunne sterfelijke lichamen behielden, en later weer gestorven zijn. De mededeeling van een geestelijk en alzoo onsterfelijk lichaam aan den mensch, behoort tot een later tijdperk in de geschiedenis van Gods Koninkrijk. De opwekking der dooden door Hem, was eene vingerwijzing naar dezen aanstaanden triomf over den dood fEom 8 : 23).
Met de schadelijke macht der natuur hangt ten nauwste te zamen de daemonische macht, waaronder de mensch vervallen is. In de bezetenen werd deze daemonische overmacht zichtbaar; maar zij laat zich ook op onzichtbare wijze gelden. De mensch staat meer aan deze macht bloot, dan hij weet. De Heiland heeft ons allen leeren bidden; „Verlos ons van den booze.quot;
Zoo iemand, dan is Jezus Christus met de macht des boo-zen handgemeen geweest. Hij heeft verzoekingen moeten doorstaan, wier diepten wij niet peilen kunnen. Maar Hij sloeg
MIDDELAAR TÜSSCHEN GOD EN DEN
alle aanvallen zegevierend af, en gedroeg zich als de Overwinnaar van alle daemonische machten.
Toen hij als overwinnaar uit de woestijn te voorschijn kwam, dreef Hij de daemonen met een enkel machtwoord uit de bezetenen.
Hij stond tegenover daemonen als de heer tegenover de indringers in zijn gebied. Als de Zoon leide Hij beslag op den mensch, als op des Vaders eigendom, en bande Hij de duivelen uit hem.
Niet alleen deed Hij zelf dit, Hij gaf ook aan Zijne discip-len macht, om in Zijnen naam dit te doen. Hij plaatst zich niet, als een onder velen, naast de discipelen, om, als zij, in Gods naam de kranken te genezen en de duivelen uit te werpen; maar plaatst zich tusschen God en de discipelen en alle menschen als de Middelaar, door wien de Vader de kranken en de bezetenen verlost.
Zoo min de macht des Heeren hier op aarde over de verderfelijke natuur haar hoogste toppunt heeft bereikt, zoo min klom toen Zijne macht over de daemonen tot hare hoogste ontwikkeling. Het tijdperk in Gods Koninkrijk is nog niet aangebroken, dat er eene nieuwe schepping is, waaruit alle duivelsche machten zijn verdwenen
Terwijl de mensch aan verderfelijke machten, die buiten hem bestaan, is onderworpen, heerscht in hem tevens eene geestelijke duisternis.
Van wege deze duisternis kent de mensch God en zich zeiven niet. Welk eene onkunde trof Jezus aan, zelfs bij de Joden, die aan de Heilige Schrift geloofden.
Hij, daarentegen, wandelde altijd in het licht. Vraag na vraag, die in Zijn hart ontstond, werd door den Vader beantwoord ; totdat Gods verhouding tot den mensch en Gods plan ten opzichte van den mensch Hem, tot op den bodem toe, klaar was geworden. Hij sprak over de diepste verborgenheden in God en mensch, zooals nooit iemand heeft gesproken; niet alsof Hij de waarheid maar ten deele kende, onmachtig
180
MENSCH MET ZIJNE ZONDAARSBEHOEFTEN.
was haar in haar geheel te overzien, heden moest wijzigen of herroepen, wat Hy gisteren had geleerd; maar als de Zoon, voor wien de Vader niets verborgen hield.
Ook deze kennis van God en Zijn Koninkrijk beschouwde Hij niet als Zijn privraat eigendom. Hij droeg de menschheid met hare onkunde op Zijn medelijdend hart. Hij trad in Israël op als Gods Tolk, Gods Profeet — als \'t Licht dei-wereld (Joh. 8:12).
En in welken toon leerde Hij? Niet als de leeraren, die vóór Hem geweest zijn. Zij spraken als mannen, die de leerlingen waren hunner voorgangers, en aan wie slechts iets van de waarheid was ontdekt; Hij sprak als de man, die in \'t volle bezit der gansche waarheid is, als de Leeraar van \'t gansche menschdom voor alle tijden — als de Middelaar tusschen God en de onkundige menschheid.
De profeten, die vóór Hem zijn geweest, getuigden van Dengene, die komen zou; Hij getuigt van geen Meerdere en geen Toekomstige. Hij getuigt van zich zeiven. Het gewichtigste deel van Zijn onderwijs bestond in Zijn getuigenis aangaande Zich zeiven.
Hij verklaarde, dat niemand den Vader kende, dan Hij, die de Zoon is, en zij, aan wie Hij den Vader openbaart.
Hij noemde zich — wat God alleen zich noemen kan —
UE WAARHEID.
En Zijne discipelen ondervonden welk een licht Hij over de diepste vraagstuken wierp. Zijne woorden waren voor hen woorden des eeuwigen levens (Joh. 6:68).
En toch ondervond de Heer, dat Zijn onderwijs, ook voor Zijne apostelen, te geestelijk was. Hunne vatbaarheid om Hem te verstaan, moest door de inwoning van den Geest der waarheid worden verhoogd. En Hij beloofde hun, dat Hij, als Hij verhoogd zou zijn, den H. Geest hun zou mededeelen, om hen in alle waarheid te leiden.
Wat Hij als hun leermeester op aarde voor hen was, dat zou hen voorbereiden om later, zooals Hi] zelf, door den Geest
181
MIDDKLAAH TUSSCHEN GOD EN DEN
der waarheid in de waarheid te worden geleid. Alle licht, dat God tot nu toe, door de profeten, aan den rnehsch had geschonken, was eene flauwe schemering, vergeleken bij \'t licht, dat door de mededeeling des H. Geestes aan Jezus\' discipelen zou te beurt vallen. En, als de Middelaar tusschen God en mensch, zou Hij, na Zijne verhooging tot \'s Vaders rechterhand, hen, in Zijne gemeenschap, de deelgenooten maken dezer alleruitnemendste gave (Joh. 7 ; 39; 15 : 26).
Gelijk de mensch, door zich aan Jezus toe te vertrouwen, de deelgenoot is geworden aan Zijne macht over de verderfelijke krachten der natuur en der daemonen; zoo zou hij ook, langs dezen weg, de deelgenoot worden aan \'t licht, waarin Jezus tegenover de duisternis, die in de wereld is, heeft gewandeld.
En welk eene macht heeft de zonde over den mensch! Alle schadelijke invloeden, waaraan de mensch is blootgesteld, zijn niet te vergelijken met de ellende, die de zonde met zich brengt.
Jezus was hiervan de medelijdende Getuige. Hij, de Eenige onder de menschen, die niet een zondaar is, draagt de zondige menschheid op Zijn hart, en zoekt den zondaar op, om hem van de macht der zonde te verlossen.
Hij is verzocht tot zonde, maar heeft ten einde toe over den verzoeker gezegevierd. En Hij stelt zich als Middelaar tusschen God en den zondaar, om den zondaar op te heffen tot het leven, dat Hij leeft.
Velen, door zich Hem toe te vertrouwen, ondervonden, dat eene onverklaarbare kracht van Hem uitging, waaraan zij de vernieuwing van hun hart en leven hadden te danken.
Maar ook dit was slechts de voorbereiding tot den vollen zegen, die eerst later, als de H. Geest zou zijn uitgestort, volgen zou. Dan zouden zij met een nooit gekende „kracht uit de hoogtequot; worden aangedaan (Luk. 24 : 49; Hand 1 ; 8).
En van Wien zou die kracht uitgaan? Van Jezus Christus, gelijk de kracht, die de rank vruchtbaar maakt, uitgaat van den wijnstok (Joh. 15 : 4, 5).
182
MENSCH MET ZIJNE ZUNDAARSBEHOEFÏEN.
„Ik ben de wijnstok, en gij de rankenquot; — dit was een dei-vele woorden door den Heer gesproken, waaraan eerst de latere ervaring der discipelen, na de uitstorting des H. Geestes, de volle verklaring gegeven heeft. Maar zulk een woord kon de Heer alleen spreken in \'t bewustzijn, dat Hij de Middelaar is, door wien alle reddende kracht van God tot den rnensch vloeit.
Maar wie kan van den zondaar spreken, zonder te denken aan zijne behoefte aan uitdelging zijner schuld door een zoenoffer? En wie kon dit zoenoffer zijn? Niemand anders, dan Jezus Christus, de ééne Onschuldige tusschen de schuldigen.
Niet alleen, dat Hij de éénige Onschuldige was; juist in de zonde tegen Zijn eigen persoon bedreven, zou de schuld der schuldige menschheid haar volle maat bereiken. En om de schuldigen van hunne schuld te verlossen, bood Hij den Vader aan, de plaats der schuldigen in te nemen en den dood te sterven.
Jezus Christus is gestorven als de edelste der martelaren. Maar Hij stierf ook als zijnde oneindig meer dan martelaar. Daarom stierf Hij zoo gansch anders, dan de martelaren. De martelaar ziet den dood aan als zijne verlossing uit zijn lijden, en gaat hem met kalmte, ja met vreugde te gemoet. Maar van waar die doodsbenauwdheid en de daaruit ontstane zielen-strijd des Heeren in Gethsemane ? Van waar die klachte aan \'tkruis, dat Hij van Zijn God is verlaten?
Jezus zelf geeft ons het antwoord op deze vragen, door Zijne verklaring, bij \'t vooruitzicht van Zijn lijden, dat Hij gekomen is, om Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen, en door Zijn woord aan \'t laatste Paaschmaal, aangaande het nieuwe verbond, dat zijn grondslag hebben zou, in de vergeving der zonde door Zijn bloed. (Matth. 29 : 28; 26 : 28). Hij stierf als \'t offer voor onze zonden!
De doodsbenauwdheid in Gethsemane en de Godverlatenheid aan \'t kruis zijn alleen hieruit te verklaren, dat Hij ge-
183
MIDDELAAR TUSSCHEN GOD EN DEN
storven is ter uitdelging onzer zondeschuld, tot eene verzoening onzer zonden — dat Hij het Lam Gods is, dat de zonde der wereld droeg (Joh. 1 : 29).
Herinner u het woord des Heeren, bij den aanvang van Zijn profetischen arbeid, toen hij zeide, dat Hij gekomen was om de wet en de profeten te vervullen — om de voorgeteekende en vooraf aangekondigde waarheid tot geschiedenis te maken. Het voorname bestanddeel der wet was de offerdienst. Wat daardoor, bij name door het zond- en schuldoffer, was aangeduid, dat zou Jezus Christus door Zijn zoendood tot waarheid maken.
En nu verstaan wij, wat Hij er bij bedoelde, toen Hij, na Zijne opstanding, aan Zijne discipelen beval, om in Zijnen naam bekeering en vergiffenis te prediken (Luk. 24 : 47). Hoe kwam het, dat Hij de kranken genas en de bezetenen bevrijde? Omdat Hij, die in de verzoeking is geweest, om in de macht der lagere natuur en des satans te vallen, den verzoeker heeft overwonnen, en daardoor zich de macht verworven, om, als Middelaar tusschen God en mensch, de kranken te genezen en de bezetenen te bevrijden. En zoo heeft Hij, door des zondaars schuld te boeten, zich de macht verworven, om de Middelaar te zijn, door wien God aan den zondaar de schuld vergeeft, en door wien God alzoo voor den zondaar de bekeering mogelijk maakt. Zonder schuld uitdelging geene bekeering.
Herinner u, dat Paulus de verhooging van den Zoon als het loon aanziet, dat Hij zich door Zijne vrijwillige vernedering heeft verworven (Fil. 2 ; 8, 9).
Jezus Christus heeft zich Zijne verhooging veiworven door tot in de diepste diepten — tot in den dood des kruises — in den kamp te treden tegen de machten der duisternis. En zoo verwierf Hij, door Zijn zoendood, de schulduitdelging, eer Hij in Zijnen naam den zondaar de vergiffenis kon laten aanbieden, en hem tot bekeering opwekken.
Zoo vloeit niets van den genadigen God tot den zondaar, zonder de bemiddeling van Jezus Christus.
184
MENSCH MET ZIJNE ZONDAARSBEHOEFTEN.
Eerst aan \'t einde van eenen weg wordt het u duidelijk, waarop de weg van den beginne heeft gedoeld, en wat hij, die den weg heeft afgebakend, van den beginne in den zin heeft gehad. En zoo komt het eerst aan het einde van Jezus aardsche leven aan den dag, wat de Vader in \'t aardsche middelaarschap Zijn Zoons ten beste des zondaars heeft bedoeld. Zonder bevrijding van de zondeschuld zou elke andere bevrijding den zondaar niets hebben gebaat; want niets houdt hem zoo zeer van God verwijderd, als Zijne zondeschuld. Elke weldaad, die God hem schenkt, zou eindelijk blijken ijdel te zijn geweest, zoo niet de uitdelging zijner schuld de weldaad bij uitnemendheid wordt, die Hem van Godswege wordt geschonken. Daarom doelde elke weldaad, die dooi\' de bemiddeling van Jezus, gedurende Zijn aardsche leven, den zondaar te beurt viel, op de uitdelging zijner zondeschuld, die door Jezus dood zou worden bewerkt.
Het aardsch leven van Jezus Christus is één geheel, en wordt alleen verstaan, als het tot Zijn eindontwikkeling is gekomen. Zoo is Zijn aardsche middelaarschap één geheel, dat eerst aan \'t einde wordt verstaan, waar het uitloopt op de uitdelging onzer schuld, door den zoendood des Heeren.
Eerst daar voltooit zich Zijne zegepraal over alle vijandige machten, en verwerft Hij voor den zondaar, die in Hem gelooft, de verzoening met God, waardoor van nu af aan de hoogste zegeningen ons kunnen toevloeien, totdat Gods eeuwige raad is volvoerd.
De Heiland heeft Zijn verzoenend lijden, met het daaraan voorafgaande leven, in een geheel samengevat, toen Hij zeide, „dat de Zoon des menschen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velenquot; (Mark. 10 : 45).
185
MIDDELAAR TUSSCHEN GOD EN DEN MENSCH
XXV.
MIDDELAAR TUSSCHEN GOD EN DEN MENSCH MET ZIJNE OORSPRONKELIJKE BEHOEFTEN.
Tot eene volledige kennis van Jezus Christus, als Middelaar tusschen God en mensch, is het noodig onderscheid te maken tusschen den mensch, zooals hij door den zondeval is geworden, en den mensch, zooals wij ons hem naar zijne oorspronkelijke bestemming denken. Er is een noodzakelijk, niet een toevallig verband tusschen de zonde en de behoeften, die daaruit zijn ontstaan; maar de zonde zelve is niet ieïs noodzakelijks, zij behoort, met de behoeften die uit haar zijn geboren, tot de onredelijke en onbetamelijke dingen in de schepping Gods. Maar wij hebben nog andere, hoogere, diepere behoeften, die met de zonde niets te maken hebben; behoeften die één zijn met de hooge bestemming, waarmede God den mensch heeft geschapen; behoeften die ons oorspronkelijk eigen zijn, en die niet later door den zondeval zijn ontstaan; behoeften die één zijn met ons wezen, en alzoo één met de orde der dingen, zooals God die heeft geschapen en gewild. De behoeften, die uit de zonde zijn ontstaan, zijn voortgevloeid uit iets verkeerds, dat wij hebben gewild en gedaan ; maar de behoeften, die één zijn met onze bestemming, zijn ontstaan uit wat God in onze schepping heeft gewild en gedaan. Ten opzichte van de laatste zijn wij geheel en al lijdelijk. Ja, wat wij ook aangaande onze bestemming weten, het beste zien wij nog maar zeer gebrekkig, als in de schemerende verte. Eerst als het doel onzer schepping volkomen is bereikt, dan zullen wij volkomen dit doel verstaan. Eerst aan \'t einde gaat het volle licht op, en worden alle vragen beantwoord.
Intusschen weten wij door Jezus Christus, door wien de Vader ons tot onze bestemming voert, oneindig meer van de
186
MET ZIJNE OORSPRONKELIJKE BEHOEFTEN. 187
behoeften, die één zijn met de oorspronkelijke bestemming, dan de vromen vóór Zijne verschijning er van geweten hebben.
Zoo weten we dat wij, om onze oorspronkelijke bestemming te bereiken, Zonen Gods moeten zijn. Onze God heeft ons geschapen, niet maar om Hem te dienen, zooals een knecht zijnen heer dient, maar om in te gaan in de innige betrekking, waarin de zoon tot zijn vader staat. Niemand uit de voorgeslachten is tot deze innige betrekking doorgedrongen.
Niemand heeft zich zeiven als een zoon van God, en, wat de keerzijde hiervan is. God als zijn Vader gekend. Gods vaderschap tegenover den mensch en \'s menschen zoonschap tegenover God, was eene verborgenheid. Dit zoonschap bestond wel in Gods gedachte en voornemen, en daarop wees wel de aanleg des menschen, zooals God dien heeft geschapen; maar het was vóór Jezus Christus nog niet in den mensch verwezenlijkt, nog niet een deel der menschelijke geschiedenis op aarde geworden.
En omdat dit Goddelijke zoonschap tot \'s menschen wezen en bestemming behoorde, daarom konden de vromen niet berusten, bij wat zij reeds door Gods genade waren geworden. Die het diepst in de kennis van hetgeen God voor den mensch is, was doorgedrongen, gevoelde het pijnlijkst de nog onbevredigde behoefte en verlangde het vurigst naar de volle, hem toegezegde, openbaring van God.
Jezus Christus was de eerste mensch, die wist en beleed, dat Hij Zoon van God en God Zijn Vader was. Dit was een nieuw verschijnsel in de menschelijke geschiedenis. Maar dat het in \'s menschen bestemming ligt, niets minder dan een zoon van God te zijn, bleek terstond hieruit, dat de wandel van Jezus Christus, als Zoon van God, voor den vromen Israëliet onuitsprekelijk aantrekkelijk was. Eene stem in zijn binnenste sprak terstond: zoo moet ik met mijn God omgaan. En Jezus versterkte die inwendige stem, door de vromen te leeren, dat zij geroepen zijn, als Hij te wandelen (Joh. 15 :10).
Door onder anderen aan Zijne discipelen het Koninkrijk der
middelaar tusschen god en den mensch
hemelen toe te zeggen, waarin zij de deelgenooten Zijner heerlijkheid zouden zijn, en vooral door God hun Vader te noemen, en ze \'op te wekken tot een wandel, die aan Gods zonen past, vertolkte de Heiland de onbegrepen stem in hun binnenste, die getuigde, dat zij bestemd waren zonen Gods te zijn, gelijk Hij de Zoon van God was (Matth. 5 : 48; Joh. 14 : 2, 3).
Intusschen, hoe machtiger Jezus op hen werkte, des te smartelijker gevoelden zij den afstand, die er was tusschen hun verkeer met God en dat van Jezus Christus. En hoe zoude deze smartelijke behoefte bevredigd worden ? Zij moesten wachten, totdat Jezus aardsche middelaarschap zich zou hebben voltooid in Zijn hemelsch middelaarschap. Dan, aan \'s Vaders rechterhand, zou Hij de macht hebben om hen met den Heiligen Geest te doopen, en alzoo den scheidsmuur te doen vallen, die hen nog van den Vader verwijderde, den sluier te doen breken, waarachter de Vader zich nog voor hen verborg. Door de inwoning des Heiligen Geestes in hen, zou de band die hen met God verbond, tot de innigheid komen, waartoe die van den beginne was bestemd geweest. De Geest van God zou ook hun leeren het abba! Vader! uit te spreken, gelijk Hij dit aan Jezus Christus op aarde heeft geleerd. Zoo zou Zijn leven, hun leven worden (Joh. 7 : 39; Gal 4 : 4 — 6).
In de bestemming des menschen, om een zoon van God te zijn, lag ook zijne bestemming, om niet in deze aardsche, maar in eene hemelsche wereld zijn te huis te hebben. Jezus Christus gevoelde zich niet te huis hier op aarde, juist omdat Hij zich als Zoon zoo gansch één met den hemelschen Vader gevoelde. Hij sprak over de hemelsche wereld als over Zijn eigenlijk te huis. Hij was van den Vader uitgegaan, en zou tot den Vader terugkeeren. Daar zou Hij de heerlijkheid weer in bezit nemen, die Hij had, eer de wereld was (Joh. 17 : 5).
Hij was ook een met deze aarde. Uit deze aarde had Hij Zijn lichaam; en door deze aarde werd het gevoed en opge-
188
MET ZIJNE OORSPRONKELIJKE BEHOEFTEN.
bouwd. Maar hoe meer Zijne innerlijke eenheid met den Vader toenam, hoe dieper Hij zich Zijnen oorsprong uit den Vader bewust werd, des te duideliiker werd het Hem, dat Zijn innerlijk leven niet in dit aardsche lichaam, waardoor Hij aan deze aardsche wereld gebonden was, tot volle ontplooiing komen kon. En was het niet, dat Hij om onzentwil sterven moest, dan zou de Vader die al sterker wordende behoefte des gees-tes hebben bevredigd, door Zijn aardsche lichaam, zonder tus-schenkomenden dood, in een hemelsch lichaam te veranderen. Denk aan de verheerlijking op den berg.
Toen Hij door de opstanding dit nieuwe lichaam ontving, was daardoor de vorige band gebroken, die Hem van deze aarde had afhankelijk gemaakt, en daaraan gebonden. Hij voer ten hemel. Daar is Zijn hemelsch lichaam één met de hemelsche wereld — de hemelsche natuur. Daar is Hij voor eeuwig te huis, gelijk Zijn Vader er te huis is.
En hoe gaat het ons? Hoe meer wij ons bewust worden, dat wij als kinderen Gods een leven hebben, dat uit God is geboren, des te meer worden wij ons bewust, dat dit leven op den duur niet past in deze aardsche wereld. Zij is vergankelijk, terwijl het leven uit God onvergankelijk is. Zij is onvolmaakt, terwijl het leven uit God op het volmaakte is aangelegd en alleen in \'t volmaakte zich te huis kan gevoelen.
De aardsche toestand is bij uitnemendheid geschikt, ons tot oefenschool en voorbereidingsplaats, maar niet als een te huis te dienen. Wij kunnen hier tevreden zijn, alleen omdat wij weten, dat dit aardsche leven ons opvoedt voor\'t hemelsche; gelijk het kind alleen daarom tevreden is op school, omdat het weet dat het daar wordt opgevoed voor de plaats, die het later te huis moet innemen.
Naar den hemelschen oorsprong van ons hooger leven zijn wij van boven, en daarom is die trek naar boven, de zucht naar de hemelsche wereld, ons onuitroeibaar eigen. Wat uit den Vader is, wil naar den Vader toe.
Gelijk Jezus van de hemelsche wereld spreekt, als van Zijn
189
190 MIDDELAAR TUSSCHEN GOD EN DEN MENBCH
te huis bij Zijn Vader, zoo spreekt Hij ook van de woningen, die daar ons wachten. En wie bereidt die woningen voor ons, en ons voor die woningen? En wie brengt ons er henen? Jezus Christus, „opdat wij ook zijn mogen, daar waar Hij isquot; (Joh. 14 : 3). Dan wordt Zijne bede vervuld: „Vader Ik wil, dat waar Ik ben, ook diegenen bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwenquot; (Joh. 17 : 24). Onze voorbereiding tot deze inwoning in de hemel-sche wereld, behoort tot het henielsche middelaarschap van Jezus Christus.
Maar hebben wij niet gezien, dat het aardsche lichaam van Jezus Christus moest verwisseld worden met een hemelsch lichaam ? Dit is ook onze behoefte. Gelijk wij door middel van dit aardsche lichaam één zijn met de aardsche natuur, zoo behoeven wij een hemelsch lichaam, om daardoor één te worden met de hemelsche natuur. Zoo min het aardsche lichaam kan gedacht worden zonder levend verband met de lagere wereld, kan het hemelsche lichaam worden gedacht buiten zijn levend verband met de hoogere wereld.
En door wien ontvangen wij dit nieuwe lichaam ? Door Jezus Christus! Gelijk wij aan onze verbintenis met den eersten Adam dit aardsche lichaam danken, zoo zullen wij aan onze verbintenis met den tweeden Adam dit hemelsche lichaam te danken hebben (1 Cor 15 : 44-49). Jezus Christus is onze opstanding en ons leven (Joh. 11 : 25). \'t Behoort tot Zijn hemelsch middelaarschap de geloovigen deelgenooten te maken van Zijne opstanding en Zijn leven in de heerlijkheid.
Eerst als de mensch, die door geboorte uit den Heiligen Geest een Zoon van God is geworden, aldus in de heerlijkheid bij Zijnen Vader leeft, is Hij, wat Hij naar Gods oorspronkelijke verordening bestemd was te zijn, is Hij, wat de Vader reeds bij Zijne schepping op het oog heeft gehad. En als Hij is, wat Hij wezen moet, welke plaats neemt Hij dan in onder Gods schepselen?
Jezus Christus is de hemelsche wereld ingegaan, om daar
MET ZIJNE OORSPRONKELIJKE BEHOEFTEN. 191
deel te nemen aan Zijns Vaders heerschappij ovei-alle dingen. De kinderlijke betrekking bracht dit mede. Is het kind mondig, dan geeft de vader het zijne zaken over, en draagt hij het op, zijne plannen uit te voeren. Jezus Christus was als Zoon zich deze bestemming bewust. Gij herinnert u Zijne verklaring, dat Hem alle dingen van den Vader zijn overgegeven; en vooral Zijne betuiging na Zijne opstanding, dat Hem gegeven is alle macht in hemel en op aarde (Matth. 11: 27; 28:18). Hier op aarde vergaf Hij de zonden en deelde Hij Zijne rust aan de zielen mede (Matth. 9:2; 11 : 28), en verklaarde Hij, dat Hij eenmaal Gods oordeel uitvoeren en Gods Koninkrijk tot zijne eindontwikkeling brengen zou (Joh. 5 : 27; Matth. 25 : 31, 32). De Vader heeft Hem macht gegeven over allen vleesch (Joh. 17 :2). Hij is sedert Zijne opstanding verheven ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende, en alle dingen zijn aan Zijne voeten onderworpen (Efeze 1: 21, 22).
Herinner u dat „Zoon Godsquot; en „Zoon des menschenquot; in Jezus niet twee helften zijn, die naast elkander bestaan. Als Zoon van God is Hij tevens door en door Zoon des menschen, en als Zoon des menschen is Hij tevens door en door Zoon van God. De volheid der Godheid, woont in Hem lichamelijk (Col. 2 : 9). Zij is zoo min los te denken van Zijn men-schelijk lichaam, als mijn geestelijk leven van mijn lichaam. Neen, zij zijn daar Boven zóó één, als mijn innerlijk leven en mijn lichaam op aarde het nooit kunnen zijn. Wij zien derhalve op dit oogenblik in Jezus Christus een mensch, heer-schende over het gansche heelal. Ja, een mensch. die al de door God verordende trappen der menschelijke ontwikkeling is doorgegaan, deelt nu met den Vader in de heerschappij over alle dingen.
Wat beteekent dit voor de geloovigen? Dat Jezus Christus als ons Hoofd, als de Eerstgeborene onder de broederen (Rom. 8 : 29), voor ons het Koninkrijk heeft ingenomen, om ons
192 middelaar tusschen god en den mensch
de deelgenooten te maken van Zijne koninklijke heerschappij (Openb. 3:21).
God schiep menschen, omdat Hij een geslacht van koningen wilde hebben, deelende met hem in de heerschappij over alles, wat lager is dan de verheerlijkte menschheid. Alleen De Zoon van God kon de heerschappij in haar geheel aanvaarden. Hij alleen kan, krachtens Zijne eeuwige verbintenis met den Vader, den verloren mensch redden en vernieuwen en eenmaal alle dingen nieuw maken. Maar iedere geredde mensch kan, als een Zoon van God, in Zijne mate, een koning zijn en deel nemen aan Gods heerschappij over de lagere schepping. Wij spreken van dingen, die wij eerst zullen verstaan, als de nieuwe hemel en de nieuwe aarde er zijn; maar Jezus Christus heeft ons niet onduidelijk op deze uiteindelijke bestemming van den geredden mensch gewezen. Hij heeft aan de apostelen beloofd, dat zij met Hem zullen zitten op troonen oordeelende de twaalf geslachten Israels; eene belofte die cns doet denken aan de verklaring van Paulus, dat wij de wereld en de engelen zullen oordeelen; en aan de toezegging in de Openbaring, dat die overwint met Jezus Christus op Zijn troon zal zitten (Matth. 19:28; 1 Cor. 6:2,3; Openb. 3 :21).
Had de Heiland niet deze koninklijke bestemming in \'t oog in de gelijkenis der talenten, waarin de trouwe dienaren tot onderkoningen werden bevorderd (Luk. 19:17, 19)?
En wat beteekende het woord: Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft? En dat andere woord: beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Luk. 22 : 29; Matth. 25: 34)? Veronderstellen zij niet, dat Gods kinderen in dat Koninkrijk niet als knechten, maar, zooals het zonen Gods past, als koningen hunne plaatsen zullen innemen?
Er is geene waarheid, die wij nu minder kunnen verstaan, maar ook geene waarheid, die ons duidelijker is geleerd, dan dat wij, geredden, aan Jezus Christus zullen gelijk zijn (I Joh. 3 : 2). Het behoort tot het hemelsche middelaarschap van
MET ZIJNE OORSPRONKELIKE BEHOEFTEN.
Jezus Christus, dat Hij voca- de erfgenamen het eeuwige Koninkrijk bereidt.
Al wat van den eersten aanvang der schepping tot op de verschijning van den eersten mensch door God is gewrocht, was de voorbereiding tot het gewichtige oogenblik in de geschiedenis der schepping, toen God den mensch formeerde naar Zijn beeld en gelijkenis. En al wat sedert den zondeval tot verlossing van den mensch geschiedt en geschieden zal, totdat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde er zijn, dat is de voorbereiding van die hoogere wereld, waarin voor \'t eerst blijkt, waartoe de geredde menschheid met en door haar Hoofd Jezus Christus is bestemd. Dan en dan eerst wordt Gods scheppingsplan ons volkomen verklaard. En dan eerst verstaan wij, waarom de mensch alleen in levende vereeniging met Gods menschgeworden Zoon worden kan, wat hij, naar Gods oorspronkelijke verordening, worden moet. \'t Ontbreekt ons nu ten eenemale aan de gegevens, die ons kunnen duidelijk maken, hoedanig de hoogere, de eeuwig onveranderlijke orde der dingen zijn zal. Maar \'t is ons genoeg, dat Jezus Christus denzelfden gang der ontwikkeling is doorgeloopen, dien wij te doorloopen hebben (uitgenomen de zonde), zoodat Zijne voleinding als Koning aan Gods rechterhand, zoowel voor Hem, als voor ons, de waarborg is, dat ook wij eenmaal, als wij Hem gelijk zullen zijn, met Hem, den Eerstgeborene onder de broeders, als koningen zullen heerschen.
Zoo zien wij dan, dat Jezus Christus, Gods menschgeworden Zoon, door Zijne bemiddeling, ons maakt tot hetgeen wij als menschen zijn moeten, naar Gods oorspronkelijke verordening.
God heeft den mensch, die is wat hij wezen moet, niet anders dan als zoon gedacht. Die niet een zoon van God is, is niet een volkomen mensch. Zoolang hij niet een zoon van God is, blijft er een onbevredigd ledig in hem. Jezus Christus heeft in den mensch eene behoefte vervuld, die tot het wezen en de bestemming van den mensch behoort, door hem in Zijne gemeenschap den Geest des zoonschaps mede te dee-
13
193
194 middelaar tusschen god en den mensch enz.
len. Dit doet Hij aan den geloovige, sedert Zijne verhooging-aan \'s Vaders rechterhand.
En zoo heeft God den mensch, aan \'t einde zijner ontwikkeling, niet anders gedacht, dan met een geestelijk, een onsterfelijk lichaam, dat in eene hoogere dan deze aardsche wereld past, en waarin hij als Gods onderkoning heerscht over de lagere schepping.
Van achteren blijkt het ons, dat wij te kort doen aan Gods eigen heerlijkheid, als wij meenen dat van een wezen, dat eene mindere bestemming heeft, kan gezegd worden, dat het naar Gods beeld en gelijkenis is geformeerd.
Het geeft eene dubbele heerlijkheid aan Jezus Christus, den Menschgewokdes Zoon van God, dat Hij niet alleen den verlorene redt, maar ook den geredde maakt tot hetgeen God hem oorspronkelijk bestemd heeft te zijn; dat God nooit, hetzij aan de verlossing, hetzij aan de voltooiing van den mensch heeft gedacht, anders dan in den Menschgewordene; waarom ook de Schrift Jezus Christus den Voorgekende vóór de grondlegging der wereld noemt (1 Petr. 1 : 20).
Eer Calvijn van de verzoening onzer zonden door den Mensch-gewordene spreekt, noemt hij onze aanneming tot zonen en onze vereeniging met God. als de redenen, die de mensch-wording van den Middelaar noodzakelijk maakten. In verband met dit laatste zegt hij: De Zoon van God moest voor ons de Immanuël worden, dat is. God met ons, en wel om deze reden, dat door eene wederkeerige verbintenis. Zijne godheid en de natuur des menschen met elkander zouden vereenigd worden: anders was de nabijheid niet na genoeg en de verwantschap niet stevig genoeg, waardoor wij konden hopen, dat God met ons wonen zou. Zóó groot was de afstand tus-schen onze onreinheid en Gods volmaakte reinheid. Ja, al zoude
de mensch, vrij van alle smet, staande gebleven zijn, dan nog was zijn staat te laag om zonder den middelaar tot
God door te dringen.
Op dit laatste woord, zeggen wij uit het diepst onzes har-
middelaar vóór en na zijne menschwording. 195
ten: amen! Onze God heeft zich nooit den mensch en de schepping voorgesteld, wordende wat zij, naar Zijne eeuwige verordening worden moeten, anders dan in Jezus Christus, zijn Menschgeworden Zoon. De geloovigen zijn uitverkoren in Christus vóór de grondlegging der wereld (Efeze. 1 : 4).
Alles is, naar Gods oorspronkelijke verordening, zoowel in den mensch als in de Schepping, met het oog op Christus, den menschgeworden Zoon van God, aangelegd. Daarom hebben de eeuwen vóór Zijne geboorte uit Maria op Hem gewacht ; en daarom wachten zij nu op Hem. De gansche schepping, met de verlosten vooraan, roept uit: „Kom, Heere Jezus!quot; omdat zij door Hem tot hare voltooiing verlangt te komen. En die zich niet door Jezus Christus, den Menschgeworden Zoon van God, laat redden en volmaken, mist het doel zijner schepping, en gaat onherroepelijk verloren.
XXVI.
middelaar vóór en na zijne menschwording.
Gods Zoon was de Middelaar tusschen God en mensch gedurende de oud-testamentische bedeeling. Zoo niet, dan was, onder anderen, het ambt van den priester zonder beteekenis. Het middelaarschap van Gods zoon was de wortel en het wezen van alle middelaarschap. Jezus verklaarde, dat de Heilige Schriften van Hem getuigden (Joh. 5 : 39). Dit kon niet, als Hij niet, terwijl Hij nog de Toekomstige wras, ook niet tevens de in \'t verborgene Aanwezige was.
Eer Abraham was, was Hij (Joh. 8 : 58). En dat niet als een ledige aanschouwer van de geschiedenis van dezen patriarch. Daar was een levende band, die Hem aan Abraham, en
196 MIDDELAAR VÓÓK ENT NA ZIJNE MENSCHWOEDING.
Abraham aan Hem bond. Daarom heeft Abraham naar Zijnen dag verlangd (Joh. 8 : 56).
En de vrome koningen en profeten, innerlijk met Hem verbonden, begeerden ook Hem te zien en te hooren (Luk. 10 : 24). Al hunne begeerten gingen allengs op in de ééne begeerte, dat Hij verschijnen mocht, die als de Eeuwige bestond (Jes. 9:5; Micha 5 : 11).
En toen Hij verscheen, verklaarde Hij, dat Hij wet en profetie, dat Hij alle aanvankelijke waarheid, kwam vervullen. Die het einde der waarheid is, moet ook haar aanvang zijn. Die haar kroon is, moet ook haar wortel zijn. De waarheid is tot Hem, omdat zij uit Hem is. Hij is de Omega, omdat Hij de Alpha is, het Einde, omdat Hij het Begin is (Openb. 1 : 8; Col. 1 : 16).
Jezus Christus was de Middelaar tusschen God en mensch van \'smenschen schepping af.
Hij was zich bewust, dat de Vader Hem macht over alle vleesch, ja alle macht in den hemel en op aarde heeft gegeven (Joh. 17 : 1; Matth. 28 : 18). \'t Is ondenkbaar, \'t is onmogelijk, dat de Vader alle macht uitoefent door Jezus Christus, als Hij niet door Hem alles heeft geschapen en onderhoudt. De Vader kan door Zijnen Zoon niet over alles heerschen, als Hij niet door den Zoon alles geschapen heeft. Elke machtsbetooning des Zoons hier op aarde vloeide voort uit deze oorspronkelijke macht, wees er naar terug, en wees vooruit naar Zijne verhooging boven het gansche heelal. Johannes vangt zijn Evangelie zóó aan, dat hij ons duidelijk laat inzien, dat het middelaarschap van Jezus Christus tusschen God en mensch, met \'smenschen schepping is begonnen. Alles is door Zijne bemiddeling geworden, en zonder Zijne bemiddeling is geen ding geworden, wat het geworden is. In Hem was het leven, en \'t leven was het licht der menschen (Joh 1 : 3, 4). Geen schepsel, geen mensch, geen leven, geen licht, kan gedacht worden zonder de bemiddeling des Zoons. „In Hem zijn alle dingen geschapen,
MIDDELAAR VÓÓR EN NA ZIJNE MENSCHWOKDINS. 197
die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij troonen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen in Hemquot; (Col. 1 : 16, 17). Was het niet, dat de Vader door de bemiddeling Zijns Zoons alles had geschapen, dan kon Hij Hem niet, na Zijne opstanding, toen de dagen Zijner ontlediging voorbij waren, weer aan \'t hoofd der schepping hebben geplaatst (Efeze 1 ; 20, 21; 4 ; 10).
Maar, als Gods Zoon, van \'s menschen schepping af, de Middelaar was tusschen God en mensch, waartoe is Hij dan vleesch geworden; waartoe diende dan het middelaarschap van den Vleeschgewordene? Zijn middelaarschap sedert de Vleeschwording voltooit het middelaarschap, dat bestond vóór de Vleeschwording. Dit is de groote be-teekenis van de menschwording van gods züon.
Denk aan de uitdelging onzer zondeschuld. God vergaf de schuld in de oude bedeeling; maar Hij kon door Zijnen Geest niet aan \'t hart betuigen, dat de schuld werkelijk door \'t bloed van \'t offerdier was te niet gedaan. De schuld werd vergeven, in dien zin, dat God haar niet aanzag, op grond der toekomstige uitdelging. De vergeving was een voorloopig voorbijzien der schuld \'). Zii kon eerst iets volkomens worden, als de schulduitdelging iets volkomens, iets reëels, zou zijn. De vergeving is eene daad der goddelijke genade in ons, de uitdelging is eene daad der goddelijke gerechtigheid buiten ons. Beide te zamen maken een goddelijk-volkomen geheel uit. Daarom was de vereeniging der vromen met God, in de oude bedeeling, nog niet volkomen. Daarom gevoelden zij, niettegenstaande de vergiffenis hunner zonden, dat er toch nog eene verwijdering bestond tusschen hen en hunnen God. Op de voorspraak van den hun verborgen Middelaar werd hun
1) Zoo als Paulus het noemt in Rom. 3 : 25. Jammer dat onze vertaling hier onnauwkeurig is.
agt;
198 MIDDELAAR VÓÓR EN NA ZIJNE MENSCHWOEDING.
de zonde vergeven; maar die voorspraak wees op de aanstaande schulduitdelging, ontleende hare kracht daaraan; en zou dan eerst hare volle vrucht brengen, als de schulduitdel -ging door den dood van den Menschgewordene is volbracht. Herinner u \'t woord des Heeren; „De Zoon des Menschen is gekomen, niet om gediend te worden, maar om te dienen, en om Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.quot;
En Jezus Christus is nu aan Gods rechterhand, onder anderen, om door Zijnen Geest, op grond van Zijnen zoendood, ons, die gelooven, de deelgenooten te maken van den volkomen zegen, waarvan de minder volkomen zegen des ouden verbonds, profetie en onderpand was (Hebr. 8, 9, 10).
En gelijk het is met de uitdelging onzer schuld — met onze verzoening, zoo is het ook met onze kennis van God. Alle licht, dat ooit in een mensch heeft geschenen, vóór de vleeschwording des Zoons, was aan Zijne bemiddeling te danken (Joh. 1 : 9). Wat de wijzen en profeten aangaande God kenden, dat was te danken aan \'t licht, dat van den Vader door den Zoon hen bestraalde. Maar \'t werd hun allengs duidelijk, dat \'s menschen kennis van God onbevredigend zou blijven, totdat Hij zou verschijnen, in wien zij God zien en hooren zouden (Luk. 10 : 24). Denk, onder anderen, aan dit profetisch woord: „De heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden; en alle vleesch te gelijk zal zien dat God gesproken heeft \'K... O Zion, gij verkondigster van goede boodschap ! klim op een hoogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap! hef uwe stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg der steden van Juda: Ziet, hier is uw Godquot; (Jes. 40 : 5, 9 vgl. 9 : 5 en Micha 5 : 1).
Johannes had deze menschelijke behoefte, om den volkomen tolk van God te zien en te hooren, in \'t oog, toen hij, na van het middelaarschap des Zoons vóór Zijne menschwording gesproken te hebben, zeide: „En het Woord is vleesch ge-
1) Ongelukkig hebben onze vertalers „hetquot; ingevoegd.
middelaar vóór en na zijne menschwording.
worden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eenigge-borenen van den Vader, vol van genade en waarheid .... Niemand heeft ooit God gezien; de Eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard.quot; (Joh. 1 : 14, 18).
Jezus Christus had deze zelfde menschelijke behoefte aan eene volledige kennis van God op het oog, toen Hij zeide: „Indien gijlieden mij (den Menschgewordene) gekend hadt, zoo zoudt gij ook Mijnen Vader gekend hebben.... Die Mij (den Menschgewordene) gezien heeft, die heeft den Vader gezienquot; (Joh. 14 : 7, 9). Omdat eerst door de kennis van den Menschgewordene het hart, dat naar de kennis van God dorst, tot volle bevrediging komt, daarom betuigde Jezus in Zijn hoogepriesterlijk gebed: „dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den éénen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebtquot; (Joh. 17 : 3).
En \'t zal de eeuwige arbeid van Gods Geest zijn, om ons den Vader te verklaren, door ons den menschgeworden Zoon te verklaren (Joh. 16 : 13, 14).
Het hoogste heil is gelegen in de aanschouwing des Mensch-geworden Zoons in Zijne heerlijkheid. Het hoogste, dat Hij voor ons van den Vader kon begeeren, was: „Vader, ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mil zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereldquot; (Joh. 17 : 24).
Daar, in de aanschouwing van den verheerlijkten Menschen-zoon, wordt de kennis des Vaders, en daarmede het heil des menschen, volkomen; daarom zeide de Heiland tot Zijnen Vader; „Ik heb Uwen naam bekend gemaakt en zal hem bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in henquot; (Joh. 17 : 26).
En hierdoor wordt ook de eenheid tusschen God en mensch voltooid. Zij kon, zoomin als de verzoening met
199
200 ilIDDELAAR VÓÓR EN NA. ZIJNE MENSJCHWORDING.
God en de kennis van God, zonder de menschwording van Gods Zoon volkomen worden. Geen mensch kan berekenen, hoeveel nader de Zoon van God door Zijne menschwording tot den mensch is gekomen. Nu is Hij onze Broeder geworden (Mark. 3 : 34, 35; Hebr. 2 : 11). Nu is Hij zoo één met ons geworden, als Hij zonder de menschwording niet had kunnen zijn. Hij is vleesch van ons vleesch en been van ons been; en wij zijn, omgekeerd, één geest met Hem (ICor. 6: 17). Wij kunnen nu tot eene eenheid met Gods Zoon komen, die buiten Zijne menschwording niet denkbaar is. En eerst sedert deze eenheid, die aan Zijne vleesch wording is te danken en onmiddellijk daaruit vloeit, hebben wij den Geest der aanneming tot zoon ontvangen, waardoor wij Gods vaderschap verstaan (Gal. 4 : 1 — 5). Eer wij God als onzen Vader konden liefhebben, moesten wij Zijnen Zoon als onzen Broeder leeren kennen.
De Heiland had deze volkomen eenheid tusschen God en mensch op het oog, die eerst door Zijne menschwording mogelijk is geworden, en waardoor de eenheid, die reeds vroeger bestond, voltooid werd, toen Hij tot den Vader zeide: Ik bid voor hen, „opdat zij allen één Zijn, gelijkerwijs Gij, Vader! in Mij (den menschgewordene) en Ik in U, dat ook zij in ons één zijnquot; (Joh. 17 : 21).
Zoo ziet gij, dat wij niet met twee afzonderlijke middelaarschappen, maar met een enkel, een eeuwig voortdurend middelaarschap te doen hebben. Omdat de Vader door bemiddeling van den Zoon den mensch heeft geschapen, daarom redt en volmaakt Hij den mensch door middel van den Zoon; en daarom blijven de voleindigden, wat zij zijn, alleen door bemiddeling van den Zoon. Hu werd mensch om eeuwig mensch te blijven. Zijne menschwording diende niet een voorbijgaand doel, waarna zij ophoudt noodzakelijk te zijn. Door Zijne menschwording is Hij aan \'t hoofd der geredde menschheid getreden, en daar blijft Hij, als de Menschgewordene, tot in alle eeuwigheid. Als Hoofd der menschheid
middelaar vóór en na zijne menschwording.
vereenigt Hij in zich allen, die Hij redt, tot één lichaam, en tot in alle eeuwigheid blijven zij één lichaam, niet anders, dan in Hem, den Menschgewordene.
En dat de menschgeworden Zoon voor eeuwig God aan ons verklaart, dat wij den Vader nooit anders dan in Hem zien en bezitten, dit is gegrond in Zijn eeuwig wezen. quot;Waarom noemt Johannes Hem bij voorkeur het Woord, als hij van Zijn middelaarschap spreekt, dat met de schepping is begonnen? Omdat, gelijk de geest des menschen zijne gedachte, zich zei ven, in het woord ziet, alzoo de Vader in Zijn Zoon zijn eigen Beeld, zich zeiven, ziet (Col. 1 : 15). En nu wil de Vader, dat gelijk Hij in Zijn Zoon Zijn wezen ziet, ook het schepsel, bij name de mensch, in den Zoon den Vader zien zal (Joh. 14 : 9). Met dit doel schiep God den mensch. En om dit doel uit te werken, daartoe werd Gods Zoon mensch. Niemand komt tot den Vader, dan door den menschgeworden Zoon van God (Joh. 14 : 6). Zoo lang men niet den Vader in den Zoon heeft gezien, blijft een ondoordringbare sluier Hem voor ons oog bedekken. Niemand heeft God gezien; de Zoon, die onder ons heeft gewoond, en in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard (Joh. 1 : 14, 18).
Welk eene liefelijke gedachte is het, dat de Zoon, die ons met God heeft verzoend, en ons bereidt om de deelgenooten Zijner heerlijkheid te worden, niemand anders is, dan Hij, aan wien wij ons leven en voortbestaan te danken hebben, door wien en tot wien alle dingen geschapen zijn (Col. 1 : 15 — 19). Hij is geen vreemde, die als bij toeval, van wege onze zonde, onze Middelaar is geworden. Hij was dit reeds vóór onzen val; en heeft door Zijne vleeschwording den band, die tusschen Hem en ons als schepselen reeds bestond, heerlijk voltooid.
201
MIDDELAAR TÜSSCHEN GOD EN DE SCHEPPING.
XXVII.
MIDDELAAR TUSSCHEN GOD EN DE SCHEPPING.
De schepping is een geheel. Er bestaan geen schepselen, die ieder afzonderlijk, alsof er geen andere schepselen zijn, kunnen worden wat zij wezen moeten. Elk schepsel is lid van één groot geheel. Alle schepselen worden als één geheel door \'t woord schepping (creatuur) te zamen gevat (Rom. 8 : 19-22; Col. 1 : 15).
Door schepsel te worden, werd Gods Zoon een onlosmakelijk deel der schepping. De Vader had eene nieuwe, eene tweede schepping naast de oude schepping kunnen voortbrengen, toen Zijn Zoon mensch werd; maar Hij werd geboren uit de maagd Maria, werd mensch uit een mensch, schepsel uit een schepsel, en alzoo één met de gansche schepping. Hij ontving niet alleen Zijn aardsche leven uit de schepping ; maar het werd ook door haar onderhouden en gesterkt. Zijn lichaam bestond, even als het onze, uit aardsche bestand-deelen, en werd uit de aarde gevoed en gedrenkt. De aarde was Zijne moeder.
En Hij blijft schepsel tot in alle eeuwigheid. Het vergankelijke in Hem is sedert de opstanding uit de dooden onvergankelijk, het sterfelijke onsterfelijk, het aardsche he-melsch geworden. Het in den tijd gewordene deelt, in Hem, in de eeuwige kracht, waardoor Hij, als Gods Zoon, van eeuwigheid tot eeuwigheid bestaat. Z ij n voortbestaan als schepsel waarborgt ons het voortbestaan der schepping. quot;Was Hij slechts voor een tijd schepsel gebleven, dan is er geen grond voor de hoop, dat een of ander schepsel eeuwig voortduren zal. Zijn eeuwig voortbestaan als schepsel, is ons het zegel en het onderpand, dat de Vader de schepping dooiden Zoon heeft voortgebracht, omdat Hij haar eeuwig wil laten voortduren. Gelijk er zonder de opstanding van
202
middelaar tusschen god en de schepping. 203
Jezus Christus, geen opstanding van eenig schepsel denkbaar is, zoo kan men aan geen voortbestaan van eenig schepsel denken, zonder het voortbestaan van den Zoon van Maria. (I Oor. 15 ; 20, 21).
Terwijl Jezus Christus, door Zijne geboorte uit Maria, één was met de schepping, zoo liet Hij tevens op aarde blijken, dat Hij Heer was der Schepping. Hij Was de Heer der menschheid. Als haar Heer eischte Hij van haar eene overgave en een vertrouwen, die Gode alleen toekomen; en liet Hij, om niet meer te noemen, in Zijnen naam, bekeering en vergiffenis prediken. Hoe ook één met den mensch, zoo bewoog Hij zich toch onder de menschen als aller Koning, en sprak Hij tot hen als van Zijn koninklijken troon. Denk aan die allervriendelijkste uitnoodiging: „Komt tot mij, en ik zal u rust geven.quot; Kan God van Zijn hemelschen troon een goddelijker woord spreken? En Jezus sprak die verheven woorden en toezeggingen zoo vanzelf, op zoo natuurlijken, zoo eenvoudigen toon. Zij waren onwillekeurig gevloeid uit Hem. die wist, dat Hij met den Vader in de heerschappij over de gansche menschheid deelde. Die Heer der menschheid is, die is Heer der gansche schepping.
Waarom? Omdat het meerdere het mindere insluit. De mensch, naar Gods beeld geschapen, staat boven alle schepselen, ook boven de engelen (Heb. 1: 14\'; 1 Oor. 6 : 2; 3). Die over den mensch heerscht, heerscht over de gansche schepping.
Jezus liet deze heerschappij over de lagere schepping op aarde blijken, niet in al hare volheid, maar in den vorm, die bij Zijn aardsche leven paste. Als Hij een boozen geest of eene krankheid uit den mensch weerde, of een doode tot het leven terugriep, of den stormwind gebood stil te zijn, dan openbaarde Hij iets van Zijne heerschappij over de schepping, \'t Is waar, ook Zijne discipelen genazen kranken en dreven booze geesten uit; maak zij deden het in Zijnen naam.
Het kon niet anders, of gedurende de dagen Zijns vleesches
204 middelaae tusschen god en de schepping.
moest de openbaring Zijner heerlijkheid eene gesluierde en beperkte zijn. Hij had zich ontledigd (Fil. 2 : 7, in \'t oorspronkelijke). Maar wat van Zijne heerschappij over de schepping openbaar werd, was genoeg om Hem aan te wijzen, als den Zoon van God, die de Heer der schepping is, omdat zij door Hem, door Zijne bemiddeling, is geschapen (Col. 1 : 16). Als Middelaar tusschen God en mensch, is Hij tevens de Middelaar tusschen God en de schepping. Is Hem de macht gegeven over alle vleesch, dan is Hem ook alle macht gegeven in hemel en op aarde (Joh. 17 : 2; Matth. 28 : 18). Het eene is van \'t andere niet los te maken, zoomin als de mensch van de overige schepping kan worden gescheiden. Zij maken één geheel uit.
En wat belang heeft de schepping bij het middelaarschap van den Menschgewordene aan Vadehs rechterhand? Hetzelfde belang dat de mensch er bij heeft, daar mensch en schepping één geheel vormen. De gansche schepping heeft belang bij de aanstaande verheerlijking der zonen Gods, die aanvangt als hunne lichamen worden verlost en ge-lil\'kvormig gemaakt aan \'t lichaam van den verheerlijkten Menschenzoon. De verheerlijking van \'t lichaam van Jezus Christus, dat uit de aarde is genomen, is het onderpand niet alleen van de verheerlijking onzer lichamen, maar ook van de aardsche schepping, die onze lichamen heeft gevoed en. gedrenkt. Zoomin onze lichamen bestemd zijn orn te blijven, zooals zij nu zijn, zoomin is de aardsche schepping bestemd om te blijven wat zij nu is. De verlossing en verheerlijking van onze lichamen zal ook hare verlossing en verheerlijking zijn. De verheerlijking van \'t lichaam van Jezus Christus, en de opname er van in de eeuwige wereld, is ons een onderpand, dat er nog eene andere dan deze aardsche, deze vergankelijke orde der dingen is, en dat, op Gods tijd, deze lagere schepping de deelgenoot zal zijn van de onvergankelijkheid en heerlijkheid der hoogere.
Welk een vooruitzicht! Zagen wij deze waarheid met hel-
MIDDELAAR TÜSSCHEN GOD EN DE SCHEPPING. 205
derder blik, hoe zouden wij naar de komst des Heeren reikhalzen, die dienen zal om deze lagere schepping in de heerlijkheid der hoogere in te voeren. De drang, dien de apostolische gemeente naar deze vernieuwing der eerste schepping gevoelde, laat zich door ons niet beschrijven. Wij staan, in dit opzicht te ver bij haar ten achteren. Hoor, hoe Paulus dien drang uitspreekt: „Ik houde het daarvoor, dat het üjden dezes tegen-woordigen tijds niet is te quot;waardeeren tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Want de schepping, met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.... op hoop dat ook de schepping zelve zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der Zonen Gods. Want wij weten, dat de gansche schepping te zamen zucht, en te zamen in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wij zeiven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven zuch-in ons zelven, verwachtende de aanneming tot zonen, de verlossing onzes lichaams; want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geene hoop, want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Maar, indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zoo verwachten wij het met liidzaamheid (Rom. 8 ; 18 — 25).
Alles is door en tot Christus geschapen. De schepping wijst naar Hem terug, omdat zij door Zijne bemiddeling is ontstaan (Joh. 1:3); én zij wijst vooruit naar Hem, omdat zij alleen worden kan, wat zij worden moet, door in Hem als in haar Hoofd samengevat te zijn (Col. 1 : 17). In vollen zin werd Gods Zoon het Hoofd der schepping, door als schepsel één met haar te worden, en alzoo haar tot hare bestemming te voeren. Daarom noemt Paulus Jezus Christus de Eerstgeborene aller creaturen — de Eerstgeborene der gansche schepping. Omdat Hij Zijne plaats als de eerstgeborene der gansche schepping, aan \'t hoofd dei-schepping is gaan innemen, na Zijne opstanding uit de dooden, daaróm wordt Hij de Eerstgeborene uit de doo-
206 middelaar tusschen god en de schepping.
den genoemd (Col. 1 : 18; vergel. Efeze 1 : 20; 4 : 9).
Nu verstaan wij, waartoe aan Jezus Christus na Zijne opstanding, alle macht is gegeven in hemel en op aarde, \'t Is, opdat Hij, aan \'t hoofd, beide der hemelsche en der aardsche schepping, aan beide helften der schepping Zijne heerlijkheid zoude mededeelcn en alzoo ze tot één maken. Gelijk Z.ijn aardsch lichaam hemelsch is geworden, zoo wordt eenmaal ook de aardsche schepping hemelsch. Dan bestaat de tegenwoordige tegenstelling tusschen hemel en aarde, het hemelsche en het aardsche, het onvergankelijke en \'t vergankelijke niet meer. Dan is het einde, de volheid der tijden (niet des tijds) daar, waarin alles, beide dat in den hemel en op de aarde is, in Christus tot volkomen eenheid wordt gebracht (Efeze 1 : 10)
En nu wij verstaan, wat het hemelsche middelaarschap van Jezus Christus voor de gansche schepping beteekent, nu schijnt er licht te vallen, op de anders zoo duistere verklaring van Paulus, dat aan \'t einde, als de Zoon alle vijandige macht heeft te niet gedaan, „ook de Zoon zelf zal onderworpen worden, Dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen (1 Cor. 15 : 28)?quot; Als Jezus Christus de verheerlijkte menschheid en schepping, als een gewonnen buit, aan de voeten Zijns Vaders neerlegt, dan staat Hij niet meer tusschen den Vader en de schepping, om wat uit den Vader in Hem is, tot de schepping, die Hij redt en verheerlijkt, over te brengen; maar dan is Hij voor \'t eerst het Hoofd eener schepping, die Hij met zich in Gods heerlijkheid heeft gevoerd. De verheerlijkte schepping is dan met Hem, haar verheerlijkt Hoofd, den Vader onderworpen. De Vader is dan alles voor de schepping, gelijk Hij alles is voor haar
Hoofd. Hij is dan alles in allen.
Wat zich in Jezus Christus, als Hoofd der schepping, niet
i) Om het woord, dat hier door de onzen met wederom tot één vergaderen is vertaald, te verstaan, zie men in welken zin Paulus ditzelfde woord in Eom. 13 : 9 gebruikt.
MIDDELAAR TUSSCHEN GOD EN DE SCHEPPING. 207
laat invoegen, dat wordt dan niet meer gerekend als een deel der schepping, \'t Wordt buitengeworpen.
Wij hebben gestameld van de voleinding der schepping, wanneer de menschen- en de engelen- en de lagere wereld, ieder in hare mate, met Jezus Christus, als aller Hoofd, ingaat in de heerlijkheid, die de Vader den Zoon heeft geschonken. Dan eerst is de drang van Jezus Christus naar vereeniging met het schepsel, en die van \'t geredde schepsel naar vereeniging met Hem, volkomen bevredigd.
Dan eerst geeft God het volledige antwoord op de vraag, waartoe Hij de wereld heeft geschapen; en op de andere vraag, die hiermede één is, waartoe Zijn Zoon de Eerstgeborene der gansche schepping is geworden \')•
Men diende de engelen (Col. 2 :18). In \'t besef van onze minderheid beneden de engelen in onzen tegenwoordigen toestand, en van de behoefte, die wij hebben aan een Middelaar tus-schen God en ons, meende men dat de engelen bij uitnemendheid geschikt zijn om onze middelaren te zijn. En wat doet Paulus om deze dwaling uit te roeien? Hij vergelijkt Jezus Christus met de engelen en toont aan, waarin Hij boven hen verheven is, en wat Hem als onzen Middelaar kenmerkt. Hij is het Beeld des onzienlijken Gods. Als Zoon vertoont Hij ons het wezen des Vaders. En Hij staat niet alleen aan \'t hoofd der menschheid, als Zoon des Menschen; Hij staat aan \'t hoofd der gansche schepping als de Eerstgeborene der gansche schepping. Wat in \'t huisgezin, waar het recht van eerstgeboorte heerscht, de eerstgeborene is aan !t hoofd der broeders, dat is Jezus Christus, als schepsel, aan \'t hoofd der schepselen. En wat maakte het Hem mogelijk deze plaats aan \'t hoofd der schepselen in te nemen? Dat in Hem
1) Nergens legt de Heilige Schrift ons dieper den grond bloot van de betrekking, die Jezus Christus, zoowel tot de Gemeente, als tot de Schepping bekleedt, dan in don brief van Paulus aan de Colossensen [1 : 15—20]. De apostel had daartoe aanleiding door de bijzondere dwalingen, die hij in de gemeente te Co-losse te bekampen had.
208 middelaae tusschen god en de schepping.
alle dingen zijn geschapen, die in de hemelen zijn (derhalve ook de engelen) en die op aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij troonen, hetzij heerschappijen, hetzij machten. En wat Paulus er bij bedoelt, als hij zegt, dat alles in den Zoon van God geschapen is, dat maakt hij ons duidelijk, als hij ons nog eens zegt: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, en Hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen in Hem.
Hoe dwaas is het derhalve tot mindere wezens, als tot onze middelaren, op te zien, als de Vader den Zoon Zijner liefde gegeven heeft tot Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente; en wel nadat Hij door den dood onze schuld heeft uitgedelgd, want Hij is het begin (het Hoofd), de Eerstgeborene uit de dooden, opdat Hij in allen (zoowel in de menschen- als in de engelenwereld) de eerste zou zijn. Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou; zoodat geen ander wezen, geen engel of aartsengel noodig is, om in ons eene enkele behoefte te bevredigen, die de Zoon niet bevredigen kan. Hij heeft Zijn bloed gestort, niet alleen om mensch en God, die van elkander verwijderd waren, maar ook om aarde en hemel, menschen en engelen, de dingen, die op de aarde en de dingen, die in de hemelen zijn, met elkander te verzoenen, door ze tot zich zei ven te trekken, ze met zich te verbinden, en ze de deelgenooten te maken Zijner heerlijkheid (vergelijk de parallel plaats: Efeze 1:10).
STICHTER VAN \'T HEMELSCHE KONINKRIJK,
XXVIII.
STICHTER VAN \'T HEMELSCHE KONINKRIJK.
Eerst na de voltooiing wordt eene zaak volkomen begrepen. Als de bouwmeeester zijn gebouw, en de schilder zijn schilderstuk, en de beeldhouwer zijn beeld heeft voleindigd, dan eerst verstaat men ten volle wat de kunstenaar van den aanvang in den zin heeft gehad, en is men in staat zijn arbeid naar eisch te waardeeren. Daarom, willen wij verstaan wat de Schrift bij het Koninkrijk Gods bedoelt, dan moeten wij vragen, wat het aan het einde zijn zal?
En wat is het aan \'t einde? Vraag het aan Jezus Christus, die op een hoogte stond, waarop nooit een profeet „vóór Hem heeft gestaan, en vandaar met helderen blik het einde aanschouwde. Wat zag Hij? Eene geredde menschheid. de erfgenaam Zijner heerlijkheid, met Hem opgenomen in de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had voor de grondlegging der wereld (Joh. 17 : 24).
Daar deelt zij met Hem in de volledige kennis des A\'aders, die Hem als Zoon eigen is. Zijne aanschouwing des Vaders, die van eeuwigheid af Zijne gelukzaligheid was, wordt hare aanschouwing, Zij is één met Hem, in de aanbidding des Vaders — want den Vader te aanschouwen, is den Vader te aanbidden; en Zij is één met Hem in de overgave en toewijding aan den Vader — want den Vader te aanschouwen is zich aan Hem te geven en\' te wijden. Als de eeuwige Hoogepriester gaat Jezus Christus de geredde menschheid voor in den dienst, dien het schepsel Gode verschuldigd is. Ook in de heerlijkheid kan zij alleen door Hem den Vader welbehagelijk zijn. Als de Menschgewordene, maakt Hij zich nimmermeer los van de geredde menschheid. Zij is eeuwig Gode gewijd, met Gods Zoon aan haar hoofd. In Hem gevoelt zij zich één. Hij bindt haar in zich tot een geheel
14
209
STICHTER VAN \'T HEMELSCHE KONINKRIJK.
te zamen. De Vader vervult haar geheel en al, door den Zoon, die eeuwig haar hoofd blijft (1 Cor. 15 :28; 1 Col. 1; 16 —19).
En gelijk de Zoon de geredde menschheid inleidt in Zijne volledige kennis van den Vader, zoo leidt Hij haar in de eenheid, die van eeuwigheid tusschen Hem en den Vader bestond. De Vader houdt niets van Hem terug. Wat de Vader heeft, dat heeft de Zoon in gemeenschap met Hem, en zoo heeft weerkeerig de Vader deel aan al wat de Zoon het Zijne noemt (Joh. 17 : 10). Om mij menschelijk uit te drukken: Vader en Zoon drijven hunne zaken niet afzonderlijk. Zij hebben niets privaats tegenover of naast elkander. Eén hart klopt in beiden. Eén wil beweegt hen beiden. Eén doel wordt beoogd door beiden. De vreugde des Eenen is de vreugde des Anderen. Al wat wij ons denken kunnen, als beboerende tot de volmaakte eenheid, die een vader en een zoon, die op aarde alles gemeen hebben, met elkander verbindt, dat kenmerkt in goddelijke volledigheid de eenheid tusschen den Vader in de hemelen en Zijnen Eeniggeboren Zoon.
Denk aan het Koninkrijk van God. Herhaaldelijk noemt Jezus Christus dit het rijk Zijns Vaders, maar Hij heeft het ook Zijn Koninkrijk genoemd (Matth. 16 : 28; Luk. 22 : 30; Joh. 18 : 36). En de heerlijkheid des Vaders, waarin Hij komt om Zijn Koninkrijk te aanvaarden, die noemt Hij Zijne heerlijkheid (Matth. 16 : 27; 25 : 31). En de engelen, die Hem bij die gelegenheid dienen, ze zijn Zijne engelen (Matth. 16 : 27; Mark. 13 : 27). Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth. 28 ; 18). Hij beschikt over alle denkbare krachten (Efeze 1 : 21, 22). Hij verkeert met den Vader, als God met God.
En tot deze eenheid met den Vader leidt Hij de verlosten. Hoewel in beperkt menschelijke mate, zoo bezitten zij nochtans alles, wat Hij in onbeperkt goddelijke volheid bezit. Al het Zijne is het hunne. Als zonen Gods zijn zij met Hem boven alle schepselen, ook de engelen verheven. Hij houdt voor hen niets verborgen (Joh. 14 : 26). De inleiding door
210
STICHTER VAN \'T HEMELSCHE KONINKRIJK. 211
Hem in de kennis van Gods eeuwige gedachten, die hier op aarde is begonnen, is daar voltooid. Één hart klopt dan in den Vader en in den Zoon en in de verlosten. Één wil beweegt dan den Vader en den Zoon en de verlosten.
En \'t Koninkrijk, dat den Vader en den Zoon toebehoort, is de erfenis der verlosten. Als priesterkoningen heerschen zij met den Zoon en den Vader over de gansche schepping (Luk. 12 : 32; Matth. 25 : 34; vgl. Openb. 3 :21). Zoo komt, aan \'t eind, als Gods rijk voltooid is, de eenheid der verlosten met den Zoon en den Vader tot stand, waarop Jezus in Zijn hoogepriesterlijk gebed het oog heeft gehad (Joh. 17 : 22,23).
Door deze eenheid met God is ook de onderlinge eenheid voltooid tusschen alle schepselen Gods in Gods Koninkrijk. Men kan den mensch van de overige schepping niet losmaken. Gaat hij de heerlijkheid des Zoons in, dan is de ure geslagen, dat al wat er voor vatbaar is, naar zijne mate deel neemt aan die heerlijkheid; en alzoo wordt de harmonie, die Gods schepselen tot een schoon geheel verbindt, het uitvloeisel en de weerspiegeling van de harmonie des hemels. Aan \'t einde worden alle ergernissen uitgeworpen (Matth. 13 : 41). Wat niet door de liefde aan God en \'t medeschepsel is gebonden, dat wordt buiten geworpen (Matth. 25 : 41).
Er is dan eenheid, niet alleen tusschen mensch en mensch, maar ook tusschen de menschen- en de engelenwereld. Tegenover eene engelenwereld, die vaardig is om den wil van God te doen, staat dan geene menschenwereld, die onder de macht der zonde verkeert. De kracht, die hier op aarde van Jezus Christus is uitgegaan om zonde en satan uit het menschelijk hart te bannen, draagt dan hare volkomen vrucht in eene wereld, waarin geen toegang meer denkbaar is voor zonde en satan.
De Heiland heeft getuigd van de vreugde, die de engelen genieten, wanneer zondaren worden gered: hoe zal die vreugde worden verhoogd, als zij eene menschenwereld aanschouwen.
STICHTER VAN \'ï HEMELSCHE KONINKKIJK.
waaruit het laatste \'spoor van de heerschappij der zonde en des satans is verdwenen, en zij zich mogen mengen met eene verheerlijkte menschheid, om met haar te worden verheerlijkt door de heerlijkheid Gods, die de verheerlijkte schepping doordringt.
Ik zeg, de verheerlijkte schepping, en denk inzonderheid aan de aardsche schepping. God bracht den mensch, wat zijne lagere vermogens aangaat, uit de aarde voort, en wil dat de mensch met de aardsche schepping één zal blijven. Daarom zal de aardsche, de lagere schepping; die nu met den mensch aan de vergankelijkheid onderworpen is, aan \'t einde, met den mensch. van de vergankelijkheid worden verlost, en met Hem de onvergankelijke, de eeuwige heerlijkheid beërven (Rom. 8 : 19—22).
Waarom ziet de Heer, als Hij \'t einde aanschouwt, dat de zon verduisterd wordt, en de maan haar schijnsel niet geeft, en de sterren uit den hemel vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, worden bewogen (Mark. 13 : 24. 25) ? Omdat deze lagere schepping dan plaats maakt voor de blijvende^ de eeuwige schepping, die past bij de verheerlijkte menschheid (Hebr. 12 : 27). Het verheerlijkte lichaam van Jezus Christus is het onderpand dezer hoogere schepping.
Gelijk de ontbinding der tegenwoordige volkeren en maatschappijen, naar \'t woord des Heeren, voorafgaat aan \'t Koninkrijk Gods, zooals het zich aan \'t einde openbaren zal, alzoo zal deze ontbinding der aardsche schepping, die zelfs door de wetenschap tegemoet wordt gezien, aan de hoogere schepping voorafgaan, die eene onvergankelijke zijn zal. Hemel en aarde zijn dan nieuw, en verheerlijkt met de verheerlijkte menschheid.
Op dit Koninkrijk, waar gij Gods Zoon ziet aan \'t hoofd eener schepping, waarin alles onvergankelijk is, omdat het in de heerlijkheid Gods is opgenomen, heeft God het oog gehad, eer Hij de hand leide aan de schepping. De geredden beërven, met Jezus aan hun hoofd, het Koninkrijk, dat
212
STICHTER VAN \'T HEMELSCHE KONINKRIJK.
hun bereid is van de grondlegging der wereld (Matth. 25: 34).
Van den beginne schiep God zulk eene natuur en zulke menschen, dat die deelen kunnen, met C-iods Zoon. in do heerlijkheid des Vaders. Elk schepsel, dat uit het Koninkrijk gesloten wordt, is afgeweken van Gods oorspronkelijke verordening, is in strijd met het plan, waarnaar de schepping-is aangelegd. Gods Koninkrijk, niet het vuur, dat voor den duivel en zijne engelen bereid is, dagteekeut van den aanvang der schepping (Matth. 25 : 41).
Wat God doet, dat is een geheel van begin tot eind. In \'t begin is reeds het einde begrepen. Was niet de schepping met het oog op Gods Koninkrijk aangelegd, dan kan aan het einde Gods koninkrijk niet tot stand komen. Een gebrek, in den aanvang, zou het geheel tot aan \'t einde toe doen gebrekkig blijven.
Gelijk de kunstenaar, als hij de allereerste lijnen van zijn kunststuk trekt, zijne hand laat bestieren door \'t beeld, dat hij in den geest aanschouwt, alzoo — om het groote met het kleine te vergelijken — richtte God bij de allereerste scheppingsdaad, de schepping in naar \'t Koninkrijk, zooals Hij het vooruit in zijne voltooiing zag.
En gelijk de kunstenaar, als hij iets uitstekends vervaardigen wil, des te meer tijd en talent er aan besteedt, zoo heeft onze God al de opeen volgende eeüwen, en al Zijne liefde en wijsheid en macht van noode, om eindelijk het Koninkrijk voort te brengen, dat de hoogste bewondering en aanbidding bij menschen en engelen eeuwig zal opwekken. Al wat was en is en tot aan \'t einde zijn zal, dient tot voorbereiding van \'t Koninkrijk Gods! Wie, die God uit Zijne werken wenscht te leeren kennen, verlangt niet, dat de bede wordt verhoord, die Jezus ons leerde bidden: Uw Koninkrijk kome!
Maar terwijl de schepping van den aanvang is aangelegd op het einde, dat uitloopt op het hemelsche Koninkrijk, zoo komt dit Koninkrijk niet uit de schepping voort, \'t Is
213
STICHTER VAN \'T HEMELSCHE KONINKRIJK.
niet de vrucht van de ontwikkeling der krachten, die in den aanvang in de schepping zijn gelegd. Gelijk de schepping is ontstaan door de scheppende kracht des Zoons van God, zoo voert God haar, door nieuwe scheppingsdaden, door de bemiddeling van Zijnen Zoon, van stap tot stap naar \'t voorgestelde doel. En zoo ontstaan er opeenvolgende tijdperken en overgangen, totdat het einde daar is.
De aarde ontstond door den Zoon uit de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, eer de wereld was; uit Zijne volheid van licht en leven (Joh. 1 : 1 — 4 Col. 1 :15 —19 Openb. 3 :14). Het getuigenis des Heeren, dat Hij het licht der wereld is, en dat Hij levend maakt, wie Hij wil, is één met deze waarheid (Joh. 5 : 25, 26; 8 : 12). Hij durfde alzoo spreken, omdat Hij zich bewust was, dat alle licht en leven oorspronkelijk, toen Hij bij den Vader was, van Hem zijn uitgegaan. Het eerste tijdperk der aardsche schepping eindigde met de verschijning van den mensch. Welk een oogenblik was dit in de voorbereiding van \'t hemelsche Koninkrijk! Daar zagen de engelen in den mensch het schepsel, op wiens komst de aarde, door eene opklimmende reeks van scheppingsdaden en overgangen allengs was toebereid. Hij verscheen niet voordat de aarde, de lucht en de zon, hemr wat zijne lagere vermogens aangaat, onderhouden konden. Hij was een nieuw schepsel in de rij der schepselen, naar zijn hoogeren aanleg met geen ander wezen, dan met God alleen te vergelijken. Hij werd geschapen naar het beeld van God !
Maar hij was niet op eenmaal wat hij wezen moest. Geen schepsel kan op eenmaal zijn, wat het bestemd is te zijn. Alle schepsel wordt dit door ontwikkeling. God alleen is, maar wordt niet, wat Hij zijn moet. Hij is de eeuwig-zijnde. Intusschen, terwijl de lagere schepselen door eene natuurnoodwendigheid worden, wat zij worden moeten, moest de mensch, onder verzoeking en beproeving, zijne bestemming willen, en haar alzoo tot zijn zedelijk eigendom maken.
Helaas, in deze beproeving bezweek de eerste mensch, en
214
STICHTER VAN \'T HEMELSCHE KONINKRIJK. 215
zoo kwam uit hem een menschengeslacht, dat uit de aarde aardsch is, en machteloos, om den drang naar zijne ware bestemming, zoo vaak die ontwaakte, te verwezenlijken. Dit menschengeslacht moest op den tweeden Adam — den tweeden mensch — wachten, op den mensch, die uit den hemel is, en in \'t bezit van den levendmakenden Geest (1 Oor. 15 : 44 — 49). Het tweede tijdperk was dat der voorbereiding van den mensch tot de verschijning van den tweeden Adam.
Eindelijk brak het oogenblik aan, dat Hij werd geboren, en, op dertigjarigen leeftijd, de taak onzer verlossing aanvaardde. Wie was Hij? Niemand minder dan de menschgeworden Zoon van God, die zich den geredden mensch als Zijn buit kwam verwerven. Wij zagen Hem eene buitengewone macht openbaren over de natuur, de daemonen en den mensch, en den dood sterven tot verzoening onzer zonden; en nadat Hij van de dooden was opgestaan, hoorden wij Hem verklaren, dat Hem alle macht is gegeven in hemel en op aarde, en met deze verklaring het bevel verbinden, om aan alle volkeren der aarde \'t Evangelie hunner verlossing te verkondigen.
Nu werd een derde tijdperk ingeleid door de uitstorting-des H. Geestes op den Pinksterdag, \'t Is de bedeeling des Geestes, waarin de Heer aan de geloovigen den Geest mededeelt, die hun het onderpand is van hun aandeel in Zijne heerlijkheid, en die ze daartoe voorbereidt. Wat Hij op aarde in de dagen Zijns vleesches tot \'s menschen verlossing heeft gedaan, was de voorbereiding tot hetgeen Hij in dit tijdperk doet aan en door Zijne geloovigen.
De apostolische gemeente zag reikhalzend uit naar \'t aanbreken van \'t laatste tijdperk, dat aanvangt als Jezus Christus in heerlijkheid komt, om de aardsche voor de hemelsche schepping te doen plaats maken (Rom. 8 : 17—25; Fil. 3 : 20, 21; Matth. 13 ; 48; 26 : 28).
Door \'t bewustzijn van ons zoonschap, weten wij dat het hemelsche rijk met macht in ons is doorgebroken, en hebben wij het onderpand dat de Zoon niet rusten zal, voordat Hij
STICHTER VAN \'T HEMELSCHE KONINKRIJK.
eene nieuwe wereld heeft tot stand gebracht, die volkomen past bij de nieuwe, in ons aangevangen schepping (Efeze 4 ; 30).
De Heiland arbeidde en streed en leed op aarde als de Zoon. die zich, langs dezen pijnlijken weg, het Koninkrijk uit de macht der zonde terugwon. Hij moest zich door Zijn bloed Zijne erfenis verwerven (Matth. 20 : 28). Maar hoe zwaar ook soms de strijd was, Hij voorzag met helderen blik, hoe deze hemel en deze aarde eens zullen voorbijgaan, om plaats te maken voor \'t hemelsche Koninkrijk, waarin Zijne woorden hunne laatste en eeuwige vervulling erlangen (Matth. 24 ; 35).
En wij worden geroepen Hem hierin na te volgen. Hij redt ons, om door ons getuigenis voor de waarheid de leugen te overwinnen. Deze strijd heeft eene ontelbare schare van martelaren voortgebracht, voor wie in gindsche heerlijkheid, de merkteekenen van hun strijd schitterende eereteekenen zullen zijn. De Heere helpe ons, met het oog op \'t Koninkrijk, dat welhaast wordt geopenbaard, getrouw te zijn aan Hem, die ons is voorgegaan, om ook voor ons het Rijk in bezit te nemen. Van den troon Zijner heerlijkheid roept Hij ons toe: „die overwint, ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijnen troon; gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijnen Vader in Zijnen Troonquot; (Openb. 3 : 21).
XXIX.
VOORWERP VAN \'S MENSCHEN VERTROUWEN.
Daar de Schrift ons een blik vergunt tot aan het einde dei-tijden, verstaan wij wat de eigenlijke aard is van Gods Koninkrijk. Het is in zijne voltooiing ontdaan van alles wat vergankelijk is. \'t Is op het eeuwige aangelegd, \'t Is in zijne vol-
216
voorwerp vax \'ö menschen vertrouwen. 217
komenheid daar, als de geredde menschheid met de schepping in Gods heerlijkheid is opgenomen.
Het heeft Gode eeuwen gekost den mensch te laten verstaan, dat Hij hem geschapen heeft en hem van de zonde verlossen wil, opdat hij eenmaal zijne plaats zou kunnen innemen in eene orde van dingen, eene maatschappij, een rijk, waarin alles onsterfelijk is.
Wij moeten van het lagere tot het hoogere, van het zichtbare tot het onzichtbare, van het tijdelijke tot het eeuwige, van het vergankelijke tot het onvergankelijke opklimmen. Eerst het natuurlijke, daarna het geestelijke (1 Cor. 15 : 46, ATt).
In Israël was het hoogere, dat komen zou, langen tijd, in lagere, in vergankelijke, in wereldsche vormen verborgen (Gal. 4 : 3). Langzamerhand nam het echter voor \'t verlichte oog-van den profeet eene bepaalde gedaante aan. Wat inzonderheid hem tot deze diepere inzichten voorbereidde, was de ervaring dat de bestaande orde der dingen hare vroegere heer-lijkheid allengs verloor, veranderde en stierf. Beide, koningen priesterschap, bezweken met het volk onder de macht dei-zonde. De natie werd allengs ontbonden, en met haar de nationale vormen, waarin de godsdienst door Mozes was gehuld.
En wat vertoonde zich aan den blik van den Ziener in de verte? Een Persoon, die met de hoogste gaven van God is toegerust, en in de nauwste verbintenis met God leeft: door wien God eene nieuwe bedeeling aanvangt, en de diepste behoeften, die in den loop der eeuwen in het vrome gemoed zijn gewekt, bevredigt. Hij zal in volkomen zin de Gezalfde (de Christus) zijn, van wien alle gezalfden, hetzij koningen of priesters of profeten, de onvolkomen voorloopers zijn geweest. Hij zal zoo nauw met God verbonden zijn, als niemand voor Hem is geweest, Gods Zoon, voor wien God niets meer verborgen houdt (Ps. 2 : 12; 110 : 1; Jes. 11 : 1—5).
Eer Hij verscheen was het zoover gekomen, dat in Israël geen spoor was overgebleven van Zijne vroegere zichtbare
218 VOORWERP VAN \'s MENSOHEN VERTEOUWEN.
lieerlijkheid. Het volk was verzonken tot het diepste peil van staatkundige onmacht en maatschappelijke ellende. Deze toestand diende om de nadenkenden te vatbaarder te maken voor geestelijke begrippen van het waarachtig heil des men-schen, dat niet afhangt van de uiterlijke welvaart en den uiterlijken glans eens volks.
In dezen tijd verschijnt Johannes de Dooper, de grootste der profeten. Door hem wordt voor \'t eerst de waarheid in haar eeuwigen, haar eigenlijken, haar naakten vorm uitgesproken, namelijk, dat God op aarde een rijk vestigen wil, waarin niet een mensch, maar God Koning is, en dat het fondament van dit rijk gelegd wordt, niet in uiterlijke verordeningen, maar in de rechte verhouding des harten tot God, en dat die verhouding eerst daar is, waar de mensch zich van de zonde tot God heeft bekeerd, en hem zijne zonden vergeven zijn. De inhoud Zijner prediking was: Bekeer u, tot verge ving der zonden, want het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Van achteren lijkt ons dit woord zeer verstaanbaar en eenvoudig; maar het heeft eene eeuwenlange opvoeding des menschen gekost, eer hij deze waarheid zóó helder kon verstaan, dat hij haar aldus in een kort en duidelijk woord kon uitspreken.
Hoe kwam Paulus aan de eenvoudige formule: „de rechtvaardige zal uit het geloof leven,quot; waarin de diepste waarheid, die in den apostolischen tijd is ontdekt, werd uitgesproken? Niemand onder zijne tijdgenooten had met meer ernst dan hij, op eigen weg, de rechtvaardigheid gezocht, en met meer innigheid dan hij haar omhelsd, toen hij haar in Gods weg vond. Het heldere woord, waarin hij de waarheid formuleerde, getuigde van de helderheid, waarmede hij haar aanschouwde; en de kracht,- waarmede hij zijn leven aan de verkondiging der ontdekte waarheid wijdde, getuigde van de kracht, waarmede zij in hem heerschte. Hierin overtrof hij al de apostelen, en dit maakte hem tot den grootsten man van zijnen tijd.
VOORWERP VAN \'s MENSOHEN VERTROUWEN. 219
En wat maakte Johannes tot den grootsten van alle profeten vóór Christus? Dat niemand dieper dan hij heeft ingezien, dat Israels ellende aan zijne zonden was te wijten, grondiger dan hij heeft gewanhoopt aan Israels herstel door eene omwenteling in zijne uiterlijke geschiedenis, en helderder dan hij heeft verstaan, dat God eene nieuwe bedeeling op nieuwe grondslagen wilde aanvangen. Zijne aanschouwing is zoo geestelijk en diep, dat hij tot den hemelschen kern der waarheid is doorgedrongen, en daaraan den naam ontleende, dien hij aan de nieuwe bedeeling gaf, namelijk, het Koninkrijk der hemelen. De door hem ontdekte waarheid is de hoogste, de diepste, die ooit door een profeet „vóór Christus is ontdekt. Zij was de waarheid, waarop zijn tijd wachtte, en tot de ontdekking waarvan God den mensch sinds eeuwen aan \'t voorbereiden was. Zij was de hooogste waarheid, die God, voor de komst van Christus, den mensch kon openbaren. En zoo geweldig greep zij Johannes aan, dat hij, met een nooit te voren geëvenaarde kracht, haar aan \'t volk verkondigde; en dat de gisting, die zijne prediking onder de geesten verwekte, alles overtrof, wat men ooit in Israël had beleefd.
Terwijl het gansche volk aan niets anders dacht, van niets anders sprak, dan van dit Koninkrijk der hemelen, dat God in Israël stichten wil, trad Jezus onder het volk op met dezelfde prediking als Johannes; met dit groote verschil echter, dat Hij allengs en al duidelijker liet verstaan, dat dit hemelsche Koninkrijk aan Zijn persoon is verbonden; en men het ingaat door Hem. Die zich aan Hem toevertrouwt, beërft het Koninkrijk Gods; die zich van Hem scheidt, wordt er buiten-geworpen. Hij noemt zich de Christus, de zoon van God, van wien Mozes en de profeten hebben getuigd; die \'smen-schen diepste behoeften komt bevredigen, en die hem het eeuwige leven komt mededeelen. En weldra was het voor het gansche volk duidelijk, dat God het voor deze ontzettende vraag stelde: zAl ik mij al op niet aan Jezus Christus toevertrouwen ? Alles werkte te zamen om deze tot de ééne
220 VOORWERP VAN \'S MENSCHEN VERTROUWEN.
groote vraag des tijds te maken. En sedert is zij de ééne groote vraag aller tijden en eeuwen gebleven.
Zal ik mij aan Jezus Christus toevertrouwen? Niet één nadenkend Israëliet kon zich van deze vraag losmaken. De vraag was niet: zal ik gelooven in wat Hij leert? maar, zal ik in Hem gelooven; zal ik mij toevertrouwen aan Hem, als aan den Christus, den Zoon des levenden Gods?
Jezus Christus begon niet met te zeggen; geloof in Mij. Hij predikte dit niet regelrecht. Hij verbood bij zekere gelegenheid aan Zijne discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus (Matth. 16 ; 20). Naar den geestelijken aard van \'t Koninkrijk der hemelen vermeed Hij alles, dat slechts eene verstandelijke toestemming of eene voorbijgaande geestdrift kon opwekken. Hij beoogde niets minder, dan op den geest te werken, en \'t vertrouwen des ganschen menschen te winnen.
Weldra schaarden zich velen om Hem, om wat Hij voor hen was, niet om wat Hij tot hen sprak of voor hen deed. Hij noemde hen Zijne discipelen, in onderscheiding van de schare, die innerlijk van Hem vervreemd bleef (Luk. 8 : 4, 9, 10). Zij waren de kern des volks, de echte vertegenwoordigers van het geestelijke Israël (Mark. 3 : 34, 35). In hen gaf zich het Godzoekende Israël, ja de Godzoekende mensch-heid, aan Jezus Christus. Door hunne overgave aan Jezus als aan den Christus, den Zoon van God. verklaarde de mensch; Jezus Christus is de Man, die al mijne behoeften bevredigt, die het eeuwige leven mij mededeelt, die mij invoert in \'t Koninkrijk der hemelen (Joh. 6 : 67, 68).
Hoe wekte Jezus Christus dit vertrouwen in hen op? Door hun te toonen, dat Hij bezat wat hun ontbrak. Daardoor ging vanzelf van Hem eene aantrekkingskracht uit. die alle aantrekkingskracht, ooit door den mensch uitgeoefend, oneindig overtrof.
Bij al de kennis, die Zijne discipelen door den dienst van Mozes en de profeten van God hadden, bij al de liefde, die
VOORWERP VAN \'S MEMSCHEN\' VERTROUWEN.
hen jegens God vervulde , gevoelden zij, dat het hun nog ontbrak aan de vereeniging met God, waaraan het hart behoefte heeft. God bleef op eenen afstand van hen. Die het best Hem kenden, verlangden het sterkst naar den beloofden Profeet, die hun de nog onbeantwoorde vragen des harten zoude beantwoorden, en den sluier wegnemen, waarachter God zich nog voor hen verborgen hield. Zij dorstten naar een inniger vereeniging met God!
Zie, daar verschijnt Jezus Christus, die tot hen van God spreekt, zooals nooit een profeet van Hem gesproken heeft. In Hem is in de verste verte niets te bespeuren, dat van eene verwijdering tusschen God en hem getuigde. Hij heeft geene behoefte aan een ander, om Hem nader met God bekend te maken. Hij verklaart dat God Zijn Vader is, en Hem alles toont. Hij spreekt nooit anders van God, dan als van Zijn Vader. En zoo innig is de band, die Hem aan Zijn Vader bindt, dat Hij getuigt, dat de Vader in Hem is, en Hij in den Vader; en dat die Hem ziet, den Vader ziet, en den Vader niet meer in de verte behoeft te zoeken.
Zoo heeft nooit een mensch kunnen of durven spreken. Onbeschrijfelijk moet de indruk zijn geweest, dien zulke woorden op de vromen maakten, toen zij die voor \'t eerst hoorden. Terwijl zij in Zijne tegenwoordigheid, meer dan ooit, den afstand gevoelden, die er nog was tusschen God en hen, werden zij inniger dan ooit zich bewust, dat de verbintenis, waartoe het tusschen God en hen komen moest, zich afspiegelt in de betrekking, die er op aarde bestaat tusschen vader en kind. Jezus toch verkeerde met God, als de Zoon met den Vader.
Door de onvolkomen verbintenis tusschen hen en hunnen God, kon er veel tusschen hen en hun God intreden, om hen te verontrusten en te beangstigen: de herinnering aan hunne zonden, de rampen des levens, het vooruitzicht des doods, en veel, waarvan zij zich geen rekenschap geven konden. Maar van deze onrust en angst, eigen aan al wat mensch heet, is in Jezus geen spoor te vinden. Hij leeft in de rust
221
222 VOORWERP VAN \'S MENSCHEN VERTROUWEN.
en kalmte des hemels. Hij leeft als iemand, die van den hemel is nedergedaald, en die den vrede, die daar woont, met zich heeft medegebracht. Hij, die in den Vader is, leeft in de kalmte, die den Vader eigen is, tegenover \'s Vaders beangstigde kinderen hier op aarde.
Er waren oogenblikken, waarin Jezus kalmte in eene bijzondere mate afstak bij de onrust en angst Zijner discipelen; zooals, toen Hij onverschrikt de menigte aanzag, die Hem steenigen en van de steilte werpen wilde; toen Hij rustig den storm aanschouwde, die het vaartuig waarin Hij was, met den ondergang dreigde; toen Hij blijmoedig van Zijn sterven tot de ontroerde discipelen sprak, als van Zijn terugkeer naar \'s Vaders huis.
Zulk eene rust en kalmte heeft nooit een mensch op aarde gekend. En toch de sidderende harten Zijner jongeren beseften, sedert zij Hem hadden leeren kennen, meer dan ooit, dat zij aan die rust en kalmte dringend behoefte hadden.
En hoe stak Zijne geestelijke kracht af bij hunne zwakheid. Nooit is Hij in eene enkele verzoeking bezweken. En toch is geen mensch zwaarder verzocht geweest, dan Hij. Hij wandelde onder de zwakke aardbewoners, als een Koning uit den hemel. Naarmate Zijne discipelen Hem met een verlicht oog aanschouwden, bogen zij zich onder de geestelijke meerderheid, waardoor Hij oneindig boven alle menschen uitstak. Hij alleen was onzondig!
Hoe diep hebben Zijne discipelen in Zijne tegenwoordigheid hunne zwakheid in den strijd tegen de zonde gevoeld, en hoe sterk verlangd naar iets van Zijne heilige kracht.
En hoe groot is de tegenstelling tusschen de klaarheid, waarmede Hij over de diepste geheimen sprak, en hunne onkunde en onzekerheid. Hij sprak als iemand, voor wiens blik de Vader al de geheimen des Koninklijks had blootgelegd, en die ze aanschouwt met de helderheid, waarmede de Vader ze ziet. Hij getuigde, dat de Vader Hem alles toonde, en dat niemand den Vader kende, dan Hij. En juist
VOORWERP VAN \'S MENSCHEN VERTROUWEX. 123
omdat Hij de waarheid zoo helder zag, tot in hare diepste kern, daarom sprak Hij over haar zoo eenvoudig, als nooit een raensch gesproken heeft. Hij zag haar van aangezicht tot aangezicht. Hij zag haar met ongesluierd gelaat. Hij zag haar, zooals zij zich in hare eeuwige heerlijkheid vertoont. Daarom sprak Hij over de diepten in \'s menschen en in Gods hart, over de wording des Koninklijks, en over Zijne toekomst en het eindgericht, met de gemakkelijkheid en klaarheid, waarmede wij over de meest bekende, over alledaagsche dingen spreken. De oude profeten geraakten in wegslepende geestdrift, als hun oog in de verte iets ontdekte, en deelden het daarom in dichterlijken trant aan anderen mede; maar Jezus Christus sprak over de eeuwige waarheden, als dingen waaraan Hij gewoon is, en die één zijn met Zijn alledaagsch bestaan. Hij sprak op aarde over hemelsche dingen, zooals een engel in den hemel met zijne mede-engelen er over spreken zou.
Hierdoor werden Zijne discipelen, meer dan ooit, zich hunner onkunde en onzekerheid aangaande de eeuwige waarheden bewust. En dag aan dag werd het verlangen al sterker in hen, dat ook zij deel mochten hebben aan \'t heldere licht, waarin Hij wandelde.
Hebben zij vermoed, dat God door hunne overgave aan Jezus Christus, hen met Hem medebezitters van Zijn hooger leven zou maken ? Hebben zij dit vermoed, eer Jezus Christus met ronde woorden hun de groote waarheid verkondigde, dat Hij op aarde is gekomen, om door Zijn rijkdom hunne armoede te vervullen? Hoe het zij, toen Hij meende dat de heilbegeerigen bereid waren om het te vernemen, verkondigde Hij hun regelrecht, dat zij, door \'t geloof in Hem, de deelgenooten aan Zijn hooger leven zouden worden, en alzoo ingaan in \'t Koninkrijk der hemelen.
Denk, onder anderen, aan deze woorden: „Komt tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; zoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke; die in Mij gelooft, stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien; en die in
VOORWERP VAN \'s MENSCHEN VEETROUWEN.
Mij gelooft heeft het eeuwige leven; alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegenlijk die in Hem gelooft niet verderve, maar \'t eeuwige leven hebbe.quot;
Welk een oogenblik in de geschiedenis van \'t wordende Koninkrijk van God! Een mensch verklaart aan zijne mede-menschen, dat Gods Koninkrijk buiten hem niet denkbaar is; dat men het eeuwige leven, dat één is met dit Koninkrijk, niet kan ontvangen, dan door overgave aan Hem; dat alleen zij, die zich, aan Hem: toevertrouwen het eeuwige leven hebben! whhii
Welk eeneisch! Nooit i heeft een mensch, die God vreesde, zoo durven spreken: nooit alzoo zich durven plaatsen tusschen Grod en mensch! Zullen de discipelen van Jezus Christus de eersten zijn om hunne eeuwige zaligheid van dezen stap te doen afhangen ? Zullen zij aan Jezus Christus het vertrouwen des harten geven, dat Gode alleen toekomt?
Eer hun verstand over deze vraag was begonnen na tè denken, had hun hart reeds er op geantwoord. Eer Jezus Christus de waarheid, dat, die in Hem gelooft het eeuwige leven heeft, in een duidelijk woord had geformuleerd, kenden zij haar reeds onbewust. Hun hart was in Zijne zedelijke en geestelijke macht, en ondervond in Zijne gemeenschap een nieuw leven, eer het verstand hun zeide: \'t is het eeuwige leven, door Jezus Christus u toestroomend. Hunne innerlijke ervaring zeide amen! toen Jezus hun verkondigde, dat die zich aan Hem toevertrouwt, het eeuwige leven ontvangt.
Sedert zij, in \'t besef hunner leegte tegenover Zijne volheid, zich aan Hem hadden overgegeven, was God hun als hun Vader nabij gekomen, waren zij verzekerd van de vergiffenis hunner zonden, was in hen de vrede neergedaald, had de waarheid zich aan hen vertoond, zooals nooit te voren. Van toen af was een gelukkig leven, op aarde of in den hemel, zonder Christus, voor hen ondenkbaar. Gij herinnert u het woord van Petrus, toen Jezus de trouw zijner
224
VOORWERP VAK \'S MENSCHEN VERTROUWEN.
discipelen op de proef stelde: „Heere, tot wien zullen wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens!quot;
En toch was het heil, dat zij in de gemeenschap met Jezus Christus genoten, slechts een klein begin van wat het wezen zou, als Hij het uit de heerlijkheid, door de mededee-ling des Heiligen Geestes, in hen voltooit. Naar die voltooiing richtte Hij, vooral in de laatste uren van Zijn aardsche leven, hun oog. En toen Hij, na voor hen den zoendood te zijn gestorven, en tot den Vader te zijn teruggekeerd, hen op den Pinksterdag doopte met den 11. Geest; hoe hoog steeg van toen aan hun geestelijk leven, hoe innig werd hun vertrouwen in den verhoogden Heer en Christus, hoe begonnen zij te gelijken naar Hem, zooals zij op aarde Hem hadden gekend. In welk eene rijke mate werden de zegeningen van \'t Koninkrijk Gods hun eigendom. Hun God is niet meer op een afstand van hen. Hij woont door Zijn geest in hen. Zij weten, dat hunne zonden zijn uitgewischt door het bloed van Jezus Christus, en dat zij kinderen zijn des hemelschen Vaders. Zij zijn kalm en gerust onder de zwaarste vervolgingen en de dreigendste gevaren. Zij ziln meer dan overwinnaars in de pijnlijkste beproevingen. Zij spreken over de hoogste waarheden des Koninklijks met onbenevelde klaarheid. Hoe gansch anders dan voorheen!
En gelijk zij zich tot Jezus Christus aangetrokken gevoelden, omdat Hu had, wat zu misten, zoo gevoelden, om diezelfde reden, duizenden en tienduizenden heilbegeerigen zich tot hen aangetrokken, en gaven zij zich, op hunnen aandrang, aan Jezus Christus over. En weldra hadden ook dezen het onwrikbaar getuigenis van Gods Geest in hunne harten, dat zij, door Jezus Christus, het Koninkrijk der hemelen waren binnen gegaan.
En zoo zal deze ervaring voortduren van geslacht tot geslacht, en heilbegeerigen zullen zich aan Jezus Christus toevertrouwen, totdat zij, met Hem aan hun hoofd, de eeuwige heerlijkheid beërven.
225
15
DE CHRISTUS DER EVANGELIËN EN
XXX.
DE CHRISTUS DEK EVANGELIËN EN DE CHRISTUS DER APOSTOLISCHE BRIEVEN.
Er is eene treffende tegenstelling tusschen den Christus, dien de Evangeliën, en den Christus, dien de apostolische Brieven ons voorstellen. En met de apostolische Brieven stemmen de Handelingen der Apostelen overeen.
De Evangeliën stellen ons den aardschen, de Brieven stellen ons den hemelschen Christus voor.
De Evangeliën vermelden ons Zijne aardsche, de Brieven vermelden ons Zijne hemelsche daden.
De Evangeliën beschrijven ons \'t leven, dat aanvangt met Zijne geboorte uit Maria, de brieven beschrijven ons \'t leven, dat aanvangt met Zijne geboorte uit den dood (Hand. 13 : 30-33).
Op den Pinksterdag staat Petrus in zijne prediking\'t langst stil bij de opstanding van den Gekruiste, en hij verbindt Zijne opstanding met Zijne verheffing tot Christus en Heer aan \'s Vaders rechterhand.
Van Jezus\' aardsche daden rept hij geen woord.
Hij is vol van Jezus\' heerlijkheid, die met Zijne opstanding aanving, en aan \'s Vaders rechterhand werd voltooid.
Hij predikte niet den aardschen, maar den hemelschen Christus.
Hij wekte op tot geloof, niet in den aardschen, maar in den hemelschen Christus, die aan Israël de vernieuwing des harten, de vergiffenis van zonden en de gave des Geestes schenken wil (Hand 2 : 88; 5 : 31).
De meesten der drie duizend, die zich op den Pinksterdag bekeerden, wisten weinig van Jezus\' aardsche leven. Velen wisten niets meer daarvan, dan dat Hij als een valsche Messias was gekruist.
226
DE CHRISTUS DER APOSTOLISCHE BRIEVEN.
Hunne hekeering en wedergeboorte, en \'t nieuwe leven dat in hen door den Heiligen Geest ontstond, waren alleen te danken aan hun geloof, dat de Gekruiste uit den dood was opgewekt, om, als Heer en Christus, Zijne plaats aan Gods rechterhand in te nemen. Zij werden, zooals Petrus het heeft uitgedrukt, wedergeboren tot eene levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus (1 Petr. 1:3; vgl. 1 Cor. 15 :14).
Op dien dag trad de Gemeente door den Heiligen Geest in de gemeenschap met den hemelschen Christus. Aan die gemeenschap dankte zij den vrede en de vreugde, de kracht en den moed, die haar kenmerkten; en daaruit werd haar verlangen geboren naar Zijne terugkomst, om haar de deelgenoot van Zijne hemelsche heerlijkheid te maken (1 Thess. 1 : 10; Pil 3 : 20; 1 Petr. 1 : 4, 5; 1 Joh. 3 : 2).
De apostolische Brieven zijn geboren uit de gemeenschap, niet met den aardschen, maar met den hemelschen Christus.
Zij zijn vol niet van den aardschen, maar van den hemelschen Christus.
Er is in de verste verte geen toeleg te bespeuren om den aardschen Christus als Held en Heilige boven andere men-schen te verheffen. Hingen wij alleen af van deze Brieven, dan wisten wij nagenoeg niets van dezen Held en Heilige.
Hij staat voor den geest der schrijvers niet in Zijn aardsche grootheid, maar als de Heer der heerlijkheid, door Wien en tot Wien alle dingen zijn, en die aan Gods rechterhand is in den hemel, ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende (Jac. 2; 1; 1 Cor. 2 : 8; 8 : 6; Efeze 1 : 20, 21; 1 Petr. 3 : 22; Openb. 1 : 8).
Paulus, de man der tegenstellingen, is zich, meer dan iemand anders, de tegenstelling bewust tusschen den aardschen en den hemelschen Christus, \'t Was de aanschouwing van den hemelschen, en niet van den aardschen Christus, die hem voor den Heiland had gewonnen. Niemand verkeerde onder een dieper en helderder indruk van de heerlijkheid van den
227
DK CHRISTUS DER EVANGELIËN EN
hemelschen Christus, dan hij. Toen daarom sommigen te veel nadruk legden op eene bekendheid met den aardschen Christus, die aan Paulus, als apostel, ontbrak, schroomde hij niet, dit bijna al te stoute woord uit te spreken: „indien wij ook Christus naar \'t vleesch — dat is, in Zijn aardsche leven — gekend hebben; nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar \'t vleeschquot; (2 Cor. 5 : 8).
De tegenstelling tusschen den Christus der Evangeliën en den Christus der Brieven, spiegelt zich op treffende wijze af in de tegenstelling, tusschen hetgeen de discipelen waren in hun verkeer met den aardschen Christus, en wat zij geworden zijn na hun verkeer met den hemelschen Christus.
Grooter tegenstelling in de innerlijke geschiedenis van Godzoekende menschen laat zich niet denken.
Stel u voor hunne geestelijke onkunde, hunne vrees voor de wereld, en hunne zucht naar eer, tot aan liet einde Tan Jezus\' aardsche leven. Was Jezus in den dood gebleven, dan was Zijn arbeid aan hen eene mislukking geweest, zoo groot als ooit de mislukking van den arbeid van een profeet in Israël geweest is. Dan waren zij tot hun aardsch beroep terug gekeerd. Dan hadden wij geen discipelen van Jezus gekend, wier karakter voor de wereld de weerspiegeling was van \'t karakter van hun Meester. Wat zeg ik? Dan was denaam van Jezus vergeten, althans dan werd de naam „Jezus, de Christusquot; niet onder de menschen genoemd.
Maar ziet, wat de gemeenschap met den opgewekten en verheerlijkten, met den hemelschen Christus, terstond van hen maakte. Zij werden tot gansch nieuwe menschen omgeschapen. Welk een licht ging er in hen op. Hoe moedig predikten zij den hemelschen Christus, met den marteldood voor oogen. Hoe nederig wandelden zij onder elkander. Hoe treffend vertoonden zij de karaktertrekken van hunnen Heer.
Zij waren van aardsche, hemelsche menschen geworden.
Dit was geschied door \'t hemelsche leven van Jezus, dat
228
DE CHRISTUS DER APOSTOLISCHE BRIEVEN. 229
hun door den Geest werd medegedeeld (Rom. 6 : 4 —11).
Zij waren, zooals Paulus het heeft uitgedrukt, mede opgewekt, en mede gezet in den hemel, in Christus (Ef. 1 : 6).
Maar als de apostolische gemeente werd, wat zij geworden is, door hare gemeenschap met den hemelschen Christus; als zij aan den hemelschen Christus meer dan genoeg had: hoe zijn dan de Evangeliën ontstaan, die ons met den aardschen Christus bekend maken?
Niets was natuurlijker, dan dat de geloovigen \'t een en ander wenschten te weten aangaande Jezus\' aardsche leven, nadat zij Hem als den Verheerlijkte hadden leeren kennen, omdat Zijne apostelen getuigden, dat dit aardsche leven de spiegel was van Zijn hemelsche leven.
Zie hier de tegenstelling opgelost in eene diepere eenheid. Het aardsche leven van Jezus was voor de apostelen een raadsel, zoo lang zij alleen den aardschen Christus kenden.
Geen wonder. Het lagere wordt begrepen uit het hoogere, waartoe het opklimt en zich ontwikkelt; niet omgekeerd.
Jezus\' woorden en daden zijn, afgescheiden van Zijn hemelsch leven, de onverklaarbaarste en ongerijmdste woorden en daden, die ooit werden gehoord en aanschouwd.
Niets kon ze verklaren, dan Zijn terugkeer tot de heerlijkheid des Vaders, en Zijn arbeid uit die heerlijkheid door den Heiligen Geest.
Terwijl Zijn aardsche ie ven, op zich zelf staande, de ongerijmdste aller ongerijmdheden is, wordt het verstaanbaarder en doorzichtiger dan eenig menschenleven, door de eenheid er van met Zijn hemelsch leven.
Wat anders, in Jezus\' woorden en daden, \'t ongerijmdste zou zijn geweest, dat wordt het begrijpelijkste van alles, zoodra men het invoegt in Zijn hemelsch leven.
Van achteren, nadat Jezus opgewekt en verheerlijkt was, zagen Zijne apostelen in Zijn aardsche leven, den spiegel van Zijn hemelsch leven.
DE CHRISTUS DER EVANGELIËN ENZ.
En uit dat standpunt, dat het eenige ware standpunt is, beschouwden zij voortaan Jezus aardsche leven, en deelden zij in de christelijke vergaderingen eenige losse herinneringen aangaande Jezus\' redenen en daden mede.
Het was hun niet er om te doen Jezus\' aardsche leven te verhalen, zooals men het leven verhaalt van een held en heilige, dien men vergoodt.
Dan waren de Evangeliën gansch anders uitgevallen.
Niets is oppervlakkiger, dan \'t ontstaan onzer Evangeliën toe te schrijven aan de zucht om den aardschen Christus boven alle helden en heiligen te verheffen.
Al wat zij ons van Jezus\' aardsche levensgeschiedenis mede-deelen is beperkt tot eenige weinige dagen!
Had Lukas ons niet Jezus\' tempelbezoek op twaalfjarigen leeftijd verhaald, dan wisten wij letterlijk niets van hetgeen Hij gedurende dertig van de tweeëndertig jaren Zijns aardschen levens gesproken en gedaan heeft.
\'t Was hun genoeg in enkele bijzonderheden de trekken te toonen van den aardschen Christus, als \'t beeld van den hemelschen Christus.
Vooral was \'t hun eene behoefte, ons in den lijdenden Christus het Lam Gods te doen aanschouwen, dat de zonde der wereld heeft verzoend.
Het gewichtigste, dat ons de Evangeliën mededeelen, is niet wat Jezus op aarde heeft gedaan, maar wat Hij beloofd heeft te zullen doen, nadat Hij tot Zijne heerlijkheid bij den Vader zou zijn teruggekeerd (Matth. 18 : 20; 16 ; 27; Joh. 15 : 26).
De Brieven toonen, hoe vervuld is, wat de Evangeliën ons doen verwachten.
De Brieven verklaren de Evangeliën, niet de Evangeliën de Brieven; gelijk de vervulling de voorspelling, en niet de voorspelling de vervulling; gelijk het nieuwe het oude, en niet het oude het nieuwe Verbond verklaart.
Daarom is \'t voor hem, die niet met de Gemeente leven
230
wat dunkt u van den christus ?
wil in de gemeenschap met den hemelschen Cristus. ten eene-male een verloren arbeid, den aardschen Christus te willen verstaan.
Die niet één in geest en aanschouwing is met de apostolische Brieven, mist den sleutel om de Evangeliën te verklaren.
\'t Is de hemelsche Christus, dien wij in den historischen Christus terugvinden.
\'t Is de hemelsche Christus, die ons den aardschen Christus ontsluiert.
De aardsche Christus is doorzichtig van den hemelschen Christus.
BESLUIT.
XXXI.
wat dunkt u van den christus?
Deze vraag komt tot u, die in den Christus uw leven hebt gevonden.
Na Hem, meer opzettelijk dan gij gewoonlijk doet, te hebben aanschouwd in \'t licht, dat het viervoudig getuigenis dei-Evangelisten op Hem werpt, is \'t u eene behoefte des harten te belijden, wat Hij voor u is geworden.
Als de vraag tot u komt: wat dunkt u van den Christus? dan wordt in de eerste plaats niet uw verstand, maar uw hart in beweging gezet. En juist dit maakt u verlegen. Vroeger, toen gij Jezus Christus niet kendet, en naspraakt wat anderen u van Hem hebben gezegd, was uw verstand terstond gereed met eenige afgeronde formules op deze vraag te antwoorden en waandet gij alles aangaande Hem te weten. Nu daarentegen, sedert uw hart in Hem leeft, en gij al meer ontdekt.
231
wat dunkt u van den christus?
wat Hij voor u is, nu weet gij niet, hoe de zaak aan te vatten, waar te beginnen, waar te eindigen, als gij op Hem starende, de vraag verneemt; wat dunkt u van den Christus?
Uwe kennis van den Christus hebt gij inzonderheid te danken, aan hetgeen gij, van oogenblik tot oogenblik, van Zijne verlossende en heiligende genade ervaart.
Deze ervaring werpt een heerlijk licht over alles, wat de Evangeliën aangaande Hem getuigen.
Zij brengt Hem u onuitsprekelijk nabij. Gij denkt niet aan Hem, in de eerste plaats, als aan den Christus, die voor achttien eeuwen op aarde heeft geleefd; of die daar Boven, op oneindigen afstand van de aarde, in de heerlijkheid woont ; of die eenmaal tot deze aarde zal terugkeeren. Al deze dingen verkregen eerst daardoor voor u de hoogste beteekenis, door dat de Christus, van oogenblik tot oogenblik, \'t leven van uw leven is geworden.
Gij denkt aan Hem, als aan den Geliefde, „dien gij niet gezien hebt, en nochtans lief hebt; in wien gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar geloovende, u verheugt met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugdequot; (I Petr. 1 : 8).
Denkt gij Hem weg, dan is voor u de geschiedenis van \'t menschdom en van uw eigen hart eene ondoordringbare duisternis, wordt alles in en om u een onverklaarbaar raadsel, heerscht alom niets dan de verslindende dood.
Aan Hem dankt gij uw onwrikbaar geloop aan \'t bestaan van God, als van de Heilige Liefde. In Hem hebt gij aangenomen Gods beste gave aan den mensch. Hij kwam op aarde om u \'t Evangelie van Gods heilige liefde te verkondigen, u met God te verzoenen, en u in te leiden in de gemeenschap met Hemzelven en met den Vader.
In deze gemeenschap hebt gij \'t eeuwige leven gevonden.
Herinnert gij u den tijd van uwen terugkeer tot God uit de macht der wereld, der zonde, des ongeloofs? Geen pen kan beschrijven wat in u omging, toen gij, neerzinkend onder een ondragelijken last, geloovig uw oog mocht opheffen tot
232
WAT DUNKT U VAN DEN CHRISTUS?
den Gekruisigde, en de hand mocht leggen op Hem, zeggende; .,Hij is \'t Lam Gods, dat ook mijne zonden draagt.quot;
Toen stroomde uit God een nieuw leven in u. Zijn vrede en Zijne vreugde vervulden uw hart. Uit dat hart klom toen voor \'t eerst tot uwen God het Abba, Vader!
En al kunt gij u den tijd niet herinneren, toen Jezus Christus voor \'t eerst alzoo u tot zich trok, sedert gij in Hem Gods eeuwige liefde hebt omhelsd, hebt gij geleerd al wat u wedervaart in \'t licht van deze, aan u ontdekte liefde te aanschouwen.
In de donkerste oogenblikken, in de zwaarste beproevingen, waarin Hij u het teederst tot zich trekt, roept \'t geloovige hart \'t krachtigst uit: „Zoo God vóór mij is, wie zal tegen mij zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor mij heeft overgegeven, hoe zal Hij mij ook met Hem niet alle dingen schenken?quot; (Rom. 8 : 31, 32.)
\'t Ga zooals \'t wil, één blik geloovig geworpen op \'t Kruis, waar Jezus Christus Zijn leven voor u gaf, en — de nacht wordt dag, de duisternis licht!
Deze ervaring gaf u den sleutel in de hand, om de voor anderen zoo duistere geschiedenis des menschdoms te verstaan. Niettegenstaande al hare donkere bladzijden, is zij voor u, bij uitnemendheid, de geschiedenis der goddelijke gerechtigheid en genade — de geschiedenis van Gods heilige liefde.
In Gods oordeelen ziet gij de doorgangen tot tijden van uitnemenden zegen. Zij brachten den mensch, van stap tot stap, nader tot dien heugelijken oogenblik, toen Jezus Christus, rt Licht der wereld, geboren werd.
\'t Is u van achteren duidelijk geworden, dat God, van den aanvang der menschelijke geschiedenis, alles zoo bestierde, dat Hij den mensch voor de komst van Jezus Christus voorbereidde.
En sedert Jezus Christus in u woont, wijkt al meer in u de duisternis voor \'t licht. Niet door moeitevolle inspanning, maar door \'t geloof aan Zijn allesoverwinnende genade in u, sterft de oude en leeft de nieuwe mensch in u.
233
V
234 wat dunkt U van den christus?
Terwijl liet zondige vleesch in u onveranderd blijft, terwijl, zoolang gij leeft, de mogelijkheid tot elke zonde in u voortduurt, weet Hij, in elke beproeving, waarin gij geloovig alles van Hem verwacht, u, in Zijne gemeenschap, meer dan overwinnaar te maken.
Het geheim van dit helder triumfeerend leven in u, is uw geloof in den Zoon van God, die u heeft liefgehad en zich voor u heeft overgegeven (Gal. 2 : 19).
In \'t licht dezer ervaring ziet gij uwe toekomst tegemoet. Uit dit geloof wordt uwe hoop geboren. Kunnen de beproevingen u niet van Jezus Christus scheiden, wat zeg ik? binden zij u al nauwer aan Hem, dan weet gij dat niets, ook niet de dood, u schaden kan. Gij wordt dan van aardsche banden ontbonden, om met Christus te zijn (Fil. 1 ; 23).
En aan \'t einde uwer heilsgeschiedenis ziet gij Christus verschijnen, om u de heerlijkheid in te voeren, die samenvalt met de opstanding der dooden en de vernieuwing van hemel en aarde.
En gelijk de oude geschiedenis de volkeren heeft voorbereid voor de eerste komst van Christus, zoo weet gij dat de nieuwe geschiedenis hen voorbereidt voor deze tweede komst.
Zijne eerste is de waarborg van Zijne tweede komst. Wat hebt gij dan Christus niet te danken, dat deze hoop in u leeft!
Terwijl anderen den ondergang der volkeren meenen te moeten verwachten, ziet gij hoe elk oordeel Gods ze nader brengt, tot die wanhoop aan zich zeiven, waaruit het geloof zal worden geboren aan den Christus, die komt om de koninkrijken der wereld te doen worden \'t Koninkrijk van God en Zijn Christus (Openb. 11 : 15).
Terwijl anderen treuren over de ontbinding, ook der kerkgenootschappen, ziet gij, met vreugde, in die slooping \'t oordeel Gods. dat de Gemeente tot iets beters bereidt, dan zij eeuwen lang, met behulp van de aardsche machten, heeft gezocht.
WAT DUNKT U VAX DEN CHRISTUS?
De dood van \'t oude is voor xi de profetie van \'t nieuwe.
Is Jezus Christus niet opgestaan uit den dood?
Verrees Hij niet in een nieuw en heerlijk lichaam?
Voer Hij niet op ten hemel, waar Hij nu heerscht aan \'s Vaders rechterhand?
Gij weet, dat gij één zijt met Christus, en dat Zijne geschiedenis, stap na stap. de geschiedenis van den verlosten mensch worden zal.
Ik spreek van uwe eenheid met Christus. Hoe zijt gij u bewust van uwe eenheid met Hem? — Door uwe liefde tot Hem.
Zij is geboren uit Zijne liefde tot u.
Gij hebt niet geweten wat liefde is, vóórdat Jezus\' liefde tot u, u innerlijk duidelijk is geworden.
Gij hebt niet geweten wat het was, u onbepaald aan iemands liefde toe te vertrouwen, totdat gij u, voor tijd en eeuwigheid, aan Jezus\' liefde hebt toevertrouwd.
En gelijk uit die liefde uwe liefde tot Jezus Christus werd geboren en dagelijks wordt gevoed, zoo ontstond daaruit en wordt daardoor van dag tot dag versterkt uwe liefde tot den naaste.
In uwe eenheid en gemeenschap met Jezus Christus zijt gij de deelgenoot geworden van Zijne liefde tot den mensch.
üw hart gaat medelijdend uit tot uwe niedemenschen, die zonder \'t geloof en de hoop leven, die gij aan Jezus Christus te danken hebt.
Gij kent geen hoogere eer, dan dat uw Heiland u gebruikt om anderen tot de kennis van Zijn heil te brengen, of te helpen brengen.
Gij kent geen hooger vreugde, dan wanneer gij ziet of verneemt, dat harde harten smelten, doove ooren opengaan, blinde oogen zien, en men Jezus Christus als Verlosser omhelst.
\'t Is de hoogste vreugde van den Vader, den Zoon en de heilige engelen (Luk. 15).
235
wat dunkt u van den christus?
\'t Is de vreugde, die één is met de liefde des Vaders, des Zoons en der heilige engelen.
\'t Is vooral door de liefde, die u aan den Vader en den Zoon, aan uwe medeverlosten en de verlorenen bindt, dat gij u des eeuwigen levens bewust zijt.
Zulk eene liefde — gij zijt er zeker van — kan zoo min vergaan als God zelf.
God is liefde.
Deze liefde is de eeuwige band, die eeuwiglevende wezens aan elkander hecht.
Zij is de polsslag des eeuwigen levens.
\'t Gaat, in uwe schatting, al wat te bedenken is oneindig te boven, dat de liefde Gods in uw hart is uitgestort dooiden Heiligen Geest, die u gegeven is (Rom. 5 ; 5).
En als gij nu dit alles — uw geloof, uwe hoop, uwe liefde — het eeuwige leven — aan Jezus Christus, en wel als de vrucht van al wat Hij voor u heeft geleden, dank weet, hoe zoudt gij dan in woorden kunnen uitdrukken, wat u van den Christus dunkt?
Vraag het kind, dat gelooft dat zijn vader de beste vader is; „Wat dunkt u van uwen vader?quot;
Vraag de vrouw, die gelooft dat haar man de beste echtgenoot is: „Wat dunkt u van uwen echtgenoot?quot;
Vraag de bruid, die gelooft dat zij den voortreffelijksten jongeling tot bruidegom heeft: „Wat dunkt u van uwen bruidegom ?quot;
Gij zult hun antwoord lezen in \'t vuur, dat in hun oog-vonkelt, in den glans, die hun gelaat verheerlijkt, meer dan in de woorden, die uw verstand aanhoort en wikt en weegt.
En wat is de beste vader, de trouwste echtgenoot, de beminnelijkste bruidegom — zoo spreekt uw hart — vergeleken met U, Jezus Christus, mijn Redder en mijn Heer?
Gij zijt oneindig meer dan het schoonste en het beste, dat ik mij denken kan.
Al wat ik bewonder en bemin, is een flauw beeld van U, den Bewonderens- en Beminnenswaardige.
236
WAT DUNKT U VAN DEN CHRISTUS?
Gij zijt de eeuwige verzadiging van mijn peinzend verstand en mijn liefhebbend hart.
U wil ik gehoorzamen, U volgen, U gelijkvormig worden. Mijn leven zal tot in alle eeuwigheid een lofzang zijn, U ter eere. Amen.
237
ERRATA.
Blz. 2, regel 23 v. o. lees: dat daarmede in overeenstemming is, „ 6, „ 16 v. b. staat: slaat, lees: sla.
1 10, „ 15 v. o. „ van den Vader, lees: aan den Vader.
17, „ 9 v. o. en waardoor Hij ons leert, lees: en waardoor hy leert.
„ 19, „ 11 v. b. „ de luisterende stem, lees: de fluisterende stem. ,, 22, „ 5 v. o. „ Jezus Christus ontbindt in ons, lees: Jezus Christus
ontbindt niet in ons.
„ 23, „ 15 v. o. „ die in Hem zouden gelooven, lees: die in Hem ge-looven.
„ 28, ,, 8 v. o. ,, Hoe verheffend was het van Jezus, lees: Hoe verheffend was het voor Jezus,
3.v. b. „ Zijn schuld en vloek te verlieffen? lees: zijn schuld
en vloek te ontheffen?
6 v. b. beloften en goddelijke hulp, lees: beloften van god
delijke hulp.
15 v. b. „ teederder, lees: teeder.
14 v. o. „ Zijne gezegende macht, lees: Zyne genezende macht. 12 v. o. bèweldadigden, lees: beweldadigde.
15 v. o. Eeneontvankelijkeziel, lees: Elke ontvankelykeziel.
4 v. o. „ genezen? Waar, lees: genezen; waar. 15 v. b. ergsten kranken, lees: ergste kranken.
5 v. o. beschamenden, lees: beschermenden.
10 v. b. „ stootte, lees: stiet.
11 v. b. hoofden, lees: hoofdjes.
6 v. o. „ in hunnen Rechter, lees: in hunnen Redder. 8 v. o. de Profeten aangeboden, lees: de Profeten aangebracht.
lees: hij pleit voor de opstanding der dooden, voor de
liefde, die kinderen.
staat: te vormen, lees: te vestigen.
„ een Zoon van God, lees: een zoon van God. „ het verschil weten, lees: het verschil meten. ,, In zijn eerste aanvang, lees: in zijn eersten aanvang, léés: het is niet in staat in de cel, bij haar eerste wording datgene te ontdekken.
staat: wat het later zag, lees: wat het later, zeg.
„ Het goddelijke vult het menschelijke aan, lees: het
goddelijke vult het menschelyke.
„ de geloovige Zoon van God, lees: de geloovige een
zoon van God.
„ hoe met God als Vader om te gaan, lees: hoe met
God om te gaan.
„ tegen deze zelfzuchtigen geest, lees: tegen dezen
zelfzuchtigen geest.
„ openbare en verwezenlijken, lees: openbaren en
verwezenlijken.
., over deze liefdelooze, lees: over dezen liefdelooze. „ alleen mensch, lees: alleen als mensch.
„ Joh. 6 : 4, 5, lees: Joh. 6 : 45.
., eene menschelijke geworden is, lees: eene mensche-
lijk gewordene is.
„ is het heilig karakter, lees: is haar heilig karakter. „ \'t goddelijk wezen, lees: \'t goddelijk weten.
de eenige heerlijkheid, lees: de eeuwige heerlykheid. „ Zijn sterven een vooruitgang, lees: Zijn sterven
een vooruitgaan.
„ Hand. 70 : 37, 38; lees: Hand. 10 : 37, 38.
,. Dit is Uwe ure, lees: dit is uwe ure. „ zielenstrijd, lees: zielestrijd.
„ bevrijde, lees: bevrijdde.
lees: bij zijne Vader leeft, is hij, wat hij naar Gods oorspronkelijke verordening bestemd was te zijn, is hy. 3 v. o. „ En als de mensch is, wat hy wezen moet. welke
plaats neemt hy.
14 v. b. staat: over allen vleesch, lees: over alle vleesch.
4 v. o.
12 v. o. 8 v. o. 2 v. b.
13 v. o. 8 v. o.
2 v. o.
11 v. o.
2 v. o.
2 v. o. 18 v. b.
9 v. o. 2 v. b.
15 v. b. 10 v. o.
12 v. o. 15 v. b. 6,5, v. o.
Bij J. W. LEEFLANG te Utrecht verscheen mede:
(i. \\V. UL\'AXD\'J\'. Dienende Liefde. Een boek voor het Ilnisi»v/ni. \\ertaal(l onder toezicht en met \\\'oorredc van
Tl N Kvi i ............./0.7,-)
X. I\'KIi\'.s. IVIaarien Luther, de uiiiii v;iii (toi! gezonden.
2lt;3e Druk. lt; ieïllustreerd............-0.25
25 Kx. : 5(1 Ex./!). : 100 Ex. /!(!.—.
HKSEA STKKT\'n).\\. Thuis best, [\'it liet Engelsch door
Al M A..................- 0.40
X. HOI-MEIJI!. De aanschouwing der Heerlijkheid van Jezus Cln istus. Leerrede, iiitgesprokeu tijdens /jjii bezoek
aan Xederland in den herfst van 1884........ o.y-,
X. .1. HOIOIEIJJ;. Uit de Duisternis in het Licht. Wunken over den ooi-s]jroiig en aard van het Christelijk leven.
Met portret van den schrijver.......... 2.40
Gebonden in keurig linnen band......... 2.90
•V .1. HüKMEIJl;. Jezus\' Heerlijkheid weerspiegeld In Zijn
aardsche leven........................- 1 50
Gebonden in keurig linnen band........-1.90
X. J. HUI-\'MElJi;. De Christus der Evangeliën -1.90
Gebonden in keurig linnen band........- 2;40
.1. H. 1101,\'A S1CCA.MA. Onze Prinsessen. Eene geschiedkundige herinnering....................- i 40
li. .Sl\'L\'KGEOX. Leerredenen. Uit het Engelsch vertaald door Ei.isaiiktii l\'iii:i.isT.\\iiT. X\'ienwe reeks. Per jaargang
Vim 52 nuiumers......................-39i)
H. .Sl\'UL\'OEOX. De Christelijke Feesten - 1.75
Gebonden in keurig linnen band.......- 2.25
O. H. Si\'L\'liGEOX. Overeenkomstig de belofte - O.\'JO
O. H. gt;SI\'I KGEOX. Kerstfeest-vieren. Eene Leerrede . . -0.15
25 Ex. /2.50: 1(10 Ex. /9. -.
C. 11. Sl\'i IJGEOX, Het eerste Kerstlied. Eene Leerrede . -0.12.\', 25 Ex. /2.50; 100 Ex. /9. .
i yp. r. A. GEURT8 Nijmegen.