-ocr page 1-

! ^ j

J DE BETEEKENIS

.

VAN DEN

CHRISTELIJKER DOOPj

,

VOLGENS DK SCHRIFTEN DES NIEUWEN VERBONDS

EN

HET GOED RECHT VAN DEiX KINDERDOOP.

DOOR

D^r D. C. THIJM.

mil ---

UTRECHT,

KEMINK amp; ZOON.

1884.

k...........:...................................i

\\

-ocr page 2-

E. oct.

11? 6 %

1

I

-ocr page 3-

a*

* u

DE BETEEKENIS

VAN DEN

CHRISTEL IJ KEN DOOP

VOLGENS DE SCHRIFTEN DES NIEUWEN VERBONDS EN

HET GOED EECHT VAN DEN KINDERDOOP.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE BETEEKENIS

VAN DEN

CHRISTELIJKEN DOOP

VOLGENS DE SCHRIFTEN DES NIEUWEN VERBONDS

EN

HET GOED RECHT VAN DEN KINDERDOOP.

DOOR

KEMINK amp; ZOON. 1884.

DR. D. C. THIJM.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOORREDE.

Het boek, dat ik bij dezen aan het christelijk publiek aanbied, zou wellicht eerst over eenige maanden verschenen zijn, indien de bekende vertraging van mijn vertrek naar \'s-Graven-hage mij niet den tijd had gegeven, om er nu reeds de laatste hand aan te leggen. Ik verheug er mij ower, dat ik zulks in dien tusschentijd heb kunnen doen.

Zeer zal het mij verblijden, als het blijken mocht, dat ik de gemeente des Heer en met mijn arbeid gediend heb. Voor haar toch schreef ik dit hoek: om haar een weinig voor te lichten ten opzichte van de beteekenis van den christelijken doop, en haar te versterken in de overtuiging, dat hare kinderen recht hebben op dat teeken des Verbonds.

Daarom heb ik getracht, om, voor zooveel zulks doenlijk was, te schrijven in een vorm en op een wijze, waardoor dit werk ook voor eenigszins ontwikkelde niet-theologen in de gemeente leesbaar werd. Uit den aard der zaak kon mij dat in het tweede heter gelukken, dan in het eerste Hoofdstuk.

Toch vertrouw ik, dat hetgeen in het eerste Hoofdstuk de hoofdzaak is door aandachtige lezers wèl zal begrepen worden. Ik heb mij daarin uitsluitend bepaald tot hetgeen betrekking heeft op de beteekenis van den christelijken doop. Over hetgeen daarbuiten viel, en o. a. met het ritueele in verband stond, heb ik met opzet niet gesproken, ivijl ik dat van ondergeschikt belang achtte, en mijn boek ook niet al te uitgebreid wilde maken.

-ocr page 8-

In dezen tijd van strijd op kerkelijk gebied schijnt het een gevaarlijk werk, zich in het openhaar uit te spreken over hetgeen tot het terrein van de Dogmatiek behoort.

Ik heb mij evenwel in het geheel niet bekommerd over de vraag, of de opvattingen die ik voorgestaan en verdedigd heb, de goedkeuring van dezen of genen ketterjager wel zouden wegdragen. Ik zal er dan ook in het geheel geen notitie van nemen, indien sommigen lust mochten gevoelen om mij te gaan bestrijden met citaten uit oude hoeken; terwijl ik er met allen ernst naar luisteren zal, als men mij mocht aanwijzen, dat niet al wat ik gezegd heb geacht moet worden , in overeenstemming te zijn met de H. Schrift.

Voorts — Heil den lezer, eiken lezer!

D. C. Th.

Hijkersmilde, 10 Mei ISSi.

-ocr page 9-

«5

INHOUD.

Biz.

Inleiding. De doop in Israël voor de instelling van

den christelijken doop....................1— 7.

EERSTE HOOFDSTUK.

Be beteekenis van den christelijken doop volgens de

Schriften des Nieuwen Verhonds..............8—119.

§ 1. De beteekenis van den christelijken doop

volgens de eigen woorden des Heeren . 8— 29.

§ 2. De beteekenis van den christelijken doop

volgens de Brieven der apostelen. . . 29— 80.

A. De beteekenis van den christelijken

doop volgens de Brieven van Paulus. 31— 72.

B. De beteekenis van den christelijken

doop volgens den eersten Brief van

Petrus......................72— 80.

§ 3. De beteekenis van den christelijken doop

volgens de Handelingen der apostelen . 81— 98.

§ 4. De waarde van den christelijken doop volgens zijn beteekenis.......98—119.

-ocr page 10-

TWEEDE HOOFDSTUK.

Blz.

Het goed recht van den kinderdoop..............120—260.

§ 1. De kinderdoop en de beteekenis van den

doop..........................122—132.

§ 2. De kinderdoop en het Bijbelsch begrip van

Huisgezin ..................132—140.

§ 3. De kinderdoop en Mark. 10:13—16. . . 140—150.

§ 4. De kinderdoop en 1 Cor. 7 :14 . . . . 150—162.

§ 5. De kinderdoop en het voorkomend karakter

van de goddelijke genade............162—167.

§ 6. De kinderdoop en de tweede Adam . . . 168—176.

§ 7. De kinderdoop en het genadeverbond . . 176 —197.

§ 8. De kinderdoop en de praxis van de vroegste

christelijke Kerk..................197—224.

§ 9. De voornaamste bezwaren tegen het goed

recht van den kinderdoop getoetst . . 225—260.

-ocr page 11-

INLEIDING.

DE DOOP IN ISRAËL VÓÓR DE INSTELLING VAN DEN CHRISTELIJKEN DOOP.

Bij vele volken der oudheid was de reiniging met water een voornaam bestanddeel van de godsdienstige handelingen en plechtigheden. Met name bij de Grieken en Romeinen stelde men zich nimmer op de eene of andere wijze met de goden in betrekking, zonder zich vooraf met water ge-wasschen of besproeid te hebben. !) Aan deze uiterlijke reiniging met water lag het bewustzijn ten grondslag, dat de mensch in zichzelf te zondig en te onrein is, dan dat hij, zonder vooraf innerlijk gereinigd te zijn, met de godheid in gemeenschap zou kunnen treden.

Hetzelfde vinden wij in Israël, reeds ten tijde van de aartsvaders. -) Maar inzonderheid later, toen daaromtrent bepaalde wetten en voorschriften door God werden gegeven, waren godsdienstige wasschingen, besproeiingen en reinigingen met water in Israël gebruikelijk als zinnebeelden,

1) Meu zie hierover het belangrijke, dat Dr. J. A. Biuueweg geschreven heeft, op bl. \'1—4 van zijn Dissertatie over De Leer van Paulun aangaande den Doop.

c2) Zie Gen. 35: quot;2 en 3.

1

-ocr page 12-

2

niet alleen van wijding tot den dienst van God, maar ook van ontzondiging en innerlijke reiniging. 1)

Aan deze godsdienstige handelingen met water sloot zich de doop van Johannes aan. Van daar, dat het in Israël in het geheel geen strijd veroorzaakte en bij niemand verwondering wekte, toen die voorlooper van den Messias zijn prediking, „dat het Koninkrijk der hemelen nabij was gekomen,quot; gepaard deed gaan met het bedienen van den doop. 2)

Nochtans draagt de doop van Johannes een zeer bijzonder karakter, eu kan hij geenszins worden beschouwd als slechts een andere vorm van de Oud-Testamentische was-schingen, besproeiingen en reinigingen met water. Van goddehjken oorsprong en het gevolg van een goddelijke zen-ding, a) was hij een bepaalde heen wijzing naar den Messias, die stond te verschijnen, 3) en bracht hij in een staat van boete als de ware voorbereiding voor het naderend Godsrijk, op zinnebeeldige wijze aanduidende, welke zedelijke verandering er moest plaats grijpen bij hem, die den toekomenden toorn wilde ontvlieden, en het Koninkrijk der hemelen beërven.

Met nadruk wordt dan ook de doop van Johannes een doop „der bekeering,quot;4) of ook „der bekeering tot vergeving van zonden,quot;0) genoemd. Hij is een doop der bekeering, niet omdat hij de bekeering bewerkte, of geacht kon worden, het zegel te zijn van de reeds tot stand gekomen bekeering, maar omdat hij een symbolische handeling was, welke aan hem, die zich daaraan onderwierp, de noodzakelijkheid der bekeering voorhield, en hem

1

■1) Zie 1:.* 19:10—14; 29:4; 30:18—21; 40:12; Lev. 8:6; 14:7 en 8; 16:2—29; Num. 19:8 en verv.; Deut. 21:6; Joz. 3:5, e. a. pil. Vgl. Mt. 15:2; Me. 7: 3 en 4; Le. 11:38.

2

Vgl. Die heilige Taufe nach Schrift and Tradition. A.us dem JEnglischen übertragen durch Heimich \\V. J. Thiersch (Basel 1875), bl. 64 en 65.

3

Zie Joh. 1 : 26 en 27, en Hand. 19 : 4.

4

Zie Mc. 1 : 4 en Lc. 3: 3.

-ocr page 13-

den eisch stelde van vaarwel te zeggen aan zijn vroeger leven in de zonde, om voortaan in een leven van zedelijke reinheid zich toe te wijden aan God, ten einde op deze wijze zich voor te bereiden tot het deelgenootschap van het heil, dat de Messias zou aanbrengen. \') Evenzoo wordt hij een doop der bekeering tot vergeving van zonden genoemd , niet omdat hij de vergeving van zonden feitelijk mededeelde, maar omdat hij, symbolisch de noodzakelijkheid van de bekeering voorstellende, hierdoor tevens den weg wees tot het ontvangen van de weldaad der vergeving van zonden, door het geloof in Hem, die komen zou.

Wat de verhouding van den Johanneïschen tot den christe-lijken doop betreft: al is deze doop op dien van Johannes gevolgd, hij kan nochtans niet beschouwd worden als daarvan louter de voorzetting te zijn, daar beide bij veel overeenkomst in menig opzicht van elkander verschillen.

De doop van Johannes toch was een heen wijzing naar Hem, die komen zou, en als zoodanig een voorbereiding voor den doop, dien de Heer instelde. Hij was bestemd alleen voor de Joden; de christelijke doop daarentegen ook voor de Heidenen, den middelmuur des afscheidsels tus-schen volken en volken, menschen en menschen, geheel verbrekende. De doop van Johannes was slechts een wijding tot het Koninkrijk der hemelen, dat nabij was; de christelijke doop is een dadelijke opneming in dat Koninkrijk, hetwelk reeds gekomen is. Door den eersten verbond men zich tot het geloof aan den Messias, die nog verschijnen moest, door den laatsten verbindt men zich aan den Messias, die reeds verschenen is.1) De doop van Johannes wees den boeteling op de vergeving van zionden als op een nog toekomstigen zegen, de christelijke doop predikt haar als de dadelijke vrucht van de bekeering. 2)

1

l2) Vgl. Hodge, Systematic Theology, Vol. Ill, bl. 594, in de noot; J. J. van Oosterzeo, Christelijke Dogmatiek, 11, §87; en Doedes, I.a.p., bl. 324 en 325.

2

Zie Hand. 2:38. Zeer juist zegt Matthies, op bl. 56* en 57 van zijn

1*

-ocr page 14-

4

De doop van Johannes had meer een negatieve befcee-kenis, daar hij, den weg bereidende voor het Koninkrijk dei-hemelen, aanspoorde om alle belemmeringen uit den weg te ruimen. Hij wees inzonderheid op hetgeen door den mensch gedaan moest worden met het oog op de komst van den Messias, en kon, uit den aard der zaak, geen betrekking hebben op het reeds volbrachte verlossingswerk. De christelijke doop daarentegen heeft inzonderheid een positieve beteekenis. Hij wijst in de eerste plaats, niet op hetgeen door den mensch gedaan moet worden, maar np hetgeen door God voor den mensch gedaan is, en heeft betrekking op het reeds door Christus volbrachte verlossingswerk.!)

Voorts noemt Johannes zelf zijn doop een doopen met water, zonder hem tevens in verband te brengen met den H. Geest; terwijl de christelijke doop met dien Geest in het nauwste verband staat.1) Van daar, dat de discipelen des Heeren, na de instelling van den christelijken doop, niet met doopen mochten beginnen, voordat de H. Geest was uitgestort,2) en dat Paulus te Efeze discipelen van Johannes, die den Johanneïschen doop hadden ontvangen, herdoopt heeft. 3)

Eindelijk moet in het oog worden gehouden, dat de doop van Johannes niet, dan van voorbijgaande beteekenis was. Als het einde van de Oud-Testamentische paedagogie, die

1

Zie Mt. 3:11; Joh. 1: 26 en 33, en Mt. 28:19.

2

Zie Hand. 1 :14.

3

Hand. 19:1—5. Vgl. Hodge, t. a. p.

-ocr page 15-

door de zending van Johannes werd afgesloten, was hij de laatste schakel aan de keten der gerechtigheid, die vervuld moest worden bij den overgang tot de Nieuw-Testamentische heilsbedeeling. Zoo stond hij tot den christelijken doop in dezelfde verhouding als het Oude Verbond tot het Nieuwe, als de belofte tot de vervulling, en had hij zijn doel en zijn einde bereikt met de optreding van Hem, naar wien hij heenwees, en toen deze, door er zich aan te onderwerpen, er den goddelijken stempel op drukte.

Met alleen van den doop van Johannes, maar ook van een anderen doop wordt in de Schriften des N. Verbonds molding gemaakt voor de instelling van den christelijken doop. Ik bedoel den doop, die door de discipelen des Heeren bediend werd, kort nadat de Heer openlijk zijn verlossingswerk in Israël aanvaard had, en waarvan wij op geen andere plaats iets lezen, dan alleen Joh. 3 : 22 en 26, en 4 : 1 en 2. Welke beteekenis moet, in verband met de Nieuw-Testamentische heilsordening, aan dezen doop worden toegekend?

Toen de discipelen des Heeren dien doop bedienden, was het Koninkrijk der hemelen niet meer in het stadium van de werkzaamheid van Johannes, maar in dat van de werkzaamheid des Heeren zeiven. Het was toen niet meer iets toekomstigs. Het was reeds gekomen. Maar hoewel het reeds gekomen was, was het toen nog slechts in zijn aanvang, in zijn wording. Daarom komt het mij voor, dat die doop, tusschen den Johanneïschen en den christelijken doop staande, slechts een overgang was van den eenen toestand in den anderen, en alleen in het begin van \'s Heeren openlijke optreding bediend werd. Van daar, dat later daarvan in het geheel geen melding meer gemaakt wordt, zelfs daar niet, waar wij dit zouden verwacht bebben: als nl. verhaald wordt, dat de Heer, toen Hij zijn twaalf discipelen uitzond, hun uitvoerige bevelen gaf aangaande hetgeen hun te doen stond. \')

i) Zie Mt. 10.

-ocr page 16-

6

Evenmin als de doop van Johannes, kan die doop in beteekenis met den christelijken doop worden gelijkgesteld. Terwijl toch de christelijke doop betrekking heeft op den naam van den Yader, den Zoon en den H. Geest, kan dit ook van genoemden doop geenszins gezegd worden, daar het verlossingswerk toen nog niet volbracht, en de H. Geest nog niet uitgestort was;1) zoodat de Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes ook nog niet gezegd kon worden, reeds ten volle geopenbaard te zijn. Voor het grootste deel staat die doop feitelijk nog op den bodem van het Oude Testament, waarop de Heer zelf zich aanvankelijk gesteld had. 2) In beteekenis komt hij daarom het meest overeen met den doop, dien Johannes inzonderheid in het tweede stadium zijner werkzaamheid bediend heeft. quot;Want doopte Johannes aanvankelijk met het oog op den Messias, die nog verschijnen moest, het is niet aan te nemen, dat hij, nadat hij den Heer als den Messias had erkend en beleden,0) van toen af zijn doop niet zou bediend hebben met het oog op den Messias, die hij nu wist dat reeds verschenen was.

Wat eindelijk den zoogenaamden proselieten doop betreft: op het voetspoor van Maimonides, hebben o. a. Light-foot, Bengel en Matthies *) gemeend, dat hij reeds lang voor den tijd van Johannes in Israël in gebruik is geweest. Het is echter niet denkbaar, dat Josephus en Philo, ook daar, waar zij in hunne geschriften gereede aanleiding hadden om er over te spreken, daarvan geheel zouden gezwegen hebben, indien hij in hun tijd reeds het burgerrecht verkregen had. Voor de verwoesting van Jeruzalem is zijn

1

Vgl. Höiïiny, Das Sacrament der Taufe neist den anderen damit zusam-menhangenden Akten der Initiation, l, bl. \'2!I.

2

Zie Mt. 4:-17 en 10:7.

-ocr page 17-

7

bestaan niet aan te wijzen. Eerst in de Gemam Babylonica ^ ontdekken wij daarvan de sporen. De Schriften des N. Verbonds bevatten geen enkele aanduiding, waaruit kan worden opgemaakt, dat hij ten tijde van \'s Heeren omwandeling op aarde reeds in zwang is geweest. 1)

Maar al moest ook worden toegegeven, dat die doop reeds voor Johannes bestaan heeft, er zou daaruit toch niet mogen worden afgeleid, dat de doop van Johannes, en bij gevolg ook de christelijke doop, daarvan een bloote navolging geweest is, daar, gelijk ik reeds herinnerd heb, de Johanneïsche doop met nadruk wordt voorgesteld als van goddelijken oorsprong te zijn. Bovendien had de proselietendoop geen andere be-teekenis, dan de Oud-Testamentische wasschingen en reinigingen met water, en was hij zonder twijfel hetzelfde in een anderen vorm. Als het symbool van innerlijke reiniging en toewijding aan God, werd hij toegediend aan hen, die van het Heiden- tot het Jodendom overgingen. Die hem ontving, hij werd , naar de voorstelling van de Rabbijnen, een geheel ander mensch; hij ontwaakte tot een geheel nieuw leven met afbreking van al hetgeen achter hem was.

Na deze inleidende opmerkingen kunnen wij overgaan tot de behandeling van hetgeen ik mij voorgesteld heb. Ik wensch nl. eerst een onderzoek in te stellen naar De beteekenis van den christelijken doop volgens de Schriften des Nieuwen Verbonds, en daarna Het goed recht van den Kinderdoop aan te wijzen.

1

Men vergelijke hierbij M. S :hneckeiiburger, Ueher das Alter der jüdi-schtn Proselytentaufe und deren Zmammenhang mit demi Johanneischen und christlichen Ritus. Berl. 1828.

-ocr page 18-

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BETEEKENIS VAN DEN CHEISTELIJKEN DOOP VOLGENS DE SCHRIFTEN DES NIEUWEN VERBONDS.

§ 1-

De heteekenis van den christelijken Doop volgens de eigen woorden des Heeren.

De christelijke doop is door den Heer ingesteld en verordend kort vóór zijn hemelvaart, op den Olijfberg in Galilea, waarheen Hij zijne discipelen bescheiden had. lieeds hoeft Hij hen nader onderricht ten opzichte van de dingen, die het Koninkrijk Gods betreffen. Reeds heeft Hij hun de belofte aangaande den Trooster herhaald. Reeds heeft Hij hun bevolen, van Jeruzalem niet te scheiden, voordat die belofte vervuld was. En nadat Hij zich aldus op nieuw in zijn profetisch en koninklijk karakter aan hen geopenbaard had, spreekt Hij tot hen, eer Hij als de ware Hooge-priester zijne handen zegenend over hen uitbreidt, en de lichtwolk Hem wegneemt van voor hunne oogen, hetgeen wij lezen Matth. 28 : 18—20. Laat ons onderzoeken, welke volgens deze plaats de beteekenis van den christelijken doop is.

„Mij is gegeven alle macht in den hemel en op de aarde.quot; Met deze woorden leidt de Heer den last des doops in. En deze woorden zijn hier van groote beteekenis, omdat zij niets minder aanduiden, dan met welk recht en op welken grond de Heer aan zijne discipelen een

-ocr page 19-

9

last van zoo universeele strekking opdraagt. Alle macht (ttxtoc è^ouaia), zonder eenige beperking, is Hem gegeven. Alle macht, niet alleen in den hemel, maar ook op de aarde. De absolute macht van Heer over alles, om over alles als Koning te heerschen. i) Eene macht, die nu niet meer beperkt is door den staat der vernedering, „want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beide over dooden en levenden heerschen zou.quot; 1) En na het volbrachte verlossingswerk „heeft God Hem uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is; opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods, des Vaders.quot;3)

Omdat nu Christus zulk een onbeperkte macht heeft; omdat de volken Hem gegeven zijn tot een erfdeel, en de einden der aarde tot zijne bezitting,2) daarom, d. i. krachtens deze zijne betrekking en waardigheid als Koning van alle volken en als Heer van alles en allen, geeft Hij aan zijne discipelen den last: „Gaat heen {TrofnuUvrs:), maakt al de volken tot discipelen van mij («a^xfua-asTf ttcvj-cx tol Iövjj), hen doopende {px-ritpvreq y.-jTivq) iig den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, leerende hen bewaren {^ièx7y.ovrs: a-jTohg Typfw) al wat ik u heb opgedragen {irmToi ova, ivsisiKói.^viv

Gewoonlijk wordt, evenals in onze Statenvertaling, het Grieksche werkwoord, waaraan ik de beteekenis van „tot discipelen makenquot; heb toegekend, overgezet door: onderwijzen. Doch dit geschiedt ten onrechte. In het gewone spraakgebruik wordt het woord steeds intransitief gebezigd, in den zin van: iemands discipel zijn. De persoon,

1

Philipp. 2:9—11; vgl. Elez. 1:20—23.

2

Ps. 2:8.

-ocr page 20-

10

wiens discipel men is, komt daarbij dan in den Dativus te staan. In het N. T. wordt het alleen Matth. 27 : 57 aldus geconstrueerd. Op onze plaats is het, evenals Matth. 13 : 52 en Hand. 14:21, tramitief gebruikt, in de beteekenis van: tot discipelen maken. De vertaling „onderwijst alle volkenquot; moet alzoo worden vervangen door: „maakt alle volken tot discipelen,quot; waarmede, met het oog op den samenhang, bedoeld is: maakt alle volken tot discipelen van mij.

Als voorwerp van het „tot discipelen makenquot; noemt de Heer „al de volken.quot; Dus niet slechts de Joden, maar ook de Heidenen. En wel, omdat Hij recht heeft op al de volken, en allen als zijne discipelen aan zich onderworpen wil zien. Op welke wijze moet dit geschieden?

Dat het „tot discipelen makenquot; logisch niet voor het doopen, maar, omgekeerd, het doopen voor het „tot discipelen makenquot; gedacht is, blijkt uit de constructie zelve, die anders zou geweest zijn: Alle volken tot discipelen makende, doopt hen eis den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, leerende hen onderhouden al wat ik u heb opgedragen ^xdttTsv^xvTic-^xTrri^sTC-^iHfyxovrsc).

Het „tot discipelen makenquot; en het doopen voor twee verschillende handelingen te houden, het wordt verboden door het partic. praesens „doopende.quot; ^ Maar ook, door de omstandigheid, dat, daar het le er en (S/SawcovTf?) een van het „tot discipelen makenquot; verschillende handeling is, op die wijze een constructie ontstaan zou, die geheel zonder voorbeeld is: immers zulk eene, „in welcher drei aufein-ander folgenden Thiitigkeiten die der Zeit nach erste im Imperativ, die zweite im Particip Pras., die dritte ohne eine Partikel, wodurch das Nachfolgen der betreffenden ïhatigkeit ausgedrückt würde, abermals im Particip Pras. stande.quot; 1)

1

E. Hory, Die Taufe ah Kindertaufe, auf Grund heiliger Schrift unter-suchi und dargestellt (Stuttgart 1872), bl. 26.

-ocr page 21-

11

Bovendien bewijst de samenhang, dat in het „tot discipelen makenquot; de hoofdgedachte vervat is, en dat het doopen en het leeren onderhouden nader verklaren, op welke wijze daaraan uitvoering moet worden gegeven. Wij moeten alzoo aannemen, dat het „tot discipelen makenquot; samenvalt met het doopen, en dat met beide slechts éene handeling is aangeduid; zoodat de woorden „hen doopende si; den Naam des Vaders, enz.quot; de wijze te kennen geven, waarop de volken tot discipelen des Heeren gemaakt moeten worden. \') Dit moet nl. geschieden „door hen te doopen sic den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.quot; De juistheid van deze opvatting blijkt eveneens uit het feit, dat, volgens de doorgaande Nieuw-Testamentische beschouwingswijze, de doop een band vormde tusschen hen, die gedoopt werden, en hem, door wien of met het oog op wien de doop werd bediend, zoodat hij een betrekking als die van een discipel tot een meester deed ontstaan. Zoo waren de door Johannes gedoopten discipelen van Johannes, en zij, die van wege den Heer waren gedoopt, discipelen des Heeren. 1) Ook leert ons een nauwkeurige beschouwing van de wijze, waarop de apostelen na de uitstorting van den H. Geest den last des doops ten uitvoer brachten, dat het in de eerste plaats de doop was, waardoor men in den kring van des Heeren discipelen werd opgenomen, om eerst daarna verder onderwezen te worden in al hetgeen betrekking heeft op de dingen van Gods Koninkrijk.;3)

1

Zie Joh. 3: 22—26 en 4:1 en 2.

-ocr page 22-

12

Het pronomen xvtoü; (hen), in plaats van xütx, wijst aan, dat niet zoozeer de volken in massa, als wel de afzonderlijke personen, waaruit zij bestaan en waardoor zij gevormd worden, het object zjjn van het „tot discipelen maken.quot; Even ver als de sQv/t (volken), strekt zich dan ook het uvtcus uit.

Wat het woord (doopen) betreft: het is afgeleid

van fixvrrsiv, dat in iets dompelen of indoopen,!) en van daar ook wasschen beteekcnt. Als frequentativum van ioxTTTiiv, zou Sxyrri^sm alzoo eigenlijk te kennen moeten geven: een herhaald indompelen of indoopen, of een herhaald wasschen. In het gebruik verliest het echter zijn frequentatieve kracht, en komt het in beteekenis vrij wel overeen met pizTrreiv. Ook in het N. T. wordt het gebezigd in den zin van: met water wasschen.1) Maar het menig-vuldigst komt het daarin, gelijk ook bij de kerkvaders,2) in de beteekenis van doopen voor; waarbij dan in de eerste plaats gedacht moet worden aan een indompelen of indoopen in water, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, als zinnebeeld, niet alleen van innerlijke reiniging of van de bekeering, maar ook van inwijding in iets, of van toewijding aan iets of iemand.3) Zelfs verliest het woord in het _N. ï. menigmaal zijn oorspronkelijke beteekenis van een werkelijk indompelen of indoopen in water, en wordt het ook daar gebezigd, waar niet aan eigenlijk water gedacht kan worden, om aan te duiden: een innige betrekking tot, een gemeenschap met een persoon of een zaak, of ook een ingaan in een toestand.4)

Dat de woorden sU to iivo/tx tou niet kunnen beteekenen „in den naam van,quot; opgevat in den zin van: op gezag of

1

Zie b. v. Mc. 7: 4 en 8; Luc. 11: 18 en Hebr. V): 10.

2

Men zie Suicerus, Thesaurus ecclesiasticus, e patribus graecis or dine alphahetico exhïbens etc., in voce.

3

Vgl. Scholten, t. a. p., bl. 13.

4

o) Zie Lc. 12: 50 (vgl. Mc. 10: 38) en Joh. 13: 3—10. Vgl. Reuss, Histovre de la Théologie chrétienne au siècle apostolique, troisième edition, 1, bl. 243.

-ocr page 23-

13

op last van, is duidelijk, daar wel de praep. sv in deze beteekenis voorkomt, maar nooit de praep. slg. Evenmin kan het de bedoeling zijn, dat de volken moeten worden „ingedompeld in den Naam (als in het Wezen) van den Yader, den Zoon en den H. Geest,quot; zoodat die Naam het element zou zijn, waarin gedompeld moet worden. Op zichzelf beschouwd, kan tegen deze opvatting geen bezwaar bestaan, omdat de praep. elc haar niet verbiedt. Maar wat ons verbiedt, haar voor de juiste opvatting te erkennen, het is: dat, als men den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes voorstelt als datgene, waarin gedompeld moet worden, die Kaam de plaats vervangt van het water, en er dan bij Mt. 28 : 19 niet meer aan den waterdoop gedacht kan worden. !) Dit bezwaar is reeds afdoende, daar de Heer zonder twijfel op genoemde plaats geen anderen , dan den waterdoop heeft ingesteld. 1)

Zegt men, dat bij die verklaring het indompelen in het water beschouwd moet worden als het zinnebeeld van het indompelen in den Naam of in het quot;Wezen van den Vader, den Zoon en den H. Geest — daartegen moet worden opgemerkt: 1° dat in de H. Schrift het water nimmer in deze zinnebeeldige beteekenis voorkomt, maar steeds, als het element, waarmede men zich uiterlijk reinigt, in deze uiterlijke reiniging, die het teweegbrengt, op symbolische wijze de innerlijke reiniging voorstelt; 2\' dat, daar de uitdrukking „indompelen in den Naam als in het Wezenquot; niet anders, dan in een zinnebeeldige beteekenis kan worden opgevat, en daarbij slechts in de tweede plaats aan water gedacht wordt, het water daardoor wordt voorgesteld

1

\'2) Zie o. a. Hand. 9:36—39 en 10:47. Tegen het gevoelen van de Socinianen en de Kwakers, dat in Mt. 28:19 niet de waterdoop, maar de geestesdoop bedoeld zou zijn, moet, afgezien van plaatsen als de bijgebrachte, die het reeds onweêrsprekelijk weerleggen, in het midden worden gebracht, dat, daar volgens Ml. 28:19 de door den Heer ingestelde doop ei( rd\'óvopa van den H. Geest geschieden moet, die doop op zich zelf niet identisch kan zijn met het ontvangen van den H. Geest. Vgl. Scholten, t. a. p., bl. 13.

-ocr page 24-

14

als datgene, wat door het Wezen wordt afgebeeld, terwijl niet dan het omgekeerde het geval zal kunnen zijn; en 3° dat o. a. 1 Oor. 10:2, waar gesproken wordt van een gedoopt worden „sig Mozes,quot; in vergelijking met den christe-lijken doop, die een gedoopt worden „a? Christus Jezusquot; is, die verklaring schipbreuk doet lijden, wijl „gedoopt worden sU Mozesquot; niet beteekenen kan: gedompeld worden in Mozes.

Zegt men wellicht, om laatstgenoemde bedenking krachteloos te maken, dat 1 Cor. 10:2 het woord „naamquot; niet voorkomt, ik moet daartegen doen opmerken, dat, wanneer de naam als het wezen moet worden opgevat, er in den grond der zaak geen verschil kan bestaan tusschen de uitdrukking „gedoopt worden sU den naam van Mozesquot; en de uitdrukking „gedoopt worden s\'i: Mozes.quot; Van daar ook, dat in het N. T. bij afwisseling sprake is van een gedoopt worden „sk den naam van Christusquot; en een gedoopt worden „sic Christus.quot;

Volgens andere uitleggers moeten de woorden „hen doo-pende • sic den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestesquot; worden opgevat in de beteekenis van: „hen doo-pende tot de erkenning of de belijdenis van den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, d. w. z.: hen doopende, opdat zij den Vader, den Zoon en den H. Geest zouden erkennen en belijden voor hetgeen zij volgens hun Naam zijn.quot; \') ïegen deze verklaring geldt als bezwaar: dat er geen reden bestaat tot zulk eene afwijking van de gewone beteekenis der praep. sU; dat niets in het verband ons recht geeft om de gedachte, in die praep. vervat, aan te vullen of terug te geven met de woorden „belijdenis van;quot; en dat de Heer zich anders zou hebben uitgedrukt, indien hij de „verplichting tot zulk een belijdenisquot; in het

1) Scholten, t. a. p., bl. 14—17. Vgl. o. a. Uoedes, t. a.p., bl. 332 en 333, en De Nederl. Geloofsbelijdenis en de Heidelbergsche Catechismus, als belij-denisschriften der Ned. Hero. Kerk in de negentiende eeuio, getoetst en beoordeeld, 1, bl. 450; van Oosterzee, Chris lelijke Dogmatiek, II, § \'138. 3; Binneweg, t. a. p., bl. \'10 en 151; Pareau, t. a. p., bl. 29—32; Matthias, t. a. p., bl. 118 eu 121; en Roseumüller, Scholia in N. T., I, bl. 391.

-ocr page 25-

15

oog had gehad. Bovendien zien wij zeer duidelijk uit plaatsen als Rom. 6:3 en 1 Cor. 10 : 1 en 2, dat die verklaring niet juist kan zijn. Rom. 6 : 3 toch wordt het „gedoopt worden sic Christus Jezusquot; gelijk gesteld met „gedoopt worden sU zijn dood;quot; terwijl dit laatste niet beteekeuen kan: door den doop verplicht worden tot de erkenning of de belijdenis van zijn dood. Wat 1 Cor. 10:1 en 2 betreft: hier wordt niet in de eerste plaats gedoeld op een „belijdenquot; of erkennen van Mozes, maar op heils-weldaden, die men deelachtig werd in de gemeenschap met Mozes, door wiens bemiddeling zij geschonken waren.1)

Hoe moet dan de uitdrukking „doopen sk den Naamquot; worden opgevat? Om het antwoord op deze vraag te vinden, moeten wij eerst de juiste beteekenis van de praep. sU hebben vastgesteld.

De praep. sig wordt in het algemeen gebezigd, om een beweging of een richting naar iets heen aan te wijzen. Van daar, dat zij ook het doel van een handeling te kennen geeft. In overeenstemming hiermede, duidt zij eveneens aan oen betrekking op iets of iemand. Daarom komt zjj ook dikwijls voor in den zin van: met het oog op, ten opzichte van, met betrekking tot. Zoo wordt de doop van Johannes een doop sU perxvoixv genoemd, omdat hij een doop was, die betrekking had op de bekeering, en met het oog daarop geschiedde. Zoo worden de Israëlieten (1 Cor. 10:1 en 2) gezegd, „sU Mozesquot; gedoopt te zijn, omdat zij door bedoelden doop met Mozes in gemeenschap traden, en tot zijn persoon in betrekking werden gebracht, om door Hem naar Kanaan te worden gevoerd. 2)

In denzelfden zin moet de praep. sU op onze plaats worden opgevat. Zij wijst hier aan een bepaald doel van het doopen, een doel, dat de Naam des Vaders, des Zoons en

1

Vgl. A. Stöber, 1st die Kindertaufe schrift- und rechtmaszïg ? In Ge-sprei chen und einem Sendschreihen heantivortet (Basel 18G4), bl. 25.

2

Vgl. Frilzsche en van Hengel op Rom. 6:3 en 4.

-ocr page 26-

16

des H. Geestes is. De woorden „hen doopende êU den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestesquot; krijgen alzoo de beteekenis van: hen doopende met het oog op, of met betrekking tot den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, d. i. door den doop hen in betrekking of in gemeenschap brengende met den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes.

De juistheid van deze verklaring blijkt ten overvloede o. a. uit Rom. 6:3, waar, gelijk reeds herinnerd is, het „gedoopt worden sic Christus Jezusquot; door Paulus gelijk wordt gesteld met het gedoopt worden sU den dood van Christus, hetgeen, blijkens het verband, niet anders betee-kenen kan, dan: door den doop in betrekking of in gemeenschap worden gebracht met den dood van Christus. Eveneens blijkt hare juistheid uit het feit, waarop ik reeds opmerkzaam maakte: dat nl. (SxirriZsiv ook gebruikt wordt ter aanduiding van een innige betrekking tot, of een gemeenschap met een persoon of een zaak,1) en uit de waarheid, dat de doop een innerlijken band vormde tus-schen hen, die gedoopt waren, en hen, door wien of met het oog op wien de doop aan hen bediend werd. 2)

Nu komt de vraag aan de orde: wat wil het zeggen, door den doop met den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes in betrekking of in gemeenschap gebracht te worden? In de H. Schrift geeft de Naam een hoedanigheid of waardigheid te kennen, die door dien Naam wordt uitgedrukt. De Naam van God is het geopenbaarde Wezen Gods, het inbegrip van al wat God is en aangaande zichzelven geopenbaard heeft. Zooals God heet, zoo is Hij. Waar zijn Naam is, daar is Hij zelf, en daar doet Hij zich kennen als die Hij is volgens zijn Naam.3) „Onzicht-

1

Zie bl. 11. \'2) Zie bl. 12.

2

3)\'Zie uit het O. T. o. a. Gen. 4:26; 13:4; Ex. 3:13 en 14; 6:2; 9:16; 23:21; 1 Kou. 8:33 , 38 eu 43; 2 Krou. 6:6; 24:26; 20:9; Ezra 6:12;

3

Ps. 29:2; 54:3; 96:8; Jes. 7:14. En uit het N. T. b. v. Mt. 1:21 en 23; 6:9; 10:41 en 42; Joh. 1:12; 12:28; 17:6 en 20; Hand. 3:16; 8:12; 10:43; 21 :13; Philipp. 2:9.

-ocr page 27-

17

bare dingen kennen wij door derzelver naam. God, de Onzienlijke, heeft zich in de oude bedeeling doen kennen door zijn Naam, en elke nieuwe Naam, waarin Hij zich zijnen vertrouwden kond deed, was een nieuwe openbaring zijns wezens.!) Toch verwachtten de Oudtestamentische geloovigen een volkomener openbaring. „Ik zal Uw Naam verwachten,quot; zingt David, in geloovig uitzien naar de vervulling der beloften. 2) Die heerlijker openbaring is gegeven, toen het Woord is vleescb geworden, zij het dan ook nog in de dienstknechtsgestalte, „in gelijkheid des zondigen vleesches.quot; 1)... Aangaande den drievoudigen zegen der priesters onder het Oude Verbond spreekt Jehovah tot Mozes: „Alzoo zullen zij Mijnen Naam op de kinderen Israëls leggen,quot;2) en hoeveel in die diepzinnige woorden vervat is, kunnen wij eenigszins bevroeden, als Salomo, wiens gelijke in goddelijke wijsheid onder de menschenkinderen niet bestaan heeft, ons leert,3) dat „die Naam is eene ólie, die uitgestort wordt,quot; ja, dat „de Naam des Heeren een sterke toren is.quot; quot;)

„Gedoopt worden met betrekking tot (of met het oog op) den Naam des Vadersquot; geeft alzoo te kennen: door den doop in gemeenschap worden gebracht met God, die zich als Vader geopenbaard heeft, en met al hetgeen Hij als zoodanig is; gelijk ook met al de volheid der zegeningen en beloften, die Hij in deze zijne genaderijke hoedanigheid geschonken heeft. „Gedoopt worden met betrekking tot (of met het oog op) den Naam des Zoonsquot;: door den doop in gemeenschap worden gebracht met Hem, die de eeniggeboren Zoon des Vaders is, en met al hetgeen Hij als zoodanig is; gelijk ook met de verlossing, die Hij,

1

l)Exod. 6:2. 2) Ps. 52:1-1.

2

3) Philipp. 2:7; Rom. 8:3. 4) Num. 6:27.

3

Hoogl. 1:3; Spr. 18:10.

-ocr page 28-

18

de menschelijke natuur aangenomen hebbende, tot stand heeft gebracht. Eu „gedoopt worden met betrekking tot (of met het oog op) den Naam des H. Geestesquot;: door den doop in gemeenschap worden gebracht met den Geest, die uitgestort en geopenbaard is als de H. Geest, door wiens werking het hart vernieuwd en geheiligd wordt, en de mensch in een leven van heiligmaking den Vader en den Zoon verheerlijkt.

„Gedoopt worden met betrekking tot (of met het oog op) den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestesquot;, het is derhalve; door den doop te worden opgenomen in de gemeenschap van den driemaalheiligen God, die zich geopenbaard heeft als Vader, Zoon en H. Geest.

Wat de woorden „leerende hen bewaren al wat ik u heb opgedragenquot; betreft, zij duiden iets aan, dat volgen moet op het doopen. De apostolische werkzaamheid om de volken tot discipelen des Heeren te maken is nl. met dat doopen nog niét afgedaan. ^ Daarmede begonnen, moet zij worden voortgezet. En dit geschiedt, door hen, die bij het ontvangen van den doop binnen den kring van des Heeren discipelen gebracht zijn, daarna ook te leeren bewaren al wat de Heer aan de apostelen heeft opgedragen. Daarom mag men zich het doopen en het leeren, waarvan hier sprake is, ook niet voorstellen als gelijktijdig plaats te vinden met het „tot discipelen maken.quot; 3) Dit kan te minder worden aangenomen, wanneer men aan de woorden „hen doopende si: den Naamquot; de beteekenis geeft van „hen door

1) „Le baptême seul et sans renseignement ne suffirait pas a faire des disciples, pas plus que l\'acte d\'immatriculation, par lequel on est constitué étudiant dans uu établissement d\'instruction publique, ne donne la science et ne tient lieu de l\'étude. Mais le baptême est nécessaire pour constituer l\'asseinblée des disciples, pour attacber les hommes a Tinstitution et au Maitre, pour rendre possible eet enseignement régulier qui doit continuer l\'oeuvre de Jésus, se prolouger jusqu\'a la fin et préparer les ames pour le ciel.quot; Aldus Clément, op bl. 48 van zijn aangehaald uitnemend werk.

2) Zoo o. a. Binneweg, t. a. p., bl. quot;19.

-ocr page 29-

19

den doop verplichtende tot de beljjdenis van den Naam,quot; en daarbij van gevoelen is, dat men, omgedoopt te mogen worden, eerst door de prediking van het Evangelie tot het geloof in Christus moet gekomen zijn. Want afgezien daarvan, dat er op deze wijze drie, gelijktijdige handelingen ontstaan zouden (tot discipelen maken, doopen en leeren), hetgeen niet wel aangenomen kan worden, pleit tegen genoemde opvatting, dat daardoor de zin zeer pleonastisch wordt. Men zou nl. dit verkrijgen: eerst door de Evangelieprediking gebracht worden tot het geloof in Christus, d. i. tot het erkennen van Jezus als den Christus; vervolgens den doop ontvangen, en daardoor verplicht worden tot de belijdenis van den Naam des Vaders en des Zoons en des H. Greestes; en eindelijk onderwezen worden in het bewaren van al wat de Heer aan de apostelen heeft opgedragen. Men behoeft toch niet meer gedoopt te worden tot de belijdenis van den Naam des Zoons, als men reeds door de Evangelieprediking gebracht is tot het geloof in Hem, d. i. tot het erkennen van Hem als den Christus, i)

Er komt nog bij, dat, daar het leeren bewaren van al hetgeen de Heer aan zijn apostelen heeft opgedragen uit den aard der zaak iets is, dat langzamerhand ten uitvoer gebracht wordt, en waarvoor eenige tijd wordt vereischt, terwijl het doopen in eens, immers op een bepaalden tijd, plaats heeft en niet herhaald wordt, het eerste ook niet wel gedacht kan worden als gelijktijdig met het laatste te geschieden. Zelfs kan het „leeren bewarenquot; niet eerder zijn volle waarde en beteekenis verkrijgen, dan wanneer men aanneemt, dat het „tot discipelen makenquot; in de eerste plaats door den doop geschiedt, daar juist hij, die doorden doop in den kring van des Heeren discipelen opgenomen, en in gemeenschap gebracht is met den Vader, den Zoon en den H. Geest, noodig heeft, verder onderwezen te worden in al wat dit met zich medebrengt.

1) Vgl. hetgeen ik over hetzelfde onderwerp gezegd heb in hel Tijdschrift Studiën, Deel VU, bl. 337.

2*

-ocr page 30-

20

Het werkwoord quot;Siïairy.eiv beteekent onderwijzen, leeren {docere). Het duidt het werk aan van een liilia.zzxXoc (onderwijzer, leermeester), en heeft tot voorwerp die discipelen genoemd worden. Het onderstelt alzoo, dat men met een bepaald doel in een bepaalden kring is opgenomen, om daarin voor dat doel te worden gevormd. Hetgeen het leeren, waarvan hier sprake is, zich voorstellen moet ten opzichte van hen, die door den doop in de school des Heeren zijn opgenomen, is vervat in de woorden: „bewaren (rtpeTv) al wat ik u heb opgedragen (ttmtx ctrx èversUx/Miv vftiv).quot;

Het werkwoord rvpslv beteekent: bewaren, onderhouden. Het wordt gebruikt, zoowel ten opzichte van hetgeen geloofd moet worden, als ten aanzien van uiterlijke plichten. Hetzelfde geldt van èi/TéhXscdzi, opdragen, gebieden. Het komt voor, niet alleen als er sprake is van bijzondere bevelen en praktische geboden, die tot het uitwendige leven behooren, maar ook als er sprake is van hetgeen betrekking heeft op de leer. Zoo wordt. Luk. 2 :I9, van Maria gezegd, dat zij hetgeen haar door den engel gezegd was in haar hart heivaarde.1) Zoo spreekt de Heer, Joh. 8:51 en 52, van het „bewaren van zijn woord.quot;2) Blijkens het verband beteekent dit, niet slechts: dat woord in beoefening brengen door uiterlijke daden, maar ook: dat woord gelooven. 3) Beide momenten zijn in Tvipsïv vereenigd: zoowel het gelooven, als het in beoefening brengen van het woord des Heeren. Daarom kon de Heer ook zeggen, dat hij, die zijn woord bewaard zal hebben „den dood niet zien zal in der eeuwigheid.quot; Men zie ook Joh. 14 : 23 en 24.

quot;Wat nu èvTshteaSxt betreft: Joh. 12:49 en 50 zegt de Heer, dat de Vader Hem een gebod (ivroXii) gegeven heeft „wat Hij zeggen zal en wat Hij spreken zalquot;, en dat het gebod zijns Vaders „het eeuwige leven is.quot; Hier moet ken-

1

trvveTyfei-, vgl. Dan. 7 :28 naar -ie vertaling van de LX X.

2

\'Eav T(; tov Aóyov tov èftov rvifviry.

3

Vgl. Joh. 3: 36.

-ocr page 31-

21

nelijk onder „gebodquot; niet alleen verstaan worden wat betrekking heeft op het leven, maar ook wat betrekking heeft op de leer, en wel zóo, dat beide vereenigd worden gedacht. Men vergelijke hierbij plaatsen als Joh. 14: 15 en 1 Joh. 3 : 23.

In welken zin tvpïTv en svtsXXksöxi op onze plaats voorkomen, dit kunnen wij opmaken uit de apostolische werkzaamheid, zooals wij die kennen uit de Nieuw-Testamen-tische geschriften. Daaruit toch zien wij zeer duidelijk, dat in hetgeen de Heer aan zijne apostelen heeft opgedragen om de volken te leeren bewaren of onderhouden een zeer voorname plaats wordt ingenomen door hetgeen de Heer verkondigd had aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods, en door hetgeen betrekking heeft op de beteekenis van den persoon des Heeren, in al wat Hij is en al wat God in Hem gegeven, toegezegd, en onder het bereik van den zondaar gebracht heeft. Bovendien mag het onze aandacht niet ontgaan, dat rvipslv en svrsXXstramp;xi ook daarom niet in de eerste plaats betrekking kunnen hebben op uiterlijke geboden, wijl het dan geen zin zou hebben, dat de apostelen anderen moesten leeren om hetgeen hun in het bijzonder „bevolenquot; was !) in beoefening te brengen. Nemen wij daarentegen avTSAKscêxi meer in da beteekenis van opdragen, en rvipéïv in die van bewaren, dan geeft het een zeer goeden zin, als er gezegd wordt, dat de apostelen de volken moesten leeren bewaren al hetgeen de Heer hun had opgedragen, zoowel ten aanzien van zijn persoon als het voorwerp des geloofs, als ten aanzien van de plichten, die dat geloof ook voor het uiterlijke leven met zich medebrengt.

Moet dit een en ander worden toegestemd, dan hebben wij daarin een nieuw bewijs voor de waarheid van hetgeen ik in het voorgaande met betrekking tot ctxöttTsusiv gezegd heb: dat het nl. de beteekenis van „onderwijzenquot; niet hebben kan. Te meer, daar niets ons recht geeft om, tot redding van die opvatting, en ter vermijding van het

1) Er staat uitdrukkelijk: „leerende hen Tijpeïv al wat ik U

-ocr page 32-

22

pleonasme met oi^xtxsiv (leeren), ^xöviTsveiv met sommigen te nemen in den zin van een „voorloopig onderwijzen,quot; dat plaats moet maken voor een „dieper inleiden.quot; In deze beteekenis wordt het woord nooit gebezigd.

Voor de lastgeving, in het 19de vers vervat, is niet alleen het 18l,e, maar ook het 20ste vers van groote beteekenis. „En ziet Ik ben met ulieden al de dagen, tot aan de voleinding der wereld (?»$ ryc awtsxeiac tov müvoï).quot; Met deze woorden bemoedigt de Heer zijn discipelen, en sterkt Hij hen tot het volbrengen van hetgeen Hij hun opgedragen heeft. JIij toch zal daai-bij met hen zijn; niemand minder dan Hij, wien alle macht is gegeven in den hemel en op de aarde, om met deze zijne macht hen te ondersteunen en te beschermen bij het werk, dat zij doen zullen. Hij zal met hen zijn, als zij de volken doopen en onderwijzen. En gelijk Hij in de dagen zijner omwandeling op aarde in dienstknechtsgestalte gezegd kon worden, te doopen, hoewel Hij zelf niet doopte, maar zijne discipelen, zoo zal Hij, terwijl Hij in den hemel verhoogd is, nu ook door hen doopen.

Ook in een ander opzicht is het 20ste vers belangrijk voor de beteekenis van den christelijken doop. Zegt toch de Heer, dat Hij, als zijne discipelen volbrengen hetgeen Hij hun opgedragen heeft, met hen zijn zal, van nu af aan. onafgebroken, alle de dagen, die nog verloopen moeten tusschen den dag, waarop Hij tot hen sprak, en het einde van deze bedeeling, wanneer Hij weder komen zal op de wolken des hemels — dan is het duidelijk, dat Hij daarbij niet slechts aan de apostelen als zoodanig gedacht heeft, maar ook aan hen, die later door hun woord in Hem gelooven zouden, immers aan de geloovige gemeente van alle tijden, wier vertegenwoordigers de apostelen waren. Zij moesten aanvangen wat in de opvolgende geslachten door anderen zou worden voortgezet, al de eeuwen door. Uit Matth. 19 : 20 mogen wij daarom afleiden, dat de doop, naar de bedoeling des Heeren, een instelling is voor alle

-ocr page 33-

23

tijden en alle eeuwen, zoolang de Evangelieprediking noodig zal zijn, en het woord nog niet vervuld is: „Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.quot; !)

Wat leert ons nu Matth. 28 : 18—20 aangaande den christelijken doop? In het algemeen drieërlei: a. dat men door den christelijken doop wordt opgenomen en ingelijfd in den kring van des Heeren discipelen, om daarin te leeren bewaren al hetgeen de Heer aan zijn apostelen heeft opgedragen; b. dat men door den christelijken doop in betrekking wordt gebracht met den Vader, den Zoon en den H. Geest, en in hun gemeenschap wordt opgenomen; en c. dat de christelijke doop niet een instelling is van voorbijgaande beteekenis, maar een instelling, die moet blijven voortbestaan, zoolang er nog gevonden worden, die niet als discipelen aan den Heer onderworpen zijn. Ontwikkelen wij meer in bijzonderheden wat in dit algemeene vervaf is.

1. Die door den christelijken doop in den kring van des Heeren discipelen is ingelijfd, die is daardoor opgenomen in den boezem der gemeente, waarvan Christus het Hoofd is, en waarin Hij woont en werkt door zijn Geest en zijn woord, om door het geloof al de zegeningen deelachtig te worden, welke Hij in zoo groote volheid aan die gemeente geschonken heeft. Die is afgezonderd van de wereld en overgebracht in de sfeer van „het Koninkrijk der hemelenquot; {pxtihsu tüv oï/pxvm). Die is verbonden aan den persoon van Hem, die daarvan de Koning is, aan Hem onderworpen en Hem gewijd, om zich door Hem te laten vormen voor den hemel. En op dien rust door dat alles de verplichting om als zijn discipel Hem te belijden als zijn Heer, Hem lief te hebben en te volgen, en in volkomene toewijding van zich zeiven aan Hem zijne geboden te bewaren

2. Die in betrekking gebracht is met den Vader, den Zoon en den H. Geest, en in hun gemeenschap is opge-

1) Hand. i -Ai.

-ocr page 34-

24

nomen, die is overgebracht op een geheel nieuwen levensbodem, en opgenomen in de sfeer van de genade des Zoons, de liefde des Vaders en de gemeenschap des H. Geestes, in het gebied van Gods reddende liefde: van die liefde, welke zich verheerlijkt heeft in het werk der verlossing, die, uitgegaan van den Vader, uit Wien, en door Wien, en tot Wien alle dingen zijn, door den Zoon is tot stand gebracht, en door den H. Geest ons wordt toegeëigend. De gedoopte bevindt zich alzoo in de werkplaats der wedergeboorte, waar de Naam, d. i. de herscheppende en levenwekkende kracht van den driemaalheiligen God, een nieuw, een hooger leven ontluiken doet, en op het terrein der aanneming tot kinderen. \') Hij is voorwerpelijk uit den toestand der in Adam gevallene menschelijke natuur overgebracht in dien der in Christus wederopgerichte. En gelijk bij den doop van Christus het woord werd gesproken: „Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb,quot; zoo wordt ook in Christus den gedoopte door God toegeroepen: Gij zijt in den Zoon mijns welbehagens aangenomen tot mijn kind. 1) Zoo ontstaat er door den doop een geheel nieuwe levensverhouding tusschen den mensch en den drieëenigen God; eene verhouding, die voor den gedoopte noodwendig de verplichting met zich medebrengt om dien God, aan Wien hij gewijd is, en Wien hij toebehoort, in geheel zijn leven geloovig te belijden, lief te hebben en te dienen. Hiermede in overeenstemming heet het zeer terecht in ons Doopsformulier: „dat wij ook weder van God door den doop vermaand en verplicht worden tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk, dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en H. Geest, aanhangen, betrouwen en

1

Vgl. Stöber, 1st die Kindertaufe schrift- und rechtmdszig\'/ bi. 23. Zeer juist heet het dan ook in het Doopsformulier van de Ned. Hervormde Kerk: „Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opiigt, ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of te onze beste keeren wil.quot;

-ocr page 35-

25

liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten, onze oude natuur dooden, en in een nieuw godzalig leven wandelen.quot; Naar waarheid zegt ook Hory: \') „Passen wir das Ganze zusammen, so sehen wir durch alle diese Bezeichnungen ein innerliches Gemeinschaftsverhaltniss

zwischen dem dreieinigen Gott und dem Taufling gesetzt----

Indem sich aber das guttliche ovo^lx den Taufling aneignet, entsteht von selbst hieraus ein Verhaltniss geistiger Zu-gehörigkeit, wie diess in ahnlicher Weise durch den alttes-tamentischen Ausdruck: „mein Name ist über ihn genanntquot; ausgesprochen wird.. .. Mit den beiden ausgeführten Momenten verbindet sich mit Nothwendigkeit als das dritte auch ein gewisses Pfliehtverhaltniss, nemlich die Yer-pflichtung zur Erkenntniss und zum Bekenntniss Christi, |gt;eides in dem Vollsinn der neutestamentlichen Schriftstellen.quot;

3. Uit het voorgaande is ons gebleken, dat het 18de vers van Matth. 28 in een zeer nauw verband staat met hef 19de, en aanwijst, op welken grond de lastgeving steunt, die in dit 19\'\'e vervat is. Dienovereenkomstig kunnen wij zeggen, dat men daarom door den doop in persoonlijke betrekking gebracht wordt met den Naam, als met het geopenbaarde Wezen, van den Vader, den Zoon en den H. Geest, omdat Christus vooraf tot de menschheid in betrekking stond: in een algemeene betrekking als Koning en Heer over alles en allen, en in een meer bijzondere betrekking als de Zaligmaker der wereld, wien, ook ten opzichte van de eeuwige verlossing, die Hij tot stand gebracht heeft, macht is gegeven over alle vleesch. 1) Volgens Matth. 28 : 18—20 is de doop alzoo eigenlijk het teeken van tweeërlei betrekking, daar zij aanwijst: 1° de betrekking van Christus, en daarom ook van den Vader en den H. Geest, tot ons; en 2° onze betrekking tot Christus, en daarom ook tot den Vader en den H. Geest. 2) Tot dezelfde slotsom komen wij,

1

Vgl. Joh. 17:2; Hebr. 0:12.

2

Verg. hierbij o. a. Joh. 14:6 en Rorn. 8:9.

-ocr page 36-

24

nomen, die is overgebracht op een geheel nieuwen levensbodem, en opgenomen in de sfeer van de genade des Zoons, de liefde des Vaders en de gemeenschap des H. Geestes, in het gebied van Gods reddende liefde: van die liefde, welke zich verheerlijkt heeft in het werk der verlossing, die, uitgegaan van den Vader, uit Wien, en door Wien, en tot Wien alle dingen zijn, door den Zoon is tot stand gebracht, en door den H. Geest ons wordt toegeëigend. De gedoopte bevindt zich alzoo in de werkplaats der wedergeboorte, waar de Naam, d. i. de herscheppende en levenwekkende kracht van den driemaalheiligen God, een nieuw, een hooger leven ontluiken doet, en op het terrein der aanneming tot kinderen. \') Hij is voorwerpelijk uit den toestand der in Adam gevallene menschelijke natuur overgebracht in dien der in Christus wederopgerichte. En gelijk bij den doop van Christus het woord werd gesproken: „Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb,quot; zoo wordt ook in Christus den gedoopte door God toegeroepen: Gij zijt in den Zoon mijns welbehagens aangenomen tot mijn kind.1) Zoo ontstaat er door den doop een geheel nieuwe levensverhouding tusschen den mensch en den drieëenigen God; eene verhouding, die voor den gedoopte noodwendig de verplichting met zich medebrengt om dien God, aan Wien hij gewijd is, en Wien hij toebehoort, in geheel zijn leven geloovig te belijden, lief te hebben en te dienen. Hiermede in overeenstemming heet het zeer terecht in ons Doopsformulier: „dat wij ook weder van God door den doop vermaand en verplicht worden tot een nieuwe golioorzaamheid, namelijk, dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en H. Geest, aanhangen, betrouwen en

1

Vgl. Stöber, 1st die Kindertaufe schrift- und rechtmdszig / bl. 23. Zeer juist heet het dan ook in het Doopsformulier van de Ned. Hervormde Kerk; „Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade oprigt, ons tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of te onze beste keeren wil.quot;

-ocr page 37-

25

liefhebben van ganscher harte, van ganscher ziele, van ganschen gemoede en met alle krachten, de wereld verlaten , onze oude natuur dooden, en in een nieuw godzalig leven wandelen.quot; Naar waarheid zegt ook Hory:\') „Fassen wir das Ganze zusammen, so sehen wir durch alle diese Bezeichnungen ein innerliches Gemeinschaftsverhaltniss zwischen dem dreieinigen Gott und dem ïaufling gesetzt— Indem sich aber dae göttliche ovoixx den Taufling aneignet, entsteht von selbst hieraus ein Verhaltniss geistiger Zu-gehörigkeit, wie diess in ahnlicher quot;Weise durch den alttes-tamentischen Ausdruck: „mein Name ist über ihn genanntquot; ausgesprochen wird. . . . Mit den beiden ausgeführten Momenten verbindet sich mit Nothwendigkeit als das dritte auch ein gewisses Pflichtverhaltniss, nemlich die Ver-pflichtung zur Erkenntniss und zum Bekenntniss Christi, ^eides in dem Vollsinn der neutestamentlichen Schriftstellen.quot;

3. Uit het voorgaande is ons gebleken, dat het 18de vers van Matth. 28 in een zeer nauw verband staat met .het 19de, en aanwijst, op welken grond de lastgeving steunt, die in dit 19(le vervat is. Dienovereenkomstig kunnen wij zeggen, dat men daarom door den doop in persoonlijke betrekking gebracht wordt met den Naam, als met het geopenbaarde Wezen, van den Vader, den Zoon en den H. Geest, omdat Christus vooraf tot de menschheid in betrekking stond: in een algemeene betrekking als Koning en Heer over alles en allen, en in een meer bijzondere betrekking als de Zaligmaker der wereld, wien, ook ten opzichte van de eeuwige verlossing, die Hij tot stand gebracht heeft, macht is gegeven over alle vleesch. 1) Volgens Matth. 28 : 18—20 is de doop alzoo eigenlijk het teeken van tweeërlei betrekking, daar zij aanwijst: 1° de betrekking van Christus, en daarom ook van den Vader en den H. Geest, tot ons; en 2° onze betrekking tot Christus, en daarom ook tot den Vader en den H. Geest.2) Tot dezelfde slotsom komen wij,

1

Vgl. Joh. 17:2; Hebr. 9:12.

2

Verg. hierbij o. a. Joh. 14:6 en Rom. 8:9.

-ocr page 38-

26

wanneer wij den doop beschouwen als het middel om de volken binnen den kring van des Heeren discipelen te brengen. Immers moet, ten opzichte van de verhouding, die er tusschen een meester en een discipel bestaat, niet alleen gezegd worden, dat de discipel tot den meester, maar ook, dat de meester tot den discipel in betrekking staat. Tusschen beiden bestaat er een wederkeerige betrekking.

4. Wat het verband betreft tusschen het „tot discipelen makenquot; en het opgenomen worden in de gemeenschap van den Vader, den Zoon en den H. Geest; die een discipel van Jezus is, die is in betrekking gebracht met zijn persoon , en daardoor opgenomen in zijn gemeenschap. En die opgenomen is in de gemeenschap des Zoons, hij is daardoor ook opgenomen in de gemeenschap des Vaders en des H. Geestes. En hij is dit, niet alleen, omdat in Christus „de volheid der Godheid lichamelijk woont;quot; !) niet alleen, omdat Hij de persoonlijke openbaring van den Naam des Vaders, 1) en éen met den Vader is;2) niet alleen, omdat de H. Geest ook zijn Geest,3) en onafscheidelijk van zijn persoon is:4) maar ook, omdat Hij het middenpunt is van het werk der verlossing, en die verlossing in haar geheelen omvang in zijn persoon gegeven is. Door de vergeving der zonden te bewerkstelligen aan het kruis, heeft Hij de klove tusschen God en mensch weggenomen, en den mensch met God verzoend. Door deze verzoening opende Hij voor hem een vryen toegang tot God, en de troostvolle gemeenschap met God. En door deze gemeenschap met God verneemt de geloovige in zijn hart het getuigenis van Gods Geest met zijn geest, dat hij een kind van God is. Daarom wordt in het N. T. meermalen alleen gesproken van een gedoopt worden „sU den naam van den Heer Jezusquot;,5) en zelfs van

1

\'2) Joh. 12:28; 47:6; Hebr. 1:1.

2

Joh. 10: 30.

3

Rom. 8:9; Gal. 4:6; Philipp. 1:19; 1 Petr. 1:11.

4

Joh. 14:16 en 26; 15:26; 16:13 en 14.

5

Hand. 8:16; vgl. 19:5.

-ocr page 39-

27

een gedoopt werden „sic Christus Jezus,quot;1) of ook „ek Christus.quot; 2)

5. Indien de volken door den doop opgenomen worden in den kring van des Heeren discipelen, om daarna onderwezen te worden in al hetgeen de Heer aan zijn apostelen, en door hen aan de gemeente, opgedragen heeft, dan blijkt daaruit, dat aan den doop niet noodzakelijk het zaligmakend geloof moet voorafgaan, gelijk de Heer bij Mattheus in het ge-heele redeverband ook met geen enkel woord daarop zinspeelt. Dit wordt ons evenzeer duidelijk, wanneer wij den doop beschouwen als het middel, waardoor de volken in betrekking worden gebracht met den Naam des Vaders, des Zoons en des H. Greestes, en in hun gemeenschap worden opgenomen. Want is er buiten deze gemeenschap geen zaligmakend geloof en ook geen wedergeboorte mogelijk, dan kunnen dat geloof en die wedergeboorte geenszins beschouwd worden als de voorwaarden om in die gemeenschap te worden opgenomen, maar moet die gemeenschap als daaraan voorafgaande gedacht worden.

6. Met het doopen moet het leeren worden verbonden, omdat tot het fixfarcüsiv (tot discipelen maken) niet alleen het doopen, maar ook het leeren behoort, en doopen en leeren beide de momenten daarvan zijn. Het doopen onderstelt het leeren. Evenwel niet zoo, dat het, om gedoopt te mogen worden, te allen tijde volstrekt noodzakelijk is, vooraf onderwezen te zijn in al wat betrekking heeft op hetgeen de Heer aan zijn discipelen heeft opgedragen; maar zoo, dat het onderwijzen de noodwendige voortzetting is van het werk, dat met het doopen werd aangevangen. Het doopen alleen, zonder het onderwijzen, zou wel genoeg zijn, om de volken te brengen in den kring van des Heeren discipelen, maar niet genoeg, om hun datgene mede te deelen, wat noodig is om in waarheid een discipel van den

1

•l) Rom. 6:3; vgl. Hand. \'2:38.

2

Matthies, t. a. p., bl. 122—133.

-ocr page 40-

28

Heer te zijn. quot;Wel genoeg, om hen in gemeenschap te brengen met den Naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes, maar niet genoeg, om hen de zegeningen, welke met die gemeenschap verbonden zijn, deelachtig te doen worden. Het opgenomen worden in een school is wel iets van beteekenis. Maar om in waarheid daarvan de vruchten te kunnen plukken, en niet slechts in naam, maar inderdaad een discipel te zjjn —■ daartoe wordt vereischt, dat men ook het onderwijs van den meester geniete. Evenzoo moet op het doopen het onderwijzen volgen, omdat het onderwijzen , waardoor het woord des Heeren aan den discipel verkondigd wordt, het middel is om hem te brengen tot geloof, opdat hij door dit geloof in de werkelijkheid ont-vange wat in zijn doop hem werd toegezegd. „Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods.quot;

7. De christelijke doop gaat uit van de onderstelling, niet alleen, dat de mensch door de zonde buiten de gemeenschap met den Vader, den Zoon en den H. Geest gebracht is, maar ook, dat die gemeenschap de eenige sfeer is, waarin zijne ziel kan leven. Zal dus de mensch het ware leven deelachtig kunnen worden, dan moet hij uit de oude levensfeer, die der zonde en des doods, worden opgenomen in een nieuwe, die der heiligheid en des levens, welke niets anders is, dan de gemeenschap met den drie-ëenigen God. En dit is het, wat de Heer door de instelling van den christelijken doop mede te kennen wilde geven. Door het volbrachte verlossingswerk, waarop zijn opstanding-het zegel drukte, heeft Hij, als het Hoofd, die levensfeer voor de menschheid geopend. Daarom wil Hij, dat al de volken daarin zullen worden opgenomen. En bemoedigde Hij, bij het geven van den last des doops, zijne apostelen met de woorden: „En ziet, ik ben met ulieden alle de dagen, tot aan de voleinding der wereld/\' Hij beloofde hun daarmede, dat Hij het is, die door hun doopen en leer en dat groote werk aan de volken volbrengen zal.

Wij hebben eenigszins uitvoerig aangewezen, wat inMatth.

-ocr page 41-

29

28 : 18—20 aangaande den christelijken doop is vervat. Wij deden zulks met het doel, om, bij hetgeen ons in dit gedeelte verder bezig zal houden, te kunnen volstaan met een korte vermelding van den hoofdinhoud der verschillende plaatsen, die wij voorts te behandelen hebben. Het zal ons nl. blijken, dat al wat elders in de Schriften des N. Verbonds van den christelijken doop wordt geleerd in den grond der zaak, hetzij neêrkomt op de beteekenis, die de doop heeft volgens de eigen woorden des Heeren, hetzij een bijzondere toepassing of uitbreiding daarvan is, of ook een wettige gevolgtrekking, die daaruit gemaakt werd.

§ 2.

De beteekenis van den christelijken doop volgens de Brieven der apostelen.

Yan de meesten der apostolische schrijvers bezitten wij geen getuigenissen aangaande den christelijken doop. Noch in den Brief van Jakobus, noch in dien van Judas vinden wij iets, dat daarop betrekking heeft. In de Johanneïsche geschriften komt geen enkele uitspraak voor, dat daarmede in rechtstreeksch verband is te brengen. Wel heeft men gemeend, dat 1 Joh. 5 : 6—8 daarvan melding gemaakt wordt.!) Doch ten onrechte. Want moet al bij het „water,quot; waarvan op genoemde plaats sprake is, aan den doop worden gedacht, met dezen doop kan niet anders bedoeld zijn, dan de doop, dien de Heer zelf ontvangen heeft. ~)

1) Zoo o. a. Lücke, in zijn Commentar über die Briefe des ^Evangelisten Johannes.

2) De woorden J;\' \'üSutoq xat (door water en bloed) maken éen begrip uit met 6 èaöiwv, dat, blijkens het verband, als een substantivum moet worden opgevat, in de beteekenis van: de gekomene, hij, die kwam. Zij geven te kennen, waardoor het komen van den als den Zoon van God, als den Christus, gekomene zich gekenmerkt heeft. Hij, die is de Zoon van God, Jezus, de Christus, Hij is nl. gekomen „door water en bloed.quot; Kennelijk bestrijdt de apostel Johannes hier de Uoceten, volgens wier

-ocr page 42-

30

In den Brief aan de Hebreën wordt, Hoofdst. 6:2, slechts als in het voorbijgaan van een „leer der doopenquot; (fixTTTiirftcbv \'SiZzx\'/,:) melding gemaakt, zonder dat uit die uitdrukking met zekerheid iets kan worden opgemaakt ten aanzien van de beteekenis van den christelijken doop. \')

quot;Wat Petrus aangaat: wij vinden in zijn eersten Brief een getuigenis aangaande de beteekenis van den christelijken doop, dat zeer in aanmerking komt. Het is echter inzonderheid Paulus , die naar verschillende aanleiding daar-

dwaalleer „de Zoon van Godquot; zich bij den doop van den „mensch Jezusquot; met dezen vereenigd, maar hem bij zijn kruisdood weder verlaten heeft; die alzoo wel toestemden, dat de Zoon van God „door water,quot; maar loochenden, dat Hij ook „door bloedquot; gekomen is. Men zie over de geheele plaats Huther, in Meyer\'s Commentaar, wiens verklaring mij voorkomt, de eenig juiste te zijn: „In dem Leben Jesu finden sich zwei Momente, die den Ausdrücken VSup und entsprichen, nümlich am Afange seines messianischen Berufes seine Taufe, und am Ende desselben sein blutiger Tod; sie bildete die initiatio zu demselben; diese fand aber nicht etwa nur durch das, was bei der Taufe geschah, sondern durch den Akt der Taufe sclbst statt; durch den Tod beschaifte er die Versöhnung selbst, indem er mit seinem Blute die Schuld der Sünderwelt tilgte.quot;

1) De woorden pomna-iiZv StSaxve (leer der doopen) zijn voor tweeërlei uitlegging vatbaar. Zij kunnen met sommigen (o. a. Bengel, in zijn Gnomon, en Winer in zijn Q-rammatik, 6\'c Aufl., bl. 173) worden opgevat in den zin van „leerdoopen,quot; d. w. z. van zulke doopen, die door het daaraan verbonden onderricht zich onderscheidden van de reinigingen der Joden. Deze verklaring verdient geen aanbeveling. Zij heeft den samenhang tegen zich. Wij houden ons daarom aan de andere, die door de meeste exegeten gedeeld wordt, en vatten fixtTiG-fiHv SiSaxïg op in de beteekenis van: onderricht in, of leer aangaande de verschillende doopen. Reeds het meervoud PaTTTuriiZv (doopen) verbiedt ons, daarbij aan den christelijken doop als zoodanig te denken; afgezien nog van het bezwaar, dat in het N. T. ter aanduiding van den christelijken doop nergens het woord Pccvthtiió^, maar overal (SaTrTurna gebezigd wordt. — Wat de woorden iiriiéa-eüs re xeipüv (oplegging der handen), die evenals pemntrnSiv van SiSocx^i afhangen, betreft: daarover werpen plaatsen als Hand. 8:17 en 18 en 19: 6 het noodige licht. Het eenige, dat alzoo uit Hebr. 6:2 zou kunnen worden afgeleid, is: dat de christenen, aan wie de Brief gericht is, zich bezig hielden met het onderzoek naar het verschil tusschen doop en doop, en naar de betrekking van de Joodsche wasschingen en reinigingen, hetzij tot den doop van Johannes, hetzij tot den christelijken doop. En eveneens: dat het bedienen van den doop gevolgd werd door de oplegging der handen, als zinnebeeld van hel mededeelen van den H. Geest.

-ocr page 43-

31

over geachreven heeft, en die daarover het noodige licht verspreidt. Bij het onderzoek, dat ons in dit gedeelte moet bezighouden, hebben wij alzoo alleen met Petrus en Paulus te doen. Wij beginnen met Paulus, omdat hij het duidelijkst en het menigvuldigst over den doop heeft gesproken.

A. De be teekenis van den christelijken doop volgens de Brieven van Paulus.

\' Rom. 6 : 1—7.

In Hoofdst. 1—4 heeft Paulus, in verschillend verband, nadruk gelegd op de troostrijke waarheid, dat de zondaar niet uit de werken der wet gerechtvaardigd wordt, maar om niet, alleen uit genade, door het geloof. ^ Daarna vestigde hij, Hoofdst. 5 : 1 — 11, de aandacht op de heerlijke vruchten van de rechtvaardiging uit het geloof, en op de grootheid der liefde Gods, die op het schoonst heeft uitgeblonken in den dood van Christus ter rechtvaardiging van goddeloozen en tot hunne verzoening met God, en daardoor ook tot hunne volkomene behoudenis.

Om dit een en ander nader in het licht te stellen, trok hij, in vers 12—21, de veelomvattende parallel tusschen Adam en Christus, tusschen het hoofd van de gevallene menschheid, door wien zonde en dood, en het Hoofd van de wederopgerichte menschheid, door wien rechtvaardiging en leven over allen gekomen is. Zoo deed hij met alle kracht in het oog springen, hoeveel grooter dan de zonde de genade Gods in Christus geweest is.

Dit alles nu gaf Paulus aanleiding, om, in aansluiting aan hetgeen hij in het voorgaande, inzonderheid in vers 20 en 21, gezegd heeft, stil te staan bij een bedenking, die zoo dikwijls gemaakt wordt tegen de leer van de rechtvaardiging alleen uit genade, door het geloof. 1) Die beden-

1

Vgl. Hoofdst. 3; 8.

-ocr page 44-

32

king is vervat in het eerste vers van het 6do Hoofdstuk: „Wat zullen wij dan zeggen? Moeten wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?quot; Deze vraag komt hierop neêr: Wat volgt nu uit hetgeen ik gezegd heb aangaande de meerdere overvloedigheid van de genade? Volgt daaruit wellicht, dat wij in de zonde moeten blijven volharden, opdat de genade te meerder worde? „Dat zij verre!quot; roept Paulus uit in het 2lt;le vers. En om aan te wijzen, op welken grond hij zich aldus doet hooren, toont hij voorts het ongerijmde van het tegendeel aan. „Wij toch, die {omvsc, als zulken toch die, „nous des gens quiquot;) der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog daarin leven?quot;

De zonde wordt hier voorgesteld als een macht, een beginsel, en de uitdrukking „der zondequot; (rijj xuacriq.) is de dativus commodi. Zij geeft te kennen, dat de christen met betrekking tot de zonde gestorven is, en dat hij te haren opzichte heeft opgehouden te leven. ^ Dit feit heeft, naar de kracht van den aoristus xttiOxvoxsv , eens voor altijd met hem plaats gehad, en wel op een bepaald tijdstip. Van dat oogenblik af is in beginsel alle betrekking tusschen hem en de zonde verbroken, gelijk door den dood alle betrekking verbroken is tusschen een gestorvene en hetgeen hem in dit leven bezig hield. Hoe zou dan een, die ten opzichte van iets gestorven is, nog gezegd kunnen worden, daarin te leven? Het een sluit het ander geheel uit.

Sedert wanneer is de christen alzoo der zonde gestorven? Volgens sommigen is dit geschied bij zijn bekeering, toen hij in Christus begon te gelooven.1) Volgens anderen geven

1

Godet zegt daarvan in zijn Commentaire sur VÊpitre aux Romains: „Le fait auquel pense l\'apötre est de nature puremeut morale. C\'est l\'ap-propriation de la mort expiatoire du Seigneur... La sentence de mort, dont Dieu a frappé en Christ le péché du monde se reproduit dans la conscience de chaque péclieur. Du moment, oü il s\'applique a lui-mème 1\'expiation, elle devient en lui la sentence de mort de son propre péché.quot; Men zie ook o. a. Flatt en Hodge, in hun Commentaren.

-ocr page 45-

•5

33

vers 3 en 4 daarop het antwoord, •) zoodat liet „der zonde gestorven zijnquot; geacht moet worden, bij den doop te hebben plaats gehad. Het komt mij voor, dat volgens het rede-verband niet de eerst-, maar de laatstgenoemde opvatting de ware is. Hierbij moet evenwel in het oog worden gehouden, dat Panlus tot znlken spreekt, die op volwassen leeftijd gedoopt zijn, en dat er geen volwassenen gedoopt werden, dan die de verplichting op zich namen, om aan het vroegere leven in de zonde vaarwel te zeggen.

Het is Paulus alzoo in het 3de vers te doen om aan te toonen, wie gezegd moeten worden, der zonde gestorven te zijn. Hij doet het met deze redeneering: Die eU Christus Jezus gedoopt is, die is gedoopt si: zijn dood. Die st: zijn dood gedoopt is, die kan beschouwd worden, als met Hem gestorven te zijn. En die met Hem gestorven is, die is ook der zonde gestorven.1) „Of weet gij niet, dat zoovelen als wij (sVc/ = quotquot, allen die wij,\' ieder hoofd voor hoofd, „autant d\'individus quequot;) sU Christus Jezus gedoopt zijn, wij slg zijn dood gedoopt zijn {sfixTnizOwe-j) ?quot; De vragende vorm dezer woorden onderstelt bij de lezers de bekendheid met de waarheid van hetgeen daarin gezegd wordt, en duidt aan, dat er daaromtrent geen twijfel bij hen kan bestaan.

Over de uitdrukking „doopen flrquot; hebben wij bij de behandeling van Matth. 28 : 19 reeds gesproken. Overeenkomstig hetgeen ons toen gebleken is, beteekent „gedoopt worden sic Christus Jezusquot;: gedoopt worden met het oog op Hem, met betrekking tot zijn persoon, d. i. door den doop met zijn persoon in betrekking gebracht worden, met Hem in gemeenschap treden, om Hem toe te behooren. Evenzoo beteekent „gedoopt worden ei: zijn doodquot;: door den doop in betrekking of in gemeenschap gebracht\'worden

3

1

Vgl. vers 0.

-ocr page 46-

34

met zijn dood. Gelijk Christus bij zijn bloedigen dood op Golgotha zich in onze plaats stelde, en met onzen dood in gemeenschap trad, Hij, die geen zonde gekend heeft, en daarom den dood niet behoefde te ondergaan, zoo worden wij ook door den doop in gemeenschap gebracht met zijn reddenden dood.

Zonder twijfel is het alleen het geloof, dat ons subjectief de heerlijke werkelijkheid van die gemeenschap deelachtig doet worden; maar nochtans stelt Paulus hier niet in de eerste plaats het geloof, maar den doop voor als datgene, waardoor wij in die gemeenschap worden opgenomen. \') En wel, omdat de doop objectief een geheel nieuwe levensbetrekking tusschen ons en Christus, den tweeden Adam, ontstaan doet. Van daar, dat Paulus zijn vergelijking van den eersten met den tweeden Adam aan zijn beschouwing in Rom. 6 heeft doen voorafgaan, en dat hij van alle gedoopten te Rome, van allen zonder onderscheid, van ieder hoofd voor hoofd (Jaot sluit elke uitzondering uit), immers van zoo velen als er gedoopt waren, zeggen kon, dat zij sic den dood van Christus Jezus gedoopt zijn; terwijl toch, ook op grond van verschillende uitspraken in den Brief zeiven, niet aan te nemen is, dat in de gemeente te Rome alle gedoopten hoofd voor hoofd geloovigen zijn geweest in den waren zin van het woord.

In het 41\'e vefs gaat Paulus nader aanwijzen, in welk verband de gemeenschap met den dood van Christus, waardoor de rechtvaardiging des zondaars bewerkstelligd is, tot de heiligmaking des levens staat, ten einde daardoor de ongerijmdheid van de bedenking, die hij in het eerste vers

1

„Proximam senteutiain, quod scilicet peccatum in suis interimat Christus, probat a baptisini effectu, quo initiarnur in ejus Mem. Nam extra controversiam est, iiuluere nos Christum in baptismo: et hac lege uos baptizari, ut unum cum ipso simus. Jam alterum principium sumit Paulus, uos in Ghristi corpus tunc vare coalescere, ubi mors ejus fructum in nobis suum profert. Imo docet hanc mortis societatem praecipue in baptismo spectamlam esse.quot; Aldus Calvijn op Rom. G: 3.

-ocr page 47-

35

geopperd heeft, nog meer en ten volle in het oog te doen springen. „Wij zijn dan met Hem begraven {tmstk-Cpyi.Mv xï/Tii:) door den doop sh den dood, opdat, ge-lijkerwijs Christus uit de dooden is opgewekt door de majesteit (jSioc TVjg des Yaders, alzoo ook wij

in nieuwigheid des levens wandelen zouden.quot;

De woorden den doojjquot; moeten verbonden worden met „door den doopquot; (S/a toü ^xxth^xro?) ^ en niet met „wij zijn met Hem begraven.quot; Want het is kennelijk niet de bedoeling, dat de christen, door den doop, met Christus in den dood begraven is, maar wel, dat hij met Christus begraven is „door den doop sk den dood.quot; Dit blijkt niet alleen uit het 3de vers, maar ook uit de waarheid, dat van een gestorvene, die begraven is, niet gezegd kan worden, dat het de begrafenis is, die hem in den dood brengt.

Eigenlijk zouden wij, met het oog op het 2de vers-, niet verwacht hebben „wij zijn dan met Hem begravenmaar: wij zijn dan met Hem gestorven. Doch 1° geeft dit „begraven zijnquot; in den grond der zaak hetzelfde te kennen als het „gestorven zijn,quot; omdat hij, die door den doop met den dood van Christus in gemeenschap treedt, daardoor ook met Christus begraven wordt, gelijk Christus begraven werd, nadat Hij gestorven was. En 2° spreekt de apostel in ons vers van een „begraven zijn,quot; in plaats van een „gestorven zijn,quot; niet alleen, om, zich aansluitende aan de wijze, waarop toen de doop bediend werd, nl. door onderdompeling {xxtizDuïii; en xvxtïvinc), den overgang te maken tot hetgeen hij zeggen wil aangaande het „weder met Christus opstaan,quot; maar ook, om daardoor de volkomenheid der vereeniging met Christus uit te drukken.!)

1) Vgl. Meyer en Ruckort, in hun Commentaren. — Aangaande ile woorden; „Wij zijn dan met Hem begraven door den doop den doodquot; zegt Godet (t. a. p.): „D\'après ces mots, ce n\'est point a la mort, c\'est a Vinhwmation du mort que Paul compare le baptème. Et en elfet, de rnême que la cérémonie de l\'inhumation, comme fait visible et public, constate celui de la mort, ahisi le baptème, en tant qu\'acte extérieur et sensible, constate la

3*

-ocr page 48-

36

Met welk doel geschiedt nu het „met Christus begraven wordenquot; door middel van den doop ? Het antwoord op deze vraag geven de woorden: „opdat (i\'vx), gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is door de majesteit des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.quot;

De woorden „uit de doodenquot; zijn een zinspeling op den dood met betrekking tot de zonde, welke de voorwaarde is van de geestelijke opstanding tot een nieuw leven.

Met de uitdrukking „alzoo ook wijquot; wordt te kennen gegeven, dat, gelijk het sterven van Christus door zijn opstanding gevolgd is, des christens dood met betrekking tot de zonde evenzoo moet worden gevolgd door een opstanding. En daar Paulus niet zegt: alzoo ook wij zouden worden opgewekt tot een wandel in nieuwigheid des levens,

foi, avee la mort au péehé impliciteraont renfermé dans la foi.quot; En op een andere plaats: „Si le baptême était ou reprêsentait la mort dout a parlé Paul le done ne s\'expliquerait que trés difficilement. Mais si le baptême est a. ses yeux la constatation extérieure de la mort, comme l\'ensevelisse-ment est celle du décès, il peut reprendre le cours de son raisonnement et dire: „En conséquence de cette mort au péché subie en Christ, nous avons done été ensevelis avec lui... afin de ressuciter aussi comme lui.quot;\' In den tekst hebben wij reeds voldoende verklaard, waarom Paulus in het vers juist van een „begraven zijn,quot; en niet van een „gestorven zijnquot; spreekt. Wat nu het bezwaar betreft, aan het woordje „danquot; (ouv) ontleend: juist dit „danquot; pleit tegen Godet\'s opvatting. Ook volgens hem toch wordt daarmede aangeduid, dat er een gevolgtrekking uit het voorgaande gemaakt wordt. Hij brengt evenwel deze gevolgtrekking ten onrec hte alleen in verband met het 2de vers, daar hij zegt: „En conséquence de cette mort au péché subie en Christ, nous avons done été ensevelis avec lui... afin de ressuciter aussi comme lui.quot; Hierdoor echter komt het geheele 3Je veis in de lucht te hangen, en wordt het beschouwd als noch met het 2ile, noch met het 4\'lc vers iu verband te staan; terwijl uit de woorden „door den doop ei; den doodquot; duidelijk blijkt, dat die gevolgtrekking niet in de eerste plaats uit het 2de) maar in de eerste plaats uit het vers gemaakt wordt. Bovendien doet het woord flavaro? (dood), dat, daar er geen xvrov achter gevoegd is, ook volgens Godet in een algemeene beteekenis moet worden genomen, ons duidelijk zien, dat hij, die „s\'if den dood van Christusquot; gedoopt is, daardoor ook gedoopt is „elt;5 den doodquot; in het algemeen, zoodat hij daardoor met betrekking tot de zonde als een doode geworden is, en ten opzichte van haar van nu af aan als een niet-levende beschouwd moet worden.

-ocr page 49-

37

maar: „alzoo ook wij in nieuwigheid des levens zouden wandelen,quot; moet daaruit worden opgemaakt, dat hij het nieuwe leven des christens beschouwt als gegeven in de gemeenschap met den persoon van den opgewekten Christus.

Met het „opdatquot; wordt aangeduid, dat men niet in waarheid met Christus begraven kan zijn, zonder ook weder met Hem op te staan tot een nieuw leven. Die in waarheid met Christus begraven is, die is begraven met het doel om weder op te staan tot een nieuw leven, omdat hij begraven is, niet met een doode, die in het graf is gebleven, maar met een doode, die weder opgestaan is, om Gode te leven. \')

Gelijk dan de begravene Christus door de majesteit des Vaders is opgewekt tot een nieuw leven, met afbreking van alle betrekking tot de zonde, zoo moet ook die met Hem begraven is in nieuwigheid des levens wandelen, met afbreking van nlle betrekking tot de zonde. Want .gelijk door de begrafenis van Christus de laatste band tusschen Hem en het vroegere aardsche leven verbroken werd, en Hij een hooger leven inging, zoo heeft ook voor den gedoopte, door zijn doop, het vroeger leven opgehouden, en is hij gebracht op het terrein van een geheel nieuw leven, dat van nu af aan beginnen zal. De doop heeft hem gebracht tusschen het einde van het vroeger en het begin van het nieuwe leven. Naar dit leven strekte hij zich in den doop uit. Maar dit leven kan niet worden verkregen, dan in de (/eZoo/sgemeenschap met Christus, immers door de subjectieve toeëigening van den begraven, maar weder-opgewekten Christus, in wiens persoon alleen het beginsel van het nieuwe leven te vinden is.

Aldus opgevat, beantwoordt het 4de vers volkomen aan het 2^, aanwijzende, waarom hij, die der zonde gestorven is, niet meer daarin leven kan. Ook blijkt de juistheid van die opvatting uit de waarheid, dat in den apostolischen tijd bg de doopsbediening, zoowel de xxTx^utrn; (het afdalen in

1) Zie vers \'10 en 11. Vgl. Godet, t. a. p.

-ocr page 50-

38

het water, om daardoor overdekt te worden), als de xvalviris (het weder opkomen uit het water, nadat men daarmede overdekt is geweest) beteekenis had. De y.xTcictvaic was nl. het zinnebeeld van het met Christus sterven en begraven worden, en daardoor ook van het met Hem der zonde afsterven. Zij was dus het zinnebeeld van iets, dat geacht werd, reeds plaats te hebben gehad. De xvuSum; daarentegen was hef zinnebeeld van iets, dat nog beginnen moest: immers het zinnebeeld van het ten nieuwen leven weder met Christus opstaan. Gelijk dan op de kxtx^vti: de xvahvuc volgde, zoo moet ook bij den christen, door zijn vereeni-ging met den begraven, maar wederopgewekten Christus, op het met Hem begraven worden het wandelen in nieuwigheid des levens volgen.

In het 5de vers gaat Paulus nader aantoonen, op welken grond het „opdatquot; van het vorige vers steunt. Heeft hij nl. daarmede te kennen gegeven, dat het begraven worden met Christus door middel van den doop het wandelen in nieuwigheid des levens ten doel had, hij zal nu in het licht stellen, welk verband er bestaat tusschen dit doel en dat middel, m. a. w. waarom het „begraven wordenquot; noodwendig het wandelen in nieuwigheid des levens met zich medebrengt. „Want indien wij met Hem samengewas-sen zijn (ééne plant geworden zijn, el ykp yeyóvrnpn)

door de gelijkheid van zijn dood (t^ éy.oicófixti toü Dmxtou xütov) wij zullen het ook zijn door die zijner opstanding {xk\'/.x xx) t-?,: xvxvtxvsui; iirófts$x).\'n

Het woord duidt aan, zoowel hetgeen aangebo

ren, van nature eigen is, als hetgeen met iets samengegroeid (aupcpuyic), en daardoor nauw vereenigd, tot éen lichaam geworden is. Het geeft alzoo ook te kennen een organischen samenhang, ten gevolge waarvan er een verhouding ontstaat als die tusechen wortel en tak, tusschen wijnstok en ranken. \')

1) Godet zegt daarvan zeer juist: „trviitpvroq désigne runion organique

-ocr page 51-

39

Achter yeyóvxpev moet xurii gedacht worden. Dit blijkt uit de parallel met het vorige vers („wij zijn dan met Hem begravenquot;), en eveneens uit het 6de vers („onze oude mensch is met Hem gekruisigdquot;). — T5 óftoid^xTi (door de gelijkheid) is de dativus instrum., en moet met rov Qxvxt\'ov x\'jtov («van zijn doodquot;) worden verbonden. Her, duidt dan aan, op welke wijze het „samengewassen zijnquot; met Christus heeft plaats gevonden.

Het woord 5.u.o!u.ux beteekent eigenlijk: het gelijk gemaakte. Het geeft te kennen: zoowel de afbeelding of het beeld, als de gelijkheid of gelijkvormigheid. Hier is alzoo sprake van hetgeen de afbeelding, de gelijkheid of de gelijkvormigheid is van den dood van Christus. Uit het voorgaande is duidelijk, dat hiermede de doop wordt bedoeld. Want volgens het 3de vers is het de doop, die ons in gemeenschap brengt met den reddenden dood van Christus, en volgens het 4de, de „doop el? den dood,quot; waardoor wij met Hem begraven worden. Het is alzoo ook door den doop, dat men met Christus vereenigd, éene plant wordt, wijl de doop de afbeelding, de gelijkvormigheid is van het met Christus sterven en begraven worden. Door den doop met den dood van Christus in gemeenschap getreden, konden de christenen te Rome geacht worden, ten opzichte van de zonde, een gelijken dood als Hij gestorven te zijn. De juistheid van deze opvatting blijkt ten duidelijkste, naarmate wij meer in het oog houden , dat Paulus hier spreekt van volwassenen, die, door zich te laten doopen, beschouwd konden worden als door het geloof éen met Christus geworden te zijn.\')

en vertu de laquelle uu être partage la vie, la croissance, les phases de 1\'existence d\'un autre ètre.quot;

1) Volgens Meyer, Rückert, Binneweg e. a. moet bij róntpvroi; geen uvtcjj gedacht, maar moet het verbonden worden met de woorden „dooide gelijkheid zijns doods;quot; zoodat er sprake zou zijn van een tezamenge-groeid zijn met de gelijkheid van des Heereu dood (;,rait dem was seines Todes Gleichgestalt ist.quot;) Uit geeft echter geen goeden zin, daar men niet in enge verbinding kan treden met een beeld, of met iets, dat de gelijk-

-ocr page 52-

40

Wat den nazin betreft: hetzij men met Calvijn, Kiickert, Meyer, Philippi e. a. de woorden rijc xvarTxreu? irópedx van óftoiófiXTi laat afhangen, hetzij met Godet van cróy.-— altijd zal de bedoeling moeten zijn: wij zullen met Hem samengewassen, met Hem nauw verbonden, met Hem éene plant zijn, ook ten opzichte van zijn opstanding. Het geheele 5Je vers geeft dan dit te kennen: Zijn wij met Hem samengewassen of éene plant geworden ten opzichte van zijn dood, het kan niet anders, of wij zullen ook ten opzichte van zijn opstanding {aXXx xxi = wij zullen immers ook) met Hem samengewassen, met Hem éene plant zijn. Waar het eene heeft plaats gevonden, daar moet ook noodwendig het andere volgen.

Het futurum hif/.eQx (wij zullen zijn), dat parallel loopt met het „opdatquot; van het vorige vers, moet dan ook niet worden opgevat als een Imperatief, niet als een uitwendige plicht, die voorgeschreven wordt, maar als een aanduiding van hetgeen geschieden moet volgens een innerlijke noodzakelijkheid, als een onvermijdelijk gevolg, als een resultaat, dat zeker is. Deze opvatting wordt geëischt door den\' samenhang, die ons doet zien, dat het Paulus in dit gedeelte inzonderheid te doen is, om in het licht te stellen, waarom het feit van de rechtvaardiging uit genade, door het geloof, uit den aard der zaak noodwendig ten gevolge heeft het wandelen in nieuwigheid des levens.

Het 6de vers stelt nader in het licht hetgeen in het 2lle gedeelte van het 5de gezegd is, en bevestigt het. „Dit wetende, dat onze oude mensch met Hem gekruisigd is {TuvdjTxupuê-/;), opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde {xxTxpy^)^ ten einde wij niet meer de zonde dienen.quot;

rormiqheid van iets anders is; evenmin als met een „seinem Tode gleicli-yestaltig entsprechende Verhaltniss.quot; Zeer terecht zegt dan ook Godet: „11 est bien rude de rapporter un terme aussi concret que rrvufyuror, né avec, participant, a une notion abstraite telle que celle de ressemblanae. On est rendu participant non de l\'imagp d\'nno chose, rnais de la chose elle-mème.quot;

-ocr page 53-

41

Met de uitdrukking „de oude menschquot; wordt bedoeld de vroegere levenstoestand van den christen, de menschelijke persoonlijkheid in den zondigen toestand, waarin hij voor de wedergeboorte verkeert, de mensch zooals hij is in den eersten Adam.

Bij de woorden „met Hem gekruisigdquot; hebben wij niet te denken aan het plaatsbekleedend sterven des Heeren aan het kruis. Daarmede wordt hetzelfde te kennen gegeven als „met Hem gestorven.quot;\') Alleen omdat het sterven des Heeren een sterven aan het kruis was, wordt hier gesproken van een „gekruisigd zijn,quot; en niet van een „gestorven zijn.quot; Ue „kruisiging van den ouden menschquot; geeft alzoo te kennen: een in beginsel volkomen breken met de zonde, en een zich volkomen onttrekken aan haar dienstbaarheid. Sedert wanneer is de oude mensch van den christen [op deze wijze gekruisigd? Met het oog op den samenhang, en in verband met de van de voorafgaande verzen gegeven verklaring, moet het antwoord luiden: Toen hij door den doop met Christus en met diens dood in gemeenschap trad.

Het doel, waarmede die oude mensch gekruisigd is, wordt aangewezen met de woorden: „opdat het lichaam der zonde (d. i. het lichaam, voor zoover het aan de macht der zonde onderworpen is; zie vers 7, 12, 13 en 23) te niet gedaan worde, ten einde wij niet meer de zonde dienen.quot; De kruisiging van den ouden mensch heeft derhalve ten doel de algeheele bevrijding van den dienst en de heerschappij der zonde, opdat wij, door de kracht van het nieuwe leven van den opgewekten Christus, ons voortaan zouden wijden aan een anderen dienst, nl. dien der gerechtigheid (vgl. vers 18).

In het 7de vers brengt Paulus de redeneering, die hij tot dusver heeft voortgezet, ten einde. Met een voorbeeld uit hot gewone leven heldert hij daarin op wat hij in het vorige vers gezegd heeft. „Want die gestorven is (2/«p ólttcQxvuv), is gerechtvaardigd van de zonde (SsdixxiuTxi

1) Zie vers 7 on S,

-ocr page 54-

42

xtto rij: xfiapTioic).quot; Deze woorden moeten worden opgevat als een algemeene uitspraak, die de apostel aan zijn lezers overlaat om toe . te passen op het bepaald geval, dat hen bezig houdt. Daarom moet de uitdrukking „die gestorven isquot; niet in een geestelijke, maar in de gewone beteekenis worden genomen. Hetzelfde geldt van „gerechtvaardigd.quot; Het heeft hier, gelijk blijkt uit de bijvoeging „van de zonde,quot; niet de gewone dogmatische beteekenis, maar die van: ontslagen, bevrijd. De bedoeling van het 7de vers komt dan hierop neêr: Gelijk een, die gestorven is, ontslagen is van de gehoorzaamheid aan den meester, dien hij diende, toen hij nog leefde, zoo is\' ook de christen, met Christus gestorven zijnde, onslagen en bevrijd van de dienstbaarheid der zonde, waaraan hij vroeger onderworpen was, omdat door dat sterven alle vroegere betrekking heeft opgehouden tusschen hem en tusschen haar, zoodat zij ook geen macht meer over hem heeft.

Wat leert ons nu Rom. 6:1—7 aangaande de beteekenis van den christelijken doop? Om het juiste antwoord op deze vraag te vinden, moeten wij ons eerst kortelijk rekenschap geven van het doel, dat Paulus beoogde met hetgeen hij in die pericoop ontwikkeld heeft. Daardoor zal ons tevens duidelijk worden, waarom hij in dit verband niet over het geloof, maar juist over den doop gesproken heeft.

Het is Paulus, gelijk ik bij het stó^sóx van vers 6 reeds opgemerkt heb, in Rom. 6 : 1—7 geenszins te doen, om aan te toonen , dat het wandelen in nieuwigheid des levens een uitwendige plicht is, die voor den christen uit de genade der rechtvaardiging voortvloeit. Maar het is hem daarin te doen, om in het licht te stellen, dat de genade der rechtvaardiging geheel onafscheidelijk verbonden is met de heiligheid des levens. En wel, omdat de heiligmaking, evenals de rechtvaardiging, gegeven is in den persoon van Christus, i) De heiligheid van den christen heeft derhalve

1) Vgl. 1 Cor. 1: 30.

-ocr page 55-

43

haar realiteit in de heiligheid van Christus zeiven. Zij is in beginsel daarin voltooid, en zijne roeping is het nu, om, door onafgebroken levensgemeenschap met Hem, die ook zijn heiligmaking is, hoe langer zoo meer te worden wat hij nu reeds in Hem is. Omdat Paulus juist dit wil aanwijzen, en dientengevolge niet de daad des menschen, maaide daad Gods in Christus, den tweeden Adam, in het oog heeft, daarom spreekt hij in dit gedeelte niet over het geloof, maar over den doop. Terwijl toch het geloof een subjectieve daad des menschen is, wordt door den doop een objectieve Godsdaad voorgesteld. Het geloof doet den mensch in de werkelijkheid deelachtig worden wat hem door den doop wordt afgebeeld. Doch niet het geloof als zoodanig, maar de doop is het middel, waardoor hij objectief gebracht wordt in de sfeer van de genade Gods. Daarom wordt in de behandelde pericoop de doop geheel van zijn objectieve zijde beschouwd, gelijk bovendien blijkt uit het feit, waarop ik reeds gewezen heb: dat Paulus van alle gedoopten te Rome zegt, dat zij door den doop met Christus begraven zijn, „opdat (ook uit dit „opdatquot; blijkt het objectieve) zij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.quot;

Met het oog op dit doel van de pericoop, kunnen wij, op grond van hetgeen ik daaromtrent in het midden heb gebracht, aangaande de beteekenis van den christelijken doop als resultaat daaruit vaststellen: 1° dat de doop ons in betrekking brengt met den persoon van Christus, den tweeden Adam, en ons objectief éene plant met Hem worden doet; en 2° dat de doop het zinnebeeld is, dat men met den dood van Christus in gemeenschap treedt, om met Hem der zonde af te sterven, met Hem begraven wordt, om door het geloof weder met Hem op te staan tot een nieuw leven.

Beschouwen wij nu twee plaatsen, die in beteekenis het meest overeenkomen met Hom. 6:1 — 7. De eene is

Col. 2 : 10—12.

In het tweede Hoofdstuk van zijn Brief waarschuwt

-ocr page 56-

44

Paulas de christenen te Colosse tegen de gevaren, waardoor zij bedreigd werden van de zijde der dwaalleeraars, die, door hunne opgeblazene wijsbegeerte aangaande de hoogere geestenwereld, en door hun ijveren voor hun vele leeringen in verband met de ritueele voorschriften van de Mozaïsche wet, zoowel aan de hoogheid van den persoon van Christus, als aan de volkomenheid van zijn verlossingswerk afbreuk deden. Hij vermaant hen, om zich door dat alles niet te laten afvoeren van Hem, dien zij aangenomen hadden door het geloof, en wijst hen op hetgeen zij in Hem hadden. In Christus toch, en in Hem alleen, woont de volheid der Godheid lichamelijk. Hij is het Hoofd van alle „overheid en machtquot; (xpz\'-i w e^ovcria.), en in Hem waren zij met alle genadegaven vervuld geworden. Zij hadden dus aan Hem volkomen genoeg. En daarom moesten zij verwerpen al wat men hun, buiten Hem om, aangaande „overheden en machtenquot;, en ten opzichte van het houden van vele inzettingen der wet, wilde opdringen. En wat meer bepaald de besnijdenis aangaat, welke door die dwaalleeraars als ook voor den christen noodzakelijk werd voorgesteld en geëischt: Paulus verzekert hun, dat zij haar in het geheel niet noodig hadden, omdat, door hunne geloofs-eenheid met Christus, reeds eene andere en veel betere besnijdenis aan hen geschied was. Vorm en wezen van die besnijdenis beschrijft hij nu nader met deze woorden: „In wien gij ook besneden zijt {sv a xx) met

eene besnijdenis, niet met handen verricht, door de uittrekking {sv ry van het lichaam des

vleesches, door de besnijdenis van Christus (èv rij TrtpiTcfzy Tou XpirToü): zijnde met Hem begraven (o-ui/Ta-•Jisvrss aürci) in den doop (sv rü fixTTTivfiXTi).quot;

De uitdrukking „niet met handen verrichtquot; geeft te kennen, dat, terwijl de door de Mozaïsche wet voorgeschrevene besnijdenis, waarop die dwaalleeraars zoo zeer aandrongen, iets uitwendigs was, de besnijdenis, die aan den christen verricht is, iets innerlijks en geheel van geestelijken aard is. De woorden „door de uittrekking van het lichaam des

-ocr page 57-

45

vleeschesquot; duiden haar nader aan als eene besnijdenis, waardoor de geheele „oude menschquot; !) als een kleed wordt uitgetrokken en weggedaan, zoodat men niet meer beheerscht wordt door de macht van het vleesch, niet meer in de sfeer van het vleesch leeft, maar dit vleesch „gekruisigdquot; heeft, \') en nu een „nieuw schepselquot; geworden is, „geschapen in Christus Jezus tot goede werken.quot; — De genitivus „des vleeschesquot; is de gen. materiae, evenals Col. 1 : 22, en het woord „vleeschquot; heeft hier de gewone ongunstige beteekenis. 1) De aan den christen verrichte besnijdenis is alzoo niets anders, dan de „besnijdenis des harten,\'quot; m. a. w. de wedergeboorte of de bekeering. *)

De woorden „door de besnijdenis van Christusquot; loepen parallel met de woorden „door de uittrekking van het lichaam des vleesches.quot; Zij duiden aan, dat de besnijdenis van Christus overeenkomt met de besnijdenis, welke bestaat in het uittrekken of uitdoen van het lichaam des vleesches. De bedoeling van Paulus is dan: Gij zij t in Christus besneden met eene besnijdenis, die niet met handen geschiedt. Deze besnijdenis bestaat in het uittrekken van het lichaam des vleesches. En dit uittrekken van het lichaam des vleesches heeft plaats gevonden door of bij de besnijdenis van Christus.

De vraag is nu, wat wij te verstaan hebben onder de uitdrukking „besnydenis van Christus.quot; Volgens sommigen wordt daarmede bedoeld de besnijdenis, waarvan Christus de bewerker is, of die door Christus verricht wordt. Dit gevoelen heeft tegen zich, dat, blijkens den samenhang (zie vers 12—15), niet Christus beschouwd wordt als die de bedoelde besnijdenis tot stand brengt, maar God door de gemeenschap met Christus [èv a). Wij doen daarom beter, de uitdrukking „door de besnijdenis van Christusquot;

1

Zie o. a. Roin. 7:215 en 25; Gal. 5:16 en Efeat. 2:3. Vgl. Meyer, in zijn Commentaar.

-ocr page 58-

46

op te vatten in den zin van: door de besnijdenis, die in Christus, d. i. in zijn gemeenschap, gegeven is en verricht wordt.

Wanneer heeft nu genoemde besnijdenis plaats gevonden? Hierop wordt het antwoord gegeven door de woorden: „zijnde met Hem begraven in den doop.quot; Paulus wil derhalve tot de christenen te Colosse zeggen; De besnijdenis van Christus, de geesteljjke besnijdenis, welke bestaat in het uittrekken van het lichaam des vleesches, zij is aan u geschied, toen gij met Christus begraven werdt in den doop.

Naar de kracht van den aoristus Trsptarfu-^re (gij zijt besneden), is die besnijdenis een feit, dat op een bepaald tijdstip heeft plaats gevonden. Zij geschiedde nl. bij den doop. Dit wil niet zeggen, dat zij door den doop, maar dat zij gelijktijdig daarmede tot stand gebracht is. En wel, omdat zij, die zich lieten doopen, van dat tijdstip af geacht konden worden, gebroken te hebben met den ouden levenstoestand, m. a. w. het lichaam des vleesches te hebben uitgetrokken. Er moet alzoo worden toegestemd, dat niet de doop-zelf als die besnijdenis wordt voorgesteld, maar dat die besnijdenis wordt voorgesteld als plaats te hebben gehad bij den doop. Dit neemt echter niet weg, dat de doop moet worden aangemerkt als het tijdstip, waarop bedoelde besnijdenis aan de christenen geschied is, en dus ook als het tijdstip, waarop het lichaam des vleesches door hen werd uitgetrokken. Voor hen toch was de doop de aanvang van het nieuwe leven. Daardoor waren zij met Christus in gemeenschap getreden. En met Christus in gemeenschap getreden , waren zij overgebracht in een geheel nieuwen levenstoestand. Zij waren met Hem begraven bij den doop. Die doop constateerde, dat hun vroeger leven had opgehouden te bestaan, gelijk de begrafenis van een afgestorvene constateert, dat zijn leven op aarde een einde heeft genomen.

Evenals in Rom. 6:4, stelt Paulus hier den doop voor als een begraven worden met Christus. Evenwel met

-ocr page 59-

47

dit onderscheid: dat hij daar den doop meer beschouwt als het middel, waardoor dat begraven worden geschiedt, terwijl hij hem op onze plaats meer beschouwt als het tijdstip , waarop dat begraven worden heeft plaats gevonden. Daarom gebruikt hij in Rom. 6 de uitdrukking „door den doopquot; (sia toïi (sxttitrixxrc:), maar in Col. 2 : 12 de uitdrukking „in den doopquot; (sv rii iSxTTTicrua.Ti).

Met de woorden „zijnde met Hem begraven in den doopquot; heeft Paulus afgehandeld wat hij zeggen wilde aangaande de geestelijke besnijdenis, die de christenen te Colosse hadden ondergaan. In het 2le gedeelte van het 12tle vers wijst hij hen nu op een andere weldaad, die in Christus eveneens hun deel was geworden. Wij vatten alzoo êv u!) niet op als terugslaande op den doop, maar als terugslaande op Christus. Hiervoor pleit de geheele zinbouw, van het QJ6 vers af3).

Paulus wil derhalve te kennen geven: dat de christenen te Colosse, die in Christus een geestelijke besnijdenis ha\'dden ondergaan, toen zij bij den doop met Hem begraven werden, in Hem ook mede opgewekt waren. Hij duidt hiermede aan de positieve zijde van het nieuwe leven in gemeenschap met Christus, waarvan het „met Hem begraven wordenquot; de negatieve zijde was. Zag dit laatste op het uitdoen van den ouden mensch, het „mede opgewekt zijnquot; heeft betrekking op het aandoen van den nieuwen mensch. Het eene is meer objectief, terwijl hot andere ge-

-ocr page 60-

48

heel subjectief is. Geschiedt het „met Christus begraven wordenquot; bij den doop, het „met Hem opgewekt wordenquot; heeft plaats door het geloof als het subjectieve middel, zonder hetwelk men persoonlijk geen deel kan ontvangen aan die geestelijke opstanding. Daarom zegt Paulus, dat het mede opgewekt zijn met Christus geschied is „door het geloof aan de werking (%ix rij? t: ter sa? rijg svspysixc) van God, die Hem uit de dooden opgewekt heeftquot;1). Wij zien hieruit (hetgeen ons reeds gebleken is bij de beschouwing van Rom. 6:4), dat de geestelijke opstanding met Christus niet met den doop, maar alleen met het geloof in verband wordt gebracht. Zij komt daar alleen tot stand, waar door het geloof de kracht daarvan is uitgestort in het hart. Waaruit volgt, dat alleen bij de geloovigen het met Christus begraven worden in den doop achtervolgd wordt door het ten nieuwen leven weder met Hem opstaan.

Vatten wij het gezegde samen, dan leert ons Col. 2: 10—12: dat de doop het zinnebeeld is van de wedergeboorte of de bekeering, en afbeeldt, dat men met Christus begraven wordt, om door het geloof weder met Hem te worden opgewekt.

De andere plaats, die in beteekenis het meest overeenkomt met Rom. 6 : 1—7, is

Gal. 3 ; 26 en 27.

Paulus beijvert zich, om de Galatische christenen te bver-

1

De genitivus ri}? hepye/ae is de genitivus objectivus. Paulus wil daarmede te kemion geven, niet dat het geloof door God wordt gewerkt — hetgeen overigens op zich zelf als waarheid moet worden toegestemd —, maar dat het geloof de hvépyeix, de werking van God, die Christus uit de dooden heelt opgewekt, tot voorwerp heeft. Vgl. Rom. 4;\'\'24; ■10:9; 2 Cor. 4; 13 en 14. Men zie daarover Meyer. Calvijn zegt daarvan in zijn Commentaar: „Et addit Fer Jidem. Nam certe per illam percipimus quod offertur nobis in baptismo. Sed quam fidem? Bfjieaciae vel operationis ejus. Quo significat fidem in Dei virtute esse fundatam. Verum quia fides non vagatur inconfusa et indefinita (ut loquuntur) potentiae Divinae contemplatione: exprimit quam efficaciam respicere debeat, nempe qua suslitavit Christum a mortuis.quot;

-ocr page 61-

49

tuigen, dat zij niet meer onder de wet zijn, omdat zij, van het oogenblik af, dat zij in Christus begonnen te ge-looven, opgehouden hebben, kinderen te zijn, die een paedagoog (nl. de wet) noodig hebben, en mondige zonen zijn geworden, in het bezit van al de voorrechten, met dit zoonschap verbonden. Om dit nader in het licht te stellen, beroept hij zich op de beteekenis van den doop, dien zij ontvangen hadden.

Evenals in Rom. 6 van de gedoopten te Rome gezegd is, dat zij door den doop met Christus samengewassen, met Hem éene plant geworden waren, zoo wordt hier den christenen in Gralatië toegeroepen: „Zoovelen gij sic Christus gedoopt zijt {sfiaTrriaöyrs), hebt gij Christus aangedaan (i^fSüyizcröf).quot;

Het werkwoord svdóeiv beteekent in de eerste plaats: in iets ingaan. Van daar, dat het, van kleederen gebruikt, de afgeleide beteekenis verkrijgt van; aandoen, aantrekken. Gewoonlijk komt het in het Medium voor. Het wordt dan gebezigd, zoowel in eigenlijken, als in overdrachtelijken zin.!) In laatstgenoemden zin wordt in Efez. 4:24 (vgl. Col. 3:10) „de nieuwe menschquot; voorgesteld als een kleed, dat men aantrekken en waarmede men zich bedekken kan. De bedoeling is dan, dat men in dien „nieuwen menschquot; ingaat, d. w. z. zich dien tpeëigent, er éen mede wordt. Evenzoo beteekent de uitdrukking „Christus aandoenquot; (waarbij Christus, op dezelfde wijze als die „nieuwe mensch,quot; wordt voorgesteld als een kleed, dat men aantrekken en waarmede men zich bedekken kan): in Christus ingaan, d. w. z. met Christus in gemeenschap treden (gelijk men in gemeenschap treedt met een kleed, dat men aantrekt), zich Christus toeëigenen, éen met Hem worden.

Dat „aandoenquot; van Christus geschiedt volgens Paulus in den doop, daar hij uitdrukkelijk zegt: „Zoovelen gij eï? Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aange-

1) Zie b. v. Mt. 6:25; Hand \'12:21; Rom. 13:12; Efez. 4:24; 6:11 en 14; Col. 3: 10 en 42; en \'1 ïhess. 5:8.

4

-ocr page 62-

50

daan.quot; quot;Waarheid is, dat in het 26ste vers, waarmede het 27sie, gelijk blijkt uit het vooropgestelde „want,quot; in zeer nauw verband staat, tot de Galatisehe christenen gezegd wordt, dat zij allen kinderen Gods waren door het geloof\', dat in den persoon van Christus zijn grond heeft.!) Paulus spreekt hier tot de zoodanigen, die reeds tot het geloof waren gekomen. Ook wordt men niet anders, dan door het geloof een kind van God. Maar dit neemt niet weg, dat volgens vers 27 het „aandoenquot; van Christus beschouwd wordt als plaats te vinden, niet in de eerste plaats door het geloof, maar in de eerste plaats door den doop. 1) Dit is ook geheel in overeenstemming met hetgeen Paulus in het licht wil stellen. Het 27ste vers toch moet dienen, om aan te wijzen, welke de grond is van de nieuwe verhouding tot God, waarvan gesproken is in het 26ste, de grond van de waarheid, dat de christenen in Galatië allen kinderen Gods waren door het geloof. Daartoe moest in de eerste plaats het oog worden gevestigd op den doop, daar die waarheid uit niets zoo zeer blijkt als uit de beteekenis van den doop. En wel, omdat het de doop is, die zulk een betrekking tusschen den mensch en Christus doet ontstaan, dat hij in zijn gemeenschap wordt opgenomen. Hem toe-

1

In denzelfden geest zegt Calviju: „Paulum de sacramentis bifariam solere loqui. Dum negotium est cum hypocritis, qui nudis signis super-biunt; tum concionatur quam inanis ac nihili res sit externum signum; et in praeposteram fiduciam fortiter invehitur. Quarequot;? Non respicit Dei institutionem, sed impiorum eorruptelam. Quum autem fideles alloquitur, qui rite utuntur signis, ilia tune conjungit cum sua veritate, quam figurant. Quare? Neque enim fallacem pompam ostentat in sacramentis, sed quae externa caeremonia figurat, exhibet simul re -ipsa. Hinc fit ut Veritas, secundum Dei institutum, conjuncta sit cum signis. Si quis hie quaerat: Ergone fieri potest hominum vitio, ut sacrameutum non sit quod figurat? Responsio est facilis: Nihil sacramentis derogari per impios, quin suam naturam et virtutem retineant, quamvis ipsi nullum sentiant effectum. Sacramenta enim bonis perinde ac malis Dei gratiam offerunt, nee fallaciter Spiritus sancti gratiam.. . Hoe modo neque ad signum transfertur quod proprium Dei est; et tamen sacramentis vis sua constat, ne pro inanibus et frigidis spectaculis habeantur.quot;

-ocr page 63-

51

behoort en tot de zijnen gerekend wordt. En juist daarop komt het in dit verband aan. Paulus argumenteert nl. op deze wijze: Gij hebt Christus aangedaan, gij zijt met Hem vereenigd, met Hem in gemeenschap getreden, omdat gij gedoopt zijt. En omdat gij alzoo éen geworden zijt met Christus, die de Zoon van God is, en de zijnen zijt, daarom zijt gij ook zonen Gods door het geloof in Hem.

Indien geloof en doop hier van elkander geseheiden konden worden, dan zou niet het geloof gedacht moeten worden voor het aandoen van Christus in den doop, maar omgekeerd het aandoen van Christus in den doop voor het geloof. Het aandoen van Christus mag daarom ook niet beperkt worden tot de persoonlijke levensgemeenschap met Christus, die door het geloof ontstaat; maar het doelt op de geheel nieuwe betrekking, waarin alle gedoopten in Galatië zonder onderscheid tot Christus stonden, als door hun doop een integreerend deel uitmakende van de gemeente , die het lichaam van Christus is.!) Dit blijkt zeer duidelijk uit vers 28. En eveneens uit vers 29, waar Paulus van de Galatische christenen zegt, dat zij „van Christusquot; zijn; terwijl uit het verband blijkt, dat zij „van Christusquot; waren, omdat zij Christus hadden „aangedaan.quot; Van Christus zijnde, waren zij erfgenamen. Maar om in de werkelijkheid hiervan de vruchten te kunnen plukken, moesten zij eerst mondige zonen zijn. Dit nu geschiedt xd6or het geloof.

Allen, die gedoopt waren, konden geacht worden Christus te hebben „aangedaan,quot; al waren er ook onder, die de werkelijkheid daarvan nog niet persoonlijk hadden ondervonden, omdat zij nog niet in waarheid geloofden. Paulus beschouwt hier den doop meer in zijn objectieve, dan in zijn subjectieve beteekenis. Wij zien dit uit het „zoovelen gij (allen, die gij/\' van vers 27, in verband met het „allenquot; van vers 26, waarmede te kennen wordt gegeven, dat alle gedoopte Galaten zonder onderscheid zonen Gods waren

1) Vgl. Steitz, in Heizog\'s Eeal-Encyklopadie, op liet artikel Taufe.

4*

-ocr page 64-

52

door het geloof; terwijl toch niet aangenomen kan worden, dat allen, die in Galatië gedoopt waren, allen zonder onderscheid, ook geloovigen zijn geweest in den waren zin van het woord. Het tegendeel blijkt reeds uit hetgeen Paulus, op verschillende plaatsen in den Brief, tot hen zegt.\') Bovendien wordt in den geheelen samenhang over het geloof gesproken op eene wijze, die meer objectief, dan subjectief is. 1)

Rom. 13: 14 heet het tot de christenen te Rome: „Doet aan -den Heere Jezus Christus,quot; terwijl hier tot die in Galatië gezegd wordt; „Gij heht Christus aangedaan.quot; Alleen wanneer wij aannemen, dat dit aandoen van Christus objectief in den doop geschiedt, kan de vermaning in Rom. 13:14 op bevredigende wijze verklaard worden. 2)

Vraagt men nu, wat wij uit Gal. 3 : 26 en 27 aangaande de beteekenis van den christelijken doop kunnen opmaken, dan moet het antwoord niet luiden: „dat de doop hier in verband wordt gebracht met het geloof, maar: 1° dat de doop hier, evenals in Rom. 6, wordt voorgesteld als het objectieve middel, waardoor men met Christus in gemeenschap treedt, om Hem toe te behooren, en éen met Hem te worden; en 2° dat de doop de grondslag is van het zonen Gods worden door het geloof.

1

Zie vers 22, 23 en 24. Meu lette zelfs op de uitdrukking Six miTTSui; lv xpia-rui \'Itfrov.

2

Zeer schoon zegt Clément (t. a. p., bl. 152 en 153): „Paul n\'explique pas, il argumente; et du fait que les Galates ont été baptisés, il conclut qu\'ils ont revetu Christ et que par conséquent ils sont flls de Dieu. Qui-conque devient F rangais revêt, au moment de sa naturalisation, la qualité de Frangais; il est considéré et traité comme Francais; il jouit de tous les droits du Francais, comme il en accepte toutes les obligations; il renonce a sa nationalité précédeute. 11 en est de mérae de cêux qui sont introduits dans l\'Eglise par le baptême... Tons ceux qui l\'ont regu ont été objecti-vement revetus du Christ, quoique subjectivement et quant a leur état moral, ils puissent être encore dans le vieil homme.quot; En met het oog op Rom. 13:14; „Paul parle comme on pourrait le faire a un nouveau natu-ralisé: Maintenant vous êtes Francais, soyez done Francais.quot;

-ocr page 65-

53

Staan wij nu stil bjj twee plaatsen, die wel tot dezelfde categorie behooren als de voorgaande, maar waarin de doop uit een eenigszins ander oogpunt wordt beschouwd. De eene is

1 Cor. 6:11.

Nadat Paulus, ten einde de Corinthische christenen te waarschuwen tegen de onder de Heidenen heerschende zonden, in het 10fle vers gezegd heeft, welke menschen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven, herinnert hij hun in het lid6, hoe sommigen hunner vroeger tot het getal van de zoodanigen behoord hebben, maar dat nu met hen allen heeft plaats gehad, hetgeen vervat is in de woorden: „Maar gij hebt u afgewasschen (xTrtï.outrxvös), maar gij zijt geheiligd {^yict^Ts), maar gij zijt gerechtvaardigd (è\'Six.MciSyire), in den naam (s:/ rcj ovó^uti) van^ den Heere Jezus, en door den Geest (iv Trveu.uxTi) onzes Gods.quot;

Als Aoristus med. beteekent XTrsfovexvós, niet: „gij zijt afgewasschen,quot; maar: gij hebt u afgewasschen, of ook: gij hebt u laten afwasschen!). Tegen deze interpretatie kan er te minder bezwaar bestaan, omdat de apostel hier spreekt tot de zoodanigen, die op volwassen leeftijd gedoopt waren 1), en er geen volwassenen gedoopt werden, dan die, tengevolge van een vrijwillige keuze, zich bij de christelijke gemeente wilden aansluiten.

Dat het hier bedoelde „afwasschenquot; bij den doop is geschied, is aan geen twijfel onderhevig. De doop was de plechtigheid, die getuigenis aflegde van den overgang tot het christendom, de eerste stap op het nieuwe levensgebied, waarop de Corinthische christenen zich thans bevonden, en de voorwaarde voor het „geheiligdquot; en het „ge-

1

Zie vers 10.

-ocr page 66-

54

rechtvaardigd.quot; Dit blijkt eveneens uit de uitdrukking „in den naam van den Heere Jezus,quot;!) en uit Efez. 5 : 26 en Hand. 22:16. Vrij algemeen wordt dan ook toegestemd, dat het „afwasschenquot; met den doop in verband moet worden gebracht. De vraag is alleen, wat daaronder verstaan moet worden.

Yolgens sommigen1) moet daarbij gedacht worden aan het afleggen van den ouden mensch, het der zonde afsterven, de zedelijke reiniging bij de wedergeboorte. Volgens anderena) doelt het op de vergeving van zonden. Het komt mij voor, dat alleen de eerstgenoemde opvatting de juiste is, omdat zij het best in het verband past. Hetgeen Paulus tot de Corinthische christenen zeggen wil is nl. dit: „Gij behoordet vroeger tot dat soort van men-schen, waarvan ik zoo even verklaard heb, dat zij het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. Maar dit is nu geheel anders met u geworden, omdat gij bij den doop het oude leven zijt afgestorven, met den ouden levenstoestand gebroken, en daaraan voor goed vaarwel gezegd hebt, om voortaan in de gemeenschap met Christus in nieuwigheid des levens \' te wandelen.quot; Dit geeft een zeer goeden zin; terwijl het geen goeden zin zou geven, indien aangenomen moest worden, dat het „afwasschenquot; op de vergeving van zonden doelt. Dan toch zou Paulus tot die christenen hebben willen zeggen: dat zij opgehouden hebben, tot de hoereerders , afgodendienaars, overspelers enz. te behooren, omdat zij bij den doop vergeving van zonden hadden ontvangen. Het feit, dat zij vergeving van zonden ontvangen hadden, kan moeilijk, zonder gedwongenheid, worden beschouwd als de reden, waarom zij nu niet meer waren die zij vroeger geweest zijn; terwijl het daarentegen duidelijk is, dat het vaarwelzeggen aan den levenstoestand vóór de

1

O. a. Rückeit (in zijn Commentaar), Usteri (in zijn Entwickelung des Pauiin. Lehrhegriffes, bl. 230), en Binneweg, t. a. p., bl. 81.

-ocr page 67-

55

bekeering wel kan woróen aangezien voor de oorzaak van de groote verandering, die in hun leven had plaats gegrepen.!) Voor de juistheid van onze opvatting pleit ook, dat, daar het „gerechtvaardigd,quot; gelijk ons blijken zal, reeds betrekking heeft op de vergeving der zonden, er een mat pleonasme ontstaan zou, indien ook bij het „afwasschenquot; aan de vergeving van zonden moest worden gedacht.

Men heeft zich, ten gunste van de door ons bestredene verklaring, beroepen op Hand. 22; 16. Maar ten onrechte. Want terwijl wij op deze plaats lezen: „Laat u doopen, en uwe zonden afwasschen,quot; staat er 1 Cor. 6:11: „Gij hebt u afgewasschenquot; (of: „Gij hebt u laten afwasschenquot;), zonder dat daarbij melding gemaakt wordt van zonden als die „afgewasschenquot; zijn, of van het doopen als identisch met „afwasschen.quot; In ieder geval heeft genoemde interpretatie het verband tegen zich, hetgeen op zich zelf zeker reeds genoeg is om haar als onjuist te doen aanmerken.

De uitdrukking „geheiligdquot; moet hier niet worden opgevat in den zin van „individueele zedelijke heiligheid,quot; maar in dien van: Godegewij dheid,1) welke dan met zich medebrengt, dat men zich voortdurend bevindt onder den invloed van den H. Geest. Dat deze opvatting de juiste is, blijkt reeds uit den aoristus (gij .zi/i geheiligd ,

waardoor een feit wordt aangeduid, dat eenmaal heeft plaats gevonden, nl. bij het „gij hebt u afgewasschen,quot; en daarvan de voortzetting is. Daarom wordt het ook onmiddellijk daarop door Paulus vermeld. Door bij den doop vaarwel te zeggen aan het vroeger leven in de zonde, waren de Corinthische christenen aan de ongewijde levenssfeer eener van God afkeerige wereld onttrokken, en overgebracht in de sfeer van de gemeenschap met God, zoodat zij nu verkeerden onder de gestadige werking van den H. Geest.

Wat het „gerechtvaardigdquot; betreft: er bestaat geen reden om het hier in een andere beteekenis te nemen, dan

1

Vgl. 1 Cor. 1:2; Rom. 1:7; Tit. 3:5.

-ocr page 68-

56

in die, waarin het gewoonlijk bij Paulus voorkomt. Het geeft ook hier te kennen: het ingevoerd zijn, het zich bevinden in den toestand van een rechtvaardige als de vrucht van de genadegave der vergeving van zonden.!)

De woorden „in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Godsquot; hebben betrekking op al hetgeen er aan voorafgaat. Sommige uitleggers brengen ze alleen in verband met „gij zijt gerechtvaardigd,quot; meenende, dat de uitdrukking „door den Geest onzes Godsquot; niet past bij „gij hebt u afgewasschen.quot; Dit bezwaar vervalt echter, wanneer de bedoeling des apostels maar goed begrepen

1) Volgens Meyer beteekent de uitdrukking „gij zijt gerechtvaardigdquot; hier zooveel als; ,.\'thr wurdet rechtleschaffeu gemachtzoodat daarmede bedoeld zou zijn „die factische sittliche Rechtbesehaffenheit,quot; die ten gevolge van de met den doop begonnen geestesinwerking tot stand is gekomen. Tot staviug van dit gevoelen brengt hij tegen de door ons gegeven verklaring in, dat daardoor een pleonasme ontstaat met het voorafgaande „gij hebt u afgewasschen.quot; Dit zou zeer zeker een overwegend bezwaar zijn, wanneer dit „afwasschenquot; met Meyer moest worden opgevat in dc; betee-kenis van: „door middel van den doop .vergeving van de voorchristelijke zonden ontvangen.quot; Wij hebben echter voldoende aangetoond, dat wij daarbij niet hebben te denken aan de vergeving van zonden, maar aan de „aflegging van den ouden menschquot; bij de bekeering. — Tegen de bedenking dat het „gerechtvaardigd,quot; als het betrekking had op de vergeving van zonden, niet na, maar vóór het „geheiligdquot; gestaan zou hebben, moet worden opgemerkt, dat dit dan eerst waar zou zijn, indien het „geheiligdquot; geen andere beteekenis hebben kon, dan die Meyer er aan toekent; terwijl het, opgevat in de beteekenis, die het volgens onze verklaring heeft, juist niet volgen moet op het „gerechtvaardigd,quot; maar er aan vooraf moet gaan. Bovendien heeft de verklaring van Meyer diens eigen opvatting van het „geheiligdquot; tegen zich. Geeft hij toch aan „gerechtvaardigdquot; de reeds genoemde beteekenis, en vat hij daarbij „geheiligdquot; op in den zin van „ïhr u-urdet (aus Unheiligen, die ihr vor der Taufe waret) Heilige, indem ihr namlich durch Empfang der Saifsèc rov xyïov in die christlich gott-

geweihte sittliche Lebensrichtung versetzt wurdet,quot; — het is niet moeilijk in te zien, dat hierdoor een tautologie ontstaat, daar „gerechtvaardigd,quot; genomen in den zin, dien hij er aan toeschrijft, eigenlijk niet verschillend is van „geheiligdquot; naar zijn opvatting. Eindelijk pleit zelfs de volgorde dei-woorden, waarop Meyer zich beroept, tegen zijn opvatting, daar, indien deze als de ware moest worden beschouwd, juist dan na „gij hebt u afgewasschenquot; niet het „geheiligd,quot; maar het „gerechtvaardigdquot; zou zijn genoemd.

-ocr page 69-

«5

57

wordt. De Corinthische christenen waren afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd „in den naam van den Heere Jezus,quot; omdat die afwassching, die heiliging en die rechtvaardiging alleen in de gemeenschap met den Heer Jezus te verkrijgen zijn, en zij door het geloof in dien naam in die gemeenschap waren opgenomen 1). En zij waren afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd „door den Geest onzes Oods.quot; omdat zoowel bij die afwassching, als hij die heiliging en rechtvaardiging de H. Geest werkzaam geweest is. Het is nl. de H. Geest, die in de geloovigen subjectief verwezenlijkt, hun persoonlijk toeëi-gent, en innerlijk in hen tot stand brengt wat objectief gegeven is in den naam, d. i. in den persoon van onzen Heer Jezus Christus.

De slotsom onzer beschouwing is: 1° dat ook in 1 Cor. 6:11 de doop in verband wordt gebracht met het der zonde afsterven, met de innerlijke reiniging; en 2° dat dit der zonde afsterven, deze innerlijke reiniging niet geschiedt door den doop als zoodanig, maar door het geloof in den Heer Jezus Christus en door den H. Geest.

De andere plaats, die in dit verband onze aandacht vraagt, is

Efez. 5 ; 25—27.

In het 25ste vers vermaant Paulus de mannen, om hunne vrouwen lief te hebben. Hij stelt hun daarbij ten voorbeeld de liefde, waarmede Christus de gemeente liefgehad heeft: eene liefde, zoo groot, dat Hij zichzelven voor haar overgegeven heeft. Met welk doel deze zelfovergave van Christus heeft plaats gevonden, wyst hij aan in vers 26. Het is nl., opdat Hij de gemeente zou heiligen aÜTiiv xynxey). Dit „heiligenquot; moet niet met sommigen

•1) Vgl. Efez. 1:4; l\'lülipp. -1; 1; Col. 2:11; Joh. 20:31; Hand. 2:38 en iO: 48.

-ocr page 70-

58

worden opgevat in den zin van: „zich ten eigendom afzonderenquot; (sibi segregare) of „zichzelven toewijdenquot; (sibi consecrare), maar in dien van: tot zedelijke volkomenheid brengen 1). Het geeft te kennen wat de Heer voortdurend door den H. Geest aan zijn gemeente verricht, ten einde het resultaat te verkrijgen, dat vermeld is in vers 27.

De negatieve zijde, de voorwaarde van dat „heiligenquot;, wordt aangewezen door de woorden; „haar gereinigd hebbendequot; (xxSapitrxg). Ten onrechte hebben vele uitleggers dit „reinigenquot; in onmiddellijk verband gebracht met de vergeving van zonden. Het geeft hetzelfde te kennen als het „afwasschen,quot; waarvan sprake is 1 Cor. 6: 11, en doelt op het verlost worden van de macht der zonde, dat de negatieve zijde is van het nieuwe leven in de gemeenschap met Christus. In denzelfden zin komt het voor 2 Cor. 7:1 en Tit. 2 ; 14, waar het op dezelfde wijze in verband wordt gebracht met de zelfovergave des Heeren. Deze opvatting beveelt zich ook daardoor aan, dat wij in dat „reinigenquot; zonder twijfel een toespeling hebben te zien op het bad, dat men, bij Joden zoowel als bij Heidenen, gewoon was, de bruid te laten nemen, als zij haren bruidegom te gemoet zou worden gevoerd ^).

Door welk bad Christus de gemeente gereinigd\' heeft, wordt aangewezen met de woorden „door het bad des waters door het woordquot; {tx xoutpa tov v^xtcc êv ófaxTi). Onder het „bad des waters,quot; waarvan hier sprake is, kan niet anders bedoeld zijn, dan de doop. Reeds het artikel tw doet met nadruk aan dat bekende waterbad denken. De door Paulus bedoelde reiniging geschiedt alzoo door den doop. Evenwel niet door het water des doops als zoodanig. Daarom is er aan toegevoegd: „door het woord.quot;

Over het antwoord op de vraag, waarmede dit „door het

1

Zie vers 27. Wat den zin betreft, vergelijke men vers 2—11. Ook Rom. 6:4 Gal. d : 4 en 2, 19 en 20; ïit. 2:14; 1 Petr. 1:15—19; 2:24 en 3:18.

-ocr page 71-

59

woordquot; verbonden moet worden, zijn te allen tijde de gevoelens zeer uiteengegaan. Volgens sommigen moet het verbonden worden met de woorden „opdat Hij haar heiligen zouquot;; zoodat het zou aanduiden, dat het „heiligenquot; door het „woordquot; geschiedt. \') Deze verbinding heeft echter tegen zich, niet alleen, dat de bijvoeging „door het woordquot; veel te ver staat van de woorden „opdat Hij haar heiligen zou,quot; dan dat zij zonder gedwongenheid daarmede verbonden zou kunnen worden, maar ook, dat de uitdrukking „heiligen (= tot zedelijke volkomenheid brengen) door het woordquot; niet te rechtvaardigen is.

Anderen verbinden die bijvoeging met de woorden „door het bad des waters,quot; en beschouwen haar als een nadere bepaling daarvan. Het waterbad, waarvan hier sprake is, zou dan zulk een wezen, waarmede het „woordquot; is ver-eenigd, en waarvan het eigenlijk wezen in dat „woordquot; is gelegen. 1) Dit gevoelen wordt gedrukt door het bezwaar, dat er dan niet had moeten staan „door het bad des waters sv ,quot; maar: door het bad des waters rsi of toü iv pfaxTt,

daar, gelijk zeer juist door Meyer is opgemerkt, noch to /.oinpé-j, noch rb u\'Sap geacht kunnen worden, met iv p^uxn een eenheid van begrip te vormen.

De opvatting, waarvoor het meest te zeggen valt, is die, volgens welke het bijgevoegde „door het woord,quot; evenals de woorden „door het bad des waters,quot; afhangt van „gereinigd hebbendequot; (xzódpizat;) 2). De bedoeling is dan, dat de „reinigingquot; geschiedt door den doop, maar in de kracht van het „woord,quot; d. i. van het Woord Gods, het woord des Evangelies ■*). Deze opvatting schijnt door de con-

1

Dit is de opvatting o. a. van Luther, de Wette en Braune (in Lange\'s Sitelwerk).

2

Zoo o. a. ook Bengel, in zijn Onomon, Harless, in zijn Commentaar, en Binneweg, t. a. p., bl. 128.

-ocr page 72-

60

structie zelve te zijn aangewezen. Immers staat er niet: citx tov /.ovTpcü t. \'j\'è. (zooals S/a: tov (SonrTiapxTOc in Rom. 6 : 4). Ook niet: h tü Mvrpcp t. iS. (evenals h tü fixttth-(axti in Col. 2: 12). Maar er staat: „tw Kovrpüi tov SSaira?quot;; terwijl bij óypxTi met nadruk de praep. sv gevoegd is.

Het Evangeliewoord zelf is het goddelijke reinigingsmiddel , datgene wat eigenlijk de reinigende kracht in zich bevat. Maar het deelt die kracht mede aan den doop, zoodat deze er de drager van wordt. Bengel zegt daarvan in zijn Gnomon: „lm Wort liegt die reinigende Kraft, und diese wird durch das Bad in AVirksamkeit gesetzt. quot;Wasser und Bad sind die ausserlichen Anwendungsmittel (die Trager), das Wort ist das höhere Reinigungswerkzeug, dem die Reinigungskraft inwohntquot; i). Men vergelijke hierbij Joh. 15 : 13, en ook Hand. 15:7 en 9.

In het 27ste vers wijst Paulus het doel van het „heiligen,quot; het einddoel van de zelfovergave des Heeren voor de gemeente, aan. Het is nl., opdat de Heer zelf {zutó:) haar als zijne bruid „in heerlijke schoonheid (svèot-ov) voor zich-zelven zou stellen (irxpxTTyiji/i exvrü).quot; En dit houdt in: dat zij dan zijn zal „eene gemeente, die geen vlek, of rimpel, of iets dergelijks heeft, maar heilig en onberispelijk is. De vereeniging van Christus, bij zijn wederkomst, met zijn gemeente, om haar zijn volkomene heiligheid en heerlijkheid deelachtig te doen worden, is hier voorgesteld onder het beeld van eene met sieraden getooide bruid, die door den bruidegom tot zich genomen wordt. Daarbij is Christus als de bruidegom, en de gemeente als de bruid gedacht\':).

1) Calvijn, in zijn Commentaar: „Apostolus non docet signum esse quod mundet, sed asserit solius Dei esse opus. Est ergo Deus, qui mundat; nee transferri hoc honoris ad signum fas est aut signo cominunicari. Verum signo Deum tanquam organo uti, non est absurdum. Non quia virtus Dei inclusa sit in signo: sed quia nobis earn pro imbecillitatis nostrae captu tali adminiculo distribuat... In verba. Additie minime supervacua. Nam verbo sublato, perit tota vis sacramentorum. Quid enim aliud sunt sacra-meuta, quam Verbi sigilla.quot; In denzelfden zin zeide ook Augustinus: „Accedit ve: burn ad elernentum, et fit saeramentum.quot;

2) Vgl. Joh. 3:29; 2 Cor. 11:2; Openb. 19:7 en 8.

-ocr page 73-

61

Op grond van het gezegde mogen wij uit Efez. 5:25—27 vaststellen; 1° dat de doop in nauw verband wordt gebracht met den dood des Heeren, die het heiligen der zijnen ten doel heeft, en als de voorwaarde van dit heiligen te beschouwen is; 2J dat, hoewel niet aan het doopwater als zoodanig een reinigende kracht wordt toegeschreven , evenwel de doop zelf, in vereeniging met het Evangelie, wordt voorgesteld als het middel, waardoor de reiniging van de zonde plaats vindt; en 33 dat die reiniging, daar zij door den Heer zeiven, door middel van het bad des waters, door het Evangelie, tot stand wordt gebracht, niet geacht kan worden, reeds voor den doop aanwezig te zijn: zoodat de doop ook niet noodwendig onderstelt, dat hij, die hem ontvangt, reeds vooraf gereinigd moet zijn door de wedergeboorte.

Wij komen nu tot vier plaatsen uit de Paulinische brieven , die over de beteekenis van den doop een geheel ander licht verspreiden, dan de reeds behandelde. Zij zijn nauw aan elkander verwant, en bewegen zich in denzelfden ge-dachtenkring. Onderzoeken wij kortelijk, wat daaruit voor ons doel kan worden opgemerkt. Wij beginnen met

1 Cor. 1 :12 en 13.

Door leden van het huisgezin van zekere Chloë, die hetzij te Corinthe, hetzij te Efeze woonde, had Paulus kennis bekomen van de vele twisten en de groote verdeeldheden, die in de Corinthische gemeente ontstaan waren. De een zeide: Ik ben van Paulus; een ander: En ik van Apollos; een derde: En ik van Cephas; een vierde: En ik van Christus.

Met het oog op al die partijschappen, vraagt hun Paulus: „Is Christus gedeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of zijt gij sic den naam van Paulus gedoopt?quot; Uit het feit, dat niet Paulus, of Apollos, of Petrus, maar Christus voor hen gestorven was, en hen tot

-ocr page 74-

62

den prijs van zijn dierbaar bloed tot zijn eigendom gemaakt had, en dat het noch de naam van Paulus, noch die van Apollos, en evenmin die van Petrus, maar alleen de naam van Christus was, waarop hun doop betrekking had, toont Paulus hun aan, hoe ongerijmd en verkeerd zij handelden door te zeggen, dat zij van Paulus, of van Apollos, of van Petrus waren. Allen hadden zij éen gemeenschappelijk Hoofd. Zij behoorden allen Christus toe, omdat het Christus was, die voor hen stierf, en zij door den doop aan Christus als aan hun Hoofd waren verbonden.

De uitdrukking „van iemand zijnquot; {slvxl nvog) beteekent; iemand toebehooren, iemands eigendom zijn; zoodat hij, die zeide: „Ik ben van Paulus,quot; daarmede zeggen wilde, dat hij Paulus toebehoorde, diens geestelijk eigendom was, en hem erkende voor zijn hoofd en geestelijken vader.!) Uit de geheele beschouwing des apostels blijkt ten duidelijkste, dat ook hier, evenals in Matth. 28:19, de doop wordt voorgesteld als tusschen den gedoopte en Christus een verhouding teweeg te brengen, gelijk aan die van een discipel tot een meester, en dat men daardoor in de gemeenschap met Christus wordt opgenomen, immers aan Hem verbonden wordt, om Hem toe te behooren, om zijn geestelijk eigendom te zijn, en alleen Zijn naam te belijden.

De tweede plaats, die in dit verband in aanmerking komt, is

1 Cor. 10:1—5.

Ten einde de Corinthische christenen te vermanen, geen lust tot het kwade te hebben,1) wijst hen de apostel op het waarschuwend voorbeeld der vaderen, die, hoewel zij allen — met nadruk stelt hij in het eerste vers dit „allen\'\'\'\' op den voorgrond — de grootste voorrechten en zegenin-

1

\'2) Zie vers G.

-ocr page 75-

63

gen deelachtig waren geworden, nochtans voor het grootste deel!) Kanaan niet mochten binnengaan, maar in de woestijn gestorven zijn: omdat God, wegens hun afval van Hem, geen behagen in hen gehad heeft.

Die voorrechten en zegeningen worden vermeld in vers 14. Allen zonder onderscheid zijn zij geweest onder de wolk {tw viQéfyv, de bekende wolk), die, als het teeken zoowel van de tegenwoordigheid, als van de leiding, de bescherming en de hoede van God, hun niet alleen des daags als wolkkolom en des nachts als vuurkolom den weg wees, maar zich ook over hen uitbreidde,2) zoodat zij tevens als een bedekking voor hen was, onder (uttó) welke zij zich bevonden. Ook waren zij allen zonder onderscheid door de roode zee doorgegaan.

Evenals Paulus in het manna en in het water uit de steenrots, waarvan sprake is in het 3(le en 4de yers, allegorisch een aanduiding ziet van het avondmaal, zoo ziet hij in het zijn onder de wolk en het gaan door de zee een type van den christelijken doop. En met het oog daarop wijst hij in het 3de vers op een bijzonder voorrecht, dat de vaderen mede deelachtig zijn geweest. Allen zegt hij, allen zonder onderscheid, waren zij «c Mozes gedoopt „in de wolk en in de zee (» rfj ve2éty xx) iv ts?

De praep. h duidt de plaats aan, waar de Israëlieten zich bevonden, toen zij den door Paulus bedoelden doop ontvingen. Zij waren nl. in (of onder) de wolk, die zich boven hen uitbreidde, en in de zee, die zij doorgingen. Gelijk in den apostolischen tijd de doopeling in het water afdaalde, om met dat water slg Christus gedoopt te worden, zoo waren, naar de voorstelling van Paulus, de wolk en de zee, waarin de Israëlieten zich toen bevonden, tevens het element, waarmede zij iig Mozes gedoopt werden. s)

1) Zie vers 5. 2) Vgl. Ps. 105:30.

3) Anderen lezen ipxTrn\'a-mro: zij lieten zich doop en, in plaats van èpz-KTirSya-av: zij weiden gedoopt. Het is moeilijk om uit te maken,

-ocr page 76-

64

De uitdrukking Mozes gedoopt wordenquot; moet op dezelfde wijze verklaard worden als „gedoopt worden sU Christus Jezus.quot; Zij geeft te kennen, dat de Israëlieten door den genoemden doop aan den persoon van Mozes verbonden werden, dat zij opgenomen waren in de gemeen-schap van Mozes, en wel in zijn hoedaniglieid van den door Grod verordenden middelaar, onder wiens leiding zij de door God beloofde verlossing en zegeningen deelachtig zouden worden. Zij waren alzoo door dien doop opgenomen in het gebied van het heil, dat God door bemiddeling van Mozes tot stand zou brengen. Hiermede ging noodwendig gepaard de verplichting om Mozes ook te erkennen voor die hij was krachtens de goddelijke aanstelling, en hem als zoodanig gehoorzaam te zijn. i) En in zooverre kan bij de uitdrukking „gedoopt worden sicquot; ook aan een verplichting worden gedacht. Maar blijkens den samenhang heeft zij toch in de eerste plaats betrekking op heils-weldaden, die men deelachtig werd in de gemeenschap met Mozes.

Op grond van het gezegde kan uit 1 Cor. 10 : 1 5 aangaande de beteekenis van den christelijken doop het volgende worden afgeleid:

1. Daar de doop van de Israëlieten in de wolk en in de zee een type is van den christelijken doop, en Israël door die wolk en die zee van Egypte afgescheiden, en tot een afzonderlijk, Gode toegewijd volk verzameld was, kan de christelijke doop beschouwd worden als afzonderende van

welke van deze beide lezingen de juiste is, daar voor beide even veel te zeggen valt. Maar al moet ook i^xTrvlirxvTo gelezen worden, dit Med. zou hier in beteekenis toch niet verschillen van het Passieve hpairrfchrav. Dit zien wij uit den samenhang, die aanwijst, niet alleen, dat de doop, waarvan hier sprake is, aan allen zonder onderscheid geschiedde, maar ook, dat het zijn onder de wolk en in de zee dien doop noodwendig met zich medebracht, zoodat niemand, die onder die wolk was, en die zee doorging, zich daaraan onttrekken kon. Bovendien vergelijke men Mc. 16:16; Hand. 2:38; 9:18 en Gal. 3:27, waar de Passieve vorm van (3aTTi%£iv gevonden wordt, terwijl men het Medium zou verwacht hebben.

1) Vgl. Ex. 14:31.

-ocr page 77-

65

de wereld en toewijdende aan God; hetgeen met zich medebrengt, dat er een geheel nieuwe Yerhouding tot God ontstaat.

2. Evenals Israël door dien doop in de wolk en in de zee in betrekking gebracht werd met Mozes, die door de roeping Gods tot hen in betrekking stond, en aan hem verbonden werd, als aan den verlosser en leidsman, door God hun geschonken ; zoo wordt men door den christelijken doop opgenomen in de gemeenschap met Christus, en aan Hem verbonden als aan den Verlosser en Leidsman, dien God ons geschonken heeft, en die als zoodanig tot ons in betrekking staat.

3. Gelijk het die doop in de wolk en in de zee was, waardoor Israël objectief gebracht werd op het gebied van de verlossing en van de zegeningen, die door bemiddeling van Mozes geschonken waren, zoo is het ook de christelijke doop, waardoor men objectief gebracht wordt op het gebied van de eeuwige verlossing, die door Christus te weeg is gebracht.

4. Daar Paulus met nadruk wil doen uitkomen, dat, gelijk niet allen, die door den doop in de wolk en in de zee tot Mozes in betrekking gebracht waren, Kanaan zijn binnengegaan , evenzoo ook niet allen, die door den christelijken doop met Christus in betrekking gebracht zijn, zalig zullen worden, — gaat hij daarbij noodwendig uit van de onderstelling, dat het zaligmakend geloof niet altijd aan den doop voorafgaat, en ook niet te beschouwen is als de onmisbare voorwaarde om gedoopt te mogen worden. Paulus beschouwt den christelijken doop van zijn objectieve zijde. Die doop brengt den mensch in gemeenschap met Christus, en stelt de verlossing, die in Christus gegeven is, onder zijn bereik. Maar die verlossing, die door den doop wordt afgebeeld, men kan haar derven door ongeloof.

Beschouwen wij nu

1 Cor. 12 ; 13.

Paulus heeft in dit verband ten doel, om in het licht te stellen, dat de verscheidenheid der geestelijke gaven,

-ocr page 78-

66

en de mate, waarin zij aan verschillende personen in de Corinthische gemeente waren toegedeeld, geen aanleiding behoorden te geven tot afgunst en tweedracht, daar al die gaven te zamen, door éen zelfden Geest gewerkt, het eigendom waren van het geheel, en tot welzijn van dat geheel moesten medewerken. Met het oog daarop zegt hij in het 12de vers, dat, gelijk het lichaam éen is, terwijl het vele leden heeft, en gelijk al die leden, ofschoon vele in getal, in dat lichaam hunne eenheid vinden, evenzoo de leden van Christus, die het Hoofd der gemeente is, éen lichaam, nl. de gemeente, vormen, en in dit lichaam hunne eenheid vinden. Den grond van die eenheid wijst hij nu nader aan in het 13lt;\'e vers: „Want ook door éenen Geest (km yap sv kv) TvsvftxTi) zijn wij allen tot éen lichaam gedoopt (fl? sv itcó/mz s(3ix,7nicr6y[A6)j), hetzij Joden, hetzy Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen met éenen Geest gedrenkt (W/ ttuvtsc sv

TTVSVfiX STTCTiirSil/iSv).quot;

Het woordje „ookquot; geeft te kennen, dat de eenheid, waarvan hier sprake is, niet slechts een uitwendige, maar ook een innerlijke, een geestelijke eenheid was, die dooiden H. Geest werd teweeggebracht. De Corinthische christenen hadden, toen zij gedoopt werden, allen denzelfden H. Geest ontvangen, en daardoor waren zij innerlijk éen geworden. Doch niet alleen den Geestesdoop, ook den waterdoop hadden zij ontvangen. En die waterdoop was eveneens geschied „tot éen lichaam,quot; d. i. opdat zij een lichaam zouden uitmaken. \') Hij had alzoo de bestemming om hen éen te doen zijn. En zoo waren zij èn door het ontvangen van denzelfden Geest bij den doop, èn door den doop zeiven opgenomen in het lichaam, waarvan Christus het Hoofd is, om in dit lichaam hunne eenheid te hebben. 1)

1

Zeer juist zegt Calvijn; „Probatio est ab effectu baptismi. fnserimur.

-ocr page 79-

67

Aangaande de woorden: „en wij allen zijn met éenen Geest gedrenktquot; \') — evenals op vele plaatsen in de H. Schrift van een „uitstortingquot; van den H. Geest gesproken wordt, zoo wordt die Geest hier door Paulus voorgesteld als iets, waarmede men „gedrenktquot; kan worden. Dit „gedrenkt wordenquot; met den H. Geest, dat, blijkens het verband, geacht moet worden bij den doop te hebben plaats gehad, geeft niets anders te kennen, dan het deelachtig worden van den H. Geest. Met nadruk maakt Paulus weer in het bijzonder daarvan melding, om daardoor te meer te doen uitkomen, dat het vormen van éen lichaam innerlijk door den H. Geest wordt bewerkt. Wat hij zeggen wil komt overigens hierop neer: wij allen hebben bij onzen doop denzelfden H. Geest ontvangen. 1)

Op grond van het gezegde kunnen wij uit 1 Cor. 12 : 13 afleiden: 1° dat de doop het objectieve middel is, waardoor men in het lichaam van Christus, de gemeente, wordt ingelijfd , en dat ons daaraan verbindt; 2° dat, daar de H. Geest niet aan ieder afzonderlijk individu als zoodanig geschonken is, maar aan de gemeente in haar geheel, zoodat Hij in de gemeente woont en werkt, de doop, in die gemeente inlijvende, in gemeenschap brengt met den H. Geest, en daardoor den mensch op een geheel nieuwen levens-

1

Luther, Calvijn, Neander e. a. hebben gemeend, dat bij het „gedrenkt wordenquot; aan het avondmaal moest worden gedacht, daarbij steunende op de onjuiste lezing: £lt;? iÉv 7rveSij.ce. Dit gevoelen is op afdoende wijze weerlegd door Meyer. Men zie ook wat Binneweg daartegen heeft ingebracht, t. a. p., bl. 88 en 89.

-ocr page 80-

68

bodem, nl. dien des Geestes, doet overgaan; en 3° dat de doop, door in de gemeente in te lijven, daardoor ook in gemeenschap brengt met Christus, die haar Hoofd is.

Aan 1 Cor. 12 : 13 verwant is de plaats, die thans aan de orde is, namelijk

Efez. 4 ; 4—6.

Nadat Paulus in vers 1—3 de christenen te Efeze vermaand heeft, in liefde te wandelen, en zich te beijveren, om in den band des vredes de onderlinge eenheid te bewaren , wijst hij hen in vers 4—6 op den objectieven grond van die eenheid, als op een drangreden om aan zijn vermaning gehoor te geven. „Eén lichaam,quot; zegt hij in het 41\'e vers, ,Eén lichaam is het, en éen Geest, gelij-kerwijs gy ook geroepen zijt in eene hoop {sv fiiqi iforièSi) uwer roeping.quot;

Alle christenen maken te zamen éen lichaam uit, een lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. Van dat lichaam is éen zelfde Geest de bezielende en de alle leden vereeni-gende kracht. En voor allen is er éen hoop, omdat de roeping, die voor allen dezelfde is, dezelfde hoop met zich medebrengt. \') Zoo hebben zij reeds daardoor alle reden om te jagen naar onderlinge eenheid. Doch daardoor niet alleen. Paulus voegt er aan toe: „Eén Heer, éen geloof, éen doop, éen God en Vader van allen, die daar is boven allen (Jsri iriivTav), en door allen (Six ttócvtuv), en in allen {èv Trxciv).quot;

Met „éen Heer, éen geloof, éen doopquot; wijst Paulus een anderen grond aan voor de onderlinge eenheid, waartoe hij aanspoort, terwijl hij met „éen God en Vader van allen te kennen geeft, van wien die grond zijn oorsprong heeft.

1

Zeer schoon is de opmerking van Bengel (in zijn Gnomon): dat de hoop op de hemelsche erfenis tegelijk met den H. Geest is genoemd, omdat die Geest daarvan het onderpand is.

-ocr page 81-

69

Eén Heer is het, dien alle christenen belijden, en die dezelfde Heer van allen is. Eén zelfde geloof in Hem, waardoor zij allen dezelfde hoop op de eeuwige heerlijkheid hebben. Eén zelfde doop, waardoor zij allen in dezelfde gemeenschap met Hem werden opgenomen.

Het geloof wordt hier door Panlus beschouwd als de innerlijke , de doop als de uitwendige band, die de christenen aan Christus en aan elkander verbindt. Dat hier ook de doop door hem genoemd wordt als hetgeen tot onderlinge eenheid verplicht, is alleen daaruit te verklaren, dat de gedoopten door hun doop tot het éene, zelfde lichaam in betrekking stonden. Van dat lichaam is Christus het Hoofd, de H. Geest de bezielende levenskracht en het levensbeginsel, en God de Formeerder.

Wij mogen derhalve uit Efez. 4:4—6 afleiden, dat de doop in gemeenschap brengt met den Vader, den Zoon en den H. Geest, en de uitwendige band is, die de christenen aan de gemeente en aan elkander verbindt.

Daar is nog éene plaats in de Paulinische Brieven, waar van den christelijken doop melding gemaakt wordt. Wij dienen er nog kortelijk bij stil te staan, al is het ook, dat niet met zekerheid kan worden gezegd, op welk gebruik daar gezinspeeld is. Ik bedoel

1 Cor. 15:29.

In ons Hoofdstuk handhaaft Paulus de waarheid van de opstanding der dooden tegenover hen, die haar loochenden. En nadat hij daarvoor reeds het een en ander heeft aange-voei\'d, in verband met de opstanding van Christus, gaat hij, in aansluiting aan hetgeen hij in het 28ste vers gezegd heeft, een nieuwen grond voor de waarheid van de opstanding uit de dooden aanwijzen. Dit doet hij in het 29ste vers: „Anders («Vf}), wat zullen zij doen (t; iror/;-aowTiv), die zich laten doopen (o! ffxTrTiamp;\'ftei/ci) voor de dooden (uz-sp rvv vsxpciy), indien er in het geheel geen

-ocr page 82-

70

dooden opgewekt worden? Waarom laten zij zich voor hen ook doopen (r/ xa) fixTrrifyvTxi virsp xurcèi/) ?quot; Do bedoeling van deze woorden is: Indien er geen opstanding der dooden is, dan is het geheel doelloos en ongerijmd, zich „voor de doodenquot; te laten doopen.

Hoe moeten de woorden „die zich laten doopen voor de doodenquot; worden opgevat? De verklaringen, die daarvan gegeven zijn, zijn leyio. \') Ik vermeld er hier slechts twee van.

Volgens de eene zijn de „dooden,quot; (tmv ysxpüv) waarvan de apostel spreekt, de geloovigen, die gestorven zijn, voordat zij den doop hadden ontvangen, en zijn met „die zich laten doopenquot; (si fixTTTityvevoi) znlken bedoeld, die, hoewel zij zeiven reeds gedoopt waren, zich nog eenmaal lieten doopen, opdat deze doop der levenden gelden zou voor den eigen doop dier gestorvenen, en dezen alzoo toch nog de zegeningen des doops zouden deelachtig worden. Naar dit gevoelen beteekent „voor de doodenquot; (uirsp rüv vsxpm): ten behoeve, ten nutte van de reeds gestorvenen.

Volgens de \'andere verklaring zijn zij, „die zich laten doopen voor de dooden,quot; zulke ongedoopten, die, op het ziekbed liggende en den \'dood voelende naderen (zoodat zij reeds voor dooden konden worden gehouden), den doop voor zich begeerden, opdat zij niet zouden sterven, zonder den doop te hebben ontvangen. „Voor de doodenquot; zou dan zooveel beteekenen als: zoo goed als stervende, op het punt van te sterven.

Hoewel het ons ontbreekt aan voldoende historische gegevens met opzicht tot de gewoonte, waarop Paulus hier zinspeelt; eene gewoonte, die, naar zijn voorstelling, in de (Corinthische gemeente nog al aanhangers had; komt het mij nochtans voor, dat de eerstgenoemde verklaring als de juiste moet worden beschouwd;1) te meer daar zulk een

1

quot;1) Rückert zegt er van: „fiacTrr. virèp r. vsxp. bedeutet: sich lur «lie Todten taufen lassen. Das erweckt in nns die Vorstellung, dass man in Korinth,

-ocr page 83-

71

doopen van levenden ten behoeve van gestorvenen later bij de Cerinthiërs en de Marcionieten zeer in zwang is geweest, en zij die, naar alle waarschijnlijkheid, van anderen hadden overgenomen. ^

Men heeft tegen dit gevoelen ingebracht, dat Paulus van zulk eene bijgeloovige gewoonte voor zijn doel geen gebruik zou hebben gemaakt, en in geen geval, zonder daarbij op de eene of andere wijze te doen blijken, dat hij haar afkeurde , zoo niet veroordeelde. Het is niet te ontkennen, dat deze bedenking nog al gewichtig is. Maar zij vervalt voor een groot deel, wanneer in het oog wordt gehouden, dat Paulus, gelijk Rückert en Meyer hebben opgemerkt, hier e concesso argumenteert, en daarom die gewoonte, hoewel hij haar afkeurde, voor \'t oogenblik gelaten heeft voor hetgeen zij was. Het is hem thans alleen te doen, om in het licht te stellen, dat daaraan het geloof aan de opstanding der dooden ten grondslag ligt, en dat zij dientengevolge als eene ongerijmdheid beschouwd zou moeten worden, indien de dooden niet opgewekt werden. 1)

1

In zijn Paraphrase op deze plaats, meent Erasmus, dat Paulus ten opzichte van die gewoonte te kennen wilde geven: „Fidem probo, factum non probo; nam ut ridiculum est, existimare raortuo succurri baptismo alieno, ita recte credunt resurrectiouem futuram.quot; Volgens Bisping heelt de apostel reeds in hel gebruik van den derden persoon („wat zullen si} doen?quot;) een afkeurend oordeel doen doorschemeren.

-ocr page 84-

72

Misschien zou men de uitdrukking -jttsp tccv vsxpüv ook kunnen opvatten in den zin van: om, wegens, ter wille van de dooden. De praep. vvép schijnt dit niet te verbieden , gelijk blijkt uit plaatsen als Hom. 5:8 en 9, Efez. 6:2, en vers 3 van ons Hoofdstuk. De bedoeling van Paulus zou dan zijn: dat er in de Corinthische gemeente waren, die zich haastten met het ontvangen van den doop, wegens de dooden, d. i. omdat er toen zoovelen stierven, en zij vreesden, dat ook zij door den dood zouden worden weggerukt, eer zij gedoopt waren.

Ik weet niet, of deze verklaring reeds door iemand anders is voorgedragen. Ook geef ik haar gaarne voor een betere. Doch als wij haar beschouwen in verband met hetgeen vermeld wordt in Hoofdst. ll:3p(dat er nl. in dien tijd vele zwakken en kranken te Corinthe waren, en dat er zeer velen stierven,1) dan verkrijgt zij een groote mate van waarschijnlijkheid. Men vergelijke ook vers 18.

Onze slotsom is, dat, afgezien van het antwoord op de vraag, hoe wij de uitdrukking „voor de dooden gedoopt wordenquot; hebben op te vatten, uit 1 Cor. 15 : 29 aangaande den christelijken doop niets anders kan worden opgemaakt, dan dat vele Corinthische christenen er zoo groote waarde aan gehecht hebben, dat zij het ontvangen daarvan mede beschouwd hebben als een voorwaarde om getroost te sterven — zonder dat met zekerheid gezegd kan worden, welke de meening des apostels in dezen geweest is.

B. De beteekenis van den christelijken doop volgens den eersten Brief van Petrus.

1 Petr. 3 :20 en 21.

Nadat Petrus in het 19de vers gezegd heeft, dat Christus,

1

Dat de woorden xoinZvreci Ixavo! niet beteekenen: „velen slapen,quot; maar: velen ontslapen, d. i. velen sterven, blijkt uit den geheelen samenhang, eu ook uit 1 Cor. 15:18; vgl. 1 Thess. 4:13. Men zie daarover Calvijn, in zijn Commentaar.

-ocr page 85-

,73

na zijn opstanding, in den Geest tot de geesten, die zich in de „gevangenisquot; bevonden, heengegaan was, en hun het Evangelie verkondigd heeft, duidt hij in het 20ste nader aan, welke geesten hij bedoelt. Hij verstaat daaronder hen, „die eertijds ongehoorzaam warenquot;, door de vermaning om zich te bekeeren, voordat de door God aangekondigde zondvloed kwam, in den wind te slaan. De goddelijke lankmoedigheid stelde het strafgericht zoo lang mogelijk uit, doch zij gaven er geen acht op; zelfs niet, terwijl de ark werd toebereid. Daarom werden in die ark slechts „weinige, dat is acht zielen, behouden Qiistrc!:-dutroiv) Si\' ScbiTcr.quot;

Vele uitleggers geven aan §/\' üSxtoc de beteekenis van: „door middel van het water.quot; Het water van den zondvloed zou dan als een redmiddel zijn voorgesteld, voor zoover het namelijk de ark droeg, en daardoor hen, die in de ark waren, van den ondergang redde.

Deze opvatting heeft tegen zich, dat volgens het bekende verhaal niet het water van den zondvloed, maar de ark als het redmiddel te beschouwen is. Dat water was door God bestemd om te verdelgen, en niet om te redden. Die in de ark waren, waren behouden, omdat zij in de ark waren, onafhankelijk van het gedragen worden van die ark door het water.

Bovendien pleit tegen die opvatting, dat er niet staat: lt;rüêi}(rxv, maar: cSisexdytrav, en dat het S/i, waarmede dit werkwoord is samengesteld, weder herhaald wordt bij Si föxroc. Dit doet reeds vermoeden, dat hier een bijzonderen nadruk en een bijzondere beteekenis heeft, hetgeen bij genoemde verklaring over het hoofd wordt gezien.

Het komt mij daarom beter voor, üIxtos te nemen in den zin van: door het water heen. In deze beteekenis komt de praep. hx meermalen voor.!) De bedoeling is dan, dat die acht personen, die in de ark waren, door

1) Zie o. a. Mc. \'2:23; 9:30; 10:1; Lc. 18:25 en 1 Cor. 3:15.

-ocr page 86-

74

het water heen gered werden.1) Ook voor hen was dat water een element des doods; maar door de ark, waarin, zij gevlucht waren, werden zij onttrokken aan zijn verdelgende kracht. Niet anders, dan als zulk een element des doods wordt het water van den zondvloed hier door Petrus voorgesteld. Met het oog daarop zegt hij in het 27ste vers: „3 kx) \'jijloli wj-itvttov vvv j3z7rric,ux (hetwelk u nu ook

redt in zijn tegenbeeld, als doop).quot;

Met het pronomen o is het water van den zondvloed bedoeld. Het partikel xxi, dat er achter gevoegd is, heeft niet uitsluitend op unSic betrekking, maar op den geheelen zin, evenals in het 18de en 19de vers. Het behoort bij het pronomen 5\', en vormt daarmede éen begrip. Welke betee-kenis daaraan moet worden toegekend, kunnen wij opmaken uit de vergelijking van enkele plaatsen, waar het op dezelfde wijze voorkomt. Mark. 3 : 18 lezen wij: „En Judas Iskariot, o: xx) rrxpéciaxsv xotóv.quot; Dit S? xxi beteekent hier blijkbaar zooveel als: dezelfde die. Hand. 24:26: xxi ttvv.vó-Tspov avróv iMrxTrsiATróiASvoc u\'MXsi xütü.quot; Dit §/o xxi kan blijkens den samenhang niet anders omschreven worden, dan door: om dezelfde reden. Men zie ook Luk. 6 : 13, waar met de woorden sS- kx) xttottókov; avó^x^e niet bedoeld kan zijn, dat de Heer aan de twaalf, die Hij uit zijne vele discipelen verkoren had, benevens andere namen, ook den naam van apostelen gegeven had, maar wel, dat Hij uit die menigte twaalf verkoos, en dat Hij dezen in het bijzonder apostelen noemde.2)

Passen wij deze beteekenis van xzi toe op onze plaats,

1

Aangaande de constructie van de woorden ei\'c gt;)v oMycu, toi/tsVtjv oktu ihvxaet ditacchyfrcev ói voxtg^ zegt de Wette zeer juist: „Die Rede ist prügnant oder enthalt zwei verschiedene in einander gemischte Vorstei-lungen. Der Kasten ist eiumal der Ort, in welchen sie gerettet werden; sodann das Mittel, dunh das sie durch das Wasser hindurch gerettet werden.quot;

2

Vgl. Dr. C. VV. Otto, Amlegung mn \\ Petr. 3, \'17—22 in lesonderer Beziehunq auf 1 Petr. 3, 21; te vinden in Lulliardt\'s Zeitschrift für Tcirch-liche Wissenschaft und kirchiiches Lehen, lïeft 11 und 111 van het jaar 4883, bl. 00.

-ocr page 87-

75

dan kunnen wij op grammatische gronden o xxi omschrijven door: welk zelfde water. Wat Petrus tot zijn lezers zeggen wil komt dan hierop neêr: Hetzelfde water, dat toen bij den zondvloed een verdelgende kracht gehad heeft, en door hetwelk heen die acht zielen gered werden, het heeft nu voor u een reddende kracht, het redt u nu, maar in zijn antitype (zijn tegenbeeld), nl. als doop.1)

De vraag is nu, in hoeverre de doop als de antitype (het tegenbeeld) van het water van den zondvloed beschouwd kan worden. Op deze vraag geeft Dr. Otto dit juiste antwoord: „Drückt man eine Platte oder einen Stempel ab, so werden Abdruck und Geprage bis auf die kleinsten Kleinigkeiten der Plattage dem Stempel entsprechen. Doch zeigt das xvrimrov die gleichen Figuren in umgekehrter Richtung, also s.ao/oTsj? in den Zügen, èvx-jriaitris in der Richtung... Gleichermassen ist bei der Sintflut quot;Wasser und bei der Taufe Wasser; bei der Sintflut Gottes Wort und Gebot, ebenso bei der Taufe (óftotoTy:), aber dort alles gewendet nach der Seite des Verderbens, hier umgekehrt nach der Seite der Rettung (ivxvTicoai;).quot;

Nadat Petrus alzoo uitdrukkelijk verklaard heeft, dat de doop een redmiddel is, gaat hij nader aanwijzen, wat het wezen daarvan is. Eerst geeft hij te kennen, wat die doop niet is. Hij is nl. niet een (rapxis xirifairis pvvou (een aflegging van het vleesch der onreinheid).

Gewoonlijk verklaart men deze woorden door: „aflegging van de onreinheid of de vuiligheid des vleesehes,quot; en ziet

1

Zeer schoon zegt Dr. Otto (t. a. p., bt. 94): „Petrus meint gewiss nicht das Wasser als physisches Element. Nach dieser Seite hin ist Wasser allerdiiigs Wasser, aber nicht jedes Wasser ist Taufwasser. .. Zu Noah\'s Zeit brachen die Wasser der Höhe und der Tiefe aul\' Gottes besonderes Gebot hervor und empfingen das Wort oder die Weisung Gottes, das Men-schengeschlecht zu tödten. Die Sinttlut war auch nicht schleeht Wasser, sondern ein Sakraraent, aber ein Sakrament nicht des Lebens, sondern des Todes. Dassolbige Wasser, welches damals tödtete, ist jetzt ein Lebens-olement geworden, und das alles auf Grund der Auferstehung Jesu Christi.quot;

-ocr page 88-

76

daarin een zinspeling op de uitwendige joodsche wasschin-gen en reinigingen. Doch daar is niets in den samenhang, dat aan zulk een zinspeling doet denken. Ook vormen die woorden, aldus verklaard, geen zuivere tegenstelling met het positieve gedeelte van de uitspraak des apostels, terwijl zij blijkbaar daaraan tegenovergesteld zijn.

Wij vatten daarom axpy.Q: op als genitius objecti van tzTróamp;saic, en puzov als genitivus qualitatis van tr^pjcaV- Volgens deze constructie spreekt Petrus hier over de aflegging van het vleesch der onreinheid, d. i. van het onreine, het bezoedelde vleesch. Hiermede wordt dan bedoeld hetgeen bij den zondvloed heeft plaats gevonden. Het water van den zondvloed is nl. een doop geweest, waarbij onrein, bezoedeld vleesch werd afgelegd, ]) voor zoover het den dood veroorzaakte aan hen, die in hun on-bekeerden toestand volhard hebben, „eertyds ongehoorzaam zijnde,quot; en van wie het Gen. 6: 12 heet: „Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vleesch had zijnen weg verdorven op de aarde.quot; Deze opvatting-is geheel in overeenstemming met het redeverband, waar sprake is van het water van den zondvloed, dat, als type van den doop, die daarvan de antitype is, een van dezen geheel verschillende uitwerking gehad heeft. 1)

De positieve zijde van het wezen des doops wordt omschreven met de woorden: xyxQvic eiripuTw» sic @eóv.

Naar het gevoelen van sommigen, moet ver

klaard worden uit het spraakgebruik der Byzantijnsche juristen, volgens welk spraakgebruik het werkwoord ènrepcoToiv de beteekenis heeft van: stipulari, een verdrag of contract sluiten. Dienovereenkomstig vatten zij sTrepuTv.ux op in den zin van: verdrag „Gelübniss,quot;2) of in dien van: een „con-

1

Vgl. Otto, t. a. p., bl. 92 en 93.

2

Zoo o, a. Brückner, in zijn Ueherarbeitiing des de Wette schen Kom-mentars (3^ Auil.), nadat de Wette aan de beteekenis had toegekend van: sponsio, Angelobung.

-ocr page 89-

77

tractliches Verhaltniss,quot; waarin de doopeling door den doop tot God zou komen te staan. !)

Dergelijke verklaringen zijn echter al te gezocht, en verdienen geen aanbeveling; te minder, daar er hoegenaamd geen reden bestaat om ten opzichte van svspiiTvi^x af te wijken van het gewone spraakgebruik, en het werkwoord èirsparxv noch in het gewone, noch in het Nieuw-Testamen-tische Grieksch, in genoemde beteekenis voorkomt.

Van al de andere verklaringen, die men reeds gegeven heeft, is die het meest bevredigend, volgens welke sKspói-rwx moet worden opgevat in de beteekenis van: bede, en de woorden TuveioyTsac ayxQïjc, die men dan met sle @s6v verbindt, als een genitivus objectivus te beschouwen zijn. 1) De zin wordt dan deze: De doop, die behoudt, is ... de bede tot God om een goed geweten. Het goed geweten wordt daarbij gedacht als een van zonden gereinigd geweten, en de bede om zulk een geweten als de uitgedrukte behoefte aan vergeving en vernieuwing.

Deze verklaring heeft niet slechts tegen zich, dat zij uitgaat van de onjuiste opvatting van de woorden lt;txpy.os xtto-hijic puTTov, waarover wij reeds gesproken hebben, maar ook, dat aan è-spury\'jm niet dan zeer gedwongen de beteekenis van hede kan worden toegekent. De eenige plaats toch, die uit het N. T. daarvoor aangehaald zou kunnen worden, is Matth. 16: 1, waar sirspóiTVfix evenwel niet kan worden

1

Zoo b. v. Schott en Wiesinger in hun Commentaren. Vergelijk. Gerhard, iu zijn Comment ar lus super priorem et posteriorem Petri epistolam (1011), Steiger, Der erste Brief Petri, en Clément, t. a. p., bl. 179. De Vulgaat vertaalt: „couscieutiae bonae interrogatio in Deum.quot; Calvijn: „bonae conscientiae examen apud Deum.quot; Bengel; „rogatio bonae conscientiae, i. e. rogatio, qua nos Deum compellamus cum bona conscientia, peccatis remissis et depositis (vgl. Schmid, Biblische Theologie des N. T., bl. 199). Matthies (t. a. p., bl. 153) heeft; „bonae erga Deum conscientiae promissum, seu hominis baptizati iu Deum obligatio, ut praeclaram sibi servare velit conscientiam.quot; Winer verklaart door: „die Nachfrage eines guten Gewissens nach Gott, d. h. das sich zu Gott wenden, das ihn suchen.quot;

-ocr page 90-

78

genomen in den zin van: „smeekend iets begeerenquot; (gelijk reeds blijkt uit het bijgevoegde: „Hem verzoekendequot;), maar genomen moet worden in dien van: iets zoeken te verkrijgen.

Bovendien pleit tegen die opvatting, dat daardoor aan avvsihviasa: xyyJy: een beteekenis gegeven wordt, die vreemd is, zoowel aan het spraakgebruik van het N. T. in het algemeen , als aan dat van Petrus in het bijzonder, i)

Trachten wij daarom een andere verklaring te vinden. Het werkwoord stteputxv beteekent gewoonlijk: naar iets vragen. Van daar ook: iets zoeken te verkrijgen.1) Naar deze laatstgenoemde beteekenis van het werkwoord moet sTTspcórwx worden verklaard.

Wat (Tuyeilyreuc xyxQ-jc betreft, het kan op zich zelf\' zoowel een genitivus subj., als een gen. obj. zijn. Vat men het op als gen. subj., dan wordt s-spdiTwx si: Qeóv beschouwd als uitgaande van het goed geweten. Deze constructie wordt echter gedrukt door het bezwaar, dat daardoor het goed geweten gedacht zou moeten worden als reeds voor den doop aanwezig te zijn, terwijl het prae-sens jü^ei iets doet verwachten, dat zulk een goed geweten met zich medebrengt of ten gevolge heeft. Bovendien pleit er tegen, dat daardoor in het onzekere wordt gelaten, wat de inhoud is van de biddende vraag, die het goed geweten aan God doet.

Wij beschouwen daarom vuvsicimsv: ccyyJ-/,: als gen. obj., en vatten daarbij sTspür^.ux op in de beteekenis van: het zoeken naar iets, zoodat dit zoeken het goed geweten tot voorwerp heeft. De woorden sh Qsóv, die bij deze constructie met aweiH. xyxö. verbonden moeten worden, geven dan te kennen, dat het goed geweten betrekking heeft op God. 2) Wij krijgen daardoor dezen zin: De doop, die

1

Vgl. Passow, in voce. Zie Mt. 12 :10; 16:1 en 17 :10; Mc. 11 : 29 en 15:44; Luc. 23:6. Vgl. Ps. 139:3 naar de overzetting van de LXX.

2

Vgl. Hand. 24:16.

-ocr page 91-

79

redt, is niet die, welke bestaat in de aflegging van het vleesch der onreinheid — welke doop den dood ten gevolge had — maar die, welke bestaat in het zoeken naar een goed geweten met betrekking tot God, of ten opzichte van God. Of wat hetzelfde zegt: die doop, welke overbrengt in de sfeer der wedergeboorte en van het wandelen in nieuwigheid des levens, waardoor men een goed geweten verkrijgt ten opzichte van God.

Deze verklaring beveelt zich ook hierdoor aan, dat in het 16de vers het goed geweten in verband wordt gebracht met een goeden wandel in de gemeenschap met Christus. Eveneens blijkt hare juistheid, wanneer wij in het oog houden, dat Petrus in heel dit gedeelte inzonderheid ten doel heeft om aan te sporen tot een heiligen wandel, en te vermanen om zich niet te vermengen met de wereld. \')

De woorden: „door de opstanding (§(\'.zj/iWT-^s-fcyr) van Jezus Christusquot; geven te kennen, op welken grond men het goed geweten verwachten en bewaren kan, en waaraan de doop zijn reddende kracht ontleent. Gelijk in Hoofdst. 1 : 3 de opstanding des Heeren is voorgesteld als de kracht, waardoor de geloovigen zijn „wedergeboren tot een levende hoopquot;, zoo wordt hier die opstanding beschouwd als het objectieve middel, waardoor men het goed geweten deelachtig kan worden. Wij hebben hier dezelfde voorstelling als in Rom. 6:4 en 5.

In tegenstelling met den aoristus oievuóviirxv, die betrekking heeft op de acht zielen, waarvan in het 20ste vers gezegd is, dat zij door het water van den zondvloed heen gered werden, is ten opzichte van den doop, de antitype van dat water, het praesens gebezigd, om aan te

duiden, dat met dien doop de redding aanvangt. En de redding vangt daarmede aan, omdat de gedoopte van het oogenblik af, dat hij door den doop met Christus in gemeenschap trad, in een geheel nieuwen levenstoestand werd

1) Zie Hoofdst. \'2:24 en 25; 2:10—quot;17 en 4 :1—6.

-ocr page 92-

80

overgebracht, nl. in dien van het nieuwe leven, in de sfeer waarvan men niet meer naar het vleesch, maar in deii Geest leeft.!)

Het resultaat onzer beschouwing van 1 Petr. 3 : 20 en 21 is:

1° De christelijke doop heeft hier dezelfde beteekenis als in Rom. 6. Hij stelt voor, dat men in de gemeenschap met Christus der zonde afsterft, om door de kracht zijner opstanding in nieuwigheid des levens te wandelen. Typisch wordt dit aangeduid door het feit, dat, terwijl de oude, van God afkeerige menschheid den dood vond en begraven werd in de wateren van den zondvloed, Noach en de zijnen als uit die wateren zijn opgestaan, om op een geheel nieuwen levensbodem een geheel nieuw leven te leiden.

2° Daar de doop genoemd wordt een doop, die redt, wordt daarbij ondersteld, dat men nog niet gered is, als men dien gaat ontvangen; zoodat hij ook niet beschouwd kan worden als het zegel van de reeds verkregene zaligheid , maar te beschouwen is als een middel tot zaligheid. En hij is zulk een middel, omdat hij brengt in de sfeer, waarin de zaligheid verkregen kan worden, nl. de gemeenschap met den gestorvenen, maar wederopgewekten Christus.

3° Wordt van den doop gezegd, dat hij naar zijn wezen het zoeken naar een goed geweten ten opzichte van God is, dan ligt daarin opgesloten, dat hij ons overbrengt op den bodem, waarop zulk een goed geweten verkregen kan worden. Zal men nu een goed geweten kunnen hebben ten opzichte van God, dan moet men ook de overtuiging met zich omdragen, dat men genade heeft gevonden bij God, en dat de zonden vergeven zijn. Wij mogen daarom uit de behandelde plaats eveneens afleiden, dat de doop ook betrekking heeft op de vergeving van zonden.

1) Vgl. Hooidst. 4:6.

-ocr page 93-

81

§ 3.

De heteekenis van den christelijhen doop volgens de Handelingen der Apostelen.

Op vele plaatsen in de Handelingen der apostelen vinden wij over den christelijken doop gesproken. Wij bepalen ons in dit gedeelte alleen tot die, welke licht verspreiden over de heteekenis daarvan. Als wij het goed recht van den kinderdoop gaan bepleiten, zullen wij gelegenheid hebben om ook de andere plaatsen in den kring onzer beschouwing te trekken.

Voor de beteekenis van den christelijken doop komt hier in de eerste plaats in aanmerking

Hand. 2 :38—42.

Op het hooren van het geluid ral3 van een geweldigen, gedrevenen windwas er een groote schare toegesneld naar de plaats, waar de belijders des Heeren, met den H. Geest vervuld, in vreemde talen spraken. Onder de krachtigste bewoordingen toonde Petrus hun aan, dat die Jezus, dien zij gekruisigd hadden, weder opgestaan, en dat Hij het was, die, aan de rechterhand Gods verhoogd, den H. Geest had uitgestort. Toen werden zeer velen hunner als doorstoken in het hart door het bewustzijn van de groote zonde, waaraan zij zich schuldig gemaakt hadden, door te hebben medegewerkt om den Nazarener den kruisdood te doen ondergaan. Daarom doen zij vol angstige bekommering aan Petrus en de andere apostelen de vraag: „Wat zullen wij doen, mannen, broeders?quot; Waarop Petrus hun ten antwoord geeft hetgeen vervat is in vers 38 en 39.

In het 38ste vers zegt Petrus tot hen: „Bekeert u (wf-TavofaxTs), en een iegelijk uwer worde gedoopt {pocir-TiaS-/iTai) op den naam (sVl tw ovof^art) van Jezus Christus elc vergeving van de zonden, en gij zult de gave ^ccpsxv) van den H. Geest ontvangen.quot;

G

-ocr page 94-

82

Dat het „Bekeert uquot; (letterlijk staat er: Verandert uw zin, uw gezindheid) hier wordt voorgesteld als de voorwaarde tot het ontvangen van den doop, is duidelijk.1) De vraag is alleen, wat daarmede bedoeld is.

Gewoonlijk beschouwt men het als een opwekking tot bekeering, in den zin van: vaarwel zeggen aan de zonde in het algemeen, om een nieuw Gode gewijd leven te leiden. Zonder twijfel komt het woord, ook in verband met den doop, meermalen in die beteekenis voor, gelijk dit b. v. het geval is, waar de doop van Johannes een doop „der bekeeringquot; genoemd wordt. Het schijnt mij echter toe, dat het hier niet in de eerste plaats betrekking heeft op het vaarwel zeggen aan het zondige leven in het algemeen, maar op het opgeven van de vroegere gezindheid ten opzichte van Hem, dien zij gekruisigd hadden. Petrus wekt hen daarmede op, om zich niet langer te bezondigen tegen den Opgewekte en Verheerlijkte, dezen niet langer te verwerpen, maar in de stemming van schuldgevoel en schuldbelijdenis , die zijn woord bij hen had teweeggebracht, Hem nu te erkennen voor hetgeen Hij is en zeide te zijn.

Deze opvatting is geheel in overeenstemming met het redeverband, en beantwoordt volkomen aan hetgeen Petrus met zijn toespraak beoogd heeft. Men zie inzonderheid vers 36 in verband met het voorgaande, en ook vers 40 en 41. En dat ^stxvo^xts (bekeert u) zeer zeker ook in den aangewezen zin kan worden opgevat, blijkt niet slechts uit de eerste beteekenis van het woord zelf, maar eveneens uit plaatsen als Hand. 3: 19, 8 : 22, 17 : 30 en 26 : 20.

De woorden „im tü ovfaati van Jezus Christusquot; betee-kenen: op grond van den naam van Jezus Christus. Hiermede kan niet anders bedoeld zijn, dan: op grond van het geloof in den naam van Jezus Christus, d. i. op grond van de erkenning van Jezus Christus voor hetgeen Hij volgens

1

Het „Bekeert uquot; zou echter ook beschouwd kunnen worden als een op zichzelve staande vermaning, die niet in onmiddellijk verband staat met de woorden: „en een iegelijk uwer worde gedoopt, enz.quot;

-ocr page 95-

83

zijn Naam is;1) zoodat die erkenning de grond is, waarop het gedoopt worden geschieden moest.

Bij de woorden „een iegelijk uwer worde gedoopt op den naam van Jezus Christusquot; hebben wij te doen met een praegnante spreekwijze, waarin tweeërlei ligt opgesloten; 1° een verklaring, dat de doop niet bediend kan worden, dan aan die Jezus Christus voor den Messias erkennen; en 2° een opwekking, om Hem voor den zoodanige te erkennen, en zich daarna te laten doopen.

De praep. sh wijst het doel van den doop aan, en geeft te kennen, dat hij geschiedt met het oog op de vergeving van de zonden, en op het verkrijgen daarvan betrekking-heeft. De doop wordt hier alzoo voorgesteld als de weg, waarlangs die vergeving verkregen kan worden, als overbrengende in de sfeer van die vergeving, en de belofte daarvan in zich bevattende.

De woorden „en gij zult de gave van den H. Geest ontvangenquot; duiden aan, dat de doop, den weg openende tot het ontvangen van de genadegift der vergeving van zonden, daardoor tevens de weg is, waarlangs men den H. Geest deelachtig kan worden. 2) Het woordje xx! (en) is het gewone xai consecutivum.

Ook van de gave des H. Geestes bevat dus de doop de belofte in zich. En wel, omdat de doop inlijft in de gemeente, aan welke die Geest gegeven is, en waarin Hij woont en werkt: zoodat men door den doop gebracht wordt in de sfeer, waarin men dien Geest deelachtig kan worden.

In het 39ste vers wordt aangewezen, op welken grond zij, tot wie Petrus spreekt, verwachten mochten, dat zij op den te ontvangen doop ook aan de gave des H. Geestes deel zouden hebben. Die grond is nl., dat de belofte Gods, waarvan Joël gesproken had, de belofte aangaande de uitstorting van den H. Geest, ook hen gold. Die belofte was

1

Zie Mt. 18:5; Mc. 9:39; Lc. 9:48; 24:47 en Hand. 5:40. Vgl. Lc. 5:5 en Hand. 3:16.

2

Vgl. Hand. 10:47; 11:15—17; 19:2—0.

(ï*

-ocr page 96-

84

nu vervuld. En omdat zij in die belofte mede begrepen waren, daarom gold ook hen hare vervulling. En niet alleen hen, maar ook hunne kinderen, in al de opvolgende geslachten, ja zelfs „allen, die daar verre zijn (xm ivSioi toïs su , zoovelen als er de Heer onze

God daartoe zal geroepen hebben {i\'roug xv ■zpocy.xxi-

Yolgens sommigen zijn met deze woorden bedoeld de Joden en Jodengenooten, die zich toen buiten Jeruzalem bevonden. Volgens anderen hebben wij daaronder de Heidenen te verstaan. Alleen de laatstgenoemde opvatting is de juiste. Dit blijkt reeds uit de opklimming, die er op te merken is in de woorden van Petrus, en eveneens uit Hand. 3 : 25.!) Bovendien zijn de Joden en Jodengenooten, die op dat oogenblik buiten Jeruzalem waren, reeds begrepen in de woorden „u en uwe kinderen.quot; Petrus beschouwt de Joden en Jodengenooten, die toen naar hem luisterden, als vertegenwoordigers van het gansche huis Israëls (zie vers 26), zoodat er geen afzonderlijke vermelding van de afwezigen noodig was.

Uit het 40ste en 41ste vers zien wij, dat het ontvangen van den doop niet tot voorwaarde had een voorafgaand nauwkeurig onderricht in al hetgeen betrekking heeft op den persoon des Heeren, daar hij op dienzelfden dag bediend werd aan allen, die, gehoor gevende aan de vermaning des apostels, Jezus voor den Christus hadden erkend. Het eigenlijk onderwijs ging dus niet aan den doop vooraf, maar volgde er op. Dit leert ons vers 42. Ook blijkt zeer duidelijk uit vers 40 en 41, dat zij, die toen gedoopt werden, door den doop werden afgezonderd van de ongeloo-vigen („wordt behouden van dit verkeerd geslachtquot;; vers 40), en opgenomen in den kring van des Heeren discipelen („en er werden op dien dag tot hen toegedaanquot;; vers 41). Dit een en ander geheel in overeenstemming met Matth. 28 : 19.

I) Vgl. ook Efez. 2: 13.

-ocr page 97-

85

In verband met de zoo even behandelde plaats moeten wij nu beschouwen

Hand. 22:16.

Door het hemelsche licht, dat hem op den weg naar Damaskus omscheen, en door het aandoenlijk en zieldoorborend „Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?quot; werd Saulus gestuit in zijn woedende vaart, en deed de Heer Jezus hem inzien, quot;Wien hij vervolgde. Te Damaskus aangekomen, brengt hij drie dagen in blindheid en onder vasten en bidden door: dagen van inkeer en boete. Toen werd de discipel Ananias tot hem gezonden, die hem weêr ziende maakte, en daarna tot hem zeide: „En nu, wat draalt gij (ri jKf AAf/c) ? Sta op {xvxittx:), en laat u do open ((sxti-tktxi) , en uwe zonden afwasschen [xm xttómuzm rx; xftxprix? (75^), aanroepende {sTriy.xXsax^svocy den naam des Heeren.quot;

De uitdrukking „uwe zonden afwasschenquot; moet zonder twijfel in verband worden gebracht met het water des doops, waarin, volgens de gewoonte in den apostolischen tijd, de doopeling afdaalde. Wij hebben hier te doen met een meta-phorische spreekwijze, waarbij de doop wordt beschouwd als het zinnebeeld der vergeving van zonden. Dit is niet te ontkennen , wanneer men de woorden laat zeggen wat zij zeggen.

De doop was voor Paulus het teeken en het onderpand, dat zijne zonden hem vergeven waren. Hij moest dien doop ontvangen, om van die genadegift zeker te zijn. \') En van

1) Vgl. Calviju, in zijn Institutie, Dertle deel, boek, Houldst. 15, lö. Hij zegt aldaar: „Wij worden gezegd te ontvangen, te verkrijgen, te bekomen hetgeen ons, wat het gevoel onzes gelool\'s, betreft, door den Heere geschonken wordt, hetzij Hij het ons dan eerst betuigt, hetzij dat Hij, het ons reeds betuigd hebbende, het meer en krachtiger bevestigt. Zoo heeft dan Ananias alleen dit willen zeggen: Opdat gij, o Paulus, zeker moogt zijn, dat de zouden u vergeven zijn, zoo laat u donpen: want de Heere belooft in den doop de vergeving der zonden; neem die aan, en wees gerust.quot;

-ocr page 98-

86

het oogenblik af, dat hij gedoopt werd, was hij ook een geheel ander mensch geworden, omdat hij van dat oogenblik af het bewustzijn met zich omdroeg, dat hem, den voornaamsten der zondaren, barmhartigheid geschied was. !)

Wat de woorden „aanroepende den naam des Heerenquot; betreft, zij moeten niet worden opgevat in de beteekenis van: hidden, maar in dien van: den naam des Heeren geloovig belijden, zoodat de Heer daardoor erkend wordt voor hetgeen Hij is. Dat geloovig belijden van den naam des Heeren wordt voorgesteld als tegelijk met den doop te geschieden, en als de voorwaarde daartoe. Geheel in overeenstemming met Hand. 2 : 38. 1)

Naar het gevoelen van sommigen wordt op de beide reeds behandelde plaatsen uit de Handelingen der apostelen niet de doop, maar de bekeering in onmiddellijk verband gebracht met de vergeving der zonden, en is de doop enkel van de bekeering het zinnebeeld, en niet ook van de vergeving der zonden.

Tot handhaving daarvan heeft men aangaande Hand. 2: 38 gezegd: „Zeide Petrus op den Pinksterdag tot de verslagenen van hart: Bekeert u en een iegelijk van u late zich doopen op den naam van Jezus Christus tot vergeving van uwe zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen (Hand. 2 : 38); hij plaatst de bekeering dan op don voorgrond en wekt daartoe op, dringt er vervolgens op aan, dat zij zich, als zij zich bekeerd hadden, zouden laten doopen; welke doop, als die het zinnebeeld van de bekeering was, natuurlijk op de bekeering moest volgen ... Hoe men ook des Apostels woorden verklare, altijd moet toch toegestemd worden, dat hij van een zich laten doopen „tot vergeving van zondenquot; spreekt, gelijk de Johanneische doop

1

Wolf geelt (in zijn Curae pMl. et crit.) deze juiste verklaring van de woorden; „Postquam invocaveris alquo ita prol\'essus fueris nomen Domini, ld scilicet antecedere olim debebat initiationem per baptismum faciendam.quot; Kuinoel interpreteert; „Nomen Jesu invocans, i.e. ejus cultui te addicens.quot;

-ocr page 99-

87

n

ook een doop der bekeering „tot vergeving van zonden\' heet, en de vergeving van zonden derhalve niet vóór den doop wordt gedacht en niet als in den doop afgebeeld wordt voorgesteld, maar als iets, waartoe óf de doop of het in den doop afgebeelde den weg of den toegang ontsluit. Die zich „tot vergeving van zondenquot; moet laten doopen, heeft éérst den doop te ondergaan, om langs dien weg aan de vergeving deel te verkrijgen. Op de vraag, waarom langs dien weg ? is het antwoord: omdat de doop het zinnebeeld der bekeering is, en men door de bekeering komt tot het genot van Gods genadegift, de vergeving der zonden.quot; 1)

En aangaande Hand. 22:16: „Ook hier vinden wij de afwassching van de zonden (de vergeving van de zonden) met den doop in verband gebracht, maar om geen andere reden, dan omdat de doop voor het zinnebeeld der bekeering moet gehouden worden en de bekeering de weg is, om aan de vergeving van zonden deel te verkrijgen. Dat de doop het zinnebeeld van de vergeving der zonden is, wordt er in geen geval door uitgesproken, gelijk de vergeving ook niet als aan den doop voorafgaande of door den doop op zichzelven bewerkt of verkregen wordt voorgesteld.quot; 2)

Tegen dit een en ander moet het volgende worden ingebracht:

1. Ten onrechte beroept men zich in dezen op den doop van Johannes, daar, gelijk wij reeds gezien hebben, de bekeering, waarvan sprake is in Hand. 2:38, een andere beteekenis heeft, dan die, welke bedoeld wordt, wanneer de doop van Johannes een doop der „bekeeringquot; wordt genoemd. Ook ging de doop van Johannes niet uit van de onderstelling, dat men reeds feitelijk bekeerd was, als men gedoopt zou worden, maar dat men het voornemen

1

Aldus mijn leermeester en vriend Prof. Doedes, in zijn Leer der Zaligheid, 2de druk, bl. 326 en 327.

2

Prof. Doedes, t. a. p. Vgl. zijn belangrijk werk De Ned. Geloofsbel. en de Heideli. Caiech., als belijdenisschr. der Ned. Serv. Kerk in de negentiende eeuw, getoetst en beoordeeld, I, bl. 473, en II, bl. 321 en 326—328.

-ocr page 100-

88

had om zich te bekeeren. Bovendien bestond er een bepaalde reden, waarom de doop van Johannes niet in onmiddellijk verband kon worden gebracht met de vergeving der zonden. De vergeving der zonden was nl. voor die door Johannes gedoopt werden een weldaad, die nog in de toekomst lag, immers zulk eene, welke niet verkregen kon worden, dan nadat de Messias openlijk verschenen zou zijn. Met den christelijken doop is dit evenwel geheel anders.

2. Wanneer men aanneemt, dat de doop enkel van de bekeering het zinnebeeld is, en niet ook van de vergeving der zonden, dan -is het niet in te zien, waarom zij, die voor hun doop reeds bekeerd waren, nog dien doop moesten ontvangen, om langs dezen weg aan de vergeving van zonden deel te verkrijgen. Immers hadden zij reeds voor den doop die vergeving, en wel, omdat zij voor den doop reeds bekeerd waren, en men door de bekeering komt tot het genot van Gods genadegift, de vergeving der zonden. Bovendien is het niet duidelijk, hoe men, alleen omdat de doop het zinnebeeld van de bekeering is, en men door de bekeering komt tot het genot van Gods genadegift, de vergeving der zonden, langs den weg des doops aan deze weldaad deel kan verkrijgen. Hoe toch kan iets, dat slechts het zinnebeeld van iets anders is, de weg zijn, waarlangs men verkrijgen kan wat verbonden is alleen aan hetgeen de werkelijkheid van dat zinnebeeld is?

3. Indien moest worden toegestemd, dat Petrus van een gedoopt worden tot vergeving der zonden spreekt, op dezelfde wijze als de Johanneïsche doop een doop der bekeering „tot vergeving der zondenquot; heet, dan zou men daaruit nog geenszins het besluit mogen trekken, dat de vergeving der zonden „derhalvequot; niet vóór den doop wordt gedacht. Want dan is zij wel vóór den doop gedacht, daar de bekeering vóór den doop gedacht is.

4. Komt men door de bekeering tot de genadegift der vergeving van zonden, en is de doop het zinnebeeld van de bekeering, dan vloeit daaruit noodwendig voort, dat de

-ocr page 101-

89

vergeving der zonden ook door den doop wordt afgebeeld. Anders zou de doop de weg niet kunnen zijn, waarlangs men de vergeving der zonden deelachtig wordt.

5. Dit een en ander geldt evenzeer met betrekking tot Hand. 22:16. Zonder twijfel was Paulus reeds bekeerd, voor hij den doop ontving op het geloovig belijden van den naam des Heeren. Moet dit worden toegestemd, dan eveneens, dat hij reeds voor den doop vergeving van zonden ontvangen had. Maar dan behoefde hij, indien de doop niet in onmiddellijk verband mocht worden gebracht met de vergeving der zonden, ook niet meer gedoopt te worden, om langs dezen weg tot het genot van die weldaad te geraken.

6. Hoe men voorts ook moge denken over het verband tusschen den doop en de vergeving der zonden, uit Hand. 22:16 blijkt in ieder geval: dat Paulus niet buiten den doop om gekomen is tot die genadegift, en dat hij, hoewel hij reeds bekeerd was vóór zijn doop, toch eerst bij den doop die vergeving ontving; zoodat zij, als tegelijk met den doop hem geschonken, geacht moet worden bij den doop te beboeren.

Ook langs een anderen weg komen wij tot de verkregene slotsom. Het is ons nl. reeds gebleken, dat de doop met Christus in gemeenschap brengt, en afbeeldt, dat men met Hem der zonde afsterft, om door de kracht zijner opstanding een nieuw, Gode gewijd leven te leiden. Op de plaatsen , die ons toen hebben bezig gehouden, werd de doop niet uitdrukkelijk in rechtstreeksch verband gebracht met de vergeving der zonden. Maar het een kan niet van het ander worden gescheiden. Al wie toch met den dood van Christus in gemeenschap treedt, hij komt daardoor tevens in gemeenschap met datgene, waarvan die dood de causa meritoria is, nl. de vergeving der zonden. Het afsterven van de zonde kan niet gedacht worden zonder de vergeving van de zonden. Beide liggen in elkander opgesloten. De wedergeborene is tegelijk een gerechtvaardigde, evenals er geen gerechtvaardigde denkbaar is, die niet tevens is weder-

-ocr page 102-

90

geboren. Geen reiniging van de smet der zonde, zonder gelijktijdige reiniging van haar schuld.!)

Op deze waarheid wijzen ons plaatsen als 1 Joh. 1:9, 2 Cor. 5:15, 17 en 19 (vergeleken met vers 21) op ondubbelzinnige wijze. Daarom vraagt Paulus in Rom. 6:1: „Zullen wij in de zonde blijven volharden, opdat de genade te meerder worde?quot; De genade, waarvan hier sprake is, is de genade der rechtvaardiging, der vergeving van zonden. Zeer duidelijk blijkt die waarheid ook uit Col. 2 : 13, welke plaats hier te meer de aandacht verdient, omdat in het 121\'e vers gesproken is van een in den doop met Christus begraven zijn. Men zie verder o. a. Tit. 2:14, Hebr. 9 : 14, 15 en 20—22.

Ten slotte moeten wij, tot staving van de waarheid van het gezegde, de aandacht vestigen op de overeenkomst, die er in beteekenis bestaat tusschen den doop en de besnijdenis. Het is toch ontegenzeggelijk, dat de doop als zinnebeeld dezelfde beteekenis heeft, welke de besnijdenis als zinnebeeld had. Nu wordt de besnijdenis Rom. 4:11 „eert zegel van de rechtvaardigheid des geloofsquot; genoemd. Ligt het dan niet voor de hand om aan te nemen, dat eveneens de doop, als die dezelfde beteekenis heeft als de besnijdenis, bij geloovige volwassenen, die hem ontvangen, beschouwd moet worden als het zegel van de rechtvaardigheid des geloofs, en dus ook van de vergeving der zonden door het geloof in Jezus Christus?

Staan wij nu kortelijk stil bij

Hand. 8 :12—17 en 10 :44—48.

In Hand. 8:12 wordt verhaald, dat de Samaritaansche mannen en vrouwen, die het Evangelie geloofden, dat de diaken Philippus hun verkondigde „aangaande {nspi) het

1

Vgl. J. J. van Oosterzee, Christelijke Dogmatiek, 11, § 138. 9 en J. J. van Toorenenbergen, Bijdragen tot de verklaring, toetsing en ontwikkeling van de leer der Hervormde Kerk, bl. \'207 en 208.

-ocr page 103-

91

Koninkrijk Gods en den naam van Jezus Christus,quot; zich lieten doopen. Zij ontvingen echter den H. Geest eerst nadat Petrus en Johannes, uit Jeruzalem naar Samaria afgezonden, voor hen er om gebeden en hun de handen opgelegd had.

Aangaande het verband tusschen dat gebed en deze handoplegging zegt Meyer: „Das Gebet erwirkte bei Gott die Mittheilung des Geistes, aber die Handauflegung ward, nachdem man um den Geist gebeten hatte, das Mitthei-\\ungs-Vehikel desselben.quot; Zeer juist voegt hij er aan toe: „Sie war allerdings symbolischer Natur, aber kein bloses und umvirksames Symbol, sondern der wirksame Leiter der erbetenen Gaben.quot;

De opmerking in het 16Je vers doet de omstandigheid, dat de doop toen niet terstond door de uitstorting van den H. Geest werd gevolgd, als iets buitengewoons voorkomen.1) Wij mogen daaruit afleiden, dat in den apostoli-schen tijd de gedoopten gewoonlijk bij hun doop den H. Geest ontvingen, en dientengevolge den doop beschouwen als de belofte aangaande den H. Geest in zich bevattende, gelijk ons reeds gebleken is bij de behandeling van Hand. 2:38. Ook zien wij uit ons 16de vers, dat de doop, dien de Samaritanen ontvingen, een doop was „sU den naam van den Heer Jezus.quot; Deze uitdrukking moet op dezelfde wijze verklaard worden als in Matth. 28 : 19.

Waarom er hier alleen gesproken wordt van den naam van den Heer Jezus, zonder dat daarbij melding wordt gemaakt van den Vader en den H. Geest, hebben wij op bl. 26 reeds voldoende verklaard. Die in betrekking gebracht is met den Naam, als met het wezen of den persoon van den Heer Jezus, die is daardoor tevens in betrekking gebracht met den Vader en den H. Geest. Het eerste is van het laatste geheel onafscheidelijk.

De doop, dien de Samaritanen ontvingen, was alzoo een

1

Meyer zegt dienaangaande: ,,Der epochemachende Fortschritt des Chris-tenthums über die Grenzen Judaa\'s nach Samarien sollte nicht ohne die hinzuiretende unmitielhare apostolische Wirksamkeit vollzogen werden.quot;

-ocr page 104-

92

doop, die hen in gemeenschap bracht met den persoon des Heeren, en hen opnam in den kring van die Hem beleden en erkenden voor hetgeen Hij volgens zijn naam is. Op deze beteekenis van den naam wees ook het 12de vers, als daar gezegd wordt, dat Philippus het Evangelie verkondigde „aangaande het Koninkrijk Gods en den naam van den Heer Jezus Christus.quot; Dit laatste geeft blijkbaar niets anders te kennen, dan hetgeen betrekking heeft op den persoon van den Heer Jezus Christus in hetgeen Hij volgens zijn naam is.

Beschouwen wij nu Hand. 10:44—48. Petrus predikte te Cesaréa het Evangelie aan Cornelius en die in zijn huis waren vergaderd. Terwijl hij nog sprak, viel de H. Geest op allen, die hem hoorden, en zij begonnen te spreken met talen en God groot te maken. En toen de christenen uit de Joden, die hem naar Cesaréa hadden vergezeld, zich verbaasden over het feit, dat de H. Geest ook over de Heidenen was uitgestort, deed Petrus hun de vraag: Of iemand wel het water kon weren, dat niet gedoopt zouden worden die den H. Geest hadden ontvangen, gelijk zij en hij dien ontvangen hadden op den Pinksterdag? Daarop beval hij, dat zij, op wie die Geest nu gevallen was, gedoopt zouden worden. Wij zien hieruit het nauwe verhand, dat er bestaat tusschen den doop en de gave des H. Geestes. En dit geeft ons op nieuw een bewijs aan de hand voor hetgeen wij reeds meermalen gevonden hebben: dat de doop ook de belofte van den H. Geest in zich bevat.

Dat de H. Geest hier voor de bediening van den doop werd medegedeeld, is kennelijk een uitzondering, die in dit geval noodig was, omdat het hier Heidenen gold, en de, andere apostelen, die niet, als Petras, op een zeer bijzondere wijze aangaande de Heidenen door God onderricht waren geworden, een uitdrukkelijke en bepaalde aanwijzing behoefden, om voor goed tot de overtuiging te komen, dat ook de Heidenen waren geroepen om te deelen in de zegeningen des Evangelies.

-ocr page 105-

93

Aangaande de uitdrukking „gedoopt worden in den naam

(sv rü ovo.uan) des Heerenquot; — daarbij is de naam des Heeren gedacht als de sfeer, waarin het gedoopt worden geschieden moest. De doop wordt daardoor voorgesteld als opnemende in de sfeer van den Naam, d. i. in de gemeenschap met den persoon des Heeren. Brengen wij dit nu in verband met hetgeen geschreven staat in vers 48: dat een iegelijk, die in den Heer gelooft, vergeving der zonden zal hebben door middel van (Six) zijnen naam — dan schijnen wij recht te hebben om ook uit onze plaats af te leiden, dat in den doop de belofte der vergeving van zonden mede gegeven is. En bovendien: indien de doop in gemeenschap brengt met den persoon van Christus, in wien de vergeving der zonden gegeven is, dan vloeit daaruit noodwendig voort, dat hij ook brengt op het terrein van de vergeving der zonden.!)

Ten slotte hebben wij de aandacht te vestigen op Hand. 19 :1—7.

Te Efeze kwam Paulus in aanraking met 12 mannen, aan wie discipelen van Johannes den doop bediend hadden ,1) en die zich bij de christenen hadden aangesloten. Hoogstwaarschijnlijk bemerkte hij iets aan hén, waaruit hij kon opmaken, dat zij nog het kenmerk van des Heeren discipelen misten, nl. het deelachtig zijn van de gave des H. Geestes. Daarom vraagt hij hun, of zij den H. Geest wel ontvangen hadden, nadat zij tot het geloof in den Heer Jezus gekomen waren. Met verwondering zeggen zy tot hem: „Maar wij hebben zelfs niet gehoord, of er een H. Geest is.quot;2) En als Paulus hun wederom de vraag doet: „si; ti\'

1

Zie Hand. -18: 25.

2

„\'A/A\' oi/Sè £; 7rv£0fi« céyiov \'érrn Daar het haast niet aan te nemen is, dat discipelen van Johannes geheel onbekend zouden zijn geweest met het bestaan van den H. Geest, terwijl reeds de Schriften des

-ocr page 106-

94

zijt gij dan gedoopt?quot; ,dan geven zij hem ten antwoord: „sU den doop van Johannes.quot;

De apostel gaat bij zijn vraag kennelijk uit van de onderstelling, dat zij den H. Geest zouden ontvangen hebben, indien zij gedoopt waren su to ovofix van den Heer Jezus, en hij verlangt van hen te weten, waarop de doop, dien zij ontvingen, betrekking had, of: met het oog waarop hij aan hen bediend werd. Met de woorden „sic den doop van Johannesquot; geven zij hem te kennen, dat zij met betrekking tot, of met het oog op den doop van Johannes gedoopt waren, d. w. z. dat de doop, dien zij ontvangen hebben, dezelfde is als de doop, dien Johannes bediende.1) Overigens schijnt het, dat zij geen helder begrip hebben gehad van de beteekenis van den Johanneïschen doop; waarom Paulus het noodig acht om hen uitdrukkelijk te wijzen op het doel van dien doop. Dit doet hij in het 4le vers. Hij noemt daarin den doop van Johannes „den doop der bekeering,quot; 2) bij het bedienen waarvan Johannes aan den doopeling de verplichting oplegde om te gelooven in Hem, di\'e na hem komen zou. Wie deze is, wordt nader aangeduid met de woorden: „dat is in Christus Jezus.quot;

Op het ftsv in het eerste gedeelte van het vers had een Sf moeten volgen. Maar dit §£ laat Paulus achterwege, terwijl hij den inhoud van hetgeen daarmede verbonden zou zijn geweest te kennen geeft met de woorden: „dat is in Christus Jezus.quot;

De geheele zin zou eigenlijk aldus hebben moeten luiden: „Johannes doopte wel den doop der bekeering, zeggende tot het volk, dat zij gelooven moesten in Hem, die na

1

Vgl. Mc. 10; 38; Lc. 7:29 en 1\'2:50.

2

„\'liuavvijs niv spxTTitrs @x7rricr[ix ncravotaq.quot; Vgl. Mark. \'1 : 4.

-ocr page 107-

95

hem kwam; Hij nu, die komen zou, is gekomen, nl. Christus Jezus.quot; Op deze wijze vindt men meermalen pev alleen, zonder een formeelen slotzin met een §£. !)

Toen die mannen hoorden {xy.ovaavTsc §s), dat Hij, die komen zou, reeds gekomen was, werden zij gedoopt eic den naam van den Heer Jezus, omdat zij, dat hoorende, geloofden, dat het de Heer Jezus was, van wien Johannes gesproken had als van „Hem, die na hem komen zou.quot; De uitdrukking „gedoopt worden sic; den naamquot; moet ook hier op dezelfde wijze verklaard worden als in Matth. 28 ; 19. Men vergelijke wat bij Hand. 8:16 daaromtrent in het midden is gebracht. 1)

Wij vatten alzoo het 5(le vers op, niet als woorden van Paulus, maar als woorden van Lukas, aanwijzende de uitwerking, die hetgeen Paulus aangaande den doop van Johannes gezegd heeft, en vooral het bijgevoegde: „dat is in Christusop die mannen gehad heeft. 2) De juistheid van deze opvatting blijkt uit het geheele redebeleid, g\'elijk wij straks nader zullen zien.

In het e116 vers verhaalt Lukas, dat Paulus aan die Efezische mannen, nadat zij den christelijken doop hadden ontvangen, de handen opgelegd heeft, en dat daarop de H. Geest op hen kwam, zoodat zij met tongen spraken en profeteerden. Wij zien hieruit, dat het deelachtig worden van den H. Geest op den doop is gevolgd, en dat de doop de belofte van de gave des H. Geestes in zich bevat. Maar hoewel het ontvangen van den H. Geest hier op den doop is gevolgd, wordt hier nochtans niet de doop voorgesteld als het voertuig van de mededeeling van den H. Geest, maar de oplegging der handen. Hetzelfde leerde ons Hand. 8:16 en 17. 3)

1

Zie bl. 91 en 92.

2

Vgl. Hoiige, Systematic Theology, Vol. Ill, bl. 594.

3

Vgl. ook Hand. C:6.

-ocr page 108-

96

Vatten wij het gezegde te zamen, dan blijkt ons uit de pericoop Hand. 19 : 1—7 : 1° dat de christelijke doop hier dezelfde beteekenis heeft als in Matth. 28:19; 2° dat de christelijke doop in beteekenis niet gelijk kan worden gesteld met den doop van Johannes; 3° dat hij in de schatting van Paulus zulk een waarde had, dat hij dien liet bedienen aan menschen, die reeds den doop van Johannes ontvangen hadden; en 4° dat in den apostolischen tijd gewoonlijk de oplegging der handen op den doop volgde als het voertuig der mededeeling van den H. Geest.

Nadat wij alzoo ons resultaat hebben opgemaakt, moeten wij een oogenblik afzonderlijk stilstaan bij een andere opvatting, volgens welke in het 5de vers geenszins bedoeld zou zijn, dat die 12 mannen, die reeds den doop van Johannes ontvangen hadden, herdoopt zijn geworden.

Om dit gevoelen te staven, heeft men het 5de vers beschouwd niet als woorden van Lukas, maar als woorden van Paulus, voortzettende wat hij in vers 4 aanving te zeggen aangaande den doop van Johannes. De zin zou dan deze zijn: „Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering, zeggende tot het volk, dat zij gelooven moesten in Hem, die na hem kwam, dat is in Christus Jezus, maar die.hem (nl. Johannes) hoorden, werden door hem (Johannes) gedoopt fï? den naam van den Heer Jezus.quot;

Hoewel deze constructie reeds bij het hoeren iets vreemds en iets gedwongens en hards heeft, heeft men haar nochtans vastgehouden, en ten gunste daarvan aangevoerd: dat het (j-ev van vers 4 zijn tegenstelling vindt in het quot;ês van vers 5, en dat alzoo door dit §£ aangewezen wordt, dat de rede, in vers 4 begonnen, nog in het 5de vers wordt voortgezet. Hiertegen moet echter worden ingebracht: dat het le, hetwelk op het ijls-j had moeten volgen, gelijk wij reeds hebben doen opmerken, zakelijk vervat is in de woorden: „dat is in Christus Jezus;quot; dat er wel meermalen een psv voorafgaat, zonder dat er een formeel 5« op volgt, zooals o. a. blijkt uit Hand. 1 : 1 ; en dat b. v. in het eerste vers

-ocr page 109-

97

van ons Hoofdstuk, en ook in Hand. 2 : 37, waar wij zonder twijfel met eigen woorden van Lukas te doen hebben, een Sf gevonden wordt, terwijl er geen v.fv was voorafgegaan. Voorts: dat er door genoemde opvatting een tautologie ontstaat tusschen het 4dt\' en het 5de vers, dewijl daardoor „gedoopt worden sh den naam van den Heer Jezusquot; dezelfde beteekenis verkrijgt als: het ontvangen van don „doop der bekeering,quot; die door Johannes bediend werd. Vervolgens: dat het 4cle en het 5,le vers in liet geheel niet beschouwd kunnen worden als in een logische betrekking tot elkander te staan, en dat het avroï: van vers 6 duidelijk doet zien, dat de xxavaxvrs:, die in vers 5 bedoeld zijn, dezelfde personen zijn als van wie in vers 6 gesproken wordt. En eindelijk: dat er nergens iets van te vinden is, dat Johannes gedoopt heeft „sU tc ctcucc van den Heer Jezus.quot;

Is er alzoo geen voldoende grond om te ontkennen, dat Paulus do 12 personen te Efeze, die den doop van Johannes ontvangen hadden, op nieuw heeft laten döopen, uit dit feit mag evenwel niet worden afgeleid, dat alle discipelen van Johannes, die christenen werden, herdoopt zijn geworden, al moet het voor zeer waarschijnlijk worden gehouden. dat er onder de 3000 Joden en Jodengenooten, die op den eersten Pinksterdag den ehristelijken doop ontvingen, ook wel reeds door Johannes gedoopten zullen geweest zijn.

Misschien hebben wij aan te nemen, dat van de discipelen van Johannes alleen diegenen door de apostelen herdoopt zyn, die zich niet bij den Heer Jezus hadden aangesloten , toen Hij nog op aarde verkeerde, of ook die, na den kruisdood des Pleeren door leerlingen van Johannes gedoopt, den Heer niet persoonlijk gekend hebben. \') Hieruit zou dan ook te verklaren zijn, waarom de apostelen,

■1) Ziegler heeft in zijn Theol. Abhandelungen (II. \'2, bl. lü\'i) gemeend, dat die 12 pjrsoneu daarom herdoopt werden, omdat zij niet den waren Johanneïscheii doop ontvangen hadden, daar zij door een leerling van Johannes niet met liet oog op den komenden Messias, maar met het oog op Johannes zeiven gedoopt waren. Deze meening is van allen grond ontbloot.

-ocr page 110-

98

die voor een deel discipelen van Johannes geweest zijn, niet weder van \'s Heeren wege gedoopt zijn geworden.

Dat de anabaptisten zich, tot rechtvaardiging van den wederdoop, niet met recht kunnen beroepen op onze peri-coop, springt in het oog. Want terwijl zij denzelfden doop (nl. den christelijken) herhalen, en voor de tweede maal den christelijken doop bedienen aan die hem reeds ontvangen hadden, is er op onze plaats geen sprake van een herhalen, hetzij van den Johanneïschen, hetzij van den christelijken doop, maar alleen van een bedienen van den christelijken doop aan die den Johanneïschen ontvangen hadden.

§ 4.

De waarde van den christelijken doop volgens zijn he teekenis.

Na de uitvoerige ontwikkeling van de beteekenis van den christelijken doop, naar aanleiding van Matth. 28: 18—20, en na hetgeen wij reeds gezegd hebben bij de andere plaatsen, die reeds door ons behandeld zijn, acht ik het overbodig, nog opzettelijk weer te resumeeren wat in het voorgaande vervat is. En dit te meer, omdat ons gebleken is, dat de beteekenis, die op al die plaatsen aan den doop wordt toegeschreven, in den grond der zaak niet verschillend is van die, welke hij heeft volgens de eigen woorden des Heeren.

quot;Wat wij ons met deze § hebben voorgesteld is dan ook niets anders, maar ook niets minder, dan de duidelijke en rechtstreeksche beantwoording van de vraag: Heeft de doop slechts een uitwendig-symbolische beteekenis, of is hij iets meer, dan een bloot zinnebeeld?

Bij de beantwoording van deze vraag is het niet noodig, afzonderlijk stil te staan bij al de verschillende beschouwingswijzen van vroeger en later. Dit zou ons te ver afvoeren. Ook is het geen vereischte. Want indien het blijkt, dat de

-ocr page 111-

99

waarde, die wij meenen, dat aan den christelijken doop moet worden toegekend, die is, welke hij inderdaad heeft, dan is daardoor tevens aangewezen, hoe men te oordeelen heeft over hetgeen daarvan afwijkt.

Toch mogen wij niet elke opvatting van de waarde van den doop, die ons toeschijnt, niet de juiste te zijn, geheel met stilzwijgen voorbijgaan. Wij zullen daarom inzonderheid twee gevoelens ter sprake moeten brengen, die uitersten zijn. En wel juist deze, omdat zij in onmiddellijk verband staan met het antwoord op de vraag, die ons thans moet bezighouden, en den schijn hebben van gegrond te zijn op de H. Schrift. Wij beginnen nu met het eene. Het andere komt later van zelf aan de orde.

Daar zjjn er, die meenen, dat de doop geen andere waarde heeft, dan die van een bloot uitwendig zinnebeeld zonder meer.!) Voor dit gevoelen beroept men zich gewoonlijk op 1 Cor. 1 : 14—17. Met het oog op deze plaats hoeft men namelijk gezegd, dat Paulus geen bijzonder gl-oote waarde aan den doop kan gehecht hebben, daar hij, indien hij den doop had beschouwd als eene plechtigheid, die iets meer is, dan een uiterlijke handeling zonder innerlijke waarde, er geheel anders over gesproken zou hebben. Laat ons zien, of genoemde plaats recht geeft tot die conclusie.

1) Volgens Zwingli heeft de doop geen andere waarde, dan die van een uitwendige plechtigheid, waardoor men opgenomen wordt in de Christelijke Kerk. Dit blijkt o. a. uit zijn Fidei ratio ad Carohtm Imperatorem, waar hij van den doop zegt: „Baptismo ecclesia publice recipit eum, qui prins receptus est per gratiam. Non adlert ergo gratiain baptismus, sed gratiam factam esse ei, cui datur, ecclesiae testatur.quot; En in zijn geschrift Vom Touf: „Die Seel mag kein Element oder üsserlich Ding in dieser Welt reinigen, sunder Reinigung der Seel ist der einigen Gnad Gottes. So folgt, dass der Touf kein Sund abwaschen mag. So er nun nit abwaschen mag, und aber von Gott is yngesetzt, so muss er je ein Pflichtzeichen syn des Volks Gottes und sust nüts anders.quot; Men zie hierover nader Usteri, Dar-stellung der Tauflehre Zwinglis, te vinden in de Theologische Studiën und Krüïken, Jahrgang 1882, zweites Heft. — In het voetspoor van Zwingli zijn eerst de Socinianen getreden, en daarna de Arminianen, Mennonieten en anderen. Men vergelijke hierbij WAgenhOiCh, De ontwiklcelingsgeschiedenis der Chr. leerstuklcen (uit het Hoogduitsch vertaald door Dr. A. Pierson), bl. 727.

7*

-ocr page 112-

100

In het 14^ vers dankt Paulus er God voor, dat hij van de Corinthische christenen niemand anders gedoopt heeft, dan Crispus en Gajus. Raadplegen wij het verband, dan zien wij, dat hij aldus spreekt alleen wegens de vele partijschappen en verdeeldheden, die in de Corinthische gemeente heerschten, en nadat hij in het 13de vers hun gevraagd heeft: „Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij sh den naam van Paulus gedoopt?quot;

Waarom hij er God voor dankt, dat hij slechts enkelen te Corinthe gedoopt heeft, verklaart hij zelf nader in het 15de vers. Het is nl., omdat hij, indien hij aan velen den doop had bediend, terwijl hij gewoonlijk zelf niet doopte, daardoor aanleiding zou hebben gegeven om te denken, dat hij op die wijze velen aan zijn persoon heeft willen verbinden.

Het zwaartepunt van de redeneering valt alzoo kennelijk niet op de waarde van den doop, maar op het al of niet bediend zijn van den doop door Paulus zeiven, en hier is geen sprake van de beteekenis van den doop als zoodanig, maar van de doopshediening. ^

1) Dr. Binnevveg heeft zich nochtans (t. a. p.. bl. 96) aldus doen hooren: ,,Wanneer Paulus gemeend had, dat de doop nog om andere redenen moest toegediend worden, dan hoofdzakelijk daarom, omdat Christus het geboden heeft, zou hij er zich ongetwijfeld niet over verheugd hebben, dat hij aan slechts weinigen den doop toegediend had, omdat men nu de oorzaak der verdeeldheid in de Korinthische gemeente althans niet aan hein toeschrijven kon.quot; Deze woorden be wijzen niet wat zij bewijzen moesten. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat, als Christus iets geboden heeft, dit op zichzell voor Paulus geen drangreden zou geweest zijn, krachtig genoeg, om hem aan te sporen, zich van het volbrengen daarvan niet te laten terughouden door de vrees, dal hij daardoor aanleiding zou geven tot verdeeldheid; terwijl het boven allen twijfel verbeven is, dat Paulus alle geboden des Heeren even gewichtig achtte, en het volbrengen van geen ervan zou hebben willen nalaten uit vrees voor verdeeldheid. Wij kunnen veilig aannemen, dat, indien het de gewoonte van Paulus geweest was om zelf den doop te bedienen, hij evenmin van die gewoonte zou zijn afgeweken uit vrees voor verdeeldheid, als hij, indien men aanstoot had genomen aan zijn Evangelieprediking, zou opgehouden hebben, het Evangelie te prediken. Paulus heeft zonder twijfel, tot het doen van hetgeen zijn roeping met zich medebracht, geen andere drangreden noodig gehad, dan de wetenschap, dat

-ocr page 113-

101

Ook de woorden van het I7de vers: „Want Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het Evangelie te verkondigenquot; hebben aanleiding gegeven tot de bewering , dat Paulus geen bijzonder groote waarde aan den doop heeft gehecht. Doch ten onrechte. Dit blijkt reeds uit die woorden zeiven. Want nemen wij eens aan, dat een van de dienaren der apostelen, aan wie dezen het bedienen van den doop hadden opgedragen, door den een of ander, die in de Corinthische gemeente een nieuwe partij wilde vormen, uitgenoodigd om ook het Evangelie te verkondigen, geantwoord had: „Ik ben niet aangesteld, om het Evangelie te verkondigen, maar om den doop te bedienenquot; — zou men daaruit mogen afleiden, dat zoo iemand weinig waarde gehecht heeft aan de Evangelieprediking?

Paulus was inderdaad niet gezonden, om te doopen, maar om het Evangelie te verkondigen. ^ De prediking van het Evangelie was het hoofddoel van zjjn roeping en de eigenlijke werkzaamheid, die zijn apostolisch ambt met zich medebracht, al was het- doopen daarvan niet uitgesloten. Mets anders, en niets meer, dan dit geeft hij in het 17f|p vers te kennen. Ook konden de apostelen wel het bedienen van den doop geheel aan anderen overlaten, maar geenszins het prediken van het Evangelie. En hierin volgden zij het voorbeeld na van den Heer zelf, die persoonlijk niet doopte,2) maar door zijne discipelen. Gelijk men nu, op grond van dit feit, geen recht heeft om te stellen, dat de Heer, daar Hij zelf niet doopte, geen bijzonder groote waarde aan den doop heeft toegeschreven, zoo heeft men ook geen recht om dit ten opzichte van Paulus of van Petrus 3) te beweren.

Na de instelling van het diakenschap hebben de aposte-

Christus het geboden heeft. Eu hij zal daarbij zich dan ook niet bekommerd hebben over de vraag, wat het gevolg zou kunnen zijn van de tenuitvoerbrenging daarvan.

1) Zie Hand. 9:15 en 20; 22: 15; 20: 16—18; Gal. 1 :16. Vgl. Mc. 16 :15; Lc. 24 : 47; Joh. 15i27; Hand. 1:8.

2) Vgl. Joh. 4 :2. 3) Zie Hand. 10:48.

-ocr page 114-

102

len een deel van het werk, dat met de Evangeliebediening verbonden was, aan de diakenen opgedragen. Dit was noo-dig, daar, bij de uitbreiding, die de Kerk dagelijks verkreeg, verdeeling van den arbeid noodzakelijk was. Zelfs lezen wij van Philippus, een der zeven diakenen, die het eerst werden aangesteld, dat hjj niet slechts doopte, maar ook het Evangelie verkondigde.

Voorts zal door ieder moeten worden toegestemd, dat men een zeer groote waarde aan een handeling hechten kan, terwijl men zich zelf daarvan onthoudt.

Bovendien is het niet moeilijk, na te gaan, waarom de apostelen zich in den regel hebben onthouden van het bedienen van den doop. Reeds het lö1^ vers geeft ons in dezen een ondubbelzinnige aanwijzing. Daar zij nl. in zeer bijzonderen zin afgezanten waren van Hem, die aan de rechterhand dos Vaders gezeten is, en wien alle macht is gegeven in den hemel en op aarde, en door dozen verhoogden Koning persoonlijk tot de bediening van het Evangelie afgezonderd, en daartoe door Hem met bijzondere gaven, en krachten toegerust waren — was het te vreezen, dat, indien zij zich veel bezig hielden met het bedienen van den doop, men zich te veel aan hunne personen zou zijn gaan hechten, terwijl het hunne leuze was: „Hij moet wassen, maar ik minder worden.quot; Er zou zich dan wellicht toen vrij algemeen het verschijnsel hebben voorgedaan (gelijk wij daarvan reeds iets zagen in de Corinthische gemeente), dat er 12 secten ontstonden, waarvan zich ieder naar een apostel noemde, terwijl er in de christelijke Kerk van geen andere discipelen sprake mag zijn, dan van discipelen van Christus. De woorden van Paulus worden zelfs zeer verklaarbaar, wanneer wij aannemen, dat de christenen van den apostolischen tijd een zeer groote beteekenis hechtten aan het gedoopt zijn door een apostel, en daaraan toeschreven wat zij alleen aan een goddelijke werking moesten toeschrijven.

Een andere bedenking tegen de waarde van den christelijken

-ocr page 115-

103

doop heeft men ontleend aan het feit, dat de apostelen des Heeren dien doop niet ontvangen hebben. Doch ook hier-voor bestaat er een afdoende reden, gegrond op de betee-kenis van den doop zelve. Toen namelijk de Heer nog in dienstknechtsgestalte op aarde verkeerde, waren de apostelen met Hem verbonden, niet slechts op onzichtbare wijze, door liefde en geloof, maar ook zichtbaar, door Hem aan te hangen en Hem te volgen, overal waar Hij heenging. Des Heeren lichamelijke tegenwoordigheid en hunne zichtbare vereeniging met den Heer — dat was voor hen wat de doop voor anderen is. Daarom hadden zij dit zichtbaar tee-ken niet noodig, om hunne vereeniging met Christus aan te duiden. Hieruit is dan ook te verklaren, waarom Paulus de eenige apostel was, die den christelijken doop heeft ontvangen.

Dat de doop niet een bloot uitwendig zinnebeeld zonder innerlijke waarde kan zijn, blijkt reeds uit het feit, dat de Heer dien heeft ingesteld, uitdrukkelijk ingesteld, ingesteld op zulk een gewichtig tijdstip als dat, waarop Hij gereed stond om wederom zijne plaats te gaan innemen aan de rechterhand zijns Vaders.

Wij zeggen daarom met Clément1): „Jésus n\'a rien in-stitné que de vrai et de grand. Avec lui le temps des figures et des ombres est passé: il a inauguré le culte en esprit et en vérité. Si done Jésus-Christ, qui en général n\'a point établi de formes, a cependant, dans un moment sollennel, expressément ordonné le baptème et la Cène, on doit reconnaitre, semble-t-il, une valeur réelle a ces actes. Pour que I\'instiiution des sacrements ne soit pas en contradiction avec le caractère de Jésus, et avec la nature du christianisme, il faut voir dans ces actes autre chose que des cérémonies et des symboles: il faut leur attribuer une importance spirituelle, une importance essentielle dans le système de relations que le Seigneur a bien voulu établir entre lui et l\'homme déchu, entre l\'Esprit éternel et l\'Esprit fini.quot;

1

A. w., bl. 99.

-ocr page 116-

104

Voorts stelt de beteekenis van den doop het boven allen twijfel, dat hij iets meer moet zijn, dan een uitwendige plechtigheid zonder innerlijke waarde. Want wordt de mensch door den doop in gemeenschap gebracht met den Vader, den Zoon en H. Geest; wordt hij daardoor opgenomen in den kring van des Heeren discipelen, en ingelijfd in de gemeente, waarin de Heer woont en werkt met zijn levendmakenden en herscheppenden Geest; brengt de doop ons over op den bodem der wedergeboorte en van de verlossing, door Christus aangebracht; doet hij ons objectief eene plant worden met Christus, den tweeden Adam; stelt hij de noodzakelijkheid der bekeering voor, en is hij als zoodanig het zinnebeeld van hot begraven worden met Christus, om door het geloof weder met Hem op te staan tot een nieuw leven; zondert hij af van do wereld, om toe te wijden aan den drieëenigen God; wordt daarvan uitdrukkelijk gezegd, dat hij een doop is, die redt door de opstanding van Jezus Christus; bevat hij de belofte van de vergeving der zonden en de gave des H. Geestes; ging in den apostolischen tijd de mcdedoeling van dien Geest vaak daarmede gepaard; en achtte Paulus het niet overbodig om hem te bedienen aan die reeds den Johanneïschen doop hadden ontvangen: — wij mogen dan veilig aannemen, dat hij ook een innerlijke waarde heeft, en nog iets meer is dan een uitwendig zinnebeeld.

De doop is zonder twijfel ook een symbool. En reeds als symbool heeft hij een innerlijke waarde. Een voorbeeld zal dit duidelijk maken; een voorbeeld, dat ik kies uitsluitend met het oog op menschen, die gedoopt werden, nadat zij tot het geloof waren gekomen.

Iemand, die door een volk en diens vertegenwoordigers op wettige wijze tot koning is uitgeroepen, kan zonder twijfel reeds op dat oogenblik een koning worden genoemd. En toch is hij nog niet een koning in den vollen zin des woords. Daartoe moet de proclamatie van het volk en diens vertegenwoordigers nog gevolgd worden door de kroning.

-ocr page 117-

105

Die kroning, waarbij hem de koningskroon op het hoofd wordt gezet, doet hem eerst in waarheid worden wat hij reeds was, nl. een koning. Die kroning is schijnbaar niets dan een uitwendige plechtigheid, niets dan een symbool. Maar zij drukt het zegel op de proclamatie, op hetgeen reeds waarheid was, voordat zij plaats vond. Zij maakt geheel tot een werkelijkheid wat voor het bewustzijn van volk en koning nog niet geheel een werkelijkheid was. En van het oogenblik af, waarop zij geschiedde, dagteekent een nieuwe periode, zoowel in het leven van het volk, als in dat van don tot koning geproclameerde, en is aan dezen de toegang geopend tot al de voorrechten, die volgens de wetten des lands aan het koningschap verbonden zijn.

Wat nu die kroning in aardschen zin als zinnebeeld is, dat is de doop in geestelijken zin als zinnebeeld voor ge-loovigen, aan wie hij bediend wordt. Zou dan de doop reeds als zinnebeeld niet ook een innerlijke waarde hebben? \')

De waarheid van het gezegde blijkt ten overvloede uit hetgeen verhaald wordt aangaande den doop, aan den Moorman en dien aan Paulus bediend. Door de prediking van Philippus was de Moorman tot het geloof in Christus gekomen. Dat geloof opende hem den toegang tot al de schatten, die in Christus zijn. Dat geloof maakte hem tot een koningskind, een kind van God, en tot een erfgenaam van de eeuwige heerlijkheid. Maar voor zijn bewustzijn werd hij eerst een ander mensch, nadat hij gedoopt was. Die doop was zijn kroning tot een kind van God. Die doop maakte hem tot een discipel van Christus, maakte hem tot een christen, hoewel hij reeds voor zijn doop een christen was door zijn geloof. Die doop vereenigde hem ook uitwendig met Christus, terwijl hij reeds innerlijk door het geloof met Hem vereenigd was.

De Moorman was na zijn doop dezelfde gebleven, die hij

1) Men vergeUjue bij het door ous gekozen voorbeeld hetgeen te vinden is in de Sermons hy the Rev. F. W. Robertson, Taiichn. ed., vol. 557, bl. 70 en 71

-ocr page 118-

106

voor zijn doop reeds was. En toch was hij niet dezelfde. Op hetgeen hij reeds te voren was heeft de doop het zegel gedrukt, en hem daarvan de volle gewisheid gegeven. Vandaar, dat hij eerst na den ontvangen doop zijn weg „met blijdschapquot; kon reizen. Zou daa de doop geen innerlijke waarde hebben ? In zekeren zin zou ik zeggen, dat de doop voor den Moorman alles was.

Hetzelfde geldt van Paulus. Op den weg naar Damaskus tot bekeering gekomen, geloofde ook hij in Christus reeds voor zijn doop. Maar hoewel hij geloofde, was hij nog niet geheel die hij wezen moest, dan nadat hij gedoopt was. Die doop maakte hem eigenlijk tot hetgeen hij door het geloof reeds was. Hij kenmerkte hem als een discipel van Christus, en gaf hem het bewustzijn, dat zijn zonden hem vergeven waren, en dat hij in genade was aangenomen.

Letten wij nog op de analogie van den doop met de besnijdenis. Van de besnijdenis zegt Calvijn !) naar waarheid het volgende; „De besnijdenis was den Joden een teeken, waardoor zij moesten vermaand worden, dat al wat uit het zaad des menschen voortkomt, dat is: de gansche natuur des menschen verdorven is en besnoeiing noodig heeft; daarenboven was zij een bewijs en gedenkteeken, waardoor zij zich konden versterken in het geloof aan de belofte aan Abraham gedaan (Gen. 22:18 , aangaande dat gezegende zaad, in hetwelk alle geslachten der aarde zouden gezegend worden. Nu, dit heilaanbrengend zaad was, gelijk wij door Paulus geleerd worden (Gal. 3 : 16), Christus, in wien alleen zij vertrouwden te zullen terug verkrijgen hetgeen zij verloren hadden in Adam. Weshalve hun de besnijdenis hetzelfde was, dat zij volgens Paulus (Kom. 4:11) was voor Abraham, namelijk een zegel der rechtvaardigheid des geloofs; dat is een zegel, waardoor zij te sterker verzekerd werden, dat hun geloof, waarin zij dat zaad verwachtten, hun door God tot rechtvaardigheid werd toegerekend.quot;

Moet dit worden toegestemd, dan volgt daaruit — wijl

1) Inst., 4iie Boek, Hoofdstuk 14, 21.

-ocr page 119-

107

de doop als zinnebeeld hetzelfde beteekent wat de besnijdenis als zinnebeeld beteekende — dat de doop ook een innerlijke, geestelijke, verzegelende waarde heeft. Men denke hierbij ook aan Rom. 3:1 en 2: „Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welke is de nuttigheid der besnijdenis? Veel in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd.quot;

De doop zegt tot den mensch, dat hij, krachtens zijn gemeenschap met den eersten Adam, in zonde ontvangen en geboren, van nature geheel onrein, verdoemelijk voor God is, en ongeschikt voor het Koninkrijk der hemelen. En op grond daarvan wijst hij hem op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, de noodzakelijkheid van de gemeenschap met Christus, den tweeden Adam, om dat Koninkrijk te kunnen binnengaan. Hij spreekt van genade en vergeving, van vernieuwing en heiliging. Hij stelt voor al wat in Christus voor den zondaar is weggelegd, en wijst den gedoopte op zijn roeping om in nieuwigheid des levens te wandelen. \')

Daarom heeft de doop niet alleen een subjectieve, maar ook een objectieve waarde. Deze objectieve waarde van den doop is hierin gelegen, dat hij de zichtbare aanduiding is van een onzichtbare waarheid, het getuigenis van de genade Gods in Christus, de voorstelling van de geestelijke goederen, die in de gemeenschap met dien Zaligmaker te verkrijgen zijn. Naar deze zijne objectieve beteekenis verkondigt hij wat God gegeven heeft, onafhankelijk van ons nemen.

Evenals het Evangelie een voorwerp des geloofs is, zoo is ook de doop een voorwerp des geloofs. En gelijk het Evangelie ons niet baat, tenzij wij het geloovig aannemen, zoo brengt ons de doop persoonlijk geen heil aan, .tenzij wij het daarin voorgestelde aanvaarden door het geloof. „Hetgeen God heeft ingesteld blijft vast, en behoudt des-zelfs natuur, hoezeer de menschen ook mogen veranderen;

1) Vgl. het Doopsformulier van de Ned. Herv. Kerk.

-ocr page 120-

108

maar dewijl voorstellen iets anders is dan aannemen, zoo belet niets, dat het teeken, door het woord des Heeren geheiligd, waarlijk datgene zij, waarvan het den naam draagt, en zijne kracht behoude, en dat nochtans daaruit geen nut komt tot een ongeloovige en goddelooze.quot; i)

In overeenstemming hiermede zegt Hodge zeer terecht: „Baptism is not only a sign and seal; it is also a means of grace, because in it the blessings which it signifies are conveyed, and the promises of which it is the seal, are assured or fulfilled to those wo are baptized, provided they beiieve. The Word of Grod is declared to be the wisdom and power of God to salvation; it is the means used by the Holy Spirit in conferring on men the benifits of redemption. Of course all who merely hear or read the Word of God are not saved; neither do all who receive the baptism of water experience the baptism of the Holy Ghost; but this is not inconsistent with the Word\'s being the means of salvation. Our Lord says we are sanctified by the truth. Paul says we put on Christ in baptism (Gal. iii. 27). When a man receives the Gospel with a true faith, he receives the blessings which the Gospel promises; when he receives baptism in the exercise of faith, he receives the benefits of whicli baptism is the sign and seal. Unless the recipient of this sacrament be insincere, baptism is an act of faith; it is an act in which and by which he receives and appropriates the offered benefits of the redemption of Christ. And, therefore, to baptism may be properly attributed all that in the Scriptures is attributed to faith.quot; 1)

De doop werkt daarom niet „ex opere operato,quot; en is zonder het geloof een „signum inefficax.quot; Nochtans is het niet het geloof, dat den doop maakt tot hetgeen hij is, maar de daad Gods, waarvan hij getuigt, en het woord des Heeren, dat daaraan ten grondslag ligt. 2)

1

A. w., bl. 589.

2

Vgl. Synopsis purioris Theologiae, edid. Dr. H. Bavinck, bl. 496; en Dorner System der christlichen Glauhenslehre, II, bl. 822.

-ocr page 121-

109

De doop blijft zijn objectieve waarde behouden, al is de zegen daarvan afhankelijk van het geloof. quot;Want terwijl hij voor den ongeloovige geheel zonder vrucht blijft, volbrengt God aan den geloovige, die gedoopt is, of terwijl hij gedoopt wordt, inderdaad wat Hij in den doop heeft beloofd en wat door den doop wordt voorgesteld.

Hoewel dus de doop op zicli zelf niets verandert in het innerlijke van den mensch, kan nochtans worden gezegd ^ dat hij een reddende kracht heeft.!) En wel, omdat hij overbrengt in het gebied van de zegeningen, die in Christus geschonken zijn, en die zegeningen stelt onder het bereik van den zondaar, opdat deze ze aanneme door het geloof.

De gedoopte is door zijn doop dan ook feitelijk een ander geworden, dan hij te voren was, al is hij ook innerlijk dezelfde gebleven. Hij is in beginsel gered, gelijk van eene plant, die van een onvruchtbaren op een vruchtbaren grond is overgebracht, gezegd kan worden, dat zij in beginsel gered is, al is het ook, dat de werkelijkheid der redding nog afhankelijk is van de levenskracht, welke zij innerlijk bezit. Door de daad der overplanting bevindt zij zich feitelijk op een bodem, waar zij leven kan. En dit blijft waarheid, ook dan, wanneer er niets van dat leven gezien wordt. Zoo ontrukt ook de doop aan den bodem des doods, en brengt hij over op den bodem des levens; zoodat daardoor voor den gedoopte een nieuwe levensaanvang is aangebroken, en hij gezegd kan worden, in beginsel gered te zijn, al hangt de werkelijkheid dier redding af van omstandigheden in hem zeiven gelegen, nl. van zijn geloof.

Door den doop wordt de mensch inderdaad aan Christus verbonden. Wel is deze verbinding aanvankelijk slechts uitwendig; maar deze uitwendige is de grondslag en het begin van de innerlijke door het geloof. Zij heeft de belofte van de laatste in zich. Zij leidt er toe op, en heeft haar ten doel. Hier vooral geldt het woord des apostels: „Doch

l) Vgl. 1 Pelr. 3:21.

-ocr page 122-

110

het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.quot; !)

Zoo was het ten opzichte van de banden, waarmede de apostelen aan den Heer waren verbonden. Zij waren aan Hem verbonden, zoowel door een uitwendigen, als door een inwendigen, zoowel door een „natuurlijkenquot;, als door een „geestelijkenquot; band. Maar de uitwendige en „natuurlijkequot; was de voorwaarde en de aanvang van den inner-lijken en „geestelijken.quot; Eerst kwamen zij in betrekking met \'s Heeren mensehelijke persoonlijkheid, en daarna met zijn goddelijke. Om in aanraking te kunnen komen met het goddelijk leven, dat in den Heer was, moesten zij eerst in aanraking komen met \'s Heeren mensehelijke persoonlijkheid. Door deze uitwendige aansluiting aan Hem kwamen zij in de sfeer van het Koninkrijk der hemelen, en waren de zegeningen daarvan onder hun bereik. Zij waren alzoo in beginsel gered, om het later in de werkelijkheid te worden door het geloof.

De doop heeft zoowel een goddelijke, als een mensehelijke zijde. Een goddelijke zijde, omdat daarin van Gods wege de belofte gegeven is van wedergeboorte en vergeving der zonden. En een mensehelijke zijde: naardien hij van den mensch een zedelijke daad vordert en verplichtingen hem oplegt, immers het geloof en den wandel in nieuwigheid des levens, als voorwaarde tot het verkrijgen van hetgeen daarin is toegezegd.

In den doop ontmoeten God en mensch elkander. Daarin reikt God aan den mensch de hand der redding. Die hand moet door den mensch ook worden aangegrepen, zal de redding eene werkelijkheid zijn. Maar al wordt zij niet aangegrepen, zoodat de mensch niet gered wordt, dit vermindert niets aan de waarheid, dat die hand hem toegereikt was, om hem te redden. 1)

1

Zie Rom. 3 : 1—3.

-ocr page 123-

Ill

Toen de Heer den blindgeborene genezen zou, „spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de oogen des blinden, en zeide tot bem: Ga heen, wasch u in het badwater Siloam.quot; Door die godde-lijke daad des Heeren was de blindgeborene in beginsel genezen. Doch de werkelijkheid der genezing ondervond hij eerst, nadat hij, vertrouwende op des Heeren woord, zich naar het badwater Siloam gespoed, en zich aldaar ge-wasschen had. Wat de Heer aan den blindgeborene deed, dat is het objectieve. Het heengaan van den blindgeborene naar het badwater is het subjectieve, liet geloof. Zonder dat heengaan zou de liefdedaad des Heeren geen uitwerking hebben gehad, al had zij in zichzelve ook de kracht tot genezen. Eigenlijk lag in die daad alleen de genezende kracht, maar nochtans was het badwater het middel (medium) der genezing. \')

Wij komen nu tot de beantwoording van twee vragen, die ons aanleiding zullen geven, om het andere gevoelen, waarop ik doelde aan het begin van deze §, ter sprake te brengen. De eerste vraag is: Of de doop noodzakelijk is tot zaligheid?

Op deze vraag moet een ontkennend antwoord worden gegeven. Beroept men zich voor het tegenovergestelde op Mark. 16:16, men doet het geheel ten onrechte, daar de Heer op deze plaats niet zegt, dat hij, die niet gedoopt zal zijn, verloren zal gaan, maar wel, dat hij verdoemd zal worden, die niet geloofd zal hebben. Dit laatste is bovendien geheel in overeenstemming met de doorgaande leer van de H. Schrift, volgens welke het zalig worden alleen het geloof tot voorwaarde heeft.

De geloovige, die gedoopt is, wordt zalig. Dit is boven allen twijfel verheven. Over den ongedoopte, die gelooft, wordt in Mark. 16:16 niet gesproken. In het algemeen mogen wij aannemen, dat niet het ongedoopt zijn als zoo-

1) Vgl. Clément, a. w., bl. 184.

-ocr page 124-

112

danig de zaligheid derven doet, maar het ongeloovig verwerpen, het moedwillig versmaden en verachten van den doop.!) Eveneens wordt op genoemde plaats niet gezegd, dat de gedoopte als zoodanig, maar dat de gedoopte, die gelooft, zalig zal worden. Wij hebben ons in dezen te houden aan den regel: „Necessitas sacranientorum non est absoluta, sed ordinata.quot; 1)

De andere vraag, die in dit verband in aanmerking komt, is; Of aan den doop een zelfwerkende kracht moet worden toegeschreven, zoodat daardoor de wedergeboorte tot stand zou worden gebracht?

Den schriftuurlijken grond voor dit gevoelen heeft men gevonden in Joh. 3 : 5 en Tit. 3 : 5. Het is noodig, te onderzoeken, of men zich daarvoor met recht op die plaatsen beroepen kan.

Nemen wij eerst Joh. 3:5. quot;Wij lezen daar: „Zoo iemand niet geboren wordt (èxv w ris uit

water en Geest (ï£ uSxto? xm ttvsuiaztoc) hij kan niet ingaan in het Koninkrijk Gods.quot;

Menigvuldig zijn de verklaringen, die van de woorden „uit water en Geestquot; gegeven zijn.2) Sommigen hebben ze opgevat als een hendiadyoin, zoodat met „waterquot; hetzelfde zou bedoeld zij als met „Geest,quot; en het „waterquot; een zinnebeeldige uitdrukking zou wezen van de reinigende kracht van den „Geest.quot;

Voor deze interpretatie beroept men zich op Matth. 3:11.

1

Vgl. Hodge, t. a. p., bl. 584, eu Uorner, t. a. p., bl. 834 en 835.

2

Men zie daarover Tholuck en Meyer in hun Commentaren op het Evangelie van Johannes.

-ocr page 125-

113

■f

Het kan echter als uitgemaakt worden beschouwd, dat in Matth. 3:11 het „doopen met den H. Geestquot; niet hetzelfde te kennen geeft als het „doopen met vuur.quot; Zij mogen beide dan ook niet tot éen begrip worden verbonden. Het /2,le vers doet duidelijk zien, dat het „doopen met vuurquot; betrekking heeft op het Messiaansche strafgericht, en dat de bedoeling is, dat, terwijl de boetvaardigen met den H. Geest, de onboetvaardiger! met het helsche vuur „gedooptquot; zouden worden. \')

Bovendien pleit tegen genoemde opvatting, dat, daar in Matth. eerst het gedoopt worden „met den H. ^3:

Geest,quot; en daarna het gedoopt worden „met vuur,quot; terwijl in Joh. 3 : 5 eerst het geboren worden „uit water,quot; en daarna het geboren worden „uit Geestquot; wordt genoemd, de uitdrukking „uit water en Geestquot; in geen geval de reinigende kracht van den H. Geest kan te kennen geven, indien de uitdrukking „met den H. Geest en met vuurquot; de louterende kracht van dien Geest moet aanduiden. Er had dan namelijk. naar analogie van Matth. \'N.: ^, in

1) Op afdoende wijze hebben Fritzsche en de Wette dit aangetoond in hun Commentaren. De juistheid van deze opvatting blijkt ook uit het volgende. Mark. 1 ; 8 komen de woorden „en met vuurquot; niet voor. Hier zouden zij niet op hun plaats zijn, daar Johannes in dit verband alleen spreekt tot hen, die tot hem kwamen, „belijdende hunne zondenquot; (zie vers 5). Ook Hand. 1:5 is sprake van een „gedoopt worden met den H. Geest,quot; zonder dat er bijgevoegd is „en met vuur.quot; Geen wonder, omdat hier sprake is van de discipelen des Heeren. Eveneens konden die woorden in Joh. 1 ; 33 er niet bijgevoegd worden, omdat op deze plaats gesproken wordt van de werkzaamheid van den Messias in het algemeen, zonder dat Johannes daarbij het oog heeft op bepaalde personen. Hij constateert slechts wat God hem aangaande den Christus geopenbaard had. Daarentegen konden die woorden in Luk. 3:\'lö niet achterwege blijven, dewijl zij daar in hetzelfde verband worden gevonden als in Matth. 3: 11, Zij zijn in Luk. 3 ; 16 wel op hun plaats, omdat daar (zie vers 9 en 17) gesproken wordt zoowel van boetvaardigen, als van onboetvaardigen. Alleen bij onze opvatting is er een reden voor aan le wijzen, waarom die woorden nu eens weggelaten, dan weder er uitdrukkelijk bijgevoegd worden. Behoorden zij noodzakelijk bij „gedoopt worden met den H. Geest,quot; dan zou het niet te verklaren zijn, waarom zij er niet altijd mede verbonden zijn. Men zie hierover uitvoemjer het belangrijke stuk van Dr. Blom in de Jaarboeken voor Wetenschappelijke Theoloyie, 1, bl. 240—249.

3

-ocr page 126-

114

Joh. 3:5 niet moeten staan „uit water en Geest,quot; maar: uit Geest en water.

Volgens Meyer e. a. doelt de uitdrukking „uit waterquot; op den christelijken doop. Deze interpretatie kan in geen geval de juiste zijn, omdat de christelijke doop toen nog niet ingesteld was. Het was voor Nicodemus dan ook onmogelijk om bij die uitdrukking daaraan te denken. En daar de Heer er prijs op stelde, door hem verstaan te worden in zulk een gewichtige zaak als de voorwaarde tot het ingaan in het Koninkrijk der hemelen, is het niet aan te nemen, dat Hij die voorwaarde te kennen zou hebben gegeven op eene wijze, die voor Mcodemus niet, dan onbegrijpelijk kon zijn.

Volgens Lange e. a. is met het water de doop van Johannes bedoeld. Doch zeer terecht heeft Meyer hiertegen opgemerkt „dass der als Messias bereits Aufgetretene die Taufe seines Vorlaufers nicht mehr zur Bedingung, nicht einmal zur Vorbedingung des Messiasheils machen konnte.quot;

Afdoende zijn ook deze woorden van Hodge \'): „To make the passage refer to the baptism of John is out of the question .. . The baptism of John was confined to the Jews. It admitted no man to the Kingdom of Christ. Our Lord is laying down the condition of salvation for all men, and therefore cannot be understood to refer to a baptism, of which the Gentiles were not partakers, and of which, in the vast majority of cases, they had never heard.quot;1)

1

Lange verdedigt (in zijn Bibelwerlc) zijn gevoelen met deze woorden: „Es muss einer ein göttlicli gezeugter Proselyt werden, verrnittelt durcli die Johannisjüngerschaft und die Christusjüngerschaft... Wie es durch\'s A. T. in\'s Neue geht, so auch dureh den Abschliesser des A. T. zum Eröll\'ner des N. T., zn Christus. Erst muss man ein historischer Christ werden, die Lustration der padagogischeu Zucht durchraachen, dann ein geistlicher Christ. Als Heilsbedingung sind beide Momente eine concrete Einheit, die erste nicht ohne die zweite, die zweite nicht ohne die crste; doch die zweite, die Geistestaufe, die Hauptsache und das Entscheidende, nach V. 6.quot; Doch ook bij deze voorstelling van de zaak blijven de bezwaren van Meyer eu Hodge van kracht.

-ocr page 127-

115

Lücke heeft deze verklaring gegeven: „Die Praposition sk (uit) bezeichnet in unserer Formel das Element, worauf die Geburt aus Gott beruhet, worauf sie geschieht. Aber wie 1, 33, so ist auch hier iïlup (water) der bildliche, symbolische, ttvsü/jlx (Geest) der reine Begriff der Sache selbst, der nun in der weiteren Erörterung V. 8 auf sein Bild oder Symbol zurückgeführt wird. . . Das Wasser ist hier, wie dort in der Johanneischen Taufe, das Symbol der Reinigung, der iaetkvoiix, (zinsverandering, bekeering), des wesentlichen, aber negativen Anfangs der Geburt aus Gott... Hieraus erklart sich, dass die reinigende Taufe des Johannes der Geistestaufe Christi vorangeht, und dass die Predigt des Taufers zu ihren wesentlichen Inhalte die Busse bat, als die Bedingung der Aufnahme in das gött-liche Reich. Konnte nun dem ]Sikodemus theils aus der Predigt und Taufe des Johannes, theils aus dem A. T.1) nicht schwer werden, diess zu verstellen, so beginnt Jesus weislich damit, das yeyvyóijvxi avaósv (wedergeboren worden) zuniichst als ein ■yevv/iöijvxi vSxto? (geboren worden uit water) zu bestimmen, also als eine Sinnesanderung und Reinigung vom Bösen. Er verweist nich auf die förmliche Taufe, weder die Johanneisehe noch die Christliche, son-dern nur anspielend auf die symbolische Bedeutung des Wassers in der Taufe, verpflichtet er zu dem wesentlichen Inhalte aller Taufe zum Reiche Gottes.quot; -) Het komt mij voor, dat dit de eenig juiste verklaring is. Zij heeft niets tegen, maar alles voor zich.

Intusschen, hetzij men Joh. 3 : 5 als Lange verklaart, hetzij

8*

1

S. z. B. Jes. 1, 16. Miileachi 3, 3. .lerem. 33, 8. Ezech. 36, 25.

-ocr page 128-

116

men de verklaring van Lücke als de juiste beschouwt, hetzij men de voorkeur geeft aan eene interpretatie, die èn van die van Lange, èn van die van Lücke afwijkt — in geen geval kan uit genoemde plaats worden afgeleid, dat de wedergeboorte door den doop wordt bewerkt.

Het is voor ons doel niet overbodig, dit opzettelijk nog in het licht te stellen. Wij vestigen daartoe de aandacht op de beide volgende opmerkingen:

1. In Joh. 3 : 5 is geen sprake van een „«ceatergeboren worden uit water,quot; maar van een „geboren worden uit water en Geest.quot; Deze woorden vormen samen éen begrip, en zijn onafscheidelijk met elkander verbonden, gelijk o. a. blijkt uit de niet-herhaling van het voorzetsel „uitquot; vóór het woord „Geest.quot; Men kan daarom van de wedergeboorte niet zeggen, dat zij door twee op zich zelf staande factoren tot stand wordt gebracht. Zij wordt hier uitdrukkelijk voorgesteld als te bestaan uit het „geboren worden uit water en Geest.quot;

Doch nemen wij voor een oogenblik aan, dat het geboren worden „uit waterquot; gescheiden kan worden van het geboren worden „uit Geest.quot; Dan zou daaruit nog geenszins volgen, dat het „geboren worden uit waterquot; de wedergeboorte ten gevolge heeft. quot;Want niet alleen, dat de Heer dan gezegd zou hebben, dat de wedergeboorte op tweëerlei wijze tot stand komt: 1° door het geboren worden „uit water,quot; en 2° door het geboren worden „uit Geestquot; — hetgeen niet wel aangenomen kan worden — maar ook is het de willekeur zelve om de wedergeboorte, waarvan de Heer uitdrukkelijk zegt, dat zij tot stand komt door het geboren worden uit water en Geest, te beschouwen als reeds door het geboren worden uit water op zichzelf te ontstaan. Hieruit volgt, dat, ook wanneer met het „waterquot; in Joh. 3 : 5 de christelijke doop bedoeld was, niets ons recht zou geven om aan den doop een zelfwerkende kracht, een „vis efficaxquot;, toe te schrijven.

2. Indien de wedergeboorte door den doop werd bewerkt, en dientengevolge de doop als zoodanig noodzakelijk

-ocr page 129-

117

was tot zaligheid, dan zou het onverklaarljaar zijn, dat de Heer, in het 6de en 8ste vers over die wedergeboorte sprekende, alleen melding maakt van een geboren worden „uit den Geest,quot; zonder daarbij ook te spreken van een geboren worden „uit water.quot; Alleen aan den Geest schrijft Hij in beide verzen de wedergeboorte toe, terwijl Hij hare noodzakelijkheid voorstelt voor die het Koninkrijk Gods willen binnengaan. Het is niet aan te nemen, dat, indien de doop, hetzij op zichzelf de wedergeboorte bewerkte, hetzij als een noodzakelijke factor daarvan beschouwd moest worden, de Heer nu daarvan geheel zou hebben gezwegen; te minder, daar Hij ten doel heeft, om aan te wijzen, wat voor allen zonder onderscheid de eenige en onmisbare voorwaarde is om dat Koninkrijk te beërven.

Kan men zich alzoo, ten gunste van het gevoelen , dat de wedergeboorte door den doop wordt bewerkt, niet met recht beroepen op Joh. 3:5, hetzelfde moet worden gezegd van Tit. 3 : 5. 13ij de uitdrukking „door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des H. Geestesquot; (§/i kcutoov ttx-hiyyevfciz: xx) xi/xxxiyafeas tt-jciiuxto- xylcii) heeft Paulus in het geheel niet aan den doop gedacht, en daar is geen enkele reden om aan te nemen, dat met het „bad,quot; waarvan hier gesproken wordt, de doop is bedoeld.

Gelijk in Efez. 6: 14 en 16 de gerechtigheid met een borstwapen en het geloof met een schild, zoo wordt op onze plaats de wedergeboorte en vernieuwing des H. Geestes met een reinigend bad vergeleken. \') De woorden „der wedergeboorte en vernieuwing des H. Geestesquot; zijn een genitivus appositionis, aanduidende wat onder het „badquot; verstaan moet worden. -) Dit bad is nl. de wedergeboorte

1) Vgl. Doedes, De leer der zaligheid, bl. 329. Eveneens het voortrefle-lijko eu afdoende, dat hij over Tit. 3: 5 geschreven heeft in zijn ander aangehaald werk, II, bl. 324—326.

2) Men zie ook o. a. 2 Cor. ö;b, waar de woorden „die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeftquot; niets anders beteekenen, dan dat het gegeven onderpand de H. Geest is; en Col. 3:24, waar in de uitdruk-

-ocr page 130-

118

en vernieuwing, terwijl het bijgevoegde „des H. Geestesquot; aanwijst, dat de H. Geest daarvan de werkmeester is, die Geest, waarvan Paulus in het 6de vers zegt, dat God Hem rijkelijk over de geloovigen heeft uitgegoten door Jezus Christus onzen Zaligmaker. De gedachte aan die „uitgietingquot; van den H. Geest deed hem spreken van een „bad.quot;

Daar komt nog bij, dat de woorden „der wedergeboorte en vernieuwing des H. Geestesquot; bij elkander behooren en samen éen begrip vormen. En wel, omdat zoowel KaXiy-•ysvstix: als xvxxziyciasas van /.ourpou afhangt, en niet van S/i — hetgeen hieruit blijkt: dat hx anders voor\' xvanxi-vurecoi; herhaald zou zijn geworden.

En de wedergeboorte èn de vernieuwing moeten alzoo beschouwd worden als het werk van den H. Geest. Anders zou men moeten aannemen, dat wèl de vernieuwing, maar niet de wedergeboorte door dien Geest tot stand wordt gebracht, en dat de wedergeboorte enkel door den doop en in het geheel niet door den H. Geest wordt bewerkt; waaruit mede volgen zou, dat de wedergeboorte aan de werking van dén H. Geest voorafgaat. Dit een en ander nu zou in lijnrechten strijd zijn met Joh. 3 : 5—8.

Men zou de woorden „des H. Geestesquot; ook kunnen beschouwen als appositie van xovrpoü xxKtyy. y.xi owzkmu. \') Dan is de bedoeling, dat onder het „bad der wedergeboorte en vernieuwingquot; de H. Geest verstaan moet worden, als die rijkelijk over de geloovigen is uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker.

Zoo zien wij, dat, hoe men de woorden ook verbinde, in geen geval daaruit met recht kan worden afgeleid, dat de wedergeboorte door den doop wordt bewerkt. Bovendien zegt Hodge 1) zeer terecht: „If the doctrine of baptismal regeneration can be shown to be thoroughly anti-Scriptural,

1

T. a. p., bl. 598.

-ocr page 131-

119

then it cannot be taught in Titus iii. 5. If any passage admit of two interpretations, one opposed to the analogy of Scripture, and the other in harmony with it, we are bound to adopt the latter.quot;

Wat eindelijk de vraag betreft, of het in de bedoeling des Heeren gelegen heeft, dat de doop ook bediend zal worden aan hen, die geboren zijn in het midden eener christeljjke gemeente en uit christenouders, — daarop moet een bevestigend antwoord antwoord worden gegeven, zoowel met het oog op de beteekenis van den doop, als op grond van hetgeen wij aangaande Matth. 28 : 20, in verband met hot 19(le vers, in het midden hebben gebracht.!) Daar is geen enkele reden voor aan te wijzen, waarom het bevel om alle volken te doopen en te onderwijzen tot een enkel geslacht iiit die volken beperkt zou moeten worden. En moet de doop als een voorrecht en een zegen beschouwd worden, het is dan niet aan te nemen, dat het in overeenstemming zou zijn met den wil des Heeren, dat „eene reeds gekerstende natie daarvan verder zou behooren verstoken te blijven. Gedoopte volken toch, in welker midden de doop, en dus ook de persoonlijke belijdenis terug bleef, zouden al spoedig gevaar loopen tot het peil van hun heidensch voorleden terug te zinken.quot; 3)

„Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden,quot; Dit woord is van even uitgebreide strekking, als het andere, dat er aan voorafgaat en waarmede het samenhangt: „Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie aan alle creature.quot; quot;Waarom zou dan de Evangelieprediking wel mogen plaats vinden te midden van een volk, dat reeds tot het christendom is overgegaan, maar de doop daarbij achterwege moeten blijven ? Het argument, aan 1 Cor. 7 : 14 ontleend, mist alle kracht. Bij de behande-deling van den kinderdoop, waartoe wij nu overgaan, zullen wij dat nader in het licht stellen.

1) Zie bl. 22 eu 23.

2) Van Oosterzee, t. a. p., § 138, 4.

-ocr page 132-

TWEEDE HOOFDSTUK.

HET GOED EECHT VAN DEN KINDERDOOP.

Het is niet te ontkennen, dat nergens in de Schriften des N. V. een ondubbelzinnige aanwijzing te vinden is, dat ook kleine kinderen gedoopt mogen worden. Maar evenmin is te ontkennen, dat die Schriften geen uitdrukkelijk voorschrift bevatten om te allen tijde alleen volwassenen te doopen. Zelfs kan uit haar letter niet met zekerheid worden opgemaakt, of de doop in den apostolischen tijd bediend is geworden aan hen, die uit christenouders of in den boèzem van eene reeds gevestigde christelijke gemeente geboren zijn. Over den doop van de zoodanigen spreken die Schriften in het geheel niet. En dit behoeft ons geenszins te verwonderen, daar er gedurende die tijdruimte, waarover hetgeen daarin vermeld staat zich uitstrekt, daartoe nog geen bepaalde aanleiding geweest is. In dien eersten tijd van het bestaan der christelijke Kerk was de aandacht inzonderheid gevestigd, en was de apostolische werkzaamheid voornamelijk gericht op hen, die nog buiten het terrein van het christendom stonden. Joden en Heidenen moesten daarvoor worden gewonnen. Gemeenten moesten worden gesticht. Daarom kon de formeels regeling van hetgeen betrekking had op bepaalde bijzonderheden in het innerlijk leven der gemeente niet dan langzamerhand tot stand komen.

Bewaren alzoo de Schriften des N. V. het stilzwijgen over het doopen van hen, die uit christenouders of te midden eener reeds gevestigde christelijke gemeente geboren zijn, zij doen dat niet alleen ten opzichte van de kinderen, maar

-ocr page 133-

121

ook ten opzichte van de volwassenen. En evenmin als haar letter voorschrijft of verbiedt om zulke kinderen te doopen, evenmin geeft zij op duidelijke wijze te kennen, dat de doop eerst op volwassen leeftijd aan hen bediend is geworden. Vinden wij toch in de Hand. der Apostelen meermalen melding gemaakt van den doop van volwassenen, met deze volwassenen zijn steeds proselieten bedoeld, immers de zoodanigen, die uit het Joden- of Heidendom tot het Christendom waren overgegaan. Waaruit volgt, dat het niet aangaat, zich te beroepen op het feit, dat er in de Hand. der Apostelen alleen van het doopen van volwassenen uitdrukkelijk sprake is, om daarmede te bewijzen, dat in den boezem der christelijke Kerk niet dan volwassenen gedoopt mogen worden. En wel, omdat zij, die uit christenouders of in den boezem van de christelijke Kerk geboren zijn, niet met proselieten mogen worden gelijk gesteld.

Meent men dus, op grond van het stilzwijgen van de Schriften des N. V., te mogen vaststellen, dat in .den gan-schen tijd van de apostolische werkzaamheid geen enkel kind gedoopt is geworden, en dat daarom de doop niet aan kinderen mag worden bediend, — op grond van datzelfde stilzwijgen mogen wij, met evenveel recht, vaststellen, dat er, zoolang de apostelen leefden en werkten, geen enkele volwassene, uit christenouders geboren, gedoopt is geworden. Hetgeen volgens de op baptistisch standpunt niet ongewone redeneering niets minder zou inhouden, dan een veroordeeling van het baptistisch gebruik om aan die uit christenouders geboren zijn op volwassen leeftijd den doop te bedienen.

Ik heb dit een en ander bijgebracht, om te doen gevoelen, dat het vraagstuk, hetwelk ons thans moet bezighouden, geenszins bevredigend kan worden opgelost alleen met een beroep op de letter van de Schriften des N. Verbonds.

Wij dienen derhalve daarbij ook, en inzonderheid, met den geest dier Schriften te rade te gaan. En daar zij met die des O. Verbonds in een nauw en onafscheidelijk verband

-ocr page 134-

122

staan, en daarmede een geheel vormen, zullen wij ons bij ons onderzoek moeten plaatsen op den bodem van de gansche H. Schrift.

Voor zoover het meer schriftuurlijk gedeelte betreft, hebben wij dus eigenlijk te onderzoeken, of de kinderdoop in overeenstemming is met den geest van de H. Schrift, en in haar organisme past: ja of neen. En mocht het blijken, dat hij, in plaats van daarmede in strijd te zijn, integendeel geheel beantwoordt aan haar geest en geheel past in haar organisme, dan vloeit daaruit noodwendig voort, dat haar letter er ook niet tegen kan zijn.

Nadat wij hebben aangewezen, op welke gronden het recht van den kinderdoop steunt, zullen wij dus afzonderlijk in het licht moeten stellen, dat de bedenkingen, die aan de letter van de H. Schrift ontleend zijn, of die men op andere gronden daartegen ingebracht heeft, bij nauwkeurige beschouwing geheel wegvallen.

De kinderdoop en de beteekenis van den doop.

Wij beginnen met Matth. 28 : 18—20. Op deze plaats wordt niets vastgesteld aangaande den leeftijd, waarop gedoopt moet worden. Met het oog op de volgende eeuwen en op de behoeften, die zij met zich mede zouden brengen, bewaart de Heer daaromtrent het stilzwijgen, en laat Hij het over aan den Geest der waarheid, dien Hij zenden zou, om aan de apostelen en aan zijne discipelen, door al de opvolgende geslachten heen, daarover het noodige licht te schenken.

Met duidelijke woorden beveelt de Heer echter om alle volken tot zijne discipelen te maken. „Alle volken.quot; Deze woorden zijn reeds op zichzelf\' zoo veel omvattend en zoo universeel mogelijk. En met het oog op het IB^e vers kunnen zij niet te ruim worden opgevat. \') Jezus Christus

1) Zie bl. 8 en 9.

-ocr page 135-

123

toch is de Zaligmaker, niet van een bepaald volk, of van een bepaald geslacht en een bepaalden leeftijd, maar van alle volken, alle geslachten en alle leeftijden; de Zaligmaker, die tot de geheele menschheid in betrekking staat, en wiens verlossingswerk geen enkelen leeftijd uitsluit. En als zoodanig beveelt Hij: „Maakt alle volken tot mijne discipelen.quot;

Hoe zouden dan de kinderen per se van dit bevel met zoo universalistische strekking zijn uitgesloten ? Ook zij be-hooren tot de volken. Zij maken daarvan een zeer groot gedeelte uit. Zij worden in de H. Schrift er uitdrukkelijk toe gerekend. !) En ook over hen strekt zich de macht des Heeren. Ook zij zijn aan Hem onderworpen. Ook voor hen volbracht Hij zijn verlossingswerk. Ook naar hen strekt Hij de armen zijner liefde uit. Ook tot hen staat Hij als de Zaligmaker in betrekking. Dit alles heeft Hij getoond, getoond door woord en door daad, toen Hij, in de dagen zijner dienstknechtsgestalte, hen zegende, het Koninkrijk der hemelen hun toezeide, en daardoor zijn zegel drukte op het woord van den Psalmist: „De kinderen zijn een erfdeel des Heeren.quot; 1)

„Maakt alle volken tot mijne discipelen.quot; Daar zijn slechts twee gevallen denkbaar, waarin deze woorden per se de gedachte aan kleine kinderen geheel zouden afsnijden. Namelijk: indien alleen de wedergeborene en op-recht-geloovige een discipel kon worden genoemd; of ook: indien het discipel-zijn noodwendig onderstelde, dat men vooraf onderwezen moest zijn. Maar noch het een, noch het ander is waarheid.

Wat het eerste betreft: de feiten zijn daar, om het te weêrleggen. Joh. 4: 1 (vgl. 3 : 22 en 26) toch lezen wij, dat de Heer vele discipelen maakte en doopte. Maar hoedanig waren deze discipelen? Waren zij allen wedergeborenen en oprecht-geloovigen? Geenszins! Joh. 6:64 ge-

1

Ps. 127: 3.

-ocr page 136-

124

tuigt de Heer uitdrukkelijk van sommigen, dat zij niet geloofden. En vers 66 heet het: „Van toen af gingen velen zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.quot; Toch werden de zoodanigen met den naam van „discipelenquot; bestempeld. En dat nog wel, „ofschoon de Heer van den beginne wist, wie zij waren, die niet geloofden.quot;

quot;Wat het tweede aangaat: Toen de Heer Levi tot zijn discipel verkoor, had Hij dezen vooraf niet onderwezen. Maar den tollenaar in diens tolhuis ziende, zeide Hij slechts tot hem: „Volg mij!quot; En Levi, alles verlatende, stond op en volgde Hem.1) Evenmin van Philippus lezen wij, dat hij onderwijs van den Heer ontvangen had, voor de Heer hem als discipel aan zijn persoon verbond. 2) Hetzelfde geldt van anderen, aan wie in het N. T. de naam van „discipelenquot; gegeven wordt.

En bovendien: om een discipel van een meester genaamd te kunnen worden, is het niet noodig, vooraf onderricht van hem ontvangen, of reeds een zekere mate van kennis door zijn onderwijs verkregen te hebben. Maar daartoe is het reeds voldoende, zich bij hem te hebben aangesloten, opgenomen te zijn in den kring van hen, die zich scharen rondom zijn persoon, neer te zitten aan zijn voeten, aan zijn leiding te zijn toevertrouwd, onder zijn invloed te ver-keeren, en in een voortdurende betrekking tot hem te staan 3).

Is dit waarheid in het algemeen, het is inzonderheid waarheid ten opzichte van hetgeen ons thans bezighoudt. Want de Heer is niet gekomen, om die reeds wedergeboren zijn, maar om onbekeerde zondaren aan zijn persoon te verbinden , ten einde hen tot wedergeborenen te vormen. Niet die reeds geloofden, maar die nog van God vervreemd

1

Zie Lc. 5: 27—29.

2

Vgl. Joh. 1 : 44.

3

A\'gl. Clément, Etude lïblique sur le haptéme, ou le pédolapüsme ei Véglise, bl. 40; en A. H. Pareau, De chr. doop naar de eigen instelling des Heer en en in \'t bijzonder de Kinderdoop uit des Heer en geest, bl. 10.

-ocr page 137-

125

waren, opdat zij door zijn woord en zijn gemeenschap tot het nieuwe leven des geloofs ontwaken zouden. Niet die reeds behouden waren, maar dwalenden en verlorenen, om hen in zijn zaligmakende school op te leiden tot behoudenen. En zoo roept Hij nu nog tot zijn gemeenschap niet dan de zoodanigen, die zonder Hem verloren gaan. Dat alles blijkt onwedersprekelijk uit de Evangelische verhalen. Het blijkt zelfs uit het woord in Matth. 18:3 tot de Twaalve gesproken, en eveneens uit hetgeen wij op bl. 110 gezegd hebben aangaande de wijze, waarop de Heer de apostelen aan zich verbonden had.

Er is alzoo geen enkele afdoende reden, waarom de woorden „Maakt alle volken tot mijne discipelenquot; niet ook op kleine kinderen toepasselijk zouden zijn. Noch de letter, noch de geest dier woorden leveren in dezen eenig bezwaar op, al zou moeten worden toegestemd, dat de Heer daarbij in de eerste plaats aan volwassenen onder Joden en Heidenen gedacht heeft.

Letten wij nu meer bepaald op de beteekenis, die de Heer zelf in Matth. 28 : 18—20 aan den doop toeschrijft. Indien de doop het zegel was van de reeds tot stand ge-komene wedergeboorte, en het zaligmakend geloof tot voorwaarde had; indien hij beschouwd moest worden als het zinnebeeld van hetgeen reeds feitelijk in het hart des doope-lings had plaats gegrepen; indien hij niet aan het begin, maar aan het einde van de apostolische werkzaamheid moest worden geplaatst: dan, voorzeker, zouden kleine kinderen niet gedoopt mogen worden. Maar wij hebben vroeger reeds gezien, dat niets van dat alles uit de woorden des Heeren kan worden opgemaakt. Wat zij ons aangaande den doop leeren, het is inzonderheid dit: dat de doop het uitwendige middel is, waardoor men in gemeenschap wordt gebracht met den drieëenigen God; dat men daardoor verbonden wordt aan den persoon des Heeren, en opgenomen in den kring van des Heeren discipelen, om daarna te leeren onderhouden al wat de Heer geboden heeft; en dat hij ons

-ocr page 138-

126

objectief overbrengt op den bodem der wedergeboorte en in het gebied van de zegeningen, die in den persoon van Christus geschonken zijn.

Daar is in deze beteekenis van den doop hoegenaamd niets, dat ons verbieden zou om dien ook aan kleine kinderen te bedienen, maar integendeel alles, waardoor de kinderdoop gerechtvaardigd wordt. Indien toch ook de kinderen, door hun samenhang met den eersten Adam, buiten de gemeenschap met den Yader, den Zoon en den H. Greest gebracht zijn, en deze gemeenschap de eenige sfeer is, waarin zij leven kunnen, waarom zouden zjj dan door den doop niet gebracht mogen worden in die sfeer, en opgenomen in het gebied van de geestelijke zegeningen, die ook voor hen in Christus verkrijgbaar gesteld zijn? Waarom zou men ook hen niet als discipelen aan den persoon van Christus kunnen verbinden, om hen daarna te leeren onderhouden al wat Hy geboden heeft?

De gezindheid, die de Heer eischte om in waarheid zijn discipel te zijn, is juist dezelfde gezindheid als bij de kinderen gevonden wordt.!) En was voor de volwassenen, van wier doop in het N. T. melding gemaakt wordt, de doop feitelijk niets anders, dan het uitwendig getuigenis, dat zij zich bij den Heer hadden aangesloten, in zijn gemeenschap opgenomen waren, en zich met Hem in betrekking hadden gesteld — waarom zou dan de doop niet bediend mogen worden aan de kinderen, tot wie Christus mede in betrekking staat, terwijl de doop ook van deze betrekking de aanduiding is?

Het christendom heeft kennelijk de bestemming om door te dringen tot alle volken, en aan alle levensverhoudingen, in het huisgezin, zoowel als in de Maatschappij, een gewijd, een christelijk karakter te geven. Daarom moet het zijn belichaming vinden, niet alleen in de volken als geheel, maar ook in de afzonderlijke individuen 1), waaruit zij be-

1

Vgl. Dorner, System der christlïchen Qlaubenslehre, II. bl. 839 en 840.

-ocr page 139-

127

staan, en zich voorstellen om niet slechts op de Tolwasse-nen beslag te leggen, maar ook op de kinderen. Eb daar dit beslagleggen, volgens des Heeren eigen woorden, in de eerste plaats geschieden moet door doopen en onderwijzen, en wel zoo, dat het doopen aan het onderwijzen voorafgaat, en dit onderwijzen de voortzetting is van hetgeen met dat doopen is aangevangen, is er in den kinderdoop niets aan te wijzen, dat geacht moet worden, in strijd te zijn met den geest van de oorspronkelijke bedoeling des Heeren.

De kinderen, die in den boezem van de christelijke Kerk geboren zijn, behooren reeds door hunne geboorte tot het organisme van het Godsrijk, door den Heer op aarde gesticht. Zij kunnen daarom in zekeren zin beschouwd worden als geboren discipelen des Heeren. En indien zij dat zijn, dan is er ook niets tegen om hun den doop te bedienen , daar niemand ontkennen zal, dat de doop bediend mag worden aan die discipelen des Heeren zijn.

Ook voor het kind is er geen zaligheid mogelijk buiten de gemeenschap met Christus. Zal het dus behouden kunnen worden, dan moet het in die gemeenschap zijn opgenomen. Nu is het uitwendige middel, waardoor men in die gemeenschap wordt opgenomen, de doop. Welke reden zou er dan kunnen bestaan om den doop aan het kind te onthouden? „Vous me direz que l\'enfant a besoin sans donte de la miséricorde de Dieu et de Taction sanctifiante de son Esprit, mais non du symbole extérieur, qui n\'a pour lui aucun sens. — Bien; mais s\'il a besoin de la chose signifiée, de la substance du baptême, vous ne pouvez pas me faire un crime, il me semble, de lui accorder le signe et la forme. Vous le pouvez d\'autant moins, si eet acte est plus qu\'un signe, s\'il est un gage, un moyen de grace, s\'il place dans une position nouvelle, s\'il unit k Christ, si les effets se prolongent pendant toute la vie.quot; 1)

1

Woorden van Clément, t. a. p., bl. 263.

-ocr page 140-

128

Beschouwen wij nu den kinderdoop in het licht van de beteekenis, die door Paulus en Petrus aan den doop wordt toegekend. Hooren wij eerst Paulus. Ook volgens dezen apostel is de doop niet het zegel van de reeds tot stand gekomen wedergeboorte, en heeft hij geenszins tot voorwaarde, dat men eerst het zaligmakend geloof hebben moet. Dit is ons bij de behandeling van de verschillende Paulinische plaatsen, o. a. uit Efez. 5:25—27 en 1 Cor. 10:1—5, zeer duidelijk gebleken, en wij kunnen hier volstaan met het reeds verkregen resultaat in herinnering te brengen.

Rom. 6: 1—6 heeft ons geleerd, dat de doop in betrekking brengt met den persoon van Christus, den tweeden Adam, en objectief éene plant met Hem worden doet; en dat hy het zinnebeeld is, dat men met den dood van Christus in gemeenschap treedt, om met Hem der zonde af te sterven, en door het geloof weder met Hem op te staan tot een nieuw leven.

Ongeveer hetzelfde konden wij opmaken uit Col. 2 : 10—12, waar de doop wordt voorgesteld als het zinnebeeld van de wedergeboorte of de bekeering, en als afbeeldende, dat men met Christus begraven wordt, om door het geloof weder met Hem te worden opgewekt.

Onze slotsom uit Gal. 3:26 en 27 was: 1° dat de doop op deze plaats, evenals in Rom. 6, wordt voorgesteld als het objectieve middel, waardoor men met Christus in gemeenschap treedt, om Hem toe te behooren en éen met Hem te worden; en 2° dat de doop de grondslag is van het zonen Gods worden door het geloof.

1 Cor. 6:11 wordt de doop in verband gebracht met de innerlijke reiniging, die door het geloof in Jezus Christus en door den H. Geest plaats vindt.

Iets dergelijks zagen wij uit Efez. 5 : 25—27.

De doop bleek ons uit 1 Cor. 1 : 12 en 13 dezelfde beteekenis te hebben als in Matth. 28 : 18—20.

Het nieuwe, dat wij in 1 Cor. 10 : 1—5 aangaande den doop hebben gevonden, was: dat men door den doop van

-ocr page 141-

129

de ongeloovige wereld afgezonderd, en aan God toegewijd wordt, en dat de doop ons overbrengt in het gebied van de eeuwige verlossing, die Christus teweeggebracht heeft, om haar aan te nemen door het geloof.

Volgens 1 Cor. 12 : 13 wordt men door den doop inge- hj lijfd in de gemeente, die het lichaam van Christus is, en bevindt zich de gedoopte door zijn doop op den bodem des Geestes.

Behalve hetzelfde als Matth. 28 : 18—20, zagen wij uit Efez. 4 : 4—6, dat de doop de uitwendige band is, die de christenen aan de gemeente en aan elkander verbindt; terwijl uit Hand. 19 : 1—7 kön worden afgeleid, niet alleen, dat hetgeen op deze plaats van den doop wordt gezegd overeenkomt met de beteekenis van den doop volgens de eigen woorden des Heeren, maar ook, dat de chr. doop in de schatting van Paulus zulk eene waarde had, dat hij dien heeft laten bedienen aan die reeds den doop van Johannes ontvangen hadden. — Het komt mij voor, dat- er in al hetgeen Paulus op de bijgebrachte plaatsen aangaande den doop heeft verkondigd geen enkel beginsel is uitgesproken, waardoor de kinderdoop veroordeeld of geheel buitengesloten zou zijn, al zouden wij moeten toestemmen, dat er in zijn tijd nog geen kinderen gedoopt werden.

Indien toch de doop het zinnebeeld is van de noodzakelijkheid der wedergeboorte en der innerlijke reiniging; indien hij ons in gemeenschap brengt met Christus, den tweeden Adam, om Hem toe te behooren en de zijnen te zijn; indien hij de grondslag is van het zonen Gods worden door het geloof; indien hij ons inlijft in de gemeente, waarvan Christus het hoofd is; indien hij de uitwendige band is, die de christenen aan de gemeente en aan elkander verbindt: en indien daarbij ook voor de kinderen de wedergeboorte en de innerlijke reiniging noodzakelijk zijn, om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan; indien zij, zondig en onrein door hun gemeenschap met den eersten, behoefte hebben aan de gemeenschap met den tweeden; indien ook hun toekomt wat Christus door zijn verlossingswerk voor ver-

9

-ocr page 142-

130

loreii zondaren tot stand heeft gebracht; en indien zij mede tot de gemeente behooren, en met de gemeente in verband staan — waarom zouden zij dan den doop niet mogen ontvangen, den doop, waardoor dat alles wordt voorgesteld, of met de daad wordt aangeduid?

Wat nu Petrus betreft — bij de behandeling van 1 Petr. 3 : 20 en 21 is ons gebleken: 1° dat de doop niet uitgaat van de onderstelling, dat men reeds gered moet zijn, voor men gedoopt mag worden, daar hij uitdrukkelijk genoemd wordt tirVJr- \' een doop, die redt door de opstanding van Jezus Christus

uit de dooden, en derhalve niet beschouwd kan worden als het zegel van de reeds verkregene zaligheid, maar voor een middel tot zaligheid moet worden aangezien; en 2° dat de doop ons afzondert van het gebied der wereld en overbrengt op den bodem des heils, om in gemeenschap met Christus der zonde af te sterven, en door de kracht zijner opstanding in nieuwigheid des levens te wandelen.

Eveneens konden wij uit Hand. 2 : 38—42 duidelijk opmaken, dat het ontvangen van den doop niet tot voorwaarde heeft, dat men vooraf nauwkeurig onderwezen moet zijn. Voorts; dat de doop niet het zegel is van de reeds verkregene vergeving van zonden, maar de belofte daarvan in zich bevat, gelijk ook die van de gave des H. Geestes; en dat hij overbrengt in de sfeer, waarin men dien Geest deelachtig kan worden, daar hij inlijft in de gemeente, waaraan de profetie van Joël vervuld is geworden.

Ook in deze voorstelling van de beteekenis des doops is er niets, dat ons nopen moet, den kinderdoop te beschouwen als daarmede in strijd te zijn. En dit te minder, omdat Petrus op de laatstgenoemde plaats zooveel nadruk legt op de belofte Gods, die zoowel aan de kinderen, als aan de volwassenen toekomt.

Bovendien mogen wij niet uit het oog verliezen, dat in hetgeen door de apostelen, met betrekking tot den doop, in hun prediking op den voorgrond werd gesteld niet het subjectieve, maar het objectieve de hoofdzaak was, al drongen

-ocr page 143-

131

zij tevens met kracht aan op geloof en bekeering. Het was liun inzonderheid te doen, om de aandacht te vestigen op de daad Gods in Christus, om te getuigen van de zegeningen, die God in Christus geschonken heeft, en die ook in den doop worden voorgesteld.

Hand. 8 : 12—17, 10 : 44—48 en 22 : 16 kunnen wij met stilzwijgen voorbijgaan. Wat daarin aangaande de betee-kenis van den doop geleerd wordt bevat niets, dat in het reeds aangevoerde nog niet is vervat. Men zou er ons op kunnen wijzen, dat in Hand. 22 : 16 duidelijk te zien is, dat Paulus voor zijn doop bekeerd was. Dit doet hier echter niets ter zaak. quot;Wij hebben hier maar alleen rekening te houden met de heteekenis van den doop als zoodanig. Bovendien heeft Ananias niet eerst onderzocht, of Paulus waarlijk bekeerd was, voor hij hem den doop toediende, maar hij doopte hem op grond van de heteekenis van den doop. quot;Wij hopen later voldoende in het licht te zullen stellen, dat men, volgens den geest van de Schriften des N. Verbonds, ten opzichte van het bedienen van den doop, uit den aard der zaak andere eischen behoort te stellen aan volwassenen, dan die men als voorwaarde beschouwen mag tot het doopen van kleine kinderen.

Voor het overige verwijs ik naar hetgeen ik in § 4, inzonderheid op bl. 107—111, aangaande de waarde van den doop in het midden heb gebracht. Ik meen daarin niets anders gezegd te hebben, dan wat door logische gevolgtrekking uit de heteekenis van den doop volgens de duidelijke uitspraken van het N. T. kan worden afgeleid. En als men dat toestemt, dan zal men voorzeker ook moeten toegeven, dat de kinderdoop, al is hij niet uitdrukkelijk voorgeschreven door den Heer en zijn eerste getuigen, en al kan niet met zekerheid worden aangewezen, dat hij in de apostolische gemeenten in zwang is geweest, nochtans geheel past in de heteekenis, die de Heer en zijn eerste getuigen aan den doop hebben toegekend.

Hetzelfde zal, naar ik verwacht, duidelijk worden uit

y*

-ocr page 144-

132

hetgeen nu in den kring onzer beschouwing zal worden gebracht.

§ 2.

De kinderdoop en het Bijhelsch begrip van Huisgezin.

Het huisgezin is de door God zeiven gelegde grondslag van het godsdienstig leven, en daarom ook deszelfs uitgangspunt. Door middel daarvan zorgde God voor de bewaring van zijn dienst op aarde. Dat zien wij o. a. uit de gezinnen van Seth, Noach en Abraham.

Het huisgezin is een goddelijke instelling. Van daar, dat de verschillende verhoudingen en verplichtingen, die het met zich medebrengt voor allen, die er toe behooren, niet willekeurig zijn, maar naar de heilige ordeningen Gods, en dat zij in de H. Schrift worden beschouwd als afschaduwingen van ■ de betrekking, waarin de hemelsche dingen tot de aardsche staan. Zoo is de huwelijkseenheid van man en vrouw de aanduiding der eenheid tusschen God en zijn volk, tusschen Christus en de gemeente1), en is de liefdeband, die de ouders aan de kinderen, en de kinderen aan de ouders verbindt, het beeld van de liefde des Vaders voor den Zoon en voor die door het geloof tot kinderen van dien Vader, en tot broeders van dien Zoon zijn aangenomen. 2)

Volgens de H. Schrift staan de verschillende leden van liet huisgezin niet ieder op zichzelf, maar vormen zij samen éen organisch geheel, en zijn zij solidair met elkander verbonden; zoodat de aan den vader geschonken zegen een zegen is voor de geheele familie, en een vloek over den vader uitgesproken zich ook over zijne kinderen uitstrekt. Men denke aan Sem en Japhet, aan Cham en Achan.

-1) Zie b. v. Jes. 62; 5; Jer. 3; 14 en 31:32; en Efez. 5 : 23—32. 2) Zie o. a. Joh, 3:16; Rovn. 8:14 en 32; Hebr. 2:11; 1 .(oh. 3:1.

-ocr page 145-

133

Als God een verbond opricht met het hoofd des gezins, of hem een bijzondere belofte geeft, dan geldt dat alles tevens voor het geheele gezin tot in de opvolgende geslachten.!) En eveneens, als iets, dat daarop betrekking heeft, of er mede in verband staat, aan den huisvader bevolen wordt, dan is dat per se ook aan de gansche familie bevoleh. Men denke aan de besnijdenis, die Abraham tegelijk met geheel zijn gezin heeft moeten ondergaan.

Het was dan ook naar de goddelijke ordeningen, dat de kinderen deelden in het geloof en den godsdienst der ouders. Erfgenamen van hunne tradities, van hunne verwachtingen, van hunne goederen, waren zij het ook van de zegeningen, die de genade Gods aan de godsvrucht der ouders verbonden had. En gelijk de takken leven van den stam, die ze draagt, zoo werd ook het godsdienstig leven der kinderen gevoed uit dat der familie. Door dit alles was, naar de voorstelling van het O. T., de familie éen geheel en als het ware een collectief persoon.

Hetzelfde vinden wij in het N. T. Met het oog daarop gebood de Heer aan de zeventig, die Hij uitzond, om het Evangelie te gaan verkondigen, om in ieder huis, dat zij zouden binnentreden, den heilgroet te doen hooren: „Vrede zij dezen huize!quot; 1) Daarom getuigde Hij zelf aangaande het huisgezin van Zachéüs, nadat deze tot het geloof was gekomen: „Heden is dezen huize zaligheid geschied , nademaal ook deze een zoon van Abraham is.quot;2) Daarom zeide de engel tot Cornelius, die godzalig en god-vreezende was „met geheel zijn huisquot;: „Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus; deze zal woorden tot u spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis.quot; 3) Daarom gaf Paulus den stok-

1

Lc. 10 : 5.

2

Lc. 19: 9.

3

Hand. 11:13 en 14.

-ocr page 146-

134

bewaarder, op diens bekende vraag, ten antwoord: „Geloof in den Heer Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huisquot; \') en vermeldt Lukas, dat de stokbewaarder zich verheugde, „dat hij met al zijn huis aan God geloovig geworden was.quot; 2)

Uit *het gezegde is duidelijk, dat de overgang van het hoofd des gezins tot het christendom in de Schriften des N. V. beschouwd wordt als de overgang van de geheele familie, en dat, als het hoofd daarvan den Heer is gewijd, daardoor ook al de leden aan den Heer gewijd zijn,1) al kan nog niet van ieder afzonderlijk gezegd worden, dat hij gelooft. Het geloof van den huisvader plaatst het geheele gezin in een nieuwe positie ten opzichte van het Koninkrijk Gods, en doet daardoor dat gezin in een geheel nieuwe verhouding tot God staan. Dienovereenkomstig hebben de apostelen geheele families in de christelijke Kerk ingelijfd, zooals die van Cornelius te Cesaréa, die van Lydia en die van den stokbewaarder te Philippi, het huisgezin van Cris-pus en dfit van Stephanas te Corinthe, en worden de kinderen steeds gerekend, mede tot de christelijke gemeente te behooren. 2)

Zoo wordt, niet alleen in het Oude, maar ook in het Nieuwe Testament, het kind beschouwd als van den godsdienst zijner ouders te zijn, al heeft het door zijn leeftijd nog geen zelfstandige keuze kunnen doen. En dit beginsel is zoo zeer in overeenstemming met den aard der zaak en met de natuurlijke betrekking van de kinderen tot de ouders, dat zelfs de baptist niet kan nalaten, zijn kinderen voor toekomstige baptisten aan te zien.5)

Evenals reeds de natuurlijke afstamming van Abraham een onschatbaren zegen met zich medebracht voor het Israëlitische kind, een zegen, dien het slechts in persoonlijk bezit had te nemen door het geloof, zoo brengt ook reeds de geboorte uit christenouders de zegeningen des Evangelies

1

1) Hand. 16:31. 2) Vers 34. 3) Vgl. Rom. U ; 16.

2

Zie Efez. 6:1 en 1 Joh. 2:14. 5) Vgl. Clément, a. w., bl. 284.

-ocr page 147-

135

onder het bereik vaa het kind, opdat het ze in persoonlijk bezit neme door het geloof. En gelijk de belofte, aan den Israëlitischen huisvader gedaan, tevens voor zijne kinderen gold, zoo geldt ook hetgeen aan christenouders is toegezegd mede voor hunne kinderen.

Daarom kon Petrus op den eersten Pinksterdag zeggen: „U komt de belofte toe, en uwen kinderen.\'\'\'\' De Israëliet, die deze woorden hoorde, kon niet nalaten, ze zelfs op zijn nog zeer jonge kinderen toe te passen. Hij moest noodwendig daaruit opmaken, dat hij, als Israëliet, niet alleen zelf deel had aan de belofte aangaande den H. Geest, maar dat deze belofte ook hen gold. Zoo gaf reeds het feit van geboorte uit Israëlitische ouders aan Israëlitische kinderen een bijzonder voorrecht ten opzichte van hetgeen God door den mond van Joël had toegezegd. En daar dit beginsel door Petrus als ook onder de Nieuwe Bedeeling van kracht wordt voorgesteld, mag met recht daaruit afgeleid worden, dat de geboorte uit christenouders of in het midden van eene christelijke gemeente een bijzonder voorrecht met zich medebrengt, en dat de kinderen in zoodanige conditie, nog voordat zij gezegd kunnen worden te gelooven, niet minder dan de volwassenen, tot de christelijke gemeente behooren, waaraan de belofte aangaande den H. Geest is vervuld geworden.

Indien dan de kleine kinderen mede tot de gemeente behooren, en reeds bij hunne geboorte in dit „huis Godsquot; zich bevinden, waarom zouden zij dan den doop niet mogen ontvangen, die ook het teeken is van het toetreden tot de christelijke gemeente? Erfgenamen zijnde van de belofte aan Abraham gedaan, zouden zij niet gedoopt mogen worden , terwijl het bedienen van den christelijken doop begonnen is op het oogenblik, dat die belofte haar eindvervulling verkregen had?1) Deelende in al de voorrechten der

•1) Zie Gal. 3:14: „opdat de zegening vau Abraham tot de Heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof.quot;

-ocr page 148-

136

volwassenen, zouden zij niet, evenals de volwassenen, daarvan het uitwendig getuigenis mogen ontvangen? Ik geloof niet, dat men, zonder inconsequentie, het eene kan aannemen, zonder tevens het andere toe te stemmen.

Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, meermalen in het N. T. vermeld te zien, dat de apostelen geheele huisgezinnen door den doop in de christelijke Kerk hebben ingelijfd. Toegestemd moet wordeu , dat daarbij niet uitdrukkelijk te lezen staat, dat er ook kleine kinderen in die huisgezinnen geweest zijn. Maar dat zij enkel uit volwassenen bestaan hebben, kan ook niet worden bewezen, en moet voor zeer onwaarschijnlijk worden gehouden. Het zou althans zeer bevreemdend zijn, dat er juist in zulke huisgezinnen geen kinderen zijn geweest; te meer, daar het in den apostolischen tijd wel dikwijls zal zijn voorgevallen, dat aan geheele huisgezinnen den doop werd bediend.

Om te bewijzen, dat er in geen van die huisgezinnen, welke in den apostolischen tijd gedoopt zijn geworden, kinderen kunnen geweest zijn, heeft men wel beweerd, dat „van de huisgezinnen, die gedoopt zijn, doorgaans dingen gezegd worden, die op de kindertjes niet toepasselijk zijn, als b.v. van Cornelius, dat hij God vreesde met geheel zijn huis; van den stokbewaarder, dat hij met geheel zijn huis aan God geloovig teas geworden; en van Crispus, dat hij geloofde aan den Heer met geheel zijn huis.quot; \')

Dit argument kan echter geenszins als afdoende worden beschouwd, omdat, als er in de H. Schrift sprake is van een godsdienstig huisgezin, daarmede, volgens het Israëlitisch beginsel, het geheele gezin bedoeld wordt met inbegrip van de „kindertjes,quot; al kan van dezen in den eigenlijken zin des woords nog niet worden gezegd, dat zij ge-looven. Is het hoofd des gezins geloovig, dan worden ook de „kindertjesquot; als zoodanig aangemerkt tot zij op lateren

1) Aldus Ris, Geloofsleer der ware Mennonieten, bl. 11. Men zie ook S. Hoekstra, Bz., Beginselen en leer der oude Doopsgezinden, vergeleken met die van de overige Protestanten, bl. 281 en 282.

-ocr page 149-

137

leeftijd blijk hebben gegeven van het tegendeel. quot;Waar het hoofd des gezins voor Christus gewonnen is, daar zijn ook de „kindertjesquot; in beginsel voor Christus gewonnen. Op Bijbelsch standpunt moet dit worden toegestemd. Het blijkt reeds uit het antwoord, dat Paulus den stokbewaarder gaf op de vraag; „quot;Wat moet ik doen, om zalig te worden?quot; Dat antwoord luidt niet: „Gelooft, gij en uw huis, in den Heer Jezus Christus, en gij zult dan allen zalig worden,quot; maar: „Geloof in den Heer Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.quot;

Bovendien moet hier in herinnering worden gebracht, dat er aangaande het huisgezin van Lydia (Hand. 16:15), evenmin als aangaande dat van Stephanas (1 Cor. 1 : 16), iets vermeld staat, dat ons zou kunnen verhinderen om aan te nemen, dat ook kleine kinderen behoord hebben tot het getal van hen, die daarin gedoopt werden.

Wat Lydia betreft: van haar lezen wij, „dat de Heer haar het hart geopend heeft, om acht te nemen op hetgeen door Paulus gesproken werd,quot; en dat zij daarna gedoopt werd en haar huis. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren, dat er alleen van Lydia, en niet ook van „haar huis,quot; staat, dat de Heer haar het hart opende, om het Evangelie in zich op te nemen, en dat Lydia niet zegt: „Indien gij geoordeeld hebt, dat ik en mijn huis den Heere getrouw zijn,quot; maar: „Indien gij geoordeeld hebt, dat ik den Heere getrouw ben.quot;

Eveneens wordt aangaande Stephanas niets anders gezegd, dan dat zijn huisgezin gedoopt werd. Indien Lukas, de schrijver van de Handelingen der Apostelen, een baptist was geweest, hij zou, om toch maar niet misverstaan te worden, voorzeker niet verzuimd hebben, er uitdrukkelijk bij te voegen, dat de leden van die verschillende huisgezinnen ieder afzonderlijk eerst geloofd hebben, en daarna gedoopt zijn geworden. Maar volgens den Heer en zijne apostelen is het familieleven, ten opzichte van het geloof, geheel iets anders, dan een nevens elkander staan van afzonderlijke individuen zonder een gemeenschappelijken ge-

-ocr page 150-

138

loofsband. Voor hen brengt de overgang van het familiehoofd tot het christendom ook dien van al de leden des huisgezins, inzonderheid van de oninondigen, met zich mede.!) En voorzeker zijn zij het niet eens geweest met het baptistisch beginsel, volgens hetwelk, wanneer het familiehoofd in Christus wortelt, de onmondige kinderen daardoor nog niet als discipelen van Christus beschouwd mogen worden, maar daartoe eerst een geloofsbelijdenis moeten hebben afgelegd.

Zegt men wellicht, dat, indien al moest .worden aangenomen, dat er ook kleine kinderen in die huisgezinnen geweest zijn, de apostelen hen toch niet gedoopt zouden hebben, in geval de ouders zulks hebben verlangd, „daar dit in strijd zou zijn geweest met de beteekenis, die de doop heeft als symbool van het met Christus der zonde afsterven en tot een nieuw leven opstaan— wij moeten daartegen in het midden brengen: 1° dat het, met het oog op de waarheid van hetgeen wij gezegd hebben aangaande het Bijbelsch begrip van huisgezin, voor zeer waarschijnlijk moet worden gehouden, dat, zoo er kinderen in die huisgezinnen geweest zijn, de apostelen ook aan hen den doop hebben bediend; 2° dat er, gelijk ons vroeger reeds gebleken is, in de beteekenis van den doop, wel beschouwd, niets is aan te wijzen, waarmede het doopen van kleine kinderen onbestaanbaar zou zijn; en 3° dat in de apostolische praxis de doop niet wordt voorgesteld als de eindpaal, maar als het begin van de christelijke loopbaan, niet als de kroon, maar als het uitgangspunt van het christelijk leven.

Beroept men zich eindelijk op Hand. 8: 12, waar verhaald wordt aangaande inwoners van eene stad in Samaria, dat zij gedoopt werden, „beide mannen en vrouwen {avBpes tg y.oi) yvvajy.sc),quot; en zegt men, dat, terwijl hier blijkbaar een groote menigte menschen gedoopt zijn, nochtans alleen de twee categorieën van volwassenen als gedoopten vermeld worden, zonder dat daarbij van kinderen gewag wordt ge-

1) Vgl. Stöber, 1st die Kindertaufe schrift- und rechtmaszig! bl. 61.

-ocr page 151-

139

maakt, — wij moeten daarop ten antwoord geven: dat, indien de woorden „mannen en vrouwenquot; zoo letterlijk moesten worden opgevat, daardoor niet alleen de gedachte aan zuigelingen, knapen en zeer jonge meisjes zou zijn buitengesloten, maar ook die aan jongelingen en jongedoch-ters. Er zou alzoo te veel bewezen, en hetgeen er bewezen was hoogst onwaarschijnlijk te achten zijn.

Daar komt nog bij, dat, indien deze wijze van zich vast te houden aan de letter hier door moest gaan, men met hetzelfde recht uit Hand. 4:4, waar gezegd wordt, dat het getal der mannen (rav dvèpxi/) omtrent 5000 werden, zou mogen besluiten, dat tot op het oogenblik der gevangenneming van Petrus en Johannes na de genezing van den kreupele o. a. nog geen enkele vrouw tot het christendom was overgegaan. Waaruit volgen zou, dat de 3000 zielen die op den eersten Pinksterdag, en eveneens de 2000, die later christenen werden, tot op het oogenblik, waarvan in Hand. 4 : 4 sprake is, enkel mannen zijn geweest.

Voor het overige vestig ik hier de aandacht op deze woorden van Clément;!) „On peut distinguer trois moments prin-cipaux dans le développement de l\'église apostolique: 1° l\'Eglise a Jerusalem et chez les juifs: elle est sous 1\'influence de 1\'ancien culte, dont elle ne se sépare point; les chrétiens de Jerusalem, et par conséquent ceux de la Palestine sont „tous zélés pour la loi,quot; et ils se scandalisent de ce que Paul enseigne aux païens convertis „qu\'ils ne doivent point faire circoncire leurs enfantsquot; (Act. XXI, 20, 21. Ceci se passait l\'an 58): cette circonstance nous montre qu\'ils consi-déraient les enfants des chrétiens comme héritiers des privileges religieux conférés a leurs parents; comme membres de l\'AIliance, et nous ne voyons pas que les apótres s\'opposent a leur idee; cette circonstance explique peut-être aussi pour-puoi, dans les premiers temps, on ne s\'occupe pas du baptême des enfants et de leur position dans l\'Eglise: les enfants étant circoncis dans les églises d\'origine juive, cela suffisait pour

•1) A. w., bl. 229 en 230.

-ocr page 152-

140

les mettre au bénifice de l\'oeuvre du Christ, qui ne faisait que réaliser la promesse faite a Abraham et a David. 2° l\'Eglise en formation parmi les païens, sous la direction de l\'apótre des Gentils: c\'est une époque de transition, d\'évangélisation, de fondation, dans laquelle les écrivains sacrés racontent Ier progrès de l\'Evangile, les luttes qu\'il eut a soutenir, plu tót qu\'ils ne parient du développement intérieur de l\'Eglise. S3 Les épitres pastorales nous intro-duisent dans la troisième periode: l\'Eglise depuis la ruine de Jérusalem, sous l\'influence de Jean, dans la fin du Iei\' et dans les premières années du IIe siècle : époque oü les institutions se fixent, oü la vie ecclésiastique se régularise, oü l\'Eglise achève de s\'organiser et prend la forme sous laquelle elle se montre a nous au temps des Ignace, des Polycarpe, des Justin, des Irénée, mais époque fort peu connue et qui ne nous fournit aucun renseignement sur la question qui nous occupe.quot;

§ 3.

De kinderdoop en Mark. 10 : 13—16.

De Heer had met de Pharizeën een gesprek gevoerd over de echtscheiding. Dit onderwerp kwam den discipelen zoo belangrijk voor, dat zij Hem daarover nader ondervraagden. Terwijl zij daarmede bezig waren, en al hunne .aandacht daaraan wijdden, werden kinderen tot den Heer gebracht, opdat Hij ze zegenend aanraken, en voor hen bidden zou. Wij hebben hier blijkbaar te doen met nog zeer jonge kinderen, met zuigelingen, (3pé^, zooals zij door Lukas genoemd worden. \')

De discipelen, zeer verstoord over deze ontijdige afleiding, waardoor het gesprek dreigde afgebroken te zullen worden, en meenende, dat het zeer ongepast was, den Meester met

■1) Zie Lc. 18; 15; vgl. 1:41; 2:12 en 16; Hand. 7:10 eu 1 Petr. 2:2.

-ocr page 153-

141

kleine kinderen lastig te vallen, bestraften degenen, die ze brachten, stelden\' zich tusschen hen en den Heer, en verhinderden hen op deze wijze om met hunne kinderen Hem te naderen. „Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gcds (tccv yxp toiovtuv sttiv v\\ QxtiXsix roü ©foD).quot; En nadat Hij hunne gezindheid voorgesteld had als hetgeen van ieder geëischt wordt, als voorwaarde om dat Koninkrijk te kunnen ingaan, „omving Hij ze met zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij hen.quot;

Hoewel er in het geheele redeverband geen sprake is van den doop, en er zelfs geen toespeling daarop gemaakt wordt, heeft men zich nochtans zeer te recht op onze plaats beroepen ter rechtvaardiging van den kinderdoop. *) Wij zullen trachten, dit nader in het licht te stellen. Vooraf echter een woord over de vraag: Op wie de Heer hel oog heeft gehad bij de woorden „want derzulken is het Koninkrijk Gods?quot;

Ten onrechte hebben sommigen gemeend, dat de Heer met die woorden in het geheel niet aan eigenlijke kinderen, maar alleen aan kinderlijkgezinde volwassenen het Koninkrijk Gods heeft toegezegd.

Tegen deze opvatting pleit reeds: dat, daar de Heer aan

4) Zie o. a. Calvijn in zijn Commentaar. Hij zegt aldaar: „lufautibus baptismum iiegant, quia non sint ejus mysterii capaces quod illic signatur. Nos contra excipimus, quum gratuitae peccatorum remissionis, simulque Divinae adoptionis pignus ac figura sit baptismus, infantibus minime ne-gandum esse, quos Deus adoptat et Filii sui sanguine abluit. Quod poeni-tentiam vitaeque novitatem simul illic figurari objiciunt, facilis solutio est, renovari Dei Spiritu pro aetatis modulo, donee per gradus suo tempore

quae in illis occulta est virtus augescat et palam refulgeat.....Quid vero

illis precatus est, nisi ut reciperentur inter Dei filios? Unde sequitur regenitos Spiritu fuisse in spem salutis. Ipse denique amplexus testis fuit censeri ipsos a Christo in suo grege. Quod si donorum spiritualium quae figurat baptisraus compotes fuerunt, externo signo privari absurdum est.quot; Vgl. zijn Institutie, t. a. p. Eveneens het Doopsformulier van de Ned. Herv. Kerk; Brakel, t. a. p., bl. 997 en a Marck, t. a. p., bl. 819.

-ocr page 154-

142

zijn discipelen toonen wilde, hoe weinig recht zij hadden om de kleine kinderen van Hem te weren, het in den aard der zaak ligt, dat Hij in de eerste plaats iets aangaande die kinderen zeiven zeggen moest. Anders zou ook het redegevende „wantquot; hier geheel misplaatst zijn geweest. Moet toch dit „wantquot; aanwijzen, waarom de kinderen wel tot Hem komen mochten, en daarin niet verhinderd moesten worden, dan moet hetgeen in dat „wantquot; vervat is inzonderheid op die kinderen zeiven betrekking hebben.

Dit is niet te*-ontkennen, te minder, daar de argumentatie des Heeren anders haar kracht zou verliezen. Moest toch onder „derzulkenquot; niet de kinderen zeiven mede verstaan worden, dan zou de Heer dit tot zijne discipelen hebben willen zeggen: De reden, waarom de kinderen tot mij komen mogen, en waarom het u niet betaamt, hen van mij te weren, is hierin gelegen: dat het Koninkrijk Gods aan de volwassenen behoort, die zijn zooals zij. Dat dit de bedoeling des Heeren niet zijn kan, gevoelt men; te meer, daar. Hij in het 15de vers de geestelijke kinderen zeer duidelijk onderscheidt van de kinderen in den eigenlijken zin des woords, en eerst in genoemd vers uitdrukkelijk op volwassenen toepast wat Hij in het 14^ aangaande de eigenlijke kinderen gezegd heeft.

De geheele samenhang doet ons zien, dat de Heer ten doel heeft, om zijn discipelen te doen beseffen, niet alleen, dat de kinderen tot Hem mochten komen, maar ook, dat, daar het Koninkrijk Gods hun toekomt, de discipelen zeiven en ieder ander hun gelijk moesten worden, zullen zij dat Koninkrijk kunnen binnengaan.

Vervolgens moet tegen de door ons bestredene opvatting worden ingebracht; dat, ook dan wanneer moest worden toegegeven, dat de Heer met „derzulkenquot; in de eerste plaats volwassenen met de gezindheid der kinderkens bedoeld, en aan deze volwassenen het Koninkrijk Gods toegezegd heeft, de kinderkens toch niet zouden mogen worden buitengesloten van het getal van hen, over wie het „derzulkenquot; zich uitstrekt, In ieder geval moeten zij daarin

-ocr page 155-

143

mede begrepen zijn, daar het van zelf spreekt, dat zij, die feitelijk reeds de gezindheid hebben, welke aan anderen ten voorbeeld en als noodig om het Koninkrijk Gods binnen te gaan wordt voorgesteld, daardoor inderdaad zeiven beantwoorden aan de voorwaarde om dat Koninkrijk te kunnen beërven, en dientengevolge als erfgenamen daarvan beschouwd kunnen worden.

Wat eindelijk de bedenking betreft, dat, indien de Heer in Mark. 10 : 14 bedoeld had, dat het Koninkrijk Gods der kinderen is, er dan niet zou gestaan hebben roisvrav (der-zulken), maar toutuv (hunner), zij verliest harek racht bij de herinnering, dat toiovto: wel meer gebruikt wordt in de plaats van een aanwijzend voornaamwoord (uyro^), om nl. den persoon, over wien, of de zaak, waarover gesproken wordt, op een bijzondere wijze nader aan te duiden. !) Zulks is gewoonlijk het geval, wanneer men ten doel heeft, om inzonderheid de hoedanigheid of de innerlijke gesteldheid van zulk een persoon of zulk een zaak te doen uitkomen. Dit blijkt zeer duidelijk uit plaatsen, als 1 Cor. 5:5 en 2 Cor. 12 : 2, 8 en 5, waar toiouto? ontegenzeggelijk op het vorige subject terugwijst.

Wij vestigen nu de aandacht op het volgende:

1. Zeer duidelijk blijkt uit Mark. 10 : 13—16, dat de Heer den zeer jeugdigen leeftijd der kinderen voor hen geen belemmering acht, om met Hem in gemeenschap te treden en tot Hem in betrekking te worden gebracht, en dat dit geschieden kan, reeds voordat de kinderen gezegd kunnen worden te gelooven. Waarom zouden zij dan niet gedoopt mogen worden, daar men volgens Matth. 28 : 19 door den doop wordt opgenomen in de gemeenschap van den Vader, den Zoon en den H. Geest, en tot hen in betrekking wordt gebracht?

2. De Heer heeft aan de kleine kinderen het Koninkrijk

1) Men zie b. v. Mc. 6:2; Joh. 8:5; 9:16; Hand. 16:24 : 22:22; Rom. 16:18 en 2 Cor. 10: 11.

-ocr page 156-

144

der hemelen toegezegd. Daaruit kan worden opgemaakt, dat zij beschouwd mogen worden als erfgenamen van dat Rijk. En indien dit waar is, wat reden zou er dan kunnen bestaan om hun den doop te onthouden, den doop, die ook de beteekenis heeft van inlijving in de christelijke Kerk, de Kerk, die zooveel minder is dan het Koninkrijk der hemelen? „Indien hunner het Koninkrijk der hemelen is, waarom zal hun het teeken geweigerd worden, waardoor hun de toegang tot de Kerk als geopend wordt, opdat zij, daarin opgenomen, onder de erfgenamen van het Rijk des hemels mochten aangeschreven worden ? ... Indien wij willen overwegen, hoever hetgeen Christus daar gedaan heeft verschilt van den doop, hoe zullen wij dan den doop, waarmede wij betuigen, dat de kinderkens in Gods verbond begrepen zijn, van meer waardij kunnen houden, dan de opneming, de omhelzing, de oplegging der handen en het gebed, waarmede Christus zelf tegenwoordig betuigt, dat zij de zijnen zijn en door Hem worden geheiligd?quot;1)

3.\' Uit het feit, dat de Heer de kleine kinderen met zijn armen omving en voor hen bad, blijkt niet alleen, dat zij Hem welgevallig waren, maar ook, dat Hij hen aannam tot de zijnen, en hen tot zijne discipelen maakte.

1

Woorden van Calvijn, in zijn Institutie, Deel III, 4ile boek, Iloofdst. 16, 7. Vgl. O. Francisci Junii Opuscula theologica selecta, recognovit et praefatus est D. Abr. Kuyperus, bl. 268. 4. Junius zegt aldaar. „Propterea Christi ipsius factum firmas nobis suppeditat rationes. Maith. 19. 14. 15. Quos jussit Dominus ad se adduci, eos jure ab eo arcere non possumus, denegando eis Baptismum, quo in Ecclesiam fit aditus, quoque in Christum inserimur. Quos amplexus est, quibusque manus imposuit, (familiare enim tunc erat hoe symbolum, et huic nostro cognatum) eos Sacramento hoc et gratia suu, quam iis abunde testatus est, interdicere absurdum esset. Quos Christus benedictione et precibus Deo consecravit, illos Christo, precibus Ecclesiae et Sacramento ingressus in communionem foederis, commendare non verendum. Quorum est regnum coelorum, eis Ecclesiae (cujus membra facti, cohaeredes regni coelorum tandem futuri sunt) aditum occludere, impiura esset. Dictum etiam Apostoli, argumento nobis est ad hanc rem validissimo. Si enim in Christi corpus baptizandi omnes electi, si oinnes Christum induerè debent, infantes non secus ac adulti, eos a Christi cor-pore separare, et Christo non inserere, nefandum esset.

-ocr page 157-

145

Volgens Matth. 28: 19 wordt men door den doop in den kring van des Heeren discipelen opgenomen, en naar hetgeen ons op andere plaatsen gebleken is, wordt in den doop de genade voorgesteld, welke daar is in den persoon des Heeren. Hoe zou men dan den doop mogen onthouden aan die het voorwerp zijn van des Heeren liefde, en over wie zijn genade zich niet minder uitstrekt, dan over de volwassenen? Hoe dien mogen weigeren aan die de Heer zelf in den kring zijner discipelen heeft opgenomen?

4. Daar de Heer aan de kleine kinderen de handen «■

opgelegd en hen gezegend heeft, mogen wij daaruit met recht afleiden, dat zij vatbaar zijn om geestelijke zegeningen te ontvangen. Hetgeen de Heer toen aan hen deed was toch geen bloote vertooning, maar een werkelijke mededeeling van hetgeen zij nu reeds konden ontvangen. De Heer zegent niet die voor zijn zegeningen onvatbaar zijn. Hij werpt geen paarlen voor de zwijnen. Ook zegent Hij nimmer, zonder dat er een verlossende en heiligende kracht van Hem uitgaat op die door Hem wordt gezegend, en zonder dat die Hij zegent ook in waarheid gezegend wordt. De daad des Heeren geeft ons derhalve allen grond voor de stelling, dat de kinderen, onbewust, en nog voordat er bij hen sprake kan zijn van geloof, de zegeningen in Christus deelachtig kunnen worden. Waarom zouden zij dan den doop niet mogen ontvangen, waarin die zegeningen worden voorgesteld?

Uit het gezegde blijkt ten duidelijkste, dat men de jonge kinderen in geen geval daarom van den doop mag uitsluiten, omdat zij de beteekenis van den doop nog niet verstaan ,!) en omdat men meent, dat zij nog niet vatbaar zijn voor de zegeningen, die hij voorstelt. Want indien zij daarvoor geheel onvatbaar en geheel ongeschikt moesten geacht worden, de Heer zou die Israëlitische kinderkens voorzeker niet gezegend hebben met zijn grooten zegen.

1) Vyl, het bekende D oops formulier.

\\

10

-ocr page 158-

146

Zeer schoon ^egt Clément1) in dit verband: „Si vous niez la capacité de ces petits a recevoir la grace sanctifi-ante, le lavage de régénération et du renouvellement par le Saint-Esprit, vous leur niez la capacité pour le salut; vous les excluez du royaume de Dien. Si au contraire vous leur reconnaissez la capacité de« recevoir le Saint-Esprit et avec lui le principe de la vie nouvelle, alors vous admettez comma nous qu\'ils sont capables de recevoir le baptême dans sa plénitude, aussi bien dans sou essence invisible que dans sa forme visible.quot; «

Tusschen het Rijk Gods en het kind bestaat er in den grond der zaak dezelfde verhouding, als tusschen het Rijk Gods en de volwassenen in het eerste stadium hunner toetreding tot Christus. Want niet op het weten, maar op het verborgen verlangen des harten komt het hier in de eerste plaats aan, immers op de vatbaarheid en de ontvankelijkheid.

Zulk een verlangen nu kan zeer zeker geheel onbewust in het menschehjk hart worden gevonden2), omdat de grond daarvan niet zoozeer in het bewustzijn van den mensch, als wel in des menschen goddelijke afkomst en bestemming om te leven in gemeenschap met God gelegen is.

In zijn leven heeft Jezus Christus de normale ontwikkeling van den mensch te aanschouwen gegeven, en eveneens de ware verhouding tusschen God en mensch. Wij vinden in Hem alle stadiën van de gemeenschap met God, en zien in zijn persoon, dat er gemeenschap met God mogelijk is, nog vóór het ontwaakte bewustzijn. 3)

Bovendien berust het leven niet op grond van het bewustzijn, maar, omgekeerd, het bewustzijn op grond van het leven.4) Dit wordt maar al te zeer uit het oog verloren door hen, die beweren, dat de kleine kinderen niet

1

A. w., bl. 264.

2

Vgl. Thiersch, Die heilige Taufe nach Schrift und Tradition, bl. ■104.

3

Zie Lc. 2: 40.

4

Vgl. Sartorius, Die Lehre von der heiligen Liehe (Stuttg. 1840—50) in het eerste Deel.

-ocr page 159-

147

gedoopt mogen worden, omdat er bij hen nog geen sprake kan zijn van geloof.

Eveneens wordt door de zoodanigen uit het oog verloren, dat de kinderen, die geboren zijn in een cbristelijken kring, niet mogen worden gelijk gesteld met ongeloovigen. Veeleer kan in zekeren zin van hen worden gezegd, dat zij gelooven, daar het christelijk geloof bij zulke kinderen reeds in de eerste kindsheid begint te ontwaken , en door de opvoedende kracht, zoowel van het christelijk huisgezin, als van het godsdienstig onderwijs, moet worden ontwikkeld. En voorzeker is het niet ongerijmd, aan te nemen, dat in het christelijk huisgezin reeds vroeg een goddelijke werking aan het kinderhart kan geschieden, daar de werkzaamheid van den H. Geest tot het doen ontstaan van het geloof niet geacht kan worden, beperkt te zijn tot een bepaalden leeftijd.

quot;Wie toch zal, met.het oog op Mark. 10:13—16, „een leeftijd durven bepalen, waarop het eerst mogelijk zal worden voor jonge kinderen om een zegen te ontvangen van den Heer?.... Is niet de geheele mensch, zijn niet al zijne vatbaarheden, vermogens, eigenschappen, van de geboorte, en vóór de geboorte, in den kiem aanwezig? Zijn er geen goddelijke werkingen op dezen kiem mogelijk en noodig tot zijne ontwikkeling, zoowel als bij en te midden van zijne ontwikkeling? Zijn er geen werkingen van onzen geest op den geest der kinderen, nog vóór zij iets verstaan ? Zou des Heeren geest minder vermogend, minder werkzaam zijn? .... Al wat tegen het eenvoudig geloof in den Heiland en het volgen van hem opkomt, wordt met de jaren krachtiger; en al wat er noodig is om in den Heiland te gelooven en de zijne te zijn, kan in de vroegste jeugd van God gegeven worden, en zulks niet in strijd, maar overeenkomstig met den aard van dat Koninkrijk der hemelen, dat der kinderen is.!)

1) Aldus Beets, in zijn StwhtelijTce uren, in het voortreft\'elijk stuk over Matth. 19:146, met het opschrift De kinder kens.

10*

-ocr page 160-

148

In het kinderhart kan reeds onbewust een verlangen naar den Heer worden gevonden. Dit onbewust verlangen is in zijn diepste wezen niets anders, dan het geloof. !) En juist omdat de kinderen, reeds onbewust, in zulk eene betrekking tot Christus kunnen staan, was het mogelijk, dat de kinderen in den tempel te Jeruzalem Hem onbewust konden verheerlijken, het „Hosanna den Zone Davids!quot; Hem toezingende, en dat, toen de overpriesters en schriftgeleerden zulks zeer kwalijk namen, de Heer hun kon toaroepen: „Hebt gij nooit gelezen: uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt gij U lof bereid?quot;1) Daarom kon David zeggen:2) „Gij zijt het immers. .., die mij vertrouwen inboezemde aan mijner moeders horstquot; en staat er geschreven van Johannes den Dooper:3) „Hij zal met den H. Geest vervuld worden, reeds van den schoot zijner moeder af.quot;

Wat volgt nu uit dit alles? Hetgeen ik reeds gezegd heb: dat nl. in het godsdienstig huisgezin, door de werking van den H. Geest, reeds vroeg het nieuwe leven ontstaan kan, en die nieuwe gezindheid geboren kan worden, welke den toegang geeft tot het Koninkrijk Gods. M. a. w.: dat het

1

Zie Mt. 21:15 en \'16; vgl. Ps. 8: 3.

2

Zie Ps. 22:10.

3

Lc. 1 :15; vgl. vers 44.

-ocr page 161-

149

geloof\' kan aanvangen in den vorm van een onbewuste begeerte naar Christus, van een onbewust verlangen naar zijn heil. En gelijk er in de Schriften des N. V. verschillende trappen van geloof worden onderscheiden, zoo kan ook reeds bij het kind het geloof een aanvang nemen met de godsdienstige vatbaarheid.1)

Indien het aangevoerde moet worden toegestemd, dan vloeit daaruit voort, dat er geen reden bestaat om althans aan de kleine kinderen, die uit christenouders geboren zijn, den doop niet te bedienen. En dit te minder, omdat het voor de volwassenen, van wier doop in het N. T. melding gemaakt wordt, om gedoopt te mogen worden, genoeg is geweest, een geschiktheid voor het Godsrijk, een geneigdheid tot geloof, een behoefte aan en een verlangen naar Christus te doen blijken.

Brengt men nu ten slotte tegen al het gezegde in, dat er in Mark. 10:13—16 niet vermeld staat, dat de Heer, na de kinderen gezegend te hebben, bevolen heeft om hen te doopen — wij moeten daartegen doen opmerken: dat het niet de vraag is, of die kinderen toen gedoopt werden, al of niet, maar wel, of uit de wijze, waarop de Heiland met hen gehandeld heeft, niet kan worden opgemaakt, dat de . christenkinderen, die als geboren discipelen des Heeren te beschouwen zijn, gedoopt mogen worden. En dan meenen wij daarop reeds in het voorgaande het antwoord te hebben gegeven.

Voorts bedenke men, dat de christelijke doop nog niet was ingesteld, toen de Heer die Israëlitische kinderen zegende, en dat de tijd voor den Johanneïschen voorbij was. Bovendien moeten wij in herinnering brengen wat wij op bl. 103 reeds gezegd hebben aangaande het feit, dat Paulus de eenige apostel geweest is, die den christelijken doop heeft ontvangen.

•1) Ik heb iu dit gedeelte liet eeu eu ander overgenomen uit hetgeen ik in het Tijdschrift Studiën geschreven heb. Men zie daarvan Deel YII, 4lt;le stuk, bl. 350—352.

-ocr page 162-

150

Hetzelfde geldt ten opzichte van die kinderen, die in onmiddellijke gemeenschap met den Heer waren gebracht, en daarom de middellijke van den doop niet noodig hadden.

§ 4.

De kinderdoop en 1 Cor. 7 :14.

In de Corinthische gemeente was de vraag aan de orde gekomen, of de echtelijke verbintenis mocht blijven voortduren, wanneer een der beide echtgenooten tot het christendom was overgegaan. Op die vraag geeft Paulns het antwoord in het 12lle en ISd6 vers van ons Hoofdstuk. Had een christen eene vrouw, die ongeloovig was, of eene christin een man, die heiden bleef, er behoefde daarom geen echtscheiding plaats te vinden, tenzij beide echtgenooten er bezwaar in zagen, langer bij elkander te blijven.

Zulk een huwelijk toch kon niet geacht worden, onbestaanbaar te zijn met de heiligheid van het christendom. „Want de ongeloovige man is geheiligd (yyixtrrxi) in de vrouw (êv ry yvvxixt) en de ongeloovige vrouw is geheiligd (yiyixaTxi) in den man {sv tu xviïpi).quot;

Met deze woorden wil Paulus te kennen geven: dat de huwelijkseenheid met een wederhelft, die door het geloof in Christus een geheiligde is, de onheiligheid van den niet-christelijken man of de niet-ehristelijke vrouw heeft doen ophouden, daar ook de man of de vrouw, die nog niet tot het christendom was overgegaan, krachtens de huwelijkseenheid met een echtgenoot, die in Christus geloofde, tot de christelijke gemeente in betrekking stond, en daarom gezegd kon worden, mede geheiligd te zijn. En dat dit zoo is, bewijst de apostel met de woorden: „daar anders (stts) cipx) uwe kinderen (rx rsw/x hij.xv) onrein {a.y.a.Qa.fiTx\') waren, maar nu (vDv Ss) zijn zij heilig {xyix itrTiv).quot;

Met nadruk moeten wij er de aandacht op vestigen, dat deze woorden niet ten doel hebben, om het heilig zijn der

-ocr page 163-

151

kinderen te bewijzen. Paulus stelt juist dit heilig zijn der kinderen als een in de gemeente algemeen bekende waarheid op den voorgrond. Het is het concessum, waarvan hij uitgaat, en daaruit bewijst hij hetgeen hij gezegd heeft aangaande het „geheiligd zijnquot; van den ongeloo-vigen man of de ongeloovige vrouw.

Hoe moeten nu de woorden „uwe kinderenquot; worden opgevat? Zijn daarmede bedoeld de kinderen van de Corinthische gemeente in het algemeen,!) of moet daarbij in de eerste plaats aan de kinderen uit gemengde huwelijken gedacht worden ? 1)

Het komt mij voor, dat alleen de laatstgenoemde opvatting de juiste is. Als bezwaar er tegen heeft men wel doen gelden den overgang van den 3(len tot den 2deu persoon, zooals die in vers 14 gemaakt wordt, en gezegd, dat, indien Paulus hier in de eerste plaats de kinderen uit gemengde huwelijken bedoeld had, hij niet geschreven zou hebben: „daar anders\'uwe kinderen,quot; maar: „daar anders hunne kinderen onrein waren.quot; 2) Doch dit kan niet alleen geen afdoend bezwaar geacht worden, maar is zelfs een argument ten gunste van de andere opvatting. Dit blijkt uit de nauwkeurige beschouwing van de wijze, waarop Paulus in het geheele Hoofdstuk zich uitdrukt.

In het 10de vers richt hij, in den derden persoon, het woord uitsluitend tot echtgenooten, die beiden tot het christendom waren overgegaan. Daarna wendt hij zich (in vers 11 — 14a), eveneens in den derden persoon, tot zulken, die gehuwd waren met een ongeloovigen man of een ongeloovige vrouw. Doch ook het lö^3 vers heeft ontegenzeggelijk op laatstgenoemden betrekking. In dit vers nu spreekt

1

Aldus o. a. Chrysostoraus, Flatt, Ewald en Harless.

2

Zoo o. a. de Wette, in de Stui. und Krit. van het jaar 1830, bi. 669

3

Bij nader inzien is mij echter gebleken, dat dit bezwaar geenszins overwegend is.

-ocr page 164-

152

I

Paulus in denquot;tireedeyn persoon: „Want wat weet gij, vrouw\' of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij, man! of gij de vrouw zult zalig maken?quot; En hij doet dit, nadat hij in liet 15ile in den derden persoon tot hen gesproken had. Is het dan niet geheel in overeenstemming met zijn wijze van spreken in het geheele Hoofdstuk, dat hij tot dezelfde menschen in het eerste gedeelte van vers 14 in den derden, en in het andere gedeelte in den tweeden persoon spreekt?

Ook het geheele redebeleid doet duidelijk zien, dat Paulus, na in vers 10 en 11 tot andere echtgenooten het woord te hebben gericht, in vers 11—16 zich uitsluitend wendt tct die van gemengde huwelijken; gelijk hij van vers 17 af andere verhoudingen en toestanden in de Corinthische gemeente ter sprake brengt.!)

De juistheid onzer opvatting van de woorden „uwe kinderenquot; blijkt voorts uit het feit, dat, daar Paulus hier ten doel heeft om te bewijzen, dat de ongeloovige echtgenoot door de geloovige wederhelft „geheiligd is,quot; het daarbij weinig ter zaak deed, rechtstreeks iets te verklaren aangaande het al of niet rein zijn van de kinderen, wier ouders beide christenen waren In dit verband had zulks als argument niets geen waarde.

Bovendien wordt onze opvatting gesteund door de waarheid, dat, zoo al de gedachte in de Corinthische christenen kon zijn opgekomen, dat kinderen, die geboren waren uit niet-geheel christelijke huwelijken, als onrein moesten worden aangemerkt, die gedachte in hen niet kon zijn opge-men ten opzichte van de andere kinderen: zoodat de heiligheid dezer kinderen in\' dit verband dan ook niet op den voorgrond behoefde gesteld te worden.

Tegen onze opvatting heeft men nog ingebracht: dat, indien de woorden „uwe kinderenquot; in de eerste plaats betrekking hadden op kinderen uit gemengde huwelijken,

1) Vgl. Stöber, t. a. p., bl. 63 en 64.

-ocr page 165-

153

Paulus dan de woorden „maar nu zijn zij heiligquot; niet als een onbetwistbare waarheid op den voorgrond had kunnen plaatsen, om er zijn redeneering op te bouwen, omdat hij dan het eene onbewezene door het andere onbewezene zou hebben willen aantoonen, daar het toch aan twijfel onderhevig kon zijn, dat de kinderen uit een gemengd huwelijk door het geloof van slechts éen der ouders heilig was. \')

Hiertegen moeten wij doen opmerken: dat dezelfde bedenking met hetzelfde recht tegen de andere opvatting kan worden ingebracht. Want verstaat men onder de woorden „uwe kinderenquot; de kinderen van de Corinthische gemeente in het algemeen, dan verstaat men daaronder natuurlijk ook de kinderen uit gemengde huwelijken. Bij gevolg wordt hierdoor ook van dezen gezegd, dat zij heilig zijn; te meer, daar het al of niet heilig zijn van de andere kinderen niets .bewijzen kon voor het al of niet heilig zijn van die uit gemengde huwelijken waren voortgesproten. Bovendien kon het in de Corinthische gemeente niet aan twijfel onderhevig zijn, dat de kinderen uit half-christelijke huwelijken rein waren, indien het vaststond, dat die uit geheel christelijke huwelijken voor heilig moesten worden gehouden. Het eerste vloeide noodwendig uit het laatste voort, overeenkomstig het Israëlitisch beginsel, dat ook de kinderen uit half-Israëlitische huwelijken tot het verbond behoorden, en Gode gewijd waren.1) Daarom kon Paulus in den Brief aan de Efeziërs (Hoofdst. 6:1; vgl. Col. 3:20) tot alle kinderen in de gemeente zeggen: „Gij kinderen! zijt uwen ouderen gehoorzaam in den Heere, want dat is recht,quot; terwijl het toch niet aan te nemen is, dat er in de gemeente te Efeze geen kinderen zullen geweest zijn, van wier ouders niet éen van beide ongeloovig gebleven was.

Kan alzoo reeds van de kinderen uit half-christelijke huwelijken gezegd worden, dat zij „heiligquot; zijn, dan

1

Men zie hierover nader Wetstein op 1 Cor. 7: H.

-ocr page 166-

154

voorzeker ook van hen, wier ouders beiden christenen waren. Het geldt dus van alle kinderen in de Corinthische gemeente, dat zij „heiligquot; zijn. En geldt het van alle, dan zonder twijfel ook van die reeds geboren waren, voordat hunne ouders, hetzij éen van beiden, hetzij beiden, tot het christendom waren overgegaan, zooals dit in die gemeente wel het geval zal zijn geweest.

Hieruit volgt, dat het heilig zijn der kinderen, waarvan hier sprake is, niet zoozeer in het geboren zijn uit christenouders zijn grond heeft, als wel in de innige levensbetrekking , waarin zij tot die ouders staan: eene betrekking, die met zich medebrengt, dat de heiligheid, die het deel is van den geloovigen vader of de geloovige moeder, of van beiden, zoo zij beiden christenen zijn, op die kinderen overgaat, zoodat zij, nog voordat men van hen zeggen kan, dat zij gelooven, en zonder eenig toedoen van hunne zijde, heilig genoemd kunnen wórden.

Dat het woord „heiligquot; hier niet opgevat kan worden in de be.teekenis van individueele zedelijke heiligheid als de vrucht van het leven in de heiligmaking, is duidelijk.

Eveneens blijkt uit het eerste gedeelte van het vers, waar gesproken wordt over het „geheiligd zijnquot; van den ongeloovigen man of de ongeloovige vrouw door de geloovige wederhelft, dat het heilig zijn der kinderen niet het gevolg kan zijn van iets, dat in hen is, maar zijn grond moet hebben in iets buiten hen: zoodat daarmede niets anders bedoeld kan zijn, dan een objectieve heiligheid, die aan de subjectieve voorafgaande gedacht is.!)

Wij mogen daarom veilig aannemen, dat Paulus het woord hier bezigt in theocratischen zin, en de christe-

1) Vgl. Gerhard, Ausfiihrliche schrifimassige JErlcldrung der heiden Artikel non der heiliqen Taufe und dem heiligen Abendmahl (Berlin 1868), bl. 120. Eveneens Turrettinus, Institutio Theol. elencticae, III, bl. 467. Zie ook K. J. Pieters en J. R. Kreulen, De Kinderdoop volgens de beginselen dtr Gereformeerde Kerk, in zijne gronden, toedieningen en praktijk op nieuw onderzocht, beoordeeld en van vele schijnbare zwa/righeden ontheven, bl. 1 en verv.

-ocr page 167-

155

lijke heiligheid beschouwt in verband met de Israëlitische,\') volgens welke ook de kinderen uit gemengde huwelijken „heiligquot; zijn, d. w. z. Gode toegewijd, behoorende tot het volk Gods, in verbondsbetrekking tot God staande. 1)

De hier bedoelde heiligheid is alzoo een verbonds-hei-ligheid, een Gode toegewijd zijn krachtens het verbond Gods. Met het oog daarop heeft Paulus het woord „onreinquot; (xyMapTos = impurus, profanus) gebruikt, in tegenstelling met „heüig,quot; daar met dat woord een ieder gekenschetst werd, die, niet tot Israël behoorende, nog vervreemd was van de „verbonden der beloftequot; (Efez. 2 : 12).

Uit het gezegde is duidelijk, dat volgens Paulus de kinderen, die geboren zijn in den boezem van de christelijke gemeente, beschouwd moeten worden als behoorende tot het verbond Gods, krachtens de innige levensbetrekking, waarin zij tot hunne ouders, en door dezen tot de christelijke gemeente staan, evenals ieder Israëlitisch kind niet minder dan zijne ouders in het verbond Gods was opgenomen. 2)

Hieruit volgt, dat de christenkinderen een deel uitmaken van de christelijke gemeente, en als christenen te beschouwen zijn; hetgeen te minder te ontkennen is, daar in het N. T. de volwassene christenen met denzelfden naam van „heiligquot; worden bestempeld. Maar dan kan daaruit ook met recht het besluit worden getrokken^ dat zij aanspraak hebben op het ontvangen van den doop. Is toch het kind van de geboorte af „heilig,quot; dan moet het ook als zoodanig worden gekenmerkt door den doop, die mede aanduidt, dat men tot de christelijke gemeente behoort\' en in ver-

1

Cethuboth, IV, 3 heet het: „Peregrina, si proselyta facta fuerit, et cum ea filia ejus, ea haec adultaverit, strangulabitur; si concepta fuerit et nata in sanctitate, est ut filia Israëlitica per omnia.quot;

2

Vgl. Brakel, t. a. p., bl. 995.

-ocr page 168-

156

bondsbetrekking tot God staat. Het doopen van zulk een kind uit te stellen tot een lateren leeftijd zou gelijk staan met eerst op lateren leeftijd als bondgenoot te erkennen die reeds lang te voren tot het verbond behoorde, en reeds lang te voren onder het genot der zegeningen daarvan leefde. „Gelijk aan den proseliet den doop wordt bediend van het oogenblik af, dat hij zijn voet zet op den drempel van de christelijke Kerk, waarin hij het voorwerp wordt van de reddende werkzaamheid van Jezus Christus, zoo moet ook de doop worden bediend aan het kind, dat geboren wordt in den boezem der christelijke Kerk, omdat het zich van dat oogenblik af in denzelfden toestand bevindt als de proseliet, die christen wordt.quot; !)

Men heeft tegen de gevolgtrekking, die wij, ten gunste van den kinderdoop, uit de behandelde plaats hebben gemaakt, weieens ingebracht, dat dan ook „de ongeloovige manquot; gedoopt zou mogen worden, daar Paulus van hem zegt, dat hij „geheiligdquot; is door zijne vrouw.

Maar daarbij heeft men uit het oog verloren, dat er een groot onderscheid bestaat tusschen „geheiligd zijnquot; (yyixtrTxi) en „heilig zijnquot; (xyix sstiv), en dat Paulus niet ook van den ongeloovigen man had kunnen zeggen, dat hij heilig is. Eveneens, dat de verhouding van den ongeloovigen man tot de gemeente niet gelijk kan worden gesteld met die, waarin de kaderen tot de gemeente staan.

De ongeloovige man is ten gevolge van zijn verbintenis met een geloovige vrouw niet meer geheel overgegeven aan de wereld en haren invloed, maar verkeert eenigermate in de sfeer van het Koninkrijk Gods. Doch hetgeen hem in dezen van de kinderen onderscheidt, het is: dat hij door eigen keuze nog feitelijk buiten het erf der christelijke gemeente staat, en alzoo eerst door eigene, zelfstandige keuze in die gemeente kan worden ingelijfd.

De kinderen daarentegen staan reeds binnen dat erf, en

1) Clément, a. w., bl. 302.

-ocr page 169-

157

behooren in ieder opzicht tot de gemeente. Terwijl dus de ongeloovige man slechts onder het bereik van het Godsrijk is, zijn de kinderen reeds in dat Rijk, en kunnen alleen door ongeloof verliezen wat reeds inderdaad hun voorrecht is. Zij hebben, om het zoo uit te drukken, niet slechts een jus ad rem, maar ook een ^\'ms in re.1)

Er komt nog bii, dat de rechtstreeksche invloed, dien geloovige ouders op hunne kinderen uitoefenen, uit den aard der zaak veel sterker is, dan die van een geloovige vrouw op een ongeloovigen man, of omgekeerd.2)

Anderen hebben gemeend, uit 1 Cor. 7 : 14 te moeten afleiden, dat in den apostolischen tijd de doop wel bediend werd aan Joden en Heidenen, die tot de christelijke gemeenten overgingen, maar niet aan hen, die uit christelijke ouders geboren waren.

Prof. Scholten heeft tot handhaving van dit gevoelen zich aldus doen hooren: „De redeneering van Paulus komt hierop neer: gelijk uwe onmondige kinderen door hunne ouders heilig zijn, mag men het er voor houden, dat heidensche echtgenooten door de verbintenis met hunne christelijke wederhelft geheiligd zijn. Neemt men aan, dat deze kinderen gedoopt en dus eerst door den doop heilig waren, d. i. tot de gemeente behoorden, dan had de redeneering van Paulus geenerlei grond. Hoe toch kon ooit het feit, dat de kinderen voor heilig gehouden werden, dienen tot betoog voor de stelling, dat echtgenooten door de gemeenschap met elkander geheiligd waren, wanneer de kinderen eerst heilig werden, nadat zij door den doop in de christelijke gemeente waren ingelijfd? Ware dit het geval geweest, dan kon immers ook de ongedoopte heiden niet geacht worden in zijne vrouw, maar alleen door den doop geheiligd te worden. Hieruit blijkt dus, dat in de Pauli-

1

*1) Vgl. Hory, Die Taufe als Kindertaufe, bl. \'H en 12.

2

Men zie hierover meer uitvoerig de Wette, t. a. p., bl. 071, en vergelijke daarbij Binneweg, a. w., bl. -102.

-ocr page 170-

158

nische gemeenten wél Joden en heidenen, maar geene afstammelingen van christenouders door den doop in de gemeente werden ingelijfd. Gelijk onder ons de vreemdeling genaturaliseerd wordt, maar de geboren Nederlander niet, zoo werden ook de kinderen, uit kracht van hunne geboorte, geacht tot de gemeente te behooren, zonder eerst, evenals de vreemden, door den doop te worden ingewijd.quot;1)

Deze redeneering bewijst wel, dat zij, die uit christelijke ouders geboren zijn, niet door den doop heilig worden, en niet eerst bij den doop tot de christelijke gemeente gaan behooren, maar zij bewijst niet, dat de zoodanigen niet gedoopt werden of niet gedoopt mogpn worden. Ook wordt daarbij uit het oog verloren, dat de doop nog een andere beteekenis heeft, dan die van inlijving in de christelijke gemeente, en dat, daar de doop volgens Paulus ook het zinnebeeld is van de bekeering, om in de gemeenschap met Christus een nieuw Grodegewijd leven te leiden, het al of niet mogen ontvangen daarvan niets te maken heeft met het al of niet geboren zijn uit christelijke ouders.

Bovendien moet hier onder de aandacht gebracht worden, dat, indien men meent, uit onze plaats te mogen afleiden, dat in den apostolischen tijd zij, die geboren waren uit christenouders, in het geheel niet gedoopt werden, men evenzeer daaruit moet afleiden, dat de doop niet bediend werd aan Joden en Heidenen, die niet volwassen waren, toen hunne ouders christenen werden, als zij zich eerst na hunne ouders bij het christendom aansloten. Dit nu moet voor zeer onwaarschijnlijk worden gehouden, en zal door niemand voor zijn rekening worden genomen. En toch moet men het aannemen, indien men het andere aanneemt, daar in 1 Cor. 7:14, gelijk ik in het voorgaande reeds aangetoond heb, niet alleen zulke kinderen heilig genoemd worden, die geboren waren nadat, maar ook die, welke geboren waren voordat hunne ouders, hetzij een van beiden,

\\) De Doopsformule, bl. 34.

-ocr page 171-

159

hetzij beiden, zich bij de christelijke gemeente hadden gevoegd.

Wat eindelijk de vergelijking met de naturaliseering van vreemdelingen betreft: afgezien van het bezwaar, dat het niet aangaat, op de christelijke gemeente toe te passen wat geldig is ten opzichte van den wereldlijken staat, die wetten kan maken naar zijn smaak en willekeur — moeten wij daartegen de opmerking maken: dat b. v. de proselieten , die zich bij Israël aansloten, de besnijdenis ontvingen, en volgens de Mozaïsche wet ook ontvangen moesten ^ als het uitwendig teeken, dat ook zij tot het verbond Gods behoorden. Het is niet te ontkennen, dat deze vergelijking veel meer overeenkomt met den aard der zaak, dan de andere, waarvan de beide termen zich ieder op een geheel van elkander verschillend gebied bewegen.

Misschien werpt men ons tegen, dat juist het voorbeeld van de kinderen der proselieten een argument tegen onze voorstelling oplevert, daar de kinderen der proselieten den proselietendoop niet ontvingen.1) Maar dan antwoorden wij: 1° dat men zich in dezen niet beroepen kan op den proselietendoop, daar deze geruimen tijd nadat Paulus 1 Oor. 7 ; 14 geschreven heeft in zwang is geraakt; en 2° dat ook dan, wanneer moest worden toegegeven, dat de proselietendoop reeds voor Paulus bestaan heeft, daaruit geen argument tegen ons te verkrijgen zou zijn, daar de christelijke doop in beteekenis niet overeenkomt met den proselietendoop, maar met de besnijdenis, die zeer zeker aan de kinderen der proselieten verricht werd.

Van meer gewicht schijnt de bedenking, dat, indien het doopen van de christenkinderen in den apostolischen tijd in zwang was geweest, Paulus het heilig zijn dier kinderen

1

.Tebamoth, 78. 1 heet het nl.; „Si gravida fit proselyta, non opus est ut baptizetur infans, quando natus fuerit. Baptismus eniin matris ei cedil pro baptismo.quot;

-ocr page 172-

160

niet zou hebben afgeleid van de innige levensbetrekking, waarin zij tot hunne ouders stonden, maar van hun doop.!)

Deze bedenking verliest evenwel hare kracht, wanneer wij in het oog houden, met welk doel Paulus het heilig zijn der kinderen tot uitgangspunt van zijn redeneering gekozen heeft. Ware het hem nl. te doen geweest, om het heilig zijn der hinderen te bewijzen, dan zou hij wellicht daartoe gewezen hebben op hun doop. Dat het hem echter daar niet om te doen is geweest, hebben wij reeds op voldoende wijze in het licht gesteld.

Met het oog op hetgeen de apostel hier bewijzen wilde, zou een beroep op den doop der kinderen daarom ook geheel misplaatst zijn geweest, en het doel niet getroffen hebben. Immers kwam het niet aan op hetgeen de kinderen ontvangen hadden, maar op den heiligenden invloed, die door hunne organische eenheid met hunne geloovige ouders van dezen op hen uitging. 1)

De geloovige man (of de geloovige vrouw), die vreesde, dat de verbintenis met de ongeloovige wederhelft hem ontwijdde in de oogen des Heeren, moest de geruststelling ontvangen, dat hij voor zulk een ontwijding niet behoefde te vreezen. Een beroep op den doop der kinderen zou in dezen geheel nutteloos zijn geweest, omdat, daar de doop in geen onmiddellijk verband staat met het huwelijk, daaruit niets bewezen kan worden ten opzichte van de heiligheid van den huwelijksband. Door zich daarentegen te beroepen op het feit van de heiligheid der kinderen als gevolg van hunne innige verbintenis met de ouders, kon hij op voldoende wijze aantoonen, dat dan ook op de ongeloovige wederhelft een heiligende invloed uitging door de innige

1

Zeer juist zegt Stöber (a. w., bl. 64): „So ganz allgemein gesagt, mufasst der Ausdruck „eure Kinder\'quot; nicht allein Sauglinge, sondern auch heranwachsende Söhne und Töchter der Christen; können wohl diese sammt und sonders für unbekehrt, für ungetauft erklart werden von dem Apostel, der doch sonst in seinen Briefen auch die Kinder als zur Gemeinde gehorig anredet und erraahnet, in dem Herrn zu gehorchen ?quot;

-ocr page 173-

161

verbintenis van man en vrouw, zoodat de ongeloovige in geenen deele geacht kon worden, de ongeloovige wederhelft te ontwijden.

Zeer juist drukt Clément1) dit uit, als hij zegt: „En appeler, dans ce but, au baptême des enfants eut été inutile; cela n\'eut rien prouvé quant a la sainteté du lien conjugal; tandis qu\'en appeler a la sainteté des enfants comme résultat de leur naissance, e\'était établir la sainteté du fait qui leur avait donné le jour, la sainteté du mariage.quot;

Er komt nog bij, dat de apostel, ook dan, wanneer het boven allen twijfel verheven was, dat de kinderdoop toenmaals in gebruik is geweest, zich voor het geheiligd zijn van den ongeloovigen man of de ongeloovige vrouw door de huwelijkseenheid met de geloovige wederhelft, zich niet onvoorwaardelijk had kunnen beroepen op den doop der kinderen, daar in 1 Cor. 7 : 14 in de eerste plaats van kinderen uit gemengde huwelijken sprake is, zoodat het al of niet gedoopt zijn van zulke kinderen geheel afhankelijk kon wezen van den wil van den ongeloovigen man of van de ongeloovige vrouw; door welke omstandigheid het doopen van zulke kinderen achterwege kon zijn gebleven. 2) Zoo was b. v. Timotheus, wiens vader een Griek en wiens moeder een Jodin was, die later tot het Christendom overging, van kindsbeen af in de H. Schriften onderwezen (2 Tim. 3:15), en kon hij gezegd worden, den Heer gewijd te zijn door het geloof van zijne moeder Eunice en van zijne grootmoeder Loïs (2 Tim. 1 : 5) en door de godsdienstige opvoeding, die hij van beiden genoot. Nochtans was hij langen tijd evenmin besneden, als gedoopt. Dit feit schijnt zijn voldoende verklaring te vinden in de omstandigheid, dat zijn vader een Griek was.

De slotsom van onze beschouwing is: niet alleen, dat de kinderdoop volkomen beantwoordt aan den geest van

11

1

A. w. j bl. 292.

2

Vgl. Stöber, t. a. p., bl. 66.

-ocr page 174-

162

1 Cor. 7 : 14, maar ook, dat door deze plaats de baptis-tische zienswijze veroordeeld wordt, volgens welke men eerst op volwassen leeftijd, na ten gevolge van een zelfstandige keuze en op belijdenis des geloofs den doop te hebben ontvangen, tot de christelijke gemeente gaat behooren.

§ 5.

De kinderdoop en het voorkomend karakter van de goddelijke genade.

(Efez. 2 : 8 en Joh. 15 : 1—16).

Gelijk alle natuurlijk leven uit God is, zoo is ook alle geestelijk leven uit Hem. In het werk der behoudenis gaat daarom zijn daad altijd aan die des menschen vooraf, en is de daad des menschen niet dan een gevolg van de zijne. Indien wij Hem kennen, het is, omdat Hij zich in de heerlijkheid zijner liefde aan ons heeft geopenbaard, en geschenen heeft in onze harten, om te verlichten met zijne kennis in het aangezicht van Jezus Christus. \') Indien wij in het licht wandelen, het is, omdat Hij ons door zijn sterke hand uit de duisternis heeft getrokken tot zijn wonderbaar licht, en ons overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde.1) Indien wij gelooven, het is, omdat Hij zelf, door zijn woord en zijn Geest, het geloof in onze harten gewerkt heeft. 3)

Met nadruk wordt dan ook in het Evangelie op den voorgrond gesteld, dat de oorsprong der behoudenis niet uit den mensch is, maar uit God; en de grondtoon, die uit dat Evangelie ons tegenklinkt, is geen andere, dan het woord van Paulus: „Uit genade zjjt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave. ^)

1

■j,.! 3) Philipp. \'i\'; Efez. 2:49; Rom. 10: quot;17.

-ocr page 175-

163

Uit genade, door het geloof. De genade is alzoo de grond, en het geloof het middel der behoudenis. De (/ewatfe schenkt, het geloof neemt aan. De genade gaat aan het geloof vooraf; en gelijk het aannemen afhangt van het geven, zoo hangt het geloof van de genade af. Die genade eischt dan ook niet, dat de mensch innerlijk eerst anders zal worden, voor zij haar heil hem aanbiedt, maar zij biedt het hem geheel onvoorwaardelijk aan. Zij geeft zich aan den zondaar zooals zij hem vindt. Zij geeft eerst, en daarna eischt zij.

Het,geloof kan niet ontstaan, zonder het object, dat het moet aangrijpen. Doch dit object, het in Christus uit genade geschonken heil, het ontstaat niet door het geloof, maar het is er, voor en onafhankelijk van het geloof. „Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en zijnen Zoon gezonden heeft tot eene verzoening voor onze zonden.quot; \')

Met dit voorkomend karakter van de goddelijke genade, met deze hoofdwaarheid van het Evangelie, komt men nu in strijd, als men den kinderdoop verwerpt op grond van de onbewezen stelling: „Eerst gelooven, dan gedoopt wordenquot;.

Wat toch is de doop? Naar hetgeen ons in ons eerste Hoofdstuk daaromtrent gebleken is, is hij in de eerste plaats een goddelijke instelling, die de groote liefde Gods jegens den zondaar predikt, en getuigt van de genadige gezindheid Gods om den verloren mensch te redden. Hij stelt voor wat uit genade in Christus geschonken is, nl. de verlossing in al hare volheid. In den grond is hij niet anders, dan die goddelijke liefdedaad, waardoor de mensch wordt opgenomen in de gemeenschap met den Vader, den Zoon en den H. Geest. Hij is alzoo niet het getuigenis van hetgeen de doopeling reeds feitelijk bezit, maar het getuigenis van Gods-wege, dat hij geroepen is, om deel te ontvangen aan hetgeen ook voor hem in Christus verkrijgbaar gesteld is; niet het getuigenis van eene reeds bestaande wederkeerige gemeenschap tusschen den mensch door zijn geloof aan de

1) 1 Joh. 4:10.

u*

-ocr page 176-

164

eene, en Christus aan de andere zijde, maar het aanknoo-pingspunt der wederkeerige betrekking tusschen Christus en den zondaar.

„Christus gibt seinem zurorkommenden Liebeswillen seiner-seits in der Taufe Ausdruck, er knüpft die Gemeinsehaft an und zwar in dem stellvertretenden Sinn, der den Sünder vor Gott vertreten will, um demselben persönlich Gottes Huid zuzuwenden. Hieraus folgt: da für die Taufe nicht eine menschliche Leistung das Wesentlicho ist, so darf,ja muss die Kirche da taufen und ist dabei sicher dem be-stimmten Willen Christi gehorsam zu sein, wo irgend sie rechtmassig um die Taufe angegangen wird, und wo statt Widerstrebens Empfanglichkeit für das christliche Heil vor-auszusetzen ist. Empfiinglichkeit für dasselbe ist aber in der menschlichen Natur schon im Allgemeinen (da sie für Christus bestimmt, wie Seiner bedürftig ist) wenn nur nicht spater sündiges Widerstreben sich entwickelt bat, mit welchem freilich die Taufe nicht zusammentreffen darf.quot; \')

Evenmin als van den volwassene, eischt God van het kind, dat het iets brengen zal, eer het alles ontvangen kan. Hij geeft geheel onvoorwaardelijk, geheel uit genade. Hij moet geven, zullen wij kunnen aannemen. En dat geven predikt de doop. In den doop doet God den eersten stap tot verlossing. Daarin reikt Hij ons de hand der genade. Zonder twijfel moet die hand ook worden aangegrepen door het geloof, zullen wij in de werkelijkheid gered zijn. Maar nochtans onderstelt de doop in geenen deele, dat men die hand reeds feitelijk heeft aangegrepen, en dat men reeds inderdaad gered is. 1) Het geloof is niet eerst, maar de genade is eerst, en het geloof is niet, dan door de genade.

Indien het dan waar is, dat in alle dingen aan God de eerste plaats toekomt, en dat in het werk der verlossing de daad Gods aan die der menschen voorafgaat, dan vloeit

1

Vgl. bl. 109 en 110.

-ocr page 177-

165

daaruit voort, dat het verwerpen van den kinderdoop op grond van de stelling: „Eerst gelooven, en dan gedoopt wordenquot; op een verkeerde opvatting van het Evangelie berust, en dat het juist de kinderdoop is, die beantwoordt aan het voorkomend karakter van de goddelijke genade.

De overeenstemming van den kinderdoop met het voorkomend karakter der goddelijke genade blijkt ons eveneens uit Joh. 15:1 —16. In het 5|1\'3 vers zegt de Heer tot zijn discipelen: „Ik ben de wijnstok, gij de ranken; die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht: want zonder mij kunt gij niets doen.quot; Tusschen den Heer en zijn discipelen bestond er alzoo een gemeenschap als tusschen een wijnstok en diens ranken. Wanneer is die gemeenschap begonnen?

Men is gewoon, op deze vraag ten antwoord te geven: „Op het oogenblik, dat zij gekomen waren tot het geloof in Hem.quot; Maar hiertegen pleit reeds het 16lle vers, waaruit duidelijk te zien is, dat zij niet uit zichzelf tot die gemeenschap gekomen waren, maar dat zij daarin uit genade waren opgenomen.

Bovendien moet uit de omstandigheid, dat er uitdrukkelijk sprake is van ranken, die afgehouwen zouden worden (zie vers 2 en 6), worden opgemaakt, dat de gemeenschap , welke hier wordt bedoeld, niet zijn kan die van het zaligmakend geloof. De Heer noemt ranken zoowel die in Hem blijven, als die niet in Hem blijven. En omdat die in Hem niet blijven zullen buitengeworpen worden, daarom zegt Hij tot de Twaalve: „Blijft in mij, en ik in uquot; (vers 4 en 5).

Dat de discipelen met den Heer in gemeenschap waren, was alzoo niet in de eerste plaats de vrucht van hun geloof, maar in de eerste plaats het gevolg van des Heeren verkiezende liefde. Nog voordat zij Hem door het geloof hadden aangenomen, had Hij hen verkoren; want Hij had hen niet verkoren, omdat zij in Hem geloofden, maar opdat zij in Hem zouden gelooven.

-ocr page 178-

166

Daarom kon Jlij tot hen zeggen: „Gij hebt mij niet uitverkoren , maar Ik heb u uitverkoren , en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uwe vrucht bhjve; opdat, zoo wat gij van den Vader begeeren zult in mijnen naam, Hij u dat geve.quot;!) Toen Hij hen tot zijn discipelen verkoor, nam Hij hen op in zijn gemeenschap, om hen tot geloovigen te vormen. Het geloof vloeide uit die gemeenschap voort, was daarvan de vrucht, gelijk het opnemen in die gemeenschap de vrucht was van des Heeren verkiezende liefde. Wat later door die gemeenschap hun deel werd had alzoo eigenlijk zijn grond in die éene daad, waardoor de Heer hen daarin had opgenomen. Van de zijde des Heeren was die gemeenschap van het begin af een bewuste en volkomene. Van hunne zijde daarentegen was zij aanvankelijk nog onbewust. Maar hoe langer zoo meer leerden zij inzien, wat zij er aan ^hadden, en door het geloof, dat daaruit ontkiemde, werd zij ook van hunne zijde hoe langer zoo meer wat zij wezen moest.

Is het, voorts, waarheid, dat de discipelen zonder den Heer niets doen konden,1) als er sprake is van het dragen van vruchten tot verheerlijking van den Vader, dan zal dat ook wel waar zijn, als er sprake is van het geloof.

Zonder gemeenschap met den Heer is er alzoo voor hen geen geloof mogelijk geweest. Waaruit volgt, dat wij hun geloof en hun bekeering ook mogen beschouwen als de vrucht van die gemeenschap.2)

Passen wij nu het gezegde op den kinderdoop toe. Is het geloof van de discipelen des Heeren te beschouwen als de vrucht van hunne aanvankelijke gemeenschap met den Heer, welke gemeenschap haar oorsprong had in de verkiezende liefde des Heeren; en wordt men door den doop

1

Zie vers 5.

2

Meu vergelijke bij dit een en ander, het voortreffelijke, dat Mader geschreven heeft op bl. 16—22 van zijn reeds aangehaald werkje: Die heilige Taufe, en Thiersch, t. a. p., bl. 88 en 89.

-ocr page 179-

167

in des Heeren gemeenschap opgenomen — dan vloeit daaruit voort, dat de onmondige kinderen gedoopt mogen worden, al kunnen zij nog niet gezegd worden te gelooven. Werden toch de discipelen des Heeren opgenomen in des Heeren gemeenschap, niet op grond van hun geloof, maar op grond van de verkiezende liefde des Heeren, dan mogen de kinderen, daar de doop de verkiezende liefde des Heeren predikt, door dien doop ook in die gemeenschap worden opgenomen, en mag de doopsgemeenschap aan de geloofsgemeenschap voorafgaan.

Wat voor de apostelen de persoonlijke verkiezing door den Heer was, dat is de doop voor anderen: die liefdedaad , waardoor voor het individu een nieuw leven aanvangt gt; en het heil onder zijn bereik wordt gebracht.!) En gelijk voor die apostelen de gemeenschap, waarin die verkiezende liefde des Heeren hen had opgenomen, eerst gaandeweg een bewuste en wederkeerige werd, zoo kan dat ook voor het kind, dat geboren wordt in een christelijken kring. Uit dit oogpunt geldt inzonderheid van den kinderdoop wat de Heer eenmaal bij de voetwassching tot zijn discipelen zeide: „Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.quot; 1)

1

Joh. 13:7.

-ocr page 180-

168

§ 6-

De kinderdoop en de tweede Adam.

(Rom. 5 :12—21).

Adam zondigde door ongehoorzaamheid aan het goddelijk verbod. Hij viel van God af, die het leven is en de bron van alle gelukzaligheid. En van God afgevallen, viel hij neder in de diepte der ellende en rampzaligheid, welke de zonde met zich medebrengt.

Het beeld Gods werd in hem verduisterd. Hij verloor zijn oorspronkelijke reinheid, en stond daar als een schuldige voor God. Hij werd aan den dood onderworpen, die de bezoldiging der zonde is, en er ontstond een diepe klove tusschen hem en God. Zoo werd hij een in zichzelf verlorene en doemwaardige, en rustte de toorn Gods op hem.

Dat alles nu, het geldt niet van Adam alleen, maar eveneens van al zijn nakomelingen, van het geheele men-schelijk geslacht in den toestand voor de wedergeboorte. quot;VVant toen Adam als stamhoofd viel, vielen allen in hem, en werden zij mede aan zonde en dood onderworpen. De wortel der menschheid werd aangetast door het verderf der zonde, en dit verderf deelde zich mede aan de takken. Daarom zijn allen van nature buiten de sfeer des levens, in den dood, onder den toorn Gods, ongeschikt voor Gods heilige gemeenschap.

Zoo kwam het geheele menschelijk geslacht, krachtens zijn betrekking tot den eersten Adam, in verderfenis en ondergang. \')

Doch in den toorn gedacht God zijns ontfermens. Reeds in het door de zonde ontwijde Paradijs, en nog voor Hij het rechtvaardig vonnis uitsprak over den gevallen mensch, deed Hij een star der hope voor hem lichten in den don-

1) Vgl. Art. 15 van de Ned. Geloofshélijdenis.

-ocr page 181-

169

keren nacht van ellende en dood, en opende Hij hem, door zijn belofte aangaande het zaad der vrouw, het uitzicht op verlossing.

Eeuwen gingen voorbij. Het menschdom viel intusschen al dieper en dieper. Maar ook werd de belofte van verlossing telkens en telkens weder herhaald, en verkreeg zij hoe langer zoo duidelijker gestalte.

Eindelijk was de volheid des tijds gekomen, en het gejubel van engelen op Ephrata\'s velden verkondigt het den kinderen Adams, dat de Zaligmaker geboren was, welke is Christus, de Heer. Het AVoord, dat in den beginne bij God, en zelf God was, het is vleesch geworden. !) De een-geboren Zoon van God, die het afschijnsel is van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte beeld van Gods wezen;1) Hij, door wien en tot wien alle dingen geschapen zijn;2) die vóór alle dingen was, en door wien alle dingen te zamen bestaan; die, in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof behoefde te achten, Gode evengelijk te zijn; en die door God is gesteld tot een erfgenaam van alles: Hij ontledigde zich zeiven, en de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, is Hij den menschen gelijk geworden , en werd Hij in gedaante gevonden als een mensch, in de gelijkheid des zondigen vleesches,3) doch zonder zonde, geheel rein en heilig. 4)

Maar dien die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij vertegenwoordigde den zondaar in het gericht van God, en liet al zijne ongerechtigheden op zich aanloopen. Gestorven om onze zonden, is Hij opgewekt om onze rechtvaardigmaking. 5) Door zijn dood heeft

1

Joh. 3:16; Col. 1 :15; Hebr. 1 : o.

2

Joh. 1 ; 3 en 10; Col. 1 :10; Hebr 1: 2 en 3.

3

Rom. 9:5; Hebr. 1:2 en 2:14; Phiiipp. 2:6—8; Rom. 8:3.

4

Joh. 8:46; 2 Cor. 5:21; Hebr. 7:26.

5

Rom. 4 : 25.

-ocr page 182-

170

God den mensch met zich verzoend, en in zijn opstanding heeft God den mensch het leven geschonken. !)

In Hem is dan ook niet alleen de vergeving van de zonden , maar ook het leven. 1) In Hem is de oude mensch gekruisigd. In Hem is de mensch een nieuw schepsel. In Hem is hij een verloste van de dienstbaarheid der zonde, en is hij Gode gewijd.2) In Hem is de klove gedempt, die daar gaapte tusschen den zondaar en God. In Hem heeft God weer welbehagen in den mensch, en is de mensch weder opgericht, en is hij weder aangenomen tot een kind van God met al de rechten van dien. Alles, in éen woord, wat in Adam verloren was, is in Christus overvloedig terug geschonken.

Daarom wordt Christus genoemd „de laatste Adam,quot;41) „de tweede mensch,quot;3) „de menschquot; bij uitnemendheid. 4) Hij vereenzelvigde zich met den mensch, en onderwierp zich geheel vrijwillig aan al wat het mensch-zijn met zich medebrengt, om in de menschelijke natuur, die Hij aangenomen had, de menschelijke natuur, die in Adam gevallen en ontwijd was, weder op te richten en te heiligen.5)

Paulus noemt, Rom. 5:14, den eersten Adam de type van den tweeden. Een type onderstelt een antitype. Type en antitype wijzen naar elkander, en staan tot elkander in een teleologisch verband. In het algemeen brengt de antitype tot werkelijkheid, en geeft zij in volkomenheid te zien wat door de type werd voorafgeschaduwd, en daarin niet dan op onvolmaakte wjjze te zien was.

Hier zijn de type en de anti type in zoover aan elkander gelijk, als zij, ieder op hunne wijze, met de geheele mensch-

1

Joh. 1:4; 1 Joh. 1:1 en \'2; Hebr. 2:14.

2

Rom. 6:6; 2 Cor. 5:17; Gal. 6:15; Hebr. 2:14; 1 Petr. 3:18.

3

,,ó $êvT€poQ ctvQpcoTToc;quot; •, 1 Cor. 15:47.

4

,,o Rom. 5:15; 1 Tim. 2:15; vgl. 1 Cor. 15:21.

5

Vgl. Zondag 6 van den Heidelbergschen Catechismus.

-ocr page 183-

171

heid in verband staan, en iets over die menschheid gebracht hebben, en in zoover aan elkander overgesteld, als hetgeen de een over de menschheid gebracht beeft juist het omgekeerde is van hetgeen de ander over die menschheid heeft doen komen. \') Uit hetgeen de type voor de menschheid geweest is kan alzoo worden besloten tot hetgeen de antitype voor haar zijn moet.

De eerste Adam (de type) was „een levende ziel,quot; de tweede Adam (de antitype) is „een levendmakende geest.quot; De eerste was uit de aarde, aardsch, de tweede is uit den hemel.1) De eerste was geschapen naar het beeld van God, de tweede is dat beeld zelf.2) En zooals de aardsche was, zoo. zijn ook de aardschen, en zooals de Hemelsche is, zoo zijn ook de hemelschen. Gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, zoo zullen wij ook het beeld des Hemelschen dragen. 3) Evenals allen in Adam sterven, zoo zullen ook in Christus allen weder levend gemaakt worden.4) Door den eersten Adam zonde en dobd over de menschheid, door den tweeden gerechtigheid en leven. Door de overtreding van den eersten het vonnis der veroordeeling, door de gehoorzaamheid van den tweeden de gerechtigheid en de genadegave des levens. 5)

Aldus vergelijkt Paulus den persoon van den eersten met dien van den tweeden Adam, en stelt hij geheel objectief hetgeen de eerste voor de menschheid geweest is tegenover hetgeen de tweede voor haar is, hetgeen door den eersten over haar is gekomen tegenover hetgeen de tweede voor haar aangebracht heeft.

Wat nu meer bepaald Rom. 5:12—21 betreft: de ge-heele samenhang doet duidelijk zien, dat de nadruk niet valt op het zich toeëigenen van de genade Gods, die in

1

1 Cor. 15; 45 en 47.

2

Ygl. Col. 1: -15.

3

1 Cor. 15: 48 en 49.

4

Vers 22.

5

Rom. 5:12—21.

-ocr page 184-

172

Christus gegeven is, maar op die genade zelve, zooals,God haar in Christus gegeven heeft. Het is Paulus blijkbaar in deze pericoop te doen, om aan te wijzen, hoe de genade Grods, in den tweeden Adam geschonken, het wint van het vonnis der veroordeeling, dat in den eersten over het geheele menschelijk geslacht werd uitgesproken, en om in het licht te stellen, dat onze rechtvaardiging voor God geheel berust op de gehoorzaamheid van Christus en op de genadegave der gerechtigheid, die daarvan de vrucht is.

Hij beschouwt de menschheid als een geheel, afgedacht van de individuen, en stelt Adam voor als het hoofd van de oude, en Christus als het Hoofd van de nieuwe, Adam in zijn betrekking tot de oude, Christus in zijn betrekking tot de nieuwe menschheid. En eveneens: de oude menschheid in haar samenhang met Adam en hetgeen van Adam over haar is uitgegaan, en de nieuwe menschheid in haar samenhang met Christus en hetgeen van Christus over haar uitgaat. In dezelfde betrekking, waarin Adam tot de oude menschheid gestaan heeft, staat Christus tot de nieuwe, en gelijk de oude solidair met Adam, zoo is de nieuwe solidair met Christus verbonden.

Indien dan Christus tot de geheele nieuwe menschheid, en deze menschheid tot Christus in betrekking staat, gelijk Adam tot de geheele oude menschheid en deze oude menschheid tot Adam in betrekking gestaan heeft; en indien de betrekking van Adam tot de menschheid zich ook over de kinderen uitstrekt, zoodat zij door hun samenhang met hem mede zonde en dood deelachtig zijn: dan staat Christus op dezelfde wijze tot de kinderen der gemeente, en staan deze kinderen op dezelfde wijze tot Christus in betrekking, zoodat zij door hun samenhang met Hem, die het Hoofd is, mede op het gebied des levens en der gerechtigheid zijn overgebracht.

Moet dit worden toegestemd, dan volgt daaruit, dat de doop, daar hij volgens Matth. 28:18—20 op de geheel eenige betrekking van Christus tot de menschheid berust,

-ocr page 185-

173

ook aan de kleine kinderen bediend mag worden, al kan van hen nog niet gezegd worden, dat zij gelooven in den eigenlijken zin van het woord. En dat te meer, dewijl de doop, gelijk ons reeds meermalen gebleken is, mede geheel objectief voorstelt wat Grod uit genade in Christus gegeven heeft, onafhankelijk van het individueele geloof, en het getuigenis van Gods zijde is, dat men in de gemeenschap met Christus, den tweeden Adam, deel heeft aan al de zegeningen der verlossing, die in Hem, als het Hoofd, der gemeente geschonken zijn,!) en overgebracht is op een geheel nieuwen levensbodem, in de sfeer der gerechtigheid en des levens.

In verband met Rom. 5 : 12—21 blijkt het rechtmatige van den kinderdoop voorts uit de overeenkomst, die er, volgens de door Paulus tusschen Adam en Christus getrokken parallel, bestaat tusschen de wijze, waarop de mensch aan zonde en dood onderworpen werd tengevolge van de overtreding van den eersten, en de wijze, waarop de mensch door de gehoorzaamheid van den tweeden gebracht wordt in den staat der genade en des levens.

Gelijk het nl. geheel onafhankelijk van zijn wil en zonder eenig toedoen van zijne zijde, immers door de geboorte is, dat hij gemeenschap heeft aan de zonde en den dood, die door den eersten Adam in de wereld gekomen zijn: zoo is het ook geheel onafhankelijk van zijn wil en zonder eenig toedoen van zijne zijde, immers door de genade Gods, dat hij in gemeenschap komt met de gerechtigheid en het leven, door den tweeden Adam voor de menschheid aangebracht.

Is deze voorstelling juist, dan moet ook worden toegestemd, dat de doop, die de objectieve prediking is van de genade en de verlossende liefde Gods in Christus, en het teeken van het in gemeenschap treden met Christus, aan de kinderen mag worden bediend, daar ook zij, zonder dat zij er zich van bewust zijn, in gemeenschap kunnen worden gebracht met Christus, den tweeden Adam.

1) Col. 1:18; 5:23; Efez. 4:15.

-ocr page 186-

174

Gelijk de geheele menschheid in Adam veroordeeld is geworden, zoo is in Christus de geheele menschheid gerechtvaardigd. Maar evenals niet allen zonder onderscheid verloren gaan tengevolge van die veroordeeling, zoo worden ook niet allen zondër onderscheid behouden tengevolge van die rechtvaardiging. Want ontvangen velen door het geloof deel aan die rechtvaardiging, velen blijven in den toestand der veroordeeling, omdat zij niet gelooven in Hem, in wien die rechtvaardiging geschonken is, en tot wien zij door den doop in betrekking waren gebracht.

En indien het waar is, dat wij zonder ons eigen toedoen, reeds bij onze geboorte, in Adam gesteld zijn in den staat van schuld en veroordeeling, waarom zou het dan niet waar zijn, dat wij zonder ons eigen toedoen in Christus kunnen gesteld worden in den staat der genade? Waarom zouden wij reeds bij onze geboorte kunnen vinden zonde en schuld, dood en verderf, en niet ook reeds bij onze geboorte genade en leven, al kunnen wij nog niet gezegd worden, die te hebben aangenomen?

Clément geeft dit een en ander zeer schoon te kennen met deze woorden:!) „Et en effet, si ce n\'est point par mon propre fait que je suis placé dans la condition du péché, si les péchés actuels dont je dois accuser ma vo-lonté, sont amenés par la corruption de la nature humaine et par le fait que je suis issu d\'une race pervertie, pour-quoi n\'en serait-il pas de même quant a la grace qui me sauve? Ce que Satan a pu faire en mal, 1\'amour de Dieu ne pourrait-il pas le faire en bien? Une semence de mort aurait pu être déposée dans mon sein sans aucune participation de ma part, et la semence de vie éternelle ne le pourrait pas! Même avant que de naitre j\'étais vendu au péché, et dès ma naissance je ne pourrais pas être donné a la grace! J\'ai apporté dans le monde les convoitises charnelles qni m\'entrainent a la perdition, et il serait con-

1) Op bl. 366 en 367 van zijn reeds meermalen aangehaald uitnemend werk.

-ocr page 187-

175

traire a l\'ordre divin que la vertu salutaire du Seigneur me fut scellée a mon entrée dans le monde! Je me trouve en Adam sans 1\'avoir ni su ni touIu, et je ne pourrais pas me trouver en Jesus-Christ sans 1\'avoir préalablement connu et accepté! Non, l\'analogie semble exiger que la grace et le salut puissent être inoculés a l\'homme gratui-tement, puisque le péché et la mort lui ont été transmis de cette fagon; il semble juste que Dieu ne fasse pas moins pour nous sauver qu\'il n\'a permis a l\'Ennemi de faire pour nous perdre. Or c\'est la ce qui est figure, sinon accompli, dans le baptême des petits enfants. „De même que par la désobéissance d\'un seul beaucoup d\'hommes ont été con-stitués pécheurs, de même aussi par l\'obéissance d\'un seul beaucoup d\'hommes seront constitués justes.quot;

Uit het aangevoerde blijkt, dat de diepste grond voor het recht van den kinderdoop gelegen is in den persoon van Christus, den tweeden Adam, en dat op baptistisch standpunt afbreuk gedaan wordt aan de beieekenis, die Rom. 5 : 12—21 ook voor de kinderwereld heeft.

Legt toch de apostel in deze pericoop allen nadruk op de waarheid, dat de genade veel meer overvloedig geweest is, dan de zonde, dan geeft niets ons recht om die genade te beperken tot een bepaalden leeftijd, terwijl de zonde en het veroordeelend vonnis, dat zij over de geheele mensch-heid gebracht heeft, zich uitstrekken over alle leeftijden, van den dag der geboorte af.

Christus, de tweede Adam, is een kind geweest als andere kinderen. Hij moest, als zij, opgroeien, gesterkt worden in den geest, en hoe langer zoo meer met wijsheid vervuld worden \'). Achtereenvolgens werd Hij van een kind een knaap, van een knaap een jongeling, van een jongeling-een man. Zoo is Hij al de ontwikkelingstrappen van het menschelijk leven doorgegaan, om die alle in zijn persoon te heiligen.

l) lc. 2: 40.

-ocr page 188-

176

Daarom heeft niet slechts zijn mannelijke leeftijd, maar ook zijn kindsheid beteekenis voor de gemeente. En wat kan deze beteekenis anders zijn, dan dat Hij, een kind geweest zijnde, ook den kinderlijken leeftijd gewijd en geheiligd heeft? En heeft Hij den kinderlijken leeftijd alzoo in zijn eigen persoon gewijd en geheiligd, welke reden zou er dan kunnen bestaan om den doop aan dien leeftijd te onthouden, terwijl moet worden toegestemd, dat de doop ook de beteekenis heeft van toewijding aan God? !) En bovendien, indien het onmogelijk is voor het kind om met Christus in gemeenschap te treden, dan is het ook onmogelijk voor het kind, om, als het sterft voordat het tot jaren des onderscheids is gekomen, zalig te worden: daar er ook voor de kleine kinderen geen andere weg is om behouden te worden, dan de gemeenschap met Christus, den tweeden Adam. Als in het voorbijgaan vestigen wij reeds de aandacht op deze waarheid. Wij komen er later op terug.

§ 7.

De kinderdoop en het genadeverhond.

God heeft met Abraham een verbond opgericht1). Zeer terecht heeft men dit verbond een genadeverhond genoemd. Het verdient dien naam, omdat de genade Gods daarvan de eenige oorzaak is, en al de zegeningen, die daaruit den mensch toevloeien, enkel en alleen van die genade de vruchten zijn, en niet dan door die genade des menschen deel worden 2).

Maar ook verdient het dien naam, omdat God daarin aan den mensch gegeven heeft al wat deze tot zijn volkomen

1

Gen. 17: 7.

2

Zie Deut. 7:7 en 8; 8:17; 19:4—6. Vgl. a Marck, Het Merch der christene Gof-Geleertheii, bl. 465.

-ocr page 189-

177

verlossing behoeft, zonder vooraf iets van hem te hebben geëischt, en hetgeen Hij daarin van hem eischt niets anders is, dan het aannemen van hetgeen Hij uit genade reeds geschonken heeft, en het beantwoorden aan de verplichtingen, die het geschonkene met zich medebrengt: immers het geloof en het leven in de heiligmaking \').

De hoofdbelofte van het verbond met Abraham opgericht was vervat in het woord: „Ik zal U tot een God zijn, en uw zaad na Uquot;;1) eene belofte, die niets minder waarborgde, dan de algeheele verlossing van ieder, die in het verbond was en bleef, door hem te geven: de vergeving van zonden,2) den vrede met God,3) de aanneming tot kinderen, 4) den Geest der heiligmaking,5) en het eeuwige leven 1) — dezelfde geestelijke zegeningen alzoo, die in Christus in overvloedige mate geschonken zijn.

Niet alleen met Abraham heeft God het genadeverbond opgericht, maar in Abraham als stamhoofd ook met zijn geheele geslacht, met de volwassenen, zoowel als\'met de kinderen.6) En dit in zoo volstrekten zin, dat God, uit kracht van dat verbond, zelfs de kinderen van Israëlieten, die tot de gruwelijkste afgoderij waren vervallen, zijne

12

1

Gen. 17: 7 en 8; vgl. Ex. 0:6 en 7, en Lev. 26:44 en 45.

2

Gen. 15: 6; Ps. 32:1 en 2 (vgl. Rom. 4:3 en 6—11); Ps. 05: 4; Jer. 3:22; Ezech. 16:02 en 03.

3

Jak. 2:23; Num. 6:20 en 25:12; Ps. 73:23 en 28; 85:11; Jes. 54:10; Mal. 2 :5 en 0.

4

Rom. 9 : 4; Ex. 0 : 6; Lev. 20 :12; Deut. 14 :1; Jer. 3 : 22; Ezech. 26 :27.

5

Ps. 143:10; Ezech. 36 : 20 en 27; 2 Cor. 4:13.

6

Gen. 17: 7.

-ocr page 190-

178

kinderen kon blijven noemen. !) En geen wonder. quot;Want niet op grond van zijn persoonlijke levensgemeenschap met God behoorde men tot dat verbond, maar in de eerste plaats op grond van zijn samenhang met de gemeente dei-Israëlieten.

liet verbond, dat God alzoo met Abraham en diens geslacht oprichtte, was niet slechts voor een tijd, maar het was een eeuwig verbond. 1) Het heeft dan ook niet opgehouden met de N.-Testamentische bedeeling, maar het is in zijn wezen éen met hetgeen wij het Nieuwe Verbond plegen te noemen, 2) en verschilt alleen in zoover van dit laatste, als dit laatste daarvan zoowel de voortzetting, als de vervulling is. Dit blijkt ten duidelijkste uit verschillende getuigenissen van het N. T. ^), inzonderheid uit Gal. 3, en men zal het moeten toegeven, zoolang men niet op afdoende wijze kan aantoonen, dat met de komst van den Heer Jezus Christus het verbond met Abraham opgericht te niet is gedaan, zoodat er toen niet slechts een nieuwe bedeeling ontstaan is, maar ook een nieuw genadeverbond door God met den mensch werd opgericht.3)

1

Gen. 17:7; 22:6 en 17; vgl. Jes. 54:10 en Hcbr. 6:17.

2

Op afdoende en uitnemende wijze is dit in het licht gesteld door Hodge, in zijn reeds aangehaald voortreffelijk werk, op bl. 549—556 van het derde Deel. Men zie ook wat Calvijn er over geschreven heeft, in zijn Institutie, Deel I, 24ii: Boek, Hoofdst. 10.

3

Sommigen hebben zich voor het gevoelen, dat God met de komst van Christus een nieuw genadeverbond met den mensch heeft opgericht, beroepen op Jer. 31: 31, vergeleken met Hebr. 8. Doch ten onrechte. Want wordt op deze plaats al gesproken over een geheel nieuw verbond, bij nauwkeurige beschouwing wordt het duidelijk, dat daar niet gezegd wordt, dat voor het verbond met Abraham opgericht een nieuw verbond in de plaats is gekomen, maar wel voor het verbond, dat God met Israël had opgericht, „ten dage als Hij hen bij de hand nam, om hen uit Egypte-land te leidenquot; — waarmede niets anders bedoeld kan zijn, dan de wet en hare plechtigheden.

4

Zie Ezech. 10:20 en 21; vgl. Pieters en Kreulen, t. a. p., bl. 18.

-ocr page 191-

179

quot;Wat onder de oude bedeeling in nevelen gehuld, en slechts in schaduw te zien was, het is onder de Nieuw-Testamentische in het volle licht gekomen en in al zijn heerlijke werkelijkheid openhaar geworden i). Doch dit neemt niet weg, dat heide hedeelingen in den grond éen zijn. En wel, omdat zij op denzelfden grondslag rusten

Het verbond met Abraham opgericht had Christus tot grondslag, en heeft in Hem zijn hoogste bevestiging verkregen. Christus is daarvan het middenpunt, en in Hem zijn al de beloften, die het bevat, vervuld geworden. Want aangaande Hem heette het tot Abraham, en werd het later aan Izak en Jakob herhaald: „In uw zaad zullen gezegend worden al de volken der aardequot;1); eene belofte, die haar heerlijken weerklank vond in het zoo universalistische en zoo veelomvattende Heilandswoord: „Gaat heen, maakt alle volken tot mijne discipelen, hen doopende met betrekking tot den Naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes, leerende hen onderhouden al wat Ik u heb opgedragen.quot;

Het verbondsvolk Israël, de gemeente des Ouden Testaments, was de type van de gemeente des N. Verbonds. Van beiden is Christus het middenpunt en de bezielende eenheid. Ook hadden de geloovigen des O. V. geen anderen grond der hope, dan de geloovigen des Nieuwen. Van daar, dat, gelijk wij reeds in herinnering gebracht hebben, de geestelijke zegeningen, die onder de bedeeling der belofte het deel waren van de bondgenooten, dezelfden zijn als die onder de bedeeling der vervulling het deel zijn van ieder, die gelooft — maar nu in volheid.

Christus heeft den middelmuur des afscheidsels weggebroken. Door Hem geldt het Evangelie des verbonds ook dien, die daar verre waren. Geen onderscheid meer tusschen

1

Joh. 8:50; Hand. 3:25; 13:22; Rom. 1 :1—3; Gal. 3:8 en 10, en vele andere plaatsen.

-ocr page 192-

180

volken en volken, menschen en menschen. De Heidenen zijn nu medeërfgenamen van de belofte aan Abraham gedaan, want in Christus zijn de zegeningen van Abraham ook tot de Heidenen gekomen. Allen, die van Christus zijn, behooren tot het zaad van den geloovigen Abraham, en zijn naar de beloftenis erfgenamen i).

Moet alzoo worden toegestemd, dat het Nieuwe Verbond in zijn wezen éen is met het verbond, door God met Abraham opgericht, en behoorde volgens Gen. 17:7 niet enkel Abraham tot dat verbond, maar ook zijn geheele geslacht, en van dit geslacht niet alleen de volwassenen, maar ook de kleine kinderen — dan volgt daaruit, dat hetzelfde gelden moet onder de Nieuwe bedeeling, zoodat niet alleen de volwassenen, die gelooven, maar ook de onmondige kinderen der christelijke gemeente, waarvan Israël de afschaduwing was, gerekend moeten worden tot het verbond te behooren. 1)

Men moet dït toestemmen, of aannemen, dat, gelijk CalVijn het uitdrukt, Christus door zijn komst de genade zijns Vaders verminderd of verkort heeft.2) Dat dit niet aangenomen kan worden, is duidelijk, en blijkt ten overvloede uit het woord, dat Petrus op den eersten Pinksterdag, bij de eindvervulling van al de beloften Gods in deze aardsche bedeeling, tot de schare sprak: „U komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen, die daar verre zijn, zoo velen als er de Heer, onze God, toe roepen zal.quot;

Zeer terecht zegt Hodge (t. a. p., bl. 556) in dit verband: „The „onus probandiquot; rests on those who thake the negative on this subject. If children are to be deprived of a birthright which they have enjoyed since there was

1

Zie Antw. 74 van den Heidelh. Catechismus. Vgl. ürsinus, Schatboék der verklaringen van den Heidelh. Catechismus, 3de druk, Deel, bl. 55 en 56.

2

Instiiutie, III, Hoofdst. 1G, 6. Vgl. a Marck, t. a. p., bl. 820.

-ocr page 193-

181

a Church on earth, there must be some positive command for their exclusion, or some clearly revealed change in the conditions of membership, which renders such exclusion necessary. It need hardly be said that Christ did not give any command no longer to consider the children of believers as members of the Church, neither has there been any change in the conditions of church-meinbership which necessarily works their exclusion. Those conditions are now what they were from the beginning.quot;

Als bezwaar tegen de voorstelling, dat ook de onmondige kinderen der christelijke gemeente beschouwd moeten worden als beboerende tot het genadeverbond, heeft men ingebracht : dat, daar men, om in het hier bedoelde verbond te worden opgenomen, den Heer Jezus Christus moet aannemen en zich aan Hem overgeven, en dit van kleine kinderen niet gezegd kan worden, het ook niet aangaat, te beweren, dat zij mede in het verbond Gods zijn opgenomen. Wij moeten hiertegen het volgende doen opmerken.

Ten eerste: Het is van ontwijfelbare zekerheid, dat de kinderen der Israëlieten, krachtens hunne geboorte uit Israëlitische ouders, volgens de goddelijke ordening tot het verbond behoorden. Indien wij nu aannemen, dat dit onder het N. V. anders geworden is, dan zou daardoor aangenomen moeten worden, dat de overgang van Israëlieten tot het christendom hunne kinderen berooft van een voorrecht, dat zij hadden, voordat die overgang van hunne ouders had plaats gevonden. Het springt in het oog, dat zulks niet wel aan te nemen is.

Ten tweeden Uit Hand. 3:25 en 26 blijkt zeer duidelijk, dat er ook onder de Nieuwe bedeeling een objectieve verbondsbetrekking tot God bestaat, onafhankelijk van het geloof, al is het ook, dat volgens Rom. 9:6—8 de zegeningen des verbonds alleen door het geloof kunnen worden genoten.!)

1) Vgl. Rom. 3: 25, 28 en quot;29 met Rom. 3:1—4.

-ocr page 194-

182

En ten derde: Alle kinderen der Israëlieten behoorden tot het verbond. Zij behoorden er toe, reeds bij hunne geboorte. En daar de ordeningen Grods, die van kracht waren onder de Oude bedeeling, met de Nieuwe niet krachteloos zijn gemaakt, moeten ook alle kinderen der christelijke gemeente tot dat verbond worden gerekend, zoolang zij niet op lateren leeftijd door een vrijwillige keuze daaruit getreden zijn. „Die Kirche kann nicht armer sein als die Synagoge , der neue Bund nicht weniger Liebe ausdrücken als der Bund der Beschneidung, der auch den Kinderen zu Gute kam.quot; !)

Het te eken van het met Abraham en zijn geslacht opgerichte verbond was de besnijdenis, die aan ieder Israëlitisch kind van het mannelijk geslacht op den achtsten dag-na de geboorte moest worden volbracht. Door dit uitwendig teeken wilde God, dat Abraham\'s nakomelingen zouden worden gekenmerkt als in verbondsbetrekking tot Hem staande, en dat teeken waarborgde al de zegeningen des verbonds aan ieder, die daarin was en bleef, terwijl het hem al de verplichtingen voorstelde, die dat verbond met zich medebracht. En dit deed het niet alleen aan geboren Israëlieten, maar ook aan hen, die oorspronkelijk niet tot Israël behoorden, maar zich bij dit volk hadden aangesloten. Als het getuigenis van hunne volledige inlijving in Israël, gaf het ook hun recht op al de verbondsgoederen van dat verbondsvolk. 1)

Zoo was de besnijdenis het zegel van de belofte, en verzekerde zij aan iederen bondgenoot persoonlijk, dat hij deel had aan de beloftenissen en de heilgoederen, die in het verbond aan Israël waren geschonken, bracht hem in de sfeer dier beloftenissen en heilgoederen en van de aanneming tot kinderen,2) en stelde dat alles onder zijn be-

1

Zie Gen. 17:-13; Ex. 12:44, 48 en 49. Bijzondere bepalingen vindt men in Deut. 23.

2

Rora. 9:4 en 5.

-ocr page 195-

183

reik, opdat hij ze voor zich zeiven deelachtig wierd door het geloof.

De Zone Gods is niet gekomen, om de ordeningen Gods, die onder het O. V. van kracht waren, te verbreken, maar om ze in anderen vorm te bevestigen; niet, om de wet of de profeten te ontbinden, maar om ze te vervullen. \') Dit geldt eveneens van de besnijdenis. Vertegenwoordigde zij voor den Israëliet het verbond Gods, en was zij daarvan het teeken; had dit teeken zulk een waarde in Gods oog, dat Hij met uitroeiing bedreigde alwie het in Israël niet dragen zou in het vleesch;1) en heeft de besnijdenis onder de Nieuwe bedeeling opgehouden, bet teeken des verbonds te zijn,2) terwijl het verbond zelf in al zijn kracht blijft voortduren: — wat ligt dan meer voor de hand, dan aan te nemen, dat zij niet afgeschaft kan zijn, zonder dat er iets anders voor in de plaats is gekomen, meer in overeenstemming met de bedeeling der vervulling? Dit nu kan niets anders zijn, dan de christelijke doop. Ik zal trachten, dit op voldoende wijze in het licht te stellen.

De besnijdenis verzegelde aan eiken nakomeling van Abraham den rijken inhoud der verbondsbelofte: „Ik zal U tot een God zijn,quot; en opende hem,den toegang tot al wat in het verbond door God gegeven was, door hem te brengen in de sfeer, waarin dat alles verkregen kon worden. — Dezelfde beteekenis heeft de doop, daar hij, gelijk wij vroeger reeds gezien hebben, overbrengt op den bodem van de aanneming tot kinderen, in het gebied van de zegeningen, die in Christus geschonken zijn.

De uitwendige besnijdenis was het zinnebeeld van de inwendige, van de besnijdenis des harten. ) Zij ging uit van de onderstelling, dat de mensch van de geboorte af

1

Zie Geu. 17:4.

2

Gal. 5: 2—6.

-ocr page 196-

184

onrein is, en dat hij daarom eerst innerlijk gereinigd moet worden, zal hij waarlijk in gemeenschap kunnen leven met God. Ook stelde zij voor wat God van ieder, die in het verbond was opgenomen, eischte als voorwaarde om persoonlijk de zegeningen des verbonds deelachtig te kunnen worden, nl. de dooding van het vleesch, de kruisiging van den ouden mensch en het wandelen in nieuwigheid des levens. Zij was alzoo het symbool van de verbondsver-plichtingen tegenover de verbondsrechten,!) en doelde op de innerlijke reiniging door de wedergeboorte en op de geloofsgehoorzaamheid aan God. — De doop heeft geen andere beteekenis. Evenals de besnijdenis, is hij het zinnebeeld van de innerlijke reiniging. Hij wijst den mensch op zijn natuurlijke onreinheid en op de noodzakelijkheid van de wedergeboorte, en stelt hem den eisch om der zonde af te sterven, en in nieuwigheid des levens te wandelen.£!)

Als het teeken des verbonds, waarvan Christus het middenpunt was, kon de besnijdenis gezegd worden, met Christus in gemeenschap te brengen. Zij stelde den mensch in betrekking met God, die woonde in het midden zijns volks, en met al het heil, dat in Christus was toegezegd. —■ Hetzelfde doet de doop, daar hij in gemeenschap brengt met Christus, van wien Paulus* (Rom. 15:8) zegt: „dat Hij een dienaar geworden is der besnijdenis van wege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der Vaderen.quot;

De besijdenis was niet het zegel van het geloof en de wedergeboorte der Israëlieten. De samenhang met het verbondsvolk was voldoende om haar te mogen ontvangen, en voor hem, die haar ontvangen had, was zij het onderpand van zijn geroepen zijn tot het deelgenootschap van de zegeningen des verbonds, en tevens een aansporing, om langs den weg der geloofsgehoorzaamheid, waardoor Abraham de recht-

1) Ygl. Oehler, t. a. p., 1, bl. 291.

2) Zie over dit een en ander J. van den Houert, in zijn Voorrede voor Ursinus\' Schatboek der verJclaringen van den Heidelb. Catechismus, bl. 150—156 en Junius, t. a. p., bl. 267 en 268.

-ocr page 197-

185

vaardiging verkreeg, deze mede deelachtig te worden. De besnedenen hadden objectief de aanneming tot kinderen \'), omdat zij behoorden tot het volk, waaraan dit voorrecht door God was geschonken. — Evenmin als de besnijdenis, heeft de doop het zaligmakend geloof en de wedergeboorte tot voorwaarde, al beeldt hij de noodzakelijkheid daarvan af. Geschiedde de besnijdenis voor de wedergeboorte, maar stelde zij den eisch der wedergeboorte, op grond van de voorrechten, die zij deelachtig maakte, hetzelfde kan van den doop worden gezegd, omdat hij, met Christus in gemeenschap brengende, dit voorrecht gepaard doet gaan met den eisch van een wandel in nieuwigheid des levens.

De doop en de besnijdenis rusten alzoo op denzelfden grondslag: Christus. Zij waarborgen dezelfde beloften. Zij zijn het zinnebeeld van dezelfde zaak. Zij leggen dezelfde verplichtingen op. Hieruit volgt, dat er tusschen beide geen ander verschil bestaat, dan dat de besnijdenis betrekking had op de belofte, terwijl de doop betrekking heeft op de vervulling in Christus.

Hetgeen de besnijdenis slechts voorafschaduwde, hot is in de werkelijkheid in Christus verschenen, en in zijn gemeenschap te verkrijgen. Hierop doelt Paulus, als hij, Col. 2:11 en 12, de besnijdenis vergelijkt met „de uittrekking van het lichaam des vleesches in de gemeenschap met Christus, zijnde met hem begraven in den doopquot;, en als hij die uittrekking „de besnijdenis van Christusquot; noemt. Hij vergelijkt hier de uitwendige besnijdenis met de innerlijke, de geestelijke. En van deze innerlijke, geestelijke, zegt hij, dat zij geschiedt „in den doopquot;, den doop, waardoor men met Christus in gemeenschap treedt. Hij vergelijkt alzoo het zinnebeeld met de werkelijkheid, de schaduw met het wezen. Nu is de doop van dezelfde werkelijkheid het zinnebeeld, en de schaduw van hetzelfde wezen. En Paulus zegt daarbij uitdrukkelijk, dat de besijdenis heeft afgedaan

1) Rom. 9:4 eu 5.

-ocr page 198-

186

met de komst van Christus, en wijst daartegenover op den door Christus ingestelden doop, die hetzelfde afbeeldt wat door de besnijdenis werd afgebeeld. Het komt mij voor, dat wij daaruit met recht mogen afleiden, dat de doop de besnijdenis vervangen heeft.

Hetzelfde kunnen wij opmaken uit Matth. 28 : 19. Op deze plaats is er zeer zeker in het geheel geen sprake van de besnijdenis. Alleen van den doop. De Heer stelt hier uitdrukkelijk den christelijken doop in. Die doop moet worden bediend aan alle volken. Door doopen en leeren moeten de volken tot zijn discipelen worden gemaakt. En door den doop moeten zij worden opgenomen in zijn gemeenschap. Werd nu aangaande Hem tot Abraham gezegd: „In uw zaad zullen gezegend worden al de volken der aardequot;; en werd men onder het O. V. door de besnijdenis opgenomen in de sfeer van deze belofte, in de gemeenschap met den beloofden Verlosser; en heeft de Heer door de instelling van den doop uitdmkkelijk doen uitkomen, dat de besnijdenis in Hem een einde genomen had — wat ligt dan meer voor de hand, dan dat daarvoor de doop in de plaats is gesteld?

In dit verband is ook Hand. 2: 38 en 39 van groote beteekenis. Petrus vermaant hier de schare, om zich te laten doopen tot vergeving der zonden, en verzekert hun, dat zij daarna de gave des H. Geestes zouden ontvangen. Het is niet te ontkennen, dat hij ook die gave in verband brengt met den doop. \') En wijst hij daarbij op de belofte Gods als op den grond, waarop zij verwachten mochten, die gave deelachtig te zullen worden, de belofte, die zonder twijfel doelt op hetgeen God tot Abraham gesproken had, 1) en waarvan de besnijdenis het zegel was — dan vloeit daaruit voort, dat ook hij den doop beschouwt als de plechtigheid, die de besnijdenis vervangen heeft.

1

Vgl. Hand. 3: 25 en 26.

-ocr page 199-

187

Het verbond met Abraham opgericht wees op Christus als op zijn bevestiging en vervulling. Dientengevolge wees de besnijdenis, als het teeken van dat verbond, op hetgeen in de gemeenschap met Christus te verkrijgen is. En daar hetgeen in de gemeenschap met Christus te verkrijgen is de vrucht is van zijn verlossingswerk, wees de besnijdenis op het verlossingswerk van Christus. Haar doel was derhalve bereikt en haar beteekenis was ten einde, toen Christus door zijn dood en zijn opstanding dat werk volbracht had. Nu is de doop het zinnebeeld van het begraven worden met Christns, om ten nieuwen leven weder met Hem op te staan. Hij kan alzoo gezegd worden, te beginnen waar de besnijdenis eindigt, daar deze eindigt met den dood en de opstanding van Christus, immers met zijn verlossingswerk. Hieruit volgt, dat de besnijdenis haar voortzetting vindt in den doop, gelijk het Oude Verbond, waarvan zij het teeken is, zijn voortzetting heeft in het Nieuwe. En is dit zoo, dan kan met recht daaruit worden besloten, dat de doop de besnijdenis vervangen heeft.

Voor het overige breng ik hier in herinnering wat quot;Wormser over dit een en ander zoo goed heeft gezegd in zijn bekend geschrift: !) „De besnijdenis onder het oude verbond was een zegel en onderpand van de geestelijke besnijdenis, die op eenmaal door den dood en de opstanding van Christus voor de gansche Kerk, van het begin tot het einde der wereld, zou uitgewerkt en verworven worden, en die (uit het zijne genomen wordende) in der tijd aan de bijzondere geloo-vigen door den H. Geest wordt toegepast.--De besnijdenis van het oude verbond ontving dus de vervulling van hare beteekenis in het verlossingswerk van Christus, en aldus zijn ook de geloovigen onder het nieuwe verbond de besnijdenis deelachtig wat haren inhoud en beteekenis betreft. — — De besnijdenis, haar vervulling erlangende, is alzoo, met al haar wettige consequentiën ook voor de kin-

1) De Tcinderdoop, beschouwd met hetrelcTcing tot het bijzondere^ kerlcelijke en maatschappelijlce leven, tweede druk, bl. 79—84.

-ocr page 200-

188

deren, overgegaan in den doop. Daarom zeiden de vaderen in het formulier terecht: „Dewijl dan nu de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is, zoo zal men de jonge kinderen, als erfgenamen van het Rijk van God en van zijn Verbond, doopen.quot; De besnijdenis wees dus op de besnijdenis, dat is, op de verlossing van zonde en schande, die Christus in zijn dood zou aanbrengen. Daarop, en niet op de lichamelijke besnijding, moest de Israëliet zien en vertrouwen. Anders werd zijne besnijding iets onbruikbaars, eene versnijding; terwijl van hen, die hunne hoop en vertrouwen op het verlossingswerk van Christus stellen, ofschoon zij uit de heidenen zijn, gezegd wordt: „want wij zijn de besnijding , wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vleesch betrouwen.quot; De christenen, de gedoopten, zijn dus de besnijding, overeenkomstig het oogmerk, waartoe zij van God gegeven is aan Abraham en zijn zaad. — — De doop, als het zegel van het genade verbond, is alzoo tevens het teeken, dat de besnijdenis, welke bestaat in de uittrekking van het lichaam der zonde, voor de gansche Kerk vervuld en volbracht is in den dood en de opstanding van onzen Heer. De besnijdenis eindigt en de doop begint in den dood en de opstanding van Hem, die ons gekocht heeft met zijn bloed: „in Wien gij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonde, door de besnijdenis van Christus, zijnde met Hem begraven in den doop.quot; De besnijdenis is alzoo opgenomen in den doop, en is daarin vervat, gelijk de dood van Christus begrepen is in zijn opstanding. De besnijdenis, ziende op het verlossingswerk van Christus, ging met Hem in het graf, en werd door zijn opstanding doop.quot;

Komt alzoo de doop in beteekenis volkomen overeen met de besnijdenis, en kan de doop gezegd worden, de besnijdenis te hebben vervangen, dan volgt daaruit, dat de doop onder het N. V. is hetgeen de besnijdenis onder het O. V. was, en dat de doop beschouwd kan worden, niet alleen als

-ocr page 201-

189

het teeken des verbonds, maar ook als het zegel en het onderpand van de zegeningen, die het bevat, dewijl het verbond Gods, ondanks de verscheidenheid der bedeelingen, in zijn wezen hetzelfde is onder de Nieuwe, als onder de Oude bedeeling \').

Is nu God niet alleen onze God, maar ook de God van onze kinderen; is niet enkel voor de volwassenen, maar ook voor de onmondige kinderen de belofte aan Abraham gegeven: „In uw zaad zullen alle geslachten des aardrijks gezegend wordenquot;; en staan niet slechts de volwassenen, maar ook de kinderen der gemeente door Christus in ver-bondsbetrekking tot God: — dan vloeit uit dat alles noodzakelijk voort, dat, gelijk de kleine kinderen der Israëlieten het teeken des verbonds ontvingen, ook de christenkinderen er recht op hebben. Want komt hun de beteekende zaak toe, waarom zal men hun dan het teeken moeten onthouden.1)

Het teeken en het woord van God behooren bij elkander. Het teeken bekrachtigt het woord als met een zegel. Het geeft het te aanschouwen, en is daaraan dienstbaar gemaakt.

1

Vgl. Brakel, t. a. p., bl. 994—990; en Junius, t. a. p., bl. 267, 2: „Deinde Sacrameutorum Veritas ex promissionibus divinis et sacris mys-teriis, quibus applicandis et obsignandis, instituta sunt, prorsus dependet;

-ocr page 202-

190

Komt nu het woord den kinderen toe, waarom dan ook niet het teeken, dat het bekrachtigt? En heeft God terstond na de oprichting van het verbond bevolen, om het met een uitwendig teeken te verzegelen, waarom zou dan onder de Nieuwe bedeeling hetzelfde verbond niet door een uitwendig teeken verzegeld kunnea worden? Indien wel aan Israël een uitwendig teeken gegeven was, waardoor het de verzekering had, dat het met zijn kinderen deel had aan de zegeningen des verbonds, en aan onze kinderen werd zulk een teeken niet gegeven, „dan zou door de komst van Christus teweeggebracht zijn, dat de genade Gods ons nu duisterder en minder betuigd is, dan zij dat eertijds was voor de Joden. Indien dit, zonder Christus ten uiterste te smaden, niet kan gezegd worden, door Wien de oneindige goedheid des Vaders treffelijker en overvloediger dan ooit op aarde uitgestort en den menschen verklaard is geworden, zoo moeten wij bekennen, dat die goedheid ten minste niet meer verduisterd en door geen minder getuigenis opgeluisterd moet worden, dan zulks geschied is onder de duistere schaduwen der wet.quot; \')

Abraham werd besneden, toen hij 99 jaar oud was, en nadat hij geloofd had de blijde boodschap van het verbond, dat God met hem ging oprichten. 2)

adeo ut dicere possimus, ad quos beneficia Christi, et promissiones Dei pertinent, ad eos etiam peitinere signa Sacramentalia quae sunt promis-sionum appendices. Et hanc esse videmus argumentationem qua utitur Petrus: Act. Ü. 38. 39. Probaturus enim baptizari debere, in remissionem peccatorum, Judaeos quos alloquebatur, banc adfert causam, Quia vóbis (inquit) facta est promissio. Infantibus autem fidelium factas esse promissiones: nemo negarit: Quum testetur Deus Abrahamo se fore illi Deum et semini ejus; Juxta illud Petri, Ad vos et ad liberos vestros facta est promissio. Adde quod ad eos etiam pertinent et mysteria sacra illis signis adumbrata: Remissionem enim peccatorum consequuntur in Christo, qui, ut ait Paulus, Ecclesiam, cujus sunt membra, mundavit lavacro aquae. JEphes. 5: 2G. 27.quot;

1) Calvijn, t. a. p. Vgl. a Marck, t. a. p., bl. 820 en Turrettinus, t. a. p., bi. 466.

2) Zie Gen. 17:7; vgl. Rorn. 4:11 en Gal. 3:8.

-ocr page 203-

191

Op dienzelfden dag werden allen, die tot zijn huis behoorden, besneden. Ismaël was toen 13 jaar oud, en die tegelijk met hem de besnijdenis ontvingen waren zeker niet meer in den kinderlijken leeftijd.!) Maar nadat het verbond was opgericht, werden alleen proselieten, die zich bij Israël aansloten, op lateren leeftijd besneden, terwijl de kinderen der Israëlieten reeds op den achtsten dag na de geboorte de besnijdenis ontvingen.

Dit was het geval met Izak, den zoon der belofte, en zulks is sedert vaste regel gebleven voor alle Israëlitische kinderen. De verbondsbelofte wachtte hen op in het leven. Die belofte kwam ook hun toe, en daarom ontvingen zij , zoo spoedig als de- wet het toeliet, het teeken des verbonds. Waarom zou dan, mede op denzelfden grond, de doop niet bediend mogen worden aan de kleine kinderen, die geboren zijn in het midden der christelijke gemeente?

Hetgeen de besnijdenis van Gods zijde verzegelde, kon eerst persoonlijk worden verkregen door te beantwoorden aan de verplichtingen, die de verbondsbeloften met zich medebrachten, en die door de besnijdenis werd afgebeeld. Daarom deed de besnijdenis aan velen geen nut, en verkregen dezen niet in werkelijkheid wat zij hun afbeeldde en verzegelde, omdat zij niet geloofden.

Hun ongeloof kon evenwel de getrouwheid Gods niet te niet doen.1) De belofte bleef hun geschonken. Zij bleef haar objectieve waarde behouden; en aan hen alleen de schuld, dat zij verstoken bleven van de zegeningen, die daarin vervat zijn.2) Hetzelfde is waarheid ten opzichte van den doop.

Eindelijk: daar de doop dezelfde beteekenis heeft als de besnijdenis, en de besnijdenis, nadat het verbond was opgericht, alleen aan proselieten op lateren leeftijd bediend werd, terwijl die van de geboorte af tot Israël behoorden haar

1

Rom. 3: 3.

2

Zie Rpm. 2:25; vgl. Phi4ipp. 3:3.

-ocr page 204-

192

reeds op den achtsten dag na de geboorte ontvingen, kon men in de eerste christelijke gemeente er gemakkelijk toe komen, om door analogie de gevolgtrekking te maken, dat, terwijl na de uitstorting van den H. Geest in den beginne niet dan volwassenen, op hun vrijwilligen overgang tot het christendom, gedoopt werden, omdat toen de christelijke Kerk nog in haar eerste wording was, later zij, die in reeds gevestigde gemeenten geboren werden en reeds door geboorte tot de christelijke Kerk behoorden, reeds als zuigelingen gedoopt mochten worden.

Die gevolgtrekking lag voor de hand. En wij moeten zeggen met Clément1): „Si cette conclusion est contraire a l\'Evangile, si la pratique qu\'elle consacre fausse la notion d\'Eglise et compromet l\'avenir du christianisme sur la terre, les apótres la préviendront certainement. Nous trouverons quelque part dans leurs écrits un e nseignement qui s\'opposera a une erreur si grave, qui ne permettra pas a l\'Eglise de descendre sur une pente oü elle se trouve naturellement placée. Un apótre baptiste n\'eüt pas gardé le silence; il n\'eüt pas manqué d\'avertir les chrétiens juifs que, de ce que leurs enfants étaient circoncis a huit jours comme membres de l\'ancien peuple, ils ne devaient pas conclure que les enfants des chrétiens dussent être baptisés a un age aussi tendre.quot;

Op nog éene zaak wensch ik in dit verband de aandacht te vestigen. Het is -namelijk: dat indien Abraham het teeken der besnijdenis, die het verbond Gods, waarvan Christus de grondslag is, verzegelde, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn onmondige nakomelingen heeft kunnen ontvangen, het dan in den aard der zaak ligt, dat Christfe ook voor de onmondige kinderen den toegang geopend -Éeeft tot het teeken des verbonds onder de Meuwe bedeeling. Anders zou men moeten aannemen, wat niet aangenomen kan worden: dat de beteekenis van den per-

1

A. w., bl. 290.

-ocr page 205-

193

soon van Abraham veel verder reikt, dan de beteekenis van den persoon van Christus, en dat Abraham, als hoofd van zijn geslacht, voor dit geslacht wel heeft kunnen verkrijgen wat Christus, als Hoofd van de gemeente, voor die gemeente niet hoeft kunnen verwerven. quot;Waaruit volgen zou, dat de betrekking, waarin Christus tot zijn gemeente staat, niet zoo nauw is, als de samenhang, die er bestond tusschen Abraham en de kinderen der Oude bedeeling.

Het is noodig, dit eenigszins nader in het licht te stellen, omdat het van groot gewicht is voor het vraagstuk, dat ons nu bezighoudt.

Dat de beteekenis van den persoon van Christus voor het menschelijk geslacht veel verder reikt, dan die van den persoon van Abraham, springt in het oog, en zal door ieder worden toegestemd. Reeds hetgeen wij in de vorige §, met het oog op Rom. 5:12—21, in het midden hebben gebracht verheft het boven allen twijfel. Beschouwen wij die waarheid nu meer bepaald in verband met de verhouding van den doop tot de besnijdenis.

Rom. 4:11 zegt Paulus, dat Abraham het teeken der besnijdenis ontvangen heeft als een zegel van de rechtvaardigheid, die hem wegens zijn geloof, uit genade, door God was toegerekend, toen hij nog in de voorhuid was.

Dat teeken ontving Abraham niet slechts voor zich zelf, maar ook voor zijn geslacht. Hij ontving het als hoofd van zijn geslacht; ontving het, ook voor de onmondige kinderen, zelfs voor die later niet zouden wandelen in zijn voetstappen , en zouden afwijken van het verbond, dat God in hem met hen opgericht had.

Hoewel zijn geloof nog onvolkomen was; terwijl aan zijn heiligmaking nog veel ontbrak; en niettegenstaande zijn onderhouding van de geboden Gods niet gezegd kon worden volmaakt te zijn — zoodat zijn geloof hem, uit genade, tot rechtvaardigheid moest worden gerekend, daar het zulks in zich zelf niet was — heeft hij nochtans, door dat onvolkomen geloof, het teeken des verbonds verworven voor zijn geslacht, verworven in zijn persoon als hoofd van dat

13

-ocr page 206-

194

geslacht, opdat aan zijn nakomelingen, om der wille van zijn onvolkomen geloof, zou worden betuigd, dat God een verbond der genade met hen opgericht had, en dat zij mede deel hadden aan de zegeningen, die daarmede verbonden waren.

Stellen wij nu daartegenover den persoon van Christus. Hij is de overste Leidsman en \'Voleinder des geloofs (Hebr. 12: 2). Aan zijn heiligmaking ontbrak hoegenaamd niets. Hij heeft de geboden Gods volkomen onderhouden. Zijn gehoorzaamheid was een volmaakte gehoorzaamheid. Hij was geheel rechtvaardig; rechtvaardig in zich zelf; rechtvaardig in allen deele; zoodat Hij persoonlijk, in de volle werke-lijkheid, alles bezat, wat God eischte en van Hem eischen mocht als plaatsbekleeder van den zondaar, en Hem hoegenaamd niets uit genade behoefde toegerekend te worden.

Hoeveel te meer zal dan die Christus, door zijn persoon, als het Hoofd der gemeente, voor die gemeente hebben verworven het teeken van het verbond der genade, dat verbond, waarvan Hij het middenpunt is, en waarvan de beloften in Hem vervuld zijn?

Indien het recht op de besnijdenis, door den persoon van Abraham, zich over de geheele Israëlitische gemeente, en inzonderheid over de onmondige kinderen, heeft uitgestrekt, hoeveel te meer zal dan, door den persoon van Christus, het recht op den doop zich over de geheele christelijke gemeente, met inbegrip van hare kinderen, moeten uitstrekken?

Volgens Efez. 3 : 6 zijn de Heidenen in Christus medeerfgenamen van de belofte, en behooren zij tot hetzelfde lichaam. En volgens Rom. 11 :22 behooren ook zij er toe, die niet blijven in de goedertierenheid Gods, welke hen als takken van den wilden olijfboom geënt heeft in den tammen, opdat zij de wortels en de vettigheid daarvan mede deelachtig zouden worden.

De geheele gemeente uit de Heidenen is door den persoon van Christus in dien olijfboom ingeënt.

De f/eheele gemeente; dus hare kinderen niet uitgesloten.

-ocr page 207-

195

De goedertierenheid Gods is zoowel over hen, als over haar. Diezelfde goedertierenheid, die in Abraham over de Israëlitische gemeente en over hare kinderen was. Die goedertierenheid, die in Christus zooveel heerlijker en zooveel overvloediger is openbaar geworden, en waardoor zij, die eertijds verre waren, nabij zijn geworden, zoodat zij niet meer vreemdelingen en bijwoners zijn, maar medeburgers der heiligen, en huisgenooten Gods: gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is. \')

Nog eens dan; Indien de persoon van Abraham, ten opzichte van de besnijdenis, zulk een uitgebreide beteekenis had, dat zijn onmondige nakomelingen aanspraak hadden op dat teeken des verbonds — hoeveel te meer zal dan de persoon van Christus, ten opzichte van don doop, die beteekenis moeten hebben voor de kinderen der gemeente, die zijn lichaam is en in Hem wortelt?

Mij dunkt, dat deze parellel tusschen den\' vader der geloovigen en den oversten Leidsman en Voleinder dos geloofs op zich zelve reeds genoeg is, om aan te wijzen, dat de kinderdoop uit den aard der zaak het voorrecht van de gemeente is, de gemeente waarvan Christus het Hoofd is, Christus, aangaande wien de apostel getuigen kon: „Want wij zijn leden zijns lichaams, van zijn vleesch en van zijn gebeente. Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot éen vleesch zijn. Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente.quot;1)

Brengen wij, ten slotte, dit een en ander ook in verband met den enkelen geloovige onder het N. Verbond.

Het persoonlijk geloof van Abraham had in Gods oog-zulk een waarde, dat de besnijdenis, het zegel van de rechtvaardigheid des geloofs, door zijn onmondige nakome-

13*

1

Efez. 5 : 30—32.

-ocr page 208-

196

lingen ontvangen werd. Waarom zou dan onder de Nieuwe bedeeling het persoonlijk geloof van de christenouders niet die beteekenis in Gods oogen hebben, dat de doop, het teeken van de in Christus te verkrijgen zegeningen, ook aan hunne kinderen bediend mag worden?

De geloovige is onder het N. Y. een priester van zijn gezin. Hij is een Abraham, die de beloften ontvangt, niet alleen voor zich zelf, maar ook voor zijn huis. Daarom is het niet dan natuurlijk, dat de genadige voorrechten, die hem geschonken zijn, en waartoe de doop mede behoort, tevens gelden voor zijne kinderen reeds in hunne prille jeugd.

Eer wij tot de volgende § overgaan, moeten wij met een enkel woord stilstaan bij hetgeen gewoonlijk wordt ingebracht tegen hetgeen wij gevonden hebben aangaande de verhouding van den doop tot de besnijdenis. Men heeft nl. gezegd, dat, indien op den doop van toepassing is wat van toepassing was op de besnijdenis, de kinderen dan juist op den achtsten dag na de geboorte, en wel alleen de kindéren van het mannelijk geslacht, gedoopt moesten worden. Dit bezwaar kan echter niet als afdoende worden beschouwd. Het verdwijnt, als men het volgende in het oog houdt.

Ten eerste: Dat de Israëlitische kinderen juist op den achtsten dag na de geboorte besneden moesten worden, was gegrond op hetgeen geschreven stond in de Mozaïsche wet, nl. dat een kind van het mannelijk geslacht gedurende zeven dagen als onrein moest worden beschouwd. *) Christus echter heeft alle leeftijden, en dus ook den kinderlijken, in zijn persoon gewijd en geheiligd, en daardoor hetgeen voor de kinderen in dezen een belemmering zou geweest zijn, om voor den achtsten dag het teeken des verbonds te ontvangen, van hen weggenomen, zoodat zij zelfs terstond na de geboorte gedoopt zouden mogen worden. 1) Bovendien zou, indien dat bezwaar hier eenigermate gelden kon,

1

Vgl. Wormser, t. a. p., bl. 83.

-ocr page 209-

197

daaruit geenszins mogen worden afgeleid, dat de kinderdoop ongeoorloofd is; wel, dat de kinderen juist op den achtsten dag na de geboorte gedoopt moesten worden.

Ten tweede: Niet alleen lag het in den aard dor zaak, dat de besnijdenis alleen op kinderen van het mannelijk geslacht moest worden toegepast, terwijl de doop ook aan die van het vrouwelijk geslacht bediend kan worden, maar ook trad onder het O. V. de vrouw geheel op den achtergrond. Zij werd alleen in den man tot het verbond gerekend, en bekleedde daarin geen zelfstandige plaats. Onder het N. V. daarentegen is er geen onderscheid „tusschen Jood en Griek, tusschen dienstknecht en vrije, tusschen man en vrouw, maar zijn allen éen in Christus Jezus.quot;1)

§ 8-

De kinderdoop en de praxis van de vroegste christelijke Kerk.

De patres apostolici (apostolische vaders), die in de geschriften, welke wij van hen bezitten, over den doop hebben gesproken, zijn Barnabas en Hermas. Raadplegen wij die geschriften, den moeten wij toestemmen, dat daarin geen uitspraken voorkomen, waaruit rechtstreeks kan worden opgemaakt, dat de kinderdoop, in den tijd, die onmiddellijk volgde op den apostolischen, in gebruik is geweest. Maar aan den anderen kant bevatten zij niets, waaruit met eenigen grond afgeleid zou mogen worden, dat die patres tegen den kinder- en voor den bejaardendoop zijn geweest. Veeleer het tegendeel, daar niet alleen de wijze, waarop zij over den doop spreken, maar ook de waarde, die zij aan deze plechtigheid toekennen, consequent tot den kinderdoop voert.

In het llde Hoofdstuk van den Brief, die aan Barnabas,

1

Gal. 3:27 en 28.

-ocr page 210-

198

den reisgenoot van Paulus, wordt toegeschreven1), wordt, met toespeling op Ezech. 47 : 12, aangaande den doop gezegd: „Wij dalen af in het water, beladen met zonden en onreinheid, en wij stijgen daaruit weder op, vruchten dragende in onze harten, en hebbende de vreeze des Heeren en de hoop op Jezus in onzen geestquot; 2).

Hermas stelt in zijn Pastor (ttow/iv) 3) den doop voor als noodzakelijk tot zaligheid. Hij vergelijkt daarin de Kerk met een toren, die boven het water gebouwd is. Op de vraag: Waarom die toren boven het water gebouwd is? geeft hij ten antwoord: „Omdat het leven door middel van het water (nl. den doop) behouden wordtquot; 4). Op een andere plaats zegt hij, dat de apostelen na hun dood den doop hebben moeten bedienen aan de geesten der godvruch-tigen onder de oude bedeeling, opdat dezen de eeuwige rust zouden deelachtig worden, daar zij zonder den doop het Koninkrijk der hemelen niet konden binnengaan. Want voordat de mensch het zegel van den naam van den Zone Gods ontvangen heeft, is hij gewijd aan den dood, maar zoodra hij het ontvangen heeft, is hij bevrijd van den dood en overgebracht in het leven. Dit zegel is het water des doops,

1

Hoe men ook moge donken over de echtheid van den Brief, hierover is men het vrij algemeen eens: dat hij geschreven is in het begin van de 2lt;le eeuw, zoodat wij daarin een geschrift hebben uit een tijd, welke onmiddellijk grensde aan dien der apostelen.

2

„{jfteti; /-ièw . . . KaTczfèxtvoitev ro vèup yé[tovree a/zapr/wv xzt fvirov, KXÏ XVCC@ZlVO(i£V JCXp7rO$OpOVVT£i; êv T}) KXpStCC TOV lt;pÓf3ov XXt TjJv t\'ATtamp;U. £/£ tov \'ItircCv \'éxsvreg hv rei ■zvivuxti.quot; Zie Tischendorf, Fatrum aposioliconim opera, Lipsiae 1857, bl. 26; en Oscar de Gebhardt, Adolfus Harnack en ïheod. Zahn, Patrum apostolwonm opera. Lips. 1875, I, bl. 43.

3

Dit geschrift is zonder twijfel uit de eerste helft van de 2ile eeuw. Dit blijkt voldoende uit het feit, dat het reeds door Irenaeus en Clemens Alexandrinus geciteerd is.

4

Lib. I, Visio III, 3: „Interrogavi illam: quare turris aedificata est super aquas, domina? Respondit: dixeram tibi et prius, versutum te esse circa structuras diligenter inquirentem; igitur invenies verritatein. Quare ergo super aquas aedificatur turris, audi: quoniam vita vestra per aquam salva facta est et fiot. Fundata est enim verbo oumipotenüs et honoriflei •löminis; continetur autem ab invisibili virtute Dei.quot; Zie Tischendorf, t, a. p., bl. 424.

-ocr page 211-

199

waarin de menschen afdalen, onderworpen aan den dood, en waaruit zij weder opstijgen, in het bezit van het leven. !)

In het geheele verband, waarin deze aangehaalde woorden voorkomen, is er geen sprake van kleine kinderen. Toch acht ik het zeer onwaarschijnlijk, dat iemand, die zóo over den doop denkt, en zulk een wonderbare kracht daaraan toeschrijft, tegen den kinderdoop zou geweest zijn.

Hetzelfde geldt van Barnabas, wiens gevoelen aangaande de kracht en de waarde van den doop, blijkens het uit zijn Brief bijgebrachte citaat, geheel overeenkomt met dat van Hermas 1).

Justinus Martyr, geb. omstreeks het jaar 89, en onthoofd onder Marcus Aurelius tusschen de jaren 161 en 168, spreekt in zijn groote Apologie 2) over vele zestig- en zeven-

1

\'2) Volgens Matthies mag men uit het feit, dat Barnabas en Hermas den doop voor noodzakelijk tot zaligheid hebben gehouden, omdat de mensch van den dag zijner geboorte af onrein en bezoedeld is door de zonde, niet alleiden, dat zij daarom ook voor den kinderdoop zijn geweest. Hij zegt dit op dezen grond (JBaptismatis expositio hihlica, historica, dogmatic a, bl. 187); „Attamen non minus couvincere possis, etiam sacram scripturam paedobaptismum habere necessariurn, eumque praescribere, quamquam ue verbo quidem memoratur, iufantem esse baptizatum.quot; Dit gaat niet op, daar in de 11. Schrift de doop niet voorgesteld wordt als volstrekt noodzakelijk tot zaligheid. Ware zulke, wel het geval, dan zou daaruit wel degelijk mogen worden afgeleid, dat de doop ook aan onmondige kinderen bediend mag worden.

2

\\óyct t/xÈf tm xxi\' ïij-xs Soynaruv. Justinus schreef deze Apologie

-ocr page 212-

200

tigjarigen van boide geslachten onder de christenen, „die van hunne jeugd af discipelen van Christus geweest, en steeds kuisch (onbedorven) gebleven zijnquot;

Sommigen hebben in deze woorden een bewijs meenen te vinden voor het bestaan van den kinderdoop reeds ten tijde van Justinus, en dien op grond daarvan opgevoerd tot het einde van de eerste eeuw. Zulks kan evenwel niet met recht uit die woorden worden afgeleid. Want ook wanneer men aannemen moet, dat „een discipel van Christus zijnquot; hetzelfde zegt als gedoopt te wezen, behoeft men niet noodwendig aan zuigelingen te denken bij de woorden „van hunne jeugd af.quot;

Bovendien sluit de uitdrukking „een discipel van Christus zijnquot; niet noodwendig in zich, dat men gedoopt is. Volgens het patristisch spraakgebruik kan daaronder even goed verstaan worden iemand, die onderwezen wordt in het Evangelie, om daarna den doop te ontvangen — dus een catechumeen.

Die woorden bewijzen alzoo niets voor het bestaen van den kinderdoop, maar wel voor het bestaan van het cate-chumenaat ten tijde van Justinus. Daarop schijnt Justinus hier ook het oog te hebben gehad; hetgeen te waarschijnlijker is, daar hij, in deze zelfde Apologie, op een andere plaats, over den doop sprekende, zegt: dat alleen zij, die gelooven wat hun geleerd is, en daarnaar leven willen, tot den doop worden toegelaten 1).

1

De plaats luidt in zijn geheel, vertaald, aldus: „Zoovelen als overtuigd worden eu gelooven, dat die dingen, welke door ons geleerd en verkondigd worden, waarheid zijn, en zich verbinden om er naar te leven, worden opgewekt om God te bidden, en met vasten de vergeving van hunne vroegere zonden af te smeeken, terwijl wij ons in bidden en vasten met

-ocr page 213-

201

Intusschen kan uit deze waarheid geenszins worden opgemaakt, dat Justinus tegen den kinderdoop is geweest, daar hij in deze zijn eerste Apologie, in verband met het bijzonder doel, dat hij daarmede gehad heeft, in de eerste plaats over den proselietendoop spreekt en spreken moest, immers over den doop zooals hij bediend zou worden aan de Heidenen, tot wie hij het woord richtte, indien zij besluiten mochten, tot het quot;christendom over te gaan. Zelfs zou in zeker opzicht reeds uit die plaats afgeleid mogen worden, dat hij den kinderdoop zal hebben goedgekeurd, daar hij in dat verband de meening uitspreekt, dat men door den doop wordt wedergeboren, en zich daarvoor op Joh. 3 : 5 beroept.

Op betere gronden mogen wij ons voor het bestaan van den kinderdoop ten tijde van Justinus beroepen op hetgeen hij in zijn tegen het Jodendom gericht Twistgesprek met den Jood Trypho (sia/.c-yoc ■tvpo; Tputpcovx) aaangaande den doop schrijft. Aanwijzende, dat het Jodendom ook ten opzichte van de besnijdenis in het christendom zijn vervulling gevonden heeft, zegt hij aangaande zich zeiven en de andere christenen: „Door middel van den doop hebben wij, daar wij zondaars geweest zijn, door de barmhartigheid Gods, de geestelijke besnijdenis ontvangen. En het is aan allen bevolen (of geoorloofd), haar op gelijke wijze te ontvangen.quot; !)

hen vereenigeu. Dan worden zij gebracht naar een plaats, waar water is, en zij worden wedergeboren met dezelfde wijze van wedergeboorte, als waarop wij wedergeboren zijn (xai 7-poVov mceyewfaeui; cv xxi tineis ocutoi xveytnyitiij.ev, ccvseysvvüvTzi). Want zij worden dan, in den naam van God, den Yader en Heer van allen, en van onzen Zaligmaker Jezus Christus, en van den H. Geest in het water gewasschen. Want ook Christus heeft gezegd: „Zoo gij niet wedergeboren wordt, gij kunt in het Koninkrijk der hemelen niet ingaan.quot; — Dat men volgens het patristisch spraakgebruik een discipel van Christus kan zijn nog voordat meu den doop heeft ontvangen, blijkt zeer duidelijk uit hetgeen Basilius schrijft. De baptismo, Lib. I, c. 1, als hij zegt: „ön êet npwrov [jlxQ^tsvöïïvoci rui Kvptu, koci róre xxtx^iaöiivai tov ccyiov Pavrta-narosquot;; en Contra Eunomium, Lib. Ill: ^KKTTtvaxi yxp oei Trpórepov • elrx rw $xTrTi(T[j.xTt eirtrQpxyhxrQxtquot;, Vgl.

Matthies, t. a. p., bl. 188.

1) „xxi itneis ot Six tovtov TrpixrxupfaxvTet rif ©eSS oü rxuryv rijv xxrx

-ocr page 214-

202

Daar Justinus in dit verband ten doel heeft, om tegenover de besnijdenis des Ouden de algemeene strekking van den doop des N. V. in het licht te stellen, kan hij met de aangehaalde woorden niets anders te kennen hebben willen geven dan: dat, terwijl de oud-Testamentische besnijdenis alleen voor mannelijke kinderen bestemd was, de doop zoowel aan mannelijke als aau vrouwelijke kinderen bediend moet worden.\')

De gedachte aan den kinderdoop ligt in ieder geval voor de hand, inzonderheid met het oog op de analogie met de Oud-Testamentische besnijdenis, die in de eerste plaats op kinderen werd toegepast, en voor welke hij uitdrukkelijk zegt, dat de doop in de plaats is gekomen.

Nemen wij nu in aanmerking, dat Justinus zijn Twistgesprek in het begin van de regeering van Antonius Pius (deze regeerde van 138—161), dus omstreeks het jaar 139, geschreven heeft, dan hebben wij hier een getuigenis voor het bestaan van den kinderdoop reeds in de eerste helft van de tweede eeuw. En daar Justinus daarvan niet .spreekt als van iets nieuws, ligt het voor de hand om aan te nemen, dat hij dien in zijn geheelen leeftijd gekend heeft; zoodat de kinderdoop, op grond van zijn getuigenis, gezegd kan worden, reeds in het einde van de eerste eeuw in zwang te zijn geweest.

Irenaeus, geboren in het jaar 177 en gestorven in 202,

(rxfKcc 5rfl!peAa/3cfi£v ttepito^v, aAAa rrvevitutiiuiv ■ Sè Six tov (JaTT/V-

fixrot; xvTviv, e-zsièy, xfixpruhoi eyByóvsipsv, Six to \'sAeo; to Trxpx rou Ssou elxfiof sv • Kxi vxs-iv hlt;perdv ciMotac AxuPxyeiv.quot;

1) Terecht zegt Dr. Grundlehner, in zijn belangrijke bijdrage: Set vraagstuk van den Tcinderdoop, ieschouwd van zijn historische zijde (te vinden in de Stemmen voor Waarheid en Vrede, Jaargang 1882, Juli-nuramer, bl. 1—24): „Te vergeefs zou men deze woorden van htm kracht berooven door de verklaring, dat de bedoeling van Justinus Martyr enkel is, te doen uitkomem dat de doop beide aan mannen en vrouwen wordt toegediend, terwijl de besnijdenis enkel voor mannen bestemd is. Waar in tegenstelling met de besnijdenis des Ouden Verbonds gewezen wordt op de algemeenheid van den doop des Nieuwen Verbonds kan geen sprake zijn van mannen en vrouwen, maar wel van mannelijke en vrouwelijke kinderen.quot;

-ocr page 215-

203

leerling van Polyearpus (f 169), die, naar men zegt, een discipel geweest is van den apostel Johannes, schrijft in zijn boek Tegen de ketters1): „Want Hij (nl. Christus) is gekomen, om allen door zich zeiven te behouden, allen, zeg ik, die door Hem tot God worden wedergeboren: de zuigelingen, en de kleine kinderen, en de knapen, en de jongelingen, en die van ouderen leeftijd. Daarom is Hij zelf eiken leeftijd doorgegaan, en is Hij een zuigeling geworden voor de zuigelingen, de zuigelingen heiligende; een klein kind onder de kleine kinderen, heiligende die van dezen leeftijd zijn, en hun tevens een voorbeeld gevende van godsvrucht en rechtvaardigheid en onderworpenheid; een jongeling onder de jongelingen, voor de jongelingen een voorbeeld zijnde, en hen heiligende voor den Heer, enz.quot; 2)

Zonder twijfel maakt Irenaeus in deze woorden niet uitdrukkelijk melding van den doop. Maar nochtans kan daaruit worden afgeleid, dat de kinderdoop in zijn tijd niet alleen in gebruik is geweest, maar dat hij ook\' zijn goedkeuring heeft weggedragen.

Wij beweren dit op grond van het volgende. Overeenkomstig het spraakgebruik zoowel van Irenaeus, als van de oudste christelijke Kerk, zegt „gedoopt te wordenquot; hetzelfde als „wedergeboren te wordenquot;, en bestaat er tusschen beide uitdrukkingen zulk een nauw verband, dat zij meestal

1

Adversus Haereses, Lib. II, c. *22.

2

„Magister ergo existens magistri quoque habebat aetatem, non repro-bans nee supergrediens hominem, ueque solvens suam legem in se humani generis, sed omnem aetatem sanctifieans per illain, quae ad ipsam erat, similitudinem. Ornnes eniin venit per seraetipsum salvare, omnes, inquam, qui per eum renascuntur in Ueum: infantes et parvulos et pueros et ju-venes et seniores. Ideo per orniiem venit aetatem, et infantibus infans factus, sanctiflcaus infantes, in parvulis parvulus, sanctificans banc ipsam habeutes aetatem, simul et exemplum illis pietatis elfectus et justitiae et subjeclionis, in juvenibus juvenis, exemplum juvenibus fiens et sanctificans Domino. Sic et senior in senioribus, ut sit perfectus magister in omnibus non solum secundum expositionem veritatis sed et secundum aetatem, sanctificans simul seniores, exemplum ipsis quoque fiens; deinde et usque ad mortem pervenit, ut sit primogenitus ex mortuis, ipse primatum tenens in omnibus, princeps vitae, prior omnium et praecedens omnes.quot;

-ocr page 216-

204

door elkander gebruikt worden. Dit blijkt o. a. uit de plaats in de groote Apologie van Justinus Martyr, waar deze kerkvader zegt: „dat zij, die geloofd hebben, worden wedergeboren op dezelfde wijze, als waarop hij zelf en de andere christenen waren wedergeborenquot;, nl. door den doop.1) En dat er ook volgens Irenaeus geen verschil bestaat tus-schen „wedergeboren wordenquot; en „gedoopt worden,quot; zien wij zeer duidelijk uit Cap. I, 18 van zijn genoemd werk tegen de Gnostieken, waar hij den doop uitdrukkelijk noemt: een „geboorte uit God,quot;2) en uit Cap. Ill, 19, waar hij zegt: „dat de Heer de macht van de wedergeboorte tot God aan de discipelen gegeven heeft, toen Hij zeide: Gaat heen, onderwijst alle volken, hen doopende.quot; 3) Wij mogen daarom veilig aannemen, dat ook op de plaats, die ons nu bezighoudt, „wedergeboren wordenquot; hetzelfde te kennen geeft als „gedoopt worden.quot;

Zegt nu Irenaeus ook van de zuigelingen, dat Christus gekomen is, om hen door zich zeiven te behouden, „hen namelijk, die door Hem worden wedergeboren tot God,quot; .dan mogen wij daaruit besluiten, dat de kinderdoop in zijn tijd in gebruik is geweest. Zeer terecht zegt daaromtrent Höfling4): „Das exemplum des Herrn, wie die von ihm ausgehende expositio veritatis, kann sich für solche, welche nicht Augen-und Ohrenzeugen sind, nur durch die Predigt des Wortes vermittelen. quot;Wenn nun für die Wir-kung dieser die infantes oft\'enbar keine Empfanglichkeit haben, worauf soil das ihre Wiedergeburt und Seligkeit begründende Gemeinschaftsverhaltniss zu Christo beruhen, wenn nicht auf der Taufe? Wollten wir von der Taufe absehen, so müssten dem Sinne des Irenaus zuwider schlecht-hin alle infantes als renati per Christum in Deum

1

„quot;ETre/ra oiyovroci ity\' vpoov, evSoc vêup la-n y.camp;i rpÓTrov ccvccyewya-sax;, ov xxi itf/zeTs cthroi avBysvvyQmzsv, a,v0iyzvvamp;vT0Li.quot;

2

„Ka; \'óti psv sïq e^ccpvyriv rov /3#Tr/ö7/aro£, rtfe elq ©eov xvocyewvia-scas xoii TTua-ys rvji; TTta-rsac; oLKÓÜea-iv VTrofiépxyTui..

3

„Et iterum potestatem regenerationis in Deum demaudans discipulis dicebat eis: Euntes docete omnes gentes, baptizantis, etc,quot;

4

Das Sakrament der Taufe, 1, bl. 143.

-ocr page 217-

205

angesehen werden. Gewiss also kann man sagen, dass hier der ganze Gredankenzusammenliang auf die Voraussetzung der Kindertaufe hinweist; aber nicht blos dieser, audi die Worte, welche Irenaus gebraucht, thun dasselbe.quot;

Uit dit een en ander is duidelijk, dat er voldoende grond bestaat om het er voor te houden, dat Irenaeus den kinderdoop heeft gekend, en dat hij daarop mede het oog heeft op de door ons behandelde plaats. Dit getuigenis voor het bestaan van den kinderdoop reeds ten tijde van dien kerkvader is van groot gewicht. En wel, omdat hij, gelijk wij reeds herinnerd hebben, een leerling is geweest van Poly-carpus, die eenmaal aan de voeten van den apostel Johannes gezeten heeft, en wat hij wist, en aan Irenaeus geleerd zal hebben, uit den mond van dien apostel vernomen heeft.

Wenden wij nu den blik van Europa naar Afrika. Hier ontmoeten wij Tertullianus , geboren te Carthago in het jaar 160, en gestorven in 220. Hij schreef een afzonderlijke verhandeling Over den doop, en verheft daarin met nadruk zijn stem tegen den kinderdoop.

In het ISf16 Hoofdstuk van genoemd geschrift zegt Ter-tullianus het volgende: „Met het oog op ieders persoonlijken toestand en gesteldheid, en ook leeftijd, is het uitstellen van den doop nuttiger, maar inzonderheid wat betreft de kleine kinderen. Want waarom is het noodig, tenzij er daartoe een dringende noodzakelijkheid bestaat, dat ook de doopgetuigen (sponsores) aan gevaar worden blootgesteld, omdar zij óf zeiven door den dood verhinderd kunnen worden om hunne beloften (ten opzichte van de kinderen) te houden, of bedrogen kunnen uitkomen, als de verkeerde neigingen der kinderen zich openbaren? Wel is waar heeft de Heer gezegd; Verhindert hen niet om tot mij te komen. Laat hen dan komen, wanneer zij grooter zijn geworden. Laat hen komen, wanneer zij leeren, wanneer men hun kan doen verstaan, tot wien zij komen moeten. Laat hen christenen worden, als zij in staat zullen zijn om Christus te kennen. Waarom zou die onschuldige

-ocr page 218-

206

leeftijd zulk een haast hebben met het ontvangen van de vergeving der zonden? Men handelt met meer bedachtzaamheid ten opzichte van de dingen dezes tijds. Wilt gij dan de goddelijke dingen toevertrouwen aan wie gij de aardsche niet zoudt toevertrouwen? Laat hen eerst leeren om de zaligheid te begeeren, opdat gij althans den schijn moogt hebben, dat gij haar geeft aan die haar begeeren. Niet minder gewichtig is de reden, waarom ook de doop van ongehuwden uitgesteld moet worden, namelijk van wege de verzoeking eu verleiding, waaraan zij blootstaan: de jonge meisjes door hetgeen haar leeftijd met zich medebrengt, de weduwen door het missen van hare echtgenooten. Laat hen wachten tot dat zij trouwen, of sterk zijn geworden in de onthouding. Indien men wist, van hoe groot gewicht de doop is, men zou meer bevreesd zijn om hem te ontvangen, dan om hem uit te stellen. Het oprecht geloof is zeker van de zaligheid.quot; !)

Deze woorden bewijzen, zoo overtuigend als mogelijk is, niet alleen, dat de kinderdoop ten tijde van Tertullianus, dus tegen het einde van de 2de en het begin van de 3de eeuw, vrij algemeen in zwang is geweest, maar ook, dat hij zelfs van vroeger\' datum is. Men boude slechts het volgende in het oog:

1. Tertullianus verheft zijn stem niet tegen den kinderdoop als tegen een gebruik, dat pas ingevoerd was, en

1) „Itaque pro cujusque personae eonditione ac dispositione, etiam aetate, cunctatio baptismi utilior est, praecipue tarnen circa parvulos. Quid eiiim necesse est, si non tam necesse, sponsores etiam periculo ingeri\'? Quia et ipsi per raortalitatem destituere promissiones suas possunt, et proventu malae indolis falli. Ait quidem Dominus: Nolite illos prohibere ad me venire. Veniant ergo dum adolescunt. veniant dum discunt, dum quo veniant doceutur: fiant christiani quum Christum uosse potuerint. Quid festinat innooens aetas ad remissionem peccatorum? Cautius agitur in saecularibus, ut cui substantia terrena non creditur, divina credatur. Norint petere salutem, ut peteuti dedisse videaris. Nou minori de causa innupti quoque procrastinandi, in quibus tentatio piaeparata est; tam virginibus per maturitatem, quam viduis per vocationem, donec aut nubant, aut continentia corroborentur. Si qui pondus intelligant baptismi, magis time-bunt consecutionein, quam dilationem. Fides integra secura est de salute.quot;

-ocr page 219-

207

bestrijdt hem niet als een nieuwigheid, die pas in de mode was gekomen. De wijze, waarop hij er over spreekt, geeft aan eiken onpartijdige den indruk, dat de kinderdoop reeds voor zijn tijd in gebruik is geweest, en hoe langer zoo meer veld won.

2. Tertullianus beroept zich bij zijn bestrijding van den kinderdoop, noch op de H. Schrift, noch op de apostolische traditie. Hij beschouwt don kinderdoop niet als iets, dat kort geleden, in zijn tijd, als een misbruik in zwang is gekomen. Indien hij van meening geweest ware, dat hij, hetzij met de H. Schrift, hetzij met de apostolische traditie, in strijd was, hij zou zeer zeker niet hebben nagelaten, dat op den voorgrond te stellen. Daar hij zulks echter niet gedaan heeft, mogen wij daaruit opmaken, dat ook hij den kinderdoop heeft beschouwd als in overeenstemming met de apostolische traditie. En wat de H. Schrift betreft: het is niet te ontkennen, dat, volgens Tertullianus, het recht van den kinderdoop zich grondt op de woorden des Heeren: „Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert ze niet.quot; Hij stemt dit uitdrukkelijk toe. Wij mogen daaruit afleiden: a. dat men zich in zijn tijd ten gunste van den kinderdoop op dat woord beriep; en h. dat, indien Tertullianus niet van gevoelen geweest was, dat men zulks te recht deed, hij zich gehaast zou hebben om te doen uitkomen, dat men zich in dezen op dat woord niet beroepen mocht. Te recht zegt dan ook Höfling: !) „Dass er die Kindertaufe nicht mit siusseren historischen Gründen, nicht als etwas, was in der ersten Zeit nicht ausgeübt worden und erst spater misbrauchlich in Anwendung gekommen sei, bekampft, hat ottenbar nur darin seinen Grund, dass er solche Gründe überhaupt nich geltend machen konnte, ohne von dem historischen Bewusstsein seiner Zeitgenossen Lügen gestraft zu werden.quot;

3. Tertullianus trekt de wettigheid van den kinderdoop niet in twijfel. Hij zegt niet, 3at de kinderdoop als zoo-

4) T. a. p., bl. lOÜ.

-ocr page 220-

208

danig ongeoorloofd is. Hij zegt alleen, dat het nuttiger is, den doop tot lateren leeftijd uit te stellen. Hij geeft dus maar alleen een raad, en spreekt slechts zijn individueel gevoelen uit. Waarom hij den doop uitgesteld wil zien, geeft hij bovendien zelf uitdrukkelijk te kennen.

4. Dat Tertullianus niet ten doel heeft gehad, om tegen den kinderdoop als zoodanig op te treden, blijkt hieruit, dat hij ook den doop van ongehuwden, van jonge meisjes en weduwen wil uitgesteld hebben, en daarvoor dezelfde gronden aanvoert als voor het uitstellen van den doop van de kleine kinderen. Hierdoor wordt dan ook de meening weêrlegd van hen, die beweren, dat, indien Tertullianus den kinderdoop in overeenstemming met het gebruik der apostelen had geacht, hij daartegen niet zou zijn opgekomen. Want met hetzelfde recht zou men kunnen zeggen, dat hij het doopen van ongetrouwden en van weduwen in strijd heeft geacht met het gebruik der apostelen, daar hij er tegen opkomt op dezelfde wijze en met dezelfde argumenten als ten opzichte van den kinderdoop. Hij wil in het algemeen, dat men den doop zoo lang mogelijk uitstelt. Dit hangt samen met de opvatting, die in zijn tijd hoe langer zoo meer veld won; dat de zonden, die na den doop bedreven waren, niet vergeven konden worden.

5. Overigens heeft de bestrijding van Tertullianus in het geheel geen nadeeligen invloed op de praktijk van den kinderdoop gehad. Hij staat met zijn gevoelen geheel alleen. Zelfs te Carthago, waar hij leefde en werkte, was zijn tegenspraak niets meer, dan de stem van een roepende in de woestijn. En hoe weinig hij in dezen beschouwd kan worden als het orgaan van het kerkelijk bewustzyn zijns tijds, blijkt inzonderheid uit de geschriften van Origenes en Cyprianus, die, wat den leeftijd betreft, het naast op hem volgen.

Obiqenes (geb. 185 f 2\'54), de jongere tijdgenoot van Tertullianus, 35 jaar oud, toen deze stierf, schrijft in zijn 8ste Homilie over Leviticus: „Hoor David zeggen: In on-

-ocr page 221-

209

gerechtigheden ben ik ontvangen, en in zonden heeft mij mijne moeder ter wereld gebracht. Dit bewijst, d?it elke ziel, die in het vleesch geboren wordt, verontreinigd is door de smet van ongerechtigheid en zonde, en bevestigt bovendien hetgeen wij reeds meermalen herinnerd hebben: dat niemand rein is en zonder smet, al heeft hij ook maar éen dag levens gehad. Daarbij zou men kunnen vragen: Dewijl de doop der Kerk tot vergeving van de zonden bediend wordt, om welke reden wordt die doop volgens den regel der Kerk ook aan kleine kinderen bediend, daar toch de genade des doops overbodig zou zijn, indien er in de kleine kinderen niets was, dat de vergeving van zonden en de genade voor hen noodig maakte?quot; \')

Origenes zegt in deze woorden zeer duidelijk, dat de kinderdoop in overeenstemming is met den regel der Kerk. Hij beschouwt hem dus niet als een nieuw gebruik, maar als een zoodanig gebruik, hetwelk in zulk eene mate burgerrecht verkregen heeft in de Kerk, dat hij zich daarop beroepen kan ten gunste van de leer aangaande de erfzonde. Het is hem niet te doen, om den kinderdoop dogmatisch te verdedigen. Zulk een verdediging acht hij in het geheel niet noodig. Hij gaat uit van de onderstelling, dat het recht van den kinderdoop vaststaat, en niet betwijfeld wordt door zijn lezers en tijdgenooten. En op die basis bouwt hij zijn leer aangaande de erfzonde.

In zijn Homilie over het Evangelie van Lit kas spreekt Origenes in denzelfden geest. Hij zegt daar het volgende: „De kleine kinderen moeten gedoopt worden , tot vergeving van zonden? Van welke zonden? En wan-

1) „Audi David dicentem; in iniquitatibus conceptus sum, et iu peccatis peperit me mater raea, ostendens, quod, quuecumque anima in carne nascatur, iniquitatis et peccati sorde polluatur, et propterea dictum esse illud, quod jam superius memoravimus, quia nemo mundus a sorde, nee si unius diei fuerit vita ejus. Addi his etiam illud potest, ut requiratur, quid causae sit, quum baptisma ecclesiae in remissionem peccatorum detur, secundum ecclesiae observantiam etiam parvulis baptisinum dari\'? Quum utique si nihil esset in parvulis, quod ad remissionem deberet et indul-gentiam pertinere, gratia baptismi superflua videretur.quot;

U

-ocr page 222-

210

neer hebben zij gezondigd? Maar welke reden kan er bestaan, om dat reinigend bad aan de kinderen toe te dienen, tenzij in den zin, waarin wij kort te voren daarover gesproken hebben: Niemand is zuiver en smetteloos (Job XIV, 4. 5)? En omdat door het Sacrament des doops de smetten van de geboorte worden weggenomen, daarom worden ook de kleine kinderen gedoop t.quot; i) Op Rom. 5:6 zegt hij: „De Kerk heeft van de apostelen de traditie ontvangen om ook aan de kleine kinderen den doop te bedienen. Want zij, aan wie de geheimen van de goddelijke mysteriën waren toevertrouwd, wisten wel, dat er in alle menschen aangeboren smetten zijn, die door water en Geest moeten afgewasschen worden, en uithoofde waarvan het lichaam zelf het lichaam der zonde genoemd wordt.quot; 1)

Op ondubbelzinnige wijze verklaart Origenes in deze woorden, dat de kinderdoop een apostolische traditie is. In zijn tijd was de kinderdoop dus niet slechts een vrij algemeen gebruik, maar werd hij ook beschouwd als een zoodanig gebruik, dat van de apostelen afkomstig was. En niemand spreekt hem hierin tegen, zelfs dan niet, wanneer hij zich daarop beroept voor de leer, die toen aan vele bestrijding bloot stond: dat nl. de kinderen door aangeboren zonden verontreinigd zijn. Houden wij voorts in het oog, dat Origenes die woorden geschreven heeft slechts éene eeuw na den dood van den apostel Johannes, te Alexan-drië, dus in eene gemeente van apostolischen oorsprong, die behoorde tot de voornaamste gemeenten van het Oosten.

1

Comm. in Jüpist. ad Kom. Lib. V: „Ecclesia ab apostolis traditionem suscepit, etiam parvulis baptismum dare. Sciebant enim illi, quibus myste-riorüm secreta commissa sunt divinorum, quia essent in omnibus genuiuae sordes peccati, quae per aquaia et Spiritum ablui deberent: propter quas etiam corpus ipsurn corpus peccati nominatur.quot;

-ocr page 223-

211

Wij komen nu tot Cyprianus (f 258), den anderen jongeren tijdgenoot van Tertullianus. Hij was een leerling en een groot vereerder van dezen kerkvader, en is bisschop te Carthago geweest.

De Afrikaansche bisschop Fidus deed aan Cyprianus de vraag, niet of de kinderen gedoopt mochten worden, maar of zij reeds op den tweeden of derden dag na de geboorte, dan wel (gelijk hij meende), naar de analogie met de besnijdenis, eerst op den achtsten dag moesten worden gedoopt.

Cyprianus raadpleegt daarover liet concilie, in 256 te Carthago gehouden, waarbij 66 bisschoppen tegenwoordig waren, en schryft, als aller gevoelen, het volgende aan Fidus: „Wat de zaak van de kleine kinderen betreft, waarvan gij meent, dat zij niet reeds op den 2l1ei1 of 3dei1 dag na de geboorte gedoopt mogen worden, maar dat men de wet van de Oud-Testamentische besnijdenis in acht moét nemen, en een kind dienovereenkomstig eerst op den achtsten dag na de geboorte doopen raag — wij allen waren in onze vergadering van een geheel ander gevoelen. Want in datgene, wat gij meendet, dat geschieden moest, heeft geen onzer toegestemd, maar algemeen hebben wij veeleer geoordeeld, dat aan niemand, die geboren wordt, de barmhartigheid en de genade Gods moeten onthouden worden. Want daar de Heer in het Evangelie zegt: „De Zoon des menschen is niet gekomen, om de zielen der menschen te verderven, maar om ze te behouden,quot; moeten wij, voor zoover het van ons afhangt, als het maar eenigszins mogelijk is, geen enkele ziel laten verloren gaan... Wat uw bezwaar betreft, dat het kind in de eerste dagen van de geboorte onrein is, en dat men er daarom tegen opziet om het te kussen, i) wij gelooven ook niet, dat dit een verhindering is om de hemelsche genade aan de kleine kinderen te geven. . . Dat de Joodsche besnijdenis op den achtsten dag in het vleesch geschiedde, dit is niet dan een Sacra-

1) Deze woorden doelen op de gewoonte om den broederkus te geven aan die den doop hadden ontvangen.

U*

-ocr page 224-

212

ment in schaduw en beeld, vervuld door de zaak zelve, sedert Christus gekomen is,. .. en ons de geestelijke besnijdenis gegeven werd. Daarom meenen wij, dat men om die reden niemand verhinderen mag om de genade deelachtig te worden, en dat de lichamelijke besnijdenis, die in het vleesch geschiedde, geen beletsel mag wezen voor de geestelijke, maar dat ieder mensch zonder uitzondering moet worden toegelaten tot de genade van Christus, daar ook Petrus in de Handelingen zegt: De Heer heeft mij gezegd, dat men niemand gemeen ot\' onrein mag noemen Overigens, indien iemand door het een of ander verhinderd kan worden in het verkrijgen van de genade, dan zouden het veeleer de volwassenen en de ouderen in jaren zijn, voor wie de bedreven zonden een hinderpaal konden wezen. Daar echter ook aan de grootste misdadigers en aan hen, die vroeger zeer veel tegen God gezondigd hebben, als zij later tot het geloof komen, vergeving van zonden geschonken wordt, en niemand van den doop en de genade wordt uitgesloten — hoeveel te meer moet men dan het kind niet verhinderen, dat, pasgeboren, nog geen zonden gedaan heeft, behalve dat het, naar het vleesch van Adam afstammende, deel heeft aan verderf en dood. Het moet den toegang tot de vergeving van zonden hebben. En dit te eerder, daar het niet voor eigen, maar voor anderer zonden vergeving ontvangen moet. En daarom, geliefde broeder, is in onze vergadering dit ons gevoelen geweest: dat van den doop en van de genade van God, die jegens allen barmhartig en goedertieren en liefdevol is, niemand door ons moet worden geweerd. En indien dit van toepassing is op alle menschen, hoeveel te meer dan op de kinderen en de pasgeborenen, die hierom des te meer aanspraak hebben op ons medelijden en op de goddelijke barmhartigheid: dat zij, zoodra zij het levenslicht aanschouwen, door hun schreien en weenen, niets anders schijnen te doen, dan er om te smeeken.quot; 1)

1

\'JSpist. LIX ad Fidum.

-ocr page 225-

213

Deze woorden doen ons zien, dat er ten tijde van Cyprianus door niemand getwijfeld werd aan het rechtmatige van den kinderdoop. Hij had toen blijkbaar in zulk eene mate het burgerrecht, dat het voor allen een uitgemaakte zaak was, dat kleine kinderen niet alleen mochten, maar ook behoorden gedoopt te worden. Door niet éen van de Afrikaansche bisschoppen wordt daar iets tegen ingebracht. Zelfs is het geen onderwerp van beraadslaging geweest. De vraag, die behandeld werd, was alleen, of de doop al of niet vóór den achtsten dag na de geboorte bediend mocht worden.

Zeer juist merkt Höfling hierbij op: „Es könnte auffallen, dass sich Cyprian nicht wie Origenes auf eine alte Obser-vanz der Kirche und auf die apostolische Tradition, sondern nur auf lautere innere, in der Natur der Sache liegende Griinde und auf die darauf gebauten Beschlüsse des Concils zu Karthago beruft. Aber dies hat seinen Grund eben darin, dass nicht die Eechtmassigkeit der Kindertaufe überhaupt, sondern nur die Zulassigkeit ihrer Vornahme vor dem achten Tage nach der Geburt in Frage stand.quot;

In de Apostolische Verordeningen (Constitntiones apostolicae), waarvan de eerste zes boeken uit het begin van de 3de eeuw zijn,1) lezen wij: „Hij die zegt: ik zal mij laten doopen, als ik op mijn sterfbed lig, opdat ik niet door weer te zondigen mijn doop ontwijde, hij heeft geen kennis van God, en vergeet daarbij, hoedanig zijn eigene natuur is. Want er staat geschreven: Stel niet uit, u tot den Heer te bekeeren, want gij weet niet, wat de volgende dag U baren zal (Sir. V, 7; Spr. III, 28). Doopt dan ook uwe kinderen, en voedt ze op in de leer en de ver-

■1) Zie hierover het artikel van Mejer in Herzog\'s Real-Encyclopadie, 2te Aufl., Krster Band, bl. 503 en 564. — Clément (U a. p., bl. 256) maakt ten opzichte van die boeken de zeer juiste opmerking; „Comme elles régu-larisent et constituent des usages déja anciens, leur témoignage est valide pour une époque plus reculée que celle de leur composition.quot;

-ocr page 226-

214

maning des Hecren. Want hij zegt: Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert ze niet.quot; !)

Deze woorden leveren het bewijs, dat de kinderdoop reeds in de eerste helft van de tweede eeuw in gebruik is geweest, en dat hij in het begin van de derde zoo algemeen in zijn rechtmatigheid erkend werd, dat daaromtrent vaste bepalingen gemaakt konden worden.

In de Verordeningen voor de Egyptische Kerk, een geschrift, dat gesteld wordt in de tweede helft van de 2de of in het begin van de 3de eeuw, lezen wij: „Laat de kinderen eerst gedoopt worden. Die in staat is om te spreken, spreke voor zich zelf, maar laat de ouders of iemand anders van de bloedverwanten spreken voor die daartoe nog niet in staat zijn. 1)

Deze woorden bewijzen, dat in de 2de helft van de tweede eeuw de kinderdoop in de Alexandrijnsche kerk niet alleen in gebruik is geweest, maar dat hij ook officiéél vastgesteld was. En als wij daarbij in het oog houden, dat zij daarover niet spreken als over iets, dat nog ingevoerd moest worden , of dat nog maar kort geleden ingevoerd was, evenmin als over een nieuwigheid, die tegenstand vond en nog verdedigd moest worden, maar dat zij alleen ten doel hebben, om de praktijk daarvan te regelen — dan is het niet al te

1

Canones ajpostólorum per Clementem traditi (A/c dixTctyxï xl hx Khy-[zsvtoq kxi Kxvóvet; ekxavja-ixa-tikoi tüv xytcóv \'ATTorróAojv), Lib. II, canon 46; „Trpürx rx irecfötx (3x7rTi%slt;rQcolt;rxv, ó Bvvxizevot; Aeysiv xvö\' exutov aeyerw\' xvt/ rov pij tivvxpevov of yovs7g teyércoa-xv, j) xAAoq rit; rw 7rpolt;r^xuv.\\ Men zie Bunsen, Sippolytus and his age, or the heginnings and prospects of Christianity. Duilsche vertaling (onder den titel: Rippolytus und seine Ze\'it. Anfange und Aussichten des Christ en thums und der Menschheit), I,

bl. 498.

-ocr page 227-

215

gewaagd om daaruit af te leiden, dat de kinderdoop niet zoo heel lang na den dood van den apostel Johannes in genoemde kerk in gebruik is geweest.

(xREGORius tax Nazianze (geb. 300 f 391) zegt in een van zijn Doopredenen tot de bekommerde moeders: „Laat het booze in uw kind geen plaats winnen. Het wordt van zijn jonkheid af geheiligd, en den H. Geest gewijd. Vreest gij om het goddelijk zegel aan het kind te geven, wegens de zwakheid der natuur ? Maar wat zijt gij dan toch een kleinmoedige en kleingeloovige moeder! Hanna deed de gelofte, haren Samuel aan God te zullen wijden, nog voordat hij geboren was. En zoodra hij geboren was, heiligde zij hem terstond. In plaats van te vreezen voor de menschelijke zwakheid, vertrouwde zij op de kracht Gods.quot; i)

Verder staat er: „Maar wat zal men nu zeggen van die nog zuigelingen zijn, en noch van straf (fypiqc), noch van genade besef hebben? Zullen wij ook die doopen? Zeer zeker, indien nl. het een of ander gevaar dreigt. 1) Want het is beter, dat zij onbewust geheiligd worden, dan dat zij onverzegeld (xTSpw/KTTa.) en ongewijd (cèrsteerx) sterven: en hiervan is ons de besnijdenis ten achtsten dage, die een voorafschaduwend zegel was, en verricht werd aan hen, die daar.van nog geen begrip hadden, het bewijs. — — Ten opzichte van de andere kinderen (die nl. niet in gevaar zijn) geef ik echter den raad (yvu^v), den leeftijd van drie jaar af te wachten, of iets korter of langer, totdat zij in staat zullen zijn, èn om iets van den godsdienst aan te hooren, èn om daarop een antwoord te geven. Al begrijpen zij het niet ten volle, zij ontvangen daarvan toch een indruk, zoodat zoowel hunne zielen als hun lichaam door het groote mysterie der wijding {\'^T^pia Tijc Teteiuvsuc)

1

Blijkens het verband, wordt bedoeld het gevaar, waaraan men door ziekte blootgesteld is.

-ocr page 228-

216

geheiligd worden. Zeker kunnen zij dan eerst, wanneer zij tot hun verstand zijn gekomen en aangaande het geloof onderricht hebben ontvangen, zich rekenschap geven van hunne handelingen. Op hun leeftijd zijn de zonden nog die der onwetendheid. Overigens is het in ieder opzicht beter, dat zij gedoopt worden, met het oog op de vele gevaren, waaraan zij bloot staan.quot;

Uit deze aangehaalde woorden blijkt tweeërlei: 1° dat in den tijd van Gregorius van JNazianze, dus in het midden en tegen het einde van de 4tie eeuw, de kinderdoop algemeen in zwang is geweest; en 2° dat daaromtrent een vrijheid in de praktijk heeft geheerscht, waartegen Gregorius zijn waarschuwende stom moest verheffen.

Wat het eerste betreft: Het is duidelijk, dat Gregorius het geoorloofde van den kinderdoop als zoodanig niet in twijfel trekt, daar hij uitdrukkelijk aanraadt om hot kind van zijn jonkheid af met „het goddelijk zegelquot; (den doop) te wijden; en dat hij het in ieder opzicht beter acht, de kinderen te doopen, met het oog op de vele gevaren, waaraan zjj bloot staan. \') Hij zou voorzeker niet aldus gesproken hebben, indien hij eenigen twijfel omtrent de wettigheid van den kinderdoop had gekoesterd.

Wat het tweede aangaat: Sommigen hebben daarin een argument tegen den kinderdoop meenen te vinden. Doch ten onrechte. Dat Gregorius aan sommige moeders den raad geeft, om de kinderen eerst op driejarigen leeftijd te doopen, pleit op zich zelf reeds voor het algemeen gebruik van den kinderdoop in dien tijd.

Bovendien heeft die raadgeving een bijzondere historische oorzaak gehad. Sedert het Christendom, met den overgang van keizer Constantijn, de volkomene overwinning over het Heidendom had behaald, begon er in de praktijk van den doop in \'t algemeen langzamerhand een zekere ontaarding zich te vertoonen.

Allengs won de meening veld, dat de doop in den letter-

1) Men zie daarover nader Dr. Grvmdlehner, t. a. p., bi. 17.

-ocr page 229-

217

lijken zin des woords de afwassching van de zonden was. Hierdoor werden sommigen er toe gebracht, om hem zoo lang mogelijk uit te stellen, en zich eerst op huii sterfbed te laten doopen, ten einde op deze wijze de zonden van hun geheele leven in eens te doen afwasschen, en daarop de eeuwigheid in te gaan. Zoo deed b. v. Constantijn zelf.!)

Anderen stelden den doop uit, omdat zij vreesden, door de zonden, die zij later mochten bedrijven, de bij den doop ontvangene genade onherstelbaar weder te zullen verliezen. Nog anderen, omdat zij den doop zoo heilig achtten, dat zij geloofden, hem niet eerder te mogen ontvangen, dan nadat zij een zeer hoogen trap van geestelijk leven hadden bereikt.1) Het gevolg van deze beschouwingen was, dat men in tijd van oorlog, van epidemische ziekten en andere gevaren, scharen van doop-candidaten zag.

Het spreekt van zelf, dat door dat alles een nadeelige invloed werd uitgeoefend op den kinderdoop, en dat vele moeders den doop barer kinderen begonnen uit te stellen, daar zij vreesden, dat die kinderen, door, te zondigen na hun doop, een onherstelbaar verlies zouden lijden.

Zoo was Gregorius zelf eerst op lateren leeftijd gedoopt, ofschoon in zijn tijd niemand de wettigheid van den kinderdoop betwijfelde. Eveneens Augustinus, die zich daarover beklaagt in zijn Confessiones. 2) Maar die verkeerde opvat-

1

\'2) Vgl. Matthies, t. a. p., bl. 197.

2

Lib. I, cap. 11. „Vidisti, Domine, cum adhuc puei essem, et quodam die pressu stomachi repente aestuarem paene moriturus; vidisti, Deus meus, quoniam custos meus jam eras: quo motu animi et qua fide bap-tismum Clinsti tui, Dei et Domini mei, flagitavi a pietate matris meae, et matris omnium nostrum Ecclesiae tuae. Et conturbata mater caruis meae, quoniam et sempiternam salutem meam carius pasturiebat corde casto in fide tua, jam curaret festinabunda, ut sacramentis salutaribus initiarer et abluerer, te, Domine Jesu, confitens in remissiouem pecca-torum, nisi statim recreatus essem. Dilata est itaque mundatio mea, quasi necesse esset, ut adhuc sordidarer, si viverem; quia videlicet post lavacrum illud major et periculosior in sordibus delictorum reatus foret. Ita jam credebam, et illa et omnis domus, nisi pater solus, qui tarnen non evicit

-ocr page 230-

218

ting week langzamerhand, en in de eouw verkreeg de gewoonte weder de overhand om de kinderen reeds als zuigelingen te laten doopen.

Tegen die verkeerde opvatting verhief Gregorius van Nazianze zijn stem. En om aan hen, die hij niet geheel kon overtuigen, eenigermate te gemoet te komen, bepaalde hij den leeftijd van drie jaar.

Eveneens hebben daartegen hunne stem verheven; Chry-sostomus (geb. 344 f 407)!), Gregorius van Nyssa (f 394) 1) en Basilius de Groote (geb. 316 f 372):i), in speciale verhandelingen.

Overigens bewijzen hunne geschriften, gelijk ook die van Ambrosius (geb. 340 f 398) en Hieronymus (geb. 331 f 420), die in denzelfden tijd geleefd hebben, op voldoende wijze, dat het in niemand hunner opgekomen is, de wettigheid van den kinderdoop in twijfel te trekken. 2)

Wat eindelijk Aügustinus betreft (geb. 354 f 430), zijn geschriften zijn vol van getuigenissen aangaande den kinderdoop als van een gebruik, dat van goddelijken oorsprong-is, en waarvan de wettigheid algemeen erkend werd.

Zoo zegt hij, met het oog op de i Pelagianen, die de erfzonde loochenden: „Omdat zij toestemmen, dat de kleine kinderen gedoopt moeten worden, daar zij niet in tegen

1

In zijn Oratio ad versus eos, qui differ unf baptismum.

2

In eeu van zijn Homilieën {Kom. XXI, over Ef\'ez. 6: 1) zegt met name CUrysostomus: „Als bet kind geboren is, volg dan het voorbeeld van Hauna, die haar zoon terstond naar den tempel bracht. Wie onder u zou niet liever willen, dat haar zoon eenmaal een Samuel mocht worden, dan duizendmaal een Heer zijn van hel geheele Romeinsche rijk?quot;

-ocr page 231-

219

spraak willen komen met den zonder eenigen twijfel door den Heer en de apostelen overgeleverden regel van de algemeene Kerk, behoorden zij eveneens toe te stemmen, dat de kinderen ook de verdiensten van den Middelaar noodig hebben.quot; !)

Op een andere plaats citeert hij deze woorden van Coe-lestius, een aanhanger van Pelagius: „Dat de kinderen gedoopt moeten worden tot vergeving van de zonden, volgens den regel van de algemeene Kerk en volgens de uitspraak (sententia) van het Evangelie, erkennen wij, omdat de Heer verklaard heeft, Joh. 8 : 5, dat men het Koninkrijk der hemelen niet kan binnengaan, tenzij men gedoopt is. Want het is noodzakelijk, dat hetgeen de krachten dei-natuur in zich zelve niet bezitten door de vrijheid dei-genade gegeven worde.quot; a)

Elders zegt hij: dat de gewoonte der Kerk, volgens welke de kleine kinderen gedoopt moeten worden, geenszins gering of overbodig moet worden geacht, en dat zij niet het geringste gezag zou hebben, indien zij niet een apostolische overlevering ware. 1)

Uit dit een en ander zien wij, dat men ook in den tijd van Augustinus de wettigheid van den kinderdoop niet in twijfel trok, en dat hij algemeen beschouwd werd als een regel van de Kerk, die in overeenstemming was met de H. Schrift en met de beginselen van de praktijk der apostelen.

Augustinus acht het dan ook in het geheel niet noodig

1

De Genesi, Lib. X, cap. 23.

-ocr page 232-

220

om die wettigheid eerst in het licht te stellen. Hij beschouwt haar als zoozeer vaststaande voor ieder, dat hij daarvan uitgaat bij zijn bestrijding van de Pelagiaansche dwaalleer. Dit pleit zoo sterk mogelijk voor den kinderdoop, daar, indien er in dien tijd gevonden werden, die hem als ongeoorloofd en in strijd met bet Evangelie beschouwden, de Pelagianen hem niet alleen niet als zoodanig zouden hebben vastgehouden, maar hem zelfs op die gronden zouden bestreden hebben, daar zij zich door niets zoozeer bedreigd zagen, als door de consequenties van den kinderdoop.

Het is voor ons doel niet noodig, het getuigenverhoor verder voort te zetten. Geven wij ons nu rekenschap van het verkregen resultaat. Ik vestig daartoe de aandacht op de volgende bijzonderheden;

1. In het begin van de 2de eeuw vinden wij bij de apostolische vaders wel niet uitdrukkelijk melding gemaakt van den kinderdoop, maar ook is er niets in hunne geschriften, waaruit blijken zou, dat zij er tegen geweest zijn. Integendeel wordt daarin op zulk eene wijze over den doop gesproken, dat wij de lijnen slechts behoeven door te trekken, om tot den kinderdoop te komen.

2. In de eerste helft van de 2de eeuw vinden wij duidelijke sporen van het bestaan van den kinderdoop. Zeker is, dat hij reeds in gebruik was in de tweede helft dier eeuw, en dat daarover op eene wijze gesproken wordt, die vermoeden doet, dat hij toen niet voor het eerst was ingevoerd (Justinus Martyr en Irenaeus).

3. Tegen het einde van de 2de en in het begin van de 3l,e eeuw was de kinderdoop algemeen in gebruik, en werd hij beschouwd als een instelling, die het vaste burgerrecht verkregen had, zóo zelfs, dat men de praktijk daarvan officiëel vaststelde (Tertullianus, de Constitutiones aposto-licae en de Verordeningen voor de Egyptische kerk).

4. Tegen het einde van de 3de eeuw werd hij met nadruk een apostolische instelling genoemd, en stond zijn goed recht onomstootehjk vast (Origenes en Cyprianus).

-ocr page 233-

221

5. In de eerste en tweede helft van de 4^ eeuw werd de wettigheid daarvan zoo weinig betwijfeld, dat zij zelfs niet bestreden werd door hen, die er voor waren, dat de doop eerst op lateren leeftijd bediend werd. Dit uitstellen van den doop was echter niet gegrond op de H. Schrift of op een beroep op de apostolische traditie, maar op een verkeerde opvatting van den doop (Gregorius van Nazianze).

6. In het begin van de 5l,e eeuw stond zijne wettigheid voor goed vast. De verkeerde opvatting van den doop, die heerschende was in den tijd van Gregorius van Nazianze, week geheel, en algemeen verkreeg de gewoonte om de kinderen reeds als zuigelingen te laten doopen de overhand (Augustinus).

7. Zonder twijfel heeft de dogmatiek van sommige kerkvaders , met name de leer aangaande de erfzonde, een gun-stigen invloed uitgeoefend op de verbreiding van den kinderdoop. Maar nochtans kan geenszins gezegd worden, dat de kinderdoop daaraan zijn ontstaan te danken heeft. Dit blykt genoegzaam uit het voorgaande, en wordt boven allen twijfel verheven, wanneer wij in het oog houden: a. dat juist Ter-tullianus, die het eerst zijn stem heeft verheven tegen den kinderdoop, een zeer ijverig voorstander was van die leer, en in zijn tijd het meest heeft bijgebracht, om haar te doen vaststellen; h. dat Cyprianus, die ten opzichte van genoemde leer eenstemmig dacht met Tertullianus, het recht van den kinderdoop niet daarop gegrond heeft, maar de kinderen gedoopt wilde hebben, omdat hij hen wegens hunne onschuld dat sacrament waardig keurde; c. dat Origenes en Augustinus het recht van den kinderdoop niet gebouwd hebben op de leer aangaande de erfzonde, maar, omgekeerd, de leer aangaande de erfzonde op den kinderdoop, dien zij beschouwden als van apostolischen oorsprong; en d. dat Pelagius, die niets van de erfzonde wilde weten, nochtans den kinderdoop voor wettig en zelfs voor noodzakelijk hield.!)

1) Vgl. Grundlehner, t. a. p., bl. 13 en 14.

-ocr page 234-

222

8. Het verdient onze opmerkzaamheid, dat er in al die eeuwen zich geen enkele stem tegen den kinderdoop als tegen een onwettig gebruik heeft verheven; zelfs dan niet, wanneer men daarbij belang had. In de bekende Kerkelijke geschiedenis van Eusebius (geb. omstreeks 260 f 340), die aanvangt met den tijd van des Heeren omwandeling op aarde en doorloopt tot het jaar 324, komt geen enkele zinsnede voor, waaruit wij zouden kunnen opmaken, dat er daarover een strijd is gevoerd. Eusebius zwijgt geheel over den kinderdoop, terwijl hij melding maakt van vragen, die omtrent de praktijk des doops waren gerezen , en zelfs vrij uitvoerig stilstaat bij den strijd , die gevoerd is over den ketterdoop. Wij gelooven niet, dat het al te gewaagd is om uit dat feit af te leiden, dat de kinderdoop ten minste kort na den apostolischen tijd zoo algemeen in gebruik en zoozeer als wettig beschouwd werd, dat er daarover in het geheel geen strijd is geweest, al verschilde men, gelijk in het voorgaande gebleken is, ook van gevoelen ten opzichte van enkele ondergeschikte praktische vragen.

Indien het doopen van kinderen in die eerste eeuwen der Kerk geen plaats heeft gevonden, zouden wij er ons met recht over moeten verwonderen, dat er noch in de geschriften der kerkvaders, noch bij Eusebius en anderen, iets gevonden wordt aangaande den leeftijd, waarop de kinderen ten doop moesten gebracht worden. Dit feit is alleen te verklaren bij de onderstelling, dat men toen eiken leeftijd voor het ontvangen van den doop geschikt heeft geacht. Hieruit volgt, dat het gevoelen van hen, die meenen, dat de kinderdoop in de christelijke Kerk van de vroegste tijden af in gebruik is geweest, alle waarschijnlijkheid voor zich, terwijl het tegenovergestelde alle waarschijnlijkheid tegen zich heeft. Bovendien moet in het oog worden gehouden, dat er in die eerste tijden van het bestaan der Kerk zulk een scherp onderscheid werd gemaakt tusschen gedoopten en ongedoopten, dat, ten minste in Joodsch-christelijke gemeenten, het gemeenschappelijk eten en drinken schier

-ocr page 235-

223

verboden was. !) Het is dan ook niet denkbaar, althans zoo onwaarschijnlijk mogelijk, dat er in die tijden christelijke familiën met ongedoopte kinderen te vinden zijn geweest.

Ten slotte moeten wij met een enkel woord aanwijzen, welke waarde het verkregen historisch resultaat voor de wettigheid van den kinderdoop heeft.

Zonder twijfel moet worden toegestemd, dat de oudheid van een godsdienstig gebruik nog geen bewijs is, dat het daarom ook geoorloofd is, en beantwoordt aan den geest van de H. Schrift. Op zich zelf bestaat zeer zeker de mogelijkheid, dat de kerkvaders, dat de Kerk der vierde eeuw, dat de patres apostolici gedwaald hebben ten opzichte van den kinderdoop.

Maar deze mogeljjkheid verliest hare waarschijnlijkheid, naarmate wij meer rekening houden met het karakter van de Kerk der 2lt;le en der 8lle eeuw. Die Kerk toch openbaart in ieder opzicht het streven, om hetgeen van de apostelen afkomstig was te verzamelen, te ordenen, en zoo goed mogelijk te bewaren.

Nu is wel aan te nemen, \'dat zij ten opzichte van leerstellingen en opvattingen van de godsdienstige waarheid, in éen woord, ten opzichte van de theorie, zich vergist heeft in de bedoeling van de apostelen. Maar waarschijnlijk is het niet, dat die vergissing ook zou hebben kunnen plaats vinden ten opzichte van godsdienstige instellingen en praktijken. En daar de kinderdoop tot deze rubriek behoort, kan niet worden ontkend, dat het getuigenis dier Kerk een groot gewicht in de schaal legt, al is het niet te ontkennen, dat hare opvatting van den doop in het leerstellige in menig opzicht afwijkt van die der H. Schrift. 3)

Bovendien is het niet wel aan te nemen, dat terstond na den apostolischen tijd zulk een diep verval in de christelijke Kerk zou zijn ontstaan, dat men, van de leiding

\'1) Clem. hom. III, \'20. Vgl. Hofliiig, t. a. p., bl. 118. \'2) Vgl. Clément, a. w., bl. \'231.

-ocr page 236-

224

des H. Geestes verstoken, een praktijk als die van den kinderdoop ging invoeren, indien men inderdaad geen grond had voor de meening, dat hij niet in strijd is met de H. Schrift, noch met de beginselen, waarnaar de apostelen in de praktijk te werk gingen; gelijk het niet aan te nemen is, dat de Kerk van alle eeuwen, ten opzichte van zulk een gewichtige aangelegenheid, zoozeer gedwaald heeft, dat die dwaling tot op heden nog voortduurt, en hoe langer zoo meer veld wint, en dat daarentegen de waarheid aan de zijde van slechts weinigen zou zijn gebleven, waaronder er zijn, die ook om andere redenen als ketters zijn veroordeeld. Te minder is zulks aan te nemen, omdat er, gelijk wij gezien hebben, in de Schrift niets voorkomt, dat tegen, maar zeer veel, dat voor den kinderdoop pleit.

De historische ontwikkeling van de leerstellingen der Kerk heeft een onbetwistbaar recht, dat niet mag worden verkort. En dat recht moet des te meer worden erkend, naarmate het duidelijker blijkt, dat de H. Geest die ontwikkeling geleid heeft. En dat dit zoo is, het wordt overtuigend bewezen door het feit, dat die ontwikkeling ten opzichte van andere leerstellingen gebleken is, onder de leiding van dien Geest een goede richting te hebben gehad. Waarom zou dit juist ten opzichte van den kinderdoop moeten worden ontkend ? *quot;

Zeer terecht zegt dan ook Dr. Grundlehner 2): „Wij willen als Protestantsche, Gereformeerde christenen en theologen „Bijbelschquot; zijn, maar „historischquot; tevens, Bijbelsch maar met erkenning van het goed recht der historische ontwikkeling, voor zoover zij niet geoordeeld wordt door letter en geest der H. Schrift. En waar nu op grond van letter en geest der H. Schrift zooveel is te zeggen, dat het gevoelen handhaaft, dat men de kinderen mag doopen, daar voert ons de geschiedenis een schrede verder, en wij zeggen: het is rationeel, dat men de kinderen doope.quot;

1) T. a. p., bl. 24.

-ocr page 237-

225

§ 9.

De voornaamste bezwaren tegen het goed recht van den kinderdoop getoetst.

Om te bewijzen, dat de kinderdoop in strijd is met de Schriften des N. Verbonds, beeft men zich in de eerste plaats beroepen op Matth. 28:19, na het oorspronkelijke te hebben teruggegeven door: „Gaat heen, onderwijst alle volken, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, leerende hen onderhouden al wat ik u geboden heb.quot; Op grond van deze overzetting heeft men nl. gezegd, dat, daar het onderwijzen hier voor het doopen genoemd wordt, en zuigelingen niet onderwezen kunnen worden, het ook niet in overeenstemming kan zijn met de bedoeling des Heeren om ook aan hen den doop te bedienen.

Deze bedenking vervalt echter geheel door hetgeen ons gebleken is bij de behandeling van Matth. 28 : 18—20. Zelfs kunnen wij met het oog daarop, als wij alleen met de letter en de volgorde der woorden te rade gaan, de zaak omkeeren, en zeggen: dat Matth. 28:19, in plaats van tegen de kinderdoop te pleiten, een krachtig argument is ten gunste daarvan. En wel, omdat, ook dan wanneer het niet onjuist was, het werkwoord /jlxS^tsvsiv over te zetten door „onderwijzen,quot; hier logisch het doopen aan het onderwijzen voorafgaande wordt voorgesteld.!)

Wat het bezwaar betreft, dat wij op genoemde plaats „niet te denken hebben aan de gemeenschap, die wij mogelijk na vele jaren verkrijgen, maar waarin wij dadelijk door den doop worden opgenomenquot; 1) — wij moeten daarop ten antwoord geven: Zonder twijfel doelt de Heer hier op een

15

1

Aldus o. a. Gorter, in de JaarloeTcen voor Wetenschappelijke Theoloqie, Hde Deel, bl. 738.

-ocr page 238-

226

gemeenschap, waarin wij niet eerst na vele jaren, maar terstond door den doop worden opgenomen. Doch dit juist is een argument voor den kinderdoop, daar hier, gelijk toegestemd wordt, zeer duidelijk sprake is van een gemeenschap, waarin men door den doop wordt opgenomen. Wordt men toch door den doop in die gemeenschap opgenomen, waarom zou zulks ook van onmondige kinderen niet mogen gelden ? Bovendien meenen wij, reeds voldoende te hebben aangetoond, dat de doopsgemeenschap aan de geloofsgemeenschap voorafgaande moet worden gedacht.

Een ander argument heeft men ontleend aan Joh. 3 ; 5. Men heeft deze plaats nl. in verband gebracht met den christelijken doop, en gezegd, dat de kinderdoop niet geacht kan worden, in overeenstemming te zijn met de bedoeling des Heeren, omdat de Heer zelf hier den doop voorstelt als „een bad, waarin men wedergeboren wordt.quot;

Maar 1° is hier in het geheel geen sprake van den christelijken doop; 2° wordt hier volstrekt niet geleerd, dat de doop als zoodanig eenigen dadelijken invloed uitoefent op de wedergeboorte des harten, zooals zij vereischt wordt om het Koninkrijk der hemelen te kunnen binnengaan; 3° zou, indien hier wel aan den christelijken doop moest worden gedacht, daaruit geenszins blijken, dat aan den doop de wedergeboorte vooraf moet gaan, omdat op genoemde plaats eerst van geboren worden uit water, en daarna van geboren worden uit Geest melding gemaakt wordt; en 4° is het niet in te zien, waarom de doop niet bediend zou mogen worden aan nog zeer jonge kinderen, indien aangenomen moet worden, dat de doop invloed uitoefent op de wedergeboorte, daar het niet in te zien is, waarom het voor kleine kinderen niet mogelijk zou zijn om te worden wedergeboren.

Dit een en ander geldt evenzeer van Tit. 3:5, als men ook bij deze plaats aan den doop denkt, en meent, dat

1) Zie bl. 163—107.

-ocr page 239-

227

Paiüus hier den doop voorstelt als een „hnd, waarin wij wedergeboren worden.quot; \') Maar Paulus spreekt hier in het geheel niet over den doop, evenmin als hij hier zegt, dat door den doop de reeds tot stand gebrachte wedergeboorte wordt aangeduid. Ware dit laatste, het geval, dan voorzeker zou daaruit afgeleid kunnen worden, dat de doop niet bediend mag worden aan onmondige kinderen, daar het bij hen nog niet is na te gaan, of de wedergeboorte bij hen reeds tot stand is gekomen. Wij meenen echter, in ons eerste Hoofdstuk genoegzaam te hebben aangewezen, dat de doop geenszins uitgaat van de onderstelling, dat men reeds feitelijk wedergeboren is, en niet tot voorwaarde heeft het zaligmakend geloof. Wij zullen dit straks meer opzettelijk uit de feiten zeiven in het licht stellen.

Toetsen wij nu het argument, aan Mark. 16 : 16 ontleend. Ook bij deze plaats heeft men nadruk gelegd op de volgorde der woorden, en gezegd, dat de Heer, door eerst van gelooven, en daarna van gedoopt worden te spreken, hier te kennen heeft willen geven, dat het geloof noodwendig aan den doop vooraf moet gaan. De gevolgtrekking lag dan voor de hand: De kleine kinderen mogen niet gedoopt worden, omdat zij nog niet kunnen gelooven. Dit argument heeft echter in het geheel geen kracht. Wij beweren dit op grond van het volgende.

Wat het beroep op de volgorde der woorden betreft; wij zouden kunnen volstaan met daartegen te doen opmerken, dat, indien men daarop al te zeer nadruk legt, men dan op denzelfden grond zou moeten toegeven, dat het baptis-tisch systeem veroordéeld wordt door Matth. 28 : 19, wijl op deze plaats eerst van doopen en daarna van leeren gesproken wordt. Voorts, dat dan, met het oog op Tim. 3: 16, aangenomen zou moeten worden, dat Hij, die geopenbaard is in het vleesch, eerst gepredikt is onder de Heidenen, en daarna opgenomen in heerlijkheid, omdat daar het op-

1) Gorter, t. a. p.

15*

-ocr page 240-

228

genomen zijn in heerlijkheid niet voor, maar na het gepredikt zijn onder de Heidenen vermeld staat; en met het oog op Efez. 4:5 en 6: dat men eerst een Heer(nl. Christus) moet hebben, daarna gelooven moet, vervolgens den doop moet ontvangen, om eerst na dat alles een God en Vader te hebben; of, met het oog op Mark. 1:4, dat Johannes eerst doopte in de woestijn, en daarna predikte den doop der bekeering tot vergeving van de zonden.

Maar afgezien van deze bedenking, kan uit Mark 16 : 1G in geen geval worden opgemaakt, dat de kinderdoop in strijd is met de bedoeling des Heeren. Uit het ISde vers toch blijkt ten duidelijkste, dat de Heer zich hier plaatst op het standpunt der zending, en dat Hij in het 16tle enkel zulken in het oog heeft, die nog niet tot het christendom waren overgegaan. Waaruit volgt, dat daar in het geheel geen sprake is, noch van de kinderen, noch van de volwassenen, die geboren zijn in den boezem van de christelijke Kerk.

Bovendien moet men in het oog. houden, dat de Heer aan zijn discipelen in last geeft, om te gaan in de geheele wereld, en het Evangelie te prediken aan alle creature. Het spreekt daarom van zelf, dat Hij hier alleen denkt aan die bekwaam zijn om dat Evangelie te hooren, aan te nemen, of te verwerpen.

Uit Mark. 16 : 1G kan dan ook niets anders worden opgemaakt, dan dat de volwassenen eerst het Evangelie gehoord en geloofd moeten hebben, zullen zij gedoopt mogen worden. Hetgeen daarin gezegd wordt kan geenszins beschouwd worden als vaste regel voor hetgeen te allen tijde, maar alleen als regel voor hetgeen in bepaalde gevallen geschieden moet. In ieder geval wordt daarin niets vastgesteld ten opzichte van de christenwereld.!)

1) Zoer terecht zegt Calvijn: „Hier wordt van den doop niet anders ge-gproken, dan voor zoover deszelfs bediening het leerambt onderworpen is. Want Christus zendt de apostelsu, om allen volken der wereld het Evangelie te prediken, opdat zij door de leer der zaligheid van alom menschen, die

-ocr page 241-

229

Daar komt nog bij, dat Mark. 16; 1G geen bevel of last met betrekking tot het doopen bevat, maar slechts een uitspraak is. Dit blijkt reeds uit den vorm van de woorden. De Heer spreekt over de vrucht van de Evangelieprediking , en vestigt daarbij het oog op de hoofdzaak, nl. het al of niet zalig worden van hen, tot wie dat Evangelie gebracht wordt. Daarom maakt Hij in de eerste plaats melding van het geloof, dat alleen in aanmerking komt, als er sprake is van zalig worden. Hieruit is dan ook te verklaren, waarom Hij geheel zwijgt van den doop, als Hij spreekt over het verloren gaan.

Eindelijk moeten wij er de aandacht op vestigen, dat de Heer zelf in Mark. 16 : 16 zich het geval voorstelt, dat de doop bediend wordt aan die nog niet tot het geloof zijn gekomen, en dat Hij uitdrukkelijk aanneemt, dat men gedoopt zou kunnen worden, zonder vooraf te hebben geloofd, daar anders de woorden: „maar die niet geloofd zal hebben zal verdoemd wordenquot; hier geen zin zouden hebben. Het doel des Heeren is dan ook niet, om een doop aan te bevelen, die op het geloof wordt bediend, maar om het geloof aan te bevelen, als waartoe de doop, hoe ook bediend, behoort te leiden.\')

Beschouwen wij nu wat meer van nabij den eigenlijken grond voor het verwerpen van den kinderdoop, gelijk men dien aan Mark. 16:16 ontleend heeft.

Van de onbewezen en onbewijsbare stelling uitgaande, dat volgens het N. T. alleen aan waarlijk geloovigen en wedergeborenen de doop mag worden bediend, heeft men

te voren verloren waren, tot zijn Koninkrijk verzamelen zouden. Maar wie of hoedauigen zijn die mensehen? Het is zek\'er, dat er sprake is alleen van die, welke bekwaam zijn om de leer aan te nemen. Daarna voegt Hij er bij, dat de zoodanigen, wanneer zij onderwezen zullen zijn, moeten gedoopt worden, met bijvoeging van deze belofte: dat degenen, die geloofd zullen hebben en gedoopt zullen zijn, zalig zullen worden. Wordt er in deze gansche redeneering wel met een enkele lettergreep van kleine kinderen gerept?quot;

1) Vgl. Pareau, t. a. p., bl. 65.

-ocr page 242-

230

aldus geredeneerd: „Om gedoopt te mogen worden, moet men eerst gelooven. De kinderen kunnen nog niet geloo-ven. Dus mogen de kinderen niet gedoopt worden.quot;

Wij laten voor het oogenblik buiten rekening wat wij vroeger reeds aangetoond hebben: dat het nl. met de waarheid in strijd is, te beweren, dat de doop volgens het N. T. het zaligmakend geloof of de wedergeboorte tot éénige voorwaarde heeft. Wij zullen ons thans alleen vergenoegen met de onhoudbaarheid van die redeneering in het oog te doen springen, door haar toe te passen op een paar uitspraken van de H. Schrift.

Volgens Hebr. 11:6 is het zonder geloof onmogelijk, Gode te behagen. De kinderen kunnen niet gelooven. Dus kunnen de kinderen onmogelijk Gode behagen! Mark. 16:6: „Die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.quot; De kinderen kunnen niet gelooven. Dus zullen alle kinderen, die als kinderen sterven, verdoemd worden!

Deze redeneering staat volkomen gelijk met de andere, op grond waarvan de kinderdoop verworpen wordt. Toch is er niemand, die haar in de door ons aangewezen consequenties zal willen aanvaarden. Want men zal ons toevoegen: dat b. v. de verklaring „Die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd wordenquot; alleen betrekking heeft op hen, die hebben kunnen gelooven, doch niet gewild hebben, en die, toen de Evangelieprediking tot hen kwam, daaraan geen gehoor gegeven, maar volhard hebben in hun ongeloof en hun onbekeerden toestand. En eveneens: dat de almachtige en genadige God aan de kinderen, die zeer jong sterven, langs een anderen weg dan aan de volwassenen de zaligheid kan mededeelen; dat Hij andere middelen heeft, om hun de verlossing, die in Christus is, deelachtig te maken, dan die Hij aan de volwassenen heeft aangewezen in zijn Woord; en dat Hij, met betrekking tot de zaligheid, aan de kinderen als kinderen niet in ieder opzicht dezelfde eischen stelt, als aan de volwassenen als volwassenen.

Dit alles is volkomen juist. Maar waarom redeneert men

-ocr page 243-

231

niet evenzoo, als het den doop geldt? Yoor de zaligheid zal het geloof zeer zeker niet minder noodzakelijk zijn, dan voor den doop. En indien men toegeeft, dat de kinderen zalig kunnen worden, al kunnen zij niet gezegd worden, het zaligmakend geloof te bezitten, waarom zouden zij dan niet gedoopt mogen worden, al kunnen zij nog geen blijken geven van hun geloof? Eischt Gfod, met betrekking tot de zaligheid, niet van het kind wat Hij van de volwassenen eischt, waarom zou Hij dan juist met betrekking tot den doop hetzelfde van hen eischen als van de volwassenen?1)

Buiten Christus geen zaligheid, „want er is onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.quot;2)

Stemt men derhalve toe, dat de kinderen, die vroeg sterven, zalig kunnen worden, omdat men niet kan aannemen, dat zij verloren gaan, dan moet men ook toestemmen : dat zij sterven in de gemeenschap met Christus, dat zij ook onbewust deel kunnen ontvangen aan de.verlossing, door Hem tot stand gebracht, en dat er alzoo, ondanks hun onmondigen toestand, een innige betrekking tusschen Christus en hen mogelijk is, en dat hun de verdiensten van Christus op de eene of andere wijze kunnen worden medegedeeld.

Dit toe te stemmen is tevens toe te geven, dat God hun onbewust zijn genade deelachtig kan maken, en hen met Christus in gemeenschap kan brengen. Waarom zou dan de doop hun onthouden moeten worden, alleen omdat zij nog geen bewijs hebben kunnen geven van hun geloof, en nog geen vrije keuze hebben kunnen doen?

Het geloof is volgens de H. Schrift evenzeer een genadegave, als de vergeving van zonden en de wedergeboorte door den H. Geest. In zijn wezen is het het orgaan, waarmede wij aannemen de zaligheid, die in Christus geschonken is. Het onderstelt niets anders, dan die deemoedige en

1

\'1) Vgl. Clément, a. w., bl. \'268 en 2ö9; Laufer, t. a. p., bl. \'28; en Mader, t. a. p., bl. \'H\'2 en 113.

2

Hand. 4 ; 12.

-ocr page 244-

232

onbevangene gezindheid des harten, die receptiviteit, die ontvankelijkheid voor de genade, die men hebben moet, om behouden te kunnen worden, en die den kinderen in bijzondere mate eigen zijn.

Als zoodanig heeft het zijn aanvang in een behoefte aan verlossing, in een onbewust verlangen naar de zaligheid, die daar is in Jezus Christus, en eerst daarna wordt het een vertrouwen des harten, een aannemen van het uit genade geschonken heil. En wie zal zeggen, dat die behoefte niet in de kinderen aanwezig kan zijn, en dat dat onbewust verlangen voor hen eene onmogelijkheid is?

Bij het opnemen in zijn gemeenschap en bij het schenken van zijn heil, heeft do lieer niet gelet op een krachtig geloof, maar op het verborgen verlangen des harten, dat do grondslag is van het zaligmakend geloof. Waar dit verlangen aanwezig was, daar deelde Hij zijn heil mede.

Overigens verwijzen wij naar hetgeen wij over dit oen en ander reeds gezegd hebben op blz. 146—148, en vestigen tevens de aandacht op deze woorden van Mader i): „\'Diejenigen, welche den Kindern die Fahigkeit, den Segen Christi empfangen zu kunnen, absprechen, müchten doch einmal recht ernstlich bedenken, welch ein Unrecht sie damit an der gesammten Kinderwelt begehen, wie sie dieselben damit geradezu aus dem Himmelreiche ausschliessen und der Verdammniss überweisen. Um des Heiles Jesu Christi theilhaftig zu werden, ist allerdings auf Seiten des Empfangenden eine Empfanglichkeit, die man Glauben nen-nen kann nöthig. Aber es fragt sich nun, welche Art oder welcher Grad von Glauben für solchen Empfang erfor-derlich ist. Der Glaube, zu dem es bei uns Allen kommen soli, besteht darin, dass man sich selbst aufgibt, alle eitlen Traume von eigener Vortreffiiehkeit, Würdigkeit und Tüch-tigkeit aufgibt, von all diesen falschen Höhen herabsteigt in die Wirklichkeit und seine Armuth, seine Elend, seine Heilandsbedürftigkeit erkennt und dann Christum ergreift

l) T. a. p., bl. 114 eu 115.

-ocr page 245-

233

als seinen einigen Retter, Ihn zura Mittelpunkt seines Lebens nnd zu seinem Ein und Alles macht. Durch diesen Glauben, der im Aufgeben seiner selbst und im Ergreifen Christi, oder im Herausgehen aus sich selbst und im Einge-hen in Christum besteht, wohnt Christus in unsern Herzen. !) . . . Aber man bat solchen Glauben nicht schon in den Anfang des Christwerdens und vor die Wie-dergeburt oder Mittheilung des heiligen Geistes zu verzetzen, sondern ihn als ein hohes Ziel anzusehen, zu dem die Wie-dergebornen, allerdings hier schon, gelangon sollen. Paulus bezeugt seinen Ephesern, dass sie reich gesegnet worden seien durch Christum, dass sie, einst todt in Simden, nun lebendig gemacht, aufenveckt und in das himmlische Wesen versetzt worden seien in Christo Jesu 1): und für diese Epheser betet er doch noch um den Glauben, durch wel-chen Christus in ihren Herzen Sich einwohnt. Christi Ein-wohnung in unser Herz ist nicht zu verwechseln und zu-sammenzuwerfen mit unsrer Aufnahme in Seine Heils- und Lebensgemeinschal\'t; jene kann kaum dem Anfange nach verwirklicht sein, wahrend diese schon eine vollendete Thatsache ist, denn zur Einwohnung Christi in unser Herz bedarf es eines andern Glaubens, als zu unsrer Aufnahme in Seine Gemeinschaft. Die Einwohnung Christi in uns ist eine allmahlige, die in demselben Maasse fortschreitet, in welchem dieser Glaube in uns heranwachst.quot; 2)

1

. 2) Eph. 1, 3 ff.; 2, 5. 6. 13; 3, 16. 17.

2

Hiermede in overeenstemming zegt Schalf (Geschiedenis der apostolische Kerk, Nieuwe uitgave bl. 602): „Het geloof begint reeds met de godsdienstige vatbaarheid, met hel onbewust verlangen naar het goddelijke en hot kinderlijk vertrouwen op eene hoogere macht. Het is over het geheel niet een voortbrengsel van ons denken, verstaan, gevoelen en willen, maar eon werk der genade en van Gods Geest, die aan geen leeftijd en aan geen trap van verstandsontwikkeling gebonden is. Het geloof verwekt niet de heilgoederen, maar ontvangt ze slechts, en alleen naar deze receptieve zijde, als orgaan der toeëigening, niet naar zijn productieve zijde, is het zaligmakend, dewijl immers anders de zaligheid uit een schepselaardige bron zou afgeleid worden. Deze receptiviteit voor het goddelijke wordt reeds in het kind, en wel zelfs zuiverder en onbenevelder dan in lateren

-ocr page 246-

234

Wij komen nu tot het argument, dat men ontleend heeft aan de voorbeelden uit den apostolischen tijd.

Men heeft nl. gezegd, dat de apostelen niet alleen geen anderen, dan volwassenen gedoopt hebben, maar dat zij ook oprecht geloof en bekeering geëischt hebben als éénige voorwaarde, om den doop te mogen ontvangen. En daaruit heeft men de gevolgtrekking gemaakt, dat kleine kinderen niet gedoopt mogen worden: 1° omdat zij daartoe den vereischten leeftijd nog niet hebben; en 2° omdat hij hen nog geen sprake kan zijn van geloof en bekeering.

Wat het eerste betreft: Al moest ook worden toegegeven, dat de apostelen geen anderen dan volwassenen gedoopt hebben, daaruit zou nog geenszins volgen, dat alleen de doop van volwassenen in overeenstemming is met de bedoeling van den Heer en zijn apostelen.

Immers is het zeer natuurlijk, dat in die dagen de doop van volwassenen de heerschende moest zijn, daar toen de Kerk uitsluitend een zendingskerk is geweest. !) En al was het ook, dat de Heer uitdrukkelijk den kinderdoop had voorgeschreven, uit den aard der zaak zouden de apostelen met het doopen van volwassenen begonnen zijn, evenals een zendeling zijn werk onder de Heidenen niet aanvangt met het doopen van kinderen, maar met het Evangelie te verkondigen aan de volwassenen, om dezen daarna dooiden doop in de christelijke Kerk in te lijven. Om dezelfde reden werd de besnijdenis aanvankelijk aan volwassenen verricht, hoewel het niet te ontkennen is, dat God bij hare inzetting in de eerste plaats op onmondige kinderen het oog heeft gehad. 1)

1

Men vergelijke hierbij Calvijn, Brevis \'mstructio muniendis Jidelihus adversus errores communis sectae AnahapUstarum, op bl. 479—481 van zijn Tractatus theologici omnes, altera editio, Genevae 1597.

-ocr page 247-

235

Bovendien mag niet over het hoofd worden gezien, dat het werk der Evangeliebediening, met al wat er toe gerekend moet worden, zich inrichten moet naar de bijzondere omstandigheden. De praktijk van hetgeen niet tot de eigenlijke hoofdzaak behoort kan daarom ook niet te allen tijde dezelfde wezen. Zij moet noodwendig rekening houden met de verschillende toestanden. Heeft de Evangelieprediking betrekking op die nog buiten het erf van het Christendom staan, dan spreekt het van zelf, dat men in sommige opzichten daarbij eenigszins anders te werk moet gaan, dan wanneer zij zich te bepalen heeft tot reeds gevestigde christelijke gemeenten.

quot;Wil men dus bewijzen, dat volgens het N. T. alleen volwassenen gedoopt mogen worden, dan is het daartoe geenszins voldoende, zich te beroepen op het feit, dat zij, die van het Joden- of Heidendom tot het Christendom overgingen, op volwassen leeftijd door de apostelen gedoopt zijn geworden, maar dan moet men aantooneri, „dat de doop op volwassen leeftijd bediend is aan de zoo-danigen, wier ouders reeds christenen waren.quot;1) Dit nu kan uit het N. T. niet worden aangetoond, en moet zelfs, gelijk wij in het voorgaande reeds in het licht hebben gesteld, voor zoo onwaarschijnlijk mogelijk worden gehouden.

Wat het tweede aangaat: Ten onrechte beroept men zich op de handelwijze der apostelen ten gunste van de bewering, dat de doop het geloof en de wedergeboorte tot éénige voorwaarde heeft.

Het is toch niet aan te nemen, dat zij, die door hen gedoopt werden, menigmaal nadat zij voor het eerst het Evangelie gehoord hadden, inderdaad zulke geloovigen en wedergeborenen geweest zijn, als men op baptistisch standpunt wezen moet, om den doop te mogen ontvangen. Ook was het de gewoonte van de apostelen niet om, vóór het

1

Zie Scholten, in zijn Leer der Hervormde Kerlc in hare grondheginsélen t druk, XI, bl. \'298.

-ocr page 248-

236

bedienen van den doop, een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar den ianerlijken toestand van die hem wenschten te ontvangen.

Evenmin staat er iets van vermeld, dat zij hun daarbij de wedergeboorte of een bepaalde geloofsbelijdenis tot eisch hebben gesteld. Maar zij doopten hen, als zij maar een verlangen naar Christus in hen bespeurden , of een behoefte aan verlossing in hen ontdekten. Men zal dit moeten toestemmen, tenzij men aannerne, dat de apostelen bij het bedienen van den doop zeer lichtzinnig te werk zijn gegaan. Want het is niet te ontkennen, dat zij geheele scharen tegelijk gedoopt hebben, zoo goed als onmiddellijk nadat zij hen hadden opgewekt tot het geloof in Jezus Christus.J)

Wij mogen hieruit veilig afleiden, dat zij den doop niet hebben beschouwd als de kroon op hot geloof, maar als den aanvang des geloofs; niet als een hoogtepunt, maar als het begin van het christelijk leven; niet als de verzegeling van hetgeen men zich inderdaad reeds toegeëigend en reeds feitelijk verkregen had, maar als een prediking eü aanwijzing van hetgeen men persoonlijk nog deelachtig moest worden.

Eveneens mogen wij daaruit afleiden, dat het voor de apostelen, bij het bedienen van den doop, niet de hoofdzaak was, dat men dien ontving, na een helder inzicht te hebben verkregen in de christelijke waarheid, en nadat men met volle bewustheid en beslistheid tot de groote levenskeuze gekomen was (men denke aan Simon den toovenaar), maar dat voor hen daarbij de hoofdzaak was de roeping, die door den doop gebracht werd tot allen, die hem ontvingen. 1) Die roeping stond bij de apostelen op den voorgrond , en geenszins het zaligmakend geloof of het afleggen van een geloofsbelijdenis. Daarom vinden wij in het N. T. nergens vermeld, dat zij den doop hebben geweigerd aan

1

Vgl. Pareau, t. a. p., bl. 65 en 66.

-ocr page 249-

237

iemand, die gedoopt begeerde te worden, of dat zij met het bedienen daarvan gewacht hebben totdat men bewijzen kon geven van zijn geloof en zijn wedergeboorte.

Zeker hebben de apostelen geen anderen gedoopt, dan die beleden, dat Jezus de Christus was. Maar dit betee-kent niet, dat men eerst het zaligmakend geloof moet bezitten, of eerst wedergeboren moet zijn, zal men den doop mogen ontvangen. Wij gaan nu dit een en ander uit de stukken zeiven aantoonen.

Wij beginnen met Hand. 2 : 38—42. Over deze pericoop hebben wij reeds gesproken op bl. 81—84 en op bl. 130. Maar wij moeten er nu weer de aandacht op vestigen; meer bepaald op het 38ste en 41ste vers, omdat men zich ook daarop pleegt te beroepen voor de meening, dat men wedergeboren moet zijn, eer men den doop mag ontvangen.

Zonder twijfel stelt de apostel in het 38ste vers de bekeering voor als voorwaarde, om gedoopt te mogen worden. Doch die bekeering mag geenszins gelijk worden gesteld met de wedergeboorte. In deze beteekenis kan het woord hier onmogelijk gebruikt zijn. De Joden en Joden-genooten, tot wie Petrus sprak, konden het niet anders hebben opgevat, dan in den reeds door ons aangewezen zin van: het opgeven van de vroegere vijandige gezindheid ten opzichte van Hem, dien zij gekruisigd hadden.

Geeft men dit wellicht niet toe, dan zal men moeten aannemen, dat met die bekeering bedoeld is: het vaarwel zeggen aan het zondige leven in het algemeen, om zich voortaan toe te leggen op een leven van zedelijke reinheid in den dienst van God. Maar ook dit is geenszins hetzelfde als de wedergeboorte.

De wedergeboorte is geen menschelijk werk, en kan dooiden mensch niet tot stand worden gebracht. Ook is zij niet de vrucht van verstandelijke overtuiging, of van een veranderde denkwijze aangaande den persoon des Heeren. Zij is het werk van den H. Geest, en bestaat in de totale vernieuwing van den innerlijken levensgrond, in de alge-

-ocr page 250-

238

heele herschepping van het hart, het middenpunt der men-schelijke persoonlijkheid, zoodat de mensch daardoor een geheel nieuw schepsel wordt, „geschapen in Christus Jezus tot goede werken.quot;

Daarom wordt de wedergeboorte in de H. Schrift wel voorgesteld als noodzakelijke voorwaarde, om het Koninkrijk der hemelen te kunnen binnengaan, maar nooit als iets, dat door den mensch zelf tot stand kan worden gebracht. De eisch der bekeering komt tot den zondaar als iets, dat in de eerste plaats van hemzelven afhankelijk is, terwijl de wedergeboorte altijd beschouwd wordt als alleen van God uitgaande.

Nu is het duidelijk, dat Petrus van de schare eischt, dat zij zich bekeeren zullen, en dat hij dien eisch voorstelt als iets, waaraan terstond moest worden beantwoord. Derhalve kan hij met die bekeering niet hetzelfde bedoeld hebben, als wat men onder wedergeboorte te verstaan heeft.

Dat de apostel van de schare niet de wedergeboorte ge-eischt kan hebben als voorwaarde om gedoopt te mogen worden, blijkt eveneens hieruit, dat hij de vergeving van de zonden en de gave des H. Geestes hun voorstelt als genadegaven, die zij eerst na de bekeering en na den doop zouden deelachtig worden. Zou er een wedergeboorte door den H. Geest, een wedergeboorte, waardoor men een kind van God wordt en een erfgenaam des eeuwigen levens, denkbaar zijn, waarbij men eerst later deel ontvangt aan de vergeving der zonden en aan de gave van den H. Geest?

Men zal misschien zeggen, dat het ontwaakt schuldgevoel en de verslagenheid des harten, welke de schare deden uitroepen: „Wat zullen wij doen, mannen broeders?quot; aan de werking van den H. Geest moeten worden toegeschreven. Dit is voorzeker niet te ontkennen. Doch men ver-gete niet, dat de wedergeboorte nog iets anders is, dan het gevoel van schuld en de verslagenheid van het hart. Het nieuwe leven der wedergeboorte is waarlijk iets meer, dan het overtuigd zijn van zonde bij de ontwaking van het geweten. Men kan nog geenszins gezegd worden, reeds in

Ife

-ocr page 251-

239

het bezit te zijn van de zaligheid, die daar is in Jezus Christus, wanneer men geen vrede meer heeft met zijn toestand, en angstige bekommering de ziel vervult. Die menschen verkeerden wel onder den invloed van den H. Geest; maar die Geest was nog niet in hun hart, gelijk Hij woont in het hart van hen, die door de wedergeboorte waarlijk vernieuwd en geheiligd zijn tot kinderen en erfgenamen Gods.

Beschouwen wij nu het 41ste vers. Het luidt volgens onze Statenoverzetting aldus: „Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.quot;

Nu heeft men gezegd, dat hier uitdrukkelijk gesproken wordt van „gaarne aannemen,quot; en in dit „gaarne aannemenquot; een aanduiding gezien van het zaligmakend geloof. Doch geheel ten onrechte. Want men heeft daarbij tweeërlei uit het oog verloren: 1° dat het woord „gaarne,quot; gelijk op kritische gronden onweersprekelijk vaststaat, onecht is, en niet tot den oorspronkelijken tekst behoort; en 2° dat, al moest dat woord worden behouden, het „gaarne aannemenquot; van het woord van Petrus, nochtans niet met „wedergeboren zijnquot; of „een oprecht geloovige zijnquot; gelijk zou mogen gesteld worden. Men zie slechts Luk. 8 : 13, waar ook van hen, „die maar voor een tijd gelooven en in den tijd der verzoeking afwijken,quot; gezegd wordt, dat zij „het woord met vreugde ontvangen.quot; Ook leert de ervaring ten duidelijkste, dat hoewel velen geloof schenken aan het woord der Evangelieprediking, en gerekend kunnen worden tot hen, die het „gaarne aannemen,quot; nochtans niet van hen allen gezegd kan worden, dat zij ook waarlijk wedergeborenen en oprecht-geloovigen zijn.

Wij kunnen zelfs verder gaan, en zeggen, dat met de woorden „die dan zijn woord aannamen, werden gedooptquot; niets diepers bedoeld is, dan dat zij, die, ten gevolge van de vermaning: „Wordt behouden van dit verkeerd geslachtquot; (vers 40), geloofden wat Petrus aangaande den persoon des Heeren verkondigde, gedoopt zijn geworden. In ieder

-ocr page 252-

240

geval is het, gelijk wij reeds herinnerd hebben, niet wel aan te nemen, dat al die 3000 menschen, die op dienzelfden dag den doop hebben ontvangen, ieder hoofd voor hoofd, opreeht-geloovigen en wedergeborenen geweest zijn. Bovendien is het duidelijk, dat Petrus niet eerst nauwkeurig onderzocht heeft, of die 3000 personen waarlijk bekeerd waren, alvorens hij hen tot den doop toeliet, evenmin als dat hij met doopen gewacht heeft tot zij eerst in hun leven blijken hadden gegeven van hun geloof, maar dat hij hen doopte, terstond nadat zij een behoefte aan verlossing geopenbaard hadden.

Raadplegen wij nu Hand. 8 ; 5—24. Philippus predikt het Evangelie te Samaria. De scharen, die vroeger allen, „van den kleine tot den grootequot;, den toovenaar Simon aanhingen als „de groote kracht Godsquot;, luisteren nu met aandacht naar den prediker, hoerende en ziende de teekenen, die hij deed. Het gevolg is, dat zij zich laten doopen, beide mannen en vrouwen, „toen zij Philippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde.quot;

Evenals op den eersten Pinksterdag, werd hier alzoo aan een zeer groote menigte tegelijk de doop bediend. Maar wij lezen niet, dat Philippus vooraf een nauwkeurig onderzoek heeft ingesteld naar den innerlijken toestand van hen, die begeerden gedoopt te worden. Evenmin, dat hij hun de wedergeboorte of het zaligmakend geloof tot voorwaarde gesteld heeft. Zonder twijfel staat er, dat zij geloofden. Maar reeds het feit, dat hier sprake is van een zeer groote menigte, die nog kort te voren, van den kleine tot den groote, den toovenaar Simon aanhing als „de groote kracht Godsquot;, en die zich „eendrachtelijkquot; hield aan hetgeen door Philippus gezegd werd „dewijl zij hoorden en zagen de teekenen, die hij deedquot;, — reeds dit feit maakt het zeer onwaarschijnlijk, dat bij allen het zaligmakend geloof gevonden werd, toen zij gedoopt werden. Van dit geloof werd in het 12de vers dan ook in het geheel niet

-ocr page 253-

241

gesproken. Want wij vinden daar niet vermeld, dat Phi-lippus hen tot den doop toeliet, nadat hij tot de overtuiging-was gekomen, dat zij een oprecht geloof in Christus hadden, maar wel: dat zij zich lieten doopen, „toen zij Philippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde.quot; Dit wil niets anders zeggen, dan dat zij den doop ontvingen, nadat zij hetgeen hun door Philippus verkondigd was voor waarheid hadden erkend. Zij werden alzoo gedoopt op grond van hunne erkenning van Jezus als den Christus.

Het is niet noodig, te herinneren, dat zulk een erkenning geschieden kan zonder vernieuwing van het hart en zonder overgave van zich zeiven aan den Heer. Eigenlijk staat er niet eens, dat Philippus hun die erkenning tot voorwaarde gesteld heeft, om gedoopt te mogen worden, maar dat hy hen doopte, toen zij, geloof hechtende aan hetgeen hij hun verkondigd had, zulks van hem begeerden. En voorzeker zullen er in hun midden geweest zijn, die aanvankelijk op dezelfde wijze hem geloofden, als zij vroeger Simon geloofd hadden.

Wat hier alles afdoet, het is, dat ook aangaande Simon den toovenaar geschreven staat (zie vers 13), dat hij geloofde en gedoopt werd, terwijl het vervolg van het verhaal ons op onwedersprekelijke wijze leert, dat zijn geloof geenszins dat geloof kan geweest zijn, hetwelk men op haptistisch standpunt hebben moet, om gedoopt te mogen worden. Vers 21 toch zegt Petrus uitdrukkelijk tot hem: „Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God.?\' En nochtans heeft Philippus hem gedoopt, terwijl niets ons recht geeft om aan te nemen, dat Simon gehuicheld heeft, toen hij den doop van hem begeerde, daar hij dien begeerde nog voordat de H. Geest op het gebed en de handoplegging der apostelen over de menigte was uitgestort. In ieder geval zou het voor Philippus niet moeilijk geweest zijn, hem te doorgronden, indien hij, voor het bedienen van den doop, een onderzoek had ingesteld naar Simon\'s innerlijken toestand.

lu

-ocr page 254-

242

Wij mogen daarom veilig aannemen, dat een ieder door liem gedoopt werd, die liet verlangde, nadat.hij verklaard had, Jezus als den Messias te erkennen, al was deze erkentenis niet de vrucht van een verlicht geweten, of het gevolg van een oprecht geloof in Christus.!)

Hand. 8 : 26—40 lezen wij de geschiedenis van den overgang van den Moorman tot het christendom. Naar aanleiding van het bekende Hoofdstuk van Jesaja, predikt Philippus hem Christus, nadat hij nevens hom op den wagen plaats had genomen. „En alzoo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: zie daar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?quot; Daarop gebood hij den wagen stil te houden; en nadat beiden in het water waren afgedaald, doopte hem Philippus.

Daar is ook in dit verhaal niets, waaruit met recht kan worden afgeleid, dat men eerst een oprecht geloovige zijn moet, om gedoopt te mogen worden.

Gewoonlijk beroept men zich daarvoor op het 37ste vers zooals het in de Statenvertaling, naar den textus reeeptus, gevonden wordt. Er is echter geen twijfel aan, of dit vers

1) Zeer juist zegt Lauför (t. a. p., bl. 10 en 11): „Au reste, ce qui dans la question qui nous occupe empêche absolument de prendre les mots croire et foi uniquement dans le sens de la foi des régénérés, c\'est que ces mots ont dans l\'Ecriture los acceptions les plus diverges. 11 y a la foi vivante, qui obtient la justice de Dieu en Jésus-Christ (Philip. Ill, 9). II y a une adhesion cordiale, mie conviction joyeuse qui peut conduire a la foi des régénérés, mais qui peut devenir ce que nous voyons dans I\'histoire d\'Ananias ou de Démas. II y a la foi de ceux qui croient li cause des miracles. Cette foi peut étre accompagnée de dioiture, mais peut aussi tnan-quer de sincérité, comme chez ceux a qui Jésus „ne se fiait pas.quot; U y a la foi de „ceux qui disent: Seigneur, seigneur,quot; inais qui refusent de donner a Dieu leur coeur pour lui obéïr. II y a „la foi mortequot; dont parle saint Jacques. ïous ces genres de foi ont pu se trouver parmi ceux que les apotres ont admis au baptême, et l\'état des églises que nous connaissons par le Nouveau Testament le confirme avec asscz de vraisemblance. En tout cas, Simon le magicien a recu le baptême. Et qu\'on ne dise pas qu\'il fit semblant de croire, ou qu\'il s\'imagina de croire, car il est dit expres-sément qu\'il crut.quot;

-ocr page 255-

\'243

is een bijvoeging van een latere hand.!) Daardoor vervalt dan ook liet krachtigste argument van het baptisme. Maar dit niet alleen. De onechtheid van dat vers pleit zoo sterk mogelijk voor de waarheid van hetgeen wij tot hiertoe gevonden hebben: dat nl. de apostelen geenszins gewoon zijn geweest, een oprecht geloof of een formeele geloofsbelijdenis tot voorwaarde te stellen bij de doopsbediening. Want indien dio kerk van latere tijden, waarin de gewoonte om den doop niet te bedienen, dan na vooraf een langen tijd van voorbereiding en liet afleggen van een bepaalde geloofsbelijdenis te hebben gevorderd, zich evenals de baptisten had kunnen bei\'oepcn op de voorbeelden uit den apos-tolischen tijd, — er ware voorzeker geen poging gewaagd, om dat vers te interpoleeren, maar men zou zicli eenvoudig op die voorbeelden beroepen hebben. 2)

Maar nemen wij eens aan, dat Mand. 8:37 echt is. Dan zouden wij hier de eenige plaats uit hot geheele N. ï. hebben, waar een geloof van ganscher harte tot voorwaarde gesteld wordt aan die den doop wilden ontvangen.;i)

\'1) Het komt voor in slechts éen Unciaal-Handschrift, ij» ongeveer 20 minusculi, enkele oude vertalingen, en bij kerkvaders van Lrenaeus af. Bij lrenaeus en Tertullianus ontbreken echter de woorden „van ganscher harte.quot; Wij lezen ze voor het eerst bij Cyprianus. Overal, waar het vers voorkomt, vindt men hel met zulke groote afwijkingen, zoowel mei. bn-trekking tot hol aantal woorden, als ten opziclite van de orde, waarin zij op elkiinder volgen, d.il hel bijna in ieder IlLmdsebrin anders luidt, lleeds hierdoor blijkt hel, een bijvoeging Ie zijn van een latere hand. Bovendien ontbreekt het geheel, niet slechts in den Sin. en in de overige Unciaal-Handschriften, maar ook in meer dan 60 minusculi, in vele oude vertalingen en bij kerkvaders. Men zie bij Tischendorf. Indien hel tot den oor-spronkelijken tekst had behoord, zou hel niet te verklaren zijn, om welke reden men het weggelaten heelt. Het omgekeerde daarentegen ligt voor de hand. De interpolatie heeft kennelijk ten doel gehad, om het verhaal verder aan te vullen, en om den indruk weg te nemen, alsof Philippus al te lichtzinnig te werk gegaan is bij hel bedienen van den doop aan den kamerling.

\'quot;2) Vgl. \\V. Holfmann, Taufe und Wledertaufe. Sechs Gesprache, bl. 94 en 95.

3) Calvijn geeft, in zijn Institutie, deze verklaring van de uitdrukking: „Van ganscher harte gelooven beteeken l hier niet]: volmaakt in Christus loovtn, maar alleen: Hem van harte en meteen oprecht gemoed omhelzen; van Hem niet afkeerig zijn, maar mei een brandende genegenheid naar

10*

-ocr page 256-

244

Reeds dit feit zou ons doen vermoeden, dat Philippus een bepaalde reden moet gehad hebben, om die voorwaarde aan den kamerling te stellen, en aldus af te wijken van den regel, dien hij tot dusver gevolgd heeft.

Doch afgezien daarvan, kan uit genoemd vers geenszins met recht worden afgeleid wat men gemeend heeft, daaruit te moeten afleiden. Wel, dat men Jezus voor den Christus erkennen moet, om den doop te mogen ontvangen. Ik beweer dit op grond van de waarheid, dat, toen Philippus den kamerling doopte, deze (volgens dat vers) niet eerst verklaard heeft, van ganscher harte in den Heer Jezus te gelooven; ook niet gezegd heeft; „Ik geloof in Jezus Christus, den Zoon van Godquot;, maar alleen; „Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.quot; Enkel op die belijdenis heeft Philippus hem gedoopt, terstond gedoopt, gedoopt zonder verder onderzoek, of zij wel een zaak des harten was. En ook niets minder, dan zulk een belijdenis mag gevorderd worden van een volwassene, die den doop begeert te ontvangen. Wij zullen dit straks nader in het licht stellen.

\' Het is mogelijk, dat de Moorman inderdaad het zaligmakend geloof heeft gehad, toen hij gedoopt werd, en het is verre van ons, te willen ontkennen, dat er onder de volwassenen, die door de apostelen gedoopt werden, ook waarlijk wedergeborenen geweest zijn. Maar wat wij wèl ontkennen, het is; dat het zaligmakend geloof of de wedergeboorte door hen tot éénige voorwaarde gesteld is aan die gedoopt wenschten te worden.

Hand. 10 ; 44—48. De H. Geest wordt uitgestort op die in het huis van Cornelius luisterden naar de Evangeliepre-

Hem hongeren en dorsten, en tot Hem zuchten. De Schrift is gewoon te zeggen, dat die dingen van ganscher harte geschieden, die zij aanwijst als oprechtelijk en zonder geveinsdheid gedaan te worden. Als b. v. deze uitdrukkingen: Met mijn gansche hart heb ik u gezocht; ganscher harte belijden; en dergelijke (Ps. \'119:10; 111:1 en 138:1). Gelijk zij daarentegen, bij het bestraffen van geveinsden en bedriegers, hun pleegt te verwijten, dat zij dullelhartig zijn.quot; Deze opmerking is wel beharti-gingswaard.

-ocr page 257-

245

diking van Petrus. „Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den H. Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?quot; Op deze vraag beveelt Petrus, dat zij zouden gedoopt worden in den naam des Heeren.

Hebben wij hier een bewijs voor de stelling, dat de doop niet bediend mag worden, dan aan die reeds wedergeboren zijn ? Geenszins!

Vooreerst hebben wij hier te doen met een buitengewoon geval. Het is een uitzondering, dat de H. Geest voor den doop wordt uitgestort. En indien men daaruit besluiten wil, dat de doop niet bediend mag worden, dan aan die reeds den H. Geest hebben ontvangen op hun geloof in Jezus Christus, dan zou men moeten toegeven, dat zij, die op den eersten Pinksterdag en later te Samaria gedoopt werden, nog niet geloofden in Jezus Christus, toen zij den doop ontvingen, daar zij eerst na den doop den H. Geest ontvingen.

Ten tweede. Petrus twijfelde er aan, of hij den Ro-meinschen hoofdman door den doop mocht inlijven in de christelijke Kerk, niet omdat hij twijfelde aan diens bekeering of geloof, maar omdat die hoofdman niet tot Israël behoorde. Hetgeen hem deed besluiten, om Cornelius en die in zijn huis waren wèl te doopen, was dan ook niet do overtuiging, dat zij inderdaad geloovigen en wedergeborenen waren, maar de vernieuwde aanwijzing van Boven, door de uitstorting van den H. Geest over hen, dat de Heidenen als mede-erfgenamen moesten worden beschouwd.

Over Hand. 16 : 14 en 15 hebben wij op bl. 137 reeds gesproken. quot;Wij behoeven er niet veel meer bij te voegen. Alleen nog dit; Er staat van Lydia niet geschreven, dat zij het zaligmakend geloof in Christus had, toen zij gedoopt werd. Over haar geloof als zoodanig wordt niet eens gesproken. Wij lezen slechts, „dat de Heer haar het hart opende, om acht te nemen op hetgeen door Paulus gesproken werd.quot; Moet dit worden gelijk gesteld met de weder-

-ocr page 258-

246

geboorte? Men denke aan de gelijkenis van den zaaier, die uitging om te zaaien!

Bovendien Iieof\'t Panlus geen afzonderlijk onderzoek ingesteld naar het karakter van haar geloof. En wat haar huis betreft: daarvan staat in het geheel niet vermeld, dat de Hoer ook van die er toe behoorden het hart geopend heeft. In ieder geval is er geen enkele reden om uit de toebrenging van Lydia en haar huis het besluit te trekken, dat de doop het oprecht geloof of de wedergeboorte tot voorwaarde heeft.

Letten wij nu op vers 27—84. Hier verhaalt Lukas de bekeeriug en den doop van den stokbewaarder. Wij moeten toestemmen, dat Paulus dezen Heiden niet gedoopt zou hebben, indien hij nief eerst tot andere inzichten gekomen was. Maar dit is de vraag niet. De vraag is alleen, of allen, die in het huis van dien stokbewaarder zich bevonden, gezegd konden worden, met volle bewustheid te gelooven in den Heer Jezus Christus, en of Paulus zulk een geloof van hen geëischt heeft, eer hij hen tot den doop toeliet.

.Op deze vraag een toestemmend antwoord te geven — daartoe meenen wij, dat het verhaal geen recht geeft. Veeleer tot het tegendeel. Zeer zeker staat er in vers 34, dat de stokbewaarder zich verheugde, dat hij met al zijn huis aan God geloovig geworden was. Maar sluit dit in, dat allen ook het geloof bezaten, waardoor men een kind van (lod wordt en een erfgenaam van het eeuwige leven? Is zulks zelfs waarschijnlijk te achten, als wij in aanmerking nemen, dat wij hier te doen hebben met Heidenen, die, naar wij mogen onderstellen, nog nooit te voren iets van het Evangelie gehoord hadden? Daar komt nog bij, dat er geen sprake van is, dat Paulus het huis van den stokbewaarder gedoopt heeft, nadat zij blijken hadden gegeven van hun geloof.

Clément vestigt in dit verband de aandacht op hetgeen te vinden is op hl. 116—118 van het reeds door mij aangehaalde werkje van Hoffmann. \') Het is overgenomen uit

I) Taufe und Wiedertaufe. Seeks Gesjprache. Stuttgart 1840.

-ocr page 259-

247

een Engelsch boekje over den kinderdoop. Het werkje van Hoffmann heb ik hier voor mij. Daarin komt de Duitsche vertaling voor van hetgeen de Engelscho schrijver gezegd heeft. Het is wel der moeite waarheid, om er het een en ander uit over te nemen.

Er is sprake van den doop van hen , die tot het huis van den stokbewaarder behoorden (vers 32). Van dezen wordt nu, naar de overzetting van Hoffmann, gezegd; „Gesetzt, die Kinder des Kerkermeisters waren herangewachson und hatten Glauben, so fragt sich, ob es der rechtfertigende Glaube war, wie ihn die Baptisten vom Taufiing verlangen. Die Zeit erlanbte nicht, diess zu untersuchen. Die Taufe tand statt in derselbcn Nachtstundc, in wclcher das Erdbe-ben den Kerker erschüttert batte. Der Kerkermeister war schlafen gegangen, Seine Leute auch. Er erwaclite, er und Seine Leute mussten sich ankleidcn. Licht ninsste herbeigeschafft werden, die Familie, die Diener mussten zusammenkommen, damit Paulus predigen konnte „allen die im Hause waren.quot; (V. 32). Das forderte docli alles Zeit, mindestens eine Viertelstunde. — Sie konnten nicht glauben, ehe sie unterrichtet waren. Wie lange moehte es brauchen, um einer Familie von Heiden, die vielleicht den Namen Christi noch niemals nennen gehort hatten, das Wesen des seligmachenden Glaubens f\'asslich beizubrin-gen? War\'s genug an einer halben Stunde? — Dann ging es an die Lehre von der Taufe. Ihre Darlegung und die Vollziehung des Akts an allen Anwesenden nahm doch gewiss wieder eine Viertelstunde in Anspruch? — So musste die Taufe unmittelbar auf die Belehrung über die g-rossen Heilswahrheiten folgen, um „in derselbigen Stundequot; zu geschehen. Von Proben der wirklichen Gliiubigkeit kann daher keine Rede sein. Diese zu geben und zu prüfen war keine Zeit mehr da .... Wer getraute sich wold, in einer Stunde eine Heidenfamilie so genau mit dem Evan-gelium bekannt zu machen, dass sie den rechtfertigenden Glauben, wie ihn die Baptisten fordern, haben konnte? — Ich frage jeden Baptistenprediger, ob er in gleichen Um-

-ocr page 260-

248

standen handeln würde, wie Paulus? .... Daswürdeer nicht. — Er würde wohl so denken: diese Grötzendiener sind eben so aberglaubig als unwissend. Alles Ungewöhn-liclie setzt sie in Schrecken. Wenn die Angst vorüber ist, werden sie ohne Zweifel nicht mehr Christen werden wollen. Lasst uns eine Weile zusehen, ob es Bestand bei ihnen hat. Ich habe keine Proben, dass ein Gnadenwerk in ihnen ist; ihre jetzige ernste Stimmung kann eben so gut völlig dem Erdbeben zuzuschreiben sein, und wird dieses vielleicht nicht lange überleben. Aber wenn der Herr durch dieses Erdbeben zu ihren Herzen geredet hat, so mussen quot;sie mindestens einige Wochen Unterricht empfangen, ehe sie getauft werden können. So sehnoll und zu so unpassender Stunde zu taufen, is nicht unsere Sache .... Also hatte der Baptistenprediger nach den Grundsatzen seiner Gemeinde den Kerkermeister nicht getauft, wie ihn der Apostel Paulus taufte, ohne ein Glaubensbekenntniss, ohne Proben ciner wirklichen Bekehrung von ihm und den Seinigen zu fordern.quot;

Ten slotte moeten wij kortelijk stilstaan bij Hand. 18:8 en 19 : 1—5. Op de eerstgenoemde plaats wordt van Crispus, don overste der Synagoge te Corinthe, gezegd, dat hij geloofde aan den Heer met geheel zijn huis; en van velen der Corinthiërs, dat zij, Paulus lioorende, geloofden en zich lieten doopen (ifixTrTifyvro).

Aan die menschen werd voorzeker de doop niet bediend, dan nadat zij tot het geloof waren gekomen. Maar hieruit volgt niet, dat hun geloof het geloof des harten was, het geloof, dat onafscheidelijk met de wedergeboorte verbonden is. „Velen van de Corinthiërs, hom hoorende, lieten zich doopen.quot; Vinden wij hier niet hetzelfde als wat van de Samaritanen geschreven staat (zie hl. 240 en 241)?

Die Corinthiërs geloofden het woord, dat Paulus hun predikte. Dit sluit niet noodwendig in zich, dat zij ook hun hart aan Christus hadden overgegeven. Zooals de woorden daar staan, doen zij ons in de eerste plaats denken

-ocr page 261-

249

aan een voor waarheid aannemen van hetgeen zij gehoord hadden aangaande den persoon van Christus — hetgeen al of niet gepaard kan gaan met het geloof des harten.

Bovendien staat er niet hij, dat Paulus dit geloof van hen geëischt heeft, eer hij hen tot den doop toeliet. Er staat zelfs niet, dat hij hen aangespoord heeft, om zich te laten doopen. Er staat slechts, dat zij zich lieten doopen, toen zij geloofden wat hij zeide.

Zij begeerden dus geheel vrijwillig den doop, en de apostel liet hen doopen, niet in de eerste plaats, omdat hij zich overtuigd hield van de oprechtheid van hun geloof, maar in de eerste plaats, omdat zij, door den doop te hegeeren , behoefte openbaarden aan de zaligheid, die in Christus te verkrijgen is.

Gelijk wij reeds herinnerd hebben, is het eigenlijk ook de vraag niet, of de apostelen ook zulken gedoopt hebben, die waarlijk in Christus geloofden, maar wel, of zij den doop alleen aan de zoodanigen hebben bediend, dan wel ook aan anderen, van wie dat geenszins gezegd kon worden. Op dit laatste nu moet, dunkt ons, een bevestigend antwoord worden gegeven.

Daarvoor pleit ook de andere plaats, waarop wij nu de aandacht gaan vestigen, nl. Hand. 19:1—5. Hier wordt melding gemaakt van het doopen van de bekende twaalf mannen te Efeze.

Deze mannen hadden niet eens gehoord, of er een H. Geest was. Zij hadden dien Geest nog niet ontvangen. Zij konden dus nog niet gezegd worden te gelooven. Zelfs hadden zij nog geen juist begrip van de beteekenis van den Johanneïschen doop, die door een discipel van Johannes aan hen bediend was.

Paulus verklaart hun de beteekenis van dien doop. Zij hooren naar hem, en daarop ontvangen zij den christelijken doop. Geen woord er van, dat zij gedoopt werden op grond van een hartelijk geloof in Christus of van een afgelegde geloofsbelijdenis. Geen woord er van, dat de apostel zulk een geloof of zulk een belijdenis van hen gevorderd heeft.

-ocr page 262-

250

Zelfs is het niet aan te nemen, dat zij een helder inzicht verkregen hadden in al wat tot de christelijke waarheid behoort. Zij werden terstond gedoopt, en door dien doop tot discipelen van Christus gemaakt. Mij dunkt, indien er bij hen sprake kon zijn van geloof , dan moet het zijn van een aanvankelijk geloof, en niet van een zoodanig, als men op baptistiscli standpunt gewoon is, van de doopelingen te eischen.

Door het gezegde meenen wij, bewezen te hebben, uit die zelfde voorbeelden van den apostolischen tijd, waarop de bestrijders van den kinderdoop zich plegen te beroepen, dat het onjuist is, te beweren, dat de apostelen steeds het zaligmakend geloof of de wedergeboorte geëischt hebben van die begeerden gedoopt te worden. Wij moeten echter, eer wij van dit punt afstappen, een misverstand voorkomen.

Men zou ons verkeerd verstaan, indien men meende, dat, naar ons gevoelen, van volwassenen geen oprecht geloof moet worden gevorderd, noch de aflegging van een geloofsbelijdenis, eer zij tot den doop worden toegelaten.

Daarom spreken wij het hier met nadruk uit, dat er geen volwassenen gedoopt moyen worden, dan minstens op grond van de verklaring, die volgens het reeds behandelde vers (Hand. 8:37) door den kamerling is afgelegd, toen Philippus tot hem zeide: „Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd.quot;

Een volwassene mag niet tot den doop worden toegelaten, indien hij niet gelooft, dat Jezus Christus de Zoon van God is. Hij moet vooraf onderwezen zijn in de christelijke waarheid. Het moet zijn oprechte begeerte zijn om zich bij den Heer aan te sluiten, en den weg der bekeering te bewandelen. Hij moet zelfs eenigermate de blijken hebben gegeven, dat het hem met zijn voornemen om een discipel van Christus te worden inderdaad ernst is.!)

1) „Si quis vero, licet fiilem prolessus, irnpie vivat, Baptismo initiandus non est; quia Baptismus non est tantum sacramentum fidoi, sed etiain

-ocr page 263-

251

Dit alles moeten wij op grond van de H. Schrift bepaaldelijk van hem eischen. Want volwassene Joden of Heidenen en Mohammedanen te gaan doopen, zonder dat zij vooraf onderwezen zijn in hetgeen betrekking heeft op den christelijken godsdienst, en zonder dat zij eenige behoefte aan de genade Gods in Christus geopenbaard hebben, zou gelijk staan met paarlen voor de zwijnen te werpen.

Doch kinderen, die geboren zijn uit christenouders, en leven in het midden van een christelijke gemeente, kunnen in geenen deele met de zoodanigen worden gelijk gesteld. Het woord; „Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofdquot; geldt dan ook niet hen, maar alleen den proseliet.

De volwassenen, die nog buiten het erf van het Christendom staan, hebben hunne bepaalde overtuigingen en denkwijzen. Zij zijn opgevoed in kringen, waarvan zij de dwalingen en verkeerdheden hebben overgenomen. Zij zijn gehecht aan hunne eeuwenoude tradities, en hebben hunne sterke vooroordeelen tegen andere godsdiensten. Zij staan met bewustheid op den bodem van ongeloof en bijgeloof, en keeren zich met beslistheid af van hetgeen daarvan afwijkt. Daarom mogen zij niet gedoopt worden, voordat zij vrijwillig van dat alles afstand gedaan hebben, en tengevolge van een zelfstandige keuze tot het Christendom wenschen over te gaan.

Bij het kind, dat in den boezem der christelijke gemeente geboren is, bestaan daarentegen die belemmeringen niet. Het heeft geen vooroordeelen, geen traditioneele godsdienstige overtuigingen, waaraan het gezegd zou kunnen

resipisceuliae; ut nee iüe, qui eum fidei in Christum et poeniteutiae pro-fessione errores aut hacreses contra fidei verae fundamenturn l\'overe aut tueri velit; quia resipiscentia non tantum est a vitae turpitudine ad vitae sanctitatem, sed etiam ab erroribus ad cognitionem veritatis, quemadmodura Apostolus loquitur, 2 Tim. 2, 23. Imo\' vero tantum abest, ut haeretici aut errorum talium fautoros ad Baptismum sint admittendi, ut ex praecepto Apostoli, Rom. IC, 17 et alibi, a fidelibus sint vitandi, et ab Ecclesiae com-munione arcendi.quot; Synopsis purioris Theologiae (ed. Bavinck), bl. 499 en 500.

-ocr page 264-

252

worden gehecht te zijn. Het behoeft niets af te leggen en niets af te loeren. Het heeft maar alleen op te nemen.

Daarom staat het in een geheel andere verhouding tegenover het Christendom, dan de volwassenen, die er nog niet toe behooren. Moeten dezen zich eerst afkeeren van hun diepgewortelde dwalingen, bij de christenkinderen kan daar-vanfgeen sprake zijn. ^ Moeten die volwassenen nog „behouden worden van hun verkeerd geslacht,quot; de christenkinderen staan reeds binnen het erf der behoudenis.

Het is derhalve duidelijk, dat de voorwaarden, die aan zulke volwassenen behooren gesteld te worden tot het ontvangen van den doop, noodwendig verschillen moeten van die, welke bij den kinderdoop in aanmerking komen.

Wij komen nu tot een ander bezwaar, dat men tegen den kinderdoop heeft ingebracht. Het is nl. dit: dat, daar de kinderen de beteekenis van den doop niet verstaan, den doop aan hen te bedienen voor hen een ijdele plechtigheid is zonder eenige\' waarde.

Maar dit bezwaar kan geenszins als afdoende beschouwd worden. Met hetzelfde recht kan men het inbrengen tegen de besnijdenis ten achtsten dage.

Immers spreekt het van zelf, dat de Israëlitische kinderen , die ten achtsten dage besneden werden, niets begrepen van de beteekenis dier plechtigheid. En nochtans heeft God verordend en bevolen, dat zij ten achtsten dage besneden moesten worden.

Evenals de doop het zinnebeeld van de bekeering is, was de besnijdenis het zinnebeeld van de bekeering. Het kan alzoo niet ongerijmd worden geacht, onmondige kinderen te doopen, indien het niet ongerijmd te achten is, dat onmondige kindoren besneden moesten worden. 1)

1

Quum ergo sint peccatores principio in Adamo priore et habitu tantum, principio in posteriore Adamo et habitu poenitentes esse fatemur, non

-ocr page 265-

253

Ten overvloede brengen wij hier in herinnering, dat de Heer zelf menigmaal woorden sprak en handelingen verrichtte , die men in het eerst niet verstond, noch begreep, maar die de strekking hadden om later verstaan en begrepen te worden, en dan op te leiden tot het doel, dat daarmede beoogd was.

Men denke hier aan vele gelijkenissen, aan verklaringen des Heeren aangaande zijn lijden, en inzonderheid aan de zinnebeeldige handeling van de voetwassching, waarbij Hij uitdrukkelijk tot zijn discipelen zeide: „Wat ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.quot; Men denke ook aan het feit, dat de Heer aan de kinderen, die tot Hem gebracht waren, de handen opgelegd heeft, hoewel Hij wist, dat zij de beteekenis dier handeling nog niet konden verstaan.

Zeer behartigingswaard zijn in dit verband deze woorden van Pareau\'): „Is ook niet de taal der teekenen de eerste, die kinderen \'t best kunnen verstaan, en kan .dus ook niet de kinderdoop bij kinder-ontwikkeling alras en bij voorkeur aangewend worden, om in \'t jeugdige kinderhart eenig besef te wekken van de heilige christenroeping, — immers voor zooveel \'t kinderlijke gemoed daarvoor vatbaar is ? Ik meen, dat de ervaring hierop bevestigend antwoordt, en alzoo een blijvende getuigenis te meer geeft, dat de kinderdoop in de christelijke gemeente gewis niet minder geoorloofd en doelmatig is te achten, dan de vroeger voor Israël verordende besnijdenis.quot;

Van grooter gewicht schijnt de bedenking, dat het kind door den kinderdoop belemmerd wordt in het doen van een vrije keuze, en dat alzoo de kinderdoop afbreuk doet aan het beginsel der zedelijke vrijheid.

autem actu. Do regeneratione, aliter consideratur in fundamento, id est, in Christo habitu, aliter in nobis actu. Prima regeneratie (quae dici potest transplantatio a vetero Adarao in novum) tanquam causa est, altera tan-quam fructus sequitur.quot;

1) T. a. p., bl. 60.

-ocr page 266-

254

Het is niet moeilijk, ook deze bedenking op te lossen. Wij zouden daarop kunnen antwoorden: dat het niet de vraag is, of het kind door den kinderdoop al of niet belemmerd wordt in het doen van een vrije keuze, maar wel de vraag, of de kinderdoop al of niet in overeenstemming is met de H. Schrift en met de historische ontwikkeling van de groote waarheden van het christendom.

Als in het voorbijgaan doen wij dit opmerken, en vragen nu met Dorner \'): „Waar komt het in de eerste plaats op aan: op de vrijheid van de keuze, of op het goede van de keuze? Indien de ouders de vaste gewisheid hebben, dat het christendom de ware, zaligmakende godsdienst is, en indien men toestemmen moet, dat de ware vrijheid geen schade lijdt door een invloed, welke gericht is op het doen van een goede keuze, dan kan het niet geacht worden, op den weg der ouders te liggen, alle mogelijke godsdiensten aan hunne kinderen voor te leggen, opdat dezen daaruit kiezen zouden, en hen op deze wijze in gevaar te brengen van een verkeerde keuze te doen. Een vrije aanneming van het christendom is reeds daardoor mogelijk, dat de mensch steeds in de gelegenheid verkeert om er met vrijheid voor of tegen te beslissen. Deze vrijheid nu wordt door den kinderdoop geenszins beperkt. Het behoort integendeel tot een vrjje beslissing, dat de mensch vooraf wete, wat er ook van het christendom aan is. Dat kan hij te weten komen mede door den kinderdoop. 1)

Hiermede meenen wij, de voornaamste bezwaren tegen den kinderdoop bevredigend te hebben opgelost. Na al hetgeen wij vroeger gezegd hebben tot handhaving van zijn goed recht, hadden wij de afzonderlijke toetsing van die bezwaren achterwege kunnen laten. Maar wij oordeelden, dat ze meer opzettelijk ter sprake te brengen en uit den weg te ruimen geen schade zou doen aan de juistheid van het

1

Vgl. MiUthies, t. a. p., bl. 375.

-ocr page 267-

255

resultaat, dat wij reeds door exegese, dogmatiek en historie verkregen hadden.

Tooli mogen wjj onze taak niet als geëindigd beschouwen, voordat wij nog de aandacht gevestigd hebben op het een en ander, dat voor ons onderwerp van belang is.

AVij hebben in het voorgaande het goed recht van don kinderdoop bepleit, uitsluitend niet het oog op zoodanige kinderen, die in den boezem der christelijke Kerk, uit christenouders, geboren zijn. De vraag kan echter worden gesteld: Ot\' dat recht ook geldt ten opzichte van die kinderen, wier ouders nog niet tot liet christendom zijn overgegaan? Wij zullen trachten, op deze vraag het antwoord te vinden.

Wij moeten beginnen met een onderscheid te maken tusschen de kinderen van Israëlieten en de kinderen der Heidenen. Xaar het schijnt zouden de onmondige kinderen van Israëlieten, als wij de zaak geheel in het afgetrokkene beschouwen, mede recht hebben op don doop.

Ik beweer dit o. a. op grond van Hand. 3:25, waar Petrus tot de Joden, die ook na de uitstorting van den H. Geest zich van Christus bleven afkeeren, zegt: „Gij-lieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heelt, zeggende tot Abraham: En in uwen zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.quot;

Het komt mij voor, dat uit deze woorden mag worden afgeleid, dat de Israëlieten als Israëlieten ook onder de Nieuwe bedeeling in hot verbond begrepen zijn. Is dit zoo, dan ook hunne onmondige kinderen, i)

-ocr page 268-

256

Zou het dan geoorloofd zijn, aan kinderen van Joden, die nog niet tot het christendom zijn overgegaan, den doop te bedienen? Geenszins! Het is op zichzelf reeds ondenkbaar, dat Joden, die niets van het christendom willen weten, ooit zouden toelaten, dat hunne kinderen gedoopt werden. Maar gesteld al, dat er waren, die, terwijl zij zeiven zich van Christus bleven afkeeren, er toe kwamen, den doop te begeeren voor hunne kinderen. Dan zou men aan die kinderen toch den doop niet mogen bedienen.

Yolgens Matth. 28 : 19 behoort immers tot het tot discipelen maken niet slechts het doopen, maar ook het le er en. Doopen en leeren bohooren bij elkander. Zoolang dus alle waarborg ontbreekt, en op geen enkelen grond verwacht kan worden, dat het leeren op den doop zal volgen, om voort te zetten en te voltooien wat met het doopen was aangevangen, ligt het in den aard der zaak, dat met het doopen niet mag worden begonnen.

Nu spreekt het van zelf, dat een familie, die nog geheel op Israëlitischen bodem staat, en met beslistheid en uit volle overtuiging aan het christendom den rug toekeert, niet de kring is, waarin de kinderen onderwezen zullen worden in al hetgeen de Heer aan de gemeente heeft opgedragen. Daarom zou de doop aan zulke kinderen niet bediend mogen worden. Het geval is echter denkbaar, dat een ouderloos Israëlitisch kind reeds als zuigeling wordt opgenomen in

en te betalen, tot liet Joodsche volk gekomen tot zaligheld. Ziet gij niet, dat hij verstaat, dat, ook na de opstanding van Christus, de belofte des verbonds niet slechts leenspreukig, maar, gelijk de woorden eigenlijk luiden, inderdaad aan het vleeschelijke zaad van Abraham moesten vervuld worden? Uiertoe behoort ook hetgeen Petrus (Hand. 2:39) den Joden verkondigt: dat hun en hun zaad, door het recht des verbonds, de weldaad des Evangelies toekwam; en in het naastvolgende Hoofdstuk (3:25) noemt hij hen kinderen, dat is erfgenamen des verbonds. Waarvan ook die andere boven aangehaalde plaats (Efez. 2:11) niet veel verschilt, waar hij de besnijdenis, die den kinderen is ingedrukt, houdt en voorstelt als een getuigenis van de gemeenschap, die zij met Christus hebben.quot; Consequent doorgevoerd, vloeit uit deze beschouwing voort, dat ook de kinderen van de Israëlieten als zoodanig recht hebben op den doop. Ik wil hiermede echter niet. te kennen geven, dat Calvijn van dit gevoelen geweest is.

-ocr page 269-

257

een christelijke familie. Dan meenen wij, dat het geoorloofd zou zijn, aan zulk een kind reeds als zuigeling den doop te bedienen.

Een andere vraag is, of, wanneer een Joodscbe familie tot het christendom overgaat, en de doop aan de ouders bediend wordt, hunne onmondige kinderen dan tegelijkertijd den doop zouden mogen ontvangen. Op deze vraag meenen wij een bevestigend antwoord te moeten geven, omdat er nu voldoende grond bestaat om te verwachten, dat die kinderen in het heiligdom van den familiekring, zoowel als in den boezem van de christelijke gemeente, gelegenheid zullen vinden, om het onderwijs te ontvangen, dat de Heer zelf met den doop heeft verbonden.

Wat nu de kinderen van Heidenen betreft: Paulus zegt, Efez. 2:12, van de Heidenen, dat zij, voordat zij tot het geloof gekomen zijn, „zonder Christus zijn, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geene hoop hebbende, en zonder Grod in de wereld.quot;

De Heidenen staan dus, voordat zij tot het christendom zijn overgegaan, in een geheel andere verhouding tot het verbond, dan de Joden. Wel zijn zij medeërfgenamen en mededeelgenooten van de zegeningen Gods in Christus. \') Zij zijn het echter alleen, wanneer zij door het geloof „van Christusquot; worden; want eerst dan zijn zij Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. 2) Daar komt nog bij, dat Paulus 1 Cor. 7 : 14 van de Heidenen zegt, dat zij „onreinquot; (impurus, profanus) zijn.

Zelfs in abstracto beschouwd, kunnen de onmondige kinderen van onbekeerde Heidenen alzoo gezegd worden, geen recht te hebben op den «loop. Daarom meenen wij, dat zij dan zelfs niet gedoopt mogen worden, wanneer b. v. een zendeling zulke kinderen koopt, en voor huune christelijke opvoeding wil instaan.

2) Gal. 3:\'29.

1) El\'ez. 3: (5—8.

-ocr page 270-

258

Een andere vraag is, of het geoorloofd zou zijn, de onmondige Heidenselie kinderen tegelijk met hunne ouders te doopen, als dezen door den doop in de christelijke Kerk worden ingelijfd.

Op grond van 1 Cor. 7 : 14 komt liet mij voor, dat op die vraag een toestemmend antwoord gegeven moet worden. Immers leert ons genoemde plaats, dat de onmondige kinderen, wegens de betrekking, waarin zij staan tot ouders, die tot de christelijke gemeente Lehooren, opgehouden hebben, „onreinquot; te zijn, en voor „heiligquot; moeten worden aangezien.

Mij moeten er echter bijvoegen, dat het dan eerst geraden zou zjjn, zulke kinderen mede te doopen, wanneer er eenige waarborg bestaat, dat do geest van liet christendom reeds in zulk eene mate is doorgedrongen in de familie, waartoe zij behooren, dat met eenigen grond verwacht kan worden, dat zij onderwezen zullen worden in hetgeen de Heer aan de gemeente heeft opgedragen, of ook, wanneer er zendelingen of anderen zijn, die mede zorg willen dragen voor dat onderwijs. Dit een en ander, dat wij met het oog op de Heidenen gezegd hebben, geldt eveneens ten opzichte van de Mohammedanen.

Zal do kinderdoop in waarheid voor de kinderen ten zegen kunnen zijn, en zijn waarde niet verliezen, dan moet hij steeds worden achtervolgd door een opvoeding „in de leering en de vermaning des Heeren,quot; en niet daarvan geïsoleerd blijven staan.

Zeer te recht wijst dan ook het meergenoemde Doops-formulier er de ouders op, dat zij „gehouden zijn, hunne kinderen, in het opwassen, breeder te onderwijzenquot; ton opzichte van do beteekenis van den doop en van de dure verplichtingen, welke hij met zich medebrengt; en eischt het van hen een „ongeveinsd antwoordquot; ook op de vraag; „Of zij niet beloven en zich voornemen, hunne kinderen, als zij tot hun verstand zullen gekomen zijn, in de waar-

-ocr page 271-

259

achtige en volkomene leer der zaligheid, die in het O. en N. ï. en in de artikelen des christelijken geloofs begrepen is, en in de Gereformeerde Kerk geleerd wordt, naar hun vermogen te onderwijzen, of te doen en te helpen onderwijzen.quot;

Aan dezen rechtmatigen eisch kan dan eerst in waarheid voldaan worden, wanneer in minstens een van de beide ouders het christelijk element belichaamd is door het geloof.

Het doopen zonder het onderwijzen in al hetgeen de Heer aan zijne gemeente heeft opgedragen is een gebrekkige , zoo niet willekeurige, handeling.

Daarom zal de kinderdoop niet eerder aan zijn doel beantwoorden , dan wanneer niet alleen do ouders hunne taak begrijpen, en er naar streven, om te voldoen aan de verplichtingen, die zij bij den doop van hunne kinderen op zich genomen hebben, maar wanneer ook de gemeente zich hare roeping ten opzichte van de kinderen recht bewust wordt, en er voor zorg draagt, dat zij in haar boezem een vruchtbaren grond vinden voor het aankweekên van waarachtig christelijk leven, in scholen en andere inrichtingen, waar ook het gewone onderwijs in christelijken geest wordt gegeven en met het oog op het éene, dat noodig is.

Het doopen is de taak der gemeente. En daar het onderwijzen onafscheidelijk met het doopen verbonden is, behoort ook het onderwijzen tot dc taak der gemeente. Zij moet zich de kinderen aantrekken van hunne vroegste jeugd af, en voortdurend de hand aan hen houden, opdat geen enkel deel van hun leven zich buiten Christus om ontwik-kele. Deze hare roeping heeft zij van den Heer zeiven ontvangen.

Uit het gezegde volgt, dat de kinderdoop inzonderheid op zijn plaats is in een Kerkgenootschap, waar het Woord van God in eere wordt gehouden; waar de christelijke waarheid niet slechts vrijmoedig beleden, maar ook nauwgezet beleefd wordt; en waar het waarachtig christelijk leven in een bloeienden toestand verkeert. Want is het al de familiekring, die aan hot kind de eerste indrukken

-ocr page 272-

260

moet geven der liefde van Christus en van de grootheid der goddelijke genade, — zullen die indrukken niet weder verloren gaan, dan moeten zij voedsel ontvangen, zoowel in de school, als in het gemeentelijk leven.

Wij kunnen in deze beschouwingen thans niet verder ingaan. Zij liggen buiten ons bestek, en zouden ons te ver afvoeren. Toch meenden wij, dit een en ander niet geheel met stilzwijgen te mogen voorbijgaan.

Wat wij ons voorgesteld hadden hebben wij ten einde gebracht. Wij leggen nu de pen ter neder, in de hoop, dat onze arbeid bevorderlijk moge zijn aan de rechte waardeering van de onnaspeurlijke liefde Gods, welke zich uitspreekt in de instelling van den doop, en allen, die gedoopt zijn in den Naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes, moge doordringen van hunne heilige roeping tegenover zulk een rijkdom van genade en tegenover eene barmhartigheid, waarvan de grootheid en de heerlijkheid alle verstand te boven gaan!

lt;r.

-ocr page 273-

-

.

I ■

I

i

.