-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

HET OFFER EN DE VERHEERLIJKING

VAN

ONZEN GODDELIJKEN VERLOSSER

JESUS CHRISTUS-le BOEK.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

HET OFFER EN DE VERHEERLIJKING

VAN

dë Qoddelliken Verlos

IlSÜ i

1° BOEK.

JESUS LAATSTE DAGEN BIJ EN IN JERUSALEM TOT DEN AANVANG ZIJNS LIJDENS.

DOOR

F. J. P. VAN ET TEN

R. K. Pr. en Pastoor.

\'s BOSCH, Gr. MOSMANS Senior. 1887.

-ocr page 8-

IMPRIMATUR.

Haklemi, 24 Septembris 1875.

J. A. vak den AKKER

Libr. Cens.

EIGENDOM,

GOEDKEURING

2e DRUK.

REIMPRIMATÜR.

F. X. RTJTTEN, Dec. Mosae Tr.

ad hoc delegatus. Trajecti ad Mosam 16 Decembris 1886.

-ocr page 9-

lste BOEK.

JESUS\' LAATSTE DAGEN BIJ EN IN JERUSALEM.

HOOFDSTUK. I

JESU8 LAATSTE VERBLIJF BIJ EN IN JERUSALEM TOT MAANDAG AVOND IN DE-LIJDENSWEEK.

§ 1. Jesus te Bethanië. Het gastmaalinde woon van Simon, den melaatsche,

Mt. XXVI: 6-13; Mc. XIV: 3—9; Jo. XI: 55—56;

XII: 1—8.

Jaar der J. P. 4742; na R. st. 782 ; der gew.jt. 29.

Het Paaschfeest der joden was nu op handen. Velen van liet platte land van Judea hadden zich reeds naar Jerusalem begeven om zich volgens de voorvaderlijke instellingen en gebruiken door offers en onthouding (Exod. XIX : 10) te reinigen. Dezj lieden, die Jesus reeds meermalen op de hooge feesten te Jerusalem hadden zien verschijnen, zagen met belangstelling naar Hem uit, en zochten Hem vooral in het groote voorhof des tempels, waar Hij meermalen als Leeraar was opgetreden. Terwijl zij hier stonden te spreken, opperde men de vraag, wat dunkt u er van, dat Hij geheel niet ge-

Offervan O. H.J. C. \'

-ocr page 10-

6

komen is op het feest ? Zij hadden menschelijker wijze gesproken wel reden om hierover in het onzekere te zijn. Want de hooge raad had na Lazarus\' opstanding, gelijk wij zagen, reeds bepaald, dat Hij zou sterven. Aan dit besluit was gevolg gegeven, en het bevel was uitgevaardigd, dat al wie zou weten, waar Jesus was, hiervan aangifte zou doen, opdat men Hem gevangen zou kunnen nemen. Aan den anderen kant echter had de Godmensch reeds meermalen getoond, de aanslagen zijner vijanden niet te duchten.

Intusschen had Jesus nagenoeg zijne feestreis ten einde gebracht, en was Hij zes dagen vóór Paschen, vrijdag den achtsten Nisan, of den 11 Maart (1) van Jericho te Bethanië aangekomen. Jesus had den ouden straatweg gevolgd, die uit het laaggelegene Jordaandal langs diepe ravijnen en , kale krijtrotsen heenslingert, en na bijna zes uren stijgens Jerusalem bereikt. Nog voor het aanbreken van den Sabbath betrad de Zaligmaker het vlek, waar Lazarus zijn vriend verbleef, dien Hij van den dood had opgewekt. Terwijl de scharen, die Hem op den weg vergezeld hadden, zich verder heen naar Jerusalem begaven, dat drie kwartier van hier verwijderd was, nam Jesus zijnen intrek te Bethanië in het huis van Simon, die wellicht de melaatsche werd genoemd, omdat hij vroeger melaatsch en door Christus genezen was. (Mt. Mc.)

In dezes woon werd voor Jesus en zijne apostelen op den Sabbath een feestelijk maal aangericht. Verplaatsen wij ons in dien feestelijken kring. Volgens algemeene gewoonte in Israël zijn ook hier op den vooravond van den rustdag de veelarmige lampen in

(1) Volgens de berekening van Patrizzi. De evang. P. Ill diss. 51 u. 11. Sepp echter stelt den 8 Nisan van dit jaar gelijk met 9 April. Het verschil is eene maand, Zijnp quot;-edenen zijn echter niet overtuigend. Zie Sepp, Chronologie, bl. 296.

-ocr page 11-

7

de feestzaal ontstoken. Het gebed is verricht, dat dezen dag in \'t bijzonder aan Grods heiligen dienst toewijdt. Wijl bet de Sabbath is voor Paschen en de dierbare Heiland Zich in hun midden bevindt, wordt het feest door Je-sus\' vrienden met bijzonderen luister gevierd. Martha, Maria, de ten leven gewekte Lazarus, zij zijn allen aanwezig, om den geliefden Weldoener de blijken der teederste vriendschap te geven. Martha rekent het zich tot eer, bij zulk een maal den Heer te mogen dienen. Lazarus heeft zich het voorrecht voorbehouden, het bijzijn en het onderhoud van zijn Groddelijken vriend en Weldoener te genieten. Simon volgens sommigen de vader van dit H. Gezin, volgens anderen de echtgenoot van Martha, en zeker in elk geval een innig vriend van Jesus en van hen allen, heeft het groote geluk den Zaligmaker der wereld met het beste, wat hij heeft, te mogen onthalen, terwijl ook de minnende Maria aan den Heiland met edelmoedigheid hare verrassende hulde brengt.

Vooraleer Jesus Zich met zijne apostelen naar de feestzaal begeeft, worden Hem en de zijnen, zooals het in Israël gebruikelijk is, de voeten gewasschen. Daarna vereenigt zich het talrijke en uitgelezene gezelschap aau den rijken feestdisch. Al, wat rijkdom, achting en dankbare liefde konden schenken, hebben zij hier voor den Heer en de zijnen ten offer gebracht. Aan Jesus wordt de plaats der eere toegekend, en waar allen op de sierlijke rustbedden zich hebben nedergelegd, daar verschijnt Maria met een albasten-flesch (1) in de hand, om aan den innig beminden en hoogstvereerden gast op de sprekendste wijze een blijk der meeste onderscheiding te geven. Het is niets

(1) Het is volgens Plinius (XV1II:20; XXXVI: 12) onychis\' marmer dat vooral werd gebruikt, om voortreffelijke reukwerken te bewaren. Het waren gewoonlijk vazen zonder handvat, met een langen hals, die verzegeld werden

-ocr page 12-

8

minder dan een pond van kostbaren echten nardns-olie, uit Syrië of Indië afkomstig, die onder de reukwerken, welke in liet Oosten zeer gezocht worden, een eerste plaats bekleedt. Zij breekt de kostbare vaas open, en giet, gelijk dit bij personen van den eersten rang geschiedt, (1) de geurige zalve uit over Jesus\' hoofd. Zij werpt daarna zich neder, om zelfs des Heeren voeten te zalven, terwijl zij ze afdroogt met de haren van haar hoofd. Treffend is dit offer der dankende en eerbiedige liefde van Lazarus\' zuster, die alzoo den Goddelijken Gezalfde cn eenigen Hoogepriester erkent. En gelijk de liefelijke geur van \'t uitgezochte reukwerk al de genoodigden tegenwasemt en het geheele huis vervult, zoo is het levendig geloof en teedere liefde, waardoor Maria den Messias verheerlijkt, een zoete hulde, die in de Kerk van Christus aan allen, welke den Godmensch liefhebben, aangenaam en welgevallig zal zijn.

Wie is niet verwonderd, wanneer hij bij deze edelmoedige en liefdevolle hulde aan den Godmensch bewezen, onder Jesus\' apostelen een afkeurend oordeel verneemt? Het is Judas Ischkarioth, die de bedenking oppert, waarmede weldra eenigen instemmen : waartoe dit verlies van zalve ? Zij had duur, voor meer dan drie honderd denariën, (2) kunnen verkocht en (\'t bedrag) aan

(1) Er is hier een opmerkelijk verschil tusschen de zalving van Magda-lena en die van Maria van Bethanië. De eerste, eene pas bekeerde zondares, waagt het niet Jesus\' hoofd te zalven; de tweede daarentegen zalft op de eerste plaats volgens Mattheus en Markus Jesus\' hoofd en daarna volgens Joannes ook Jesus\' voeten. Bij feestmalen, vooral ook op den Sabbath aan leeraars en aanzienlijke genoodigden geurigen olie over het hoofd te gieten, was bij de joden gebruikelijk. De voeten echter nog buitendien te zalven, en dit met uitgelezenen Nardus, ten bedragen van een pond of twaalf ons, was iets geheel buitengewoons. Men heeft de opmerking gemaakt, dat een pond nardus-olie te veel is; doch er wordt niet gezegd, dat alles is verbruikt.

(2) 120 gulden, indien de tienling op 40 cents wordt gerekend, liet is opmerkelijk, dat de hebzuchtige Judas den prijs dezer zaak zoo juist

-ocr page 13-

9

de armen gegeven ivorden. (Mt. Mc. Jo.) Hieruit blijkt, dat Jesus van hetgeen Hem voor zijn onderhoud en dat zijner leerlingen geschonken werd, gewoon was aan de armen mede te deelen. Doch het is niet juist de liefde tot de armen, die Judas zoo doet spreken, ofschoon hij de andere apostelen door dien schijngrond in zijne afkeuring tracht te doen deelen. Neen, hij, die geen liefde heeft voor zijn Meester, en ongevoelig, kleingeestig en hard genoeg is om in \'t bijzijn van Jesus en Maria aldus te spreken, bezit de ware liefde voorde armen niet. Hij verschuilt zich, gelijk de hebzuchtige meermalen doet, achter het voorwendsel van spaarzaamheid en weldadigheid, doch hetgeen hem eigenlijk zoo doet spreken, is, dat hij een dief is, en, daar hij den buidel heeft, hetgeen daarin gestort wordt, met zich draagt. Hij ziet zich de gelegenheid ontnomen, om met de meer dan drie honderd denariën, gelijk hij wenscht, zijn voordeel te doen ; dit is de eigenlijke reden, waarom hij de edelmoedigheid van Maria en de vereering van Christus afkeurt. Hoe diep is reeds het bederf in het hart van den ongetrouwen apostel doorgedrongen !

Jesus heeft de ontevredenheid en de afkeuring van Judas en de overige apostelen wel bespeurd, en Hij doorgrondt, wat er op den bodem in Judas\' hart verborgen is. Daarom neemt Hij het woord op ten einde de apostelen terecht te wijzen, en Maria te verdedigen. Laat Tiaar met rust, zegt Hij. Wat valt gij deze vrouw lastig ? Zij heeft immers een goed werk aan Mij verricht. De armen toch hebt gij altijd hij u , en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen. Maar Mij hebt gij niet altijd. Wat zij konde, heejt zij gedaan; zi) heeft mijn lichaam vooruit gezalfd ter begrafenis. Voorwaar Ik zeg u : overal waar dit evangelie zal gepredikt worden, zal ook hetgeen deze tjedaan heeft, ter harev gedachtenis worden vermeld.

kent, wijl volgens Plinius een pond nardus-zalve 100 denariën kostte. (H. N. XII; 26; XIII: 1)

-ocr page 14-

10

Zonder reden krenken\'zij .deze vrouw, zegt Jesus, terwijl zij een daad van eerbied, dankbaarheid en liefde aan Hem verricht. De armen hebben gewis recht op offers^ maar Hij, de Heer der armen, heeft er meer recht op ; de armen zouden immer met hen blijven, maar de stonde is nabij, dat Hij hen lichamelijk gaat verlaten. Maria voorziet zijn dood, (vgl. Jo. XI; 46, 47, 53) en zij doet, wat in haar vermogen is. Zij is beducht, dat zij alsdan Hem de hulde der zalving niet zal kunnen bewijzen, en daarom stort zij thans reeds bij voorbaat den geurigen nardus-olie over Hem uit. Die edelmoedige daad verdient den hoogsten lof; de Koning der profeten vereert haar met eene voorspelling, die nog immer verwezenlijkt wordt; onvergetelijk zal overal en immer in Jesus\' Kerk Maria\'s gedachtenis zijn, omdat zij het kostbaarste, wat zij heeft, niet te kostbaar voor haren Heiland acht.

Zoo ontvangt de liefde eene onverwelkbare kroon, en duldt de Heer niet, dat een edelmoedig offer op grievende wijze wordt miskend. Zoo worden koele en karige berekeningen bestraft, en de geveinsde hebzucht teleurgesteld. Helaas dat Jesus\' liefderijke terechtwijzing nederdaalt in een hart, dat bedorven is, en de levenwekkende straal zijner genade op een bodem valt, die door haar geen bloemen of vruchten maar des te meer distelen en onkruid zal dragen!

Bethanië, het vlek, dat Jesus meermalen zoo gastvrij ontving, is niet meer. (1) Drie jaren voor Jerusalems verwoesting werd het even als Magdala en Caphar-sichnin (Sogane) door de joden in de assche gelegd. Een klein vlek van slechts twintig hutten, wijst heden het oord aan, waar Jesus het grootste zijner wonderen heeft verricht. Al hetgeen het Christendom in latere dagen hier tot een dankbaar aandenken heeft gesticht, is door het dweepende Mohamedanisme ver delgd geworden. De kerk, over het graf van Lazarus

(1) Zie mijn Palestina II D. bl. 207—.016.

-ocr page 15-

11

gebouwd, is heden niets meer dan een bouwval.

Wat gewerd later van Lazarus, Martha en Maria? Indien wij de overlevering mogen gelooven, verlieten zij na den dood vaa J.-C. Palestina, daar zij bij de vervolging, die na Stephanus\' dood tegen de Christenen uitbrak, het ergste van de Phariseën en overpriesters hadden te duchten. Zij kwamen door de leiding der Voorzienigheid in het zuiden van Frankrijk aan. Lazarus verkondigde er de leer van J.-C., en wordt als de eerste bisschop van Marseille beschouwd. Niet ver van deze stad bevindt zich eene grot, Saint Baume genaamd, die als het verblijf van Maria wordt aangewezen. Daar velen Maria van Bethanië met Maria Magdalena als eenzelvig beschouwen, willen zij hier het graf en de overblijfselen dezer laatste vinden. Doch volgens ons gevoelen moet het graf van de H. Maria Magdalena te Ephesus, het latere verblijf van den H, Joannes, worden gezocht

§ 2. Jesus\' zegepralende intocht te Jerusalem.

Mt. XXI: 1-10; Mc. XI: 1-10 ; Lc. XIX : 29-44;

Jo. XII: 9—19.

Jaar dei\' J. P. 4742; na R. St. 782 ; der gew. jt. 29 Zondag, 10 Nisan, 13 Maart

Intusschen was het gerucht, dat Jesus Zich te Bet üanië ophield, door hen, die Hem uit Jericho vergezeld hadden, nog denzelfden avond, dat zij te Jerusalem aankwamen, in de geheele hoofdstad verbreid. Pas is de Sabbath voorbij, of eene groote schare, nieuwsgierig om Jesus, Die na vier dagen een doode uit het graf had verwekt, en Lazarus, den verwekte zelf, te aanschouwen, stroomt nog u^s avonds (vgl Jo. XII: 1 ?) over den Olijfberg naar Bethanië. Natuurlijk moest de groote wonderdaad van Christus, versch in het geheugen geroepen, een grooten indruk te weeg brengen, en niet gering was het getal dergenen, die

-ocr page 16-

12

in Jesus\' geloofden. Was de hooge raad woedend onmiddellijk na de opwekking van Lazarus, en had hij toen in zijn nijd reeds tot Jesus\' dood besloten, thans klom zijne woede bij het vernemen van dit alles ten top, en zij traden nu zelfs in overleg, om ook Lazarus van kant te maken. Het kostte, wat het wilde, door een beslissenden slag moest bij dit Paaschfeest aan Jesus\' toenemend gezag vooi\' goed paal en perk worden gesteld.

Jesus, ofschoon met dezo vijandige stemming van den hoogen raad ten zijnen opzichte volkomen bekend, deinst echter niet terug voor het lijden, de vernederingen en den dood , die volgens zijn eigene voorspelling te Jerusalem Hem wachten, maar gaat vrijwillig het offer, dat de wereld redden zal, te ge-moet. Zijne liefde is sterker dan de dood.

Het is juist de 10 Nisan, wanneer het lam, dat met het Paaschfeest geslacht zal worden, wordt ingehaald. Op den 10den dag dezer maand, zoo had God in de oude wet verordend, neme een ieder voor zijne familie en zijn huis een lam.... dit lam zal zijn zonder vlek, en gij zult het bewaren tot op den 14den dag dezer maand; dan zal de geheele menigte van Israels kinderen het des avonds slachten. (Exod. XII: 3 —6) Ja, deze dag is eene ware vreugdedag, en de vaders der verschillende gezinnen, vergezeld van hunne kinderen, gaan heden uit Jerusalems verschillende omstreken de sneeuwwitte lammeren afhalen, om ze getooid met palm en olijftakken onder vroolijk gejuich de poorten der stad binnen te drijven. Doch vooral moet dit jaar het paaschlam der nieuwe wet bereid en ingehaald worden. Jesus is dit zachtmoedige Lam, door Isaïas aangekondigd, het vlekkeloo-ze Lam door Joannes aangewezen. Dat Goddelijke Lam gaat door zijn zoendood de zonde der wereld wegnemen. Gelijk het oude Paaschlam door zijn bloed de eerstgeborenen van Israël tegen den slaanden en-

-ocr page 17-

13

gel beveiligde, zoo zal het Paaschlam der nieuwe wet door het vergieten van zijn bloed het nieuwere Israël van den eeuwigen dood en de slavernij des duivels verlossen. Daarom moet het even als zijne voorafbeelding op dezen dag met vreugde, met gejuich, met plechtigheid, met palm en olijftakken worden ingehaald.

Jesus verlaat dus dos zondags morgens het geliefde Bethanië, en bestijgt met zijne apostelen de oostzijde van den Olijfberg. Drie bergtoppen verheffen zich op zijne kruin. De middelste is de hoogste, (1) en verheft zich vclgens Schubert 2556 voeten boven den spiegel der Middellandsche zee; de noordelijke is iets lager en is door eene vlakte omgeven ; tus-schen beide deze bergtoppen .slingert de weg heen, die naar Gralilea en Samaria voert. De zuidelijke top wordt berg der ergernis genoemd, omdat Salomon hier altaren oprichtte voor de afgoden zijner vrouwen, en is gelegen tegenover de bron Siloë en het dal Gehenna. Tusschen dezen laatsten en den middelsten bergtop loopt het pad, dat naar Bethanië en Jericho voert, en thans door den Heer en zijne apostelen wordt gevolgd, terwijl nog een derde steilere weg van de middenkruin naar Jerusalem afdaalt.

Al spoedig is do Heer met de zijnen uit het rotsdal, waar Bethanié ligt, opgestegen, tot nabij de plaats waar de weg zich in tweeën scheidt. (Mc. XI: 4) Hier nog aan de oostzijde van den Olijfberg ligt een klein vlek, naar de vijgenplantingen, die er zich bevinden, Bethphage of vijgenhuis genoemd. (2) In de

(1) Het Kirchen lexicon geeft de noordelijke kruin aan als de hoogste, doch Sepp, Mgr. Mislin , R. J, Pierik geven aan den rniddeltop de grootste hoogte.

(2) Uit Mattheus XXI: 1 blijkt dat de Heer, van Jericho komende, eer Bethphage dan den Olijtberg bereikt, en dus dat Bethphage nog aan dezes oostzijde gelegen was. Volgens Markus (XI: 1 Grieksch) en Lc. XIX ; 29 zou Hij van Jericho komende eer Bethphage bereikt heb-

-ocr page 18-

14

nabijheid dier plaats gekomen roept Jesus twee zijner apostelen (Pe-rus en Joannes ?) tot Zich, en zegt tot hen, terwijl Hij liet hun als met den vinger aanwijst: gaat naar het vlek, dat tegenover u is, en zoodra gij het intreedt, zult gij eene ezelin vastgebonden vinden en haar veulen met haar, op hetwelk nog geen mensch gezeten heeft. Maakt ze los en hrengt ze tot Mij. En mocht iemand u zeggen-, ivat doet gij ? waarom maakt gij ze los ? zult gij antwoorden; de Heer heeft ze noodig] en terstond zal hij ze hierheen laten gaan. (Mt. Mc. Lc.)

Jesns geeft dit bevel aan de zijnen gewis met het volste recht, want Hij is God en Heer over alles, en kan dus over alles naar believen beschikken. Hij voorziet alle de minste omstandigheden door zijne Alwetendheid, en kondigt vooraf aan, dat de eigenaar ze Hem gewillig ten gebruike zal afstaan. Inderdaad vinden de twee leerlingen, die \'s Heeren bevel volvoeren, bij de wegscheiding het veulen en de ezelin vastgebonden voor de deur eens huizes. Zij maken ze los en wanneer nu de eigenaars, verwonderd over deze handelwijze, hun de vraag stellen : wat doet gij ? wat maakt gij dat veulen los? daar geven de leerlingen volgens Jesus\' gebod hun ten antwoord ; omdat de Heer het noodig heeft. Daar hun nu geen verdere zwarigheid

ben dan Bethanie, hetgeen tot de vooronderstelling leidt, dat Bethphage grensde aan den weg van Jericho naar Jerusalem en bij dit vlek een zijpad van den grooten weg naar Bethanië voerde. Ging men dus uit van Bethanië, dan bereikte men eerst den grooten weg, met Bethphage daarneven (Mc. XI: 2) en daarbij de wegscheiding (Mc. XI : 4), die van den grooten weg naar dit vlek heen voerde. Ook stemt hiermede overeen de overlevering, die Bethphage aanwijst op een voorsprong tusschen den berg der Olijven, en den berg, die Bethanië beheerscht. Men ziet er niets meer dan eenige oude regenputten en bouwvallen. Vroeger was op de plaats, waar de Heer de ezelin besteeg, eene kapel waar de rotsteen werd aangewezen, met welk behulp de Heer de ezelin besteeg. Hij is voor eenigen tijd teruggevonden en draagt verschillende opschnften. Waar wij in de vulgaat lezen bivitirn, lezen wij in het Grieksch aipfiiiSoo, dat een weg rondom het vlek schijnt aan te duiden veeleer dan eene wegscheiding, ofschoon deze er mêe verbonden was.

-ocr page 19-

15

meer wordt gemaakt, brengen zij bet veulen en dezes moeder tot den Zaligmaker. En wanneer nu Jesuser op zal nederzitten, nomen de apostelen hunne overkleederen, en spreiden ze over bet veulen uit. Zoo gaat zicb letterlijk vervullen de scboone voorspelling van den profeet Zacbarias, die reeds vijf eeuwen vroeger bad uitgeroepen: zegt aan de dochter van Sion: Zie\': uw Koning komt tot u, zachtmoedig, gezeten op eene ezelin en op een veulen, het jong eener juk dragende. (1) De profeet, terwijl bij de verwoesting aankondigt, die bij Alexanders zegetocht bet lot zal zijn der omliggende volkeren, geeft te kennen, dat Jerusalem en zijn tempel zal gespaard worden, (v. 8) Geen zegetocht van een verwoester en veroveraar zou bier plaats grijpen, neen, een zegetocht van een zachtmoedig, vredelievend, heil aanbrengend Koning. Verheug u zeer, roept de profeet uit, dochter van Sion ! Juich, dochter van Jerusalem! geef u over aan jubelende blijdschap, o bevolking van Israels hoofdstad ! Zie 1 tot u zal komen Degene, Die boven alle anderen en voor immer uw Koning is ; Degene, Dien de Vader heeft gezalfd tot Koning ov er Sion , zijn heiligen berg. (Ps. 11 :6) Hij is de rechtvaardige, de Heilige van Wien God getuigt bij Isaïas ; mijn knecht, de rechtvaardige, zal velen rechtvaardig maken. (Is. LUI; 11) Hij is de Heiland, Die door zijn zoendood u en bet geheele menschdom komt redden. Terwijl Hij als God bij zijn intocht voor u de Koning is der Koningen, is Hij als mensch voor u het paascblam, dat ingehaald wordt,

(1) Alzoo volgens den Latijnschen tekst der vulgaat bij Matheus. De-evangelist haalt de profetie niet letterlijk aan, maar naar den zin. Bij Za-charias lezen wij in \'t Hebreeuwsch: verblijd u zeer, dochter van Sion! iuich, dochter van Jerusalem / Zie uw Koning komt tot u, de Rechtvaardige, de Verlosser, zachtmoedig en gezeten op een ezel, namelijk op een veulen, hei jong van eene ezelin. De Grieksche tekst van Matheus heeft een woord, dat zoowel ezel als ezelin kan beteekenen. Wellicht had Matheus ook Isaïas LXII: 11 op l et oog.

-ocr page 20-

16

en door zijne slachting de verlossing der nieuwe wet zal bewerken. Hij is zachtmoedig ; (1) door zacbtmoe-digbeid zal Hij de aarde bezitten (Vgl. Is. XLII; 2—4); als een zacbtmoedig Lam zal Hij Zicb niet tegen zijne vijanden verzetten. Hij komt tot u, o Sion, zegt Zacbarias, gezeten op bet veulen eener ezelin, dat, omdat bet nog niet gebruikt is, als beilig moet worden bescbouwd (Deut. XXI: 3 ; I Kon. VI ; 7), en tegenover bet strijdros bet zinnebeeld van den vrede is. Het rijk tocb, dat bij stichten zal, is een rijk van vide. Daarom spreekt God verder bij den profeet: en Ik verdelg de strijdicagens uit Ephraïm en de rossen uit Jerusalem, en verbroken wordt de hoog des Jcrijgs; en Hij zal vrede melden aan de heiden-volkeren. En zijne heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van den stroom tot aan de grenzen der aarde. (Zacb. XI: 10 Hebr.)

Nimmer trad na deze voorspelling een Koning op die wijze Jerusalem binnen; nimmer bield een Koning, in Wien dat alles vervuld werd, zijn intocht binnen Sions muren. Alleen in Jesus, Die daar aan het hoofd zijner apostelen op het veulen eener ezelin gezeten den weg naar de heilige stad inslaat, verwezenlijkt zich dat alles. Hij alleen is dus de Koning door Zacbarias voorspeld. Merken de apostelen de vervulling dier profetie voor bet oogenblik ook al niet op; na Jesus\' verheerlijking zullen zij het verstaan en indachtig worden, dat dit aangaande Hem geschreven is, en dat zij dit aan Hem gedaan hebben. (Jo. XII: 16)

Jesus, op het veulen gezeten, slaat nu langs de westelijke helling van den Olijfberg den weg in naar Jerusalem. Eene talrijke menigte is Hem gevolgd uit Bethanië\' en groeit gedurig aan door degenen, die uit de stad Hem te gemoet stroomen. Meer en meer wordt de geestdrift opgewekt voor den grooten

(1) liet Hebreeuwsch laat ook de vertaling arm toe, die bij Zach. IX : 9 voorkomt in de Vulgaat.

-ocr page 21-

17

Zoon van David, Die Lazarus uit de dooden heeft opgewekt, en wanneer zij de hulde zien, door de apostelen aan hun Meester door het uitspreiden hunner kleederen gebracht, werpen ook zij allen als om strijd hunne overkleederen op den weg tot een tapijt voor Hem uit, om te toonen, hoe zij Hem alles ten offer willen brengen. Juichend houwen zij takken van de olijf- palm- en vijgeboomen, die binnen hun bereik zijn , en strooien ze met juichende liefde op zijn pad, terwijl zij tevens wuiven met palm- en olijftwijgen in de hand tot een teeken van vreugde bij de zegepralende komst van Israels grooten Weldoener. Zoo komen zij aan de nederdalende helling van den Olijfberg, en zie! nu beginnen de scharen, die Hem te gemoet zijn gesneld en Hem voorafgaan, en tevens die, welke uit Betuanië Hem zijn gevolgd met luide stem te juichen en God te loven over al de wonderen, die zij hebben aanschouwd. Hosanna, den Zoon van David, zoo zingen zij , gezegmi de Koning, die komt in den naam des Heer en! Gezegend het rijk van onzen vader David, dat daar komt! Vrede in den hemel en heerlijkheid! hosanna in den hooge!

Blijde weergalmen die juichende kreten van de op-getogene scharen over het dal, waarin Jerusalem gelegen is. Het is als de echo van het engelenlied, gezongen bij Jesus\' geboorte. Toen hadden de he-melsche geesten een lofzang aangeheven bij do komst van den Goddelijke Koning in het vleesch: eere zij God in den Allerhoogste, en vrede op aarde aan de menschen van loelhehagen ! Thans nemen de menschen de plaats der engelen in. Zij vermelden de heerlijkheid, die Davids Zoon hier op aarde omgeeft; zij wenschen heil aan den Koning, die aan de menschen den vrede bre.igt. Zij begroeten met blijdschap het ri^k van den Messias, dat een aanvang gaat nemen 1 Met één woord zij heffen een lofzang aan bij het naderend einde van Jesus\' leven, gelijk do engelen

Het Offer van J. C. I. 9

-ocr page 22-

18

deszelfs begin door een loflied hadden toegejuicht, en zij noodigen dt heerscharen der hemelen, de koren der zalige geesten, uit, om met hen den vrede te bezingen, die Jesus brengt en zich met hen in lofliederen en heilwenschen te vereenigen!

Doch hetgeen de engelen zongen bij de geboorte, en de scharen herhalen op den berg der Olijven, is slechts het voorspel der Hosannas, die engelen cn

menschen vereenigd zullen doen opgatin op den giooten

dag, wanneer Jesus\' zegepraal zal zijn voltoo d, ^ zijn rijk voor immer is gevestigd en Hij in Goddelijken luister, na dood en hel te hebben verwonnen aan het hoofd der engelen, cn zaligen zijn zegepralende intrede zal doen in het hemelsch Jerusalem.

Het woord is nu in vervulling gegaan, door Jesus na het feest der tempelwijding gesproken: van nu af zult gij Mij niet meer zien, tot dat gij uitroepen zult: gezegend zij Hij, Die daar komt in den naam des Heeren. De Zaligmaker nadert voor de laatste maal Jerusalem, doch tot beschaming der vijanden, die Hem den dood zwoeren, als Koning, in volle glorie. De menigte, die met Hem was, toen Hij Lazarus uit het graf ten voorschijn riep cn van de dooden verwekte, heelt Hem getuigenis gegeven als den Verwinnaar des doods. De feestgangers die het vernamen, zijn Hem thans te gemoet gesneld ten spijt vgt;ai den hoogen raad, die het desnoods zou willen beletten met den moord van Lazarus. De Phariseën bebben het met verbittering moeten aanzien. Ziet gij, dat wij mets winnen\'} roepen zij uit bij het bespeuren van dien geestdrift onder de scharen ; de geheele wereld stroomt naar Hem toe. Eenige hunner mengen zich ouder gewoonte onder de menigte om alles te bespieden en, kouden zij, Jesus\' hulde te beletten. Waar zij echter dat gejubel, dien lof, die vreugdekreten moeten hoo-ren, daar kunnen zij zich niet langel\' bedwingen, eu, het niet wagende om zich tegen de opgevsondenc

-ocr page 23-

19

scharen te verzetten, ricliten zij zich tot Jesus en zeggen : Meester, herisp uwe leerlingen. Maar de God-mensch, Die bij het te gemoet gaan van zijn lijden zijn Koninklijke grootheid wil ten toon spreiden, wijst de afgunstigen af met het woord : Ik zeg u, dat, indien dezen zwijgen, de steenen zullen roepen. Veelbetee-kenend is dit woord, gegrond op het Oostersche spraakgebruik, waardoor te kennen gogeven wordt dat recht, waarheid en roem des noods door het spra-kelooze zullen worden verkondigd. De steen uit den muur zal roepen, zegt de profeet .■ en de balk aan het gehouic zal antwoorden. (Habac. II : 11) Zouden die scharen Hem niet huldigen als Messias, en die waarheid verzwijgen, dan zouden de steenen, die door hunne opschriften den roem en de daden van zoovele koningen vermelden, toch onder Gods toedoen ten hunnen spijt luide spreken, om zijne Goddelijke grootheid en wonderdaden te vermelden.

Terwijl nu de Heer den Olijfberg afdaalt, vestigt Hij den blik op de schoone stad, die daar een paar honderd voeten lager aan zijne voeten ligt. Jerusalems sterke muren , zijne golvende straten, zijne talrijke koepels, het paleis van Herodes en de Davidsburcht op den Sion, zijn prachtige tempel op den Moria, zijne torens en poorten , vertoonen zich met treffende duidelijkheid aan zijn Goddelijk oog onder de glan-sende stralen van de reeds hoogstaande zon. O , hoe lief is zij Hem , de dochter van Sion ! Maar hoe groo-ter zijne liefde voor haar is, des te inniger wordt zijne smart, waar Hij thans op haar nederblikt. Zij blinkt Hem toe als eene uitgelezene parel, en helaas! Hij weet, dat kostbare kleinood gaat Hij verliezen! Weemoedig herdenkt Hij haar verleden ; grievend is voor Hem de ondankbaarheid , waarmede zij al zijne weldaden gaat vertreden; pijnlijk da gruweldaad , die zij aan Hem zal voltrekken ; allertreurigst het vooruitzien van haren ongelukkigen ondergang. Ach! dat zij zijne

-ocr page 24-

20

liefde , die haar nog redding biedt, versmaadt! Innig medelijden en onuitsprekelijke droefenis overstelpen zijn minnend Hart, en terwijl de scharen juichen, de jubelkreten weerklinken en de hosannas ten hemel stijgen, daar denkt de Godmensch aan het ellendig lot van Jerusalem , en stort Hij tranen over de stad, die Hem zoo dierbaar is. De Phariseën, hare kinderen , benijden Hem en zoeken Hem te vermoorden, en Hij, Hij weent uit medelijden over de misdadige versteendheid dier ongelukkigen, en de onvergetelijke klacht komt Hem over de lippen: o , of ook gij erkendet, en nog op dezen uwen dag, wat u tot vrede strekt!.... doch nu is het verborgen voor uwe oogen. Want er zullen dagen over u komen , dat uwe vijanden u met een wal omringen en u insluiten, en u van alle kanten benauwen zullen. En zij zullen u tot op den grond toe verdelgen, en uwe kinderen in u ƒ en zij zullen in u niet één steen op den anderen laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet gekend hebt.

De Koning der liefde, die tranen stort over Jerusalem, vergelijkt de ongelukkige stad met die juichenden, die in Hem gelooven. O mocht zij evenzeer erkennen, wat deze feestgangers erkennen! O mocht zij Hem begroeten als haar Koning, Hem ontvangen als haar Verlosser, Die haar vrede en vergiffenis schenken wil! Doch helaas! Jerusalem zal den dag zijns heils, den tijd, dat het zijne redding nog kan bewerken, nutteloos voorbij laten gaan. Daarom zullen eens andere dagen voor haar aanbreken dan deze dag. Deze is hare dag; doch dan zullen het de dagen barer vijanden zijn. Op den Olijfberg zal het tiende legioen der Romeinen zich nederzetten, om haar te belegeren. (Jos. L. Vide Bell. c. 8) Titus zal in drie dagen tijds een muur om haar slaan, zoodat geen enkele jood haar meer zal kunnen verlaten. De verschrikkelijkste hongersnood zal onder de op een gehoopte joden heer-schen, en de nood zal stijgen ten top. Eindelijk zullen tempel en stad de prooi der vlammen worden, en

-ocr page 25-

21

zal het overblijvende worden geslecht. 600,000 belegerden volgens Tacitus, ruim een millioen volgens Flavius Josophus, zullen omkomen of worden gevangen genomen. Met Sion zullen hare kinderen ten gronde gaan. Waarom ? Omdat het moedwillig de aangebodene genade versmaadt, eu den dag zijner bezoeking niet erkent.

Ziedaar hetgeen den Heer in het midden zijner zegepraal de tranen uit de oogen perst. O mogen die tranen niet ook over ons gestort zijn en niet ons den eeuwigen dood en ondergang aankondigen ! Mogen wij veeleer deelen in Jesus\' tranen bij Lazarus\' graf, die verrijzenis voorspellen en leven!

Nog jaarlijks herdenkt de Katholieke Kerk op Palmzondag den zegepralenden intocht des Heeren in Jerusalem. Zij zegent palm- en olijftakken, houdt eene plechtige processie, heft zegeliederen aan , en laat do blijde hosanna\'s weergalmen. Op die wijze herinnert zij hare kinderen reeds sedert de vierde eeuw aan haren Groddelijken bruidegom, Die als Koning dei-liefde eens zegepralend het lijden te gemoet ging, om door zijn oiïer vrede en verzoening te schonken, en Die slechts weende, omdat dit lijdensoffer voor zoovele ongelukkigen door eigen toedoen een bron des ver-derfs zou zijn.

§ 3. Jesus\' intrede in Jerusalem. Lof der kinderen, Mt. XXI: 10—17; Mc. XI: 11.

Jaar der J. P. 4742; na R. st. 782 ; der gevv. it. 29.

Zondag, 10 Nisan; 13 Maart.

Eindelijk treedt de Grodmensch langs de oostzijde Jerusalem binnen, en begeeft Zich door de guldenpoort in den tempel, vergezeld van den stoet dei-talrijke en juichende menigte. Alles wat zich in de voorhoven des tempels bevindt geraakt in beweging. Sommigen snellen toe enkel uit nieuwsgierigheid, an-

-ocr page 26-

deren uit verrassing. Dezen erkennen in Jesus een bovenaardschen Messias en Profeet, genen aanzien Hem als den lang verwacMcn Koning, Die Israël van het Romeinsche juk bevrijden en tot een ongekenden luister opvoeren zal. Velen begroeten Hem met dankende liefde, doch de Phariseën en nagenoeg al do voornamen aanschouwen zijn triomftocht met nijd en spijt, üp de vraag, die de stedelingen doen : wie is deze ? antwoorden de menigten , terwijl zij met palm-en olijftakken naderen: deze is Jesus , de profeet uit Nazareth in Galilea, en verkondigen alzoo niet zonder zekeren trots , dat bun landgenoot uit Galilea de groote profeet is door Moses voorspeld.

Zoo betreedt de Verlosser den tempel (1) Hier treedt Jesns andermaal op als Koning vol Goddelijke Macht en Jiefde. Blinden en kreupelen (2) worden tot Hem gebracht, en Hij geneest ze. Hij verbergt het niet, dat Hij de Christus is ; Hij toont door al de woorden cn daden van dien dag, dat Hij ak zoodanig wil erkend

(1) Mattheus lascht hier het verhaal in van het verdrijven der handelaars uit den tempel, en plaats dit v. 12 voor het vervloeken van den vijgeboom (v. 18—19), dat \'s maandags morgens plaats greep. Markus daarentegen verhaalt het verdrijven der handelaars uit den tempel na het vervloeken van den vijgeboom, daags na den zegepralenden intocht, (v. 12 en 15) Daar Mattheus zich over \'t algemeen weinig om de volgorde bekreunt. Markus buitendien hier meer op bijzonderheden let, cn het uitdrijven der handelaars op den eerst dagen veeleer uitsluit (circumspectis omnibus v. 11), meen ik hem en niet Mattheus hier tot gids te moeten nemen.

(2) Wij plaatsen deze wonderen met Mattheus nog onder hetgeen op dezen dag voorviel. Mt. XXI: 17 toch valt zaam met Mc. XI; 11 ; beiden verhalen, dat de lieer des avonds na zijn plechtige intrede in Jerusalem de stad verliet en Zich naar Bethanië begaf. Onmiddellijk nu hiervoor, namelijk v. 14—1G verhaalt Mattheus deze wonderen, cn hoe de kinderen Hem toeriepen : Hosanna den Zoon van David, waarna hij vervolgt: cn h c n verlaten hebbende^ ging Hij de stad uit etc. Volgens den evangelist is dus, wat hij onmiddellijk vooraf meldt, geschied, voordat Jesus dien dag naar Bethanië ging. Alleen dus dc tweede tempelreiniging heeft Mattheus hier ingelascht, terwijl zij op den volgenden dag eerst plaats greep.

-ocr page 27-

23

zijn, en bevestigt, dat Hij de grooto Zoon is van David, door in den tempel, waar wij dit nog nimmer zagen geschieden , wonderen te werken , en voor het oog van allen zijne Macht en Liefde ten toon te spreiden.

De Heer woont ook des namiddags het avondoffer bij, en merkt nauwkeurig op , boe alles in den tempel toegaat (Mc. XI: 11), en hoe onder memg opzicht de eerbied voor het huis Grods onder de voeten wordt getreden. Hij bespeurt dezelfde misbruiken , die Hij bij het begin van zijn openlijken levenswandel reeds zoo gevoelig heeft terecht gewezen , en ofschoon Hij op dezen eersten dag slechts toeziet, zal Hij niet nalaten , ze den volgenden dag andermaal te tuchtigen.

quot;Wanneer Hij nu den tempel gaat verlaten, daar begroeten Hem eenige kinderen nogmaals met den vreugdekreet, welken zij dien dag Hem ter cere hebben vernomen, en roepen Hem juichend toe :-Hoscmna

den

den Zoon van David! Aangenaam klinkt gewis

Zaligmaker die hulde der onschuld in het oor, maar zij verbittert de overpriesters en schriftgeleerden, die ze te gelijkertijd vernemen en wrevelig zijn , dat zij daar onder hun eigen oog tot in den tempel zijne wonderwerken hebben moeten aanschouwen. Verontwaardigd begeeren zij , dat de Heer hun het stilzwijgen zal opleg ;en en daarom zeggen zij; hoort gij wel, wat dezen zeggen ? Doch Jssus beschaamt hen en wijst hen af met een beroep op den S5\'0quot; psalm. Voorzeker , (hoor Ik dit), zegt Hij ; hebt gij nooit gelezen: uit den mond der kinderen en der zuigelingen hebt Gij lof bereid ?

Het lied , waaraan Hij deze woorden ontleent, bezingt don lof, die door de geheele schepping, door hemel en aarde, ja zelfs door de zuigelingen en kinderen volgens de beschikkingen zijner Goddelijke wijsheid aau God wordt gebracht tot beschaming zijner vijanden , en om ze in hunnen haat en weerbarstigheid tot zwijgen te brengen. Jesus dua door die woor-

-ocr page 28-

24

den op Zich toe te passen verklaart, dat Hij niet slechts de Zoon ia van David , gelijk die kleinen Hem noemen, maar zelfs God en Heer der schepping, en laat stilzwijgend verstaan , dat die lof der kinderen juist heeft plaats gegrepen om hen, zijne vijanden, te vernederen. Dit antwoord des Zaligmakers verbittert detrotsche Phariseën nog meer; doch de Heer houdt Zich niet langer met hen op, laat hen staan, en gaat met zijne apostelen de stad uit om te vernachten in Bethaniè\'. Hier, in don kring zijner vrienden , is Hij veilig voor de geheime aanslagen van hen, die zijn dood hebben gezworen.

§ 4. De vervloeking van den vijgeboom; de tweede iemptl-

reiniging,

Mt. XXI; 18—19; Mc. XI: 11—18 ; Lc. XIX : 45-49.

Jaar der J. P. IT-IS; na R. St. 782 ; der gew. jt. 2U.

Maandag, 11 Nisan , 14 Maart.

Den volgenden dag reeds vroeg zien wij den Zaligmaker weder op weg, om het morgenoffer in Jerusa-lems tempel te gaan bijwonen , daar dit een uur na zonnenopgang, dus gemiddeld ten zeven uur, werd op -gedragen. De morgenmaaltijd of het ontbijt werd bij de joden gewoonlijk ten 10 uur genuttigd (Targ. Coh. X: 16; B. Bava Metzia f, 83 , 2) , en de Heer daar Hij dus nog niets genoten had , hongerde, terwijl Hij Zich op weg bevond. Daar bemerkte Hij van verre largs den weg een vijgeboom, die waarschijnlijk nie-mands bijzonder eigendom was , en waarvan een ieder vijgen kon plukken. Wellicht stond hij bij Bethphage, het vijgenhuis, onder meer andere vijgeboomen, doch had hij dit geheel bijzonder, dat zijne kroon alleen buiten al de anderen reeds in het volle blad stond. De Heer trad er op toe, om er vijgen aan te zoeken. Wel was het de eigenlijke vijgentijd niet. De vijgeboom immers draagt in het Oosten dviemaal vruchten.

-ocr page 29-

25

De vroege vijg zet aan in Maart, nog voordat de boom bladeren heeft, en rijpt in Juni; de zomervijg zet aan in Juni en komt tot rijpheid in Augustus; alsdan volgt de wintcrvijg, die eerst rijp wordt, wanneer de boom geheel bladerloos is en dikwerf, wanneer de winter zacht is, tot in het voorjaar blijft hangen. Doch, ofschoon het de eigenlijke vijgentijd niet was, en het dus niet te verwonderen was, dat Jesus geen vruchten vond, was er echter wel reden om aan dezen boom vruchten te verwachten. De vijgeboom toch zet eerst bloem en vrucht, en krijgt daarna bladeren. Daar nu deze boom in \'t volle loof stond, moest hij zoo al niet geheele rijpe, dan toch eenigzins eetbare vrachten dragen, ware hij een goede vijgeboom geweest. Toen de Heer nu bemerkte, dat hij geen vruchten droeg, vervloekte Hij den boom ten aanhuore zijner leerlingen en zeide ; nimmer groeie meer vrucht aan u in eeuwigheid ! En zie op den eigen stond begon de vijgeboom te verdorren.

Deze handeling des Zaligmakers was geheel zinnebeeldig. Het kon den Heer niet onbekend zijn, dat Hij aan dien vijgeboora geen vrucht zou vinden, maar Hij ging hier te werk zonder van zijne Goddelijke alwetendheid gebruik te maken, en handelde hier, doch met een bepaald doel, gelijk een gewoon mensch zou gehandeld hebben, die van een vijgeboom in. \'t volle blad ook buiten den vijgentijd vrucht zou hebben verwacht. Waarom deed Hij zulks ? Omdat die boom het symbool was van Israël. Israël was de boom, van welken Hij vrucht verwachtte. Israël had een zeker uiterlijk en vertoon van heiligheid en deugd, zooals de vijgeboom bladeren droeg. Terecht mocht de God mensch eischen, dat dit uiterlijk met ware godsdienst en deugd gepaard ging, hetzij dat deze voortgesproten uit do leer van het oude verbond, hetzij dat zij voortvloeiden uit het evangelie, dat Hij verkondigde; gelijk men van een vijgeboom in \'t volle blad vruch-

-ocr page 30-

26

ten verwacht, hetzij dit nog overgeblevene winter-vruehten zijn, hetzij het vruchten zijn in de lente voor de ontwikkeling van het blad reeds gezet. Doch Israël kon Jesus\' Honger naar de zaligheid der zielon niet stillen, gelijk de onvruchtbare vijgeboom zijn lichamelijken honger te leur stelde. Daarom verkondigde de Heer hier zinnebeeldig de verwerping van Israël. Eet zou tot aan het einde der dagen als een dorre boom zijn, zonder eenige vruchten van deugd en heiligheid voort te brengen. Het vonnis werd terstond aan den vijgeboom voltrokken; de voltrekking van het vonnis over Israël zou nog op dit Paasch-feest een aanvang nemen. Gisteren weende Hij nog, en spreidde Hij zijne grenzelooze barmhartigheid ten toon; die dag is voorbij ; heden vloekt Hij het onvruchtbaar cn hardnekkig jodendom ; Hij vertoont Zich als de God der rechtvaardigheid, gelijk Hij het in de. gelijkenis van den onvruchtbaren vijgeboom had voorspeld. (Vgl. Luc. XIII: 6) De beteekenis dezer zijner daad werd in het volle licht geplaatst door al hetgeen Hij voortaan werkte en sprak, üeeds wat Hij dadelijk daarna Jerusalem in den tempel verrichte, geschiedde in dien zin.

Toen de Heer hier aankwam, zag Hij op nieuw het treurige schouwspel, dat bij het begin zijner prediking reeds zoozeer zijne heilige verontwaardiging had ge wekt. Het was wederom hetzelfde gewoel in het voorhof der heidenen, (1) veroorzaakt door de koopers en verkoopers van offerdieren, door de geldwisselaars en door de duivenhandelaars, die, begunstigd door hebzuchtige priesters, hier hun voordeel zochten te doen.

(1) Markus verhaalt het bezoek van den tempel op den vorigen dag en ook op dezen dag, en wel bij dit laatste de tempelreiniging, die dus onmiddellijk na het vloeken van den vijgeboom plaats had. Ei] Mattheus staat het verhaal der tempelreiniging in geene noodzakelijk verband met het vorige of met het volgende. Wij brengen het dus overeen met Markus.

-ocr page 31-

27

Bij het zien van dio ellendige ongodsdienstigheid en heiligschennis ontvlamde andermaal Jesns\' Goddelijke ijver. Met verpletterend gezag wees Hij ze allen den tempel uit, en wierp de tafels der wisselaars en de gestoelten der duivenhandelaars omver. Zelfs dultle Hij niet, dat men het voorhof der heidenen als een ongewijd plein tot doorgang bezigde, en er vaatwerk of huisraad tot bekorting van den weg door henen droeg. Allen zwichten voor de onweerstaanbare kracht van zijn Goddelijken ijver. En nu trad Hij op als Leer-aar, en riep Hij uit: staat er niet gescherven: mijn kuis zal een huis des gebeds genoemd worden voor al de vol-keren? doch gij hebt het tot een rovershol gemaakt. (1) De Heer beriep Zich dus op het woord van den profeet Isaï:-.s ; mijn huis zal een huis des gebeds genoemd worden voor al de volkeren (LVI: 7) en gaf te kennen, dat niet slechts de eigenlijke tempel maar ook het voorhof der heidenen eene plaats was des gebeds, wijl dit de plaats was bestemd voor de heidenen , indien zij God wilden aanbidden en offeren, En om hen te laten gevoelen, hoe onwaardig zij zich hier gedroegen, haalde Jesus eene andere plaats aan uit Jeremias : is dan dit huis, waarin mijn naam aanroepen wordt, een rooversho] geworden in uwe oogen ? (VII : 11) Zij maakten toch zich hier niet slechts schuldig aan oneerbiedigheid, maar zelfs aan woeker en onrechtvaardigheid, en verdienden alzoo het scherpe verwijt, dat Jeremias tot zijne tijdgenooten richtte, die zich bij hunne onge-

(1) Dat deze tempelreinging van de eerste verschilt blijkt uit verschillende kleine trekken. Bij de laatste^ door drie evangelisten vermeld, grijpt Christus naar gecnc koorde zooal^ bij Joiinnes. Hij ontzegt bij de laatste het dragen van huisraad door het voorhof der heidenen tot bekorting van den weg als een oneerbiedigheid, en is dus nog stipter dan bij de eerste. Hij tieedt na de laatste op als leeraar, en Hij wordt nu niet meer gevraagd,, om zijn gezag hiertoe te staven. Zijn woord is ook gestrenger 5 bij Joannes zegt Hij, dat zij den tempel tot een huis van koophandel, hier dat zij hem tot een roovershol maken.

-ocr page 32-

28

rechtigheid en misdaden in den tempel veilig waanden, gelijk moordenaars in hun roovershol.

Zoo sprak Hij , Die gisteren nog als Messias , als Heerscher, als Koning volgens de profetie van Mala-chias tot zijnen tempel gekomen was. (Malacb. III: 1) En de priesters en schriftgeleerden, zij moesten zwijgen bij ket zien dier gezagvolle daad , en het aan-hooren van die Groddelijke bestraffing. Desniettemin waren zij ten hoogste verbitterd, en zonnen met vernieuwden ijver op middelen, om Hem van kant te maken, zonder zich zeiven in gevaar te stellen. Doch zij vonden het niet veilig iets tegen den Heer te ondernemen , omdat al het volk. opgetogen naar Hem luisterde, en allen hunne verwondering aan den dag legden over zijne aanbiddelijke leer. Zoo moesten zij het aanzien, dat Jesus niet slechts als Koning maar ook als gezagliebbend Leeraar en Profeet optrad en werd erkend. Ja, ondanks al hunne besluiten en bevelen leerde Hij dagelijks in den tempel, en dit wel bij het groote feest van Paschen. Niets vermochten zijne vijanden tegen Hem, zoolang hunne uur niet daar was. (Ygl. Lc. XXII: 53)

§ 5. Eenige Grieken wenschen Jesus te spreken. Jesus verheerlijkt door eene stem uit den hemel.

Jo. XII: 20-36.

Jaar der J. P. 4742; na R. st. 782; gew. jt. 2\'J.

Maandag, 11 Nisan 14 Maart.

Onder hen, die bij dit Paaschfeest naar Jerusalem waren opgegaan om te aanbidden of te offeren in den tempel, waren ook eenige Grieken of heidenen. (1)

(1) Zooals de vulgaat het woord \'EXXrjvés overzet. Wij brengen dit voorval tot dezen dag. Sommigen brengen het tot den volgenden dag doch zonder eenig bewijs. Daar buitendien van den volgenden dag ons reeds zooveel door de evangelisten verhaald wordt, raecnen wij, dat er weinig tijdsruimte voor dit voorval overblijft. Dat Joannes onmiddellijk

-ocr page 33-

29

Want ook de heidenen droegen aldaar offers op, of. schoon niet anders dan brandoffers, waaraan de priesters geen deel namen. Ext voorhof der heidenen stond voor hen open, en nog pas hoorden wij den Heiland zeggen: mijn huis is een huis des geheds voor alle de volkeren. Ook Salomon had bij de inwijding des tempels gebeden : wanneer een vreemdeling, die niet tot het volk van Israël behoort, uit een ver land komt, om ten wille uws naams in deze plaats te aanbidden, (want zij zullen hooren van uwen grooten naam ...) wil dan in den hemel, in de gevestigde plaats uwer woning, hem verhooren, en alles doen, waarom de vreemde u smeekt, opdat alle volkeren der aarde uwen naam aanroepen en U vreezen. (3 Kon. VIII: 41—43) Reeds de koningin van Saba offerde in den tempel. Cyrus, Darius, en Seleucus zonden hunne geschenken aan het huis van Jehovah. quot;Wij zien den kamerheer en schatmeester der koningin Kandace van Ethiopië naar Jerusalem komen, om er te aanbidden, (Hand. VIII: 27) Zelfs keizer Tiberius liet dagelijks voor zich offers opdragen in Jerusalems tempel. (Philo Legat. 23) Het is niet onmogelijk, dat deze heidenen behoorden tot de proselieten der poort en zonder besneden te zijn de hoofdwaarheden des jodendoms beleden. Dee-lende in de Messiaansche verwachtingen van dien tijd. en bekend geworden met aen grooten naam, dien Jesus genoot, vervoegden zich deze Grieken tot Philip-

daarna in :t volgende.iioofdstuk verhaalt, hetgeen \'s avonds voor zijn lijden heeft plaats gehad, kon hij evenzeer doen, indien het voorval betreffende de Grieken of \'s zondags of maandags had plaats gegrepen. Op zondag heb ik het niet geplaatst. Het voorval zou dan na Mt. XXI . 16 moeten geplaatst worden; doch Mt. XXI: 17 relictis illis, abiit foras extra civitatem , geeft genoegzaam te kennen, dat Jesus dadelijk na het verhaalde in v. 16 stad en tempel verliet. Om deze reden vind ik het minder geschikt om hier een verhaal als dat van Jo. XII; 30—36 tusschen beide deze versen in te lasschen. Het best wordt dus mijns inziens Jo. XII: 20—36 op maandag namiddag geplaatst ten tijde van het avond offer, nadat \'s morgens de tempelreiniging was geschied.

-ocr page 34-

30

pus, die uit Bethsaïda van Gralilea afkomstig, en daarom, gelijk deze opmerking schijnt aan te duiden, met hunne taal bekend was. (1) Heer, zegden zij tot hem, wij wensehten Jesus te zien. Misschien spraken zij zoo uit bescheidenheid, omdat zij het niet waagden zich rechtstreeks tot den Godmensch te wenden, misschien ook omdat de Heer Zich in een gedeelte des tempels

(1) Sepp beschouwt deze Grieken, als gezanten van Abgar, Koning van Edessa. De inhoud van den brief, die dagteekent van de laatste dagen des Heeien, schijnt hiervoor te pleiten. Wij meenen hier de vraag niet te mogen voorbijgaan, wat wij omtrent den veel besproken brief van Jesus aan Abgar hebben te denken.

Abgar was vorst over Osrhoëne, een gedeelte van Mesopotamië, en hield zijn verblijf te Edessa aan gene zijde van den Euphraat. Hij leed volgens Eusebius L. I c. 13, aan een zware ziekte, en zond, toen hij van des Zaligmakers wonderen had gehoord, door een bode aan Jesus een brief, waardoor hij Hem verzocht, hem te bezoeken en van zijne ziekte te genezen. Hij bood den Heer tevens een verblijf aan te Edessa, daar hij gehoord had, dat de joden Hem lasterden en hinderlagen legden. Jesus zou hierop een brief hebben geschreven, dien Eusebius zegt in het archief van Edessa gevonden te hebben, en dien hij aldus letterlijk wedergeeft: gt;Zalig zijt gij , Abgarus, omdat gij in Mij gelooft, «hoewel gij Mij niet gezien hebt. Want er staat van Mij geschreven , »dat wie Mij zien, niet in Mij zullen gelooven, opdat wie Mfj niet zien, »gelooven en het leven hebben. Wat echter aangaat, hetgeen gij Mij «schrijft, dat Ik tot u zou komen, zoo is het noodig, dat Ik hier alles «volbreng, waartoe Ik gezonden ben, en dat Ik na het volbracht te «hebben, wederkeere tot Hem, Die Mij gezonden heeft. Overigens zoo-«dra Ik tot Hem teruggekeerd ben, zal Ik iemand uit «mijne leeringen «tot u zenden, èn om uwe ziekte te genezen, èn om u en de uwen het leven te schenken.quot;

Na de hemelvaart des Heeren, verhaalt Eusebius verder, zond de apostel Thomas door hooger ingeven Thaddeus; een der zeventig leerlingen, tot Abgarus, die hem genas, vele wonderen deed en te Edessa het evangelie predikte. Volgens Eusebius eindigde het verhaal uit het archief van Edessa omtrent dit alles met deze woorden; deze dingen zijn geschied in het jaar 340 (volgens de tijdrekening namelijk der Releuciden).

Deze geschiedenis wordt betwist door Erasmus, Melchior Cano, Bel-larminus, Alexander Natalis , (Sec. I dissert. 3) Hare echtheid wordt verdedigd door Tillemont t. 1, Grabe Spicil. Patr. t. 1 p. I et fi, Bas-nage Ilist. des juifs. t 1 c. 18, p. 500. Jos. Sim. Assemani Biblioth. Orient, t. 1 , p. 318, 430 etc.

-ocr page 35-

31

bevond, dat voor hen als heidenen ontoegankelijk was.

Philippus vond er bezwaar in, om dadelijk aan dit verzoek gevolg te geven, en wendde zich tot Andreas, die even als hij uit Bethsaïda afkomstig en buitendien meer met den Heer vertrouwd was. (Mc. XIII: 3) Beide apostelen begaven zich na onderling overleg tot den Zaligmaker, en maakten Hem de zaak kenbaar.

Het gezag van Eusebius is ons waarborg, dat hij het stuk werkelijk in het archief van Edessa gevonden heeft. Dit kan aan geen redelijken twijfel onderhevig zijn, bij hem die eenigzins weet, wat Eusebius als historieschrijver is. Dit wordt buitendien bevestigd door al hetgeen latere geschiedschrijvers, als Evagrius, Procopius, Nicephoms verhalen, ofschoon deze er bijzonderheden bijvoegen,die hoogst waarschijnlijk verdicht zijn. Zoo wordt aan den brief des Heeren, gelijk hij voorkomt bij Eusebius, het slot toegevoegd, hetgeen bij Eusebius niet gevonden wordt; «en waar gij ooit dezen brief zult nederleggen, zal de macht \'der vijanden, die tegen u zijn en tegen u aanstormen, niet tot u kun-»nen doordringen, en uw staat zal om uwent wege gezegend worden »in eeuwigheid.quot; Ook de Armenische geschiedschrijver Moses van Cho-rene bevestigt in de 5de eeuw het bericht van Eusebius, doch hij voegt er weder bij, dat Jesus met zijn brief ook zijn afbeeldsel aan Abgarus zou gezonden hebbeo, in een zweetdoek gedrukt. Volgens dezen geschiedschrijver werd dit Christus\' beeld nog ten zijnen tijde te Edessa gezien.

Gewoonlijk voert men ook het testament aan van den H. Ephrem, diaken van Edessa; zoo onder anderen Oosterzee, leven van Jesus, I deel, bl. 34. Werkelijk wordt in den Griekschen tekst van dit testament en ook in den Latijnschcn tekst , die naar het Grieksch is vertaald, deze getuigenis gevonden: benedicta sit vestra civitas et mater Edessa, quae quidem etiam palam atque manifeste ex ore Domini per suos discipulos, nostros vero apostolos, benedicta est. Nam, quando rex Abgarus, qui hanc civitatera extruxit, rogabat excipere eum, qui pere-grinus apparuerat, Salvatorem ... dicens: omnia audivi, quae a te facta sunt, et quaecunque ab aspernantibus Judaeis passus es ; veni hue, et mecum habita ; habeo enim mihi civitatem hanc exiguam , quae et tibi et mihi sufficiet; ejus fidem admiratus Dominus, mittens eo per angelos aeternos, civitati illi benedixit, firmans illius fundamenta.

Doch de Bibliotheca manualis patrum van Petrus Jos. Tricaletius, in 1871 uitgegeven te Rome en gedrukt door de Propaganda (2 deel, H. Ephrem C. XIV. art. II), maakt hier deze opmerking: het testament van den H. Ephrem bekleedt de laatste plaats in de uitgave van Vos-sius. Maar zijn tekst is vol fouten, zooals de geleerde Assemani verklaart (Biblioth. Oriënt, torn. 1. p. 141): »veel wordt erin aangetrof-«fen, i/a/ is bjgev»egd en in de Syrische exemplaren in V geheel niet

-ocr page 36-

32

Het wordt ons niet gemeld, dat het verzoek dier heidenen is toegestaan. Het is echter wel waarschijn lijk, daar de Heer in zijne liefde het heil niet weigerde aan hen, die het zochten. Zeker nam de Heer hieruit aanleiding, om over zijne verheerlijking, die hier op aarde grootendeels in de roeping der heidenen zou bestaan, tot zijne apostelen te spreken. „Naar

Aiuordt gelezen, zooals de geschiedenis aan den koning Abgarus, aan wien «zonder genoegzamen grond de bouw der stad Edessa wordt toegeschre-»ven, en de verlossing van een bezetene, en vele andere dingen , die »of door zijne leerlingen of door den Griekschen vertaler zijn inge-»schoven. Twee Latijnsche vertalingen van dit testament bestaan : de »eene uit het Grieksch, de andere uit het Syriseh, welke laatste de «voorkeur boven de eerste verdient.quot; Ofschoon ik mij dus niet op den H. Ephrem wil beroepen, staat het echter bij mij vast, dat Eusebius den brief des Zaligmakers in het archief van Edessa heeft aangetroffen, zoowel om het gezag van Eusebius, als om de eenparige getuigenis van de latere geschiedschrijvers hierboven genoemd.

Doch dit vastgesteld zijnde, is de vraag of het stuk, hetgeen Eusebius vond, niet ondergeschoven is. Men is volkomen gerechtigd, om deze vraag te stellen, wijl ook later aan den brief des Zaligmakers, gelijk dien Eusebius geeft, willekeurig is toegevoegd, wijl evenzoo de vermelding van een portret des Zaligmakers bij latere geschiedschrijvers ten hoogste verdacht is, wijl bij het Syrische testament van Ephrem, althans volgens hetgeen wij hierboven vernamen, door de Grieken de geschiedenis van Abgarus is ingelascht. De vraag is dus, of de brief, dien Eusebius te Edessa vond , echt of ingeschoven is. Oosterzee ontkent het eerste en voert hier drie bedenkingen tegen aan; 1° de onmogelijkheid, dat een brief van Christus tot op de tijden van Eusebius onbekend had kunnen blijven. Deze bedenking is in mijn oog de gewichtigste; maar zij overtuigt mij niet. Want de vraag is werkelijk, of die onbekendheid wel volstrekt algemeen was. Kon die onbekendheid niet tijdelijk en niet gedeeltelijk zijn? Debrief betrof Abgarus persoonlijk en geen algemeene belangen der Kerk. Het verkeer der Christenen met het afgelegen Edessa was buitendien niet zoo druk. De brief bleef het eigendom van Edessa, en dus binnen die stad besloten. Waren buitendien de vreeselijke vervolgingen der Christenen geen reden, om hem te verbergen, en aan het oog der heidenen te onttrekken? Waar zijn de kerkelijke geschiedschrijvers, die voor Eusebius de aanwezigheid van dien brief konden boeken ? Is het niet opmerkelijk, dat de eerste kerkelijke geschiedschrijver, dien wij bezitten, dien brief vermeldt? Met stilzwijgen van Ephrem is mij nog niet beweztn, deels wijl wij al zijne werken niet bezitten, deels wijl de Syrische tekst

-ocr page 37-

33

aanleiding dezer beidenenquot;, zegt de H. Angustinus, Ldie Hem begeerden te zien, verkondigt Hij de toe Lkomstige volbeid der beidenen, en belooft Hij dat bet [„uur zijner verheerlijking gaat aanbreken. Als deze i!„in den bemel zou zijn geschied, zouden de beidenen gehoeven.quot;

Het uur is gekomen, zegde de Zaligmaker, dat de Zoon

i veiscliillend in Grieksch en Latijn is weergegeven, en ik hem in het oorspronkelijke niet kan vergelijken. Deze eerste bedenking is dus, wanneer ik dit alles te zamenvat, niet van dien aard, om mij een gegeven stuk, dat ten tijde van Eusebius in het archief van Edessa aanwezig was, als onecht en ondergeschoven te doen beschouwen. Hij die een aanwezig stuk voor onecht verklaart; moet die onechtheid op voldoende gronden bewijzen, en deze grond is alles behalve voldoende naar mijn oordeel.

De tweede bedenking van professor Oosterzee is de inhoud des briefs, die bijna niets eigenaardigs bevat, maar uit verschillende evangelische spreuken is zamengevoegd. De evangelische spreuken, die wij hier aantreffen, of liever de toespelingen op die evangelische spreuken zijn drie in getal. De eerste is Jo. XX: 29 cf het woord tot Thomas gericht; zalig zij, die niet gezien en toch geloofd hebben. Kon de Heer dit zeggende tot Thomas niet zinspelen, op hetgeen Hij vroeger aan Abgarus had geschreven. Heeft Hij misschien ook bij deze gelegenheid niet tot Ihomas over Abgarus gesproken? Is het stuk echt, dan ligt het voor de hand, dat de Heer dit kan hebben gedaan. De tweede spreuk, waarop gezinspeeld wordt, is Matth. XIII: 15, 10. (Vgl. Isaias VI: 9, 10) De derde Jo. IX: 4. Ik zie niet, waarom Jesus, terwijl Hij aan een vreemden persoon schreef, geen gezegden zou hebben gebruikt, die Hij vroeger gebezigd had.

De derde bedenking is de onwaarschijnlijkheid, dat de apostel Thomas zich zou hebben vergenoegd met een der zeventig, Thaddeus, tot Abgarus te zenden, indien hem zulke uitdrukkelijke belofte des Heeren zeiven ware bekend geweest. Doch kon Thomas niet verhinderd zijn, om zelf zich naar Abgarus te begeven ? En zegt niet Eusebius, dat Thomas op hooger ingeven een der zeventig leerlingen zond ; divino imfctu impnlsus.

Bewijzen dus deze bedenkingen niet, dat het besprokene stuk onecht of ondergeschoven is, dan is het regel, dat wij er aan vasthouden, tot zoolang het tegendeel blijkt. Te meer, wijl er ook gronden zijn, die zeer voor zijne echtheid pleiten.

1° Abgarus is werkelijk vorst van Edessa geweest. Vgl. Moses van Chorene (11; 28) Tacit, ann. XII: 12 en Assemani biblioth. Orient. I; 420 ; II: 392.

2° Volgens Sozomenus VI c. 1 was Edessa eene stad, die reeds van den beginne met al hare inwoners het Christendom had omhelsd. Dit

3

Het Offer van J. C.

-ocr page 38-

34

des menschen zal verheerlijkt worden. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, indien de tarwekorrel niet in de aarde valt, en sterft, hlijft hij alleen (en brengt geen vruclit voort); maar indien hij sterft, draagt hij vele vruchten. Die zijn leven lief heeft, zal het verliezen, en die zijn leven haai in deze wereld, behoudt het ten eeuwigen leven. Indien iemand Mij dient, hij volge Mij, en waar Ik ben, zal ook mijn dienaar wezen. Indien iemand Mij gediend heeft, zal mijn Vader Hem verheerlijken.

Waar de Heer bij het uiteinde zijns levens deze heidenen voor Zicb ziet verschijnen, gelijk Hij bij den aanvang door Oostersche wijzen aanbeden werd, daar denkt Hij aan het uiteinde en aan de vruchten van zijn werk , aan zijne verheerlijking in den hemel door opstanding en hemelvaart, aan zijne verheerlijking op aarde door de bekeering der heidenen. De stond dier

verheerlijking nadert. Maar zij hebben zich die ver-____

laat zich zeer goed begrijpen, indien wij het gebeurde met Abgarus vooronderstellen.

5° Volgens Sozomenus VI, c. 18 en Socrates IV, c. 18 was er te Edessa eene basiliek ter eere van den H. Thomas, van oudsher beroemd. Ook dit bevestigt het verhaal van Eusebius.

4° Volgens Eusebius gaf het stuk in \'t archief van Edessa als jaartal der briefwisseling van Jesus en Abgarus en der genezing dezes laatsten aan het jaar 340 der Seleuciden, hetwelk volgens Hendricus Valesius zamenvalt met het consulaat der beide Gemini of het sterfjaar des Heeren. Ook Patrizzi de evang. L. Ill diss. 53, § 27 en Sepp Chronol. p. 386 geven het sterfjaar des Heeren aan als het 340s\'e van de tijdrekening der Seleuciden.

Wanneer wij nu alles te zamen vatten, dan bevinden wij da; Eusebius onbetwijfelbaar den brief in \'t archief van Edessa heeft gevonden, dat de onechtheid van dit stuk door de bedenkingen, die er tegen in worden gebracht, niet bewezen is, en dat er gewichtige gronden zijn die voor zijne echtheid pleiten. Ik meen dus het gevoelen van hen, die de echtheid verdedigen als verreweg het waarschijnlijkste te moeten omhelzen.

Dit gevoelen is evenzeer met veel kunde verdedigd in de Kathohck\', December 1843. Voeg hierbij, dat de bedoelde plaats van Ensebius goedkeurend wordt aangehaald door Darius Comes in zijn brief aan Augus-tiuus, door den H. Joannes. Damascenus, libr* de orthod. fld. c. 17 en den H. Theodorus studita, epist ad l\'aschalem pontif.

heer

ter

was

den

Zon

vru\'

gra

ont

Ma kra wa he( wi de ve vc be bi di d h d \\

-ocr page 39-

35

heerlijking niet voor te stellen als bestond zij minister en heerlijkheid dezer wereld. Eene geheel andere was zij, die niet kon verkregen worden dan doorlijden en dood. Het zou Hem gaan als den tarwekorrel. Zonder dood bestaat voor dezen geen leven, geen vruchtbaarheid. De tarwekorrel wordt in de aarde begraven , en de vochtige aarde schijnt onfeilbaar zijne ontbinding en algeheel verderf te znllen bewerken. Maar in dat kleine zaadjen is eene geheime levenskracht verborgen, die juist hare werking aanvangt, wanneer het korrelje op het punt schijnt om zijne ge-heele vernietiging te gemoet te gaan. De kiem ontwikkelt zich , dringt door den verteerden bast en verder door de aarde heen , zendt zijne wortels uit, en verheft zich al spoedig door eigen kracht zichtbaar voor het oog met liefelijk groene kleur en met den bevalligen vorm van stengel, blad en bloem. En hij blijft niet alleen, maar dertig, zestig, honderdvoudige vruchten brengt hij voort, die zijn sieraad worden en zijne kroon. Zoo ook zou Christus sterven aan het kruis, en zijn doorwond lijk begraven worden in den schoot der aarde. ATaar juist wanneer Hij aldus volkomen machteloos zou schijnen , en , naar men meende, zijn werk zijn algeheelen ondergang te gemoet zou gaan , zou de Goddelijke Kracht, Die in Hem verborgen was, zich doen gelden, lichaam en ziel weder vereenigen, de boeien van het graf verbreken, en opstaan in heerlijkheid. Juist omdat Hij gestorven was, zou Hij bij verrijzenis en hemelvaart de schitterende zegepraal des levens vieren. Gelijk de tarwekorrel zou Hij niet alleen blijven , en juist omdat Hij sterven zon, zou Hij door de bekeering der heidenvolkeren veelvoudige vrucht dragen. Dit zou op aarde zijn sieraad zijn en zijne kroon, en in Hem zou het woord van den profeet Isaïas vervuld worden; omdat hij zijn leven tot een schuldoffer heeft gesteld, zal Hij nakroost zien , zijne dagen verlengen, en zal des

: S

v \'0;

• Sj ■. ■;

-ocr page 40-

36

Heeren welbehagen door zijne hand voortgang hebben. (Is. LIII: 10 volgens \'t Hebr.)

Deze was zijn weg, en deze was de koninklijke weg voor allen; door lijden en zelfopoffering naar de heerlijkheid. Voor den dood om zijnent wil mochten zij niet terugdeinzen. Want ook die dood zou voor hen de bron van een zalig , heerlijk , onsterfelijk leven ziju, en hun bloed zou het zaad worden der Christe-aen en talrijke vruchten dragen. Hun lichaam in den schoot der aarde nedergelegd , zou eens vernieuwd , vol glans , in nimmer verouderenden bloei even als het zijne verrijzen. (Vgl. I Cor. XV : 35)

Toen nu Jesus op die wijze over zijn dood sprak, werd Hij op nieuw bedroefd , vooral wijl zijne oogen rustten op hen, die daar luisterden naar zijn Goddelijk woord. Het was hem andermaal, als toen Hij gisteren over Jerusalem weende. En, terwijl die smart zich teekende op zijn aanbiddelijk gelaat, ging Hij voort; nu is mijne ziel ontroerd , en wat zal ik zeggen ? Vader verlos mij uit deze uur! Maar daarom ben ik. in deze uur gekomen: Vader , verheerlijk uw naam.

Gelijk later in Gethsemani vertoont zich aan zijn geest de lijdensbeker met al zijne bitterheid, Golgotha met zijn onuitsprekelijke smart en smaad. Hij laat een oogenblik droefenis en angst doordringen in zijn Godmenschelijk Hart, terwijl Hij verzucht: nu is mijne ziel ontroerd. Die gemoedsgesteltenis drijft Hem oogenblikkelijk tot het gebed; maar bij de diepe ontroering zijner ziel is H\\j als besluiteloos , wat Hij zal bidden: Wat zal ik zeggen ? De zielsangst, doet Hem bidden: Vader, verlos Mij uit deze uur! Eu oogenblikkelijk daarna onderwerpt Hij het natuurlijke verlangen naar bevrijding aan het verlangen om den Vader te verheerlijken : maar daarom hen Ik in deze uur gekomen. En terwijl Hij het offer brengt van Zich zeiven tot dat doel, smeekt Hij: Vader, verheerlijk uw naam! Toon der wereld, door al hetgeen Gij over

-ocr page 41-

37

Mij beschikt, uwe heiliglieia en grenzelooze liefde.

Terstond op die laatste woorden klinkt met donderend geluid oene hemelstem: Ih heb (dien naam) verheerlijkt, en Ik zal (dien) andermaal verheerlijken. De Vader had reeds bij den Jordaan en op den Thabor zijn Groddelijken Zoon als den Volvoerder zijner eeuwige raadsbesluiten aangewezen; thans bij liet uiteinde van Jesus\' leven herhaalt Hij die aanwijzing. Hij bad zijn naam door Jesus\' leven, leer, en wonderdaden verheerlijkt, andermaal zou Hij dien verheerlijken door Jesus\' dood en opstanding en door de verbreiding van diens rijk over de geheele wereld. Dit verkondigt de stem, die zoo krachtig is, dat de schare, die daar staat en ze aanhoort, ze vergelijkt bij den donder, terwijl anderen wederom zeggen: een engel heeft tot Hem gesproken.

Uit deze opmerkingen des volks nam Jesus aanleiding om hun het doel dezer gebeurtenis te verklaren. Niet om mijnent wille, zegde Hij, is die stem gehoord, maar om uiuent wille. Nu is het oordeel over de wereld daar; nu zal de vorst dezer wereld uitgeworpen worden. En Ik, wanneer Ik van de aarde verhoogd zal zijn, zal alles tot Mij trekken,.

Die stem was om wille van hen, die ze hoorden; zij was voor hen het teekon uit den hemel, dat Hij de Zoon was des Vaders, en dat de Vader zijn naam door zijn lijden ging verheerlijken. De tijd was eerlang daar, dat een beslissend oordeel geveld zou worden over dewereld. Het beslissende vonnis ging vallen, wie zou heerschen over de wereld, Hij.de Eengeboorne des Vaders, mensch-geworden om den mensch te redden, of wel de Satan. Tot nu toe was deze door de zonde onzer eerste ouders de vorst dezer wereld geweest. Doch eerlang zon de strijd, dien Jesus ging strijden, aan den Satan zijn rijk ontweldigen, en zou de Verlosser als Koning den vorst dezer wereld uitwerpen. In de plaats van Satans troon zou de troon des kruises verrijzen. Jesus Christus, van de aarde op dien troon omhoog geheven, zou alles tot Zich trekken, door waarheid en liefde de volkeren aan Zich

-ocr page 42-

38

onderwerpen en, na hen door zijn zoenoffer van het juk der zonde bevrijd te hebben , hen de heilrijke zegeningen laten ondervinden van het zoete juk zijner wet.

Toen de joden deze verklaring van den Goddelijken Verlosser hoorden , begrepen zij , dat Hij door dit verhoogd worden den kruisdood verstond, en leidden zij hieruit af, dat Hij de Messias , die door de profeten voorspeld was, niet kon zijn. Wij hebben uit de wet gehoord, zegden zij , dat de Christus in eeuwigheid blijft, en hoe zegt gij dan, dat de Zoon des menschen verhoogd moet worden t Wie is die Zoon des menschen ?

Zij verstonden, dat de Heer van dood en lijden sprak, doch wisten dit niet overeen te brengen met de begrippen , die zij zich van den Messias hadden gevormd. Zij beschouwden op grond van voorspellingen als Psalm CIX: 4 en Daniël VII: 14 den Messias als immer met hen blijvende , ofschoon hier eigenlijk slechts werd aangekondigd, dat zijn hooge-priesterschap en zijn rijk eeuwig zou voortduren. Al wat vereerend was in de profetiè\'n pasten zij geree-delijk op den Messias toe, maar zij begrepen niet, dat de profeten zijne smarten en zijn dood hadden voorspeld. Daarom stonden zij ten hoogste verwonderd, dat Christus Zich deed gelden als den Messias entevens getuigde weldra te zullen sterven. Het eene, meenden zij , sloot het andere uit.

Jesus gaf hun geen rechtstreeksch antwoord. Hij gaf hun slechts den heilzamen raad, om zich het licht zijner genade den korten tijd, dat Hij nog met hen was, zooveel mogelijk te benuttigen. Dan zou het raadsel van zijne verhooging door zijne opstanding-van zelf worden opgelost, en zouden zij kinderen des lichts worden. Nog een weinig tijds, zegde Hij, is het Licht onder u; wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat, de duisternis niet u overvolle, en die in de duisternis wandelt weet niet, ivaar hij heengaat. Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij de kinderen des lichts moogt zijn.

-ocr page 43-

39

Nog maar een weinig tijds zou voor hen de zon der genade schijnen en het dag zijn. Zij moesten zich dien tijd benuttigen om hunnen weg te vinden, eer de duisternis van zijn dood en zijn scheiden inviel. Was eenmaal de donkere nacht zijns lijdens aangebroken, dan zou het voor hen onmogelijk worden, om het rechte pad te onderscheiden. Indien zij, terwijl het dag was, gebruik maken van zijn licht, dan z ouden zij. wanneer die nacht kwam, niet verdwalen, en wanneer de morgen der opstanding aanbrak, kinderen zijn des lichts.

Het was avond toen de Heer dit sprak, en Hij nam afscheid van de menigte. Hij verliet den tempel, begaf Zich in het geheim met zijne apostelen naar Bethanië, en onttrok Zich alzoo aan de aanslagen zijner vijanden, die te Jerusalem gedurig zonnen op zijn verderf. (Mc. Xi; 19 ; Jo. XIII: 36).

-ocr page 44-

HOOFDSTUK X.

JESDS\' LAATSTE VEUliLlJF 1SIJ EN IN JERUSALEM. VAN D1NSDAG-MOK«EN TOT AAN WOENSDAG IN DE LIJDENSWEEK.

§ 1 De leerlingm bewonderen des viorgenu den verdorden vijgeboom. Kracht des geloofs en des gebeds. Vergevingsgezindheid een vereischte bij het gebed.

Mt. XXI: 20^22; Mc. XI: 20—27.

Jaar der J. P. 4742 ; na R. st. 783; der gew. jt. 29.

Dinsdag, 12 Nisan; 15 Maart.

Andermaal keerde Jesus den volgenden morgen met zijne apostelen naar Jerusalem terug, en, toen zij nu weder langs denzelfden weg gingen, viel hun oog op den vijgeboom, die gisteren nog volle bladeren en nu tot in zijne wortelen verdord was. (1) De apostelen ston • den verbaasd, zoo sprekend was bet wonder. Petrus, bet gebeurde van den vorigen dag indaebtig, riep uit: Meester, de vijgeboom, dien Gij gevloekt hebt, is verdord ? En ook de overige apostelen drukten bunne verwonde-uit en zeiden: hoe dadelijk is hij verdord ? Allezins gegrond was deze verwondering, daar de vijgeboom, wanneer bij omgebouwen is, nog geruimen tijd zijn sap en de fiiscbbeid zijner bladeren beboudt. De Zaligmaker nam dan ook aanleiding uit dit onmiskenbare wonder, om zijne apostelen tot geloof op te wekken. Hebt geloof in God, zeide Hij; voorwaar ik zeg

(1) Dal dit dinsdags gebeurde, blijkt uit Mc. XI: 11, vergeleken met v. 12 en daarna met v. 15 1(J en 20. Hiermede breng ik Mt. XXI, 20 etc. overeen. Mattheus, gelijk hij gewoon is, vat het gebeurde op maandag en op dinsdagmonjen te zamen.

-ocr page 45-

41

?(, zoo gij geloof hebt, zult gij dit niet alleen aan een vijgeboom verrichten, maar zelfs, indien iemand uwer tot dezen berg mocht zeggen , (en Hij wees waarschijnlijk op den Olijfberg) : verwijder u m werp u in de zee. en indien hij niet twijfelt in zijn hart maar gelooft, dat al wat hij zegt, zal geschieden, het zal hem geioorden Daarom zeg Ik u, al wat gij biddende vraagt, gelooft, dat gij het zult verkrijgen, en het zal u geschieden. En, wanneer gij gaat staan om te bidden, vergeeft, indien gij iets tegen iemand hebt, opdat ook uw Vader, Die in de Hemelen is, u uwe zonden vergeve. Doch indien gij niet vergeeft, zal ook uw Vader, Die in de hemelen is, u de zonden niet vergeven.

Uit liet hier verrichte wonder konden de apostelen leeren, wat Gods Almacht vermocht. Op die Almacht moesten zij leeren vertrouwen. De kracht om nog grootere werken te doen, dan Hij daar had verricht, zou door Grods Almacht op hen overgaan, indien zij ze van God zouden vragen in de vaste overtuiging, dat zij ze zouden ontvangen, en dus met de volle zekerheid dat, hetgeen zij vroegen, ook met Gods aanbiddelijke raadsbesluiten overeenstemde. Zou cchter hun gebed verhooring vinden, dan moest het niet slechts met een vast vertrouwen, en in overeenstemming met Gods wil geschieden, het moest ook gepaard gaan met de liefde. De God, Die Liefde is, kan geen hart, dat zich aankant tegen de liefde, verhoeren.

Geloof en liefde moeten dus kracht verleenen aan onze smeekingen. Waar wij zuchten in een afgrond vol ellenden, moeten wij door het geloof Gods Macht, en door de liefde Gods Goedheid tot ons doen afdalen. Het ge-loof is de hand, waardoor wij den krach-tigen arm zijner Almacht, de liefde die, waardoor wij den hulpvaardigen arm zijner Goedheid moeten aangrijpen. Doen wij dit, dan zal Hij ons in de diepte, waaruit wij tot Hem roepen, niet laten zuch-

-ocr page 46-

42

ten. De Opperheer van alles vraagt ons geloof en onze liefde als eene kulde, en Hij laat niet na, die hulde Hem gebracht, edelmoedig te beloonen.

§ 2 De leden van den hoogen raad vragen naar Jesus\' recht als leeraar. De geliJJcenis der twee zonen, der loijng aar deniers en van het bruiloftsmaal.

Mt. XXI; 23—XXH; 14; Mc. XI: 27-XII: 12; Lc. XX: 1—19.

39.

Jaar der J. P. 4743; na R. St. 783; der gew. jt Dinsdag, 12 Nisan ; 15 Maart.

Zoo kwamen de Zaligmaker en de apostelen weder te Jerusalem. Terwijl nu de Heer onder de zuilengangen des tempels omwandelde en volgens gewoonte optrad, om aan het volk zijne heilige leer te verkondigen, (Lc.) naderden ook de overpriesters, scbrift geleerden en oudsten des volks tot Hem. Met een zeker gezag vroegen zij Hem rekenschap van zijn plechtige intrede in Jerusalem, van de tempelreiniging, van zijn optreden als leeraar, en zochten zy een antwoord, waardoor zij in staat zouden zijn om Hem te beschuldigen hetzij van godslastering, hetzij van oproer. Zij hadden kennelijk zamengespannen, om Jesus dezen dag met vereenigde krachten en op allerlei wijzen hinderlagen te leggen, ten einde Hem uit den weg te ruimen. Zoo richtten zij dus tot Hem de vraag: zeg ons, met welke volmacht doet gij deze dingen ? En wie heeft u die volmacht gegeven ?

Reeds herhaaldelijk had Jesus hun gezegd, dat Hij optrad als de Zoon Grods, in den naam zijns Goddeken Vaders , en zijne wonderen waren daar om dit te toonen. Hunne vraag was dus overbodig;buitendien strekte zij slechts om Hem te kunnen beschuldigen. Daarom keurde Hij haar geen antwoord waardig, en deed Hij op zijne beurt hun eene vraag, om dit opzet geheel en al te

-ocr page 47-

43

verijdelen. Ooh Ik, zeide Hij, zal u één ding vragen , in indien gij Mij daarop antwoordt, zal ook Ik u zeggen, Wet welke volmacht Ik dit doe. Van waar was het doopsel •xan Joannes ? Uit den Hemel of uit de rnenschen ? Ant-Ixoordt Mij. De vraag was voorzeker zeer ter snede «gedaan. Indien zij erkenden, dat liet doopsel en de oediening van Joannes op Goddelijk gezag berustten, «dan erkenden zij ook Jesus als Messias, daar Joannes Hem als zoodanig had aangewezen. Althans kon de Heer hun vragen: waarom hebt gij hem dan niet geloofd ? Zegden zij daarentegen, dat zijne bediening uit de rnenschen, en hij niet van God gezonden was, dan hadden zij de wraak en de steeniging van het volk te duchten, daar dit Joannes innig als proleet en godsgezant vereerde. Dit begrepen ook de leden van den hoogen raad, Noch het een, noch het ander was hun welkom , en daarom oordeelden zij het best te doen, met ontwijkend te antwoorden ; wi)-weien Nu achtte de Heer Zich eveneens gerechtigd, om hen af te wijzen. Ook Ik zeg u niet, sprak hij , met welke macht Ik deze dingen doe. Zij hadden het verdiende antwoord. Of wel zij veinsden het niet te weten, en antwoordden ter kwader trouw, gelijk werkelijk het geval was; of wel zij wisten het niet, omdat zij zich de moeite niet hadden gegeven, met oprechtheid naar Joannes\' zending te onderzoeken; in beide vooronderstellingen toonden zij hunne verkeerde gezindheid en hunne onvatbaarheid om vau Jesus\' zending overtuigd te worden. In den eigen strik, dien zij den Heer gespannen hadden , waren de listige vragers gevangen. Doch de Zaligmaker vergenoegde Zich niet, met den hoogen raad het antwoord te weigeren ; Hij stelde ook zijne huichelarij, afgunst en onwilligheid door de drie volgende gelijkenissen in het licht.

Wat dunkt u? zoo sprak de Heer, terwijl Hij door deze vraag de oplettendheid opwekte. Zeker mensch had twee zonen. En hij ging tot den eerste en zeide : ga heden,

-ocr page 48-

44

werk in mijnen wijngaard. (1) Doch deze antwoorddeplomjn op hel vriendelijke verzoek zijns vaders : ik wil niet. Maan daarna, toen hij de liefderijkheid en zaehtaardiglieidl zijns vaders inzag, had hij beromv en ging er heen} Intusschcn verwijderde zich de Vader. Hij begaf zich\' tot den andere der beide zonen , en sjprak op dezelfdel wijze als tot den eerste. En deze antwoordde en zeide: ik ga, heer; maar hij ging niet. Hij nam den schijn aan | van onderdanigheid jegens zijn vader, maar bekreunde zich niet om diens bevel. Wie van de twee heeft nu j den wil zijns vaders volbracht ?

Het antwoord op deze vraag des Verlossers kon aan geen twijfel onderhevig zijn, en het luidde dan ook, gelijk ieder het verwachtte: de eerste. Daarmede hadden zij hunne eigene veroordeeling uitgesproken ; want gelijk de Heer te kennen gaf, de gelijkenis bedoelde hen. Voorwaar, Ik zeg u , hernam Jesus, de tollenaars en de ontuchtige vrouwen zullen u voorgaan in het rijy Gods, Want Joannes is tot u gekomen op den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem geen geloof gegeven; maar de tollenaars en ontuchtige vrouwen gaven hem geloof. Desniettemin hebt gij, toen gij dit zaagt, later geen berouw gehad om hem geloof te geven.

Volgens deze verklaring is door den Vader in de gelijkenis God bedoeld, en door den wijngaard het rijk Gods. Door den eersten zoon wees de Verlosser de open bare zondaars aan. Toen God als een goedertierere Vader hen door zijne profeten liefderijk uitnoodigde, om Hem te dienen door hunne werken en zich zijner waardig te maken, hadden zij overmoedig volhard in hunne boosheid en door hunne daden geantwoord: wij willen niet. Doch later erkenden zij door de prediking van Joannes de grenzelooze barmhartigheid en liefde huns Vaders , en tot inkeer gekomen sloten zij zich aan bij zyn rijk. Do overpriesters integendeel en de

(i) in \'t Grieksch staat: ga. werk heden in mijn wijngaard. De z-ink is hetzelfde.

-ocr page 49-

45

eden van den hoogen raad waren als de tweede zoon. ij namen don scliijn aan Gods wet stipt to vervul-en en hadden steeds gereclitiglieid en gehoorzaam-| iaden in den mond, doch verzettcden zich inderdaad balstarrig tegen Gods wij. Nocli de prediking van Joan-lies, noch het voorbeeld der tollenaars, hadden hun betrouw over hun gedrag en geloof aangaande zijne zen-Iding kunnen inboezemen Tollenaars en ontuchtige vrouwen waren hunne bescliaming.

Deze gelijkenis wordt ook door de Kerkvaders, ofschoon zij dit niet als de eigenlijke beteekenis aangeven , op de heidenen en joden toegepast. De eersten k, Iverzetteden zich tegen Gods gebod en overtraden de d- natuurwet. Zij beantwoordden Gods liefderijke uitnoo-Mging met een trotsch: „ik wil niet.quot; Doch later kwamen zij door de prediking van het evangelie tot bezinning, bekeerden zich en traden in de Kerk. De joden daarentegen haddon vroeger met God een verbond geloten en gezegd: alles wat de Heer ons bevelen zal, zullen wij doen. Doch later verbraken zij het gesloten verbond en kantten zij zich aan tegen God en zijn Gezalfde. Hun gedrag werd door dat der heidenen veroordeeld.

Aan deze eerste voegde de Heer eene tweede gelijkenis toe, waarin Hij hunne moorddadige afgunst jegens Eem veroordeelde, en daar het geheele volk in die misdaad zijner oversten eenigzins betrokken zou zijn, richtte Hij Zich thans ook tot het volk. Het beeld, dat Hij gebruikte, was even als in de vorige gelijkenis andermaal een wijngaard. Eu dit kan ons met bevreemden, want overal werd de schoone en edele druif door Israels kinderen met zorg gekweekt. Geheel Israël woonde onder zijn vijgeboom en zijn wijnstok. (1 Kon. IV : 25; Mich. IV : 4 Zach III: 10) De weelderige tarwe en gerstenakkers werden van Dan tot Beerseba alom afgewisseld door de rijke wijnbergen. Mgr. Mislin trof ook nu nog, terwijl de vadzigs zonen van Mohamed den vloek over

i

•lonij,

Maar

\'lieid

^ecn,

zich

Ifde

\'de:

aan un-

nu

an

-ocr page 50-

46

dien vruchtbaren bodem en over zijne bebouwers bestendigen, bij Hebron druiventrossen aan van twee voeten lengte, en bekend is de reuzentros, die door Kanaans bespieders uit iiet land, dat overvloeide aan melk en honig, tot Moses werd gebracht. Overal waren de vlekken door wijngaarden omgeven; de wijnrank en de druiventros waren de sieraden van Jerusalems tempel, en Sepp noemt de druif het zinnebeeld van Palestina. Mag het ons dan wel verwonderen, dat wij gelijk zoo menigmaal elders ook hier weder tot tweemaal een beeld door den Zaligmaker aan den wijngaard vinden ontleend? (Vgl. Mat. XX : 1; VII: 16; IX: 17; Luc. XIII: 6 XXII: 18; Jo XV: Ij

Verneemt, zoo sprak Jesus, eene andere gelijkenis. Er was een huisvader, die een wijngaard plantte. quot;Wij kunnen ons hierbij verbeelden, dat hij hierbij met zorg te werk ging, een vetten heuvel uitkoos, die aan oost- en zuidzijde openlag voor de zon, en hotzij door waterleidingen of door b esproeiing uit eene nabijzijnde bron aan vochtigheid geen gebrek had. De wijngaard was geheel zfjn werk en zijn eigendom.

En hij omgaf dien met eene omheining. Wij kunnen hier denken aan eene heg van wilde Aloë, van kaktusplanten, of doornen; of ook wel aan een met leem gemetselden muur. (Prov. XXIV : 31) Het was eene beschutting niet slechts tegen het vee maar ook tegen vossen en hazen, schakals en wezels, en tegen wilde zwijnen. (Caut. II: 15 Ps. LXXIX ; 14)

En hij groef een wijnpersbak daarin. Wij hebben ons hier een perspak of kuip voor te stellen, uitgehouwen in de steenrots, waar de druiven in werden getreden, meestal door slaven onder den blooten hemel. Het uitgetreden sap liep door eene opening, die in den bodem van dezen bak was aangebracht, weg in een tweede kuip of bak, die daaronder eveneens in de rots was uitgegra ■ ven. (Vgl. Isaïas LXIII: 2 ; Joel III: 13) (1)

(1) Robinson beschrijft eene wijnpers, die hij vond te Hable niet ver

-ocr page 51-

47

En hij bouiode een toren, die tot het verblijf moest dienen aan den wachter van den wijngaard, om dien vooral ten tijde van den wijnoogst te beschermen. Daarna wilde de eigenaar van den wijngaard zich op reis begeven. Doch hij verlangde zijn eigendom goed verzorgd te zien, en er zooveel mogelijk voordeel van te trokken. Hij verhuurde hem derhalve aan landlieden, gelijk zulks gewoonte was, tegen een bepaald deel der opbrengt van de jaarlijksche vruchten, en vertrok huiten \'s lands, voor geruimzn tijd. Daar hij zoo lang uitbleef, gaf dit den landlieden aanleiding om zich meer en meer als eigenaars van den wijngaard aan te stellen en zich aan zijne opbrengst te goed te doen. Doch eindelijk werden zij op onaangename wijze in hun onverstandigen waan gestoord. De heer was teruggekeerd van zijne reis, en toen de tijd der vruchten gekomen was, zond hij tot de landlieden een (vertrouwden) dienaar, om van hen (het bedongene) uit de vruchten des wijngaards te ontvangen. (Mc. Lc.) Doch de landlieden, om van de lastige betaling vrij te zijn, grepen hem aan, (Mt. Mc.) sloegen hem en zonden hem ledig heen. Nu zond hij tot hen loeder een anderen dienaar, (1) maar zij sloegen ook dezen, wierpen hem met steenen, (Mt.) wondden hem aan het hoofd, overlaadden hem met smaad, en zonden hem ledig heen. Zoo namen hun verzet en over-

van Kefr Saba of Antipatris in dezer voege : »op den weg van Akka »naar Jerusalem vond ik den eersten ouden wijnpersbak, die mij immer »was voorgekomen. Eene rotslaag was daartoe gebezigd. Op de hoo-»gere zijde, tegen het zuiden was eene diepte in het vierkant, op acht «voeten lengte en breedte, en 15 duimen diepte, uitgegraven. De bo-»dem helde zachtjes naar de noordzijde af. De dikte van den steen, die »daar gelaten was, bedroeg slechts één voet. Twee voeten lager aan «dezelfde zijde was een andere en kleinere kuip of bak uitgegraven «vier voeten in het vierkant en drie diep. Hierin liep het sap, door »een gat in den bodem der bovenste kuip, dat nog te zien was.quot; Ook, «Rosen trof een dergelijken persbak aan bij Hebron.

(1) Mattheus trekt de drie afzonderlijke zendingen van Lukas en Markus, gelijk hij meermalen doet, te zaam en wordt daardoor duister, wijl men het als eene zending van meerderen zon kunnen opvatten.

-ocr page 52-

48

moed steeds toe. Nogmaals zond hij hun een derden en dezen aioegen zij, wierpen zij uit, en doodden zij (Mc. Lc. Mt.), Nog eens zond hij andere dienaren, meeederen in getal (Mt. Mc.) dan de vorigen, en dezen behandelden zij evenzoo, terwijl zij de eenen sloegen en de anderen doodden. De eigenaar van den wijngaard ontving het treurige bericht door de weinige dienaren, die met slagen en en wonden overladen tot hem terugkeerden. Dan sprak de heer des wijngaards, terwijl hij met zich zeiven in overleg trad, wat zal ik doen f Hij had nog een teeder-geliefden zoon. (Mc,) Dezen zond hij het laatste tot hen, (Mc.) terwijl hij sprak: ik zal mijn beminden zoon zenden ; mijn zoon toch zullen zij, wanneer zi/j hem herkennen, ontzien. Zoo spaarde en vergaf hij zoo lang mogelijk. De zoon vertrok, om aan de langmoedigheid des vaders gevolg te geven. Toen echter de landlieden den zoon zagen, zeiden zij tot elkander ; deze is de erfgenaam : komt, laat ons hem do oden, en zijne erfenis zal aan ons zijn. En zij grepen hem, wierpen hem huiten den wijngaard, en doodden hem. Wanneer nu de heer des wijngaards komen zal, zoo besloot Jesus, wat zal hij met dielandlieden doen 1 Zijne hoorders antwoorden : hij zal die kwaaddoeners kwadelijk verdelgen. (Mt) En Jesus bevestigde hun antwoord; hij zal komen, en die landlieden verderven, en zijn wijngaard aan andere landlieden ver huren, die hem ten zijnen tijde de vruchten zullen geven. Toen de lieden uit het volk, die wel bemerkten, wie door die landlieden bedoeld werden, deze vreeselijke bedreiging vernamen, riepen zij uit: dit zij verre. Verre van ons eene misdaad, die zoo afschuwelijk en zoo noodlottig is.

De wijngaard is, gelijk meermalen in de schriftuur, het beeld van het Godsrijk, (vgl. Ps. LXXIX: 9; Is. V: 7 ; Lc. XIII: 6; Mt. XX: 1) door God zeiven gesticht, en gevestigd door het oude verbond onder het volk van Israël. De wetgeving op den Sinaï en al de wonderen, die haar vergezelden, waren afgebeeld

-ocr page 53-

49

door de zorg aan de planting van den wijngaard besteed. Hij had dien wijngaard omgeven door eene onheining , want Hij had een scheidsmuur opgericht tusschen zijnen dienst en den dienst der afgoden. Zelfs de druivenpers en de wachttoren ontbraken niet, daar het altaar aanwezig was, waar bet bloed vloeide der figuurlijke offers, en de tempel aan Israels priesters en overheden het middel verschafte om in geheel Israël voor de belangen van het Godsrijk te waken. Wat moest Ik meer doen aan mijn wijngaard, wat ik niet gedaan heb ? kon de Heer vragen met het volste recht, (Isaias V : 4)

Nadat God zijn rijk door zijne wetgeving op den Sinaï en zijn verbond met Israël had gesticht, hield Hij op. Zich zoo rechtstreeks te openbaren. quot;Wij vinden het daarin afgebeeld, dat de heer des wijngaardsbuiten \'s lands vertrok. Even als echter deze tegen bedinging eener bepaalde opbrengst van vruchten zijn wijngaard aan landlieden toevertrouwde, evenzoo droeg God na de wetgeving aan de priesters, schriftgeleerden en oversten als aan zoovele wachters (Is. LXII: 6) de zorg over van zijn rijk , en bedong daarbij als vruchten ware godsdienst en deugd. Doch de priesters en leidslieden van Israël vergaten den Heer. Daar toonde God, dat Hij nog altijd de bedongene vruchten van zijn wijngaard bleef eischen. Hij zond zijne profeten tot Israël, maar dezen verging het als den dienstknechten. De Heer getuigde tegen Israël en tegen Juda door de dienst aller profeten en zieners zeggende ; bekeert u van uwe slechte wegen en onderhoudt mijne geboden. .. , maar zij luisterden niet en waren hardnekkig even als hunne hardnekkige vaders, die aan dm Heer hunnen God niet wilden gehoorzamen. (4 Kon. XVII ; 13) Zij hebben u tot gramschap opgewekt, lezen wij in \'t boek Nehemias, en hebben u verlaten, en uwe wet achter hunnen rug geworpen, en uwe profeten gedood die hen he-zwoeren om weder te keeren tot U. (II. Esdr. IX : 26;

4

Het Offer van J. C. I.

-ocr page 54-

50

vgl. Zach, 1:4; Jer. VII: 25; Matth. XXIII: 37; Hand. VII: 52) Zoo was Elias vervolgd geworden door Achab, Eliseus door Joram; zoo was Jeremias geslagen en gevangen gezet (Jer. XX: 2) en later in een kuil geworpen, (ibid. XXXVII.) Zacharias op bevel van koning Joas in het voorhof des tempels ge-steenigd (2 Paral, XXIV: 21), en eindelijk Urias met het zwaard gedood. (Jerem. XXVI: 20) Isaïas werd volgens de overlevering door midden gezaagd, Amos met een knods doodgeslagen, Jeremias in Egypte ge-steenigd en ook Ezechiël vermoord.

Eindelijk zond God zijn eeniggeboren, zijn welbeminden Zoon, Jesus Christus, om van de wachters van het Godsrijk op aarde in zijnen naam de ware aanbidding, dankbaarheid, liefde, gehoorzaamheid, die Hij bij zijn verbond bedongen had, te vragen. (Vgl. Hebr. I; 1) Ware God bij de menschen te vergelijken, en konden Hem menschelijke verwachtingen worden toegeschreven, dan zou Hij even als de Heer des wijn-gaards bij het zien van dien Zoon met recht en reden hebben kunnen zeggen: dezen zullen zij toch ontzien. God mocht het van de dankbaarheid, van de rechtvaardigheid, ja van de menschelijkheid dor menschen eischen, dat zij zijn eenigcn welbeminden Zoon met eerbied en onderdanigheid zouden ontvangen, ofschoon Hij wis en zeker voorzag, dat zij door een boosaardig misbruik hunner vrijheid zich schuldig zouden maken aan een afschuwelijken Godsmoord. (1) Doch toen Jesus in zijn eigendom kwam, hebben de zijnen Hem niet aangenomen. (Jo. I.)

(]) Quod autem dicit: verebuntur forie filium meum, non de igno-rantia dicitur. Quid enim nesciat Pater familias, qui hoc loco Deus intelligitur ? Sed semper ambigere Deus dicitur, ut libera voluntas ho-mini reservetur. Hieronymus. Hetgeen in eene parabel van een mensch gezegd wordt, mag slechts op God worden overgedragen, in zooverre het met Gods oneindige volmaaktheid niet strijdt. In zeer beperkten zin dus mogen wij op God het woord toepassen : Dezen toch zullen zij misschien ontzien. De Heer des wijngaai ds voorziet den dood zijns zoons

-ocr page 55-

i

Oi

De overpriesters , schrittgeleerden, en de oudsten des volks waren hartstochtelijk gehecht aan het aanzien , het gezag, de macht, die zij tot nu toe hadden genoten. Zij hadden niet kunnen verdragen , dat een der profeten , noch ook Joannes de dooper hun daarbij in den weg hadden gestaan , en zij verdroegen het van Christus evenmin. De nijd verteerde hen bij het zien van Jesus\' wonderen, en even als de broeders van Joseph uit afgunst tot elkander spraken : „komt laten wij hem doodslaanquot;, evenzoo besloot de hooge raad den liefderijken Verlosser , die zoovele wonderen verrichtte, van kant te makeu. (Jo. XI: 59) Zij grepen Gods Eengeboren Zoon , wierpen Hom buiten den wijngaard door Hem aan de heidenen over te leveren en Hem als een godslasteraar buiten de legerplaats te voeren, (Hebr. XIII; 12 vgl. Lev. XXIV : 23), en doodden Hem aan het kruis. Zoo was deze parabel in Jesus\' mond ten deele geschiedenis , ten deele voorspelling.

En wat zou nu geschieden met de moordenaars des Zoons ? De tijd der genade was voorbij ; God zou optreden als Rechter tegen Israels hoogen raad , en allen , die zich aan dezes zijde schaarden. Hij zou hen tuchtigen en verdelgen door den sterken arm der Romeinen , en het Godsrijk zou overgaan tot anderen , tot de heidenen , die er vrucht mede zouden doen. Dan zouden de woorden van den profeet mede toegepast kunnen worden ; bezingt het in beurtgezang : een beniet; hierin kan hij onmogelijk vergeleken worden bij God, Die alles voorziet. Ook mag men uit deze gelijkenis niet afleiden, dat God zijn eenigen Zoon niet in de wereld heeft gezonden om voor ons te sterven, omdat ook de heer des wijngaards zijn zoon niet zond om te sterven, Eene gelijkenis kan niet alles te gelijk uitdrukken. Omnis comparatio claudicat. Men moet zien, welk het punt van overeenkomst is, dat de Heer beoogt; en wat Hij door de gelijkenis zoekt te leeren. Hier was het zeker zijne bedoeling niet, om de grenzelooze liefde Gods in het offer van zijn Zoon voor \'t heil der wereld te leeren of uit te sluiten.

-ocr page 56-

52

minde wijnberg zal er zijn ten dien dage. Ik Jehova, Ik zal dien behoeden ; ik zal hem bevochtigen zonder ophouden; opdat hij niet soms beschadigd worde , bewaak Ik hem nacht en dag. (Is. XXVII: 2, 3 volgens \'t Hebr.)

Toen de joden, die begrepen, dat Jesus op hunne moordplannen doelde , nu uitriepen : dat zij verre , en van de toepassing op zich niet wilden hooren, toen wierp de Heer op hen een doordringenden blik en sprak ; hebt gij nooit in de schrijten gelezen: de steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, is tot hoe lc steen geworden. Door den Heer is dit geschieden het is xo on de rb aar in onze o o g e 7i? Daarom zeg Ik u , dat het rijk Gods van u zal worden weggenomen, en gegeven aan een volk , dat deszelfs vruchten voortbrengt. En al wie op dien steen zal vallen , zal verbrijzeld worden; en op wien hij zal vallen, dien zal hij verpletteren.

De schriftuurwoorden , die de Zaligmaker hier aanhaalt , zijn ontleend aan den llZden psalm. Deze psalm wordt te recht beschouwd als een danklied van Mar-docheus voor Israels redding in \'t algemeen en voor de zijne in \'t bijzonder uit het verderf door Aman hun bereid. (Vgl. Esth. X: 4 en Ps. GXVII: 23; Esdi. X: 13 en Ps. CXVII: 27) Op Mardocheus slaan de woorden: Jehovahs rechterhand heeft macht gewerkt; Jehovahs rechterhand heeft mij verhoogd; Jehovahs rechterhand heeft macht gewerkt. Ik zal niet sterven doch leven en ik zal des Heeren werken verkondigen, (v. 16, 17) Ook Mardocheus is het, die zich den steen noemt, door de bouwlieden, dat is door Aman en zijn aanhang , verworpen , maar door eene wonderbare beschikking Gods de hoeksteen , de steun en sterkte geworden van Israels geluk. Maar slaan deze woorden letterlijk op Mardocheus , typisch slaan zij op Christus , gelijk de Heer zelf te dezer plaatse te kennen gaf, en later door Petrus voor den hoogen raad werd

-ocr page 57-

bevestigd. Gelijk Mardocheus na drie dagen zegevierde over den dood, hem door den nijdigen Aman bereid , zoo ook zou Christus na drie dagen zegevieren over den dood, Hem door den hoogen raad aangedaan. Hij was de steen , dien zij als bouwlieden zouden verwerpen , maar die des niettemin de sluitsteen zou worden van het Goddelijk gebouw der Kerk des Nieuwen Verbonds. Want het rijk Gods ging hun ontnomen worden, en zij zouden hunne straf ondergaan even als Aman en zijn aanhang. De Kerk zou overgaan aau de heidenen. Van Hem gold het woord: vraag van Mij en Ik zal u de heidenen ten erfdeel schenken, en tot uw bezit de grenzen der aarde. (Ps. II; 9) Zoo zou Hij de steen worden , die hen tuchtigen zou over hunne godslasteringen. De godslasteraar werd van een zekere hoogte op een steen neergeworpen, en alzoo verbrijzeld. (Mishnah tr. Sanhedr. Perok 6) Zoo zouden de joden, omdat zij in Christus God lasterden , op Hem, dien goddelijken steen , vallen , doch niet Hem maar zich zeiven verbrijzelen. De steen waarop de godslasteraar was nedergevallen , werd biiitendien op hem neergestort, om hem geheel te verpletteren. Zoo zou Hij , de Christus , in zijne zegepraal als een steen op hen nederstorten en door zijne Goddelijke rech\'-vaardigheid het verderf voltooien , dat voor hen aangevangen was bij zijn kruisdood. Zij zouden zich verbrijzelen aan Christus in zijn dood , en Christus zou hen verbrijzelen na zijne opstanding.

De wijngaard zou dus blijven voortbestaan met zijne omheining, met zijn druivenpers , met zijn wachttoren , doch aan andere landlieden overgaan, die er de vruchten van zouden opbrengen. Het Godsrijk zou na den dood van Christus blijven , voorzien van zijne afscheiding , van zijn altaar, en van zijn toren, van waar de wachter der Kerk, vei tegenwoordigd door Petrus en zijne opvolgers , het toezicht zou houden tegen el-ken aanval en elke beschadiging. Die wijngaard zou

-ocr page 58-

54

overgaan aan hen, die tot nu toe rondzwierven in de woestijn dezer wereld; de Kerk zou het deel worden der heidenen, die God tot nog toe niet als hunnen Heer hadden erkend. Met dezen zou Hij een nieuw verbond sluiten , opdat zij Hem de vereischte vruchten van godsdienst en gerechtigheid zouden voortbrengen. O mochten zij , aan wie alzoo het Godsrijk des nieuwen verbonds zou worden geschonken , nimmer te kort schieten in de aangegane verplichting, en zich spiegelen aan Israël, om niet ook als dit eens door den God der gerechtigheid verworpen te worden!

De o verpriesters en schriftgeleerden, toen zij deze gelijkenissen hadden gehoord, begrepen, dat zij hen betroffen. Volgaarne hadden zij op dat oogenblik de handen aan Jesus geslagen en Hem gevangen genomen , doch zij waren beducht voor het volk, dat Hem voor een profeet hield. Zij waren dus genoodzaakt, om zich zeiven te bedwingen.

Na in de vorige twee gelijkenissen de huichelarij en de moorddadige afgunst van Israël, vooral van zijne leidslieden te hebben berispt, wees Jesus in eene derde gelijkenis op Israels hardnekkige onwilligheid, en tevens op de vreeselijke straf, die haar zou volgen. Het koningrijk der hemelen, zeide Hij, is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een hruiloftsmaal had aangericht. Door sommigen wordt dit verstaan van een eigenlijken, door anderen vaneen overdrachtelijken bruilofsdisch. Volgens oos-tersch gebruik toch werd de koning op den dag zyner inhuldiging beschouwd als een bruidegom, die zich openlijk en plechtig verloofde aan zijn rijksgebied als aan eene bruid. Welke bruiloft ook bedoeld zij, altijd is in de parabel spraak van een bruiloftsmaal, dat door den koning voor zijn zoon werd aangericht, terwijl hij de edelen en voornamen des rijks daartoe uitnoodigde. Hij zond zijne dienstknechten, om de genoodigden ter bruiloft te roepen; doch zij wilden niet komen. Zij weigerden kort weg, zonder eenige verontschuldiging in het midden te bren-

-ocr page 59-

65

gen. Wederom zond hij andere dienstknechten en zeide: zegt aan de genoodigden : zie ik heb mijnen maaltijd bereid ; mijne ossen en mestvee zijn geslacht\', en alles is gereed; komt ter bruiloft. Deze noodiging was eene tweede, geschiedde ua uitdrukkelijke en persoonlijke in-licliting des konings. wees op de luisterrijke toebereidselen, en werd gedaan met aandrang. Doch zij gaven er geen acht op en gingen heen, de eene naar zijne landhoeve, de andere tot zijn koophandel, en de overigen grepen zijne dienstknechten, overlaadden ze met smaad, en doodden hen. Zoo werd het gezag des konings door de landeigenaars en aanzienlijke kooplieden miskend, terwijl de rijksgrooten zich zelfs schuldig maakten aan oproer, en met boosaardig opzet, gelijk de aangedane smaad te kennen gaf, \'s konings dienaren ombrachten. Doch zij allen ontvingen de verdiende straf. Toen nu (immers) da koning dit vernam, werd hij toornig; en hij zond zijne legers uit, en verdelgde die moordenaars, en stak hunne stad in brand. Hierop zegt hij tot zijne dienaars: de bruiloft is wel bereid, maar de genoodigden waren ze niet waardig. Gaat dan op de uitgangen (1) der wegen, en noodigt allen, die gij vindt, tot het bruiloftsfeest. (2) Zijne dienstknechten gingen dan uit op de wegen, en brachten allen bijeen, die zij vonden, goeden en kwaden, en de bruiloftsdisch werd vol met aanliggende gasten. De feestvreugde begon, en de koning kivam binnen om de gasten te zien. Hij kwam om het feest eer aan te doen, en de vreugde te verhoogen, daar hij als vorst afzonderlijk at. (Gen. XLIII: 32) En hij zag daar een mensch, niet gekleed met een bruiloftskleed. En hij zegt tot hem: vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen, zonder bruiloftskleed te hebben ? De gewoonte bestond, zich van een wit feestkleed te voorzien. (Openb. III: 18; Eccl. IX:

(1) Door dit woord worden de kruiswegen bedoeld, of wel de stadst uitgangen door de poort naar de groote wegen, dts^ódouq.

(2) In \'t Grieksch staat het meervoud, waardoor het geheele feest of al de 7 dqgen der bruiloft worden te kennen gegeven.

-ocr page 60-

56

8) hetzij zulk een wisselkleed uit de koninklijke schatkamer aan allen, hetzij slechts aan de armen werd bedeeld. De gezegde gast had zich hierom niet bekreund. Zonder achting voor den koning en zijn feest, zonder eerbied voor zijne medegasten, en zelfs zonder behoorlijk te zija toegelaten, was hij binnengegaan, en had hij zich aan den feestdisch nedergelegd. Daar verschrikte hij bij de onverwachte verschijning en vraag des konings. En hij verstomde. Toen zeide de koning tot de dienaars; bindt zijne handen en voeten, en werpt hem uit in de duisternis daar hinten.

De Koning in deze gelijkenis is geen andere dan God, Die de Koning is der koningen, (1 Tim. VI: 15) en Wiens rijk een is van alle eeuwen. (Ps. CXLIV ; 13) De Zoon des Konings is Jesus Christus, „des Vaders welbeminde Zoonquot;, Dien Hij tot erfgenaam van alles heeft gesteld. (Hebr, 1: 2) Hij is het Lam Gods welks bruiloft met zijne bruid wordt gevierd. „Komt laten wij ons verblijden, ons verheugen, en ,.Hem, (den Koning der Koningen) eere gevenquot;, zoo heet het in het boek der openbaring, (Apoc. XIX : 7, 9; XXI: 9) „want de bruiloft van het Lam is aangebroken.quot; De Kerk is de bruid van Christus, (Eph. V: 27 ; Openb. XIX: 7) aan welke Hij Zich voor eeuwig heeft verloofd. De Goddelijke Koning wilde, dat die bruiloft zou worden opgeluisterd door een feestdisch, waarbij „de overvloedige rijkdommen zijner genadequot; (Eph. II: 7) zouden worden genoten. De eerste genoodigden tot dat bruiloftsmaal waren de Israëlieten. Tot hen werden eerst de profeten gezonden, om hen te doen deelnemen aan het schitterende bruiloftsfeest van den eeuigge-boren Zoon Gods met zijne Kerk, (Isaias LV: 1—5) en velerlei waren de voorspellingen, waardoor Israël was opmerkzaam gemaakt op het bruiloftsfeest van Christus en zijne Kerk, en opgewekt om er deel aan te nemen. Doch Israël liet zich door zijne profeten niet bewegen cn het erkende Christus niet, noch het

-ocr page 61-

57

Godsrijk, dat Hij predikte. Toen zond de Goddelijke Koning andere dienaren , Joannes den dooper en de apostelen. Zij werden gezonden tot Israël, om liet ten tweeden male te noodigen. en moesten Israël opmerkzaam maken op de koninklijke heerlijkheid der bruiloft, op de heiligheid en verhevenheid van Christus\' leer, en op den overvloed zijner genaden en belooningen. Zij moesten ze met aandrang noodigen. Maar Israël bleef onverschillig voor de noodiging, verdiepte zich liever in wereldsche dingen en vermaken, en miskende Gods menschgeworden Zoon en zijne Kerk. Zelfs gingen de voornaamsten in Israël nog verder. Zij sloegen zelfs de handen aan hen, die hun het evangelie predikten on brachten hen om het leven. (1) God om Israël voor die grievende miskenning te tuchtigen liet door Titus en zijne legers Jerusalem, hunne stad, verwoesten en het joodsclie volk verdelgen. Tevens zond God zijne apostelen tot allen, die zij zouden vinden buiten Israël, rondzwervende in de dwaling der afgoderij op de breede wegen der wereld. Hier vonden zij gehoor, en zonder onderscheid te maken tusschen deugdzamen of zondaars, rijken of armen, brachten zij ze allen tot Christus. En de bruiloft werd vol gasten. Do heiden-volkeren bekeerden zich in groote menigte tot het Christendom, zoodat de H. Paulus tot de bekeerde heidenen kon zeggen : zie dus de goedertierenheid en de gestrengheid Gods ; zijne gestrengheid namelijk jegens hen, die gevallen zijn (de joden); en Gods goedertk\'renheid jegens u, indien gij volhardt in het goede; anders zult ook gij afgehouwen worden. (Rom. XI: 22) Goeden en kwaden werden tot de bruiloft van Christus eu zijne Kerk geroepen. „Godquot; , zegt de H. Augustinus , „heeft onze ziel lief gehad , hoe afsehu-

(1) Van eene zending van Christus is ia deze parabel geen spraak, omdat de aard van de gelijkenis het niet toeliet. Een koningszoon gaat immers niet. om op zijne eigene bruiloft te noodigen, vooral niet. wanneer zijne dienaren worden miskend.

-ocr page 62-

58

„welijk zij ook was door de vlekken der zonden; „maar hij heeft haar lief gehad om haar schoon te „maken en met de verdiensten der goede werken te „versieren.quot; (Tract. 10 in Jo.) „Hij heeft ons lief „gehad in den tijd, toen wij Hem mishaagden , maar „slechts, om datgene in ons voort te brengen, waar-„door wij hem zouden behagen.\'\' (Tr. 102 in Jo.) Waren allen echter zonder onderscheid tot de bruiloft van Christus en zijne Kerk binnengetreden, niet allen echter zou het worden toegelaten, om daar zonder schifting te blijven^ wanneer het genot van de bruiloft des Lams eigenlijk een aanvang zou nemen. Dan zou de Goddelijke Koning optreden om de gasten te zien ; en dan zou het een vereischte zijn voor ieder hunner, gesierd te wezen met het passend witte bruiloftskleed. De bruiloft des Lams toch wordt gevierd in lange witte kleederen, (Apoc. VII: 13—15) En waarin zou dit witte bruiloftskleed bestaan ? Terecht antwoordt de H. Gregorius : „wat moeten wij door het bruilofts-„kleed verstaan dan de liefde? Want hij komt ter „bruiloft, maar hij komt niet met het bruiloftskleed, „die zich in de kerk bevindt, alles bijwoont , het „geloof heeft, maar de liefde niet heeft.... Ieder uwer, „die in de kerk aan God geloof geeft, is reeds ter „bruiloftzaal ingegaan ; maar hij komt niet met het „bruiloftskleed, indien hij de genade der heilige liefde „niet bewaart.quot; (L 2. Hom. 38 in evang.)

Allen moeten dus bij de bruiloft des Lams verschijnen met het heilige kleed der liefde. Wee hem, die er niet mede getooid is ! De koning zal hem rekenschap vragen over die miskenning, over die ondankbaarheid, over die vermetelheid. En hij ? Beschaamd in het bijzijn van al de genoodigden, zal hij sprakeloos en sidderend staan voor zijn God. Verontwaardigd zal de Koning der heerlijkheid hem weerloos en machteloos overleveren aan de dienaars zijner gerechtigheid. Hij zal geworpen worden buiten de feestzaal

-ocr page 63-

59

der hemelen, en het feestlicht der Goddelijke schoonheid zal hem niet bestralen. Onherroepelijk zal hij zuchten in de duisternis daar buiten.

Daar zal geween zijn en geknars der tanden, zoo voegde Jesus aan de voorgedragene gelijkenis toe; want velen zijn geroepenen maar weinigen uitverkoren.

Daar zal zijn geween en droetenis om de verspilde genade, om den vertoornden Koning en God, om de vreeselijke straf. Daar zal zijn geknars der tanden en wanhoop, omdat het geluk der zaligen voor eeuwig „verloren is. „O wie zal aan mijn hoofd water gevenquot;, „roept de H. Bernardus hier uit, „en aan mijne oogen „een springader van tranen, opdat ik door weenen „voorkome het geschrei en het geknars der tanden, „die harde banden aan voeten en handen, en bet „gewicht der ketenen, die daar knellen, dwingen en „branden zonder te verbrandenquot;!

Daar zal zijn geween en tandengeknars, want eenc gebeele menigte verworpelingen uit de feestvreugde zullen er zich bevinden. Velen toch zijn de geroepenen, hetzij zij toetreden tot de Kerk, hetzij zij de uitnoo-diging versmaden; maar weinig tegenover die velen de uitverkorenen, die met den Koning der koningen eeuwig vreugde, zaligheid en heerlijkheid zullen genieten. Hoezeer n.oet ons dit bezorgdheid en ijver inboezemen, want het hangt van onze eigene vrije keuze af, of wij slechts geroepenen, en of wij ook uitverkorenen zullen zijn.

§ 3. Vraag over het betalen der schatting. Mt. XXII: 15-23 ; Mc. XII: 12—18 ; Lc. XX : 20-26.

Jaar der J. P. 4742; na R. St. 783 ; der gew. jt, 29.

Dinsdag, 12 Nisan, 15 Maart.

Toen de Phariseën zagen, dat hun eerste aanslag mislukt was, en zich tot driemaal door \'s Heeren gelijkenissen getroffen gevoelden, gingen zij heen

-ocr page 64-

60

(Mt, XXII : 15; Mc. XII : 12) en hielden zij te zamon raad, om Hem een nieuwe strikvraag voor te leggen. Zij bespiedden (1) Hem, waar Hij Zich uit den tempel heen begaf, en toen zij de geschikte vraag meenden gevonden te hebben, zonden zij eenigen hunner leerlingen benevens eenigen der Herodianen als belagers op Hem af. Hunne vraag had niets minder ten doel dan Hem aan de macht van den Romein-schen landvoogd over te leveren, en was er op berekend, om bevestigend beantwoord Hem aan den haat des volks, ot ontkennend beantwoord Hem aan de tuchtiging der Romeinsclie staatsmacht prijs te geven. In het eerste geval zouden hunne leerlingen, in het tweede de Herodianen tegen Hem optreden.

Deze laatsten waren, gelijk wij vroeger reeds op-opmerkten, joden, die tot de partij van Herodes behoorden, de belangen van dien vorst voorstonden, en met en door hem de gunst der Romeinsche keizers zochten. Als getrouwe handlangers der Romeinen drongen zij met nadruk op het betalen der opgelegde schattingen aan. Tegenover dezen stonden de Phariseën. Zij verfoeiden de overheersching der Romeinen, en daarom ook het betalen van den cijnspenning, omdat hierdoor het Romeinsche oppergezag werd erkend en aan de onafhankelijkheid van Israël werd te kort gedaan. Zij hadden slechts noode het gezag der Herodessen geduld, en haatten nog veel meer de Romeinen. Hun vurigste wenscht was de vrije zelfrege ring van Israël door den hoogen raad.

Deze twee zoo verschillende soorten van personen begaven zich tot den Zaligmaker. Met al den uiter-lijken schijn van oprechtheid, die zij zich konden geven, spraken zij Jezus eerbiedig en vleiend toe : Meester, wij weten dat Gij waarheidlievend zijt, rechtmatig spreekt en leert (Lc.) en niemand ontziet, want, Gij

(1) Observantes. Lc.

-ocr page 65-

geeft geen acht op het aanzien der menschen, maar wijst | den weg Gods naar waarheid aan. Zeg ons dan, wat • dunkt U? Is het geoorloofd den keizer schatting te geven k of niet ?

De vraag was met groote listigheid gesteld. Door j \'s Heeren moed en oprechtheid te vleien, zochten zij Hem een ontkennend antwoord te ontlokken. Gaf Hij dit, dan waren de Herodianen zijne beschuldigers, en zou Hij aan de straf der Romeinen niet ontkomen. Indien Hij echter overhoopt bevestigde dat men het hatelijke hoofdgeld moest betalen, dan zouden zij zeiven het volk daardoor overtuigen, dat Hij onmogelijk zijn langgewenschte Bevrijder of de Christus kon zijn. Doch Jesus, alwetend daar Hij God was, kende hunne boosheid en doorschouwde hunne listen. Huichelaars , sprak Hij, wat beproeft gij Mij ? Toont Mij den cynspenning. Zij bodem Hem dan een tienling aan. Nu vroeg Jesus: wiens beeld en opschrift is dit t Zij antwoordden : des keizers. Geeft dan, hernam Hij, den keizer, ivat des keizers is, en aan God, wat Godes is.

De Joden moesten zonder twijfel, gelijk God het geboden had, God hunne schatting betalen. (Exod. XXX: 12) Het was de schatting voor het onderhoud van den tempel. Nadat echter Pompejus Palestina aan het Romeinsche rijk had onderworpen, waren zij ook aan de Romeinen schatplichtig geworden, en moesten zij een zilveren tienling of denaar als hoofdgeld opbrengen. Julius Cesar was de eerste, die zijn beeld op munten liet slaan. Augustus liét dit als een recht gelden voor het geheele geslacht der Cesars, en onder Tiberius zien wij reeds de munten in de wingewesten en ook in Palestina prijken met zijn beeld en zijn opschrift. De gouden en zilveren munten werden in den regel te Rome geslagen, en slechts bij uitzondering mochten Antiochië en Alexandrië zilveren munten met het beeld des keizers slaan. Aan de wingewesten werd slechts het recht toegekend om koperen en

-ocr page 66-

62

bronzen munten met het beeld des keizers te vervaardigen. De joodsche munten uit den tijd van Tiberius vertoonen liet opschrift: T ib. Caesar, omgeven met een laurierkrans, en op de keerzijde Judea benevens een opstaanden palmtak en het jaar der legering. Ook waren er munten in omloop bijvoorbeeld van den viervorst Philippus, die het beeld des keizers droegen. Dat nu zulke munten in Palestina vervaardigd werden, was een teeken, dat het reeds een alhaukelijke en geen zelfstandige staat meer was. quot;Wel is waar bleef ook het heilige tempelgeld, de halve sikkel, die den stempel van Jehovah droeg, nog voortdurend in omloop, en hadden de joden het recht behouden, om door de tempelschatting in de behoeften hunner godsdienst te voorzien. Echter was de Romein-sche munt voor een ieder als hoofd haven- tol- en bruggengeld verplichtend gemaakt, en moest Judea als aan den Romeinschen staat onderworpen beschouwd worden.

Terecht gaf dus de Goddelijke Verlosser te kennen dat, daar Cesar blijkens opschrift en beeld heer, beschermer en bestuurder des lands was, hem tot erkenning daarvan schatting moest betaald worden, en dat dit ten onrechte door Judas van Galilea, de Zeloten en de Phariseën werd ontkend. Aan den anderen kant echter bleven do verplichtingen jegens God en godsdienst geldig, en de schatting des keizers sloot de schatting des tempels niet uit. Dit antwoord was geheel buiten de berekening van Jcsus\'vijanden, en zij konden het niet als verkeerd afkeuren bij het volk. Tegen wil en dank bewonderen zij het, verlieten Jesus zwijgend en gingen heen.

Jesus leerde door dit antwoord al zijne volgelingen zoowel den staat als de kerk te eerbiedigen. De staat moet erkend en gehoorzaamd worden in al hetgeen tot zijn gebied behoort, en ook de behoorlijke schatting moet hem worden betaald, Evenzoo is men aan

-ocr page 67-

63

de Kerk op haar gobied eerbied en offers verschuldigd, wijl zij in zaken van godsdienst en zeden Grod vertegenwoordigt. De staat mag de verplichtingen zijner onderdanen jegens de Kerk niet belemmeren ; de Kerk mag aan de verplichtingen barer kinderen jegens den staat geen afbreuk doen. De staat mag niet onverschillig zijn voor de Kerk en moet haar beschermen, gelijk de Kerk niet onverschillig mag zijn jegens den staat, en eerbied, liefde en onderdanigheid voor zijne wetten en gezagvoerders moet aankweeken, zooals wij zien door het voorbeeld der apostelen. (1 Petr, II; 13-15 ; Rom. XIII: 1—7 ; 1 Tim. II: 1-3) Zijn Kerk en staat onderscheiden, en behooren zij elkanders rechten en vrijheid te eerbiedigen op liun respectief gebied , zij mogen en kunnen toch niet van elkander gescheiden worden, veel minder tegenover elkander worden gesteld. quot;Want in den mensch en de menschelijke maatschappij kan het stoffelijke van het geestelijke, het tijdelijke van het eeuwige niet geheel aio. afgescheiden of strijdig worden beschouwd. De staat heeft tot doel het tijdelijk geluk der volkeren hier op aarde, en streeft daarnaar niet slechts door stoffelijke maar ook door zedelijke middelen ; de Kerk heeft ten doel het eeuwige geluk van allen, en zoekt dit te bereiken door daden, die niet slechts het eeuwige maar ook het tijdelijke betreffen.

Het woord van Jesus leert ons beiden naast elkander te erkennen: geeft den keizer, wat des keizers, en aan God, wat Godes is; zoo nogthans, dat wij altijd God meer dan de menschen moeten gehoorzamen. (Hand. V: 29)

De H Augustinus geeft aan \'s Heeren woord nog eene andere toepassing. „Het is als ot Jesus gezegd „had, merkt hij aan: gelijk de keizer vanüdenpen-«ning eischt, bestempeld met zijn beeld; zoo doet ook „God.quot; (in Ps. IV) En de H. Ambrosius verklaart dit verder: „gelijk Cesar het afdruksel eischt van zijn

-ocr page 68-

64

„beeld, zoo eischt ook Grod de ziel, die met liet licht „van ziju aangezicht is versierd. Want even als de „denaar met het beeld dea konings is geteekend, even-„zoo draagt do mensch het beeld en de gelijkenis van „God.quot; De ziel draagt het beeld van God door hetgeen haar geschonken is bij de schepping (Gen. I; 27), door hetgeen in haar hersteld is hij de wedergeboorte. en volmaakt wordt door medewerking met de genade (Mt. V: 48; Jo. XIV; 9; 1 Cor. XV : 49), en door hetgeen zij beslemd is te worden in de heerlijkheid (1 Jo. III; 2 ; 2 Cor. III: 18). Gelukkig hij, die op den dag des oordeels bij de vraag : wiens beeld en opschrift is dit? bevonden zal worden het ongeschonden beeld van den Koning der koningen te dragen !

§ 4. Leer over de opstanding tegen de Sadduceën. Mt. XXII: 23—33; Mc. XII: 18-27; Lc. XX : 27—40.

Jaar der J. P. 4742 ; na R. st. 782 ; gew. jt. 29.

Dinsdag, 12 Nisan, 15 Maart.

Waarschijnlijk had het vorige vooral niet in den tempel plaats. (Vgl. Lc. XX : 20) Hetgeen thans volgt moet des namiddags omtrent den tijd van het avondoffer zijn geschied. Toen do Heer namelijk bij die gelegenheid andermaal den tempel bezocht, naderden de Sadduceën, om Hom op hunne beurt eene vraag voor te stellen. Deze lieden (1) ontkenden het bestaan eener geestenwereld en bijgevolg ook de opstanding der dooden. (Hand. XXIII: 8) Het was hun niet zoozeer te doen even als de Phariseën om Jesus eene strikvraag te stellen, maar veeleer zochten zij Hem te bespotten.

Meester, zeiden zij, Moses heejt ons voorgeschreven (Dent. XXV : 5—10 : indien iemands broeder sterjt, en hij eene vrouw doch geene kinderen heejt, dan zal zijn

(1) Zie tweede deel, lstc boek bl. 48 aangaande deze sekte.

-ocr page 69-

65

broeder haar tot vrouw nemen, en zal deze zijnen (gestorven) broeder kroost verwekken. Nu waren er hij ons zeven hoeders, en de eerste nam eene vrouw en stierf, en daar hij kinderloos was, zoo liet hij zijne vrouw aan zijnen broeder. En de tweede nam haar, doch ook hij stierf zonder kroost. En de dzrde nam haar en desgelijks alle zeven, en zij lieten geen kroost na en stieroen. Het laatst van allen stierf ook de vrouw. In de opstanding dan, wanneer zij verrezen zijn, van tuien zal zij de vrouw wezen ? want de zeven hebben haar tot vrouw gehad. (1)

Bij deze grof zinnelijke vooronderstelling, die gewis tot dwaze ongerijmdheden moest voeren, zou de vrouw, zoo redeneerden zij, aan één ot allen toebeliooren. In hot eersta geval werd het recht der zes overigen geschonden; in het tweede geval voerde dit tot de allerschandelijkste onzedelijkheid. Daar de wet van Moses nu zulke verkeerde gevolgen niet kon hebben, bleef er niets over dan, dat geene opstanding bestond. Doch Jesus wees heu met nadruk terecht. Gij dwaalt, zeide Hij, daar gij no oh de schriften, noch de kracht Gods verstaat; niet de schriften, omdat zij duidelijk de verrijzenis der dooden leeren ; niet de kracht Gods, omdat gij vermeent, dat G-ods almacht de dooden niet kan verwekken. Buitendien stelt gij u het toekomstige leven met uwe zinnelijke denkbeelden geheel verkeerd voor. De kinderen dezer eeuw huwen, en worden ten huwelijk gegeven; maar zij, die der toekomstige eeuw en der opstanding uit de dooden worden waardig geacht, zullen nid huwen noch uitgehuwd worden , want zij zullen niet meer kannen sterven; immers zij zijn gelijk aan de engelen, en zij zijn kinderen Gods in den hemel, daar zij de kinderen der verrijzenis zijn.

Het huwelijk dient slechts, om de verliezen van den dood te herstellen en het getal der uitverkorenen

(1) Zie aangaande het plichthuwelijk hetgeen gezegd wordt omtrent Christus afstamming in het aanhangsel. Zulk een huwelijk werd ook le-viraat-huwelijk genoemd van levir, zwager

Het Offer van J. C. I 5

-ocr page 70-

66

voltallig te maken, en daar in het toekomstige leven de dood niet meer heerscht en het getal der uitverkorenen voltallig is, zal het huwelijk alsdan ook opgehouden hebben te bestaan. Gelijk de engelen, omdat zij onsterfelijk zijn, niet huwen, en, omdat zij geestelijk zijn, een vlekkelooze reinheid bezitten, zoo zullen de gelukzaligen, daar hunne lichamen onsterfelijk en geestelijk geworden zijn, niet meer huwen, doch uitmunten, als die zalige geesten, door de volmaakte reinheid. Genieten zij ook zinnelijke genoegens naar het lichaam, e/en als de verworpenen zinnelijk gefolterd worden naar het lichaam, zoo zullen dit hemelscbe en geen aardsche genoegens zijn. Het leven, dat een kind van zijn vader ontvangt, is gelijkvormig aan het leven zijns vaders. God schenkt door de verrijzenis als Vader het leven aan de lichamen van hen, die verrijzen, en alzoo zullen de kinderen der verrijzenis, daar zij de kinderen Gods zijn, naar het lichaam een leven bezitten, dat aan het onsterfelijke, geestelijke en heerlijke leven huns Goddelijken Vaders gelijkt. (Vgl. 1 Cor. XV : 44) Jesus sprak hier vooral van de gelukzaligen, omdat het herleven der verdoemden veeleer den naam van dood dan van opstanding verdient.

Na aangetoond te hebben, dat zij zich het toekomstige leven verkeerd voorstelden, leverde Jesus nu ook het bewijs, dat de schriftuur, wel verre van zulk een toekomstig leven en de verrijzenis uit te sluiten, die daarentegen stellig leerde. En hebt gij, ging Jesus voort, aangaande de verrijzenis der dooden niet in het boek van Moses, (dat ook gij aanneemt) gelezen in het braambosch, (1) wat door God tot hem om uwent wille gezegd is: Ik hen de God van Abraham, en de God van

In het braambosch, in dat gedeelte van den Pentateuch, waar van het braambosch spraak is. Zoo haalde men, zegt Beelen, de H. Schrift aan vóór onze indeeling in hoofdstukken. Vgl. Rom. XI : 2.

-ocr page 71-

67

;; haak, en de God van Jakob. Maar niet een God van dooden is Hij, doch van levenden. Hem toch leven allen. Oij dus dwaalt grootelijks. (Mt. Mc. Lc.)

De schriftuurplaats, welke Jesus aanvoert, is die (Exod. III: 6) , waar God Zich voor het eerst aan Moses openbaart, zijnen naam noemt, en in dezen naam zendt, om het verbond, met Abraham , Isaak en Jakob gesloten , ten uitvoer te leggen , en het volk van Israël uit Egypte te geleiden. De Zaligmaker ontleent hieraan dit bewijs. God kan van dezulken, die volstrekt dood zijn en opgeliouden hebben te bestaan , niet meer zeggen , dat Hij hun God is , want God is geen God van dooden, maar van levenden; Hem leven allen. Maar na den dood van Abraham, Isaak en Jakob noemde God Zich nog den God dier aartsvaders. (Vgl. Hebr. XI: 16) Derhalve leefden zij nog , ofschoon zij naar het lichaam reeds lang gestorven waren. Al-zoo bestaat er na den lichamelijken dood nog een toekomstig leven der ziel. Hiermede valt de dwaling der Sadduceën aangaande de onsterfelijkheid, en tevens de grond, waarop zij de verrijzenis loochenden. Ja , ook de toekomstige verrijzenis der dooden ligt hierin opgesloten, wijl slechts de ziel vereenigd met het lichaam den volmaakten menschelij ken persoon uitmaakt, en Hem dus slechts volmaaktelijk allen zullen leven , indien hunne zielen met de lichamen vereenigd worden.

Zoo beschaamde Jesus die ongeloovige spotters, die , zooals gewoonlijk het geval is , grove ontwetend-heid met verregaande lichtzinnigheid vereenigden. Hij wees hen op God, en leerde hen, dat er tusschen God en den mensch betrekkingen en gemeenschap bestaan , die tusschen beiden voortduren ook na den lichamelijken dood. De scharen stenden verwonderd over zijne grondige wederlegging en schoone leer. Zelts eenigen der schriftgeleerden, die tegenstanders van de sekte der Sadduceën waren, betuigden hunne tevre-

-ocr page 72-

denheid en zegdan Hem: Meester, gij hebt wel gesproken. De ongeloovige spotters waren tot stilzwijgen gebracht , en durfden Jesus geen verdere vragen meer voorstellen.

§ 5. Het grootste gebod; Jesus de Zoon van David, Mt. XXII: 34-46 ; Mc. XII: 28-37 ; Lc. XX: 41—44.

Jaar der J. P. 4742; na R. st. 782; der gew. jt. 29.

Dinsdag , 12 Nisan , 15 Maart.

Toen de Phariseè\'n vernamen, dat Jesus de Sadda-ceën tot stilzwijgen had gebracht, deed dit hun genoegen , en vergaderden zij om die reden (1) rondom den Heer. Een hunner, een wetgeleerde, die van de vraag der Sadduceën getuige was geweest, daar hij zag , hoe juist en schoon de Heer hun had geantwoord , stelde Hem eene vraag voor , om nog meer zijne wijsheid te leeren kennen. (2) Meester, zeide Hij , welk is het groote gebod in de wet, het voornaamste gebod van allef De Rabbijnen verdeelden de G13 geboden, die de wet volgens beu behelsde , in twee hoofdklassen , groote en kleine, (Mt. V: 19) en daar de schrift hun hieromtrent geen vasten regel ter onderscheiding gaf, twistten zij , welke tot de eerste , en welke tot de tweede klasse behoorden , en welk wel het voornaamste onder alle wa.;. Jesus gaf hern het gevraagde gewichtige antwoord; het voornaamste van alle is: luister Israël, de II eer uw God is een e, enig God; an g ij zult den Heer uw God liefhebben met geheel uw hart, en mei g e-h eel to e ziel, en met g eh cel uw verstand

(1) \'st:! ru auró.

(2) Indien zin meen ik het KscpuZuiv te moeten opvatten. Zoo kwam ook de koningin van Saba om de wijsheid van Salomon op de proet stellen 3 Reg. X:l. Dat deze wetgeleerde met geen verkeerde bedoeling kwam, blijkt uit de reden zijner handelwijze (Mc. XII; 28), en uit zijn antwoord, (ib. 82)

-ocr page 73-

69

en met al uwe kracht. Dit is het grootste en eerste gebod. En het tweede is daaraan gelijk: g ij zult uwen naaste h eminn en g el ij h u z elven. Aan deze twee geboden hangt de geheele wet en de profeten.

Het antwoord van Christus is duidelijk en beslissend, het zegt alles. De grootste en eerste plicht des menschen is de liefde tot Grod, en wel eene liefde , die aan God het geheele hart en gemoed, dengehee-len wil en ziel, het geheele verstand en kenvermogen, al de krachten en daden des menschen boven alles als aan het eenige, oneindige en hoogst verhevene wezen toewijdt. Deze liefde en toewijding hoven alles is het recht van Hem, die alleen onze Schepper ,onze hoogste Weldoener en laatste doeleinde is, en ze Hem te schenken is de eerste en onmisbare voorwaarde voor ons geluk. Die lieide is de voornaamste onzer plichten , de grondslag aller plichten ; alle liggen er in opgesloten ; en vervullen wij dien plicht, gelijk het behoort, dan vervullen wij daardoor al de overige. Geen ander gebod, ook niet het gebod om brand- of slachtoffers op te dragen, gelijk sommige Rabbijnen meenden, kan met dit gebod op eene lijn geplaatst worden. En het tweede gebod, dat op het eerste gegrond is, uit het eerste voortvloeit, van het eerste onafscheidbaar is, en in dien zin er mede gelijk staat, is onzen naaste te beminnen als ons zeiven. Wij moeten God beminnen, en daardoor beminnen wij ook God om ons zeiven, en ons zeiven om God. .,Wij bemin-God om onsquot;, zegt de Kardinaal de la Luzerne, „om-„dat wij God beminnen als ons hoogste goed, en in „zijn bezit onze eeuwige gelukzaligheid stellen. Het „is echter te gelijkertijd om Hem zelf, dat wij Hem „beminnen, omdat wij niet in een voorwerp buiten Hem „maar in Hem zelf onze gelukzaligheid doen bestaan.... „Wij beminnen ons zelf ook om God, èn omdat wij bij „die liefde ons God als beweegreden en doel voor

-ocr page 74-

70

„oogen stellen, en omdat wij hare handelingen en gevol-„gen regelen volgens de wet van God.quot;

En op dezelfde wijze behooren wij ook onzen even-mensch lief te hebben. Wij moeten dien beminnen om God : in Hem het kind van God , het beeld van God, den door God verloste, en voor God bestemde liefhebben. Wij moeten dien beminnen om God: omdat God hem bemint, en ons beveelt hem lief te hebben. Wij moeten dien beminnen om God, namelijk slechts op de wijze en in de mate als God het verlangt. Wij kunnen dan ook ons zeiven niet waarlijk liefhebben gelijk het behoort, zonder ook de naastenliefde te bezitten, omdat God van die liefde onze plichten jegens Hem en onze zaligheid afhankelijk heeft gemaakt. Zoo is de liefde tot God en den evenmensch slechts ééne liefde. Het eene gebod is gelijk aan het andere, omdat God in het eene zoowel als in het andere het doel, de beweegreden, de wetgever, de onmisbare gever der genade, de belooning is.

De wetgeleerde was getroffen en bewonderde het zoo juiste, duidelijke, schoone en welwillende antwoord van Christus. Voortreffelijk, Meester, zeide hij; naar waarheid hebt gij gezegd, dat er een e.enig God is, en geen ander huiten Hem; en Hem lief te hebben uit geheel he t hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uil geheel de kracht, en den naaste lief te hebben als zich zeiven, is meer dan alle brand- en slachtoffers. (1) Jesus had welgevallen in de oprechtheid en waarheidsliefde, waaruit dit antwoord voorvloeide, en beloonde die wel-meenendheid met de liefderijke aansporing : gij zijt niet verre meer van het rijk Gods.

Hij had het hoogste begrepen in de wet; slechts één stap had hij meer te doen, om te behooren tot het

(1) Sepp brengt hier het ongeschreven woord van Christus in herinnering, dat wij vinden bij Ireneus adv. Haeres. I; 17: reeds lang heb Ik begeerd zulke redenen te hooren, maar nog nooit den spreker gevonden

-ocr page 75-

r

rijk Grods: Jesus te erkennen als den gezondene des Vaders. Wanneer hij eenmaal dezen gelukkigen stap zou doen, zou hij eerst de grenzelooze liefde Gods in al hare uitgestrektheid en met al hare aanspraken leeren kennen, en God leeren liefhebben als zijn Vader door Christus. Dan zou hij ook leeren begrijpen, hoe schoon en edelmoedig de naastenliefde is volgens den maatstaf des Christendoms ; den evenmensch te beschouwen als een broeder in Christus, en hem lief te hebben gelijk Christus ons heeft lief gehad. (Jo. XV: 12, 13 ; 1 Jo. III; 16)

■Zegevierend had de Verlosser achtereenvolgens de Phariseën, de Herodianen en de Sadduceën beantwoord; nu echter, nu een gioot getal Phariseën bij het vernemen van het voorgevallene met de Sadduceën zich rondom Hem vergaderd had, achtte Hij het oogenblik geschikt, hun op zijne beurt eene vraag voor te stellen, de hoofdvraag van den godsdienst, dien Hij kwam stichten. Zijne bedoeling was zijnen vijanden volkomen hun onvermogen te doen gevoelen en den lust tot verdere vragen te doen vergaan, en tevens den weiwillenden zijne Goddelijke waardigheid duidelijk en zonder omwegen te verkondigen. Wat dunkt u van den Christus ? zoo sprak Hij ; wiens Zoon is Hij ? De Phariseën hadden terstond het antwoord gereed: van David. Dit antwoord was waar, doch het was niet volledig, en het voornaamste ontbrak. Jesus was onuitsprekelijk meer dan een afstammeling van David ; Hij was de eeniggeboren Zoon van God. Dit wilde de Verlosser hun doen gevoelen, toen Hij voortging: hoe zeggen de schriftgeleerden, dat Hij de Zoon van David is? (En) hoe noemt dan David door den geest Hem Heer ? Want David zelf zegt door den H. Geest in het boek der psalmen : de Heer heeft gezegd tot mijnen Heer zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden stelle tot eene rustbank uwer voeten. Indien David Hem dan Heer noemt, hoe is Hij diens Zoon ?

71

V

h:y:-

-rgt; : v

-ocr page 76-

72

Jesus beriep Zich op den 110den Psalm, die blijkens zijne vraag en bet stilzwijgend instemmen der Pba-riseën door David was vervaardigd, van den H. Geest door boogere verlichting was ingegeven (vgl. 2 Petr. I; 21) en den Messias betrof. En nu stelde Eij de vraag, boe David Hem, Die als zijn afstammeling zijn mindere was, zijn Heer kon noemen, gelijk bij bier deed. De Pbariseën, die niets van den boogeren zin der profetieën begrepen en omtrent den Messias slecbts aardsgezinde denkbeelden badden, moesten bet antwoord scbuldig blijven. Tot hunne beschaming kon niemand hunner Hem een woord hierop antwoorden, en zij waren te trotsch en te verbitterd om eenige inlichting te verzoeken. Zij zwegen, en waagden het na deze gevoelige les niet meer, om Jesus nog verder te ondervragen.

Wij voor ons willen een vluchtigcn blik werpen op het schoon profetisch lied, waarop de Godmensch hier wees. David, bezield door den H. Geest, bezingt er de glorie van den zegepralenden Messias ;

Jehovah sprak tot mijnen Heer: zit aan mijne rechterhand , totdat ik uwe vijanden zet tot rustbank uwer voeten.

Den schepter uwer macht zal Jehovah uitstrekken van Sion uit, (zeggend) : heersch in het midden uwer vijanden.

Met ü is de heerschappij ten dage uwer kracht, hij het schitteren van uwer heiligen schare.

Uit mijn schoot nog voor de morgenster héb Ik U voort-gébracht. (1)

Jehovah zwoer, — en H zal Hem niet berouwen. — Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening Melchisedechs,

De Heer is aan uwe rechterhand; verslaat de koningen ten dage zijns toorns,

(1) Aldus volgens de vulgaat en de Septuaginta. Het hebreeuwsch is zeer duister en misschien niet geheel ongeschonden. Wel verdient hier vergeleken te worden cantica Sion ï, bl. 402, door den Zeer Eervv. Pater R. J. Pierik Soc.Jes.; welk werk om zijne degelijkheid en grondige kennis alle aanbeveling verdient, (uitgegeven bij G. Mosmans Senior \'s Bosch).

-ocr page 77-

73

Hij zal gericht houden onder de volkeren ; het met lijken vervullen; verpletteren de hoofden in veler land.

Uit de heek aan den weg zal Hij drinken ; daarom zal Hij \'t hoofd verheffen.

Bij \'t vernemen van dien heiligen zang zien wij , waarom Jesus nog iets meer verlangde, dan de Pha-riseën den Messias toekenden, toen zij Hem Zoon van David noemden. Hij is ook de Zoon van God. Jehovah toch spreekt Hem toe als den machtigen Heerschar, (Adonai) Die, nadat Hem alle macht gegeven is in den hemel en op aarde, (Mt. XXVIH : 18) in den hemel bezit gaat nemen van zijn troon. Hij zegt Hem, neder te zitten aan zijne rechterhand, (Apoc. III: 21) en aldus gelijke macht; heerschappij en majesteit met Hem te genieten. (Vgl. Dan. Vil; 13, 14; Eph. I: 20, 21) De Vader zal hier op aarde, terwijl Jesus\' zetel in den hemel is (Isaïas LXVI; 1), al zijne vijanden, ja hel en dood stellen tot een rustbank zijner voeten, zoodat eens aan het einde der dagen zijne zegepraal volkomen zal zijn. (1 Cor. XV; 25—28) Van Sion uit zal Hij, de Christus, terwijl Hij voor Pilatus als lijdenskoning verschijnt, den schepter zijner bovenaardsche macht beginnen te doen gelden in het midden zijner vijanden. Van Jerusalem uit waar Hij, aan het kruis verhoogd, alles tot Zich zal trekken, zal Hij zijne heerschappij en zijn rijk uitbreiden in het midden en onder de vruchtelooze tegenkanting van jodendom en heidendom. „Van Sion zal de wet uitgaan , en het woord des Heeren uit Jerusalem.quot; (Is. II: 2, 3) Maa,r ook in het hemelsche Sion, waar Hij als overwinnaar opvaart ten dage zijner kracht, omstuwd door de schitterende schare van heiligen , die Hij verloste uit de gevangenschap, zal Hij heerschen in de eenheid des Vaders, uit Wien Hij, als licht uit licht, voor het eerste licht der schepping is voortgesproten ; quot;Wiens eeuwig en eeniggeboren Zoon Hij is. (Ps. II: 7) Goddelijk Koning met één woord is Hij ,

-ocr page 78-

74

Die zetelt in den hemel boven alle overheid, en Macht en Kracht en Heerschappij (Eph. I: 21); Groddelijke Koning, Die hier op aarde heerscht in en door zijn onvergankelijke Kerk, tegen welke de hellemacliten niet zullen vermogen.

Maar Hij is Priester tevens. Jekovah zeide : zit aan mijne rechterhand; Jehovah ook zwoer: gij zijt Priester in eeuwigheid. En die eed is een onherroepelijke eed. Zijn menschgeworden Zoon zal als eeuwige Hooge-priester bemiddelend optreden voor het menschdom , (vgl. D. Thomae 3. Summ. q. 22 ; a. 1) het levitisch hoogepriesterschap van Aaron vervangen; (Hebr. VII: 12—28) en in het midden der laatste jaarweek van Daniël slacht- en spijsoffers afschaffen. Als Priester in eeuwigheid zal Hij ze vervangen door dat ééne zoenoffer, dat zich uitstrekt tot in eeuwigheid, (Hebr. X : 11—13) Ja, wijl Hij eeuwig hlij/t, heeft Hij een onvergankelijk priesterschap. Vandaar kan Hij immer zalig-maken, die door Hem tot God naderen , daar Hij immer leeft, om voor ons te bidden. (Hebr. VII: 24) Hij is de heilige, onschuldige, vlekkelooze, van de zondaren gescheiden Hoogepriester, Die geen zoenoffer voor zich noodig heeft. (Hebr. VII: 26) Hij is de Hoogepriester der toekomstige goederen, die door een groo-ter en volmaakter tabernakel, dat niet met handen gemaakt, namelijk niet van deze schepping is, en niet door bloed van bokken en stier-kalven, maar door zijn eigen bloed eens voor al in het heilige der heiligen zal binnengaan en eene eeuwige verlossing verkrijgen. (Hebr. IX: 11—12) Hij zal in de dagen zijns vleesches gebeden en smeekingen tot Dien, Die Hom uit den dood kon verlossen , met sterk geroep en tranen opdragen, en om zijne eerbiedigheid verhoord worden. (Hebr. V; 7) En buitendien is Hij de Hoogepriester in eeuwigheid volgens de ordening van Melchisedech quot;Want gesproten uit den stam van Juda, en geheel vreemd aan de Levitische afstamming, (Hebr. VII: 13, 14) zal Hij

-ocr page 79-

75

als Melchisedech priester zijn en Koning ; (Hebr. VII: 1—3) als Melchisedech zelf het offer geven en opdragen, en als Melchisedech het offer opdragen onder den uiterlijken vorm van brood en wijn in het laatste avondmaal.

Tot hiertoe bezingt David, hoe Jehovah het \'woord richt tot den Messias. Doch thans (v. 5) begint hij Jehovah zelt toe te spreken. De lieer is aan uwe rechterhand (vgl. v, 1); Hij verslaat de koningen ten dage zijns toorns. Reeds hier op aarde begint Hij het gericht over de vorsten, die zich tegen Hem of tegen zijne Kerk vergrijpen, en even als een Herodes, als een Nero ontgaan zij zelfs de zichtbare tuchtiging niet. Maar vooral op het einde der dagen verschijnt Hij op de wolken des hemels, richt Hij de volkeren, en het woord Gods wordt waarheid: „men zal uitgaan en de „lijken zien der menschen , die tegen Mij gezondigd „hebben; hun worm zal niet sterven en hun vuur niet .uitgebluscbt worden; en zij zullen ten afschuw zijn „voor alle menschen.quot; (T!s. LXVI: 24) En waarom zal Hij als Koning zetelen aan des Vaders rechterhand, (v. 5) en rechter zijn over de volken ? Waarom alles, wat in den psalm gezegd is ? Het is, omdat Hij drinken zal uit de troebele beek des lijdens, die Hij bij zijn doorgang hier op aarde vindt; die bittere teug zal vooi\' Hem de bron der volkomene zegepraal worden. Hij heeft Zich vernederd en is gehoorzaam geworden ten dood, ja ten dood des kruises. Daarom heeft God Hem verheven en Hem een naam gegeven, die boven alle namen is. (Phil, II: 8, 9)

De eerste woorden van dezen schoonen psalm, die de Zaligmaker aanhaalde, verkondigen zijn luistervollen terugkeer, wanneer Hij in zijne menschelijke natuur zegevierend tot zijnen Vader zal opstijgen, na de verlossing te hebben bewerkt. En die waarheid belijdt nog voortdurend de Katholieke Kerk, terwijl zij de eigene uitdrukking van David gebruikt: Die op

-ocr page 80-

76

varen is ten hemel, gezeten is aan de rechterhand Gods, zijns Vaders. Zij verkondigen ook dien tweeden nog luistervolleren terugkeer op aarde, wanneer al zijne vijanden zullen gesteld worden tot rustbank zijner voeten, en Hij zal optreden , niet meer ala Verlosser vol grenzelooze barmhartigheid, maar als Rechter met onverbiddelijke gestrengheid, om te oordeelen levenden en dooden.

§ 6. Hardnekkige ongeloovigheid der joden. Strafredenen des Heer en tegen de Phariseën.

Jo. XII: 37—50; Mt. XXIII: 1—22 ; Mc. XII; 38-40 ;

Lc. XX: 45—47.

Jaar der J. P. 4742; na R. st. 782; gew. jt. 29.

Dinsdag, 12 Nisan 15 Maart.

Niettegenstaande Jesus\' ongeëvenaarde leer, allerheiligsten levenswandel en schitterende wonderen bleven de meeste joden, vooral die tot de aanzienlijkere klassen behoorden, hardnekkig in hun ongeloof volharden. quot;Wel verre echter van Gods raadsbesluiten te verijdelen, strekte dit ongeloof veeleer, om ze geheel en al te verwezenlijken. Zoo toch ging de voorspelling van den profeet Isaïas (LUI: 1) in vervulling: Heer wie heeft aan onze prediking geloof geslagen, en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? Hoe weinige joden zouden gelooven aan zijne voorspelling omtrent de lotgevallen van den Messias, zoo had de profeet door dit woord te kennen gegeven. Hoe weinigen zouden gelooven aan zijne Goddelijke zending, die Hij door zoovele en in \'t oog loopende wonderen zou bevestigen, dat een ieder den arm Gods, Die in Mem werkzaam was, zou moeten bespeuren ? En die klacht van den profeet, hoe vond zij hier volle toepassing? Zij geloofden niet, en zij konden ook aan Jcaus\' Goddelijke zending niet gelooven, omdat zij idet wilden. (Vgl. Genes. XXXVIII: 4) Het geloof werd voor hen

-ocr page 81-

77

eene onmogelijkheid, omdat zij naar zijne woorden niet wilden luisteren, en zijne mirakelen aan den duivel toeselireven of niet wilden zien. En om (1) deze hunne verkeerde gemoedsgesteltenis, waaraan zij zich uit hoogmoed en nijd vrijwillig overgaven , had Isaïas andermaal (2) gezegd: Hij heeft hunne oogm verblind, en hun hart verhard, zoodat zij met hunne oogen niet zien, noch met het hart verstaan, noch zich hekeeren, noch Ik hen geneze. De onwil er, hardnekkigheid der joden, die Isaïas op Grods bevel hun hier moest aan kondigen, werden in hunne handelwijze jegens Christus, geheel en al werkelijkheid. Zij hadden hunne oorzaak rechtstreeks in de eigene keuze van Israël, dat zich vrijwillig geheel en al liet beheerschen door trotsch-heid en afgunst. Zij hadden ook hunne oorzaak in Gods straffende gerechtigheid, die aan dat ongelukkige volk om zijn vrij willigen wederstand aan de genade en om zijne zonden de werkdadige en overvloedige genade onttrok, waardoor het zich bekeerd ea zijn heil bewerkt zou hebben. (3) Die verblindheid en hardnekkigheid waren dus ook geen gevolg maar eene vervulling van Isaïas\' voorspelling. Niet omdat deze het had voorzegd, waren zij verblind en verstokt; maar omdat zij door vrijwillige boosheid zich verblindden en verstokten, en God tot hunne straf zulks toeliet, had Isaïas dit voorzegd. God voorzag die boosheid van Israël en zij moest dus noodzakelijk plaats grijpen; maar Hij voorzag ze tevens als eene vrijwillige boosheid, en zij moest dus vrijwillig plaats

(1) De evangelist zegt: aaarom konden zij niet gelooven, omdat en geeft alsdan de oorzaak van het ongeloof der joden aan in de volgende profetie van Isaïas. Daarom slaat niet op de eerste profetie, die Joannes aanvoert, maar op de tweede. In de eerste wordt het ongeloof, in de tweede de oorzaak van het ongeloof voorspeld.

(2) De profetie wordt niet letterlijk maar naar den zin aangehaald.

(3) Nee Deus obdurat impertiendo malitiam, sed non impertiendo mi-sericordiam. Augustinus.

-ocr page 82-

78

grijpen. Gelijk gij door uw geheugen niet noodzakelijk doet gebeurd zijn, hetgeen voorbij is, zoo doet God door zijn vooruitzien niet noodzakelijk gebeuren, hetgeen toekomstig is, zegt de H. Augustinus. (Vgl. Mt. XIII; 13)

Om aan te toonen, dat gezegde profetie met alle recht op de verblindheid der toenmalige joden werd toegepast, merkt de H. Joannes aan, dat Isaïas deze woorden sprak, toen (1) hij de heerlijkheid van den Messias aanschouwde, en van Hem (2) sprak. Volgens den evangelist dus aanschouwde Isaïas de heerlijkheid van Jesus Christus, en sprak hij van geen andere, toen hij deze voorspelling deed, en met dit te verklaren, legt de evangelist een duidelijk getuigenis af van Christus\' Godheid. quot;Want uit den profeet zelf blijkt duidelijk ter bedoelde plaatse, dat Degene, Welken hij aanschouwde, God is. Immers Isaïas verhaalt daar (VI: 1): in het sterfjaar van den koning Osias zag ik den Heer, gezeten op een hoogen en verheven troon, en de sleep van zijn kleed vervulde den tempel. Serafijnen stonden op denzelve (namelijk op zijne treden); de eene had zes vleugels en ook de andere; met twee vleugelen bedekten zij hun gelaat, met twee hunne voeten, en met twee vlogen zij. De eene riep den andere toe : heilig, heilig, heilig, God, de Heer der heerscharen (Jehovah Sabaoth)! Toen nu de profeet, bij het aanschouwen der Majesteit en Heerlijkheid van den drieéénigen God (3) zijae zondigheid

(1} Volgens de vulgaat toen, ure; volgens een groot getal Grieksche handschriften ure, omdat.

(2) Dat hier door Hem Christus, en door zijne heerlijkheid de heerlijkheid van Christus bij Joannes moet worden verstaan, blijkt 1° uit het onmiddellijk volgende ; evenwel geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem 2° uit het voorafgaande 3° uit den geheelen samenhang.

(3) De Heer der heerscharen is buiten twijfel ook de Vader ; het is de Zoon volgens den H. Joannes. En dat de H. Geest hier sprak, getuigt Handel. XXVIII: 25. Ook het trisagion pleit hiervoor. De profeet ontving de openbaring van den drieeenigen God in figuur en in beeld. Deum nemovi dit unquam.

-ocr page 83-

79

gevoelde en zich daarover beklaagde, daar vloog tot hem een der serafijnen met een gloeiende kool, die hij met de tang van het altaar had genomen, en reinigde daarmede de lippen van den profeet. En ik hoorde, zoo gaat Isaïas voort, de stem des Heeren, Die zeide : wien zal Ik zenden en wie zal voor ons gaan? Ik antwoordde: hier ben ik, zend mij. Daarop sprak Hij : ga en zeg aan dit volk: hoorende hoort en verstaat niet; en ziende ziet en erkent niet. Verhard het hart dezes volks ; en verstop zijne ooren en sluit zijne oogen^ zoodat het niet zie met zijne oogen, en niet hoore met zijne ooren, noch met zijn hart versta, noch zich bekeere en genezen worde. (Volgens \'t Hebreeuwsch.)

Isaïas getuigt dus, dat hij de heerlijkheid Gods aanschouwde, en dat Grod tot hem sprak bij deze gelegenheid. Daar nu de evangelist verklaart, dat de profeet de heerlijkheid van Christus aanschouwde en Deze tot hem sprak, belijdt hij hier door openlijk de Godheid van zijnen Meester, en doet alzoo de snoodheid van der joden ongeloof na al, hetgeen Jesus voor hsn gedaan had, te scherper uitkomen.

Ofschoon echter de groote menigte der joden zoo ongeloovig bleef, waren er toch onder de oversten en leden van den hoogen raad verscheidenen, die in Jesus geloofden als den ilessias, door God gezonden. Maar zij hadden den moed niet om uit te komen voor hunne overtuiging; zij waren beducht voor de partij der Phariseën, die in en buiten den hoogen raad zeer machtig was, en daar zij eer en aanzien bij de men-schen meer lief hadden dan de eer bij God, zoo lieten zij zich overmeesteren door de vrees van even als de blindgeborene uit de synagoog te worden verbannen.

Terecht wijst de H. Joannes tegenover dit ongeloof en die vreesachtigheid, die hij bij het slot van Jesus\' openbaren levenswandel in herinnering brengt, op de herhaalde en duidelijke verklaringen, door den Zalig-

-ocr page 84-

80

maker aangaande zijn persoon en de noodzakelijkheid des geloofs bij velschillende gelegenheden afgelegd, en spreekt alzoo door deze samenvatting van Jesus\' gezegden eene krachtige veroordeeling tegon het hardnekkige jodendom uit.

Die in Mij gelooft, zoo had de Heer volgens Joannes met grooten nadruk gesproken, gelooft niet in Mij, maar in Hem , Die Mij gezonden heeft, en Die Mij aanschouwt, aanschouwt Hem, Die Mij gezonden heeft. Ik, het Licht , hen in de wereld gekomen, opdat al. ioie in Mij gelooft, niet in de duisternis hlijve. En zoo iemand mijne woorden hoort en ze niet bewaart, oordeel Ik hem niet; want Ik hen niet gekomen, om de wereld te veroordeelen, maar om de wereld zalig te maken. Die Mij versmaadt en mijne woorden niet aanneemt, hij heeft een, die hem oordeelt j het woord, dat llz gesproken heb, zal hem oor\' deelen ten jong sten dage. Want Ik heb niet uit Mij zeiven gesproken ƒ maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, heeft Mij het gebod gegeven, wat Ik zeggen en wat Ik spreken zou; en Ik weet, dat zijn gebod het eeuioige leven is. Derhalve wat Ik spreek, spreek Ik zoo, gelijk de Vader het Mij gezegd heeft.

Hij dus, die Jesus\' woord gelooft, gelooft geen menschelijk maar een Groddelijk woord, en berust in geen menschelijk maar in een Goddelijk gezag. (Lc. 4) Want in Jesus, als Grodmensch hier op aarde verschenen, openbaart Zich de Vader. (v. 45 vgl. Jo. VIII: 19; XIV; 9) Jesus is alzoo het eeuwige en Goddelijke Licht met ongeëvenaarden luister voor allen in deze wereld opgegaan, om hen te onttrekken aan de duisternissen van zonde en dwaling, (v. 46 vgl. Jo. I: 5; III; 19; VIII: 12) Neemt men zijne openbaring niet aan, dan treedt Hij thans niet als straffend Rechter op, omdat zijne menschwording en zijn optreden in deze wereld eene komst van barmhartigheid en liefde is. (v. 47 vgl. Jo. III: 17) Ongelukkig echter hij, die zijne leer en zijne liefde ver-

-ocr page 85-

81

smaadt, want die leer en liefde zelve zal zijn rechter zijn en hem veroordeelen ten jongsten dage (v. 48 vgl. Jo. III: 17; V: 45). Die leer toch eischt geloof, daar zij Goddelijke leer is. (v, 49 vgl. Jo. V : 30 ; VII: 16) Die leer wordt door Jesus yolgens, het gebod zijns Vaders verkondigd en is alzoo de bron des eeuwigen levens, (vgl. IV: 36) Daarom ook verkondigt haar de eengeboorneZoon des Vaders zuiver en onvervalscht. (v. 50 vgl. Jo. III: 11) G-elukk\'g dus hij, die deze Goddelijke en levenschenkende leer omhelst!

Was het ongeloof der joden zoo groot, en had Jesus zoo dikwerf en zoo nadrukkelijk getoond, hoe ver-oordeelenswaardig het was, dan moest Hij natuurlijk gestreng opkomen tegen de Phariseën en schriftgeleerden, die niet te vreden met zijn woord te versmaden, de menigten van Hem zochten af te trekken, zijne leer verdacht maakten, en Hem daarom dezen dag reeds herhaaldelijk strikvragen hadden voorgelegd. Toen Hij dus door zijne vraag omtrent hetgeen zij dachten aangaande den Christus, zijne ondervragers hunne onwetenheid had laten gevoelen, toen richtte de Heer Zich tot de menigte, die Hem omgaf en tot zijne leerlingen, en sprak: op den stoel van Moseszijn de schriftgeleerden en Phariseën gezeten. Onderhoudt en verricht dus alles, wat zij u zeygen, doch doet niet naar hunne werken ; want zij zeggen, maar zij doen het niet. Immers zij binden zware en ondragelijke lasten zamen, en leggen die op de schouders der menschen, maar zij willen ze zelf met hunnen vinger niet aanraken.

Het gezag van Moses in de godsdienstige, zedelijke en burgerlijke zaken des volks werd ten dien tijde vertegenwoordigd door den hoogen raad, waarin schriftgeleerden en Phariseën het overheerschende gedeelte waren. Wanneer dezen nu als vertegenwoordigers van Moses en als gezaghebbenden op godsdienstig en kerkelijk gebied van ambtswege iets beslisten of bevalen, dan behoorde men hun daarin, wat het ook

6

Het Offer van J, C. I

-ocr page 86-

82

ware, mits niet strijdende tegen Grods wet, stipt te gehoorzamen. Het was plicht naar hunne leer en hunne bevelen te luisteren; doch hunne voorbeelden, omdat hun wandel met hun woord in strijd was, mocht men niet navolgen. Zij dreven de wet door tot in hare uiterste gestrengheid voor anderen, doch bekreunden zich voor zich zeiven uiterst weinig om die wet, en maakten zich schuldig aan de grootste overtredingen-Zij waren, terwijl zij allerlei voorschriften gaven, als lieden die verschillende pakken tot een zwaren en on-dragelijken last te zamen binden, en die op de schouderen van een ander leggen, doch zelf de grootste zorg voor hun gemak dragen en hun vinger niet eens willen uitsteken om dien last in beweging te brengen. Zoo moest men zich dus schikken naar hunne woorden, dan liep men geen gevaar de wet te overtreden ; doch zich wachten voor hunne ondeugden en hunne verkeerde gedragingen.

Al hunne werken, zoo ging Jesus voort, doen zij om van de menschen gezien te worden. Want zij verbreeden hunne gedenkcedels, en vergrooten de kwasten (van hun bovenkleed). Zij willen rondwandelen in lange kleederen, en zijn gesteld op de begroetingen op de markt, op de voorste zetels in de synagogen, op de eerste plaatsen hij de maaltijden, en om van de menschen Rabbi genoemd te worden.

De gedenkcedels, waarvan Jesus hier sprak, waren stukjes perkament, waarop vier gedeelten der Mosaï-sche wet geschreven waren. (Exod. XIII: 3—10; Exod. XIII; 11—17; Deuter. VI; 5—9; Deuter. XI: 13—21) Deze strookjes perkament waren besloten in een vierkant lederen doosjen, dat van twee bindsnoe-ren voorzien was. Wanneer zij baden, bonden de Israëlieten deze doosjes op hun voorhoofd, om daardoor hunnen eerbied en liefde voor de wet Gods, die zij zich alzoo voor den geest riepen, aan den dag te leggen. Om te toonen, hoe zij bereid waren die wet

-ocr page 87-

ia alles te vervallen, droegen zij ook zulke gedenkcedels om den linker arm. (Deuter. VI: 8) De Pha-riseën en schriftgeleerden , om er mede te pralen en zich den schijn van grootere godsvrucht en liefde voor de wet te geven, droegen ze breeder dan die van het volk. Ook om dezelfde reden onderscheidden zij zich van de anderen door de grootere kwasten of boordsels van blauwe franje aan de hoeken van hun vierkantig bovenkleed, die God den Israëlieten gelast had te dragen, om daardoor te kennen te geven, dat het vervullen zijner heilige wet hun sieraad behoorde te zijn, (Num. XV: 38, 39) Buitendien droegen de Pha-riseën langere kleederen, die tot de hielen afdaalden, zochten volgens Oostersch gebruik lange en omslachtige begroetingen op de markt en in \'t openbaar, eigenden zich bij de maaltijden ongevraagd de eerste plaatsen toe, namen in de synagogen met minachting voor anderen het voorgestoelte in, en waren hoogst naijverig op den titel van Eabbi. Hoogmoed was in alles hunne ondeugd, en kenmerkte overal han gedrag Hierin wilde Jesus niet, dat de zijnen hen zouden navolgen. Daarom sprak Hij verder:

Gij echter, laat u niet Rdbhi noemen - want een is uw Meester en gij allen zijt broeders. Wilt ook op aarde niemand uwen vader noemen, want één is uw Vader, Die in de hemelen is. Laat u ook geen leeraars noemen ; want één is uw leer aar, Christus. Die onder u de grootste is, zal uw dienaar zijn. Al, wie zich echter verhejt, zal vernederd , en die zich vernedert, zal verheven worden.

Jesus wilde met deze woorden niet afkeuren, dat men verschillende titels zou voeren ter onderscheiding van het gezag, waarmede men bekleed is ; nog minder gaf Hij daarmede te kennen; dat alle onderscheid van rang in zijne Kerk opgeheven was. De apostelen waren gewis onderscheiden van de diakenen, en de bisschoppen en priesters van de geloovigen. (Hand. XX: 28 ; XIV; 22 ; VI: 8—6) De H. Apostel

-ocr page 88-

84

Paulus noemde zich vader der CorintbierS; (1 Cor. IV: 15) en elders meester en leeraar der keidenen, (1 Tim. II; 7). Hetgeen Christus eischte was, dat men niet uit hoogmoed, heersch- en praalzucht naar eere-titels zou staan, noch zich om rang en benaming meer dan anderen zou achten. Wanneer zij optraden als meesters, vaders, leeraars, dan moesten zij zich daarom niet boven anderen verheffen, maar bedenken, dat er eigenlijk slechts één Vader was, uit wlen alle vaderschap genoemd wordt in den hemel en op aarde , één Meester, aan Wien zij alle gezag hadden te danken; één hoogste Leeraar Christus, aan Wiens openbaring en Wiens zending zij hun leeraarsgezag ontleenden. Voor Grod en voor Christus zijn eigenlijk allen broeders , ofschoon zij met betrekking tot elkander door God in hoogeren of lageren rang zijn geplaatst; niemand had dus voor God reden, om zich boven anderen te verheffen. Waren zij bekleed met gezag over anderen, dan was dit niet om over anderen te heerschen , maar om zorg te dragen voor hun geluk, en hij zou de grootste zijn van allen, die het meest door liefde en ootmoed dienstbaar zou zijn voor aller welzijn. Die zich op die wijze vernederde voor zijne broeders, zou door God verheven worden; maar die zich overgaf aan trotschheid en heerschzucht jegens hen, zoo als de Phariseën, zou God vernederen.

En nu aangegrepen door een heilige verontwaardiging over de snoodheid van de Phariseën, die daar onder zijn gehoor zich slechts bevonden om, beheerscht als zij waren door hoogmoed, Hem ten val te brengen\', ontvlamd door een heiligen ijver voor het behoud der zielen , die Hij kwam vrijkoopen door zijn Goddelijk bloed, en die zij slechts verdierven, riep hij uit: ivee u, schriftgeleerden en Phariseën, gij huichelaars ! want gij sluit het rijk der hemelen voor de menschen; zelf toch gaat gij niet binnen, en hen, die willen ingaan, laat gij niet intreden. Gij waart aangesteld als wachters om

-ocr page 89-

85

de poorten van mijn rijk, van mijne Kerk, van het hemelsch Jerusalem voor allen te ontsluiten, door hun de voorspellingen der profeten te verklaren; maar wel verre van den sleutel der kennis (Lc. XI: 52), die daartoe geschonken is , te gebruiken, gaat gij zelf niet in, en gedoogt gij niet, dat anderen ingaan.

Wee u, schriftgeleerden en Phariseën , gij huichelaars ! want gij eet de huizen der weduwen op, terwijl gij lange geleden huichelt; daarom zult gij te zwaardere veroordeeling ondergaan. Gij misbruikt den eenvoud, de oprechtheid , de godsvrucht van de argeloozen, en zelfs van weerlooze weduwen , die u alle vertrouwen schenken, om meester te worden van hun goed.

Wee u , schriftgeleerden en Phariseën, gij huichelaars! want gij doorkruist zee en land om een bekeerling te maken , en als hij het geworden is, maakt gij hem tot een kind der hel , tweemaal zoo erg als gij. Gij geeft u soms veel moeite, om heidenen tot proselieten of jodenge-nooten te maken. Maar geen ware ijver voor godsdienst en deugd, doch hoogmoed en hebzucht bezielt u. Want zijn zij het eens geworden, dan kweekt gij hen op, niet tot kinderen des hemels, maar der hei.

Wee u , gij blinde leidslieden ! die zegt: indien iemand hij den tempel zweert, is dit niets; maar indien iemand bij het goud des tempels zweert , is hij schuldig (zijnen eed te houden). Gij, dwazen en blinden! wat toch is meer, het goud, of de tempel die het goud heiligt? En (zegt gij), indien iemand hij het altaar zweert, is dit niets; maar indien iemand zweert bij de gave, die er op ligt, is hij schuldig (zijn eed gestand te doen). Gij blinden ! wat toch is meer, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt^ Alzoo, wie bij het altaar zweert, die zweert bij hetzelve en al wat daarop is. En wie zweert bij den tempel, zweert bij denzelven en hij Hem, Die er in woont. En wie zweert bij den hemel, zweert bij den troon van God, en bij Hem, Die daarop gezeten is. Altaar en gave , tempel en tempelgoud , de hemel of de troon

-ocr page 90-

86

van Grod en ffij , Die daarop gezeten is, zijn onafscheidbaar , en die zweert bij bet eene, zweert ook bij het andere. Gij Phariseën, door hier een ongegrond onderscheid te stellen, misleidt het volk en voert het tot bedriegelijke eeden.

Zoo bestrafte Jesus, Die daags te voren den tempel reinigde , heden de bedienaars des tempels. Hij ontmaskerde hunne gebreken, en stelde hunne ondeugden, die vooral bij het Paaschfeest in hun gedrag doorstraalden, openlijk ten toon. Hij wilde niet, dat zulke afschuwelijke voorbeelden zouden gevolgd worden. (1)

§ 7. Het offer der tveduwe. Jesus verlaat den tempel. Voorspelling van de verwoesting des tempels.

Mt.XXIV: 1-2; Mc. XII: 41X111:2; Lc.XXI: 1-6,

Jaar der J. P. 4742; na R. St. 783; der gew. jt. 29.

Dinsdag, 12 Nisan; 15 Maart.

Jesus had Zich na deze strafrede tegen de Phariseën, waarmede Hij zijn openbare leerwandel besloot, waarschijnlijk uit bet voorhof der heidenen begeven naar het benedengedeelte van het voorhof der vrouwen, om aldaar met zijne apostelen bij het avondoffer tegenwooidig te zijn. Hier had Hij Zich neergezet tegenover de plaats, waar bij het Paaschfeest de verschillende offers werden gestort. (2) Dertien offerkis ten , door verschillende opschriften onderscheiden en door de letters van het Hebreeuwsche en Grieksche Alphabeth gekenmerkt, bevonden zich daar in den noordelijken zuilengang, om de offergaven tot even

(1) Mt. XXIII; 23—36 stemt schier letterlijk overeen met Lc. XI: 39—51; en Ml. XXIII; 37—89 met Lc. XIII; 34—35. Bij Lukas is duidelijk deze laatste plaats eene profetie der plechtige intrede in Jerusalem. Wijl de volgorde van Lukas te geregeld is om er van af te wijken, heb ik gemeend met Patrizzi, Mt. XXIII; 2quot; etc. met Lc. XT. 39 etc. e-i Mt. XXIII 37 met Lc. XIII: 34 etc. over een te moeten brengen.

(2) Zie 2d= Deel, 1=quot;= boek, bl. 177.

-ocr page 91-

87

zooveel godsdienstige doeleinden te ontvangen. Waarschijnlijk toen het avondoffer geeindigd was, naderde de menigte om hier hunne liefdegiften te brengen. De Heer door de plaats, die Hij had gekozen, was getuige van dit schouwspel. Hij zag, hoe verschillende rijken kwamen en groote offergaven stortten. Daar naderde eindelijk ook een arme weduwe. Hoe behoeftig dan ook , stortte zij geheel haren schat, twee leptas, (1) twee der geringste geldstukjes bij de joden. Wie zou het haar euvel hebben geduid, indien zij er één hadde behouden (2) , of zelfs, indien zij op grond van haren nood zich aan het offer onttrokken had. Maar zij kende den regel, om niet minder dan twee penningen aan het heiligdom te offeren. (Bava Bathra f. 10, 2), en hare liefde liet zich daarvan ook door den nood niet terughouden.

De liefdevolle Godmensch zag hare daad, doorschouwde haar hart, en had welgevallen aan hare edelmoedige offervaardigheid. Daarom riep Hij zijne leerlingen nader tot Zich en sprak: Voorwaar, Ik zeg u: deze arme weduwe heeft meer geofferd dan allen, die in de schatkist geofferd hebben. Want zij allen wierpen van hunnen overvloed bij de offergaven Gods, maar deze heeft van hare behoefte geheel haar levensonderhoud, al wat zij had, daarin geworpen.

De edelmoedige liefde van de arme weduwe verwierf den schoonen lof van Grods Zoon : zij heeft meer gegeven dan allen. Haar offer droeg de kroon weg boven allen, want zij gaf meer, omdat hare liefde grooter was ; meer, omdat zij alles gaf; meer, omdat zij gaf in haren nood; meer, omdat zij boven allen het Goddelijk welbehagen van J.-C. waardig werd

(1) Twee leptas waren een kwadrant of het vierde gedeelte van een as 5 en daar er 16 assen op een tienling gingen, offerde zij het vier en zestigste gedeelte van deze laatste munt, die de waarde had ongeveer van 40 cents. Zie de tafels.

(2) Maimonides. Matthanoth Aniim c. 9,19. Wanneer een arme eene pruta oflepta in de armenkist werpt, nemen zij het aan.

-ocr page 92-

88

gekeurd. Zij deed wat zij kon , en zij verlangde, wat zij niet kon. „God zag neder niet op de kleinheid der gift\'quot;, zegt de H. Chrysostomus, „maar op den „overvloed der genegenkeid. Kunt gij zooveel niet „offeren als deze weduwe, offer ten minste al uwen „overvloed.quot;

Jesus, na dat schoone woord te hebben gesproken, dat van zoo groote liefde getuigt, verliet met zijne apos-len den tempel, dien Hij voor de laatste maal had bezocht. Hoe droevig was zijne ziel gestemd, en welke sombere denkbeelden aangaande de toekomst van dat heiligdom hielden Hem bezig! De leerlingen gaven den Heer de ongezochte aanleiding om deze zijne gedachten te openbaren. Bij het uitgaan maakten zij Hem opmerkzaam op de schoonheid en de pracht der gebouwen, die , door Herodes aangevangen, op verre na niet voltooid waren, en vestigden zij zijne aandacht op de rijke geschenken, grootendeels door heidenen aangebracht, die wellicht bij het doorgaan der poort hunne aandacht tot zich trokken. (1) Bij het zien der kolossale muren zegde een der leerlingen, terwijl hij Jesus de zware blokken steen toonde, waaruitzij waren zamengesteld : Meester, zie eens hoe groote steenen, en welke bouwwerken! (2) Maar somber klinkt het ant-

(1) Onder anderen behoorde hiertoe: de beroemde wijnstok, die de poort van het heiligdom versierde, een geschenk van Herodes den Groote; zijne ranken en bladeren waren van goud, en zijne druiventrossen, ellenlang, enkel van edelgesteenten. Verder zag men er eene gouden kroon, door den veldheer Sosius ten offer gebracht, gouden vazen, door Augustus en Livia geschonken, en meer andere giften-Hoogst waarschijnlijk waren ook de sieraden, die de poorten des tempels versierden, ten deele aan de milddadigheid van grootmoedige gequot; vers te danken.

(2) Josephus (Antiq. XV: 11, 3) geeft op, dat de harde witte steenen, waarmede de tempel was gebouwd, 25 elleboogmaten lang, 8 ellen hoog en 12 ellen breed waren. Sepp Lehnvandel IV, bl 580zegt, dat aan den zuidoostelijken hoek der tempelarea de onderbouw des tempels nog heden 15 lagen van reusachtige rotsblokken vertoont, waar, onder vierkante steenen van 24 rijnlandsche voeten lengte, en 3, 4, 6,

-ocr page 93-

89

woord van den Verlosser en vreeselijk is zijne voorspelling, terwijl Hij een treurigen blik werpt op die reusachtige steenmassas: ziet gij al deze groote gehouwen ? (Mc) Voorwaar, Ik zeg u; er zullen dagen komen, wanneer van hetgeen gij hier ziet geen steen op steen zal worden gelaten, zonder ie worden afgebroken !

Donker vooruitzicht! Van al die pracht zal niets overblijven dan puinhoopen ; dat inwekkende gebouw, de roem en trots van Israël, zal tot op den grond worden omvergehaald; en het droevige woord van den profeet Jeremias zal ten volle van toepassing worden ; „de Heer is geworden als een vijand ; Hij heeft Israël in \'t verderf gestort ; Hij heeft omvergeworpen al zijne vestingwerken ; Hij heelt vernield ai zijne sterkten, en in de dochter van Juda vernedering bij verneming gevoegd! Als een tuin heeft Hij zijne tente verwoest; Hij heeft

7i/a voeten hoogte. Zoo ligt bij de guldenpoort een steen van 221/a, en bij de Stephanuspoort een andere van 24 voeten lengte. De oostzijde toont nog een andere steen van 20 voeten lengte, 4 voeten breedte. De zuidzijde bestaat geheel en al schier uit overgroote blokken, zoodat nog in de tiende steenlaag een steen van 19 voeten lengte, en in de veertiende een van 15 voeten voorkomt. De westzijde heeft in de onderste laag den grooisten steen van allen, 29 voeten 8 duim lang. Aan deze zijde is de algemeen bekende klaagmuur, waar de joden eiken Vrijdag vergaderen, om over den ondergang des tempels te treuren. Hij heeft nog eene hoogte van 60 voeten, en men merkt in de drie en twintig boven elkander gelegene steenlagen negen lagere rijen met steenen van 16 tot 8 voeten lengte, terwijl de bovenste rijen in dezelfde verhouding afnemen en alzoo van jongere dagteekening zijn, zoodat men meent, duidelijk den bouw van Salomon, de latere herstelling van Herodes en eene nog latere constmetie te onderscheiden. Schier aan dén zuidwes-hoek, waar uit den muur het 48 voeten breede boogsegment der oude tempelbrug springt, die over de Tyropeondiepte naar den koningsburcht op Sion voerde, bespeurt men stukken van 201/2 tot 24\'/j voeten. —■ De geheele oostzijde heeft volgens Sepp eene lengte van 1397 voeten, en is dus meer dan 3 stadiën lang; de zuidzijde heeft eene lengte van 873 voeten. — Op eene andere plaats zegt hij Pilgerb. I, bl. 132 dat de tegenwoordige tempelarea een onregelmatig vierkant vormt van 927 Engelsche voeten aan de zuidzijde, 1020 aan de noordzijde, 1520 aan de oostzijde, en 1617 aan de westzijde. Hierbij is de plaats, die de burcht Antonia besloeg, mede inbegrepen.

-ocr page 94-

90

zijn tabernükel afgebroken ; feestdag en sabbath heeft de \'Teer in Sion aan de vergetelheid prijs gegeven, en aan den smaad in den ijver zijns toorns koning en priester! De Heer heeft zijn altaar verworpen ; Hij heeft zijn heiligdom vervloekt; Hij heeft aan de macht zijner vijanden de muren zijner prachtgebonwen overgeleverd ; en zij hebben hunne stem (bij hunne zegepraal) laten weergalmen in het huis des Heeren als (vroeger) op een feestdag.quot; (Thren. 11:5—7)

Gewis treurig was de stemming van het geheele gezelschap der apostelen, toen zij, na door de gouden poort te zijn gegaan, aan de zijde van hun Meester voortstapten, de beek Cedron overgingen, en den Olijfberg bestegen. Het was niet de eerste maal, dat zij die treurige voorspelling uit zijn Goddclijken mond vernamen. Zij gaf hun overvloedig stof bij de aardsche verwachtingen, die zij koesterden, tot ernstige overdenking, en waarschijnlijk liep het geheele gesprek langs den w;g over Jerusalems val en de voleinding der wereld.

§ 8. Voorspellingen des Heeren aangaande Jerusalems verwoesting en de voleinding der wereld.

Mt.XXIV: 3—35; Mc. XIIT; 3—31; Lc. XXI; 7—33.

Jaar der J. P. 4742; na R. st. -.783; der gew. jt. 29.

Dinsdag, 12 Nisan; 15 Maart \'s avonds.

Toen de Verlosser met zijne apostelen den Olijfberg tot zekere hoogte had bestegen, zette Hij Zich neder met het gezicht gekeerd naar Jerusalem, vlak tegenover den tempel, Een prachtig schouwspel, gelijk wij het ons voorstellen , ontrolt zich daar voor hunnen blik. Daar ginds achter de stad neigt de zon reeds ten ondergang en overgiet den blauwen gezichteinder met al de verschillende tinten haicr rijke kleurenpracht. Rare stralen werpen een schoonen maar reeds eenig.-;zins roodachtigen gloed over de stad , daar in de

-ocr page 95-

91

diepte gelegen. Verre boven hare koepeldaken, torens en terrassen verheft zich haar trotsclie tempel met zijn wit marmeren wanden, glinsterende als de sneeuw, en met zijn rijk verguld dak, onder den purperen glans der avondzonne vonkelend als vuur. Eene diepe stilte heerscht in de vallei van Josaphat, die daar weg-kronkelt aan hunne voeten, en op de eenzame berghelling, waar zij nederzitten, en alles, alles zwijgt. Hier en ginds vertoonen zich reeds donkere schaduwen , en de sombere gedachten der apostelen over de geheimzinnige en vreeselijke toekomst van stad en tempel staan te lezen op hun stemmig gelaat, in hun peinzenden blik. Een viertal, dat vertrouwelijk met Jesus omgaat, Petrus, Jakobus, Joannes en Andreas, hebben zich in zijne onmiddellijke nabijheid vervoegd, terwijl wij ons voorstellen, dat de overigen op een zekeren afstand in gesprek zijn gewikkeld. Nog vol van de vreeselijke voorspelling des Eleeren, gevoelen zijne vertrouwelingen zich gedrongen, waar zij neder-blikken op den tempel, daar schitterend onder hun oog, om het gesprek, daarover en ook over de voleinding der wereld voort te zetten, en met innige belangstelling richten zij tot Jesus de vraag; Meester, zeg ons, wanneer zullen deze dingen geschieden ? En welk is het tecken uwer komst, en van de voleinding der wereld ?

Op deze vraag der apostelen is Jesus\' antwoord drieledig. Eerst geeft Hij de gemeenschappelijke en meer verwijderde teekenen aan, die de voorboden zullen zijn en van Jerusalems verwoesting en van de voleinding der wereld. Daarna bepaalt Hij met juistheid , wanneer Jerusalem zal verdelgd worden, en eindelijk geeft Hij ook de bijzondere kenteekenen aan, die zijne komst ten oordeel onmiddellijk zullen voorafgaan.

Vier voorteekenen, die zoowel de eene ais de andere gebeurtenis in meerderen of minderen graad zullen voorafgaan, zet de Zaligmaker op de eerste plaats

-ocr page 96-

92

uit een. En dit zal ons minder verwonderen, wanneer wij bedenken, dat het gericlit over Jerusalem en het volk van Israël eene sprekende type is van het al-gemeene wereldgericht aan het einde der dagen. Het eerste dezer voorteekenen wijst Jesus aan met deze woorden; ziet toe, dat niemand u misleidt; want velen zullen komen in mijnen naam en zeggen ; ik hen de Christus, en de tijd, (wanneer zijne komst voorspeld is), is genaderd • en zij zullen velen misleiden. Gij dus, volgt hen niet.

Velen dier bedriegers verschenen inderdaad voor de verwoesting van Jerusalem, zooals Theudas (Hand. V: 38; vgl, Jos. Ant. XX; 5, 1), Judas de Galileër, Simon de toovenaar en andoren. (Hand. VIII: 9; XXI: 38. Vgl. Jos. Ant. XX: 8, 6) Zij gaven zioh uit voor den voorspelden Messias, voor redders des volks, en stortten eene groote menigte door hunne dweepzucht in het verderf. Dit voorteeken echter, gelijk Christus straks nog nader verklaart, betrof vooral de voleinding der wereld, en zou dan op nog veel vreeselijker en gevaarlijker wijze plaats grijpen.

Het tweede voorteeken geeft de Heer aan met deze woorden : Wanneer gij nu zult hooren van oorlogen en oorlogsgeruchten en oproer, ziet toe, verschrikt niet; immers deze dingen moeien eerst geschieden, maar nog niet dadelijk is het einde daar. Want volk zal tegen vólk opstaan en rijk tegen rijk , en overal zullen pestziekten en hongersnood en schrikverschijnselen aan den hemel, en groote teekenen en groote aardbevingen zijn. Dit alles nu is het begin der weeën. (Mt. Mc. Lc.)

Ook deze voorteekenen grepen plaats tot zeker punt voor Jerusalems verwoesting. Wij hebben hier slechts te denken aan den joodschen krijg, waarbij de joden woedend streden tegen Romeinen en Grieken, en zelfs elkander te vuur en te zwaard aangrepen. Dit waren de oorlogen in de nabijheid, en wat die in de verte betreft, wij hebben slechts te denken aan de verschil-

-ocr page 97-

93

lende Romeinscbe keizers Galba, Otho, Vitellius, en Vespasianus, die elkander in twee jaren tijds verdrongen. (Vgl. Tacit. Hist. 1, 2) De geschiedsclirijvers melden viermaal een grooten hongersnood (Hand. XI; 28) en tweemaal eene pest in dien tijd. Van 60—70 werden schier elk jaar aardbevingen waargenomen. (Se-nec. quaest, nat. 6, 1; Tacit Annal. 14, 26) Jose-phus spreekt van hemelteekenen, zooals nog nooit gezien waren. Intusschen zal dit alles op nog veel verschrikkelijker wijze aan de verwoesting der wereld voorafgaan ; alsdan zal de natuur, die hare vernieuwing te gemoet gaat, nog vreeselijker ontroerd worden. Dit alles echter is eerst voor het jodendom en later voor de gansche wereld slechts het begin der smarten.

Een derde gemeenschappelijk voorteeken iaat de Heer volgen in deze woorden; gij nu, geeft acht op u zeiven! Vóór dit alles toch zullen zij de handen aan u slaan, en u vervolgen, en u overleveren ter mishandeling aan rechtbanken, in synagogen, en in gevangenissen, en gij zult gegeeseld worden. Ook zullen zij om mijnen naams wille u sleuren voor landvoogden en koningen, om voor hen Mij tot getuigenis te staan. En wanneer zij u heenvoeren om u over te leveren , bedenkt dan niet vooraf) wat gij zult spreken (en) hoe gij zult antwoorden, maar zegt hetgeen u in dien stond zal ingegeven worden, want niet gij zult spreken doch de heilige Geest. Immers Ik zal u eene taal en wijsheid geven, waaraan al uwe vijanden niet zullen kunnen wederstaan en wederspreken. De broeder zal den broeder, de vader den zoon ten dood overleveren, zoowel als bloedverwanten en vrienden. En de kinderen zullen tegen hunne ouders opstaan en ze dooden; en gij zult gehaat worden bij alle de volkeren om mijnen naam. Doch geen haar van uw hoofd zal verloren gaan. Alsdan zullen ook velen geërgerd worden, en elkander overleveren, en elkander haat toedragen. Ook iele valsche leeraars zullen opstaan, en velen verleiden, en omdat de ongerechtigheid overvloedig geworden is, zal de liefde hij velen verkoelen.

-ocr page 98-

94

Doch wie volhardt tot het einde toe, zal zalig zijn. Door uwe lijdzaamheid (uw onbezweken geduld) zult gij uwe zielen bezitten. (Mt. Mc. Lc.)

De vervolgingen , door Jesus hier voorzegd, gingen ook de verwoesting van Jerusalem gedeeltelijk vooraf. In Palestina werden de H Stephanus en de H. Jakobus ter dood gebracht; de H. Petrus werd door Herodes gekerkerd en ter dood veroordeeld ; Saulus vervolgde eerst de Christenen, en had later na zijne bekeering veel voor Christus te lijden. Onverschokken waren Jesus\' leerlingen voor de rechtbanken, voor den hoogen raad en in de synagogen. Reeds spoedig greep de eerste Christenvervolging in het Romeinsche rijk plaats onder keizer Nero, en werd het bloei der martelaren het zaad der Christenen. Voor landvoogden, koningen en keizers, beleden Jesus\' volgelingen onverschrokken zij a naam, eu spraken zij meer dan eens eene taal, die door hare hemelsche wijsheid Jesus\' vijanden verpletterde. De haat van Christus\' naaoi openbaarde zich in den boezem der familiën, en ook bij de verschillende volkeren. Doch de hoede der Goddelijke Voorzienigheid beschermde hare dienaren, en gelijk het spreekwoord luidde ; zonder hare toelating werd geen haar van hun hoofd gekrenkt. (Vgl. Mt. X : oO ; Lc. XII: 7) Overvloedig werd echter de ongerechtigheid vooral in de dagen , die Jerusalems verwoesting voorafgingen, en daarom bekoelde de liefde en de ijver bij moer dan een Christen. Toch waren er ook velen, die volhardden en door lijdzaamheid en onbezweken geduld hanne zielen behielden. Doch dit alles zou in een veel hoogere mate het wereldgericht voorafgaan.

Het laatste gemeenschappelijke voorteeken is vervat in deze woorden des Zaligmakers; en eerst moet dit evangelie des rijks over de geheele wereld verkondigd tvor-den tot een getuigenis voor alle volkeren , en dan zal de voleinding komen. Eerst moet het evangelie, datJesus predikte, het evangelie van het rijk der genade en

-ocr page 99-

95

der heerlijkheid, dat Hij Zich zal verwerven door zgn Goddelijk bloed, over de geheele wereld verkondigd worden, opdat alle volkeren hieromtrent getuigenis hebben, en zich de verlossing van Christus door zijne Kerk genoegzaam aangeboden zien, en dan genaakt het einde. Deze laatste uitdrukking, ofschoon zij eigenlijk meer het einde der wereld te kennen geeft, is echter ook van toepassing op den ondergang van Israël. Inderdaad was het evangelie voor Jtrusalems verwoesting reeds tot zekere mate gepredikt in de toenmaals bekende wereld , zoo dut reeds de H. Paulus aan de Romeinen kon schrijven: uw geloof wordt in de geheele wereld met lof vermeld. (Rom. I: 8, vgl. XV : 19—28; XVI: 19 ; Hand. XXVUI: 22)

Na deze vier gemeenschappelijke voorteekenen te hebben aangegeven, voorzegt Jesus bepaaldelijk den ondergang der stad, waarop zij met sombere stemming nederza^en. Wanneer gij nu Jerusalem zult omringd zien door een leger, weet dan dat zijne verwoesting nabij is. (Lc.) Als gij derhalve den gruwel der verwoesting, waarvan de ■profeet Daniël heeft gesproken, zult zien staan in de heilige plaats, waar het niet behoort — (die het leest, merkt Mattheus voor de jodenchristenen op, versta het) — dat dan zij, die in Judea zijn , vluchten naar de bergen , en die in deszeljs middenpunt (Jerusalem) zich bevinden, dat zij heenvlieden, en die in de landstreken zijn, dat zij er niet binnengaan. Ook hij, die op het dak is, dale niet af in zijn huis, en ga niet binnen om iets uit zijn huis te nemen, en hij die op het veld is, keere niet terug om zijn kleed te halen. Wee dan aan haar, die bevrucht en zogende zijn in die dagen / En bidt, dat uwe vlucht niet plaats grijpe in den winter of op den Sabbath. Want er zal groote verdrukking zijn over het land en toorn tegen dit volk. (Lc.) Deze immers zijn dagen der wraak (Lc.) , en zoo groote ellende zal er wezen, gelijk van het begin der wereld, die God schiep, tot nu toe geene geweest is, noch ook zijn zal, (Mt. Mc.) opdat alles ver-

-ocr page 100-

96

vuld worde, hetgeen geschreven staat, (Lc.) En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevangen heengevoerd worden onder alle volkeren , en Jerusalem zal door heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenvol-Icersn vervuld zijn. En indien de Heer die dagen niet verkortte, zou geen vhesch behouden blijven; maar om de uitverkorenen, die Hij uitgelezen heeft, zal Hij die dagen verkorten.

De Heer geeft hier twee duidelijke kenteekenen aan, die Jerusalems val als nabij zijnde zullen aankondigen. Het eerste is, dat Jerusalem door een leger omringd zal worden. Werkelijk toen de joden, reeds lang verbitterd tegen de Romeinen, in verzet kwamen tegen het Romeinsche oppergezag, rukte Cestius Grallus, proconsul van Syrië, aan het hoofd van dertien duizend Romeinsche krijgsknechten en schier even zoovele hulptroepen tegen Jerusalem op, nam den buitenmuur in, en drong de joden terug in den tempel en op den Sionsberg. Hierna trok hij weder af vier jaren vóór Jerusalems verwoesting, zoodat \'s Heeren voorspelling letterlijk vervuld werd.

Het tweede kenteeken door Christus aangegeven is de gruwel der verwoesting in de heilige plaats. Door de heilige plaats hebben wij hier hoogstwaarschijnlijk den tempel te verstaan. (1) Bij den gruwel der verwoesting (2) hebben wij aan den gruwel of de ont-

(1) De naam van den tempel toch is het heiligdom cepov, en heilige f laats kan dus wel niets eigenlijker te kennen geven dan den tempel. Vergelijk buitendien Daniël IX: 26—27.

(3) Aldus wordt de Hebreeuwsche tekst van Daniël IX : 27 door de Septuaginta, de vulgaat, Theodotion, de Arabische en Syrische vertaling weder gegeven. In \'t Hebrceuwsch staat waarschijnlijk: over de tinne der gruwelen zal komen de verwoester^ ofschoon de uitleggers hier van elkander afwijken en de plaats zeer duister is. Wij hebben dan in \'t Hebreeuwsch te denken aan de gruwelen, die onder de tinne of het dak des tempels plaats grepen en door den verwoester getuchtigd zijn; en in de Vulgaat aan den gruwel, die de heilige plaats onteerde, en de verwoesting tot straf had. Zoo opgevat stemt de zin van vulgaat, Septuaginta en het Hebreeuwsch overeen. De gruwelen nu, die de heilige plaats of den tempel onteerden, waren de gruwelen der zeloten.

-ocr page 101-

97

heiliging te denken, waarop de verwoesting gevolgd is, en die door de verwoesting getuclitigd is. Naar alle waarschijnlijkheid moeten wij de verwezenlijking van het hier voorspelde daarin zoeken, dat de zeloten om zich voor den haat des volks te beveiligen den tempel innamen, dien tot hunne sterkte maakten, er den zetel hunner dwingelandij vestigden, en er de grootste verachting voor de heilige zaken aan den dag legden. Dat zulke snoode lieden onder het plegen van allerlei gruwelen gedurende drie jaren in den tempel gevestigd bleven, tot dat deze eindelijk door de Romeinen verbrand en verwoest werd, is zeker een gruwel dei-verwoesting, staande of zich vestigende in de heilige plaats. Dit ging inderdaad onmiddellijk aan Jerusa lems ondergang vooraf.

De geloovigen begrepen ook, althans door hoogere ingeving, deze voorspelling. Volgens Eusebius (L. UI. Hist. c. 5) werden de Christenen van Jerusalem door eene openbaring van den hemel, die aan eenige heilige dienaren des Heeren (wellicht den H. Simeon) was geschied , verwittigd en aangespoord om de stad te verlaten, die weldra de prooi der Romeinen zou worden. Zij vertrokken en begaven zich over den Jordaan naar de stad Pella zonder te toeven. Zij, die op de platte daken volgens het bestaande gebruik sliepen, er de avondlucht schepten, baden of ook huiswerk verrichtten (Jos. II: 6) en die op de velden zich met akkerbouw, veeteelt, of anderen arbeid, onledig hielden in hun onderkleed, moesten heenvlieden en wel gelijk de Heer gezegd liad, zonder uitstel of oponthoud, (1) en zonder zich den tijd te gunnen om te huis hun bovenkleed te halen. Ongelukkig zij, die door be-

(1) DaU niet af in huis, Mc. XIII: 15 wordt door sommigen zoo verstaan, dat men, van dak tot dak en zoo naar den stadsmuur zou vluchten, daar de platte daken der Oostersche huizen dikwerf in lange rijen, gelijkvloers, en slechts door lage leuningen of borstweringen gescheiden waren.

Het Offer van J. C. I 7

-ocr page 102-

98

vrucbting, door zuigende kinderen, door het winterweder, of uit hoofde van den Sablmfh te Jerusalem achterbleven. Want hongersnood, pest, tweedracht, hardnekkigheid veroorzaakten bij de zoo strenge belegering van ïitus, die vijf maanden duurde, eene ellende zoo verschrikkelijk, dat men ten aanzien eener belegerde stad te vergeefs een tweede voorbeeld in de geschiedenis zoeken zal. 1,100000 joden kwamen om volgens Flavius Josephus, en 97,000 werden deels als gevangenen naar Rome, deels als slaven naar Egypte en andere wingewesten heengevoerd. Nog heden wordt Jerusalem door de heidenen vertreden en zucht het onder het slavenjuk der volgelingen van Mohamed. Nooit erlangt het meer zijne heerlijkheid, tot dat de tijden der heidenen vervuld zijn en het einde der wereld daar is (Rom. XI : 25). Zoo hoog steeg de nood in Jerusalem, dat hadde (iod den oorlog voort laten duren, zegt de H. Chrysostomus, niets meer van de joden zou overgebleven zijn. (i. h. 1.) Maar om wille dergenen, welke Grod volgens zijne eeuwige raadsbesluiten uit do toenmalige joden of hunne afstammelingen had voorbeschikt om aan het heil in Christus deelachtig te worden, werden die dagen verkort, zoodat Titus, toen hij de stad binnentrad en hare sterke muren van nabij beschouwde, uitriep ; God heeft met ons gestreden ; God heeft deze vestingwerken der joden veroverd ; want wat vermogen menschenhanden en belegeringswerktuigen tegen deze torens (Jos. Bell. VI; 9, 1) ?

Nu gaat de Zaligmaker er toe over, om de bijzondere voorteekenen aan te wijzen, die aan de voleinding dor wereld zullen voorafgaan. Op de eerste plaats vermeldt Hij het opstaan van valsche Christussen, dat Hij reeds onderdo gemeenschappelijke voor-teekeneu had opgesomd, doch hier als in \'t bijzonder van gewicht aangeeft bij \'t naderen van de voleinding der wereld. Hij voegt er met nadruk eene vermaning

-ocr page 103-

99

aan toe Toor zijne volgelingen, om op hunne hoede te zijn. Alsdan, wanneer iemand u zal zeggen, zoo waarschuwt de Zaligmaker, sief, hier is de Christus of daar is Hij, gelooft het niet. Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zij zullen groote teekenen en wonderen doen, om, indien het mogelijk ware, zelfs de uitverkorenen te verleiden. Gij dus geeft acht! Ziet, ik heh het u alles voorzegd. (Mc.) Als zij u derhalve zeggen: ziet, hij is in de woestijn, gaat niet uit; ziet, hij is in de binnenkamers, gelooft het niet. Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten en flikkert tot in het westen , zoo ook zal de komst van den Zoon des rnenschen zijn. Waaier gens een dood lichaam is, daar zullen de gierarenden zich verzamelen.

In de tijdsruimte tusschen Jerusalems verwoesting en de voleinding der wereld , die Christus met deu zienersblik van een Grodmensch, als ware het een kort tijdsbestek, omvat, zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan , zegt Hij, vooral dan, gelijk in den aard van het voorteeken ligt, wanneer het einde der wereld nadert, Zij zullen ontzettende teekenen en schijnbare wonderen verrichten, om zoo mogelijk zelfs de uitverkorenen te verleiden. Deze voorspelling wordt treffend opgehelderd door hetgeen wij lezen bij den H. Paulus (2 Thess. II: 5 — 10): „die dag is niet nabij, dan nadat eerst de afval zal „gekomen zijn, en dat de mensch der zonde geopen-„baard zal wezen, de zoon des verderfs, de tegenstan-„der, die zich verheft boven al wat God heet öt wat „vereerd wordt, zoodat hij in Gods tempel nederzit, „zich zeiven voordoende , alsof hij God was.... dien „de Heer Jesus zal ombrengen met den adem Zijns „mnnds en vernietigen door do verschijning zijner „komst, hem, wiens komst naar de werking des satans „met allerlei krachten en teekenen en wonderen der „leugen is, en met allerlei misleiding der ongerechtigheid „voor hen, die verloren gaan.quot; De Christenen moeten

-ocr page 104-

100

dus op hunne hoede zijn, want daarom voorzegt het de Zaligmaker. Wijst men hun den Christus a.tn in de eenzaamheid der wildernis of in de verborgenheid der binnenkameren, zij moeten het niet gelooven. Wanneer Hij, de Christus, komt, zal zijne komst niet behoeven aangewezen te worden. Want gelijk de bliksem onverwachts, schielijk en met de grootste heerlijkheid flikkert voor het oog der geheele wereld van bet oosten tot het westen, zoo zal ook de Zoon Gods in zijne heerlijkheid oogenblikkelijk voor een ieder zichtbaar zijn, en, gelijk de bliksem onder het geratel des donders dadelijk bij zijn verschijnen zijne kracht uitoefent, zal Hij dadelijk onder den vloek van zijn vonnis de goddeloozen verpletteren.

Dat de komst van Christus om te oordeelen en te straffen onmiskenbaar zal zijn, verklaart Jesus door een ander beeld ; overal, waar een dood lichaam is, daar zullen de arenden zich verzamelen. Waar ergens een lijk is, en dit rijp is voor ontbinding, daar snellen de gierarenden toe als door instinkt van over de bergen en over de zeeën, schieten er op neder, verscheuren bet, en voeren het weg als eene prooi om er hunne jongen mêe te verzadigen. Waar de wereld door zijne goddeloosheid dood zal zijn voor God en rijp voor liet oordeel, daar zullen de engelen van Gods wraak opdagen, zich werpen op bunne prooi (Mt. XIII: 41), en ze heen sleuren naar den afgrond van het eeuwige verderf, om zicb daar aan bun ongeluk te verzadigen. Volstrekt dus geen reden zal bestaan om zicb door scbijnwonderen aangaande Christus\' komst te laten misleiden. Die komst zal behalve door bare heerlijkheid ook door het onmiddellijk volgend strafgericht voor allen oogenblikkelijk zichtbaar zijn.

Nu stelt Jesus een tweede teeken voor, dat hoogst sprekend is, en zijne laatste komst van zeer nabij zal voorafgaan. Terstond na de verdrukking dier dagen, zegt Hij, zal de zon verduisterd worden , en de maan haar

-ocr page 105-

101

licht niet meer geven , en de sterren zullen van den hemel vallen ; en op aarde zal ontsteltenis zijn onder de volkeren , om den angst voor het gedraisch van zee en golven, terwijl de menschen zullen uitdroogen om de vrees en om de verwachting van hetgeen de geheele wereld gaat overkomen ; loant de krachten der hemelen zullen geschokt worden.

De Grodmensdi geeft door deze woorden, die een geheel Goddelijk inziclit in de toekomst der dingen aantoonen, op duidelijke wijze te kennen, dat terstond na het tijdperk van den antichrist de zon zal verduisterd worden en dientengevolge ook de maan haar licht niet meer zal geven. Niet slechts ons zonnestelsel zal aangegrepen worden, ook de vaste sterren zullen van den hemel vallen , dat is , uit hare baan gerukt worden, zoodat liet al den schijn heeft, als ot\' zij vallen. (1) Ja, de krachten der hemelen, de hoogste krachten , die al de hemellichamen be-heersclien, die door Job onder een ander beeld de steunpunten des hemels worden genoemd , (2) zullen geschokt worden. Door dat alles zal ook de aarde vreeselijk geschud worden, de zee op schrikkelijke wijze woeden, en doodelijke ontsteltenis ontstaan onder de volkeren. „De hemel zal vergaan met een groot ge-druisch, zegt de H, Petrus, en de elementen zullen door „de hitte ontbonden worden, en de aarde met al de wer-„ken , die op haar zijn, verbrand worden. (2 Petr. III: 10; vgl. Joel II: 1 — 11)

(1) Jesus zegt niet, waar zij vallen. Hij richt Zich naar de kosmische voorstellingen van zijne tijdgenooten , die zich den hemel dachten als een gewelf, dat met sterren versierd was.

(2) Job XXII: 14. De ouden stelden zich den hemel voor als een gewelf, steunende op krachtige pijlers, en dezen noemt Job car dines coeli. De uitdrukking des Hecren beteekent dus hier niet engelen; dit strookt niet met den samenhang • noch het heir des hemels of de sterren, want dan zou Hij noodeloos hetzelfde herhalen, doch de hoogste krachten.

-ocr page 106-

102

Het laatste voorteeken zijner lïomst wijst Jesus aan met deze woorden : en dan zal het tecken van den Zoon des menschen aan den hemel verschijnen, en dan zullen al de geslachten der aarde weeiien. JJit toeken is duidelijk iets geheel en al van den Zoon des menseh.cn onderscheiden, Het is een teeken, dat allen bij het eerste gezicht als zoodanig kennen, en waarin allen eene onmiskenbare aanwijzing van deu Zoon des menschen zullen zien. „Welk is hot teeken van Christusquot;, vraagt de H. Augustinus, „dat alle menschen kennen, tenzij „het kruis van Christus?quot; (Tract. 118 in Jo.) Dat kruis is voor den jood eene ergernis, voor den heiden eene dwaasheid en voor den Christen de kracht en de wijsheid Gods. Het kruis wijst den Zoon des menschen aan als zegepralend Koning, als verheerlijkten Lijder, als beminnclijken Verlosser. „Gelijk, wanneer „een koning zijne intrede zal doenquot;, zegt do H, Chrysostomus, „de legerscharen voorafgaan cn zijne „eereteekenen dragen, om de komst des konings aan „te kondigen, zoo ook zullen de scharen der engelen „en aartsengelen, wanneer de Heer der geheele sehep-„ping van den hemel afdaalt, het kruis voorafdragen „om de komst van den grooten Koning aan te kon-„digen.quot; „Het teeken van het schitterende kruisquot;, zegt de H. Cyrillus van Jerusalem, zal voor den „Koning gaan om Hem aan te wijzen, Die voor ons „gekruisigd is.quot; (Catech. XV: n. 22) Dat teeken zal een schrik zijn voor zijne vijanden, maar eene vreugd voor zijne dienaren, die in Hem geloofd, Hem gepredikt, voor Hem geleden hebben. Zij zullen zich schamen bi] het zien van het kruis, die het hebben miskend; zij zullen sidderen bij de gedachte, dat hun rekenschap zal worden gevraagd van het bloed om hunnentwille aan het kruis vergoten; zij zullen bedroefd zijn om hunne ondankbaarheid jegens de oneindige liefde van hun gekruisigden Verlosser, eu om het heil des kruises, dat door hunne schuld voor

-ocr page 107-

103

eeuwig is verloren. En alle de geslachten der aarde, die schuldig zijn, zullen weenen. „De joden zullen „wocnenquot;, zegt de H Chrysostomus; „du heidenen „zullen weenen ; de Christenen, die de wereld meer heb-„ben bemind dan Christus, zullen weenen .. . Zij zullen „weenen over zich, namelijk over het misdrijf, dat zij „hebben begaan ; over de uitzinnigheid, die zij niet „hebben hersteld; over de heerlijkheid, die zij heb-„ben verloren; over de straf, die zij hebben verdiend.quot;

En alsdan, zegt Jesus , zullen zij den Zoon des mcn-schen op de wolken zien komen met groote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijne engelen uitzenden met eene bazuin en groot geschal, en zij zullen zijne uitverkorenen vergaderen van de vier loindstreken van de grenspalen der hemelen tot aan hunne grenspalen.

Jesus Christus zal zichtbaar verschijnen als Zoon des menschen, namelijk in zijne menschelijke natuur. Als zoodanig zal Hij rekenschap vragen van den dienst Hem verschuldigd voor den betaalden prijs van zijn kostbaar bloed. Terwijl Hij Grod was, is Hij als mensen op aaide verschenen en heeft Hij dén mensch lief gehad boven zijne heerlijkheid ; thans komt Hij als zoodanig den mensch afvragen, of deze wederkeerig Hem boven alles, en wellicht niet beneden alles heeft gesteld. quot;Wolken, bestraald door een Goddelijk licht, zullen de troon zijn, waarop Hij zal zetelen. Hij zal eene macht ten toon spreiden als de Koning der Koningen, Die gebiedt over leven en dood, over hemel cr. hel, aan Wien geen schepsel kan wederstaan.\'Zijne heerlijkheid zal zijn als die va.n den Eengeboorne des Vaders. G-elijk een Koning zijne hovelingen uitzendt om zijne onderdanen door eene helschallende bazuin (1) te dagvaarden voor zijn troon, zoo zal ook

(1) De Grieksche tekst kan vertaald worden met een bazuin van groot geschal, of ook niet het groot geschal eener bazuin. De Latijnsche tekst moet als endiadis worden opgevat. Dat wij hier aan een werkelijke bazuin hebben te denken, is minder waarschijnlijk. Christus voegt Zich in spreken en voorspelling naar de bevattelijkheid der menschen.

-ocr page 108-

104

Jesus Christus aan zijne engelen gebieden om allen plechtig, openlijk, met onweerstaanbaar gezag en onmiskenbaar bevel op te roepen voor zijn rechterstoel, en in \'t bijzonder de uitverkorenen uit te noodigen tot deelname aan de glorie van hun Goddelijken Koning. (Vgl. I Cor. XV: 52 ; 1 Thess. IV; 15)

Als nu deze dingen beginnen te geschieden, vervolgt Jesus, ziet dan opwaarts en heft uwe hoofden omhoog, omdat moe verlossing nabij is. Zoodra namelijk de genoemde voorteekenen zich beginnen te vertoonen, dan moeten de zijnen vertrouwend, verheugd en juichend opzien, omdat dan de verlossing uit alle ellenden voor ben nabij is. Om dit toe te liebten, ontleent de Zaligmaker een beeld aan hetgeen zij juist nu op deu Olijfberg kunnen gadeslaan. Ziet, zoo spreekt Hij, de)i vijgeboom en alle hoornen, (en) leert van hem deze gelijkenis : als zijn taJc reeds teeder is en de bladeren uit spruiten en de vruchten zich reeds vertoonen [\\), dan weet ge, dat de zomer nabij is. Zoo ook wanneer gij al deze dingen ziet gebeuren , weet dan, dat het rijk Gods nabij en voor de deur is. Voorwaar Ik zeg u; dit geslacht zal niet voorbij gaan, totdat al deze dingen geschieden. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, doch mijne woorden zullen niet voorbijgaan.

Aan het uitloopen aller boomen, doch bij uitstek aan het uitloopen van den vijgeboom erkent men het naderen van den zomer. De vijgeboom heeft dit eigenaardigs, dat hij eerst zijne vrucht zet, en daarna eerst bladeren voortbrengt. De v.rucht groeit aan het oude bout bij wijze van vleeschachtige kuoppen, waarin de bloesem verscholen is. Als nu de vrucht geboren is, dan worden zijne takken, die gedurende den overigen tijd des jaars zeer bros zijn, onder den invloed dor

(1) Bij Lukas in den Latijnschen tekst lezen wij alzoo , doch in den Griekschen tekst: wantieer zij reeds tiitspruit en , hetgeen overeenstemt met hetgeen wij aantreffen bij Mt. en Mc. en de bladeren reeds uitspruiten.

-ocr page 109-

105

voorjaarszon sappig en donzig, en hierdoor zacht en buigzaam. Zoodra dit geschiedt en het vijfhoekige blad zich begint te ontplooijen, dan is de zomer genaderd, en staat de vreugdevolle tijd des oogstes voor de deur. Evenzoo wanneer deze voorteekenen zich verwezenlijken, dan is het rijk Gods nabij. Zijn het de voorteekenen, die Jerusalems\' val aankondigen, dan mogen zij zich verblijden, wijl zijne Kerk, het rijk, zijner genade, gaat zegevieren over het jodendom. Zijn het de voorteekenen, die het einde der dagen voorspellen, dan mogen zij zich verblijden, want de Kerk nadert hare volle zegepraal, het rijk der heerlijkheid genaakt. Dit geslacht, waardoor wij het toenmalige Israël hebben te verstaan, zou niet voorbijgaan, vooraleer Jerusalems verwoesting had plaats gegrepen; ja ook, na eenmaal onder alle volkeren verspreid te zijn, zou Israël door een wonder van Grods Voorzienigheid niet ophouden te bestaan, vooraleer do voleinding der wereld zou aanbreken. Hemel en aarde zullen vergaan, en door het vuur en do algemeene verwoesting eene algeheele vervorming en vernieuwing ondervinden (2 Petr. III: 7, 10, 13 ; 1 Cor. VII: 31 ; Eom. VIII: 19-23), maar zijn woord, omdat het een Goddelijk woord is, zal onvergankelijk wezen. Zijne voorspellingen zijn onbedriegelijk, en zullen stipt verwezenlijkt worden.

§ 9. Waarschuwing tot waakzaamheid ; de gelijkenis der tien viaagden.

Mt. XXIV: 36—XXV: 13; Mc. XIII: 32-27; Lc.

XXI: 34-3G.

Jaar der J. P. 4743; na R. st. 782; der gew. jt. 39.

Dinsdag of Woensdag. (1)

De Heer sprak bij verschillende gelegenheden van

(1) Het is niet onmogelijk, dat liet gesprek, dinsdag \'s avonds aangevangen, \'s woensdags is voortgezet. \'Mt. XXVI: 1 in verband met v. 3 schijnt hiervoor te pleiten.

-ocr page 110-

106

zijne komst, doch dit woord had bij Hem en ook later bij zijne apostelun dikwerf\' een verschillenden zin. Nu eens bedoelde Hij zijne komst, waaneer Hij dadelijk na den dood optreedt als Rechter van eiken mensch in \'t bijzonder. (Mt. XXIV: 44, 50; Lc. XII: 20,40, 46) Dan wederom bedoelde Hij door zijne komst, dat Hij door zijne Kerk over de aarde aoa heerschen, na door zijne straffende gerechtigheid Israël verstrooid, en zijn tempel aan de verdelging prijs gegeven te hebben. (Me. XII: 9; Lc. XX!: 16; Lc. XIX: 15 vgl. 27) Eindelijk ten derde bedoelde Hij door zijne komst ook vooral zijne komst tot het laatste oordeel. (Mt. XXIV: 30 ; Mc. XIII; 26; Lc. XXI : 27)

Nadat de Heer, gelijk wij zagen, de vragen zijner apostelen had beantwoord, zette Hij hetzij dienzelfden avond, hetzij den volgenden dag, het gesprek omtrent dit onderwerp voort. Hij wekte de zijnen tot waakzaamheid op , en had hierbij ook zijne komst voor een ieder hunner op het oog, ofschoon Hij vooral sprak van zijne komst ten oordeel over Israël en later over het gansche menschdom.

Doch van dien dag en van dat uur (mijner komst) zegde J esus , weet niemand, noch de engelen , noch de Zoon, tenzij de Vader alleen. Gelijk het was in da dagen van Noö, zoo zal ook de komst van den Zoon des men-schcn zijn. Want gelijk zij in de dagen voor den zond-vloed aten en dronken, huwden en uithuwlijkten tot op den dag, dat Noii de arke binnenging, en het niet erkenden tvt dat de zondvloed kwam, zoo zal ook de komst van den Zoon des menschen zijn. Alsdan zullen er twee op het veld zijn; één zal aangenomen worden , één achtergelaten j twee vrouwen zullen malen aan den molen , ééne zal aangenomen worden, ééne achtergelaten. Neemt u (dus) in acht, dat moe harten niet soms bezwaard worden door hras-serij en dronkenschap en de zorgen dezes levens, en die dag u niet onverwachts overvolle. Want als een strik zal hij komen over allen , die op den ganschen aard-

-ocr page 111-

107

bodem hun verblijf houden. Waakt dus en bidt, opdat gij waardig moogt gehouden tcorden , alle deze dingen , die geschieden zullen, te ontvlieden en te staan voor den Zoon des menschen.

Do juiste dag van het wereldeinde was niet bekend en moest niet gekend worden. (1) Het was niet aan hen, tijdenen oogenblikken te kennen, die de Vader in zijne macht gesteld had. Doch gelijk do mensehen bij den zondvloed, die eene afschaduwing was van het einde der wereld, zich om geen waarschuwingen of voorteekenen bekreunden en zorgeloos voortleefden in het genot, tot dat zij door Gods straf verrast werden, zoo

(1) De Arianen en andere bestrijders van Christus\' Godheid zoeken vruchteloos een wapen in dit woord des lieeren : van dien dag en van dat uur ivccl niemand, noeh de engelen, noch de Zoon , tenzij de Vader alleen. Of wel hier is spraak van den Zoon als mensch , of wel hier is spraak van den Zoon als God. Is er spraak van den Zoon als mensch . dan is het niet in strijd met de volmaaktheid zijner Goddelijke natuur, dat Hij als mensch van dien dag niet wist. De ziel van Christus was door een verstand, dat in zijne werkingen door geen zinnen belemmerd werd , zich van het eerste oogenblik der mensch-wording van den Goddelijken persoon volkomen bewust, en aanschouwde het Goddelijk wezen , waarmede zij door den persoon des Woords vereeningd was. Door die aanschouwing wist Christus naar zijne men-schelijke natuur alles, wat Hij tot volkomene vervulling zijner taak als Messias en Verlosser wilde weten , en door den invloed der Goddelijke natuur op de menschelijke wilde Christus als mensch gedurende zijn leven op aarde slechts datgene weten , wat Hij volgens de eeuwige raadsbesluiten zijns Vaders tot vervulling zijner taak weten moest-Indien dus Christus volgens zijne menschelijke natuur den dag of het uur van het laatste oordeel gedurende zijn leven op aarde niet wist, dan was dit, omdat Hij het niet wilde weten, en Hij wilde zulks niet, omdat zijn Goddelijke Vader het zoo verordend had. De verecniging van de Goddelijke en de menschelijke natuur in Christus blijft alzoo bij dit antwoord volkomen gehandhaafd. Of Christus spreekt hier van den Zoon als God. En dan heeft dit woord van Christus den zin,dat de Zoon dien dag en dat uur niet weet, om ze te openbaren. Zoo zegde Hij later aan de apostelen: het komt u niet toe, lijden of stonden te weten , die de Vader in zijne eigene macht gesteld heeft (Act. 1quot;) Het antwoord kan gegeven worden in dezen laatsten zin . wijl Christus op de woorden ook de Zoon niet laat volgen maar dt Vader, en dus te kennen geeft dat Hij spreekt van den Zoon des Vaders.

-ocr page 112-

108

ook zou het zijn bij de komst van den Zoon des monschen. Van twee , die op het veld zich met den akkerbouw bezig zouden houden, van twee .slavinnen, die tegenover elkander gezeten den bovensten steen van een handkorenmolen over den ondersten , die onbewegelijk is , met de handgreep beurtelings voor de helft zouden ronddraaien, zou de eene door do engelen onder het getal der uitverkorenen opgenomen, de andere achtergelaten worden ten prooi aan de eeuwige verwerping, zoodat op de innigste gemeenschap hier op aarde de meest verwijderde scheiding zou volgen voor de geheele eeuwigheid. Daarom moesten zijne volgelingen in matigheid, zelfbeheersching, en ingetogenheid waakzaam zijn, en zich voortdurend bereid houden op deze zoo beslissende komst. Want gelijk de jager onverwachts een strik uitwerpt om een argeloos dier te vangen, zoo zal ook de dag des Heeren, allen die in zorgeloosheid en brooddronkenheid over den ganschen aardbodem als rustig neergezeten zijn, verrassen. Zelfs was het niet genoeg te waken, zij moesten ook bidden, om aan alle gevaren, die hun eeuwig heil konden bedreigen, te ontkomen en voor den rechterstoel van den Zoon des menschen staande (1) en geheel voorbereid te verschijnen.

Ziet toe, waakt en bidt, herhaalde Jesus, (Mc.) want gij weet niet, wanneer de tijd daar is. Gelijk een mensch die huiten \'s lands vertrok, zijn huis verliet, aan zijne dienstknechten de beschikking over alle werk gaf, en dm deurwachter gelastte, dat hij waken zou, (zoo ook gebied ik u). Waakt dan , {want gij weet niet, wanneer de Heer des huizes komt, des avonds laat, of te middernacht, of met het hanengekraai, of des morgens), opdat, wanneer hij plotseling komt, hij niet u vinde slapen. En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen, (Mt. Mc.)

(1) liet sfai-n ante filium hoininis is eene tegenstelliog van qui scdent super faeiem otnnis terrac. liet eerste geeft bedachtzaamhied, het tweede onbedachtzaamheid te kennen.

-ocr page 113-

109

;

■ *

Vlijt voor de hun opgedragen taak, waakzaamheid om nooit onvoorbereid verrast te worden, en gebed om in dien ijver en die waakzaamheid standvastig te volharden vraagt Jesus van zijne leerlingen, met het oog op het onzekere uur zijner komst. (1) Hij is op het punt om deze aarde te verlaten en tot den Vader te gaan. Gelijk de mensch, die buiten \'s lands vertrekt aan zijne dienstknechten, die hij achterlaat in zijn huis de beschikking over alle werk geeft, zoo ook laat Jesus zijne apostelen en hunne opvolgers achter in zijn huis of den tempel, toegewijd aan den drieeënigen God, namelijk in de Kerk, die Hij hier op aarde heeft gesticht, cn laat hun de beschikking om er alle dienstwerk te verrichten, alles te regelen en te besturen. En gelijk hij, die alzoo op reis gaat, den deurwachter aanmaant om waakzaam te zijn, zoo ook gebiedt Jesus den zijnen, zich aan geen zorgeloosheid tijdens Zijne zichtbare afwezigheid over te geven. Juist opdat zij niet insluimeren zouden en met ijver het werk zijner verheerlijking zouden ter harte nemen, juist opdat zij gedurig zouden toezien, heeft Hij hun een prikkel gegeven door de algeheele onzekerheid aangaande het uur zijner wederkomst. Gelijk de dienstknechten niet weten, wanneer hun heer, die op reis is, terugkeert, en dit niet slechts des daags maar ten allen tijd van den nacht, des avonds laat (6—9 uur), te middernacht (9—12 uur), met het hanengekraai (12—3 uur), of in de vroegte (3—6 uur) kan plaats grijpen. (2) zoo ook zou zijne komst tot

I ■ i ■

üa.\'

m

i

1 .

sir i:

\' v•

■ \'v ■;

v.\'■

1

ki ...

••• ■

(1) Dat Lukas XII: 35 — 38 niet dezelfde gelijkenis is als Markus XIII: 33 — 30 blijkt daaruit, dat bij genen spraak is van het terug-keeren van eene bruiloft, bij dezen van het terugkeeren van eene reis; dat bij Marcus spraak is van een deurwachter* dat bij Lc. slechts drie en bij Mc. vier nachtwaken worden vermeld, en dat bij Lc. het loon der waakzaamheid wordt aangegeven.

(2) De hier vermelde verdeeling van den nacht is de Romeinsche cn Grieksche verdeeling; volgens de oudere Hebreeuwsche verdeeling was de nacht slechts in drie nachtwaken , elke van vier uur. verdeeld.

-ocr page 114-

no

het oordeel over de wereld, over Israël, over ieder bvmner geheel onzeker ziju, cn hadden zijne leerlingen, ja allen zonder ophouden standvastig, met name wanneer zij liet meest tot insluimeren en zorgeloosheid genegen zonden zijn, to waken.

Die waakzaamheid achtte Jesus van zooveel gewicht, dat Hij er met vernieuwden nadruk op aan drong in do volgende gelijkenis; Alsdan, ten tijde zijner komst, zegt Jesus, zal het rijk der hemelen gelijk zijn aan tien inaagdan. welke hare. lampen namen, en uitgingen , den bruidegom en der bruid (1) te gemoet. Tien maagden alzoo, waarschijnlijk het gebruikelijke getal bij deze plechtigheid, begeven zich ter bepaalde plaats om daar met fakkels, of mot houten staven, die aan den top van een koperen schoteltje met olie en lemmet voorzien waren, de ontmoeting van bruidegom en bruid op to luisteren. (2) Volgens bestaand gebruik toch haalde de bruidegom bij het sluiten des huwelijks zijne bruid af in gezelschap van tien jongelingen, die allen brandende fakkels droegen. De tien maagden in feestkleedij, de lendenen omgord, als speelgenootegt;n of bloedverwanten der bruid trokken in nabijheid van hare woon dezen stoet te gemoet, waren bij de onderlinge ontmoeting tegenwoordig, en vergezelden de bruid, terwijl de bruidegom haar naar zijne woning heenvoerde.

Vijf nu (van de gezegde maagden) waren dwaas en vijf onder haar loaren verstandig. De vijf\' dwaze namen hunne fakkellampen, maar droegen geen olie met zich, en waren achteloos genoeg om niet te bedenken, dat de bruidegom eenigen tijd uit konde blijven. Maar de vijj wijze namen tegelijk met hare fakkellam.pen olie in

(1) Volgens eenii^e Grieksche handschriften ontbreekt dit woord. Doch de meeste handschriften stemmen met de vulgaat overeen.

(2) Vooral de Grieksche tekst laat dezen zin toe. Het is de ontmoeting van bruid en bruidegom , en niet huune ontmoeting met het bruidspaar , die hier , dunkt mij , bedoeld wordt.

-ocr page 115-

Ill

hare kruikjes, om daarmede haar brandend licht te kunnen voeden. Daar nu, de hrmdegom, die gewoonlijk niet lang na zonnenondcrgang verscheen , zich liet wachten, begonnen zij allen te. simmeren en vielen in slaap. Ware dit niet gebeurd, dan hadden gewis de dwaze maagden haar gebrek aan olie bespeurd. Maar te middernacht bespeurden du wachtende lieden om en in het huis der bruid in de verte het naderende fakkellicht, en ontstond er een geroep : ziet den hruidegom ! gaat uit tot zijne ontmoeting. Toen stondên al die maagden op, en brachten hare jakkellampen in orde, door het lemmet op te halen en ze van olie te voorzien. De vijf wijze, die de noodige voorzorg hadden genomen, goten nu uit hare kruikjes olie in het koperen schoteltjen, en hadden juist genoog, om den plechtigen optocht te knnnen doen. Maar de dwazr bemerkten tot haar schrik, dat hare fakkellampen bij gebrek aan olie niet meer zouden branden; zij gingen alzuo en ziiden tot de ivijze: geeft ons van uwe olie, tcani onze fakkellampen gaan rut. De wijze gaven ten antwoord : er mocht wellicht niet genoeg zijn voor ons en voor n ; gaat veeleer tot de verkoopers en koopt voor u zelve. Er was geen ander middel dan dezen raad te volgen. Terwijl zij echter heengingen, en afwezig waren om te koopen, kwam de hruidegom, en die gereed waren sloten zich aan bij den stoet der bruid.

Na zooveel oponthoud toefde men niet, en de feestelijke optocht naar het huis des bruidegoms nam een aanvang. Zoodra dit was bereikt, geleidde de bruidegom de opgetooide bruid van onder den troonhemel naar binnen, en de vijf wijze maagden gingen met hem hitmen ter bruiloft, welke thans met een maaltijd in de tweede en derde nachtwake feestelijk werd ge vierd, De deur werd nu gesloten, om het binnendringen der ongenoodigde volksmenigte te beletten. Doch zie ] daarop konten ook de. overige, maagden, die intusschen olie hebben gekocht en hare lampen hebben bereid. Helaas, zij vinden niettegenstaande allen spoed de

-ocr page 116-

112

poort voor zich gesloten. Dan kloppen zij aan en zeg yen: Heer, Heer. dóe ons open. Maar te vergeefs. Hij antwoordde hun en zeide: voorwaar ik zeg u; ik ken u niet. (1) Zoo blijven zij buitengesloten ! zij hoorenden zang en dans, en ondervinden de bittere teleurstelling, het heerlijke feestgenot, dat voor haar mede was bestemd, door eigen schuld te moeten derven.

De bruidegom der parabel is geen andere dan die de psalmzanger in dezer voege begroet: schoon zijt gij van gestalte boven de menschenkinderen ; beminnelijkheid is uitgegoten op uwe lippen, daarom heeft God u gezegend in eeuwigheid (Ps. 44). De bruid is geen andere dan de Kerk, die Jesus bij zijne komst tot eeuwige deelgenoote zal aannemen zijner heerlijkheid en zaligheid. Het is die eeuwige bruiloft in den hemel, waar het lied zal aangeheven worden : verblijden en verheugen wij ons, en geven wij eer aan God; want de bruiloft des Lams is gekomen en zijne bruid heeft zich uitgedoscht. En het is haar gegeven zich te kleeden in zuiveren en sneeuwwitten byssus ; want die byssus zijn de gerechtigheden der heiligen. (Apoc. XIX: 7—9)

Tot dat eeuwige bruiloftsfeest zijn bij uitstek ge-noodigd de zielen der geloovigen, die tot Jesus\' kerk behooren, voorgesteld door de tien maagden. De wijze maagden zijn de rechtvaardigen, vermengd in de Kerk

(1) Wanneer de ontmoeting waarvan spraak is v. 1 en v. 6 , gelijk .k het heb voorgesteldop grond van den Grieksch en tekst, de ontmoeting is van bruid en bruidegom , en de tien maagden , gelijk het gewoon gebruik was , vooral op grond van v. 6 voorondersteld worden zich aan het huis der bruid te bevinden, dan heeft men niet aan te nemen, dat tegen alle gewoonte in de bruiloft in het huis der bruid word gevierd (Bisping) , of dat deze maag .\'.en slechts belangstellende vriendinnen zijn , die bij den weg , waarlangs de bruidegom moet gaan, ergens in eene woon zijne komst afwachten , en zich dan bij den trein aansluiten (van Koetsveld). Neen, de bruidegom is de heer des huizes, waar de bruiloft wordt gevierd v. 12,13, en omdat daar van de bruid geen melding wordt gemaakt, moet men vooronderstellen, dat die maagden zich volgens het gebruik vóór den optocht bij de bruid aan huis bevonden.

-ocr page 117-

113

met de dwaze maagden of de zondaars. Genen dragen lampen en zijn voorzien van olie om ze te doen branden ; de gerechtigen namelijk bezitten het geloof, dat door de liefde gevoed wordt, om uit te schijnen in goede werken. Maar dezen dragen lampen, zonder voorzien te zijn van olie; dat is : het geloof der zondige Christenen mist de ware liefde en daarom ook den luistervollen glans der goede werken. Zij allen sluimeren, vergeten den dood en Jesus\' komst, tot dat zij ontwaken en geroepen worden om, te verschijnen bij den glorierijken optocht, waar de Groddelijke en koninklijke bruidegom zijne reine en met deugden gesierde bruid zal binnen voeren in zijne woon, in de heerlijke bruiloftszaal der hemelen. Zij, die voorzien zijn van de olie der liefde, zullen met den Goddelijken bruidegom binnengaan, en ten opzichte van dezulken werd aan den H. Joannes gezegd: schrijf: zalig diegenen, die tot het bruiloftsmaal van het Lam zijn geroepen. Doch die de olie der liefde niet bezitten, zullen die niet aan de rechtvaardigen kunnen ont-leenen, en vruchteloos naar eenig middel uitzien om die nog te verwerven. Het is te laat. De deur der eeuwige bruiloftszaal is en blijft voor hen gesloten. Zij blijven in de duisternis daar buiten, deelen niet in de onuitsprekelijke bruiloftsvreugde der hemelen, eu moeten het helaas aan eigene schuld en achteloosheid wijten, dat zij door de komst des bruidegoms zijn verrast en de zoete genietingen dier eeuwige feestvreugde moeten missen.

Waakt dan, zoo besloot Jesus terecht, omdat gij noch den dag weet noch het uur. Allen moeten zorgen, immer bereid te zijn. quot;Want is het eens te laat, voor eeuwig is het te laat. Niemand zal alsdan op de verdiensten van anderen kunnen rekenen. Gelijk de wijze maagden, zoo zullen de rechtvaardigen vreezen, dat hunne gerechtigheid niet voldoende is ; en indien de rechtvaardige slechts ter

Het Offer van J. C. I Ö

-ocr page 118-

114

nauwernood zalig zal worden, wat zal dan het lol zijn van den zondaar en den goddelooze? (1 Petr. IV; 8).

§ 10. De gelijkenis der talenten.

Mt. XXV : 13—30.

Jaar der J. P. 474:3; na R. st. 782; der gew. jt. 29.

Dinsdag of Woensdag, 13 Nisan, Ifi Maart.

In de vorige parabels wekte de Heer de zijnen op tot waakzaamheid door de onzekerheid van het tijdstip, het langdurige uitstel, en de onherroepelijke uitwerking zijner komst, die eene altijddurende scheiding zal ten gevolg hebben; in eene volgende parabel spoort Hij nu bovendien de zijnen aan tot werkzaamheid, omdat zij eens rekenschap zullen moeten afleggen van de genade, die hun is geschonken.

Waakt dan, zoo had Jesus de vorige gelijkenis besloten, daar gij noch tijd noch uur weet. Nu ging Hij voort: want (het rijk dor hemelen is) gelijk aan een mensch, die, als hij huiten \'s lands op reis ging, zijne dienstknechten bijeenriep, en hun zijne goederen toevertrouwde. Hij stelde hun zijne geldschatten in handen om ze ten zijnen voordeele te beheeren. En aan den eenen gaf hij vijf talenten, aan den anderen twee, aan een derden één, aan een ieder volgens zijne bekwaamheid, en hij vertrok terstond. Derhalve daar het talent zilver, gelijk hier is bedoeld, (1) een gewicht is, dat gelijk stond met 6000 gewone sikkelen, of 4500 a 4800 gulden, ontving de eerste ruim twintig duizend, de tweede ongeveer tien duizend en de laatste ruim vijf en veertig honderd gulden aan waarde (2). Het was dus een blijk van groot vertrouwen, en de heer vertrok zonder eenigen perk aan dat vertrouwen te stellen, en zonder eenige bepaling, hoe zij met het toevertrouwde zijn belang moesten behartigen.

(1) Zie v. 1b in \'t Grieksch. (2) Zie de tafels in het aanhangsel.

-ocr page 119-

115

Hij nu, die de vijf talenten ontvangen had, ging heen en handelde daarmede , en toon vijf andere. Desgelijks won hij, die de twee ontvangen had, twee andere. Zij dreven met het hun toevertrouwde kapitaal zoo voorzichtig en tevens zoo ijverig hunne zaken, dat het verdubbeld werd.

Maar die het ééne ontvangen had, ging heen, groef in den grond en verborg het geld van zijnen heer. Hij maakte het zich zoo gemakkelijk mogelijk. Indien hij het ontvangene maar niet verloor of misbruikte, was het voldoende volgens zijne meeniug; als of ook niet van hem kon gevraagd wordju, dat hij er voordeel mede zou doen.

Na geruimen tijd nu kwam de heer dier dienstknechten en hield rekening met hen. En hij, die de vijf talenten ontvangen had, trad nader en bracht vijf andere talenten, zeggende: heer! vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd , zie! vijf andere heb ik daarbij gewonnen. Zijn heer zeide tot hem : voortreffelijk, gij goede en getrouwe knecht! omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zal ik u over veel stellen; treed binnen in de vreugde uws hee-ren. Ook hij, die de twee talenten ontvangen had, trad nader en zeide : heer , twee talenten hebt gij mij toevertrouwd, zie, twee andere heb ik gewonnen. Zijn heer zeide tot hem: voortreffelijk , gij goede en getrouwe knecht! omdat gij getrouw zijt geweest over weinig, zal ik u stellen over veel • treed binnen in de vreugde uws heeren. Zoo ontvingen de getrouwe, voorzichtige, en ijverige dienaren den wel verdienden lof van den heer in tegenwoordigheid van alle zijne onderdanen, werden buitendien tot een hoogeren werkkring geroepen, en mochten eindelijk het vreugdemaal bijwonen, dat bij \'s heeren terugkomst was aangericht.

Nu kwam ook hij, die hei eene talent ontvangen had en zeide: heer, ik weet, dat gij een hard mensch zijt; gij maait, waar gij niet hebt gezaaid, en verzamelt. waar gij niet hebt uitgestrooid, en bevreesd als ik was, ging ik

-ocr page 120-

116

heen, en verborg het talent in den grond ; zie hier hebt gij, hetgeen u toebehoort. Wel verre van verachooning te vragen, deed deze dienstknecht zijnen heernog ver-wijteD. Hij liet hem hooren, dat hij hem als een mededoogenloos en onrechtvaardig mensch beschouwde, ja even als een, die van een vreemden akker wilde oogsten, en van een vreemden dorschvloer wilde inzamelen. Hij gaf het toevertrouwde terug ; meer had zijn heer, meende hij, geen recht om te eischen.

Doch zijn heer antwoordde en zeide : gij kwade en luie dienstknecht; gij tuist, dat ik maai, waar ik niet heb gezaaid, en verzamel, waar ik niet heb uitgestrooid. Zoo hadt gij dus mijn geld bij de geldwisselaars moeten plaatsen, en ik zou dan , nu ik kom, mijn geld met winst hebben ontvangen. Ontneemt hem derhalve het talent, en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft. Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben ; maar aan hem, die niet heeft, zal ook hetgeen hij schijnt te bezitten, ontnomen tvorden. En werpt dien onnutten dienstknecht daar buiten , in de duisternis; daar zal geween en geknars der tanden zijn. Zoo beschaamde de heer de luiheid van dien dienstknecht, die slechts zijn gemak en niet het belang zijns meesters had gezocht, en zijne boosheid, die het wagen durfde, hem verwijten te doen. Die verwijten gewaardigde hij zich niet te wederleggen ; zij wederlegden zich zelve. quot;Want meende hij, dat zijn meester inhalig was, dan had hij beter moeten zorgen. Zonder moeite had hij het toevertrouwde bij de geldwisselaars kunnen plaatsen ; ware het dan ook al niet verdubbeld, het had ten minste rente opgeleverd. Doch niet slechts verdiende hij beschaming en berisping ; hij zou ook voortaan het vertrouwen zijns meesters niet meer bezitten en den rang verliezen, die hem was toegekend. Eindelijk werd hij ook veroordeeld, en onderging de straf van buiten geworpen te worden, en het vreugdefeest zijna heeren niet bij te wonen.

-ocr page 121-

117

Ook deze gelijkenis, die veel overeenkottist heeft (1) met die der tien ponden, heeft betrekking op Jesus\' komst ten oordeel. Wij moeten ons bereid houden op die komst, dit leerde de gelijkenis des deurwachters; wij mogen de voorbereiding op die komst niet verschuiven, wijl het wellicht voor altijd te laat zou zijn, dit zegde ons do gelijkenis der tien maagden ; wij moeten ons voorbereiden door te werken volgens de octvangene bekwaamheid; dit werd ons in deze gelijkenis geleerd. Naar de mate van onzen ijver zal ook onze verdienste, onze verheffing en onze belooning zijn. Hoe beter wij de genade gebruiken, hoe grootere genade ons zal geschonken worden, zoodat werkelijk aan hem, die heeft, nog meer zal geschonken worden. Hem integendeel, die de genade verwaarloost, zal ook hetgeen hij heeft, of liever daar het toch nutteloos en doelloos is, hetgeen hij schijnt te hebben, ontnomen worden. Het is niet genoeg het kwade te laten ; wij zijn schuldig en strafwaardig, wanneer wij het goede, dat in onze macht staat, door traagheid verzuimen.

§ 11. Hei laatste oordeel.

Mt. XXV: 31—46.

Jaar der J. P. 4742; na R. St. 783; der gew. jt. 29.

Woensdag, 13 Nisan; 16 Maart.

Nadat de Heer de voorteekenen zijner komst had aangegeven en tot voorzichtige, volhardende en werkzame waakzaamheid had aangemaand, gaf Hij eindelijk eene korte schets van het oordeel, die wij als eene toepassing der vorige gelijkenis mogen bescli ouwen. Als nu de Zoon des menschen, zegt Jesus, zal gekomen zijn in zijne heerlijkheid, die Hij vooraleer deze aarde te verlaten, niet vertoonde, en alle zijne engelen met

(1) Zie IIe deel 3e boek bl. 356. Uit de eenvoudige vergelijking zal men zien, dat zij evenwel verschillen en niet eenzelvig zijn. Tevens zal men uit de toegepassing van de gelijkenis der tien ponden grootendeels de toepassing dezer gelijkenis kunnen opmaken.

-ocr page 122-

118

Hem, dan zal Hij nederzitten op den troon zijner majesteit, om rekenschap te vragen van hen, aan welke Hij zijne talenten en genadeschatten heeft toevertrouwd. Zijn rijk zal alsdan volmaakt zijn en Hij zal optreden als Koning der wereld met de hoogste macht en glorie. En voor Hem zullen vergaderd worden alle de volkeren, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de hokken scheidt. Gelijk de herder schapen en bokken een tijd lang te zaam laat weiden, doch daarna ze van elkander scheidt, zoo ook laat de Goddelijke Herder hier op aarde de sehuldeloozen, de zachtmoedigen, de gewilligen, de vruchtbaren in barmhartigheid en goede werken, die door de schapen zijn afgebeeld, te zaam vereenigd met de onreinen, twist-gierigen, onwilligen, en onvruchtbaren in goede werken, die terecht door het beeld der bokken worden aangewezen. Maar bij het einde van den dag der wereld zal Hij ze door zijn goddelijk gezag uit elkander doen gaan, en Hij zal de schapen plaatsen aan zijne rechter- en de hokken aan zijne linkerhand ; aan de goeden, die Hem steeds gewillig volgden, de plaats der eere, aan de slechten, die Hem weerstreefden, de plaats der schande geven.

Alsdan zal de Koning zeggen, Hij Die daar zit op den troon zijner heerlijkheid, tot hen die zullen staan aan zijne rechterhand: komt, gezegenden mijns Vaders, hezit (1) het rijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld. Het eerst zal Christus dus Zich wenden tot hen, die zijne liefde bezitten, als trouwe onderdanen eer verdienen, en die Hij , wat Hij het vurigste verlangt, in zijn eeuwig geluk zal doen deelen. Hij noemt ze de gezegenden zijns Vaders, omdat zij door Hem, het Zaad aan Abraham beloofd, van den vloek verlost en aan den zegen deelachtig gemaakt zijn, (Gen. XXII; 18 ;

(1) In \'t Grieksch staat eigenlijk: beërft of ontvangt ten erfdeel, hei geen niet zonder beteekenis is in verband met dtn naam van gezegenden mijns Vaders.

-ocr page 123-

119

Gal. III: 14—16) ja door zijne verdiensten en zijn kruis zijne aangenomene broeders, en, wijl zij aan die genade getrouw hebben beantwoord, ook de welgevallige kinderen des Vaders geworden zijn. Door Cbris-tns heeft de Vader ze tot medeerfgenamen zijns rijks beroepen en volmaakt, (Hom. VIII: 17) en zij, zij hebben aan die roeping getrouw beantwoord. En wijl niet slechts hunne roeping van eeuwigheid was bepaald , maar ook hun vrijwillig beantwoorden aan die roeping van eeuwigheid was voorzien, had de Vader aan hen als geliefde kinderen in Christus tot erfdeel en tot loon het rijk der eeuwige zegeningen van de grondlegging der wereld bereid en voorbeschikt. In dien zin zal de Goddelijke Koning hen oproepen, om als zijne broeders en medeerfgenamen het rijk der heerlijkheid ten erfdeel te ontvangen en eeuwig

te bezitten. - HHH

Dit verklaart Hij door de volgende woorden: want IJc was hongerig, en gij hebt Mij gespijzigd; Ik was dorstig, en gij hebt Mij gelaafd ; Ik was vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd; Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik was ziek, en gij hebt Mij bezocht; Ik. tuas in den kerker,

en gij zijt tot Mij gekomen. Uit alle de werken, waardoor wij de eeuwige zaligheid zullen verdienen, noemt de Heer bij voorkeur de werken van barmhartigheid.

Deze zijn de vervulling van het groote gebod der liefde. Deze zijn bij uitstek het gewin, dat Hij ver- T

wacht en eischen zal van de toevertrouwde talenten.

Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartig-held verwerven.

Alsdan zidlen de rechtvaardigen Hem antwoorden en V . ^ ^

zeggen: Heer, loanneer hebben wij U hongerig gezien, en U gespijzigd, dorstig en U gelaafd ? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en U geherbergd, of naakt en U gekleed ? Of wanneer hebben wij U ziek gezien, of in

den kerker, en zijn wij tot Ugekomen ? Het is de ootmoedige betuiging, dat zij eigenlijk door hunne werken

ifel

i\'i-l

■ gt;

w:

\\ ■ quot;

■ ■ C

-ocr page 124-

120

van liefde den lof niet verdienen, zoo iets aan Chria-tus te hebben gedaan.

Maar de Koning zal hun antwoorden: voorwaar , ik zeg u, voor zooveel gij dit aan één van deze mijne geringste hroedeis hebt gedaan, hebt gij het aan Mij gedaan. In zijne grootmoedigheid alzoo zal de Goddelijke Koning hen, die de weldoeners waren van armen en on-gelukkigen, beschouwen als zijne eigene weldoeners. Hij heeft eenmaal hier op aarde dezer ellenden, dezer behoeften, dezer lijden gedeeld, en dus bij uitstek hen tot zijne broeders aangenomen. Hoe geringer zij zijn, hoe nader zij Hem, den oneindig diep vernederde, den Lijder onder alle lijders, komen, en hoe dierbaarder zij Hem zijn. Al hetgeen aan den minste is gedaan, zal Hij toerekenen als aan Zich zeiven gedaan. Zij zijn de leden van zijn heilig lichaam ; ook in hen leefde Hij ; en in hen riep Hij om barmhartigheid. Zij, die zijne lijdende Isdematen hebben bijgestaan, zal Hij prijzen, vergelden, zalig maken als hebbende Hem zelf bijgestaan.

Greheel anders zal het lot der goddeloozen zijn. Alsdan toch zal Hij ook zeggen tot hen, die aan zijne linkerzijde zijn: gaat van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne eng tien ; want Ik heb gehongerd en gij hebt Mij niet gespijzigd ; Ik was dorstig en gij hebt Mij niet gedrenkt; Ik loos vreemdeling en gij hebt Mij niet geherbergd; Ik toas naakt en gij hebt Mij niet gekleed; Ik was ziek en in den kerker en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook dezen Hem antwoorden: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of vreemdeling, of naakt, of ziek, of in den kerker, en U niet gediend} Dan zal Hij hun antwoorden en zeggnn : voorwaar. Ik zeg u : voor zooveel gij dit aan één dezer geringsten niet hebt gedaan, hebt gij het ook niet aan Mij gedaan.

Ook hier stelt Jesus het gebod der liefde tot voorbeeld, hetwelk Hij zijn gebod heeft genoemd. Die on-

-ocr page 125-

121

barmhartig zijn jegens de nool ijdonden, zullen vergolden worden als onbarmhartig jegens Hem, en eeu oordeel zonder barmhartigheid wacht hen, die geen barmhartigheid hebben gedaan. (Vgl. Jac. II: 13) Het zal een grondslag zijn tot eeuwige verwerping. Zij zeiven zijn de oorzaak, dat zij den zegen in Christus missen en dat de vloek der zonde op hen rust. Zij hebben het aan zich zelf te wijten, dat een barmhartige Verlosser hen zal verwijzen tot het eeuwige vuur, ontstoken voor den duivel en zijne engüleu. O verschrikkelijke uitspraak in den mond van den Koning der liefde! O vreeselijke scheiding vau do bron aller zaligheid en heerlijkheid ! O allerfrearigst lot, gekweld te zullen worden dooreen eeuwig vuur! O allerschandelijkste vernedering, gelijk gesteld te worden met den duivel en zijne engelen!

En dezen, zoo besluit Jesus zijn onderwijs, zullen gaan in de eeuwige straf; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. Gelijk dus de belooning altijddurend zal zijn, zoo ook zal de straf immerdurend wezen. De rechtvaardigen ontvangen eene onverderfelijke en on-bevlekbare, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen voor hen bewaard is (1 Pet. 1:4); de godde-loozen worden verwezen naar een eeuwig vuur, waar zij dag en nacht zullen gekweld worden in de eeuwen der eeuwen. (Apoc. XX: 10) üe zonde, reeds te vergeefs uit barmhartigheid geboet door den kruisdood van Gods eengeboren Zoon, zal dan door Gods rechtvaar-digheid in hen getuchtigd worden door den eeuwigen dood. Voor-vaar, het is vreeselijk te vallen in de handen van den levenden God ! (Hebr. X : 29—31) Maar ook aan don anderen kant zal het lichte en kortstondige lijden der rechtvaardigen in hen een eeuwig gewicht van heerlijkheid bewerken, en zullen zij in eeuwigheid de barmhartigheden deü Heeren bezingen.

Aldus verkondigt de Zoon des menschen, vooraleer Hij het kruis, den troon der barmhartigheid, als Ver-

-ocr page 126-

122

losser bestijgt, dat Hij allen als Koning en Rechter eens voor den zetel zijner rechtvaardigheid zal dagen. Een algemeen oordeel zal door Christus zelf over allen gehouden worden. Dat is de voleinding en be-krooning van zijn verlossingswerk op aarde. Een eeuwig leven voor de rechtvaardigen, een eeuwig vuur voor do zondaars zal do laatste en onherroepelijke beslissing zijn. Moge zij voor elk onzer eene beslissing zijn van ons eeuwig geluk !

-ocr page 127-

HOOFDSTUK 111.

VAN JUDAS\' VERRAAD TOT DE INSTELLING VAN HET ALLERHEILIGSTE SACRAMENT.

§ 1. Christus voorspelt zijn dood; samenkomst van den hoogen raad; verraad van Judas.

Mt. XXVI; 1-5 ; Mc. XIV; 1-2 ; Lc. XXH; 1—6.

Jaar dor J. P. 4742; na R. St. 783; der gew. jt. 29.

Woensdag, 13 Nisan; 16 Maart.

Wij zijn genaderd tot het laatste Paaschfeest van Jesus\' sterfelijk leven. Als besluit des Onden en aanvang des !Nieuwen Verbonds is het eenwig gedenkwaardig. Hoe schoon was deze dag met zijne troostende herinneringen reeds eenwen en eeuwen voor Israël geweest, en met welk een blijde geestdrift sedert den gelukkigen uittocht uit Egypte steeds gevierd ! Bij die gelegenheid werd op Gods bevel Hem, den Heer, voor het eerst een lam tot paaschoffer opquot; gedragen (Exod. XII: 27) om Hem tot voorbijgang of tot sparen en barmhartigheid (1) te bewegen. Met het bloed van dit zoenoffer bestreken Israels kinderen de stijlen hunner deur, en de gevreesde verlerfengel ging ze voorbij, en verschoonde hunne eerstgeborenen van den dood. Afgeworpen werd nu het knellend heerschersjuk van Pharao, en Israël zuchtte niet langer meer in Egypte\'s slavernij, Om ten eeuwigen dage die liefderijke erbarming Gods in aandenken te bewaren, werd het groote en plechtige Paaschfeest ingesteld. Gelijk het de eerste maal was geschied, zoo

(!) Pasah beteekcnt voorbijgaan, sparen. Exod. XII: 11, 27.

-ocr page 128-

124

werden voor de toekomst jaarlijks een paasclioffer en paaschdisch verordend, opdat Israël steeds daardoor zijne innige dankbaarheid voor die groote weldaad zou betuigen.

Dit alles echter was voorafbeelding en figuur. Dat Paaschoffer en die Paascbdisch, daar zij typisch en ongenoegzaam waren, moesten voortdurend worden herhaald. Doch thans is de tijd der schaduwen voorbij, en het ware, zoo lang aangekondigde Paschen der nieuwe bedeeling gaat ingesteld worden voor al de toekomstige eeuwen. Het vlekkelooze Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, gaat opgedragen worden als algenoegzaam Paaschoffer aan het kruis, om Grod te bewegen tot voorbijgang en sparen ten aanzien van de geheele wereld, en zij, die besprenkeld zijn met het bloed van dit ééne en algenoeg-zame Paaschoffer, zij zullen van den eeuwigen dood verschoond blijven. Een geheel eenige, algemeene en nooit genoeg te waarderen verlossing van het knellend juk des helschen Pharao\'s, een uittocht uit de wreedo slavernij van dwaling en zonde zal voor het geheele menschdom bewerkstelligd worden. Een heilige offer-disch zal worden aangericht, welke al die verhevene wonderen van Gods oneindige liefde zal verkondigen tot aan het einde der dagen; een ofterdisch, waardoor het ééne Paaschoffer J.-C., dat om zijne alge-noegzaamheid en waarheid zich niet meer herhaalt, zich zal uitstrekken tot alle tijden en plaatsen, en allen tot deelname zal worden aangeboden.

Het is woensdag. Waarschijnlijk heeft de Heer een laatste maal den tempel bezocht (1), en de vreeselijke voorspellingen aangaande Jerusalems verwoesting en

(1) Lc. XXI: 37, waar hij zegt , dat Jesus des daags in den tempel leerde, schijnt hieronder ook den woensdag te bedoelen. Zie terug bladz. gS. Anderen echter meenen, dat al deze voorspellinjjen op dinsdag zijn geschied, en dat Jesus \'s woendags niet te Jerusalem geweest is.

-ocr page 129-

125

het uiteinde der wereld voortgezet (1). Bij het eindigen dier profetieën voegt de Heer er een nieuwe aan toe, in wier op handen zijnde vervulling zijne leerlingen een onderpand zullen bezitten, dat al bet aangekondigde, hoe verwijderd ook in de toekomst, verwezenlij]:t zal worden. Gij weet, zegt Hij, dat het na twee dagen Faschen is; en de Zoon des menschen zal worden overgeleverd om gekruisigd te toorden, (2)

Reeds meermalen had Jesus zijn naderenden kruisdood voorspeld (3); doch thans vernemen zijne leerlingen met innige droefenis en ontroering den bepaalden dag, waarop hun geliefde Meester zal sterven. Hij kent dien ; zijn minnend Hart heeft hem lang en vurig verlangd; en opdat die harde slag zijne apostelen niet zou verrassen, bereidt Hij hen er op voor. Na twee dagen, zegt Hij, is het Pasehen; dan zal Hij worden overgeleverd door God zijnen Vader uit liefde, door den snooden Judas uit hebzucht, door de hardnekkige joden uit haat, door den zwakken Pilatus uit men-schenvrees, en zal Hij gekruisigd worden. Op Pasehen zal Hij sterven, want het offer zijns levens moet het ware Paaschoffer zijn.

En zie, werkelijk des woensdags morgens (4) komen de overpriesters, de schriftgeleerden, en de oudsten des

(1) De H. Thomas verstaat echter onder sermones hos omnes niet c. XXIV en XXV bij Mt., doch Jesus\' geheele leer gedurende zijn openbaar leven. Vgl. Mt. XXVI : 1.

(2) Et staat hier in de beteekenis van dati: dan zal de Zoon des menschen overgeleverd worden. Vgl. Mt. IV\': 19. Deze zinsnede is dus niet afhankelijk van scitis. Lït de woorden «a twee dagen kan men niet opmaken, of de Heer dit zegde op dinsdag of woensdag, wijl niet blijkt, of Hij den dag, toen Hij dit zegde, mede rekende, ja dan neen. Waarschijnlijk werden deze woorden even als de voorgaande profetieën gesproken in het bijzijn van Petrus, Joiinnes, Jakobus en Andreas (Mc. XXII : 3) en vernam Judas ze niet.

(3) Mt. XVI ; 21; XVII : 21—22 ; XX : 17—18.

(4) Rabbi Mosche Ben Maimon zegt volgens Friedlieb Sanhedrin c. 3 : „het groote synedrium houdt zijne zitting van het dagelijksch morgenoffer tot aan het dagelijksche avondoffer, maar op den sabbath en op de feest-

-ocr page 130-

126

volks^ met één woord het Sanhedrin of dc hooge raad, (1) voorzooverre hij uit vijanden van Jesus bestaat, door de bemoeiingen van Kaiphas bijeen, om een geschikt moordplan tegen den gehaten Nazarener te beramen. De maat van hun toorn is gevuld. Het moord-besluit, na de opwekking van Lazarus genomen, moet nu zonder verwijl worden uitgevoerd.

Vroeger kwam de hooge raad gewoonlijk te zamen in de beroemde vergaderzaal Gazith. (2) Veertig jaren echter voor de tempelverwoesting, toen den joden het doodsrecht werd ontnomen, hield de hooge raad ook op in deze raadzaal te vergaderen. (3) Eerst hielden zij na hunne beraadslagingen in zalen van het voorhof der heidenen; (4) doch al spoedig, om vrijer te zijn in hunne overleggingen, brachten zij hunne vergaderingen over naar het huis des hoogepriesters.

Op den Sionsheuvel alzoo, in een der zalen, die het binnenhof (5) van Kaiphas\' paleis omgeven, komen al de leden van den hoogen raad, die tot Jesus\' vijanden behoo-ren, bijeen. Een zeer ernstige beraadslaging wordt hier geopend. Vooreerst geldt het de vraag, op welke wijze zij Jesus zullen vangen. Men hangt af van omstandigheden, en het besluit wordt genomen, dat men hierin tewerk zal gaan met list, om den Heer met zoo min mogelijken tegenstand en in \'t geheim meester te worden. Vervolgens wordt onderzocht, op welke wijze Hemtedooden. Ook dit, meenenzij, mag niet geschie-

dagen in het huis van het leeren, dat zich in het voorhof der heidenen bevindt.quot; De zitting, waarvan hier spraak is, schijnt in den morgen te zijn gehouden, wijl men er geen kennis droeg van Judas\' voorstel, dat toch op woensdag is gedaan,

(1) Zie 1 deel, bl. 319 aangaande de zamenstelling van den hoogen raad.

(2) Zie 2de deel, lste boek, blz. 178, het plan des tempels.

(3) Sanhedrin f. 34. 3 : Babyl. avod f. 3, 3.

(•1) Babyl. Rosch Haschana f. 31, 1.

(5) De beteekenis van het woord alsook van het Grieksche adArj

is Innnenhof. Dit wordt ook hier, ofschoon in concreto, namelijk met al het aanbelendende, bedoeld.

-ocr page 131-

127

don dan met liat om wille van den Romeinschcn landvoogd; zij moeten zich kunnen verschuilen achtereen genoegzamen schijn van redenen, die zij daarom reeds hij voorbaat bedenken. Eindelijk komt ook ter sprake, wanneer zij zich van den Heer zullen ontdoen. Bij Jesus\' plechtigen intocht hebben zij met leede oogen gadegeslagen, hoe duizenden feestgangers Hem met geestdrift hulde brachten, en zij leiden er de gevol-trekking uit af, dat men ook hiermede ten aanzien van den tijd rekening behoort te houden. Niet op den feestdag, zeggen zij, opdat geen oproer onder het volk ontsta. Elke tijd is goed, zoo is hun gevoelen, als het maarniet op het Paaschfeest geschiedt; want dit kon licht aanleiding geven tot oproerige bewegingen tegen hun gezag.

Aan den eenen kant voorspelt Jesus, dat Hij gedood zal worden op het Paaschfeest; aan den anderen kant besluiten zijne vijanden, Hem niet op dit feest te vermoorden. Maar er is geen wijsheid, er is geen voorzichtigheid, er is geen raad tegen den Heer (Spreuk XXI: 30). Maakt vrij raadsbesluiten, zij zullen te niet gaan; zegt vrij uw woord, het zal niet verwezenlijkt worden (Is. XIII: 10). De voorspelling des Hee-ren zal vervuld worden. Op het Paaschfeest en op geen anderen dag zullen zij den Zaligmaker dooden, want juist daarom is van oudsher het Paaschfeest gevierd. Elk jaar was Paschen de voorspelling, de figuur, het onderpand van den toekomstigen zoendood van het Lam Gods geweest. Door op dien dag voor de verlossing van het menschdom uit Satans slavernij te sterven, zou de Heer als het nieuwe Paaschlam het oude vervangen.

Een apostel, maar een bedorven apostel, zal doorzijn verraad onder toelating der goddelijke Voorzienigheid bewerken, dat de hooge raad op zijn besluit terugkomt. De Satan, de verleider, is in het hart van Judas gevaren. Reeds lang had die ongelukkige zijn

-ocr page 132-

128

gemoed opengesteld voor de ingevingeu van den boo-zen geest. Waarschijnlijk koesterde hij slechts aardsch• gezinde verwachtingen omtrent den Messias, toen hij zich bij Jcsus aansloot, want een niet bestredene hoofdneiging in hem was de hebzucht. Jesus verkoor hem tot een zijner uitgelezenste vrienden, zijner grootste vertrouwelingen, zijner hoogst beweldadig-den, tot één dier twaalf, die de verhevenste en schoonste bestemming hadden in zijn Godsrijk. Maar Judas, ofschoon hij den vereischten aanleg bezat, maakte geen gebruik van de aangebodene genade. Hij volgde Jesus, doch slechts met zulke vooruitzichten, die strookten met zijne hartstochten. Meer en meer liet hij de hebzucht heerschen over zijn hart, en van lieverlede verleidde deze hem tot onverschilligheid voor Jesus\' leer, tot huichelarij onder het oog zijns Meesters en zijner mede-apostelen, tot diefstal en eindelijk tot wreveligheid, omdat zijne hebzuchtige plannen niet verwezenlijkt werden. Meermalen had de Verlosser hem de verderfelijkheid van zijn toenemenden hartstocht laten gevoelen, en reeds bij het derde Paaschfeest hem zijdelings den wenk gegeven : heb Ik u niet twaalf verkozen ? En is niet één uwer een duivel ? Maar die waarschuwing evenmin als zoovele andere genaden had toegang gevonden tot dat bedorven hart. En toen nu de gierigaard zag, dat zijn hebzuchtige toeleg veeleer gedurige tegenwerking dan bevrediging vond, begon hij naar elders om te zien.De verbittering enspijtover Jesus\' terechtwijzing bij het gastmaal te Bethanië gaf eindelijk den doorslag aanzijn besluit om elders gewin en gunstte gaau zoeken. De wonderen en het aanzien van zijn Mees ter hielden hem niet meer terug; zij hadden van lieverlede hunne aantrekkelijkheid en invloed voor hem verloren. Daar boden hem eindelijk de vijandschap en de moordplannen van den hoogen raad een geschikte gelegenheid aan. En zie, nu rijpt bij hem, en gewis niet zonder tweestrijd en waarschijnlijk, zonder dat

-ocr page 133-

12SI

hij al do gevolgen van zijn noodlottigeu stap voorziet en berekent, onder den invloed des duivels het ellendige en laaghartige plan, cm zijn Meester aan den hoogen raad over te leveren en zijn geldelijk voordeel te zoeken door zich los te maken van den Heer. (1)

Nu Judas eenmaal dit duivelachtige besluit had gevormd, vond hij, terwijl hij \'s woensdags met Jesus den tempel bezocht, eene gewenschte gelegenheid om het onopgemerkt ten uitvoer te leggen. Terwijl de Verlosser in de voorhoven zijne leer verkondigde, begeeft hij zich naar de overpriesters en de oversten der tempelwacht, die hij weet tot Jesus\' vijanden te behooren en in den tempel te zijn. (2) In het huis van Grod dus pleegt de trouwelooze apostel zijn afschuwelijk verraad. Hier treedt hij in gesprek met de genoemde lieden, die kennis dragen van de genomen besluiten van den hoogen raad. Hier doet hij het laaghartige voorstel: wal wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? Niet weinig zijn zij, die kij toespreekt, door dit zoo aangename voorstel verrast, en verheugd zijn zij over do onverwachte en gesehik-

(1) De iavloed. dien het gebeurde te Bethanië op het verraad van Judas had, is waarschijnlijk de reden, waarom Martheus en Markus het gastmaal en de zalving te Bethanië hier ter plaatse verhalen, om onmiddellijk daarop het verraad van Judas te laten volgen. Joannes daarentegen houdt de tijdsorde in het oog, want hij zegt uitdrukkelijk, dat het gastmaal te Bethanië plaats greep zes dagen voor .Paschen. Bij Matheus en Markus wordt geen tijdsbepaling gevonden.

(2) Lc. XXI[; 4 noemt niet slechts de overpriesters, maar ook de irr/iaTrtfdi. Deze laatsten komen nog voor Act. IV; 1 ; Act V : 24, 2fi en Lc. XXII : 52. Hieruit blijkt, dat deze lieden dienaars onder zich hadden, om de orde in den tempel te handhaven. Zij waren het waarschijnlijk, die volgens Jo. VII: 33 r?cds dienaars hadden uitgezonden om Jesus te vangen. Ook Flavius Josephus Bell. VI; 5, 3 zegt, dat de rr-/-larrtfuc; in de voorhoven des tempels ht t oppertoezicht had. fn den Talmud wordt hij heer des tempelbergs genoemd. Hij had waarschijnlijk on lergeschikte ambtgenooten, mede mint-rffdl genoemd.

-ocr page 134-

130

te hulp, die een apostel hun aanbiedt, om zich van Jesus\' persoon meester te maken. Slechts één beding hebben zij te maken: liet moet, zoo als in de voorafgaande beraadslaging bij Kaiphas besloten is, in het geheim en buiten toeloop des volks geschieden, (1) Op die voorwaarden bepalen zij dertig zilverlingen tot zijn loon. (2) En de laaghartige Judas laat zich den nietigen prijs van dertig zilverlingen (3) welgevallen. Voor dertig zilverlingen miskent de trouwelooze de rechten der vriendschap; vergeet de ondankbare de teederste zorgen, de lütgelezenste weldaden, de onuitsprekelijke liefde zijns Meesters ; verloochent de ongelukkige Jesus\' wonderen, leer en heiligheid; ja voor dertig zilverlingen verkoopt de verrader de eer, de veiligheid, het leven van den Grodmensch, en maakt hij de afspraak. Hem in afwezigheid der menigten in hunne handen te leveren.

Mocht David klagen, dat, terwijl zijne vijanden zijn ondergang zwoeren, zijn vriend Achitofel met hen zoo schandelijk heulde, hoeveel te meer mocht dan Hij, die door David was afgebeeld, over den ongelukkigen apostel, die met zijn bitterste vijanden samenspande, de droevige klacht slaken;

Ook de man mijns vredes, op loien ik vertrouwen stelde., Hij, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen Mij opgeheven] (4) en andermaal:

O, indien een vijand Mij gelasterd had, Dan zou Ik gewis het verduren kunnen ! En had een, die Mij haat, trotselijk gesproken. Zou Ik Mij wellicht voor hem verborgen hebben. Maar gij, o mensch, met Mij eens van zinnen !

(1) Lc. XXII: 4, 6.

(2) Het Grieksche woord bij Matheus kan beteekenen toewegen, in w;lk geval zij reeds nu den prijs zouden betaald hebben, het kan ook beteekenen vaststellen, bepalen, en deze beteckenis is hier de waar schijnlijkste indien wij Mc. cn L. vergelijken.

(3) Ongeveer 4fi gulden. Zie de tafels aan \'t einde van het werk.

(4) lJs. XL: 10.

-ocr page 135-

Mijn leidsman, mijn vertrouweling!

Die met Mij zoete spijzen genoot!

Eendrachtig wandelden icij in het huis van God. Is Jadas afgebeeld door Achitofel in zijn trouweloosheid, ondankbaarheid, laaghartigheid en verraad j niet minder is hij afgebeeld door hem in zijne straf. De ongelukkige Achitofel vol wroeging en wanhoop verhing zich; helaas ! dit zou ook eens de straf van Judas wezen. (1)

Is het voor Jesus\' minnend Hart een grievende smart, verraden te worden ondanks al zijne liefde door een van de twaalve, gelijk de evangelisten het zoo sprekend uitdrukken, niet minder pijnlijk is voor hem de groote vernedering, dat Hij , de Eengeboren Zoon des Vaders, voor dertig zilverlingen verkocht wordt. Dit maakt ons de profeet Zacharias aanschouwelijk in deze schoono voorspelling, die om hare betrekking tot Jesus\' lijden in haar geheel onze aandacht verdient.

De profeet schetst vooreerst de verwoesting van Palestina door de Romeinen (2) in hoogst verhevene en beeldrijke taal. (Zach. XI)

1. Doe open , Linanon ! (3) moe poorten , en dat het vuur uwe cederen verteere !

2. Huil, o den ! want de ceder valt; de trotschen worden geveld; huilt, eiken Hasans ! want het sterke woud ligt daar neêr ;

3. Het gehuil der herders weêrklinki, want verwoest is hun trots ;

(1) Ps. LIV: 13 Vgl. II Kon. XV: 12, 13 5 XVI en XVII.

(2) In hoofdstuk IX is spraak van den Griekschen, in hoofdstuk X van den Machabeschen tijd. Hierbij sluit zich hoofdstuk XI zeer goed aan, waar van de Romeinsche overheersching spraak is.

(3) De Libanon wordt aangesproken, om zijne poorten, namelijk de toegangen des lands, voor de verwoesting te openen. Het vuur staat hier als zinnebeeld van een verwoestend krijgsleger. Vgl. Osee VIII: 14. Door den den wordt de Antilibanon bedoeld, die vooral met dit geboomte bedekt is Dan volgt Jïasan, en vervolgens de Jordaan met zijne pracht, zijne sierlijk begroeide oevers.

-ocr page 136-

132

het gebrul van den leeuw weerklinkt, loant verwoest is de pracht van den Jordaan!

Na (lozen dichterlijken aanlief geeft Zacharias de reden aan, waarom deze verwoesting zal plaats grijpen. Hij stelt den Messias voor onder het symbool van zijn eigen portoon als een herder, die gesteld wordt over Israël. Israël is als eene kudde schapen , die geen waren herder heeft, maar geslacht wordt door hare bezitters, do Phariseën en voornamen des volks. Dezen zullen dan ook, door den Messias of van God gestelden Herder uit den weg te ruimen, de oorzaak zijn, dat het land door zijn koning, die geen andere is dan Cesar (Jo. XIX : 15), zal verwoest worden.

4. Zoo spreekt Jehovah, mijn God : weid de slachtschapen;

5. Die hunne bezitters slachten zonder zich schuldig te ge voelen, en wier verkoopers spreken ; geprezen zij Jehovah; ik word rijk; en hunne herders sparen ze niet.

6. En niet langer wil Ik de bewoners des lands sparen, zegt Jehovah; en zie, Ik lever ze over een ieder in de hand zijns naasten en in de hand zijns konings, en zij zullen het land verwoesUn. Ik zal het niet redden uit hunne hand.

Nadat God, ofsclioon Hij den onwil van het joodsche volk ziet, den Messias, afgebeeld in den persoon des profeten, als herder heeft aangesteld over de ongelukkige slachtschapen, om zoovelen mogelijk te redden, aanvaardt deze zijne taak. Nu wordt beschreven, hoe de Messias uit medelijden voor de ellenden der schapen(Mt. IX: 36) Zich kwijt van den opgedragen last; hoe Hij Zich hiertoe bedient van tweeërlei herderstaf of tweeërlei middel: van een eersten, dien Hij genade (Mt XI: 28) en van een tiveeden, dien Hij koord noemt, door welken laatsten de geeselen zijner wraak en de bedreigingen zijner rechtvaardigheid schijnen aangeduid te worden (1).

(1) Met Ilebreeuwsche woord, dat hier voorkomt wordt verschillend ver-

-ocr page 137-

Ook moest Hij, wilde Hij ie ellenden der schapen voorkomen, hen aan hunne herders, of liever hunne verdrukkers, onttrekken, die ze slechts ter slachting geleidden. Daarom maakte Hij de drie herders, waaronder waarschijnlijk de oudste des volks, de schriftgeleerden ea de overpriesters worden verstaan , gedurende den tijd zijner openbare prediking onscha-deiijk, door tegen hen als ware herder op te treden.

7. En ik weidde de slachtschapen, uit medelijden met de ellenden der kudde; (V) en Ik nam Mi) iioce staven; den eamp;nen noemde Ik genade, en den anderen noemde Ik koord; en Ik weidde de schapen.

8. Rn Ik vernietigde de drie het ders in ééne maand ; want mijne ziel teas ontvreden over hen, en ook hunne ziel was van Mij afkeerig.

Toen nu zijn weiden na zekeren tijd vruchteloos bieek, verbrak de Messias den staf zijner ge. ade en verwierp Hij het volk van Israël

9. En Ik sprak: Ik wil u niet (meer) weiden; wat sterft, sterve; wat geslacht wordt, worde geslacht; en wat overblijft, verslinde de ecne des anderen vleesch.

10. En Ik nam mijn staf genade, en Ik verbrak dien, om te vernietigen mijnen hond, dien Ik gesloten heb met alle de volkeren (2).

11. En hij werd te niet gedaan ten dien dage; en alzoo erkenden de ellendigen der kudde, die op Mij acht gaven^ dat dit het woord des Heeren is.

Nu ook, nu Hij Israël niet langer weiden wil, vraagt do Herder van dat ongelukkige volk zijn loon voor al het goede, dat het van Hom heeft genoten.

taald. De vulgaat, bij welke ik mij heb aangesloten, heeft: koord of snoer. Dereser vertaalt smart; anderen vertalen verbondtfien -.net het oog op het verbond tusschen Juda en Israël v. 1-i.

(1) Ik volg hier het Hebreenwsch. De vulgaat heeft om dit o ongelukkige n der kudde^ waar dit terugslaat op v. 6.

(2) Hieruit blijkt, dat de Messias spreekt door den persoon des profeten. Vgl. Ezechiël XXXIV t 23—25 j Osee II : 18. Dit bl^kt mede uit v. 13, waar de prijs des herders voorgesteld wordt als prijs van Jehovah.

-ocr page 138-

134

12. En Ik sprak tot hen : wanneer het goed is voor uwe oogen, en geejt Mij mijn loon; bijaldien niet, zoo laat het. En zij wogen Mij toe tot mijn loon: dertig zilverlingen.

13. En Jehovah sprak tot Mij: werp hem den pottehakker toe, den heerlijken prijs, dien ik van hen geschat ben. En Ik nam de dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis des Heeren voor den pottebakker.

Alzoo worden al de goedheden van Israels Herder, van den Messias, door het volk, hetgeen Hij geweid heeft, slechts dertig zilverlingen waardig gekeurd. Een God wordt slechts geschat op den prijs, van een slaaf. (Exod XXII. 32) Een heerlijke prijs waarop Ik van hen geschat ben ! zoo spot de Heer met bitterheid en met verachting. Werp dat schandelijk geld weg! Het mag de prijs van een Grodmensch niet blijven; werp die zilverlingen in den tempel voor den pottebakker.

De vervulling dezer wonderbare profetie in aangevangen. De afspraak is gemaakt, en de trouwclooze verrader haast zich, om zich weder bij Jesus en bij de apostelen te vervoegen, als ware er niets gebeurd. Van nu af zoekt hij slechts eene geschikte gelegenheid om Jesus ten bekwamen tijde over te leveren buiteu het bijzijn der scharen, Op woensdag ecliler wil het hem niet gelukken, wijl de Heer Zich reeds vroeg naar Bethanië begeeft, en daar Zich bevindt in het midden zijner uitgolczenste vrienden.

§ 2. Voorbereiding van den Paaschdisch. Mt.XXVI: 17-19; Mc. XIV; 10—17; Lc. XXII;7-13.

Jaar der J. P. 4743; na R. st. 783; gesv. jt. 30.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

God had tot Moses en Aaron gesproken ; gij zult dezen dag (waarop het paaschiam geslacht wordt), tot eene gedachtenis houden, en dien plechtig vieren voor den Heer in uwe nakomelingschap door immer-

-ocr page 139-

durenden eeredienst. Zeven dagen zult gij ongezuurde brooden eten; op den eersten dag zal er geen zuurdesem in uwe woningen zijn; al wie gezuurd brood eet van den eersten af tot don zevenden dag, diens ziel zal uit Israël ten verderve gaan. De eerste dag zal heilig en pleelitig zijn, en de zevende dag zal in eere zijn door dezelfde feestelijkheid; niets geen werk zult gij alsdan (den lsten en 7den dag) verrichten, uitgenomen hetgeen de spijzen betreft ... In de eerste maand, op den veertienden dag des avonds zult gij ongezuurd brood eten tot op den een-en-twintigste derzelfde maand des avonds (Exod. XII: 14—18). Ge lijk uit deze woorden blijkt had God eigenlijk zeven dagen verordend, gedurende welke de Israëlieten ongezuurd brood zouden eten ; doeh daar men den veertienden Nisan des avonds hiermede een aanvang moest maken, zoo hadden de angstvalligheid der Phariseën en het gebmik van lieverlede in Judea een halven en in Galilea een geheelen dag hierbij gevoegd, en telde men nu eens zeven dan weder acht dagen der ongezuurde brooden, (1) gelijk ten tijde des Verlossers vrij algemeen in zwang was.

Hetzij de Evangelisten op dit gebruik doelen, hetzij zij, omdat op den avond van den 14tlen Nisan geen gezuurd brood meer mocht genuttigd worden, dien geheelen dag tot de dagen der ongezuurde brooden rekenen, zij melden ons, dat op dien 14dequot; Nisan, den eersten dag der ongezuurde brooden, wanneer men

(1) Joseph Antiq. 111:10. 5 noemt den 15^quot; Nisan den tweeden der azyma. Vgl ook Anliq. 11:15, 1. Bij Philo is echter de XVde Nisan de azyma of eerste der ongezuurde brooden. Pesachim c. 1. n. 1. nocte decimi quarti inquirunt de fermentis. — Zie ook Maimonides ter dezer plaatse. Tot elf uur onze tijdrekening mocht mcu echter volgens Pesa-chim 1 : 1 nog gedesemd brood nuttigen. Des middags werd het gezuurde brood verbrand. Daarna mocht het niet meer gegeten worden. Volgens de Gemara Hierosol. Chagiga 3, \'7 was de vooravond van Paschen even heilig als het feest. Hieruit zien wij, dat de I l^e Nisan ten tijde des Verlossers de l^e dag der ongezuurde brooden was.

-ocr page 140-

i36

het Paaschlam moest slachten, Jesus Petrus en Joannes uit Bethanië naar Jerusalem voorop zond met het gevichtige bovel; gaat en bereidt voor ons hut Paaschlam, opdat wij het eten. Petrus word door den Goddelij -ken Verlosser hiermede belast, omdat hij het verKo-zene hoofd der twaalf apostelen was, en het hoofd des gezins het lam moest slachten. Joannes moest hem als getuige vergezellen, omdat hij de lieveling des Heoren was, die ook liet offer van het Paaschlam dor nieuwe wet zou zien voltrekken aan het kruis (1). Welke zoete vreugde stortte dit woord des Heeren in de harten der twee minnende apostelen ! Met de meest mogelijke bereidvaardigheid vroegen zij Jesus; waar wilt Gij, dat wij het U bereiden ?

De Heer, bekend a!s hij was met den toeleg van Judas, om dien trouwelooze bij het laatste Paasch-maal tot geen verraderlijke stoornis in staat te stellen, vermeed eene duidelijke aanwijzing der plaats. Hij sprak op geheimzlnnigen toon. terwijl hij tevens een schitterend blijk gaf zijner Alwetendheid, en het geloof en de liefde zijner twee apostelen beproefde : gaat heen naar de stad; ziet, als gij ze binnentreedt, zal u een man ontmoeten, die eene waterkruik draagt; volgt hem in het huis, waar hij ingaat, en zegt tot den huisvader dier woning: de Meester zegt u : mijn tijd is nabij; bij u houd ik het paaschfeest; waar is mijne eetzaal, waar Ik met mijne leerlingen hei Paaschlam zal eten? En hij zal u aanwijzen ccn groote opperzaal, die gehed toebereid is ; en aldaar zxdt gij het ons gereed maken.

Het is alles bepaald aangewezen. Bij den ingang der stad wacht hun de toevallige ontmoeting van een dier lieden, die op gestelde lijden het water uit de

(1) Door Petras, zegt Ludolphus van Sa::cn. worJt het goede werk door Joannes de godvruchtige beschouwing te kennen gegeven, die het I\'ascha bereiden, namelijk die geschikt maken om Christus\' heilig lichaam waardig te ontvangen. Anderen beschouwen Petrus als vertegenwoordiger van het geloof, en Joannes als vertegenwoordiger der liefde.

-ocr page 141-

187

afgelegen bronnen haalden en naar de woningen droegen (1). Dezen, met zijne waterkruik beladen, hebben zij sleehts te volgen in het hnis, waar hij binnengaat. Daar behooren zij den huisheer, die Jezus en zijne apostelen kent, te verwittigen, dat zijne woon volgens het bestaande gebruik verkoren is, om er het Paasch-feest te vieren, en hij zal gewillig hun de bedoelde plaats aanwijzen.

De twee apostelen volvoeren stipt Jesus\'bevel. Zij gaan over den Olijfberg, dalen van daar in de vallei, en treden waarschijnlijk de stad binnen door de Bron-pooit (2), die bij de fontein Siloë aan de oostzijde der stad gelegen is. Hier ontmoeten zij den aangewezen waterdrager, die zoo juist met zijne waterkruik van de bron terugkeert. Zij volgen hem, waar hij langs

•^-1 ilr\'*

\' X v r-

- • i\'•

(1) Dit is een algemeen Oostersch gebruik. Jo. iV ; 7, 28.

(3) Om ons een eeaigszins juist denkbeeld te vormen van Jerusalems poorten, moge hrt volgende dienen.

Heden bestaan 1° de Damaskuspoort, (Kab-el-amoed) ook Zuilenpoort,

Ephraïms poort, en Oude poort (Nehem. 111; 0) genoemd, ten noorden.

2° dejaffapooit ten westen, (Bab-el-Chalil).

3° de Sionspoort ten zuidwesten (Bab-Ssahioen).

•i\'gt; de Mistpoort, ook kazenmakers poort genoemd (Nell. Ill: 14) in onbruik en meestal gesloten. A 5° de Kleine poort, toegemetseld, een weinig ten zuiden der Guldenpoort.

0° de Gulden poort, toegemetseld, arm de oostzijde.

de Stephanie poort (Br.b-sitti-Mrirjïini) ar.n ue oostzijde ten noorden.

Oudtijds bestonden, zooals bei boek Nehemias ze opgeeft, in volgorde :

1 ° de Schaapspoort CNehem. Ill: 1), ook soms Leeuwenpoort genoemd, gelegen ten oosten, daar ongeveer, waar men de hedendangsehe Stepha-nuspoort aanwijst.

2° de Viscbpoort (Nehem. III: 3) aan dezelfde oostzijde doch meer ten

noorden dan de voorgaande.

» de Oude poort, dezelfde als de Damaskuspoort, in het noorden der stad (Neh. III: 6).

4° de Dalpoort (Neh. 111:13. Vgl. 11:13) aan de n\'estiijde ten noorden van den Sionsberg.

5° de Mistpoort \'quot;\'ch. III: 14), ook kazeumakerspoort, ten zuiden der stad tusschen den Sionsberg en Ophel, bij den uitgang van het Tyropeondal.

(i0 de Bronpoort bij de fontein Siloë, zooals blijkt Neh. III: 15. Vgl. II: 14

aan de oostzijde van Ophel, zoodat Ophel als eene berghelling ligt quot;

tusschen de Mist- en Bronpoort.

■\' 4

i; ;

-ocr page 142-

138

üphel zich naar den Öioiiabeig begeeft, en treden achter hem een vrij groot huis binnen, aan de zuidzijde der stad gelegen. Hier volbrengen zij bij den huisheer den last, dien Jesus hun heeft opgedragen. Nauwelijks lieeft deze dan ook hunne boodschap vernomen, of hij wijst hun eene ruime opperzaal aan, die ten hoogste geschikt is voor het beoogde doel* Deze zaai zal de eerste kerk (1) worden van het Nieuwe verbond, ingewijd door de komst van het vleeschgeworden Woord en van zijne apostelen. Zij zal het heiligdom zijn, waar de eeuwige Hoogepriester Zich zelf eigenhandig als Paaschlam der Nieuwe quot;Wet zal opdragen. Hier zal de verrezene Verlosser zijne bedrukte apostelen door zijne blijde verschijning vertroosten. Hier zal de H. Geest afdalen onder de gedaante van vuur over Christus\' pas gestichte Kerk. Hier zal volgens de overlevering de maagdelijke Moeder des Heeren sterven, om daarna even als haar Goddelijke Zoon met ziel en lichaam te deelen in de heerlijkheid der onbevlekten.

Hier alzoo bereiden de twee apostelen den Paasch-disch, en nemen\'gewis daarbij tot richtsnoer het voorschrift in den aanvang door God reeds aan Moses

Xog wordt genoemd buiten die zes, welke behalve de Gulden- en Kleine poort ten tijde van Christus bestonden, de Gennathpoort of Tuinpoort, ook porta ferialis. Zij was gelegen ten noorden van Sion, doch viel later binnen de stad, waar hare overblijfselen nog bestaan.

Verder de Gerechtspoort, porta judicialis; zij lag aan de westzijde, dicht bij Golgotha.

De poort van Herodes ligt nog heden in den noordelijken muur dei stad, aan de oostzijde, doch zij is toegemetseld.

Eindelijk de poort der Ess enen lag ten zuiden van den Sionsberg.

(1) Deze kerk bleef tot in de twaalfde eeuw bestaan, toen zij eerst door Saladin en later in 12-1^ door de Charesmiërs verwoest werd. Epiphanius de pondere et mensura c. 4 getuigt, dat na dc verwoesting van Jerusalem ten tijde van Hadrianus de kleine Christelijke kerk nog bestond, waar dc apostelen na Christus\' hemelvaart zich van den Olijfberg heen begaven, toen zij naar het coenaculum gingen. Ook Cyrillus van Jerusalem heeft haar gekend.

-ocr page 143-

130

gegeven; „Op den tienden dag der maand (Nisaii) neme ieder voor zijn gezin en zijn huis een lam. Douli indien het getal te gering is, zoodat zij niet vermogen het lam te nuttigen, zal hij den gebuur, die aan zijn huis grenst, er Lij noodigen, tot dat het geta^ zielen voldoende is om het lam te eten. (1) Het zal een vlekkeloos, eenjarig lam zijn. ... en gij zult het bewaren tot aan den veertienden dag dezer maand, en des avonds zal de gehoele menigte van Israels kinderen het slachtofferen. . . . En zij zullen des nachts zijn vleesch eten in het vuur gebraden, met ongezuurde brooden en wilde latuw. Niets zult gij er van eten rauw of in het water gekookt ; liet hoofd, de schenkels en het ingewand zult gij eten. Niets zal er tot \'s morgens van overblijven ; blijft er iets over; zoo zult gij het in het vuur verbranden. In dezer voege zult gij het eten : uwe lendenon zult gij omgorden, en schoeisels zult gij hebben aan de voeten, en stokken in de hand, en met spoed zult gij het eten, want het is Phase (dat is voorbijgang) des Heeren. (Exod. XII; 3-11)

Petrus en Joannes hadden alzoo voor een Paasch-lam, ongezuurde brooden en bittere kruiden (2) te zorgen, terwijl volgens Israëlitisch gebruik bij den paaschdisch roode wijn, vermengd met een vijfde deel water, moest gedronken worden. (3) Hierbij werd nog volgens het gebruik eene toespijs gevoegd, cha-roset genoemd. (4) Dit alles brachten de apostelen

(1) De gewoonte bepaalde, dat er niet minder dan tien; niet meer dan twintig personen moehteu wezen. Fl. Jos. Bell. VI ; \'J, 3.

(2) Deze bittere kruiden waren volgens Maimonides, de fermento et azymo c. 7 § 13 latuw, selderij, mierikswortel, peterselie, kervel en kers. Friedl. bl. 52. Sepp. V. bl. 5ö.

(3) .Volgen.- Maimonides ad Schebat c. 8 n. 1, bij Friedl. bl. 63 Sepp. V. bl. 60.

(4) Het Charoset was eene brei, toebereid uit dadels, vijgen, amandels, noten en andere vruchten, die met azijn gekookt, en met kaneel en andere specerijen vermengd werden. Maimon. in Pesach c. 7. 11 bij Friedl.

-ocr page 144-

140

in gereedheid; zij bereidden vervolgens ook de tafel en overdekten ze met wit linnen.

Eindelijk begaven zich Petrus en Joannes naar den tempel, waar met de uur het offeren dei-lammeren een aanvang nam, om het paaschlam, dat hiertoe misschien reeds sedert Jesus\' plechtigen intocht of den 10den Nisan uit Bethanië naar Jerusalem was gevoerd en door liesi op eene bepaalde plaats in gereedheid was gehouden, ten slachtoffer op te dragen. In de woningen toch werd hot gegeten, maar in den tempel geofferd. Petrus en Joannes slachtten alzoo gelijk iedere Israëliet eigenhandig hun lam. terwijl de priesters, die, voorzien met gouden en zilveren schalen, zich in grooten getale in het voorhof bevonden, als alleen daartoe gemachtigd, het bloed opvingen en plengden op het altaar der brandoffers.

Vervolgens teruggekeerd in het huis met het geslacht offerde paaschlam, bereidden de apostelen het verder voor den paaschdisch, door het volgens voorschrift geheel en al, de voornaamste ingewanden, hart en lever, niet uitgezonderd, in het vuur te braden. Met één woord, zij zorgden dat alles in gereedheid was, en dat op het bepaalde uur met het ondergaan der zon en het opgaan der sterren de paaschdisch een aanvang kon nemen. Alsdan toch moesten volgens bestaande gewoonte al de toebereidselen gemaakt zijn, en zette men zich aan tafel.

Niet zonder beteekenis waren al deze toebereidselen. Het paaschlam herinnert aan het bloedig offer, dat bij de verlossing der Israëlieten uit Egypte\'s slavernij werd opgedragen. De ongezuurde brooden roepen den spoed bij Israëls uittocht voor den geest en de bevrijding van afgoderij en boosheid. De bittere kruiden doen denken aan het lijden, dat aan Israëls redding was voorafgegaan. Zoo is ook het Paaschlam van het JSIieuwe Verbond een offer, maar van oneindige waarde, waaraan allen, die tot het volk des Heeren

-ocr page 145-

J 41

behoor en hunne volkomene verlossing uit de kluisters van Satan en uit het diepste verderf hebben te danken. Aan dat offer moeten wij deelnemen zonder den zuurdesem der pltariseen of zonder schijnheiligheid, en wij moeten ons herinneren, dat Christus oprechtheid en waarheid ous heeft gele-crd. De bittere kruiden zijn het zinnebeeld van de innige droefenis, die ons hart daarbij moet vervullen, terwijl wij denken aan de vreeselijke smarten, die aan onze bevrijding zijn voorafgegaan en overwegen, welk een ontzettend lijden Gods Zoon in onze plaa.ts eens van de machten der duisternis om onze zonden heeft verduurd.

§ 3. De Paaschdisch.

Mt. XXVI: 20-21, 29; Mc. XIV: 17—18, 25;

Lc. XXII: 14—18.

Jaar der J. P. 4742 ; na R. St. 782; g w. jt. 29.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Voor de laatste maal nam de Heer, terwijl de avond naderde, afscheid van het Hem zoo dierbaar Bethanië. Voor de laatste maal in zijn sterfelijk leven naderde Hij Jerusalem, de ongelukkige stad, die Hem den volgenden dag zou kruisigen, O gewis een traan van medelijden en liefde glinsterde in zijn Goddelijk oog, terwijl Hij voor de laatste maal van den Olijfberg op haar nederblikte!

Nog voor dat de dag geëindigd is, bevindt Jesus zich reeds met zijne geliefde apostelen in de zaal, door Petrus en Joannes voor den paasehdisch bereid. Stellen wij ons haar zoo duidelijk mogelijk voor oogen.

Het is eene ruime, met kruisbogen overwelfde bovenzaal. Zij is verlicht door het helder licht van een of meer paaschlampen, die aan de gewelven zijn opgehangen, of op standaarden geplaatst (1). Op

(1) Sepp. spreekt, deel V. bl. G4 van eene Sabbathlamp met twaalf lichten, doch meldt niet op welk gezag hij steunt.

-ocr page 146-

\\42

den vloer liggen schoone tapijten uitgespreid (l). In een cirkel of halvemaansgewijze zijn de lage tafels geplaatst, (2) waarop het gebradene paaschlam en de vereischto paaschgereehten zijn opgediend, on rondom deze zijn dertien rustbedden aangebracht, bestemd voor den Heer en de twaalf apostelen. Want het voorschrift om het paaschlam staande te eten schijnt slechts verbindend geweest te zijn bij Israels vertrek uit Egypte ; later vinden wij het meermalen genuttigd, terwijl men ter tafel aanlag. (3)

De Zaligmaker legt zich na de handenwassching en het gebed met zijne twaalf geliefde apostelen neder aan den Paaschdiseh. Jesus neemt de eereplaats in in het midden. Aan de eene zijde of aan het hoofd zien wij Petrus en steeds opklimmende Andreas, Philippus^ Bartholomeus, Thomas en Mat-theus; aan de andere zijde, in den schoot of aan do horst des Heeren bespeuren wij Joannes, en verder opwaarts klimmende Jakobus zijn broeder, Jakobus den mindere. Judas Thaddeus, Simon en Judas Ischkarioth (4).

De eerste wijnbeker wordt gezegend (5), en de paaschdiseh neemt een aanvang. Hoe kon het anders, of de innigste liefde vervulde daarbij het Heilig Hart van den Godmensch, en teedere toegenegenheid was op zijn aanbiddelijk gelaat en in zijne stralende blik-

(1) Strahwi, EjGTpiDfiévov. dat is met tapijten, tafels en rustbedden voorzien.

(3) Deze was de meest gebruikelijke wijze. Intusschen werden de tafels op verschillende wijzen geplaatst, en is niets met zekerheid hieromtrent bij het laatste avondmaal aan te geven.

(3) II. Pesach f. 37. 2; f. 108. 1.

(4) I Iet is onmogelijk met zekerheid de juiste plaatsing der apostelen b ij het laatste avondmaal aan te geven. Dit alleen schijnt genoegzaam zeker, dat jesus in het midden, Joannes aan de eene zijde en Petrus aan de andere zijde aanlag. Het overige is slechts gissing.

(IS) Zie dit alles behandeld bij den zeer Kervv. Pater R. J. Pierik : de lijdende Jesus.

-ocr page 147-

ken te lezen. Zijn lijden was op handen. Het afscheid van zijne dierbaren ging plaats grijpen. O hoe innig welkom was het Hem nog oenmi al, voordat ditoogenblik aanbrak, aan dion paaschd;sch vereenigd te zijn met al de zijnen. Zijne minnende ziel stort zich dan ook nit in de veelbeteekeneude woorden: met verlangen heb Ik verlangd, dit Pascha met u te eten, voor dat ik lijde. Want Ik zeg u. dat Ik voortaan niet meer daarvan eten zal, tot dat het vervuld zal zijn m het rijk Gods. Reeds vroeger had Hij met edelmoedige liefde verzucht : Ik hch met een doopsel gedoopt te worden, en hoezeer worde Ik beklemd, tot dat het voleindigd worde! En thans geeft Hij op nieuw te kennen, dat die offervaardige gevoelens zoo mogelijk nog immer bij Hem zijn toegenomen. Allervurigst verlangt Hij naar den stond, (1) dat Hij het groote werk der verlossing door zijn offerdood zal voltooien. Maar tevens begeert Hij in \'t bijzonder vóór dien stond nog dit paaschmaal met hen te houden, om daarbij een nieuw en eeuwig verbond van liefde met de zijnen te sluiten, hun de laatste maar tevens de hoogste gave der liefde als bij testament te schenken, en eindelijk het Pascha des ouden Verbonds te vervangen door den Paaschdisch van het rijk God? of van de Kerk, die Hij komt stichten, en die hare voltooiing te gemoet gaat.

En als of Hij die gevoelens niet genoeg kan uitdrukken, zegt Hij na den eersten paaschbeker gezegend en waarschijnlijk hierover het voorgeschrevene gebed (2) uitgesproken te hebben, terwijl Hij dien be-

(1) Met verlangen heb ik verlangd een hebraïsme voor: vurig heb Ik verlangd.

(2) Volgens den H. Lukas zijn deze woorden in den beginne gesproken, volgens Mattheus eerst na de instelling der Eucharistie. Wij behooien schier als altijd hier den li. Lukas te volgen 1quot; om het verband met het voorafgaande; 2° om het verband tusschen Lukas XXII: 10 en 18 ; 3° omdat deze woorden niet van de Eucharistie kunnen gezegd zijn, na welker instelling deze woorden dadelijk voorkomen bij Mattheus en Markus. Deze

-ocr page 148-

144

ker aan de apostelen toereikt; neemt c.n deelt dien onder u, want voorwaar Ik zc(j u: Ik zal van de vrucht den wijnstoks niet meer drinken, tot dat het rijk Gods gekomen zal zijn, tot op dien dag, dat Ik ze opnieuw met u zal drinken in het rijk mijns Vaders.

Wolk een bewustzijn van het nabij zijnde lijden, maar tevens van zijne toekomstige opstanding en heerlijkheid 1 Aan den eenen kant is dit maal Hem een afscheidsmaal van zijne uitgelezene vrienden, aan den anderen kant zweeft Hem reeds de vreugdevolle maaltijd voor den geest, die Hem met hen zal vereenigen in het rijk zijns Vaders. Welke zoete opbeuring voor de zijnen, dat Hij in het rijk zijns Vaders ten dage zijner verrijzenis op nieuw reeds den paaschwijn met hen zal drinken! (Vgl. Lc. XXIV: 43, 44). De vreugdewijn van het Oude Verbond is verouderd, dan zal het een nieuwe vreugdewijn zijn. „Hij moet dien drinkenquot; zegt de H. Chrysostomus, „op eene nieuwe „ongehoorde en geheel wonderbare wijze; want ver-„rezen zijnde in een onlijdelijk, onsterfelijk, onver-„derfelijk lichaam behoefde hij geen voedsel meerquot; (hom. LXXXII in Mt). Dan zullen de zijnen Hem zien komen in zijn rijk (Act. X: 41). Ot nog troos-tender is het vooruitzicht, dat Hij aan de zijnen scheukt, nu Hij ze gaat verlaten, indien Hij, gelijk waarschijnlijker is, met deze woorden op het eeuwige gastmaal wijst, waar het immerdurend Paschen in eeuwige vreugde zal gevierd worden, en zij met Hem die onzichtbare spijze en drank zullen genieten, die door de menschen niet gezien wordt en de engelen verheugt (Tob. XII; 19). Gaat Hij lijden en sterven, Hij zal hun het rijk der heerlijkheid schenken, het ware en eeuwige Pascha, den nieu wen en ongekenden vreugde wijn. Ik beschik voor u een rijk, herhaalt Hij

evangelisten plnatsten deze woorden aan het einde van liet avondmaal, om uit te drukken, dat dit het laatste op aarde, doch de voorsmaak van liet eeuwige en hemelsche gastmaal zou zijn.

-ocr page 149-

146

nog dienzelfden avond, gelijk de Vader voor Mij beschikt heeft, opdat gij etet en drinket van mijne tafel in mijn rijk. (Lc. XXII : 29—30).

§ 4. De voetwassching. Judas\' verraad voorspeld.

Joann. XIII: 1—20.

Jaar der J. P. 4742; na R. St. 782; gew. jt. 21).

Donderdag, 14^6 Nisan, 17 Maart.

De paaschdisch was afgeloopen. en het gewone avondmaal zou een aanvang nemen (1). Maar voor Jesus en zijne apostelen zou het geen gewoon avondmaal zijn. Had de Godmensch de zijnen, zijn beminde leerlingen, die in de wereld waren en na Hem daar moesten blijven, steeds innig bemind en hun de sprekendste bewijzen dier Goddelijke liefde gegeven, dan zou Hij op dezen grooten avond voor den dag van Paschen (2) in het volle bewustzija, dat zijn uur naderde,

(1) Na het eten van het Paaschlam volgde blijkens de overlevering der joden een gewone maaltijd, die besloten werd door het nuttigen van een klein stukjen des paaschlams en het drinken van don vierden paaschbeker. Maimon. Hilcoth Camez. § 0. Bartenora in Pesach. C. X. §8. Hierop slaat mijns inziens het coena facta bij Joann. XIII : 3, zoodat de voetwassching heeft plaats gegrepen na den maaltijd van het paaschlam en vóór den gewonen maaltijd, waarbij de Eucharistie is ingesteld. Dit blijkt uit het ctim recubuissel iterum Jo. XIII: 12 en het coenantibus cis, Mt. XXVI: 20; Mc. XIV: 2-2. Ook vermeldt Lukas uitdrukkelijk een tweevoudigen maaltijd XXII: 14—18 en 19—20.

(2) Volgens Beelen en Patrizzi volgt Joannes, daar hij dit meer dan 60 jaar nadat het gebeurd is, verhaalt, en vooral schrijft voor Grieken, hier de Grieksche spreekwijze, die hunne feestdagen rekenen van middernacht af. Volgens de H. Thomas, Franoiscus Costerus S. J. en anderen kon hij ook naar der joden wijze zoo spreken, want wij lezen in Deuter XVI: 6 ótj den opgang der zon (den 15tl=n Nisan) is het feest van uwen uittocht uit Egypte. Zie den Zeer Eerw. Pater R. Pierik S.J. lijdende Jesus 1 D. bl. 191, waar hij dit opgeeft als het gevoelen van Langen. Weder anderen, zooals Oosterzee, trekken ante dient festum Paschae bij cuvi dilexisset suos en onderscheiden deze bewijzén van liefde vóór van die bij het Paaschfeest. Nog anderen trekken ante dient festum Paschae bij sciens. Nog een andere verklaring geeft Bisping, die echter al te gezocht is, volgens welke men te Jerusalem den 13d=n en daar buiten den 14iien Nisan geteld zou hebben. Naar mijn inzien behooren de woorden

10

Het offer van J. C. I.

-ocr page 150-

146

om uit deze wereld over te gaan tot den Vader en diens Goddelijke heerlijkheid te deelen, hen beminnen

anlt diem festum Paschae bij in finem dilexit eos, en moeten zij beschouwd worden als gevende den vooravond te kennen van den natuurlijken feestdag, die met zonnenopgang begon.

Geheel ten onrechte besluit men alzoo hieruit, dat in het vierde evangelie het laatste avondmaal gesteld wordt op den ]3den en bij de synoptici op den 14den Nisan des avonds. Evenmin kan dit bewezen worden uit de vijf andere plaatsen van Joannes, die men aanvoert.

Vers 1 staat op zich zelf, en moet niet verbonden worden tot eenen volzin met de vier volgende verzen. Het is eene algemeene inleiding tot Jesus\' handelingen bij het laatste Avondmaal, /n finem beteekent niet tot het einde zijns levens, maar ten uiterste toe, en slaat op beminnen, gelijk Beelen terecht bemerkt.

Drie evangelisten, Mattheus, Markus en Lukas zeggen ons duidelijk, dat de Heer het Paaschfeest met de joden heeft gevierd. Volgens Mt. XXVII; 17 komen de leerlingen tot Jesus op den eersten dag der ongezuurde broaden met de vraag: waar wilt gij, dat wij hei Pascha bereiden, en eet de Heer dien eigen dag het Pascha met zijne leerlingen, terwijl alles genoeg aantoont, dat het Pascha op dien dag mede door de overige joden gegeten werd. Markus verhaalt, dat de Heer het Pascha at met de zijnen op den eersten dag der ongezuurde brooden, als zij het Pascha slachten. (Zie Mc. XIV; 12, 14—17.) Lukas zegt nog duidelijker, dat dit alles plaats had op den dag der ongezuurde brooden, wanneer het Paaschlam moest geslacht worden (Zie Lc. XXII: 7—13; 15). Niets doet ons in deze verhalen denken aan een anderen dag dan het gewone feest der joden; ja verscheidene uitdrukkingen wijzen duidelijk de joodsche feestviering aan.

Het verhaal van Joannes heeft zes verschillende plaatsen, die eenig bezwaar opleveren.

De eerste is Jo. XIII: 1, doch wij kunnen zeer goed de uitdrukking, die hier voorkomt, verklaren van den natuurlijken feestdag van Pascher, die met zonnenopgang begon. Wij moeten niet uit het oog verliezen, dat Joannes voor Grieken schreef, gelijk wij zoo even reeds opmerkten.

De tweede plaats is Jo. XIII; 2. De maaltijd, die hier niet nader omschreven wordt, kan evenzeer van den maaltijd des Paaschlams als van elk anderen maaltijd worden verslaan. Door de synoptici blijkt, dat de eerste zin de ware is. Zie bl. 149 in de aanteeken. en bl. 145 in de l51\' aanteeken.

De derde plaats is Jo. XIII: 29. Doch koopen en verkoopen was op het Paaschfeest toegestaan.

De vierde plaats is Jo. XVIII: 28. Hier worden de Paaschoffers of chagiga bedoeld. Zie hetgeen bij de aangehaalde plaats gezegd wordt.

De vijfde plaats is Jo. XIX : 14. Het Parasceve (of de voorbereiding) van Paschen beteekent hier niets anders dan liet parasceve of de

-ocr page 151-

147

tot het einde toe, en de bewijzen zijner liefde zoo verre drijven, als zij slechts konden gaan. Die zich

voorbereiding van den Sabbath, die tot de dagen van het Paaschfeest behoorde. Men merke op, dat het woord Parasceve in het evangelie zoowel als bij Josephus slechts gebezigd wordt met betrekking tot een sabbath en niet tot een feestdag. Zie Mt. XXVII: 62: Mc. XV: 42; Lc; XXIII: 54; Jo. XIX; 42.

De laatste plaats is Jo. XIX: 31. Deze plaats kan zeer gevoegelijk in den zin verstaan worden, dat die sabbath, wijl hij viel in de Paasch-week, bij uitstek verdiende groot te heeten.

Uit dit alles blijkt, dat ook volgens Joannes de sterfdag des Heeren het Paaschfeest han zijn geweest. Ja het is bewijsbaar, dat volgens dien evangelist die sterfdag geen andere dan het Paaschfeest is geweest.

1° Joannes noemt den dag, die op Jesus\' sterfdag volgde, den groo-ten Sabbathdag. Waarom noemde hij hem niet Paschen, indien op dien dag het Paaschfeest inviel? Jo. XXI: 31.

2° Joannes wijst uitdrukkelijk den lijdensdag des Heeren als het Paaschfeest aan, wanneer hij Pilatus laat zeggen: het is bij u gewoonte, dat ik eenen loslate op het Paaschfeest. Wilt gij dus, dat ik den koning der joden vrijlate? Jo. XVIII: 39.

8° Jesus is volgens Jo. XII: 1 zes dagen voor het Paaschfeest te Bethanië aangekomen. Ware het Paaschfeest op een Sahbath gevallen, dan zou Jesus op een Sabbath te Bethanië zijn aangekomen. Dit is eehter geheel onaannemelijk, wijl men op den Sabbath niet mocht reizen. De Heer kwam dus vrijdags te Bethanië aan, en zes dagen daarna, donderdag \'s avonds, begon het Paaschfeest.

Dat Jesus op het Paaschfeest buiten de stad ging, dat men vonnisde en het vonnis ten uitvoer legde, dat men Jesus begroef, bewijst niets hier tegen, wijl dit alles op den Sabbathdag doch niet op het Paaschfeest verboden was. Dit blijkt reeds genoeg uit Mt. XXVI: 5; Jo. XIX: 39. Men vergelijke ook Betza Hieros. c. 5. § 2. Mischna Jom. tob. c. 1, 2 et seq.

Een ander bezwaar is, dat, indien Paschen op vrijdag viel, de tweede dag der ongezuurde brooden op een Sabbath moest vallen. Hieruit zou dan volgen, dat Pinksteren dit jaar niet een zondag maar een Sabbathdag zou geweest zijn, wat strijdt met de overlevering. Bij Josephus toch lezen wij: op den tweeden dag der ongezuurde brooden, die de zestiende is dezer maand (Nisan) begint men de vruchten van den oogst, die tot hiertoe onaangeraakt zijn, te genieten. En daar het billijk gevonden werd, dat God, de Gever dezer vruchtbaarheid, door de menigte gedankt zou worden, dragen zij Hem alsdan de eerstelingen op der garst (Ant. libr. 2 c. 10). Daar dus deze tweede dag der ongezuurde brooden, indien Paschen op vrijdag viel, een Sabbath was, zou de vijftigste dag daarna of Pinksteren weder een Sabbath geweest zijn. Want wij lezen in het boek Leviticus c. 23: verder zult gij van den anderen dag na

-ocr page 152-

148

zelf niet beperkende liefde toonde Jesus hun dezen avond in alles, in het paaschmaal, in de voetwassching, in zijne onderrichtingen, in zijn hoogepriesterlijb gebed en boven alles in de algeheele gave van Zich zelf bij de instelling van het Eucharistisch offer. Zijne liefde hield niet op te geven, vooraleer zij als het ware niets meer te geven had.

dien Sabbath, van den dag, waarop gij de garve der eerstelingen hebt opgedragen, zeven volle weken tellen tot aan den anderen dag na het einde der zevende week, dat is vijftig dagen; alsdan zult gij een nieuw spijsoffer den Heer opdragen. Lev. ^XI11:15—16, Het gevolg zou dus zijn, dat Pinksteren in het sterfjaar des Heeren ondanks al, wat de overlevering ons leert, op een Sabbath zou zijn gevierd, wijl de tweede dag der ongezuurde brooden op een zondag viel.

Het antwoord, dat Bellarminus op dit bezwaar geeft, schijnt mij zeer gegrond. Deze zegt, dat wel is waar volgens den algemeenen regel de vijftig dagen gerekend werden van den tweeden dag der ongezuurde brooden, doch dat wanneer de tweede dag op een Sabbath viel, zooals in het sterijaar des Heeren, men dan begon te rekenen op den derden dag, wijl op den Sabbath niet gemaaid, noch gedroogd, noch tot garven gebonden mocht worden. Dit is ook het gevoelen van Baronius, Juve-ninus, Benedictus XIV, Gottus, Gravesonus enz.

Bij de vier bewijzen, die de vier evangelisten ons leveren, kunnen wij een vijfde voegen ontleend aan de kerkvaders, die vrij algemeen houden, dat Christus het Paaschfeest met de Joden gevierd en op het Paaschfeest zoowel als op een vrijdag gestorven is.

Dit gevoelen spreekt ook de kerkvergadering van Trente uit in de 22ste zitting h. 1. «Christus heeft bij het laatste avondmaal in den nacht, toen Hij werd overgeleverd, na het oude Paaschoffer gehouden te hebben, dat de menigte van Israels kinderen tot gedachtenis aan den uittocht uit Egypte opdroeg, een nieuw Paaschoffer ingesteld.quot; Ook in de kerkhymnen van den H. Thomas lezen wij:

In supremae nocte coenae Recumbens cum fiatribus,

Observata lege plene Cibis in legalibus, etc.

En nogmaals:

Noctis recolitur coena novissima.

Qua Christus creditur Agnum et azyma Dedisse fratribus juxta legitima Priscis indulta Patribus.

Wij besluiten dus, dat Christus op een vrijdag, en wel op het Paaschfeest gestorven is.

-ocr page 153-

149

Het maal alzoo, waarbij het paaschlam des Ouden Verbonds werd genuttigd, is ten einde; nu gaat Jesus\' liefde zich in baren heerlijksten glans vertoonen door de instelling van een geheel anderen paasch-disch. Hiertoe begint Hij thans de zijnen voor te bereiden. Het oogenblik toch van de voltrekking zijns offers nadert, en de duivel heeft Judas, den zoon van Simon Ischkariotb, reeds het helsche besluit doen vormen, om zijn Meester, quot;Weldoener en Verlosser nog dien nacht te verraden. Het is dus tijd, om door de vereeuwiging van dat aanstaande offer in een alle tijden en plaatsen omvattenden paaschdisch de zegepraal zijner liefde te voltooien. Jesus weet het, en Hij weet ook, dat de Vader Hem alle dingen in handen heeft gegeven, en dus mede Hem de instelling van den Paaschdisch heeft overgelaten. In het volle bewustzijn zijner Goddelijke natuur, daar hij van den Vader is uitgegaan bij zijne menschwording, en tot den Vader door zijn dood gaat wederkeeren, begint Hij de hooge bewijzen zijner liefde, die Hij voor dezen avond voorbehouden heeft, aan den dag te leggen, en de zijnen op de liefdegave bij uitstek voor te bereiden. Hij staat alzoo op van de tafel, om aan zijne apostelen eenen dienst te bewijzen, die eigenlijk het werk der geringste slaven is. Hij legt zijn bovenkleed af, zoo als zij doen, die een nederig werk hebben te verrichten, neemt een linnen doek, en omgordt zich daarmede op de wijze der slaven. Hij giet vervolgens water in een bekken, en nu begint Hij met den diep-sten ootmoed, met Goddelijke zelfverloochening, met onuitsprekelijke liefde de voeten zijner leerlingen te wasschen en met den linnen doek af te droogen (1).

(1) Zoo als men ziet, plaats ik de voetwassching voor de instelling der Eucharistie. Laten wij zien, of dit eenig bezwaar heeft.

lo. Als een tegenbewijs moet vooreerst gelden het coena facta Ssnrvoü yBvofiévoo. Ik laat in het midden, of dit de echte lezing is, en of de lezing ycvo/iévuu niet de voorkeur verdient; ik doe zulks vooral wijl de lezing der vulgaat het grootste gezag voor zich heeft. Doch van welken

-ocr page 154-

150

De apostelen liggen nog allen aan tafel, en zien met verbazing, hoe hun Goddelijke Meester nadert aan het achtereind honnor rustbedden , om hun de

maaltijd is bij Joann. XIII: 2 spraak ? mijns inziens van den maaltijd des paaschlams. Men moet alzoo een tweevoudigen maaltijd onderscheiden doch dit heeft, gelijk hierboven is aangetoond, wel degelijk zijn grond in het evangelie en in de gebruiken der joden. Zelfs Lukas zegt XXII; 20 uitdrukkelijk, dat de Euchariste is \'mgzsteMpostquam coenavit^ waarmede men vergelijke v. 14—18. Hetzelfde herhaalt de H. Paulus 1 Cor. XI: 25.

2° Er is, zegt men, geen wezenlijke reden om aan te nemen, dat de voetwassching tevens een symbool is van zedelijke reinheid. Jesus zelt geeft eene andere verklaring zijner handeling. Jesus, het is waar, geeft aan de voetwassching in hem, die ze verricht, de beteekenis van nederigheid en dienstvaardigheid. Doch hiermede sluit Hij de symbolische beteekenis van reinheid niet uit in hem, aan wien de voetwassching verricht wordt. Ja, Hij geeft deze uitdrukkelijk aan. Jo. XIII: 10.

3° Volgens het vrij algemeen gevoelen der kerkvaders en leeraars is tidas bij de instelling der Eucharistie tegenwoordig geweest. Het zij zoo. Maar, zegt men, is Judas eerst later weggegaan, zoo als Joannes verhaalt XIII: 33, dan is het niet mogelijk vóór dit tijdstip de instelling der Eucharistie gevoegelijk bij Joannes te plaatsen tenzij voor Jo. XIII: 2. Ik zie niet in, waarom ze niet geplaatst kan worden na Jo. XIII: 22. Ja, ik meen dat Jo. XIII: 21—22 paralelis van Mt. XXVI: 21—28 en Mc. XIV : 18—20. Hierop volgt de instelling der Eucharistie, gelijk Mt., Mc., Lc. die verhalen. En eindelijk Luc. XXII: 21—23 waar weder spraak is van het verraad, sluit zich aan bij Jo. XIII: 23—30, waarna de verrader vertrekt. Dit laatste beslist mijns inziens de zaak volkomen. Volgens mijne opvatting is dus de volgorde:

Mt.

Mc.

Lc.

Jo.

1° De maaltijd van het Paasch-

lam.

XXVI: 29

XIV: 25

XXII: 15-18

2° De voetwassching.

XIU: 1-20

3° Het verraad voorspeld.

XXVI: 21-23

XIV: 18-20

....

XIII: 21-22

4° Instelling der Eucharistie.

XXVI: 26-28

XIV: 22-24

XXII: 19-20

5° Judas\' verraad nogmaals

aangewezen.

XXVI: 24

XIV: 21

XXII: 20-23

G0 Joannes en Petrus zoeken

den verrader te kennen.

XIII: 23-26

7° Deze nader aangewezen.

XXVI: 25-26

....

XIII: 27-30

8° Verheerlijking v. Christus.

XIII: 31-35

9° Twist der leerlingen.

....

XXII: 24-30

10° Petrus\' val voorspeld.

....

XXII: 31-34

XIII: 35-38

11° De twee zwaarden.

....

XXII: 35-38

-ocr page 155-

151

voeten te wasschen. Daar werpt Zich de Heer eerst neder voor Petrus, het toekomstige opperhoofd der apostelen. Nauwelijks heeft deze zulks bemerkt, of, doordrongen als hij is van zijne eigene zondigheid en van de hoogst verhevene waardigheid zijns Meesters, roept hij vurig als immer en zonder verdere bezinning uit (1) : Heer! Gij! Gij loascht mij de voeten ! Jesus keurt deze zijne geloovige verwondering niet af, maar dringt toch ernstig aan, om hetgeen Hij begonnen heeft, te volvoeren. Hetgeen Ik doe, zegt Hij, begrijpt gij thans niet; maar later zult gij het begrijpen. Maar ofschoon de Heer te kennen geeft, dat Hij zijne reden heeft, die Petrus later zal leeren inzien, en al zoo gehoorzaamheid vraagt van zijnen apostel, kan deze er niet toe besluiten om hier de onderwerping te laten zegevieren over den ootmoed, en roept hij uit: Gij zult mij de voeten niet wasschen in eeuwigheid. Nu echter eischt de Heer, Die geen ootmoed en liefde kent zonder gehoorzaamheid, onderwerping onder de bedreiging, dat anders de gemeenschap tusschen Hem en Petrus zal zijn afgebroken. Indien

De instelling der Eucharistie valt dus tusschen Jo. XIII: 22 en Jo. XIII: 23.

Wat den strijd of twist der leerlingen aangaat, deze wordt begrijpelijker bij deze volgorde dan onmiddellijk na de voetwassching.

Vreemd, zal men zeggen, is het, dat de H. Joannes van de Eucharistie met geen enkel woord spreekt. Wij moeten hierop antwoorden, 1° dat Joannes dit als bekend uit de overige evangelisten en den H. Paulus vooronderstelt; 2° dat de geloovigen ten zijnen tijde dagelijks van die offerhandeling getuigen waren; 3° dat Joannes reeds de belofte der Eucharistie had medegedeeld; 4quot; dat Joannes de Eucharistie zijdelings vermeldt. XIII; 1.

(1) Ofschoon er kerkvaders zijn, die meenen, dat Christus niet begonnen is bij de voetwassching met Petrus, omhelzen toch verreweg de meesten het tegenovergestelde gevoelen. Venit ergo in verband met het voorafgaande pleit veeleer voor, dan tegen dit laatste gevoelen. Ook is het overal de gewoonte des Heeren met Petrus te beginnen, en de tegenstand van Petrus wordt daardoor vooral verklaarbaar, dat hij de eerste is. aan wien Jesus dien nederigen liefdedienst wil bewijzen.

-ocr page 156-

152

11c u niet loassche, zult gij geen deel met Mij heliben, zegt Hij. Petrus is er verre af, zijn Goddelijken Meester ongehoorzaam te willen zijn, en voor niets ter wereld zou hij Jesus\' vriendschap willen missen. Zoodra heeft hij het woord, dat daarvan gewaagt, niet vernomen, of altijd even vurig roept hij uit: Heer, niet slechts mijne voeten, maar ook handen en hoofd. Geen oogenblik kan de minnende Petrus het denkbeeld verdragen, Jesus\' liefde te zullen missen. Jesus\' liefde is hem alles. Eischt die liefde het, hij is bereid meer te geven, ja, alles ie geven, hetgeen hij kan. Doch met minzaamheid antwoordt hem de Zaligmaker: die zich gebaad heeft, heeft niet noodig dan zich de voeten te wasschen, maar is geheel rein. Ook gijlieden zijt rein, doch niet allen,

Jesus zinspeelt hier op de gewoonte van het Oosten om zich te baden, vooraleer men zich bij iemand ten gastmaal begeeft. Daar gekomen legt men de sandalen af, en worden de voeten door de dienaren van den gastheer gewasschen, om ze te reinigen van het stof, waarmede zij bezoedeld zijn. Zoo ook zijn de apostelen geheel rein en in de vereischte gesteltenis om aan het groote Gastmaal zijner liefde deel te nemen. Slechts behoeft Hij, de Goddelijke Gastheer, hen nog te reinigen van het stof hunner voeten of de dagelijksche fouten, waarmede een noodzakelijk verkeer in de wereld hen heeft besmet, vooraleer zij aanliggen aan den heerlijken disch, dien Hij hun heeft bereid. Helaas! dat Hij zulks niet van allen kan getuigen! Hoezeer zou zijne grenzelooze liefde wenschen, dat deze wenk zijner alwetendheid den ongelukkigen verrader, die Hem bekend is, nog tot bezinning bracht! Hoe vurig zou Hij verlangen, dien éénen niet slechts van het stof der voeten maar geheel en al van zijne snoode voornemens te reinigen, terwijl Hij Zich voor hem gaat nederwerpen !

Hierop begint de Zaligmaker met onuitsprekelijken

-ocr page 157-

133

ootmoed en liefde de voeten van Petrus en verder van al de apostelen te wasschen. Zoo nadert Hij ook tot Judas! „Bedenkquot;, roept de H. Augustinus uit, „welke Majesteit, welke Macht de voeten van men-„schen heeft gewasschen en afgedroogd, welke goe-„dertierenheid de voeten des verraders met hare „heilige handen aanraakt!quot; „Die boven de Cherubij-„nen zeteltquot;, zegt de H. Chvsostomus vol ontzetting, „heeft de voeten gewaf-scben van den verrader!quot; En hoe is het hart van Judas hierbij gesteld V Het blijft koud en ongevoelig voor die zoo edelmoedige liefde zijns Meesters.

Nu ontdoet Zich Jesus van den linnen doek, waarmede Hij zich omgord heeft, trekt zijn bovenkleed weder aan, en legt Zich andermaal aan tafel. Alsdan spreekt de Heer allen toe, terwijl Hij Zich opricht; weet gij, loat Ik u gedaan heb ? Gij noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt ivel, want Ik ben het. Indien dus Ik, de Heer en Meester, u de voeten gewasschen heb, behoort ook gij elkanders voeten te wasschen. Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijk Ik n gedaan heb, zoo ook gij zoudt doen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de dienstknecht is niet meer dan zijn Heer, noch de apostel meer dan Hij. Die hem gezonden heeft. Indien gij dit weet, zalig zult gij zijn, indien gij het doet.

De voetwassching bevat dus eene dubbele leering; eene genomen uit den persoon, die ze ondergaat, eene ontleend aan den persoon, die ze verricht. Zij heeft vooreerst voor den persoon, die er het voorwerp van is, de strekking om, daar zij het lichaam volmaakt reinigt tot zelfs van het stof der voeten, ondubbelzinnig te kennen te geven, dat men naar de ziel niet slechts zuiver van de grootere, maar zelfs van de minste smetten behoort te zijn. Die inwendige reinheid van het stof der wereld hebben wij te danken aan de grenzelooze liefde van Hem, Die, terwijl Hij deelt in de eeuwige heerlijkheid des Vaders, de gedaan-

-ocr page 158-

154

te van den slaaf heeft aangenomen, om ons van onze zonden te komen wasschen in zijn Goddelijk bloed. (Openb. 1: 5) Zijn bloed reinigt ons van alle zonden (1 Jo. 1: 5) en indien Hij ons niet reinigt, hebben wij, gelijk Hij tot Petrus zegt, met Hem geen deel. (Jo. XIII: 8) Wascbt de Goddelijke Gastheer de voeten zijner apostelen, voordat Hij hen spijzigt met zijn aanbiddelijk liefdemaal, dan leert Hij daardoor den mensch, alvorens van dit brood te eten en van dien Kelk te drinken, zich zeiven te beproeven (1 Cor. XI: 28) en rein te zijn, (1) om niet als Judas zich schuldig te maken aan het Lichaam en Bloed des Heeren. (1 Cor. XI: 27)

Wij kunnen ook de voetwassching beschouwen in den persoon, dien ze verricht, en dan leert zij aan allen, doch vooral aan de opvolgers der apostelen, aan de bisschoppen en priesters, nederig, liefderijk en dienstvaardig te zijn. Heeft de eeuwige Hooge-priester, de Goddelijke Leeraar, de Koning van het hemelrijk, als eo.; geringe slaaf aan de zijnen de voeten gewasschen, dan moeten ook zij, die zijne taak voortzetten, dit zijn Goddelijk voorbeeld navolgen. Zij zijn niet meer dan Hij, Die ze gezonden heeft; en behooren nog veel meer elkander met eer, achting, liefde en dienstvaardigheid te voorkomen. (Rom. X : 10 ; Phil. II; 3).

De voetwassching werd gelijk de overlevering ons leert, in Jesus\' Kerk nimmer als eene verplichtende, doch altijd als eene zeer heilige plechtigheid beschouwd. Zij wordt dan quot;:ok niet tot de sakramenten gerekend, daar zij eene handeling is, die wel zinnebeeldige be-teekenis heeft, maar als zoodanig de genade niet werkt. Overigens is zij tot heden zoowel bij de Grieken als de Latijnen op Witten Donderdag in gebruik.

(1) Vandaar zegt de H. Anselmus: corpus et sanguinem suum discipulis suis in coena mystica tradens, eorum pedes humiliter lavit, docens, sacro-ïanota mundis operibus et pia mentis humilitate celebranda.

-ocr page 159-

155

Te Eome begeeft zich de Paus aan het hoofd van het heilig collegie in zijn paleis naar eene zaal, die voor deze schoone plechtigheid is bestemd. Hij draagt een paarschen stool, een roode koorkap en een eenvoudi-gen mijter; de kardinalen zijn gekleed in paarsche koorkappen. Na den zegen des pausen ontvangen te hebben, zingt de kardinaal ditiken het evangelie der voetwassching. Hierop wordt door een vol koor de beteekenisvolle antiphoon gezongen: Ik geef u een nieuw gebod, dat gij elkander lief hebt, gelijk Ik u heb lie f gehad, zegt de Heer. Alsdan ontdoet de Paus zich van de koorkap, omgordt zich mot een linnen doek. en wascht de voeten van dertien vreemde priesters, die in het wit zijn gekleed. Hij doet door zijn schatmeester aan ieder hunner een gouden en een zilveren medaille ronddee-len, wegende één ons. De grootceremoniemeester geeft aan ieder hunner een sneeuwwit servet, waarmede de deken of de oudste der kardinalen hun de voeten afdroogt. De Paus, na de voetwassching geëindigd te hebben, keert naar zijn zetel terug, wascht zich de handen en herneemt mijter en kap. Na de gebeden geëindigd te hebben keert hij, gevolgd door geheel zijn stoet, naar zijne vertrekken terug.

Vervolgens worden de dertien priesters naar eene andere zaal geleid, waar hun een maaltijd wordt op-gedischt. De Paus in persoon dient hun de eerste schotel toe, schenkt hun den eersten beker wijn, en vertrekt, na hen te hebben toegesproken en hun den aflaat te hebben verleend. De geheele plechtigheid wordt besloten door eene leerrede, die door den gewonen prediker des Pausen gehouden wordt.

Do katholieke kerk mag er gewis trotsch op zijn, dat zij deze heilige plechtigheid nog telken jare met zooveel luister viert, en dat de plaatsbekleeder van J.-C, die zich den dienaar der dienaren noemt, door deze treffende handeling zoo sprekend ons voor den geest roept, welk voorbeeld ons de Heer den avond

-ocr page 160-

156

vóór zijn lijden heeft gegeven. Ook was deH. Paus, Gregrorius de Groote, zoozeer aan deze plechtigheid gehecht, dat hij dagelijks de voeten wiesch van twaalf behoeftigen, die hij aan zijne tafel noodigde.

§ 5, Verraad van Judas voorzegd, Mt. XXVI: 21—23 ; Mc. XIV : 18-20; Jo. XIII: 18-22.

J. der J. P. 4742 ; na R. St. 782 ; gew. jt. 29.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Reeds had de Heer met weemoed gezegd, dat zijne apostelen rein waren maar niet allen. Doch Judas was zoowel voor dien wenk als voor de voetwassching ongevoelig gebleven. Dit vervulde het Goddelijk Hart van Jesus met onuitsprekelijke smart. Hij kon het niet van Zich verkrijgen om niet nog eenmaal op de snoodheid van het verraad neêr te komen, vooraleer Hij zijne apostelen ging spijzigen met zijn goddelijk vleesch en bloed. Na dus de leer van ootmoed en liefde te hebben verkondigd, die in de voetwassching lag opgesloten, vervolgde Hij : indien gij dit weet, zalig zijt gij, indien gij het doet. Niet van u allen zeg Ik dit; Ik weet, wie Ik heb uitverkoren. Maar, (dit geschiedt,) opdat de schriftuur vervuld worde : die met Mij het hrood eet, zal de verzenen tegen Mij opheffen. Van nu af zeg Ik het u, voordat het geschiedt, opdat, wanneer het geschied is, gij geloovet, dat Ik het ben.

Helaas 1 niet alle zijne apostelen hebben de zaligheid te verhopen, die in de beoefening van ootmoed en liefde gelegen is, zoo geeft Jesus treurig te kennen. Zij, die Hij heeft uitverkoren, zijn Hem reeds sedert hunne eerste verkiezing geheel en al bekend, en gelijk reeds toen, zoo is het thans niet voor Hem verborgen, dat één hunner door eigen toedoen zijne verkiezing zal verbeuren. Dat echter die ééne zijne verkiezing en de zaligheid, waarvan Hij spreekt, ver liest, geschiedt onder des Vaders goddelijke toelating,

-ocr page 161-

157

opdat de voorspellingen des H. G-eestes vervuld worden. In één der apostelen zal namelijk de type van Achitofel verwezenlijkt worden (1). Gelijk een woest en kwaadaardig lastdier de verzenen opheft tegen zijn meester, die het spijzigt, zal die trouwelooze, ofschoon hij nu met zijnen Heer aan den disch der liefde gaat aanliggen, toch Hem schandelijk verraden. Reeds nu verkondigt Jesus dit openlijk aan zijne geliefden, opdat zij, wanneer deze voorspelling vervuld zal zijn, hierdoor de ergernis, die uit dat verraad kan voortspruiten, mogen overwinnen en in Hem als Heiland der wereld blijven gelooven. Want vreeselijk is de miskenning diens verraders ; hij vergrijpt zich aan den Gezondene des Vaders. Voorwaar, voorwaar, zegt Jesus, (2) Ik zeg u: die eenen ontvangt, welken Ik gezonden heb, ontvangt Mij, en (evenzoo), die Mij ontvangt, ontvangt Dengene, Die Mij gezonden heeft. „Indien derhalvequot;, zoo laat Jesus verstaan, „een uwer Mij niet „aanneemt. Mij verraadt, Mij beleedigt, zoo bedenke „hij zulks te doen aan zijn Godquot;. (Cyrill. i. h. 1).

En als nu de Heer denkt aan de verregaande afschuwelijkheid van het misdrijf diens apostels, wordt Hij tot in het diepste zijner ziel ontroerd. Hij overziet het verledane, en Hij ziet de ontelbare en onuitsprekelijk groote weldaden zijner liefde miskend. Hij aanschouwt op het eigen oogenblik de huichelarij, de koudheid, de hardnekkigheid des verraders, en dit, terwijl Hij zijn Goddelijk vleesch en bloed tot spijs en drank gaat geven. En in de toekomst, daar vertoont zich voor zijn oog Judas\' vreeselijk uiteinde. Van daar wordt zijn minnend Hart overstelpt door droefenis, en terwijl Zijne verradene liefde den ver-

(1) Ps. XL : 10. Zie hierboven bl 130.

(2) Anderen verbinden dit vers met vers 16 en 17, en beschouwen vers 18 en 19 als eene tusschenrede.

-ocr page 162-

158

rader betreurt, roept Hij uit met somberen nadruk : (1) voorwaar, voorwaar, Ik zeg u : éêne van u zal Mij ver raden, (Jo. XIII: 21; Mt. XXVI; 21; Mc. XIV: 18) die met Mij eet. (Mc.)

Door dat verschrikkelijk woord zijn de apostelen als verslagen. Ontsteltenis, droefheid, angst, allerlei gewaarwordingen maken zich meester van hun hart. Greheel in onzekerheid, wie hier toch mag zijn bedoeld, en echter zich zeiven bewust van hunne onschuld en van hunne liefde voor den Heer, staren zij elkander stilzwijgend aan, niet wetende van wien Hij spreekt. Eindelijk bedroefd, omdat Jesus dit gezegd heeft, en vol ijver voor hunne onschuld, beginnen zij allen om strijd den Heer te vragen: hen ik het, Heer ? Niets zou ieder hunner vuriger verlangen te vernemen, dan dat Jesus hem niet heeft bedoeld. Maar de Heer, om hen op te wekken tot nederigheid en mistrouwen , vergenoegt Zich met het algemeen antwoord; Een der twaalf, die met

Mt.

24 filius quidem hominis vadit, sicut scriptum est de illo. Vae aucem homini illi, per quem filius hominis tradetur; bonum ei erat, si natus non fuisset homo ille.

ecce nianus tradentis me, mecum est in mensa.

22. Et quidem filius hominis, secundum quod definitum est, vadit ; verum tamen vae homini illi, per quem tradetur.

(1) Ik beschouw dit woord bij Joannes, Mattheus en Markus als één en hetzelfde gezegde des Heeren, daar de drie evangelisten letterlijk overeenstemmen. Zoo bevinden wij, dat de voorspelling van Judas\' verraad zoo wel bij Joannes als bij Mt. en bij Mc. aan de instelling der Eucharistie voorafgaat.

Intusschen schijnt het mij, dat niet alles wat Mt. en Mc. hier aangaande den verrader vóór de instelling der Eucharistie Hielden, werkelijk daarvoor moet geplaatst worden. Mt. en Mc. hebben, dunkt mij, hetgeen onmiddellijk voor en onmiddellijk na de instelling der Eucharistie, gezegd is, te zaam getrokken. Dit wordt duidelijk door Lucas XXII: 21—23. Daar haalt deze evangelist een woord des Heeren aan betrekkelijk den verrader onmiddellijk na de instelling der Eucharistie, en zie, mat dit gezegde stemmen Mt. XXVI; 24 en Mc. XIV: 21 letterlijk overeen.

Lc. 21. Verum tarnen

Mc.

21. Et filius hominis vadit, sicut scriptum est de eo. Vae autem homi-ni illi, per quem filius hominis tradetur; bo-num erat ei, si non es set natus homo ille.

-ocr page 163-

159

Mij de hand in de schotel doopt (1), zal Mij verraden, (Mt. Mc.) Met andere woorden, de verrader is één der twaalf, en hij is met Mij aan tafel. Wie bewondert niet dat grenzeulooze geduld, dat den verrader nog niet verstoot? quot;Wie wordt niet getroffen door die onuitsprekelijke zachtzinnigheid, die zich niets bitters laat ontvallen? Wie gevoelt zich niet aangetrokken tot die allerbarmhartigste liefde, die, ofschoon overstelpt van smart. Judas nog immer terug roept, zelfs door hem te laten deelen in de hoogste gaven zijner oneindige liefde ?

§ 6. De instelling van het H. Sacrament. Mt. XXVI; 26-28; Mc. XIV: 22-24; Lc. XXII: 19-20.

Jaar der J. P. 4743, na R. st. 782, der gew. jt. 29.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

De hoogst gewichtige stond is gekomen, waarop Jesus aan de zijnen en in hen aan de kerk gedurende al do toekomstige eeuwen het alles overtreffende bewijs zijner liefde gaat geven. Het laatste Pascha der oude wet is genuttigd, en zal thans plaats maken voor het Pascha der nieuwe wet. Twee feestbekers zijn reeds gedronken, de eerste bij den aanvang van den maaltijd, de tweede iets later na de Hagada ot verkondiging (2). De Zaligmaker heeft de zijnen door de voetwassching voorbereid op den Goddelijken maaltijd, die Hij bun zal schenken. Andermaal heeft de Heer Zich weder aan tafel gelegd. De dunne, ronde koeken der Azyma of ongezuurde brooden staan nog voor Hem op de tafel. Zij zijn toebereid uit tarwe,

(1) De oosterlingen bedienden zich niet van messen en vorken, zegt de zeer Eerw. en geleerde Pater R. Pierik. De hand met elkander in den schotel doopen is niets anders dan eene figuurlijke uitdrukking om te zeggen : te zamen aa?i één maaltijd zitten, In \'t Griekscli staat gedoopt heeft.

(2) De Hagada is niets anders dan het 26ste hoofdstuk uit het boek Deuteronomium, dat door den vader des huisgezins vóór het nuttigen van het Paaschlam werd voorgelezen, nadat de zoon des huisgezins verschillende vragen omtrent het feest had voorgesteld.

-ocr page 164-

160

daar deze bij de Paaschviering verreweg het meeste gebezigd werd (1), en de Heer bij de instelling van zoo verbeven geheim gewis het edelste brood gebruikt, gelijk wij overigens met alle zekerheid weten door de overlevering. Dit is het brood des lijdens, maar het zal veranderd worden in brood des levens, in spijze van vreugde, van barmhartigheid, van eeuwigdurende verzoening en liefde.

Daar neemt Jesus het brood in zijne Groddelijke handen, dankt (2), terwijl Hij de oogen ten Hemel heft, breekt het (3), geeft het aan zijne leerlingen en zegt: neemt en eet; dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijne gedachtenis; (Lc.; 1 Cor. XI: 24.)

Thans bij het eindigen van het maal (4) neemt Jesus insgelijks den derden feéstbeker, die ook kelk der

(1) Voor de azyma werden echter volgens Challa C. I § 1 behalve tarwe ook gerst, spelt, haver en rogge gebruikt.

(2) De zegen der spijzen ging gepaard met dankzegging.

(3) De dunne harde koeken werden gebroken, en waren daartoe met insneden voorzien.

(4) Het geheele Paaschmaal had volgens de Rabbijnen dezen loop: men begon meteen beker wijn, waarover de huisvader den zegen sprak. Dan dronk hij hieruit en na hem al de dischgenooten zonder uitzondering. Vervolgens werden de bittere kruiden in het Charoseth gedoopt en genuttigd. Hierop werd de tweede beker gemengd, en de Hagada gelezen ; het eerste deel van het Hallel, ps. 113, 114, (in de vuig. ps. 113 en 113: 1—8) werd daarna gezongen en de tweede beker gedronken. Daarna werden twee ongezuurde brooden gebroken en met bittere kruiden in het Charoseth gedoopt. Eindelijk volgden twee gebeden, één voor de Chagiga (de feestoffers buiten het Paaschlrm) en één voor het Pascha, waarna het Paaschlam werd genuttigd zonder daarvan een been te breken. Hiermede was de eigenlijke paaschmaaltijd afgeloopen. Thans werd de derde beker, beker der zegening genoemd, gedronken en werden nog andere spijzen genuttigd, tot dat de vierde beker werd ingeschonken. De huisvader moest slechts zorgen, dat een weinig van het Paaschlam bewaard bleef ora den maaltijd te sluiten. Bij den vierden beker ging men voort met het kleine Hallel (van den 11 oden tot den 118den psalm). De vier bekers beteekenden het uitvoeren, redden, verlossen en aannemen der kinderen Gods en waren verplichtend. Zelfs een vijfde was geoorloofd, doch dan moest het groote Hallel (ps. 120—187) gezongen worden.

-ocr page 165-

161

zegening wordt genoemd, en met zuiveren rooden wijn was gevuld, hoogstens voor een vijfde met water gemengd (1), in zijne G-oddeiijke handen. Hij heft dien op, richt andermaal de oogen ten hemel, zegent en dankt, en geeft hem aan de apostelen, zeggende : drinkt allen daaruit: want dit is mijn bloed van het nieuwe testament (Mt, Mc.) ; deze is de kelk, het nieuwe testament in mijn bloed (Ls.; I Cor. XI), dat voor u (en) voor velen vergoten zal worden tot vergeving der zonden (Mt.). Doet dit, zoo dikwerf gij (dien) drinken zult, tot mijne gedachtenis. (1 Cor. XI: 25).

Deze onvergetelijke woorden van den Zaligmaker der wereld zijn duidelijk Rij had zijn Vleesch tot spijs, en zijn Bloed tot drank beloofd Hier vervult hij zijne belofte, gelijk drio evangelisten benevens den H, Paulus ons uitdrukkelijk verhalen. Dit, zegt Jesus, dit, namelijk hetgeen Hij in zijne goddelijke handen houdt en aan zijne leerlingen geeft, dit is zijn lichaam; dit, hetgeen Hij aan zijne leerlingen te drinken geeft, dit is zijn bloed. Deze woorden zijn eenvoudig, zijn duidelijk in hunne letterlijke betee-kenis, en worden door drie evangelisten en den H. Paulus in denzelfden zin medegedeeld; zij zullen dan ook door iedereen, die let op hun gewicht, op de plechtige omstandigheid, waarin zij werden gesproken, op den Groddelijken persoon, die er zich van bedient, in hunne eerste en natuurlijke beteekenis worden opgevat, gelijk zij, gedurende vijftien eeuwen door allen, Latijnen en Grieken, schier zonder uitzondering standvastig zijn begrepen.

Waarom zegt Jesus, indien Hij hier slechts eene figuur van zijn lichaam en bloed zou bedoelen, niet ondubbelzinnig en duidelijk: dit verbeeldt, dit betee-kent, dit vertegenwoordigt mijn lichaam? (2) Doch

(1) Maimonid. c. 8, n. 1. vgl. c. 7. n. 7 en Pesach c. 10.

(2) Om het gewicht der zaak meen ik bij de verklaring dezer woorden op de volgende punten te moeten drukken :

Het offer van J. C. I. 11

-ocr page 166-

162

niet slechts eens, maar tot tweemaal, eens bij hetgeen Hij te eten, eens bij hetgeen Hij te drinken geeft, zegt

1° Wanneer de letterlijke beteekenis der woorden duidelijk is, mag men geen figuurlijke beteekenis in de plaats stellen, ten zij dit door eene gegronde reden wordt geëischt. Ook hier dus niet.

2° Het woord esse wordt wel is waar soms in den zin van beteekenen of afbeelden gebruikt. Doch wanneer zulks het geval is, dan blijkt bij den eersten oogopslag uit den aard der denkbeelden, die ver-eenigd worden, dat er spraak is van eene figuur; bv.: ager est mundus, de akker is de wereld. Hier echter is zulks het geval niet.

3° Nog minder mag men aan eene figuur denken^ wanneer uit andere plaatsen blijkt, dat deze is uitgesloten, zooals hier het geval is. Vergelijk het 6de hoofdstuk van Joannes en 1 Cor. X; 16; 1 Cor. XI: 25.

4° Dat hier een geheim verkondigd wordt, hetgeen de wetten der natuur te boven gaat, mag geen reden zijn om van de letterlijke beteekenis, die duidelijk is, af te wijken. Waartoe komt men anders bij al het bovennatuurlijke, dat de schriftuur mededeelt ?

5° Indien Jesus hier had willen te kennen geven, dat Hij slechts van eene figuur of een beeld zijns lichaams sprak, waarom deed Hij het dan niet met duidelijke woorden ?

6° De Heer, toen Hij deze woorden bezigde, gebruikte, zegt men, de Syro-chaldeeuwsche taal of althans een harer dialekten. Deze taal, zoo heeft men aangevoerd, heeft geen woord om is en zijn uit te te drukken ; anderen hebben gemeend (Clarke, Horn enz), dat deze taal geen woorden bezit, ora beteekenen^ afbeelden^ oertcgen* woordigen te kennen te geven. Oosterzee zegt aangaande het eerste: «dat Jesus het veelbesprokene is in zijne taal niet eenmaal geuit heeft, is even zeker, als dat het er bij gedacht worden moet.quot; Inderdaad Christus drukte Zich uit op de wijze, waarop men in die taal steeds eene eenvoudige betrekking tusschen twee denkbeelden bevestigt en het woord is wil doen denken, door namelijk het pronomen voor het gezegde te plaatsen, dat met het onderwerp verbonden wordt. Hij zeide dus in die taal: dit is mijn lichaam^ op dezelfde wijze als Hij gezegd zou hebben : dit is brood, dit is wijn. Wat nu de tweede bewering aangaat, dat de Syro-chaldeeuwsche taal geen woorden zou hebben, om bettekenen, afbeelden, vertegenwoordigen te kennen te geven, deze is volkomen valsch. De kardinaal Wiseman (horae Syriacae § IV) heeft aangetoond, dat deze taal niet minder dan 41 zulke woorden bevat, waarbij hij nog vier woorden zou kunnen voegen, voor welke hij geen genoegzame bewijzen heeft, ofschoon hunne beteekenis hem niet twijfelachtig is. Jesus echter gebruikte geen van al deze woorden, omdat Hij geheel iets anders wilde uitdrukken. Had de Heer willen zeggen, dat hetgeen Hij zijnen leerlingen gaf, zijn lichaam

-ocr page 167-

1Ö3

: dit is mijn lichaam; dit is mijn hloed. Zijn woord een onfeilbaar woord en tevens een almachtig

slechts vertegenwoordigde^ zoo als Oosterzee beweert, zou Hij gewis een dezer vele woorden gebezigd hebben. Maar daar dit zijne bedoeling niet was, gebruikte Hij de uitdrukking, die niet anders mag wedergegeven worden dan; dit is mijn lichaam. Geen enkele overzetting heeft dan ook: dit bcteekent of iets dergelijks, maar allen hebben eenstemmig ; dit is. Zoo hebben het de evangelisten en de H. Paulus verstaan. Ik haal nog de woorden aau van den H. Maruthas, bisschop van Tangrit, een der eerwaardigste vaders der Oostersche kerk op het einde der 4de eeuw, die in het Syrisch schreef en dus een bevoegd rechter is : «maar nu zoo dikwerf wij «naderen tot zijn lichaam en bloed, en wij dit in onze handen «ontvangen, omhelzen wij zijn lichaam en worden deelgenooten »van Christus; want Christus heeft niet gezegd, dat het een type, »eene figuur, een symbool was van zijn lichaam, maar Hij heeft «wezenlijk gezegd: dit is mijn lichaamquot;. (Aldus bij Kardinaal Wiseman, werkelijke tegenwoordigheid, deel, 7de voordracht.) De woorden van Christus zijn door de katholieken gedurende 15 eeuwen zoo opgevat, en eerst de hervormers kwamen op het denkbeeld der figuurlijke beteckenis. Ik haal kortheidshalve slechts aan ; Ignatius ad Smyrn c. VII, Ireneus libr. IV contr. haeres. c. 18 n. 4 en 5. Justinus Apol. 1. n. 66. Tertulianus libr. IV contr. Marcionem, Cyprianus libr. de Laps. p. 180. Origen. Hom. XIII in Exod. enz. enz.

Voeg hierbij de liturgiën afkomstig uit de 2tIe en S^e eeuw, de ketters, die reeds in den beginne van de katholieke kerk zich hebben losgescheurd, de lasteringen der heidenen. Opschriften, muurschilderingen, en gewijde voorwerpen, afkomstig uit de eerste eeuwen, verkondigen eenparig het toenmaals heerschende geloof aan deze waarheid.

Indien de Heer hier figuurlijk had gesproken, hoe zou dan deze leer, die alle natuurlijk begrip te boven gaat, zijn verkondigd geworden zonder verzet en zonder tegenspraak ? Opmèrkelijk zijn hier de woorden van den protestant, Fitz William, brieven aan Atticus. bl. 174 : »men zegge niet, dat het geloof aan de wezen-«lijke tegenwoordigheid bedriegelijk en ongegrond is. Het is zeker «op zich zelf genomen al te vreemd, dan dat een mensch op eigen «gezag het aan andere menschen zou hebben durven voorstellen. «Indien een der apostelen het aan zijne mede-arbeiders had voor-«gesteld, zouden zij hem als een dwaze hebben beschouwd en tot «een voorwerp van bespotting hebben gemaakt.... Daar het on-«mogelijk is, dat het van de menschen kome, zoo blijkt het dus, «dat het van God komt, en Goddelijk zijnde verliest het al zijne «vreemdheid, hoe onbegrijpelijk men het ook veronderstellequot;.

-ocr page 168-

164

woord, dat werkt en verwezenlijkt hetgeen het uit-diukt. Wat vroeger brood en wijn was, heeft door dat woord opgehouden dit te zijn , en is door eene ware zölfstandigheids verandering overgegaan in Jesus\' Goddelijklichaam en bloed.

Zoo is het paaschlam der Oude Wet vervangen door het Paaschlam der Nieuwe Wet, en hebben al de offers van het Oude Verbond plaats gemaakt voor het eene ware offer der Nieuwe bedeeling. „J. C.quot; zegt de H. Gregorius van Nyssa. „Die door zijne „macht over alles beschikt, wacht niet om de bron en de oorzaak van de zaligheid aller menschen te „worden, tot dat het verraad (van Judas) of het geweld „der joden of het vonnis van Pilatus Hem noodzaken j.om Zich zeiven te offeren, zoodat zijne barmhartigheid „een gevolg zou zijn hunner boosheid; maar Hij voortkomt ze door zijn riiad en door zijne wijsheid; en in een „geheim offer, dat de oogen der menschen niet kun-„nen aanschouwen, draagt Hij zich zeiven als offer-„gave op en slachtoffert Hij zich als slachtoffer; en „tegelijkertijd is Hij de priester, die slachtoffert, en „het Lam Gods, dat om de zonden der wereld weg „te nemen geslachtofferd wordt. Gij zult mij wellicht „vragen, wannfer en bij welke gelegenheid J. C. een „zoo groot geheim heeft verricht ? Dit gebeurde, toen „Hij zijn lichaam te eten en zijn bloed te drinken „gaf aan zijne vergaderde leerlingen ; want Hij ver-„klaarde toen duidelijk, dat het offer des Lams reeds „voleindigd was, en dat hetgeen Hij hun gaf, op geheimzinnige en onzichtbare wijze in zijn lichaam „veranderd was, gelijk het behaagd had aan de macht „van Hem, Die dit geheim verrichtte.quot; (Orat. 1 in Ch11 resurrect.)

Christus treedt hior op als de Hoogepricster der nieu we Wet, voorafgebeeld door Melchisedech, zooals de H. Paulus (Hebr. VIII) es: de profeet David (Ps. 109) duidelijk leeren. Is Hij eeuwig Hoogepriester

-ocr page 169-

165

volgens de orde van Melchisedech, die brood en wijn aan den Heer opdroeg, dan stellen wij ons bij Hem ook een offer voor, dat met dit figuurlijke offer eene sprekende overeenkomst heeft, en zeker treffen wij dit offer aan, waar Jesus onder de gedaante van brood ^ijn lichaam, dat gekruisigd wordt, en onder de gedaante van wijn, zijn bloed, dat vergoten wordt, tegenwoordig stelt. In dat eucharistisch offer alleen wordt verwezenlijkt, hetgeen de profeet Malachias had voorspeld (1: 10): er is Mij geen welbehagen in u, (priesters van Israël), zegt de Heer der heerscharen, en geen offergave zal ik uit uwe hand meer aannemen. Want van den opgang der zon tot aan haren ondergang is mijn naam groot onder de heidenen, en op alle plaatsen wordt aan mijn naam een reine offergave geofferd en opgedragen.

Voorspelt de profeet hier de afschaffing van de offers der oude Wet, ook J. C. zegt duidelijk, dat het oude Testament en zijne offers hebben plaats gemaakt voor het Bloed van het Nieuwe Testament. De profeet zegt, dat de offers zullen vervangen worden door eene nieuwe offergave, en J. C. verklaart hier, na bet laatste Paaschoffer van het oude Testament te hebben gevierd, terwijl Hij het brood veranderd in zijn lichaam en den wijn in zijn bloed, dat het Paaschlam van bet nieuwe Testament dat van het oude voortaan zal vervangen, en dat het bloed van het nieuwe Testament eene nieuwe en veel voortreffelijker verlossing gaat bewerken, dan tot nu toe jaarlijks gevierd werd. En zal het reine spijsoffer, dat de offers der oude Wet moest vervangen, volgens den profeet Malachias, overal worden opgedragen, nergens zullen wij dat heilige en onbevlekte offer terug vinden dan in het offer van het laatste a\\ondinaal, dat volgens Jesus\' verordening overal en ten allen tijde tot gedachtenis van zijn dood door de apostelen en hunne onvolgers zal worden opgedragen.

-ocr page 170-

166

Jesus wijdt op dezen eeuwig gedenkwaardiger! avond voor zijn lijden een nieuw Verbond in, dat tevens zijn testament of uiterste wil is (Hebr. IX: 17). Had Moses het oude Verbond tusschen God en zijn volk ingewijd door een offer, en, terwijl hij zegde: ziet, dit is het hloecl van het verhond, dat de Heer met u heeft aangegaan] het volk met het bloed des offers besprengd, ook Christus bevestigt hier het verbond, dat Hij sluit als eenige Middelaar tusschen God en den menseh, door een offer van oneindige waarde, en, terwijl Hij zegt: dit is mijn bloed van het nieuwe Testament, dal voor velen vergoten zal worden, biedt Hij den kelk aan ter deelname aan het bloed van dat Goddelijk offer. Treften wij bij het oude Verbond, dat slechts figuur is, een figuurlijk offer aan, dan laat hot zich ook verwachten, dat het nieuwe Verbond, dat de wezenlijkheid is, door het ééne en ware offer wordt bekrachtig.1. Dit offer is het offer zijns kruises, dat hier reeds wordt tegenwoordig gesteld door hetgeen de twee gedaanten krachtens Jesus\' woorden elk eigenlijk bevatten, dat alzoo hier door de geheimzinnige scheiding van lichaam en bloed ook wordt veraanschouwelijkt, en dat eindelijk hier reeds vooraf tot bevestiging van het nieuwe Verbond wordt opgedragen.

Hier blijkt dus de eenheid van het kruisoffer en het Eucharistisch offer of het offer der Mis. Aan het kruis en in de Eucharistie wordt hetzelfde Paaschlam der nieuwe quot;Wet, dezelfde Hoogepriester, die het offert, hetzelfde doel der opdracht, aanbidding, dankzegging, verzoening en smeeking, onmiskenbaar aangetroffen. Het kruisoffer is het offer, op bloedige wijze gebracht, en het Eucharistisch offer is zijne gedurige voortzetting en toepassing; want aan het kruis verwerft Jesus door zijn offerdood oneindige verdiensten en in de H. Mis worden die verdiensten gedurig toegepast. In den hemel duurt het kruisoffer eeuwig voort, daardoor dat Jesus Zich met zijne Goddelijke wonden immer aan

-ocr page 171-

167

zijnen Vader als het geslachtofferde lam vertoont; op aarde duurt het voort tot aan de voleinding der eeuwen, daardoor dat het in de fl. Mis onophoudelijk tegenwoordig gesteld, door de scheiding der beide gedaanten aanschouwelijk uitgedrukt, en in het bijzonder toegeëigend en ter deelname aangeboden wordt. Zoo is het kruisoffer, dat bloedig is, en het H. Misoffer, dat onbloedig is, inderdaad een en hetzelfde offer, en het blijft ten volle waar» hetgeen de H. Paulus zegt: door één offer heeft Hij in eeuwigheid hen, die geheiligd worden, volmaakt (Hebr. X: 14 Vgl. 10—12). „Maar wij dan,quot; zoo spreekt de H. Joannes Chrysostomus aangaande deze woorden van den H. Paulus, „offeren wij niet alle dagen J.C. in de heilige geheimen ?quot;„ WY/ offeren zeker J. C., maar „door de gedachtenis te vernieuwen van zijn dood. „Het is dus een eenige offerande en niet vele. Hoe „is het een eenige offerande en niet vele? Wij offe-„ren namelijk altijd denzelfden (J. C.) niet soms een anderen, maar altijd denzelfden; al zoo is het één „offer. Zijn er vele Christussen, omdat Hij in vele plaat-„sen geofferd wordt ? Geenszins, maar overal is het „dezelfde Christus; want hier is Hij volmaakt en einders is hij volmaakt; het is één lichaam. Gelijk Hij „dus, op verscheidene plaatsen geofferd, één lichaam „is, en niet vele lichamen, zoo is het ook één offer. „Het offer, dat ons reinigt, is ook het offer, dat onze Hoo „gepriester heeft opgedragen. Wij offeren nog heden, het-„geen toen geofferd is en niet te niet kan gaan..,.. „Wij zijn dus zeer verwijderd van de oude Wet, toen „de hoogepriester elk jaar nieuwe offers opdroeg; „wij dragen geen ander op, zooals toen de hooge-„priester, maar altijd hetzelfde, of liever wij houden de gedachtenis van het slachtoffer of de offerandequot;. (Hom. XVII in epist. ad Hebr.) Ontbrak dus aan den godsdienst van h^t oude Verbond het offer nooit, nooit mag ook het offer aan den godsdienst van het

-ocr page 172-

168

nieuwe Verbond ontbreken. De schoonste en plech-tigste tuide, die de mensch zijn God kan aanbieden, is door den Stichter van het Christendom tot eene blijvende instelling gemaakt, waardoor zijne Kerk overal en altijd den Vader in geest en waarheid zou aanbidden. Doet dit, zegde Jesus, tot mijne gedachtenis. Vandaar hoeren wij den H. Paulus duidelijk spreken van de offertafel (1 Cor. X: 20, 21) en van het altaar (Hebr. XIII: 10) der eerste Christenen. Vandaar lezen wij, dat de apostelen den offerdienst verrichtten. (Hand. XIII: 2) Vandaar dat immer tot op den dag van heden door de Katholieken het offer openlijk, gemeenschappelijk en uitsluitend aan God is gebracht. Laar-om stelde Jesus, wijl Eij dit offer voortdurend zichtbaar wil zien opdragen, een blijvend priesterschap in, wanneer Hij tot tweemaal herhaalt: doet dit, tot mijne gedachtenis. Hij gelast door deze woorden aan zijne apostelen, en, daar zijn dood door het offer moet herdacht worden, tot dat Hij ten oordeel zal komen, ook aan hunne opvolgers, ter gedachtenis van Hem te doen, hetgeen Hij zelf onder hun oog heeft gedaan. Wijl Hij zelf nu het brood heeft veranderd in zijn lichaam en den wijn in zijn bloed, en alzoo een wezenlijk offer heeft opgedragen, zoo geeft Hij ook aan de apostelen en hunne opvolgers het bevel en de macht om namens Hem het brood te veranderen in zijn lichaam en den wijn in zijn bloed, en alzoo het offer der nieuwe Wet op te dragen. En daar nu elke wettige offeraar priester is, stelde de eeuwige Hooge-priester met deze woorden de apostelen en hunne opvolgers tot priesters aan. Gelijk de offers der oude voor het offer der nieuwe Wet, zoo maken de priesters van het oude Verbond plaats voor die van het nieuwe Verbond.

Wij zien dan ook de apostelen en later hunne opvolgors sedert de eerste eeuw tot op dezen dag de H. Misofferande opdragen, zooals behalve de liturgiën

-ocr page 173-

169

der eerste eeuwen ook de H. Schriften reeds getuigen. De apostelen doen hetgeen zij Christus hebben zien doen (ICor. XI; 23—25): zij breken het brood, bieden het lichaam en bloed des Heeren ter deelname aan (1 Cor. X; 16). Wij vinden nimmer deze handeling door gewone geloovigen verricht, en haar zelfs aan de diakenen en nog veel meer aan de ondergeschikte dienaren der kerk ontzegd „J. C.quot;, zegt de kerkvergadering van Trente, „Zich zeiven tot priester „volgens de ordö van Melchisedech voor eeuwig „aangesteld verklarende, droeg zijn lichaam en bloed „onder de gedaante van brood en wijn aan God zijnen „Vader op, en gaf het onder de teekenen dierzelfde „zaken te nuttigen aan de apostelen, die Hij toen „aanstelde tot priesters van het Nieuwe Verbond. En „door deze woorden: doet dit tot mijne gedachtenis, „beval Hij hun en hunne opvolgers in het priester-„ambt te offeren, gelijk het de Katholieke Kerk im-„mer heeft geleerd en begrepen. Want na het oude „Paaschlam te hebben genoten, dat Hij offerde ter „gedachtenis van den uittocht der menigte van Israels „kinderen uit Egypte, heeft Hij Zich zeiven tot een „nieuw Paaschlam gesteld, dat de Kerk door zicht-„bare teekenen zou opofferen ter gedachtenis van „zijnen overgang uit deze wereld tot den Vader, toen „Hij ons vrijkocht door bet storten van zijn bloed, „en onttrok aan de macht der duisternis en overbracht „tot zijn rijk.quot; (Sess. XXII: c. 1.)

De priesters zijn intusschen slechts de dienaren en werktuigen van Christus, en Deze is de eenige Hooge-priester. die het offer opdraagt; zij handelen slechts op het bevel, in den naam. en door de macht van dien eenigen goddelijken Offeraar. Daarom treden zij wanneer zij consacreren, niet op in eigen persoon, maar zeggen in den persoon van den Godmensch : dit is mijn lichaam ; dit is mijn bloed. „Dit woordquot;, zoo spreekt een kerkvader „is uitgesproken, maar

-ocr page 174-

170

„zijne kracht strekt ziek uit tot alle kerken en tot „al de gewijde tafels, waar men onze heilige gehei-„men viert; het is dit woord, dat van den begin „tot op dezen dag en tot aan de tweede komst van „den Zoon Gods aan het offer de waarheid en wezen-„lijkheid verleent.quot;

In het Eucharistisch offer treffen wij buiten vele andere gebeden en plechtigheden, die moeten dienen om eerbied, aandacht en godsvrucht op te wekken, de drie hoofdverrichtingen aan, die wij bij het offer van het laatste avondmaal bespeuren. De priester bereidt brood en mengt wijn met water bij de offerande, gelijk ook Christus brood en een beker wijn, met water vermengd, tot de H. Handeling, die Hij ging verrichten, bestemde. De priester spreekt met en in den naam van J.-C. eerst over het brood en daarna over den wijn de woorden uit, die ook J.-C. in het laatste avondmaal heeft uitgesproken, en stelt alzoo door eene wezenlijke zelfstandigheids-verandering Jesus\' aanbiddelijk lichaam en bloed even als toen onder beide gedaanten tegenwoordig. Eindelijk wordt tot deelname van het offer of als offerspijze , gelijk in het laatste avondmaal, na het breken der H. Hostie, het lichaam en bloed des Heeren genutfigd. Op die wijze volharden wij nog altijd gelijk de eerste ge-loovigen te Jerusalem, in de gemeenschap van de breking des broods, (Hand. II; 42.)

Jesus stelt alzoo een nieuw Sakrament in, en geeft onder de uitwendige teekenen van spijs en drank aan de zijnen zijn Goddelijk lichaam en bloed te nuttigen, als een volkomen maaltijd tot onderhoud van het bovennatuurlijk leven der ziel. Hij stelt tevens het offer der nieuwe quot;Wet in, dat de onbloedige voortzetting is van het offer des kruises en hier van niet wezenlijk verschilt. Hij stelt eindelijk een blijvend priesterschap in, om dit offer der Mis in zijnen naam gedurig aan Grod op te dragen. Zoo volmaakt Jesus\' grenze-

-ocr page 175-

171

looze liefde hier het werk, reeds bij de menscliwording aangevangen, en bemint Hij hen, die Hij komt redden tot in het einde toe. Het is Hem niet genoeg door het aannemen der menschelijke natuur voor (ie bevoorrechten van dien tijd, die met Hem leven, hier op aarde op te zijn getreden; neen, Hij wil al de toekomstige geslachten door zijne aanbiddelijke tegenwoordigheid in het allerheiligste Sacrament voortdurend verheugen; alle de volkeren in staat stellen zijn algenoegzaam offer bij te wonen, zich toe te eigenen en mede op te dragen; aan allen, die slechts willen, zijn Goddelijk vleesch en bloed als offermaaltijd, gelijk aan de apostelen ter deelname aanbieden. Gelijk een tecdermin-nende vader, vooraleer hij gaat sterven, zijne kinderen om zijn stervenssponde vergadert, hun zijn testament, zijn uitersten wil verklaart, en hun eene erfenis achter laat, om hen rijk, verheven en gelukkig te maken, zoo ook heeft Jesus niet uit deze wereld willen scheiden, zonder hetzelfde te doen. Hij verzamelde met teedere liefde de zijnen om zich heen. Hij verklaarde plechtig zijn uitersten wil, zijn goddelijk testament, en Hij liet aan zijne volgelingen in de Eucharistie eene erfenis, die hen rijk aan de goederen der genade, verheven en der Goddelijke natuur deelachtig en gelukkig door zijne liefde en door het bezit des hemels zou maken. O aanbiddelijke liefde van onzen God! Zoo zeer heeft Jesus de wereld lief, dat Hij Zich niet slechts gedurende zijn aardsche leven aan den mensch heeft willen schenken, maar Zich in de Eucharistie door geen tijd en ruimte van elk der zijnen heeft willen laten scheiden. Dit vooronderstelt overgroote wonderen I Maar wie zal bij de verregaandste vervoering der ongemetene liefde van Gods menschgeworden Zoon zich niet aan zulke wonderen zijner Almacht verwachten ? Wat had zijne liefde niet reeds bij de menschwording gedaan? Hier voltooit zij slechts, wat zy toen had begonnen.

-ocr page 176-

HOOFDSTUK IV.

VAN DE INSTELLING VAN HET ALLERHEILIGSTE SAKRAMENT TOT AAN HET OPSTAAN VAN DE TAFEL.

§ 1. De. aanwijzing van den verrader. Judas verlaat de zaal.

Mt. XX VI:23—25; Mc.XIV: 20-21; Lc.XXII; 21-23;

Jo. XIII: 23—31.

Jaar der J. P. 4743; na R. St., 783; gew. jt. 39.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Jesus\' oneindige liefde heeft dus de voortreffelijkste gave geschonden, die zij in haren oneindigen rijkdom bezit, in hare greuzelooze wijsheid weet te vinden, door hare alvermogende Macht kan bereiden. Zij heeft in dien heiligen Paasch- en oiïerdisch een gedenkteekeu van al hare wonderen opgericht. Ongeloofelijk zou het ons zijn, indien wij niet met Joannes aan Gods liefde geloofden. (1 Jo. IV: 16).

Alle de apostelen hebben Jesus\' vleesch genuttigd en zijn Groddelijk bloed gedronken. Ook Judas de verrader heeft aan de hoogste gaven der liefde deelgenomen, en is alzoo de ongelukkige voorganger geworden van allen, die in den loop der eeuwen door ongeloof, ondank, spot, smaad, huichelarij en heiligschennis zich zullen schuldig maken aan het lichaam en bloed des Heoren. O welke bittere droefheid vervult Jesus\' minnend Hart, terwijl Hij de diepste diepten peilt van de verstokte ziel diens trouweloozen en ellendigen verraders 1 De Heer verzwijgt dan ook zijne pijnlijke gewaarwordingen niet. Nauwelijks is de paaschbeker

-ocr page 177-

173

van het Nieuwe Verbond rondgegaan, of de Heer zegt met somberen nadruk : Echter zie l de hand van hem, die Mij overlevert, is met Mij aan de tafel (Lc). En de Zoon des menschen gaat wel heen, gelijk het van Hem bepaald Ten) geschreven is, doch wee dien mensch, door wien de Zoon des menschen zal overgeleverd worden! Het ware hem heter, indien hij niet geboren ware, die mensch! (Mt. XXV: 24; Mc, XIV; 24; Lc. XXII; 22.)

Niettegenstaande al de blijken zijner grenzeloozo liefde, geeft Jesus te kennen, niettegenstaande Hij hen zoo juist heeft onthaald op den Groddelijken paaschdisch der Nieuwe quot;Wet, blijft hij, die Hem verraden zal, nog immer volharden in zijn boos opzet, en dit, terwijl hij zooveel goedheden aan die tafel van zijn liefderijken gastheer heeft ontvangen. De Zoon des menschen zal uit vrije gehoorzaamheid jegens zijnen Vader Zich niet aan dat snoode verraad, dat door Diens Goddelijke Wijsheid om de verhevenste doeleinden wordt toegelaten, onttrekken, maar vrijwillig het offer zijns levens brengen, gelijk Let van eeuwigheid ten gevolge der alles omvattende voorwetenschap des Vaders is bepaald en door de profeten voorspeld. Doch wee den verrader, wiens trouweloos verraad daardoor in geenen deele in boosheid wordt verminderd! Wee hem! want om zijn afschuwelijke zonde, om zijn ijzingwekkenden en wanhopigen dood in de zonde, om zijn toekomstig verderf gedurende de eeuwigheid, ware het hem beter nooit geboren te zijn. Het afschuwelijke vergrijp tegen den schulde-loozen Godmensch, de heiligschennis, ergernis, wanhoop toegevoegd aan dat trouwelooze verraad, de akelige dood en het onverbiddelijk oordeel, die op dat alles zullen volgen, eindelijk eene reddelooze en eeuwige verwerping, ziedaar waarom het voor Judas wenschelijk ware geweest, nooit het levenslicht te hebben aanschouwd.

Bij deze onheilspellende woorden des Heeren neemt

-ocr page 178-

174

de ongerustheid der minnende apostelen meer en meer toe. Angstig vragen zij elkander af, wie hunner toch wel dien verscliriijkelijken gruwel zal bedrijven. Petrus is als immer onder allen de vurigste. Achter Jesus zich oprichtende wenkt hij (1) Joannes, die als Jesus\' teedergeliefde leerling aan Diens Groddelijken boezem rust, den Heer, Diun Hij beier in stilte kan toespreken, te vragen, wien hunner Hij bedoelt. Opgewekt door dit teeken, laat Joannes zich neder aan de borst des Verlossers, en vraagt Hem, fluisterend en smeekend: Heer, wie is het ? Jesus voldoet aan het verlangen van zijn beminden apostel en geeft hem zachtjes ten antwoord : hij is het, wien Ik de ingedoopte hete zal toereiken. Zonder verder de aandacht van anderen te wekken, neemt de Heer de bete, (2) doopt ze, en reikt ze over aan Judas Ischkarioth, den zoon van Simon. Deze, terwijl hij de ingedoopte bete ontvangt, ofschoon hij vermoedt gekend te zijn, huichelt nog vriendschap, en vraagt om zijn toeleg te bedekken even als d;j anderen: hen ik het, Rcibhi ? Jesus laat hem verstaan dat Bij zijne boosaardige voornemens doorgrondt, en geeft hem, zonder dat de overigen het hooren, (3) ten antwoord : gij hebt het gezegd. Nu he gt;ft Judas de volkomene zekerheid, dat Jesus zijne snoode plannen kent, en kan hij het bijzijn des Groddelijken Meesters niet langer meer verdragen. Hij geeft zijn kart over aan Satan, en maakt zich gereed om zonder verder uitstel het opgevatte plan uit te voeren. Dadelijk na de bete genomen te kebben, staat hij op met verbitterd gemoed om, daar de paaschdisch geëindigd is, de zaal te verlaten. En de Heer, terwijl Hij deze

(1) Zie den Griekschen tekst der recepta.

(2) (pcufiiov. Wellicht hebben wij hier te denken aan de bete van het paaschlam, die den maaltijd besloot, daar Judas hierna vertrekt, en de maaltijd dus waarschijnlijk afgeloopen was

(3) Jesus sprak waarschijnlijk fluisterend, zoodat alleen Joannes, die nabij was en wiens aandacht was opgewekt, dit woord vernam. Dit is het gevoelen ook van den H. Augustinus.

-ocr page 179-

175

aanstalten bemerkt, zegt tot den verrader, zoodat allen het hooren: wat gij dom wilt, doe dat spoedig.

Dit woord, ofschoon een treffend verwijt voor Judas, is nochtans er op berekend om de zaak voor de overige apostelen bedekt te houden. Jesus ontslaat Judas uit den kring zijner uitverkorenen en geeft hem te kennen, dat hij, die zoo mis ladigen toeleg koestert, niet langer in dit heilige gezelschap moet vertoeven. Indien Judas ondanks al de ontvangene liefdeblijken toch zijn boosaardig besluit niet wil laten varen, waarom dan nog langer gedraald ? Hij voor Zich is bereid den kelk, dien de Vader Hem te drinken geeft, zonder uitstel te drinken.

.De overige apostelen evenwel begrijpen dit Goddelijk woord niet. Zelfs Joannes, die alleen den verrader kent, begrijpt niet, wat Jesus eigenlijk bedoelt, en heeft niet het minste vermoeden, dat de ontrouwe apostel nog dien nacht zijn aanslag zal uitvoeren. Eenige apostelen meenen, dat, daar Judas de beurs draagt, lt;.!e Heer hem het bevel geeft: ga, koop ons de ienoodigdheden voor het feest (1). Anderen denken, dat hem door den Heer gelast is, een liefdewerk jegens de belioeftigen te verrichten (2). Niet één echter, die vermoedt, dat Judas zich naar den hoogen raad begeeft, om zijn meester voor 30 zilverlingen te verraden.

Zoo is het treurig oogenblik dan geslagen der scheiding tusschen den apostel en den Zaligmaker der wereld, en die noodlottige scheiding zal eeuwig duren (3). Het was nacht, zegt Joannes. Het is don-

(1) Deze benoodigdheden betroffen wellicht de chagiga. Koopen en verkoopen was alleen op den Sabbath en den verzoendag, niet echter op de andere feesten, ontzegd. Volgens de school van Hill el waren verscheidene zaken op den Sabbath verboden, die op de feesten waren toegestaan. Zie Maimonides en Bartenora in Mischnajom. Tob. c. §§2.

(2) Hieruit blijkt, dat de Heer meermalen behoeftigen bijstond door de ontvangene liefdegiften.

(3) Meest alle de kerkvaders, indien men den H. Hilarius en Inno-

-ocr page 180-

176

ker om hem heen ; het is donker in zijne ziel. Hij gaat in de duisternis, meegesleept als hij wordt door den vorst der duisternis, en de ongelukkige bedenkt niet, dat hij een nacht zonder einde te gemoet snelt. Hij, die zijn broeder haat, is in de duistern\'s, wandelt in de duisternis, en hij weet niet, waar hij heen gaat, omdat de duisternis hem heeft verblind (Uo. II: 11). Hoe veel te meer is dat waar ten aanzien van hem, die zich door haat tegen zijn Meester en Zaligmaker laat vervoeren Gelijk de avond, die ten 6 uur met zonnen-ondergang was begonnen, ten 9 uur in den nacht is overgegaan, zoo is ook de ziel van Judas van lieverlede meer en meer afgeweken van het Goddelijk Licht, om eindelijk gedompeld te worden in een eeuwigen nacht van duisternis, verwerping en ellende.

§ 2. Verheerlijking van den Zoon des menschen.

Jo. XIII-.31-35.

J. der J. P. 4742; na R. St. 782 ; gew. jt. 29.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Judas heeft de zaal verlaten, en nu staat de dood, de voleinding van zijn strijd en de heerlijkheid, die daarop volgen zal, den Heer in eens voor den geest. Hij geniet als het ware reeds de zegepraal. Nu, zegt hij, is de Zoon des menschen verheerlijkt, en

centius uitgezonderd, zijn van gevoelen, dat Judas de instelling der Eucharistie heeft bijgewoond. De H. Cyprianus, Chrysostomus, Hierony-mus, Angustinus en Leo vooral zijn hier duidelijk; Vgl. Maldonatus.

De H. Lukas verhaalt duidelijk, dat Jesus nog na de instelling der Eucharistie van het verraad, dat ging plaats grijpen, heeft gesproken. Hiermede is, gelijk wij zagen, Joannes niet in strijd. Mattheus en Markus plaatsen onmiddellijk voor de instelling der Eucharistie de aankondiging van het verraad. Doch zij vermelden ook in één adem hetgeen na de instelling der Eucharistie van den verrader is gezegd. Dit blijkt 1° uit vergelijking van Mt. XXVI : 24 en Mc. XIV; 21 met Lc. XXII: 22 en 2° uit Mt. XXVI; 25, hetgeen wel niet dan bij het einde is geschied.

Gelijk men opgemerkt zal hebben, vond de instelling der Eucharistie hare plaats onmiddellijk na Jo. XIII: 23 en vc or v. 24.

-ocr page 181-

177

God is in Hem verheerlijkt. Indien God in Hem verheerlijkt is, dan zal Hij Hem ook verheerlijken in Zich zeiven, en terstond zal Hij Hem verheerlijken.

Het einde van zijn strijd is daar, zegt Hij. Door dood en opstanding zal Hij de waarachtigheid zijner leer bezegelen, toonen mensch geworden Grod te zijn, en zijne verhooging aan de rechterhand des Vaders te gemoet gaan, om als Grodmensch met Hem te heer-schen. Gaat Hij, de Zoon, verheerlijkt worden, in Hem gaat dan ook de Vader verheerlijkt svorden; in het offer, den strijd, en de zegepraal van zijn Zoon zal Hij zijne oneindige liefde, heiligheid en rechtvaardigheid openbaren. Daarom zal de Vader dien mensch-geworden Zoon ook verheerlijken in Zich zeiven, en Hem zonder toeven na het voltrekken zijns offers aan zijn Goddelijken luister, macht en heerschappij deelachtig maken. Te recht zegt de H. Cyrillus van Alexandrië; „Is Hij niet vroeger verheerlijkt, toen Hij „wonderen verrichtte? .... Echter was de volmaking „zijner heerlijkheid in zijn lijden gelegen, dat Hij om „het leven der wereld heeft doorstaan, en daarin, dat „Hij door Zich zeiven een nieuwen weg der verrijzenis „voor allen heeft opengesteld.... Derhalve gehoorzaam „geworden aan God zijnen Vader tot in den dood, ja „den dood des kruises volgens het woord van Paulus „(Philip. II; 8), is Hij andermaal ten hoogste verheven, „terwijl Hij een naam ontving, die boven allo namen „is. Want Hij, Die gehouden werd enkel mensch te „zijn, is bovenmate verheerlijkt, daar hij waarlijk is „gebleken God en wezenlijk Zoon van God te wezen... „Tegelijk alzoo met den verheerlijkten Christus is ook „God zijn Vader ten allen deele verheerlijkt. Ja Hij „is verheerlijkt in den Zoon .... omdat het kenbaar „is geworden, van welker. Zoon Hij Vader is. Want „even als het voor den Zoon een roem is ten aanzien „zijnor natuur zulken Vader te bezitten, evenzoo „meen ik, dat het tot roem des Vaders strekt, zulk

liet Offer van J, C. 1

-ocr page 182-

178

„een Zoon uit Zich zeiven te hebben. Daarom zegt Hij ; „indien God in Hem verheerlijkt is, zal ook God Hem „in Zich verheerlijken. Want tegelijk, dat de Vader „door den Zoon is verheerlijkt, heeft ook Hij weder-„keerig dadelijk den Zoon verheerlijkt; aan beiden toch „behoort door beiden de naam der heerlijkheid.quot;

Aan de gedachte van zijn naderend uiteinde en zegepraal is voor den Heer natuurlijkerwijs de gedachte aan de naderende scheiding van de zijnen verbonden, en terwijl Hij hun die naderende scheiding aankondigt, geeft Hij hun voor het eerst den zoetsten naam, dien een vader in zijne feeders! e liefde weet te geven, en drukt Hij hun als Vader zijn uitersten en innigsten wil op het hart: Kindekens, nog een weinig tijds ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ui tot de joden gezegd heb: waar Ik heen ga. kunt gij niet komen, zoo zeg Ik u ook nu. Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander lief hebt; dat, gelijk Ik u heb lief gehad, gij evenzoo ook elkander lief hebt. Hieraan zullen allen kennen, dat gij mijne leerlingen zijt, indien gij liefde hebt voor elkander. Het oogenblik zijner verheerlijking en der scheiding van zijne apostelen, zegt Jesus, is op handen, en, daar zijne heerlijkheid van deze aarde niet is, zoo zullen zij Hem wel zoeken, maar evenmin als de joden Hem in zijne glorie kunnen volgen. Had Hij echter vroeger voor de joden er bij gevoegd: gij zult Mij niet vinden en in uwe zonden zult gij sterven (Jo. VIII; 24), thans verzwijgt Hij deze uitdrukking en geeft wel eene tijdelijke maar geen eeuwige scheiding te kennen. Al verdwijnt Hij echter uit hun midden, tsch beboeren zij onderling vereenigd te blijven, gelijk zij tot nu door Hem vereenigd waren. Daarom laat Hij hun als laatste vermaning het nieuwe gebod; elkander lief te hebben, gelijk Hij hen heeft lief gehad. Het was een natuurwet, ook onder het oude Verbond met klem verkondigd, den evenmensch te beminnen als zich zeiven. Doch hier wordt niet de

-ocr page 183-

179

liefde tot zich zeiven aangegeven als de regel der naastenliefde ; neen, hier wordt de liefde van Christus voor den mensch tot regel, beweeggrond en maatstaf gesteld der naastenliefde. En hoe heeft Jesus bemind ? Hij heeft ons het eerste bemind; Hij heeft allen zonder uitzondering bemind . ook zijne vijanden. Hij heeft bemind met eene bovennatuurlijke liefde, en er naar gestreefd om allen te doen deelen in zijne eeuwige zaligheid. Hij heeft allen bemind als broeders en voor die broeders Zich opgeofferd tot in den dood des kruises. Dusdanige liefde verlangt Christus ook in zijne leerlingen. „Ziet gij,quot; vraagt de H. Cyrillus van Alexandrië, „de nieuwheid der liefde je-„gens ons? Want de wet gebood den broeder te bemin-„nen als zich zei ven; maar onze Heer J. C. heeft „ons meer bemind dan Zich zeivenquot;, (i. h. 1.) Ja, het is een nieuw gebod, omdat het gegeven wordt door een Godmensch, Die een geheel nieuw recht heeft om te gebieden, dat wij hen zullen beminnen, die Hij heeft lief gehad en gekocht voor den prijs van zijn Goddelijk bloed. Het is ook een nieuw gebod, omdat Hij zijne Godmenschelijke liefde ten toonbeeld stelt voor onze liefde. Eene liefde als die des Zaligmakers was door de wereld niet gezien; daarom zullen zij, die Hem gelijken en Hem navolgen in die liefde, door allen als zijne leerlingen erkend worden. Door het geloof is iemand wel is waar reeds de leerling van den Godmensch, doch door de beoefening dier heldhaftige naastenliefde wordt hij als zoodanig erkend. Aan de liefde, die de zijnen elkander toedra gen, zal men erkennen, dat zij voortspruit uit eene Goddelijke leer, en dat zij, die ze beoefenen, een mensch geworden God tot Leermeester hebben.

De eerste Christenen hadden dan ook slechts één hart en ééne ziel. „De uitoefening dier liefde dient „ons voo. al tot onderscheidingsteek en bij eenigen,quot; zegt Tertuliaan. „Zie, zeggen zij, hoe zij elkander

-ocr page 184-

180

„liethcbben en bereid zijn voor elkander te sterven.quot; (Apol. 11: 39). „Zij beminnen elkanderquot;, xegt Minu-cius .Felix, „voor zij elkander nog kennenquot;. Die zich zelf offerende liefde was steeds en is nog heden een sprekend kenteeken van Christus\' kerk. Aan de heerlijke bloesems en overvloedige vruchten dier liefde in de geloofsverkondigers, de priesters, do liefdezus ters, de instellingen van allerlei aard, die nooit aan de kerk ontbraken, erkent men den boom, die opgegroeid is uit het Goddelijk zaad, door het eeuwige Woord des Vaders bij zijne menschwording uitge strooid.

i? 3. Vraag van Petrus; twist der leerlingen • Petrus moet eenmaal zijne broeders bevestigen in het geloof; Petrus\' verloochening voorspeld.

Le. XXII: 24-33; Jo. XIII: 36—38.

J. der J. P. 4743; na R. St. 783; gew. jt. d\'J Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Bij Jesus\' woord: waar Ik heen ga, kunt gij Mij niet volgen, denkt Petrus aan eene verre reis, waardoor hij van zijnen geliefden Meester zal gescheiden worden. Het denkbeeld dier scheiding is hem echter onverdragelijk, en vurig als altijd stelt hij de vraag; Heer, waar gaat gij heen ? want het koste wat het wil, hij is besloten Jesus bij te blijven. Doch de Zaligmaker vergenoegt Zich met het antwoord: loaar Ik heenga, kunt gij Mij thans niet volgen, maar gij zult Mij later volgen. Het uur om Jesus te volgen door den kruisdood in de heerlijkheid is voor Petrus nog niet daar; hij is te zwak en zal het niet vermogen; maar later, na Jesus\' kudde te hebben geweid, zal hij den weg zijns Heeren gaan om met Hem te deelen in zijne immerdurende glorie.

Doch Petrus blijft nog immer zich hechten aan do letterlijke beteekenis van Jesus\' woord; het is hem

-ocr page 185-

1S1

onverklaarbaar, dat hij zijnen Meester op welke reis dan ook niet zou kunnen volgen, al ging zij ook met het grootste levensgevaar vergezeld. Waarom, zegt hij, kan ik u thans niet volgen ?

Deze vurigheid van Petrus, om den Zaligmaker te voigen, waar spraak is van zijne verheel lijking en zijn rijk, en tevens de voorrang aan Petrus te beurt gevallen bij do bereiding van het maal, bij het aan lip-gen en bij de voetwassching, deden nu andermaal den naijver en de jaloerschheid der overige apostelen ontwaken. Zij begonnen daarom onderling te twisten, wie onder hen wel de grootste seheen te zijn. (Lc.) Daarom richtte le Zaligmaker op de eerste plaats Zich tot allen, om hun ootmoed en liefde in te prenten, en wendde Hij zich vervolgens tot Petrus, om vooral hem tot mistrouwen van zich zeiven op te wekken. De koningen der heidenen, zegde Hij tot de gezamenlijke apostelen, voeren heerschappij over hen, en zij, die oner hen gebieden, worden weldoeners genoemd; maar gij niet alzoo. Doch die de grootste is onder u, worde gelijk de minste, en hij, die overste is, zij als een, die dient. Want ivie is de grootste, die aanligt of die dient ? Is het niet hij, die aanligt ? Ik echter hen in het midden van u als een, die dient. Doch gij zijt het, die Mij zijt bijgebleven in mijne beproevingen, en Ik beschik 21, gelijk mijn Vader voor Mij het rijk heeft beschikt, dat gij in mijn rijk aan mijne tafel eet en drinkt, en op tronen gezeten zijt als rechters over de twaalf stammen Israels.

De heidensche vorsten, zegt Jesus, laten zich bij het uitoefenen van hun gezag niet geleiden door de ware liefde en de zucht, om anderen gelukkig te maken ; hunne drijfveeren zijn hoogmoed, heersehzucht, zelfverheffing. Te recht of te onrecht laten zij zich den weidschen titel van weldoener geven en pralen daarmede. Integendeel nederigheid, dienstvaardigheid, liefde tn zucht om anderen gelukkig te maken, moeten zijne apostelen bezielen en hen kenmerken als de be-

-ocr page 186-

182

stuurders van zijn rijk. En hij, die in dat rijk eens over allen zal zijn gesteld, moet liet meest door die deugden uitmunten en bij de uitoefening van zijn gezag de dienaar der dienaren zijn. Dit behooren zij uit zijn Goddel ijk voorbeeld te leeren. Hij toch heeft Zich immer gedragen, als waren zij de heeren en als ware Hij de dienaar. Zulks deed Hij nog zoo even bij de /oet-wassching; zulks had Hij gedaan van het oogenblik zijner menschwordin j; tot op den stond, dat Hij hun zijn Goddelijk vleeseh en bloed had geschonken. En evenzoo behoort hij, die onder de apostelen de hoogste in rang en gezag zal zijn, de nederigste van allen te wezen. Ja, tot zekere mate behooren zij allen dit te behartigen. quot;Want zij allen zijn Hem getrouw gebleven bij de veelvuldige beproevingen, die Hij van de Phari-seën en Sadduceën had te verduren, en het loon dier trouw zal hun niet onthouden worden. Heeft de Vader aan Hem om zijne nederigheid, liefde en zelfopoffering het rijk, de kerk, de heerschappij over de zielen beschikt, aanvankelijk op aarde en volmaaktelijk in den hemel, ook Hij beschikt voor zijne apostelen als deelgenooten zijner beproevingen en vernederingen het deelgenootschap in zijn rijk , zoodat zij de voorrechten van het priesterschap zullen genieten bij den disch van het Lam, op aarde en in den hemel, en tevens als rechters en bestuurders over het nieuwere Israël op aarde en in den hemel eer en onderscheiding zullen ontvangen. En deze aanvankelijke belooni ig moet voor hen eene opwekking zijn, om naar zijn voorbeeld en met Hem steeds jegens allen, en ook onderling, nederigheid, dienstvaardigheid en zelfopoffering te betrachten.

Na dit tot do twistenden te hebben gezegd wendt Jesus Zich in het bijzonder tot Simon, die door zijne groole vurigheid en zelfvertrouwen aanleiding tot het twisten heeft gegeven. Hij is bestemd om het hoofd der apostelen te zijn ; maar hij meer dan de

-ocr page 187-

183

anderen lieelt ook nederigheid en mistrouwen op zich zeiven te leeren. Hij heeft gevraagd, waarom hij zijnen Heer niet kan volgen; Jesus laat het hem verstaan in de volgende woorden; Simon! Simon! zie de Satan heeft vlieden zeer begeerd te ziften als de tarwe ; maar Ik heb voor u gebeden^ dat uw geloof niet hezwijke; en gij, eens bekeerd zijnde, bevestig uwe broeders,

Simon! Simon! zegt Jesus met nadruk en noemt hem geen Petrus of steenrots, omdat hij weldra zal wankelen en de overtuiging erlangen, dat, zal hij eenmaal de onwankelbare grondslag der kerk zijn, hij dit uitsluitend aan de Groddelijke genade te danken zal hebben.

De- Satan heeft vlieden zeer begeerd te ziften als tarwe, zoo laat de Heer volgen, üe tarwe wordt namelijk geschud en op en neêr geworpen, om er al het kat van af te scheiden en te verwijderen. Gelijk weleer bij Job (Job I: 7) heeft de Satan zeer begeerd en het is hem toegestaan, de apostelen als tarwe te ziften, ze met alle kracht te beproeven, om uit hen zooveel verierf, als maar mogelijk is, te schudden. Het gevaar alzoo voor hen allen is groot; derhalve zal de Heer ook voor allen bidden. Doch vooral groot is de beproeving en het gevaar voor Petrus, die aller hoofd moet zijn. Daarom getuigt de Heer gebeden te hebben in \'t bijzonder voor hem, omdat hij als hoofd eens aller sterkte, als grondslag eens aller steun zal moeten wezen; maar Ik heb voor u. gebeden, opdat uw geloof niet bezwijke, en gij, eens bekeerd zijnde, bevestig uwe broeders. Het gebed van den Godmensch kan niet afgewezen, het moet verhoord worden. (Hebr. V: 7; Jo. XI: 42) Heeft hij gesmeekt, dat het gelooi van Petrus niet zal bezwijken, dan moge Petrus door vrees en menschelijk opzicht zondigen en uiterlijk zijn Goddelijken Meester verloochenen) het licht des geloofs zal in zijne ziel niet worden uitgeblucht. Een enkeleiblik van Jesus zal aan dat geloof

-ocr page 188-

184

de kracht hergeven om ontrouw en verloochening door tranen van diep gevoelden rouw uit te wisschen. Neen! het geloof van Petrus zal niet bezwijken, „Hij „heeft het met den mond geloochend, maar in den „geest behouden,quot; zegt de H. Ambrosius. (in ps. 43)

En waarom bidt de Heer, dat het geloof van Petrus niet zal beswijken? De Heer geeft het duidelijk te kennen, wanneer Hij zegt: en gij) eens bekeerd zijnde, bevestig uwe broeders. Door dat nimmer bezwijkende geloof moet Petrus als een niet wankelende grondslag aan het gebouw der kerk vastheid verleenen, {\\) en de broeders, apostelen en geloovigen, na zijne bekeering eens bevestigen. En moet Petrus ze allen door het geloof bevestigen, dan moeten ook allen met Petrus in het geloof overeenstemmen. „Waar Petrus is, zegt daarom de B. Ambrosius, „daar is de kerk.quot; „In Petrusquot;, schrijft de H. Leo, (Serm. IV. Natal, n. 3) „wordt de kracht beveiligd en wordt de „hulp der Groddelijke genade zoo geordend, dat dc „sterkte, die door Christus aan Petrus wordt geschonken, „door Petrus aan de apostelen ivordt verleend\'1. „Ik oordeel het billijkquot;, zoo spreekt de H. Bernardus (epist. 190) „dat daar vooral de schaden des geloofs worden „hersteld, waar het geloof geen ophouden kan ondervinden. Dit is het voorrecht van dezen stoel. „Want tot wien is het eens gezegd: ik heb voor u „gebeden, Petrus, dat uw geloof niet bezwijke ? Der-„halve wordt ook hetgeen volgt, van Petrus\' opvolger „gevorderd : en gij eens bekeerd zijnde, bevestig uwe „broedersquot;.

Zoo vinden wij dus ook hier de inrichting der kerk terug. Zij is een rijk, dat door den Vader aan Christus is beschikt, en dat Christus op zijne beurt aan de

1

Het Gtieksche woord GTTiptaov van (TZYjpiXo) wordt vooral gebruikt van vastheid geven, gelijk de grondslag vaneen gebouwdoet. vMt.XVI: IS-

-ocr page 189-

185

apostelen en hunne opvolgers beschikt en toevertrouwt. De apostelen worden uitverkozen om als rechters het nieuwe Israël, waarvan Hij de Koning is, te oordeelen en te besturen. Maar onder hen is een meerdere, een overste. Deze is geen andere dan Simon ; want om de bede des Zaligmakers zal zijn geloof niet bezwijken, en door dat onbezweken geloof zal hij zijne broeders na zijne bekeering (1) eens beves tigen. Hij zal, waar Jesus deze aarde verlaat, zijn plaatsbekleeder zijn in zijn rijk.

Als Petrus de aanstaande beproeving van allen en in \'t bijzonder zijn eigen val en bekeering uit \'sHee-ren mond verneemt, kan hij niet nalaten, zijne onverbreekbare trouw te betuigen. Heer, roefit hij uit. ik ben bereid den kerker, ]a den dood met U in te gaan. Mijn leven zal ik voor u geven ! Innige geheclitlieid aan den Meester straalt als altijd door in dat woord , maar helaas! ook onbedachtzaam zelfvertrouwen. Petrus kent zijne zwakheid niet; op welke treurige wijze zal hij haar leeren kennen! Jesus laat niet na hem daaromtrent te waarschuwen. Uw leven, zegt Hij, zidt gij voor Mij stellen ? Voonvaar, voorwaar Ik zeg u, Petrus ! de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult loochenen, Mij te kennen. (2) De Heer doet met dsze woorden eene Goddelijke en zeer bepaalde voorzegging.

(1) Sommigen vertalen: en gij op uwe beurt bevestig uwe broeders. Deze beteekenis echter van het CJrieksche woord is minder gebruikelijk en ook om den samenhang minder aannemelijk.

(2) Gelijk men ziet, heb ik Lc. XXII: 24—34 overeengebracht met Jo. XIII: 36—38. Vooreerst wordt de twist der leerlingen om den voorrang zoowel als de voorspelling der verloochening van Petrus door den II. Lukas verhaald na de laatste voorspelling v.ui Judas\' verraad, na welke de verrader, gelijk wij zagen, de zaal verliet. De II. Joannes verhaalt eveneens deze voorspelling aan Petrus na de laatste aankon-diging van Judas\' verraad en nadat deze de zaal had verlaten. Ten tweede wordt de twist der leerlingen (Lc. XXII; 24) verklaarbaar zoowel door het voorafgesprokene omtrent het verraad als door de warme betuiging van trouw door Petrus bij Joiinnes XIII: 36. Ten derde vindt

-ocr page 190-

186

Reeds is de nacht aangevangen. En zie, ofschoon Petrus, vol innige gehechtheid aan zijn Goddelijken Meester, betuigt bereid te zijn om zelfs voor hem te sterven, zegt Jesus, dat de hanenschrei (vgl. Mc. XIII: 35) of de derde nachtwake niet zal eindigen, eer de zoo minnende Petrus drie maal zal geloochend hebben Hem te kennen. Zoo laat Hij gevoelen, hoezeer de toekomst open ligt voor zijn Goddelijken blik. Zoo zoekt Hij Petrus te genezen van zijn zelfwaan dooi eene waarschuwing, die de H. Augustinus aldus vertolkt: „gij zult uw leven voor: Mij geven \'? Zult gij „doen voor Mij, hetgeen Ik nog niet gedaan heb voor „u ?.. . . Kunt gij voorgaan, die niet kunt volgen ? „Gij belooft groote dingen, en gevoelt niet klein te „zijn. Gij, die Mij uweu dood toezegt, zult Mij drie-„maal verloochenen, Die uw leven ben.quot; (Tr. LXVI in Jo. n. 1).

§ 4. Nadere voorspelling van het gevaar en Jesus\' einde. De twee zwaarden. Voorzegging van Isaias.

Lc. XXII: 34-38.

Jaar der J. P. 4742 5 na R. st. 782 5 der gew. jt. 29. Donderdag, 14 Nisan; 17 Maart.

Het gevaar bedreigt niet Petrus alleen, het bedreigt allen. Bange oogenblikken gaan voor hen aanbreken. (1) De Heer laat het gevoelig uitkomen door eene treffende

het woord, dat Christus bij Lukas XXII: 31 tot Simon richt, zijne reden in hetgeen Jo. XIII: 36, en 37 omtrent Petrus verhaald wordt. Ten vierde vergelijke men:

Lc. XXII: 33. Domine, Tecum paratus sum et in carcerem et in mortem ire.

34 Dico tibi, Petre, non canta-bithodie gallus, donec ter abneges nosse Me.

en Jo. XIII: 37 animam pro Te ponam.

38. Animam tuam pro Me po-nes. Amen, amen dico tibi, non cantabit gallus. donec ter neges Me.


(1) Hierdoor blijkt, dat Lc. XXII: 34—38 zich goed bij het voorgaande aansluit.

-ocr page 191-

187

tegenstelling met hunne eerste zendolingsreize, toen Hij door een geheel bijzondere Voorzienigheid over hen had gewaakt. Toen Ik u uitzond, zegt Hij, zonder huidel, zonder reiskorf, zonder voetzolen, heeft u toen iets ontbroken? Niets, zoo luidt het stellige antwoord der apostelen. Doch nu, zoo herneemt Jesus, me een geldbuidel heeft, neme dien; eveneens een reiskorf; en die er geen heeft, verkoope zijn mantel en koope een zwaard. Geen overvloed maar gebrek, geen liefderijk onthaal maar verstooting, geen vrede maar strijd en beproeving staan hen thans te wachten. Het zal eene vervolging zijn ten dood toe, zoodat, steunden zij op menschelijke middelen, zij zich, het koste wat het koste, een zwaard zouden aanschaffen, moesten zij er zelfs hun overkleed voor opofferen. Want Ik zeg u, zoo gaat de Heiland voort, ook dit nog, hetgeen van Mij geschreven staat, moet aan Mij vervuld toerden : en Hij is onder de boosdoeners gerekend. Want hetgeen Mij betreft, heeft een einde. Alle de profetiën omtrent zijn lijden en dood staan op het punt bewaarheid te worden, en, waar Hij achter Barabbas gesteld, en tusschen twee moordenaars gekruisd gaat worden, daar zal Hij letterlijk onder de boosdoeners worden gerekend. De dingen toch, die Hem betreffen, de figuren, de voorzeggingen, de verwachtingen zooveler eeuwen gaan hunne vervulling te gemoet, en weldra zal Hij kunnen uitroepen : het is volbracht. Is dit het lot van Hem, den Meester, welk zal dan hun lot zijn? Zij kunnen er uit afleiden, hoe vreeselijke beproevingen bij zijne gevangenneming als een boosdoener ook voor hen een aanvang zullen nemen.

De apostelen begrijpen de woorden des Heeren letterlijk, alsof zij werkelijk naar zwaarden hebben om te zien, cn op gewelddadige zelfverdediging bedacht moeten zijn. Zij toonen den Heer daarom de twee wapenen, waarvan zich volgens de gissing van den H. Chiysostomus Petrus en Joannes bij het slachten

-ocr page 192-

188

van het Paaschlam hebben bediend; en het is volgens het gevoelen van dun H. Ambrosius weder de vurige Petrus, die antwoordt: Heer, ziehier twee zwaarden. Wij treffen dan ook later een dezer zwaarden in zijne handen aan, wanneer hij het onderneemt zijn Meester te verdedigen en er den knecht des hoogepriesters mede verwondt. Het is genoeg, antwoordt de Heer, en wil niet, dat er nog verder spraak zij over dit onderwerp. Zij hebben verkeerdelijk begrepen, dat Hij het gevaar met geweld te keer zou willen gaan. Dit is zijne bedoeling niet; dus genoeg hiervan. Hij heeft hen over andere dingen te spreken.

De woorden^ die wij den Zaligmaker hier zoo even hoorden aanhalen uit het oude testament, zijn ontleend aan de lijdens-profetie van Isaïas. Daar deze schoone profetie op zoo in \'t oog loopende wijze het lijdensoffer van den Verlosser voorspelt, en bijzonder gewichtig is, wijl zij de leer van \'sHeeren plaatsvervangende genoegdoening zoo duidelijk verkondigt, moge zij hier eene plaats vinden.

LH: 13, Ziet, mijn dienstkneeht zal het voorspoedig voleinden! Hij zal vey htven, verhoogd, en zeer hoog zijn.

V. 14. Gelijk allen over u ontzet waren , zoo is zijn uiterlijk jammervol meer dan van eenig mensch, en zijne gedaante meer dan van eenig menschenkind. v. 15. Zoo zal Hij vele heidenvolkeren besprengen. De koningen zullen den mond voor Hem sluiten; want hetgeen hun niet was verkondigd, zien zij, en zij vernemen, ivat zij niet hadden gehoord. LUI: 1. Wie zal onze aankondiging gelooven? Voor

wien openbaart zich Jehovah\'s arm ? v, 2. Want Hij zal voor hem opschieten als een twijgjen, als een wortelspruitjen uit een dorren grond. Geen uiterlijkd vorm, geen sierlijkheid is aan Hem, waardoor Hij onze oogen tot Zich trekke; geen aanzien, dat ivij Hem zouden hegeeren.

-ocr page 193-

189

v. 3. Veracht is Hij en de geringste onder de men-schen; een man van smarten en vertrouwd met het lijden, en als een, wiens gelaat voor ons is verborgen! Veracht is Hij; daarom schatten ivij Hem niets.

v. 4. Voorwaar! Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen; en wij, wij hebben Hem gehouden voor een geslagene, voor een door God gekwelde, en vernederde. v. 5. Hij werd gewond om onze zonden, Hij werd verbrijzeld om onze misdaden; de bestraffing voor onzen vrede rustte op hem, en door zijne striemen gewerd ons genezing.

v. G. Wij allen waren verdwaald als schapen, elk sloeg zijn eigen weg in, en Jehovah wierp op Hem de zonde van ons allen.

v. 7. Hij werd geëischt, en Hij, Hij onderivierp Zich; en Hij deed zijn mond niet open, gelijk een lam, dat ter slachting wordt gevoerd; en gelijk een schaap, dat stom is onder des scheerders hand, zoo deed Hij zijnen mond niet open. v. 8. Uit een verdrukkend gerecht werd Bij weggevoerd. En wie zal zijne tijdgenooten schetsen ? Want Hij werd afgesneden van het land dei-levenden , wijl Hij om de zonde mijns volks als een geslagene iverd voor hen.

v. 9. En het bestemde zijn graf bij de boosdoeners, doch bij een rijke ivas Hij in zijn dood\', want Hij pleegde nimmer onrecht, en geen bedrog was in zijnen mond.

v. 10. Jehovah verkoos Hem door lijden te verbrijzelen. Heeft Hij zijn leven tot een schuldoffer gesteld, dan zal Hij nakroost zien, lang leven, en slaagt Jehovahs raadsbesluit door zijne hand. V. 11. Daarom, omdat zijne ziel gearbeid heeft, zal Hij zien en verzadigd worden; door zijne erkenning (gehoorzaamheid) zal Hij, de Gerech-

-ocr page 194-

190

tige, mijn dienstknecht, velen rechtvaardig maken, want hunne zonde heeft Hij gedragen. v. 12. Daarom geef Ik Hem menigen ten deele, en machtigen zal Hij ten buit ontvangen; loijl Hij zijn leven den dood overgaf en onder de boosdoeners gerekend is, en Hij de zonden van velen heeft gedragen en voor de hoosdoeners gebeden heeft (1).

Wanneer wij deze voorspelling in haren samenhang beschouwen, dan bevinden wij, dat zij ten innigste verbonden is met de voorafgaande, in welke Isaïas handelt over de bevrijding van Gods uitverkoren volk door Cyrus uit de Babylonische gevangenschap, waar het om zijne zonde was heengevoerd. Hiervan als type gaat Isaïas over tot de geestelijke bevrijding van het menschdom, dat Christus zal verlossen van de ketenen der zonde, waarin het zucht. In v. 7 en 8 hoort de profeet in den geest de heilgezanten, die de blijde boodschap van den terugkeer naar Sion verkondigen, en ook typisch de heilboden, die de blijde tijding van het evangelie aan de volken vermelden. V. 9—12 wekt hij Jerusalem en in deze type de Kerk op tot vreugde om het heil, dat Gods machtige arm voor Israël en in veel verhevener zin voor het menschdom zal werken. En, wijl nu de aardsche bevrijding van Israël voltrokken is, hangt de blik van den ziener alleen aan den Dienstknecht, dien hij eerst met en door de type van Cyrus zag. Nu begint hij in de drie laatste verzen van dit hoofdstuk den hoofdinhoud der

(1) Deze vertaling is volgens het Hebreeuwsch. Dat deze voorspelling in letterlijken zin den Messias betreft, blijkt 1° door hare zoo juiste en blijkbare vervulling in zijn lijden en dood; 2° door het gezag van Christus Lc. XXII: 37; Mc. XV; 28; Jo. X: 15; van de evangelisten; Jo. XII: 37—58; Mt. VIII; 16, 17; van de apostelen: Rom. X: 16; van Philippus: Act. VIII; 26—40; 3° door het gezag van alle de kerkvaders; 4° door het eenparige getuigenis van alle geloovige schriftuurverklaarders; 5° door het gezag der katholieke kerk; 6° door de joodsche overlevering.

-ocr page 195-

191

volgende godspraak in algemeene bewoordingen aan te geven. In vers 13 kondigt hij de overwinning aan van den Grodmensch, Die, opgeheven (1) aan het kruis, zal zegevieren, en, dien ten gevolge verhoogd en ten zeerste verheerlijkt, het werk Hem opgelegd gelukkig zal voleinden. Nu wordt in de beide volgende verzen de hoofdgedachte uitgedrukt der profetie: Jesus smartvol lijden wordt gekenmerkt als zijn hoogepriesterlijk offer en is daardoor de oorzaak van zijne reeds vermelde zegepraal en verlossing. Gelijk (2) velen, zegt Isaïas, over u, o Israël! en over uwe verdrukking ontzet waren, zoo ook zal Hij, mijn Dienstknecht, boven allen door het lijden vernederd worden. Op die wijze lijdende, zal Hij echter als Hoogepriester vele volkeren door zijne bloedbespren-ging reinigen. (3) Ja! door zijn kruis zal Hij alles tot zich trekken; volkeren en vorsten zullen Hem verheerlijken, en ten teeken van eerbied en onderwerping zullen de koningen voor Hem den mond sluiten, en zwijgend de blijde tijding zijner verlossing vernemen. Het offer zijns lijdens zal de bron zijner zegepraal zijn

(1) Vgl. hier Jo. Ill: U; XII; 32; en Phil. II: 9, alsook ps. 109. 7.

(2) Het woordjen chahascher (gelijk), waarmede \'teerste lid van dit vers begint, staat bij deze vertaling tegenover chen (zoo), waarmede het tweede lid aanvangt. Anderen stellen het tegenover aan waai mede ook het volgende vers aanvangt. Dit laatste echter drukt uit, hoe Jesus\' lijden met zijne besprenging in verband staat.

(3) Het Hebreeuwsche woord nes ah, dat hier voorkomt en oorspronkelijk het opschieten of ontspringen eener fontein beteekent, heeft, wanneer het in hiphil staat, geen andere beteekenis dan besproeien, besprengen, en wordt bijna altijd in de schriftuur gebezigd van de besprenging, die geschiedde door den priester, en vooral van de bloedbesprenging door den hoogepriester. Vgl. Lev. IV: 6, 17; V: (J etc. Aan Jesus als hoogepriester wordt deze bloedsbesproeiing toege-\'* schreven in het nieuwe testament, Hebr. IX: 18—23; XII: 24: I Petr. I: 2. Dat ook hier van zulke hoogepriesterlijke bloedbesprenging spraak is, waardoor men gereinigd werd van de zonden, blijkt uit het geheele volgende hoofdstuk.

-ocr page 196-

192

In hoofdstuk 53 zet nu Isaïas deze hoofdgedachte nader uiteen, en verkondigt eerst het lijdens-offer, waardoor de Messias de zonde der wereld zal boeten (v. 1—8), en vervolgens de heerlijkheid en roem, die Hij daardoor zal inoogsten.

v. 1. Hoe weinigen, roept de profeet uit, zijn er in Israël, die zich niet aan ongeloof ten opzichte van den Messias zullen schuldig maken! (Jo. XII: 37,38; Rom. X: 16). Wie toch erkent in hetgeen Christus zal wedervaren, den arm van Jehovah, de raadsbesluiten des Heeren (Act. IV; 28), het werk zijner almacht ?

v. 2. Dat ongeloof\' vindt zijne verklaring in de diepe vernederingen, die Gods Zoon zal ondergaan. Grering toch zal de afkomst, nederig de geboorte van den Messias zijn. Jesse\'s afstammeling zal zijn als een tenger twijgjen, als de zwakke spruit uit een wortel, die onoogelijk en armoedig opschiet uit een dorren grond. Wel verre dat aardsche glans en heerlijkheid Hem zullen omgeven, zal Hij zonder uiterlijk, zonder sieraad, zonder aanzien zijn. Armoede en de uiterste nederigheid zal zijn deel wezen. Daarom verlangen Hom vooral de joden niet.

v. 3. Veracht zal Hij worden en gesmaad, als ware Hij de geringste en het uitvaagsel der menschen bij zijne bespotting door Herodes, zijne ten achterstel ling ten aanzien van Barabbas, zijne kruisiging tus-schcn twee moordenaars. Een man van smarten zal Hij zijn en vertrouwd met het lijden, zoodat van zijn voetzool tot aan zijn kruin geen gezondheid in Hem zal wezen (Is. I: 6), en geen smart te vergelijken is met zijne smart (Jer. klaagl. v. 12J. Als aan een ter dood veroordeelde zal men Hem het gelaat bedek-«ken en Hem spottend blinddoeken (l). Hij zal

(1) Deze zinsnede in het Hebreeuwsch is zeer duister en door verschillenden verschillend opgevat. Mij schijnt het verldeselijkst, mastey met Gesenius als participium van Iliphil met onpersoonlijke beteekenis

-ocr page 197-

193

met verguizing en bespol ting overladen worden (Lc. XXII: 63, 64). Ja! veracht zal Hij worden, en daarom door Israël als niets geschat (Vgl. Mc IX ; 11).

v. 4. Na zich dus over het ongeloof der joden te hebben beklaagd en vervolgens de armoede, nederigheid, verachting en het lijden des Heilands als oorzaak daarvan te hebben aangegeven, geeft de profeet te kennen, dat dit geen reden mag zijn om Hem als Messias te verwerpen, doch veeleer eene reden is, om Hem als zoodanig aan te nemen. Waarlijk, roept Isaïas uit, waarlijk Hu (1) droeg krankheden, maar het waren onze krankheden, die wij verdiend hadden; Hu verduurde smarten, maar het waren smarten, die ons toekwamen; doch wu, wu hielden Hem voor een van Grod geslagenen en vernederden boosdoener. In dienzelfden zin zou later ook de H, Apostel Petrus zeggen: Die zelf onze zonden in zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, van de zonden bevrijd, der gerechtigheid leven zouden, door wiens striemen gij genezen zijt, (1 Pet. II: 24)

v. 5. De ware reden, waarom Hij, de Emmanuel, een man van smarten zou zijn, was dus, dat Hij in

en mimcnoe van den Isten persoon meervoud te verstaan, zoodat de zin is: a!s eem, wiens gelaat men voor ons heeft verborgen, hetgeen vrij goed overeen stemt met de vulgaat. Den ter dood veroordeelden werd werkelijk het gelaat bedekt. (Vgl. Esther VII: 8.)

(1) Men geve acht op de tegenstelling tusschen het bevestigende hacken (waarlijk) en de adversatieve loaf (maar), tusschen het nadrukkelijke hoe en het daartegenoverstaande hanachnoe en tevens op het paralelismus tusschen de gezegden droeg onze krankheden en torschte onze smarten. Ook lette men op de beteekenis van sabal^ dat nimmer eene andere beteekenis heeft dan bajulare, torschen, ofóchoon het 9 maal in de H. Schrift gelezen wordt. Eindelijk houde men den samenhang in \'t oog, waar gezegd wordt, dat de Messias werkelijk een man van smarten is. Ongegrond dus is de verklaring van den Groningschen Hoogleeraar Hofstede de Groot, dat wij hier aan geen satisfactio vica-ria hebben te denken, en het vers behooren te verstaan, dat Christus onze krankheden heeft weggenomen en onze smarten heeft afgetild, toen Hij de zieken genas. Vgl. Mt. VIII: 16.

13

Het Offer van J, C. I

-ocr page 198-

194

onze plaats voor onze zonden zou boeten en voldoen. Ja! Hij werd verwond om onze zonden, Hij werd verbrijzeld om onze ongerechtigheden. Om onze zonden is Christus gestorven volgens de schrift, schrijft ook later de H. Paalus, (1 Cor. XV: 3) en de H. Petrus zegt: eens is Christus wegens onze zonden gestorven. (Vgl. 1 Cor. XV: 3; Gal. I: 4; Hebr X: 12) Zoo berustte op Hem de bestraffing voor onzen vrede, en was Hij werkelijk door in onze plaats de straf onzer zonden te ondergaan, gelijk Hij elders door denzelfden profeet wordt genoemd, de vorst des vredes. God zou in Christus de wereld met Zich verzoenen (2 Cor. V; 19). Gerechtvaardigd in zijn bloed, zouden wij gered worden van de gramschap door Hem (Rom. V: 10), en door zijne striemen zou ons genezing geworden.

v. 6. Gelijk eene dwalende kudde, wier schapen hier en ginds verstrooid langs verschillende paden, volgens dat hun de lust bekruipt, zich verwijd-, ren en afzwerven ; zoo dwaalden de menschen, wijl door de erfzonde de band tusschen hen en hun Herder verbroken was, allen af van den weg des Heeren. terwijl elk diensvolgens naar zijn bedorven zin de paden des verderfs insloeg. In Adam hadden allen gezondigd, en zijne overtreding strekte allen menschen ter ver-oordeeling (Rom. V: 12, 18). Maar Jehovah wierp do zonde van ons allen op den Messias. Bij is het Lam Gods, waarop aller zonden als op een zoenoffer (Vgl. Levit. XVI: 20) zijn overgedragen, en dat de zonde der wereld wegneemt. Hij is het Lam, geslacht van den beginne der wereld, het eenig ware Paaschlam ter verlossing uit Satans slavernij- Hij is het vlekke-looze en onbezoedelde Lam, door wiens bloed wij zijn vrijgekocht. Wij waren eens gelijk dwalende schapen, doch het Lam Gods droeg onze zonden in zijn lichaam op het hout, en zie! wij zijn wedergekeerd tot den Herder en Opziener onzer zielen. (1 Pet. II: 24) v. 7. Twee eigenschappen zou Hij bij zijn lijdens-

-ocr page 199-

195

offer vooral aan den dag leggen. De eerste is vrijwillige gehoorzaamheid: Hij werd geëischt en Hij, Hij onderwierp Zich. Terecht zou Hij kunnen zeggen : daarom bemint Mij de Vader, omdat Ik mijn leven afleg, ten einde het weder te nemen. Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het af uit Mij zeiven. (Jo. X: 17: 18) De tweede eigenschap zijns lijdens is een grenzelooze zachtzinnigheid en een onuitsprekelijk geduld. Green klacht zou Hem ontsnappen, en Hij zou ter slachtbank geleid worden als een lam, dat zijn mond niet opent. Stom als een schaap onder des scheerders hand, zou Hij niet lasteren, terwijl Hij gelasterd werd, niet dreigen, terwijl Hij leed (1 Petr. II: 21-23).

v. 8. Nu worden de ongerechtige veroordeeling en de zoendood des Heeren voorspeld. Uit een verdruk kend gerecht zal Hij ter dood gevoerd worden, dat is op het moordgeschreeuw der joden en het onrechtvaardig vonnis ^an Pilatus ter kruisiging worden voort-gesleurd. Wie zal zijn geslacht of zijne tijdgenooten schetsen, die den Heilige en Rechtvaardige zoo schandelijk zullen verwerpen en dooden ? (Act. III: 14) Schuldeloos zal Hij den dood ondergaan, wijl Hij ter genoegdoening voor de zonde zijns volks voor hen de straf van Grods rechtvaardigheid op Zich zal nemen. Zoo zal de bloem van Jesse, de tengere spruit voortgesproten uit een afgeknotten stam, na armoede, smaad en lijden door den moedwil van een onrechtvaardig geslacht worden afgesneden van het land der levenden (1).

(1) De zin van dit vers is in sommige punten duister. Het Hebreeuw-sche woord door beteekent nakomelingschap, tijdgenooten, afstamming en leven, namelijk generatio en wel praeterita, praesens, et futura. Et-doro staat in den accusativus^ en deze, ofschoon hij soms absoluut gebruikt wordt, hangt hier waarschijnlijk af van het volgende werkwoord. Hierop is ook de vertaling der vulgaat gegrond: generationem ejus quis enarrabit ? Neemt men nu generatio met Cornelius a Lapide en Dereser voor tijdgenoten, dan is het een natuurlijke uitroep des

-ocr page 200-

196

Het lijdensoffer is volbracht; nu schetst de profeet de verheerlijking van den Messias.

v. 9. De Messias, ofschoon Hij op Golgotha zal sterven tusschen de boosdoeners, en volgens het verlangen zijner vijanden dier graf moet deelen, zal door een wonderlijke beschikking des Vaders bij een rijke zijn in zijn dood. Joseph van Arimathea zal Hem een heerlijk graf bezorgen en den Rechtvaardige bij uitstek daardoor als onschuldigen en als on-bedriegelijken Leeraar erkennen.

v. 10. Het zal Jehovahs welbehagen zijn, den Messias al de gestrengheid zijner rechtvaardigheid te laten ondervinden en in zijn vreeselijk lijden de afschuwelijkheid der zonde ten toon te stellen. Heeft Hij echter zijn leven dientengevolge vrijwillig tot schuld- of zoenoffer gesteld. (Vgl. 1 Jo. II: 2, 1 Jo. IV ; 10 ; Rom. III: 25 ; 2 Cor. V : 21), dan zullen de vruchten ten opzichte van de menschen, van Hem zeiven, en van zijnen Vader niet uitblijven. Daarom legt dan ook later de H. Paulus Jesus deze woorden tot zijnen Vader in den mond: offer en opdracht hebt gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam toebereid; brandoffers hebben u niet behaagd. Toen sprak Ik: zie Ik kom (aan het hoofd der boekrolle staat het van

Mij geschreven,) om te doen o God, uioen wil...... In

welken wil wij geheiligd zijn door het offer des lichaams van J. C. eenmaal. (Hebr. X 5 — 10).

De eerste vrucht van dat offer, door den Zoon volgens het welbehagen des Vaders gebracht, is dat Hij nakroost zal zien. Dat nakroost zijn de door Hem besprengde en gereinigde volkeren, (Is. Lil: 15) de geslachten der aarde, die in Hem gezegend zullen worden (Gen. XII: 3); het is de kerk, die Hij zal verwerven door zijn bloed. Hij is dat

profeten, die verwonderd is, dat Jesus\' tijdgenooten zich zooverre vergrepen en den schuldelooze onrechtvaardig veroordeelden en kruisigden. Hiermede strookt het voorafgaande eu volgende zeer goed.

-ocr page 201-

197

geheimzinnige graankorreltje, dat, als het niet in de aarde valt en sterft, alleen blijft, doch, zoo het sterft, vele vruchten voortbrengt.

Tevens zal uit dit schuldoffer bij zijne verrijzenis een heerlijk en immerdurend leven voortspruiten. Jesus, van de dooden verwekt, sterft niet meer (Rom. VI; 9). Hij blijft met zijne kerk tot aan de voleinding der dagen; Hij leeft in haar voor eeuwig in het hemelsche Sion.

De tweede vrucht van Jesus\' offer zal zijn de verheerlijking zijns Vaders door de uitvoering van zijn eeuwig raadsbesluit. (Vgl. Is. LH: 13) Eere zal Hij geven aan God, door volgens Diens welbehagen vrede, verzoening, verlossing, eeuwig les7en, opstanding des lichaams, genade en glorie aau de menschen te schenken ! Over alle vijandelijke machten zal Hij zegevieren, en zoo zal Hij bij de voleinding zijns offers kunnen zeggen: het is volbracht; Ik heb het werk voleind, hetgeen Gij Mij te volbrengen overgegeven hebt. (Jo. XVII: 4).

v. 11. De derde vrucht van Jesus\'offer, de heiliging der menschen, die reeds in de twee vorigen ligt opgesloten, wordt mede door den profeet meer op den voorgrond gezet. Om zijn zwaren lijdensarbeid, zijne innige zielsdroefenis, zijn smartelijk offer zal Hij op zijn nakroost, op zijne verloste kerk nederzien en daardoor overvloeien van vreugde en verzadigd worden. Door de erkentenis toch van den wil zijns Va-d( rs zal Hij, Jehovah\'s rechtvaardige Dienstknecht, velsn rechtvaardig maken, of, gelijk de H. Paulus met het oog op deze plaats het uitdrukt: door de gehoorzaamheid des éénen zullen de velen rechtvaardig gesteld worden (Rom. V: 18, 19), omdat Hij hunne misdaden gedragen , of voor hunne zonden geboet heeft. (Vgl. Rom. III: 22—26)

v. 12. Zoo zal het voltrekken van Jesus\' zoenoffer eene heerlijke zegepraal zijn. Als overwinnaar ont-

-ocr page 202-

198

vangt Hij na zijn strijd een heerlijken buit. De velen, die Hem worden toegedeeld, zijn de vele volkeren die Hij heeft besprengd met zijn bloed (Lil: 15), de velen, die Hij door zijn gehoorzaam offer heeft gerechtvaardigd ; de machtigen, die Hem worden geschonken, zijn de koningen, die voor Hem den mond sluiten. En die zegepraal zal Hij genieten, geeft de profeet op nieuw met klem te kennen, terwijl hij de hoofdgedachte, de plaatsvervangende genoegdoening of het zoenoffer van den Messias voor de zonden, ten slotte nogmaals doet uitkomen, omdat Hij zijn leven ten dood overgaf en onder de hoosdoeners gerekend is, en door dien d^od en smaad de zonde van velen heeft gedragen, terwijl Hij met onuitsprekelijk geduld en allcr-bewonderenswaardigste liefde aan zijn kruis ioor de misdadigers, die Hem moordden, tusschen heiden is getreden.

Ziedaar hoe Isaïas, eer meb de taal van het evangelie dan van de profetie, ons den Emmanuel heeft leeren kennen. Die in de gestalte van den Knecht gehoorzaam zou worden tot in den dood, en alzoo door het offer voor onze zonden en de voltrekking van onze verlossing een naam zou verwerven die boven alle namen is. Welk een luistervol licht voor ons geloof! Wie, wanneer hij deze sprekende schildering leest, roept niet aanbiddend en dankend uit: waardig is het Lam, dat gedood is geworden, te ontvangen de macht en de Godheid en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging !(Apoc, V: 12)

§ 5. Jeswi troost en onderricht zijne leerlingen, Jo. XIV: 1-14.

Jaar der J. P. 4742 ; na R. st. 782 ; gew. jt. 29.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

De apostelen, als zij hun innig geliefden Meester hoorden aankondigen, dat zijn einde zoo nabij was, dat zulke zware beproevingen hen wachten, en dat Petrus

-ocr page 203-

199

Hem nog dien nacht zou verloochenen, werden ontsteld en diep bedroefd, en verborgen die treurige gewaarwordingen niet. Als een minnende vader, die zijne kinderen gaat verlaten, zoo begint Jesus hen. terwijl de treurigheid en neerslachtigheid op bun gelaat te lezen staat, hen te troosten en hun vertrouwen op te beuren. Uw hart worde niet ontroerd, zegt Hij. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij, en vertrouwt op mijne beloften zoowel als die des Vaders. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen ; zoo niet, Ik zou het Ugezegd hebben — want Ik ga u eene plaats bereiden. En als Ik zal heengegaan zijn en u plaats bereid zal hebben, kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat, waar Ik ben, ook gij zijt.

Het is waar, zij gaan scheiden, maar niet voor immer. Als Zoon des Vaders, die daar te huis behoort, verzekert Hij hun , dat in het koninklijke en overgroote paleis zijns Vaders, vele en velerlei verblijven zijn. Hij gaat slechts daarheen door zoendood en hemelvaart, om hun eene plaats te bereiden. Dan komt Hij weder , om hen daar tot Zich te nemen en nooit meer van hen gescheiden te worden. En waar Ik heen ga, weet gij, besluit Jesus , en den weg weet gij.

Door den weg verstaat Jesus Zich zei ven , docb Hij spreekt eenigzins raadselachtig om eene vraag ter nadere onderrichting uit te lokken. De apostelen begrepen dan ook Jesus niet ten volle, en Thomas zocht verdere inlichting. Heer, zegt hij, wij weten niet, waar Gij heengaat, en hoe kunnen wij den weg toeten f Ik ben de weg, antwoordt nu de Heer. de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij. Iladdet gij Mij gekend, voorzeker ook mijnen Vader zoudt gij gekend hebben; en van nu af aan zult gij Hem kennen (1) en hebt gij Hem gezien.

Jesus getuigt, dat Hij de weg is , namelijk de eenige weg , zonder welken niemand tot den Vader komt,

(1) Volgens den Griekschen tekst: kent gij Hem.

-ocr page 204-

200

noch zijn kind wordt, noch het erfdeel in het vaderlijk paleis ontvangt. Hij is de eenige Middelaar tus-schen God en de menschen. Hij is de weg, gelijk Hij ook de deur der schapen is. Hij is de weg , door leer , voorbeeld en ofier.

Hij is de weg , omdat Hij de waarheid is en het leven. Hij is de waarheid als het eeuwige en persoonlijke Woord Gods, als de Eengeboorne des Vaders, vol genade en waarheid, Die voor dwaling behoedt en daarom zeker voert tot het doel. Hij is het Licht der wereld. Hij spreekt de woorden Gods (Jo III: 34). Al, die uit de waarheid is ^ luistert naar zijn woord (Jo. XVIII: 37). Hij is ook het leven. Gelijk de Vader in Zich het leven heeft, zoo ook heeft Hij Hem , den Zoon , gegeven het leven in Zich te hebben. (Jo. V : 26) In Hem is alzoo het leven (Jo. 1:4), en Hij is gekomen , opdat de zijnen het leven zouden hebben en het overvloediger hebben. (Jo. X;10) Daarom heeft Hij, die zijn woord aanhoort, het eeuwig leven (Jo, V : 24 ; III; 36) , heeft hij , die zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt, het eeuwige leven (Jo. VI: 55), en zal hij , die zijne geboden onderhoudt, ingaan tot het leven. (Mt. XIX: 17) Zoo is Jesus de weg, waar men niet afdwaalt van de waarheid , daar Hij ze zelf is , en waar men in Hem, de bron des levens, het leven zelf bezit. Hadden zij Jesus duidelijk en volkomen als bod, en Zoon van God gekend , dan zouden zij ook den Vader gekend hebben; hadden zij Jesus erkend als den weg , de waarheid en het leven . dan zouden zij in het bezit des Vaders ook het doel gekend hebben , waartoe die weg alleen geleidt. Van nu af zullen zij in en door Hem den Vader kennen, ja hebben zij Dien gezien.

Philippus echter begrijpt de beteekenis dezer woorden niet. De Heer sprak van het zien des Vaders met het oog des geestes, en Philippus vat het op van het lichamelijk zien. Daarom zegt hij ; Heer, toon ons den Vader, en het is ons genoeg. Met zonder terechtwijzing

-ocr page 205-

201

antwoordt de Zaligmaker: zoo langen tijd ben Ik met u, en gij hebt Mij niet gekend. Philip pus, die Mij ziet, ziet ook den Vader. Hoe zegt gij (dan): toon ons den Vader f Gelooft gi] (1) niet, dat Ik in den Vader hen, en de Vader in Mij is ? Zoo langen tijd geeft Jesus te kennen, hebben zij zijne leer aanboord, zijn zij getuigen geweest van zijne wonderen, en bebben zij zijne volmaaktheden aanschouwd, en nog bebben zij Hem niet als eenswezend met den Yader, van eene Goddelijke natuur met Hem leeren kennen. Die Hem ziet, ziet ook den Vader. Hij is met Hem één en onafscheidbaar (2), Of gelooft Pbilippus wellicht niet, dat zijne geheele en onverdeelbare Goddelijke natuur in den Vader, en dezelfde onverdeelbare Goddelijke natuur des Vaders in Hem is ? Deze wezenseenheid blijkt echter, omdat woorden en werken Hem met den Vader gemeen zijn, en de Vader, in Hem blijvende, de woorden spreekt, die Hij spreekt, de werken doet, die Hij doet. De woorden , die ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mij zeiven; maar de Vader , die in Mij blijft, doet de werken. Gelooft gij niet, (3) dat Ik in den Vader hen, en de Vader in Mij is ? Zoo niet, gelooft het om de werken zelve.

Jesus heeft nu getoond, dat zij bij zijne scheiding hunnen troost moeten zoeken in het geloof. Door dat geloof zullen zij met vertrouwen uitzien naar het huis des Vaders, waar Hij hun eene plaats gaat bereiden. Door het geloof zullen zij in Hem den weg tot den Vader en Diens huis erkennen, en ook de waarheid en het leven vinden. Door het geloof zuilen zij zijne volkomene eenswezendbeid met den Vader aannemen, want de woorden, die zij Hem hebben hooren spreken, gevoegd aan de werken,

(1) In \'t enkelvoud volgens het Grieksch.

(2) Cur inseparabiles separatim desideras nosse ? S. Augustinus tr. LXX in joann.

(3) Volgens het Grieksch: qclooft Mij.

-ocr page 206-

202

die zij Hem hebben zien verrichten, toonen duidelijk, dat flij in den Vader, en de Vader in Hem is, derhalve dat Hij God is. En gelooven zij alzoo^ dan sullen ook zij, na van Hem gescheiden te zijn, de grootste wonderen verrichten. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, zoo vervolgt de Heer, die in Mij gelooft, ook hij zal de iverken doen, die Ik doe, en hij zal nog grootere doen dan deze ; want Ik ga tot den Vader. En al ivat gij den Vader zult vragen in \'mijnen naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijke worde. Indien gij Mij iets zult vragen in mijnen naam, Ik zal het doen.

Heeft Jesns tot nu toe op aarde verkeerd in de gestalte van den Dienstknecht en in den staat van vernedering, en daarom zijne wonderen beperkt, thans, nu Hij gaat heerschen met den Vader en als zegevierend Koning zal verheerlijkt worden in zijn rijk, thans zal Hij zelts groote wonderen laten verrichten door de zijnen, indien zij in Hem gelooven. Ja ! om de macht, die Hem gegeven is in den hemel en op aarde, nog meer te openbaren, en als God zijne eenheid met den Vader meer te doen schitteren, zal Hij door hen nog grootere wonderen verrichten, dan Hij tot nu toe verricht heeft. Die wonderen zullen grooter zijn, omdat zij schijnbaar meer zullen afwijken van de wetten der natuur; grooter, omdat zij talrijker zullen zijn en zich niet beperken binnen Palestina ; grooter eindelijk om hunne onmiddellijke uitwerking, hunne vruchten en gevolgen. Terwijl Josus nu slechts weinige leerlingen heeft, zal bij den dood der apostelen het geloof reeds over de geheele wereld verspreid zijn. Zeker overvloedige reden voor de apostelen om zich te troosten bij de naderende scheiding, daar deze ten gevolg zal hebben de verhooging en verheerlijking van hunnen Moester aan de rechterhand Gods benevens de wonderbare uitbreiding zijns rijks over de geheele aarde.

Ofschoon nu echter de apostelen grootere wonderen

-ocr page 207-

203

dan Hij verricht heeft zullen werken, is Hij het alleen, die hun daartoe de macht zal verleenen. Zij moeten vragen in zijnen naam, en al, wat zij op die wijze zullen vragen, Hij zal het doen. Met andere woorden zij moeten bij hun gebed hun vertrouwen slechts op Hem stellen, overtuigd zijn, dat Hij de cenige Middelaar is bij den Vader, alleen verhooring verwachten om ds verdiensten van het Groddelijk offer, dat Hij als Hoogepriester den Vader gaat aanbieden. Bidden zij aldus tot den Vader in zijnen naam, dan zal Hij, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde, alles doen wat zij vragen, zijn het ook de grootste wondoren. Ja, Hij herhaalt het. Hij zal het doen, Hij, Die met den Vader één in natuur en in macht is.

§ 6. Jesus troost en onderricht zijne leerlingen. Vervolg.

Jo. XIV: 15-17.

Jaar der J. P. 4742; oa R. st. 782; gew. jt. 29.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Na zijne leerlingen te hebben opgebeurd door de schoonste verwachtingen van geloof en hoop, vestigt Jesus hunne aandacht op de liefde. Indien gij Mij lief hebt gaat Hij voort, onderhoudt mijne geboden, en Ik zal den Vader hidden en Hij zal « een anderen Helper geven, opdat Hij met u hlijve in eeuwigheid, den Geest der waarheid, Dien de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet ziet en Hem niet kent. Gij echter, gij zult Hem kennen , wijl Hij hij u zal hij hl ij ven en in u zal zijn. De apostelen, zoo laat Jesus hun verstaan, zullen Hem het best hunne liefde toonen ; niet zoozeer door zich over de scheiding, die zal plaats hebben, te bedroeven, als wel door zijne geboden te onderhouden. Niet slechts moeten zij in Hem gelooven en op Hem hopen, zij moeten ook Hem beminnen; maar de toetssteen dier liefde is de onderhouding zijner geboden. Zij moeten niet beminnen met het woord of den mond

-ocr page 208-

204

maar met de daad en in waarheid ; de liefde is de vervulling der wet (Eom. XIII: 10).

Door als Zoon des Vaders van hen liefde te vragen, daar dit de grondslag is van de vervulling der wet, voert Hij hen over van de slavernij der wet tot de vrijheid der kinderen Gods. Geen vrees moet hen meer bezielen, en daarom zal Hij voor hen bij den Vader den Geest der liefde afsmeeken. Als Middelaar Gods en der menschen en als Hoogepriester des Nieuwen Verbonds zal Hij door zijn alvermogend gebed en zijn algenoegzaam offer den Vader vragen en dan ook zeker verwerven een anderen Helper. Tot nu toe is Hij zelf hun helper (1), namelijk hun trooster, raadgever, voorspreker geweest. Nu zal een andere Helper zijne plaats innemen, om met zijne apostelen, met hunne opvolgers, met zijne Kerk te blijven in eeuwigheid. En die Helper is de Geest der waarheid. Die namelijk uit de waarheid is en de waarheid leert. Het is die Geest der waarheid, Dien de wereld niet kan ontvangen, omdat zij Hem niet ziet en het oog sluit, waar die Geest Zich in Christus en zijne Kerk door zooveel wonderen en bovennatuurlijke eigenschappen openbaart; omdat zij Hem niet kent, de duisternis bemint, en hare rede afwendt van het in wendige genadelicht, dat tot zijne kennis zou voeren. Zijne apostelen en volgelingen daarentegen zullen dien Geest kennen door zijne leer, door het licht zijner genade en door het oog niet te sluiten voor zijne wonderbare werkingen. Dit zal daaruit blijken, dat zij Hem ontvangen, en Hij bij hen zal blijven en in hen zal zijn tot in eeuwigheid.

Wij hooren Jesus hier drie verschillende personen noemen den Vader, Zichzelven en den Geest der waarheid. De Vader is een persoon, onderscheiden van

(1) Het Grieksche woord paracleet beteekent bijgeroepene om te helpen, helper in moeilijke zaken. De beteekenis van trooster ligt hierin wel opgesloten, drukt echter het woord niet geheel uit.

-ocr page 209-

205

deu Zoon, daar Deze tot Hem bidt, en onderscheiden van den Geest der waarheid, daar Hij Dien zendt. De vragende is noodzakelijkerwijze een ander, dan hij van wien hij vraagt. De gevende of zendende is zonder twijfel een ander dan die gegeven of gezonden wordt.

Ook de Zoon is persoon, daar Hij door den Vader te vragen handelend optreedt, en duidelijk van Hem onderscheiden is, zoo als overigens blijkt uit het ge-heele evangelie.

Eindelijk de Greest der waarheid is duidelijk onderscheiden van de twee andere God-lelijke personen, daar Hij door den eersten gegeven, door den tweeden gevraagd wordt. Hij is er van onderscheiden als persoon, want Hij wordt door Christus een andere Helper genoemd. Hij is een Helper, Die een anderen persoonlijken Helper, den menschgeworden Zoon Gods zal vervangen. Die de begonnene verlossing zal voltrekken, en als zoodanig Jesus\'volgelingen alle waarheid zal leeren, in hun hart zal bidden met onuitsprekelijke verzuchtingen (Eom. IX: 16), aan een ieder de genade zal toedeelen, gelijk Hij verkiest, en in hen als in een tempel, die Hem is toegewijd, zal wonen.

Dat er slechts een God bestaat, is de duidelijke leer van het evangelie, en evenzoo kan het aan geen twijfel onderhevig zijn, dat de Vader God is. Ook ten aanzien van den Eengeboren Zoon des Vaders is ons dit bij voortduring herhaalde malen g/bleken. Nog hief hooren wij Hem uitdrukkelijk verklaren, dat Hij in den Vader is en de Vader in Hem. Zal volgens zijn woord de Vader den Helper, den ïï. Geest, geven en zenden (Jo. XIV; 16, 26), later ze^t Hij, dat Hij zelf dien Geest der waarheid zal zenden, (Jo, XV: 26) en stelt Zich dus weder als reeds zoovele malen gelijk met den Vader (Vgl. Jo. XV: 15).

Iets langer behooren wij hier stil te staan bij den H. Geest. Op meer dan eene plaats wordt Hij ons

-ocr page 210-

206

niet minder dan de andere twee personen voorgesteld

met eigenschappen en werkingen, die alleen aan Grod eigen zijn. Zoo zegt de H. Paulus: weet gij niet, dat gij de tempel van God zijt, en dat de H. Geest in u woont? (1 Cor. 111:16) ea andermaal; weet gij niet dat uwe ledematen de tempel zijn van den 11. Geest, Die in u woont? (ibid. VI: 19. vgl. 2 Cor. VI: 16) zoodat dezelfde persoon, wiens tempels wij zijn, de H. Geest wordt genoemd en God. Niet minder blijkt de goddelijke natuur en de persoonlijkheid van den H. Geest uit deze woorden van denzelfden Apostel; God heeft het ons geopenbaard (hetgeen Hij namelijk bereid heeft voor degeneu, die Hem beminnen) door zij7ien Geest. De Geest immers doorvorscht alles, ook de diepten Gods. Want wie der menschen weet, hetgeen des menschen is, tenzij de geest des menschen, die in hem is. Zoo kent ook niemand hetgeen Godes is, tenzij de Geest Gods (1 Cor, II; 10, 11). Niet minder duidelijk leert de apostel der heidenen deze waarheid door het uitdeden der verschillende genadegaven voor te stellen als het werk van God (1 Cor. XII: 4) en t eve us ten opzichte van hetzelfde te zeggen; dit alles werkt een en dezelfde Geest, die aan een ieder verdeelt, gelijk Hij wil. (1 Cor, XII; 11). Ook de H. Petrus noemt de leugen tegen de H. Geest eene leugen niet tegen de menschen maar tegen God. (Act. III; 4).

Zoo zijn er dus drie onderscheidene personen en aan elk hunner is het ééne goddelijk wezen eigen; elk hunner is God. De Vader is ontegenzeggelijk het beginsel der overige twee, want de Zoon is uit Hem geboren, en wel alleen uit Hem geboren (Jo. I; 18), en gelijk wij spoedig van Christus zullen vernemen, ook de H. Geest komt uit Hem voort. (Jo. XV; 26) Gelijk nu do Zoon voortkomt uit den Vader (Jo. XVI; 28), zoo komt de H. Geest niet slechts voort uit den Vader maar ook uit den Zoon. daar al hetgeen de Vader heeft, ook eigen is aan den Zoon (Jo. XVI:14, 15).

-ocr page 211-

207

Hij wordt dan ook door den H. Paulus niet slechts de Geest des Vaders maar ook de Geest des Zoons genoemd. (Gal. IV : 6) Door dit verschil van oorsprong waarbij opmerkelijk is, dat de Zoon volgens de u.tdrukking der H. Schrift wordt geboren, en de H. Geest slechts voorkomt, zoowel als door het verschil van de zending des Zoons en des H. Geestes is het onderscheid der personen zoo scherp mogel:jk aangegeven.

Alzoo drie verschillende personen zijn er, die God zijn, of één God is er in drie personen, en zoo wel met deze grondwaarheid als met de aangegeven orde van oorsprong stemt het overeen, dat de /ader, volgens hetgeen Christus hier zegt, op de voorbede van zijn menschgeworden Zoon den H. Geest zal zenden.

Gelijk in het Goddelijk wezen zelf de Vader beginsel of oorsprong is, de Zoon of het Woord middelpersoon, en de H. Geest beider voleinding, zoo verschijnen zij eveneens in dezelfde verhouding hier en overal in hnnne betrekkingen tot de schepselen. Vader, Zoon en H. Geest ziju dezelfde God. Uit Hem als Vader is alles ; door Hem als Zoon is alles ; tot Hem als 11. Geest is alles. (Rom. XI; 36) De Vader is oorsprong, de Zuon is Middelaar, de H. Geest voltrekker in de orde der natuur en der genade. De Vader is de Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen (1 Cor. VIII: 6) ; alles, wat gemaakt is, is door het Woord gemaakt (Jo. I : 3), terwijl de Geest des Heeren over de wateren der schepping zweeft en deze voleindigt. (Gen. 1 : 5) Zoo gaat het geheim der menschwording uit van den Allerhoogste; het Woord des Vaders daalt daar bij neder, terwijl zijne ontvangenis in Maria\'s maagdelijken schoot geschiedt door den H. Geest. De Vader geeft zijn Eengeboren Zoon om de wereld te verlossen (Jo. III: 16); de Zoon geeft Zich ten losprijs voor allen aan het kruis (Tim. II: 16), en de H. Geest heiligt

-ocr page 212-

208

de vrijgekochten door de liefde (Rom. V ; 5: 1 Petr. 1:1). Bij het heilig doopsel wijst de Vader J. C. openlijk aan als zijn welbeminden Zoon; de Zoon treedt als zoodanig openlijk op voor de wereld ; de H. Geest daalt zichtbaar over Hem neder in de gedaante van een duif om de plechtige optreding te bekroonen. De wedergeboorte van den Christen heeft haren oorsprong in de roeping en voorbereiding des Vaders, (II Tim. 1:8—12) heeft haar middel in de reinigende kracht van Jesus\' bloed (Openb. 1:5) en wordt voltrokken door het water en den H. Geest (Jo. III: 7). De Vader heeft zijn eenigen Zoon in de wereld gezonden om te zetelen op den troon van zijn Vader David en te heerschen over een rijk, aan hetwelk geen einde zal zijn (Lc. 1: 32—33). De Zoon heeft dat rijk gesticht (Mt. XIV: 19) en die kerk Zich verworven door zijn bloed (Act. XX; 28). Die kerk zal hare volmaking eerst erlangen door de wondervolle nederdaling van den H. Geest als van een anderen Helper, Dien de Vader op de voorbede des eenigen Middelaars zal geven om met haar te blijven in eeuwigheid. (Jo. XIV : 15, 16)

§ 7. Jesus troost en onderricht zijne apostelen; vervolg.

Jo. XIV; 18—31.

Jaar der J. P. 4742; na R. St. 782 ; gew. jt. 29.

Donderdag, 14 Nisan. 17 Maart.

Jesus heeft zoo even zijne dierbare apostelen getroost, door hun een anderen Helper in zijne plaats te heioven; maar zijne Goddelijke liefde stelt zich met deze verzekering uiet te vreden. Hij heeft in de teederheid zijner liefde hen kinderen genoemd (Jo. XIII: 33), thans verklaart Hij met dezelfde teederheid hen niet te zullen verlaten, tot dat die Helper Hem bij hen als Vader zal vervangen. Tot aan dien tijd zal Hij met hen blijven verkeeren in zijn verheerlijkt lichaam. Daarom gaat Hij voort: Ik zal u

-ocr page 213-

209

niet als weezen laten; Ik zal tot u komen. Nog een weinig tijds en de wereld ziet Mij niet meer; maar gij ziet Mij: want Ik leef en gij zult leven. Gij ten dien dage zult erkennen, dat Ik in den Vader hen, en gij in Mij, en Ik in u. Die mijne geboden heeft en onderhoudt, hij is het, die Mij lief heeft. En die Mij lief heeft zal door mijnen Vader geliefd luorden ; nok Ik zal Hem lief heliben en Mij zeiven aan hem openharen.

Al word Tk door den dood van u gescheiden, geeft Jesus to kennen, toch zal Ik n geen oogenblik als vaderlooze weezen zonder hulp laten. Reeds terstond zal Ik u door mijne verrijzenis en persoonlijk bijzijn en later door mijn heiligen Geest ter zijde staan (1). Wat de wereld echter betreft, het uur nadert, dat do scheiding tusschen Mij en haar voor immer zal plaats grijpen. Zij zal Mij niet meer zien rond wandelen op aarde, mijne leer niet meer aan-booren, noch getuige zijn mijner wonderen. Maar gij zult Mij zien. quot;Want buiten dit lichamelijke leven, dat Mij met u gemeen is, bezit ik een Goddelijk leven, dat Ik door mijn dood niet zal verliezen. Daardoor zal mijn lichaam; na gestorven te zijn, ten derden dage herleven, en gij, die niet ter dood gebracht zult zijn, zult Mij in dat nieuwe, verheerlijkte en goddelijke leven aanschouwen, en door den H. Geest, Dien Ik u zenden zal, als God erkennen. Alsdan zal het u duidelijk worden, dat Ik in den Vader ben, en met Hem een en hetzelfde Goddelijk wezen bezit, en tevens zult gij leeren begrijpen, hoe gij door mijne menschwording en verlossing bij Mij als Hoofd zijt ingelijfd, en boe Ik door mijne goddelijke natuur met de menschelijke te vereenigen, ook we-

(1) Verschillend wordt deze plaats opgevat. Sommigen verstaan het, dat Jesus zijne apostelen of zijne kerk niet als weezen zal laten tot aati zijne komst ten oordeel^ anderen weder tot aa7i zijne komst bij den dood van elk der apostelen, anderen tot aan zijne komst in en door den II. Geest; en weder anderen meenen dat er spraak is van zijne verrijzenis, Waarschijnlijk dacht Christus vooral aan zijne komst door den li. Geest, en vooronderstelde Hij daarbij zijne verrijzenis.

Het Offer van J. C. 1 14

-ocr page 214-

210

derkeerig u als mijn geheimzinnig lichaam aan goddelijke kracht en luven heb deelachtig gemaakt. Dt-H. Cyrillus vat Jesus\' woorden hier in dezer voege op : „Ik ben van nature in den Vader, want Ik hen „de vrucht zijner zelfstandigheid en eene ware voort-„teling , in Hem bestaande , en uit Hem bestaande , „leven uit leven. Doch gij zijt in Mij en Ik in u , „voorzooverre Ik wel als mensch ben verschenen, „maar u der Goddelijke natuur heb deelachtig ge-„maakt, door mijn Geest in u te doen inwonen.quot;

Doch zullen zijne leerlingen deze waarheden door de verlichting van den H. Geest leeren inzien en de verwezenlijking dier belofte verzekeren, dan hebben zij vooral eene voorwaarde te vervullen, namelijk zijne geboden te onderhouden. Want welke teekenen van toegenegenheid zij Hem ook zullen geven door hunne droefenis over zijn dood, zonder het onderhouden zijner geboden bestaat geen ware liefde voor Hem ; zonder liefde tot Hem wederkeerig ook geen liefde van de zijde des Vaders, noch van zijne zijde voor hen; zonder liefde van zijne zijde geen openbaring van Zich zeiven aan dezulken door den Geest, Dien Hij den Vader zal vragen, (v. 15)

Judas Thaddeus echter, niet te verwisselen met Judas Ischkarioth, weet deze woorden zijns Goddelijken Meesters niet overeen te brengen met het denkbeeld, dat hij volgens de aardsgezinde verwachtingen van dien tijd zich gevormd heeft omtrent den luister en de praal van het Messiasrijk. Daarom stelt hij Jesus de vraag: //eer, toat is er geschied, dat Gij U ann ons zult openharen en niet aan de wereld f Op deze tweeledige vraag ten aanzien van hen zeiven en ten aanzien der wereld is het antwoord des Zaligmakers : indien iemand Mij lief heeft, zal hij mijn woord hewaren, en mijn Vader zal hem lief hebben, en loij zullen tot hem komen en verblijf hij hem nemen. Die, Mij niet lief heep^ onderhoudt mijne ivoorden niet, en het woord, dat gij gehoord licht,

-ocr page 215-

211

is niet het mijne maar des Vaders, Die Mij yezonden heeft.

Hierdoor laat Jcsus verstaan, dat Hij ecne geestelijke openl):iring van Zich zelvea als Zoon des Vaders bedoelt en niet eene uiterlijke openbaring vol aard-sche praal. Znlke geestelijke openbaring of verlichting zal slechts hom verblijden, die zijne geboden onderhoudt en zich al\'!us zijne en des Vaders liefde en genade waardig maakt. In diens hart zal Hij en de Vader door geloof en liefde hun verblijf houden, en deze is de reden, waarom Christus Zich aan de apostelen zal openbaren. Maar de wereld zal van die openbaring versloken blijven, omdat zij door gebrek aan liefde en door verachting zijner woorden, die ook des Vaders woorden zijn, er een beletsel aan stelt. Daarom zal noch Hij noch de Vader tot de wereld komen.

Na aldus den zijnen een drievoudigon troost te heL-ben aangeboden, door de plaats, die Hij hun gaat bereiden, (1—14) door den Geest, Dien Hij hun zal zenden (15—17), door do innige gemeenscLap en ver-eeniging, welke Hij en de Vader met hen zal aangaan (18—24), laat Jesus volgen; deze dingen heh Ik tot u gesproken, terwijl Ik hij u verbleef. Maar de Helper, de heilige Geest, Dien de Vader zal zenden in mijn naam, Die zal u alles leeren en alles indachtig maken, hetgeen Ikn gezegd heh. Vrede laat Ik n; mijnen vrede geef Ik u- niet gelijk de toereld dien geejt, geef Ik dien n. Uw hart worde niet ontroerd noch bevreesd! Gij heJit gehooi\'d, d.at Ik tot u gezegd heh: Ik ga heen en Ik kom tot v. Indien gij Mij lief hadt, zondt gij u zeker veMijden, omdat Ik tot den Vader ga; want de Vader is grooter dan Ik.

De troostredenen, zegt Jesus, die Hij iieeft voorgesteld, worden door do apostelen nog onvolkomen begrepen, maar door den heiligen ö-eest, dien Hij zonden zal, zullen zij vernieuwde kracht erlangen en begrepen worden. Want de Ti. Geest, een Goddelijk persoon even als de Vader, Die Hem zendt, en als de Zoon, in Wiens naam Hij gezonden wordt, een

-ocr page 216-

212

Paracleefc des Zoons, Dien Hij vervangt, waardig, en alles hebbende, wat de Zoon heeft, zal aan de apostelen en de kerk alles loeren , hetgeen zij nog niet begrijpen, en hun alles herinneren, hetgeen Hij hun heeft gezegd, maar hetgeen hun anders zon ontgaan. Door dien Geest zullen de apostelen zal de Kerk omtrent Jcsus\' leer onfeilbaar zijn.

En nu neemt de Heer op treffende wijze afscheid. Met do volmacht, die Hom als God en Verlosser eigen is, laat Hij den zijnen den waren, eeuwigen, Godde-lijken vrede ten ertdoel. Toen Hij de wereld binnentrad , kwam Hij volgens het engelen-lied den vrede brengen aan de menschen van Gods welbehagen ; en met dien -vrede te laten, verlaat Hij de wereld. Niet gelijk de wereld geeft Hij dien, daar Hij Zich niet even als deze met ijdele woorden vergenoegt, noch een bedriegelijken en kortstondigen vrede schenkt.

Dit vaarwel moet hen niet bedroeven, noch hun vrees aanjagen. Gaat Hij heen, het is tot hun geluk, want Hij zal tot hen wederkeeren. Ja, indien zij Hem, hunnen Meester, innig liefhebben, zullen zij zich veeleer verblijden, wijl het ook zal strekken tot zijn geluk. Want Hij gaat heen als Zoon des menschen, om den staat van menschelijke vernedering en smart te verwisselen met den staat van verheffing en gelukzaligheid aan de rechterhand des Vaders. De Vader zal zijne menschelijke natuur, welke oneindig beneden Hem is, eerlang in de heerlijkheid van de goddelijke natuur, met welke zij in den persoon des Woords ver-eenigd is, volkomen doen deelen ; en haar de onver-welkbare kroon der zegepraal schenken na den volbrachten strijd.

Na deze woorden maakt de Heer zich gereed om te eindigen en van tafel op te staan, terwijl hij besluit: m nu heb Ik het u gezegd, voordat het geschied is, opdat gij geloovet, wanneer het geschied zal zijn. Niet veel meer zal Ik met ii spreken, want de vorst dezer wereld komt;

-ocr page 217-

213

maar hij heeft aan Mij nieis. Doch, opdat de wereld er-kenne, dat 11c den Vader lief heb, en doe, (jelijlc de Vader Mij bevolen heeft, — slaat op, laat ons ijaan van hier.

Als een bezorgde vriend en minnende Vader heelt Hij hen voorbereid op den strijd, die gaat aanvangen, maar tevens bemoedigd door het vooruitzicht der zegepraal, die zal volgen, opdat, wanneer zij van deze getuigen zullen zijn, hun geloof aan Hem als hun God en Verlosser bevestigd en volkomen worde. Niet lang blijft die strijd meer uit en niet veel heeft Hij met hen meer te spreken. Heeds is Satan, die door de zonde als vorst over de wereld heerseht, in aantocht, om Hem als den bestrijder zijner boosheid van kant te maken.

Intuschen heeft Satan, die alleen door de zonde heerseht, over Christus, den Onzondige, niet de minste macht noch het minste recht. Indien Christus wilde, zou Hij dus noch dood noch lijden ondergaan, en zou Hij al de plannen van Judas en de joden kunnen verijdelen. Maar om aan de wereld te toonen, dat Hij den Vader lief heeft, eu vrijwillig aan zijn Goddelijk gebod gehoorzaamt, zal Hij zijne vijanden te gemoet treden, en richt Hij tot de zijnen do uit-noodiging: staat op, laat ons gaan.

Onbevreesd, uit liefde, uit gehoorzaamheid en geheel vrijwillig snelt das de Goddelijke Zaligmaker den strijd te gemoet, die tegen Hem wordt voorbereid. Hij is vol vurige begeerte om do verlossing der wereld te voltooien en de machten der duisternis te ontwapenen. Reeds hier brengt Hij het offer, voordat het nog uiterlijk een aanvang genomen heeft.

-ocr page 218-

2!0

(lerkeerig u ala mijn geheimzinnig lichaam aan goddelijke tracht en leven heb deelachtig gemaakt. Dc H. Cyrillus vat Jeans\' woorden hier in dezer voege op : „Ik ben van nature in den Vader, want Ik ben „de vrucht zijner zelfstandigheid cn eene ware voort-„toling, in Hem bestaande , cn uit Hem bestaande , „leven uit leven. Doch gij zijt in Mij en Ik in u , „voorzooverre Ik wel als mensch ben verschenen , „maar u der Goddelijke natuur heb deelachtig ge-„maakt, door mijn Geest in u te doen inwonen.quot;

Doch zullen zijne iocrlingen deze waarheden door de verlichting van den H. Geest leeren inzien en de verwezenlijking dier belotte verzekeren, dan hebben zij vooral eeno voorwaarde te vervullen, namelijk zijne geboden te onderhouden. Want welke teekenen van toegenegenheid zij Hem ook zullen geven door hunne droefenis over zijn dood, zonder het onderhouden zijner geboden bestaat geen ware liefde voor Hem ; zonder liefde tot Hem wederkeerig ook geen liefde van de zijde des Vaders, noch van zijne zijde voor hen ; zonder liefde van zijne zijde geen openbaring van Zich zeiven aan dezulken door den Geest, Dien Hij den Vader zal vragen, (v. 15)

Judas Thaddeus echter, niet te verwisselen met Judas Ischkarioth, weet deze woorden zijns Goddelijken Meesters niet overeen te brengen met het denkbeeld, dat hij volgens de aardsgezinde verwachtingen van dien tijd zich gevormd heeft omtrent den luister 011 de praal van het Messiasrijk. Daarom stelt hij Jesus de vraag: Heer, wat is er geschied, dat Gij U aan ons zult openbaren en niet aan de wereld f Op deze tweeledige vraag ten aanzien van hen zeiven en ten aanzien der wereld is het antwoord des Zaligmakers : indien iemand Mij lief heeft, zal hij mijn wourd bewaren., en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen. Die Mij niet lief heeft, onderhoudt mijne woorden niet. en het woord, dat gij gehoord hebt,

-ocr page 219-

211

is niet het mijne maar des Vaders, Die Mij yezonden heeft.

Hierdoor laat Jesus verstaaiij dat Hij eene geestelijke openbaring van Zich zeiven als Zoon des Vaders bedoelt en niet eene uiterlijke openbaring vol aard-sebe praal. Zulke geestelijke openbaring of verlichting zal slechts hom verblijden, die zijne geboden onderhoudt en zich al\'lus zijne en des Vaders liefde en genade waardig maakt. In diens hart zal Hij en de Vader door geloof en liefde hun verblijf houden, en deze is de reden, waarom Christus Zich aan de apostelen zal openbaren. Maar do wereld zal van die openbaring verstoken blijven, omdat zij door gebrek aan liefde en door verachting zijner woorden, die ook des Vaders woorden zijn, er een beletsol aan stelt. Daarom zal noch Hij noch de Vader tot de wereld komen.

Na aldus den zijnen een drievoudigen troostte hebben aangeboden, door de plaats, die Hij hun gaat bereiden, (1—14) door den Geest, Dien Hij hun zal zenden (15—17), door do innige gemeenschap en ver-eeniging, welke Hij en de Vader met hen zal aangaan (18—24), laat Jesus volgen: deze dingen heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik hij u verbleef. Maar de Helper, de heilige Geest, Dien de Vader zal zenden in mijn naam. Die zal n alles leeren en alles indachtig maken, hetgeen Ik n gezegd heb. Vrede laat Ik u; mijnen vrede geef Ik n; niet gelijk de wereld dien geejt, geef Ik dien u. Uw hart worde niet ontroerd noch bevreesd! Gij hebt gehoord, dat. Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen en Ik kom tot v. Indien gij Mij lief hadt, zoudt gij u zeker verblijden, omdat Ik tot den Vader ga; want de Vader is groot er dan Ik.

De troostredenen, zegt Jesus, die Hij beeft voorgesteld, worden door do apostelen nog onvolkomen begrepen, maar door den heiligen Geest, dien Hij zenden zal, zullen zij vernieuwde kracht erlangen en begrepen worden. Want de H. Geest, een Goddelijk persoon even als de Vader, Die Hem zendt, en als de Zoon, in Wiens naam Hij gezonden wordt, een

-ocr page 220-

212

Paracleefc des Zoona, Dien Hij vervangt, waardig, en alles hebbende, wat de Zoon heeft, zal aan de apostelen en de kerk alles leeren, hetgeen zij nog niet begrijpen, en hun alles herinneren, hetgeen Hij hun heeft gezegd, maar hetgeen hun anders zou ontgaan. Door dien Geest zullen de apostelen ,*zal de Kerk omtrent Jesus\' leer onfeilbaar zijn.

En nu neemt do Heer op treffende wijze afscheid. Mot do volmacht, die Hem als God en Verlosser eigen is, laat Hij den zijnen den waren, eeuwigen, Godde-lijken vrede ten ertdeel. Toen Hij de wereld binnentrad , kwam Hij volgens het engelen-lied den vrede brengen aan de menschen van Gods welbehagen ; en met dien vrede te laten, verlaat Hij de wereld. Niet gelijk de wereld geeft Hij dien, daar Hij Zich niet even als deze met ijdele woorden vergenoegt, noch een bedriegelijken en kortstondigen vrede schenkt.

Dit vaarwel moet hen niet bedroeven, noch hun vrees aanjagen. Gaat Hij heen, het is tot hun geluk, want Hij zal tot hen wedei-keeren. Ja, indien zij Hem, hunnen Meester, innig liefhebben, zullen zij zich veeleer verblijden, wijl het ook zal strekken tot zijn geluk. Want Hij gaat heen als Zoon des menschen, om den staat van mensehelijke vernedering en smart te verwisselen met den staat van verheffing en gelukzaligheid aan de rechterhand des Vaders. De Vader zal zijne mensehelijke natuur, welke oneindig beneden Hem is, eerlang in de heerlijkheid van de goddelijke natuur, met welke zij in den persoon des Woords ver-eenigd is, volkomen doen deelen ; en haar de onver-welkbare kroon der zegepraal schenken na den volbrachten strijd.

Na deze woorden maakt de Heer zich gereed om te eindigen en van tafel op te staan, terwijl hij besluit: m nu heb Ik het u gezegd, voordat het geschied is, opdat gij geloovet, wanneer het geschied zal zijn. Niet veel meer zal 1L met u spreken, want de vorst dezer wereld komt ;

-ocr page 221-

213

maar hij heeft aan Mij niets. Doch, opdat de toereld er-kenne, dat Ik den Vader lief heb, en. doe, \'jelijk de Vader Mij heuolen heeft, — slaat op, laat ons (jaan van hier.

Als een bezorgde vriend en minnende Vader heelt Hij lion voorbereid op den strijd, die gaat aanvangen, maar tevens bemoedigd door het vooruitzieht der zegepraal, die zal volgen, opdat, wanneer zij van deze getuigen zullen zijn, liun geloof aau Hem als hun Gud en Verlosser bevestigd en volkomen worde. Niet lang blijft die strijd meer uit en niet veel heeft Hij met hen meer te spreken. Jieeds is Satan, die door de zonde als vorst over de wereld heerseht, in aantoehf, om Hem als den bestrijder zijner boosheid van kant te maken.

Intuschen heeft Satan, die alleen door de zonde heerseht, over Christus, den Onzondige, niet de minste macht noch het minste recht. Indien Christus wilde, zou Hij dus noch dood noch lijden ondergaan, en zou Hij al do plannen van Judas en de joden kunnen verijdelen. Maar om aan do wereld te toonen, dat Hij den Vader lief heeft, en vrijwillig aan zijn (roddelijk gebod gehoorzaamt, zal Hij zijne vijanden te gemoet treden, en richt Hij tot de zijnen de uit-noodiging: staat op, laat ons gaan.

Onbevreesd, uit Helde, uit gehoorzaamheid en geheel vrijwillig snelt das de Goddelijke Zaligmaker den strijd te gemoet, die tegen Hem wordt voorbereid. Hij is vol vurige begeerte om de verlossing der wereld te voltooien en de machten der duisternis te ontwapenen. Reeds hier brengt Hij het offer, voordat het nog uiterlijk een aanvang genomen heeft.

-ocr page 222-

HOOFDSTUK V.

HET VEKHEU VOOlUiEVALI.KNK TOT AAN HET VEULATEN DER ZAAL.

§ Da gelijkenis van den wijnstok ; het (jebod der liefde tot Jesus , en der liefde tot elkander.

Jo. XV: 1—17.

Jaar der J. P. 4742 5 na R. St. 783 5 gew. jt. ri\'J.

Donderdag; 14 Nisan, 17 Maart.

Bij het luatat vermelde woord des Heeren , staan al do apostelen op van hunne rustbedden, (1) en maken ziek gereed om door den vierden feestbeker den Paasehdisch te besluiten. Wellicht is het deze omstandigheid , die den Heer aanleiding geeft tot de volgende schüone gelijkenis : Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank aan Mij, die geene vrucht draagt, zal Hij wegnemen, en elke , die vrucht draagt, zal Hij reinigen, opdat zij meer vrucht drage. Gijlieden zijt reeds rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. Blijft in Mij en Ik in u. Gelijk de rank ge ene vrucht kan voortbrengen uit zich zelve, tenzij zij aan den lüi/nstok blijve, zoo ook gij niet, tenzij gij in Mij blijft. Ik ben de ivijnstok ; gij zijt de ranken. Die in Mij blijjt,

(1) Sommigen meenen , dat de lieer reeds nu den lofzang heeft gezongen en dadelijk de zaal is uitgegaan, terwijl Jo. XVIII: 1 dan van den uitgang uit dc slad moet verstaan worden. Anderen mcenen, dat de lieer hier wel den lofzang lieeft gezongen, doeli daarna nog in de zaal heeft getoefd en eerst na het hoogepriesterlijk gebed is uitgegaan. Nog . ndertn zijn van gevoelen, dat hier wel aanstalten om de zaal te gaan verlaten worden gemaakt, doeh dat de lofzang en het verlaten dei-zaal eerst na het hoogepriesterlijk gebed des Heeren hebben plaats gegrepen. De keuze is moeilijk 5 ik moet eehter een der drie gevoelens volgen : het Inatste komt mij het aannemclijkste voor.

-ocr page 223-

en in wien Ik hlijf, hij draagt uuel vracht j want zonder Mij kunt lt;jij niets doen. Indien iemand in Mij niet blijft, zal hij weggeworpen worden gelijk da rank en verdorren; en men zal haar verzamelen en in het vuur werpen, en zij zal branden. Indien gij in Mij blijft en mijne woorden in u blijven, zult gij vragen al wat gij wilt en het zal u geworden. Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij zeer veel vrucht draagt en mijne leerlingen wordt.

Plet beeld, dat ons hier wordt voorgesteld, is ontleend aan een boom, die aan de hellingen des Liba-nons, op de wijnbergen van Galilea, langs het meer van Tiberias, in de wijngaarden van Esdrelons en Sarona\'s vruchtbare valleien, langs en over do landhuizen in de omstreken van Hebron, met één woord in geheel Palestina met zijne purper- en amberkleurige vruchten, zijne weelderige ranken, en zijn liefelijk groen een der edelste sieraden des lands uitmaakte. P)o wijnstok namelijk, beschouwd met betrekking èn tot den landman èn tot zijne ranken, wordt door Jesus onder beide opzichten als punt van vergelijking gebruikt.

quot;Wat den landman nangaat, deze hoeft een eenigen wijnstok geplant, eu kweekt dien, daar het de eenige is, dien hij bezit, met zorgen liefde aan. De onvruchtbare ranken neemt hij weg en verbrandt hij ; die daarentegen, welke vrucht beloven, reinigt hij door ze te snoeien, te leiden, en te verzorgen. Hij beijvert zich op elke wijze, om ze nog moer vruchten te doen dragen. De rijke vrucht, die zij dragon, zal dan ook zijne zorg door haar weelderige pracht verb eerlijken eu door haren overvloedigen oogst bclooncn.

Wat den wijnstok met betrekking tot zijne ranken aangaat, deze ontvangen hun voedsel uit zijn stam en putten daaruit het noodige sap om vruchten voort te brengen. Hierbij zijn vooral deze vier eigenschappen opmerkelijk: stam en ranken worden voorondersteld dezeltde natuur te Lebben ; de stam moet sap en kracht

-ocr page 224-

216

genoeg bezitten , om de ranken te voeden ; de ranken mogen niet van den atam gescheiden worden ; eindelijk de ranken moeten nau den atani liua voedsel ontleenen,

I\'e wijnstok, Jesus getuigt het uitdrukkelijk, is Hij zelf, de Zoon des menscheii. Zijn Vader is de landman, welke dien eenigen wijnstok heeft geplant. Hij heeft zijn welbeminden Zoon in de wereld gezonden en de mensehelijke natuur doen aannemen. Grelijk de wijn-btok door zijne ranken voor den landman , zoo draagt de monschgeworden Zoon Gods door de leden van zijn geheimzinnig lichaam, de kerk, voor zijnen Vader vruchten van geloof en liefde. l)e landman neemt de nuttelooze ranken weg ; de Vader ook verwerpt de leerlingen zijns Zoons , die niet in Hem gelooven, of een geloof zonder liefde, een dood geloof, bezitten. De landman reinigt de goede ranken van het overtollige en schadelijke, om zc meer vruchten te doen dragen , en hun vruchtdragend leven te versterken. Ook de Vader versterkt het bovennatuurlijk leven der geloovigen door beproeving , leiding en liefderijke zorg. De landman verzamelt en verbrandt de dorre ranken. Zoo zullen zij , die het leven der genade missen in Jesus\' kerk, op Gods bsvel door de engelen vergaderd en neergestort worden in den poel der eeuwige vlammen. Gelijk echter de vruchtdragende ranken den landman eer, vreugde en voordeel ver-Schaffen , zoo zullen zij , die vruchten van goede werken voortbrengen , daardoor den Vader in den hemel verheerlijken en Hem daardoor als een gewin zijner liefde verheugen.

Doch hiertoe moeten zij als ranken met den wijnstok ) met Jesus , in de innigste levensgemeenschap staan van bovennatuurlijk geloof en liefde. Door demenschwording-heeft Gods Zoon dezelfde natuur aangenomen als wr hebben , en zijn wij ten innigste met Hem vereenigd. Als God bezit Hij een goddelijk leven, want gelijk de Vader het leven heeft in Zich zeiven , zoo heeft Hij

-ocr page 225-

217

ook aan den Zoon gegeven, het leven in Zich te hebben. AU mensch is Hij de stam, waaruit dat Goddelijk leven op de ranken overvloeit. Hiertoe wordt evenwel vereiseht, dat de ranken met den stam vereenigd zijn en blijven, dat namelijk Jesus\' leerlingen door bovennatuurlijk geloof en liefde met Hem, hun mensclige-worden God, verbonden zijn. Blijft in Mij, zegt Jesus en Ik in u. Alleen toch uit den stam putten de ranken hot leven, en alleen uit Jesus hebben zijne leerlingen kracht om bloesems van g3na.de en vruchten van heerlijkheid voort te brengen. Zonder Mij, zegt de Heer, kant (jij niets doen. Niemand kan iets tot de eeuwige zaligheid uit zich zeiven denken als uit zich zeiven. (2 Cor. 111: 5) Alleen door Jesus komen wij tot den Vader. Alleen door zijne leer gewordt ons het volle licht des geloofs ; alleen in zijn voorbeeld is de goddelijke volmaaktheid op de hoogst mogelijke wijze binnen het bereik onzer menschelijke navolging gebracht. Alleen door zijne verzoening bezitten wij het Goddelijke welbehagen des Vadeis, en he eft Hij ons de onmisbare genade verdiend, die ons voortdurend kracht verleent om het goede te werken en vruchten te dra gen. Gelijk de rank geen vrucht kan dragen uit zich zeiven, indien zij niet aan den wijnstok blijlt, zoo ook gij niet, indien gij niet blijft in Mij. Buiten Jesus den waren wijnstok zijn wij dorre ranken , tot niets geschikt dan om weggeworpen ve worden en te branden.

De apostelen, tot welke boven allen Jesus hier spreekt, waren vruchtbare ranken; aan hen was dooiden Vader reeds eenc aanvankelijke reiniging geschied, sedert zij in Jesus geloofd hadden, door het woord, dat de Zaligmaker gedurig tot hen gesproken had. Zij hadden slnohts in Hem te blijven door geloof en liefde, en zij zuuden vele vruchten dragen. Indien zij in Jesus bleven, en zijne woorden in hun verstand en in hun hart bewaarden, zouden zij vragen hetgeen zij

-ocr page 226-

218

wilden, en het zou hun geschieden. Hunne gebeden zoudeu aan zijne goddelijke verdiensten cenc onweerstaanbare kracht ontleenen. Zonder het gebed zouden zij niets verkrijgen; maar met het gebed zoudeu zij, bleven zij in Christus, alles verkrijgen. Do vruchten ten eeuwigen leven zouden dus niet uitblijven, en, hoe meer zij vruchten zouden dragen van goede werken en verdiensten door het geloof in Jesus, door het gebed in Jesus\' naam, door liefde tot Jesus, des te meer zouden zij toonen. Jesus\'leerlingen te zijn; des te meer zouden zij den Zoon, en in den Zoon den Vader verheerlijken. Als vruchtdragende ranken zouden zij den wijnstok en ook Hem, Die dien plantte, eer aandoen.

Liefde tot en vereeniging met Hem is dus de groote eiseh, die de Heer den zijnen stelt, zullen zij voor het eeuwig en onherstelbaar verderf behoed blijven, vruchten dragen, Hem en den Vader verheerlijken. Tot het verwezenlijken van dien eiseh moet hen ook de dankbaarheid aansporen voor de liefde, die zij van Hem bebben ondervonden. Gelijk de Vader van eeuwigheid en met oneindige liefde Hem als Zoon bemind heeft, zoo ook heeft Hij van eeuwigheid en met oneindige liefde hen als zijne kinderen bemind. Zij moeten zorgen, zich deze zijne liefde niet onwaardig te maken, ze niet te verliezen. Blijjt in mijne liefde. Het middel om in Jesus\' liefde te blijven is het onderhouden zijner geboden. De gehoorzaamheid aan zijn Groddelijken wil zal de uitdrukking en het teeken zijn der innige liefde, die hen met Jesus vereenigt, gelijk ook do gehoorzaamheid aan den wil zijns Vaders de uitdrukking en het teeken is der innige liefde, die Hem en den Vader vereenigt. Gelijk de ranken door hunne vereeniging met den wijnstok iiit Hem hun leven putten, zoo zullen zij, door den band der liefde met Jesus vereenigd, in zijn Goddelijk leven deelen. Gelijk de Vader Mij heeft lief gehad, zoo heb Ik u lief gehad.

-ocr page 227-

219

Blijft in mijne lief da. Indien gij Mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven, gelijk ook Ik de geboden mijns Vaders heb onderhouden en in zijne liejde blijf. Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijne vreugde in u zij en uwe vreugde volkomen loorde. Zoo besluit de Heer du toepassing der gelijkenis en geeft te kennen, dut Hij hen tot die innige levensgemeenschap door geloof en liefde met Zich heeft opgewekt, opdat zijne vreugde en zijn geluk ook de hunne worde in dit leven en eensin de eeuwige en hcogst innige vereeniging van het andere leven volkomen zij.

Moesten Jesus\' apostelen en al zijne volgelingen oai in zijne liefde te blijven al zijne geboden onderhouden, al die geboden kan Hij samenvatten , na zijne liefde te hebben voorgeschreven, in liet gebod der naastenliefde. „ De goddelijke schriftenquot;, zegt de H. Grogorius du Groote , (hom. 27 in evang.) „zijn „vervuld met verschillende geboden des Heeren ; hue „spreekt Hij ons dus van hot gebod der liefde als „van een eenig en bijzonder gebod ? JJit is mijn gebod , „zegt Hij , dat gij elkander lief\'hebt. Is het niet, onidaL „eik gebod eindelijk herleid wordt tot de liefde alleen un „alzoo alle geboden slechts één gebod worden, wijl (ie „liefde alleen al het gebudene met standvastigheid vur-„vult ? Want gelijk verscheidene takken uit een zelfden „wortel voortspuiten, zou worden verschillende „deugden uit de ééne liefde geboren en al wat het „uitspruitsel van het goede werk aan kracht en „sappen bezit, komt oorspronkelijk uit den wortel „der liefde. i)e geboden des Heeren ziju dus verschillend in getal en echter ook slechts één gebod. „Zij zijn verschillend volgens de verschillende werken , „die er het voorwerp van zijn; zij zijn een eenig „gebod, indien men slechts acht geeft op de liefde, »die er de wortel van isquot;.

Daarom na onderwerping aan al zijne geboden van de zijnen te hebben gevorderd, vervolgt Jesus

-ocr page 228-

220

dit is mijn gebod, dat gij elkander lief hebt, gelijk Ik u heb lief gehad. Hij hcet\'t dit gebod reeds een nieuw gebod genoemd, en Hij noemt liet tbtins zijn gebod. Het ia zijn gebod, omdat Hij met het volste recht kan vorderen, dat men hen zal beminnen, die Hij door het offer van zijn leven heeft vrijgekocht. Het is zijn gebod, omdat Hij als wetgever van het nieuwe Verbond het hoven elk ander gebod zoowel door voorbeeld als door leer met den meesten nadruk aanbeveelt. Het is zijn gebod, omdat Hij eene naastenliefde voorschrijft, die gelijk de zijne belangeloos, welwillend, zachtmoedig, offervaardig is tot in den dood. Een grootere liefde heeft niemand dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijne vrienden. Zoo heeft Jesns bemind. Wij hebben Gods liefde jegens ons daaraan erkend, zegt de H. Joannes, dat Hij zijn loven voor ons heeft gegeven, en ook wij moeten ons leven voor onze broeders geven (1 Jo. III). Zdfs waren wij nog zijne broeders niet. Grod heeft zijne liefde jegens ons getoond, zegt de H. Paulus, daardoor dat, toen wij nog zondaars en vijanden waren, J. C. voor ons gestorven is. (Rom. V.) Zoo moeten ook zijne apostelen beminnen, en alleen ouder deze voorwaarde, wanneer zij bereid zijn tot het offer des levens om zielen te gewinnen, zullen zij zijne vrienden zijn, Gij zijt mijne vrienden, zegt Jesus, indien gij doet, hetgeen Ik n gebied. En om zijne apostelen het groote voorrecht nader te doen begrijpen, hetgeen zij genieten met zijne vrienden te zijn, gaat Hij voort; Ik zal u niet meer dienstknechten noemen, omdat de dienstknecht niet weet, wat zijn Heer doet; maar Ik heb n vrienden genoemd, omdat Ik u al, hetgeen Ik van mijn Vader heb gehoord, heb kenbaar gemaakt. Hij heeft hen vereerd met zijne vriendschap en daarom ook met zijn vertrouwen. Zij zijn getuigen geweest van geheel zijn levenswandel; zijne leer hebben zij gedurig aanhoord; zijne Grod-delijke geh -imenissen heeft Hij hun geopenbaard;

-ocr page 229-

221

niets heeft Hij voor hen verborgen gehouden. En dit is hun geschied niet door hnn eigen toedoen, maar door de onverdiende en vrijwillige keus zijner liefde. Niet gij heht Mij uitverkoren, manr Ik heb u uitverkoramp;n, en u gesteld, opdat gij heengaat en vrucht drag et, en moe vrucht hlijve, opdat al wat gij den Vader vraagt in mijnen naam, Hij het u geve. Hunne verkiezing heeft alleen haren oorsprong in zijne onverschuldigde liefde, en haar dod is, dat zij zullen voltooien, hetgeen Hij begonnen heeft. Aan hen is het thans om als gereinigde ranken van den waren wijnstok vruchten te dragen, die zullen blijven; aan hen, als apostelen op te treden, en door hunne bediening en prediking den Vader te verheerlijken in den bloei zijner kerk. Hunne verkiezing heeft dan ook tot gevolg, dat zij een nieuw en onbetwistbaar recht bezitten om van den Vader alles tot genoemd doel te verkrijgen, indien zij het vragen in zijn naam. Maar zal die verkiezing dit gevolg hebben, en daardoor haar doel bereiken, dan is tevens een onmisbaar vereischte eendracht en onderlinge liefde. Dit gebied ik u, herhaalt Jesus met aandrang, dat gij elkander lief helt.

g 2. De haat der loereld.

Jo.XV: 18-25.

Jaar der J. P. ■\'Ii7-12; na R. St. 782 ; gew. jt. 2\'.!.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart,

De liefde tot Jesus en tot elkander, die de apostelen moet kenmerken, zal hen blootstellen aan den haat der wereld. Doch de Heer geeft hun te kennen, dat zij hiervoor niet bevreesd moeten zijn. Indien de wereld u haat, zegt Hij, iveet, dat zij Mij vóór u heeft gehaat. Indien gij van de wereld waart, zou de wereld beminnen, wat het hare was; omdat gij echter van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de ivereld. Gedenkt mijn woord, dat Jk v gezegd heb; de dienstknecht is niet meer dan zijn heer.

-ocr page 230-

222

Hebhén zij Mij vervolgd, ook u zullen zij vervolgen ; hebben zij mijn woord bewaard, ook het uwe zullen zij bewaren. De eerste troost, dien zij bij den haat der wereld zich kunnen geven, is, dat zij daardoor gelijkvormig worden aan hnnnen (roddelijken Meester en Koning. Het is een blijk, dat zij zijne getrouwe volgelingen en onderdanen zijn. Het is een teeken, dat, daar de wereld ze haat, zij niet tot haar rijk behooren, en hare beginselen, haar streven, hare handelingen niet aankleven. De haat, do bedreigingen, de vervolgingen der wereld zullen slechts hunne trouw ten opzichte van Jesus in het licht stellen,, en tevens hun toonen, hoeveel waarde do verkiezing heeft, die hun van zijn kant te beurt is gevallen. Aan die vervolging moeten zij zich gelijk hun Meester wachten, omdat hun woord evenmin als het zijne zonder vrucht zal blijven, en de wereld hierover verbitterd zal zijn.

Maar dit alles zullen zij u aandoen om. mijnen naam, omdat zij Hem niet kennen, Die mij gezonden heeft. Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had,, zij zouden (jeune zonde hebben ; maar nu hebben zij ge.ene ver schnoning voor hunne zonde. Die Mij haat, haat ook mijnen Vader. Indien Ik onder hen de werken niet gedaan had, die niemand anders heeft gedaan, zij zouden geene zonde hebben; maar nu hebben zij ze gezien, en toch hebben zij èn Mij hi mijnen Vader gehaat. Doch . .. opdat het looord, vervuld worde, hetgeen in hunne wet geschreven staat : zij hebben Mij zonder reden gehaat.

Zijne leerlingen kunnen niet duidelijker, standvas tiger en zegevieremler hun geloof in Hem als Zoon van God aan den dag leggen, dan door om zijnen naam de mishandelingen te verduren eener wereld, die Hem niet erkent als den Eengeboren Zoon, door den Vader tot haar heil gezonden, en dit; Hem sleelits a\'s haren besirijder beschouwt. De haat der wereld daarentegen is niet te VHrontscbuldigen. Hij is gegrond op een hoogst onredelijk ongeloof\'. Jesus\' heilige leer had zij-

-ocr page 231-

no vijanden overvloedig kunnen inlichten, en zijn optreden had hen van hunne onvergeeflijke dwaling moeten genezen. De haat dus, die zij Hom toedragen, is zonde en des te vreoselijker zonde, daar die haat van den Zoon terugslaat op den Vader, Die Hem zond. Want de wondeien, die Hij in hun bijzijn heeft verricht, om hen te overtuigen, dat Hij do Zoon des Vaders is, zijn, indien men ze beschouwt in hun gezamenlijk verband, in hun getal, in hun doel, in hunne grootheid, in hunne overeenstemming met de profeten, geheel eenig. Alleen onwil en boosaardig verzet hebben hun de oogen voor die ontzettende wonderen en aldus ook voor zijne aanbiddelijke zending doen sluiten. Zoo hebben zij zich schuldig gemaakt aan een onverschoonbaren haat niet slechts tegen Hem maar ook tegen zijnen Vader, Die door Hem werkte en in Hem Zich openbaarde. Doch die haat, wel verre van zijn doel te bereiken, strekt onder Gods leiding slechts om het woord van David in vervulling te doen gaan: zij heblen Mij zonder reden gehaat, en alzoo Hem des te zekerder als Messias aan te wijzen.

De Koning — profeet had die woorden in den letterlijken zin van zich zelven, in typischen zin van J. C. gesproken. De joden, door Jesus zoo blindelings te haten, stellen niet zonder een wonderbare tusschen-komst van Gods wijsheid in het helderste licht, dat even als David voor Saiil een voorwerp van onver-dienden haat was, evenzoo Jesus, door David afgebeeld, de onschuld is, door blinden haat vervolgd. Ware die onverdiende haat Jesus\' deel niet, Hij zou de Messias niet zijn. Deze toch moest lijden en vervolgd worden volgens de aankondiging der profeten (Ps. XXI ; Isaïas LTIl etc.) ondanks zijne heiligheid. Zoo zijn zijne vijanden door hunnen haat onwillekeurig werkzaam, om liem als den Messias\', reeds voorlang in figuren en voorzeggingen aangekondigd, te verheerlijken.

-ocr page 232-

224

Maar daarom ook moeten zijne leerlingen niet terug deinzen voor den haat der wereld, want door dien onverdienden haat zullen zij deelen in zijn strijd en glorie. Blijkt het daardoor, dat Hij de Christus is . ook daardoor zal blijken, dat zij getrouwe leerlingen van Christus zijn.

§ 3. Z)e H. Geest tegenover de ivereld.

Jo. XV ; 26-27 ; XVI: 1—16-

Jaar der J. P. 4741 , na R. st. 782, der gew. jt. 39.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Onverdiende haat en vervolging zijn eene glorie voor de zijnen, eene schande en onverschoonbare zonde in zijne vijanden, en eindelijk tegen Hem en de zijnen geheel machteloos. quot;Want verlaat Jesus ook al zijne apostelen, de H. Geest zal Hem bij hen vervangen. Dit geeft Jesus te kennen door de volgende woorden; maar wanneer de Helper, Dien Ik u van den Vader zal zend,en, de Geest der waarheid. Die van den Vader voortkomt, zal gekomen zijn, Deze zal van Mij getuigenis geven. Ook gij zult getuigenis geven, omdat gij van den beginne met Mij zijt. Dit heb Ik tot u gesprokén, opdat gij niet geërgerd, wordt. Zij zidlen u buiten de synagoog doen; ja de uur komt, dat al loie u doodt, meenen zal, Gode een dienst te bewijzen. En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij noch den Vader noch Mij kennen. Maar dit heb Ik tot u gesproken, opdat, ivanneer de uur daarvan gekomen is, gij gedachtig moogt zijn, dat Ik het u gezegd heb. Echter zegde Ik u dit niet van den beginne, orndet Ik bij u was. Doch nu ga Ik tot Hem, Die Mij gezond\'.n heeft en niemand uwer vraagt Mij: waar gaat Gij heen ? Maar omdat Ik dit tot u gesproken heb, heeft de droefheid uw hart overstelpt. Doch Ik zeg u de waarheid • het is u nuttig, dat Ik heen ga; want indien Ik niet heen ga, zal de Helper tot u niet komen ; maar, indien Ik heen ga, zal Ik Hem tot u zenden.

-ocr page 233-

9.2o

De Haat der joden mag Jesus dooden, toch zal zijne zaak zegevieren, en zal het ongeloof niet vermogen tegen het tweevoudige getuigenis, dat haar verdedigen zal, namelijk het uiterlijke getuigenis der apostelen eu het inwendige getuigenis des H. Geestes. De apostelen zullen optreden als oor- en ooggetuigen zijner woorden en daden, welke zij sedert den aanvang van zijn openlijken levenswandel hebben gehoord en gezien. De Helper, Die van den Vader uitgaat, Dien de Zoon van den Vader zal zenden, daar Hij met den Vader Diens beginsel is, Die God is als de Vader en de Zoon, daar Hij van hen voorkomt; de Geest der waarheid, Die de bron, de Leermeester, de Kenner aller waarheid is, zal in en door hen getuigenis van zijne Goddelijke zending afleggen.

Aan den eenen kant dus zal de wereld staan met haren onverzoenlijken haat, en aan den anderen kant de apostelen en hunne opvolgers als verkondigers van Jesus\' leer, bijgestaan door den Goddel ijken Geest der waarheid. Het is den apostelen goed dit te weten, opdat zij niet wankelen noch moedeloos worden, wanneer de strijd zal aanvangen. Hij voorspelt hun den toekomstigen smaad en dood, om hen te sterken door de gedachte aan die voorspelling, wanneer zij in vervulling zal gaan. Vroeger heeft Hij het hun niet zoo bepaald en duidelijk aangekondigd, omdat Hij bij hen was, en zij het tijdens zijn verblijf in hun midden niet hadden te vreezen. Doch nu is de tijd der scheiding genaderd.

Hier zwijgt Jesus een oogenblik, om aan de zijnen gelegenheid te laten tot spreken. De apostelen echter zijn te zeer overstelpt door de droefenis, Jesus ziet het en tracht nu de zijnen te troosten. Zij zijn zoo bedroefd over de scheiding, dat zij er niet aan denken om hem over zijn heengaan te ondervragen. En toch dit moet hen troosten, wanneer zij het wel beseffen. Het is hun nuttig, dat Hij heengaat èn om

Het Offer van J, C, 15

-ocr page 234-

226

hun eeno plaats in den hemel te bereiden, èn om door de verheffing zijner menschheid hen in die verheffing te doen deelen, (Eph. IL : 6) èn vooral om hun den Goddelijken Helper te zenden. Volgens de orde der Voorzienigheid toch is het hier zoo als immer de taak van den Heiligen Geest, het werk der twee andere Goddelijk personen te voltooien. Daarom moet eerst de Zoon de verlossing en de stichting der kerk bewerkstelligd en deze aarde verlaten hebben, eer de H. Geest zal afdalen om de verlosten of de kerk te heiligen.

Bier stelt volgens de leer van den H. Thomas (Part. 3. q, LXXII: a. 1 ad 1 ), de Zaligmaker het H. Sakrament des Vormsels in, niet door het toe te dienen, maar door het te beloven. Indien Ik niet heen ga, zegt Jesus, zal do Helper tot u niet komen ; maar, indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. In dit sakrament toch, morkt de engelachtige leeraar op, wordt de volheid des H. Goestes geschonken, die niet geschonken zou worden vóór Christus\' opstanding en hemelvaart volgons het gezegde van den H. Joannes (VII: 39): nog was de Geest niet gegeven, omd. t Jesus nog niet verheerlijkt was.

Volgens de leer, zegt Beelen, van vele kerkvaders die zich gronden op de uitspraken der H. Schrift, bestaat er na het werk der verlossing, dat J.O. heeft volbracht, en om zijne verdiensten eeno vereeniging van den Heiligen Geest met den mensch, hoedanige voor dien tijd niet bestond; zoodat de H. Geest nu niet enkel, gelijk in het oude Verbond, door zijne werking maar ook zelfstandiglijk met don mensch Zich vereenigt. En die genade der zelfstandige mede leeling van den H. Geest, aan het eerste menschenpaar verleend, was naar de leer van diezelfde kerkvaders ter oorzake van Adamp;uis val aan het menschdom onttrokken, maar door den verzoeningsdood van J.-C. aan hetzelve terug geschonken na zyne verheerlyking, en wel nadat op den

-ocr page 235-

Pinksterdag de H. G-eest onder de gedaante van vurige tongen op de apostelen was nedergedaald (1).

En welk zal het uitwerksel zijn van den H. Geest, op den Pinksterdag wonderdadig aan de apostelen, en lateiquot; door dezer handoplegging aan de geloovigen geschonken? Jesus leert het ons door deze wooiden : En als Die zal gekomen zijn, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. En wel van zonde, omdat zij in Mij niet geloofd hebben; en van gerechtigheid, omdat Ik tot den Vader ga en gij Mij niet meer zien zult; en van oordeel, omdat de vorst dezer wereld reeds geoordeeld is. De H. Geest, geschonken aan de apostelen en in hen werkzaam door hun geloof, hunne deugd, kunne prediking, hunne wonderen, zal de wereld, die Christus niet wil aannemen, en bij uitstek het jood-sche volk, dat hem ondanks de duidelijkste kenteeke-nen kruisigde, overtuigen van zonde, namelijk dat zij zich aan de zonde van een hardnekkig, ondankbaar en allerverfoeielijkst ongeloof hebben schuldig gemaakt, met Hem en zijne leer niet aan te nemen ; Hij zal haar overtuigen van gerechtigheid of van de onschuld en heiligheid zijns Goddelijken porsoons door zijne verrijzenis, hemelvaart en verheerlijking aan de rechterhand Gods (Act. III; 14, 15). Eindelijk Hij zal haar overtuigen van het oordeel, dat haar treft, omdat haar vorst reeds geoordeeld is, en zijne macht en heerschappij is verbroken. De H. Geest zal de wereld meer en meer overtuigen, dat de Zoon Gods is verschenen om de werken des duivels te vernietigen, (1 Jo. III: 8) en dat Hij de vorstendommen en de machten heeft uitgeschud, ze kloekmoedig Iieett ten toon gestelden over hen heeft gezegevierd in Zich zeiven. (Col. III: 15) Zoo zal de H. Geest de apostelen en ook later al hunne volgelingen in de kerk sterken, door de waarheid, de heiligheid en de macht van hun Godde-lil\'k Opperhoofd te doen uitschijnen, en door de dwa-(1) Zie II D, 3de B. bl. 103. de aanteekening.

-ocr page 236-

22P

ling, het zedenbederf en de machtelooze woede der wereld te beschamen.

Jesus, terwijl Hij alzoo zijne apostelen wijst op hetgeen de H. Geest voor hen zal zijn tegenover de wereld, bestreedt een gebied van denkbeelden, die hun om hunne aardsche verwachting geheel vreemd zijn, en waarvoor hunne vatbaarheid niet rijp is. Daarom gaat Hij voort; nog veel heb Ik u te neggen, doch gij kunt het nu niet dragen. Maar als Hij, de Geest der waarheid, zal gekomen tijn, zal Hij u alle waarheid leeren; want Hij zal niet spreken uit Zich zeiven, maar al wat Hij hooren zal, zal Hij u verkondigen. Deze zal Mij verheerlijken; xuant Hij zal van het mijne ontvangen en het u verkondigen. Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom héb Ik gezegd : Hij zal van het mijne ontvangen, en het u verkondigen.

Ofschoon Jesus djn zijnen nu nog niet alle waarheid leert, omdat het geschikte oogenblik nog niet daar is, zal Hij het hun later, wanneer zij door den Geest des lichts zijn vatbaar gemaakt, niet aan de volkomene kennis laten ont jreken. Al verlaat Hij, d3 Godmensch, de aarde, toch moet de waarheid, die Hij heeft geopenbaard, blijven. Zij is niet bestemd slechts voor eenigen maar voor allen, niet voor weinige ja ren maar voor alle tijden tot aan de voleinding der dagen. Daarom vertrouwt Hij die waarheid aan de kerk in den persoon van Petrus en de apostelen, opdat dezen en hunne opvolgers als de door Hem gestelde leeraars de waarheid steeds bewaren en aau allen verkondigen. Doch Petrus en zijne opvolgers, de apostelen en de bisschoppen, die hen vervangen, zijn zwakke menschen, en het is te voorzien, dat de Goddelijke waarheid door hen allicht vergeten, verminkt, en vervalscht zal worden, en alzoo te niet zal gaan, indien de Godmensch hen daarvoor niet beveiligt. Om dit te voorkomen, zal Hij aan Petrus en de apostelen of aan het leerend gezag zijner kerk den Geest

-ocr page 237-

229

der waarheid zenden, om hen in de verkondiging van zijne leer en gehoden voor alle dwaling te behoeden, en door hen ook de geloovigen. Die Greest der waarheid zal de Kerk meer en meer tot een helder en volkomen begrip der door Jesns geopenbaarde en geleerde waarheid geleiden, en deze in haar ongeschonden doen voortbestaan. En dat die Goddelijke Geest hierin niet zal afwijken van zijne leer, verzekert de Heer, omdat Hij niet zal spreken uit Zich zeiven, maar slechts zal spreken, hetgeen Hij hoort van den Zoon en van den Vader, uit welke Hij voortkomt. Ja zelfs de verborgene toekomst zal hun tot een zeker punt door dien Geest ontsluierd worden. Daardoor zal het blijken, dat de Geest, die over de apostelen en over de kerk is nedergedaald, de Geest is, die de profeten bezielde, de Goddelijke Geest der waarheid, die door den Godmenscli is toegezegd. Door dien Geest zal de kerk de kolom en de grondvest zijn der waarheid, (1 Tim. III: 15) en het woord bij den profeet Isaïas (LIX: 21) zal in vervulling gaan: „dit is mijn verbond met hen, zegt de Heer; mijn „ Geest, die over u is, en de woorden, die Ik in uwen mond „heb gesteld, zullen niet wijken van uwen mond, en „van den mond van uw kroost, en van den mond van „het kroost van uw kroost, zegt de Heer, van nu af „tot in eeuwigheidquot; (Vgl. Eom. XI: 2B.)

Intusschen zal al het wonderbare en het groote, dat die Helper, door Jesus gezonden, zal uitwerken, al Diens goddelijke macht en wijsheid Hem, den Zoon Die Hem zendt, als God doen kennen en verheerlijken, daar Hij, Die God is, niets kan ontvangen van Hem, Die geen God is, eu die Goddelijke Geest van het zijne zal ontvangen en den apostelen verkondigen. „De Zoon wordt dus verheerlijktquot;, zegt de H. Cyrillus van Alexandrië, „door den Helper, dat is, door zijn „eigen Geest, Die alles kan en alles weet. Hoe ver-„heerlykt Deze Hem? Hoe zou de Zoon zelf niet weten

-ocr page 238-

230

„of vermogen, wat zijn Geest weet en kan ? Indien, „gelijk Hij zegt, de Geest van het zijne ontvangt en „alles kan en verricht, hoe zou dan de Zoon de macht „tot alles niet bezitten ? Omdat (de Geest) medezelf-„standig is met den Zoon en op eene God eigene „wijze door Hem voortkomt, terwijl Hij geheel Diens in „alles Loogstvolmaakte werkkracht en macht bezit, „daarom zegt Hij : want Hij zal van het mijne ontvan-

„gen.....De Helper, zegt Hij, van het mijne oMvan-

„gende, zal u verkondigen, dat is, zal niets dan het-„geen Mij toeschijnt spreken, en zal, daar Hij mijn „Geest is, gelieel en al hetzelfde als Ik spreken, en „hetgeen tot mijn wil behoort verkondigen.quot;

Duidelijk geeft Jesus de gemeenschappelijke natuur der drie Goddelijke personen en kunne onderlinge betrekkingen te kennen. Door te zeggen ; al, wat de Vader heeft, is het mijne, geeft Hij klaarblijkelijk te verstaan, met den Vader hetzelfde wezen te bezitten door er bij te voegen: daarom zeide Ik: Hij zal van het mijne ontvangen en aan u verkondigen, geeft Hij te verstaan, dat de goddelijke waarheid, die van eeuwigheid bij den Vader en eenzelvig met zijn Goddelijk wezen is, die de Zoon te gelijk met het Goddelijk wezen van den Vader door zijne eeuwige geboorte heeft ontvangen, en in den tijd op aarde heeft geopenbaard, ook tegelijk met het Goddelijk wezen van den Vader en den Zoon op den H. Geest is overgegaan, en daarom ook uiterlijk door dien Geest bevestigd zal worden. Omdat de Zoon God is en de H. Geest God is, moet hetgeen beiden verkondigen noodzakelijk eene zelfde Goddelijke waarheid zijn.

-ocr page 239-

231

§ 4. Laatste woorden van Jesus tot zijne apostelen in de eetzaal,

Jo. XVI: 16-82.

Jaar der J. P. 4742 ; na R. st. 782. Gew. Jt. 29.

Donderdag. 14 Nisan; 17 Maart.

Nog een andere reden van troost heeft Jesus voor zijne beminde leerlingen. Gaat Hij van hen scheiden, de scheiding zal slechts van korten duur zijn. Een weinig tijds, zegt Hij, en gij zult Mij niet meer zien; emveder-om een weinig tijds en gij zult Mij zien, want Ik ga tot den Fa-der. Slechts korte tijd blijft er meer over, voordat Hij door zijn dood en begrafenis van hen zal scheiden; en wederom slechts kort zal het daarna duren , dat zij Jesus ua zijne opstanding zullen aanschouwen en tot den Vader zullen zien gaan. (1) Deze woorden waren voor de apostelen duister , en zij begrepen ze niet; daarom vroegen zij elkander fluisterend af: wat is dit, hetgeen Hij ons zegt: een weinig tijds en gij zult Mij niet meer zien; en wederom een weinig tijds en gij zult Mij zien , en dit: ik ga tot den Vader ? Wat is dit, vroegen zij elkander af, hetgeen Hij zegt: een weinig tijds ? Wij hegrijpen niet, waarvan Hij spreekt. Zij wilden daarom Jesus de verklaring afvragen, die geen hunner wist te geven. Maar de Heer, Die hunne begeerte doorschouwt, voorkomt hen en zegt: daarover vraagt gij onder elkander, dat Ik gezegd heb : een weinig tijds en gij zult Mij niet zien, en weder een weinig tijds, en gij zult Mij zien. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: gij zult schreien en weenen, maar de wereld zal zich verhlij-

(1) Want Ik ga tol den Vader wordt ten onrechte door Tischendorf weggelaten, daar de meeste lezingen er voor pleiten. Het is de reden, waarom zij Hem na korten tijd op aarde weer zullen zien, wanneet-Hij verheerlijkt in hun bijzijn ten hemel zal opvaren en tot den Vader gaan om hun den H. Geest te zenden. Het gaan tot den Vader geeft in Jesus\' mond zijne verheerlijking en hemelvaart te kennen. Vgl. Jo. XIV: 2, 12, 28, XIII: 53; XVI: 5, 7, 28. XVII: 11. Indien men dit in het oog houdt, hebben deze woorden des Heeren een zeer goeden zin.

-ocr page 240-

232

den; gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal in vreugde veranderen. Eene vrouw, wanneer zij haart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; doch als zij het kind gebaard heeft, denkt zij niet meer aan haar wee, uit blijdschap, dat een mensch ter wereld geboren is. Zoo ook hebt gij nu toel droefheid; maar Ik zal u wederzien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uwe Mijd schap u ontnemen. En ten dien dage zult gij Mij niets vragen. Jesus verklaart aan zijne apostelen het gesprokene woord niet rechtstreeks doch zijdelings , door te wijzen op de gevolgen , die het zien en het wederzien voor hen zullen hebben. Wanneer zij Hem niet meer zien, omuat Hij gestorven en begraven is, dan zullen zij zich overgeven aan droefenis en smart, terwijl integendeel de wereld der boozen , Phariseën en Saddu-ceën en al zijne vijanden, zullen juichen. Doch hunne smart zal opgevolgd worden door vreugde , ja uit de reden der smart zal de reden der blijdschap ontstaan. De Heer drukt het uit door een schoon en sprekend beeld. De droefenis der apostelen zal hevig zijn gelijk het pijnlijk wee tener vrouw , wanneer haar harens stond aanbreekt; maar gelijk uit dat moederwee de moedervreugde ontstaat, dat een mensch geboren is , zoo zal de droefenis der apostelen de bron zijn van de zaligste blijdschap. Het scheiden van Jesus zal hun zwaar vallen , maar dat scheiden zal de oorzaak zijn , dat Jesus zal verheerlijkt worden , en dat de H. Geest, de Gever van het bovennatuurlijke en nieuwe leven , tot hen en tot allen zal komen , en hierdoor zal hun hart met eene vreugde overstelpt worden , die door geen boosheid der wereld hun meer zal ontnomen worden. Opdien dag zullen zij, gelijk zoo even, hunnen Goddelijken Meesterniet meer hebben te ondervragen. Het licht des H. Geestes zal alle duisternis verdrijven, alle raadselen, die hun blijven, oplossen, alle geheimen voor hen ontsluieren. Ook dan zal de H. Geest hen leerea bidden in zijn naam, namelijk als kinde-

-ocr page 241-

233

ren, die de Vader in en door Jesus aangenomen heeft (Horn. VIII: 15) en dit hun gebed zal overvloedige verhooring vinden. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, zoo gaat Jesus voort, indien gij den Vader om iets zult hidden in mijnen naam, Hij zal het u geven. Tot nu toe hebt gij om niets gebeden in mijn naam. Bidt en gij zult verkrijgen, opdat uwe blijdschap volkomen zij. Uit heb Ik tot u gesproken in gelijkenissen. De ure komt, dat Ik niet meer in gelijkenissen tot u zal spreken, maar openlijk van den Vader verkondigen zal. Ten dien dage zult gij den Vader in mijnen naam bidden; en Ik zeg u niet, dat ik den Vader voor u vragen zal. Want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij lief gehad en geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan, Ik ben van den Vader uitgegaan en in de wereld gekomen, wederom verlaat Ik de wereld en ga tot den Vader.

De Heer wil dus, dat de zijnen, wanneer Hij hen verlost heeft en vrijgekocht, zullen bidden in zijn naam, namelijk in de eenheid zijns lichaams, waarvan zij de leden worden, en in de eenheid zijns Greestes, die hun is ingestort. Niet zoozeer zij zullen bidden als wel Christus, Die door den H. Geest in hen leeft. Al hetgeen Christus is, hetgeen Hij als hun Verlosser voor hen gedaan en geleden heeft, zijne macht, zijne verdiensten, zijn recht op de liefde zijns Vaders zal hun gebed ondersteunen, en gewis het zal verhooring vinden. Tot nu hebben zij nog niet in zijn naam gebeden, of, met andere woorde^ heeft Hij nog niet in hen gebeden. Doch het zij tot hunne onderrichting gezegd, voortaan moeten zij bidden in zijn naam, met en door Hem, en zij zullen verkrijgen. Op die wijze zal de vreugde, die Hij hun bereidt, wanneer Hij tot hen wederkomt door zijne verheerlijking en afzending van den H, Geest volkomen worden.

In dit alles zal hun nog veel raadselachtig en duister blijven; doch de tijd komt, wanneer Hij

-ocr page 242-

234

door zijnen H. Geest het hun duidelijk zal maken., en hun een helder bewustzijn zijner eeuwige geboorte en Goddelijke natuur zal schenken. En ten dage, dat zij door den H. Geest met helder bewustzijn Hem als God, Verlosser en Middelaar zullen erkennen, zullen zij ook bidden tot den Vader in zijnen naam of in vereeniging met Hem. Hij zegt hun dus niet, dat Hij, gelijk Hij tot dusverre deed, voor hen zal bidden tot den Vader. Neen, veelmeer; want dan zullen zij in Hem ingelijfd zijn; Hij zal in hen bidden, en zij in en door Hem zullen zich rechtstreeks tot den Vader wenden en verhooring vinden. Want de Vader zal hen lief hebben, omdat zij door geloof en liefde vereenigd zijn met zijn Zoon, en alzoo in en door dien Zoon ook zijne kinderen zijn. Terecht erkennen en beminnen zij Hem als Zoon des Vaders. Want Hij is werkelijk van den Vader uitgegaan door zijne eeuwige geboorte en in de wereld gekomen door zijne menschwording; en wederom verLat Hij de vereld door met zijn zichtbaar lichaam heen te gaan en begeeft Hij zich tot den Vader door luistervol ten hemel te klimmen, zonder dat Hij echter van de zijnen zal scheiden als de ware Emmanuel of God met ons.

De leerlingen, daar zij zien, hoe Jesus in hunne harten leest, en weet al wat zij onder elkander hebben gefluisterd, en tevens vermeenen het laatste woord des Zaligmakers duidelijk te hebben verstaan, denken dat alle raadselachtigheid voor hen heeft opgehouden. Daarom roepen zij bemoedigd uit: zie! nu spreekt Gij openlijk, en zegt geen raadselspreuken. Nv. weten wij, dat Gij alles weet en niet noodig hebt, dat iemand U onderurage; daarom gelooven wij, dat Gij van God zijt uitgegaan.

Zoo verre zijn zij er af te begrijpen, zegt de H. Augustinus, dat hun zelfs het begrijpen van niette begrijpen, ontbreekt. Ook de nieuwe bevestiging, die

-ocr page 243-

236

zij geven van hun geloof, dat Jesus van God is uitgegaan, ia te vol van zelfvertrouwen. Daarom geeft de Heer hun ten antwoord ; gelooft gij nu ? zie de uur komt en is alreeds gekomen , dat gij verstrooid zult worden, een ieder naar het zijney en Mij alleen zult laten; echter hen Ik niet alleen , want de Vader is met Mij. Zoo verre is hun geloof van sterk te zijn, dat de tijd genaderd is, waarop zij Hem zullen verlaten en heenvlieden, een ieder, waar hij meent zijn beste schuiloord te vinden. Doch geen vrees, al verlaten zij ook Hem; de Vader is met Hem en Hij is dus niet alleen. Zijn zegepraal is verzekerd.

Nu besluit Jesus zijne afscheidsrede: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij vrede moogt hebben in Mij. In de wereld zult gij verdrukking hebben; doch vertrouwt, Ik heb de wereld overwonnen.

De Heer eindigde met nogmaals op vrede, kalmte en vertrouwen aan te dringen. Dit is het doel geweest van al hetgeen Hij dien avond hun gezegd heeft. Door geloof in en liefde toe Hem zal hun de zoete vrede geworden, dien alleen Hij, doch niet de wereld schenken kan. Van den kant der wereld wachten hun verdrukkingen. Doch deze mogen hunnen zielsvrede niet storen, en zij moeten blijven vertrouwen op Hem. Hij is hun aanvoerder, hun voorbeeld, hunne kracht in den strijd. Zijne zegepraal over de wereld en den vorst der wereld verzekert de hunne. Onvergetelijk woord, dat de apostelen gewis bemoedigd en gesterkt heeft in zoo menig benauwd uur. Het laatste woord van den Groddelijken Veldheer, vooraleer Hij uittrekt ten strijde, is de kreet der zegepraall

§ 5. Hoogepriesterlijk gebed van J. C. Jo. XVII:!—26.

J. der J. P. 4742; na R. St. 782; gew. jt. 29.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Jesus\' offer gaat beginnen, daarom treedt Hy thans

-ocr page 244-

236

op, om het door de heerlijkste bede, de schoonste ontboezeming zijns harten als Hoogepriester zijnen Vader toe te wijden. Hij bidt voor Zich en zijne kerb. Hij heft met liefdevollen en vertrouwenden eerbied zijne Groddelijke oogen ten hemel, en spreekt, terwijl liet innige gevoel zijns gemoeds uitstraalt in de bo-venaardsche uitdrukking van zijn gelaat, de helder eenvoudige en toch grondeloos diepzinnige woorden: Vader! de ure is gekomen ; verheerlijk uwen Zoon , opdat uw Zoon U ver heerlijke , gelijk gij Hem macht hebt gegeven over alle vleesch, ten einde Hij het eeuwige leven schenke aan allen, die gij Hem gegeven hebt. Dit nu is het eeuwige leven , dat zij U kennen, den éénigen waren God, en Jesus Christus, Dien Gij gezonden hebt. Ik heb ü verheerlijkt op aarde; 1/c heb het werk volbracht, dat Gij Mij te deen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader! hij U zeiven met de heerlijkheid, die Ik bij Uhad, eer de wereld was.

Ik heb uwen naam geopenbaard aan de menschen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren de uwen, en aan Mij hebt gij ze gegevan, en uw woord hebben zij bewaard. Thans hebben zij erkend, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U is ; want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben die aangenomen en in loaarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij hebt gezonden. Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik , maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt; want zij zijn de uwen; — en al het mijne is het uwe , en het uwe is het mijne , — en in hen ben Ik verheerlijkt. En Ik ben niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de werdd , en Ik kom tot U. Heilige Vader! bewa ir in uwen naam hen , die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk wij. Zoolang Ik met hen was, bewaarde Ik hen in uwen naam Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaakt, en niemand hunner is verloren gegaan dan de zoon des verderjs, opdat de schrift vervuld werde. Nu echter kom Ik tot U, en dit spreek Ik

-ocr page 245-

237

in de wereld, opdat zij mijne vreugde volkomen hebhen in zich zeiven. Ik heb hun uw woord gegeven, en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij van de ivereld niet zijn, gelijk ook Ik van de wereld niet hen. Niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, vraag Ik, maar dat Gij hen bewaart van den booze. Zij zijn niet van de wereld, gelijk ook Ik van de wereld niet hen. Heilig ze in de waarheid / Uw woord is waarheid. Gelijk Gij Mij in de wereld gezonden hebt, heb ook Ik hm in de wereld gezonden. En voor hen heilig Ik Mij zeiven, opdat ook zij in de waarheid geheiligd zijn. Doch niet alleen voor hen bid Ik, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij zullen gelooven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat zij ook in ons één zijn , opdat de wereld geloove, dat Gij Mij gezonden hebt. En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn,, gelijk wij één zijn, Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt tot één zijn, en de wereld wete, dat Gij Mij gezonden en hen lief gehad hebt, gelijk Gij Mij hebt lief gehad. Vader ! Ik hegeer, dat, waar Ik ben, ook zij, die Gi] Mij gegeven hebt, met Mij zijn, opdat zij mijne heerlijkheid aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, omdat Gij Mij hebt lief gehad vóór de grondlegging der wereld. Rechtvaardige Vader ! de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend , en dezen hebben erkend, dat Gij Mij gezonden hebt Ik heb hun uwen naam hekend gemaakt, en zal dien bekend maken, opdat de liefde, waarmede Gij Mij bemind hebt, in hen zij, en Ik in hen.

In liet eerste gedeelte van dit schoone en verhevene gebed bidt de Heer als menscb voor Zich zeiven. Terwijl Hij den zoo dierbaren Vadernaam op de lippen neemt, wijst Hij er met vreugde op, dat de uur, waarnaar Hij beeft gesmacht, de uur zijns lijdens, zijns offers, der voleinding zijner taak, is aangebroken. Nu moge de Vader door opstanding en hemelvaart Hem als Zoon, als God van Grod, voor het oog der wereld verheerlijken, opdat ook Hij wederkeerig

-ocr page 246-

238

door die verheerlijking allen tot de kennis en aanbidding des Vaders voere, overeenkomstig de Hem verleende macht, die Hem om den prijs van zijn bloed over het geheele menschdom is geschonken, ten einde het eeuwig leven te doen geworden aan al degenen die in Hem gelooven, ol Hem door de genade des Vaders gegeven zijn (Jo. VI: 37 , 39). De Vader verheerlijke zijn Zoon, opdat al wie in Hem gelooft, niet verga, maar het eeuwig leven bezitte, dat naar zijn kiem en wortel bestaat in het erkennen van den éénen waren (rod en van zijn menschgeworden Zoon J. C. (v. 1-3).

Nog om een tweede reden smeekt Jesus, dat de luister der Goddelijke natuur op zijne menschelijke natuur zal overvloeien. Hij heeft als Grodmensch in zijne aangenomene natuur den Vader verheerlijkt door met volkomene onderwerping (Jo. VIII: 28—29; IV: 14) het werk der verlossing te voltrekken, dat de Vader Hem uit erbarmende liefde jegens den mensch opgedragen had. Daarom vraagt Hij als loon dier gehoorzaamheid voor zijne menschelijke natuur het groote geluk, dat voor haar weggelegd is, om aan de rechterhand des Vaders de goddelijke heerlijkheid te deelen. Als eeuwige Zoon van God bezat Christus die goddelijke heerlijkheid van eeuwigheid; maar, toen Hij de menschelijke natuur aannam, liet Hij haar niet deelen in dienGoddelijken luister, zoodat Hij zich in haar ontledigde van de gestalte Gods, en de knechts-gestalte aannam. Nu zijn werk volbrachtis, smeekt Hij denVader aan zijne menschelijke natuur als loon van haar offervaardige gehoorzaamheid de Goddelijke heerlijkheid te verleenen, opdat de wereld erkenne, dat zijn offer door den Vader is aangenomen, en opdat Hij, bekleed met alle macht in den hemel en op aarde, zijn rijk uitbreide onder alle volkeren. (Jo. XVII: 4—6)

Thans begint Jesus over de belangen van zijne kerk, en op de eerste plaats van de apostelen, die

-ocr page 247-

239

hare leeraars, priesters, bestuurders zullen zijn, te spreken. Hem, Die reeds gekend werd als Schepper door de natuur, als Heer door de openbaring des ouden Verbonds, heeft Hij door leer en daden doen kennen in zijn drievuldig wezen, namelijk als den liefde vollen Vader, Die zijn oengeboren Zoon in de wereld gezonden heeft en met Hem ook den Godde-lijken Geest der waarheid zal zenden aan de apostelen, die de Vader uit het midden eener bedorvene wereld heeft verkoren en tot Hem gevoerd om zijne leerlingen te zijn. Zij waren het eigendom des Vaders, en Deze heeft ze Hem, den Zoon, geschonken als eerstelingen zijner kerk, als ooggetuige.i zijner daden, als volgelingen zijner leer en verkondigers van zijn goddelijk woord, ei! zij hebben zich gedragen volgens des Vaders Goddelijke roeping en hun hert laten leiden door zijn Goddelijk quot;Woord. Want de leer, die de Vader aan den Zoon gegeven heeft om ze hun mede te deelen, heeft Deze hun medegedeeld, en zij hebben ze aangenomen ea alzoo in werkelijkheid erkend, dat Hij den van Vader uitgegaan, door den Vader in de wereld gezonden is. (Jo. XVI: 27—30.)

Omdat die leerlingen het eigendom des Vaders, een geschenk door den Vader gegeven, en in alles trouw bevonden zijn, en niet aan de wereld behooren, daarom bidt Jesus den Vader voor hen. Zij, die in het midden eener bedorvene wereld moeten blijven, zij l des Vaders en de zijnen, omdat ten gevolge van hun één Goddelijk wezen alles het gemeenschappelijk eigendom van beiden, Vader en Zoon, is. Aan den eenen kant dreigen hen, die Hem en den Vader zoo dierbaar zijn, de gevaren dei\' wereld; aan den anderen kant gaat Hij ze verlaten en zullen zij zijn Goddelijk voorbeeld, zijne onderrichting, zijn onmiddellijk en troostend geleide moeten missen, (v. 7—10)

Na aldus de redenen te hebben aangegeven, waarom Hy voor zijne apostelen bidt, smeekt Jesus wer-

-ocr page 248-

240

kelijk verschillende genaden voor hen af: eenheid onderling, (1) bescherming tegen hunne vijanden, (2) heiliging voor hen, (3) eenheid met al de leden der kerk (4) en eindelijk de eeuwige gelukzaligheid. (5) Zijn Vader, Die de oorsprong aller heiligheid is, zoo vraagt Jesus, moge zijne apostelen, welke Hij verlaat, bewaren in de vereering en het geloof van zijn naam, dien Hij zijn Zoon ter openbaring gegeven heeft, (\'i) opdat zij door de vereeniging in het ééne lichaam zijner k ;rk, in éénen Greest, in één geloof, in ééne hoop, in ééne liefde zoo veel mogelijk die hoogere eenheid van wezen afbeelden, die tusschen Hem en den Vader bestaat, (v. 11)

Zoolang Hij met, hen was hier op aarde, heeft Hij hen door zijne rechtstreeksche tusschenkomst bewaard in de belijdenis van des Vaders naam, en niemand van hen, die de Vader Hem gegeven heeft, (7) heeft Hij verloren dan den zoon des verderfs, gelijk het voorspeld is in de schrift (Ps. CVIII, XL). Doch thans gaat Hij hen verlaten, en daarom doet Hij deze bede vooi hen, terwijl Hij nog met hen in de wereld is, opdat hunne droefheid over de scheiding van Hom bij zijne verheerlijking en de komst zijns H. G-eestes overga in volkom me vreugde. Hij heeft hun het woord des Vaders tot eigen onderrichting, en ook om het aan andsren te prediken, kenbaar gemaakt, en dientengevolge haat hen de wereld, omdat zij geheel andere dan hare verderfelijke beginselen volgen. Daarom smeekt Hij den Vader niet, hen door den dood uit dea strijd met de wereld te verwijderen, want wat zou er dan van de uitbreiding zij-as

(1) V. 11 (3) V 12—10. (3) v. 17—19. (4) v. 20—23. (5) v. 24.

(6) De meeste Grieksche lezingen hebben hier voor die Gij Mij gegeven hebt, helg-en slaat op de leerlingen, dien Gij Mij gegeven hebt, hetgeen betrekking heeft op den naam.

(7) Tot 6 of 7 maal gebruikt Jesus in dit gebed de uitdrukking : die Gij Mij gegeven hebt. Zij toont cus zijne innige liefde voor de apostelen.

-ocr page 249-

241

rijks geworden ? maar hen voor den vorst der wereld, die bij uitstek de booze is en door de wereld beerscbt, in bescherming te nemen, omdat zij de zijnen zijn. (v. 12—1G) Hij smeekt ten derde zijnen Vader de apostelen te heiligen in zijne waarheid, ze niet slechts door uiterlijke en figuurlijke zalving als Aaron en zijne nakomelingen onder de vroegere bedeeling te wijden, maar ze te wijden door de wezenlijke en innerlijke zalving des H. Grcestes tot geschikte dienaren van het nieuwe testament, (2 Cor. III; 6), zoodat zij de zalving hebben van den Heilige en alles kennen (1 Jo. II: 20), en niet noodig hebben door iemand geleerd te worden, maar door die Goddelijke zalving onderwezen zijn (ib. 27). De Vader moge hen als de priesters van het wezenlijke Verbond niet figuurlijk maar in waarheid Zich toeheiligen. Het woord van zijn evangelie is niet gelijk de wet slechts schaduwe en afbeelding maar waarheid en voltrekking, en eischt dus ook dienaren niet slechts uiterlijk maar innerlijk en in waarheid den Vader toegeheiligd. Gelijk de Vader Hem de zending heeft opgedragen zijn rijk in de wereld uit te breiden, zoo ook heeft Hij, nu Hij tot den Vader terugkeert, hen in zijne plaats met die zending belast; en daarom bidt Hij den Vader, hen als zijne plaatsbekleeders door de zalving des H. Geestes te heiligen. Ook eene tweede beweegreden doet Jesus hiertoe gelden, namelijk het offer, waaraan Hij Zich voor hen gaat toev/ijden. Indien de dienaars der wet uiterlijk door een zichtbaar en figuurlijk offer aan God toegeheiligd werden, dan wijdt Hij Zich voor de dienaren van zijn evangelie als het ware en wezenlijke offer den Vader toe, opdat zij niet slechts door figuurlijke plechtigheden maar in alle waarheid dooide zalving des H. Geestes den Vader toegewijd mogen zijn. (v. 17—19).

Hierop bidt de Heer niet slechts voor de apostelen, maar ook voor allen, die door hun woord in Hem

16

Het\' )fier van J. C. 1

-ocr page 250-

242

zullen gelooven. Hij smeekt, dat allen , die ooit door hun woord tot zijne kerk zullen behooren, zoo één zijn in geloof en liefde, zoo één in geest en hart, dat die eenheid de hoogst mogelijke afbeelding zij van de oneindige eenheid van denken en willen tusschen Hem en den Vader, die van hun beider Goddelijke wezenseenheid niet vcrschilt. Ja, niet alleen verlangt Hij, dat zij naar bet toonbeeld der Goddelijke wezenseenheid van Hem en den Vader onderling ten innigste één zijn door geloof\' en liefde, maar ook dat zij één zijn in Hem en den Vader door den H. Geest, welke hun zal geschonken worden. En dit vraagt Hij, op dat de wereld door de zichtbare en bewonderenswaardige eenheid zijner kerk overtuigd worde, dat Hij, haar Stichter, do Zoon des Vaders is, door Hem in de wereld gezonden. Ja de heerlijkheid, die Hij bij opstanding en hemelvaart van den Vader zal ontvangen, omdat zijne mcnschelijke natuur deelt in den luister der Goddelijke natuur, zal Hij door den H. Geest op zijne kerk doen overgaan, door haar tot zijn geheimzinnig lichaam te maken, al lia.re leden door bet sakrament der wedergeboorte bij Zich in te lijven, ze der Goddelijke natuur deelachtig te maken, ze in de Eucharistie te spijzigen met zijn Goddelijk vleesch en bloed, en ze tc roepen tot de glorierijke opstanding bij de voleinding der wereld. (])

(1) Sommigen verstaan door de heerlijkheid, waarvan Christus spreekt in v. 22, de heerlijkheid van het apostelambt in leer en wonderen ; anderen de heerlijkheid der eenheid door de liefde ; anderen de heerlijkheid van deelachtig te zijn aan de Goddelijke natuur. Aan dit laatste gaf ik de voorkeur. De heerlijkheid, die Christus als mensch ontvangen heeft van den Vader, is de luister der Goddelijke natuur, die bij opstanding en hemelvaart op zijne menschelijke natuur /al overvloeien. Aan die heerlijkheid krijgen wij deel, wanneer wij bij het heilige doopsel deelachtig worden aan de Goddelijke natuur, ingelijfd worden bij J. C., door Hem kinderen worden des Vaders, door zijne genade geloof, hoop en liefde en bovennatuurlijk leven ontvangen. Deze heerlijkheid neemt in ons toe met hot bovennatuurlijke leven vooral door de sacramenten en bij uitstek door het genot van Jesus\' vleesch

-ocr page 251-

243

Daardoor is de kerk één met Hem, één met den Vader, één in hare leden ; daardoor zijn allen volmaakt tot één. Die eenlieid in en door Christus moet het groot,o onderscheidingsteeken zijn der kerk, en tevens het blijk, dat, gelijk do Zoon Zich in het welbehagen des Vaders verheugt, zij, zijn geheimzinnig lichaam, zich mede in dat Goddelijk welbehagen mag verheugen en op do goddelijke liefde, zorg en Voorzienig-lieid des Vaders mag vertrouwen, (v. 20—23).

Eindelijk vraagt Jesus met hot recht, dat H\'j heeft als Zoon des Vaders en Verlosser der wereld, het eeuwig geluk voor al de zijnen, hetzij apostelen, hetzij hen die door hun woord zullen gelooven. Hij vraagt den Vader, Die oneindig rechtvaardig, aan zijne beden en aan het werkdadig geloof der zijnen recht zal laten wedervaren, dat de zijnen als aangenomen broeders met Hem één erfdeel ontvangen, met Hem één vaderlijk buis bewonen zullen. Hij wil, dat zij zijne mensch-hoid zullen aanschouwen stralende van den hemelschen luister, haar medegedeeld door zijne Goddelijke natuur, met welke zij in één persoon verecnigd eeuwig zal heerschen volgens de eeuwige raadsbesluiten der God-

cn bloed in de eucharistie, en zij bereikt haar toppunt bij onze heerlijke verrijzenis. Die heerlijkheid van deelachtig te zijn aan de Goddelijke natuur maakt ons één met den Vader, één met Christus, één onderling. De II. Cyrillus van Alexandrië bevestigt dit door te zeggen, (in Jo. L. XI; C. 26): «De heerlijkheid, die J. C. volgens zijne menschelijke «natuur heeft ontvangen, is hare persoonlijke vereeniging met het «Woord. En het is deze menschheid, vereenigd met het Woord, die •■J. C. heeft gegeven aan zijne apostelen in dc heilige geheimen. Zoo is «ITij in zijnen Vader en in hen, en zoo vereenigt Hij hen met zijnen «Vader, met Zich zeiven en onder elkander door de volmaakste een-«heidquot;. Ook de H. Hilarius zegt: «Indien J. C. waarlijk ons vleesch «heeft aangenomen, en indien de mensch uit Maria geboren waarlijk «de Christus is; en indien wij waarlijk zijn vleesch ontvangen in het «sakrament, zoodat wij één worden met Hem, omdat zijn Vader in «Hem is en Hij zelf in ons, hoe durft men dan zeggen, dat er slechts «eenheid van wil bestaat tusschen J. C. en ons, daar zijn eigen en «natuurlijk vleesch, dat wij in het sacrament ontvangen, hel geheim is «eener volmaakte eenheid ?quot; (L. VIII. de Trinit.)

-ocr page 252-

244

(lelijke liefde van vóór de grondlegging der wereld.

Dit eisclit Hij van de reclitvaardigheid des Vaders. De wereld erkent en dient Hem niet, maar Hij, als Zoon, erkent en gehoorzaamt Hem. En ook de kerk, vertegenwoordigd door de apostelen, gelooft in Hem tengevolge zijner leer, want Jesus heeft Hem als eeuwigen Vader haar geopenbaard. Voor dat geloof en die gehoorzaamheid vraagt Jesus het toegezegde loon.

En opdat dit hun te zekerder geworde, zal Hij den zijnen nog meer den Vader in Zich, Diens Zoon, door opstanding, hemelvaart en afzending des H. Geestes kenbaar maken, opdat al de goederen, die des Vaders liefde aan den Zoon heeft toegedacht, op hen over. vlooien, en de liefde, waarmede Hij den Zoon naar zijne menschheid eeuwig zal verheerlijken, ook hen, zijne aangenomcne broeders met Hem verheerlijke, zoodat de heerlijkheid, die Hij als verheerlijkte Grcd-mensch zal bezitten, Zich aan hen mededeele. (v. 24-20).

Zoo bidt de Zoon Gods op den avond zijns levens. Zoo spreekt, zoo gevoelt, zoo bemint Hij. Het is een gebed, waarin een rijkdom van gedachten en eene diepzinnigheid van beteekenis ligt opgesloten, die onuitputtelijk is voor onzen beperkten geest. Het is een gebed, dat de verhevene gebeurtenissen van Jesusquot; laatsten liefdedisch waardig bekroont. Het is een gebed, waardoor Hij het eene en algenoegzame offer inleidt, dat Hij den Vader gaat opdragen. Het is een gebed, waarin Hij het voortbestaan, de uitbreiding, de eenheid, de heiliging zijner kerk afsmeekt. Het is een gebed, waarin Hij optreedt als Goddelijk Hoogepries-ter, om voor al de zijnen de eeuwige verheerlijking-met, in en door Hem van den Vader te vragen. Zoo kan slechts Hij bidden. Die God en menseh is tevens. Zoo kan slechts Hij bidden, quot;Wiens minnend hart vlamt van de teederste liefde, en bereid is tot het hoogste offer, het offer van zijn leven aan het kruis.

EINDE VAN HET III DEFI, l~\'r HOEK.

-ocr page 253-

INHOUD

VAN HET

DERDE DEEL

EERSTE BOEK.

— - -o-----

HOOFDSTUK 1.

JESLTS\' LAATSTE VERBLIJF ISIJ EN IN JERUSALEM TOT MAANDAGAVOND IN DE LIJDENSWEEK.

§ 1. Jesus te Bethanië. Het gastmaal iv. de lonov van Simon den melaatsche.

Mt. XXVI: 6—13 ; Mc. XIV : 3—9 ;

Jo. XI: 55—XII; 1—8.

Bladz.

a) Gesprekken to Jerusalem, ot Jesus al dan niet het feest zal bezoeken; h) Jesus neemt intussclien zijn intrek bij Simon den melaatsche in Bethanië ; c) het sabbathmaal; d) de zalving; «) aanmerking van Judas Ischkarioth ; ƒ) de ware reden zijner afkeuring ; g) Jesus verdedigt Maria ; h) overblijfselen van Bethanië ; i) latere lotgevallen van Lazarus, Martha en Maria ...... 5—11

§ 2. Jesus\' zegepralende intocht te Jerusalem.

Mt. XXI; 1—10; Mc. XI: 1—10; Lc. XIX: 29—44 ; Jo. XII: 9 -19 a) Velen stroomen naar Bethanië om Jesus en Lazarus te zien ; b) Jesus gaat zijn offer vrijwillig tegemoet; c) het inhalen van het Paaschlam ; d) de Olijfberg; e) Bethphage en de wegscheiding; ƒ) bevel van Jesus aan twee zijner leerlingen ; g) de leerlingen volbrengen het bevel; /i) profetie van Zacharias

-ocr page 254-

IIMIIOUD.

II

Bladü.

vervuld ; i) zegetocht dos Hoeren ; k) nijd der Phariseön ; 1) Jesus\' tranen over Jerusalem ; m) voorspelling; n) Palmzondag.

§ 3. Jesus\' intrede in Jerusalem. Lo f der kinderen.

Mt. XXI : 10—17 ; Mc. XI: 11.

a) Intrede van Jerusalem ; ft) Jesus begeeft Zicli naar den tempel ; c) Hij werkt or wonderen ; d) lof der kinderen; e) Jesus beschaamt den nijd der Phariseën ; f) Hij begeeft Zich naar Bethanië.......21—24

§ 4. JJe vervloeking van den vijgeboom; de tweede tempelreiniging.

Mt. XXI: 18—19; Mc. XI; 12—18; Lc.

XIX: 45.

(C) Jesus ziet den vijgeboom on hongert;

b) Hij vervloekt den vijgeboom ; c) zinnebeeldige bedoeling dezer daad; d) Jesus reinigt den tempel; e) Jesus\'woord ten dien opzichte. 24—28

§ 5. Kenige Grieken wenscheu Jesus te spreken;

Jesus verheerlijkt door eene stem uit den hemel,

Mc. XI; 19 ; Jo. XH : 20—36.

(i) Onder hen, die in den tempel kwamen aanbidden, waren ook oenige Grieken ; h) zij verzoeken Philippus om Jesus te mogen spreken ; c) rede van Jesus bij deze gelegenheid ;

d) Jesus\' droefenis en bede; e) eene stom uit den hemel ; ƒ) opmerkingen des volks hierover ; lt;j) Jesus verklaart het doel dier gebeurtenis ; li) vraag der joden ; i) aanmaning van Josus om den tijd, dat Hij nog met hen is, te benuttigen ; k) Hij begeeft Zich naar Bethanië............._39

11—21

-ocr page 255-

INHOUD.

HOOFDSTUK II.

JKSUS\' LAATSTE VERBLIJF BIJ EN IN JERUSALEM VAN DINSDAGMORGEN TOT AAN WOENSDAG IN DE LIJDENSWEEK,

§ 1. De leerlingen bewonderen des morgens den verdorden vijgenboom. Kracht des geloofs en des gebeds. Vergevingsgezindheid een vereischte bij het gebed.

Mt. XXI; 20—22; Mc. XI; 20—27.

Blaib

a) Verwondering der leerlingen over den verdorden vijgeboom; 0) geloot eu liefde bij het gebed door Christus aangeprezen . . . 40—42

§ 2. De leden van den hoogen raad vragen naar ■/esits\' recht als leeraur. De gelijkenis der twee zonen, der wijngaardeniers en van het bruiloftsmaal.

Mt.XXI: 23—XXII: 14; Mc. XI: 27—XII: 12; Lc. XX: 1—10.

a) De leden van den hoogen raad vragen naar Jesus\' volmacht; b) Jesua stelt den leden van den hoogen raad op zijne beurt eene vraag voor; c) daar zij Hem niet antwoorden,

weigert ook Hij hun het antwoord; d) de gelijkenis der twee zonen; a) beteekenis dezer gelijkenis; f) de gelijkenis der wijngaardeniers; Palestina, een druivenland; g) beteekenis dezer gelijkenis; K) de joden willeu van deze toepassing op hen zeiven niet hooren; i) bedreiging des Heeren; k) de 117de psalm; i) de leden van den hoogen raad begrijpen,

dat zij door de gelijkenis worden bedoeld; m) de gelijkenis van het bruiloftsmaal; «) beteekenis dezer gelijkenis........42—59

§ 3. Vraag over het betalen der schatting.

Mt. XXII: 15—23; Mc. XXH : 12—18; Lc.

XX; 20—26.

a) De leerlingen der Phariseën en de Hero-

Ill

-ocr page 256-

INHOUD.

IV

BI adz.

dianca begeven zich tot Jesus; b) wie deze laatsten waren; c) vraag, die zij den Heer voorstellen; d) Jesus\' antwoord, waardoor Hij hunne listen verijdelt; e) de cijnspenning; f) de verhouding van Kerk en Staat . . .

§ 4. Leer over de opstanding tegen de Sadduceën. Mt. XXII: 23—33; Mc. XII : 18—27;

Lc. XX; 27—40.

a) Vraag der Sadduceën aangaande de opstanding; h) Jesus\' antwoord; zij stellen zich het toekomstige leven verkeerdelijk voor;

c) de H. Schrift leert de verrijzenis . . . G4—(38

§ 5. Het groote gebod; Jesus, de Zoon van David. Mt. XXII: 34—46; Mc. XII: 28—37;

Lc. XX: 41—44.

a) De vraag van den wetgeleerde naar het groote gebod ; b) Jesus\' antwoord ; c) hoedanig de liefde is, die wij God verschuldigd zijn; d) de wetgeleerde betuigt zijne tevredenheid ; e) Jesus stelt op zijne beurt den Phariseën eene vraag voor ; f) eene tweede vraag, hoe de Christus de Zoon van David en tevens zijn Heer is; g) de Phariseën hierdoor tot stilzwijgen gebracht; h) do 110d,: psalm............63_71;

§ lt;5. Hardnekkige ongeloovigheid der Joden. Strafredenen des Ileeren tegen de Phariseën.

Jo. XII: 37—50; Mt. XXHI:1—22; Mc.

XII: 38—40 ; Lc. XX : 45—47.

a) Hardnekkig ongeloof der joden; b) voorspelling van Isaïas; c) tweederlei oorzaak dier verblindheid ; d) Isaïas heeft Christus als God in zijne heerlijkheid gezien; e) Joiinnes loert,

door dat gezicht als Christus betreffende, De-xes Godheid; /) buiten de ongeloovigen waren er bij de joden ook vreesachtigen ; g) getuigenis door Jesus van Zich zelven herhaaldelijk

59—64

-ocr page 257-

INHOüD. V

Bladz.

afgelegd ; h) Jesus waarschuwt de menigte tegen de Phariseën; i) zij verbreeden hunne gedenkcedels; welke deze zijn; k) zij zijn iu alles hoogmoedig en eerzuchtig; ï) opwekking tot nederigheid; in) strafredenen des Heeren tegen de Phariseën...........76—8G

§ 7. Het offer der weduwe. Jesus verlaat den tempel. Voorspellinr/ van de verwoesting des tempels.

Mt. XXIV: 1—2, Mc. XII; 41—XIII: 2;

Lc. XXI : 1—6.

«) Jesus plaatst Zich tegenover de offerkist;

h) het offer der weduwe; c) Jesus prijst dit offer; d) Jesus verlaat den tempel; e) de leerlingen vestigen Jesus\'aandacht op de bouwwerken des tempels; ƒ) Jesus voorspelt de verwoesting des tempels; f/) onder deze gesprekken bestijgen zij den Olijfberg......86—ÜO

§ 8. Voorspellingen, des Heeren aangaande Jenisa-lems verwoesting en de voleinding der wereld.

Mt. XXIV: 3—35; Mc. XIII; 3—31; Lc.

XXI: 7—33.

a) Jesus zet zich neder op den ülijtberg met zijne leerlingen tegenover den tempel; A)

gezicht op de stad; c) vraag der apostelen ; d)

de vier gemeenschappelijke voorteekenen van Jerusalems verwoesting en het einde der wereld: 1° valsche Christussen; 2quot; oorlogen,

pest hongersnood, aardbevingen; 3° vervolgingen; 4U prediking van het evangelie over de geheele wereld; «) bijzondere voorteekenen van Jerusalems verwoesting: 1° de stad door een leger omringd; 2quot; de gruwel der verwoesting in do heilige plaats; vrecselijkheid der belegering; ƒ) bijzondere voorteekenen van de voleinding der wereld : 1quot; valsche Christussen^0 hemelteekenen in zon, maan, sterren en zee; 3Ü het teeken van den Zoon des men-

-ocr page 258-

VI INHOUD.

BI adz.

schen of het kruis zal verschijnen; (/) eindelijk zal dc Zoon des menschen opdagen ; //) wanneer zij zijne komst zien naderen, dan is hunne verlossing nabij...........!)ü—105

^ ft. Waarschuwing tot roaahzaamheid; de gelijkenis der tien maagden.

Mt. XXIV : 36—XXV ; 13 ; Me. XT1I; 32—37;

Le. XXI : 34—36.

\'«) De verschillende komst des Heeren; h) onzekerheid van Jesus\' komst; c) opwekking tot waakzaamheid on gebed ; d) de gelijkenis van den deurwachter; «) de gelijkenis dei-tien maagden ; ƒ) de beteekenis dezer gelijkenis 105—114

10. JJe gelijkenis der talenten.

Mt. XXV : 13—30.

a) l)e gelijkenis der tien talenten ; h) hare bctoekenis............114—117

§ 11. Jlet laatste oordeel.

Mt. XXV . 31—46.

a) Jesus\' komst ten oordeel; Ij) de scheiding;

f) hot vonnis over do goeden ; d) hot vonnis over de slechten..........117—122

HOOFDSTUK III.

VAN JUDAS\' VERRAAD TOT DE INSTELLING VAN HET ALLERHEILIGSTE SACRAMENT.

§ 1. Christus voorspelt zijn dood; de samenkomst van den hoogen raad; verraad van Judas. Mt. XXVI: 1—5 ; Mc. XIV : 1—2 ; Lc. XXII: 1—6.

a) Oorsprong van het Paaschfeest der oude wet ; b) het gaat vervangen worden door het Paaschotfer en den Paaschdisch der nieuwe

-ocr page 259-

INHOUD. VII

Bliulz.

wet; c) Jesus voorspelt zijn kruisdood bij dit vierde Paaschfeest zijns openbaren levens ; d) bijeenkomst van den hoogen raad; é) de plaats dier bijeenkomst; /) de beraadslaging geldt vooral drie vragen : hoe zij Jesus zullen vangen, hoe Hem ter dood brengen, wanneer zij zulks zullen doen ; lt;/) niettegenstaande den strijd van Jesus\' voorspelling met het plan,

dat de hooge raad maakt, zal zij vervuld worden ; h) hoe Judas tct het besluit is gekomen om Jesus aan den hoogen raad over te leveren ; i) zijne overeenkomst met de lieden der tempelwacht om Jesus over te leveren voor 30 zilverlingen ; h) Achitofel een beeld van den trouweloozen apostel ; l) voorspelling van Zacharias XI toegelicht......123—13\'!

2. Voorhereidiny van den Paaschdisch.

Mt. XXVI: 17—19; Mc. XIV; 1U—17 ;

Lc. XXII: 7—13.

a) Of er zeven of wel acht dagen der ongezuurde brooden waren ten tijde des Verlossers ; h) op den eersten dag der ongezuurde brooden zendt Jesus Petrus enJoiin-nes om het Paaschlam te bereiden ; c) J esus wijst hun op geheimzinnige wijze de plaats aan ; d) de apostelen volvoeren Jesus\' bevel; «) de eetzaal, waar zij den paaschdisch bereiden, de eerste kerk van het nieuwe verbond ; ƒ) voorschrift aangaande het paasch-lam ; lt;/) de bittere kruiden, de paaschwijn, de charoseth ; h) Petrus en Joannes slachtofferen liet lam in den tempel ; i) zij braden het tegen het bepaalde uur ; h) beteekenis dor verschillende deelen van den paaschdi.-ch . . 131—141

3. J)e Paaschdisch.

Mt. XXVI: 20—21, 29; Mc. XIV: 17—10,25;

Lc. XXII: 14—18.

a) Jesus begeeft zich naar Jerusalem ; b)

-ocr page 260-

VIII INHOUD.

Bladz.

de eetzaal; c) de plaatsing van Christus en zijne apostelen; d) gemoedsgesteltenis des Heeren ; e) de eerste wijnbeker ; ƒ) Jesus wijst daarbij op zijne aanstaande verheerlijking . 141—ld5

§ 4. De voetwassching; Judas\' verraad voorspeld.

Jo. XIII: 1—18.

a) De gewone maaltijd na den Paasehdisch :

b) Jesus zal hierbij het uiterste blijk van liefde geven ; c) Hij staat op van tafel; d) de voetwassching; e) verzet van Petrus ; ƒ)

Jesus\' antwoord ; y) de voetwassching is in den persoon, aan wien zij verricht wordt, een beeld der reinheid van de minste fouten ; h)

zij is in den persoon , die ze hier verricht, een voorbeeld van nederigheid en dienstvaardigheid ; i) de plechtigheid der voetwassching in de Katholieke Kerk........145—156

§ 5. Het verraad van Judas voorzegd.

Mt. XXVI; 21—23 ; Mc. XIV ; 18—20 ;

Jo. XIII: 18—22.

a) Jesus voorspelt dit verraad; h) grootheid dezer misdaad ; c) Jesus\' droefenis ; d) ontsteltenis der apostelen bij het vernemen dier voorspelling ; e) hjinne vraag en Jesus\'

antwoord.............156—150

§ 6. De instelling van het H. Sakrament.

Mt. XXVI; 26—28; Mc. XIV; 22—24;

Lc. XXII: 19—20.

a) De 2de feestbeker na de Hagada ; b) het ongezuurde brood ; c) de woorden der instelling van het H. Sakrament; d) de 3de feestbeker hierbij door Jesus gebezigd ; e) zin vau de woorden der instelling ; ƒ) Jesus draagt bij de instelling van het H. Sakrament een offer op ; y) Hij is de Hoogepriester volgens de orde van Melchisedech; h) voorspelling van Malachias ; ï) het is het offer, waardoor het nieuwe verbond wordt ingewijd k) een-

-ocr page 261-

INHOUD. IX

Bladz.

heid van kruis- en misoffer ; l) getuigenis van den H, Joilnnes Cluysostomus ; ra) Jesus liet aan zijnen godsdienst de natuurlijke en hoogste uitdrukking der aanbidding niet ontbreken ; n) instelling van het priesterschap ;

o) het priesterschap nimmer in den zin, gelijk het hier wordt bedoeld, aan de gewone geloovigen in de kerk toegekend; p) verklaring der kerkvergadering van Trente ; q) Jesus alleen blijft de eigenlijke hoogepriester;

r) de II. Mis bevat de drie hoofdhandelingen, die Christus bij het offer van hot laatste avondmaal verrichtte ; s) Do eucharistie een testament ..............159—171

HOOFDSTUK IV.

VAN DE INSTELLING VAN HET ALLERHEILIGSTE SAKRAMENT TOT AAN HET OPSTAAN VAN TAFEL,

§ 1. De aanwijzing van den verrader. Judcif verlaat de zaal.

Mt. XXVI: 23—25 ; Mc. XIV: 20—21 ;

Lc. XXII: 21—23; Jo XIII: 23—31.

«) De eucharistie de grootste gave van Jesus\' liefde ; li) Judas misbruikt haar; c) Jesus spreekt het wee uit over den verrader; d) toenemende ongerustheid van de apostelen ; c) Joilnnes vraagt den Heer fluisterend,

wie het is; ƒ) Jesus wijst den verrader aan;

ƒ/) laatste woord van Christus tot den verrader ; h) de apostelen begrijpen dit woord niet; i) hot is nacht, en Judas gaat den nacht der eeuwige verwerping te gemoef.. . . , 172—17()

§ 2. Verheerlijking van den Zoon des menschen.

Jo. XIII; 31—35.

a) Jesus wijst \'op zijne aanstaande zege-

-ocr page 262-

INHOUD.

praal; b) do Vader zal dau ook weldra iu don Zoen vorheorlijkt worden ; c) do op handen zijnde sclieiding van de zijnen ; (1) gebod der onderlinge liefde ; e) in welken zin dit oen nienw gebod is ; f) de naastenliefde liet ware konteoken van Josns\' leerlingen. . . i70 —180

!? 3. Vraat/ van Petnis ; twist der leerlingen ; Petrus moet eenmaal zijne hvoeders bevestigen in het geloof; Petrus\' verloochening voorspeld.

Lc. XXir : 24—33 ; Jo XITI; 3G—38.

(() Petrus\' vraag; i) Jesus\'antwoord, waardoor dos apostels kruisdood wordt voorspeld;

c) tweede vraag van Petrus; d) twist der apostelen ; c) vermaning van Christus aan de apostelen tot nederigheid, dienstvaardigheid on liefde ; f) Jesus heeft voor Petrus gebeden , opdat zijn geloof niet bezwijke ; g) Petrus betuigt den Heer zijne trouw; A)Jesus

voorspelt Petrus\' val........ISO—18G

5; i. Nadere voorspelling van het gevaar en Jesus\'

e.inde. Detweezivaarden. Voor zegging van Isaias.

Lc. XXII: 34-38.

lt;«) Nadere voorspelling van het gevaar en van Jesus\' lijden ; b) Petrus toont don Heer twee zwaarden : c) Jesus\' antwoord ; di) do lijdensvoorspelling van Isaïas ; e) haar samenhang met de voorgaande voorspellingen ; ƒ)

Isaïas vat in do drie laatste verzen van II. 52 don inhoud der geheele voorspelling te saam; g) vordeeling der lijdensvoorspelling in H.

53 : Jesus\' offer en zijne gevolgen ; /?,) het ongeloof, dat de Messias zal vinden v. 1 ; ï) de reden hiervan is diens diepe vernedering, die Hij in zijne afkomst, armoede en lijden zal ondergaan v. 2-3; k) doch die vernedering on dat lijden zijn veeleer redenen om Hem als Messias to erkennen, wijl Christus hierdoor boet voor onze zonden , v. 4-5 ; /) Hij is het

X

-ocr page 263-

INHOUD.

offerlam, dat God met ous aller ongerechtigheid beladen heeft, v. 6, en dat met vrijwillige gehoorzaamheid en onuitsprekelijk geduld voor ons zal boeten, v. 7 ; ?«) onrechtvaardig zal Hij veroordeeld en gedood worden door een uiterst boosaardig geslacht, v. 8 ; n) nu worden de gevolgen van het lijdensoffer des Messias geschetst, en vooreerst zijn heerlijk graf, waardoor Hij als onschuldige en onbedriegelijke leeraar wordt gehuldigd , v. 9 ; o) nakroost in zijne kerk, verrijzenis tot oen eeuwig leven, verheerlijking des Vaders zijn mede do gevolgen van zijn vreese-lijk lijden v. 10 ; ^gt;) aanschouwing der vruchten zijns offers, genot en rechtvnardigmaking van velen zullen mode het lijden van dien Rechtvaardige bekronen v. 11 ; c/) zijn lijden zal om zijne genoegdoening en zijn middelaarschap ecu luistervolle en gezegende zegepraal zijn , v. 12........

Jesus tvnosf en onderricht, zijne leerlingen.

Jo XIV : 14.

\'i) Droefenis der leerlingen ; h) Jesus troost hen, dat Hij hen gaat verlaten, wijl het slechts is om hun een plaats te bereiden; c) Jesus de weg, do waarheid en het leven.- d) Jesus is in den Vader, en de Vader in Hom ; c) de Vader spreekt en werkt in Hem ; f) indien do apostelen geloovon, zullen zij grootere wonderen door zijne hulp verrichten, dan Hij tot dusverre verricht hoeft; lt;/) indien zij daartoe de macht afsmeekeu in zijn naam, zal Hij ze geven .........

desus troost en- onderricht zijne leerlingen. Vervoh/.

Jo. XIV: 15—17.

«) De beste wijze voor de leerlingen, om Jesus hunne liefde te betuigen is, zijne geboden te onderhouden; h) Hij zal voor hen don Geest der; liefde, eon andoren Helper, vragen ;

-ocr page 264-

lit

XT! INHOUD.

c) leer der H. Drievuldigheid ; drie verschillende personen in één God, d) de H. Geest God ; e) onderscheid der drie Goddelijke personen als zoodanig ; ƒ) verhouding der drie Goddelijke personen in hunne betrekkingen tot de schepselen..........

7. Jesi/.i/roos/. en onderricht zijne apostelen. Vervolg.

Jo. XIV; 18—31.

a) Jesns zal zijne apostelen niet als weezen laten ; h) in welken zin Hij tot hen zal komen ; c) welke voorwaarden Hij hiertoe stelt;

(l) zijne komst en openbaring is niet zulk eene, die met uiterlijke praal en pracht gepaard gaat; «) daarom zal zij aan de apostelen maar niet aan de wereld te beurt vallen ; /\') begrijpen de apostelen nu niet alles,

Bladz.

jj! ; i 1 . il

203—208

ifl\'i

de Geest der waarheid zal hen alles leeren en hen onfeilbaar doen zijn in de zaken des geloofs ; g) Jesus laat den zijnen zijn vrede ten erfdeel; h) zijn heengaan moet hen niet bedroeven maar veeleer verblijden , ook om zijnent wille ; i) daar het uur van den strijd nadert, noodigt de Heer de zijnen uit om op te staan en het avondmaal te eindigen . 208—213

HOOFDSTUK V.

VAN IIKT OPSTAAN VAN TAFEL TOT AAN HET VERLATEN DER ZAAL.

§ 1 De qelijhenis van den ivijnstoh; het gehod der liefde tot Jesus en der liefde tot elkander.

Jo. XV: 1—17.

a) De gelijkenis van den wijnstok en do ranken ; h) do landman met betrekking tot zijn wijnstok is do Vader in betrekking tot Jesus ; c) de wijnstok met betrekking tot de

.\'irF-V

lif:

v r

ti m _

■ ■

-ocr page 265-

INHOUD. XIII

Bladz.

ranken is Jesus met betrekking tot de leden van zijn geheimzinnig lichaam ; d) door het gebod zullen Jesus\' apostelen als levende ranken de genade, die zij verlangen, uit Hem putten ; é) door de liefde en het onderhouden zijner geboden zullen zij met Hem ver-eenigd blijven; f) zijn voornaam gebod is echter de liefde tot den evenmensch ; g) hierdoor zullen zij zijne vrienden zijn en geen dienstknechten; h) dat zij echter Jesus\' vrienden zijn, die zijn vertrouwen genieten, hebben zij aan zijne genadevolle verkiezing te danken..............214—221

§ 2. De haat der wereld.

Jo. XV; 18—25.

lt;x) De liefde tot Jesus en tot elkander zal den haat der wereld ten gevolge hebben; h) hierdoor echter zullen zij hun Groddslijken Koning gelijken ; c) de haat echter der wereld is onverschoonbaar ; d) hij strekt om Jesus alsdenMessias door de profeten aangekondigd,

te doen kennen ; e) deelen zij in dien haat, dan deelen zij in de glorie van den Christus . 221—224

§ 3 De H. Geest tegenover de wereld.

Jo. XV: 26—27; XVI: 1—16.

d) De haat der wereld zal niet vermogen tegen de tweevoudige getuigenis, die Jesus na zijn dood zal ontvangen, de uiterlijke getuigenis der apostelen, en de inwendige getuigenis des H. Geestes ; h) deze voorafkondiging van den haat der wereld moet de apostelen sterken in de uur des gevaars ; c) zij moeten zich niet bedroeven over zijn heengaan ; Ól) dit is hun juist dienstig, omdat de Helper eerst dan tot hen zal komen ; e) instelling van het H. Sacrament des vormsels ;

ƒ) de H. Geest zal na Jesus\'Hemelvaart niet slechts in zijne werking maar zelfstandiglijk

17

Het Offer van J. C. 1

-ocr page 266-

XIV INHOUD.

Bladz.

geschonken worden ; g) deze zal de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van het oordeel; h) Hij zal hen leeren verstaan hetgeen zij thans niet begrijpen ; ») Hij zal hen maken tot onfeilbare verkondigers zijner leer; ie) dat de H. Geest zal ontvangen van het zijne, gelijk Christus zegt, getuigt Christus\' Godheid; l) gemeenschappelijke Goddelijke natuur van Vader, Zoon en

H. Geest............. 224—231

§ 4. Laatste woorden van Jesus toi zijne apostelen in de eetzaal.

Jo. XVI: 16—32.

a) Slechts korte tijd blijft meer over, eer Hij hen door den dood, en later door de hemelvaart verlaat; h) die scheiding zal hun droefenis veroorzaken; c) maar na de scheiding door den dood zal hen zijne verrijzenis, en na zijn opvaren ten hemel de ne-derdaling des H. Geestes vertroosten , gelijk de barensweëen eener vrouw door hare moederweelde worden opgevolgd; d) alsdan be-hooren zij te bidden in Jesus\' naam; e) dit gebed zal verhoord worden en hunne vreugde volmaken; ƒ) dan ook zal hen de Vaderlief-hebben, omdat zij door geloof en liefde met Jesus vereenigd zijn; lt;?) de apostelen meenen nu alles genoegzaam opgehelderd te zien en betuigen hun geloof; h) Jesus echter geeft te kennen, dat hun geloof zeer zwak is, en zij Hem weldra ontrouw zullen worden ; t) zijne zegepraal is echter verzekerd ; k) de Heer eindigt met nogmaals bij hen op vrede, kalmte en vertrouwen aan te dringen .... 231—2S5

§ 5. Hoogepriesterlijh gebed van J. C.

Jo. XVII.

a) Jesus\' hoogepriesterlijk gebed; 5) in het eerste gedeelte van dit schoone gebed, bidt Jesus voor Zich zeiven als mensch om ver-

-ocr page 267-

INHOUD. XV

Bladz

heerlijking, en wel c) tot verheerlijking des Vaders, d) tot heil der zielen, e) tot loon zijner gehoorzaamheid ; f) in het tweede gedeelte bidt Jesus voor de kerk en wel vooreerst voor de apostelen ; g) redenen waarom Jesus voor hen bidt; h) wat Hij voor hen afsmeekt; i) eenheid onderling; k) bescherming tegen hunne vijanden ; l) heiliging voor hen ; m) Jesus bidt ook voor al de leden der kerk om de hoogsi mogelijke eenheid van geloot en liefde ; n) en eindelijk om de eeuwige gelukzaligheid; o) voortreffelijkheid van dit Febed.............. 235—244

-ocr page 268-
-ocr page 269-

Onzen Goddelijken Verlosser

«SUS CHIilSTO.

P

Tweede Boek.

qÏïïus\' SiJSeiimoffat.

door

j3. VAN ^TTEN,

£1. êf. ofzieotez- cn o/a^tooz.

G. MOSMANS Senior,

\'s-Hektogenbosch. 1887.

-ocr page 270-
-ocr page 271-

quot;Sj te

EN DE

quot;1 T—s

VAN

Onzen (ioddelijken Verlosser

JSSIIS ClllllSTHS.

Tweede Boek.

o7t\'.\'gt; lui i^l/CC II .1 of \'/c,

DOOI!

y. |]. j3. VAN ^TTEN,

QU. c7f. éfziestcz, en o/Ir^/oor.

G. MOSMANS Senior,

\'s-llERTOGENItOSOIt.

1887.

-ocr page 272-
-ocr page 273-

HET OFFER EM 11F VFRIIFFIlT^Ijrii.l!¥C^

van

ONZEN GODOELIJKEN VERLOSSER

JESUS CHRISTUS-

2° Boek.

-ocr page 274-

, ■r\' .

mi.

m \'\'

H\'!

r ■••u

i;

Ik

■11

\'■1

-ocr page 275-

HET OFFER EN DE VERHEERLIJKING

VAN

2e BOEK.

JESUS\' LIJDENSOFFER.

DOOR

P. J. P. VAN E T T E N.

R. K. Pr. en Pastoor.

\'s BOSCII,

(t MOSMANS Senior 1887.

Vamp;k 11

-ocr page 276-

IMPRIMATUR.

----»gnqw---

Harlejii, 24 Septembris 1875.

J. A. van den AKKER

Libr. Cens.

EIGENDOM.

GOEDKEURING.

2e DRUK.

REIMPRIMATUR.

Maastricht, 24 Mei, 1887.

r. tl. m xTF*.

Dec. mosaetr. ad hoc del.

-ocr page 277-

DERDE DEEL

2de BOEK.

HET LIJDENSOEFER VAN ONZEN GODDE-LIJKEN VERLOSSER JESTJS CHRISTUS.

HOOFDSTUK I.

GETHSKMANI.

§ 1. Jesus verlaat Jerusalem en komt te Gethsemani,

Mt. XXVI: 30—36 ; Mc. XIV : 26—32.

Lc. XXII: 39; Jo. XVIII: 1.

Jaar der J. P. 4742 ; na R. st. 782 ; gew. jt, 29.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

De Heer had zijn gebed geëindigd en hief nu met de zijnen den feesthymnus aan , gelijk dit bij de Joden gebruikelijk was. Het waren de laatste psalmen (115—118) van het kleine Hallel, die den paaschdisch besloten door lof en dank, aan Israels Bevrijder gebracht, en die niet zonder hoogere beteekenis waren, nu juist het Pascha des nieuwen Verbonds was ingesteld.

Eindelijk verlieten allen na het eindigen van den lofzang de Paascbzaal, en begaf de Heer Zich op weg om zijn aanbiddelijk offer te gaan voltrekken. Het was zeer laat, wellicht reeds, indien wij mogen gissen, ongeveer 11 uur. (1) De Heer daalde met de zijnen

(1) Toen Judas de zaal verliet, zegt Joanoes, was het nacht. De eigenlijke nacht der Hebreeuwen begon met de tweede nachtwake van 9 12 uur. Het was dus toen reeds 9 uur. De Heer moet, te oordeelen volgens de gehouden gesprckkeUj na dien tijd nog zeer lang in de eetzaal getoefd hebben. Aan den anderen kant bad Christus althans een uur in Gethsemani, en had Petrus\' verloochening tusschen het eerste en tweede hanengekraai (1—3 uur) plaats.

-ocr page 278-

6

den Sionsheuvel af, en verliet langs de waterpoort beneden Ophel aan do oostelijke zijde Jerusalem, Daar trad Hij het enge dal in tusschen den Moria en den Olijfberg gelegen. Het was bet dal Cedron, het dal der smarten of liever het dal der duisternis, door anderen ook vallei der ceders (1) genoemd. Het wordt doorsneden door eene kleine beek van denzelfden naam die echter veeleer eene rotskloof en, uitgezonderd in den regentijd, geheel droog is. Om bare diepe ligging en misschien om haar troebel water, wanneer zij door den winterregen is gevuld, wordt zij de donkere of de zwarte genoemd.

Twee bruggen waren over de Cedronbeek geslagen. Eene lag meer noordwaarts, daar waar de weg uit de schaapspoort naar Gethsemani en verder naar den Olijfberg voert. Het is heden een steenen boog van 17 voeten hoogte. Het dal is hier ruim dertig Neder-landsche meters diep en 132 meters breed. De tweede, de brug der profeten, lag meer zuidwaarts en stelde den weg langs de gouden poort des tempels in verbinding met de graven van Josaphat en Absalon. Waarschijnlijk sloeg de Goddelijke Verlosser over deze den weg in naar den Olijfberg. Ook David door Absalon, zijn ontaarden en ondankbaren zoon, vervolgd, was weleer bij het verlaten van Jerusalem over den Cedron getrokken. Hij ging daarover te voet, het hoofd treurig neêrgebogen, van slechts weinige bloedverwanten en van een klein getal getrouwen vergezeld. Hij beklom den Olijfberg ongeschoeid, met omsluierd aangezicht en weenende, en evenzoo al de zijnen. Hij was het beeld van dien Goddelijken Koning, Welken wij hiér op de eigen plek met de zijnen zien heenwandelen. Ja, ook Jesus wordt vervolgd door nieuwe Absalons, door de joden, zijn ondankbare zonen.

(1) De eerste verklaring is gegrond op de Hebreeuwsche benaming, afgeleid van Kadar ; de tweede is de opgaaf der Arabische vertaling en ichijnt ook door Josephus aangeduid te worden.

-ocr page 279-

Nog voor weinige dagen hebben zij Hem begroet met den kreet: Hosanna den Zoon van David. Nu gaat Hij daarheen die, Zoon van David, met het treurige bewustzijn, dat zijn dood door zijn volk wordt beraamd. En donker als de schaduwen zijn, die de diepe Cedronvallei vervullen, zoo somber is ook de droefenis, die zijne Goddelijke ziel bij den aanblik van zooveel ondank vervult. Daar vestigen zich zijne weemoedige gedachten op zijne leerlingen. Ook zij zullen Hem verlaten; reeds heeft Hij hen gewaarschuwd, maar zijne waarschuwing heeft geen ingang bij hen gevonden. Nu zij de plaats naderen, waar die droevige scheiding gaat geschieden, kan Hij het niet van Zich verkrijgen, om niet nog een tweede maal met meer bepaaldheid en met meer klem hen op hunne toekomstige ontrouw te wijzen. Gij allen, zoo spreekt Hij hen toe, zult in dezen nacht aan Mij geiirgevd jror-den. Want er staat geschreven : Ik zal dm Herdek slaan, en de schapen der kudde zidlen verstrooid worden, (1)

Allen zullen zij aan Hem geërgerd worden; allen zullen zij bij het zien zijner gevangenneming kleinmoedig worden en Hem verlaten. Reeds de profeet Zacharias heeft het voorspeld (XIII: 7). Hij laat Jehovah spreken: o zwaard! ontwaak tegen mijnen Herder en tegen den man mijner gemeenschay , zegt de Heer der heerscharen. Sla den Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; en Ik zal mijne hand tot de kleinen wenden.

De Herder, van Wien hier bij Zacharias spraak is, is blijkens de voorgaande hoofdstukken (XI, XII, XIII) geen andere dan de Messias, de goddelijke en goede Herder, door de profeten voorspeld. (Ezech. XXXIV: 33) Op het bevel van den Heer der heerscharen, door het toedoen der Goddelijke Voorzienigheid, zal het zwaard van vervolging en lijden ontwaken tegen dien waren Da-

(1) De profetie wordt niet letterlijk maar naar den zin aangehaald.

-ocr page 280-

8

vid, Herder van het nieuwere Israël en man van Gods gemeenschap, die op geheel eenige wijze met Hem verbonden ia. Het zal dien Herder slaan, en de schapen zijner kudde zullen daardoor verstrooid worden. Jesus zal gevangen genomen worden, en de apostelen zullen heenvlieden. Maar de Heer der heerscharen zal de zijnen niet lang verspreid laten. Hij zal zijne hand terugwenden tot de kleinen, en hen op nieuw zijne goddelijke bescherming doen ondervinden (1).

Inderdaad, Jesus voorspelt de verstrooiing der apostelen, maar ook oogenblikkelijk daarna hunne weder-vereeniging. Bedroeft Hij hen, om hun nederigheid en mistrouwen van zich zeiven te leeren door de gedachte aan hunne zwakheid en ergernis, Hij verblijdt en troost hen tevens door de toezegging, dat Hij hen zal wederzien. Ja, den geheelen avond had Hij slechls onbepaald van wederzien gesproken ; thans bij het naderend uur zijns lijdens zegt Hij uitdrukkelijk: maar nadat Ik verrezen zal zijn, zal Ik n voorgaan naar Galilea.

De apostelen zijn ter nedergedrukt door deze sombere voorspelling en den droevigen toon , waarop zij geschiedt. Doch voor den vurigen Petrus is het denkbeeld van ontrouw jegens zijn Goddelijken Meester niet te verdragen. Zijne innige liefde, maar ook, helaas ! zijn al te vermetel zelfvertrouwen komen bier weder tegen in verzet. Werden ook allen aan U geërgerd , roept hij andermaal uit, ik toch zal niet aan U geërgerd worden. Maar de Heer bestraft die vermetelheid, dat ongeloof, die zelfverheffing, door de vreese-

(1) Deze verklaring van Zachar. XIII; 7 past uitmuntend bij den samenhang met het voorafgaande en volgende. Zach. XII: 10—11 ziet duidelijk op den doorboorden Zaligmaker, en op de uitstorting des H. Geestes. Zach XIII; 1—5 wijst op de bron van genade, door Christus\' kruis voor allen geopend, op de prediking van het evangelie en op de beschaming der valsche leeraars door de erkenning van den gekruisigde, (v. 6) Hierop volgt de aangehaalde voorspelling. Daarna eindelijk worden (v. 8, 9) de verwoesting van Jerusalem en de vervolging der kerk voonegd.

-ocr page 281-

lijke voorspelling, ons onder Petrus\' invloed door zijn leerling Markus zoo getrouw en stipt weder gegeven : voorwaar Ik zeg u, dat gij heden, in dezen nacht, en eer de haan ten tweede maal kraait, Mij driemaal zult verloochenen.

De voorspelling is allerbepaaldst. Heden, dezen nacht nog voor het einde der derde nachtwake, die het hanengekraai werd genoemd (1), zal Petrus zijn Meester driemaal verloochenen. Doch Petrus, die, gelijk de H. Augustinus opmerkt, denkt te kunnen, wat bij gevoelt te willen, roept andermaal uit: al moest ik ook met U sterven, verloochenen zal ik U niet.

Het voorbeeld van den overmoedigen Petrus mist zijn invloed op de overige apostelen niet. Zij ook, zoo betuigen zij, zullen Jesus niet verloochenen. Zij ook zullen liever met Jesus sterven. Helaas! zij rekenen slechts op de tegenwoordige stemming huns harten, en zij vergeten, dat bun hart, aan zich zelf overgelaten, zoo zwak en zoo veranderlijk is. Door boe droevige les zal bun nederige zelfkennis geleerd worden ! Jesus zwijgt. Hij spreekt zijne leerlingen niet verder tegen. Zij zijn door hunnen opgewonden overmoed onvatbaar voor zijne waarschuwingen.

Somber gestemd door die treurige voorspelling, wandelen zij voort, en nog somberder wordt hunne stemming door het tafereel, dat zich voor hunne blikken ontrolt. Het dal Cedron verbreedt zich noordwaarts langzamerhand tusschen de heuvelen en loopt uit in de vallei van Josapbat. Het is eene levenlooze vlakte, waar alles dor is en kaal. Niets is er te bespeuren dan naakte rotsen, hier en daar eenige kwijnende boomstronken, en een tal van verbrijzelde grafzerken en grafteekenen. Het is de vallei des doods, de vallei des oordeels. Ik zal, zegt God bij den profeet Joël, al de volkeren vergaderen en in de vallei van Josa-

(1) Zie van het werk, de tafels in het aanhangsel.

-ocr page 282-

10

phat voeren, en Ik zal met hen optreden ten oordeel. (Joël III: 2).

Het zwakke liclit van maan en sterren maakt het treu rige aanzien van al die teekenen des doods nog treuriger. De eenzaamheid wordt door niet het minste gedruisch afgebroken , en , terwijl Jestis en de apostelen zwijgend voortgaan, vervullen doodsgedachten hunne ziel en klinken hnn steeds als het ware de vrecselijke woorden te gemoet: dezen nacht zult gij allen aan Mij geërgerd worden 1 Een van zal Mij verraden 1 Nog dezen nacht zult gij Mij driemaal verloochenen !

Eindelijk is de Heer , na den Cedron te zijn overgegaan , een blik op de vallei van Josapbat te hebben ge worpen , den afstand van een kwartier te hebben afgelegd , liet landgoed van G-ethsemani genaderd, Deze He-breeuwsche naam beteekent olijfpers , en is wellicht ontleend aan de grot, die zich daar bevond. Zij is eene natuurlijke rotsholte, rustend\'; op drie ruwe pilaren. In het gewelf is eene opening, waarlangs de olie uit do bovenste perskuip, in welke d3 olijven werden getreden, door tralies naar beneden droop in den ver-gadeibak, die hier was geplaatst. Deze grot werd buiten den tijd van den oogst niet gebruikt. Het is de plaats, die ook Judas kende, wijl Jesus er reeds meermalen des nachts had gebeden.

De ruimte , die aan deze grot grenst, is een hof van 150 voeten in \'t vierkant, met een lagen muur van gehouwen steen omsloten. Hij was ten tijde van Christus geheel met olijfboomen beplant. Titus, toen hij Jerusalem belegerde, hieuw vier uren in den ronde alle boomen omver , en velde dus ook zonder twijtel degenen, die zich in G-ethsemani bevonden (Jos. Bell. VI: 1, 1). Intusschen staan nog heden acht olijfboomen daar, die reeds meer dan duizend jaren tellen. Daar de olijfboom weder spoedig uit zijn afgehouwen stam opschiet, is het allezins aannemelijk , dat dezen zijn opgegroeid uit den wortel of stronk der

-ocr page 283-

11

boomen, onder wier schaduwe Jesus Zich met zijne leerlingen in den nacht zijns lijdens eene bedeplaats zocht. Zij zijn zeer zwaar, en twee hebben aan den tronk door verschillende uitspruitsels een omvang van niet minder dan 25 voeten. Zij zijn als levende gedenkzuilen , die nog steeds op eigenaardige wijze het oude Grethsemani aan den pelgrim aanwijzen (1).

Ziedaar Gethsemani. Het is een landgoed, of wel aan een van Jesus\' vrienden behoorende , zoodat Hij de vrijheid heeft om in diens hof te vertoeven , of wel voor een ieder toegankelijk. Op deze bevoorrechte plek gaat de Heiland bidden voor de zondeschuld der wereld, en zijn aanbiddelijk zoenoffer opdragen.

De eerste Adam zondigde in een lusthof, de tweede Adam doet boete in een olijfhof. In een hof werd de boosheid bedreven, zegt Alcuinus, in een hof wordt de boosheid hersteld; in het paradijs werd God be-leedigd, in Gethsemani wordt God verzoend. Aan den ingang van Eden plaatste God Cherubs met het vlammend lemmer eens zwaards, om den weg tot dat oord van genot af te sluiten voor ons geslacht. Jesus laat integendeel aan den ingang van den hof der Olijven zijne leerlingen, die eens als zijne gezanten zullen verkondigen, dat wij door Jesus\' onderwerping in dezen hof den toegang tot het verloren paradijs hebben teruggevonden.

Daar aan den ingang, onder de schaduw van het geboomte, doet Jesus acht der zijnen nederzitten. Zit, hier neder, zegt Hij, totdat Ik henenga, en zal gebeden hebben.

Zoo had ook Abraham gesproken tot zijne volgelingen, toen hij, gehoorzaam aan Gods bevel, op den berg Moria het offer van zijnen zoon ging opdragen. Jesus gaat door het gebed Zich voorbereiden tot den

(1) Vergelijk mijn Pilestina II D. bl. 377—379.

-ocr page 284-

12

harden strijd die Hem wacht, en waar Hij het groote voorbeeld geeft, dat men door het gebed zijne ziel moet voorbereiden op de beproeving, daar noodigt Hij stilzwijgend ook de zijnen uit om te bidden, wijl ook hen, gelijk Hij voorspeld heeft, dezen nacht eene harde beproeving wacht.

§ 2. Droefenis en gebed van Jesus.

Mt. XXVI: 37—44 ; Mc. XIV : 33-40 ; Lc. XXII: 40-42.

Donderdag, 14 Nisan, 17 Maart.

Nu neemt de Heer de drie uitverkorenen onder zijne apostelen , Petrus en de twee zonen van Zebedeus , Joannes en Jakobus, en begeeft Zich met hen verder tusschen het geboomte van Gethsemani. Deze drie hebben Hem aanschouwd als de opstanding en het leven, toen Hij de dochter van Jaïrus opwekte uit haren doodslaap, en als den welbeminden Zoon des Vaders bij zijne heerlijke gedaante verwisseling op den Thabor. Deze drie zullen getuigen zijn, hoe Hij den bitteren kelk des lijdens uit de hand zijns Vaders gaat aanvaarden. De H. Petrus zegt uitdrukkelijk: ik ben getuige van Christus\' smarten, ik, die ook deelgenoot ben geweest van de heerlijkheid , die in de toekomst openbaard zal worden (1 Petr. V : 1; II: Petr. 1: 16). Petrus, uitmuntende door het levendigste geloof. Jakobus, vertegenwoordiger der hope, Joannes, vlammende van de teederste en trouwste liefde, zij zullen den Verheerlijkte aanschouwen in onbeschrijfelijke vernedering, den Gever des levens in akeligen doodstrijd. (1)

(1) Het voorgevallene in Gethsemani wordt door de drie overige evangelisten medegedeeld, doch niet door Joannes, die er getuige van was. Hierdoor echter bevestigt hij veeleer de juistheid van het vjrhaal zijner voorgangers, en toont hij eenmaal te meer over \'t algemeen bij voorkeur slechts datgene te boeken, wat bij de overige evangelisten ontbreekt.

-ocr page 285-

13

Terwijl de Heer met deze drie bevoorrechten voortgaat, grijpt eene aanmerkelijke verandering in zijne gemoedstemming plaats. Aan den paaschdisch was Hij nog vol vertrouwen en moed. Op den weg naar Gethse-mani klinken zijne woorden reeds somberder; doch nu, nu Hij Zich alleen met zijne drie vertrouwelingen bevindt, nu laat Hij den vrijen loop aan zijne gemoedsaandoeningen, en stelt zijne rede geen perk meer aan gewaarwordingen, die passen bij de smartelijke boete, welke Hij voor ons gaat opdragen.

Hij wordt bedroefd. Hij ziet Zich beladen met al de zonden der wereld. Hij weet, hoe menigvuldig die misdaden zijn. Hij kent de oneindige boosheid eener enkele overtreding van Gods wet, en hoe vreeselijk Gods oneindige Majesteit en liefde door de zonde wordt miskend. Hij wordt bedroefd, want de ontelbare ongerechtigheden eener bedorvene wereld in het verleden, het heden, en de toekomst staan Hem voor den geest. De misdaden van Israël, de ontrouw zijner leerlingen, het venaad van Judas, de verloochening van Petrus, de gruwelen, waarmede zijn lijden zal gepaard gaan, zijn even zoovele grievende smarten voor zijn teederminnend Hart. De grenzelooze oceaan zijner zoete liefde is door de smart over onze zonden eene onmetelijke zee van onbeschrijfelijke bitterheid geworden!

Hij wordt beangstigd. De zware taak, die op Hem rust, de tuchtiging voor onzen vrede, het lijden voor een zondig menschdom vertoont zich aan zijne ziel in de donkerste kleuren. Hij denkt aan de oneindige Majesteit en Heiligheid zijns beleedigden Vaders, die vooi\' eene oneindige schuld van Hem geëvenredigde voldoening eischt. Hij denkt aan de onverbiddelijke gestrengheid van zijns Vaders Rechtvaardigheid, die een eeuwig vuur schiep voor zijne vijanden, en eens zwoer : zoo waar Ik eeuwig leef, indien Ik mijn zwaard scherp als een bliksemschicht, en mijne hand het oor-

-ocr page 286-

14

deel aangrijpt, zal Ik mijne vijanden mijne wraak doen gevoelen!

Terwijl aldus droefenis en vrees vrijelijk zijn Goddelijk Hart overmeesteren, gevoelt Hij innige behoefte aan het gebed. En terwijl zijn aanbiddelijk gelaat al de kenteekenen draagt van zijn onbedenkelijk ziele-wee, terwijl in zijn oog de tranen reeds glinsteren, waardoor Hij onze zondevlekken gaat afwasschen, zegt Hij tot zijne bevoorrechte apostelen met klagende stem : mijne ziel is bedroefd (1) tot den dood !. . . Blijft hier en waakt met Mij. (Mt. 30 ; Mc. 34) Bidt, opdat gij niet valt in de bekoring. (Lc. 40) Als of Hij zegde: de droefenis heeft mijne ziel geheel en al overstelpt; zij is zoo groot, dat mijn hart zou breken, en dat Ik zou sterven, werd dit niet belet door mijne Goddelijke Almacht. Ik ga troost zoeken bij mijnen Vader, Ik ga bidden ; en gij, doorwaakt dezen tijd met Mij als mijne getrouwe vrienden , en blijft in mijne nabijheid, om Mij alzoo eenigen troost te verschaffen. Ja, bidt om Mij nooit te verlaten; bidt, dat ge niet in de bekoring moogt toestemmen, noch Mij ooit ontrouw moogt worden !

„Het schijnt mij, zegt de H. Cyrillus van Jerusa-„lem, dat men in de bekoring treedt, wanneer men er „door overmeesterd en als overstroomd wordt. Want „ik beschouw de bekoring als een geweldigen stroom, „dien men niet dan met groote inspanning doorwaden „kan. Om er niet door te worden medegesleept en er „niet in te verdrinken, moet men kunnen zwemmen, „en zulks doen met genoegzame kracht en volharding „om den oever te bereiken ; alleen dezulken blijven „behoudenquot; (Catech. V.)

„Bidtquot; ! zegt Jesus. Onder al hetgeen Hij heeft willen leeren, bekleedt het gebed eene zeer voorname, zoo al niet de eerste plaats. Herhaaldelijk wijst Hij

(1) Opmerkelijke is hier het Grieksche woord, dat eigenlijk beteekent door en door bedroefd.

-ocr page 287-

irgt;

door daden en woorden op die verhevene gemeenschap tusschen God en den mensch. Hij brengt geheele nachten door in de vurigste smeekingen tot zijnen Vader. Waar zijn gemoed vervuld is met vreugde, stort Hij het uit in aanbidding en dank. Hij leert aan zijne apostelen het heerlijke gebed, dat wij bezitten. Nog dezen avond hoorden wij hem den Paaschdisch der nieuwe wet besluiten door een hoogepriesterlijke bede. En ook thans in (rethsemani zal Hij ons het voorbeeld geven, hoe wij moeten bidden in droeienis en angst.

Hoe lief Hem zijne drie uitverkorene vrienden ook zijn) zijne droefenis is zoo hevig, dat zij als met geweld ilem van hen afscheurt. Hij begeeft Zich eenige schreden verder noordwaarts op den afstand van een steenworp, en werpt Zich daar in de grot, onder het rotsgewelf, dat thans nog de opschriften der vervlo-gene eeuwen draagt, voor zijnen Vader neder in het gebed.

Jesus werpt Zich op zijne knieën (Lc.), valt op zijn aangezicht (Mt.) en ligt, de handen uitgestrekt plat ter aarde neder. Welk een schouwspel! Daar ligt Hij neder in den toestand der diepste vernedering, als beladen met den zondenlast der wereld , doodelijk bedroefd over de beleedigingen aan de Majesteit zijns Vaders aangedaan, sidderend bij het zien der verschrikkelijke wraak, die Hem gaat treffen. Daar ligt Hij plat ter aarde, de Eengeborene des Vaders, Dien de engelen aanbidden! Hij is de driewerf Heilige, en zie, het is als of Hij oog noch aangezicht tot zijnen Vader durft verheffen, omdat Hij gaat boeten voor onze zonden en voor die der geheele wereld. Voorwaar! nu zien Hem zijne uitverkoornen, niet omsluierd met de wolke der heerlijkheid, maar als een aardworm, kruipende in het stof, niet met een aangezicht blinkende als de zon, maar met een gelaat door tranen en ziels-wee overgoten, niet tusschen Moses en Elias, maar in

-ocr page 288-

16

den toestand der uiterste verlatenheid. O grenzelooze nederigheid van den tweeden Adam, die de trotsch-heid van den eersten moet uitwisschen! o onbeschrijfelijke droefenis, waardoor de tweede stamvader van ons geslacht optreedt om aller zonden te beweenen! Is het wonder, dat Hij siddert en beeft, waar Hij het onderneemt om de vertoornde Rechtvaardigheid van zijn oneindig beleedigden Vader te ontwapenen ?

Jesus, ter aarde nedergeworpen, bidt! En waarom, bidt Hij ? Ach ! de uur zijns lijdens , de uur van de macht der duisternis vertoont zich aan zijn geest met al hare verschrikkingen. Hij smeekt, dat die uur, de uur van den Godsmoord, de donkerste, die de aarde ooit zag, indien het mogelijk is, voor Hem voorbij moge gaan. Abba! mijn Vader ! zoo verzucht Hij , indien het mogelijk is , en alles is bij U mogelijk, indien Gij wilt, neem dien kelk van Mij weg ! niet echter mijn wil, maar uw wil geschiede !

De kelk gaf bij de Israëlieten het lot te kennen, door Gods Voorzienigheid aan bijzondere personen, steden en volkeren toegedacht. Het was een beeld, naar het schijnt, ontleend aan eene oude gewoonte , aie bij feesten heerschte, dat de Vader des huisgezins aan een ieder der genoodigden een beker overreikte, waarin volgens rang en recht hun de feestwijn was toegeschonken. Van daar was de kelk soms het zinnebeeld van geluk, zoo als wanneer David uitroept; de Heer is het erfdeel, dat mij is te beurt gevallen, en de kelk, die mij is toegedacht (Ps. XXII). Van daar is echter ook de kelk het zinnebeeld van rampspoed en van Gods toorn, zoo als wanneer Isaïas uitroept: sta op, Jerusalem, gij, die uit de hand des Heeren den kelk zijner gramschap hebt geproefd, en er van gedronken hebt tot aan den bodem, tot zelfs de heffe.

Op dezelfde wijze noemt Jesus de wraak van Gods rechtvaardigheid over de zonden der wereld, die Hij als offerlam in onze plaats gaat ondervinden, het lij-

-ocr page 289-

17

den en den dood, die Hem wachten, een kelk vol bitterheid en wrangheid, waarvoor zijne natuur terug deinst, en die vooral daarom het afgrijzen zijner heilige ziel opwekt, wijl Hij bij dat lijden zoo vreeselijke gruwelen bespeurt. Doch weigert Jesus dan hier, wat Hij vroeger zoo vurig heeft verlangd ? Vroeger zegde Hij tot Joannes en Jakobus: kunt gij den kelk drinken, dien Ik drink, of met het doopsel gedoopt worden. waarmede Ik gedoopt word? In de Paaschzaal legde Hij nog zulk een vastberaden wil aan den dag om het bevel zijns Vaders te gaan volbrengen. En hoe bidt Hij nu: moge die kelk voor Mij voorbijgaan ? „Neenquot; , antwoordt de H. Leo (Serm. 5) „wij „moeten niet denken, dat de Heer Jesus het lijden en „den kelk wil verwijderen, waarvan Hij reeds het „sakrament aan zijne leerlingen geschonken heeft. Dit „is de kelk van mijn bloed, die voor velen vergoten „zal worden, zegde Hij nog voor korten tijd.quot; ^een de kelk des lijdens is voor Jesus\' liefde zoet, maar hij wordt bitter voor zijne heilige ziel om de zonden

der joden. „Hij zegt niet,quot; merkt de Eerwaardige Beda

op, „neem den kelk van Mij weg ; .maar zeer bepaald : neem dien kelk van Mij weg, dat is, „van het volk „der joden, dat niet te verontschuldigen is.quot; (in Mc. ad h. 1.) „Hij bidt zoo niet uit vrees voor het lijden,quot; zegt de H. Hieronymus, „want Hij is gekomen om te „lijden, maar om de verwerping van het joodsche volk „en de verwoesting van het ellendig Jerusalem, Hij „heeft afschrik van den kelk, want deze wordt Hem „door de zonde toegeschonken en Hij ziet, dat de vruch-„ten van zijn vergoten bloed zich niet tot allen zullen „uitstrekken. Hij is neerslachtig, wijl Hij de zondaars „niet in het verderf wil zien.quot; (in Luc.) Daarom vooral drukt Jesus naar zijne menschelijke natuur het verlangen uit, om, indien het met zijns Vaders raadbe-sluit aangaande de verlossing der wereld overeen te brengen is, dien kelk, met zulke bitterheden gevuld.

2

liet Offer vanj. C. II

-ocr page 290-

18

voorbij te zien gaan. En wie onzer zal durven en kunnen bepalen, in hoeverre de eeuwige raadsbesluiten Gods, waarbij ook deze bede voorzien was, baar bij de uitvoering van bet verlossingspian verbooring bebben laten vinden?

Als menscb, docb tevens als Zoon van God, zegt Jesus terwijl Hij Zicb bedient van de gewone volkstaal: Abha! (1) dat is: mijn Vader, een naam waardoor Hij zijne liefde, zijn vertrouwen, zijne gehoorzaamheid sprekend uitdrukt. Alles is hij U mogelijk ; Gij zijt de oneindig Machtige, en vermoogt alles, indien Gij slechts wilt. Indien het dus mogelijk is, indien Gij wilt, in zooverre uwe Goddelijke raadsbesluiten ten aanzien van de verlossing der wereld het om deze mijne bede toelaten, en het hebben verordend, neem dien kelk van Mij weg, gelijk hij daar voor mij staat in zijne bitterheid, en aan mijne menschelijke ziel walg inboezemt. Maak dat Ik hem, gelijk hij zich daar aan mijnen geest vertoont, niet behoeve te drinken. Maar, besluit Hij, niet mijn wil, doch uw wil geschiede.

In het eerste gedeelte van zijn gebed legt Jesus den natuurlijken afkeer bloot van het lijden, gelijk Hij het daar voor Zicb ziet opdagen, en smeekt, indien het mogelijk is, er van bevrijd te blijven. In het laatste gedeelte echter drukt Hij bij die bede met nadruk zonder eenig voorbehoud de volkomenste onderwerping uit aan den Goddelijken wil zijns Vaders. O gelukkige gehoorzaamheid, die de verheffing heeft verdiend, en een naam, welke boven alle namen is ! O heilrijke gehoorzaamheid, waardoor de vorst dezer wereld, die eens opstond tegen zijnen Schepper en die Adam vervoerde tot ongehoorzaamheid, volkomen overwonnen is 1 O weldadige gehoorzaamheid, die voor ons den lusthof des paradijses heeft heropend, en ons, na

(1) Een Syro-chaldeeuwsch woord, waaruit blijkt, dat Jesus hier bad in deze taal.

-ocr page 291-

19

den vyand, die ona verhinderde, te hebben verdreven, al zijne goederen heeft teruggeschonken. O heilige en bewonderenswaardige gehoorzaamheid, die wij nooit genoeg zullen navolgen!

Na deze treffende smeeking te hebben opgezonden, staat de Heer op van het gebed. Hij begeeft Zich tot zijne apostelen, die Hij zelfs in het midden van droefenis en angst niet vergeet. Hij vindt ze slapende. H t late nachtelijk uur beeft ze doen insluimeren.

Jesus richt zich tot hen, om Zich over hunne geringe deelneming in zijn toestand te beklagen en hen tot vernieuwde waakzaamheid op te wekken. Hij spreekt vooral Petrus aan, die nog dien avond tot tweemaal boven de anderen zich op zijne liefde heeft beroemd, en gezegd heeft, bereid te zijn om met Hem te sterven. Simon, zegt Hij, slaapt gij ? Zoo hebt gij heden niet één uur met Mij kunnen waken ? Waakt en bidt, opdat gij niet valt in bekoring. De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.

Ziedaar reeds eene eerste proeve van de zwakheid zelfs der meest bevoorrechten onder de apostelen. Niet een korten tijd hebben zij zich uit liefde tot hunnen Heer en Meester weten te beheerschen. O hoe zeer is het hun noodig, zich door eigene oplettendheid en door de genade van God tegen het uur der bekoring te versterken ! Want \'s menschen geest is dikwerf bereidwillig tot het goede, gelijk ook zij in alle oprechtheid Hem hunne trouw betuigd hebben ; doch helaas ! \'s menschen zinnelijke natuur is geneigd tot het booze, heeft geen kracht uit zich zelve om zich te overwinnen, en verleidt dikwerf den wil tot ontrouw, indien hij niet genoeg gewapend is door behoedzaamheid en door Gods genade. En ook zij zullen dit in het uur des gevaars ondervinden. (Vgl. Rom. VII; 18, 22, 23)

Aan deze vermaning paart de Heer ten tweede male het voorbeeld. Hij begeeft Zich andermaal tot het gebed, om Zich voor te bereiden op de uur der duister-

-ocr page 292-

20

nis. Wederom valt Hij plat ter aarde, en wederom bidt Hij : mijn Vader! kan deze kelk (1) niet voorbijgaan, zonder dat Ik dien drinke, uwe toil geschiede ! Deze tweede bede is dezelfde volgens de opmerking van den H. Markus als de eerste. Zij is niet minder innig, doch ademt, gelijk de H. Mattheus baar wedergeeft, meer gemoedskalmte. Hoe lang zij geduurd zal hebben, is moeilijk aan te geven. Doch zeker zijn de weinige woorden, die do evangelisten ons aangeven, slechts de aanvang of de hoofdinhoud van dit gebed, dat niet kortstondig moet geweest zijn= Althans, wanneer Jesus na deze tweede bede tot zijne drie apostelen terugkeert, vindt Hij hen andermaal slapende.

Reeds hier ondervonden de apostelen ten tweede male de zwakheid van het vleesch. Want hunne oogleden zijn verzwaard en onwillekeurig sluimeren zij. Jesus wekt hen en wijst hen met zachtzinnigheid terecht over deze hunne zwakheid. Is het te verwonderen, dat de apostelen bij deze tweede berisping beschaamd staan , en geen woorden vinden om zich te verontschuldigen ?

§ 3. Jesus\' derde bede • Hij zweet bloed en wordt versterkt door een engel.

Mt. XXVI: 44... Lc. XXII: 43 -44.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s Nachts ruim 13 uur. (3)

Ten derde male begeeft Jesus zich naar het gebed, nu nog meer bedroefd, daar Hij de ongelukkige gevolgen ziet naderen der reeds tweemaal geblekene zwakheid zijner apostelen, en zijn lijden aanstaande is. Het drietal is het getal der volmaaktheid en der

(1) In verscheidene handschriften ontbreekt dit woord in het Grieksch; de zin blijft echter dezelfde, en zeer vele codices stemmen rr.et de Vulgaat overeen.

(2) Naar gissing was de Heer ruim ten 11 uur in Gethsemam aangekomen, en had Hij daar nu reels geruimen tijd vertoefd, zie boven bl. a.

-ocr page 293-

21

volharding, en Jesus leert ons door het schoone voorbeeld van een driemaal herhaald gebed, dat wij bij onze kwellingen voort moeten gaan met het gebed en niet moeten ophouden op God te vertrouwen. De nood verplicht de armen om dikwijls aan de huizen der rijken te komen. Zoo doet ook God, om ons tot Zich te trekken cn ons dikwerf aan zijne voeten te zien. „God „geeft zijne genade niet in eens.quot; zegt de H. Augus-tinus, „opdat wij er te meer naar zouden verlangen.quot; „God,quot;\' zegt de H. Gregorius „wil geroepen, wil ge-„dwongen en door een lastig vragen overwonnen worgden. .... Dit is een goed geweld, waardoor God niet „beleedigd maar verzoend wordt.quot;

Jesus, ten derde male voor zijnen Vader ter aarde gevallen, spreekt ten derde male dezelfde bede. Maar thans stijgen zijn zielsangst en zijne droefenis ten top. (1) Hij komt in doodstrijd en Jesus\' zoo teeder en gevoelig lichaam moet al de schokken der verschrikkelijke gewaarwordingen ondervinden, waaraan zijne ziel ten prooi is, omdat de Godheid Zich terugtrekt en deze toelaat. Zie, hoe de uitdrukkingen van vrees, schrik, walg, teleurstelling, droefenis zich afwisselen met die van nederigheid, onderwerping, liefde en ver trouwen in geheel zijn uiterlijk ! Zie de sidderingen, die zijne ledematen doorloopen, en de ontroeringen, die dat Goddelijk lichaam aangrijpen en afmatten! Doch hoe feller de strijd wordt, hoe inniger, hoe vuriger, hoe aanhoudender de Heer bidt. Ja, ook hier is Hij de Hoogepriester, Die in de dagen zijas vleesches, terwijl Hij beden en smeekingen aan Hem, Die Hem van den dood kan redden, met sterk geroep en tra-

(1) Ik heb Lc. XXII: 43—14 geplaatst bij Mr. XXVI: 44 en niet bij Mt. XXVI: 39, en stel dus doodstrijd, bloedzweet en versterking niet bij de eerste maar bij de derde bede. Want 1° het is natuurlijk, dat Jesus\' droefenis bij de handelwijze der apostelen cn het naderend lijden feller wordt; 2° heeft de dienst des engels eer betrekking op het einde dan op het begin des gebeds.

-ocr page 294-

22

nen opdraagt, verhoord is om zijne eerbiedigheid, en, ofschoon Hij Gods Zoon is, gehoorzaamheid heeft geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden. (Hebr. V : 7)

Vreeselijk is het, den Heiland der wereld in zulk een droevigen strijd te zien. De nachtelijke stilte van Gethsemani wordt als het ware nog stiller; de natuur begint als het ware nog meer te zwijgen; en de grot, waar de Heer nederligt, wordt als het ware nog donkerder. Nooit was de aarde getuige van zulke inspanning, en zonder een wonder der Almacht ontvlood de biddende en strijdende ziel aan zijn aanbiddelijk lichaam. Het zweet breekt Hem uit langs alle kanten , zoo beklemd is het Hem rondom het benauwde Hart. Zoo geweldig wordt de aandrang, waarmede het bloed uit het fel geprangde Hart in de aderen wordt geperst, dat het bloed zich mengt met het zweet, en dat de druppelen zweets als zoovele bloeddruppelen worden, die nedervloeien ter aarde en den grond bevochtigen. O, hoeverre gaat de liefde van Gods Zoon voor den mensch! Zij betreurt zijne zonden, zij weent over zijn verderf; en al de gedeelten zijns lichaams storten bloedige tranen! Dat bloed, het roept niet om wraak gelijk dat van Abel, maar om barmhartigheid en genade. (1)

(1) V. 43 en 44 ontbreken in eenige handschriften, doch zijn zonder twijfel echt, daar zij in de meeste handschriften voorkomen en reeds Justinus en Ireneus ze kenden. Sommigen willen de woorden van Lukas in v. 44 opvaten in dezen zin : zijn zweet werd zoo dik en zwaar, als of het ter aarde afvallende bloedklompjes waren, en steunen hierbij op het woord d-póiipui, dat eigenlijk geronnen druppelen beteekent en op het woord wait. Doch dit laatste woord drukt hier zoo als op zeer vele plaatsen meer uit dan eene bloote vergelijking, vooral omdat gelijk de Zeer Eerwaarde pater Pierik opmerkt, de H. Lukas niet zegt, wat het was, maar wat het werd; vfévsTo. Heeft de H. Lukas slechts willen te kennen geven, voegt Bisping er bij, dat het zweet des Zaligmakers buitengewoon overvloedig was, dan heeft hij zich zeer onverstaanbaar uitgedrukt. Ook Ireneus en Justinus verstaan het reeds van een bloedig zweet. De Sinaïticus heeft hier xazajatvovro\':, dat met het

-ocr page 295-

23

Doch door dien heftigen zielestrijdisJesus\'lichaam uitgeput; en verzwakt door het bloedige zweet ligt het krachteloos daar neer. Zijn strijd is echter niet volstreden. Eensklaps wordt de grot van Grethsemani door een helderen glans verlicht. Een dier dienstbare geesten, die den eeuwigen troon des Allerhoogsten omgeven, steeds bereid om zijne Groddelijke bevelen te volbrengen, daalt af uit den hemel tot den Heer. Waartoe verschijnt die engel? Het is niet om Jesus de raadsbesluiten des Vaders voor te houden; want de eigen persoon, die daar nederligt, is God, en behoeft ook als mensch geen engelen , om te zien en te kennen, hetgeen voor Hem geen geheim meer is. Het is ook niet om aan Jesus als mensch moed in te spreken ; zijn zielestrijd, zijn vuriger wordend gebed bewijzen, dat de moed Hem niet ontzonk. Hij komt om den Verlosser te versterken, maar de versterking, die hij aanbrengt, is die van Jesus\' afgemat en uitgeput lichaam. Het is eene uiterlijke verkwikking, den God-mensch aangeboden door zijnen dienaar, gelijk aan die, welke Hij van zijne engelen wel wilde ontvangen, toen Hij veertig dagen en veertig nachten zonder voedsel te nuttigen in de woestijn had doorgebracht. Niet dat Hij zelf als God ook zijn mat lichaam niet kon versterken, maar gelijk de Eerwaarde Beda opmerkt, ten bewijze zijner twee naturen hebben de engelen Hem èn gediend èn versterkt. Deze verschijning en versterking na zijne driemaal herhaalde bede is het tastbare teeken, dat Hij ook hier verhoord is om zijne eerbiedigheid. Die versterking des engels moeten wij met den H. Hilarius beschouwen als om

decurrentis der vulgaat overeenstemt. Doch verreweg de meeste handschriften hebben xazaftaivuvrs^.

Ik heb het gebed bij den doodstrijd en het bloedig zweet opgevat als de reden van de verschijning des engels, zoodat y.al waarmede v. 44 aanvangt, hier, gelijk meermalen, want beteekent en redengevend is. De uitdrukking, dat de engel Jesus versterkte, geeft mijns inziens te kennen, dat Jesus door den doodstrijd reeds uitgeput was.

-ocr page 296-

24

onzentwille geschied, gelijk Hij om onzentwille bedroefd werd. En zoo spoort ook deze versterking ons aan, om onzen Verlosser lief te hebben, wijl zij ons zegt, hoeverre de zwakheid is gegaan, die Hij uit genegenheid tot ons in zijn Goddelijk lichaam heeft willen verduren. (1)

Eindelijk staat Jesus op van het gebed. De strijd der droefenis en des offers is gestreden, en het gebed heeft de zegepraal behaald.

quot;Wij zijn hier getuigen geweest van een vreeselijk lijden, des te vreeselijker, omdat het een zielelijden was zoo hevig, dat het uit de ziel op het lichaam ontzettend terugwerkte, en aan dit een bloedig zweet afperste. Het ontsproot uit twee aandoeningen niet van de hoogere maar van de lagere zielsvermogens, uit

(1) Schoon zijn deze woorden van den H. Ambrosius : «minder hadde »Hij mij geschonken, hadde Hij mijne aandoening (affectum) niet aan-•genomen. Alzoo voor mij heeft Hij, Die voor Zich niets had te be-«treuren, getreurd, en werd Hij onder berooving van het genot der »eeuwige Godheid aangegrepen door de kwelling mijner zwakheid. Want »Hij heeft mijne droefheid aangenomen om mij zijne vreugde te schen-»ken, en langs onze voetstappen is Hij tot de ellende des doods afgedaald, om ons langs zijne voetstappen tot het leven terug te roepen. «Zonder schroom dus meld ik de droefheid, omdat ik het kruis ver-»kondig, want niet den schijn der menschwording heeft Hij aangenomen, «maar de wezenlijkheid. Hij moest dus mede de droetheid aannemen, »om de treurigheid te overwinnen en niet uit te sluiten. Waut zij be-»zitten den lof der heldhaftigheid niet, die veeleer de bewondering der »wonden dan hare smart hebben ondervondenquot;, (in c. XXII: Lc.) »Deze aandoeningen der menschelijke zwakheidquot;, zegt de H. Augustinus, »zoowel als het vleesch der menschelijke zwakheid, en den dood van »het menschelijk vleesch heeft de Heer Jesus niet door den drang van »zijn toestand, maai- door den wil der erbarming aangenomen, ten einde »Hij, Die Zich gewaardigd heeft haar Hoofd te zijn, de kerk, zijn «lichaam, dat is zijne ledematen, in zijne heiligen en geloovigen aan »Zich gelijkvormig zou maken, zoodat, indien iemand hunner bij de «menschelijke beproevingen bedroefd en treurig zou worden, hij daarom gt;niet zou denken van zijne genade verstoken te zijn, en even als het »koor de stem, die voorzingt, volgt, zoo ook zijn lichaam van Hem, «deszelfs Hoofd, zou leeren, dat dit niet zonden maar kenteekenen van «menschelijke zwakheid zijn.quot; (in ps. 87.)

-ocr page 297-

25

twee gewaarwordingen der ziel niet zoozeer voor zooverre zij geest of zetel der rede (1) maar voor zooverre zij beginsel des lichamelijkea en zinnelijken levens is. Het ontsproot uit angst en uit droefheid. (Mt. XXVI: 37 ; Mc. XIV : 33) Die angst ontstond door den aanblik van den kelk , dien Hij ging drinken. De naderende smarten, die zich in al hare somberheid aan zijne verbeelding vertoonden, de zonden, waarmede Hij zich in onze plaats ging beladen, en de toorn van zijn beleedigden Vader, dien Hij moest bevredigen, ziedaar de drie bronnen van vrees, die Hem in zoo hooge mate benauwde. Zijne droefenis ontsproot vooral uit het aanschouwen der onuitsprekelijke boosheid der menschen. Hij zou lijden door de snoodste misdaden van de menschen, van zijn uitverkoren volk en zelfs van zijne apostelen. Hij zou lijden om zonden, ontelbaar in menigte, oneindig in afschuwelijkheid. Hij zou lijden, en zijn lijden zou bij velen zoo weinige vruchten dragen, voor zoo velen te vergeefs zijn. Deze waren de voorname oorzaken zijner bittere droefenis. Angst en droefenis beiden waren des te pijnlijker, naarmate het gevoel van Hem, die ze ondervond, volmaakter, zijne heiligheid grooter, zijne liefde inniger, zijne kennis en wetenschap van dien vreeselijken schuldenlast uit hoofde der vereeniging met de Godheid, stelliger, uitgebreider, en dieper was. En indien wij nu de liefde afmeten naar den maatstaf van dat lijden, o hoe lief heeft Jesus dan den mensch gehad 1

Bij dat lijden aanschouwden wij het voorbeeld van de schitterendste deugden. Een voorbeeld van heldhaftige gehoorzaamheid en van algeheele overgeving aan den wil des Vaders in weerwil van den vreese-lijksten strijd en beproeving, in weerwil van het ge-

(1) Niet —véuiia maar ipoy-q lezen wij Mt. XXVI: 88. Niet spiritus maar anima; niet geest maar ziel; mijne ziel is bedroefd ten dood toe.

-ocr page 298-

26

voel van al de zwakheid zijner menschheid, ia weerwil van de onuitsprekelijke bitterheid van den kelk, dien Hij ging drinken. Een voorbeeld van allervolmaakst gebed, uitmuntend door de diepste nederigheid, door het hinderlijkste vertrouwen, door de onverdeeldste aandacht, door algeheele toewijding, door de schoonste volharding. Een voorbeeld van teedere, van deelnemende, van zachtmoedige liefde jegens de apostelen. O hoe schoon, hoe heilig , hoe navolgenswaardig is de Grodmensch in den hof van Grethsemani!

Buitendien heeft dit zoo onuitsprekelijk en eenig, dit zoo heilig en stichtend zielelijden van Jesus eene diepe beteekenis. Hij biedt Zich aan, indien het des Vaders wil is, om in onze plaats boete te doen voor de oneindige boosheid onzer zonden. Hij draagt als onze eenige, heilige, eeuwige Hoogepriester voor ons heil, wat het Hem ook koste, het algenoegzame lij-dens- en kruisoffer zijns vleesches aan zijnen Vader op. Hij treedt op om onze schulden te betalen, en zijn leven tot losprijs van velen te geven (Mt. XX: 28), zoodat terecht de H. Paulus ons kan toeroepen; voor een duren prijs zijt gij gekocht, (1 Petr. I; 18; 1 Cor. VI; 20) Hij gaat als offeraar van het nieuwe verbond het bloed plengen voor velen ter vergeving der zonden (Mt. XXVI: 28), zoodat wij eene bloed-besprenkeling hebben, beter sprekende dan die van Abel (Hebr. XXII: 24), beter reinigende dan die van Moses (Hebr. IX: 13, 19 en vgd.), ons hart zuiverende van een verkeerd geweten (Heb. X: 14, 19, 22). Het is de aanvang, de opdracht, de toewijding van het zoenoffer, waarbij de Godmensch Zichzelf ter slachting aanbiedt als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Ziedaar hetgeen de Heer te kennen geeft, als Hij in doodstrijd en onder bloedig zweet verklaart bereid te zijn, den bitteren lijdenskelk te drinken, Hem door de eeuwige raadsbesluiten zijns Vaders toegedacht.

-ocr page 299-

27

§ 4. Het verraad van Judas.

Mt. XXVI: 45—55, Mc. XIV : 41-49; Lc. XXII: 45-53 ; Jo. XVIII: 2—11

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s nachts ruim 12\'/, uur.

Judas, toen hij de zaal verliet, had zich naar de overpriesters begeven. Aan de woning van den hooge-priester Kaiphas, wiens dienaar, Malchus, wij later onder de bende zullen aantreffen, meldt zich de snoode verrader aan, om zijn ellendig verbond, dat hij heeft gesloten, gestand te doen. Hij weet, waar de Heer dien nacht zoo als bij vroegere gelegenheden met zijne leerlingen zijn gebed zal gaan verrichten. Het is eene afgelegene plaats, en het is nacht. Green geschiktere gelegenheid kan den overpriesters worden aangeboden, om zonder eenige opschudding Hem, Dien zij willen dooden, gevangen te nemen. Zij zijn dan ook dadelijk bereid om tot het gewenschte doel eene genoegzame macht ter zijner beschikking te stellen.

Volgens de wet der Romeinen, aan welke Judea onderworpen was, mocht niemand in de wingewesten gevangen worden genomen buiten voorkennis en mede hulp der Romeinsche bevelhebbers. Vooral in den Paaschtijd, wanneer het joodsche volk te Jerusalem in groote menigte te zaam kwam, en reeds menigmaal aan oproer zich had schuldig gemaakt, en wanneer de Romeinsche landvoogd uit Cesarca overkwam om tegen zulke onlusten te waken, moest deze wet ten stiptste worden nagekomen. Daarom wendden zich gewis ook nu de leden van den hoogen raad tot den landvoogd, en verzochten Hem de noodige macht, omJesus, Dien zij afschilderden als oproermaker, gevangen te nemen. Zij deden zulks des te eerder, omdat bij het vertoon der Romeinsche medehulp het niemand gemakkelijk wagen zou, zich tegen hunne onderneming te verzetten.

De eersten dvs, die wij onder Judas\' geleide aantreffen, zijn eene cohorte, of liever eene gedeeltelijke

-ocr page 300-

28

cohorte van Romeinsche soldaten (l^). Het wordt ons niet opgegeven, hoe talrijk zij waren. Vermoedelijk waren zij een gedeelte der Romeinsche krijgsknech ten, op den burcht Antonia gelegerd, om ten dezen tijde het toezicht over de feestbezoekers te houden. Zij werden aangevoerd door een Chiliarch of overste over duizend, die bij de Romeinen het bevel had over twee cohorten.

Benevens deze bende merken wij op de gerechtsdienaren (2) van den hoogen raad (Jo. XVIII; 3), lieden, wier taak het was dc orde in den tempel te handhaven en de bevelen van den hoogon raad te volbrengen. Verder de oversten des tempels, Lc. XXII: 52) die wij reeds vroeger leerden kennen, (3) en die over hen het bevel voerden. Eindelijk zien wij ook nog overpriesters en ouderlingen verschijnen benevens hunne dienaren, (4) waarschijnlijk om het oog over de geheele onderneming te houden.

De geheele menigte is van zwaarden en stokken voorzien, oni voorbereid te zijn op alle verzet. Zij dragen Jantaarnen en lampen of toortsen, (o) ten einde elke ontvluchting in het duistere Cedrondal of ook

(1) Jo. XVIII: 3 noemt haar a—étpa, hetwelk eene romeinsche cohorte te kennen geeft. Jo. XVIII: 12 spreekt van een yiXiapynz, een romeinseh hoofdman over iluizend, gelijk de centurio over honderd. Eene cohorte echter bevatte 525 man, eene macht te aanzienlijk om hier bedoeld te zijn, te meer daar de geheele legermacht van den landvoogd slechts uit 6 cohorten bestond. Vermoedelijk is het gedeelte bedoeld eener cohorte.

(2) UTzTjpirat, onderscheiden van de cohors en van de SoöXoi (Jo. XVIII: 10, 18).

(3) Zie bl. 3lt;ie D. 1ste b. bl. 129.

(4) Vgl. Jo. XVIll: 10, 18 doüXut.

(5) ipavujv y.a.t Xa;n:a.du)v. Bij het eerste woord hebben wij aan vuur-korven te denken of ook aan aarden vaten, ter zijde doorboord, zoo als wij ze beschreven vinden bij Maimonid. en Bartenora (in Chelim c. 2, 4, 8), in welke zich eene was- of piktoorts bevond. Bij het tweede hebben wij ons de fakkellampen voor den geest te roepen, zoo a Is wij bij dc gelijkenis der tien maagden reeds hebben ontmoet.

-ocr page 301-

29

onder het dichte geboomte te voorkomen. (1) Ook de boeien ontbreken niet, om Jesus en zijne apostelen gevangen heen te voeren.

Judas , de apostel, een van Jesus\' twaalf uitver-koornen, ontziet zich niet, zich aan het hoofd dier gewapende en wel toegeruste bende te plaatsen. Zij trekken uit van den Sion, waar Kaïphas\' woon zich bevindt, na misschien zich noj eerst te hebben vergewist, of Jesus de Paaschzaal reeds heeft verlaten. Over den tempelberg, waar zich de tempelwacht bij hen aansluit, begeven zij zich door de Cedronvallei naar Gethsemani. Bij het naderen van den Olijfhof keert zich Judas tot de bende, en geeft vooral aan de Romeinsche krijgsknechten en hun aanvoerder, die Jesus niet kennen, een teeken om zich in den persoon niet te vergissen. Hij, Dien ik kussen zal, zegt hij, Die is het; grijpt Hem en leidt Htm behoedzaam heen. Zoo gebruikt Jxidas den kus en de omhelzing, het sprekende en bij de oosterlingen zoo gevierde teeken der vriendschap, om voor zijnen Meester trouw en vriendschap te huichelen en zijn toeleg te verbergen, en tegelijkertijd Hem aan zijne vijanden over te leveren. En tevens waarschuwt hij die vijanden, Hem te grijpen en behoedzaam heen te voeren, daar hij met Jesus aan te wijzen zijn besprokene taak heeft volvoerd, en zij hem den bedongen prijs niet zullen mogen weigeren, indien Jesus aan hunne handen mocht ontgaan. O hoe verachtelijk is de ondank van dezen apostel! hoe schandelijk de ontrouw van dezen vriend! hoe laaghartig de huichelarij van dezen verrader !

Intusschen is Jesus ten derden male opgerezen uit het gebed, thans bemoedigd en versterkt. Weder nadert

(1) Het was de 15ds Nisan en dus volle maan. Doch kon de hemel niet bij toeval bewolkt zijn, of een dikke nevel heerschen ? Kon ook de maan niet reeds zijn ondergegaan of op het punt om onder te gaan ? Dacht men niet aan schuilhoeken ? Zeker konden er redenen te over zijn, om zich van fakkels en lampen te voorzien.

-ocr page 302-

30

Hij tot de apostelen, en vindt Hij ze slapen. Behalve de vermoeienis en het late nachtelijk uur heeft ook de droefenis en de daaruit volgende neerslachtigheid het hare tot die slaperigheid bijgedragen (1). Jesus berispt hen met zachtmoedigheid: Wat slaapt gij7 slaapt nu en rust!.... Het is genoeg ; zie de uur is gekomen en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der zondaren. Staat op , Bidt, dat gij niet valt in de bekoring. Laat om gaan / zie, hij die Mij overleveren zal, is nabij. (2)

Slaapt gij nu nog, geeft de Heer te kennen, op dezen stond ? De tijd van slapen is voorbij ; het is genoeg.,. De zoo lang voorspelde uur van scheiden is daar. De Zoon des menschen gaat in de handen der heidenen overgeleverd worden. Staat op en bidt thans, dat uw moed niet bezwijke en dat gij niet aan Mij geërgerd wordt. Staat op, laat ons gaan. Ik ben bereid tot het offer. Zie de verrader, die Mij overleveren zal, is in aantocht.

Terwijl Jesus nog spreekt, daar ijlen, zoo stellen wij het ons voor, ook de acht apostelen, die aan den ingang van den hof zijn gebleven, tot den Heer. Het dof gedruisch der nadeiende bende laat zich hooren, en de apostelen zien den onheilspellenden gloed der toortsen en lampen voor zich schemeren. De menigte dringt den hof binnen met Judas voorop. Daar nadert hij, de verrader, met een gelaat, waarop onbeschaamdheid en geveinsdheid te vergeefs pogen de snoodheid te omsluieren.

Aan den anderen kant treedt ook Jesus toe. Daar

(1) Opmerkelijk is het, hoe zich in den H. Lukas de arts verraadt, wijl hij de eenigste evangelist is, die den slaap der apostelen aan de droefenis en daaruit volgende matheid toeschrijft. Ook zijn bericht over Jesus\' bloedig zweet verdient al onze aandacht.

(2) Om niet van de vulgaat af te wijken heb ik vertaald : slaapt nu en rust. Doch anderen nemen het vragend: slaapt gij nu en rust gij ? hetgeen beter met het: quid dormitis, bij Lukas overeenkomt.

-ocr page 303-

31

staat Hij kalm en lijdzaam met een gelaat, waarop de stille droefheid zijner Goddelijke liefde te lezen is. Het dichtst naast den Goddelijken Verlosser ontwaren wij Petrus, Joannes en Jakobus, terwijl de overigen hen omgeven.

Zoo staat dan eindelijk het Hoofd der heiligen, tegenover den aanvoerder van boosdoeners ; de teeder-ste lietde tegenover de ondankbaarste trouweloosheid ; de God van hemel en aarde tegenover den zoon des verderfs. De groote strijd gaat gestreden worden tus-schen het helsche serpent en het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Maar de vorst dezer wereld heeft in Christus niets, en ofschoon de slang het Lam Gods in den hiel i;al belagen, en zal doen lijden in zijne menschelijke natuur, zal toch dat Goddelijke Lam zegevieren en aan de helleslang den kop verpletteren.

Judas genaderd, haast zich om het besproken tee-ken te geven. Met helsche onbeschaamdheid treedt hij toe op den Zaligmaker, en drukt een heiligschennen-den kus op Diens aanbiddelijk gelaat, terwijl hij Hem omhelst en met geveinsde welwillendheid spreekt: wees gegroet. MeesterZoo misbruikt de ongelukkige het teeken en den groet des vredes, om den bond des vredes te breken. Zoo ontheiligt de ondankbare den naam van Meester en het zegel der trouw om de trouw te verraden. Zoo bedient zich de ongevoelige snoodaard van de omhelzing der liefde om den dood toe te brengen onder den dekmantel der vriendschap. Zoo kuste ook weleer Joab Amasa, doch om hem op het eigen oogenblik met een dolk het hart te doorboren.

En welk is het onvergetelijk antwoord van Jesus ? Hij ziet al de bedorvenheid van Judas\'hart ; Hij peilt de geheele diepte zijner boosaardigheid; maar Hij verplettert hem niet. Neen ! zijn Goddelijk oog werpt op Judas een blik vol onuitsprekelijke smart, en met Goddelijke zachtzinnigheid en liefde klaagt Hij: vriend,

-ocr page 304-

32

waartoe zijt gij gekomen ? Judas, verraadt gij den Zoon des menschen met een kus f No» noemt Hij hem vriend, en toont Hij, dat zijne oneindige liefde door geen ondank wordt overwonnen. Nog biedt Hij hem de genade aan om den Zoon des menschen, Dien hij verraadt, vergiffenis te vragen. Gelijk eene teederminnende moeder, die haren lieveling in den afgrond ziet nedertuimelen, nog een laatste wanhopige poging in het werk stelt om hem te redden, evenzoo verzuimt Jesus, terwijl Hij zijnen ongelukkigen apostel op het punt ziet om in den afgrond des verderfs neder te storten, niet een laatste poging zijner liefde, om dat versteende hart te vermurwen en te herwinnen voor het leven. Maar de ongelukkige stoot de reddende armen der Goddelijke erbarming van zich.....en zijn val wordt slechts te

dieper.

De groet van Judas en Jesus\'zachtzinnig antwoord duren slechts een oogenblik. Judas treedt terug en mengt zich onder de bende, die hij vooruit is gesneld om het afgesproken teeken te ge ven. Tegelijkertijd treedt de Heer, ofschoon Hij alles weet, wat Hem gaat overkomen, van uit Gethsemani\'s geboomte en den kring zijner leerlingen zijne vijanden te gemoet. (1) Dezen hebben, of om de schaduw van het geboomte, of om de duisternis van den nacht, of om de omringende apostelen, het afgesprokene teeken niet onderscheiden. Jesus zal hun doen gevoelen, dat zij ondanks de afspraak en het verraad van Judas, ondanks hunne menigte, ondanks hunne zwaarden en knodsen

(1) Het verraad van Judas kan niet na het nederstorten der bende geplaatst worden. Want terwijl de Heer nog spreekt tot de pas ontwaakte leerlingen, nadert volgens Mt. XXVI: 47 ; Mc. XIV: 43 enLc, XXII; 47 reeds de verrader, en geeft den Heer een kus. Dat de Heer tot de bende vooruit treedt, zoo als Joannes meldt (XVIII; 4), kon zeer goed plaats grijpen na dien kus; en het wordt ook onzin, dat Judas aan den Heer een kus zou hebben gegeven na het wonder, waardoor Hij de bende deed nederstorten, en nadat Hij luide gezegd had : Ik ben het.

-ocr page 305-

33

niets tegen Hem vermogen, indien Hij Zich als God wil doen gelden. Met een blik , die verplettert, met Goddelijke majesteit, met een stom, waarin het bewustzijn van Goddelijke overmacht zich verraadt , spreekt Hij tot do menigte, die daar dreigend voor Hem staat: Wien zoekt gij ? Jesus van Nazareth, is hun antwoord, waardoor het blijkt, dat zij Hem niet erkennen. Kalm en onverschrokken herneemt de Heer: Ik hen het.

En zie ! op dat ééno woord wijken zij allen achterwaarts en vallen ter aarde. Allen, die daar zoo overmoedig op Hem aankwamen, de lieden der tempel-wacht, de dienaars der overpriesters, de Romeinsche krijgsknechten, zij allen liggen daar neer. Een enkel woord heeft ze verpletterd. Niet zonder reden meldt de H. Joannes, dat ook Judas onder hen staat en dus ook met hen nedervalt. De ongelukkige moet ondervinden, dat de Heer niet uit onmacht maar uit barmhartigheid en liefde zijne verraderlijke omhelzing heeft toegelaten, en dat Hij Jesus niet kan overleveren, indien Deze niet wil. (!) Eer het Lam Gods Zich aan de wolven overgeeft, zegt de H. Augustinus, laat zijne stem gewaar worden, dat Hij ook de Leeuw is uit Juda\'s stam. (Apoc. V : 5).

Zoo is Hij, Die voor eenige oogenblikken sidderde en beefde in het bijzijn zijner leerlingen, zegt de H. Cyrillus, „eensklaps verschrikkelijk voor zijne vijanden gewordenquot;. „Wat zal, als Hij zal oordeelen, de „majesteit vermogen van Hem, Wiens nederigheid „reeds zooveel vermag, terwijl zij geoordeeld gaat „worden1\'? vraagt de H. Leo. (serm. Vde pass.) „Wat

1

Er zijn er, die hier geen wonder willen erkennen , maar alleen een uitwerksel van de zedelijke overmacht des Heeren. Maar waar is de zedelijke overmacht ooit in staat geweest, om eenc geheele bende niet slechts te doen terugdeinzen maar te doen nederstorten ? Uit Jesus\' geheele handelwijze blijkt, dat Hij door betoon zijner hoogere macht de vrijwilligheid zijner overgave in het licht wilt stellen. Zoo is dil wonder eene nieuwe bevestiging van ons geloof.

Het Offer van J. C. II o

-ocr page 306-

34

zal Hij niet kunnenquot;, roept de H. Augustinus uit, „als Hij zal heerschen, Die zulke dingen vermag, nu Hij „den dood te gemoet gaat?quot; (tr. 112 in Jo.)

Hoe lang de bedwelmden daar nederliggen, wordt ons niet gemeld. Als zij zich weder hebben opgericht, vraagt hen de Heer andermaal: wien zoekt gij? Wederom is hun antwoord : Jesus van Nazareth. Ik heh n reeds gezegd, herneemt de Heer, dat Ik het hen. Indien gij Mij dan zoekt, zoo laat dezen gaan.

Met hen aldus te heiinneren aan hetgeen juist is voorgevallen, laat Jesus op nieuw zijne Goddelijke macht en tevens hunne machteloosheid gevoelen. Tegelijkertijd schroomt Hij niet, te vorderen, dat zij de hand aan zijne leerlingen niet zullen slaan. Als een Koning tot zijne onderdanen spreekt de Zoon Gods tot zijne vangeren : Indien gij Mij dan zoekt, zoo laat dezen gaan. Met zoo te spreken toont Hij ook de liefdevolle en trouwe Herder te zijn, Wiens wakend oog bij eigen gevaar zijns schapen niet uit het oog verliest , en Die het woord gestand doet, nog dien avond gesproken ; Ik heb niet één verloren van hen, die Gij Mij gegeven hebt. Hij had door deze woorden vooral het eeuwige behoud der zijnen bedoeld ; doch dit doel bereikte Hij ook daardoor, dat Hij hen hier tijdelijk redde. Want door niet te dulden, dat zij met Hem in de hand zijner vijanden vielen, beveiligde Hij hen voor eene verzoeking, die hunne zwakheid niet kon dragen. Deze tijdelijke bevrijding moest het beeld, de voorwaarde, het onderpand zijn van hun eeuwige bevrijding.

Bij dit laatste woord maakt de bende aanstalten om de hand aan Jesus te slaan en Hem gevangen te nemen. De leerlingen bespeuren het naderend gevaar, en herinneren zich de voorspellingen huns Meesters. Om Hem blijk te geven van trouw en liefde brengen zij de twee zwaarden , die zij hebben modegenomen, teu voorschijn, en vragen vol ijver aan Jesus : Heer, zullen wij er met hef zwaard op inhouwen ?

-ocr page 307-

35

Doch Petrus altijd even vurig en moedig wacht het antwoord op deze vraag niet af. Hij heeft reeds het zwaard omhoog geheven, om er den eersten den besten, die opdaagt, — het is Malchus, de knecht van den Hoogepriester, — het hoofd meê te doorklieven. Doch niet zonder Gods leiding ontwijkt Malchus nog tijdig genoeg den slag, zoodat hem slechts het rechteroor wordt afgehouwen. Laat af! genoeg! zegt Jesus, terwijl Hij oogenblikkelijk Petrus weêrhoudt, steek vw zwaard in de schede , want allen , die het zwaard trekken, zullen door het zwaard vergaan. Of denkt gij, dat Ik mijnen Vader niet kan vragen, en dat Hij Mij niet terstond meer dan twaalf legioenen engelen zal zenden ? Wilt gij, dat Ik den kelk, dien de Vader Mij geeft, niet drinke ? Hoe zullen dan de schriften vervuld worden, die getuigen , dat het zoo moet geschieden ?

Genoeg ! zegt de Heer. Ik wil niet verdedigd worden door het wonden mijner vijanden. Ik Die gekomen ben om aller wonden te genezen. Uw zwaard zal u slechts leed en verderf berokkenen, want geweld wordt in den regel door geweld geboet. (Sap. XI: 17; Apoc. XIII: 10 ; Geu. IX : 6 ; Rom. XIII: 4) Uwe verdediging is verderfelijk, daar zij geweld uitlokt. Uwe verdediging is overbodig, want wilde Ik er om bidden, niet twaalf personen, zoo als wij zijn, zouden deze bende bestrijden, maar twaalf legioenen machtige hemelgeesten zouden Mij ten dienste staan. Doch Ik verkies geen wraak der engelen, maar het offer voor het heil der wereld. Uwe verdediging eindelijk strookt niet met de raadsbesluiten mijns Vaders. Of wilt gij, dat Ik den kelk zal afwijzen, dien de Vader Mij toereikt tot het heil der wereld ? Is dit niet voorspeld door de profeten , die Mij afschilderen als het zachtmoedige Lam, Dat zonder verzet Zich ter slachtbank laat voeren, en als Dengene, Die onder de misdadi gers gerekend zal worden ? (Is. LUI; 7, 8)

Om te bevestigen hetgeen Hij zegt, nadert Jesus

-ocr page 308-

Malchus, raakt hem het gewonde oor aan, en het is genezen. Het vleeseh erkent de hand van Hein , Die het heeft gevormd. Het slijk is gehoorzaam aan Hem, Die het weleer te zamenvoegde tot het lichaam van Adam, en de aarde, die Hij toen kneedde, zegt de H. Ambrosius, volgt ook nu zijne bevelen. Het vleeseh verheerlijkt hier even ijverig de Goddelijke macht van zijn Hersteller, als het de Goddelijke Macht van zijnen Schepper heeft erkend. Wie roept hier niet uit met den blind geboorne; Indien deze niet uit God was, kon Hij niets dergelijks verrichten ? En hoe is Hij uit God, indien Hij de waarheid niet spreekt? En hoe spreekt Hij de waarheid, indien Hij niet is de Zoon des Vaders, Die over legioenen van engelen beschikt ? Hij smeekt de genezing niet af; Hij vraagt geen hulp om ze te bewerken; eene enkele aanraking is Hem genoeg. Ook hier weder blijkt het in Hem; m wat de Vader doet, doet ook de Zoon. De eerste, die de hand aan Hem wil slaan, om Hem te mishandelen, is de eerste, dien zijne Goddelijke hand aanraakt om Hem wel te doen. O Goddelijke liefde, die geweld beloont met zachtzinnigheid en het kwade door het goede overwint! Door dit wonder zijner Macht toont Hij, dat Hij, Die d? wonden zijner vijanden geneest, wel zonder eigen toelating niet gewond zal worden. Door dit wonder zijner liefde toont hij de Zaligmaker te zijn, niet gekomen om te verderven maar cm te redden.

Na de wonde genezen te hebben, die Petrus wel met vurige trouwhartigheid maar ook met onberadene onstuimigheid den knecht des hoogepriesters heeft toegebracht, wendt de Heer Zich met waardigheid tot de overpriesters, de hoofdlieden des tempels en de oudsten des volks. Hij verwijt hun hunne laaghartigheid, en zegt hun, hetgeen Hij hun reeds door hen achterwaarts te doen vallen en door Malchus te genezen overvloedig heeft getoond, dat Hij niet uit dwang uit vrijen wil hon tegen zijn persoon zal laten optre-

-ocr page 309-

den. Als tegen een roover. zegt Hij, zijt gij met zwaarden en stokken uitgetrokken om Mij te vangen. Dagelijks was Ik onder u gezeten om te heren in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen. Maar deze is moe uur en de macht der duisternis, opdat de schriften vervuld worden.

Met eene geheele bende gewapende krijgsknechten zijt gij uitgetrokken tegen Mij. Waar heb Ik dan ooit Mij met zoo groot geweld tegen u verzet ? Sedert mijne plechtige intrede in Jerusalem heb Ik niettegenstaande uwe plannen, uwen haat, uwe zamenzweringen, geen enkelen dag verzuimd den tempel te bezoeken en er openlijk geleerd. Toch hebt gij de handen niet aan Mij geslagen, omdat Ik het niet toeliet.

En tot op dit oogenblik sta Ik heden ondanks uwe wapenen en uwe menigte hier ongedeerd. Doch opdat de eeuwige raadsbesluiten des Vaders en de Schriften, die i-;e verkondigen, in vervulling gaan, zal mijne macht en majesteit als Zoon van God niet langer u verhinderen, en zal Ik als Zoon des menschen van deze uur at\' machteloos en gedwee in uwe handen zijn. Al wat de macht der duisternis, als wier getrouwe aanhangers gij het daglicht schuwt en gij den nacht kiest om Mij te vaagen. u tegen Mij ingeeft, kunt gij volgens de toelating mijns Vaders van nu af tegen Mij uitvoeren.

Het licht der wereld gaat ophouden te schitteren, cn de uur van de macht der duisternis breekt aan, waarin dood en leven, hel en hemel den hevigsten strijd zullen strijden. De Goddelijke luister van de Zon der gerechtigheid, die zich daar even nog zoo heerlijk vertoonde, gaat zich voor eene wijl verber gen achter de donkere nevelen van smadelijke vernedering en ijzingwekkende smart.

-ocr page 310-

38

§ 5. Gevangenneming des Heeren; vlucht der leerlingen; voorspelling van Isdias en Jeremias.

Mt. XXVI: 50, 56; Mc. XIV : 46, 50—52 ;

Lc. XXII: 54; Jo. XVIII: 12.

Vrijdag, 15 Nisan, \'s nachts ruim IZVa uur.

Tas heeft de Heer deze laatste woorden gesproken, ot\' de woeste bende treedt op Hem toe. (1) Zij omgeven Hem langs alle kanten. De Romeinsche krijgsoverste met zijne krijgsknechten, bijgestaan door de dienaren, grijpen den weerloozen Verlosser aan. Die niet den minsten tegenstand biedt. Jesus wordt geboeid, als ware Hij een boosdoener, en gehoorzaam aan den aanbiddelijken wil zijns Vaders brengt Hij edelmoedig het offer zijner vrijheid, opdat ook wij door onderwerping onze vrijheid zouden terug vinden. De krijgsknechten, zegt de H. Cyrillus, slaan den Heer, Die tot onze natuur is afgedaald, in de boeien, om ons van de boeien der zonde en des duivels te bevrijden. (ter d. pl.)

De leerlingen zien nauwelijks, hoe hun Goddelijke Meester door de krijgsknechten wordt aangegrepen, of zij worden geheel bevangen met schrik. Zij denken aan de waarschuwingen des Zaligmakers niet meer, cn de beloften, Hem dien avond meer dan eens gedaan, van Hem overal te volgen, zijn geheel en al vergeten. Enkel bedacht op zelfbehoud, verlaten zij in aller ijl de zijde huns Meesters, en vlieden langs alle zijden heen, misschien zelfs sommigen over de kruin van den Olijfberg naar Bethanië.

(1) Het verhaal van den H. Joannes en Lukas dient hier tot leiddraad. Zij stellen de gevaagenneming na de genezing van Malchus cn de toespraak tot de overpriesters. Daarom moet Mt. XXVI; 50 eerst na Mt. XXVI: 55 en Mc. XIV: 46 eerst na Mc. XIV: 49 geplaatst worden, wijl deze evangelisten klaarblijkelijk bij voorbaat dc gevangenneming verhalen.

-ocr page 311-

39

De bende, mot Jesus geboeid in haar midden, slaat den terugweg in naar Jerusalem. Al de apostelen zijn verstrooid; slechts één jongeling mot een linnen on derkleed, waarin men pleegt te slapen, om het lijt geslagen, volgt den Heer. Is het Jakobus, z.00 als de H. Epiphanius vermeent? Of is het Joannes, zoo als de H. Ambrosius, Gregorius en Cbrysostoinus denken V Of is het Markus zelf, die alleen dit feit verhaalt? (1) Of is het, zoo als anderen vermoeden, een geheime leerling, die op het voetspoor der bende uit Jerusalem is toegesneld, om den Groddelijken Verlosser zoo mogelijk te waarschuwen? Of is het oen jongeling uit het landgoed, die, ontwaakt door het gedruiscu, haastig is toegesneld, om zich aangaande het gebeurde te vergewissen? Het is alles slechts gissing. Doch wie hij ook zij, hij volgt Jesus niet ongehinderd. I)e krijgsknechten grijpen hem aan. en slechts door hun zijn linnen kleed te laten, ontsnapt Hij aan hunne boeien en hun geweld.

O hoe pijnlijk is het voor Jesus\' minnend Hart aldus van al de zijnen verlaten te zijn! Hoe grievend voor den Goddelijken Herder, aldus zijne geliefde schapen te zien afdwalen! Alleen zal Hij lijden, zonder de hulp, zonder de opbeuring, zonder den troost der vriendschap. Die eenzame verlatenheid des Hoeren bij zijn verlossingswerk voorspelt ons Isaïas in de volgende profetie :

Wie is deze , die daar komt van Edom, met besprenkelde kleederen van Basra ? Hij is schoon in zijn gewaad, voorttrekkende in. de menigvuldigheid zijner sterkte!

Ik, die gerechtigheid spreek, en voorvechter ben om ie redden.

Waarom is dan uw gewaad rood, en zijn uwe kleederen als van die in den wijnpersbak treden f

De wijnpers heb Ik alleen getreden , en uit de volkeren (1) Hij kon het ook vernomen hebben van Petrus, die den lieer van verre volgde.

-ocr page 312-

40

was niemand met Mij. Ik heb hen vertreden in mijne verbolgenheid, en vertrapt in mijn toorn; en hun hloed is gespat op mijne kleederen, en al mijne kleederen heb Ik besmeurd. Want de dag der wraak is in mijn hart, en het jaar mijner verlossing is gekomen. En Ik zag rond, en er ivas geen helper ; en Ik zocht, en daar was niemand om Mij te ondersteunen. En mijn arm heeft Mij hidp verschaft, en mijn toom heeft Mij geholpen. (Isaïas LXIII)

Lsaïas schildert ons den Verlosser, gelijk Hij na het oordeel op den jongsten dag het hemelsch Jerusalem binnen trekt. Wie is Hij, vraagt hij in hooge vervoering, die daar optreedt als een held uit den strijd met de volkeren der wereld, welke afgebeeld zijn doorEdom en Bosra ? (Vgl. Is. XXXIV: 2-6 en Num. XXIV: 17) Schoon is zijn gewaad, en bekleed is Hij met God-delijken luister en majesteit. Hij trekt voort in de menigvuldigheid zijner sterkte; Hij is de Zoon des menschen, komende op de wolken met groote macht. (Mt.

XXIV: 30)

En het antwoord van den Verlosser is: Ik die gerechtigheid spreek, en voorvechter ben om te redden.

Het is Jesus, de Groddelijke Rechter aller volkeren, want gelijk ook de H. Joannes in het boek der openbaring zegt: Hij oordeelt en strijdt met gerechtigheid. (Apoc. XIX: 11) En Hij is Goddelijk Rechter, omdat Hij Goddelijk Verlosser is. De Vader oordeelt niemand, maar heeft alle oordeel aan den Zoon gegeven... en heeft Hem macht gegeven oordeel te houden, omdat Hij de Zoon des menschen is, Voorvechter om te redden (Jo. V : 22 , 27)

Waarom, vraagt de proleet op nieuw, is dan uw gewaad rood, en zijn uwe kleederen als van die in demvijn-persbak treden ?

Hij geeft te verstaan, dat de Zoon des menschen, Die Rechter is, omdat Hij Verlosser is, ten dage des gerechts nog met de teekenen van zijn bloedigen ver-lossingsstrijd gekenmerkt zal zijn. Zijn menschelijk

-ocr page 313-

41

lichaam zal nog de wondeteekenen dragen, en zijne vijanden zullen opzien tot Hem, Dien zij doorstoken hebben. (Apoc. 1: 7) In dien zin zegt ook de H. Joannes in het boek der openbaring; èn Hij was gekleed met een gewaad, dat besprenkeld was met bloed, en zijn naam wordt genoemd; Woord Gods.

Wederom antwoordt de Verlosser op deze laatste vraag, waarom zijn gewaad rood is, dat de volkeren der wereld zijne recbtvaardigbeid en verbolgenheid als God bij het oordeel vooral zullen ondervinden , omdat zijn lijden, zijne boete, zijne verzoeningsoffer hen, die het misbruikten, door schaamte en droefenis zal verpletteren. Hevig toch was de boete zijns lijdens, die Hij in knechtsgestalte op Zich nam, gelijk de inspanning Lcvig is van den slaaf, die de druiveu treedt in de wijnpers. Ja geheel alleen heeft Hij die boete volbracht, en te vergeefs zag Hij uit naar een helper, naar ondersteuning, naar eenig vriend, naar eenigen troost. Van allen was Hij bij zijn lijden verlaten, tot zelfs van zijne apostelen. Bloedig was de boete want rood is zijn gewaad, en geheel zijn persoon als Verlosser en Rechter is gekenmerkt door het bloed van do volkeren der wereld, vergoten in de menschelijke natuur, die Hij uit hen heeft aangenomen. Daarom dus laat zich zijne rechtvaardigheid bij het oordeel des te vreeselijker gelden tegen de volkeren der wereld, omdat de boete, die zijne Goddelijke rechtvaardigheid om hen te redden van zijne menschheid had afgevorderd, hun door eigen moedwil niet heeft gebaat. Daarom zullen zij den toorn ondervinden van het Lam, Dat voor hen geslachtofferd is, en is de dag zijner wraak aangebroken. (Apoc. VI: 16, 17. vgl. Is. LXII1; 4) Daarom treedt Hij ook nu de wijnpers der woede van den toorn des Almachtigen Gods, Hij, Die op zijn gewaad en zijne heup geschreven heeft; Koning der koningen en Heer der heerschers. (Openb. XIX: 15. 16; Is. LXIII: 6) De dag zijner wraak is aangebro-

-ocr page 314-

42

ken voor hen, die Hem vruchteloos zijn bloed lieten vergieten, doch tevens het jaar dor verlossing voor hen, die aan zijne genade beantwoordden. (Is. LXIII: 5)

Alleen dus volgens deze voorspelling van den profeet moet Jesus de wijnpers treden, alleen in zijn heilige mensehheid boeten en lijden, zonder menschelijke hulp en troost zijn bloed vergieten voor de volkeren der wereld. Hij, du eenige Middelaar, Verlosser en Rechter.

Verlaten door al de zijnen, wordt Hij weerloos voort-gesleurd, en figuurlijk worden in Hem de woorden bewaarheid, die rechtstreeks den profeet Jeremias betroffen : Jehovah heeft het Mij geopenbaard • van daar wist ik het. Vooraf hebt Gij mij hunne aanslagen ontdekt, Ik was als een huislam, dat ter slachting rvordt gevoerd en ivist niet, dat zij tegen mij aanslagen beraamden (zeggende) : laat ons den boom met zijne vrucht verderven en hem uit het land der levenden uitroeien, opdat zijn naam verder niet genoemd worde. Maar de Heer der heerscharen is een rechtvaardig Rechter, Die nieren en harten beproeft. Ik zal zien] hoe Gij aan hen loraak oefent ; want aan U beveel ik mijne zaak. (1)

De inwoners van Anatoth, die zich aan de afgoderij

(1) Jer. XI; IS, 20. Deze vertaling is volgens het Hebreeuwsch, cn stemt behalve in een tweetal persoonsveranderingen met de vulgaat vrij wel overeen. De zinsnede echter: laat ons den boom met zijne vrucht verderven, wordt in de vulgaat teruggegeven door de woorden : milta-mus lignum in panem ejus. Deze vertaling is mede juist, en de Chal-deër verklaart het: laat ons hout in zijn brood of spijze doen, als betcc-kenende: laat ons zijne spijze (door gifthout) vergiftigen.

Doch ofschoon lechem gewoonlijk brood of spijze beteekent, kan het ook vruchten beteekenen, dte men eet. ea wordt het ook door de Arabieren van boomvruchten gebruikt. Van daar de vertaling; laat ons den boom met zijne vrucht verderven, die volkomen den toeleg van Jeremias\' vijanden uitdrukt, namelijk niet alleen den profeet maar ook de vrucht van zijn leer te verdelgen, en hem uit het land der levenden ui. te roeien, opdat zijn naam zelfs niet meer genoemd -iuerd. Het is onverschillig, welke van beide vertalingen men volgt, want in de hoofdzaak komen beiden overeen, namelijk, dat het de toeleg is van Jeremias\'vijanden, hem uit den weg te ruimen.

-ocr page 315-

43

hadden overgegeven, stonden den profeet Jeremias naar het leven, omdat hij door zijne leer hun gedrag veroordeelde, en zich verzette tegen hunne afgoderij. De profeet vergelijkt zich hij een lam, dat, in het huis zijns meesters opgevoed, vriendschappelijk en vertrouwelijk met hem omgaat, en toch door hem, terwijl het geheel argeloos is, ter slachting wordt gevoerd. Hij wist immers niet, dat zijne vijanden plannen tegen Hem beraamden, om den boom en zijne vruchten , namelijk Hem en zijne leer, geheel en al te doen verdwijnen, ja uit te roeien van het land der levenden, zoodat zijn naam zelfs niet meer werd genoemd. En even als zulk een lam had hij dit zeker niet door zijn liefderijk en vertrouwelijk verkeer aan de inwoners van Anatoth verdiend. God openbaarde echter aan Jeremias de aanslagen zijner vijanden, en nu stelde de profeet zonder zich persoonlijk te willen wreken, geheel zijn vertrouwen op Gods rechtvaardigheid, en gaf aan den Heer zijne zaak geheel en al in handen.

Jeremias, gezonden als profeet om zijn volk te redden en toch ondanks zijne liefde door zijn volk verstoeten en ten dood gezocht, is hier even als in ^t algemeen een treffend beeld van Jesus Christus. Ofschoon de Heer Israël slechts zocht te redden, beraamden Israels oversten eveneens tegen Hem moordaanslagen, omdat Hij door zijne Goddelijke leer met hun verkeerd gedrag in strijd was. Weinig had flij moeten verwachten, dat zij Hem, Die zachtmoedig en liefderijk als een lam des huizes onder hen had verkeerd, thans als zulk een lam weerloos ter slachtbank zouden sleuren. Op Hem waren in hunnen mond even als bij Jeremias de woorden van toepassing : teen iot/den èoom met zijne vrucht verderven en Hem uitroeien uit het land der levenden, opdat zijn naam niet meer genoemd worde.

Door zijne Goddelijke wetenschap echter lagen al hunne moordplannen voor Hem open. Doch zonder Zich te verzetten en zonder te zinnen op wraak, liet Hij,

-ocr page 316-

44

als een zachtzinnig Lam Zich heenvoeren ter slachting. In Gethsemani had Hij zijne zaak geheel en al in de handen van zijn rechtvaardigen Vader gesteld, en lijdzaam en vertrouwend trad Hij thans als gevangene in het midden zijner vijanden zijn Goddelijk ofïer te gemoet.

-ocr page 317-

HOOFDSTUK II.

ANNAS EN KAIPHAS.

§ 1. Jesus voor Annas.

Mt. XXVI; 57; Mc. XIV ; 53 , Lc. XXII: 54; Jo. XVIII: 13—14, 19—23.

Jaar der J. P. 4743 ; na R. st. 782. Gew. Jt. 29.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s nachts ongeveer 1 uur.

De Zoon van God, geboeid en omgeven door ruwe krijgsknechten, nadert eindelijk Jerusalem in den toestand der diepste vernedering. Voor vijf dagen deed Hij zegevierend zijne intrede in die stad als Koning en Zoon van David, en werd Hij onder het gevvuif der palmen met juichende Hosanna\'s begroet! Thans treedt Hij er binnen, gebonden als een boosdoener, terwijl Hij, omgeven door knodsen en zwaarden, elk oogenblik overladen wordt met bitteren smaad.

Nadat de Heer den heuvel des tempels of de woonplaats der mindere tempeldienaren, Ophel, heeft bestegen en met zijne geleiders langs de mestpoort den weg heeft ingeslagen naar den Sion, wordt Hij gevoerd naar het alilaar gelegene paleis des hoogepries-ters , en verschijnt daar het eerst voor Annas. (1)

(1) Er bestaat hier tweeërlei gevoelen. Volgens het eene werd Christus het eerst naar Annas gevoerd, doch zonder dat van Annas iets bijzonders is vermeld. V. 2-1 bij Joannes wordt door de voorstanders dezer meening opgevat als een tusschenzin, en het woord /lij zond wordt verklaard door hij had gezonden.

De voorstanders van het tweede gevoelen, dat ook mij het verkieze-lijkst voorkomt, meenen v. 13 en 14 bij Joiinnes niet van de volgende en v. 2-i niet van de voorgaande verzen af te mogen scheiden, en zich

-ocr page 318-

46

Annas toch was de schoonvader van Kaïphas, (1) de wettelijke hoogepriester, het hoofd van het hoogepries-terlijk geslacht. Als zoodanig was hij ook in den hoo-gen raad de voorzitter van de orde der overpriesters. (2)

aan het woord /l-é^TZcXïv, misit^ gelijk het daar staat, te moeten houden, en zulks te meer, daar Joannes immer de tijdsorde in acht neemt. Terecht neemt dus Patrizzi aan, en op zijn voetspoor ook de zeer Eerw. Pater Pierik, dat al, wat van v. 14 tot v. 24 verhaald wordt, in het huis, waar Annas was, is voorgevallen, bijgevolg ook de eerste verloochening van Petrus. Daar nu de drie verloocheningen van Petrus in hetzelfde voorhof zijn geschied (Mc. XIV: 6G, 68—70; Lc. XXII: 55—56 ; 58; 59—62 ; Jo. XVIII: 16—18; 25; 20—27), en de twee laatste zekerlijk in het huis van Kaiphas, (Jo. XVIII: 24, 25), zoo volgt hier uit, dat Annas althans dien nacht in het huis van Kaiphas aanwezig was, of wel dat Annas en Kaiphas hetzelfde hoogepriesterlijk paleis bewoonden. Hiermede stemt zeer goed overeen, hetgeen ons door de reisbeschrijvers van het heilig land, Sepp, Mislin, Geramb wordt gemeld, dat nog heden het olijf boomklooster te Jerusalem wordt aangewezen als de woon van Annas, eu slechts 170 schreden van daar de kerk des Zaligmakers als het verblijf van Kaiphas. Het was dus of één en dezelfde woon, of wel de woon van Kaiphas, waarheen Annas, die in de onmiddellijke nabijheid woonde, zich had begeven. Dat beiden hetzelfde paleis konden bewonen, daarvoor pleit ook beider verwantschap. Zie mijn Palestina II D. bl. 270.

(1) Dit geeft de H. Joannes op als de reden, waarom zij Jesus eerst voerden naar Annas. Hij geeft daardoor te kennen, dat Kaïphas, die de openlijke aanlegger en drijver der zamenzwering tegen Jesus\' leven was geweest, hierin niet gehandeld had dan door het toedoen van Annas, die zijn schoonvader was, de wettelijke hoogepriester, het hoofd van het hoogepriesterlijk geslacht. (Vgl. II Deel, 1 Boek bl. 25 en 26.)

Dat Joannes hier Kaiphas hoogepriester van dat jaar noemt, daardoor geeft hij te kennen, eensdeels, dat niet Kaiphas maar Annas de wettelijke hoogepriester was, en anderdeels, dat Kaiphas door den Ro-meinschen landvoogd, die naar het schijnt elk jaar een anderen of weder denzelfden hoogepriester benoemde, in het groote lijdensjaar onzes Heeren weder tot hoogepriester was aangesteld.

(2) De drie afdeelingen van den hoogen raad, oudsten des volks, over-priesters, en schriftgeleerden hadden elk een voorzitter. De voorzitter van de schriftgeleerden was de Masi of Vorst, gewoonlijk ook hoogepriester. De voorzitter van de oudsten des volks was de Chakam. De voorzitter der overpriesters was de Sagan, Sagan sacerdotii, Juchasin f. 16, 1. 57, 1. Vergelijk H. Horajoth f. 47, 4. Maimon. llilc. Bia, c. 9. 12. Praeficiunt Pontificem M., qui caput omnibus sacerdotibus. Deinde constituunt aliquem sacerdotem, qui sit Pontifici M. qualis secundus a

-ocr page 319-

47

Hij is de eerste, voor wien Jesus verschijnt, naar alle waarschijnlijkbeid als het hoofd eener kleinere rechtsvergadering van 23 leden. (1) Om zijn ouderdom, zijn geslacht, zijne waardigheid, zijn invloed, genoot deze rechter bij de joden het hoogste aanzien. Doch zoo groot Hij was voor het oog der wereld, zoo afschuwelijk v/as hij voor het oog van God. Even als vele andere raadsleden behoorde hij tot de Sadduceën (Act. V: 17), die aan geen onsterfelijkheid der ziel, aan geen verrijzenis, aan geen vergelding in het andere levegt;i geloofden. Het was een goddelooze rechter, die zich slechts om de goederen dezes levens bekreunde ; het was een vijandige rechter, die Jesus den dood had gezworen.

Door dezen grijsaard, die de wettelijke hoogepries- .. ter en schoonvader van Kaipbas, den feitelijken voor dat jaar benoemden hoogepriester, was, wordt de Heer het eerst in verhoor genomen. Hij bekleedt die plaats

rege majesiati regiae; hic dicitur sagan, nonnunquam praefectus, et stat Pontifici M. perpetuo a dexteris, quod magno ipsi ducitur honori. De ge-heele hooge raad bestond uit den hoogepriester, gewoonlijk ook Nasi, die in de plaats van Moses trad, den Sagan, en verder uit 69 raadsleden, zoodat de Chakam tot de 23 oudsten des volks zal hebben behoord, terwijl de Nasi en Sagan buiten de 23 overpriesters en 23 schriftgeleerden stonden. Maimonid Hilc. Sanhedr. c. 1. § 3, § 0, § 7.

(1) Er bestonden te Jerusalem drie gerechtshoven. Buiten denhoogen raad bestonden er twee gerechtshoven elk uit 23 leden. Sanhedr. f. 88, 2; c. 11, 2. »De raad der een-en-zeventig zat in de zaal Gazith ; een »andere van 23 leden bij de poort des tempelbergs (Susa), en weder »een andere bij de poon van het voorhof (Nicanor). Overigens beston-^gt;den er gerechtshoven van 23 mannen in alle grootere steden Israels,quot; Deze gerechtshoven van 23 leden spraken wel het doodvonnis uit, doch dit moest door den hoogen raad bekrachtigd worden. Mischna tract. Sanhedr. c. 10 § 4. »Geene wordt gedood door de rechters zijner stad, »ook niet door het Synedrium van Jafne 5 maar men voert hem naar /Jerusalem voor het hoogste gerecht.quot;

Veertig jaren echter voor Jerusalem verwoesting werd aan de joden dit recht over leven en dood door de Romeinen ontnomen, en hielden de drie gerechtshoven niet meer in den tempel zitting. Sanh. f. 24, 2. r.abyl a vodah. Zara, f, S. 2.

-ocr page 320-

48

onder Jesas\' vijanden om zijn aanzien, om zijn aandeel in de zaak, en omdat hij door zijne geslepenheid de ziel en bestuurder is van geheel dezen toeleg. (1)

Met al de waardigheid, die Annas zich kan geven, richt hij (2) zich tot den Heer, en ondervraagt Hem over zijne leerlingen en zijne leer. Hij begint met ondervragingen en met geen beschuldigingen. Hij ondervraagt omtrent Jesus\' leerlingen, om, naar het schijnt, duidelijk te maken, dat de Heer Zich als Leeraar heeft opgeworpen en dus met recht door den hoogen raad in verhoor wordt genomen. Hij ondervraagt Hem omtrent zijne leer, om te laten gevoelen, dat die leer nieuw is, en om haar naar aanleiding van dien van misleiding en dwaling te beschuldigen.

De Grodmensch doorschouwt maar al te zeer de listige strekking dier vragen. Metal de overtuiging van een vlekkeloos geweten en met al de waardigheid, die het bewustzijn der onschuld kan schenken, antwoordt Hij zonder in bijzonderheden te treden, op zedigen maar ook op vastberaden toon; Ik heb in \'t openbaar voor de wereld gesproken, Ik heb altijd geleerd in de Synagoog en in den tempel, ivaar al de joden zich vergaderen, en Ik heb niets gezegd in het geheim. Waarom ondervraagt gij Mij ? Ondervraagt hen, die gehoord hébben, wat Ik tot hen gesproken heb ; zie ! dezen weten, wat Ik gezegd heb.

„Wat is meer overeenkomstig met de waarheid, met „de zachtmoedigheid, met de rechtvaardigheid, dan dit „antwoord,\'quot; vraagt de H. Augustinus. (tr. 113inJo.) Het is overeenkomstig met de waarheid, en de Zalig-

(1) Dit sluit het bevel niet uit van Kaiphas. Rupeitus zegt: voluntate ipsius Caiphae ductus est ad Annam primum, videlicet, ne apud homines totam invidiam Caiphas sustineret, si primus ipse, qui consilium lt;le-derat, primus etiam condemnaret.

(2) Dat de benaming van hoogepriester nooit door Joannes aan Annas gegeven zou zijn, is juist het punt, dat betwist wordt. Zeker wordt deze benaming gegeven aan Annas door Lucas 111 : 3 en Handelingen IV : G. Zelfs schijnt Joannes een onderscheid te maken tusschen den pontifex en den pontifex anni illitis. Vgl. Jo. XI: 49.

-ocr page 321-

49

maker zinspeelt hier duidelijk op hen, die vroeger door den hoogen raad waren afgezonden, om Hem in zijne woorden te vangen, toen Hij leerde in den tempel, zoodat zelfs eenigen dezer zijne bewonderaars waren geworden. Hij laat verstaan, dat niets gemakkelijker is dan nit hun eigen mond te vernemen, wat Hij heelt geleerd. „Zoo doende,quot; zegt de H. Chrysostomas (Hom, 82 in Jo.) „toont Hij, hoezeer Hij overtuigd is van „de waarheid zijner gezegden. Want zich op de ge-„tuigenis zijner vijanden te kunnen beroepen is een „afdoend bewijs voor de waarheidquot;.

Dit antwoord wijkt ook in niets af van de zachtmoedigheid. Want het bevat niets, dat de bedoeling heeft, om den rechter te beleedigen. Jesus kon de misdrijven zijns rechters geopenbaard, zijne afschuwelijke huichelarij ontmaskerd, en zijn ongeloof ten toon gesteld hebben. Doch neen 1 Hij treedt hier slechts op als aangeklaagde, en bepaalt zich nitsluifend tot een beroep ter zijner verdediging op hen, die Hem hadden gehoord.

In dit antwoord is niets onbillijks gezegd. Is het niet wezenlijk de eenvoudigste en rechtvaardigste weg, dezen veeleer dan Hem te ondervragen ? Is het ooit gehoord, dat, wanneer er spraak is van openlijk verkondigde leerstellingen, die voor gevaarlijk en verdacht worden gehouden, zij worden ondervraagd, die ze hebben uitgesproken, zonder hen eens te hooren, die ze hebben vernomen? Voorzeker is er alle reden om zoo te spreken tot een rechter, die even als zijne raadsleden Jesus\' dood reeds gezworen heeft.

Bij dit antwoord staat beschaming en teleurstelling te lezen op het gelaat van den Hoogepriester. Een der gerechtsdienaren, bereid om, hoe dan ook, zijnen meester te gelieven, treedt toe en, niet minder wreede beul dan laaghartige vleier, slaat hij J. C. in het aangezicht, terwijl hij er het bitse verwijt aan toe voegt : antwoordt yij aldus aan den hoogepriester ?

4

Het Offer van J, C. II

-ocr page 322-

50

Hoe smartelijk is die kaakslag, door een woesten en gespierden gérechtsdienaar den Grodmensch onverwachts in het opene en teeder gevoelige gelaat gegeven ! Hoe onrechtvaardig is die kaakslag, toegebracht aan den Heilige der heiligen, Die hem door niets heelt verdiend I Hoe smadelijk en diep vernederend is die kaakslag, door den knecht der ongerechtigheid gegeven aan den Koning der heerlijkheid, onder een hard verwijt en onder den spot der geheele vergadering! Hoe vreeselijk is reeds deze marteling, die het Lam zonder vlekken om onze zonden ondergaat!

Zoo ging het weleer ook den schuldeloozen en moedigen profeet Micheas. De goddelooze koning Achah was op dien profeet verbitterd, wijl deze Hem zijne ondeugden onder het oog bracht en hem met Grods straffen bedreigde. Daarom ontbood hij hem voor eene onrechtvaardige vierschaar, zamengesteld uit 400 valsche profeten, allen bezield met een boozen geest. Nu verzocht, ja, smeekte hij Micheas, hem zonder omwegen Gods wil bekend te maken, terwijl hij hem inderdaad slechts ondervroeg om in zijne woorden een voorwendsel tot zijnen dood te vinden. Want zie 1 nauwelijks had de profeet gesproken, of zijne woorden, hoe zedig en oprecht dan ook, werden beschouwd als eene onbeschaamde beleediging den koning aangedaan. Een der dienaren van den vorst, zeker hierdoor aan zijn goddeloozen meester te behagen, gaf den profeet een wreeden kaakslag in het aangezicht, en de koning en zijn raad eindigden met Micheas na deze bittere beleediging ter dood te veroordeelen. Was de profeet hier niet het sprekende beeld van den Grodmensch, Die voor Annas een wreeden kaakslag ontving?

En wat doet de Heer ? Jesus geeft niet toe aan gramschap en toorn; maar ook zwijgt Hij niet. Want indien Hij het onrechtvaardige verwijt van den gerechtsdienaar onbeantwoord liet, zou Hij daardoor den schijn aannemen, het wsrkelijk te hebben verdiend. Zijn stil-

-ocr page 323-

51

zwijgen zou voor eene bekentenis zijn opgenomen,

en zijne waardigheid als Zoon Grods eischte , dat Hij dit onverdiende verwijt geheel en al van Zich afwierp. Daarom antwoordde Jesus met onverstoorde kalmte en met het verpletterend gezag zijner goddelijke onschuld: indien Ik kwalijk gesproken heb, geef dan getuigenis van het kwade; indien Ik echter wel gesproken heb , waarom slaat gij Mij ? Indien gij vermeent iets onbetamelijks in mijne woorden te vinden, zegt Hij, welaan, wijs het dan openlijk voor al deze rechters aan. Doch heb Ik Mij op passende wijze verdedigd, waarom slaat gij Mij ?

Zoo blijft de Heer niettegenstaande de bitterste be-Jeediging Zich verdedigen met kracht, kalmte en zachtmoedigheid. Hij wijkt niet af van het vroeger gezegde, en staaft het zelfs door de uitnoodiging aan den-gene, die hem slaat, om er iets onpassends in aan te toonen. Hij laat Zich niet overmeesteren door toorn of vrees, maar bezit het helderste bewustzijn van recht en plicht. Hij doet geen bits verwijt en beleedigt niet, maar vraagt met waardigheid : Waaróm slaat gij Mij ? Zoo verklaart Hij ons door zijne handelwijze, zegt de H. Augustinus, dat dit gebod (om, als men ons op de eene wang slaat, de andere aan te bieden) en eenige andere, die een groot geduld vereischen, veel beter door de gevoelens des harten vervuld worden, dan door werkelijk het gelaat of het lichaam aan nieuwe mishandelingen bloot te stellen; want men kan uiterlijk de wang aanbieden, en in zijn hart haat en wrok blijven koesteren. Jesus Christus heeft ons een veel nuttiger voorbeeld gegeven, door eenerzijds met kalmte en waardigheid te antwoorden, wat billijk was, en door anderzijds in zijn hart eene oprechte bereidwilligheid te bewaren, om den grootsten smaad te doorstaan, (tract. XIV in Jo.)

Annas en de geheele vergadering worden door dit tweede antwoord des Heeren nog meer te leur gesteld,

-ocr page 324-

52

en zien hun listigen toeleg geheel en al verijdeld. Niet bij machte om iets tegen Jesus\' openlijke leer in te brengen, en buiten staat gesteld door Jesus\' tweevoudig antwoord om den Heer door listige ondervragingen te verstrikken, zendt Annas eindelijk den Grodde-lijken gevangene , geboeid als een misdadiger, naar Kaiphas, om daar het beraamde doodvonnis te ondergaan. (1)

§ 2. Eerste verloochening van Petrus, terwijl Christus Zich voor Annas hevindt.

Mt. XXVI; 57—68; Mc. XIV: 53—68; Lc. XXII; 54—57; Jo. XVIII: 15-19.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s nachts omstreeks 1 uur.

Terwijl Jesus door de woeste menigte het hooge-priesterlijke paleis werd binnengesleurd en naar een der opperzalen (Mc. XIV; 66) werd gevoerd om er voor den listigen Annas te verschijnen, was Petrus Hem van verre gevolgd met nog een anderen leerling, in welken wij den H. Apostel Joannes meenen te moeten erkennen. (2) Joannes, op welke wijze dan ook (3)

(1) De evangelist zegt niet; Annas zond Hem geboeid nnar de woon van den hoogepriester Kaiphas; hij zegt slechts : Annas zond Hem geboeid naar den hoogepriester Kaiphas. Zij, die had gezonden vertalen, doen zulks tegen het gewone gebruik, verwerpen hier de lezing oüv, die nog al vrij wat gezag voor zich heeft, en verbreken het verband tusschen v. 24 en 25.— Dat Jesus door Annas in een rechterlijk verhoor is genomen, is, dunkt mij, meer dan waarschijnlijk. Nieuwsgierigheid, vertoon van waardigheid en dergelijke redenen verklaren niet genoegzaam, waarom Jesus gedurende den nacht voor Annas moest verschijnen.

(2) Joannes spreekt hier van zich zeiven, gelijk hij gewoon is,inden derden persoon; hij is de gewone metgezel van Petrus; en de H. Chry-sostomus, Hieronymus, Eutymius en Theophylactus meenen dan ook, dat Joannes hier gewis bedoeld is.

(3) Joannes had een huis te Jerusalem, althans naar alle waarschijnlijkheid (Jo, XIX; 27). Daar het verschil der standen bij de joden niet gestreng gescheiden was, was hij op de eene of andere wijze, misschien

-ocr page 325-

53

bekend bij den hoogepriester, was, als zij tot aan het paleis des hoogepriesters gekomen waren, met de bende bet voorhof binnengetreden.

Het paleis van Annas en Kaiphas moeten wij ons voorstellen, gelijk de meeste huizen der grooten destijds, als in het vierkant gebouwd rondom een voorhof of binnenplein, dat langs alle zijden door galerijen omgeven was. Het voorportaal van het gebouw geleidde door eene poort, die de deurbewaakster opende of sloot, in het voorhof. Terwijl nu Petrus, omdat hij niet toegelaten was, daar buiten toefde, keerde Joannes , die Jesus tot in het voorhof was gevolgd, en nu bemerkte, dat Petrus niet met hem was, terug tot het voorportaal van het paleis, en bewerkte daardoor zijne tusscbenkomst bij de deurbewaakster, dat voor Petrus eveneens het paleis zou ontsloten worden.

Petrus en Joannes traden nu beiden in liet voorhof. De Heer bevond Zich in een der hcoger gelegene zalen, die op de galerij van het voorhof zich openden. In dit laatste was om de koude van den voorjaarsnacht, die in Palestina dikwerf vrij scherp is, een groot kolenvuur aangelegd. Hierom heen zaten in een kring de dienstknechten der priesters en de gerechtsdienaren, die de gerechtszaal niet waren ingetreden. Joannes, wist naar het schijnt, den weg te vinden tot de gerechtszaal, om daar, zoo mogelijk, getuige te zijn van Jesus\' verhoor. Doch Petrus, hier volstrekt onbekend, wist niet beter te doen dan met de aanwezigen neder te zitten bij het kolenvuur. Terwijl hij zich hier warmde, wilde hij afwachten en zien, hoe het met Jesus zou eindigen. Jesus was hem nog steeds de innig geliefde Meester, en oprecbtelijk had hij Hem erkend als den Zoon van den levenden God. Maar alles, wat hij thans zag gebeuren, strookte zeer weinig met zijne

door zijn visschcrsberoep^ met den hoogepriester in aanraking geweest en alzoo ook bij de deurbewaakster bekend.

-ocr page 326-

54

aardschgezinde verwachtingen omtrent den Messias, en was hem een onoplosbaar raadsel. Het wekte dan ook zijne bevreemding ; het prikkelde zijne nieuwsgierigheid ; het werd eene beproeving voor zijn geloof.

Door een onverschillig uiterlijk zoekt Petrus zich aan de gevaarlijke opmerkzaamheid te onttrekken der aanwezigen, die daar rondom het vuur zitten en staan. Hij zwijgt, en luistert, en neemt den schijn aan, zich om niets te bekommeren dan om zich te warmen. Dit gelukt hem een oogenblik. Maar zie ! daar nadert eene der dienstmaagden van den hoogepriester en wel geen andere dan de deurbewaakster. Zij mengt zich eveneens in den kring, die het vuur omringt. Het gesprek heeft natuurlijkerwijze het gebeurde in Gethsemani en den Gevangene ten onderwerp. Bij het schemerende licht der vlam laat de deurbewaakster nieuwsgierig het oog gaan over al de aanwezigen. Daar merkt zij Petrus op, en aanschouwt hem oplettend in het gelaat. Nauwelijks heeft zij den volgeling van Jesus erkend, dien zij eerst uitgesloten en daarna op verzoek van Joannes heeft binnengelaten, of zij zegt tot hen, die het gesprek voeren : ook deze was met Hem. (XXII: 54) Hierop richt zij zich met de haar eigene snapachtigheid tot Petrus, en doet hem niet zonder diepe verachting voor zijn Meester de vraag: ook gij waart met Jesus, den Nazarener uit Galileo,; (Mc. Mt.) zijt gij ook van de leerlingen van dien rnensch ? (Jo.) Verrast als Petrus is, antwoordt hij om zich te redden uit het gevaar, dat hem in dit gezelschap bedreigt, zoodat allen het hooren : vrouw! ik ben het niet; ik ken Hem niet ; ik weet en begrijp niet eens, wat gij zegt.

Bij deze stellige verzekering dringen de dienstknechten, die rondom het vuur staan, niet verder aan. Het gesprek wordt doorgezet. Petrus echter, ofschoon hij uiterlijk het zoekt te bemantelen, is inwendig onrustig geworden. Ongemerkt staat hij op, en zoekt eene gelegenheid om zich uit dien gevaarlijken kring te verwijderen.

-ocr page 327-

55

Zoo ondervindt Petrus, hoe zwak het vleesch is, ai is ook de geest gewillig, en hoe noodig het is, te waken en te bidden. Hij had het woord van den koninklijken zanger niet uit het oog moeten verliezen : zalig hij, die zich niet mengt in den raad der goddeloozen, en die niet nederzit met hen. Petrus leert op de treurigste wijze, wat de mensch is, die op zich zeiven vertrouwt. Niets dan de eenvoudige vraag eener arge-looze dienstmaagd in den kring dier boozen brengt den prins der apostelen tot de eerste verloochening van zijnen Meester.

§ 3, Jesus door Kaiphas ter dood veroordeeld. Mt. XXVI: 59—66 ; Mc. XIV : 55—64;

Jo. XVIII: 24

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maait, \'s nachts van een tot twee uur.

Kort na Petrus\' eerste verloochening nam het rechts-verhoor bij Annas een einde, en werd de Heer gevoerd naar diens schoonzoon Kaiphas. Andermaal werd Hy daar voor zijne rechters gesteld, terwijl Hij weerloos geboeid was, en daar stond, gelijk dit gebruikelijk was, op eene eenigzins verhevene plaats. Aan zijne rechter- en aan zijne linkerzijde was een schrijver gezeten, gene om de vrijspraak, deze om de veroordeeling op te teekenen. In zijne nabijheid eindelijkstonden gerechtsdienaars om Hem desnoods in bedwang te houden en de bevelen der rechters te volvoeren. (San-hedr. 1: 56).

Ofschoon zij Jesus den dood hadden toegezworen, verborgen echter die onrechtvaardige rechters dit snoo-de besluit, en legden zij er zich op toe, om den verfoeilijken moord der onschuld onder den schijn der wettigheid te bedekken. Gereed om de onrechtvaardigste beschuldigingen aan te nemen en het oor te leenen aan den boosaardigsten laster, zocht Kaiphas en de geheele raad der schriftgeleerden slechts een

-ocr page 328-

56

geschikte valsche getuigenis of een schijnbaar geschikt voorwendsel om Jesus ter dood te brengen. Voor rechters zonder deugd, zonder geweten, zonder schaamte als zij, zijn alle middelen welkom, indien zij maar dienstig zijn om bet vastgestelde moordplan te volvoeren.

De getuigen worden opgeroepen. Daar hiervoor reeds bij voorbaat gezorgd was, en er altijd laaghartigen genoeg gevonden worden, die om het welgevallen en de gunst der machtigen te verwerven, hunnen plicht verzaken om hun belang, zoo melden zich, ofschoon het nacht is, vele valsche getuigen tegen Jesus aan. Zekerheid van niet gestraft te zullen worden en vooruitzicht op eene ruime belooning zijn hunne drijfveren. Maar zoo in \'t oog vallend is de schandelijke laster, dat geen enkele een voldoende getuigenis tegen J. C. inbiengt. Al hunne beschuldigingen zijn zoo nietig, zoo ongegrond, zoo onderling in tegenspraak, dat zij allen om hunne ongenoegzaamheid moeten verworpen worden.

Eindelijk lieden zich twee getuigen aan, die, gelijk de wTet het eischt (Num XXXV: 30), schijnen overeen te stemmen, en eene aanklacht van meer gewicht tegen Jesus in het midden te brengen. Zij staan op van hun plaats (Mc.), gelijk dit gebruikelijk was (Deat, XIX ; 17), en leggen tegen den Heer volgens Mattheus de verklaring af: Deze heejt gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken en in drie dagen weder ophonwen, en volgens Markus : wij hebben Hem hooren zeggen, Ik zal den tempel afbreken, die met handen gemaakt is, en in drie dagen een anderen, niet met handen gemaakt, opbouwen. Doch ook deze laatste beschuldiging is niet toereikend om Jesus ter dood te veroordeelen. Om daar te laten, dat hunne getuigenis niet eensluidend is, (1) is zij be-

-ocr page 329-

B7

paald valsch. Jesus toch heeft geheel iets anders gezegd, namelijk : breekt dezen tempel af, en in drie dagen zal Ik hem oprichten, Daarin ligt niet de bedoeling, gelijk ze hier den Heer wordt toegeschreven, om met minachting van Jerusalems tempel te spreken. Neen, zijn eenig doel was aan te toonen, dat Hij werkelijk Goddelijk gezag en. macht bezat, wijl Hij, wanneer zijn lichaam, de tempel zijner Godheid, door den dood werd gesloopt, dit weder in drie dagen zou doen verrijzen. Hij had eigenlijk niet eens van den tempel der joden gesproken.

De beschuldiging was echter zeer behendig gekozen, daar zij een zekeren grond had in Jesus\' eigen woorden, terwijl zij die slechts eenigzins wijzigde, en dan geheel verkeerd uitlegde. Zij was ook zeer geschikt om indruk te maken op het volk, en moest hun, die ten hoogste aan den tempel gehecht waren, een groeten afkeer van Jesus inboezemen. Ook hooren wij het hen den Gekruisigde nog schimpend toeschreeuwen: vah, gij die den tempel Gods afbreekt! Later zou ook Stephanus gesteenigd worden, omdat hij gezegd had: Jesus van Nazareth zal dezen tempel afbreken, en de gebruiken veranderen, die Moses ons gegeven heeft.

Hoe gedroegen zich nu de rechters bij deze beschuldiging? quot;Wel had God bevolen door Moses, dat de rechters met de grootste zorg de hoedanigheid der getuigen en de waarheid hunner gezegden zouden onderzoeken. Wel had Hij uitdrukkelijk het bevel gegeven, de valsche getuigen, die zij op leugens betrapten, te straffen met dezelfde straf, die de beschuldiging eisch-te, indien zij zou blijken valsch te zijn. Maar wij zien hier den laster door de tegenstrijdigheid der getuigenissen in het oog springen en toch ongestraft blijven. Wij zien hier den laster zelfs blijkbaar uitlokken en goedkeuren. Met innig genoegen verneemt Kaiphas deze laatste beschuldiging. Zegepralend rijst hij op van zijn hoogepriesterlijken zetel, en terwijl de ove-

-ocr page 330-

58

rige raadsleden gezeten zijn, richt hij zich uit het midden van den halven kring, die zij om hem vormen, tot den geboeiden Verlosser en zegt, als hadde de aanklacht werkelijk gewicht: antwoordt gij niets op hetgeen dezen tegen u getuigen ? (1)

Doch Jesus antwoordt niet; Jesus zwijgt. „En waarom zou Hij geantwoord hebbenquot; ? zegt Theophylac-tus. „Kende de Wijsheid Grods, die de harten peilt, „niet hunne trouwelooze voornemens ? Wist zij niet, „dat, indien zij stijfhoofdig weigerden de oogen te ope-„nen voor den schitterenden luister der werken van „zijne barmhartigheid, zij nog veel minder het oor zou-„den leenen aan zijn woord ?quot; (in Mt. h. 1.) „En daarbij, zegt de H. Chrysostomus, „had deze vergadering „van eene vierschaar niets meer dan den vorm; zij „was inderdaad eene vergadering van moordenaars, „die vooraf reeds tot zijn dood waren besloten.quot; Om te toonen dat Hij hun boozen toeleg kent, verwaardigt Hij Zich niet hun te antwoorden. Zijn stilzwijgen is een welsprekend en beschamend verwijt.

Kaiphas gevoelt dan ook al de kracht van dat stilzwijgen. Hij heeft het besef, dat de beschuldiging te ongenoegzaam is, om er een doodvonnis op te gronden, dat door den Romeinschen landvoogd bekrachtigd zou worden. De beschuldiging was verre van behoorlijk gestaafd te zijn, en de heidensche Pi\'atus, die den blinden ijver der joden voor den tempel niet deelde, zou haar waarschijnlijk als onbewezen verwerpen, of Jesus\' woorden voor een andere uitlegging vatbaar achten. Hoogstens zou hij Jesus\' woorden afkeuren als roekeloos en als eene uitdrukking van ijdelen zelfroem, maar zeker hierin geen reden vinden voor doodstraf, te meer daar Jesus\' daden veeleer eerbied dan verachting voor den tempel verkondigden.

(1) Het Grieksch laat denzelfden zin toe als de vulgaat; het kan echter ook vertaald worden; antwoordt gij niets ? wat getuigen dezen tegen u?

-ocr page 331-

59

Kaiphas grijpt daarom het laatste middel aan, dat reeds vooruit is bedacht, dat tot nu toe met opzet niet is gebruikt, doch waartoe hij zich door de laatste beschuldiging en Jesus\' stilzwijgen den weg geopend ziet. Op den indrukwekkendsten toon van zijn hooge-piiesterlijk gezag, terwijl de grootste stilte heerscht in de gansche raadzaal, onder bezwering bij den levenden God , Die de getuige en wreker aller valschheid is, stelt hij den Godmensch de hoogst gewichtige vraag; ik bezweer U hij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus zijt, de Zoon des gezegenden Gods.

Deze vraag is er geheel op berekend om den God-mensch ter dood te veroordeelen. Zwijgen kan Hij niet, want Hij is bezworen bij den levenden God, en dus straf schuldig, indien Hij niet antwoordt. Antwoordt Hij ontkennend, dan komt Hij in tegenspraak met zijne vroegere leer, en stelt Hij Zich ten toon als bedrieger. Antwoordt Hij bevestigend, dan wordt Hij beschuldigd en veroordeeld als godslasteraar.

Doch hoe listig de vraag ook is, en met welken snooden toeleg ook gedaan, Jesus beantwoordt haar dadelijk, zonder omwegen., met Goddelijk gezag. Hij heeft het verkondigd luide en immer, niet slechts door zijne leer maar door wonderen, door voorzeggingen, door aanhalingen uit de profeten, door den heiligsten levenswandel, voor allon, voor alle volkeren, voor alle geslachten tot aan de voleinding der dagen, dat Hij de Zoon van God is, en Hij zal die groote waarheid, die de kern is van al wat Hij kwam openbaren, ook hier bij die plechtige bezwering (1) niet verzwijgen , welke ook de gevolgen zullen zijn. Zijn antwoord is:

(1) Het Grieksch even als het Hebreeuwsch laat de beteekenis toe; ik laat u zweren, ik nooilig u uit om te zweren bij den levenden God, zoodat hij, die antwoordt, spreekt en bevestigt onder eede, en daardoor den eed. aflegt. Anderen vatten het op ; ik eisch u op in naam van den levenden God , om voor Hem, den getuige en wreker der valschheid, een eed te doen of etc.

-ocr page 332-

60

gij hebt het gezegd: Ik ben het; en ja (1), Ik zeg u: van nu af aan zult gij den Zoon des menschen zien, gezeten aan de rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels fMt. Mc.)

Alzoo, Jesus verklaart het op de duidelijkste, nadruk-kelijkste en plechtigste wijze : Hij is de Christus, de Zoon Grods, des Gfezegenden. Hij acht het geen roof Gode gelijk te zijn, Dien Israël met den diepsten eerbied den hoogst Gezegende , den hoogst Geprezene noemt (Rom. IX : 15). Hij is Degene, Wien het woord van God geldt bij David ; gij zijt mijn Zoon , Ik heb U heden geteeld, (Ps. II.) Hij is tevens de Zoon van David, van Welken de;;e eens zong; de Heer heeft gezegd tot mijnen Heer : zit aan mijne rechterhand , tot Ik uwe vijanden stelle als eene voetbank uwer voeten. (Ps. CIX.) Hij is de Zoon des menschen, gelijk Daniël Hem op de wolken des hemels aanschouwde, terwijl Hem macht, heerlijkheid en een onvergankelijk rijk over alle volkeren werd gegeven. Als Zoon des menschen. Die tevens Zoon Gods is, zal Hij Zich van dit oogenblik af in zijne macht, zijne majesteit, zijne heerschappij aan hen beginnen te toonen door hunne verwerping, door de groote wonderen bij zijn dood, door zijne opstanding, zijne hemelvaart, zijne verhooging aan de rechterhand Gods, door zijne oordeelen over Israël, Jerusalem en den tempel, door de bovenmenschelijke uitbreiding van zijn rijk. En vooral zal Hij als zoodanig voor hun oog verschijnen, wanneer Hij ten jongsten dage boven de wolken zal komen met groote macht en majesteit, om te ooi\'deelen levenden en dooden.

Welk een woord ! Het verkondigt aan die godde-looze Sadduceën de vreeselijke uordeeien Gods. Het is een woord niet van vrees, maar van gezag; niet van eenen die zwicht, maar van eenen die bedreigt;

(1) Verumlanie?i bij Matheus wordt mijns inziens aldus het best vertaald. Dit blijkt uit het Grieksch en uit vergelijking met Markus, die hier slechts heeft ; r/.

-ocr page 333-

61

niet van een beschuldigde, maar van een G-od ! Hij verkondigt luide in het aangezicht des doods, dat hier een oordeel gaat geveld worden, of Hij, Die spreekt, werkelijk Verlosser, Rechter, God der wereld is.

Bij het vernemen van dit vurig begeerde antwoord roept Kaiphas uit, als ware hij hoogst verontwaardigd, terwijl hij zijne kleederen scheurt (1) : Hij heeft God gelasterd ! Wat hebben wij nog getuigen noodig ? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u ?

En al de aanwezige raadsleden zonder eenig verder onderzoek, of Jesus de Christus is, of de voorzeggingen der profeten in Hem vervuld zijn^ of zijne wonderen en zijne heiligheid zijne Goddelijke zending bevestigen *, allen roepen op de enkele vraag van Kaip ■ has, zonder dat nog eenig bewijs van de godslastering geleverd is, als op een afgesproken teeken uit; Hij is des doods schuldig!

Op zulke wijze wordt de hoogste levensvraag voor Israël beslist. Zoo wordt Hij, Die door duizenden als Zoon van David en als Christus is erkend, op een enkelen uitroep van Kaiphas als godslasteraar veroordeeld. Zoo wordt de groots quot;Wonderdoener, Die den blindgeboorne genas en Lazarus ten leven wekte, zonder eenig onderzoek schuldig verklaard. Voorwaar, zoo ooit, dan is hier het woord van toepassing: geen enkele is er, die de rechtvaardigheid inroept en in waarheid oordeelt; hunne voeten snellen voort naar het kwade, en haasten zich om het onschuldige bloed te vergieten.

Hij is des doods schuldig ! Het is waar, doch alleen gelijk het vroegere woord waar was : Het is dienstig, dat een mensch sterve voor het geheele volk. Hij is des doods schuldig als het Lam Gods, dat beladen is met de zonden der wereld ; als het Zoenoffer, dat zich prijs

(1) Niet het hoogepriesterlijk gewaad, dat alleen in den tempel gedragen werd. Levit XXI: 10.

-ocr page 334-

62

geeft, om de ware schuldigen te redden ; als de vlekke -loos Heilige, die optreedt om door geëvenredigde boete Gods rechtvaardigheid te ontwapenen.

De hoogepriester en de raadsleden, zij spreken het doodvonnis uit, maar zij worden zelt er eigenlijk door getroffen. Terecht scheurt Kaiphas zich de klecderen! Van dit oogenblik af heeft het hoogepriesterschap van Aaron geen recht meer van bestaan, want van dit oogenblik treedt de ware hoogepriester des Nieuwen Verbonds op, om niet meer door het bloed van bokken en stierkalveren maar door zijn eigen bloed eens voor altijd het heilige in te gaan en eene eeuwige verlossing te verwerven. (Hebr. IX : 12) Hij treedt op als de hoogepriester, die ingaat, niet in het met handen gemaakte Allerheiligste, een afbeeldsel van het ware, maar in den hemel zeiven, om voor ons te verschijnen voor het aanschijn Gods. (Hebr. IX; 24) Ja hier geschiedt afschaffing van oen voorgaand gebod om zijne zwakheid en nutteloosheid, (want de wet heett niets tot voltooiing gebracht), invoering van eene betere hoop, waardoor wij tot God naderen. (Hebr. VII: 19) „Pas heeft dan ook Kaiphas Christus\' Majesteit ge-„hoordquot;, zegt een kerkvader, „of hij scheurt zich het „kleed, en rijt alzoo den sluier der Oude wet van een, „afgebeeld in het gewaad, dat hij draagt.\'\' En even als het Levitisch priesterschap vervalt, houdt Israël, dat hier den Messias verwerpt en ten dood veroordeelt, door die daad op, het uitverkoren volk des Heeren te zijn. Het scheidt zich van Hem, Die de bron al zijner voorrechten en heerlijkheid is. Eerlang zal het, van de zegeningen des Heeren beroofd, de vreeselijke straf der ondankbaarheid ondervinden.

-ocr page 335-

63

§ 4. Tweede en derda verloochening van Petrus.

Zijn berouw.

Mt. XXVI; 71—75 ; Mc. XIV : 68-72 ;

Lc. XXII: 58-61 ; Jo. XVIII: 25-27.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s nachts 1— 2 uur.

Wij keeren terug tot Petrus , dien wij verlieten , staande in den kring der krijgsknechten bij het kolenvuur, en gereed om bij de eerste do beste gelegenheid zich te verwijderen. Een weinig tijds na de eerste verloochening, (Lc. 58) als de Heer van Annas naar Kaiphas is gevoerd, (Jo. 25) keert, wellicht ten gevolge daarvan, het gesprek der aanwezigen op den (roddelijken gevangene terug. Opmerkzaam geworden door de vroegere vraag der deurwachtster, doen eveneens de aanwezigen aan Petrus de vraag: zijt ook gij van zijne leerlingen ? (Jo. 25) Zoodra Petrus deze woorden verneemt, verlaat hij uit vrees voor het gevaarlijke van zijn toestand het kolenvuur, en het gelukt hem zonder verderen tegenstand zich te verwijderen. Hij begeeft zich uit het voorhof naar het voorportaal (1), en zie 1 daar kraait tegenlijkertijd de haan (2) Het is nu ongeveer een uur in den nacht. Petrus, ofschoon hij het hanengekraai opmerkt, is te gejaagd om hierop veel acht te geven, doch denkt veeleer , hoe hij aan het gevaar, dat hem bedreigt, zal ontko-

(1) Mc. XIV: 68 -xpnauXiov en niet aulrj. Dit laatste is het voorhof; het eerste daarbuiten is het voorportaal.

(2) Zie de tafels aan het einde van het werk. Macrob. Sat. 1: 3 bevestigt het daar gezegde: primum tempus diei (volgens onze dagrekening) dicitur mediae noctis inclinatio (13—1 uur), deinde gallicinium (ten een, twee en drie uur) inde conticinium, cum et gatli conticescunt el homines etiam turn quieseunt, deinde diluculum. Dat volgens PliniusX: 25 het gallicinium en het conticinium in de vierde nachtwake vielen, kan wellicht daardoor verklaard worden, dat deze juist bij het eindigen van het Oallicinium begon. In de derde nachtwake werd een drievoudig gallicinium onderscheiden, waarschijnlijk ten een, twee en drie uur. Vgl. Joma f 21, 1. Ook Aristoph. eccles. 390 spreekt van een tweede Gallicinium. — Hieruit maak ik op, dat wanneer de haan de eerste maal kraait, het een uur is des nachts en bij het tweede hanengekraai twee uur.

-ocr page 336-

64

men. Terwijl Mj echter naar de voorpoort ijlt, bespeurt hem een tweede dienstmaagd (Mt. 71). Ook deze zegt, gelijk reeds de deurbewaakster (1) heeft gedaan, tot hen, die zich daar bij haar bevinden : deze behoort mede onder hen; ook hij roots met Jesus den Nazarener. (Mt. 71 ; Mc. 69) Een der mannen, die zich daar bij de voorpoort bevinden, spreekt bij dit woord Petrus aan: ook gij zijt een van hen. (Lc. 58) Petrus geraakt nu nog meer in verlegenheid dan vroeger; hij gevoelt) dat de aandacht vau steeds meerderen op hem gevestigd wordt, en is bevreesd voor de gevolgen, die dit voor hem zal opleveren. Daarom loochent hij ten tweeden male J. C, en wel met den meest mogelijken nadruk: o mensch , ik hen het niet; ik ken dien mensch niet. Hij doet zelfs een eed, en neemt God tot getuige van hetgeen hij zegt. (\'Mt. 72 ; Mc. 70; Lc. 58; Jo. 25) Bij die zoo uitdrukkelijke betuiging dringen de hoorders niet verder aan, en treedt Petrus in het voorportaal. (2) Hier in de voorzaal gevoelt zich Petrus meer op zijn gemak, en het gelukt hem een geruimen tijd aan de opmertzaamheid te ontsnappen. Van lieverleden herleeft zijn moed en de toenemende nieuwsgierigheid naar het lot van zijnen Meester drijft hem eindelijk wêer naar het kolenvuur in het voorhof. Hier mengt

(1) Rursus autem behoort bij coepit dicere.

(2) -vXojv en npoaóhm zijn niet hetzelfde, namelijk het eene is de voorpoort, het andere het voorportaal. Ziehier de rangschikking dei-vier evangelisten door mij gevolgd.

Mt. Mc. Lc. Jo.

XXVI: 58 XIV: 54 XXII: 54—55 XVIII: 15, 16 1 Eerste »69 » 66—67 »56 verloo-

» 69—70 » 67—68 »57 » 17—18 f chening.

» 68 » 69

» 58

» 71

» 58 » 58

» 72

» 70

■j Tweede J. verloo-»25 ) chening.

) Annas.

» 25

-ocr page 337-

65

hij zich andermaal in het gesprek met degenen, die zich daar bevinden. Eindelijk valt het gesprek op den gevangen Verlosser, Wiens verhoor bij Kaiphas aan het einde is. Een der aanwezigen wordt opmerkzaam op Petrus, te meer daar hij diens sterken G-alileschen tongval bespeurt, welke in de uitspraak der keelletters en door de verwisseling der klinkers grootelijks van den joodschen tongval onderscheiden is. In icaar-heid, zegt hij, zich tot zijne makkers keeronde, ook deze ivas met Hem; want ook hij is een Galileër (Lc. 59). Hierop treden zij, die bij het vuur staan, naar Petrus toe om zich te vergewissen en sproken hem toe : toaar-lijk, ook gij zijt een van hen! want ja, (1) gij zijt een Galileër, en uwe uitspraak maakt u kenbaar. Hoe angstig wordt het Petrus bij deze vraag reeds om het hart! Dat hij een Galileër is, kan hij niet betwisten, zonder zich nog meer te verraden. Jesus heeft vooral zijne leer verkondigd in Gralilea, en daar zijno meeste en voornaamste leerlingen aangeworven. Hoe komt hij als Gralileer op dit uur in dezen kring ? Hij gevoelt het, deze vraag maakt hem hoogst verdacht. Maar zie ! nog dreigender wordt het gevaar. Een der dienstknechten van den hoogepriester, een bloedverwant van Malchus, aan wien Petrus het oor heeft afgehouwen, nu hij wat nader is toegetreden om bij het licht der kolenvlam den Gralileer, van wien men spreekt, in het gelaat te zien, meent Petrus te erkennen, en roept daarom als ten volle overtuigd uit: heb ik u niet gezien in den hof bij Hem ? Dit is verpletterend, en maakt Petrus rade ■ loos. Beanstigd en verbijsterd, antwoordt hij : o mensch, ik ken den mensch niet, van wien gijlieden spreekt. En bij die onbeschaamde leugentaal voegt hij nieuwe ee-den , en, als ware dit niet voldoende , begint hij ook

De dienstmaagd bij Mt. 71 is dus dezelfde als bij Mc. C3, en de tweede verloochening had waarschijnlijk bij het verlaten van het voorhof plaats aan de deur of poort.

(1) Zie \'t Grieksch.

5

Het Offer van J. C. U

-ocr page 338-

66

zich zeiven te verwensclien, indien hij geen waarheid mocht spreken.

Zoo verloochent Petrus den Meester, Die hem gesteld heeft boven de overige apostelen en verkoren tot sleuteldrager in zijne Kerk. Na in dien eigen nacht de voeten door Hem te zijn gewasschen, aan den disch zijner liefde te hebben aangezeten, herhaaldelijk door Hem te zijn gewaaischuwd, en herhaaldelijk Hem liefde en trouw tot in den dood te hebben betuigd , loochent Hij tot driemaal Jesus te kennen. Eerst ontkent hij het eenvoudig, later onder valschen eed en einde-lijk onder herhaalde eeden en verwenschingen. (1)

Daar kraait de haan ten tweeden male, terwijl Petrus nog sprekende is. Tegelijkertijd, zie ! daar treedt Jesus uit de zaal des gerechts, en wordt over het voorhof naar een andere plaats gevoerd. Even als de om-staanders, tot welken hij spreekt, ziet Petrus op naar de zijde, waar men het gerucht verneemt. Doch wie beschrijft zijne gewaarwording! Op het eigen oogen-blik keert Jesus Zich om, en zijn oog ontmoet dat van Petrus. Hij werpt op Petrus een Groddelijken en sprekenden oogslag. Het is slechts één blik, maar een blik van den Alwetende, Die Petrus aanklaagt; een blik van den oneindig Liefderijke, die van oneindige erbarming getuigt; een blik van den Almachtige, die met

(1) De rangschikking der drievoudige verloochening van Petrus is vooral gegrond op Markus, die ze van Petrus heeft vernomen, zoo als de bijzonderheden, die hij mededeelt, genoegzaam aanduiden (vgl. v. 66, 68, 68, 70) en op Joannes, die zich met Petrus daar ter plaatse bevond, (vgl. 16, 18, 24, 25, 26) Beiden onderscheiden eene drievoudige verloochening, en de laatste geeft te kennen, dat de eerste verloochening tijdens het verhoor voor Annas, en de beide laatste verloocheningen tijdens het verhoor voor Kaiphas hebben plaats gegrepen. Lukas XXII; 59 laat verstaan, dat de tweede verloochening gebeurde bij het begin, en de derde bij het einde van het verhoor voor Kaiphas. Wanneer de drie eerste evangelisten ons Petrus voorstellen als zittende bij het kolen, vuur, en Joannes als staande, is dit te verklaren, omdat genen spreken van hetgeen voorviel bij de lste verloochening, en deze van hetgeen onmiddellijk daarna geschiedde.

-ocr page 339-

67

onweerstaanbare genade Petrus\' hart doorboort. quot;Waar Petrus den haan hoort kraaien (1) en gelijktijdig dien sprekenden blik des Verlossers ontmoet, daar schiet hem het woord des Heeren voor den geest; vooraleer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. Hij doorschouwt in eens al zijne zwakheid en ellende. Hetgeen hij gedaan heeft, beschaamt hem^ berouwt hem en verscheurt hem het hart. De liefde van dien Verlosser, Dien hij heeft miskend, en Die hem thans nog niet verstoot maar in ontferming aanneemt en met een medelijdendon blik verwaardigt, overstelpt hem de ziel. Hij kan het niet langer uithouden op die ongelukkige plaats. Hij spoedt zich om het hoogepriesterlijk paleis te verlaten. En buiten gekomen geeft hij lucht aan zijn hart, laat hij den vrijen loop aan zijne tranen, en weent hij bitterlijk. Zoo wordt de rots der Kerk door den slag der genade getroffen, en ontspringt aan haar ecne bron van tranen, die nooit meer zal ophouden te vloeien.

Een der oudste kerkelijke schrijvers getuigt, dat door het langdurig weenen en de veelvuldige tranen twee groeven op zijne wangen zichtbaar waren. Gelukkig hij, die na zoo diepen val zoo luistervol op mocht staan ! Hem ook is veel vergeven, omdat hij veel heeft bemind. (2)

(1quot;) Heeft Petrus werkelijk een haan hooren kraaien ? dit juist wordt niet gezegd, er staat alleen : de haan kraaide. Sommigen verstaan dit van een teeken, waardoor elk uut van de nachtwake, die het hanengekraai werd genoemd, werd aangekondigd. Zij gronden zich daarop, dat er te Jerusalem geen hanen werden toegelaten, omdat zij onrein waren. Mai-mon. de templo c. 7, 14 en Glossa Baba Kama c. 7. 7. Doch uit deze plaatsen blijkt alleen, dat ze niet door priesters mochten gehouden worden, noch door anderen in de nabijheid des tempels. Anderen verstaan het dan ook van een werkelijk hanengekraai, en houden zich meer aan de letter. Inderdaad laat zich de mogelijkheid niet loochenen, dat de haan, gelijk Markus letterlijk zegt, werkelijk tweemaal zal hebben gekraaid. Ik laat de zaak verder onbeslist.

(2) Bij Mc. XIV: 73 staat in \'t Grieksch \'encpaXatv quot;sxïacz, hetgeen de vulgaat en de Syrische vertaling teruggeven door : /nj begoji le -oeenen

-ocr page 340-

66

zich zeiven te verwenschen, indien hij geen waarheid mocht spreken.

Zoo verloochent Petrus den Meester, Die hem gesteld heeft boven de overige apostelen en verkoren tot sleuteldrager in zijne Kerk. Na in dien eigen nacht de voeten door Hem te zijn gewasschen, aan den disch zijner liefde te hebben aangezeten, herhaaldelijk door Hem te zijn gewaaischuwd, en herhaaldelijk Hem liefde en trouw tot in den dood te hebben betuigd , loochent Hij tot driemaal Jesus te kennen. Eerst ontkent hij het eenvoudig, later onder valschen eed en eindelijk onder herhaalde eeden en verwenschingen. (1)

Daar kraait de haan ten tweeden male, terwijl Petrus nog sprekende is. Tegelijkertijd, zie ! daar treedt Jesus uit de zaal des gerechts, en wordt over het voorhof naar een andere plaats gevoerd. Even als de om-staanders, tot welken hij spreekt, ziet Petrus op naar de zijde, waar men het gerucht verneemt. Doch wie beschrijft zijne gewaarwording! Op het eigen oogen-blik keert Jesus Zich om, en zijn oog ontmoet dat van Petrus. Hij werpt op Petras een Groddelijken en sprekenden oogslag. Het is slechts één blik, maar een blik van den Alwetende, Die Petrus aanklaagt; een blik van den oneindig Liefderijke, die van oneindige erbarming getuigt; een blik van den Almachtige, die met

(1) De rangschikking der drievoudige verloochening van Petrus is vooral gegrond op Markus, die ze van Petrus heeft vernomen, zoo als de bijzonderheden, die hij mededeelt, genoegzaam aanduiden (vgl. v. 66, 68, 68, 70) en op Joannes, die zich met Petrus daar ter plaatse bevond, (vgl. 16, 18, 24, 25, 26) Beiden onderscheiden eene drievoudige verloochening, en de laatste geeft te kennen, dat de eerste verloochening tijdens het verhoor voor Annas, en de beide laatste verloocheningen tijdens het verhoor voor Kaiphas hebben plaats gegrepen. Lukas XXII : 59 laat verstaan, dat de tweede verloochening gebeurde bij het begin, en de derde bij het einde van het verhoor voor Kaiphas. Wanneer de drie eerste evangelisten ons Petrus voorstellen als zittende bij het kolenvuur, en Joannes als staande, is dit te verklaren, omdat genen spreken van hetgeen voorviel bij de lste verloochening, en deze van hetgeen onmiddellijk daarna geschiedde.

-ocr page 341-

67

onweerstaanbare genade Petrus\' hart doorboort. Waar Petrus den haan hoort kraaien (1) en gelijktijdig dien sprekenden blik des Verlossers ontmoet, daar schiet hem het woord des Heeren voor den geest: vooraleer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. Hij doorschouwt in eens al zijne zwakheid en ellende. Hetgeen hij gedaan heeft, beschaamt hem, berouwt hem en verscheurt hem het hart. De liefde van dien Verlosser, Dien hij heeft miskend, en Die hem thans nog niet verstoot maar in ontferming aanneemt en met een medelijdenden blik verwaardigt, overstelpt hem de ziel. Hij kan het niet langer uithouden op die ongelukkige plaats. Hij spoedt zich om het hoogepriesterlijk paleis te verlaten. En buiten gekomen geeft hij lucht aan zijn hart, laat hij den vrijen loop aan zijne tranen, en weent hij bitterlijk. Zoo wordt de rots der Kerk door den slag der genade getroffen, en ontspringt aan haar eone bron van tranen, die nooit meer zal ophouden te vloeien.

Een der oudste kerkelijke schrijvers getuigt, dat door het langdurig weenen en de veelvuldige tranen twee groeven op zijne wangen zichtbaar waren. Gelukkig hij, die na zoo diepen val zoo luistervol op mocht staan 1 Hem ook is veel vergeven, omdat hij veel heeft bemind. (2)

(l) Heeft Petrus werkelijk een haan hooien kraaien ? dit juist wordt niet gezegd, er staat alleen : de haan kraaide. Sotnmigen verstaan dit van een teeken, waardoor elk uur van de nachtwake, die het hanengekraai werd genoemd, werd aangekondigd. Zij gronden zich daarop, dat er te Jerusalem geen hanen werden toegelaten, omdat zij onrein waren. Mai-mon. de templo c. 7, 14 en Glossa Baba Karna c. 7. 7. Doch uit deze plaatsen blijkt alleen, dat ze niet door priesters mochten gehouden worden, noch door anderen in de nabijheid des tempels. Anderen verstaan het dan ook van een werkelijk hanengekraai, en houden zich meer aan de letter. Inderdaad laat zich de mogelijkheid niet loochenen, dat de haan, gelijk Markus letterlijk zegt, werkelijk tweemaal zal hebben gekraaid. Ik laat de zaak verder onbeslist.

(3) Bij Mc. XIV: 73 staat in \'t Grieksch \'eiziftaXCuv quot;s/J.au, hetgeen de vulgaat en de Syrische vertaling teruggeven door : /ti/ begon te weenen

-ocr page 342-

68

§ 5. Christus bespot.

Mt. XXVI: 67—68 ; Mc. XIV ; 65 ; Lc. XXII: 63-65.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, des nachts ruim 2 uur.

Het goddelooze doodvonnis over den Heer was uitgesproken en door den schrijver opgeteekend, en wij zien Christus uit de gerechtszaal langs den groep bij het kolenvuur over het voorhof voortgesleurd. Hier wordt de Godmensch of wel in een of anderen hoek vastgebonden, of wel in een vertrek of kerker gebracht, terwijl Hij ten prooi ia aan de woeste willekeur der lieden, die Hem gevangen houden. (Lc. 63) Er begint een tafereel, waar de ijselijkste baldadigheid ten strijde gaat met de onuitputtelijkste lankmoedigheid. Zij wedijveren met elkander om Jesus te bespotten, ontzien zich niet om met heiligschennende hand Hem te slaan. (Lc. 63), en met de diepste minachting en de kren-kendste onbeschaamdheid spuwen zij den Goddelijken Weldoener van Israël, Die nooit iemand beleedigde, in het aangezicht. (Mt. 67) Om het laatste ontzag, dat hen weerhoudt, te verbannen, grijpen zij spottend hetgeen hun in handen valt, en blinddoeken daarmede den Koning der heerlijkheid. En nu slaan de dienstknechten der overpriesters en de gerechtsdienaren (1) Hem, Dien de engelen aanbidden en voor quot;Wien zij zich met hunne vleugelen bedekken, met vuisten in het gelaat. De oneindige Waarachtigheid wordt uitgemaakt voor een bedrieger; den Christus, den Profeet der profeten schelden zij voor een valschen dwaalleeraar, ja den Alwetende ontzeggen zij smadend zijne

hij barstte los in geween. Dit stemt vrij wel overeen met Lc. en Mt., waar wij lezen : hij weende bitterlijk. Theophylactus en Casaubonus denken hier aan de joodsche gewoonte om bij groote droefenis zich het hoofd te bedekken (Levit XIII: 45; Esth. VI; 12) en vertalen: sir/i weende hij. Anderen vertalen: nadenkende wecjidc hij. Weder anderen: voorijlende weende hij. De vertaling der vulgaat vind ik de verkieselijkste.

(1) Uit Mt. XXVI; 67 blijkt, dat twee soorten van personen aan deze

-ocr page 343-

69

Goddelijke kennis, terwijl zij Hem geblinddoekt slaan, en Hem schimpend toevoegen : profeteer ons , o (Shris-tus! wie is het, die U geslagen heeft ? Zij overladen Jesus als met een vloed van godslasteringen, scheldnamen en allerlei smaadwoorden.

Hoe letterlijk wordt hier de gewichtige voorspelling van Isaïas vervuld, waar de Messias zijn vreeselijk lijden en smaad afschildert, als zijnde de oorzaak der verschrikkelijke straf, die over Jerusalem zal komen. Ik gaf mijn lichaam over aan hen, die Mij sloegen, en mijne wangen aan hen, die (quot;Mij bij den baard) rukten. Mijn gelaat verborg Ik niet voor hen, die Mij lasterden en spuwden. Doch God de Heer is mijn Helper; daarom word Ik niet beschaamd; daarom heb Ik mijn aangezicht gemaakt tot een allerhardsten steen; en Ik weet, dat Ik. niet beschaamd zal loorden. (Is, L: 6, 7. vgl. Jer. thren UI: 24-30;

O hoe verschijnt de Heer hier als de Zachtmoedige en Nederige van harte ! „Niets ter wereld is met zooveel smaad „bejegend als de Heer der wereldquot;, roept terecht de H. Bonaventura uit. De smaad des kruises is Hem niet genoeg geweest. Om ons geduld te lee-ren, heeft Hij met beleedigingen willen verzadigd werden. O aanbiddelijk geduld, dat door geen bescbimpin ■ gen, hoe groot en talrijk ook, overwonnen wordt! O liefdevol geduld, dat door zooveel smaad ons heil heeft willen verzekeren ! „Meer , o Heer Jesusquot;, zoo moeten wij met den H. Ambrosius erkennen, „ben ik ver-

bespotting deelnamen. Uit Mc. XIV: 65 blijkt dit nog duidelijker, want hij onderscheidt: hen, die den Heer bespuwden en de gerechtsdienaren (zie \'t Grieksch), die Hem met den handpalm sloegen. De eersten worden ons nog nader bekend uit Lc. 63; het zijn de lieden, die Christus in bewaring hielden of de dienstknechten der overp riesters. Naar het verband tusschen Mt. 66 en 67 heeft het den schijn, dat de raadsleden aan de bespotting hebben deelgenomen. Doch het tegendeel komt mij waarschijnlijker voor, eensdeels omdat Lc. 63 hen niet schijnt te bedoelen; anderdeels omdat de raadsleden den geboeiden Verlosser wel niet buiten de raadzaal zijn gevolgd ; eindelijk, omdat zich dit slecht laat vereenigen met hun trotsch karakter.

-ocr page 344-

70

„sclmldigd aan uwe beleedigingen, die mij verlost heb-„ben, dan aan uwe werken, die mij geschapen hebbenquot;! De schepping kostte Grod slechts één woord ; maar hoe grievende smart heeft het Lam Gods bij onze verlossing verduurd! quot;Wie zal Hem, Die ons zoo bemind heeft, niet wederbeminnen ?

Eer is de moedwil en de spotlust der dienstknechten en gerechtsdienaren uitgeput, dan Jesus\' geduld overwonnen. Op grond eener eerbiedwaardige overlevering mogen wij aannemen, dat de Verlosser het overblijvende gedeelte van den nacht, toen de bespotting geeindigd was, in dun kerker is verbleven. Althans wordt nog heden in het huis van Kaiphas de gevangenis aangewezen, waar Jesus eenigen tijd in verzekering gehouden zal zijn. Toen de haan voor de tweede maal kraaide, was het omstreeks twee, hoogstens drie uur, daar wij, hoe wij dit hanengekraai ook verstaan, wel aan de derde nachtwake zullen te denken hebben. Het is onmogelijk aan te geven, hoe lang de bespotting, die onmiddellijk daarna plaats greep, zal hebben geduurd. Doch zeker heeft zij wel niet aangehouden van twee uur des nachts tot tusschen zeven en acht uur in den morgen, wanneer de hooge raad na het voltrekken van het morgenoffer eerst kon vergaderen, om het voorloopige doodvonnis te bekrachtigen. Wij moeten dus wel aannemen, dat Christus in het paleis des hoogepriesters eenigen tijd is gevangen gehouden. (1)

(1) Mgr. Mislio, Saints lieux (t. 2. p. 291) schrijft: het huis van Kaiphas was niet verre van dat zijns schoonvaders. Het is thans gelegen buiten de Sionspoort; en in een klooster veranderd, dat aan de Armeniërs behoort. In de kerk bij het hoogaltaar toont men de plaats^ waar de Verlosser vastgebonden was gedurende den pijnlijken nacht, dien Hij doorbracht in het huis van Kaiphas. Men noemt ze het. huis van Christus. De H. Helena had er eene kerk doen bouwen, die aan den H. Petrus was toegewijd. Later werd zij de kerk des II. Verlossers genoemd. Vgl. Sepp. Pilgerbuch. I T. p. 157—158.

-ocr page 345-

71

§ 6. De vergadering van den hoogen raad in den morgen.

Mt. XXVII: 1; Mc. XV : 1 Lc. XXII: 66—71.

Vrijdag, 15 Nisan ; 18 Maart, des morgens tusschen 8 en 9 uur.

Eindelijk was de vreeselijke nacht voorbij, waarin de Goddelijke Verlosser was gevangen genomen en de machten der duisternis zijn dood hadden voorbereid. Daar het doodvonnis volgens de joodsche gebruiken niet voor het aanbreken van den morgen beslissend mocht worden uitgesproken, (1) zoo kwam ook thans de geheele hoogeraad, priesters, schriftgeleerden, oudsten des volks , plechtig bijeen om het voor-loopig gevelde doodvonnis te bekrachtigen. (2) De zittingen van den hoogen raad werden niet gehouden dan na de opdracht van het morgen-offer, (3) dat bij- het begin van den dag geslacht moest worden, (4) om een uur later plechtig te worden opgedragen. (5) Het was dus reeds ruim acht uur, eer de hooge raad in het hoogepriesterlijk paleis vergaderd was.

Deze raadsvergadering werd, om zich allen schijn van wettigheid te geven, zoo voltallig en zoo vormelijk mogelijk belegd. De geheele hooge raad met zijné drie verschillende afdeelingen was op eenige uitzonderingen na (6) te zaam gekomen. Kaiphas was geze-

(1) Judicia capitalia transigunt interdiu, et fmiunt interdiu. (Babyl. Sanhedr, 4. I.)

(2) Judicia de capitalibus, si sint ad absolutionem, finiunt eodem die, si vero sint ad damnationem, fmiuntur die sequente. (ibid.)

(3) Sessiones judicii instituendae sunt mane, non autem postquam homo edit et bibit. Sohar. p. 56, n. 2. Zie hiervoor H. 1.§1. bl. 3.of4.

(4) Joma. c. 3. 2.

(5) Pesach, c. 5. 1. Het morgenoffer werd met het begin van den dag, gemiddeld ten G uur, geslacht, en ten 7 uur opgedragen. Stellen wij , dat deze opdracht een uur duurde, dan kan de raadsvergadering niet voor 8 uur zijn te zaam gekomen.

(6) Zoo als Joseph van Arimathea, Nicodemus en wellicht enkele anderen.

-ocr page 346-

72

ten in het midden van den halven kring, die door de drie achter elkander geplaatste rangen van raadsleden gevormd werd. Aan zijne beide zijden waren de Sagan of voorzitter der overpriesters en de Chakam of oudste onder de oudsten des volks geplaatst. Christus werd, toen Hij de zaal was binnengeleid, ongeboeid vlak tegenover Kaiphas gesteld op een eenigs-zins verhoogde plaats. Rechts en links was een schrijver gezeten, de eene om het doodvonnis, de tweede om de vrijspraak op te teekenen. Achter den Godde-lijken beschuldigde zien wij eenige gerechtsdienaars.

Het is hier ondanks al deze vormelijkheden niet om een rechtvaardig oordeel, maar om een doodvonnis onder den schijn van gerechtigheid te doen. Dit blijkt duidelijk uit de overhaasting, waarmede te werk gegaan wordt, wijl volgens de bestaande voorschriften op geen feestdag of vooravond van sabbath of feestdag een oordeel mocht uitgesproken worden. (1) Niets wordt ten voordeele van Jesus aangevoerd, en van een pleitbezorger, waarop elke beschuldigde recht heeft, is volstrekt geen sprake. (2) Het zijn dezelfde rechters, die zijn dood vooraf hebben gezworen, en het is zelfs den Homeinschen landvoogd niet onbekend, dat zij alleen uit haat Jesus aan hem overgeleverd hebben.

Christus werd beschuldigd , zoo als uit het laatste voorbereidend verhoor is gebleken, dat Hij Zich val-schelijk had voorgedaan als den Zoon van God , of, gelijk de joden reeds vroeger hadden gezegd, dat, terwijl Hij slechts mensch was. Hij Zich zeiven tot God maakte. Voorbereidende werkzaamheden waren thans niet meer noodig; het vcorloopige doodvonnis moest nog slechts beslissend bekrachtigd worden. (3)

(1) Moed. Katon c. 5. 2.

(2) Sanhedr. f. 40, 1 en fol. 32, 1.

(3) F. Jos. Antiq. L. XIV; c. 9. § 4 blijkt, dat geen doodvonnis zonder bekrachtiging van den hoogen raad mocht ten uitvoer gebracht wor

-ocr page 347-

73

Het was voorwaar een hoogst indrukwekkend oogen-blik. Aan de eene zijde zien wij de eerbiedwaardigste vergadering van Israël, die buiten twijfel geroepen was, om in de hoogste godsdienstige vraagstukken, zoo als ook het aanhangige, te beslissen. Aan den anderen kant zien wij Christus, den Eengeboren Zoon des Vaders, Die hier slechts staat uit vrije keuze en het volle recht heeft van die rechters geloof aan zijne Goddelijke zending te eischen. Nog nooit had Hij voor de hoogste vergadering van Israël, plechtig te zaam gekomen, het getuigenis afgelegd, dat Hij de Christus was, de Zoon van den hooggezegenden God. Doch thans nu Hij zijn levensloop en zijne prediking ging besluiten, werd Hij door de wonderbare leiding zijner aanbiddelijke Voorzienigheid in staat gesteld , om voor Israëls hoogen raad duidelijk, nadrukkelijk en plechtig te verklaren, dat Hij de Gezalfde was des Heeren, de Zoon Gods, Zoon des menschen geworden, en in wezen aan zijnen Vader gelijk.

Indien Gij de Christus zijt, zeg het, dus luidt de vraag, Hem naar aanleiding van het voorloopig verhoor onder Kaiphas door zijne listige rechters gesteld. Jesus doorschouwt maar al te zeer het snoode doel, dat zijne vijanden zich met deze vraag stellen. Hij weet, dat zij het recht tot die vraag hebben; doch Hij weet ook, dat zij met die vraag niet de kennis der waarheid maar uitsluitend eene aanleiding tot zijn doodvonnis beoogen. Daarom antwoordt Hij met waardigheid en met gezag : Indien Ik het u zeg, zult gij Mij toch niet gelooven, en indien Ik u ondervraag, zult gij Mij toch niet antwoorden noch loslaten. Van nu af aan zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterhand van de kracht Gods.

den. Vergelijk ook Mischna tract. Sanh. c. 10. § 4. Hier gold buitendien de regel, Mischna tr. Sanh. c. 1. § 5: een gerecht van 71 personen wordt gevorderd, wanneer de aanklacht een valschen profeet of hoogepriester betreft.

-ocr page 348-

74

Noch zijne bevestiging, zegt Jesus, noch zijn redetwisten zal Hem bij hen iets baten, daar zij geen recht en waarheid zoeken maar uitsluitend zijn dood. Maar al vloeien er voor zijne bevrijding geen vruchten uit voort, al zullen zij Hem als godslasteraar veroordee-len, toch zal Hij eene waarheid verkondigen, die de grondslag des heils voor alle volkeren en alle eeuwen moet zijn. Hij erkent het; Hij is de Christus. Hij gaat van nu al door de zegepraal over dood en hel als Zoon des menschen deelen in de Majesteit, Macht en Zaligheid zijns Vaders. Dezelfde troon, die zijn Vader draagt, zal ook Hem dragen, en niet beneden den Vader geplaatst, zal Hij als Diens Zoon aan zijne rechterhand gezeten zijn. Die Goddelijke verheerlijking, die Hij te gemoet gaat door zijn heldendood, opstanding, hemelvaart, en door de uitbreiding van zijn rijk zal de veroordeeling zijn van het ongeloof zijner rechters, dat Hem niet erkent, van hunne hardnekkigheid, die oog en oor sluit voor alle bewijzen en wonderen, van hunne onrechtvaardigheid, die den dood eens onschuldigen heeft gezworen.

De raadsheeren begrijpen volkomen, dat Jesus, door Zich de plaats aan de rechterhand van de kracht Gods toe te schrijven, Zich stilzwijgend Zoon Gods noemt, en Zich Gode gelijk maakt; doch zij willen eene duidelijke en uitdrukkelijke verklaring. Daarom vraagt de geheele hooge raad, hetgeen Kaiphas eerst alleen als zijn voorzitter heeft gevraagd, en zeggen zij allen: derhalve zijt Gij de Zoon Gods ? En zonder aarzelen bevestigt Jesus duidelijk en openlijk: gij zegt htt; Ik ben het. Hij belijdt hiermede in den vollen en letterlijken zin des woords, de Zoon van God (1) en dus God

(1) De joden vragen den Heer, of Hij de Christus is, de Zoon van God, in den zin gelijk Hij zelf het immer heeft geleerd. Dit blijkt uit den geheelen loop van het rechtsgeding. Vergelijk Jo. XVIII; 19 ; XIX : 7, Mt. XXVI; 61—64; Mc. XIV: 61—63. Zij vragen Hem dus niet slechts, of Hij Christus, de Zoon Gods, is volgens de subjectieve begrippen, die lij zich omtrent den Christus en Zoon Gods op grond hunner eigene

-ocr page 349-

75

te zijn. Ware Hij dit niet geweest, dan hadde Hij gewis in de gegevene omstandigheden zijne bevestiging

opvattingen van de profeten en op grond hunner overleveringen hebben gevormd. Zij vragen niet slechts, gelijk het ongeloof hier voorgeeft, of Hij de Zoon Gods is in theokratischen zin, als droeg Hij dien naam slechts als theokratisch koning. Zij zelf mogen den Christus op soortgelijke wijze zich hebben voorgesteld ; hier echter handelen zij niet over hun eigen begrippen ; hier vragen zij, of Hij de Christus, de Zoon van God is, gelijk Hij zelf het onophoudelijk en openlijk te Jerusalem heeft geleerd, en dus wel degelijk met insluiting van het logosbegrip. (Vgl.Jo. X: 17—26; Jo. VIII: 19, 26, 27, 38, 54—59 ; Jo. X: 30—39; Mt. XXII: 44—45; Mc. XII: 36, 37) Om die leer hadden zij herhaaldelijk de handen aan Jesus willen slaan. Dat dit hunne bedoeling is, blijkt ook uit de bespotting, die de Heer nog aan het kruis heeft te verduren ; want daar dagen zij Jesus uit om door zijne Goddelijke macht te toonen, dat Hij de Zoon is van God. (Vgl. Mt. XXVIII: 40) Ook antwoordt Jesus aan den hoogen raad, dat Hij de Zoon is van God, zonder twijfel in den zin, dat Hij eeuwig en medezelfstandig is met den Vader. Dit geeft Hij in zijn antwoord genoegzaam te kennen, door Zich het zitten aan de rechterhand Gods (ps. 109) en het komen op de wolken (Dan. VII; 43) toe te schrijven. Overigens kan ik zelfs niet toegeven, dat de uitdrukking Zoon Gods, ten aanzien van Christus gebezigd volgens de subjectieve begrippen van Jesus\' tijdgenooten, slechts zijne waardigheid als theokratisch Koning hier op aarde en niet ook eene bovenmenschelijke betrekking tot God zou hebben uitgedrukt. De uitdrukking van Zoon Gods voor den Christus had bij de joden haren oorsprong in het woord van den 2den psalm: Gij zijt mijn Zoon, ik heb U heden geteeld. Wie zal niet moeten toegeven, dat hier vrij wat meer dan de waardigheid van Theokratisch Koning wordt bedoeld, en dat deze bedoeling dus ook overging op de benaming Zoon Gods, die er uit ontstond, ofschoon zij later door hen, die deze bezigden, niet uitdrukkelijk begrepen werd. Werkelijk Jo. I: 50 zegt Nathanaël, waar hij zich op zoo wonderbare wijze erkend ziet, tot Jesus: Rabbi! Gij zijt de Zoon Gods; Gij zijt de Koning van Israël. Hiermede geeft hij duidelijk te kennen dat Christus niet slechts theokratisch Koning is, maar ook als Zoon Gods in een geheel eenige betrekking tot God staat, ofschoon hij ten opzichte geen duidelijk en volkomen ontwikkeld begrip heeft. Dit blijkt daaruit, dat hij beide uitdrukkingen van elkander onderscheidt, en Jesus alzoo noemt om zijne bovenmenschelijke wetenschap, waardoor Hij, schoon afwezig, hem onder den vijgeboom had gadegeslagen. Jo. X .■ 34 toont wel, dat de benaming Zoon Gods van enkele menschen kan gebezigd worden, (vgl. Mt. V: 45) maar niet dat zij als uitdrukking gebezigd om den Christus aan te wijzen, niets anders zou te kennen geven dan een onbeperkt gezag, in naam van God gevoerd, zoo als dat van een theokratisch koning is. Mt. XVI: 16 zegt

. •

■ •

■ ■■■ .

1 :

y V-

■i ï:

Sir]! \' \' •

■v-;:

:S

Sf!-

irgt;

-ocr page 350-

76

in den zin, dien Hij bedoelde, toegelicht en zich van

Petras: gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God, en stelt Jesus daardoor boven al de profeten, en de Zaligmaker antwoordt, dat Petrus hem alleen dien naam geeft door de openbaring van zijn Vader, Die in de hemelen is. Petrus heeft dus door dit woord in Jesus eene betrekking tot God uitgedrukt, die door menschelijke kennis niet kon bereikt worden. Mt. XIV: 33, roepen zij, die in het scheepjen zijn, uit: waarlijk^ gij zijt de Zoon Gods, en aanbidden Hem tevens, omdat zij Hem over de golven hebben zien wandelen. Zoo wel deze reden als de er aan toegevoegde aanbidding duiden de erkenning van iets meer dan menschelijks aan. Dat de Hebreeuwen de eenheid van God op den Voorgrond stelden en Hem scherp van de wereld onderscheidden, is waar, doch dit doen ook zij, die de leer der Drievuldigheid en der menschwording van Gods Zoon belijden. Dit sluit alzoo niet uit, dat er bij de meer ontwikkelde en verlichte joden eenige duistere, onbepaalde en onontwikkelde begrippen aangaande het leerstuk der menschwording en der H. Drievuldigheid konden bestaan, die hunnen grond hadden in de leer der profeten. (Vgl. Ps. II; 7; XLIV ; 7. 8 ; Is. IV: 2 ; VI: 3: VII: 14 ; IX : 6 : XXXV: 4 ; Mich. V; 1) Dat zulks het geval was bij Zacharias (Lc. 1: 67—79 ; vgl, Is. XL : 3, 9, 10) en bij Joannes den dooper Jo. I: 34, 36; Luc. Ill: 15—17 ; vgl. Is. Lil: 7 LII1) is duidelijk, ofschoon wij bij de meer ontwikkelde denkbeelden aangaande de menschwording in deze personen de bijzondere openbaring Gods (Lc. I: 13, 67 en Mc. I: 11 ; Mt. III; 17 ; Jo. I: 33) niet buiten rekening mogen laten, zoo als dit mede het geval was bij de H. Maagd Maria (Lc. I: 35), Elisabeth (Lc. 1: 41. 43) en den H. Joseph (Mt. I: 30. vgl. Is. VII: 14). Ook bij de apostelen werden de denkbeelden aangaande de menschwording van lieverlede door de leer van Christus, het getuigenis van Joannes, de wonderen die zij zagen, de heiligheid van Jesus\' leven, de openbaring bij het doopsel en op den Thabor, het onderricht bij het laatste avondmaal, de opstanding en volgende verschijningen, de hemelvaart, de nederdaling des H. Geestes ontwikkeld en volmaakt. Duidelijk zien wij, als zij optreden ter prediking, Christus als eeuwigen en medezelfstandigen Zoon des Vaders erkend door Joannes (I), door Paulus (Hebr. I) door Petrus (Act. II: 14—36; III: 13—-15, 36 ; II Pet. 1: 16—17); door Thomas (Jo. XX: 28) en door de evangelisten. Deze leer was dan ook de leer, die de Kerk van Christus in de drie eerste eeuwen openlijk beleed, zoo als blijkt uit de geloofsbelijdenissen, de gebeden bij het misoffer en de toediening der H. Sakra-menten, de akten der martelaars, de doxologieën, de geschriften der kerkvaders. Zoodra Arius deze waarheid durfde loochenen, werd Hij uit de Kerk verbannen; en de kerkvergadering van Nicea alsook de geloofsbelijdenis van den H. Athanasius toonen ons duidelijk, hoe deze leer van apostolischcn oorsprong is en als zoodanig werd erkend.

-ocr page 351-

77

den blaam der godslastering gezuiverd. Maar Hij handhaaft deze bewering met alle kracht, gelijk Hij reeds vroeger heeft gedaan, laat er zich bij twee verhooren herhaaldelijk om ter dood veroordeelen, en sterft er om aan het kruis, zonder er iets van terug te nemen, Hij wordt om die duidelijke verklaring veroordeeld als godslasteraar, maar die veroordeeling toont juist aan de wereld, dat Hij geen godslasteraar is. quot;Want is Christus gevonnisd en gestorven om de goede belijdenis, gelijk de H. Paulus ze noemt (1 Tim. VI: 13,), dat Hij de Zoon G-ods is, dan is Hij verrezen van den dood, om onwederleggelijk te bewijzen, dat die belijdenis waar is. Zijn doodvonnis voor den hoogen raad, in verband gebracht met zijne verrijzenis, is het sprekendste, het zekerste, het wonderbaarste bewijs, dat Hij God is. Zoo wordt hetgeen moet strekken om Hem als Zoon Gods te doen verwerpen, onder zijne Goddelijke leiding juist het middel om Hem als Zoon Gods te doen erkennen, Zijn doodvonnis moet volgens den toeleg zijner vijanden een einde maken aan al zijne wonderen en al de vroeger verrichte verijdelen, en zie dat doodvonnis baant den weg tot het ontegenzegge-lijkste, het grootste, het goddelijkste der wonderen, tot zijne verrijzenis, en zal daardoor al de vroeger verrichte wonderen in het schitterendste licht plaatsen. Zoo zal ook hier op aarde voor Hem de grootste verheffing uit de diepste vernedering geboren worden.

Pas heeft de Heer getuigd, de Zoon Gods te zijn, of de raadslieden rijzen op van hun gestoelte. Als verontwaardigd roepen al de aanwezigen te zamen uit: Waartoe hehoeven vrij nog getuigenis ? Want vrij zeluen hebben het uit zijnen mond gehoord. En allen bekrachtigen het voorloopig gevelde doodvonnis. (1)

(2) De bewering, dat Christus slechts eenmaal voor eene rechtsver-gadering verschenen zou zijn, is ia tegenspraak met het evangelie. 1quot; Mt. XXVI: 59—66 en Mc. XIV : 55—64 onderscheiden duidelijk de vergadering, waarvan zij daar spreken, van die, welke zij later (Mt.

-ocr page 352-

78

Dit doodvonnis, door den hoogen raad van Israël over J. C. uit nijd , met zoo schreeuwende onrechtvaardigheid, zonder eenig onderzoek en volgens voorafgaande afspraak geveld, is voorzeker een verschrikkelijke misdaad! Wel zouden zij den Heer der heerlijkheid niet gekruisd hebben, indien zij Hem gekend hadden. Dit neemt echter de vreeselijkheid der zonde niet weg, omdat zij moedwillig de oogen sloten voor al de bewijzen zijner Goddelijke zending en dus dien godsmoord begingen uit vrijwillige verblindheid. God liet aan Israël gelijk aan alle menschen de vrijheid, en het afschuwelijk misbruik, dat zij van die vrijheid maakten, gebruikte zijn alwijs bestuur tot verheerlijking van de Godheid zijns Zoons, tot eene schitterende openbaring zijner rechtvaardigheid over dat ondankbare volk, en tot het heil en de verzoening van het gansche menschdom. Christus moest lijden en zoo zijne heerlijkheid ingaan. (Lc. XXIV; 26. vgl. Is. LUI: 10—12 ; Phil. II: 8, 9) Zij echter, die over dien steen zouden struikelen, zouden verbrijzeld worden. (Mc. XXI: 44. Vgl. Dan. IX ; 25—27) Hebben zij wellicht aldus gestruikeld, vraagt de H. Paulus, opdat zij vallen zouden ? Dit zij verre 1 Maar door hunne overtreding is den heidenen zaligheid, opdat zij dezen naijveren. (Rom. XI: 11) Hunne overtreding is rijkdom der wereld, hunne minderheid is rijkdom der heidenen. (Rom. IX ; 12.) De dood van Christus moest de wereld verzoenen met God. (Rom. V.)

XXVII; 1; Mc. XV; 1) vermelden. 2° De eerste vergadering had plaats des nachts, de tweede \'s morgens, toen het dag was geworden, gelijk de drie evangelisten Mt., Mc.. Lc. mededeelen.

-ocr page 353-

HOOFDSTUK HI.

JESUS VOOB PILATUS EN HERODES,

§ 1. Jesus naar Pilatus gevoerd.

Mt. XVII: 2 ; Mc. XV : 1; Lc. XXIII: 1;

Jo. XVIII: 28.

15de Nisan, 18 Maart, Vrijdag \'s morgens tusschen 8 en 9 uur.

Nauwelijks heeft de hooge raad des morgens het doodvonnis tegen Jesus bekrachtigd, of zijne vijanden stellen zich in beweging om het ten uitvoer te leggen. Nu het doodvonnis is geveld , wordt de Heer als een misdadiger op nieuw geboeid, en heengevoerd naar Pilatus.

De Romeinsche landvoogd was waarschijnlijk van hunne komst verwittigd. Door zijne vergunning hadden reeds de Romeinsche krijgsknechten de handlangers der Phariseën bij Jesus\' gevangenneming bijgestaan ; door zijne vergunning waren die krijgslieden, welke des nachts na de overbrenging van den gevangene in het hoogepriesterlijk paleis, in hunne gewone verblijfplaats waren teruggekeerd, ook thans weder aanwezig om Jesus te geleiden en volks-opschudding te voorkomen.

Om de volvoering hunner snoode plannen te verzekeren, stelde zich de geheele menigte der raadsheeren met hunne gerechtsdieDaren en dienstknechten aan het hoofd van den stoet. Zij wisten, dat zij Hem onwettig hadden veroordeeld, en zij vreesden ten zeerste , dat hun doodvonnis zonder al hun invloed en gezag te doen gelden de goedkeuring van den Romeinschen

-ocr page 354-

80

landvoogd niet weg zou dragen. En toch die goedkeuring was noodig. aut de Romeinen, in wier naam de landvoogd liet gezag uitoefende, hadden hier gelijk in alle de wingewesten, de doodstraf aan zich voorbehou- | den. Wel hadden zij aan Israël het recht om te oor- ^ deelen en te vonnissen gelaten; maar zulk een dood- j vonnis mocht niet zonder het hoogere gezag van den Romeinschen landvoogd worden volvoerd. (1)

De woning van Kaiphas lag aan den zuidelijken kant der stad aan de oostzijde van den Sionsheuvel, \\ waar zij nog heden aangewezen wordt. Van daar al-zoo werd Jesus onder geleide van de lieden der tem- ■ pelwacht, van de romeinsche krijgsknechten, van de | dienstknechten der overpriesters, en van de leden des synedriums heengevoerd naar het rechthuis van Pon- | tins Pilatus. Dit rechthuis van den romeinschen land- : voogd of het pretorium was naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde als het paleis van Herodes den Groote, en lag dus in het zuiden der stad aan de noordwestelijke zijde van den Sionsheuvel. (2)

(1) Apud Romanos valet jus gladii; caetera transmittuntur.

Vgl. Jo. XVIII: 31. Ons is het niet geoorloofd, iemand hoegenaamd te dooden. Ook door Flavius Josephus Ant. XX 9. 1. wordt zulks bevestigd. Wat den dood van Stephanus betreft, deze was het gevolg van oproer en wanorde. Wij vinden het ook bevestigd door de Rabbinische i overleveringen. Nachman in Gen. XLIX : 10 ; cum migrasset synedrium de camera dolata et ablata fuissent ab eis judicia capiialia etc. Vergelijk ;; ook de glossa in Chetub. f. 30. 1. Zij verloren waarschijnlijk het recht | des doods, toen Judea bij Syrië werd ingelijfd. Intusschen schijnen zij | door oogluiking der Romeinen dit recht nog te hebben uitgeoefend tot | 40 jaren voor Jerusalems verwoesting.

(2) Anderen meenen, dat het pretorium niets anders zou zijn dan de ri burcht Antonia op den tempelberg. De eerste grond, dien zij voor hun jg gevoelen aanvoeren, is, dat de Romeinsche bezetting in dien burcht ge- p legerd was. Dit is niet geheel juist. Wel lag hier een gedeelte der Ro- || meinsche bezetting, om het toezicht over den tempel te houden, doch g ook eengedeelte dier bezetting had zijn verblijf in of liever bij het pa- M leis van Herodes, dat met zijne drie aangrenzende torens, Hippikus, Phasaël en Mariamne, de geheele bovenstad Sioa en van daar uit ge- i| heel Jerusalem beheerschte. Daarom had Herodes de Groote het tot zijn

-ocr page 355-

81

Het was een gebouw, prachtig boven alle beschrijving. De kostbaarste marmers en uitgelezenste hout-

verblijf verkozen; daarom ook zien wij dadelijk na de verwijdering zijner afstammelingen hier den Romeinschen veldheer Sabinus verschijnen. Bell. III: 3, 1 ; 3, 4.

De tweede grond, dien men aanvoert, is de traditie. Het is niet te ontkennen, dat er getuigenissen zijn, die het rechthuis plaatsen in den burcht Antonia, waaronder zeker die van den bedevaartganger uit Bordeaux eene eerste plaats inneemt. Doch andere getuigenissen pleiten daartegen.

Antoninus van Placentia schrijft; descript. terr. S. pag. 515.Traditur itaque Dominus nosier suo a discipulo; captus, ligatus a milite Romano, reductus est ad montem Sion, nbi tune eral praetorium Pilati. Het zelfde bevestigt Eugesippus tract, de distant, loc. terrae S. 1140. De kloosterling Epiphanius getuigt ten jare 1170 in zijne Syria et urbs Sancta p. 50 en 51, dat het huis van Pilatus zich op den berg Sion bevond. Hierbij tan gevoegd worden Fretellus ten jare 1175 de situ Jherusalem fol. IG. b. Thetmar iter ad ter. S. p. 12 pleit mede hiervoor, even als Perdi-kas, protonotarius van Ephesus ten jare 1250 in zijn Expos, thematum. . . quae Herosolymis sunt p. CG. De priester Joannes van Wirzburg bericht in het midden der I2lt;!lt;= eeuw op bl. 514, dat ten zijnen tijde op Sion voor het pretorium zich eene kapel der geeseling bevond. Al deze getuigenissen worden aangevoerd door Tobler Jerusalem I. p, G2, 223, 348. De overlevering is dus verre van eenstemmig te zijn.

De derde grond voor dit gevoelen is hetgeen Flavius Josephus mededeelt, namelijk dat zich tusschen den burcht Antonia en den westelijken hoek des tempels eene met steenen platen belegde plaats bevond, lithostroton genoemd, hetgeen zou overeenstemmen met Jo. XIX : 14. Doch hij, die weet, dat lithostroton niets anders is dan een met steenen geplaveide vloer, en tevens dat deze vloeren toen alom bekend waren , (vgl. Plinius XXXVI: 04: Suetonius Caes. 46) zal lichtelijk inzien, dat zulke lithostrota te Jerusalem op meerdere plaatsen konden aangetroffen worden, vooral in een paleis als dat van Herodes. Aan den anderen kant weten wij door Joannes, dat hetzelfde lithostroton in het Hebreeuwsch Cabbatha werd genoemd, hetgeen eene verhevene plaats beteekent. Er was dus voor het rechthuis van Pilatus een verhevene plaats met een geplaveiden vloer, waarop de rechterstoel werd geplaatst. Hoe stemt dit overeen met de plaatselijke gesteldheid tusschen den burcht Antonia en den tempel, gelijk Flavius Josephus ze beschrijft ? Is het niet vreemd, dat, indien Pilatus over Christus recht heeft gesproken tusschen den burcht Antonia en den tempel, er in de vier evangelies bij geheel dien rechtshandel niet de minste melding van den tempel wordt gemaakt ? Is bet niet duidelijk, dat hier spraak is van dezelfde plaats, welke Flavius Josephus aanwijst met deze woorden: Floncs nam zijn intrek in het koninklijk paleis; den volgenden dag zette hij zich voor hetzelve op een

6

liet Offer van J. C. 11

-ocr page 356-

82

soorten uit Judea en naburige landen waren er met kwistigen overvloed aan verbouwd. Talrijke rijen van de schoonste zuilen en indrukwekkende voorportalen met de scboonste beelden voerden naar zalen, die honderden gasten konden bevatten, en die zooals de keizersbaai en de Agrippazaal alom beroemd waren. Talrijk waren de vertrekken en in de keurigste vormen opgetrokken. Zij schitterden van purper, goud, zilver en marmer-mozaieken. Aan de schoonheid en pracht van het gebouw paarden zich al de rijkdommen der natuur in de heerlijke tuinen, boschjes, vijvers, koperen springfonteinen, die Herodes de Groote had aangelegd, en door een dertig ellen hoogen ringmuur, welke van afstand tot afstand met torentjes prijkte, bij dit trotsche paleis had ingesloten. Buitendien was het verbonden met de drie burchttorens, Hippikus,

verheven rechterstoel. (Bell. II: 14, 8, 9) Buitendien is het op zich zelf reeds onwaarschijnlijk, dat de Romeinsche landvoogden op twee verschillende plaatsen te Jerusalem recht spraken.

Hiermede stemt ook overeen, dat wij ook op den Sionsberg de plaats aantreffen, waar volgens de overlevering Jakobus de neerdere op last van Herodes Agrippa onthoofd werd. Zulk eene terechtstelling had gewoonlijk plaats op het forum, dat zich voor het Romeinsche pretorium bevond, zoodat wij hierdoor weder het paleis van Herodes den Groote als het pretorium op Sion vinden. Vgl. Mislin Saints lieux. t. IT. p. 353 ; Sepp. Pilgerb. 1.1. p. 100. Vgl. mijn Palestina II. D. bl. 267—274.

Wij zagen reeds, hoe dadelijk na Archelaüs\' verwijdering de Romeinsche veldheer Sabinus bezit nam van het koninklijk paleis, en hoe later Floras hier het recht uitoefende. Niets dergelijks wordt ons van den burcht Antonia gemeld. Integendeel zegt ons Philo uitdrukkelijk : toen Pilatus landvoogd van Judea was, liet hij niet zoozeer om wille van Tiberius als om aan zijn haat tegen het volk toe te geven, binnen de heilige stad op den koninklijken burcht van Herodes vergulde schilden zonder beeldtenis of eenig ander aanstootelijk voorwerp ophangen ... «Toen werden alleen schilden zonder beeldtenissen aan het huis der ^landvoogden opgehangen, maar nu zou men een kolossaal standbeeld in het allerheiligste oprichten.. .quot; Het koninklijk paleis is dus duidelijk volgens Philo het huis der landvoogden of het pretorium ten tijde van Pilatus. Met deze duidelijke en uitdrukkelijke opgave stemt al het aangevoerde overeen, zoodat wij het er veilig voor mogen houden, dat het rechthuis niet van Herodes\' paleis verschilt.

-ocr page 357-

83

Phasaël en Mariamne, zoodat het tevens eene ware sterkte was en de stad aan deze zijde geheel en al beheeróchte.

Hier hield de Romeinsche landvoogd Pontius Pilatus op het oogenblik zijn verblijf naar het voorbeeld zijner-voorgangers, die zich dit paleis hadden toegeeigend, zoodra Judea Rotneinsch wingewest geworden was. Wei is waar hadden de procuratoren des keizers , welke sedert dien tijd Judea bestuurden en van den Romein-schen Proconsul in Syrië afhankelijk waren, hun hoofdverblijf in het paleis te Cesarea. Van tijd tot tijd echter, vooral bij liet Paaschfeest en andere groote feesten, wanneer schier gansch Israël tc Jerusalem samenstroomde, hielden zij zich te Jerusalem op in dit trot-sche verblijf. En zoo treffen wij dan ook Pontius Pilatus, den vijfde dier landvoogden, bij deze gelegen-beid bier aan.

Pontius Pilatus was een Romeinsch ridder. Hij was een man van een zwak, ijdel en heerschzuehtig karakter, en stelde de gunst van keizer Tiberius op den hoogsten prijs. Hij eerbiedigde de zeden en godsdienstige gebruiken der joden in geenen deele. Zoo had hij, ofschoon de joden geen beelden wilden, en den Ro-meinschen keizer geen goddelijke eer mochten noch wilden bewijzen, vanen mot de beeldtenis des keizers versierd, in Jerusalem gebracht. Zoo had hij gouden schilden ter eere van Tiberius aan het paleis van Herodes opgehangen, en de tempelgelden tot een ongewijd doel, liet herstel der waterleidingen, verbruikt. Hij was daarom bij de joden volstrekt niet bemind , en had reeds herhaaldelijk oproer en tegenstand van hunnentwege ondervonden. In Philo lezen wij (de le-gat. ad Caj. § 38), dat hij beducht was, zijne gewel-dadigheden, onrechtvaardigheden, vreeselijke wreedheden jegens zoovele onschuldigen, en moorden van verscheidene personen bij Tiberius aan het licht te zien gebracht.

-ocr page 358-

84

Aan dezen anders zoo gehaten overheersclier gaat thans de hooge raad de bekrachtiging van Jesus\' doodvonnis afvragen. Zoo fel is hun haat tegen J. C., dat zij zich niet ontzien op het Paaschfeest zich voor dien heiden te gaan vernederen. Het was nog vroeg in den morgen. quot;Want daar het doodvonnis door den hoogen raad kort na de opdracht van het morgenoffer beslis-send uitgesproken was, en het hoogepriesterlijk paleis zich niet ver van het pretoruim bevond, zoo vertoonde zich de geheele menigte nog tusschen 8 en 9 uur op het plein of forum voor het pretorium. Een menigte nieuwsgierigen zoo wel uit Jerusalem als ook uit de feestgangers was bij het doortrekken van den Zaligmaker langs de straten of op het gerucht zijner gevangenneming hier tegelijkertijd toegesneld.

De Goddelijke Grevan^ene werd binnengeleid in het pretorium naar de bovenzaal, waar Pilatus recht oefende voor het volk; maar de leden van den hoogen raad weigerden binnen te gaan en bleven toeven op het voorplein om niet verontreinigd en uitgesloten te worden van de offermaaltijden van het Paaschfeest, dat juist dien dag gevierd werd (1). Het is hier weder hunne gewone schijnheiligheid. Zij willen Jesus uit den weg ruimen, daarom leveren zij Hem over aan Pilatus; maar tevens stuit het hun tegen de borst, in Pilatus hun meerdere te moeten erkennen, en zij verbloemen hunne verachting onder den dekmantel der

(1) Dat wij hier niet aaa het Paaschlam hebben te denken, is duidelijk. Het Paaschlam was reeds gegeten op den vorigen avond, of kon, indien het Paaschfeest den volgenden dag inviel, nog dien avond gegeten worden, daar de verontreiniging slechts duurde tot den avond (Pesach, c. 8. § 8; Gemar Hieios, Pesach, fol. 5G, 2). Dat het paaschlam reeds in den namiddag geslacht werd, was mede geen beletsel , daar zij zich door anderen konden laten vervangen. Het pascha, waarvan hier spraak is, zijn de offers op het Paaschfeest gebracht. Vgl. Deuter. XVI: 3; II Chron. XXX: 22. Menachoth fol. 3. 1. vitulus et juvencus, quos mactant nomine Paschatis. In Babyl, Sanhedr. f. 03 wordt wel gezegd: cum synedrium quemquam morti adjudicavit, ne quid quam degustent Ulo ipso die. Doch deze traditie schijnt van lateien oorsprong.

-ocr page 359-

85

vroomheid. Zij toonen zich beducht, om door het intreden van Pilatus\' woon niet meer in staat te zijn, God dien dag een welbehagelijk Paaschoffer (ehagiga) op te dragen ; maar zij zijn niet beducht om het sohulde-looze bloed te gaan vergieten van Hem, Die door alle offers is afgebeeld. Zij zijn er op bedacht den Ro-meinschen landvoogd in hunne bloedschuld en verantwoordelijkheid te betrekken, doch aan den anderen kant nemen zij den schijn aan zijne gemeenschap te willen vluchten, Boe te recht had Jesus gezegd: indien uwe rechtvaardigheid niet meer overvloeit dan die der schriftgeleerden en Phariseën, zult gij niet ingaan in het rijk der hemelen!

§ 2. Judas\' uiteinde.

Mt. XXVII: 3—10.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart,

Judas, toen hij den Heer overleverde, had zich wellicht niet voorgesteld, dat Jesus werkelijk ter dood gebracht zou worden. Tot aan Dezes veroordeeling en overlevering aan Pilatus vleide hij zich waarschijnlijk met de hoop. of dat de genegenheid des volks Jesus\' vijanden wel zou afschrikken, of dat de omstandigheden een beletsel zouden opwerpen, of dat de Heer Zich een uitweg zou weten te vinden. Maar nu hij ziet, hoe Jesus beslissend ter dood veroordeelden aan de heidenen overgeleverd is, nu is de blinddoek, dien zijn hartstocht hem om de oogen heeft geslagen, van een gescheurd. Zijne misdaad vertoont zich aan hem in al hare afschuwelijkheid. Bittere gewetenswroeging kwelt hem; de liefderijkste der meesters is door zijn toedoen onschuldig ter dood veroordeeld! Het geld, dat hem in hot huis van Kaiphas ter hand is gesteld, wordt hem ondragelijk en verwijt hem onophoudelijk zijn misdaad ! Wat zal hij doen ? Radeloos begeeft hij zich naar de overpriesters en ouderlingen.

I

ï%

\' - \'

\'M0\' v ir-quot;

f! \'

II

lil

li !g.

n ■

feni;

S: :■

V ^

■■ ■ Sf

I

ismh ï; \' ï \' . \'

i

•v : •.

i

•/ vm

. :\'::j

a

\'■VVi\'lf;

.

B :• :

w:

Sm

■ 0 ■ .

|

i

f

\'

M ::■■■

-ocr page 360-

86

die hem het geld ter hand hebben gesteld. Nog eene laatste poging wil hij beproeven. Hij biedt hun de zilverlingen op nieuw aan, om het gedane ongedaan te maken en barst uit in de pijnlijke bekentenis : ik heb gezondigd en het onschuldig bloed overgeleverd. Helaas ! de poging is ijdel, en bij de straf der wroeging komt de straf der teleurstelling en de straf der verachting. Koud en zonder deernis voegen de aangesprokenen hem toe : wat gaat het ons aan ?■ zelf moogt gij toezien. Zoo werpen de goddeloozen het werktuig weg , dat zich liet gebruiken tot hunne snoodheden. Zoo verpletteren zij hem door den last der schuld, waarvan hij bij hen bevrijding zoekt.

Nu slaat de ongelukkige over tot wanhoop. Zij hebben geweigerd den prijs zijner bloedschuld te ontvangen, ook hij wil dien niet behouden. Verbitterd cn in vertwijfeling ijlt hij voort naar den tempel, dringt door tot aan het heilige, (1) en werpt het bloedgeld daar binnen. Het zal den vloek des hemels brengen over die vroeger gezegende plaats. Hierop verwijdert zich de diepgevallene. Hij schaamt zich voor een ieder. Tot wicn zal hij zich wenden ? De joden hebben hem verstoeten ; de apostelen heeft hij van hun geliefden Meester beroofd ; Jesus is in de macht zijner vijanden, en gaat door zijne schuld den dood te gemoet ! Badeloos dwaalt hij heen in do eenzaamheid. Kon hij nog bidden ! Maar helaas ! do wroeging is overgeslagen tot wanhoop, en de wanhoop wordt razernij. Hij gaat heen en in de zoo bittere foltering zijner ziel verhangt hij zich aan een strik. Doch als of het lijk nog na den dood het kenmerk moet dragen van Gods vreeselijken vloek, iian Israël zijne misdaad verwijten en Jesus\' onschuld getuigen, hij stort neder uit do hoogte, barst open in het midden , en do ingewanden

(1) Het grieksche woord geeft liet eigenlijke tempelgebouw en nic de voorhoven des tempels te kennen

-ocr page 361-

87

bezoedelen den grond. (Act. I; 18) Zoo zijn wroeging, spijt, verachting, schaamte, verlatenheid, wanhoop en de ijzingwekkendste dood de ontzettende straf van Judas\'zonde. Voorwaar! het ware dien mensch beter | geweest, niet geboren te zijn !

De dertig zilverlingen, door Judas in het heilige geworpen, werden later den overpriesters in handen gesteld. Wel was dat geld welkom aan hunne inhalige begeerigheid, maar toch ook zij waren niet zonder eenigen afschuw voor dat schardloon, waarop zelfs de verachting kleefde van den misdadiger, die het had verdiend. Het is ons niet geoorloofd, zegden zij, het in de offerkist te storten, want het is een hloedprijs. En zij beraadslaagden, wat zij er mee zouden aanvangen. Daar viel hun niet zonder toedoen der Goddelijke Voorzienigheid een gewenscht plan te binnen. Er was behoefte aan eene begraafplaats voor de vreemde joden, die te Jerusalem kwamen te overlijden bij het bezoek der iiooge feesten. Juist was een niet groote en door iedereen gekende pottebakkers akker te koop, gelegen ten zuiden van Jerusalem, in het dal Hinnom, aan den voet van den berg des boozen raads, die dienstig kon zijn tot dit doel. (1) Niet beter meenden de overpriesters te kunnen doen, dan het weggeworpen bloedgeld daarvoor te besteden.

Zoo werd die akker het blijvende gedenkteeken van Judas\' verraad en straf, van Israels godsmoord en van Jesus\' zoo wonderbaar betuigde onschuld. Het volk gaf hem den naam van Hakel-dainah of bloedakker, en aldus zou hij gedurig herinneren aan het woord van Jesus\' verrader: ik heb gezondigd met over te leveren het onschuldige bloed.

Zoo gingen twee voorspellingen in vervulling, eene

(1) Nog lieden wordt de bloedakker te Jerusalem daar ter plaatse aangewezen. Volgens de beschrijving van Sepp lieeft hij dertig schreden oostwes-telijke lengte en twintig breedte. Tot in de vorige eeuw werd hij tot begraafplaats der vreemdelingen gebruikt. Zie mijn Palestina II D, bl. 368.

-ocr page 362-

88

van den profeet Jeremias, een tweede van den profeet Zacharias, die de eerste nader toelicht. Bij Jeremias treedt de Heer op onder het beeld van een pottebak-ker, die het aarden vat, dat hij heeft gemaakt, kan verbreken en door een ander vervangen. (Jer. XVIII: 2—6) Hij geeft daardoor te kennen, dat Hij Israël en Jerusalem volgens goedvinden kan verwerpen, (ib. v. 6.) En werkelijk zal Hij dit doen en wel in de vallei van Hinnom, die de vallei des moords zal worden genoemd. (Jer. XIX: 1, 6—8) En is Hinnom door Ha-keldamah, of den akker des bloeds niet werkelijk een vallei des doods geworden? Heeft God door dien akker des pottebakkers niet sprekend aangekondigd, dat Hij, gelijk de aardwerker de vaas, die hem niet bevalt, verbreekt, zoo ook Israël en zijn tempel volgens de voorspellingen zon verdelgen en verwerpen ? (Rom. IX: 19-25).

De tweede voorspelling (1) is die van den profeet Zacharias. (X : 13) Daar spreekt de Messias onder het beeld van een herder, die door zijne kudde versmaad wordt, tot Israël: indien het goed is in moe oogen, zoo geeft mij mijn loon ; indien niet, zoo laat het. En zij ioo-gen mij mijn loon dertig zilverlingen. En de Heer sprak tot mij: werp hem veeg voor den pottebakker, den schoonen prijs, dien Ik door hen geschat hen. En Ik nam de dertig zilverlingen en wierp ze in het huis des heeren voor den rOTTEBAKKER (9-13)

Ook hier voorspelt Zacharias even als Jeremias Israëls verwerping en Jerusalems ondergang om den unwil der joden jegens hun Groddelijken en liefderijken Herder, die zoo verre ging, dat zij Hem slechts dertig zilverlingen waardig keurden. Die bloedprijs zou tot een teeken van vloek onder Grods leiding door Judas zelf in den tempel van Israël geworpen worden voor den pottebakker. Die dubbele profetie van Jeremias en Zacharias is (2) letterlijk vervuld.

(1) Zie boven bl. ?

(2) Alleen Jeremias wordt door Mattheus genoemd, 1® omdat hij een

-ocr page 363-

«9

Ongelukkige Judas! Hij heett zijne plaats in het uitverkoren twaalftal verloren! Hij zal niet gelijk de overige apostelen den volkeren de oneindige barmhartigheden des Heeren verkondigen. De kroon is hem ontvallen, en de troon, dien hij in het hemalsch Jerusalem had kunnen bezitten, voor hem verloren. Hij is de zoon des verderfs. maar daarom ook de apostel van ■ Gods wrekende Gerechtigheid geworden. Die hem door zijne eigene misdaad zoo vreeselijk heeft gestraft. Hot was een vreeselijke zonde van Judas, zegt de H. Hie-ronymus , Christus te verraden , maar het was nog vreeselijker zonde van Judas, aan de barmhartigheid Uods te wanhopen en zich te verhangen. God echter heeft ook hier in zijne aanbiddelijke wijsheid het kwade aan het goede dienstbaar gemaakt. Judas predikt op eigene wijze Jesus\'sehuldeloozen dood, en door de stipte vervulling der profetiën Jesus\'aanbiddelijke Godheid.

der groote profeten is en de kleine profeten in het nieuwe testament gewoonlijk niet bij name worden aangehaald; 2° omdat de profetie van Zacharias eene latere en nadere ontwikkeling der eerste is, en dus hare aanleiding in die van Jeremias vindt.

Anderen zeggen op gezag der Rabbijnen, dat Jeremias in sommige verzamelingen der profeten aan het hoofd stond, en dat al de profeten soms op naam van Jeremias werden aangehaald, even als al de psalmen op naam van David.

Weder anderen beroepen zich op den H. Hieronymus, die zegt deze voorspelling in een apokriephen Hebreeuwschen Jeremias gelezen tc hebben, zoodat zij aan een verloren gedeelte van Jeremias denken.

Nog anderen zijn van meening, dat het woord Jeremias niet tot den tekst behoort. Hiervoor pleiten de volgende redenen. 1° is Mattheus gewoon den profeet aan te halen zonder dien te noemen, (I: ; !I : 5. 15, 23; XIII: 15; XXI: 4 ; XXVII: 35) 2° De Syrische vertaling, die zeer oud is, noemt Jeremias niet. 3° De IL Augustinus (libr. .111 de con-sens in evang. c. 7.) verzekert, dat ten zijnen tijde verscheidene Latijnsche handschriften den naam van Jeremias niet hadden. 4° Zelfs ontbreken thans zulke handschriften niet. 5° Ook ten aanzien der Grieksche handschriften bestaat eene enkele uitzondering.

Naar mijn inzien echter verdient de door mij gevolgde verklaring de voorkeur. Nog aannemelijker wordt deze verklaring, indien men met de volgelingen van de tweede vermelde meening aanneemt, dat Jeremias aan het hoofd der profeten stond.

-ocr page 364-

90

§ 3. Jesus voor Pilatus.

Mt. XXVII: 11—14; Mc. XV: 2—5; Lc. XXIII: 2-7 ; Jo. XVIII: 29-30.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s morgens van 8 tot 9 uur.

Terwijl de geheele menigte op het plein voor het pretorium ongeduldig den landvoogd opwachtte , die niet te spoedig naar hun verlangen in hunne misdadige plannen kon treden, verscheen eindelijk Pilatus voor hen buiten, ofschoon niet zonder den tegenzin van den trotschen Romein en vol inwendigen afkeer voor die joden, die reeds meer dan eens hem lastig gevallen waren. Met de sluwe staatkunde, die hem eigen was, zocht hij zich al dadelijk van de zaak af te maken, en vroeg hen daarom, ofschoon hij het ge-zagvertoon van het joodsche synedrium genoegzaam bespeurde, op een toon, als zocht hij hier niets dan de handhaving van het recht: loelke aanklacht hebt gij in te brengen tegen dezen mensch ?

Deze zoo natuurlijke vraag van den landvoogd viel volstrekt niet in den geest van Jesus\' beschuldigers. Zij hadden zich gevleid, dat Pilatus zich weinig om een misdadiger, waarvoor zij Jesus wilden doen doorgaan, zou bekreunen, en aanstonds bereid zou zijn bij het zien van hun gezagvertoon, om hun verlangen in te willigen. Daarom teleurgesteld, antwoordden zij op hoogen toon ; indien deze geen misdadiger ware, zouden wij hem u niet overgeleverd hebben.

Pilatus begreep zoo wel uit hetgeen hij zag en had vernomen, toen men berichtte, dat deze misdadiger gevangen genomen moest worden , als uit deze hunne woorden, den volstrekten wil der joden, dat Jesus zou veroordeeld worden. Zoo min echter als zijn hoogmoed zich tot een werktuig van de joodsche willekeur wilde laten verlagen, zoo min ook wilde zijne staatkunde de joodsche overheden tegen zich in het harnas jagen. Daarom hernam hij : neemt gij Hem dan zelf, en von-

-ocr page 365-

91

nist gij hem volgens uwe wet. Op dit woord van den Irindvoogd was het natuurlijke wederwoord der joodscbe oversten, dat zij Cnristus reeds schuldig bevonden hadden volgens hunne wet, maar dat het hier een doodvonnis gold, en de Romeinsche wetten hen verboden dit zonder zijne bekrachtisiug ten uitvoer te loggen. Ons, zegden zij , is het niet geoorloofd, iemand ter dood te hrengen.

Zoo wist nu Pilatus, dat het een doodvonnis gold, en dat hij als Romein het volgens de Romeinsche wetten had te onderzooken, en bekrachtigde hij het, volgens die wetten uit te voeren. Lezen mx erkenden geen ateeniging, zoo als de joodscbe wet voorschreet, en zoo zou eerlang Jesus\' voorspelling vervuld worden, waardoor Hij hn.d aangekondigd, omhoog geheven (Jo. 111: 14) en gekruisigd te zullen worden. (Mt. XX: 19; XXVI: 2.) Wie bewondert hier niet andermaal de wonderbare leiding van Grods aanbiddelijke Voorzienigheid en de Goddelijke voorkennis des Zaligmakers V

Pilatus was niet gezind, om zonder gedekt te zijn door een behoorlijk onderzoek en een voldoenden rechtsgrond, dit doodvonnis te laten voltrokken. Do joden echter begrepen, dat deze niet enkel van godsdiens-tigen aard kon zijn, maar eon burgerlijk misdrijf moest betreden, zou de hcidensche landvoogd er eenc reden in vinden om het doodvonnis te bekrachtigen en den veroordeelde volgens het Romeinsche recht te laten kruisigen. Zij vingen dan aan den Heer te beschuldigen cn riepen; wij hebben bevonden, dat deze het volk verleidt en verbiedt den keizer schatting te betalen, en zegt, Christus de honing te zijn.

De Grodmensch werd alzoo beticht, oproer te wekken, Hij. Dio de Leermeester der zachtzinnigheid en ootmoedigheid was. Deze eerste aanklacht was geheel ongegrond. Hij werd aangeklaagd het volk van de belasting aan den keizer afkeerig te maken, Hij, Die gezegd had ; geeft den keizer, hetgeen des keizers is. Deze

-ocr page 366-

92

tweede aanklacht was valsch. Hij werd beschuldigd. Zich te hebben doen gelden als Christus, den Koning, Deze derde aanklacht was waar, doch in een verkeerd licht voorgesteld. Want Hij was Koning, doch Koning in een geestelijken zin. Gabriël had dit reeds bij zijne ontvangenis aan Maria aangekondigd : God de Heer zal Hem den troon van zijnen vader David geven, en Hij zal heerschen in het huis van Jakob tot in ecu wigheid, en zijns rijks zal geen einde zijn. Balaam, David, Jeremias, Dariël, Micheas, Zacharias haddenl Hem reeds van verre als koning begroet. Koning hadden Hem de wijzen uit het oosten genoemd, en het volk van Israël had nog voor weinige dagen gezongen bij zijne plechtige intrede te Jerusalem; Hosan-nah, den Zoon van David; gezegend hij, die komt in den naam des Heeren, de Koning van Israël! Ja, Hij had Zich Christus en Koning genoemd; want Hij had Zich doen kennen als den Eengeboorne des Vaders, Die in de hemelen heerscht. Hij had de blijde tijding verkondigd van hot rijk der hemelen ; Hij had meermalen van zijne Goddelijke heerschappij gespro ken, en de joden door Hem hiervan te beschuldigen zouden slechts te meer zijn getuigenis bevestigen, door Hem te doen heerschen van het kruis. Maar nooit had Hij als een aardsche koning willen doorgaan. Toen zij Hem na de vermenigvuldiging der brooden tot koning wilden uitroepen, was Hij zelfs heen gevlucht Zoo verre was Hij er van af, een koningschap dezer aarde na te Jagen.

Pilatus had dan nu de aanklachten der joden vernomen. Doch bij den eersten oogopslag had hij haru nietigheid doorschouwd. Hij wist, dat de volksopruiingen , waarvan Christus werd beschuldigd , niet veel konden beteekenen , daar niets hieromtrent hem ter oore was gekomen. Dit moest evenzeer het geval zijn met de aanklacht omtrent liet weigeren van belasting. Slechts de derde aanklacht wekte zijne belangstelling.

-ocr page 367-

93

daar bij als vertegenwoordiger des keizers geen aanranding van diens gezag moclit dulden. Hij trad dus het rechthuis weder binnen , en riep Jesus voor zich, om Hem hierover te ondervragen. De Heer verscheen voor den heidenschen landvoogd , geboeid als een boosdoener , en Pilatas doed Hein al dadelijk de vraag: zijt gij de koning der joden ? Jesus antwoordde met een eenvoudige wedervraag ; zegt gij dit uit u zeiven , of heb -anderen lint van Mij gezegd ? Niet zonder inzicht |sprak aldus de Heer. Had Hij Zich zelven wezenlijk doen gelden als koning der joden, dan had Pilatus de aanklacht der joden niet noodig, daar hij als Romeinsch landvoogd hiervan niet onkundig kon zijn. Tevens liet Jesus doorschemeren , dat hij in zekeren zin wel als koning der joden wilde doorgaan , maar zulks geen reden was , om Hem daarover lastig te vallen.

Pilatus eenigzins geraakt door de vooronderstelling, dat hij die vraag uit zich zeiven gedaan zou hebben, riep uit: hen ik een jood ? (hoe zou ik zulke vraag uit mij zeiven doen V) Uw volk en uwe over ■priesters hebben U aan mij overgeleverd. (Zij zijn het die U dit ten laste leggen.) Wat hebt gij gedaan ?

Hierop gaf de Heer geen rechtstreeksch antwoord , want de vraag zelf van den bestuurder van Judea was eene betuiging zijner onschuld. Hij verklaarde slechts, dat de hooge raad Hem zonder reden van hoog verraad tegen de Romeinsche opperheerschappij beschuldigde, daar hij nooit van een aardsch rijk had gesproken. Zijn koningschap was van een geheel anderen aard. Mijn rijk, zegde Hij , is niet van deze wereld; indien mijn rijk van deze wereld ware, zouden I mijne dienaars voorzeker gestreden hebben , opdat Ik den joden niet iverd overgeleverd; nu echter is mijn rijk niet van hier.

Beteekenisvolle woorden ! Zijn koningschap is niet uit deze wereld maar rechtstreeks uit God; het be-

ligd, ling, eerd tiing :ijne leer i, en eeu-lam, ld en

het ion-

I

san-l fc in|

Hij Hij Va-jde lad ro jen er, oit )en iü-ht. :er

-ocr page 368-

94

hoort Hem toe niet om aardsehe redenen maar als den Eengeboorne, die in den schoot des Vaders is. Zijn rijk wordt niet bestuurd door wereldsehe wetten , het streeft niet naar een weroldsch doel; hot deelt niet in de wisselvalligheden der wereld; het bezigt geen wereldsehe middelen ; het steunt op geen wereldsehe macht. Het is in deze wereld , maar niet van deze wereld. Aardsehe koningen hebben Hem niet te duchten; Hij rooft de aardsehe rijken niet, Die het hemelsche rijk komt schenken.

Pilatus bij het hooren dier taal was verwonderd. Hij kon zich geen recht denkbeeld vormen van hetgeen Jesus bedoelde. Een bovenaardsch rijk ging zijne begrippen te boven. Andermaal en bepaaldelijk vroeg hij Hem af: derhalve, zijt gij een koning ? Eu de Heer zonder aarselcn antwoordt bevestigend, terwijl Hij nog nader zijn koningschap omschrijft; Gij zeg het, zoo spreekt Hij ; Ik hen Koning ; daartoe hen Ik géboren, en daartoe hen ik in de wereld gekomen , om der waarheid ge ■ Udgenis te gsven. Al wie uit de waarheid is, hoort mijne stem.

Ziedaar hoe do Godmonsch Pilatus , die tot hiortoo onderzoekt volgens de eischon van het recht, inlicht omtrent den aard van zijn koningschap. Hij is Koning , door de liefde en door de waarheid. De liefde deed Hem geboren worden; de liefde deed Hem op aarde nederdalen ; do liefde doet Hem ons hart veroveren en beheerschen. Maar hetgeen Hij door zijne liefde aanvangt, voltooit Hij door de waarheid. Door do waarheid heerscht Hij over \'s monschen rede ; door do waarheid wijst Hij den mensch aan hetgeen hij heeft te doen ; door de waarheid voert Hij den mensch tot hot geluk. De waarheid is zijne kracht, zijne wet, zijne orde. Allen, die de waarheid beminnen, moeten zich aan Hem onderwerpen, naar zijne stem luisteren, en Hij geeft het genoegzaam te kennen : o ! of ook gij, Pilatus, tot dat getal mocht behooren !

-ocr page 369-

95

Doch Pilatus was niet uit de waarheid en begreep den Koning der liefde en der waarheid niet. Met ongeduld en wellicht eenigzins spottend riep hij uit: wat is waarheid ? En zonder verder antwoord af te wachten, daar hij genoeg meende te weten, brak hij het verhoor af, (1) en begaf zich andermaal tot de joden buiten op het terras voor het pretorium. (2) waarmede de rechtzaal denkelijk verbonden was. Tevens gebood hij Jesus te volgen. Daar gekomen veiklaarde hij nu zonder omwegen de beschuldiging voor ongegrond, en zegde openlijk aan de overpriesters en de scharen; ik vind geen schuld in dien mensch.

Maar te bitter was de haat van Jesus\' vijanden en te hardnekkig hun opzet, dan dat zij zich zoo hunne prooi zouden laten ontnemen. Welke de tegenstand van Pilatus ook mocht zijn, zij hadden er zich vooraf op gewapend. Het spijt en grieft hen, zulke onbewimpelde verklaring uit den mond van dien beiden te moeten vernemen; maar zij geven het niet gewonnen. Buigen zal Pilatus. Zij zijn niet te vergeefs opgekomen met zulk gezagvertoon; zij zijn niet te vergeefs buiten het rechthuis en buiten het bereik van deu landvoogd gebleven ; zij hebben niet zonder reden zoo Loogen toon aangeslagen ten opzichte van Jesus\' schuld. Nu beginnen zij een tal van allerlei beschuldigingen op een te stapelen met toenemende luidruchtigheid,

(1) Ongeloovigen vragen hier, hoe Joannes, die dit alleen mededeelt, kennis droeg van het gesprek tusschen Jesus enden landvoogd, daar dit niet plaats greep in \'t openbaar. Zulke vragen worden het best beantwoord door wedervragen. Kon Pilatus het gevoerde gesprek niet later lier-halen ? Was het wellicht niet opgeteekend in de gerechtsakten ? Waren er geen gerechtsdienaren, geen vertegenwoordigers der opperpriesters geen getuigen en ja wellicht Joannes zelf tegenwoordig ? Konden anderen het rechthuis niet binnen gaan, ofschoon de raadsleden het niet deden uit vrije keuze? Dit zij genoeg, om niet van den verrezen Verlosser en bijzondere openbaringen te spreken

(2) Dat wij zulk een terras voor het pretorium moeten aannemen, blijkt uit Jos. Bell. II: 14 § 8, uit Jo. XIX: 13 en uitliet geheele verhaal der evangelisten.

-ocr page 370-

96

met steeds stoutere onbescliaamdheid, met dreigende onstuimigheid. Maar Jesus antwoordt niets. Hij acht die ongerijmdheden en klaarblijkelijke valschheden beneden Zich. Hij zwijgt en blijft zwijgen. Pilatus vermeent als rechter het woord aan den beschuldigde te moeten geven en Hem uit te noodigen om zijne eigene zaak te verdedigen. Antwoordt gij niets ? zoo spreekt liij den Heer toe; zie, koevele heschuldigingen zij tegen U inbrengen! Maar Jesus spreekt geen woord. Heett de landvoogd reeds de kracht zijner taal gevoeld, niet minder gevoelt hij nu de kracht van zijn stilzwijgen. De kalmte, waardigheid en majesteit des Heeren tegenover dien vloed van allerlei beschuldigingen treften den landvoogd, en vervullen hem met verbazing over de edele grootheid van ziel, welke zich om dien laster niet bekreunt.

Zoodra Jesus\' vijanden dit bemerken, worden zij nog heviger. Hunne houding wordt dreigender ; hunne kreten stoutmoediger ; hunne beschaldigingen nemen toe. Hij ndi het volk op , schreeuwen zij, met zijne leer te verspreiden in Judea, te beginnen van Gal\'lea tot hiertoe.

Jiij de toenemende onstuimigheid der joden gevoelde Filatus zich niet op zijn gemak. Doch daar verneemt hij, dat Jesus is begonnen té leeren van G-ali-leauit. Is de beschuldigde wellicht een Gralileër ? Dan kon hij zich afmaken van de geheele zaak zonder de onschuld te verdrukken en de joden te verbitteren. Hij stelt een onderzoek in, en verneemt, dat de Heer door zijn gewoon verblijf tot het rechtsgebied van Herodes behoort. Juist bevindt zich de viervorst van Galilea te Jerusalem, en nu heeft Pilatus zijn besluit ijlings genomen. Hij zendt Jesus heen naar Herodes. Veroordeelt deze Hem. dat moge hij weten; de joden zijn dan tevreden gesteld. Veroordeelt deze Hem echter niet, dan kan hij, indien de joden hem, Pilatus, onver-iioopt nog lastig blijven vallen, immer handelen naar bevind van zaken.

-ocr page 371-

97

§ 4. Jems voor Herodes.

Lc. XXIII: 8-12.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, 9—10 uur.

Herodes Antipas , gelijk wij vroeger reeds zagen, was de waardige zoon van den wreeden Herodes, die Bethlehems kinderen had vermoord. Viervorst geworden van Gralilea na den dood zijns vaders, had hij zich onteerd door wulpschheid, overspel, bloedschande en den moord van Joannes den dooper. Listig en eerzuchtig, zocht hij gedurig de uitbreiding van zijn gebied. Dit was oorzaak, dat hij onophoudelijk de gunst der joden najoeg, en had tevens tusachen hem en Judea\'s landvoogd , die zijne eerzuchtige plannen in den weg stond, eene zekere wrijving en verbittering te weeg gebracht. (Lc, XXIII: 12) Na de verbanning toch van zijn broeder Archelaüs moest Herodes natuurlijkerwijze er naar streven, om Judea, als behoord hebbende tot het rijk zijns vaders, weder in zijn bezit te krijgen. Doch Rome, dat Palestina als wingewest steeds meer en meer zocht te beheerschen, had er zijne procuratoren heen gezonden, en Pilatus had reeds meer dan eens getoond, hoezeer hij Romein was en hoezeer hij zijne zending begreep. Terwijl hij zocht het joodsche volk meer en meer aan de rechtstreeksche en volkomene opperheerschappij van Rome te onderwerpen, moest hij van zelf Herodes tegenwerken, die zich zelf tot onmisbaar middel der Romeinsche overheersching in Palestina en dus ook in Judea zoch te maken. Van daar de verwijdering tusschen Herodes en Pilatus.

Herodes, die bij gelegenheid van het Paaschfeest zich te Jerusalem bevond, hield waarschijnlijk zijn verblijf in het paleis der Asmoneërs of afstammelingen van de Macchabeën. Uit dier handen was het overgegaan in de macht van Herodes den Groote, en langs dezen weg in het bezit van diens kinderen geraakt,

7

Het Offer vanj. C. II

-ocr page 372-

98

waartoe ook Herodes Antipas behoorde. Herodes de Groote had het bewoond, vooraleer hij het trotsche paleis bouwde, dat thans tot pretorium was ingericht. Ook later treffen wij er Herodes Agrippa aan. (Jos. Ant. XX : 8, 11) Het was gelegen tegenover het gymnasium, dat om zijne bedekte zuilengangen Xystus werd genoemd, en zich tusschen den Sionsheuvel en den tempel bevond. (2 Mach. IV; 12 ; Jos. Bell. II: 16, 3 en 17. 6) Het nam alzoo het uiterste punt in der bovenstad aan de oostzijde van den Sionsheuvel, en was door eene galerij met den tempel verbonden. Oorspronkelijk verschilde het niet van het paleis van het woud des Libanons, door Salomon gebouwd, en dus genoemd naar de ceders van den Libanon, die er aan verbruikt waren. Toen het later door de Chal-deërs verbrand was, werd het door Nehemias hersteld. (2 Esdr. 11: 8; III: 25) en op die wijze was het aan de Macchabeën gekomen.

Voor dit paleis dus, (1) dat niet ver van het pretorium verwijderd kon zijn, werd de Heer, geboeid, door gerechtsdienaren omgeven , en vergezeld van den hoo-

(1) De bouwvallen van den reuzenboog dev tempelbrug, waardoor het paleis der Asmoneërs met den tempel verbonden was, duiden nog heden de plaats aan, waar het Xystus en dit paleis te Jerusalem moet hebben gestaan. Het overblijfsel van dien boog, dat men nog heden ziet, (Sepp. Pilgerb. I p. 124—125) heeft eene breedte van 51 voeten met drie lagen steenen, die 20 tot 24 voet groot zijn. Het beschrijft een boog, waarvan de sinus 11 voet 10 duim en de cosinus 3 voet 16 duim bedraagt, terwijl de straal SO\'/j voet lengte moest hebben. Dus was de ruimte der brugspanning 41 voeten en hare breedte 48 voeten. Naar de breedte van het Tyropeondal te oordeelen, moet de brug, die hier tusschen den tempelberg en den Sionsheuvel geslagen was, uit twee zulke bogen bestaan hebben. (Jos. Bell. I. 7,3,11.16,3. VI 6, 2.) Van het paleis zelf der Asmoneërs is niets overgebleven, ook niet van het paleis van Herodes den Groote of het pretorium. Slechts de citadel met hare drie torens of de oude Davidsburcht bestaat nog lieden. De joodsche geschiedschrijver wijst (II. 17, 9 ; V. 7, 3) op de waterleiding, die naar den toren Hippikus voerde, en waarvan 2 Kon, V: 8 wordt gesproken. Zij is in den laatsten tijd teruggevonden. Vgl. mijn Palestina II. bl. 275 en 242.

-ocr page 373-

99

gen raad langs Jerusalems straten heengesleurd , terwijl Hij door do spotternijen van hen, die Hem volgden, en de nieixwgierigheid der toeschouwers de diepste vernedering onderging.

Herodes, zoodra Hij Jesus voor zich zag verschij -nen, was ten hoogste verheugd. Dat Pilatus hem als viervorst van Galilea erkende, streelde zijne ijdel-heid, en op die wijze kon hij voor den hoogen raad en voor het volk van Jerusalem vertoon maken met zijne macht. Reeds geruimea tijd ook verlangde hij Jesus te zien , daar hij zooveel van Hom had vernomen , en thans hoopte hij, eindelijk den grooten wonderdoener eens een schitterend teeken te zien verrichten.

Omgeven door zijne hovelingen en zijne lijfwacht (v. 11) ontving de viervorst Jesus met vorstelijke praal. Hij betuigde den Heer een zekere welwillendheid , en zocht Hem aan door allerlei vragen en goede woorden, om zijn wensch naar een wonder te bevredigen. Jesus had Zich door een enkel wonder de gunst van Herodes en zijn hofstoet kunuen verwerven , en de weg was voor Hem geopend om zijne vijanden op de schitterendste wijze te beschamen. Eene geringe moeite slechts, en al de pogingen waren verijdeld van de overpriesters en schriftgeleerden, die daar stonden met de meeste hardnekkigheid om Hem bij den viervorst te beschuldigen! Maar de Heer verrichtte geen wonderen om Zich zeiven te redden, en Hij deed ze nog minder om ijdelheid en nieuwsgierigheid te voldoen. quot;Waar deze de drijfveer der voorgestelde vragen waren en de ongerijmde beschuldigingen zijner aanklagers zich zelve wederlegden, daar achtte Hij het zelfs beneden Zich te antwoorden. Hij sprak geen enkel woord, en bewaarde een diep stilzwijgen.

Voorzeker geen geringe teleurstelling voor dien ijdelen en trotschen vorst! Die teleurstelling voert Herodes tot verbittering, en de verbittering tot verachting en bespotting. Hij zoekt zich te redden uit

-ocr page 374-

100

den neteligen toestand, waarin hij zich door Jesus\' stilzwijgen tegenover de aanwezigen geplaatst ziet, met den Heer prijs te geven aan den smaad en lachlust van de krijgslieden zijner lijfwacht. Dezen deels uit vleierij voor hunnen meester, deels om hunne eigene teleurstelling te bemantelen , maken zich vrolijk met den Gevangene. Redenen om Jesus te veroordeelen vindt Herodes niet, doch hij wreekt zich over de ondergane teleurstelling door schimp en scherts , en door Jesus, als dong Hij naar het koningschap, te laten uitdossen met het witte (1) kleed , dat dikwerf door de vorsten werd gedragen tot teeken hunner waardigheid. In dat spotgewaad zendt hij Jesus terug naar Pilatus , terwijl hij den joden hierdoor een zekere voldoening geeft, Pilatus in zijne waardigheid erkent , en zich zeiven zonder verantwoordelijkheid over den gevangene wreekt. Waren hij en Pilatus vroeger van elkander verwijderd . door de wederzijdsche erkenning had heden tusschen beiden eene toenadering plaats. Was het Herodes welkom zich door den E,o-meinschen landvoogd in \'t openbaar gehuldigd te zien , en streelde zulks zijne ijdelheid, ook Pilatus van zijnen kant greep deze gunstige gelegenheid aan , om , terwijl hetjoodsche volk maar al te zeer genegen was, hem bij den Keizer aan te klagen , Herodes zich ten vriend te maken. Ook hij neemt het terugzenden van Jesus als eene erkenning aan, en het mishandelen der Goddelijke onschuld wordt het verzoeningsmiddel tusschen twee trotsche en vijandiggezinde bestuurders.

(1) Naar den oorspronkelijken tekst ivit blinkend.

-ocr page 375-

HOOFDSTUK IV.

JESUS DOOK PILATUS TEN DOOD OVERGELEVERD.

§ 1. Jesus andermaal voor Pilatus. Barahbas.

Mt. XXVII: 15-23 ; Mc. XV : 6—14 ; Lc. XXm : 13—22; Jo. XVIII: 39—40.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, ongeveer 10 uur.

Ofschoon Pilatus Jesus niet schuldig bevonden, He-rodes Hem niet veroordeeld had, toch lieten de joodsclie overheden hunnen gevangene niet gaan, maar begaven zich op nieuw met Hem tot Pilatus, om zijnen dood te eischen. Hunne snoode plannen zouden zij doorzetten, het kostte wat het kostte. De Romeinsche landvoogd alzoo moest tegen alle verwachting hun hals-starrigen en vernieuwden aandrang ondervinden, en gevoelde zich in een neteligen toestand gebracht. Hij moest tegen zijne betere overtuiging in Jesus veroor-deelen, of zich aan groote onaangenaamheden van wegens de joden verwachten. Streed het eerste met zijn Romeinschen trots, en achtte hij het onstaatkundig zich de veroordeeling van een onschuldige te laten afdwingen, het tweede duchtte hij niet minder, om de onaangename gevolgen, die hij er van voorzag. In dien tweestrijd meende de zwakke rechter een middenweg te moeten kiezen , en de ongelukkige deed den eersten openlijken en beslisten stap op den weg der ongerechtigheid.

Hij verschijnt weder op het terras voor het pretorium, gevolgd door den geboeiden Verlosser. Hij roept de joodsche overpriesters, overheden en het volk, die

-ocr page 376-

102

op het forum verspreid staan, bijeen en spreekt hen toe in dezer voege ; gij hebt dezen mensch tot mij gebracht als het volk opruiende, en ziet, ik heb Hem in uw bijzijn ondervraagd, maar ik heb geen schuld in Hem gevonden omtrent hetgeen, waarmede gij Hem beschuldigt. Doch Herodes evenmin ; want Ik heb u tot hem verwezen, en ziet, er is niets door Dezen bedreven, dat des doods schuldig is. Derhalve zal ik Hem kastijden en loslaten.

Pilatus erkent het, hij heeft in Jesus omtrent de verschillende punten van aanklacht geen schuld gevonden. Doch omdat hij minder op de hoogte was van de joodsche wetten en gebruiken, en omdat de beschuldigde eigenlijk behoorde tot het rechtsgebied van flerodes, die wellicht beter bekend was met het gebeurde in Gralilea, en als jood beter dan hij kon oor-deelen over den aangeklaagde, zoo had hij den beschuldigde tot den viervorst verwezen. Doch zie ! ook deze had niets, dat des doods schuldig was, in Hem gevonden. Daarom vindt hij zich genoodzaakt den gevangene los te laten. Wijl zij echter met zoo veel aandrang zijne schuld vooropzetten, zal hij hun ten genoege Hem vooraf kastijden of doen geeselen.

Tot nu toe had Pilatus uitwendig althans gehandeld volgens de eischen des rechts. Hij hadJesiisna ingesteld onderzoek onschuldig verklaard ; en toen men bleef aandringen. Hem tot een rechter verwezen, die beter in staat was, over zijne handelingen in Galilea te oordeelen. Desniettemin was toen reeds de kiem aanwezig van de zwakheid, die hij thans heeft begaan. Er schemerde in zijne handelwijze een streven door om aan de joodsche overheden geen reden van ontevredenheid te geven, eene ongeregelde menschenvrees en behaagzucht, die, waar het tot een beslissenden stap komt, werkelijk tot misdadige zwakheid overslaat, en hem van de wegen des rechts doet afwijken. Want hij heeft Jesus onschuldig bevonden, en ook Herodes, en toch om de joden niet te verbitteren, zal hij Hem

-ocr page 377-

103

eene vreeselijke geeseling laten ondergaan. Ongelukkige zwakheid! waartoe zal zij Pilatus eens voerenV

Het was gebruikelijk, dat de landvoogd bij gelegenheid van het Paaschfeest een gevangene losliet. Dit was een gewoonte, die zeer oud was, gelijk wij mogen denken op grond der beide omstandigheden, èn dat het volk de keuze had, èn dat de landvoogd verplicht was de keuze in te willigen. Het was namelijk eene joodsche gewoonte, (1) gelijk genoegzaam blijkt uit de woorden van den landvoogd ; en haar verband met het Paaschfeest doet haar natuurlijkerwijze beschouwen als eene blijvende herinnering aan het oorspronkelijke Paschen, toen de kinderen van Israël door Gods macht bevrijd werden uit de wreede slavenketenen van Egypte.

Juist wordt heden het Paaschfeest gevierd, en daarom moet ook heden die vrijlating geschieden. Daar het reeds omstreeks tien uur is, misschien iets later of iets vroeger, zoo stijgt nu eene geheele schaar den Sion op (2) tot voor het rechthuis, om van dit recht gebruik te maken. En zoodra die menigte talrijk genoeg is, begint zij, misschien niet zonder hiertoe op eenige wijze van zijnentwege aangespoord te zijn, Pilatus te verzoeken, om weder voor hen te doen, wat hij volgens gewoonte immer bij deze gelegenheid voor hen had gedaan. Gretig neemt de landvoogd de schoone gelegenheid te baat, om Jesus, kan het, op deze wijze ongehinderd te laten gaan. Hij had juist drie groote booswichten in den kerker, die ten kruisdood veroordeeld waren en op dien eigen dag hunne doodstraf zouden ondergaan, opdat die afschuwelijke strafoefening bij het Paaschfeest een waarschuwend voorbeeld zou zijn voor al de joden, welke te Jerusalem waren

(1) Est autem consuetudo vobis ; het is bij w gewoonte, Jo. XVIII: 39.

(2) De codex Vatic, en Cantab rig. lezen hier met de vulgaat dvafiaq. ascendisset. Mc. XV: 8. Deze lezing wordt ook door Tisschendorf verkozen boven die van dva^orjtraz-

-ocr page 378-

104

samen gestroomd. De misdadigste der drie was een zekere Jcsus Barabbas , (1) die niet slechts met de twee overigen aan een oproer had deelgenomen, maar ook betrokken was in een moord (vgl. Le. XXTTT: 19), door hen te dier gelegenheid in Jerusalem gepleegd. (2) Doch juist omdat hij zoo groote booswicht was, liet Pilatus hem door zijne krijgsknechten uit den kerker halen en plaatste hem naast Jesus in het gezicht van het geheele volk. quot;Welk een verschil! De Onschuld in persoon, en daartegenover de afschuwelijkste misdaad ! De Gever des levens en daar tegen over een moordenaar! de Heilige der heiligen en daar tegenover een, die bij God en de menschen was geschandvlekt. Pilatus vertrouwde dan ook op dit zoo sprekend verschil en tegelijkertijd op de gunstigere gesteldheid des volks, daar hij had bespeurd, dat dit niet zoo zeer aan Jesus\' beschuldiging deel had, maar dat het vooral de overpriesters waren, die uit nijd Hem hadden overgeleverd.quot; Daarom sprak hij , terwijl hij op Jesus en Barabbas wees, tot de opgekomene volksmenigte : Het is hij u (3) e,ene, gewoonte, dat ik u op het Paaschfeest eenen vrijlaat, Wien wilt gij, dat ik u

(1) Origen. tract. VIII in Mt. zegt: »in vele exemplaren wordt niet «aangetroffen, dat Barabbas ook Jesus werd genoemd, en misschien te «recht, opdat de naam van Jesus aan geen booswicht toekome. De Armenische, Syrische en Jerusalemsche vertaling lezen Mt. XXVII: 16, 17 : Jesus Barabbas. Ofschoon wij nu juist deze lezing niet volgen, mogen wij toch hetgeen zij meldt, om hare oudheid voor waar houden.

(2) De grieksche tekst heeft (Mc. XV: 7): er was een, die genoemd werd Barabbas, gevangen met zijne mede oproerigen. De vulgaat heeft: daar was er een, die genoemd werd Barabbas, die met oproerig en gevangen was.

(3) Het reeds gezegde wordt bevestigd door deze plaats bij Maimon. hilc Sanhedrin c. 7 : Mos est antiquus tempore Paschatis, quo di.nittunt ex vinculis eos, qui levius delictum commiserunt, ut gaudere possint gaudio magno i. e. solemniter in festo Paschatis cum universo populo. At scele-ratos homines ac peccatores per eminentiam exhilarant quidem tempore Paschatis, sed remittunt hos velut operarios iniquitatis, in domum custo-diae, ut morte plectantur.

-ocr page 379-

105

vrijlaat, Barabbas of Jesus, die Christus genoemd wordt ? (Mt. 17) Zal ik u den honing der joden vrijlaten ? (Mc. 9. Jo. 39).

Doch al streefde Pilatus er naar om Jesus te bevrijden, al zocht hij daartoe tegenover den hoogen raad den steun des volks, al koos hij ook den hate-lijksten booswicht, om des te zekerder te slagen, hij begint hier op nieuw eere uiterste onrechtvaardigheid, en eene onbedachtzame zwakheid. Hij liet een mensch, wiens onschuld hij had erkend , aan den willekeur des volks over. Hij deed het recht, dat men aan J. C. verschuldigd was, voorkomen als eene genade, en het leven, indien men het Hem liet, als eene vergiffenis der misdaad. Hij stelde Jesus gelijk met een booswicht, en wel met een grooten booswicht, en door Hem met dezen op eene lijn te plaatsen, verklaarde hij Hem in zekeren zin schuldig, en gaf hij eenen, die niets had misdreven, aan de miskenning en verachting des volks prijs.

Maar nog verder zou de menschenvrees den zwakken en behaagzieken landvoogd heenvoeren. Terwijl hij plechtig op zijn rechterstoel nederzit, om eene beslissing te nemen en, gelijk hij verwachtte, Jesus op het verlangen des volks vrij te laten, werd hem onverwachts eene boodschap gebracht van wegens zijne echtgenoote. Zij waarschuwt hem zich niet te vergrijpen aan den onschuldige, die voor hem te recht staat. Laat u niet in met dien rechtvaardige, zoo luidt het bericht, dat zij zendt, want veel heb ik heden in een droom-gezicht om zijnent wil doorstaan. Zoo legt Claudia Pro-cula, gelijk zij door sommigen (1) wordt genoemd, een treffend getuigenis van Jesus\' onschuld af. quot;Wanneer en hoe zij juist dien droom heeft gehad, is bij gemis

(1) Evang. Nicodemi c. 2, en Nicephorus Callistus hist. I; 30. Zij helde volgens het apokriefe evangelie van Nikodemus tot denjoodschen godsdienst over. Het is onmogelijk te beslissen, in hoeverre deze berichten geloof verdienen.

-ocr page 380-

106

van bericht uit het evangelie niet te bepalen. Het gebied der gissingen is hier ruim; dit eene is slechts zeker, dat Gods Voorzienigheid Zich in dien droom en in die waarschuwing sprekend vertoont. Het is eene waarschuwende stem des Heeren, die Pilatus door tus-schenkomst zijner edelaardige echtgenoote in het oor klinkt, om hem te weerhouden van het vreeselijk onrecht, dat hij op het punt staat te bedrijven.

Intusschen maken de leden van den hoogen raad zich de weinige oogenblikken, gedurende welke Pilatus zich bezig houdt met dit wonderbare bericht zijner echtgenoote, ijverig te nutte, om het volk. zooveel zij kunnen, tot den eisch van Jesus\' dood en van Barab-bas\' vrijlating aan te sporen. Zij bezigen het onhandige voorstel van den landvoogd als een geschikt middel om hem Jesus te doen kruisigen. Daar zij zeiven in grooten getale zijn opgekomen en eene groote menigte hunner dienaars en gunstelingen zich onder het volk bevindt, kan hun dit niet moeielijk vallen. Als derhalve na uet gemelde oponthoud Pilatus eindelijk voor de tweede maal hen vraagt; ivien van de twee wilt gij, dat u ivorde vrij gelaten f gaat er een dringend geschreeuw op uit de geheele schaar : Barahbas! weg met dezen, en laat ons Barabbas vrij. Gruwelijke woorden die de bevrijding van den booswicht, van den oproerling, van den moordenaar eischen, en tevens den dood van Israels onschuldigen Weldoener, van Gods Eengeboren Zoon, Die uit verachting niet eens wordt genoemd.

Pilatus zelf huivert bij het vernemen van dien on-verwachten kreet. Nog zoekt hij hen tot andere gedachten te brengen : wat wilt gij, vraagt h\'j , dat ik dus doe met Jesus, die de Christus genoemd wordt (Mt. v. 22), met den koning der joden ? En daar stijgt, terwijl het eenparig geschreeuw Pilatus\' woord onderbreekt, de noodlottige bloed kreet ten hemel, die de engelen doet gruwen, de hel doet juichen en de aarde schand-

-ocr page 381-

307

vlekt; kruisig Hem, kruisig Hem! Doch Pilatus deinst terug, waar hij denkt aan de schandelijke onrechtvaardigheid zulker daad. Ten derde male verklaart hij Jesus onschuldig (vgl. Lc. XXIII; 4, 14, 22) en zegt: maar wat kwaad heeft Hij gedaan ? ik vind geen schuld des doods in Hem; ik zal Hem dus kastijden en loslaten. 0 hoezeer verdiende Israël het bittere verwijt van den prins der apostelen (Hand. III: 14, 15); gij hebt den Heilige en Rechtvaardige geloochend en geëischt, dat men u een moordenaar zou schenken, maar den Gever des levens hebt gij vermoord. Hoe ongelukkig is de zwakheid van Pilatus, die de onschuld gelijk stelt met de misdaad, ja haar opoflert en daar beneden plaatst, om niet aan de joden te mishagen 1

§ 2. De geeseling.

Jo. XIX: 1 vergeleken met Mt. XXVII: 26 en Mc. XV; 15.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, 10—11 uur.

Om de onstuimige verbittering der joodsche overheden, die steeds dreigender houding aannemen, te stillen en zoo mogelijk Jesus van den kruisdood te redden, ging nu de landvoogd bij het eerste onrecht, Jesus door de smadelijke ten achterstelling bij Barabbas aangedaan, een tweede, nog veel vreeselijker, voegen door Jesus op de pijnlijkste wijze te laten mishandelen. Hij gaf niet toe , dat de Heer des doods schuldig was , (Lc. XXIII; 15, 22) en wilde Hem dus niet laten kruisigen. Doch omdat de joden Jesus zoo schuldig vonden en zoozeer op zijne bestraffing aandrongen, zou hij, ofschoon hij niet met hen instemde, om hun eenige voldoening te geven, Hem kastijden en voor die vermeende schuld laten boeten (1). De bedoeling

(1) Bij de Romeinen bestonden drie soorten van geeseling. De eerste was die, welke door de ter dood veroordeelden werd ondergaan, vooraleer zij gekruisigd werden. Zij was zoo wreedaaidig, dat velen er

-ocr page 382-

108

van Pilatus was dus niet, deze vreeselijke foltering toe te passen, gelijk zulks bij de Romeinen geschiedde, ten einde Jesus, als bestonden er tegen Hem vermoedens, tot bekentenis te brengen, Evenmin was het zijn inzicht Jesus de geeseling te laten ondergaan als het begin der uitvoering van de kruisstraf, zoo als bij de Romeinen gebruikelijk was ten opzichte van hen, die geen Romeinsche burgers waren. Hij zou dan van geen loslaten gesproken hebben. Neen, hij wilde de geeseling toepassen als eene op zich zelf staande straf, ten einde Jesus van den kruisdood te redden en den joden tevens te voldoen. De zwakke rechter zwichtte voor de vrees van Jesus\' vijanden, en gaf alleen, omdat zij Jesus bleven aanklagen, het bloedige bevel. Zoo werd de eindeloos Rechtvaardige de prooi van het schreeuwendste onrecht, de eengeboren Zoon des Vaders schandelijk onteerd en vernederd als een slaaf, de liefderijke Verlosser overgeleverd aan de smartelijkste foltering.

Op Pilatus\' wenk (2) voeren vier Romeinsche krijgsknechten, die volgens gebruik den gevangene voor zijn rechterstoel omgeven, den geboeiden Heiland naar den

reeds onder bezweken en stierven, voordat het nog tot de kruisiging kwam. (Flav. Jos. Bell. II: 14, 9. Philo in Flacc. § 10) Van deze is hier geen spraak, daar Pilatus zegt: ik zal Hem kastijden en Hem loslaten. De tweede soort was, die welke gebruikt werd, om de aangeklaagden tot bekentenis te brengen; quaestio fer tormenta. Hand. XXII: 34 wordt verhaald, hoe men Paulus ten dien einde wilde geeselen. Ook van deze kan hier geen spraak zijn. De derde soort van geeseling was eene straf voor misdrijven, die aan de slaven en vreemdelingen, vooral in de wingewesten, voltrokken werd. Romeinen mochten volgens de lex Porcia en Sempronia deze outeerende straf niet ondergaan. Van deze geeseling alleen kan hier spraak zijn. Dit blijkt ook uit het latijnsche Lc. XXIII; 16 en het Grieksche 7ra;efeult;ra? ibid. v. 10 en 22.

(2) Ik volg hier het verhaal van Joannes, die de geeseling mededeelt voor de bekrachtiging van het doodvonnis. Hiermede stemt het verhaal van Lukas overeen, daar Lc. XXIII: 23, 24 harmonieert met Jo. XIX: 12—10, en alzoo de kreten vermeldt, die na de geeseling plaats grepen, en eindelijk de toestemming van Pilatus tot het doodvonnis afdwongen.

-ocr page 383-

109

geeselpaal of zuil, die zich, of op het terras niet verre van den rechterstoel, of althans op het forum voor het prefcorium bevindt. (1) Jesus biedt niet den minsten wederstand. Als een geduldig lam, dat ter slachtbank wordt geleid, doet Hij zijnen mond niet open. Hij is bereid om de schandelijke ongeregeldheden van\'s men-schen vleesch te boeten door de gruwelijkste marteling in zijn eigen Groddelijk vleesch te ondergaan, (ps. 37, 18)

Zonder eerbied, zonder ontzag, zonder de minste schaamte grijpen de ruwe Romeinsche krijgsknechten

Met Jo. XIX; 13—16 moet volgens deze rangschikking ook overeen gebracht worden Mt. XXVII: 23 en Mc. XV : 14. Het is waar, dat Mat-theus en Markus de geeseling en kroning melden na het doodvonnis, en dit laa\'ste verhalen onmiddellijk na de gelijkstelling met Barabbas. Doch er schijnen twee redenen te bestaan, waarom deze evangelisten van de orde der gebeurtenissen zijn afgeweken. 1° Wilden zij het verhaal van het gebeurde met Barabbas, die eerst na Jesus\' doodvonnis werd losgelaten, niet onderbreken door de mededeeling aangaande de geeseling en kroning. 2° Omdat de geeseling, die gewoonlijk aan de kruisstraf voorafging, bij Jesus niet herhaald werd voor de kruisiging, daarom brengen zij haar hiermede onmiddellijk in verband. De door mij gevolgde rangschikking is dus :

Mt. XXVII 22—23: Mc. XV: 12—14; Lc. XXIII: 20—22 ;

Jo. XIX: 1.

» 27—30; » 16—19; gt; 2—3.

» 4—14.

» 23—26; » 14—15; » 23—25 gt; 15—16.

» 31-32; » 20—21; » 16—17.

(1) De geeseling geschiedde aan een paal of zuil (Lipsius de cruce II: 4). Omdat het eene onteerende straf was, werd zij openlijk op het forum voltrokken. Dit blijkt uit Cicer. in Verr. V-63 en uit Gellius X; 3. palus desiitutus est inforo ; in foro medio nudari. Dat krijgsknechten hier optreden in de plaats der liktoren, ligt in den aard der zaak. De dik-tator had 24 liktoren, de consul 12, de pretor 6 ; doch andere overheidspersonen hadden ze niet, en dus ook niet de procurator Pontius Pila-tus die buitendien onder den pioconsul van Syrië stond. Dat krijgsknechten de geeseling voltrokken, is niet zonder voorbeeld (Sueton. Calig. 26. Act. XXII: 24—26). Daar eene wacht uit vier krijgsknechten bestond, is de gissing niet geheel ongegrond, dat hier slechts vier krijgsknechten aanwezig waren; met zekerheid is het getal niet te bepalen.

-ocr page 384-

110

Hem aan, en rukken Hem onder het oog van tet ge-heele volk de kleederen van het maagdelijk lichaam. (1) O welke pijnlijke schaamteloosheid verduurt hier de vlekkeloos Heilige, en op hoe vernederende wijze boet Hij voor de schandelijke zedeloosheden der wereld ! Handen en voeten worden Hem mededoogouloos gakne-veld met koorden, die men door den stevigen ring der lage geeselzuil haalt, zoodat de Goddelijke Lijder Zich niet kan bewegen en ia de erbarmelijkste houding voorover gebogen staat. Alles is thans tot de gruwzame foltering gereed. De beulen, ruw en zonder gevoel, grijpen naar de schrikwekkende werktuigen, en beginnen zonder medelijden het bloedige werk, dat zij waarschijnlijk reeds meer dan eens hebben verricht. De woedende kreten der joden , de bittere bespotting van Herodes, de schandelijke ten achterstelling bij Barabbas hebben het laatste overblijfsel van mensche-lijkheid uit hun hart verdreven. Met krachtig gespierden arm heffen zij de snerpende riemen, aan den top met ijzerspitsen voorzien, (2) in de hoogte, en nu vallen de vlijmende slagen op het weerlooze lichaam van den Grodmensch neder. Op en neder gaan de geeselen; slagen volgen op slagen ; en bij eiken slag zijn er even zoovele bloedige wonden als er ijzeren spitsen zijn. Jesus\' heilig lichaam bezit de hoogste volmaaktheid, de fijnste teergevoeligheid, daar het van den H. G-eest ontvangen, on met de Goddelijke natuur zoo

(1) Jesus werd waarschijnlijk gegeeseld in den toestand, waarin Hij werd gekruisd. De joodsche lendendoek alleen bleef Hem om de lendenen geslagen.

(2) Het waren dus geen roeden van olm of berk, waarmede de Uk-toren gewapend waren, en waarmede slechts de slaven en vreemdelingen en niet de Romeinen getuchtigd werden. Macer in L, XLVIII: 19. Cicer. pro Rabirio c. 4. Neen het waren geeselen, gelijk het woord van het evangelie duidelijk geeft te verstaan. Deze geesels waren lederen riemen, dikwerf aan den top met ijzerspitsen of scorpioenen, soms met beentjes, en later onder de Romeinsche keizers met looden balletjes voorzien. Vgl. Handel. XXII: 24.

-ocr page 385-

Ill

innig vereenigd is. En zie! het wordt op de wreed-

zaamste wijze van een gereten! Hier zijn de geesel-slagen niet tot veertig bepaald, maar hier is alles aan den baldadigen moedwil der krijgsknechten overgelaten ; en wie zegt ons , wanneer die moedwil verzadigd is ? quot;Wie zegt ons hoevelen dier slagen de G-od-mensch verduurt, hoeveel wonden Hem die ijzerspitsen toebrengen ? O voorwaar! hier is geen vorm noch schoonheid meer aan den schoonste der menschenbin-deren ! Hier is Hij afzichtelijk geworden en als het uitvaagsel der menschen. Zijn geheel lichaam is verscheurd, en zijn Goddelijk bloed stroomt langs alle kanten ! Terecht noemt Hem Isaïas den man van smarten en met het lijden vertrouwd ; want ach ! hoe gruwzaam, hoe pijnlijk, hoe diep vernederend en hoe schreeuwend onrochtvaardig is deze mishandeling van het Woord Gods, Dat de engelen aanbidden ! Daar staat Hij als een melaatsche, een door God geslagene en vernederde (Is. LUI: 2—5). \'t Is geen mensch meer, maar als een aardworm, (Ps. XII.) die onder den voet is getreden; zoo deerlijk is zijn toestand 1 zoo krimpt Hij ineen onder het lijden !

Wie is getuige van dit akelige schouwspel, zonder innig bewogen te worden ? quot;Wiens oog ontvloeit geen traan, wiens hart wordt niet overstelpt van droefenis, waar hij de Goddelijke zachtzinnigheid door de on-menschelijke wreedheid, de aanbiddelijke onschuld door de verregaandste boosheid, de oneindige liefde door de ongevoeligste hardvochtigheid zoo gruwelijk ziet doorkerfd en verscheurd? En wie vooral treurt en weent niet, wanneer Hij het bedenkt; om onze. ongerechtigheden is Hij verwond; om onze, misdaden is Hij verbrijzeld. De kastijding voor onzen vrede is op Hem; en ons gewordt door zijne striemen genezing ? (Is. 1. c.) Voorwaar indien door die striemen ons de genezing gewordt, dan moet de wonde wel vol bederf zijn, voor welke de Goddelijke quot;Wijsheid zulk een heilmiddel heeft ge-

-ocr page 386-

112

bozen! En toch zegt deH. Cyprianus ; „er werd geen an-„der geschikt geneesmiddel gevonden voorzoo verschrik-„kelijke wonde dan de kostbare balsem van het Goddelijk „bloed, dat Jesns vergoot nit al de wonden, waarmede „zijn aanbiddelijk lichaam werd overdektquot;. Jesus\' vleesch was rein, maagdelijk, Goddelijk, maar ons vleesch was onrein, vol bederf, oproerig tegen God, en moest daarom getuchtigd worden. De Goddelijke Geneesheer heeft door zijne onverdiende geeseling een bad van zijn allerheiligst bloed ons bereid tot genees- en tot behoedmiddel voor het ellendige bederf, dat ons aankleeft. In de gedaante van den slaaf heeft Hij zich het harde en pijnlijke offer getroost, zelf en alleen de wijnpers tot den laatsten druppel te treden, opdat ons de kostbare wijn zou geworden, die geneest en versterkt, en die maagden voortbrengt, onbezoedeld en rein.

§ 4. De Spotkoning.

Mt. XXVII; 27-30; Mc. XV: 16-19; Jo. XIX; 2—3.

Vjijdag, 15 Nisan, \'s morgens 10— 11 uur.

De bloedige geeseling is gestaakt. De boeien, die Jesus aan den geeselpaal (1) hebben gekneld, zijn ontbonden, en nu nemen zijne beulen Hem in hun midden, en voeren Hem naar het binnenhof van het pre-

(1) Deze geeselzuil werd vroeger te Jerusalem op den berg Sion met andere overblijfselen aangetroffen. Dit meldt de H. Gregorus van Na-zianzen, (or-1 in Jul.) de H. Paulinus, (epist. 34) de H. Gregorius van Tours, (L. 1 de glor. mart. c. 7.) de Eerwaardige Beda (de locis Sanctis. c. 3) de H. Prudentius etc. Ook de H. Hieronymus getuigt (epist. 16), dat de H. Paula, de dochter der Scipios, van het H. Graf naar den berg Sion is getogen, en daar den geeselpaal nog bezoedeld met het bloed der Heeren, heeft gezien. Deze kolom toont men thans te Rome achter een ijzeren hek in een kleine kapel van de kerk der H. Praxe-des. Volgens een opschrift boven de kapel werd zij er gebracht in \'t jaar 1223 door den kardinaal Joiinnes Colonna, legaat van den H. Stoel in het Oosten onder paus Honorius III. Zij is van grijs marmer en an-

-ocr page 387-

113

toriuni (1) Hier wordt de geheele krijgsbende, die Jesus heeft gevangen genomen en in de aangrenzende custodia (Jos. Bell. II: 13. 1 en 17, 8) gelegerd is, bijeengeroepen. Zij hebben vernomen, dat Jesus beschuldigd is door de joden, zich voor koning te hebben uitgegeven; zij hebben Hem als zoodanig door Herodes zien bespotten, en door den landvoogd niet zonder eenigen schimp hooren noemen; zij hebben Jesus daarom moeten geeselen. Wordt Hij door allen gesmaad., ook zij willen hun spotlust aan Hem vieren. Noemt Hij Zich Koning, welaan, zij zullen Hem als koning inhuldigen. De koninklijke sieraden en de koninklijke vereering, zij zullen Hem niet ontbreken.

Met woeste vreugde stellen zij zich aan het werk om Hem als koning uit te dossen. Eenigen halen een versleten scharlaken krijgsmantel {!) ten voorschijn en omhangen Hem daarmede als met het vorstelijke ge-

derhalven voet hoog. Zij heeft aan hare basis een voet in doorsnee en slechts acht duim aan het boveneind. Zij is voorzien van den ijzeren rin, waaraan men de misdadigers vastbond. Wellicht niet zonder grond meenen eenigen, dat het slechts het bovendeel zou zijn van de kolom, waarvan de H. Hieronymus spreekt. Aldus Butler ; feestdag der vinding van het H. Kruis in de aanteekening. Mgr. Gaume echter (les trois Rome) geeft haar drie voeten lengte. Volgens anderen zou de zuil der geeseling worden bewaard in de kapel van Maria\'s verschijning in de kerk van \'t H. Graf te Jerusalem. Mgr. Mislin zegt zelfs, dat zulks algemeen wordt aangenomen. De Zeer Eerw. Pater Pierik geeft aan de geeselzuil twee voeten lengte. Ingezien dit alles, acht ik het waarschijyi-Hjk, dat de zuil te Rome wellicht de zuil is uit het huis van Kaiphas, en die van \'t heilig graf te Jerusalem als de ware geeselkolom moet worden beschouwd.

(1) Dit geven Mt. en Mc. duidelijk te kennen. Misschien werd Jesus hier heen gevoerd, omdat in dien tusschentijd de twee, die met Christus gekruist zijn, moesten gegeeseld worden. Van eene geeseling toch dezer personen op Golgotha lezen wij niets.

(2) Mt. XXVII : 38 chlamidem coccineum. Het was een soort van rond Pallium, uit wol vervaardigd en met coccus (scharlakenrood) ge-verwd. liet werd op den rechterschouder met een haak vastgemaakt, zoodat het slechts de linkerzijde bedekte. Zie Friedlieb. Mc. en Jo. noemen het kortweg purper^ omdat het purperen gewaad der koningen er door werd beteekend.

8

liet Offer vanJ.C. II

-ocr page 388-

114

waad, dat eigen is aan de koningen. Anderen bereiden Hem een koninklijke diadeem. Zij grijpen takken van scherp gedoomde distelen, waarvan men verschillende soorten in Jerusalems omstreken aantreft. Zij vlechten ze tot een krans of liever tot een doornen hoed, en drukken dien op het Goddelijk hoofd van den Verlosser. Ziedaar zijn vorstelijke kroon. (1) Hun spotkoning moet ook gesierd zijn met een scepter. Juist is een rietstok voorhanden. Deze wordt in allerijl aangebracht, en den Heer in de rechterhand gegeven. Op deze wijze doen zij Hem nederzitten in hun midden, wellicht op een steen , die den koninklijken troon vervangt.

Na aldus Jesus met afschuwelijke wreedaardigheid en de hoogstmogelijke minachting te hebben uitgedost, beginnen de baldadigen om strijd. Hem vorstelijke hulde te brengen. Spottend knielen zij voor Hem neder, gelijk dit in het Oosten bij de inhuldiging van konin-

(1) Deze kroon werd tegelijk met het kruis, den titel, de nagelen en de lans door de H. Helena, moeder van Konstantijn den Groote, in het jaar 32G teruggevonden ; waaruit men afleidt, dat Jesus met ds doornen kroon gekruisd is, daar zij volgens joodsch gebruik met de oveiige werktuigen van Christus\' dood begraven was. Zij werd door de H. Helena met een gedeelte van het heilig kruis naar Konstantinopel gezonden Toen ten tijde der kruistochten keizer Boudewijn II de stad Konstan. tinopel in gevaar zag, in de macht der Turken te vallen, gaf hij de doornen kroon, die hij bij de inname der stad 1204 in het paleis I!u-colean gevonden had, ten geschenke aan zijn bloedverwant den H. Lode-wijk. Hij wilde hiermede de diensten erkennen, door dien vorst aan hel Oosten en Palestina bewezen. De kostbare schat, in eene verzegelde doos gesloten, werd over Venetië naar Frankrijk gebracht en door den heiligen koning ter bewaring neêrgelegd in de kapel (la sainte chapelle), die hij daartoe had doen bouwen. Thans wordt zij bewaard in de notie dame te Parijs. Eenige doornen heeft men er afgenomen om ze aan andere kerken te schenken. Andere doornen van nagenoeg gelijken vorm heeft men er mede aangeraakt en vervolgens rondgedeeld. Deze doornen zijn over \'t algemeen zeer lang. De h. Schrift noemt slechts een algemeenen-naam akanthos, en het is hierdoor moeilijk te beslissen, welke soort juist gebruikt is. Overigens wordt de Rhamnus Paliurus, liet Lycium Spino-sum, etc. door verschillenden aangewezen.

-ocr page 389-

115

gen gebruikelijk is, en roepen juichend Hem toe : Wees gegroet, Koning der joden! Van lieverlede wordt hun wreedaardige spotlust de verregaandste moedwil en de grievendste onmensehelijkheid. Zij naderen den Heer, rukken Hem den rietstok (1) uit de rechterhand, en slaan met dien spotscepter op de doornen kroon, zoodat de pijnlijke doornen nog dieper in Jesus\' hoofd dringen. Zij ontzien zich niet Hem vlak in het aangezicht te slaan. (2) En om bij de ijsselijkste smart den krèn-kendsten smaad te voegen, bespuwen zij Hem. Door spotmantel, spotkroon en spotscepter stellen zij de gewaande waardigheid, roem en macht van dien gewaan-den Koning ten toon, en hoongroeten, rietslagen, en bespuwing zijn de erkenning, de liefdeblijken, de eerbetuigingen, die zij hem waardig keuren.

Doch terwijl zij den Heer denken te bespotten, zijn zij juist in de hand der Goddelijke Voorzienigheid de werktuigen, die Hem in zijne Goddelijke Grootheid als Koning verheerlijken. Want niet wat koninklijk is voor het oog der wereld, maar wat koninklijk is voor het ocg van God, eert in Hem het geloof. Hoe kunnen zij den Koning der armoede, Die toen Hij rijk was, behoeftig werd, en het paleis der hemelen voor een stal, zijn lichtgewaad voor de windselen, zijn overvloed voor gebrek verwisselde, beter aanwijzen dan door een ver sleten krijgsmantel ? Hoe kunnen zij den Koning der smarten. Die Zich zijne Kerk verwerft door zijn bloed enheerschen zal over zijn rijk door zijn pijnlijk offer, sprekender aantoonen, dan door zijn Goddelijk hoofd te omvlechten met de doornen, in Adam door ons verdiend? Welken scepter, rijker aan zinnebeeldige be-teekenis, kunnen zij den wonderbaren Koning in de hand geven. Die zal heerschen door zwakheid en geringheid, dan een riet. Welke hulde is beter instaat.

(1) Waarschijnlijk het arJonax , dat veel wordt aangetroffen in 1\'aleslina, en waaruit wandelstokken worden vervaardigd.

(2) Alapas. Het grieksche woord beteekent : slagen met eene roede

-ocr page 390-

116

om den Goddelijken Koning van zachtmoedigheid en vrede te kenmerken, dan hunne spotternij ? Terecht zegt de H. Ambrosins: „al spotten zij en al gelooven „zij niet met het hart, toch ontbreekt aan Christus zijne „eer niet. Hij wordt gegroet als Koning ; Hij wordt be-„kroond als overwinnaar; Hij wordt aanbeden als Godquot;.

§ 5, Jesus aan het volk voorgesteld en ter dood veroordeeld.

Mt, XXVII: 24—25 ; Mc. XV: 15 ; Lc. XXIII: 23—25 ; Jo. XIX: 4—16.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maait, omstreeks 11 uur.

Onder al de personen, die den Goddelijken Lijder van het nieuwe verbond hebben algebeeld, bekleedt voorzeker de groote lijder van het oude verbond eene eerste plaats. Was Job door zijn vroegeren rijkdom, aanzien en geluk het treffend beeld van den mensch-geworden Zoon des Vaders in zijne oneindige heerlijkheid, grootheid en gelukzaligheid, niet minder was hij het door zijne latere ellenden. Zoo rijk hij vroeger was, zoo zeer werd Hij later van alle goederen beroofd, en ten prooi aan de uiterste armoede. Werd hij vroeger geeerd, later werd hij door allen verlaten, door zijne vrienden beschuldigd, en zelfs door zijne echtgenoote bespot. En wie schildert zijne vreeselijke smart, waar hij nederzit op een mesthoop, van het hoofd tot de voeten afzichtelijk met zweren overdekt ? Is dit niet de treffende gelijkenis van J. C., Die daar nederzit in den deerlijksten toestand in het voorhof van Pilatus\' rechthuis ? Van alles is Hij beroofd ; door zijne vrienden is Hij verlaten, door hen, die Hem omgeven, wordtHij op de krenkendstewijze veracht en bespot. Van dekruin des hoofds tot den zool zijner voeten is er geen gezondheid aan Hem, en is Hij met bloedige wonden overdekt. Eu toch evenals Job klaagt Hij niet, zegent Hij zijn Goddelijken Vader, enverzuchtHij, terwijl eenhemelsch geduld

-ocr page 391-

117

ons in geheel zijn doen en laten tegenstraalt, niettegenstaande liet uiterste lijden : gelijk het den Heer heeft behaagd, zoo is het geschied ; de naam des Hoeren zij geprezen. Ja flauw worden de kleuren van het beeld, waar wij den Man van smarten, dien het aanwees, hier in zijne akelige werkelijkheid aanschouwen. Nooit zag de aarde zulk een lijden , nooit zulk een onbeschrijfelijk geduld !

Nadat de Heer daar in het voorhof een tijd lang de prooi der hevigste smart, de speelbal van den ruwen moedwil der krijgsknechten geweest was, werd Hij eindelijk op bevel van Pilatus weder in de rechtzaal gebracht. Zoodra nu de landvoogd Jesus in den deer-niswaardigen toestand zag, waarin Hem de gruwelijke marteling, die hij Hom had laten ondergaan, had gebracht, begaf hij zich met Jesus naar buiten tot de joden, om dezen door het gezicht der ondergane vernedering en straf tot loslating van den onschuldigen gevangene te bewegen. Andermaal verscheen de landvoogd op het terras voor het paleis in de tegenwoordigheid der vergaderde menigte, die met ongeduld stond te wachten, en werd gevolgd door Jesus, met doornen gekroond en omhangen met den purperen krijgsmantel. (1) Ziet! zoo sprak Pilatus het vo!k toe, ik hreng Hem tot u huiten , opdat gij wttet, dat ik geen schuld in Hem uind. Met deze woorden gaf hij te verstaan, dat hij den Heer ging loslaten, gelijk hij had aangekondigd. Tevens vertrouwde hij, dat dit besluit hunne volle goedkeuring zou wegdragen, daar hij voor zioh in Jesus geen schuld vond, en de gevangene, mocht Hij in hun oog hebben misdaan mot zich voor koning uit te geven , daarvoor thans overvloedig had geboet. En om hen hiervan te overtuigen wees hij op

en gegeeselden en bloedigen Zaligmaker, die daar

(1) Opmerkelijk is het, hoe juist Jorinnes den geheelen rechtshandei bij Pilatus verhaalt. Zoo wel deze aanschouwelijke trek als het geheelc volgende tafereel Jo. (XIX: 4—15) verraadt den ooggetuige.

-ocr page 392-

118

voor hen stond, uitgedost als een spotkoning, en riep hun toe, om hen tot deernis op te wekken; zietdpnmensch!

Welk een treurig schouwspel en wie siddert niet, die den blik op Jesus vestigt, terwijl Pilatus uitroept: ziet den mensch! Alle zijne ledematen zijn verscheurd, zoo dat zijne beeneren als te tellen zijn. (Ps. XXI) Dat teergevoelige hoofd is met pijnlijke doornen omvlochten ! dat schoone gelaat is door de kaakslagen, het afvloeiende bloed, de uitputting en de smart geheel ontsierd ! De spotternij heeft Hem op do sprekendste wijze met hare eereteekenen toegerust, en zijn gewaand koningschap door de grievendste vernedering voor aller oogen getuchtigd. De wreedheid heeft Hem met pijnen, het onrecht met schande, de spotternij met verachting, de ondank, de miskenning, de boosaardigheid met onbeschrijfelijke droefenis overladen. Ziet den mensch ! Hij is geworden als een aardworm en niet als een mensch. En toch ofschoon onschuldig, ofschoon de Heilige bij uitnemendheid, ofschoon de machtige Zoon van Grod, staat Hij daar zonder het minste verzet, met eene lijdzaamdeid, met eene onderwerping, met een geduld, die onze hoogste bewondering afdwingen, en daar zij ons heil, onze herstelling, ons geluk ten doel hebben , onze harten onwederstaanbaar stemmen tot de innigste liefde en de teederste gewaarwordingen. O (iod ! in welken toestand heeft de liefde haar Godddelijk slachtoffer gebracht, en met welke zachtzinnige gelatenheid om onzentwille vervuld ! Ziet _ den mensch! Waarlijk Deze is het Lam Gods! Deze ï is het, die de zonde der wereld wegneemt, en als een lam doet Hij zijnen mond niet open. Hoe waarachtig is hier de getuigenis van den H. Petrus: Christus heeft voor ons geleden en u een voorbeeld nagelaten, opdat gij zijne voetstappen zoucit volgen, Hij, Die geen zonde heeft gedaan en in Wiens mond geen bedrog is gevonden; Die toen Hij gescholden werd, niet weder-schold; toen Hij leed, niet dreigde, maar Zich overgaf aan

-ocr page 393-

119

die Hem oureclitvaardig oordeelde. (1 Petr, II: 21—23)

Pilatns intusschen door Jesus onschuldig te verklaren en tocli als het ware het medelijden der joden af te bedelen, voegt eene nieuwe zwakheid bij al de zwakheden, die hij reeds aan den dag heeft gelegd. Wat verhindert den landvoogd Jesus vrij te spreken en zonder omzion los te laten ? Niets anders dan gunst-bojag en menschenvrees. Reeds ten vierden male verklaart hij openlijk en plechtig geen schuld in Jesus te vinden. Maar hij denkt den joden te zullen mishagen. In plaats van zijn gezag als rechter te doen gelden smeekt hij hen den onschuldigen Verlosser, Dien Hij om hunnentwille gemarteld heeft, toch uit medelijden te laten gaan. Doch geweld, verre van zich door lafïe goedaardigheid en inschikkelijke zwakheid te laten ontwapenen, wordt gewoonlijk slechts te stouter, en de overpriesters en de gerechtsdienaars, die hen aanhangen, bespeuren juist door dit beroep op hun medelijden, dat Filatus hen vreest. Nauwelijks heeft dan ook de landvoogd gesproken, en hebben zij Christus opgemerkt, of zij heffen het moordgeschreeuw aan; kruisig, kruisig Hem. Verbitterd over die hal-starrigheid, antwoordt Pilatus niet zonder bijtenden spot: neemt gij Hem dan, en kruisigt gij Hem; ik toch vind in Hem geen schuld.

De joden antwoordden slechts met vernieuwden aandrang. Mogen zij ook al niemand ter dool brengen en veel minder kruisigen op eigen gezag, gelijk de landvoogd het hun spottend laat gevoelen, en is de gevangene ook al niet schuldig tegen de Romein-sche wet, toch, zoo voeren zij aan, heeft Hij Zich vergrepen tegen de joodsche wet. Door Zich Grods Zoon te noemen en Zich tot God te maken is Hij des doods schuldig. Wij hehhen eene ivet, zoo roepen zij dwingend uit, en volgens die wet moet Hij sterven, omdat Hij Zich zeiven tot Gods Zoon heeft gemaakt.

Bij net vernemen van deze beschuldiging, door

-ocr page 394-

120

welke de joden eigenlijk eerst de ware reden van hun drijven te kennen gaven, geraakte Pilatus nog meer in verlegenheid. Reeds was hij ontsteld om al hetgeen hij van Jesus had gezien en gehoord, en om het droomgezicht zijner echtgenoote ; doch deze nieuwe beschuldiging en de wonderbare kalmte van den gevangene vermeerderden zijne ontsteltenis niet weinig. Andermaal trad hij het rechthuis binnen, nam Jesus afzonderlijk in verhoor, en stelde Hem, om te zien wat Hij van zijne bovenschelijke afkomst zou zeggen, de vraag; van waar zijt Gij ?

Jesus echter zweeg. Pilatus had door zijne laffe onrechtvaardigheid zich het antwoord op zulk eene vraag niet waardig gemaakt, en de Heer wist, dat het nutteloos zou zijn aan dien heidenschen wcreld-ling het groote geheim zijner eeuwige geboorte en zijner menschwording te openbaren. Dit stilzwijgen beleedigde den trots van den landvoogd, en met zekere hooghartigheid voegde hij den Verlosser toe : Spreekt Gij niet tot mij ? loeet Gij niet, dat ik macht heb om U te kruisigen, en macht om U los te laten ?

Onbevreesd voor de bedreiging, die in deze woorden lag opgesloten en met Goddelijke waardigheid imt-woordde de Heer op die grootspraak : gij zoudt niet de minste macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom heeft hij, die Mij aan n heeft overgeleverd, grootere zonde. Niets zou Pilatus, zoo laat Jesus verstaan, tegen Hem vermogen, daar Hij Gods Zoon is, indien zijn Hemelsclie Vader zulks niet toeliet, en beschikte tot hoogere doeleinden; de landvoogd moge dus toezien. Daarom ook. wijl Hij als Zoon Gods zoo verheven is, heett de hooge raad des te grootere zonde, wijl deze tegen alle duidelijke kenteekenen in en uit boosaardigheid Hem aan Pilatus heeft overgeleverd, die slechts misdeed door zv. akheid en onwetendheid.

Dit antwoord is niet het antwoord van een gods-

-ocr page 395-

121

lasteraar; die kalmte, die waardigheid, die zacht-zinniglieid betooren niet aan een schuldige. Pilatus reeds lang overtuigd van den nijd en de boosaardigheid der overpriesters, gevoelt meer en meer, dat hij verplicht is dien beschuldigde los te laten.

De landvoogd begaf zich dus weder buiten tot de joden, en maakte hen van dit oogenblik mot nadruk zijn besluit kenbaar, Jesus vrij te laten. Deze maal sprak hij stellig, en de joden bemerkten dan ook, dat voor üen het grootste gevaar bestond hun slachtoffer te verliezen. En nu namen zij hun toevlucht tot een laatste middel, dat gekeel geschikt was om over den zwakken Pilatus te zegevieren. Dreigend riepen zij hem toe : indien gij dezen loslaat, zijt gij geen vriend des keizere; ivant een ieder, die zich tot koning maakt wederspreekt den keizer.

Sier wordt de landvoogd langs de gevoeligste zijde aangetast. Ontziet hij de joden, veel moer ontziet hij den keizer. Thans wordt hij vriend des keizers genoemd, (1) en is hij door dezen met eene gewichtige staatsbediening begunstigd. Doch laat Hij Jesus los, dan dreigen zij hem bij den Gesar te beschuldigen, van het keizerlijk gezag niet te handhaven, daar hij Dengene niet tuchtigt, Die zich tot koning maakt en alzoo den keizer miskent. Die beschuldiging zal hem de ongenade des keizers op den hals halen, en van zijn ambt berooven, en hij zal de vriend des keizers niet meer zijn.

Dit is te veel voor den Romein, die de vriendschap des keizers boven alles stelt. Vreest Pilatus de joden, hij vreest ze alleen om den keizer. Hij weet, hoe hoog de misdaad van gekwetste majesteit bij Tiberius aangeschreven staat, en hoe toegankelijk hij is om zijne verregaande achterdocht voor dergelijke

(1) Vriend des keizers was eene eeretitel van hen, die verhevene staatsbedieningen bekleedden, en die geacht werden den keizer toegenegen te zijn en wederkeerig diens gunst te bezitten.

-ocr page 396-

122

beschuldigingen. (1) Hij weet, hoe het met vele anderen bij Tiberius is vergaan; hoe deze wellicht reeds om meer dan eene reden niet te gunstig jegens hem gestemd is, en hoevele bezwaren de joden tegen hem bij den keizer kunnen inbrengen. Door deze enkele bedreiging is Pilatus dan ook overwonnen, en zoo spojdig hij opgetreden was om Jesus vrij te laten, zoo spoedig is hij bij het vernemen van dat ééne woord besloten, zich niet langer tegen de joden te verzetten, maar slechts de verantwoordelijkheid zooveel mogelijk van zich af te schuiven, en op de beschuldigers zelven terug te werpen.

Pilatus gaf bevel, dat men Jesus op nieuw buiten zou voeren, en maakte zich gereed om het vonnis openlijk en plechtig uit te spreken. Hij zet zich neder, gelijk het voorgeschreven was, op den draagbaren rechterstoel, van waar de Romeinsche overheden recht oefenden. Deze zetel was geplaatst voor de rechtzaal op eene verheffing van één of meer treden van het terras, dat om zijn prachtig met steenen geplaveiden vloer lithostroton en om zijne verhevenheid Gabbatha werd genoemd, en tot de zuilengalerij behoorde, die het pretorium in halven kring omgaf. (2) Het was ongeveer het zesde of vol-

(1) Van Tiberius schrijft Tacitus: majestatis crimen omnium accusalio-num complementum erat, (Annal. III, 38) en Suetonius; qui atiocissime exercebat leges majestatis.

(2) Lithostroton is een Giieksch woord, dat beteekent eene met steenen geplaveide plaats. Gabbatha is een Hebreeuwsch woord, dat beteekent verhajenheid. Het ten-as dus voor de rechtzaal van Hiatus was eene verhevenheid van boven met veelkleurige steenen geplaveid. Te oordeelen naar de Scala Sancta, die door de H. Helena naar Rome opgezonden, aldaar bewaard wordt en niet minder dan acht en twintig wit marmeren treden telt, zou dit terras zeer hoog zijn geweest, daar het gelijkvloers was met de rechtzaal, naar welke langs gezegde Scala Sancta Jesus herhaaldelijk is heengevoerd.

Van dit Lithostroton en Gabbatha onderscheidt Joannes XIX : 13 duidelijk het Bfjim of tribunal. Zoo heette te Rome de trede of vierhoekige verhooging van gehouwen steen met dc sella curuüs daarop, om

-ocr page 397-

123

gens onze tijdrekening tusschen het eltdo en twaalfde uur van den voorbereidingsdag tot den Sabbath van het Paaschfeest. (1)

Daar richtte zich de landvoogd, verbitterd wijl hij moest toegeven, tot de joden, om hen zooveel mogelijk met de verantwoordelijkheid te beladen en tevens zooveel hij kon te vernederen, en riep de vergaderde menigte spottend en smadend toe: ziedaar, uw koning! Do joden omdat de beslissing naderde, en tevens aangcuitst door dit woord van Pilatus, schreeuwden nog heviger met toenemenden aandrang: we*// %ueg! aan het kruis met Hem! Andermaal vroeg Pilatus om

lot de tribus tc spreken. Aan Cesar weidt eene sella aurea toegekend ; do gewone sella curulis werd in den krijg medegevoerd en was dikwerf met elpenbeen ingelegd. Dat ook te Jerusalem de rechterstoel op een dergelijke verhevenheid voor het paleis van Herodes geplaatst was, blijkt uit Flavius Josephus Bell. II; 9, 4.

De zoogenaamde ecce homo hoog te Jerusalem komt volgens Sepp Pil-gerbueh I S. 89 onder deze benaming niet vroeger voor dan in 1149 bij Gumpenberg. De afstand van 100 schreden van den burcht Antonia toont mede aan, dat dit het rechte lithostroton niet is. Op grond dei-gedane opgravingen en der uiterlijke kenteekenen meent Sepp, en mij dunkt niet zonder hooge waarschijnlijkheid, dat het niets anders is dan een Romeinsche triomfboog. Vergelijk ook Vogué.

(1) De dag, waarvan hier Joannes spreekt, is de 15 Nisan of het eigenlijke Paaschfeest. Doch dit Paaschfeest viel in op den dies parast c-vcs {voorbereidingsdag tot den Sabbath) of op den Vrijdag. Hij wordt farasccve Paschae genoemd, omdat het Paaschfeest acht dagen duurde, dit parasccvc dus tot het feest behoorde, en alzoo daarnaar genoemd werd. Het is een Grieksche benaming, die alleen in de lijdensgeschiedenis voorkomt. Zijne beteekenis wordt duidelijk verklaard door de evangelisten : Mc. XV : 42 quia erat Parasceve, quod est ante sabbathum 5 Luc. XXIII: 54: et dies erat parasceves, et sabbathum illucescebat;Jo. XIX : 31: Judaci ergo (quoniam parasceve erat) ut non remanerent in crucc corpora sabbatho (erat enim magnus dies ille sabbathi) rogaverunt Pi-latum etc. Dat deze dag, dien Joannes hier Parasceve Paschae (Paasch-vrijdag zoo als bij ons Paaschzondag,) noemt, tevens door hem als Paschen wordt aangewezen, blijkt. Jo. XVIII: 39.

De dag begon bij de joden ten Guur. Derhalve is het 6de uur, waarvan Joannes spreekt, het twaalfde uur volgens onze tijdrekening. Joannes echter laat eenige ruimte ; hij zegt ongeveer de G\'lc uur; het was namelijk tusschen 11 en 12 uur des morgens. Vgl. Mc. XV: 25.

-ocr page 398-

124

de joden nog meer te tarten, en tevens om hen steeds meer aansprakelijk te maken voor de onrechtvaardige doodstraf, die zij om Jesus\' voorgewend streven naar het koningschap afeischten: zal ik uwen koning kruisigen\'} Doch ook andermaal laten de overpriesters Pilatus do gevreesde bedreiging hooren, terwijl zij hunnen Messias, den roem van diens koningschap en daarmede zich zelf als zijn volk verloochenen: wij hebben geen koning dan den keizer. Terwijl alzoo de eischen dringender en de kreten onstuimiger werden, liet Pilatus om zich den schijn te geven, dat hij slechts zwichtte voor hun geweld, met veel vertoon zich een bekken met water brengen, en waschte zich voor de oogen der gebeele menigte plechtig de handen. Tegelijkertijd zegde Hij op indrukwekkenden toon: ik ben onschuldig aan het bloed van dien rechtvaardige! gijlieden moogt toezien!

Doch de joden bekreunden zich weinig om die zinnebeeldige handeling, welke zij zeer goed begrepen, daar zij aan hunne eigene gebruiken was ontleend, (1) en waarvan Pilatus te vergeefs zich bediende om zich zuiver te wasschen van een moord, die zonder zijne toestemming niet kon plaats grijpen. Vrij mocht hij Jesus ten zesden male onschuldig verklaren; vrij mocht hij hen alleen aansprakelijk stellen voor het bloed van dien rechtvaardige; vrij mocht hij hen laten gevoelen, dat zij zich schuldig maakten aan een afschuwelijke misdaad. Zij bekommerden er zich niet om, en ten antwoord klonk Pilatus de vreeselijke kreet

(1quot;) De zinnebeeldige handeling om zich rein te wasschen van cene misdaad was gebruikelijk bij de Grieken (Herod. I; 35) en bij de Romeinen (Vgl. Aen. II: 718; Ovid. fast. II: 45). Ook bij de joden was zc gebruikelijk en soms zelfs verplichtend. (Vergelijk Deuter. XXI: 6, 7\', Clemens Constit. apost. L. II, 52.) Of 1\'ilatus hier het Romeinsche dan wel het joodsche gebruik is gevolgd, is moeilijk te beslissen. Voor het laatste pleit zijne spreekwijze en het antwoord der joden. Voor het eerste dat een Romein als Pilatus. trotsch op het gezag zijns volks, af-keerig van de joden, wel niet bij de uitoefening zijner macht zich van joodsche gebruiken zal bediend hebben.

-ocr page 399-

125

van het gehcele volk in het oor, de vloekkreet, die opsteeg tot voor den troon des Allerhoogsten: zijn bloed home over ons, en over onze hinderen !

Om dus hst volk niet verder te verbitteren en het voldoening te geven velde Pilatus het eindvonnis, en besliste dat hun eisch zou geschieden. Twee dingen had het volk gevorderd: de vrijlating van Barabbas en de kruisiging van Christus. Op zijn bevel werd Barabbas in vrijheid gesteld, Jesus echter hun overgeleverd, om de doodstraf des kruises te ondergaan. (Mt. XXVII: 26; Mc. XV : 15 ; Lc. XXIII: 24; Jo. XIX: 16).

Zijn bloed home over ons en over onze hinderen! Die vloek is door God gehoord; het bloed van den God-mensch is gekomen over Israël en zijn nageslacht, en heeft het geschandvlekt met het brandmerk van den Grodsmoord. Kleefde de vloek op Kaïn gedurende geheel zijne omwandeling op aarde, daar hij zijnen mond had opengedaan om het bloed van zijn schul-deloozen broeder te drinken (Gen. IV ; 10), niet minder kleeft de vloek op Israël, en zwerven zij rond in alle landen, beladen met aller verachting, omdat zij hunne handen hebben bezoedeld met het heilige en vlekkelooze bloed van den tweeden Abel. Zij hebben hunnen Koning verworpen, en zij zullen zonder koning blijven! Zij onteeren hun priesterschap door den moord van het Lam Gods, het eenige en ware zoen-offer voor de zonden der wereld, en hunne offers, hun altaar, hunne priesters zullen te niet gaan. Zij hebben de profeten en den Christus gedood ; de Romeinen, van welke zij dien dood hebben afgeeischt, zullen ook voor hen de werktuigen zijn van Gods wraak en hunne stad en tempel verwoesten. O op welke ontzettende wijze zal die vloek door den loop dor eeuwen heen aan hen verwezenlijkt worden !

Pilatus heeft wel niet zoo groote zonde, maar toch te vergeefs wascht hij zich de handen, terwijl hij den

-ocr page 400-

126

schuldeloozen Koning der waarheid als een oproermaker veroordeelt tot het kruis. (1) Zijne eerzucht, zijne menschenvrees, zijne zwakheid hebben hem van de eene onrechtvaardigheid tot de andere gevoerd, i en hij eindigt met een onschuldige op te offeren, om de vriendschap des keizers niet te verliezen. Ook die lafheid zal hare straf dragen. Hij zoekt de joden tevreden te stellen, en de joden, steeds stouter geworden , zullen hem aanklagen bij Vitellius, den landvoogd van Syrië, Hij begeert de vriendschap des keizers en de keizer zal hem van zijn ambt ontzetten en in ballingschap zenden naar Frankrijk. Hij offert den Grever des levens op, en eens zal hij eindigen, met zich zeiven het leven te benemen. (Hist. Eccl. Euseb. II. 7.)

Jesus is eindelijk ten dood veroordeeld. Dubbel onrecht is tegen Hem gepleegd. Hij is volgens de joodsche wet veroordeeld als godslasteraar, Hij, de Eengeboren Zoon van God, Die zijne Goddelijke zending op allerlei wijzen heeft gestaafd. Hij is veroordeeld volgens de Homeinsche wet als schuldig aan majesteitschennis, terwijl de üomeinsche rechter zelf getuigt, dat de naam van koning der joden, dien Hij Zich heeft gegeven, geen reden is om Hem tot het kruis te veroordeelen, wijl zijne daden met het werkelijk streven naar een koningschap in strijd zijn. Maar het schuldelooze Lam heeft Zich die onrechtvaardige veroordeeling laten welgevallen om ons van de rechtvaardige veroordeeling ten eeuwigen dood te bevrijden, en heeft op die wijze in onze plaats de schuld willen

voldoen, die Hij niet had aangegaan.

--

(1) Paulus Juriscons, L. V. Sent. tit. 22 Autores sedi\'ionis et tumul-tus concitato populo, pro qualitate dignitatis, aut in crucem tolluntur aut bcstiis projiciuntur. Dat Pilatus een vonnis heeft uitgesproken blijkt uit de stvaf des kruises, uit de Roraeinsche soldaten, die ze uitvoeren, en uit Lc. XXIII; 24, adjudicavit.

-ocr page 401-

HOOFDSTUK V.

DE KRUISIGING.

§ 1. De ligging van Golgotha en de richting van den kruisweg.

Vooraleer wij den Heer volgen op zijnen smarte-lijken kruisweg, willen wij zooveel mogelijk ons een juist denkbeeld vormen aangaande de ligging der heilige plaats, waar Hij den geest beeft gegeven voor het heil der wereld. De doodstraf werd door de joden niet binnen de stad voltrokken (1) en evenmin door de Romeinen. (2) Zij kozen hiertoe eene opene en niet ver verwijderde plaats buiten de stad, gewoonlijk bii hare poorten, (3) ten einde er vele ooggetuigen zouden zijn van de straf en hierdoor van de misdaad worden afgeschrikt. Ook Jesus werd op die wijze buiten Jerusalem gekruist, en hierop ziet het zinrijke woord van den H. Paulus : de lichamen der dieren, die voor de zonde door den hoogepriester in het heilige werden gebracht, werden buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jesus, om het volk door zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden. Daarheen moeten wij dus gaan, zijne versmaadteid dragende. (Hebr. XIII: 11—12).

De plaats, waar Jesus werd gekruisigd, wordt door de evangelisten in het Grieksch door Kr anion, in het Hebreeuwsch door Golgotha aangewezen, dat in het

(1) Maccoth c. 3; Num. XV: 35; 1 Kon. XXI: 13 ; Hand. VII; 58.

(2) Tacit. Ann. XV: 44; Liv. VIII: 13; Cicer. in Verrem. V; CG.

(3) Plaut Mil. glor. II: 4, 6. Hebr. XIIl: 11—12.

-ocr page 402-

128

Latijn Calvaria en in onze taal schedcl beteeksnt, zoodat zij den naam droeg van schedel-plaats. (1) Waarom de plaats dien naam droeg is onzeker; sommigen willen de aanleiding tot dien naam daarin vinden, dat hier de hoofdschedel van Adam zou begraven zijn (2), en zoo dit gevoelen ook al genoegzame geschiedkundige gronden mist, is er toch eene zeer schoone tegenstelling tusschen den eersten en tweeden Adam in opgesloten. Anderen schrijven den naam der plaats toe aan de menigte schedels of bek-keneelen, die er begraven waren. Weder anderen eindelijk ontleenen den naam aan den schedelvorm des heuvels. Het was een kleine rotsheuvel, volgens den H. Hieronymus ten noorden van Sion niet verre buiten de stad gelegen (Jo. XIX: 20). Die plaats wordt nog heden aangewezen, en verheft zich 55 voeten hoven de plaats der kruisvinding.

Het is waar, deze plaats ligt thans binnen Jerusalem ; desniettemin is hare eenzelvigheid met den eigenlijken (rolgotha, waar Christus gekruist is, boven allen twijfel verheven. Dat zij thans binnen, en ten tijde van Christus\' dood buiten de stad lag, zal ons duidelijk worden, indien wij bedenken, dat de derde stadsmuur eerst in 795 na Rome\'s stichting, dertien jaar na Christus\' dood, werd gebouwd, en later in 817 na R. St. door Agrippa den jongeren werd voltooid. (Jos. Bell. VI 4, 2.) Inderdaad de tweede stadsmuur, die door de koningen Ezechias en Manasses was gebouwd, sloot den Kalvarieberg niet in. Niet de minste grond is aanwezig om zulks te beweren, en alles duidt veeleer het tegendeel aan.

Deze tweede stadsmuur nam volgens Flavius Jose

(1) In het Hebreeuwsch is het eigenlijk Gulgoleth. Gn/goltha, en vandaar door elisie Golgotha. Andereu leiden den naam af van Gol heuvel en Goatha sterven, zoodat de beteekenis zou zijn stervensheuvel.

(2) Volgens vele kerkvaders. Zie R. l\'ierik S. J. de lijdende Jesus, Deel II, bl. 391.

-ocr page 403-

129

phus (Bell. V. 4) bij de poort Grennath zijn aanvang van den eersten muur der oude stad, die alleen Sion en Moria binnen zijn beloop omsloot. Van de poort Gennath uitgaande, liep bij om den heuvel Acra, niet te verwarren met den beuvel Akranion, gelijk de Kalvarieberg soms werd genoemd, en sloot zich bij den burcht Antonia weder bij den eersten stadsmuur aan.

De poort Gennath of de tuinpoort voerde ten tijde van Christus uit de bovenstad Sion in het vrije veld, en werd aldus genoemd om de tuinen, die zich in de nabijheid bevonden, waaronder voorzeker de tuin van Joseph van Arimathea, die aan den Golgotha grensde, onze aandacht verdient. Hieruit blijkt duidelijk, dat Golgotha destijds buiten de stad lag.

De Gennathpoort lag op vrij grooten afstand oostwaarts van den Hippikus-toren, welke laatste later het uitgangspunt werd van den derden stadsmuur. Zelfs vond Cestius in den joodschen krijg genoegzame ruimte tusschen de Gennathpoort en den Hippikus-toren, of tusschen den tweeden en derden stadsmuur om er met zijne troepen te kunnen legeren voor het paleis van Herodes, dat zich op den Sionsberg verhief. Deze derde stadsmuur sloot de geheele nieuwe stad en ook Golgotha bij Jerusalem in.

Nog zijn duidelijke sporen van den tweeden stadsmuur aanwezig, die, wat Robinson ook moge zeggen, duidelijk volgens Sepp, Consul Schultz, Mgr. Mislin, Schubert, Kraft, Williams, Tobler en anderen aan-toonen, dat Golgotha daar buiten gelegen was. Verplaatst men zich namelijk aan de noordzijde van den Sionsheuvel, en volgt men de straat, die van de Jaffa-poort voortloopt in de richting van het westen naar het oosten, dan is het duidelijk te bespeuren, dat men de richting volgt van den eersten stadsmuur, die don Sionsberg omgaf. Daar ongeveer, waar deze straat een rechten hoek vormt met die, welke langs

Het Offer vit.i J, C. U 9

-ocr page 404-

130

den Bazar naar de Damaskuspoort loopt, meenen Sepp, Schultz, Mgr. Mislin de overblijfselen terug te vinden der oude Gennathpoort in een poortboog, die in een overwelfde zijstraat in den grond is gezonken en naar het noorden is gekeerd. Iets verder ten oosten ligt een andere hoogpoort in den grond, die aan den sluitsteen te zien, hare richting oostwest-waarts heeft. Hier moet noodzakelijk de tweede muur begonnen zijn. Slaan wij de straat in, die naar de Damaskuspoort voert, dan treffen wij in den omvang van het vroeger St, Jans hospitaal een overblijfsel aan van een zuid-noordelijk gerichten muur Abd er Rasek genoemd en verscheidene bouwvallen, die, zegt Tobler (Jerus. I; 99), indien men ze laat gelden als overblijfselen van den tweeden stadsmuur, bepaaldelijk de kerk van het heilige graf en dus ook den Kal-varfèberg buiten sluiten. Graan wij verder noordwaarts, dan vinden wij op de hoogte der grafkerk twee granietkolommen, die volgens Sepp waarschijnlijk tot de zuilengangen van Koastantijns basiliek behoord hebben, en in verband met het vorige aanduiden, dat deze kerk buiten den tweeden stadsmuur viel. (Pil-gerb. I. S. 179). Nog meer noordwaarts treffen wij eene oude stadspoort aan naar het westen gekeerd, die reeds in 1280 de gerechtspoort werd genoemd. De lijn van den tweeden stadsmuur volgens de richting, die al deze bouwvallen aanwijzen, veroordeelt dus onmiskenbaar de bewering, dat Golgotha ten tijde van Christus binnen de stad gelegen zou hebben. Dit wordt nog nader bevestigd door hetgeen verder noordwaarts is ontdekt, toen men in April 1860 de grondslagen leggen wilde van het Russische Consulaatsgebouw. Men vond hier ter diepte van zes tot bijna tien ellen een muur, die eerst oost-westwaarts loopend zich op eens naar het zuiden keert, en die, als hij wordt verlengt, de h. grafkerk buiten laat en eindelijk zich aansluit aan den genoem-

-ocr page 405-

131

den stadsmuur op den grond van het S. Jans hospitaal De steenen van dezen muur zijn acht voeten lang, met groote zorg bearbeid, en wijzen op een zeer hoogen ouderdom.

Dit alles is op de verrassendste wijze gestaafd door de uitgravingen van de laatste jaren. In de nabijheid der grafkerk ligt een terrein, dat aan het klooster der Abyssiniërs behoorde, en door de Russen is aangekocht, en nog in 1860 begonnen zij hier opgravingen te doen. Zij ontdekten bouwwerken van drie verschillende tijdvakken. Onder anderen traden in 1862 oud joodsche muurwerken ten voorschijn van groote, bij de oudheidkundigen bekende, aan den voeg gerande kwadraatsteenen, gelijk die, waarmede Moria\'s oude ringmuur gebouwd is. Die werkzaamheden zijn later voortgezet, en thans is de tweede stadsmuur onmiskenbaar met zijne gerande steenblokken, die nooit van hunne oorspronkelijke ligging werden bewogen. Het is een lang stuk muurwerk in zuidnoord-waardsche rigting, gebouwd uit gerande steenblokken van ruim vier ellen lengte en anderhalf el hoogte, dat volkomen gelijkvormig is aan de oudste werken, zooals de onderlagen van den Hippikus-toren en de grondwerken des tempels. Het ligc in eene lijn met de bovenvermelde muurwerken en is een beslissend bewijs, dat de Golgotha ten tijde van Christus buiten de ommuring der stad zich bevond. (1)

De kruisheuvel bevond zich dus ten westen even buiten de stad, niet verre van de gerechtspoort, waarschijnlijk aan den openbaren weg, althans indien de grafkerk door de H. Helena op dezelfde plaats is gebouwd, waar J. C. is gekruist en begraven. Immers is dit zoo, dan is door de ligging der grafkerk, gelijk

(1) Zie Sepp Pilgerbuch. I. S. 174—182. Mgr. Mislin les saints lieux. t. 2. p. 340—352, en een uitmuntend artikel: de oude overlevering aangaande den kalvarieheuvel en de jongste opgravingen te Jerusalem in de Katholiek 51—52 deel, bl. 420.

-ocr page 406-

132

zij door bovengemelde ontdekkingen is bepaald, ook de ligging van den Golgotha aangewezen. Zien wij dus, of de H. Helena werkelijk hare kerk op diezelfde plaats heeft gebouwd.

Het kan aan geen twijfel onderhevig zijn, of de H. Helena nam, toen zij den Kalvarieberg zocht, eene niet wankelende traditie tot richtsnoer. Hoe zou zij anders op het denkbeeld gekomen zijn, om een afgodstempel van Jupiter en Venus te slopen, en juist te dier plaatse \'s Heeren graf op te sporen, terwijl alle uiterlijke teekenen ontbraken. (Euseb. Vit. Const. LUI. c. 25 et seq.) En niet slechts het besluit om hier opgravingen te bewerkstelligen, maar ook de uitslag bewees, dat men door de overlevering zeer :■ juist was ingelicht. Men vond in eene diepe grot de

drie kruisen, de lans, de nagelen, en tevens den titel des kruises; hetgeen zeer verklaarbaar is door de gewoonte der joden om de werktuigen der doodstraf te gelijk met het lijk te begraven. (1) Nog wordt te Jerusalem de plaats aangewezen, waar het kruis is gevonden. Dit was echter niet de eenige vrucht van die moeitevolle onderzoeking, die geen ander richtsnoer had, dan de overlevering. Men ontdekte ook de grot, uitgehouwen in de rots, welke den Heer tot graf had gediend. Zij schijnt dubbel geweest te zijn, en bestaan te hebben uit de eigenlijke grafspelonk met een lagen ingang en uit een soort van voorgewelf, dat later de engel kapel is genoemd. Er lag buitendien een steen in dit voorgewelf, die door sommigen wordt beschouwd als de steen , waarop het lichaam des Heeren is gezalfd, door anderen, en vnet meer recht, als de steen, die tot sluiting voor het graf werd gewenteld. De bedevaartganger van Bordeaux,

-ocr page 407-

133

welke kort na de keizerin Helena de heilige plaatsen bezocht, en de grafkerk, door den H. Makarius op bevel van Konstantijn gebouwd, bezichtigde, toen zij nog niet voltrokken was, noemt de grafspelonk ecne krypta. Ook de H. Paula, de leerlinge van den H. Hieronymus, is er onder een stroom van tranen binnengetreden, en heeft er den steen des engels gekust. De H. Cyrillus, bisschop van Jerusalem, is hier mede een voortreffelijke getuige. „Geheel nabijquot;, zegt hij, „is ook het graf, waarin Hij gelegd werd, en de „voor den ingang gewentelde steen, die tot op den „dag van heden naast het grafmonument ligt.quot;

In het jaar 326 werd de afgodstempel van Jupiter en Venus omvergehaald; in 132—136 was hij door Aelius Adriaan te gelijkertijd met Aelia Capitolina of het nieuwere gedeelte van Jerusalem gebouwd. (I) Welke hierbij de bedoelingen diens keizers waren, leert ons de H. Hieronymus. Van Adrianus\' tijd, zegt hij, tot aan Konstantijns regeering gedurende ongeveer ISO jaren werd op de plaats der verrijzenis eene afbeelding van Jupiter, en op de rots des kruises een marmeren standbeeld van Venus vereerd, dat door de heidenen daar geplaatst was, daar de aanstokers der vervolging vermeenden ons het geloof aan verrijzenis en kruis te zullen ontnemen, indien zij de heilige plaatsen door afgoden bezoedelden. (Epist. XIII ad Paul.) Deze bedoelingen, aan Adrianus eenparig door de Christelijke geschiedschrijvers toegeschreven, (2) laten niet don minsten twijfel over, dat reeds in \'t jaar 133 de Golgotha en het heilig graf daar werden aangewezen, waar zij later door de H. Helena zijn terug gevonden. Reeds vroeg buitendien wijdde de Romeinsche regeering groote zorg aan de beschrijving der schat-

(1) Ambrosius in ps. 47 etc. p. 9. getuigt, dat Golgotha den naam droeg van Vcnerarium.

f3) Euseb. vit. Const. L. III. 25 etc. Sozora. L. 11. c. 11 ; Nicephor. L. VIII. c. 28. S. Paulin. Epist, XXXI.

-ocr page 408-

134

plichtige steden. Er waren cijnstabellen vervaardigd, waarop zelfs de kleinere bezittingen niet onvermeld bleven, en daardoor was het zeer goed na te gaan, waar Golgotha en het Graf, de grondbezitting van den edelen raadsheer Joseph afkomstig, gelegen waren. (1)

Voor 133 was buitendien de Golgotha zonder twijfel ook door de geloovigen gekend en vereerd. De H. Joannes, die naast \'s Heer en kruis stond, en de plaats van den Golgotha aanwijst, leefde nog bij het einde der eerste eeuw. De fl. Jakobus de mindere stierf in \'t jaar 60 den marteldood te Jerusalem. Hij werd opgevolgd als bisschop door zijn broeder, den H. Simeon, die ten tijde van Jerusalems verwoesting met de Christenen naar Pella vluchtte. Doch reeds spoedig na Jerusalems verwoesting keerden zij terug, (Epiph. de ponder, et mens. c. 15) en by de zoo korte afwezigheid, bij de bekendheid, eigenaardigheid, en gewichtigheid der plaats, bij de zoovele nog levende getuigen, eindelijk bij de achtergeblevene sporen en kenteekenen, moest het hun niet moeielijk vallen de plaats, waar Gods Zoon voor het heil der wereld den geest had gegeven, terug te vinden. Simeon stierf eerst op honderd en twintig-jarigen leeftijd in 106. Na hem volgden in geregelde volgorde, andere bisschoppen, die ons door Eusebius worden genoemd. Het kan niet anders, of de heilige plaatsen en daaronder Golgotha bleven ook nu gelijk vroeger het voorwerp van de vereering der eerste christenen. Cyprianus meldt ons uitdrukkelijk (eplst. 75), hoe eene vrouw eene pelgrimsreize ondernam naar Aelia, dat is de nieuwe stad buiten den tweeden muur, waar de Golgotha zich bevond. Van \'s Heeren hemelvaart af was het volgens Hieronymus (epist. 44 ad Mare.) eene aanhoudende bedevaart naar Jerusalem; en vol-

(1) Finlay. On the site of holy sepulchre p. 40, Ulpian. de censib. III Zie mijn Palestina 11 D. bl. 287—300 en bl. 331—382.

-ocr page 409-

135

gens Eusebius (demonstr. VI; 16; VII; 3) begaven zich christenen uit alle oorden der wereld naar de heilige stad. Hieruit volgt, dat toen Adrianus den Golgotha ontheiligde, dit feit op de geloovigen een diepen en onvergetelijken indruk moest maken. Bezocht en vereerde men later slechts de plaats der hemelvaart, dan werd in eene kerk als die van Jerusalem juist door die gestadige vereering te gelijkertijd het aandenken aan de plaats, waar het groote offer des kruises was voltrokken, gemakkelijk bewaard.

Letten wij op de bekendheid van den Golgotha als strafplaats, op de groote menigte van Jesus\' volgelingen, die Hem daar hadden zien sterven, op de liefde der Christenen voor hunnen God en Zaligmaker en voor de plaatsen door Hem geheiligd, op de onafgebroken rij van Jerusalems bisschoppen, op de bedoelingen van Adrianus bij het oprichten vandenVenus-tempel, op de talrijke bedevaarten, die niet ophielden, op de handelwijze van den bisschop Makarius en de H. Helena, op het te voorschijn treden der drie kruisen en vooral van de rotsholte, op de levendige belangstelling door keizer en bisschoppen aan den dag gelegd, eindelijk op de geheele ligging en gesteldheid der plaats, dan is de eenzelvigheid van de kerk der H. Helena met de plaats van den Golgotha en het heilig graf boven allen twijfel verheven. Daar nu de kerk van de H. Helena, gelijk wij later zullen zien, ofschoon moer dan eens vernieuwd, immer op dezelfde plaats is gebleven, zoo kennen wij na achttien eeuwen nog met volkomen zekerheid de plek, waar de Zoon van God heenging, toen Hij door Pilatus ten kruisdood veroordeeld werd.

De weg, dien Jesus met zijn kruis is gevolgd, (1)

(1) De Anglikaan Farrar zegt in zijne Life of Christ in eene aan-teekening; »deze voorvallen maken het onderwerp uit der staties, die in de Roomsche kerken worden aangetroffen en niet dan in apokriefe bronnen hunnen oorsprong hebben. Zij ontstonden door toedoen der

-ocr page 410-

136

ging dus uit van het paleis van Herodes of het pre torium op den Sionsberg, richtte zich over het forum

Franciskanen. De zoogenoemde via dolorosa schijnt niet eer vermeld te worden dan in de 14de eeuw.quot;

De 14 staties van den kruisweg zijn werkelijk eene aanschouwelijke voorstelling van de gewichtigste en aandoenlijkste geschiedenis, die dc wereld ooit zag. Zij stellen ons de laatste voorvallen voor oogen van het bittere lijden en den droevigen dood onzes aanbiddelijken Verlossers. Dat de Roomsche Kerk op zoo sprekende wijze hare kinderen] uitnoodigt, om de grenzelooze liefde en heilige voorbeelden van hun] God en Heer niet te vergeten, daarop mag zij te recht roem dragen. Zij brengt alzoo duidelijk voor den geest, wat het H. Evangelie ver-i haalt, en indien zij den drievoudigen val des Heeren onder zijn kruis,! de ontmoeting van Jesus en zijne heilige Moeder en het gebeurde met Veronika te gelijkertijd aan de overweging der liefde voorstelt, dan is het, omdat deze voorvallen geheel in overeenstemming zijn met het verhaal van het II. Evangelie, eene bepaalde overlevering voor zich hebben, en ons de smarten en vernederingen des Zaligmakers nogl levendiger doen gevoelen.

De Kerk steunt dus hier niet op apokriefe berichten. Neen zijl steunt op het Evangelie, op eene eerbiedwaardige overlevering, en op het velband dat tusschen beiden bestaat. Zij doet geen uitspraak aan. gaande de geschiedkundige zekerheid dezer weinige bijomstandighedcrl maar zij prijst het aan, dat men ook deze voorvallen niet vergeet, dit zoo oude getuigenis voor zich hebben en alleszins geschikt zijn om on.| in liefde tot den kruisdragenden Heiland te doen toenemen.

Reeds van de tijden der apostelen, getuigt de H. Cyrillus (Catecli 17. 16.) stroomde men van alle zijden naar Jerusalem. En waaiottj anders dan om neêr te knielen op de plaatsen door Jesus\' lijden, dooc en verheerlijking geheiligd ? Waarom anders, dan om door den lijdensweg te gaan des Meesters zich sprekend het woord te herinneren die zijn kruis niet opneemt en mij navolgt kan mijn leerling niet zijn\' De brieven van de H. Apostelen getuigen ons, hoe teeder hunne liefde voor den gekruisigden Verlosser was, en in zijn brief aan de gc-loovigen van Jerusalem schrijft de H. I\'aulus deze woorden die rekci ook op de via dolorosa van toepassing zijn : Jesus heeft, om door zij: eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden. Laat on: derhalve uitgaan tot Hem buiten de legerplaats, zijn smaad dragende Want wij hebben niet hier eene blijvende stede, maar zoeken de toe komende. (Hebr. XIII : 12—14).

Sedert de hemelvaart des Heeren werden de H. Plaatsen gedurig bc zocht en gewis niet vergelen (Zie bl. 134). Menige bede en ver zuchting werd van toen af door ontelbarcn aan den Verlosser gewijd Natuurlijk konden dc bedevaartgangers gedurende de drie eerste eeuwen door het toedoen van heidenen en joden den lijdensweg en den Gol-

-ocr page 411-

137

tusschen den burcht van David en het oude paleis der Asmoneërs naar de poort Gennath, en bereikte van

gotha niet bezoeken. Deze laatste was door een tempel van Venus voor hen geheel ontoegankelijk. Doch toen onder Konstantijn den Groote liet H. Graf was ontdekt, en de Christenen vrij zich konden bewegen, toen kon het niet uitblijven of zij begonnen boetend, biddend en beminnend de voetstappen des Heeren te drukken. Die door zijn lijden de heerlijkheid is ingegaan. De II. Hieronymus schrijft aangaande de H. Paula : nederligf\'cnde voor het kruis aanbad zij den Heer, als of zij Hein zag hangen, ilet graf binnen getreden kuste zij den steen der opstanding, dien de eugel v;in den ingang des grafs had gewenteld. En de plaats zelve des lichaams, waar de Heer had gelegen, drukte zij zoo aanhoudend met hare minnende lippen, als of zij dorstte naar vurig verlangde wateren. ... Van daar uitgaande besteeg zij Sion. (Epist. ad Eustoch. de obitu S. Paulx\') Hetzelfde mogen wij zeggen van de H. Eustochium en anderen, die zich bij den H. Hieronymus in het klooster te Bethlehem hadden aangesloten, van de H. Melania en hare volgelingen, die destijds een klooster te j ei usalem stichtte, en van de kluizenaars, die in die dager onder het bestuur van Rufinus den Olijfberg bewoonden. De toeleg die: dienaren des Heeren en de woonplaatsen, die zij verkozen, zeggen ons reeds meer dan genoeg. Gewis hebben zij al de bijzonderheden aangaande Jesus\' lijdensweg zorgvuldig opgespoord.

De tijd, die verstreek sedert 614, toen Chosru II Parwiz met zijne Persen Jerusalem veroverde en de Christelijke heiligdommen vernielde, tot aan de dagen, dat de heilige stad voor goed in de handen der Mo-hamedanen viel, was een tijd van aanhoudende oorlogen, veroveringen en verwoestingen, en het zal ons niet verwonderen, dat ons al dien tijd zoo weinig aangaande het bezoeken van den lijdensweg bekend is. Ook was deze godsvrucht toen nog altijd minder bepaald, en was de lijdensweg nog niet aanwezig in dien vorm met zijne bepaalde afstanden en vastgestelde rustpunten, gelijk hij thans te Jerusalem gehouden wordt. Desniettemin spreken reeds de H. Anselmus (spec) en de H. Bernardus (opusc) uitdrukkelijk van de ontmoeting des kruisdragenden Verlossers met zijne II. Moeder. Ook dat op de vermeende plaats dier ontmoeting in die eeuwen de kerk van Maria\'s onmacht weid gebouwd, daar waar thans Hammam es Sultan wordt aangetroffen, toont duidelijk, dat deze overlevering van oude dagteekening is. Hoe het gebeurde met Veronika reeds wordt verhaald in geschriften van de eerste eeuwen, al zijn deze uok apokrief, is over bekend.

Niet dus de kruisweg zelve, maar de inrichting en indeeling van den kruisweg, gelijk hij thans bestaat, wordt wellicht niet ten onrechte aan de orde van den H. Franciskus toegeschreven. Deze heilige bezocht in gezelschap van Fr. Illuminatus Palestina in het jaar 1219 en vergat voorzeker de heilige plaatsen was Jesus\' lijden niet. De orde, welke Franciskus stichtte, vestigde zich in 1226, het laatste levensjaar des heili-

-ocr page 412-

138

daar langs den weg, die buiten de stad lag, den Golgotha, die westwaarts aan de zoogenaamde gerechtspoort (1) grensde. Deze richting wordt door de ontmoeting met Simon van Cyrene aan de Gennathpoort in verband met de ligging van den tweeden stadsmuur en van de gerechtspoort volkomen bevestigd.

gen, te Jerusalem en hield sedert dien tijd volgens den wenseh van haren II. Vader niet op, over de H. plaatsen te waken. In het jaar 1230 werd het hun door pauselijke bul toegestaan zich in het II. Land te vestigen en kloosters te bouwen, en op 39 Maart van het jaar 1257 spreekt het dekreet van Alexander IV reeds van eene in Palestina en Syrië gevestigde provincie der Franciskanen. Riculd (Itin. pcregr.) zegt in 1294: tusschen het huis van l\'ilatus en de plaats, waar de drie kruisen beproefd werden, nabij de plaats, waar Christus van den last zijns kruises uitrustte, bevindt zich een huis van de Franciskanen. Wij vinden dus deze orde reeds dadelijk na haar ontstaan bij de via dolorosa gevestigd, en het vermoeden ligt voor de hand, dat zij aan de eeuwenoude gewoonte van den lijdensweg te gaan den meer bepaalden vorm heeft gegeven, welken die thans bezit. Althans de Venetiaan Marinus Sanutus in het jaar 1310 geeft ons (liber super terrse S. recuparatione III, 14, 10) het eerst den kruisweg aan met zijne staties en afstanden, gelijk hij nog heden bestaat.

Alles dus, wat ons aangaande den kruisweg bekend is, moet ons eerbied inboezemen voor deze godvruchtige oefening. Zij heeft haar grondslag in het evangelie en eene overoude overlevering. Zij heeft tot voorwerp de gewichtige gebeurtenis, waarbij Gods Zoon door zijn offer het heil aan de wereld heeft geschonken. Zij stelt ons de schoonste voorbeelden van geduld, ootmoed, gehoorzaamheid en zelfopoffering voor oogen. Zij wekt in \'s menschen hart de heiligste gevoelens op van rouw, medelijden, afschuw voor de zonde en liefde tot Jesus. Zij is eene navolging van die bedevaarten reeds 18 eeuwen door ontel-baren gedaan, waarbij zij zich beijverden om de voetstappen van hunnen God en Heer te drukken. Hier vereenigen wij ons in den geest met Maria, de Moeder des Heeren, met de H. Apostelen, met Jesus\' innigste vrienden, met den H. Hieronymus, de H. Paula, de H. Eusto-chium, de H. Melania, den H. Franciskus en zijne kinderen, met allen die hier henen stroomden, om eenparig onze liefde te betuigen aan Hem, Die ons heeft bemind en Zich voor ons heeft overgeleverd.

(1) De gerechtspoort, die thans dien naam draagt, is, gelijk door uitdelvingen van 1858 blijkt, zoo weinig eene oude poort, dat men verscheidene voeten daar beneden oude muren en bouwwerken vond. Zie Sepp, Pilgerb, Fquot;. 1. p. 167, en 189. Intusschen schijnt Golgotha evenwel in de nabijheid eener poort gelegen te hebben. Zie aantee-ken. Boek 2 bl. 127.

-ocr page 413-

139

Deze lijdensweg, door den Heer bewandeld, ligt thans diep onder het puin bedolven. Uit de talrijke bewijzen, die hiervoor zouden kunnen worden aangevoerd, zij het genoeg te zeggen, dat bij het graven der nieuwe kaserne bij den Davidsburcht men in 1844 een rij van onderaardsche bouwwerken vond ter diepte van 40 voeten. Dit zal ook niemand verwonderen, die bedenkt, dat gedurende de 18 eeuwen, die sedert Chris-tiis\' dood voorbijgingen, Jerusalem zestien maal is verwoest. (1)

De plaats, waar de Goddelijke onschuld gekruist werd en stierf, waar de grootste Weldoener van het mensehdom, Hij Die onze Verlosser en meer dan onze Vader was, het offer zijns levens voor ons bracht,

(1) De via dolorosa of lijdensweg, gelijk hij thans loopt, gaat uit van den burcht Antonia, het zoogenaamde huis van Pilatus, loopt voor onder den ecce homo boog, langs de Sitti Mariam in de Dalstraat, en bereikt eindelijk langs de gerechtspoort de kerk van het heilig graf. Ofschoon deze richting naar ons gevoelen de rechte niet is, daar Christus op den Sionsberg door Pilatus is veroordeeld, zoo behoort deze weg toch om meer dan eene reden ons dierbaar te zijn. 1° is de eigenlijke lijdensweg des Heeren, omdat hij onder het puin bedolven is, toch niet te volgen. 2° Is deze de weg, langs welken keizer Hera-clius II den Si September 629 het op de Persen weder veroverde kruis van de oostelijke stadspoort naar den Golgotha droeg. 3° Sedert de verovering der Sionstad door Saladin werd Sion door Mohamedanen bezet, en bleef aan de Christenen geen andere keuze dan dezen lijdensweg te volgen, wijl de ware lijdensweg niet binnen hun bereik was. Zeven eeuwen schier zijn dus de staties van dezen lijdensweg de plaatsen geweest, waar de Christelijke bedevaartgangers hunne beden en tranen gestort hebben. 4° De lijdensweg is een blijvend gedenkteeken, dat de ontmoeting van Jesus en zijne II. Moeder, den drievoudige val van Christus onder het kruis, en eindelijk het gebeurde met Veronica, gelijk de overlevering het reeds in de middeleeuwen getuigde, tot op den dag van heden in godvruchtig aandenken bewaart. 5° Het is een bewijs te meer, dat men aangaande de ware ligging van den Golgotha en het h. graf nimmer in twijfel is geweest, en deze toen daar aanwees, waar wij ze thans nog vereeren. 6° Deze kruisweg eindelijk is het model van al de kruiswegen over de geheele wereld, en biedt den godvruchtigen pelgrim, die Jerusalem bezoekt, een uitmuntende wijze aan om zijn lijdenden Verlosser te vereeren.

-ocr page 414-

140

waar de Eengeboren Zoon van God voor ons den onbeschrijfelijksten doodstrijd streed, en waar Hij zegevierend opstond uit het graf, die plaats is nooit vergeten. Wien is liet geen zoete voldoening na achttien eeuwen nog die eigen plaats te kunnen aanwijzen en met volle zekerheid te kunnen zeggen : daar lag Grolgotha! daar gaf de Goddelijke Zaligmaker den geest aan het kruis !

§ 2. Jesus op iceg naar Golgotha: Hij ontmoet zijne heilige Moeier.

Mt. XXVII: 31; Mc. XV; 20; Jo. XIX; 16.

Vrijdag, 15 Nisan; 18 Maait, van 11 tot 12 uur.

Zij, die gekruisigd werden, moesten volgens de Romeinsche wetten gegeeseld worden en ook hun eigen kruis dragen. (1) Ook Jesus werd derhalve beladen met zijn kruis. Gelijk Lsaak het hout droeg, waarop hij zelf als offer zou moeten sterven, zoo draagt Jesus, door hem afgebeeld, het kruishout, waaraan Hij volgens het welbehagen des hemelschen Vaders zal worden geslachtofferd. Ja de Zoon van God draagt zelf het werktuig zijns offers, en toont daardoor, met welke liefde Hij dat offer brengt. .Do legende drukt het nog sprekender uit, wanneer zij ons verhaalt, dat Jesus, vooraleer het kruis op zijne schouderen te nemen, het met liefde omhelsde en aan zijn Goddelijk Hart drukte. En waarlijk, zou Hij aan het kruis geofferd worden, van het kruishout zou Hij ook heerschen. Hier rust werkelijk volgens het woord van Isaïas (IX; 9) op den schouder van den Emmanuël zijne heerschappij. Alleen de nieuwe Koning der eeuwen, zegt Tertuliaan, Christus Jesus

(IJ Antemidor. oneir II. 61. Similis enim et crux morti, et qui in ea figendus, prius earn fortat, Vgl. Tcrtul. adv. Jud. c. 11 Plutarch-de sera nunün. vindicta. c. U.

-ocr page 415-

141

draagt én de macht onzer verheerlijking én zijne eigene verheffing door het krnis op zijn schouder, (adv, Jud. c. 11) Hij zelf droeg volgens den H. Leo, de trophee van zijne zegepraal en zijn onverwonnen geduld; Hij torschte op zijne schouders het teeken des heils, dat door alle rijken aanbeden moet worden, (de pass. c. 4.)

Naast Jesus verschijnen de twee moordenaars, die even als Barabbas ten kruisdood veroordeeld zijn. Ook zij worden bij gelegenheid van het Paaschfeest, na gegeeseld te zijn, ter kruisiging uitgeleid. Met het kruis beladen zullen zij den kruisdragenden God-mensch en niet den goddeloozen Barrabbas vergezellen. Zoo wordt Hij, gelijk Isaïas had voorspeld, onder de misdadigers gerekend. (Is. LIIIJ In de plaats der zondaren getreden, treedt Hij ook op met de zondaars om als de zondaars getuchtigd te worden. God heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem gelegd, (Is. LUI: 6) en God heeft Hem, Die de zonde niet kende, voor ons tot zonde gemaakt.

Nadat dus de krijgsknechten niet zonder nieuwe bespotting Jesus den purperen mantel van de schouders gerukt en zijne eigene kleederen weder aangetrokken hebben, en Hem en de twee moordenaars met het kruis hebben belast, stelt zich de stoet in orde. Minstens twee leden van den hoogen raad moesten den veroordeelde ter strafplaats begeleiden, doch de haat, welke de overgroote meerderheid van het Sanhedrin tegen het schuldelooze slachtoffer bezielt, is zoo groot, dat overpriesters, schriftgeleerden en oudsten des volks als om strijd Jesus volgen om van zijn innig gcwenschten dood getuigen te zijn. (Mt. XXVII: 41; Mc. XV : 31; Lc. XXITT; 35) Bij dezen sluit zich eene gioote menigte volks aan. (Lc. XXIII: 27) Ook een zeker getal Romeinsche krijgsknechten, met een honderdman te paard aan het hoofd, (1) begeleiden den

(1) Als exactor mortis Tacit, Annal. Ill, 14; Senec, de ira. I, 16.

-ocr page 416-

142

stoet, deels ter volvoering der vreeselijke doodstraf, deels om volksoploop te voorkomen. Een wit bord-jen , waarop de misdaad der schuldigen geschreven staat, wordt den veroordeelden om den hals gehangen of voor hen uit gedragen. (1) En nu terwijl een heraut voorafgaat, om met luider stem de reden der veroordeeling aan te kondigen, stelt zich de droevigste aller optochten in beweging.

Hoe hijgt de Godmensch, die sedert den voiigen avond door het bloedzweet van Getbsemani, door de mishandeling der krijgsknechten, door de wreede gee-seling, door de aanhoudende rechtsverliooren, geheel is uitgeput, onder den zwaren last, dien Hij voortsleept ! Hoe trillen zijne schouders onder het horten en stooten van bet harde kruishout! Is het te ver^ wonderen, dat gelijk de overlevering ons meldt. Hij reeds dadelijk bij het afdalen van de steile Sionstra-ten bezwijkt en nederzijgt onder bet kruis ? (2) Zoo wordt de Almachtige zwak, om ons te bezielen met Goddelijke kracht. De onschuld valt neder, om den zondaar te doen opstaan. De Zoon van God bezwijkt onder den last des kruises, om den mensch bet dragen des kruises licht, en zijn aanbiddelijk juk zoet te maken.

De overlevering heeft ons op den kruisweg een tweede niet minder dierbaar aandenken bewaard. (3)

(1) Vgl. Socrat. Hist. E. I, 17 : Sueton. Calig. c. 32; Euseb. H. E. V. 1. n. 19.

(2) Dat de Heer driemaal onder zijn kruis is gevallen, zou, dunkt mij, vermetel ontkend worden, en wordt gewis, indien het al niet volkomen geschiedkundig zeker is, door de liefde zeer godvruchtig herdacht. Hiervoor pleit wel niet de H. Schrift; maar de plaatselijke overlevering is duidelijk. Het ligt ook in den aard der zaak. Dat een uitgeputte lijder als Christus, beladen met een zwaar kruis, op een open afgaanden weg m-er dan eens viel, is hoogst waarschijnlijk. Reeds na drie uren zien wij den Heer sterven aan het kruis. Zelfs het feit, dat men Simon van Cyrene dwong om Jesus\' kruis te dragen, bewijst, dat de krijgsknechten Jesus niet meer in staat achtten, met het kruis Golgotha te bereiken.

(3) Ook dit feit is hoogst aannemelijk. 1° I\'kit daarvoor de plaat-

-ocr page 417-

143

Maria de heilige Moeder des Heereu, bevond zicli bij gelegenheid van het Paaschfeest mot Maria van Kleo-phas, Maria Magdalena en andere godvruchtige vrouwen uit Galilea te Jerusalem. Simeons woord, dat haar Zoon zou gesteld worden tot een teeken van tegenspraak, en dat een zwaard haar de ziel zou doorboren, was nimmer door haar minnend moederhart vergeten, en ongetwijfeld waren haar Jesus\' bepaalde voorspellingen aangaande zijn lijden niet onbekend. Zij had reeds spoedig, hetzij door de gevluchte Apostelen, hetzij door Joannes de treurige gevangenneming en de gevolgde veroordeeling vernomen, en op het oogenblik bevond zij zich met hare gezellinnen waarschijnlijk in de nabijheid van het pretorium om den voorzienen maar daarom niet minder treurigen afloop van het gerecht at\' te wachten. De H. Joannes, die den Heer was gevolgd in het huis des hoogepriesters en die, gelijk zijn lijdensverhaal door verschillende trekken te kennen geeft, getuige was geweest van hetgeen bij Pilatus voorviel en dus ook van Jesus\' doodvonnis, was, gelijk zijne tegenwoordigheid naast Maria op den kruisheuvel genoeg verraadt, de droevige bode, die haar berichtte, dat haar schul-delooze, Goddelijke en teeder beminde Zoon op Golgotha gekruisigd ging worden. Nauwelijks verneemt Maria deze smartelijke tijding, of de teederminnende Moeder snelt naar den weg, waarlangs haar God en Zoon, beladen met zijn kruis, voorbij moet gaan, om op Golgotha zijn bloedig offer voor het heil der wereld

selijke overlevering. 2° Moest «ene moeder als Maria natuurlijkerwijze de innigste liefde aan den dag leggen bij het sterven van haar on-schuldigen en Goddelijken Zoon. 3° Was Maria waarschijnlijk zoo al niet op het forum toch in de nabijheid tijdens de veroordeeling van Christus. 4° Was Joannes, gelijk zijn evangelie genoegzaam laat doorschemeren, onmiddellijk getuige van al wat Jesus verduurde bij Annas, Kaiphas en Pilatus, en kon hij dus \'s Heeren moeder verwittigen. 5° Werkelijk zien wij Maria, met Joannes, Magdalena en Maria van Kleophas kort daarna bij den voet des kruises, gelijk de schriftuur ons leert.

-ocr page 418-

144

op te dragen. Reeds bij den aanvang van den kruisweg zal zij, zonder zich terug te laten houden door vrees voor Jesus\' vijanden en welke zielesmart het baar ook koste, den zoo innig vereerden^ en vurig beminden Zoon zien voorbij trekken. Ach 1 hoe deerlijk wordt hare ziel gefolterd door afschuw voor dien wreedaardigen stoet, die den Onschuldige gaat vermoorden, door droefenis bij het vernemen van het akelige doodvonnis, dat de heraut verkondigt, door angst bij het gezicht van de vreeselijke werktuigen, die tot de uitvoering der schrikkelijke straf moeten dienen, door schaamte en krenking bij het aanhooren der spottende krijgsknechten, der juichende Phariseën. Daar bespeurt zij eindelijk haren ijsselijk mishandelden Zaon, zwoegende onder den drukkenden last des kruises, en, o grievende aanblik voor haar edel en fier moederhart! naast den Vlekkelooze twee kruis-dragende moordenaars 1 Wie beschrijft hier de gevoelens, die de ziel van Jesus en Maria bestormen bij dit allertreurigst schouwspel? Toen de dochter van Thomas Morus haren vader naar het schavot zag gaan, kon zij geen woord uitbrengen dan; mijn vader! mijn vader! en zij viel in zwijm aan zijne voeten. De heldhaftige Moeder van Jesus valt niet in zwijm; doch, o hoe vlijmend is de wonde baars harten, als het kwijnend oog van haren eenigen en hoogstgeliefden Zoon haar medelijdend moederoog ontmoet 1 En welk nameloos wee verscheurt het minnend Hart van dien G-oddelijken Zoon, als Hij met een oogopslag den diepen afgrond van onuitsprekelijke bitterheid doorgrondt, waarin de ziel zijner geliefde Moeder is verzwolgen. De ongelukkige Moeder 1 zij kan haar lieven Jesus niet eens een woord van troost toespreken, niet eens een kleine verlichting verschaf fen, niet eens een kleinen liefdedienst bewijzen, hoezeer zij er ook naar smacht. Een enkele blik, doch die alles zegt, is haar toegestaan, en de akelige

-ocr page 419-

145

stoet met den Grodmensch trekt voorbij naar Golgotha.

Arme Moeder! haar blijft niets over, dan eveneens dien droevigen lijdensweg in te slaan, en nu proeft zij stap voor stap de onbesclirijfelijke smart en smaad van baren kruisdragenden Zoon. Neen 1 zij die Jesus minnen, mochten dat treffend tafereel der innigste moederliefde nooit vergeten. . ■ ;

§3. Simon van Cyrem, Veronika, de iveenende ■ quot; .

•é

V-

■ll

Vrouwen.

\'

Mt. XXVII: 32 ; Mc. XV : 21 ; Lc. XXIII: 26 -31 ; Jo.XlX: 17.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, 11—-12 uur.

quot; ■

Jesus beeft nu met de grootste inspanning het zware kruis, dat minstens negen of tien voet lang is, (1) een eind wegs voortgesleept; doch zoo uitgeput is Hij, dat de krijgsknecbten met recht vreezen Hem de Golgotha-kruin niet te zullen zien bereiken. •. . ■

Door Goddelijke beschikking ontmoeten zij, terwijl Jesus bij \'t uitgaan (2) der Geunath- of tuinpoort schier krachteloos ten tweeden male ter aarde valt, (3) een man, die van het land naar de stad terugkeert. Hij beet Simon en is waarschijnlijk een jood, althans te oordeelen naar zijn joodschen naam en naar zijne geboorteplaats, indien ten minste, gelijk het vermoe-

h-

:!m

-■ • ■■ V V\'

•• %

(1) De kruisen der Romeinen waren niet hoog. Dat het kruis niet zeer lang was, blijkt 1° omdat Jesus, ofschoon uitgeput het nog droeg, 2° uit den hysopstengel, die niet zeer hoog groeit; 3° uit het breken der bee-nen. Zie R. Pierik, lijdende Jesus II. bl. 7G5.

(2) Exeuntes, Mt. XXVII; 32,

(3) De tweede val, de ontmoeting van Simon, het gebeurde met Veronica en de ontmoeting der vrouwen van Jerusalem hebben vermoedelijk te gelijkertijd bij de tuinpoort plaats gehad. Dat Jesus ter aarde zeeg was waarschijnlijk de aanleiding, dat de Romeinen Simon dwongen het kruis te dragen. Het oponthoud en de erbaimelijke toestand van den Heer gaven Veronika gelegenheid tot haren liefdedienst. En toen de Heer,

ontlast van het kruis, weder zich op weg begaf, sprak hij waarschijnlijk de vrouwen van Jerusalem toe, uit wier midden Veronika was opgetreden. • \'\'l ;

ilet Offer van J.C. II JQ

......

-ocr page 420-

146

den voor de hand ligt, Cyrene in Afrikaansch Libië (1) is bedoeld. De krijgsknechten of wellicht hun hoofdman houden dezen man aan, en eischen volgens het recht, dat de Romeinen in geval van nood tegenover de niet Romeinen in de wingewesten lieten gelden, van hem een vreemdeling den dienst, om Jesus het kruis te helpen dragen. (2) Simon verzet zich niet, en kan zich niet verzetten tegen den dwang hem aangedaan ; hij gevoelt wellicht ook innig medelijden met den uitgeputten Lijder, wiens kruis hem wordt opgelegd. Simon neemt dus het schandhout op de schouders, en draagt het Jesus na (3), totdat Hij de Grolgotha-kruin heeft bereikt. Wie zal het niet als een groote eer en een zeldzaam geluk voor Simon beschouwen, dat hij aldus het heilzame kruis van den Zaligmaker der wereld mag dragen, en aan den Grodmensch dien troost, die verlichting, die hulp misschien zelfs niet zonder liefderijk medelijken mag verschaffen. Zijn naam is daardoor vereeuwigd hier op aarde, en het is wel niet te betwijfelen, of deze daad is voor hem eene bron van genade en heil geworden. Of is het vermoeden te gewaagd, dat Simon later onder Jesus\' leerlingen heeft behoord ? Greeft zulks de H. Markus bovendien niet duidelijk te kennen , wanneer hij om Simon, die niet gekend was, aan te wijzen, hem den vader van Alexander en Rufus noemt, welke hij bij de Christenen, zijne lezers, als

(1) Ptolemeus Lagi had 100,000 joden naar de pentapclis in Libië gevoerd, wier hoofdstad Cyrene was. Te Cyrene woonden dan ook vele joden, hetgeen Flavius Josephus bevestigt, waar hij de bevolking van Cyrene in vier klassen splitst, (Antiq. XIV. 7, 2) en hetgeen ook daaruit blijkt, dat de joden uit Cyrene te Jerusalem eene synagoog bezaten. (Hand. VI. 9.) Wij treffen ook II Machab. II; 24 een Jason uit Cyrene aan.

(2) Angariaverunt. vgl. Lc. III: 14. Angarii waren oorspronkelijk Per-sische snelboden, die tot bevordering van spoed bij het vervoer lastdieren mochten pressen. Dit gebruik bestond bij Grieken, Romeinen en zelfs bij de joden, Flav. Jos. Ant. XIII; 2, 3.

(3) Lc. XXIII; 26 zegt dit vrij duidelijk en ook de kerkvaders.

-ocr page 421-

147

bekend vooronderstelt? De H. Markus schreef zijn evangelie voor de Romeinen, en dezen kenden Rufus (1) en Alexander gewis niet, dan omdat zij door Let ckristendom met hen in aanraking waren gekomen.

Jesus wilde, dat Simon het kruis na Hem zou dragen, om ons te toonen, dat de mensch met en na zijn Verlosser het kruis moet dragen. Al wie Jesus\' kruis niet draagt en niet na Hem komt, kan zijn leerling niet zijn (Lc. XIV; 27). Hoe meer de mensch aan den tweeden Adam in Diens boete zal gelijken, hoe meer hij Hem zal gelijken in Diens heerlijkheid. Jesus alleen draagt zijn kruis, omdat Hij wil; aan den mensch wordt het kruis opgelegd ondanks zijnen wil; zijne goedkeuring wordt niet gevraagd, en hij is gedwongen het kruis te dragen. Gelukkig hij, die het achter Jesus draagt met en om Jesus, naar zijn voorbeeld, en uit liefde tot Hem. Die zoo het kruis draagt, zal door het kruis waren roem en eer, rijkdom van genade, troost en gelukzaligheid vinden. Doch die het kruis, dat toch onvermijdelijk is, niet met Jesus draagt, hij zal door het kruis slechts rampzaligheid en verwerping vinden.

De Heer was door eene groote schare van volk en ook van vrouwen gevolgd tot daar, waar Hij buiten de G-ennathpoort nu in erbarmelijken toestand ter aarde lag. Het is wellicht eene dier vrouwen , die , terwijl Simon het kruis van Jesus overneemt, door Jesus\'lijden getroffen, op hare beurt den Heer de eenige ver-

(1) Vgl. Rom. XVI: 13. Crae/ Rufus^ den uitverkorene in den Heer en zijne en mijne moeder. Dat deze Rufus te houden is, zegt Lipman, voor den zoon van Simon van Cyrene, wordt door schier alle kerkvaders aangenomen. — Alexander verschilt kennelijk van hem, die Hand. XIX; 33 wordt vermeld en een jood is, en van hem, die 1 Tim. 1: 30 en 11 Tim. IV: 14 wordt genoemd en een ketter is. Simon is wellicht dezelfde persoon als Simon de zwarte, die met Lucius van Cyrene voorkomt in Handel. XIII; 1. Of Simon van eene landhoeve dan wel van het land kwam, of hij een rijk man dan wel een slaaf was, zal wel moeilijk zijn te beslissen.

-ocr page 422-

148

lichting aanbiedt, die voor het oogenblik in hare macht staat. Bezield met een edel mededoogen, optredend met liefderijke voorkomendheid, zonder genoodigd te zijn, moedig de beulen beschamend, die Jesus zoo deerlijk mishandelen, en de schoonste dienstvaardigheid aan den dag leggend jegens den hulpeloozen Lijder, ontdoet dezen vrouw zich van haren witten sluier, dien zij volgens Israëlitisch gebruik om het hoofd draagt, en biedt dien Jesus aan om het zweet af te droogen, dat Hem afgeperst is door het vermoeiende dragen van het kruis, en dat nedervloeit langs zijn Goddelijk gelaat. Hoe zoete belooning ontvangt deze hare bewonderenswaardige liefde! Zijn aanbiddelijk gelaat drukt zich af in haren doek, en het beeld van den lijdenden G-odmensch, dat haar een dierbaar onderpand en een blijvend aandenken van zijn heilig welbehagen is, staat gewis ook met trouwe en onuitwischbare trekken gegrift in haar edel hart. Jesus is voor haar onvergetelijk geworden, en ook zij is door Hem niet vergeten. Een schat van genaden, de straalkrans in het rijk der hemelen, een immerdurende roem in Jesus\' kerk op aarde hebben hare schoone liefdedaad vergolden.

Dit tafereel hebben wij te danken aan de overlevering, die, ons bewaard in de staties van den kruisweg, reeds van zeer ouden oorsprong is, (1) en bevestigd wordt door hetgeen het evangelie mededeelt omtrent de weenende vrouwen. Volgens oude opgaven behoorde deze vrouw tot het geslacht van Herodes (2), en was haar naam Veronika. Men heeft het vermoeden gewaagd, dat zij geen andere is dan Berenice, (3)

(1) Veronika komt voor in de apokriefen en de akten van Pilatus.

(2) Bollandisten. 4 febr.

(3) Dit is het gevoelen van Sepp, die hier eene letterverwisseling vermoedt der B in V, welke niet ongewoon is, zoo als bij Ssfirjpz\'.ya in Severina, en bij BcXcnxos voor lt;Igt;{).gt;7:-oz- Bij Gregorius van Nazianze (or. IV. p. 112) lezen wij voor Berenice Ihpovi\'y.r^ Anderen Iddsn den naam

-ocr page 423-

149

de weduwe van Aristobulus, en grootmoeder van Agrip-pa II en Berenice, voor welke wij in latere jaren Pau-lus zien optreden. (Hand, XXVI: 30) Deze vrouw bewoonde waarschijnlijk even als hare kinderen het paleis der Asmoneërs, in de nabijheid der Gennathpoort gelegen.

quot;Welke echter deze vrouw ook zij, zij leert ons niet slechts medelijden ea liefde jegens hen, die in nood zijn, maar ook dat Jesus vooral dan zijn Goddelijk beeld in onze ziel zal indrukken, zoodat wij Hem niet vergeten en dikwerf levendig gedenken, wanneer wij Hem met liefde gadeslaan in het midden zijner smarten, en wij een innig en werkdadig medelijden aan den dag leggen, waar Hij zijn leven voor ons geeft.

De Heer, Die hemel en aarde draagt door zijn woord, is hier ten tweeden male bezweken onder zijn kruis. Indien de God der hemelen op die wijze zwak wordt onder zijn kruis in zijne aangenomene natuur, hoe groot is de zwakheid van den mensch dan niet, en hoe zal hij staande blijven ? Alleen door de kracht van Hem, Die daar met inspanning van zijn val op staat, om ons van onze zwakheid op te richten.

Bij dien deemiswaardigen toestand ondervindt de Zaligmaker nog een ander blijk van liefde. De vrouwen van Jerusalem, die naast Veronika den Goddelijken Lijder, uitgeput, vermoeid, verlaten, vol smarten, eninde diepste vernedering aanschouwen, betoonen Hem onverholen hare innigste deernis door luide Hem te beklagen en over Hem te weenen. Zeker wel diep gevoeld zijn de schoone aandoeningen huars harten, wel innig

af van vera en iconica, hetgeen beteekent waar beeld, daar iconica in deze beteekenis gevonden wordt voor Jco7i bij Gregorius van Tours, leven der vaders, c. 12. Zeker is het, dat het woord Veronika dikwerf gebruikt wordt om de ware afbeelding van Christus te beteekenen, en ook het volto Santo te Rome wordt aldus genoemd. Veronica komt als heilige in het martyrologium Romanum niet voor, en de vrouw van den kruisweg zou slechts om de afbeelding van Christus den naam van Veronika dragen.

-ocr page 424-

150

hare dankbaarheid, wel groot hare vereering, wel teeder hare liefde, dat zij aldus tranen storten en jammeren over éénen, die in het midden van twee booswichten ter strafplaats wordt gevoerd! O welke heerlijke hulde aan de onschuld, aan de weldadigheid, aan de liefde des Heeren ter dezer plaatse en ter dezer ure gebracht! En wien treft het niet, daar op den weg naar den kruisberg ter eere van Jesus tranen te zien vloeien uit de oogen der dochteren van de stad. die zich bezoedelt met zijn bloed ? Ook dat treft Jesus. Hij keert Zich tot haar, vrij als Hij thans is van den last zijns kruises, en Hij spreekt tot haar een woord, dat ons de grenzelooze schatten van de liefde zijns Harten verraadt. Terwijl Hij ten prooi is aan de verregaandste droefenis, smaad en smart, terwijl Hij als een booswicht gaat sterven aan een kruis, ontsnapt Hem j tegenover haar, die Hem beklagen, geen enkele klacht over eigen leed. Neen.! Hij vergeet Zich zeiven, en Hij denkt slechts aan het ongelukkig lot van haar, die daar ween en. Hij betreurt het rampzalig uiteinde van Jerusalem op het oogen-blik, dat het Hem vermoordt. Dochters van Jerusalem! zoo spreekt Hij, toeent niet over Mij, maar ween over u zeiven ! Want ziet! er zullen dagen komen, luanneer zi] zullen zeggen: zalig de onvruchtbar en ^ en de schoot, die niet gehaard heeft, en de horsten, die niet gezoogd hebben! Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen : valt op ons, en tot de heuvelen: bedekt ons ! want indien men deze dingen doet aan het groene hout, ivat zal dan aan het dorre geschieden ?

Liefde vervult zijn Goddelijk Hart bij het zien van de tranen dier weenenden, en Hij vergeet zijn eigen leed om slechts aan Jerusalems zonde, en aan de vreeselijke strat, die daarom Jerusalems dochters en hare kinderen eens wacht, te denken. Niet zoozeer zijn lijden, dat Hij voor het heil der wereld met offervaardigheid ondergaat, maar de ijsselijke straf,

-ocr page 425-

151

die haar en hare kinderen wacht, om de zonde Laars volks, is niet genoegzaam met tranen te bev. eenen. Dat Hij zijn bloed aan het kruis zal vergieten, smart hem minder, maar dat dit vergotene bloed zal komen over haar en hare kinderen, is in zijn oog een door haar niet genoeg te betreuren ramp. Helaas 1 dagen van zoo onuitsprekelijk wee heeft Jerusalem te wachten, dat moederzegen als eene ellende zal worden beschouwd, en zoo groot zal de angst en kwelling zijn, dat men een plotselingen dood als een weldaad zal begroeten. Want indien men op het punt is om den groenenden, bloeienden, vruchtdragend en boom des levens onder de verdubbelde slagen der wreedheid te doen vallen, dan wacht gewis het dorre en onvruchtbare hout nog onbeschrijfelijk treuriger toekomst. Indien de llomei-nen Hem, den Schuldelooze, (1) kruisigen als koning der joden, hoe zullen zij dan te werk gaan tegen de schuldigen, die werkelijk tegen hun gezag oproerig zijn geworden en zich met geweld van wapenen tegen hen hebben verzet ?

De waarschuwing voor Jerusalems vrouwen is ook eene waarschuwing voor ons. Het is schoon medelijden te hebben met Jesus\' onbeschrijfelijk lijden, en tranen van aandoening te storten bij zijnen kruisdood. Maar wij hebben toe te zien, of onze daden overeenstemmen met die deernis, en of onze zonden niet in strijd zijn met die teederheid. Anders zal bij het jongste gericht ook voor ons een dag komen, dat wij het daglicht zullen vloeken, het moederschap een ramp zullen noemen, en in vertwijfeling uitroepen : bergen ! valt op ons ! heuvelen! bedekt ons. Openo. VI: 16.

(1) De rechtvaardige wordt dikwerf in de schriftuur vergeleken bij een groenen, schaduwrijken, vruchtdragenden boom. Vgl. I\'s. 1:5; Jerem. XVII: 3.

-ocr page 426-

152

§ 4. Aankomst op Golgotha, de myrrheicijn, de kruisiging.

Mt. XXVII: 33-34 ; Mc. XV : 22—23 ; 25 ; Lc. XXIII: 33; Jo. XIX: 17-18.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, ongeveer 13 uur.

Nog een derde maal stort Jesus volgens de overlevering neder op den kruisweg in de nabijheid van Golgotha. Is hot, omdat zijne zwakheid en vermoeienis | h zoo groot is, dat Hij er bij neervalt en niet in staat i d is verder te gaan ? Of is het, omdat men het op nieuw beproeft bij het laatste eind wegs, Hem met het kruis te beladen? Of is het, omdat Hij te gelijkT met iSimon het kruis moet dragen ? (1) Hoe dit ook zij, het feit, dat Jesus nogmaals ter aarde stort,

laat zich zeer goed denken. Daardoor wordt ons recht aanschouwelijk, hoever de Almacht Gods in den afgrond onzer zwakheid, de Majesteit Gods in de vernedering onzer geringheid, de B eerlijkheid Gods in de akeligheid onzer ellende is afgedaald, om aan| den diep gevallen sterveling sterkte, vertrouwen, volharding bij al zijne ellenden te schenken.

Eindelijk heeft de stoet de kruin van Golgotha bereikt. Zij is tusschen de vier en vijfhonderd ellen en dus nog geen kwartier gaans van het pretorium verwijderd, (2) Hier zal de ware boom des levens geplant worden, die eeuwige onsterfelijkheid schenkt 1

(1) Verscheidenen meenen, dat Jesus tegelijk met Simon het kruisi heeft gedragen, ofschoon het minder met den tekst van het evangeliei schijnt overeen te stemmen.

(2) De Golgotha verheft zich thans slechts 18 treden of 15 voeten bo-| ven den gewonen grond, dat is boven den began en vloer der grafkerk, en | deze is 12 treden of 11 voeten boven den vloer der graikamer vanNiko-demus en Joseph. Hij beslaat eene oppervlakte van 43 voeten lengte en 18 voeten breedte. Sepp Pilgerb. t. 1. p. 315. Dit vlak is verdeeld in twee kapellen; de zuidelijke is die der kruisiging ; de noordelijke die der kruisplanting. De Golgotha kan door bouwen en slechten wel iets lager geworden zijn, maar kan toch geen aanmerkelijke hoogte gehad hebben.

-ocr page 427-

153

Hier zal de hemelladder worden opgericht, die den hemel aan de aarde en de aarde aan den hemel verbindt. Hier zal Hij verhoogd worden aan het kruis die hot geneesmiddel is voor allen tegen de giftbeten der helleslang. Hier verrijst de glorierijke krijgstrofee,

die aan allen verkondigt, dat de groote strijd tegen den vorst dezer wereld is gestreden. Hier verheft zich het heilig altaar, waarop de eeuwige hoogepriester het offerbloed gaat plengen des nieuwen verbonds,

dat de ziel reinigt van de smet der zonden.

Het was een joodsch gebruik, dat aan de ten dood veroordeelden wijn te drinken werd gegeven, waarin myrrhe was opgelost, en deze drank werd zelfs door Jerusalems voorname vrouwen bereid en toegediend (Sanhr. 6. 1), waarbij men de plaats van het boek der spreuken op het oog had; geeft sterken drank aan hen die bedroefd zijn, en wijn aan hen die ziele-smart gevoelen. (Spr. XXXI: 6) Het doel was om door de bedwelmende kracht van dezen drank de hevige pijnen der doodstraf te verminderen.

Ook hier wordt dit gebruik tot zeker punt gevolgd.

Het zijn de Homeinsche krijgsknechten, die Hem kruisigen, welke den Heer slechten en bitteren met

myrrhe gemengden wijn aanbieden. (I) De Haar ■ ;

brengt dien beker der bedwelming aan de lippen, en ,

proeft zijne bitterheid, maar Hij, Die gekomen is om onze straffen te dragen en voor onze zonden te voldoen.

Hij wil met vol bewustzijn het offer des levens brengen voor het heil der wereld, en hoezeer Hij ook smacht naar een verfrisschenden dronk, en hoe fel de

- • •\':

(1) Mattheus en Markus geven genoegzaam te kennen, dat zij die Jesus kruisigden, Hem ook dien drank aanboden, en spreken zelfs van Jerusalems vrouwen niet. Bij Mattheus lezen wij: vinuvi cum felle mislum en in \'t Grieksch il^oq /i£Ta fisficyfiévov. Daar ofoj mede wi/n beteekent,

doch die verzuurd is, en vele handschriften zelfs dlvov lezen, zoo is het vinum der vulgaat juist en stemt Mt. met Mc. overeen, waar wij lezen;

myrrhatum vinum. Fel is hier bitterheid^ en geeft te kennen, dat de verzuurde wijn door de vele en slechte myrrhe hoogst bitter was.

quot;If

p i ■

u • ••

•i

-■..V

-ocr page 428-

154

smarten der kruisiging ook zijn, de teuge der bedwelming meent Hij te moeten afwijzen.

Nu worden Jesus door de ruwe krijgsknechten zonder eenig mededoogeü de kleederen van het gegeeselde lichaam gerukt, en alle zijue wonden andermaal opengereten. Naakt moest de veroordeelde aan het kruis worden geklonken (1), in dien zin echter, dat bij de Romeinen een lendengordel, (2) en bij de joden de lendenrok (3) ter bedekking bleef. Ook op die wijze wordt de Goddelijke Lijder aan het kruis gehecht. (4) Arm is Jesus om onzentwille in de wereld gekomen, en arm verlaat Hij om onzentwille de wereld. „Hij „heeft al het onze aangedaan,\'\' zegt de H. Athanasius, „om er zich weder van te ontdoen, en ons daarvoor „te bekleeden met het leven en de onsterfelijkheid.\'\'

Tegelijkertijd worden de drie kruisen opgericht en in de daarvoor gegraven kuilen geplant. (5) Drie soorten van kruisen waren bij do ouden in gebruik,

(1) De ontkleeding van Jesus wordt bevestigd door de; profetie, ps. XXI : diviserunt tibi vestimenta mea etc.; door het evangelie-verbaal; door de bestaande gebruiken (Artemidorus Oneiroc, II: 58.) ; en eindelijk door de overlevering, ons door de afbeeldingen van Christus en de kerkvaders bewaard.

(3) De Romeinsche zeden eischten dit zelfs bij de kampstrijden. Dionis. Halic. I: 80. Vgl. Val. Max. II: 3, 8; Cic. de Offc. I: 35. Hor. Epist. I: II. Met den lendengordel is Christus bij de gewone crucifixen voorgesteld.

(3) Sanhedr. c. 5, 3. Vgl. Bosio p. 581 Katacomben. Met den lendenrok wordt Christus aan de Byzantynsche crucifixen afgebeeld. Het apo-kriefe evangelie van Nikodemus meldt, dat zij Christus met een linnen-doek omgorden.

(4) Bij alle kruisbeelden, die ons uit de oudheid zijn geworden, zien wij Christus zoo afgebeeld. Een zeer oud crucifix, dat van het handschrift van het Syrisch evangelie van het jaar 586, stelt Christus voor gekleed in een lang gewaad. Zie Pierik, de lijdend. Jes. Dl. II bl. 803.

(5) Zie R. Pierik Soc. Jes. de Lijdende Jes. D. II. p. 800. Dit was het algemeene gebruik bij de Romeinen. Ook de kerkvaders bevestigen zulks, vooral Cyprianus, Augustinus, Chrysostomus, Gregorius en Nonnus. Bij uitzondering werd echter de kruiseling soms eerst aan het kruishout geklonken, en dan daarmede opgericht. Euseb. Hist. Eccles. IV; 15.

-ocr page 429-

155

het Grieksche kruis, het kruis in den vorm eener Tou, en het kruis, gelijk wij het gewoonlijk zien afgebeeld. (1) Volgens het algemeene gevoelen hebben wij bij Jesus\' lijden aan het laatste, het vierarmige, te denken. (2) Nadat alzoo de kruisen waren opgericht, werd Jesus door de krijgsknechten op het zitblok des kruises geplaatst, een korten in opwaarts gaande richting vooruitspringenden balk, die tusschen de beenen doorging, en diende, om de kruisiging gemakkelijker te voltrekken en te beletten, dat de lichamen zouden nederstorten. (3) Vervolgens werden Hem armen en beenen aan het ruwe kruishout vastgebonden, ten einde de vreeselijke kramptrekkingen meester te blijven en het aannagelen vaardiger te verrichten. (4) Het

(1) Het eerste had den vorm eener X en werd crux dccussata genoemd. Het tweede had den vorm eener T en heette crux commissa. Het derde had den gewonen vorm f , en droeg den naam van crux immissa.

(2) Dit blijkt uit het opschrift, dat boven Jesus\'hoofd werd geplaatst; 2° Uit de overlevering. Justinus M. (dialog, c. Ill), Tert. (Apolog. c. 1G de idol. c. 12), Minucius Felix in Octav. (c. 29), August, (in ps. 103). Ook in de bouwvallen van pompeji, in het huis van Panse, is een kruis gevonden in relief op een veld van witten pleister. Het is vierarmig. Indien het een kruis der Christenen is, zooals men niet zonder grond vermoedt, dan is dit de oudste voorstelling, die nog in den tijd voor Titus valt. Mazois les ruines de Pompeji.

(3) Iren. Haeres. II: 42. »Ipse habitus crucis fines et summitates ha-»bet quinque, duos in longitudine, et duos in latitudine, et unum in medio »in quo (alias: ubï) requiescit, qui clavis affigitur.quot; Men noemde het scdi/e, zitblok. Quod in medio impactum est lignum, ipsum instar cornu eminet, in quo vehuntur, qui crucis supplicium subeunt. (Justin. Dialog, n. 91) Ook de uitdrukkingen in crucc sedere, cruci inequitare, duiden het aan. Hiervan is onAzïS.chelamp;vn\'hel sufpedanewn oi voetbankje, waarop de voeten vastgenageld zouden zijn. Dit komt echter eerst voor bij latere schrijvers. Naar het schijnt werd het sedile reeds van den beginne om aesthetische redenen achterwege gelaten bij de afbeeldingen van het kruis. — Intusschen zijn er, die het sedile bij de kruisiging van Christus verwerpen. Ofschoon nu dit laatste gevoelen geschiedkundig minder waarschijnlijk is, zoo brengt toch het aangenomen gebruik mede, het bij de kruisafbeeldingen te volgen.

(4) Hilar, de Trinit. L. X, c. 13 ; tract, in ps. 143. Lucian. L. VI de mage Thessala; Plin. N. H. XXVIII: II.

-ocr page 430-

156

is, of de H. Evangelisten slechts met weerzin en met droefenis aan de vreeselijke folteringen van den Glod-menseh, vooral aan zijne kruisiging denken. Met opmerkelijke kortheid schrijven zij; daar kruisten zij Hem. De kruisdood was de wreedaardigste, afschuwelijkste en onteerendste straf (1), en die ijsselijke smart en smaad door hun geliefden Meester geleden, kwetst hun minnend hart. En wie ook vestigt den blik op dat pijnlijk schouwspel, zonder tot in het binnenste zijns harten bewogen te worden door droefenis en mededoogen en zonder tranen te storten van teedere liefde voor den Goddelijken Minnaar onzer zielen, die op zulke wijze om onzentwille geslachtofferd wordt ? Zie! hoe de gruwzame koorden den Koning der hemelen vastsnoeren tegen het harde kruishout! Zie ! hoe de felle hamerslagen nedervallen, en de nagelen heen drijven door die aanbiddelijke handen, die nooit iets misdeden, tallooze weldaden verspreidden, en op het eigen oogenblik zich openen, om met het Goddelijk bloed, dat er uit nedervloeit, een stroom van onschatbare genaden over de wereld uit te storten. Na de rechterhand wordt aan de lin-kerhaad, na den rechtervoet wordt aan den linkervoet het maagdelijk vleesch verscheurd, de gevoelige zenuwen vaneen gereten, het gebeente verbrijzeld. Vier maal wordt de wreede marteling telkens met klimmende smart herhaald; vier spijkers, wat vreeselijke kramptrekkingen de Heer ook lijde, hechten Hem vast aan het schandhout. Vier wonden kwellen den Grodmensch met de verschrikkelijkste pijn. (2)

(1) Crudelissimum, teterrimum supplicium. Cic. in Verr. V. 64. Infa-mis stipes. Lev. I; 26 ; Minuc Felix Octav. c. q.

(2) Dat Jesus voeten met nagelen doorboord zijn, blijkt 1° uit de voorzegging van David (Ps. XXI) ; 2° uit de woorden van Christus bij Luc. XXIV : 3U ; vgl. Jo. XX : 20 ; 3° uit de overlevering: Justin. (Apol. I; 35. beroept zich om dit te bevestigen op de akten van Pilatus; Tertul. (adv.) Marc. 111; 19) zegt, dat hierin de eigenlijke wreedaardigheid der kruisstraf bestond; Cyprianus de pass. S. 202), Hilarius, Ephrem, Euse-

-ocr page 431-

157

Zoo wordt het woord, door den koning David Hem in den mond gelegd, ten stipste vervuld: zij hebben mijne handen en mijne voeten doorboord, (ps. XXI,)

Het was volgens den H. Markus de derde nar, toen Jesus aan het kruis werd geslagen ; (Mo. XV ; 25) dat is, de zesde uur of de middag, ofschoon nabij, (vgl. Jo. XIX: 14) was nog niet aangebroken.

Toen naar gissing een kwartier ongeveer daarna duisternis over de geheele aarde kwam, was het zesde uur daar volgens denzelfden evangelist (Mc. XV: 33) ot was het middag, terwijl met het negende uur, of volgens onze tijdrekening ten drie ure na den middag (Mc. XV: 34), de Heiland den geest gaf. (1) Ruim drie uren dus zou de doodstrijd des Heeren nog duren.

bius van Emesa, Athanasius, Eusebius de geschiedschrijver, Lactantius (div. inst. IV: 18) Nonnus en Gregorius van Nazianzen of de schrijver van Christus patiens, getuigen dit eenparig, en kenden de kruisiging door eigen aanschouwen. Vruchteloos beroept men zich op Lucianus de Prometheo 2. en Pharsal. V. 547 de maga Thessala. Op de eerste plaats wordt wel is waar slechts uitdrukkelijk van het binden en vast nagelen der handen gesproken, doch het aannagelen der voeten niet uitgesloten, en hiernaar moet ook de tweede plaats verklaard worden. Zelfs werden de twee voeten met twee spijkers vastgehecht. Zoo lezen wij bij Plautus in Mostellaria Act. II seen. I; 13. Ego dabo ei talentum, primusque in crucem excucurrerit. Sed ea lege, ut afjigantur bis pedes, bis brachia.

Ook Cyprianus (de pass. S. 202) neemt zulks aan, en Gregorius van Tours (de glor. mart. c. 6) getuigt dit nog uitdrukkelijkger. Wel noemen Gregorius van Nazianzen en ook Nonnus het kruis rpttrrjlov £6Xov, lignum triclave, doch zij doen dit als dichters. De H. Helena vond naar het schijnt vier nagelen. Theophan. Chronogr. p. 20 De oude crucifixen vertoonen aan de voeten twee nagels. Vgl. Borgia de cruce Vatican! p. 45 5 de cruce Veliterna p. 133. Zie Justus Lipsius. Het moet ook zeer bezwaarlijk geweest zijn de twee voeten over elkander vast te nagelen aan het kruis en daarom ook minder gebruikelijk. De kruisbeelden, waarop Christus slechts met drie nagels is afgebeeld, zijn van latere dagteekening.

(1) De joden rekenden den dag van zonnen-opgang tot zonnen-ondergang, en verdeelden dien in twaalf uren, die in lengte verschilden, volgens dat de dagen langer of korter waren. In het gewone leven echter onderscheidde men slechts vier voorname deelen, die men het eerste.

-ocr page 432-

■\' quot; i

158

Zoo is de Zoon Gods gehoorzaam geworden tot in den dood, ja tot den dood des kruises. (Phil, II: 8) Otn ons moed, geduld en onderwerping in te boezemen bij den dood, en ons stervensuur te verzoeten, heeft Hij den pijnlijksten en schandelijksten dood door

derde, zesde en negende uur noemde, (Handel. II: 15 ; III : 1 ; X; 9) en ter welker bepaling men zich naar den zonnestand richtte, waarbij men den middag als vaste greaslinie aannam. Zoo noemde men het eerste gedeelte van den dag, dat drie uren bevatte, de eerste uur of den morgen ; het volgende gedeelte, dat wederom drie uren bevatte, de derde uur; het gedeelte, dat met den middag begon en gelijke tijdsruimte besloeg, het zesde uur, en eindelijk het laatste gedeelte van den dag de negende uur of den avond. Zoo lezen wij, H. Beracoth f. 2. 4 : fer zijn vier waken in den nacht^ en vier gedurende den dag.quot; Opmerkelijk is de plaats. B. Pesach f. 11. 3: cum alter dicit, hora secunda, alter tertia, testimonium eorum consistit. Cum vero alter dicit, hora tertia, alter quinta, testimonium eorum est inane, ut censet R. Meir. At. R. Jehuda dicit: testimonium eorum consistit. Cum vero alter dicit hora quinta, alter septima, testimonium eorum inane est, quia hora quinta sol est in parte cocli orinntali, septima in occidentali.quot;

Men neme buitendien in acht, dat de uren slechts genoemd werden, naarmate zij verstreken waren. Zoo lang er geen drie volle uren ver-loopen waren, was het nog altijd het eerste uur, en het elfde uur in de parabel der werklieden is slechts daar, wanneer 11 volle uren voorbij en er maar een uur meer overblijft. Wanneer dus de H. Markus zegt, dat Jesus met het derde uur gekruist werd, geeft hij te kennen, dat het nog voormiddag was of dat het zesde uur nog niet was aangebroken. Hij stemt dus overeen met den H. Joannes, die mede te kennen geeft, dat het zesde uur, ofschoon nabij, nog niet daar was.

Anderen zijn van meening, dat Markus de joodsche en Joannes de Romeinsche rekening volgt. Doch dit komt mij hier, zoowel als Jo. I: 40, IV: 6; XI: 19 onwaarschijnlijk voor, wijl de geeseling en al het overige dan reeds voor 6 uren \'s morgens volgens onze tijdrekening zou zijn geschied.

Patrizzi is van gevoelen, dat in het grieksche evangelie van Joannes eene verwisseling van letters heeft plaats gegrepen. De gelijkvormigheid der Grieksche /\' eu J\\ waarvan de eerste drie, de laatste zes beteekent, kon gemakkelijk hiertoe aanleiding geven. Hij beroept zich op den codex Cantabrigensis , op een codex regius der 8ste eeuw, het Chronicon Paschale en Petrus Alexandrinus de evang. L. II. ann. CXCV. Zie ook de aanteekeningen van Tisschendorf ter dezer plaatse.

Alles echter wel ingezien vind ik de eerste oplossing de natuurlijkste en waarschijnlijkste.

-ocr page 433-

159

staan. Hij heeft het kruis verduurd en de schande veracht, (ffebr. X1T; 2) om ons op de ontzettendste wijze nederigheid en verloochening van den hoogmoed te leeren. Aan het kruis doet Hij ons zien, hoe wij ons vleesch met zijne ongeregelde begeerlijkheden moeten kruisigen (Gal. V : 24), zoodat wij als Paulus kunnen uitroepen : met Christus ben ik aan het kruis gehecht. Ik leef, ik niet meer, maar Christus leeft in mij. (Gal. II: 20) De wereld is voor mij gekruist en ik voor de wereld. (Gal. VI; 14) Het kruis toont ons den vloek, de schande, de straf der zonde. Het kruis is het altaar der edelmoedigste, Gode behagelijkste, allergenoegzaamste offerande. Het kruis is het rijke zinnebeeld van den eeuwigen duur, en alles omvattende breedte, en oneindig verhevene hoogte, en beneden alles afdalende diepte van Christus\' grenzelooze liefde. Het kruis is de hooge leerstoel, van waar ons de schoonste lessen van onbedriegelijke waarachtigheid, van allervolmaakste deugd, van hemelsche gelukzaligheid worden verkondigd. Het krais is de troon der nooit volprezen waardigheid, der onbegrensde macht, der wonderbare heerlijkheid van onzen God en Koning, Die heerscht van het hout. Het kruis is de vreugde des hemels , het heil der aarde, en do schrik der hel!

Op den berg Horeb vertoont Zich God in zijne geheimzinnige grootheid ; op den Sinai verkondigen donders en bliksemschichten, vuurvlammen en rook zijne vreeselijke heiligheid ; op Thabor schittert Hij in den luister zijner heerlijkheid ; op den Olijfberg stort Hij tranen van liefde ; maar op Golgotha, daar is Hij ons boven alles dierbaar, daar schenkt Hij ons tranen, bloed en leven! en dit aan een kruis !

-ocr page 434-

HOOFDSTUK VI.

JBSUS KRUISDOOD.

§ 1. Jesus\' eerste kruiswoord.

Mt. XXVII: 35 ; Mc. XV : 24 ; Lc. XXIII: 33-341 Jo. XIX: 18.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, ongeveer 13 uur.

Was de kruisiging op zich zelve reeds ten hoogste smartelijk en ten hoogste onteerend, voor Jesus is zij beiden zoozeer, als zij het onder eenige omstandig\' heden zijn kan. Alles is hier aanwezig om Jesus\' onbeschrijfelijke smart tot het toppunt te voeren. Green bedwelmende rnyrrhewijn verdooft hier de pijuJ Zijn allervolmaakst en teergevoelig lichaam is hoogst vatbaar voor elke gewaarwording, die de gruwelijke] foltering veroorzaken kan. Daarbij komt de hoogste] opgewektheid van Jesus\' Goddelijke ziel, die geen! enkele smart laat ontsnappen. Eindelijk is de bitterste haat hier werkzaam, om in alles zijn lijden naai| vermogen te verzwaren.

En niet slechts het lichamelijk lijden maar ook del schande des kruises is voor Jesus geheel ongewoon,; Hij wordt gekruisigd met twee groote booswichten,! Den eenen plaatsen zij aan zijne rechter-, den anderen aan zijne linkerhand, Jesus echter in het midden. AL ware Hij niet minder schuldig dan zij, ja als ware Hij het eerst, het zekerst, het meest de afschuwelijke straf schuldig, wordt Hij de eerste der drie aan het schandhout geklonken, en als de grootste misdadiger in het midden geplaatst. Zoo hangt de Heer en God

-ocr page 435-

161

der engelen daar voor geheel een volk als een afschuwelijke booswicht ten toonl Voorwaar niet op ontzettender wijze kon de voorspelling van Isaïas, bij het avondmaal door Hem reeds op Zich toegepast, in vervulling gaan : Hij is onder de misdadigers gerekend, 0 grenzelooze afgrond van vernedering en vernietiging, waartoe de Heilige der heiligen, de aanbiddelijke Majesteit van een God is afgedaald! O eindelooze liefde! om ons te verlossen van den vloek der wet, is Jesus ten vloek geworden! Want gevloekt is Hij, die hangt aan het hout. (Gal. III: 13)

Doch zie! terwijl die beulen den Godmensch zoo wreedaardig martelen, terwijl Hij in het midden van twee moordenaars wordt prijs gegeven op den hoogen feestdag van Paschen aan de diepste verachting van geheel Israël, daar ontsnapt Hem geen vloek ! daar komt geen kreet der wrake over zijne lippen! daar hoort gij zelfs geen aanklacht van zijne vijanden! Neen, daar vindt zijn oneindig minnend Hart nog rijkdom van liefde genoeg om voor die beulen, die Hem moorden, die Pharisëen, die juichen in zijn ondergang, het verblinde volk, dat Hem bespot, te bidden. Met uitgestrekte armen smeekt Hij als een andere Moses om barmhartigheid voor zijn volk, en zendt Hij de onvergetelijke bede op tot zijn Vader: Vader! vergeef het hun, icant zij weten niet, wat zij doen !

O hoezeer toont Hij hier de ware Hoogepriester te zijn uit de menschen gekozen, en voor de menschen aangesteld in de diagen, die God betreffen, om gaven en offers voor de zonden op te dragen ! (Hebr. V; 1) Waar Hij zijn eerste woord spreekt aan het kruis, daar treedt Hij reeds op als de beminnelijke Middelaar van het betere Verbond, als de Zaligmaker der wereld, als het zachtzinnige Zoenoffer, dat door zijn bloed om barmhartigheid smeekt. Zijn eerste woord, de inwijding van zijn heerlijk kruis, is eene bede om verzoening en genade. David spaarde Saül,

Het Offer van J. C. II

.11

ji

i

■ïï 1;

■II

-ik

l-lll ^ -.h-

ff

„ ;:te ..—i-i

v ;■%:

• ii\'

p\'-ljïl; |\\-f:

»

• j ,

;\'s.:

••■ ••-. if i

-ocr page 436-

162

die hem jaren lang naar het leven had gestaan (1 Kon. XXIV); hier spaart niet slechts een God en Koning zijne moordenaars, maar Hij bidt voor hen smeekende met tranen, ten einde verhoord te worden om zijnen eerbied (Hebr. V : 7). Joseph wordt door zijne broeders verkocht als een slaaf, en hij schenkt later hun vergiffenis, maar hier zien wij den Eerstgeborene onder de broeder.?, Die vergeeft aan zijne broeders, en voor hen bidt op den eigen stond, dat zij Hem kruisigen.

En hoe bidt Hij ? Met den zoeten naam van Vader, richt Zich de Een- en Eeuwiggeboren Zoon tot den Grod aller liefde en barmhartigheid, en verzoekt Hem door de oneindige liefde, die Hij als Yader Hem toedraagt, door het welbehagen, dat Hij heeft in het offer zijner gehoorzaamheid, door al den invloed, dien het stroomende bloed zijns Zoons kan doen gelden, te vergeven aan allen, die schuldig zijn aan zijn dood.

Hij noemt God. Vader niet slechts, omdat Hij , de biddende, zijn Zoon is, maar ook omdat zij, voor welke Hij bidt, zijne aangenomene broeders, des Vaders aangenomene kinderen zijn. Hij verzoekt om vergiffenis voor allen, voor de krijgsknechten, die Hem vastnagelen, voor de rechters, die Hem onrechtvaardig ver-oordeelen, voor het volk, dat zijn kruisdood eischt, voor ons, om wier zonden Hij gekruisigd is.

„Wondervolle zaakquot;! zegt de H. Bernardus, „de „joden roepen: kruisig Rem! en Hij bidt; vergeef hun.\'\'\' Zij schreeuwen om den vloek en de wrake zijns bloeds over zich en hunne kinderen; Hij smeekt om genade en barmhartigheid bij zijnen Vader voor zijne moordenaars. Hij is des doods schuldig, dit is hun vonnis; zij weten niet, wat zij doen, dit is zijne verschooning. Ja zijne teedere liefde weet in dit uur hij zooveel smaad en smart nog de verontschuldiging te doen gelden, dat, indien zij Hem gekend hadden, zij nooit dm Koning der heerlijkheid zouden gekruisigd hehheii. (1 Cor. II: 8)

-ocr page 437-

163

Toch zijn zij getuigen geweest van zijne wonderen ; tocli weten zij, da,t Hij al weldoende is rondgegaan ; toch twijfelen zij niet aan zijne onschuld ; toch kunnen zij Hem erkennen als den Gezondene des Vaders, en is het alleen te wijten aan hunne vrijwillige verblindheid , dat, hoewel Hij zoo groote teekenen voor hen heeft gedaan, zij echter in Hem niet gelooven. (Jo. XIII: 37 — 40) Desniettemin het is verblindheid , en Jesus\' liefde vergeet die verschooning niet , hoe gering zij ook moge zijn.

Door deze edelmoedige bede is Hij de Goddelijke Leermeester, Die niet slechts met woorden, maar met de daad ons van de hoogte des kraises toeroept: bemint moe vijanden; doet loei aan degenen , die u haten , m hidt voor hen , die u vervolgen en belasteren (Mt. V : 44). Hier aanschouwen wij de liefde, die geduldig is , welwillend is , alles lijdt, alles gelooft , alles hoopt, alles verdraagt, (1 Cor XIII: 4, 7). Hier is de Goddelijke leerschool, waar Stephanus leert bidden , terwijl hij gesteenigd wordt: Heer! reken hun deze zonde niet toe (Hand. VII: 59) waar de apostelen worden gevormd , die getuigen ; wij worden gevloekt, en wij zegenen; wij ivorden vervolgd, en wij verdragen ; wij worden belasterd , en wij bidden (1 Cor. IV : 12, 13) ; waaraan Jakobus de bede ontleent, die hij uitspreekt, ter-wij] men hem vermoordt: Heer! vergeef het het hun , want zij weten niet, ivat zij doen. (Euseb. Hist. II: 22)

Hier gaat in den driewerf heiligen Hoogepriester, terwijl Hij zijn leven ten zoenoffer stelt voor de zonden der wereld, de opmerkelijke voorspelling van den profeet Isaïas in vervulling; Hij heeft voor de overtreders gebeden (Is. LUI : 12) En om die liefdevolle en onweex\'staanbare bemiddeling van den Zoon Gods worden Hem velen toegedeeld; door dien zegevierenden strijd zijner onuitputtelijke zachtmoedigheid ontrukt Hij een rijken buit aan den vorst dezer wereld (Is, ib.). Waar zijne moordenaars van

-ocr page 438-

104

Golgotha naar Jerusalem terugkeeren, daar kloppen zij op hunne bórst en roepen zij uit: waarlijk deze was de Zoon van God! En toevele duizenden joden, die aan de genade geen weerstand boden, hoe ontelbare zondaars hebben aan deze machtige smeeking van den Zaligmaker der wereld hunne bekeering en hun heil te danken!

Mijn goede Jesus 1 mijn teedere en beminnelijke Jesus!quot; roept hier de H. Bernardus uit, „o ! welk ver-„trouwen en welke blijdschap moet deze zoo zoete „bede uitstorten in onze harten! Zij ontdekt ons de „stroomen van hemelsch genot en Goddelijke zalving, „die gij zult uitgieten in de zielen der getrouwen, „die U zoeken, U dienen, U beminnen, daar gij zoo „overvloedig den olie uwer barmhartigheid laat „vloeien over hen, die U kruisigen!quot; (Serm. fer. IV. hebd. Poenit.) Indien Hij aldus een barmhartige Zaligmaker is aan het kruis voor zijne moordenaars, dan mogen ook wij vertrouwen, indien wij het ongeluk hadden te zondigen, dat Hij eveneens voor ons een liefderijke Voorspreker bij den Vader zal zijn. Ja! Hij zelf is het zoenoffer voor onze zonden, en niet slechts voor de onze maar voor die der geheele wereld. (1 Jo. II : 1)

§ 2. Het opschrift des kruises ; de verdeeling van Jesus\' kleederen, en de hes-pottingen.

Mt. XXVII : 35-43; Me. XXV ; 24-32;

Lc. XXIII ; 34-38; Jo. XIX : 19-24.

Vrijdag 15 Nisan, 18 Maart, omstreeks 13 uur.

De schuld, waarom iemand ter dood veroordeeld was, werd volgens bestaande gewoonte bij de Romeinen opgeschreven en voorgelezen. Vervolgens werd zij bij het heengaan naar de strafplaats door een heraut verkondigd, of op een bordjen geschreven, dat men den schuldige om den hals hing. (Dio Cass. 54. 8).

-ocr page 439-

165

Ook bij Jesus ontmoeten wij zulk een opschrift, en zien wij het op bevel van Pilatus boven het hoofd des Zaligmakers aan het kruis vastgehecht. Wij vinden het in drie talen geschreven, in het Hebreeuwsch, de taal des lands, in het Grieksch, de taal der beschaving, in het Latijn, de taal des Romeinschen bestuurs en gerechts (1). Zijn hoofdinhoud is: Jesus van Nazareth, de Koning der joden. Jesus van Nazareth namelijk ondergaat de kruisstraf om majesteitschennis als Koning der joden, daar dit koningschap in strijd is met de heerschappij des keizers. Doch het is Pilatus\' bedoeling niet zoozeer Jesus, als wel de joden door dit opschrift te vernederen. Immers daar Jesus de koning der joden wordt genoemd, heeft het al den schijn, dat ook de joden in Jesus door Pilatus bespot en gestraft worden, even als toen hij hun spottend vroeg; zal ik uwen koning kruisigend

Het kan niet anders, of dit opschrift wordt om de onmiddellijke nabijheid van Golgotha bij Jerusalem door eene geheele menigte joden niet zonder bevreemding en ontevredenheid gelezen. De overpriesters en Phariseën gevoelen zich gekrenkt, en begeven zich tot Pilatus met het verzoek den titel eenigzins te wijzigen. Wil niet schrijven, zeggen zij, de Koning dei-joden, maar dat Hij gezegd heeft: ik ben de Koning der joden. Doch Pilatus, die niet zonder tusschen-

(1) Het is niet onwaarschijnlijk, wat sommigen vermoeden, dat Joannes het Hebreeuwsche opschrift, Lukas en Mattheüs het Grieksche, Markus het Latijnsche heeft medegedeeld. De titel des kruises zou dus geluid hebben ;

DTimn -jbo i-isan jns?1

Oozuq Wriv Vijawjg, ó Baa\'.Xcbs zwv \'[oüdauov.

REX JUDJSORUM.

Hetgeen Markus aangeeft, is kort gelijk de opschriften der Romeinen ; hetgeen Joannes aangeeft, noemt ook volgens de joodsche zeden en spraak de plaats van Jesus\' afkomst. Werkelijk is de volgorde der drie talen, gelijk Joannes ze opgeeft, ook de orde der drie talen van het opschrift , gelijk het te Rome bewaard wordt.

-ocr page 440-

166

komst der Goddelijke Voorzienigheid het opschrift in dier voege heeft samengesteld, handhaaft het ten volle, en voegt hun toe met het fiere gezag van een Romeinsch rechter: wat ik heb geschreven, heb ik geschreven, en vernedert alzoo nog eenmaal te meer hen, die hem bij dit geheele geding zoo lastig gevallen zijn.

Waarheid is en blijft, hetgeen het opschrift des kruises vermeldt, en onwetend is Pilatus het werktuig om aan de geheele wereld in drie talen te verkondigen, dat Jesus werkelijk de Koning der joden is. Daar aan het kruis vooral is Hij Jesus of God Verlosser, Die door zijn bloed, zijn lijden, het offer zijns levens, zijn volk verlost van hunne zonden. Daar aan het kruis is Hij de Nazarener, de bloemrijke, schitterend meer dan eenig ander en meer dan elders door de weelderigste bloesems der heerlijkste deugden. Daar aan het kruis is Hij de Koning, Die heerscht van het hout. Die, van de aaide verheven, alles tot Zich trekt; Die door den hardsten strijd en de luistervolste zegepraal. Zich zijne Kerk of zijn rijk verwerft in zijn bloed. Daar aan het kruis is Hij vooral de Koning der joden, de ware Koning van Israël, de lang voorspelde Zoon van David, de Heer-scher uitgegaan van Bethlehem, op Wien de scepter van Juda, de troon van David is overgegaan, Die zal heerschen in eeuwigheid. Het kruis is de troon, van waar die Koning Israël om zijn Godsmoord als Rechter veroordeelt. Het kruis is de troon, waar die Koning heerscht in het midden zijner vijanden. (Ps. 109: 2) Het kruis is de troon, waar die Koning als Wetgever des nieuwen verbonds de wet der liefde verkondigt. Het kruis is do troon, van waar Hij over de harten en geesten zijner uitverkorenen de heerschappij voert. Hier ia Sij gesteld tot Koning over Sion, en hier gaat het woord in vervulling: vraag van Mij, en Ik zal U de heidenen ten erfdeel geven, en U doen heerschen tot aan de grenzen der aarde.

-ocr page 441-

167

(Ps. II: 8) Zijn rijk is echter niet van deze wereld ; daarom is het opschrift, dat zijn koningschap uitroept, gehecht aan het kruis, daarom draagt Hij, Die hier zetelt op den troon zijner Goddelijke liefde, de kroon der doornen. (1)

De titel des kruises is een titel, die ons Jesus\' zegepraal verkondigt, en ons toeroept, dat Hij het handschrift, hetgeen ons vijandig was, heeft uitge-wischt, weggenomen uit hot midden en aan het kruis gehecht, en als overwinnaar aan de heerschappijen en machten der duisternis hunne wapenen ontweldigd, ze openlijk ten schande gemaakt, en vrijmoedig over hen door Zich zeiven gezegevierd heeft (Col. II: 14, 15). In drie talen prijkt daar van de hoogte des kruises de erkenning, en de voorspelling van zijn koningschap, want alle taal moet het belijden, dat alle macht Hem gegeven is in den hemel en op aarde, dat Hij de Koning is der koningen, de Heerscher over de heerschers, en dat de Heer Jesus is in de heerlijkheid zijns Vaders. De joden, de erfgenamen der beloften, do Grieken, de mannen der wetenschap en kunst, de Romeinen, de beheerschers der aarde, moeten de eerstelingen zijn, die den Goddelijken Koning aan het kruis aanbidden, en door hen moeten alle de volkeren der wereld, welke taal zij ook spreken, een immerdurend lied van lof, dank en liefde aanheffen, ter eere van Hem, Die heerscht door de eeuwen der eeuwen.

(1) Orig. c. XXXV in Mt. Tert. Adv. Jud. c. XIII cn het evangelie van Nikoderaus C. X. getuigen, dat Christus aan het kruis de doornenkroon gedragen heeft. Ook oude afbeeldingen stellen den gekruistcn Verlosser zoo voor, cn eveneens het volte santo of de doek van Vero-nika te Rome. Het oudste uit de ode eeuw in de galerij degli Uffizi te Florence heeft in dc plaats der doornenkroon een andere van bladeren als teeken van zegepraal en overwinning. Ook het opschrift des kruises : koning der joden kon aanleiding geven om Hem als koning met die kruon te bespotten, cn als koning der joden zien wij werkelijk Jesus aan het kruis op allerlei wijze gehoond. Zie R. Pierik. S. J. de lijd. Jesus. D. II. p. 760 en 805.

-ocr page 442-

168

Jesus hangt alzoo aan het kruis met het opschrift, dat zijn koningschap vermeldt, boven zijn hoofd in het midden der twee moordenaars. Nu haasten zich de vier krijgsknechten, (1) die den Heer aan het kruis hebben geklonken, (Jo. XfX; 23) zich zijne kleederen toe te eigenen en zich schadeloos te stellen voor hunne moeite. Zij handelen volgens het hun toegekende recht, daar het gebruikelijk was, dat de kleederen der veroordeelden als buit vervielen aan hen, die ze ter dood hadden gebracht. (2) Zij nemen alzoo Jesus\' kleediDgstukken, den mantel, den rok, het onderkleed, den gordel, de sandalen en misschien ook het hoofdhulsel (3) en verdoelen ze behalve den rok in vier gelijke deelen, namelijk een voor elk der krijgsknechten. Jesus moet het aanzien, hoe zij hierop vier loten in den helm werpen (4) en door het lot te trekken een ieder zijn deel toewijzen. (Mc. XV; 24) Den rok echter scheuren zij niet, daar hij zonder naad en van boven af uit een stuk geweven was Volgens de overlevering, die om het natuurlijke der zaak (5) zeer aannemelijk is, was hij door de H. Maagd eigenhandig vervaardigd. Het was een linnen gewaad dat van den hals tot aan de voeten hing, van mouwen was voorzien, aan den hals met een haak werd vast gemaakt en om de lendenen met den gordel werd toegebonden. Bij meer gegoeden was hij dikwerf van kostbaar scharlaken uit Tyrus; hier was hij waar

(1) Vgl. Act. XII; 4. Eene wacht was gewoonlijk een quaternio. Polyb Hierom is Jesus waarschijnlijk ook door vier krijgsknechten gegeeseld.

(3) Dig. XLVIII; 20, 6. Cyrill Alex, in Joann. L. XII. De bonis, damn, c. VI.

(3) Bij de Hebreeuwen waren alleen deze kleedingstukken in gebruik: de mantel of schimla, [fiarcov ; de rok of bovenkleed, Chetoneth, yjrwv ; het onderkleed of hemd, (wAüi\', sadin ; eindelijk het lendekleed of Mich-nasin. Hierbij kwamen gordel, hoofdhulsel en sandalen. Het lendekleed was eigen aan de priesters. Volgens velen werd Jesus hiermede gekruisigd.

(4) Vergel. Aeneas V. 49 ; Cic. in Verr. II; 51 ; Aeschyl. Eumen. V : 712.

(5) 1 Sam. II: 19 ; Spreuk XXXI; 13, 19, 21 ; III Esdr. IV : 17 blijkt genoegzaam, dal cene vlijtige huisvrouw de kleederen weefde.

-ocr page 443-

169

rift, schijnlijk van gewoon purperen of bruinachtigen byssus I in of linnen. (1) Door dit kleed te scbeuren zou het sich lliet grootendeels zijne waarde verloren hebben. Daarom het I zeggen de krijgsknechten tot elkander: laat ons dien ijne müet scheuren, doch daarover het lot werpen, wiens deel -len Ëhij zal zijn.

inn I Zonder het te weten worden de heidenen de uit-delvoerders van Grods eeuwige raadsbesluiten, en onbe-laniwust vervullen zij de duidelijke voorspelling van a en i David : zij hebben zich mijne kleederen verdeeld, en over mijn gewaad hebben zij het lot geworpen. Het is de H. Joannes, die ons aanwijst, hoe juist dit woord van den profeet is vervuld, en die ons laat gevoelen, dat die ontblooting en berooving des Heeren voor ons niet zonder leering mag zijn. Arm is Jesus inde kribbe van Bethlehem en met arme windsels bedekt: arm sterft Hij aan het kruis, terwijl al zijne kleede-len het eigendom worden zijner beulen. Zoo veroordeelt Hij tot in zijn dood de ongeregelde begeerlijkheid naar het aardsche goed, en herinnert Hij ons, dat ook ons bij het sterven niets zal gelaten worden, dan het schamele lijkkleed, dat onze naaktheid bedekt.

Dit hebben de krijgsknechten gedaan, zegt de H. Joannes, en laat door dit woord gevoelen, hoe hij aan de zijde van Maria alles oplettend heeft gadegeslagen. Eindelijk; nadat de kruisiging en verdeeling der kleederen is afgeloopen, zetten de beulen zich neder, om, gelijk hun gelast is, de wacht te houden bij de gekruisigden.

De kerkvaders zien bijna allen in den onverscheurden rok des Heeren (2) een zinnebeeld van de onverdeelde

(1) Aldus Sepp, die hier Cicero pro Sexto 8 aanhaalt. Jesus droeg het feestgewaad, waarmede Hij het Pascha had gevierd. Het was een leeraarsgewaad, even als dat der priesters (B. Joma. 72. 2) geweven zonder naad, en van linnen.

(2) Volgens de overlevering is dc heilige rok door de H. Helena naar Trier verzonden, waar hij nog wordt vereerd.

-ocr page 444-

170

eenheid der Kerk. „Door het geheim van zijn kleed „beteekent Hij de eenheid der Kerkquot;, zegt de H. Cyprianus (de nnitat eccles.) „De ketters zijn het, die „het kleed des Heeren, de Kerk van Christus ver-„schenren,quot; zegt de H. Pacianus, „Het in vier deelen „verdeelde gewaad O. H. J. C,quot; zoo spreekt de H. Augustinus, „is de figuur van zijne Kerk, die over „het gansche aardrond, naar het oosten, het westeiij „het noorden en het zuiden verspreid is. Maar de „rok, waarover het lot is geworpen, beteekent de „eenheid van al de deelen der Kerk, die door den „band der liefde zaam wordt gehouden.\'\' (tr. 118 in Jo. e. 4). Ook in de schriftuur treffen wij dit symbool aan. God vergelijkt het volk van Israël en Juda bij den profeet Jeremias met een kleed. Gelijk het kleed om het lichaam wordt gedragen, zoo wil God Israël en Juda met Zich vereenigen, opdat het zijn volk, zijn trots, zijn roem zou zijn. Maar zij luisteren niet naar Hem, en daarom werpt Hij ze van Zich af als een bedorven en uit één vallend kleed. (Jerem. XIII: 11).

Tot dusverre bleven zij, die uit Jerusalem Jesus naar Golgotha waren gevolgd, op een zekeren afstand staan en toezien (Lc. XXIII: 35). Nu echter de kruisiging geëindigd is, de krijgsknechten zich hebben nedergezet, en de nieuwsgierigheid geen voedsel meer vindt, nu begint de felle haat zich op nieuw luidruchtig te openbaren.

Terwijl de menigten zich in beweging zetten om huiswaarts te keeren, en derhalve langs den openbaren weg bij den voet van den kruisboom voorbijgaan, geven zij onverholen te kennen, welke gevoelens hen bezielen, en hoe zij Jesus beschouwen als een bedrieger, een voorgewenden wonderdoener, een schandelijken godslasteraar. Zij schudden met het hoofd ten teeken van verachting, en zonder eenig gevoel van medelijden te toonen aan Hem, Die daar ten

-ocr page 445-

171

I prooi is aan zulke hevige smart, beginnen zij Hem i met beschimpingen te overladen, la! zeggen zij, Gij I die den tempel Gods afhreekt, en in drie dagen weder I opbouwt, verlos u zeiven! Zoo gij de Zoon Gods zijt, kom 1 af van het kruis !

De straatweg liep langs den Calvarieberg en naar ! gissing tusschen de plaats der kruisiging en het h.

graf heen (1). Zoo trekken derhalve allen in ver-j schlüonde groepen hier voorbij, en bij eiken nieuwen groep heeft de Heer nieuwen smaad, hoon en be-:j schimpingen te verdragen. Het woord door Isaïas van Sennacherib gezegd, wordt helaas aan Jesus bewaarheid: Sions maagdelijke dochter veracht U en spot . met U; de dochter van Jerusalem schudt over TJ het ; hoofd. (XXXVII: 22. vgl. Jer. thren. 11:15). Zoo ; vergeldt zijn volk zijne talrijke en groote weldaden, ! zijne medelijdende tranen, zijne teedere liefde door smaad en door schimp!

Het is te begrijpen, dat overpriesters, schriftgeleerden en oudsten des volks hier niet ten achter blijven. Het rijk van den Nazarener moet nu voor goed een einde nemen, en al zijn invloed moet voor immer vernietigd worden. Daarom zijn zij er op uit, den Heer zoo diep mogelijk te vernederen, en daarvan allen getuigen te doen zijn. Niet tevreden dat op hunne ingeving door anderen daar aan het kruis Hem nog eens bijtend en spottend wordt toegevoegd, hetgeen in hunne raadzaal Hem reeds ten laste werd gelegd, dat Hij den tempel zou afbreken en in drie dagen weder opbouwen, en dat Hij de Zoon Gods nu gekruisigd was, willen zij zeiven ten volle hunne zegepraal genieten. Scherp en grievend laten zij hooren, hoe thans door zijn deerniswaardigen toestand blijkt, dat geheel zijne leer omtrent zijne waardigheid als Zoon van God, als Christus en Koning van Israël, en al zijne voorgewende wonderen niet anders waren (1) Sepp. Das leben Jesu. 6. D. bid. 375,

-ocr page 446-

172

dan schandelijk bedrog. Lnide zeggen zij tot elkaiv deren, zoodat Jesas en al de aanwezigen het hoo

ren; Anderen heeft Hij gered, laat Hem nu Ziel zeiven redden! Hij kan Zich zeiven niet redden! Is Hil de Christus, de Uitverkorene Gods, de Koning van Israel, zoo kome Hij nu af van het kruis, opdat wij het zien Hem gelooven ! Hij heeft op God vertrouwd, ; Deze verlos» Hem nu, indien Hij Hem lief heeft ! Immers Hij heeji gezegd: Ik hen de Zoon van God!

Zoo wordt de Grodmensch miskend, bespot en ge tergd. Gewis ! deze is de uur der duisternis, en al de glans zijner Godheid is met den nevel van lijden, berooving, schande, verlatenheid en onvermogendel zwakheid overtogen! En in dien toestand wordt Hij uitgetart om te toonen, dat Hij God is, en, omdat Hij dit niet doet, i\'uichen zijne zegepralende vijan | ^ee den. Doch hoe bedriegen zij zich ! Gods wegen zijn niet hunne wegen. Hij zal de wijsheid dier wijzen te niet doen en de voorzichtigheid dier voorzichtigen beschamen. (Isaïas XXIX: 14) Hoe waar is hier hetl v^c woord, dat de Heer tot de Emmaüsgangers zal spre-B 0O ken: moest de Christus dit niet lijden en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan ?

Christus zwijgt. Als Hij gescholden wordt, scheldt Hij niet weder, en als Hij lijdt, dreigt Hij niet, maar geeft het over aan Dengene, Die rechtvaardig oordeelt. (quot;I Petr. II; 23) Zou een gewoon mensch zoo [ ; lijdzaam zijn? En is die zachtmoedigheid niet juist ■ eene Goddelijke zachtmoedigheid ? Toont Hij hier | g( niet waarlijk Degene te zijn, van Wien Isaïas schreef: [ j Hij is geofferd, omdat Hij wilde, en hij heeft zijn mond niet opengedaan ; als een schaap zal Hij ter slachting geleid worden, en als een lam onder des schcerders hand zal Hij zwijgen en zijn mond niet openen (LUI: 7), En niet minder dan de voorspelling van dit stilzwijgen | j en hemelsch geduld wordt ook de voorspelling betref- f z fende de schimptaal zijner bespotters vervuld. Bij

Davi ben en d ten

(en Hem

xx:

zijn het prei

r

dez\' nen

kur het

wo roe

zij

va va de quot;W

-ocr page 447-

173

David toch had de Messias reeds geklaagd: Ik, Ik ben een worm en geen mensck; der menschen smaad en des volks verachting. Allen, die Mij zien, bespotten Mij, verwringen de lippen en schudden het hoofd (en zeggen) : Hij heeft op den Heer vertrouwd ; dat deze Hem redde, Hem verlosse, daar deze Hem lief heelt. (ps. yx7 ; 7) Zoo is de sarrende beschimping van Jesiis door zijne vijanden in de hand der Goddelijke Voorzienigheid het middel, om Hem als den zachtmoedigen en door de profeten voorspelden Messias te doen kennen.

Door Jesus\' wonderen te bespotten, verkondigen zij dezer lof. Anderen, zeggen zij, heeft Hij gered, en erkennen alzoo duidelijk, dat zij de redding van anderen niet kunnen loochenen en geen ander middel weten, om er liet bestaan van te loochenen dan zich te beroepen op den deerniswaardigen toestand, waarin Hij is gebracht. Maar behalve dat zij alzoo de werkelijkheid van Jesus\' wonderen bevestigen, bevestigen zij ook hun hoogsten roem, die daarin bestaat, dat zij niet slechts de uitvloeisels zijn zijner Groddelijke Macht, maar ook zijner Goddelijke wijsheid en liefde. Deed Hij hier, gelijk zij wilden, het wonder van Zich zelf te redden door van het kruis te komen, dan zou dit gewis getuigen van Goddelijke Macht. Maar zou het ook zijner Goddelijke wijsheid waardig zijn, indien Hij, het eeuwige quot;Woord des Vaders, aan de godslasterlijke uitdaging dier ellendelingen toegaf? Had Hij dan niet gezegd dat geen ander teeken aan dit boos en overspelig geslacht zou gegeven worden dan het teeken van Jonas den profeet ? Zou ook zulk een wonder, dat vooral eigen levensbehoud ten doel had, en strekte om een lijden af te werpen, hetwelk het heil des menschen moest bevorderen, wel beantwoord hebben aan den oneindigen liefdegloed, die zijn allerheiligst Hart vervulde? Ja! anderen heeft Hij gered; Zich zelf kan Hij niet redden, niet omdat Hem daartoe de macht ontbreekt, maar omdat de bedoelingen zijner

-ocr page 448-

174

Goddelijke Wijsheid het niet toelaten, en zijne oneindige liefde alles wil opofferen.

Die spotternijen werken juist mede tot de heerlijkheid van Jesus\' opstanding. Zij zeggen; Ha! gij, die dm tempel Gods afbreekt en in drie dagen weder opbouwt, kom af van het kruis! Zij bedenken echter niet, dat zij juist op dat eigen oogenblik bezig zijn, om den tempel Gods af te breken, die binnen drie dagen door zijne zegepralende verrijzenis zoo schitterend zal zijn opgebouwd. Zij loochenen, dat Hij de Zoon Gods is. omdat Hij van het kruis niet komt. En juist daardoor zal Hij hun toonen Gods Zoon te zijn, daar Hij, niet, nu Hij nog leeft, maar, hetgeen veel meer is, wanneer zijne liefde dooiden dood haar offer heeft voltooid, zelfs uit het verzegelde graf zal opstaan. Gelijk de zondaar ondanks zich zeiven het werktuig is van Gods verheerlijking, zoo zijn Jesus\' vijanden ondanks zich zeiven ook hier de medewerkers van zijne aanbiddelijke zegepraal.

Waar bet joodsche volk en de hooge raad Jesiis zoo openlijk beleedigen en zoo tergend beschimpen, is het zeer natuurlijk, dat zij allen, die niet tot Jesus\' vrienden behooren, zich door dat noodlottige voorbeeld laten medeslepen. Terwijl de joden naar aanleiding van den kruistitel Jesus uitdagen om van het kruis te komen en alzoo te toonen, dat Hij hun Koning en de Zoon van God is, mengen zich ook de Romeinsche krijgsknechten, die tegenover het kruis zijn neergezeten in die spotternijen, en zeggen het hun na ; indien gij de Koning der Joden zijt, verlos dan U zeiven ! (1)

(Ij Dat deze woorden, ofschoon door de Romeinsche krijgsknechten van de joden overgenomen, eene zinspeling kunnen zijn op den kruistitel, blijkt uit de vergelijking van beiden. Lukas vermeldt onmiddellijk na de spotternij der krijgsknechten te hebben medegedeeld, het opschrift des kruises, vermoedelijk omdat dit opschrift de aanleiding van de spotternijen der joden en der Romeinen was. Lukas stipt nier aan in \'t voorbijgaan, dat de Romeinsche krijgsknechten Jesus nadeiden, en Hem verzuurden wijn aanboden. Volgens sommigen zouden de krijgsknechten

-ocr page 449-

175

Ook deze spot in den mond dier heidenen is eene nieuwe loitering voor Jesus\' minnend Hart. Maar ook deze spot draagt op eigenaardige wijze bij tot de verheerlijking van dien Goddelijkcn Lijdenskoning. Reeds terstond hij Jesus\' dood zal de hoofdman dier krijgsknechten erkennen, dat Hij die daar sterft en zich niet verloste, de Zoon is van God.

Zoo wordt Hij, Dia thans bespot wordt, omdat Hij Zich niet verlost, juist omdat Hij zich niet verlost, de liefdevolle Verlosser zijner spotters. Jesus\' liefde laat zich door geen spotternij haren roemrijken buit, hare schitterende zegepraal ontrooven !

§ 3. Het tweede kruiswoord. Vergeving geschonken aan den goeden moordenaar.

Mt. XXVII: 44; Mc. XV; 32; Lc. XXIII: 3G-43.

Vrijdag, 15 Nisan; 18 Maart, 13 uur of daaromtrent,

Terwijl de Heer aldus den spot der voorbijtrekken-den, der Phariseen, zelfs der Romeinsche krijgsknechten heeft te verduren, hangt Hij aan hot schandhout tusschen twee moordenaars. Zij zijn de medeplichtigen van Barabbas, die zich met dezen bij een volksoproer aan een moord hebben schuldig gemaakt. De naam van roover, door het H. Evangelie hun gegeven, doet ons denken aan misdadigers, sclmldig aan allerlei daden en onrechtvaardigheden vol geweld.

Een dier twee ongelukkigen, waar hij al den schimp

dit spottende hebben gedaan, en al zoo driemaal den Heer drank hebben aangeboden 1° Myrrhewijn (Mt. XXVII: 44) 2° verzuurden wijn tot spot (Lc. XXIII: 30), en 3° nogmaals, toen Jesus uitriep : Ik heb dorst. (Mt. XXVII: 48. Mc. XV : 36 en Jo. XIX : 27.) Doch anderen meenen, dat Lukas hier bij voorbaat, terwijl hij van de Romeinsche krijgsknechten spreekt, van hen verhaalt, hetgeen zij eerst later hebben gedaan, toen Jesus riep : Ik heb dorst. Inderdaad spreekt Lucas later niet van Jesus\' dorst, noch van de toen plaats hebbende spotternij, waar de drie overige evangelisten dit mededeelen. Dit laatste gevoelen is mijns inziens dan ook het waarschijnlijkste.

-ocr page 450-

176

en godslasteringen, waarvan de Heor het voorwerp is, aanhoort, laat zich medeslepen door dat godde-looze voorbeeld, en vergroot nog zijne erbarmelijke ellende door ook op zijne beurt Christus te beleedigen. Hij hangt daar aan de linkerzijde van Jesus, en de dood wacht hem, voor nog de nacht zal zijn aangebroken. Wij zouden wenschen, dat hij de weinige ooge-blikken des levens, die hem nog blijven, zou benuttigen om zijn verkeerd gedrag en zijne misdrijven door een oprecht leedwezen uit te wisschen. Maar geen traan van leedwezen blinkt in zijne oogen, en geen enkel woord van rouw komt over zijne lippen. Integendeel een hevig ongeduld spreekt in gansch zijne houding, en in krampachtige wanhoop wringt hij zich op zijn kruis. Wel verre van verontwaardigd te zijn over de onmenschen, die den weerloozen lijder zoo hardvochtig bespotten, wendt ook Hij, verbitterd over de smart, die hij heeft te verduren, en wrevelig over den naderenden dood, zich tot den Zaligmaker met het woord : indien Gij de Christus zijt, red dan U zelf en ook óns. (1) Waarschijnlijk is dit woord het korte begrip van de meerdere godslasteringen, die hij Jesus toevoegt. (2)

Geheel anders is de stemming van den kruiseling aan Jesus rechterzijde. Hij heeft gehoord van Jesus\' wonderen, en weet, dat de Heer enkel sterft, omdat Hij gezegd heeft de Zoon van God en de Koning van Israël te zijn. Hij heeft Jesus\' aanbiddelijk geduld en Goddelijke zachtmoedigheid op den kruisweg en aan het kruis gade geslagen. Hij heeft de liefderijke bede des Zaligmakers voor zijne vijanden vernomen, en

(1) In het Gi\'iekscli staat: Zi// gij niet de Christus ? red dan Uzeiven en ons. — De zaak blijft dezelfde. Men leidt uit deze woorden af, dat hij een jood was. Dit was waarschijnlijk ook het geval met Barabbas en den anderen gekruisigde.

(2) Mt. en Mc., wanneer zij zeggen, dat ook zij, die met Hem gekruist waren, Hem lasterden, gebruiken waarschijnlijk het meervoud voor het enkelvoud.

-ocr page 451-

177

een straal van Goddelijk licht is doorgedrongen in zijne ziel, Hij erkent in dien medekruiseling, zoo diep door Israels volk versmaad, zijn God en Verlosser.

„Misdadig tot op het kruisquot;, zegt de H. Leo, „wordt „Hij eensklaps de belijder van Christus, en tussehen „de folteringen, welke de naderende en pijnlijke dood „vermeerdert, wordt hij op wonderbare wijze bekeerdquot;.

(Serm. II de Pass.)

Daar verneemt hij de godslasteringen van zijn on-boetvaardigen medekruiseling. Dit verontwaardigt hem. ~ • I *

Dismas, zoo noemt hem zekere overlevering, (IJ laat niet na den ongelukkige met het gedenkwaardig woord te bestraffen: vreest ook gij God niet, daar gij dezelfde • .

straf ondergaat ? En wij loei terecht, want wij ontvangen

het loon onzer daden; maar deze heeft niets kioaads \'\' i|-fc

gedaan. Hij geeft te kennen, hoe hem de vrees voor Gods oordeelen bezielt, en drukt zijne verwondering uit, dat een zoo diep ongelukkige als zijn medeplichtige zich in het aanschijn van den dood nog voegt : - .

bij de godvergetenen, die een schuldeloozen Lijder bespotten. Beter zou het zijn, geeii; hij te kennen,

aan de vreeselijke oordeelen van God te denken, dan zich aan moedwil, spot en liefdeloosheid schuldig te maken jegens een Lijder, met wien hij hetzelfde lot deelt.

Hij doet ook eene treffende schuldbekentenis. Indien men ons nog lasterde, zoo belijdt hij nederig en openlijk, dan zou de beschimping slechts verdiend zijn.

Ons geschiedt recht, want wij ontvangen loon naar daden, en daarom past het ons met onderwerping : .

onze straf te aanvaarden.

Deze, zegt hij, heeft niets kwaads gedaan, en hij erkent aldus op de plechtigste wijze Jesus\' onschuld.

Zoo is hij de eenige onder allen, die daar van zijn

(1) Volgens het evangelie van Nicodemus c. X. In de akten van Pilatus heet hij Demas. Zie R. Pierik. lijdende Jesus D. II. bl. S73, de aanteekening. .• ■ \' ^ v .

Het Offer vai J. C. 11 12 ïj

■s -■

■gt;gt; ■

\' Ói-

-ocr page 452-

178

kruis de stem verheft, om den Zoon Gods te verdedigen, terwijl de priesters, de oversten, het volk, de krijgsknechten, en zelfs de andere kruiseling Jesus als een misdadiger beleedigen. Ook Pilatus had gezegd: ik vind geen schuld in Hem, maar zijne daden waren niet in overeenstemming met zijne woorden. Judas Iskarioth had uitgeroepen: ik heb het onschuldige bloed overgeleverd, maar de wanhoop had hem dien kreet afgeperst. Alleen de boetvaardige Dismas erkent vrijwillig, oprecht, met edel medelijden en ware achting de vlekkelooze heiligheid van den Zoon Gods (1).

Daarom wendt hij zich dan ook in het levendige besef zijner groote ellende van den ongelukkigen godslasteraar, dien hij heeft berispt, tot Hem, Dien hij als Verlosser der wereld erkent, en smeekt tot Hem met innig geloof en het zoetste vertrouwen: Heer! gedenk mijner, als Gij komt in uw rijk!

Welk een schoon gebed! Welk een gebed, vol geloof! Hij noemt Jesus, die daar met hem aan het kruis hangt, door allen bespot wordt, en machteloos en stervende is, Heer. Hij vereert Jesus als koning, terwijl doornen zijn kroon zijn, en een kruis zijn troon is. Hij erkent Hem niet als den Koning van een rijk dezer aarde, vol tijdelijke macht en luister, zooals de meesten, zelfs de apostelen, den Messias zich voorstelden, maar als den Koning van een rijk, dat Hij door den dood Zich zal verwerven en in een hooger en beter leven zal bezitten. Eindelijk hij smeekt Jesus als zijn God, want Hij smeekt om vergiffenis, om genade, om zaligheid na zijn dood, dien hij te gemoet snelt. Heer! zegt hij, gedenk mijner, die ga sterven, wanneer Gij na uwen dood zult komen in uw rijk en de hoogste macht in handen zult hebben. (2)

(1) Het Grieksch is sterker dan de vulgaat. Daar staat: Hij heeft niets onbetamelijks gedaan.

(3) De Grieksche lezing, die even als de vulgaat heeft; liter^ ver-

-ocr page 453-

179

Maar nevens dit wonderbaar geloof, dat zoo geheel eenig is in de lijdensgeschiedenis des Heeren, schittert in dat gebed een groote hoop. Hij heeft zoo juist beleden, dat zijne misdrijven den kruisdood verdienen, en toch smeekt hij, dat Jesus zijner zal gedenken in zijne heerlijkheid. O! hij weet het: bij den Heer is barmhartigheid en overvloedige verlossing, en een nederig en vermorseld hart, zoo vertrouwt hij, zal door Jesus niet versmaad worden (Ps. 4). Laat zijn nederig schuldbesef hem niet toe om eene eereplaats in Jesus\' rijk te verwachten, toch durft hij vragen, dat wanneer de Koning der barmhartigheid in zijn rijk de gaven zijner liefde zal uitdeelen, Hij hem niet geheel vergeten zal.

Ook de liefde straalt door in de woorden van dien boetvaardige. Is het geen liefde, als hij Jesus verdedigt, zijne onschuld erkent, Hom aanroept als zijn Heer, Koning en God? Ja! hij bemint Dengene, zegt de H. Bernardus, met Wien hij wenscht vereenigd te worden.

Zoo ooit, dan heeft het geloof dezen zondaar gerechtvaardigd. Zijn vertrouwen wordt niet beschaamd, en hem wordt veel vergeven, omdat hij veel bemind heeft. Die biddende stem heeft niet te vergeefs bij het goedertierene Hart van den Zaligmaker der wereld aangeklopt. Met eene liefde, die Hem eigen smart doet vergeten, met alles overtreffende barmhartigheid verblijdt Hij den boetvaardigen zondaar, daar aan zijne rechterhand gekruisigd, door het goddelijk woord vol zoete ontferming; voorwaar Ik zeg u: heden zult gij met Mij zijn in het paradijs.

Welk een Goddelijk bewustzijn in dat woord van

dient mijns inziens de voorkeur, ofschoon Tisschendorf dit woord weglaat. l)e woorden iv rrj aou kunnen de beteekenis hebben ; wanneer gij zult komen tot mu rijk^ en deze is de waarschijnlijkste en stemt overeen met de Vulgaat; of ook: wanneer gij zult komen in uwe koninklijke macht, namelijk als heerscher zult optreden.

-ocr page 454-

180

een kruiseling, die sterft! Voorwaar, Ik zeg u, zegt Jesus, en als de Alwetende, voor wien de sluier des doods niets kan bedekken, belooft Hij het eeuwig leven met volkomene zekerheid; als de eigenmachtige Gever der zaligheid en de Koning der hemelen schenkt Hij het paradijs; als de Goddelijke Hooge-priester maakt Hij deelachtig aan de verzoenende genade van zijn aanbiddelijk offer. „Deze beloftequot;, roept de H. Leo uit, „gaat de menschelijke zwakheid „te boven, en wordt niet zoozeer van het hout des „kruises gedaan als van den troon der macht.quot; (Serm. 2. de pass.)

Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs. Heden! O gelukkige boeteling! nog heden, nog eer de nacht zal zijn aangebroken, zal uw geluk voltooid worden. Zoovele jaren hebt gij doorgebracht in de zonde; tot aan het kruis rustte Gods vloek op u. En zie, op do eerste bede, die gij tot den oneindig liefderijken Verlosser richt, ontvangt gij de onfeilbare toezegging, dat gij nog dien eigen dag de zaligheid zult genieten.

Dismas heeft slechts gebeden, dat Jesus zijner gedachtig zou zijn; meer durfde zijne ootmoed niet verzoeken. „Maar de genade van Jesusquot; zegt de H. Ambrosius, „overtreft verre zijne smeeking; want „altijd geeft de Heer meer, dan Hem gevraagd wordt.\'-quot; Niet slechts eene herinnering wordt hem geschonken, neen, de altijddurende vereeniging en onafscheidelijke tegenwoordigheid van zijn God en Zaligmaker.

Met Jesus zal hij zijn, „Gelijk een koning,quot; zegt Theophylaktus, „die zegevierend van den krijg terug-„keert, den rijken buit in zijn gevolg met zich voert, „dien hij op den vijand behaald heeft, om er zijn „zegetocht mede te sieren; zoo ook voert Jesus „Christus, terwijl Hij dit leven als verwinnaar der „zonde verlaat, de ziel van den goeden moordenaar „met zich in het paradijs als een schitterend zege-„teeken van de eeuwige zaligheid aan de boetende

-ocr page 455-

181

„zondaars geschonken, van de macht zijner genade, „van de uitgestrektheid zijner barmhartigheid, van „de voltooiing zijner verlossing, om door dit gezicht „de zielen der heilige aartsvaders te verblijden en „zijne eigene zegepraal te verheerlijken.quot;

Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs. Jesus bedoelt hier noch het aardsche paradijs, dat niet meer bestond, noch ook den hemel, wijl Hij daar eerst na zijne hemelvaart zon binnengaan. Neen, Hij bedoelt hierdoor het paradijs volgens de joodsche voorstelling dier dagen, de plaats, waar de zielen der rechtvaardigen verbleven in afwachting van de verlossing, die Christus bewerkstelligen zou (1). Daar zal hij, ontslagen van elke straf en loutering, zich aan de zijde

(1) Het woord paradijs^ dat gebruikt wordt in het oude testament, als hebbende dezelfde beteekenis met het Hebreeuwsehe Eden, is waarschijnlijk van Persischen oorsprong en beteekent een lusthof. In het oude testament wordt het eerst gebruikt voor het lustoord onzer eerste ouders; later komt het voor als de benaming van koninklijke lusthoven. (Ezech. XXVIII : 13. Eccli III: 5). De joden noemden de verblijfplaats der goddeloozen na den dood gehenna, hel eeuwig vuur; en de verblijfplaats der rechtvaardigen het paradijs of Eden. Zoo zegt de Talmud Sanhed c. 11, §1; geheel Israël zal des eeuwigen levens deelachtig worden, uitgezonderd zij, die de opstanding der dooden loochenen. Waar echter blij ven de schimmen (rephaïra) tot dan toe ? antwoord: in den scheool^ of de goeden in het paradijs, de goddeloozen in de gehenna. Zoo is het paradijs de plaats waar men zou aanliggen met Abraham, Isaak en Jacob, of de schoot van Abraham. Daarom lezen wij in het boek ecclesiasticus : Henoch behaagde aan God en is overgevoerd naar hst paradij*. Vergelijkt men hiermede 1 Petr. III: 19 en IV: G, dan komt men tot het meer ontwikkelde denkbeeld van den limbus fatrum, eene plaats waar de rechtvaardigen van het oude verbond vergaderd waren, zonder nog Gods aanschouwing te genieten en in afwachting der verlossing, die heden, gelijk Christus aan den goeden moordenaar te kennen gaf, voor hen een aanvang zou nemen. Zie II D. 3d B. bl. 2S6—388, de aanteek.

Paradijs wordt echter na de voltrokkene verlossing ook de hemel genoemd, (2 Cor. XII: 4; Openb. II: 7). Ik meen echter op grond van I Petr. Ill: 19 hieraan te dezer plaatse niet te moeten denken. Ook is het opmerkelijk, dat de Heer niet zegt: heden zult gij met mij zijn In mijn rijk. Jesus\' rijk toch begon eerst op onvolledige wijze na zijne verrijzenis, op volledige wijze na zijne hemelvaart.

-ocr page 456-

182

zijns Verlossers verblijden met al de rechtvaardigen des ouden verbonds in de bewerkte verlossing door het Goddelijk offer des kruises.

O welk een vreugde en vrede overstroomt het hart van dien gelukkigen kruiseling bij het vernemen van dat zoete woord der erbarming! Doch vooral welk een overgang: van een smartelijk kruis in het paradijs van onuitsprekelijke wellusten, van den schandpaal in de plaats der hoogste eer en heerlijkheid, van de donkerheid des doods in bet onmiddelijk aanschouwen van Jesus\' eeuwig licht en oneindige schoonheid! Gelukkige roover, die den rechten weg hebt weten te vinden om de schatten van Jesus\' liefde en van de hoogste gelukzaligheid te bemachtigen !

Welk een ijzingwekkend verschil tusschen den misdadiger aan Jesus\' linker- en dien aan Jesus\' rechterhand! Terwijl het berouw voor dezen het paradijs ontsluit, opent de moedwillige verblindheid voor genen den vreeselijken afgrond der uiterste ellende. Doof voor het woord van zijn medekruiseling, ongevoelig voor zijn voorbeeld, onverwonnen door de zoete liefde des Zaligmakers sterft hij in onboetvaardigheid. Hoe vree-selijk zijn de oordeelen Gods ! Aan elk der twee kruisen naast Jesus\' kruis hangt een moordenaar. Beiden zijn evenzeer getuigen van Jesus\' geduld en zachtzinnigheid, vereenigd met Hem bij zijn aanbiddelijk offer, begrepen in zijn liefderijk gebed, besproeid met zijn Goddelijk bloed. En toch voor den eenen wordt Jesus\' kruis een kruis van barmhartigheid, voor den anderen een kruis van rechtvaardigheid. Op den eigen dag, dat de genade bij stroomen op de aarde nedervloeit, op den dag der grootste barmhartigheid en liefde, op een trede afstands van Jesus\' kruis, waar alles vergiffenis en liefde ademt, gaat de onboetvaardige verloren. Ja! hij gaat verloren bij don boom des levens, waarnaar hij slechts de hand heeft uit te strekden, om er de vrucht van te plukken, in de nabijheid

-ocr page 457-

183

van den Grodmenscli, Die sterft tot zijn heil- „Een wordt zalig, opdat wij nooit wanhopen,quot; zegt de H. Augustinus, „een gaat verloren, ten einde wij nooit „roekeloos zouden zijn. De eene wordt getrokken, om-„dat hij zelf wil getrokken worden ; de andere verstoeten, omdat hij zelf zijnen God verstoot.quot; Zoo zien wij 6aar op G-olgotha door het kruis reeds eene scheiding plaats grijpen, die de voorafbeelding is der vreeselijke scheiding, welke ten jongsten dage bij het verschijnen van Jesus\' kruis voor eeuwig zal worden te weeg gebracht. (S. Leo. Serm. IV de passione 1).

§ 4. Het derde kruinvoord.

Jezus beveelt zijne heilige Moeder aan de zorg van Joannes. Jo. XIX: 25—27.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, twaalf uur of daaromtrent.

De hoogstgezegende der vrouwen vergezeld van Maria van Kleophas, van Maria Magdalena, van den heiligen apostel Joannes en wellicht van nog meer vrienden des Heeren volgde haar Goddelijken Zoon naar Golgotha, nadat zij Hem met zijn kruis beladen vol wee en droefenis voorbij had zien trekken. Daar hield zij stand met de vrienden en bekenden des Heeren op een zekeren afstand, terwijl de scharen den kruisheuvel voorbij trokken en de godslasteringen uitbraakten, welke wij reeds vernamen. Daar had zij het te aanschouwen, hoe haar Goddelijken Zoon de kleederen van het lijf werden gerukt, en hoe Hij daar stond vol schaamte slechts met het lendekleed bedekt, terwijl de wonden der geeseling op nieuw waren opengereten. Wslk een smartvolle aanblik voor het minnend hart eener Moeder! „Ach,quot; roept de H. Bo-naventura uit, „al de wonden over Jesus\' lichaam

-ocr page 458-

184

verspreid, „zijn ook wonden, die zich in Maria\'s hart vereenigen!quot;

quot;Van het oogenblik, dat haar oog Jesus heeft ontmoet op den kruisweg, is het zwaard van Simeon haar op het moederhart gezet, en al, wat zij Hem van dit oogenblik ziet lijden, doet dat zwaard dieper en dieper doordringen, en hare ziel onder de vlijmendste smart geheel doorboren! Zij ziet Jesus kruisigen, zijne handen en voeten doornagelen, en ook hare ziel wordt gekruisigd ; de wreede pijnen zijns lichaams zijn akelige pijnen voor haar hart. Zij hoort de vreese-lijke godslasteringen der voorbij trekkende scharen, en de smaad Jesus aangedaan is ook haar smaad. Zijne vernedering zonder grenzen is hare vernedering; zijne verlatenheid is hare verlatenheid; zijn kruis tusschen twee moordenaars is haar kruis. Gelijk een heldere spiegel de voorwerpen teruggeeft in al hunne bijzonderheden van vorm en kleur, en ze als verdubbelt, zoo ook wordt al het lijden van Jesus in het hart van Maria weerspiegeld, en al, wat de Godmei:sch verduurt, wordt ook door haar teeder moederhart geleden.

Reeds zijn nagenoeg de scharen allen voorbij getrokken, en is de Golgothaheuvel schier eenzaam geworden. Een akelige stilte heerscht er, de stilte die den dood aankondigt. Alleen de vier krijgsknechten der wacht, die zich op geringen afstand in het gezicht der drie kruisen hebben nedergezet, laten zich van lijd tot tijd hooren. Keeds begint de duisternis zich over de aarde te verspreiden. Daar treedt Jesus\' heilige Moeder met Maria van Kleophas, Magdalena en den H. Joannes nader tot het kruis, en neemt plaats in de nabijheid van haar Zoon, O! wie beschrijft het, wat die diep bedroefde Moeder ondervindt op het oogenblik, dat zij Jesus baar cenig geliefden Zoon van nabij aan het kruis ziet hangen!

Naast Jesus\' Moeder bevindt zich Maria van Kleophas. Zij is naar alle waarschijnlijkheid de echtgenoote

-ocr page 459-

185

van Kleophas, den broeder van den H. Joseph, en wordt als bloedverwante Maria\'s zuster genoemd (1). Deze heilige vrouw verschijnt hier blijkbaar om eene dubbele beweegreden. Aan den eenen kant is het de liefde tot Jesus, den heiligen en wonderdoenden Messias, den grooten Leermeester van althans twee harer vier zonen, den beminnelijken bloedverwant, welken zij van jongs af te Nazareth heeft zien toenemen in behagelijkheid bij God en de mensehen. Innige deelneming in het vreeselijk lijden van Hem, Die nooit iets misdeed, heeft haar naar Golgotha gevoerd. Aan den anderen kant is het de liefde tot Jesus\' heilige Moeder, hare naaste bloedverwante, hare innige vriendin. Zij beseft Maria\'s verlies, de wreedaardige smart van haar minnend moederharte, het onrecht en de smaad haar in haren geliefden Zoon aangedaan; zij wil haar troosten, en hare smart bij Jesus\' kruis, zooveel zij vermag, verzachten en verlichten.

Naast deze twee ontmoeten wij een derde Maria , de minnende boetelinge van Magdala. O! hoezeer is hare liefde tot Jesus toegenomen selert het oogenblik, dat Hij haar uit de macht der booze gees-

(1) Maria van Kleophas of van Alphens is niet cle dochter, maar de cchtgenoote van Kleophas. Zie de geslachtslijst des Heeren aan het einde va n het werk. Zij was waarschijnlijk niet de volle zuster van Jesus\' Moeder, doch slechts hare bloedverwante. Wij lezen in het heilig evangelie : naast het kruis jan quot;Jesus stonden zijne Moeder en de zuster zijner Moeder, Maria van Kleophas, en Maria Magdalena. Katholieke geleerden vatten deze woorden zoo op, dat Maria vati Kleophas eenc appositie is van de zuster zijner Moeder, zoodat door beide uitdrukkingen slechts één persoon is bedoeld. Protestantsche geleerden scheiden beide uitdrukkingen en verstaan door de zuster zijner Moeder Salome, dus een andere persoon dan Maria van Kleophas. Doch vooreerst zou men dan na de zuster zijner Moeder mede het voegwoord en verwachten j ten tweede is van verwantschap tusschen Jesus\' Moeder en Salome niets bekend5 ten derde laat de wijze, waarop hier van Joannes, of den geliefden leerling des Heeren gesproken wordt, niet vooronderstellen, dat dezes moeder hier tegenwoordig was.

-ocr page 460-

186

ten heeft verlost! Weinig is het haar, sedert den avond dat zij Jesus\' voeten met hare rouwmoedige tranen besproeide, en Hem het kostbaarste offerde, wat zij wist te geven, haren Groddelijken Verlosser immer te zijn gevolgd; weinig op zich het woord te kunnen toepassen: indien de mensch al zijn goed om de liefde zal hebben geofferd, zal hij het als niets achten; weinig is dit alles haar, indien zij haren Groddelijken Weldoener hare liefde niet toont tot onder het kruis. Wat zal haar van de liefde van Christus scheider ? Zij ook nadert met Jesus\' Moeder, en zie, nauwelijks heeft zij den blik op haren gekruisigden Redder geslagen, of zij zinkt gelijk vroeger bij het gastmaal en later bij de verrijzenis, aan Jesus\' voeten neder, en barst in een vloed van tranen uit. De diep bedroefde boetelinge omarmt het kruis, en druppelen van Jesus\' Goddelijk bloed vallen op haar neder. Het zijn glanzende parelen, die hare rouwmoedige en teedere liefde beloonen. Zij is daar als eene liefelijke bloem, die den boom des levens omstrengelt, glinsterend van den liomelschen dauw, dien zij er van heeft opgevangen.

Naast het kruis eindelijk treffen wij ook Joannes aan, en hij toont hier vooral, hoe innig, hoe getrouw, hoe standvastig hij den Heer lief heeft, en hoe hij al-zoo verdient, bij uitstek de geliefde leerling des Hee-ren te zijn. Waar Judas Jesus veraadt, waar Petrus Jesus verloochent, waar de overige apostelen heen-vlieden, daar blijft hij Jesus volgen. Hij blijft zijn God-delijken Meester bij in de rechtzaal van Kaïphas, na zijn doodvonnis, bij het heensleuren naar Pilatus, tot waar de landvoogd den Heer overlevert ter kruisiging. Op den kruisweg en thans onder het kruis is hij aan de zijde van Maria. Naar Thabor en Gethse-mani voerde hem Jesus\' keuze heen; doch hier op Golgotha verschijnt hij uit eigen beweging. O sterke en trouwe liefde ! Hij bewimpelt niet, zelfs onder het

-ocr page 461-

187

schandhout, de leerling en vriend van dien Gekrui sigde te zijn. Hij deinst niet terug voor Jcsus\'vijanden, en hij toont dat de wateren van lijden en tegenspoed niet, gelijk het gewoonlijk gaat, het vuur zijner liefde hebben kunnen blusschen O hoe geheel anders is hier zijne gemoedgestelteris dan op Thabor ! Daar zag hij Jesus in zijne Goddelijke heerlijkkeid, met een gelaat schitterende als de zon, en met kleederen blinkend als de sneeuw. Hier ziet hij Hem in de gedaante van een slaaf, met een onkenbaar, ingevallen, kwijnend gelaat, naakt en van alles beroofd, geslagen aan een kruis. Daar verschenen Moses- en Elias; hier aanschouwt hij twee moordenaars. Daar klonkt het uit de wolke : Deze is mijn welbeminde Zoon ! hier klinkt het uit den hemel: Deze is beladen met den vloek der wereld.

Diep bedroefd staat daar dus neven dat beminnelijke drietal de maagdelijke Moeder des Heeren bij het kruis. Om ons een denkbeeld te vormen van haar vreeselijk zielelijden, zouden wij ten volle moeten beseffen, welk hart hier doorboord wordt, en welk vlijmend zwaard liet doorboort. Het is een hart, na dat van Jesus het meest geschikt om te beminnen, begaafd met al de teederheid en gevoeligheid, die het hart eener vrouw, vooral eener moeder, kan bezitten. quot;Want gelijk de H. Antoninus zegt, hoe edeler en volmaakter eene natuur is, des te edeler zijn ook hare gevoelens en genegenheden, en alzoó heeft Maria, daar hare natuur om de menschwording van Gods Zoon allervolmaakst is, ook een hart ten hoogste ontvlambaar voor de liefde van haar Zoon en vatbaar voor allerlei edele gewaarwordingen. Met een dubbele liefde, waarvan de eene onbegrensd is en de tweede schier geen grenzen kent, bemint dat zoo volmaakte Hart in Jesus haren God en haren Zoon. Voeg hier nu bij, dat al de omstandigheden, welke een schepsel zijn God en eene moeder haar kind kunnen doen beminnen,

-ocr page 462-

188

hier vereenigd zijn. Haar hart is onschuldig, maagdelijk, vol van genade, doordrongen van het besef der geheel eenige voorrechten haar door God geschonken en door dit alles uitsluitend en ten innigste aan haren God gehecht. Jesus is haar eenige Zoon. Het wonder der Almacht, waardoor zij Hem ontving, heeft haar moederhart veel inniger aan dat kind vastgestrengeld dan zulks hij andere moeders ten opzichte harer kinderen het geval is. Geen zoon was buitendien ooit zoo schoon, zoo beminnelijk, zoo heilig als Jesus, en geen zoon heeft ooit meer zijne moeder bemind, vereerd, bijgestaan, gehoorzaamd, dan Jesus. Wie zal dan in staat zijn om de onbegrensde liefde te beseffen van het teeder, heilig, minnend Hart van de Moeder des Heeren ?

En het vlijmend zwaard, hetwelk dat minnend Moederhart doorboort, is het onbeschrijfelijk Tijden van Jesus, Die daar onder haar moederlijk oog hangt aan het kruis. Hoe scherp ziet haar deelnemend moederoog! Het bespeurt alle Jesus\' wonden, en meet hare smart. Zij gevoelt al, het geen elk lid van dat gekiuisigd lichaam doorstaat. Zij slaat zijne pijnlijke houding, de minste zijner bewegingen gade. De ruwheid, de hardheid, de schande des kruises ontgaat haar niet. Schier naakt hangt daar haar innig geliefde Zoon, en zij is niet in staat om met iets zijne wonden te beschutten tegen den snerpenden invloed der lucht. Hoe pijnlijk is dus de wonde, waardoor dat teeder minnend Hart van de edelste der moeders wordt o-pengercten en verscheurd, waar het besef van dat lijden als een vlijmend zwaard er binnendringt. Maria gevoelt vooral de grenzelooze droefenis van Jesus\' ziel. Al de bitterheid, waarmede de ondank van Israël, de haat der Phariseën, de lafhartigheid der apostelen, de verloochening van Petrus, het verraad van Judas, Jesus\' Goddelijk Hart vervullen, vloeit over in haar gevoelig moederhart. „Zij ziet Jesus aanquot; zegt de H.

-ocr page 463-

189

Bernardus, „en Hij ziet haar aan, en Hij is meer bedroefd over haar dan over zich zelven.quot; Dit ook moet zij ontwaren! O de teederminnende Moeder! Zij zou alles willen doen om zijn lijden te verminderen en te verzachten, om Hem eenigszins te troosten, en zij moet ondervinden, dat haar bijzijn en hare onbeschrijfelijke zielesmart een nieuwe en niet de minste pijniging voor Jesus is.

Doch vooral het groote wee van Jesus is ook haar wee. De zonde in hare afschuwelijke boosheid vervult zijn Goddelijke ziel met doodelijke droefenis ; de zonde in hare vertoeielijke ondankbaarheid is Hem zwaarder dan alle lichaamspijn ; de zonde is de bron van al zijne smarten; de zonde in hare oneindigheid heeft Hem beladen met al de wraak van Gods rechtvaardigheid ; de zonde vermoordt Jesus; en de zonde is ook het wreede zwaard, dat het teedere hart van Maria doorboort.

Geen smart is gelijk die van deze Moeder. „Nooit „was er zulk een Zoon, nooit zulk eene Moeder,quot; zegt de H. Laurentius Justinianus; „nooit zulke groote „liefde, nooit zoo groote smart; en met hoe meer „teederheid zij hoeft bemind, hoe dieper en pijnlijker „zij is gewond.quot;

quot;Wel mogen wij bij het zien van zoo groote smarten aan Maria den naam geven van Koningin der martelaren. Want langer en feller heeft zij geleden dan alle martelaren, niet door de pijnen des lichaams, maar door het wee der ziel. „Bij andere martelaren,quot; zegt de H. Bernardinus, „heeft de grootheid der liefde de „smart des lijdens verzacht, maar bij de heilige Maagd „was, naarmate zij meer beminde, de smart ook te „grooter en het martelaarschap te zwaarder.quot; Zoo staat daar aan de rechterzijde van den Koning der smarten ook de koningin dos lijdens. Aan den voet van den boom in Eden verloren Adam en Eva de heerschappij, die Jesus en Maria terug verwerven

-ocr page 464-

190

door den kruisboom op Golgotha. Adam en Eva werden beroofd van \'t koninklijk gewaad der onschuld, omdat zij naijverig verlangden bekleed te worden met der luister der Godheid. Jesus en Maria integendeel, daai zij miskend worden als Gods Zuon en diens Moeder, worden met de grootste heerlijkheid omstraald. Het is de bovenaardsche glorie die voortvloeit uit de smart Aan Jesus is het koningschap van lijden en smart, dat op Maria overvloeit door hare deelneming ais Moeder Van den troon der foltering doet de Koning der Martelaren den geheimvollen luister zijner Majestei schitteren in de Koningin, zijne Moeder, terwijl zij omgeven door den gulden vuurgloed harer liefde, de verscheidenheid van al zijne smarten in zich opneem; en weerkaatst.

Maria is echter niet zoozeer de Koningin der mar telaren, omdat haar lijden het lijden van alle marte laren overtreft, als wel, omdat de deugden, welke den martelaar onderscheiden, sterkte, geloof en liefde, haai op Golgotha in den hoogsten graad kenmerken. Hare sterkte blijkt, omdat zij vrijwillig, geduldig en moedig lijdt. Maria staat daar naast het kruis nist door dwang, Waar Jesus predikte stond zij buiten; zij stelde zich niet op den voorgrond om te juichen bij Jesus\' won deren; zij was niet bij zijne heerlijke gedaante verwis seling op den Thabor; maar waar het lijden van haai eenigen Zoon zijn hoogste toppunt bereikt en het vlijmende zwaard haar het moederhart zal doorboren, daar treedt zij vrijwillig, uit eigen keuze, nader.

Zij staat daar bij het kruis. Wij lezen, dat zij staat, maar wij lezen niet, dat zij weent. Zij staat met den heldenmoed, die de grootheid van haar lijden overtreft. Zij staat daar om mede te strijden met den Koning der martelaren, en als de eerste, de heiligste, en geheel eenige onder al de verlosten ook de eerste plaats in te nemen bij Jesus\' kruis. Geduldiger dan Agar, en niet minder moedig dan de moeder der Macchabeën be-

-ocr page 465-

191

zwijkt zij niet bij den kruisdood van haren innig geliefden God en Zoon.

De sterkte der martelaren keeft haren grondslag in het geloof. Ook Maria is sterk door het geloof. Zij kent Hem, Die daar hangt aan het kruis als den Eenig-geboren Zoon van God, en zij weet, dat zijn offer vrijwillig is. Tot haar heeft de engel gezegd, dat zijn rijk een eeuwig rijk zal zijn. Zij kent de voorspelling, dat Hij ten derden dage verrijzen zal, en zij, die ieder woord van haar Zoon in haar hart bewaarde, heeft dat woord verstaan. „Zij was zich niet onbewust,quot; „zegt de H. Ambrosius, „dat zij een zoon had voort-„gebracht, die verrijzen zou.quot; Groot was het geloof van Abraham. Op het punt om zijn eenigen Zoon ter dood te brengen, geloofde hij, zegt de H. Paulus, dat God almachtig was, om ook dooden weder tot het leven op te wekken. Maar grooter is het geloof van Maria, die, terwijl haar Zoon sterft aan het kruis, gelooft, dat Hij almachtig is om het leven, dat Hij vrijwillig aflegt, zelf door eigen macht weder aan te nemen. „Maria stond,quot; zegt de H. Augustinus, „en werd staande gehouden door het geloof in zijne Godheid, dat zij onwankelbaar bebield.quot; Op haar past de H. Leo bij Christus\' dood het woord toe van het boek der spreuken; hare lamp zal in den naobt niet worden uitgedoofd.

De groote deugd der martelaren is de liefde ; eene grootere liefde heeft niemand dan dat hij zijn leven geve voor zijne vrienden. De liefde is de drijfveer, die den martelaar aanspoort, om lijden en dood als zijn lot te verkiezen. Door de liefde is Jesus de Koning, door de liefde is Maria de Koningin der martelaren. De liefde is vooral daad, en hare volmaakste daad is het offer. Hoe grooter en zuiverder offer, des te grooter is de liefde. Maria wel is waar brengt haar lichamelijk leven niet ten offer gelijk de martelaren ; maar zij brengt Hem ten offer, Die het leven is van haar leven; voor Wien zij bereid is ontelbare malen haar lichamelijk

-ocr page 466-

192

leven te offeren. Zij weet, hoe de Vader in zijne grenze-looze liefde voor de wereld zijn eenigen Zoon niet spaart, maar hier overlevert ten dood. Zij ziet, hoe haar Goddelijke Zoon Zich hier uit liefde ten zoenoffer opdraagt voor het gevallen menschdom. God vraagt van hare liefde hetzelfde offer en hare liefde weigert het niet. De Heer heeft haar Jesus gegeven, en zij heeft Hem aangenomen met vurige liefde tot haren God en het heil der menschen. De Heer vraagt haar thans Jesus als offer terug, en zij is bereid tot dat offer uit liefde voor de eer van God, Die Hem haar schonk, en uit liefde tot de zaligheid der menschen, voor welke zij Hem ontving.

Op Golgotha staan twee altaren gelijk in den tempel, het kruis van Jesus en het Hart van Maria. Waar Jesus als eeuwige Hoogepriester zijn offer voltrekt, daar wordt Maria door hare toestemming en onderworpene liefde de priesteres voor het geheele menschdom, die het offer voor Abraham te moeilijk geacht, voltrekt, het offer van een eenigen en Goddelijken Zoon. Joseph, haar echtgenoot is overleden, en zie, nu gaat Jesus, haar eenige en hoogst geliefde Zoon aan de diep bedroefde weduwe ontrukt worden. Maar Maria is en blijft de dienstmaagd des Heeren, en schonk zij ons Jesus bij zijne geboorte, zij schenkt Hem ons andermaal bij het kruis.

Terwijl de Moeder daar naast den Zoon staat. Hem aanschouwt, met Hem lijdt, als Koningin der martelaren met Hem offert, en tevens een zoo sprekend blijk van moederliefde geeft, laat ook de minnende Zoon, met teedere kinderliefde eigen smart vergetend, van het kruis zijn blik op de diep bedroefde Moeder rusten. Met één oogopslag heeft Hij de verlatenheid en hulpeloosheid overschouwd, waarin zij zich gaat bevinden, omdat zij Hem verliest. Hij peilt de diepte der pijnlijke wonde, die in haar moederhart wordt geslagen, en het onuitsprekelijke wee, dat haar vervult.

-ocr page 467-

193

Hoe zal zijne Goddelijke kinderliefde, terwijl Hij zoo machteloos is, zoo verlaten, zoo lijdende, haar het best troosten, en haar het zware verlies, dat zij in Hem lijdt, eenigzins vergoeden ? Hij ziet daar naast Maria ook den leerling, dien Hij lief heeft, en wie beter dan deze zal Hem bij zijne hulpelooze Moeder vervangen ? Waar Hij tot nu toe in haar onderhoud heeft voorzien, gelijk het de plicht was der kinderen in Israël om hunne moeder in haren weduwstaat te voeden, (Chetub c. 2.) daar weet Hij haar, de voortaan kinderlooze weduwe, in dit oogenblik niet beter aan te bevelen dan aan de edelmoedige zorg van den meest geliefde zijner leerlingen. Daarom spreekt Hij, Die eens het bevel gaf: eert uwen vader en uwe moeder, bekommerd als innig toegenegen Zoon over het lot der Hem zoo dierbare Moeder, tot haar, die hier door Joannes tot viermaal moeder wordt genoemd: vrouw, ziedaar uic zoon.

Jesus noemt zijne Moeder hier vrouw, eene benaming vol eerbied, waarmede de oosterlingen zulke vrouwelijke personen, die zij achting toedragen, aanspreken. Met Maria zoo te noemen, wil Hij zijne Moeder niet al te zeer wonden, terwijl Hij tevens gevoelen laat, dat Hij als (rod en Verlosser haar volgens zijne roeping voortaan zijne kinderlijke zorgen niet meer zal kunnen wijden. Door te laten volgen : ziedaar uw zoon, laat Hij verstaan, dat zij die kinderlijke verzorging voortaan bij Joannes moet zoeken. Het is alsof Hij zeggen wil: dierbare Moeder, gij zijt bedroefd over het verlies van uwen Zoon, maar wees getroost, Joannes zal voor u zijn, hetgeen ik voor u was: uw zoon; hij zal u beminnen, want hij bemint Mij ; Ik ken de liefde, die hij reeds nu in zijn hart u toedraagt, en Ik zal zijne liefde voor u nog vermeerderen.

Zeker een troost, maar die bij het verlies, dat Maria ondergaat, gering mag heeten. „Welk een ruil!quot; roept de H. Anselmus uit. „Voor den eeuwigen en on-^eranderlijken God ontvangt zij niets dan een sterfe-

Het Offer van J. C. II 13

-ocr page 468-

194

„lijken mensch! voor haren eenigen en natuurlijken „Zoon ontvangt zij zijn dienstknecht tot kind!quot;

Nog een andere troostgrond van veel verdere strekking ligt dan ook in dat kruiswoord opgesloten. In den eersten letterlijken zin spreekt Jesus als mensch, en geeft Hij aan zijne Moeder Joannes, om als zoon in zijne plaats voor haar tijdelijk onderhoud zorg te dragen en haar het gemis van zijn lichamelijk bijzijn door zijne liefde te vergoeden. Doch in een hoogeren zin spreekt Hij als God en Verlosser, en heeft Hij in Joannes, dien éénen geestelijken zoon daar tegenwoordig, het oog op al de verlosten.

Toen Abraham het offer bracht van zijn eenigen zoon, toen sprak God tot hem: bij Mij zei ven heb Ik het gezworen: omdat gij dit gedaan heit en uwen eenigen zoon niet hebt gespaard, zal ik u zegenen en \\iw nakroost vermenigvuldigen als de sterren des hemels en als de zandkorrels aan den oever der zee, en uw nakroost zal de poorten zijner vijanden bezitten, en in uw kroost zullen alle de volkeren der aarde gezegend worden, omdat gij aan mijn bevel hebt gehoorzaamd (Gen. XXII: 16—18). Maar Maria brengt hier op Golgotha een grooter offer dan dat van Abraham, het offer van haren eenigen en Goddelijken Zoon, het offer, dat haar minnend hart als een vlijmend zwaard doorboort. En de moed, het geloof, de liefde van de Koningin der martelaren bij dat offer doen niet onder voor die van den Vader der geloovigen. Haar zegen mag dus niet minder zijn. Als Abraham ontvangt zij den persoonlijken zegen van haren God. Jesus verkondigt haren roem van het kruis. Gelijk Abraham de vader wordt van het uitverkorene volk des Heeren, dat de poorten zijner vijanden zal bezitten, zoo wordt Maria hier de Moeder van een ontelbaar nakroost, de moeder vanhetroemrijke volkder verlosten, dat om wille van het offer haars Zoons zal zegepralen over alle zijne vijanden en overladen zal worden met zegeningen, Vrouw, ziedaaruw zoon, zegt Jesus;

-ocr page 469-

395

gelijk in Joannes, zoo zult gij in eiken verloste, in allen, die tot mijne Kerk behooren,uwen Zoon terugvinden, Die door dit offer in hen geboren wordt, ea in hen zal leven.

De H. Joannes spreekt in zijne openbaring van het groote wonder eener geheimzinnige vrouw, omstraald door den luister der zon, wier hoofd door een krans van twaalf sterren omringd was, wier voet op de maan rustte, en die verscheurende jammerkreten slaakte en onuitsprekelijke smarten leed, om de vrucht te baren, die zij in haren schoot droeg. (Apoc. XII: 1). Die wonderbare Moeder is Maria, de Moeder der verlosten. Te Bethlehem baarde zij zonder de minste smart den Zoon van God, den eerstgeborene onder vele broeders. (Rom. VIII: 20). Op (xolgotha, waar zij boet voorde eerste Eva, gelijk Christus boet in de plaats van den eersten Adam, baart zij, maar met nameloos wee hare geestelijke kinderen. „Maria,quot; zegt de H. Bonaventura, „is tweemaal moeder geworden, lichamelijker wijze is „zij de Moeder van Christus, en geestelijker wijze van „den Christen.quot; (Specil. B. V. lect. 3). „De smarten, „waarvan zij bij de geboorte van Jesus bevrijd bleef,quot; zegt de H. Joannes Damascenus, heeft zij tijdens de kruisiging geleden.quot; Ja, dat bloedig offer zijn de smartelijke moederweeën, waardoor zij ons de wedergeboorte der genade schenkt. En de troost, dien Christus bij die vreeselijke smart zijne Moeder schenkt, is het gezicht harer geliefde kinderen: Vromo, ziedaar uw zoon.

Met geen andere liefde zal Maria voortaan de verlosten beminnen, dan waarmede zij Jesus bemint. Zij zal in hen de vrucht zien van zijn Goddelijk offer, den prijs van zijn kostbaar bloed, de deelgenooten van zijne genade en zijn Goddelijk leven, den Verlosser in zijn werk, den Verwinnaar in zijne zegepraal. Zij zal hen beminnen gelijk eene moeder de kinderen bemint, aan welke zij het leven heeft geschonken.

Na dit woord tot Maria, zijne heilige Moeder, gesproken te hebben, richt ook Jesus Zich tot Joannes , die

-ocr page 470-

196

öm zijne maagdelijke reinheid, om zijne trouw, om zijne liefde vooral dit groote voorrecht verdient. Zoon, zegt Hij met stervende stem, ziedaar moe Moeder, en stelt aldus Joannes in zijne plaats, om Maria door liefde, bescherming en onderhoud als zijne moeder bij te staan.

Welk een geluk voor Joannes! het dierbaaiste, dat Jesus bezit, wordt hem toevertrouwd. Met liefde verneemt de uitverkorene apostel dat vereerende woord uit den mond van zijn Groddelijken vriend, en, gehoorzaam aan dien laatsten wil, neemt hij haar van dat oogenblik tot zich in zijn huis. Tot aan Maria\'s dood zal hij niet ophouden voor de kinderlooze weduwe een trouwe zoon te zijn, en gewis geeft hij zijne toestemming, al is het slechts door een teeken, aan den gekruisigden Verlosser te kennen.

Of Maria na dit sehoone woord den kruisberg kon verlaten? Waarschijnlijk treedt zij om de krijgsknechten, die geen lang toeven in Jesus\' onmiddellijke nabijheid [ gedoogen, met Joannes en de twee andere vrouwen op ; verderen afstand terug, en vervoegt zij zich by de [ andere bekenden des Heeren. (Lc. XXIII; 49). De lief- i de, onderwerping en offervaardigheid, die haar bezielen, laten niet toe, dat zij zich zal scheiden van haren God en Zoon, voor zij evenals Jesus\' vrienden bij zijn [ dood en begrafenis tegenwoordig is geweest.

Even als Joannes moeten wij Maria als onze Moeder erkennen. Zij is de moeder, aan welke wij te danken hebben, dat Jesus ons leven geworden is. Daar bij dien levensboom moeten wij haar begroeten als de tweede | Eva, de Moeder der levenden. Zij is de vrcuw, die voor ons herstelt door sterkte, geloof en liefde, wat de eerste door zwakheid, ongeloof, en eigenliefde heeft misdreven. Wij moeten daarom als Joannes Maria beminnen 1 met kinderlijke, edelmoedige en standvastige liefde. Laten wij als rechtgeaarde kinderen de smarten onzer Moeder niet vergeten, en beminnen wij steeds in baar, I die ons Jesus schonk, en ons door Jesus geschonken | werd, de Moeder der barmhartigheid.

-ocr page 471-

197

§ 5. De duisternis.

Mt. XXVII: 45; Mc. XV: 33; Lc. XXIII: 44-45.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, 13—3 uur.

Het eeuwige Woord des Vaders hangt daar wellicht nagenoeg een hall uur aan het kruis, en zie, nu de gekruisigde Zoon Gods door zijn smartelijken dood de aarde gaat verlaten, nu grijpt een ontzettend natuurverschijnsel plaats. Ongeveer op den middag, of het zesde uur volgens joodsche tijdrekening, ontstaat eene groote duisternis. Niet minder dan drie uren houdt zij aan, en neemt slechts een einde met het negende uur, wanneer zij hij Jesus\' dood gevolgd wordt door eene geweldige aardbeving. De zon wordt geheel in donkerheid gehuld, en toch eene gewone zonsverduistering kan het niet zijn. Deze brengt nooit eene wezenlijke duisternis op onzen aardbol voort, en gaat dikwerf zelfs onopgemerkt voorbij. Maar bij Jesus\' kruisdood heerscht eene akelige duisternis , zoodat de heldere middag donker wordt, en er hoogstens zooveel licht overblijft, als noodig is, om de voorwerpen niet met elkander te verwarren. Het is buitendien Paschen en dus juist de tijd der volle maan. Onmogelijk kan al-zoo de maan, die zich niet tusschen de zon en de aarde maar aan de tegenovergestelde zijde der laatste bevindt, het licht der zon onderscheppen, zooals dit bij eene natuurlijke zonsverduistering plaats heeft. De duisternis eindelijk breidt zich uit over de gansche aarde, en zij duurt drie volle uren (1). Waar het Goddelijk licht der wereld ondergaat, moet het nacht worden, en waar de zon der gerechtigheid wegduikt achter de nevelen des doods, daar is de hemel met een zwart rouwfloers overtogen, daar hult zich de aarde in een somber treurkleed, en daar is het als of de geil) De langste zon-eklips duurt nagenoeg 4 uur. Die te Leipzig waargenomen op 3 Sept. 1699 begon ten 9 uur 11 minuten, en eindigde ten 12 uur 38 [minuten.

-ocr page 472-

198

voellooze natuur den dood van haren Schepper gevoelt. „Het heldere wereldlicht,quot; roept de H. Hieronymus uit, „houdt zijn stralen terug, om den Heer aan het „kruis niet te aanschouwen of\' om den godslasteraars „zijn licht niet te schenken.quot; „\'«lelijk toen Moses de „handen uitstrekte ten hemel, de duisternis de Egyp-„tenaren overviel,1-\' zegt de H. Gregorius, „zoo ook, „toen Christus aan het kruis zijne handen uitstrekte „ten hemel, daalde de duisternis at over het volk, dat „geschreeuwd had: weg met Dezen van de aarde! kruisig Hem ! en ging het licht voor hen onder.quot; Waarom duurt die duisternis juist tot aan den dood van den Godmensch ? quot;Waarom anders dan opdat allen zouden heseffen, dat Hij niet minder is dan Gods Zoon, bij Wiens dood de hemelen zich met rouwgewaad bedekken, gelijk zij zich sierden met eene schitterende ster, toen Hij geboren was.

Deze duisternis dus is een geheel bovennatuurlijk verschijnsel. De tijd, waarop zij plaats greep, haar duur tot Jesus\' dood, hare uitgestrektheid over de geheele aarde (1), en de haar volgende wonderen duiden bet ontegenzeggelijk aan (2). Zij heeft dan ook de algemeene aandacht getrokken. „Op hetzelfde oogenblik,quot; zoo schrijft Tertuliaan, „werd de dag, terwijl de zon haren halven

„kring teekende, onderbroken........en toch

„vindt gij die wereldgebeurtenis in uwe geheime

1

Dat de duisternis zich uitstrekte over de geheele aarde, getuigen de drie evangelisten uitdrukkelijk, zonder de minste beperking aan tc geven, waardoor wij de Grieksche uitdrukking zouden moeten opvatten in de beteekenis; over het geheele land. 2° Het groote doel, waarom dit wonder plaats heeft, doet ons mede zien, dat wel niets anders door de gewijde schrijvers is bedoeld. 3° Zoo werd dit wonder in de eerste eeuwen door de kerkvaders en de overlevering opgevat. Tertuliaan Apol. C. 31 noemt het eene wereldgebeurtenis (mundi easum). Dc akten van Pilatus spreken van dc geheele wereld. Ook Chrysostomus, Theophylactus en Euthymius vatten het zoo op.

-ocr page 473-

199

stukken vermeldquot; (i). Lucianus beroept zich bij den geschiedschrijver Hufiuus op de jaarboeken van Ni-comedië: „raadpleegt uwe jaarboeken, en gij zult „bevindeD, dat ten tijde van Pilatus, toen Christus „leed, de zon verdween en de dag onderbroken „werdquot; (2). Ook Eusebius, Origenes en Julius Africa-nus, ofkchoon zij misschien met minder recht zich op Phlegon beroepen (3), geven te verstaan, dat zij deze

(1) Eodem momento dies, medium orbem signante sole, subducta esl; deliquiiim utique putaverunt, qui id quoque supra Christo praedicatum non scierunt, ratione non deprehensa negavcrunt et tamen eum mundi casum relatum in arcanis (al. archivis) vestris habetis. Apol. C. 21.

(2) Consulite annales vestros et invenietis Pilati temporibus, dum paterctur Christus, media die fugatum solem et interruptum diem. Ilist. Eccl. IX: 6.

(3) Eusebius heeft in zijn chronicon volgens Hieronymus aldus: scribit vcro super his et Flego, qui Olympiadarum egregius supputator est, in libro XIII ita dicens: quarto autem anno CCII Olympiades, magna et cxcellens inter omnes, quae ante earn acciderant, defectio solis facta. Dies hora sexta in tenebrosam noctem versus, ut stellae in coelo visac sint, terraeque motus in Bithynia, Nicaenae urbis multas aedes subverterit. Ook de versio armenia en de Grieksche tekst van \'t Chronicon geven het 4e jaar aan der 202e Olympiade. Zie de editie van Alfred Schoene te Berlijn in 186G. De Grieksche tekst echter volgens de editie van Scaliger heeft zm Sé è\'rcc voor rtJ (Jirsr. — Ook Julius Africanus heeft bij Syncellus het tweede jaar-, Chronograph, ad ann. 5534.— Hiermede stemt Melalas overeen. Philloponus en Syncellus lezen nu eens het tweede dan weer het vierde. — Zie Sepp. chronologie p. 300—301. Nog geeft het Chronicon volgens de editie van Schoene het volgende aan : Ihs Xpc secundum profetias, quae de eo fuerant praelocutae, ad pas-sionem venit anno Tiberii XVIII (over de wingewesten ?) quo tempore etiam in aliis ethnicorum commentariis haec ad verbum scripta rep-perimus: solis facta defectio, Bithynia terrac motu concussa, et in urbc Nicea aedes plurimae conciderunt. — Ook Julius Africanus voert bij Syncellus het getuigenis van Thallus aan. — Nicuweren echter meenen : dat Phlegon, Thallus, en de ongenoemde schrijver bij Eusebius, daar zij spreken van een zon-eklips, de zon-eklips bedoelen, die plaats had op 24 November van \'tjaar 29, het sterfjaar O. H. (Ideler II. 417). Hiertegen over zou staan, dat de duisternis bij Phlegon juist des middags plaats grijpt, gelijk in het evangelie; 2° gepaard gaat met eenc aardbeving, 3° de grootste was der vroeger bekenden. — Men merke op, dat bij de meeste Grieksche vaders het eerste jaar der eerste Olympiade op den le September begint van \'t jaar (777) voor de

-ocr page 474-

200

duisternis als eene bovennatuurlijke gebeurtenis beschouwen, en dat zij zich uitstrekte buiten Palestina.

Waar niemand den mond opent om de heiligheid en onschuld zijns Zoons te verdedigen, daar kan de Vader spreken door de ontzettende wonderen der natuur. Allen versmaden en beschimpen Jesus als Zoon van God, en slechts een zwakke stem, die des goeden moordenaars laat zich hooren ter zijner verdediging en erkent in Hem den Christus. Daar gebiedt God aan de stomme natuur met de haar eigene taal de Godheid en onschuld van Christus te verkondigen. Hij geeft het teeken aan den hemel, dat Hij vroeger geweigerd heeft. Die sombere rouwsluier, die heinde en verre het uitspansel bedekt, verkondigt luide, dat de onschuld lijdende is en de Schepper gekruisigd, dat het voor den zondaar de tijd is van droefenis en boete, en dat de rechtvaardige steeds moet hopen, wijl duisternis de misdaad bedreigt.

§ 6. De Lijdenspsalm.

Ps. XXI.

Verkondigt ons de hemel door zijn rouwfloers, dat hier een God aan het kruis gaat sterven, ook uit het verre verleden ruischt ons eene geheimzinnige stem in het oor, die ons de lijdensgeschiedenis op Golgotha als een Goddelijk werk leert beschouwen. Het is het schoone lied van David, waarin de stervenden Messias eerst aan God zijnen Vader zijn ij-selijk lijden klaagt, (v. 1—22), om na voltrokken strijd over den roem en de vruchten zijner schitterende overwinning te jubelen, (v. 23—32).

Christelijke tijdrekening ; terwijl volgens de telwijze der oude Grieken het begin der Olympiaden gesteld wordt op het solstitium (775). Volgens de eerste is het 2e jaar der 302 Olympiade het 29ste jaar onzer tijdrekening, volgens de laatsten stemt het 4de jaar der 201ste Olympiade daarmede overeen.

-ocr page 475-

201

v. 2. Mijn God! mijn God! (1) waarom hebt Gij Mij

verlaten ?

Verrevanmijne hulp zijn de woorden van mijn klaaggeschrei,

v. 3. Mijn God I Ik roep des daags, en Gij luistert niet,

En des nachts, en geen rust gewordt Mij. V. 4. En toch Gij zijt de Heilige,

Wonende in Lojliederen Israels !

v. 5. Op U betrouwden onze vaderen,

Betrouwden zij, en gij reddet hen.

V. 6. Tot U riepen zij, en teerden verlost;

Op U betrouwden zij, en toerden niet beschaamd. v. 7. Maar Ik, een worm ben Ik en geen mensch, Der menschen spot en des volks verachting. v. 8. Allen, die Mij zien, spotten met Mij,

Openen de lippen, en schudden het hoofd. V. 9. Hij heeft op God vertrouwd; Die redde Hem !

Die verlosse Hem, wijl Hij zijn welgevallen aan Hem v. 10, Want Gij toogt Mij uit den moederschoot, [heejt.

Waart aan hare horsten reeds mijn toeverlaat. v. 11. Op U steunde Ik van mijne geboorte af;

Van den moederschoot af zijt Gij mijn God. V. 12. Wees niet verre van Mij, want de nood is nabij;

En niemand is daar, die helpt.

V. 13. Vele groote-quot;varren omringen Mij,

Mij omsingelen stieren tan Basan.

v. 14. Zij sperren hunne muil op tegen Mij,

Als een verslindende en brullende leeuw.

v. 15. A Is water ben Ik uitgegoten, en al mijne beenderen zijn van een gerukt; Mijn hart, aan was gelijk, smelt weg in binnenste van mijn ingewand. v. 1G. Verdroogd als eeue scherf is mijne kracht,

(1) Jk volg den Ilebreeuwschen tekst. Id de vulgaat staat: Mijn God! mijn God, zie op Mij neder; waarom hebt Gij Mij verlaten 5 in het tweede verslid heeft de vulgaat: de woorden mijner misdrijven^ verba delictorum meorum.

-ocr page 476-

202

En mijne tong kleeft mij vast aan \'t gehemelte, Eu in \'t stof des doods legt Gij Mij neder. v. 17. Want honden hebben Mij omsingeld,

Een rot van boosdoeners Mij omgeven ;

Mijne handen en mijne voetenhebbenzijdoorboord (1). v. 18. Ik tel al mijne beenderen ;

Zij zien het aan, zij zien hun lust aan Mij. V. 19. Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld.

En over mijn gewaad werden zij het lot. v. 20. Gij echter, o Heer! ivees niet verre,

Mijne sterkte, haast U mij ter hul/pe ! v. 21. Neem weg mijne ziel voor het zwaard,

En voor de hand van den hond mijn leven ! V. 22. Red Mij uit dm muil van den leeuw.

En van de hoornen dis buffels ! — Gij verhoort Mij. V. 23. Ik wil verkondigen uwen naam aan mijne broeders,

In het midden der vergadering wil Ik U prijzen. v. 24. Gij, die den Heer vreest, prijst Hem!

Gij allen, die zijt uit Jakobs zaad, eert Hem ! Jubelt voor Hem, gij allen van Israels geslachte. V. 25. Want Hij heeft niet veracht, noch versmaad de

ellende des Ellen digen. En Hij heeft zijn aangezicht niet voor Hem verborgen. En, als Hij tot Hem riep, hoorde Hij Hem. V. 26. Van luegens U klinkt mijn lojlied in eene groote

vergadering.

Mijne geloften wil ik voldoen in \'t bijzijn van hen,

die U vreezen. V. 27. Eten zullen de armen en verzadigd werden \\

Loven zullen den Heer, zij, die Hem zoeken;

Leven zal uw hart in eeuwigheid.

v. 28. Het gedenken en tot den Heer terugkeer en zullen

alle grenzen der aarde.

(1) Ue vertaling als een Leeuw wordt door de Masora, door vergelijking met den hebreeuwschen woordvorm v. 14 cn 23, en eindelijk door haren onzin hier ter plaatse wederlegd\' De vulgaat, de septuagin ta, de Syrische, Arabische cn Euthiopischc vertaling, stemmen hier overeen in den zin: zij hebben doorboord.

-ocr page 477-

203

En aanbidden zullen voor uw aangezicht alle geslachten der heidenen. V. 29. Want des lieer en is het rijk,

En Hij is de Heerscher onder du heidenen. V. 30. Eten en aanbidden zullen alle machtigen der aarde. Voor zijn aangezicht zullen nederknielen allen, die

afdalen naar het stof, En die zijne ziel niet levendig behoudt,

v. 3 i. De nakomelingschap zal Hem dienen ;

Vermeld zal worden van den Heer aan het toekomstige geslacht.

v. 32. Zij zullen komen en verkondigen zijne gerechtigheid Aan het volk, hetwelk geboren wordt, dat Hij alzoo

heeft gedaan,

Het lijdt geen twijfel, of geheel deze psalm, zooals blijkt uit de letterlijke aanhaling in \'t nieuwe testament (Mt. XXVII: 43, 46 ; Jo. XIX : 23, 24 ; Hebr. II: 11, 12) en uit de opvatting der Kerk betreft den lijdenden en zegevierenden Messias. I)c eerste woorden zijn de eigene roerende klachte, die do Heer slaakt aan het kruis: mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ? Vreeselijk bitter is de kelk, dien de Vader Hem te drinken geeft, en te vergeefs, zoo geeft Hij in de volgende woorden te kennen, heeft Hij des nachts in Gethsemani en verder den geheelen dag zijns lijdens gebeden, (v. S) dat deze voorbij zou gaan, indien het mogelijk was. Te vergeefs ! anders luidde het besluit van den driewerf Heilige, Die steeds de Redder en Helper was van Israël, (v. 4—6).

Zie! Hij, de Verlosser dor wereld, iiij is geworden daar aan het kruis als het uitschot der mensehen (Isaias Llli: 3). Ja, het is, alsof Hij geen menscb meer is! als een nietige, zwakke, weerlooze worm wordt Hij onder do voeten getreden, (v. 7). De bitterste spot en de grievendste verachting wordt zijn

-ocr page 478-

204

deel (7, 8), en de voorbijgangers ontzien zich niet Hem bijtend toe to voegen: Hij heeft op God vertrouwd ; Die helpe Hem; Die redde Hem, wijl Hij zijn welbehagen aan Hem heeft (v. 9. vgl. Mt. XXVII: 39-43. Mc- XV : 29-32 ; verder Mt, III : 17 ; XVII: 5).

De Vader beeft Hem op gebeel bijzondere wijze bet leven geschonken (Lc. I; 35) en Hem met wakende Voorzienigheid beschermd in zijne kindsheid tegen de aanslagen van Herodes (Mt. II). Op dien Vader heeft Jesus van den moederschoot af zijn vertrouwen gesteld en niet te vergeefs. Op Hem wil Hij vertrouwen ook in deze uur der duisternis ! (v. 10—11).

I)e hoogste nood, de nood des doods gaat aanbreken. Moge de Vader dan aan zijne zijde zijn, terwijl alle andere hulp Hem ontbreekt, en vele machtige, wreedaardige co woedende vijanden Hem omgeven (v, 12—14). Zoo smeekt de Heiland nog in zijne uiterste verlatenheid, en terwijl Hij in de dagen zijns vlee-sches beden en smeekingen opzendt onder luid roepen en tranen tot Hem, Die Hem redden kan uit den dood, wordt Hij gewis wegens zijnen eerbied verhoord, en zal Hij, voleindigd zijnde (door den dood) allen, die Hem gehoorzamen, oorzaak wezen van eeuwige zaligheid. (Hebr. V: 7, 9).

Aan de wreedaardigste lichaamssmart, terwijl zijne gebeenten aan het kruis als van elkander gerukt zijn, voegt zich de pijnlijkste kwelling des Harten, zoodat het door de felle zielsaandoeningen, als wegsmelt, gelijk was door het vuur. (v. 15). Door bloedverlies en door de koortshitte, voortvloeiend uit het hevige lichaams- en zielelijden, zijn alle zijne levensvochten verteerd en zijne krachten vervlogen, gelijk eene scherf, die door de hitte is uitgedroogd. Zijne tong kleeft aan zijn gehemelte, en een onbeschrijfelijke dorst kwelt Hem (Jo. XIX; 28). De dood van den lijdenden Christus kan alzoo niet lang uitblijven, (v. 16), terwijl Hij met handen en voeten aan het kruis

-ocr page 479-

205

geslagen en geheel in de macht van wreedaardige vijanden is. (v. 17—18). En bij al dat lijden voegt zich de berooving van alles ; nadat zij zijne handen en voeten doorboord hebben, moet Hij het zelfs aanzien, dat zij zijne kleederen verdeden en het lot werpen over zijn gewaad (v. 19. vgl. Jo. XIX: 23—24).

En nu bevee\'t de lijdende Zaligmaker Zich in de handen zijns hemelschen Vaders (v. 20), en smeelvt Hem zijne ziel, zijn leven, zijn geest weg te nemen, voordat Hij door het zwaard of de lans doorboord wordt en de hand van den heiden Hem treft, (v. 21 vgl. Lc. XXIII: 45; Jo. XIX: 34), ja, Hem nietten prooi te laten aan den muil van den dood en de aanslagen van zijne felste vijanden, (v. 22).

Hoe treffend zijn deze klachten en deze beden van den gekruisigden Heiland, tegelijk met do kleinste bijzon lerheden der kruisiging reeds door David geschilderd! Zoo zal dus de Christus lijden en in zijne heerlijkheid ingaan. Die beden, de Messias getuigt het in den psalm bij het eindigen zijner smeeking, zullen verhooring vinden (v. 22). Alsdan zal de zegepraal van den verheerlijkten Lijder een aanvang ne men, en zal zijn gesmeek overgaan in gejubel. Omdat zijn Vader zijne ellende en zijn lijden niet heeft versmaad, maar het als een zoenoffer heeft aangenomen, zal Hij Diens lof verkondigen als de Eerstgeborene van zijne broeders in het midden zijner Kerk, en dit wel in persoon terstond na zijne verrijzenis (Act. I: 3), en daarna door anderen tot aan de voleinding dei-dagen (v. 23—26 vgl. Hebr. II: 12 en Act. XXVI: 22). Ook zal Hij dien ten gevolge voor allen een oftermaal bereiden, dat hun, die er aan deelnemen niet slechts stoffelijk voedsel maar eene eeuwige verkwikking schenken zal (v. 27—30). Eindelijk de vruchten van zijn strijd en zegepraal zullen zich uitstrekken over alle volkeren der aarde en over alle toekomende geslachten (31—32).

-ocr page 480-

206

Wie, die de omstandigheden van Jesus\' sterven en zijne daaruit volgende verheerlijking met deze zoo nauwkeurig teekenende voorspelling vergelijkt, zal niet in Hem den Messias terugvinden, door David reeds voor eeuwen met zooveel juistheid gemaald ?

§ 7. Het vierde kruiswoord: Jesus\' verlatenheid, Mt. XXXII: 46—47 ; Mc. XV : 34-35.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s namiddags nagenoeg ten 3 ure.

Donker is het boven en om Grolgotha, want het Licht der wereld wordt uitgebluscht; donker boven Jerusalem, want de vloek van den Godsmoord daalt neder over die ongelukkige stad; donker over geheelPalestina, want het gaat beroofd worden van zijnliefderijkenquot;Weldoener. Het is donker in de stoffelijke, donker in de zedelijke wereld, want de God der wereld is in doodstrijd, en terwijl alles donker is daar buiten rondom Ham is het niet minder donker in de diepbedroefde ziel van den Groddelijken Lijder, die verstoken is van allen God-delijken en menschelijken troost.

Drie uren lang hangt reeds de Godmensch aan het kruis. Hoe vreeselijk is zijne onbeschrijfelijke lichaam-smart ! De onnatuurlijke, gedwongene houding des lichaams met opwaarts uitgestrekte armen gedurende zoo langen tijd moet, volgens een beroemd geneesheer, eene foltering zijn, die met geen woorden te beschrijven is, te meer daar niet de minste beweging of stuiptrekking geschieden kan zonder ondragelijke smarten te veroorzaken door het gansche lichaam , en vooral aan de doorboorde handen en voeten en aan den dooide geeseling ontvleeschden rug. De nagels zijn op die plaatsen door de leden gedreven, waar vele gevoelige zenuwen te zamen loopen, die ten deele gekwetst, ten deele met geweld gedrukt, de felste smarten te weeg brengen en onophoudelijk vermeerderen.

De verwonde dcelen, gedurig aan de lucht blootge-

-ocr page 481-

207

steld, moeten ontstoken en van lieverlede blauw en zwart worden. Dit geschiedt ook aan de andere lichaams-deelen daar, waar de vochten door de geweldige spanning des lichaams in hnnnen omloop gestremd, worden samengeperst. Deze ontsteking en de daaruit voortvloeiende pijn neemt elk oogenblik toe.

Daar het bloed, dat uit de linker hartader door de polsaderen in alle deelen des lichaams gedreven wordt, in de uiterste, gewonde en met geweld uitgerekte deelen geen plaats genoeg vindt, zoo moet het overvloediger naar het hoofd, dat vrij is, opstijgen, de slagaders op onnatuurlijke wijze uitzetten, drukken en zoo onophoudelijk toenemende hoofdpijnen te weeg brengen. Wegens deze stremming van den bloedsomloop in de uiterste deelen kan echter ook het linker hartoor al het bloed niet uitlaten en dus ook al het bloed, dat uit het rechter hartoor komt, niet opnemen, zoodat het bloed geen vrijen uitloop heeft in de longen. Hierdoor moet het hart zelf beklemd worden, en moeten alle aderen geweld gevoelen, waardoor de pijnlijkste benauwdheid ontstaat (1).

Bij deze felle smarten, die elke kruiseling heett te lijden, heeft Jesus in \'t bijzonder de uitputting te verduren, ontstaan door het bloedige zweet in Gethsemani, de vermoeienis sedert den vorigen nacht gedurig door lastige verhoeren, door herhaalde bespottingen , door het heen en terugvoeren, door het dragen van het kruis teweeg gebracht, de kneuzingen ten gevolge der ontvangene slagen en stooten, en eindelijk de doornenkroon Hem wreedaardiglijk in het gevoelige hoofd gedrukt. Hoe onbeschrijfelijk is dus wel de felle pijn door den Verlosser drie volle uren in zijn heilig lichaam geleden !

Voeg nu hierbij het ontzettende zielelijden, waar-

(1) Chr. G. Richter dissertation es quatuor medicae. Goetting. 1775. p. 37 sq. Bei Jahn Archaologie TI. 2. S. 309 sq.

-ocr page 482-

208

mede Jesus\' Goddelijk Hart wordt overstelpt, dat zijne lichaamsmart vermeerdert en er wederkeerig door vermeerderd wordt. Hoe kwelt Hem de ondankbaarheid van zijn volk, de doodelijke haat van het Sanhedrin, het vreesdijk onrecht Hem gepleegd, de vloek en straf, die op zijne moordenaars zal afdalen, de ontrouw zijner leerlingen, de smaad en spot Hem zoo mededoogenloos aangedaan 1 Tevens ontrollen zich de zonden van het geheele menschdom in hare akelige talrijkheid, in hare afschuwelijke grootheid, in hare vreeselijke boosaardigheid voor zijnen geest, zonden, waarmede Hij beladen is, en waarvan Hij het drukkende gewicht zoo pijnlijk gevoelt. En dan moet Hij nog denken, dat niettegenstaande zijne grenzelooze liefde en zijnonuitsprekelijklijdenzoo-velen hunnen Schepper en Verlosser zullen blijven belee-digen en verloren gaan. Welke droefenis! welke smart! Hoe kan hij hier met alle recht uitroepen als David; mijnezonden hebben Mij langs alle kanten aangegrepen ; zij zijn menigvuldiger geworden dan de haren mijns hoofds en mijn hart heeft Mij begeven. (Ps. XXXIX: 16) De stortvloeden der ongerechtigheid hebben Mij overweldigd ! En terwijl alzoo de felste lichamp;amsmart zich vereenigt met de verregaandste kwelling der ziel, wordt zijn lijden zoo groot, dat het niet langer in den geschokten boezem besloten kan blijven, en eensklaps klinkt daar in het midden der eenzame en treurige stilte op Golgotha de luide en hartroerende kreet; mijn God! mijn God! waarom hebt gij mij verlaten*! Eli! Eli! lamma sahacthani ? (1). Met luide stem roept Jesus. Die luide stem van een, die gaat sterven, getuigt hier van vreeselijke smart; zij getuigt tevens van de hooge beteckenis des woords, dat Hij spreekt.

Dit is het eerste kruiswoord, dat betrekking heeft

(1) Deze woorden zijn de aanhef van den 21 (22sten) psalm in de Syro-Chaldeeuwsche taal. Markus heeft Elohi! Elohi! hetgeen een Arameïsch-Gaülesche vorm is van denzelfden naam, zooals de evangelist dien waarschijnlijk uit den mond van Petrus heeft vernomen.

-ocr page 483-

209

op Jesus zelf. De Heer spreekt hier niet als Hooge-priester, Die vergeving afsmeekt voor zijne vijanden, noch als Koning, Die ket paradijs wegschenkt aan den rouwmoedigen boeteling, noch als Leeraar, Dio nog aan het kruis den plicht predikt der kinderliefde, maar als het offerlam beladen met en zuchtende onder het gewicht van de zonden der wereld.

Welke is de zin van dat ontzettende woord ? Zeker mogen wij er met de ongeloovigen geen ongeduld, noch ontevredenheid over de beschilikingen des Vaders, noch zwakke mistroostigheid in zien. Evenmin mogen wij met Calvyn het beschouwen als een kreet van wanhoop, geslaakt omdat Jesus in dit oogenblik al de folteringen der verdoemden had te verduren, Is Jesus wellicht door God verlaten, als hadde er eene scheiding plaats tusschen zijne Goddelijke en menschelijke natuur? Doch dit iaeeno onmogelijkheid, wijl de Goddelijke en menschelijke natuur in Christus door de onverdeelbare eenheid des persoons vereenigd zijn. Ook kan de zin niet zijn, dat Christus niet langer meer door genade met God vereenigd is , want immer blijft Hij de heilige en welbeminde Zoon des Vaders. Neen, slechts in dien zin kan Jesus als mensch door zijnen God verlaten zijn, dat Deze Hem zijne bijzondere bescherming heeft onttrokken, overgelaten aan den moedwil zijner vijanden, prijsgegeven aan nameloos lichaams- en zielelijden, beroofd van alle vertroosting, en dat het oogenblik daar is, waarop zijne menschelijke natuur, niet langer meer door Gods Almacht ondersteund, voor den bitteren kruisdood gaat bezwijken.

Van eeuwigheid af heeft God zijn eenigen Zoon voorbeschikt om in onze plaats aan het kruis voor onze zonden te voldoen. De Zoon, toen Hij deze wereld binnentrad, verklaarde Zich bereid tot dat offer, en belaadde Zich met al onze schulden. En thans nu het oogenblik gekomen is, nu heeft God zijn Zoon overgelaten aan de macht zijner vijanden. Eerst toen die

Het Offer van J. C. II 14

-ocr page 484-

210

ure des lijdens sloeg, zegde Jesus: deze is uwe uur en de macht der duisternis. Voor dien tijd had God niet gedoogd, dat zij de handen aan Hem sloegen; doch ook van dat oogenblik af trok Hij Zich terug, opdat het zoenoffer voor de zonden der wereld zou voleindigd worden. En sedert die ure is geen smart meer aan den lijdenden Orodmensch gespaard, hebben zijne vijanden hunne bitterste woede aan Hem bekoeld, is alle troost van Hem geweken. En vooral nu, nu het toppunt des lijdens is bereikt, nu de laatste Goddelijke steun Hem als mensch gaat ontvallen, nu Hij op het punt is om te gaan sterven, nu roept de Heer in waarheid uit: mijn God / mijn God! waarom hebt gij Mij verlaten ?

Mijn God! Mijn God! zoo herhaalt de Heer tot twee maal. Ook in die herhaling straalt de verschrikkelijkste smart door. Hij gebruikt hier niet, zooals in Grethsemani den zoeten naam van Vader. Niet zoozeer als welbeminde Zoon richt Hij Zich tot God, maar veeleer als het slachtoffer, beladen met al de boosheid der menschen, als het Lam, dat da felle slagen ontvangt van Gods wrekende rechtvaardigheid. Mijn God! mijn God! zoo roept Hij, door zijne boete verkeer ende in het uiterste lijden.

Waarom ? Zoo kan en zoo mag alleen Hij spreken tot God, Die alleen geheel schuldeloos is en daarvan het volkomene bewustzijn heeft. Waarom ? Hij weet het, niet omdat Hij zelf zoo iets verdiend heeft; ook niet, als of God zonder goede reden zoo met Hem handelt; maar waarom, zoo vraagt Hij, omdat Hij ten innigste gevoelt, beladen te zijn met den schuldenlast van het menschdom en deze Hem eene onuitsprekelijke ziele-smart veroorzaakt.

Mijn God ! mijn God / waarom hebt Gij Mij verlaten ? Een woord van de felste zielesmart; een woord, waarin het volkomene bewustzijn eigener vlekkeloosheid zich uitspreekt; een woord ook van vertrouwen, dat on-

-ocr page 485-

211

danks de felste slagen zich uit alle kracbt vast klampt aan Grod. Want Hij, die roept en nogmaals roept: mijn God! hij erkent, dat God ondanks de uiterste verlatenheid, waaraan hij ten prooi is, nog immer zijn God is. Die hem helpen kan en wil. Hij roept Hem aan, en stort zijn hart uit voor zijn God, den God der macht, der liefde, en der trouw. Het is vertrouwen, dat smeekt, maar strijdend vertrouwen. In het midden van den oceaan des lijdens, terwijl Hij in de akeligste verlatenheid verkeert en zijne ziel langs alle kanten bestormd wordt, werpt Hij het anker der hoop in den diepen en verborgen grond van zijn God, en Hij weet dat die grond onbedriegelijk is en Hem zekere uitkomst zal schenken.

Maar nog treffender is de beteekenis dier bede van de vlekkelooze onschuld in de uiterste verlatenheid onder de pijnlijke slagen van Gods tuchtende rechtvaardigheid, wanneer wij bemerken, dat die bede reeds voor duizend jaren door David aan Christus in den mond was gelegd. Eli! Eli / lamma sabacthani is letterlijk, gelijk wij zagen, de aanvang van den 21\'t«n psalm (1). De bede zelf is een woord van onuitsprekelijk lijden, doch de profetie der bede toont, dat de Lijder, Die zoo zal bidden, de Messias en God is. Die psalm is aan al de joden, die hem hooren overbekend en wordt dagelijks door hen bij het avondoffer gebeden. Door juist ten drie uren, nu het avondoffer een aanvang gaat nemen, den aanhef van dien psalm luid uit te roepen, maakt de Heer allen, die aanwezig zijn, opmerkzaam, hoe het geheele tafereel door David geschilderd in Hem vervuld is, en hoe Hij dus de lang verwachte Messias cn de Zoon is van God.

Mijn (rod ! mijn God ! waarom heht Gij Mij verlaten ? Door die bede smeekt de lijdende boeteling beladen

(1) Sommigen zijn van gevoelen, dat Jesus den geheelen psalm tot aan het einde heeft gebeden. Ik laat dit in het midden.

-ocr page 486-

212

met de misdaden der inenschen om uitkomst in zijn uitersten nood. En die bede, de psalm getuigt het, zal verhooring vinden; Hij heeft zijn gelaat van Mij niet afgewend, en toen ik tot Hem riep, heeft Hij Mij verhoord (Ps. XXI. v. 25). quot;Wel aan deze bede vooral schrijft de H. Paulus Jesus\' zegenpraal toe, als hij zegt: Die in de dagen zijns vleesches, gebeden en smeekingen aan Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met een krachtig geroep en met tranen opdragende, verhoord is om zijnen eerbied. (Hebr. V : 7). Uit deze woorden des apostels leeren wij, dat Jesus bij dit woord tranen stort en schreit. quot;Welk een schouwspel ! Hij Die boet voor de zonden der wereld daar aan het kruis. Hij bidt om uitkomst; Hij bidt met uitgestrekte armen ; Hij bidt met neergebogen hoofd; Hij bidt, terwijl tranen vloeien uit zijne oogen, en bloed nederdruppelt uit zijne wonden ; Hij bidt tot den God, Die de ongerechtigheid van ons allen op Hem heeft neergelegd. Kan zij wel worden afgewezen? Neen! door die bede is de zegepraal bevochten, Nog slechts eenige oogenblikken en de verlossing is voltooid, de oneindige rechtvaardigheid is ontwapend, en de oneindige liefde des Vaders zal dien Lijder, Die boet voor zijne aangenomene broeders in onuitsprekelijke zaligheid aan haren boezem drukken, zijne vernederingen vergoeden door de luistervolle verheffing aan de rechterhand G-ods, zijne bespottingen door de eeuwige aanbiddingen der engelen, zijne smarten door grenze-looze lusten, zijn droefenis door ongestoorde vreugde, zijne armoede door oneindigen rijkdom, zijne zwakheid door albeheerschende macht over hemel en aarde, zijn dood door onsterfelijk leven, zijn verlatenheid aan het kruis door de volkomenste vereeniging op den Goddelijken Koningstroon van het heelal.

O gij troosteloos verlatene! in de armoede, bij het schreeuwendste onrecht, in het felste lijden, op uw ziek- en sterfbed, ja onder het ijsselijkste bewustzijn

L

-ocr page 487-

213

der misdaad, wanhoop nooit; laat nooit uwen God los. Zie op tot Jesus, Die bidt in zijne uiterste verlatenheid aan het kruis, en bidt ook gij, strijd om te bidden. Leer daar van Jesus, gelooven, vertrouwen, beminnen tot zelfs in de akeligste eenzaamheid. Om u is uw Verlosser door God naar zijne menschheid verlaten, opdat gij nooit verlaten zoudt zijn. Klem u vast aan Jesus\' kruis en met en door Jesus aan uwen God i Met den gekruisten Jesus zult gij ondervinden, dat uw God een God is van lieicle en grenzelooze barmhartigheid, een God van onbeperkte trouw.

§ 8 Vijfde kruiswoord: Jesus\'1 dorst. Mt. XXVII: 47-49; Mc. XV : 35-36; Jo. XIX : 28-29

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s namiddags omstreeks 3 uur.

Terwijl de omstaanders het Eli! Eli! lamma sabact-hani zoo luid vernemen, kunnen eenigen der aanwezigen niet nalaten ook nog te spotten. E!i verwisselend met Eliah zeggen zij met bittere scherts: zie! deze roept Elias. Zij weten niet, hoe Hij, Die hier lijdt, op Thabor door Moses en Elias is verheerlijkt. Zij hebben niet gehoord, hoe de groote Wetgever en de groote profeet van Israël daar met Hem hebben gesproken, over dezen eigen uitgang. Zij bedenken niet, dat zij door dien kouden schimp eenmaal te meer hunne mede-doogenlooze onmenschelijkheid schandvlekken voor de toekomstige eeuwen. Hun ongevoelige spotternij, hoe afschuwelijk klinkt zij bij het hartverscheurend: mijn God ! mijn God ! waarom hebt Gij Mij verlaten ?

Intusschen gevoelt Jesus, dat zijn einde reeds daar, en de taak. Hem opgelegd, vervuld is. Hij vraagt in dit laatste oogenblik nog een weinig verkwikking bij den brandenden dorst, waardoor Hij gekweld wordt, zoodat ook hier de voorzeggingen der profeten bewaarheid worden. Ik heb dorst, zoo klaagt Hij. Voorwaar wel smachtend moet die dorst zijn, die een God-

-ocr page 488-

214

mensch in het aangezicht des doods nog om lafenis doet verzoeken. Inderdaad sedert den vorigen avond heeft geen druppel zijne tong bevochtigd, en van den anderen kant hebben tranen, zweet en bloedverlies Hem geheel en al uitgeput, zoodat Hij terecht bij den pro- | feet kon klagen : verdroogd als eene scherf is mijne p levenskracht en mijne tong is vastgekleefd aan mijn verhemelte. (Ps. XXI). Geen vreeselijker foltering vuor hem, die aan bloedverlies omkomt op een slagveld dan de brandende dorst, en indien Samson, die met ver- ; droogden mond roept tot God: zou ik nu sterven van dorst, en vallen in de band der Philistijnen ? ons innig medelijden inboezemt, hoe zouden wij dan niet innig deernis gevoelen, met den stervenden Godmensch, Die klaagt aan het kruis : ik heh dorst ?

Dien dorst verdraagt Jesus uit liefde. Wat wij gevoelen door den drang onzer natuur, dat ondervindt ; Gods menschgeworden Zoon uit vrije keuze. Op den : schoot zijner Moeder vraagt Hij om onzentwille als hulpelooze zuigeling om lafenis, en aan het kruis roept Hij, Die de dorrende velden met verkwikkenden dauw besproeit, en te Kana het water in wijn veranderde, uit liefde tot ons, opdat wij verkwikt worden: Ik heb dorst.

Die lichamelijke dorst is dan ook de sprekende uitdrukking van den geestelijken dorst, die Hem kwelt. Hij smacht naar het heil der zielen, en hoe wordt zijn minnend Hart gekweld, dat de verlossing der wereld voltrokken worde 1 Waarlijk de ijver voor het huis des Heeren heeft Hem verslonden.

Doch wat ontvangt Jesus van de aarde, terwijl hij haar om een dronk als om eene laatste gunst vraagt V Helaas! na den gal azijn, na de reeds voorafgegane beschimping eene nieuwe bespotting. Een der krijgsknechten heeft de klacht des Heeren gehoord: ik heb dorst, en maakt zich, bezield door meer menschelijk gevoel, gereed om Jesus eenige lafenis aan te bieden,

-ocr page 489-

215

Er staat daar een vat, gevuld met edik of verzuurden wijn vermengd met water. Het is de gewone drank der Romeinsche krijgsknechten, posca genoemd. quot;Want dezen ontvingen soldij, spijs en drank, waartoe edik behoorde met water vermengd, terwijl wijn hun ontzegd was. In dezen drank nu doopt de krijgsknecht eene spons, die tot dal doel aanwezig is, en, nadat zij geheel doortrokken is, hecht hij ze vast aan een hysop-stengel, die wel niet zeer hoog groeit, maar toch lang genoeg is, om daarmede met uitgestrekten arm Jesus\' mond te bereiken. De gekruisigden immers waren gewoonlijk slechts een paar voeten boven den grond verheven, terwijl de hysopplant de lengte van twee voeten, en zelts van een el bereikt.

Terwijl alzoo de krijgsknecht zich gereed maakt om den lijdenden Godmensch deze spons met edik aan te bieden, daar roepen de anderen spottend hem toe: Wacht! laat ons zien, of Eli as komt om Hem te redden. Doch de krijgsknecht zonder zijn werk te staken antwoordt hun op denzelfden spottenden toon; wacht gij lieden! loij willen (daarna) zien, of Elias komt om Hem te verlossen.

Onder zulk een spot wordt Jesus de spons met azijn aan de doodbleeke lippen gebracht. Deze is de lafenis, die den Heer bij zijn brandenden dorst wordt aangeboden. Het is eene nieuwe marteling bij zoovele andere martelingen gevoegd. Het is het laatste lijden, waarop hij gewacht heeft om het offer voor ons heil te voltrekken ; de laatste druppel van den bitteren lijdenskelk, dien de Vader Hem te drinken heeft gegeven.

Zoo wordt de profetie vervuld, vervat in den acht en zestigsten psalm, die een klaaglied is van David, lijdende onder den druk zijner vijanden, (1) en als zooda-

(1) Dat deze psalm in de Babylonische gevangenschap geschreven is, is het gevoelen der rabbijnen. Dit wil men ook opmaken uit de versen 34, 36, 37. Dit is eindelijk het gevoelen van Theodoretus, Euthymius elc. De psalm slaat zeker niet letterlijk op den Messias ; dit blijkt uit de verwensclüngen van v. 23— 29. en uit v. 6.

-ocr page 490-

216

nig de type van den lijdenden Messias. Daar past vooral de volgende bede in den mond van den lijdenden Verlosser: om U leed Ik versmaadheid, en werd mijn aangezicht met schaamte bedekt. Ik ben vreemd geworden aan mijne broederen en als een vreemdeling voor de kinderen mijner moeder. Want de ijver voor uw huis heeft Mij verslonden en de versmadingen dergenen,

die u versmaden, zijn op Mij gevallen..... Voor uw

aangezicht zijn allen, die Mij verdrukken ; smaad en ellende heeft mijn hart afgewacht. En Ik verlangde naar iemand, die medelijden zou hebben, doch daar was er geen, naar iemand die Mij zou troosten, doch ik vond er geen. En zij hebben Mij gal tot spijze gegeven en in mijn dorst Mij gelaafd met azijn.

Deze woorden van David zij worden in letterlijken zin aan den Heer vervuld. Bitterheid was Hem in de Myrrhe aangeboden als eene spijze, en nu Hij klaagt: Ik heb dorst, wordt Hij gelaafd met azijn, terwijl Hij in de uiterste verlatenheid verkeert, en op het eigen oogenblik in zijne verlatenheid wordt bespot.

§ 9. Zesde kruiswoord,: Het is volbracht, Jo. XIX: 30.

15 Nisan, 18 Maart, Vrijdag, \'s middags ten 3 uur.

De laatste druppel uit den bitteren lijdensbeker is gedronken ! de zure edik heeft Jesus\' doodbleeke lippen bevochtigd. Andermaal verheft de Godmensch zijne stem en zijn zesde kruiswoord is : het is volbracht.

Het is volbracht. Volbracht is het groote, onuitsprekelijke, eeuwige raadsbesluit des Vaders. Van eeuwig-

De zanger is echter buiten allen twijfel type van Christus, zoo als blijkt uit v. 5. met Jo. XV : 24, 25 ; uit v. 10. vgl. met Jo. II: 13—17; uit v. 10. vgl. met Rom. XV: 3 ; uit v. 22 vgl. met Mt. XXVII: 48 ; uit v. 23— 24. vgl. met Rom. XI ; 9—10 ; uit v. 2G. vgl. met Hand. I: 20. Waarschijnlijk geldt de psalm in letterlijken zin David. Zie het opschrift van den psalm en Rom. XI; 9. Ook de slotversen 34, 36, 39, laten dit toe. Zie mijn Leven van Jesus D. II, Iste b. bl. 186.

-ocr page 491-

217

heid af heeft de driéénige God vastgesteld en bepaald tot in de geringste bijzonderheden en de kleinste omstandigheden al wat het vleeschgeworden Woord zou lijden, om de gruwelijke zonde uit te delgen, waardoor het menschdom van Hem gescheiden was. Zijne Goddelijke Voorzienigheid heeft dat voor denmensch verborgene raadsbesluit na den zondeval van lieverlede meer ontsluierd, door te spreken tot de vaderen, door de voorspellingen der profeten, door talrijke voorafbeeldingen en figuren, en ten laatste door de komst en de leer zelf van J. C. En dat raadsbesluit, gelijk het van eeuwigheid in alles was vastgesteld en in den loop der eeuwen was geopenbaard, is volbracht. Volbracht zijn de beloften herhaaldelijk aan de aartsvaders gedaan. Volbracht zijn de voorspellingen aangaande zijne wondervolle geboorte, zijn Goddelijk leven, zijne heilige leer en vooral aangaande zijn aanbiddelijk lijdensoffer. Volbracht zijn de voorafbeeldingen en figuren. Hier schreeuwt een onschuldig broederbloed even als dat van Abel niet om wraak maar om genade over hen, die den heiligen broeder moorden. Hier is de tweede Noë, die voor het ongelukkige menschdom in het midden van de wateren des bederfs eene betere arke des behouds heeft gesticht. Hier herhaalt zich het bewonderenswaardige offer van Abraham en wordt de Eengeboren Zoon niet gespaard. Ontelbaar zijn de figuren, typen en voorafbeeldingen, waardoor God reeds voor eeuwen op het leven en lijden zijns Zoons had gezinspeeld ; en zij zijn allen volbracht. Volbracht eindelijk zijn de aankondigingen van Christus zelf. Dat woord is dus eene verheerlijking van de oneindige Voorzienigheid, Die alles vooraf heeft berekend, geregeld en vastgesteld; van de Alwetendheid, Die in den loop der eeuwen, alle personen, omstandigheden, gebeurtenissen, met een enkelen blik volkomen overziet en met onfeilbare zekerheid voorspelt; van de Almacht, Die den vrijen wil des menschen zeker en

-ocr page 492-

218

wis en met onweerstaanbare kracht tot haar doel geleidt, zonder dien te krenken. Ja de stervende lippen van Jesus verkondigen Gods nimmer volprezene grootheid, waar zij dit zesde kruiswoord uitspreken: het is volbracht.

Het is volbracht, dat woord van Jesus is tevens eene juichtoon over zijn voltrokken werk, zijne voleindigde offerande, zijn volstreden strijd. Reeds in het laatste avondmaal heeft de Verlosser het getuigd; het werk, hetwelk Gij Mij te verrichten gegeven hadt, is volbracht. (Jo. XXII: 4.)

Volbracht is de verkondiging zijner heilige leer en de openbaring der verhevenste geheimen. Volbracht is de roeping der apostelen , en de grondlegging der kerk, die, op Petrus gebouwd, door de machten der hel niet zal overweldigd worden. Volbracht is de wetgeving van het nieuwe verbond, welke onder alle opzichten die van het oude heeft volmaakt.

Volbracht is zijne omwandeling hier op aarde, waarbij Hij aan allen het toonbeeld der volmaakste heiligheid heeft getoond. Een zoete vrede vervult gewis de ziel van Christus, terwijl Hij dit woord spreekt en bij het eindigen van zijn levensdag een blik werpt op de zware en gewichtige taak, die Hij tot verheerlijking zijns Valers en het heil der zielen heeft volbracht, nu Hij op het pant staat om voor eeuwig aan den boezem zijns Vaders te gaan rusten.

Volbracht is het offer, dat door al de offers van het oude verbond reeds eeuwen als het eenig ware en algenoegzame was aangewezen ; het offer, opgedragen door den volmaaksten, heiligsten, Goddelijken Hoogepriester, met tranen, smeeking en krachtig geroep ; het offer, waarbij niet het bloed werd geplengd van redelooze dieren, niet eene gave werd aangeboden van beperkte waarde, maar het bloed is vergoten van bet vlekkelooze en zachtmoedige Lam Gods, en het maagdelijke, heilige en Goddelijke lichaam

-ocr page 493-

219

onzes Heeren tot offergave gebracht. Dat weergalooze offer was gepaard aan het uitgestrekste en vreese-lijkste lijden, waarbij een kelk, gevuld met al de bit-terbeden van Gods toorn werd gedronken en tot op den bodem geledigd. Het was een offer van onuitsprekelijke aanbidding, waarbij de oneindige Majesteit des Vaders ook oneindige nulde ontving; van grenza-loozcn dank, waarbij de oneindige liefde door de edelmoedigste opdracht in al hare volheid werd erkend ; van de nederigste boete, waardoor de volledigste voldoening aan de eischen der Goddelijke rechtvaardigheid werd aangeboden ; van de krachtdadigste smeeking, waardoor Gods opperheerschappij werd bewogen een onuitputtelijken rijkdom van genaden te schenken aan Jesus\' hulpelooze broeders. Welk een troost voor Jesus\' minnend Hart! Dat offer is volbracht. Het is opgestegen vol zoeten en aangenaam geur, en de Vader heeft er met oneindig welgevallen op neder-gezien.

Volbracht is de groote strijd. Aan den eenen kant stond de rechtvaardigheid Gods, gewapend met al hare gestrenge en onverbiddelijke eischen, en vertoonde zich de vreeselijke verbolgenheid van den oneindig Heilige over alle de zonden der wereld. Aan den anderen kant stond Jesus Christus gewapend met de on-verwinnelijke kracht eener grenzelooze liefde. Gelijk Jakob weleer worstelde met den onbekende, zoo trad J. C. niet terug, waar Hij Zich aangegrepen zag zelfs door al de kracht der Goddelijke Rechtvaardigheid. Niet minder voor Hem dan voor Jakob was het eene langdurige, eene hevige worsteling. En evenmin als Jakob afliet, schoon hij kreupel geslagen werd , liet de Verlosser zijn tegenstander los, schoon Hij in zijne heilige meuschheid op de deerlijkste wijze werd doorwond. Ook Hij sprak als het ware tot den Vader: Ik zal U niet los laten, vooraleer Gij Mij, en in Mij het menschdom gezegend hebt. En werkelijk Hij werd

-ocr page 494-

220

een tweede Israël; Hij was sterk tegen den Almachtige, en de zegen des kruises ging afdalen over de aarde.

De verlossing is voltrokken ; Gods eer is Hersteld; de toegang tot den troon der barmhartigheid staat voor ons open ; de zonde is gehoet; de vrede is weder gegeven aan het gevallene menschdom; de kop der helleslang is verbrijzeld en de vorst der wereld uitgeworpen; smait en lijden zijn vergoddelijkt; de vloek is opgeheven ; genade, kracht en troost zijn verworven ; de schoone hemel is teruggewonnen. Terecht juicht de Overwinnaar: Consuvmiatum est! Het is volbracht !

Het is volbracht! En hoe ? Met liefdevolle gehoorzaamheid. Vrijwillig heeft Hij het werk, het offer, den strijd volbracht, door den Vader van Hem geëischt. Hij is geslachtofferd, omdat Hij heeft gewild, zegt de profeet Isaïas. Niet morrend, niet klagend, niet wederstrevend, maar minnend, vurig minnend heeft Hij de bevelen zijns Vaders volbracht. Mijne spijze is, zegde Hij, den wil te doen van mijn Vader, Die Mij gezonden heeft; te gehoorzamen was Hem immer eeno levensbehoefte. Nog den vorigen nacht toen Hij van het avondmaal opstond en zijn lijden te gemoet ging, sprak Hij ; ten einde de wereld wete, dat Ik den Vader lief heb, en zoo doe, gelijk de Vader Mij een gebod heeft gegeven, staat op, laat ons gaan.

Het is volbracht, met onbeperkte gehoorzaamheid. In alles, overal, en altijd volbracht Jesus gedurende geheel zijn leven den aanbiddelijken wil zijns Vaders. Nooit werden meerdere, gewichtigere, moeilijkere bevelen opgelegd dan aan trods Zoon, en toch Hij kon ten aanzien van zijnen Vader getuigen; Ik doe immer, hetgeen Hem behagelijk is. Waar het uur der duisternis aanbreekt, zegt Hij aan Petrus : zal Ik den kelk, dien de Vader Mij gegeven heeft, niet drinken?

Het is volbracht met de standvastigste gehoorzaamheid. Jesus is gehoorzaam geworden tot in de diepste

-ocr page 495-

221

vernedering, tot in het bitterste lijden, ja tot in den dood des kruises, In alle waarheid kan Hij zeggen: Vader, Ik heb het werk volbracht, dat Gij Mij te doen hebt gegeven. Nu kom Ik tot U.

O of ook wij, wanneer ons stervensuur aanbreekt, in waarheid met Jesus konden zeggen : het is volbracht!

§ 10 Zevende kruiswoord: Jesus\' overgave ten dood. Mt. XXVII: 50; Mc. XV: 37; Lc. XXIII: 46;Jo. XIX:30.

15 Nisan, 18 Maart, Vrijdag, \'s namiddags ten drie uur.

Het oogenblik van Jesus\' dood is genaderd. Doch hoezeer zijne krachten ook uitgeput zijn, toch zal de dood niet over Hem heerschen. Niemand ontneemt Hem het leven, maar Hij legt het af uit Zich zeiven. Vrijwillig gaat Hij heen tot den Vader, van Wien Hij is uitgegaan, en terwijl wij , die van deze aarde zijn , sterven met eene flauwe stem of zonder spraak, sterft Hij, Die van den hemel is nedergedaald, roepend met heldere stem : Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest.

Tweemaal roept Jesus met luide stem aan het kruis. Bij den eersten kreet smeekt Hij om het einde van zijn strijd; bij den tweeden kondigt Hij aan verhoord te zijn. Bij den eersten kreet is Hij grootelijks ontroerd, bij den tweeden geheel en al in vrede. Toen riep Hij : mijn God ! mijn God! Thans roept Hij : mijn Vader. Toen zuchtte Hij nog onder de slagen der Goddelijke gerechtigheid, thans is die rechtvaardigheid ontwapend en spreekt Hij als de welbeminde Zoon , in Wien de Vader zijn welbehagen heeft.

Mijn Vader! zegt Hij, Die Mij het leven schenkt als uw Zoon in de eeuwigheid, en Die Mij het leven geschonken hebt als uw Zoon in den tijd; Vader, Wiens wil Ik in alles volbracht heb ; Vader! Ik breng U het laatste offer, het offer mijns levens voor het leven der wereld, opdat Gij niet slechts mijn Vader maar Vader van allen moogt wezen, en allen U als

-ocr page 496-

222

kinderen beminnen. In uwe handen, waardoor uwe macht ons en alles heeft gemaakt en gevormd, (Ps. CXVII; 73) en waardoor uwe wijsheid ons lot bestuurt; (Ps. XXX: 16) m moe handen heveel Ik mijn geest, vertrouw Ik ten onderpand en stel Ik ter bewaring mijn geest, tot dat Ik dien weder zal terug nemen ten dage mijner opstanding. Gij hebt Jonas bewaard in het lichaam van den visch; Grij hebt Daniël beschermd in den leeuwenkuil; Gij hebt de drie jongelingen niet verlaten in den vlammenden vuuroven. Aan U vertrouw Ik eveneens mijn Geest als het kostbaarste kleinood toe; bij U zal hij zijn, tot dat Ik zal verrijzen.

O welk een krachtige steun is dat woord voor ons geloof bij het gezicht van den dood. Wie gelooft niet aan een ander leven, die dit laatste kruiswoord van Jesus op Golgotha verneemt ? De mond, die dat woord spreekt, is geen bedriegelijke mond. Het is het woord van eenen, die gaat sterven, en in het aanschijn des doods bedriegt men niet. Hij, Die het spreekt, kan getuigen: Ik ben de waarheid, en heeft die getuigenis onder meer dan een opzicht op Goddelijke wijze bezegeld. Hij weet, dat zijn geest de boeien des lichaams gaat verlaten, maar tevens beveelt Hij dien geest, die niet sterft maar voortleeft, in de handen zijns Vaders aan. Onmiskenbaar spreekt Hij hier de waarheid uit, dat de zielen der rechtvaardigen zijn in de hand van God. (Wijsh. III).

Ja \'s menschen ziel is onsterfelijk, want de Zoon Gods, Die hier gaat sterven, sterft voor hare zaligheid. Hij zelf leert het: Ik ben de goede Herder; Ik geef mijn leven voor mijne schapen ; Ik geef hun het eeuwige leven. Zoo is het kruis het onderpand der onsterfelijkheid om het laatste woord, dat Jesus uitspreekt en om het groote doel van zijn heiligen offerdood.

Dit laatste woord is niet slechts een steun voor ons geloof vooral in de ure des doods; het bezielt ons ook met een zoet vertrouwen. Vader 1 in uwe

-ocr page 497-

223

handen beveel Ik mijnen geest; deze bede is ontleend aan den dertigsten psalm. Daar bad de profeet: „op „U, o Heer! heb ik gehoopt; in eeuwigheid zal ik „niet beschaamd worden; verlos mij in uwe gerech -„tigheid. Neig uw oor tot mij, haast U om mij te „verlossen. Wees mij een God Beschermer, een toe-„vluchtsoord om mij te redden. Want Gij zijt mijne „sterkte en mijn toevei-laat, en om uwen naam zult „Gij mij geleiden en spijzigen. Gij zult mij redden „uit den strik, dien zij mij gespannen hebben, want „Gij zijt mijn behoeder. In uwe handen beveel ik „mijnen geest.quot; In manus tuas commendo spiritum meum.

Is die bede reeds schoon in Davids mond, hoeveel schooner is zij op de lippen van den stervenden God-mensch! Ook Hij hoopt op God, maar Hij hoopt op God als zijnen Vader, en dit zijn kinderlijk vertrouwen zal niet beschaamd worden. Ook Hij verlangt verlossing, niet gelijk David om ook lichamelijk te blijven leven ; neen ! maar om te sterven, en dan de volheid des onsterfelijken levens te genieten. Niet slechts uit lagen, die zijne vijanden aan zijn tijdelijk leven leggen, zoo als David ; maar uit den dood, het graf, en de machten der hel wil Jesus gered worden. De Zoon Gods legt zijnen geest in de hand zijns Vaders om stervende niet slechts met dien geest maar weldra ook met het lichaam zijne Goddelijke heerlijkheid in te gaan. „Zoo beveelt Hij dien grooten schat,quot; zegt de H. Paschasius, „aan God, zijnen Vader, in Wiens „handen alles is.quot;

O konden wij ook in de uur onzes doods als Jesus met onwrikbaar vertrouwen zeggen: Vader, in uwe banden beveel ik mijnen geest. Mochten wij dan bedenken, dat God een oneindig barmhartige Vader is. Die ons zijn eeniggeboren Zoon heeft geschonken, opdat zij, die in Hem gelooven niet verloren gaan, maar het eeuwige leven bezitten ; een Vader, Die ons

-ocr page 498-

224

om het bloed van Jesus, zijn beminden Zoon, geen ontferming kan weigeren.

Eindelijk is dit laatste woord een woord van de tee-derste liefde. Vader, zoo spreekt die stervende mond in het midden der felste pijn, bij de diepste vernedering, aan een kruis. Vader! het is de zoete naam, waarmede het kind zich wendt tot den Gever zijns levens, en zijn verlangen hier uitdrukt om met Hem vereenigd te worden. Vier malen gebruikt Jesus in de lijdensgeschiedenis den liefelijken naam van vader. In den hof der Olijven gebruikte Hij dien als smeekende Zoon; op het punt van geboeid te worden als gehoorzame Zoon ; bij de kruisiging als medelijdende Zoon, Die bemiddelend optreedt voor ontaarde broeders; en eindelijk hier als minnende Zoon, Die de omhelzing van den grenzeloos geliefden Vader te gemoet snelt.

De smeekingen en de boete van dien schuldeloozen Zoon hebben den Vader verzoend. De liefde heeft de rechtvaardigheid vervangen, en het zwaard des toorns is aan des Vaders handen ontvallen. Nu breiden die die vaderhanden zich uit om den Zoon zijner liefde in eeuwige omhelzing te ontvangen, en de Zoon, Die weet, dat alles is volbracht, toeft niet. Vader! roept Hij uit, in uwe handen beveel ik mijnen geest, en „Hij buigt het hoofd, zegt Origenes, om het aan de „borst zijns Vaders te laten rustenquot;.

Niets is zoeter voor een minnend kind, dan aan zijn Vader tot blijk zijner liefde een kostbaar offer te mogen brengen. Met blijde edelmoedigheid neemt het dat offer, bereidt het met de meeste zorg, gaat tot zijnen Vader, en legt onder betuiging zijner toegenegenheid de toebereide gave in Diens handen neder. Zoo ook Jesus aan het Kruis. Hij heeft als teederminnende Zoon het schoonste offer met de meeste inspanning, met onuitsprekelijk lijden, met de uiterste zorg voorbereid. Nu wendt Hij zich tot zijnen Vader en biedt Hem met onuitsprekelijke liefde de

-ocr page 499-

225

offergave zijns levens aan, waarin Hij altijd en overal het welbehagen des Vaders heeft gezocht. Vader! zoo spreekt Hij, alles is volbracht, nu kom ik tot U en leg mijnen geest, die steeds nwe aanbiddelijke verlangens voor oogen hield, tot blijk mijner vereering en liefde als een offer in uwe vaderlijke handen. Vader in uwe handen beveel Ik mijnen geest.

En Jesus buigt het hoofd, en geeft zijnen geest.

0 schoone, o aanbiddelijke, o zoete dood, niet langer een vloek meer, maar een offer vol zoeten geur, maar eene onuitsprekelijke omhelzing van de gerechtigheid en de vrede 1 O dood! waar is hier uwe zegepraal ? waar is hier uw prikkel! Heeft hij hier niet al zijne bitterheid verloren\'? Kostbaar is voor het oog des Heeren de dood der heiligen, hoe kostbaar is dan niet voor het oog des Vaders de dood van den Heilige der heiligen, waardoor het leven en de dood van allen \'s Heeren dienaren kostbaar voor Hem zijn geworden! Die dood is inderdaad geen dood maar onuitputtelijke bron van leven, van leven der genade, van leven der heerlijkheid, van leven voor de ziel, van leven voor het lichaam bij de opstanding. Moge Jesus\' aanbiddelijke dood eens de hulp, het toonbeeld, de troost, de heiliging zijn ook van onzen dood!

15

liet Offer vaa J. C. II

-ocr page 500-

i

HOOFDSTUK VII.

JKSUS KRUISAKNEMINO EN BEGRAFENIS.

§ 1. Wonderen hij Christus1 dood,

Mt. XXVII: 51—56 ; Mc. XV : 38—41 ; LC. XXXIII:

45—49.

Jaar der J. P. 4742 ; na R. St. 782 ; Gew. jt. 29 15 Nisan, 18 Maart, Vrijdag, \'s namiddags ten 3 uur.

Het uur van het avondoffer op den grooten feest dag van Paschen was intusschen te Jerusalem aangebroken. De voorhoven des tempels zijn met eene aanzienlijke menigte gevuld. Het gebruikelijke lam wordt geslacht en de priester treedt het heilige bin nen om het reukoffer op het gouden altaar en de heilige lamp te ontsteken, (i) Doch zie ! terwijl hij binnen treedt, daar scheurt het hooge en sterke voorhangsel, dat het heilige der heiligen afsluit, in twee stukken van boven naar beneden, en het allerheiligste, waar slechts eenmaal in \'t jaar op den grooten verzoendag de hoogepriester mag binnengaan, staat open.

De priester schrikt bij dat ontzettend wonder, en de ongewone gebeurtenis is weldra bij al de in den tempel aanwezigen bekend. Niemand weet het te verklaren, hoe een gordijn van een vinger dik, dertig ellen lang, uit purper geweven en meermalen ver nieawd in één oogenblik in zijne volle lengte van een wordt gereten.

Doch voor hem, die voorgelicht is door bet heilig evangelie, is de verklaring niet moeilijk. Juist is aan

i

1

Zie 2de Deel 1ste boek van mijn Leven van Jesus, de beschrijving des tempels vgl. Hebr. IX: 2—8.

-ocr page 501-

227

het kruis de Grodmenscli gestorven; juist heeft Israël zijnen godsmoord voltrokken, en heeft de Groddelijke Hoogepriester het offer, dat door alle offers was af-j geheeld, voltooid. En zie ter dezer ure scheurt het voorhangsel. Is het niet duidelijk, dat God, daar het van zijnentwege word verscheurd, het niet langer wil laten voortbestaan. De heerschappij van het kruis leeft een aanvang genomen, en de slagen der Goddelijke gerechtigheid beginnen het verstokte jodendom te treffen. Verscheurd is in dit voorhangsel het oude verbond, en gelijk Moses de tafelen der wet verbrak bij Israels afgoderij, zoo heeft de eenige Middelaar :jder nieuwe wet bij Israel\'s zonde de teekenen der ver-eeniging tusschen God en Israël van een gereten. Hij iverwerpt Israël en zijn heiligdom, dat verwoest zal worden, zoodat de eene steen niet op den anderen zal blijven. Hij wil de offers niet meer van een volk, dat beladen is met den vloek van een godsmoord. Hij wil den dienst niet meer van priesters, wier handen bezoedeld zijn met onschuldig bloed. De zinnebeeldige offers hebben plaats gemaakt voor het ééne ware en ■algenoegzame offer, en het priesterdom van Aaron moet wijken voor dat van Melchisedech. De tijd is gekomen, dat men niet meer te Jerusalem zal aanleidden, maar alom zal aanbidden in geest en in waar-heid. Het rijk Gods is gegeven aan de heidenen, die er vrucht mede zullen doen.

Zoolang het tabernakel stond, zegt de H. Paulus, was de weg tot het heiligdom nog niet geopend (Hebr. IX : 8). Doch nu het voorhangsel is verscheurd, nu is door Christus\' offer de toegang tot den troon der barmhartigheid voor allen opengesteld, In dien zin zegt dezelfde apostel nogmaals, dat wij de vrijheid liebben om met vertrouwen door het bloed van J. C. bet allerheiligste binnen te gaan, den weg volgende, dien Hij ons geopend en dien Hij geheiligd heeft door iet voorhangsel, dat is door zijn vleesch (Hebr. X: 19.)

-ocr page 502-

228

God geeft alzoo door dit groote wonder te kennen, dat tlians werkelijk Jesus gesteld is ten val en ter verrijzenis van velen, en dat zijn dood tegelijkertijd een vloek is en een zegen: een vloek, voor hen die met Israël den dag der genade niet kennen; een zegen, indien wij ons de verdiensten van zijn Goddelijk bloed ten nutte maken, en Hem volgende ingaan tot bet allerhieiligste of den hemel.

Doch de dood van den Godmensch gaat niet slechts vergezeld van een enkel wonder. Nauwelijks is de adem aan Christus\' verbleekte lippen ontvloden, is het hoofd op de niet meer hijgende borst neer gezonken, zijn die aanbiddelijke oogen gebroken, en klopt dat Goddelijke Hart niet meer, of de geheele natuur ontstelt en wordt ontroerd. De duisternis, die drie uren geduurd heeft, vliedt heen, en het licht keert weder doch alechts om de verschrikking te vermeerderen, Het is, als of de rouw der natuur plaats maakt voor Gods toorn. De macht der duisternis heeft ui^, en de Koning, aan Wien alle macht in hemel en op aarde gegeven is, laat op ontzettende wijze gevoelen, wie Hij is. De aarde wordt geschud en davert op hare grondvesten. Het is, als of zij siddert bij de afschuwelijke misdaad, die daar is gepleegd, en of zij op het punt staat om de moordenaars van een God, gelijk weleer Core, Dathan en Abiron, levend te verzwelgen. De rotsen kraken op en rondom Golgotha, en zuchten als het ware, omdat zij het kruis hebben te dragen, waaraan het ontzielde lijk hangt van den Heiland der wereld. Zij scheuren en splijten van een, en zullen ten eeuwigen dage getuigenis afleggen van den schrik, den rouw, en de verontwaardiging, die als het ware de ongevoeligste wezens gevoelden, nu hun Maker was gestorven. Zoo groot zijn de rotsspleten, dat de H, Cyrillus van Jerusalem ze in de heltt der vierde eeuw met den vinger in de kerk van het H, Graf kon aanwijzen (Catech. XII; 4) en dat er

-ocr page 503-

229

eene in de Golgotha-rots ontstond, die van boven naar beneden tot 14 of 15 voet nagegaan kan worden. (1)

De graven worden geopend, en de grafsteenen die hun toegang sluiten, worden afgeworpen. Door Jesus\' dood is de dood overwonnen en de geopende graven verkondigen bij voorbaat, dat zij weldra hunne prooi zullen wedergeven, en bevestigen op sprekende wijze, hetgeen Jesus bij het graf van Lazarus reeds keeft getuigd: Ik ben de opstanding en het leven. De H. Mattheus brengt dan ook hiermede een wondervol feit in verband dat wij eerst zien plaats grijpen na Jesus\' opstanding. Vele lichamen van heiligen of rechtvaardigen, die door geheel bijzondere deugden hebben uitgemunt, verrijzen alsdan en verlaten hun graf. Zij komen in Jerusalem, de stad door zoovele voorrechten van God geheiligd, en verschijnen daar aan verscheidene personen. Hoevelen zij waren, wie zij waren, aan wie zij verschenen , is ons niet gemeld. (2) Doch zooveel is zeker, dat zoo wel die geopende graven als die later gevolgde verrijzenis eene indrukwekkende verheerlijking is van

(1) Volgens Sepp. Leben Jesu VI. S 400 is zij nog heden zichtbaar. Dezelfde schrijver getuigt buitendien: men toonde in het z. g. Hades of dal Gehinnon ten tijde der kruistochten (1125) een bij den kruisdood gespleten rots (Tobl. Golg. 200.)

(2) Sommigen meenen, dat deze lichamen slechts stoffelijke lichamen waren, die na de verschijning weder werden afgelegd 5 anderen meenen, dat het schijnlichamen waren j eindelijk nog anderen zijn van gevoelen, dat hier verheerlijkte en onsterfelijke lichamen zijn bedoeld. Dit laatste gevoelen verdient de voorkeur. De evangelist zegt duidelijk : multa corpora surrexertint en exeuntes de vionuvuntis. Ook nemen vele vaders dit aan : tamen cum monumenta aperta sunt, non antea resurrexerunt, quam Dominus resurgeret, ut esset primogenitus resurrectionis ex mortuis. S. Hier. Chrys. Euseb. (bij Pierik). De woorden post resurrectiofiem. ejus moeten in \'t latijn en in \'t Grieksch verbonden worden met exeuntes en niet met venenmt. — Het waren waarschijnlijk rechtvaardigen, die aan de toen levenden bekend waren, zooals Simeon, Anna, Zacharias, Elisabeth, — Anderen denken aan Abraham etc.

-ocr page 504-

230

den Goddelijken Verwinnaar van dood en hel. „Wie „is dezequot; roept de fl. Anselmus uit, dat hemel en „aarde over Hem treuren ? Hij, Wiens dood de dooden „levend maakt ?quot;

Wie is Hij ? Hetgeen de wonderen in de stoffelijke wereld reeds zoo luide verkondigen, spreken de wonderen in de zedelijke wereld niet minder duidelijk uit, Bij het sterven van Jesus bevindt zich de hoofdman, vergezeld van de krijgsknechten, die de wacht houden, vlak tegenover het kruis, en heeft het oog op den Heer gevestigd (Mc). Hij is getuige geweest van dat hemelsche geduld en van die bovenmenschelijke zacht zinnigheid, die voor hare moordenaars bad. Geen enkel verwijt is door dien biiitengewonen Lijder hem en den zijnen gedaan. Hij is getuige geweest van die kalmte, dat vertrouwen, die sterkte, welke Jesus ten toon spreidde, toen Hij stervende riep : Vader ! in uwe handen beveel ik mijnen geest. Dit alles heeft een levendigen indruk op hem gemaakt, en zijn hart voor de genade bereid. Daar ziet hij op het eigen oogen-blik de ontzettende ontroering der gansche natuur, voelt de aarde beven onder zijne voeten , hoort de rotsen kraken, en terwijl het zonnelicht na de drieürige duisternis doorbreekt, begint ook het licht der genade te schitteren voor zijne ziel. Hij gelooft en erkent en met hem ook de overige krijgsknechten, dat die kruiseling rechtvaardig en onschuldig is, en, ofschoon de joden daar straks den spot nog met Hem dreven, in alle waarheid heeft geleerd, de Zoon Gods te zijn. Zoo zijn die geesten eensklaps verlicht en die harten tevens verbrijzeld. Zij gevoelen zich schuldig, en bij dat schuldbesef overmeestert eene heilige vrees door het aanschouwen dier ontzaggelijke wonderen hun ge moed. (Mc) Zij geven toe aan den edelen aandrang van hun rouwmoedig hart, erkennen dc waarheid, en die zoo even nog spottende monden roepen uit: waarlijk ! Deze was Gods Zoon !

-ocr page 505-

231

O wonderbare ommekeer, wonderbare belijdenis, wonderbare moed in die heidensche krijgsknechten! Zij schamen zich niet meer over dien Gekruisigde. Zij laten z\'ich niet terughouden door de aanwezige joden, door den bitteren haat van Schriftgeleerden en Pha-riseën, door het uitgesproken doodvonnis van Pilatus. Zij, die den Heer aan het kruis klonken, erkennen het eerst van allen Dengene, Wiens ontzield lijk daar hangt, als onschuldig, en roepen uit; waarlijk I Deze was Gods Zoon. (1) O hoe schoon is deze zegepraal der genade, en hoe verheerlijkt deze belijdenis God in den dood van zijn Zoon!

Doch niet slechts deze heidensche Iioofdman met zijne krijgsknechten maar zelfs de schare van joden, die op Golgotha van dit verbazende natuurtooneel (2) getuigen zijn, en die ontzettende en dreigende ontroering der natuur aanschouwen, gevoelen hun geweten ontwaken. Zij erkennen het gepleegde onrecht; zij betreuren in Jesus\' miskenning te hebben gedeeld, en terwijl zij nieuwsgierig, uitgelaten en spottend waren uitgegaan, keeren zij verslagen , zwijgend en boetvaardig naar Jerusalem terug. Openlijk slaan zij zich op de borst; openlijk belijden zij hun leedwezen. De groote voorspelling begint zich te verwezenlijken : zij zullen opzien tot Hem , Dien zij doorstoken hebben.

Intusschen staan nog immer Jesus\' bekenden op zekeren afstand van het kruis, om van verre alles, wat met den Hoogst geliefde plaats grijpt, gade te slaan. Drie vol uren hebben zij daar in de nabijheid

(J) Deze heidenen wisten, dat Jesus gekruisigd was als godslasteraar, omdat Hij gezegd had Gods Zoon te zijn. Hadden zij het niet vroeger reeds vernomen, dan zouden de beschimpingen bij het kiuis het hun overvloedig hebben geleerd. Zij namen dus dit woord, ofschoon zij het niet ten volle begrepen, volgens Jesus\' bedoeling. Dat zij hier aan een half god, aan den zoon eener heidensche godheid dachten (Bisping Sepp), is niet waarschijnlijk.

(2) liet Griekschc woord komt alleen hier voor in het nieuwe testament. (Bisping).

-ocr page 506-

232

getoefd, en ongetwijfeld waren zij op eenige wijze verLinderd om in de onmiddellijke nabijheid van het kruis te verblijven. Het is niet onmogelijk, de hof van Joseph van Arimathea getuigt het ons, dat er naast hunne zijde een vriendelijk onderkomen was, waar zij zich ongehinderd konden ophouden. Doch hoe dit ook zij , door de laatste kreten en Jesus\' sterven zijn zij allen in een groep vereenigd, en, daar de duisternis verdwij) t, aanschouwen zij met innige ontroering het ontzielde lijk van Hem, Die zijn offer heeft voltrokken. Bij dien aanblik staan zij door liefde, smart en ontsteltenis als aan den grond genageld.

Daar staat Maria, zijne teederminnende Moeder. Wie beschrijft haar wee, terwijl zij het bleeke en bebloede lijk van haren God en Zoon aan het kruis ziet hangen? Zoo lang Hij nog leefde, dacht zij aan zijne vreeselijke smarten; thans heeft zij te denken aan haar onbeschrijfelijk verlies. Doch zij is de Dienstmaagd des Heeren, en brengt onderdanig den Vader Hem ten offer, Dien zij van den Vader ontvangen heeft.

Daar staat ook Joannes, de teederminnende Joannes. Hij is Jesus gevolgd van Gethsemani tot aan den voet des kruises. Hij heeft gedaan wat een getrouwe vriend voor zijn lijdenden vriend kan doen, en heeft den Heer bij zijn dood niet verlaten. Hij heeft met Jesus den bitteren kelk des lijdens gedronken, en zijne tranen vermengd met het bloed van zijn liefdevollen Meester. Nu staat hij daar vol droefenis over den dood des Zoons, vol medelijden met de kin-derlooze Moeder, en tevens steeds wakende over hetgeen met het dierbare lijk des Heeren geschieden zal.

Is ook Petrus daar ? Wij weten het niet, toch laat zich de gedachte moeilijk verdringen, dat dit minnende gemoed onder den indruk van zijn bitteren rouw de behoefte zal hebben gevoeld om Jesus niet op

-ocr page 507-

233

Grolgotha te laten sterven, zonder Hem nogmaals van zijne liefde en herlevende trouw te hebben doen blijken.

Vele bekenden van den Zaligmaker zijn op den kruisheuvel aanwezig; het is een sprekend bewijs van hunne liefde. Of wij hier echter aan Lazarus, do apostelen, de leerlingen, Nicodemus of anderen te denken hebben, is niet te beslissen. Zij allen zijn vervuld met bittere smart, en storten overvloedige tranen.

Wij vinden vooral hier ook de liefdevolle dienaressen, die uit Gralilea met Hem naar het Paaschfeest te Jerusalem zijn opgegaan om als immer ook nu weder met voorkomende oplettendheid in zijne behoeften te voorzien. Aan haar hoofd staat Maria Mag-dalena; wij zagen haar reeds aan den voet van het kruis. Welk een vloed van tranen ontstroomt hier aan hare oogen! Haar geliefde Meester is gestorven. Hoe hartstochtelijk is hare smart ?

Ook Maria, do echtgenoote van Kleophas, moeder van Jakobus den mindere en van Joseph bevindt zich hier. Zij blijft Jesus\' heilige Moeder vergezellen en troosten in harè droefenis. Aan hare zijde vinden wij Salome, moeder van Joannes en Jakobus den meerdere. benevens vele andere vrouwen uit Galilea, zooals Joanna en andere, die niet genoemd worden. Hare oogen, die nog immer naar Jesus uitzien, hare tranen, hare droevige gelaatstrekken, hare treurige bonding, haar somber stilzwijgen getuigen, dat haar hart vol is van den geliefden Weldoener barer zielen. Zij zullen niet heengaan, voordat zij de vernedering des kruises naar haar beste vermogen door eene eervolle begrafenis hebben uitgewischt, en den smaad, die Hem is aangedaan, door de teederste liefdeblijken hebben vergoed. I)och helaas ! nog eenmaal zal vooral in dat ontzielde lichaam hare liefde pijnlijk gekwetst worden.

-ocr page 508-

234

§ 2 Jesus\' zijde met een lans doorstoken : Jo. XIX: 31—34.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart, \'s namiddags tusschen 3 en 6 uur.

Ondanks de ontzettende ontroering der natuur, die zelfs heidenen treft, blijven de Phariseën ongevoelig en verhard meer dan de rotsen, die bij Jesus\' dood van een scheuren. Altijd vol van dezelfde schijnheiligheid, beginnen zij, die do onschuld hebben vermoord, den grootsten kommer aan den dag te leggen, dat toch niet door die kruisiging do Sabbath geschonden worde. Want terwijl volgens Romeinsch gebruik de lichamen der gekruisigden aan het kruis bleven hangen, totdat ze vergaan waren, [1) mochten volgens de joodsche wet (2) de lijken niet na het ondergaan der zon opgehangen blijven. Te minder mocht dit heden plaats grijpen, daar het vrijdag was, de voorbereidingsdag (Mc, XV : 42) voor den Sabbath van het reeds aangevangen Paaschfeest. (3)

De joden dus, wijl het reeds drie uur in den namiddag was, en de Sabbath op den vooravond reeds ten zes uur een aanvang neemt, begaven zich naar Pilatus met het dringende verzoek om door het breken der beenen den dood der drie kruiselingen te bespoedigen en ze dan af te nemen. Zij koesterden hierbij wellicht den geheimen wensch om door het

(1) Plaut. mil glor. 2, 4, ü. Horat. Epist. 1, 10, 48.

(3) Deuteron XXI: 22 Jos. Antiq. IV ; 8, 24.

(3) De tekst luidt: ife joden dus, daar het Voorbereiding was, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den Sabath, want de dag van dien Sabath was groot, verzochten Pilatus, dat hun de beenen mochten gebroken en zij afgenomen worden. DeH. Joannes zegt hier niet, dat die Sabbath het eigenlijke Paaschfeest was, gelijk hij gewis zou gezegd hebben, ware zulks het geval geweest; hij zegt slechts, dat de dag van dien Sabbath (Gr.) groot was, hetgeen zeer begrijpelijk is, omdat hij behoorde tot de feestelijkheid, die met het eigenlijke Paschen een aanvang nam. Joannes is dus hier niet in tegenspraak maar stemt zeer goed overeen met Mt. XXVI: 17; Mc. XIV : 12 : eu Lc. XVII: 7, en er is hier niets uit af te leiden tegen de azyma.

-ocr page 509-

235

breken der beenen Jesus eene nieuwe onteering te doen ondergaan. De Landvoogd, ofschoon het verbrijzelen der beenen niet juist Komeinsch gebruik was, stond den leden van den hoogen raad hun verzoek toe, en zond dien ten gevolge nieuwe krijgsknechten (1) naar Golgotha om door die geweldadige handeling den dood der gekruisigden te verhaasten en te verzekeren, daalde lichamen niet mochten uitgeleverd worden, voor dat de dood bewaarheid was. (2)

De krijgsknechten gehoorzaamden. Op den kruis-heuvel gekomen, bemerkten zij dadelijk (3), dat de twee, die met Jesus gekruisigd waren, nog leefden. Zonder uitstel vermorselden zij door hunne slagen den eenen na den andere do beenen, en verzekerden zich eindelijk op Romcinsche wijze van hun dood door hun den genadestoot te geven of het hart te doorsteken. (4)

Na dit verricht te hebben komen zij tot Jesus. Bij den eersten oogopslag bespeuren zij al de kenteekenen des doods en even spoedig zijn zij overtuigd, dat Hij den geest heeft gegeven. Daarom achten zij het overbodig hier nog het crurifragium te bewerkstellingen.

Eender krijgsknechten echter, volgens de overlevering Longinus genoemd, (5) om zich ten volle zekerheid omtrent Jesiis\' dood te verschaffen en geheel en al

(1) Het zijn dus niet dezelfde krijgslieden, die Christus bij hel kruis bewaakten. Dit blijkt 1° uit Jo. XIX : 32. Dc krijgsknechten kwamen dan. 2° uit het verband van dit vers met vers 31, waar Pilatus het gedane verzoek inwilligt en dus ook dien ten gevolge bevelen uitvaardigt; 3° is het niet waarschijnlijk, dat zij die uitriepen : waarlijk ! deze was de Zuon van God, Jesus, ofschoon hij dood was, nog den anssteek gegeven hebben.

(2) Lipsius de cruce. 11. 14. Wetsteln injo. XTX:31, 36.

(3) Dc kruisen waren waarschijnlijk in een driehoek geplant, het kruis van Jesus meer achterwaarts. Vgl. Jo. XIX : 33 : doch tot Jesus gekomen zijnde.

(4) Zie Friedlieb, ArchSologie der Leidensgeschichte. S. 166. Waar hij Hug en Quinctil. Deel. VI: 9 aanhaalt.

(5) Martyrol. Rom. 15 Martii. Ook in het evangelie van Nikodemus komt deze naam reeds voor, ofschoon daar de hoofdman der wacht, die zich bij Christus\' dood bekeerde, zoo wordt genoemd.

-ocr page 510-

236

verantwoord te zijn, goeft ook Jesus den genadesteek. (1) Zijn doel is om, indien er nog eenig levensvonkje over is, dit in het hart, den hoofdzetel des levens, uit te dooven. Hij neemt zijn lans, (2) en plaats zich in de gemakkelijkste stelling, iets ter rechterzijde van het kruis, om het hart te treffen, en stoot nu met kracht zijn wapen in een schuinsche richting door de rechterzijde (3) naar de plaats van het hart in de linkerborstholte. De steek door den forschen arm van den Romeinschen krijgsknecht met zulk een wapen op korten afstand (4) van onderen schuins naar boven toegebracht, dringt diep door. en brengt, ware dit nog noodig, buiten allen twijfel eene doodelijke wonde toe, (5) ten minste twee of drie vingers breed, zoodat men er de hand in kon leggen (Jo. XX: 27). Op den eigen stond vloeit uit de wonde water en bloed, zoodat niet de minste twijfel overblijft, dat Jesus\' aanbiddelijk Hbrt is doorstoken. (6)

(1) Ictus gratiosus. Ook de zwaardvechters, die zwaar gewond waren, werden daardoor verder afgemaakt.

(3) Het is niet de lans der Romeinsche ligtgewapenden {hasta veli-taris\\ die hier wordt bedoeld. Deze was eene werpspies aan een schacht van vier voeten lengte en een duim dikte, die een 6 a 7 duimen lange spits had, zoo dun, dat zij volgens Polybius VI, 33, 4 bij het eerste gebruik reeds omboog. Het is veeleer de lans der Romein, sche Triariërs, naar welke zij ook lansdragers (hastali) werden genoemd. Haar schacht had drie duim in diameter, en drie ellen of ne-gendhalve voet lengte. Zij had eene spits van 9 tot tien duim lengte, met weerhaken voorzien.

(3) De Ethiopische vertaling en ook de apokryphe evangeliën van Niko-demus ea van Jesus\' kindsheid zeggen, datjesus\' rechterzijde is gewond.

(-1) De kruisen waren niet hoog boven den grond verheven.

(5) Dit is aangetoond door Car. Frid. Ferdin. Grüner in zijne Coni-mentatio antiquaria medica de J. C. morte vera non simulata. Hal. 1805 ; en door diens vader, Christian. G. Grüner in zijne vindiciae mortis. J. C. verae. Deze laatste toont aan, dat het woord, waarvan de evangelist zich bedient, meermalen gebruikt wordt om eene doodelijke wonde te kennen te geven. Vgl. ook Jo. XIX: 34 met 37. Hiervoor pleit ook duidelijk het uitvloeien van water en bloed.

(6) Dat Jesus\' hart werkelijk gewond is, blijkt 1quot; uit het oogmerk van den krijgsknecht, die niets bedoelde dan zich van den dood des

-ocr page 511-

237

Niet zonder nadruk vermeldt de H. Joannes, nog getuige geweest te zijn van het dubbele feit, dat aan de moordenaars doch niet aan Jesus de beenen gebroken werden en dat aan den Verlosser de zijde met eene lans doorstoken is. Hij bevestigt de waarachtigheid van deze zijne getuigenis, opdat ook zij, voor welke hij schrijft, mogen gelooven, dat Jesus is de Messias, door de profeten voorspeld. Want gelijk Lij te kennen geeft, twee pro-fetiën van het oude verbond gaan hierdoor in vervulling.

Jesus toch is afgebeeld door het Paaschlam der oude wet. Gelijk door het bloed van het lam Israël werd verlost uit de slavernij van Egypte, zoo zijn ook wij vrijgekocht niet voor goud en zilver maar voor het kostbare bloed, vergoten aan het kruis door Christus, het allerheiligste Lam der nieuwe wet. Als het Paaschlam der nieuwe wet is J. C. geheel vlekkeloos (1 Petr. I:

Zaligmakers ten volle te verzekeren door den ictus gratiosus, hiertoe zicli bediende van een wapen, allergeschikst om zijn doel te bereiken, en dit wapen in eene schuinsche richting van de rechterzijde naar de linkerborstholte, en tevens van onderen naar boven om de niet te al hooge verheffing des kmises met kracht konde voortstooten. 2° uit de breedte der wonde, (Jo. XX: 37) die ook hare diepte aangeeft. Want opdat eene lans wier lange spits zich zeer ongevoelig verbreedt, eene snede kon maken van zulken omvang, moet zij ten minste vier of vijf duim in het lichaam zijn gedrongen. 3° uit de omstandigheid, dat terstond water en bloed uit de wonde vloeide. Van waar dat bloed dan uit het hart ? En van waar dat water, dan uit het hartevlies ? In den hartbuidel (pericardium) toch verzamelt zich na hevige kwalen en verterende hitte eene zekere vochtigheid, die bij het openen, van het vlies en het afkoelen van het lijk nederslaat en vloeibaar wordt. Uit een lichaam, dat reeds zooveel bloedverlies geleden had, kon men wel geen bloed verwachten, tenzij juist uit het hart. Men bedenke ook, dat zoo kort na den dood de afscheiding van het bloed in Serzim en placenta niet kon hebben plaats gegrepen. 4° Uit de liturgie der kerk. Zij zingt op den feestdag van het H. Hart: percussum ad hoc est lancea, pas-sumque ad hoc est vulnera, ut nos lavaret sordibus, unda fluente et sanguine. — Ex corde scisso ecclesia, Christo jugata nascitur etc. S. Bernardus: etiam ipsum cor lancea vulnerari permisit. Camale ergo vulnus, vulnus spirituale ostendit. In dien zin spreekt ook de H. Bona-ventura. De afbeelding van Jesus\' heilig Hart wordt ons ook immer met eene wonde voorgesteld.

-ocr page 512-

238

19.) zachtzinnig en geduldig, (Jer. XI; 19) voor ons geslachtofferd (I Cor. V: 7) en ons ten Paaschdisch geschonken. (Lc. XXII; 13, 15, 19) Daarom aanschouwt de H. Joannes in den gekruisigden Zaligmaker het ware Paaschlam, en vindt hij hetgeen van het figuurlijke Paaschlam der oude wet was gezegd, hier geheel en al voltrokken : gij zult er geen heen aan verbreken. De krijgsknechten, zoo laat de H. evangelist ons gevoelen, door eene daad achter te laten, die hun om Jesus\' dood doelloos toeschijnt, gehoorzamen onbewust aan de beschikkingen van Hem, Die dit woord heeft gesproken, en Die door Jesus\'vroegtijdigen dood voorkomt, dat de geheiligde tempel zijner Godheid door het breken der beenen zou geschonden worden.

Zoo blijkt op ontegenzeggelijke wijze eenmaal te meer, dat Jesus is het Lam Gods, (1) Hetwelk wegneemt de zonde der wereld (Jo. 1: 29), het Lam van den beginne der wereld (2) geslacht (Openb.XIII : 8), in Welks bloed de uitverkorenen hunne kleederen wit zullen wasschen (Apoc. VII: 14). Hij is de verzoening voor onze zonden, en niet slechts voor de onzen, maar ook voor die der geheele wereld (I Jo. II: 2).

De H. Joannes wijst hier buitendien op eene tweede voorspelling, die tegelijkertijd vervuld wordt. Het zijn de woorden van den profeet Zacharias: zij zullen opzien tot Mij, Dien zij doorstoken hebben. De beteekenis en strekking van deze voorspelling wordt niet weinig opgehelderd door den samenhang, waarin zij voorkomt.

Uit dien samenhang blijkt, dat in deze woorden God wordt bedoeld, Die menschgeworden aan het kruis met eene lans is doorstoken. Die menschgeworden God toch is de Koning, door Zacharias voorspeld. Welke kwam

(1) liet anagram van \'IrjaoOg is au/ ij

(2) Deze opvatting van Openb. XIII: 8 stemt overeen met 1 Petr. I;

20. Anderen geven den Griekschen tekst aldus weder: zij, wier namen zan de grondlegging der wereld niet geschreven stonden in liet hoek des levens van het Lam, dat geslacht is. Vgl. Apoc. XVII: 8.

-ocr page 513-

239

in gerechtigheid en zachtmoedigheid tot Jerusalem, gezeten op eene ezelin, om het te redden. (Zach. IX ; 9) Die menschgeworden God is de goede Herder, Welke de ongelukkige slachtschapen aan het verderf kwam onttrekken, en tot loon zijner liefde dertig zilverlingen waardig werd geschat (Zach. XI). Hij spreidde den Hemel uit, grondvestte de aarde, en schiep den geest der menschen (Zach. XII; 1 j. Hij was de Beschermer van Israël en Jerusalem tegen hunne talrijke vijanden en de volkeren in den ronde (Zach. XII: 4—9). Die menschgeworden God, Hij zegt; en Ik zal uitgieten over het huis van David en over de inwoners van Jerusalem den geest der genade en der gebeden, en zij zullen opzien tot Mij , Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen kla ■ gen over Hem met geklag als over een Eengeboorne, en zidlen treuren over Hem , gelijk men gewoon is te treuren bij den dood van een Eerstgeboorne (Zach. XII: 10). Gelijk de H. Joannes nadrukkelijk verklaart, zijn deze woorden dan ook wezenlijk vervuld in den Godmensch, doorstoken aan het kruis.

Werkelijk heeft die doorboorde Go lmensch den Geest van genade en gebeden uitgestort. Bij zijne hemelvaart sprak Jesus reeds tot zijne apostelen: ik zend de belofte des Vaders over u ; gij nu blijft in de stad, tot dat gij zult aangedaan zijn met de kracht uit den hooge, (Lc. XXIV; 49). Op den Pinksterdag daalde de Goddelijke Geest, Die het hart des menschen sterkt door het gebed, en bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen (Rom. VIII; 23), neder over de afstammelingen van David in den persoon van Jesus\' heilige Moeder, over de apostelen, en over de inwoners van Jerusalem. De H. Petrus wekte daarom de joden te Jerusalem op, om door dien Geest van genade en smeeking op te zien tot Hem dien zij doorstoken hadden, als tot hunnen Verlosser. Jesus zegde hij, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde en van den Vader de belofte des 11. Gees fes ontvangen hebbende, heeft dien uitgestort,

-ocr page 514-

240

welken gij ziet en hoort .. . dat dan het gansche huis van Israël met zekerheid wete, dat God Hem tot Heer en tot Christus gesteld heeft (Act. II: 33—36).

Zij zullen opzien tot Mij, zegt God , Dien zij doorstoken hebhen, en daar God als God noch door \'s menschen oog aanschouwd, noch door \'s menschen hand doorstoken kan worden, zoo is het duidelijk, dat wij hier hebben te denken aan God, voor zoo verre Hij mensch geworden is, en werkelijk aan het kruis in zijn lichaam is doorboord.

Inderdaad op den pinksterdag, toen de Geest van genade en smeeking was uitgestort, vestigden de joden hunne blikken op den doorstoken Kruiseling van Golgotha, en er was rouw in het huis van David en onder de inwoners van Jerusalem over den beganen Godsmoord. Doch die weeklachten zouden volgens de profetie zich niet bepalen tot één dag en één volk. Overal, waar de kerk van J, C. zich zal uitstrekken en zoolang zij zal bestaan, zullen hare volgelingen , bestraald door het licht der genade en bezield door den H. Geest, niet ophouden te treuren bij het opzien naar Jesus\' doorstoken Hart. Alom en altijd zullen de geloovigen tranen storten, terwijl zij opzien naar den Eengeboorne des Vaders, den Eerstgeborene onder dehroe-ders, een waren Josias, den Koning der koningen , Die uit liefde tot den mensch zich het Hart liet doorboren. Alom en altijd zal men weenen uit schuldbesef, medelijden en liefde, bij het aanschouwen van dat doorstoken slachtoffer. Doch vooral zal dit woord van den profeet waarheid worden, wanneer de volkeren op den jongsten dag den doorstoken Verlosser als Rechter van het geheele menschdom zullen zien opdagen. Dan zal de geheele aarde weeklagen met al hare verschillende geslachten, zegt Zacharias. Alsdan, zegt J. C., zal het teeken van den Zoon des menschen aan den hemel verschijnen; en zullen al de geslachten der aarde weenen, en zij zullen den Zoon des menschen zien , Die

-ocr page 515-

241

daar komt op de wolken met groote macht en heerlijkheid. (Mt XXIV : 30).

Zie, zegt Joannes aangaande J. C., den getrouwen getuige, den eerstgeborene onder de dooden, en den Vorst van den koningen der aarde, die ons bemind heeft en ons van onze zonden heeft afgewasschen in zijn bloed , zie! Hij komt op de wolken , en alle oog zal Hem zien, en die Hem doorstoken hebben, en alle geslachten der aarde zullen over Hem loeeklagen (Openb.

I: 5, 7).

Ook wij behooren op to zien tot het doorboorde Hart van den Grodmensch, en de Kerk stelt ons met alle reden dat Goddelijk Hart ter vereening voor. Plet Hart van Jesus toch is zoowel als geheel zijne menschheid onafscheidbaar met de Goddelijke natuur in den éénen persoon des Woords vereenigd , en zelfs , waar het doorstoken werd aan het kruis, was het, zoowel als geheel liet ontzielde lijk des Zaligmakers, om die reden alle aanbidding waardig. Het Hart van Jesus was dat edele werktuig, waardoor gedurig de levensstroom iu beweging werd gehouden, die onophoudelijk Jesus\' lichaam in al zijne deelon verlevendigde. Het üart van Jesus was de bronwel van dien kostbaren losprijs, waardoor het gansche menschdom werd vrijgekocht. Het Hart van Jesus is de fontein dier levende wateren, die, ontsprongen op Golgotha, als een milde vloed de kerk zullen drenken met heilzame genade op aarde, met onuitsprekelijke zaligheid in den hemel. Het Hart van Jesus had doel aan al de aandoeningen van droefenis, van vreugde, van angst, van moed, van afschuw, van liefde, die de Heer in zijne heilige menschheid ondervond tot ons heil en tot verheerlijking zijns Vaders. Hetzij het klopte met kinderlijke teederheidaan het minnend Moederhart van Maria ; hetzij het sloeg met versnelde slagen bij de schandelijke onteering van het heiligdom zijn Vaders; hetzij Het openging van vreugde bij het omhelzen der onschuldige kleinen ; hetzij het in een

16

Het Offer van T, C. II

-ocr page 516-

242

kromp van smart in den hof der Olijven, immer was het de zetel zijner Godmenschelijke gevoelens. Het Hart van Jcsus is nog immer het allersprekendst zinnebeeld dier onbeschrijfelijke, zoo diep gevoelde, zoo ver strekkende, zoo hoog verhevene, zoo sterk aanhoudende liefde, waarmede Gods menschgeworden Zoon ons bemint van den schoot zijner Moeder tot aan het kruis, neen ! tot in eeuwigheid. Het Hart van Jesas werd nog bij zijnen dood doorstoken als het offer der liefde, en geopend door de lans, opdat ons zou blijken, dat ons al de schatten zijns levens tot aan den laatsten druppel geschonken zijn. Wie onzer, die zijn blik vestigt op dat gewonde Hart, zal niet uitroepen met den H. Augustinus ; „O Zoon van God, waartoe daalde uw ootmoed af! hoe vlammend was uwe broedermin! hoe verre ging uwe genegenheid ! tot welke mate breidde zich uwe goedheid uit! welk eene hoogte bereikte uwe liefde ! waaitoe is uw medelijden gekomen !quot; Dat allerheiligste werktuig en zinnebeeld der Godmenschelijke liefde moet ons opwekken tot vurige liefde. Aan dat nederige en zachtzinnige Hart moeten wij gelijkvormig worden. Uit die onuitputtelijke bron moeten wij met vreugde het water putten, dat springt ten eeuwigen leven. In dat immer geopende toevluchtsoord moeten wij veiligheid zoeken tegen al onze vijanden. Daar moeten wij in en door Jcsus met al onze broeders één hart zijn en ééne ziel. De Goddelijke stralen dier lichtende en gloeiende Zon moeten ons eens doorstroomen met heerlijkheid en geluk.

§ 2 Jesus, aan het kruis doorstoken, de tweede Adam,

Adam, de eerste stamvader van ons geslacht, was, gelijk de H. Paulus leert, het beeld van J. C. den tweeden Adam, ons hoofd in de orde der genade (Rom. V : 14). De eerste was onze stamvader naar het lichamelijk leven, de tweede was onze stamvader naar het geestelijk leven (I Cor. XV: 45). De eerste mensch.

-ocr page 517-

243

zegt de groote apostel, (gevormd) uit de sarde, was aardsch, de tweede mensch, (afkomstig) uit den hemel, was hemelscli; gelijk de aardsche is, zoo zijn ook de aardschen, en gelijk de henjelsche is, zoo zijn ook de heraelschen. Grelijk wij dus het beeld des aardschen gedragen hebben, zoo moeten wij ook eens het beeld des hemelschen dragen. (I Cor. XV: 47— 49).

Hoe werd de eerste Adam onze stamvader? Hoe werd het Christus ? God zond aan Adam een diepen slaap over, en, toen deze nu sliep, nam Hij eene van diens ribben, en vormde daaruit Eva, die Hij aan Adam schonk tot vrouw. Door haar zou de geheele aarde bevolkt worden. Volgens den H. Augustinus wedervoer iets dergelijks aan Christus. „De tweede Adam, zegt hij, toen Hij aan het kruis het hoofd neder-boog, sliep in, opdat hetgeen uit de zijde vloeide van Hem, Die den doodslaap was ingegaan, zou dienen om Hem eene bruid te bereiden.quot; Uit Jesus\' zijde vloeide bloed en water. „Dit zijnquot;, zegt dezelfde kerkvader, „de sakramenten, waaruit de kerk (tot „bruid van Christus) wordt gevormd, even als Eva „gemaakt is uit de zijde van den slapenden Adam, „die het beeld was des toekomstigen.quot; „Jesus\' zijde werd geopend,quot; zegt hij andermaal, „opdat in zekeren „zin de toegang des levens zou worden ontsloten „langs den weg, waaruit de sakramenten zijn gevloeid, „zonder welk men tot het leven, dat het ware leven „is, niet binnengaat.quot; „Het bloed namelijk, dat uit „de opening vloeide, heeft ons van onze zonden ge-„wasschen. Het water, dat zich uitstortte met het „bloed, is datgene, hetwelk gemengd wordt in den „beker des heils, waaruit wij het leven putten. En „hetzelfde water in vereeniging met hetzelfde bloed „reinigt ons in het doopsel, en drenkt ons in het „sakrament der Eucharistiequot; (S. August, tract CXX in Joann.).

Zoo verwierf Zich dus Christus, aan het kruis door-

-ocr page 518-

244

stoken, zijne kerk door zijn bloed. (Hand. XX : 28) Zij is bruid van het Lam (Openb. XIX: 7 ; XXI: 6). Christus beeft de kerk bemind en Zich voor haar overgeleverd, om haar te heiligen, haar reinigende door het doopsel des waters in het woord des levens, ten einde zich eeue heerlijke kerk te verwerven zonder vlek of rimpel (Eph. V: 25—27). Door die kerk, aldus bij middel van het ofter en van het doopsel verwoiwen tot zijne bruid, werd de tweede Adam als door eene tweede Eva de stamvader van het mensche-lijke geslacht naar het hemelsche leven.

Doch de eerste Adam zondigde, en alzoo is door éénen mensch de zonde in deze wereld gekomen en door de zonde de dood, en alzoo is de dood op alle menschen overgegaan, in wien allen gezondigd hebben (Rom. V: 12). Maar niet gelijk de misdaad (van den eersten Adam) was ook de gave (en het heil des tweeden). Want indien door de misdaad des éénen de velen gestorven zijn, veel meer is Grods genade en de gave over de velen overvloedig geworden, door do genade des éénen menschen, Jesus Christus (Rom. V; 15). Adam had het geheele menschelijke geslacht bezoedeld mot de erfzonde en schuldig gemaakt aan de straffe des doods. Doch Christus onthief ons niet slechts van de erfzonde, die door Adam ons allen in gelijke veroordeeling betrokken had; Hij schonk ons bovendien door zijne genade de rcchtvaardiginaking uit vele persoonlijke misdaden (Rom. V: 1G).

De eerste Adam werd God ongehoorzaam, de twee de werd zijnen Vader gehoorzaam tot in den dood, en gelijk door de ongehoorzaamheid des éénen menschen de velen tot zondaren gesteld zijn, zoo zullen ook door de gehoorzaamheid des Éénen de velen tot rech\'vaardigen gesteld worden (Rom. V : 19). Door Adams zinnelijkheid werden wij besmet, door Christus\' offerbloed gereinigd. Door Adam werden wij Grods vijanden, door den dood van Christus werden

-ocr page 519-

245

wij mot God verzoend (Kom. V;10). Door Adam waren wij van nature kinderen der gramschap; door Christus worden wij de aangenome en beminde kinderen des Vaders, Door Adam stonden de driften op tegen de rede, en werd de bovennatuurlijke harmonie tussehen de zinnelijke begeerlijkheid en de hoogere zielsvermogens gestoord (Rom. VII; 26). In Christus is do oude mensch gekruisigd, en door Hem ontvun-gen wij genade en sterkte om de begeerlijkheid onder het bedwang der rede te brengen (Rom, VI: 6). Door Adam werd ons verstand verduisterd; door Christus ontvingen wij het licht der openbaring. Adam stortte ons in vele ellenden, en onderwierp ons aan de strat des arbeids ; Christus kwam om onze ellenden te verlichten en ons den arbeid door de liefde te verzoeten. Door Adam werden wij slaven des duivels; door Christus werden wij vrijgekocht, en erlangden wij de vrijheid der kinderen Gods. Door Adams voorbeeld werd zijn nageslacht voorgegaan op het pad der ondeugd; Christus is ons een voorbeeld geworden vfin de volmaaktste dei;gd en heiligheid. Door Adam gewerd ons do dood, door Christus gewerd ons de verrijzenis der dooden, en gelijk in Adam allen sterven, zoo zullen in Christus allen levend gemaakt worden (I Cor. XV : 21, 22). Door Adam werd ons de toegang tot de eeuwige zaligheid gesloten; Christus is ons de deur geworden ten eeuwigen leven, en heeft ons in het huis zijns Vaders eene plaats bereid. Met hoeveel dank, liefde en vreugde moeten wij dus in den gestorven en aan het kruis doorstoken Jesus den Goddelijken bruidegom der kerk, den tweede Stamvader van ons geslacht, den Hersteller onzes geluks begroeten.

-ocr page 520-

246

§ 4. Het sterfjaar en de sterfdag des Heer en.

Jaar der J. 1J. 4743; na K. St. 782, der gew. jt. 2(J.

Vrijdag, 15 Nisan, 18 Maart

Jesus was in \'t openbaar opgetreden in het 15dcjaar der regeering van Tiberius over de wingewesten en in het twaalfde jaar zijner regeering over het gan sche rijk, in het 4738stc jaar der Juliaansche Periode, het 25s\'c der gewone jaartelling, het 778ste na do stichting van Homo. Het Paaschfoest, waarop Hij stierf, was het vierde na zijn openlijk optreden, zoodat zijn openbare leerwandel drie volle jaren en den tijd, die sedert November tot aan het eerste der Paaschfeesten verliep, had geduurd. Hij stierf\' dus in liet 4742squot;-\' jaar der Juliaansche Periode, het782:quot;lcna de stichting van üome, het 29squot;: der gewone jaartelling, het 15tle jaar der regeering van Tiberius over het geheele rijk.

Dit sterfjaar, ons reeds duidelijk aangewezen door al wat wij tot dusverre zagen^ wordt nog meer buiten twijfel gesteld door het gevoelen, dat verreweg de meeste kerkelijke schrijvers der eerste eeuwen volgen, volgens hetwelk Christus gestorven is onder het consulaat van Rufellius Geminus en Rufius Greminus. Zoo stellen Tertulianus (adv. Marc. L. I: c. 15), het Grieksche apokryphe evangelie van Nikodemus (Thilo. Cod. Apocr. N. T.) Lactantius (Divin. instit. L. IV, c. 10), de ka-taloog der Roomsche pausen (\'Bucherii doctrin. temper pp. 269 et seqq.), Augustinus (de Civit. Dei L. XV1I1, c. uit.) Sulpitius Severus, (hist. sacr. L. I, c. 27) Prosper van Aquitantië (1) Idatius Lemicensis in het Chronicon, dat hom door velen wordt toegeschre ven, Victor van Aquitanië (Canon pasch. praef\' § 10), do eerste en tweede chronograplms van Cuspinianus,

(1) Volgens de waarsehijnlijkstc lezing bij Labbeus Nov. biblioth. ms. T. I. p. 35. Vgl. ook Bucherii Doctr. tempor. Commentar. in Vie-torii Canon. Pasch. C. 13 p. 313.

-ocr page 521-

en ooli lateren den doud des Heeren uitdrukkelijk onder het consulaat dor beide Gemini, terwijl geen enkelo kerkelijke schrijver een ander consulaat aangeeft. Het consulaat nu der beide Gemini valt vol gens de fasti consulates in het 782stc jaar na R. St of het 2Ustc der Christelijke jaartelling.

Ken tweede bewijs leveren ons hiervoor de kerkelijke schrijvers der 5 eerste eeuwen, wanneer zij, de verwoesting van Jerusalem plaatsen in het 42:,t0 jaar na Jesus\' dood. JÜit leeren Clemens van Alexandrië (Strom. L. I. c. 21. p. 339), Origenes (contra Cels. L. IV. c. 22), Ambrosius in het werk over de verwoesting van Jerusalem, dat hem wordt toegeschreven (Anacepbalaeos. cc. 1, 23) en Sulpitius Se vei us, terwijl anderen het niet tegenspreken. Daar nu deze verwoesting plaats greep in het jaar 4783 der Juliaan-sche Periode op den lquot;cu September, en bijgevolg het 4iJs\'c jaar na Jesus\'dood met het Paaschfeest van 4783 begon, volgt hieruit dat het Is1quot; jaar een aanvang nam met het Paaschfeest van 4742, of 29 onzer jaartelling.

Ken derde bewijs vinden wij in den sterfdag des Heeren, dien het evangelie aangeeft. Volgens de evangelisten toch is Christus op het Paaschfeest of den lödcn Nisan daags voor den Sabbath gestorven. Inde elf jaren nu, die sedert het 265llt;; tot het 36stc jaar onzer tijdrekening verstreken zijn, en binnen welke de dood van Christus door alle kerkelijke schrijvers wordt geplaatst, kan de eerste en dus ook de vijftiende dag der maand Nisan slechts op een Vrijdag gevallen zijn in de jaren 26, 29, 33 en 36. (1) Van dezen wordt 36 uitgesloten, omdat Pontius Pilatus toen reeds uit Palestina vertrokken was, en evenzoo 26, omdat Christus toen volgens hetgeen wij aangaande zijn geboortejaar hebben

(1) Zie hier een ovorziclit, dat Patrizzi mededeelt uit de tafels van Largetcau tot berekening der samenstanden van zon en maan. (syzygis).

-ocr page 522-

248

gezien, nog slechts 30 jaar oud was, en hij bij gevolg in dit jaar niet gestorven maar gedoopt is. JEr blijven alzoo nog slechts de jaren 29 en 33. Doch met dit laatste jaar stemmen de tijdinorken niet overeen, die wij reeds hebben aangetroffen en later nog aantreffen, zooals het consulaat der beide Gremini, do afstand tnsschen Jesus\' dood en de verwoesting van Jerusalem enz. Bijgevolg blijft slechts het jaar 29 onzer tijdrekening als het sterfjaar onzes Heeren.

Het Paaschfeest of de vijftiende Nisan viel dit jaar op 16 April volgens Sepp, op 18 Maart volgens Pa-trizzi. Doch gelijk de eerste erkent, zou volgens zijne veronderstelling aldan de 15di; Nisan of het eigenlijke Paaschfeest op een Sabbath gevallen zijn. Dit is echter niet aan te nemen, daar Christus volgens het evangelie het laatste avondmaal, zoo als algemeen gebruikelijk was, op den vooravond van Pasehen heeft gehouden, en op Paschen daags voor een Sabbath gestorven is. Hieruit volgt, dat wij ons bij het gevoelen van Patrizzi moeten aansluiten, volgens welken de 15de dag der maand Nisan viel op den 18dcquot; Maart (1),

Anno

Littevae

Inteilunia vera ad meridianum hicrusolymitanum cxacta.

aerae

doniini-

vuig.

calcs.

Diesmcnsis.

llorae.

Feriae.

F

7 Martii

9 h. 1\' post meridiem.

V

37

E

26 »

7 » 47\' post »

IV

38

D C

15 »

2 » 23\' ante »

11

3\'J

1!

4 »

3 » 15\' ante »

VI

30

A

22 »

8 » 3\' post »

IV

«1

G

12 »

9 » 27\' ante »

11

82

FE

•y »

9 » 53\' post »

Ml

33

D

1\'J »

0 » 21\' post »

V

34

C

quot;J »

5 » 11\' ante »

III

35

B

28 »

5 » 51\' ante »

II

36

A G

16 »

5 » 20\' post «

VI

De eerste dag der maand Nisan was die, waarop de eerste phase dei-maan zich vertoonde. Soms echter viel hij in met den dag van het in-terlunium, nooit echter met den dag daarvoor.

(1) Zie de voorgaande tabel. Patrizzi werkt dit bewijs breedvoerig uit.

-ocr page 523-

249

een vrijdag, hetgeen met de gegevens van het evangelie volkomen overeenstemt.

Buitendien was het in den nacht, toen Christus gevangen werd genomen, zoo koud, dat men zich rondom het vuur schaarde, hetgeen in Judea zeker veeleer met de helit van Maart dan met die van April overeenstemt. Het is om deze redenen, dat wij den 18d™ Maart van het 29ste jaar der gewone tijdrekening, van het 782ste jaar na Rome\'s stichting, van het 4742d\'; jaar de Juliaansche Periode als den sterfdag des Heeren beschouwen. (1) Brengt men dit in verband met den geboortedag des Heeren, dan stierf Jesus in den ouderdom van 34 jaren en 83 dagen.

De sterfdag van den Grodmensch is nooit door zijne leerlingen vergeten. Dit nieuwe Paaschfeest, gelijk hij ook door de Grieken wordt genoemd, toen het Lam Gods voor de zonden der wereld werd geslacht, en ons do bevrijding uit de slavernij des duivels gewerd, dagteekent reeds van de tijden der apostelen. „Het is gemakkelijk in te zien,quot; zegt de H. Augustus (epist. 54. c. I) „dat het feest van den goeden vrijdag aan al de anderen is voorafgegaan.quot; Het Paaschfeest, v/aar-toe buiten twijfel ook de goede vrijdag behoorde, werd in de tweede eeuw algemeen gevierd, zooals blijkt uit Let bekende gcscliil daarover tusschen de Oostersche en Westersche kerk. Hoe ook zou de Kerk den sterfdag ooit hebben vergeten van haren Stichter, den mensebgeworden Zoon van God ?

-ocr page 524-

250

§ 5, Jesus afgenomen van het kruis en hegraven.

Mt. XXVII: 57-61 ; Mc. XV ; 42-45 ; Lc. XXIII: 50 52 ;

Jo. XIX; 38.

Vrijdag, 15 Nisan, IS Maart, \'s namiddags 3—6 uur.

Reeds was het laatste gedeelte van den dag, waarop Jesus was gestorven, voor een goed gedeelte verstreken ; weldra zou do avond van dien dag overgaan in den vooravond van den Sabbath, en nog steeds hingen de lichamen der drie kruiselingen aan het vloekhout. Wilde men den Sabbath niet schenden, die ten 6 uur begon, dan drong de tijd om de begrafenis te verrichten.

Het uur van de macht der duisternis is verstreken; en zie, een man, door de Goddelijke Voorzienigheid verkoren, treedt op om den gestorven Heiland althans met eere te begraven en niet met de lijken der twee boosdoeners op de schedelplaats te laten. Het is Joseph, geboortig uit ecne stad van Judea (Lc. 31), Arimathea genaamd, hoogst waarschijnlijk het vroegere Ramatha of het tegenwoordige Nebi Samuel (1). Het ia een zeer vermogend en bemiddeld man, behoorende tot de edelsten van Israël en lid van den hoogen raad. Uitmuntende door rechtvaardigheid en deugd, had hij zich in geenen deele vereenigd met de besluiten en de handelwijze der overige leden van het Sanhedrin tegen Jesns. Vol geloof, en in alle oprechtheid, had hij het rijk Gods verwacht en in Jesus den Messias erkend. Hij behoorde tot de leerlingen van Jesus, doch slechts in het geheim uit vrees voor de overige aanzienlijke joden, die den Heer een onverzoenlijken haat toedroegen. Na echter treedt hij onverschrokken op. Als hij bemerkt, dat Jesus\' heilig lichaam van het kruis genomen moet worden, begeeft hij zich zonder

(1) Zie mijn Palestina 11 d. bl. 401 en 432 Nebi Samuül is het graf van Samuel of Ramathaim Suphim (I Kon. XXV ; 1 ; XXVIII; 3 vgl. 1 Kon. I 1).

-ocr page 525-

\'J51

vrees naar Pilatus. Joseph wil tot eiken prijs eene eervolle begrafenis, die bij de joden vooral liuog v/erd gewaardeerd, aan zijn geliefden Meester bezorgen, en draagt daarom den Komeinselien landvoogd het verzoek voor, dat hem, zoo als de llomeinsche wetten toelaten, het lijk des Verlossers ter hand moge worden gesteld.

Joseph had zich waarschijnlijk, zoodra hij gezien had, clnt men den twee krniselingen de heenen gebroken en Jesus\' het hart doorstoken had, naar Pilatus begeven. De Landvoogd was daarom ten hoogste verwonderd, dat Jesus zoo spoedig gestorven was, daar kruiselingen soms dagen leefden. Hij ontbood dus den hoofdman, die de wacbt bij hot kruis had gehouden, en vroeg dien, of Jesus reeds overleden was, en als deze zulks bevestigde, gaf\' bij , gestemd als hij was, bereidwillig het bevel, om aan Joseph het lijk des Heeren over te geven. Zoodra deze de verlangde vergunning bekomen had, haastte hij zich , fijn wit lijnwaad aan te koopen, om er het lijk in te wikkelen, en ijlde daarop naar Golgotha.

O hoe vol liefdevolle toewijding is de geloovige leerling, waar hij het kruis nadert, en dien heiligen liefdeplicht aan liet Goddelijke lijk zal gaan verrichten 1 Daar hangt Hij, do gestorven Godmensch. Zijne armen zijn uitgestrekt, als wil Hij nog bij het groote offer zijner liefde de gansche wereld omhelzen. Volgens eene overlevering is Hij met het aangezicht naar het westen gekeerd , opdat wij ons naar het Oosten keerend, zegt de H. Joannes Damascenus, Hem zouden aanbidden. (1) Zijn hoofd is voorover gebogen , als wil Hij aan een ieder, die naar Hom opziet, den zoeten kus des vredes schenken. Zijn Hart is doorboord, en roept allen toe, toch de zonde te verlaten, die Hem de

(1) S. Jo. Dam. de fide Orth. IV: 18.

-ocr page 526-

\'252

laatste druppelen bloeds deed vergieten, en zijne liefde niet te miskennen, die alles beeft geschonken, wat zij te geven had.

Ook Nikodemns, e?n tweede raadsheer, nadert het kruis om Joseph behulpzaam te zijn. Meer dan eens hebben wij hem reeds ontmoet als geheimen volgeling des Heeren, en hem leeren kennen als een oprecht, godsdienstig en deugdzaam man, die niet schroomde des noods zich tegen de scliuldige plannen zijner mederaadsleden te verzetten. Waarschijnlijk had hij reeds vooraf met Joseph hun gemeenschappelijk optreden bij Jesus\' begrafenis beraamd. Waar Joseph voor het lijnwaad heeft gezorgd, draagt hij met niet minder ijver en liefde de specerijen en reukwerken aan. Voorwaar, het is schoon, deze twee mannen uit het Sanhedrin, uit den hoogsten kring van Israël, aan een gekruisigde met zooveel geloof, moed, liefde en trouw den laatsten liefdeplicht te zien bewijzen.

Welk een dankbaren blik elaat dan ook de Moeder der smarten op die twee zoo edelmoedigen, wanneer zij hen ziet opdagen, om het lijk van haren innigst beminden Zoon aan de schande te onttrekken ! Met welke teedere belangstelling scharen zich allen, zij en Joannes en Magdalena en alle de liefdevolle dienaressen des Heeren, die dezen stond met vurig verlangen hebben verbeid, rondom het heilige kruis, nu het dierbare overblijfsel des hoogst Vereerden, des meest Greliefden, van dat schandhout genomen gaat worden. Het machtige pensee] van den grooten Rubens schiet te kort om dat indrukwekkende en heilige schouwspel te schetsen. Welke dooreenmengeling van de teederste zorg, van de vurigste liefde, van den edelmoedigste ijver, van den diepsten weemoed, is in het oog, op het gelaat, in de houding van die allen te bespeuren, waar de doornen kroon en de nagelen worden verwijderd en het Goddelijke lijk wordt neergelaten ! Doch vooral worden onze blikken getrokken

-ocr page 527-

253

door die zoo diepbedroetde Moeder, die met onuitsprekelijke liefde en wee hier haar Groddelijken Zoon, doch helaas 1 levenloos, terug ontvangt. Zij aanschouwt Hem, doch hoe geheel anders is Hij hier dan te Bethlehem. Toen waren het stralende blikken, hier zijn het gebroken oogen; toen was het een lachend gelaat, hier zijn het bleeke en ingevallen wangen, blauwe lippen en onbewegelijke trekken ; toen was het Goddelijke schoonheid en bekoorlijkheid, hier zijn het stramme leden en een akelig doorkerfd lijk. Welk een verschil tusschen die blijde Moeder bij de kribbe van haar aangebeden kind, en die treurige Moeder bij het bebloede lijk van haren ontzielden Zoon! O hoe was toen haar hart vervuld met de zoetste moederweelde ! en hoe overvloedig vloeien thans hare tranen, terwijl zij Hem voor het laatst met bittere zielesmart omhelst! En terwijl zij weent, weenen allen mot haar, wijl zij dat deerlijk mishandelde lichaam aanschouwen, rustende in den schoot zijner diepbedroefde Moeder.

Doch de tijd der begrafenis laat geen langer toe ven toe. Weldra gaan zij er dan ook toe over om de noodige toebereidselen te maken. Zij reinigen het lijk van het bloed, waarmede het ten gevolge der doorgestane geeseling, kroning en kruisiging is besmeurd, en wasschen het volgens het bestaande gebruik (Hand. IX : 37) Hierop wordt hut, na wellicht door het verbranden van myrrhe en aloë berookt te zijn, neder gelegd op den sindon, een grooten lijkdoek van wit Egyptisch linnen. Niet minder dan honderd ponden myrrhe en aloë zijn door den vermogenden en odel-moedigen Nikodemus ter eere van zijn geliefden Mees ter ten offer gebracht, en ofschoon wij niet juist het gewicht dezer hoeveelheid kunnen bepalen, moet het te oordeelen naar alle omstandigheden en naar de joodsche gebruiken vrij aanzienlijk zijn geweest. (1)

(1) Volgenz Jos. Antiq. XVII 3, 3 waren er bij de begrafenis van

-ocr page 528-

254

Myrrhe-hars, dat zeer kostbaar is en vooral afkomstig uit Arabië, wordt vermengd (1) met de aloë of het fijn gestooten hout der welriekende xylaloë, een boom uit Grelukkig Arabië. (2) Een goed gedeelte van dit drooge poeder wordt op en om het lijk in den sindon uitgestrooid. (Jo. XIX; 43) Vervolgens worden twee punten van den Sindon over de schouders heen op de borst neergehaald, terwijl van het benedengedeelte do beide zijden hierop over elkander worden geslagen (3) en met strooken lijnwaad om het lichaam vastgewonden. (4) De handen en voeten worden in afzonderlijke windsels gesloten (Jo. XI: 44), en het hoofd in een linnen doek, den zweetdoek, gehuld. Eindelijk als bezorgde en edelmoedige liefde alles aan het aanbiddelijke lichaam heeft gedaan, wat zij vermag, en alle bestaande gebruiken zijn in acht genomen, wordt het op eene baar gelegd en naar het graf gedragen.

In de onmiddellijke nabijheid van Golgotha, waar Christus gekruisd is, bevindt zich een hof, toebehoo-rende aan Joseph van Arimathea, en met boomen en verschillende gewassen beplant. quot;Wij moeten hem ons voorstellen ten westen van den kruisheuvel, (5) en

Ilerodes den Groote 500 dienaren, die specerijen droegen. Bij vele begrafenissen werden specerijen verbrand. (2 Par. XVI: 14) Over het algemeen waren de joden kwistig bij de begrafenis met reukwerken en specerijen, zoodat wij hier wel aan eene aanzienlijke hoeveelheid mogen denken. Bij de zalving te Bethanië door Maria is slechts spraak van één fond kostbaren nardus\' balsem, hier is spraak van honderd fond. Het berooken en bestrooien van het lijk, en verder hetgeen gebruikt werd aan het graf, maken deze hoeveelheid begrijpelijk.

(1) Mixtura Myrrhae et Aloës. (Jo. XIX: 39.)

(2) Herodot II : 8fl ; Plin. N. H. XII: 35.

(3) Vgl. Mc. XIV: 51, waaruit blijkt dat de Sindon een linnen onderkleed was. Dit blijkt verder Judit. XIV: 12,13. Prov. XXII: 24. Is. 111 : 23. Nog ziet men in warme landen de liedtn zich een vierkanten doek met de twee punten over de schouders halen, de twee zijden er over heen slaan en het geheel met een koord om het lichaam bevestigen.

(4) Vgl. Lc. XXiV ; 12. Jo. XX: 7. Ofh\'ma duidelijk van den Sidon onderscheiden.

(5) Gelijk de ligging in de kerk van het h. graf wordt aangewezen.

-ocr page 529-

255

daarvan, zoo als gebruikelijk is, door een muur gescheiden. In dien hof heeft de raadsheer, gelijk aanzienlijke joden dit deden, (Is. XXII: 16) voor zich een grafgewelf in de rots doen uithouwen. Het bestaat uit twee deeleu : cene binnenste grafspelonk met lagen ingang, die door een steen, welke er voorgewenteld wordt, wordt afgesloten, en een buitengewelf, (1) dat zich voor den ingang bevindt. (Jo. XX: 5, 11). Het is geheel nieuw, en niemand nog is er in begraven. Gelijk de Eengeboorne des Vaders in een maagdelijken schoot is afgedaald om het levenslicht te zien, zoo zal Hij ook als Eerstgeborene der dooden uit een maagdelijk graf tot een nieuw leven verrijzen. Het moet een waarborg te meer zijn, dat juist Hij en geen andere uit dit graf is opgestaan.

Hier wordt dus door de bereidwillige vergunning van Joseph het lichaam des Heeren heen gebracht, en ook het vergevorderde uur van den dag laat niet toe, het nog voor den Sabbath elders te voeren. In de binnenste spelonk is eene langwerpige steenen bank uitgehouwen in de rots. Hierop wordt de nog overgeblevene myrrhe en aloë als bederfwerend middel uitgestrooid. Ware het niet reeds te laat in den avond, gewis de getrouwe dienaressen, die Jesus bij zijn leven zoo overvloedig van hare goederen hebben medegedeeld en hier tegenwoordig zijn, zouden zich niet met dit huldebetoon vergenoegen en ook hare reukoffers aanbrengen. Nu moeten zij haar liefdewerlr tot na den Sabbath verschuiven, om alsdan, hetgeen hare edelmoedige liefde niet genoegzaam acht, volijverig te voltrekken. Het lijk des Verlossers wordt alzoo zonder meerdere toebereidselen op de gezegde plaats nedergelegd.

Het moet indrukwekkend geweest zijn, dien begrafenisstoet, die het van Grolgotha tot hier zwijgend en

(1) Men noemt dit heden de kapel des engels, die aldaar aan de vrouwen verscheen.

-ocr page 530-

256

treurig heeft vergezeld , daar om die donkere grot geschaard te zien, waarop de zon hare laatste stralen ne-derschoot. Welke sombere droefheid ligt over aller gelaatstrekken uitgespreid, waar het lijk van den hoogst Geliefde de donkere rot-holte wordt binnengedragen ! Met welke innige belangstelling naderen allen, Jesus\' heilige Moeder, Maria Magdalena, Maria van Kleophas, Salome, en de overige dienaressen des Heeren, benevens (Petrus?) Joannes, Joseph van Ari-mathea en Nikodemus de plaats , waar \'s Heeren lichaam onder de dooden zal rusten. Zij verwijderen zich niet, voor aleer de treurige plechtigheid voleindigd en de steen voor den ingang gewenteld is.

Zwijgend gaan eindelijk de twee edelmoedige raadsheeren heen, vol treurige gedachten over de voltrokkene misdaad, vol nadenken over den dood van dien onschuldige, dien zij ook nu nog als den Messias vereeren, doch met het leed verzachtende bewustzijn , volgens hun beste vermogen Hem nog dezen liefdedienst te hebben bewezen.

Hoe is thans Jesus\' heilige Moeder gestemd? Ook zij neemt afscheid van dat dierbare graf, cm met Joannes en de overigen huiswaarts te keeren. Hoe eenzaam gevoelt zich nu haar moederhart! Hoe herdenkt zij met weemoed alles, wat Jesus als Zoon en als God voor haar is geweest! Hoe klinkt haar nog zijn laatste woord vol kinderlijke oplettendheid in het oor! Hoe rijst haar nog het beeld van dat bleeke, doorwonde, bebloede lijk voor den geest! En hoe gevoelt zij al hare vreugde , hare lusten , hare liefde met dat lijk van haren beminden Zoon in Josephs graf begraven 1 Al die gedachten bestormen haren geest; al die aandoeningen vervallen haren geschok-ten boezem, terwijl zij, afgemat door de doorgestane bitterheid van zooveel wee en als ontzenuwd , nu de langdurige spanning van zoo zware opoffering is geweken, langzaam en zwijgend van Golgotha terug-

-ocr page 531-

257

keert, om langs dezelfde poort het snoode Jerusalem binnen te gaan, waar langs zij het dien morgen heeft verlaten.

Nog twee dienaressen van Jesus kunnen van den Heer, den Vriend harer zielen, niet scheiden. Zij toeven daar, zittende tegen over het H. graf. Maria Mag-dalena en Maria van Kleophas hebben aanschouwd, waar hun geliefde Meester is begraven, en wanneer allen den hof reeds hebben verlaten, en de stilte des doods rondom haar heerscht, en de schaduwen der boomen donkerder en donkerder worden, dan zitten zij daar nog neder, het oog onafscheidbaar gevestigd op het graf. Treurig zijn hare herinneringen! treurig het verlies van den zoo innigen geliefden Meester, Wiens lijk daar rust in die grot! treurig hare vooruitzichten, waarin niet de minstehoop van het wederzien zich mengt. Doch otschoon de gedachte der opstanding haar vreemd blijft, toch hebben zijne wreede folteringen en schandelijke kruisdood haren eerbied voor den gezagvollen Leeraar, hare bewondering voor den machtigen Wonderdoener, hare liefde voor den Vriend en Weldoener harer zielen, haar geloof aan zijne onschuld, heiligheid en waarachtigheid niet geschokt. Wat kost het haar, wanneer de avond meer en meer valt, en het donkerder wordt om haar heen, eindelijk op te staan en afscheid te nemen van dat graf, dat zij zoo noode verlaten, dat hare liefde blijft bezitten en dat voor haar onvergetelijk zal zijn (1)!

§ 5. Het heilig graf.

Nu Jesus\' aanbiddelijk offer was voltrokken, on Hij

(1) Anderen vatten het verhaal van Mattheus niet op, als of deze twee vrouwen nog nederzaten tegen over het graf, nadat Joseph was heen gegaan, maar zoo, als of zij nedeizaten tegen over het graf, terwijl Joseph het lijk in het graf legde en den steen daarvoor wentelde. Zij brengen het overeen met Lc. XXIII: 55. Doch is het wel zoo waarschijnlijk, dat terwijl de anderen toezagen, hoe Jesus daar neergelegd werd, deze vrouwen op een afstand gereten waren om van daar toe te zien ?

17

Het üffci- van J. C. II

-ocr page 532-

258

om de zonden des menschcn aan het kruis was gestorven, nu moest ook volgens den profeet Isaïas zijne verheerlijking een aanvang nemen. Reeds bij zijne begrafenis moest zulks blijken. Dit geeft Isaïas uitdrukkelijk te kennen met deze woorden: en men he stemde zijn graf hij de hoosdoeners, doch hij een rijke ivas Hij in zijn dood , want nimmer had hij onrecht gepleegd, en nooit was bedrog in zijnen mond. (1)

Zeker een bepaalde voorspelling! Alles doet verwachten, dat de begrafenis aan den schandelijken dood zal gelijken. De overpriester, de hooge raad, het volk verlangen zulks. Pilatus kan Hem, Dien hij heeft laten kruisigen, niets beters toewenschen; de apostelen zijn heengevloden, en de getrouwen, die Jesus tot op Golgotha zijn gevolgd, zijn onvermogend. Wat blijft dus over, dan dat Hij met de misdadigers, waarmede Hij aan het schandhout heeft gehangen, zal worden begraven? Maar Gods Voorzienigheid heeft het geheel aniers bepaald. De schuldelooze, de Heilige, de Zoon van God moet, nu het uur der duisternis voorbij is, niet langer miskend worden. Geheel onverwachts treedt uit den hoogen raad een tot nu ongekend leerling des Heeren op. Hij, die tot nu bevreesd was voor de joden, heeft den moed om zich dadelijk na Jesus\' kruisdood openlijk voor Hem te verklaren, voor dien verworpen kruiseling naar Pilatus te gaan, de begrafenis van dien geschandvlekte persoonlijk bij te wonen en te doen bewerkstelligen, en eindelijk zijn eigen nieuw en nog ongebruikt graf aan Hem af te staan. Kan hij wel schooner getuigenis geven aan Jesus\' onschuld en Hem wel nadrukkelijker vereeren als den Messias en Grondlegger van het Godsrijk, dat hij had verwacht ? Doch vooral kan wel de voorspelling van Isaïas tegen alle verwachting in juister in vervulling gaan : men bestemde

(1) Aldus letterlijk naar het Hebreeuwsch; de vulgaat is hier onduidelijk, en moet in dien zin worden opgevat.

-ocr page 533-

259

Hem met de goddeloozen een graf en met den rijke was hij in zijn dood, want nimmer had Hij onrecht gepleegd, en nooit loas hedrog in zijnen mond ?

Nog eene tweede voorspelling van Isaïas aangaande ditzelfde punt, die de eerste nog nader toeliclit, wordt hier verwezenlijkt. Zij is deze: en zijne rustplaats {zijn graf) zal heerlijk zijn (Is. XI: 10). Nadat namelijk de profeet gewezen heeft op den Messias als den grooten afstammeling van Jesse (XI: 1) op Wien de H. Geest zal atdalen en rusten (XI: 2; Mt. III: 16), Die een rijk zal stichten vol rechtvaardigheid, waarheid en heil (3—9), roept hij uit: en ten dien dage zal zijn de wortel van Jesse, die staat als een krijgsbanier voor de volkeren; tot Hem zullende heidenen zich wenden, en zijn graf zal heerlijk zijn. (10) De afstammeling uit Jesses wortel, de Zoon van Maria, zal ten dage der stichting zijns rijks door zijn kruis als krijgsbanier zegevierend optreden voor het oog aller volkeren, om door het kruis over hen te heerschen (vgl Rom.XV : 12). Van de aarde verhoogd, zal Hij alsdan alles tot Zich trekken (Jo. XII: 32). De heidenen zullen zich tot Hem wenden, en van den dag zijner kruisiging af op Hem beginnen te hopen. En gelijk Hij door zijn kruis als krijgsbanier zal heerschen, zoo zal ook zijne rustplaats, zijn graf, heerlijkheid zijn.

Zijn graf zal heerlijkheid zijn, als rust na den bangsten strijd, die ooit is gestreden, als eindpaal van vernedering en smart, als teeken, dat het groote zoenoffer voor het heil der wereld is volbracht. Zijn graf zal heerlijkheid zijn, omdat het Hem door de klaarblijkelijke tusschenkomst der Voorzienigheid is bereid, en Joseph van Arimathea het werktuig is om Hem dadelijk na zijn dood buiten alle verwachting als schuldelooze en Messias te vereeren. Zijn graf zal heerlijk zijn door de teedere liefde zijner vrienden, hunne standvastige trouw, hunne edelmoedige offers. Ja! hier neemt zijne verheerlijking een aanvang; hier zullen de

-ocr page 534-

260

engelen Hem dienen als hun Koning; hier zal aan zijn lichaam Goddelijke luister, onlijdelijkheid en onsterfelijkheid worden geschonken; hier zal Hij opstaan als de almachtige Vorst van leven en dood. Hier zal de Eerstgeborene uit de dooden ons de stellige hoop schenken onzer toekomstige verrijzenis uit den slaap des doods, en ons het beeld toonen onzer toekomstige verheerlijking. Ja 1 zijn graf zal heerlijkheid zijn als gedenkteeken der voltrokken verlossing, als blijvende herinnering aan Jesus\' zoendood, als immerdurende getuigenis zijner Godheid. Als zoodanig zal het opgeluisterd worden door de vereering, de liefde, de offers, de bedevaarten van die duizenden en duizenden pelgrims, die gedurende den loop der eeuwen uit alle oorden der wereld zullen samenvloeien om de plaats te zien, waar zij den Heer gelegd hehhen.

Inderdaad het kon niet anders, of een oord, geheiligd door Jesus\' dood, begrafenis en verrijzenis moest reeds van den beginne de vereering van Jesus\' volgelingen ondervinden. Toen door de nederdaling des H. Geestes de kerk haren Goddelijken bruidegom eerst recht had leeren kennen en beminnen, toen kon zij voorzeker die plaatsen niet vergeten, die haar Let sprekendst aan zijne liefde herinnerden. Zoo min als zij Bethlehem vergaten, vergaten zij ook den kruis-heuvel en het heilig graf, slechts door een afstand van 110 voeten van elkander gescheiden. (1) Toen Keizer Konstantijn zich tot het Christendom had bekeerd, en in geheel zijn rijk den Christelijken godsdienst ten krachtigste bevorderde, toen stelde hij het zich ook ten taak, hiertoe opgewekt door de H. Helena, deze heilige oorden, welke Adrianus, door er een Venus-tempel op te bouwen, ontheiligd en aan de vereering der geloovigen onttrokken had, aan de godsvrucht der Christenen met allen luister terug te schenken.

(1) Zie hiervoor Hoofdst. IX; § 1.

-ocr page 535-

261

Terwijl dien ten gevolge de grondslagen van den heidenschen tempel geheel en al werden weggegraven, werd de heilige gratspelonk, (1) die nog bestond en

(l) Bij deze gelegenheid willen wij ook even stil staan bij hetgeen Tobler aangaande de ontdekking van het H. Graf en het H. Kruis in het midden brengt.

Hij wil, dat de kerkelijke schrijvers vooreerst niet zouden overeenstemmen ia hun verhaal omtrent hetgeen keizer Adriaan aangaande den Golgotha en het H. Graf heeft verricht. Eenparig echter verhalen Rufinus (I: 7), Sozomenus (3, 1), Socrates (1, 13), Theodoretus (1, 16), Nicephorus Callistus (2, I), Ambrosius (in ps. 47), Hieronymus (epist. ad. Pauliu.), Paulinus (epist. ad. Sever) en Eusebius, dat ten tijde van keizer Adrianus het H. Graf en de Golgotha, die er aan grensde, onder het puin werden bedolven en daarboven een afgodstempel werd opgericht. Dat zij hier in bij-omstandigheden met elkander in strijd zouden zijn, is zelfs op verre na niet bewezen. Eusebius zegt, dat een Venusbeeld boven het graf werd opgericht, volgens zijne bedoeling namelijk, boven de plaats, waar het graf zich bevond. In dien zin opgevat stemt hij zeer goed overeen met Ambrosius, die zegt dat de plaats des lijdens, die wij Calvarie noemen, na verandering van naam Venerarium is genoemd naar het beeld van Venus, dat daar was opgericht. Het is duidelijk dat wij hieronder Calvarië Golgotha met het aangrenzende graf kunnen verstaan. Dat nu een Venus-beeld zich hier bevond, sluit niet uit, dat tevens een Jupiters-beeld was opgericht, zoo als Paulinus schrijft. Hadrianus meenende, dat hij het Christelijke geloof door de ontheiliging der plaats zou vernietigen, wijdde op de plaats des lijdens aan Jupiter een standbeeld toe. Het meest nauwkeurige bericht echter vinden wij bij Hieronymus, die bij de plaatsen zelve woonde en met de gebeurtenissen zeer goed bekend was. «Van Adrianus\' tijdenquot;, zegt hij, »tot aan de keizerlijke regeering van Konstantijn, ongeveer 180 jaren werd op de plaats der opstanding een beeld van Jupiter en op de rots des kruises een manneren beeld van Venus, door de heidenen daar geplaatst, vereerd.quot; Ik zie niet, waarom gezegde schrijvers met elkander hier in strijd zouden zijn.

Hetzelfde geldt aangaande de ontdekking van het H. Graf. Eusebius, Socrates (1, 13), Theodoretus (1, IB), Rufinus (1, 7), Ambrosius (orat in funere Theod.), Paulinus, Hieronymus, Cyrillus van Jerusalem erkennen eenparig, dat ten tijde van Konstantijn het H. Graf des Heeren en dus ook de daarbij liggende Calvarie-heuvel werd ontdekt en wel zoo, dat op die zelfde plaats een prachtige basiliek werd gebouwd, waar al spoedig eene menigte bedevaartgangers heen stroomde, zonder dat een enkele stem in die eerste tijden zich verhief om de echtheid der plaatsen te betwisten.

Dat gezegde schrijvers versdüllen zouden ten aanzien van het deel.

-ocr page 536-

262

duidelijk in de rots was uitgehouwen, tot groote vreugde der Christenen ontdekt. (Euseb. Vita Const. Ill; 25) Nu gelastte de keizer den H. Macarins, bisschop van Jerusalem, eene kerk te bouwen, die in grootte en schoonheid alles zou overtreffen. Hij stelde ten dien einde het gezag van Dracilianus, bestuurder van dat wingewest, verantwoordelijk om hetnoo-dige aantal werklieden te verschaffen, en de H, bisschop had slechts eene opgave te doen van de kolommen en marmers, die de keizer hem. zou toezenden.

De H. Helena op bijna 80 jarigen leeftijd deed zelve de bedevaart naar het h. land, om bij dit groote werk tegenwoordig te zijn, In 326 werd de bouw begonnen, en in 334, toen de H. bisschop Macarius stierf, voleindigd. Het was eene kerk met vijf beuken. Het middelschip, op hooge zuilen steunend, was naar het westen gekeerd, Het liep uit in een half rond, dat door twaalf kolommen, met groote zilveren vazen versierd, was afgesloten, en het heilige graf, in de rots gehouwen, omgaf. Eusebius en de overige bisschoppen der toenmaals te Tyrus gehouden synode,

wat Konstantijn, de H. Helena en de bisschop Macarius in deze gebeurtenissen hadden, neemt vooreerst niet weg, dat zij in de hoofdzaak allen overeenstemmenquot; Buitendien is de tegenstrijdigheid slechts schijnbaar, omdat niet elk der schrijvers alle omstandigheden vermeldt. De opvatting van Theodoretus kan ons het best tot leiddraad dienen om het geheele verhaal te ordenen. De keizer vernam, dat de afgodendienaars het graf des Zaligmakers met puin bedekt en ontheiligd hadden, en gaf het bevel den Venus-tempel af te breken en het puin weg te ruimen. Helena (volgens Rufinus en Ambrosius door goddelijke visioenen opgewekt) reisde op hoogen leeftijd naar Jerusalem om over de volvoering van dit bevel te waken. Het heiligdom kwam door haar toedoen in het daglicht. Zij werd hierin bijgestaan door den H. Macarius, bisschop van Jerusalem, voor welken zij een brief van wegens haar zoon den keizer had medegebracht.

Het blijkt wel niet, dat door de H. Helena en den H. Macarius bijzondere onderzoekingen werden gedaan omtrent de eenzelvigheid der gevonden grot met het graf van Christus, doch deze waren na al hetgeen vooraf was gegaan en bij de verrassende uitkomst der opsporing tamelijk overbodig.

-ocr page 537-

263

die bij de inwijding in \'t jaar 335 tegenwoordig waren, zijn hiervan gezagvolle getuigen.

De gelieele kerk aan de binnenzijde prijkte met veelkleurig marmer. De vloer was van gepolijsten steen. Het geheele dak was overdekt ter beschutting met lood, terwijl het plafond, met snijwerk versierd, door rijke vergulding aan de kerk een bijzonderen luister bijzette.

De kerk was zoo ruim, dat zij én het H. graf, of de plaats der verrijzenis, anastasis genoemd, omsloot, en tevens den kruisheuvel of bet martyrion. Van daar wordt de basiliek door de oude schrijvers nu eens de kerk van het H. kruis of martyrion dan weder anastasis genoemd. Volgens Antonius was de Golgotha 80 schreden van het H. graf verwijderd; (1) en wij kunnen hieruit den omvang van het gebouw eenigzins opmaken. Het was een gebouw, waardig om het eerst onder de Christelijke kerken den naam van basiliek te dragen; het was waarlijk een koninklijke tempel, met koninklijke edelmoedigheid aan den gekruisigden en verrezen Koning van het Godsrijk gesticht.

Helaas! dat die prachtige basiliek later zoo treurig moest verwoest worden! In het jaar 614 rukte in den oorlog tegen het Oostersche keizerrijk de Persische veldheer Sarbarazes met een machtig leger op bevel van Chosroëz II Parwiz tegen Jerusalem op. In Junij bestormden de Persen de H. stad. Bijgestaan door 26,000 joden, verwoestten zij in hun dweepzieken haat tegen de Christenen eerst de kerken in Gethse-mani en op den Olijfberg, en later ook de schoone basiliek van Konstantijn. 90,000 Christenen, zegt men, verloren hierbij het leven; het ware kruis werd de buit der Persen, en de patriarch Zacharias werd gevangen naar Persië gevoerd.

(1) Zie H. Valesii epistola ad amicum de aoastasi et martyrio Hiero-solymitano in edit, histor. Eccles.

-ocr page 538-

264

Modestus, abt van het Theodosius—klooster, ondernam, tijdens de gevangenschap van den patriarch, dien hij was opgevolgd, de vernielde basiliek weder op te bouwen. Ten dien einde verzamelde hij liefdegiften in Syrië en in Egypte. Toen de ïï. Joannes, patriarch van Alexandrië, zulks vernam, zond hij 1000 werklieden en aanmerkelijke sommen. De bouw werd begonnen in het jaar 616 en voleindigd in het jaar 626. Toen nu in 623 Chosroëz, na herhaaldelijk door keizer Beraclms verslagen te zijn, door zijn oudsten zoon Siroës was vermoord, en een voordeelige vrede door de Christenen was gesloten, bracht de keizer in persoon het H. Kruis in de nieuwe basiliek terug.

Slechts kort mochten de Christenen hunne vrijheid genieten. In het jaar 637 maakte Omar aan het hoofd der Muselmannen zich reeds van Jerusalem meester, en sedert dien tijd zijn de heilige plaatsen schier altijd in het bezit der volgelingen van Mohamcd geweest.

De kerk, door Modestus gebouwd, werd in 670 bezocht door den franschen bisschop Arkulf en door hem beschreven (1), vervolgens in 728 door Willibald van Eichstadt, en eindelijk in 870 door den kloosterling Bernard. Deze laatste zegt, dat zij bestond uit vier kerken, namelijk de rotonde van het heilig graf, ten oosten daarvan de Kalvarieberg, de zoogenaamde basilika op de plaats der kruisvinding, en eindelijk de Maria-kerk ten zuiden, die alle door muren met elkander verbonden waren. (2) In de tiende eeuw werd deze kerk tweemaal in brand gestoken door de Mohamedanen, en in 1010 onder den derden Kalif Hakem Biarilli door Hiarot, gouverneur van Jilamia, tot op den grond verwoest. (3)

(1) Adamannus, de situ locorum sanctorum I. 2.

(3) Bernard. Itinerar anu. 170.

(3) Willem van Tyrus I. 4. Glaber van Clugny hist, sui temp. I. 3.

-ocr page 539-

265

De kerk van Modestus werd 37 jaren na hare verwoesting gevolgd door eene derde kerk, die door patriarch Nicephorus met bewilliging van Hakems zoon op kosten van den keizerlijken fiscus werd gebouwd, en in 1055 voltooid. Deze werd in het midden der twaalfde eeuw onder de kruisvaarders vervangen door eene vierde kerk, welke al de afzonderlijke kapellen, die niet onder een dak waren vereenigd, omsloot. Zij verkreeg nagenoeg den vorm, dien zij nog heden bezit.

Op het laatst der 12de eeuw (1187) geraakte zij onder Saladin weder in het bezit der Museltnannen, en bleef met tusschenpoozen in hunne handen tot 1305. In dat jaar kocht Koning Robert van Sicilië met zijne gemalin Saucia van de Saracenen voor 32000 dukaten de kapel van liet heilig graf, de Lieve Vrouwe kerk in het dal Josaphat en de kerk van Christus\' geboorte te Bethlehem. Dit godvruchtige echtpaar stelde deze heiligdommen onder het beheer der kinderen van den H. Franciscus, die van 1342 af zonder verdere onderbreking Mis lazen bij het H. Graf. Tot op den dag van heden geniet die orde het groote voorrecht en de eer de H. plaatsen te bewaken.

De kerk der kruisvaarders bleef bestaan tot in 1808, toen zij grootendeels afbrandde. De Grieken herbouwden haar voor eigen kosten op de oude grondslagen, doch in \'t geheel niet met de vroegere schoonheid. Zij benuttigden de gelegenheid, om ten spijt der Latijnen zich de meeste heiligdommen toe te eigenen en de grafteekenen van Godfried van Bouillon en de kruisridders te verwijderen.

Deze korte schets van de opeenvolging der verschillende kerken toont ontegenzeggelijk aan, dat nooit het aandenken der plaatsen, waar Jesus stierf en begraven is, is verloren gegaan. De eenzelvigheid der plaatsen wordt door de ononderbrokene overlevering van schier negentien eeuwen buiten twijfel gesteld, vooral

-ocr page 540-

266

indien wij letten op den korten tijd, die er telkens tusschen de verwoesting en den wederopbouw der kerken verstreek, op het groote getal bedevaartgangers, die als getuigen kunnen gelden, en op de betrekkelijke ligging der plaatsen.

De voornaamste kapellen, die men heden :n de kerk nog ziet, zijn dan ook de oorspronkelijke. Het is vooreerst de kapel der kruisvinding, waar het H. kruis werd opgedolven onder toezicht der H. Helena, nadat het drie eeuwen begraven was geweest. Zij ligt 21 voeten beneden den quot;loer der kerk, en behoort gedeeltelijk aan de Katholieken. De aartshertog van Oostenrijk, Ferdinand Max, vond hier in 1855 niets dan een houten altaar met kruis. Hij zond in 1857 een marmeren altaar met een bronzen beeld der H. Helena, dragende het kruis. Een relikwie van het H. kruis, omzet met diamanten, werd door den aartshertog aan de bewaarders van hot H. graf geschonken, ten einde op de hooge feestdagen ter vereering te worden uitgesteld in het bronzen kruis, door de heilige gedragen. De kapel is een vierkant van 45 voeten lengte, iets minder breedte en 16 voeten hoogte.

Het tweede heiligdom, dat meer in het bijzonder onze aandacht verdient, is de Kalvarieberg. De Golgotha heeft thans eene vlakruimte van 42 vierkante voeten lengte en 18 voeten breedte. Hier bevinden zich twee kapellen, die der kruisiging en der kruis-planting; zij vormen een dubbelschip met een boog op twee zware kolommen in het midden. De zuidelijke kapel, namelijk die der aannageling, behoort aan de Latijnen, de noordelijke aan de Grrieken. De geheele kapel is langs de wanden met bloedrood marmer bedekt. Drie teekenen in den vloer wijzen de plaats der drie kruisen aan; die waar Jesus\' kruis heeft gestaan, is door een zilveren steen gekenmerkt. Een weinig daameven ziet men in den grauwen kalksteen nog de scheur, die bij Jesus* dood door het splijten der Grol-

-ocr page 541-

267

gotha rots werd veroorzaakt. (1) Vroeger was zij met koper, thans is zij met zilver ingelegd. Rondom de plaats, waar het kruis stond, leest men thans op eene zilveren plaat in het Grieksch: HIER WERKTE GOD, ONZE KONING, VOOR EEUWEN HET HEIL IN HET MIDDEN DER AARDE. Daarboven verheft zich een schitterend met zilverplaat beslagen altaar, onder welks tafel men zich bukt om de plaats, waar het kruis eens stond, te kussen. Aan het gewelf der kruiskapel hangt een zevenarmige lichtkroon uit platina , een geschenk van den Czaar , en daar rondom een krans van gouden en zilveren lampen. De gewelven dezer twee kapellen zijn een der oudste gedeelten van de grafkerk en hebben sedeit 8 eeuwen schier geene verandering ondergaan. Daarneven ziet men eene kleine kapel van de Moeder der smarten, die aan de Latijnen behoort.

De derde kapel eindelijk, die vooral onze aandacht verdient, is de kapel van het H. graf. Zij vormt onder den grooten koepel het hoog altaar der geheele kerk. Deze kapel bestaat uit drie deelen, namelijk: eenewoor-plaats, van waar men in de kapel des engels treedt, en eindelijk het heilig graf. De geheele kapel der opstanding, gelijk zij door de oosterlingen wordt genoemd, heeft 100 schreden in omvang.

Het middengedeelte, de kapel des engels, heeft half zooveel schreden in omvang, eene lengte van 26, eene breedte van 18 vosten. Het bevindt zich juist onder de lichtopening van den grooten koepel. Inwendig is zij 17 voeten lang en 10 voeten breed. Men treedt er binnen langs eene kleine deur.

De eigenlijke grafkapel is inwendig slechts 7 voeten voeten lang en 6 voeten breed. Zij is overwelfd door een koepeltjen, dat uitwendig de hoogte heeft van 50 voeten. De deur, die er toegang toe verleent, is

(1) Zie hierboven bl. 229 de 1ste aant.

-ocr page 542-

268

zoo laag, dat men zich moet bukken om binnen te gaan. Aan de rechterzijdo daarbinnen is een marmeren tafel, die drie voeten en 1 duim hoog ligt, en 5 voeten 11 duimen lengte, en 2 voeten 10 duimen breedte heeft. Zij bedekt het H. graf, waarin J. C. lag met het aangezicht en da voeten naar het westen gekeerd, en vormt het altaar, Op dit altaar prijken immer bloemen, die gedurig worden vernieuwd. Daarboven branden ook onophoudelijk veertig gouden en zilveren lampen. Al de wanden, zoowel hier als in de engel-kapel, in de voorplaats en aan de buitenzijde, zijn met geel en wit marmer overdekt.

De oorspronkelijke grotspelonk bestaat niet meer; zij werd onder Konstantijn bij het bouwen der basiliek gedeeltelijk gesloopt en door een grafge denkteeken vervangen. Nog was echter een groot gedeelte der rots gespaard; doch door de dikwerf herhaalde verwoesting en herbouwing in den loop der eeuwen is niets overgebleven dan een uitstekend stuk rots in de engel kapel en de nog niet twee voeten hooge rotsuitholling, waarin Jesus\' lijk heeft gerust onder de marmeren tafel van het H. grafaltaar.

Hier werd de Heer begraven ; hier zegevierde Hij over dood en hel; hier stond Hij luistervol en onsterfelijk op uit het H. graf. Nog wijst men in do engel-kapel een gedeelte van den steen, waarop de engel was gezeten, toen hij sprak; Hij is verrezen; Hij is niet hier; komt ,ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hebben (1)

(1) De identiteit van het H. graf en den Golgotha door den loop der eeuwen heen wordt breedvoerig aangetoond door Dr. Sepp. Jerusalem und das heilige Land, erster BandS. 319—4-04. Het bestek van mijn werk gedoogde slechts een kort overzicht te geven. Dit overzich: echter is reeds een afdoend bewijs onder zoo vele anderen voor de geschiedkundige zekerheid van Jesus\' lijden en dood en van zijne opstanding.

-ocr page 543-

269

§ 6. De wacht hij Jesus\' graf.

Mt. XXVII. 62-66.

Jaar der J. P. 4742 ; na R. St. 782; Gew. Jt. 29.

Vrijdag, 15 Nisan ; 18 Maart.

Jesus\' vijanden hebben gezegepraald. Hun toeleg is volkomen gelukt, en hoe groot het verzet van Pilatus ook is geweest, zij hebben den Romeinschen landvoogd weten te overwinnen. Geen geringe moeite heeft het hun gekost. De gehaten Nazarener is gestorven aan een kruis. Zijn dood is niet twijfelachtig. Zij moest natuurlijk volgen op de doorgestane geeseling en kruisiging, gevoegd aan al de mishandelingen, die Hij had geleden. Het getuigenis van Joseph van Arimathea en van alle Jesus\' vrienden stelde haar buiten twijfel. Zij werd volkomen bevestigd door den hoofdman en de krijgsknechten, die de wacht bij het kruis hadden gehouden. Nieuwe krijgsknechten verzekerden zich van dien dood. Zij achtten het noodeloos, Jesus\' boenen even als die der moordenaars te verbrijzelen, omdat al de teekenen des doods aanwezig waren. Ten overvloede gaf men Hem den genadestoot, en doorstak men Hem het Hart, zoodat er water en bloed uit vloeide. Daarna werd Hij begraven. Dit alles hadden de Pharisëen met zorg gade geslagen, en zij hadden de volle zekerheid, dat Hij, Wiens toenemende invloed hun zoozeer een doorn in het oog was geweest, uit den weg was geruimd.

Toch zijn zij nog niet volkomen gerust, Zij hebben bemerkt, dat twee hunner mede-raadsleden Hem eene eervolle begrafenis hebben bezorgd. Zij zijn getuigen geweest, hoe Jesus\' bekenden en vrienden aan dat sprekend eerbewijs hebben deelgenomen en dat hierdoor hunne wederrechtelijke handelwijze voor het oog van het gansche volk is afgekeurd, Tevens herinneren zij zich Jesus\' stellige verzekering omtrent zijne toekomstige opstanding: breekt dezen tempel af,

-ocr page 544-

270

en in drie dagen zal ik dien weder ophouwen. — Gelijk Jonas drie dagen en drie nachten in het lijf van het zeemonster was, zoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten in den schoot der aarde zijn (Jo. II : 19; Mt. XII : 40) Daarom meenen zij, dat verdere voorzorgen en waakzaamheid niet overtollig zullen zijn.

De dag na de voorbereiding heeft reeds een aanvang genomen. Doch ofschoon het reeds Sabbath is, en de avond gedaald, (1) meenen de overpriesters en Phariseën, die tot Jesus\' vijanden behooren, niet te moeten rusten, en komen zij nog ter beraadslaging bijeen. Hun besluit is ijlings genomen. Het lijk des Heeren is nog binnen het bereik van Jesus\' vrienden. Om te voorkomen, dat dezen het lijk zouden wegvoeren, en alle geruchten omtrent eene opstanding onmogeliik te maken, is het afdoendste middel naar hunne meening, Jesus\' vrienden van het graf verwijderd te houden, en hiervoor zorg te dragen door het gestrenge toezicht eener wacht.

Om dit te kunnen bewerkstelligen, vaardigen zij eenigen naar Pilatus af. Bij den landvoogd toegelaten doen dezen hem het volgende verzoek: Heer! wij hebben ons herinnerd, dat die verleider, terwijl hij nog lesfde, gezegd heeft: na drie dagen zal Ik verrijzen. Gebied derhalve, dat het graf beioaakt worde tot op den derden dag, ten einde zijne leerlingen niet komen en hem wegstelen en aan het volk zeggen: hij is uit de dooden verrezen. En de laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste. Het korte en afgemetene antwoord van Pilatus was : hebt eene wacht (2) ƒ gaat heen en bewaakt het, zoo als gij het verstaat.

De joden, verheugd over den gunstigen uitslag van

(1) De gewoonte der joden om den aanvang der dagen te rekenen van den vooravond, en het doel van Jesus\' vijanden wettigen deze opvatting. Vgl. Mc. XVI: Luc. XXIII: 54.

(2) Men kan het Grieksche woord opvatten in de gebiedende wijze, en deze is, naar mij toeschijnt, de natuurlijkste zin. Men kan het echter ook opvatten in de aantoonende wijze, en de zin is alsdan waarschijnlijk deze : uw verzoek is toegestaan, gij hebt eene wacht tot uwe beschikking.

-ocr page 545-

271

hun verzoek, ijlen naar het graf. Zij laten gewis niet na het nauwkeurig te onderzoeken, toe te zien dat het lijk aanwezig is, en zich op elke wijze tegen bedrog te verzekeren, (vgl. v. 64) Zij verzegelen vervolgens in het bijzijn der krijgsknechten den steen, die tot sluiting der grafspelonk dient, door er koorden over heen te slaan, (1) en deze met zegelleem (2) aan bet graf te bevestigen, en er bet zegel of bet merkteeken van den boogen raad op te drukken. (3) De wachters ten getale van zestien, die elkander bij viertallen gedurende de vier nachtwaken moeten aflossen, krijgen eindelijk een dringend bevel, toe te zien, dat niemand bet zegel scbende en het graf opene. Eerst nu verwijderen zij zich, en meenen niets meer te moeten duchten.

Doch boe deerlijk vergissen zij zicb ! Wat vermag de menscbelijke wijsheid tegen God? Hoe meer voorzorgen zij hebben genomen, des te meer beschaming hebben zij zicb bereid. Wie aanbidt niet de aanbiddelijke Voorzienigheid, die de sluwste raadslagen der boozen dienstbaar weet te maken aan bare eeuwige plannen ? Naarmate Jesus\' dood vaster en stelliger is verzekerd, en zijn graf strenger is bewaakt, naar die mate zal ook bet wondervolle feit der verrijzenis ontegenzeggelijker zijn bevestigd en schitteren voor aller oog met onmiskenbaren glans.

Even als Bisping, acht ik het minder aannemelijk, dat hier door de wacht de wacht der Romeinsche dienstknechten zou zijn verstaan, die op de groote feesten de orde in den tempel moesten handhaven.

(1) De verzegeling des grafs geschiedde of door koorden over den grafsteen te slaan, en deze koorden dan met zegelleem aan het graf te bevestigen; of, wanneer voor den grafsteen nog een balk geschoven was, dezen met zegelleem aan het graf te hechten.

(2) Van zulk zegelleem is spraak Job. XXXVIII: 14. Vgl. Mischna Sabbath VIII. 5. Zie Daniël XIV: 11. gewag gemaakt Van het verzegelen eener deur.

(3) Vgl. 3 Kon. XXI; 8. Job. XIV : 17. Op de zegels en zegelringen waren of figuren of letters gegraveerd.

-ocr page 546-

TERUGBLIK.

God is de hoogste en onbeperkte Heer van alles, wat buiten Hem bestaat, van al het geschapene. Ook de mensch moet Hem als zoodanig erkennen, en hel ligt in den aard der zaak, dat de mensch de dankbare en liefuevollo erkenning en verheerlijking van Gods onbegrensde heerschappij over zich en het geschapene niet slechts tot inwendige gevoelens zal bepalen. Hij zal het oneindige recht, dat God als Opperheer heeft over hem en al liet geschapene trachten, uit te drukken door uiterlijke daad. Van daar dat wij den mensch reeds van den beginne zichtbare gaven aan God zien brengen, en die gaven door slachten, uitgieten, verbranden, verteren, zien vernietigen, om aan den eenen kant Gods hoogste heerschappij over alles, zelfs over het leven, en aan den anderen kant \'s menschen volkomene onderwerping aan die heerschappij zinnebeeldig en daadwerkelijk te veraanschouwelijken. Zulke zichtbare gave, die aan God wordt aangeboden en tot zeker punt vernietigd, om daar door Gods heerschappij uiterlijk en openlijk te erkennen, is een offer in den eigenlijken en strengen zin van dit woord. Van daar dat alleen aan God offers worden gebracl.t, en dat deze ds hoogste uitdrukking zijn van aanbidding en eeredienst jegens God. Van daar dat de offers aan-biddings-, dank-, zoen- en smeekoffers kunnen zijn, volgens dat de mensch de majesteit van God als Opperheer, of ook de onverschuldigde gave van uien Opperheer wil erkennen, of de beleedigingen zoekt te herstellen, dien Opperheer aangedaan, of nieuwe gunsten

-ocr page 547-

273

van Hem verlangt te verkrijgen. Is de menscli van nature maatschappelijk , dan is ook zijn ofïer, zal het volkomen zijn, van nature maatschappelijk, en zal hij in vereeniging met de leden der maatschappij , waartoe hij behoort, door gemeenschappelijke daad God als Opperheer erkennen. De maatschappij dus , als zij godsdienstig is , zal aan haren Schepper en Stichter offers brengen, en zich hierin door een of meerdere personen doen vertegenwoordigen , die het offer in haren naam God zullen aanbieden. Zulke vertegenwoordigers van eene maatschappij of van een volk bij God noemen wij priesters.

Tot dus verre beschouwden wij het offer en den gemeenschappelijken offeraar of priester slechts uit een natuurlijk oogpunt. Doch God heeft de natuur reeds van den beginne door de genade der openbaring volmaakt, en deze volmaking betreft ook het offer en het priesterschap. Gelijk Hij de wet der natuur reeds door de openbaring van het oude verbond juister omschreef en door de openbaring van zijn mensch geworden Zoon tot de hoogste volmaaktheid opvoerde , zoo heeft Hij ook het offer en priesterschap, waarvoor de grondslagen reeds in \'s menschen natuur aanwezig waren, onder de oude bedeeling nader geregeld en tot hoogere beteekenis gewijd , en in het nieuwe verbond in en door J. C. op bovennatuurlijke wijze tot het toppunt der volkomenheid gebracht. Onder zijne aanbiddelijke leiding waren de wet, hare offers , haar priesterschap eene afschaduwing der toekomstige goederen, tot dat eindelijk in Christus\' offer en priesterschap de schaduw week voor de waarheid.

In het oude verbond was er volgens Gods verordening slechts één hoogepriester , waardoor de eenig ware hoogepriester, J. C. werd afgebeeld , die in het nieuwe verbond optreden moest. Nam niemand zelf zich die eere , maar wie van God geroepen wordt even ais Aaron , ook Christus heeft niet Zich zeiven ver-

18

liet Offer van J . C. U

-ocr page 548-

274

heerlijkt om koogejniester te worden, maar die tot Hem sprak: gij zijt mijn Zoon, Ik heb u lieden geteeld , gelijk hij ook op eene andere plaats zegt; gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde van Mei chisedech (Hcbr. V : 4—6). De hoogepriesters van h \'t oude verbond waren meerderen in opvolging , omdat zij door den dood verhinderd weiden aan te blijven, doch Christus heeft, omdat Hij in eeuwigheid blijft, een eeuwigdurend priesterschap (Hebr. VII: 23). Genen hadden noodig, zich te heiligen en voor zich zeiven te offeren voor de zonden (Hebr. V; 3) , doch de Hooge ■ priester der nieuwe wet is de Heilige der heiligen , de Schuldelooze , de Onbevlekte , de van de zondaren afge.scheidene, de aan de rechterhand Gods boven de hemelen verhevene, Die niet noodig heeft eerst voor eigen zonden slachtoffers op te dragen (Hebr. quot;VII: 26—27). Onder het oude verbond ging de hoogepriester in den naam van Israël eenmaal \'sjaars in het heilige der heiligen tot den troon der genade , die zich boven de arke bevond , daar het de bediening des priesters is, het volk bij God te vertegenwoordigen (Hebr. V; 1; IX: 7). Zoo ook is Jesus , de eeuwige Hoogepriester in de volheid der tijden eens voor al in het Heilige der heiligen of den hemel binnengegaan , om daar voor ons te verschijnen voor het aangezicht Gods (Hebr. IX; 24), en als eenig Middelaar van het nieuwe verbond voor den waren genadetroon zijne tusschenkomst bij den Vader ten onzen behoeve te doen gelden. (Hebr. IX: 14 vgl. IV: 15,16) En vertegenwoordigde de Hoogepriester van het oude verbond het geheele volk van Israël, ook J. —C. trad op bij zijnen Vader als algemeen hoogepriester in naam van het geheele menschelijke geslacht.

Doch een Hoogepriester is niet slechts vertegenwoordiger eu voorspreker des volks , hij is ook offeraar en gesteld om offers en giften op te dra gen (Hebr. VIII: 3) ; daarom was het ook noodig,

-ocr page 549-

275

dat Christus niet zonder offer zou zijn. (ibid.) Trad de Hoogepriester van het oude verbond niet binnen in het Allerheiligste dan na eerst daar buiten te hebben geslaühtofïerd, en droeg hij het bloed van het slachtoffer voor bet aanschijn Gods,, ook Christus is door een grooter en volmaakter tabernakel, niet met handen gewrocht, dat is, niet van deze schepping, en niet door bloed van bokken of kalveren maar door zijn eigen bloed eenmaal ingegaan in het heiligdom, hebbende eene eeuwige verlossing gevonden (Hebr. IX: 12). Daarom zegde Hij, in de wereld komende, volgens den H. Paulus : slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar een lichaam hebt Gij Mij toebereid ; brandoffers voor de zonden behaagden U niet! Toen heb Ik gesproken ; zie, Ik kom — aan het hoofd der boekrolle staat het aangaande Mij geschreven —

om te doen uwen wil, o God.....In welken wil wij

geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Jesus eenmaal (Hebr. X ; 5—10).

Zoo heeft J. C. Zich zeiven naar de menschelijke natuur door den heiligen Geest onbevlekt aan God opgeofferd, (Hebr. IX ; 14) en is Hij Hoogepriester en slachtoffer tevens, het eerste door de vrije daad zijns gees-tes, het tweede d- or het lijden en den dood zijns lichaams. Als Hoogepriester vermag Hij alles bij den Vader, daar Hij Diens eeniggeboren en welbeminde Zoon is, en is Hij tevens vol liefde en medelijden voor de menschen, daar Hij hun broeder is in zijne aangenomen natuur, en in alles den broederen gelijk geworden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hooge -priester zou zijn bij God, om de zonden des volks te verzoenen. Want daardoor, dat Hij zelf geledon heeft en beproefd is geworden, kan Hij ook hen, die beproefd worden, ter hulp komen (Hebr. II: 17, 18).

De beproeving en het lijden van dien Goddelijken Hoogepriester gaan dan ook alle gedachte te boven. Zijne Goddelijke ziel was ten prooi aan de akeligste

-ocr page 550-

270

vrees, de somberste droefenis, de uiterste verlatenheid. Zijn apostelen vloden van Hem weg, Petrus verloo-chende Hem tot driemaal, Judas verried Hem voor dertig zilverlingen door een kus, en zijn volk vergold zijne ontelbare en onwaardeerbare weldaden met den bittersten ondank. De onverzettelijke haat zijner vijanden, de schreeuwende onrechtvaardigheid zijner rech ters, de onmenschelijke wreedheid zijner beulen spanden saam om zijn leed ten top te voeren. De beroo-ving van alle zijne goederen en zijne armoede gingen zoo verre zij gaan konden; naakt, terwijl men zijne kleederen verdeelde, hing Hij aan het kruis. Green spijs, geen drank, geen verkwikking gewerd hem den ganschen dag zijns lijdens. Van zijne vrijheid beroofd, werd Hij gekneld door de hardste ketenen. De bij-tendste beschimping, de smadelijkste bespotting, de diepe vernedering beneden een Barabbas, de onvergelijkelijke schande des kruises tusschen twee booswich ten, waren zijn deel. Green schoonheid, geen vorm, geen gezondheid bleef aan zijn heilig lichaam. Tallooze wonden, de grootste vermoeienis, dorst, drukking, krampen en pijnen veroorzaakten Hem een allerhevigste smart, die eindelijk besloten werd door een allertreurigsten dood. Neen, geen lijden op aarde was ooit gelijk aan dit lijden in verscheidenheid, in felheid, in aanhoudendheid en omvang.

Is de Hoogepriester oneindig heilig, den Vader hoogst welgevallig en tevens voor den mensch vol liefde en barmhartigheid, ook het slachtoffer, dat Hij opdraagt, heeft oneindige waarde bij God, en heeft de hoogste beteekenis bij den mensch. Het is een vlekkeloos en maagdelijk lichaam, vereenigd met de Goddelijke natuur in den persoon des Woords, en ontvangen van den H. Geest. Dat lichaam is het levende , heilige , welbehagelijke slachtoffer, dat onze Goddelijke Hoogepriester den Vader heeft aangeboden ten liefelijken geur. Door dat heilige en Goddelijke lichaam, dat Hij aannam

-ocr page 551-

-gt;77

uit onze natuur, van den aanvang zijns levens tot in den dood op te dragen, heelt onze Goddelijke Hoogepriester als ons Hoofd en in onzen naam de oneindige opperheerschappij zijns Vaders over alles, over leven en dood, openlijk en plechtig, op de uitdrukkelijkste wijze erkend. De opdracht van dat Goddelijk offerlam stelt volkomen in het licht, hoe de mensch door zich zeiven niet in staat is om de ontelbare en grenze-looze goedheden des Heeren te vergelden, en hoe de liefdegaven des Vaders slechts waardig door den mensch kunnen beantwoord worden, wanneer onze Goddelijke Hoogepriester dat onwaardeerbare slachtoffer tot dank en blijk van wederliefde aanbiedt. Dat aanbiddelijke offerbloed, aan het kruis geplengd, wascht en reinigt ons van onze zonden; want indien het bloed van bokken en stieren, en de assche van een jonge koe, besprengende, de ontreinigden heiligt ter zuivering des vleesches, hoe veel te meer zal het bloed van Christus, Die door den H. Geest Zich zeiven vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten zuiveren van doode werken, om te dienen den levenden God (Hebr. IX; 13—14). Door dat onvergelijkelijk offer is onze Hoogepriester een alvermogend Middelaar bij den Vader ; om voor ons alle heil teverwerven, hebben wij een voorspreker bij den Vader, J. C., den Rechtvaardige (IJo. JI: 1), en zal de Vaderons alles geven, wat wij in Diens naam zullen vragen. Engelen en heiligen vermogen niets voor ons dan door zijne alvermogende tusschenkomst, en uitsluitend in Jesus\' naam is er voor ons heil.

Dat schuldelooze slachtoffer voor ons opgedragen aan het kruis is ook voor ons van de hoogste be-teekenis. Het openbaart ons de ontzettende boosaardigheid, de verfoeielijke afzichtelijkheid, en de oneindige schuld der zonde. In den offerdood van Jesus zien wij op de sprekendste wijze, tot welke afschuwelijke snoodheid de zonde kan voeren, zoodat zij zelfs niet

-ocr page 552-

278

terugdeinst voor den scliandelijken en wreedaardigen moord van ceu Grodinensch. Hier heeft de Vader ons allertastbaarst doen gevoelen, hoe de zonde de uiterste afschuwelijkheid is in zijn Goddelijk oog. Zoo zeer is zij in strijd met zijne oneindige Majesteit, met zijne grenzelooze lieiligheid, met al zijne aanbiddelijke volmaaktJieden, dat geen boete van schepselen kon opwegen tegen de oneindigheid barer schuld, en alleen Gods menschgeworden Zoon een genoegzame voldoening voor die ellendige beleediging aan zijne Goddelijke Rechtvaardigheid kon aanbieden. Ja, zoo afgrijselijk en zoo noodlottig is de zonde in het oog van den driewerf heiligen God, dat zijn eengeboren Zoon Zich niet heeft willen vergenoegen op de overvloedigste wijze voor haar te voldoen, waartoe reeds een enkele druppel van zijn Goddelijk bloed in staat ware geweest, maar dat Hij zelfs het weergalooste lijden om de zonden heeft willen verduren, en daardoor met den hoogst mogelijken nadruk toonen, dat geen enkel kwaad ter wereld, hoe groot dan ook, in vergelijking kan komen met de zonde. „Erken, o mensch!quot; roept hier de H. Augustinus uit, „hoe zwaar die zonden zijn, voor welke het noodig is, dat Christus de Heer gewond werd. Indien deze niet ten dood en ten eeuwigen dood waren, zou de Zoon van God nimmer om ze te genezen, den dood hebben verduurd.quot;

Door dit heilige en nooit volprezen offer, stelt onze Goddelijke Hoogepriester ons de schitterendste voorbeelden van allerlei deugden voor oogen. Hier gaat Hij ons voor in de hoogst en innigst mogelijke Gods-vereering, in onbogrunsde nederigheid, in allertreffendste zachtmoedigheid, in de iillervolmaakste gehoorzaamheid, in de hoogst mogelijke liefde jegens zijne broederen, in algeheele zelfverloochening en in het heldhaftigste en standvastigste geduld. Vooral door zijn geheel eenig lijdensoffer noodigt onze Goddelijke Hoogepriester ons tol deze laatste deugd. Door zijn

-ocr page 553-

279

ontzettend lijden en dood heeft liet lijden der aaide voor den menscli van zijne vreoselijkheid verloren, is bet tot zeker punt beminnelijk geworden, heeft het verdienstelijkheid vorkregen, is liet vergoddelijkt. Voortaan zou elke lijder een lotgenoot van den God-menseh zijn, en is hotgeec hij heeft te verdragen slechts een druppeltje bij de onafzienbare zee van smarten, waarin Deze gedompeld was. Elke lijder kan het lijden beschouwen als eene eer, daar Christus door zijne smart elke smart met eere heeft bekleed; als eeu middel tot heiligheid, daar de schoonste deugden in navolging van Jesus er door worden geoefend en volmaakt; als een rijke bron van verdiensten, want gelijk de H. Paulus leert, indien wij met Kem lijdeni zullen wij met Hem verheerlijkt worden, en het lichte en kortstondige onzer smarten zal boven mate een eeuwig gewicht van glorie in ons bewerken (Rom. VIII: 18), Ja de H. Petrus roopt ons toe : wanneer gij deelt in de smarten van Christus, verheugt u, want hetgeen der eer, en des roems, en der kracht Gods is, berust op u (I Petr. IV : 13).

Leert ons het slachtoffer, dat onze Goddelijke Hoo-gepriester opdraagt, hoezeer wij met alle kracht, die in ons is, er naar moeten streven om den oneindig Heiligen God te behagen, het openbaart ons mede Gods grenzelooze liefde. Is de slachting van het vlek-kelooze Lam Gods aan het kruis tusschen twee booswichten een zoo diepe atgrond van vernedeting, dat onze geest niet vermag dien te peilen, oneindig groot is dan ook de liefde, waaruit die grenzelooze vernedering is vo irtgevloeid. Hier geeft Gods edelmoedige liefde alles, ook het leven, voor een nietig schepsel, voor een ellendigen zondaar. Hier stort Gods teedere liefde tranen en bloed over ons droevig ongeluk. Hier strekt Gods innig minnende liefde drie uren lang onder onuitsprekelijke smart de armen uit tot de zondige wereld, om haar uit te noodigen tot verzoening.

-ocr page 554-

280

tot liefde, tot heil. Hier heeft Hij, Die rijk was iu barmhartigheid, om de al te groote liefde, waarmede Hij ons beminde, terwijl wij dood waren door de zonden, ons levend gemaakt door Christus (Ephes. II; 4).

Dat hoogst heilige slachtoffer, aan het altaar des kruises door onzen Groddelijken Hoogepriester opgedragen , heeft ons de grootste goederen verworven. Het heeft ons op de eerste plaats met God verzoend. Jesus Christus zelf, zegt de H. Joannes, is de verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor onze zonden maar ook voor die der geheele wereld (I Jo. II: 2). Toen wij vijanden waren, zegt de H. Paulus, werden wij met God verzoend door den dood zijns Zoons (Rom. V: 10). Christus maakte vrede.... verzoende ons met God door het kruis, terwijl Hij de vijandschap door (quot;de overgave van) Zich zeiven doodde (Eph. II: 15, 16).

Door dat heilig offer heeft Jesus ons van de macht des duivels en de eeuwige verdoemenis verlost. Hij is de Middelaar tusschen God en de menschen, Dio Zich zeiven voor allen ten losprijs gegeven heeft ^1 Tim. II; 5, 6). Wij zijn dus vrijgekocht, niet voor vergankelijke dingen, zilver of goud, maar voor het dierbare bloed van Christus, het vlekkelooze en onbesmette Lam (I Petr. 1; 19). God heeft ons niet bestemd tot toorn (tot verdoemenis) maar tot het erlangen der zaligheid, door onzen Heer J. C. Die voor ons gestorven is (I Thess. V: 9). Om onze zonden werd Hij gewond, om onze ongerechtigheden werd Hij verbrijzeld ; de tuchtiging voor onzen vrede rastte op Hem, en door zijne striemen gewerd ons genezing (Is. LUI: 5). Hij heeft alzoo over de helsche machten gezegevierd (Col. II: 15), en den vorst dezer wereld uitgeworpen (Jo. XII: 31—32).

Onze Goddelijke Hoogepriester heeft door dat heilige offer ons den hemel geopend. Wij bezitten de voorgestelde hoop. zegt de H. Paulus, als een anker der

-ocr page 555-

281

ziel, dat zeker is en sterk, en ingaat tot binnen het voorhangsel, waar als voorlooper Jesus voor ons is ingegaan, naar de orde van Melchisedech ïïoogepries ter geworden in eeuwigheid (Hebr. VI: 20). Wij hebben vertrouwen , door bet bloed van Christus in het allerheiligste, fden hemel) binnen te gaan, waarheen Hij ons een nieuwen en levenden weg bereid heeft door het voorhangsel, dat [is door zijn vleesch (Hebr. X: 20.)

Eindelijk, het offer des kruises is voor ons eene onuitputtelijke bron van genade en zegeningen geworden. Door één offer heeft onze Goddelijke Hoogepriester in eeuwigheid voltooid, die geheiligd worden (Hebr. X: 14). God heeft ons dien ten gevolge gezegend met allen geestelijken zegen, met hemelsche gaven in Christus (Eph. ] : 3). Door de onuitsprekelijke genade van J. C., zegt de H. Leo, hebben wij meerdere en grootere goederen erlangd, dan wij door den nijd des duivels verloren hadden (Serm. 1 in Ascens.) Door J. C. hebben wij namelijk de volheid der genade, dei-gaven, en der gerechtigheid ontvangen (Rom. V; 2(1).

Zoo is het offer van onzen Goddelijken Hoogepriester, aangevangen in zijne ontvangenis en voleindigd aan het kruis, de hoogste en eenig waardige verheerlijking voor God, en voor ons het eenig en onuitsprekelijk heil. Echter opdat het zulks wezenlijk viior den mensch zij, moet de mensch dit offer tot het zijne maken, zich toeeigenen, het mede opdragen, en er aan deel nemen. In de eeuwen vóór Christus geschiedde dit door de offers, welke God had verordend, om het eenige, ware, en Gode waardige offer zijns Zoons af te beelden (Hebr. X: 5). Deze offers hadden op zich zelve geene waarde, en zij strekten hun, die zo opdroegen, alleen tot heil door het geloof\' aan den beloofden Verlosser, quot;Wiens offerdood zij afbeeldden, en om Wiens wille zij God welgevallig waren, Indien men op de dingen ziet, zegt de H. Au-

-ocr page 556-

282

gustinus, wier afschaduwing zij zijn, kan daarin reiniging van zonden gevonden worden (fpiest super Nmner. L. IV: (j. 25). Indien echter d(3 geloovigen voor Christus op die wijze ook al zondenvergitïeuis en recht vaardigheid verwierven door het geloof aan den toe-komstigen Verlosser, zoo was deze heiliging eene figuurlijke. (1) Zij, die met de vereisehte gesteltenis offerden, ontvingen namelijk slechts om wille van Christus\' offer, hetgeen door hunne offers werd afgebeeld, rechtvaardigmaking, ofschoon eerst na de werkelijke opdracht en voltrekking van dat verlossingsoffer de volle uitwerkselen dier rüehtvaardigmaking, zooals het aanschouwen van Gods aanschijn en de intrede in den hemel, hun zouden geworden. Hoe toch, vraagt de H. Leo , konden die voorafbeeldingen en verborgen geheimenissen zalig maken, wanneer niet Christus, hetgeen voor lang en geheimnisvol was beloofd, door zijne aankomst vervulde (Serm. XXIV. C. 1)?

Voor hen, d e in de eeuwen na Christus zouden leven, is het Eucharistisch offer een der door Christus verordende middelen om zich het kruisoffer van den Goddelijken Hoogepriester des nieuwen verbonds toe te eigenen. In het Euch iristisch offer wordt, gelijk Christus het op den vooravond van zijn dood beschikte, het offer des kruises gedurig op nieuw aan de geloovigen tegenwoordig gesteld , ter mede opdracht aangeboden, en in zijne verdiensten en vruchten ter deelneming en toeoigening geschonken. In de H. Mis is hetzelfde slachtoffer aanwezig volgens Jesus\' uitdrukkelijk getuigenis, dat op G-olgotha is opgedragen, namelijk Jesus\' eigen lichaam, dat toen voor ons ten dood is overgeleverd, Jesus\' eigen bloed, dat voor ons is vergoten. En ook dezelfde Hoogepriester, Die dat slachtoffer opdroeg aan het kruis, treedt hier door de bediening der priesters op om ons tot ge-

(1) Sanctlfic itio crat fiyuralis. S. Thomas Ac[uin. Vgl. Pviir.. sec. q. 103 a 2.

-ocr page 557-

283

tuigen, medeofferaars en deelnemers der voortgezette opdracht van dat aanbiddelijke slachtoffer te maken. Dit drukt de algemeene kerkvergadering van Trente uit met deze sclioone woorden : Deze onze Wod en Heer dus, ofschoon Hij eenmaal op hot altaar des kruises Zich zeiven door tusschenkomst van zijn dood den Vader zou opdragen, om daar eene eeuwige verlossing te bewerken, heeft, omdat door den dood zijn priesterscliap niet moest te niet gaan, in het laatste avondmaal zich tot priester volgens de orde van Melchisedech aangesteld verklaard, en zijn lichaam en bloed onder de gedaanten van brood en wijn aan God zijnen Vader opgedragen, opdat Hij aan de Kerk, zijne geliefde bruid, gelijk \'s menschen natuur eischt een zichthaar offer zoude nalaten, waardoor dat bloedige, dat aan het kruis ging voltrokken worden, zou worden tegenwoordig gesteld, en zijne gedachtenis tot aan het einde der wei eld zou blijven, en zijne heilzame kracht ter vergeving der zonden, die dagelijks door ons worden bedreven, zou icorden toegepast. (S . XXII . c. \\).

Zet Christus op aarde door dat onbloedige offer het verlossingswerk tot aan de voleinding der eeuwen voort, ook in den hemel houdt Hij als eeuwige Hoogepriester den Vader de verdiensten zijns offers voor, en toont Hij Hem in zijn gewond lichaam het. Lam, dat geslacht is voor de zonden der wereld. Deze ia de leer van den H. Paulns, als hij zegt: tot Hoogepriester hebben wij zulk eenen, die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in den hemel als offerdienaar van het heiligdom en van het ware tabernakel, dat de Heer heeft opgericht, niet eon mensch. quot;Want ieder Hoogepriester wordt aangesteld om giften en offers op te dragen; waarom het noodzakelijk is, dat Deze ists hebbe om op te dragen (Hebr. VUI: 1 — 3). En welk ander ofb r zou dit zijn, dan het jffer zijns hruises, waardoor Hij als Hooge-priester het allerheiligste of den hemel is ingegaan ?

-ocr page 558-

284

Dit geeft ook de H. Joannes te kennen in het boek der openbaring. Hij zag in het midden van Gods boven alles verheven troon een Lam staan, als gedood zijnde geweest. En een nieuw lied werd aangeheven ter eere van dat Lam, of het verheerlijkte slachtoffer des kruises : Heere! gij zijt waardig hot boek te nemen en zijne zegels te openen, want gij zijt gedood gewoi\'den, en hebt ons voor God met uw bloed gekocht (Openb. V. 6—10). Geen ander dan dit is gewis de oneindige en welbehagelijke offergave, die de eeu wige Hoogepriester in naam der verloste heiligen den Vader in den hemel zal aanbieden.

Zoo verwerft de eeuwige Hoogepriester door de kracht van het offer, dat Hij voleindigde aan het kruis, verlossing en genaden voor al de tijden en volkeren hier op aarde, zaligheid en heerlijkheid voor de uitverkoornen, die met zijne genade medewerkten, in eeuwigheid.

Donker waren de nevelen, die bij liet akeligste lijden, dat de aarde ooit aanschouwde, de Zon der gerechtigheid voor een wijle omsluierden. Vreeselijk somber was de duisternis van smaad en smart, waar achter zij zich verschool. Doch haar Goddelijke glans op zich zelve nam niet af, en zelfs eenige luistervolle stralen doorboorden den treurigen sluier, die haar bedekte, en verrieden nog altijd hare onverminderde en onbeschrijfelijke heerlijkheid. Waren de nevelen som ber, zij grepen slechts plaats voor een wijle, om zich op te lossen in een weldadigen en heilzamcn dauw, die het aardrijk overvloedig zou bevruchten. Eerlang verschijnt die weergalooze Zon op nieuw voor ons oog in de volheid van haar grenzeloozen luister, om nooit meer onder te gaan en alom het leven te wekken.

-ocr page 559-

INHOUD

VAN HET

DERDE DEEL

2de HOEK.

HOOFDSTUK I.

GETHSEMANI.

Jesns verlaat Jerusalem en komt te Gethsemani.

Mt. XXVI: 30—36 ; Mc. XIV: 26—32 ;

Lc. XXII: 39 ; Jo. XVIII : 1.

Bladz.

a) Do lofzang ; h) tijdsbepaling wanneer Jesns Jorusiilom verlaat, c) het dal Cedron; d) twee bruggen over de beek van dien naam; e) voorafbeelding van Jesus door koning David, die eens dienzelfden weg ging; ƒ) Jesus voorspelt andermaal de ontrouw zijner leerlingen; g) profetie van Zaeharias XIII: 7.; h) de verloochening van Petrus wederom aangekondigd ; i) Petrus en al de apostelen betuigen op nieuw hunne trouw;

Je) de vallei van Josaphat; Z) Gethsemani; van waar deze naam ? m) de grot van den doodstrijd ; n) de olijfboomen van den hof; o) vergelijking tusschen Eden en Gethsemani ; p) Jesus laat acht zijner leerlingen aan den ingang.....6—12

Droefenis m geheel van Jesus.

Mt. XXVI: 37—44; Mc. XIV; 33—40;

Lc. XXII: 40- 42.

a) Jesus begeeft Zich met Petrus\' Joiinnes en Jakobus verder den hof in ; b) Jesns\' droefenis en angst; c) Jesus beveelt zijnen apostelen het

-ocr page 560-

II INHOUD.

Bladz.

^ebe J auu, 011 begeeft Zich tot het gebed,(Z) Jesus werpt Zich plat ter aarde neder; é) Jesus\' gebed;

zijn zin en beteekenis; ƒ) Jesus\'onderdanigheid bij dit gebed; g) Jesus vindt zijne leer lingen slapende ; h) Jesus\' vermaning tot waakzaamheid en gebed ; i) Jesus beaeeft Zich ten tweeden male tot het gebed ; Tc) Jesus vindt zijne leerlingen ten tweeden male slapende . 12—20

§ 3. Jesus\' derde bede ; Hij zweet bloed , en wordt versterkt door een engel.

Mt. XXVI; 44 ; Lc. XXII; 43—44.

a) Jesus leert ons door zijn derde bede, dat wij moeten volharden bij het gebed ; b) Jesus\'

droefenis en angst stijgen ten top ; c) doch ook zijn gebed wordt vuriger; d) Jesus zweet bloed; e) Jesus wordt versterkt door een engel naar het lichaam; f) waarom Jesus aldus heeft willen versterkt worden ; g) bronnen van Jesus\' angst en droefenis; h) deugden door den Heiland hier beoefend ; i) het gebed van Jesus in Gethsemani is de aanvang, opdracht en toewijding van zijn zijn lijdensoffer . . . 20—2ü

§ 4. Het verraad van Judas.

Mt. XXVI: 45—55 ; Mc. XIV : 41—49 ; Lc.

XXII: 45—53; Jo. XVIII: 2—11.

a) Judas ontvangt van den hoogepriester Kaïphas de noodige macht om Jesus gevangen te nemen ; b) het was wet bij de Romeinen , dat niemand in de wingewesten zonder hunne vergunning mocht worden gevangen genomen, c) de hooge raad heeft dus waarschijnelijk Pi-latus om deze vergunning en om een voldoend getal krijgsknechten verzocht; d) uit welke personen de menigte bestond, die Jesus gevangen kwam nemen ; e) hunne toerusting ; ƒ) geleide en voorafspraak van Judas; g^ Jesus wekt zijne apostelen ; K) ontmoeting van den Heer en zijn verrader; i) Judas omhelst Jesus ;

-ocr page 561-

INHOUD.

k) Jesus\' klachte; l) Jesus verplettert zijue vijanden door een enkel woord ; m) Jesus vraagt ten tweeden male zijne vijanden , Wien zij zoeken ; m) Hij gebiedt, zijue aposti\'lon te laten gaan ; o) Petrus houwt liet oor van Mal-chus af; p) Jesus berispt hein en geneest het afgehouwen oor ; q) Hij berispt de hoofdleiders der bende ; j-) de uuv der duisternis

Gevangenneming des Heer en; vlucht dei\' leerlingen ; voorspelling van Isa\'ias en Jeremias.

Mt. XXVI: 50, 50; Mc. XIV : 46, 50—52;

Lc. XXII: 54 ; Jo. XVIII; 12.

a) Jesus wordt, gevangen genomen; h) de apostelen nemen de vlucht; c) de krijgsknechten grijpen een jongeling, die hun zijn linnen onderkleed laat en ontvliedt; d) Jesus\' verlatenheid ; e) voorspelling van Isaïas; f) verklaring ; g) voorspelling van Jeremias XI : 18—20 on verklaring............\'ÓS—44

HOOFDSTUK II.

ANNAS EN KAÏPIIAS Jesus voor Annas.

Mt. XXVI: 57 ; Mc. XIV : 53 ; Lc. XXI: 54 ;

Jo. XVIII; 13—14: 19-23.

a) Jesus nadert Jerusalem en wordt gevoerd naar Annas; h) wie was Annas ; c) Annas ondervraagt Jesus; d) \'s Heeren antwoord;

e) zijne waarheid, zachtmoedigheid, rechtvaardigheid ; f ) een der gerechtsdienaren geeft Jesus een kaakslag; g) Micheas hierin het beeld van Christus ; h) Jesus beschaamt den gerechtsdienaar ; i) Annas zendt Jesna tot Kaïphas 45—52

III

Bladz.

-ocr page 562-

INHOUD.

Bladz.

Eerste verloochening van Petrus, terwijl Christus zich voor Annas bevindt.

Mt. XXVI: 57—68 ; Mc. XIV ; 53—G8 ; Lc. XXII: 54—57; Jo. XVIII: 15—19.

a) Petrus en Joiinnes waren Jesus gevolgd ;

h) het paleis van Kaïphas ; c) Joiinnes verschaft aan Petrus toegang tot het paleis ; d) Joiinnes begeeft zich naar de gerechtzaal, en Petrus verblijft bij hot kolenvuur om te zien, hoe het met Jesus zou eindigen ; e) vraag der deurbewaarster ; f) Petrus\' eerste verloochening . . . 52—55

§ 3. Jesus door Kaïphas ter dood veroordeeld.

Mt. XXVI: 59—66 ; Mc. XIV : 55—64 ;

Jo. XVIII: 24.

a) Jesus voor Kaïphas; h) de rechters zookon een voorwendsel om den Heer ter dood te ver-oordoelen ; c) do valsche getuigenissen tegen Christus ingebracht zijn onvoldoende; dj twee valsche getuigen brengen eene meer gewichtige beschuldiging tegen den Heer in ; e) doch ook deze is niet eensluidend en buitendien valsch ;

f) vraag van Kaïphas; g) Jesus zwijgt; h)

Kaïphas bezweert Jesus, of Hij de Christus is,

do Zoon van den levenden God; Jesus antwoordt hierop bevestigend, on verklaart hun Verlosser, Eechter en God te wezen; k) Josus wordt hierop als godslasteraar ter dood veroordeeld; 1) onrechtvaardigheid van dit vonnis;

m) het hoogepriosterschap dor oude wet houdt op te bestaan ; n) Israël is niet langer meer het uitverkoren volk des Hoeren.....55—62

§ 4. Tweede en derde verloochening van Petrus.

Mt. XXVI: 71—75 ; Mc. XIV : 68—72 ;

Lc. XXII: 58—61; Jo. XVIII; 25—27.

a) Vraag der aanwezigen aan Petrus ; h) het eerste hanengekraai ; c) gezegde eener tweodo dienstmaagd bij de voorpoort; d) Petrus hierop

IV

§ 2.

-ocr page 563-

INHOUD.

weder aangesproken, loochent Jesus ten tweede malo onder eed ; e) Petrus, na een tijd in het voorportaal getoefd te Lebben, keert terug bij het kolenvuur ; ƒ) hij wordt aangewezen als een van Jesus\' leerlingen om zijn Galilesehen tongval ; ff) Petrus loochent Jesus ten derden male onder eed en verwensching ; A) de haan kraait ten tweeden male; i) Jests ziet Petrus aan ; 1c)

Petrus gaat naar buiten en begint te weenen .

§ 5. Christus bespot.

Mt. XXVI: 67- 68 ; Mc. XIV : 65 ;

Lc. XXII: 63—Üö.

a) Christus geboeid in een hoek van liet voorhof; b) bespotting; c) voorspelling van Isaïas, L: 6, 7 ; d) Jesus\' geduld; e) zijn verblijf in den kerker gedurendehet laatste gedeelte van dien nacht...........

§ 6. De vergadering van den hoogen raad in den morgen.

Mt. XXVII: 1; Mc. XV; 1; Lc. XXII: 66—71.

a) De hooge raad komt des morgens na de opdracht van hot morgenoffer bijeen ; ij rangschikking der raadsvergadering, die Christus moet oordeelen ; c) de geheel e gang dezer veroordeeling is onrechtvaardig; dj Jesus wordt ondervraagd, of Hij de Christus is ; e) Jesus\' antwoord, waardoor Hij onbewimpeld getuigt,

den Zoon van God te zijn; f) Jesus\' doodvonnis,

door al de aanwezigen bekrachtigd; g) redenen,

waarom God dit doodvonnis toeliet .... 71—79

HOOFDSTUK HL

JESUS TOOK PILATU3 EN HERODES.

§ 1. Jesus naar Pilatus gevoerd.

Mt. XXVII: 2 ; Mc. XV : 1 ; Lc. XXIII: 1 ;

Jo. XVIII: 28.

a) Jesus wordt naar Pilatus gevoerd, die

Het Offer van J. C. 11 li)

V

Bladz.

62—68

68-71

-ocr page 564-

Vi INHOUÜ.

Bladz.

waarschijnlijk vooraf verwittigd was; h) de bekrachtiging van het doodvonnis door den Romeinschen landvoogd was voorgeschreven ; c) stoet, die zich met Jesus naar den landvoogd begeeft; d) het pretorium of rechthui? ; e) wanneer deRomeinsche landvoogden zich te Jerusalem ophielden ; ƒ) karakter van Pontius Pilatus; g) tijdsbepaling; A) Jesus wordt binnengeleid in liet rechthuis, doch de leden van den hoogen raad weigeren in te gaan; l) schijnheiligheid der Phariseën, . . 79—85

§ 2. Judas\' uiteinde.

Mt. XXVII: 3—10.

d) Judas teleurgesteld in zijne verwachting dat Jesus niet ter dood veroordeeld zou worden ; b) hij biedt den overpriesters de 30 zilverlingen ter wedergave aan ; c) hun antwoord vol verachting ; d) Judas geeft zich over aan de wanhoop, en werpt het bloedgeld in den tempel : e) hij brengt zich om het leven ; f) de overpriesters koopen voor de 30 zilverlingen een akker van een pottebakker tot begraafplaats voor de vreemdelingen ; g) voorspelling van Jeremias XVIII: 2—G; h) en van Za-charias IX: 13; i) Judas verkondigt niet slechts Gods liefde maar ook Gods rechtvaardigheid ......•.....85—89

§ 3. Jesus voor Pilatus.

Mt. XXVII: 11—14; Mc. XV: 2—5;

Lc. XXIII: 2—7 ; Jo. XVIII: 29—30. a) Pilatus vraagt, welke de aanklacht tegen Jesus is ; b) de joden antwoorden op hoogen toon : c) Pilatus zegt hun, dien misdadiger te vonnissen volgens hunne eigen wet; d) de joden antwoorden, dat zij geen doodvonnis zonder vergunning van Pilatus mogen uitvoeren ; e) Pilatus, zoodra hij bemerkt, dat het een doodvonnis betreft, is niet gezind om het zon-

-ocr page 565-

IXHOUD\' VII

Bladz.

der onderzoek te laten voltrekken ; ƒ) de joden beschuldigen Jeans van oproer, verzet tegen de belastingen, en aanmatiging van het koningschap ; g) Pilatns ondervraagt Jesus aangaande zijn koningschap ; h) Jesus\' koningschap is niet van deze aarde ; i) Jesus is de Koning der waarheid en liefde; k) Pilatns breekt het verhoor af; l) hij verklaart den joden in Jesus geen schuld te vinden ; m) de joden beschuldigen Jesus nog heviger, doch Jesus zwijgt; n) Pilatus verneemt, dat Jesus uit Galilea is, en zendt Hem naar Herodes 90—97

§ 4. Jesus voor Her odes.

Lc. XXIII; 8—12.

a) Herodes Antipas ; b) paleis van Herodes te Jerusalem ; c) Jesus er heen gevoerd ; d) Herodes is verheugd Jesus te zullen zien ; e) hij ontvangt den Heer met praal en verlangt van Hem een wonder ; f) Jesus wel verre van een wonder te verrichten zwijgt; g) Herodes verbitterd laat Jesus bespotten ; h) hij zendt Jesus in een wit spotgewaad naar Pilatus terug ;

i) Pilatus en Herodes hierdoor onderling verzoend .............. 97—100

HOOFDSTUK IV.

JESUS DOOK PILATUS TEN DOOD OVEKGELEVEED.

§ 1. Jesus andermaal voor Pilatus. Barahhas.

Mt. XXVII; 15—23; Mc. XV : 6—14 ;

Lc. XXIII: 13—22; Jo. XVIII; 39—40. a) De joodsche overheden dringen met vernieuwde hardnekkigheid op Jesus\' doodvonnis aan ; b) tweestrijd van Pilatus; c) Pilatus verklaart Jesus te zullen kastijden en loslaten, daar Hij onschuldig is ; d) zwakheid en onrechtvaardigheid van dit voorstel; a) gebruik om met het Paaschfeest een gevangene los te laten ; f) Pilatus heeft juist drie groote boos-

-ocr page 566-

VIII IKIIOOD.

bladz.

wichten in den kerker, en besluit Jesus naast Barabbas, den misdadigste dier drie, ter loslating voor te stellen; g) onrechtvaardigheid van Pilatus bij deze daad ; h) waarschuwing van Pilatus\' echtgenoote ; i) de joodsche overpries-ters maken zich dit oponthoud van Pilatus ten nutte om het volk Barabbas\' vrijlating en Jesus\' kruisdood te doen eischen .... 101—107

§ 2. De geescling.

Jo. XIX: 1. Vgl. Mt. XXVII; 2G; Mc. XV: 15.

a) Pilatus laat Jesus geeselen, om Hem aan den kruisdood te onttrekken; èj Jesus wordt naar den geeselpaal gevoerd ; cj Jesus vastgebonden ; dj amp;e geeseling; ej de Zaligmaker heeft aldus in zijn vleesch voor de zonden des vleesches willen boeten......107—112

§ 3. De spotkoning.

Mt. XXVII: 27—30; Mc. XV: 16—19;

Jo. XIX: 2—3.

a) Jesus heengevoerd naar het binnenhof van het pretorium, waar Hij bespot wordt door de geheele bende; ij Jesus omhangen met een mantel, gekroond met doornen, ontvangt tot schepter een rietstaf; cj Hij wordt bespot als koning ; d) grootheid van Jesus bij deze diepe vernedering..........112 -116

§ 4. Jesus aan het volk voorgesteld en ter dood veroordeeld.

Mt. XXVII: 24—25 ; Mc. XV : 15 ;

Lc. XXIII: 23—25; Jo. XIX: 4—16.

a) Job in zijn lijden eene type van Christus ;

bj Pilatus brengt Jesus voor het volk ; cj ziet den mensch ; dj zwakheid van Pilatus ; ej de joden eischen met vernieuwden aandrang Jesus\'

dood ; f) Pilatiis neemt Jesus op nieuw in verhoor; gj Pilatus begeeft zich andermaal tot het volk met het plan om Jesus los te laten ; hj A.e

-ocr page 567-

INHOUD. IX

Bladz.

joden dreigen Pilatus de gunst des keizers te doen verliezen ; i) Pilatus geeft toe, en maakt zich gereed om het doodvonnis uit te spreken ; kj tijdsbepaling; IJ Pilatus wasclit zich de handen ; hij veroordeelt Jesus ten dood; nj het bloed van Jesus zou eens komen over het joodsche volk; oj ongelukkig uiteinde van Pilatus ; pj Jesus onrechtvaax-dig tor dood veroordeeld volgens de joodscho en Romeinsche wet . 116—126

HOOFDSTUK V.

DE KRUISIGING.

1. De ligging van Golgotha en de richting van den kruisweg.

aj Jesus, gelijk dit gebruikelijk was, is gekruist buiten do stad ; b) de plaats wordt door de evangelisten Golgotha genoemd; beteekenis van dien naam ; c) de reden, waarom zij ten tijde van Christus buiten do stad lag, is dat de 3e stadsmuur eerst na Christus dood is sre-bouwd; dj beloop van den 2dl:n stadsmuur ; e) overblijfselen van dien muur, welke duidelijk aantoonen, dat de Golgotha buiten Jerusalem gelegen was;/7 de grafkerk toch is op de plaats gebouwd, waar de Golgotha gelegen was ; dit bleek door de kruisen en het heilig graf, die men te dier plaatse vond; gj dit bleek nog meer door den Venustempel, dien Adrianus op de plaats van den Golgotha had gebouwd, en dien do H. Helena liet slopen ; hj voor Adrianus kon de plaats medo nist onbekend zijn; ij rieh-ting van den oorspronkelijken lijdensweg, die echter met meer bestaat; kj do plaats ^an den Golgotha boven allen twijfel verheven . . 126—-140

2. Jesus op loeg naar Golgotha: Hij ontmoet zijne heilige Moeder.

Mt. XXVII: 31; Mc. XV: 20; Jo. XIX; 16.

a) Jesus draagt al:., misdadiger zijn eigen

-ocr page 568-

X INHOUD.

Bladz.

kruis ; h) twee moordenaars vergezelden Hem;

c) de stoet, die zich bij hem aansluit; d) Jesus\'

eerste val onder het kruis ; e) ontmoeting met zijne H. Moeder; fj smart van Jesus\' H.

Moeder.............140—145

§ 3. Simon van Syrene; Veronica; de weenende vrouwen.

Mt. XXVII: 32 ; Mc. XV: 21 ; Lc. XXIII: 26—31; Jo. XIX: 17.

aS\' Jesus\' tweede val bij de Gennathpoort;

b) Simon van Cyrene geprest om Jesus\' kruis te dragen ; c) de christen moet met Jesus zijn kruis dragen; d) Verouika\'s liefdedienst; e) wie deze vrouw was ; f) wat zij ons leert; lt;7) de weenonde vrouwen van Jerusalem ; K) Jesus troost haar; ï) toepassing.......145—152

§ 4. Aankomst op Golgotha; de mijrrhewijn; de kruisiging.

Mt. XXVII: 83—34 ; Mc. XV : 22-23, 25; Lc. XXIII; 33 ; Jo. XIX: 17—18.

d) De derde val van Jesus onder zijn kruis ; h) de kruin van Golgotha ; c) de myrrhewijn ;

d) Jesus proeft, maar drinkt dien niet; e) Jesus\' ontkleeding; ƒ) vorm des kruises J^r) Jesus eerst aan het kruis vastgebonden ; K) de aannageling: i) tijdsbepaling; k) lof des

kruises.............152—159

HOOFDSTUK VI.

JESÜS\' KRUISDOOD.

§ 1. Jesus\' eerste kruiswoord.

Mt. XXVII ; 35 ; Mc. XV ; 24 ; Lc. XXIII ; 33—34 ; Jo. XIX : 18. a) Vreeselijke smart en schande van Jesus aan het kruis ; b) des ondanks bidt Hij voor

-ocr page 569-

INHOUD. XJ

Bladz.

zijne Tijanden ; c) Jesus\' liefde en barmbartig-heid bij deze bede; d) de bede zelf; e) Jesus is dooi1 die bede voor ons de Leermeester der vergevingsgezindheid ; ƒ) gevolgen van deze bede; g) vertrouwen, dat zij ons moet inboezemen ............ - . 160—164

Het opschrift des hruises; de verdeeling van Jesus\' kleederen; de bespottingen.

Mt. XXVII; 35—43 ; Mc. XV ; 24—32 ; Lc,

XXIII: 34-38; Jo. XIX.- 19—24.

d) Het opschrift des kruises in drie talen geschreven ; b) de joden verzoeken Pilatus te vergeefs dit opschrift te veranderen, c) hoe schoon de kruistitel in Jesus wordt bewaarheid; d) de krijgsknechten werpen het lot over Jesus\' kleederen ; e) de rok zonder naad ; ƒ) de krijgsknechten zitten neder tegenover het kruis ; g) zinnebeeldige beteekenis van den rok zonder naad ; h) de aanwezige joden bespotten Christus, vooral de overpriesters en schriftgeleerden ; i) de profeten hadden die bespotting voorspeld, en deze wijst bijgevolg in Jesus den Messias aan ; k) zij bevestigt Jesus\' wonderen; Z) en verheerlijkt Jesus\'opstanding ; ra) ook de krijgsknechten bespotten den Heer............164—175

Het tweede Tcruiswoord. Vergeving geschonken aan den goeden moordenaar.

Mt. XXVII: 44; Mc. XV: 32;

Lc. XXIII; 36—43

a) Jesus hangt aan het kruis tusschen twee misdadigers; b) de moordenaar aan Jesus\'

linkerzijde bespot mede den Heer; c) de goede moordenaar aan Jesus\' rechterzijde;

(Z) hij berispt den slechten moordenaar ; e) zijne bede vol geloof, hoop en liefde tot Jesus;

ƒ) Jesus\' antwoord; g) troost door Jesus\'beloften aan den goeden moordenaar geschon-

-ocr page 570-

INHOUD.

BI adz.

ken ; h) verschillend uiteinde van beide moordenaars .............17-5—183

§ 4. Het derde hruiswoord. Jeaus beveelt zijne heilige Moeder aan de zorg van Joannes.

Jo. XIX; 25—27.

d) Maria volgt Jesus tot aan Golgotha eu is getuige van zijne kruisiging ; b) hare wreede smart bij dezen aanblik ; c) Maria nadert het kruis; d) ook Maria van Kleophas; e) eu Maria Magdaleua; ƒ) eindelijk Joilnues;

g) welk hart hier doorboord werd ; h) door welk vreeselijk zwaard; i) Maria de Koningin der martelaren; h) hare sterkte;

Z) haar geloof; m) hare liefde; n) Jesus\'

woord tot Maria; o) Hij schenkt haar als mensch Joiinnes tot zoon , om haar te verplegen in zijne plaats; p) Hij scheukt haar als God in Joiinnes alle menschen tot geestelijke kinderen; q) Maria werd dus aan den voet des krnises onze Moeder; r) Jesus\' woord tot Joannes; s) deze neemt van dit oogen-blik Maria tot zich; t) Maria verwijdert zich wel van het kruis doch niet van Golgotha dan na de begrafenis; u) wij behooren even als Joiinnes in Maria onze Moeder te beminnen .............183—197

§ 5. Da duisternis.

Mt. XXVII: 45 ; Mc. XV : 33 ;

Lc. XXIII: 44—45.

a) De wonderbare duisternis, die zich over de aarde verspreidt; b) zij trok overal de aandacht; c) hare betoekenis...... 197—200

§ 6. De lijdenspsalm.

Ps. XXI.

a) Ps. 21 ; b) hij betreft den lijdenden Verlosser ; c) analyse van het eerste deel; d) van het tweede deel.......... 200 — 206

XII

-ocr page 571-

INHOUD. XIII

Bladz.

§ 7. Het vierde kruiswoord. Jesus\' verlatenheid.

Mt. XXVII: 46—47 ; Mc. XV : 34—35.

d) Jesus\' vreeselijk lichaamslijden ; h) Jesus\'

ijsselijke zielesmart; c) het vierde kruiswoord ;

d) zin van dat woord; e) nadere ontleding;

mijn God! mijn God ! ƒ) waarom ; g) vertrouwen dat in deze woorden doorstraalt;

h) deze woorden zijn de aanhef Tan den 21stcn psalm en kenmerken Jesus als den Messias ; i) verhooring dier bede; A) toepassing. 206—213

§ 8. Vijfde kruiswoord. Jesus\' dorst.

Mt. XXVII: 47—49; Mc. XV: 35-36;

Jo. XIX; 28-29.

a) Scherts en schimp aangaande het woord Eli; h) Jesus klaagt zijn lichaamsdorst; c)

felheid van Jesus dorst; d) Jesus dorst was vrijwillig; e) hij is het beeld van zijn geestelijken dorst; ƒ) Jesus gelaafd met edik;gr)

spot, dien den Heer daarbij heeft te verduren ; h) de profetie uit ps. 68 aan Jesus hierdoor vervuld...........213—216

§ 9. Zesde kruiswoord. Het is volbracht.

Jo. XIX : 30.

a) Het zesde kruiswoord ; h) volbracht zijn de eeuwige raadsbesluiten, de goddelijke beloften, de figuren, de voorspellingen ; c) volbracht is Jesus\' werk, oöer en strijd ; d) en wel volbracht met liefdevolle, onbeperkte, standvastige gehoorzaamheid......216—221

§ 10. Zevende kruiswoord. Jesus\' overgave ten dood. Mt. XXVII: 50; Mc. XV ; 37; Lc. XXIII: 46;

Jo. XIX : 30.

a) Jesus\' laate woord ; h) Jesus\' luide stem ; c) verklaring ; d) dit woord is een steun voor ons geloof aan de ontsterfelijkheid der ziel;

e) het is eene bron van zoet vertrouwen ;ƒ)

-ocr page 572-

inhoud.

XIV

Bladz.

het is een woord van de teederste liefde ; g) Jesus sterft............

HOOFDSTUK VII.

jesus\' kruisafneming en begrafenis. § 1. Wonderen hij Christus\' dood.

Mt. XXVII: 51—56 ; Mc. XV ; 38—41 ;

Lc. XXIII: 45—49.

a) Het scheuren van het voorhangsel des tsmpels; 5) beteekenis van dit wonder ; c) aardbeving; d) het seheureu der rotsen ; e)

de graven opengeworpen ;/) de later gevolgde verrijzenis van velen ; g) de bekeering van den hoofdman; h) eene schare van joden betuigt zelfs haar leedwezen ; i) Jefus\' vrienden en bekenden.......... 223—234

§ 2. Jesus\' zijde met een lans doorstoken.

234—242

Jo. XIX: 32—37.

d) De ledoii van den hoogen raad, opdat de lijken op den Sabbath niet aan het kruis zouden blijven, verzoeken Pilatus, dat hun de beenen gebroken worden; b) Pilatus geeft daartoe het bevel; c) de krijgsknechten ver-morselen de beenen der twee moordenaars ; d) een van hen doorsteekt Jesus\' Hart; e) Jesus afgebeeld door het Paaschlam ; ƒ) de voorspelling van Zacharias, XII: 10 , vervuld ; g) redenen van godsvrucht tot Jesus\'

Heilig Hart

§ 3. Jesus aan het kruis doorstoken, de tweede Adam.

a) De eerste Adam een beeld van den twee de ; b) vooral in ziju geheimzinnigen slaap,

waardoor hem Eva tot vrouw geschonken werd ; c) niet gelijk de misdaad des eersten was de genade des tweeden ; d) wat de eerste voor ons was, en wat daarentegen de tweede voor ons is geweest......... 242—245

221—22G

-ocr page 573-

INHOUD. XV

Bladz.

§ 4. Het sterfjaar en de sterfdag des Ileeren.

a) Het sterfjaar des Heeren bepaald door liet tijdstip van zijn openlijk optreden en den duur van zijn openbaar leven ; 6) het valt onder liet consulaat der beide Gemini ; c) dit wordt nader bevestigd door het tijdstip der verwoesting van Jerusaleja; cZ) verder bewijs hiervoor door den dag, waarop Jesus stierf;

e) Jesus stierf op een Vrijdag, den 18den Maart van \'tjaar 29, ƒ) de sterfdag des Heeren sedert de apostelen gevierd...... 245—250

§ 5. Jesus afgenomen van het kruis en begraven.

Mt. XXVII: 57—61; Mc. XV : 42—45;

Lc. XXIII ; 50—52 ; Jo. XIX 38.

a) Joseph van Arimathea verzoekt het lijk des Heeren van Pilatus om het te begraven ;

b) Pilatus na inlichting van den hoofdman omtrent Jesus\' dood staat zijn verzoek toe ;

c) Nikodemus is Joseph bij de kruisafneming behulpzaam ; d) de overige vrienden des Heeren en vooral Jesus\' Moeder ; e) de reiniging en zalving; f) het heilig graf; g) de begrafenis ; h) Maria\'s droefenis bij de begrafenis. 250—257

§ G. Het heilig graf.

a) Voorspelling van Isaïas; è) Jesus bij den rijke begra,ven na zijn dood; c) eene tweede voorspelling aangaande Jesus\' graf;

d) Jesus\' graf zal heerlijk zijn ; ej eerbied der christenen voor deze plaats ]fj de heilige grafkerk; g) hare eerste verwoesting in 614 ;

h) zij wordt opnieuw opgebouwd in 629;

i) zij wordt andermaal verwoest in 1010 en k) andermaal na 37 jaren weder opgebouwd ; l) de vierde grafkerk de kerk der kruisvaders ; m) de tegenwoordige kerk is gebouwd op de eigen plaats, waar Jesus stierf en begraven

werd ; n) hare heiligdommen...... 257—268

-ocr page 574-

XVI INHOUD.

§ 7 T)e wacht bij Jesus\' graf. quot; \', Mt. XXVII; 62- G6

a) Zekerheid van Jesus\'dood ; 5) dePliai-i-seën, beducht dat men Jesus\' lijk zal heen-:| voeren; c) zij verzoeken Pilatus om eene

wacht, die hun wordt toegestaan; d) het graf verzegeld en door eene wacht bewaakt. 2G9—271

TERUGBLIK.

a) Het offer en de priester in den staat der natuur; 5) onder het oude en nieuwe verbond ; c) verschil tusschen het hoogepries-terschap van het oude en het nieuwe verbond ; d) Christus heilige en Gode behagelijke Hooge-priester ; e) Hij is hoogepriester en slachtoffer tevens : ƒ) zijne beproevingen, opdat Hij een barmhartige Hoogepriester zou zijn; g) zijn offer heeft als aanbidding-, dank-, zoen- en smeekoffer, oneindige waarde bij God ; h) Jesus\' ofler vol beteekenis voor ons , daar het ons de boosaardigheid, afschuwelijkheid en oneindige schuld der zonde voor oogen stelt ;

j) ons de schoonste voorbeelden van deugden vooral van geduld ter navolging vertoont ; en Jc) ons de oneindigheid van Gods liefde openbaart; /) dat ofler heeft ons de grootste goederen verworven ; m) het heelt ons van de macht des duivels verlost; n) het heeft ons den hemel geopend ; o) het is voor ons eene bron van zegening en genade geworden ; p)

de mensch moet zich dit offer toeeigenen ; q)

hoe dit geschiedde in de eeuwen voor Christus; r) hoe in d© eeuwen na Christus s) in het eucharistisch offer is hetzelfde slachtoffer en dezelfde Hoogepriester als bij het offer des kruises ; t) Jesus zet datzelfde offer in eeuwigheid voort in den hemel...... 272—284

SD

noJ^usc VAN

BUXD

DL?UCA7t

Bladz. |

-ocr page 575-

VAN

Onzen Goddelijken Verlosser

JU CHRISTUS.

Derde Boek.

élezus\' tyez/lee-c-fij/iincf.

DOOR

j7. jl. j13. VAN ^TTEN,

éÜ. lt;9f. oTztecgt;tez cn lt;fl\\x$tooz.

G. MOSMANS Senior,

\'i9-HERTOGENBOSCH.

-ocr page 576-

INHOUD.

Bladz.

§7 De wacht hij Jesus\'1 graf.

Mt. XXVI1; G2- GG

d) Zekerheid van Jesus\' dood ; b) do Phari-seën, beducht dat men Jesus\' lijk zal heenvoeren ; c) zij verzoeken Pilatus om eeoe wacht, die hun wordt toegestaan ; d) het graf verzegeld en door eene wacht bewaakt. 2G9—271

TERUG-BLIK.

a) Het offer en de priester in den staat der natuur; b) onder het oude en nieuwe verbond ; c) verschil tusschen het hoogepries-terschap van het oude en het nieuwe verbond ;

cZ) Christus heilige en Godo behagelijke Hooge-priester ; e) Hij is hoogepriester en slachtoffer tevens : ƒ) zijne beproevingen, opdat Hij een barmhartige Hoogepriester zou zijn ; g) zijn offer heeft als aanbidding- , dank-, zoen- en smeekoffer, oneindige waarde bij God ; h) Jesus\' ofter vol beteekenis voor ons , daar het ons de boosaardigheid, afschuwelijkheid en oneindige schuld der zonde voor oogen stelt ;

i) ons de schoonste voorbeelden van deugden vooral van geduld ter navolging vertoont ; en k) ons de oneindigheid van Gods liefde openbaart; l) dat ofter heeft ons de grootste iroederen verworven ; m) het heelt ons van de macht des duivels verlost; n) het heeft ons den hemel geopend; O) het is voor ons eene bron van zegening en genade geworden ; p)

de mensch moet zich dit offer toeeigenen ; q)

hoe dit geschiedde in de eeuwen voor Christus; r) hoe in ds eeuwen na Christus s) in het eucharistisch offer is hetzelfde slachtoffer en dezelfde Hoogepriester als bij het offer des kruises ; t) Jesus zet datzelfde offer in eeuwigheid voort in den hemel...... 272—284

XVI

-ocr page 577-

EX DE

EE

VAX

Onzen (ioddelijken V erlosser

nm m\\sm.

Derde Boek

o7t\' mi.*\'\' 9 Vr/Avr /\'///\' /\'wy.

DOOR

Jquot;. jl. VAN pTTEN,

Q/1. S{. éftic^tcz en é/lishc\'. amp;amp;amp;amp;gt;

G. MOSMANS Senior,

\'s-Heiitogenp.oscii. 1887.

-ocr page 578-
-ocr page 579-

HETOlWEit KM ME VEIlHEEllIiIJii.lWO

VAN

ONZEN GODDELIJKEN VERLOSSER

JESUS CHRISTUS.

S1 Boek.

-ocr page 580-
-ocr page 581-

HET OFFER EN DE VERHEERLIJKING

3lt;ie BOEK.

JESUS\' VERHEEKLIJKING.

DOOR

P. J. P. VAN E T T E N.

R. K. Pr. en Pastoor.

\'s BOSCH,

G. MOSMANS Senior 1887.

l/t.k Z ) d

2si -

-ocr page 582-

IMPRIMATUR.

Haklemi, 24 Septembris 1875.

J. A. van den AKKEK

Lihr. Cens.

EIGENDOM. ^

GOEDKEURING,

2e DRUK.

REIMPRIMATUR.

Maastricht, 28 Aug. 1887.

F- X. miTTEX.

Dec. mosaetr. ad hoc del.

-ocr page 583-

DERDE DEEL

3dc BOEK. Jesus\' verheerlijking hier

aarde.

op

HOOFDSTUK 1.

DE DAG DEK OPSTANDING.

§ 1. Zgt;e opstanding.

Paschon was onder het oude verbond de heugelijke dag, waarop Israël bevrijd werd. van de eeuwenlange verdrukking zijner vijanden. De engel des Heeren sloeg de eerstgeborenen der Egyptenaren met den dood, en de kinderen van Jakob, gespaard om het smeekend offerbloed des lams, verlieten het land van ellendige slavernij en trokken zegevierend keen door de van een gesuheiden wateren der roode zee.

Paschen is ook onder het nieuwe verbond de onvergetelijke dag, waarop de voltooide verlossing van het menschelijk geslacht door de opstanding van den verheerlijkten Grodmensch is bezegeld. Paschen is de schoone dag, die ons herinnert, hoe door het kostbaar bloed van het Ooddelijk offeiiam onze machtige vijanden zijn beschaamd, terwijl wij zelf Gods gien-

i

Het Offer van J. C. Ill

-ocr page 584-

6

zelooze erbarming ondervonden en door onzen God-delijken Verlosser werden overgevoerd uit de heer schappij van hel, zonde en dood tot het rijk van licht, liefde en leven. Deze is de dag, dien de Heer heeft gemaakt, de dag, dien wij aan Gods Wijsheid, Goedheid en Macht te danken hebben. Paschen is het feest van heilige vreugde en blijdschap. Het is volgens den H. Gregorius van Nazianzen het feest der feesten ; volgens de taal der Kerk, de dag des Heeren, de dag der verlossing. Het is volgens den H. Leo de verhevenste feestdag van het Christendom, want het is het feest van den zegepralenden Christus.

Alleluja! Looffc den Heer! zoo zong Israël. Alleluja! Looft den Heer! zoo zingt ook de Katholieke Kerk. Nauwelijks heeft zij den blik geslagen op haar verrezen Bruidegom, of tot driemaal toe met steeds hoo-gere verheffing en steeds klimmende verrukking zingt zij: Alleluja! En het is, als of zij niet moede kan worden, om dien kreet van vreugde, van dank, van lof en aanbidding gedurig te herhalen.

Wel mag zij aldus juichen bij het aanschouwen dier heerlijke zegepraal van haren God en Koning. Al de plannen van Jesus\' vijanden zijn verijdeld, en daarom zong reeds David:

Waarom tooeden de heidenen,

En zinnen de volkeren op ijdele dingen ?

Staan de koningen der aarde op,

En verhinden zich de vorsten te zamen

Tegen Jehovah en zijn Gezalfde ?

(Zeggen zij :) Scheuren wij hunne handen van een,

En werpen wij van ons hun juk ?

Niets vermogen zij, hoe groot hun haat en hunne woede ook is, hoe machtigen hoe talrijk zij tok zijn. Al hebben zij ook den Gezalfde gekruisigd, zijn doorstoken lijk begraven, en zijn graf verzegeld, het is alles ijdel. David zingt:

-ocr page 585-

7

Die in den hemel troont, lacht met hen,

Jehovah spot met hen,

Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn,

En verschrikt hen in zijne verbolgenheid:

Ik heb mijnen Koning gezalfd

Over Sion, mijnen heiligen berg,

Jesus is Koning, en Koning juist, omdat Hij geleden heeft. De Almachtige, Die spot met de ijdele plannen der boozen, heeft al hunne aanslagen dienstbaar gemaakt aan de luistervolle verheffing van Christus. Omdat Hij zijn leven ten offer gaf aan het kruis, daarom is Hij verrezen en bekleed met allo macht in den hemel en op aarde. Daartoe, zegt de H. Paulus, is Christus gestorven en verrezen, om over dooden te heerschen (Rom. XIV : 9). Ja, van de dooden verrezen, verkondigt Hij zegepralend zijn Goddelijk koningschap. David voert Hem sprekende in;

Ik zal het raadsbesluit verkondigen;

Jehovah sprak tot Mij: Gij zijt mijn Zoon;

Ik heb U heden geteeld.

Eisch van Mij ; Ik geef u de volkeren tot uw erfdeel. En de grenzen der aarde tot uw eigendom.

Gij zult ze verpletteren met ijzeren staf,

Als het vat van een aardewerker ze verbrijzelen.

Opgestaan tut het graf bevestigt Jesus de waarheid reeds zoo menigmaal door Hem verkondigd, dat Hij ia de Eengeboorne des Vaders, Grod van God, uit Hem voortgesproten in het heden der eeuwigheid. Door zijne verrijzenis toont Hij de Goddelijke Koning te zijn, ver boven de engelen verheven. Want tot welken der engelen, vraagt de H. Paulus, heeft Hij ooit gezegd: Gu zijt mijn Zoon ; Ik heb U heden geteeld (Hebr. I ; 5) V Ja door zijne verrijzenis blijkt, dat Hij is de Eengeboren Zoon Gods, menschge-

-ocr page 586-

worden om onzent wille. Dit getuigt de H. Paulus, wanneer hij te Antioehië zegt: ook to ij verkondigen u de helofte, aan onze vaderen gedaan, dat God haar aan ons, hunne kinderen (l), vervuld heejt, door Jesus te verwekken (2) gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden geteeld, (Act. XIII : 33). Zelfs blijkt door zijne opstanding do verhevenheid van zijn hoogepriesterschap, want zij verkondigt, dat het offer, hetwelk Jesus opdroeg aan het kruis, een Goddelijk offer is. Hier zien wij, wat do H. Paulus zegt: niet Christus heeft Zich zeiven verheerlijkt om i oogepriester te worden, maar Die tot Hem sprak: Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden geteeld (Hebr. V : 5). Zoo schittert in de heerlijkheid van deze glansrijke wedergeboorte uit het graf, volgens de opmerking van den H. Ambrosius, de Goddelijke luister zijner eeuwige geboorte uit den Vader. Door zijne opstanding uit de dooden openbaart Hij aan allen op ontegenzeggelijke wijze, dat Hij is de eenig-geboren Zoon des Vaders, door hem van eeuwigheid geteeld, in den tijd bij zijne menschwording door Hem verwekt, en bij zijn zoenoffer als Hoogcpriester voor ons opgetreden (3). Van nu af zal Hij de vol keren bezitten tot zijn erfdeel en heerschen over hen als Koning in het Godsrijk tot aan de grenzen der aarde. Zijn schepter zal onvergankelijk zijn, en zijne macht zal alles beheerschen. Want Hij is do menscli-geworden God, die door zijne opstanding uit het verzegelde graf zegeviert over hol, dood en zonde.

(1) Zie den Griekschen tekst.

(2) liet Griekschc woord laat hier ecne tweevoudige beteekeuis toe opwekken uit de dooden en verwekken of op aarde doen verschijnen. De tweede beteekenis is wel de waarschijnlijkste om het verband met het woord van den 2dcn psalm en om den geheelen samenhang.

(3) Zie Rom. I : 4 in het Grieksch en vergelijk deze plaats met Hebr. I : 5, Act. XIII : 33 en Hebr. V : 5. Hierdoor is het duidelijk, welke betrekking bestaat tusschen de opstanding en Ps. II : 7.

-ocr page 587-

9

Paschen is do zegepraal van Christus over de hel. Want toen de Zoon Gods gestorven was aan het kruis, en de band tusschen zijn Goddelijk liehaam en zijn Goddelijke ziel was verbroken, toen had Hij ook de heerschappijen en machten van het rijk der duisternis ontwapend, en ving Hij zijne eeuwige zegepraal over de hel aan, door haar een kostbaren buit te ontmaken (Col. II ; 15). De ziel van Jesus-Christus, thans ten volle deelende in de heerlijkheid, zaligheid en macht der Goddelijke natuur, met welke zij persoonlijk vereenigd was en bleef, daalde neder ter helle. Hij trad op in de onderwereld als de Overwinnaar en Koning, vol liefde, mac lit en majesteit, in Wiens naam alle knie zich moet buigen niet slechts van hen, die in den hemel ot op aarde, maar ook van hen die onder de aarde zijn (Phil. II; 10). De gehenna of de plaats der verdoemden, ofschoon Jesus\' ziel haar niet werkelijk en wezenlijk bezocht, word gedwongen om in Hem tot hare schaamte den Ver winnaar van het serpent te begroeten. Het paradijs of het verblijf der rechtvaardigen, ons mode bekend uit de parabel als het oord, waar Lazarus aanlag in den schoot van Abraham, mocht Jesus\' ziel, gelijk Hij het den goeden moordenaar had aangekondigd, onmiddellijk na zijn dood werkelijk en\'wezenlijk tegenwoordig aanschouwen. Hij kwam daar om de rechtvaardigen te troosten door zijn Goddelijk bijzijn, ze to verblijden door zijne oneindige liefde, ze deelachtig te maken aan de zoo vurig verlangde en thans gelukkig voltooide verlossing. Hier werden de woorden van den profeet Osee op den Heer van toepassing ; uit den dood zal ik ze bevrijden, uit den dood ze redden. O dood! Ik zal uw dood zijn; o hel! Ik zal uw beet wezen (Os. XIII: 14). Dit luistervolle feit van\'s Heeren nederdaling getuigt ons uitdrukkelijk de H. Petrus, als hij zegt, dat Christus wel gedood is naar het lichaam maar levendig gemaakt naar den geest, in

-ocr page 588-

10

(of duor) welken Hij komende predikte aan die geesten, die in de gevangenis waren ; die eens ongeloovig geweest waren, wanneer zij Gods langmoediglieid verwachten in de dagen van Noë, terwijl de arke werd gebouwd (1 Petr. III: 18—20), doch later hij de voltrekking der straf vac hun ongeloof terug waren gekeerd. Aan die geesten verkondigde de Heer de blijde boodschap des heils. Hij verbrijzelde de poorten van hunne nog nooit ontsloten gevangenis, en Hij voerde door het bloed zijns verbonds zijne gevangenen uit den kerker (Zach. IX: 11). Zoo zegevierde de Koning des lichts over den vorst der duisternis, en ontrukte de verwinnende liefde des Verlossers aan den nijd des duivels voor eeuwig een kostbaren buit.

Paschen is de zegepraal van Christus over den dood. Zoo min als de dood over den eersten Adam in den staat der onschuld geheerscht zou hebben, even zoo min was de tweede aan haar gebied onderworpen. Indien Jesus, Die vlekkeloos was en driewerf heilig God, den dood is gestorven, dan is zulks geschied uit eigen keuze ; het is eene offerdaad zijner liefde. Hij gaf zijn leven voor zijne schapen; Hij stierf om door zijn dood het rijk des doods te vernietigen. De dood mocht dan ook aan Jesus\' schuldeloos en Goddelijk lichaam niet de minste ontbinding veroorzaken ; geen bederf, geen begin van bederf mocht het lijk des Verlossers ondervinden. Het woord door God tot straf over Adams zonde uitgesproken: gij zijt stof en in het stof zult gij wederkeeren, was niet van toepassing op Jesus\' aanbiddelijk vleesch en bioedgt; dat niet in Adams zonde had gedeeld en dus ook hare straf niet moest ondervinden.

Die nederdaling ter helle van Jesus\' ziel, die onbederfelijkheid van Jesus\' heilig lickaam had reeds voorlang de profeet David voorspeld, toen hij tevens de verrijzenis aankondigde. De koninklijke profeet wees, gelijk de H. Petrus opmerkt, in den lö*1™ psalm

-ocr page 589-

11

niet zich zeiven aan, daar hij gestorven en begraven was, en zijn graf nog tot op de dagen der apostelen bestond. Neen hij had in dat lid do opstanding van Christus op het oog, daar Deze inderdaad niet in de helle gelaten is; noch zijn vleesch het verderf heeft aanschouwd (Hand. II: 29—31). Ook de .H Paulus leert uitdrukkelijk, dat dit lied niet David betreft, daar deze ontslapen is, en het bederf heeft gezien, maar Jesus, Die van de dooden is opgewekt, en het bederf niet heeft ondervonden (Hand. XIII: 34—37).

De bedoelde psalm is een gebed van den Messias vol groot en onwankelbaar vertrouwen. Hij bevat twee deelen. In het eerste gedeelte vestigt de Messias gedurende zijn leven en vooral bij zijn lijden zijne hoop op Grod; in het tweede gedeelte verwacht de Messias in den dood van God zijne verheerlijking. Het eerste deel luidt:

J. Sta mij hij, o God ! want ik heb oji U vertrouwd,

2, Ik heb tot den Heer gezegd: mijn God zijt Gij, En buiten U is er voor mij geen goed.

3, De heiligen der aarde, zij zijn het,

En de machtigen, waarin ik al mijn welbehagen heb. i. Zij vermeerderen hunne straffen, zij, die naar iets anders voortijlen.

Ik zal niet offeren laten hunne offers wegens de bloedschuld, (1)

En hunne namen niet op de lippen nemen.

5. De Heer is mijn erfdeel en het deel mijns bekers; Gij bewaart steeds mijn lot,

6. De meetsnoeren vielen voor mij in voortreffelijke (streken). Ja mipi erfdeel is overheerlijk voor mij.

(1) Letterlijk volgens \'t Hebreeuwsch on in een zeer treffenden Messiaanschen zin. De joden namelijk, die zich van Jesus verwijderden, wachtte een vreeselijke straf: hunne offers zouden wegens hun godsmoord verworpen worden, en Jesus zou ze loochenen voor zijnen Vader (Mt. X ; 33).

-ocr page 590-

12

7. Ik zal den Heer zegenen, Die mij ten raadsman was,

Ook des nachts maant mijne ziel mij daartoe. y. Gedurig heb ik den Heer voor ooyen,

Want Hij is aan mijne rechterzijde, dat ik niet wankele.

In dit eerste gedeelte betuigt dus Christus, dat gelijk Godin deu hemel zijn eenig goed is (v. 1—2), zoo ook op aarde de heiligen (v. 3), namelijk zijne apostelen, zijn welgevallen bezitten, (Jo. XVII: ü, 8, 9, 11 etc. Jo. XX: 21, Le. X: 19), terwijl den joden om hunnen godsmoord algeheele verwerping wacht (v. 4). Hierop wendt Hij zich weder tot God, Die eens zijn eifdeel, zijn loon en kroon zal zijn (v. 5—0). Daar Hij dien God tot beschermer en raadsman heeft, zal Hij ook in den dood niet wankelen (v. 7—8). Nu volgt het tweede gedeelte:

9. Daarom verblijdt zich mijn hart en verheugt zich mijne

[ziel.

En zal ook mijn vleesch rusten in verwachting,

10. Want gij zult mijne ziel niet laten aan de onderwereld, Noch uwen Heilige het verderf laten aanschouwen.

11. G ij zult Mij toonen den weg des levens.

De volheid van vreugde bij uw aangezicht-De lusten aan uwe rechterhand voor eeuwig.

Duidelijker kon de profeet schier niet spreken. De ziel en het vleesch worden afzonderlijk voorgesteld. Do eerste is vol vreugde, het tweede rust vol verwachting. De ziel zal door God niet in de onderwereld gelaten worden (1); het lichaam, het heilige

(1) Jesus\' ziel daalde dus nog voor zijne opstanding, namelijk vooraleer zijne ziel met het lichaam vereenigd werd, ter helle neder. Ten onrechte wil Oosterzee de nederdaling ter helle plaatsen na de verrijzenis. Om nu niet slechts te zeggen, dat dit niet overeenstemt met de geloofsbelijdenis, blijkt ook het tegendeel uit deze schriftuurplaats, en uit het woord van Christus lot den goeden moordenaar. Eph. IV : 8, \'J kan zeer goed zoo opgevat worden, dat de nederdaling onmiddellijk na Christus\' dood plaats greep en evenzoo Petr. III : 18—30. Zelfs wordt op deze laatste plaats duidelijk gezegd, dat Jesus naar den geest aan de geesten in den kerker heeft gepredikt.

-ocr page 591-

13

uit Maria geboren (Lc. I ; 35), de heilige tempel der Godheid, zal het bederf niet aanschouwen. De Christus zegeviert alzoo over hel en dood. De muren van den hellekerker vallen weg voor zijne ziel in de benedenwereld ; het bederf des doods vermag niets tegen zijn vleesch in het graf. Ja, gestorven herleeft Hij ; de weg des levens is Hem getoond, en Hij wordt de eerstgeborene uit de dooden (Col. I ; 18 ; 1 Cor. XV : 20). De afgebroken tempel zijns lichaams wordt door Hem na drie dagen weder opgebouwd. Hier vooral toont Hij de opstanding te zijn en hot leven^ en was Hij gekrnisigd volgens zijne zwakheid, Hij verrijst volgens de macht Gods (2 Cor c. uit. v. 4). Als overwinnaar van hel en dood juichte Hij reeds bij David: gij zult mijne ziel niet laten aan de onderwereld, noch uwen Heilige het verderf laten aanschouwen. Gij zult mij toonen den weg des levens, de volheid van vreugde bij uw aangezicht, de lusten aan uwe rechterhand voor eeuwig.

Paschen eindelijk is ook Christus\' zegepraal over de zonde, Jesus Christus, zegt de H. Paulus, is overgeleverd (ten dood) om onze misdrijven en verrezen om onze rechtvaardigmaking. Hij stierf om onzent wille; Hij verrees ook om onzent wille. Door zijne opstanding blijkt, dat zijn dood een ware zoendood is geweest; daardoor is ons geopenbaard, dat het offer voor onze zonden een welgevallig, overgenoeg-zaam en Goddelijk offer was. quot;Wanneer Jesus dus verrijst, verrijst in zijn persoon onze hoop, gelijk de H. Augustinus zegt, en verrijst in ons hart de liefde. Zoo wordt door zijne verrijzenis onze rechtvaardigmaking bewerkt, en zegeviert Hij door die schitterende openbaring zijner Goddelijke en voltooide verlossing over de zonde in ons hart. Waar de heiligheid zich vertoont in den schitterenden luister der opstanding, daar beschaamt en veroordeelt zij de zonde met verpletterende majesteit. Waar het toe-

-ocr page 592-

14

komstige leven der onsterfelijkheid in den verrezen Zaligmaker ons toelacbt , daar boezemt het ons een heilzame vrees in voor de zonde, wier bezoldiging de dood is. Waar de grenzelooze liefde des Verlossers na alles volbracht te hebben eindelijk haren schitterende triomf viert, daar gevoelen wij ons losgerukt van de zonde en onweerstaanbaar tot Hem getrokken.

§ 2. Jesus verschijnt aan zijne heilige Moeder.

Zonder twijfel was de heilige Moeder des Heeren wel de eerste onder allen, die de verrezene Grodmensh met de openbaring zijner Groddelijke opstanding verheugde. De gewijde geschiedschrijvers van het evangelie hebben ons wel is waar die verschijning niet geboekt; maar het was ook hun plan niet al de voorvallen van Maria\'s leven te verhalen. Zij stelden zich slechts ten doel het leven des Goddelijken Verlossers te beschrijven, en in het bijzonder wat Jesus verrijzenis betreft, deze door verschillende getuigenissen te bevestigen. De getuigenis echter eener moeder aangaande de verrijzenis van haren Zoon moest zeker minder overtuigend en afdoende zijn, zoodat de evangelisten geen reden hadden om ze te vermelden. Wanneer dus de H. Markus verhaalt, dat Jesus na zijne verrijzenis vroeg in den morgen op den eersten dag der week het eerst aan Magdalena verscheen, geeft hij slechts te verstaan, dat deze verschijning de eerste is van die, welke hij verhaalt om de waarachtigheid dezer gebeurtenis te bevestigen (l).

(1) De H. Markus noemt de verschijning aan Magdalena de eerste^ niet in absoluten maar in betrekkelijken zin, namelijk de eerste der verschijningen, die hij verhaalt om Jesus\' verrijzenis aan te toonen. Dit blijkt uit den s..menhang, v. 0 Surgens autem mane, prima Sabbati appnruit fr\'u}io Mariae Magdalenae. ... v. 10 Post hoe autem duobus ex his ambulantibus ostensus est. ... v. 14 Novissime recumbenlibus illis undecim apparuit.

-ocr page 593-

15

Ofschoon dus uitsluitend de overlevering en niet de ü. Schrift ons deze verschijning verhaalt, is dit geen reden om haar in twijfel te trekken. Indien slechts datgene omtrent de H. Maagd Maria geloof verdiende, hetgeen ons de H. Schrift mededeelt, dan zouden wij verscheidene trekken uit haar leven, zoo als hare opdracht en opvoeding in den tempel, hare ontmoeting met Jesus op den kruisweg, hare hemelvaart moeten verwerpen. Nemen wij dit alles aan enkel op het gezag der traditie, waarom zouden wij het dan ook hier niet doen ?

Hoeveel redenen toch waren er, waarom Maria het eerst in de vreugde van Jesus\' verrijzenis zou dealen ! Was Christus de tweede Adam, die de ketenen der slavernij, waaraan de zonde des eersten ons had onderworpen, verbrak, en die zegevierde over hel, dood en zonde, ook Maria is volgens het algemeene gevoelen der kerkvaders de tweede Eva, die in de orde des heils datgene zou zijn, wat de eerste was in de orde des verderfs. Eva vernam het eerst na Adam het treurige vonnis: gij zijt stof, en in het stof zult gij wederkeeren. Ook Maria moest het eerst de wet des levens aanschouwen in Hem, Die als Eerstgeborene onder de dooden verrees en als de tweede Adam allen eens zal levendig maken. De eerste Moeder der levenden bracht droefenis en wee over het menschdom, en ondervond die het eerst met den stamvader onzes geslachts. De tweede Moeder der levenden, die ons in Christus het ware leven schonk, bracht vreugde en heil aan het verloste menschdom, en genoot die met alle recht, het eerst na haren Goddelijken Zoon. Zij, door welke ons het bovennatuurlijke leven naar ziel en lichaam in Christus gewerd, moet gewis dat leven het eerst in den verrezene aanschouwen.

De Eengeborene des Vaders had zijne Moeder op elke wijze bevoorrecht. Omdat zij zijne Moeder zou zijn, had Hij haar buiten allen onttrokken aan het

-ocr page 594-

16

algemeenö verderf der erfsmet, immer haar doen toe-hemen in genade en niet gedoogd, dat de minste zon-devlek den glans hare reine ziel zou bezoedelen. Uit haar had Hij het vleesch aangenomen door de kracht des Allerhoogsten, en in haar had de H. Geest het grootste der wonderen gewrocht. Haar had Hij den ongeëvenaarden roem der maagdelijkheid geschonken, gepaard aan de hoogste vreugde van het moederschap. Zij was ontheven van de wet der barensweeën, en de choren der engelen omzweefden haar en haar Goddelijk Kind te Bethlehem juichend en haar dienend als hunne Koningin. Wie beschrijft de innige liefde, die de allerheiligste harten van Jesus en Maria zoo lange jaren steeds had vereenigd? En zou dan de Goddelijke Verlosser aan zijn teedergeliefde Moeder, de reinste onder alle de schepselen^ die Hij immer boven allen zoozeer had bevoorrecht, niet het eerst, van allen na zijne verrijzenis verschenen zijn ?

Indien Jesus het eerst aan de vrouwen verschijnt, wijl zij de eersten en ijverigsten zijn om Hem na zijnen dood te vereeren, indien wij onder deze aan Magdalena den voorrang zien toegekend, omdat hij zich boven de andere door eene vurige liefde onderscheidt, hoe zon zij dan Jesus in zijne glorie niet het eerst voor deze allen hebben aanschouwd, zij die meer dan eenig ander schepsel Hem beminde als haar God en als haar Zoon ? Gewis zal de vlekkelooze onschuld der Moedermaagd wel niet ten achter gesteld zijn bij de boetvaardigheid der zondares. Allen hebben gewankeld in het geloof. De apostelen zagen zich op de bitterste wijze teleur gesteld in hunne verwachting : de vrouwen dachten aan niets om \'s Heeren lichaam te zalven, en zelfs Magdalena verkeerde in de meening, dat Jesus\' lichaam was weggenomen, toen zij het niet vond. Niemand dacht aan Jesus\' opstanding. Alleen Maria blijft met onbezweken geloof in Jesus den God en Verlosser der wereld erkennen, en

-ocr page 595-

17

de vervulling zijner voorspelling te gemoet zien. Haar geloof mist zijne belooning niet; het gaat over in aanschouwen (1).

Weevol meer dan eenig andere had Maria gestaan naast Jesus\' kruis. Boven allen had zij gedeeld in Jesus\' lijden , in zijne vernedering , in zijn offer , in zijn dood: Moest zij boven allen dan ook niet deelen in Jesus\' vreugde , in zijne verheffing ^ in de zegepraal zijner opstanding ? Zij , die door den Koning der smarten de Koningin der Martelaren was geworden, had ook het meeste recht om de aanschouwing van den Koning der heerlijkheid te genieten. Haar mogen wij buiten twijfel het woord in den mond leggen : volgens de menigte mijner smarten in mijn hart, hebben ook uwe vertroostingen mijne ziel verblijd (Ps XCIII: 19).

Wie beschrijft deze hare blijdschap! De ziel van den Grodmensch heeft de onderwereld verlaten. Zij heeft zich weder vereenigd met het Goddelijke lichaam , dat met haar zoo overvloedig in smart en vernedering heeft gedeeld, en, na als slachtoffer voor de zonden der wereld te zijn opgedragen , daar levenloos neder-lag in het duistere graf. De Goddelijke glorie, die haar overstroomt, heeft zich medegedeeld aan het koude , bleeke , doorwonde en misvormde lijk. De dood is vervangen door onsterfelijk leven; de afzichtelijke wonden zijn geheeld en verwisseld met onlijdelijkheid , en waar zijne handen, voeten en allerheiligst hart de ^u_-,.en nog dragen van zijn kruisoffer ,

(1) Niet slechts om hare droefenis over Jesus\' dood, maar ook om de levendige hoop op de verrijzenis, die alleen Maria op den Sabbath na Jesus\' dood bezielde, is de Zaterdag aan Maria toegewijd. — De H. Gregorius van Nyssa, de H. Ambrosius, de H. Gregorius van Nazianzen, Sedulius, de H. Anselmus, de H. Bernardus, de H. Ambrosius, nemen allen deze verschijning aan. Suarez aarzelt niet te zeggen, dat de verschijning van Jesus aan zijne Moeder schier zonder de minste tegenspraak wordt voorgesteld door alle godgeleerden en katholieke schrijvers, welke dit vraagpunt behandelen.

2

-ocr page 596-

18

daar stralen zij als zegeteekenen vol hemelschen glans. De akelige misvormdheid heeft plaats gemaakt voor Goddelijke sckoonheid ; de sombere bleekheid is opgevolgd door onnitsprekelijken luister, en de doorgestane smart door onverstoorbare zaligheid en vreugde. Aldus verheerlijkt naar ziel en lichaam beeft de Goddelijke Overwinnaar do lijksluiers afgeworpen , en is Hij uit het graf, ofschoon het verzegeld bleef, zegevierend opgestaan. Alzoo uitgedost als God en Koning verschijnt Hij aan zijne teederminnende Moeder. O welk onuitsprekelijk genot doorstroomt op dien stond haar allerheiligst moederhart! quot;Was het eene overgroote vreugde voor den grijzen Jacob te mogen vernemen , dat zijn zoon Joseph , wiens bloedig kleed hij had ontvangen en dien hij dood waande , nog leefde , en hem zelfs in zijne koninklijke verheffing te mogen aanschouwen , welke hemelsche zaligheid is het dan voor Maria\'s juichende liefde haren God en Zoon , Dien zij bebloed en ontzield van het kruis in hare moederarmen heeft ontvangen, nu uit de dooden verrezen , levend , boven alles schoon , verheerlijkt, zegepralend, met Goddelijke glorie maar ook met Goddelijk innige liefde voor zich te zien staan. Dit is voor Maria nog een geheel ander geluk dan hetgeen zij een:\', in Bethlehems stal mocht ondervinden. Toen was hare blijde moederweelde niet zonder gemis , bitterheid en kommer. Maar thans nu zij bij deze tweede geboorte tot een verheerlijkt leven na zooveel smaad en smart aan het Goddelijk Hart mag rusten van haren oneindig liefdevollen Zoon, nu kan haar juichend hart zich onverdeeld overgeven aan de zoetste blijdschap , aan de heiligste verrukking, aan de zaligste genietingen der Goddelijke liefde. O hoe juichen de engelen bij dit geheel eenige schouwspel, waarbij de Moeder van het eeuwig Woord begint te deelen in de onbedenkelijke zaligheid van den Koning der hemelen , in de geheel eenig glorie van den Goddelijken Koning , aan wien

-ocr page 597-

19

alle macht is gegeven in den hemel en op aarde. Gewis niet slechts de gelukzaligen , welke den Grod-delijken Levensvorst omgeven , Die hunne ziel aan de hel en lichaam aan het graf heeft ontrukt, maar ook de hemelgeesten heffen een lied aan ter eere van Hem , Die hier optreedt als Koning der hemelen na als Koning der martelaren het werk van de verlossing der wereld te hebben voltooid , en ter eere van haar, die na als Koningin der martelaren aan den voet des kruises te hebben gestaan als Koningin des hemels in in het Goddelijk geluk en de heerlijkheid van haren Zoon begint te deelen. Daarom paart ook de kerk op aarde haar gejuich aan dat hemelsche gezang , en zingt zij op het Paaschfeest: Koningin des hemels, verblijd u, Alleluja! Want Hij Dien gij waardig zijt geweest in uwen schoot te dragen, alleluja ! is verrezen, gelijk Hij gezegd heeft, Alleluja! Was de smart van de Koningin der martelaren als eene onafzienbare en onpeilbare zee, zij is in de Koningin des hemels door Jesus\' verrijzenis veranderd in eene onafzienbare en onpeilbare zee van vreugde. O waarlijk boven allen gezegende onder de vrouwen! Hier vooral zullen baar zalig noemen alle geslachten!

§ 3. De vrouwen bereiden na den Sabbath reukwerken om Jesus te zalven. Een engel verschijnt aan de wachters en wentelt den steen van het graf. De vrouwen hij het graj.

Mt. XXVII: 1-3; Mc. XVI: 1—4; Lc. XXIII: 56—XXIV : 2.

Jaar der J. P. 4742; na R. St. 782; gew. jt. 29 Zondag; 17 Nisan ; 20 Maart.

Toen Maria Magdalena en Maria, de moeder der Alpheïden na de begrafenis huiswaarts keerden, hadden zij gewis er reeds aan gedacht, hoe zij de balseming des Heeren verder zouden voltrekken, en alles

-ocr page 598-

20

doen voor den gestorven Heer, wat hare bezorgde liefde vermocht. Maar de groote Sabbath, die aanbrak, had haar verhinderd dien eigen avond de noo dige toebereidselen te maken, en haar genoodzaakt haar edelmoedig liefdewerk tot den volgenden avond te verschuiven (Lc. XXIII: 56; Mc. XVI; 1).

Een dag van bitteren rouw was die dag voor haar en voor alle Jesus\' vrienden geweest. Zoo min zij Jesus\' voorspellingen omtrent zijn lijden ooit hadden begrepen, zoo min kwam tevens eenig denkbeeld omtrent Jesus\' verrijzenis bij haar op. Alle hare gedachten waren op zijne zoo diepe vernedering, zijn zoo vreeselijken kruisdood en haar zoo smartelijk verlies gevestigd. Welke teleurstelling! Zij hadden gemeend. Hem eens als Koning en Messias over Israël te zien heerschen en in een uitgebreid rijk hier op aarde over al zijne vijanden te zien zegevieren, en zie! thans schenen haar al die schoone verwachtingen geheel en al verijdeld te zijn. Desniettemin was de Heer haar dierbaar gebleven, en hadden zij Hem bij zijn leven zoo trouw gediend, aan niets, dat in hare macht stond, zouden zij het Hem na zijn dood laten ontbreken. Toen derhalve de Sabbath ten einde was, (1) en de vooravond van den zondag was aangevangen, hadden zij zonder uitstel verricht, wat zij zich hadden voorgenomen. Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salome, hadden kostbare specerijen en zalven, gelijk die bij eene voorname begrafenis kwistig werden gebruikt, met de haar eigene mildheid aangekocht. Hare edelmoedigheid, die niet te vreden was met de myrrhe en aloë van Nikodemus, had geen kosten ontzien en hierbij het beste en uit-gelezenste verkozen. En gelijk hare liefde geen karigheid, zoo ook had zij geen wachten gekend. Nog den avond na den Sabbath hadden zij alles in gereedheid

(1) Deze eindigde gemiddeld ten G uur, namelijk met ondergaan der zon.

-ocr page 599-

21

gebracht, ten einde des zondags reeds \'s morgens vroeg zicb. naar het graf te kunnen begeven. Voorwaar cene trouwe, edelmoedige, ijvervolle liefde !

Het was nog zeer vroeg in den morgen (Le- v. 1). De duisternis was nog niet geheel geweken, (Jo. XX ; 1) ofsehoon de Sabbath reeds lang voorbij was (1) en de morgenschemering voor den eersten dag der week reeds was aangebroken. Nog was Jerusalem niet ontwaakt, en reeds heeft Maria Magdalena verscheidene vrouwen, waaronder Maria, de echtgenoote van Kleophas, Salome en Joanna rondom zich vergaderd, om de zalving, waartoe zij reeds den vorigen avond alles in gereedheid hebben gebracht, aan den beminden Verlosser te gaan voltrekken. Beladen met reukwerken en specerijen slaan de ijverige dienaressen des Heeren den weg in naar Josephs eenzamen hof. Vooraleer echter daarheen haar verder te vergezellen, willen wij zien, wat daar voor hare aankomst reeds had plaats gegrepen.

Nog was het schier duister. De eerste lichtstralen der dagende zon vielen pas op het vooruitspringende rotsgewelf der grafspelonk. De dauwdruppelen hingen nog als parelen aan de ontelbare grashalmen ; de bloemen neigden en ontsloten pas hare maagdelijke kelken naar den kant van het rijzende licht, en het geboomte van Josephs hof begon pas zich met levendiger kleuren en met blijder groen te tooien. Het graf des Heeren was nog steeds door den zwaren wentelsteen of Golal gesloten, en met het zegel van den hoogen raad voorzien. Vier Romeinsche krijgsknechten, met lansen gewapend, (2) omgaven het graf, en waakten volgens het ontvangene bevel thans nog meer dan vroeger met de

(1) Vgl. den griekschen tekst van Mt. XXVIII ; 1. ui}ié rh aafipdrtov beteekent /nat na den Sabbath, of liever, daar het meervoud is gebruikt. Iaat na het einde der weck. Bij rrt \'sTZKpiua/Mvayj £.\'7 ;j;av (ra^arwv moet tjiispa of vuxtc verstaan worden. De zin is: laat na het einde dei-week bij de morgenschemering van den lstcn dag der week.

(2) Eene wacht bestond gewoonlijk uit 4 krijgsknechten, die elke nachtwake door 4 anderen werden afgewisseld, zoodat het geheele getal 16 bedroeg. Vgl. Hand. XII 4; Jo. XIX; 23.

-ocr page 600-

22

grootste oplettendheid. Want de derde dag na Jesus dood vingaan. Nu moest het blijken, of de afgebroken tempel zijns lichaams binnen drie dagen weder zou worden opgebouwd, en of de voorspelling bewaarheid werd: gelijk Jonas drie dagenen drie nachten in het ingewand van den visch is geweest, zoo ook zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten in het ingewand der aarde zijn. Ja thans vooral moest de aanslag der leerlingen verwacht worden, wilden zij Jesus\' lichaam wegvoeren en valschelijk het gerucht zijner verrijzenis verspreiden.

Doch te vergeefs waken die krijgsknechten, en ijdel is de steen, die het graf sluit, hoe zwaar dan ook; ijdel is het zegel van den hoogen raad, hoe onschendbaar overigens. Zie! eensklaps ontstaat in den omtrek van het graf eene groote aardbeving. Gelijk later de plaats, waar de apostelen vergaderd waren, bij de nederdaling des H. Geestes werd geschud, gelijk de kerker, waaruit Paulus en Silas werden verlost, vreeselijk daverde, zoo doet ook thans een felle schok den grond sidderen onder den voet der ontstelde krijgslieden. Scheurden de steenrotsen en beefde de aarde, toen Jesus aan het kruis den geest gaf, ten teeken van rouw en afschuw over den gepleegden godsmoord, zoo ook, nu Hij herleeft en zegepralend verrijst, trilt zij van vreugde en ontzag voor den Goddelijken Vorst des levens. Om die reden roepen wij hier uit met de Kerk : gij bergen sprongt op als rammen, en gij heuvelen als jonge lammeren. Voor het aangezicht des Heeren beefde de aarde, voor het aangezicht van den God van Jakob (Ps. 113).

Die aardbeving wordt veroorzaakt door een engel, welke in een oogwenk van den hemel afdaalt bij het graf. Hij verschijnt daar als jongeling, want altijd jeugdig is het leven der onsterfelijkheid, die hem eigen is. Ontzagwekkend is zijne bovenaardsche schoonheid, daar de heerlijkheid der hemelen hem omstraalt; zijn gelaat schittert als de bliksem, het is de weerglans der

-ocr page 601-

23

Majesteit, Die hij vertegenwoordigt. Zijn gewaad, blank als de versch gevallen sneeuw, verkondigt zijne vlek-kelooze reinheid. Inéén oogwenk heeft hij met boven-menschelijke kracht den zwaren sluitsteen van den ingang des grafs gewenteld, en met verpletterend gezag zet hij als bode van Jesus\' opstanding zich er zegepralend op neder. De wachters worden met doodschrik geslagen. Die telle aardbeving, die geest, snel, schitterend, krachtig als een bliksemschicht, dat plotseling geopende graf, het is alles zoo vreeselijk ontzettend, dat zij, geheel verbijsterd en overmeesterd door den angst, in allerijl heenvlieden van die plaats.

Doch waarom opent die engel het graf? Is het, opdat de Heer zal te voorschijn treden en zal verrijzen ? Gewis, zou de evangelist, ware dit het geval, niet verzwijgen, dat de Heer zichtbaar werd en het graf verliet. Neen de Grodmensch om te verrijzen behoefde het wegwentelen van den steen niet. Voor den Almachtige, aan Wien de geheele natuur gehoorzaamt, bestaat geen grafsteen of sluiting. Het was onmogelijk, zegt de H. Petrus, dat zijne ziel door de onderwereld, zijn lichaam door dat graf besloten zou worden (Hand. II: 24). Hij verliet het geslotene graf, gelijk Hij den maagdelijken schoot zijner Moeder had verlaten, en gelijk Hij eerlang de zaal der apostelen zou binnentreden, terwijl de deuren gesloten waren. Hij verliet het graf zonder het te schenden, en de windselen, de linnen gewaden, waarin zijn Goddelijk lichaam gewikkeld was geweest, waren boeien, die Hem van zelf ontvielen even als later de ketenen aan den gevangenen Petras. Hij stond op zonder iemands toedoen, en met aldus het afgelegde leven door eigen macht weder aan te nemen, toonde Hij de Heer des levens te zijn. Hij werd gekruisigd volgens zijn zwakheid, maar hij verrijst volgens de kracht Gods (2 Cor. c. uit. v. 4). Het graf was voor Hem een rustbed geweest, de dood voor Hem een slaap. En even als

-ocr page 602-

24

of die sluimering den eersteling der ontslapenen (Cor. XV) had verlevendigd, zoo ontwaakte Hij ten derden dage onlijdelijk, onsterfelijk, vol hemelache schoonheid en Goddelijke heerlijkheid.

Niet voor Jesus Christus wentelt dus de engel den grafsteen af. Neen 1 hij doet het ten teeken van zegepraal voor de verschrikte wachters en tot beschaming van Jesus\' vijanden. Dieengel is de ontzagwekkende gezant van den Groddelijken Koning, die aan de krijgsknechten en door lien aan allen verkondigt, hoe de verrezene Christus de sleutels draagt van dood en hel. Hij toont, dat Goddelijke heerlijkheid zich niet laat omsluiten door een verzegeld graf, en dat de aardsche wachters der Phariseën moeten zwichten voor de luistervolle wachters van den God der hemelen.

Hij opent ook het graf voor de godvruchtige vrouwen, die weldra zullen opdagen om het lichaam van den geliefden Meester te balsemen. Een engel is der liefde ten dienste van die ijverige doch zwakke dienaressen. Gelijk hij Jesus\' vijanden beschaamt, zoo komt hij ook om Jesus\' vrienden te troosten, op te beuren, en te verheugen.

Inderdaad, terwijl de dagende zon de natuur verblijdt door de eerstelingen harer lichtende stralen (Mc. XVI: 2), en de rijzende Zon der gerechtigheid de eerste glanzen van haar Goddelijken luister uitzendt over het menschdom, dat nog in de duisternis zucht, bevinden Magdalena en hare gezellinnen zich op weg naar Golgotha. Doch zie, terwijl zij reeds naderen met vurige begeerte om haar heilig liefdewerk aan den gekruisigden Jesus te volbrengen, valt haar de zwarigheid te binnen, welke zij bij den ijver, die haar bezielt, geheel hebben voorbijgezien, namelijk dat de ingang der grafspelonk door een zwaren wentelsteen gesloten is. Onbewust, dat de joden eene wacht bij het graf hebben geplaatst, hetgeen haar

-ocr page 603-

25

anders wellicht geheel van daar verwijderd had gehouden, zeggen zij bekommerd tot elkander: icie zal ons den steen van het graf loentden ? Wel hadden zij reden om over dien hinderpaal zich te bekommeren, daar die steen den geheelen ingang sloot en bijgevolg zeer zwaar moest zijn.

Doch, terwijl zij, met die gedachte bezield, Josephs hof binnentreden en nieuwsgierig uitzien naar het graf, hoe staan zij eensklaps verbaasd! Daar ligt de steen reeds afgewenteld en de ingang der spelonk onder het rotsgewelf staat open. Bij dit gezicht zijn zij geheel ontsteld, en zij besluiten er uit, dat hier eeno nieuwe misdaad aan Jesus\' begraven lichaam moet zijn gepleegd. Do liefdevolle Magdalena heeft, naar zij meent, met een oogopslag alles gezien, en zonder toeven snelt zij terug naar Jerusalem, om in allerijl de apostelen, van hetgeen heeft plaats gehad, te verwittigen. Zij is geheel in den waan, dat de haat en moedwil van Jesus\' vijanden het eervolle graf van haren geliefden Meester hebben geschonden en zijn lijk weggevoerd. Zij snelt naar Petrus, het hoofd der apostelen. Zij treft hem tegelijk met Joannes aan, naar alle waarschijnlijkheid in het huis op den Sionsberg waar het laatste avondmaal was gehouden, en, terwijl zij nu gejaagd hare opvatting, dat Jesus\'lichaam naar elders is vervoerd, voor werkelijkheid uitgeeft, roept zij ontsteld en bedroefd den beiden apostelen toe : zij hebben den Heer weggenomen, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben.

§ 4. De verschijning der engelen aan de vrouwen. Petrus en Joannes hij het graf. Jesus verschijnt aan Magdalena.

Mt. XXVIII; 5-9, Mc. XVI: 5-9;

Lc. XXIV :3—12; Jo. XX: 18,

Jaar der J. P. 4742; na R. St. 7S2 ; Gew. jt. 21).

Wij lieten Magdalena\'s gezellinnen bij het ledige graf, terwijl deze naar Petrus en Joannes heensnelde.

-ocr page 604-

26

Toen zij, gelijk wij zagen, de geopende rotsspelonk in het gezicht kregen, toefden zij waarschijnlijk een weinig, terwijl zij hieromtrent elkander hare droevige gevoelens mededeelden. Eindelijk toch traden zij treurig en neerslachtig toe, om te zien, hoe het met het graf zelve, dat geopend stond, gesteld was. Terwijl zij alzoo naderbij kwamen en nieuwsgierig den blik naar binnen sloegen, daar vinden zij, dat het lichaam van den Heer Jesus niet meer aanwezig is (Lc ). Doch zie, terwijl zij zich hierover ontstellen en den vrijen loop laten aan hare tranen, daar verschijnen haar eensklaps twee engelen als jongelingen in het schitterend witte gewaad der heerlijkheid (1). Op dit gezicht verschrikken de vrouwen en slaan zij hare oogen ter aarde neder. Doch de engel, die ter rechterhand gezeten is, stelt haar gerust en troost haar, terwijl hij haar toespreekt, met deze woorden : ivilt niet vreezen! want ik iveet, dat gij Jesus van Nazareth zoekt, Die gekruist is (Mt. Mc.). Wat zoekt gij Hem, Die leeft, onder de dooden ? (Lc.) Hij is hier niet, maar Hij is verrezen, gelijk Hij gezegd heeft (Mt. Mc. Lc.). Herinnert u, hoe Hij tot u gesproken heeft, toen Hij nog met u in Galilea was, zeggende, dat de Zoon des menschen in de handen der zondaren moest overgeleverd en gekruisigd worden en ten derden dage verrijzen (Lc). Komt en ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hebben. En gaat spoedig en zegt aan zijne leerlingen en aan Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea gelijk Hij u gezegd heeft; daar zult gij Hem zien. ziet ik hei het u voorzegd,

Hoe liefelijk en blijde klonk haar deze engelstem in het oor! Zij schonk haar geen geringe geruststelling bij den schrik die de plotselinge verschijning had te weeg gebracht. Zij schonk tevens overvloedigen

(1) Lc. XXIV : 4 spreekt van twee engelen, terwijl Mattheus XXVIII: 5 en Marcus XVI: 5 slechts gewagen van éénen. Deze schijnbare tegenstrijdigheid verdwijnt echter, wanneer wij bedenken, dat deze twee evangelisten dien éénen slechts vermelden, omdat hij het was, die aan de vrouwen de opstanding berichtte. De uitdrukking van Lukas steterunt

-ocr page 605-

27

troost en bemoediging, wijl de engel haar met zooveel welwillendheid toesprak en toonde, volkomen te weten, wat het voorwerp van haar ijverig zoeken was. Zij schonk blijdschap aan haar minnend hart, omdat de luistervolle afgezant van den Koning der glorie haar de verassende tijding bracht, dat Hij, Dien zij als dood betreurden, de volheid des levens genoot, en dat de gekruisigde zegevierend uit het graf was opgestaan. Alles overtuigde haar, dat hij, die daar sprak, niet van deze aarde was en waarheid verkondigde. Ook de opmerkelijke herinnering aan een woord, dat zij uit zijn Groddelijken mond hadden vernomen, doch thans door de hevigheid der smart en het ontzettende der gebeurtenissen aan hare aandacht was ontglipt; ook de plaats, waar Hij had neergelegen;

secus illas, \'e-éaTTiaav heeft hier de beteekenis van verschijnen^plotseling aanwezig zijn. Houdt men dit in het oog, dan zal men zien, dat Lukas niet in strijd is met Markus, die zegt, dat de engel, waarvan hij spreekt, gezeten was. Na dit voorop gezet te hebben, meen ik de vier evangelisten aldus te kunnen overeenbrengen;

Mt. XXVIII :1, Mt. XXVIII: 2—4.

Mc. XVI 11, Mc. XVI; 2,

Lc.XXIlI: 50, Lc. XXIV; 1,

Jo. XX :1. Jo.XX; I.


Mc. XVI: 2—4, Lc. XXIV : 2.

Jo. XX : 2.

Mt. XXVIII: 5—7, Mt. XXVIII; 8,

Mc. XVI; 5, Lc. XXIV; 3—4.

Mc. XVI; 6—7, Lc. XXIV ; 5—8.

Mc. XVI; 8, Lc. XXIV ; 9.

Lc. XXIV; 10—11.

Lc. XXIV; 12, Jo.XX; 3—10.

. Jo. XX; 11-17. -11, Jo.XX; 18.

Mc. XVI; 9, Mc. XVI; 10-


Mt. XXVIII; 9—10. Mt. XXVIII; 11—15.

Mc. XVI; 12, Mc. XVI; 13,

Lc. XXIV ; Lc. XXI V; Lc. XXIV

13-

33-36-

-32.

-35.

-43,Jo. XX; 19-33.


Gelijk uit dit overzicht blijkt, is deze rangschikking zeer geleidelijk volgens het verhaal van iederen evangelist. De evangelisten stemmen buitendien onderling zeer goed overeen, indien men deze volgorde in acht neemt, en men heeft ook slechts eene en niet twee engelverschijningen aan de vrouwen aan te nemen.

-ocr page 606-

28

ook de doeken, waarin Hij gewikkeld was geweest, bevestigden do waarheid van zijn woord. O hoeveel vreugde overstroomde haar hart, toen zij uit dien mond de blijde toezegging mochten vernemen, dat zij den Verrezene, haar zoo innig dierbaar, met eigen oog zouden mogen aanschouwen.

Ontsteld door het ongewone gezicht van den luister en de majesteit der hemelgeesten, overstelpt tevens van blijdschap, dat haar geliefde Meester leeft, ijlen zij eindelijk het graf uit, om volgens het ontvangene bevel het blijde nieuws aan de apostelen te gaan berichten. Onder den indruk der dubbele gewaarwor ding van ontsteltenis en vreugde zijn zij sprakeloos van ontroering, en geven zij zich den tijd niet om met iemand in gesprek te treden, dien zij op haren weg ontmoeten.

Terwijl zij alzoo heensnellen om deze tijding aan de apostelen en aan de overige leerlingen des Heeren te gaan brengen, is Magdalena, gelijk wij zagen, haar reeds voor geweest. (1) Haar droevig bericht heeft den vurigen Petrus en den minnenden Joannes ten zeerste ontsteld. Dadelijk zijn dezen gereed om zich in persoon van het gebeurde te gaan overtuigen, en wedijverend spoeden zij zich voort om het eerst Jesus\' graf te bereiken. Daar althans twee wegen uit Jerusalem naar Golgotha en het H. Graf voeren, (2) zal het ons niet verwonderen, dat de beide apostelen aan de buitenzijde der stad de achtergeblevene vrouwen niet ontmoeten, die dadelijk na de verwijdering van Magdalena en de engelenverschijning langs de poort vlak bij Golgotha Jerusalem zijn binnengesneld om ten spoedigste haar blij wedervaren mede te deelen. Joannes is de eerste, die de geopende grafspelonk bereikt. Met de innigste belangstelling bakt

(1) In dien zin vat ik Lc. XXIV: 10 op. Vgl. Lc. XXIV; 22.

(2) De eene van Sion uit langs de tuinpoort 5 dezen volgden, gelijk ik het mij mij voorstel, Petrus en Joannes ; de andere van de gerechts-poort uit, welke in de nabijheid lag van het IT. Graf.

-ocr page 607-

29

hij zich voorover om den inwendigen toestand der rotsholte te zien en met een oogopslag heeft hij, die bij de begrafenis is tegenwoordig geweest, bespeurd, dat het lichaam des Heeren niet meer aanwezig is, en dat alleen de linnendoeken er nog liggen. Hij gaat echter het graf niet binnen^ doch wacht Simon Petrus af. Deze is zoo spoedig niet aangekomen, of hij treedt de spelonk binnen om alles nauwkeurig op te nemen. Van het lijk des Heeren is geen spoor te ontdekken, doch het ontgaat hem niet, dat de lijk-doek en de windsels aanwezig zijn en op eene andere plaats liggen dan de zweetdoek, die om Jesus\' hoofd geslagen was en nu ordelijJx is opgerold.

Thans volgt ook Joannes het voorbeeld van Petrus en, wanneer hij alles heeft bezichtigd , slaat hij geloof aan het bericht van Magdalena, dat hem zoowel als Petrus ongeloofelijk was voorgekomen. (1) Zij zien , dat het lijk afwezig is , en daar zij nog geen kennis dragen van de schrijftuur, dat Hij van de dooden verrijzen moet, meenen zij even als Magdalena hierin het werk van Jesus\'vijanden te erkennen. Zij ver-

(1) Eene andere verklaring vat de woorden; vidit etcredidit, zoo op, dat Joannes de verrijzenis van Christus reeds nu geloofd zou hebben-Doch is het wel waarschijnlijk, dat zulks het geval met Joannes en niet met Petrus zou zijn geweest ? Vgl. Lc. XXIV: 12. Buitendien strijdt hiermede Jo. XX; ü, hetgeen onmiddellijk volgt; want zij wisten de schriftuur nog niet, dat Hij van de dooden moest verrijzen. De vertaling toch; zij hadden niet geweten, behalve dat zij niet overeenkomt, met het sciebant der Vulgaat, strookt ook minder met het voorafgaande nog niet, ouSé-u). Ja, al volgde men zelfs deze vertaling, dan zou men deze woorden nog kunnen verstaan als de reden van het ingestelde onderzoek naar hetgeen Magdalena had bericht. Eindelijk de H. Augus tinus zegt reeds; quid ergo vidit ? quid credidit ? Vidit scilicet inane monumentum, et credidit quod dixerat muiier, eum de monumento esse sublatum. Wat mea hier in het midden brengt omtrent het emphatisch gebruik van -cctzeubcv bij Joannes, eischt een degelijk bewijs, en mag met alle reden betwijfeld worden. Doch genoeg om mijne opvatting te wettigen. Te ontkennen is het niet, dat velen het tegenovergestelde gevoelen zijn toegedaan.

-ocr page 608-

30

wijderen zich, , doch niet zonder verwondering over het zonderlinge ieit dezer wegvoering en over de opmerkenswaardige omstandigheid , dat zij desniettemin den zweetdoek , het lijnwaad en de zwachtels in het graf hebben gevonden. (LcJ

Magdalenawasnavrijgeruimen tijd Petrus en Joannes gevolgd naar het graf, en bleef, toen zij daar ge komen was, daar toeven. (1) Zij kan het graf van haren dierbaren Meester, dat zij geschonden waant, niet verlaten, en weent daar aan den ingang, terwijl hare liefde en hare droefenis haar als vastgenageld houden aan den grond. Zij weent , doch het zijn thans geen tranen van rouw over hare zonden , gelijk zij vroeger heeft gestort aan de voeten des Zaligmaker ; het zijn tranen van liefde. Zij weent , want al de smarten des Heeren rijzen haar op nieuw in de akeligste kleuren voor den geest; en hare verbeelding ziet Hem nog door allen gesmaad , doorwond en bloedend sterven aan het kruis. Zij weent; haar Meester, zoo wreedaardig miskend bij zijn dood , is zelfs ook nog onteerd, gelijk zij meent, in zijn graf. Voorwaar die tranen zijn tranen ontsprongen aan de bron van een teederminnend hart, tranen schooner dan de kostbaarste parelen, tranen , die even als de dauwdrup -pelen, welke de bloemen sieren in den wijnberg , waar zij zich bevindt, Magdalena bekoorlijk maken voor het oog der engelen. Daar buigt zij zich schrei ■ ende neder en werpt een blik in do grafspelonk , en terwijl haar oog zich vestigt op de plaats waar Jesus\' lichaam heeft neergelegen, ontwaart zij twee engelen in een wit blinkend gewaad, eenen aan het voeten en eenen aan het hoofdeinde. De hemellingen om haar te troosten in hare hevige droefenis spreken deel-

(1) Het is moeilijk, den tijd te bepalen, wanneer Magdalena na de apostelen aan het graf kwam. Tusschen Joann. XX: 10 en 11 schijnt een vrij geruimen tijd verstreken te zijn. Mogelijk was het omstreeks 10 uur loen Jesus haar verscheen.

-ocr page 609-

31

nemend haar toe: vrouw / waarom weent gij ? Doch overstelpt van zielesmart, slaat zij geen acht op die engelenverschijning en altijd vol van haren Meester geeft zij ten antwoord ; xoijl ztj mijnen Heer hebben weg\' gevoerd , en ik niet weet, waar zij Hem gelegd hebben.

Pas heeft zij dit woord tot den engel gesproken , of hare aandacht wordt gtrokken door een voetstap of eenig gedraisch daar achter haar. Zij wendt zich om , en ziet Jesus voor zich staan , zonder Hem echter te erkennen. Vrouw, zoo spreekt de Heer haar toe, waarom iveent gij ? en Hij voegt er de beteeke-nisvolle vraag bij: Wien zoekt gijf Deze tweede vraag brengt haar iets meer tot bezinning. Zij slaat een vluchtigen blik op den persoon, die tot haar spreekt en neemt Hem voor den hovenier, die over Josephs wijnberg gesteld is, en daarom wellicht aan het voorgevallene niet vreemd is. Heer! antwoordt zij, indien gij Hem hebt weggevoerd , zeg mij dan , waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Zoo geheel is zij vervuld met het vurige verlangen naar Jesus, dat zij geen aandacht noch eenig antwoord heeft voor de gestelde vragen. Zij denkt er niet aan, dat de gewaande hovenier wellicht niet eens weet, wien zij op het oog heeft; noch ook, dat er geen reden kan bestaan, waarom hij dengene zou hebben weggenomen, dien zijn meester zoo eervol in zijn eigen graf begraven had. Zij vergeet zelfs hare vrouwelijke zwakheid, waar zij spreekt van zelve Hem te zullen wegdragen. En pas heeft zij dit antwoord gegeven, of hare oogen zijn alweder gevestigd op de rustplaats van Hem, Dien zij zoekt en betreurt. Maar Jesus wil de liefde der zoekende, der weenende, en alles om Hem vergetende Magdalena niet langer beproeven, en Hij spreekt haar minzaam toe in den gewonen toon zijner stem met het ééne woord; Maria. Dit ééne woord zijner Goddelijke stem is voor Mag-dalena\'s trouwe en zoekende liefde genoeg; zij heeft

-ocr page 610-

32

Jesus, haren Heer, erkend. Zij wendt zich om ; zij ziet Jesus leven; en in een oogwenk heeft zij zich aan de voeten van den verheerlijkten Verlosser neêrge-worpen ; (1) zij omhelst ze in de vervoering barer liefde, en roept uit overstelpt van geluk : Babboni ! (2)

Rabboni! mijn geliefde Meester! is al hetgeen de zalige luagdalena in hare verrukking kan uitbrengen. Maar hoeveel zegt dit ééne woord niet reeds ? Mijn Meester, die mij aan de ellende van een zondig leven hebt ontrokken! mijn Meester, die mij zoo liefderiik in ontferming hebt aangenomen! mijn Meester, Dien ik van zoo nabij mocht volgen, en volgen tot onder het kruis! mijn Meester, Dien ik zoo pijnlijk zag sterven, Dien ik onder de dooden zocht, en ook daar andermaal verloren waande I O! Gij herleeft! ik heb U wedergevonden! o hoe onuitsprekelijk zoet is het mij, weder aan uwe Goddelijke voeten te zijn!

Het genot, dat de minnende ziel van Maria Mag-dalena vervult, als zij daar in liefdevolle aanbidding voor haren Goddelijken Meester nederzinkt, en Zijne doorwonde voeten aan het hart drukt (vgl. Mt. XXVIII : 9) is niet te beschrijven. Toch mag zij den vollen beker des heils nog niet drinken ; slechts een druppel der hemelsche zoetigheden wordt haar in dit tranendal geschonken. Jesus roept haar tot bezinning. Met hemelsche majesteit spreekt Hij haar toe; houd mij niet vast; (3) want ik ben nog niet tot mijnen Vader opgevaren. (4) Hecht u niet zoo zeer aan mijn bijzijn, als of Ik u reeds dadelijk voor

(1) Quid muiier ploras? en jam, quem quaeris, adoras,

(2) Dit zegt meer dan Rab, Rabbi, Rabban. Het drukt achting en liefde uit, en beteekent: Mijn geliejde Meester.

(3) OxTsafta.\'. zvus beteekent zich aan iets hechten, iets omvatten ; iets vasthouden.

(4) Dit zou door een Hebraisme ook kunnen beteekenen: ik vaar nog niet op tot mijnen Vader.

-ocr page 611-

33

immer zou verlaten. Nog ben ik niet voor goed van de aarde verdwenen en onherroepelijk tot mijnen Vader opgevaren. Toot dus niet langer met mijne voeten omklemd te honden, maar ga tot mijne broederen en zeg hun: ik klim op tot mijnen Vader en tot uwen Vader, tot mijnen God en tot uiven God,

Jesus Christus spreekt hier als mensch. Als zoodanig noemt Hij de apostelen zijne broeders, die Hem verwant zijn naar het vleesch, en door Hem de aange-nomene kinderen des Vaders zijn geworden, zoodat zijn Vader, Wiens Zoon Hij als God is door de eeuwige geboorte, ook door zijne menschwording en hunne aanneming tot broeders hun Vader is. Volgens zijne Grodheid kon Hij niet opklimmen, maar naar zijne menschheid zou Hij weldra in de heerlijkheid, macht en rust des Vaders gaan deelen, om als de eerste der broeders hun een eeuwig erfdeel voor te bereiden en in eeuwige zaligheid zijn Vader als hun Vader, zijn God als hun God te doen zien.

Liefdevol had Maria uitgeroepen; mijn dierbare Meester (1) En die Meester geeft haar een bevel, dat wel is waar scheiding vordert, maar toch haar welkom is, nu zij Hem slechts levend weet, zijne liefde dienen en zijne heerlijkheid kan doen kennen. Zoo wordt zij de eerste bode, die zijne luistervolle verrijzenis zal verkondigen en Jesus zal verheerlijken als den Godmensch, die door zijne hemelvaart met den Vader zal heerschen. Terwijl zij Jesus ziet verdwijnen, ijltzij verheugdnaar Jerusalem, en komt juichende tot de diepbedroefde apostelenmetdeheugelijkeboodschap: i\'A: fleer lt;7e2;\'ew, ew dit heeft Hij mij gezegd.

„Eene vrouwquot; zegt de H. Thomas, „was de eerste „bode des verderfs en des doods bij den mensch ; en „ook eene vrouw brengt het eerst de tijding des le-„vens van Christus, Die in heerlijkheid is opgestaan.quot;

(1) Zie 2Je deel, 3^ boek, bl. 360, van mijq Leven van Jesus, de aan-teekening.

3

Het Offer van J. C. III

-ocr page 612-

34

In de zondares van Magdala blijkt, wat de Heer is voor den rouwmoedige, die Hem van ganscher harte mint. Magdalena heeft reeds van het eerste oogenblik harer bekeering Jesus\' Hart geroofd, en dat Goddelijk Hart toont haar reeds dadelijk na zijne opstanding al zijne vlammende liefde.

§ 5. Jesus verschijnt aan de vrouwen. De boodschap der wachters hij Jesus\' graf.

Mt. XXVII: 9-15.

Jaar der J. P. 4742; na R- St. 782 ; gew. jt. 29.

Zondag, 17 Nisan , 20 Maart.

Intusschen hadden de gezellinnen van Magdalena , die zich reeds van het graf verwijderd hadden voor de komst van Petrus en Joannes, zich naar de apostelen en leerlingen des Heeren begeven om hun volgens het bevel des engels alles te berichten, wat zij geza-n en gehoord hadden (Lc. XXIV : 22—24 ; Mt. XXVIII: 8). Terwijl zij nu op weg waren om aan dezen en genen kennis te geven van het gebeurde, daar werden zij buiten alle verwachting overvloedig voor hare gehoorzaamheid en haren ijver beloond. (1) Jesus zelf verscheen haar, en trad haar te gemoet met het minzame woord: ioeest gegroet. Het was Hem niet genoeg, haar door zijne engelen de tranen der treurende liefde te hebben afgewischt; Hij wilde ha.tr buitendien door het aanschouwen zijner heerlijkheid de zaligste vreugde doen genieten. Gelijk vorsten hunne dienaars voorafzenden, om hunne op handen zijnde komst aan te kondigen; gelijk Hij voorafgegaan was door Joannes den dooper, opdat deze Hem als het. Licht de wereld getuigenis zou geven, z )o had ook Je Koning der heerlijkheid die heilige vrouwen door

(1) Deze verschijning had plaats na die van Magdalena. Mogelijk was het reeds 11 uur. Aan de Emmaüsgangers was noch deze verschijning noch die van Magdalena bekend.

-ocr page 613-

35

zijnt) engelen voorbereid op zijne komst, en bevestigde Hij nu zelf door deze verrassende verschijning op de stelligste wijze de wa irheid zijner verrijzenis.

Welk een blijk van Goddelijke en voorkomende liefde! Jesus wacbt niet, tot dat zij naar Galilea zijn gegaan, om baar door zijn bijzijn te verheugen. daar straks door den engel lt;iie l elofte gedaan, zie! nu reeds overtreft Hij verre die zoo blijde belofte. Zijn Goddelijke edelmoedigheid beloont op die wijze haar geloof aan het woord des engels en hare ijverige liefde om Hem te verheerlijken, en is de heugelijke tijding de.-\', eagels door zijne leerlingen in twijfel getrokken, Hij in persoon verschijnt haar, om die boven allen twijfel te verheffen. Hij is de eerst i om haar toe te spreken, en vriendelijk klinkt het van zijne Goddelijke lippen haar tegen: weest gegroe.it. O wie b jschrijft hare vreugde, haar geluk! Bij het zien van haren verheerlijkten en liefde mollen Heer, bij het vernemen van dien zoo minzamen groet werpen zij zich verrukt voor Hem ter aarde, en omhelzen zij zijne Goddelijke voeten. Zij betuigen zijne nederige en onderworpene, maar tevens zijne aanbiddende en liiifdevolle dienstmaagden te zijn. Treedt de vrouw bij het volk van Israël immer op in den ondergeschikten rang van dienstmaagd tegen over den man, hetzij als echtgenoot (I Kon. XXV : 41), hetzij als leeraar, (4 Kon. IV : 27) hetzij als vreemdeling (Tim. V ; 10), de onderdanige vereering dezer dienaressen was dieper, hare liefde inniger, dan die van eenig andere. Want zij erkennen niet slechts in Jesus een leeraar gelijk andere leeraars, maar eenen, die boven allen uitmunt door zuivere en verhevene leer, door heiligen levenswandel, door talrijke en schitterende wonderen ; een leeraar, aan een kruis gestorven, en toch, gelijk Hij voorspeld heeft, ten derden dage verrezen, een leeraar door engelen na zijne opstanding als Heer erkend, gediend en aangekondigd (Mt. XXVIII: 6),

-ocr page 614-

36

eenleeraar eindelijk vol Goddelijke Majesteit en heerlijkheid (1). In dien zin werpen zij zich neder aan Jesus\' voeten en omhelzen zij die. Zij aanbidden Hein in den volsten zin des woords als den Verrezene, als den Heer der engelen, als haren God.

Is hare vreugde en hare liefde alzoo met diep ontzag en eerbiedigen schroom gepaard, Jesus haast Zich haar gerust te stellen, terwijl Hij haar minzaam toespreekt: wilt niet vreezen; gaat, meldt aan mijne broeders, dat zij heen gaan naar Galilea; daar zullen zij Mij zien.

Andermaal geeft Jesus hieraan zijne apostelenden teederen naam van broeders. In het midden zijner heerlijkheid stelt Hij Zich tot zeker punt met hen gelijk, en toont daardoor, hoe Hij, nu Hij dood en hel heeft overwonnen, hen roept om ook eens die heerlijkheid te genieten, die thans de zijne is. Zij zijn thans door de menschwording en de voltooide verlossing ontrukt aan de slavernij des duivels, en met en door Hem den Eengeboorne des Vaders Diens aangenomene kinderen.

Die broeders zullen Hem zien in Galilea, dit heeft Hij voorspeld voor zijn dood; dit herhaalt de engel der opstanding; dit kondigt Jesus zelf hier aan. Daar toch zal Hij Zich niet slechts terloops en gedurende eenige oogenblikken vertoonen, maar geruimen tijd in hun bijzijn vertoeven (Act. 1: 3). Daar zal Hij Zich niet slechts aan weinigen, maar aan zijne gezamenlijke leerlingen vertoonen (1 Cor. XV: 6). Daar zal zijne openbaring niet zoozeer Hem zeiven maar vooral zijne kerk en zijn rijk betreffen. Zijne predikingen daar vroeger gehouden, zijne wonderen daar vroeger verricht, zullen ook daar door zijne opstanding worden bevestigd. Dit sluit echter niet uit, dat de Heer reeds vroeger aan de zijnen kan en zal verschijnen. Nog driemaal toch zal Hij Zich op dezen derden dag na zijnen dood als verrezen Godmensch vertoonen.

(1) Dit mogen wij besluiten uit Jesus7 woord: wilt niet vreezen.

-ocr page 615-

37

Met vreugde gehoorzamen de vrouwen aan het bevel, dat de Heer haar geeft. Maria van Kleophas^ Salome, Joanna en althans nog eene andere brengen namens den Heer aan zijne apostelen en leerlingen deze gelukkige tijding over. Doch dezen slaan geea geloof\' aan haar bericht, en beschouwen het als eene dwaasheid. Het denkbeeld, dat de gekruisigde tot het leven is teruggekeerd, is voor hunne bekrompens opvattingen te verheven, en vindt in het diepe smartgevoel over het geledene verlies een nog onverwinnelijken hinderpaal. Allen of ten minste ds meesten blijven ongeloovig, en God laat dit toe, om het groote wonder der opstanding des te meer boven allen twijfel te verheffon.

Tor wijl deze berichten aan Jesus\' vrienden geworden, bleef het gebeurde evenmin voor Jesus\' vijanden verborgen. De wachters van het graf, die in aller ijl waren weggevlucht, begaven zich, toen hun eerste schrik verdwenen was, naar de stad, en meldden aan de overpriesters, in wier dienst zij stonden, al wat hun was wedervaren. Zoo werden zij, die gesteld waren om het gerucht der opstanding te voorkomen , juist degenen, die haar het eerst aan Jesus\' vijanden verkondigden, en aldus des Heeren moordenaars beschaamden.

Do overpriesters begrepen zeer goed, dit verhaal niet in twijfel te kunnen trekken. Het getal der wachters, hun eenparige getuigenis, hunne kennis aangaande het tijdstip van Jesus\' verrijzenis, de in het oogvallende gebeurtenis, die zij verhaalden, lieten niet toe hier aan vergissing of verdichting te denken. Verbaasd alzoo en niet weinig ontsteld belegden zij in aller ijl eene vergadering met de oudsten des volks, die tot hunne geestverwanten behoorden. En welk was hun besluit ? Niet om toe te zien, of Jesus werkelijk verrezen en dus Gods Zoon was, gelijk Hij had getuigd; niet om althans den verderen loop der gebeurtenis gade te slaan ; neen! zij besloten om zelfs na het vernemen van dit bericht hardnekkig

-ocr page 616-

38

den strijd door te zetten, dien zij bij Jesus\' leven tegen den wonderdoenden en gevierden Nazarcner reeds zoo woedend en boosaardig hadden aangevangen. En nu zij hiertoe eenmaal besloten waren, sloegen zij den eenigen weg in, die hun daartoe nog open stond. De krijgsknechten moesten belet worden dit verhaal verder te verspreiden, en daarom zouden zij aan dezen het zwijgen opleggen, misschien zelfs ouder bedreiging van eene aanklaehte bij den landvoogd. Ingevolge van dit besluit eischten zij ook werkelijk van de wachters, dat zij zouden zwijgen. Indien er echter waren, die hen zouden ondervragen, dan hadden zij dit te antwoorden: zegt, zeiden zij, zijne leerlingen zijn des nachts gekomen, en hebben Hein, terwijl wij sliepen, weggevoerd En indien zulks mocht gehoord worden door den landvoogd, zoo zullen wij hem te vreden stellen en bewerken, dat gij veilig zijt.

De uitvlucht was eene handtastelijke ongerijmdheid. Want de wachters hadden of gewaakt, of geslapen. In het eerste geval moest het voor Jesus\' leerlingen eeue onmogelijkheid zijn, Jesus\'lichaam weg te voeren. Dit waagden dan ook \'s Heeren vijanden niet voor te geven. Zij veronderstelden daarom, dat de wachters hadden geslapen. Doch in dit geval was het eene onmogelijkheid, dat de apostelen het graf zouden zijn genaderd, den verzegelden steen zouden hebben afgewenteld en het lichaam zouden hebben weggevoerd zonder hen te wokken. Buitendien indien zij hadden geslapen, hoe konden zij dan getuigen, dat de leerlingen bij het graf waren geweest ? Het zou dus eene gissing moeten zijn; doch waarom wei den Jesus\' leerlingen, indien zij maar eenigen grond had, niet ter verantwoording geroepen over de schending van het zegel des hoogen raads ?

Vreej voor eene aanklacht bij den landvoogd, eene zekere schaamte over zich zelvea, ontzag voor de leden van den hoogen raad, eindelijk de aanzienlijke

-ocr page 617-

39

som gelds, die hun werd aangeboden, waren oorzaak, dat de wachters zich lieten vinden tot het voorstel van Jesus\' vijanden^ en zich in dien zin ook gedroegen. Zoo ontstond, dus van lieverlede onder de joden het gerucht, dat Jesus\' lichaam door zijne leerlingen was weggevoerd, en deze meenig hield bij hen nog stand, ten dage dat de H Mattheus zijn evangelie schreef, gelijk hij getuigt.

Het is alzoo zeker, dat Jesus\' lichaam niettegen\' staande de bewaking en verzegeling uit het graf ver dwenen is ; dit moesten zelfs zijne vijanden erkennen. Slechts wilden zij dit doen doorgaan als een bedrog der apostelen. Die bewering evenwel is, afgezien nog van alle latere verschijningen en wonderen, volstrekt onaannemelijk, zoodat er niets overblijft, dan dat de Heer verrezen is.

De apostelen immers zouden hiertoe noch den moed, noch den wil, noch de macht bezeten hebben. Niet den moed, want reeds bij \'s Heeren gevangenneming waren zij allen heen gevloden. Uit kleinmoedigheid, uit vrees had zelfs Petrus Jesus driemaal verloochend. Die vrees der apostelen was zeker niet afgenomen door Jesus\' schandelijken Kruisdood, en nog op den eigen dag van \'s Heeren opstanding vinden wij hen vergaderd met gesloten deuren uit vrees voor de joden. Hoe zouden zij, die zwakken, die felgcschok-ten, die vreesachtigen, iets bestaan hebben, wat bij de bewaking van het graf tot niets anders kon strekken, dan om hen in het lot huns Meesters te doendeelen ?

Zij konden hiertoe ook den wil niet hebben. Welk belang toch kon hen aansporen tot zulke vermetele en verfoeilijke daad ? Om zoo iets te willen moesten zij vooraf overtuigd zijn, dat Jesus een bedrieger of een bedrogene was geweest. En waren zij eenmaal hiervan overtuigd, wat nut konden zij zich dan van die gevaar volle en misdadige onderneming beloven ? Konden zij verhopen, door zulk een bedrog een ieder te zullen

-ocr page 618-

40

misleiden ? Hadden zij te verwachten, dat men dadelijk aan hunne beweringen geloof zou slaan? Ja hadden zij niet te duchten, dat de verdere verkondiging-van Jesus\' leer hun van den kant der Phariseen vervolging, kerker en dood op den hals zou halen ?

Eindelijk zij konden hiertoe ook niet in staat geweest zijn, Hoe toch konden zij het graf naderen, het zegel verbreken, den zwaren steen wegwentelen, en Jesus\' lijk wegvoeren zonder dat de wachters het bemerkten ? Hoe was het mogelijk , dat de wachters na de gedane waarschuwingen der joden allen sluimerden, en dat geen enkele bij de geweldadige opening van het graf zou zijn ontwaakt?

Dit alles wordt nog duidelijker, wanneer wij de vraag stellen, waarom de joden de wachters niet straften, en waarom zij het niet waagden Jesus\'leerlingen ter verantwoording op te roepen. Ja, zoo weinig waarschijnlijkheid bevatte deze bewering, dat zelfsvele priesters te Jerusalem desniettegenstaande later tot het Christendom over gingen. Zoc had dan alles, wat de nijd van Jesus\' vijanden in het werk had gesteld, onder de leiding der Goddelijke Voorzienigheid slechts dit eenetot uitwerksel, Jesus\' opstanding boven allen twijfel te verheffen.

§ 6. Jesus verschijnt aan Petrus en aan de twee Emmaüsgangers.

Mt. XVI: 12-13; Lc. XXIV: 13-35.

Jaar der J. T. 4742, na R. S:. 782 5 der gevv. jt. 2U.

Het onverklaarbare verdwijnen van Jesus\' lichaam had. gelijk wij za-.\',en, op Petrus een zekeren indruk gemaakt. Was zijne verwondering reeds gaande gemaakt door de in \'t oog vallende plaatsing der lijk-doeken, dan vond ook Magdalena\'s bericht omtrent \'sHeeren verschijning, en evenzoo de boodschap der vrouwen aangaande de lastgeving des engels en aangaande de daarop gevolgde verschijning van Jesus in hem wel geen ongeloovige. Mogen wij niet gissen.

-ocr page 619-

41

dat hij bij het nadenken over dit alles zich gedreven gevoelde om nogmaals het dierbare graf van Jesus in den wijnberg van Joseph van Arimathea te gaan bezoeken, (1) en dal daar ook hem het geluk te beurt viel op dezen eersten dag zijn verheerlijkten Meester te mogen aanschouwen ?

Langzamerhand was de prins der apostelen door al, hetgeen hij dien morgen had vernomen en gezien, op dat groote geluk voorbereid. Wat de engelen voor de vrouwen waren geweest, dat waren ook deze voor Petrus. Zij waren boden, voor af gezonden door den Groddelijken Koning, Die zelf na haar kwam tot den uitverkoren sleuteldrager zijns rijks. Zeker was het een onuitsprekelijke troost en zoete vreugde voor den bekeerden apostel de ontfermende liefde van den ver-rezenen Godmensch in zoo overvloedige en onverdiende mate te mogen ondervinden, en de tranen, die thans aan zijne oogen ontsprongen, waren geheel andere dan die hij met zooveel bitterheid stortte, toen hij voor drie dagen bij het zien van Jesus\' sprekenden blik naar buiten ijlde. Doch den gevallene en bekeerde liefderijk op te beuren was wel niet het eenigste doel van Christus, toen Hij hem hier het eerst onder al de apostelen en leerlingen verscheen. Kennelijk werd Petrus door Magdalena, door den engel bij zijne lastgeving aan de vrouwen (Mc. XVI: 7), en thans weder door deze verscldjuing van Christus onderscheiden als het hoofd der Kerk. Hij ontving hier duidelijk van den Godmensch de zending om onder

(1) Deze gissing schijnt mij eenigen gvond te vinden in Lc. XXIV; 13 in verband met v. 13 en 34. Even gelijk Lulcas in v. 10 meer dan een bericht te zamen trekt, cvenzoo kan hij in v. een tweevoudig bezoek van Petrus aan \'s Heeren graf bedoelen, het eerste in gezelschap van Joannes na de eerste tijding van Magdalena, het tweede later alleen na het bericht der overige vrouwen althans aangaande de engelenver-schijning. Opmerkelijk is zeker, dat Lukas dadelijk na v. 12 het gebeurde met de Emmaüsgangers en vervolgens v. 34 de verschijning aan Petrus meldt.

-ocr page 620-

42

de apostelen als de eerate getuige zijner opstanding voor de Kerk op te treden, en al dadelijk begon zich het woord te verwezenlijken, door Christus bij het laatste avondmaal tot Petrus gesproken : Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet bezwijke ; en gij eens bekeerd , bevestig uwe broeders. Hoe zoet moest het den minnenden, den vurigen Petrus zijn het eerst van al de apostelen de heerlijkheid zijns Goddelijkon Meesters te mogen verkondigen! Hij, die door de openbaring niet van vleesch en bloed maar van den Vader in de hemelen het eerst de belijdenis had afgelegd : gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God, hij wordt geroepen vóór al de overige apostelen om den Groddelijken Verwinnaar des doods te doen kennen, en ook later nog na de afdaling des H. Gees-tes legt hij het eerst aan het hoofd van al de apostelen de verklaring af: dezen Jesus heeft God opgewekt, tvaarvan wij allen getuigen zijn.

Dubbel gewiehtig moest het getuigenis van Petrus aangaande \'s Heeren opstanding voor zijne medeapostelen zijn; eensdeels omdat zij zon sterk in tegenspraak was met zijne drievoudige verloochening, anderdeels omdat zij reeds eenigzins gewoon waren in Petrus hun meerdere te erkennen. Daarom beroept zich ook de H. Paulus, waar hij Christus\' verrijzenis wil bewijzen, het eerst op deze verschijning: de lieer is door Cephas gezien (1 Cor. XV: 5). En ook de apostelen lieten zich zoozeer overtuigen door hetgeen zij uit Petrus\' mond vernamen, dat wij ze weldra hooren juichen : de Heer is waarlijk verrezen en verschenen aan Simon (Lc. XXIV: 34).

Zij, aan wie dit blijde bericht door de apostelen gewerd, hadden eveneens het groote geluk gehad den verrezenen Zaligmaker dien dag te mogen aanschouwen. Het waren twee leerlingen, die uit Jerusalem zich naar een buitengoed hadden begeven, dat aan een hunner toebehoorde. Zij waren over den kruis-

-ocr page 621-

43

dood des Heeren zoo diep bedroefd, dat zelfs het bericht der vrouwen omtrent de engelen verschijning hen niet had kunnen troosten, en zij op die wijze poogden hunne treurige gedachten eenigzins te verzetten. Wie zij waren, weten wij slechts in zoo verre, dat zij niet tot de apostelen behoorden, Jesus\' leer beleden, en een hunner Kleophas werd genoemd (1).

Zij begaven zich naar het vlek Emmans, 60 stadiën of nagenoeg drie uren van Jerusalem gelegen. (2) Dit vlek,

(1) Ongenes noemt den tweeden Simon, de H. Ambrosius Ammaon, Volgens Epiphanius zou het Nathanacl, volgens Gregorius den groote Lukas geweest zijn. \'t Is alles onzeker.

(2) Dit Emmaiis moet niet verward worden met de stad van dien naam, 170 stadiën, of eene goede dagreize van Jerusalem gelegen. Het is wel het oude Ammosa bij Josuë XVIII: 26 vermeld, dat zich in de nabijheid Vi;u Mizpa en Kaphira bevindt, welke daar ter plaatse eveneens genoemd worden. Wij vinden het mede vermeld 1 Mach. Ill ; 40, 46, 57. Zonder het artikel is de naam in het Hebrecuwsch Mosa, dat uitgang, oorsprong van water of bron beteekent. Vgl. 11 Paral. XXXII ; 30. Ook in Succa C. 4, 5 lezen wij: erat infra urbem locus quidam Modsa. Hue descenderunt (in festo scenopegiae) et decerpserunt inde ramos salicum perlongos. In de Gcmara nu f. 45,1 lezen wij: Mosa is Colonieh. Werkelijk bevindt Kolonieh of Mosa zich nog heden op een afstand van 60 stadiën van Jerusalem, en wordt daar eene bergbron aangetroffen. Ook Josephus meldt ons, dat Titus te Ammaus eene colonia of volksplanting stichtte op 00 stadiën van Jerusalem. Eodem tempore Caesar ad Bassum et Liberium Maximum scripsit (is cuim procurator erat), jubens ut omnem Judeorum terram venderent, non enim civitatem in ea condidit, proprium servans sibi eorum agrum; sed octingentis duntaxat emeritis locum incolendum dedit, qui vocatur Ammaus, distat autem ab Hierosolymis 00 stadiis. Bell. VII: 6, 6. Vinisauf, die Richard Leeuwenhart ten kruistocht vergezelde, verhaalt: ( Itiner. Regis Angl. V. 4Ü) «reeds op den dag na de aankomst des »legere reed hij (de koning), toen een bode meldde, dat de Turken in «het gebergte gelegerd waren, voort tot aan di bron van Emmaüs, «doodde er 20, maakte den heraut van Saladin gevangen, bemecsterdc «slaven, paarden, kameelen met specerijen en muildieren met kostbare «zijden stoffen, en vervolgde de \\luchtenden zoo ver, dat hij Jerusalem «op een afstand voor zich zag. Denzelfden dag doorstonden Fransche «ridders, terwijl zij de knechten bijstonden, die om fourage tot aan «Kulloniah op twee mijlen afstands van Jerusalem waren doorgedron-«gen, ecu minder gelukkig gevecht.quot; Nicopolis ligt op 176 stadiën of S uren afstands van Jerusalem, en kan dus het Emmaus van het evange-

-ocr page 622-

44

heden Kolonieli genaamd, bevond zich ten noordwesten der stad. De weg, die er heen voerde, liep door het dal Hinnom en verder over eene hoog gelegene vlakte. Hij was in den aanvang woest, oneffen en steenachtig. Terwijl zij nu langs dit eenzatne pad voortwandelden, viel hun gesprek natuurlijkerwijze op het vreeselijke lijden en den schandelijken kruisdood huns Meesters. Doch zie, terwijl zij hierover hunne gedachten wisselden, daar kwam Jesus bij hen, en sloot zich bij hen aan. Zij erkenden echter den Heer niet, wijl Hij Zich in eene geheel andere gedaante aan hen vertoonde. Zij beschouwden Hem als een vreemdeling, wellicht als eenen, die het Paasch-feest te Jerusalem had bijgewoond.

Al dadelijk sprak de Heer hen toe met de minzame vraag: welke zijn die gesprekken, waarmede gij elkander wandelend onderhoudt, en waarom ziet gij treurig ?■ (1).

Met verwondering en zelfs met eenige ontevredenheid vernamen de leerlingen deze woorden. De eene met name Kleophas antwoordt niet zonder bitsheid: zijt gij alleen een vreemdeling in Jerusalem, en weet gij niet, welke dingen daar in deze dagen geschied zijn ?

vraagt Jesus op deelnemenden toon. En beiden te gelijk hun overstelpt gemoed uit. Die, antwoorden zij, betreffende Jesus van Nazareth, -welke een groot profeet was, machtig in werk en woord voor God en het geheele volk; en hoe Hem onze overpriesters en oversten ter veroordeeling des doods overgeleverd en gekruisigd hebben. Wij echter hoopten, dat Hij het was. Die Israël verlossen zou ; maar nu is het na dit alles heden de derde dag, dat deze dingen geschied zijn. Evenwel hebben eenige vrouwen uit de onzen ons ontsteld, die, voor dat het dag teas, hij het graf zijn

Welke toch nu storten voor Hem

lie niet zijn. Het was ondoenlijk op een dag twee maal 176 stadiën gaande af te leggen. Der-el-Kubebe heeft niets voor zich , dat het als Emmaus aanwijst dan de gissing der kruisvaarders.

(1) Zie het Grieksche woord.

-ocr page 623-

45

geweest en zijn lichaam niet hebben gevonden, en die kwamen berichten, dat zij ook eene verschijning van engelen hebben gezien, welke zeggen, dat Hij leeft. Alsdan zijn eenigcn van de onsen, naar het graf gegaan en hebben bevonden, gelijk de vrouwen gezegd hadden, maar Hem hebben zij niet gezien.

Eene groote teleurstelling ademen deze woorden. Wel erkennen zij Jesus nog als een groot profeet, als een wonderdoener, als den schuldeloos ter dood gebrachte. Maar hun geloof aan Hem als Messias, als Verlosser van Israël, is geschokt, zoo niet geheel en al bezweken. Zij verbeelden zich nog immer den Messias als een aardschen en machtigen koning, die het volk van Israël over alle volkeren zal doen heer-schen, en dit denkbeeld weten zij niet met Jesus\' kruisdood te rijmen. Alle verwachting schijnt echter niet uit hun gemoed verdwenen. Want ofschoon zij het blijde bericht der vrouwen als onwaarschijnlijk voorstellen heeft het toch zoowel als het ledige graf op hen een kennelijken indruk gemaakt.

Nu is voor Jesus het oogenblik gekomen om hen te berispen over hun wankelend geloof, en het verkeerde begrip aan te grijpen, dat zij zich omtrent den Messias hebben gevormd. O gij dioazen! zegt Hij, en tragen van harte om te gelooven aan al wat de profeten gezegd hebben! Moest de Christus deze dingen niet lijden en aldus zijne heerlijkheid ingaan ?

De Heer neemt den toon aan van een geloovig schriftgeleerde, en laat hen gevoelen, dat hetgeen hen doet wankelen, juist hen moet steunen. De aangekondigde verlossing, die zij moeten verhopen, is geen verlossing van het slavenjuk der Romeinen maar een geestelijke verlossing uit het slavenjuk der zonde, en deze moest volgens de Goddelijke raadsbesluiten en de voorspellingen der profeten juist bewerkstelligd worden door de smarten en den offerdood van den Christus. De Messias moest door het lijden de heer-

-ocr page 624-

40

lijkheid ingaan. De weg des kruises is voor Hem en ook voor allen de weg tot de glorie, Om hen hiervan ten volle te overtuigen begint de Heer hun onder het voort wandelen de verschillende voorzeggingen van Moses en de profeten aangaande deze waarheid te verklaren. De belofte reeds dadelijk na den zondeval, dat het serpent het zaad der vrouw bij uitnemendheid in den hiel zou belagen en juist daardoor zich den kop zou zien verpletten (Gren, III: 15); de plechtigheden, zaken, personen, en gebeurtenissen, die als typen het lijden des Heeren voorafbeeldden ; de offeranden vooral en de bloedbesprenkeling verkondigden buiten twijfel deze groote waarheid (Vgl. Heb. IX; X). David schilderde zijn lijden en zijne glorie eveneens met de schitterendste kleuren (ps. XXI). Job, de groote lijder van het oude verbond, was de sprekende voorafbeelding van den grooten lijder des nieuwen Verbonds zoowel in zijne smart als in zijn geluk. Daniël had het juiste tijdstip van zijnen dood\'bepaald (Dan. IX), Isaïas (LIII), Jeremias, Zacharias (XI; 1—13; XII: 10) voorzegden duidelijk zijne vreeselijke smarten, diepe vernedering en smadelijken dood en tevens zijne volgende verheffing. Ja, alle profeten gaven rechtstreeks of zijdelings het lijden van den Messias te kennen, en ten volle waar was later het «voord van den H. Petrus : Grod heeft vervuld, hetgeen Hij door den mond aller profeten heeft voorspeld, dat zijn Christus moest lijden (Hand. III: 18). Al wat dus thans te Jerusalem had plaats gegrepen, was een bewijs te meer, dat Jesus van Nazareth de voorspelde Messias was, en dat het verhaal der vrouwen aangaande de engelen verschijning niet viel te betwijfelen. Zij moesten derhalve gelooven, hopen, en veeleer juichen dan droefgeestig zijn.

Onder deze gesprekken hadden zij eindelijk het doel hunner wandeling bereikt. Een liefelijk dal aan de overzijde der terebinthvallei, waar peren en ker-

-ocr page 625-

47

senboomeu zich afwisselden met vijgen en olijven, en de prachtig roode bloesems der granaatappelboomen naast ue heerlijk witte der oranjeboomen hun zoeten geur verspreiddeu, lag, beschenen door de guide stralen eener ten ondergang neigende zon, in zijn heerlijken lentedos voor hun oog. Het was Emmaüs, besproeid door eene verkwikkende bergbron, en langs alle zijden door eene reeks schilderachtige heuvelen omsloten. Hier bevond zich het landgoed der leerlingen, en het oogen-blik der scheiding was daar. Jesus nam den schijn aan, als wilde Hij verder gaan, en zijn weg westwaarts over de heuvelen naar Kariath el Enab de stad der druiven, of ook naar Arimathea voorzetten. Hij geliet Zich, als of Hij afscheid van hen wilde nemen, en schonk hun alzoo eene welkome gelegenheid om hunne voorkomendheid en herbergzaamheid jegens Hem aan den dag te leggen.

Noode zagen de beide leerlingen die aanstalten. Zij hadden met geduld zijne terechtwijzing aanhoord, en toen zij vernamen, hoe die vreemdeling de voorzeggingen der profeten met zooveel juistheid op het gebeurde met bunnen Meester toepaste, en hun geschokt vertrouwen opbeurde, toen was hij hun innig lief geworden, en had hij hun hart met den zoetsten troost vervuld. Daarom noodigden zij Hem thans niet zonder aandrang uit: hlijf hij ons, (1) want het wordt avond, en de dag neigt ten einde. (2) Jesus nam

(1) Hieruit, zoowel als uit het geheele veihaal, waarin van een anderen persoon geen spraak is, maakt men op, dat een dezer leerlingen hier een eigen landverdrijf had.

(2) De avond wordt bij de joden in een dubbelen zin genomen : het einde van den dag van 3 tot G men of de vooravond en het begin van den nacht van C tot 9 uren of \'s avonds laat. Vgl. Mt. XIV: 15 en 33. Vgl. Mc. XIII: 35. Wanneer de leerlingen hier zeggen : het is tegen den avond en de dag gaat eindigen, geven zij te verstaan, dat het laatste gedeelte van den dag daar is en het eerste gedeelte van den nacht nadert. Wij stellen ons voor, dat de leerlingen tusschen 11 en 12 uur Jerusalem hadden verlaten, langzaam waren voortgewandeld en ongeveer te 4 uur te Emmaus kwamen.

-ocr page 626-

48

hun welwillend aanbod aan en ging met hen binnen. Hij had hun geloof aangaande zijn lijden verlicht, hun vovtioii.ven gesterkt, hunne liefde ontvlamd; weldra zou Hij niet langer een vreemdeling voor hen blijven. Nu zij in den gekruisten en gestorven Messias geloofden, zouden zij Hem spoedig als den verrezene en als hun God aanschouwen.

Na eene wijle wordt hun het avondmaal voorgezet, en aan Jesus als vreemdeling en schriftgeleerde de de eerste plaats ingeruimd. En zie! terwijl Hij nu met hen aanligt, daar neemt Hij het brood, zegent het, breekt en geeft het hun. Hunne oogen gaan open. Zij erkennen in het breken des broods (1) den Goddelijken Tnstoller van het avondmaal. Zij vernemen het woord: dit is mijn lichaam, en verrukt aanschouwen zij hun geliefden Meester, Die hen bij zijn herleven verblijdt door de hoogste liefdedaad, welke in zijne Kerk voortaan immer de leden èn met Hem én met elkander ten innigste zal vereenigen. Hij brak het brood in het laatste avondmaal; Hij breekt het bier; zijne leerlingen volharden in de gemeenschap van het breken des broods (Hand. II: 42), en de H. apostel Paulus verklaart ons dit gebruik, terwijl hij zegt: het brood, dat wij breken, is het niet de gemeenschap van het lichaam des Heer en ? (Cor. X: 16) „Zoo wijdt Hij\'\', zegt de H. Hieronymus (2), „de woon van Kle-ophas tot eene kerk.quot; Niet zijne leerlingen mogen Hem vergasten; Hij vergast hen met het ware brood des levens. Hij, de Levende maakt hen deelachtig aan zijn (roddelijk leven. O welke zaligheid over-

(1) V. 35 zegt, dat zij Hem erkennen in het breken des broods hetgeen volgens den aard van het Hebreeuvvsche voorzets.el beteekent door het breken des broods. Waardoor anders zou zij Hem erkend hebben ? Er wordt van geen andere wijze van erkennen gewag gemaakt. Opmerkelijk is ook het verband tusschcn v. 30, 31 en 35.

(2) In Epitaph. Paulai ad Eustochium. Augustinus libr. 3 de consensu Evang. c. 25, Beda, Theophylactus en, naar het schijnt, ook de H* Thomas volgen deze verklaring.

-ocr page 627-

49

stroomt hun de ziel, waar zij met de teederste liefde bij het genieten van het allerheiligste sakrament den verrezenen Godmenscli in zijne heerlijkheid aanschouwen, en zijne oneindige goedheid op zoo verrassende wijze ondervinden!

Eén oogenblik slechts duurt de aanschouwing , en zie! Hij is uit hunne oogen verdwenen. Nu weten zij waarlijk, dat Hij van de dooden is opgestaan. Bij den eersten indruk zijn zij als van verbazing bedwelmd. Eindelijk storten zij hun gemoed uit. Was ons hart niet hrandende in ons, roepen zij uit, toen Hij op den weg tot ons sprak, en de schriften ons opende ?

Ja, het raadsel is hun opgelost. Nu begrijpen zij, hoe Hij op den weg hun zoo juist en met zooveel gloed de schriften kon verklaren, Zich meester maken van hun hart, en het door het vuur der liefde zoozeer ontvlammen. Het was do Zon der gerechtigheid geweest, wier stralen hunne ziel verlichtten en verwarmden. De sluier, die haar aan hunne oogen onttrok, was weg genomen , en haar Goddelijke luister had hen bestraald.

De reden, waarom zij Emmaiis hadden gezocht, bestond niet meer, en verheugd haasten zij zich om nog terzelfder ure naar Jerusalem terug te keeren. De vallende avond weerhield hen niet. Met versnelde schreden spoedden zij zich over het eenzame heuvelpad om hunnen broeders de heugelijke tijding van het voorgevallene te gaan brengen.

§ 7, De verschijning aan de apostelen ; instelling van het sakrament van boetvaardigheid.

Mt. XVI: 13-14; Lc. XXIV: 33-34; Jo. XX : 19—23.

Jaar der J. P. 4743 5 na R. st. 782. Gew. Jt, 2(J.

Zondag, 20 Maart, 17 Nisan.

Toen de zon onderging, ongeveer ten vijf uur, verlieten, naar wij gissen, de twee leerlingen Emmaüs,

Het Offer van J. C. Ill 4

-ocr page 628-

50

en het was ongeveer acht uur, toen zij te Jerusalem wederkeerden. Zij begaven zich naar de eetzaal op den Sionsberg, waar Jesus met de zijnen het laatste avondmaal had gehouden, en vonden er de apostelen met een zeker tal van Jesus\' leerlingen vergaderd. Zij meenden de eersten te zullen zijn, die Jesus\' opstanding zouden verkondigen ; doch reeds dadelijk bij hun intreden klonk het hun te gemoet; de Heer is waarlijk verrezen en verschenen aan Simon. Dit woord verrastte hen, doch na hetgeen zij zelf hadden ondervonden, bevreemdde hen niet. Ook zij op hunne beurt verhaalden, wat hun op den weg was overkomen, en hoe zij den verrezen Christus door het breken des broods hadden erkend.

Schoon zijn hier de woorden van den H. Augustinus: „welaan dan broeders ! waar heeft de Heer willen ge-„kend worden ? immers in het breken des broods. Wij „zijn dan ook gerust; wij breken het brood, en wij „kennen den Heer. Hij heeft niet willen gekend worgden dan juist daar, om ons, die Hem niet in het vleesch „zouden zien, maar die zijn vleesch zouden eten. In-„dien gij dus geloovig, indien gij niet met naam alleen „Christen zijt, indien gij niet zonder reden in de kerk „komt, en indien gij Gods woord met vrees en hoop „aanhoort, moet u het breken des broods vertroosten, „De afwezigheid des Heeren is „Hebt een vast geloof, en met „niet ziet (Serm. 140 de temp.).quot;

Niettegenstaande het verhaal der twee leerlingen waren er echter verscheidenen, die niet geloofden (Mc. XVI: 13). Noch de verschijning des engels aan d; vrouwen , noch Jesus\' twee verschijningen aan Mag-dalena en hare gezellinnen, noch hefc verhaal van Petrus, noch ook deze laatste tijding waren in staat hen te overtuigen. Wel waren zij zoo neerslachtig niet meer, en wellicht rezen er twijfelingen op in hun gemoed. Maar hunne vooroordeelen en de smartelijke indrukken

geene afwezigheid, u is Hij , Dien gij

-ocr page 629-

5!

der laatste dagen waren te machtig. Waarom, vroegen zij misschien zich zeiven at. is ook ons niets dergelijks wedervaren ? Zijn ook wij zijne apostelen, zijne leerlingen niet\'? Waarom vertoonde Jesus Zich dan ook niet aan ons ?

Dat ongeloot was voor hen ook eene bron van vrees. Bekommerd over de plannen der overpriesters en schriftgeleerden, nu \'s Heeren lichaam was verdwenen, waren zij hier in het geheim bijeen en hadden uit angst voor mogelijke aanslagen zorgvuldig do deuren gesloten. Zij kenden den bitteren haat van Jesus\'vijan den en moesten duchten, dat dezen na zoo bittere teleurstelling ook aan hen de handen zouden slaan.

Zoodanig was de gemoedsgesteltenis der vergaderden. Vrees en hoop, geloof en ongeloof, blijdschap en droefenis wisseMen zich af in hunne gesprekken, terwijl zij aan den disch neerlagen, waaraan zij het avondmaal hadden genoten. Doch zie ! eensklaps, terwijl zij verdiept zijn in die gesprekken, staat Jesus in hun midden. Gelijk Hij uit het gezicht der Emmaüsgangers verdwenen was, zoo verscheen Hij ook hier op wonderdadige wijze in den kring der zijnen, (1) ofschoon de deuren gesloten waren. Hij sprak hen toe, terwijl zij in stomme verbazing Hem aanstaarden : vredr

(1) De verschijning, van welke spraak is Jo.XX: 19—23, is dezelfde als die bij Lc. XXIV: 36—43. Beide evangelisten plaatsen ze op hetzelfde tijdstip, en verschillende omstandigheden, de plotselinge verschijning, de groet, het toonen der wonden, zijn in beide verhalen juist dezelfde. Ook Mc. XVI: 14. wijst op deze verschijning. Indien men dit in het oog houdt zal de ongeloovige verklaring, dat de deuren voor Jesus op zijne aanvraag ontsloten zouden zijn (Meiboom), dadelijk blijken in strijd te zijn met den zin van het verhaal. Waarom maakt Joannes de opmerking, dat de deuren gesloten waren, terwijl geen der drie evangelisten van het openen iets meldt ? Joannes en Lukas gebruiken buitendien uitdrukkingen, die eene plotselinge verschijning te kennen geven. En eindelijk de leerlingen zijn verrast en meenen een geest te zien. De kerkvaders vatten het dan ook eenparig op van een verschijning met gesloten deuren. Zie Maldonatus t. d. p. bij Joiinnes.

-ocr page 630-

52

zij u lieden ; Ik ben het; wilt niet vreezen. Ontsteld bij de plotselinge verschijning, meenden de leerlingen een geest voor zich te zien en zoo min de stem des Hee-ren als het zien, van zijn lichaam brachten hen tot hunne zinnen. De Heer verweet hun met zachtmoedige liefde hunne ongeloovigheid en de hardnekkigheid huns harten, waardoor zij geen geloof hadden geslagen aan de vrouwen, Petrus en de Emmaüsgangers, die Hem verrezen hadden gezien. (1) Ja, zelfs nu wisten zij hunne eigene oogen niet te gelooven.

Daarom ging Jesus voort; wat zijt gij ontsteld, en waarom komen zulke gedachten op in uwe harten ! Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik hen het zelf ; raakt Mij aan en ziet, dat een geest geen vleesch of geen gebeente heeft, ge ■ lijk gij Mij ziet hebben. Om hen nog nader te overtuigen voegde Hij de daad bij het woord, en toonde hun in zijne handen en voeten de verheerlijkte wondeteekenen der nagelen (Jo. Lc.), en in zijne doorstokene zijde do opening van den lanssteek. Ja om hun handtastelijk te doen zien, dat het een wezenlijk lichaam en wel het zelfde lichaam was , dat op Golgotha was gekruisigd, liet Hij hen de aangewezene wonden zelfs aanraken. Dit blijkt ons uit zijn woord; tast en beziet. Dit is ook de reden, waarom later de H. Thomas zegde, niet te zullen gelooven, tenzij ook hem dit te beurt mocht vallen. In dien zin eveneens begon de H. Joannes zijnen eersten brief met deze woorden: hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord, hetgeen wij met onze oogen gezien, hetgeen wij met onze handen aangeraakt hebben van het Woord des levens ; (want het Leven heeft zich geopenbaard en wij hebben het gezien en getuigen het, en wij

(1) Mc. XVI: 14. Dit vers wordt door sommigen tot de laatste verschijning des Heeren voor zijne hemelvaart teruggebracht. Zij gronden zich op liet woord ?iovissi?nc. Doch dit moet niet absoluut worden genomen, maar in verband met primo v. ü. en post hoe v. 12. Markus schijnt te wijzen op de laatste verschijning van den Zondag. Vgl. v. 9.

-ocr page 631-

53

kondigen U het eeuwige Loven aan, dat bij den Vader was en ons is verschenen) ; dit, hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij u (1 Jo. I; 1—3).

Zoo werden de teekenen zijns doods de teekenen zijner opstanding, en gelijk hier heeft Hij ze eeuwig in zijne heerlijkheid willen dragen om daardoor eeuwig Zicht to kenmerken als het eenmaal uit lietde opgedragene slachtoffer voor de verzoening des men-schen. Ten onrechte heeft men beweerd, dat Christus die wonden slechts ter bevestiging zijner verrijzenis heeft getoond, doch ze later heeft afgelegd. Iets dergelijks mogen wij niet vooronderstellen, daar het ons niet gezegd is. Ja het tegendeel blijkt. De H. Augustinus (Libr. 2 de Symb. ad eathech. n. 18) zegt „reeds: „Hij zal komen om te oordeelen, Hij Die zelf „door een menschelijken rechter geoordeeld is ; Hij zal „komen in die gedaante, waarin Hij gevonnisd is, „opdat zij Deng ene zien. Dien zij doorstoken hebben, en „de joden Hem mogen kennen die zij verworpen hebben; „opdat Hij, die mensch geworden en van hen gekrui-„sigd is, hen overtïiige. Misschien, allerliefsten, zal „Hij, daar de evangeliscbe waarheid niet verzwegen „heeft, dat Hij met zijne wondeteekenen verrezen is, „terwijl Hij, indien hij \'t begeerd had, uit zijn opgewekt en verheerlijkt lichaam elk toeken van welke

„wonde ook had kunnen uitwissohen......misscbien

„zal Hij, gelijk Hij zijne wonden aan Thomas toonde, „die niet wlide gelooven, tenzij hij tastte en zag, zoo „ook ze aan zijne vijanden toonon, waaróm ook door „den profeet voorzegd is ; zij zullen opzien tot Hem, „Dien zij doorstoken hebben. Niet om tot hen te zeggen, „gelijk Hij tot Thomas gezegd hooft: omdat gij gezien „hebt, hebt gij geloofd, maar om hen door de waar-„beid te overtuigen en te zeggen : ziet hier den mensch, „dien gij gekruisigd hebt; ziet hier Hem, Die God en „mensch is, in Wien gij niet hebt willen gelooven. „Hier ziet gij do wonden, die gij hebt toegebracht;

-ocr page 632-

54

„hier beschouwt gij de zijde, die gij hebt doorstoken; „want zij is door u en om uwent wille geopend ; ech-„ter hebt gij niet willen ingaan. Grij die door den „prijs van mijn bloed niet zijt vrijgemaakt, gij zijt „de mijnen niet; vertrekt dus van mij naar het eeu-„wige vuur, dat voor den duivel en voor zijne enge-„len bereid is.quot;

Niet slechts omdat Zacharias voorspeld Leeft, en het door den IT. Joannes in het boek der openbaring wordt herhaald : zij zullen opzien, tot Hem dien zij doorstoken hebben, maar ook omdat Christus door zijne wonden in het hemelsch Jerusalem, gelijk Joannes het zag, als het geslachte Lam voor den troon zijns Vaders verschijnt, mogen wij niet betwijfelen, of de Heer heeft die wonden voor eeuwig in zijne heerlijkheid willen behouden. Daarom zegt de H. Ambrosius ; Hij heeft de wonden, die Hij om ontzentwille had ontvangen, niet willen vernietigen, maar liever ten hemel binnen dragen, om den prijs onzer verlossing aan God zijnen Vader te toonen (in c. 24 Luc.).

O! met welke vreugde aanschouwden de apostelen dio heilige wonden ! Zij waren sprekende kenteekenen van zijn lijden en dood. Zij waren het onmiskenbare ze gel zijner verijzenis. Zij waren lidteekenon vol roem voor den Groddelijken Overwinnaar. Zij waren de beschaming van Jesus\' vijanden. Zij waren eene blijvende getuigenis zijner Oneindige liefde. Zij waren de bronnen van \'t levende water , dat springt ten eeu wigen leven. Zij zouden immer Jesus kenmerken zoowel bij den Vader als bij de verlosten, als Dengene, Die de Offeraar en het Offerlam is van bet eeuwig Verbond.

De vreugde der apostelen bij het zien en aanraken dier wonden was zoo groot, dat zij hen geheel bedwelmde. Zij stonden ten hoogste verbaasd en verwonderd , en wisten van blijdschap niet wat te denken . wat te gelooven. In hutine verrukking aarzelden zij , of hunne zinnen hen niet bedrogen. Nog verder daalde

-ocr page 633-

Jesus daarom tot hen af. Alle twijfel moest eene onmogelijkheid worden. Hij legde zich mot hen aau tatel neder, en deed hun het verzoek ; hebt gij hier iets , om te eten ? De apostelen stelden Jesus een stuk van een gebraden visch en honigraat voor, spijzen welke zij waarschijnlijk bij dit hun avondmaal gebruikt hadden. (1)

De Heer genoot dit opgediende voedsel, „nietquot; zegt de H. Augustinus (Serm- 147 de temp.) „omdat zijn lichaam voedsel noodig had , maar om te toonen , dat Hij het kon gebruiken , indien Hij wilde.quot; Het was geen behoefte, maar macht, dis Hij daardoor wilde toonen. Hij genoot het niet, gelijk de dorstende het water gebruikt , uit behoefte; maar gelijk de gloeiende zou liet water opneemt door hare kracht. Hij overtuigde de zijnen door dit vermogen, dat het lichaam, hetgeen zij zagen, een waarachtig lichaam was.

Na gegeten te hebben voor hun aller oog , gaf Hij hun de overblijfselen; een blijk te meer, dat Hij werkelijk spijze had genuttigd, en zij wel zijn verheerlijkt doch daarom niet minder waarachtig lichaam aanschouwden. Daarom zegde later ook de H. Petrus ; Hem heeft God ten derden dage opgewekt en doen ver-

(1) Wij willen hier twee apokryphe plaatsen, die de H. Hieronymus aanvoert, niet stilzwijgend voorbijgaan. Adv. 1\'el. II zegt hij, dat in cenige exemplaren, cn vooral in eenige Grieksche codie. na de bestraffing bij Marc. XVI : 14 gelezen werd: et illi satisfaciebant dicentcs, saxulum istud iniquiU\'.tis et incredulitatis substantia est, qiue non sinit per immundos spiritus veram Uei apprehendi virtut\'em; idcirco jam nunc revela justitiam tuam.

Dezelfde kerkvader schrijft in zijn bock de vir. lllustr. c. 2. Evan-gelium quoque, quod appellatur secundum Hebrceos, post resurrcctionem Salvatoris refert; Dominus autem, postquam dedisset sindonem servo sacerdotis, ivit ad Jacobum et apparuit ei. Juraverat autem Jacobus, sc non comesturum panem ab illa hora, qua biberat calicem Domini, donee vidcrct cum resurgentem a dormientibus. Rursusque post paulu-lum; afferte, ait Dominus, mensam et panem; statimque additur: tulit panem et benedixit ac fregit, et dedit Jacobo justo et dixit ei: frater mi, comcde panem tuum, quia resurrexit filius hominis a dormientibus.

-ocr page 634-

56

schijnen niet aan het gansche volk, maar aan de getuigen van God voortheschikt, aan ons , die met Hem gedronken hebben, nadat Hij uit de dooden is opgestaan (Hand. X : 40 .)

Toen nu de leerlingen zich zonder voorbehoud aan de vreugde overgaven, wijl zij den Heer werkelijk aanschouwden, toen sprak Hij hun ten tweede male toe : vrede zij u lieden. Die schoone groet mocht voor hen niet ijdel zijn, gelijk hij de eerste maal was , toen hij als de groet eener schim werd opgenomen. Daarom herhaalde hem de Heer , nu zij volkomen geloofden. Hij was de Vorst des vredes en na de vol-trokkene verlossing schonk Hij nu werkelijk aan de menschen van welbehagen den vrede , dien de engelen bij zijne geboorte reeds hadden aangekondigd (Lc. II: 14). Hij sprak degenen toe , die Hij tot gezanten diens vredes voor de geheele wereld had verkoren ; zijne apostelen ontvingen den vrede, om dien aan allen mede te deelen.

Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zegde de Heer , zend Ik ook u. Met deze woorden verklaarde Jesus den oorsprong , den aard , en den omvang der zending, die Hij aan zijne apostelen opdroeg. Gelijk zijne zending een Groddelijken oorsprong had , wijl Hij van den Vader gezonden was, zoo ook had de zending zijner apostelen een G-oddelijken oorsprong, wijl Hij, de Zoon, Die alles met den Vader gemeen had, met G-oddelijk gezag hen zond in zijne plaats.

Hij zond hen om zijne plaatsbekleeders te zijn in de toepassing van het groote werk der verlossing, waartoe Hij door den Vader gezonden was, en het geen Hij thans had voltrokken. Aan hen zou het zijn, om hetgeen Bij voor allen door zijne leer, zijne wet, zijn offer in \'t algemeen had bewerkt, als leeraars, herders en priesters in zijne plaats voor ieder in het bijzonder vruchten te doen dragen.

Gelijk de Zoon door den Vader gezonden was tot

-ocr page 635-

57

allen, zoo werden ook de apostelen door den Zoon tot allen gezonden. Gelijk Gij Mij in de wereld hebt (jezonden, had Jesus bij het laatste avondmaal gezegd, zoo heb ook ik hen in de luereld gezonden (Jo. XVII; 18). Daar echter de werkkring van hen, tot welke Jesus sprak, zich niet kon uitstrekken tot allen, lag hier in opgesloten, dat ook zij door de van Christus ontvangene macht anderen zouden kunnen zenden en in hunne plaats aanstellen. Door deze woorden dus werden de apostelen niet meer voorloopig en tijdelijk maar met de daad en voor immer Christus\' gezanten.

Na deze woorden gesproken te hebben, blies Jesus over de apostelen en sprak tot hen ; ontvangt den H. Geest. Wiei- zonden gij zult vergeven hebben, zijn ze vergeven, wier zonden gij zult gehouden hebben worden zij gehouden. De adem is het zinnebeeld van den H. Geest omdat gelijk de adem onzichtbaar en tevens eene onmisbare voorwaarde des levens is, zoo ook de H. Geest wel niet binnen het bereik is onzer oogen, doch desniettemin het hoogere leven aan de ziel schenkt. Tevens beteekende Hij door dit blazen, zegt de H. Au-gustinus, dat de H. Geest niet alleen des Vaders maar ook zijn Geest is (Tr. Ill in Joan.). Wij hebben echter hier niet te denken aan eene eigenlijke, openbare, en algemeene komst des H. Geestes. Deze zou plaats grijpen op don Pinksterdag. Slechts eene gedeeltelijke genade des H. Geestes werd geschonken. „Toen Hij „de leerlingenquot;, zegt de H. Cyiillus van Alexandrië, „door de groote waardigheid van het apostolaat had „verheven en onderscheiden, en ze tot de gewijde be-„stuurders der geheimenissen had geordend, heeft „Hij hen door zijn eigen Geest, Dien Hij ademende „schonk, ook dadelijk geheiligdquot;. Terwijl namelijk de Heer op die plechtige wijze de genade zijns Geestes aan zijne leerlingen mededeelde, verklaarde Hij tevens welke die genade was, namelijk de macht, in zijn naam de zonden te vergeven of ze te houden. Zij en hunne

-ocr page 636-

58

opvolgers werden de vredegezanten, die de verdiensten van Christus\' zoendood op den berouw hebbenden zondaar zouden toepassen, en op die wijze hem van zijne zondeschulden zouden ontslaan. Alles is uit God, zegt de H. Paulus, Die ons met Zich verzoend heeft door Christus, en ons de bediening der verzoening heeft geschonken. Want God was in Christus de wereld met Zich verzoenende , en rekende hun hunne zonde niet toe, en Hij heeft in ons quot;de bediening der verzoening gesteld. Wij treden derhalve op als gezanten in de plaats van Christus, terwijl God als door ons vermaant. Wij smeeken in de plaats van Christus : verzoent u met God (II Cor. V; 18—20).

Hen, aan welke Jesus de bediening der verzoening toevertrouwde, stelde Hij door deze woorden tot rechters aan over den zondaar. Zij hadden te oordeelen, of zij den zondaar zijne zonden moesten vergeven of ze weerhouden. Zij hadden toe te zien, of in den zondaar de vereischte gesteltenis aanwezig was om hem in de verdiensten van zijne verzoening te doen deelen. Hunne rechterlijke uitspraak zou in den hemel worden bekrachtigd. Christus stelde dus bij de macht, die Hij aan zijne gezanten als zijne plaatsbekleeders mededeelde, niet de minste beperking noch ten opzichtevan eenige zonden, hoe groot en hoe menigvuldig zij zonden zijn, noch ten opzichte van eenige personen, hetzij deze eenmaal met God verzoend of nog niet gevallen waren. De apostelen en hunne opvolgers ontvingen door dit woord van Jesus de bevoegdheid, om ook de na den doop gevallenen van hunne zonden te ontslaan, en terecht verwierp de kerk de ketterij der Novatin-nen, en verklaarde zij later in de kerkvergadering van Trente; indien iemand zegt, dat deze woorden van onze Heer en Heiland : ontvang den H. Geest: wier zonden gij vergeeft enz. niet te verstaan zijn van de macht om in het sakrament der boete de zon den te vergeven en te houden, gelijk de kerk ze van

-ocr page 637-

59

den begiue immer verstond, die zij gevloekt (XIVde Zitt. 3de Can ). Zoo had inderdaad reeds voor eeuwen de H. Ambrosius geleerd. „Het scheen,quot; zegt hij, „geheel en al onmogelijk, dat de na het doopsel be-„drevene zonden door de boete werden kwijtgesehol-„den. Doch Christus verleende deze macht aan de „apostelen, en van deze is zij op het ambt der priesters

„over-egaan.....De Novatianen zeggen : zij van hun-

„neu kant geven G-ode eer, daar zij Hem alleen de „macht der zondenvergeving voorbehouden, Ja het „tegendeel! Onrecht doen zij Grod aan, het grootste „onrecht, daar zij zijne verordeningen opheffen, het „overgedragene middelaarsambt van de band wijzen. „Want daar ^e Heer Jesus in het evangelie zelf „gezegd heeft ; ontvangt den H. Geest: wien gij de „zonden vergeeft, zijn ze vergeven enz., zoo vraag ik, „wie eert Hem nu meer, hij die zijne verordening in-„volgt, of hij die ze verwerpt. De Kerk is den „Heiland gehoorzaam en daardoor dat zij de zonden „bindt, en daardoor dat zij de zondebanden losmaaktquot; „(Do Poenit. L. 1. n—6; L. II n. 12).

In een even onbeperkten zin spreekt de H. Chiy-„sostomus : de priesters hebben eene macht, die Grod ,,noch aan de engelen noch aan de aartsengelen heeft „verleend. Want slechts tot de priesters heeft Hij „gezegd: alles wat gij op aarde gebonden hebt, zal „ook in den hemel gebonden zijn, en alles, wat gij „op aarde ontbonden hebt, zal in den hemel ontbon-

,.deu zijn (Mt, XVIII; 13)..... Wat zij op aarde

„besluiten, dat bekrachtigt God in den hemel. Hij keurt het rechterlijke vonnis zijner dienaren goed, „Kan er grootere macht bestaan dan deze ? De Vader „heeft het gausche oordeel aan den Zoon gegeven, „en de Zoon heeft dit aan zijne priesters overgeladenquot; (Libr. III de Sacerdot.).

Verleende de verrezene Verlosser aan de Kerk in hare dienaren de rechterlijke macht om de zonden

-ocr page 638-

60

te vergeven en te houden, dan legde Hij ook aan den zondaar de verplichting op om zich aan die rechterlijke macht door eene rouwmoedige belijdenis te o) derwerpen. Het streed met Jesus\' Goddelijke wijsheid, heiligheid en rechtvaardigheid, dat zij, aan welke Hij die macht verleende, ze naar willekeur volgens eigen goedvinden zouden gebruiken. Een rechtvaardig oordeel over ieders zonde en boetvaardige gezindheid mocht alleen de regel zijn voor het gebruik, dat zij maken zouden van de macht om te vergeven en te houden. Daarom moet noodzakelijkerwijze aan dit hun rechterlijk oordeel van den kant des zondaars eene zelfbeschuldiging ot zelfaanklachte voorafgaan. Het is zelfs niet genoeg, dat deze beschuldiging algemeen zij, zij moet tot de bijzondere zonden afdalen, wijl eene algemeene besehuldiging een rechter niet in staat stelt om een passend oordeel uit te spreken. Daarom zegt de H. Hieronymus ; „heeft de bisschop of priester „krachtens zijn ambt de verschillende zonden aange-„hoord, dan weet hij, wie te binden en te ontbinden „isquot; (in Mt. XVI: 19). „Wilt gij waardige vruchten „van boetvaardigheid dragen,quot; zegt de H. Basilius. „dan moet gij uwe zonden bekend maken aan hen, „aan welke de bediening der heilige geheimen is toe-„vertrouwdquot; (Regul. brev. 288). „Gij,quot; schrijft de H. Asterius, bisschop van Amasea in de vierde eeuw „gij, wiens ziel krank is, waarom ijlt gij niet naar „den zielen- arts ? Waarom bekent en ontdekt gij „hem niet uwe krankheid door de biecht? Waarom „laat gij de kwaal grooter worden, waarom de ontvlamming de overhand nemen ? Keer eindelijk eens in „u zelf. Ontdek met moed den priester uwen nood. „Toon hem het verborgene zonder vrees; open hem „de geheimenissen uwer ziel, als of gij aan een geneesheer een geheime kwaal toondet; hij zal voor „uwe eer en uwe genezing zorg dragen.quot; „Late een „ieder zijn misdrijf belijden,quot; zegt de H. Cyprianus,

-ocr page 639-

01

„terwijl hij, die misdreef, nog in de wereld is, terwijl „zijne biecht nog toegelaten kan worden, terwijl de „voldoening en de door de priesters geschonkene vergiffenis welgevallig is (Libr. de laps. p. 19).quot;

Zoo werd dus door den Godmensch, nu de verlossing der wereld door den kruisdood voltrokken, en door de opstanding bezegeld was, het groote sakra-ment der boete ingesteld. In het rechterlijke woord, waardoor de apostelen en hunne opvolgers den zondaar zouden vrijspreken, gaf Hij aan zijne Kerk een uitwendig en blijvend teeken, waardoor om de Goddelijke verdiensten van zijn zoendood de kwijtschelding der zonden zou worden verleend en ook te kennen gegeven. „Gelijk de mensch, gedoopt door een „mensch, welke priester is, door de genade des H. „Geestes wordt verlicht,quot; zegt de H. Athanasius, „zoo ook ontvangt hij door de schuldbelijdenis in do „boetvaardigheid vergiffenis van den priester door de „genade van Christus (Libr. adv. Nov.Gall. t. 5. p. 213).quot;

Jesus opende alzoo in het sakrament der boetvaardigheid een dier heilige kanalen, waardoor ons uit do genadebronnen zijner aanbiddelijke wonden de wateren des eeuwigen levens voortdurend zouden toevloeien Hij schonk dit genademiddel aan zijne Kerk op den dag zijner opstanding, op dat de mensch, die dood was naar de ziel hierdoor tot een bovennatuurlijk leven naar zijn voorbeeld zou verrijzen.

Nadat Jesus alzoo de zijnen op de sprekendste wijze van de wezenlijkheid zijner opstanding had overtuigd, hun als zijne plaatsbekleeders voor alle volkeren en tijden de zending had opgedragen om zijn verlossingswerk allen tot heil te doen verstrekken, en hen daartoe in het bijzonder door het groote genademiddel der boete had in staat gesteld, verliet Hij hen. Op welke wijze dit geschiedde wordt niet gezegd. quot;Wellicht verdween Hij uit hunne oogen gelijk bij de twee leerlingen van Emmaüs.

-ocr page 640-

HOOFDSTUK II.

JESÜS\' VF.UDF.IIE VERSCHIJNINGEN TOT AAN ZIJNE HEMELVAART,

§ 1. Dp versrMjning aan Thomas en dc overige apostelen.

Jo. XX : 24—29.

Jaar der J. P. 4742; na R. St. 782 ; gew. jt. 29.

Toen Jesus op den dag zijner opstanding aan zijne apostelen versclieeD, was Thomas afwezig. Onmogelijk is hot de rdden der afwezigheid met zekerheid aan te geven. Wellicht moet zij aan vrees voor de Joden en aan diepe droefenis over Jesus\' kruisdood worden toegeschreven. Hoe het zij, toen hij zich weder bij do overige apostelen vervoegde, meldden zij hem vol vreugde : wij hebhen den Heer gezien, en verhaalden hem het voorgevallene, waarschijnlijk tot in de kleinste bijzonderheden. Thomas evenwel liet zich niet overtuigen, en sprak; ten zij ik in zijne handen het teeken der nagelen zie, en mijn vinger in de plaats der nagelen steke. en mijne hand in zijne zijde legge, zoo zal ik het niet ge-looven. Getuigenissen van de vrouwen, van Petrus, van de Emmaüsgangers, van de apostelen en leerlingen zijn hem niet voldoende om het herleven van zijn gekruisigden Meester aan te nemen. Hij wil zelf zien ; ja, ook dit is niet genoeg, hij wil zelf tasten ; hij vordert de afdoendste bewijzen, vooraleer hij zich gewonnen zal geven, en laat genoegzaam verstaan, dat volgens hem de overige apostelen zich docr schijn of lichtgeloovigheid hebben laten bedriegen.

Waren de overige apostelen traag om te gelooven, hier treffen wij dat ongeloof aan in de hoogste mate,

-ocr page 641-

63

en het is voorzeker niet te ontkennen of te verschoo-nen. God eckter liet het too tot ons heil. „Dit,\'\' zegt de H. Gregorius de groote, (hom. in evang. 26) „dit „is niet door toeval maar door Goddelijke beschik-„king geschied. Want de hoogere goedheid heeft op „wonderbare wijze bewerkt, dat die twijfelende leerling, terwijl hij in zijn Meester de wonden des vlees-„ches betastte, in ons de wenden des ongeloofs zou „genezen. Meer toch heeft het ongeloof van Thomas „ons tot het geloof gebaat door het geloof der geloovende „leerlingen, omdat terwijl hij door te tasten tot het ge-„loof wordt terug gevoerd, onze geest met aflegging „van elkentwijfel in het geloof wordt bevestigd.quot;

Acht dagen verliepen, en nog altijd hielden de apostelen zich in Jerusalem op. Vooraleer zich naar Galilea te begeven, wilden zij het Paaschfeest te Jerusalem voleindigen. Daar dit vrijdags eerst eindigde en de volgende dag een Sabbathdag was, zal het ons niet verwonderen, da t wij hen des zondags andermaal vergaderd vinden. (1) Wellicht kwamen zij op dien dag juist te zamen om de reis naar Galilea te aanvaarden. Dat het avond zou geweest zijn, wordt niet gezegd. Thomas bevond zich thans met hen, doch nog altijd in dezelfde stemming. Wederom waren zij in dezelfde zaal; wederom waren de deuren gesloten, en zie wederom staat eensklaps de Heer in hun midden, en brengt hun den schoonen vrede zij u lieden. Jesus bevestigt voor aller oog de eerste verschijning, en neemt, door Thomas in aller bijzijn van zijn ongeloof te genezen, de ergernis weg, die deze hun door zijn verzet had gegeven. De Heer had afzonderlijk aan Thomas kunnen verschijnen, doch Hij

(1) Sommige meenen met deo H. Ilieronymns en Rupertus, dat deze verschijning in Galilea plaats greep. Om het verband van het verhaal bij Joannes verdient mijns inziens de voorkeur het gevoelen van den II. Augustinus, die ze te Jerusalem plaatst.

-ocr page 642-

64

verkoos dit niet, om de waarheid zijner opstanding voor aller oog in het schitterendste licht te plaatsen.

Na den groet aan allen richt Jesus Zich in het bijzonder tot Thomas. Hij laat hem gevoelen , dat Hij zijn ongeloof en stoute eischen kent , en spreekt hem toe met de meest voorkomende liefde: hreng uwen vinger hierin , en zie mijne handen , en hreng moe hand hier hij, en leg ze in mijne zijde , en wil niet ongeloovig zijn maar geloovig. Dat is volgens den H. Augustinus : „leg uwe vingers in mijne zijde en wil niet ongeloovig zijn. Ik ben om uwent wille gedood; uit de plaats, die gij wilt aanraken, heb Ik mijn bloed vergoten , opdat Ik u zou verlossen , en nog twijfelt gij aan Mij, indien gij Mij niet hebt aangeraakt. Zie ! ook dit vergun Ik u ; zie , ook dit stel Ik in uwe macht; raak mij aan en geloof; voel de plaats mijner wonde , en genees de wonde uwer twijfelingquot; (Serm. 33 de verb. Dom.).

Thomas , als hij zijnen Heer ziet en hoort, heeft geen verder bewijs noodig voor zijne opstanding. Maav Jesus, om hem zijne teedere en barmhartige liefde in haren omvang te laten gevoelen en ons aller geloof op de indrukwekkendste wijze te bekrachtigen , schenkt het hem ten overvloede. Hij neemt de hand zijns apostels gelijk zijne woorden laten gissen, legt ze in zijne wondeteekenen en overtuigt hem aldus , en in hem ons allen , niets slecnts door het gezicht en gehoor maar ook door het gevoel , (1) van de waarheid zijner opstanding.

Zoo groote genade overstelpte het hart van Thomas met de zoetste gewaarwordingen. Met innige vreugde aanschouwt hij zijnen verrezenen en verheerlijkten Meester. Met diep ontzag erkent hij zijn almachtigen en alwetenden God , en bij die grenzelooze barmhartigheid zijns Veilossers voor hem, den ongeloovigste

(1) Deze is ook de meening der meeste kerkvaders.

-ocr page 643-

65

der apostelen , bezwijkt zijn hart van dank en liefde. Overmeesterd door zijn gevoel valt hij aanbiddend neder aan de voeten van Jesus , en weet in zijne verrukking niet anders uit te brengen dan het woord : mijn Heer en mijn God! Bood Thomas vroeger weerstand aan de eenparige getuigenis zijner mede-apos-telen, het was niet zoo zeer uit onwil, omdat hij het wonder der opstanding als een geheel ongewoon werk der almacht beschouwde. Nu hij echter er zoo sprekend van overtuigd wordt, erkent hij ook dadelijk daardoor den Verrezene als zijn God. Gij zijt mijn Heer: roept hij uit. Gij zijt (1) waarlijk dezelfde , dien ik tot nu immer ben gevolgd , de Meester door den kruisdood mij ontrukt en uit dien kruisdood op zoo ongehoord wonderbare wijze verrezen. Gij zijt ook mijn God , Dien ik aan dat bovenmenschelijke en weergaloos herleven, aan die bovennatuurlijke verschijningen , aan die onmiskenbare alwetendheid, aan die

I barmhartige liefde, gevoegd bij al hetgeen ik reeds zag en hoorde , gereedelijk erken en aanbid. O hoe zal ik U danken en IJ beminnen, ik onwaardige ! gij zijt mijn Heer en mijn God! „Thomaszegt de H. Augustinus , „aanschouwde en raakte een mensch aan, barmhartige liefde, gevoegd bij al hetgeen ik reeds zag en hoorde , gereedelijk erken en aanbid. O hoe zal ik U danken en IJ beminnen, ik onwaardige ! gij zijt mijn Heer en mijn God! „Thomaszegt de H. Augustinus , „aanschouwde en raakte een mensch aan,

5

(1) Deze woorden zijn niet slechts een uitroep van verwondering. Neen de woorden: mijn Heer en mijn God, zijn duidelijk eene door het overstelpte gevoel afgebroken rede en kunnen niet anders aangevuld worden dan door de woordjes; zijt gij. Want zij zijn tot Christus gericht, daar de evangelist zegt respondit Thomas et dixit ei, en daar zij het antwoord bevatten op het. gezegde van Christus. Dit blijkt verder uit het tweemaal herhaalde lidwoord in het Grieksch, en uit den nominativus, terwijl bij een uitroep van verwondering de vocativus gebruikt moest zijn. De herhaling van het woordje mijn geeft het innige gevoel te kennen, dat Thomas bezielt. Allen grond mist het, wanneer Socinus door het woordje mijn de beteekenis van het woord God beperkt en tot eene oneigenlijke teruggebracht wil zien, als ware de zin : gij zijt mij als een God ; ik bemin u als een God. Voeg nu bij dit alles de eenparige getuigenis der kerkvaders, waaronder Athanasius, Hilarius, Chrysostomus, Cyrillus, Augustinus vooral onze aandacht verdienen. Zie Maldonatus.

Het Offer van J. C. III

-ocr page 644-

66

en hij beleed een God, Dien hij niet aanschouwde, noch aanraakte.quot; (tr. 121 in Jo.)

De Heer wierp gewis een blik van Groddelijk welgevallen op zijn nêergeknielden apostel. Hij wraakte Thomas\' zoo sprekende belijdenis van zijne Godheid niet, die hij zonder twijfel verworpen zou hebben, hadde zij op dwaling berust. Hij keurde zijn geloof goed, maar Hij wilde nog meer; Hij begeerde geloof zonder zulke handtastelijke bewijzen. Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zeide Jesus, hebt gij geloofd ; zalig zij, die niet gezien en toch geloofd hebben.

Zalig was Thomas, omdat hij Jesus in zijne heerlijkheid mocht zien, en zoo aan zijne opstanding en Godheid gelooven. Zalig echter zijn vooral zij, die zouden gelooven zonder zulk een zien. Het offer en de hulde huns geloofs (Phil. II: 17) zou des te verdienstelijker zijn. Hun geloof zal niet door een voorbijgaand aanschouwen, gelijk dat van Thomas was, maar door een eeuwig aanschouwen bekroond worden.

De H. Joannes, na door deze verschijning op nieuw Jesus\' Godheid te hebben aangetoond, en allen tevens ta hebben aangespoord, om zonder gezien te hebben in die Godheid te gelooven, eindigt zijn evangelie, dat hij geschreven had met het bepaalde doel, om do Godheid van Christus tegen do ongeloovigen in het licht te stellen. Jesus, zoo besluit hij, heeft in de tegenwoordigheid zijner leerlingen nog wel vele anderen teekenen gedaan, die niet in dit hoek geschreven zijn. Doch deze zijn geschreven, opdat gij geloovet, dat Jesus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij door te gelooven het leven moogt hebben in zijn naam. Indien gij, zoo geeft hij te kennen, Jesus erkent om zijne talrijke wonderen, waarvan zijne leerlingen getuigen zijn, als den Christus en den Zoon van God, en gij zonder gezien te hebben met Thomas weet te zeggen : mijn Heer en mijn God, dan zult gij tot de zaligen behooren die Jesus prees, en om dat geloof het eeuwig leven be-

-ocr page 645-

07

zitten in zijnen naam of door zijne oneindige verdiensten.

§ 2. Vertrek naar Galilea. Verschijning hij het meer van Tiberias.

Mt. XXVIII: 10. Jo. XXI: 1-25.

Jaar der J. P. 4743; na R. St. 782 ; gew. jt. 39.

De dagen van het Paaschfeest waren verstreken, en reeds spoedig na de laatste verschijning verlieten de apostelen Jerusalem, en begaven zich naar Galilea, waar zij veel veiliger waren tegen de aanslagen van Jesns\' vijanden. Denkelijk kozen zij Kapharnaüm, hunne vroegere woonplaats, weder tot hun verblijf. Hier nu waren op zekeren dag Simon Petrus, Thomas, ook Didymus genoemd, Nathanaël, die uit Kana afkomstig was, Joannes en Jakobus, zonen van Zebedeus, benevens twee ongenoemde leerlingen bij elkander. Om niet onledig te zijn, terwijl zij op Jesus\' toegezegde komst wachtten, zeide Petrus, die door de plaatselijke omstandigheden zich tot zijn geliefkoosd bedrijf aangetrokken gevoelde, aan de overigen; ik ga visschen. Dit denkbeeld lachte hun toe ; zij gaven ten antwoord: ook loij gaan met u.

Zij gingen dan uit, en bestegen waarschijnlijk tegen den avond met Petrus een scheep] en. Daar gleden zij wederom over den uitgestrekten waterspiegel van het Galilesche meer, dien zij vroeger reeds zoo dikwerf hadden doorkruist. Met blijde hoop wierpen zij de netten uit. Maar welke geduldige pogingen zij den geheclen nacht ook in het werk stelden, zij vingen niets. Het ging hun gelijk eens vroeger, toon zij aan Jesus hunne teleurstelling klaagden : Meester ! wij heh-hen den geheelen nacht gearbeid, doch niets gevangen. Was het niet nu even als toen een wenk des Heeren, dat het visschersbèdrijf niet langer hun beroep meer mocht zijn ? Moest ook bij den aanbrekenden morgen

-ocr page 646-

68

de gedachte niet onwillekeurig in hen oprijzen aan die wonderbare vangst, die toen hen na zoo veel teleurstelling had verheugd, en die besloten werd met het woord tot Petrus : voortaan zult gij menschen vangend

Toen de morgenzon haar vroolijk licht begon uit te gieten over de zilveren golven, en de schoone oevers van het meer met hunne schilderachtige rotsen uit de nevelen te voorschijn riep, naderden de teleurgestelde apostelen het strand om hun vruchteloozen arbeid te staken. Daar zagen zij Jesus aan den zeeoever staan zonder in het minst te vermoeden, dat Hij het was. De Heer, zoodra zij binnen het bereik der stem zich bevonden, riep hen toe: jongskens, (1) hebt gij niet eenige toespijs? als wilde hij van hen iets aankoopen uit hunne vangst. Neen, was het korte antwoord, dat zij niet zonder eenigen spijt aan den vreemdeling gaven. Werpt het net uit, hervatte deze, ter rechterzijde van het scheep jen; dan zult gij vangen. Zonder veel denken volgden zij den gegeven ramp;ad, en wierpen het net uit in de aangewezene richting. En zie, op het eigen oogenblik was het gevuld. Zoo groot was de menigte visch, dat zij het net niet konden optrekken. Daar ging voor den minnenden Joannes bij het zien van dat wonder een licht op; hij had den vroegeren Wonderdoener erkend, en blijde riep hij Petrus toe: het is de Heer.

Pas verneemt dit de vurige Petrus, of hij laat zich niet langer van Jesus scheiden. Haastig omgordt hij zich met zijn overkleed, (2) werpt zich in de zee, en is de eerste bij zijn Groddelijken Meester. Ook de overige leerlingen bevlijtigden zich hierop om met het scheepjen den oever te naderen, terwijl zij het net met visschen achter aan het scheepjen gebonden

(1) Dit woord is een diminutief van dienaren of knechten, zoo als blijkt uit het Grieksche woord.

(2) Hij was nuakt, zegt het evangelie, dat is volgens de spreekwijze van dien tijd: hij was in zijne onderkleederen.

-ocr page 647-

69

door het water voortsleepten. De geringe afstand, die hen van don oever scheidde, ongeveer twee honderd ellen, was spoedig afgelegd en hoogst verheugd na derden zij den Goddolijken Zaligmaker.

Hier wachtte hen eene nieuwe verrassing. Zij zagen een kolenvuur ontstoken en daarop een visch bene vens brood. De almachtige Zoon van God, Die aan allen het voedsel schenkt, heeft ook hier in zijne liefde hun spijze bereid. Hij wilde zoowel door hunne wonderdadige vischvangst als door deze wonderdadige toebereidselen hen van zijne Goddelijke macht en liefde overtuigen. Doch tevens liet Hij hun gevoelen, dat hoe groot zijne Goddelijke mildheid ook is, zij toch nimmer eigen inspanning mochten verzuimen. Daarom zegde Hij hun: brengt van de visschen, die gij zoo even hebt gevangen. Op dit bevel beklom Petrus het scheepjen, en sleepte met behulp der overigen langs de zijde van het scheepjen het net aan land. Het was gevuld met groote visschen, niet minder dan 153 in getal, en zie! ofschoon er zoo velen waren, scheurde toch het net niet.

Nu noodigde Jesus allen minzaam uit: komt en ontbijt, en verdeelde met Goddelijke liefde den visch en het brood onder hen. Allen echter bewaarden een eerbiedig stilzwijgen en niemand der leerlingen waagde het de vraag te stellen: vne zijt gij? Het ontzag weerhield hen, wijl zij door al hetgeen zij hadden gezien en gehoord ten volle verzekerd waren, dat het de Heer was.

Ziedaar de derde maal dat de Verlosser na zijne opstanding uit de dooden aan meerderen onder zijne apostelen verscheen.

Zoowel bij deze vischvangst als bij de eerste is Petrus de hoofdpersoon. Petrus geleidt de overigen uit; Petrus bestuurt het scheepjen; Petrus werpt de netten uit; Petrus is het eerst bij Jesus; Petrus sleept het net aan wal. Was de eerste vischvangst zinne-

-ocr page 648-

70

beeldig, de tweede is he: niet minder. Hot sulieepjen, uitvarende met Petrus en de leerlingen ter visch-vangst is het beeld der kerk, bestuurd door Petrus en de apostelen en door den loop der eeuwen heen over den wijden wereld-oceaan haren tocht voortzettende om menschen te vangen. Petrus\' opvolgers, bijgestaan door de opvolgers der apostelen, werpen er het net uit van Christus, heilige leer. Menigmaal zal de arbeid vruchteloos zijn en eene beproeving voor hen worden. Doch na de beproeving breekt de blijde dageraad aan en dan verschijnt de Heer, Die na beproeving verrassing bereidt en na telcurgestelden arbeid overvloedigen buit schenkt, zoodat eene talrijke menigte vergaderd wordt door de immerdutende en nimmer scheurende eenheid dir leer van Jesus\' kerk. Jesus verblijdt daarbij zijne kerk door het groote feestmaal der Eucharistie, waarmede Hij haar bij den feilen strijd troost en versterkt, en haar een voorsmaak schenkt van de eeuwige vreugde in het rijk der hemelen. Eens toch landt het scheepjen der kerk, bestuurd door den onsterfelijken Petrus, na zijne dobberingen over de onbestendige zee der wereld aan den oever der eeuwigheid. Daar verbeidt de Zaligmaker der wereld de zijnen in zijne Goddelijke heerlijkheid. Daar zal Hij hun schenken ien hemelschen vreugde- disch van zijn aanbiddelijk liefde- offer en van het ware brood des levens. En hunne vreugde zal verhoogd worden door de innige un iminerdurende vereeniging mot Jesus en door den overvloedigen buit, dien zij op zijn woord hebben onttrokken aan de wateren van tien afgrond.

Na op zoo wonderdadige en zinrijke wijze de zijnen te hebben onthaald, richtte Jesus in het bijzijn der overigen het woord tot Petrus, om hem tot die grooie waardigheid te verheffen, die Hij hem vroeger had beloofd. Toen had de Heer van Petrus het geloof gevraagd, vooraleer hem de hoogste macht in zijne

-ocr page 649-

71

kerk te beloven; thans eischte Hij evenzeer de plechtige betuiging zijner liefde, vooraleer hem die macht werkelijk te schenken. De liefde zou volgens den H. Augustinus volmaken, wat het geloof begonnen had.

Simon, zoon van Joannes, vraagt Jesus, hernint gij Mij meer dan dezen\'} De Heer noemt den apostel bij zijn oorspronkelijken naam, om hem te laten gevoe len , wat hij vroeger was, en tot welke waardigheid Hij hem thans gaat verheften. Tevens vraagt Hij hem, of zijne liefde edelmoediger en standvastiger is dan die zijner mede- apostelen. (1)

Levendig doch ook bescheiden antwoordt Petrus o]) die beteekenisvolle vraag zijns Meesters : Ja, Heer, Gij weet, dat ik U lief heb. Hij zegt niet meer als vroeger: al werden zij allen aan U geërgerd, ik toch zal niet aan U geërgerd loordeii. Neen! zijn val en zijn berouw hebben hem nederigheid geleerd, en ootmoedig betuigt hij, dat de Heer de werkelijkheid en de mate zijner liefde wel kent. Petrus laat weg, zegt de H. Augustinus, wat Jesus er bijgevoegd had: meer dan dezen Mij lief hebben. Hij antwoordt datgene, waarvan hij zich bewust is, zonder zich in te laten met de gesteltenis van anderen. Hij laat het geheel en ai aan het oordeel des Heeren over, hoe hij en hoe de anderen Hem beminnen.

Een zoo nederige en zoo oprechte betuiging van Petrus\' liefde kon niet dan ten hoogste aan Jesus behagen. Da;irom sprak Hij : weid mijne lammeren. Zoo mocht en kon alleen Hij spreken. Die naar waarheid had gezegd: Ik hen de goede Herder. Hij toch alleen kon beschikken over de kudde, die Hij Zich had verworven door zijn bloed.

(1) Geheel onaannemelijk is dc verklaring, als wees Jesus op visch-tuig cn scheepjen, en vroeg liij Petrus, of hij Hem meer beminde dan die dingen. Petrus had reeds lang dat alles verlaten, en kon niet zoo dwaas zijn bij zoo iets den verrezenen Zoon Gods ten achter te stellen-Evenmin vroeg de lieer, of Petrus aan Hem meer liefde toedroeg dan aan zijne mede-apostelen.

-ocr page 650-

72

Andermaal vroeg Jesus: Simon, zoon van Joannes! bemint gij Mij\'} Deze tweede vraag betrof niet de meerdere voortreffelijkheid van Petrus\' liefde boven die der anderen, maar vooral hare toewijding aan Hem, haar voorwerp. De Heer wilde Petrus opmerkzaam maken, hoe hij in de kudde, waarover hem de zorg zou worden opgedragen, den God moest beminnen. Die Zich als offerlam voor haar aan het kruis ten beste had gegeven. Indien Hij al de liefde van Petrus verdiende, had ook de kudde, die Hij bemind had tot in den dood, om zijnent wille aanspraak op die liefde.

Weder antwoordde Petrus nederig en oprecht; ja, Heer Gij weet, dat ik U lief heb. En Jesus verhief nog meer den nedorigen apostel, terwijl Hij sprak : hoed mijne schapen. (1) Dat is: behoed als herder door Mij aangesteld niet slechts de minderen maar ook de meerderen. Draag zorg voor de geheele kudde met die liefde en toewijding, die gij in Mij hun Groddelijken Herder hebt aanschouwd.

Nog was het niet genoeg voor den Goddelijken Stichter der kerk. Ten derde male vroeg Hij met nog meer klem : Simon, zoon van Joannes, bemint gij Mij l (2) Steeds verder dringt Jesus door in het hart van Petrus. Hij vraagt nu niet naar de meerdere voortreffelijkheid van Petrus\' liefde boven die van anderen; noch naar hare toewijding aan Hem als haar hoogste voorwerp ; maar hij vraagt naar hare

(1) Zoowel in het Grieksch als in het Latijn bespeurt men in Christus\' woorden eene klimming. In het Grieksch staat: mcicl mijtic lammeren, hoed mijne schapen; weid mijne schapen. T.u\'.iiavjzt\'j. hoeden, is minder dan fióaxzcv, weiden. In het Latijn is de klimming minder duidelijk: weid mijne lammeren: weid mijne lammeren, weid mijne schapen. Ook heeft de Grieksche lezing: a ra ia bij het eerste woord, -poftarca bij het tweede, Tzpo^dra bij het derde, veel voor zich.

(2) Ook hier is in den grondtekst klimming te bespeuren. Bij de twee eerste vragen staat dyaTiag, bij de laatste vraag iptlziq p,c. Het eerste woord geeft vooral liefde met hoogschatting en toewijding, het tweede innige en teedere liefde te kennen.

-ocr page 651-

73

vurigheid en teederheid. Petrus had driemaal Jesns verloochend en was telkens meer in Jesus, liefde te kort geschoten. Lag het al niet juist in de bedoeling van den lietderijken Verlosser, Die vergeeft en vergeet, Petrus aan dien drievoudigen val te herinneren en door die smartelijke herinnering te bedroeven, het was toch ten hoogste billijk, dat Petrus door die driemaal herhaalde en telkens klimmende betuiging zijner liefde, die drievoudige miskenning herstellen zou, vooraleer de herder van Jesus\' kudde te worden.

Petrus, nu hij ten derde male het woord van Jesus hoorde; hebt gij Mij lief, werd bedroefd. Hij dacht waarschijnlijk aan zijn vroegeren val, en begon voorlatere onstandvastigheid en ontrouw te duchten. Met het nederigste mistrouwen van zijn eigen oordeel maar tevens met zijne gewone vurigheid antwoordde hij : Heer, Gij weet alles; Gij lueet, dat ik U lief heb.

De proef is geeindigd. De zoo nederige en zoo welgemeende betuiging van Petrus\' liefde, tot driemaal herhaald, heeft zijne drievoudige verloochening uitgewischt.

Weid mijne schapen, zegt Jesus, en vertrouwt hierdoor zijne geheele kudde aan de volkomene verzorging van Petrus toe. En om den apostel over zijne toekomstige trouw gerust te stellen, en tevens te toonen, hoe Petrus voortaan in zijn liefde zal volharden, en daarom waardig is, den Groddelijken Herder, Die zijn leven had gegeven voor zijne schapen, hier op aarde te vertegenwoordigen/ voegt Hij er dadelijk bij: voorwaar, voorwaar, ik zeg u: toen gij tong waart, gorddet gij u, en wandeldot, waar gij wildet; maar als gij oud zult zijn geworden, zuil gij uwe handen uitstrekken en een ander zal u gorden en geleiden, waar gij niet wilt. Zoo laat Jesus aan Petrus verstaan, dat hij als herder zijner kudde door den marteldood later den Zaligmaker zal verheerlijken, en verklaart hij nader het woord in het laatste avondmaal tot

-ocr page 652-

74

Petrus gesproken : waar ik heen ga, kunt gij mij nu niet volgen, doch later zult gij mij volgen. Joilnnes, ilie toen hij het evangelie schreef, getuige was geweest van Petrus\' kruisdood, merkt op, dat Christus door de laatste woorden op die toekomstige kruisiging gewezen had. (1)

Weid mijne lammeren, hoed en weid mijne schapen, zoo sprak Jesus nooit tot de overige apostelen. „Waarom,quot; vraagt de H. Chrisostomus „is Petrus de „eenige, tot wien Jesus Christus dit zegt? Het is, „wijl hij de aanvoerder der apostelen, de tolk der „leerlingen, het hoofd dei vergadering is. Daarom „wendde Christus Zich tot hem boven al de anderen. „Terwijl Hij hem toonde, dat hij voortaan moest vertrouwen, daar zijne verloochening was uitgewischt, „stelt Hij te gelijkertijd hem het bestuur over zijne „broeders in handen. Jesus zeide tot hem: zoo gij „Mij bemint, bestuur dan uwe broeders ; geef nu „blijken van de liefde, die gij zegt Mij toe te dragen ; „geef voor mijne kudde het leven, dat gij bereid waart „voor Mij op te offeren.quot; (2) „Eerstquot;, zegt de H. Eucherius, „vertrouwde Hij hem zijne lammeren, „daarna zijne schapen toe, wijl Hij hem niet slechts „tot herder, maar tot herder der herders aanstelt. „Petrus weidt dus de lammeren, hij weidt ook de „schapen ; hij weidt de jongeren en hij weidt ook* de „moeders. Hij bestuurt de onderdanen en de gezagvoerders. Hij is derhalve de herder van allen, daar buiten „de lammeren en de schapen niets in de kerk is.quot; (3) In den zelfden geest zegt ook de H. Leo de Grroote ; „van de gebeele wereld wordt alleen Petrus uitver-„koren, om aan het hoofd èn van de roeping aller

(1) Tertul. scorpiac. 15; tune Petrus ab altero cingitur, cum cruci astringitur.

(3) Chrysost. hom. 88 in Jo. V1U. p. 525—526.

(3) S. Eucherius, Episc. Lugd. in sermone de natali S. Pctr. et Paul quondam Eusebio Emisseno adscripto.

-ocr page 653-

75

„volkeren èn van al de apostelen èn van al de vade-„ren der kerk gesteld te worden, opdat, al zijn er „onder Gods volk vele priesters en vele Herders, „Petrus ze toch eigenlijk allen besture, die boven al „ook door Christus worden bestuurd.quot; (1)

Op het punt om deze aarde te verlaten wilde Jesus zijne kudde niet laten ronddwalen zonder zicht-hni on geleider. Hij verkoos Zich een plaatsbekleeder, die, terwijl Hij ten hemel opvoer, onder zijn hooger toezicht hier op aarde zijn herdersambt zou waarnemen. Gelijk tot zijn, zoo zou het tot Petrus\' herdersambt behooren, de onfeilbare leeraar der volkeren te zijn en de kudde des Heeren voor alle dwaling in guloofs rn zodeleer te hoeden. Want daar Hij zijn Goddelijk rijk had gesticht, om zijne leer te vereeuwigen tot aan het einde der dagen, zoo was de waarheid dier leer een eerste vereischte dier onvergankelijke maatschappij. Die waarheid, door al de leden der kerk openlijk beleden, moest uitwendig één zijn, en immer uitwendig dezelfde blijven. En hoe zouden Petrus en zijne opvolgers als zichtbare herders van Jesus\' kudde dio uitwendige eenheid in geloofs- en zedeleer bestendig hebben kunnen verzekeren, indien zij\' zelven in hunne beslissingen daaromtrent hadden kunnen dwalen V Hoe konden de geloovigen veilig zijn onder bunnu leiding, en verplicht die leiding te volgen, indien zij, de hoogste herders, zoowel als de schapen van den weg der waarheid hadden kunnen afwijken? Alleen de onfeilbaarheid van Petrus en zijne opvolgers, wauneer zij zouden optreden als al-gemeene leeraars der kerk in zaken van geloof en zeden, kon de eenheid van Jesus\' leer voor allen en voor altijd ongeschonden bewaren. Daardoor alleen zou het zijn : ééue kudde en één herder. Petrus ais herder van Jesus\' kudde in de plaats des Goddelijken Verlossers werd niet slechts haar algemeeue, hoogste

(1) S. Leo. Serm. 4. colum n. 10. Edit. Ballerin.

-ocr page 654-

76

en onfeilbare leeraar, maar tevens haar hoogste bestuurder en haar hoofd, het middelpunt harer eenheid, de rechter boven allen bij de beslissing der geschillen, die het geestelijk heil der kerk betreffen, de ver-hevenste in het priesterambt en in de bediening van do middelen des heils. Zoo vatte de kerk sedert achttien eeuwen Jesus\' woorden op ; zoo hebben de pausen, de opvolgers van Petrus, ze immer verstaan; zoo vinden wij die woorden verklaard in de schriften dei-kerkvaders ; zoo is ook hunne natuurlijke beteekenis in hun samenhang met de omstandigheden, die ze vergezelden, met de andere gezegden des Zaligmakers, met de gedragslijn vroeger en vooral daarna door Petrus gevolgd.

Te beweren, dat dit alles slechts persoonlijke voorrechten van Petrus waren, die gegeven werden voorde eerste stichting der kerk, doch vervielen bij zijn dood, is gewis de bedoelingen van den Grodmeusch miskennen. De Zoon van God zorgde niet slechts voorde tijdgenooten van Petrus maar voor het heil van allen. Zijne voltrokkene verlossing betrof allen, en het rijk door Hem gesticht moest voortduren tot in eeuwigheid. Maar indien Hij wilde, dat het rijk, de maatschappij, de kerk door Hem gesticht zou voortduren tot aan de voleinding der dagen, dan wilde Hij zulks, gelijk Hij ze had samengesteld en geordend, en alles zegt ons, dat eene zoo diep ingrijpende regeling als het aanstellen van een zichtbaren plaatsbekleeder zijns gezags in dat rijk, van een hoogsten bestuurder in zijne kerk, van een algemeenen herder over zijne kudde, in de samenstelling van die kerk niet voorbijgaande mocht zijn. Het was immers de hoogst mogelijke waarborg voor de eenheid van leer, bestuur en eeredienst, en dit alles moest aan de grootste en onvermijdelijkste gevaren blootgesteld zijn, indien die waarborg zou ophouden te bestaan, daar Christus geen anderen ter zijner vervanging had aangewezen.

-ocr page 655-

77

Ja! zou de kudde van Jesus één blijven, dan moest zij steeds éénen herder hebben ; zou Zijn rijk orde bezitten, dan moest het immer zichtbaar bestuurd worden door één hoogste gezag; zou de kerk nooit wankelen, dan moest zij immer gegrondvest blijven op de rots, waarop haar Christus had gebouwd. Zoo stelde Christus dus in Petrus een gezag aan over zijne kerk, om haar steeds te blijven besturen tot aan de voleinding der dagen.

Nadat Jesus Petrus alzoo tot zijn plaatsbekleeder aangesteld, en omtrent zijne toekomstige trouw tot in den dood verzekerd had, stond Hij op, terwijl Hij tot Petrus zeide; volg Mij, en noodigde hem alzoo, zijn Meester te vergezellen. Doch tevens gat Hij te kennen, (1) dat, gelijk het woord bij het avondmaal: waar Ik heen ga, hunt gij Mij nu niet volgen, door zijne drievoudige verloochening waarheid geworden was, zoo ook het andere woord ; later zult gij Mij volgen na zijne drie maal betuigde liefde waarheid ging worden. Hij noodigde Petrus uit, om als herder zijner kudde zijne Goddelijke schreden te drukken in arbeid, in martel dood en in verheerlijking.

Petrus ten teeken, dat hij tot alles bereid was, volgde werkelijk zijn Groddelijken Meester, toen Deze Zich verwijderde. Doch ook Joannes, de leerling, dien Jesus lief had en die in het laatste avondmaal aan zijne borst rustte, kwam achter hem mede. Toen Petrus zich nu omkeerde en Joannes zag, verlangde hij het lot te kennen van dezen zijnen vriend, en zeide hij tot den Heer: Heermaar wat zal deze ? Doch de Zaligmaker berispte Petrus\' nieuwsgierigheid. Indien Ik wil, (2) antwoordde Hij, dat deze blijve, totdat Ik

(1) Vgl. met dit gezegde volg mij vers 21 en 22, waaruit blijkt, dat dit woord hier niet slechts eeue letterlijke maar vooral ook eene figuurlijke beteekenis heeft.

(2) Aldus volgens de meest waarschijnlijke lezing van den oorspron-kelijken tekst. L)e vulgaat heeft; zoo wil ik, dat hij blijve.

-ocr page 656-

78

korne, wat betreft dit u ? Volg gij Mij! Of Joannes zou blijven en niet zou sterven, tot dat de Heer zou komen, (1) dit moest Petri s overlaten aan zijne Goddelijke Vooizienigheid. Hij zelf had slechts zorg te dragen Hem getrouw te volgen. Na aldus gesproken te hebben verdween de Heer.

Door dit laatste woord des Heercn ontstond onder de broeders of de eersteChristenen het gerucht,als zou Joan • nes niet sterven. Doch, gelijk de evangelist te kennen geeft, deze meening berustte op eene dwaling. Jesus had niet gezegd: hij sterjt niet. Hij had geheel onbepaald gesproken en gezegd ; indien Ik wil, dat hij blijve, tot dat Ik kome, wat betreft dit u. En om aan te toonen, hoe hij in het volste recht was, om dit gerucht geheel ongegrond te verklaren, laat de evangelist volgen, dat hij, die uit schreef en hiervan getuigenis gaf, dezelfde leerling was, waar van men sprak, namelijk Joannes. Hij had het volle bewustzijn omtrent hetgeen Jesus in zijn bijzijn had gesprukon, en kon dus veilig zijne waarachtigheid hieromtrent boven allen twijfel verheven verklaren.

Hiermede besluit Joannes het verhaal, dat hij aan zijn reeds afgesloten evangelie later toevoegde. Hij stelde zich bij dit aanhangsel ten doel, den voorrang-van Petrus boven al de apostelen en vooral boven hem Joannes in het licht te plaatsen, en daarom ook de meening voor ongegrond te verklaren, als zou hij niet sterven en als de laatst overgeblevene der apostelen immer de kerk blijven besturen. Ten onrechte, zoo verklaarde de oor- en ooggetuige van deze verschijning, maakte men dit uit \'s Heeren woorden op; daar Petrus tot herder over Jesus\' kerk was aangesteld,

(1) Tot dat ik home wordt door sommigen verstaan van liet laatste oordeel; door anderen van Christus\' komst in zijn rijk, of de volkomene vestiging der kerk; door nog anderen van Jesus\' komst tot het bijzonder oordeel.

-ocr page 657-

79

eu de Heer niets dei gelijks had te kennen gegeven, (i)

§ 3, Verschijning in Galilea op den berg aan de apostelen en 500 leerlingen.

Mt. XXVIII: 16 - 18 ; I Cor. XV ; 6, 7

Jaar der J. P. 4743 ; na R. St. 782 ; Gew. jt. 3U.

Waarschijnlijk had Jesus bij de laatst vermelde verschijning aan het meer Tiberias aan de zijnen den tijd en de plaats met juistheid aangewezen, (2) waar Hij volgens gedane beletten aan zijne apostelen en anderen Zich openlijk in Galilea zou vertoonen. Gaat en boodschapt aan zijne leerlingen en aan Petrus, zoo had de engel gezegd, dat Hij u voorgaat naar Galilea, daar zult gij Hem zien. Hier mede was eene kenmei-kende verschijning in Galilea (3) aangekondigd, doch de juiste plaats niet bepaald. Thans echter begaven zich de apostelen naar den berg, dien Jesushadaan-

(1) Over de echtheid van dit laatste hoofdstuk leze men de aantee-keningen van Lipman. Genoeg zij het, hier op te merken, dat al de uitwendige gronden voor de echtheid pleiten^ en dat dit alleszins door de inwendige gronden bevestigd wordt. De stijl, en verhaaltrant is geheel en al die van den evangelist.

(3) Bij de vorige verschijning toch blijkt, dat die plaats hun nog niet aangewezen was (Vgl. Jo. XXI: 3); evenwel bericht Mattheus ter dezer plaatse, dat Jesus hun bevolen had naar dien berg te gaan.

(3) Meiboom wil, dat de engel en ook Jesus door Galilea een berg Galilea bedoelde, die zich in de nabijheid van Jerusalem bevond, llij beroept zich op het 14do hoofdst. van \'t aprokriefre evangelie van Nicodemus, waar verhaald wordt dat drie mannen, terwijl zij afdaalden van Galilea, Jesus zagen zitten op den berg Mamilch, een der toppen van den Olijfberg bij Jerusalem. Bij Tertulianus, zegt hij, vindt men eene plaats, waar Galilea als een oord in Judea wordt beschreven, (Sepp geeft de plaats aan: Apolog. 31). Chrysostomus, zegt hij verder, beschrijft Galilea als bijna dezelfde plaats, waar de Heer gekruist was enz. Dit alles bewijst, dat bij Jerusalem een oord lag, dat in de 3de eeuw Galilea werd genoemd, doch in, geenen deele, dat de engel, Jesus, en Mattheus, deze plaats bedoelden als of de lieer daar aan de apostelen zou verschijnen. De berichten van het evangelie melden ons niets ten dien opzichte, ja veeleer het tegendeel. En het is geheel en al in strijd met de overlevering.

-ocr page 658-

80

gewezen, doch die ons verder niet bekend is. Hier verzamelde zich buiten de elf, naar wij gissen, ook die groote menigte van broeders, waarvan de H. Pau-lus zegt (I Cor. XV: 5), dat Hij aan meer dan 500 broeders, verschenen is. Waarschijnlijk toch had Jesus deze plechtige en openlijke verschijning voor vele getuigen op het oog, toen Hij zegde tot de vrouwen; gaat, bericht mijne broederen, dat zij naar Galilea gaan, daar zullen zij Mij zien (Mt. XXVIII: 10). Dit woord laat zich gereedelijk verklaren indien om zoo te zeg gen al de broeders, die zouden zamenatroomen, Hem daar in Gralilea zouden aanschouwen. Dan toch begrijpen wij, dat, ofschoon er nog vele verschijningen vooraf plaats grepen^ de Heer met die woorden vooral op deze wijzen wilde. Ook een andere reden pleit voor de vereenzelviging van de verschijning op den berg met die aan de vijfhonderd broeders te za-men. quot;Wij kunnen vragen, hoe vereenigden die vijfhonderd broeders zich juist op het oogenblik, dat Christus hun verscheen ? Moeten wij niet vooronderstellen, dat zij kennis droegen van de verschijning, die zou plaats grijpen, en dat de plaats, waar zij daartoe moesten bijeenkomen voor af aangewezen was ? De verschijning nu bij Mattheus is de eenigste, voor zooverre wij weten, die Jesus vooraf aan de apostelen bekend had gemaakt, en waarbij Hij had gelast zich op eene bepaalde plaats te vergaderen. Hieruit besluiten wij dus niet zonder grond, dat de H. Mattheus en de H. Apostel Paulus hier van een en dezelfde verschijning spreken.

De geheele menigte der broeders alzoo met de apostelen en thans ook met Petrus aan het hoofd waren in Galilea op dien afgelegen en eenzamen berg vergaderd, gelijk de Heer het had bevolen. Daar verscheen de Heer in hun midden. Allen, toen zij den Verrezenen Godmensch wezenlijk aanschouwden, vielen ter aaide en aanbaden Hem. Eenigen echter.

-ocr page 659-

81

die, gelijk wij opmaken uit al hetgeen reeds gebeurd was, niet tot de apostelen behoorden, (1) twijfelden of het de Heer wel was, Die daar verscheen, en aar-selden, om zich bij die aanbidding aan te sluiten.

Wij weten niet, wat de Heer hier heeft gesproken, want hetgeen Mattheus laat volgen als slot van zijn evangelie, behoort bij de verschijning, die onmiddellijk aan zijne hemelvaart voorafging. Doch is ons ook niets verders aangaande deze verschijning bekend, het feit is allergewichtigst, dat de Heer meer dan 500 broeders te zamen tot getuigen van zijne opstanding heeft gemaakt. Velen waren nog in leven, toen de H. Paulus zijn bericht aangaande die verschijning aan de Corinthiërs schreef (I Cor. XV: 6).

Naar aanleiding dezer verschijning aan zoo velen, willen wij ons na al de dwaasheden, die omtrent de waarheid van Jesus\' opstanding in het midden zijn gebracht, van hare ontwijfelbare zekerheid eens ten volle rekenschap geven. Ziehier eenige van de verschillende ongerijmdheden, die men daaromtrent heeft durven schrijven.

Strauss wil al de verschijningen des Heeren doen doorgaan voor subjectieve Christophaniën, dat is verschijningen, die de apostelen zich slechts vormden in hunne verbeelding, omdat hunne denkbeelden en hun gevoel daaraan behoefte gevoelden. Weisse doet voor dezen dwazen en goddeloozen onzin niet onder. Hij verklaart alles voor objectieve Christophaniën ; namelijk Christus zou niet naar het lichaam uit het graf

(1) J)e lezing nu dé mist genoegzamen grond. Dat hier eenigen twijfelden, laat zich zeer goed verklaren, indien wij aannemen, dat de Heer hier aan meer dan 500 broeders verscheen. Licht konden er onder zoo groote menigte eenigen gevonden worden, die, na getuigen geweest te zijn van Christus\' dood, zich minder gemakkelijk lieten overtuigen en met zekere vooroordeelen waren behebt. Ook Allioli vereenzelvigt beide verschijningen. Bisping helt mede tot dit gevoelen over, en ook Theophylactus denkt hier aan andere leerlingen dan de apostelen.

Het Offer van J. C. III

6

-ocr page 660-

82

zijn opgestaan, doch slechts naar den geest uit het ledige graf zich hebben verheven, en naar den geest met een etherisch omkleedsel omhuld zijn verschenen. Anderen hebben hunne toevlucht genomen tot een schijndood. Nog anderen durfden zelfs gissen, dat de apostelen het lichaam in het geheim uit het graf hebben weggevoerd, en dat al deze verschijningen niets waren dan bedriegerijen.

Reeds zagen wij, dat de apostelen noch den wil, noch den moed, noch het vermogen hadden, om Jesus\' lichaam in -quot;t geheim uit het graf te voeren, en dat zij het dus niet hebben gedaan (1). Buitendien wordt deze bewering geloochenstraft door al de verschijningen, die aan anderen te beurt vielen dan aan de apostelen, zoo als die der vrouwen, die der Emmaüsgangers en vooral die der 500 broeders. Mogen en kunnen wij zonder eenig bewijs zulk opzettelijk en nutteloos bedrog vooronderstellen niet slechts bij twee of drie, niet slechts bij een twaalftal, maar zelfs bij meer dan vijf honderd broeders ? Hoe konden zooveel personen van zoo verschillenden aard, van verschillende kunne, van verschillenden leeftijd, van verschillende neigingen, overeenstemmen in den wil om te bedriegen, in de wijze van bedriegen, en in stipte en standvastige geheimhouding ? Hoe laat zulk opzettelijk bedrog zich denken, waarbij zij niet het minste belang hadden , ja hetgeen strijdig was met hun belang, daar haat, vervolging, allerlei moeilijkheden, de dood hen te wachten stond bij de menschen en veroordeeling en straf hun vooruitzicht moest zijn bij God ? Is het buitendien mogelijk, dat op zoo groote menigte er geen enkele zou geweest zijn, die bij de latere vervolgingen het bedrog aan den dag zou hebben gebracht ? Moest de vrees eener zoo licht mogelijke ontdekking bij zoo

(1) Zie hiervoor bl. 39 en 40.

-ocr page 661-

83

groot een getal niet allen terughouden\'? Zou het niet eene uiterste dwaasheid geweest zijn, zulk een bedrog aan de geheele wereld en zelfs aan Jesus\' vijanden te willen opdringen ? Hoeveel sluwheid, en hoe diepe bedorvenheid des harten moesten bij die allen tot zulke onderneming aanwezig zijn? Veilig mogen wij besluiten, dat de eenstemmige wil tot zulk een bedrog bij zoo velen eene volstrekte onmogelijkheid was.

Hebben de getuigen van \'s Heeren verschijningen niet willen bedriegen, evenmin hebben zij zich zeiven bedrogen, zoo als Strauss en Weisse beweren. Vooreerst is de opstanding des Zaligmakers geheel in overeenstemming met zijn Goddelijk leven. De voorzeggingen van het oude verbond, Jesus\' wonderbare ontvangenis en geboorte, zijne mirakelen, zijne heilige leer, zijne profetiën, zijn onberispelijke levenswandel, de geheele geschiedenis zijns lijdens, dit alles is zoo zeer in harmonie met het wonder zijner opstanding, dat wij bij de getuigen zijner verschijningen aan geen misleiding of dwaling mogen denken.

En dit te meer, wijl deze getuigen van geen lichtzinnigheid, maar na al hetgeen zij omtrent Christus gezien hadden, veeleer van ongeloovigheid zijn te beschuldigen. De bloedige en schandelijke kruisdood des Heeren was geheel in strijd met hunne denkbeelden, en verbijsterde hen geheel en al. Zij lieten zich niet overtuigen door de engelen- verschijningen aan de vrouwen, zelfs niet door de verschijningen des Heeren aan Magdalena en de vrouwen. Ja ook de verschijning aan Petrus en de twee Emmaüsgangers overtuigde allen nog niet. Thomas ging nog verder; Lij verzette zich tegen dit alles en zelfs tegen de verklaring van al zijne mede- apostelen. Zij waren er dus verre af van zich door verbeelding te laten geleiden of lichtgeloovig te zijn.

Eindelijk zijn de omstandigheden van dien aard, dat zij alle misleiding ten duidelijkste uitsluiten. Aan

-ocr page 662-

84

den eenen kant is Christus zeker gestorven en begraven, en werd zijn graf door zijne vijanden verzegeld en bewaard. Aan den anderen kant vonden de apostelen het graf ledig; de wachters waren verdwenen, de lijkdoeken opgerold; engelen verschijnen aan de wachters, aan Magdalena, aan de vrouwen. Mag-dalena aanschouwde den Heer, hoorde Hem spreken. Ook de andere vrouwen zien en hooren Hem, en omhelzen zijne voeten. Jesus verschijnt aan Petrus, aan de Emmaüsgangers, en tot driemaal aan verscheidene apostelen. Eindelijk vertoont Hij Zich aan meer dan vijfhonderd ooggetuigen. Hoe kunnen alle deze personen zich zoo herhaaldelijk hebben vergist? Jesus toonde hun tot tweemaal toe zijne heilige wonden, en liet ze betasten. Hij at en dronk herhaalde malen met hen. Hij toonde bij het meer van Tiberias dezelfde wonderdoener te zijn als vroeger. Hij voorspelde den marteldood van Petrus, de nederdaling des H. Greestes, de onvergankelijkheid zijner kerk. Waar dit alles te zamen loopt, daar wordt het onmogelijk aan vergissing bij zoo velen te denken.

De getuigen van Christus\' herleven hebben zich zeiven dus niet bedrogen, en zij hebben ook niet willen bedriegen ; er blijft alzoo niets over dan dat zij waarheid hebben gesproken, en dat de opstanding ontegenzeggelijk heeft plaats gehad. Inderdaad de hemelvaart, de nederdaling des H. Greestes, de wonderen door de apostelen verricht, de marteldood van Stephanus, de bekeering van Saulus, de uitbreiding van het Christendom, de schier negentien honderdjarige zegepraal der kerk bekrachtigen op de schitterendste wijze de waarheid van het apostolische getuigenis aangaande Jesus\' verrijzenis. Indien wij hier bedrogen zijn, dan zijn wij, o Heer ! door U bedrogen.

een vers mel(

-ocr page 663-

85

§ 4. De veertiy dagen na \'s Heeren verrijzenis; en de )- j; verschijning aan Jakobus.

e Hand. I: 3; I Cor. XV: 7.

Wanneer wij de berichten der evangeliën aandachtig nalezen, dan bespeuren wij, dat niet alles ons hier vermeld is. De overlevering leert ons de verschijning aan Jesus\' heilige Moeder kennen. De fl. Apostel Pan lus, behalve hetgeen hri omtrent de verschijning aan meer dan 500 broeders verhaalt, spreekt van eene verschijning aan den H. Apostel Jakobus, zoon van Alpheus en broeder des Heeren. Bijzonderheden echter meldt de fl. Paulus niet, en in het evangelie is er evenmin eenig spoor van te vinden. (1) Zelfs de berichten der evangelieschrijvers aangaande de verschijningen, waarvan zij spreken, zijn hoogst onvolledig ; om een enkel voorbeeld te noemen, de verschijning des Heeren aan Cephas wordt slechts in \'t voorbijgaan aangestipt.

Aan den anderen kant verhaalt ons de H, Lukas, dat de Heer na zijn lijden zich aan zijne apostelen levend heeft betoond, dook menigvuldige kewijzingen gedurende veertig dagen van hen gezien wordende en sprekende over het rijk Gods. Hieruit blijkt duidelijk, dat, ofschoon de Heer niet ononderbroken met de zijnen bleef, Hij toch vooral in Gralilea gedurende die veertig dagen dikwerf met de zijnen moet verkeerd hebben. Hij sprak met hen over zijne kerk, die ook in het evangelie het rijk der hemelen, het rijk Grods wordt

^1) De gissing is echter gemaakt, dat Jakobus een der twee Emmaüsgangers zou geweest zijn en de andere Kleophas, zijn vader. Zij berust echter op niets dan op den naam Kleophas, en wordt door geen andere bewijzen uit schriftuur of traditie gestaafd. Buitendien worden in het evangelie de Emmaüsgangers van de elf of de apostelen onderscheiden. — De II. Hieronymus de viris illustr. c. 2. spreekt van een bericht uit het apokriefe evangelie der Hebreeuwen, waarin eene verschijning van Jesus aan Jakobus den Rechtvaardige wordt vermeld. Zie hiervoor bl. 55.

-ocr page 664-

86

genoemd. Het is wel waar, wij vinden in de ons ge-wordene verschijningen eenige berichten omtrent de de samenstelling, verbreiding en volmaking van dat G-odsrijk ; doch wanneer wij de latere handelingen der apostelen hiermede vergelijken, dan ontwaren wij al spoedig, dat meerdere en uitvoerige gesprekken des Heeren aangaande de inrichting, het bestuur en de heilmiddelen der kerk moeten hebben plaats gehad , die ons door het evangelie niet zijn medegedeeld.

Jesus\' verschijningen gedurende dit tijdperk hadden volgens den H. Lukas een tweevoudig doel: het openbaren zijner opstanding en het bevestigen van zijn rijk. Wat het eerste betreft, is het opmerkelijk, hoe al zijne verschijningen er toe bijdragen, om de zekerheid zijner verrijzenis steeds meer en meer in het licht te plaatsen. Eerst vèrschijnt een engel met indrukwekkend machtvertoon aan de wachters. De vrouwen aanschouwen reeds twee engelen, waarvan eene ze toespreekt en aan Jesus\'vroegere voorspelling betreffende zijne verrijzenis herinnert. Magdalena is nog gelukkiger, zij aanschouwt de twee engelen ; maar zij aanschouwt buitendien Jesus zelf, hoort Hem spreken, raakt Hem aan. Dit zelfde herhaalt zich ten aanzien niet slechts van ééne maar van versclieidene vrouwen te zamen. Echter die getuigenis van enkele vrouwen was ongenoegzaam; daarom vertoont Jesus Zich aan Petrus, het hoofd der Kerk. Vervolgens zijn het twee leerlingen, waarmede Hij gerui-men tijd spreekt, die Hij opmerkzaam op de voorspellingen van het oude Verbond, en door welke Hij erkend wordt in het breken des broods. Nu wordt de kring der getuigen nog grooter; een tiental apostelen en nog anderen zien Jesus in de zaal verschijnen , hooren zijne stem , worden zijn adem gewaar , eten en drinken met Hem, aanschouwen en betasten zijne wonden. Thomas , die afwezig is en blijft twijfelen , wordt in het bijzijn der overige apostelen door het

-ocr page 665-

87

betasten van Jesus\' wonden nader overtuigd. Bij het meer van Tiberias herhaalt Jesus het wonder der vischvangst, en niet eene onder de zeven getuigen , die den minsten twijfel openbaart. Eindelijk zijn het meer dan 500 broeders te gelijk, voor welke Hij optreedt. Telkens is het eene verschillende wijze, waarop Hij Zich openbaart, en gedurig wordt de openbaring schitterender, tot op den stond, dat Hij ten hemel opstijgt.

Men heeft hier van ontwikkeling en volmaking in J. C. gesproken , als of eene geleidelijke trapsgewijze overgang in den verrezen Grodmensch zou hebben plaats gegrepen van de volmaaktheid des Dienstknechts tot die van den Troongenoot des Vadors. Doch hiervan is niet het minste spoor in de geschiedenis van het evangelie te vinden , en geen enkel degelijk bewijs wordt hiervoor geleverd. Dat de Heer zijn heerlijkheid in steeds hoogere mate aan de zijnen openbaarde , stem ik volgaarne toe ; doch dat de heerlijkheid zelve des Heeren gedurig zou toegenomen zijn, moet ik bepaald ontkennen. Zulks kon geen doel treffen , nu \'s Heeren strijd volstreden was. Nu de zegepraal was behaald, was alle zwakheid onzer sterfelijke natuur afgelegd, en moest de Grodmensch alle volmaaktheid en heerlijkheid bezitten, die eeuwig de zijne zou zijn. De reden, waarom Jesus\' menschelijke natuur niet deelde in de heerlijkheid , die het natuurlijke gevolg moest zijn harer vereeniging met de Goddelijke natuur, bestond niet meer. Voor Jesus\'\' menschelijke natuur was de strijd volstreden, en de heerlijkheid moest thans ten volle de hare zijn.

Door zijne opstanding aan de wereld te openbaren, openbaarde Jesus haar tevens zijne onschuld en heiligheid. Hij was als misdadiger door het hoogste gezag van Israël veroordeeld , gestraft , aan een kruis geslagen , en op die wijze als bedrieger , valsche leeraar en godlasteraar aan allen ten toon gesteld. Hij was

-ocr page 666-

88

uitgedaagd om door zijne wonderen zijne onschuld te bewijzen , en toen Hij in het graf lag , meenden zijne beschuldigers ten volle over Hem te hebben gezege vierd. Maar Hij , Die de onschuld van Joesph wist te doen schitteren, ofschoon hij hopeloos in een akeligen kerker was opgesloten ; Die Israël op wonderbare wijze voerde door de wateren der roode zee , en onttrok aan de wreede verdrukking van Pharao; Die Daniël redde uit den kuil, ofschoon hij de onvermijdelijke prooi scheen der hongerige leeuwen, Hij wist ook de heiligheid zijns Zoons te verheerlijken tot in den dood. Jesus is opgestaan uit het graf; daardoor is besclml-diging, laster en bedrog verijdeld, en de Verrezenc treedt op als Rechter, Die zijne onrechtvaardige rechters veroordeelt. De vlekkelooze heiligheid zijns levens ontvangt hier haren hoogsten luister. Is Hij verrezen, dan stierf Hij onschuldig, en een dood, met zulke no derigheid, zachtmoedigheid, geduld, liefde en onderwerping onschuldig ondergaan, is de glansrijke kroon van een leven vol algeheele opoffering. Voorwaar God mocht zijnen heilige het verderf niet laten zien.

Hier bouwde Hij den lichamelijken tempel zijner Godheid, nadat deze gesloopt was, weder op. Hier nam Hij het leven, dat Hij had afgelegd, weder aan. Hier kwam Hij niet slechts van het kruis, maar zelfs uit het rijk des doods terug. Groote wonderen hadden de profeten verricht; groote wonderen had Hij zelf gewrocht; maar dat Hij, Die gestorven was, door eigen toedoen en zonder iemands voorbede uit het graf verrees, is een feit, geheel eenig in de geschiedenis der wereld. Het teekeu van Jonas is hier aan zijne vijanden gegeven, en het zegel der waarachtigheid is gedrukt op alle zijne mirakelen.

Jesus\' verrijzenis was de verwezenlijking zijner grootste voorspelling. Hij voorspelde in zijne opstanding iets, dat menschelijker wijze in geene deelekon voorzien worden. Hij voorspelde eene gebeurtenis,

-ocr page 667-

89

waarop geen mensch den minsten invloed kon uitoefenen. Hij voorspelde ze, en liet er zijne grootste vijanden niet onkundig van, om, indien zij vermochten, ze te verijdelen. Hij voorspelde een geheel eenig wonder, uitsluitend afhangende van de macht van God. Die voorspelling werd verwezenlijkt, en zijne Grodde-lijke waarachtigheid alzoo ten volle bekrachtigd. Had h\'or zijn woord gefaald, dan ware het gedaan geweest met zijne leer, met zijne waardigheid als Messias, met zijne zending van den Vader als menschgeworden Zoon van God. Doch Hij is waarlijk verrezen, en daardoor is Hij gebleken te zijn de waarachtige en getrouwe getuige, de Eengeboorne des Vaders, vol van genade en waarheid.

Niet minder dan de Eengeboorne des Vaders, Die God is gezegend in eeuwigheid (Rom. IX: 5) ! Want zoo had Hij Zich genoemd en Zich Gode gelijk gemaakl. Hij had het geen roof geacht te getuigen, dat al hetgeen des Vaders was, ook het zijne was, en dat Hij één was met den Vader. Voor den geheelen hoogen raad had Hij met een eed bevestigd, de Zoon te zijn van den levenden God, de Rechter, Die, aan de rechterhand des Vaders gezeten, met Hem één troon en ééne Majesteit zou deelen. Daarom was Hij veroordeeld en gekruisigd als godlasteraar. En wanneer wij hem daarna zien verijzen en door die luistervolle opstanding de waarachtigheid van deze zijne goede belijdenis zien bevestigen, dan mogen wij niet aarse-]en met Thomas Hem te aanbidden en uit te roepen; mijn Heer en mijn God (Vgl. Ps II).

Door gedurende veertig dagen Zich door velerlei bewijzen levend te betoonen, terwijl Hij aan de zijnen verscheen, vestigde alzoo de Heer op onwankelbaren grond den grondslag van hot Christendom. Terecht zegt de H. Paulus: indien Christus niet verrezen is, dan is onze prediking te vergeefs, en dan is uw geloof ijdol. Dan worden wij ook bevonden valsche getuigen te zijn van God, omdat wij getuigenis hebben

-ocr page 668-

90

afgelegd tegen God, dat Hij Christus heeft opgewekt, Dien Hij niet heeft opgewekt (I Cor. XV : 14—15).

Het tweede doel, dat de Heer zich voorstelde bij zijne verschijningen gedurende deze veertig dagen, was do zijnen te spreken over zijn rijk. Het is dat rijk, hetwelk Christus ook het rijk der hemelen, het rijk des Vaders, of eenvoudig rijk noemt, en hetgeen ook als het rijk van den Christus of van den Messias voorkomt. De engel spreekt reeds tot Maria van dit rijk en geeft te kennen, dat het rijk van Israël in dit rijk moest opgaan, (Lc. 1: 32) zoodat wij het ook het nieuwe Israël kunnen noemen, waarover Christus als een tweede David koning zou zijn, maar Grodde lijke en eeuwige Koning. Jesus evenzoo, toen de apostelen Hem vroegen, wanneer Hij het rijk van Israël zou herstellen, beantwoordde hunne vraag niet geheel en al ontkennend.

Wij zagen reeds, dat dit rijk hetzelfde is als Jesus kerk (Vgl. Mt. XVI: 18; 19). Jesus regelde alzoo bij deze verschijningen de inrichting zijner kerk, Hij stelde Petrus als opperherder aan, en zond zijne apostelen op plechtige wijze, om met en onder Petrus zijne kerk uit te breiden en te besturen. De bepaalde on derscheiding van bisschoppen, priesters en diakenen, die wij gewis aan Christus hebben te danken, heeft wellicht haren oorsprong in de aanwijzing dezer dagen. De algemeenheid, onvergankelijkheid en heiligheid zijner kerk zullen wij den Heer nog bij zijne laatste ver schijning hooren verkondigen. Ook de sakramenten of de genademiddelen der kerk waren het onderwerp van Jesus\' onderrichtingen. Twee althans, die eene zekere analogie hebben met zijne verrijzenis, het sakra-ment der wedergeboorte en het sakrament der boetvaardigheid\' werden uitdrukkelijk door Hem verordend om het werk zijner verzoening te bestendigen in zijne kerk.

Voorwaar Hij verklaarde aan zijne apostelen in

-ocr page 669-

91

deze dagen vele dingen, waarvan Hij vroeger had gewag gemaakt met het woord: nog veel heb Ik ti te zeg yen, maar gij kunt het thans niet dragen. Hunne opvatting van de schriften en profetiën des ouden ver bonds werd grootelijks gewijzigd en volmaakt, en de Heer vormde bij hen denkbeelden aangaande zijn persoon en zijn rijk, die door de mededeeling des H. Greestes tot volle rijpheid zouden komen.

Üfechoon nu de Heer wel meermalen aan de zijnen verscheen en meer tot hen sprak, dan ons in het evangelie wordt vermeld, bleef Hij toch niet immer met hen. Zij moesten voorbereid worden om zijn God delijk bijzijn te missen en voor goed zichbaar van Hem te srbeiden bij de hemelvaart. Waar de Heer Zich in dien tusschentijd ophield, weten wij niet. „Het is onbekend,quot; zegt de H. ïhomamp;s, „op welke „plaatsen Hij in de tusschentijden lichamelijk was, „daar de schriftuur dit niet zegt, en zijne heerschap-„pij ten alle plaatse isquot; (Summ. p. 3 q. LV. a. 3 ad. 2.).

§ .\'5. De verrijzenis van Christus toonbeeld en onderpand onzer geestelijke en lichamelijke verrijzenis.

Zoo ooit dan toonde do Heer vooral door zijne verrijzenis, dat Hij is da Opstanding en het Leven (Jo. XI: 25). Toen bleek de waarachtigheid van zijn woord : gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, wie Hij

wil.....Gelijk de Vader het leven in Zich zeiven

heeft, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven in Zich te hebben (Jo. V: 21 ; 26).

Om zijne heerlijke opstanding noemt de H. Paulus Christus den Eerstgeborene van de dooden (Col 1: 18). Is Hij de Eerstgeborene, dan ligt hierin opgesloten, dat de overige dooden hunnen broeder mede eenmaal tot die blijde geboorte des levens zullen volgen. Hij

-ocr page 670-

92

ia de Eerstgeborene; Hij is ook, gelijk de apostel daar ter plaatse zegt, liet hoofd van het lichaam der kerken waar het hoofd is, daar zal het ook de overige leden tot zich trekken. Christus is van de dooden verrezen, zegt dezelfde apostel elders, als de eersteling uit de ontslapenen. Want door één mensch is de dood, en door één mensch is de opstanding der dooden, en, gelijk allen door Adam sterven, zoo zullen ook allen door Christus worden levend gemaakt (1 Cor. XV: 20—23). Is Christus dus als hoofd van ons geslacht de eersteling, dan zullen ook allen, die tot dit geslacht behooren, met Hem eens uit den sluimer des doods opstaan, om alsdan den heerlijken levensdag te beginnen, die nimmer eindigt.

God heeft de dood niet gemaakt (Wijsh. 1: 13), maar zij is door den nijd des duivels in de wereld gekomen (Wijsh. II 24). De dood is de bezoldiging der zonde. (Rom. VI: 23). Christus heeft echter door zijn zoendood en opstanding den duivel en de zonde en bijgevolg ook de dood overwonnen. Doch, ofschoon die vijanden overwonnen zijn, zijn zij nog niet vol-maaktelijk onderworpen. In dien tusschentijd, zegt de H. Paulus naar aanleiding van den 109deD psalm, moet Christus heerschen, tot dat de Vader, aan Wiens rechterhand Hij gezeten is, alle zijne vijanden stelle onder zijne voeten. Het laatst van allen zal de dood als vijandin vernietigd worden, want alles heeft de Vader aan zijne voeten onderworpen (1 Cor. XV: 25; 2Ü). Eerst aan het einde der eeuwen dus, wanneer de heerschappij der zonde zal te niet gedaan zijn, zal Christus allen aan de klauwen der dood onttrekken; eerst dan zal dit sterfelijke de onsterfelijkheid aandoen, en zal het woord verwezenlijkt worden: de dood is in de overwinning verslonden. Waar is, o dood, uwe overwinning ? waar is, o dood! uw prikkel ? (1 Cor. XV: 55)

Zoo is de verrijzenis van Christus het onderpand van onze toekomstige verrijzenis; zij is buitendien

-ocr page 671-

93

ook haar toonbeeld. De eerste mensch Adam, zegt de H. Paulus, is geworden tot eene levende ziel, (namelijk geschapen met een dierlijk lichaam, waarvan de ziel het leven was, doch waarvan zij het leven niet kon in stand houden); maar de tweede Adam is geworden tot een levendmakenden Geest; (de ziel van den verrezenen Christus is niet slechts het leven van zijn lichaam, maar doet dat lichaam zelfs in zijn geestelijk leven deelen) ... De eerste .mensch was uit de aarde, aardsch ; de tweede is uit den hemel, hemelsch. Gelijk de aardsche (mensch) was, zijn ook de aardschen, en gelijk de hemelsche is, zullen ook de hemelschen zijn. Derhalve, gelijk loij het beeld des aardschen gedragen hebben, zoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen, (1)

Inderdaad Christus, de mensch uit den hemek is eerst gestorven, gelijk wij zagen, en daarna ten leven opgestaan, maar met een lichaam, dat in al zijne eigenschappen geheel veranderd was, ofschoon het toch in zelfstandigheid hetzelfde was gebleven. Zoo ook moeten wij, na gestorven te zijn, eens met dat gestorvene lichaam verrijzen. Hetgeen gij zaait, zegt de H. Paulus, ivordt niet levend, ten zij het eerst sterve. En hetgeen gij zaait, zaait gij niet naar het lichaam, dat ivorden zal, maar een enkelen korrel als hij voorbeeld van tarwe of eenig ander graan, en God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij wil, en aan elk zaad zijn eigen lichaam (I Cor. XV; 36—38). Evenzoo, laat de apostel verstaan, moeten de lichamen eerst sterven om daarna te herleven ; en gelijk, waar de zaadkorrel wordt gezaaid eene schoone plant verrijst., zoo moeten de lichamen bij die verrijzenis tot een schoon, luistervol, hemelsch leven geboren worden. „Op het einde der eeuwen,\'\' zegt de H. Augustinus, „zal het geheele menschelijke

(1) 1 Cor. XV: 45—49. De laatste woorden zijn aangehaald volgens den Griekschen tekst. De vulgaat heeft: derhalve, gelijk wij het beeld des aardschen gedragen hebben, zoo laat ons ook het beeld des hemelschen dragen.

-ocr page 672-

94

„geslacht als een eenige oogst oprijzen ; de proef is „er van genomen in den voornaamsten graankorrel,quot; (l) namelijk in J. C.

Het lichaam des Heeren, dat aan de felste smart onderhevig was geweest en aan den dood, zie ! het verrees in de volheid des levens om aan geen bederf, lijden noch dood ooit meer onderhevig te wezen. Christus, uit de dooden verrezen, sterft niet meer; de dood zal over Hem niet meer heerschen (Rom. VI: 9). Nog draagt Hij wel de wonden, die Hij toonde aan zijne apostelen; doch die wonden bloeden niet meer, zijn vreemd aan de smart, zijn eereteekenenen zijner luistervolle overwinning. Zijn arbeid is overgegaan iu rust, zijne droefenis in vreugd, zijne foltering in zaligheid. Evenzoo zal ook ons lichaam gezaaid worden in bederf, maar verrijzen in onbederfelijkheid (1 Cor. XV: 24). Terwijl het sterfelijk was, zal het omkleed worden met onsterfelijkheid (ib. 53). Zij zullen niet meer hongeren noch dorsten, zegt de H. Joannes, en de zon zal hen niet steken noch eenige hitte (Apoc. VII: 16) En Grod zal eiken traan af-wisschen van hunne oogen, en de dood zal er niet meer zijn ; en geen rouw, geen geschrei, geen smart zal er meer wezen (Apoc. XXI: 4).

De heerlijke bloem van Jesses stam, die te Nazareth met zooveel bekoorlijkheid voor God en voordemen-schen was opgegroeid, was bij het lijden op Golgotha ontkleurd, ontsierd, van alle schoonheid beroofd. Doch op den onvergetelijken morgen der verrijzenis herbloeide zij met hsmelsche schoonheid, en spreidde zij een ongekende heerlijkheid ten toon. Gekneusd, verbleekt, gewond werd Jesus\' lichaam in het graf gelegd. Doch het verrees met Goddelijke glorie, met dien verrukkclijken glans, waarvan Mij een straal liet doorbreken op den Thabor, met die indrukwek-

(1) Serm. CCCLXI. u. 10. t. V.

-ocr page 673-

95

kende Majesteit, waarvan wij ons een denkbeeld kunnen vormen, door hetgeen ons geopenbaard is aangaande zijne komst ten oordcel. Ook zoo, zegt de H, Paulus, wordt ons lichaam gezaaid in onedelheid, en het zal opstaan in heerlijkheid (1 Cor. XV : 43). Eeuwige luister, eeuwig licht, eeuwige schoonheid zullen het omgeven, en Christus zal dit lichaam onzer nederigheid eens veranderen en gelijkvormig maken aan het lichaam zijner heerlijkheid(PJiil.III- 21).

Bewegeloos, onvermogend en zonder kracht werd \'s Heeren lichaam begraven ; maar het verrees met pene bewegelijkheid, waardoor het in één oogenblik verscheen en verdween ; met eene kracht, waardoor liet zich zonder eenig hulpmiddel ten hemel kon verheffen. Jesus\' lichaam gehoorzaamde volkomen aan den geest; het was daar, waar Hij wilde. Zoo ook zal ons lichaam gezaaid worden in zwakheid en verrijzen in kracht (1 Cor. XV : 43). Het zal overal zijn, waar de geest slecht zal willen (Libr. Uit. de Civ. Dei c. uit.). Het zal den geest niet meer belemmeren on boven de wetten der stof verheven zijn.

Christus\' lichaam werd bij zijne verrijzenis een geestelijk lichaam, dat aan geen lichamelijke behoeften meer onderhevig zou zijn. Aan den eenen kant was het een wezenlijk lichaam, want het was zichtbaar, ademde, sprak en werd betast; het genoot spijze, wanneer de Heer dit wilde. Doch tevens was het aan den anderen kant een geestelijk lichaam. Het graf was nog verzegeld en de Heer had, het reeds verlaten ; de deuren waren gesloten en Hij stond in liet midden der zijnen, zoodat zij meenden een geest te zien. Dan, doch ook slechts dan, wanneer Hij verkoos, werd Hij door Magdalena, de leerlingen van Emmaüs, de apostelen bij het meer Tiberias herkend. — Ook hierin zullen onze lichamen aan dat van ons Hoofd en onzen Hersteller gelijkvormig zijn. Dezelfde lichamen, waarmede onze zielen thans vereenigd zijn.

-ocr page 674-

96

zullen verrijzen, doch geheel veranderd in hoedanigheid. Een dierlijk lichaam wordt gezaaid, maar een geestelijk lichaam zal verrijzen (1 Cor. XV: 43). Het zullen lichamen zijn, die niet meer hongeren of dorsten, die Christus in de lucht te gemoet gevoerd zullen worden op den jongsten dag (IThess. IV : 16), die de aiel niet zullen beletten God te zien, gelijk Hij is.

Zoo is dus de opstanding van den verheerlijkten Verlosser het zekere onderpand en het luistervolle toonbeeld van de toekomstige heerlijke verrijzenis der lichamen voor allen, die aan de genade zijner verlossing beantwoorden. Wel allen toch zullen wij verrijzen, maar niet allen (tot heerlijkheid) veranderd worden (1 Cor. XV: 51), Hiertoe is noodig, dat wij eerst verrijzen en herleven naar den geest. En ook ton aanzien dier geestelijke verrijzenis is de opstanding des Heeren tot zeker punt onderpand en toonbeeld

Zij is vooreerst het onderpand dier geestelijke verrijzenis. Zij toch is het onfeilbare bewijs, dat de genade, die ons noodig is om uit den dood der zoude op te staan, en voor God te herleven, ons niet zal geweigerd worden. Jesus Christus, zegt de H. Paulus, is overgeleverd (ten dood) om onze misdrijven, en verrezen om on^e rechtvaardigmakiug (Rom. IV: 25). Door zijn dood offerde Hij Zich voor zijne broeders op, boette Hij de straf voor bunne zonden, en smeekte Hij voor hen om genade en barmhartigheid. In Jesus\' opstanding hebben wij het onderpand, dat zijn offer door den Vader niet is afgewezen, dat zijne boete is aangenomen en dat Hij ons de genade tot verzoening eu vergiffenis heeft verworven. Door die opstanding blijkt, dat in Hem werkelijk het leven is , en dat zij , die dood zijn door de zonde , indien zij in Hem gelooven, niet verloren zullen gaan, maar het eeuwige leven zullen hebben (Jo. III; 16). Zijne opstanding is een grondslag voor ons geloof, een waarborg voor onze hoop, en eene opwekking voor onze

-ocr page 675-

97

lietde, en door dat alles bewerkt zij, en verzekert zij onze rechtvaardigmaking en ons herleven naar den geest.

Jesns\' herleven is ook het toonbeeld onzer geestelijke verrijzenis. Zijn kruisdood toont ons, hoedanig onze dood moet zijn aan de zonde ; zijne opstanding leert ons, hoedanig onze geestelijke wedergeboorte moet zijn tot een nieuw leven. Indien wij aan Christus verwant zijn geworden, zegt de H. Paulus, door gelijkheid aan zijnen dood, dan zullen wij het tevens ook wezen door gelijkheid aan zijne opstanding, dit wetende, dat onze oude mensch te gelijk met Hem gekruist is, opdat het lichaam der zonde vernietigd worde, en wij der zonde niet meer dienen; want die gestorven is, is van de zonde ontslagen. En zijn wij nu met Christus gestorven, wij gelooven, dat wij eveneens ook met Christus zullen leven, daar wij weten, dat Christus, nadat Hij opgestaan is uit de dooden, niet meer sterft; de dood zal niet meer over Hem heerschen. Want dat Hij der zonde gestorven is, is Hij eenmaal gestorven, en wat Hij leeft, dat leeft Hij voor God. Zoo ook gij, bedenkt dat gij dood zijt voor de zonde, maar Gode levend in Christus Jesus onzen Heer. Dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam, zoodat gij aan zijne begeerlijkheden zoudt gehoorzamen, en biedt ook uwe leden niet der zonde aan tot werktuigen der ongerechtigheid ; maar biedt u zeiven aan God aan als levend gewor-denen uit de dooden (Rom. VI: 5—13). Zoo moet het nieuwe leven van den gerechtvaardigde volgens de gedachte van den apostel even als dat van Christus hemelsch (Col. III: 1), onsterfelijk, en geheel en al Gode gewijd zijn. Gelijk Christus door de heerlijkheid des Vaders uit de dooden verrezen is, zoo moeten ook wij in de nieuwheid des levens wandelen. (Rom. VI: 4). Door aldus Christus\' opstanding in onze geestelijke opstanding te hebben uitgedrukt, zullen wij

Het Offer van J, C. lil

7

-ocr page 676-

98

haar tevens tot toonbeeld der toekomstige opstanding onzer Hchamen hebben gemaakt en mot den meermalen genoemden apostel kunnen zeggen : onze wandel is in den hemel, vanwaar wij ook den Verlosser verwachten 0. H. J. C., Die ook het lichaam onzer nederigheid zal vervormen en gelijkvormig maken aan liet lichaam zijner heerlijkheid, door de werking, waardoor Hij Zich ook alles kan onderwerpen (Phil. Ill: 20-21).

-ocr page 677-

HOOFDSTUK III.

JESUS\' HEMELVAART.

§ 1. Laatste verschijning des Heercn.

Mt. XXVIII: 18-20 ; Mc. XVI: 15-18; Lc. XXIV: 44-49; Hand. 1:4—8.

Jaar der J. P. 4743 : na R. St. 782 ; gew. jt. 29.

Toen het tijdstip naderde, dat de Heer de zijnen zichtbaar zou verlaten, vergaderden de apostelen waarschijnlijk op \'s Heeren bevel andermaal te Jerusalem. Daar zou Hij ze ter prediking uitzenden, daar Zijnen Geest over hen uitstorten, daar zijne kerk door hen beginnen uit te breiden. V/ant vanSion zou de wet uitgaan, en het woord des Heeren uit Jerusalem (Is. II: 3).

Toen zij dus weder te samen waren in de bovenzaal o]) den Sions-berg, verscheen de Heer andermaal in hun midden, en legde Zich met hen aan tafel (1). Hier zegde Hij tot hen: deze. zijnde woorden, die Ik tot u gesproken heb, (2) toen Ik nog met u luas, (namelijk) dat alles moet vervuld worden, hetgeen in de wet van Moses, de \'profeten, en de psalmen van Mij geschreven staat. Met deze woorden gaf Jesus te kennen, dat het lijden en de opstanding, die zij hadden aanschouwd, de stipste

(1) Handel. I; 4, Coavescens, met hen spijzigende. De bel eekenis van liet Grieksche woord is: tegelijk met anderen het maal met zout bestrooien, den maaltijd houden. Vgl. Hand. X ; 41. Zoo vat het ook de H. Chrysostomus op. De lezing (TOvaöM^ó[iEyo~ geeft minder gezag.

(2) Lc. XXIV; 44 is dezelfde verschijning als Hand. I: 4. Vergelijk Lc. XXIV: 49 met Handel. I: 5.

-ocr page 678-

100

vervulling waren van al de profetiën des ouden Ver-bonds, gelijk Hij meermalen had aangekondigd. Om zijne apostelen dit nog beter te doen inzien, opende Jesus bun verstand, en verklaarde Hij bun de schriften, die op Hem betrekking hadden. Hij wees hun vermoedelijk meer uitvoerig in \'t bijzonder aan, welke schriftuurplaatsen in den Pentateuch, de profeten en de psalmen, met andere woorden in het geheele oude Verbond Hem hadden aangekondigd, hoedanig de beteekenis was dier plaatsen, en op welke wijze zij in Hem waren vervuld. Hij deed wellicht hier nog uitvoeriger en bepaal der voor de apostelen, hetgeen Hij reeds vroeger voor de leerlingen van Emmaüs had gedaan, en Hij besloot zijn onderricht met deze woorden : zoo staat er geschreven, en zoo moest de Christus lijden en ten derden dage van de. dooden verrijzen, en in zijnen naam boetvaardigheid en vergeving der zonden gepredikt ivorden onder alle volkeren, te beginnen van Jerusalem.

Waar zoo duidelijk ons verhaald wordt, dat de Heer aan zijne apostelen het begrip der profetiën aangaande zijn lijden, zijne opstanding en de prediking van zijn evangelie aan al de volkeren heeft medegedeeld, daar mag het ons niet verwonderen, dat de apostelen en evangelisten zoo menigmaal en zoo diepzinnig het verband tusscben de voorspelling en hare vervulling weten aan te wijzen. Zoowel de onderrichtingen des Heeren als de buitengewone verlichting des H. Geestes stelden hen daartoe overvloedig in staat.

Met de laatst vermelde woorden gaf Christus hun tevens den hoofd- inhoud aan hunner prediking. Zij moesten Hem door zijn zoendood en opstanding kenbaar maken als Verlosser der wereld; zij moesten tevens van allen boetvaardigheid eischen, en dit alles toelichten door de profetiën van het oude Verbond. Daarom ging Jesus voort: gij zijt getuigen van deze dingen, (rij hebt met eigen oogen mijn zoendood en opstanding door teekenen en verschijningen bevestigd gezien en

-ocr page 679-

101

de vervulling der profetiën aanschouwd. Grij zijt daardoor tot do taak in staat gesteld om van deze feiten getuigenis af te leggen ; en om u daartoe door licht liefde en kracht overvloedig uit te rusten, zie, zoo zend Ik de belofte mijns Vaders op u (Lc.), die belofte, die gij (vooral op den laatsten avond mijns levens) uit mijnen mond gehoord hebt (Hand. 1: 4). Gij dus blijft in de stad. tot dat gij zult aangedaan zijn met kracht uit den hooge (Lc). Te Jerusalem zouden de apostelen dus bekleed worden met de noodige wapenrusting om den strijd voor de uitbreiding zijns rijkste strijden, en die wapenrusting zou niets minder zijn dan Goddelijke kracht uit den hemel of de H. Geest. Want Joannes, vervolgde Jesus, doopte wel met water; maar gij zult gedoopt ivorden met den Ij. Geest niet lang na deze dagen. Zoo zou de voorspelling, door dien H. wegbereider ten Zijnen opzichte gedaan, vervuld worden, dat Hij zóu doopen met den H. Geest en met vuur (Mt. 111:11).

Na deze woorden leidde Jesus de apostelen met zich buiten de stad naar den Olijfberg tot in de richting van Bethanië. (1) Op den weg nu daarheen reeds stelden Hem degenen, die te saamgekomen waren, dat is de apostelen (Hand. 1:2; Mc. XVI: 15, 20), met betrekking tot het zoo even aangekondigde tijdstip van de nederdaling des H. Geestes deze vraag : Heer! zult gij ten dien tijde het rijk van Israël herstellen\'} Nog altijd bleef hun, zoo als uit deze woorden blijkt, de verwachting bij, dat de Heer als Messias het vervallen rijk van Israël zou herstellen en tot een on-gekenden aardschen luister zou opvoeren, en zij toonden daardoor, hoezeer de hoogere verlichting des H. Geestes nog eene dringende behoefte voor hen was. Jesus gaf Zich de moeite niet om deze valsche op-

(1) Zoo wordt Lukas XXIV ; 50 het best met Hard. I : 12 overeen gebracht, éü)- s:? ti-qftavuiM betcekent niet tot in het vlek zelve maar tot aan de plaats van den Olijtberg, waar hij afdaalt en heenvoert naar Bethanië. Sommige lezingen hebben dan ook 77/70?.

-ocr page 680-

102

vatting, die bij het aanstaande Pinksterfeest door de inwendige leering des ff. Geestes te niet zou gaan. te wederleggen. Zonder te ontkennen, dat het rijk van Israël tot zeker punt, namelijk als uitwendig godsdienstige maatschappij, zou hersteld worden, vergenoegde Hij Zich met de terechtwijzing, dat zij niet noodig hadden hieromtrent iets meer te weten, daar het geheimen des Vaders waren. Het komt u niet toe, zeide Hij, de tijden en oogenhlikken te kennen, die de Vader in zijne macht gesteld heeft. Maar gij zult ontvangen de kracht des H. Geestes, Die over u zal komen, en gij zult mijne getuigen zijn te Jerusalem en in geheel Ju-dea en in Samaria, tot aan het uiterste der aarde (Hand. 1:7, 8).

Na zijne apostelen te hebben doen gevoelen, dat hunne nieuwsgierigheid ijdel was, gaf de Heer te kennen, dat geheel iets anders hunne verwachting moest gespannen houden. De H. Geest, door den Vader en Hem gezonden, zou over hen komen en hen bezielen met hemelsche kracht. Daardoor verlicht, ontvlamd en versterkt zouden zij optreden als zijne getuigen te Jerusalem. quot;Want van Sion moest de wet uitgaan en het woord des Heeren uit Jerusalem (Is. II: 3). De roede uwer macht, had I iavid voorspeld, zal de Heer uitzenden van uit Sion (Ps. CIX: 4). Van uit dit middelpunt zou hunne getuigenis zich het eerst uitstrekken tot Judea en Israël, wier inwoners tot nu toe het volk des Heeren waren geweest. Daarop zouden zij zich wenden tot de Samaritanen, die aan Israël zoo eng verwant waren door hu nne afstamming, hunne overlevering, en hunne godsdienst. Eindelijk zouden zij aan Jesus getuigenis geven voor de heidenen tot aan de grenzen der aarde.

God had beschikt, dat de mensch Hem zoo huldigen door zijne rede en vooral zijne waarachtigheid zou verheerlijken door de onderwerping des geloofs. Zoo was zijne handelwijze onder het oude Verbond,

-ocr page 681-

103

toen Hij zijne profeten zond, en zoo eischte thans zijn Zoon in het nieuwe eveneens, dat de wereld de waarheid zijner leer zou erkennen niet door te aanschouwen, noch door te redeneren, maar door het gezag der van Hem verordende getuigen. Hij zelf op de eerste plaats was de geheel eenige en Groddelijke getuige voor de volkeren gesteld (Is. LV : 4). Hij zelf had gezegd; hetgeen wij weten, spreken wij, ea hetgeen wij gezien hebben, getuigen wij (Jo. III ; 11). Hij had op elke wijze, doch vooral door zijne wonderen en opstanding, de goddelijkheid van zijn getuigenis aangetoond en daarom geloof voor haar geëischt. Op dezelfde wijze wilde Hij, dat de wereld thans geloof zou schenken aan het getuigenis zijner apostelen. Zij hadden zijne daden gezien, zijn woord aanhoord, en opdat hun getuigenis niet door menschelijke zwakheid en onwetendheid zou ontaarden, en zij aan den anderen kant de waarachtigheid van hun getuigenis zouden kunnen doen gelden, zou de H. Geest over hen komen, die hun getuigenis voor dwaling zou behoeden door hun alle waarheid te loeren, en die door zijne wonderwerkende kracht hun getuigenis aangaande den Verlosser zou handhaven. In dien zin had Jesus vroeger gezegd, wanneer die Helper, Dien Ik u van den Vader zal zenden, de Greest der waarheid. Die van den Vader voortkomt, zal gekomen zijn, zal Hij getuigenis van Mij afleggen, en gij zult getuigenis afleggen (Jo. XV ; 2ö, 27).

§ 2. De laatste zending der apostelen.

Mi XXVIII : 19-20; Mc. XVI ; 15-18. (1)

Jaar der J. P. 4742; na K. St. 782 ; gevv. jt. 29.

Onder deze gesprekken was Jesus met zijne apostelen

(1) Ue H. Markus geeft genoegzaam te kennen, dat XVI : 15—18

-ocr page 682-

104

genaderd tot aan de middelste kruin van den Olijfberg, gelegen aan den weg, die naar Bethanië voerde, eene sabbatreize, dat is 2000 joodscbe ellen of een goed kwartier gaans buiten Jerusalem. Het was reeds zomer, en de heldere lucht van bet drooge jaargetijde, gepaard aan de lichtende stralen eener onbenevelde zon, liet toe zich van af dezen ver-hevenen bergtop naar alle zijden in de schoonste vergezichten te verlustigen. Met bewondering valt bier de blik neder op Jerusalem, waar hier en ginds enkele cypressen en palmen zich rijzig verheffen tusschen de menigvuldige koepeldaken, terwijl aan de tegenovergestelde zijde der bergkruin het diepgelegene bekken der doode zee zich vertoont, omgeven door rotsoevers in allerlei vormen en kleuren en met den biauwenden Nebo op den achtergrond. Meer noordwaarts bespeurt men den Jordaan, die, tusschen zijne dichtbegroeide oevers verborgen, de kale vlakte van Jericho doorkronkelt.

Op deze kruin stond thans de Verlosser met zijne apostelen, en terwijl het verre verschiet langs alle zijden open lag voor hunne blikken, sprak de Grod-mensch vol aanbiddelijke majesteit voor de laatste maal zijne uitverkorenen toe met deze indrukwekkende woorden : Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde. Gaat dus en onderwijst alle vólkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons en des II. Geestes. (Mt.) Gaat in de gansche wereld, en verkondigt het evangelie aan alle schepselen. (Mc.) Leert hen onderhouden al, wat ik u bevolen heb. (Mt.) Al wie geloofd zal

woorden zijn even voor Jesus\' hemelvaart gesproken. M:. XXVIII; l\'J—20 zijn de slotwoorden van zijn evangelie, die, daar er niets op volgt, reeds daardoor den schijn hebben, het laatst door Jcsus gesproken te zijn. Zij staan ook duidelijk in verband met Mc. XVI: ia—18 vooreerst om de zending der apostelen tot alle volkeren, en vervolgens om hetgeen zoo wel bij Mattheus als bij Markus van het doopsel gezegd wordt. Mt. XXV11I: l\'J—20 en Mc. XVI: 15—18 vinden dus onmiddellijk voor de hemelvaart hunne plaats.

-ocr page 683-

105

hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; en die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd wezen. En dengenen, die gelooven, zullen deze teekenen volgen: in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen ; nieuwe talen zullen zij spreken, skingen zullen zij opnemen, en hebben zij iets doodelijks gedronken, het zal hun niet schaden; den zieken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen gezond ivorden. (Mc.) En ziet! Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld. (Mt.)

Ziedaar Jesus\' laatste woorden. Hij spreekt hier als verheerlijkte Verlosser, Die zijne taak voltooid heeft en deze aarde gaat verlaten. Hij spreekt als Koning van het Godsrijk, Die zijne gezanten afvaardigt naar hen, welke alom zich aan Hem moeten onderwerpen. Hem is alle macht gegeven in den hemel, waar Hij gaat opstijgen en zal zetelen aan de rechterhand des Vaders, om er te heerschen, in macht en heerlijkheid aan Hem gelijk. Hem is alle macht gegeven op aarde ; Hij toch is volgens den H. Paukis het Hoofd der kerk, Hij, Die het begin is, de Eerstgeborene nit de dooden, opdat Hij de eerste zij in alles. Want het heeft (Grode) behaagd, dat in Hem de gansche volheid zou wonen, en, vrede makende door het bloed zijns kruises, door Hom alles tot Zich te verzoenen (Col. 1: 18, 19).

Als machthebbend Verlosser en Koning zendt Jesus zijne apostelen uit, om alle volkeren overal en ten allen tijde voor zijn rijk te gewinnen; gaat dus; onderwijst alle volkeren; gaat in de gansche wereld, en predikt het evangelie aan alle schepsel. Leert hen onderhouden, al wat Ik u bevolen heb. Als Koning draagt Hij zijn gezag aan hen over, en machtigt hen om als gezanten in zijnen naam, als leeraars door Hem aangesteld, als getuigen door Hem verkoren bij allen op te treden, en allen tot zijne leerlingen te maken. Zij moeten heengaan tot de geheele wereld ; want voor allen is zijne openbaring, zijne verlossing, zijne genade; aan allen moeten zij het evangelie, de blijde tijding

-ocr page 684-

106

des heils verkondigen. Aller verstand moeten zij ver-liehten, aller harten gewinnen, aller zeden beschaven, aller gedrag regelen volgens de voorschriften zijner wet. Doch niet slechts draagt Hij zijnen apostelen de zending op, aan allen de leer van het evangelie te prediken; Hij voegt er het bevel aan toe : doopt hen, in dan naam des Vaders, en des Zoons, en des II. Geestes. Jesus had dit H. Sakrament reeds vroeger ingoisteld, toen Hij gedoopt werd in den Jordaan. Daar echter de wedergeboorte, die door het doopsel plaats grijpt, te danken is aan de verdiensten der voltrokkene verlossing, en door het doopsel, voorzoo-verre de mensch sterft aan de zonde en verrijst tot een nieuw leven, Jesus\' dood cn opstanding wordt afgebeeld, maakte Jesus eerst thans de toediening des doopsels voor alien verplichtend (S. Thorn Summ. P. 3. q.56. a.2).

Jesus leert door deze woorden tevens, dat het doopsel eene uitdrukkelijke belijdenis moet zijn van de H. Drievuldigheid, en door de wijze, waarop het wordt toegediend, eene bezegeling van het geloof in den drieëenigen God. Hij zegt eigenlijk niet, te doopen op gezag van den Vader, den Zoon en den H. Geest, maar te doopen tot den naam, (1) dat is tot de belijdenis des Vaders, des Zoons

(1) Wij lezen hier ecg ro ovofia, en niet de uitdrukkingen iv Avófiazc of ra! lt;hu/j.atc. Deze zouden te kennen geven op gezag, door de macht, in plaats van iemand doopen. Van daar bewijzen deze uil-drukkingen, wanneer zij in de schriftuur met den naam van Christus alleen verbonden worden, in geenen dcele, dat de doopformule, waardoor men alleen in den naam van Christus doopt geldig is. De uitdrukking £(? tu iïvo/ia, daarentegen beteekent, dat iemand tot den naam, of de belijdenis wordt gedoopt, welke belijdenis gewis wordt uitgedrukt dooide woorden, die men bij de bediening des doopsels bezigt. Handel. XIX : 5, waar wij lezen ; zij\' werden gedoopt lot (eis) den naan, of tot de belijdenis van den Heer yesus, sluit de aanroeping der twee andere personen niet uit; ja, Paulus vraagt daar ter plaatse met betrekking tot den H. Geest (v. 3): tot belijdenis van welk wezen (ïij ri) zij gedoopt zijn. Wij mogen dus veilig besluiten, dat Christus in de boven vermelde woorden de doopformule voorschrijft, en dat uit de H. Schrift in geenen deele blijkt, dat de doopformule in den naam van Christus alleen geldig zou zijn. Handel. II: 38 beteekent door de kracht van Christus doo-

-ocr page 685-

107

en des H. Geestes en dit dus door woorden te kennen te geven, wijl de wassching des waters hier slechts hare beteekunis erlangt, en den mensch heiligt door het woord des levens (Ephes. V: 26). Jcsus vat in dit doopbevel de geheele leer der H. Drievuldigheid te

pen. cn wat Handel. VIII: 12 betreft, vergelijke men den (jrieksclicn tekst.

(Jok tic overlevering toont duidelijk, dat wij in dien zin Christus\' doopbevel moeten verstaan. Tertuliaan zegt: de wet om te doopen is opgelegd en de vorm voorgeschreven. Gaat, zegt Hij, onderwijst alle volkeren, lien doopende in den naam des Vaders, des Zoons en dos II. Geestes (Libr. de bapt. c. 13). Ook Ireneus veroordeelt het doopsel der Mareionieten, omdat zij deze doopformule niet bezigden (Haer. I : 13). De Synode, in het jaar 314 te Arles gehouden, bepaalde in den Ssten kanun, dat den ketter, die in den Vader en den Zoon en den II. Geest gedoopt was, indien hij terugkeerde (tot de kerk), slechts de hand zou opgelegd worden, opdat hij den H. Geest ontvange. Doch indien hij bij de ondervraging deze Drievuldigheid niet. antwoordt, moet hij gedoopt worden (Hefele, Concilien-gesehiehte 1 liand. p. 178). Vergelijk ook den lüden kanon van Nicea, den lOsten kanon der canones apost. en Cyprianus ep. 73 adjubaianum. Meer in het bijzonder verdient de H. Ambrosius onze aandacht. Men beroept zich vooral op L. 1 de Sp. S\'o c. 3. om te toonen, dat deze kerkvader de doopformule niet als verplichtend acht. Zelfs zou het doopsel, toegediend alleen onder aanroeping van den H. Geest, volgens hem geldig zijn. Doch dit laatste, wanneer wij de geheele plaats nauwkeurig nalezen, doet ons bespeuren, dat hier van de eigenlijke doopformule geen spraak is, maar dat Ambrosius daar ter plaatse slechts spreekt van het geloof en de belijdenis, die voor het doopsel gevorderd werden, rienuni est, zegt hij, si Palrem^ cl Filium, Spiritumque IAÏEARIS. Si umim NEGES, totum szibrucs.

Het was toch de gewoonte voor het doopsel de belijdenis der H. Drievuldigheid af te leggen, zoo als reeds blijkt uit den boven vermelden Canon van Arles. Uit deze belijdenis nu bewijst de H. Ambrosius, gelijk zijn doel is in het boek, waaraan deze plaats is ontleend, de Godheid van den II. Geest. Dat overigens de H. Ambrosius de gewone doopformule als verplichtend acht, blijkt uit de volgende pla its: Credit autem etiam catechumenus in erucem Dni Jesu, qua et ipse signatur. Sed nisi bapli-zaius fucrit in nentine Pa/ris^ et Filii, et Spiritus Sti. remissionem non potest accipere peccatorum, nee spiritualis gratia: munus haurire. Het rescript van Paus Nieolaus ad consulta Bulgarorum heeft, wanneer het volgens de voorgaande uitlegging van den H. Ambrosius wordt verklaard, geen moeielijkheid. De H. Thomas (Summ. 1\'. 3 q. 6ö a. VI ad 1 en 2) is echter tot een zeker punt van een ander gevoelen.

-ocr page 686-

108

zamen, die Hij vroeger reeds had verkondigd Gelijk de drie Goddelijke personen slechts één wezen hebben, zoo wordt men ook slechts gedoopt in éénen naam dier drie personen, daar de naam in de H. Schrift hetzelfde zegt als het wezen (Is. VIII: 14; IX: 6 Jer. XIII: 6).

Wordt aldus te kennen gegeven, dat de Vader, de Zojn en de H, Geest, die op eene lijn worden genoemd, één en hetzelfde wezen, een en dezelfde God zijn, aan den anderen kant worden zij uitdrukkelijk als personen onderscheiden. Door het doopsel alzoo moet volgens Christus\' bevel het geloof aan den drie-ëeuigen God uitdrukkelijk bezegeld worden ; dan eerst zal de mensch uit het water en den Geest door de verdiensten des Zoons, herboren worden tot een kind des Vaders,

Nadat de Heer aan zijne apostelen de zending heeft opgedragen, om alle volkeren te onderwijzen en te doopcn, wijst Hij op de volstrekte noodzakelijkheid van geloof en doopsel. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die, niei geloofd zal hebben, zal verdoemd loerden. De Heer eischt hier geloof aan alles, wat Hij geopenbaard heeft, gelijk Hij de apostelen gelast den volkeren alles te leeren onderhouden, hetgeen Hij hun bevolen heeft. De waarachtigheid en de liefde van zijn openbarend gezag duldt geene miskenning ook slechts in een enkel punt en op de voorstelling der kerk, die Hem vervangt, moeten allen zich onderwerpen, Neemt de mensch dat geloof aan, en brengt hij daarmede zijn gedrag in overeenstemming, dan wordt het geloof het begin, de grondslag, de wortel der rechtvaardigmaking en bijgevolg der zaligheid. De rechtvaardige leeft uit het geloof (Hebr. X ; 38). Het gemis aan geloof daarentegen is eene oorzaak van verwerping; zonder het geloof is het onmogelijk aan God te behagen (Hebr. XI: 0). De Heer geeft tevens te kennen, dat niet slechts het geloof maar

-ocr page 687-

109

ook het doopsel noodzakelijk is ter zaligheid. (1) Sij spreekt wel is waar uitdrukkelijk van de volwassenen die onderwezen moeten zijn en gelooven, vooraleer zij het doopsel waardig kannen ontvangen. Doch Hij sluit hiermede de noodzakelijkheid des doopsels niet uit ook voor de kinderen, voor welke, gelijk de H. Augustinus zegt, gedoopt worden gelooven is. (Libr. I de pece. merit, en remiss c. 27 en 40) Ook zij om het rijks Gods in te gaan. moeten herboren worden uit het water en uit den H. Greest. (2)

Aan het leerend gezag dus der Kerk, aan de prediking van de apostelen en hunne opvolgers moesten allen zich op straffe van verdoemenis onderwerpen. En opdat allen hieraan te gereeder zouden voldoen en te gemakkelijker het leerend gezag der kerk zouden erkennen, voegde Jesus er ook deze belofte aan toe: dengenen, die gelooven zullen, zullen deze teekenen volgen. In mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen ; nieuwe talen zullen zij spreken ; slangen zullen ztj opnemen, en hehben zij iets doodelijks gedronken, het zal hun niet schaden; den zieken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen gezond xoorden. De Heer gat door deze woorden niet te kennen, dat juist elke geloovige deze wonderteekenen zou verrichten, maar dat de algemeenheid der geloovigen, de door Hem gestichte

(1) Wanneer Christus in het tweede lid alleen zegt; al wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd zijn, sluit Hij het doopsel niet uit, en verstaat Hij dit zelfs stilzwijgend, ofschoon Hij het niet uitdrukt, omdat hij, die niet gelooft, gewis ook niet gedoopt wordt.

(2) De overlevering laat hieromtrent niet den minsten twijfel. De II. Augustinus, Origenes en Ireneus getuigen, dat de kinderdoop van het begin in de kerk in gebruik was. Opmerkelijk is hetgeen het

Carthaagsche concilie in het jaar 252 besliste, en hetgeen de H, Cyprianus aan zekeren bisschop Fidus schreef, die meende dat het doopsel niet voor den 8sten dag mocht worden toegediend. Zoowel het Concilie als de II. Cyprianus wilden, dat het doopsel ten spoedigste zou worden toegediend (Ep. 9i). Het gevoelen van Tertuliaan heeft hier geen gezag, omdat het samenhangt met zijne Montanistische gevoelens aangaande de vergeving der zonden.

-ocr page 688-

110

Kerk, door de gave der wonderen zou gekenmerkt worden. Nooit heeft ook aan de kerk als een teeken hare Goddelijke zending die gave der wonderen ontbroken, doch vooral niet Lij haren aanvang. Dit was ook noodig, zegt de H. Grogorins. „Want opdat de „menigte der geloovigon tot het geloof zou opgroeien, „moest zij door wonderteekenen gevoed worden, daar „ook wij bij het planten van boompjes er zoo lang „water over uitgieten, tot wij ze in den grond geves-„tigd zien ; en hebben zij eenmaal wortel gevat, dan „houdt de besproeiing opquot; (hom, 29). Jesus besloot do zending van hen, die alle de volkeren moesten onderwijzen met de beloften van zijn Goddelijken bijstand tot aan het einde der wereld. Ziet! Ik hen met u alle de dagen tot aan de voleinding der wereld. Het gezag, aan Petrus en de apostelen opgedragen, zou niet eindigen met hunnen dood, maar moest blijven voortbestaan tot aan de voleinding der eeuwen. Dit gezag moest van Petrus en de apostelen op anderen overgaan en alzoc zich uitbreiden tot alle plaatsen en tijden. De kerk door Hem gesticht zou onvergankelijk zijn, en Hij zou het haar nooit aan zijne liefde, zijn bestuur, zijne bescherming laten ontbreken. Het oogenblik was daar, om zichtbaar hier op aarde haar te verlaten. Onzichtbaar zou Hij als haar Goddelijke Koning onophoudelijk over h iar waken, en tot aan het einde der dagen door zijne Magt, Wijsheid en Liefde haar in bescherming nemen tegen de poorten der hel.

ij 3. De hemelvaart des Heeren Mt. XVI: 19; Lc. XXIV: 50—51; Hand. 1: 9-14,

Jaar der J. P. 4742 5 na R. St. 782 5 Gew. jt, 29 Donderdag, 28 April.

Het is do veertigste dag na Jesusquot; opstanding. De Koning van het rijk Gods omgeven door Maria)

-ocr page 689-

Ill

zijne apostelen en de vrouwen bevindt Zich op de kruin van den Olijtberg. (1) Goddelijke luister omstraalt geheel zijn wezen, en bovenmensehe-lijke majesteit kenmerkt geheel zijne houding en al zijne bewegingen. Voor het laatst heeft Hij hen toegesproken met woorden, gelijk nooit iemand sprak, en op een toon, die hun zijn aanbiddelijke grootheid en het gewicht van het oogenblik ten volle moest doen gevoelen. Daar strekt Hij zijne doorboorde handen uit over de aanwezigen, en schenkt hun, gelijk Jakob, toen hij den geest zou geven, aan zijne kinderen, zijn Groddelijken zegen. Nogmaals werpt Hij een blik van onbeschrijfelijk zoete liefde op hen en zie ! Hij zweeft op in het luchtruim door de Hem eigene Goddelijke kracht. Hooger en hooger stijgt Hij op ten hemel, en niet minder dan David juichte over den zegenpralenden intocht der bondsarke in Jerusa lem, mogen wij juichen over den zegepralenden intocht van Jesus\' menschheid in het hemelsche Sion. (2) Handklapt, alle volkeren! juicht tot God met jubel-

(1) Vergel. Hand. 1: 13—14.

(2) Deze psalm, zegt Jansenius, bevat het gejuich van het Israëlitische volk, toen al de stammen Israels met hunne stamhoofden en vele vreemden de arke des Verbonds juichend met groote praal binnen voerden in het tabernakel, door David op den berg Sion bereid, of gelijk anderen willen, in den tempel door Salomon gebouwd. Gewis heeft 3 Koning. VI; 15 veel overeenkomt met v. 6. God steeg op onder gejuich en de Heer onder V geschal der bazuin. Want wij lezen daar in \'t Hebreeuwsch; zij deden (de arke) opstijgen mei gejuich en met het geschal der bazuin. Beelen, die het tweede gevoelen omhelst, verwijst naar 3 Kon. VIII .• 1—3.

De psalm bestaat vooral uit twee deelen. Het eerste deel 2—5 is een betuiging van vreugde, lof, en dank aan God, den Koning der aarde, die Israël liet zegevieren over al zijne vijanden en het in bezit stelde van het land van Chanaan. Dit triomflied (v. 2) past ook typisch op Christus, Die gezegevierd heeft over al de vijanden van het men-schelijk geslacht, (v. 3) het heidendom heeft onderworpen (v. t) en ons in het bezit gesteld heeft van het hemelsche Chanaan (v. 5).

Het tweede deel (v. 0—10) wijst ons na de overwinning op den overwinnaar, die door de arke zijn zegetocht houdt, en bezit neemt

-ocr page 690-

112

geschal. quot;Want de Heer, de Allerhoogste, is ontzagwekkend ; een groot Koning over geheel het aardrijk. Hij heeft de volken bedwongen onder ons en de heidenen onder onze voeten. Hij heeft ons gekozen zijne orfbezitting, de schoonheid Jakobs, die Hij lief heeft. God is opgevaren met jubelgejuich, de Heer onder \'t geschal der bazuin. Laat het speeltuig klinken voor onzen God! het klinke. Laat het speeltuig klinken voor onzen Koning! het klinke! Want Koning der gansche aarde is God; zingt lofgezangen! Over de heidenen heerscht God; God is gezeten op zijn heiligen troon. De vorsten der volkeren zijn verzameld met het volk van Abrahams God. Aan God toch be-hooren de hoofden der aarde : hoog is Hii verheven (Ps. XLVI.).

Maria, de apostelen en de vrouwen aanbidden in-tussclien in vervoering den opstijgenden Godmensch ; met onafgewende blikken vergezelt hunne innige liefde don zegevierenden Meester. Doch niet lang mogen zij den triomf vau den verheerlijkten Verlosser dei-wereld aanschouwen. Eene wolk, het gewone zinnebeeld van de Majesteit des Allerhoogsten, ontrekt Hem aan hunne begeerige oogen.

Wie zal het wagen, de intrede van den verheerlijkten Godmensch in de hemelsche woon zijns Vaders te beschrijven, hoe Hij volgens de voorspelling van David en de leer van den H. Paulus de gevangenen met Zich gevangenen voert als een buit, dien Hij aan de macht der hel heeft ontrukt ; (Ps. 67 ; 19) hoe Hij onder de zegekreten vfin den heerlijken stoet dier zaligen des ouden Verbonds opstijgt boven alle hemelen, om alles te vervullen Eph. IV : 8—10); hoe de heerscharen

onder gejubel van zijn troon om over Israël te heersc\'.ien. Typisch «preekt de psalm van Christus, den Goddelijken Koning, Die luistervol ten hemel opstijgt (v. fi), bezit neemt van zijn hemeltroon, om te heer-schen aan de rechterhand des Vaders (v. 7—8), en in den hemel en op aarde verheerlijkt te worden door Zijne Kerk (v. 9.)

-ocr page 691-

113

der engelen Hem, hunnen God en Koning, te gemoet stroomen, en niet minder nu een zegelied aanheffen ter zijner eere dan bij zijne intrede in de wereld (Heh. 1:3); lioe de trotsche poorten van het verblijf de glorie zich ontsluiten (Ps. XXIII : 7—10); hoe de heilige menschheid van Jesus zich verheft boven al de prinsdommen en machten en krachten en heerschappijen en boven alles, wat genoemd wordt niet slechts op aarde maar ook in den hooge, en hoe zij daar eindelijk de plaats inneemt op den eeuwigen troon aan de rechterhand des Vaders (Eph. 1: 20—21). Beschrijve, wie het kan, dien onbedenkelijhen triomftocht van den Goddelijken verwinnaar! quot;Wij kunnen slechts bewonderen en aanbidden.

Zoo toont Jesus op de sprekendste wijze het vleeschgeworden Woord des Vaders te zijn. Hij zelf had gezegd: niemand is nog ten hemel opgestegen, dan Hij, Die van den hemel is afgedaald, de Menschen-Zoon, Die in den hemel is (Jo. III : 15). Hier openbaart Hij die Goddelijke kracht, waarvan Hij vroeger had gesproken ; hoe, wanneer gij den Menschen-Zoon ■zult zien opstijgen daar, waar Hij vroeger was (Jo. VI: 19) ? De vervulling der voorspellingen (ps. XLVI : 6; ps. LXVII: 19; ps. CIX. ps. XV: 11), in deze geheel eenige gebeurtenis getuigt op de schitterendste wijze zijne Godheid. Hij wordt verheerlijkt door de heerlijkheid, die Hij bij den Vader had, voor dat de wereld was (Jo. XVII: 5). Hij verwezenlijkt het woord tot Magdalena aangaande zijne verrezene menschheid gesproken : Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, tot mijnen God en uwen God (Jo. XX 17). üe hemelvaart is het luistervolle besluit van Jesus\' Goddelijke verschijning hier op aarde, en schoon zegt de H, Pau-lus : het is klaarblijkelijk een groot geheim van godsvrucht dat geopenbaard is in het vleesch, (1) betuigd

(1) Eene andere lezing heeft hier: God /s geopenbaard\'m het vleesch. Het Offer van J. C. III

8

-ocr page 692-

114

is door den Geest, verschenen is aan de engelen, verkondigd is aan de heidenen, geloofd is in de wereld, opgenomen is in heerlijkheid (I Tim. III; 16).

De Heer voer zichtbaar op met zijn verheerlijkt lichaam in het luchtruim, niet evenwel in den zin als of juist de hemel, waar Hij heen ging, zich boven de aarde bevond. De hemel is daar, waar God wordt aanschouwd en genoten, en waar Hij zijne heerlijkheid openbaart. Ofschoon de verheerlijkte lichamen zoo als ook dat van Christus zich op eene bepaalde plaats moeten bevinden, is ons juist die plaats niet boven de aarde aangewezen. Verheft de Heer zich boven de aarde, dan kunnen wij die gebeurtenis beschouwen als een teeken, dat zijn lichaam niet langer gebonden is door de gekende wetten der stof , zich verwijdert uit den kring dezer zichtbare wereld, en zich verheft tot een verblijf, dat voor den nog niet verheerlijkten mensch, die aan deze zichtbare aarde gebonden is, ongenaakbaar is. Al spoedig dan ook onttrekt eene wolk Hem aan het nastarend oog, om ons te leeren, dat het verblijf van Jesus in zijne heerlijkheid, waai\' Hij ons eene plaats is gaan bereiden, en waar wij ons eens in verheerlijkte lichamen met Hem hopen vereenigd te zien, voor onze beperkte kennis is verborgen. De sluier, die den Heer omhult, zegt genoeg, dat hier eene grenslijn getrokken is, waarachter onze blikken te vergeefs in dit sterfelijke leven pogen door te dringen.

De Heer Jesus alzoo is opgenomen ten hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods, zegt de H. Markus. Het woord van den psalm is in vervulling gegaan ; de Heer heeft tot mijnen Heer gezegd: zit aan mijne rechterhand (ps. CIX). Hier door blijkt, dat de Zoon der Maagd God is en meer dan alle geschapene geesten ; want tot welken der engelen, vraagt de H. Paulus, heeft God ooit gezegd; zit aan mijne rechterhand ? (Hebr. 1: 13)

-ocr page 693-

115

Daar deelt Jeaus\' menschelijke natuur door hare vereeniging met den Goddelijken persoon des quot;Woords in de eeuwige rust en gelukzaligheid, gelijk het zinnebeeld van het gezeten zijn te kennen geeft; daar deelt zij in de onbegrensde heerlijkheid en alles omvattende heerschappij des Vaders, gelijk de plaats aan de rechterhand het uitdrukt. „Op éénen troon,quot; zegt de H. Ambrosias, „in ééne majesteit zijn zij „geplaatst en zijn zij gezeten, niet volgens verschil „van waardigheid noch volgens orde van macht, maar „volgens vereeniging der liefde (Apol. David. II c. 4).quot;

Daar troont Jesus als Koning van het Godsrijk, als eeuwige Hoogepriester, als toekomstige Rechter. Daar is Jesus aller Heer, (Hand. II: 36) en de Koning der koningen (I Tim. VI: 15, 16). Als zoodanig aanschouwde Hem de H. Joannes bij zijne openbaringen : „ik zag den hemel geopend, en zie een wit paard, (1) en die er op zat, heet de Getrouwe en Waarachtige, en Hij houdt gericht, en voert krijg met gerechtigheid. En zijne oogen waren als eene vuurvlam, en op zijn hoofdwaren vele diademen, (2)en Hij had een geschreven naam, dien niemand kent dan Hij. En Hij was bekleed met een gewaad, dat met bloed besprengd was, en zijn naam wordt genoemd: het quot;Woord van God. En de heirlegers, die in den hemel zijn, volgden Hem op witte paarden en waren gekleed met wit en rein byssus. (3) En uit zijn mond ging een tweesnijdend zwaard, (4) om de volkeren daarmede te slaan; en Hij zal hen regeeren met ijzeren schepter, en Hij treedt den wijnpersbak van den toornwijn der gramschap van God, den Almachtige. En op zijn gewaad en op zijne

(1) Verwinnende veldheeren reden bij de Romeinen, als zij een triomftocht hielden, op witte paarden.

(2) Hij draagt vele diademen als Koning der koningen v. 1(gt;.

(3) Een zinnebeeld hunner gerechtigheid.

(-!■) Een zinnebeeld van zijne vreeselijke macht als Rechter over goed en kwaad.

-ocr page 694-

116

heup stond geschroven: Koning der koningen en Heer der heeren (Apoc. XIX : 11—1G).quot;

Daar binnen het voorhangsel van het heilige der heiligen, gelijk de hemel wordt genoemd, is Jesus, zegt de H. Paulus, voor ons als onze Voorlooper binnengegaan, naar de orde van Melchisedech Hoogepriester geworden in eeuwigheid (Hebr. VI: 20). Voor Hoogepriester hebben wij dus zulk eenen, die gezeten is aan de rechterhand van den troon der majesteit in den hemel, als offerpriester van het heiligdom en van het ware tabernakel (Heb. VIII : 1—2). Ja daar in den hemel zeiven is Christus ingegaan om voor ons te verschijnen voor het aangezicht Gods (Hebr. IX: 25), voor den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen (Hebr. IV : 16). Daar is Christus als Hoogepriester der toekomstige goederen niet door bloed van bokken en stierkalven maar door zijn eigen bloed eens voor altijd in het Heilige der heiligen ingegaan, heeft eene eeuwige verlossing verkregen (Hebr. IX ; 3 2), en is Hij alzoo de Middelaar van het nieuwe Verbond (ib. 15).

In den hemel heerscht Jesus als Rechter, De Vader heeft Hem alle oordeel overgegeven (Jo. V : 44), en Hij is gesteld tot Rechter over levenden en dooden (Hand. X : 42). De Heer aan moe reehterhand (o Jehovah), riep David reeds uit, verplettert koningen ten dage zijns toorns. Hij zal gericht houden onder de volkeren (Ps. CIX : 5, 6).

De wolk had reeds den verheerlijkten Verlosser, Die den troon van het heelal besteeg, aan het oog zijner minnende apostelen onttrokken, en toch bleven zij nog begeerig naar Hem opzien, en trachtten nog een straal van zijnen Goddelijken luister op te vangen. Eensklaps echter stonden twee mannen in witblinkende kleeding aan hunne zijde. Gelijk een engel Jesus\' menschwording had aangekondigd, en engelen zijne geboorte hadden gevierd, zoo verkondigden engelen zijne opstanding, en verschenen engelen, waar Hij deze wereld verliet. Zij riepen de apostelen tot bezinning, terwijl zij hen toe-

-ocr page 695-

117

spraken; mannen van Galilta! wat staat gij hemelwaarts te zien ? Dezv, Jesus, Die van a opgenomen is ten hemel, zal alzuo komen, gelijk gij Hem hebt zien ten hemel varen. Gelijk Bij heengegaan is van deze aarde in heerlijkheid boven de wolken, zoo zal Hij eenmaal als Hechter in heerlijkheid van boven de wolken aan de aarde verschijnen

Toen de apostelen op die onverwachte wijze tot bezinning werden geroepen, was het zalige geaot, dat hun hart overstroomde, gewis niet aan een einde. Hoe groot was nu hun beminde Meester in hun oog! Hoe aanbaden zij, terwijl zij huiswaarts keerden, Hem, Dien zij thans in zijne Godielijke heerlijkheid hadden gezien! Hoeveel hadden zij te spreken, terwijl zij den Olijfberg afdaalden en zich naar Jerusalem begaven, urn daar volgens Jesus\' bevel de komst des H. Geestes af te wachten: Jesus\' laatste belofte, hunne gewichtige zending, de luistervolle hemelvaart, de onverwachte engelverschijning waren gewis het onuitputtelijk onderwerp van de vreugdevolle ontboezemingen huns harten.

Een oude schrijver, die door de meesten geloofd wordt de H. Hieronymus te zijn (Vgl. Hier. in Zach. 111 : 14), getuigt, dat J. C., toen Hij ten hemel steeg, den vorm zijns voets liet afgedrukt op de rots, van waar Hij Zich verhief, als Hij de aarde verliet, en dat dit altijd een voorwerp van groote vereering is geweest voor de geloovigen, die deze plaats gingen bezoeken. Men ziet er, zegt de H. Au-gustinus de sporen van zijn laatste voetstappen ; men aanbidt zo ter plaats, waar zijne voeten voor het laatst rustten, en van waar Hij Zich in de lucht verhief om ten hemel te stijgen (Tr. 47 in Joann. 4). Sulpicius Severus (hist. sacr. L. 2 c. 48), dc H. Optatus (I. 6. p. 55) en de H. Paulinas van Nola (ep. 31 ad Sever, n. 4) getuigen hetzelfde, hetgeen ook bevestigd wordt in de achtste eeuw door Adamnanue en den Eerw. Beda.

-ocr page 696-

118

De plaats der hemelvaart was immer den bedevaartgangers ten hoogste dierbaar. Toen in de tweede en derde eeuw de Calvarieberg en het h. graf door het venerarium van Adrianus ontoegankelijk waren, bleef\' men nog altijd haar bezoeken, en werd haar aandenken getrouw bewaard. Eusebius (demonst. VI: 16 ; VII : 3) getuigt, dat in het jaar 315 na Christus de bedevaarten zoo talrijk waren, dat Christenen van alle landen der wereld hunne godsvrucht aan de plaats der hemelvaart kwamen bewijzen. Hierdoor zag zich dan ook de H. Helena in staat gesteld, om op de juiste plaats, waar Jesus ten hemel opsteeg, eene kerk te stichten. Het middelpunt dier kerk, die als eene rotonde met een in \'t midden open koepel was gebouwd, waren de wonderbare voetafdruksels des Heeren. Nog heden ten dage bevindt er zich eene achtkante kerk, die echter in zeer vervallen toestand verkeert, en helaas! gelijk zoovele andere heilige plaatsen van Palestina in het bezit der muselmannen is.

-ocr page 697-

BESLUIT.

Alleluja! de donkere nevelen des lijdens zijn verdwenen ; het akelig uur der duisternis is voorbij.

Alleluja! de goddelijke Zon der gerechtigheid schittert in al hare glorie. Hooger en hooger rees zij in koninklijke heerlijkheid voor ons oog. Thans straalt zij ons toe van hot hoogste der hemelen.

De opstanding, de hemelvaart, de verheffing aan des Vaders rechterhand, zijn de hoogste en de nooit to evenaren zegepraal van den menschgeworden Zoon van God. Door die glansrijke wonderen werden alle Jesus\' wonderen waardig gekroond ; door die geheel eenige gebeurtenissen werden de bovenmenschelijkste voorzeggingen vervuld; door die onuitsprekelijke heerlijkheid is het waardige loon geschonken aan de heldhaftige offers en deugden van een leven vol Groddelijke heerlijkheid.

Christus van de dooden verrezen sterft niet meer. Die Groddelijke gloriezon kent geen afnemen, kent geen ondergang. Tot in eeuwigheid is zij de bron van licht, liefde een leven.

Haar Goddelijk Licht ontsluiert de verhevenste geheimen met onmiskenbare heerlijkheid. In den verheerlijkten Christus zegeviert de geopenbaarde waarheid over den donkeren nacht van veertig eeuwen. De verderfelijke dwalingen van het heidendom zullen van dezen stond af aan zwichten voor de zalige leer van liet Christendom. Waar de Koning der heerlijkheid zijn woord bezegelt door het geheel eenig wonder der opstanding, daar doet Hij ook de wereld^ die verzonken ligt in den afschuwelijken poel van

-ocr page 698-

120

afgoderij en bijgeloof, door een Goddelijk wonder van genade verrijzen tot de zegenrijke belijdenis zijner aanbiddelijke Waarheid.

De Goddelijke kracht van den Koning der heerlijkheid openbaart zich op de ontegenzeggelijkste wijae in de wonderbare zegepraal van het licht over de duisternis. Twaalf mannen zonder aanzien, zonder middelen, zonder menamp;chelijke geleerdheid, zonder macht, zonder wapenen, zonder behulp van heerschers en vorsten, zullen de leer des Christendoms verkondigen en haar ingang verschaffen tot aan de grenzen der aarde, ofschoon zij strijdig is met al de verouderde gewoonten van het veelgodendom, met al de belangen, die door het bijgeloof gediend worden, met al de trotschheid van \'s menschen geest, met de ingewor-teldstc begrippen van \'s menschen rede, met de machtigste driften van \'s menschen hart. De felle haat van het jodendom, do verfijnde zinnelijkheid van het heidendom, do geleerdheid van den Areopaag, de vreese-lijke macht van het Kapitool, zullen zwichten voor de leer van Hem, Die stierf als een schuldige aan hot kruis op Golgotha. Waarom anders, dan omdat die gekruisigde opstond uit het graf, ten hemel opvoer, en heerscht aan de rechterhand des Vaders ? Waarom anders, dan omdat het licht, dat de wereld bestraalde, een Goddelijk licht bleek te zijn ?

„Drie ongeloofelijke dingen zijn er,quot; zegt de H. Augustinus, ^die toch zijn geschied. Het is ongelooie lijk, dat Christus in het vleeseh is verrezen en met het vleeseh is ten hemel gevaren ; het is ongeloofelijk, dat de wereld zoo ongeloofelijke zaak heeft geloofd ; het is ongeloofelijk, dat onaanzienlijke, nederige, zeer weinige, ongeleerde menschen de wereld en daarin zelfs de geleerden van eene zoo ongeloofelijke zaak zoo vast hebben kunnen overtuigen. Van deze drie ongeloofelijke dingen willen zij, met welken wij handelen, het eerste niet gelooven ; het tweede zijn zij

-ocr page 699-

121

gedwongen te aanschouwen, en hoe dit geschied is, weten zij niet, tenzij zij het derde gelooven. Voorwaar de verrijzenis van Christus en zijne hemelvaart wordt thans in de geheele wereld verkondigd en geloofd. Indien dit niet geloofclijk is, hoe wordt het thans over den geheelen aardbol geloofd (De Civit. Dei L. XXII; C. 5)?quot; „Indien het Christendom onge-loofelijk is,quot; zegt hij nogmaals, „dan is het ongeloofe-lijk, dat de geheele wereld het op gewone wijze heeft geloofd. Zij heeft het geloofd, dus is het geloofelijk (in zich), of is het geloofelijk geworden door kentee-kenen, die duidelijk bovennatuurlijk zijn, door mirakelen V Gij neemt geene mirakelen aan; van waar komt het dfm. dat in eene eeuw van zulke ontwikkeling de wereld zonder mirakelen dingen heeft geloofd, die zoo ongeloofelijk zijn ? Zult gij zeggen, dat men ze heeft geloofd, omdat zij geloofelijk zijn ? waarom gelooft gij zelf ze dan niet (ib. c. 8.)?quot;

Geeft de zegepraal van het licht der Christelijke waarheid ontegenzeggelijk getuigenis aan de heerlijkheid, ja aan de Godheid van Jesus Christus, niet minder wijst de bovenmenschelijke liefdegloed, die alom gaat heerschen in Jesus\' Kerk, terug naar de Goddelijke Zon, vanwaar hij is uitgegaan. Slechts omdat de onverzadigbare vlam van Jesus\'vurige liefde door de verheerlijking van zijn liefde-offer uit zijn doorstoken Hart oversloeg op de harten der menschen, wordt het verklaarbaar, hoe de wereld in de Kerk een rijk van liefde aanschouwde, die de krachten der wereld geheel en al te boven ging.

Die verheerlijkte liefde van den gekruisten en verheerlijkten Christus ontvlamde de harten dier duizenden en duizovlon martelaars, welke vooral gedurende de drie eerste eeuwen door het storten van hun bloed, door het verduren der wreedaardigste en aanhoudendste martelingen met wonderbaren heldenmoed en onverwonnen standvastigheid do edelmoedigste liefde

-ocr page 700-

122

aan den dag legden jegens hun God en Verlosser. Bij dat treffend schouwspel van zich offerende liefde roept de H. Hieronymus uit: „wanneer men de martelaars „met zooveel standvastigheid ziet volharden en ge-„kweld worden, dan dringt zich stilzwijgend de gedachte op, dat, indien het evangelie niet waar was, „het niet door bloed zou verdedigd zijn.quot;

Die verheerlijkte liefde van den gekruisten en verrezenen Grodmensch was alleen in staat om in het hart der apostelen den vurigen ijver te ontsteken, die alles verliet, alles offerde, alles trotseerde, alles verdroeg, ten einde den menschgeworden God te verheerlijken en de zielen te ontrukken aan het eeuwig verderf.

Die verheerlijkte liefde van den gekruisten en verrezenen Christus, stortte aan het hart van ontelbare maagden de innige en krachtige genegenheid in, waardoor zij, niettegenstaande al de aanlokselen der verleiding, als getrouwe bruiden onverdeeld en eeuwig zich verbonden aan den hemelschen Bruidegoir.

Die verheerlijkte liefde van den gekruisten en verrezenen Christus wekte in het hart van ontelbaren de nog ongekende naastenliefde op, welke naar zijn aanbiddelijk voorbeeld niet schroomde, geld, goed, eer, genot, gezondheid, vrijheid en zelfs het leven voor de broeders te geven.

Die verheerlijkte liefde van den gekruisten en verrezenen Christus was de bron der heldhaftige zelfopoffering en verloochening, welke de ingekankerdste ondeugden overwon, de ruwste en bedorvenste volkeren beschaafde, en de buitensporigste ongeregeldheden van het heidendom verving door de schoone orde en de reine zeden van het Christendom.

Die liefde, welke de Kerk van Christus vervult, is alleen voortgevloeid uit de Godmenschelijke liefde van haren Stichter. Die bovennatuurlijke stralengloed ging alleen uit van de eeuwige Zon der gerechtigheid.

Gods Zoon, menschgeworden in deze wereld, is geen

-ocr page 701-

123

tijdelijke verschijning, die voorbijgaat. Jesus Christus, opgetreden door zijn woord en waarheid als Leeraar» door zijn offer en liefde als Hoogepriester, door zijne macht en genade als Koning, leeft, ofschoon onzicht. baar in de wereld, in het midden zijner aangenomene broeders, in de Kerk, die Hij heeft gesticht. Van Hem. den Christus, Die eenmaal verrezen niet meer sterft, vloeit de onsterfelijkheid over op die Kerk, die nooit vergaat. Hij leeft in haar, en schenkt haar het leven door zijne sakramenten, door zijn allerheiligst liefdegeheim, door zijn eeuwig offer, dat Hij voortdurend tegenwoordig stelt, door zijn Goddelijken Greest, waarmede Hij haar bezielt.

Het i? waar, dat bovennatuuilijke leven der Kerk is inwendig, is geestelijk, is eene verborgene Goddelijke kracht. Maar toch dat hoogere leven openbaart zich ook, en drukt zich uit in de woorden en daden der personen en der volkeren, die tot haar gebied be-hooren. Het vertoont zich in hare maatschappelijke orde, in hare eeredienst, in geheel haar bestaan. Het treedt ten voorschijn in hare lotgevallen, in haren ontzettenden strijd, in hare wondervolle geschiedenis. Ondanks de vreeselijkste beproevingen bestaat en werkt en leeft de Kerk.

Aardsche rijken zijn ontstaan, bloeiden en vergingen ; de dood was ook hunne wet. Doch, terwijl al het overige aan de wet der vergankelijkheid onderhevig is, vertoont zich in de Kerk na een schier twee duizendjarig bestaan een jeügdig, krachtig en werkzaam leven, immer bloesems voortbrengend van heiligheid, immer vruchten dragend in het midden der beproeving, immer zegevierend onder den strijd. Van waar bezit de Kerk dat krachtige, bloeiende, onvergankelijke leven? Van waar anders, dan omdat de verrezene en verheerlijkte Christus, Die gisteren was. heden is en in eeuwigheid blijft, in haar leeft en met haar is tot aan de voleinding der dagen ?

-ocr page 702-

124

De vruchten doen den boom kennen, tie uitwerkselen de oorzaak. Het licht der waarheid, dat steeds, onver-anderd, schitterend, zegevierend schijnt in Christus\' Kerk na achttien eeuwen en door geen nevelen kon verduisterd worden ; de blijvende, algemeene, vlammende en geheel eenig liefdegloed, die er heerscht en door geen wateren der beproeving kon gebluscht worden ; het leven, dat er bloeit door de heldhaftigste deugden, werkzaam is met bovenmenschelijke kracht, ja zich openbaart in ontzettende wonderen en onver-wonnen duurzaamheid, zij kunnen haar niet anders zijn toegevloeid dan uit de Groddelijke Zon der gerechtigheid. Het is de zegevierende Christus, die ze schonk aan zijn rijk.

Aan U dus, o menschgeworden Zoon des Vaders onze hoogste eer tot in eeuwigheid! Aan U, Emmanuel ! voor ons kinderen van Eva ontvangen en gebaard door eene vlekkelooze Maagd, onze nederigste aan-aanbidding! Aan U, Almachtige Werker der ontzet-tendste wonderen ! Alwetende kenner der harten en der toekomst! onze diepste bewondering! Aan U, o onbedriegelijke Leeraar der waarheid ! de onbegrensde hulde onzes geloofs! Aan ü, o Eenige Middelaar tus-schen Grod en de menschcn! eeuwige Hoogepriester, steeds levende om door u eenig en oneindig offer voor ons te smeeken, het onbeperkste vertrouwen onzer hoop ! Aan U, liefdevolle Zaligmaker, beminnelijke Verlosser, nooit volprezen Weldoener, allermedelijdcndste ei.; barmhartige Vriend, Broeder, ons toegenegen boven alle broeders, Grod en Koning, uit Wiens doorstoken Hart ons een eeuwige en oneindige liefdegloed te gemoet straalt, de oprechtste dankbaarheid onzer ziel, de innigste toewijding onzer liefde, de algeheele heerschappij over onze harten! Aan U, onuitsprekelijk luistervol Toonbeeld aller heiligheid, het ijverigste streven onzer zwakke navolging !

O Heer Jesus Christus! scheuk mij, scheuk alleni

-ocr page 703-

125

steeds den overvloedigen zegen uwer goddelijke genade, om altijd meer en meer U te kennen, altijd nederiger U te aanbidden, altijd met inniger vertrouwen U te aanroepen, altijd met vuriger liefde U te beminnen, altijd met volkomener toewijding U la dienen en in eeuwigheid niet van U gescheiden te worden! O grenzeloos barmhartige Zaligmaker der wereld. Die door Maria de onzo geworden zijt, laat ona ook door Mai\'ia immer de uwen wezen. Amen.

EINDE YAN HET LEVEN ONZES OOBDELIJKEN VERI-OSSEKS J. C.

-ocr page 704-

INHOUD

VAN HET

DERDE DEEL

3de BOEK.

--tooex--

HOOFDSTUK I,

DE DAG DEE OPSTANDING. Bladz.

§ 1. De opstanding.

a) Paschen was het feest der bevrijding van Israël uit Egypte\'s slavernij; liet is ook het feest der bevrijding des menschen uit de slavernij des duivels ; h) grootheid van dit feest; c) Alleluja ; d) de tweede psalm ; e) Paschen is de zegepraal van Christus over de hel, want zijne ziel ter helle nedergedaald heeft haar eene kostbaren buit ontrukt ; ƒ) Paschen is de zegepraal van Christus over deu dood, want zijn lichaam was niet onderhevig aan het bederf, en Hij nam het afgelegde leven weder; g) de 15de psalm; A) Paschen is de zegepraal van Christus over de zonde. . . .5—14

§ 2. Jesus verschijnt aan zijne heilige Moeder.

a) Maria is de eerste, aan welke Jesus verscheen ; h) reden waarom de evangelisten deze verschijning niet boekten ; c) desniettemin verdient zij geloof om de traditie, die ons ook andere go-beurtenissen uit Maria\'s leven vermeldt; d) redenen, waarom het paste, dat Jesus «aan Maria zou verschijnen ; zij is de tweede Eva, die als moeder der levenden recht had, om het eerst de vreugde en het loven te aanschouwen, daar zij

-ocr page 705-

INHOUD.

II

Bladz.

met den tweeden Adam er zoo groot een deel aan had gehad, om ze den mensch te schenken ; e) dit voorrecht paate bij hare overige voorrechten ; ƒ) dit verdiende zij ook door hare innige liefde en niet wankelend geloof ; g) zij had ook het meest gedeeld in Jesus\' lijden; h) grootheid harer vreugde bij deze verschijning.

§ 3. De vromven bereiden na den Sabbath reukwerken om Jesus\' lijk te zalven. Een engel verschijnt aan de wachters, en wentelt den steen van het graj. De vrouwen bij het graf.

Mt. XXVIII: 1—4; Me; XVI: 1—4;

Lc. XXIII; 56—XXIV: 2,

a) Reeds dadelijk na de begrafenis hadden Maria Magdalena en Maria van Kleophas het plan beraamd om de zalving te voltrekken ; i)

hare droefenis op den Sabbath ; c) des avonds na den Sabbath hadden zij reeds specerijen aangekocht om des zondags vroeg haar plan te volvoeren ; d) bij de morgenschemering van den eersten dag der week begeven zij zich naar het graf; e) dit was tot aan den morgen nog immer door Romeinsche krijgsknechten bewaakt geworden; ƒ) eene aardbeving grijpt plaats ; g) zij wordt veroorzaakt door een engel, die den steen afwentelt; h) de wachters vluchten ; i) de engel opent het graf niet, opdat Jesus zou verrijzen, wijl dit reeds was geschied ; Tc) hij opent het graf tot beschaming der wachters ; l) en tevens voor de godvruchtige vrouwen, die op weg waren daarheen; m)

deze vroegen werkelijk zich af, wie den steen zou afwentelen ; n) hare verbazing bij het gezicht van den afgewenteld en steen ; o) Magdalena snelt terug naar Petrus en Joannes . 19—25

14—19

-ocr page 706-

INHOUD. Ill

Bladz.

§ i. De verschijning der engelen aan de vrouwen.

Petrus en Joannes bij het graf. Jesns verschijnt aan Magdalena.

Mt. XXVIII: 5—9, Mc. XVI: 5—9 ;

Lc. XXIV: 3—12; Jo. XX: 18.

u) De vrouwen, die bij liet graf bleven ,

zien eensklaps twee engelen; h) een dezer spreekt haar toe en verkondigt haar Jesus\' opstanding ; c) dit was eene geruststellende, troostende en verblijdende tijding, waarvan zij de waarheid duidelijk inzagen ; d) zij ijlen sprakeloos voort om aan de apostelen dit blijde bericht te brengen ; e) intusschen snellen Petrus en Joannes langs een anderen weg naar het graf; ƒ) Joannes is de eerste, die het graf bereikt ; g) Petrus treedt het eerst het graf binnen, en vindt den lijkdoek en de windselan afgezonderd van den zweetdoek, die ordelijk is opgerold; h) ook Joannes volgt hem ; i) beiden slaan nu geloof aan het bericht van Magdalena, doch verwonderen zich tevens over de zonderlinge plaatsing der doeken ; lc) Maria,

later gekomen bij het graf, ziet twee engelen ;

l) Jesus zelf verschijnt haar ; ra) vreugde van Maria, waar zij Jesus erkent; n) Jesns zend*. Magdalena tot de apostelen......25—34

§ 5. Jesus verschijnt aan de vrouwen. De boodschap der wachters lij Jesus\' graf.

Mt. XXVIII: 9—15.

a) Jesus verschijnt aan de gezellinnen van Magdalena ; b) deze omhelzen zijne voeten, en aanbidden Hem ; c) Jesus zendt haar, om aan de apostelen zijne verrijzenis en zijne toekomstige verschijning in Galilea te verkondigen ;

d) haar bericht vindt bij de apostelen geen geloof ; e) bericht der wachters betreffende de engelverschijning aan de Phariseën ; ƒ) dezen beleggen eene vergadering en gelasten de wach-

-ocr page 707-

TKHOtJD. IV

Bladz.

ters te zeggen, dat de leerlingen gedurende hun slaap het lijk hebben weggevoerd ; g) ongerijmdheid van die uitvlucht; h) de wachters verspreiden dit gerucht werkelijk onder de joden; i) Jesus\' lichaam dus is zeker uit het graf verdwenen ; F) aan den anderen kant kan het onmogelijk door de apostelen zijn weg-geroofd, die hiertoe noch den moed, noch den wil, noch de macht bezaten......34—40

§ G. Jesus verschijnt aan Petrus en aan de twee Emmaüsgangers.

Mc. XVI: 12—13; Lc. XXIV: 13—33.

a) Petrus was voor de berichten der vrouwen geen ongeloovige; h) waarschijnlijk bezocht hij andermaal het graf, en verscheen hem daar Jesus; c) tweevoudig doel dezer verschijning : hem te troosten na zijne bekeering, hem te onderscheiden als hoofd der kerk ; d) daarom was ook zijn getuigenis aangaande de opstanding dubbel gewichtig; e) twee leerlingen,

bedroefd over Jesus\' dood, begeven zich naar Emmaiis ; ƒ) op den weg daarheen verschijnt Jesus hun als een vreemdeling; g) Hij mengt Zich met hen in gesprek ; h) hunne teleurstelling ; i) de Heer berispt hun ongeloof en verklaart hun de voorzeggingen aangaande den Messias ; k) Emmaiis ; ï) Jesus neemt den schijn aan, als wil Hij verder gaan ; m) de leerlingen noodzaken Hem om te blijven ; n) zij erkennen Jesus in het breken des broods; o) Jesus verdwijnt, en zr] keeren naar Jerusalem terug . 40—49

§ 7. De verschijning aan de apostelen ; instelling van het sakrament van boetvaardigheid.

Mc. XVI: 13—14 ; Lc. XXIV: 33—43 ;

Jo. XX: 19—23.

a) De leerlingen van Emmaüs te Jerusalem teruggekeerd, vernemen van de apostelen het bericht, dat Christus aan Petrus verschenen is ;

Het Offer van J. C. Ill 9

-ocr page 708-

inhodd.

Bladz.

h) zij verhalen wederkeerig, wat hun is overkomen op den weg; c) hardnekkig ongeloof van verscheidenen; d) de deuren der zaal,

waar allen bijeen waren, waren uit vrees voor de joden gesloten ; e) Jesus verschijnt desniettemin eensklaps in hun midden ; ƒ) Hij bestrijdt hun ongeloof, terwijl Hij hen toespreekt,

en zijne H. wonden toont; g) die H. wonden heeft Christus voor immer in zijn verheerlijkt lichaam behouden; h) vreugde der apostelen bij het zien dier H. wonden ; i) Jesus, om hen nog meer te overtuigen, eet met hen; k) na de zijnen aldus overtuigd te hebben van zijne opstanding, wenscht Hij hun ten tweeden male den vrede toe ; l) Hij zendt zijne apostelen als vredesgezanten ; m) Hij geeft hun derhalve de macht om de zonden te vergeven ; n) deze macht is eene rechterlijke macht, zich uitstrekkende tot alle personen en tot alle misdrijven ;

o) hierin ligt voor den zondaar de verplichting opgesloten om door eene rouwmoedige belijdenis zich aan üet vonnis dier rechterlijke macht te onderwerpen, indien hij vergiffenis verlangt; p) leer der kerkvaders te dien opzichte ; q) de biecht een sakrament; r) Jesus verlaat de zijnen ..........lt;19—62

HOOFDSTUK II.

jesus\' verdere verschijningen tot aan zijne

hemelvaart.

§ 1. I)e verschijning aan Thomas en de overige apo.i ■ telen.

Jo. XX; 24—29.

a) Thomas was bij de eerste verschijning aan de apostelen afwezig; 6) hij weigert het gebeurde te gelooven, tenzij hij des Heeren wonden zelf betaste ; c) dit ongeloof strekt tot ons heil; d) na acht dagen verschijnt Jesus

V

-ocr page 709-

VI

Bladz.

weder aan de apostelen en thans ook aan Thomas ; e) na den groet aan allen noodigt Hij Thomas uit om zijne wonden te betasten en te gelooven ; ƒ) Thomas valt aanbiddend neder aan Jesus\' voeten; g) hij erkent den Ver-rezene als zijn God; h) Jesus\' antwoord; i) toepassing van Jesus\' woord door den H. Joannes ten besluit van zijn evangelie .... 62—67

§ 2. Vertrek naar Galilea. Verschijning bij het meer van Tiberias.

Mt. XXVIII: 16. Jo. XXI: 1—25.

a) Petrus begeeft zich met eenige apostelen te Kapharnaüm ter vischvangst; b) zij vangen niets den geheelen nacht; c) bij den oever werpen zij op Jesus\' bevel het net uit, en vangen eene groote menigte visoh ; cl) de leerlingen brengen het net aan land ; e) Jesus spijzigt hen; ƒ) beteekenis van deze vischvangst en dit maal; y) Christus vraagt Petrus de betuiging zijner liefde af, en zulks tot driemaal;

h) eerste antwoord en verheffing; i) tweede vraag, antwoord en verheffing ; k) derde vraag ;

droefheid en antwoord van Petrus ; derde verheffing ; /) Jesus voorspelt aan Petrus den marteldood ; m) beteekenis van Jesus\' woord tot Petrus volgens de kerkvaders ; ?i) het herdersambt, aan Petrus toevertrouwd, sluit de onfeilbaarheid omtrent geloofs- en zedeleer in zich ; o) hot hoogste gezag, in Jesus\' kerk aan Petrus verleend, moet blijven voortbestaan tot aan de voleinding der dagen ; p) Jesus noodigt Petrus uit. Hem in letterlijken en figuurlijken zin te volgen ; q) ook Joannes volgt den Heer ;

Petrus\' vraag en Jesus\' antwoord te dien opzichte ; r) opmerking van Joilnnes aangaande Jesus\' woord...........67—79

INHOUD.

-ocr page 710-

INHODD.

Bladz.

§ 3. Verschijning in Galilea op den berg aan de apostelen en 500 leerlingen.

Mt. XXVIII: 16—18 ; I Cor. XV: 6, 7.

«) Bij de laatste verschijning had Jesus waarschijnlijk de plaats voor de volgende verschijning aangewezen ; h) de verschijning op den berg is hoogst waarschijnlijk dezelfde als die aan moer dan 500 broeders, van welke Paulus spreekt; c) Jesus bij zijne verschijning aanbeden door die groote menigte ; eenigen twijfelen; d) groote menigte van getuigen bij deze verschijning ; e) onzin, dien men in het midden heeft gebracht omtrent de waarheid van Jesus\' opstanding; ƒ) de verschijning aan meer dan 500 toont de waarheid der opstanding op onwederleggelijke wijze ; g) do eenstemmige wil van zoovelen tot zulk een bedrog is eene volstrekte onmogelijkheid; h) Jesus\' opstanding is geheel in overeenstemming met de profe-tiën van het oude verbond en met Jesus\'eigen voorzeggingen en wonderen ; ï) Jesus\' leerlingen waren niet lichtzinnig maar veeleer on-geloovig ; 1c) dwaling is bij do leerlingen, wanneer wij alles te zamenvatten, eene onmogelijkheid ; V) al hetgeen later gevolgd is, bevestigt mede de waarheid der apostolische getuigenis aangaande de opstanding .... 79—84

§ 4. De veertig dagen na \'s Heeren verrijzenis en de verschijning aan Jakobus.

Hand. 1: 3 ; I Cor. XV: 7.

a) Niet alles is ons door do evangelisten gemold : b) de verschijning aan Jakobus ; c) Jesus openbaart zijne opstanding aan do zijnen gedurende veertig dagen en spreekt over het rijk Gods; d) de openbaring van Jesus\' opstanding wordt door olke volgende verschijning nader bevestigd; e) ontwikkeling en volmaking in den Heer na zijne opstanding is onzin

VII

-ocr page 711-

INHOUD. VIII

Bladz.

ƒ) de nadere openbaring der opstanding is eene nadere bevestiging zijnor onsohuld en heiligheid ; g) do opstanding is de verwezenlijking van Jesus\' grootste voorspelling; /t) zij toont ontegenzeggelijk, dat Hij waarlijk is de een-geboren Zoon van God, en vestigt alzoo den grondslag van het Christendom ; i) Hij sprak gedurende deze veertig dagen den zijnen over zijn rijk; k) Jesus bleef echter deze veertig dagen niet immer bij de apostelen .... 85—91

§ 5. De verrijzenis van Christvs toonbeeld en onderpand onzer geestelijke en lichamelijke verrijzenis.

a) Is Christus, het hoofd en de eerstgeborene vnn het menschelijko geslacht, verrezen, dan zullen ook allen eens verrijzen ; b) de opstanding van Christus toont ons, dat Hij de hel en de zonde en bijgevolg ook den dood, die de straf dezer laatste is, heeft overwonnen, en dat wij dus eens zullen verrijzen ; c) Josus\' opstanding is niet slechts onderpand maar ook toonbeeld onzer lichamelijke opstanding; Hij is de tweede Adam, aan wien wij moeten gelijken ; d) gelijk Hij moeten wij eerst sterven,

daarna herleven ; e) onze lichamen zullen gelijk liet zijne onbederfelijk, onlijdelijk, onsterfelijk wezen ; f) zij zullen gelijk het zijne luistervol en verheerlijkt worden ; g) gelijk Jesus\'lichaam zullen onze lichamen snel zijn en vol kracht;

h) ja gelijk het zijne zullen zij geestelijk zijn ;

i) Jesus\' opstanding is ook onderpand onzer geestelijke verrijzenis, indien wij aan zijne genade beantwoorden; k) zij toch is de grondslag voor ons geloof, een waarborg voor onze hoop en eene opwekking onzer liefde ; ï) zij is ook het toonbeeld onzer geestelijke verrijzenis , en het nieuwe leven van den gerechtvaardigde moet gelijk dat van Christus hemelsch, onsterfelijk en Gode gewijd zijn; m) is onze geestelijke verrijzenis zoodanig, dau zal zij ook

-ocr page 712-

IX INHOUD.

Bladz.

eens de bron zijn van de heerlijke opstanding onzer lichamen...........01—98

HOOFDSTUK III.

JESÜS\' HEMELVAART.

§ 1. Laatste verschijning des Heer en,

Mt. XXVIII: 18—20 ; Mc: XVI 15 -18 ;

Lc. XXIV: 44—49; Hand. I: 4—8.

a) De apostelen keeren naar Jerusalem terug ;

b) Jesus verschijnt hun en verklaart hun de voorzeggingen van het oude Verbond aangaande zijn persoon ; c) Hij stelt de apostelen tot getuigen aan van zijn zoendood, zijne opstanding en van de vervulling der profetiën; d)

hiertoe belooft Hij hun den H. Geest; e) Jesus voert de zijnen naar den Olijfberg ; ƒ) vraag der leerlingen omtrent het herstel van Israels » O) Jesus antwoordt, dat deze nieuwsgierigheid ijdel is, en dat zij veeleer moeten bedenken, hoe zij bezield door den H. Geest zijne getuigen zullen zijn te Jerusalem, in Israël en Samaria, en voor de heidenen; h) God wilde verheerlijkt worden door het geloof, en eischte daarom de onderwerping van s\'menschen rede aan het Goddelijke getuigenis van zijn Zoon en van Diens apostelen. . . 99—103

§ 2. De laatste zending der apostelen.

Mt. XXVIII: 19—20; Mc. XVI: 15—18.

a) De kruin van den Olijfberg; b) Jesus\'

laatste woorden, c) aan Jesus is alle macht gegeven in den hemel en op aarde; d) door die macht zendt Hij de apostelen om al de volkeren der wereld tot zijne leerlingen te maken ; e) de zending om allen te doopen; /)de doopformule voorgeschreven ; (?) de leer der H. Drievuldigheid daarin vervat; h) noodzakelijkheid des geloofs ; i) noodzakelijkheid des

-ocr page 713-

tNnouD. X

Bladz.

doopsels; k) de gave der wonderen aan de algemeenheid der geloovigen toegezegd ; I) Jesus\' bescherming aan de kerk toegezegd tot aan de voleinding der dagen......103—110

§3 De hemelvaart des Heeren.

Mt. XVI: 19; Lc. XXIV: 50—51;

Hand. I : 9—14.

a) Jesus\' hemelvaart; b) ps. 46 ; c) eene wolk onttrekt Jesus aan \'t gezicht der naoogende apostelen; d) Jesus\' zegepralende intrede in den hemel; e) de hemelvaart eene schitterende bevestiging van Jesus\' Godheid ;

f) waar de hemel is, is voor ons verborgen ;

lt;/1 Jesus als God is gezeten aan de rechterhand des Vaders; h) zijne menschheid deelt in de rust en gelukzaligheid en tevens in de heerlijkheid en heerschappij der Godheid ; i)

Jesus door zijne hemelvaart heerscht als de Koning der koningen ; k) door zijne hemelvaart is Hij tevens als Hoogepriester voor ons het Heilige der heiligen binnengegaan ; l) door zijne hemelvaart heerscht Jesus eindelijk aan do rechterhand des Vaders als Rechter; m) verschijning der engelen; n) stemming der apostelen, terwijl zij huiswaarts keeren; o)

volgens de overlevering liet Jesus op de rots van den Olijfberg bij zijne hemelvaart den afdruk zijner H. voeten achter; p) de plaats der hemelvaart wordt nog immer door eene kerk aangewezen.....; .... 110- 118

119

BESLUIT

-ocr page 714-

Bij denzelftlen uitgever zijn meile versclienen :

HET OFFER EN DE VERHEEELIJK1NG VAN ONZEN GODDELIJKEN VERLOSSER JESUS-CHRISTUS in 3 boeken verdeeld, door F. J. P. van Etten Past. f 5,—

LEVEN VAN ONZEN GLORIE VOLLEN PAÜS-KO-NINGr LEO XIII, naar de beste bronnen bewerkt en aan het Nederlandsche Volk verhaald door Jos. A. C. M. Smits Az. Een deel in groot 8°. op getint papier, met portret en twee houtsneden f\' 1.60

In linnen prachtband f 2.20

Eon WELGELIJKEND PORTRET in oleographie van Z H.LEO XIII, omlijst met eene korte leven-chets de voornaamste daden uit het Leven van Z.H. f 0,75 De CATACOMBEN van Rome. Aanteekeningen over de ohristelijke oudheidkunde, naar het fransehe werk van Henri VEspinois, vertaald door A. Nuijens met 3 platen. 1 deel in groot 8° f 1.40

ANTONIUS VAN GILS en de kerkelijke gebeurtenissen van zijn tijd, door H J. Allard S. J. 1 deel in 8°. f 3.—

PHILIPS II, Koning van Spanje, door R. Baumstark, met eene voorrede van H. J. Allard S. J., In 12°. f 1,20 MARTELAREN (De) van Gorcum. Uit debestebronnen in het nederlandsch overgebracht f 0.70

DE MIRAKULEUSE gebeurtenissen vau Lourdes, door Henri Lasserre 1 Deel groot 8° 260 bladzijden, met een houtsnede f 1.25

In linnen prachtband „ 2.—

REGELS VAN DEN KERKZANG, gedicteerd door den Eerw. Heer Dominieus Constautini, prof. emer, Kape laan-zanger van de pauselijke kapel en zangmeester van de Pauselijke,Romeinsche enPius-seminariën, vertaald naar de uitgave der Propaganda te Rome. In roijaal 8°. f 0.75

JANSKERK (ST.) van \'s Hertogenbosch en hare geschiedenis, door J. C. Hezenmans met drie platen en 1 photographic in gr. 8°. f 2.25

IETS OVER DE BOUWHERSTELLING van de groo-te St. Janskerk te \'s Bosch. In 8°. f 0.25

Ter perse :

CECILIA of de eerste tijde van het Christendom in Italië en Griekenland naar \'t fransch van F. de Nocé door Jos. van de Graaff. 1 deel in groot 8°.

-ocr page 715-
-ocr page 716-
-ocr page 717-