Prijs 90 Cent.
EEN
REGENACHTIGE
JUNIMAAND.
A
: il he. Engelscli\'
VAK
-c?o-
ïiAARLEM.
QDIDA,
Z. oct.
[LQ\'il
EEN
I
UIT HET ENGELSCH
OTJIZD^k..
HAARLEM, DE ERVEN F. BOHN.
EEN REGENACHTIGE JUNIMAAND.
Van Prins di San Zenone, Claridge\'s, Londen, aan dc hertogin dcll\' Aquila Fulva, Monteronc, bij Milaan (Italië).
Carissima Teresa, â
«Ik ontving een brief, die mij in verrukking brengt omdat hij van u is, en mij schrik aanjaagt, omdat hij mij uitscheldt, mij smaadt, mij aanvliegt en mij een gevoel geeft als van een schooljongen die een saponata 1 heeft gehad. Ja, het is volkomen waar. Ik kan het niet helpen. Zij heeft mij betooverd. Zij is een in een vrouw veranderde lelie. Ik was bang dat gij boos zoudt zijn, vooral boos omdat zij een vreemde
1
Eig.: zeepbad, hier : standje.
â \'t
is ; maar het uur van het noodlot heeft geslagen. Gij zult u niet meer verbazen, wanneer gij haar zult hebben gezien. Zij is zoo blond als de dageraad en zoo zuiver als een parel. Het schijnt mij toe alsof ik nooit te voren in mijn leven een vrouw bemind heb. Haar te beminnen is als het dompelen van zijn hand in het koele bronwater op een warmen zomerdag. Zij is geheel rust, geheel onschuld, geheel heiligheid! Te midden van dit woelige, hard gekleurde, alledaagsche Londensche leven, want het is verbazend alledaagsch, schijnt zij een engel van zuiverheid. Ik zag haar het eerst, staande onder een cederboom met een ruikertje rozen in haar hand, op een namiddag-feestje aan de rivier. Zij dronk een kopje thee, zij dronken allemaal thee. En zij is zoo blank. Ik zag nooit zoo iets blanks behalve de sneeuw op de Leonesa. Zij heeft niet het minst van de stevige jonge engelsche meisjes, waarvan men er gedurende den winter te Rome zoovele ziet. Ik houd niet van hunne stevige jonge vrouwen. Als men een stevige vrouw noodig heeft, dan is een Parisiemte de beste, of ook een Amerikaansche. Engelsche vrouwen overdrijven het. Zij is precies een primula veris, een stukje porselein; een zachte, bleeke ster schijnende in den morgenstond. Ik schrijf alle soorten van poezie als ik aan haar denk. En dan, zij heeft zoo iets Saiutc Nitouche over zich, dat verrukkelijk is, omdat het zoo waar is. Het
eenige ding dat haar ontbrak was dat zij in een klooster had opgesloten moeten zijn geweest en dat ik mijn ziel voor eeuwig in gevaar had moeten brengen door haar met een zijden ladder over een steenen muur te krijgen. Maar het is een eeuw van proza, en dit is een erg proza-Iand. Londen amuseert mij, maar het is zoo vol, en het is zoo verschrikkelijk leelijk. Ik kan mij niet begrijpen hoe men-schen die zoo verbazend rijk zijn als de engelschen zooveel leelijks kunnen dulden. De huizen zijn te klein, zelfs de sroote. Ik heb g-een goede balzaal
\' O O O
gezien; men zegt dat er goede in hunne buitens zijn. De clubs zijn bewonderenswaardig, maar het leven over \'t algemeen komt mij roezig, kostbaar, onbehagelijk en zeer luidruchtig en bijna geheel aan eten gewijd voor. Het bestaat uit gedrang en een massa voedsel. De menschen noodigen elkander voor een diner een maand van te voren uit. Ieders nitnoodigingen-boek is zoo vol dat het de last is van hun leven. Zij nemen alles aan, en om elf uur pikken zij uit waaraan zij de voorkeur geven en, om hun eigen taal te gebruiken, werpen de rest uit. Ik vind dit juist niet beleefd, maar niemand schijnt er iets in te vinden. Ik verbaas mij dat de vrouwen dit niet doen, maar zij schijnen bang te zijn hunne mannen al te gader te zullen verliezen, wanneer zij goede manieren van hen eischen. De menschen zijn hier in \'t geheel niet welgemanierd,
â 6 â
volgens mijne opvatting; zoomin mannen als vrouwen. Zij zijn lomp en onachtzaam en weinig aux pelits soins. Gij hadt met mijn huwelijk over moeten komen om hen allen te toonen wat een uitgelezen schepsel een Venetiaansche patricische schoone kan zijn. Waarom wildet gij ook dien Pie-montees trouwen? Slechts twee zaken schijnen in Engeland van eenig gewicht te zijn â nl.: eten en politiek. Zij eten den ganschen dag, en spreken altijd van Gladstone. Mr. Gladstone m\'embête! De eene helft van hen zegt dat hij de ondergang, de andere helft dat hij het behoud van Engeland is. Wat mijzclven aangaat, ik geef er niet in het minst om, wat hij is; alleen weet ik dat zij hem niet voor vijf minuten buiten hunne gesprekken kunnen houden; wat voor een onbevangen vreemdeling een seccatura 1 is. Maar morgen ga ik naar buiten met mijn primula veris â geheel alleen â; morgen zal zij geheel en al en onveranderlijk de mijne zijn, en ik zal niets meer omtrent Gladstone of iets dat vervelend is hooien. Natuurlijk verbaast gij er u over dat ik lust heb te gaan trouwen. Ik verbaas er mij zelf over, maar als ik niet trouwde, zou ik gedwongen worden een vaarwel voor eeuwig toe-teroepen aan mijne Lelie. Er is zulk een van spijkers voorziene muur van mannelijke bloedverwanten
1
Verveling.
â 7 â
en familie-grootheid om haar opgetrokken. Het is niet de kloostermuur, er is geen ladder die er over heen zal gaan; men moet door een groote middendeur binnengaan of in het geheel niet. Wensch mij geluk, en toch, heb medelijden met mij! Ik ben op weg naar het Paradijs, dat is zeker; maar ik koester den hinderlijken twijfel of het mij zal bevallen, wat iedereen die naar het Paradijs gaat altijd gevoelt. Waarom ? Omdat wij sterfelijk of omdat wij zondaren zijn? A reverder ei, cara mi a Teres iiia /» \' schrijf mij naar mijn toekomstig Eden; het heet Coombe Bysset, bij Lutton, Bedfordshire. Wij zullen daar een maand blijven. Het is de keuze van mijne primula veris.»
1 Tot wederziens , mijn lieve Teresina.
Van Lady Mary Burton., Belgravc Square, Londen, aan Mrs. d\'Arcy, Britsche Ambassade, Berlijn.
«De season is verschrikkelijk vervelend geweest, hoopen huwelijken .... de menschen willen altijd trouwen, hoe vervelend het ook is. Het huwelijk, waarvan het meeste werd gesproken, was dat van do tweede dochter van de de Cowes, Lady Gladys. met den prins van San Zenone. Zij is eene schoonheid, maar een zeer eenvoudig meisje, en erg ouderwets. Zij heeft Lord Hampshire een blauwtje gegeven, en nog een heele boel meer, en dan 200 op eens binnen een week verliefd te worden op dezen Romein, die zeker even mooi is als een schilderij. Maar Cowes wilde er in \'t geheel niets van weten; hij gaf toe, omdat hij er niets aan verhelpen kon, maar hij was erg verdrietig, dat de zaak met Hampshire daarvoor niet in de plaats kwam. Hampshire is zulk een beste vent, en zijn
goederen liggen vlak naast de hunne; het is zeker erg stuitend voor hem dat deze Italiaan het in zijn hoofd moest krijgen een season te Londen te gaan doorbrengen, en de cotillon zoo schitterend te leiden, dat alle jonge vrouwen van niets anders dan van zijne bekoorlijkheden spraken.»
â 10 â
Van Lady Mona St. Clair, Grosvenor Square\', Londen, aan Miss Brune, Schooneryacht Persephone, bij Cherbourg.
f
ï
«Het huwelijk was gisteren allerliefst. Wij droegen costumes van zijde, bouquetten van orchideën en hoeden naar het nieuwste model. Zij zag er allerliefst uit, maar zoo wit als haar japon, die van wit satijn met point de Venice was, zoo\'n gans. Hij gaf ons een armband met haar portret aan de binnenzijde. Ik wilde wel dat het het %ijne was geweest. Ik durf zeggen dat Hampshire beter voor haar zou zijn geweest en het langer uitgehouden zou hebben dan Romeo. Lord Cowes is woedend op Romeo; hij verfoeit den godsdienst en al wat er mede in betrekking staat, en hij kon het ternauwernood van zich verkrijgen er in de kerk opgewekt uit te zien. De Kardinaal heeft ten laatste toegestemd, hoewel ik geloof dat hij in den beginne allerlei tegenstribbelingen heeft gemaakt. Lady Gladys is, zooals gij weet, heel erg «High church», en ik ver-
onderstel dat dit de zeer onverzoenlijke kardinaal een weinig verzoende. Zij denkt aan niets anders dan aan de kerk, haar zendelingen en haar armen. Ik ben bang dat de Romeinsche prins zich verschrikkelijk zal vervelen. En zij gaan, van al de plaatsen, die zij bezitten, naar die in Bedforshire, om er voor een maand opgesloten te zitten! Het is erg dom van haar, en dan in zulk een regenachtig seizoen als wij nu hebben! Zij gaan naar Coombe Bysset, de plaats van haar tante. Lady Caroline. Ik denk dat Romeo zich gauw zal gaan vervelen en ik vind Coombe Bysset in het geheel niet met oordeel gekozen. Ik zou naar Hamburg, Deauville of Japan zijn gegaan.»
Van Prinses di Sun Zenone, Coombe Bysset, Lutcu, Bedfordshire, ann de Gravin van Coiues, Londen.
«Beste moeder!
Ik ben gelukkig, al te gelukkig. Het geeft niets er over te schrijven. Ik zou het doen als ik kon, maar ik lean niet. Hij is zeer met Coombe ingenomen, en zegt dat het groen iets verwonderlijks is. Wij kwamen hier juist bij zonsondergang aan. Al de schoolkinderen van tante Carrie waren\' er met korfjes met rozen om ons te verwelkomen. Piero zeide dat zij zelve er als nog vollere .rozen uitzagen. Hij is verrukt over Engeland. Het is vandaag heel mooi weer en ik hoop zeer dat het niet zal gaan regenen, maar de barometer daalt. Vergeef mij dit overijlde woord. Ik ga met Piero een tochtje op het meer maken. Ik weet, dat Gij het niet goed hebt gevonden, beste; maar ik ben er van overtuigd, wanneer gij ziet hoe gelukkig ik ben, dat gij zult zeggen dat er nooit iemand op aarde was als hij.»
Vim dc Gravin van Coiues, Coiues House, Louden, aan de Hertogin van Dunne, JVaveruake, Worcestershire.
«Neen, ik beken dat ik het huwelijk niet goedkeur; het zal haar van ons wegnemen, en ik ben bang dat zij niet gelukkig zal zijn. Zij heeft altijd zulke opgeschroefde denkbeelden gehad. Zij is in het minst niet een meisje van dezen tijd. Natuurlijk werd zij ingepakt door zijn schilderachtig voorkomen en zijne bewonderenswaardige manieren. Want dat zijn ze waarlijk in deze dagen, waarin onze mannen er in het eeheel geen bezitten: en
O O
hij heeft in zijn manier van doen zoo iets vleiends en eerbiedigs dat ik er mij zelf door heb laten winnen. Ik kan mij ook niet over haar verwonderen, het arme kind, maar ik ben bang; oprecht gesproken, ik ben bang! Hij maakt dat al onze mannen er uitzien als boerenjongens. En het is alles in zulk een vreeselijke.haast gegaan, dat zij geen tijd had om te redeneeren of na te denken;
â 14 â
en ik geloof niet dat zij twee ernstige woorden tot elkander gesproken hebben. Indien het slechts de goede, beste Hampshire ware geweest, dien wij ons geheele leven gekend hebben, en wiens goederen aan de onzen grenzen! Maar dat was te mooi om te kunnen gebeuren, denk ik, en er was geen bepaalde tegenwerping die wij tegen San Zenone konden aanvoeren. Wij konden zijn aanzoek niet weigeren omdat hij er te goed uitziet, omdat hij geen engelschman is, en omdat hij een moeder bezit die de naam heeft van een maHresse femme te zijn. Gladys schrijft van Coombe als van den zevenden hemel. Zij zijn drie dagen getrouwd! Maar ik vrees dat zij nog heel wat verdriet in het vooruitzicht heeft. Ik ben bang dat hij zwak en onstandvastig is en dat hij haar niet zal steunen, wanneer zij bij zijn eigen familie zal gekomen zijn; en hoewel tegenwoordig een man en vrouw, eenmaal getrouwd, zoo weinig van elkander zien, is Gladys wat hare begrippen aangaat niet geheel van dezen tijd. Zij zal het zeer ernstig opnemen, het arme kind , en verwacht dat haar ideaal zich nog voorbij de wittebroodsweken zal uitstrekken. En zij is erg Engelsch in haar smaak, en is zoo zelden uit Engeland geweest. En toch benijdt ieder meisje in Londen haar, en zijn het alleen haar vader en ik, die de zwarte vlekjes op de vrucht, die zij geplukt heeft, zien. Zij zijn ingevolge haar wensch
naar Coombe gegaan. Mij dunkt dat het wijzer zou geweest zijn een Italiaan niet aan zulk een proef te onderwerpen als een natte engelsche Junimaand op een geheel eenzame buitenplaats voor hem moet zijn. Gij weet dat zelfs engelschen, die altijd een afleiding kunnen vinden in prijs-varkens en vette ossen, zich beginnen te vervelen als zij buiten zijn waar er niets te schieten valt; en engelschen zijn er aan gewoon door en door nat te worden iederen keer dat zij uitgaan. Hij niet. Lord Cowes zegt dat de liefde is als een katoenen japon, â heel aardig zoo lang de zon schijnt, maar zij kan geen regenbui verdragen. Ik wenschte wel dat gij hier geweest waart; Gladys zag er zoo allerliefst uit. Kardinaal Manning gaf heel beleefd toe, en de gansche zaak liep best af. Van de familie San Zenone was alleen Don Fabrizio tegenwoordig, de jongste zoon, een jongmensch met een zeer gunstig voorkomen. De verschrikkelijke Hertogin kwam niet, ik geloof ten gevolge van haar slecht humeur. Zij haat het huwelijk van haar kant evenzeer als wij het van den onze doen, daar ben ik zeker van. Waarlijk, wij moeten een beetje in het noodlot gaan gelooven. Ik houd het\'er voor dat Gladys er spoedig toe gekomen zou zijn Hampshire aan te nemen, uit louter lusteloosheid langer «Neen» te zeggen; en bovendien, zij weet dat wij zooveel van hem houden, en in hetzelfde landschap te
â i6 â
wonen was zulk een aantrekkingskracht, maar deze onweerstaanbare jonge Romein moest het in zijn hoofd krijgen om een Londensche season te zien, en toen zij elkander eenmaal hadden ontmoet (het was op een namiddag te Ranelagh) was er geen aasje kans meer voor onzen armen, besten, dommen buurman. Nu, wij moeten er maar het beste van hopen.»
Van Prins Piero di San Zenone, Coomhe Bysset, aan de Hertogin dell\' Aquila Fulva, Palaiio Fulva, Milano.
«Carissima Mia, â
«Er zijn massa\'s nachtegalen in kleine groene nesten in dit seizoen. Ik ben een nachtegaal in een groen nest. Ik zag nooit zoo iets groens als dit mijn Paradijs. Het is zeker het Paradijs. Indien ik er mij een weinig dépaysé in gevoel, komt het alleen daarvan dat ik zulk een zondaar ben geweest. Buiten twijfel, daarvan komt het alleen. Het Paradijs is kil, dat is zijn eenig gebrek. Het is de zesde Juni en wij stoken. Wij stoken in onze kleedkamers, in de salons, aan beide zijden van de bibliotheek en de eetzaal, in een woord: overal, en niettegenstaande dat ben ik huiverig. Ik kan het niet helpen dat ik huiver, en ik ben er van overtuigd dat ik mij in mijne vervoering in de maand moet hebben vergist â het moet December zijn. Het is hier alles verrukkelijk lief; de geheele plaats ziet cr zoo volmaakt ordelijk uit als of zij den vorigen avond uit een doos is gehaald. Ik heb een beetje een
2
gevoel alsof ik altijd in de kerk ben. Dat is zonder twijfel het gevolg van den eersten stap tot deugd dien ik ooit gemaakt heb. Denk als het u belieft niet dat ik niet volmaakt gelukkig ben. Ik zou buiten twijfel mijn geluk meer waardeeren, indien ik niet juist een gevoel had, verschuldigd aan de vochtigheid van de lucht, alsof ik als een visch in een aquarium was gezet. Maar Gladys is in ieder opzicht aanbiddelijk: en indien men haar niet zoo heel gemakkelijk kon doen ontstellen, zou zij volmaakt wezen. Het -was dat eigenaardige in haar voorkomen, als van een onweerstaanbare alpenbloem, dat mij betooverde. Maar als men de alpenbloem heeft gekregen, kan men er niet voor eeuwig van leven â maar basta! Ik was nieuwsgierig\' te weten hoe een vrouw uit het noorden wel
o o
was; nu weet ik het. Zij is voortreffelijk, maar een beetje eentonig en wat preutsch. Zij zal mij zeker nooit compromitteeren, maar zij zal mij ook nimmer toestaan het mijzelven te doen, en dat zal verschrikkelijk zijn! Ik ben ondankbaar, alle mannen zijn dat; maar toch, is het niet wel wat de schuld van de vrouw? Zij klemmen zich zoo stijf aan één man vast. Nu gij weet, dat een engel vervelend wordt wanneer men nooit uit de schaduw van zijn vleugels kan komen â hier, te Coombe Bysset, vult de engel den ganschen horizon.»
Van de hertogin dell\' Aqnila Fiilva, Palmjo Fulva, Milaan, aan Prins Piero di San Zenone, Coomhe Bysset, Lutton, Bedfordshire, Engeland.
«Caro mio Pierino, â
«Zijt gij er wel zeker van een engel te bezitten? De menschen hebben nu eenmaal de gewoonte om vrouwen met de gemeenplaats «engel» te betitelen. «Zij is een engel» is een beleefde manier om te zeggen «zij is vervelend». Ik ben er zelf niet zeker van dat ik lust zou gevoelen om met een waarachtige engel te leven. Men zou te veel van de vleugels zien, zooals gij zegt; en zelfs een beschermengel moet somtijds de terifi incommodo \\ zijn. Waarom wildet gij ook een engelsch meisje trouwen? Ik begrijp dat zij te goed gehumeurd is om u ooit tegen te spreken en dat gij gemelijk wordt uit louter
1 de hinderlijke derde (fr.: le fdcheux troisième),
2*
ongeduld alles te hebben zooals gij dat verlangt. Indien gij Nicolctta hadt getrouwd, zooals ikwenschte dat gij doen zoudt, zou zij u twaalfmaal per week als een kleine tijgerin hebben aangevlogen, en u op uw qui vive hebben gehouden om haar te behagen. Wij weten wat onze mannen noodig hebben. Ik heb bijna lust aan uw vrouw te schrijven en haar te vertellen dat geen Italiaan zich behagehjk gevoelt, zoo hij niet tweemaal daags klappen om zijn ooren krijgt. Als uw vrouw een beetje onaangenaam wilde wezen, zoudt gij haar waarschijnlijk aanbidden. Maar het is een groote fout, Pierino mio, huwelijk en liefde met elkaar te verwarren. In wezenlijkheid hebben zij even weinig met elkander te maken als een paarden-kastanje en een kastanjebruin paard; als xiiccone, dat een plant, en yicconc, \'dat domoor beteekent. Ik zou mij kunnen verbeelden dat uw vochtig engelsch vogelnest u dwingen zal deze waarheid met betreurenswaardige snelheid in te zien.»
Van Prinses di San Zenoue, Cooinbe Byssét, Lnt-fon, Bedfordshire, nan Lady Gu\'endoline Dormer , Britsche Ambassade, Weenen.
«Beste Gwen, â
«Ik beloofde, ik weet het wel, u dadelijk te zullen schrijven en u alles te vertellen; en een gansche weck is voorbijgegaan en ik kon het niet doen, waarlijk ik kon niet, en zelfs nu weet ik niet waarmede te beginnen. Ik denk dat ik erg vieux jen ben. Ik houd het er voor dat gij mij slechts zult uitlachen en «mallepraat» zult uitroepen. Hoe blij ben ik dat Piero geen woord engelsch kan praten en ik dus nooit die verschrikkelijke brabbeltaal zal moeten hooren, die ik zoo leelijk en plat vind, hoewel gij allen er zoo veel van houdt. Ik had niet naar Coombe Bysset moeten gaan, ten minste zij zeiden allen dat het dom was. Nessie Fitzgerald was in Londen terug vóórdat de week om was en speelde meê in een too-neelstukje. Zeker, zij was in October getrouwd en zij
22
o-af niets om hem en ik denk dat dit het ganschc
O Ã
verschil maakt. Wat mij betreft, het schijnt zooveel natuurlijker zich op te sluiten, en Picro dacht ook zoo; maar ik ben half bang dat hij het nu een beetje vervelend vindt. Gij weet, wij kenden elkander heel weinig. Hij kwam een maand geleden voor de season te Londen en ontmoette mij te Ranelagh en danste op eenige bals met mij de cotillon, en wij hielden van elkander binnen een week en waren binnen een maand getrouwd, zooals gij weet. Papa vond het erg naar omdat het Burlington of Lord Hampshire niet was. Maar hij kon niets gegronds tegenwerpen, omdat de San Zenone\'s zulk een voornaam Romeinsch geslacht zijn, en de geheele wereld hen kent; zij zijn Spaansche hertogen zoowel als Italiaansche Prinsen. En Piero is zoo door en door een gentleman en hij maakte zulke prachtige schikkingen; veel mooier, zeide Papa, dan hij kon verwacht hebben, daar wij zoo arm zijn. Maar wat ik meende was dat wij, door elkander in den roes van de season op bals en diners of buitenpartijen en déjeuners te Hurlingham te ontmoeten en getrouwd te zijn juist vóór de wedrennen te Ascot, eigenlijk niets wisten van onze wederzijdsche smaken, gewoonten of karakters. En toen wij op den eersten morgen te Coombe begrepen dat wij bij elkander waren voor het leven, geloof ik dat wij een vreemdsoortige gewaarwording kregen. Wij aanbaden elkander, maar
â wij wisten niet waarover te spreken; wij hadden nooit met elkander gesproken, wij hadden nooit gelegenheid. En ik vrees dat hij zoo iets hiervan srevoelt en zich enj verveelt. Ik vertelde hem dit
o o
en hij antwoordde mij: «Angelina mia uw bewonderenswaardige landgenooten vervelen zich in hun land niet omdat zij altijd eten. Zij gebruiken een stevig ontbijt, een stevigen lunch, een stevig diner, zij eten altijd. Ik voor mij bezit die uitkomst niet. Geef mij wat koffie en een beetje wijn, en laat mij slechts eenmaal daags eten. Gij hebt mij nooit gezegd dat ik als de krokodillen voedsel moest in-zwelgen.» Wat zou hij zeggen als hij in de graafschappen in den jachttijd een ontbijt zag? Ik geloot dat het leven in Engeland vreeselijk materialistisch is. Ik houd het er voor dat daardoor de typhus zoo erg heerscht. Denk eens, hij wilde zijn rok niet aandoen voor het diner omdat wij alleen waren. Alsof dat een reden was! Ik zeide hem dat dc bedienden zoo vreemd zouden kijken als hij dien niet aantrok: daarom doet hij het sedert dat oogenblik altijd. Maar hij zeide dat het een secca-tura (dit beteekent geloof ik «verveling») was en dat wij engelschen ons gansche leven opofferen aan getier, den vorm en het uitwendige der dingen. Er is veel waars in. Hoeveel menschen kennen
1 Mijn engel.
â 24 â
wij niet, die altijd zoo arm zijn, en die zich toch alleen voor den schijn tot over de ooren in schulden steken! En dan gaan er zoo vele louter voor den vorm naar de kerk, die geen aasje geloof hebben: en zij zullen u dit bij den lunch vertellen. Ik geloof dat de Italianen, wat dit betreft, eerlijker zijn dan wij. Piero zegt, dat als zij arm zijn, zij er niet om geven het te vertellen en wanneer zij geen godsdienst hebben, zij niet voorwenden er een te bezitten. Hij verklaart dat wij engelschen ons geheele leven verspillen omdat wij het onzen plicht achten ons uit te geven voor iets wat wij niet zijn. Nu, is dat eigenlijk niet volkomen waar? Ik ben er van overtuigd dat gij verrukt zoudt wezen over alles wat hij zegt. Hij is zoo oorspronkelijk, zoo vyeinig vormelijk; zij houden hem voor dom, omdat hij niet leest en geen zier om politiek geeft. Maar ik verzeker u dat hij zoo knap als iemand ter wereld is; en hij haalt zijn denkbeelden niet uit kranten en spreekt ook niet even als een papegaai na wat het hoofd van zijn partij hem vertelt. Ik wenschte wel dat gij hadt over kunnen komen en hem gezien hadt. Het was zoo onaardig van u
o O
juist ziek te zijn op het oogenblik van mijn huwelijk. Gij weet dat ik alleen aan u alles vertel wat er in mij omgaat. De meisjes zijn te jong en mama begrijpt het niet. Zij zag nooit in waarom ik dien armen Hampshire niet wilde trouwen. Zij
â 25 â
zeide altijd dat ik mettertijd wel van hem zou gaan houden. Ik- kan niet denken dat Mama ooit op iemand verliefd is geweest. Ik verwonder mij er over waarom \\ij trouwde.... gij ook niet ?»
Van Prins Piero di San Zenone, Coombe Bys-scl, aan Graaf Za^ari, Italiaansche Legatie Londen.
«Caro Gigi, â
«Wees 200 goed mij alle fransche romans te zenden, die gij kunt vinden, en een kist Turksche cigarettes. Ik ben in het Paradijs, maar het Paradijs is wel wat vervelend, en uitermate vochtig, ten minste in Engeland. Regent het altijd in dit land? Het heeft hier nu zeventien en een halven dag zonder ophouden geregend. Ik maak op. mij zeiven den indruk van een leeuwerik, die achter tralies op een klein vierkantje nat gras zit. Ik zou lust hebben naar Londen te gaan. Ik zie gij hebt Jeanne Granier en de anderen bij u; maar ik denk dat het in strijd zou zijn met al de ongeschreven statuten van de wittebroodsweken. Wat een vreemde instelling. Wittebroodsweken! Wie heeft ze het eerst uitgevonden?»
Van Prins di San Zeuone, Cooinbe Bysset, Lutton, Bedfordshire, aan de hertogin dell\' Aquila Fnlva, Palaxzp Fnlva, Milaan.
«Cara Teresina!
«Ik had u al moeten schrijven, maar gij weet dat ik er geen vriend van ben. Ik heb bovendien waarlijk niets te zeggen. Gelukkig het volk dat geen geschiedenis heeft. Ik ben als dat volk. Ik -werd twee weken geleden gelukkig gemaakt, en ik ben sedert dat oogenblik steeds gelukkig geweest. Het is wel wat eentonig. Hoe kan men geluk afwisselen, behalve door wat te kibbelen? En dan zon het geen geluk meer wezen. Het komt mij voor dat het geluk is als een omelette, het best iinproinptn. Denk echter niet dat ik ondankbaar ben jegens het noodlot of de bekoorlijke onschuldige, die mijne levensgezellin is geworden. Wij komen in geen twee denkbeelden met elkander overeen. Zij is allerliefst om naar te kijken, te liefkozen, te aanbidden; maar wat ik haar zeggen moet, daarvan, ik beken het, heb ik geen begrip. Liefde moest nooit verplicht zijn diner-praatjes te
moeten bedenken. Zij moest langs een ladder over een balkon klimmen en wanneer haar verrukking ten einde was, moest zij langs denzelfden weg weer afdalen. Ik houd het er voor dat zij knapper is dan ik, maar daar dit een ontdekkins; zou zijn, die noodlottig op ons welzijn zou werken, tracht ik niet haar te doen. Zij is buitengewoon zacht van humeur, inderdaad, zoo zacht, dat het mij boos maakt: het geeft iemand geen verontschuldiging aan de hand ongeduldig te zijn. Zij is goddelijk, verrukkelijk, als een nimf; maar helaas, zij is preutsch! Nooit was er een schepsel op aarde zóó fijngevoelig, zoo licht geërgerd. Met haar te leven is op eierschalen te wandelen. Natuurlijk staat dit heel aardig voor een vrouw; erg «net» zooals de engelschen zeggen, maar het is niet vermakelijk. Eerst amuseerde het mij, maar nu schijnt het mij een gebrek toe. Zij heeft- mij naar deze verschrikkelijke vochtige en zeer groene plaats gebracht, waar het nacht en dag regent. Er is een bibliotheek zonder romans; een kelder zonder absinth; een keuken zonder tomaten, knoflook of de een of andere olie; de huishouding is zoo ordelijk ingericht dat ik meen in een verbeterhuis te zijn. Er zijn eenige prachtige paarden en eenige bunders bezet met broeikassen, waarin vruchten groeien, die wij in Italië gewoon zijn voor de varkens te gooien. In het voorbijgaan, er
â 29 â
zLjii ook verschillende van onze veldbloemen in hunne serres. Wij eten zoowa; den ganschen dag: er is niets anders te doen. Wat het uitzicht aangaat, het landschap is vermoeiend groen, spinaziekleur; er is geen verscheidenheid, er zijn geen steeneiken en geen olijfboomen. Ik begrijp nu hoe het komt dat de engelsche schilders zulke schrille kleuren gebruiken; als de kleuren niet schreeuwen ziet men ze niet in deze waterachtige, dofte atmos-pheer. Daarom heeft een goedgunstige voorzienigheid het landschap atix épinards gemaakt. Ik houd het er voor dat de lucht, zoowel binnen als buitenshuis, hen moet drukken; zij ligt op iemands longen als een spons. Ik ging eens, toen ik nog een jongen was, in een duikersklok; hier in dit land heb ik een gevoel als of ik er altijd in ben. De deugniet, Toniello, van wien gij u wel herinneren zult dat hij, van dat wij jongens waren af, bij mij, als Don Juan, altijd de rol van Leporello heeft vervuld, schept er genoegen in aan alle aardige meisjes uit het dorp het hof te maken, maar ik kan dit nu niet meer doen. Zij zijn buitendien niet erg knap. Zij hebben zeer groote tanden en heek-dikke bovenlippen. Hun vel is echter bewonderens-waard. Wat een paarden- en een vrouwenhuid aangaat is geen land met Engeland te vergelijken. Het is het land der stalknechts.»
Van Prinses di San Zciwiic, Coomhe Bysset, aan Lady Gwendolen Chichester, Britsche Ambassade, St. Petersburg.
«Hij lachte mij uit omdat ik gisteren naar de kerk ging, cn inderdaad ik ging er alleen heen omdat ik het gepast vond. Wij zijn hier nu al veertien dagen, en vóór gisteren ben ik in het geheel niet in de kerk geweest, en gij weet hoe erg streng die lieve tante Carrie is. Vandaag, daar het de tweede Zondag is, ben ik er hier heen geweest; ik dacht dat ik eenmaal gaan moest, en zoo ging ik; maar het was vreeselijk overladen en eenzaam in de groote roode bank, en de bewoners van het dorp staarden zoo naar mij en de kleine dorpsmeisjes giggelden zoo en keken mij onder hunne groote mutsen aan. Die goede Mr. Coate preekte over het Huwelijk. Het was heel lief van hem, maar o, hoe wenschte ik dat hij het niet had gedaan! Toen ik terugkwam, was Piero bezig met
zijn knecht te biljarten. Ik verwonderde er mij over wat Mr. Coate van hem zou gedacht hebben. Voorzeker, engelsche geestelijken moeten er zich aan leeren gewennen om nu Zondags te vasten, als de buitenplaatsen alle vol zijn. Het is zulk een lieve korte wandeling onder iepen van nog geen twintig el en aan weerszijden bezet met fuchsia\'s, van hier naar de kerk. Herinnert gij u haar nog? Zelfs Picro geeft toe dat zij heel lief is; alleen zegt hij dat zij iets van een prentje heeft, wat, geloof ik, waar is. «Men kan den horizon niet zien, alleen maar een groenen muur» merkt hij op klagenden toon aan, en zijn mooie, schitterende oogen zien er uit alsof zij gemaakt zijn om langs eindelooze velden van licht te kijken. Toen ik hem gisteren vroeg hoe hij -werkelijk over Engeland dacht, wat denkt gij dat hij antwoordde? Hij antwoordde: «Mia Cnra, ik geloof, dat het een aller-verrukkelijkst land zou wezen als het een vijfde van zijn bevolking, de helft van zijn huizen, een tiende van zijn diners, een vierde van zijn machines , geen enkel kantoor en een geheel andere atmospheer had!» Ik denk dat dit beduidt dat hij niets van het land houdt! Ik vind hem knapper dan ooit. Ik zond u zijn photographic, maar die kan u geen denkbeeld van hem geven. Hij is als een van zijn eigen marmeren standbeelden. Wij gingen dadelijk na de trouwplechtigheid naar
â 32 â
Coombe B5\'sset, en wij zijn hier nog. Ik zou hier voor altijd kunnen blijven. Het is zoo heerlijk in deze Bedfordshiresche bosschen in het midden van Juni. Maar ik ben bang â wel een heel klein beetje â dat Piero mij vervelend zal gaan vinden â mij â mij â¢â niets en niemand anders dan mij. Hij is een engel, \'s Morgens rijden wij, \'s avonds zingen wij en maken wij muziek. Wij aanbidden elkander gedurende al de vier en twintig uren. Ik verwonder mij hoe ik ooit zonder hem zou hebben kunnen leven. Ik smacht er naar al datgeen te zien, wat hij mij van zijn groote marnieren paleizen vertelt en zijne onmetelijk groote, droomachtige villa\'s en zijn parken met menigten van standbeelden, en het verwonderlijke licht dat dit alles beschijnt. Hij beweert dat het in Engeland altijd schemert. Het is tegenwoordig, nu men op de hoogte van allen en alles is, zoo vreemd dat ik nooit in Italië ben geweest. Maar wij waren zulke landrotten op het lieve, oude, vervelende, groene, modderachtige Ditchworth. Lanciano, de grootste van al hunne plaatsen, moet als een gedicht zijn. Het is een groot huis, vervaardigd uit verschillende soorten van marmer, te midden van steen-eiken-boschjes op een berghelling gelegen, met watervallen als die van Terni, en parken, die aangelegd werden door Gialio Romano, en tempels, die er reeds waren in de dagen van Horatius. Ik
â 33 â
verlang er naar dat alles te zien, en toch hoop ik dat hij Coombe nu nog niet zal willen verlaten. Er is geen plaats gelijk aan die waar men voor het eerst gelukkig is. En nu en dan denk ik dat ik beter pas in deze huiselijke lage kamers van tante Carrie, met haar eenvoudige meubelen en haar lucht van gedroogde rozebladeren, dan in die uitgestrekte paleizen die een Semiramis of Cleopatra behoeven. Zij waren zoo goed in Londen wat werk van mij te maken, maar ik dacht nooit veel aan mijzeive , en ik ben bang dat ik Piero wel wat vervelend moet toeschijnen, die zelf zoo schitterend is en alle soorten van talenten bezit. Gij weet dat ik nooit knap ben geweest, en waarlijk â waarlijk â ik heb er geen flauw begrip van waar ik over quot;moet praten als wij niet over ons zelven spreken. En dan, het weer maakt hem boos. Wij hebben nauwelijks één mooien dag gehad sedert wij kwamen , en het ziet er ongetwijfeld voor een Italiaan erg grauw en kil uit. «Het kan geen Juni zijn!» zegt hij twaalfmaal \'s weeks. En wanneer het den ganschen dag regent, wat nog al dikwijls het geval is, want onze Junimaanden zijn tegenwoordig zoo erg vochtig, dan kan ik zien dat hij ongeduldig wordt. Lezen kan hem niets schelen; hij is dol op biljarten, maar ik speel niet goed genoeg om hem daarmede den tijd te helpen korten. En hoewel hij goddelijk zingt, zooals ik u vertelde, zingt
3
â 34 â
hij als de vogels.... alleen wanneer hij er toe gestemd is. Hij geeft om muziek als een wetenschap niets. Hij lachte toen ik zeide dat zij dat was. Hij verklaarde dat zij evenmin als liefde een wetenschap is. Misschien moest liefde eenigermate een wetenschap zijn, of anders zou zij niet kunnen standhouden. Er is een schandaal in het dorp geweest, veroorzaakt door zijn knecht, Toniello. Een woedende vader kwam hedenmorgen op «het huis» om er over te spreken. Hij heet John Bert, hij bewoont een van tante Carrie\'s grootste pachthoeven. Hij was zoo vreeselijk woedend, en ik moest met hem spreken, natuurlijk omdat Piero hem niet verstaan kon. Alleen toen ik vertaalde wat hij zeide, lachte Piero tot tranens toe en bood hem een cigarette aan en noemde hem â «mio figlio» 1, wat John Bert slechts rood van toorn maakte en hij ging dan ook in een grooter woede weg, dan waarmee hij gekomen was; zwerende: «dat hij den paap zou weten te krijgen.» Ik heb om den hofmeester gezonden. Ik ben bang dat tante Carrie vreeselijk geërgerd zal zijn. Het is altijd een model-dorp geweest. Geen enkele kroeg binnen den omtrek van zes mijlen en al de meisjes zoo zedig en stil. De verschrikkelijke Romeinsche knecht met zijn schitterende oogen,
1
Mijn zoon.
â 35 â
zijn mandoline en zijn onbeschaamdheden is voor dit afgezonderde en onschuldige dorpje geweest wat Mephistopheles in de opera is. Ik verzoek Piero hem weg te zenden, hij ziet mij onuitsprekelijk verwijtend aan en verklaart dat hij werkelijk niet zonder Toniello kan leven; en wat kan ik dan zeggen ?»
3*
â 36 â
Van Lady Given dolen Chichester, St. Petersburg, aan Prinses di San Zenone, Coomhe Bysset.
«Gij hebt volkomen ongelijk, mijn arme lieveling. Als gij slechts een weinig ouder waart, en ook zooveel wijzer, zoudt gij zelf naar een boekhandelaar hebben getelegrafeerd om do fransche romans; gij hadt er om moeten lachen als hij lachte, en in plaats van de zaak van John Bert als een treurspel te beschouwen, had gij er een grappige wending aan moeten geven, wat uw echtgenoot gedurende vijf minuten evenveel vermaakt zou hebben als Gyp of Richepin. Ik begin te denken dat ik Uw romeinschen prins had moeten trouwen, en gij mijn goeden, vervelenden George, wien een grillig noodlot de diplomatie heeft ingeduwd. Uw Romein wekt uwe ergernis, en mijn George verveelt mij. Zoo is bet huwelijk, mijn waarde, over de gehcele wereld heen. Wat is de oude geschiedenis? Dat Jupiter al de noten brak en iedere helft altijd vruchteloos haar wederhelft zoekt.»
Van Prinses di San Zenone, Coomhe Bysset, Lutton, Bedfordshire, aan Lady Giceiidolcn Chichester, Britsche Ambassade, St. Petersburg.
«Maar zeker, indien hij mij beminde, zou hij even volmaakt gelukkig met mij alleen zijn als ik dat met hem alleen ben. Ik behoef geen anderen metgezel -â geen ander waarin ik belangstel â geen ander om aan te denken.»
Van Lady Gzueudolen Chichester, Britsche Ambassade, St. Petersburg, aan Prinses di San Zenone, Coomhc Bysset, Lutton, Bedfordshire.
«Natuurlijk hebt gij geen behoefte aan iemand anders, omdat gij een vrouw zijt. San Zenone is uw godheid, uw afgod, uw ideaal, uw al. Maar gij zijt slechts eene uit vele vrouwen, die hem behaagd hebben, en, verbonden te zijn aan het genoegen dat gij hem oplevert, sluit de zeer onbehagelijke overtuiging in zich, dat hij nooit in staat zal zijn zich van u te verwijderen. Mijn beste kind, ik heb geen geduld met een vrouw die zegt: «hij bemint mij niet». Als dat waar is., dan is het waarschijnlijk haar eigen schuld. Waarschijnlijk heeft zij hem geërgerd. Liefde sterft zoodra zij zich ergert, dat is heel natuurlijk. Arme Gladys! Gij waart altijd zulk een goed kind; gij hebt u altijd zoo aan uwe oude vrouwen, uwe zonderlinge kleine weezen, uwe lieve kreupelen en uw zendelingen gewijd. Het is zeker hard ⢠dat gij in handen
â 39 â
moest vallen van een gewetenloozen Italiaan, die slechte romans leest en smacht naar de vleesch-potten van Egypte! Maar mijn kind, in den naam van het gezond verstand, wat verwachttet gij ? Dacht gij dat hij in hetzelfde oogenblik, dat hij met u trouwde, er naar zou verlangen om Canon Farrer of Dean Liddell te hooren; of dat hij zijn gitaar zou medenemen voor een concert ten behoeve der armen, en dat hij Italiaansch zou gaan leeren aan verwaarloosde kinderen? Wees verstandig, en laat uw armen gekooiden vogel, die zeker uw ergste vijand zal worden als gij hem langer opgesloten houdt, uit Coombe Bysset wegvliegen.»
Fa)i Prins di San Zeiwne, Coomhe Bysset, aan de hertogin dell\'Aqinla Fulva, Palcis Fnlva, Milaan.
«Ik ben nog in mijn doos van nat gras. Ik ben er twee weken, vier dagen en elf uur, volgens den almanak en de klokken, in geweest. Ik heb al mijn romans gelezen. Ik heb mijn geheele Figaro iederen morgen van den titel af tot aan den naam van den drukker gespeld. Ik heb iedere twintig minuten twintig cigarettes gerookt en ik heb even zoo vele malen gegaapt. Dit is het Paradijs, ik weet het ik zeg het mij zeiven. maar toch ik kan het niet helpen .... ik gaap. Er is een bleeke, waterige zon, die nu en dan door de wolken
O 7
breekt; vervolgens een menigte doorweekt hooi, dat zij door middel van machines zullen gaan drogen, verder een groote verscheidenheid van modderige lanen, waarin men magquot; rijden, en eindelijk is er een postkantoor op zeven mijlen af-stands en een telegraafkantoor nog vijftien mijlen verder weg. Het geheel is onbezield. Als gij uitgaat ziet gij zeer glanzend rundvee, zeer witte schapen, zeer dikke kinderen. Bij tusschenpoozen
â 41 â
kunt gij soms eenige boeren ontmoeten, allen zeer rond en zeer koppig. Gij zult ook, wanneer het geluk u dient, de een of andere machine tegenkomen, en waarheen gij ook ziet, ontdekt uw oog een kerktoren. Het is alles zeer onschadelijk, behalve de machines, maar het zet geen leven cn afwisseling bij. Gij zult u wel niet verwonderen dat ik spoedig mijn romans gelezen had. De fran-sche romans hebben mij in staat gesteld te ontdekken dat mijn engel verbazend fijn voelt. Inderdaad zij is dat zeer kwestbare ding â een heilige. Ik had er geen denkbeeld van dat zij een heilige was toen ik haar een kop thee zag drinken in dien tuin aan de Theems. Het is waar, de haar eigene lieve, kalme, heilige noli me tangere uitdrukking was op haar gelaat, maar ik dacht dat zij mettertijd wel zou verdwijnen; het heeft evenwel er niets van. En toen ik wilde dat zij met mij om «Autour du Mariage» zou lachen, bloosde zij tot over de ooren en gevoelde zich beleedigd. Wat moet ik doen ? Ik ben geen heilige en kan mij niet als zoodanig voordoen. Ik ben niet slechter dan andere men-schen, maar ik houd er van mij te amuseeren en ik kan niet door het leven gaan een miserere zingende. Ik ben bang dat wij zullen gaan twisten. Gij houdt dat voor zeer heilzaam, maar er zijn twee soorten van twisten. Sommige zuiveren de lucht als donderbuien. De onze zijn kleine prikke-
â 42 â
lende verschillen, die hiermede eindigen dat zij in tranen uitbarst en ik mijzelven belachelijk en lomp vind. Zij heeft in de laatste veertien dagen heel wat geschreid. Ik durf zeggen dat als zij woedend werd, wat, zooals gij terecht zegt, Nico-letta zou worden, en gij mocht er bijgevoegd hebben dat gij zoudt geworden zijn, het mij zou hebben doen opstuiven en ik lust zou gevoeld hebben haar te slaan en geëindigd zou zijn haar met kussen te overdekken. Maar zij ziet mij slechts aan als een stervende jonge ree, barst in tranen uit en verlaat de kamer. Dan komt zij weder binnen â soms met den eten, of bij die zotte plechtigheid; de vijfuurs-thee âmet dat treurige, stijve, verwijtende voorkomen als van een martelares, antwoordt zacht en doet mij mijzelven weder een lomperd gevoelen. De engelschen pruilen lang , denk ik. Wij staan het eene oogenblik met dolken tegenover elkaar, maar in het volgende kussen wij elkaar en zijn alles weder vergeten. Wij zijn hartstochtelijker, maar wij zijn beminnelijker. Ik heb er behoefte aan weg te gaan, naar Parijs, Homburg, Trouville, ergens heen; maar ik durf het niet voor te stellen. Ik geef slechts duidelijke wenken. Indien ik van verveling mocht sterven en voor eeuwig begraven worden onder het natte mos, ween over mij.»
Van Prinses di San Zen one , Cooinbc Bysset, aan Lady Gwendolen Chichester, St. Petersburg.
«Coombe is op dit oogenblik allerliefst. Het regent somtijds, wel is waar, maar tusschen de buien door is het heerlijk. Ik vroeg Piero mede naar buiten te gaan en den nachtegaal te hooren; er is er wezenlijk een in het bosch bij het huis; en hij lachte om het denkbeeld. «Wij hebben honderde nachtegalen te Lanciano,» zeide hij, «die den ganschen dag en nacht door zingen. Wij denken niet aan ze, wij eten ze in pasta, zij smaken heel lekker.» Bedenk eens: een nachtegaal opeten! Men zou evengoed Romeo en Julia kunnen oppten. Piero heeft een aantal fransche boeken uit Londen gekregen, en hij ligt er mede op de kanapé en leest ze. Hij wenscht dat ik naar de vrij onkiesche aardigheden, die er in staan, -zal luisteren, maar ik wil niet, en dan noemt hij mij preutsch en
wordt boos. Ik zie niet in waarom hij zelf niet zooveel zou lachen als hij lust heeft, zonder mij er de oorzaak van te vertellen. Ik houd niet van dat soort van aardigheden. Ik hen verschrikkelijk bang dat ik gedurende mijn gansche leven alléén
om hem zal geven, terwijl hij---- hij gisteren
gaapte. Papa zeide mij, voor dat wij getrouwd waren: «Mijn lieve, beste meid, San Zenone heeft er in \'t begin zooveel stoom achtergezet, dat hij verplicht zal zijn zijn gang na korten tijd te matigen. Maak er u maar niet naar over, wanneer gij bemerkt dat hij wat koeler wordt!» Nu, Papa heeft zulk een grappige manier van praten; altijd in beeldspraak, gij herinnert het u; maar ik begreep wat hij bedoelde. Niemand was goed in mijn oogen, toen er iemand als Piero werk van mij maakte. Ach, mijn waarde, het behoort alreeds tot het verledene! Neen, ik meen dat niet zoo volkomen. Hij is nog dikwijls Romeo, en hij zingt voor mij de goddelijkste minneliederen, aan mijne voeten op kussens liggende in het maanlicht. Maar het is niet volkomen hetzelfde als het in den beginne was. Van morgen had hij een aanmerking op een van mijne japonnen, en zeide dat ik er «mal» uitzag. «Mal»! Ik ben vreeselijk bang dat Coombe hem al te erg heeft verveeld. Ik zou wel geheel van de wereld afgezonderd willen wonen, en hij wilde dat ook: en ik ben er van overtuigd dat er
nergens een nestje voor gelieven te vergelijken is met Coombe midden in den zomer. Gij herinnert u nog wel de rozenperken en de lindelanen en dc ruïnes van de kapel bij het kleine meer? Toen tante Carrie het ons voor deze Junimaand aanbood, was ik zoo verheugd, maar nu ben ik half bevreesd dat het een domheid is geweest en dat hij met zich zelf geen raad weet. Hij is ilcpnysé. Ik weende gisteren een beetje, het was erg onnoozel, maar ik kon het niet helpen. Hij lachte mij uit, maar werd een weinig boos. «Enfin, que vcux In?» zeidc hij ongeduldig; «je suis a toi, hien a toi, bcaucoup trop a toi.» Het scheen mij toe dat hij er berouw van had de mijne te zijn. Ik vertelde hem dat; hij werd nog boozer. Het was, wat gij, geloof ik, een «scènea zoudt noemen. Binnen vijf minuten had hij berouw en liefkoosde mij zooals hij alleen dat kan, en de zon kwam door, en wij gingen in de bosschen en hoorden den nachtegaal; maar dc herinnering daaraan verontrust mij. Als hij zóóveel in een maand kan zeggen, wat zal hij dan wel in een jaar zeggen ? Ik geloof niet dat ik onnoozel ben. Ik woonde tweemaal de season te Londen bij, en op onze buitenplaatsen leert men toch ook de wereld kennen. Ik weet dat de menschen, die getrouwd zijn, altijd blij zijn van elkander af te gaan â zij coquetteeren altijd ,met anderen. Maar ik zou ongelukkig wezen als ik er aan dacht, dat
â-46 â
htt ooit met Piero en mij ook zóó zou gaan. Ik vereer zelfs zijn schaduw en hij doet of deed het de mijne. Waarom zou dat veranderen? Waarom zou het niet eeuwig zoo voortduren, evenals in gedichten ? Indien dat niet kan, waarom sterft men dan niet?»
Van Lady Gzuendolen Chichester, St. Petersburg, aan Prinses di San Zeiwne, Coomhe Bysset.
«Wat zijt gij toch een gansje, liefste Gladys! Gij zijt altijd zoo geweest Op alles wat gij verteld hebt kan ik alleen antwoorden; Connu. Als meisjes romantisch zijn, en gij waart dat altijd, hoewel het geheel verdwenen was eeuwen voor onzen tijd, dan verwachten zij altijd dat hunne mannen minnaars zullen blijven. Nu, mijn lieveling, gij moogt even goed van hooi verwachten dat het gras blijft. Wanneer er zooveel stoom bij te pas is gekomen, moet het gevoel trapsgewijze weggaan. Ik ben ook bang dat gij met den hartstocht, de verrukking en de wederzijdsche aanbidding en al wat er bij behoort begonnen zijt, wat heelemaal uit den tijd is. De menschen gevoelen tegenwoordig niet meer op die manier. Niemand geeft veel om een ander; een soort van welwillend welgevallen is het uiterste waartoe men
komen kan. Maar gij waart altijd zulk een gansje! En nu moest gij een Italiaan trouwen en verwachten dat alles voor immer balkons, gitaars en maneschijn zou zijn. Mij schijnt het zeer natuurlijk toe dat hij behoefte gevoelt naar Parijs te gaan. Gij hadt hem nooit naar Coombe moeten brengen. Ik herinner mij nog best de rozenperken, delinde-lanen en de ruïnes, en ook dat ik werd weggezonden omdat ik wat al te erg met Philip Rous coquetteerde, waarom ik een geheel jaar niet uit mocht â gij waart toen nog een kind â en ik herinner mij dat ik zoo het land had dat ik op het punt was een zelfmoord te begaan; en van dit oogenblik af kan ik de geur van een lindenboom niet meer uitstaan. Ik kan met den Prins sym-pathiseeren, indien hij verlangt weg te gaan. Er kan toch voor hem wel niet veel anders gedurende den ganschen dag te doen zijn dan rooken. Zijn portret is verwonderlijk knap, maar kan\' men, mijn waarde, zijn gansche leven van een profiel leven?»
â 49 â
Van Prinses di San Zenone, Coombe Bysset, aan Lady Giuendolen Chichester, St. Petersburg.
«Daar bijna alle Engelschen wipneuzen hebben, denken engelsche vrouwen altijd dat een goed profiel het kenmerk is van onzedelijkheid en bedrog. In ieder geval zult gij toestemmen dat het een aangenamer voorwerp van beschouwing is. Het regent nog altijd, en verschrikkelijk. De landen zijn doorweekt en zij kunnen het hooi niet binnen halen, en wij kunnen niet uitgaan. Piero rookt en gaapt. Hij heeft in de bibliotheek naar een franschen roman gezocht, maar daar is niets behalve de onschuldige boeken van Mrs. Craven en een verhaal voor jongens van Jules Verne. Ik vrees dat gij en mama gelijk hebben. Coombe, in een natte Junimaand , is niet de geschikte plaats voor een Romein, die Parijs op zijn duimpje kent, en niets van het buitenleven waar ook houdt. Wij\'schijnen niets anders te doen dan te eten. Ik trok een ulster en hooge
4
laarzen aan en gaf geen zier om den regen; maar hij schreeuwt het uit, wanneer hij mij in een ulster ziet. «Gij hebt niet meer figuur in dat ding dan een Saiicis de Boulogne», zegt hij tegen mij, en zeker, ulsters zijn ergleelijk. Maar ik had een heerlijke veertien dagen met de hertogin, met wie ik een tochtje per rijtuig door West-meath maakte. Wij namen alleen onze ulsters mede, en het stortregende den geheelen tijd en wij bleven in bed terwijl onze kleeren gedroogd werden; he\': was verbazend grappig, de Hertog reed ons. Maar Piero houdt niet van zulke aardigheden. Hij is zoo bang als een kat voor den regen. Hij houdt er van het huis vroeg te sluiten en het gas op te steken, en te vergeten dat het buiten alles modder en mist is. Hij verklaart dat wij een vergissing op onzen almanak hebben gemaakt en dat het November is, niet Juni. Ik verander driemaal daags van japon, alsof wij allerlei groote feesten hebben, maar ik gevoel dat ik hem ontzaglijk eentonig toeschijn. Ik ben bang dat ik nooit vermakelijk ben geweest. Altijd benijd ik de vrouwen die «chic» over zich hebben en opgang maken en die mannen om iedere kleinigheid kunnen doen lachen. Zij schijnen een soort van op-vroolijkende vloeistof met zich om te voeren. Ik geloof niet dat het de beste vrouwen zijn, maar zij vermaken de mannen zoo. Ik zou twintig jaren
â 51 â
van mijn leven willen geven als ik Piero kon amuseeren. Hij aanbidt mij, maar dat is iets anders. Het verhindert hem niet den barometer te schudden en te geeuwen. Hij schijnt het gelukkigst wanneer hij Italiaansch met zijn knecht, Toniello, spreekt. Deze mag somtijds met hem biljarten. Hij is een zeer vroolijke, opgeruimde, brutale, mooioogige Italiaan. Alle meiden in het huis en alle pachtersdochters heeft hij op zich doen verlieven; en ik vertelde u al hoe hij een van de beste pachters aanstoot gegeven had. De Bedfordschc boeren zweren allen wraak tegen hem, maar hij doet zijn mandoline klinken en zingt met zijn heldere stem alle onaangenaamheden weg en geeft er geen snars om dat de bottelier hem haat, de hofmeester hem verafschuwt , de stalknechts hem zouden afranselen indien zij durfden, en de jonge pachters hoorbaar dreigen hem in den vijver te gooien. Toniello houdt zeer veel van zijn meester, maar hij strekt zijn hulde niet tot mij uit. Herinnert gij u Mrs. Stevens, de model-huishoudster van tante Carolina? Gij moest haar gezicht eens zien, wanneer zij bij toeval Piero met Toniello hoort lachen en praten. Ik geloof dat zij denkt dat het einde der wereld gekomen is. Piero noemt Toniello «jigliolo mio» en «.Caro mio», alsof zij neven of broeders waren. Dit schijnt zoo de Italiaansche manier te zijn. Zij zijn op hunne wijs zeer trotsch, maar het
4*
â 52 â
is niet de onze. Echter ben ik blij dat de man er is wanneer ik de biljart-ballen tegen elkaar hoor klotsen en het plassen van den regen tegen de vensterluiken. Wij zijn hier juist drie weken geweest. «Dio! het schijnen drie jaren,» zeide Piero, toen ik er hem dezen morgen aan herinnerde. Wat mij betreft, ik weet niet of het de droom van een enkelen dag of een eeuwigheid geweest is. Gij begrijpt wat ik bedoel. Maar ik wenschte â ik wenschte dat het hem of de droom van één dag of de eeuwigheid van het Paradijs mocht toeschijnen! Ik moet toegeven dat het mijn schuld is, door naar deze stille, van boogvensters voorziene kamers uit den tijd van koningin Anna, met haar ouderwetsche dienstboden en haar treurig uitzicht op de doorweekte hooivelden, te gaan. Maar de zon breekt onder de hand dooien dan geuren de vochtige rozen zoo liefelijk en glinsteren de natte lindebloesems in het zonlicht, en dan zingen de leeuwerikken boven onze hoofden, en zijn de bosschen zoo groen enzoofrisch! Toch geloof ik niet dat het zelfs hem dan bevalt: het is alles te vochtig, te winderig, te dof voor hem. Toen ik van morgen een roos in zijn knoopsgat stak, vielen er eenige droppels af op zijn jas, en hij zeide: Mais quel pays! â même une Jlciir c\'est uue dcuchc d\'can froide!« Indien ik in de vorige maand een paardenbloem in zijn jas gestoken had, zou hij gezworen hebben dat zij de geur had van de
magnolia en de schocnheid der orchidee. Het is juist twee en twintig dagen geleden dat wij hier gekomen zijn, en de eerste vier of vijf dagen gaf hij er niets om of het regende of niet, maar alleen om letterlijk aan mijn voeten te liggen, heusch. Wij waren alles en alles voor elkander, evenals Cupido en Psyche. En nu gaat hij met Toniello biljarten om den tijd te dooden, en hij smacht naar zijne petits theatres. Is het mijn schuld? Ik kwel mij met duizende zelfbeschuldigingen. Kan ik ook vermoeiend, vervelend, veeleischend, zijn geweest? Kan hij zich ook in mij teleurgesteld gevoelen ?»
Van Lady Gwendolen Chichester, St. Petersburg aan Prinses di San Zenone, Coomhe Bysset.
«Neen het is uw schuld niet, lief klein ezeltje; het is alleen de natuurlijke loop der dingen. Mannen zijn altijd zoo als de vrouw hen bemint; wanneer zij niet van hen houdt, gedragen zij zich veel beter. Mijn beste, dit is het juist wat in de liefde zoo kwellend is: dat die van een man altijd langzamer en langzamer gaat naar een dood punt, terwijl die van de vrouw «gloeiender wordt» en stoom krijgt. Ik ontleen dit aan Papa\'s verwonderlijk juist beeld; niets kan meer waar zijn. Het is zeer treurig, maar ik geloof dat het de schuld is van de Natuur. Entre nons, ik denk niet dat de natuur over het huwelijk ooit iets meer heeft nagedacht dan over crinolines, parel-poeder of electrisch licht. Het lijdt geen twijfel of het lag in de bedoeling der Natuur de zaak te regelen volgens het systeem van de kapel en de boterbloem; naar het beginsel van: je reste, lu t\' en vas. En niets zou gemakkelijker of aardiger zijn; alleen er zijn kinderen en er bestaat armoede: daarom moet de kapel aan de boterbloem
worden vastgestoken. Zoo komt het dat de Communisten en Anarchisten altijd tegelijkertijd den eigendom en het huwelijk afschaffen. Het een heeft zich uit het andere ontwikkeld, evenals er dierbare geleerden zijn, die zeggen dat het paard zich uit een vogel heeft ontwikkeld, waardoor ik niet kan zien dat de zaak begrijpelijker is geworden; maar .... wat zeide ik ook? O, ik wilde dit zeggen: gij betreurt als een tekortkoming en een trouweloosheid in het karakter van Ze-none, wat louter een onbewuste, onwillekeurige en volkomen natuurlijke verandering is van een minnaar in een echtgenoot. De kapel begint de speld te voelen die door haar heen is gestoken om haar vast te prikken. Het is uw schuld niet, mijn lief kind, het is de schuld, zoo al, van de wereld, die verordend heeft dat de kapel, om wettig met de boterbloem te kunnen coquetteeren, de speld op de kurk moet dulden. Welnu, neem mijn raad aan, de speld is er in; kwel u zeiven niet indien zij er zich een beetje op heen en weer wringt: het is slechts wat alweder de geliefde geleerden een quot; automatische handeling noemen. Tracht in uw klein hoofd het feit vast te stampen dat een man u zeer teeder kan beminnen en toch in de stille wijkplaatsen van zijn mannelijke borst haken naar de petits theatres. Natuurlijk weet ik dat dit soort van ruw ontwaken uit verrukkelijke droomen voor
u harder dan voor de meesten is, omdat gij u op zulk een ontzaglijke verhevenheid had geplaatst. Gij had uw Ruy Bias en Petrarca, en de mandoline en het maanlicht, en de minnedranken alle tot één bedwelmende teug vermengd. De ontgoocheling, die gij ondervindt, is natuurlijk veel grooter dan wanneer gij een landjonker, of een schotsche grondeigenaar hadt gehuwd, die nooit ecnige romantische geneugten zouden hebben opgewekt. Men kan den Hemel niet naderen zonder met een stoot naar beneden te komen, zooals die arme menschen in luchtballons. Gij zijt in uw ballon naar de hoogte gegaan en gij daalt nu neder. Ach, mijn waarde, alles hangt er van af hoe gij beneden komt. Gij zult mij voor een monster houden, omdat ik dit zeg, maar het zal voor zulk een groot deel aan u zelve liggen. Gij wilt het niet gelooven, maar het zal zoo zijn. Indien gij met takt en opgeruimdheid den grond bereikt, zal alles daarna goed gaan, maar indien gij karakter toont, zooals de mannen dat van hunne paarden zeggen, welnu, dan zal de ballon voorover liggen, als een gescheurde leege, nuttelooze zak, die nooit weder op zal gaan. Om duidelijk te spreken, indien gij de onaangename ontdekking, dat San Zenone mensch is, met onderwerping en zachtheid draagt, zult gij niet ongelukkig zijn en er spoedig aan gewoon raken; maar indien
â 57 â
gij er altijddurend over tobt, zult gij hem niet veranderen en gij zult beide ongelukkig zijn; of, indien niet ongelukkig, zult gij iets ergers doen: gij zult elk uw genoegen bij iemand anders zoeken. Ik ken u zoo goed, mijn arme, lieve Gladjes; gij hebt behoefte aan zulk een ontzaglijke hoeveelheid sympathie en liefde, maar gij zult ze niet bekomen, mijn beste kind. Ik begrijp best dat de prins er als een schilderij uitziet en dat hij voor u het leven gedurende een maand tot een gedicht heeft gemaakt, en dat de onvermijdelijke terugwerking, die volgt, even vervelend schijnt als grachtwater, gij zoudt zelfs zeggen zoo wreed als het graf. Maar het is niets nieuws. Tracht dit goed in uw geest te prenten en wees zoo luchthartig als gij kunt. Mannen haten vrouwen, die niets aardig vinden. Doe alsof gij om de petits theatres lacht, indien gij het in wezenlijkheid niet doen kunt; als gij dat niet doet, zal hij naar iemand anders gaan, die het wel zal doen. Hoe komt het dat de vrouwen der demi-monde zoo den voorrang boven ons krijgen? Alleen omdat zij hunne mannen niet vervelen. Een man zou liever .zien dat wij hem een glas champagne naar het hoofd wierpen dan dat wij voor vijf minuten schreiden. Wij kunnen niet met champagneglazen smijten: onze opvoeding komt daar tegen op,\' Het brengt ons een verbazend nadeel toe; wij moeten dit aan-
- 58 -
vullen door ons zoo aangenaam mogelijk bij hen te maken, en toch zullen wij altijd eenige lengten bij haar ten achteren blijven. In het voorbijgaan, gij zeidet in een uwer eerste brieven, dat gij er u over verwonderdet waarom onze moeder ooit trouwde. Ik ben niet scnoeg; au courant van voorhistorische
O O
tijden Om in staat te zijn te vertellen waarom, maar ik kan zien wat zij sedert haar huwelijk gedaan heeft. Zij heeft zichzelf altijd op de verstandigste en voorzichtigste wijze op den achtergrond gesteld. Zij heeft Papa nimmer zijn vischliefhebberij in Noorwegen of zijn zeiltochtjes in Augustus benijd, hoewel zij wist dat hij ze moeielijk kon bijbrengen. Zij heeft hém nooit vervuld met haarzelve, noch met ons. Zij heeft er steeds bij hem op aangedrongen weg te gaaji en te genieten; en wanneer zij met hem naar buiten is vertrokken, draagt zij altijd zorg dat al de vrouwen, die hij bewondert en alle mannen met wie hij het meest op heeft, bij troepjes worden uitgenoodigd, om te voorkomen dat hij zich maar een enkel oogenblik verveelt. Ik ben er van overtuigd, dat zij nooit om haar eigen wenschen iets gegeven heeft, maar alleen de zijne heeft bestudeerd. Dit is wat ik een verstandige en een goede vrouw noem. Maar ik vrees dat zulke vrouwen even zeldzaam zijn als blauwe rozen Streef hier naar en wees aan haar gelijk, beste. Zij was juist zoo jong als gij nu zijt, toen zij
trouwde. Maar in waarheid, gij zijt, ongelukkig, een verschrikkelijke kleine egoist. Gij zoudt dezen jongen man geheel alleen met u zeiven wenschen op te sluiten , in een houding van eeuwigdurende aanbidding â van u zeiven ! Dat is wat vrouwen liefde noemen; gij staat met uwe denkbeelden niet alleen. Sommige mannen onderwerpen zich aan dezen eisch en gaan voor altijd rond als honden aan een band vastgehouden. Het meerendeel â wel, het meerendeel verzet zich. En ik ben er van overtuigd dat ik hetzelfde zou doen, als ik een van hen was. Ik denk niet dat gij zoudt kunnen klagen indien uw mooie Romeo zoo handelde. Ik zie u zoo duidelijk voor mij, met uw lief, klein, ernstig gelaat en mooie oogen, die zulk een noodlottigen aanleg hebben voor tranen, en uw stemmige, bekrompen inzichten omtrent het huwelijk en zijne verplichtingen, waardoor-gij u zelf volkomen gehaat bij uw levenslustigen Apollo maakt, terwijl gij al dien tijd zoo onnoozel zijt u te verbeelden dat gij den hemel\' behaagt en uw eigen waardigheid ophoudt door zoo in het oog-loopend onaangenaam te zijn! Zijt gij erg boos op mij? Ik vrees er voor. Wat mij betreft, ik zou liever een ontrouwen dan een saaien echtgenoot hebben; de een moge zich bij u vervelen, maar de ander verveelt u, wat duizendmaal erger is.«
Van Prinses di San Zen one, Coomhc Byssct, aan Lady Given dolen Chichester, St. Petershnrg.
«Hoe kunt gij hij tnogciijkheid vertellen wat mama deed toen zij jong was ? Ik durf zeggen dat zij vreeselijk b\'edroefd moet zijn geweest. Nu is zij er natuurlijk aan gewend â evenals alle ongelukkige vrouwen. Indien men alleen trouwde om er naar te verlangen met anderen te verkeeren, wat nut heeft het dan getrouwd te zijn ? Ik zeide dit aan Piero en hij antwoordde vrij onbeschoft; «II n\'y a point â Si on Ie savait.» Hij heeft om nog wat meer -van die ellendige fransche boeken gezonden, van Gyp, Richepin en Guy de Maupassant, en ligt ze den ganschen dag door te lezen wanneer hij niet slaapt. Hij slaapt dikwijls «verdag. Hij verontschuldigt zich wanneer hij zoo gevonden wordt, maar hij gaapt terwijl hij dit zegt. Gij zegt dat ik hem wat moest opvroolijken, maar ik kan het niet. Hij geeft niets om engelsch
â 6i â
nieuws, en hij begint boos te worden omdat ik geen Italiaansch met hem kan spreken, en hij noemt mijn fransch afschuwelijk, en altijd gebeurt er iets naars. Er heeft in het dorp zulk een vreeselijke gebeurtenis plaats gehad. Vier van de inwoners van Coombe Bysset, twee smeden, een timmerman en een arbeider, hebben Toniello wegens zijn al te groote oplettendheden voor hunne vrouwen in den vijver geworpen; en Toniello heeft, toen hij uit het kroos en den modder was gekropen, zijn mes getrokken en er twee van hen leelijk mede gestoken. Natuurlijk hebben de veldwachters hem gepakt en de mannen die hij verwond heeft naar het hospitaal vervoerd. De overheid is woedend; en Piero! ââ Piero heeft niemand om met hem te biljarten. Toen de magistraat hem omtrent Toniello ondervroeg, zooals hij natuurlijk verplicht is te doen, werd hij vreeselijk driftig, omdat een van hen zeide dat het juist iets was voor een lafhartig Italiaan om een mes te dragen en er gebruik van te maken. Piero siste letterlijk van woede tegen den eerwaardigen ouden man, die dit mompelde. «En is uw volk», riep hij uit, «dan zoo erg dapper ? Is het beter een man tot murw te slaan, of een vrouw met laarzen met spijkers te schoppen, zooals uw engelsch gemeen doet? Wat is hier voor lafhartigs in ? Hij was een tegen vier. In mijn land gaat er geen nacht om zonder
62 â-
een rissa \', of iets dergelijks, maar niemand let er op. De jaloersche personen worden achtergelaten om het op de beste wijze uit te vechten; en van achteren blijkt het de schuld der vrouwen te zijn.» En toen zeide hij eenige dingen, die ik waarlijk niet kan herhalen, en het was gelukkig, dat de oude man er, denk ik, geen syllabe van verstond, daar hij ze in het vlugste en verwoedste fransch uitsprak. Maar zij zagen dat hij driftig was en dat ergerde hen, omdat, zooals gij weet, de engelschen altijd meenen, dat men zijn slecht humeur voor zijn eigen volkje tehuis moet bewaren. Onder-tusschen zit Toniello natuurlijk in de gevangenis, en ik geloof niet dat zij hem onder borgtocht zullen ontslaan, omdat hij een van de smeden erg heeft verwond. De advocaten van tante Carry doen alles wat zij kunnen voor hem, om mij te behagen, maar ik kan zien dat zij het als «peines perdus» beschouwen ter wille van een schurk die moest opgehangen worden. «En dan te moeten bedenken», roept Toniello, «dat ik in mijn land al het volk op mijn hand zou hebben. De Karabi-niers zelf zouden vóór mij geweest zijn! «Acci-dente a tutti quei grulli,» dat beteekent: «mogen al die gekken een beroerte krijgen.» «Zij waren alleen maar de mannen van die vrouwen», voegt hij er
1 twist.
â 63 â
met minachting bij; «en zijn het wel waard dat er om hen zoo\'n leven wordt gemaakt.» Dan troost Piero hem, en geeft hem cigarettes en is verplicht den armen jongen te verlaten, die met zijn gelaat naar beneden op zijn stroomatras ligt te snikken en zijn haren uittrekt. Ik dacht dat Piero den armen knaap niet alleen in de gevangenis zou laten, en zoo vooronderstelde ik dat hij alle gedachten om van hier te gaan zou opgeven, en daarom begon ik tot mij zeiven te zeggen «a quel-(jue chose malheur est hou.» Maar vandaag aan het lunch zeide Piero: «Sai carina! Toen Toniello er was, was het al erg genoeg, maar zonder hem kan ik het openhartig gesproken geen oogenblik langer hier uithouden. Met Toniello kon men lachen en wat vergeten. Maar nu â¢â anima mia, indien gij niet wenscht dat ik iemand doodsteek en naast Toniello word ingekwartierd door uwe waardige wetgevers, moet gij mij bepaald naar Trou-ville laten gaan.» «Alleen!» zeide ik; en ik geloof dat hij dit bedoelde, maar de verschrikte toon van mijn stem hield hem van deze bekentenis terug. Hij zuchtte en stond op. «Ik houd het er voor, dat ik nooit meer alleen zal kunnen wezen,» zeide hij ongeduldig. «Indien mannen slechts wisten wat zij deden als zij trouwen â on ne nous prenciraii jamais. Neen, neen. Natuurlijk meende ik dat gij er in moest toestemmen met mij ergens heen, van
â 64 â
deze onduldbare plaats te gaan, die van mist en groene bladeren gemaakt is. Laat ons om te beginnen naar Parijs gaan; er is wel geen levende ziel daar, en de theatres zijn en rcldche, maar het is altijd verrukkelijk, en dan zullen wij binnen een week naar Trouville trekken, waar de geheele wereld nu is.» Ik kon hem niet antwoorden, zoo weende ik. Misschien was dat het best, want ik ben er van overtuigd dat ik iets boos zou gezegd hebben, wat ons voor altijd zou hebben kunnen scheiden. En wat zouden de menschen dan gedacht hebben ?»
Van Lady Gwendolen Chichester, St. Petersburg, aan Prinses di San Zenone, Coomhe Bysset.
«Arm, klein vrouwtje,
«Begint gij u al naar te maken over hetgeen de menschen zullen denken ? Dan, inderdaad, zijn uwe dagen van vreugde geteld. Indien ik vijftigmaal aan u moest schrijven, ik zou alleen kunnen herhalen wat ik reeds geschreven heb. Gij zijt niet verstandig en doet alles wat gij niet behoordet te doen. Van twee personen die getrouwd %ijn, verkeert er altijd een in de dwaling dat bij of lij noodig en aangenaam is voor het leven van den ander. De ander denkt gciuoonlijk juist het tegenovergestelde. Vrede is de uitkomst niet. Deze vroo-lijke, aantrekkelijke, knappe zoon van Rome is uw gansche wereld geworden, maar vooronderstel geen oogenblik, mijn kind, dat gij ooit de zijne zult worden. Het komt noch met de Rede,
5
noch met de Natuur overeen, dat gij het zoudt zijn. Indien gij het verstand, den tact en het geduld bezit, daartoe vereischt,gij zijn vriendin en raadgeefster worden, maar ik vrees dat gij die eigenschappen nooit zult bezitten. Gij tobt, weent en begrijpt niets van het mannelijk karakter. «Ik zie adders», zooals de Amerikanen opmerken; en gij zult noch de kalmte noch de wijsheid hebben, noodig om een adder te kerven, noch minder om haar te dooden. Eens voor al, mijn arme lieveling, ga blijmoedig naar Parijs, Trouville en al de andere plaatsen van verstrooiing op de wereld. Wend vreugde voor, indien gij die niet gevoelt en tracht er aan te denken, dat liefde niet kan behouden blijven of in het leven teruggeroepen worden door dwang of geweeklaag. Eenmaal dood, zal zij door al het geweeklaag van hem, die om haar rouwt, niet meer ontwaken. Zij is voor altijd en eeuwig een lijk. Wat mijzelf betreft, ik kan niet begrijpen hoe gij van een jongen Italiaan, die al de gewoonten der groote wereld- en de herinneringen van zijn vie de garfon bezit, hebt kunnen verwachten dat hij vroolijk of tevreden zou wezen met in een regenachtige Junimaand op een afgezonderde engelsche buitenplaats te zitten, met niemand anders dan u om naar te kijken. Geloof mij, liet kind, het is de buitensporige ijdel-heid eener vrouw, die maakt dat zij zich verbeeldt
â 67 â
voor haar echtgenoot genoeg te kunnen zijn. Niets anders dan ijdelheid. Hoe verstandiger een vrouw is, des te volkomener ziet zij hare eigene ongenoegzaamheid om een man te kunnen vermaken in, en des te zorgvuldiger (als zij wijs is) geeft zij zich moeite dat dit gebrek nooit door hem zal worden opgemerkt. Nu, indien gij een man met u op een buitenplaats opsluit, terwijl het den ganschen dag door regent, zooals in het gedicht van Longfellow, laat gij het maar al te duidelijk in het oog vallen. Indien gij zijn vrouw niet waart ^ durf ik zeggen, zou hij u niet zoo vervelend vinden en misschien zelfs een grijze boven een blauwe lucht verkiezen. Maar als zijn vrouw! â o, mijn waarde, waarom tracht gij niet te begrijpen welk een zware last gij in den wedren met u omdraagt? Schrijf en vertel mij alles hieromtrent. Ik verlang er naar. Ik ben zoo bang, mijn allerliefste zusje, dat gij denkt dat liefde niets anders is dan maanlicht en kussen, en vergeet dat er wolken aan den hemel en twisten op aarde zijn. Moge de hemel u beiden behoeden! P. S. Denk er aan dat deze zelfde liefde dezelfde zachte behandeling ver-eischt als een spinneweb. Indien een ruwe aanraking de spinneweb doet scheuren, kunnen al de kunstenaars der wereld haar niet herstellen. Dit is een waarheid, die gij wel moogt ter harte nemen. Indien gij hem nu verhindert naar Parijs
5*
te gaan, zal hij het binnen zes maanden toch doen en misschien zonder u. Wellicht zou hij te Lanciano gelukkiger zijn dan te Coombe, en hij zou zijn geheele familie hebben, maar de petits theatres er niet te minder om missen. Gij handelt niet verstandig, mijn arme lieveling; gij hadt moeten maken dat hij gevoelde dat gij het met zijne genoegens eens, niet dat gij ze vijandig zijt. Maar het geeft niet u wijsheid in te prenten; gij zijt erg jong en erg verliefd. Gij beschouwt al de natuurlijke verstrooiingen, waartoe hij neiging gevoelt, als evenzoovele mededingers. Zij mogen dat zijn, maar wij verslaan onze mededingers niet door ze te versmaden. De waarlijk verstandige weg is stilzwijgend te toonen aantrekkelijker dan zij te kunnen zijn; indien wij dat niet kunnen, dan zullen wij, wij mogen zooveel morren of zuchten als wij willen, door hen overwonnen worden. Gij zult mij erg preekerig vinden, en misschien zult gij mijn brief ongelezen in het vuur gooien, maar ik moet er nog te meer op wijzen. Mijn waarde, gij zijt op Liefde verliefd, maar onder de Liefde huist een wezenlijke man, en die zijn nu eenmaal ver van denkbeeldige schepselen verwijderd. Nu komt het er voor u op aan den wezenlijken man te beschouwen, ter wille te zijn, te bestudeeren. Als de wezen\'ijke man voldaan zal zijn, zal de Liefde voor haarzelve zorgen; terwijl, indien gij den
â 69 â
werkelijken man verveelt, de Liefde weg zal vluchten. Indien gij verstandig waart geweest, mijn arme lieveling, ik herhaal het, zoudt gij niets zoo verrukkelijk hebben gevonden als Judic en Chau-mont, en gij zoudt verklaard hebben dat het asphalt al de Alpen ter wereld te boven ging. Hij bemint er u niet minder om, omdat hij er behoefte aan heeft dans le mouvement te wezen, ten einde te hooren wat andere menschen zeggen en zijn sigaar te midden van zijn medeschepselen te rooken.»
â -JO â
Van dc hertogin dell\' Aquila Fulva, Hotel des Roches noires, Trouville, Frankrijk, aan Prins di San Zenone, Cooinbc Bysset, Lutton Bedfordshire , Engeland.
«Arme bloem, in uw doos van nat mos, wat is er van u geworden? Zijt gij dood en gedroogd in den hortus siccus van uw vrouw ? Zij zou dan geheel zeker van u wezen en ik durf zeggen veel gelukkiger dan wanneer gij in den bouquet van iemand werd gezet. Ik tracht te vergeefs mij u in dat «volmaakt voegzaam» milieu voor te stellen; (is dat niet zuiver engelsch: «volmaakt voegzaam» ?) Zult gij verschrikkelijk veranderd zijn als men u terugziet ? Er is een fransch spreekwoord, dat zegt «dat de jaren van vreugde dubbel tellen.» De dagen van ennui tellen zeker voor jaren en geven ons grijze haren vóór wij vijf en twintig zijn. Maar gij weet dat ik geen medelijden met u hebben kan. Gij stondt er op een engelsch meisje te trouwen, omdat zij er lief uitzag, terwijl zij haar thee zat te
â 71 â
lepperen. Ik vertelde u reeds van te voren dat gij ongelukkig met haar zoudt zijn, wanneer gij eenmaal met haar op het land zoudt opgesloten zitten. Die geschiedenis met Toniello is verrukkelijk. Wat een volk! â om hem in de gevangenis te zetten
O O
voor zulk een klein beetje chiasso! 1 Gij hadt nooit zijn schitterende oogen en mandoline naar dat ellendige en natte land van zwaarhoofden mede moeten nemen. Wat zullen zij met hem doen? En wat doet gij zonder hem? Het weer is hier overheerlijk. Er zijn massa\'s bekenden. Elet is waarlijk erg pleizierig. Ik dans iederen avond â en daarna spelen -wij gewoonlijk baccarat of roulette. Iedereen heeft pret. Wij spreken dikwijls over u, en zeggen het «De Profundis» voor u op, mijn arme Piero. Waarom liet uw wreed noodlot u eene Sainte \'Nitouche zien, thee drinkende onder een lindeboom ? Ik denk dat Sainte Nitouche het niet zou willen toestaan: anders, waarom niet het vochtig groen van uw huwelijks-gevangenis verwisseld tegen de Rnc des Planches en het Casino?»
1
leven, getier.
Fan Prins di San Zeiwne, Coombe Bysset, aan de Hertogin deW Aquila Fnlva, Trouville.
«Carissima mia! â
«Ik heb er den brand ingestoken! Ik heb ronduit verklaard dat ik zal omkomen louter tengevolge van krachteloosheid en uitputting, als ik niet uit dezen waterigen dampkring en groenende Bastille ga. De uitwerking van deze verklaring was voor het oogen-blik zooals ik die gehoopt had, inderdaad gehoopt had: zij was nl. op het punt driftig te worden. Het zou zoo opfrisschend zijn geweest. Na zes en twintig dagen van stomme berusting en stille tranen, zou het bepaald verrukkelijk zijn geweest een storm te hebben. Maar neen! Een oogenblik zag zij mij aan met onuitsprekelijk verwijt; in het volgende vulden zich hare duivenoogen met tranen, zij zuchtte, zij verliet de kamer! Zegt men niet dat veêren bedden een verwonderlijke bescherming tegen kogels
aanbieden? Ik gevoel mij als de kogel die tegen het veeren bed is afgeschoten. Het bed is overwinnaar. Ik zie de Rue des Planches door de waterachtige atmospheer hier; het Casino schijnt mij toe te lachen aan het einde der eindelooze lindenlaan, die een van de voornaamste schoonheden van deze plaats uitmaakt; maar helaas! zij zijn beiden even veraf alsof Trouville op de maan was. Wat zouden zij mij kunnen doen indien ik alleen kwam? Weet gij het! Ik heb er niet het verst verwijderde denkbeeld van, maar ik verbeeld mij iets verschrikkelijks! Zij zouden hunne koffiehuizen en hunne danszalen met geweld sluiten. Misschien brachten zij mij achter het slot. In Engeland verkeert men in het vaste geloof dat men deugd bij Parlements-acte in het leven kan roepen. Bij mijzelven wekt deze gedwongen deugd zulk een afkeer dat ik zal lirer sur Ie mors en binnen korten tijd zal ontvluchten. De voortreffelijkheid van dit schoone landgoed, die algemeen bewonderd wordt, bestaat hierin dat het door een muur beschut wordt. Ik gevoel dat ik daarover heen zal moeten springen. Versta mij niet verkeerd, cara mia Teresina, ik houd buitengewoon, veel van mijne vrouw. Ik vind haar zeer beminnelijk en eenvoudig, een heilige en in waarheid eene vrouw. Zij is ongemeen lief en geheel vrij van ijdelheid; en ik ben er zeker van, zij staat zedelijk onmetelijk hooger dan ik en misschien
â 74 â
verstandelijk ook. Maar aan het huwelijk is altijd zulk een lange en droefgeestige «maar» verbonden â zi] vermaakt mij niet in het minst. Zij is altijd dezelfde. Zij ergert zich bijna over iedere natuurlijke of grappige zaak. Zij vindt mij verwijfd, omdat ik niet van regen houd. Zij knoopt een monsterige, rechte jas aan, die tegen water bestand is, en gaat uit in een zondvloed. Zij krijgt een kleur als ik beproef haar om de Figaro te laten lachen, en zij gaat de kamer uit als ik van Trouville melding maak. Wat moet ik met zulk een vrouw beginnen? Het is zonder twijfel een bewonderenswaardig type. Wellicht, indien zij mij niet in een buitenplaats in een natte Junimaand had opgesloten, met den thermometer altijd op 59° en den barometer onveranderlijk op het woord «Regenachtig» , zou deze houding a la Heilige Dorothea mij altijd bekoord hebben, en ik er nimmer de eentonigheid van hebben ontdekt. Maar, zooals het nu is â gaap ik tot ik mijn hals verrekt zal hebben. Zij houdt mij al voor een heiden. Ik ben overtuigd dat zij mij binnenkort een woesteling zal vinden. En ik ben geen van beiden. Ik heb er alleen behoefte aan uitgelaten te worden, als de A\'Ogel in zijn kooi. Het is een versleten vergelijking, maar zij is waar.»
Van de hertogin dell\' Aquila Fulva, Roches Noires, Trouville, anu Prins di San Zenone, Coontbc Byiset.
Piero mio!
In het huwelijk heeft het mannetje er altijd behoefte aan uit te vliegen, als het wijfje er de noodzakelijkheid volstrekt niet van inziet; daarom maakt zij de tralies boven zijn hoofd hoe langer hoe dikker en verklaart zij dat niets verrukkelijker kan zijn dan het stokje, waar zij zelf op zit. Kom hier bij ons. Er zijn hier massa\'s vogels, die in hunne kooien behoorden te wezen, maar er niet in zijn en die zich uitsloven pret te hebben quand même. Indien gij Nicoletta maar hadt getrouwd! Zij zou u misschien nu en dan de haren uit het hoofd getrokken, maar u nooit verveeld hebben. Er is slechts één verheven kunst voor een vrouw noodig: er voor te zorgen nimmer een
seccatura te zijn. Een vrouw moge schoon, bewonderenswaardig, een toonbeeld van deugd, een wonder van verstand zijn, maar indien zij een^t-catura is â addio! Daarentegen, al moge zij een eenvoudig en nietig voorkomen hebben, niets om naar te zien, en een waar monster in zonden, dik en klein zijn, indien zij maar uw lompe sekse weet te vermaken, is zij meesteresse van u allen. Het is klaarblijkelijk dat deze groote kunst te Coombe Bys-set niet wordt beoefend.»
Van Prinses di San Zen one, Cooinbe Bysset, aan Lady Gwendolen Chichester, St. Petersburg.
«O, mijn waarde Gwen, â
«Het is al te verschrikkelijk, en ik ben diep ellendig. Ik kan u niet zeggen -wat ik gevoel. Hij is plotseling vast besloten over Parijs naar Trouville te gaan, en het is nu juist zulk verrukkelijk weêr. Het heeft deze week slechts driemaal geregend, en de geheele plaats is letterlijk één prieel van rozen van iedere soort. Hij is sedert de laatste dagen erg rusteloos geweest en ten laatste zeide hij, gisteren na tafel, ronduit genoeg van Coombe te hebben en dat wij ons in de volgende week wel te Homburg of Trouville konden vertopnen. Hij gaf voor behoefte te hebben aan allerlei dingen, die te Parijs en nergens elders kunnen gekocht worden. Parijs â nu wij vandaag juist negen en twintig dagen samen zijn geweest! Parijs â ik weet niet hoe het komt, maar het geeft mij
- 78 -
een gevoel alsof dat het einde van alles zal zijn. Parijs â wij zullen in restaurants dineeren; wij zullen naar theatres gaan ; hij zal naar zijn club gaan, hij behoort tot de «Petit Cercle» en de «Mirliton», wij zullen juist zijn als ieder ander; precies als de honderd en een millioen menschen die altijd te midden van de groote hoop leven. Zijn pasgeboren geluk naar een hotel te moeten overbrengen! Het is even heiligschennend als zijn gebeden op te zeggen boven op een dreg. Voor mij is het allerafschuwe-lijkst! En men zal natuurlijk dadelijk in de «Galig-nani» zetten, dat «de Prins en Prinses San Zenone in het Bristol-Hótel zijn aangekomen.» En dan zullen al de mooie vrouwen, die vroeger met hem trachtten te coquetteeren, lachen en zeggen; «Nu, gij .ziet dat zij hem al verveelt!» Iedereen zal dit zeggen, want zij weten allen dat ik verlangde den ffanschen zomer te Coombe door te brengen.- In-
O O.
dien hij slechts naar zijn eigen land wilde gaan, zou ik geen woord zeggen. Ik verlangde er waarlijk naar zijn familie te zien, zijn paleizen en de ver-â¢wonderlijke parken met hun beelden en wouden van steeneiken, en de tempels die zoo oud zijn als de dagen van Augustus, en de vuurvliegen en de
O O \' D
magnolie-boschjes en de boeren, die altijd zingen. Maar hij wilde er niet heen gaan. Hij zegt dat het een seccalura is. Alles is een seccatura. Hij houdt alleen van plaatsen waar hij de gansche wereld
â 79 â
kan ontmoeten. «Parijs zal ook een woestijn zijn, maar wees niet bang,» voegde hij er zeer onbeschaamd aan toe, «want er zullen nog al de petits theatres en de café-chantants in de open lucht zijn, cn wij kunnen dineeren in het Bois, en roeitochtjes maken , en naar Trouville gaan. Het zal beter zijn dan regen, regen, regen en niets anders om naar te kijken dan de dikke paarden en dikke boomen van uw beminnelijke tante. Ik aanbid paarden, en boomen zijn niet kwaad als zij ver van het huis geplant zijn, maar, beschouwd als eeuwigdurende makkers,kan men te veel van hen hebben.» En ik ben zijnmed-gezel voor eeuwig, maar het schijnt dat ik reeds nu in \'t geheel niet meer in tel ben! Ik heb niet tegengesproken. Ik weet dat dat niet mag. Maar Piero zag dat het mij leed deed en dat maakte hem wrevelig. «.Cara mia», zeide hij, «waarom hebt gij mij vóórdat wij trouwden niet verteld dat liet uwe bedoeling was mij voor altijd in een doos onder natte blaren te begraven, als een roos die naar de markt wordt verzonden? Ik zou dan sre-
O
weten hebben wat mij te wachten stond, en ik houd niets van natte blaren.» Ik kon het niet nalaten hem er aan te herinneren dat hij er altijd 200 naar verlangd had naar Coombe te gaan. Toen lachte hij, maar hij was erg boos bovendien. «Kon ik vertellen, anima mia,» riep hij uit, «dat Coombe in een opeenvolging van lagunen gelegen was,
â 8o â
geen enkelen franschen roman bezit, vijftien mijlen van zijn eigen spoorwegstation af is, en met een bevolking van louter daglooners is gezegend? Welken man heb ik gezien sedert ik hier ben geweest} buiten uw dorpsgeestelijke, die binnensmonds praat, een bril draagt, en mij een traktaatje tegen den Heiligen Vader tracht in de hand te stoppen? In dit land weet men niet wat het is warm te zijn. Gij weet niet wat zonneschijn is. Gij neemt een parapluie meè als gij in het park gaat wandelen. Gii trekt een regenmantel aan om een van koude huiverenden nachtegaal te hooren in een nat vlier-boschje. Ik zeg dat ik genoeg heb van uw land, volkomen genoeg. Gij zijt een engel, maar gi\' kunt mij niet troosten over de verschrikkelijke ledigheid van dit ondragelijk leven, waarin er niets anders op aarde schijnt te doen te zijn dan eten, drinken, slapen, en rijden in een dog-cart.» Dit alles zeide hij in één adem, als het ware in een bliksemstraal. Nu ik het neerschrijf, komt het mij niet zoo erg vreeselijk voor, maar toen hij het met de diepste verachting, met een drift, die te kennen gaf wat er in hem omging, zeide, verzeker ik u dat het verschrikkelijk was. Het openbaarde, evenals de bliksemstraal een kuil aan den dag brengt, hoe ontzettend hij zich moet verveeld hebben gedurende al den tijd dat ik dacht dat hij gelukkig was.»
Van Lady Gwendolen Chichester, St. Petersburg, aan Prinses di San Zcnoiie, Cooinhe Byssel.
«Mannen vervelen zich zeer spoedig, mijn waarde, indien zij in het bezit van eenige hersenen zijn. De domme alleen vervelen zich niet.»
0
â 82 â
Van Prinses di San Zenonc aan Lady Gwendolen Chichester.
«Indien ik aan den inhoud van uw cynischcn brief geloof hechtte, zou ik hem morgen verlaten. Ik zou nooit kunnen leven in een opeenvolging van ontgoochelingen en belcedigingen.»
Van Lady Gwendolen Chichester aan Prinses di San Zenone.
«Waar zijn uwe beginselen? Waar uwe plichten? Mijn lief meisje, gij hebt hem getrouwd; gij moet u aan hem onderwerpen, zooals hij is. Huwelijken zouden geen twee dagen duren indien, enkel omdat de man geeuwde, de vrouw wegliep. Mannen gapen altijd. Tot nu toe schijnen de gebreken van San Zenone in het zeer vergeeflijke feit te bestaan dat hij, Italiaan zijnde, niet opgeruimd blijft onder de bekoorlijkheden van het engelsche herderlijk leven bij regenachtig weder en dat hij, nog jong zijnde, er behoefte aan heeft Parijs terug te zien. Geen van deze gebreken schijnen mij toe onherstelbare misdaden te zi^n. Ga naar Parijs en tracht te gemeten. Alles wel beschouwd, indien zijn profiel zoo schoon is, moet gij u al gelukkig gevoelen met achter in een balgnoir daarnaar te mogen kijken. Ik geef toe dat het niet het hoogste idaal der liefde is
6*
- 84 -
langs dc boulevards in een daument te vliegen, en heerlijke dineetjes te gebruiken in de cafés, en daarna om Judic of Chaumont te lachen; maar L\'amour peut se uicher ergens. En liefde zou er niet erger aan toe zijn wanneer iemands spijsvertering-bestudeerd was door goede koks of zijn mogelijk einiui bezworen werd door goede tooneelspelers. Gij ziet aan u zelve dat groote hartstocht na zekeren tijd begint te geeuwen. Keer terug tot wat gij mijn cynischen brief noemt, en herlees mijne opmerkingen omtrent «de Natuur.» Wat ik zeggen wilde, ik ontken ten sterkste dat zij cynisch zijn. Integendeel, ik prent u geduld, zachtheid van humeur, en onderworpenheid aan de omstandigheden in: drie zeer beminnelijke eigenschappen. Indien ik een cynicus was, zou ik u zeggen dat Trouwen een Vergissing is, en twee kapitale letters zouden nauwelijks deze droefgeestige waarheid genoegzaam kunnen uitdrukken. Maar daar er mannen en vrouwen zijn, en er, zooals ik vroeger opmerkte. Eigendom op de wereld is, heeft men voor de beveiliging van renten en goederen tot nog toe niets beters ontdekt.
O O
Ik durf beweren dat Krapotkine in zijn gevangenis wel iets beters zou kunnen uitdenken, maar zij zijn bang voor hem. Zoo hossebossen wij allen den ouden weg af, met een onbestemd bewustzijn dat wij allen domooren zijn, maar ongenegen een krachtig werkend geneesmiddel in te nemen, dat
- 85 -
ons alleen zou kunnen genezen. Maak eens te^en-
O O
over een rechtsgeleerde de opmerking dat de instelling van het huwelijk een vergissing is, zooals ik dat hier boven heb uiteengezet, en let eens op welk antwoord gij zult krijgen. Hij zal u zeker antwoorden dat er geen andere weg bestaat om den overgang van eigendom veilig te verzekeren. Ik erken dat rijkdom, van dit standpunt uit bekeken, mij eens voor al tot de meest hopelooze radicaal maakt. Bedenk dit alleen, dat wij, indien er geen eigendom bestond, allen zouden dartelen in onze valleien, even vroolijk en vrij als jonge geitjes. Ik zou nu niet verplicht zijn mij op te tuigen en te versieren als een wilde om naar een vervelend Hof-diner te gaan, dat vier uur zal duren, omdat George een «carrière» heeft en meent dat mijn lijden die kan verbeteren. O, gij gelukkig kind, niets ergers te doen te hebben dan door het Bois te vliegen in een milord, en een matelote te verorberen bij het meer met uw Romeo!»
Van Prinses di San Zciwne, Coonihc Bysset, aan Lady Givendolen Chichester, St. Petersburg.
«Wij zullen morgen naar Parijs en Trouville gaan. Ik heb toegegeven, daar gij en mama schenen te denken dat het mijn plicht was het te doen. Maar voor mij is het leven niets meer. Ik zal alle geluk vaarwel zeggen, wanneer de poorten van Coombe Bysset zich achter mij sluiten. Voortaan zullen wij als ieder ander zijn. Echter kunt gij mij nu niet langer verwijten zelfzuchtig te zijn, en hij evenmin. Er is te Trouville een groote vriendin van hem, de hertogin Aquila Fulva. Ik weet dat zij hem zeer dikwijls schrijft. Hij geeft mij nooit haar brieven ter lezing. Ih geloof dat de heus van Trouville baar luerk is. Schrijf mij naar Parijs in het Windsor-Hótel.»
- Sy -
Van Lady Gwendolen Chichester, St. Petersburg aan Prinses di San Zenone, Hotel Windsor, Parijs.
Mijn arm kind!
«Heeft het groen-oogig monster reeds in uw zachtaardig gemoed zijn intrek genomen, omdat hij u de brieven, die voor hem zijn, niet laat zien? Mijn waarde, geen man, die niet een geboren lomperd is, zal de brieven van een vrouw aan zijn eigen vrouw laten zien. Gij wenscht toch zeker dat uw held het A. B. C. der goede manieren kent? Ik ben blij dat gij uwe intrede in de wereld gaat maken; maar indien gij alleen «uit plicht» gaat, ben ik bevreesd dat de uitkomsten niet schitterend zullen zijn. «Plicht» is zulk een erg onaangenaam ding. Het rolt zich altijd als een stekelvarken in elkaar met al zijn stekels naar buiten, eeuwig ronddraaiende op den spil van zelfbewondering. Indien gij naar Trouville, en overal
â 88 â
en elders waar gij moogt komen, gaat en martyr, dan zult gij, mijn waarde, de boosaardige hertogin, zoo zij dat ten minste is, reeds dadelijk een vree-selijk voordeel op u geven. Indien gij denkt stil te moeten wezen, onaangenaam, en gehuld in een zwaarmoedige bespiegeling over eigen verdiensten en ondervonden beleedigingen, laak hem dan niet wanneer hij zijn tijd in het Casino met zijn vriend, of iemand die erger is, doorbrengt. Ik ben er volkomen van overtuigd dat gij denkt onzelfzuchtig te wezen, en gij verbeeldt u het te zijn en al wat dies meer zij: maar in waarheid, zooals ik u vroeger heb medegedeeld, zijt gij slechts een egoist. Gij zoudt liever Piero op doornen bij u houden, dan zien dat hij zich met anderen vermaakt. Nu, dat noem ik ergerlijk zelfzuchtig, en wanneer gij in die stemming naar Trouville gaat, zal hij spoedig wenschen, mijn kind, dat hem nooit de lust bekropen had een Season te Londen te gaan bijwonen. Ik zie u zoo duidelijk voor mij! Te waardig om bits, te be-leedigd om gezellig te wezen, stil, verwijtend, verschrikkelijk!»
Van Lady Mary Bruton Roebes No ires, Trou-ville, aan Mrs. d\'Arcy, Britsche Ambassade, Berlijn.
15 Juli.
«......Onder de nieuw aangekome ncn
behooren hier de San Zenone\'s. Gij herinnert u dat ik u hun huwelijk voor een week of zes mededeelde. Het was het huwelijk van de «Season.» Zij hielden dol van elkaar, maar die malle maand buiten doorgebracht heeft haar gewone uitwerking gedaan. In een regenachtige Junimaand, bovendien! Natuurlijk zou iedere arme Amorino uit zijn gevangenschap beklonterd, druipende en onttooverd te voorschijn komen. Zij is waarlijk heel lief, heel beminnelijk inderdaad; maar zij kijkt verdrietig en vervelend; haar aardige echtgenoot is zoo vroolijk als een leeuwerik, die op een morgen het deurtje van zijn kooi open heeft gevonden. Er is hier een groote
vriendin van hem, een hertogin dell\'AquillaFulva. De^e is ook zeer vroolijk; zij is altijd uitmuntend gekleed , en babbelt van den morgen tot den avond in schel Italiaansch of vloeiend Fransch. Zij is de kleine beer waarop alle oogen zich richten, als zij uit gaat om te zwemmen in een rosekleurig maillot, met een oostersch boernoe van oranje en goud op schilderachtige wijze om zich heen geworpen; zij heeft die verwonderlijke Venetiaansche gelaatskleur, die een kleuren-contrast en kleurengloed kan verdragen, welke iedere andere vrouw eenvoudig zou dooden. Zij is zeer groot, en prachtig gebouwd en toch ongemeen bevallig. Gisteren werd zij er toe overgehaald een sallcrello met San Zenone in het Maison Persave te dansen: het was verrukkelijk. Zij zijn beide zulke knappe men-schen en zij zette aan de zaak zulk een eigenaardig brio, zooals zij het zouden noemen, bij. De arme kleine, lieve Prinses, die er even mooi en even vervelend als een primula veris in een regenbui uitzag, zat er droevig naar te kijken. Dom klein ding! alsof dat haar eenig goed zou kunnen doen! Eenige dagen geleden kwam Lord Hampshire hierheen in een jacht. Hij was bij de salterello tegenwoordig , en ik zag hem daarna met de verwaarloosde buiten in het park in den maneschijn zitten; ik vermoed dat hij haar sympathie en troost aanbood. Hij is een domme, jonge kerel met een uit-
stekend goed humeur, en zeer goedhartig. Hij zou te Coombe in de natte Junimaand in den zevenden hemel zijn geweest â maar zij wees hem af, onnoozel klein ding! Ik leg geheel met haar overhoop; zij heeft haar eigen weg willen gaan en zij heeft er zich niet uit weten te redden. Ik ontmoette haar en haar afgewezen minnaar, toen zij dezen morgen te zanien naar Villerville reden, terwijl de schoone prins met zijn Venetiaansche vriendin in het water rondplaste. Ik zie heel wat stribbe-lingen tegemoet. Welnu, zij zullen allen de schuld zijn van die regenachtige Junimaand.»
Bij de Uitgevers dexes is van dezelfde Schrijfster mede verschenen;
JpRÃMSES jfi^FRAXlME. 3 deelen .... Prijs Æ 7.50.
WANDA.
3 deelen.....Prijs Æ8.50.
2 deelen.....Prijs Æ 5.90.
EEN DORPSGEMEENTE.
2 deelen.....Prijs Æ 3.90.
Uitverkocht. Een goedkoope druk is ter perse.
BIMBI.
MTELLMEN YOOR SMOTE EN KLEINE MENSCHEN.
Prijs ingenaaid Æ 1.90.
Geb. in keurigen band Æ 2.40.
r. S//f