-ocr page 1-

GODSDIENSTIGE POËZIE

H. W. T. T Y D E MAN,

Predikant te Rozendaal.

ARNHEM

Y B E Y B E S.

pr^r-quot;

Prijs ƒ1.25. Bij tientallen 4 ƒ 1.— In prachtbandje ƒ 1.75.

-ocr page 2-

Z. oct.

i é 9 ó

-ocr page 3-

f. ^njo

IET HART OMHOOG!

A R X H E M

Y B E Y B E S.

GODSDIENSTIGE POËZIE

VAN

H. W. T. TYDEMAN,

Predikant te Rozendaal.

-ocr page 4-

TYP. A. GEURTS, NIJMEGEN.

-ocr page 5-

INHOUD.

Bladz.

Bladz.

Aan God......

124

Het Aardsche leven .

. .129

Gerustheid van gemoed .

. 128

Het Allerbeste .

16

Het geweten.....

. 108

Avond en morgen . .

. 183

Gewogen.......

. 122

Bede.....

6S

Eene Gezonde ziel in een gezond

Bede tot God ....

21, 148

lichaam......

. 139

Berusting in Gods bestuur

12

God en mensch ....

. 144

De Beste keuze . .

56

God en \'s menschen oordeel

. 91

De Beste wetenschap

. 24

God in ons......

• 2, 44

Bij God......

25 42

Het Godsbegrip ...

. 62

Bij Jezus\' graf

149

Godsdienst.....86,

59, 99

Bron van kracht .

52

De Godsdienst der toekomst

. 111

Christen.....

. 15

De Godsdienst een kracht.

. 18

Christendom

55

Godsdienst en zedelijkheid.

. 155

De Christenkerk .

. 26

Het Godsdienstig-zedeliik leven 105

Christenplicht .

47

Godsdienstig zijn .

145

Het Christen zijn

. 181

Godsdienstzin.....

. 19

Christenzin ....

1 1

Gods eeuwige liefde .

125

Dank aan God .

. 76

Gods gemeenschap

. 185

Dankbaar en voldaan

82

Gods hulp......

64

Danklied......

8

Gods liefde......

50

Door God gesteund

. 71

Gods openbaring

. 19

De Drang naar heiligheid

8

Het Godsrijk.....

• 27

Echte godsdienst . . .

65

Gods trouw......

. 70

Een met God ....

. 3S

Het Godsvertrouwen .

82, 120

Eens.......

66 Godsvrucht . . .

Eenswillendheid met God

9

Gods wijsheid . ...

. 84

De Eeuwige God .

8S

God zien. . ...

. 69

De Eeuwige godsdienst .

4

Hallelujah......

. 52

Elk het zijne ....

121

Het Hart omhoog! .

1

Ervaring ....

. 127

„Hebt goeden moed!quot; .

. 104

Gaven Gods .

. 188

Heilige geest.....

. 34

Gebed.......

10

Heiligmaking de weg tot hei

Het Gebed ...

62

ligheid ......

. 139

De Geestelijke strijd

. 106

Help u zeiven.....

. 153

Geheimenis.....

94

De Hoogste wet ....

. 154

Geloof. Hoop. Liefde .

. 24

Houd moed! *.....

. 68

Geloofsgetuigenis .

16

IJdele godsdienst ....

. 136

Geloofsvertrouwen

60

In God ........

. 25

Geluk.......

116

In goede handen ....

. 83

Gemeenschap met God .

75

. 48

-ocr page 6-

INHOUD.

ic

Bladz.

Bladz.

Jezus\' geest ....

. 29

Rust in God.....

21

Jezus\' leerling.....

22

Rust na twijfel ....

98

Jezus, \'s menschen ideaal .

59

Stil gebed......

8, 91

Jezus na! ......

44

Stil tegenover God . . .

57

Jezus spreekt .....

80

Stil voor God.....

93

Jezus\' woord ....

70

Toekomst......

88

Jezus de Zaligmaker. . .

20

Tot God.......

36

Jezus zien......

23

Troost .......

29

Kennis en vroomheid

128 Trots........

17

„Kome uw Koningrijk 1quot;

39 De üitverkoorne ....

58

Het Kruis......

96

De Uitverkorenen

67

Kruisen . .

. 115

Van God geleerde . .

28

Kwaad!.......

47

Veilig!.......

41

Leef! ....

14

Verheffend geloof ....

30

Leefregel. ......

154

Vertrouw!......

2

\'s Levens ideaal . . ..

. 107

Vertrouwen......

152

Levensles ......

. 92

Voor en tegen .....

143

Levensmoed ...

87

Voor- en tegenspoed . . .

45

Liefde best......

57

De Voorzienigheid.

71

Liefde om liefde . . . .

Vreemde godsdienst . . .

102

De Liefde tot God is een bron

Vreemde en eigen deugd .

134

en een kracht . . . .

. 79

Vrede en rust .....

38

Lijden ....

51

De Vrede Gods ....

72

Loof den Heer! . . . .

81

De Waarheid.....

147

Looft den Schepper .

23

Waarheid en vrijheid . .

130

Meer licht.....

89

Waar is het Christendom?

77

De Mensch.....

61

Waarom? . . . . .

18

Menschen waarde .

. 151

Het Ware goed ....

140

Het Messiasrijk

37

Wat godsdienst is? . . .

53

De Morgen . .

22

Wat het grootste is . . .

134

Natuur . .

. 100

Wat het ware Christendom is 43

Niet klagen ...

. 118

Wat is het ware Christendom

85

Nooit getwijfeld!-

. 103

„Weest volmaakt!quot; . . .

46

Nuttig zijn.....

136

Wees u zelf!.....

137

Onafscheidbaar.

17

Wees verdraagzaam .

140

Onderworpenheid aan God

35

De Wereldregeering . . .

117

De Ondoorgrondelijke .

. 90

Weten en gelooven

155

Onrein en rein van hart

. 141

Wie weet wat ons het beste is

61

Ons mensch zijn .

. 109

Wij hebben goeden moed .

74

Het Onvatbare.

97

De Wijsgeer een geloov.ge.

114

Onvergankelijke schatten

. 86

Zedelijke vrijheid ....

142

Onze roeping ....

26, 156

Zedelijk leven.....

127

Het „Onze Vaderquot;

. 31

De Zegen der smart.

101

Op God wachten .

17, 66

40 112

De Raadselen van het Godsbestuur 5

1 Zwakheid en sterkte. . .

-ocr page 7-

HET HART OMHOOG!

1

JlS et hart omhoos! — Zoek in de wereld niet Den vrede die u noodig is voor t leven; j(V Neen! Die alleen het Leven u kan geven, f Al is het ook dat gij volop geniet!

^ Het hart omhoog! — Deze Aarde gaat voorbij, Met al haar lust, haar schoonheid en haar schatten : God riep n op om \'t eeuwige te omvatten,

Zoudt gij vergaan in aardsche slavernij ?

Het hart omhoog! De wereld, met haar smart,

Haar goed en kwaad, haar blijdschap en haar lijden, Is niet in staat altoos u te verblijden;

Die bouwt op haar, dien maakt zij \'t leven hard!

Het hart omhoog! — kies, kies het goede deel, Dat niet vergaat als niets u meer kan baten; Dat zelfs de Dood uw eigendom moet laten,

Als hij u roept van \'t aardsche schouwtooneel.

Het hart omhoog! — De blijdste kinderzin Zal uw gemoed versterken en bezielen;

Wanneer God u ootmoedig neer ziet knielen, Tot wien Hij daaglijks fluistert: »Mij bemin!quot;

1

-ocr page 8-

2

GOD IN ONS.

T)e Godheid buiten mij tracht ik vergeefs te kennen,

\'k Denk mijn gedachte stomp op \'t geen zij is en doet: quot;k Zie wond\'ren van gena, barmhartigheid en liefde,

\'k Zie ook bezoekingen waarbij mij \'t harte bloedt.

Neen! \'k ken de Godheid niet! Ze ontdekt mij niet haar raad

\'t Is dwaas dat ik \'t begeer: Ze is mij te groot te hoog: Kan wel een worm der aard \'t geheim der sterren weten Die wandlen aan des hemels boog\'?

Nog grooter is \'t verschil dat mij van God blijft scheiden ,

Al smacht verstand en hart den Eeuw\'ge te verstaan,

Ik zie zijn grootheid, macht, zijn wijsheid in zijn werken.

Maar duizlend blijf ik stil bij zijn geheimen staan. De Godheid buiten mij, neen, zal ik nooit doorvorschen!

De wijsten dezer aard beproefden \'t vruchteloos.

De\' Godheid in mij kan \'k vollediger bevatten,

Die mij voor \'t ware en goede koos.

VEEÏEOUW!

«Vertrouw op God en doe het goede!quot;

Bouw gij gerust op \'s Vaders hoede.

Wacht met een stil gemoed, wat zijne wijsheid kiest. Wees kloek en ijvrig in uw pogen,

Gods goedheid, neen! zal niet gedoogen Dat gij u zelf om Hem verliest.

-ocr page 9-

3

DANKLIED.

Onze Vader in den hemel!

Lof en dank zij II gebracht Voor de duizend zegeningen,

Die gij mij hebt toegedacht.

Immers, van mijn vroegste jaren,

Tot op dezen zelfden stond,

Mocht ik uwe gunst ervaren:

\'k Prijs U Heer met hart en mond.

Zeker! mij trof ook wol lijden,

\'k Heb mijn kruis ook wel gehad, Zorgen, angsten en verliezen

Maakten soms mijn wangen nat; Maar uw liefde bleef mij leiden.

Mijn geloof in U hield stand. En mijn hoop, die Gij vervulde. Steunde me als uw rechterhand.

Ja, ik loof U God en Vader!

\'k Roem uw goedheid en uw trouw, Hoe ondankbaar zou ik wezen Als ik ze ooit vergeten zou!

Maar ik zal ze blij gedenken,

En, treft mij weêr eenig kwaad, \'k Zal gelooven, als te voren;

\'t Is een Vader die mij slaat!

-ocr page 10-

4

DE EEUWIGE GODSDIENST.

De Godsdienst sterft niet, maar de vorm

Waarin hij zich liet kennen. Dit denkbeeld zij nog velen vreemd,

Toch moet men er aan wennen.

Die \'t heiige eert en liefde kweekt. En in wiens hart het goede spreekt, Zal dit als waar erkennen.

Als in den herfst quot;t gebladert valt.

De stormen takken rooven,

Of als de ijsbre winterkou

Het leven schijnt te dooven.

Dan blijft het leven toch bewaard; En Lentes adem roept uit de aard Weer bloem en blad naar boven.

Zóó gaat, ja, zoo vergaat het kleed,-

Maar \'t leven zal niet sterven;

Natuur wil slechts een nieuw gewaad

Voor \'t oude zich verwerven. Zóó wisselt ook de godsdienstvorm,

Maar zomergloed noch winterstorm Doet hem het leven derven!

-ocr page 11-

O

DE RAADSELEN VAN HET GODSBESTUUR.

Het is om krank van zin te worden,

Als men de gruw\'len gadeslaat,

Die, op deze aard die wij bewonen,

Zich dikwijls aan ons oog vertoonen,

En waarvan \'t harte schreit: ))\'t is kwaad!quot;

Er is een Macht die, wijs en heilig.

Alleen het goede willen kan:

Die, groot, oneindig en vol liefde, Uit willekeur geen mensch ooit griefde. En handelt naar een eeuwig plan.

Er is eene oorzaak aller dingen,

Die \'t Leven is en \'t leven schept ; Een Godheid, die wij zien en voelen, Van wier rechtvaardig, rein bedoelen. De gansche schepping dankend rept.

Die zien wij, ja, met eigen oogen,

In \'t kleinste bloempje aan onzen voet: Wij zien haar in den loop der zonnen. Die slechts door God haar loop begonnen: Het predikt alles: «God is goed!quot;

En \'t lied dat het Heelal laat hoqren, Weerklinkt ook telkens in ons hart: Wij, rijk belaan met zegeningen, Hoe zouden wij Gods lof niet zingen,

Zoo \'t hart niet in ons is verhard?

-ocr page 12-

ö

Wij voelen, ja! des Heeren Lieffle,

Zijn goedheid en barmhai\'tigheên, Langmoedig in Hij en vergevend,

Was ons gemoed ook vaak weerstrevend, Onttrekt Hij ons zijn hart? — O, Neen!

Hij overlaadt ons, telken stonde,

Met zijn ontferming en zijn trouw; Hij, goedertieren, mild in zegen,

Komt immer met zijn gunst ons tegen. Opdat men Hem slechts danken zou!

En toch! Hoe kan het mooglijk wezen ?

Zijn wij door raadselen omringd! Wij zien ellenden. nooden, plagen,

En de arme mensch kan niet dan klagen, Daar niets de duisternis verdringt!

Soms schijnt Het Kwade te regeeren!

En \'t is, alsof Gods oog zich sluit; Ja, of de mensch, door Hem verstooten, \' Niet meer hoort tot zijn gunstgenooten, En aan het Toeval viel ten buit!

Wie schetst des óorlogs geeselroede\'/

De macht van cholera en pest .\' Den storm, die bergen doet bezwijken? De vraatzucht die de zee laat blijken.\' Den honger die de dood slechts mest?

Wie tolt de tranen, die daar vloeien.

De zuchten in één uur geslaakt?

Waar is hij, die zich kan beroemen, De reden van al \'t kwaad te noemen. Dat hier den mensch ellendig maakt?

-ocr page 13-

I

O! Alles toont, \'t is hier op Aarde Het Vaderland der rust nog niet! \'t Is hier een strijd op dood en leven, En slechts de ontwikkeling kan geven, \'t Geen men vermoedt in \'t ver verschiet.

Maar, altoos gaat de menschheid verder,

En nadert immer meer het doel.

Al zien we ook nog het vleesch begeeren Het geestelijke te overheeren.

Toch blijkt het ijdel, dat gewoel

God vormt den mensch door strijd en lijden.

En brengt hem door zichzelv\' vooruit: Moet hij zich dikwerf nog vergissen. Als dolende in gehéimenissen,

Toch wordt de ontwik\'ling niet gestuit!

De ééne eeuw moet de and\'re leeren,

De waarheid eindlijk overwint; Het Kwaad, de bron van duizend rampen, Zal \'t goede niet altoos bekampen. De menschheid wordt eens Godgezind!

Die God, die \'t harte schiep der Moeder,

Verraadt zijn menschenkind\'ren niet. Hij, machtig, liefdrijk, vol ontferming, Verleent aan ieder zijn bescherming. Wat wonderlijks er ook geschiedt.

En wond\'re dingen zien onze oogon I\'

Ja: wreedheên, daar het hart bij krimpt, Het recht verkracht, de deugd gelasterd, Het goede telkens weêr verbasterd, Een donker, waar geen vonkje glimt!

-ocr page 14-

Het zij zoo! — Kunt gij niet begrijpen

Xocli de oorzaak,\'noch ook het waarom? Dat we ons verstand niet overschatten! Wij hebben God niet te bevatten.

Dit past zelfs niet aan \'t Englendom.

Blijf stil gelooven: God is Liefde !

Al antwoordt Hij niet van zijn daan. Hij, d\'Eenwge. Goede, de Volmaakte, Die nimmer nog zichzelv\' verzaakte,

Is wijzer dan gij kunt verstaan.

Buk voor zijn raad, met stil vertrouwen;

Hoop op den Heer, want Hij is goed! Licht dat gij eenmaal zult aanschouwen, Dat niets u dieper moet berouwen , Dan ongeloof en overmoed!

DE DEANG NAAR HEILIGHEID.

De drang naar heiligheid die quot;k in mijzelf ontwaar, Is mij tot onderpand van mijn waarachtig leven: Hij is het beste doel waarnaar ik hier kan streven \'k Ben veilig dan in \'t grootst gevaar.

Is hij het ideaal waarop ik immer staar.

God heeft zichzelven dan mij in het hart gegeven Dan staat zijn heil\'ge wet in mijne ziel geschreven En ik word steeds zijn gunst gewaar.

-ocr page 15-

9

EENSWILLENDHEID MET GOD.

Keen! Trouwe God, Gij slaapt niet! neen!

Gij sluimert nimmermeer!

En dat Ge ook in ons harte spreekt,

Is onze grootste eer!

Wij voelen Vader! dat Gij leeft;

Dat Ge in en met ons zijt;

En wat ons ooit op aard verheugt,

Dit maakt ons \'t meest verblijd.

\'t Geloof, door U in \'t hart gewekt,

Stort liefde in onze ziel;

Die kracht vermeesterde ons gemoed.

Toen \'t ons zoo bange viel.

Hoe zalig zijn wij, groote God!

Dat uw zoo heilig woord Een weerklank vindt ook in ons hart,

En dat het ons bekoort.

Wij geven antwoord op uw stem.

En bidden: «Zegen, Heer!

»Ons pogen; en verrijk Gij zelf »jVIet heil\'gen ernst ons meer!quot;

Zoo zij de levensvreugd ons deel,

Met blijden levensmoed:

En wat Ge uw kindren ook ontneemt,

Zij houden \'t hoogste goed.

(Naar VAN LOENEN MARTINET).

-ocr page 16-

8

Het, zij zoo! — Kunt gij niet begrijpen

Xoch de oorzaak. \'noch ook het waarom? Dat we ons verstand niet overschatten ! Wij hebben God niet te bevatten,

Dit past zelfs niet aan \'t Englendom.

Blijf stil gelooven: God is Liefde !

Al antwoordt Hij niet van zijn daan. Hij. d\'Eenwge, Goede, de Volmaakte, Die nimmer nog zichzelv\' verzaakte,

Is wijzer dan gij kunt verstaan.

Buk voor zijn raad, met stil vertrouwen;

Hoop op den Heer, want Hij is goed! Licht dat gij eenmaal zult aanschouwen, Dat niets u dieper moet berouwen , Dan ongeloof en overmoed!

DE DRANG NAAR HEILIGHEID.

De drang naar heiligheid die \'k in mijzelf ontwaar, Is mij tot onderpand van mijn waarachtig leven; Hij is het beste doel waarnaar ik hier kan streven, \'k Ben veilig dan in \'t grootst gevaar.

Is hij het ideaal waarop ik immer staar,

God heeft zichzelven dan mij in het hart gegeven! Dan staat zij11 heil\'ge wet in mijne ziel geschreven, En ik word steeds zijn gunst gewaar.

-ocr page 17-

9

EBNSWILLENDHEID MET GOD.

Neen! Trouwe God, Gij slaapt niet! neen!

Gij sluimert nimmermeer!

En dat Ge ook in ons harte spreekt,

Is onze grootste eer!

Wij voelen Vader! dat Gij leeft;

Dat Ge in en met ons zijt ;

En wat ons ooit op aard verheugt,

Dit maakt ons \'t meest verblijd.

\'t Geloof, door U in \'t hart gewekt,

Stort liefde in onze ziel:

Die kracht vermeesterde ons gemoed,

Toen \'t ons zoo bange viel.

Hoe zalig zijn wij, groote God!

Dat uw zoo heilig- woord Een weerklank vindt ook in ons hart,

En dat het ons bekoort.

Wij geven antwoord op uw stem,

En bidden: «Zegen, Heer!

))0ns pogen; en verrijk Gij zelf »Met heil\'gen ernst ons meer!quot;

Zoo zij de levensvreugd ons deel.

Met blijden levensmoed;

En wat Ge uw kindren ook ontneemt ,

Zij houden \'t hoogste goed.

(Niiar VAX LOENEN MARTINET).

-ocr page 18-

10

GEBED.

Leer mij, \'t goede doen uit liefde Tot het goede, o Heilig God!

Wat mij dan op aard ook griefde,

Zalig was nochtans mijn lot.

Niet door loonzucht aangetrokken,

Maar slechts door de deugd bekoord.

Zal het kwaad mij niet verlokken.

Maar ga \'k op uw paden voort.

Staat uw wet me in \'t hart geschreven, Hoor ik naar \'t geweten trouw,

Hoe gerust is dan mijn leven: Dan kwelt mij geen naberouw.

Trouw aan plicht en roeping beide, En gesteund door uwe hand,

Zult Gij, Vader! mij geleiden Naar mijn hemelsch Vaderland.

En moet ik ook tranen storten. Als verlies en smart mij treft,

Uwe gunst zal \'t leed verkorten,

Meer dan ooit mijn hart beseft !

-ocr page 19-

11

CHRISTENZIN.

Reine zin en heil\'ge geest Maken mij tot Christen.

Niet een leer, waarover men

V oor en na kan twisten! Dankend, stil mijn weg te gaan,

Voor mijn plicht te leven, And\'ren helpen waar ik kan,

Naar het goede streven:

Hopend opzien naar mijn God, Vroom op Hem vertrouwen. Dit doet, met een blij gemoed, Me op de toekomst bonwen!

Zóó is Jezus voorgegaan,

\'k Wil hem rustig volgen,

Dreigen mij de baren ook

Woedende verbolgen :

\'k Weet het toch: «Mijn Vader leeft

Wat zou mij dan deren.

Wil Hij mij door tegenspoed

Niet het hoogste leeren ?

Acht ik soms mijn werk mislukt,

\'k Zal niet hooploos klagen: \'t Zaad door mij hier uitgestrooid. Zal toch vruchten dragen.

-ocr page 20-

12

BERUSTING IN GODS BESTUUR.

Heer! Wat Gij geeft of wat gij neemt,

Gij doet het al uit liefde!

Dat ongeloof in uwe trouw Mi lar nooit uw harte griefde!

Geen Moeder die haar kind vergeet ,

Dat angstvol ligt te kermen;

En kon zij \'t ook! Gij toch o Heer!

Zoudt eeuwig U ontfermen!

Ja. Gij, Die louter goedheid zijt.

De Liefde en Almacht tevens,

Gij zijt de rots op wien ik bouw;

De rust en troost mijns levens.

Dat niets, noch rouw, noch smart, o Heer

Aan U mij ontrouw make:

Ik zie dan zelfs den marteldood, Kloekmoedig! mij genaken.

Ik weet: Mijn Vader heeft mij lief,

Hij heeft geen lust in plagen.

Maar \'t kruis, door liefde me opgelegd, Dat helpt Hij zelf mij dragen.

In dat vertrouwen sta ik Heer!

Dat niets \'t mij ooit ontroove!

Geen schat ter wereld is zoo groot; Dat steeds mijn ziel U love!

-ocr page 21-

13

DE GODSDIENST E£N KEACHÏ.

De Godsdienst is een kracht die dringt tot alle deugden.

Hij adelt eiken mensch, al geeft hij roem noch eer.

Er is geen hooger heil, dat ooit den mensch verheugde;

Door hem ook vindt hij zelfs, verloren zielrust weer!

Waarom hem dan veracht, dien grootsten schat in \'t leven?

Waarom hem soms bespot, als niet voor onzen tijd?

Omdat godsdienstigen niet immer vlekloos bleven ?

Omdat zij vielen soms in \'s levens -worstelstrijd?

O zeker! heilig, neen! is hier geen mensch op aarde!

Die \'t innigst God bemint, voelt zich het meest beschaamd Maar toch heeft hij een oog voor \'s menschen hooge waarde. En toont dat zeedlijkheid en godsvrucht hem betaamt.

Eu dat betaamt ook u, al wilt gij \'t niet erkennen!

\'t Is ook uw heiige plicht, dat gü steeds beter wordt. En zijt gij ook op weg, aan \'t goede u te ontwennen. Herinner u dat gij u zoo in \'t onheil stort!

Keen zeg niet: » Huichlarij is dat godsdienstig wezen!quot;

Gij weet wel beter, Vriend\' en meent niet wat gij zegt. Laat ge u van werelddienst en schijngenot genezen,

Dan voelt gij u op nieuw aan godsdienstzin gehecht.

\'t Gaat ii te goed mijn Vriend! gij hebt te weinig zorgen!

Of wel; gij gaat geheel in stofvergoding op!

t Waarachtige geluk is voor uw oog verborgen;

gij geheel verdoofd voor den gewetensklop ?

-ocr page 22-

14

O! Luister naar de stem die God ook u laat hoeren: »De godsdienst is een bron van eindeloos geneucht. «Gij wordt weer vol van moed, weêr vroolijk als te voren, oAls gij door heil\'gen geest wordt wederom geboren.

En als godsdienstigheid uw hart op nieuw verheugt!quot;

L KEF!

Is het leven de moeite van \'t leven wel waard Och, wat is er een strijd en een lijden!

Want gewis, neen, daar blijft hier geen hart onbezwaard ,

En hoe weinigen zijn ze, op deez\' kommervolle aard, Die van harte zich kunnen verblijden.

Wel terecht schreit het kind, als \'t het levenslicht ziet, Of\' \'t reeds wist dat hem smart staat te wachten !

Begrijpt het, wat later het hart ook geniet,

Het meest is toch jammer, ellende en verdriet,

Waar is zalf om de wond te verzachten?

Hier is honger, of zorg voor het dagelijksch brood.

En het werken een sloven en slaven!

Daar, teleurstelling heerscht er, de hoop zelve vlood!

Of een pijnelijk lichaam, of een droefheid zóó groot Dat Geloof zelfs ontzinkt aan den brave.

Hier is krankheid van zin, of bekrompen verstand, Of verblindheid door niets te verlichten.

Daar, vooroordeel, met domheid altoos hand aan hand,

Ontevredenheid ook met verdienste of met stand.

En — wie blijft er getrouw aan zijn plichten?

-ocr page 23-

15

ïooh is \'t leven de moeite van \'t leven wel waard.

Heeft men Godsdienst met liefde en vertrouwen! Leeft men niet voor zichzelv\', door de zonde bezwaard, Weet men steeds zich (iods kind door den Vader bewaard , 0, ons werk zal ons nimmer berouwen!

Blijft ontwik\'ling, vooruitgang, de leus van ons hart,

Neen, wij zullen niet vruchteloos zaaien:

Als de kracht van ons leven gestaald wordt door smart, Blijft de hoop ons nabij, hoe het lot ons ook tart.

Dat de menschheid de vrucht eens zal maaien.

CHEISÏEN.

Als ik geloof in Gods genade.

Als Jezus is mijn Heer en Vriend, Als ik Gods liefde mag ervaren

Meer dan ik immer heb verdiend: Als mij Gods Geest het harte heiligt,

En \'k dankbaar ben bij vreugde en pijn. Als \'k \'s Vaders wil den mijne noeme, Is \'t licht een Christen hier te zijn.

(Naar \'t Hoogduitsch) _

-ocr page 24-

16

HET ALLERBESTE.

Wanneer de Geest der aarheid

Den mensch geheel verlicht, Dan ziet hij eerst met klaarheid

Wat leven is en plicht.

Maak u dien geest dan eigen!

Hij is het hoogste goed;

Geen schat kunt gij verkrijgen

Die u meer juichen doet. Hij doet u zelv\' u kennen

In al uw goed en kwaad, En aan Gods wegen wennen, Schoon gij ze niet verstaat. Hij schept in \'t harte vrede.

Geloof en liefde en rust; Gij gaat uw weg tevreden.

Van Gods gena bewust. Zoo zult ge \'t zout ook wezen

Hetgeen bederving weert. En wordt van God geprezen. Die zelf n heeft geleerd.

GELOOFSGETUIGENIS.

Hij die in God gelooft, bewandelt ook zijn wegen: En dit met lust te doen acht hii Gods grootste zegen. Hij stelt daarin zijn plicht, zijn voorrecht en zijn eer. En weet een vriend zich van den Heer!

-ocr page 25-

17

T E O ï S.

Houdt u te trotscli, Gij kind\'ren Gods, Om \'t zonde-juk te dragen! AVie \'t ook vergeet Toont dat gij weet:

Naar deugd te moeten jagen!

ONAFSCHEIDBAAR.

Of zeedlijkheid wel godsdienst is ?

Dat zou ik zoo uiet durven zeggen!

Maar houdt dit in gedachtenis;

))Geen Godsdienst heeft beteekenis,

«Die \'t juk der zeedlijkheid den mensch niet op wil leggen !quot;

OP GOD WACHTEN.

In Gods weg op God te wachten,

Is een plicht en zaligheid.

Die het hoogst geluk bereidt.

Zalig zij die daarnaar trachten:

Schoon zij de aarde ook niet verachten, Boeit hen \'t meest toch de eeuwigheid.

Q

-ocr page 26-

18

STIL «iEBED.

Onze Vader in den hemel!

Gij zijt mij liet hoogste goed.

In der wereld bont gewemel.

Wordt Gij blij door mij geg-roet.

Noch de vreugde dezer aarde,

Xoeh de woeling dezer eeuw,

Zal aan U mij ontrouw maken,

Hindert me ook het marktgeschreeuw

\'kDenk aan U, den God mijns levens, Voor uw stem ben ik niet doof:

Maar geen mensch behoeft te weten Dat ik U in stilte loof.

Dat verzoeking noch verleiding

Me ontrouw maken aan mijn plicht!

Heer! Beveilig Gij mijn harte.

Daar ik zoo gemaklij k zwicht.

W A A R O 31

God weet w a a r o m! En als de Vader \'t weet

Dan zwijgt het kind. Ook onder \'t bitterst leed.

-ocr page 27-

19

GODSDIENSTZIN.

Veel geplaagden door \'t lot,

Hebben vrede in hun Uod,

En veel rijken zijn vaak ontevreden.

Schoon als Vorsten zoo groot,

En niets wetend van nood,

Zoo verwenschen zij vaak toch het Heden.

De Godsdienstige zin Geeft den eersten steeds in,

Te berusten, gelooven en hopen.

Maar de slaven der stof,

Schoon benijd door het Hof.

Willen niet door dien geest zich doen doopen.

Kan het anders wel zijn,

Of zij lijden aan pijn Aan een pjjn die niet is te genezen.

Daar hun harte hen kwelt,

Zijn zij altoos bekneld.

Ook al worden zij luidkeels geprezen!

GODS OPENBARING.

\\ an hoeveel dingen zocht ik vruchteloos verklaring.

Tot mijne smart!

Maar \'t zoeken zelf naar God, dat is Gods openbaring Aan \'t menschen hart.

-ocr page 28-

20

JEZUS, DE ZALIGMAKER.

Keen! Van zelf waart gij niet goed: Gij ook moest het worden!

Dit te weten geeft mij moed Om me ook aan te gorden.

Gij hebt ook geklaagd, gezucht, Gij hebt ook gestreden.

De overwinning düür gekocht, Kreegt gij door gebeden.

Gij, als ieder menschenkind,

Waart vaak in bekoring;

Doch bij U door God bemind!

Bracht ze in \'t hart geen storing.

Maar de kamp van vleesch eu geest Kon niet vreemd U blijven:

Doch gij zijt getrouw geweest, \'t Kwaad kon niet beklijven.

Welk een moed heeft (J bezield! Welk een ernst in \'t leven!

De eenzaamheid zag U geknield, En tot God gedreven.

Onderwerping aan uw God, \'t Luistren naar zijn woorden,

Dit was in uw bitter lot,

Wat U \'t meest bekoorde.

Eén van zin met God geweest Kondt ge U zelv\' verzaken;

Och, of mij uw heil\'ge geest Ook mocht zalig maken!

-ocr page 29-

21

RUST IX GOD.

Geen kwaad kan mij treflen: \'t Komt al van den Heer!

Leg rustig mijn ziele,

Bij God u dan neer!

Hij wil mij geen kwaad doen, Maar doet mij slechts goed:

Ook dan als zijn wijsheid Mij pijnigen moet.

\'k Vertrouw op dien Vader, Die immer mij mint;

En denk aan mijn voorrecht ïe wezen Gods kind!

BEDE TOT GOD.

Verlicht Gijzelt o Heer! mij de oogen mijner ziel!

Wat kan ik zonder U? Maar Gij geeft zelf mij krachten. En \'k wil uw Vadergunst ook kinderlijk verwachten,

Daar \'k voor U nederkniel.

Och! dat uw heilig licht ook mijn gemoed beschijn, Met vollen ernst, o God! en vurig zielsverlangen,

Ontsluit mijn hart zich eensom \'t licht van U te ontvangen: Wat zal dat heerlijk zijn!

(Naar O. W. OPZOOJIER).

-ocr page 30-

JEZUS\' LEERLING.

Zich vormen naar het ideaal

In Jezus ons gegeven,

Dat slechts leidt tot de zegepraal lgt;ie ons is voorgeschreven.

Welzalig die zijn hart en zin

Heett door zijn geest geheiligd; Behoorend tot Gods huisgezin Wordt hij door Dien beveiligd.

Dat vrij de wereld hem misken,

Verachte, hoon en laster;

Hij zegt: «God weet toch wie ik ben: «\'k Houdt mij aan Hem te vaster!quot;

DE MORGEN\'.

Het rijk des vredes en der liefde

Zal komen als de Heer \'t gebiedt.

Licht zal de nacht nog eeuwen duren.

Die mag gelooven wanhoopt niet. Hij ziet de scheemring reeds genaken

Van \'t heilig, godlijk, eeuwig licht; De dag breekt aan: de nacht gaat wijken;

Het rijk der duisternisse zwicht!

Die God verwacht zal niet bezwijken,

Maar hoopt op Hem en doet zijn plicht.

-ocr page 31-

23

JEZUfe ZIEN.

Neen, \'kheb U nooit gezien. U, groote Zoon des menschen

De klank van uwe stem drong nimmer tot mij door;

Maar toch heb ik U lief, ja lief met heel mijn harte, En quot;k dank mijn God daarvoor.

Uw vriendelijke hand wou mij het pad ook wijzen.

Dat voert naar \'t Vaderland, waarnaar mijn ziele smacht \'k Heb vrede in mijn gemoed, en rust bij U gevonden. Al word\' ik ook veracht.

O. deel mij altoos meer van uwen vrede mede!

Dat ik steeds hooger stel het rijk door U gesticht!

\'k Wil even zoo als Gij, ook werken, hopen, strijden;

Wone in mijn hart uw licht!

LOOFÏ DEN SCHEPPER!

Looft den Schepper! onzen Hemel-vader!

Die des gevens nimmer moe,

Door zijn weldaan ons aan zich brengt nader.

Zingt Hem \'t eeuwig danklied toe! Ja o God, LT looft en prijst ons harte. Gij verzacht der zonde bange smarte.

Gij die onzer zonden schuld Ons niet wreed verwijten zult!

-ocr page 32-

24

GELOOF. HOOP. LIEFDE.

Heilig Oeloof in de Almachtige Liefde!

Die zich als Vader den mensch openbaart, Grootste der schatten zijt gij ons op aard!

Heilige Hoop op een zalige toekomst!

Waar alle smart en de dood ook verdwijnt, Hoe loof ik God dat gij mij ook beschijnt!

Heilige Liefde tot God en den naaste!

Band die den Hemel en de Aarde verbindt. Gij maakt mij reeds in dit leven Gods kind!

Heilige Schatten, door God ons gegeven!

Heerscht! en beheerscht toch volkomen deze aard Gij maakt het leven het leven eerst waard!

DE BESTE WETENSCHAP.

Ik weet niet wie de Godheid is.

Maar wel wat steeds mijn plicht hier is,

En dat is mij meer nut!

Als \'k naar zijn stem maar hooren kon, Dan werd hij mij een levensbron, Die nooit werd uitgeput !

-ocr page 33-

25

IN GOD.

Onze Vader in den hemel!

God! Oneindig groot en goed! \'k Breng U lof en dank en eere,

Zoo in vóór- als tegenspoed:

Daar Gij alles — dank uw liefde — Immer voor ons welzijn doet.

U geloof, op U vertrouw ik,

U, die steeds liet beste wilt: Die ook in mijn wiss\'lend leven

Vele stormen hebt gestild.

U, die voor den laatsten vijand Mij zult dekken met uw schild!

Zalig is \'t op U te hopen,

Zalig, Heer! bij U te zijn.

Neen, ik wil U niet verlaten,

Xoch bij vreugde, noch in pijn. Gij zult mij het licht steeds wezen. Schoon mijn levenszon verdwijn. En ik onder \'t leed verkwijn!

BIJ GOD.

Geef ons Heer! met U te wezen! Gij die altoos met ons zijt: .

Maak Gij ons het hart verblijd! Wat toch hebben wij te vreezen, Daar Gij, Sterke! voor ons strijdt.

-ocr page 34-

26

ONZE ROEPING.

»Wees volmaakt g\'elijk uw A\'ader

In den hemel is volmaakt:quot; Is de Wet der hoogste Liefde,

Duizendmaal door ons verzaakt! \'Joch blijft zij ons voorgeschreven.

En wij wraKen haar ook niet: Zij is onze hoogste adel,

\'t Thema van het Eng\'lenlied. Nu het zoeken; ééns het vinden:

Is de waarborg van het lot. Dat, voor tijd en eeuwigheden. Wij verkoren zijn door God!

DE CHRISTENKERK.

(ieen hooger taak geen heil\'ger werk. Had ooit op aard de Christenkerk, Dan voort te planten Jezus geest: Wanneer zij daarnaar had getracht, F.ii niet naar rijkdom, grootheid, macht,

Hoe waar\' zij dan tot heil geweest! Aan ons verdoold en zwak geslacht. Had zij Gods zegen dan gebracht!

-ocr page 35-

27

HET GODSRIJK.

A\'raagt gij mij, wat is het Godsrijk, \'t Kijk der heemlen hier op aard? \'t Zijn de menscben die gelooven

In hun hoog verheven aard;

In hun aanleg en bestemming,

In hun adeldom van \'t hart;

Die te goed. te groot zich weten

Om in \'t kwaad te zijn verward. Die geen slaven willen wezen

Van hun zinlijkheid of vleesch;

Maar die frank en vrij vooruitgaan

In ontwik\'ling. zonder vrees.

Die in God bun Vader kennen;

Voelen kindren Gods te zijn;

Schoon de wereld hen kan haten.

Die geen deugd wil maar den schijn! Burgers van het Rijk der Heemlen Zoeken waarheid, vrijheid, licht, Liefde, vrede. en die heil\'ging Waarvoor elke zonde zwicht. Zij gelooven. dankbaar blijde.

Dat het goede eens zegepraalt.

Schoon het Rijk der Duisternisse

d\'Overwinning nu behaalt:

Moedig, krachtig, onverschrokken

Gaan zij zegenend vooruit.

Schoon de kerk der kleine zielen

Zich voor hen hardnekkig sluit! Burgers voor het heilig Godsrijk,

Zien zij \'t hooge levensdoel.

-ocr page 36-

28

In beschaving en vereedling,

Daaraan trouw in \'t wuftst gewoel, \'t Zeedlijk schoone wekt hun ijver,

En die vrijheid van den geest, Die reeds sinds onheuchlijke eeuwen,

quot;t Loon der wijzen is geweest.

Door geen jaren, door geen landen Wordt dit streven ooit begrensd; \'t Is het ideaal der vromen,

\'t Is al wat hun harte wenscht!

Dit is \'t Godsrijk, \'t Rijk des Geestes.

\'t Is zoo oud als \'t menschdom is; Zalig zijn hiervan de burgers,

Dragend Jezus\' beeltenis!

VAN GOD GELEEEDE

Hoe menig godgeleerde;

Hebt gij \'t niet vaak gehoord? Is geen van God geleerde:

Gelijk nochtans behoort.

Die waarheid meent te kennen,

Maar \'t hart er niet door voedt. Hij diende het te erkennen;

Slechts weten doet geen goed.

-ocr page 37-

29

JEZUS\' GEEST.

Op den voorgrond zich te plaatsen,

Kwam in Jezus nimmer op:

Maar het sluim\'rend leven wekken En \'t ontwik\'len van den knop; Menschen aan zichzelv\' ontdekken:

Hen te nemen bij de hand, En den waren weg te wijzen

Naar het eeuwig Vaderland: Eén alléén onmisbaar achten,

Niet zichzelven, maar zijn God; Dit heeft Jezus ons gepredikt, Beiden in zijn werk en lot.

T R O 0 S T.

God kan niet anders willen

Dan \'t geen Hij kent als goed. \'/jou ik Hem dan bedillen

Als mij het kwaad ontmoet ? Neen, vast zal ik gelooven,

Wat mij ook \'t harte krenkt, Dat toch Zijn gunst van boven In liefde aan mij gedenkt.

-ocr page 38-

30

VERHEFFEND G KLOOF.

Iu God gelooven dat is plicht, In zijne macht en liefde;

Het zij de vreugde ons pad bestraalt, Hetzij het leed ons griefde.

\'t Geloof in \'s Vaders grooten Zoon Streelt, reinigt ons het harte;

Het vormt ons voor het hemelrijk, En troost ons onder smarte.

\'t Gelooven in elkanders hart, In goedheid, waarheid, vrede.

Welzalig is de mensch op aard\' Die op dat pad mag treden!

Xog echter is er één geloof,

Xiet minder schoon en noodig.

En wat men immer missen mag, Dit is nooit overbodig.

Het is \'t gelooven in u zelf,

In uwe menschenwaarde;

Van al de schatten die er zij11: De grootste schat op aarde.

Wee hem. die dezen schat veracht, Door niets ooit te vergoeden!

De zelfverachting wordt zijn deel. Eer hij het kan vermoeden.

Hij loochent met zichzelven, ras De liefde van den Vader:

-ocr page 39-

31

En daar liij alle hoop verliest Komt hij het kwaad steeds nader.

Besef mv waarde dan, o niensch!

En dank God voor uw leven, Die daarin n het onderpand Des hemels heeft gegeven.

Kweek aan dat heilig, schoon gevoel!

Dit znlt ge als loon verdienen: Dat ge u te groot, en te edel acht De zonde als slaaf te dienen !

HET »OXZE VADER.quot;

Onze Vader in den Hemel!

Kome uw liijk! Geschiede uw wil! Dat uw naam geheiligd worde!

Maak ons harte in U stil!

AVil ons dagelijksch brood ons geven;

En vergeef ons onze schuld;

Houd ons staande in de verzoeking, liet uw geest zij \'t hart vervuld! Koning zijt Gij, Heer der Heeren!

Kracht en wijsheid komt van U. Laat uw liefde ons hart regeeren Zalig is mijn harte nu!

-ocr page 40-

32

DANKBAAR EX VOLDAAN.

Vader, zou ik U niet danken Voor uw liefde rijk en groot ?

7ou er wel een mensch hier wezen,

Die nog meer dan ik genoot ?

Hoeveel weldaan mij omringen!

Hoeveel blijdschap en geluk!

Ja, ik roem in zegeningen:

Heel veel vreugde en weinig druk!

Zijn er ook die meer nog hebben,

Dan ik uit uw hand ontving:

Neen! ik wil met hem niet ruilen,

\'k Ben toch ook uw kweekeling!

Wie mij ook niet kennen mogen,

Wie mij ook veracht, o Heer!

\'t Hoogste is dit mij in mijn oogen:

Gij ziet gunstig op my neêr!

Laat de wereld mij beklagen!

\'k Vraag haar weeklacht noch haar roem:

Dit is mij het grootst behagen.

Dat ik U mijn Vader noem!

-ocr page 41-

EEN MET GOD.

Houd gij u stil Bij \'t geen God -svil! Hij is de Heer en Koning! Door vreugde en smart, Vormt Hij uw hart Voor zijne Hemelwoning.

Hoor naar zijn stem! Vertrouw op Hem!

Laat door zijn hand u leiden. Kan tegenspoed Niet uw gemoed Voor levensvreugd bereiden.\'

Hoop! Bid en Werk! Dan wordt gij sterk, Dan zult gij niet versagen; Noch vruchteloos, Of troosteloos,

Bij God en menschen klagen.

VÜEDE EN KUST.

Vrede en rust kan daar slechts wonen Waar het hart aan God gewijd.. Zich in weldoen stil verblijdt. En Gods liefde dus wil loonen Die elk denkbeeld overschrijdt!

-ocr page 42-

34

HEILIGE GEEST.

Geest der Waarheid! Geest des Vredes l

Kom en werk in ons gemoed!

Dat al de aard\' gezegend worde,

Door het goede dat gij doet;

Maak ons hart steeds meer bereid Voor het licht der eeuwigheid!

Geest der Waarheid! Geest des Vredes!

Gij zet Jezus\' Werk hier voort. Och, dat ook aan \'t eind der aarde

Uwe roepstem werd gehoord!

Doe ons willen wat Gij wilt,

\'t Oproer worde in \'t hart gestild!

Geest der Waarheid! Geest des Vredes!

Gij zijt ons een borg en pand. Dat God nooit den boom zal vellen.

Door Hem zelf op aard\' geplant. Dat hij bloei\' en vruchten drage! En ook ons de heileeuw dage!

Geest der Waarheid! Geest des Vredes!

Overwin den tegenstand.

Die uw werking kan beletten

In ons zoo gezegend land.

Win de zielen voor den Heer,

Opdat kwaad in goed verkeer!

-ocr page 43-

ONDEEWORPEXHEID AAN GOD.

Zeker! \'t Leven heeft zijn plagen, En zijn smarten groot en klein. Ach! reeds in de kindsche dagen, Woeden somtijds ruwe vlagen;

\'t Kan niet altijd zomer zijn!

Zouden wij nu daarom treuren,

Of wel morren tegen God ?

Zuchtend onze lasten beuren?

O! Dan kon het wel gebeuren Dat wij ons verzwaarden \'t lot!

Neen! met dankbaarheid genieten

Wat God te genieten geeft,

Eu bij \'t geen ons moog verdrieten, Stille tranen te vergieten\'.

Zalig hij die aldus leeft!

Morren zal hij niet noch klagen;

Maar geleid door \'s Vaders hand.

Slijt hij vreugdevolle dagen;

\'s Heeren kracht zal hem toch schragen, En leidt hem in \'t vaderland!

-ocr page 44-

36

TOT GOD.

Vergelden! Neen! Dat doet ge ons niet

Een Vader, die vergeeft.

En daarom is ons hart aan U Op \'t innigste verkleefd.

Gij voedt ons op en vormt ons Heer !

Voor godsvrucht, wijsheid, deugd; Er is geen heil zóó groot, zóó goed. Dan dat Gij ons verheugt.

Ook ik verblijd me in U, mijn God!

Geen blijdschap zonder U!

Ik houd uit liefde uw rein gebod Terwijl \'k de zonde schuw.

GODSDIENST.

Daar is niets grootscher, meer verheven, Dan \'t offer dat de Godsdienst vraagt. En dat de inensch, met bloed en tranen, Eeeds zooveel eeuwen biddend draagt: Maar ook niets gruwlijker of snooder

Dan de euv\'len in haar naam geschied; Het nakroost leest ze, gruwt en huivert. Maar zegt: «Neen, dat geloof ik niet!quot;

-ocr page 45-

37

HET JIESSIASRIJK.

Eijk van heil, van liefde en vreugde. Rijk van den Messias, kom!

Werd uw komst al niet verkondigd Eeuwen lier in \'t Jodendom

«Eenmaalquot;, zoo luidt de belofte! — »Zou men nergens leed meer doen,

«Op den lieil\'gen berg des Heeren

»Zou geen kwaad verderf meer wöen.

«Ja de wolf zou eens verkeeren «Met liet lam zoo teêr en zacht;

«En de luipaard neder liggen «Bij het geitje fijn van vacht.

«Leeuw en kalf, zij zullen grazen, «Door een jongsken voortgeleid;

«Beer en koe gaan samen weiden, «Beeld van zachte vriend\'lijkheid!

»\'t Kleine kind, nog nauw genomen «Van zijn moeders volle borst,

«Zal met slang en adder spelen, »Op des aardrijks groene korst.

«Eens zal de aard\' zoo vol van kennis «Van des Heeren goedheid zijn,

))Als de bodem van de zeeën «Van des waters kristallijn!quot; —

-ocr page 46-

38

Ja! zóó zongen de profeten Met hun heilig harpgezang;

En zij spelden zaal\'ge tijden,

In een tijd nog wreed en bang!

Waar nu toeft, o Heer der Heeren!

Deez\' beloofde gouden eeuw?

Ach, de hoop gaat steeds verdwijnen,

Als voor zonneschijn de sneeuw!

Toch gelooven wij die toekomst,

Duurt het ook nog eeuwen lang!

Eind\'lijk zal het Godsrijk komen.

Met des Boozen ondergang.

Eijk van heil, van liefde en vrede,

Eijk van waarheid, kom! o kom!

\'t Morgenrood zien wij verschijnen In \'t gezegend Christendom.

Naar Jesaja

DE EEUWIGE GOD.

Waarheid, Liefde, Wijsheid, Almacht,

Zóó en zóó alleen is God!

Daar aan blijft mijn hart gelooven,

Ook bij \'t donkerst levenslot.

Zou \'k Gods Goedheid dan niet prijzen,

Schoon \'k zijn daden niet begrijp? Om den Eeuw\'ge te doorgronden Daarvoor is \'t verstand niet rijp!

-ocr page 47-

39

»KOME UW KONINGRIJK!quot;

Verhef Gij over ons, o God! Uw vriendlijk licht altoos.

Al zendt Gij ons ook leed en druk, Neen! Gij zijt toch niet boos.

Gij,.Vader, hebt uw kind\'ren lief, En stelt daarin uwe eer;

Vergeten zij ook duizend maal, Uw zegeningen, Heer!

Ja! Gij bekroont ons telkens weer Met goedheid, liefde en trouw;

En brengt het schuldgevoelend hart Tot zaligend berouw.

Als U het hart gevonden heeft Dat eens aan U niet dacht,

\'t Komt tot het glansrijk, vroolijk licht. Na hangen winternacht.

Dan woont in \'t hart uw zielevreê; Geheiligd is \'t gemoed;

En rust en kalmte blijft ons bij Wat ons hier ook ontmoet.

Terwijl wij uwe goedheid zien Zijn wij vol vreugd door haar:

En gaat er blijdschap van ons uit. Ja, zegenen we elkaar!

Dan wijkt de haat, de booze zin, \'t Vertrouwen keert terug:

Hoe zou de mensch door U geleerd Nog wreev\'lig zijn en stug ?

-ocr page 48-

40

Neen, vriendlijkheid bewoont de ziel,

Welwillendheid en vreugd;

De blijdschap die een ander treft,

Maakt ook ons hart verheugd.

Dan komt het Godsrijk raet zijn heil.

Met waarheid. liefde en licht, De Godsvrucht spreidt haar schoonen glans

Op hart en aangezicht.

Dan vlucht de zelfzucht diep beschaamd.

Daar Liefde haar verwon!

En heel de menschheid looft o Heer!

U als de levensbron!

ZEKERHEID.

God kan mij geen kwaad doen.

Omdat Hij is Goli !

Zou quot;k Hem niet vertrouwen Mijn leven en lot ?

Hij wil mij slechts goed doen,

Al doet Hij mij pijn! Hoe rustig en blijde

Kan \'t leven dan zijn!

-ocr page 49-

41

VEILIG!

»\'t Lot is veilig God bevolen

De een\'ge bron van \'t hoogste goed; Die, als hoogste Macht en Wijsheid,

Toch wel weet hetgeen Hij doet! Hullen ondoordringb\'re nevels

\'t Eenwig licht in donkren nacht, Xeen , de ziel zal niet vertwijf\'len,

Die het morgenrood verwacht. Blijken ook onze idealen

Droomen van een blijden geest, En zien wij dat ons verbeelden

Al te hoopvol is geweest:

Toch houdt zich het kind verzekerd

Van des Vaders liefde en trouw. En het weet dat vrede en vreugde

Volgen zal op smart en rouw. In Gods hand zijn we immers veilig-.

Zoo bij leven als bij dood.

Niets zal ons Hem nader brengen Dan juist de allerzwaarste nood. Schudt dan ook de storm des levens

Dorre blaan en takken af, \'t Vruchtbaar zaad zal juist ontkiemen

Daar \'t geborgen werd in \'t graf. \'t Vast geloof in \'s Vaders leiding, De onverwrikb\'re hoop op Hem,

Doet ons moedig voorwaarts schrijden,

Daar wij luist\'ren naar zijn stem. Zalig zóó in God te leven!

Wat ons ook deze aarde ontrukt.

-ocr page 50-

42

Vrede zal het hart nog smaken,

Schoon het onder \'t lijden bukt. Vliedt dan schoone levensjaren!

Met uw vreugde en met uw hoop \'t Allerbeste bleef mij over:

Dat de dood mijn lichaam sloop!

BIJ GOD.

Zou \'k U, o God verlaten, Of worden ongetrouw?

Neen, \'k zal het niet vergeten Hoe slecht ik wezen zou.

\'k AVil niet meineedig worden Aan roeping, eer en plicht;

Maar vreugdevol genieten Het lieflijk levenslicht.

Houd Gü o God mij staande, Door uwe liefde en trouw;

Bewaar mij voor de smarten Van een te laat berouw!

Doe mij standvastig blijven. Het hart op U gericht;

Verheuge zich mijn ziele

Door \'t wand\'len in uw licht!

-ocr page 51-

43

WAT HET WAKE CHRISTENDOM IS.

\'t Goede doen, en \'t kwade laten,

Dat is \'t ware Christendom. Hun, die duaglijks beter worden, En met moed zich blijven gorden, Roept de Hemel; «Wellekom!quot; Zij eerst hebben adeldom!

Tegen zonde en dwaling kampen, Is des menschen heil\'ge plicht: Wondt hij zich ook bij het strijden, Zelfverlooch\'ning baart verblijden, Zij de taak ons ook niet licht,

Toch wordt zij met vreugd verricht.

Waak voor \'t harte! Pas op de oogen!

Bronnen van der zonden smart.

Gaat gij zorgeloos door \'t leven,

Angst en wroeging zal \'t n geven, Door verleiding licht verward, Wondt gij doodelijk uw hart!

Maar bestrijdt ge uw booze lusten.

Jaagt gij de volmaking na.

Zoekt ge een kind van God te wezen. Waarvoor zoudt gij dan nog vreezen ? Schoon \'t u ook rampspoedig ga, God kroont u met zijn gena!

-ocr page 52-

44

JEZUS NA!

\'s Levens raads\'len op te lossen

Is wel aan geen mensch gegund! Maar de nooden te verzachten, En het kwaad te doen verachten, Zalig zijt gij zoo gij \'t kunt!

Zóó met Christus voort te leven,

Zóó te werken als hij deed;

Zóó te strijden en te waken, Zóó zichzelven te verzaken.

Zorg dat gij dit niet vergeet.

Daartoe wilde u God bestemmen:

Houdt dien duren plicht in \'t oog! Reiner worden, heilig leven,

Immer naar volmaking streven. Niemand wieu dit ooit bedroog!

GOD IN ONS.

Ja, Vader! dat wij iets van Jezus Christus hebben, En dat zijn heil\'ge geest aanvanklijk in ons leeft, Dat is ons \'t klaarst bewijs, dat wij ook zijn verkoren Om tot uw kinderschaar voor eeuwig te behooren Daar Gij u zeiven in ons geeft!

-ocr page 53-

45

VOOR- EX TEGENSPOED.

Mijn God is mijn Vader,

En ik ben zijn kind!

Zegt mij niet mijn harte Dat Hij mij bemint ?

Hoe luid kan ik juichen! Hoe vroolijk en blij !

De zon schijnt zoo helder, En \'k voel mij zoo vrij!

Maar als de zon is weggegaan.

De zon ook van mijn leven. Als ziekte en kommer mij bezwaart,

Als mij de zorg doet beven:

Waar blijft de juichtoon van mijn hart.

Dat opgewekt verlangen?

Helaas! een treurlied heeft den toon Van mijn gemoed vervangen.

\'k Berust, o ja! in \'s Vaders wil,

\'k Blijf wel in Hem gelooven;

Maar toch de somberheid der ziel

Komt telkens bij mij boven.

\'k Zie dan de Toekomst donker in.

De Hoop schijnt mij ontvlogen. En \'k denk aan \'t geen ik vroeger had, Met tranen in mijn oogen.

Stort Gij weer mijn Vader Mij moed in de ziel.

Sterk Gij mij de krachten,

Waar quot;k twijfelde en viel.

-ocr page 54-

46

Leei- Gij mij vertrouwen, Bij smart en in nood: En \'k prijs weer uw goedheid, Uw liefde zoo groot!

»WEEST VOLMAAKT!quot;

sWees volmaakt, gelijk uw Vader in den hemel is volmaakt.quot; Zoo dorst Jezus ons bevelen, ons, in wie Hij zonden laakt! 0! Hij wist wel, dat de Liefde, die we ervaren in ons lot, Ons tot wedermin zou voeren van den liefdevollen God.

Zoo wij oog en hai\'te hebben voor de weldaan van Gods hand, Dan reeds is er wederliefde in ons zondig hart geplant. Wederliefde, die het antwoord op des Vaders vragen geeft, En waardoor de mensch zoo zalig, zoo op Hem vertrouwend leeft. Zoo werd Jezus ook door liefde tot den heil\'gen God geleid.

Daar Hij zich geroepen voelde tot de hoogste zaligheid.

En dat leven uit te storten in de mensehelijke ziel,

Xeen! er was geen smart of schande, die hem daar te zwaar voor viel. Door de liefde tot den Vader, Die ons eerst heeft lief gehad, Komen wij den eindpaal nader! Christen! zeg verstaat gij dat? «Wees volmaakt! gelijk uw Vader in den hemel is volmaakt,quot; Dit zal onze leuze ook wezen, als Gods liefde in \'t harte blaakt.

-ocr page 55-

47

CHEISTENPLICHT.

Houd, houd toch wat gij hebt, Dat niets uw kroon u roove! God, die het leven schept,

Roept u tot vast geloove.

Wees sterk door heldenmoed!

Blijf aan de waarheid trouw! Jaag naar het hoogste goed! Werk mede aan \'t Godsgebouw!

Dat Godsgebouw is — Deugd!

Wie daarvoor weet te leven, God zal hem zaal\'ge vreugd

Hier en hiernamaals geven. Des Heeren heilig oog

Slaat hem in liefde ga.

En wie hem ook bedroog; God schenkt hem zijn gena!

KWAAD?

God is mijn Vader! k Ben zijn kind! Ik weet dat Hij mij teêr bemint;

Mijn hart moest dus niet vreezen. Het kwaad ook dat mij somtijds .treft. Kan, schoon het weinig wordt beseft. Geen waarlijk kwaad mij wezen.

-ocr page 56-

48

JEZUS.

Koning in liet rijk der waarheid,

Liefde, vrede en geloof!

\'k Huldig XI als Heer en Heiland,

Wie U ook dien titel roof!

U, Bevrijder van den keten

Die den menscli gekluisterd hield,

Uwe is de eeuw\'ge toekomst.

Wat de tijd hier ook vernielt.

\'t Werk door U hier aangevangen Wordt door uwen geest voltooid.

Dankbaar zal de menschheid volgen. Maar U overtreffen nooit.

Van uw kruis gaat hier een kracht uit Die de wereld als herschept;

Neen! het zal niet vruchtloos wezen Dat ge u opgeofferd hebt!

Kort voorzeker duurde uw leven Onder \'t menschelijk geslacht;

Maar in zeedlijkheid en godsdienst , Hebt ge ons ver vooruit gebracht.

Aan uw naam blijft steeds verbonden \'t Nooit bereikte ideaal.

Dat de menschheid zich nu voorstelt Als een Godsdienst-zegepraal!

-ocr page 57-

49

Want uw naam i« zelf de leuze Van vooruitgang in den strijd,

Voor de vrijheid, waarheid, reinheid .

Waaraan \'t menschdom is gewijd.

Zinnebeeld der menschenwaarde Is uw naam voor ons gemoed;

Onderpand en samenvatting Van \'t geen heilig is en goed.

Teeken des behouds voor zwakken,

Voor verdoolden zonder hoop,

Zal uw naam hun troost hergeven,

Hen versterkend in hun loop.

Al wat edel en verheven

Door den mensch hier wordt gezocht,

Is, voor die u kan waardeeren.

Aan uw heil\'gen naam verknocht.

Uw triomf is wel verzekerd! —

Op den adem van den wind

Zal uw naam gedragen worden.

Waar men immer menschen vindt.

Zoon van God moet men u noemen;

Eedder, ü, van ons geslacht.

Liefdevol en zelfverloochnend Hebt ge uw zware taak volbracht.

Woon ons altijd in het harte,

Jezus! Waarlijk, god\'lijk groot! •

Lief wil ik u eeuwig hebben.

Ja! zelfs over graf en dood!

(Naar „Bijbel voor Jongelieden.quot;\')

4

-ocr page 58-

50

Plicht Gijzelt\', o God! mijn harte Tot uw liefde, rijk en groot!

Hoe mij dan de zonde ook tarte, Gij blijft steeds mijn bondgenoot.

In U veilig en geborgen,

Sterk door uwen heil\'gen geest,

Dank ik ü, in al mijn zorgen,

Daar Gij mij uw gunst beweest.

Niets zal mij van U dan sclieiden.

Leed noch vreugde, angst noch pijn :

Uwe liefde blijft mij leiden.

Kan ik dan rampzalig zijn?

Op uw liefde blijf ik steunen: Zij maakt mijne ziel gerust.

Als het kind dat in zijn kreunen,

Door zijn moeder wordt gekust.

Laat de wereld mij miskennen! Gij mijn God, Gij kent mijn hart.

En U dankend zal k erkennen:

Dat gij zegent onder smart, .

-ocr page 59-

51

A A N G 0 D.

ü heb ik lief, Die me eerst hebt liefgehad;

Die mij gekroond hebt, Heer! met duizend zegeningen; Die met weldadigheid mij immer blijft omringen:

Wiens goedheid altoos is mijn allergrootste schat.

\'k Vertrouw op U! Gij Heer! Gij kent mijn hart.

Gij kent mijn bangen strijd, mijn willen en mijn wenschen: En ik, al zie ik ook mijn levensboom verflensen.

Ik wanhoop nimmermeer, schoon zelfs de dood mij tart.

Beschermt Gij mij, wat zou mij kunnen schaen?

Geen nacht zoo droevig zwart of Gij kunt hem verlichten. Dat nooit mijn blijde hoop in mijnen boezem zwichte!

Leer mij, sterk door geloof, steeds moedig voorwaarts gaan!

L IJ D E N.

Brengt mijn lijden mij maar nader Tot U, Heer! mijn hoogste goed! Voert het mij tot U, mijn Vader,

O! dan is quot;t geen tegenspoed, \'k Zwijg daarom vertrouwend stil, Goed is wat de Algoede wil;

Zij het pad soms steil en ruw, Hooger voert het toch tot ü.

(Naar \'t Hoogduitsch).

-ocr page 60-

52

BRON VAK KRACHT.

Met fleren moed het kruis steeds op te nemen,

Dat toont den adel van den geest:

Hij zal dit slechts, wien Gi-od ten allen tijde Is hulp en troost en steun geweest.

Is \'t vast geloof de bron waaruit men putte,

Om zich te sterken in den Heer;

Dan vraagt men Hem om heil\'gen moed en krachten En buigt men zich ootmoedig neer.

Men buigt zich, ja — voor God, den God des levens.

Maar rijst bemoedigd door ?t gebed;

En vrij en hoog beheerscht men nu de wereld,

Waarvan geen zonde ons meer besmet.

(Naar J. H. Hora Siccama.)

HALLELUJA.

Halleluja! quot;VVij ook willen danken

Uwe goedheid God en Heer-!

Juichende met hooggestemde klanken.

Zingen wij uw naam ter eer!

Heil\'ge Vader hoor ons biddend loven! Hef gij zelf ons dankend hart naar boven! Vorm ons naar uw groeten Zoon! Dat uw Geest ons hart bewoon\'!

-ocr page 61-

WAT GODSDIENST IS?

\'t Is het innig diep besef,

Mij afhankelijk te voelen Van een Wezen, heilig, hoog,

Dat slechts goedheid kan bedoelen, Dat zijn macht en majesteit,

Dat zijn werken en zijn leven, In \'t heelal heeft uitgebreid,

In het al heeft ingeweven.

\'t Is, de heil\'ge wetenschap

Van den aanleg en \'t vermogen, Van de krachten en de kiem,

Die mij trekken naar het hooge; Krachten, vatbaar voor ontwikTing.

Onbekend aan plant en dier.

Maar den menschen tot een pnk\'ling. Voor een geest\'lijk leven hier.

quot;t Is het streven van den geest

Naar \'t geen schoon is en verheven. Recht, waarachtig, edel, groot,

Rein en liefelijk in \'t leven: Waardoor \'k mij verheven voel

Boven \'t lage en gemeene. En \'k voor oogen heb het doel Met Gods geest mij te vereenen.

\'t Is beheerschen van mijzelf,

Van mijn wenschen en begeeren; Waardoor quot;k, vreemd aan slavernij, Toon mijzelven te regeeren;

-ocr page 62-

54

Toon, dat \'k mij bewust ook ben Van \'t geslachte Gods te wezen, En mijn hooge roeping ken:

Beter dan voorheen te wezen!

\'t Is, in woorden en in werken.

Door beginselen geleid,

\'t Goed te doen, het kwaad te laten.

Eerlijk, met standvastigheid: Met mijn plicht niet te onderhand\'len,

Maar, aan het geweten trouw,

Steeds nit overtuiging hand\'len,

Edel, aan mij zelf getrouw.

\'t Is altoos te openbaren.

\'t Zij ik droevig ben of blij,

Dat ik waardig kan genieten.

Dat ik waardiglijk ook lij.

Dat ik juichen kan en weenen,

Juist zóó als Gods wil begeert, Die, door alles om mij henen.

Mij het rechte leven leert.

\'t Is vertrouwend en kloekmoedig,

IJvrig in mijn werk te zijn. \'t Is blijmoedig \'t kruis te torschen.

Doet het ook den schouder pijn. \'t Is volstandig strijd te voeren

ïegen onrecht, laster, haat;

En met kracht te protesteeren Tegen ieder zeedlijk kwaad.

\'t Is, het goed doen en het goed zijn, Èn altijd èn overal,

-ocr page 63-

55

In \'t onwankelbaar vertrouwen Dat God triomfeeren zal. —

Hem te minnen boven alles,

Met Hem waarheid, liefde, deugd,

En den naasten als mijzelven,

Is der Godsdienst eeuw\'ge vreugd,

(Naar B. C. J. Mosselmans.)

CHEISÏENDOM.

»Heb lief uw naasten als u zeiven!quot; Zoo predikt ons het Christendom;

Doch in het oor der ijdle wereld Klinkt deze leer maar hard en dom.

De wereld, slechts zich zelf bedoelend, Begrijpt de zelfverloochning niet:

Hoe zou zij \'t kunnen? die haar slaven Niet anders toeroept dan: «Geniet!quot;

En toch, het leven te verliezen

Om \'t zóó te winnen, is soms plicht;

Al voelen ook de uitverkoornen De zwaarte van dit Godsgericht.

Vrijwillig leven voor de waarheid.

Voor vrijheid, menschenheil en recht;

Daarvoor is \'t noodig, ook te sterven. Dat is het wat Gods stem ons zegt.

-ocr page 64-

56

Die stem, al brengt zij ook ellende,

Te volgen steeds en overal,

Al voert zij ons den dood in de armen,

Dit is het wat de Christen zal.

Hij kent een heil dat hooger waarde Dan \'t leven hier op aarde heeft;

Daarvoor te werken en te strijden,

Is eerst wat hem voldoening geeft.

(Naar II. Koekbakker Jr.)

DE BESTE KEUZE.

Met God omgaan in \'t verborgen.

Hem te zoeken in \'t gebed,

Dat is reeds den Vader vinden, Dat maakt ons hier tot zijn vrinden, \'t Is de hoogste zedewet.

Vroolijk zegenen de menschen.

Stil hun weldoende Engel zijn. Hen vertroosten, sterken, leiden, Zelfverlooch\'nend hen verblijden, 0! dit maakt het harte rein.

Wel hem die dit mocht verkiezen

Als zijn heilig levensdoel;

Hij zal aan zich zelf\' ervaren.

Dat, al klimmen ook zijn jaren. God hem zaligt door \'t gevoel.

-ocr page 65-

cw

LIEFDE BEST.

Elia, neen voorwaar! hij had het niet begrepen

Wat wel het ware beeld der eeuwge Godheid is. In aardschok, storm en vuur zag hij het beeld des Heeren, . . . Hij wandelde in de duisternis!

Doch quot;t werd hem eindlijk licht! toen hij in \'t zacht gefluister

Van \'t lieflijk lentekoeltje ervoer het harte Gods.

Want Liefde is toch alléén de grondtrek van diens Wezen,

Ze is ook vervulling zijns gebods.

Denkt daaraan kind\'ren Gods, die Hem wilt Vader noemen!

Geen haat, geen wraak, geen toorn wone immer in uw ziel. laat zachtheid, goedheid, lietde uit woord en daden spreken. Denkt hoe de groote Lijder viel!

(Bijbelsch Dagschrift 1SS2.)

STIL, TEGENOVER GOD.

o Heer naar wien mijn ziel steeds vraagt,

Moet ik de liefste vreugde missen.

Zoo laat in mijne duisternissen.

Als smart mij pijnigt, angst mij plaagt.

Mij nooit toch dit geloof vergeten;

Te zeggen; ))God! ik kan niet-weten Wat goed is; — doe wat U behaagt!quot;

(Naar \'t Hoogduitsch).

-ocr page 66-

58

DE UITVERKOOENE.

Wie, wie heeft den Geest des Heeren

Wie is Gods geliefdste kind? Wie mag zich zijn beeltnis noemen? Wie is \'t die den Vader mint ?

\'t Is de mensoh die tracht te worden

Waar de mensch toe is bestemd; Die zich niet door eigenliefde

Noch dooi\' zelfzucht voelt beklemd.

\'t Is de mensch die rein wil wezen.

Heilig als een kind van God; Die geen hooger vreugd kan smaken Dan verzachten \'s naasten lot.

\'t Is de mensch, wien vrede , liefde,

Wien barmhartigheid bekoort: En die in \'t gezaligd harte \'s Vaders heilig spreken hoort.

Die, alleen is de nitverkoorne !

Aangeblazen door Gods geest : Die door woorden \'t Godsrijk predikt, Door zijn leven \'t allermeest.

Hij eerst is een Zoon des Menschen

Die een Zoon der Godheid is.

Altijd wakker, altoos blijde,

Strijdend tegen duisternis!

-ocr page 67-

59

JEZUS \'SMENSCHEN IDEAAL.

\'t Ideaal der heiige menschheid Werd in Jezus een persoon.

\'t Nageslacht stelt daarom dezen Op den hoogsten glorietroon.

Dan, als allen Hem gelijk zijn Is eerst Christus\' werk voltooid.

Eeuwen zal dit nog wel duren Maar verwonnen wordt hij nooit.

Altijd hooger rijst de waarheid,

Altijd heller schijnt haar licht,

En de glans van \'s Hemels klaarheid Straalt ons reeds in \'t aangezicht.

Laat ons hopen! Laat ons strijden!

\'t Werk dat Jezus hier begon

Hebben wij slechts voort te zetten.

Hij blijft steeds des levens zon!

(Naar Havet.)

GODSDIENST.

Zelfverloochenende liefde

Is het wat de Godsdienst vraagt; Ernst en reinheid in het leven

Die het kruis met blijdschap draagt.

-ocr page 68-

60

Dorst naar waarheid en vooruitgang,

Xaar ontwikkeling en deugd, Zonder daarom boos te kijken,

Bij het dartlen van de jeugd.

Moed met ootmoed trouw vereenigd,

Zich zijn zwakheid wel bewust.

Stil verdragend graag vergevend, Zoekend slechts in God zijn rust;

Zóó is \'t hart, zóó is het leven

Van den mensch aan God verwant. Laat de wereld hem bedriegen. Hopend ziet hij \'t Vaderland!

GELOOFSVERTROUWEN:

Ik merk nauwkeurig op Gods willen, Bij wat er op deze aard geschiedt; Dit slechts kan mijne onrust stillen;

Dat God zijn schepping overziet, quot;k Geloof aan zijn barmhartigheid, En zing, met onderworpenheid;

wWat zou mij immer kunnen schaan »Wat God doet dat is welgedaan!quot;

-ocr page 69-

61

DE MENSCH.

\'t Verblindend licht van \'t Godlijk wezen Schijnt ons hier niet in \'t aangezicht!

Geen menschenoog zou dat verdragen,

Dat eeuwig, vlekloos, schitt\'rend licht.

Maar heil ons als wij enkle stralen Opvangen van dat godlijk licht,

Dat zich weerkaatst in de eedle zielen

Die slechts voor waarheid zijn gezwicht. Wie eerbied heeft voor zulke helden,

En voor het godlijke van \'t schoon. Hij buigt aanbiddend zich ter neder,

Voor hen niet— maar voor \'s Vaders troon. Hij voelt zichzelf ook aangegrepen

Door kracht, volharding, heilgen geest,

Veel zal hij dankende waardeeren;

Maar, dat hij mensch is allermeest.

Vraag: WIE WEEÏ WAT OXS HET BESTE IS?

w.: Onze Vader in den hemel!

Die bij al het aardsch gewemel

Liefdrijk aan zijn kindren denkt;

Die ons vormt door vreugd en lijden, En een eindeloos verblijden

Eens — maar niet op aarde! — schenkt.

-ocr page 70-

62

HET GEBED.

\'t Gebed in de eenzaamheid gesproken,

Of niet gesproken, maar gedacht,

Is voor den Heer de liefste hulde,

Hem op deez\' aarde toegebracht ,

He zucht des harten st^gt ten hemel

Zoowel als \'t luid gesproken woord.

En mengt zich niet der Englenscharen

Gods eer verheffend harp-akkoord.

Hoor God gehoord, door Hem begrepen,

Vervult zijn geest het biddend hart:

Weg, vlucht de wanhoop uit den boezem:

Vertroosting lenigt bittre smart;

Berusting sterkt den matten strijder;

Die viel wordt weder opgericht;

De Hoop bemoedigt de afgedwaalde;

In \'s menschen ziele schijnt Gods licht.

(Naar het Fransch.)

HET GODSBEGRIP.

Daar zijn er die hun godsbegrip Zoo keurig weten uit te leggen, Dat men er niets kan tegen zeggen; Maar die nochtans \'t begrip van God

In hart noch leven openbaren; Zeg gij mij, zijn dat wel de waren?-

-ocr page 71-

63

HOUD MOED.

God zou u ooit plagen ? Die vader zoo goed ?

Hij kent al uw klagen,

Maar weet wat Hij doet!

Geen raad als de zijne Mag immer bestaan;

Al moet gij verkwijnen, Hij heeft u verstaan!

Een moeder op aarde Zou dochter of zoon,

Dien zij eenmaal baarde. Beladen met hoon ? —

En God — Hij, de Alma elite. Wiens lust is behoên,

Zou \'t leed niet verzachten Indien Hij \'t kon doen?

De Al wij ze en Algoede, De Liefde met één,

Schept vreugde in de roede? —

Gij meent het niet! — Neen!

De hemelsche Vader

Kiest dat slechts voor u,

Wat waarlijk het best is.

Voor morgen en nu.

-ocr page 72-

64

En kunt gij niet gissen Waarom Hij dus koos? —

Begrijpt dan een ziügling Zijn ouders altoos ?

Hetzelfde te willen

Als \'s Hoogsten bestel,

Zul stormen u stillen,

Al pijnt men u fel.

Drink moedig den lieker Dien God voor u schenkt.

En houd het voor zeker: Dat Hij aan n denkt!

Blijf stil gij gelooven

Gods liefde en Gods trouw;

Zijn stem klinkt van boven; «Mijn kind! ach vertrouw!quot;

GODS HULP.

Leer Gij me o God! het goede doen.

Leer Gij mij \'t kwade laten. De zelfzucht, die mij vaak bekoort, Kan me op den duur niet baten: Maar slechts in uw gemeenschap. Heer! Och, dat mijn hart het beter leer. Zal ik de zonde haten.

-ocr page 73-

ECHTE GODSDIENST.

Godsdienst is naar deugd te streven.

Wel hem! die \'t vol ijver doet!

Bloemen strooit hij zich in \'t leven,

Die haar geuren altoos geven,

En verfrisschen zyn gemoed.

Kiet in woorden, maar in daden,

In een rein en heilig hart,

In de zonde te versmaden,

In het kiezen van Gods paden,

Stel daar Godsdienst in! —Schoon \'t smart!

Maar zou Godsdienst smart u wezen ?

Die u trouw maakt aan uw plicht. Die verlost van angstig vreezen,

Zielewonden kan genezen;

Neen, hij maakt u \'t leven licht!

Dit is Godsdienst, dit de ware!

Die ons waarlijk mensch doet zijn.

Die, kan men God niet verklaren,

Toch zijn liefde blijft ervaren,

And\'re Godsdienst is maar schijn!

o

-ocr page 74-

66

EENS.

\'t Zonlicht zal slechts schaduw wezen

Voor het licht dat ons verbeidt, Als wij de oogen eens ontsluiten In den dag der eeuwigheid. !)

Veel geheimen dan ontraadseld,

Vele vragen opgelost,

Veel verborgens opgehelderd,

Zien we, in \'t eeuwig licht gedoscht!

Daarom laat ons moedig strijden!

Ons ontwik\'len volgens plicht. Steeds meer naar volmaking streven. Bidden steeds om meerder licht.

\'t Duister zal zich eens verklaren!

Sterv\'ling heb nog wat geduld! \'t Sterven zal dat licht u brengen. Als gij God aanschouwen zult.

OP GOD WACHTEN.

In Gods weg op God te wachten,

Is een plicht en zaligheid.

Die het hoogst geluk bereidt.

Zalig zij die daarnaar trachten;

Schoon zij de aard ook niet verachten, Boeit hen \'t meest toch de eeuwigheid.

1) Schoppenhauer.

-ocr page 75-

67

DE UITVERKORENEN.

Weinigen zijn de uitverkoornen!

De geroepenen zijn veel!

Zeker, de edelen en braven

Maken wel dat het kleinste deel! Die een hart voor waarheid hebben ,

Voor verlichting, waarheid, deugd; Die aan \'t Godsrijk willen werken.

Kost het hun ook levensvreugd: Die geen zelfverlooohning schuwen, Voert de weg ook naar het kruis, Och, ze zijn er niet zoo velen

In der werelds woest gedruisch! Toch, die strijden voor ontwik\'ling.

Voor de zegepraal van \'t licht: Die volhardend en geloovend,

Immer voortgaan wie ook zwicht: Laat de wereld hen versmaden. Doornen strooien op hun pad. Zij, zij weten zich verkoren,

En zij worden moé noch mat! Moog de strijd nog jaren duren!

Jaren ? — Eeuwen zonder tal!

Toch is \'t einde de overwinning

Die Gods Geest behalen zal.

Deze hoop doet hen vooruitgaan. Moedig, sterk, onwankelbaar;

Eens — \'t is heilige overtuiging! —,

Eenmaal is de dag toch daar. Klaagt dan niet gij uitverkoornen, Schoon de wereld u bespott\';

-ocr page 76-

68

Toont u volgers van dien Eóne,

Die steeds heeft geloofd in God.

Dien geen doornenkroon of slagen

Wank\'len deden in \'t geloof;

Beiden, voor der vrienden vleitaal

En voor \'t gruwlijk «kruis hem!quot; doof: Toont kindren van dien Vader,

Die Ahvijs is en Algoed,

En Die u, zijne uitverkoornen!

Steeds bezielt met levensgloed!

B E D E.

Help me o God, toch hier beneden

Gaarne doen wat U behaagt:

\'k Zoek dan hier dien troost en vrede,

Die daar boven glansrijk daagt.

O , geef Gij mij moed tot strijden Met mijn zinlijkheid en waan;

Dat me uw geest der waarheid leide Op een effen, zeekre baan

(Naar \'t Hoogduit*

-ocr page 77-

69

GOD ZIEN.

Wat liet is: God te zien, kan \'ku gemak\'lijk zeggen,

Al is die groote Geest onzichtbaar voor hot oog.

Wil gij mijn woorden, kind! diep in uw harte leggen! En God doe u verstaan dat ik u niet bedroog.

God zien, is met verstand te letten op zijn werken,

Op de geschiedenis, de wond\'ren der natuur.

Hot is met fijn gevoel de waarheen op te merken ,

Die Hij ons openbaart in ieder heilig uur.

God zien; is zijne liefde ervaren aan hot harte,

Ook waar zijn weg en wil zich van den onzen scheidt.

Het is met stil geloof, bij ziels- en liehaamssmarte , Vertrouwen op den Heer ook als Hij lang verbeidt.

God zien; dat is zijn hand te erkennen in ons leven:

Hetzij ons droef\'nis treft, of vreugde ons blijde omringt.

Het is de ervaring ook dat Hij ons leidt, om \'t even Of \'t hart van weedom klaagt, of dat de ziele zingt.

God zien; dat is voor vast aan Hem zich toevertrouwen , Ook waar op ruwen weg de Vader ons bedroeft.

Het is onwankelbaar op Hem als Vader bouwen ,

Schoon \'t ongebaande pad den vasten wil beproeft.

God zien; dat hooge heil is slechts voor reine harten , Die luist\'ren naar Gods wil, voor \'tlied der .wereld doof;

Welzalig zijn ze, ja, zoowel bij vreugde als smarte, Zij kennen zielevrede en hebben \'t waar geloof!

(Naar Geertsema Beckeringh.)

-ocr page 78-

70

JEZUS\' WOORD.

Wat Jezus zelf gepredikt heeft

Schenkt rust en troost aan \'t hart,

\'t Wordt nimmer door \'t verstand gewraakt, En maakt ons niet verward.

Het spreidt een warmen, zaehten gloed

Op \'t moeilijk levenspad,

Het houdt ons staande in elk gevaar,

\'t Is \'smenschen grootste schat.

Het is aantrekkelijk voor \'t kind.

En voor het kloekst verstand:

En \'t wijst, op onze vreemdlingsreis,

Den weg naar \'t vaderland.

\'t Behoudt zijn waarde, wat verga!

\'t Ontwikkelt hart en geest.

En \'t is, waar \'t goed begrepen werd.

Altoos Gods woord geweest.

(Naar P. H. Hugenholtz.)

GODS TROUW.

Als ik geloof aan Gods genade.

Als zijne liefde mij vervult,

O neen, dan worden mijne paden Hier nooit geheel door nacht omhuld!

En, moet de duisternis me omringen.

Gij blijft toch Heer! mijn licht en lied:

Ja, bergen wijken, heuvels vallen.

Maar uw genade wankelt niet.

(Naar het Hoogduitsch).

-ocr page 79-

71

DOOE GOD GESTEUND.

Wil voor strmk\'len mij behoeden,

Voor een ergerlijken val!

Vader! Gij geeft slechts het goede, Wil mij leiden overal!

Dat ik U toch niet verlate,

U die licht en liefde zijt;

En die daardoor \'t meest gediend wordt. Dat uw kind het kwaad bestrijdt.

Leer mij bidden; leer mij waken:

Leer mij trouw zijn aan mijn plicht;

En wat bok mijn lot moog wezen. Uwe goedheid maakt het licht!

DE VOOliZIEXIGHEID.

Ga uw onmerk\'bren gang, o groot en eeuwig Wezen,

Gij god\'lijke Voorzienigheid!

Zou \'k ooit vertwijfelen aan uwe heil\'ge wegen,

Om de ondoorgrondbaarheid ?

Neen, \'k twijfel niet aan U; ook zoo \'t mij toe mocht schijnen

Als keerdet Gij terug op schreden eeuwen oud;

Want, neen, de kortste weg is niet altoos de rechte, En hoeveel schoons en goeds de tijd ook immer slechte, Uw Evangelie komt! Welzalig die vertrouwt!

(Naar Lessinj,\'.)

-ocr page 80-

72

DE VEE DE GODS.

Vrede Gods! Die u kon schetsen Zou ons meer zijn dan profeet!

Zeker werd door zijne woorden \'t Stugste hart zelfs overreed.

Wel gevoelen, niet beschrijven Laat zich hier dat rein genot,

Dat den moeden aardbewoner Eust geeft bij zijn Heer en God.

Vrede Gods! Wat is er rijker,

Wat wel zaal\'ger dan die rust?

\'t Is \'tgenot van \'tlachend kindje, Dat door moeder werd gesust.

Eeine en zaal\'ge rust der ziele, In gemeenschap met den Heer!

\'t Is één danken, \'t is één loven, \'t Is geen angstig vragen meer!

Eust en vrede in Gods besturing, Ook ofschoon de Vader zwijgt;

En \'t vertrouwend, hopend harte Op zijn vraag geen antwoord krijgt!

\'t Is gelooven in Gods liefde.

Van zijn vriendschap zich bewust;

Zalig door \'t gevoel van \'t heimwee, Dat op aard\' niet wordt gebluscht.

-ocr page 81-

\'t Is een kalmte als van den spiegel Van liet effen, rustig meer;

Niet door stormen ruw bejegend,

Maar weerkaatsend \'t starrenheir.

\'t Is die teedre zachte stilte,

Die de driften sluim\'ren doet:

En wier namelooze blijdschap Al het leed der aard\' verzoet.1

\'t Is dat helder, lieflijk daglicht, Dat wat om ons is bestraalt;

Dat geen dichter kan bezingen, Dat geen schilder immer maalt.

\'t Is wat over berg en dalen,

Over velden en op \'t woud,

Gouden tinten weet te toov\'ren,

Zelden maar zoo schoon aanschouwd

\'t Is waardoor wij één ons voelen Met den Vader die ons leidt;

En waardoor we ons zalig noemen. Wat ons in de toekomst beid\'!

\'t Is de lust der Hemelingen,

Ons bij voorsmaak meegedeeld,

Die den lof des Scheppers zingen, Waardoor God zelfs wordt gestreeld!

Vrede Gods! Die u mag smaken, Hij vindt wel het hoogste goed!

Onuitspreekbaar moogt gij wezen ,

Toch verstaat u ons gemoed!

-ocr page 82-

74

WIJ HEBBEN GOEDEN MOED.

»Geen sluimeren! Geen stilstaan Wat Leven mist, mist God!quot; \')

Die opziet tegen strijden Hij derft het rijkst genot!

Hoe zal men zegepralen

Als men geen krachten heeft?

Maar bij elk tegen windje Het hart zoo angstig beeft!

Heb moed! en wil niet vreezen; Doe wakker uwen plicht!

Door steeds meer mensch te worden Wordt gij door God verlicht.

Wil naar Vooruitgang streven Met kloeken, vromen zin:

Dan haalt gij rust en vrede Met Gods vertroosting in!

Blyf onverzwakt gelooven In waarheids zegepraal,

Al moet gijzelf ook bukken Niet tien- maar duizendmaal!

Eén stuurt het lot der wereld:

Geen dwalend menschenkind,

Maar wel de Heer der Heeren, Die u ook teêr bemint.

1) Generaal Gordon.

-ocr page 83-

Houd vast aan zijne liefde,

Ook in den donk\'ren nacht, (rod is de hoogste Goedheid Met onbeperkte Macht!

GEMEENSCHAP MET GOD.

Heer! Leer mij U te minnen! Dat is het hoogste heil!

Dan heb ik rust van binnen, En zegen zonder peil.

De vreugd met u genoten Is on verganklij k goed:

Zij zal ons heil vergrooten, En reinigt ons \'t gemoed.

Dank voor de vreugd des levens Die.ik genieten mag;

sterkt en troost mij tevens, In bitt\'ren onheilsdag.

En is de vreugd der aarde. En ook haar smart voorbij,

Den schat dien ik vergaarde, Eooft zelfs geen Dood van mjj

-ocr page 84-

76

DANK AAN GOD.

Zon ik (J mijn God, niet danken? IJ niet prijzen in mijn lied?

O! \'kVerhef zoo graag m^n klanken, Als mij niemand hoort of ziet!

Van uw goedheid te getuigen,

Van uw zegeningen, Heer!

Dit doet mij zoo vroolijk juichen, \'t Is mijn roem, mijn lust, mijn eer!

Hoeveel heb ik niet ontvangen?

liijk gezegend is mijn lot!

Dikwijls werd mijn zielsverlangen Mij door U gegund, o God!

En ook waar mijn tranen vloten.

Daar Gij mij bedroeven moest,

\'kWeet wel, dat Gij hadt besloten: Mijn geluk moest niet verwoest!

Daarom wil ik U vertrouwen,

\'t Zij Gij vreugde of leed mij zendt!

Eens doet Ge ons uw heil aanschouwen, Eens wordt uwe lielde erkend!

Leer ons hopen en gelooven!

Geef Gij zelf ons vrede en rust!

Eens zijn we ieder kwaad te boven. Als uw wil is onze lust!

-ocr page 85-

WAAR IS HEÏ CHRISTENDOM?

Onverdraagzaam en haatdragend

Zijn vaak Christ\'nen voor elkaar. Ieder meent hij heeft de Waarheid, En hij zegt het openbaar.

Doch wanneer men niet op woorden,

Maar alleen op daden ziet, \'t Is verbazend, welk een schouwspel Zich dan aan onze oogen biedt!

Noemde Jezus hen zijn vrienden, Wien de liefde \'t meeste was, Hij, die \'s Vaders naam en wezen, Zelfs in \'t hart des zondaars las:

Ach, het is thans of men liefde In het hart wel missen mag. Als men maar nauwkeurig acht geeft Op het hooge kerkgezag.

Niet zichzelven zijn of worden,

Door verlooch\'ning van zichzelf. Maar door zucht op zucht te slaken Onder \'t hooge kerkgewelf:

Niet door moed en trouw te toonen.

Daar men zonde wederstaat,

Maar door psalmen uit te galmen, Zelfs op de publieke straat:

-ocr page 86-

78

Niet door Godsvrucht, deugd en vrede, Niet door reinheid van gemoed,

Maar door \'t schenden van de rede

Wordt men, schijnt het, vroom en goed

O! Dat ijzervast vooroordeel!

O! dat botte onverstand!

Dat, door \'t Bijgeloof gezegend,

Zooveel onheil brengt in \'t land!

Wanneer zal men gaan begrijpen,

Zóó, dat men \'t niet meer vergeet.

Dat dit is het ware leven,

Dat men andren troost in \'t leed?

Dat vooruitgang in ontwik\'ling. Dat bestrijden van het kwaad,

In het heilig oog des Heeren,

led\'re leer te boven gaat;

Dat de liefde tot de waarheid,

Tot den naasten, tot zijn God,

Dat dit is het allerbeste,

Ja het zaligst levenslot.

Och! Mocht men het toch bevatten En \'t belijden ook alom:

Daar, waar geestdrift is voor \'t goede Daar alleen is Christendom!

-ocr page 87-

79

DE LIEFDE TOT GOD IS EEX BRON EX EEN KRACHT.

Ja! De liefde tot God is de bron en de kracht

Van de goedheid, de deugd en het leven.

Hoe gelukkig zijn zij die met heel hun gemoed

Aan die Liefde het hart mochten geven!

Waar de wereld hen vleit met verstrooiend genot,

Of de slaaf van de zonde hen honend bespot,

Blijft de waarheid hun eenigste streven.

Ja! De liefde tot God is de bron en de kracht

Van het ware, en schoone en goede:

Hij die daaraan zich toewijdt met heel zijne ziel,

Zal voor zeedlijken val zich behoeden.

En hij wordt zelfs een Engel van hulp en van kracht, Voor den zwakke die wanhoopt in donkeren nacht,

Dien hij brengt tot den Vader, de Algoede!

Ja! De liefde tot God is de bron en de kracht

Van dien zaligen vrede des harten,

Die bij al wat het leven ons geeft of ontneemt

Ook het lijden, ja dood leert te tarten.

Die het goede wil doen om de liefde tot God,

Schenkt zichzelv\' reeds op aarde het hoogste genot,

En is sterk ook bij vlijmende smarten!

Ja! De liefde tot God is de bron en de kracht

Van den moed om zichzelven te wezen!

Laat de wereld maar shotten met eer en met deugd,

Die het goede wil heeft niet te vreezen.

Doch die zonder karakter maar vreest vool- een mensch, A oor zijn krachtlooze zwakheid bestaat er geen grens , Van die lafheid , wie zal hem genezen ?

-ocr page 88-

80

JEZUS SPREEKT:

gt;iDit zou mijn Godsdienst zijn: dat twist en tweedracht zaaien Ik ken mijzeiv\' niet meer! Jloet ik dien oogst nu maaien? Heb ik alzoo geleerd, toen \'k nog op aarde leefde ?

Ik ben mij wel bewust, dat ik daarnaar nipt streefde! Ik wilde Godsvrucht, Deugd, Barmhartigheid en Liefde,

Maar waarlijk allerminst, dat men elkander griefde!

En die nu \'t meeste scheldt, en doet de felste pijn,

Die zou — \'t zij God geklaagd! — mijn trouwste volg\'ling z

Hier zie ik vormendienst en ziellooze gebaren;

Daar letterknechterij het menschdom ingevaren;

Maar zelfverloochening, maar wederzijdsche hulp.

Ik zie ze bijna niet, \'t zij in paleis of stulp.

Dat heet zich Christenen! Dat durft God «Vaderquot; noemen! Men .waagt het op een leer zich stoutweg te beroemen! Als waar mijn Godsdienst leer! en niet alleen de zin Voor waarheid, reinheid, recht en wederzijdsche min!

Als had ik niet bedoeld der zonde boei te slaken.

Van bij- en ongeloof de menschheid vrij te maken! Ach! Hoogverlichte eeuw wat zijt gij bitter kleen,

Wat zijt gij de oorzaak nog van eindeloos geween!

Leert mensehen! mensch te zijn! Wilt toch elkaar verdragen, En niet aan uwe rust en die van andren knagen.

Daar waar het reine hart, en waar een heiige geest. Het meest gevonden wordt, daar woon ik zelf het meest. Waar ootmoed, kinderzin, waar liefde en goedheid troonen, Voorwaar ik zeg het u, dat mijn begins\'len wonen!

Maar of gij u al heet naar mij of naar een kerk,

Dat is, begrijp het wèl! niets dan een ijdel werk.

-ocr page 89-

81

Uie \'t goede tracht te doen, die \'t kwade zoekt te laten, Is meer dan die mijn naam verkondigt op de straten. Hoe gij u noemt dat \'s niets ; maar wie gij werkelijk zijt ? Dat is de groote vraag! — Maakt dit uw hart verblijd.\'

Is dan de les zoo zwaar, zoo moeilijk te bevatten:

Dat zijt gij waard o mensch! waarvoor u God zal schatten Zoekt gij uzelven slechts: wilt gij geen tranen drogen:

Laat u de menschheid koud: blijft gij steeds onbewogen, Gij zijt geen leerling dan van mij die stierf aan \'t kruis ! Geen plaats is dan voor u in \'t heilig Vaderhuis.

Bekeer u! dwaze mensch! Heb hart voor andrer nooden; Laat toch de zelfzucht niet, uw geestesleven dooden I Dit is rechtzinnigheid die iets bij God beduidt:

))Dat gij uzelv\' beheerscht en \'t hart voor niemand sluit.quot;

LOOF DEN HE EE!

Dank voor hot goed dat gij geniet,

Voor zooveel rijken zegen I Zing blij van hart een vroolijk lied, Gods goedheid komt u tegen.

En ziet gij hier ook menig kwaad, Wees gij tevreden met uw staat, Al zijt ge ook vaak verlegen!

Geen toeval, neen! de Heer regeert!

Maar wie zou Hem doorgronden? Zoo gij zijn wijsheid biddend eert,. Wordt gij door zijnen Geest geleerd, En zult zijn roem verkonden!

-ocr page 90-

82

HET GODSVERTROUWEN.

Gelijk het kind zich aan zijn moeder, Zoo geef ik me U, o Heer!

Wees Gij, o God! mijn levenshoeder! Zie gunstig op mij neêrl

Gij doet dat, Vader! en ik roeme Uw goedheid en uw trouw;

Daar quot;kop mijn paden duizend bloemen Door uwe Liefde aanschouw!

Hoe blijd\' mag mij het harte kloppen, Hoe juich ik in mijn lot!

Kan \'ksoms mijn leed ook niet verkroppen. Ik weet: het komt van God!

En \'kweet, zoowel de vreugde als smarte Die mij op aarde ontmoet,

Gezegend worden ze aan mijn harte,

Door Hem die \'t al verzoet!

Zóó zij mijn leven U een hulde, U welgevallig. Heer!

Daar Gij mijn hart met rust vervulde, En ik u dankend eer!

Zoo ga ik hier vol stil vertrouwen Als aan uw Vaderhand,

Tot ik U eens volmaakt aanschouwe, In \'t hemelsch Vaderland!

-ocr page 91-

83

IN GOEDE HANDEN.

Ik beu in goede handen!

Een Vader zorgt voor mij! Al moet ik soms ook klagen,

Mijn hart klopt vrij en blij. Ik blijf in God gelooven ,

Worde ook mijn vreugd vergald; Op Hem blijf ik nog hopen,

Schoon alles mij ontvalt!

Ik beu in goede handen!

Dat voel ik aan mijn hart. Al ben \'k door zware plagen

En bitter leed benard !

God kiiu mij niet vergeten;

Hij machtig, wijs en goed , Zal mij het beste kiezen,

Ook als mij \'t kwade ontmoet!

Ik beu in goede handen!

Dat zegt mijn hart zoo graag; Al wil God dat ik lijden

En bitter kruis verdraag!

Zijn liefde en zijn ontferming

Verloochenen zich niet;

Hem zal ik dankend prijzen. Te midden van \'t verdriet!

Ik beu in goede handen!

Wie daaraan twijflen moogquot;. Ik weet het, dat mijn Vader Mij nimmer nog bedroog!

-ocr page 92-

84

Aan Hem zichzelven geven,

In blijdschap en in smart; Wat kan er zaal\'ger wezen, Voor \'t arme mensehenhart?

GODS WIJSHEID.

Waarom zon mijn ziele Ontrust in inij zijn?

Goil wil mij geen kwaad doen, Al doet Hij mij pijn..

Dit weet en geloof ik Met heel mijn gemoed:

De Almachtige Vader

Kan niets doen dan g\'oed!

\'k Begrijp niet zijn wegen: Hoe kan ik dat ooit?

ïocli kan ik gelooven Dat wijsheid ze tooit.

Zijn Wijsheid is hooger Dan quot;k hier kan doorzien.

Zal \'k ze eenmaal begrijpen ? - ■ Hierboven misschien!

-ocr page 93-

85

WAÏ IS HET WARE CHRISTENDOM ?

«Dit is het ware Christendom

Dat men Gods werk volbrengt.quot; \') Och, mocht dit steeds mijn keuze zijn, Schoon zij mij smarten brengt!

Een leven zonder heil\'gen geest

Verdient dien naam toch niet:

Slechte \'t hart dat voor de waarheid klopt, Is vrij van waar verdriet.

Hij die, hoe hem de wereld smaad\',

Van God zich is bewust,

Heeft d\'allergrootsten schat op aard; Hij toch heeft zielerust.

Wat geven roem en goud en eer?

Ze zijn vorganklijk goed!

Maar die den vree des harten heeft Heeft zelfs tot sterven moed!

Vermeerder mij, o God! die rust!

Wat gaat toch boven haar?

Als uw hand mij steunt en leidt,

Is niets mij ooit te zwaar!

Prent Gij \'t mij steeds meer in \'t gemoed,.

Daar zich mijn dag verlengt,

»Dit slechts is \'t ware Christendom, «Dat men Gods werk volbrengt!quot;

-ocr page 94-

8(3

ONVERGANKELIJKE SCHATTEN.

De menseh die rust en vrede beeft,

Daar hij in Gods gemeenschap leeft,

Hecht aan de dingen dezer aarde, Voorzeker niet die hooge waarde Als hij die voor de wereld leeft.

Niet dat hij \'t goed der aard veracht, Dat hem ook zooveel zegen bracht.

Waarvoor hij God ook pleegt te danken. Met meer dan woorden en met klanken, Daar hem diens goedheid tegenlacht;

Maar toch hij kent een hooger goed, Dat hem zooveel gemis vergoedt:

Hij heeft een schat die niet vermindert. En die nooit iemand heeft gehinderd, Of kwelling aanbracht in \'t gemoed.

Hij, schoon hy arm schijnt, is dus rijk. En, zij \'t dat hem deze aarde ontwijk\'. Die schat zal hem do rust eens geven; Hij blijft hem bij in beter leven. Verzeilend hem in quot;t hemelrijk!

Die schat is liefde en vast geloof, Waardoor hij, voor de zelfzucht doof, Een kind zich toont van God zijn Vader: Stijft hem het bloed in hart en ader. Die schat valt geen verderf ten roof!

-ocr page 95-

87

LEVENSMOED.

Wanhoop niet! — \'t Is ongeloof Dat ii twijflen doet en vreezen;

Zoek u kracht en levensmoed

Steeds bij God, die, altoos goed, U gezegend heeft vóór dezen.

Ja, God zegende u! — Schoon gij \'t Niet erkend hebt in uw leven.

Alles wat gij hebt of zijt,

Of \'t u droevig maakte of blijd\',

Heeft zijn liefde aan u gegeven.

Stort voor Hem uw harte uit 1 Meer dan ooit een moeder minde,

Mint die Vader u o mensch!

Hij vervult uw hartewensch

Als gij daardoor heil kunt vinden.

En verkrijgt gij niet uw beê,

Schijnt God doof voor u te wezen,

Wanhoop niet, vertrouw op Hem!

Hij let wèl op »uwe stem,

\'t Weig\'ren heeft zijn gunst bewezen!

Beter dan gijzelt\' u kent

Kent u God, de Hemelvader,

Hij weet wat u schaden zou;

O! Geloof aan zijne trouw,

Treed met kinderzin Hem nader.

-ocr page 96-

88

Hoop clan steeds op uwen God,

Twijfel niet, maar wil gelooven, Zij \'t verledene ook zwart;

Klopt u angstig\' nu het hart;

Richt gerust uw oog naar boven.

Eens wordt al het duistre licht,

Zij het ook niet hier op aarde; Eens zult gij Hem hulde biên. Als gij zult Gods wijsheid zien , Daar de smart u vreugde baarde.

TOEKOMST.

Omhoog het hoofd! Den blik naar boven!

Zie naar de Toekomst die u beidt.

Blijf hopen! Gij zult God nog loven. Gaf, wat voorbijging, treurigheid! Hierboven treedt gij niet op doornen.

Daar wordt geen vroomheid wreed bespot, Wanneer gij, onder de uitverkoornen,

Uw Vader dankt voor quot;t aardsche lot. Daar zullen zich de neevlen scheuren,

Die hier omhulden \'s Hoeren weg,

Daar zult ge in eeuwigheid niet treuren; God zelf neemt al zijn raads\'len weg!

-ocr page 97-

89

MEER LICHT!

O Heer! Almachtig, Eeuwig God!

Wat weten wij maar weinig !

Hoe ook het hart naar antwoord smacht\' Hoe ook \'t verstand zich pijnig\'!

Wij zien meest raads\'len om ons heen,

Wat kunnen wij doorgronden ? De kennis van het grootst genie Wordt nog te klein bevonden!

Wij zien uw wond\'ren dag en nacht,

En staan vaak opgetogen!

Maar ach, de vraag; ))Hoe \'t Al bestaat? Wordt vruchtloos overwogen.

Ge ontdekt ons maar zoo klein een deel,

Van \'t geen we wilden weten: Of vragen wij misschien te veel ? Is \'t pogen zelf vermeten ?

Maar neen! De dorst naar kennis , Heer!

Hebt Gij ons ingeschapen:

Gij wilt dat we ons ontwikkelen,

En de aanleg niet blijft slapen.

Wij zoeken, vorschen, vragen steeds,;

En schoon we ons vaak bedriegen, De menschheid gaat nochtans vooruit. Zou ons de Hoop beliegen ?

-ocr page 98-

90

Wij weten meer dan \'t voorgeslacht,

Meer kennen die ons volgen:

Make ons het flauwe schemerlicht Dan niet te zeer verbolgen!

Kan \'t wezen! Geef ons meerder licht!

Meer wetenschap, meer kimde, Dan uwe Wijsheid, Eeuwig God! Tot dusver \'t menschdom gunde!

Verlicht Gijzelt verstand en hart!

Doe naar het ware ons streven; Verheerlijk zóó uw grooten naam! Maak zaliger ons leven!

DE ONDOORGRONDELIJKE.

Een God dien gij begrijpen kondt,

Zou dat voor u een God wel wezen\'? Ik denk, dat uw verstand verkondt:

Gewis, dat zou onmooglijk wezen! . Den Eeuw\'gen toch begrijpt men niet:

Geen mensch die \'t hoogst verstand doorziet

Schoon God ons in zijn hart liet lezen! Die rein van hart zijn zien den Heer; En \'t vriendlijkst ziet Hij op hen neer, Die Hem beminnen zonder vreezen!

-ocr page 99-

91

STIL GEBED.

Neem weg, o God, neem weg, die zondige gedachten.

Die zonder dat ik \'t wil, bezoedelen mijne ziel,

Zij doen zoo menigmaal mijzelven diep verachten,

\'t ijn vruchten zeker wel, die ik slechts kon verwachten. Der zonden die \'k belijd, terwijl ik voor U kniel.

Gij kent, o God den strijd zoo vaak door mij gestreden,

Om deugdzaam, heilig, rein te leven tot uwe eer: En niemand. Gij alléén, weet hoe ik heb gebeden,

Dat toch die zondenschuld mij langer niet verneér;

Maar Gij, Gij weet het ook, hoe, trots mijn biddend waken, Ik vruchtloos heb beproefd die boeien los te maken.

Ik smeek het U, verlos mij Heer!

Vervul Gijzelf, o God! met uwen Geest mijn harte.

Bevrijd mij van mijzelv\' en van der zonde smarte,

Heer! Heilig, reinig mijn gemoed!

Doe Gij mij onverdeeld in uw gemeenschap leven.

En wil, barmhartig God! mijn zonden mij vergeven,

Maak Gij mij vroom en wijs en goed!

GOD EN \'s MENSCHEN OORDEEL.

De mensch ziet aan wat is voor oogen;

De Heer ziet slechts het harte aan. Dus blijft de mensch soms onbewogen Als in Gods oogen blinkt een traan!

-ocr page 100-

92

L E V E X S L E S.

(goh spreekt.)

«Bid en Werk!quot; zoo luidt de spreuk,

Ware levenswachter!

Bidden hebt gij veel gedaan,

Maar het werk bleef achter! »Bid en Werkdat hoort bijeen; Die ze scheidt verwekt geween.

«Bid en Werk!quot; zoo luidt het woord

Dat gij hebt te onthouden.

Heeft het uwe ziel bekoord

Dan zijt gij behouden.

Die getrouw blijft aan zijn plicht, Hem valt de overwinning licht.

Wordt gestaald dan naar den wil,

Laat u niet verleiden.

Wees uzelf, en laat mijn geest

U altoos geleiden.

Niet door woorden maar door kracht Wordt mijn heil\'ge wet volbracht.

Werk en strijd dan, dierbaar kind!

Om het kwaad te laten:

Dan ook eerst, vergeet het niet!

Zal u \'t bidden baten.

Heb een vasten, heil\'gen wil,

\'k Maak uw hart dan in Mij stil.

-ocr page 101-

93

Help u zelf! maar vraag niet Mij Wat ge nzelv\' moet geven. Dan, als gij volhardend strijdt,

Zegen Ik u streven.

Werk en bid! en Bid en werk! Dit maakt onverwinbaar sterk.quot;

STIL VOOR GOD.

Tel gij de starren aan den hemel,

Tel ook de zandjes aan het strand.

Tel nog de blad\'ren aan de boomen.

De sprietjes op het groene land;

Meer dan de som van deze zaken,

Die licht verwarren kan nw geest,

Zijn, mensch! voor u de zegeningen Der groote goedheid (iods geweest.

Voor Hem, Die ons met zooveel liefde.

Met zooveel vaderzorg geleidt.

Die, ook door \'t geen ons bitter griefde.

Ons vormen wil voor de eeuwigheid;

Voor Hem, — hoe? — zonden wij dan beven

Voor Hem, die als een moeder mint;

Neen! Laat ons liever daarnaar streven Oprecht te wezen \'s Vaders kind!

De ware liefde kent geen vreeze ;

Zij leert ons één zijn met Gods wil: En maakt, ofschoon \'t ons nacht moog wezen Het hart in zijn gemeenschap stil!

-ocr page 102-

94

GEHEIMENIS.

Wie zon het eeuwig Wezen kennen

De bron van alles wat bestaat!

Wie zou de hoogste wijsheid vatten,

Die stil haar eigen wegen gaat?

Kan iets geschapens God doorgronden ?

Die leeft in alles wat er is:

Van wien de wijste moet verklaren :

«Hij is en blijft Geheimenis!quot;

Voorwaar! Een niensch, zoo klein van krachten,

Begrijpt de Heilige Almacht niet!

Al voelt het hart zich aangetrokken

Tot Hem die allen altoos ziet.

Slechts Hooger Orde kan hij speuren,

Een zedewet waarvoor hij bnigt;

Een Heiige wil, die hem wil vormen.

Zooals verstand en hart getuigt.

Die Heiige Wil zal triomfeeren.

Ook in den diepst gevallen niensch: De gansche menschheid zal Hem roemen;

Dat is der besten hartewensch.

Geen tegenstand zal eeuwig duren,

Al \'t kwaad wordt eens ten val gebracht; Het Hemelsch Licht zal heerlijk gloren.

Als \'t eeuwig licht rijst uit den nacht!

Deez\' profetie blijf ik vertrouwen,

Al plaagt mij ook de bangste nood.

-ocr page 103-

95

De Hoogste Macht is Heil\'ge Liefde, En dankend juich ik: God is groot!

Maar Hem begrijpen — Hem beschrijven,

Volkomen kennen wie Hij is,

Er is geen mensch die \'t ooit zal weten;

Hij blijft altoos Geheimenis!

(Naar „De Hervormii

LIEFDE OM LIEFDE.

Leef in gemeenschap met den Vader, Vertrouw uw lot geheel aan Hem !

Zijn geest beziele uw doen en laten.

Hoor steeds in uw gemoed zijn stem! Hond vast aan Hom. wat u moog\' treffen,

In blijdschap en in droefenis ,

1\'ien, lief te hebben om zijn liefde. Het grootste heil op aarde is!

-ocr page 104-

96

HET KBUIS.

Het kruis; dat teeken eens der schande, Dat middel tot den wreedsten dood;

Is Jezus! door uw dood verheven!

Gij die reeds groot waart in uw leven, Werdt door uw kruisdood eindloos groot.

Dat kruis werd ook het heilig teeken Van martelaren-moed en trouw.

En Konstantiju mocht wel beweren,

Het kruis te zien , dat hem ksvam leeren Hoe hij deez\' aard verwinnen zou!

Om \'t heilig graf den Muzelmannen ïe ontrukken uit de wreede hand,

Hoevele duizenden verlieten

Hun have en erven, en zij lieten\' Hun leven in des kruises land.

Ook werd het kruis het eereteeken Voor ware of voor gewaande deugd.

Het werd een sieraad voor de schoonen.

Die hals of boezem daarmee kronen, En \'t liefste pronkstuk voor de jeugd.

Werd ook het kruis niet de onderscheiding Op \'t ruw en bloedig oorlogsveld ?

Om troost en lafenis te brengen.

Aan die hun bloed daar moesten plengen, In banden van den dood bekneld!

-ocr page 105-

97

ïlu heeft liet kruis eene anclre leuze,

\'t Is \'t beeld van zorg, van leed en smart: Heeft ieder huis zijn kruis te dragen, Och, mocht elk Christen zich maar vragen: gt;AVooiit de Gekruiste in mijn hart?quot;

HET ONVAÏBAliE.

\'t Geen niet te grijpen is

Toch vast te willen houden, Toont wel een dwaze zin!

\'t Is geen geheimenis.

Voor jongen noch voor ouden.

Het einde is als \'t begin! Men kwelt zich vruchteloos. En wordt niet zelden boos.

Och,. leerde zoo de mensch,

Dat hij niet kan begrijpen Wat onbegrijpbaar is.

Men matigde zijn wensch. En zou niet langer trachten

Naar Gods geheimenis.

Wees met uw taak tevreden, Gij hebt genoeg aan \'t Heden.

-ocr page 106-

98

RUST NA TWIJFEL.

Rust na twijfeling, geeft vrede, Kalmte als van een effen zee; Waar het schip, haast onbewogen.

Rustig wiegelt op de reê.

\'t Is aan \'t fijne, zachte golfje,

Dat nauw merkbaar henen vloeit. Niet te zien, dat als de stormwind

Door de sombre wolken loeit. Dat het clan tot groote baren

Dreigend zich verheffen kan, Zoodat schrik en angst en beven Aangrijpt ook den sterksten man!

Maar de wind gaat weder liggen: Ha! Het weer heeft uitgewoed! Straks zal ook de zee bedaren;

Zie! de zon wordt weer begroet! Kalmte spreidt zich allerwegen,

Vrede en rust geniet men weer! Kalmte daalt in \'t hart ook neder Dat weer rust vond in den Heer. Rust na twijfeling geeft vrede!

Vrede wil het beste goed.

Als hij door de heil\'ge waarheid VriendlijK lachend wordt begroet.

-ocr page 107-

99

GODSDIENST.

Acht toch den Godsdienst niet gering Hij heeft zoo hooge waarde.

Die hem begrijpt, en dus bemint, Schat hem het hoogst op aarde.

Hij is; och, dat men \'t wel verstond! De poëzie in \'t leven:

Die ons, somtijds zoo dor, bestaan Beteekenis kan geven.

Verhooging van ons aardsch geluk Kan men van hem verwachten.

Die vrede onder lijden zoekt,

Zal hem niet dwaas verachten.

Die bij het denken aan den dood Naar kalmte en rust wil vragen ,

Hij zoekt ze nimmer vruchteloos Kan Godsdienst hem behagen.

\'t Zij gij nog frisch en jeugdig zijt, Of lang de dood u spaarde.

Acht toch den Godsdienst niet gering Hij heeft een eeuwge waarde.

-ocr page 108-

100

N A T U U E.

Natuur! Hebt gij een doel Bezit gij ook gevoel ?

Der wereld wild gewoel Laat, zoo het schijnt, u koel. Hebt ge onbeperkte macht? AVee hem die u veracht! Wat zijt gij? \'Niets dan kracht? En hoe toch voortgebracht?

Zijt gij alleen het Heden Van al de omstandigheden, Die de noodwendigheden Doen in het leven treden?

Een denkend, willend Wezen, Dat hopen doet ot\' vreezen,

Zult gij toch wel niet wezen. Zooals men dacht vóór dezen? Gij weet van geen ontfermen, Gij stoort u aan geen kermen, En wat weet gij van termen Die tegen u beschermen?

Wat raadsels die me omgeven! Zult gij hier in dit leven Het antwoord nog eens geven? Of zal ik blijven streven,

Naar \'t grooto Onbekende? Dat, waarheen ik mij wende. Schoon ook het leed mij schende. Maar doof blijft voor de ellende! Is dat het nienschenlot; Nu smart en dan genot;

-ocr page 109-

101

Het zij dat men bespot Of liefheeft zijnen God?

Heliias! wat weten wij ?

Soms klopt ons \'t hart zoo blij: We voelen ons zoo vrij;

En dan weer .... slavernij!

Zon \'t ijdel zijn al \'t zoeken ,

Ook in de verste hoeken?

Ach! veel geleerde boeken Moest ik vergeefs doorzoeken !

Natuur! Gij die niet let Oii \'t vurigst smeekgebed,

\'kGeloof: gij zijt een wet!

Rechtvaardig, nauwgezet,

Onkreukbaar, eerlijk, trouw;

Door n staat Gods gebouw!

Een wet kent geen berouw,

Maar roept: «Ziet toe! — Vertrouw !quot;

DE ZEGEN DER SMART.

Hebt gij don zegen van de smart

Nog nimmer ondervonden,

En treurt nog hopeloos uw hart;

O, zeg het onomwonden.

Maar zeg \'t berouwvol, zij \'t ook hard! Dat gij in uw bedroevend lot Nog nooit vertroost werdt door uw God.

-ocr page 110-

102

VEEEMDE GODSDIENST.

Godsdienst is Gods wil te doen!

Dus: zich goed gedragen;

Voor de zonde zich behoên;

Onder \'t kruis niet klagen;

Zich ontwik\'len als Gods kind;

Vroom en vroolijk leven; En, waar men zich ook bevindt, \'t Goede na te streven.

Godsdienst is Gods wil te doen;

Luistren naar zijn wetten: En zich znivren, flink en koen,

Van der zonde smetten;

Zóó te strijden, kloek van zin.

Tegen plichtverzaking,

Dat is zeker wel \'t begin Onzer heiligmaking.

Godsdienst is Gods wil te doen.

En tevreden leven:

\'t Zij dat wij Gods wil bevroên,

Of door nacht omgeven.

Die de wees en wednw troost

In hun ongelukken,

En niet voor zichzelven bloost, Hem zal \'t kwaad niet drukken.

Godsdienst is Gods wil te doen:

Vast op Hem te bouwen; Ook wanneer de tegenspoên Schokken ons vertrouwen;

-ocr page 111-

103

Aan de hand van God den Heer

Hier Grods weg bewandlen, Zalig- zijn ze meer en meer Die zoo edel handlen!

NOOIT GETWIJFELD?

Zoo! Hebt gij nog nooit getwijfeld

Altoos vrede en rust gehad ? En, door wien ook werd geweifeld Gij waart zeker van uw schat?

Laat mij, vriend! u even zeggen:

Heuseh, gij stelt die rust te hoo, \'k Baad u, wil eens overleggen , Of uw hart u ook bedroog?

Ik geloof wel u beweren;

Maar ik zeg u (geef wel acht!): Vriend! gij hebt nog dit te leeren: Dat gij nooit hebt nagedacht!

-ocr page 112-

104

«HEBT GOEDEN MOED!quot;

«Hebt, vrienden! goeden moed, schoon gij verdrukt moogt worden!quot;

Zoo sprak des mensehen zoon, in \'t heilig afscheidsuur;

»Wilt tot den levensstrijd u wapenen en gorden,

«De zege die u wacht, betaalt gij nooit te duur!

»lk heb de wereld reeds, al strijdend, overwonnen:

«Gelooft als ik in God! Weest wakend, biddend, sterk.

»Mijn taak is afgedaan, en de uwe pas begonnen:

«God riep en mij en u tot hoog verheven werk!quot;

Zij hebben pal gestaan bij \'t barnen der gevaren;

Getuigden van hun Heer, ook in \'t gezicht des doods.

En wat ook is vergaan bij \'t henenvliên der jaren.

Het beste deed Gods geest het menschdom toch bewaren,

Of is de zin voor \'t ware en goede niet iets groots?

Nog moet daarvoor geleén, geworsteld en gestreden!

.Wij ook, wij zijn bestemd voor dezen heilgeu kamp.

Wien dit werd geopenbaard, dien zijn hier de ijdelheden Der wereld, met haar eer, slechts groote nietigheden,

En roem en gunstbejag van menschen niets dan damp.

Strijd mede dan dien strijd voor waarheid, vrijheid, leven!

Den strijd dien Jezus streed en waar hij in bezweek:

Bezweek om door zijn dood het onderpand te geven,

Dat het veel schooner is voor Godes zaak te sneven,

Dan vluchten voor zijn plicht, \'t gelaat van doodschrik bleek.

AVees moedig, sterk als Hij! Volhardend als de zijnen!

O! Deins niet achteruit, waar u de wereld dreigt.

Laat nooit het waarheidsvuur door uwe blooheid kwijnen!

Houd moed! Het godlijk licht zal niet van de aard verdwijnen. Al is het dat uw licht ten ondergang zich nijgt.

-ocr page 113-

105

HET GODSDIENSÏIG-ZEDELIJK LEVEN.

Die waarljjk zeedlijk is, zal ook godsdienstig wezen.

De Godsdienst, neen voorwaar! bestaat in woorden niet, Met in een hangend hoofd, niet in een angstig vreezen,

Niet in het zingen ook van \'t Godgewijde lied.

Neen! Godsdienst is de zin voor \'t ware, goede en schoone ,

Waartoe des menschen ziel zich aangetrokken voelt:

Die steeds in \'t vroom gemoed der edelsten moclit wonen ,

En op vooruitgang van geheel de menschheid doolt.

De Godsdienst is de schat van hem die, rein van harte,

Zijn boozen zin verzaakt, al scheldt hom \'t laag gemeen : Die quot;t goede uit liefde doet, al baart het hem ook smarte, Die schoon verleiding lokt, standvastig antwoordt: «Neen!quot;

Ja! Hij die zeedlijk is mag eerst godsdienstig heeten;

Die liefde tot den\'mensch kont als zijn duurste plicht; Die zacht van aard mag zijn, zichzelven kan vergeten;

Om \'t lot der boozen treurt, en wandelt in Gods licht:

Die gaarne vrede sticht, barmhartigheid wil kweeken;

Die kinderlijk van zin aan God zich heeft gewijd:

Die zóó naar Godsvrucht dorst, hem zal geen vreugd \'ontbroken , Hij heeft het hoogste goed en is in God verblijd.

Zóó is de zeed\'lijkheid vorm van \'t godsdienstig leven:

Die beiden scheiden gaat vermoordt ze tegelijk;

Maar die ze houdt vereend, hem is een gids gegeven,

Die hem den toegang baant naar \'t hemelsch koningrijk.

-ocr page 114-

106

DE GEESTLIJKE STRIJD.

Voorbij zijn de tijden — hoe danken wij God! — Dat Godsdienst met bloed werd gedrenkt.

Keen. kalmer en veil\'ger is thans wel het lot Dat ons nu de Godsdienst hier schenkt;

Maar toch duurt hij voort nog de geestlijke strijd, En toe neemt hij immer in kracht;

Tot dat eens het rijk van den leugen vernield En \'t kwaad is ten onder gebracht.

Niet groot is de schare die vroomheid begrijpt, De vroomheid die vrijheid omhelst;

Slechts klein is de stoet die de wetenschap paart Aan \'t geloof, dat bestreen wordt op \'t felst.

Toch zegeviert eenmaal de heilige zaak Der waarheid en vrijheid in God! .

Worde hier het verstand, en het hart daatr miskend, Het goede is zeker van \'t lot.

\'t Ontbreke ons maar nimmer aan man\'lijke kracht, Aan heiligen ernst en aan moed;

Dan staan wij nog pal in het heetst van den strijd, Bezwijkend zelfs hebben wij \'t goed.

Dan klinkt ons in \'t harte het woord van den Heer: «Vrees gij , kleine kudde toch niet!quot;

En liet is voor den geest, die vertrouwt op zijn God , Als of hij de zege reeds ziet!

(Naar P. H. Hugenholtz

-ocr page 115-

107

\'s LEVENS IDEAAL.

De mensch, die zonder God en zonder Hoop moet leven.

quot;Wat kent hij anders dan verdriet?

Hij die geen oogen heeft voor \'t heilig menschlijk streven, Voorwaar, voorwaar hij leeft nog niet!

Er is hier zeker veel hetgeen ik niet kan weten;

Maar \'t beste toch is geopenbaard.

Ik kan, \'k erken het graag. den hemel wel niet meten, Maar wat zou mij dit op deze aard?

Die naar het bet\'re zoekt, neen, hij wordt niet bedrogen,

Hij gaat vooruit, en dankt zijn God.

Die immers stelde hem het Ideaal voor oogen.

En schreef in \'t hart hem zijn gebod.

Dat Ideaal zien wij in \'t heilig menschlijk leven,

Dat Jezus heeft geleid op aard.

Deed zelfverloochening hem aan den kruispaal sneven.

Zijn doel was zelfs dit ofter waard!

Der menschheid vóór te gaan, op \'t pad van licht en vrede,

Die taak heeft Jezus trouw vervuld.

En bracht dit pogen hem, van zeiven, smarten mede, Hij heeft geleden met geduld!

\'t Geloof dat in hem was te storten in de menschen,

En hen bezielen met zijn geest,

Dit was, voor U, o Heer! het toppunt uwer wenschen. Gij zijt nooit ongetrouw geweest.

-ocr page 116-

108

üw heiige hoop deed u de zegepraal verwachten, Van Godsvrucht over zonde en dood.

Ze is ons de halsem ook, om \'t leed ons te verzachten, Bij zielesmart en bitt\'ren nood.

Uw Liefde die wij zien, voor God en mensohen beiden, Waaraan gij trouw bleeft tot aan \'t kruis,

Die werkt nog altoos voort, en doet ook ons verbeiden Het eeuwig, zalig Vaderhuis.

En daarom; wat verdwijn\' en wat verga op aarde, Gij blijft altoos ons Ideaal!

Schoon do ondervinding leert, dat zonde, zonde baarde, Aan u toch blijft de zegepraal!

Gij deedt in \'t mensohenhart den Vadernaam weerklinken. En wat ons ook ontnomen wordt;

Nog meer dan zonneglans zal uwe grootheid blinken,

Voor \'t leven ons ook ingestort!

HET GEWETEN.

Een stelehouder Gods is in ons het Geweten,

God gaf ons dat in \'t hart als zijne heil\'ge stem. Het is een vaste band, een onverbreekbre keten Die ons verbindt aan Hem!

-ocr page 117-

109

ONS MENSCH ZIJN.

Wat wij zijn, zijn wij geworden: Niet bij toeval maar naar de orde! Doch die orde is voor ons oog Menigmalen veel te hoog-.

AVie kan al de omstandigheden, Die hem vormden, fijn ontleden; Zoodat zelfs het kleinste ding Niet aan zijnen blik ontging?

Alle woorden die hij hoorde, Wat hem stuitte of\' bekoorde. Wat hij zag en deed en dacht. Werkte op zijne ziel met macht. Wie zijn beiden ouders waren. Kan reeds hier zooveel verklaren; Maar ook duizend kleinigheên Werkten mede, naar ik meen. Kleinigheên die wij niet reeknen. En die toch zoo veel beteek\'nen; Eten. drinken, kleeding, huis, Zacht gefluister, woest gedruisch. Welke dienstboon of wij hadden. Of dat wij er wel geen hadden ? Wie in onze kinderjaren Onzó speelgenooten waren.

W ie de meesters die ons leerden, Of ze ons zacht of streng regeerden Zelfs de tocht van raam of\' deur Alles werkte aan ons humeur. Welke boeken of\' wij lazen;

Wat ons \'t meeste deed verbazen; Wat we dronken, bier of wijn,

-ocr page 118-

110

Niets kan onverschillig zijn.

En zij boveiiiil berekend,

Wat nog wel het meest beteekent, Welke of onze aanleg zij,

Somber, vroolijk, droef of blij,

Zacht van aard of eigenmachtig, Opgeruimd of wel neerslachtig Woest en driitig, ruw en wild, Of wiens toorn ras is gestild i Schuchter , teeder of opvliegend, Trouw aan waarheid of soms liegend; Ongevoelig voor het schoon ,

Of een blos licht op de koon. Duizend, duizend nietigheden Moesten ziel en lichaam kneden! Och, wie weet het wonder fijn Hoe wij mensch geworden zijn ? \'t Minste stond in onze macht, \'t Meeste werd ons aangebracht.

Laat ons dus voorzichtig wezen. En \'t lichtvaardig oordeel vreezen; \'t Zij \'t ons vreugd doet of verdriet, De ééne mensch kent d\' andren niet. Ja ! zichzelv\' kan hij niet kennen! Aan die waarheid moet hij wennen: Maar hij geev\' zich met vertrouwen Hem, die alles kan aanschouwen. Hem, die, daar Hij alles weet,

Steeds vergaf en nooit verweet!

-ocr page 119-

Ill

DE GODSDIENST DEE TOEKOMST.

Is het strijden teg-en zonde

Niet een heil\'ge, dure plicht ? Al valt ook de heiligmaking

Ons gewoonlijk lang niet licht. Is het jagen naar vooruitgang,

Naar veredeling van geest,

Niet, alreeds van den beginne,

\'s Menschen hoogste wet geweest. Zijn er ook die daarmee spotten , Slechts bestuurd door zingenot, O! We erkennen het toch dankbaar,

Dat is niet de wil van God!

Neen! De Vader in den hemel

Kiep den mqnsch tot heiligheid. — Door \'t lichtvaardig te vergeten,

Is deze aard\' nu overspreid Met ellenden en verwoesting;

Met dien milden overvloed Van zoo wrange, bittre vruchten.

Die verpesten het gemoed! In terugkeer van de zonde,

Tot het smalle pad der deugd, Vindt de mensch alleen voldoening.

En een eindelooze vreugd.

Mochten allen het maar inzien!

Eijken, armen, groot en klein; Dan eerst komt er eeuw\'ge vrede. Als het menschenhart is rein!

-ocr page 120-

11-2

ZWAKHEID EN STERKTE..

Tot uwe mensclienwaarde

Doet het wel niet veel af,

Of g\'e u in goud kunt baden.

Of draagt een bedelstaf!

Of gü niet onspoed worstelt, Dan of de roem u kroont,

Er is een heil\'ge Eechter Die straft en ook beloont!

Die \'t lijden weet te dragen.

Als komend van Gods hand, Zal nimmer wrokkend morren,

Maar raadpleegt zijn verstand. Hii ziet in de aardsohe rampen,

\'t Noodzakelijke kwaad,

Dat hij zich moest getroosten, Zoolang zijn adem gaat.

Die tracht een niensch te worden.

Zooals de niensch moet zijn; Al gaat hij meest in \'t duister.

En schaars in zonneschijn; \'t Geloof in de eeuw\'ge Liefde, Vervult met hoop zijn hart. Al valt hem ook het leven Soms onbegrijpelijk hard.

Maar die om \'t minste zuchtje

Van tegenspoed en strijd. Ducht dat nu \'t heele leven Is aan \'t verderf gewijd;

-ocr page 121-

113

Die zich door kleinigheden

Zelfs zóó ontstemmen Iaat, Dat hem de rust des harten En blijde moed vergaat:

Die loochent zijn bestemming,

Begrijpt het leven niet,

En is zichzelven de oorzaak Van jammer en verdriet:

Die is niet opgewassen

Voor de ed\'le en schoone taak, Zijn aanzijn te doen strekken Voor and\'ren tot een baak;

Een baak die hun tot zegen.

Ten leven strekken zou. Hen sterkende in beproeving,

Hen troostende in hun rouw: Die leeft maar voor zichzelven

Weet niet wat leven is.

En is misschien voor and\'ren Nog wel een hindernis!

Maar kloek van zin te wezen,

Bij \'s werelds wel en wee, Dit schenkt alleen in \'t leven Versterking, zielrust, vreê. Doch deze kostbre schatten

Vindt men van zeiven niet. Door werken, bidden, worst\'len, Is \'t dat men ze geniet.

Leer kalm, gelaten wezen,

Bij wat u wedervaart,

Gij zijt niet voor genoegen,

Maar voor uw heil op aard.

-ocr page 122-

114

Hij die zichzelv\' verloochent.

Zóó dut men \'t niet bemerkt, En door opofferingen

\'t Geluk van and\'ren sterkt:

Die dankbaar voor den zegen,

Die hem te beurte viel,

Nu ook weer wordt een zegen, Voor hem dien veel ontviel; Die krachtig and\'ren steunend. Vooraan staat in den strijd. En moed toont in bezwaren. Schoon hem het beste ontglijdt;

Die hopend en geloovend

Altoos op God vertrouwt. Ontwikkelend zichzelven,

Strekt hij nog ten behoud. Hij doet de menschheid voortgaan

Op \'t pad van eer en deugd, En moet hij eens bezwijken. Hij sterft in God verheugd!

DE WIJSGEER EEN GELOOVIGE.

Die luistert naar het woord van God, Hem moogt gij wel geloovig heeten! Noem dan den grootsten wijsgeer zóó. Die zal \'t het allerminst vergeten!

-ocr page 123-

115

K E UI S E N.

Het kruis dat men zichzelven

Op rug of schoudren legt, Is moeilijk om te dragen,

Erken het maar oprecht!

\'t Geen God ons geeft te dragen,

Kan ook wel pijn ons doen;

Maar toch. wij konden dikwijls

Voor \'t smartlijkste ons behoên. Veel valt er te verduren

Door \'t soms zoo wreede lot, Maar \'t zal onduldbaar wezen Als men \'t lydt zonder God; Dan durft men niet meer hopen,

Dan derft men moed en kracht, Dan is men een verdwaalde,

In een stikdonk\'ren nacht. — Maar houdt gij \'t oog gevestigd

Op \'slevens heerlijk doel, En kweekt g\'ij in uw harte

\'t Godsdienstig, rein gevoel, Dan bukt gij zonder morren.

Dan krijgt gij kracht naar kruis, U sterkt, als gij zoudt vallen.

Een blik op \'t Vaderhuis. Kom! Laat mij u dan raden;

Houd aan uw God u vast! Vermeerder niet onnoodig

Wat u werd opgetast.

En lijdt gij als eeu christen,

Zóó als de Meester deed,

Zou dit uw ziel niet sterken, Dat God u nooit vergeet?

-ocr page 124-

116

GELUK.

In de grootheid van het leven,

In den rijkdom of in de eer,

Is de vrede niet geweven;

Neen, Geluk eischt heel wat meer. Zijn er niet, die altoos klagen,

Schoon \'t paleis, door hen bewoond. Van de kwelling hunner plagen,

U het minste niet vertoont?

Zij die zich in weelde baden.

Door hun schatten, Croesus waard. Voelen soms zich overladen,

Door \'t geen armen niet bezwaart. Roem en eer zijn ook geen waarborg

Voor geluk en zaligheid;

Somber vaak is \'t floers der voorzorg

Die het leven overspreidt.

Neen \'t geluk is niets uitwendigs,

Maar zijn woonplaats is het hart: En vindt men hier niets bestendigs.

Toch bestaat wat onheil tart.

Zoek het echter niet van buiten.

Wacht het van de menschen niet. Dan eerst zal \'t Geluk ontspruiten,

Als ge in God uw Vader ziet. En dat doet men niet met de oogen, Maar dat doet men door \'t gemoed, En men voelt zich niet bedrogen.

Ook bij ramp en tegenspoed.

Die een kind zich toont des Vaders, Die \'t Heelal heeft tot zijn troon, Zelfs in weerwil van verraders,

Krijgt hij \'t waar Geluk tot loon.

-ocr page 125-

117

Eust en vrede zal hij smaken,

Die de wereld hem niet rooft, Daar, ziet hij \'t verderf zelfs naken,

Nog zijn hart in God gelooft. Eén van zin met \'s Hoogsten willen,

Niet in zijne hoop geschokt,

Weet hij \'t stormend hart te stillen,

Door Gods liefdestem gelokt.

O! Dat heilig Godsvertrouwen !

O, die hoop die \'t hart vervult! \'t Leert de handen biddend vouwen,

\'t Leert ons strijden met geduld. Dat \'s Geluk! De zielevrede;

Maar geen rijkdom, rang noch eer! Deel ons Heer! uw rust ons mede! Wat. wat wenscht ons harte meer?

DE WERELDEEGEEEING.

Het geloof dat het Goede de wereld regeert,

Geeft een steun en een kracht in het leven,

Die bij al wat de mensch immer heeft of ontbeert,

Hem in leven noch dood zal begeven.

Maar die meent dat noch orde, noch regel, noch wet.

Dat het toeval haar slechts kan besturen,

Ach! Gevangen is hij in \'t noodlottige net.

Dat hem pijnt alle dagen en uren!

(Naar „De Tijdspiegelquot; 1884.)

-ocr page 126-

118

NIET KLAGEN!

Hoe? — Klaagt gij over \'t leven, Als broos en teer en kort,

Terwijl n zooveel zegen Daar in werd uitgestort?

Gewis! Gij moogt niet klagen:

Maar dankbaar moet gij zijn.

Al waren ook uw dagen Vol moeiten, zorg en pijn.

Hebt gij maar kracht van binnen. Een opgeruimd gemoed.

Dan houdt gij \'t hoofd naar boven Ook zelfs bij tegenspoed.

Dan zult gij ook erkennen,

Dat gij bevoorrecht zijt:

Al zij \'t ook niet te ontkennen Dat gij soms bitter lijdt.

Houd moed! Doe de oogen open Voor \'t goed dat gij geniet;

En blijf gestadig hopen Op Hem die \'t al gebiedt.

Voel u een kind diens Vaders, Wiens liefde nooit verflauwt.

En op wien \'t menschenharte

Nooit vrucht\'loos heeft vertrouwd.

-ocr page 127-

119

Houd moed! En wil u buigen Voor \'s Vaders heilgen wil;

Dan zult gij eens getnigen;

li Ik wil, wat God ook wil!quot;

Dan riclit ge u naar den Lijder In \'t bang Gethsemané;

En, door uw vurig bidden.

Smaakt ge ook in \'t hart Gods vree.

Houd moed! Betoon u krachtig. Dan wijkt uw somberheid:

Niet langer zoo neerslachtig!

Toon dat gij God verbeidt.

Laat God u in uw lijden.

Noemt gij uw lot ook wreed.

God slaat in liefde u gade.

Toon gij dat gij het weet!

Houd moed dan! Leer gelooven In de eeuw\'ge Vadertrouw:

Denk aan uw twijfelingen

Met schaamte en met berouw.

En blijft u \'t kruis ook prangen,

Dat u den schouder drukt,

O, matig u verlangen.

Haast wordt het u ontrukt!

Lang kan de strijd niet duren.

De dag der hope daagt:

^t Zijn nog maar weinige uren, Dat God geduld u vraagt.

-ocr page 128-

120

En dan zult ge u verblijden,

Zoo als ge op aard nooit deedt: Daar ge ook het bitterst lijden In \'t hemelrijk vergeet!

HET GODSVERTROUWEN.

O, heerlijk , zalig Godsvertrouwen,

Dat ons versterkt en steunt en troost f (jij, gij doet ons God zelf aanschouwen,

Wanneer \'t gelaat van schaamte bloost. Hij, die ootmoedig, voor den Heil\'ge,

Berouwvol zijne schuld belijdt. Almachtig zal hem God beveil\'gen.

Dat hij niet weêr de neerlaag lijdt. Vergeving zal zijn ziele smaken,

In Gods genade vindt hij rust,

De vrede zal zijn hart genaken,

Het is, of hem Gods engel kust. Kloekmoedig gaat hij weêr in \'t leven T

Sterk door zijn God die hem behoedt T Naar reinheid zal hij biddend streven, In Gods gemeenschap heeft hij \'t goed!

-ocr page 129-

121

ELK HET ZIJNE.

Die ieder geeft het zijne,

Verstaat de hoogste kunst! Hij mag wel waarlijk roemen, In \'s Heeren grootste gunst, Hij loont en straft met oordeel, En prijst of laakt naar recht: En vraagt, wat zijn geweten,

Niet, wat de wereld zegt. Getrouw aan eer en waarheid, Aan roeping en aan plicht, Zal hem de Liefde leiden. Die altoos \'t goede sticht.

Die ieder geeft het zijne,

Geeft het zichzelven ook. Hetzij \'t hem moet mishagen, Of met zijn neiging strook\' Daar hij zichzelv\' behandelt

Gelijk hij andren doet,

Is hij ook voor zichzelven

Oprecht en waar en goed. Betrapt hij zich op zonden.

Zij doen hem veel verdriet; Ze ontkennen of bemant\'len 0 neen, dat doet hij niet. Hij roept zichzelv\' tot tie orde.

En betert zijn gedrag:

Belooft hem ook de zonde

Begeerlijk winstbejag.

Voor \'t kwade zich te schamen, In \'t goede voort te gaan.

-ocr page 130-

122

Dat is de leus zijns levens,

Al zou ze hem ook schaên!

Die ieder geeft het zijne,

Die geeft dat ook aan God!

En tracht getrouw te wezen Aan \'s Heeren wijs gebod.

Hem dankend voor zijn liefde,

Zijn goedheid en zijn trouw.

Bidt hij, dat Gods genade

Hem steeds in gunst aanschouw.

En als hy \'t kruis moet dragen. Dat hem den schouder wondt,

Hij weet, dat hem Gods wijsheid Alleen dat lijden zond.

In Gods gemeenschap levend,

En op Gods hart gerust,

Hoopt hij, aan \'t eind zijns levens. Op zaal\'ge hemelrust.

Die ieder geeft het zijne,

Koos zelf het goede deel.

Wat and\'ren ook verblijde. Hij heeft het schoonst juweel!

GEWOGEN.

Wat gij voor and\'ren doet, en voor uzelven zijt, Beslist of zich de Heer in u, zijn kind, verblijdt.

-ocr page 131-

KENNIS EN VROOMHEID.

Geen kennis weegt de vroomheid op,

Of kan haar evenaren:

Die rein van hart en leven is. Die wandelt in geen duisternis, Wat hem ook moog bezwaren.

\'t Gebrek aan Wetenschap is groot,

By duizend, duizend menschen: En dat de nienschheid word\' verlicht. En Bijgeloof en Domheid zwicht,

Blijft nog te zeer te wenschen!

Doch zoo geleerdheid Godsvrucht mist

Zal zij maar half beschaven: Dan geeft zij licht; maar warmte niet Ja zelfa veroorzaakt zij verdriet. Aan edelen en braven.

De menschen, menschen te doen zijn,

Naar hart eu rede beiden;

AI zijn ze weinig in getal.

Gelukkig zijn zij bovenal,

Die hen daartoe bereiden!

-ocr page 132-

124

G E N O T,

Geniet met dankbaarheid de vreugde

Door God zoo mild u toebedeeld.

Hij was liet die uw hart verheugde,

Door Hem hebt gij als kind gespeeld. Hij deed uw krachten zich ontwik\'len

Toen gij nog darteldet als knaap: En mocht de dag u overprik\'len

Hij sterkte u door den zoeten slaap.

Toen gij, als jongling, door de liefde

Voor \'t schoonste meisje werd bekoord, En gij, in \'t oog van uw geliefde,

Een hemel zaagt door niets gestoord; Hij was het die uw min bewaakte.

Die u, als man, in d\' echt verbond, Die u, als rnensch, steeds meer volmaakte,

Zoodat gij Hem — Hij u verstond.

Door Hem genoot gij Vaderzegen,

Door Hem was \'t leven u een lust, 0! Wandel immer op zijn wegen.

Totdat de dood uw oogen kust!

Denk aan uw God! die u behoedde,

Die u het eerste heeft bemind:

En die ook, waar de stormen woedden.

Voor u gezorgd heeft als zijn kind. Op Hem het oog! Tot Hem het harte!

Woon\' zijne vrede in uw gemoed! En toeft u ziels- of lichaamssmarte,

Toch meent uw Vader \'t met u goed! Toon Hem uw dank! Wijd Hem uw leven;

Spreid liefde en zegen om u heen; \'t Genot dat Hij u wilde geven.

Verplicht tot weldoen u: naar \'k meen!

-ocr page 133-

125

GODS EEUWIGE LIEFDE.

Gij kunt niet den mensch verlaten,

Vader! Schoon hij n verlaat; En, den rug aan \'t goede keerend,

Zich slechts toewijdt aan het kwaad. Eeuwig blijft uw liefde trekken,

En Gij overwint, o Heer!

Evenals de zon den ijsklomp,

Die in stroomen valt ter neêr.

Maakt de mensch zich ongelukkig, Gij verwerpt hem nochtans niet, Stort hij zich in zonde en schande,

Evenwel haat Gij hem niet.

Neen! Gij blijft dezelfde liefde,

\'t Zij hij \'t weet of wel niet weet; En hij, tot zichzelven komend,

Ziet dat Gij hem niet vergeet. Hij bespeurt dat slechts zijn zonden,

Delfden eene diepe kloof.

Die alleen gevuld kon worden,

Door bekeering en geloof.

Dat hij zich onvatbaar maakte

Voor uw teed\'re Vadermin,

Door hardnekkigheid in \'t kwade.

Door weerbarstigheid van zin: Dat geen scheiding hem intusschen

Bukken kon uit \'s Vaders hart, En dat juist tot sjaalgen vrede

Leiden moest der zonde smart. Tot den Bijbel zijner moeder

Neemt hij dan zijn toevlucht weer,

-ocr page 134-

12ü

Uwe liefde en uwe ontferming,

Brachten hem terecht, o Heer! Dan vol schaamte en diepe rouwe,

Buigt hij biddend zich voor u, Ook al was zijn vorig leven

Wreed, zelfzuchtig , hard en ruw. En voor U ter nederknielend,

Maar versterkt door nw gena,

Leert hij minnen en vergeven.

En \'t berouw komt niet te spa! Maar toch blijft hem d\'angel over,

Dat hij ooit dien God verliet.

Wiens barmhartigheid en zegen Nu zijn kinderhart geniet.

O! Wat zal deze Aarde wezen,

Als men eiken wederstand.

Tegen U en uwe liefde,

Eeuwig uit het harte bant!

Als godzaligheid en liefde,

Als eenswillendheid met ü,

\'t Hart vervult der stervelingen. Als der hemelingen nu!

Dan! Dan is deze Aarde een Hemel,

Waar geluk en vrede woont;

Daar Gij, met uw rijksten zegen. De verloste menschheid kroont!

-ocr page 135-

127

ZEDELIJK LEVEN.

Zichzelf te zijn, zichzelf te kennen In aanleg, richting. levensdoel;

Op eigen krachten durven bouwen.

Omdat wij op Gods kracht vertrouwen, Dat wekt in ons het schoonst gevoel.

\'t Gevoel van plicht en lotsbestemming,

Van \'t geen men mag, en wat men moet Hoe men zijn gaven \'t best ontwikkelt; Waar ons een heillooze eerzucht prikkelt; Eu waar men handelt vroom en vroed:

Aldus vooruitgaande in de waarheid,

In zelfbewustheid en in deugd , Zal godsdienstzin in \'t harte wonen,

Daar wij ons zeedlijk leven toonen, En smaakt de ziele hemelvreugd!

ERVAEIXG.

Al kan ik God ook niet begrijpen,

Hij heeft mij lief, en ik zoek Hem; Ik voel mij vast door Hem gegrepen, Zoet is het luist\'ren naar zijn stem.

-ocr page 136-

128

GERUSTHEID VAN GEMOED.

Gerustheid van gemoed doet stil en vroolijk leven,

Waar men zich ook bevindt en wat men heeft of doet. ■quot;t Onrustige gemoed doet vrede en vreugde sneven,

Al baadt zich ook de mensch in weelde en overvloed!

Hoe zeer bedriegt men zich, zoekt men \'t geluk van buiten;

Daar vindt men \'t waarlijk niet! \'t Woont nergens dan in \'t h Doch die het daar bezit, hij ziet voor zich ontsluiten Des Hemels heil\'ge poort, ook zelfs bij hoon en smart.

De kalmte van den geest doet ons het zwaarste dragen.

Geen lijden is zoo groot dat dan versagen doet:

Zij steunt en sterkt den mensch bij \'s noodlots wreede slagen. En geeft hem, door Gods gunst, voor \'t sterven goeden moei

\' Die deze kalmte mist, dien vree, die rust van binnen, Hij mist de levenskunst, veel meer dan schatten waard; Gaaft gij hem een paleis, wat zou hij er beginnen?

Hij zag toch overal een hem bedreigend zwaard!

Neen! Kinderlijk geloof, blijmoedig, stil vertrouwen. Gerustheid van het hart, door vaste hoop op God,

Dat zijn de middelen om \'t hoogst geluk te aanschouwen, \'t Zijn bronnen van vermaak en ongestoord genot!

-ocr page 137-

129

HET AARDSCHE LEVEN.

\'t Leven vloeit niet altoos henen,

Als een effen, kalme beek;

Dikwijls is er stof tot weenen,

Ach, \'t gemoed wordt soms zoo week!

\'t Stnursohe lot kan ons wel brengen

Slagen daar het hart bij krimpt;

En de vraag: »Kan God geheugen,

Dat er zelfs geen vonkje glimt?quot;

\'t Kan zoo donker zijn in \'t leven!

Ach, zoo somber in de ziel!

Even als, door storm gedreven,

\'t Noodweer jaagt de ranke kiel!

Als de zon zich blijft verschuilen.

Achter \'t dichte wolkgordijn;

En de storm begint te huilen;

Als de dag schijnt nacht te zijn;

Als de regenvlagen woeden,

Als de hemel stroomen giet;

Als, eer men het kan vermoeden,

Flikkerend de bliksem schiet;

Als de donder de aard\' doet dreunen;

En de golven, huizen hoog,

Zich om \'t jamm\'ren niet bekreunen,

En de hoop verdwijnt voor \'t oog!

9

-ocr page 138-

130

Zóó kan \'t leven ook wel wezen;

Angstvol, wreed, geperst en rauw: Dan zijn wij in duizend vreezen. En de wereld is te nauw!

ïoch, mijn ziel! blijf vast gelooven!

Wind en zee staan in de macht Van den Hemelheer hierboven: God, uw Vader, houdt de wacht!

Hooglijk zal u redding dagen.

Eer gij \'t nog verwachten kunt! Mogelijk dat na zijn slagen,

God u vreugde en blijdschap gunt.

En! moet ge ondergaan in \'t lijden, Gansch vermorzeld door de smart. Kan de dood u slechts bevrijden; Twijfel nimmer aan Gods hart!

WAARHEID EN VKIJHEID.

De zaak der waarheid en der vrijheid

Is zeker wel de zaak van God! Die dit gelooft zal niet versagen, Noch over tegenwerking klagen, Hoe hem de wereld ook bespot!

-ocr page 139-

131

HET CHRISTEN ZIJN.

Christen! Toont gij wel de vrucht Van het geestlijk leven,

Aan hetwelk uw mond getuigt Dat ge u hebt gegeven ?

Anders zijt gij als een boom Overrijk aan blaren,

Maar van welken men vergeefs Vruchten wil vergaren!

Hoor! Bestaat uw Christendom Enkel maar in woorden,

Die den oppervlakkigen Zeker wel bekoorden;

Maar toont gij niet door uw doen, En ook niet door laten.

Dat gij meent wat gij belijdt, Zou dat spreken baten?

Neen, het ware Christendom Ligt niet maar in spreken;

Maar de vroomheid van het hart Is het beste teelsen.

Hebt gij die, dan toont gij u \' Moedig in \'t bestrijden.

Van de zonden van uw hart; \'t Kwade zult gij mijden.

-ocr page 140-

182

Ootmoed, liefde, kinderzin Zullen u dan sieren.

En in uw geheiligd hart Zal de godsvrucht tieren.

Dan, hulpvaardig, dankbaar, blijd, Anderen tot zegen,

Sprekend weinig over deugd.

Toont gij ze allerwegen.

Dan barmhartig, vreedzaam, mild. Zonder zelfbedoelen,

Zult gij nooit een boozen ziu In u laten woelen.

Dan, door bidden aangevuurd, Wordt gij daaglijks beter;

Worde u ook des levens strijd. Bloediger en heeter.

Dan verwacht gij van deze aard. Loon, noch eer, noch voordgel;

Maar gij wacht vertrouwend af \'t Heilig god\'lijk: oordeel.

Dan hebt ge in uw werk uw lust, Lust ook in het leven.

En gij roemt de gunst van God, Die u \'t al wou geven.

Dan eerst hebt gij \'t waar geloof. Dat kan zalig maken;

Want de liefde van uw God Doet van liefde u blaken!

-ocr page 141-

133

AVOND EN MORGEN.

Wat \'savonds u zal wachten, Weet gij des morgens niet. Licht slaakt gij droeve klachten ,

Bij tranen van verdriet; Misschien ook zult gij juichen,

En vroolijk dankbaar zijn, En zult gij blijd getuigen:

»Mijn dag was één festijn!quot; De Toekomst is verborgen

Voor ieder menschenkind ; Weg daarom met uw zorgen!

Leef, als door God bemind. Vervul met lust uw plichten,

Doe moedig wat gij kunt, Tracht altoos nut te stichten ,

Daar God u \'t leven gunt. En zijt gij overbodig

Geworden hier op aard. Dan heeft God vast u noodig

Voor \'t geen zijn gunst bewaart. Dan wordt de Toekomst, Heden;

Gij dankt Gods liefde en trouw. Die u, door \'t bang verleden,

Tot wijsheid brengen wou. Dan zult gij \'t antwoord krijgen

Op vragen zonder tal; En — bleef de Heer ook zwijgen. Gij looft Hem overal!

-ocr page 142-

134

WAT HEÏ GROOTSTE IS.

Weet gij wat bovenal op aard\' verdient geprezen?

Dat, wat den tnensoh liet best van dwaasheid kan genezen 1

Geen rijkdom, roem of eer, geen vlugheid van den geest,

Geen wonderschoon gelaat, of sierlijkheid van leest,

Geen prinselijke macht of groote kundigheden,

Noch dat men op den top des hoogsten bergs mocht treden

Niet dat men kleêren draagt van gouddraad en satijn,

Of dat men \'t heulsap vond genezend elk venijn;

Maar dit is wel het grootst dat men ooit kan verzinnen:

Een hart dat overal zichzelven kon verwinnen.

Een hart dat nimmermeer door schijngoed werd bekoord,

Maar dat door Gods gena, zich slechts aan wijsheid stoort!

Een hart hetwelk de vreugd der wereld kan verachten,

En edel is in doen, in woorden en gedachten:

Die zóó verwantschap toont met de Oppermajesteit,

Wordt hij op aard versmaad. God heeft hem gunst bereid!

VREEMDE EN EIGEN DEUGD.

Steun niet op and\'rer deugd, die kan u toch niet baten: Wil op uw eigen kracht en deugden u verlaten;

Maar wat gij hebt of zijt vergeet het nimmermeer, Erkentlijk moet gy zijn aan aller Opperheer!

-ocr page 143-

185

GODS GEMEENSCHAP.

Geen vorst\'lijk bloed in onze ad\'ren,

Geen achtbre rij van ed\'le vad\'ren,

Doet ons tot Gods gemeenschap nad\'ren,

Kan men ze koopen ? — Waarlijk, noen! Haar kan geleerdheid ons niet geven,

Noch prachtvol of genotrijk leven,

Haar geeft ons nimmer \'t aardsche streven. Maar reinheid van \'t gemoed alléén!

Zij slechts is de adel van het harte, Waardoor men kan de wereld tarten. Die ons veroorzaakt pijn en smarten, Die zij verwint door heil\'gen geest. Die zelfverloochenend kan lijden. Om slechts in God zich te verblijden, En al wat kwaad is te bestrijden.

Diens aanzijn geldt bij God het meest.

Wel hem, die daarnaar steeds wil trachten Wie hem daarom ook moog\' verachten, d\'Ellende zal hij wel verzachten,

Die thans het nienschdom kwijnen doet: Daar liefde en ootmoed hem regeeren, Is dit zijn vurigste begeeren ,

Gods weg aan and\'ren ook te leeren, Waardoor hij angst en wee verzoet!

-ocr page 144-

136

NUTTIG ZIJN.

Valt u \'t geluk ten deel van nuttig u te maken,

Stel dat op lioogen prijs, en dank uw God er voor. Wil nooit uw heil\'gen plicht, maar wel uw lust verzaken.

Toon dat gij dankbaar zij^ dat u Gods gunst verkoor. Gaat er van u ook uit bezieling, kracht en leven.

Dien ed\'len heldenmoed waarvoor de domheid zwicht. Dan is aan u voorwaar een schoone taak gegeven.

Dan werkt gij mee met God, en zijt ge een bron van lie Die zelf gezegend is moet weer een zegen worden,

Dat is zijn hoogste roem, zijn voorrecht en zijn lof: Hoe meer die vrome zin den vrijen mensch zal gorden, Te meer gaf Gods gena hem blijde dankensstof!

IJDELE GODSDIENST.

Die den Godsdienst slechts in woorden,

Of in plechtigheden stelt.

Leeft niet voor de hemelsche oorden. Maar kan zelfs zijn ziel vermoorden, IJdel is \'t dat hij zich kwelt!

-ocr page 145-

137

WEES U ZELF!

Wees u zelf, en heb een doel In het schoone mensehenleven!

Raadpleeg met het hoog gevoel Dat de godheid u woü geven.

Zij \'t verstand uw trouwe gids, Laat door toeval u niet leiden .

En gij zult in duisternis \'t Heilig levenslicht verspreiden.

Jaag naar d\' adeldom der ziel,

Laat ze u zelfverlooch\'ning kosten!

Eischt de wereld van u : »Kniel!quot; Sta als een door God verloste!

Slaat de krijg u wond op wond, Help de deugd toch zegevieren;

Blijf getrouw aan \'t Gods verbond. Laat Gods Geest uw wil bestieren!

Valt gij in den heeten strijd ïegen baatzucht en vooroordeel.

Beter dat, dan zelfverwijt.

Wie uw pogen ook veroordeel!

Gij vergroot alleen de rij Van die ed\'le martelaren.

Die des Boozen tirannij Door Gods gunst ontvloden waren!

Eenmaal! — Leef in dat geloof. Sterf er in, indien \'t moet wezen! —

-ocr page 146-

138

Is de mensch niet langer doof, En wordt hij van \'t kwaad genezen!

Hij die daartoe medewerkt,

Laat de wereld hem maar smaden.

Voelt zich door zijn God versterkt. Dood nocli leven zal hem schaden!

GAVEN GODS.

Vernuft, verbeelding, hart, gevoel, Wat zijt ge ons kostelijke gaven! Waarmee de Godheid ons wil laven. Te midden van het aardsch gewoel.

Gij toovert ons het schoonst verschiet: Gij doet ons juichen, of wol treuren. Wanneer \'t in \'t leven mag gebeuren. Dat men in de eenzaamheid geniet.

Hoevele gaven heeft de ziel!

Hoe mild was toch voor ons de Algoede \'kVertrouw mij aan zijn heiige hoede, Die mij ook oprichtte als ik viel!

-ocr page 147-

139

EENE GEZONDE ZIEL IN EEN GEZOND LICHAAM.

Naar ziel en lichaam beiden Gezond en frisch en sterk, Dat wordt men niet van zeiven, Dat is de vrucht van \'t werk. Hij die zijn krachten oefent,

Naar \'t lichaam en den geest, Maakt zich voor achteruitgang

In leven niet bevreesd!

Neen moedig streeft hij voorwaarts.

Schoon \'t kwaad hem ook bedreigt. Hij maakt dat geen verveling Hem ooit in handen krijgt.

Gelukkig is zijn leven,

Het werken zijn genot,

In beiden, smart en vreugde.

Dankt hij zijn Heer en God, Ontwikkelend zijn gaven

Van hart, verstand en wil.

Wordt nog zijn naam gezegend.

Staat eens zijn polsslag stil!

HEILIGMAKING DE WEG TOT HEILIGHEID.

Ik heb een heilig woord, schrijf \'t in uw harte op,

Het is de wijze wet van de allerhoogste orde:

«Niet met een enklen sprong bereikt gij ooit den top! «Die Christen wezen wil, moet Christen willen worden.quot;

-ocr page 148-

140

HET WAEE GOED.

Het onverderflijk heil kunt gij alleen dan smaken ,

Als gij met God in vrede leeft:

Derft gij dien schat; zelfs midden in vermaken Kan \'t zijn dat u het harte beeft!

Hoor naar de stem van God, die in uw hart blijft spreken Van waarheid, liefde, reinheid, deugd.

Om immer meer der zonde boei te breken,

Tot uwe en ook tot zijne vreugd!

Ja! \'t Is de lust van God, dat zich zijn kind\'ren spenen Van \'t geen met hun bestemming strijdt.

Hijzelf wil hun zijn kracht daartoe verleenen.

Zoodat men zich in Hem verblijdt!

WEES VERDRAAGZAAM!

Wanneer de Jood zich voor zijn Jahveh buigt,

Mohammeds volgeling zijn eeuwig «Allah!quot; prevelt. Of \'t Christenhart zijn: «Heil\'ge Vader!quot; juicht,

Zij zoeken allen Liefde en Reinheid — hoe beneveld!

-ocr page 149-

141

ONREIN EN REIN VAN HART.

Onrein is \'t hart dat booze tochten voedt,

Niet strijden wil, maar lust heeft in het kwade; Dat met genot het goede zou verraden,

En spotten kan met ed\'len heldenmoed.

Onrein is \'t hart dat slechts zichzelv\' bedoelt, En liefdeloos geen hart heeft voor een ander. Dat nimmer bidt dat God zijn hart verander\'.

Maar schaamt\'loos zit in \'t hooge eergestoelt. ■

Onrein is \'t hart, dat nergens wijsheid ziet In \'t geen Natuur ons daaglijks geeft te aanschouwen. Dat, trotsch van aard, spot met het Godsvertrouwen, En liefst de macht van het geweten vliedt.

Onrein is \'t hart, dat van de wereld wacht Het hoogst genot dat menschen moet bekoren: Dat weigert naar de stem van God te hooren, En zeedlijkheid en godsvrucht snood veracht.

Maar rein is \'t hart dat omgaat met zijn God,

Dat op Hem hoopt met dankend zielsverlangen. Dat, hoe het ook de zwaarste nooden prangen. Getroost is in \'t bedroevend menschenlot.

Rein is het hart dat waarlijk \'t goede wil.,

Al voelt het ook zijn groote machteloosheid,

Het heeft geen lust in de aardschgezinde boosheid, Maar \'t jaagt naar\'deugd, ootmoedig, vroom en stil.

-ocr page 150-

142

Rein is het hart dat list en leugen schuwt,

Zijn plicht getrouw, voor zijnen God wil leven, \'t Welk toont, door \'t ware en goede na te streven,

Dat het van zonde en slechte zeden gruwt.

Eein is het hart dat God en menschen mint,

Dat, zoo \'t misdeed, zich haast tot God te keeren; Dat nooit den naam der menschheid wil onteeren.

Maar ijv\'rig zoekt te worden \'s Vaders kind.

Eein is het hart van hem die buigt de kniên.

En vraagt aan God meer licht en meerder krachten , Om vol te zijn van heilige gedachten;

Welzalig is die mensch! Hij zal God zien !

ZEDELIJKE WIJSHEID.

Zonder zedelijke vrijheid

Neen! bestaat er geen geluk.

Doch met haar is \'t leven blijheid.

Midden ook in zorg en druk.

Wilt gij vroolijk, krachtvol leven,

Laat het kwade en doe het goed; Dan hebt gij, wie ook moog\' beven, \'t Hoogste loon op \'t heiligst streven, Levenslust en stervensmoed.

-ocr page 151-

148

VOOR EX TEGEN.

Er is veel bitters in het leven,

Veel smart en veel ellende op aard\'!

Die daar alleen het oog voor opent,

Neen! hem is \'t leven niet veel waard!

Want \'t is voorzeker niet te ontkennen, Verdrietlijkheden zijn er veel:

Die onvermend genot wil smaken. Zij dankbaar voor een heel klein deel!

Doch zou de mensch zich des beklagen, En zuchtend door het leven gaan?

Hij wordt onvatbaar voor de vreugde. Die hem ontmoet op \'s levensbaan.

Maar die erkentelijk kan wezen,

Voor eiken zegen hem bereid;

Voor ieder voorrecht dat zijn deel werd, Hoe voelt hij zich in God verblijd!

Dan roemt hij staag des Heeren goedheid. En \'t is zijn wellust hier beneên,

\'t Geluk van and\'ren te verhoogen. Ofschoon het eigen oog ook ween\'!

Zóó, and\'ren tot een trooster wezen.

Daar men vertroost werd door zijn God,

Hoe hoog en schoon is die bestemming! Noem haar een onwaardeerbaar lot.

-ocr page 152-

144

Klein worden clan de ongeneugten,

Maar eindloos Gods barmhartiglieên; De levenszon zal ons verlichten, De zwartste schaduwen gaan heen!

Loof, loof mijn ziel, met blijde klanken,

Gods Vaderliefde en eeuw\'ge trouw; Gewis! gij hebt wel stof tot danken, Al treft u soms ook leed en rouw!

GOD EN MENSCH.

Eén plan heerscht in \'t heelal, Eén regel, wet en orde;

Gij ziet ze in \'t sterrenheir En in den grasspriet worden.

\'k Voel me aan dien Geest verwant, Die zich dus openbaarde:

Ik zie zijn heerlijkheid In hemel en op aarde.

Als zich mijn geest verheft Tot aller scheps\'len Heer,

Daalt in mijn zoekend hart Zijn rust en vrede neêr!

-ocr page 153-

145

GODSDIENSTIG ZIJN.

Hij is nog niet godsdienstig Die trouw ter kerke gaat;

En hij is nog geen spotter Die \'t kerken aan u laat!

Stel nimmer in de vormen Den godsdienst van het hart,

Die \'t deden raakten dikwijls In \'t zondennet verward!

Gelukkig and\'ren maken,

Voor zich bedachtzaam zijn.

Nauwkeurig in zijn plichten, In woord en wandel rein;

Bannhartig en vergevend.

Verdraagzaam, eerlijk, trouw

Vol ijver voor het goede.

Waar men het ook aanschouw\'

Een man van dezen stempel Veroordeel hem niet licht:

Al wordt hij in uw kerken Ook niet genoeg gesticht!

En gij, die door het preêken En zingen wordt bekoord.

Tot wiens godsdienstig leven Het kerkbezoek behoort;

-ocr page 154-

146

Die \'t lezen in den Bijbel,

Houdt voor een heil\'gen plicht,

En met gesloten oogen Vaak uw gebed verricht;

Denk niet, dat \'k af zal keuren Hetgeen gij houdt voor goed;

Of mogelijk belachen Wat gij geloovig doet!

Gewis niet! Maar wil toezien Dat het u niet gebeur\',

Dat uwe godsdienstvormen Slechts worden ijdle sleur!

Zorg, dat ge uw leven heiligt. Door \'t geen gij hoort of leest;

En dat ge uw hart vervuld hebt Met Jezus\' heil\'gen geest.

Houd u niet voor rechtvaardig. Voor wijs en goed en vroom;

Maar houd, door biddend waken. Uw hart en mond in toom!

Gij, die vermaand, gewaarschuwd, Gewekt, bemoedigd wordt,

Op wien des Heeren zegen Zoo mild wordt uitgestort;

Toon u ook beter, sterker, Ootmoediger, vol deugd,

En zorg dat ge ook door weldoen Uws naasten hart verheugt!

-ocr page 155-

147

Door zóó met God te leven Werkt gij aan \'t menschenheil,

En smaakt in \'t harte vrede, Ja, vreugde zonder peil.

Laat aan den Heer maar over Dat die het oordeel velt!

En maak dat n in \'t leven De vreeze Gods verzelt!

Dan kweekt gij aan de liefde. Die \'t al te boven gaat;

En blijft aan God verbondon. Wie Hem ook stout verlaat!

DE WAAEHEID.

Groot is de waarheid, ja! en zij zal zegevieren!

Schoon domheid, bijgeloof en laster haar bestrij.

Laat zonde en wereldzin nu nog een tijdlang heerschen ,

De menschheid gaat vooruit. De waarheid maakt haar vrij ! Vrij van den lengen en van dwaasheid en vooroordeel;

Vrij van hot zelfbedrog, dat duizenden verblindt;

Zij is, als kind van God, geroepen tot volmaking,

Hoewel nu nog verblind!

-ocr page 156-

148

BEDE TOT GOD.

God en Vader in den Hemel!

Leer ons doen wat wijs en goed,

Aan U welbehaaglijk wezen,

En ons heilzaam worden moet.

Leer ons zonde te overwinnen Door standvastigheid van wil:

Maak in \'t moeilijk aardsche leven Onze harten voor U stil!

Leer Gij zelf ons medewerken Aan het groote wereldplan;

Opdat nimmermeer het kwade

Maar de Deugd de kroon hier span

Zalig, Heer! in uw gemeenschap. En vertrouwend op uw trouw,

Laat ons vroom en heilig leven.

Waar ons ook uw oog aanschouw\'.

Nooit verwaten noch vermetel,

Maar met ned\'righeid omhuld;

Ja ootmoedig en eenvoudig,

\'t Hart met kinderzin vervuld;

Dat ons leven dus U prijze,

Zoo in blijdschap als in nood!

Niets zal ons dan ooit doen vreezen. En het allerminst de Dood!

-ocr page 157-

149

BIJ JEZUS\' GRAF.

Is dat dood zijn? — Neen dat \'s leven:

Leven ja, voor God en mensch ! Zóó naar \'t heilig Godsrijk streven,

Volgens aller vromen wensch.

Biddend henengaan van de aarde,

Opgehangen aan een kruis. Dat verheft wel \'s menschen waarde. Die 7.66 sterft, hij gaat naar huis! Naar het huis des eeuw gen Vaders,

In wien \'t harte heeft geloofd , Ook bij \'t huich\'len des verraders,

Ook met doornen om het hoofd. — Nu ligt hij in \'t graf te rusten:

Moe van ziels- en lichaamssmart; Gods barmhartigheden bluschten \'t Aardsehe leven in dat hart.

O, God lof! hij heeft gestreden

Meer dan eenig menschenkind, Ach, wat heeft dat hart geleden,

Door de menschen, zoo verblind ! Toch! Ofschoon ze \'t lichaam doodden

Bleef zijn leven ongerept;

God is \'t die na stervens nooden Hem een eeuwig leven schept.

Werken blijft zijn geest op aarde,

Zijn begins\'len dringen door,

Spreekt men ooit van menschenwaarde,

0, dan gaat hij allen vóór!

Neen, de wereld zal \'t niet winnen: Overwonnen bukt zij neêr;

-ocr page 158-

150

Emd\'lijk zal zij hem beminnen,

Keert zij in ziehzelve weêr! \'t Aarclsclie leven kon zij rooven,

Maar terwijl ze dat hem nam,

Was hij reeds haar macht te boven,

Die geslacht werd als een lam.

Ja! Hij gaf haar in zijn sterven

\'t Leven dat eerst leven is;

En dat zij zich zal verwerven

Volgt zij hem eens als haar gids!

Groote strijder! Overwinnaar!

Lof en eer zij u gebracht;

Reiner blinkt uw heil\'ge liefde

Dan het maanlicht in deez\' nacht. En gelijk de zon na \'t duister,

Straks weêr schijnt met hellen gloed, Zóó zal blinken ook uw luister Als uw geest zich gelden doet!

Heilig is de rust der graven!

Kerkhof-stilte spreek\' alleen.

Bij het lijk van dezen brave

Past geen jammerend geween. — Meer dan ooit een mensch kon geven

Aan een wereld vol van strijd, Schonk ons Jezus in zijn leven Dat aan God was toegewijd.

Zou dat leven vruchtloos wezen?

Neen! \'t Is aan het graan gelijk: Sterven heeft het niet te vreezen,

\'t Is \'t onsterfelijk leven rijk! Millioenen zullen danken Dat hij hier het leven zag;

-ocr page 159-

151

En hun blijde jubelklanken

Groeten \'s Hemels lentedag.

Eust vrij uit! gij groote lijder!

Keere uw stof\' tot stof ook weer, Eens wordt elk uw medestrijder, En gij eenmaal aller Heer!

MENSCHENWAAEDE.

Uw waarde hangt slechts hiervan af, Of gij voor and\'ren leeft;

• Of gij, met vroom en blijd gemoed, U zelv\' aan and\'ren geeft.

Is u die zelfverlooch\'ning vreemd,

Bedoelt ge uzelven \'t meest, Dan leeft in u, hoe groot ge ook zijt, Nog niet de Heil\'ge geest.

Die geest van God, die liefde kweekt,

En ons ootmoedig maakt,

Is wel onmisbaar om te zijn, Wat Jezus wil, -— volmaakt!

-ocr page 160-

152

VERTROUWEN.

Ook ik, ook ik ben één der kleinen,

Neen, bij de wereld niet in tel;

Maar bij de eng\'len in den hemel,

Eu bij mijn God en Vader wel!

Hij, dien ik eeuwig dank en prijze, Schenkt mij. verdoolde, ook mij gena ,

Zijn oog, vol liefdevolle ontferming ,

Slaat mij met zijn getrouwheid ga.

God wil niet, dat ik ga verloren Voor ue eindelooze zaligheid!

Zóó ben ook ik door Hem yerkoren , Dat Hij mij tot Zijn doel geleidt.

Zijn doel! — Wat kan dat anders wezen. Dan \'t hoogst geluk van al wat is ?

Daartoe moet alles samenwerken,

Ja, licht zoowel als duisternis.

Vertrouw op God, blijt op Hem hopen ! Een moeder heeft haar kind\'ren lief.

En zou de Hemelvader dulden.

Dat zij zich boven Hem verhief?

Heb goeden moed! Het aardsche leven Zij vol van moeite, nood en pijn;

Dit denkbeeld blijft mij steeds omzweven «Wat zal de hemel zalig zijn!quot;

-ocr page 161-

153

En niet slechts op de Toekomst hoop ik, Het Heden kondigt reeds Gods trouw; Hij schenkt mij rust en vrede en vreugde, Is \'t wonder, dat ik op Hem bouw?

Mijn hart is stil bij zijn beschikking.

En schoon mij de aard soms bitter krenkt, Hoe vindt mijn hart bij Hem verkwikking; \'k Voel, dat mijn Vader aan mij denkt!

Zijn zegen? Hoe heb ik ze ervaren,

Zijn gunst en zijn barmhartigheên!

Ü! vliedt maar, mijne levensjaren!

Zou Gods genade ooit vlieden ? — Neen!

HELP U /ELVEN!

«Hij die zichzelven helpt wordt ook door God geholpen!quot;

Dat woord is werklijk waar, meer dan gij mooglijk denkt. Gebruiken wij de kracht die God ons heeft geschonken, Hij is het die nog meer ons schenkt.

In ons toch leeft Gods kracht; en die zich in kan spannen Volhardende met moed, hij gaat waar God hem wenkt: Hij werpt de bergen om die zijnen weg versperren,

Schoon \'t lot een kruis hem brengt!

-ocr page 162-

154

LEEFREGEL.

Het goede doen, het kwade laten,

Omdat Gods Liefde in \'t harte woont.

Dat is het ware zeedlijk leven;

En dit alleen kan vruchten geven Wier zegen \'t dankbaar harte kroont.

Woont dat beginsel in ons leven,

Is dit de drijfveer onzer daan.

Wij quot;vragen dan naar vorm noch stelling; Maar, vrij van deze zielek welling.

Woont God in ons! — Wat zou ons schaan?

DE HOOGSTE WET.

Geen hooger wet hier voor den menscli

Dan die van het geweten.

Al blijkt het, dat ze in menigeen

Schrikbarend is versleten! Vernieuw die wet door Christus\' geest:

Het is de wet der vrijheid. Gij wordt wat Jezus is geweest. En leeft in Gods nabijheid.

-ocr page 163-

155

WETEN EN GELOOVEX.

De wetenschap is voor \'t verstand: De godsdienst is de zaak van \'t harte.

Die beiden met elkaar verwart,

Bereidt zichzelven groote smarte.

Wat God is? Of hoe Hij bestaat,

Laat dat de wetenschap beslissen!

Ofschoon het wel te vreezen is Dat zij zich vaak nog zal vergissen!

Maar dat God is, en goed en groot. En Liefde is in geheel zijn wezen,

Dat voelt het hart; en \'t dankbaar kind Gelooft het, schoon \'t is onbewezen!

GODSDIENST EN ZEDELIJKHEID.

De hoogste ontwikkeling van \'t zedelijke leven. Wordt door den Godsdienst slechts gegeven.

Daar ware Godsdienst thans zoo uiterst zeldzaam is, Is zeedlijkheid en deugd meest een geheimenis.

-ocr page 164-

156

GODSVEUCHT.

De Godsdienst en de zeedlijkheid

Acht ik geliik twee bronnen. Hun wat\'ren vloeien lieflijk saam,

Schoon ze elk voor zich begonnen. Vereenigd vormen zij den stroom Van \'t rein godsdienstig leven; Waaraan de menschheid vaak den naam Van Godsvrucht heeft gegeven.

ONZE EOEPIXG.

Nuttig wezen voor een ander,

Vroolijk, ijvrig doen zijn plicht, \'t Kwade, waar men kan, verhelpen, Vreugd verspreiden, vrede en licht; Zóó een zegen zijn voor velen,

Daar ons God gezegend heeft; Zeker! dat is onze roeping!

Zalig die er ook naar leeft.

-ocr page 165-