-ocr page 1-

PSYCHOLOGIE DER
WAARNEMING

EEN STUDIE OVER GEZICHTSBEDROG

-ocr page 2-

\' - ^

■Ï-Vquot;.

-ocr page 3-

gt; ). \'
V.

\'ï v.-w-f
. ■ \'S\'\' .li.

-ocr page 4-

p®s ^ :

•TV-\'- ƒ • ••vi\'^\'quot;\'\'^

\' 1 *

J.

m^ifésSSf

ilSS

i^Pi

» j

f \\

-ocr page 5-
-ocr page 6-

- * • • - . Vî»

-ocr page 7-

PSYCHOLOGIE DER WAARNEMING

-ocr page 8-

UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT

3969 4504

-ocr page 9-

PSYCHOLOGIE DER
WAARNEMING

EEN STUDIE OVER GEZICHTSBEDROG
PROEFSCHRIFT

TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN
DOCTOR IN DE LETTEREN EN WIJSBEGEERTE
AAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT,
OP GEZAG VAN DEN RECTOR\'MAGr^IFICUS,
D
r. H. TH. OBBINK, HOOGLEERAAR IN DE
FACULTEIT DER GODGELEERDHEID,
VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER
UNIVERSITEIT, TEGEN DE BEDENKINGEN
VAN DE FACULTEIT DER LETTEREN EN
WIJSBEGEERTE, IN HET OPENBAAR TE VER.
DEDIGEN OP VRIJDAG 1 FEBRUARI 1929,
DES NAMIDDAGS TE 4 UUR, DOOR

FRANS JOZEF THEO RUTTEN

GEBOREN TE SCHINNEN

N.V. DEKKER amp; VAN DE VEGT EN J. W. VAN LEEUWEN
NIJMEGEN-UTRECHT - 1929
bibliotheek DER

RUKSUNlVERSITglT

«iBisasi^

-ocr page 10-

imH^^om \' ___ _

jTHo .TAAMSSr^WaÜ ■ V./y Tl\'-JJ^iH cHS^XIOquot;/

\'. ft- : ■

-MITUJÏ^HT latQi ^mam

TWVtTC-\'. -- I Im I MB

Cür\' ••f »ip-r .V

-ocr page 11-

Aan mijn moeder en
aan mijn vader z. g.

-ocr page 12-

ys-ii--:

-ocr page 13-

Het verschijnen van dit proefschrift biedt mij de welkome
gelegenheid, U, Hoogleraren en Oud-Hoogleraren van de
faculteit der Letteren en Wijsbegeerte, mijn dank te betuigen
voor het van U genoten onderwijs.

Hooggeleerde Roels, Hooggeachte Promotor. Mijn ver-
plichtingen jegens U zijn vele. Voor alles wat ik U ver-
schuldigd ben, breng ik U mijn oprechte dank. Ik beschouw
\'t als \'n dubbel voorrecht, dat ik in de Empiriese Psychologie
U tot leermeester had, en dat ik — dank zij het vertrouwen
dat U in mij stelde — Uw assistent mocht worden aan de
R. K. Universiteit te Nijmegen. Moge in de toekomst mijn
werk U tot eer strekken.

Hooggeleerde de Vooys. Ook aan U dank ik zeer veel.
en ik zal mij dat steeds blijven herinneren. Uw onderwijs en
de leiding, die U mij gaf bij mijn studie in de Nederlandse
Letteren, hebben in belangrijke mate tot mijn vorming bij-
gedragen.

Hooggeleerde Kernkamp. Uw colleges zullen mij steeds
in aangename en dankbare herinnering blijven.

Hooggeleerde Oppermann. Ook U een woord van dank
voor het onderricht, dat ik van U mocht ontvangen.

Met dankbaarheid gedenk ik wijlen de Hooggeleerde
Frantzen, die mij leiding gaf bij de aanvang van mijn studiën.

Hooggeleerde van Hamel. Wilt de verzekering van mijn
erkentelikheid aanvaarden.

Hooggeleerde Schrijnen. Uw onderwijs en Uw belang-

-ocr page 14-

stelling in mijn studie dienden mij tot steun en tot prikkel.
Daarvoor zeg ik U mijn oprechte dank.

Hooggeleerde Ovink. Ook II ben ik dank verschuldigd
voor de colleges, die ik het voorrecht had te volgen.

Hooggeleerde Beysens. Zeer veel ben ik aan U verplicht.
Uw lessen zullen mij ongetwijfeld van nut zijn.

Hooggeleerde Zwaardemaker. Voor het onderwijs in de
Fysiologie en voor de vriendelike hulpvaardigheid van U en
van Uw zoon, Dr. J. B.
Zwaardemaker, betuig ik U mijn
grote erkentelikheid.

Nog dank ik hen, die zich als proefpersonen bereidwillig
beschikbaar stelden.

Tenslotte een woord van erkentelikheid aan de instrument-
maker van het Psychologies Laboratorium, de Heer J. W.
Stegink, voor zijn hulp bij \'t vervaardigen der tekeningen.

-ocr page 15-

INHOUD

Blz.

I.

Inleiding ..............

1

II.

Het M. L.-illusietype.........

5

III.

Histories overzicht..........

11

IV.

Veranderlikheid en af hankelikheid van het M. L.-

gezichtsbedrog............

15

V.

Het onderzoek naar de vorm- en vormingsprocessen

met betrekking tot het M. L.-gezichtsbedrog .

28

VI.

De ene verklaringshypothese na de andere . .

37

VII.

Experimenteel onderzoek naar de vorming van

en illusie bij M. L.-figuren........

63

VIII.

De techniek van het onderzoek......

67

IX.

Figuurvorming............

74

1. De verschillende stadia.....

79

2. Het functioneren van de eenheid . .

105

X.

Exposiljetijd en invloed van biezondere om-

standigheden . . ....... . . .

112

XI.

De plasticiteit van de lijn. Illusie- en bewegings-

verschijnselen ...........

130

XII. Samenvatting............144

-ocr page 16-

■isVs^ ÄhoiiiH/\',lï!

ir

■et\';;

-nbsp;-çoîbî^jii^Û^lt^M-Jsn io: ^ jn^^-^t^amp;d -

fTÄv ç.^lôjî\'iv -sh: -fi.\'u-î isor-?\'îbiTn ftiSîssuiha.ixBnbsp;^

■ ■ . _ .nbsp;-IHV

: ■ ■nbsp;. ■ ■ : ..nbsp;. \'.\' .lifïiwiova^iu^i^

Pt. . . .nbsp;. .quot; -nbsp;\'ï .nbsp;. ■

\'Ol \'sb onvnbsp;.Snbsp;quot;St

-mû nr,vnbsp;lîîoivnf fis fo|frgt;;i:fxixn

SU . .nbsp;. . , . - .nbsp;• . - mboAyikQß^

■ quot; • tts -Âi^iiiHnbsp;lîsvnbsp;i^i -IX\'-

^^ ..nbsp;. . .nbsp;. . . ■ . .lîX ■ ^\'-\'i

S

^

:, :, y.. _ ,

-ocr page 17-

1. INLEIDING.-

De psychologie heeft \'n oude voorhefde voor de bestu-
dering van afwijkingen en kurieuse gevallen. Hier immers zou
de regelmaat nadruk krijgen, en kon misschien de sluier
worden gelicht, die over het gewone psychies gebeuren hing,
Zo zou ook het gewone waarnemingsproces opheldering
kunnen vinden door die biezondere gevallen, waarbij men
spreekt van gezichtsbedrog.

En werkelik hebben die gevallen licht gebracht in \'t
„hoequot; van \'t waarnemingsproces. Ze droegen bij tot verhelde-
ring van \'t besef der tegenstelling subject—object. Ze demon-
streerden, dat de mening herhaaldelik \'n dwaling is; dat
verstandelike momenten in de waarneming belangrijke fac-
toren zijn. Wat wij weten over ons ruimte-zien meer in \'t
biezonder, is grotendeels te danken aan de studie van ver-
schijnselen van gezichtsbedrog. Bovendien leidde die studie
tot nauwkeuriger bepaling van sommige begrippen en prin-
ciepen, als instelling, assimilatie, dissimilatie, kontrast. Ze
bracht aan de orde het vormprobleem, waarvan elk psycholoog
van heden wel aandacht moet schenken. Tenslotte werden de
verschijnselen van gezichtsbedrog basis of uitgangspunt voor
nieuwe theorieën.

Bij al deze verbetering van inzicht in \'t waarnemingsproces
en de opsporing van allerhande gegevens en wetmatigheden,
kon men evenwel tot nog toe \'n bevredigende verklaring van
Verreweg de meeste gevallen van gezichtsbedrog niet geven.

Vooraanstaande onderzoekers is \'t in dit opzicht vergaan
als degenen, die er nooit studie van maken. Ogenschijnlik

-ocr page 18-

zijn \'t zeer eenvoudige dingen; iedereen weet er een ver-
klaring voor, die voor de hand ligt. maar ieder ook \'n andere.

De zon en de maan aan de horizon zien we groter dan
wanneer ze in \'t zenith staan, ofschoon afstand en gezichts-
hoek onveranderd blijven. — Vanaf dezelfde plaats zien we
de wieken van \'n windmolen \'n draaiende beweging maken,
die nu eens van ons af, dan weer naar ons toe is gericht. —
Corpulente mensen kleden zich voor ons oog welgevalhger
met \'n stof waarin de hoofdlijnen in de vertikale richting
verlopen, magere gestalten kiezen liever grootgebloemde
stalen uit of stoffen met de hoofdlijnen in de breedterichting.
— In \'t cijfer 8 en de letter S zien we nagenoeg symmetriese
delen, terwijl bij omkering van dit bock de delen in grootte
duidelik verschillend zijn. — Laat iemand \'n vierkant tekenen
uit de vrije hand, dan blijkt het,produkt bij nameting \'narecht-
hóek te zijn, waarvan de hoogte groter is dan de breedte. —
\'n Stok gedeeltehk in water gestoken, zien we geknikt, tasten
we er langs af, dan voelen we hem recht evenals vroeger, enz.

Dit alles rekent \'t gewone spraakgebruik tot feiten van
gezichtsbedrog. Toch wordt \'t zintuig niet bedrogen. In eigen-
like zin kunnen wc dus zeggen, dat we geen fout begaan,
want we zien in werkelikheid de stok in \'t water gebroken,
evenals wij hem bij betasting in waarheid recht ervaren.
Psychologies gesproken is er dan ook geen gezichtsbedrog.

Onderscheiden we vooraf de — van het subject onaf-
hankelike — werkelike, in meters aan te geven grootte van
\'n object (de fysiese grootte), en de waargenomen grootte
ervan (de psychies gegevene). Nu zijn we gewoon de ken-
merken van onze waarnemingsinhouden toe te kennen aan \'t
waargenomen object buiten ons. Ook vinden we gewoonlik,
als wij verschillen in richting, grootte en vorm zien, die ver-
schillen bij mathematies fysiese meting in gelijke zin terug.
Omgekeerd konstateren we bij fysiese gelijkheid ook gelijk-
heid in ons beleven. Klopt de onmiddellik gegeven indruk
omtrent de verhouding met het indirekt, door metriese bepa-
ling verkregen oordeel, m.a.w. beantwoordt een psychies gelijk
(ongelijk) aan \'t fysies gelijk (ongelijk), dan zeggen we juist

-ocr page 19-

te hebben waargenomen. Is en bHjft de subjectieve indruk,
ook ondanks beter weten, echter in tegenspraak met wat de
aard van de prikkels buiten ons doet verwachten, dan wordt
dit als gezichtsbedrog opgevat. Aldus uitgaande van de ver-
onderstelling, dat de ruimtelike bepaling met passer en liniaal
gekonstateerd, de „warequot;, de „juistequot; verhoudingen geeft,
wordt \'t andere daaraan afgemeten. Zo kan men dan in fysies
opzicht spreken van gezichtsbedrog. Dit is dus \'n bena-
ming in termen der prikkels, die bedoelt te zeggen dat, in
normale omstandigheden, afwijking gegeven is tussen de
onmiddellike indruk bij perceptie, en \'t oordeel, dat bij mathe-
matiese bepaling van \'n ruimtelikheid verkregen wordti).

Dat wij niet waarnemen als fotografiese platen, blijkt
overigens uit tal van andere gevallen. Vraag bijv. iemand, die
niet geoefend is in \'t tekenen, het venster van \'t huis aan de
overkant juist zo groot te tekenen als hij \'t ziet, dan zal hij U
antwoorden: „Het kan er niet op, \'t papier is te kleinquot;, \'n Ander
voorbeeld is de wetmatigheid der „corrigerendequot; afstands-
waarneming ten opzichte van de psychies gegeven grootte:
als twee voorwerpen gelijke beeldgrootten op \'t netvlies geven,
zien wij het voorwerp, dat \'t verst af wordt waargenomen,
groter dan \'t andere. Ook behoort tot de gevallen, waarin onze
waarnemingsinhoud niet geheel en al aan de fysiese ver-
houdingen der prikkels beantwoordt, het verschijnsel der

Wijl de filosofiese stelsels der verschillende auteurs bepalend zijn
voor de gegeven omschrijvingen, onthouden we ons van discussie. Om-
schrijvingen zijn te vinden bij J. M. Balwin, Dictionary of Philosophy and
Psychology, I blz. 511 en II blz. 206, 1925. — W. James. The Principles
of Psychology. II blz. 85. — F. KI. Kreibig, Ueber den Begriff der
Sinnestäuschung. Zschr. f. Philosophie u. phllos. Kritik. 120, 1902, blz.
203. — E. B. Titchener, Exp. Psych. Stud. Man. qual. 1922, blz. 151. —
Lautenbach, Die geora.-opt. Täuschungen und ihre psychol. Bedeutung.
Zschr. f. Hypnotismus. 8, 1899, blz. 29-31. — V. Benussi, Experimen-
telles über Vorstellungsinadäquatheit. Zschr. f. Psych. 42, 1906, blz. 22
en Gesetze der inadäquaten Gestalterfassung. Arch. f. d. ges. Psych. 32,
1914, blz. 397. — J. Fröbes S. J., Lehrbuch der exp. Psychologie, I. 2e Aufl.
blz. 269. — F. K. Oesterreich. Zum Problem der geom.-opt. Täuschungen.
Zschr. f. Psych. 105, 1928, blz. 371. — G. Ipsen, Lieber Gestaltsauf-
fassung. F. Krueger, Neue Psychol. Studien. I. 1926, blz. 268.

-ocr page 20-

„Sehgrössen-konstanzquot;: ons waamemingsbeeld vertoont, wat
de grootte van \'n object betreft, meer konstantheid, dan in
overeenstemming zou zijn met de wetten der optiek aangaande
de afstand van subject tot object enerzijds en de grootte van
\'t netvliesbeeld anderzijds. Bezien we bijv. \'n persoon op
2 meter afstand en daarna op 4 meter afstand, dan zal
niemand zijn grootte veranderd noemen. Deze gevallen rekent
\'t gewone spraakgebruik meestal niet tot gezichtsbedrog;
wellicht omdat onze verwachting daaromtrent geen steUige
verwachting is, en de afwijking niet opvalt.

Nog \'n nadere bepaling is nodig. Wat wij gezichtsbedrog
noemen, is steeds normaal in die zin, dat degene bij wie \'t
anders zou zijn, exceptioneel moet heten. Zo valt hieronder
niet de individuele „vervalsingquot; van de waarneming, die op
fysiese gebreken der receptieve organen berust. Ook moeten
we onderscheid maken tussen de individuele illusies, waarbij
bepalend is het overheersen van \'t subjectieve moment in de
waarneming, en \'t eigenlik gezichtsbedrog, dat wij gemaks-
halve en in overeenstemming met de gangbare terminologie
in \'t vervolg ook „illusiequot; zullen noemen.

Met dien verstande houden we vast aan de algemeen gang-
bare namen en willen trachten, gewaarschuwd voor de
stimulus-error (Titchener i), d.i. voor de verwisseling van
fysiese prikkel en psychies verschijnsel, ons door de termen
niet te laten misleiden, wat betreft de juiste erkenning van \'t
psychies gegevene. \'t Zal ons dan ook niet zozeer te doen zijn
om de bedrogsfactor, maar om de vraag, hoe in \'n dergelik
geval de onmiddellik zintuigelike waarneming van ruimte tot
stand komt. Is de illusie \'n noodzakelikheid van \'t ,,zienquot;,
louter fysies gesproken, óf van de psychiese daad der waar-
neming? Is \'t zien van ruimte, in \'n geval van gezichtsbedrog,
\'n proces, dat in princiep gelijk is aan \'t zien van dezelfde
ruimte, waarbij van gezichtsbedrog niet gesproken wordt?
Zijn de bewustzijnsprocessen dezelfde en is dan te veronder-
stellen, dat ook \'t fysiologies correlaat bij beide hetzelfde is?

1) Titchener, Exp. Psych. Instr. Man. quant. 1923, blz. 203 e.v.

-ocr page 21-

Dat wij de talrijke onderzoekingen op dit gebied nog met
één vermeerderen is gerechtvaardigd door het feit, dat de ver-
kregen resultaten geensins tot gelijkluidende verklaring
hebben geleid. Nu men deze verschijnselen, zoals zovele
andere, ook in \'t licht van de „nieuwequot; beginselen der Gestalt-
psychologie tracht te verklaren, kan het zijn waarde hebben
haar theorieën te toetsen aan de bij eigen onderzoek ver-
kregen resultaten.

Beperking was nodig. Onze keuze viel op \'n geval van
gezichtsbedrog, dat ten nauwste verband houdt met vele
andere gevallen van illusie: de klassiek geworden „Müller-
Lyersche Täuschungquot; i). De gegeven verklaringstheorieën
over gezichtsbedrog ontmoeten elkaar bij deze illusie.

II. HET M. L.-ILLUSIETYPE.

„Ces illusions sont essentiellement caractérisées par ceci:
une ligne est sous-estimée toutes les fois que, dans le voisi-
nage immédiat de ses extrémités, il se trouve de petites lignes
ou de petites surfaces rentrantes par rapport à elle; elle est
sur-estimée quand les lignes ou surfaces sont sortantesquot; 2 ).

n Hele kategorie van variaties is gevolgd op de oorspronke-
like vorm, die Müller-Lyer gaf (fig. I); bij de twee mathe-
maties gelijke horizontale lijnen nemen wij duidehk verschil
in lengte waar. Enkele jaren later gaf Brentano, die sindsdien
ten onrechte meermalen voor de ontdekker werd gehouden,
de samengestelde vorm van fig. II, waarin de horizontale
lijnstukken de indruk geven nog meer te verschillen dan in
de oorspronkelike vorm. De horizontale (hoofdlijn) hoeft
volstrekt niet effectief getrokken te zijn; het is voldoende, dat
. zii op enigerleiwijze is aangeduid, bijv. door begrenzing als in
fig. III. Ook is \'t niet noodzakelik, dat zij de zijstukken ^
ra^t-(fig. IV); wel mag waarschijnlik de verhouding tussen

Ter afkorting zetten we M. L. illusie.

-) H. Piéron, L\'illusion de Müller-Lyer et son double mécanisme.
Revue philos. 1911, blz. 251. In de handboeken der psychologie zijn dc
meeste der onderstaande variaties te vinden.

-ocr page 22-

Fig 1

gt;-lt; ^

^ gt;-

= gt; lt; lt; gt;
gt; lt; gt;
^ gt;-lt; ^

gt;-lt;

gt;-^

A
\\/

V

A

-ocr page 23-

de grootte der opening en de lengte van de horizontale lijn of,
juister, tussen de grootte der opening en de figuurgrootte \'n
zekere waarde niet overschrijden.

\'t Zal zonder meer duidelik zijn, dat dit gezichtsbedrog
berust zowel op onderschatting van de ene, als op over-
schatting der andere horizontale lijn; beide factoren werken
in gelijke zin, d. w. z. gezichtsbedrog verwekkend. Door
de twee componenten te scheiden, komen we tot fig. V.
Tracht men deze geometriese figuren verder te decomponeren,
dan blijken ook de zijstukken gedeeltelik te kunnen ontbreken.
(Fig. VI). In al de hierboven gegeven variaties zijn verder te
variëren de hoekgrootte, de positie der figuren ten opzichte
van elkaar in de ruimte, de lijnendikte en de kleur, (zo kan
men de hoofdlijnen bijv. \'n andere kleur of \'n andere dikte
geven dan de zijstukken enz.). Ook is de lengte-verhouding
tussen hoofdlijn en zijlijnen te wijzigen; dit alles echter binnen
zekere grenzen, want anders treedt \'t omgekeerde van \'t oor-
spronkelike gezichtsbedrog op. (Zie fig. VII tot IX).

Het aantal gevarieerde vormen is nog met zeer vele te ver-
meerderen, als we de mogehkheden van herhaling van \'t zelfde
motief of anders gevormde zijstukken in ogenschouw nemen;
als we deze vervangen door punten, vlakken of lijnen van
verschillende lengte evenwijdig aan de hoofdlijn. (Fig. X tot
XIV).

Door aan éne of aan beide zijden van de al of niet effectief
getrokken hoofdlijn een vlak te vormen, komen we tot bekende
geometriese figuren, waarin \'t zelfde motief is terug te
vinden. (Fig. XV).

Om in geval van gezichtsbedrog de verschillende factoren
te isoleren, tekent men gewoonlik zeer eenvoudige figuren.
Want \'t ligt voor de hand, dat \'n illusie slechts zelden aan
één enkele factor te danken is. Meestal zijn meerdere tegelijk
in \'t spel. Werken ze in gelijke richting dan versterken ze
elkaar; in tegengestelde richting werkzaam verzwakken ze
eikaars effect. Zo kunnen we de geïsoleerde factoren van
t M. L. gezichtsbedrog weer combineren met andere illusie-
factoren, bijv. met de overschatting van \'n vertikale lijn ten

-ocr page 24-

gt; ^ ^ lt; 1 LI) { )

12

13

14

fug

io

-ocr page 25-

gt; IS / N

Ïi3

\\

/

/

\\

V

Z

lenbsp;\\-^

A

/

17

/

-ocr page 26-

opzichte van de objectief gelijke horizontale lijn, of met de
onderschatting van \'n niet-gedeelde ten opzichte van \'n
objectief gelijke lijn, die meermalen is gedeeld (zie fig.
XVI); of met de overschatting van scherpe hoeken ten
opzichte van stompe hoeken, zoals in de illusie van Poggen-
dorf (fig. XVII), waarbij we de dwarslijnen niet in eikaars
verlengde zien hggen, terwijl dit fysies wel \'t geval is.
\'n Dergelik samengaan van factoren is ook bij verschillende van
de bovenaangeduide variaties reeds in \'t spel. Zelfs is het niet
uitgesloten, dat bij meerdere van de gegeven modificaties \'n
andere dan de M. L. factor voor de illusie de voornaamste is.
In fig. XIV zou bijv. \'n assimilatie-dissimilatie proces of \'n
perspectiviese voorstelling onder bepaalde omstandigheden
als voornaamste factor werkzaam kunnen zijn. In hoofdzaak
zullen wij ons echter beperken tot \'t geïsoleerde M.L. geval:
d.i. de over- en onderschatting van \'n lijn, gevat in \'n configu-
ratie, ten opzichte van de geïsoleerd gegeven, mathematies
gelijke lijn.

-ocr page 27-

III. HISTORIES OVERZICHT.

Er ligt een lange tijd tussen de verwondering over de
„abnormiteitenquot; der waarneming en de bestudering der ver-
schijnselen. In de oudheid reeds waren voorbeelden van
gezichtsbedrog bekend. De opkomst der optiese studie, het
eerste hanteren van lens, microscoop en verrekijker bracht de
ontdekking van tal van andere illusies. Voornamelik gold \'t
gevallen, die voorkomen bij het perspectivies zien. Voorlopig
bleef \'t bij sporadiese opmerkingen en occasionele beschou-
wingen over de verschijnselen i).

In 1854 vestigde J. Oppel, die in de tekenprodukten van zijn
leerlingen het konstant voorkomen van bepaalde onjuistheden
had opgemerkt, voor \'t eerst de aandacht op enkele z.g. „geo-
metrisch-optische Täuschungenquot; 2). Met deze naam, die
burgerrecht verkregen heeft, wilde hij illusies bij geometriese
lijntekeningen aanduiden; — dat deze anomalieën behalve op
opties ook op tactici gebied voorkomen, wist men toen nog niet.

Hiermee was de stoot gegeven tot \'n algemene bedrijvig-
heid rond deze verschijnselen. In 1860 beschreef Zöllner zijn
bij toeval ontdekte figuur3), In de drukproef van Zöllners

Voor de geschiedenis der optiese illusies zie L. Burmester, Theorie
der geom.-opt. Gestalttäuschung. Zschr. f. Psych. 41, 1906, blz. 321 e.v.
en 50, 1908, blz. 119 e.v. — J. Fröbes S. J., Aus der Vorgeschichte der
psychologischen Optik. Zschr. f. Psych. 85, 1920, blz. 1 e.v. —
St. Witasek, Ueber die Natur der geom.-opt. Täuschungen. Zschr. f.
Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 19, 1899, blz. 81 e.v.

J. Oppel, Lieber geom.-opt. Täuschungen, Poggend. Annalen. 99,
1856. blz. 466.

F. Zöllner, Ueber eine neue Art von Pseudoskopie. Poggend.
Annalen. 110, 1860, blz. 500 e.v.

-ocr page 28-

verhandeling merkte Poggendorf de naar hem genoemde
illusie op. Toen waren er problemen gegeven, die de aandacht
vroegen van vooraanstaande fysiologen en psychologen.
Moest niet één en dezelfde lijn volgens de wet der voort-
planting en breking van het licht altijd \'t zelfde beeld op \'t
netvlies geven? Was \'t mogelik, dat zij zich de ene keer zo,
de andere keer anders op \'t netvlies projecteerde, of moest
elders in \'t verloop van \'t waarnemingsproces de oorzakelike
factor worden gezocht, of was \'n oordeelsmoment bedriegelik
in \'t spel?

\'t Hoogtepunt bereikte de bedrijvigheid, toen in 1889
Müller-Lyer zijn figuur gegeven had en Brentano\'s analyse
van dat „optisch Paradoxonquot; de aandacht der psychologen
hiervoor had afgedwongen i). Zo frappant als dit gezichts-
bedrog was, zo weinig ingewikkeld en eenvoudig te verklaren
leek \'t ook. Maar elke verhandeling werd \'n bewijs te meer,
dat men \'t verre van eens was over die verklaring. Er ont-
spon zich \'n levendige strijd in \'t „Zeitschrift für Psychologiequot;
voornamelik tussen Müller-Lyer, Brentano, Lipps, Delboeuf
en Auerbach 2). Toen men al het vóór en tegen van eikaars
theorieën had gezegd, alles grondig meende te hebben door-
dacht en de argumenten der grote voorgangers, Helmholtz,
Hering, waren uitgeput, moesten de theoretiese discussies
onbeslecht blijven.

Ter oplossing was gewenst, dat men planmatig experimen-
teel ging onderzoeken de objectieve voorwaarden, waaronder
dit gezichtsbedrog optreedt, en dat in kwantitatieve metingen
werd vastgesteld de sterkte der illusie bij allerlei variaties van
dezelfde factor. Door nauwkeurige bepaling van de gunstige
cn ongunstige voorwaarden zou men houvast krijgen. Aan
Heymans komt de grote verdienste toe, hierin te zijn voor-

F. C. Müller-Lyer, Opt. Urteilstäuschungen. Du Bois-Reym. Arch.
f. Phys. Suppl. Band. 1889, blz. 263. — F. Brentano. Ueber ein optisches
Paradoxon. Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 3. 1892, blz. 349; 5.
1893, blz. 61.

2} Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 3, 1892, blz. 349 cn 498; 5,
1893, blz. 61; 6, 1894, blz. 1; 7, 1894, blz. 152; 9. 1896, blz. 1; 10. 1896,
blz. 421; 12. 1896. blz. 39 en 275; 18. 1898. blz. 405; 38. 1905. blz. 241.

-ocr page 29-

gegaan 1). Maar al zijn de resultaten langs deze weg (de
constructieve-, de „Herstellungsquot;-methodc of de methode
van de vergelijkende keuze) verkregen zo belangrijk, dat
daaraan de uiteindelike verklaring zal kunnen worden getoetst,
en al deden zij beslissende voor- en tegenargumenten voor de
gegeven theorieën aan de hand, en waren zij punt van uit-
gang voor nieuwe of gewijzigde theorieën: ... \'n bevredigende
oplossing leverde dit onderzoek niet op.

Van \'t grootste belang was intussen, dat men telkens onder
blijkbaar gelijke omstandigheden op veel grotere afwijkingen
was gestoten, dan men in fysiese en fysiologiese proeven
gewoon was. Invloeden van herhaling en oefening, van
instelling, persoonlike geaardheid en andere individuele
verschillen bleken factoren van wezenlik belang voor
de perceptie van \'n gegeven object. Men zag in, dat men
ter verklaring van de verschijnselen niet volstaan kon met
louter fysiologiese wetten, \'t Is dus niet te verwonderen, dat
bij volgend onderzoek meer aandacht werd geschonken aan
het positie kiezen van \'t individu2), aan de „scheppende ver-
werking van de gewaarwordingsinhouden tot \'n geheelquot;.
(Verg. Wundts theorie der schöpferischen Synthese en de
theorie der Produktion van de Grazer school 3).

In verband met de belangstelling voor \'t ontstaan der waar-
neming van vormen begon men zich tevens rekenschap te
geven van de invloed der hele prikkelconstellatie, en van de
eigenschappen van \'t gegeven geheel. En daarmee kreeg de
functionele zijde van het waarnemingsproces de belangstelling
der psychologen. Zo werden de verschijnselen, die eerst om

G. Heymans, Quantit. Untersuch, über das „optische Paradoxonquot;.
Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinncsorg. 9, 1896, blz. 221 en 420; 12, 1897,
blz. 76; en 17, 1898, blz. 345. Cf. G. Heymans, Quantit. Unters, über die
Zöllnersche und die Loebsche Täuschung. Zschr. f. Psych, u. Phys. d.
Sinnesorg. 14, 1897, blz. 101.

2) Cf. Th. Lipps, Raumästhetik und geom.-opt. Täuschungen. 1897;
ook Zschr. f. Psych, (u. Phys. d. Sinnesorg.) 12, 1896, blz. 39 en 275;
18, 1898, blz. 405; 38, 1905, blz. 241.

Cf. V. Benussi, Zur Psychologie des Gestalterfassens, in Meinongs
Untersuch, zur Gegenstandstheorie. 1904, blz. 303 e.v. — St. Witasek,
Psychologie der Raum Wahrnehmung des Auges. 1910.

-ocr page 30-

zich zelf de aandacht hadden opgeëist, voortaan als speci-
fieke gevallen van ruimte-waarneming behandeld. Dit vroeg
vooral kwalitatieve beschrijving en interpretatie van bij
introspectie verkregen gegevens.

Het probleem van \'t gezichtsbedrog is geheel in de richting
der Gestalt-psychologie verschoven sinds Wertheimers studie
over de schijnbeweging. Waar men er op uit was te onder-
zoeken in hoeverre de fysiese en psychiese grootten uit elkaar
hggen, stond de studie der illusie onmiddellik op de voor-
grond. De theorieën, volgens welke het geheel tot stand moest
komen — door speciale psychiese processen met dynamiese
functie (schöpferische Synthese, Produktionsprozesse, Auf-
merksamkeitskollektionen) — uit elementen, die men primair
gegeven dacht, werden \'t voorwerp van \'n levendige polemiek.
Bij toetsing van hun grondgedachte werden zij te licht be-
vonden, omdat zij alle hun punt van uitgang hadden in \'n
hypotheties aangenomen onveranderlike konstante gewaar-
wording 1). Fenomenologies georiënteerd, d. w. z. naar de
school van Husserl, legde men er de nadruk op, dat van \'t
oorspronkelik beleven van \'t geheel moest worden uitgegaan,
en dat er dan psychologies gesproken geen optiese illusie is.
Onderzocht werd allereerst het effect van M. L. figuren (door
deze tachistoscopies en successief wat betreft de delen te
laten ontstaan) op de aard der waargenomen beweging, om
aldus beshssend aan te kunnen tonen, dat de optiese illusies
onmiddellik, d.w.z. onafhankelik van \'n bewust of onbewust
oordeel, optreden; en om tegelijkertijd de systematiese toe-
passing te geven van de theorie der psychofysiologiese en
fysiese „Gesamtprozessequot;. Verder werd getracht onder \'t
motto „omnibus in partibus relucet totumquot;, de geleding-
samenhang van geheel en „delenquot; te beschrijven, om uit
aldus gevonden correlaties en wetten met betrekking tot de
„Gestaltungsprozessequot; de optiese illusies te kunnen afleiden
en verklaren 2).

1) K. Koffka, Beiträge zur Psychologie der Gestalt. I. 1919, blz. 203 e.v.
F. Krueger, Ueber psychische Ganzheit, Neue psychol. Studien, blz. I e.v.

Zie hst. „Het onderzoek van vorm- en vormingsprocessen.quot;

-ocr page 31-

In hoever \'t M. L. probleem zijn oplossing genaderd is, komt
ter sprake in \'t krities overzicht der theorieën. Hieraan ga
vooraf waarop men steunde: de gekonstateerde afhankelikheid
der illusie van verschillende factoren.

IV. VERANDERLIKHEID EN AFHANKELIKHEID
VAN HET M. L. GEZICHTSBEDROG.

Het onderzoek naar de voorwaarden, waarbij de illusie
optreedt of verdwijnt, en naar het specifieke effect van be-
paalde veranderingen in die voorwaarden, heeft \'n aantal
factoren naar voren gebracht, die we zouden kunnen onder-
scheiden in .subjectieve en objectieve. Verstaan we onder de
laatste al de factoren, die \'t geëxposeerde prikkelcomplex
bevat en aldus voorwaarden zijn voor \'t psychofysiologies
gebeuren in \'t waarnemend individu, dan is \'t duidelik, dat
\'n strenge scheiding moeilik te maken is; verandering der
objectieve factoren gaat gepaard met verandering der sub-
jectieve factoren en omgekeerd wijzigen deze de aard der
prikkeling van \'t organisme.

Onder de objectieve voorwaarden bespreken we de con-
figuratie i). Al naar gelang deze varieert, neemt de sterkte
der illusie toe of af. Doet men \'n onderzoek met de samen-
gestelde figuur (gt;-lt;_»2) dan is \'t resultaat \'n ander

dan bij de gedecomponeerde. Met verschil in de proporties
der lengten van hoofd- en zijlijnen, of in de grootten der
hoeken tussen deze, gaat verschil in graad van illusie gepaard.

Om hierover nauwkeurige gegevens te verkrijgen werd in
de regel de indirekt metende methode aangewend (methode
Heymans). Uitgaande van subjectief gelijke grootten der te

Met enig recht zouden we hier cxik van subjectieve voorwaarden
kunnen spreken, We doen \'t niet om misverstand te voorkomen. O.i. kan
configuratie niet enkel verklaard zijn door factoren van „collectieve
opmerkzaamheidquot; (G. E. Müller, Komplextheoric und Gestalttheorie. 1923,
blz. 2 e.v.).

Wegens moeilikheden van typografiese aard bleven hoofd- en zij-
lijnen onverbonden. De lezer gelieve de delen in deze en volgende figuren
verbonden te denken. Men raadplege hiervoor blz. 6, 8 en 9.

-ocr page 32-

vergelijken lijnen, laat men de ene lijn zolang kleiner worden,
totdat gezegd wordt door de p.p. i), dat ze niet meer gelijk
zijn. Ofwel men gaat uit van subjectieve ongelijkheid en laat
de overschatte lijn zover verkorten (de onderschatte zover
verlengen), totdat beide subjectief gelijk worden bevonden.
Het objectieve verschil in lengte der twee lijnen is aan de
rugzijde der schuiframen onmiddellik in cijfers af te lezen en
wordt dan percentsgewijs ten opzichte van de onveranderde
hoofdlijn uitgedrukt 2). Voor \'t onderzoek op kinderen heeft
men meestal \'n andere methode gevolgd (methode Knox-
Binet): in \'n schrift waren op de verschillende bladzijden
figuren van verschillende grootte getekend; nu moest die
figuur worden onderzocht, waarvan de hoofdlijn aan \'n
andere, te voren gegeven lijn, gelijk was in lengte3).

Langs deze weg heeft men de invloed van verschillende
configuratiemomenten onderzocht, zoveel mogelik onder uit-
schakeling — door konstant-houding — der subjectieve fac-
toren. Het isoleren der objectieve factoren werd niet altijd
met voldoende zorg nagestreefd. Ook is het niet volledig te
bereiken. Dit zijn in hoofdzaak de redenen van \'t uiteenlopen
der verkregen resultaten. Dat de verschillende onderzoekers
zich van verschillende figuren hebben bediend, heeft bovendien
vergelijking der resultaten in hoge mate bemoeilikt.

Bij vergelijking was de illusie bij de samengestelde figuur
steeds groter dan die, waaraan men onderhevig is bij de ont-
lede figuren. En met betrekking tot deze laatste bleken ook
hier de illusiebedragen nog te verschillen. Lewis deed \'n
vergelijkend onderzoek naar de illusiewaarden der twee com-
ponenten van \'n samengestelde M. L. figuur, en konstateerde
\'n praedomineren van de overschattingsillusie 4). Ook Smith,

p.p. is afkorting voor proefpersoon.
2) Cf. Heymans, Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 9. 1896,
blz. 221 en 420, e.v.

Knox. On the quantitative determination of an optical illusion.
Amer. Joum. of Psych. 6. 1894, blz. 413 e.v. — A. Binet, La mesure des
illusions visuelles chez les enfants. Revue philos. 1895, blz. 11 e.v. .

E. O. Evcwis. Confluxion- and Contrast-effects in the Müller-Lyer
Illusion. Brit. Journ. of Psych. 3. 1909. blz. 1 e.v.

-ocr page 33-

die de constructieve methode gebruikte (hij liet de p.p. de

figuren tekenen), vond, dat -lt; ten opzichte van -

veel meer overschat wordt dan lt;—gt; onderschat i). Vol-
komen overeenstemmend met deze konstateringen zijn ook de
bevindingen van Heymans, Thiéry, Binet, Piéron2).

t Spreekt vanzelf, dat men zich niet de moeite heeft gegeven,
wat overigens vrijwel nutteloos zou geweest zijn, om bij al de
mogelike variaties vergelijkenderwijs de illusiebedragen te
noteren. Dit bleef tot de meest karakteristieke wijzigingen
beperkt. Bij vele kon de vermelding volstaan, dat in \'t ene
geval het gezichtsbedrog duideliker was dan in \'t andere. Zo
bleek bijv. bij de figuren, waar aan elk uiteinde van de hoofd-
lijn slechts één zijlijn is getekend, de illusie te zijn verminderd;
eveneens waar de zijstukken uit één cirkelboog bestaan
(zie boven bladz. 8). Verschillen in illusiebedrag verkreeg
men ook door \'t trekken van supplementaire lijnen. In
bijgaande figuren gt;
A lt; gt; B lt; gt; C lt; lt;Dgt;
lt;IIgt; bleek de gelijke afstand in A kleiner te worden
gezien dan in B en in C; die in B groter dan in C^), Wijl
evenwel omtrent veel andere variaties geen vergelijkend onder-
zoek is ingesteld bij \'n voldoend aantal p
.p., en de vermelde
gegevens vaak alleen de auteur zelf betreffen, mogen we
daarvan slechts voorzichtig gebruik maken.

Nauwkeurig is de afhankehkheid der illusie van de grootte
van de hoek, die hoofd- en zijlijnen in \'n M. L. figuur maken,
onderzocht. Heymans kon voor de samengestelde figuur deze
algemene wet opstellen: de illusie neemt continueel toe met
de hoeken van 90°—10°, en wel zodanig dat \'t gemiddelde
illusiebedrag bijna evenredig is met de cosinus van de hoek
der zijlijnen; met deze beperking evenwel, dat de wetmatigheid

W. G. Smith, A study of some correlations of the Müller-Lyer
visual illusion and allied phenomena. Brit. Joum. of Psych. 2, 1908,
blz. 11 en 196 e.v.

2) A. Thiéry, lieber geom.-opt. Täuschungen. Philos. Studien. 12, 1898,
blz. 67 en Heymans, Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 9, 1896.

Zie P. Menzerath, Les illusions optiques. Bulletins et Mémoires de
la Société d\'Antropologique de Bruxelles. 32, 1913, blz. 63.

Psychologie der waamenilngnbsp;2

-ocr page 34-

niet doorgaat bij relatief korte zijlijneni). Er is dus \'n
maximum met betrekking tot de hoekgrootte.

De resultaten van anderen stemmen daar vrijwel mee over-
een. Zo vond Scripture bij vergelijking van figuren met hoeken
van 15°, 30° en 60° \'t maximum bij 15° 2). Piéron. die hoeken
van 15°, 30° en 45° nam (de lengte der zijlijnen bedroeg 2/5
van de hoofdlijn), kreeg \'t hoogste bedrag bij 30°. Van
Biervliet konstateerde, dat de illusie afnam bij hoeken groter
dan 30° 3).

Alleen Judds bevinding wijkt hiervan af; hij vond bij \'n hoek
van 45° groter illusie dan bij hoeken van 30° en 60°, maar: zijn
cijfers steunen op gegevens bij slechts twee p.p. verkregen 4).
Ook Lewis, die overigens zegt, dat er geen werkelik maximum
is voor de inclinatie der hoeken, vond bij ontlede figuren de
sterkste illusie bij hoeken van ongeveer 18° tot 36°. Alles
samengenomen kunnen we dus zeggen, dat het voor \'t optreden
van illusie bevorderlik is, indien de hoek meer dan 10°
bedraagt en 30° niet te boven gaat.

Ook vroeg, gelijk uit \'t voorafgaande blijkt, de lengte der
zijlijnen ten opzichte van de hoofdlijn de aandacht. Al is ook
hier geen volledige overeenstemming verkregen, toch liggen
de genoteerde bedragen zeer kort bij elkaar in die zin, dat
\'n maximum wordt vermeld, als de lengte der zijlijnen ± 2/g
van die der hoofdlijnen bedraagt (bij ±: 50 c.M. afstand van
\'t oog en 10—100 m.M. lange hoofdlijnen) 5).

Benussi heeft in twijfel getrokken, of men aan hoekgrootte
en proportionele lengte der zijlijnen direkte invloed op de
sterkte der illusie mag toekennen; hij meent dat dit „ganz
unwesentliche Bestimmungen sind, solange das Verhältnis
^ ^ d konstant bleibt und die vorgegebene Gestalt
d Vlt;agt;y erfasst wirdquot; 6). Hiertegenover merkte Kenkel

Cf. Hcymans, Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 9, 1896.

2) Cf. H. Piéron.

J. J. van Biervliet, Nouvelles mesures des illusions visuelles chez
les adultes et chez les enfants. Revue philos. 1896, blz. 169.

Ch. H. Judd, The Müller-Lyer Illusion. Psych. Review. Monogr.
Suppl. 7, 1905, blz. 1 e
.v.

Cf. Binet, Lewis, Piéron en Heymans, Zschr. f. Psych, u. Phys. d.
Sinnesorg. 9, 1896.

ö) Zschr. f. Psych. 42, 1906, blz. 47—49.

-ocr page 35-

op, dat ook de afstand tussen a en d van belang is i).

Bij bovenvermelde maxima moest rekening worden ge-
houden met de absolute grootte der figuren en met de afstand
van de figuren tot \'t oog. In dit opzicht is het gedane onderzoek
vrij onvolledig; bovendien was \'t verschil in methode van
invloed op de resultaten. Werden figuurgrootte en afstand
in de regel
20 genomen, dat het individu \'t gegevene met één
blik omspannen kon, toch was daarbij . nog grote speling.
Volg ens Einthoven oefent de afstand geen wezenlike invloed
op de sterkte der optiese illusie uit. Schwirtz konstateerde, dat
bij grotere afstand {2^ M.) het bedrag der illuéie belangrijk
geringer was dan bij kleinere afstand (40—50 c.M.; figuur-
grootte 2—20
C.M.); zelfs werd bij zijn proeven de figuur, die
eigenlik overschat moest worden, bij nog kleinere gezichtshoek
onderschat. Bijna alle auteurs zeggen heel in \'t algemeen, dat
bij kleinere figuren zich \'n iets sterkere illusie voordoet dan bij
grote2). Dat „kleinerquot; schijnt dan te liggen rond 5—7.5 c.M.
bij \'n oogafstand van ± 50 c.M.

Samenvattend kunnen we dus zeggen, dat voor \'t optreden
van illusie zeer gunstig zijn: samengestelde figuren met
hoeken van ±30°, hoofdlijnen van ±5 c.M. en zijlijnen
van =t 2 c.M. lengte, en \'n oogafstand van ± 50 c.M. Naar
berekening der gegevens zou in dit geval de illusie tot
1/3
van de lengte der te vergelijken lijnen kunnen bedragen 3).

Maar meestal zijn nog andere gunstige en ongunstige voor-
waarden in \'t spel, zoals de invloed van kleur- of helderheids-
verschillen tussen hoofd- en zijlijnen en tussen figuur en

K. Koffka-F. Kenkel, Untersuch, über den Zusammenhang zwischen
Erscheinungsgrösse und Erscheinungsbewegung bei einigen sogen, opt.
Täuschungen. Zschr. f. Psych. 67, 1913, blz. 354.

Einthoven, Eine einfache physiologische Erklärung für verschiedene
geom.-opt. Täuschungen. Pflügers Arch. f. d. ges. Physiol. 71, 1898, blz. 23.
^ P. Schwirtz, Das Müller-Lyersche Paradoxon in der Hypnose. Arch.
f- d. ges. Psych. 32, I9H. blz. 349. — Cf. Auerbach, blz. 156. Binet,
Wz. 21. — Piéron, blz. 267. — Thiéry, blz. 80—81 en Benussi, Zschr. f.
Psych. 42. 1906. blz. 50.

Cf. W. Wundt, Die geom.-opt. Täuschungen. Abhandl. d. Sächs,
\'^es. d. math.-phys. Wissensch. 24, 1898 en Philos. Stud. 14, 1898. blz. 27
e.v--Lewis. Piéron, Thiéry en Heymans. (Zschr. f. Psych. 9. 1896).

-ocr page 36-

achtergrond. Benussi, die dit vooral onderzocht, kwam tot de
volgende w^etmatigheden: bij \'n monochromatiese tekening
neemt de illusie toe met \'t verschil in helderheid tussen de
kleur van de achtergrond en de figuur; bij \'n bichromatiese
tekening is de illusie groter naarmate het helderheidsverschil
tussen zijlijnen en achtergrond groter, en het verschil tussen
hoofdlijnen en achtergrond kleiner is (zolang hierdoor ten-
minste de „Einheitlichkeit der Auffassungquot; niet verstoord of
bemoeilikt wordt) i).

Iets soortgelijks zou voor verschillen in lijndikte gelden,
zoals Auerbach vroeger al had opgemerkt, \'n Weinig heldere
hoofdlijn met relatief zeer heldere zijlijnen is gewenst om
duidelik illusie te hebben; de limiet is bereikt, zegt Benussi,
als de hoofdlijn niet is getrokken. Op de vraag: hoe lang
gezichtsbedrog aanwezig blijft, als men de zijlijnen vager
en vager maakt in vergelijking met de hoofdlijn, antwoordt
Pearce te hebben gevonden, dat de illusie nog voorkomt,
— al is \'t in zeer geringe mate — wanneer de zijlijnen
van de figuur vervangen worden door „imperceptible

shadowsquot; 2).

Overeenkomstig de werking van al te grote verschillen in
kleur en dikte in \'n M. L. figuur, is ook de invloed van alles,
wat de uiteinden van de te vergelijken hoofdlijnen sterk
doet uitkomen — hetzij dit punten, lijnen of andere begren-

zingsmomenten zijn (gt;•-•lt; gt;|-1lt;). En deze

hoeven niet actueel te zijn aangebracht. Is \'t met de configu-
ratie zo gesteld, dat de voorstelling van dergelike begrenzings-
momenten wordt gewekt of bepalende aanknopingspunten
worden gesuggereerd, dan werken deze in gelijke zin. Dit is
bijv. \'t geval als de figuren juist naast- óf onder elkaar zijn
getekend, zodat hun eindpunten zich horizontaal naast- èf

V. Benussi, lieber den Einfluss der Farbe auf die Grösze der Zöll-
nerschen Täuschung. Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 29. 1902,
blz. 264. 385; — Die Gestaltwahrnehmungen. Zschr. f. Psych. 69. 1914.
blz. 256; cf. Meinong. Untersuch, zur Gegenstandstheorie. 1904, blz. 303 e.v.

2) H. J. Pearce. The Law of Attraction in Relation to some visual and
tactual illusion. Psych. Review. 11. 1904, blz. 175.

-ocr page 37-

vertikaal onder elkaar bevinden.
Dan ziet men de beide hoofdlijnen
evenlang.nbsp;\\ ^

In hoever is de positie in de ruimte van invloed? Einthoven
deed \'n vergelijkend onderzoek bij horizontale en vertikale
stand der ontlede figuren, en vond \'n iets sterkere illusie bij
de vertikale stand. Volgens StiUing kan \'t gezichtsbedrog
verdwijnen, als men de figuur tijdens de beschouwing uit de
horizontale stand zo draait, dat ze loodrecht op de lijn der
oogassen, ongeveer in \'t vlak van de bhkrichting komt te
liggen: en eveneens, als men de vertikaal opgestelde tekening
om de vertikale as naar buiten of naar binnen draait. Hij
merkt hierbij op, dat in beide gevallen uitsluitend de hoofd-
lijnen worden gevolgd en geïsoleerd voorkomen ten opzichte
van de zijlijnen, die dan buiten beschouwing blijven i).

Aangaande de expositietijd beschikken we over gegevens,
die de studie der oogbewegingen in dit verband heeft ver-
strekt. \'t Is \'n bekende eigenschap van \'t oog, dat \'t zich
reflectories wendt naar dingen, die ter zijde aanwezig zijn, en
vlug omspringend, opvallende punten en lijnen volgt. Dit
zou dus ook \'t geval zijn bij beschouwing van M. L. figuren,
\'tiet men de figuren waarnemen onder strenge fixatie der
hoofdlijn, dan bleek inderdaad de illusie te zijn verminderd 2).
Dat ze niet geheel verdween, kon te wijten zijn aan de
omstandigheid, dat daarbij oogbewegingen niet geheel waren
uitgesloten.

Judd is \'t tenslotte gelukt de beweging der ogen bij de waar-
neming van \'n M. L. figuur nauwkeurig te registreren 3). De

Stilling, Psychologie der Gesichtsvorstellung nach Kant\'s Theorie
der Erfahrung. 1901, blz. 152 e.v.; cf. Zschr. f. Augenheilkunde. 1901, 4.

Cf. Lipps, Zschr. f. Psych, u Phys. d. Sinnesorg. 1898, blz. 423,
Auerbach, blz. 159, F. Schumann, Beiträge zur Analyse der Gesichtswahr-
nehmungen. Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 24, 1900, blz. 8.

Hij bracht daartoe \'n partiekeltje witte verf op de cornea aan, dat
niet door lidbewegingen verschoven werd; en maakte, met intervallen
van 1/20 sec., fotografiese momentopnamen, waarin hij de ligging van \'t
\'Witte vlekje kon uitmeten. — Ch. H. Judd, Practice and its effects on the
perception of illusion. Psych. Review. 9, 1902, blz. 27 e.v.

(IJÄ)

-ocr page 38-

p.p. vrijlatend de gegeven lijnen met de ogen te volgen, nam
hij waar, dat bij figuren, met onderschatte hoofdlijn, aan-
vankelik de optredende oogbewegingen dralend en langzaam
waren, en eerst na enig aarzelen tot in de punt van de hoek,
door de zijlijnen gevormd, doordrongen; energiek en vlug
verliepen de bewegingen bij figuren met overschatte hoofd-
lijn. Na gedurige herhaling verdween dat verschil, en de
illusie was dan eveneens nagenoeg verdwenen. Uit zijn onder-
zoek bleek echter tevens, dat bij overschatte lijn, de oog-
beweging meermalen niet tot \'t eindpunt toekwam, terwijl ze
bij de onderschatte soms over de eindpunten van de hoofdlijn
uitstreefde.

Voor en na Judd hebben anderen proeven gedaan, waarbij
actuele oogbewegingen tijdens de beschouwing zijn uitge-^
sloten 1). Zorgvuldig rekening houdend met de minimale duur
voor oogbeweging vereist, gaf men de figuren in \'n donker
lokaal onder momentbehchting (procédé van Helmholtz). Op
van Biervhet na, is volgens alle onderzoekers ook dan nog
illusie aanwezig, soms iets verminderd, soms evengroot, of
zelfs groter dan bij langduriger beschouwing. Ter verklaring
van deze resultaten merkte Schumann op, dat de illusie \'t
sterkst is, als er geen tijd wordt gelaten tot langere reflexie
en \'t oordeel zeer vlug wordt verlangd 2).

Van belang, wat de expositietijd betreft, is ook de bevin-
ding, die men heeft opgedaan, als men M. L. figuren tijdens
de beschouwing liet ontstaan door successief de verschillende
componenten tachistoscopies te exposeren. Er bleek dan \'n
zekere tijd nodig voor \'t optreden der illusies). Benussi ver-

1) Cf. Einthoven, Lewis (Brit. Journ. of Psych. 3, 1909, blz. 21-42)
en G. M. Stratton, Symmetry, linear illusion and the movements of the
eye. Psych. Review. 13, 1906, blz. 91.

O.i. is \'t onjuist hier de nadruk te leggen op tijd tot reflexie en
oordeelsfactoren. De bevindingen van Heymans en Judd (zie blz. 25)
wijzen er op, dat de oordeelsfactor, indien hij een zekere rol speelt, toch
van zeer gering gewicht moet worden geacht.

V. Benussi, Stroboskopische Scheinbewegungen und geom.-opt.
Gestalttäuschungen. Arch. f. d. ges. Psych. 24. 1912, blz. 53; — K. Bühler,
Die Gestaltwahrnehmungen. I, blz. 95, 98, 99; — P. Wingender, Beiträge
zur Lehre von den geom.-opt. Täuschungen. Zschr. f. Psych. 82, 1919,
blz. 21 e
.v.

-ocr page 39-

richtte \'n onderzoek, waaruit bleek, dat het oordeel over
de ruimteverhoudingen naar gelang de gegeven tijdsverhou-
dingen anders uitvalt. De gewoonlik groter geziene afstand m
in \'n samengestelde M. L. puntenfiguur / •nbsp;* * \\

werd n.l. bij relatief lange expositietijdnbsp;* J^.*)

(boven de 30 «r ) meestal kleiner dan afstand n gezien, bij
expositietijd (beneden 30 a ) echter groter dan afstand n. Dit
hangt samen met de voorgestelde verbinding der punten, die
in de twee gevallen verschillend was i).

(•nbsp;• •nbsp;•.nbsp;».nbsp;V

•••! ■•.............nbsp;en .......gt;..........................j

Ter nadere oriëntering omtrent de subjectieve factoren,
moeten ter sprake komen individuele verschillen, invloeden
van oefening, ervaring, instelling en opmerkzaamheid.

Naast bevestiging der algemeenheid van \'t M. L. gezichts-
bedrog, kwam telkens ook naar voren, dat dit niet steeds in
gelijke mate voorkomt. Het kwantitatief onderzoek dat Rivers
instelde bij ontwikkelde Europeanen en primitieve volken,
wees uit, dat de illusie bij mensen van lager staande kuituur
meer bepaald en meer konstant van aard is dan die bij gecivi-
liseerde waarnemers 2). Berettoni onderzocht 100 p.p. op de
M. L.

illusie, en konstateerde haar bij al de 14 professoren, de
10 universiteitstudenten, de 12 werklieden, de 13 abnormale
kinderen, bij 41 van de 47 normale kinderen en bij 6 van de
10 studenten, die de schone kunsten beoefenden. Misschien
was bij de laatste kategorie proefpersonen \'t weten van de
objectieve verhouding van invloed3). Door de gezichtscherpte
in rekening te brengen, kon hij opmerken, dat \'t illusiebedrag

V. Benussi, Zschr. f. Psych. 45, 1907. blz. 188 e.v. en verder Ueber
Aufmerksamkeitsrichtung beim Raum- und 2^itvergleich. Zschr. f. Psych.
51. 1909. blz. 74 e.v.; cf. — Zur exper. Analyse des Zeitvergleichs. Arch.
f. d. ges. Psych. 13. 1908, blz. 71 e.v. In \'t tweede geval had men o.i. met n
inniger eenheid van \'t geheel te doen dan in \'t eerste geval; cf. blz. 87.

W. H. R. Rivers, Observations on the senses of the Todas. Brit.
Joum. of Psych. 1. 1905. blz. 339.

V. Berettoni. Illusioni ottico-geometriche. Ricerche di Psicologia.
Firenze I. 1905. blz. 92 en II. 1906. blz. 85. — Auerbach en Smith wezen
op de vermindering der illusie door ervaring. (W. G. Smith. A study of
some correlations of the Miiller-Lyer visual illusion and allied phenomena.
Brit. Journ. of Psych. 2. 1908, blz. 11 en 196).

-ocr page 40-

met de afname der gezichtscherpte iets toenam. Verder vond
Berettoni, dat de illusie bij kinderen van 9—10 jaar minimaal
was, vervolgens tot de leeftijd van 13 jaar toenam en dan van
13—15 jaar weer verminderde, maar ook bij deze laatste groep
noteerde hij nog altijd vrij hoge bedragen.

De resultaten van Binet stemmen hier niet mee overeen; bij
kinderen van 10—13 jaar heeft hij gekonstateerd dat de illusie
met de leeftijd afneemt, hoewel in zeer geringe mate. Bij
volwassenen vonden Binet en van Biervliet lagere illusiecijfers
dan bij kinderen, iets wat Teliatnik, die kinderen van 8 en 9
jaar en volwassenen van 18 tot 41 jaar onderzocht alleen voor
M. L. figuren van grotere afmeting bevestigt i). Piéron, die
\'n enigsins gewijzigde Knox-Binet-methode gebruikte,
noteerde bij volwassenen hoger cijfers dan Binet2). Tevens
bleken bij zijn onderzoek ook verschillen te bestaan tussen
mannen en vrouwen; in die zin, dat bij de laatsten in doorsnee
hoger bedragen voorkwamen.

Enkele onderzoekers vermelden \'n opduiken van voor-
stellingen van bekende voorwerpen bij de waarneming der
figuren, of in de geest getrokken hulplijnen evenwijdig aan
de te vergelijken lijnen 3). Sommigen konstateerden perspec-
tief-verschijnselen: de groter geziene lijn lag bijv. verder af
en de onderschatte meer nabij 4). Maar verreweg \'t grootste

Cf. W. H. Wirsch. The vertical-horizontal illusion in schoolchildren.
Brit. Journ. of Psych. 2, 1907, blz. 220 e.v.

Dat het bedrag der illusie bij kinderen hoger is dan bij volwassenen
houdt naar alle waarschijnlikheid verband met \'n verschil in \'t \'waar-
nemingsproces. Kinderen nemen meer assimilatief waar. volwassenen meer
volgens \'n proces van kontrast. — Cf. H. Freiling, Ueber die räumlichen
Wahrnehmungen der Jugendlichen in der eidetischen Entwicklungsphase.
Zschr. f. Sinnesphysiol. 55. 1923. blz. 69 e.v.; A. Gatti. Di alcuni illusioni
ottiche per associazione nei bambini e nei deficenti. Contributi del Lab. di
Psicologia e Biologia. Milano. Serie II. blz. 59 e.v.

Auerbach; Schumann; W. Läska, Ueber einige optische Urteils-
täuschungen. Arch. f. Physiol. 1890. blz. 326 e.v.; W. Filehne. Die
geom.-opt. Täuschungen als Nachwirkungen der im körperlichen Sehen
erworbenen Erfahrung. Zschr. f. Psych. u. Phys. d. Sinnesorg. 17. 1898,
blz. 15 e
.v.; E. Storch, Ueber das räumliche Sehen. Zschr. f. Psych, u.
Phys. d. Sinnesorg. 29, 1902.

^)Wundt; Thiéry; Filehne; F. Kiesow, Ueber einige geom.-opt.
Täuschungen. Arch. f. d. ges. Psych. 1906, blz. 289 e.v.

-ocr page 41-

aantal onderzoekers kon dit niet bevestigen tenzij bij intentio-
nele opvatting, dus als men er te voren uitdrukkelik op
gewezen was. Ter opheldering van deze moeilikheid werd
onderzoek gedaan onder hypnosei). Zou de illusie blijven
bestaan, als bij de p.p. onder hypnose de zijlijnen waren weg-
gesuggereerd? Het resultaat viel in bevestigende zin uit; de
illusie bleef en bleek ook dan nog te beantwoorden aan de
wetten van Heymans.

Merkwaardig vooral is de invloed der herhaling. Door veel
auteurs wordt opgemerkt, dat de sterkte der illusie aanmerkélik
varieert naar gelang men voortgaat met eenzelfde proef. Bij
dageliks herhaald onderzoek op eenzelfde figuur vond Judd,
dat na verloop van enkele dagen de illusie bijna geheel ver-
dwenen was. Toen hij daarna \'n andere illusiefiguur gaf,
die niet tot \'t M. L. type behoort, was daarbij de illusie onver-
minderd aanwezig; zodat we mogen besluiten dat de invloed
der herhaling zich niet overdraagt van de ene figuur op de
andere. Waarschijnlik is dit toe te schrijven aan de grote
verscheidenheid der verschillende figuren, want binnen de
variaties van \'t M. L. type oefende de herhaling met de ene
figuur wel invloed uit bij de waarneming van \'n andere.

\'n Merkwaardige bevinding van Heymans en Judd was ook
deze: gaf men \'n zelfde figuur steeds rechts (ten opzichte
van de andere waarmee moest worden vergeleken), totdat de
illusie sterk was afgenomen, en onmiddellik daarna links van
de andere, dan was \'t gezichtsbedrog vrijwel even sterk als
oorspronkelik \'t geval was. De afname der illusie door oefe-
ning is dus, behalve aan \'t figuur-type, ook gebonden aan de
positie, waarin de figuren zich ten opzichte van elkaar be-
vinden.

Lewis verrichtte \'n systematies onderzoek naar de oefenings-
factor 2). Zijn p.p. mochten naar verkiezing de te vergelijken
hjn observeren. Nu kon hij bevestigen, dat de illusie, bij \'n

Zie Schwirtz. Hier is de litteratuur van \'t onderzoek onder hypnose
besproken.

E. O. Lewis, The effect of practice on the perception of the Müller-
Lyer illusion. Brit. Journ. of Psych. 2, 1908, blz. 294 e.v.

-ocr page 42-

lange proevenreeks zonder grote tussentijden gedaan, in
belangrijke mate afnam, zonder dat men zich bewust was van
verandering in de aard der vergelijking. Gaf hij echter de
figuren bij zeer korte expositie (1/50 sec.), dan bleek de illusie
vrijwel konstant, zodat de oefening bij momentbelichting van
geen invloed schijnt te zijn 1 ).

De oefening, die Lewis bespreekt, is die der „Practicequot; bij
spontane reactie van \'t individu, \'t Is de instelling, die de
p.p. krijgt, tengevolge der nawerking van voorafgaande
waarnemingen. Daarnaast is er ook instelling in de zin
van bewuste beschouwings-bedoeling, en deze beïnvloedt
eveneens in hoge mate het gezichtsbedrog. Herhaaldelik heeft
men kunnen vaststellen, dat de illusie \'t sterkst is bij vluchtige
beschouwing, bij gelijkmatige verdehng der opmerkzaamheid
of als de perceptie van een ,,einheitliches Ganzesquot; aanwezig
is 2). „Pour bien constater les illusions précédentesquot;, zegt
Bourdon, „il faut considérer les figures comme des ensembles,
si on concentre son attention sur des hgnes sur lesquelles
doit porter l\'illusion, il y a tendance à ne pas l\'éprouverquot; 3 ).

Benussi ging nu meer in \'t blezonder aantonen hoe men,
zuiver willekeurig, door \'t positie-kiezen de illusiesterkte kan
beïnvloeden. Hij maakt onderscheid tussen G ( Gestalt )-
Reaktion en A (Analysen)-Reaktion. Met de eerste hebben
we te doen, als we ons beijveren het geheel „die Gestalt der
Figur anschaulich und einheitlich (zu) erfassenquot;; met de
andere, als we ernaar streven de te vergelijken lijnen zo veel
mogelik geïsoleerd te beschouwen. Beide kunnen we door \'n
bijdenken van hulplijnen soms beter bereiken, in \'t ene geval
zijn \'t dan hulplijnen die de Gestalt vervolledigen, in \'t tweede
geval zonderen ze bepaalde delen af.

In beide beschouwingswijzen kan men zich oefenen, en dit
lukt beter of moeiliker naar gelang de psychiese dispositie van

Dit is o.i. slechts schijnbaar in tegenspraak met de bevindingen van
Heymans en Judd, aangezien men daar te maken had met de waarneming
van geheel en deel, waartoe de waamemingstijd hier te kort is.

2)nbsp;Müller-Lyer, Lipps, Schumann, Menzerath, Benussi, Koffka-Kenkel.

3)nbsp;Bourdon, La perception visuelle de l\'espace. 1902, blz. 315.

-ocr page 43-

\'t individu. Oefening in de ene richting gaat echter vergezeld
van vermoeienis in de andere richting, zodat er steeds \'n
oefenings-vermoeienis aequivalentie aanwezig is. Nu was \'t
gevolg van ingeoefende G-Reaktion relatief sterke, van A-
Reaktion relatief geringe illusie (Benussi\'s maximum- en
minimum-wet).

Toch verdween \'t gezichtsbedrog bij de laatste — behoudens
n zeer zeldzame keer — niet geheel, wat men toch zou ver-
wachten; van de andere kant had \'t bij de G-Reaktion ook z\'n
grens. Aldus konden Benussi\'s p.p., door verandering der
subjectieve reactiewijze bij \'n konstante figuur, dezelfde ver-
schillen in illusiewaarden bereiken, die bij konstantheid van \'n
bepaalde instelling te danken waren aan de veranderingen in
de objectieve voorwaarden. Maar ook deze voorwaarden
oefenen hun invloed slechts uit, zo zegt Benussi, in zoverre zij
G- of A-Reaktion door hun relatieve „Auffälligkeitswerkequot;
begunstigen en vergemakkehken. — onverschillig of dit
overeenkomstig of tegen de bedoehng van \'t waarnemend
individu in is.

Aan de verschillen in „Aufdringlichkeitquot; zouden verschil-
lende graden van „Einheitlichkeitquot; beantwoorden, en hieraan
verbonden treedt de illusie op. Zo verklaart Benussi dat
opvallende kleur der zijlijnen de illusie versterkt en op-
vallende kleur van de hoofdlijn haar vermindert, want hoe
minder de hoofdlijn van de andere is geïsoleerd en hoe meer
de „täuschungweckendequot; zijstukken zich bij de waarneming
opdringen, des te sterker is de illusie.

In gelijke zin werkt elke verandering in relatieve grootte
der afzonderlike figuurdelen; door verandering van hun op-
vallendheid wordt de subjectieve reactie van \'t individu
beïnvloed, en daarmee tevens het gezichtsbedrog. Dat \'n
kleine figuur in \'t algemeen \'n hoog illusiebedrag geeft, is
eveneens te danken aan de omstandigheid, dat hierbij de „ein-
heitliche Gestalterfassungquot; voor de hand hgt: dus omdat haar
Gestalt opvallender is. Bij grotere figuren komt aan elk deel
subjectief grotere zelfstandigheid toe en kan \'t deel als zo-
danig meer opvallend zijn dan de Gestalt zelf.

-ocr page 44-

Men wist dus, dat \'t optreden of uitblijven van de illusie
afhankelik is van de subjectieve instelling op \'t geheel (zonder
abstractiebedoeling) en van \'t zodanig gegeven zijn der
objectieve voorwaarden, dat zij die opvAttingswijze in de
hand werken. Dat weten leidde tot \'t stellen van de vraag
naar de kenmerkende eigenschappen van \'t geheel en \'t „hoequot;
van \'t waarnemingsproces in dergelike gevallen.

V. HET ONDERZOEK NAAR DE VORM- EN
VORMINGSPROCESSEN MET BETREKKING TOT
HET M. L. GEZICHTSBEDROG.

De princiepen, waarmee de Gestaltpsychologen bij hun
onderzoek de verschijnselen op bijna elk gebied der psycholo-
gie trachtten te benaderen, hebben zeker niet \'t minst opgeld
gedaan bij de studie van \'t gezichtsbedrog. Wat echter \'n
plotselinge ommekeer leek, was ook hier \'t resultaat van
geleidelike ontwikkeling.

Het psychologies onderzoek, dat van de aanvang af onder
de invloed stond van idealen en werkmethode der natuur-
wetenschap en meer speciaal van die der anorganiese natuur-
wetenschap, had zich stilzwijgend tot taak gesteld het op-
sporen van z.g. elementen uit welker samenhang het zieleleven
zou moeten worden verklaard. Men ging daarbij te werk als
waren die elementen zelfstandig en het geheel dat zij vormden
\'n som, totdat men tot de overtuiging kwam, dat in laatste
instantie, door summatieve verbinding van elementen aan te
nemen, de eenheid niet te verklaren was. Toen ging men heel
nieuwe processen aannemen, die niet louter resulteren uit de
summatieve verbinding der elementen of de wisselwerking
tussen de delen. Maar bij nader onderzoek bleken de meeste
van deze hypothesen ontoereikend om allerlei verschijnselen
te verklaren.

De aandacht was gevallen op de transponeerbaarheid van
melodieën en de gelijkenis van ruimtelike figuren. Men wees
erop. dat er onder de vele mensen, die \'n bepaalde melodie
kunnen onthouden, er maar weinig zijn die \'n tooninterval

-ocr page 45-

juist kunnen plaatsen, en nog minder, die in staat zijn de
absolute toonhoogte aan te geven. De afwijking van \'n hoed,
die iets hoger is dan de gewone cilinder, valt ons onmiddelik
op, terwijl wij toch niet zo zeker zijn van de vorm van \'t
afzonderlike deel of over \'n kwaliteit daarvan, zoals bijv. de
grootte. Vondsten en vragen van dit slag volgden elkaar op,
om te getuigen, dat \'t psychies geheel zijn biezondere eigen-
schappen heeft, die niet toekomen aan de delen als zodanig;
dat meestal niet de delen primair gegeven zijn maar het ge-
structureerd geheel; dat wij gevoeliger zijn voor vormveran- •
deringen dan voor het zien van vormen. En hiermee was
een kenmerk van \'t zieleleven uitgesproken: de eenheid van
\'t geheel, die aan de elementen voorafgaat. Het gold als \'n
grote vondst. Toch was \'t niets nieuws, want iedereen kende
de gewaarwording als produkt van abstractie. Wel was die
opvatting op de methodiek van invloed. Men ging de bewust-
zijnstoestanden van bovenaf beschouwen, van de structuur
uit, om vergelijkenderwijs op te sporen de biezondere eigen-
schappen, die \'n geheel als zodanig hebben kan.

Zo is de studie van \'t gezichtsbedrog in andere banen geleid.
Reeds in 1898 had von Kries, en Becher in 1911, erop ge-
wezen dat de gangbare theorieën de waarneming van .vorm
en grootte niet konden verklaren. Allerwegen had men op-
gemerkt, dat elk ruimtelik gegeven in de waarneming zich
onder de invloed van de andere gelijktijdige gegevens bevindt,
en dat de delen van \'n figuur feitelik anders worden gezien
als zij uit die samenhang zijn geïsoleerd. Zo kwam men tot
\'t besef, dat aan de studie der optiese illusies eigenlik moest
zijn voorafgegaan \'n fysiologie en psychologie van de vormen-
zin. In de wetten der Gestalt- of Gestaltungsprocessen moest
de verklaring van \'t gezichtsbedrog worden gezocht. Van nu
af aan werd de studie der optiese illusies dan ook beheerst
door \'t meer algemene probleem der waarneming van vormen.

Onder aanwending van experimenteel metende en geneties
vergelijkende methodes ging men onderzoeken \'t effect der
fenomenologiese configuratie op de aard der daarin opgenomen
bestanddelen en stelde men wetten op, die in \'t gestructureerd

-ocr page 46-

geheel, bij vergelijking met de delen, tot uiting komen.
Sommigen beijverden zich om de fysiologiese factor te vinden,
waardoor verschillende zintuiglike prikkelingen onder zekere
voorwaarden \'n bepaalde Gestalt ten gevolge hebben, anderen
stelden zich tot taak te onderzoeken de modaliteiten van de
vorming der Gestalten, d.i. hoe onze psychiese activiteit bij \'t
waarnemen van \'n complex tot resultaten geraakt, welke de
fysiologiese processen die \'t te voorschijn hebben geroepen,
overschrijden.

De aangewezen methode voor onderzoek was tachisto-
scopiese successieve expositie der figuurcomponenten ofwel
elke andere methode, die de figuur tijdens de beschouwing liet
ontstaan, wijzigen en verdwijnen. Men kon dan de illusie in
statu nascendi bestuderen.

Zo deed Benussi stroboscopies de ene M. L. figuur

«—» continu in haar tegendeel (gt;-lt;) overgaan.

Daarbij kon hij duidelik zien, dat de hoofdlijn van grootte
veranderde, zich verlengde en weer inkromp. Bühler die aan
de ene zijde van \'n blad papier een in \'t midden gedeelde lijn
tekende en op de rugzijde de overeenkomstige bijlijnen, zodat
bij doorvallend licht \'n samengestelde M. L. figuur werd
gezien, kon eveneens zeer duidelik \'n uitdijen en inkrimpen
van de hoofdlijn waarnemen i). Naderhand is dit door andere
onderzoekers bevestigd.

Van biezonder belang in Benussi\'s resultaten was vooreerst,
dat de „schijnbewegingquot; der hoekpunten tengevolge van de
verandering der hoofdlijn verdween, zodra men \'t lijnencom-
plex zo beschouwde, dat de zijlijnen als zelfstandige objecten
werden opgevat. En vervolgens is merkwaardig, dat de illusie
vanaf \'t ogenblik van verschijnen der zijlijnen zich met de
beweging der hoofdlijn ontwikkelde. Dit vorderde \'n zekere
tijd. die groter is dan die, welke nodig is voor \'t waarnemen
der zijlijnen.

Door \'t eerste was volgens Benussi bewezen, dat \'t „gewaar-
wordingsmateriaalquot; niet geheel en al de indruk van grootte

1) Benussi, Arch. f. d. ges. Psych. 24, 1912, blz. 31 e.v. en Bühler,
blz. 95.

-ocr page 47-

bepaalt. Om te bewijzen dat het verschil reëel waargenomen
wordt (dat men niet door denken tot verschil geconcludeerd
had), beriep hij zich op de zintuiglik waargenomen beweging
(S-Bewegung), die \'t reëel effect is van \'t verschil der schijn-
bare grootten.

t Tweede resultaat werd in betrekking gebracht met een in
dit geval moeilike „Gestaltauffassungquot;, waardoor \'n langzamer
ontstaan der illusie veroorzaakt wordt. Nadere uitwerking
kregen deze resultaten respectievehk door Koffka-Kenkel en
Wingender.

Koffka en Kenkel stelden zich de vraag, of voor deze
bewegingsverschijnselen louter de objectief geboden figuren
als prikkel zijn te beschouwen; ofwel moest men hier, zoals
Benussi deed, \'n psychies bemiddelingsproces aannemen, waar-
in de „inadäquate Gestaltenquot; die aan de figuren beantwoorden,
eerst werkelik moeten beleefd zijn, vooraleer uit deze „Inadä-
quatheitenquot; \'n beweging kan resulteren. Daartoe onderzochten
zij hoe deze bewegingsverschijnselen, die op illusie der grootten
berusten (S-beweging van Benussi, a-beweging door Kenkel
genoemd), zich verhouden ten opzichte van andere bewegings-
verschijnselen die, bij successieve expositie van actueel fysies
verschillende grootten, optreden (/J-beweging v. Wertheimer
— s-beweging door Benussi genoemd) i).

Waren deze a- en /^-bewegingen descriptief en functioneel
van gelijke aard. had \'t ..schijnbarequot; grootte-verschil \'t zelfde
effect op de waarneming van beweging als \'t werkelik ver-
schil in grootte, dan was het alternatief beslist, nl. dat men in
de M. L. figuur als gevolg van de figuurfactor met werkelike
verschuivingen der „Sehgröszenquot; te doen heeft. Het zien van
illusie-grootte zou dan ook \'n proces zijn, dat in princiep gelijk
is aan \'t zien van werkelike grootte, altijd volgens Koffka-
Kenkel.nbsp;O

Met de tachistoscoop van Schumann werden telkens twee
figuren in vlugge opeenvolging geëxposeerd. De p.p. hadden
nu eens bij één dan bij meerdere expositie-series (Einzel-

M. Wertheimer, Exp. Studien über das Sehen von Bewegung. Zschr.
f. Psych. 61, 1912.

-ocr page 48-

Dauerbeobachtung) de verschijnselen te beschrijven. Door
afstand en overzichtelikheid konstant te houden, werden deze
factoren uitgeschakeld. ïiet onderzoek naar de invloed van
andere voorwaarden, zoals tijdsinterval tussen het aanbieden
der prikkels, richting van de opmerkzaamheid, fixatie en instel-
ling gaf in \'t algemeen resultaten overeenkomende met die,
welke Benussi reeds vroeger had verkregen.

Drie soorten van beweging werden beschreven: de de
ß. en tenslotte de y.beweging, die, in een enkele figuur
afzonderlik genomen, bij verschijnen en verdwijnen optreedt
in de vorm van \'n uitzetten en samentrekken. i) Nu bleek de
a-beweging inderdaad van gelijke aard als de /S-beweging,
en niet door deze te zijn voortgebracht. Waaruit Kenkel con-
cludeert: „die scheinbare Grosse eines einfachen Striches und
eines solchen in irgendeiner „Inadäquatheit bedingendenquot;
Konfiguration — z. B. der Müller-Lyerschen — sind funk-
tional gleichartig (diese ist lediglich labiler als jene)quot; 2),

In de formule G = f (1/;, Ä) werd de functionele betrek-
king „Reiz-Erlebnisquot; uitgedrukt. De gegeven Gestalt (G)
is dus te danken aan de fysiese prikkel die „eindeutigquot;
de grootte van \'t netvliesbeeld bepaalt, en aan \'t „Komplexquot;
(K) in \'t organisme. Bij gelijke fysiese prikkel blijft, wat betreft
de functie, ?// konstant; — K echter niet, want K is afhankelik
van de richting, verdeling of concentratie der opmerkzaam-
heid, van de dispositie, de insteUing, de oefening van \'t
individu en \'n aantal andere variabele, tot nog toe onbekende,
factoren die de toestand „des Gesamtnervensystemsquot; bepalen.

De realiteit der optiese illusie, door de Grazerschool sinds
lang voorgestaan, werd dus bevestigd. Weerlegd werd de
psychiese bemiddeling, altans zoals deze door hen werd op-
gevat. Wat door Benussi als \'n secundair geneties-successief
proces ten opz^phte van de gewaarwording werd voorgesteld.

1)nbsp;Dit verschijnsel was reeds vroeger geobserveerd door Schumann,
(Zschr. f. Psych. 30, 1902, blz. 254) en Mach en Bethe (A. Bethe,
Beobachtungen über die persönliche Differenz an einem und beiden Augen.
Pflügers Arch. f. d. ges. Physiol. 121, 1908, blz. 1 e.v.

2)Cf.nbsp;K. Koffka, Beiträge zur Psychologie der Gestalt. I, 1919, blz. 273.

-ocr page 49-

duidden Koffka-Kenkel als primaire direkte reactie op \'t geheel
van prikkelwerkingen. De
cc -beweging trad nl. bij Kenkel
onmiddelhk op, soms zelfs zonder dat \'n eigenlike Gestalt-
verandering kon worden waargenomen i).

In overeenstemming hiermee waren de bevindingen van
Bates, die een introspectief onderzoek instelde aangaande
dezelfde bewegingsverschijnselen bij \'n soortgelijke proef-
opstelling als die van Koffka-Kenkel. Ook hier konden de
p.p. geen afzonderlik bewustzijnsproces ontdekken, zoals
Benussi dat meende. Zij zeiden direkt te oordelen naar de
uitgebreidheid van de primair gegeven zintuighke indruk,
zonder zich bewust te zijn van \'n beïnvloeding van \'t oordeel
door de „Nebenreizequot;. Voor \'t overige bracht dit onderzoek
geen nieuwe gegevens2).

Op \'t andere resultaat van Benussi nl. dat de tijd, die
nodig is voor \'t waarnemen der zijlijnen niet volstaat voor \'t
zich ontwikkelen der illusie, heeft \'t onderzoek van Wingender
betrekking. Hij maakte gebruik van Bühlers successieve aan-
biedingswijze van de componenten ener M. L. figuur en deed
door \'t omdraaien van de knop van \'n elektries kontakt de
zijlijnen verschijnen en verdwijnen. Uit tien omdraaiingen werd
met \'n stopwatch de omdraaiingsnelheid gemeten en daaruit
de expositietijd der afzonderhke fasen berekend.

Bij toepassing van deze nog al grove methode zag hij bij
\'n expositieduur van
0,37quot; het markeerpunt, in \'t midden van
de hoofdlijn aangebracht, in continue beweging op en neer-
gaan (het optimaal stadium). Nam hij nog kleinere expositie-
tijden, dan bleven de hoofdlijnen in hun verlengde en verkorte
vormen staan, ofschoon de zijlijnen nog duidelik kwamen en
gingen. „Der Nervenapparat, durch welchen die Gestalt-
veränderungen der Hauptlinien erfasst werden, arbeitet also
erheblich träger als derjenige, welcher das Auftreten und

Benussi besprak quot;t artiekel van Koffka-Kenkel in Arch. f. d. ges.
Psych. 32, 1914, blz. 50 e.v.; Koffka gaf \'n uitvoerige kritiek op Benussi\'s
leer in Beiträge zur Psychologie der Gestalt I, 1919, blz. 203 e.v.

2) Marj. Bates, A study of the Müller-Lyer illusion with special refe-
rence to paradoxical movement and effect of attitude. Amer. Journ. of
Psych. 34, 1923, blz. 46 e.v.

Psycliologie der waarnemingnbsp;3

-ocr page 50-

Verschwinden der NebenHnien vermittelt.quot; De benedengrens
dezer snelheid door Wingender „die kritische Geschwindig-
keitquot; genoemd, bleek voor de gemiddelde fasenduur bij \'n
M. L. figuur ±: seconde te bedragen.

Deze snelheid van successie vergelijkend met de tijd, die
volgens de wet van Talbot nodig is voor \'t versmelten van
gewaarwordingen bij kortdurende prikkels {1/50—^/lo sec.),
vond hij, dat de illusie bij \'n belangrijk langere expositie-duur
konstant blijft. „Die Trägheit des Apparates der die Gestalt-
veränderungen erfasst, ist also erheblich gröszer als die durch
das Talbotsche Gesetz festgelegte der Empfindungsorganequot; 1).

Benussi deed n soortgelijk onderzoek. Bij konstant zicht-
bare hoofdlijnen liet hij de zijlijnen verschijnen in gevarieerde
expositietijden en vroeg van de p.p. G-Reaktion. Zo bepaalde
hij, welke expositietijd de optimale was voor een „einheidiche
Auffassungquot;. Optimaal was nl. die expositietijd, waarbij \'n
maximaal objectief verschil der twee lijndelen beantwoordde
aan \'t oordeel: beide helften zijn gelijk. Voor twee van de vier
p.p. lag de maximum-illusie bij zeer korte expositietijd (80—
162 (f ): voor de twee andere bij zeer lange (1000—léOOoquot;).
Bij zeer korte expositietijd zagen de eersten gehelen, de
anderen delen en voor de laatsten was dan meer tijd nodig om
gehelen te kunnen zien2).

Zo vond hij \'n verschil in type: \'t analiserende en \'t syn-
thetiserende. Nadien hebben andere auteurs deze onder-
scheiding bevestigd. Men kan dus spreken van de habituele
(constitutionele of dispositionele) instelling van \'n bepaald
individu 3). Of die gewone reactiewijze verworven is of
aangeboren of beide, is nog niet uitgemaakt. Dat ook \'n type
voorkomt dat tussen beide in staat, vermeldt Benussi niet.
Toch mogen we dit derde type, dat èn geheel èn delen waar-
neemt met Lohnert en Sander wel aannemen, \'t Is zelfs

1)nbsp;Wingender blz. 55 cn 59.

2)nbsp;V. Benussi, Versuche zur Bestimmung der Gestaltzeit. Ber. über den
VI Kongress f. exp. Psych. Göttingen. 1914, blz. 71 e.v.

3)nbsp;Cf. H. Kleint, lieber den Einfluss der Einstellung auf die Wahr-
nehmung. Arch. f. d. ges. Psych. 51, 1925, blz. 221.

-ocr page 51-

niet onmogelik, dat dit type niet minder vertegenwoordigers
telt 1). Niet zelden komt \'t voor, dat men hoewel op \'t geheel
ingesteld zich richt op \'t deel, op minitieuse verschillen of
overeenkomst der delen.

Verder dient niet te worden over \'t hoofd gezien — wat
Gestaltpsychologen meermalen deden — dat ook de op-
vatting van \'t geheel afhankelik kan zijn van de waarneming
van dit of dat deel. Volledig van elkaar gescheiden komen
analytiese en synthetiese instelling wel nooit voor. Benussi
en na hem ook Seiffert, Mokre, Lohnert, Ipsen beschouwen
de synthetiserende (of synoptiese, gestaltbildende) en de
analyserende (of abstraherende, isolerende, discursieve)
reactiewijzen als wederkerig komplementair: de „opvattingquot;
van de delen bemoeilikt de „opvattingquot; van het geheel, en
omgekeerds).

In aansluiting bij dit experimenteel onderzoek vraagt nog
bespreking de wijze, waarop anderen de optiese illusies
hebben opgevat en beschreven, uitgaande van princiepen en
wetten van \'t figureel geheel.

Zij legden de nadruk op de conceptie van \'t geheel in tegen-
stelling met die van \'t element of der additie van elementen
(Undverbindungen). Hun princiepen komen in \'t algemeen
hierop neer: \'t Deel heeft in \'t geheel zijn individualiteit in
zekere zin verloren. Van \'t geheel uit of van de structurele
verhouding uit wordt \'t essentieële deel zinvol bepaald. Hoe
meer.\'t eenheidskarakter descriptief geprononceerd is, des te
geringer is in functioneel opzicht de zelfstandigheid der ver-
schillende delen of aspecten en omgekeerd. Bij verandering
van \'n deel ondergaan, altans bij perceptie van \'t geheel, alle
andere delen eveneens verandering, doordat \'n verandering

Cf. E. Lenk, Ueber die optische Auffassung geom. regelmässiger
Gestalten. Krueger, Neue psych. Studiën. I, blz. 577 e.v.

2) Lohnert, Untersuch über Auffassung von Rechtecken. Psych. Studien.
9, 1914, blz. 117; Fr. Seiffert, Zur Psychologie der Abstraktion und
Gestaltauffassung. Zschr. f. Psych. 78. 1917. blz. 109; H, Mokre. Einfluss
von Grösse und Abstand der Elemente auf die Mengenauffassung. Zschr.
f. Psych. 105, 1927, blz. 215; Ipsen blz. 268 e.v.

-ocr page 52-

van \'t deel in \'t geheel resoneert. En dit alles zou zich in \'t
waarnemingsproces zelf voltrekken.

Lau (uit de school der vormpsychologen) is \'n onderzoek
begonnen naar de waarneming bij stereoscopies zien, waarbij
aan beide ogen hetzelfde beeld wordt voorgehouden i).
Steunend op de binoculaire versmelting van twee identieke
netvliesbeelden die tot illusie aanleiding kunnen geven, wilde
hij ook het gezichtsbedrog van M. L. bestuderen. Herhaaldelik
vond hij echter, dat de figuur bij deze wijze van aanbieding
verstoord was. \'t Is zeker niet gewettigd uit dit negatieve resul-
taat besluiten te trekken omtrent de oorzaak van dit gezichts-
bedrog; al was \'t alleen hierom niet, dat fusie, ook in tal van
andere gevallen, dikwels zeer moeilik te verkrijgen is.

Hoe al deze onderzoekingen en resultaten tot uitgangspunt
van theorieën zijn geworden, is nu aan de orde.

1) E. Lau, Versuche über das stereoskop. Sehen. Psych. Forsch. 2,
1922, blz. 1
e.V.

-ocr page 53-

VI, DE ENE VERKLARINGSHYPOTHESE
NA DE ANDERE!).

Om te verklaren waarom nu eigenlik de hoofdlijnen in
M. L. figuren — al naar gelang de configuratie — groter of
kleiner worden gezien dan ze bij geïsoleerd-zijn worden waar-
genomen, zijn veel theorieën opgesteld, die in hun grond-
gedachten verschillen of, bij gemeenschappelike princiepen,
toch nog verschillend zijn in de uitwerking. Al naar gelang de
belangstelhngsrichting en geestesinstelling van de onderi
zoeker legde ieder van hen de nadruk op dit of op dat gegeven
en stelde, in aansluiting daarbij, \'n verklaringshypothese op.

Bracht volgend onderzoek dan weer nieuwe gegevens, die
met die theorie onverenigbaar waren, dan werd óf de oude
verklaringspoging herzien óf \'n andere opgesteld. Steeds stelde
elke nieuwe poging het ontoereikende van de vorige in \'t licht,
en ging daarvan uit om \'n stap nader te komen tot de gezochte
verklaring. De weg ter oplossing werd er een van voort-
durende correctie; elke theorie had, zoals Witasek zegt,
telkens één bewijsgrond meer, nl. de weerlegging der vorige.

Bovendien ging \'t om fundamentele problemen, die elk vol-
gend geslacht meende te moeten herzien. Zo zijn de opeen-
volgende theorieën van deze optiese illusie tevens weerspiege-
ling van de ontwikkelingsgang der psychologiese wetenschap.

Wijl bij \'t gezichtsbedrog zowel \'t fysiologiese proces, dat

1) \'n Krities overzicht geeft Witasek (Zschr. f. Psych. u. Phys. d.
Sinnesorg. 19, 1899), Piéron, Schwirtz, F. Winkler (Studien über Wahr-
nehmungstäuschungen. Leipzig 1915) e.a. Ook in verschillende handboeken
worden de voornaamste theorieën geresumeerd.

-ocr page 54-

in \'t netvlies begint, als de hogere geestelike activiteit van
betekenis is. ligt \'t voor de hand dat men de tweevoudige
mogelikheid in aanmerking nam: de illusie zou óf perifeer óf
centraal veroorzaakt worden. In \'t eerste geval spelen de
perifere, in \'t tweede de centrale factoren hun gewone rol,
nl. dezelfde, als bij de waarneming van de geïsoleerde lijn.
Hiernaar kan men de gegeven theorieën in twee groepen ver-
delen: in die, welke ter verklaring verwijzen naar eigenaardige
of bekende fysiologiese processen en de andere groep, die in
biezonderheden van psychofysiese of psychiese aard de op-
lossing meenden te vinden.

Chronologies^ gingen vooraf enkele verklaringspogingen,
waarbij de illusie als in laatste aanleg psychies van aard werd
opgevat. Weldra volgden andere, die gebouwd waren op fysio-
logiese functies van \'t oog en waarin psychiese processen
hoogstens als bijkomstige momenten in de verklaring te hulp
werden geroepen. Want \'t was de tijd, dat men alles tot fysio-
logiese processen wilde terugbrengen; elke psychologiese
vcrklaringshypothese werd overboord geworpen, zodra men
\'n fysiologiese gevonden had. die door de grijpbare reahteit
van haar grondslagen meestal zekerder leek te voldoen. Toen
men echter wist, dat de illusie niet alleen op visueel maar ook
op tactiel gebied voorkomt, dat dus de factoren die werkzaam
zijn niet specifiek visueel behoeven te zijn. maar bij de ruimte-
perceptie in \'t algemeen een rol spelen, het men de fysiologiese
theorieën weer los. Zo bleef \'t wisselen tot heden toe.

Door heel die ontwikkehngsgang cirkelde de belangstelling
rond de vragen, of het gezichtsbedrog in de waarneming ofwel
in \'t oordeel alleen bestaat, en welke dan de oorzaken zijn. Is
de illusie \'n verschijnsel van onmiddellik sensoriële aard, dus
van perceptie of zijn in de intellektuele verwerking door \'t
oordeel de factoren aanwezig die de schatting corrumperen?

Men had dus te kiezen tussen waarnemings- en oordeels-
theorieën. Volgens de eerste is de verschuiving reeds te danken
aan het proces tussen prikkel en waarneming: de psychies
gegeven indrukken der grootten, die verschillend zijn volgens
\'t oordeel, zijn zelf verschillend, en dit, ofwel tengevolge van

-ocr page 55-

\'n speciaal psychies bemiddelingsproces, ofwel als direkt
gevolg van de werking der verschillende prikkelconstellaties.

De oordeelstheorieën laten in \'t eigenhke beoordelingsproces
van de psychies gegeven uitgebreidheid de storing van het
gewone verloop geschieden; deze storing zou dan haar oorzaak
vinden in ervaringsmotieven en invloeden van opmerkzaam-
heid. De laatste theorieën heeft men nu vrijwel verlaten op
grond van de feiten, dat de illusie exact te meten is, zich
onmiddellik en duidelik bij \'t zien manifesteert, bij moment-
exposities door oefening niet vermindert, terwijl ze bij lang-
durige expositie juist wel afneemt, en vooral, omdat ze tegen
alle beter weten in niet verdwijnt.

Nu men zich kan beroepen op de geobserveerde bewegings-
verschijnselen ( a-beweging), wordt bijna algemeen aange-
nomen, dat aan de geziene grootte de uitgebreidheid van
\'t waarnemingsbeeld beantwoordt. Ten onrechte wees men,
bij \'t afwijzen der oordeelstheorieën, naar \'t aanwezig blijven
van \'t gezichtsbedrog als de zijlijnen onder hypnose zijn weg-
gesuggereerd, want \'t ware niet onmogelik, zoals Schumann
opmerkt, dat het betreffende waamemingsbeeld op de achter-
grond van \'t bewustzijn aanwezig bleef en van daaruit zijn
invloed uitoefendei).

Naast de reeds vermelde theorieën zijn verschillende andere
gegeven. Zo maken Ebbinghaus-Dürr, afgezien van de illusies
die in bekende functies van \'t netvlies verklaring hebben
gevonden, onderscheid tussen Reproduktions-, Produktions-
en Aufmerksamkeitstheorieën2). Wijl zij echter onder Pro-
duktion iets anders wensen te verstaan dan dat, waarvoor dit
woord gebruikelik was (Benussi), en de naam Aufmerksam-
keit zeker niet gelukkig is voor wat er door moet worden
gedekt, hebben de schrijvers zelf gevoeld, telkens te moeten
waarschuwen tegen verwarring.

Bates spreekt van theorieën, welke de oorzaak van de illusie
zoeken in \'n verschijnsel, dat buiten \'t eigenhke illusiefenomeen
ligt, maar bij welks afwezigheid het gezichtsbedrog niet zou

1)nbsp;Schumann, Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 30, 1902. blz. 336

2)nbsp;Ebbinghaus-Dürr, Grundzüge der Psychologie. II, 1913, blz. 104 e.v.

-ocr page 56-

voorkomen, en van theorieën, die op bepaalde algemene wetten
of mechanismen rusten, waarin de voorwaarden voor \'t op-
treden van de M. L. illusie zijn gegeven. Volgens deze laatste
zijn illusies dan maar simpele namen voor algemeen voor-
komende verschijnselen.

Bij de bespreking der verschillende theorieën zullen wij ons
richten naar de historiese ontwikkeling. De gegeven indelings-
princiepen komen dan vanzelf ter sprake.

Müller-Lyer zag in zijn figuur \'n Urteilstäuschung. „Man
hält die beiden Linien für verschieden grossquot;, zo zegt hij, „weil
man bei der Abschätzung nicht nur die Linien selbst, sondern
unwillkürlich auch einen Teil des zu beiden Seiten desselben
abgegrenzten Raumes mit in Anschlag bringtquot; i). Enkele
jaren nadien stelde hij bij herziening van zijn theorie als wet
op, dat psychofysiese processen, die aan inwerking van on-
middellik naast elkaar gelegen prikkels beantwoorden, elkaar
beïnvloeden, en wel in gelijke of in tegengestelde richting.
De gelijkgerichte werking noemt hij Confluxion, bij de tegen-
gestelde spreekt hij van Kontrast. Waar elke nadere uitleg,
hoe de illusie volgens dit princiep kan ontstaan, ontbreekt,
heeft hij \'n eigenlike verklaring niet gegeven. De termen
Confluxion, Kontrast zijn maar namen voor \'t verschijnsel der
illusie, terwijl de vraag naar \'t waarom en \'t hoe der werking
beantwoord moest worden. Hij gaf dan ook slechts \'n alge-
mene richting aan, waarin oplossing te zoeken was. Of liever,
hij bracht de illusie onder bij \'n bepaalde groep verschijnselen,
zoals ook Bourdon later deed met te zeggen „une direction ou
une étendue tendent ä s\'assimiler ä une direction ou ä une
étendue voisinequot;.

De uitwerking van deze theorie door Lewis blijft even
onbevredigend. Wel is van belang zijn aanwijzing, dat de
overgang van Kontrast- tot Confluxionseffect onmerkbaar is,
en dat beide afhankelik zijn van de relatieve grootte der figuur-
delen en de boekwaarden der zijlijnen.

1) F. C. Müller-Lyer. Arch. f. Physiol. Suppl. Band 1889, blz. 266.

-ocr page 57-

Läska baseerde zijn theorie op \'n streven, dat hij algemeen
veronderstelt, om bij beoordeling de figuren te vervolledigen,
om, wat onverbonden bleef te verbinden met de kortste con-
tinue trekken. Zo zou men de uiteinden der zijlijnen met twee
aan de hoofdlijn evenwijdige lijnen verbinden, en wijl deze,
naar gelang de richting der zijlijnen, korter of langer zijn,
brengen zij als mee-bepalende ruimte-grootheden onder- of
overschatting te weeg.

Op \'t princiep, dat wij bij de beoordeling geneigd zijn
relatief te oordelen, steunt ook de verklaring van Jastrowi).
Maar volgens deze auteur wordt \'t oordeel beïnvloed door
de schatting der boekwaarden. Door overschatting der hoeken
wijken hun zijden wat de richting betreft af, en wordt de
appreciatie van de uiteinden der hoofdlijnen gewijzigd in de
richting der hoekzijden.

Aan deze intellektualistiese interpretaties, die, na wat boven
werd gezegd, geen verdere weerlegging behoeven, zijn nauw
verwant de waarnemingstheorieën van Brentano, Brunot^)
en Auerbach.

Volgens Brentano berust \'t M. L. gezichtsbedrog op over-
schatting der scherpe- en onderschatting der stompe hoeken;
de illusie met betrekking tot de richtingen der hoekbenen zou
schijnbare verplaatsing der uiteinden van de hoofdlijn mee-
brengen 3). Uit de gegeven variaties van \'t M. L. type blijkt
echter, dat die hoeken niet noodzakelik aanwezig hoeven te
zijn voor \'t optreden der illusie; bovendien zagen we dat het
bedrag der illusie ook afhankelik is van de proportionele
lengte der zijlijnen.

Brunot veronderstelde, dat wij, bij» vergelijking der hoofd-
lijnen in \'n M. L. figuur, de afstand van de zwaartepunten
(centres de figure) der wederzijdse aanzetstukken beschou-
wen. Dat dit niet in overeenstemming kan worden gebracht

J. Jastrow, A study of Zöllners figures and other related illusions.
Amer. Journ. of Psych. 4, 1892, blz. 381 e.v.

2)nbsp;C. Brunot, Les illusions d\'optique. Revue sdentif. 52, 1893, blz.
210 e
.v.

3)nbsp;F. Brentano, Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 5, 1893, blz. 61
en 6, 1894, blz. 1; vergeh zijn vroegere theorie ibidem 3, 1892, blz. 121-126.

-ocr page 58-

met de maximumwet van Heymans, werd meerdere malen
reeds aangetoond.

In verschillende verklaringspogingen is een op associatieve
basis optredende voorstelling als de oorzakelike factor aan-
geduid. Zo meende Auerbach, wiens theorie is opgesteld ter
verklaring van de samengestelde M. L. figuur, dat men zich
tussen de zijlijnen evenwijdig aan de te vergelijken stukken
in de geest \'n aantal lijnen getrokken denkt, die duidelik
ongelijk van lengte zijn en daardoor dit ook van de hoofdlijnen
doen geloven. De werking dier fictieve lijnen zou steeds
dezelfde zijn, onverschillig of de zijlijnen proportioneel kleine
of zeer grote lengtes hebben. Dit is echter in strijd met de
gevonden resultaten.

Volgens Stilling, die van Zöllners illusie in deze vorm
^nbsp;^ uitgaat, en hieruit door verdubbeling en omkering

de M. L. figuur laat ontstaan (gt; lt; gt;). berust dit
gezichtsbedrog op \'t kontrast van verwachting en „sinn-
liche Anschauungquot;. Dan moest de illusie echter verdwijnen,
zoals Benussi opmerkt, zodra men weet dat in de werkelikheid
de verhouding anders is; en dit is niet \'t geval i).

Meer aandacht vraagt de verklaring, die Schumann geeft.
Omdat hij niets kon merken van \'n groter of kleiner worden
der hoofdlijn, bij afwisselend vluchtig over de figuur heen-
kijken en isolerende beschouwingswijze, meent hij, „dass die
zu vergleichenden Linien nicht verschieden gross gesehen,
sondern nur als verschieden beurteilt werdenquot;. Ter verklaring
zegt hij dan, dat „die eigentlich zu beurteilenden Punktdis-
tanzen lt; gt; lt; in den breiten Zwischenräumen zwischen
den ganzen Winkeln enthalten sind und daher auch deren
Eigenschaften mit besitzen, und dasz das nur für den breiteren
Zwischenraum richtige Urteil „gröszerquot; fälschlich auch von
der darin enthaltenen eigendich zu beurteilenden Punkt-
distanz ausgesagt wirdquot;.

Verder wijst hij nog op \'n andere factor: „Der Grund zu
diesem verschiedenen Verhalten dürfte darin zu suchen sein,
dasshnks (lt; gt; lt;) die angesetzten kleineren Linien ein-

Benussi, in Untersuch, zur Gegenstandstheorie van Meinong blz. 446.

-ocr page 59-

ander zugewandt und daher mit der Horizontalen zu einem
besonders einheithchen Ganzen verknüpf sind, das sich immer
in allen Teilen gleichzeitig der Aufmerksamkeit aufzudrängen
suchtquot;; rechts (•lt; gt; lt;[) daarentegen valt de grotere

afstand op „gemäss..... dem Gesetze, dass grössere

Distanzen allgemein im Bewustsein hervortretenquot; i).

\'n Kern van waarheid zit in deze theorie, evenals in de
voorafgaande verklaringspogingen, in zoverre zij er op wijzen,
dat eigenlik bijkomstige factoren meebepalend kunnen zijn
voor de indruk die wij krijgen. Gelijk \'n pianotoon, zoals
Ebbinghaus zegt, volgens onze subjectieve indruk hoger is, dan
dezelfde toon door \'n stemvork voortgebracht, wijl de grond-
toon door de boventonen wordt beïnvloed of, gelijk wij bij
de beoordeling van \'t karakter van \'n mens onwillekeurig zijn
uiterlik erin betrokken hebben, zo lukt \'t ons ook slechts ten
dele de omgeving van de te vergelijken lijnen geheel buiten
beschouwing te laten. Iets anders is \'t evenwel of de illusie-
verwekkende factor aangrijpt in \'t waarnemingsproces zelf
of na de perceptie in \'t oordeelsproces.

Aantrekkelik is de theorie van Lipps, die zelf van Urteils-
täuschung spreekt. De visie van de kunstenaar, die in de vorm
een worden, gebeuren en bewegen ziet, of blijvende eigen-
schappen als zelfbeweeglik werkwoordelik weergeeft, heeft
Lipps aan alle mensen toebedeeld. „Ich müsste mir jede
Fähigkeit wissenschaftlichen Denkens absprechenquot;, zo voegt
hij er aan toe, „wenn es sich anders verhieltequot; 2). \'t Ene prin-
ciep, waarmee hij alle geometries-optiese illusies meende te
kunnen verklaren, komt neer op de „Einfühlungquot; van mecha-
niese „Thätigkeitenquot; in alle ruimtelike vormen, en wel van
„Thätigkeitenquot;, die afbeeldingen of analogieën zijn der
krachten, die wij van kind zijn af in ons zelf beleven. In de
voorstelling komen verschuivingen tot stand, doordat wij de
vormen zelf als dragers van \'n „Thätigkeitquot; beschouwen; en
daarnaar wordt de indruk der ruimtelike afmeting zelf be-

1)nbsp;Schumann, Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 30. 1902. blz.
287—290.

2)nbsp;Lipps. Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 18, 1898, blz. 421.

-ocr page 60-

paald. In zover altans \'n figuur als één geheel is opgevat,
worden de delen niet geïsoleerd waargenomen, maar staan ze
onder de invloed van de voorstelling die voor \'t geheel maat-
gevend is.

Dat er biezonder suggestief werkende figuren zijn, die bij
ons de behoefte wekken om bewegingen uit te voeren is zeker,
maar dit wenst Lipps niet onder \'t begrip Einfühlung te ver-
staan. „Wir strecken uns mit dem Langen und dehnen uns
mit dem Breitenquot;, zegt hij, en zo is n lijn niet louter \'n ver-
binding zonder meer, neen \'n lijn zelf slingert, welft, strekt
zich, streeft in de verte, wordt geremd aan haar einde, gelijk
de zuil oprijst en de druk van naar beneden strevende ge-
welven zegevierend overwint. Welnu volgens dit princiep
zouden ook de hoofdlijnen van \'n M. L. figuur de indruk
maken van geringere of grotere uitgestrektheid, naar gelang
de zijlijnen een over de hoofdlijnen uitstrevende of „ein-
engende Thätigkeitquot; aanduiden.

Herhaaldelik heeft deze aestheties-dynamieise theorie aan-
leiding tot kritiek gegeven. Men kon er echter moeilik vat op
krijgen, want met experimentele gegevens is ze nauweliks te
weerleggen. Ernstige bezwaren er tegen zijn de maximum-
wetten, de resultaten van Benussi betreffende de werking van
kleurverschillen, de gebondenheid van de invloed der oefening
aan de ruimtelike positie der figuren en \'t aanwezig blijven
der illusie bij onderzoek onder hypnose.

Maar het bedenkelikste zwak zit tenslotte in de rekbaarheid
der theorie, volgens welke men de krachten naar willekeur
primair of secundair kan noemen; al«naar gelang het
resultaat dat men verkrijgt. Terecht merkte Heymans dan ook
op dat, al kan de hypothese van Lipps in zeer vele gevallen
\'n verklaring aan de hand doen, ze slechts bij uitzondering \'t
resultaat met zekerheid kan voorzeggen i). Vandaar dat
Lipps telkens zijn theorie heeft moeten wijzigen, wat aan
haar waarschijnlikheid niet ten goede
komt2). Hij trachtte

1) Heymans. Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 9. 1896. blz. 243-
246 en Bnd. 17. 1898. blz. 383.

Th. Lipps. Zur Verständigung über die geom.-opt. Täuschungen.
Zschr. f. Psych. 38. 1905. blz. 249.

-ocr page 61-

ze aan te passen aan die van Wundt en zei tenslotte, dat de
mechaniese interpretatie reeds in \'t primaire „opvattingsquot;-
proces plaats vindt. Hierbij houdt hij echter geen rekening met
een der voornaamste kenmerken van waarnemingsinhouden,
nl. hun onmiddellikheid. \'n Grote verdienste blijft \'t even-
wel, dat hij in de psychiese activiteit van de waarnemingsdaad,
in \'t mechanisme der waarneming zelf, het waarom der optiese
illusies wilde zoeken.

Op de bekende omstandigheid, dat gereproduceerde
momenten innig met de direkte waarneming versmelten,
steunen ook de perspectief-theorieën van Thiéry en Filehne.
Volgens Thiéry heeft men bij \'t M. L. gezichtsbedrog te
maken met \'n perspectief-illusie, waarin, wat verderaf schijnt,
wordt overschat, wat meer nabij lijkt, wordt onderschat. Ten-
gevolge van \'t vroeger of later in \'t gezichtsveld treden van
\'t een of van \'t ander, zegt hij in aansluiting bij Wundts oog-
bewegingstheorie, wordt in lt;—gt; de hoofdlijn meer nabij

gezien dan de zijlijnen, en in gt;-lt; omgekeerd. Hij voegt

er aan toe, dat \'t niet noodzakehk is, dat \'n perspectiviese
voorstelling bewust optreedti).

Filehne stelt de herinnering aan dingen en hchamen,
waarbij zulke lijnen voorkomen en \'t geoefende perspectivies
zien der lichamehkheid, voor de illusie verantwoordelik.
Tegen beide theorieën pleiten de modificaties van \'t M. L.
type door Heymans gegeven, waarbij de illusie uitbleef, hoe-
wel \'n perspectivies zien werd
opgedrongen 2). Verder geldt
als afdoende weerlegging, dat \'n perspectief-theorie onmogelik
kan verklaren \'t voorkomen der analoge illusie op \'t gebied
van de tastzin.

Naast deze verklaringspogingen, die de voornaamste factor
der illusie in \'n psychologies moment zochten, staat \'n aantal
fysiologiese theorieën. Dikwels is \'t moeilik uit te maken tot
welke van die twee kategorieën \'n bepaalde hypothese behoort.
Psychologiese en fysiologiese processen gaan nl. meermalen

1)nbsp;Thiéry blz. 79, 80; cf. W. Wundt, Philos. Stud. 14, 1898, blz. 61
e
.v., en „Grundzüge der physiol. Psychologiequot; II, 1910, blz. 588.

2)nbsp;Heymans, Zschr. f. Psych. u. Phys. d. Sinnesorg. 12, 1897, blz. 76.

-ocr page 62-

in \'n zelfde theorie als oorzakelike factoren samen. Zo noemde
Müller-Lyer zijn eigen theorie \'n fysiologiese i ) en zeker zou
men de verklaring van Brunot met evenveel recht onder de
fysiologiese en die van Wundt en Heymans onder de psycho-
logiese kunnen rangschikken.

Willen we in de fysiologiese hypothesen \'n ordening aan-
brengen, dan zien we dat er zijn, die op oogbewegingsfactoren
de nadruk leggen, en andere die de verklaring zoeken in de
functionering van \'t netvlies. Alvorens tot \'n afzonderlike be-
spreking over te gaan, merken we op, dat deze theorieën aan
waarschijnlikheid aanmerkelik hebben ingeboet, sinds Pearce
vond, dat de M. L. illusie ook voorkomt in de tastwaar-
neming 2), al moet, dunkt ons. erkend worden, dat de factoren,
die op visueel gebied werkzaam zijn, van heel andere aard
kunnen zijn dan die, welke zich op tactiel gebied doen gelden.

„L\'illusion est due à l\'attraction que les figures, quelle qu\'en
soit la forme, disposées aux extrémités des distances à
mesurer, exercent sur l\'oeilquot;, schreef Delboeufs); de oog-
bewegingen, die dientengevolge optreden, zouden ten dele de
lijngrootte aangeven. Dit is ook de basis voor de theorieën
der volgende auteurs. Verondersteld werd, dat innervatie-
processen bij werkelik uitgevoerde oogbewegingen op de een
of andere wijze versmeltend met de netvlies-processen, van
invloed zijn op de indruk van afstand. Zelfs zonder de feite-
like uitvoering van zulke bewegingen zou reeds de aanwezige
spanningsgewaarwording of de strekking tot \'t uitvoeren van
bewegingen bij fixatie van de blik in gelijke zin werken. Nu
kan onder bepaalde omstandigheden diezelfde spannings-
gewaarwording illusie veroorzaken.

Bij M. L. figuren, zegt Wundt, geven de naar buiten ge-

1)nbsp;Zschr. f. Psych. u. Phys. d. Sinnesorg. 9, 1896, blz. 98.

2)nbsp;H. J. Pearce, Ueber den Einfluss von Nebenreizen auf die Raum-
wahmehmung. Arch. f. d. ges. Psych. 1, 1903, blz. 31 e.v.

J. Delboeuf, Sur une nouvelle illusion d\'optique. Bulletin de l\'Aca-
démie royale de Belgique. 24, 1893, blz. 240—241; Binet (blz. 20 e.v.)
geeft \'n overeenkomstige theorie; cf. von Helmholtz, Physiol. Optik I
blz. 566 en II blz. 709 e.v.

-ocr page 63-

richte zijUjnen \'n motief tot voortzetting der bhkbeweging in
gelijke richting, de naar binnen gekeerde daarentegen \'n motief
tot remming dier oogbeweging. Volgens onze dagelikse
ervaringen moeten we nu de ruimte, door de omvangrijker
beweging doorlopen, als \'n grotere zien, terwijl de ruimte met
geringere inspanning doormeten kleiner schijnt te zijn. Per-
spectief-voorstellingen die daarbij optreden, beschouwt hij als
„ausgleichendequot; factoren in die zin, dat zij ertoe dienen om
het naar de bewegingsenergie gemeten bewegingsbeeld met
het langs optiese weg ontstane netvliesbeeld in overeenstem-
ming te brengen; m.a.w. wij lokaliseren \'n lijn, die ons langer
voorkomt, verder af om de vergroting daardoor te recht-
vaardigen 1). Kiesow die van inhibitie van de qogbewegingen
spreekt, is t met Wundt in princiep eens, nl. oogbewegingen
zijn de primaire factoren der illusie, \'t perspectivies zien speelt
slechts \'n secundaire rol.

Judd, in wiens onderzoek Wundt naderhand steun vond,
besloot: „The facts do not seem to justify the conclusion that
the Müller-Lyer illusion is due to sensations of movementsquot;.
Stratton, die analoge feiten als Judd konstateerde, gaat er nader
op in en zegt „that the relative lengths of the eye-movements
are not the cause but are its
effectsquot; 2). In elk geval is Wundts
theorie moeilik aan te passen aan \'t resultaat dat Benussi ver-
kreeg: de afhankelikheid der illusie van kleurverschillen. En
bovendien, al zou de virtuele oogbeweging bij moment-
belichting kunnen volstaan voor \'t optreden van illusie, dan
zou men toch verwachten, dat de actuele beweging groter
invloed moet hebben dan de virtuele, en dit is, voor zover we
konden nagaan, inderdaad niet het geval.

Veel overeenkomst met de vorige heeft de hypothese, die
van Biervliet gaf. Hierin wordt de nadruk gelegd op \'t in
werking komen van bepaalde oogspieren bij de richtings-
afwijking der zijlijnen.

Wundt, Grundzüge, blz. 567, 583 e.v.

2) Stratton blz. 91; cf. A. Zimmer, Die Ursachen der Inversionen
mehrdeutiger stereometrischer Konturenzeichnungen. Zschr. f. Sinnesphy-
siologie. 47, 1913, blz. 79 e.v.

-ocr page 64-

Ook Heymans zocht in onwillekeurige bewegingen en
bewegingstrekkingen van \'t oog de verklaring, maar meer in
\'t biezonder in hun kontrasteren. Gelijk na \'n voorafgaand
rood \'n volgend rood minder verzadigd, \'n volgend groen
meer verzadigd lijkt, of \'n voorafgaand lustgevoel de volgende
lust verzwakt, echter de volgende onlust versterkt, zo denkt
hij zich \'n modificerende werking tussen de bewegingen en
bewegingstrekkingen van \'t oog. Uit het samenwerken van
twee oorzaken, waarvan de ene de illusie teweeg brengt en de
andere haar tegenwerkt, meent Heymans de maximumwetten
principieel te kunnen verklaren. Laat men de blik langs de
samengestelde figuur gaan. dan is in \'t midden een der com-
ponenten gelijkgericht met de zich voltrekkende oogbeweging,
de andere tegenovergesteld daaraan; de werkelik uitgevoerde
gelijkgerichte beweging schijnt dan kleiner, de tegenover-
gestelde beweging groteri). Heymans gaf zelf toe, dat de
naam kontrast nu nog verklaring vroeg, We dienen te be-
denken, dat zijn theorie ter verklaring van de illusie bij de
samengestelde figuur is opgesteld; voor enkelvoudige M. L.
figuren, vergeleken met \'n geïsoleerde lijn, geeft ze geen ver-
klaring. Ook is zijn theorie moeilik aan te passen aan enkele
der naderhand verkregen resultaten betreffende \'t effect van
oefening en verschillende instellingswijzen.

De gedachte, die al deze theorieën gemeen hebben, nl. dat
oogbewegingen, werkelik uitgevoerd of slechts voorgesteld,
voor \'t tot stand komen van tal van illusies bepalend zijn, acht
Ebbinghaus juist. Speciaal het weer optreden van de door
herhaling verdwenen illusie bij ruimtelike verwisseling der
figuren heeft zijn aandacht gevraagd. Hiervoor zocht hij ver-
klaring, evenals bij \'t heffen van gewichten, in \'t princiep der
„Einstellungquot;. De oogbewegingen, waarop de illusie zou
berusten, zijn volgens Ebbinghaus aan de bepaalde ruimtelike
positie van \'t object gebonden; wordt deze veranderd, dan

Heymans, Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 9. 1896. blz. 247 e.v.
Cf. J. Loeb. Ueber den Nachweis von Kontrasterscheinungen im Gebiete
der Raumempfindungen des Auges. Arch. f. d. ges. Physiol. 60. 189S
blz. 509 e
.v.

-ocr page 65-

treden ze weer op met \'t zelfde verschil en \'t zelfde effect als
voorheen. Bij \'n revisie van \'t werk van Ebbinghaus heeft
Dürr deze hypothese voldoende weerlegd i).

Telkens weer rezen bij al deze theorieën de vragen, op
welke wijze oogbewegingen de illusie tot stand zouden kunnen
brengen, en vervolgens of die oogbewegingen niet veeleer als
effect dan als oorzaak moesten worden beschouwd. Wat de
wijze waarop oogbewegingen de illusie tot stand zouden
brengen betreft. zei men, dat de netvliesprikkel uitgebreider
wordt ofwel dat de innervatie-processen associatief vervalsende
motieven aanbrengen, ofwel dat onbewust blijvende centrale
prikkelingen dit doen. De eerste veronderstelling stoot op de
moeilikheid, dat de illusies vrijwel onverminderd optreden als
oogbewegingen zijn uitgesloten; de tweede introduceert het
nog moeihker probleem, hoe uit niet-ruimtelike elementen
ruimte kan ontstaan; en de laatste is \'n vage conceptie, waarbij
men het onbekende door het onbekende tracht te verklaren.

Enkele jaren geleden heeft Ehrenstein bij \'n onderzoek
aangaande hoek-illusies opgemerkt, dat bij beweging van de
bhk over de figuren, of bij \'n schuiven der figuren voorbij \'n
gefixeerd punt schijnbewegingen optreden, die hij intrafigurale
bewegingen heeft genoemd 2). Deze zouden berusten zowel op
het kontrast van beweging als op de beweging der ogen met
daaraan beantwoordende verschuivingen van \'t netvliesbeeld.
Zo trachtte hij verband te leggen tussen oogbeweging en het
optreden van illusie.

Daarop hebben Gatti en Zama \'n stereoscopies onderzoek
gedaan, waarbij elke invloed van oog- en intrafigurale be-
wegingen was uitgesloten
3). Terwijl ze de samenstellende
delen van \'n figuur gescheiden aan beide ogen voorhielden,

1) Ebbinghaus-Dürr, blz. 87, 112—114 en blz. 117.

-) W. Ehrenstein, Versuche über die Beziehungen zwischen Bewegungs-
und Gestaltwahmehmung. Zschr. f. Psych. 96, 1924, blz. 305; en 97
1925, blz. 161.

A. Zama, La percezione dei complessi visivi ottenuti per fusione
binoculare delle parti che Ii constituiscono. Contributi del Lab. di Psico-
logia e Biologia. II. Milano. blz. 193 e.v. — A. Gatti, La percezione dei
rapporti spaziali nei complessi visivi. Ibidem blz. 77 e.v.

Psychologie der waarnemingnbsp;4

-ocr page 66-

verkregen ze samensmelting der delen tot één geheel; en
hierbij traden dezelfde vervormingen der delen op als bij
gewone beschouwing van die illusiefiguren. Dit wees er dus
op, dat men fysiologiese factoren of oogbewegingen niet als
de primaire oorzaak mag aanzien. Het te hulp roepen van \'n
factor, die innig met de waarneming verbonden is, lag voor de
hand.

Steunend op Zama\'s onderzoek en op de waarneming, dat
de a-beweging in de richting van de nieuwe ruimtelike be-
trekkingen tussen de delen wordt waargenomen, zegt Gatti,
dat in sommige illusiefiguren (M. L. figuren werden niet
besproken) de vervormingen te danken zijn aan de speciale
wijze waarop de ruimtehke betrekkingen worden waarge-
nomen; dit gaat nl. gepaard met \'n accentueren van haar
karakteristieken, wat zich openbaart in vervormende be-
wegingen 1).

Moeten nog ter sprake komen de netvliestheorieën van
Lehmann, Einthoven en Stöhr. Als een der oorzaken van de
M. L. illusie beschouwde Lehmann de irradiatie, waardoor in

de figuur ^ lt; gt; ^ ^^ ^ ^^^^ links, b iets naar

rechts verschoven wordt. In de chromoscoop, waarbij de irra-
diatie niet werkt, blijft de illusie echter bestaan.

Einthoven steunde ter verklaring van de illusie op \'t vol-
gende. Beschouwt men \'n M. L. figuur, dan wordt op één en \'t
zelfde ogenblik slechts \'n klein gedeelte daarvan duidelik
waargenomen, en wel dat deel dat in de fovea centralis wordt
afgebeeld. De rest valt op de netvliesperiferie en wordt

Ruimtelike betrekkingen als nabijheid waargenomen werden onder-
schat, als scheiding waargenomen overschat, terwijl afstand als zodanig
aan geen verandering onderhevig was. Waren de ruimtelike verhoudingen
onbepaald aangegeven in die zin, dat points de repère, waardoor de
gegeven verhoudingen gedefinieerd werden, tussen de afzonderlike complex-
delen ontbraken, dan waren de grootste afstanden geaccentueerd en bleken
in de delen van \'t complex vervormingen op te treden, die de waarneming
van de delen in \'t geheel vergemakkelikten. Gatti, blz. 125 e.v.; cf. Pro-
ceedings and Papers VIII^/i Intern. Congr. of Psychology. Groningen 1927,
blz. 270.

-ocr page 67-

onduidelik gezien tengevolge van de gebrekkige functie van
de perifere zóne en door het ontstaan van verstrooiingcirkels.
Welnu „weil man sich bei der Ortsbestimmung einer undeut-
lich wahrgenommenen Figur durch den Schwerpunkt ihres
Netzhautbildes führen lässt. wird es möghch, dass Figuren
oder Figurteile von bestimmter Form beim indirekten Sehen
verschoben werdenquot; i).

Waar de meeste verstrooiingcirkels elkaar gedeeltelik
dekken hgt dan \'t zwaartepunt (cf. Brunot); bij de figuur met
^naar binnen gekeerde zijlijnen iets meer naar \'t midden van
de hoofdlijn, bij de naar buiten gerichte iets in \'t verlengde
van de hoofdlijn. Dat Einthoven, ter verklaring van de illusie
bij figuren met proportioneel lange zijlijnen, \'n werking van
innervatie-gewaarwordingen der oogbewegingen moest aan-
nemen, is \'n zwak punt in zijn theorie. Ook voldoet ze niet
om de bevindingen van latere onderzoekingen o.a. die van
Benussi te verklaren2).

Stöhr leidde zijn theorie af uit ervaringen bij stereoscopies
zien
3). In aansluiting bij Scheffler nam hij aan, dat het net-
vlies „eine lebendige Bildtafel von veränderlicher Spannungquot;
is. Door contracties van de musculus ciliaris zou de net-
vliesspanning veranderen, waarbij de verschuivende netvlies-
elementen hun ruimtewaarden behouden. Hiervan zou \'n
grootteverschuiving het gevolg zijn. De veronderstelling waar-
op hij steunde, kon echter niet worden bevestigd en bleek zelfs
in strijd met ervaringen bij operatie opgedaan 4).

Bij de pogingen om de M. L. illusie psychologies te ver-
klaren, was men altijd weer teruggekomen op de onvolkomen
abstractie en gedeeltelike verwisseling van de eigenlik te ver-
gelijken momenten met andere. Daartegen betoogde Witasek,

Einthoven blz. 2.

2) Schoute die \'t onderzoek van Einthoven herhaalde, kwam tot andere
resultaten aangaande de verstrooiingcirkels (Zschr. f. Augenheilkunde 3
1909, blz. 381 e
.v.).nbsp;\' \'

A. Stöhr, Gehim und Vorstellungsreiz. 1910, blz. 201 e.v.

•♦) Zie St. Witasek. Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesoro. 19 1899
blz. 87. 88.

-ocr page 68-

dat de indruk van verschil niet tot stand kon komen, als tussen
de psychiese fundamenten niet reeds werkelik een verschil
bestond, Aanvankehk vermoedde hij, dat het M. L, gezichts-
bedrog \'n gewaarwordingsillusie zou zijn i). Benussi\'s onder-
zoek, waarin de nadruk werd gelegd op de grote variabiliteit
der illusie in vergelijking met de objectieve situatie, deed hem
echter tot de juistheid van diens theorie besluiten. Deze hangt
ten nauwste samen met de leer der waarneming in \'t algemeen,
zoals die door de Oostenrijkse psychologen (de school van
Meinong) gegeven werd.

Zij leggen nadruk op hun onderscheiding van gewaar-\'
wording en vorm (Gestalt). De eerste, in onmiddellike
correlatie met de prikkel, blijft konstant. De tweede is \'n
„Vorstellung aussersinnlicher Provenienzquot;, die te danken is
aan \'n zelfstandig psychies proces (Vorstellungsproduktion),
dat de gewaarwordingen coördineert en verwerkt, meer
speciaal de „Inferiora-Vorstellungenquot; (Sinnesvorstellungen
of ook gereproduceerde voorstellingen) met elkaar in „Real-
relationquot; brengt. In de zintuiglike momenten kan nu volgens
hen de illusie niet ontstaan 2).

„Das Vorstellen der Gestalt allein führt eine scheinbare

Veränderung ihrer Bestandstücke (Inferiora) mit sich____

Inhalte, die zu einander in Realrelation stehen und daher eine
Realkomplexion bilden, beeinflussen einander im Sinne der
eigenen Beschaffenheit. Das Erfassen von Gestalten vermag
deswegen in so hohem Masze die berührte Beeinflussung zu
begünstigen, weil es das Eingehen der (Inferius-) Inhalte in
eine Realrelation zur notwendigen Voraussetzung
hatquot; 3).
Aldus vatte Benussi aanvankelik zijn theorie samen. Hij gaf
toe, dat de afhankelikheid tussen Gestaltauffassung en illusie
niet ten volle verklaring geven kan.

1)nbsp;St. Witasek, Zschr. f. Psych, u. Phys. d. Sinnesorg. 19, 1899,
blz. 133.

2)nbsp;Zie vooral Zschr. f. Psych. 42, 1906; 45, 1907 en Arch. f. d. ges.
Psych. 32, 1914.

Benussi in Meinongs Untersuch, zur Gegenstandstheorie, blz. 394 e.v.;
Arch. f. d. ges. Psych. 24, 1912, blz. 32—33; en Zschr. f. Psych. 42, 1906,
blz. 24 e
.v.

-ocr page 69-

Naderhand scheen hij tot \'n andere verklaring over
te hellen. Hij vermoedde nl. dat de M.L. illusie bij lt;—

op \'n „verminderingquot;, bij gt;-lt; op \'n ..vermeerderingquot;

van de opvallendheid der hoofdlijn zou terug te brengen zijn.
„im Anschluss an die Tatsache, dass die Auffälligkeits Zu-
oder Abnahme einer Verschiedenheit äquivalent ist mit einer
Verschiedenheitsvergrösserung oder -Verkleinerungquot;!).

Verder zegt hij dan. dat het ..Produktionsquot;-proces door de
relatieve ..Aufdringhchkeitquot; der respectieve gewaarwordingen
beïnvloed wordt, maar ook dan nog is niet in te zien,
hoe deze theorie met de vorige klopt. Het eigenlik waarom
der lengteverandering tengevolge van verschil in opvallend-
heid geeft hij niet aan. Ook is volgens geen van beide
theorieën te begrijpen, zoals Koffka terecht opmerkt, dat na
gedurige oefening in de A-Reaktion nog illusie (die \'n
gevolg is van G-Reaktion) optreedt, terwijl toch volgens
Benussi adaequate gewaarwordingen aanwezig zijn 2). Had
hij aan de objectieve voorwaarden meer gewicht toegekend in
verband met \'t optreden van illusie, dan had dit begrijpelik
kunnen worden, wijl volkomen analyse en synthese slechts
asymptoties te benaderen zijn.

Waar tenslotte Benussi\'s theorie staat of valt met de leer
der ..Vorstellungs-produktionquot; is haar lot vrijwel beslist.
Buiten de Grazer-school heeft deze leer geen aanhangers
kunnen vinden; zij is tegen de kritiek niet bestand gebleken.
Dat echter in Benussi\'s theorie gezichtspunten van waarde
schuilen bleek hier al uit. dat ze anderen heeft aangezet, ze te
modificeren. Van niet te onderschatten belang was vooral,
dat hij er de nadruk op heeft gelegd, dat \'t woord Gestalt
niet mag gebruikt worden ter benaming van \'n primair ge-
geven iets.

In dit opzicht hebben latere onderzoekingen hem in \'t gelijk
gesteld, o.a. die van Gelb en Goldstein. waaruit bleek dat
patiënten, wier „gestaltendequot; functies gestoord waren, wel
de kleur van de objecten konden zien, maar alleen door middel

Benussi, Zschr. f. Psych. 69, 1914, blz. 276 e.v.

•■\') Koffka, Beiträge, blz. 244—245.

-ocr page 70-

van hoofdbewegingen er toe konden komen vormen waar te
nemen i).

Ebbinghaus-Dürr bezigen het woord Produktion in de zin
ener „Auslösungquot; van elementaire psychiese processen, die
niet direkt te danken zijn aan de prikkels van buiten of aan
perifeer fysiologiese processen, maar aan psychofysiese pro-
cessen die werkelik produktief werken, Pearce had nl. \'n
analoge verklaring van de M. L. illusie bij de tastzin gegeven
In zijn onderzoek over de invloed van „Nebenreizequot; in de
ruimtewaarneming vond Pearce, dat aan de prikkeling van
\'n tastpunt bij gelijktijdige prikkeling van \'n nabijgelegen
tastpunt een andere lokalisatie-act beantwoordt dan bij
dezelfde prikkeling alleen. Dienovereenkomstig was aan te
nemen, dat de prikkeling van \'n netvlieselement bij gelijk-
tijdige prikkeling van \'n ander netvlieselement, \'n andere lokali-
satie-act veroorzaakt dan dezelfde prikkeling bij ontbreken van
die „Nebenreizquot;. Doordat verschillende netvliesdelen in de
perceptie van de M. L. figuur-combinatie betrokken zijn, zou
de door herhaling verdwenen illusie bij positieverwisseling
der figuren weer kunnen optreden
(Dürr) 2).

Met deze hypothese staan we tussen de Gestalt-theorieënS).
Benussi acht de mogehkheid niet uitgesloten, dat aan de
vorming van „Gestaltvorstellungenquot; eigen correlatieve fysiolo-
giese processen in het centrale zenuwstelsel beantwoorden
Wijl we hiervan echter niets weten, heeft hij zich aan \'n zuiver
psychologiese interpretatie gehouden 4).

A. Gelb — K. Goldstein, Psych. Analysen hirnpathologischer Fälle
Zschr. f. Psych. 86, 1921 blz. 1 e.v.

2) Ebbinghaus-Dürr, blz. 102 e.v.

Zie Koffka-Kenkel, en Koffka, Beiträge, blz. 249 e.v. — Cf. de
bespreking van de verschillende Gestalt-theorieën bij H. Helson, The
Psychology of Gestalt. Amcr. Joum. of Psych. 36, 1925, blz. 514-518;
M. W. Calkins, Critical Comments on the Gestalttheorie. Psych. Review.
33, 1926, blz. 135 e
.v.; M. F. Washburn, Gestaltpsychology and Motor-
psychology. Amer. Joum. of Psych. 37, 1926, blz. 516 e.v.; T. Bast,
Tachistoscopische Schijnbewegingen bij centraal en peripheer zien. Mede-
deelingen uit het Psych. Lab. der R. U. te Utrecht. IV, 1928, blz. 37.

Benussi, Arch. f. d. ges. Psych. 32, 1914, blz. 401 en Zschr. f. Psych
u. Phys. d. Sinnesorg. 29, 1902, blz. 287.

-ocr page 71-

In aansluiting bij Wertheimer hebben anderen echter juist
daarop ter uiteindehke verklaring gewezen. Van de te ver-
gelijken lijnen in \'n M. L. figuur zou \'t netvliesbeeld wel \'t
zelfde zijn; de oorzakelike factor zou echter moeten worden
gezocht daar, waar de instelling van \'t individu haar werking
kan uitoefenen, d.i. in \'t centrale proces, waarin Wertheimer
het punt van uitgang vond voor zijn kortsluitings-hypothese om
bewegingsverschijnselen te verklaren, die onder zekere voor-
waarden ook bij illusie optreden.

Zo zei Kenkel betreffende de a-beweging, die niet anders
kon zijn dan effect der fenomenologiese configuratie; „Die
a -Bewegung kann hier nur darauf beruhen, dass der Gestalt-
prozess, der durch die zweite Figur ausgelöst wird, durch den
vorausgegangenen Gestaltprozess modifiziert ist, so dass
zwischen den beiden Prozessen ein (fgt;a (Ausgleich der durch
die Modification entstehende Verschiedenheit) neben dem
ffß (dem durch den Ortsunterschied bedingten Wandern)
eintrittquot; 1).

Bates die deze hypothese betreffende de M. L. illusie
overnam, besluit dan ook tot: „a presensational and post-
excitatory confluence of central locus dependent upon both
stimulus and observational attitude for its realisationquot; 2). De
centrale processen, corresponderend met de prikkels bij geïso-
leerd gegeven zijn van hoofdlijn en zijlijnen, zouden tot één
versmolten zijn, zodat slechts het resultaat hiervan in \'t be-
wustzijn treedt. Dat \'t illusiebedrag afhankehk is van de
objectieve factoren der figuren of van een verandering, wat
instelling of opmerkzaamheid betreft, verklaren de vorm-
psychologen als \'n gevolg van veranderingen in de totaal-
situatie, in de fysiologiese prikkel of in de psychiese constel-
latie, wat telkens \'n verandering in \'t organisme, in de
„Gesamtzustand des Nervensystemsquot; betekent.

Maar hoe zijn nu in concreto de verschillen in illusiebedrag
te verklaren, hoe de afname van dit bedrag bij langdurige
herhaling; hoe komt \'t, dat die versmeltingsgraad der centrale

1)nbsp;Koffka-Kenkel, blz. 401.

2)nbsp;Marj. Bates, blz. 72.

-ocr page 72-

processen opeens zo veel minder bedraagt bij bepaalde kleur-
verschillen der componenten? Of. als deze vragen te vroeg
worden gesteld, hoe komt \'t, dat nu juist bij \'n M. L. figuur
dat fysiologies proces zodanig is, dat daar \'n lengteverschil
wordt gezien, terwijl dit toch niet \'t geval is in tal van andere
configuraties waarin gelijke lijnen opgenomen zijn? En verder
is \'n bewust unifiëren door \'t individu ook terug te brengen
tot fysiologiese processen? Dit blijft toch altijd nog te ver-
klaren, ook al zou \'t z.g. g)-verschijnsel dergelike theorieën
kunnen dragen.

Met Wertheimers wet „Zur Praegnanz der Gestaltquot;, waarin
de strekking tot het tot stand komen van eenvoudige ..Gestal-
tungquot; werd uitgesproken, was wellicht het deugdelike princiep
gegeven i ).

In de bovenvermelde psychologiese theorieën werd reeds
\'n enkele keer gesproken van \'n strekking der delen om tot uit-
drukking van eigen aard te komen (Lipps); Schumann en
Benussi legden nadruk op de opvallendheidsfactor van som-
mige delen in \'n bepaalde configuratie, wat — (anders dan zij
deden) — als \'n ordenend moment in de waarneming te inter-
preteren zou zijn; en velen betoogden dat -t figureel geheel
z\'n invloed doet gelden op het daarin vervatte deel. ..La per-
ception totalequot;, zei Menzerath, „se modifie selon les modalités,
indiquées (ou suggestionnées) par le dessin mêmequot;. Wat dan
ook de sleutel geeft, is „cette apperception d\'ensemble qui
donne aux détails une valeur différente selon la nature des
ensembles même...; d\'après cet ensemble, la valeur propre
de chaque distance
variequot; 2). Dit ailes zou geschreven kunnen
zijn door jongere psychologen, die over eigenschappen van
vorm en over vormingsprinciepen spreken.

In aansluiting bij Krueger gaf Sander als algemeen princiep
ter verklaring van ongeveer alle optiese illusies: ..In einem
mehrheidichen Erlebnisganzen ist jede aufweisbare Teil-
qualität in näher zu charakterisierender Weise mitbestimmt
von der Gesamtqualität des umfassenden Ganzen an dem sie

Voor deze Gestaltprägnanz cf. G. E. Müller, blz. 53 e.v.

2) Menzerath, blz. 60. 63. 81.

-ocr page 73-

unterschieden werden kannquot;i). Zo hangt bijv. bij gegeven
zijn van twee mathematies gehjke hjnen, de ene geïsoleerd
de andere in \'n geheel vervat, het „langer of korterquot; der
laatste af „von der Gesamtbeschaffenheit der tragenden
Gestalt und von der Gröszenordnung, dem Gewicht des ab-
gegrenzten Teiles im Raumgefüge des Ganzen. In eine um-
fassende gröszere Gestalt eingehend wirkt eine in Hinsicht
auf diese Gestalt relativ grosze Teilganzheit gröszer als „die-
selbequot; Teilganzheit, isohert ihres Teilcharakters entkleidet.
Ein in Hinsicht auf das Ganze und dessen andere Glieder
kleiner Teil erscheint kleiner als das nicht eingebaute Ver-
gleichsstück.quot;

In \'t algemeen is — volgens Sander altans — de illusie des
te groter, naarmate de „Gesamtgestaltquot; meer domineert over
de delen, zoals voor \'t jonge kind of voor volwassenen bij
tachistoscopiese expositie, bij ongewoon kleine figuren, peri-
feer zien en in de schemering 2). Alles wat \'t domineren van
\'t geheel terugdringt of ..den Gefügezusammenhang zu lockern
imstande istquot; vermindert de illusie; en hiertoe behoort dan
analytiese instelling, \'n gericht zijn op de delen, gelijke kleur
der te vergelijken delen bij verschil der andere en de bepaalde
ruimtelike oriëntering waarbij de te vergelijken delen in \'n
nieuwe Gestalt zijn overgegaan. „lm Dienste der Ausprägung
der Gefügequalitätquot; staan assimilatie- en dissimilatie-pro-
cessen.

Ten nauwste verwant daarmee is Werners uiteenzetting 3).
Ook hij duidt ..Assimilations- und Dissimilationsvorgänge als
Besonderheiten eines einheitlichen Gesetzes der möglichst
weitgehenden Veranschauhchung des Strukturwesensquot; 4),

F. Sander, Optische Täuschungen und Psychologie. Kruegers Neue
psych. Studien. I, 1926, blz. 159 e.v.

2) Zie de resultaten bij ons onderzoek verkregen blz. 132.

H. Wemer, Studien über Strukturgesetze. I, Zschr. f. Psych. 94,
1924, blz. 248 e.v.

Werner, blz. 253/254. Voor assimilatie-dissimilatie cf. Wundt.
Psych. Stud., Bd. 2, blz. 493 e.v.; Ipscn, blz. 268 e
.v.; Gatti, blz. 88; en
W. Bardorff, Untersuch, über räumliche Angleichungserscheinungen.
Zschr. f. Psych. 95, 1924, blz. 181 e.v.

-ocr page 74-

Geldt \'t \'n „ungegliederte Gestaltquot;. wier kenmerk is de ..ein-
heitliche Ganzquahtätquot;. dan dringt de ..Ausprägungstendenzquot;
tot assimilatie (Angleichung); de differentieërende werking
(Dissimilation) heeft bij \'n „gegliederte Gestaltquot; haar grond
in het streven tot uitdrukking der „Geghedertheitquot;. tot accen-
tuering der deel-biezonderheid. Wemer zag nl. de diepere
grond van Wertheimers wet in de algemene trek tot de zo
scherp mogelike bepahng en bepaaldheid, de trek tot „ver-
wezenlikingquot;, die zich evenzeer in de waarneming als in \'t
hoger psychies leven bij de vorming van begrippen openbaart.

Zo kan men zeggen, dat \'n vorm-idee \'n vorm bouwt of ook,
dat de bouwwet der figuur, beantwoordend aan een bepaalde
betekenis, zich aanschouwelik openbaart. Dus is er niet
alleen de drang om te structureren, maar ook de drang dit
op \'n bepaalde wijze te doen. Zowel objectieve als subjectieve
factoren zijn daarbij van bepalend belang. Door relatief sterke
belichting van \'n deel ener figuur zal bijv. de verhouding der
delen ten opzichte van elkaar sterk in \'t oog vallen, en dit
heeft dan accentuering van dat eigenaardig structuur-karakter
tot gevolg. En wijl elke perceptie tegelijkertijd vorming be-
tekent, en elke vorm mede de zichtbare uitdrukking der
vorming is, moet verandering der instelling ook verandering
der configuratie meebrengen.

Zijn princiep toepassend op de M. L. figuur zegt Werner:
„Eine Gesamtqualität innerhalb einer ungegliederten Gestalt
setzt sich in allen Teilen durch; es ist der Sinn der Gesamt-
qualität diese Totalität in der Formung, d.h. an allen wesent-
lichen Figurstellen zum Ausdruck zu bringen____; der Gesamt-
charakter der einen Zeichnung (gt;-lt;) ist ihre
bedeutende

Erstreckung in die Länge gegenüber der Zusammen-
geschrumpftheit der zweiten {lt;—gt;i: Innerhalb der Gesamt-
heit wird der Mittelteil gefärbt von der dominierenden Total-
eigenschaftquot;. M. a. w. de indruk van gerektheid en van
samengedrongen zijn heeft zich meegedeeld aan de met \'t
geheel eng versmolten delen, \'t Kan zijn, zo vervolgt hij, dat
hierbij de zijstukken dominerende, beslissende centra zijn.

Al is tegen deze algemeen blijvende concepties o.i. niet veel

-ocr page 75-

m te brengen, wat nu nog opheldering vraagt, is de concrete
aard der assimilatie- en dissimilatie-processen. Moeten we die
assimilatie en dissimilatie aldus verstaan dat wij bij de waar-
neming van \'n geheel een confrontatie der verschillende delen
van \'t complex uitvoeren? Dit zou in strijd zijn met het
belangrijkste resultaat der vormpsychologen, nl. dat bij fusie
van gezichtsindrukken iets nieuws ontstaat, waardoor de
delen hun individualiteit verliezen en als zodanig niet meer
uit het geheel te analyseren of te vergelijken zijn. Spreekt men
van assimilatie en dissimilatie, dan blijvé men bedenken, dat
dit slechts omschrijvingen zijn in termen van de prikkels.

Tenslotte moeten we erkennen, dat al die theorieën serieuse
argumenten hebben aangevoerd. Naast de vele die de toets
van zekere resultaten niet weerstaan, zijn er enkele die op
nadere uitwerking wachten, en welhcht de bevredigende ver-
klaring van \'t M. L. gezichtsbedrog geven. Dat we te doen
hebben met \'n waarnemings-illusie, kan als vaststaand worden
aangenomen. Wat dus verklaard moet worden, is tegelijkertijd
iets psychies en iets fysies. Nu merken we bij de beschou-
wing van \'n M. L. figuur iets van \'n andere dan de gewone
wijze van waarnemen. Al heeft dit geen bewijswaarde, toch
mogen we veronderstellen, dat de grootste kans op waar-
schijnlikheid heeft die verklaring, waarin de oplossing wordt
gevonden in \'t gewone waarnemingsproces. Zo beschouwd,
maakt de laatstgenoemde theorie van Sander en Werner \'n
goede kans.

Het waarnemingsproces is in zijn verloop van die aard,
dat wij op grond van verschillende oorzaken tot afwijking van
\'t zintuighk gegevene kunnen komen. Heeft de functie der
waarneming tot doel kennis van de ruimtelike gegevens, dan
is ook daarnaar het verloop van \'t proces der complex-perceptie,
waarop de illusie van grootte berust, gericht. Deze werk-
zaamheid is echter zo mechanies, dat wij van verandering of
vervorming niet kunnen spreken; wij vinden bij waarneming,
die zich streng aan de feiten van \'t bewustzijn houdt,
onmiddellik grootteverhoudingen, die eerst bij vergelijking

-ocr page 76-

achteraf verschillend blijken te zijn van die der prikkel-com-
ponenten.

Analyserend kunnen we in de perceptie van de dingen,
waarmee wij onder de gewone voorwaarden van \'t dageliks
leven te maken hebben, twee momenten onderscheiden, die in
wederkerige betrekking staan: vorm en betekenis (zin) i).
Onder de betekenis verstaan we datgene, wat men op \'t ogen-
blik der waarneming weet van \'t ding buiten de vorm; \'t is de
verwerking, de persoonlike bepaling van \'t waargenomene in
engere zin, zodat er de neerslag van vroegere waarnemingen
in verdisconteerd zit.

De vorm is de intuïtieve eenheid, de intuïtieve organisatie
of structuur van \'t ding en als zodanig n integrerend constitu-
tief deel van \'t begrepen geheel. De vorm is \'t resultaat van
wat men „Gestaltungsdrangquot; heeft genoemd, iets dergeliks
als op acusties gebied de drang tot subjectieve rytmering
Vaak nu verwezenlikt die intuïtieve structuur zich naar de
betekenis, want er is \'n strekking, organisatie en zin met elkaar
in overeenstemming te doen zijn. Zo kan Werner zeggen, dat
de waarneming van \'n figuur gericht is naar de 20 scherp
mogelike uitdrukking van \'t geïntendeerd we2en der structuur.

In dit stadium van opbouw van de vorm moeten we de oor-
zakelike factor der illusie zoeken. In deze fase grijpen de
instelling en de reactiewijze van \'t individu aan, of in
\'t algemeen het subjectieve moment, dat als „gestaltendequot;
factor meebepalend is voor \'t biezondere effect, waarvoor de
objectieve condities onder gewone voorwaarden van over-
wegend belang zijn. Daar interfereren ontwikkelings- en leef-
tijdsverschillen 2) en kunnen tot hun recht komen de voor-
stellingen, die naar meerdere of mindere bereidheid in verband
met de prikkelconstellatie, opduiken. Maar de werking van

1)nbsp;Cf. A. Michotte, Sur la perception des formes. Proceedings and
Papers
VlUth, Intern. Congr. of Psychology. Groningen. 1927. blz. 166
e.
v.; R. Schweizer, Der charaktervolle und der begriffliche Gegenstand.
Arch. f. d. ges. Psych. 59, 1927, blz. 89 e.v.; J. Lindworsky, Exp. Psy-
chologie. 1923. blz. III e
.v.

2)nbsp;Zie Rivers, Berettoni. Binet, Lewis en Freiling.

-ocr page 77-

\'n voorstellingsmoment alleen kan, zoals we zagen, \'t M. L.
gezichtsbedrog niet hebben verwekt.

\'t Is genoegzaam bekend, dat bij gegeven zijn van \'n prikkel-
complex niet alles in gelijke mate de aandacht krijgt; zelfs
wordt meestal niet alles wat geëxposeerd is, waargenomen.
Er heeft gedurende het waarnemingsproces \'n differentiatie
plaats naar belangrijkheid, men doet als \'t ware \'n keuze, en
sommige aspecten hebben dan voor \'t geheel bepalend belang,
\'t Karakteristieke wordt geaccentueerd, \'t markante wordt
overdreven, \'t typiese wordt geëxagereerd zoals het type door
de karikaturist. Dit is weUicht de kortste weg ter waarneming,
tot \'t verwerven der kennis omtrent de ruimtelike gegevens.

Volgens de ervaring zijn het bij slechts kort durende in-
werking van \'n prikkelcomplex juist de geheel-eigenschappen,
die domineren. Deze worden dan ook tot middelpunt der
structurering; zij doordringen heel \'t gegevene en oefenen
hun invloed uit op \'t aspect der afzonderlike delen. Gelijk met
afwisselende rytmiese vormen van dactylus, anapaest en
amphibrachys, in \'t gebied der tijdwaarneming grootte-ver-
anderingen der intervallen correleren, i) zo deelt ook bij de
gezichtswaarneming het geheel (en zijn geleding) zijn ken-
merk mee aan de delen, om daarmee zelf tot duidelike uit-
drukking te komen. De illusie is ook hierbij niet te danken aan
de act der vergehjking maar aan de act der waarneming van
de delen in één geheel. Deze delen worden waargenomen met
andere aspecten dan die hun eigen zijn bij geïsoleerd voor-
komen. Het praedomineren in de waarnemingsact van de
karakteristieke kenmerken van \'n complex brengt nl. \'n
accentueren van de ruimtelike verhoudingen met zich, en dit
heeft verandering in de grootte der delen tengevolge.

Het essentieële van wat men assimilatie en dissimilatie
(kontrast) heeft genoemd, bestaat derhalve niet in \'n ver-
anderen der uitgestrektheden maar in het in overeenstemming
brengen, in \'n scheppende synthese, van die uitgestrektheden
met de waarneming der ruimtelike verhoudingen tussen het

Cf. Wundt, Grundzüge. blz. 44 e.v. en F. Sander. Räumliche
Rhythmik. Kruegers Neue psych. Studien. I, 1926, blz. 157.

-ocr page 78-

geheel en de delen zelf. \'t Gaat dus om \'n versmelting in de
perceptie van de delen met hun respectieve ruimtelike ver-
houdingen. Dit is \'t anders zijn der werkzaamheid van geheel
en deel.

Dat vormings-proces is niet hetzelfde als \'n proces van
actieve opmerkzaamheidsrichting. Want de factoren voor het
accentueren worden ons meestal opgedrongen door \'t object,
waarin ze objectief aanwezig zijn (opvallendheid van objec-
tieve kwaliteiten en intensiteiten, eenheidskarakter, scherp
aangeduide eindpunten enz.). In beide gevallen wordt de
waarneming gestructureerd; wijl ze evenwel naast elkaar
kunnen voorkomen, moeten ze onderscheiden worden.

Dat langdurige beschouwing of herhaling derzelfde proeven
de gegeven geleding verscherpt en zekere trekken daarvan
naar voren brengt, waardoor de illusie sterk vermindert, is in
laatste instantie te danken aan de omstandigheid, dat er bij
\'t kennisnemen van \'t gegevene \'n dringende behoefte bestaat
tot synthese en abstractie tegelijkertijd. De abstractie ont-
wikkelt zich\' vanzelf. Eerst trekt het figuurgeheel de aan-
dacht. Onmiddelhk daarna richt men zich op \'t een of ander
aspect van \'t complex. Komt tenslotte het individu niet door \'n
actief proces tussenbeide, dan zal de aandacht spontaan zich
vestigen op delen van \'t complex en daarop de nadruk
leggen. Het resultaat der abstraherende activiteit zal steeds
het kenmerk dragen der noodzakelikheid: de delen onmiddellik
in het geheel waar te nemen. Het waarnemingsproces verzet
zich tegen volkomen abstractie. Hieraan is de M. L. illusie te
danken. Zij is een effect van de waarnemingsact zelf, waarbij
de ruimtehke verhoudingen (niet als proporties maar) ver-
smolten met de delen van \'t complex worden waargenomen.

Al kunnen we voorlopig de experimenteel gevonden M.L.-
illusiewetten niet alle in concreto verklaren, de weg ter op-
lossing menen we in het proces der waarneming zelf te hebben
gevonden.

-ocr page 79-

VII. EXPERIMENTEEL ONDERZOEK NAAR DE
VORMING VAN EN ILLUSIE BIJ M. L. FIGUREN.

Wat voorafging, is \'n oriëntering in de problemen, die de
studie van \'t gezichtsbedrog ons stelt, \'n krities overzicht van
gevonden resultaten en theorieën, en \'n samenvatting van wat
ter opheldering dienst kan doen bij dergelike kurieuse gevallen.
Tevens zij het \'t kader, waarin men het experimenteel onder-
zoek, dat in de volgende hoofdstukken besproken wordt, moet
zien.

We zijn met onze proeven begonnen alvorens de litteratuur
over \'t M. L. gezichtsbedrog in biezonderheden te hebben
bestudeerd. Het leek ons toe, dat wij \'n bij uitstek geschikte
methode hadden gevonden ter verificatie en aanvulling van
enkele resultaten der vormpsychologen, waaraan groot gewicht
is toegekend bij de opbouw van hun theorieën.

Door middel van twee lantaarns, die, elk afzonderlik, delen
van \'n eenvoudige geometriese tekening projecteerden, was
op \'n scherm een figuur als eenheid gegeven. Toen men per
ongeluk tegen een der lantaarns stiet, merkte Professor Roels
op, dat de figuur in haar geheel bewoog. Was op die wijze
bijv. \'n vierkant geprojecteerd, de horizontale lijnen door de
ene en de vertikale lijnen door de andere lantaarn, dan kon
men door een der beide lantaarns te bewegen, duidehk het
vierkant in z\'n geheel \'n beweging zien maken. De vraag
lag voor de hand. hoe groot de onderlinge afstand der beide
helften mocht zijn, zonder dat het figureel geheel verbroken
werd. Liet men achtereenvolgens elk der componenten van

-ocr page 80-

\'n puntfiguur * . \' bewegen, dan was \'t niet onmogelik, dat
de verwijdering van \'t ene punt uit de oorspronkelike stand
groter mocht zijn dan de verwijdering van één der andere
punten. Ook zou het figuurtype, de grootte en afstand, de
hchtintensiteit der punten, de snelheid der beweging enz. van
invloed zijn. Kortom, er was n methode gegeven voor \'n
belangrijk onderzoek.

Aanvankelik waren we van plan, \'n dergelik onderzoek te
doen met M. L. figuren. Spoedig bleek beperking gewenst;
de bestudering van \'t vermelde curiosum vroeg \'n afzonderlik
onderzoek i).

Betreft \'t bovenvermelde voornamelik de voorwaarden
waaronder \'n gegeven figureel geheel bewaard blijft, daar-
naast rees de vraag naar de condities, welke vereist zijn voor
\'t ontstaan van zulk \'n figureel geheel. Wil men nu trachten
\'n antwoord te vinden op de vraag: waarom verschillende
visuele indrukken tot de waargenomen eenheid versmelten,
dan dient men eerst na te gaan hóe zulk een „einheitliches
Erlebnisquot; tot stand
komt2), Dit geldt niet alleen voor de
gevallen, waarin het waarnemingsbeeld beantwoordt aan de
objectieve prikkel, maar eveneens voor de gevallen, waarin \'t
daarvan afwijkt. We vroegen ons af, of \'t wellicht mogelik
was verschillende fasen te onderscheiden in dat versmeltings-
proces van visuele indrukken, als deze achtereenvolgens
werden gewekt. Uitgesloten was \'t zeker niet, dat juist in de
psychiese activiteit, welke zich bij waarneming van zulk \'n
complex ontwikkelt, opheldering zou te vinden zijn van \'t
M. L. gezichtsbedrog. Daarom stelden we ons tot taak: langs
introspectieve weg het ontstaan van M. L. figuren te beschrij-
ven. In welk stadium de illusie optreedt, haar ontwikkehng

Intussen is reeds \'n aanvang gemaakt met het voorbereidend onder-
zoek naar dit verschijnsel door Dr. J. van der Veldt, O.F.M. in quot;t Psych.
Laboratorium te Nijmegen, waar ook het onderzoek plaats vond, dat hier
besproken wordt.

Vergel. A. Gatti, Ueber die Entstehungsweise visueller Komplexe,
Proceedings VlUth Intern. Congr. of Psychology. Groningen. 1927,
blz. 270.

-ocr page 81-

en aard, zou dan vanzelf ter sprake komen. Ook had \'t zijn
nut van sommige factoren die \'n rol spelen bij de vorming
van \'n figuur-eenheid, de invloed op te sporen op andere
elementen, en de resultaten te toetsen aan wat men bij onder-
zoek over „Gestaltpraegnanzquot; vond.

Om wille van \'t introspectief procédé was successief tachis-
toscopiese expositie gewenst, waarin bij de hoofdlijn van \'n
M. L. figuur de zijlijnen werden geëxponeerd. Zo kon \'t ont-
staan van \'n figuur bemoeilikt worden en kregen we wellicht
te maken met \'n proces van geheelvorming. En hierbij zou \'t
ons niet zozeer te doen zijn om te zien welke figuur gevormd
werd. als wel hoe die vorming in z\'n werk ging.

Vragen die zich onmiddelhk voordeden, betreffen de
gunstige en ongunstige voorwaarden voor \'t ontstaan van \'n
figuur-eenheid. Reeds aanstonds bleek de tijd \'n belangrijke
factor te zijn. We moesten \'n experimenteel metend onder-
zoek doen naar de vereiste expositieduur. en ons tege-
lijkertijd rekenschap geven van wat bij kortere tijden wordt
waargenomen. We vroegen ons af. of de uitgestrektheid van
complex en delen in de ruimte van invloed kan zijn op \'t al
of niet optreden van \'n figuur bij een expositie van bepaalde
duur. Hoe verhouden zich de temporele voorwaarden bij ver-
schillend figuurtype. bij verschillen van afstand, van positie
in de ruimte en van intensiteit? En, hadden we tot dan toe
de hoofdlijn telkens vooraf gegeven, terwijl de zijlijnen in
tijdsorde later tachistoscopies werden geëxponeerd, we konden
ook anders te werk gaan: in dié zin. dat tussen gegeven zij-
lijnen de hoofdlijn zou verschijnen. Waren de tijdsvoor-
waarden dan wellicht andere? Zo ja. waardoor zou dit verschil
veroorzaakt zijn? En zo zou men kunnen voortgaan met ver-
andering der objectieve prikkelfactoren en wijze van aan-
bieding.

Maar eveneens moest rekening worden gehouden met
biezondere voorwaarden van het waarnemend individu, met
zijn reactiewijze, m. a. w. met de betekenis van subjec-
tieve factoren voor figuurvorming. De invloed van instelling

Psychologie der waarnemingnbsp;5

-ocr page 82-

en fixatie, van herhaling, opmerkzaamheid enz. ligt immers
altijd in de resultaten gekristalliseerd.

In aansluiting bij wat, voornamelik door vormpsychologen,
over bewegingsverschijnselen is gepubhceerd, kon ook met
vrucht de vraag worden gesteld naar de invloed van de
tachistoscopiese expositie bij de waargenomen verschijnselen.
Uit de onderzoekingen van Benussi en Kenkel is nl. gebleken,
zoals we boven vermeldden, dat zich, bij gegeven hoofdlijn
van M. L. figuren, eigenaardige bewegingsverschijnselen voor-
doen, als de zijlijnen verschijnen en verdwijnen. En zo
zijn tal van andere bewegingsverschijnselen geobserveerd
bij tachistoscopiese expositie: Innenbewegung, y-beweging,
d-beweging enz. Sommige hiervan heeft men geïnterpreteerd
als \'n gevolg van \'n Gestalt-in-vorming; andere weer niet,
hoewel men voor deze onderscheiding voor zover wij weten,
geen gronden vermeldt. Dit bevreemdde ons, en deed uitzien
naar \'n mogehkheid om vast te stellen, of bepaalde bewegings-
verschijnselen moeten worden beschouwd als adaequate voor-
waarden voor figuurvorming. Zou dit wellicht zijn af te leiden
uit hun aard, en hun vóór of nä ten opzichte van het figuur-
zien? Staan misschien andere bewegingsverschijnselen juist
aan de figuurvorming in de weg?

Zo stelde het onderzoek naar de M. L. illusie ons \'n groot
aantal vragen, die gedeeltelik boven \'t eigenlik illusieprobleem
uitgaan. Tot het observeren van allerlei verschijnselen, door
vroegere onderzoekers waargenomen bij gebruik van ver-
schillende methodes, verschafte onze proefopstelling ineens de
gelegenheid. Dit, menen we, is zeker niet haar geringste
waarde. De wijze van benadering, de introspectie, was \'n
gelukkige keuze, vooral wijl men tot nog toe ternauwernood
had gepoogd langs deze weg toegang te krijgen tot \'t M. L.
gezichtsbedrog. Tenslotte meenden we met deze experimentele
methode — waar de jongste verklaringen van \'t verschijnsel
nog staan in \'t stadium der louter theoretiese constructies —
een niet onbelangrijke bijdrage te kunnen leveren ter fundering
van wat tot heden hypothese moest heten.

-ocr page 83-

VIII. DE TECHNIEK VAN HET ONDERZOEK.

We begonnen met \'n voorlopige proefopstelling en brachten
gaandeweg verbetering aan, zowel in \'t instrumentarium als
in de aanbiedingsvoorwaarden in \'t algemeen. Totdat we \'n
proefopstelling hadden verkregen die \'t ons mogehk maakte
de experimentele voorwaarden te beheersen en het specifieke
aandeel van elk der factoren te bepalen. Voor ons zelf was
dit tasten en pogen tevens \'n oriëntatie omtrent de invloed
van verschillende voorwaarden, waarmee bij het opstellen der
instructie en van de proevenseries moest worden rekening
gehouden.

De inleidende proeven hadden nog \'n ander doel. Als proef-
personen stelden zich ter beschikking twee vakpsychologen,
geroutineerd in \'t geven van introspectie (Pr. en T). Ook
nam de proefleider zelf (N) als proefpersoon deel aan \'t
onderzoek. De zeven anderen (D, G, H, E, K, P en O), die
zich bereidwillig ter beschikking stelden, hadden nooit \'n
dergelik introspectief onderzoek meegemaakt i). Met het oog
hierop werden de voorbereidende proeven zo gekozen, dat ze
geschikt waren ter oefening. Vooreerst moesten deze p.p. \'n
zeker gemak krijgen van scherp te letten op prikkels, die slechts
gedurende korte tijd aanwezig waren, en zich daarbij reken-
schap geven van \'t geen ze zagen. Bovendien zouden zij
wennen aan de ongewone scheiding van fixatie en opmerk-
zaamheidsrichting. En dit juist was vooral van belang, wijl
de zijlijnen meestal op enige afstand perifeer van het punt van
fixatie werden geprojecteerd.

Toen het eigenlike onderzoek \'n aanvang nam, was de
proefopstelling als volgt:

In \'n rustig gelegen vertrek, dat tegen licht van buiten
geheel was afgesloten, stonden aan de ene zijde twee projectie-
lantaarns (Lv en Lo) vlak naast elkaar, en aan de andere

Van de dienstvaardigheid van Pr., en T. is slechts gebruik gemaakt
bij \'n gedeelte der proevenseries. nl. waar \'t ons voornamelik te doen was
om enkele resultaten te verifiëren. Met dat doel nam ook de proefleider
als p.p. aan enkele proeven deel.

-ocr page 84- -ocr page 85-

kant \'n wit scherm (S) van 1X1 M. frontaal parallel opge-
steld. Lantaarns en scherm waren zodanig ten opzichte van
elkaar geplaatst, dat geprojecteerde beelden op \'t midden van
t scherm vielen. Op enige (overigens varieerbare) afstand
tussen hchtbron en scherm zat de p.p. (Pp), met \'t hoofd in
n kinsteun en de ogen op \'t doek gericht. De lantaarns waren,
wat hinderend hcht betreft, zorgvuldig afgedekt.

We projecteerden dunne lijntjes op het doek; de rest van
\'t plaatje was van die aard, dat daar geen licht werd door-
gelaten. — Van elke figuur hadden we \'n dubbel stel lantaarn-
plaatjes, waarop de lijnen waren gefotografeerd in kleinere
of grotere afmetingen. Dit was nodig om \'t verschil in dikte,
bij kleinere of grotere expositie, gering (1—2 m.M.) te houden.
Twee aan twee pasten de lantaarnplaatjes bij elkaar; telkens
gaf \'t ene nl. de hoofdlijn van \'n M. L. figuur, \'t andere de
zijlijnen; en wel in die afmetingen, dat ze samen één homogene
M. L. figuur projecteerden.

Het aan en uit der lichtbronnen regelde de proefleider met
behulp van kontakten. Ter nauwkeurige regeling van de
expositietijd bevonden zich voor één der twee lantaarns (de
andere lantaarn Lv stond vrij) twee kartonnen schijven (Sy)
van 80 c.M. middellijn, gemonteerd op en in draaiing gebracht
door \'n elektromotor (M). Uit elk der schijven waren twee
stukken (O) weggesneden. Door de schijven over elkaar te
schuiven, konden we de grootten der spleetopeningen variëren
overeenkomstig de graadverdehng die aan de achterzijde op \'t
karton was aangebracht, van 0°—90°. Twee uitsnijdingen
waren voor \'n goede uitbalancering gewenst gebleken; wijl we
echter, bij elke omdraaiing van de dubbelschijf, slechts één keer
\'t beeld door de daarachter opgestelde lantaarn (Lo) wilden
laten projecteren op \'t doek, werd één der twee openingen
telkens met zwart papier afgedekt. Zo konden we de expositie-
duur van dit lantaarnbeeld op twee wijzen variëren: met de
grootte van de opening én met de omdraaiingsnelheid der schijf.

De draaisnelheid van de motor was, door shuntschakeling,
continu variabel (van 10 tot 1000 toeren per minuut) door
inschakeling van \'n glijweerstand (W), waarlangs \'n milli-

-ocr page 86-

meterverdeling was aangebracht. De tijd van één omdraaiing,
bij verschillende standen van de weerstand, werd berekend uit
\'t gemiddelde van \'n zeer groot aantal waarden; zo konden
we de, bij \'n bepaalde weerstand behorende, duur van de om-
wenteling van één graad noteren in duizendsten van \'n seconde.
Werden deze getallen respectievelik vermenigvuldigd met \'t
aantal graden der schijf opening, dan hadden we de duur van
de verschillende exposities bepaald.

Bij dit alles moesten we op onze hoede zijn voor een storende
factor. Successieve onderschepping van \'t licht door de in
vertikale richting draaiende schijf zou \'n bepaalde richting
kunnen meebrengen in de ontwikkeling van de bewegingsver-
schijnselen. Om dit te voorkomen, lieten we de betreffende
lichtbundel vallen vanaf de buitenrand der schijf, en wel op
die hoogten, dat hij bij projecties met horizontale richting der
lijnen in het horizontale vlak der as verhep, bij vertikale pro-
jecties in het vertikale vlak. Tenslotte werd de moeilikheid
geheel opgeheven door de projecties te geven in \'n iets
afwijkende richting ten opzichte van de horizontale (resp.
vertikale), wat mogehk was door de lantaarns om hun lengteas
\'n kleine draaiing te laten maken.

Even vóór de expositie van het laatst verschijnende figuur-
deel. gaven we telkens \'n waarschuwingsignaal. De tijd, die
tussen het signaal en de expositie verliep, moesten we trachten
konstant te houden. Daartoe werd op de kartonnen dubbel-
schijf \'n stiftje verschoven (waarbij met de omdraaiingsnel-
heid rekening werd gehouden), dat enige tijd voordat de
schijfopening voor de lantaarn kwam, tegen \'n bel (B) tikte,
die daarnaast was geplaatst. Deze tijd konden we dus ook,
naar believen, variëren.

Bij \'t eerste zoeken naar \'n geschikte opstelling was \'t onge-
wenst gebleken de ene lantaarn vóór het scherm te plaatsen,
en de andere daarachter, omdat de invloed van \'t in op- en
doorzicht geboden worden der verschillende projecties niet te
berekenen viel. Ook was \'t niet doelmatig, dat de p.p. aan de
voorzijde en de lantaarns zich aan de achterzijde van \'t scherm
bevonden, want in dit geval kon de lichtbron storend werken.

-ocr page 87-

Daarom lieten we de p.p. vlak vóór de lantaarns plaats nemen
met de rug er naar toe gekeerd en regelden we de stand van de
schijf en de lantaarns zo, dat juist óver \'t hoofd heen de lijnen
werden geprojecteerd op het doek, ongeveer ter hoogte van
de ogen.

Door wijziging van de afstand tussen de lichtbronnen en
\'t projectiescherm, kon de grootte der figuren veranderd
worden, en wel met garantie voor \'t behoud van dezelfde
relatieve grootte en helderheid der figuurdelen. Als we dan
nog vermelden, dat bij elk der gloeilampen (150 K.) glijweer-
standen (W) waren ingeschakeld, waarmee ook de licht-
sterkte variabel was, dan zal \'t duidelik zijn, dat de factoren,
waaronder de projecties tot stand kwamen, onafhankelik van
elkaar konden worden veranderd.

Bij deze proefopstelling kon naar wens in rekening worden
gebracht de invloed van \'t figuurtype. het effect der ver-
schillende successie van hoofdlijn-zijlijnen of zijlijnen-hoofd-
lijni), de positie in de ruimte (vertikaal of horizontaal) 2), de
beeldgrootte en de afstand ogen-scherm, de lichtsterkte der
lijnen, de expositietijd en de duur van de fixatie (tijd tussen
waarschuwingsein en \'t verschijnen van de tweede helft der
figuur). Dat wij al die factoren niet in extenso hebben onder-
zocht, hoeft nauweliks gezegd. Onze bedoeling was, omtrent
verschillende factoren slechts \'n peiling te doen naar hun
betekenis voor de figuurvorming, zo o.a. omtrent de intensiteit,
de duur van fixatie, \'t perifere zien, de grootte van de figuur
en de afstand. Op andere proefvoorwaarden zijn we nader
ingegaan, voor zover dit wenselik bleek en de tijd \'t toeliet.

We hebben ons onderzoek gedaan met de twee volgende

figuren in enkele variaties: (I) gt;-lt; cn (II) lt;—

Dc proportionele lengte der zijlijnen ten opzichte van de
hoofdlijn was steeds 2/g; de hoeken der zijlijnen waren in de
verschillende variaties 30°, 45°, 90° 3). Daarnaast gebruikten

1)nbsp;De expositievolgorde hoofdlijn.... zijlijnen duiden we hieronder
aan met LOjn) H(aken); zijlijnen----hoofdlijn met H -f L.

2)nbsp;Ter afkorting zetten we v. of h.

3)nbsp;Verg. boven blz. 17. 18. 19.

-ocr page 88-

we, meer terloops, om enkele resultaten bij de eerste figuren

verkregen te toetsen: (III) lt;-lt; , (IV) \'n figuur als I maar

nu met boogvormige zijstukken, (V) n figuur als II met boog-
vormige zijstukken 1). Hierbij waren de hoeken 45° en was
de lengte der zijlijnen eveneens 2/5 van die der hoofdlijn. De
beeldgrootte op \'t scherm konden we laten variëren tussen
43/^ en 100 c.M. De afstand, waarop de p
.p. (gerekend van
het midden tussen de beide ogen) zich van \'t scherm bevond,
wisselde van 20 tot 350 c.M. De uiterste beeldpunten lagen
bij de proeven die we deden, tijdens fixatie van \'t midden, 2°
tot 78° perifeer (gezichtshoek). Meestal waren de condities
echter zo. dat deze bedragen de 30° niet te boven gingen.
Vergelijkend onderzoek deden we bij de waarden 2° 6° 14°
18°, 32°, 45°.

Tabel A. (gezichtshoeken).

0\'

15quot; *

90

27\'

46quot;

22°

37\'

12quot;

28\'

52quot;

90

55\'

34quot;

23°

1\'

32quot;

37\'

27quot;

10°

28\'

52quot;

26°

33\'

54quot;

51\'

58quot;

11°

18\'

36quot;

32°

0\'

20quot;

31\'

50quot;

14°

2\'

10quot; *

33°

41\'

24quot;

25\'

36quot;

15°

31\'

27quot;

34°

59\'

31quot;

17\'

6quot;

17°

34\'

17quot;

39°

48\'

20quot;

33\'

*

18°

26\'

^tt *

45°

70

1\'

50quot;

19°

17\'

25quot;

51°

21\'

25quot;

70

7\'

30quot;

20°

18\'

16quot;

55°

0\'

24quot;

15\'

30quot;

21°

48\'

5quot;

78°

41\'

24quot;

Bij de met \'n sterretje voorziene waarden werd vergelijkend onderzoek
gedaan.

In tabel A hebben we de verschillende gezichtshoeken
gerangschikt [waarbij buiten beschouwing is gelaten, hoe
dikwels n bepaalde gezichtshoek voorkwam in de proeven-
series].

De meeste figuren werden èn in horizontale èn in vertikale
stand geprojecteerd. Bij alle gaven we. afwisselend, eerst de
hoofdlijn of eerst de zijlijnen: \'t andere deel was dan slechts
gedurende \'n korte tijd zichtbaar. Wijl voor hetgeen waar-

1) Cf. voor IV en V blz. 8 fig. XI, tweede rij, eerste tekening.

-ocr page 89-

genomen moest worden van invloed was, of die expositieduur
eerst lang (kort), bij volgende aanbiedingen korter (resp.
langer) was, werden deze tijden gevarieerd in stijgende en
dalende reeksen en, ter controle, ook eens in willekeurige volg-
orde. De grenzen, waarbinnen de expositietijd (bedoeld is
altijd de expositietijd van \'t deel dat \'t laatst gegeven wordt)
wisselde, waren 10 en 1000 a (zie tabel B).

Tabel B. (Expositieduur in «y ).
10 I 50 1100 1200 1300 1400 1450 1500 | 600 | 700 i 900 | 1000

Bij wijziging van de belichtingsintensiteit hebben we slechts
globaal onderscheid gemaakt tussen vaag- of scherp gegeven
zijn. Tenslotte hebben we nog enkele malen \'t punt van fixatie
laten verleggen.

De algemene gang van elke proef was nu als volgt. De
proeven werden verricht in zittingen van ongeveer even lange
duur (een uur), waarbij met vrij geregelde tussenpozen het
elektries licht werd aangeknipt. Aan de p.p., die voor \'t scherm
zat, werd de instructie gegeven: „Er zullen lijnen voor U
worden geprojecteerd. Die zult ge \'n ogenblik samen zien.
Zeg me of ge dan \'n figureel geheel waarneemt, en beschrijf
wat ge waarneemt, bijv. hoe alles ontstaat en komt en weer
verdwijnt enz.quot; Vervolgens werd door de proefleider telkens
herhaald ,,ogen dicht , waarna \'n deel van de figuur werd
geëxposeerd (door de lantaarn die vrij stond). Dan volgde \'t
waarschuwingsein: „fixeer \'t midden van de lijn (of van de

ruimte tussen de lijnen)----opgepast.... ja!quot;. Onmiddellik

daarop verscheen het nog ontbrekende deel en verdween weer
even snel als \'t gekomen was, terwijl \'t eerst gegeven deel
bleef staan 1). Om vermoeienis van het oog te voorkomen,
verzochten wij de p.p. de ogen tijdens het geven van het ver-
slag te sluiten. Wat hij meedeelde, werd zorgvuldig geproto-
colleerd. ,

De wijze van aanbieding is dus quot;n andere dan die door Kenkel werd
gevolgd. Daar werd de lijn vervangen door \'n M. L. figuur, die in haar
geheel werd geprojecteerd; na haar verdwijning bleef geen lijn meer
Zichtbaar.

-ocr page 90-

IX. FIGUURVORMING.

Bij de bespreking van de resultaten moeten we. ter juiste
duiding, voor ogen houden de speciale wijze van aanbieding,
waarvan we ons bedienden, \'t Is immers meestal zo. dat de
gegevens, bij \'n experimenteel onderzoek verkregen, slechts
waarde bezitten voor de voorwaarden, waaronder het onder-
zoek plaats had. Wel brengt dit enige beperking mee. wat
betreft de draagwijdte en de algemeenheid der resultaten.
Toch is deze betrekkelikheid geensins van zulk \'n aard. dat
\'n gewaarschuwd en voorzichtig lezer in die resultaten niet
zou kunnen vinden aanwijzingen, princiepen en richtlijnen
voor \'t opstellen van algemene wetmatigheden.

Vooreerst brengen we dan in herinnering, dat wij ons
hebben bediend van de tachistoscopiese methode. De speci-
fieke invloed van deze aanbiedingswijze mag ten dele bekend
worden verondersteld; op enkele biezonderheden komen we
hieronder terug.

Bij herhaling werd er in de laatste jaren met nadruk op
gewezen, dat de perceptie van \'n gegeven complex i) heel
anders^ uitvalt, al naar gelang men analyties of syntheties is
ingesteld. Worden in het eerste geval de samenstellende delen,
voor zover dat mogelik is, onderscheiden en de geleding

Als wij \'t woord complex gebruiken, maken we abstractie van de
speciale betekenis (Gestalt). die G. E. Müller (Komplextheorie und
Gestalttheorie 1923) hieraan heeft gehecht. Ook wijzen we erop, dat wc
geen positie wensen te kiezen voor de een of andere opvatting, wanneer
we de woorden „delenquot; en „versmeltingquot; gebruiken.

-ocr page 91-

geëxagereerd. in het laatste geval staat die onderscheiding
meer op de achtergrond en wordt \'n figuur als zodanig opge-
vat als \'n perfect geheel, waarbij \'n strekking is tot homo-
geniteit in de waarneming 3).

Nu heeft bij onze aanbiedingswijze de successie bij het geven
der beide helften van \'n M. L. figuur \'n factor geïntroduceerd,
die het optreden van \'n innig samenhangend geheel bemoeilikt.
Of de hoofdlijn óf de zijlijnen werd (en) vooraf gegeven;
daarna werd \'t andere geëxponeerd, en dit eiste dan, gelijk alle
nieuwe en plotsehng verschijnende prikkels, onwillekeurig de
volle attentie. Dientengevolge trad de opvatting van \'t eerst
gegevene, vergeleken bij die van \'t tweede, enigsins op de
achtergrond; men wist, dat de hoofdlijn (resp. de zijlijnen)
maar inleidde(n). Zo had ook \'n distinct beleven van
beide gegevens meestal reeds plaats gevonden, voordat \'n
eventuele versmelting intrad, \'t Ligt dus voor de hand, dat
de voorwaarden gunstig waren voor \'n handhaving der indi-
viduele delen in hun geïsoleerde wijze van verschijnen. De
indruk van \'t naast-elkaar, \'t samengesteldzijn werd als \'t ware
gesuggereerd. Op z\'n allerminst zou de geleding vergemakke-
likt en de delen minder innig in \'t geheel worden opgenomen.
Tengevolge van \'t eerst-gegeven-zijn van \'n deel, trad vrij
gemakkelik \'n herkennen op van „datzelfdequot; deel, als \'t
geheel was gevormd.

Bedenken we hierbij nog, dat de plaats, die gefixeerd werd,
in de regel in \'t voorafgegeven element lag, dan is \'t duidelik,
dat de funderende elementen waren geaccentueerd, wat voor
figuurvorming en eveneens voor \'t optreden van illusie
nadelig is, indien deze tenminste werkelik van de figuur-
vorming afhankelik is.

Toch kon \'t analyties procédé van aanbieding de p.p. niet
vrijuit tot analytiese opvattingswijze verleiden, dank zij de
instructie. Tengevolge van de taak, die aan de p.p. werd
gesteld, hadden we nl. te maken met \'n waamemings-act,

1) Verg. H. Werner. Zschr. f. Psych. 94, 1924, blz. 248 e.v.; Fr. Seifert,
Zschr. f. Psych. 78, 1917, blz. 55 e.v.; G. Ipsen, Neue Psychol. Studiën I
van F. Krueger. 1926. blz. 167 e.v.

-ocr page 92-

die de betreffende figuur tot intentioneel object had. Men was
erop ingesteld, dat \'n figuur gevormd zou worden. Duidelik
kan dit o.a. hieruit blijken, dat de p
.p. altijd bij \'t geven van
verslag uitgingen van \'t al of niet bereikte eindresultaat (\'t
figureel geheel). De algemene aard van \'t geheel vroeg de
aandacht en zo kon de wijze van aanbieding hoogstens \'n
lossere, zwakkere eenheidsbinding veroorzaken. We mogen
niet over \'t hoofd zien, dat \'t figuurtype bekend was en de
condities voor \'n weer waarnemen derhalve biezonder gunstig
waren.

Nu rijst de vraag, of we uit de gegeven verslagen meer
bepaald iets kunnen lezen omtrent de reactiewijze der verr
schillende p
.p. Wijzen de introspecties van sommigen uit-
gesproken op \'n analytiese wijze van beschouwing, die van
anderen misschien op \'t tegenovergestelde? De beschrijving
moet dit verraden, zal men zeggen. Tot op zekere hoogte zal
dit waar zijn. Toch zij vooral hier tot voorzichtigheid gemaand,
want analyties in de beschrijving betekent nog niet analyties
in de waarneming. Ook bij synthetiese opvatting moet men
zich toch bij de beschrijving van \'t analyties procédé bedienen.
Beschrijving is dikwels \'n uiteenleggen van \'t kwantitatief en
kwalitatief bepaald geheel. Desniettemin kan de onder-
scheiding analyties-syntheties worden gemaakt aan de hand
van verschillende criteria, die we hieronder zullen bespreken.

In de aard van \'t probleem, dat we wilden bestuderen
lag \'n andere, niet minder grote moeilikheid voor onderzoek
besloten. Wat moest nu figuur heten? Elk geheel, elk complex,
elk conglomeraat? Wat is \'t verschil tussen geheel en figuur?
Dat de onderscheiding moeihk is. zeiden de p
.p. bij herhaling:
,.Ik weet niet hoe ik \'t noemen moet. figuur of figureel geheel
(K); .... \'t kan zeker \'n geheel heten, maar ik geloof dat ik
onder figuur toch wel iets anders versta (G).quot;

\'t Spraakgebruik kwam in het spel. Dit noemt zowel de
driehoek als het sterrebeeld fig uur. Toch worden de combi-
natie van drie punten zo ten opzichte van elkaar geplaatst, dat
ze als hoekpunten van \'n driehoek te beschouwen zijn, en dat-
gene wat ontstaat, als men die drie punten met lijnen continu

-ocr page 93-

verbindt, ook twee verschillende figuren van gelijke vorm ge-
noemd. Tevergeefs zochten we naar \'n geschikte bepaling van
\'t een en \'t ander.

t Zou trouwens niet doelmatig zijn geweest met de p.p. te
gaan afspreken wat men onder figuur, wat onder geheel, onder
complex, Gestalt enz. moest verstaan. We hebben daarom
besloten in de instructie de vage aanduiding figureel-geheel te
gebruiken, en \'t verder de p
.p. gemakkelik te maken in die zin.
dat we hen lieten begaan in \'t\'kiezen van de termen bij de
beschrijving van wat zij meenden te hebben waargenomen.

Nu is \'t merkwaardig, dat door allen de term „figuurquot; be-
wust gereserveerd werd voor hetgeen men zag in \'n bepaald
stadium. „Dat is nu \'n figuur..., dat is de bekende figuur..quot;,
werd dan uitdrukkelik gezegd. Zo deden de p.p. ons \'n nadere
bepaling voor de term figuur aan de hand, te weten: het
onmiddellik en kant en klaar aanwezig zijn voor \'t bewustzijn
van \'n perfect geheel, dat als \'n organiese eenheid primair
gegeven is in tegenstelling met wat psychies wordt gecon-
strueerd. Bewuste opbouw van de figuur-indruk uit partiële
ruimtelike gegevens mag zeker niet plaats vinden om in die zin
van figuur te kunnen spreken.

\'n Andere moeilikheid bij de verantwoording der resultaten
is te wijten aan de omstandigheid, dat bij retrospectie moest
worden vastgesteld wat men had waargenomen.

Iets fenomenaals is ongetwijfeld iets heel anders dan \'t
produkt ener redenering, maar scherp zijn die grenzen niet te
trekken. We hebben ook te maken met \'t weten omtrent de
dingen en dit weten vormt met \'t waarnemen een geheel. Zo
kan \'t bijv. zijn, dat \'n figureel geheel wordt gezien en ook wel
degelik de delen. Men heeft dan ook \'n onderscheid te maken
tussen onmiddellik en middellik weten. Is het laatste \'n inter-
pretatie onder de een of andere vorm, van hetgeen waarge-
nomen was, \'t eerste daarentegen zit direkt in de waarneming
verdisconteerd.

Zo komt \'t onder bepaalde omstandigheden voor, dat men
goed weet, dat men langs de weg van louter intellektuele con-
structie is te werk gegaan. Maar niet minder zeldzaam zijn de

-ocr page 94-

gevallen — nog afgezien van de vele malen, dat \'n ongeoefend
p.p. zich vergist — waarin de bewuste ervaring tot twijfelen
dwingt. Geeft de p.p. in zijn mededelingen achteraf ons \'n
vingerwijzing in „doordat-, omdat-, want-quot; constructies, of ook
met werkwoorden als „doen, veroorzaken, bewerkenquot; enz., dan
is schifting niet moeilik. Maar soms ook hgt \'t een en \'t ander
zo gesloten verweven voor het bewustzijn van \'t waarnemend
individu, dat het elke onderscheiding in zuiver visuele indruk
en momenten van interpretatie tart. \'t Wijst op de innerlike
eenheid van het geestelik wezen. Het zintuighke en het intel-
lektuele bedrijf, en eveneens de gevoelswerking, die niet anders
dan samen voorkomen, geven \'n ervaring, waarin de respec-
tieve werkzaamheden niet nader te analyseren zijn, of
tenminste niet met juistheid op hun waarde kunnen worden
getoetst.

Met deze wetenschap lezen we de verslagen:

,Ik weet niet of ik er actief \'n geheel van heb gemaakt en of ik dat
gezien heb (E). Ja, wat moet ik nu zeggen: ik heb gezien, dat de lijn
langer werd, of ik heb \'t niet gezien? \'t Is zo dubieus: gezien of niet
gezien (K). Ik ben bang, dat men die dingen kan zien. zoals men zelf wil,
als \'n éénheid of als drie stukken, die niets met elkaar te maken hebben (O).
— Gezien heb Ik \'t niet, maar ik dacht dat \'t zo was. Ik zag de delen die
ik samensmolt tot \'n vermoedelik geheel (N). Nu weet ik zeker tot n
figureel geheel te hebben beslóten (D). Ik heb er \'n figureel geheel uit
gemaakt (G). Ik reconstrueer wel quot;n figuur, maar ze was toch eigenlik
niet gegeven!.... \'n Langer worden van de lijn heb ik niet gezien, zei ik
langer worden, dan zou dat interpretatie, zijn van \'t voortspruiten uit de
lijn en \'t verlengstuk-vormen (T), Als ik mc passief gedraag, dan maak
ik er niet \'n eenheidsfiguur van. Maar de expositietijd kan zo lang zijn,
dat ik er actief wel \'n figuur van kan maken. In andere gevallen drong ze
zich op, terwijl ik me toch zeker passief meen te hebben verhouden (Pr.).quot;

In dit verband zij opgemerkt, dat de mededelingen der p.p.,
na enkele proevenseries, de indruk wekten van kritiese voor-
zichtigheid. En de herhaalde navraag door de proefleider, èn
het verloop der proeven zelf, waarbij alleen zorgvuldige
nauwkeurigheid verschillen kon opmerken, zal hiertoe hebben
bijgedragen. Maakten de ongeoefende p
.p. aanvankelik \'n
overvloedig gebruik van beelden, waarin deze „dingenquot; ver-
geleken werden met bekende objecten, en kwam in de weer-
gave geneties verband tot uitdrukking in die zin, dat ver-

-ocr page 95-

andering als \'n veranderen, langer-zijn als \'n langer-worden.
t meer-nabij-zi/n als \'n bewegen naar elkaar toe werd uitge-
legd, — naderhand was hun verslag meer fragmentaries en
bleek men zich veel meer te hebben gehouden aan het fenome-
naal gegevene.

1. DE VERSCHILLENDE STADIA.

We vestigen er de aandacht op, dat. als wij hieronder van
stadia spreken, \'t niet gaat om verschillende fasen van één
waarneming of om verschillende stadia in \'t oefeningsproces
der p.p., maar omtrent stadia, die worden onderscheiden als
men meerdere achtereenvolgende waarnemingen in \'t oog vat.
De stadia zijn afhankelik van de expositietijd i). Elk dier
stadia heeft zijn kenmerken. De overgang van \'t ene stadium
naar \'t andere is niet geleidelik, niet continu.

De ene configuratie wordt abrupt vervangen door de andere,
zonder dat men opmerkt, hoe zich dit voltrekt, \'t Best stellen
we ons de opeenvolging der stadia voor als \'n springen traps-
gewijs 2). Ook is de indeling in stadia niet zo te verstaan, als
zouden al die stadia telkens door de p.p. gekonstateerd zijn.
\'t Kwam herhaaldelik voor dat een of meer dier stadia onder
invloed van bepaalde omstandigheden niet konden worden
opgemerkt.

Bij de aanvang van \'n proevenserie. in \'n toestand die \'t
best gekenschetst wordt als die der onzekerheid omtrent \'t
geen men zou kunnen en moeten waarnemen, wachtten de p.p.
af wat ging verschijnen. En de eerste maal had dit dan iets
verrassends en kwam \'t als organies en levend voor. Was de
lijn blijvend gegeven — werden dus de zijlijnen aan weers-
kanten plotseling geëxponeerd — dan was dit verschijnen:

„iets onrustigs; \'t overviel me, \'t was één en al beweging; quot;t is iets waar
men geen vat op heeft; wat dat zijn moet. dat weet ik niet (G). — Er werd

Zie blz. 112 e.v. In hoofdstuk X worden de experimentele voor-
waarden gegeven, waaraan de verschillende stadia beantwoorden.

2) Cf. Sander, Neue psych, Studien I van F. Krueger. 1926, blz. 127.

-ocr page 96-

iets op \'t donker voor me geworpen en \'t legde er beslag op; \'t is iets als
n explosie voor \'t gehoor; \'t heeft \'n hele werkingsfeer op dat scherm
links en rechts;----\'t is een en al iets wilds, vol actie, ik .weet niet waar-
mee \'t te vergelijken is (K). — Op enige afstand van elkaar sprongen
twee dingen naar voren en overheersten alles, de lijn zag ik, geloof ik,
niet meer, \'t maakte \'n brutale indruk (E). Heel even is daar iets geweest
links en rechts naast de plaats waar de lijn nu ophoudt; neen dat is toch
niet juist: dat verschijnen strekte zich uit tot in \'t domein van de lijn. (N).
Wat daar verscheen had iets onrustigs, \'t imponeerde; \'t maakte \'n geheim-
zinnige indruk (H). — Ik kan \'t moeilik beschrijven wat ik zie, \'t is iets
hoekigs of iets gebogens, maar \'t staat geen ogenblik stil; ik weet niet wat
ik ervan moet zeggen, \'t is juist of ik die lijn vergeten heb, terwijl dat
andere komt, ik had geen macht meer over die üjn (R). — Ik zou haast
zeggen: ik zie niets dan beweging en licht, geen vorm; daarna stond die
lijn van eerst er weer alleen; beschrijven is me onmogelik (O). Ik zie wel
dat die verschijnende dingen bij elkaar horen, door hun gelijktijdigheid en
hun ligging links en rechts, maar \'t gaat me te vlug ....; \'t is \'n symmetries
gebeuren en dat overheerst alles; dat dringt zich zo op, dat ik daaruit al
kan afleiden wat \'t worden moet (T).quot;

Wat plotseling gegeven werd, heeft hier dus de opmerk-
zaamheid opgeëist. De lijn, die objectief aanwezig was, schoot
erbij in. \'n Geheel met die lijn werd niet gevormd. Er waren
zelfstandige óbjecten, die weinig of niets met elkaar te maken
hadden. Bleef men de lijn waarnemen, dan stond toch steeds
de onderscheiding van afzonderhke dingen, \'t eerst gegevene
en \'t laatst geëxposeerde, op de voorgrond.

Van de figuur-achtergrond-karakteristiek, die Rubin i) gaf,
waren verschillende eigenschappen aanwezig; zo o.a. die
zekere onbelangrijkheid, die vaagheid van de achtergrond
tegenover het ..dingquot;-karakter van het geëxposeerde 2).
Meestal ging die bewuste onderscheiding verloren; drie p.p.
hebben uitdrukkelik meegedeeld, dat de achtergrond aan
belang had ingeboet.

„Eerst zag ik de lichtende lijn voor me staan in en tegen \'t donker aan.
Toen die symmetriese stukken kwamen, zag ik niets meer van de achter-
grond, d.w.z. hij was natuurlik wel aanwezig, maar hij telde toen helemaal
niet meer mee (K). Alles was te hevig en te levendig om die achtergrond,
die eerst toch al
20 donker was, ook nog attentie te geven. Hij had ook

E. Rubin, Visuell wahrgenommenen Figuren. Ier Teil 1921.
-) Men kan zich afvragen, wat hier eigenlik de achtergrond is, \'t zwart
alleen of \'t zwart en de lijn. Wij menen, dat we hier te doen hebben met
\'n systeem van achtergronden, waarvan de lijn deel uitmaakt.

-ocr page 97-

totaal geen belang meer (H). De lijn stond in de donkere ruimte en op
n achtergrond. Maar toen dat andere er was, kwam \'t me voor, alsof die
achtergrond werkelik verder naar achter was verplaatst. Misschien moet
ik wel zeggen, dat het lichtgedoe op \'n voorplan ten opzichte van de lijn
is verschenen. Als ik niet wist dat er maar één scherm stond, dan zou ik
dat zeker zeggen (R).quot;^).

De introspectieve gegevens van alle p.p. stemmen hierin
overeen, dat de zijlijnen, plotseling gegeven, de eerste maal
meestal niet anders dan globaal werden waargenomen. Wat
men kon meedelen, betrof dan uitsluitend die „dingenquot; heel
in \'t algemeen. Merkwaardig is vooral, dat de zijlijnen, die
met elkaar \'n hoek van 90° vormden, in dit stadium door drie
p.p. werden gezien als „iets van gebogen vorm (Pr.), als \'n
stuk van \'n eUips, wel niet mooi gelijkmatig gebogen (G), als
strepen links en rechts, die enigszins ovaalachtig verliepen

(R)quot;.

Dit is in overeenstemming met resultaten die Werner in dit
opzicht verkreeg bij zijn studie over de motoriese „Gestal-
tungquot; 2). Aan zijn p.p. liet hij tekeningen zien, die ver-
volgens met gesloten ogen gereproduceerd moesten worden.
Al naar gelang de instelling, die hij van hen vroeg, de syn-
thetiese (waarbij zij moesten trachten de figuur als \'n vol-
maakte eenheid op te vatten) of de analytiese (waarbij naar
best vermogen de samenstellende delen moesten worden
onderscheiden), viel het resultaat anders uit. Zo kon hij kon-
stateren, dat bij „ungegliederte Erfassungquot; de benen van een
rechte hoek tot een boog werden; de differentieëring in delen
kan vrijwel geheel verdwijnen. Wat Werner op visueel-
motories gebied vond, kunnen wij dus bevestigen voor de
waarneming bij tachistoscopiese expositie.

Vatten wc de gegevens samen, dan blijkt in het eerste
stadium
\'n gegeven L H niet als één geheel te zijn waar-
genomen. De globale indruk van \'t laatst gegeven deel prae-
domineerde zo sterk, dat de lijn vrijwel verdwenen of zonder

De veranderingen die de achtergrond ondergaat, wanneer het op
die achtergrond gegevene veranderd wordt, wijzen op het functioneel ver-
band tussen beide.

2) Werner, Zschr. f. Psych. 94, 1924, blz. 265 e.v.

Psychologie der waarnemingnbsp;g

-ocr page 98-

belang leek; en elke analyse van t diffuse zijlijnen-complex
aan weerskanten was onmogelik. De beweging, de symmetrie-
band, en verder de „ganzheitlichequot; eigenschappen van de
zijlijnen, waren de voornaamste momenten der waarneming.
Deze waarneming heeft verschillende kenmerken gemeen met
de syncretiese waarneming van kinderen en primitieven, en
wijst op \'t eerste stadium van de „développement de l\'adulte
dans la connaissance de chaque chose spécialequot; i).

Anders was \'t als de hoofdlijn tussen de zijlijnen kwam.
Ook dan had dit verschijnen \'n verrassende, organiese
levendigheid, maar \'t praedomineren van de lijn was aan-
merkelik geringer. Dit geval rekenen we beter tot \'t volgend
stadium, dat we het tweede stadium noemen, \'t Eerste kon na
enkele proeven niet meer geobserveerd worden. Tengevolge
van \'t weten omtrent de figuurtypes en de aanpassing van
de p.p. aan de korte expositieduur waren de omstandigheden
voor de waarneming van \'t geheel, dat beide helften vormden,
blijkbaar gunstiger geworden.

Bij de eerste herhalingen van \'n bepaalde expositie merkten
de p.p. omtrent hun subjectieve reactiewijze op, dat ze
met \'n zekere onrust hadden afgewacht, of zij „nu beter
zouden kunnen voldoen, meer zouden kunnen zeggenquot;. Deze
drang, die men bij zich zelf bespeurde, om klaarheid te krijgen,
manifesteerde zich in bewegingsreacties, die een zich-her-
nemen verrieden, om onder voordelige condities, wat de aan-
dacht betreft, te kunnen waarnemen. Onbeweeglik zat men af
te wachten.

En ofschoon de expositieduur objectief dezelfde was, had
men dan de indruk „dat alles kalmer gebeurde en gedurende
langer tijd gegeven werdquot;. Ook nu nog was datgene, wat
slechts even verscheen, „een en al beweging met niets staties
erinquot;, of zoals \'n ander p.p. \'t weergaf „een zo zie je me en zo
zie je me nietquot;, maar \'t complex-gegevene had zich „ontvouwd

J. van der Veldt, O.F.M., L\'Apprentissage du mouvement et l\'auto-
matisme. Louvain. 1928, blz. 100 en 101. En zie vooral voor de syncretiese
waarneming van kinderen: Piaget, La pensée et le language chez l\'enfant.
1923.

-ocr page 99-

in \'n bepaalde richtingquot;. Men wist wat \'t was en kon er hoe
langer hoe meer détails van aangeven. Wat blijvend was
geëxposeerd was men meestal blijven zien. al had \'t ook nu
aan helderheid of aan belang verloren. Eerst werd gewoonlik
de totaalkwaliteit van de zijlijnen gekonstateerd. Deze drukte
zich. al naar gelang het figuurtype. uit als \'n ..strekken tot
gerektheidquot; of als \'n ..samendringenquot; i) ten opzichte van de
omgevende ruimte, en daarbij was de afstand, waarop de lijnen
van elkaar verschenen, zeer voornaam. De betrekkingloosheid
tussen hoofdlijn en zijlijnen, ofwel het discontinue van \'t
geheel, waarin de delen in grote zelfstandigheid ook als
afzonderlike dingen aanwezig waren, was het kenmerk van
de configuratie als totaal. De volgende citaten uit de verslagen
kunnen de eigenaardigheden van dit stadium nader bepalen:

I. L H. ..\'t Was zeker geen continu geheel, \'t Is slechts \'n naar elkaar
toewijzen, \'n op elkaar aangewezen zijn als.... ja laat ik \'t tekenen, zo
_ I . Ik zag duidelik openingen; toch was \'t geen toevallig agglomeraat
van lijntjes.... Er kwam even \'n dreigement van sprietjes van buiten af,
links en rechts; dit was zeker geen vloeien uit de lijn, \'t is altijd \'n plots

iets, niet continu, alles bleef op zichzelf en vreemd voor elkaar____Wat

\'t verschijnen aangaat: ik heb het idee, dat ik \'n lichte rekking in de Hjn
heb gezien, maar die was zo gering, dat ik \'t niet zeker durf zeggen. De
haken bleven in elk geval op enige afstand van de lijn staan (G). \'t Is
\'n louter naast elkaar aanwezig zijn. Elk stuk heeft .:ijn bepaalde plaats.
Ik kan \'t niet nader beschrijven, maar \'n figureel geheel kan ik dat niet

noemen, want er was zeker geen eenheid in gegeven.....Ja \'t waren drie

stukken. De haken ontstaan onafhankelik van de lijn, ze komen op naar

de uiteinden van de lijn toe. maar bereiken de lijn niet____De Hjn bleef

bij \'t verschijnen van de haken onbewogen staan, totdat de haken weer
verdwenen; toen schrompelde zij wat in (O). Er was geen verband met
de lijn. Driehoeken komen tegen de lijn aan, maar de lijn blijft er koud
voor. De lijn werd niet langer.... Bij \'t verdwijnen gebeurt er iets aan

de uiteinden van de lijn.....Aan weerszijden van de lijn heb ik \'n vorm

gezien als \'n gedrukte V, maar die stond er helemaal los van en \'n . eindje

er vandaan. De lijn trok er zich niets van aan.....Van buiten af kwamen

twee of drie lijntjes naar elkaar toe. liepen in één punt samen, maar bleven
geïsoleerd van die lijn (E). Ja, wat is dat nu, eerst had \'t niets met elkaar
te maken, en toen ineens had \'t vanzelf toch iets van \'n geheel, \'t was \'n
bijeen-zijn van bij elkaar horende stukken; ik geloof dat ik er aan dacht,
maar \'t was tegelijkertijd ook \'n geheel. Ik dacht wel: zo moet \'t worden;
maar op slot van zaken was de onderscheiding te overduidelik gegeven.

Dit zijn de woorden van p.p.

-ocr page 100-

Links en rechts stonden haken die in de omgeving \'n gestrektheid naar
buiten legden; hoe ik dit moet beschrijven weet ik niet (R). — Je ziet \'t
karakteristieke van de haken; dat is \'t voornaamste. Die uitbreiding deelt
zich mee aan de ruimte in de omgeving, of die ruimte ontvangt die bepaalde
eigenschap; dat is niet onder woorden te brengen^). Maar \'t is in elk
geval iets anders geworden daar naast die lijn. De ruimte boven en onder
de lijn heeft geen belang, die telt niet mee. De ruimte links en de ruimte

rechts wel......Ja nu was toch ook dat boven en onder ten opzichte van

de lijn van enige waarde, maar toch veel minder dan die bepalingen op
zij. \'t Is allemaal zo los van elkaar: de haken staan op enige afstand van
elkaar en horen bijeen, en de lijn staat met haar ruimten boven en onder

op zichzelf.....Nu zag ik \'t weer anders; \'t heeft meer met elkaar te

maken. Er zijn echte openingen tussen de lijn en de haken. Bij het ver-
dwijnen van de haken heb ik iets leven, \'n golving in de lijn gezien, ik
meen
naar binnen toe (K). De haken komen aan numeriek dezelfde lijn.
Het geheel is dan \'n lijn met haken; drie losstaande elementen; daarna staat
numeriek dezelfde lijn weer alleen, \'n Groeien heb ik niet gezien. Bij \'t
verdwijnen zag ik de lijn iets korter worden. ..... Ja toch zet de lijn
misschien iets uit als de haken verschijnen, maar dit is in elk geval veel
geringer dan \'t korter worden van daar straks. ... Er is iets beweging in
de uiteinden van de lijn bij \'t verschijnen van de haken, zeker zie ik de
lijn bij \'t verdwijnen inkrimpen (Pr.).quot;

Hierin zijn de kenmerken van dit stadium gegeven. Spreken
we van de totaliteit, dan is deze \'n geheel dat is samengesteld
uit dezelfde (identieke) lijn en haken; \'n losse bijeenvoeging
dus van elementen, die elk de indruk van zelfstandigheid
maken; de zijlijnen „komen eraanquot;, groeien zeker niet uit de
hoofdlijn 2). Merkbare illusie is primair nauweliks te konsta-
teren, wel secundair, d.w.z. bij het verdwijnen der zijlijnen. In
elk geval is \'t korter worden (I) als de zijlijnen verdwijnen
voornamer, belangrijker, dan de eventuele verlenging van de
hoofdlijn, als de zijlijnen verschijnen.

Ook voor andere variaties van \'t M. L. type, die wij onder-
zochten. gelden deze kenmerken in hoofdzaak.

II. L -f H. „De haken komen waarschijnlik op vanaf de lijnuiteinden te
beginnen. Ze verdwijnen naar de lijn terug; het geheel gaf \'n gedrongen
totaal-indruk. Ik zag de lijn niet inkrimpen, maar in de ruimte kwam \'n
verenging tot uitdrukking, \'n samenpakken, \'n samendrukken, \'t Op-
komen en verdwijnen is toch anders: de uiteinden van de haken zijn er \'t

We hebben hier blijkbaar te maken met geleding van de achtergrond,
a) We verwijzen naar Wertheimers Beiträge zur Lehre der Gestalt. I,
(Psych. Forschung 1922, blz. 52), waarin gezegd wordt, dat onder arti-
ficiële-, laboratorium-voorwaarden „Stückhaftesquot; gezien wordt.

-ocr page 101-

eerst en blijven \'t langst (K). Bij \'t opkomen van de pijltjes verliest de lijn
van haar gewicht, bij \'t weggaan rekte zij zich uit. Er is geen kwantitatieve
verandering in de lijn bij het verschijnen van de pijltjes. Zij heeft er weinig
voeling mee. Ik zie duidelik die samenpakking van de pijltjes; de ruimte
Zit er tussen; de lijn werd er zeker niet door aangetast (G). \'t Verschijnen
van de haken is soms \'n openklappen uit de lijn, en \'t verdwijnen is dan
weer \'n dichtslaan naar de lijn. Die beweging kan ik niet helemaal

volgen----Nu zag ik de haken vanaf hun open uiteinden ontstaan naar

\'t eindpunt van de lijn toe. De uiteinden van de haken blijf ik het langst
Zien (H). De haken hechten zich, naar binnen toe, aan. Inkrimping van
de lijn zie ik niet; wel heb ik de lijn zien uitzetten toen de haken ver-
dwenen. \'n Organiese eenheid is \'t zeker niet: \'t geheel is uit elementen
opgebouwd (Pr.), \'t Is \'n groepje lijntjes, aan elkaar gelegde houtjes; de
lijn stak zelfs iets uit buiten de haken, toen die waren verschenen (R).quot;

Eveneens bij de expositievolgorde H L hebben we dit
stadium kunnen observeren; alleen was hier van illusie geen
spoor.

I.nbsp;H L. „Uitsluitend de lijn beweegt; zij strekt zich uit vanuit \'t
midden naar de beide pijlen en trekt zich dan ook weer naar \'t midden

terug.....De pijltjes blijven op hun plaats vast staan, \'t Is even \'n spelen

tussen de pijltjes, \'t krijgt er geen samenhang mee. Ja \'t is alleen \'n spelen
van \'n lichtstreep, de haken en de lijn heb ik niet eens met elkaar in ver-
binding gebracht; er is te weinig verbindingsidee (G). \'t Is \'n onafhanke-
like lijn die verschijnt; er treedt geen versmelting op. \'t Blijven onafhanke-
like elementen: lijn met haken eraan. De lijn komt zeker niet uit de haken;
zij bleef zonder invloed op de haken. Het geheel bleef \'t karakter van iets
bijgevoegds behouden, dat is \'t (Pr.). Nu heb ik de hele lijn gezien, zij
bracht verandering in de constellatie. Die sterke twee-eenheid van de haken
was weg; \'n nieuwe eenheid werd niet geschapen, \'t Was een lijn met
haken, zeker geen organiese verbinding (N).

II.nbsp;H L. Ik heb de haken vanaf \'t eerste ogenblik opgevat als horende
bij elkaar, daartussen verschijnt de lijn; ze blijven passief. Ik zou zeggen,
de lijn hoort niet bij de haken, zij doorsnijdt de ruimte tussen de haken en
krimpt dan weer in; dit was \'n wegteren in zichzelf (D). \'n Beweg\'ngspel
tussen de haken; \'t beroert de haken niet in \'t minst; ze blijven loodzwaar
staan (H)quot;i).

Bij deze figuren maakt ook volgens andere verslagen de
binnenruimte met de haken samen deel uit van een geheel. In
dit geheel was het ingesloten-zijn door de hele haken voor de
binnenruimte karakteristiek; daarentegen was in \'t figureel
geheel haar oriëntering door \'n boven en onder gekenmerkt.

De verslagen omtrent fig. III, IV en V geven geen noemenswaardige
verschillen voor dit stadium.

-ocr page 102-

In de meeste gevallen van dit tweede stadium was er sub-
jectief \'n zwart interval tussen de hoofdlijn en de zijlijnen en
juist bij L H was dit praegnant. Werd de lijn \'t laatst
gegeven, dan zeiden de p.p. wel, dat de haken niet werden
bereikt, maar gaven geen nadere aanduiding omtrent de
ruimte tussen zijlijnen en hoofdlijn. Bij de expositievolgorde
L -f H sprak men van „\'n pikzwarte onderbreking, \'n hiaat
zwarter dan de achtergrond, \'n ovale donkere vlek die in
de lengterichting lag, \'n duidelike scheiding, \'n merkbare
tussenruimtequot;, ofwel men zei, dat de haken de uiteinden van
de hoofdlijn niet raakten of niet onmiddellik daarbij aansloten.
Dat „donkerquot; was kwalitatief verschillend van \'t donker van
de achtergrond. Dit kan bewijzen dat er \'n geheel is gevormd,
waarin afstand of scheiding op enigerlei wijze opgenomen is.
Soms zelfs was de tussenruimte, wat haar gedaante aangaat,
naar de vorm van \'t geheel gericht. Zo wijst die „ovale vlekquot;
o.i. op „gestaltendequot; invloed van de lijn (in \'t complex) op de
zwarte ruimte. Er is dus langzamerhand \'n zekere binding
gekomen; de delen hebben iets ingeboet van hun afgezonderd-
heid; ze hebben betrekking met elkaar, maar nog in zeer
geringe mate.

Vrijwel geregeld kwam \'t voor, dat men het moment van
samenkomst der zijlijnen bij kort durende expositie niet zag:

„De voet van die V zie ik niet tenzij ik me daar speciaal op instel; —
de hoekvorm is aan \'t hoekpunt niet af; de twee lijntjes die \'n hoek vormen
sluiten niet aan; — het hoekpunt der haken zie ik niet; — Iet ik op de
linkerkant, dan sluit \'t links, maar rechts niet; let ik op de rechterkant
dan sluit \'t links nietquot; enz.

\'t Was meestal zo, dat eerst bij \'n zekere expositieduur de
aansluiting kon worden gezien. De afstand der delen vormde
echter steeds met de delen zelf \'n geheel, zodat we van leden
kunnen spreken. Wertheimer merkte \'t zelfde verschijnsel op,
heel dicht bij \'t stadium der simultaneïteit i).

Ongetwijfeld is de tachistoscopiese expositie en de speciale
instelling van \'t individu, die daarmee gepaard gaat, de ver-

1) M. Wertheimer. Zschr. f. Psych. 61, 1912, blz. 161 e.v.

-ocr page 103-

antwoordelike factor. De gewone instelling toch bij de waar-
neming van \'n prikkel-object, dat slechts gedurende \'n
ogenblik zichtbaar is, is \'n globale instelling. De algemene
aard, de ,.Ganzheitsquot;-kwahteiten i) zijn \'t, die duidelik worden
waargenomen, terwijl de rest slechts diffuus en vrij inexact
wordt gezien. Al ligt \'t opsporen der psychofysiologiese oor-
zaak niet op onze weg, toch willen we erop wijzen, hoe ook
hier het doelmatige der psychofysiese organisatie is terug
te vinden. Het gezichtsorgaan is in zijn bouw en zijn werking
pasklaar, om te voldoen aan de drang naar eenheid die in de
waarneming zo zeer naar voren treedt, te weten: eenheid in
de onderscheiding van \'t wezenlike, \'t karakteristieke en \'t
bijkomstige, van \'t algemene en de détails, van hoofd- en
bijzaken.

Tenslotte merken we aangaande het tweede stadium nog
op, dat de p.p. herhaaldelik meedeelden: „de lijn is vager als
de haken verschijnen; de lijn is verbleekt; de lijn heeft geringere
helderheid als de haken er
zijn;quot; 2) en enkele malen zelfs: „de
lijn was helemaal verdwenen (L H); er waren stukken van
de haken weg (H L).quot; \'t Is vrij zeker, dat we hier te maken
hebben, deels met gevallen van vermoeienis van \'t oog, deels
met \'n verschijnsel van retroactieve inhibitie3). Het komt ons
niet onwaarschijnlik voor, dat met het z.g. minder intens
gegeven zijn, meermalen bedoeld werd \'n mindere bewustzijns-
graad. Waar de aandacht door \'t tweede deel werd opgeëist,
kon het eerste zijn teruggetreden in \'t bewustzijn. Telkens
werd dan ook gekonstateerd: „de lijn verliest aan gewicht, de
lijn boet er wat bij in, de waarde van de lijn is verminderd
enz.quot; Toen \'t ene deel de opmerkzaamheid had getrokken,
had het andere aan belang verloren en was op de achtergrond
getreden.

O. Klemm heeft hier voornamelik op gewezen. (Wahrnehmungs-
analyse, Abderhaldens Handbuch der biologischen Arbeitsmethoden. IV)
verg. F. Krueger, blz. 119.

2)nbsp;Vergel. stadium 1.

3)nbsp;Zie G. Heymans, Zschr. f. Psych. u. Phys. d. Sinnesorg. 21, 1899,
blz. 321: 26, 1901, blz. 305 en 381; 34, blz. 15; 41, blz. 28 en 89; 53,
blz. 401.

-ocr page 104-

In \'t derde stadium waren de verschijnselen en kenmerken
der waarneming van \'t complex weer andere. Ter oriëntering
gaan enkele verslagen vooraf:

I. L H. „Er sprongen punten uit de lijn als twee vonken; ze kwamen
niet los van de lijn te staan; ze werkten als twee magneten die aantrokken,
de lijn aan de uiteinden uitrekten----De lijn wordt langer in twee zij-
stukjes; die stukjes schoten uit de uiteinden van de lijn, en op \'t zelfde
ogenblik liep \'n donker wolkje in de richting van \'t middelpunt van de
lijn, heel vlug. Dan zag ik quot;t middelste stukje van de lijn lichtend, en even-
eens de uiteinden met die uitlopers. Daartussen is \'t vager; ik zou zeggen
dat de omgeving daar lichter is, maar gezien heb ik dit laatste niet (K).
Verwacht had ik, dat \'t nu (stijgende reeks) \'n goed sluitend geheel zou
zijn, maar dat was \'t zeker niet. \'t Was onmiddellik \'n gelede eenheid met
uitgesproken horizontale richting. Alles hoorde bij elkaar, maar \'t klapte
niet ineen. Die stukken van de figuur aan weerszijden sloten de middel-
lijn niet in, ik weet niet hoe. De lijn is verdund en verdeeld zoals men de
melkweg s avonds ziet of n miststreep; die is ook op enkele plaatsen
wazig (H). De pijltjes schieten uit de richting van de lijn en trekken aan
die lijn. Het zou bij betere helderheidsverdeling wel \'n goeie figuur zijn,
dunkt me. Ik zie nu nog donkere vlekken in de lijn, \'n eindje links en
rechts van \'t midden, \'t Is juist of die vlekken \'n beweging hebben gemaakt
naar quot;t midden toe. In plaats van pijltjes zeg ik beter lijntjes, want ik zag
dat stel van twee geen ogenblik alleen of op zich zelf. Ze ontstaan in
\'t eindpunt van de lijn en schieten iets te ver weg, d.w.z. quot;n klein stukje
van de lijn nemen ze mee; toch was er eigenhfc geen opening. Het geheel
was tè verbrokkeld; \'t hoorde wel bij elkaar, maar \'t was zo houterig,

zonder levendigheid.....Bij \'t verdwijnen van de lijntjes was er wel \'n

opening tussen de lijn en de extremiteiten van die lijntjes. Er was iets
zwarts aan de uiteinden (G). De lijn rekte zich uit cn splitste zich daarna
in tweeën. De lengte viel op. De lijn is niet duidelik verbonden met die

uitlopers; er zijn donkere plekken in die lijn.....Bij \'t verdwijnen trok

de lijn zich samen... Er is \'n trekking links en rechts aan de lijn; de lijn
heeft dan ineens haar dikte, die toch al gering was, helemaal verloren. Zij
schiet uit in n splitsing (O). Die lijn staat ineens los van die donkere
omgeving, en is naar voren gekomen. De omgeving strekt zich daar achter

in de lengterichting uit----De lijn wordt minder lichtsterk, als de lijntjes

eruit worden getrokken (R). Er is beweging bij \'t eindpunt. Wat ik links

cn rechts zie, is niet meer \'n hoek, maar \'n driesprong van lijntjes____Als

de haken eruit komen, zijn ze één met de stukjes van de lijn aan beide
kanten. De eenheden praedomineren over de rest. Toch is \'t anders als
straks (stijgende reeks); toen waren de haken op zich van geweldig
belang, nu zijn \'t die delen, die uit \'n stukje van de lijn en uit haken bestaan
(E). Ik zit verlegen met dat langer of korter worden van de lijn; ik zou
kunnen zeggen: de lijn wordt langer bij \'t verschijnen van de haken, en
ook, dat zij korter wordt terzelfdertijd. Als ik zeg langer, dan bedoel ik.
dat er \'n grotere uitgestrektheid was; de uiteinden van de lijn zag ik
verder naar links en rechts met die haken die er uit zijn gekomen, maar
tegelijkertijd trok de cigenlike lijn zich iets samen naar \'t midden; aan

-ocr page 105-

Weerskanten daarvan is \'n vage vlek geweest____Bij het verdwijnen der

haken zie ik de lijn over de hele lengte, als ik die vage stukken erbij reken,
zich samentrekken tot \'n geringere uitgestrektheid, zoals de lijn is, als zij
alleen staat (N). Nu is die afstand van de haken niet meer zo opvallend
als vroeger (stijgende reeks). Dat idee van afstand is weg. De lijn rekt
zich uit naar de haken, maar niet zo geleidelik als eerst (dalende reeks)
(D). Aan de uiteinden van de lijn groeien haken. Dat uitvloeien — want
\'t ging heel geleidelik — was tegelijkertijd \'n verkorten of beter \'n geretri-
ceerd worden van de oude lijn tot zijn helder middenstuk; alles samen-
genomen zal zij langer zijn geweest, maar ik zag ze niet zo. Het waren
drie stukken: \'n helder middenstuk, dan link.s en rechts \'n vaagte — waar
geen licht was, zal ik zeggen — en dan twee lichtende eindstukjes met

haken.....De lijn is verdeeld in drie stukken, vóórdat ik haken zie. Het

verschijnen van de haken was \'n zich openen van de lichtende uiteinden
van de lijn. Dit laatste kan ik \'t best duidelik maken met het plaatje uit
\'n natuurkundeboek, waar magnetiese velden getekend zijn; daar lijkt \'t op.
.... De lljnindeling in drieën is voornamelik na afloop van \'t fenomeen
aanwezig. Ik heb \'n duidelik nabeeld waarin de lijn in drie stukken is
verdeeld met die vage zones (T), Misschien zet de lijn iets uit, als de
haken verschijnen. De haken groeien niet uit de hele lijn, maar uit de
zijkanten van de lijn. Ze verdwijnen abrupt, en de lijn wordt met schomme-
lingen korter.....Er zijn karakteristieke bewegingsverschijnselen aan de

uiteinden van de lijn; hieruit komen de haken voort. Die haken nemen

stukken van de lijn in zich op.....Bij het verdwijnen krimpt de lijn in

en herneemt haar gewone vorm.....Ik kan drie fasen onderscheiden,

successief: 1) de lijn alleen, 2) het groeien van de haken uit de zijkanten
van de lijn, 3) het inkrimpen en overblijven van de lijn. In alle drie die
fasen is de lijn identiek, alles gebeurt met en aan diezelfde lijn (Pr.).quot;

Vergeleken met \'t vorige is dus karakteristiek voor dit derde
stadium, dat de zijlijnen niet meer „los eraan komenquot;, maar
uit de hoofdlijn groeien en wel uit haar uiteinden. Was vroeger
het karakter van iets bijgevoegds\'bepalend voor de indruk die
men had, nu was de eenheid, die de haken met hun onderlinge
afstand vormden, verdwenen, en deed zich \'n versmelting voor,
van de zijlijnen met \'n stukje van de hoofdlijn, wat \'n nieuwe
ordening gaf. Met de geleding in de hoofdlijn zijn twee
zwaartepunten aanwezig: dominerende nieuwe leden, die iets
als \'n werkingsfeer om zich heen hebben. Daarin is de ver-
lenging van de lijn vervat. De nieuwe leden dragen de „gerekt-
heidquot; in zich.

■Links en rechts liggen die leden vrijwel los van elkaar. Het
complex heeft nog geen middelpunt waarop alles betrokken is.
Ook hier is dus \'n indeling in drieën, maar \'n heel andere als

-ocr page 106-

in \'t tweede stadium. Kon men vroeger van tussenruimte
spreken bij hoofd- en zijhjnen, nu was er meestal n „vaagtequot;,
\'n donkere vlek in de hoofdlijn zelf. En hier was \'t zéker niet
de achtergrond, die tussen het complex kon zijn ingeschoven.
Die „vaagtequot; was \'n schakel, \'n voeg, die tot \'t geheel be-
hoorde. \'n donkere ovale vlek, \'n band waarvan de contour
onbepaald bleef. Er had zich dus min of meer \'n afscheiding
voltrokken van het geheel ten opzichte van de achtergrond.

Iets analoogs konstateert men, als we in de trein gaan letten
op
\'t slaan der wielen. Bij de aanvang van \'t rytmeren, dat we
onwillekeurig doen, treedt eerst groepvorming op met inter-
vallen. die meer diffuus de rytmeslag in zich dragen, totdat
ook daar \'t pulseren klaar en duidehk bewust wordt, en alle
slagen in het bepaalde rytme zijn opgenomen i). Is \'t begin \'n:
„één en nog één ..., één ..., één ..., één____drie, één-twee-
driéquot;, dan ervaart men dat \'t zo moet „voortgaanquot;, en ten-
slotte wordt \'t opeens geheel regelmatig: één-twee-dric.
één-twee-drie, één-twee-drie, enz.quot; 2).

Tegelijk met de organiese versmelting van de haken met
de uiteinden van de lijn. is verandering gekomen in de delen.

,.Die haken zijn niet meer diezelfde haken van eerst (stijgende reeks);
ze zijn met iets anders vervat in iets nieuws. Hoe die verandering is, kan
ik niet omschrijven (G). De haken zelf of de pijltjes zijn niet meer zo
praedominerend (stijgende reeks), \'t Zijn nu maar stukjes van die nieuwe
delen links cn rechts; zij zelf hebben hun belangrijkheid min of meer afge-
staan aan die nieuwe delen (E).quot;

Blijkbaar hebben we hier dus te doen met functionele rang-
schikking en inlassing van wat eerst element was. Dienten-
gevolge heeft het oorspronkelike deel aan belangrijkheid
verloren. Het geheel, waarin \'t zich bevindt in enge samenhang
met dc andere delen, trekt zodanig de opmerkzaamheid, dat
het deel op de achtergrond is getreden.

Gepaard met deze groepvorming is ook de lijn kwantitatief
(in extensiteit) en misschien kwalitatief veranderd. Omtrent
\'t langer- en korter worden van de hoofdlijn bij het verschijnen

\'t Is natuurlik voor het rytme niet onverschillig, of \'t \'n zes- of acht-
Wielig rijtuig is.nbsp;\'

2) Cf. Sander. Neue psych. Studiën. I, blz. 127.nbsp;^

-ocr page 107-

en verdwijnen der zijlijnen, stemmen de verslagen niet over-
een. Juister gezegd, \'t bleek vaak moeilik uit te maken, of die
verlenging en verkorting werkelik aan de bekende hoofdlijn
te konstateren viel, ofwel dat er veranderingen in uitgestrekt-
heid waren van zulk \'n aard, dat men de hoofdlijn op grond
van \'t weten erin betrok. Het verdeeld-zijn van de lijn werkte
verwarrend.

Hoe is het derde stadium bij andere figuren en bij de
expositievolgorde H L? Wij ontmoetten er dezelfde eigen-
aardigheden, met dien verstande dat hier natuurhk geen
sprake kan zijn van verlenging of vérkorting van de lijn als
boven, en ook niet van \'n groeien der haken uit de lijn. Soms
ontstaat de lijn vanuit de haken, soms vanuit \'t midden.

I.nbsp;H L. „In \'t midden was eVen beweging; toen kwam de lijn
vanuit de haken in de richting van \'t midden. Het midden en de zijkanten
van de lijn met haken heb ik goed gezien. Laat ik \'t tekenen:
gt;—O-~-lt;nbsp;De afstand van de haken zag ik niet ver-
anderen. Die haken staan geweldig strak. .... Het verdwijnen was \'n
oplossen van de lijn in zichzelf. Eerst verdween ze in \'t midden en liep

dan naar de haken weg.....Nu bleef \'t midden van de lijn \'t langst (T).

Ik weet niet hoe \'t konit, maar mijn aandacht had zich opeens verplaatst

naar boven, langs de Hjn, toen die er was.....Het verschijnen gebeurt

uit \'t midden; dan zie ik drie stukjes: \'n helder middenstuk, zwarte vlekjes
en lichtende stukjes met pijlyes. Beide pijlen werkten mee door uitpunting.
De horizontale oriëntatie viel mc weer op (K). Boven heb ik alles beter
gezien dan beneden de lijn. De grootte van de afstand was opvallend. De
Hjn kwam uit \'t centrum op, ofwel er waren onmiddellik drie stukken ge-
geven. De hoeken werden tijdens \'t verschijnen van de Hjn kleiner, ik meen
tenminste \'n lichte beweging van hun benen te hebben gezien^) (E). De
lijn komt nu niet van links maar van rechts op. De pijlen gaan aan
\'t
hoekpunt spitser toelopen, het geheel heeft \'n opvallende uitgestrektheid.
(G). -

III. gt;-gt; L H. Als de haken komen is er beweging aan de

eindpunten van de Hjn. Er zijn deelfiguren links en rechts. Aan de boven-
kant was alles bijna af; \'t was daar \'n gaaf stel, konstant zal ik zeggen;

beneden was \'t te onrustig.....Nü stak links de Hjn heel even iets buiten

de haak uit (K).

II.nbsp;L -}- H. Eerst horen de haken bijeen, daarna horen de uiteinden van
de lijn bij de haakstrepen. Ik meen, dat het benedenbeen van de haak
links is weggevallen. De Hjn is vaag geworden (T). De haken komen op
vanaf hun open uiteinden, sluiten wel in de Hjn samen, toch bevredigt het

Vergel. hieronder blz. 106 en 140.

-ocr page 108-

geheel niet genoeg om \'t een figuur te noemen. Nu kwamen de haken op

vanuit \'t midden van de lijn.....De haken verdwijnen uit elkaar spattend.

Er is \'n groep links en \'n groep rechts, \'t is geen goeie eenheid; alles is
niet samengepakt (Pr.).

11. H L. De horizontale richting van die plotseling verschijnende lijn
deed ook die haken meer in horizontale richting wijzen, naar links en
rechts, allebei afzonderlik met stukjes van de lijn (H). \'t Is of die benen
van de haken naar binnen komen; toch blijven ze op de plaats staan, dat
is vreemd. Ik vind. dat voornamelik de hoekruimten veranderd zijn. \'t Is
nu zo helemaal anders met de lijn. die in de hoeken steekt, aan beide
kanten; de lijn staat er eigenlik wat vreemd tussen (R).

V. H L. Er kwam \'n knik in de haken kort bij de lijn; dit sloot
zich vast aaneen met de uiteinden. Weer zie ik die vormverandering in
de haken; ze worden meer gestrekt als de lijn ertussen is. men ziet de
haken dan meer in de richting van de lijn. \'t Is geen goed geheel, waarom
dat weet ik niet (R).quot;

Bij de figuren met naar binnen gekeerde zijlijnen aan beide
kanten (III valt hier niet onder), kwam \'n indeling in drieën
vrij zeldzaam voor. Wel zag men de zijlijnen links en rechts
op de hoofdlijn aangewezen of met \'n stuk van de hoofdlijn
innig verbonden. Meerdere p.p. tekenden ter verduideliking
van wat zij meedeelden, en vulden op die wijze hun gegevens
aan. Uit de tekeningen bleek, dat hnks en rechts twee centra
liggen, waarin haken en stukjes van de lijn opgenomen zijn,
terwijl de eenheid van \'t geheel op de achtergrond staat. Was
de expositie-volgorde L H, dan verloor ook hier de lijn aan
gewicht. Verder was er \'n strekking tot uniformiteit: de haken
strekten zich meer als de horizontale lijn ertussen kwami);
en omgekeerd rekte de lijn zich of trok zich samen als de
haken resp. naar buiten of naar binnen wezen, voor zover we
hier tenminste nog van haken mogen spreken.

Als biezonderheid van het derde stadium zij opgemerkt, dat
enkele malen de omgeving scheen deel te nemen aan de be-
weging. Ook werkte de ruimte, direkt om de lijnen heen,
soms mee tot vorming van \'n geheel. Dan had de achtergrond
positief karakter gekregen; stukken van de achtergrond
vormden met de lijn \'n vlak. Hieromtrent kunnen enkele
verslagen inlichten:

1) Vergel. hieronder blz. 140.

-ocr page 109-

I. L H. „Er is leven gekomen boven en onder de lijn; daar is iets
gaande, maar ik kan \'t niet kwalificeren (T).

I.nbsp;H L. Alles onder de lijn is pikzwart. Er is \'n verdeling van zwarte
ruimten, allemaal vlakjes naast elkaar. Of misschien enkele van die
vlakjes in nauwer verband met elkaar staan, kan ik niet met zekerheid
zeggen; ik meen van wel, maar hoe, weet ik niet (E). De zijstukken zijn
als zwarte stalen, omrand door \'n licht-biesje; ze hebben \'n zelfstandig
bestaan, verlangen helemaal niet naar verbinding (G).

II.nbsp;L H. Er is beweging in de ruimte aan weerskanten van de lijn,

maar hoe die beweging is? (O).....Ik merk op \'n zwakke golfbeweging

in de ruimte langs de lijn en tegelijkertijd verdichtte, consolideerde zich de
ruimte (K).

III.nbsp;H L. Er is beweging in cn rond de punten van de haken zelf.
Het zwart om de punt heen doet mee aan de beweging (Pr.). De binnen-
cn omgelegen ruimte neemt deel aan de beweging van de haakpunten (G).

IV.nbsp;L H. De hoeken zijn met zwart ingevuld; alles wat men zonder
die haken aan zwarte ruimte heeft, is in stukken verdeeld (G). De
waaierende haken geven \'n verdeling van al wat nu donker is, zodat ik

allemaal stukken zwart zag.....\'t Is \'n geheel, d.w.z. alles staat niet meer

los van elkaar, maar iets organics is \'t in geen geval (R).

Hier zijn de delen van het complex dus zo praegnant ver-
smolten met stukken van de achtergrond, dat nieuwe gehelen
zijn ontstaan. Dit is des te merkwaardiger voor dit derde
stadium, wijl er duidelik uit blijkt, dat het innige eenheids-
karakter van de figuur nog afwezig is. Van de andere kant
zou men er \'n voorbeeld in kunnen zien van de drang tot
„Gestalt\'-vorming. De figuur, op welker vorming de instelling
gericht was, ontstond niet; nu heeft zich uit de grondtrekken
van \'t gegevene \'n gestructureerd geheel gevormd met behulp
van de omgevende ruimte.

Hoe dit zij, tot dusverre werd \'n volledig versmelten tot
figuur niet verkregen. Toch hadden we meermalen met
markante grensgevallen te doen:

I.nbsp;L H. „Was er nu nog maar \'n ogenblikje rust in die delen
geweest, dan zou. dunkt me, \'n mooi figuur zijn ontstaan (R). H L. Dat
bewegen en verminderen van de haken vult de tijd, en laat geen tijd over
voor de indruk van \'n goed sluitend geheel (K).

II.nbsp;L H. Ik zie geen figuur, \'t Is een en al beweging: niets staties
is erin. Ik kan niet zeggen „daar staat zequot;, dat mankeert er alleen nog
aan (G).

III.nbsp;H L. \'t Is net of ik roepen moet: nu!; maar \'t drong zich niet op.
Ik bespeurde bij mezelf duidelik spanningsensaties. Deze sensaties kunnen
op \'t begin van realisatie wijzen (Pr.).quot;

-ocr page 110-

Dat subjectieve gelijktijdige gelijksoortigheid — in de be-
doelde gevallen voornamelik statiese, op grond van het feit,
dat lijn en haken gedurende \'n zekere tijd in rust gegeven
zijn — van belang is voor \'t tot stand komen van figuur-
vorming. hoeft nauweliks gezegd te worden. Nu dienen we
te bedenken, dat bij onze aanbiedings-voorwaarden meestal
enige beweging in één of in beide delen voorafging. Die
beweging, door beide afzonderlik en met verschillende snel-
heid begonnen, kon per slot van rekening uitlopen op één
beweging van \'t geheel, zodat men niet meer van beweging
van beide delen afzonderlik spreken kon. Dit kwam vooral
bij zeer korte expositietijden, waarbij de beweging hevig was,
slechts uiterst zelden voor. Over \'t algemeen genomen waren
dus de optredende bewegingsverschijnselen ten dele voor
figuurvorming ongunstige factoren.

Ook werden verschillende malen kwalitatieve ongelijkheid
der delen en de omstandigheid, dat de delen subjectief op
verschillende afstanden werden gelokaliseerd, als gebreken
genoteerd. Steeds zag men dan \'n geheel, waarvan het bestaan
uit delen al te duidelik gegeven was om als figuur-eenheid te
worden waargenomen. In \'n volgend hoofdstuk zal dit nader
ter sprake komen.

Bevredigend, aangenaam, levendig en toch rustig was de
indruk, die werd gewekt en ook in de motoriek der p.p. tot
uiting kwam, wanneer het complex werd waargenomen als
„figuurquot;, waarbij de eigenschap der innige versmelting op de
voorgrond stond. Dit was \'t
vierde stadiumt het figuur-stadium
In de vorige stadia had men wel gesproken van ,\'n geheel, dat
gevormd was. Wat nu figureel geheel of figuur heette, was ^
opvallend anders, \'t Onderscheid liet zich niet gemakkelik
onder woorden brengen:

„Ja dit is iets levendigs, er zit spanning in. Het geheel heeft iets orga-

nies. \'t Maakt \'n aangename indruk, vroeger was \'t koud voor me.....Dat

groeien en dat trillen, als \'t er even staat is duidelik van één organisme,
van \'n vast gesloten eenheid. Ik kan \'t niet beschrijven; dat figureel geheel
is voor mij doortrokken van \'t alles-één-soort-idee (K). Vroeger moest ik
altijd zoeken wat \'t was, nu kreeg ik \'t zo gemakkelik gegeven; en \'t is

-ocr page 111-

zo eenvoudig, in vergelijking met wat ik vroeger altijd heb gezien, \'t Was
nu simpel weg \'n ding. Dit is enkelvoudig en \'t zit harmonieus ineen. Men
begrijpt \'t direkt, men ziet op \'t eerste gezicht, dat \'t is wat \'t zijn moet.
Vroeger moest ik op de wijze van samenstelling letten, hoe \'t was opge-
bouwd uit stukken (T).....De figuur is vanzelf ontstaan, daar zou ik

niets tegen kunnen doen, ik moet \'t zien als figuur (O), \'t Is \'n zinvol iets,
n object \'t Kwam als geheel meer naar voren. Vroeger was \'t meer \'n
losse samenstelling en deed \'t als geheel matter aan (Pr.).quot;

Ook over de veranderingen in hetgeen vooraf geëxposeerd
was, hchtten ons de p.p. nader in. \'n Enkel voorbeeld:

„Er is iets veranderd in de haken, in hun waarde ten opzichte van
elkaar. Ze hebben merkbaar iets ondergaan (G). Die oude lijn, die in
vroegere gehelen altijd \'n rol bleef spelen, is nu plotseling vervangen door
de lijn die in de figuur staat. Dit is niet meer diezelfde, numeriek iden-
tieke lijn; er heeft \'n substantieële transformatie plaats gevonden, waardoor
\'t karakter van element vervangen is door dat van \'t moment (Pr.). Als
de haken verdwenen zijn, staat er weer \'n heel andere lijn dan die van
de figuur; ik herken die lijn als de oorspronkelike van voor de proef (E).quot;

We noteren hieruit als kenmerken: het zinvolle en bevre-
digende van \'t ding, \'t eenvoudige en enkelvoudige van zijn
aard, het organiese en levendige van de indruk die \'t maakt,
de opname van de oorspronkelike delen in en hun vervanging
door \'n heel nieuw iets. Waren \'t in vorige stadia voornamelik
de grondtrekken, waarop de indruk van \'n geheel was ge-
bouwd, nu zag men \'t geheel continu in vorm aanwezig, soms
nog als \'n figuur met losse eenheidsband, meestal als \'n meer
besliste, geprononceerde figuur, \'t Was \'n in elkaar- en door-
drongen-zijn, meer dan \'n samenstelling van naast elkaar aan-
wezige delen. De eenheid werd gezien, twijfèl daaraan was
niet meer mogelik. En daarbij had \'t individu de zekerheid,
dat het zich passief gedroeg. Niets hoefde mea te doen; de
figuur ontstond „vanzelfquot;, en dat was niét te verhinderen.

De oorspronkelike delen waren van waarde of van karakter
veranderd, en meer in \'t biezonder de lijn. \'t Was niet meer
diezelfde lijn; de indruk was geheel anders. Men zag eerst
de lijn en dan \'n figuur-lijn. Wat die verscheidenheid was, viel
niet te beschrijven. Terloops zij opgemerkt, dat die zekerheid
van „niet-identiekquot; optrad, zelfs als lijn en haken subjectief
in helderheid iets verschillend waren; en ofschoon de p.p.
wist, dat het objectief dezelfde lijn was die geëxposeerd

-ocr page 112-

bleef. wat nochtans \'t oordeel ..identiekquot; begunstigen kon.

Aanvankelik werd door de ongeoefende p.p. de lijn in \'t
geheel geïdentificeerd met de geïsoleerde lijn. Deze laatste had
de betekenis van de plaats en van \'t deel-zijn in \'t geheel i).
Zo wordt \'t begrijpelik. dat niet alle p.p. hebben opgemerkt,
dat men psychies niet met eenzelfde lijn te doen had. \'n Hoger
stadium van figuuropvatting was daartoe vereist. Soms was
enige aanwijzing in die geest aanwezig. Had bijv. de geïso-
leerde lijn enige dikte, dan werd opgemerkt, dat de lijn
..dunnerquot; of „streep geworden wasquot;, of dat ..de indruk van
dikte verdwenen wasquot;. Een der p
.p. zei, dat de lijn (na \'t ver-
dwijnen der haken) toch iets anders was dan vroeger: „ik
oriënteer ze nog als in de figuur, zo helemaal in \'t horizontale
gestrekt; dit verdroeg die indruk van lijndikte niet meer,
dunkt me.quot;

Naast bovengenoemde kenmerken voor het vierde stadium
staan de twee volgende. Bij fig. I en IV, expositievolgorde
L H, groeien de zijlijnen uit de hele lijn (niet meer uit haar
uiteinden zoals in het derde stadium), en wordt de hoofdlijn
aanmerkelik en geleidelik langer, als de zijlijnen verschijnen,
terwijl van \'n eigenlik korter worden bij hun verdwijnen nauwe-
liks sprake kan zijn. Er is wel \'n inkrimping over \'t geheel,
maar zo abrupt, dat men \'t juister vond. te spreken van ver-
vanging door \'n kortere lijn.

„Dat verdwijnen van de haken is \'n snel terugschuiven in, \'n terug-
opgezogen worden van de haken in de lijn. Er kwamen donkere lege
plekken aan de uiteinden, die tot de lijn behoorden®). Dit hele gebeuren
betekende wel \'n bekorting voor de lijn, maar het terugtreden zelf, \'n
eigenlik inschrompelen was niet, of tenminste voor mij niet duidelik waar
te nemen (T). Ik had verwacht, dat ik de lijn kon zien korter worden,
omdat \'t zo\'n stuk aan uitgestrektheid scheelt, de lijn in de figuur en de
lijn alleen. Maar \'t was zulk \'n plotseling vervangen door \'n lijn met vage
vlekken, dat ik moet zeggen, dat ik de inkrimping zelf niet kan zien (K).
Het verdwijnen van de pijltjes is geleideliker dan \'t opkomen. Na afloop

Het steeds gegeven zijn van de hoofdlijn op dezelfde plaats werkt
haar identificatie met de geïsoleerde lijn in de hand. Wellicht kan zo ook
opheldering vinden het verschijnsel, dat de afname van het illusie-bedrag
door oefening gebonden is aan de positie waarin de figuren zich ten opzichte
van elkaar bevinden. (Cf. blz. 25).

2) Dit bewijst dat \'n figureel geheel aanwezig is geweest.

-ocr page 113-

werd de lijn korter, maar dat uiteinde verdween zo simultaan, dat ik
beter zeg: de lijn hernam haar lengte, en laat dan in \'t midden, hoe dat
gebeurt (G). De Kjn is wel \'n stuk korter, als zij weer alleen staat, maar
net mkorten zelf zie ik niet (O). Het verdwijnen is abrupt. Er blijft \'n lijn
over, die \'t eerste ogenblik nog dat biezondere karakter heeft van de lijn
in de figuur; \'t is dan. nog diezelfde lijn, maar opeens is zij dan vervangen
door de oude lijn (Pr.).quot;

Bij fig. II en V. L H, konstateerden alle p.p., dat de ver-
korting van de hoofdlijn, als de zijlijnen verschenen, veel
minder duidelik was dan de verlenging van de hoofdlijn bij
de figuren I en IV. De volgende verslagen hebben betrekking
op de verandering in de hoofdlijn bij fig. II:

„De haken komen op vanuit \'t midden van de lijn. Dan heeft het geheel
wel iets gedrongens, en dit deelt zich mee aan de lijn, zou ik zeggen,
maar beweging zie ik niet in de lijn, ook geen eigenlik gebeurend korter

.....De lijn zet wel uit bij \'t verdwijnen, maar met \'n ruk. zij is

ineens uitgezet (H). De haken verschijnen vanaf hun open uiteinden te
beginnen, en juist in tegenovergestelde richting schuift tegelijkertijd de
omgeving van weerszijden naar binnen. Die ruimte dringt samen, \'t Is
vreemd, maar daar beweegt iets in die ruimte, ik kan niet zeggen wat^),

----Bij het verdwijnen van de pijltjes wordt de lijn langer, maar dat

langer worden is meer momentaan; ik zie de lijn weer ineens in haar volle
lengte, en die is groot. Maar er is zoveel veranderd: de omgeving had er
eerst alles mee te maken, en als de lijn alleen staat, zo te zeggen niets
meer (G). Er is \'n verengende beweging in de hele lijn; die beweging
culmineert in \'t uitschieten van de haken; dan is er \'n zekere spanning in de

.....B\'j het verdwijnen van de haken is de lijn ineens uitgeschoten.

misschien al voordat de haken weg zijn (Pr.). Plotseling is de vroegere
lijn weer gegeven in die grotere lengte (K). De lijn beweegt, wordt
duidelik korter, en dan klappen de haken met de ruimte daartussen in de

lijn samen.....Ik zie de lijn niet uitzetten, als de haken verdwijnen; ik

herken dan weer diezelfde lijn. die langer is. Ja ik zie het korter worden
in elk geval geleideliker plaats vinden dan het uitzetten (E). De lijn

wordt korter, er vallen stukken af, als de haken verschijnen.....De lijn

zet uit bij het verdwijnen van de haken (D).quot;

Beschouwen we deze observaties, dan blijkt overeenstem-
ming aanwezig te zijn aangaande de lijnverandering bij het
verdwijnen der zijlijnen: de lijn is plotseling uitgezet; en dit

^) Verg. W. Lasersohn. Kritik der hauptsächlichsten Theorien über den
unmittelbaren Bewegungseindruck. Zschr. f. Psych.
61, 1912. blz. 81 e.v.
Daar wordt gesproken over bewegingsverschijnselen, die zich kenmerken
door \'n „Etwasquot; dat „huschtequot; naar de plaats, waar \'n lijn zichtbaar
werd, terwijl met zekerheid gekonstateerd kon worden, dat \'t niet de lijn
was, die zich verplaatste (blz. 101 e
.v.).

Psychologie der waarnemiognbsp;■j

-ocr page 114-

gebeuren is zo abrupt, dat \'t langer-worden zelf, niet te
volgen is. Alleen p.p. E — want D waarschijnlik niet —
zag de lijn geleidelik korter worden, toen de zijlijnen ver-
schenen. Er is o.i. geen voldoende grond aanwezig om dit tot
individuele verschillen terug te brengen. Veeleer is \'t mogelik,
dat p.p. E inkrimping noemde, wat niet anders was dan \'n
samendringen van het geheel (de lijn met haar onmiddellike
omgeving), die biezonder duidelik in inkrimping van de lijn
tot uitdrukking kwam.

Hoe is nu te begrijpen, dat, als de zijlijnen verschijnen, bij
fig. I uitzetting gezien wordt, maar bij fig. II geen inkrimping?
Kan wel \'n uitzetten van de hoofdlijn worden waargenomen,
als de lijn haar identiteit verliest? De verschillende fasen,
waarin dat langer worden bij fig. I gebeurt, geven \'t antwoord.
De korte eerste lijn heeft met bewegingsverschijnselen plaats
gemaakt voor \'n niet identieke, grotere lijn. Bij fig. II konden
we dergelike fasen niet of maar hoogst zelden onder bepaalde
omstandigheden observeren.

I. L H. „Eerst werd de lijn langer met \'n ruk; successievelik daarna
groeiden de haken uit de hele lijn; dan was er \'n korte pauze, en toen
drong zich ineens de figuur aan mij op (K). De lijn dijt aanmerkelik uit,
onmiddellik daarna schieten er pijltjes uit; dan zie ik eerst nog even vage
zones in \'t geheel; maar hoe dit dan \'n figuur wordt, waarin alles gelijk-
matig belicht is, weet ik niet. Ineens was de figuur weg.....Nu heb ik op

het verdwijnen gelet; dat gaat sneller dan het verschijnen van de f\'guur
(G). De lijn wordt fenomenologies verlengd en vrij langzaam. Vanuit \'t
midden van de lijn schuiven de haken uit; dan is er \'n geheel, waarin
stukken lijn met haken zitten; tenslotte is het toch \'n figuur (T). Eerst
nadat de lijn was begonnen zich uit te rekken, spoten links en rechts die

streepjes eruit; \'t was \'n figuur.....De onttakeling van de figuur gaat

veel vlugger in z\'n werk dan het één worden, ook al stel ik er me speciaal
op in (Pr.).quot;

We kunnen dus verschillende fasen onderscheiden bij de
waarneming van figuur 1 (en eveneens van figuur IV), als de
zijlijnen na de hoofdlijn worden geëxponeerd: 1. de lijn in
rust — 2. de lijn wordt langer — 3. de zijlijnen groeien uit de
lijn — 4. \'n verbrokkeld geheel, waarin stukken van de lijn
zitten met „hakenquot; — 5. \'n pauze — 6. het gegeven zijn van
de figuur — 7. = 4 — 8. de zijlijnen worden teruggezogen
in de hoofdlijn — 9. de lijn met bewaard figuur-lijn-karakter.

-ocr page 115-

of de oude lijn met „legequot; vlekken aan de uiteinden — 10. de
oude lijn in rust. Dat deze fasen niet alle bij één introspectie
werden genoteerd, is duidelik voor wie ooit \'n introspectief
onderzoek deed. In hoeverre fase 7 en 9 werden opgemerkt,
kwam reeds ter sprake. Hierbij moeten we bedenken, dat
fase 7 vrij zeldzaam was, en dat fase 9 ook kon bestaan in de
waarneming van \'n lijn, die de bekende geleding in drieën
vertoonde. Aangaande de subjectieve tijdsverhouding der ver-
schillende fasen zij gewezen op de zekerheid, waarmee alle
p.p. meedeelden, dat het groeiproces der figuur langer duurt
(fase 1 niet meegerekend) dan de onttakeling van \'t figureel
geheel. Figuurvorming vraagt dus meer tijd dan het uiteen-
vallen van dezelfde figuur.

Stilzwijgend zijn we voorbijgegaan aan wat, in geval van
andere expositievolgorde (H L), verkregen werd. Geldt
daar \'t zelfde wat hierboven is vastgesteld? Doen zich daar
misschien andere verschijnselen voor, die licht kunnen werpen
op het probleem dat ons bezighoudt? Vooreerst merken we
op, dat er van \'n groeien van de hoofdlijn uit de haken geen
sprake is. Aan de hand van enkele citaten nemen we kennis
van verdere biezonderheden:

I. H L. „De Hjn komt uit \'t midden op, strekt zich uit, wordt dunner,
zuigt de haken naar zich toe; de haken bewegen even; dan is er \'n
gespannen eenheid, die toch niet zo uitgestrekt is, als ik gedacht had.

----Ook als de lijn verdwijnt, zuigt zij even aan de haken......Er is

beweging in de haken, hoe gering ook. En toch moet ik zeggen, dat ze
op hun plaats blijven staan, \'t Is zoals ik gezegd heb, ik blijf daarbij (R).
Heel rustig verschijnt de lijn vanuit \'t midden naar de pijltjes, dan is er
\'n ogenblik \'n geheel-uit-stukken bestaande, maar onmiddellik daarna zag
ik \'n heel nieuw figureel geheel, wat ik nu zeker \'n figuur moet noemen.
De figuur is af, ze maakt \'n behagelike indruk, \'n Overvloed, \'n volheid
van horizontale oriëntatie is erin gegeven. De afstand van de pijltjes leek
groter, dan te voren mogelik was. De pijltjes hebben zich niet verplaatst,
ze staan vast (G). De Hjn is of uit \'t midden ontstaan, ofwel er waren
ineens drie stukken gegeven. Die eindstukken trokken iets aan de haken,
maar \'t was onmiddellik daarna \'n mooi figureel geheel, \'n perfecte eenheid.
Haar lengte was opvallend, toch staan die haken zo muurvast, dunkt me,
dat ik geen verschuiving heb gezien. En toch dacht ik, dat bij het ver-
dwijnen van de Hjn de haken, om de hoekpunten heen vooral, iets naar
binnen werden getrokken (D). Met \'n resolute slag werden de haken tot
\'n eenheid. De lijn komt niet in de plaats van de donkere ruimte, die
tussen de haken is; neen \'t is helemaal iets anders: die haken met de

-ocr page 116-

donkere ruimte er tussen èn die lijn-haken figuur. De figuur is een-
voudig en zeer gestrekt. De hoek van de pijltjes is kleiner geworden; de
pijltjes strekten zich veel meer; de benen bewogen naar elkaar toe, toen
de lijn kwam (E). \'n Zeer lange lijn kon er tussen; zij kwam op uit \'t
midden en verdunde, terwijl zij naar de haken liep. De haken hebben \'n
beweging gemaakt. De benen klapten iets naar elkaar toe; \'t was één en
\'t zelfde iets met één uiting: zich uitstrekken, \'t Is zoals ik gezegd heb,
maar groter wordt de omvang van \'t geheel eigenlik niet, dunkt me. Het
is veel meer zo, dat de haken met de beweging die ze maken, \'n nieuwe
kwaliteit krijgen en tegelijkertijd wat afstaan, \'t Nieuwe is het gestrekt
zijn; wat ze afstaan is hun grote gewichtigheid. ... De haken lijken groter
te zijn als ze alleenstaan; ik zie ze niet kleiner worden, maar hun grootte
valt niet meer zo op (K). De lijn duwt de haken uiteen, als ik op de
tussenruimte let. De hoeken worden kleiner, de benen komen iets korter
bij elkaar; \'t is \'n goed gestrekt figureel geheel geweest, \'n figuur (O).
Er is veel veranderd in de haken, in hun waarden ten opzichte van elkaar.
De hoek tussen de benen is kleiner geworden, de lijntjes zijn meer in \'t
verlengde van de lijn gaan liggen, \'t Zijn geen voorname haken meer,
maar zijstukken, leden zijn \'t geworden. Als de lijn verdwijnt, staan die
haken er weer als respectabele haken (T). \'t Is zeker geen groeien van de
lijn uit de haken. Het groter-zijn van de afstand zie ik wel; het groter-
worden zie ik niet; \'t is ineens groter. Als de lijn verdwijnt, trekken de
haken iets naar binnen, maar dat is \'n beweging aan de binnenzijde. Aan
de uiteinden van de haken zie ik die beweging niet (Pr.).

II. H 4- L. De lijnbeweging gaat van \'t centrum uit en keert weer naar
\'t centrum terug. De haken hebben \'n andere betrekking gekregen, \'t maakt
de indruk van \'n ding. Eerst stonden daar die haken; de lijn kwam en was
\'n ogenblik voornaam, maar de haken bleven pal staan. Wel stonden ze
opeens wat verder van elkaar af. In de figuur zijn de zijstukken de voor-
naamste delen. De lijn werd dikker, toen zij zich uitstrekte tot bij de
haken; \'t was of de haken naar binnen kwamen; toch zag ik ze niet
bewegen (K). De hoeken zijn kleiner geworden. Het geheel is zeer
levendig; horizontale richting is er ingekomen. Als de lijn er is, staan
de hoekpunten verder van elkaar af. Toch bewegen die haken niet. Hun
onbeweeglikheid lijkt me een belemmering om een figuur te krijgen met die
bewegende lijn, die één en al actie is (G). De figuur komt naar voren,
de ruimte is zo helemaal anders geordend, als de lijn er is. Eerst had \'t
vertikale moment de overhand, nu viel op de horizontale gestrektheid van

de ruimte boven en beneden langs de lijn----De lijn komt uit \'t midden

op, zet uit en wordt dikker, totdat zij aan \'t hoekpunt van de haken is
gekomen. Ik heb wel \'t idee, dat de haken bewegen, maar ik kan daar
toch moeilik beweging in zien (T). De ene Gestalt vervangt de andere,
de laatste is groter dan de eerste. Als de lijn verdwijnt, is er \'n trekking
over de hele haken. De lijn verdwijnt soms naar \'t midden, soms in de
twee haken (N).quot;

Vergelijken en combineren we deze gegevens, dan konsta-
teren we vooreerst, dat de hoofdlijn subjectief dunner wordt,
als zij zich uitstrekt naar de haken met naar buiten gerichte

-ocr page 117-

benen, en dikker wordt, als de haakbenen naar binnen zijn
gekeerd. Ook von Szily merkte deze verschijnselen op, als hij in
n\' hoek een lijn liet bewegen naar het hoekpunt, volgens de bis-
sectrice. Ter verklaring spreekt hij van „Konturenkontrastquot; i).
In hoeverre hiermee \'n eigenlike verklaring aan de hand zou
zijn gedaan, laten we buiten beschouwing. Voor ons zijn deze
verschijnselen vooral merkwaardig, omdat hier \'n aanwijzing
gegeven is voor de observatie, dat de hoofdlijn, opgenomen
in figuur I. waarvoor karakteristiek is de gerektheid, iets
van haar dikte verloren schijnt te hebben. Was \'n zekere dikte
bij de waarneming van de geïsoleerde lijn één der opvallende
kwaliteiten, die dikte heeft de lijn in meerdere of mindere mate
ingeboet, zodra zij deel is geworden van \'n nieuw geheel.

Bij de figuren II daarentegen, door het saamgedrongene
gekenmerkt, lijkt zij dikker dan wanneer ze alleen staat. De
invloed der functionele inlijving wordt dus bepaald, wat de
lijn betreft, door de kwaliteit van \'t geheel, waarin ze is ver-
vat. De vervorming, het dunner of dikker worden, is inhae-
rent aan de opneming van de lijn in het figuur-complex.

Minder duidelik waarneembaar was de invloed van de lijn
op de figuur-grootte. Toch menen we \'n strekking te kunnen
vaststellen, die de figuur kleiner doet zien, d.w.z. kleiner dan
men verwacht had, als de hoofdlijn bij de zijlijnen van figuur I
verschijnt; en omgekeerd in de figuren II. De lijn bewerkt
dus, om \'t zo maar eens te zeggen, grotere figuren II en
kleinere figuren I. \'t Is \'n wisselwerking van de lijn en de
figuur, die telkens tot uitdrukking komt. De figuur luistert
naar de lijn, en de lijn naar de figuur. Dit is ook een illusie-
moment waarvan we ons rekenschap wilden geven.

Op de merkwaardige bewegingsverschijnselen in de haken
zullen we in \'t voorlaatste hoofdstuk terugkomen. We vestigen
nog de aandacht op de differentiatie naar belangrijkheid der
delen, die zich opdringt aan \'t individu, als de delen successief
verschijnen.

Zoals altijd, was ook hier het deel dat verscheen, de lijn, \'t

A. V. Szily, Bewegungsnachbild und Bewegungskontrast. Zschr. f.
Psych. und Phys. d. Sinnesorg. 38. 1905. blz. 139 e.v.

-ocr page 118-

eerste ogenblik overheersend. Onmiddellik daarna versprong
echter het accent: de vleugels, de zijstukken werden domi-
nanten, en bleven dat in de figuur. Dit is \'n punt van belang,
zoals we hieronder zullen zien, in verband met de invloed van
„gestaltendequot; factoren op andere, die „gestaltetquot; worden. De
veranderingen in de lijn tengevolge van \'t verschijnen der
haken zullen aanmerkelik groter zijn dan de veranderingen in
de haken tengevolge van het verschijnen van de lijn, omdat
dc haken \'n natuurlik overwicht hebben.

Ook bij deze expositievolgorde, H L, kunnen we enkele
fasen onderscheiden; achtereenvolgens: I. de haken in rust —
2. de lijn strekt zich uit — 3. beweging in de „hakenquot; (ofwel
zij blijven opvallend pal staan) — 4. \'n verbrokkeld geheel van
stukken van de lijn met deze „hakenquot; — 5. \'n pauze — 6. de
figuur — 7. = 4 — 8. de lijn verdwijnt en daarbij is weer be-
weging in de „hakenquot; — 9. de haken in rust. Het verschil,
waar \'t om gaat, bij vergelijking met de resultaten der proeven-
series L H, is dus voornamelik hierin gelegen, dat de hoofd-
lijn niet of zeer zelden uit de haken groeit; en verder, dat \'n
groter- (I) of kleiner-worden (II) van de afstand van de
haken bij het verschijnen van de lijn, niet of altans zeer moeilik
valt waar te nemen i).

De beschrijving van het ontstaan en uiteenvallen der figuren
IV en V stemt overeen, met wat hierboven werd aangehaald,
respectievehk bij de figuren I en II. Biezonderheden waren
de „élégancequot; der wijze van verschijnen, als de haken uit dc
hoofdlijn „zwaaidenquot;, de „elasticiteitquot; der hoofdlijn en het
„praedomineren van het samengeperst worden en van de
explosie der omgevende ruimtequot;.

Nadere vermelding vragen de resultaten bij de figuren III
verkregen:

III. gt;-L H. „Pijltjes komen uit de lijn; deze is dan veel meer

\'n streepstuk in dc figuur. Het wegslaan van de pijltjes kon ik niet volgen.
Ik moet erbij zeggen, dat ik heb gemerkt, toen de pijltjes verdwenen waren,
dat ik iets links van \'t midden fixeerde.....Het geheel heeft \'n sprekende

1) Zie hieronder blz. 139.

-ocr page 119-

oriëntatie-uitdrukking gekregen; \'t lijnelement is daarin volledig dienende.
Er zijn aesthetiese elementen in dat figureel geheel (G). Ik zag de haken
als lijntjes, \'t zijn eigenlik geen haken meer; hoe ze opkomen is moeilik
duidelik te maken. Eerst zie ik hun uiteinden, links klappen ze verder open,
maar dat gaat zo vlug, dat ik \'t niet volgen kan... Bij \'t verschijnen zette
de lijn links uit Ik kan niet zeggen dat de lijn in haar geheel langer werd
(E). Als de haken opkomen, verschuift de lijn iets naar links. Het geheel

maakt \'n prettige indruk, straks was \'t doods (derde stadium).....Ik heb

nu gelet op het verdwijnen, en nu schoof de lijn iets naar rechts, toen de
haken weggingen (Pr.). Ik heb te veel naar links gefixeerd... Ik meen,
dat de haken van links komen en de lijn naar links wordt getrokken, zij
verplaatst zich en de figuur staat er dan in gesloten vorm (D). De haken
worden ineens afgeknepen, en daarna pas verschuift de lijn traag naar

rechts; dit is \'n glijdende beweging.....Er was beweging in de omgeving,

\'n veerkrachtig terugspringen, toen de haken verdwenen; de lijn deed er

aan mee.....De beweging was nu meer aarzelend.....Nu verschoof

de lijn voorbarig, naar rechts, ofschoon de haken er nog niet waren____De

lijn wordt even naar beneden getrokken (vertikale stand); boven is \'t
geheel meer gesloten, meer af, dan beneden. Beneden is \'n grijze vlek op

de lijn, even boven \'t punt waar de zwaluwstaart eraan zit.....De

benedenhaak stuwt \'n donker wolkje naar boven en trekt dit bij het ver-
dwijnen weer naar beneden; dan zie ik de lijn weer in haar volle lengte.

____Dat donkere vlekje is iets heel bijkomstigs. Bij \'t verdwijnen klimt de

lijn even naar boven (K). De haken verschijnen vanaf hun open uiteinden;
er waren vage plekken in de lijn, maar de lijn liep toch door. Door \'t

langer staan blijven werden die plekken minder donker.....Toen de

haken verschenen, zette de lijn naar beneden uit; boven hebben ze misschien
iets van de lijn in zich opgeslorpt. Het uitzetten naar beneden heb ik

duidelik gezien.....\'n Golf van donkerte is even door de lijn gesprongen;

\'t was \'n overgang van \'n geheel met donkere plekken tot \'n homogene,

werkelik goeie figuur.....Nu heb ik op de linkerkant gelet, de lijn zet

daar iets uit, als de haken verschijnen; toch maakt de Hjn in de figuur niet

de indruk grotere lengte te hebben;----bij \'t verdwijnen is de Hjn opeens

rechts met \'n schokje iets langer geworden; ofwel heeft de Hjn zich naar
rechts verplaatst ik kan \'t niet zeggen (T).quot;

Opvallend was dus de beweging van de hoofdlijn, die objec-
tief stilstond. Proeven met dezelfde figuur, maar nu als pijl

naar links wijzend, lt;-lt; , gaven dezelfde bevindingen:

de lijn verplaatste zich (verlengde) met \'n schokje naar rechts
als de haken verschenen, en omgekeerd naar links bij hun
verdwijnen.

Waren van figuur III eerst de zijlijnen en daarna de hoofd-
lijn gegeven, dan luidden de introspecties als volgt:

,AIs de haken \'n tijdje samen rustig hebben gestaan, ont-

rolt zich plotseling de lijn naar links en rechts vanuit het fixatiepunt

-ocr page 120-

\'n Figureel geheel is gevormd, nadat ik eerst links en rechts verband heb

gezien van lijnstukken met de haken.....De lijn heb ik eigenlik niet

gezien, d.w.z. niet afzonderlik; ik zag stukjes met de haken eraan, en toen

was \'t plotseling één geheel, alles van één soort.....De lijn rolt zich ook

weer op naar \'t fixatiepunt (K). De lijn komt op van links naar rechts.

Het geheel is horizontaal geregeld.....De hoek links werd groter, de

rechter spitser. Er is verandering gekomen in dat stel haken; \'t is alles

één verband.....Als de lijn er is, zijn \'t geen haken meer maar pijlen;

ik heb ze zien aanpunten; rechts bewogen de benen naar elkaar toe (G).
De benen van de pijltjes lopen niet meer parallel als de figuur er is. Het

horizontale is sterk geaccentueerd.....De lijn verdwijnt naar rechts in

zichzelf. Bij \'t verdwijnen is er beweging aan de haakpunten; \'n terug-
springen tot de toestand, zoals ze eerst hadden gestaan. Men ziet de haken

meer in één richting, daarmee is \'t geheel veel beter.....Nu heb ik de

hele lijn gezien maar in beweging, erg oruoistig. Ik construeerde er \'n
figureel geheel uit. Eerst zag ik haken met \'n lijn ertussen; \'t drong zich

niet op als geheel; mijn actieve instelling werkte nog.....Op \'t ogenblik

van verdwijnen was er beweging in de haken zelf en de zwarte ruimte,
die daartussen en eromheen is. Dat is \'n beweging van uitzetten en in-

schrompelen.....De lijn komt van \'t midden uit op; ik heb er eerst meer

actief \'n totaal van gemaakt; toen was de lijn opeens als zelfstandig geheel
verdwenen. Zij was opgenomen in \'t nieuwe geheel; de figuur gaf \'n
aesthetiese indruk, dit is iets nieuws, dat heb ik tot nog toe niet gehad.
Eerst heb ik wel die haken opgevat als horende bij elkaar, maar \'t was

toen toch geen aesthetiese coördinatie.....Nu heb ik, en dit is eigenaardig,

ineens de figuur opgevat als pijl naar rechts gericht; eerst had ik altijd \'n
opvatting van de figuur naar links georiënteerd, dus niet als pijl; nu is

het \'n zinvol iets.....Met die veranderde instelling komt nu de lijn van

links naar rechts op; haar verschijnen is intentioneel gericht, \'t Is direkt
\'n geheel. De haken zijn vanzelf gecoördineerd, de rechterhaak is daarbij
dominerend.....De haken trekken gecoördineerd de lijn aan, bij \'t ver-
dwijnen zie ik \'n gecoördineerde verplaatsing van de haken naar links
(Pr.).quot;

De wijze, waarop de lijn (subjectief) verschijnt, is dus
blijkbaar \'n kwestie van instelling. Domineert de geheel-
opvatting, dan is ze hierop gericht; met dien verstande, dat
de beweging, die vanuit \'t punt van fixatie haar aanvang
neemt, de voorkeur heeft, tenzij een bepaald georiënteerd-zijn
van \'t complex aanwezig is, in welk geval dit laatste van
bepalende invloed schijnt te zijn. Ook lezen we uit het laatste
verslag, dat de instelling van betekenis is voor \'t al of niet zich
opdringen van \'t complex als figuur, \'n Instelling levert des
te eerder het bedoelde effect op, naarmate zij in overeenstem-
ming is met de meest voorkomende opvatting van de figuur,
d.w.z. meer beantwoordt aan de zin, waarin de figuur ge-

-ocr page 121-

woonlik „begrepenquot; wordt. Niet alleen de objectieve aard van
t complex is dus van belang voor de waarneming van \'n
figuur, maar ook de subjectieve groepering van het gegevene
en de instelling.

2. HET FUNCTIONEREN VAN DE EENHEID.

De weg, waarlangs de figuur zich constitueerde, was be-
paald door het eerst gegeven zijn van één der elementen,
\'t Andere had, gelijk alle prikkels die in beweging zijn. \'n
buitengewone opmerkzaamheidswaarde. Waren \'t de zijlijnen,
die \'t laatst verschenen i), dan werden zij eerst waargenomen
als \'n diffuus complex, dat organies en levend scheen te zijn.
Zij namen dan de p.p. zozeer in beslag, dat de lijn niet meer
of bijna niet kon worden waargenomen. De indruk van eenheid
van delen was aanvankelik niet aanwezig, \'n Stadium van
louter simultane aanwezigheid, van betrekkingloosheid, \'n
gezamenhk beleven van de gegeven elementen ging vooraf
aan het beleven der eenheid.

En al had men de grondtrekken van \'t complex gezien, het
nieuwe element, tengevolge van de een of andere dispositie,
als voor \'t geheel waarde-en-vorm-bepalend erkend, toch werd
voorlopig \'n bevredigende eenheid niet waargenomen, \'t Bleef
bij \'n losse samenvoeging van de lijn en de haken, die ..erbij
kwamenquot; en elk op zich \'n indruk van zelfstandigheid maak-
ten. Men had de overtuiging, dat dit gegeven \'n anticiperend
schema was, dat aanvulling behoefde. Het speciale aspect van
dit complex was bepaald door het gescheiden zijn der ele-
menten. De haken werden in \'t tweede stadium analyties
opgevat, in tegenstelling met de syncretiese waarneming in
\'t eerste cn de synthetiese in \'t derde stadium. De tussen-
ruimte, de opening, de afstand was reeds opgenomen in en
gevormd naar het gedetermineerde complex.

In het derde stadium groeien de zijlijnen uit de uiteinden
der hoofdlijn, en is \'n anders gestructureerd geheel onmiddelhk

Hieronder is voornamelik sprake van I. L H.

-ocr page 122-

gegeven. Dan is de geleding bepaald, niet naar de „oude
delenquot;, maar naar de groepvorming, die zich voltrokken heeft
door versmelting van de uiteinden der hoofdlijn met de zij-
lijnen. Er zijn vage vlekken in de hoofdlijn, die de betekenis
hebben van schakels of voegen tussen de gescheiden sym-
metriese vleugels. De nieuwe zijstukken i) zijn de centra voor
de dominerende kwaliteit in \'t geheel, dragen in zich \'n
karakteristiek gerekt- of gericht-zijn naar buiten, ofwel \'n
saamgedrongen-zijn, wat dan telkens tot uitdrukking komt in
de omgevende ruimte, en zich meedeelt aan de lijn zelf. Het
beleven van die groepen overheerst ten opzichte van de delen
door hun onmiddelike praegnantie en duidelikheid. De
partiële gehelen komen naar voren, terwijl de oorspronkelike
delen (haken en lijn) op de achtergrond zijn geraakt. Met
deze functionele inlijving gaat gepaard de strekking tot uni-
formiteit in soort, richting en helderheid van \'t materiaal, dat
in de groepvorming betrokken is. De benen van de hoek
bewegen naar elkaar toe, de lijn wordt dunner of dikker, rekt
zich of trekt zich samen; de momenten der partiële figuren, de
uiteinden van de lijn en de haken, die nu „lijntjesquot; moeten
heten, streven naar gelijke helderheids); kortom, er is kwali-
tatief en kwantitatief verandering gekomen in de delen, d.w.z.
in de haken en in de lijn.

Het groeien uit twee centra stond de opvatting van eenheid
in \'t derde stadium in de weg. Met de groei van de haken uit
de hele lijn constitueerde zich de figuur in \'t vierde stadium
als \'n organisme en trad als eenheid op de voorgrond. Aan de
innigheid, geslotenheid en enkelvoudigheid van haar aard
paarden zich de herkenning van de vorm, van \'n zinvol iets,
van \'n ding en de indruk van welgevalligheid. Voor de delen
(lijn en haken) betekende dit proces \'n substantieële trans-
formatie van element tot moment. Zo was niet alleen de groe-
pering der delen in het tweede, derde en vierde stadium \'n
andere, maar ook het resultaat voor de lijn. In \'t derde stadium
was de lijnverandering, uitzetting en inkrimping, \'t best waar

Niet de haken zoals H. Werner zegt (blz. 250).

2) Zie hieronder blz. 125.

-ocr page 123-

te nemen; in \'t tweede het korter- en in \'t vierde stadium het
langer worden. Geldt dit voor de figuren I (en IV), bij de
figuren II (en V) was \'n overeenkomstige strekking vast te
stellen, nochtans met enig voorbehoud, wat \'t vierde stadium
betreft.

Aldus voerde de ontwikkeling in de verschillende stadia
sprongsgewijs langs de spanning om klaarheid te krijgen tot
voldaanheid, langs het vermoeden „zo moet \'t wordenquot; tot de
zekerheid „zo is \'t volledig gegevenquot;, van betrekkingloosheid
tot organiese eenheid, van \'n geheel, op discontinue elementen
gefundeerd, tot de innig gesloten figuur, van „n allerleiquot; tot
\'t enkelvoudig zinvol object. Het geheel heeft zich opgebouwd
uit successieve waarnemingsacten. \'n Bewustzijnsproces van
vereniging, \'n eigenlik samenvatten, bewuste synthese hebben
we niet kunnen konstateren. Men vond \'t geheel, de eenheid,
de figuur gegeven, zonder dat wij iets merkten van n produk-
tieve act, die synthetiseert!). Hiermee dienen we rekening te
houden, vooral waar wij genoodzaakt waren, van tijd tot tijd
woorden als ..vormingquot; en ..opvattingquot; te gebruiken.

In \'t hele ontwikkelingsproces tot figuur zien we telkens
het geheel als eenheid functioneren en wel in stijgende mate.
Er traden in de delen karakteristieke vervormingen en ver-
anderingen op, die gericht waren op het vormen van \'n een-
heid; er voltrok zich \'n differentiatie naar belangrijkheid in
gelijke zin; de oorspronkelike elementen maakten plaats voor
momenten van \'t éne geheel. Zo verstaan we de aanpassing
aan het geheel van vorm en kleur der tussenruimten de steeds
scherper wordende aftekening tegen de achtergrond, de ver-
anderingen der ruimtehke betrekkingen en der kwalitatieve
eigenschappen van de leden: als resultaten van \'t feit, dat \'n
steeds verder om zich heen en steeds meer in de diepte

Benussi meende, dat \'t individu door bewuste eigen psychiese arbeid
steeds de „Vereinheiüichungquot; der verschillende gegevens zou bewerken.
(Zschr. f. Psych. 69. 1914, blz. 270). Wij ontkennen niet, dat dit onder
bepaalde omstandigheden voorkomt, wel échter menen we te moeten
betwijfelen, of dit steeds het geval is.

-ocr page 124-

grijpende structuurvorming zich voltrekt (Durchstrukturie-
rung). Onze waarneming is altijd \'n eenheid. De hiërarchie in
de momenten, die in de waarneming kunnen worden onder-
scheiden, beantwoordt niet aan de hiërarchie in de momenten
der prikkelconstellatie. Wij ordenen „vanzelfquot;. Om \'t karak-
teristieke van \'t geheel te beleven — hier \'t saamgedrongene
(II) of de gerektheid (I) — vond zo nodig \'n overdracht van
\'t accent plaats (H L). De symmetriese zijstukken, die
centra waren voor deze kwaliteiten, werden dominanten in \'t
geheel; de gerektheid of het saamgédrongen-zijn trad bij de
waarneming op de voorgrond, en deelde zich mee. met ver-
vormende bewegingen, aan de lijn.

De kwahteit der eenheid drong zich op en eenmaal aan-
wezig, bleef ze hardnekkig bestaan. Ondanks objectieve ver-
schillen in de delen, vergeleken bij voorafgaande exposities,
moesten de p
.p. herhaaldelik zeggen: „ik zie \'t juist als de
vorige keer: er is geen verschil met het vorigequot;. En als per
ongeluk een der delen even in beweging kwam, bijv. tenge-
volge van n stoten tegen de lantaarn, dan zag men \'t geheel
als eenheid die beweging maken. En zou die persistentie der
eenheid ook quot;niet oorzaak zijn, dat het verloren gaan van
\'t figuur-karakter minder tijd vordert dan figuurvorming? Dat
de lijn \'bij haar verdwijnen aan de haken, waarmee ze innig
verbonden was, schijnt te zuigen? En tenslotte, dat de haken,
vooraf als eenheid gegeven, meestal zo onbeweeglik blijven
staan als de lijn verschijnt en verdwijnt (H L)?

In andere psychiese en psychofysiese sferen (bijv. het
gevoel, de motoriek) werd de waargenomen eenheid mee-
beleefd.

Vooreerst riep zij karakteristieke gevoelens op. De be-
ïnvloeding door voorafgaande proeven was hier van groot
belang. Verkeerde men aanvankehk in onrust, in twijfel
en spanning, en werd \'t gegeven ..koud, doodsquot; genoemd;
naderhand, bij de waarneming van de figuur, sprak men van
„\'n gevoelsmatiige warmte, van aesthetiese elementen, van \'n
mooi en harmonies geheel, dat \'n prettige indruk maakte, en
van zekerheid en voldaanheidquot;.

-ocr page 125-

De gevoelswerking en \'t vatten der betekenis straalden uit
in de motorieki). We wezen reeds op spanningsensaties,
die optraden als, hetgeen waargenomen werd, bijna \'n figuur
was. Biezonder merkwaardig waren echter bij de protocol-
lering de bewegingen met interpreterend karakter. Hoe innig
de motoriese verschijnselen met die van de waarneming ver-
smolten kunnen zijn, blijkt hieruit, dat \'n motoriese compo-
nent herhaaldelik vicariërend optrad voor de verwoording van
hetgeen was waargenomen. „Ik kan \'t niet onder woorden
brengen, maar ik zal \'t tekenenquot;, zeiden de p.p. Dat is te
vergelijken met de observaties, die men bij examens telkens
kan maken, als \'n definitie wordt gevraagd, bijv. van \'n cirkel
of van t begrip compact: Het demonstrerend gebaar komt
dan onmiddellik tussenbeide om de definitie te vervangen.

In de eerste twee stadia merkten we op \'n onwillekeurig
fragmentair meebewegen van één hand of arm. Met beide
armen tegelijk werd doorgaans in \'t derde en in \'t vierde
stadium \'n demonstrerend gebaar uitgevoerd, dat continu van
\'t midden uitging (I) of van buiten af begon. Ook hier dus
was het dc eenheid van het gegevene, die de motoriek bepaalde,
\'t Herinnert ons aan de analoge illusie op \'t gebied van de
tastzin en aan de lokalisatieproef met één of met twee handen
bij \'n M. L. figuur. Vraagt men nl. \'n p.p. met één hand de
plaats aan te wijzen, waar de eindpunten waren gelegen van
\'n vertoonde M. L. figuur, dan is geen merkbare illusie te
konstateren. Dit is daarentegen wel \'t geval als dezelfde
opdracht met de twee handen tegelijk moet worden volvoerd.
Tegenover de invloed van de abstractie, die in \'t eerste geval
in \'t spel is, staat de invloed van \'t bewustzijn van de figuur
als geheel in \'t laatste geval.

Een produkt van het reageren der psyche als eenheid is de
versmelting van de actuele waarnemingsinhoud met factoren
van ervaring. Daaraan is te danken dat \'t geheel bij \'t proces
der waarneming in zich draagt \'n algemeen idee omtrent het
gegevene, \'n bepaalde zin. En naar de zin van \'t geheel krijgt

Vergelijk de theorie van Lipps.

-ocr page 126-

elk lid in \'t geheel zijn betekenis toegewezen. Reproductie-
factoren, die \'t verloop van \'t psychies gebeuren in meerdere
of mindere mate richten, werden op deze wijze mede vormings-
momenten. Het assimilatie-proces bracht bij objectief dezelfde
condities nu eens deze dan weer die vormkwaliteit naar voren.
Zo konden de zijlijnen nu eens als driehoeken, dan weer als
pijltjes. lijntjes of als v-vormen enz. worden waargenomen.
Zelden was de werkzaamheid van deze ervarings-disposities
bewust.

Nog andere gevallen waarin reproductie-factoren werkzaam
waren, vragen even de aandacht. In de verslagen lezen we
omtrent de haken aan weerszijden van de hoofdlijn: „Ik zag
\'n lijn die de bovenbenen verbond (D). Links en rechts heb
ik \'n driehoek gezien, de basis van de driehoek was niet
scherp getrokken; ...de basis is niet goed te zien, hij is er
wel (E)quot;. Aanvullend en vervolledigend voert in \'t eerste
geval de reproductie-strekking boven het objectief gegevene
uiti). In beide gevallen is de omgevende ruimte mogelik
zodanig mee in \'t spel, dat \'t vlakkenelement zich bij de figuur
heeft opgedrongen. Dat ook wel eens voorbarige reproductie
plaats vond van datgene, wat men verwachtte, ligt voor de
hand als we bedenken, dat we te maken hadden met \'n toe-
stand van verwachtende opmerkzaamhei.d. Zo troffen we bij
één p.p. viermaal (T) en bij \'n ander twee keer (E), \'t volgende
verschijnsel aan:

„Toen de lijn er stond, en er nog geen haken waren, dacht ik: nu komen
de haken en in werkehkheid zag ik toen rechts de haak ontstaan zoals

altijd, maar ineens verschenen toen de haken nog eens.....Ik wachtte

en heb toen eerst de haken uit de uiteinden van de lijn zien komen; \'t
was wel wat vager. Opeens schoten de lichtbaken er nog eens uit, tóen

ze geëxposeerd werden---- Ik heb de haken weer tweemaal verbonden

gezien: eerst met \'n lijn, die ik zelf er tussen heb aangebracht, en toen
met de lijn, die ik eigenlik had moeten afwachtenquot; enz..

Dit waren misschien „Anschauungsbilderquot; in de zin van
Jaensch, met voorstellings- en waarnemings-componenten

Verg. de theorie van Jastrow.

-ocr page 127-

tegelijkertijd!). De protocollen geven niet de zekerheid, dat
wij met \'n werkelik zien van de lijn of de haken met tegelijker-
tijd het bewustzijn der subjectieve waarde te doen hebben,
\'t Is dan ook niet uitgesloten, dat de p.p. hier te maken hadden
met Produkten van versmelting bij apperceptieve waarneming.

In al de verschijnselen, die hier besproken werden, kwam
markant naar voren de drang tot eenheids- en „Ganzheitsquot;-
vorming. Deze drang wordt beleefd en hgt verdisconteerd in
het zintuiglik gegevene, dat onmiddellik als geheel wordt
waargenomen en drukt zich uit in het intellektueel, emotioneel
en motories beleven. Of de namen, die men ook hieraan ge-
woon is te geven nl. „Gestaltpraegnanzquot; en „Gestaltungs-
drangquot; 2) geschikt zijn, menen we te moeten betwijfelen.
Altans in zoverre men de term „Gestaltquot; gebruikt — en hierop
spitst de opvatting van dit begrip zich meer en meer toe —
voor datgene, waarbij met behoud van \'t geheel de geleding
duidehk is gegeven. Wij willen niet ontkennen, dat er een
„Gestaltpraegnanzquot; of „Gestaltungsdrangquot; in de eigenlike zin
van \'t woord bestaat, want er is \'n strekking, die tot analyse
dringt, \'n drang nl. om in \'n eenmaal gegeven eenheid geleding
en delen te zien.

E. R. Jaensch, Die Eidetik und die typologische Forschungsmethode.

1925.

2) Zie o.a. F. Seifert blz. 70 e.v.

-ocr page 128-

X. EXPOSITIETIJD EN
INVLOED VAN BIEZONDERE OMSTANDIGHEDEN.

Leggen we iemand \'n M. L. tekening voor, dan ziet hij
onmiddelhk de bekende figuur. Niet zo onmiddellik is deze
indruk aanwezig, als we eerst \'n deel der tekening geven en
\'n ogenblik later daaraan passend \'t andere deel laten ver-
schijnen. Dan is \'n zekere tijd vereist, hoe gering ook. om \'t
gegevene als één figuur op te vatten. Die tijd nu kan men
trachten te bepalen door de verschijningsduur (de expositie-
tijd) van \'t tweede deel te variëren. Is de grens gevonden,
waarboven de figuur altijd wordt waargenomen, terwijl dit
beneden die grens niet \'t geval is, dan is het gevraagde tijds-
interval bepaald; op voorwaarde altans, dat andere factoren,
zoals intensiteit, grootte der delen, de tijd die er verloopt
tussen de aanbieding van \'t eerste en van \'t tweede deel, enz.
konstant zijn gebleven. Toch moet ook dan nog enig voor-
behoud worden gemaakt met betrekking tot de mogelikheid,
dat het snel verschijnen en verdwijnen van \'t andere deel
\'n nieuw proces heeft ingeschakeld, waarvan de minimale tijd.
vereist voor de vorming van \'n figuur, mede afhankelik is.

Hiervoor gewaarschuwd, kunnen we met vrucht enkele
vragen stellen. Is \'t mogelik bij deze of die expositietijd de
figuur waar te nemen? Wat wordt waargenomen als \'t inter-
val kleiner is? Hoe verhouden zich de tijdswaarden bij ver-
schillende expositie-volgorden? Oefent de grootte van \'t
complex (gezichtshoek) invloed uit op \'t al of niet optreden
van de figuur bij \'n bepaalde expositietijd? Komen er indivi-
duele verschillen bij tot uitdrukking? Welke is de invloed van

-ocr page 129-

\'t figuurtype, de intensiteit, de positie in de ruimte, de opmerk-
zaamheid en de fixatie?

Op deze vragen hebben we, in aansluiting bij de introspec-
tieve gegevens, die voor de interpretatie der kwantitatieve
resultaten onontbeerhk zijn, getracht antwoord te geven.
Vooral herinneren we eraan, dat bovenvermelde stadia alle
beantwoorden aan bepaalde expositietijden. En deze waren
verschillend naar gelang de omstandigheden. Steeds trad
echter \'t eerste stadium (als \'t voorkwam) bij kortere tijdsduur
op dan \'t tweede, \'t derde stadium bij kortere expositietijd dan
\'t vierde, en langere duur dan \'t tweede stadium. Met de
nummering der stadia in opklimmende reeks correspondeert
dus \'n toename van de tijd, gedurende welke \'t tweede deel
zichtbaar was.

Figuurtype. (Tabel C). De vier stadia kwamen niet bij alle
figuren geregeld voor. Voornamelik bij de figuren II en V was
de onderscheiding der verschillende stadia moeilik. Nu eens
kwam daarbij de geleding in drieën voor, die we noteerden als
kenmerk van \'t derde stadium, dan weer werd geleding in
tweeën gekonstateerd, en dit was dan het grensgeval naar
het vierde stadium. Blijkbaar hangt dit verschil samen met
de objectieve grootte van de figuur (gezichtshoek) i) en met
de grootte van de hoek. die de zijlijnen vormden (II). Waren
deze betrekkehk groot, dan bleef \'n aanmerkehk deel van \'t
eerst gegeven element onbeïnvloed over tussen de beide
werkingsferen van \'t tweede.

Bij al de figuren met grote zijlijnenhoek (90°) maakte het
verschijnen en verdwijnen \'n kalmere indruk dan wanneer die
hoek klein was. (30°, 45°). Ook was, naar de mening van
enkele p.p., in \'t eerste geval het verband tussen de leden in \'t
derde stadium veel losser. In overeenstemming hiermee zien
we, dat het figuurstadium eerder bereikt werd, als die hoek
klein was, voor zover \'t tenminste de figuren I betreft 2). Dat
\'t juist andersom is bij II, is wellicht daardoor veroorzaakt

1)nbsp;Cf. tabel D.

2)nbsp;Cf. blz. 125, 131.

Psychologie der waarnemingnbsp;8

-ocr page 130-

dat de naar binnen gekeerde haken samen \'n vaster eenheid
vormen dan de naar buiten gerichte, vooral als de hoek der
zijlijnen klein is. De haken „envelopperen de ruimtequot;, zei een
der p.p., „als de hoek der benen klein is, terwijl het aan-
weerszijden-van-die-ruimte-gelegen-zijn der haken voornamer
is bij grote hoek tussen de haken (T).quot; In \'t laatste geval is
de afstand karakteristiek, in \'t eerste de begrenzing of de een-
heid 1). Hoe losser nu die eenheid is, hoe gemakkeliker de
delen kunnen worden opgenomen in \'n nieuw geheel.

Die vage vlekken in de lijn (derde stadium) werden ook
niet altijd geobserveerd bij de figuren I. Wanneer de gezichts-
hoek klein was (2°), waren ze niet aanwezig of moeihk te
observeren2). Toch moest bij de figuren II de gezichtshoek
groter zijn dan bij I, om dit kenmerk van \'t derde stadium
waar te kunnen nemen. Deze biezonderheden zullen dus
moeten worden teruggebracht tot \'t verschil in configuratie.

Van de verschillende figuurtypen die we aanwendden,
werden III en IV over \'t algemeen eerder (bij korter tijdsduur)
als figuur gezien dan I en II; — de gegevens voor figuur V
lopen sterk uiteen. Ook volgen de verschillende stadia bij de
eerstgenoemde figuren merkwaardig kort op elkaar. De boog-
vorm der haken, waarbij de afwijking uit de lijnrichting ge-
leidelik is, schijnt \'n zeer voordelige voorwaarde te zijn voor
versmelting met de lijn. Bij de eerste aanbiedingen (stijgende
reeks) werden dan ook onmiddellik de twee momenten, als
aangewezen op elkaar, erkend. De gunstige factor van figuur
III is waarschijnlik te zoeken in \'t richtingsmoment, dat hier
\'n moment is ordenend in eigen innerlik. Stond bij de figuren
I de richtingsverscheidenheid aanvankelik in de weg, bij III
was de eenheid van richting direkt aanwezig. In de figuren I
kon geen der haakrichtingen overwicht krijgen, d.w.z. het kon
noch \'n naar links noch \'n naar rechts doelend geheel worden.
Er moest komen \'n spanning in rust, die op \'t middelpunt
betrokken was (symmetrie). Vandaar ook de groter beweeglik-
heid van de lijn (L H) bij de figuren I in vergelijking met
figuur III.

1)nbsp;Cf. blz. 121.

2)nbsp;Cf. tabel D.

-ocr page 131-

Volgorde van expositie. (Tabel C). De geringe duur van
expositie, waarmee we te maken hadden in \'t tweede stadium,
was meestal niet voldoende voor de ontwikkeling van \'n ge-
waarwording 1). Op rekening hiervan mogen we schrijven,
dat de lijn. als eerst de haken waren gegeven, niet tot aan \'t
hoekpunt toekwam. Maar hoe is het dan gesteld met de zij-
lijnen bij omgekeerde volgorde van expositie (L H)? Was
de duur ook dan niet te gering, om de slechts even aanwezig
zijnde haken te zien? \'t Gaat hier om \'t zien van vormen. De
twee haken leiden makkeliker tot \'n vormopvatting dan de lijn.
Men vergete dan ook niet, dat deze vormen door de herhahng
zijn bevoordeeld in die zin, dat de. verwachtingsvoorstelling
vast is geworden.

Opvallend was ook. dat de p.p. bij de aanbiedingsvolgorde
H L. telkens met nadruk vermeldden ..starheid, onbe-
weeglikheid. passiviteit of zelfstandigheid der haken.quot; Weinig
boetten deze in aan gewicht in vergelijking met de lijn bij
L fi. Toch was voor de differentiatie, die de figuur vroeg,
accentwisseling vereist. Het praedomineren van de lijn, op
\'t ogenbhk van haar verschijnen, moest plaats maken voor \'n
domineren van de zijstukken. Waren de haken \'t laatst ver-
schenen. dan bleef hun overwicht, hoewel verminderd, in de
zijstukken behouden. Dat verschil in accentwisseling kan naast
de inhibitie der haken-eenheid, die voor de vorming van \'n
nieuwe figuur moest worden verbroken, ook een der oorzaken
zijn voor de langere tijdsduur, vereist voor het waarnemen van
\'n figuur in de aanbiedingsvolgorde H 4- L.

Vcrtikaal-horizontaal. (Tabel C). Kenschetsend voor de
invloed van dit verschil in oriëntering is de omstandigheid, dat,
als per ongeluk de delen objectief niet juist aaneensloten, \'n
geringe afwijking zo goed als nooit werd waargenomen bij
vertikale expositie, terwijl dit bij horizontale aanbieding on-

Verg. F. W. Fröhlich, Ueber die Messung der Empfindungszeit.
Zschr. f. Sinnesphysiologie. 54, 55, 1923 en Hazelhoff-Wiersma. Die
Wahmehmungszeit. Zschr. f. Psych. 96, 1924, en 97, 1925. Volgens deze
onderzoekers bedraagt de gewaarwordingstijd ± 40—150 a.

-ocr page 132-

middellik werd gekonstateerd. Met nadruk verklaarden
meerdere p.p., dat het uitschieten en inkrimpen van de lijn
(L H) „veel ausgeprägter, krachtiger en meer organies
quot;wasquot;, en dat de eenheid, die gevormd werd, de indruk maakte
„van vastheid, minder toegankehk-zijnquot; in vertikale positie
dan bij horizontale stand. Hiermee correspondeert \'n lagere
tijdswaarde voor \'t vierde stadium: bij vertikale aanbieding
wordt eerder \'n figuur gezien dan bij horizontale.

Ook was in \'t derde stadium het ordeningsmoment, de
geleding in drieën, veel minder praegnant als het complex in
vertikale positie werd geboden. Het is niet onwaarschijnlik,
dat dit verschil samenhangt met de bevoordeling van de hori-
zontale oriëntering in dit opzicht, tengevolge van de gewone
leesrichting.

Afstand en Grootte. (Tabel D) i). Voor zover de p.p. zich
bewust waren van de invloed van reproductie-factoren bij hun
waarnemingen, was \'t meestal bij de grotere gezichtshoeken
(boven de 15°). dat men voorbehoud maakte bij \'t geen werd
meegedeeld 2), Men kan zich afvragen, hoe te verklaren is,
dat de p.p., in de protocollering van \'t geen zij hadden waar-
genomen, vooral bij grotere gezichtshoek voorbehoud maakten
voor eventuele reproductie-momenten, die in elke waarneming
verdisconteerd zitten, \'n Sterker interfereren in meerdere mate
van reproductie-factoren zou \'n veronderstelling zijn in tegen-
spraak met de feiten; want juist bij \'t perifere zien is de kracht
van de reproductie-strekking zeer verzwakt, zoals o.a. uit de
onderzoekingen van Katz blijken kan 3). Wellicht moeten we
\'t dan ook zo verstaan, dat de versmelting van het actuele
zintuighk materiaal met de reproductie-momenten bij \'t

Tabel D is opgesteld voor de figuren in horizontale stand, expositie-
volgorde L H, hoek der zijlijnen 45°.

2)nbsp;De gevallen, waarin uitdrukkelik werd vermeld: „reproductiequot; of
„mogelik wel reproductiequot;, zijn bij \'t opstellen der tabellen buiten be-
schouwing gelaten.

3)nbsp;Katz, Die Erscheinungsweisen der Farben. Zschr. f. Psych. Erg. Bd.
7, 1911, blz. 277 e
.v.

-ocr page 133-

perifere zien niet zo innig is, als bij meer centraal waarnemen.

Andere eigenaardigheden die afstand en grootte van \'t ge-
geven complex betreffen, zijn de grotere strooiingswaarden,
die grotere gezichtshoeken brengen in de duur der expositie-
tijden voor de verschillende stadia, en het voorkomen van
vlakken-vorming bij de grotere complexen. (11°—45°). In
dit laatste verschijnsel zouden we \'n voorbeeld willen zien van
de wet door G. E. Müller opgesteld: hoe uitgebreider \'n
complex is. hoe minder geconcentreerd zijn collectieve op-
vatting isi).

Ook bleek het derde stadium bij de figuren II eerst waar-
neembaar te zijn als de gezichtshoek iets groter was dan die,
waarbij dat stadium met de figuren I werd onderscheiden. Dit
wordt begrijpelik, als we vergelijken met \'t geen we boven
zeiden aangaande het verschil in expositievolgorde.

Maar merkwaardiger dan deze biezonderheden is \'n andere
die we bij grotere gezichtshoeken (boven de 20°) konden
observeren. We lezen uit tabel D, dat kleinere configuraties
(2°—10°) over \'t algemeen eerder als figuur worden gezien
dan grotere, zolang de hoek altans de 20° a 25° niet te boven
gaat. Hier nl. schijnt \'n grenszone te liggen. De volgende
verslagen wijzen daarop:

I. L H, hor., 26°. 200 o . „De lijn verloor aan lengte, toen de haken

verschenen.....De uiteinden van de lijn zie ik eigenlik niet, toch loopt

de lijn in de haken door. Ik zou \'t noemen „de slanke lijnquot;, het geheel is
zo uitgestrekt.....\'t Is toch \'n figuur en zelfs heel aardig, bij \'t ver-
dwijnen meen ik nu verlenging te zien, de lijn wordt ineens met \'n stootje
iets langer (D). I, L -f- H, hor., 21°, 450 a : Hele stukken vallen van de
lijn af als de haken verschijnen en toch is het \'n hele goeie figuur. Van
de lijn zie ik alleen goed het middenstuk en de zijstukken; de aansluiting

zelf heb ik zeker niet waargenomen.....\'t Is of alles naar binnen dringt

tot figuurvorm.....Bij \'t verschijnen van de haken zet de lijn in geen

geval uit. Weer was \'t \'n figuur, die af is.....Als de haken verdwenen

zijn, zie ik de uiteinden van de lijn \'n stuk verder naar buiten, dan ik zou
gedacht hebben, te oordelen naar de figuur, of naar het lijnstuk in de
figuur (Pr.). — I, L H, hor., 45°. 1000 a . Tegelijk met die excentriese
beweging van de haken zag ik \'n concentriese van de lijn; de uiteinden
waren grijs of verdwenen.....Al is er iets uit, d.w.z. al zie ik de uit-

Zie de volgende bladzijden.

-ocr page 134-

einden niet, toch sluit \'t (E). ■— I, L H, vert., 19°, 450 C. Dit moet
ik \'n figuur noemen. De uiteinden van de lijn zie ik niet door die vage
vlekken; of vlekken zijn \'t nu niet, of tenminste niet zoals vroeger, maar
enfin, daar loopt \'n band door (T). — I, L H, hor., 39°, 200 a . Met
\'t verschijnen van de haken is er \'n drang naar binnen. De lijn is een
„enzovoortsquot; geworden; hiaten zie ik niet. \'t Is \'n figureel geheel (K). —
II, L H, hor., 45°, 1000 c . \'t Is \'n sluitend figureel geheel. Er zijn
stukken, die ik in gedachten aanvul en toch ook weer niet; ik kan niet
zeggen, dat ik ze gezien heb en toch zijn ze aanwezig, \'t Is zo\'n lijn-
karakter van niet-direkt-begrensd-zijn. Bij het verdwijnen was de lijn
opeens over grotere uitgestrektheid duidelik. Van inkrimpen of uitzetten
kan ik niet spreken (G).quot;^).

We voegen hieraan toe, dat kleine gebreken in aansluiting
niet v^^erden opgemerkt. Uitdrukkelik is aan verscheidene p.p.
de vraag gesteld, of zij bij \'n dergelike grootte van de figuur
de indruk hadden van \'n meerdere of mindere vastheid of
geslotenheid der eenheid dan in voorafgaande proeven,
waarin de gezichtshoeken varieerden tussen 11° en 20°, en
de expositie-tijden dezelfde waren. Bijna zonder uitzondering
kregen we ten antwoord, dat het vroeger geobserveerde \'n
losser eenheid was. We menen dan ook de regel, door
G. E. Müller opgesteld: „Jeh ausgedehnter eine Figur ist, desto
weniger konzentriert ist ihre kollektive Auffassungquot; 2), in
twijfel te moeten trekken, of liever zijn geldigheid te moeten
beperken. Voor grootten beneden db 20° is hij o.i. juist, daar-
boven echter niet; ook in dit laatste geval gaat hij op bij ver-
gelijking met grootten beneden dz 10°; bij vergelijking met
grootten van 10°—20° echter niet. Vindt deze uitzondering
misschien \'n verklaring in bepaalde eigenschappen van \'t net-
vlies? Ongetwijfeld toch is er \'n drang de saamhorige leden
ook werkelik nader bij elkaar te zien.

Voornamelik zijn van belang de volgende gegevens omtrent

Enkele proeven bij nog grotere gezichtshoeken gedaan, gaven
resultaten, die nogal uiteenliepen. De overzichtelikheid was meestal gestoord
en dan interesseerden factoren, die we niet in rekening konden brengen.

G. E. Müller kelde zijn regel op naar aanleiding van Granits onder-
zoek over de betekenis van figuur en achtergrond voor de bepaling van
drempelwaarden; Ueber den Einfluss des Weissgehaltes des Infeldes und
des Umfeldes auf die dem Infelde entsprechende Erregungen. Zschr. f.
Psych. 98, 1926, blz. 32.

-ocr page 135-

figuur I. De gewone verlenging van de lijn, die we tot nog toe
steeds aantroffen bij L H, bleef uit. Zelfs maakte de lijn,
als de haken verdwenen of verdwenen waren, de indruk van
grotere uitgestrektheid te hebben dan in de figuur.

Bij wijze van proef hebben we verschillende malen drie p.p.
(Pr., K en H) gevraagd nu eens links, dan eens rechts \'n
vinger te houden zó, dat het hoekpunt in het verlengde lag
van de uit het oog langs de vinger gaande richtlijn. Een der
p.p. (H) bleek dan te veel moeite te hebben om gefixeerd te
blijven. De twee anderen verklaarden beiden, dat zij de lijn,
als de haken verdwenen waren, nog \'n heel stuk zagen uit-
steken buiten de grens, die ze hadden aangebracht voor \'t
uiteinde van de figuur-lijn. Nog voorbij \'t punt, waar de haken
eerst aansloten, strekte de lijn zich dan uit. \'t Komt dus hierop
neer, dat de ,,drang naar binnenquot; in strijd is gekomen met het
M. L. fenomeen, d.i. met de verlenging van de lijn bij aan-
hechting van naar buiten gerichte zijlijnen. De eerste heeft de
overhand. i) Dat is de drang tot figuurvorming of de invloed
van de symmetrie, die op \'t midden is gericht.

In \'n reeks andere verslagen, waar de gezichtshoeken
varieerden tussen 10°—26°, vonden we overgangsverschijnse-
len tot \'t juist vermelde perifere fenomeen:

I. L H., hor., 11°, 450 et . „\'t Is \'n goed figureel geheel, langer
worden van de lijn heb ik niet gezien; zei ik langer worden, dan zou dat
interpretatie zijn van \'t voortspruiten der haken uit de lijn en het verleng-
stuk vormen.....Ja daar blijf ik bij; bij het verdwijnen wordt de lijn

wel iets korter (T). — I, L H, hor., 17°, 450 ff . De haken komen
uit donkere vlekken van de lijn; die donkere vlekken lopen even in de
richting van \'t midden. Maar al zijn er vage vlekken, toch zijn die haken

uiüopers van de lijn; \'t is \'n figureel geheel----Er is iets als \'n verenging

geweest; het geheel trekt korter bijeen dan vroeger (G). — 1, L H,
hor., 21°, 1000 ff. De haken komen, de lijn rekt zich dan niet sterk uit,
ik weet niet, of \'t \'n langer worden is of niet. Er zijn vage vlekken in de
lijn, maar \'n zwarte streep loopt er door heen (R). — I, L H, hor.,
17°, 450 ff. De haken komen uit de uiteinden; maar ja, de lijn trekt zich
toch samen; niet dat er \'n opening komt, maar er was zo\'n beweging in
de lijn, of in de hele figuur, dat kan ook zijn (E).quot;

Ook hier was verlenging van de lijn dus vaak reeds twijfel-

1) Cf. blz. 87, 121, 131, 151 en 154.

-ocr page 136-

achtig. Of de haken aan de centripetale beweging in de lijn
hebben meegedaan, daarover bevatten de verslagen geen
nadere gegevens, \'n Voorlopig onderzoek om opheldering te
krijgen van die perifere verschijnselen, hebben we niet kunnen
voortzetten. We hadden ons nl. voorgesteld in plaats van
haken naast de lijn aan weerszijden \'n lijntje te laten ver-
schijnen, dat aansloot, om te zien hoe de lijn zich dan gedroeg.
Bij \'n eerste pogen konden we bovengenoemd verschijnsel niet
waarnemen. Onmogelik is \'t dan ook niet, dat juist in \'t
overwicht van de symmetriese haken de belangrijke factor te
zoeken is.

We moeten nog de aandacht vestigen op een opmerking
door p.p. K gemaakt. Dezelfde figuur I, eerst bij \'n gezichts-
hoek van
± 2° gegeven en onmiddellik daarna onder \'n hoek
van 45°, kwam hem in die twee gevallen anders voor, wat de
verhouding betreft van de delen tot \'t geheel. In de grotere
afmeting leek de lijn \'n groter stuk van de figuur uit te maken
dan in de kleinere. En daarmee gepaard trad in \'t eerste geval
geen of bijna geen verlenging van de lijn op, in \'t tweede zeer
duidelik. \'t Kan dus zijn, dat niet de grootte van de figuur,
maar de verhouding van de lijn tot \'t geheel op de illusiever-
schijnselen van invloed is. De onderzoekingen van Gatti i)
kunnen deze veronderstelling bevestigen.

Hoe was \'t nu bij dergelike grote gezichtshoeken als de
volgorde van aanbieding H L was?

I, hor., 39°, 450 oquot; . .,De figuur, die gevormd werd, komt me kleiner
voor, dan ik verwacht had... Als ge die haken ziet staan op zo\'n grote
afstand van elkaar en daarna de figuur, dan is deze niet erg groot; dat
valt op, maar ik weet niet hoe \'t komt (T). — II, hor., 21°, 450 a . De
lijn ontstaat vanuit \'t midden, strekt zich uit tot in de hoekpunten, en

dan is ineens de afstand tussen de haken groter dan eerst____ In de

figuur die gevormd is, zijn de haken beslist verder van elkaar af, dan
toen ze alleen stonden (K).quot;

Brengen we deze opmerkingen in verband met vorige ver-

Verg. A. Gatti, La Percezione dei rapporti spaziali nei complessi
visivi. Contributi del Laboratorio, Milano, vol. XI blz. 167—187.

-ocr page 137-

slagen 1), dan zien we, dat voor de dag komt de invloed van
\'t verschijnen van de lijn op de figuur, als de haken zijn
gegeven. Ontstaan uit H L, lijkt figuur I klein en figuur II
groot; of laat ons aldus zeggen: de lijn vergroot fig. II en ver-
kleint fig. 12).

In dit verband zij gewezen op \'n opmerking, die Schumann
heeft gemaakt 3) omtrent de componenten van \'n samen-
gestelde M. L. figuur, waarin de hoofdlijn niet is getrokken.
Bij de figuur-component met naar binnengekeerde haken is
het de begrenzing van \'t geheel of \'t complex, wat in \'t bewust-
zijn naar voren treedt, in de andere (met naar buitengerichte
haken) valt de afstand van de haken vooral op4). Al naar
gelang \'t een of \'t ander opvalt, zo zegt hij, wordt de tussen-
ruimte kleiner en groter geschat. Iets analoogs kan ook hier \'t
geval zijn. Het criterium voor de indruk van grootte was \'n
ander al naar gelang de waargenomen ruimtelike betrekking
\'n andere was. Bij figuur I was de indruk van afstand tussen
de haken vervangen door de indruk van begrenzing. In figuur
II was de begrenzing der ingesloten ruimte in haar geheel
vervangen door \'n begrenzing van de lijn, wier lengte
opvallend was ^). Neemt men nu aan als \'n algemene richting
van \'t geestesleven, dat alles, wat karakteristiek is, over-
dreven wordt ervaren, en des te meer overdreven wordt,
naarmate het meer opvallend is, dan kan dit wel \'n ver-
klaring zijn, ook voor \'t verschijnsel dat we boven be-
spraken: het achterwege blijven van de M. L.-verlenging van
de lijn tengevolge van „de drang naar binnenquot; die voor de

Blz. 117—119; zie ook de verslagen bij bespreking der verschillende
stadia (vierde stadium, H L).

2)nbsp;Cf. blz. 101, 148.

3)nbsp;F. Schumann. Zschr. f. Psych. 24. 1900, blz. 15 en 16.

Me dunkt, dat we hier \'n soortgelijk gegeven hebben, als die waarop
Binet is gestoten bij zijn aesthesiometer-proef. (A. Binet. Les simplistes. Les
distraits. Les interprétateurs. Année psych. 1903 blz. 199.) Ook daar ging
de waarneming van één punt niet onmiddellik over in de waarneming
van twee punten. Er is \'n overgangstoestand, waarin niet gescheiden twee
punten worden waargenomen, maar ook niet één punt wordt waargenomen,
maar waar gegeven is de indruk van \'n afstand, zonder dat daarbij de
twee punten, die de afstand begrenzen, gescheiden worden genomen.

!-•) Cf. blz. 114.

-ocr page 138-

figuur-eenheid karakteristiek was i). En zou het ook niet licht
kunnen werpen op de vervormende bewegingen van de lijn en
de haken of zijstukken in \'t derde en vierde stadium?

\'t Spreekt vanzelf, dat bij de verschillende gezichtshoeken,
waaronder werd waargenomen, zich herhaaldelik gevallen
hebben voorgedaan, waarin \'n gedeelte van \'t complex op de
blinde vlek van \'t netvlies viel. Kan van \'n werkelike gewaar-
wording van dat deel geen sprake zijn, toch had men dan de
indruk de figuur in haar geheel in volkomen zintuiglike
duidelikheid waar te nemen, t Is één van die gevallen, waarop
de benaming ..totalisierende Gestaltauffassungquot; van toepas-
sing is 2). Nu zou men kunnen veronderstellen, dat de vage
vlekken in de lijn. die \'t duidelikst en veelvuldigst bij grotere
gezichtshoeken3), werden geobserveerd, te wijten waren aan
de omstandigheid, dat daar de blinde vlek in \'t spel
was4).
Maar lijkt deze verklaring wel waarschijnlik, als men bedenkt
dat die vage zones — meestal voorkomend in \'t derde stadium
— bij langere aanbieding in \'t vierde stadium niet meer
werden geobserveerd, terwijl de opmerkzaamheid juist dan.
meer dan eerst, de gelegenheid had, zich op de delen in \'t
geheel te richten? Of dit laatste wel zo is, kan men betwijfelen,
want niet minder gerechtvaardigd is de bewering, dat de
geboden aard van \'t complex in \'t derde stadium de opmerk-

1)nbsp;Cf. het boven opgestelde princiep (blz. 35): hoe meer het karakter
der eenheid (descriptief) is geprononceerd, des te geringer is de func-
tionele zelfstandigheid der verschillende delen of aspecten en omgekeerd.

2)nbsp;Zie voor \'n overzicht van de litteratuur en verklaringstheorieën
H. Sinchowitz, Ueber die Zöllnerschen anorthoskopischen Zerrbilder,
Arch. f. d. ges. Psych. 56, 1926. blz. 20 e.v.

®) G. ten Doesschate en J. A. van Heuven tonen aan, dat er \'n zóne van
praedilectie is van 15°—35° concentries vanaf \'t middelpunt, waar \'t perio-
diek onzichtbaar worden van perifere objecten tijdens fixatie zijn optimum
bereikt; (Over het periodiek onzichtbaar worden van periphere voor-
werpen tijdens fixatie, Ned. Tijdschr. v. Gen. I, 1923, blz. 1214). T. Bast
kon dit bevestigen, Tachistoscopische Schijnbewegingen bij centraal en
peripheer zien. Mededeelingen uit het Psychol. Lab. der R. U. te Utrecht
IV. 1928.

4) V. Helmholtz. Handb. der phys. Optik. 2e Aufl., blz. 263 e.v.
H. Mink (Die Erscheinungen bei kurzer Reizung des Sehorgans. Zschr. f.
Psych. 23. 1900. blz. 60 e.v.) noemt \'t „nachbildartigequot; verschijnselen.

-ocr page 139-

zaamheid juist op de afzonderlike delen richtte, terwijl in \'t
vierde stadium het geheel als enkelvoudige eenheid praegnant
en zodoende voor „vervolledigingquot; met centrale factoren bie-
zonder gunstig was.

Toch menen we de vage vlekken niet te mogen opvatten als
leemten, die corresponderen met de blinde vlek, en wel voor-
namelik op grond van \'t feit, dat men ziet, dat die vlekken zich
verplaatsen. Deze verplaatsing met oogbewegingen te ver-
klaren, lijkt ons onjuist: \'t zou in strijd zijn met de algemene
illusie: nl. dat wij de objecten uit de buitenwereld in rust zien,
terwijl \'t oog beweegt.

Intensiteit. (Tabel E) i). Bij gebrek aan \'n geschikte foto-
meter hebben we de lichtsterkten, waarbij we werkten, niet
kunnen meten, en moeten we volstaan met de algemene ver-

Tabel E — Expositietijd en Intensiteit

Stadia

2

3

4

Intensiteit

scherp

vaag

scherp

vaag

scherp

vaag

G

50-300

100-400

100-500

450

200-600

50-500

K

10-200

100-300

300-450

400-500

400-500

300-500

R

100-[500]

100-700

600

500-900

O

10-450

10-300

500

600

400

E

50-200

50-300

300

300

400

400

T

10-400

100-300

300-450

300

400-500

400

wijzing „vaag of scherp, mindere of meerdere helderheidquot;. Al
is dit \'n grote moeihkheid voor \'n juiste waardering der
gegevens en controle der resultaten, in elk geval kan \'t zijn
waarde hebben, dat even de aandacht wordt gevestigd op \'t be-
lang der lichtintensiteit als factor bij figuurvorming en illusie.

1) Tabel E behoort bij fig. I, hoek der zijlijnen 30°, horizontale
stand, expositievolgorde L H, gezichtshoek 6°.

-ocr page 140-

Bij subjectief gelijke helderheid der delen was geringere
lichtintensiteit in \'t algemeen voordeliger voor figuurvorming
dan grote. Alles „verliep dan rustigerquot; en de aansluiting, \'t
passen der delen luisterde niet zo scherp als in \'t andere geval.
Dat \'t tweede stadium bij geringe intensiteit langer duurde
(H L), hangt ongetwijfeld samen met de gewaarwordings-
tijd, die met toenemende lichtintensiteit afneemt. Bij grote
lichtintensiteit was \'t verschijnsel der schaduwbeweging in de
lijn (de „wolkjesquot;) veel duideliker en heviger, en had \'t geheel,
dat ontstond, gewoonlik \'n meer geprononceerd en meer ge-
sloten figuurkarakter. Ook waren volgens de mededelingen
van twee p.p. de uitzetting en de inkrimping van de lijn
(L H) minder bij geringere hchtintensiteit i). De relatie
tussen helderheid en praegnantie van de figuur bleek echter
te ingewikkeld, om die met enkele proeven te kunnen vast-
stellen.

In onze onderzoekingen gebeurde \'t ook, dat de intensiteit
der delen subjectief niet dezelfde was. Hadden we nl. vooraf
de glijweerstanden zo geregeld, dat beide prikkels in rust sub-
jectief gelijk in lichtsterkte waren, dan werd bij snelle draaiing
van de schijf datgene, wat plotseling en slechts gedurende
korte tijd verscheen, meestal minder intens gezien. Dit bleek
voor versmelting der delen \'n zeer ongunstige omstandigheid
te zijn; want verschenen de delen daarna homogeen, dan was
herhaaldelik de gebezigde expositietijd reeds voldoende voor
de waarneming van \'n figuur, terwijl dit eerst zeker niet het
geval was. Homogeniteit der delen is dus voor figuurvorming
\'n belangrijk moment.

Bij verschil in lichtintensiteit traden de delen vaak op ver-
schillende diepte op 2). In de verslagen over fig. I, H L,
lezen we:

„Als uit \'n kratervormig gat zuigt de lijn zich op en strekt zich uit naar

1)nbsp;Bij twee andere p.p. (T en G) vonden we juist het tegenover-
gestelde.

2)nbsp;De belichting in op- en doorzicht in Wingenders proeven was
zonder twijfel een belangrijk bezwaar; tengevolge van \'t kleurverschil der
leden stiet hij dan ook telkens op diepteverschillen.

-ocr page 141-

beide zijden. De haken blijven passi,ef. De grote afstand van de haken

viel me op......De lijn trekt zich langzaam naar \'t midden en naar de

diepte terug (K).quot;

En over fig. II, L H;

„De haken komen uit de diepte, van de achterkant tegen de eind-
punten van de lijn aan; de lijn veranderde niet, zij bleef onveranderd
staan (E).quot; — II, H L: Weer zoals vroeger, de lijn komt uit \'n
trechtervormig gat, slaat uit naar links en rechts, maar de haken staan
ervoor.....Bij \'t verdwijnen wordt de lijn opgeslokt in die trechter (K).quot;

Overigens hebben we van perspectiviese verschijnselen
uiterst weinig kunnen konstateren i).

Wanneer \'n p.p. opmerkte, dat de leden van \'t geheel bij
tachistoscopiese expositie dezelfde helderheid hadden, lieten
we van tijd tot tijd achteraf de delen — ook tachistoscopies
gegeven — afzonderlik vergelijken, d.w.z. op enige afstand
van elkaar. Niet zelden kwam \'t voor, dat de delen dan sub-
jectief verschillend waren. Hier stoten we dus weer op de
strekking tot uniformiteit van \'t materiaal, zodra dit op de een
of andere wijze in \'n eenheid is gegeven 2).

Was \'t laatst gegeven deel van groter helderheid, dan waren
de vlek-verschijnselen in \'t eerst gegeven deel aanmerkelik
talrijker en duideliker dan bij omgekeerde verhouding. Tot
vermoeienis der ogen kunnen deze verschijnselen dus moeihk
geheel en al worden teruggebracht, want ook vielen stukken
uit, als de tijd vanaf \'t begin van fixatie tot \'t ogenblik van
verschijnen van \'t andere deel zeer kort was (Yi—1 sec.). Al
treedt vermoeienis zeer spoedig in, toch menen we, dat \'t
veeleer \'n kwestie van inhibitie is tengevolge van het sterk
praedomineren der symmetries gerichte delen, aan welk prae-
domineren men niet was aangepast. Zo kan ook begrijpelik
worden, dat bij scherpe hoeken (30°, 45°) der zijlijnen aan-
merkelik groter stukken van de lijn vervaagden dan bij \'n
hoek van 90°. De werkingsfeer der scherpe hoeken breidde
zich nl. verder over de lijn uit.

Cf. de perspectief-theorieën in \'t eerste deel.
2) Cf. blz. 35: Bij verandering van \'n bepaald deel ondergaan altans bij
perceptie van \'t geheel, alle andere delen eveneens verandering, doordat
\'n verandering van \'t deel in \'t geheel resoneert.

-ocr page 142-

Het domineren der haken in lichtintensiteit was voor \'t
optreden van \'n figuur en eveneens voor illusieverschijnselen
gunstiger dan \'n domineren van de lijn. Wat de illusie aan-
gaat, is dit resultaat in overeenstemming met de bevindingen
van Benussi i). Met betrekking tot figuurvorming lichten we
nog enkele citaten uit de verslagen:

I. L H, hor., de lijn had groter helderheid dan de haken: „Bij hun
verschijnen springen de haken naar voren, maar de lijn blijft staan; de
haken kunnen zich daarbij voegen, maar de lijn bougeert niet (K). Het
verschijnen van die haken maakt \'n indruk als het grijpen naar de macht,
maar de lijn blijft minstens gelijkwaardig, er is iets wat de versmelting
in de weg staat (R). De lijn geeft zich zo weinig als de haken komen,
in vergelijking met vroeger; toen was zij direkt zo beweeglik (G).quot;

Heeft de lijn dus \'n overwicht door grotere helderheid, ofwel
de haken door hun meer praegnante vorm, dan blijkt dat \'n
belemmering voor versmelting tot één geheel. Domineerden de
haken ook in intensiteit (binnen zekere grenzen), dan vond
versmelting gemakkelik plaats, \'t Domineren van één der delen
— in M. L. figuren van de zijstukken — kan \'n gunstige
factor zijn voor versmelting van verschillende delen tot één
geheel.

Fixatie, \'n Eigenlik onderzoek naar de invloed van fixatie
hebben we niet ingesteld. De steekproeven, die we hieromtrent
deden, waren van louter oriënterende aard.

Stonden de hakén vooraf gegeven, en werd het midden van
de afstand tussen de haken gefixeerd, dan kwam de lijn ge-
woonlik vanuit \'t midden op en strekte zich naar weerszijden
uit, om dan weer in omgekeerde richting te verdwijnen. Werd
nu als fixatiepunt niet het midden, maar een punt in één der
haken aangewezen, dan bleek, overeenkomstig onze verwach-
ting, de hoofdlijn vrijwel geregeld uit de gefixeerde haak voort
te komen. Dat is \'n heel bekend verschijnsel bij tachistoscopiese
expositie, \'n Beweging neemt nl. bij voorkeur haar aanvang
in het punt dat wordt gefixeerd.

We deden ook enkele proeven, waarbij \'t punt van fixatie

1) Zie boven blz. 27.

-ocr page 143-

perifeer van het gegeven complex was gelegen. In overigens
dezelfde omstandigheden, waarbij het derde stadium werd
genoteerd, nam men dan gewoonlik \'n figuur waar. Maar deze
wijziging in de voorwaarden had andere verschijnselen tot
gevolg, die uitvoeriger onderzoek vereisen dan wij terloops
konden doen.

Pogingen om bij de wisselende opmerkzaamheidsrichting
het oog gefixeerd te houden, faalden voornamelik bij figuur
III. Ook anders bemerkte men dikwels \'n sterke neiging om de
ogen te wenden naar de plaats waar de aandacht werd ge-
vraagd. Zelden of nooit kwam \'t dan echter, voor zover men
dit kon observeeren, tot \'n werkelike verplaatsing van \'t punt
van fixatie. Nu zou men kunnen veronderstellen, dat de fixatie
bij figuur III in sterke mate bemoeilikt wordt door de om-
standigheid, dat we te doen hebben met n figuur, waarvan
de „betekenisquot; is: het wijzen in \'n bepaalde richting. Maar
moest \'n eventuele verplaatsing van \'t punt van fixatie dan
niet in die aangeduide richting geschieden? Bij oriëntering van
de figuur naar rechts ging men echter niet rechts van \'t meet-
kundige midden, bij richting naar hnks niet links van dat
midden fixeeren, maar juist andersom (zie de verslagen bij \'t
vierde stadium). Dit moet verband houden met \'n bekend
illusiegeval. Vraagt men nl. de lijn, in \'n dergehke figuur
opgenomen, in twee gelijke helften te verdelen, dan wordt in
de regel \'n „foutquot; gemaakt in die zin, .dat men bij nameting
het rechterdeel van de naar links gerichte figuur kleiner
bevindt dan \'t hnkerdeel; bij oriëntering naar rechts omge-
keerd. De invloed van de figuurwerking is dus hier van die
aard, dat men onwillekeurig het subjectieve midden van de
figuur gaat fixeren in plaats van dat andere midden, dat eerst
werd gefixeerd.

De resultaten, tot hier toe besproken, werden verkregen
onder de volgende voorwaarde wat de duur van fixatie aan-
gaat: de tijd die verliep tussen \'t begin van fixatie en \'t waar-
schuwingsein varieerde tussen Ij/^ en 3 sec. Enkele keren
hebben we die tijd korter, enige malen ook langer genomen.
Geringere fixatieduur bleek \'n gunstige conditie voor figuur-

-ocr page 144-

vorming, Gewoonlik werd reeds bij kortere expositietijden
dan anders \'n figuur waargenomen. Dat kan z\'n verklaring
vinden in het feit, dat het optimale interval tussen signaal en
prikkel 134—sec. bedraagt. Verder mogen we niet ver-
geten, dat, hoe korter die fixatie is, hoe meer simultaan de
expositie wordt, totdat tenslotte de figuur als geheel ineens
is gegeven. De kunstmatige rem, die we in het proces der
figuurvorming hebben aangebracht, was voornamelik gelegen
in het fixeren gedurende enige tijd van \'n deel der te vormen
figuur. Langere fixatie (4—8 sec.) was vooral bij grote
helderheid der lijnen zeer nadehg. Nog voordat het bijkomende
deel geëxposeerd was, zag men diepdonkere vlekken in de
haken of de lijn; soms was deze \'n donkere streep geworden.
Zo gebeurde \'t vaak, dat \'n expositietijd van 1000 cnog
ontoereikend was om \'n figuur te kunnen waarnemen.

Instelling en Opmerkzaamheid. Ongetwijfeld hadden we
bij onze proeven met opmerkzaamheidsverschuivingen en op-
merkzaamheidschommelingen te maken. Toch is door de
tachistoscopiese wijze van aanbieding \'t gantal der successieve
acten in belangrijke mate gereduceerd. Onwillekeurig moest
de opmerkzaamheid zich even richten op \'t deel dat plotseling
verscheen, alvorens zich te verdelen over \'t geheel. Was de
beweging van de haken niet duidelik waargenomen, dan stelde
men zich bij de eerstvolgende expositie onwillekeurig daarop
in. Had men de wijze van verdwijnen niet kunnen beschrijven,
dan ging men daarop letten; en zo eveneens met \'t verschijnen,
de lijnverandering en andere verschijnselen.

Bij \'t vooronderzoek hebben we de p.p. hierin vrij laten
begaan. Nadien brachten we naar best vermogen regel en
ordening aan in de verschillende opmerkzaamheidsrichtingen,
door van de p.p. instelling op \'t geheel te vragen bij de drie
eerste exposities en daarna de speciale opdracht te geven: let
nu op \'t verschijnen, op \'t verdwijnen, op de lijn-verandering
enz. Met deze gedetermineerde abstracties bleef de drang tot
eenheidsvorming zich steeds kruisen. Toch werd ook. ofschoon
in onmiddellik voorafgaande exposities reeds \'n figuur was

-ocr page 145-

gezien en de voorwaarden dus biezonder gunstig waren voor
\'t „weer \'n figuurquot; waarnemen, als men daarna op dit of dat
meer speciaal had gelet, herhaaldelik meegedeeld i), dat \'t
„eigenlik toch nog geen goed figureel geheelquot; was. Hier blijkt
dus duidelik, dat gelijkelik verdeelde opmerkzaamheid voor de
waarneming van eenheid \'n gunstige omstandigheid
is 2).

VcxMTiamelik door de twee p.p. D en R.
2) Verg. boven. Benussi en Kenkel.

Pirchologie der waamcming

-ocr page 146-

XI. DE PLASTICITEIT VAN DE LIJN.
ILLUSIE- EN BEWEGINGSVERSCHIJNSELEN.

Slechts zelden kwam \'t voor — wat sommige auteurs
meenden te moeten veronderstellen voor \'t optreden van
illusie 1) — dat men \'n duidelik en bewust voorstellingsbeeld
behield van datgene wat vooraf geëxposeerd werd; en toch
werd het verschil beleefd: „de lijn is langer of korterquot;. Nood-
zakelik is \'n dergelik intermediair voorstelhngsbeeld dus niet.
Men hoefde niet terug te grijpen naar lijn of haken, om ze op
\'t volgende waarnemingsbeeld te leggen en zodoende \'n oor-
deel over de verhouding te krijgen. Op de eerste indruk van
grootte volgden andere indrukken, die overgangsverschijnse-
len betekenden. Ook trad de opvatting van \'t geheel inplaats
van \'n eigenlike vergelijking op in \'n soort vicariërende
functie. „Men vergeet de lijn te vergelijkenquot;, zei een der p.p.,
„omdat zij dan in \'n geheel staatquot; (G). Zo werd de relatie
van verschil niet altijd beleefd, ook al had men \'t verschil
gezien.

De veranderingen in kwantitatief opzicht in haken en lijn
correleerden met kwalitatieve veranderingen.

Optreden en omvang der verschillende illusiemomenten
bleken aan bepaalde voorwaarden gebonden. Van invloed was
de volgorde van expositie, de expositieduur van \'t tweede deel,
het tijdsinterval waarna \'t tweede deel verscheen (duur van
fixatie van \'t eerste), de intensiteit enz.; in \'t algemeen ge-
nomen de objectieve factoren van \'t gegevene en de wijze

1) Th. Lipps, Raumästetik u. geom.-opt. Täuschungen, blz. 9 en 10.

-ocr page 147-

waarop men dit beschouwde. Of met toenemende uitgebreid-
heid (afstand en grootte) van \'t complex de illusie ver-
meerdert of vermindert i), was bij onze proefinrichting niet
gemakkelik te konstateren. Bij zeer kleine en vrij grote 2)
gezichtshoek trad ze duidehk op; en we zijn geneigd te zeggen,
dat ze bij de eerste \'t meest uitgesproken voorkwam. Was de
gezichtshoek echter zeer groot, dan werd, ofschoon men de
figuur als eenheid waarnam, het verschijnsel van verlenging
(I) meestal niet gezien. De ruimtelike betrekkingen bleken
dan veranderd en tevens de illusieverschijnselen 3). \'t Wordt
dan ook bedenkelik van \'n rechtstreekse afhankelikheid te
spreken tussen de uitgebreidheid van \'t complex en \'t optreden
van illusie. Veeleer is verandering van de uitgebreidheid van
invloed op dc illusieverschijnselen, in zoverre die verandering
wijziging brengt in de ruimtelike betrekking der delen.

Dit is in overeenstemming met \'n ander feit, dat we konden
noteren, nl. dat het illusiebedrag afneemt als de hoek der
haken groter is dan 30° ^), en zodra de proportionele lengte
der zijlijnen ten opzichte van de hoofdlijn \'n bepaalde grens
overschrijdt. Dan heeft \'n wijziging, plaats gevonden in de
subjectieve groepering of samenordening der delen, in hun
onderlinge verhouding en in hun verhouding tot \'t geheel; en
zo is tevens het speciale aspect van \'t complex, de karakteris-
tieke gerektheid of saamgedrongenheid, veranderd. De invloed
van \'t geheel, het figuurtype, op de grootte van de lijn, en
omgekeerd van de lijn op de grootte van \'t geheel, is hiertoe
terug te brengen. En mogelik ook de factor der richting, waarin
het gegevene zich bevindt. Is bij vertikale stand de ruimtelike
betrekking misschien \'n andere dan bij horizontale positie van
eenzelfde complex evenals bij grote en kleine projectie van
\'n zelfde figuur? Nader onderzoek zou dit moeten uitmaken.

1)nbsp;Cf. b!z. 19.

2)nbsp;Zie vorig hoofdstuk blz. 116 e.v.

Dit pleit o.a. tegen de theorie van Einthoven. In zijn verklaring is
geen plaats voor zulk \'n betekenis van de ruimtelike betrekkingen.

Ook in onze proeven waren de illusieverschijnselen («-beweging)
\'t meest opvallend bij \'n hoek van 30°.

-ocr page 148-

Het analyties of syntheties georiënteerd zijn der waar-
neming heeft men terecht \'n voorwaarde van groot belang
genoemd voor \'t optreden van illusie. Ook wij kunnen
bevestigen, dat synthetiese reactiewijze en verdeelde
opmerkzaamheid gunstige voorwaarden zijn voor \'t zien
optreden van vervormende bewegingsverschijnselen. Maar of
de innige eenheidsbinding van \'t geheel, die daaraan beant-
woordt, noodzakelik de waarneming van illusieverschijnselen
met zich brengti), menen we in twijfel te moeten trekken,
weer op grond van de feiten, die bij zeer grote uitgebreidheid
van \'t complex werden geobserveerd 2), Over \'t algemeen was
de waarneming \'n andere en viel \'t effect voor de respectieve
delen verschillend uit, al naar gelang men op \'t geheel of de
delen was ingesteld 3). Opzettelike isolering of individuali-
sering van \'n deel, zowel door subjectieve reactiewijze
als door objectieve factoren, was ongunstig voor vervorming
in dat deel. Zulk \'n abstraherende beschouwing bleek uiterst
moeilik. Werden de delen z.g. van hun geheel geïsoleerd, dan
nog bleven \'t louter delen met behoud van hun lid-karakter.
Al mag nu de praegnantie van \'t geheel niet gereduceerd zijn
tot beneden \'n zekere grens, van de andere kant moet ook \'t
deel in \'t geheel worden waargenomen om illusie te geven. Dit
lijkt ons \'n vingerwijzing ter interpretatie van die gevallen,
waarin bij momentane expositie geen illusie werd gekonsta-
teerd 4).

Niet bij alle p.p. was de strekking tot verdeling der op-
merkzaamheid over datgene, wat tot \'t geheel behoort, in even
sterke mate aanwezig. Terwijl G en K bijv. zich genoodzaakt
voelden tot abstraheren om over de verandering van de lijn

1)nbsp;Cf. Benussi, blz. 27, 52.

2)nbsp;Wij vonden \'n uitzondering op de regelmaat, die Sander en anderen
vaststelden, nl. dat de illusie des te groter is naarmate het geheel meer
domineert over de delen, zoals voor volwassenen bij tachistoscopiese
expositie of bij perifeer zien. (Cf. blz. 57).

•■•j Zie Seiferts correlatiewet omtrent Gestaltauffassung und Abstrak-
tion (Seifert blz. 109) en de tegenstelling van Ipsen (blz. 250) „Bettung
und Gelöstheitquot;.

4) Van Biervliet. Revue philos. Bd. 41, blz. 172.

-ocr page 149-

te kunnen oordelen, hoefden D en R daar niet de minste moeite
voor te doen. Betrekkelik gemakkelik konden deze laatsten
hun aandacht op \'t deel geconcentreerd houden. Zodoende
hadden zij \'n groot gemak bij het successief vergelijken. Voor
hen was ook de vorming van de figuur veel meer \'n samen-
voeging van constituerende delen; en verdween het figuur-
karakter bij détailbeschouwing zeer gemakkehki). Zo goed
als nooit spraken zij van kwalitatieve verscheidenheid, van
nieuwe groepvorming, of geleding in drieën (derde stadium);
het complex bleef bestaan uit \'n lijn, al of niet veranderd van
lengte, en haken. Ook zagen zij de haken in \'t vierde stadium
vrij geregeld vanaf hun open uiteinden verschijnen. De illusie
was belangrijk geringer dan bij andere p.p.

Al deze biezonderheden zijn o.i. te verklaren uit zwakke
analytiese reactiewijze. Daarvoor is de eenheidsbinding karak-
teristiek. Het belang der figuur in de opbouw van \'t geheel is
bij analyties ingestelden ook geringer dan bij p.p. die meer
syntheties tegenover \'t gegevene zijn ingesteld2). Al kunnen
we de wijze van aanbieding voor \'n analytiese wijze van be-
schouwing verantwoordelik stellen, toch blijft ook dan nog
waar, dat sommige p.p. hierbij vlugger dan andere p.p. tot
analytiese opvatting van \'t gegevene kwamen. Het lijdt dan
ook geen twijfel, of er moet een verschil tussen analytiese en
synthetiese dispositie worden aanvaard3).

De illusieverschijnselen, die wc opmerkten, kunnen worden
onderscheiden in gevallen, waarin de lijn \'t eerst gegeven was,
en de haken als bepalend element ten opzichte van \'t nieuw
te vormen geheel optraden, en gevallen, waarin de haken (met
de ruimte) nadere bepaling ontvingen vanwege het bepalend
element, dat de lijn dan vormde. Wat vooraf gegeven werd,
was bij \'t verschijnen van \'t tweede element het eerste ogen-
blik altijd het zwakkere deel en onderging ruimtelike en
kwalitatieve veranderingen. Nu merkten we op, dat de ver-

1)nbsp;Cf. vorig hoofdstuk, blz. 128, 129.

2)nbsp;Verg. Ipsen blz. 216 e.v.
«) Cf. blz. 76.

-ocr page 150-

anderingen van de haken toch altijd geringer waren dan die
der hoofdlijn. De haken behielden langer hun geïsoleerde
wijze van verschijnen, en was er beweging in te observeren,
dan bleef deze toch altijd minder duidelik. Bijna onmiddeUik
na het verschijnen van de lijn eisten ze hun functie van praeg-
nante vorm op en bleven als zodanig domineren. De haken
zijn dus meer impressief; zij hebben tegen inducerende
werkingen meer weerstandsvermogen dan de lijn; haar op-
vallende eigenschap was juist: plasticiteit.

De lijn werd met beweging fenomenologies langer en korter;
dit was zintuiglik duidelik waarneembaar. Dit is \'n bewijs
voor de ongeldigheid van al die theorieën, waarin de ver-
klaring voor \'t M. L. illusie-verschijnsel wordt gezocht in \'n
foutieve intellektuele verwerking en \'t veranderen der uitge-
breidheid in zichzelf geen erkenning vindt. Ook zijn de oor-
deelstheorieën, afgezien nog van \'t feit, dat ons bewustzijn
niets meldt van de existentie van \'n netvliesbeeld, onjuist,
omdat zij steunen op identiteit van de geïsoleerde lijn en de
figuur-lijn, die fenomenologies (d.i. voor het bewustzijn) niet
identiek zijn.

Gaan we de verschillende stadia na, wat betreft de ver-
vorming van de lijn, dan zien we dat de beweging, waarmee
de verandering plaats greep, soms geleidelik en duidelik was,
soms vlug en van zeer korte duur, zo zelfs dat ze niet altijd
als \'n continu doorlopen van \'n ruimtelike overgang te volgen
was. Deze verschillen hangen samen met de duur van exposi-
tie, maar ook met de richting der opmerkzaamheid. Schonk
men z\'n aandacht aan \'t inkrimpen, dan werd de andere over-
gang (de uitzetting) meestal niet of niet continu waargenomen.

De omvang der beweging hield verband met de wijze,
waarop de lijn in \'t nieuwe geheel werd opgenomen, met dien
verstande, dat illusie zich begon voor te doen, waar de
oorspronkelike delen aan zelfstandigheid en belangrijkheid
begonnen te verliezen. Verder bleek er \'n optimale tijd te zijn,
waarbij men \'t inkrimpen, en \'n optimale tijd, waarbij men \'t
uitzetten \'t duidelikst kan waarnemen. De mededelingen van
alle p.p. stemmen hierin overeen, dat niet bij \'n minimale

-ocr page 151-

(tweede stadium) en niet bij \'n maximale expositietijd (vierde
stadium) de illusieverschijnselen \'t best worden geobserveerd,
maar wel bij \'n gemiddelde van ± 500 cr (derde stadium).

In \'t tweede stadium komt ruimtelike vervorming van de
lijn niet en wel voor, d.w.z. bij \'t verschijnen der haken zo
goed als niet, bij hun verdwijnen echter meestal wel. \'t Eerste
zou kunnen pleiten voor de theorie van Einthoven. Want
volgens deze theorie houdt, zodra de zijlijnen duidelik ge-
scheiden van de te vergelijken lijn worden waargenomen, de
oorzaak voor \'t ontstaan der optiese illusie op; dan is er geen
sprake van, dat de lijn beoordeeld wordt naar de afstand van
de zwaartepunten der verstrooiingcirkels van de indirekt
geziene zijlijnen. Maar hoe zou dan de verkorting (I) bij \'t
verdwijnen der haken te verklaren zijn?

Koffka-Kenkel konden ook meerdere malen bij zeer korte
expositietijd geen uitzetting van de lijn opmerken. Zij wijten
dit aan de -beweging, waarmee de haken vanaf hun open
uiteinden verschijnen. Deze beweging zou de a-beweging van
de lijn remmen. Hoe kan dit overeenkomen met onze be-
vinding, dat de haken in \'t vierde stadium op dezelfde wijze
konden verschijnen (D en R), terwijl men toch de lijn langer
zag worden? De verlenging van de lijn was in deze gevallen
en bij deze p.p. vrij gering, maar er was toch uitzetting waar
te nemen. Al is \'t dus aannemelik dat de /ï-beweging de
a -beweging remt, dan moet nog ter verklaring van \'t uit-
zetten in \'t tweede stadium worden aangenomen, dat daar
de a-beweging in meerdere mate werd geremd door de
/?-beweging dan in \'t vierde stadium, waar de expositietijd
langer was.

Benussi heeft getracht een verklaring te geven, door te ver-
wijzen naar de mogelikheid. dat de „einheitliche Auffassungquot;
van de gezamenlike gegevens als delen van één Gestalt ver-
stoord wordt door het toeschieten der zijlijnen. Zou \'t ook
niet kunnen zijn, dat we hier met \'n geval te doen hebben,
soortgelijk als dat, waarop Wingender gewezen heeft, nl.
dat de tijd, die voor de waarneming der zijlijnen volstond, niet
voldoende was voor \'t zich ontwikkelen van \'t illusiever-

-ocr page 152-

schijnsel? De duur der expositie lijkt in verscheidene gevallen
te lang, om deze veronderstelling te wettigen i). Wij menen,
dat de oorzaak van \'t uitblijven der verlenging ligt in \'t
feit, dat de lijn in \'t eerste ogenbhk niet als deel van \'n gede-
termineerd complex is waargenomen, maar veeleer als zelf-
standig ding onder \'n ,,meerquot;, onder \'n veelheid. Onmiddellik
daarna kan wel \'n totaliteitsindruk op discontinue elementen
gefundeerd, aanwezig zijn geweest, doordat de gezamenhke
gegevens plotseling als \'n geheel zijn gedacht. Waar de delen
voordien reeds in rust waren, was dit geheel niet meer in staat
daarin beweging te voorschijn te roepen of modificatie te
brengen in de uitgebreidheid 2). Zo zou begrijpelik worden,
dat het illusieverschijnsel wel secundair wordt opgemerkt,
d.w.z. waargenomen wordt bij \'t verdwijnen der zijlijnen als
inkrimping (resp. uitzetting) van de hoofdlijn. Want in aan-
sluiting bij de beweging, waarmee de zijlijnen verdwijnen, kan
de gevormde eenheid wel van invloed zijn.

Ruimtehke vervorming van de lijn trad des te duideliker
op, naarmate de determinatie van de lijn van \'t eerste ogen-
blik af duideliker gegeven was, zoals in \'t derde en vierde
stadium, waar uit de hoofdlijn de zijlijnen schijnen te groeien.
En dat was eerder meer dan minder opvallend in \'t derde
stadium. Dit verschil kan hieraan te danken zijn, dat de lijn,
wanneer de zijlijnen uit \'t lijngeheel voortkwamen (vierde
stadium), ineens haar identiteit moest verliezen. De overgang
tot de innige eenheid, die de figuur is, kon plaats vinden,
zonder dat vooraf \'n geleed-zijn de aandacht trok. Zo be-
grijpen we ook, dat \'t vaker voorkwam in \'t vierde stadium.

1) Cf. blz. 33 en de tabellen C en D.

-) Dat soms wel uitzetting in de lijn werd geobserveerd in \'t tweede
stadium, kan z\'n oorzaak vinden in \'t feit, dat de lijn, na eerst geheel ol
gedeeltelik te zijn verdwenen, intussen als deel van \'n eenheid was gedacht
en de invloed van die eenheid onderging in aansluiting bij de beweging,
waarmee zij weer opdook. Zo wordt ook begrijpelik dat Wingender, bij
wiens proefinrichting zulk \'n verdwijnen van de lijn zeer gemakkelik
voorkwam, als algemene regel geeft, dat de a-beweging zich eerst ont-
wikkelt, nadat de zijlijnen met \'n /^-beweging naar de hoofdlijn waren toe-
geschoten.

-ocr page 153-

dat men \'n vervorming slechts kon deduceren, als men de
hoofdlijn ineens van \'n andere uitgestrektheid zag.

Somtijds was de lijn al langer geworden, voordat de figuur
was geconstitueerd (derde en vierde stadium I) i). Dus werd
hier de nieuwe grootte, de kwaliteit van de lijn in \'t licht van
\'t geheel eerder waargenomen dan de figuurvorm. Ook ge-
beurde \'t in \'t derde stadium, dat de zijlijnen eerst terug liepen
in de hoofdlijn en deze daarna pas inschrompelde. Zoeken we
naar de verklaring van deze verschijnselen, dan moet de
richting der opmerkzaamheid daarvoor wel verantwoordelik
worden gesteld, \'t Eerst treedt op de indruk van datgene,
waarop onze opmerkzaamheid is gericht. Zo kunnen zelfs
indrukken die gelijktijdig aanwezig zijn met belangrijke tijds-
verschillen worden waargenomen. We kunnen dus veilig aan-
nemen dat die eigenaardige successie te danken is aan \'n
subjectieve tijdsverschuiving tengevolge van het successief
richten der opmerkzaamheid op de figuur en op de verande-
ringen in de lijn.

Hoe verklaren we, dat de vervorming van de hoofdlijn bij
\'t verschijnen der zijlijnen begunstigd is tegenover de ver-
vorming bij hun verdwijnen? Hoe komt \'t dat uitzetting van
de lijn in de regel geleideliker plaats vindt, duideliker wordt
waargenomen dan inkrimping? Voor inkrimping van de hoofd-
lijn is eigenlik geen reden, wijl \'t fenomenologies niet dezelfde
lijn is, die in de figuur is vervat en die welke overblijft na
\'t verdwijnen der zijlijnen. Ook hier weer heeft \'n vervanging
plaats door \'n andere lijn, die korter is. Dit heeft Kenkel over
\'t hoofd gezien, waar hij \'t verschil tracht te verklaren door
\'n strekking tot uitdijing bij \'t ontstaan der tweede „Gestaltquot; 2)
tengevolge van de voorafgaande y-beweging der haken.
Benussi\'s veronderstelling, dat het minder zintuiglike karakter
der beweging bij \'t verdwijnen der zijlijnen \'n kwestie zou
zijn van nawerking der gegeven figuur in de fantasie, is o.i.

Gelijk we aannemen, dat \'t mogelik is, dat en «-beweging elkaar
remmen, 20 kunnen we ook aannemen, dat de a-beweging van de lijn en de
beweging van \'t verschijnen der haken, in dezelfde richting verlopend,
elkaar kunnen versterken (derde en vierde stadium).

2) Cf. zijn proefinrlchting.

-ocr page 154-

\'n onnodige complicatie van \'t geval. — We zeiden, dat er
eigenlik geen reden was voor inkrimping. Dat deze toch voor-
kwam, is natuurlik te wijten aan de omstandigheid, dat de
figuurlijn en de geïsoleerde lijn gemakkelik werden geïden-
tificeerd.

Uit de verslagen stellen we \'n ander feit, wat \'t bedrag der
illusie betreft, vast; nl. dat de verkorting van de lijn bij \'t
verschijnen der naar binnengekeerde zijlijnen (II) zich veel
minder duidelik voordoet, als verlenging bij \'t verschijnen
van naar buiten gerichte zijlijnen (I). Dit stemt overeen met
het verschil in illusiewaarde door andere onderzoekers ge-
konstateerd bij de figuren I en II i). Het bedrag der
illusie van de figuren I vergeleken met de grootte van de
geïsoleerde lijn is groter dan dat van de figuren II vergeleken
met de grootte van de afzonderlike lijn. Nu was dit verschil
bij ons materiaal niet alleen \'n kwestie van verschillend
figuurtype, maar ook van de andere proportie der zijlijnen
ten opzichte van \'t figuur-geheel in beide gevallen. Was bij
beide de betrekkelike lengte der zijlijnen ten opzichte van
de hoofdlijn 2
/5, zo was de verhouding, wat de zijlijnen en
\'t figureel geheel betreft, in de twee gevallen verschillend. En
overeenkomstig de bovenvermelde bevindingen moeten de
betrekkelik grotere zijlijnen in II voor \'t optreden van illusie
ongunstig zijn geweest.

Met dit verschil in illusiewaarde tussen de figuren I en
II houden verband de verschijnselen van beweging in \'t
vierde stadium bij figuur III geobserveerd. Bij \'t verschijnen
der haken verplaatste de lijn zich iets naar links (resp. rechts,
naar gelang de richting van de „pijlquot;), bij hun verdwijnen
schoof zij weer terug. Eerst meenden we een verklaring hier-
voor te moeten zoeken in de verplaatsing van \'t punt van
fixatie. Maar dan drong zich de vraag op, hoe die verplaatsing
beweging van de lijn kon veroorzaken, m.a.w. hoe men zich
dat eventuele verband zou moeten denken? En hieromtrent
zouden we niet graag \'n veronderstelling wagen. Is \'t ten-
slotte niet veel aannemeliker, dat zich bij dit figuurtype het-

i)Zie boven blz. 16, 17.

-ocr page 155-

zelfde verschijnsel voordoet als bij I en II, maar nu met ver-
lenging links (resp. rechts) en verkorting rechts (resp. links)
terzelfdertijd? Ziet men uitzetting aan de ene zijde, terwijl toch
de uitgestrektheid van de lijn subjectief dezelfde blijft i), dan
wordt \'t begrijpehk, dat men dit als \'n beweging van de lijn
interpreteert. En deze opvatting wordt begunstigd door het zin-
volle der figuur, die \'n bepaalde richting heeft. Voof deze ver-
klaringswijze vinden we steun in de observaties van verlenging,
die in de verslagen zijn te vinden 2). Ook dit is dus \'n voor-
beeld van \'t geval dat \'t geheel als eenheid werkt; hier van die
aard, dat het richtingsmoment beweging suggereert, waar
aanwezig zijn elementen van verlenging (en verkorting) aan
weerszijden van \'n deel, dat tenslotte, als zelfstandig deel
verdwenen, in \'t nieuwe geheel is opgenomen.

Was de volgorde van expositie H L, dan viel \'n groter
of kleiner worden van de afstand niet of bijna niet waar te
nemen. Dat is natuurhk \'n kwestie van de heel andere aard
van datgene, wat verandering zou moeten ondergaan. In
\'t ene geval (L H) hebben we te maken met \'n lijn, in
\'t andere geval (H L) gaat \'t om „legequot; ruimte. Al willen
we nu niet zeggen, dat \'t onmogehk is \'n groter of kleiner
worden van „legequot; ruimte werkelik te zien, met dien verstande
dus, dat dit zien niet berust op interpretatie of afleiding uit
waargenomen beweging van \'n object met betrekking tot die
ruimte, toch wil \'t ons voorkomen, dat \'t veel en veel makke-
liker is \'n lijn te zien uitzetten en inkrimpen. Maar we hadden
te maken met \'n afstand tussen haken. Dus men had de
haken zelf eventueel verder van of nader tot elkaar kunnen
zien komen. Behoudens enkele uitzonderingsgevallen kwam
dit niet voor, en ook dan was de verplaatsing der haken nog
zeer gering. De omstandigheid, dat de haken met de inge-
sloten ruimte zelf reeds een georganiseerd geheel vormen,
kan de oorzaak zijn. Toen we terloops de haken door \'n

Inkrimping aan de andere zijde neemt men in \'t geheel niet of slechts
diffuus waar.

3) Zie boven blz. 102, 103.

-ocr page 156-

enkel lijntje vervingen op de plaats der haken links en rechts,
bewogen zich die lijntjes waarneembaar naar elkaar toe en
verder van elkaar af. Nauwkeurig onderzoek zou dit waar-
schijnlik bevestigen.

Als de hoek der zijlijnen 30° bedroeg, maakten de hoek-
benen, als de lijn zich uitstrekte naar beide zijden, vaak \'n
klapbeweging naar elkaar toe. Bij uitzondering werd bewe-
ging in tegenovergestelde richting, dus \'n strekbeweging,
waargenomen, als die hoek 90° was. Dat de schijnbeweging
der zijlijnen en de verandering in hun divergentie door de uit-
zetting van de lijn wordt bewerkt, zou als bewijs voor de
hypothesen van Thiéry en Filehne kunnen pleiten, nl. dat de
illusie op te vatten is als nawerking van vroegere ervaringen,
bij \'t zien van lichamen verworven, \'t Doet ook denken aan
Einthovens verklaring, nl. dat \'t indirekt gegevene fysiologies
diffuus, d.i. onbepaald wordt gezien en gelokaliseerd. Von
Helmholtz merkte reeds op, dat als men \'n naald herhaaldelik
met \'n bepaalde snelheid van rechts naar links over \'n Zöll-
nerse figuur beweegt en daarbij de naaldpunt met \'t oog volgt,
die figuur in onrustige beweging
raakt2). Ten nauwste moet
dit samenhangen met de intrafigurale bewegingen van Ehren-
stein, waarvan vroeger sprake
was3). Ehrenstein ging van
de volgende proefneming uit: wanneer men langs een der
benen van \'n hoek de punt van \'n potlood beweegt van het
hoekpunt af, dan krijgt men de indruk, dat de hoek groter
wordt; en omgekeerd dat hij kleiner wordt wanneer de potlood-
punt naar het hoekpunt toe wordt bewogen.

De fysiologiese verklaring dezer verschijnselen valt buiten
ons bestek. We wensen er alleen op te wijzen, dat deze
bewegingsverschijnselen zich bij onze proeven uitsluitend
voordeden in \'t derde en vierde stadium, dus daar waar
partiële figuren (groepvorming) of de nieuwe eenheid werden
waargenomen. Ongetwijfeld houden die verschijnselen dan

Soms ook als die hoek 90° bedroeg, maar dan was de beweging
niet zo duidelik.

2)nbsp;Physiol. Optik. 1896, Ile Auflage, blz. 713.

3)nbsp;Cf. blz. 49.

-ocr page 157-

ook verband met de waarneming van de karakteristieke een-
heid, waarin de zijlijnen worden opgenomen. Deze opname,
die \'n functionele inlijving in dat geheel betekent, voltrekt zich
met \'n klap- of strekbeweging, waarin \'t speciale aspect
geaccentueerd tot uitdrukking komt. Zo verstaan stemmen
we in met wat Gatti zegt, dat de intrafigurale bewegingen
van Ehrenstein samenhangen met de modahteit der per-
ceptie van de ruimtelike betrekkingen (afstand, nabijheid,
scheiding) in \'t complex, en voegen eraan toe, dat de figuur-
factor zich hier \'n werkelik causale factor toont, wat de
bewegingsverschijnselen betreft i).

Tenslotte nog enkele opmerkingen in verband met sommige
bewegingsverschijnselen wier vage bepaling naar mijn mening
het inzicht in de problemen nu juist niet heeft verhelderd.
Voor \'n juist begrip is \'t goed, onderscheid te maken tussen
die bewegingen, welke \'t gevolg zijn van de tachistoscopiese
expositie van \'n object en andere, die te interpreteren zijn als
gevolg van \'n gericht-zijn op nieuwe eenheidsvorming uit
collectieve gegevens of op de „Durchstrukturierungquot; van \'n
waargenomen complex. Tijdelik zijn beide soorten van be-
weging meestal niet te scheiden. Ook kunnen ze zo sterk
eikaars invloed ondergaan, dat hun omvang wordt beperkt of
dat zij elkaar versterken. Dat de eerstbedoelde bewegingen
figuurvorming in de weg kunnen staan, spreekt vanzelf, \'t Zijn
immers tachistoscopiese bewegingen van \'t geïsoleerde zelf-
standige object, zonder betrekking tot andere gelijktijdig
gegeven objecten. Slechts onder bepaalde omstandigheden
zullen zij adaequate voorwaarden zijn voor de vorming van \'n
nieuwe „Gestaltquot;.

In onze proeven behoren de bewegingsverschijnselen van
\'t laatst gegeven deel tot die eerste groep, voorzover zij
deel uitmaken van \'t proces, waarmee lijn of haken de volle
grootte krijgen, die hun als geïsoleerde deelen toekomt

Ook observeerden drie p.p. (R, K en G) soms \'n wegklappen van
de lijn naar beneden en \'n volledig omduikelen van de haken bij hun
verdwijnen. Ehrenstein brengt deze verschijnselen terug tot kontrast-
verschljnselen. (Ehrenstein blz. 331, 337, 338).

-ocr page 158-

(y -beweging) i). Dat deze bewegingen meestal hevig waren,
vond z\'n oorzaak in de fixatie en in de omstandigheid, dat
in de onmiddellike nabijheid en gelijktijdig in \'t gezichtsveld
stilstaande delen aanwezig waren. Dezelfde factoren zijn in
\'t spel, wanneer we in de trein letten op \'t voorbijvliegen van
telefoonpalen, en daarbij nu eens \'t oog richten op \'n relatief
stilstaand punt, dan weer op iets anders wat meebeweegt. In
dit laatste geval is de waargenomen beweging langzamer dan
in \'t eerste. Zo maakten de bewegingsverschijnselen in de lijn
of in de haken \'n veel kalmere indruk, als zich in \'t eerste deel
ook beweging manifesteerde ( «-beweging in de lijn; intra-
figurale beweging in de haken). Vandaar dat — afgezien van
\'t belang der instelling — het verdwijnen der zijlijnen soms
snel soms geleidelik
verliep2),

Gevallen van /^-beweging, die samenhangt met objectief
verschillende ligging der prikkelobjecten en verandering in de
grootte der figuren met zich brengt, hebben we ontmoet in de
bewegingen der haken (het toeschieten) en wel \'t duidelikst
bij zeer grote gezichtshoeken. De (ï-beweging, waarvan
Korte spreekt, hadden we moeten waarnemen, waar de haken
met hun overwicht aan impressiviteit na de lijn verschenen
3),
De haken zouden naar de lijn toe moeten bewegen en dan met
de lijn al of niet verbonden op hun oorspronkelike plaats
terugkeren. Waar deze beweging telkens gepaard met de
y -beweging optrad, spreekt \'t van zelf, dat de mededelingen
van onze p.p., die niet attent waren gemaakt op deze ver-
schijnselen, hieromtrent biezonder schaars zijn, of beter er

Lindemann toonde aan, dat deze bewegingsverschijnselen verband
houden met de configuratie van \'t betreffende deel. (E. Lindemann, Exper.
Untersuch, über das Entstehen und Vergehen von Gestalten, Psych. For-
schung 3, 1922, blz. 5 e
.v.

2) In hoeverre op deze y-beweging de kortere gewaarwordingstijd en
de langere gewaarwordingsduur van de netvliesperiferie, vergeleken bij
die van de fovea centralis van invloed zijn. kunnen we niet uitmaken.
Verondersteld echter, dat de wijze van verschijnen en verdwijnen der
haken (het oplichten vanaf de periferie, zich uitbreiden naar de fovea
en zich dan weer terugtrekken naar de periferie) hierdoor veroorzaakt
zijn. dan kan dit toch uitsluitend gelden voor \'t tweede stadium.

A. Korte, Kinematoskopische Untersuch. Beiträge zur Psych. der
Gestalt
v. Koffka 1919. blz. 99 e.v. en T. Bast. Tach. Schljnb. blz. 38.

-ocr page 159-

werd geen onderscheid gemaakt tussen de y. en (ï-beweging.
Zo is \'t goed mogelik, dat, als wij lezen in de verslagen uit
\'t tweede stadium: „de haken komen van buitenaf naar de lijn

toe----: de haken verdwijnen met \'n beweging naar buiten,quot;

èn de y- èn de ^-beweging in deze beschrijvingen verdis-
conteerd zitten. Ook in de verslagen van \'t derde stadium
vinden we \'n enkele maal iets dergehks genoteerd: „De haken
kwamen, de lijn werd langer en duwde de haken weer opzij;
wel bleven ze verbonden (K)... De pijltjes zijn eerst korter
bij elkaar als ze verschijnen, dan weer verder van elkaar af
gesprongen (H).quot; Van \'t al of niet groeien uit de lijn
werd in deze twee gevallen geen melding gemaakt. Groeien
de haken uit de zijlijnen dan kan van \'n eigenlike d-beweging
geen sprake zijn, tenzij men in de beweging der haken mis-
schien de eindfase van \'n d-beweging wil zien.

Zoals we zeiden, is \'t dikwels moeilik uit te maken, met wat
voor soort van bewegingsverschijnselen men te doen heeft,
omdat die verschillende bewegingsverschijnselen zo in elkaar
grijpen, \'n Maatstaf heeft men soms in de richtingsver-
scheidenheid. Zo was de beweging in de lijn, als deze \'t laatst
verscheen, in hoofdzaak \'n beweging van \'t midden uitgaande
en weer terugkerend naar \'t midden; maar daarnaast kon ook
van tijd tot tijd \'n ,,Innen-Bcwegungquot; worden opgemerkt, die
bij haar verschijnen naar \'t midden toe en bij haar verdwijnen
naar buiten was gericht (derde en vierde stadium). Deze
laatste bewegingsverschijnselen moeten ten nauwste verband
houden met de vorming van de eenheid.

In \'t algemeen genomen, zijn zeker tot de tweede groep van
bewegingsverschijnselen te rekenen die, welke zich in
\'t eerst
gegeven deel als de andere helft verschijnt, manifesteren.
En hieronder zijn de a -bewegingen de voornaamste. Uit wat
Wingender, Kenkèl, Gatti en wij vonden, bleek dan ook
duidehk, dat zij moeten worden geïnterpreteerd als \'n gevolg
van \'t plotseling verschijnen van \'n complex, waarvan ruimte-
like betrekkingen overschat zijn. Steeds treden die bewegingen
op in de richting der vervorming. Zodoende wordt \'t verschil
in uitgestrektheid van geïsoleerde lijn en figuurlijn met \'n ver-
vormende beweging geaccentueerd.

-ocr page 160-

XII. SAMENVATTING.

1.nbsp;We hebben een histories overzicht gegeven van de studie,
de resuhaten en de theorieën aangaande de M. L. illusie,
en een experimenteel metend en introspectief onderzoek
ingesteld naar haar optreden en haar aard.

2.nbsp;De term „gezichtsbedrogquot; betekent niet \'n reëel psychies
feit, dat zich van andere psychiese verschijnselen zou
onderscheiden; het is \'n benaming in termen der prikkels,
waarmee men zegt, dat in normale omstandigheden af-
wijking is gegeven tussen de onmiddellike indruk bij waar-
neming en het oordeel, dat bij mathematiese bepaling van
\'n ruimtelikheid wordt verkregen (blz. 1—7).

3.nbsp;We gaven \'n karakteristiek van de M. L. illusie met
enkele variaties (blz. 6—11).

4.nbsp;De M. L. illusie vertoont \'n zekere labiliteit, zoals blijkt
uit de resultaten door vorige onderzoekers en de gegevens
bij eigen onderzoek verkregen.

Het optreden en het bedrag der illusie is afhankehk van
verschillende factoren. Onder objectieve factoren hebben
we vermeld: de configuratie met haar structurele ver-
houdingen. de grootte van de hoek der zijlijnen, de pro-
portionele lengte der zijlijnen, de vorm en aard van het
zijstuk, de stand in de ruimte, de grootte van \'t complex
en de afstand tot \'t individu (gezichtshoek); verder
helderheids- (kleur-) verschillen tussen hoofd- en zijlijnen
en tussen complex en achtergrond, verschil in dikte tussen
hoofd- en zijlijnen, bepaalde begrenzingsmomenten en aan-

-ocr page 161-

knopingspunten bij vergelijking; en tenslotte de expositie-
tijd (blz. 15—23).

Als subjectieve factoren hebben we genoemd: de instelling,
het analyties of syntheties georiënteerd zijn der waar-
neming, de aard der opmerkzaamheid, de oefening en
ervaring, de psychiese dispositie, verschillen in ontwikke-
ling, leeftijd en geslacht (blz. 23—28).
De vermindering van het illusiebedrag door oefening
bleek behalve aan het figuurtype, ook gebonden te zijn
aan de positie, waarin de figuren zich ten opzichte van
elkaar bevinden (blz. 25).

Bij waarneming van M. L. figuren onder momentbelich-
ting had oefening geen invloed op het bedrag der illusie
(blz. 25, 26).

5.nbsp;We zetten het ontoereikende van verschillende theorieën
over het ontstaan der illusie in \'t licht en gingen hiervan
uit om een bevredigende theorie te vinden.

De hypothesen ter verklaring waren te groeperen naar de
volgende vragen: Is de illusie perifeer of centraal ver-
oorzaakt? Grijpt de illusie-verwekkende factor aan in \'t
oordeelsproces of in \'t waarnemingsproces? Bestaat het
gezichtsbedrog in de waarneming of alleen in \'t oordeel?
Zijn de psychies gegeven indrukken zelf verschillend ten-
gevolge van \'n speciaal produktief proces, of zijn ze een
onmiddellik gevolg van de werking der verschillende
prikkelconstellaties? Is misschien verklaring te vinden in
oogbewegingsfactoren of in de functionering van het net-
vlies? (Blz. 37—62).

6.nbsp;Bij het experimenteel onderzoek hebben we ons tot taak
gesteld, het optreden van illusie bij de opbouw van M. L.
figuren na te gaan. Daartoe was nuttig, enkele voor-
waarden te onderzoeken, waaronder \'n figuur optreedt,
en langs introspectieve weg beschrijving te geven van het
ontstaan van M. L. figuren. Om wille van het introspec-
tief procédé was successieve (wat betreft de deen)

Psychologie der waarnemingnbsp;10

-ocr page 162-

tachistoscopiese expositie gewenst. We gebruikten twee
figuren (I en II), met enkele variaties, voor geregeld onder-
zoek; drie andere meer terloops. De figuren werden
afwisselend geëxposeerd in expositievolgorde L H en
en H L, in horizontale en in vertikale stand, bij ver-
schillende gezichtshoeken en met verschillende intensiteit.
De resultaten zijn verkregen bij acht proefpersonen (blz.
63—73).

7.nbsp;In aansluiting bij de gegevens is vereist voor de waar-
neming van \'n „figuurquot;: het onmiddellik en kant en klaar
aanwezig zijn voor het bewustzijn van het perfect geheel,
dat als \'n organiese eenheid primair gegeven is, in tegen-
stelling met wat psychies wordt geconstrueerd (blz. 77).

8.nbsp;De weg, waarlangs \'n figuur zich constitueerde, was
bepaald door het eerst gegeven zijn van een der elementen.
In de opbouw van de figuren konden in de regel, af-
hankelik van de expositietijd, vier stadia worden onder-
scheiden, die sprongsgewijs op elkaar volgden, d. w. z.
zo, dat de ene configuratie abrupt door de andere ver-
vangen werd.

Behoudens de gevallen van inhibitie ging \'n gezamenlik
beleven van de gegeven elementen (2e stadium) vooraf
aan het beleven der eenheid (3e en 4e stadium); \'n geheel
op discontinue elementen gefundeerd (2e en 3e stadium)
maakte tenslotte plaats voor de innig gesloten „figuurquot;,
die de indruk wekte van \'n zinvol object (4e stadium).
In de verschillende stadia traden veranderingen op in de
achtergrond zelf, wanneer het op die achtergrond ge-
gevene veranderde (bewijs voor het functioneel verband)
(blz. 80—107).

9.nbsp;Voor het eerste stadium waren karakteristiek: de hevig-
heid der bewegingsverschijnselen, de louter simultane aan-
wezigheid en betrekkingloosheid der delen, en de syn-
cretiese waarneming der zijlijnen.

-ocr page 163-

Er werd geen lengteverandering in de hoofdlijn waar-
genomen.

In het tweede stadium konstateerde men \'n los samen-
gevoegd-zijn van de haken en de numeriek identieke lijn.
De zijlijnen, die nu analyties werden opgevat, kwamen
„bijquot; de hoofdlijn. Slechts weinig hadden de delen aan
afgezonderdheid ingeboet. Het speciale aspect van \'t
complex was bepaald door het subjectief gescheiden zijn
der delen. De tussenruimte was reeds opgenomen in en
gevormd naar het gedetermineerde complex.
Bij het verdwijnen der zijlijnen werd de hoofdlijn
korter (I).

Kenmerken voor het derde stadium: De zijlijnen groeiden
uit de hoofdlijn en werden syntheties opgevat. On-
middellik was een gestructureerd geheel gegeven met kwali-
tatieve en kwantitatieve verandering in lijn en haken. De
geleding van \'t geheel was bepaald naar de groepvorming,
die zich voltrokken had door versmelting van de uiteinden
van de hoofdlijn met de zijlijnen (partiële figuren). Vage
vlekken in de hoofdlijn functioneerden als voegen. De
partiële figuren waren centra voor de dominerende kwali-
teit van \'t geheel, die tot uitdrukking kwam in de om-
gevende ruimte en zeer duidelik in de lijn zelf. Somtijds
waren delen van \'t complex versmolten met stukken van
de achtergrond.

De illusie ontwikkelde zich vanaf het ogenblik van \'t ver-
schijnen der zijlijnen met \'n beweging van de hoofdlijn.
De hoofdlijn verloor aan dikte en werd langer (I, L H),
ofwel werd zij dikker en korter (II, L H). Als de zij-
lijnen verdwenen, werd de hoofdlijn korter (I, L H) en
langer (II, L H). Waren de zijlijnen \'t eerst geëxpo-
neerd (H 4- L), dan deed zich met \'n schijnbeweging
verandering in hun divergentie voor: de benen der hoeken
bewogen naar elkaar toe, (30°, 90°), soms van elkaar af
(90°).

Met \'n groeien van de haken uit de gehele lijn consti-
tueerde zich in het
vierde stadium de figuur, die als een-

Psychologie der waarocmingnbsp;10*

-ocr page 164-

heid op de voorgrond trad. De waargenomen innigheid,
geslotenheid en enkelvoudigheid van haar aard ging ver-
gezeld van de herkenning van de vorm, het zinvol iets,
\'t „dingquot; en van een indruk van welgevaUigheid. Voor
de delen (haken en lijn) betekende het proces \'n substan-
tieële transformatie van element tot moment: de geïso-
leerde lijn en de figuurlijn waren fenomenologies, d.i.
voor \'t bewustzijn, niet numeriek identiek.
De figuur werd kleiner (I) en groter (II) als de hoofd-
lijn tussen de zijlijnen verscheen (H L). Verder deden
zich dezelfde illusie-verschijnselen voor als in het derde
stadium, met uitzondering van het korter (I) en langer
(II) worden van de hoofdlijn, als de zijlijnen verdwenen.

10.nbsp;De figuur luistert naar de lijn en de haken; en omgekeerd
luisteren de lijn en de haken naar de figuur. De eenheids-
vorming oefent \'n causaal effect uit op het gegevene, en
wel zo, dat de eenheid voor haar leden een constitutief
bepalende factor is, en een differentiatie naar belangrijk-
heid met zich brengt (blz. 81—111).

11.nbsp;Ook is de figuur-factor \'n werkehk causale factor, wat de
bewegingsverschijnselen in lijn en haken betreft. Het
speciale aspect van het geheel deelt zich met vervormende
beweging aan de lijn en de haken mee, en komt op die
wijze geaccentueerd tot uitdrukking (blz. 97-^105 en
blz. 133 e.v.).

12.nbsp;We verstaan de aanpassing van vorm en kleur der tussen-
ruimten aan het geheel, de steeds scherper wordende af-
tekening tegen de achtergrond, de vervorming en de diffe-
rentiatie naar belangrijkheid, de verandering der ruimte-
like betrekkingen en der kwalitatieve eigenschappen van
de leden: als resultaten van het feit, dat \'n steeds verder
om zich heen en steeds meer in de diepte grijpende struc-
tuurvorming zich voltrekt. Al deze verschijnselen houden
verband met de waarneming van de karakteristieke een-
heid, waarin de hoofdlijn of de zijlijnen worden opgenomen
(blz. 105—108).

-ocr page 165-

13.nbsp;Die opname van lijn en haken betekent \'n functionele
inlijving. Daarbij openbaart zich \'n strekking tot uniformi-
teit in soort, richting en helderheid van het materiaal, dat
in de groepvorming (3e stadium) of figuurvorming (4e
stadium) betrokken is (blz. 100, 101, 106).

14.nbsp;De invloed der functionele inlijving is afhankelik van de
kwaliteit van het geheel, waarin het deel is vervat (blz.
101 en blz. 113 e.v.).

15.nbsp;De veranderingen in de lijn zijn groter dan de verande-
ringen in de haken. De haken zijn meer impressief en
hebben tegen inducerende werking meer weerstandsver-
mogen dan de lijn. Haar opvallende eigenschap juist is \'n
zekere plasticiteit (blz. 134).

16.nbsp;\'n Figuur ontstond vanzelf, d.w.z. de eenheid drong zich
op, zonder dat men iets kon merken van \'n produktieve
act, die samenvatte of synthetiseerde (blz. 107).

17.nbsp;In andere psychiese sferen werd de waargenomen een-
heid meebeleefd: zij riep karakteristieke gevoelens op, en
in de motoriek straalden de gevoelswerking en het vatten
der betekenis uit. Merkwaardig waren bij de p.p. de be-
wegingen met interpreterend karakter (blz. 108, 109).

18.nbsp;Was de eenheid eenmaal aanwezig (waargenomen), dan
bleef ze meestal bestaan (blz. 108).

19.nbsp;Het verloren gaan van figuurkarakter vraagt minder tijd
dan de vorming van dezelfde figuur (blz. 99, 108).

20.nbsp;Bij figuurvorming bleken de volgende factoren van
invloed te zijn:

a.nbsp;het figuurtype. De typen III en V werden eerder (bij
korter expositietijd) als figuur gezien dan I en II, en
I weer eerder dan II.

b.nbsp;de hoekgrootte der haken. Bij I waren hoeken van 30®
en 45° gunstiger voor de waarneming van \'n figuur;
het type II werd eerder als figuur waargenomen, als de
hoek 90° bedroeg.

c.nbsp;grootte en afstand van het gegevene tot \'t individu. Bij
gezichtshoeken van 2° —±20° (25°) werden kleine
configuraties eerder als figuur gezien dan grotere.

-ocr page 166-

d.nbsp;de stand in de ruimte. In vertikale stand werden de
verschillende types eerder als figuur gezien dan bij
horizontale aanbieding.

e.nbsp;de intensiteit en de kwalitatieve gelijkheid der delen.
Relatief geringe lichtintensiteit was somtijds gunstiger
voor figuurvorming dan grote intensiteit. Bij verschil
in lichtintensiteit der delen kon het domineren van \'n
deel (de haken) \'n gunstige factor zijn voor versmel-
ting der delen tot één geheel.

f.nbsp;de expositievolgorde. De volgorde L H gaf spoedi-
ger \'n figuur dan de volgorde H L.

g.nbsp;de expositieduur van \'t tweede deel. Er was \'n zekere
duur vereist om onder de gegeven omstandigheden \'n
figuur te zien.

h.nbsp;het tijdsinterval, waarna het tweede deel verschijnt.
Lange fixatie (4—8 sec.) was voor figuurvorming \'n
zeer ongunstige voorwaarde.

u bewegingsverschijnselen. De bewegingsverschijnselen,
die bij tachistoscopiese expositie der elementen op-
traden, waren ten dele voor figuurvorming ongunstig.
j. de lokahsatie der delen. Voor figuurvorming was \'n
vereiste, dat de delen subjectief op dezelfde afstand
werden gelokaliseerd.
k. de subjectieve groepering of oriëntering van \'t complex,
de instelling en de opmerkzaamheid, \'n Bepaalde in-
stelling gaf des te eerder het bedoelde effect (figuur),
naarmate zij meer in overeenstemming was met de
meest voorkomende opvatting van de figuur. Verdeelde
opmerkzaamheid was voor de waarneming van \'n een-
heid \'n gunstige omstandigheid (blz. 112—129).

21.nbsp;Optreden en omvang der illusieverschijnselen bleken ge-
bonden te zijn aan de waarneming van het deel in een
geheel, waarvoor een zekere gerektheid of saamgedrongen-
heid (descriptief) karakteristiek was (blz. 116 e.v.).

22.nbsp;Het domineren van het geheel over de delen was bij
figuurtype I onder bepaalde omstandigheden van die

-ocr page 167-

aard, dat het M. L.-illusieverschijnsel ofwel achterwege
bleef, ofwel zich manifesteerde in \'n richting, tegenover-
gesteld aan de gewone verlenging. Wij verkregen deze
resultaten bij gezichtshoeken van 20^-45° (blz. 117—120).

23.nbsp;Verandering van de uitgebreidheid van \'t complex is van
invloed op de illusieverschijnselen, in zoverre die verande-
ring wijziging brengt in de ruimtelike betrekkingen der
delen (blz. 131).

24.nbsp;Tijdens het proces, gedurende hetwelk de figuren zich
constitueerden, manifesteerde zich de illusie voor \'t eerst
bij die configuratie, waarin de oorspronkehke delen eniger-
mate aan zelfstandigheid en gewicht hadden verloren (2e
stadium). Ruimtelike vervorming van de lijn trad des te
meer op, naarmate de determinatie van de lijn van \'t eerste
ogenblik af duideliker gegeven was (3e en 4e stadium).
Er was \'n optimale tijd (expositieduur van \'t tweede deel),
waarbij het inkrimpen, en \'n optimale tijd, waarbij het
uitzetten van de lijn het duidehkst werden waargenomen.
In het algemeen konden de illusieverschijnselen \'t best
worden geobserveerd in het derde stadium (±: 500 a)
blz. 134, 135).

25.nbsp;Soms was de lijn al langer geworden, vóór dat de partiële
figuren of de figuur waren geconstitueerd (3e en 4e
stadium; blz. 137).

26.nbsp;Bij figuurtype I was de vervorming yan de lijn bij het
verschijnen der haken duideliker waar te nemen dan haar
vervorming bij het verdwijnen der haken (blz. 137, 138).

27.nbsp;Het bedrag der illusie van figuur I (30°), vergeleken met
de grootte van de geïsoleerde lijn, is groter dan het bedrag
der illusie van figuur II (30°), vergeleken met de grootte
van de afzonderlike lijn (blz. 138).

28.nbsp;Bij figuur III deden zich terzelfdertijd voor: hnks (rechts)
verlenging en rechts (links) verkorting van de lijn. Dik-
wels had men de indruk, dat de lijn zich in haar geheel
verplaatste (blz. 138, 139).

29.nbsp;Bij de expositievolgorde H L was \'n groter of kleiner

-ocr page 168-

worden van de afstand niet. of bijna niet waar te nemen
(blz. 139, HO).

30.nbsp;We observeerden \'n soortgelijk verschijnsel als Binet in
zijn bekende aesthesiometerproef met betrekking tot de
indruk bij prikkeling van twee discrete punten (blz. 121).

31.nbsp;Het analyties georiënteerd zijn der waarneming is ongun-
stig voor het waarnemen van vervorming in de hoofdlijn
van \'n M. L. figuur (blz. 128, 129).

32.nbsp;Een verschil tussen analytiese en\'synthetiese dispositie
moet worden aanvaard (blz. 76 en 132, 133).

33.nbsp;De bewegingsverschijnselen, die we konden observeren,
hebben we onderscheiden in verschijnselen die het gevolg
zijn van de tachistoscopiese expositie van \'n object, en
verschijnselen, die te interpreteren zijn als gevolg van een
gericht zijn op nieuwe eenheidsvorming uit collectieve
gegevens of op de „Durchstrukturierungquot; van het waar-
genomen complex (blz. 141).

34.nbsp;De a -beweging, waarmee het verschil in uitgestrekt-
heid van geïsoleerde lijn en figuurlijn wordt geaccen-
tueerd, is \'n gevolg van het plotsehng verschijnen van \'n
complex, waarvan de ruimtelike betrekking overschat is
(blz. 143).

35.nbsp;O.i. moet de verklaring van de M. L. illusie worden ge-
zocht in het verloop van \'t waarnemingsproces.

Voor die mening pleiten de gegevens, die we bij ons
onderzoek hebben verkregen. Alleen \'n waarnemings-
theorie kan in overeenstemming zijn met de grote variabili-
teit der illusie in vergelijking met de objectieve situatie
en met de feiten, die \'t onderzoek van de illusie, zowel op
visueel als op tactiel gebied, leerde kennen. In \'n derge-
like theorie wordt ook rekening gehouden met de bekende
aard van het waarnemingsproces, waarin, behalve het
aanschouwelik zintuighk materiaal, dat plasties is en dat
in de objectieve prikkelvoorwaarden is gegeven, ook

-ocr page 169-

andere factoren werkzaam zijn, zoals o.a. de neerslag van
vroegere ervaringen. Tevens laat die theorie plaats voor
\'n evolutie in de sfeer der perceptie (cf. Jaensch), en is
zij toepasselik op het waarnemen van figuren en lichamen
in \'t algemeen. Ook beantwoordt zij aan de betekenis en
de structuur der waarneming: d.i. het kennisnemen van het
gegevene met eenheid in \'t wezenhke en bijkomstige, in
het karakteristieke en détails.

In het proces der waarneming is nl. \'n strekking om vorm
en organisatie van het gegevene te laten beantwoorden aan
of in overeenstemming te ,.brengenquot; met de betekenis, de
karakteristieke zin, die het gegevene voor het individu zal
hebben. Van deze strekking is de intuïtieve structuur van
\'t ding of de zintuiglik waargenomen vorm de verwezen-
liking. Die „vormingquot; veronderstelt geen bewuste activi-
teit. Want dit zou in strijd zijn met de onmiddellikheid,
die aan waarnemingsinhouden eigen is. Wij stellen ons
dat proces voor als \'n mechanies gebeuren, dat in de daad
der waarneming verdisconteerd zit. De insteUing van het
individu, die evenals andere subjectieve factoren voor
\'t verloop van \'t waarnemingsproces van belang is, oefent
haar invloed uit bij de intuïtieve structurering zelf.
Natuurlik zullen echter de objectieve (uitwendige) om-
standigheden meestal bepalend zijn voor de wijze van
beschouwing, d.i. voor het georiënteerd zijn der waar-
neming.

Het aanschouwelik gegevene is dus op \'n bepaalde wijze
gestructureerd. Het praedomineren van de karakteristieke
kenmerken van het complex in de waarnemingsact, brengt
\'n accentueren van de ruimtehke verhoudingen met zich,
en dit heeft als effect \'n vervorming en verandering der
delen. De delen zijn functioneel ingelijfd in de karakte-
ristieke eenheid, die het waargenomen geheel is, en
hebben als leden van dat geheel kenmerken van de kwali-
teit. die voor het geheel karakteristiek is. Al naar gelang
het . geheel of zijn structuur anders is, moeten ook de ken-
merken van het deel andere zijn.

-ocr page 170-

De toepassing van deze theorie voor de M. L. illusie
ligt voor de hand. Want bij de waarneming van
\'n figuur zijn de delen van de figuur met hun ruimte-
hke verhoudingen versmolten. Bij de illusie is van belang,
dat men te doen heeft enerzijds met \'n waarnemingsact
die gericht is op het deel van \'n geheel, anderzijds met de
waarnemingsact van \'n geïsoleerde lijn (of \'n deel in \'n
ander geheel). Wordt de hoofdlijn in \'n M. L. figuur
waargenomen, dan zal dat deel steeds het hd-karakter
dragen, want het waarnemingsproces verzet zich tegen
volkomen abstractie. Er moet dus in de waarneming ver-
schil zijn tussen de geïsoleerde lijn en de figuurlijn.
Dit verklaringsprinciep kan naar onze mening ook op-
heldering geven over de feiten der afhankelikheid van
de illusie van de verschillende factoren onder 4 vermeld.
Deels hebben we daar te maken met factoren, waardoor
de aard van het geheel of de ruimtelike betrekkingen in
het geheel veranderd zijn; deels met gevallen, waarin door
subjectieve verhouding of door objectieve factoren, opzet-
telike isolering of individualisering van \'t deel wordt
nagestreefd.

Dat bij moment-expositie van \'n M. L. figuur geen illusie
of \'n kleiner illusiebedrag werd gekonstateerd, is waar-
schijnlik gevolg van de omstandigheid, dat in \'n dergelik
geval de tijd niet voldoende is, om het deel in het karakte-
ristieke geheel waar te nemen; wijl nl. het moment der
eenheid dan domineert op \'n wijze soortgelijk aan die,
welke wij vonden bij relatief grote gezichtshoeken (cf. 22
en 23).

Ook de vermindering van het illusiebedrag door oefening,
afhankelik van de positie in de ruimte, is wellicht te ver-
klaren, als wij bedenken, dat het steeds op dezelfde plaats
aanwezig zijn van de figuurlijn \'n abstraherende be-
schouwing en identificatie met de geïsoleerde lijn in de

hand kan werken. Bij verwisseling der positie zal het

figuur-geheel weer op de voorgrond staan (blz. 59—62).

f m

-ocr page 171-

Tabel C - De expositietijden (in a) van \'t 2s en stadium bij figuurtype I-V (Gezichtshoek 6°).

Proefpersonen

G

K

H

I

ji

(

)

ï

D

Volgorde v. expos.

LH

H L

LH

H L

LH

H L

LH

HL

LH

H

L

L

H

H L

LH

H L

Richting

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert.

hor.

vert

hor.

vert.

I 30° 45°

(hoek der
zijlijnen)

90°

2

50-450

10-400

10-900

10-700

10-200

10-200

10-500

10-450

10-200

10-300

10-450

10-300

50-400

10-200

10-500

10-300

10-450

10-300

10-900

10-700

100-[500]

50-300

10-

10-900

10-900

10-500

10-700

10-600

3

100-500

[50-500]

500-700

300-450

[400-900]

400-700

300-450

300-400

400-600

300-600

300-450

[200-400]

[400-900]

300-700

400-500

500-700

[450-600]

600-900

4

200-600

200-600

600-1000

300-900

300-500

200-300

600-1000

500-900

300-500

300-500

600-700

450-700

400-500

200-450

500-1000

700-900

450-600

300-400

900

600-900

600

600-900

700-1000

500-1000

700

600-1000

700

2

10-400

10-200

10-450

10-400

10-450

50-600

10-900

10-700

10-450

10-500

10-900

10-700

10-500

10-300

10-900

10-600

10-450

10-400

10-600

10-500

10-700

10-

10-500

3

500-700

100-600

400-600

[450-10001

300-600

200-600

450-1000

300-600

200-500

450

300-600

400-600

200-450

[400-700]

300-600

400-700

200-600

[300-700]

700-

400-700

II 30° 45°
90°

4

450-900

300-700

700

500-

300-700

200-700

700-

700-900

400-600

300-600

600-1000

400-900

400-700

500

600-1000

500-700

500-900

600-700

700

600-900

900

900-

600-700

2

100-700

100-400

10-700

10-500

10-700

10-700

10-900

10-700

10-600

10-300

10-600

10-400

10-400

10-500

10-600

10-600

10-500

50-700

10-700

10-700

10-700

10-500

10-600

10-600

10-600

10-400

10-900

10-900

3

[500-900]

[450-]

600-1000

400-500

[300-700]

450-700

300-600

500-900

450-700

450-700

400-600

[400-700]

400-700

450-700

[700]

500-900

500

400

[500-600]

4

600-1000

500-

700-900

400-

600-900

450-900

900-1000

600-900

600-900

500-700

700-1000

600-900

600-900

700

900

700-900

700-900

600-900

900

700-900

600-900

450-700

700

700-1000

600-700

450

600-1000

500-1000

2

10-600

100-500

10-400

10-400

10-700

10-600

10-500

10-600

10-700

10-

10-500

10-500

10-700

10-900

10-500

10-400

10-500

10-

3

500-700

600

450-600

200-500

400-900

300-700

400-700

300-500

[300-900?

500-

500-600

400-450

500

450-700

[450-600]

[400-700]

700-

4

600-900

400-700

400-700

400-600

700-1000

700-900

600-900

300-700

1000

600-

700

450-600

600-900

600-1000

450-700

400-700

700-900

500-

III 45°

2

10-300

10-100

10-400

10-400

10-300

10-200

10-300

10-200

10-400

10-400

10-600

10-300

10-400

10-500

10-300

10-300

10-500

10-400

50-450

10-300

10-500

10-200

3

200-300

[200-500]

100

100-300

100-400

200-450

100-200

100-500

200-600

200

50-300

300-500

200-400

100

[400-600]

[400-450]

4

200-400

50-400

600

200-450

300-400

200-450

450-500

200-300

500-600

600-700

300-700

200-400

450-600

400-600

400

300-400

600-700

500

200-500

100-400

450-600

300-600

IV 45°

2

10-400

10-100

10-200

10-100

10-200~^

10-450

50

10-300

10-200

10-400

10-450

3

50-400

200-300

100

100-200

300-600

200-500

200-300

100-200

200-500

300-400

4

100-450

50-400

300-400

200

100-300

450-700

600

300-400

100-300

450-600

400-500

V 45°

2

10-200

100-500

10-450

10-400

10-700

10-500

10-300

10-100

10-400

10-500

3

300-500

[200-500]

500-700

450-600

100-300

200-600

200-700

4

400-600

300-600

300-600

450

600-900

500-700

300-400

200

600-700

400-900

-ocr page 172-

Xabel D Expositietijd (in a) en Gezichtshoek met betrekking tot de verschillende stadia.

Gezichtshoek

6quot;

13°

18°

30°

45°

Sta

dia

2

3

4

2

3

4

2

3

4

2

3

4

2

3

4

2

3

4

G

I

100-400

[450-500]

300-600

10-450

300-500

300-600

10-500

600-700

900

10-300

400-700

450-900

10-450

500

200-600

10-300

400

450

II

100-600

500-700

100-600

[500-700]

600-900

100-400

450-900

700-100C

10-200

300-

400-

10-300

400-900

500-1000

10-

500-

III

10-3C0

50

100-400

10-300

200-400

10-400

450

200-500

10-200

300-600

400 700

IV

10-200

300-400

200-500

10-400

50-400

100-450

10-600

300-500

400-700

10-100

200-500

300-600

10-400

300-450

50-500

V

10-400

450-600

450-700

10-200

300-500

400-600

10-200

300-900

500-1000

10-300

400-600

500-700

10-500

600

450-700

K

I

50-400

100-400

450-500

10-200

300-450

400-500

10-400

450-600

500-700

10-100

200-900

500 1000

10 100

200

10-200

300

II

100-

600-

10-500

600

600-700

50-600

300-700

400-900

10-400

450

700-

10-200

300-500

600

10-300

300

400

III

10-200

300

[300]-400

10-300

100-300

300-400

10-600

450-700

10-300

400-700

450-900

10-400

450

500

10-100

200

IV

10-50

100-^

300-900

10-100

100

200

10-300

400-500

450-600

10-100

200-600

300-700

V

100-200

300-500

400-600

10-450

[200-500]

300-600

100-500

600

10-50

100-500

400-600

Pr.

I

10-400

450-600

700

10-400

450

500

10-450

500-900

600-1000

10-400

500

300-600

10-600

450-700

10-300

400-700

II

10-600

[600-900]

700-1000

10-600

700-1000

10-700

900

900-1000

10-700

100-900

1000

III

10-300

400

10-200

300-700

450-900

10-500

600

700

10-600

700

300-900

T

I

10-400

100-500

400-600

10-500

300-600

400-700

10-300

400-600

450-700

10-300

400-450

500

10-200

300-400

450

10-900

400-1000

II

100-450

500-700

600-900

50-500

500-700

500-900

10-450

500-700

600-900

10-700

900

300-1000

10-

500-

III

10-300

400

450

10-300

200-500

400-600

10-300

400

450

10-300

400

[50]-450

H

I

10-200

[300-450]

500

10-200

300-400

300-450

10-400

450-600

500-700

10-450

500

600

10-600

700

200-900

10-600

700

E

I

10-300

400-500

600

10-300

300-400

400-500

10-300

400-450

500

10-400

600

450-700

10-300

400

10-300

400-500

600

O

I

l00-[400]

[450-600]

450-700

10-450

500-600

10-^50

500-700

600-900

10-400

450-600

500-700

K

I

100-600

700

100-500

600

100-500

600-700

700]-900

50-500

[600]

10-700

450-900

10-

500-

D

I

10-450

:500-700]

500-900

100-900

500-1000

10-700

900

1000

10-700

200-900

10-500

200-600

10-[450]

500-100(^

-ocr page 173-
-ocr page 174-

■ M

-ocr page 175-

,•.... •:. ^ • .... •• • quot; • •ƒ

-i\' -\'v

\' \'i

. .. r

I ■■

■ ■ / \'i

; gt; \'j •

:

...V

-ocr page 176- -ocr page 177-
-ocr page 178-

iS^SSPSSÄi

WÊÉ

teÄ!^ SS.

ÄiiÄiÄiK^

■^mmmmm: