ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

MEDITATIËN OP HET LIJDEN EN DEN DOOD VAN

ONZEN HEER J EZUS - CHRISTUS

ocr page 6
ocr page 7

Vak 94

i2*) / J K/

MEDITATIËN

OP HET

LIJDEN EN DEN DOOD

VAN

ONZEN HEER

JEZUS-CHRISTUS

IN TWEE DEELEN

DOOR

Ant. R O O V E R S, Pastoor

VIER JAARGANGEN

EERSTE DEEL

EERSTE EN TWEEDE JAARGANG

HASSELT

MICHEL CEYSENS, DRUKK ER-UITGEVER 1886

ocr page 8

Eerwaahde Heek Pastoob,

Volgens liet verslag dat ons is voorgelegd over Ihve quot; Meditatiën op het lijden en den dood van O. H. J. C. », is uw werk alleszins waardig te worden aanbevolen. Wij stemmen dus toe dat het gedrukt worde, en wensolien u tevens geluk om de echt priesterlijke wijze, waarop gij uwe ledige uren hebt weten te benuttigen.

f VICTOR-JOSEPHUS

bisschop van luik.

luik, den G October -I88!gt;.

ocr page 9

VOORWOORD

Alhoewel de Meditatiën op het Lijden en den Dood van O. H. J. C. talrijk, en velen niet zonder waarde zijn, zij het mij nogtans toegestaan de volgende in \'t licht te geven. Overigens, \'t is zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk, daarin allen te voldoen. Dc één verlangt de Lijdensgeschiedenis van O. H. J. C. alleen verhandeld zonder toepassing, hetgeen wel goed, doch minder doelmatig is. Een ander vergenoegt zich niet het aanhalen van het lijden van Jezus uit de vier Evangelisten, zonder uiteenzetting der geschiedenis, terwijl de zedenlessen breedvoerig verhandeld worden, hetgeen reeds beter en ook doelmatig is. Een derde verlangt én lijdensgeschiedenis én zedenlessen, min of meer uiteen gezet en verhandeld, welk laatste dan ook meer in den smaak valt, en tevens het beste en doelmatigste is. Om in dit punt nu nog eenieder zooveel mogelijk te voldoen, zijn het Lijden en de Dood van O. H. J. C. in de volgende Meditatiën verhandeld als volgt:

Het werk bestaat uit twee deelen: elk deel uit twee jaargangen.

ocr page 10

De eerste en tweede jaargangen bevatten de lijdensgeschiedenis van af het begin tot aan het einde.

De derde jaargang bevat de lijdensgeschiedenis breedvoeriger van af de instelling van het Allerheiligste Sacrament des Altaars tot aan de voorkeur van Bar abbas boven Jezus, zoo nogtans, dat de laatste Meditatie eindigt met een kort overzicht van den dood van Onzen Goddelijken Zaligmaker.

De vierde jaargang begint met eene korte herhaling van het eerste deel der lijdensgeschiedenis, en zet vervolgens het tweede deel van af de Geeseling tot aan den Kruisdood van Jezus wijdloopig uiteen.

De zedenlessen in elke Meditatie opgesloten zijn inzonderheid op den hedendaags bedorven tijdgeest toepasselijk.

Mogen deze weinige Meditatiën de liefde tot den Lijdenden Jezus en den haat tegen de zonde, die de oorzaak van Jezus\' lijden geweest is, vermeerderen. En eindelijk, gelieve de lezer, zoo niet het gansche werk, althans den goeden wil des schrijvers en zijne poging tot welslagen goed te keuren.

Ant. Roovers, Pastoor.

Malen-Beersel, den 17 Augustus 1885.

ocr page 11

EERSTE JAARGANG

ocr page 12
ocr page 13

EERSTE MEDITATIE

Tristis est anima mea usque ad mortem: sustinete hic, et vigilate mecum.

Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe: blijft hier, en waakt met mij.

(MATTH. XXVI, 38.)

INHOUD.

VOORREDE.

Niets zoo heilzaam als een aandacliiig overdenken van het lijden en den dood van Jezus-Christus. Daardoor worden wij aangezet lot liefde jegens Jezus-Christus en tot haat tegen de zonden.

VERDEBLING.

I. Droefheid van Jezus in den Hof der Olijven.

II. Jezus neemt zijne toevlucht tot het gebed.

III. Judas aan het hoofd van de vijanden van Jezus.

ocr page 14

Instelling van het Allerheiligste Sacrament des Altaars.

— Afscheidsrede. — Gebed. — Jezus begeeft zich met zijne leerlingen naar den Hof der Olijven. — Doodsche droefheid van Jezus. — Redenen dier droefheid. — Zonden — Jezus zweet water en bloed. — Wij moeten de zonden beweenen.

— Straffen. — Jezus moet voor de zonden lijden; wij moeten ook boetvaardigheid doen over onze zonden.

II.

Jezus neemt zijne toevlucht tot het gebed. — Een Engel uit den hemel versterkt Hem. — Jezus bidt met ootmoedigheid, volharding en overgeving aan den wil Gods. — Jezus bidt tijdens zijne doodschs droefheid; zoo moeten wij ook bidden tijdens de moeielijkheden.

III.

Judas nadert om Jezus te verraden. — Hij gaat de soldaten voor. — Judas is een ergernisgever. — De ergernis is in onze dagen algemeen. — Slechte wetten. — Slechte redevoeringen. — Geld uitgegeven om de jeugd te bederven. — Ergernisgevers zijn de plichtvergetene ouders. — Plicht-vergetene oversten. — Slechte jongelingen. — Slechte jonge-dochters.

ocr page 15

— 11 —

SLUITREDE.

Wij moeten ons wachten voor alles, wat ons tot liet kwaad kan brengen, A\'oor slechte personen — boeken — gazetten.— Wij moeten zorgen van geene ergernis te geven. — Ingeval wij ons aan die zonde hebben plichtig gemaakt,\' moeten wij ze beweenen en er boetvaardigheid over doen, de ergernis zoo goed mogelijk herstellen door te bidden, door hen. die wij geërgerd hebben, tot het pad der deugd terug te brengen. Eindelijk moeten wij een goed voorbeeld geven.

EINDE.

ocr page 16

EERSTE MEDITATIE

Tristis est anima mea usque ad mortem: sustinete hic, et vigüate mecum.

Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe: blijft bier, en waakt met mij.

(MATTH. XXVI, 38.)

VOORREDE.

Buiten den veertigdaagschen vasten, M. Z., welken onze Moeder de Heilige Kerk haren kinderen oplegt, ten einde hen naar behooren tot het hoogtijd A\'an Paschen voor te bereiden, verlangt zij, ja, zet zij ons aan om het Lijden en deu Dood van Onzen Goddelijken Zaligmaker te overwegen. Zij stelt ons in hare meditatiën de droevige lijdensgeschiedenis van Jezus-Christus voor oogen. En te recht. Volgens de verklaring van den H. Angustinus is er niets zoo heilzaam voor ons, dan dagelijks te overwegen, wat de God-Mensch Jezus-Christus voor ons geleden heeft: Nihil tam sahiti-ferum nobis est quam quotidie cogitare quanta pro nobis pertidit Deus-Homo.

Een aandachtig overdenken van het lijden en den dood van Onzen Goddelijken Zaligmaker zal in ons te weeg brengen eene vurige liefde jegens God, en eenen grooten haat tegen de zonde.

En inderdaad. Wie is de mensch, die zich niet gedreven zal gevoelen om zijnen God wederkeerig te beminnen, als hij inziet, hoe zeer God hem bemind heeft? God de Vader

ocr page 17

lieel\'t ons menschen zoo zeer bemind, dat Hij zijnen eenigen Zoon niet gespaard, maar dat Hij Hem voor ons ten beste gegeven heeft: Sic Deus dilexü mundum, ut Filium suum unigenüum daret. (i) En die Zoon heeft geen oogenblik geaarzeld uit den hemel neder te dalen, de menschelijke natuur aan te nemen, te arbeiden, te lijden, ja zelfs den schandigen en pijnlijken dood des kruises voor ons te sterven. Dilexü me et tradidit semetipsum pro me! (2) Ja, zoo mag eenieder met den Apostel Paulus spreken; Hij heeft mij bemind en zich zeiven voor mij overgeleverd! Wanneer ik dat alles wel naga, en wanneer ik de oneindige liefde van mijnen Schepper jegens mij ellendig schepsel inzie; hoe dan? Zoude ik dan nog niet tot het krachtdadig besluit komen van mijnen Heer en God van ganscher harte te beminnen, die mij eerst zoo zeer bemind heeft? Bijgevolg is een aandachtig overdenken van het Lijden en den Dood van Jezus-Christus wel in staat, om eene vurige liefde jegens God in ons te weeg te brengen.

Op de tweede plaats zullen wij opvatten eenen grooten haat tegen de zonde. De reden hiervan is, wijl de zonde, en de zonde alleen, de oorzaak is van het Lijden en den Dood van Onzen Goddelijken Zaligmaker.

Judas wel is waar heeft Jezus verraden en overgeleverd; de Phariseën en Schriftgeleerden hebben Hem valsch beschuldigd; Herodes heeft Hem bespot, Pilatus onrechtvaardig ter dood veroordeeld; de soldaten hebben Hem gegeeseld, met doornen gekroond en eindelijk aan het kruis vastgenageld;

(l) JOAN. 111, 10. (2) GAL. II, 20.

ocr page 18

doch waarom heeft Onze Goddelijke Zaligmaker al die mishandelingen en tormenten onderstaan? Waarom is Hij eindelijk aan het kruis gestorven, en heeft Hij zijn Goddelijk Bloed tot den laatsten druppel vergoten? Wat is er de oorzaak van geweest? De zonde, en de zonde alleen. Daarvoor heeft Hij aan de strenge rechtvaardigheid van God, Zijnen Hemelschen Vader, moeten voldoen; en wij, M. Z., wij zouden geenen afschuw van de zonde krijgen? Wij zouden geenen doodelijken haat tegen de zonde opvatten? Gij ziet dus dat een aandachtig overdenken van het Lijden en den Dood van Onzen Goddelijken Zaligmaker ook in staat is, om ons de zonde, en bijzonder de doodzonde te doen haten en verfoeien. Buiten deze twee gevoelens, van liefde jegens God, en van haat tegen de zonde, die ons gestadig moeten bijblijven, zullen wij ons beijveren van nog andere zedenlessen uit de volgende meditatiën op het Lijden en den Dood van Jezus te trekken. Vangen wij thans aan met de lijdens-geschiedenis van Onzen Goddelijken Zaligmaker.

Van avond zullen wij de drie volgende punten overwegen:

I. De droefheid van Jezus in den Hof der Olijven.

II. Hoe Jezus zijne toevlucht neemt tot het gebed.

III. Judas aan het hoofd van de vijanden van Jezus.

I.

Nadat Onze Goddelijke Zaligmaker het Aanbiddelijk Sacrament des Altaars ingesteld, en voor de eerste maal in de H. Communie zijnen Apostelen zijn Goddelijk Vleesch tot

ocr page 19

— 15 —

spijs en zijn Goddelijk Bloed tot drank gegeven had, hield Hij zijne afscheidsrede. Daarna richtte Hij nog een gebed tot God Zijnen Hemelschen Vader, voor zich zeiven, voor zijne leerlingen en ook voor ons. Na het uitstorten van dat-gebed, stond Onze Goddelijke Zaligmaker op, om zich naar den Hof der Olijven te begeven, waar Hij gewoon was te gaan bidden. Die goede gewoonte brak Jezus niet af, niettegenstaande het gevaar, dat Hem boven het hoofd hing; alhoewel Hij wist, dat zijne vijanden van zijn bezoek naar den Hof gebruik zouden maken, om Hem gevangen te nemen. Hij stelde zich aan het hoofd zijner leerlingen, en ging hen blijmoedig vooruit. De Apostelen volgden bedroefd, en de voornaamste reden waarom zij bedroefd waren, was, wijl Jezus met hen over zijnen aanstaanden dood gesproken had. Zij trokken te zamen over de beek Cedron, kwamen aan eene pachthoeve met name Gethzemani, en gingen daar eenen hof binnen, \'t Was laat in den avond. Jezus zeide tot zijne leerlingen: Blijft hier, terwijl ik een weinig verder ga om te bidden; bidt gij intusschen ook, opdat gij niet vallet in bekoring. Hij nam drie zijner leerlingen. Petrus, Jacobus en Joannes een weinig verder mede. Eu ziet! Nauwelijks bevindt Hij zich met deze drie alleen, of schrik en verveling overvalt Hem; Jezus begint te treuren, te sidderen en te beven; Hij kan zijn inwendig lijden niet langer meer verbergen. Mijne ziel, zoo spreekt Hij tot die drie Apostelen, mijne ziel is bedroefd tot den dood toe! Trislis est anima mea usque ad mortem! (i) Als wilde Hij zeggen; de droefheid.

(l) MATTH. XXVI, 88.

ocr page 20

waaraan ik ten prooi ben, is zoo hevig, dat ik er van sterven kan; blijft hier, voegt hij er bij, waakt en bidt met mij.

Daarop verwijdert Jezus zich ook van die drie leerlingen, bidt, vervalt weldra in doodstrijd, zoodat Hij water en bloed zweet.

Ziedaar, M. Z., in welken droevigen en pijnlijken toestand Onze Goddelijke Zaligmaker in den Hof der Olijven gebracht is.

Doch van waar die zoo plotselijke verandering? Nog niet lang geleden had Jezus gezegd, dat Hij naar zijn lijden verlangde: Baptismo habco baptizari, et quomodo coarclor usque dum perficiatur! (i) Ik moet met een doopsel gedoopt worden, en hoezeer word ik gepraamd tot dat het volbracht zij! Als wilde Hij zeggen: Ik moet lijden, sterven, mijn Goddelijk bloed vergieten, en hoezeer verlang ik van het te kunnen doen! Zoo even nog ging Jezus vol moed en opgebeurd zijne Apostelen vooruit; en ziet! Nauwelijks is Hij in den Hof der Olijven aangekomen, of Hij begint te sidderen en te beven, Hij is bedroefd tot den dood toe. Hij vervalt in doodstrijd. Hij zweet wateren bloed. Mijn God! Mijn lieve Jezus! Leer ons waarom gij zoo spoedig in dien droeven, pijnlijken toestand gekomen zijt! Ziehier, M. Z., de redenen:

Terwijl Onze Goddelijke Zaligmaker daar plat ter aarde ligt, en Zijnen Hemelschen Vader bidt, komen Hem eensklaps de zonden en de straffen, die Hij er voor ondergaan moet, voor den geest. Ja, Jezus ziet daar de lijst van zonden voor

[i) Luc. xii, öo.

ocr page 21

zijne oogen ontrollen : zonden bedreven van af het begin der wereld tot nu toe, en die er in den loop der tijden tot het einde der wereld zullen bedreven worden; zonden bedreven tegen de wet der natuur, tegen de geboden van God en van de H. Kerk; zonden bedreven in allen leeftijd, door jongen en ouden ; in alle staten en standen, door oversten en onderdanen, door gehuwden en ongehuwden; zonden bedreven op allerlei wijze, door gedachten en begeerten, door woorden, werken en verzuimenis; zonden bedreven rechtstreeks tegen God, door vloeken en godlastering; tegen zich zeiven door onmatigheid en onkuischheid ; tegen zijnen evennaaste door haat en nijd, door vijandschap en onrechtvaardigheid; zonden bedreven door heidenen en joden, doch inzonderheid door de ondankbare christenen, door mij en door u.

Al die duizenden, die millioenen van zonden vertoonen zich daar, met al wat zij schandig en onteerend, God belee-digend en hemeltergend bevatten, voor zijnen geest, en Jezus wordt er zoo zeer door getroffen. Hij wordt er zoo zeer over bedroefd, dat Hij op het punt is van droefheid te sterven ; Hij zweet water en bloed.

En nogtans, M. Z., Onze Goddelijke Zaligmaker, gelijk wij weten, had die zonden niet bedreven; Hij had ze enkel op zich genomen. Hoe groot, hoe innig moest dus onze droefheid niet wezen, wijl wij zeiven zoo dikwijls de zonden bedreven hebben? Hoezeer moesten wij ze niet beweenen? En hoe gedragen wij ons? Maar al te dikwijls, helaas! gebeurt juist het tegenovergestelde. In plaats van leedwezen te hebben over de zonden, schept men er vermaak in; in

MEDITATIËN 2

ocr page 22

plaats van ze met tranen van boetvaardigheid af te was-sclien, vreest men niet van ze opnieuw te bedrijven, en zijnen Heer en God al meer en meer te vergrammen.

Buiten onze zonden, M. Z., welke Onze Goddelijke Zaligmaker op zicli genomen had, kwamen Hem ook nog voor den geest de straffen, die Hij, om ze uit te boeten, moest ondergaan. Jezus voorziet reeds dat Judas Hem zal verraden, dat de soldaten Hem zullen gevangen nemen en boeien; Hij voorziet dat zij Hem van den eenen rechter naar den anderen zullen sleuren; Hij hoort als het ware reeds de val-sche beschuldigingen, die zij tegen Hem zullen inbrengen, het onrechtvaardig doodvonnis, dat over Hem zal uitgesproken worden; Jezus gevoelt reeds inwendig den hevigen kaakslag van den Romeinschen soldaat, de vuistslagen en de overige mishandelingen der beulen; Hij gevoelt inwendig de pijnen der geeseling, de folteringen der doornen kroon; Hij smaakt reeds de bitterheid van de gal; ja. Hij voorziet, dat de beulen Hem op het kruishout zullen uitrekken, en dat Hij eindelijk tusschen twee moordenaars aan het kruis verheven, door zijne vijanden bespot en uitgelachen, in verlatendheid zal sterven. Al die pijnen, al die folteringen, welke zijn Hemelsche Vader eischt, dat Hij onderga, om onze zonden uit te boeten, vertoonen zich te zamen voor zijnen geest, en treffen Hem zoodanig, dat Hij begint te sidderen en te beven, dat Hij plat op zijn aanschijn ter aarde nedervalt, water en bloed zweet, en gevaar loopt van droefheid te sterven. Bijaldien Jezus-Christus dus zoo veel heeft moeten lijden om voor onze zonden te voldoen, welke straffen hebben dan de

ocr page 23

zondaren niet te vreezen, die ze bedreven hebben? De zondaren vleien zich dus niet met het gedacht, dat God, goed en barmhartig zijnde, hen niet zal straffen. Neen, M. Z., vroeg of laat zullen zij ondervinden, dat, gelijk David zegt, de straffen, die de zondaren zullen treffen, menigvuldig zijn: Mulla flagella peccatoris. (i) Laat ons dus liever naar het voorbeeld van Onzen Goddelijken Zaligmaker met Hem bedroefd zijn over onze zonden, dezelve rechtzinnig beweenen, ten einde, zoo niet de tijdelijke, dan toch de eeuwige straffen, de straffen der hel te ontkomen.

II.

Terwijl Jezus in die doodsche droefheid verkeert, neemt Hij zijne toevlucht tot het gebed. Vader! zegt Hij, bijaldien het mogelijk is, laat dezen kelk mij voorbij gaan, doch niet mijn wil, maar uw wil geschiede! Alhoewel nu de Hemelsche Vader dien kelk niet liet voorbijgaan, dat wil zeggen, alhoewel Hij vorderde, dat zijn eenige Zoon tot zaligheid der menschen leed en stierf, zijn gebed bleef daarom niet onverhoord. Want ziet, M. Z., wat er voorviel. Toen Onze Goddelijke Zaligmaker voor de derde maal hetzelfde gebed gesproken had, verscheen er een Engel uit den hemel om Hem te versterken: Apparuit illi Angelus de coelo con for lans curn. (2) Wat troost moet ons zulks niet inboezemen, en hoe zeer moet ons dat niet aansporen, om in de moeielijkheden door het gebed tot God onzen Vader onze toevlucht te nemen! Doch zien wij eerst hoe Onze Goddelijke

(l) Ps. XXI, ]0. (2) Luc. XXH, 43.

ocr page 24

Zaligmaker bad, en alzoo verdiende van door eenen Engel uit den hemel gesterkt te worden.

Jezus bad op de eerste plaats met ootmoedigheid: Hij zette zich op zijne knieën neder, positis genibus orabat. (i) Daarna wierp Hij zich op zijn aanbiddelijk aangezicht plat ter aarde, procidit in faciem suam.

Jezus bad met volharding, tot driemaal toe, oravit tertio, en telkenslangen tijd.

Hij bad met overgeving aan den wil van Zijnen Hemel-schen Vader: zoo het mogelijk is, zegt Jezus, laat dan dezen kelk van mij voorbijgaan, si possibile est, doch niet mijn, maar uw wil geschiede! vevumtciyncn uon ineci voluntas secl tua fiat!

Zoo ook moeten wij gesteld zijn, M. Z., als wij tot God onze toevlucht nemen om hulp of bijstand te erlangen. Wij moeten ons voor God vernederen, een klein gedacht van ons zeiven hebben, wij die stof en asch zijn, en tot stof en asch zullen werkeeren, wij die ons door de zonden zoo dikwijls aan ondankbaarheid jegens God hebben plichtig gemaakt, en bijgevolg niet verdienen, van door Hem verhoord te worden. Wij moeten volharden, niet ophouden met bidden, zelfs als wij na een of tweemaal gebeden te hebben niet aanstonds verhoord worden. Eindelijk moeten wij naar het voorbeeld van Jezus in ons gebed geheel en al overgegeven zijn aan den wil van God, wijl God veel beter weet wat wij tot ons welzijn noodig hebben dan wij zeiven.

(1) LUC. XXII, 42.

ocr page 25

— 21 —

Jezus nam al biddende zijne toevlucht tot zijnen Ilemel-sclien Vader, toen Hij door eene doodsche droefheid over-vallen werd ; zoo ook moeten wij handelen, als wij bedroefd zijn: bedroefd, omdat wij, bij voorbeeld, schade komen te lijden in onze tijdelijke goederen; bedroefd, omdat de dood ons den een of anderen persoon, die ons dierbaar is, komt te ontrukken; bedroefd, omdat de een of andere ziekte ons komt te treffen; bedroefd, omdat de een of andere onze eer of goeden naam komt aan te randen : in al die gevallen en meer andere moeten wij al biddende onze toevlucht nemen tot God; God zal ons in al die kwellingen en wederwaardigheden troosten. Hij zal ons aanmoedigen en versterken, om ze met overgeving aan zijnen Goddelijken wil te ontvangen, met geduld te verdragen, en zoo doende eenen schoonen schat van verdiensten voor den hemel te vergaderen.

III.

Toen Jezus zijn gebed geëindigd, en de Engel des hemels Hem gesterkt had, kwam Hij bij zijne leerlingen terug en zeide : Staat op en laat ons gaan ! want ziet, degene, die mij overleveren zal, is nabij : Ecce appropinquavit qui me trad et. (i) En inderdaad, M. Z.; terwijl Jezus nog sprak, kwam Judas aan. Hij was vergezeld van eene groote bende soldaten met stokken en lansen gewapend.

Judas, door Jezus met weldaden overladen, vergeldt nu die weldaden met de grootste ondankbaarheid. Judas, door

(l) MATTH. XXVI, 46.

ocr page 26

Jezus tot Apostel verkozen, sluit zich nu aan bij zijne vijanden; hij sluit zich niet alleen bij hen aan, maar hij heeft zich zelfs aan hun hoofd gesteld, hij is de aanvoerder van die bende soldaten ; Judas antecedebat cos. (i) Judas zal Jezus bekend maken en verraden, hij zal. Jezus in hunne handen overleveren. Bijgevolg is Judas niet alleen plichtig voor zich zeiven, maar hij is ook nog de schuld dat anderen zich aan de afschuwelijkste zonden plichtig maken; in een quot;woord. Judas is een eerste ergernisgever. Die zonde had hij reeds vroeger bedreven, toen hij zich naar de priesters begaf, en hun het voorstel deed, van Onzen Goddelijken Zaligmaker te verraden. Wat wilt gij mij geven, had hij gezegd, en ik zal Hem u overleveren? Quid vidtis mihi dare et ego Eum vobis tradam? (2) O! die ongelukkige Apostel is dan vergeten het verschrikkelijk wee, dat Onze Goddelijke Zaligmaker tegen den ergernisgever uitgesproken heeft! Wee den mensch, had Jezus gezegd, door wien de ergernis komt! Voe homini illi per quem scandalum venit! (3) Dat het beter ware met eenen molensteen aan den hals in het diepste der zee geworpen te worden dan iemand te ergeren. Judas schijnt die woorden van Jezus vergeten te zijn, doch helaas! \'t is Judas niet alleen.

En waarlijk, M. Z.: hoe velen treft men er niet aan, vooral in onze dagen, die aan die bedrijging van Jezus niet denken, of ten minste er zich niet om bekreunen 1 Welke zonde is er inderdaad hedendaags algemeener dan de zonde van ergernis? Waarop wordt in onze ongelukkige tijden meer gewerkt.

(1) Luc., xxn, 47. (2) Matth. xxvi, is. (s) Matth. xvm, 7

ocr page 27

dan om de menschen tot val te brengen en ongelukkig te maken, dan om den geloovigen het geloof en den godsdienst te ontnemen? Van daar die slechte wetten met de wetten van God en Kerk in strijd. Van daar die zoo talrijke redevoeringen in allerlei soort van vergaderingen uitgesproken, waarin God en godsdienst, waarin Kerk en geestelijkheid aaTigevallen en bestreden worden. Van daar die menigvuldige slechte boeken en gazetten, waarin alles wat goddeloos en scliandig is verhaald en toegejuicht, waarin met alles wat heilig en godsdienstig is gespot en gelachen wordt. Vandaar die overgroote sommen geld, die er uitgegeven, weggesmeten worden om de jeugd te bederven, om de kleine kinderen ongodsdienstig en zedenloos te maken; en terwijl Jezus-Christus en Onze Moeder de H. Kerk roepen: Sinite parvulos et nolite prohibere eos ad me venire, talium enim et regnum coelorum! (i) laat de kleine kinderen, en wilt hen niet beletten van tot mij te komen, want hun behoort het rijk der hemelen toe! de vijanden van Jezus en zijne Kerk wenden alle middelen aan, zij sparen noch moeite, noch onkosten om die kleine kinderen, om die onschuldige zielen aan Jezus en zijne Kerk te ontrukken en te verderven. Ja, wee de wereld om de ergenissen ! Vee mundo a scandalis! (2) \'t Ware die on-gelukkigen veel beter van met eenen molensteen aan den hals in het diepste der zee geworpen te worden, dan die kleine onschuldige zielen te ergeren en tot val te brengen.

Doch buiten de ergernisgevers, waarvan ik reeds gesproken heb, zijn er nog anderen, die voor hun evenmensch een

1) Mattii. xix, 14. (2) Mattii. xviii, 7.

ocr page 28

— 24 —

steen des aanstoots, een struikelsteen zijn. Vele personen maken zich dus ook nog aan de zonde van ergernis pliclitig. \'t Zijn de plichtvergetene ouders, die, in plaats van hunne kinderen eene goede opvoeding te geven of te bezorgen, hen van hunne teederste jaren door slechte voorbeelden ontstichten en laten bederven, \'t Zijn de plichtvergetene oversten, die, in plaats van hunne onderdanen, wanneer zij misdoen, te vermanen en tot het goede te brengen, niets dan het tijdelijk nut, dat zij er uittrekken, in het oog hebben, hen voor het overige zich niet aantrekken, wel eens zelfs tot val brengen.

Die ergernisgevers zijn de slechte jongelingen, die zich niet schamen schandige liederen te zingen, zedenkwetsende gesprekken te voeren, of op andere schandige wijze den evenmensch tot zonde te brengen, \'t Zijn de schandige jonge dochters, die niet weten hoe zich dwaas, soms slecht genoeg aan te stellen, om den een of anderen te verleiden. Wee die plichtvergetene ouders en oversten ! Wee die slechte jongelingen en jongedochters ! Ja wee hun om de zonde van ergernis, waaraan zij zich pliclitig maken; voor hen ook ware het beter met eenen molensteen aan den hals in de zee geworpen te worden en daarin te smoren, dan die zonde te bedrijven.

SLUITREDE.

Gij ziet dus, M. Z., aan welke afschuwelijke zonde de ergernisgever zich plichtig maakt. Wat moeten wij nu daaruit besluiten? Op de eerste plaats moeten wij besluiten van te

ocr page 29

vlucliten al wat ons zoude kunnen verleiden, tot val zoude kunnen brengen, hetzij personen, hetzij boeken of gazetten Ja wij moeten schuwen den omgang met personen, die te^en God of godsdienst, tegen Kerk en geestelijkheid spreken, veel minder mogen wij dergelijke personen op welke manier ook de hand leenen; wij moeten schuwen den .omgang met personen, die zedenkwetsende taal voeren, en daardoor de zeden van den mensch zoeken te bederven.

Wij moeten ons wachten van het lezen van slechte boeken of gazetten, waarin de zeden, de godsdienst en de Kerk aangerand worden; vroeg of laat zullen die slechte lezingen den mensch bqderven, want die het gevaar bemint zal er in vergaan: Qui amatpericidum in Uloperibit. (i)

Vervolgens moeten wij ons wachten van zeiven onzen evenmensch te ergeren. Hadden wij het ongeluk gehad van die zonde bedreven, den een of anderen persoon tot Aral gebracht te hebben, wij moeten die zonde beweenen en er boetvaardigheid over doen. Ook zijn wij streng verplicht de èrgernis, welke wij gegeven hebben, zoo goed mogelijk te herstellen, door voor de personen, die wij het kwaad geleerd hebben te bidden, of hen op eene andere wijze tot het pad der deugd terug te brengen, als het, helaas! maar niet te laat is, en zij om onze schuld reeds niet voor eeuwig verloren zijn.

Eindelijk moeten wij in alles een stichtend leven leiden, opdat wij beantwoorden aan de uitnoodiging van Onzen Goddelijken Zaligmaker, die in het Evangelie zegt: Sic

(l) EubI. 111, 27.

ocr page 30

liiceal lux vestra coram hominibus, zoo schittere uw licht, dat is, uw goed gedrag voor de menschen, ut videant opera vestra bona, dat zij uwe goede werken zien, en dat zij uwen Vader, die in den hemel is, glorie geven, et glorificent Patrem vestrum qui in ccelis est. (i) Amen.

EINDE.

(i) Matth. v, i

ocr page 31

TWEEDE MEDITATIE

Confestim accedens ad Jesum dixit: Ave Rabbi \\ ct osculatus est Eum.

Judas ging terstond naar Jezus toe en zeide: Wees gegroet Meester! en hij kuste llem. (Matth. xxvi, 19.)

INHOUD.

VOORREDE.

Jezus is bedroefd over de afschuwelijkheid der zonde en hare straffen. — Hij bidt. — Na zijn gebed is Jezus geheel en al veranderd. Hij is vol moed. — Woorden van Jezus tot zijne Apostelen en zijne vijanden.

VERDEELING.

I. Verraad van Judas.

II. Jezus werpt zijne vijanden ter aarde.

III. Vlucht der Apostelen.

ocr page 32

— 28 —

I.

Judas had Jezus reeds verkoclit. — Hij heeft zich gesteld aan het hoofd der soldaten. — Judas geeft den soldaten een teeken. — Jezus gaat zijne vijanden te gemoet. — Judas nadert Jezus, groet en omhelst lleia. — Woorden van Jezus, mijn vriend! waartoe zijt gij gekomen? enz. —Wat heeft aanleiding gegeven tot het verraad van Judas? De geldzucht. — Wat er voorviel toen Maria-Magdalena Jezus\' voeten zalfde.—Judas besluit Jezus te verkoopen.—Judas wordt verrader, omdat hij een dief was; dief, omdat hij geldzuchtig was. — Ter oorzake der geldzucht vergrijpt zich menigeen aan het goed van den evennaaste, zenden de ouders hunne kinderen naar slechte scholen, worden jongelingen en jonge-dochters meesters en meesteressen van slechte scholen — kiezen vele christenen voor de vijanden der H. Kerk, namelijk voor de liberalen.

II.

Jezus gaat zijne vijanden te gemoet, vraagt wien zij zoeken en antwoordt: Ego sum!— de soldaten vallen ter aarde neder. — Stem van Jezus in den laatsten dag des oordeels. Ego sum! Welken indruk maakt die stem nu op de zondaren? Weinig of geen: Percussisti eos et non doluerunt. Luisteren wij naar de stem Gods, die ons tot boetvaardigheid uitnoodigt, om in den laatsten dag des oordeels zijne stem ter veroordeeling niet te moeten hooren.

ocr page 33

III.

Toen Jezus gevangen genomen was, verlieten Hem al zijne leerlingen; vroeger toen lum Goddelijke Meester in aanzien stond, bleven zij Hem getrouw; nu nemen zij de vlucht. — Men kan geen staat maken op de vriendschap der wereld. — Zoo lang onze zaken goed staan, blijft de wereld ons getrouw; gaan zij achteruit, dan verlaat zij ons: daarom moeten wij God aanhangen, daarin bestaat ons tijdelijk en eeuwig geluk.

SLUITREDE.

Judas verkoopt en verraadt Jezus, omdat hij geldzuchtig was; wachten wij ons voor die drift. — Het geld maakt den mensch niet gelukkig. — Judas is daarvan een bewijs. — Verschrikkelijk oordeel voor Judas en degenen, die hem navolgen. — Blijven wij dus Jezus getrouw, om te mogen hooren: Venite benedicti Patris mei, etc.

EINDE

ocr page 34

TWEEDE MEDITATIE

Confestim accedens ad Jesunt dixit: Ave Rabbi! et osculatus est Eum.

Judas ging terstond naar Jezus toe en zeide: Wees gegroet Meester! en hij kuste Hem. (Matth. xxvr, 40.)

VOORREDE.

In onze eerste meditatie, M. Z., hebben wij gezien, aan welke lievige droefheid onze Goddelijke Zaligmaker leed in den Hof der Olijven. Die droefheid werd Hem veroorzaakt, deels door de zonden der menschen, die zich in al hare boosheid en afschuwelijkheid voor zijnen geest vertoonden, deels door de straffen, die Hij, om er voor te voldoen, zal moeten ondergaan.

In dien pijnlijken toestand nam Jezus zijne toevlucht tot het gebed. Hij bad met ootmoedigheid, met volharding en overgeving aan den wil van zijnen Hemelschen Vader. En welk wondervol uitwerksel heeft dat gebod niet? Jezus is geheel en al veranderd. Vreesachtig als Hij in den beginne scheen, is Hij thans vol moed; zoo even ternêergeslagen, is Hij thans opgebeurd. Hij zoekt geen hulp of troost meer bij zijne Apostelen. Hij zegt niet meer, blijft hier, waakt met mij en bidt, sustinete Mc, vigüatc et orate, maar slaapt nu maar en rust ! dormite jam et requiescite! (1) als wilde

(1) Matth. xxvi, 45.

ocr page 35

— 31 —

Jezus te kennen geven, zegt de H. Joannes Clirysostoraus, dat liet uur daar was, hetgeen Hij geenszins zocht te vermijden ; Ecce appropinquavit hora. Hij toont noch vrees, noch droefheid, doch vastberaden en vol moed verheft Hij zijne stem, en moedigt Hij zijne leerlingen aan. Staat op! zegt Ilij, en laat ons gaan! surgite! eamus! want ziet, de trouwelooze, die mij zoekt te verraden, is nabij, en ik wil niet dat hij vaardiger zij om mij te vinden, dan ik om mij aan hem aan te bieden; Ecce appropinquavit qui me tradei. Jezus verbergt zich niet hier of daar in den Hof der Olijven, als of Hij bang was van ontdekt te worden; neen, maar Hij gaat zijne vijanden te gemoet, en Hij vraagt stout weg: quem quoerüis? (i) wien zoekt gij? en terwijl zij antwoorden, dat zij Jezus van Nazareth zoeken, antwoordt Jezus terstond; Ego sum! ik ben het!

Bijaldien de bende, door zijn majesteitvol gelaat en door zijne onverschrokken taal getroffen, plat ter aarde neder-valt, Jezus staat hun toe van op te staan, en Hij vraagt een tweede maal, wien zij zoeken, en op het antwoord van quot; Jezus van Nazareth, « antwoordt Hij even moedig als den eersten keer dat Hij die Jezus is; Dixi vobis, quia Ego Sum!

Zoo Jezus hun de macht geeft om zich van Hem meester te maken, vordert Hij toch dat zij zijne leerlingen ongehinderd laten: Sinite hos abire. Indien Petrus zijnen Goddelij-ken Meester wil verdedigen, het zwaard reeds trekt, en den dienstknecht des Opperpriesters het oor afslaat, Jezus wil

(l) J O AN. XVIII, 4.

ocr page 36

— 32 —

niet verdedigd worden; Hij gebiedt Petrus het zwaard in de schede te steken, en Hij geneest zelfs op eene wondere wijze het oor van Malchus.

Welk eene verandering dus na dat gebed in Onzen Godde-1 ij ken Zaligmaker te weeg gebracht! In plaats van te sidderen en te beven, is Jezus vol vuur en moed. In plaats van nog te verlangen dat de lijdenskelk voorbij ga, is hij bereid zijn lijden te beginnen. In plaats van zich te verbergen, gaat Hij zijne vijanden te gemoet. In plaats van te willen verdedigd worden, verbiedt Hij het; Hij geeft zich geheel en al vrijwillig aan de soldaten over, om den heeten strijd tot glorie van zijnen Hemelschen Vader en tot zaligheid der zielen aan te vangen.

Overwegen wij dus dien strijd, dat is, het Lijden van Onzen Goddelijken Zaligmaker verder. Van avond zullen wij zien ;

I. Hoe Judas Jezus verraadt.

II. Hoe Jezus zijne vijanden ter aarde werpt.

III. Dat de Apostelen Jezus verlaten.

I.

Judas had reeds vroeger zijnen Goddelijken Meester voor dertig zilverlingen verkocht. Hij had zich, gelijk wij reeds gezien hebben, aan het hoofd der bende soldaten gesteld, welke de Priesters gezonden hadden, om Jezus gevangen te nemen. Om nu zijn snood plan te voltrekken, en Jezus in hunne handen te kunnen overleveren, ziehier, hoe hij te werk gaat. Vooreerst geeft hij den soldaten een teeken.

ocr page 37

waaraan zij Jezus erkennen zullen. Dien ik omhelzen zal, zegt hij, die is het, quencumque osculatus fuero, ipse est, houdt Hem, en leidt Hem voorzichtig, tcnete Eum et ducite cante-, (l) als wilde hij zeggen: boeit Hem stevig, en zorgt dat Hij u niet ontsnappe.

Jezus ging nu met zijne Apostelen de soldaten te gemoet. Aan liet licht zagen zij hen in de verte aankomen, want Jezus\' vijanden hadden, wijl het avond was, lantaarnen bij zich.

Zoodra nu de soldaten niet ver meer verwijderd waren, en zij Jezus en de Apostelen ook zagen, ging Judas eenige schreden vooruit; hij nadert OnzenGoddelijkenZaligmaker, groet Hem, zeggende: weesgegroet Meester! Ave Rabbi! en daarop kuste hij Hem, et osculatus est Eum. Jezus nog vol medelijden voor dien ongelukkigen x\\postel, en met het inzicht van hem te bekeeren, vraagt hem: Vriend! waartoe zijt gij gekomen? Amice! ad quid «em\'s^e?(2)Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met eenenkus? Jucla! oscido filium hominis tradis ? (3) Ais wilde Jezus zeggen: Maar Judas! wat doet gij nu? Ik heb altoos zoo vriendschappelijk met u omgegaan; Ik heb u altijd zoo goed behandeld, en nu gaat gij Mij aan mijne vijanden overleveren? Is dat nu alles wat ik voor mijne aan u bewezen weldaden verdiend heb? En gij levert Mij nog over onder den schijn van vriendschap, door eenen kus? Osculo tradis? Van dat teeken van vriendschap maakt gij schandig misbruik? Welk eene misdaad, waaraan Judas zich plichtig maakt!

(l) Marc. xiv, 44. (-[ Matth. xxvi, 50. (3^ luc. xxii, 48.

MEDITATIËN 3.

ocr page 38

Doch onderzoeken wij eens verder, M. Z., waar die afschuwelijke misdaad begonnen is, wat er aanleiding toe gegeven heeft. Indien het Evangelie ons daaromtrent niet ingelicht had, nooit of nimmer zouden wij er het beginsel van ontdekt hebben; wij zouden misschien denken dat een ingewortelde haat tegen Jezus, ofwel de begeerte om zich op Onzen Goddelijken Zaligmaker te wreken daarvan de oorzaak geweest is. Neen, M. Z., Judas heeft den Zoon Gods verraden en overgeleverd niet zoo zeer uit haat tegen Jezus, niet zoo zeer om zich te wreken.

En inderdaad: wat reden zoude hij daartoe gehad hebben? Gedurende drie jaren had Jezus hem met weldaden en gratiën overladen; Hij had hem zelfs tot Apostel verkozen, de macht gegeven om wonderen te verrichten. Hoe heeft Judas dan al die weldaden kunnen vergeten, en zijnen Weldoener zoo schandig kunnen verraden? Zoo de H. Geest het ons niet verklaard had, nooit, ik herhaal het nogmaals, hadden wij het kunnen gelooven. De geldzucht, M. Z., is de oorzaak geweest. Die drift heeft het hart van Judas bedorven, heeft hem van de eene misdaad tot de andere, heeft hem eindelijk zoo ver gebracht, dat hij den Zoon Gods verraden en overgeleverd heeft, \'t Is het Evangelie, dat het ons leert.

Toen Maria - Magdalena zekeren dag uit dankbaarheid jegens haren Goddelijken Meester de voeten van Jezus zalfde en met hare haren droogde; toen zij eenen kostbaren balsem overliet hoofd van Jezus uitstortte, was Judas erbij tegenwoordig. Dat deed hem pijn. Hij keurde die daad van Maria-Magdalena grootelij ks af, en zag ze aan voor eene

ocr page 39

verkwisting: ut quid perdüio haec ? (i) en om aan zijne manier van zien een schijn van deugd te geven, voegde hij er bij: Die balsem kon duur verkocht worden, en aan den arme gegeven; potuit enim istud venumdari midto, et dari pau-peribus. Was het niet schoon het voorwendsel van Judas, A\'an den prijs ervan aan den arme te geven? Maar het was maar een voorwendsel, want er lag hem volstrekt niets aan den arme gelegen, zegt de H. Joannes; maar omdat hij een dief was, en de beurs van Jezus en de overige Apostelen droeg, meende hij zich van die som meester te maken. Wat gebeurt er? Welk besluit neemt Judas? In zijne verwachting-te leur gesteld, wil hij het verlies, dat hij komt te ondergaan, vergoeden; daartoe vindt hij geene betere gelegenheid dan zijnen Goddelijken Meester te verkoopen. Ja, dat besluit is weldra genomen. Hij begeeft zich naar de priesters om te onderhandelen. Wat wilt gij mij geven, zegt hij, en ik sta er voor in van u den Jezus, dien gij zoekt, in uwe handen over te leven? QiM vidtis mihi dare, et ego Eum vobis tradam? (2) Dertig zilverlingen, de prijs van een slaaf, worden hem aangeboden. Judas neemt het aanbod aan, en hij acht zich gelukkig zijne geldzucht te kunnen voldoen ten koste van het leven zijns Meesters.

Ziedaar, M. Z., den oorsprong van de afschuwelijke misdaad van Judas. Judas wordt een verrader van den Zoon God, waarom? Omdat hij een dief was. Judas wordt een dief, waarom? Omdat hij geldzuchtig was. Uit die geldzucht spruiten voort al zijne dieverijen, en die dieverijen brengen

(1) Matth. xxvi, 8. (2) Matth. xxvi, 15.

ocr page 40

— 30 —

hem zoo ver, dat hij het leven en het bloed van den Zoon Gods prijsstelt voor dertig zilverlingen. Ziedaar tot welken afgrond van boosheid de gierigheid of de geldzucht den mensch brengen kan. M. Z., \'t is het voorbeeld van Judas niet alleen, dat ons die waarheid leert, \'t is de droevige ondervinding, die ze bevestigt. Wat maakt er hedendaags meer menschen ongelukkig dan de geldzucht? Wat is de oorzaak, dat er zich zoo velen aan het goed van hunnen evenmensch misgrijpen, en geene restitutie doen? De geldzucht. Wat is de oorzaak, dat zoo vele ouders hedendaags hunne heiligste plichten vergeten, en hunne kinderen prijs geven, door ze naar slechte scholen te zenden? De geldzucht. Wat is de oorzaak\' dat zoo menig jongeling, dat zoo menige jonge dochter zich opoffert, aan de plichten van christen-mensch verzaakt? De geldzucht, een winstgevend postje van meester of meesteres van slechte scholen. Wat is de oorzaak dat zoo menig burger van zijne rechten misbruik maakt, zich bij de vijanden van God en Kerk aansluit, door deze zich laat omkoopen, hen in de mogelijkheid stelt, door hen te kiezen, van God en godsdienst, van Kerk en geestelijkheid te kunnen vervolgen? Een winstgevend postje, een stuk geld, in een woord de geldzucht.

Ziedaar de reden, waarom er hedendaags zoovele christenen gevonden worden, die nog maar weinig tijd geleden, zich trouw van de plichten van christenmensch kweten, nu er aan hebben vaarwel gezegd; die, nog maar weinig tijd geleden, gehoorzaamden aan de Heilige Kerk en hare Oversten, nu er zich tegen verzetten; die, nog maar weinig tijd geleden, de geestelijke overheid eerbiedigden, nu niet weten

ocr page 41

hoe haar genoegzaam te lasteren en te laken. Ja de zucht naar geld heeft vooral die noodlottige verandering te weeg gebracht. Men heeft bij zekere christenen maar een winstgevend postje, eenige geldstukken aan te bieden; hunne eigene dierbaarste belangen, de dierbaarste belangen hunner kinderen, de dierbaarste belangen der Kerk worden opgeofferd. Geweten, ziel, christen plichten en plichten van staat, hemel en eeuwige zaligheid, alles wordt prijs gegeven. Te recht dus zegt een heidensch dichter van de geldzucht sprekende: Vervloekte gouddorst, waartoe dwingt gij de stervelingen niet! Ad quid mortalia pectora eogis auri sacra fames! Doch dit zij genoeg over de geldzucht en hare noodlottige gevolgen.

II.

Zoodra Judas zijn snood plan voltrokken, en Onzen Godde-lijken Zaligmaker verraden had, kwamen de soldaten vooruit. Jezus ging hen te gemoet en vroeg : Quem qucerüis ? (i) quot;VVien zoekt gij ? Zij antwoorden; Jezus van Nazareth; Jesum nazarenum. Jezus zegt: Ik ben liet! Ego Sum! en op die enkele woorden, Ik ben het! Ego Sum! vallen de soldaten achterover op den grond neder, alsof zij door den bliksem getroffen waren. Welk eene kracht in de stem van Onzen Goddelijken Zaligmaker ! Doch bijaldien Jezus\' stem reeds zoo krachtig is, merkt de H. Augustinus op, nu hij nog moet geoordeeld worden, hoe krachtig zal dan die stem niet wezen, als Hij zelf zal komen oordeelen?

(l) Joan. xviii, 4 etc.

ocr page 42

— 38 —

En inderdaad, Mi Z.: in den laatsten dag des oordeels, als Jezus zal komen, dan zal Hij ook tot zijne vijanden aan de linkerzijde geschaard, kunnen zeggen: Ego Sum! Ik ben liet! Ik ben die Jezus, die uit den hemel nedergedaald en mensch geworden is om u te verlossen. Ik ben die Jezus die zich uit liefde voor u aan zijne vijanden in den Hof der Olijven heeft overgeleverd, die zijn Goddelijk bloed voor u vergoten, zijn leven ten beste gegeven heeft. Ik ben die Jezus, Ego Sum! zal Hij in den laatsten dag des oordeels tot de zondaren kunnen zeggen, die u zoo dikwijls tot boetvaardigheid en verandering des levens heeft aangemaand, nu eens door de inwendige stem des gewetens, dan wederom door de stem zijner priesters. Ik ben die Jezus, dien gij vervolgd en gelasterd hebt, wijl gij vervolgd en gelasterd hebt mijne Kerk en hare dienaren, ja, wijl gij den geringste der mijnen vervolgd en gelasterd hebt, want al wat gij den geringste der mijnen gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan, mihi fecislis. (i) Ik ben nog dezelfde Jezus van Nazareth, die eertijds door de soldaten gevangen genomen, maar thans verheerlijkt, gekomen is, niet meer om u te verlossen, maar om u te oordeelen; niet meer om u te sparen, maar om u ie straffen, en bijgevolg ga ik het vonnis over u uitspreken: weg van mij vervloekten! discedite a me maledicti! omdat gij tijdens uw leven naar mijne stem niet geluisterd hebt, noch naar de stem des gewetens, noch naar de stem mijner dienaren, van den biechtvader in den biechstoel, van den predikant op den predikstoel; omdat gij van mijne weldaden

(i) Matth. xxv, 40, etc.

ocr page 43

misbruik gemaakt, omdat gij de liulpmidddelen ter zaligheid ■verwaarloosd hebt; en vandaar dat ik u van mij verwerp, discedite a me, en dat ik u verwerp in het eeuwig vuur, in ignem ceternum, dat voor den duivel en zijne engelen bereid is, qui paralus est diabolo et angelis ejus!

Verschrikkelijke stem, M. Z., welke Jezus-Christus in den laatsten dag des oordeels zal doen hooren, en die wel in staat is, om ons allen van vrees en angst te doen sidderen en beven. Doch welken indruk maakt zij op ons? Helaas! er worden er maar al te veel onder ons gevonden, die den soldaten gelijken, die Onzen Goddelijken Zaligmaker kwamen vangen. De soldaten hoorden wel is waar de stem van Jezus, zij werden er door getroffen, ter aarde neêrgeworpen, doch zagen zij van hunne misdaad af\'? Neen, zij gingen voort en volhardden er in.

Zoo ook handelen vele zondaren, als zij in eene preek de eeuwige waarheden, de straffen die hen wachten, hooren verkondigen; zij worden getroffen en bang, doch bekeeren zij zich? Wachten zij zich in het vervolg van de zonde? Bijvoorbeeld, van de zonde van dronkenschap en vloeken? Van onrechtvaardigheid en onkuischheid ? Helaas ! Velen volgen de vijanden van Jezus na, worden voor een oogenblik getroffen, doch bekeeren zich niet, en gaan voort alsof er niets gezegd was. Van die zondaren spreekt de Profeet Jeremias als hij zegt: percussisti eos et non doluerunt: (i) Gij hebt hen geslagen. Heer! en zij zijn niet bedroefd geworden. Zoude hij, helaas! niet hetzelfde van ons mogen zeggen?

(i) Jer. v,

ocr page 44

Zoude hij niet mogen zeggen dat God ons geslagen heeft door de stem zijnez1 predikanten, die ons voor een oogenblik hebben bewogen ? Geslagen door het overdenken zijner oordeelen, die ons voor een oogenblik hebben verschrikt? Geslagen met ziekten, rampen en tegenspoed, die ons wel is waar bedroefd, maar niet over onze zonden bedroefd hebben? O! dat wij dan vandaag, terwijl wij zijne stem tot boetvaardigheid op nieuw hooren, ons niet langer verharden, hodie si vocem ejus audieritis nolite obdurare corda vestra-, (i) dat wij eene ware droefheid opvatten over onze zonden, ons oprecht bekeeren, om in den laatsten dag des oordeels de stem van Jezus ter veroordeeling niet te moeten hooren: Weg van mij vervloekten in het eeuwig vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen! Discedite a me rnaledicti in ignem ceternum, qui paratus est diabolo et angelis ejus!

III.

Zoodra de soldaten opgestaan waren, vroeg Jezus hun andermaal: wien zoekt gij? Het antwoord luidde op nieuw, Jezus van Nazareth. Jezus zeide nu; ik heb het u reeds gezegd, dat ik het ben. Indien gij mij dan zoekt, zoo laat deze, — zijne Apostelen bedoelende ■— ongemoeid gaan. De soldaten sloegen daarop hunne handen aan Onzen Goddelijken Zaligmaker en boeiden Hem. Toen Jezus voor goed in hunne macht en geboeid was, verlieten Hem al zijne leerlingen en

(ij Ps. XCIV, 8.

ocr page 45

namen de vlucht: Tune discipuli omnes relicto eo fuge-runt. (i) Welke onstandvastigheid! Welke trouweloosheid in de Apostelen! Bijaldien Jezus niet wilde, dat zij Hem verdedigden tegen de soldaten, hadden zij Hem nogtans niet geheel en al moeten verlaten: zij hadden Hem kunnen volgen, als getrouwe leerlingen de onschuld van hunnen Goddelijken Meester kunnen voorstaan; maar neen, zij verlaten Hem, en allen nemen de vlucht. Zoolang Jezus bij het volk in aanzien stond, om zijne leering en wonderen alom geprezen en goed onthaald werd, toen volgden zijne leerlingen Hem. Nog maar weinige dagen geleden werd Hij in triomf Jerusalem binnen geleid, en ziet! al zijne leerlingen waren er bij tegenwoordig: maar nu dat Jezus in nood verkeert, nu de soldaten Hem geboeid naar Jerusalem wegleiden, allen, geen enkel uitgenomen, allen nemen de vlucht en verlaten Hem, alhoewel zij vroeger plechtig beloofd hadden van Hem getrouw te blijven tot den dood toe. Dat vluchten zijner leerlingen moest natuurlijk het hart van Jezus gevoelig treifen.

Ook vinden wij hier, M. Z., in \'t gedrag der Apostelen, hoe weinig men staat kan maken op de beloften, trouw en vriendschap der menschen. Die heden onze vrienden zijn, worden dikwijls morgen onze vijanden. Die de meeste verplichting jegens ons hebben, zullen ons dikwijls het eerst verlaten. Zoolang men in voorspoed is, vrienden in overvloed, doch vrienden in tegenspoed? Ha! M. Z., zij zijn zoo talrijk niet. Maar al te dikwijls dus wordt het volgende gezegde bewaarheid: Zoolang gij gelukkig zijt, zult gij vele vrienden

(l) MATTH. XXVI, 56.

ocr page 46

tellen, doch als de hemel gaat bewolken, dat wil zeggen, als de zaken tegengaan, zult gij alleen staan. Bijgevolg is het dwaasheid, en overgroote dwaasheid, van zijn betrouwen op de wereld te stellen en haar aan te hangen. Die trouwelooze verlaat immers vroeg of laat hare aanhangers. Al wat zij aanbiedt kan hen niet gelukkig maken. Wij moeten dus op God ons betrouwen stellen en in eeuwigheid zullen wij niet beschaamd worden; wij moeten God aankleven, want in God zullen wij ons geluk vinden.

Ja, M. Z., eenieder onzer zegge met den koninklijken Profeet David: Mihi adhcerere Deo honum est! (i) \'t Is mij goed mijnen God aan te hangen! Dat anderen de wereld aanhangen: ja, laat de wereldlingen schatten en rijkdommen zoeken; laat de wereldlingen naar grootheid en eereposten streven; laat de wereldlingen de vermaken en pleizieren najagen ; mij integendeel is het goed mijnen God aan te hangen, mihi adhcerere Deo bonum est! Mijnen God aan te hangen door een levend geloof, door een vast betrouwen, door eene vurige liefde; mijnen God aan te hangen door het nauwkeurig onderhouden zijner geboden en die der H. Kerk; mijnen God aan te hangen door het stipt volbrengen mijner christelijke plichten en de plichten van mijnen staat; en terwijl de wereldlingen de schatten en rijkdommen zoeken, zonder ze te kunnen vinden, of er weldra van beroofd worden; terwijl zij naar grootheid en eereposten streven, zonder zich te kunnen verheffen, of weldra diep vernederd worden; terwijl zij de vermaken en pleizieren najagen, die weldra in

(l) PS. LXX1I, 28.

ocr page 47

walg jen knageiiden kommer overgaan, ik die verkies mijnen God aan te hangen, ik vind er mijn geluk in, mihi honmn est, mijn geluk hier op aarde, door den troost, dien God mij schenkt in de kwellingen en wederwaardigheden, door de gerustheid en den vrede mijns gewetens, door het blijde vooruitzicht op de schitterende belooning, die mij daar boven wacht, en alzoo zal ik er ook mijn geluk in vinden hiernamaals, wijl ik, door mijnen God op aarde in dit leven aan te hangen gedurende den tijd, mij eenmaal na mijnen dood met Hem zal mogen vereenigen in den hemel gedurende de eindelooze eeuwigheid. Bijgevolg, laat de dwaze wereld-lingen aanhangen wat of wien zij willen, \'t is mij goed, ik vind er mijn tijdelijk geluk in, en ik zal er mijn eeuwig geluk in vinden, mijnen God aan te hangen! Mihi autem adhcerere Deo bonum est!

SLUITREDE.

Vatten wij nu ten slotte, M. Z., de zedenlesssen in deze meditatie opgesloten in weinige woorden te zamen. Judas, gelijk wij gezien hebben, was een geldzuchtige mensch, en wijl hij die drift niet tegenwerkte, werd hij er weldra door verblind en medegesleept.

Uit geldzucht maakte hij zich plichtig aan eene reeks van dieverijen, en eindelijk aan de afschuwelijkste der misdaden, namelijk aan het verkoopen en verraden van zijnen Weldoener en Goddelijken Meester. Wachten wij ons dus wel voor die drift. Dat wij ons nimmer door eene handvol geld laten verleiden en omkoopen, om aan onze heiligste plichten

ocr page 48

— 44 —

van cliristenmensch, of aan onze plichten van staat te verzaken of te kort te blijven. Het geld maakt ons niet gelukkig,en wil iemand een doorslaand bewijs dier waarheid, dan toch zeker is het Judas. Hoe zal Judas, en al degenen die hem navolgen, door de geldzucht zich laten vervoeren, staan te zien in den laatsten dag des oordeels, als Jezus-Christus vol pracht en heerlijkheid op de wolken des hemels verschijnen en zeggen zal: Ego Sum! Ik ben die Jezus van Nazareth, dien gij vroeger voor eene handvol geld verkocht en verraden hebt! Voorzeker, dan zullen zij sidderen en beven. Ook zullen zij wanhopend hunne dwaling erkennen en uitroepen: Ergo erravimus! (i) Wij hebben gedwaald! doch helaas! te laat, want Jezus zal het onherroepelijk vonnis over hen uitspreken, dat onmiddellijk daarop zal voltrokken worden: Gaat weg van mij vervloekten in het eeuwig vuur! Disceclite a me maledicti m ignem ceternum! dat voor den duivel en zijne engelen bei\'eid is! qui paralus est diabolo et angélis ejus!

Blijven wij liever onzen God, zijne geboden en onze plichten getrouw; laten wij ons nimmer, noch door bedreigingen afschrikken, noch door geld of schoone beloften omkoopen; wij zullen dan voor den laatsten dag des oordeels niet te vreezen hebben. Integendeel, opgebeurd zullen wij den Opperrechter zien verschijnen. Verblijd zullen wij Hem hooren zeggen: Ego Sum! Ik ben dezelfde Jezus, die Aroor u in den Hof der Olijven gevangen en geboeid is geweest; doch vreest niet, gij hebt mij niet verkocht noch verraden; gij

(i) Sap. v, 6.

ocr page 49

hebt mij integendeel immer aangehangen, gij zijt mij altijd getrouw gebleven, niettegenstaande mijne vijanden alle middelen gebruikt hebben om u van Mij afvallig te maken; en juist omdat gij Mij aangehangen hebt, juist omdat gij -Mij getrouw gebleven zijt, ga ik u beloonen. Venite! komt dus nu! gij die de gezegenden mijns Vaders zijt, benedicti Patris mei, en neemt bezit van het rijk, dat voor u bereid is, van de grondlegging der wereld af! Possideie paratum vobis regnum a constüutione mundi! (i) Amen.

EINDE.

(l) MATTH. XXV, 34,

ocr page 50

DERDE MEDITATIE

Unus ministrorum dedit alapam Jesxc.

Een der dienaren gaf Jezus een en kaakslag. (Joan, xviii, 22.)

INHOUD.

VOORREDE.

Jezus geeft zicli vrijwillig aan zijne vijanden over, en Iaat zich boeien. — Droevige optocht van uit Gethzemani naar Jerusalem. — De beek Cedron. — Aankomst in de stad.

VERDEELING.

I. Jezus voor Annas en Caïphas.

II. Jezus wordt van godslastering beschuldigd. III. Val van Petrus.

ocr page 51

Jezus wordt gebracht eerst bij Annas, vervolgens bij Caïplias. Hij wordt ondervraagd over zijne leerlingen en leering. — Op de eerste vraag antwoordt Jezus niet. — Waarom niet ? — Op de tweede vraag antwoordt Jezus vrijmoedig, voorzichtig en eerbiedig. — Kaakslag. — Die kaakslag is pijnlijk, schandig en onrechtvaardig. — Woorden van Jezus: Si male locuius sum, etc. — Wij christenen moeten Jezus navolgen, als wij verongelijkt worden. — Hoe gedragen wij ons dikwijls op den oogenblik, dat wij verongelijkt worden? — Na verongelijkt te zijn? — Gebod van onze vijanden te beminnen. — Niemand kan verschooning vinden. — Uitvluchten wederlegd. — De beginsels der wereld. — Zwakheid van den mensch.

II.

Na den kaakslag ontvangen te hebben, werden er allerlei valsche beschuldigingen tegen Jezus ingebracht. — Bezwering van Caïplias. — Antwoord van Jezus. — Jezus wordt beschuldigd van godslastering, en ter dood veroordeeld. — De godslastering is algemeen. — In de boeken — in de schouwburgen — in de drukpers — in de vergaderingen. — Men vindt vele christenen die God lasteren. — Uitzinnigheid, ondankbaarheid, stoutmoedigheid van den godslasteraar. — Straffen der godslastering. — Antiochus. — Nicanor. — Sinnacherib.

ocr page 52

III.

Petrus was Jezus van verre gevolgd en doorgedrongen tot in het voorhof van den opperpriester. — Drievoudige verloochening. — Hij zegt, dat hij Jezus niet kent. — Hij bevestigt zulks onder eed. — Hij begint te vloeken en te zweren. — Bekeering van Petrus.

SLUITREDE.

Petrus is gevallen, wijl hij vermetel was, zich zonder reden aan het gevaar blootstelde. — Om dezelfde redenen valt de mensch dikwijls in zonde. — Zijn wij Petrus gevolgd in den val, wij moeten hem ook in de boetvaardigheid navolgen. Wij moeten de gevaren en gelegenheden van zonde verlaten, en onze misslagen beweenen.

EINDE.

ocr page 53

DERDE MEDITATIE

Unus ministrorum dedit alapam Jesu.

Een der dienaren gaf Jezus eenen kaakslag. (Joan, xvm, ss.)

VOORREDE.

In den Hof der OlijTen, M. Z., had Onze Goddelijke Zaligmaker getoond, dat Hij alleen, zonder door zijne Apostelen geholpen te worden, macht genoeg bezat om zich te verdedigen. Een enkel woord immers. Ego Sum! Ik ben het! wierp de soldaten achterover ter aarde neder, en zij konden niet opstaan, alvorens Jezus het toestond. Doch neen. Onze Goddelijke Zaligmaker was niet gekomen om zich te verdedigen. Het uur van lijden was geslagen, en Hij had den lijdenskelk uit de handen van zijnen hemelschen Vader aangenomen. Na dus eerst zijnen Apostelen de vrijheid verzekerd te hebben, geeft hij zich aan de soldaten over. Zij slaan hunne handen aan Jezus, en boeien Hem. De Apostelen, zulks ziende, verlaten hunnen Goddelijken Meester, en nemen de vlucht. Daarop begint de optocht naar Jerusalem. Welk eene blijdschap en vreugde voor de soldaten en voor de vijanden van Jezus! Eindelijk dan toch zijn zij Hem meester geworden, en zullen zij den Priesters hunnen grootsten vijand — want daarvoor zagen zij Onzen Goddelijken Zaligmaker aan — diep vernederd en geboeid kunnen voorstellen. Wat heeft Onze Goddelijke Zaligmaker op den droeven tocht van Gethzemani naar Jerusalem niet uitgestaan! Wat al

mbditatlfin 4.

ocr page 54

scliaterlaclien, wat al vloeken en godslasteringen heeft Hij niet moeten hooren! Wat al mishandelingen en pijnen niet onderstaan! Uitgeput, om zoo te zeggen, van krachten wegens die doodsclie droefheid en liet bloedig zweeten, is hij nog geboeid, met zware kluisters beladen. De touwen en koorden waren zoo vast gebonden, dat zijne gezegende handen opzwollen, en dat het Goddelijk bloed tusschen de nagelen uitliep. Gedreven als de soldaten waren, om zoo spoedig mogelijk in de stad aan te komen, werd Jezus, die niet gauw genoeg naar hunnen zin vooruitging, voortgetrokken en voortgeduwd. Dikwerf zal Onze Goddelijke Zaligmaker op dien droeven tocht gestruikeld zijn. Ja, wat meer is, gelijk sommige schrijvers willen, zoude Jezus van af de brug, die over de beek Cedron lag, en die men wederom moest overtrekken, in het water gevallen zijn, en zouden de soldaten Hem met de koorden, waarmede zij Hem voortsleurden, tegen den kant der beek op uit het water getrokken hebben. Ook schijnt de koninklijke Profeet David op deze gebeurtenis te zinspelen als hij zegt: De torrente in via bibet. Hij zal op zijnen weg uit de beek drinken, daarom zal Hij zijn hoofd verheffen, propterea exaltabit caput, (i) Eindelijk dan kwam die woeste bende omstreeks middernacht met den afgematten en van vermoeienis en pijnen schier bezwijkenden Zaligmaker te Jerusalem aan. Jezus wordt terstond bij zijne verbitterdste vijanden, de priesters, en voor de rechtbank gebracht. Overwegen wij van avond:

(l) Ps. CIX, 7.

ocr page 55

I. Jezus voor Annas en Caïphas.

II. Jezus van godslastering beschuldigd. III. Den val van Petrus.

I.

Men bracht Onzen Goddelijken Zaligmaker, M. Z., op de eerste plaats bij Annas den schoonvader van Caïphas, vraar-schijnlijk, om dien ouderling, die eenen doodelijken haat tegen Jezus opgevat had, het genoegen te geven, van het zoo lang gewenschte slachtoffer te aanschouwen. Na eenige oogenblikken zijne bloeddorstige blikken op den diep vernederden Zaligmaker gevestigd, en na met eenen helschen grimlach op de lippen Hem bespot en beleedigd te hebben, is hij voldaan. Hij zendt Jezus naar zijnen schoonzoon Caïphas. Caïphas was de Opperpriester voor dat jaar. Bij hem was de joodsche raad vergaderd.

Zoodra Onze Goddelijke Zaligmaker daar aankwam, werd Hij ondervraagd over zijne leerlingen en leering. Wat de eerste vraag betreft, daarop antwoordt Jezus niet; Hij kan niet veel goeds van zijne leerlingen zeggen. Judas had hem verraden. Petrus zoude Hem weldra verloochenen, allen hadden Hem schandig verlaten, en waren gevlucht. Jezus zweeg dan over zijne leerlingen, en daardoor gaf Hij ons een schoon voorbeeld, hoe wij ons ten opzichte van onzen even-mensch moeten gedragen; dat wij namelijk, zoo wij geen goed van Hem weten of willen zeggen, ten minste geen kwaad van hem zouden spreken.

ocr page 56

Wat de tweede vraag, dat is, zijne leering aangaat, daarop antwoordt Onze Goddelijke Zaligmaker vrijmoedig, voorzichtig en eerbiedig. Vrijmoedig: Ik lieb in het openbaar gesproken, antwoordt Jezus, en in \'t verborgen heb ik niets gezegd. Voorzichtig: Ondervraag dus hen, die mij gehoord hebben, voegt Jezus erbij, zij weten wat ik gezegd heb. Jezus, gelijk gij ziet, M. Z., beriep zich op zijne toehoorders: waarom? Om de eenvoudige reden, wijl Hij zeer goed wist, dat men aan zijne getuigenis geen geloof zoude hechten. Wat kan Hij dus beter doen? Zijn antwoord was daarenboven eerbiedig. En luistert wat er nogtans plaats had.

Nauwelijks heeft Onze Goddelijke Zaligmaker gesproken, of een der dienaren geeft Hem een geweldigen kaakslag, terwijl hij Hem toesnauwt: Sic respondes pontificit ? (i) Antwoordt Gij zoo den Opperpriester? Welk eene mishandeling, M. Z., Onzen Goddelijken Zaligmaker aangedaan! Die kaakslag was pijnlijk, hij was schandig en onrechtvaardig.

Hij was pijnlijk, gegeven door eenen woesten, woedenden krijgsknecht, uit al zijne kracht, met eene hand, volgens het gevoelen van den H. Bernardus, gewapend met eenen ijzeren handschoen. De H. Vincentius Ferrerius zegt dat Onze Goddelijke Zaligmaker plat ter aarde viel, en dat Hem het bloed door neus en mond uitsprong.

Die kaakslag was schandig, gegeven door eenen soldaat in het Aanbiddelijk Aanschijn van den Zoon Gods, waarvoor de Engelen des Hemels uit eerbied zich met hunne vleugelen

(l) JOAN. XVIII, 23.

ocr page 57

•dekken, gegeven in de tegenwoordigheid eener talrijke vergadering.

Eindelijk was die kaakslag onrechtvaardig, wijl hij gegeven werd zonder wettige machtiging, en op een eerbiedig antwoord. Welk eene pijnlijke, schandige en onrechtvaardige beleediging Onzen Goddel ij ken Zaligmaker aangedaan! De H. Ephrëm zegt, dat door dien slag de hemelen beefden, en dat de aarde op hare grondslagen daverde. Welke straf verdiende die booswicht niet ? Ja, hij verdiende van op staanden voet door het vuur des hemels verteerd, door de opengespleten aarde ingezwolgen, door den duivel bezeten en op de verschrikkelijkste wijze gefolterd te worden.

Wat meer is. Onze Goddelijke Zaligmaker had zich kunnen wreken; hij had dien dienaar oogenblikkelijk kunnen straffen; men zoude zelfs zeggen, dat Hij er toe verplicht was; en wat doet Jezus? Om te toonen dat Hij volstrekt niet misdaan had tegen den eerbied den Opperpriester verschuldigd, zegt hij met zachtmoedigheid tegen den soldaat, die Hem geslagen heeft: Bijaldien ik kwalijk gesproken heb, geef dan getuigenis van het kwaad, si male locuius sum, testimonium perhibe de malo, doch zoo ik goed gesproken heb, waarom slaat gij Mij? si autem bene, cur me ccedis?(i) Ziedaar, hoe Jezus zich wreekt, ziedaar de straf, die Hij vordert.

Ha! M. Z., Onze Goddelijke Zaligmaker had geleerd, dat, zoo iemand ons op de rechter wang slaat, wij hem de linker moeten aanbieden. Hij had gezegd: leert van mij dat ik zachtmoedig van harte ben, discite a me quia mitis sum

(i) Joan, xviii, 23,

ocr page 58

— 54 —

cor de; (i) die leering nu brengt Hij zelf ten uitvoer ; I-Iij bevestigt ze door zijn voorbeeld, en dat voorbeeld, M. Z., moeten wij, christenen, dat is, leerlingen van Jezus-Cliristus, navolgen. Doch helaas! Hoe zeer verschilt dikwijls ons gedrag van het gedrag van Onzen Goddelijken Meester! Wanneer men ons het een of ander ongelijk aandoet, ofwel als wij zelfs maar meenen, dat het ons aangedaan wordt, al is het ook inderdaad niet, hoe gedragen wij ons dan dikwijls ten opzichte van .onzen evenmensch? Op het oogenblik zelf, waarop men verongelijkt wordt, of meent verongelijkt te worden, wordt men kwaad op zijnen evenmensch; men valt tegen hem uit in verwijtingen of verwenschingen; men bedrijgt hem, gaat soms zoo ver van zich terstond te wreken, ongelijk met ongelijk, kwaad met kwaad te vergelden.

Doch verondersteld, dat men op het oogenblik zelf zoo ver niet gaat; in plaats van het ongelijk te vergeven, wordt men afkeerig van zijnen evenmensch ; die afkeerigheid, door ze te voeden, gaat over tot haat, wel eens tot doode-lijken haat, zoo dat men zijnen evennaaste niet eens meer wil zien, groeten of spreken; dien haat zal men nog meer lucht geven, en daarom randt men zijnen evenmensch aan in zijne eer of faam, door het kwaad dat onbekend is bekend te maken, of wel door zaken uit te strooien, die volstrekt niet bestaan. Men zal hem zelfs zoeken te benadeelen in zijne tijdelijke goederen, en van daar dat men liem valsch beschuldigt, vervolgt en onrechtvaardig voor het gerecht daagt. Dergelijke christenen, M. Z., handelen juist alsof er

(1) MJLTTH. XI, 29.

ocr page 59

geen gebod bestoud van den evenaaste of onze vijanden te beminnen, daar Jezus nogtans zegt: Gij zult uwen even-menscli beminnen gelijk u zeiven, diliges proccimvrn tuum sicut te ipsum; (i) uitdrukkelijk gebiedt van onze vijanden te beminnen, als hij zegt: bemint uwe vijanden, diligite inimicos vestros, doet goed aan degenen die u haten, hene-facite his qui oderunt vos, en bidt voor degenen, die u vervolgen en lasteren, et orale pro persequentibus et calumnicmtibus vos.

Dit gebod nu verplicht zoo streng, M. Z., dat er niemand vrij van is, dat men zonder het te volbrengen van zijne eigene zonden geene vergiffenis kan bekomen. In sommige geboden, zegt de H. Joannes Chrysostomus, kan men verschooning vinden, doch wat het gebod van zijnen even-mensch, van zijne vijanden te beminnen aangaat, daarin is geene verschooning te vinden. Iemand kan wel zeggen, ik kan niet vasten, ik kan geene aalmoezen geven, doch niemand kan zeggen, ik kan niet beminnen.

Ik weet wel, de bedorven wereld leert juist het tegenovergestelde; met hare valsche grondbeginsels van punt ATan eer, van niet onder te doen, van niet toe te geven, zegt zij dat men lafhartig is, of aan zijne eer te kort doet, als men geen wraak neemt, als men het ongelijk met ongelijk niet vergeldt; doch dan heeft Jezus-Christus, de eeuwige wijsheid, zich bedrogen; dan hebben de heiligen, die Hem nagevolgd zijn, zich ook bedrogen; dan moet men hen van lafhartigheid beschuldigen, en dat zij hunne eer te kort

(l) Matth. v, 43. etc.

ocr page 60

hebben gedaan; docü dit zij verre van ons; ook moeten wij in hoedanigheid van christenen, niet de leerlingen en navolgers der wereld, maar die van Jezus-Christus en van zijne Heiligen zijn.

Anderen zeggen; de beleediging mij aangedaan is te gevoelig; het ongelijk is te groot; ik kan het onmogelijk vergeven. Ik vraag u: is de beleediging, het ongelijk u aangedaan gevoeliger, grooter dan die, welke men Jezus voor de rechtbank van Caïphas aandeed? Eu nogtans. Onze Goddelijke Zaligmaker blijft zachtmoedig; hij neemt geen wraak, hij vergeeft. Bijgevolg moeten wij, koste wat het koste, ook vergeven. Gevoelen wij ons te zwak van het te kunnen doen, wij moeten tot God onze toevlucht nemen door het gebed; Hij zal ons de gratie geven om zijn gebod te kunnen volbrengen. Ik zeg: hoste loat het koste, want te vergeefs bidt, vast gij; te vergeefs gaat gij naar de kerk, geeft gij aalmoezen; te vergeefs gaat gij te biechten en te communie, nooit of nimmer zult gij vergiffenis uwer zonden bekomen, zoo gij het persoonlijk ongelijk u aangedaan niet van harte vergeeft, nooit of nimmer kunt gij in den hemel komen. Wij willen dus liever naar het voorbeeld van Onzen Goddeüjken Zaligmaker vergeven, en alzoo zullen wij kinderen zijn van den Hemelschen Vader, die zijne zon laat opgaan over de goeden en kwaden, en die zijnen regen uitstort over de rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

ocr page 61

II.

Nadat Onze Goddelijke Zaligmaker die ongehoorde belee-diging van den dienaar ontvangen had, wiens onrechtvaardige handelwijs niet eens werd afgekeurd, toen zochten de Opperpriester en de gansche vergadering getuigenissen tegen Jezus, ten einde Hem ter dood te veroordeelen; doch zij vonden er niet eene. Velen brachten Aralsche getuigenissen tegen Hem in, doch zij kwamen niet overeen.

Eenigen stonden daar op recht, en legden de volgende valsche getuigenis tegen Jezus af; lt;• Wij hebben Hem hooren zeggen: — Onzen Goddelijken Zaligmaker bedoelende. — Ik zal dezen tempel met handen gemaakt afbi^eken, en ia drie dagen zal ik eenen anderen niet met handen gemaakt opbouwen. » Doch hunne getuigenis kwam ook niet overeen.

Nu stond de Opperpriester Caïphas op en sprak: quot; Antwoordt gij niets op hetgeen dezen tegen u inbrengen? Jezus zweeg. De Opperpriester ging voort en zeide: quot; Ik bezweer u bij den levenden God dat gij ons zegt, of gij de Christus zijt de Zoon van den gezegenden God! « Jezus antwoordt: Tu dixisli, (i) gij hebt het gezegd, ik ben het, en Hij voegt er bij: Weldra zult gij deu Zoon des menschen op de wolken zien komen, gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods. Nauwelijks heeft Caïphas die woorden gehoord, of hij scheurt zijne kleederen en hij roept uit: Blasphemavit! Hij heeft God gelasterd! Wat hebben wij verder nog getuigen noodig? Gij zeiven hebt de godslastering gehoord, wat dunkt u ? En zij

(i) Matth XXVI, 64. etc.

ocr page 62

— 58 —

antwoordden allen als uit eenen mond: Reus est mortis! Hij is des doods schuldig! En terwijl Caïphas zich verstout Onzen Goddelijken Zaligmaker van godslastering te beschuldigen, en de overigen Hem daarom des doods schuldig durven verklaren, hij, de goddelooze Opperpriester, braakt de afschuwelijkste godslastering tegen God uit.

De zonde van godslastering, M. Z., wordt hedendaags op allerlei wijze bedreven. Wat al schimpreden en spotternijen worden er hedendaags tegen Godsdienst en Kerk, tegen Heiligen en Sacramenten niet uitgebraakt?

Men lastert God in de boeken, waarin men durft schrijven dat God het kwaad en dat Jezus-Christus zijn eenige Zoon een romansheld is. Men lastert God in de schouwburgen, waar men den spot drijft met de heiligheid des huwelijks en waar men echtscheiding en echtbreuk toejuicht. Men lastert God in de drukpers, waarin men te zamen spant om de katholieke Kerk in den modder te smoren en haar de zielen te ontrukken. Men lastert God in de vergaderingen der zoogenaamde geleerden, waarin de bovennatuurlijke orde uitgelachen wordt.

Doch, M. Z., buiten de godslasteringen in hoogere kringen en door de openbare vijanden van God en Kerk uitgebraakt, vindt men, helaas ! ook nog christenen, die zich aan die afschuwelijke zonde plichtig maken. Doch hebt gij wel ooit nagedacht wat de mensch doet, die zijnen Heer en God vloekt en lastert?

Ziehier zijne uitzinnigheid, zijne ondankbaarheid en stoutmoedigheid, Wijl de zonde het grootste kwaad is, alzoo is

ocr page 63

eenieder, zegt de H. Joannes Chrysostomus, die er zich aan pliclitig maakt een uitzinnige: doch onder al de uitzinnigen is de vloeker en godslasteraar de uitziunigste. In andere zonden vindt men nog iets aantrekkelijks. Een dronkaard, bij A oorbeeld, heeft smaak in den drank ; een gulzigaard in het eten; een dief vindt zijn voordeel in een andermans geld en goed; een gierigaard heeft vermaak in schatten en rijkdommen op een te hoopen ; een wellusteling schept vermaak in het involgen zijner driften; maar ik vraag het u: wat vermaak, wat voordeel is er te vinden in \'t vloeken? in de godslastering? Zijt gij arm, gij zult er niet rijk door worden; geschiedt u nadeel, gij zult er niet schadeloos door gesteld worden; overkomt u een ongeluk, gij zult er niet door gered worden; hoe is het dan mogelijk dat gij God durft vloeken of lasteren? En is de vloeker en godslasteraar niet de uitzinnigste der zondaren?

Doch hij is niet alleen een uitzinnige, hij is ook een ondankbare. God heeft dien mensch geschapen, uit den niet getrokken; Hij heeft hem zoo zorgvuldig bewaard; Jezus-Christus heeft hem met zijn Goddelijk bloed vrijgekocht, in het H. Doopsel tot zijn kind aangenomen. God heeft dien mensch met weldaden overladen, én in de orde der natuur, én in de orde der genade; Hij heeft hem gegeven geld en goed, kost, kleederen en gezondheid ; Hij heeft hem met gratiën overladen, met zijn Goddelijk vleesch en bloed zelfs dikwijls gespijsd: en hoe beantwoordt nu de mensch aan al die weldaden van den beste der Vaderen ? Hij vloekt en lastert zijnen God. Nu vraag ik u : is die vloeker, die

ocr page 64

— 60 —

godslasteraar niet de ondankbaarste der menschen ? Ja, M. Z., hij is een monster van ondankbaarheid.

De vloeker of godslasteraar is niet alleen een uitzinnige, een ondankbare, hij is ook nog een stoutmoedige. Wie is het die God durft vloeken en lasteren? Een armzalig schepsel, uit stof en asch gemaakt; gisteren bestond het niet, morgen zal het tot stof en asch weder keer en: een nietige aardworm; en dat armzalig schepsel, die nietige aardworm durft vloeken en lasteren den Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, die den hemel met zon, maan en sterren, de aarde met bosschen en bergen, met zeeën en rivieren, en al wat zij bevatten, uit den niet getrokken heeft. Dien hemel en aarde toebehooren, die hemel en aarde bestiert; die de stormen bedaart, de orkanen loslaat, die zijne bliksems doet flikkeren, zijne donders ratelen; dat armzalig schepsel, die nietige aardworm durft vloeken en lasteren den eeuwigen, den almachtigen, den majesteitvolleu God, die zich elk oogenblik kan wreken, den vloeker, den lasteraar elk oogenblik kan straffen. Ik vraag het u, M. Z,, kan er een stouter bestaan, eene grootere stoutmoedigheid uitgevonden worden ?

En inderdaad : hoe dikwijls heeft God den vloeker en godslasteraar reeds in dit leven niet op eene zichtbare wijze gestraft? Waarom werd Antiochus door de geweldigste pijnen verscheurd, en is hij rampzalig gestorven ? Om de godslastering. Waarom werd Nicanor hoofd en handen afgeslagen, zijne tong uit den mond gerukt, en de vogelen des hemels voorgeworpen? Om de godslastering. Waarom kwam

ocr page 65

de verdelgengel in het leger van den koning Sinnaclierib, en werden er in éénen nacht 185,000 soldaten gedood, en waarom is hij zelf door zijne eigene zonen vermoord ? Ik herhaal het, M. Z., om de godslastering. Bijgevolg, dat deze droevige voorbeelden ons eenen afschrik inboezemen van de zonde van vloeken en godslastering, en dat zij ons tot het heilzaam en krachtdadig besluit brengen, van ons zorgvuldig van die zonde te wachten, en ons te beteren, zoo wij er ons aan plichtig gemaakt hebben.

En al zouden zelfs de tijdelijke straffen ook uitblijven. God, die verplicht is de oneer zijnen Heiligen Naam aangedaan te wreken, zal den vloeker en godslasteraar hiernamaals des te strenger straffen; Hij zal hem op zijne beurt vervloeken en verwijzen tot de hel, om daarin met de vloekende en lasterende duiArels en verdoemden in eeuwigheid te branden.

III.

De Apostelen, niemand uitgenomen, hadden hunnen God-delijken Meester, gelijk wij reeds gezien hebben, schandig verlaten. Doch ziet! Petrus, die het stoutste gesproken had, van Jezus niet te zullen verlaten, en die beloofd had Hem getrouw te blijven tot den dood, die zelfs ter verdediging-van Jezus zijn zwaard getrokken had. Petrus, na gevlucht te zijn, wordt beschaamd; hij gaat naar Jerusalem, om te zien hoe de zaken met Jezus zullen afloopen.

Door tusschenkomst van een of ander komt hij tot in het voorhof van den Opperpriester Caïphas; daar zette hij zich

ocr page 66

met de overigen bij liet vuur neder, en warmde zich. Na eenige oogenblikken daar gezeten te zijn, komt eene dienstmeid, die de deur bewaarde, nader, en Petrus ziende, zegt zij: Gij waart ook bij Jezus den Galileër. Petrus loochent het en antwoordt: Ik weet niet wat gij zegt, Nescio quid dicis; (i) hij gaat het voorhof uit, en de haan kraaide.

Terwijl hij nu naar buiten ging, zag hem eene andere dienstmeid, en zeide tot de omstaanders: deze was ook bij Jezus van Nazareth. Petrus loochent het op nieuw, en ditmaal onder eed, en zeide: Ik keu dien mensch niet. Quia non novi hominem.

Omtrent een uur daarna zeiden degenen, die naast hem bij het vuur stonden; Waarlijk, gij zijt een zijner leerlingen, want gij zijt een Galileër; uwe spraak verraadt u. Een bloedverwant van Malchus, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u dan niet bij Hem in den hof gezien? Nu begon Petrus te vloeken en te zweren, dat hij geen kennis aan dien mensch had : Ccepit detestari et jurare quia non novisset hominem. Op dit oogenblik kraaide de haan voor de tweede maal. Onze Goddelijke Zaligmaker keerde zich om en zag Petrus. Petrus wordt het woord van Jezus indachtig: Eer de haan ten tweede male kraait, zult gij mij driemaal verloochenen; hij gaat naar buiten en weende bitter: Et egressus forasflevii am are.

(i) Matth. xxvi, ro. etc.

ocr page 67

SLUITREDE.

Onmogelijk, M. Z., deze droevige geschiedenis breedvoerig uit te leggen. Ten slotte zal ik enkel aanhalen, waarom Petrus zoo diep gevallen is, en dat wij, die Petrus in den val gevolgd zijn, hem ook in zijne boetvaardigheid moeten volgen. Petrus was vermetel geweest. Jezus had-hem zijnen val voorzegd: Alvorens de haan tweemaal zal gekraaid hebben, had Jezus gezegd, zult gij mij driemaal verloochenen. Ik zal u niet verloochenen, had Petrus vermetel geantwoord: Non te negabo. (i)

Petrus had zich zonder reden aan het gevaar blootgesteld; hij is gevallen. Petrus, na het gevaar verlaten te hebben, is teruggekeerd; hij is op nieuw gevallen. Petrus beeft aan den oogslag van Jezus beantwoord, hij is naar buiteu gegaan, en heeft zijne zonden bitter beweend, waardoor het dan ook gebeurd is, dat hij vergiffenis bekomen heeft.

Ziedaar, M. Z., juist het gedrag van den zondaar. Zoo dikwijls hij zich aan doodzonde plichtig maakt, loochent hij in zekeren zin zijnen God: Quoties vitiis vincimur Dcum negamus, zegt de H. Hieronymus. Waarom? Omdat hij aan het schepsel de voorkeur geeft boven zijnen Schepper. De onrechtvaardige, bij voorbeeld, geeft de voorkeur aan het geld of goed. De hoovaardige geeft de voorkeur aan de glorie en eer. De onzuivere geeft de voorkeur aan het schandig vermaak, en zoo kan men van eiken zondaar zeggen.

(l) MATTH. XXVI, 35.

ocr page 68

— 64 —

Hij valt, omdat hij vermetel is. In plaats van tot God zijne toevlucht te nemen door het gebed, steunt hij op eigen krachten, en zwak als hij uit zich zeiven is, bezwijkt hij bij de eerste bekoring voor de vijanden zijner zaligheid. Uit die vermetelheid spruit ook nog voort, dat hij zich aan de gevaren der zonde blootstelt. Jezus had Petrus zijn val voorzegd; hij stelt zich nog aan het gevaar bloot, en hij verloochent zijnen Goddelijken Meester tot driemaal toe.

Hoe dikwijls heeft de predikant, heeft de biechtvader dien zondaar, die zondares den val niet voorzegd? Bijaldien gij dat gezelschap niet vlucht, gij zult hervallen in dezelfde zonde van zedenkwetsende taal; zoo gij dat huis niet vermijdt, gij zult hervallen in dezelfde zonde van dronkenschap; zoo gij den omgang met dien persoon niet schuwt, gij zult hervallen in dezelfde zonde van onkuischheid. De hand op het geweten, antwoordt: Is dat de reden niet waarom gij gevallen en hervallen zijt in dezelfde zonde? Ongetwijfeld. Wilt gij nu vergiffenis uwer zonden bekomen, dan antwoord ik u met den H. Ambrosius, die tot den keizer Theodosius zeide : Si secutus es errantem sequere poenilentem ; Gij, die Petrus in zijnen A\'al gevolgd zijt, volgt hem ook in zijne boetvaardigheid. Beweent uwe zonden, en beweent ze bitter naar het voorbeeld van den H. Petrus : de zonden van afgekeerdheid en vijandschap; de zonden van haat en nijd; verzoent u met uwen evenmensch en vergeeft hem het persoonlijk ongelijk, dat hij u zoude kunnen aangedaan hebben. Beweent en beweent ze bitter de zonde van vloeken en godslastering, waardoor gij den goeden God zoo grootelij ks vergramd, en zoo dikwijls zijne straffen verdiend hebt. Bidt

ocr page 69

God om gratie, en vernieuwt dikwijls het goed voornemen van ze nooit meer te bedrijven. Vlucht ook de gevaren en de naatste gelegenheden der zonde naar het voorbeeld van Petrus, Et egressus /bras, hij vluchtte naar buiten. Dus, geen omgang meer met dat gezelschap; geen bezoek meer aan dat huis ; geene verkeering meer met dien persoon ; zonder dat, geene ware bekeering, en bijgevolg ook geene vergiffenis der zonde.

Ziedaar, M. Z,, hoe wij allen, die den Apostel Petrus in zijnen val gevolgd zijn, hem ook in zijne bekeering moeten volgen; en Jezus, die eenen medelijdenden blik op zijnen Apostel wierp, hem zijne drievoudige verloochening vergaf. Hij zal ook medelijden met ons hebben en ons onze zonden vergeven. Amen.

EINDE.

MEDITATIËN 5.

ocr page 70

VIERDE MEDITATIE

Velaverunt Eum et pcrcutieiant faciem ejus, et interrogabant Eum dicentes: Pro-fetiza, quis est qui te percussit?

Zij blinddoekten Hem, sloegen Hem in liet aangezicht en vroegen Hem, zeggende: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?

(Luc. xxii, 01.)

INHOUD.

VOORREDE.

Petrus had Jezus driemaal verloochend, omdat hij vermetel was en zich zonder reden aan het gevaar had blootgesteld. — Petrus beantwoordt aan den oogslag van Jezus — hij gaat uit en beweent zijne zonden bitter. — Zoo moeten wij ook handelen. — Judas beantwoordt niet aan de uitnoodiging van Jezus, hij wanhoopt en verhangt zich. — Zoo moeten wij niet handelen.

ocr page 71

VERDEELING.

I. Jezus wordt in den nacht mishandeld. II. Jezus wordt gegeeseld.

III. Jezus wordt met doornen gekroond.

I.

Jezus is ter dood veroordeeld, omdat Hij zijn Goddelijk Zoonschap beleden heeft. — De joodsche raad gaat uiteen. — Jezus wordt den soldaten ter bewaring overgegeven. — De soldaten bespotten Jezus; zij spuwen Hem in het aangezicht ; blinddoeken Hem : geven Hem vuistslagen, enz. Vélaverunt Eum. Dwaas- en verblindheid der soldaten. — Vele christenen zijn dwazer, verblinder dan de soldaten. — De soldaten gelooven niet dat Jezus alles ziet en onschuldig is. — De christenen gelooven dat Hij alles ziet, en dat Hij onschuldig is. — Zij willen zich verbergen. Nemo nos videt. Zoo handelt vooral de onkuischaard. — Geschiedenis der twee ouderlingen die de zuivere Suzanna bekoorden.

II.

Jezus wordt voor Pontius-Pilatus beschuldigd: 1° dat Hij het volk opruide; 2° dat Hij verbood schatting aan den keizer te betalen ; 3° dat Hij zich koning had willen maken. — Pilatus veroordeelt Jezus om gegeeseld te worden. FLagsl-lavit. Wie deed Jezus geeselen? — Door wien? — Waarmede?

ocr page 72

— 68 —

— Hoelang? — In wiens tegenwoordigheid? — Schandige en pijnlijke geeseling bijzonder om de zonde van onzuiverheid uit te hoeten. — Zoo de onkuischaard zich niet bekeert, zal het bloed van Jezus, tijdens de geeseling gestort, wraak tegen hem roepen.

III.

Daarop wordt Jezus met doornen gekroond. — Troon,, eene vermolmde bank. —; Schepter, een rietstok. — Koninklijke mantel, een versleten purperen lap. — Koningskroon, eene kroon uit doornen gevlochten. — De soldaten knielen — groeten en slaan met den rietstok op de doornen kroon. — Hoe de Koning der Koningen mishandeld wordt. — Dat is-het werk der zondaren.

SLUITREDE.

Wie zet Jezus op die bank? De ongehoorzame en weder-spannige.

Wie geeft Hem den rietstok in de handen? De onstandvastige.

Wie hangt Jezus den purperen lap om de schouders? De hoovaardige.

Wie zet Hem de doornen kroon op het hoofd? Degene die zich aan doodzonde plichtig maakt.

ocr page 73

Wie bespot Christus in dien droevigen toestand ? De oneerbiedige in de kerk. — Vragen wij God ootmoedig vergiffenis over onze zonden met liet vast voornemen van ze nooit meer te bedrijven.

EINDE.

ocr page 74

— 70 —

VIERDE MEDITATIE

Velaverunt Hum et percutiehant faciem-ejus, et interrogahant Eum dicentes: Pro-fetiza, quis est qui te percussit?

Zij blinddoekten Hem, sloegen Hem in het aangezicht en vroegen Hem, zeggende: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?

(Ltrc. xxii, ci.)

VOORREDE.

Op liet einde onzer voorgaande Meditatie hebben wij gezien, M. Z., dat Petrus, dien Onze Goddelijke Zaligmaker aan liet hoofd der Apostelen gesteld had, tot driemaal toe zijnen Goddelijken Meester schandig verloochende. Eerst zegt hij, dat hij Jezus niet kent; vervolgens bevestigt hij het met eed ; eindelijk onder vloeken en verwenschingen. Petrus valt dus, gelijk gij ziet, en hij valt telkens al dieper en dieper.

De reden, waarom Petrus zoo ongelukkig en diep gevallen is, bestond onder anderen hierin. Petrus was vermetel; hij had Jezus, die hem zijnen val voorzegd had, niet willen gelooven ; ook had hij zich zonder wettige reden in de gelegenheid begeven, zich aan het gevaar blootgesteld. Onze Goddelijke Zaligmaker wierp eenen medelijdenden blik op zijnen Apostel. Petrus beantwoordt aan die genade, hij gaat oogenblikkelijk naar buiten, dat is, hij verlaat het gevaar en de gelegenheid van zonde, en beweent ze bitter.

ocr page 75

Ja, M. Z., Petrus heeft zijne zonden bitter beweend, en hij heeft ze beweend gansch zijn leven lang, zoodat er twee groeven in zijne wangen ontstonden ter oorzake van de tranen, die hij over zijne drievoudige verloochening stortte.

Petrus is, gelijk ik vroeger gezegd heb, een voorbeeld, dat wij moeten navolgen. Wij hebben door onze zonden Onzen Goddelijken Zaligmaker als het ware ook verloochend ; telkens zijn wij al dieper en dieper in de zonde gevallen, zijn wij verder gegaan, en om dezelfde reden als Petrus, omdat wij vermetel zijn geweest, niet geluisterd hebben naar den raad Van den biechtvader, naar de vermaningen van den predikant, en wel bijzonder, omdat wij ons aan het gevaar, aan de gelegenheid van zonde zonder reden hebben blootgesteld. Na Petrus dus gevolgd te zijn in zijnen val, moeten wij hem ook volgen in zijne boetvaardigheid; beantwoorden aan Gods gratie, de gevaren en gelegenheden der zonde vluchten, en de zonden bitter beweenen.

Gelukkig, M. Z., voor Petrus, dat hij beantwoordde aan den oogslag van Jezus; bijaldien hij het niet gedaan had, hij had zoo ver kunnen gaan als Judas. Die ongelukkige beantwoordde niet aan de uitnoodiging van Jezus; en nochtans, Jezus had Judas nog dringender tot bekeering aangezet dan Petrus. Maar welk een slag van genade deed Jezus dan niet, toen hij tot Judas zeide: Mijn vriend! waartoe zijt gij gekomen? Amice! ad quid venisti? (i) Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kus ? Oscido fdium hominis tradis? Te vergeefs: Judas volhardt in zijne boosheid, en wanhopende

(l) MATTH. XXVI, 50.

ocr page 76

van zijne zaligheid brengt hij zich eindelijk om het leven. Judas belijdt zijne zonde, peccavi, zegt hij tot de priesters, ik heb gezondigd door het rechtvaardig bloed over te leveren. tradens sanguinem jiistum; (i) hij doet in zekeren zin ook wel restitutie, want hij werpt de dertig zilverlingen in den tempel, waarvoor hij zijnen Goddelijken Meester verkocht had ; doch helaas ! Judas wanhoopt, en daardoor deed hij Jezus nog eene grootere beleediging aan dan door zijn verraad ; eindelijk door de wanhoop vervoerd hangt hij zich op, en brengt zich ellendig om het leven.

Dat is een ander voorbeeld, M. Z., doch een voorbeeld, hetgeen wij moeten vermijden. Dat wij toch nimmer, hoe groote en hoe talrijke zonden wij ook bedreven hebben, van onze zaligheid wanhopen, maar dat wij met een kinderlijk betrouwen tot Gods goedheid en barmhartigheid onze toevlucht nemen, wel overtuigd, dat Jezus ons niet zal verstoeten, en tot bewijs daarvan strekke zijn H, Lijden dat wij verder gaan overwegen. Zien wij van avond:

I. De mishandelingen van Jezus.

II. De geeseling van Christus,

III. De kroning van Christus met doornen.

I.

Caïphas, M. Z., had Jezus ondervraagd, en hij had Hem ondervraagd, enkel met het inzicht om iets te vinden, ten einde Onzen Goddelijken Zaligmaker ter dood te kunnen

(l) MA.TTH. XX.VII, 4.

ocr page 77

veroordeelen. Hij had Hem gevraagd, of Hij de Zoon Gods was. Voor die groote waarheid was Jezus vrijmoedig uitgekomen; Hij had rechtuit beleden, dat Hij de Zoon Gods is, en er zelfs nog bijgevoegd, dat hij eenmaal op de wolken des hemels zal verschijnen, hetgeen namelijk plaats zal hebben op het einde der wereld, als hij zal komen oordeelen. Op die getuigenis verklaart de schijnheilige Opperpriester, terwijl hij zijne kleederen scheurt, dat Jezus God gelasterd heeft, en hij vraagt de overige raadsheeren wat hun docht; Quid vobis videtur? De gansche vergadering roept uit, dat Hij des doods schuldig is: Reus est mortis! (i)

Jezus dus, die gekomen was om hen en alle menschen van den eeuwigen dood te verlossen, wordt zelf ter dood veroordeeld; Jezus, die zoo zeer verlangde, dat zij en wij allen het leven overvloedig zouden hebben, wordt zelf onwaardig verklaard van langer te leven.

Doch de Joden hebben de macht niet om iemand ter dood te brengen; die macht was hun door de Romeinen ontnomen; zij stellen dus uit tot den volgenden dag, om Onzen Godde-lijken Zaligmaker aan den Romeinschen landvoogd Pontius Pilatus over te leveren, en van hem de bekrachtiging van het doodvonnis, dat zij reeds uitgesproken hadden, te bekomen.

Intusschen gaat de joodsche raad uiteen, want het was reeds nacht, en eenieder begeeft zich naar huis om zijne rust te nemen. Doch beeldt u niet in, M. Z., dat het Onzen

(i) Matth. xxvi, 8«.

ocr page 78

— 74 -

Zaligmaker, die van vermoeienis uitgeput was, ook toegestaan zal worden een weinig uit te rusten. Neen, Jezus werd den soldaten ter bewaring gegeven, en die onmensclien brachten den ganschen nacht door met Hem te mishandelen. De H. Hieronymus zegt, dat Onze Goddelijke Zaligmaker dien nacht zoo veel geleden heeft, dat de Evangelisten het niet hebben durven beschrijven, en dat wij het nooit zullen weten tot aan den laatsten dag des oordeels. Ziehier, wat zij nogtans in weinige woorden aanstippen:

De mannen, aan wie Jezus tot den volgenden morgen ter bewaring was toevertrouwd, dreven den spot met Hem; zij spogen Hem in het aangezicht; bonden Hem een doek voor de oogen ; gaven Hem vuistslagen en riepen: Profeteer Christus! wie is het die ü geslagen heeft? en nog veel andere godslasteringen braakten zij tegen Hem uit. De soldaten werkten dus op Jezus uit, al wat zij goedvonden, en al wat hun booze wil hun ingaf.

■ Eene zaak, die bijzonder verdient opgemerkt te worden, is, dat zij Onzen Goddelijken Zaligmaker blinddoekten. Velaverunt Eum. (i) Waartoe dat? zoudt gij misschen denken. Zag toen de Zoon Gods minder wat zij deden en wat eenieder hunner deed? Welk eene dwaasheid, welk eene verblindheid dus in die soldaten van zoo te werk te gaan! Dat is maar al te waar. Doch weten wij wel, dat wij, door de soldaten van dwaasheid, van verblindheid te beschuldigen, ons eigen vonnis strijken, dat wij christenen dikwijls veel dwazer handelen, meer verblind zijn, dan zij ? De soldaten.

(l) LUC. XXII, 64.

ocr page 79

geloofden zij dat die Jezus de Zoon Gods was? Volstrekt niet. Bijgevolg konden zij denken dat Jezus hen niet zag, toen zij hem een doek voor de oogen gebonden hadden. Hielden de soldaten Jezus voor onschuldig ? Evenmin. Zij zagen Hem aan voor eenen grooten booswicht, en die bijgevolg verdiende van gestraft te worden. Was ?Iij door den joodschen raad reeds niet ter dood veroordeeld ?

Maar, zoudt gij kunnen zeggen, zij konden het weten, en zij moesten het weten, en bijgevolg ook gelooven, dat Jezus de Zoon Gods was, dat hij alles zag en onschuldig was ; bijgevolg waren zij dwaas en verblind van Hem te blinddoeken, en mochten zij Hem niet mishandelen, \'t Is waar, M. Z., maar wat er ook van zij, zij geloofden het niet.

Doch zien wij nu een oogenblik, hoe zoo menig zondaar handelt, maar vooral de zondaar, die zich verstout tegen de engelachtige deugd te zondigen. Wat doet die zondaar? Ofwel hij zoekt de eenzaamheid, de duisternis. Waai\'om? Om alleen te zijn; opdat mij niemand zie, zegt hij. Ofwel hij bedrijft die schandige zonde met een of weinig medeplichtigen. Zij ook begeven zich in de eenzaamheid, zij ook zoeken het duistere van den avond of van den nacht. Waarom? Om niet gezien te worden. Wij zijn nu alleen, er is niemand; neen, niemand ziet ons, zeggen zij: Nemo nos videt. (i) Dwaze schepselen ! Verblinde zondaren ! Gelooft gij dan ook niet dat Jezus de Zoon Gods is, en dat hij in die hoedanigheid alles hoort en ziet? Ja, ik weet dat gij gelooft. Waarom wilt gij u dan verbergen? Waarom wilt gij dan gebruik

(1) Dan. xiii, ïo.

ocr page 80

— Te

maken van de duisternis? Waarom deukt of zegt gij dan? niemand ziet ons. En gij gelooft dat Jezus u ziet, dat Hij u overal, en dat Hij alles ziet. Handelt gij dan niet dwazer? Zijt gij dan niet meer verblind dan de soldaten, die niet geloofden? Gij gelooft dat Jezus onschuldig is, dat Hij uit liefde voor u, om uwe zonden uit te boeten, zoo veel lijdt, dat gij door op nieuw te zondigen, Jezus als het ware op nieuw dezelfde beleedigingen en pijnen aandoet: en toch bedrijft gij de zonde. Zijt gij dan niet plichtiger dan de Joden, die niet geloofden? Maar de menschen hebben mij, hebben ons toch niet gezien. Gij vreest de menschen dus meer dan God? Wat zouden de menschen u gedaan hebben? Een weinig bepraat, misschien nog niet; daarvoor vreest gij, en gij vreest niet te zondigen voor het aanschijn van God, die, op het oogenblik dat gij Hem beleedigt en vergramt, u met den dood kan straffen en kan nederwerpen in de hel.

Welke dwaasheid, welke verblindheid dus van den zondaar, doch vooral van den onkuischaard! Hoe velen volgen de soldaten niet na, die Jezus blinddoekten en mishandelden, gaan zelfs verder? Ja, M. Z., de twee ouderlingen tot rechters over Israël aangesteld vinden hunne navolgers. Die schaam-telooze boeven, alhoewel oud van jaren, brandden nog van het vuur der onkuischheid. Zij beloerden de onschuld der zuivere Suzannp,. Zij bedreigden haar van eene groote misdaad, waarop de doodstraf stond, te zullen aanklagen, en om haar nog gemakkelijker over te halen van aan hunne schandige begeerten te voldoen, zeggen zij; Zie, de ingangen van den boomgaard zijn gesloten; Ecce oslia pomarii

ocr page 81

clausa sunt, (i) als -wilden zij zeggen: quot;Wij zijn geheel alleen, niemand kan bij ons komen, en niemand ziet ons: Nemo nos videt. \'t Is hun dus genoeg van door de menschen niet gezien te worden, en in geval zij hunne zonden voor de menschen maar verbergen, meenen zij niets te vreezen te hebben. Zij verloren dus de alomtegenwoordigheid Gods uit het oog. Zij dachten er niet aan, dat God alles en ten allen tijde hoort en ziet, en door aan die groote waarheid niet te denken, kwamen zij tot het besluit, van Suzanna tot zonde te brengen. Die godvreezende vrouw was daarentegen geheel anders gesteld. Ik word van alle kanten in het nauw gebracht, zegt zij, want voldoe ik aan uwen wil, dat is, stem ik toe in de zonde, dan ben ik des doods schuldig; weiger ik daarentegen, dan zal ik uwe handen niet ontkomen; maar, zoo voegt zij er bij : \'t is beter voor mij onschuldig in uwe handen te vallen, dan te zondigen voor het aanschijn des Heeren. Het gedacht dus aan de tegenwoordigheid Gods, M. Z., deed Suzanna aan de bekoringen wederstaan ten koste van haar leven.

Daarom, volgen wij niet de twee ouderlingen, maar de kuische Suzanna na. Wapenen wij ons met het gedacht: God ziet mij! Weten wij wel, dat wij te vergeefs deuren en vensters sluiten, om niet gezien te worden; dat wij te vergeefs eenzame en afgelegene plaatsen zoeken, om des te vrijer te kunnen zondigen, wijl Gods alziende oog altoos en overal op ons gevestigd is. Bij dat gedacht zullen wij aan de bekoringen wederstaan, de zonde en vooral de zonde van onkuischheid vermijden.

(i) Dan. xiii, 20.

ocr page 82

— 78 —

Doch om nog een grooteren afsclmw tegen die leelijke zonde op te vatten, zien wij in ons tweede punt wat Jezus, om ze uit te boeten, in zijne geeseling geleden heeft.

II.

Caïphas en de joodsche Raad hadden reeds, gelijk wij gezien hebben, het doodvonnis over Onzen Goddelijken Zaligmaker uitgesproken; doch wijl het recht op leven en dood den Joden door de Romeinen ontnomen was, zoo konden zij het uit eigen beweging niet ten uitvoer brengen, \'s Morgens vroeg dus stellen zij zich in beweging, en begeven zich naar den Romeinschen Landvoogd Pontius-Pilatus, om het doodvonnis door hem te doen bekrachtigen. Aan het paleis van Pilatus met Jezus aangekomen, vraagt de Romeinsche Landvoogd, welke beschuldiging zij tegen Onzen Goddelijken Zaligmaker in te brengen hebben. Door die vraag worden zij in hunnen hoogmoed gestoord. Bijaldien deze geen kwaaddoener ware, zeggen zij, wij zouden Hem aan u niet hebben overgeleverd. Pilatus zoude zoo maar blindelings enkel op hunne vraag het doodvonnis hebben moeten bekrachtigen. Doch neen, Pilatus wilde eerst de misdaden, welke zij Jezus te laste legden, in het bijzonder hooren, en vervolgens onderzoeken of zij grond hadden, alvorens tot de uitspraak van het vonnis over te gaan. De Joden zijn dus genoodzaakt op nieuw met hunne valsche beschuldigingen voor den dag te komen.

Zij beschuldigen Onzen Goddelijken Zaligmaker, vooreerst, dat Hij het volk verleidde, hetgeen openlijk valsch was.

ocr page 83

want Jezus had altijd de gehoorzaamheid aan de wetten en aan de overheid geleerd.

Op de tweede plaats beschuldigen zij Hem, dat Hij verbood den cijns of de schatting aan den Romeinschen Keizer te betalen, hetgeen niet minder valsch was, want Hij had geleerd den keizer te geven wat den keizer toekomt, en Hij had zelfs voor Zich en Petrus den cijnspenning betaald.

Eindelijk beschuldigen zij Hem, dat Hij zich voor koning had uitgegeven, iets dat ook geheel en al valsch was, ten minste in den zin, waarin zijne aanklagers het verstonden; namelijk, dat Jezus zich zoude uitgegeven hebben voor een wereldschen Koning, want toen het volk gekomen was, om Hem tot Koning uit te roepen, had Onze Goddelijke Zaligmaker de vlucht genomen.

Zoodra Pilatus Jezus een oogenblik aangaande die beschuldigingen ondervraagd en gehoord had, ondervond hij terstond, dat zij geen grond hadden, en zich tot de Joden wendende zegt hij; Ik vind geene schuld in Hem: Ego nullam invenio in eo causam; (i) als wilde hij zeggen; Gij klaagt mij dezen persoon aan, en gij wilt dat ik hem ter dood veroordeele; daartoe moet ik wettige redenen hebben; doch die wettige redenen vind ik niet, bijgevolg kan ik hem ook niet veroordeelen.

Die taal was Caïphas en de overige leden van den jood-schen raad niet aangenaam, gelijk gemakkelijk te begrijpen is. En inderdaad, wat gaven die enkele woorden, ik vind geene schuld in hem, anders te kennen, dan : Gij, Caïphas,

(l) JOAN. XVIII, 38

ocr page 84

en oyerige aanklagers, gij zijt niets anders dan lasteraars en leugenaars. Buiten twijfel zijn zij daardoor zeer verbitterd geworden.

Pilatus zoude Onzen Goddelijken Zaligmaker losgelaten hebben, ware hij niet bang geweest voor de woede der Joden, en om die dus niet in te loopen, en zich tegelijker tijd van eene moeielijke zaak te ontdoen, zendt hij Jezus naar Herodes. Doch dit middel mislukt, want Herodes, na met zijne lijfwacht Jezus bespot te hebben, zendt Hem naar Pilatus terug.

Een tweede middel heeft geen beter gevolg. Hij stelt Jezus gelijk met Barabbas, een baanstrooper en moordenaar, en laat het volk de keus tusschen beiden; doch het volk, door de priesters misleid, geeft de voorkeur aan Barabbas. Daarop zegt Pilatus: Ik zal Hem laten kastijden en vervolgens loslaten: Corripiam ergo et dimittam, (i) en zoo veroordeelde hij Jezus om gegeeseld te worden.

Welk eene misdaad, M. Z., in Pilatus! Hij verklaart Jezus onschuldig, en hij laat Hem straffen als een plichtige: is dat de rechtvaardigheid handhaven? Hij verklaart dat Jezus niets misdaan heeft, en hij laat Hem geeselen als een kwaaddoener: is dat voor het recht uitkomen? Werpen wij een oogslag op die schandige en pijnlijke geeseling.

Onze Goddelijke Zaligmaker is weldra door de soldaten in eene zaal gebracht, waar men gewoon is de misdadigers te folteren. Men rukt Hem de kleederen van het lichaam, en

(l) LüC. XXIII, 22.

ocr page 85

bindt Hem de armen omboog vast aan eene marmeren kolom. Daarop vangt die scliandige en pijnlijke geeseling aan.

Flagellavit! (i) Pilatus deed Jezus geeselen! Een mensch zijnen God, een sterveling den onsterfelijke, een aardworm den Koning des Hemels.

Flagellavit! Hij deed Hem geeselen! Door wien ? Door bloeddorstige beulen, waarin alle menschelijk gevoel schijnt uitgedoofd.

Flagellavit! Hij deed Hem geeselen! Waarmede? Met de verschrikkelijkste werktuigen, met lederen riemen van knoop en voorzien, met doornen roeden, met ijzeren ketenen.

Flagellavit! Hij deed Hem geeselen! Hoelang? Tot dat de beulen, die elkander aflossen, afgemat zijn, en Jezus op het punt staat van den geest te geven.

Flagellavit! Hij deed Hem geeselen! In wiens tegenwoordigheid? In de tegenwoordigheid van schaamtelooze toeschouwers, die lachen en die onmenschelijke foltering toejuichen.

Welk eene scliandige en pijnlijke geeseling! Scliandige geeseling. Ja, M. Z., Jezus de bruidegom der maagden wordt schaamrood, terwijl hij van zijne kleederen beroofd uitgelachen wordt: Operuit confusio faciem meam. (2)

Pijnlijke geeseling. Nauwelijks heeft de foltering aangevangen, of overal teekenen zich de slagen met blauwe strepen af. De beulen slaan wond op wond; Jezus\' lichaam

(l) J O AN. XIX, 1. (2) PS. LXTII, 8,

MEDlTATlfiN 6.

ocr page 86

van het hoofd tot aan de voeten is gansch verscheurd; zijn Goddelijk bloed druipt, stroomt van alle kanten op den grond. De geesels, de kolom, de muren zijn er mede geverwd; de handen, de armen, de kleederen der beulen druipen er van, en toch gaan zij voort met Jezus te geeselen, tot dat een der omstaanders Onzen Goddelijken Zaligmaker losmaakt, en ziet! daar valt Jezus machteloos aan den voet der kolom in zijn bloed neder.

Aanschouwt, M. Z., uwen Zaligmaker in dien ellendigen toestand, en onderzoekt, waarom Hij er in gekomen is. • De Profeet Isaïas zegt het ons: Vulneratus est propter iniquitates nostras, Hij is om onze ongerechtigheden gewond; Hij is om onze misdaden verbrijzeld, altritus est propter scelera nostra, (i) Doch er is vooral eene misdaad, om welke uit te boeten Onze Goddelijke Zaligmaker in zijne geeseling bijzonder gewond en verbrijzeld is geworden. Die misdaad is de schandige zonde van onkuischheid. Ja, Onze Goddelijke Zaligmaker is bij zijne geeseling met schaamte overdekt, om te voldoen voor onze schaamtelooze oogslagen. Jezus\' handen zijn aan de kolom vastgebonden, om te voldoen voor de oneerbare aanrakingen. Jezus\' lichaam is van het hoofd tot aan de voeten verscheurd, om te voldoen voor de schandige vermaken van den wellusteling. En och of die ongelukkige zondaar dat alles eens rijpelijk overwoog, hij zoude, zoo niet uit liefde voor Jezus, dan toch uit vrees voor de straffen een einde maken aan zijne schandige zonden; want zoo Jezus, de Bruidegom der Maagden,

(1) ISAÏAS LUI. 5,

ocr page 87

— 83 —

de Zuiverheid zelve, zoo schandig en pijnlijk gefolterd is geworden, om de zonden tegen de schoone deugd uit te boeten, wat zal er geworden van de ongelukkige zondaren, wier leven als het ware eene aaneenschakeling geweest is van zonden van onzuiverheid ? Welke reden van te vreezen vindt de wellusteling in de geeseling van Jezus niet? Hal Dat schandig en zondig leven heeft wel is waar reeds lang geduurd, maar hij verstoute zich daarom niet met den goddelooze, van wien de H. Geest spreekt, ten denken of te zeggen: Peccavi, et quid mi hi accidit triste? (i) ik heb gezondigd, ik heb die zonden zoo dikwijls bedreven, en wat kwaad is mij overkomen ? Omdat God lankmoedig is, omdat Hij u reeds over lang heeft uitgenoodigd van leven te veranderen; omdat Hij u reeds over lang ter boetvaardigheid heeft afgewacht, gij wilt misbruik maken van zijne lankmoedigheid? Gij wilt voortgaan in de zonden met u zeiven, met anderen bedreven, ter oorzake van het bezoek van dat huis? Ter oorzake van den verboden omgang met dien persoon? Misschien hebt gij wel gedacht en gezegd, later zal ik mij bekeeren en boetvaardigheid doen. Mijn kind! Zijt voorzichtig; heb medelijden met u zeiven, met uwe arme ziel. De God der lankmoedigheid is ook de God der rechtvaardigheid, en het kostbaar bloed, dat bij de schandige en pijnlijke geeseling van Jezus om uwentwil, om voor uwe zonden van onkuischheid te voldoen, gestroomd heeft, kan elk oogenblik van u afgeëischt worden; de gramschap Gods zoude plotseling zwaar op u kunnen nederkomen, om het bloed van zijnen

(l) ECCLUS V, 4.

ocr page 88

Goddelijken Zoon op u te wreken. Bijgevolg, terwijl het bloed van Jezus nog om barmhartigheid en vergeving onzer zonden roept, vervoegen wij liever onze smeekende stem bij die van Jezus, om er vergiffenis en kwijtschelding van te bekomen.

III.

Nauwelijks hebben de beulen Onzen Goddelijken Zaligmaker zoo onmenschelijk gegeeseld, of ziet, in plaats van voldaan te zijn en medelijden met Jezus te krijgen, gaan zij terstond tot eene nieuwe, niet minder onteerende en pijnlijke mishandeling over; doch ditmaal, zonder daartoe een bevel ontvangen te hebben, of daartoe gemachtigd te zijn.

De soldaten, M. Z., herinneren zich, dat er, tijdens de beschuldigingen tegen Jezus ingebracht, spraak is geweest van koning. Welaan! zeggen zij, zoo Hij koning is, willen wij Hem ook als koning huldigen eu eer bewijzen. Nu komt zich het bespottelijke eerst voor goed bij het pijnlijke voegen. Alles is door de soldaten weldra in gereedheid gebracht. De eene zorgt voor den troon, misschien eene vermolmde bank; een ander voor den schepter, een rietstok \'• een ander nog voor den koninklijken mantel, een versleten purperen lap; een vierde voor de koningskroon, maar welke kroon ? Mijn God ! Hoe is het toch mogelijk! Pleetentes coronam de spinis, eene kroon uit doornen gevlochten, en die kroon zetteden zij Jezus op het hoofd, posuerunt super caput Ejus, (i)

(l) MATTH. XXVII, 29.

ocr page 89

Doch, M. Z., dat is nog niet alles. Na Jezus als een spotkoning uitgedost te hebben, gaan zij Hem ook als koning eeren, ik wil zeggen gaan zij Hem onteeren.

Één voor één gaan zij voor Hem door; zij buigen den knie voor Hem en zeggen: Wees gegroet. Koning der Joden! Ave rex Judceorum! Ja, wat meer is, en hetgeen ik nooit zoude gelooven, ware het de H. Schriftuur niet, die het ons zegt: Zij rukken Jezus den rietstok uit zijne gezegende handen en slaan er mede op de doornen kroon. Acceperunt arudinem et percutiebant caput ejus, (i) De doornen drongen tot in de hersenen toe door, zegt de H. Petrus Damianus, en het bloed van Jezus vloeide zoo sterk, dat haren, oogen, baard, gansch zijn aangezicht er van overdekt waren.

Ziedaar, M. Z., den Koning der koningen voor eenen spotkoning uitgemaakt! De Zoon Gods, die hemel en aarde tot voetscabel heeft, is op eene vermolmde bank neêrgezeten. De Koning der koningen, die den schepter zwaait over engelen en menschen, heeft eenen rietstok in de handen. De Zoon Gods, wiens kleed het hemellicht is, is met een versleten purperen lap omhangen. Jezus, met eer en glorie gekroond, draagt eene doornen kroon op het hoofd. Jezus, door Engelen en Heiligen aangebeden en verheerlijkt, wordt door de soldaten bespot en mishandeld. En ziedaar, M. Z., ten slotte der zondaren en bijgevolg ook ons werk.

(i) Matth. xxvii, 30.

ocr page 90

— 86 —

SLUITREDE.

Voorzeker, M. Z., \'t is goed liet Lijden van Onzen God-delijken Zaligmaker, en zelfs de bijzonderheden er van te overwegen, doch om er inderdaad vrucht uit te trekken, moeten wij gelijk ik vroeger reeds gezegd heb, ook inzien, wat er de oorzaak van geweest is; want het zijn niet alleen de soldaten, die Jezus mishandeld hebben. Neen, M. Z., de christenen die zich aan zonde plichtig maken, doen in zekeren zin hetzelfde.

Wie heeft dus Jezus op eene vermolmde bank, als op een troon nedergezet? De ongehoorzame of wederspannige, die noch geestelijk, noch ouderlijk, noch wereldlijk gezag wil erkennen; de christen die zich verzet tegen de H. Kerk en hare geestelijkheid; het kind, de zoon of de dochter, die vader of moeder niet wil gehoorzamen; de onderdaan die niet meer luistert naar zijne wettige oversten.

Wie heeft Jezus dien rietstok voor schepter in de handen gegeven? De onstandvastige christen die zoo spoedig verandert in de goede voornemens, welke hij gemaakt heeft; die even als het riet door den wind bij de minste bekoring buigt en den goeden weg verlaat.

Wie heeft Jezus dien versleten purperen lap voor mantel omgehangen? De hoovaardige, M. Z., die boven zijnen staat en rang gekleed gaat, en niet weet hoe zich genoeg te verheffen.

ocr page 91

Wie heeft Jezus de doornen kroon op liet hoofd gedrukt? Degene die zich aan doodzonden plichtig maakt, want in plaats van Jezus van zijne goede werken eene kroon van eer en glorie te maken, maakt hij Hem van zijne zonden eene kroon van schande eu pijn.

Wie heeft Jezus in zijnen pijnlijken toestand bespot 1 Zouden wij niet mogen zeggen, dat het de oneerbiedige christen is, die, als hij het Sacrificie der Mis bijwoont, waarin Jezus zich aan God Zijnen Hemelschen Vader opoffert, daar praat en lacht, alsof de onverschilligste zaak plaats had ?

Ziedaar, M. Z., wat de zondaren doen en gedaan hebben; en wijl wij ons niet kunnen vrij pleiten, ook onder dat getal behooren, wat kunnen wij dus beter, of liever, wat moeten wij doen, zoo niet Onzen Goddelijke Zaligmaker ootmoedig vergiffenis vragen van onze zonden? Ja, lieve Jezus! Wij bekennen het: door onze zonden zijn wij de oorzaak geweest van uw lijden. Wij zijn het, die U met de soldaten geblinddoekt en mishandeld hebben, wijl wij zoo dikwijls, uwe Goddelijke tegenwoordigheid vergetende, gezondigd hebben. Wij zijn het, die U met de beulen zoo onmenschelijk gegee-seld, gansch uw maagdelijk lichaam verscheurd hebben, wijl wij zoo dikwijls tegen de schoone deugd misdaan hebben. Wij zijn het, die U met de soldaten met doornen gekroond en bespot hebben, wijl wij ons zoo dikwijls aan ongehoorzaamheid, aan hoovaardigheid eu oneerbiedigheid hebben plichtig gemaakt, wijl wij zoo onstandvastig geweest zijn. Van al die zonden vragen wij ootmoedig vergiffenis; zij zijn ons van harte leed; wij haten en verzaken ze uit liefde

ocr page 92

tot U, en wij maken liet vast voornemen van ze niet meer te bedrijven, de gevaren en gelegenheden van zonde te schuwen en liever te sterven, dan U nog te vergrammen. Amen.

EINDE.

ocr page 93

VIJFDE MEDITATIE

Bajulans sihi crucem, exivit in emi. qui dicitur Calvaries locum.

Jezus ging\', zijn kruis dragende, uit naar de plaats, die Calvarië genoemd ■wordt.

(JOAN. XIX, 17.)

INHOUD.

VOORREDE.

Jezus is gegeesekl en met doornen gekroond. — Pilaüis stelt Hem aan het volk voor en zegt: Ecce Homo! — De Joden, in plaats van op liet zien van Jezus bewogen te worden, roepen: Tolle! tolle! Gruciflge! crucifige Eum! — Pilatus veroordeelt Onzen Goddelijken Zaligmaker tot den dood des kruises.

ocr page 94

VERDEELING.

I. Jezus neemt liet kruis op zijne schouders. II. Woorden van Jezus tot de weenende vrouwen. III. Jezus tusschen twee moordenaars gekruist.

I.

Het nieuws van de veroordeeling van Jezus tot den kruisdood is terstond de gansclie stad door verspreid. — Jezus groet liet kruis en neemt het met liefde op zijne schouders. — Eerste A\'al onder het kruis. — Jezus ontmoet zijne bedroefde Moeder. — Een zwaard van droefheid doorboort de Harten van Jezus en Maria. — Simon van Cyrene wordt gedwongen Jezus\' kruis te dragen. — Wij moeten de kruisen van God ontvangen met overgeving aan zijnen G-oddelijken wil, ze dragen met geduld tot uitboeting onzer zonden, en dat kruisdragen is van eene volstrekte noodzakelijkheid om in den hemel te komen. — Woorden van Jezus.

II.

Veronica droogt Jezus\' aanschijn af. — Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis. — De vrouwen van Jerusalem beweenen Onzen Goddelijken Zaligmaker. — Woorden van Jezus tot de weenende vrouwen. — Hij leert hoe slechte ouders over zich zeiven en over hunne kinderen moeten weenen.

ocr page 95

III.

Jezus valt voor de derde maal onder het kruis. — Kruisiging van Jezus tusschen twee moordenaars. — Tres erant in cruce. ünus Scdvalor, alius salvanchis, alius damnandus. — De goede moordenaar bekeert zich en wordt zalig, omdat hij aan de gratie Gods beantwoordt. — De kwade moordenaar bekeert zich niet en gaat verloren, omdat hij aan de gratie Gods niet beantwoordt.

SLUITREDE.

De goede moordenaar heeft zich in \'t uur des doods bekeerd, opdat niemand van zijne zaligheid zoude wanhopen. — De kwade moordenaar sterft in onboetvaardigheid, opdat niemand vermetel op Gods genade zoude steunen. — Bijgevolg moeten wij met vrees en angst onze zaligheid bewerken, en de zondaar moet zijne bekeering niet uitstellen. — Gebed tot Jezus.

EINDE.

ocr page 96

— 92 —

VIJFDE MEDITATIE

Bajulans sibi crucem, exivit in ewn, qui dicitur Calvaries locum.

Jezus ging, zijn kruis dragende, uit naar de plaats, die Calvarië genoemd wordt.

(J CAN. XIX, i/.)

VOORREDE.

De Romeinsclie Landvoogd Pontius-Pilatus had Onzen Ooddelijken Zaligmaker onschuldig verklaard ; nochtans veroordeelde hij Hem om gegeeseld te worden. Zijn inzicht was wel is waar goed, doch dat goed inzicht kon het onrechtvaardig vonnis volstrekt niet rechtvaardigen. Door die schandige en pijnlijke mishandeling meende Pilatus de opgewondene en verbitterde gemoederen der Joden tot bedaren te brengen, en tot medelijden te stemmen.

De soldaten waren het bevel van Pilatus ook te buiten gegaan, want na het lichaam van Jezus van het hoofd tot aan de voeten op de onmenschelijkste wijze met geeselroeden verscheurd te hebben, gingen zij Hem nog met doornen kronen; doornen, die tot in de hersenen van zijn Goddelijk hoofd doordrongen.

Na die schandige en onmenschelijke geeseling ; na die bespottelijke kroning, deed Pilatus Jezus bij zich brengen. In dien ellendigen toestand zal hij Onzen Goddelijken Zaligmaker aan het volk voorstellen. Jezus verlaat dus het gerechtshuis met eene doornen kroon op het hoofd, met

ocr page 97

eenen rietstok in de hand, en een versleten purperen lap om de schouders. Met moeite beklimt Hij den trap, en komt op het balkon van het gerechtshuis. Van af dat balkon vertoont Pilatus Onzen Goddelijken Zaligmaker aan de Joden, die bij duizenden op het plein vergaderd zijn, en hij roept hun toe:

Ecce Homo! (i) Zie den mensch! als wilde Pilatus zeggen: Ziedaar nu den persoon, dien gij mij overgeleverd en beschuldigd hebt. Gij hebt Hem beschuldigd, dat Hij het volk opruidt, dat Hij verbiedt den cijns aan den keizer te betalen. Bijaldien het waar is, mij dunkt, dat Hij dan voor die misdaden genoeg gestraft is, en dat gij voldaan kunt zijn. Ecce Homo! Zie den mensch! Ziedaar den persoon, dien gij beschuldigd hebt, dat Hij zich voor koning uitgeeft; bijaldien het waar is, dat Hij zich de koninklijke waardigheid wil aanmatigen, mij dunkt, Hij is er nu genoeg voor gestraft.

Ziet eens, wat voor een koning men van Hem gemaakt heeft: Voor eene gouden kroon draagt Hij er eene uit doornen gevlochten; voor eenen kostbaren schepter draagt Hij een rietstok ; voor eenen koninklijken mantel draagt Hij een versleten lap. Ziet eens goed, Ecce Homo! ziet hoe deze mensch vernederd en gestraft is, en ik twijfel er niet aan, of gij zult nu voldaan zijn; ik ga Hem dus, na Hem getuchtigd te hebben, gelijk ik beloofd heb, loslaten.

Wie onzer, M.Z., zoude niet veronderstellen, dat de Joden op het gezicht van dat droevig schouwspel bewogen, tot

(1) JOAN. XIX, 6.

ocr page 98

— 94 —

medelijken gestemd en voldaan zouden zijn? En ziet, nauwelijks heeft Pilatus het voorstel gedaan, of de Joden daar vergaderd roepen als uit eenen mond : Kruis Hem ! Kruis Hem! Crucifige! Crucifige Eum! (l) Pilatus, verwonderd en hoos wordende, zegt: Wat kwaad heeft Hij dan gedaan? Als wilde hij zeggen: Hij heeft geen kwaad gedaan en ik kan Hem bijgevolg niet veroordeelen. De Joden verstaan geene reden; kwaad of geen kwaad; wegermede! roepen zij harder en harder: Tolle! Tolle! Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifige! Crucifige Eum! Pilatus ziende dat hunne woede meer en meer toenam, en dat de beweging onder het volk steeds aangroeide, deed zich water brengen; hij wiesch zich de handen en zeide; — doch ten onrechte en te vergeefs — ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige: Innocens ego sum a sanguine justi hujus; (2) gij zult er voor verantwoorden, vos videritis, en daarop willigde hij het verzoek der Joden in, dat wil zeggen: hij veroordeelde Onzen Goddelijken Zaligmaker tot den dood des kruises, Adjudicavit fieri petitionem eorum. (3)

Overwegen wij van avond de kruisdraging en de kruisiging van Christus. Wij zullen dus zien:

I. Hoe Jezus zijn kruis opneemt.

II. Wat Hij zegt tot de weenende vrouwen.

III. Dat Hij gekruist wordt tusschen twee moordenaars.

(l) JOAX. XIX, 6. (2) MATTH. XXVII, 24. (3) LüC. XXIII, 24.

ocr page 99

I.

Zoodra Onze Goddelijke Zaligmaker tot den kruisdood veroordeeld is, zijn Caïphas en de overige Priesters de Phariseën en Scliriftgeleerden voldaan. Zij hebben hun doel bereikt, en wenschen elkander geluk. Het doodvonnis wordt terstond uitgeroepen, en het nieuws er van de gansche stad door verspreid. De beulen slaan terstond de handen aan 4 werk om een kruis gereed te maken. Twee ruwe houten, waarvan het een 15, het ander 8 of 10 voeten lang is, worden dwars aan elkander geslagen. Het kruis komt te voorschijn. Jezus, dien men zijne kleederen wederom heeft doen aantrekken, wordt met de doornen kroon op hst hoofd er naar toe gebracht. Zoodra Hij het kruis ziet, groet Hij het minzaam. Wees gegroet kruis! zegt Jezus, ten minste inwendig. Ave crux! kruis, waarnaar ik zoo lang heb uitgezien, en dat toch eindelijk voor mij bereid is ! Jezus omhelst het kruis met aandoening en liefde. Hij beschouwt het als het werktuig, waarmede Hij de glorie van Zijnen Hemelschen Vader herstellen, en ons menschen verlossen moet. Hij neemt het op zijne doorwonde schouders en gaat er mede, te midden van twee moordenaars, die ook ter dood gebracht moeten worden, het ondankbare Jerusalem uit. Duizende en duizende menschen sluiten zich bij Jezus en zijne vijanden aan, en vergezellen hen om de kruisiging op den Calvarieberg bij te wonen. Die berg lag op zekeren afstand buiten de stad. Onze Goddelijke Zaligmaker, die dag en nacht zoo veel geleden had door honger en dorst; die op allerlei wijze mishandeld en gefolterd was geweest, bijzonder

ocr page 100

— 96 —

tijdens die schandige en pijnlijke geeseling en kroning met doornen, die reeds zooveel bloed verloren had; Onze Goddelijke Zaligmaker was natuurlijk afgemat en zwak. Ook kon Hij onmogelijk lang dat zwaar kruis dragen zonder er onder te bezwijken.

Nauwelijks zijn de soldaten met Jezus een eind\' wegs gekomen, of hun slachtoffer valt onder het kruis neder. De beulen schoppen en slaan Onzen Goddelijken Zaligmaker, en onder de verschrikkelijkste vloeken en godslasteringen rukken zij Hem op, leggen Hem het kruis op nieuw op de schouders, en willen Hem zijnen weg naar den berg van Calvarië doen vervolgen. Eenige oogenblikken daarna had er een pijnlijk en hartverscheurend schouwspel plaats.

Maria, de Moeder van Jezus, had van Joannes ofwel van een ander leerling vernomen, dat haar Goddelijke Zoon ter dood veroordeeld is, en dat men Hem reeds de stad uitleidt, om op den berg van Calvarië gekruisigd te worden. Maria, die na de gevangenneming van Jezus reeds zoo zeer geweend had, brak, zoodra zij die droevige tijding vernam, op nieuw in tranen los. Zij wil Haren Goddelijken Zoon voor zijnen dood nog eens zien. Mij dunkt, ik hoor die goede Moeder al snikkende zeggen: Ik ga mijn lieven Jezus, mijnen beminden Zoon vinden! Ik ga mij aanbieden om voor of met Hem te sterven! En ziet, Maria staat op, en van eenige godvreezende personen of vrouwen vergezeld, gaat Zij haren Goddelijken Zoon te gemoet. Zij hoort in de verte reeds het gedruisch van het volk. Weldra ziet zij eene woelige menigte aankomen. Maria komt steeds nader en nader. Zonder vrees en zonder zich te schamen van de Moeder van dien Jezus te

ocr page 101

zijn, dien men ter dood wegleidt, dringt Zij door het -volk heen, en staat eensklaps voor haren Goddelijken Zoon. Welk een hartverscheurend schouwspel! Wie beschrijft ons, wat er bij die droevige ontmoeting in de harten van Jezus en Maria omgaat? Maria ziet haren teergeliefden Zoon met zweet en bloed overdekt, eene doornen kroon op het hoofd, ter neêr gebukt onder een zwaar kruis, terwijl de beulen Hem nog mishandelen, slaan, voortstooten en trekken. Op hetzelfde oogenblik dat Maria haren Goddelijken Zoon aanschouwt, vestigt Jezus van onder de doornen kroon zijn bebloede oogen op Maria zijne Moeder. Wie onzer, zeg ik, zal zich ooit een gedacht kunnen maken van hetgeen er toen in de harten van Jezus en Maria omging? O! Een zwaard van droefheid kwam de harten van Jezus en Maria doorboren. Ja, beiden, Jezus en Maria, zouden op dat oogenblik van droefheid gestorven zijn, waren zij niet door eene bovennatuurlijke kracht ondersteund geweest.

Na die droevige ontmoeting en een kort stilstaan moet Jezus oi3 nieuw vooruit. Edoch, de beulen bemerken dat Onze Goddelijke Zaligmaker hoe langer hoe zwakker wordt, dat Hij alvorens op den Calvarieberg aan te komen onder weg wel kan sterven; zij zien dus uit, om iemand te vinden, ten einde het kruis van Jezus te helpen dragen. En ziet, daar komt een vreemdeling, met name Simon van Gyrene, en dien Simon dwingen zij het kruis van Jezus te helpen dragen: Rune angariaverunt ui tolleret crucem ejus, (i) Hoedan ! Moet Simon nog gedwongen worden, om het kruis

(1) MATTH. X.XVII, 32.

MEDITATIËN 1.

ocr page 102

— 98 —

van Jezus te helpen dragen? O! Bijaldien ik daar tegenwoordig geweest ware, men zoude mij niet hebben behoeven te dwingen, ik zoude mij wel hebben aangeboden en vrijwillig Jezus zijn kruis hebben helpen dragen.

Wat is zij goed mijne gesteltenis, en zoo, ik twijfel er niet aan, M. Z., zijt gij ook gesteld. Maar brengen wij die gesteltenis ook ten uitvoer? Laat eens zien, of wij het kruis naar behooren dragen, als Jezus het ons oplegt.

En wel vooreerst: niemand is vrij van kruisen; de rijke vindt zijn kruis zoowel als de arme; de gezonde zoowel als de zieke; de jonge zoowel als de oude. Men vindt allerlei soort van kuisen; kruisen van den kant van den duivel, van de wereld en van het vleesch; kruisen van ziekte, van tegenspoed en van ongelukken in zijne tijdelijke zaken; lichte en zware kruisen. Men kan ze niet ontvluchten. Wil men één kruis ontvluchten, men komt er twee of meer te gemoet. Wij moeten het kruis of de kruisen, die God ons overzendt, ontvangen met overgeving aan zijnen Goddelijken wil. \'t Is God, bij voorbeeld, die wil dat wij ziek worden, \'t Is God, die quot;vvil, dat wij nadeel lijden in onze goederen, \'t Is God, die wil dat ons werk tegen gaat. Wij moeten het kruis of de kruisen dragen met geduld, zonder ons tegen God te verzetten, zonder tegen God te klagen,, veel minder mag men Hem vloeken of lasteren.

Wij moeten ons kruis of onze kruisen dragen tot uitboeting van onze zonden. Toen de mensch gezond was, gaf hij zich dikwijls over aan zondige vermaken, en daardoor vergramde hij zijnen God; die zonden nu moet hij in de ziekte uitboeten. Toen hij in overvloed was, vergat hij God zijnen weldoener,

ocr page 103

liij maakte wel eens misbruik van Gods weldaden door overdaad in spijs en drank; die zonden van overdaad, van gulzigheid of dronkenschap moet hij nu uilboeten in den tegenspoed. Toen zijne zaken goed vooruitgingen, verhief zich de mensch, hij werd hoovaardig; nu zijne zaken achteruit gaan, moet hij op het kruis der ongelukken zijne hoovaardigheid uitboeten, hij moet wat afdalen en zich vernederen.

Dat kruis dragen in gezelschap van Jezus, met overgeving aan den wil Gods, met geduld en tot uitboeting der zonden, is van eene volstrekte noodzakelijkheid. Wat zegt Onze Goddelijke Zaligmaker in \'t Evangelie? Si quis vuil venire post me, abneget semetipsum, zegt Hij; bijaldien iemand na mij wil komen, hij verloochene zich zeiven, el tollat crucem suam, hij neme zijn kruis op, el sequatur me, (l) en volge mij. En wat zeide Hij later na zijne verrijzenis aan de leerlingen van Emmaüs? O stulti et tardi corde ad credendum in omnibus quce loeuti sunt Prophetoe! O gij dwazen en tragen van harte, om al datgene te gelooven wat de Profeten gesproken hebben! Nonne haec oportuit Christum pati? Moest de Christus dat niet lijden, en zoo zijne glorie ingaan? et sic intrare in gloriam suam? (2)

Zoo ook voor ons, M. Z.; wij ook moeten lijden om in den hemel te komen. Wij moeten eerst den berg van Calvarië beklimmen, waarop Jezus gekruist is, alvorens op den berg der Olijven te kunnen geraken, van waar Jezus ten hemel geklommen is. De berg van Calvarië is verbonden met den

(l) MaTTH. xvi, 24. (2) Luc. xxiv, 26.

ocr page 104

berg der Olijven, dat wil zeggen: na lijden komt verblijden, na droefheid vreugde, na de kruisen komt de belooning, en ziedaar ! wat ons moet troosten, wat ons moet opbeuren, te midden van de wederwaardigheden en rampen, die ons treffen.

II.

Jezus door Simon van Cyrene geholpen, kan nu zijn weg wederom vervolgen. Een weinig tijds daarna komt eene vrouw van aanzien, Veronica genaamd, door het volk heengedrongen, en nadert, tot aller verwondering. Onzen Goddelijken Zaligmaker. Zij heeft een witten doek in de hand, en biedt dien Jezus aan, ten einde zijn Goddelijk aanschijn, met zweet, bloed en stof besmeurd, af te drogen. Jezus neemt dien doek aan, droogt er zijn aangezicht mede af; en om de edelmoedigheid van die vrouw te beloonen, drukt Hij de beeltenis van zijn Aanbiddelijk Aanschijn in den doek, waarvan Hij zich bedienJ heeft, en geeft hem Veronica terug. De vijanden van Jezus zijn over de eer, welke Hem door die vrouw bewezen wordt, gestoord; de soldaten en beulen mishandelen Hem daarna des te meer, zoodat Jezus, onder al die mishandelingen op nieuw bezwijkende, voor de tweede maal onder het kruis nedervalt. Terstond wordt Hij opgeholpen, en onder eene hagelbui van slagen voortgeduwd. Eenige godvruchtige vrouwen, al die onmenschelijke mishandelingen ziende, kunnen zich niet langer meer inhouden. Zij beklagen Onzen Goddelijken Zaligmaker hard op, en beginnen luidkeels te weenen;

ocr page 105

Plangebant et lamentabantur Eum. (i) Bij liet hooren van dat snikken en weenen, wendt Jezus zich tot die vrouwen van Jerusalem, en zegt; Dochters van Jerusalem, Filioe Jerusalem, weent niet over mij, nolite fiere super me, maar weent over u en over uwe kinderen, sed super vosipsas flete et super filios vestros.

Welke woorden! M. Z. Hoe is het toch mogelijk? Hoe heeft Onze Goddelijke Zaligmaker zoo kunnen spreken? Weent niet over mij, maar weent over u en over uwe kinderen! Waarom dat? O! Jezus voorziet reeds, hoe Jerusalem en hare inwoners weldra zullen gestraft worden om den Gods-moord, waaraan zij zich gaan plichtig maken. Jezus voorziet reeds, dat de Romeinsche soldaten die ondankbare stad zullen omsingelen, zullen uithongeren, en tot den grond toe zullen verwoesten. Hij voorziet, dat hare inwoners door den honger en het zwaard zullen omkomen, of gevankelijk zullen weggevoerd worden; en vandaar dat Hij zegt; weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen.

Tegelijkertijd leert Jezus hier, hoe slechte ouders over zich zeiven en over hunne kinderen moeten weenen. Mijn God! Moesten deze woorden van Onzen Goddelijken Zaligmaker in onze ongelukkige tijden het gansche land door niet weêrklinken? Ouders! Vaders en Moeders! weent niet over mij, maar over u en over uwe kinderen! Super vos ipsas /Iele, et super filios vestros! Weent over u zei ven, plichtvergetene ouders, die, ofwel uit haat tegen Jezus en

Luc. xxm. 2:

ocr page 106

zijne Kerk, ofwel uit geldzucht, om een winstgevend postje, om eene handvol geld te bekomen, aan uwe heiligste plichten te kort blijft; die de opvoeding uwer kinderen verwaarloost; die uwe kinderen, door ze naar slechte scholen te zenden, aan de vijanden van Jezus en zijne Kerk overlevert; die hunne onschuldige zielen als het ware verkoopt aan hen, die besloten hebben van ze te verderven. Weent dus eerst over u zeiven, super vos ipsas flete. Weent vervolgens over uwe kinderen, super filios vestros. Over uwe kinderen, die gij ongelukkig maakt, wijl gij hen ongodsdienstig en zedenloos laat maken door personen, waaraan gij hen toevertrouwt tegen het gebod van God en zijne H. Kerk.

Weent over u zeiven, Vaders en Moeders, super vos ipsas flete, die geene zorg draagt voor uwe kinderen; die niet eens omziet, waar of met wie zij omgaan; die uwe kinderen in \'t wild laat loopen; die uwe dochters vooral laat ver-keeren voor den tijd aan hoeken en kanten, in den avond, misschien in den nacht.

Weent over u zeiven. Vaders en Moeders, die uwe kinderen door uwe slechte voorbeelden bederft, door uwe zonden van dronkenschap en vloeken, door uwe zedenkwetsende taal, welke gij u niet schaamt te voeren.

Weent vervolgens over uwe kinderen, filios vestros, kinderen, die geen eerbied meer voor u hebben, die naar uwe vermaningen niet meer luisteren; kinderen, die zich tegen u verzetten, die u door hun slecht gedrag schande en verdriet veroorzaken. Weent over de ongebondenheid van eenen zoon, die onder anderen een dronkaard, een vloeker, een wellusteling is geworden: over de losbandigheid van

ocr page 107

— 103 —

eene dochter, die alles behalve een voorbeeld van zedigheid en deftigheid wordt. Ach! Vader en Moeder! Neen! Valt niet uit tegen uwe kinderen in verwijtingen en scheldwoorden, veel minder in vloeken en verwenschingen, als zij tegen u grootelijks misdoen: valt niet uit, wenscht geen kwaad aan dien zoon, die \'s avonds, misschien \'s nachts dronken fhuis komt, en begint te vloeken. Valt niet uit, wenscht geen kwaad aan die dochter, die ook al te laat t\'liuis komt uit eene herberg, of van eene andere plaats, waar zij niet moest komen ; maar weent over dien ongelukkigen zoon, over die ongelukkige dochter, en voegt bij uwe tranen heilzame vermaningen en vurige gebeden. Waarom? Onze Goddelijke Zaligmaker geeft de reden: want, zegt Hij, bijaldien er met het groene hout zoo gehandeld wordt, wat zal er dan met het dorre geschieden? Quia si in viridi ligno haec faciimt, in arido quid fiel? (i) Als wilde Jezus zeggen: Zoo ik, die niets misdaan, doch altijd en in alles welgedaan heb, zoo behandeld wordt, wat zal er dan én ouders én kinderen gebeuren, die in zoo veel zaken misdaan, en in zoo weinig welgedaan hebben? Het besluit moet dus het volgende en geen ander wezen: Ouders en kinderen, die aan hunne plichten te kort zijn gebleven, moeten hunne misslagen beweenen, zich beteren, en door het stipt volbrengen der wederzijdsche plichten elkander heiligen.

a) Luc. XXIII, SI.

ocr page 108

— 104 —

III.

Nadat Jezus aldus tot de weenende -vrouwen van Jerusalem gesproken liad, naderde Hij al meer en meer de strafplaats ; doch alvorens haar te bereiken, viel Hij voor de derde maal onder het kruis neder. Eindelijk dan kwam Hij na veel moeite en lijden op het toppunt van den Calvarieberg aan.

Zoodra men op de bestemde plaats aangekomen is, begint men met de uitvoering van het doodvonnis. De gerechtsdienaren gaan terstond aan \'t werk. De eenen zijn bezig met het graven van een kuil, waarin het kruis moet geplant worden. Anderen halen hunne werktuigen, de hamers en nagels te voorschijn. De beulen rukken Jezus met geweld de kleederen van zijn doorwond lichaam, en gebieden Hem van zich op het kruishout uit te strekken.

Zij grijpen zijne gezegende handen en voeten, en slaan ze met drie of vier plompe nagelen aan het kruishout vast. Daarop richten zij het kruis, waaraan Onze Goddelijke Zaligmaker is vastgeklonken, met geweld in de hoogte, en laten het met een schok nedervallen in den kuil. Wat pijn, wat foltering moet die schok van het kruis Jezus niet veroorzaakt hebben ! De wonden zijner handen en voeten scheuren daardoor open, en het Goddelijk bloed loopt overvloediger uit de wonden op den grond neder.

Met Onzen Goddelijken Zaligmaker had men nog twee booswichten ter strafplaats gevoerd, om gekruist te worden; doch daar men Jezus voor den grootste der booswichten hield, zoo werd Hij in hun midden geplaatst. De voorzegging

ocr page 109

van den Profeet kreeg hier hare vervulling: Et cum iniquis reputatus est: (i) Hij is onder de boosdoeners gerekend.

Daar hangt nu Jezus, de Middelaar van hemel en aarde, om ons menschen met God Zijnen Hemelschen Vader te verzoenen! Daar hangt nu Jezus, ons Leven, aan het kruis om te sterven, ten einde ons stervelingen van den dood der zonde en van den eeuwigen dood, dat is, van de hel te verlossen, en, het leven der genade en het eeuwig leven, dat is, den hemel te bezorgen ! Daar hangt nu de Zoon Gods, de Heilige der Heiligen tusschen twee moordenaars! Vestigen wij een oogenblik onze aandacht op Jezus en de twee moordenaars aan het kruis.

De H. Augustinus, eertijds het bitter lijden van Jezus overwegende, zeide: Tt^es erant in cruce, daar waren er drie gekruist: Unus salvator, een die de zaligheid aanbood; alius salvandus, de eene, die de zaligheid ontving; alius damnandus, de andere, die de zaligheid verloor. Welk een schouwspel! Jezus, de Verlosser der wereld hing te midden van twee moordenaars, waarvan de eene aan zijne rechter, de andere aan zijne linkerzijde gekruist was. Beiden hadden zich gedurende hun leven aan groote en talrijke schelmstukken en misdaden plichtig gemaakt; beiden waren tot dezelfde straf veroordeeld, en moesten weldra sterven; beiden bevonden zich aan de zijde van Jezus, en of de eene aan de rechter, de andere aan de linkerzijde van Jezus gekruist ware, daarin bestond eigenlijk geen verschil. Jezus wilde beiden zalig maken ; Hij gaf beiden voldoende gratiën ter

(l) MARC. XV, 28.

ocr page 110

— 106 —

zaligheid; voor beiden hing Hij daar aan het kruis, vergoot Hij zijn Goddelijk bloed en ging Hij sterven. Waarom is dan de eene goed, de andere slecht gestorven? Waarom is de eene zalig geworden, de andere verloren gegaan? Om geene andere reden, als dat de eene aan de gratie Gods beantwoord heeft, de andere niet. De eene moordenaar — en dien wij om zijne bekeering voortaan den naam van goeden moordenaar geven — de eene moordenaar heeft beantwoord aan de gratie Gods. Hij sloeg de wonderen gade, die er bij de kruisiging van Jezus aan den hemel en op de aarde plaats grepen.

Hij bewonderde onder anderen de standvastigheid, de zachtmoedigheid en het voorbeeldeloos geduld van Onzen Goddelijken Zaligmaker. Hij begreep daaruit, dat Jezus, die daar aan zijne zijde aan het kruis hing, inderdaad onschuldig was; dat Hij wel wezenlijk was, waarvoor Hij zich uitgaf, en door de gratie A\'an hierboven verlicht en bewogen, gaat de goede moordenaar verder. Hij verdedigt Onzen Goddelijken Zaligmaker tegen zijnen medemakker. Vreest gij ook God niet, zegt hij, terwijl gij met Hem ter doodstraf verwezen zijt? Hij erkent dus in Jezus zijnen God. Hij erkent en belijdt zijne eigene misdaden: wij ontvangen hetgeen wij voor onze misdaden verdiend hebben; hij belijdt dat Jezus onschuldig is; Hic... nihil mali gessit. Ziedaar, hoe de bekeering van den goeden moordenaar begint en vordert. Eindelijk, vol droefheid over zijne zonden, vol liefde en betrouwen zich tot Jezus wendende, zegt hij : Do mine, memento mei dum veneris in regnum luum! Heer, gedenk mijner als gij in uw rijk zult gekomen zijn! en Jezus antwoordt terstond;

ocr page 111

— 107 —

voorwaar ik zeg het u, Amen clico tibi: heden zult gij met mij zijn in het Paradijs, hoclie rnecurn er is in Paracliso. (i)

Treffend voorbeeld, M. Z., van eenen zondaar, die zich op het einde zijns levens bekeert en zalig wordt; voorbeeld, dat den zondaar, welken ook, betrouwen moet inboezemen en beletten van zijne zaligheid te wanhopen.

Doch om ons ook niet aan vermetelheid plichtig te maken, zoo moeten wij nog zien, wat er aan de andere zijde van Jezus plaats heeft:

Daar hangt een ander moordenaar — en dien wij voortaan den naam van kwaden moordenaar geven, wijl hij zich niet bekeerd heeft: — Zag dan die moordenaar de wonderen ook niet, die er gebeurden? Was hij ook niet getuige van de deugden van Jezus, die aan zijne zijde hing? Vergoot Jezus zijn bloed ook niet, en stierf Hij ook niet voor de ziel en zaligheid van dien ongelukkige? Ja wel, M. Z., maar die moordenaar bekeert zich niet, wijl hij niet beantwoordt aan de gratie Gods; ja wat meer is, hij verstout zich zelfs, van in het uur des doods zijnen God te lasteren. Zoo gij de Christus zijt, zegt hij. Si tu es Christus, red u dan en ons met u, Salvum fac temetipsum et nos: (2) als wilde hij zeggen: Gij zijt het niet; gij zijt niets anders als een bedrieger, een booswicht gelijk wij, Hoe sterft nu die moordenaar? Hij sterit juist gelijk hij geleefd heeft, als een booswicht, als een godslasteraar, hij sterft in de zonde en gaat voor eeuwig verloren.

(l) LUC. XXIII, 41-43. (2) LüC. XXIII, S9

ocr page 112

— 108 —

SLUITREDE.

Tres er ant in cruce! Drie hingen er aan het kruis! Een, die de zaligheid aanbood, Unus satvator! De eene, die de zaligheid ontving, alius salvandus! De andere, die de zaligheid verloor, alius damnanclus! Welk een schouwspel! Moet nu de spoedige bekeering van den goeden moordenaar in ons zondaren betrouwen op Gods goedheid en barmhartigheid verwekken, de dood van den kwaden moordenaar moet ons ook doen sidderen en beven.

De eerste heeft zich in het uur des doods rechtzinnig bekeerd, zegt de H. Bernardus, opdat niemand van zijne zaligheid zoude wanhopen ; maar de tweede stierf ook in onboetvaardigheid en ging voor eeuwig verloren, opdat niemand vermetel op Gods genade zoude steunen.

Bijgevolg, laat ons naar de vermaning Araii den Apostel Paulus onze zaligheid met vrees en angst bewerken: Cum metu el tremore salutem vestram operamini. (i) Laat ons toch geen misbruik maken van de gratie, welke God ons aanbiedt; doch doen wij boetvaardigheid over onze zonden, terwijl het nog tijd is, misschien is het binnen eenigen tijd te laat.

Nemen wij de kruisen en wederwaardigheden, die God ons overzendt, met overgeving aan zijnen Goddelijken wil aan, en dragen wij ze met geduld tot uitboeting onzer zonden.

Beweenen wij onze zonden, waartoe Jezus ons aanzet als Hij zegt: Weent over u en over uwe kinderen.

(i) Puil. ii, 12.

ocr page 113

Ja, lieve Jezus! wij willen beantwoorden aan uwe uitnoo-diging; wij zijn bedroefd over onze zonden, en wij beweenen ze, omdat wij er uwe oneindige goedheid door vergramd liebben. Wij aanvaarden de kruisen, die gij ons overzendt, om er onze zonden op uit te boeten; doch gewaardig ook, o lieve Jezus! onze ootmoedige bede te verhooren, evenals Gij die van den goeden moordenaar verhoorde. Wees onzer ook indachtig, nu Gij reeds in uw rijk gekomen zijt: Memento mei. Vergeef ons onze zonden. Schenk ons uwe liefde, en bewaar ons in uwe liefde, om in het uur des doods, en wel bijzonder in den laatsten dag des oordeels uit uwen geze-genden mond te mogen hooren: Vandaag zult gij met mij zijn in het Paradijs, dat wil zeggen, in den hemel! llodie ■mecum erts in Paradiso! (i) Amen.

EINDE.

(l) LüC XXIII, 43.

ocr page 114

ZESDE MEDITATIE

Consummatum est.

Het is volbracht. (Joan, xix, 30.) INHOUD.

VOORREDE.

Jezus nam liet kruis met liefde op zijne doorwonde schouders. — Hij valt voor de eerste maal onder liet kruis. — Ontmoeting van Maria. — Simon lielpt Jezus liet kruis dragen. — Veronica droogt Jezus\' aanschijn af. Tweede val van Jezus onder het kruis. — De vrouwen van Jerusalem beweenen Jezus. — Antwoord van Jezus. — Derde val onder het kruis. — Jezus aan het kruis. standaaid \'san zaligheid.

ocr page 115

— Ill —

TERDEELING.

I. Woorden van Jezus aan het kruis.

II. Kruisdood van Jezus.

III. quot;Wonderen bij den dood van Jezus.

I.

Opschrift van het kruis. — Pilatus wil het opschrift niet veranderen. — De soldaten verdeelen de kleedereu van Jezus. — De voorbijgangers lasteren Hem. — De Phariseën, enz. bespotten Hem. — Jezus bidt voor zijne vijanden. — Woorden tot den goeden moordenaar. — Maria, Joannes, enz. staan aan den voet des kruises. — Woorden van Jezus tot Maria en Joannes. — Duisternis gedurende drie uren. — Jezus roept, Eli, Eli, Lamma Sabacthani! — De soldaten bespotten Jezus. — Hij roept Elias. — Sitio! — Consum-rnaturn est! — Jezus heeft alles volbracht. — De zondaar en de rechtvaardige op hun sterfbed en hun consummatum est.

II.

Jezus zegt: Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest! — Zorg van Jezus voor zijne ziel. — Wij moeten meer zorg hebben voor onze ziel dan voor ons lichaam. — Dwaas- en verblindheid van hen, die voor hun lichaam zorgen, en hunne ziel verwaarloozen.

ocr page 116

— 112 —

III.

Jezus buigt zijn hoofd en sterft. — Wonderen. Zonsverduistering. — De H. Dionysius. — Het voorhangsel des tempels scheurt. — De H. Hieronymus. — De aarde beeft. — De rotsen van den Calvarieberg scheuren. — De lichamen van Heiligen verrijzen. — De hoofdman belijdt de Godheid van Christus. — Het volk slaat zich op de schuldige borst en keert naar Jerusalem terug.

SLUITREDE.

Wij ook moeten berouw hebben over onze zonden, die de oorzaak geweest zijn van Jezus\' lijden en dood. Wij moeten Jezus, die uit liefde voor ons lijdt en sterft, ook beminnen, eene goede biecht spreken met Paschen en Jezus met eene vurige liefde ontvangen in de H. Communie.

EINDE.

ocr page 117

ZESDE MEDITATIE

Consummatum est.

Het is volbraolit. (Joan, xix, óo.)

VOORREDE.

In onze voorgaande meditatie, M. Z., hebben wij den kruisweg gedaan. Wij hebben Onzen Goddelijken Zaligmaker gevolgd van uit het gerechtshuis van Pilatus tot op den berg van Calvarie.

Met wat liefde omhelsde Jezus zijn kruis! Met wat moed nam Hij het op zijne doorwonde schouders! Zijn moed was sterker dan zijne krachten ; want ziet! Nauwelijks heeft Jezus zijn kruis een eind\' wegs gedragen, of Hij bezwijkt er onder. Hij valt plat ter aarde neder.

Op dien pijnlijken kruisweg ontmoet Jezus zijne bedroefde Moeder. Mij dunkt, ik zie Maria, vergezeld van Maria Magdalena, van Joannes en eenige andere godvruchtige personen of vrouwen haren Goddelijken Zoon te gemoet gaan. Een zwaard van droefheid doorboort bij die ontmoeting de Harten van Jezus en Maria.

De soldaten zijn bang dat Onze Goddelijke Zaligmaker op weg naar den berg van Calvarie sterve. Zij grijpen eenen vreemdeling, Simon genaamd, die van zijn landgoed naar Jerusalem terugkeerde, vast, en dwingen Hem Jezus\' kruis te helpen dragen.

MEDITATIËN 8.

ocr page 118

Door Simon bijgestaan, kan Onze Goddelijke Zaligmaker, alhoewel met moeite, zijnen weg vervolgen.

Veronica, eene vrouw van aanzien, dringt zonder vrees of schaamte door het volk heen, om Jezus te eeren en eenigen troost aan te brengen. Zij biedt Hem een witten doek aan, om zijn gezegend aanschijn af te drogen.

Jezus valt voor de tweede maal onder het kruis, en terwijl eenige godvruchtige vrouwen Hem te midden der mishandelingen beklagen en beweenen, raadt Jezus ze aan van niet zoo zeer over Hem clan over zich zeiven en hare kinderen te weenen. Dochters van Jerusalem, zegt Jezus, weent niet over mij, maar weent over u en over uwe kinderen, want bijaldien er zoo met het groene hout gehandeld wordt, wat zal er dan van het dorre geworden?

Eindelijk, na een derde maal onder liet kruis bezweken te zijn, komt Onze Goddelijke Zaligmaker op den berg van Calvarië aan. Zoodra de beulen Jezus met handen en voeten aan het kruis vast genageld hebben, richten zij het in de hoogte, en stellen den standaard van zaligheid ten toon.

Het kruis, M. Z., is de standaard van zaligheid, want \'t is aan het kruis, dat Jezus zijn Goddelijk bloed vergiet, dat Hij gaat sterven tot zaligheid der menschen. Overwegen wij van avond eenige oogenblikken, maar overwegen wij met aandacht, den kruisdood van Jezus. Ziehier de drie van de laatste meditatie.

I. De woorden van Jezus aan het kruis.

II. Den kruisdood van Jezus.

III. De wonderen, die bij Jezus\' dood geschieden.

ocr page 119

— 115 —

1.

De Romeinsclie Landvoogd Pontius-Pilatus, na Onzen Goddelijken Zaligmaker onrechtvaardig ter dood veroordeeld te hebben, liet voor het kruis een opschrift maken, dat de reden zoude bevatten, waarom Jezus ter dood veroordeeld was. Dat opschrift luidde als volgt: Jesus Nazarenus Rex Judceorum : (i) Jezus van Nazareth Koning der Joden. Pilatus wilde het volstrekt niet veranderen, alhoewel de Opperpriester, de Phariseën en Schriftgeleerden het vroegen en er op aandrongen. Hetgeen ik geschreven heb, blijft geschreven, antwoordde Pilatus : Quod scripsi, scripsi. (2) Een ieder kon dat opschrift lezen, want het was in groote letters vervaardigd, en boven aan het kruis vastgemaakt.

Terwijl Onze Goddelijke Zaligmaker daar nu aan het kruis tusschen hemel en aarde verheven hing; ziehier, M. Z., wat er zoo al aan den voet des kruises en rondom plaats had.

De soldaten verdeelden onderling de kleederen van Jezus. Zijn bovenkleed was uit één stuk zonder naad gemaakt, daarom wilden zij het niet scheuren, maar zij wierpen er het lot om.

De voorbijgangers lasterden Onzen Goddelij ken Zaligmaker, zij schuddeden het hoofd en zeiden: Ha! Gij wildet immers den tempel Gods afbreken, en binnen drie dagen wederom opbouwen? Help nu u zeiven, en zoo Gij wezenlijk de Zoon Gods zijt, kom dan van het kruis af!

(l) JOAN. XIX, 19. (2) J CAN. XIX, 22.

ocr page 120

— 116 —

In (lenzelfden zin spotteden ook de Priesters, de Phariseen en Ouderlingen des volks; Anderen heeft Hij gered, zich zeiven kan Hij niet redden. Bijaldien Hij dan de Koning van Israël is, Hij kome van het kruis af, en wij zullen in Hem gelooven.

En terwijl zijne vijanden Hem bespotten en lasteren bidt Jezus en vraagt Zijnen Hemelschen Vader vergiffenis voor hen. Vader! zegt Hij, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Pater! dimitte illis, nesciunl enim quid faciunt. (i) Ja, wat meer is, Hij vergeeft, gelijk wij reeds gezien hebben, den goeden moordenaar, die, aan zijne zijde gekruist, rouwmoedig om vergiffenis zijner zonden smeekt, en Hij belooft hem den hemel, Hodie rnecwm eris in Paradiso, (2) heden zult gij met mij zijn in het Paradijs.

In het uur des doods hadden toch allen Jezus niet verlaten. Aan den voet des kruises stonden onder anderen Maria zijne Moeder, de zuster zijner Moeder ook Maria geheeten, Maria Magdalena en de Apostel Joannes.

Toen Jezus nu zijne Moeder en Joannes, den leerling, dien Hij lief had, zag staan, zeide Hij tot zijne Moeder: Vrouw, ziedaar uwen zoon! Muiier, ecce flius luns! (3) vervolgens tot Joannes; Ziedaar uwe Moeder! Ecce muter tua! en \\an dat oogenblik af nam Joannes Onze Lieve Vrouw in zijn huis op.

Rond het zesde uur, dat is, omtrent middag, ontstond er eene dikke duisternis, die tot het negende uur, dat is, tot \'s namiddags drie uren aanhield.

(l) Luc. XXU, 34. (2) LüC. XXIII, 43. (3) JOAN. XIX. 26-27.

ocr page 121

— 117 —

ip

Omstreeks liet negende uur riep Jezus met luider stem: Eli, Eli, Lanima sdbacthani! (i) dat wil zeggen: Mijn God! Mijn God ! Waarom hebt Gij mij verlaten ? Eenigen der omstaanders zeiden al spottende, toen zij Jezus hoorden roepen ; Hoort! Hij roept Elias.

Daarop zeide Jezus: Siho! (2) Ik heb dorst! Terstond ging er iemand eene spons met edik vullen, stak die op eenen langen rietstok, bood ze Jezus aan, en zeide met de overigen: Wacht! laat ons eens zien, of Elias zal komen om Hem te redden.

Toen Jezus den edik gedronken had, zeide Hij: Consurn-maium esl! (3) \'t Is volbracht! Korte, maar beteekenisvolle woorden en die Onze Goddelijke Zaligmaker te recht mocht uitspreken. Alles, wat Mijn Hemelsche Vader mij opgelegd heeft, kon Jezus zeggen, is voltrokken.

Consummalum est! Het is volbracht! Ik heb al de afbeeldsels ol\' figuren van af het begin der wereld tot nu, en die op den beloofden Messias betrekking hebben, vervuld.

Consummalum est! Het is volbracht ! Ik heb al de voorzeggingen der Profeten betrekkelijk den Messias bewaarheid.

Consummalum est! Het is volbracht! Ik heb den hemel met de aarde. God met de menschen verzoend; ik heb den hemel op nieuw geopend, de hel gesloten.

?.«i

\'! m

yi

\'-r -•«i

■! i

Consummalum est! Het is volbracht! Ik heb aan de gerechtigheid Mijns Hemelschen Vaders voldaan voor alle

(l) MaTTH. xx.vii, 45. (2) Joan. xix, 28 (3; JoAN. xix, 30.

ocr page 122

— 118 —

mensctien, van af den eersten Adam tot aan den laatsten der stervelingen. Ik heb alle zonden die er bedreven zijn van het begin der wereld tot nu toe, en die er nog bedreven zullen worden tot het einde der wereld, uitgeboet. Daarvoor heb ik geleden; daarvoor heb ik mijn Goddelijk bloed vergoten ; daarvoor sterf ik. Ik heb al gedaan wat ik heb kunnen doen, om de eer van mijnen Hemelschen Vader te herstellen,en om de menschen zalig te maken. Ja! nu kan ik gerust sterven, want alles is volbracht. Consummatum est!

Korte, maar beteekenisvolle woorden, gelijk ik reeds gezegd heb. Maar weet gij wel, dat wij die woorden in den een of anderen zin, zoo niet met den mond, dan toch inderdaad eenmaal zullen moeten uitbrengen? Ja, M. Z., op het einde des levens, op zijn sterfbed uitgestrekt, zal eenieder onzer moeten zeggen: Consummatum est!\'Rel is volbracht! maar de beteekenis dier woorden zal verschillend zijn. Zij zal anders wezen voor den zondaar, anders voor den rechtvaardige.

Consummatum est! Het is volbracht! zal de zondaar op zijn sterfbed kunnen zeggen, terwijl hij op het verledene terugziet. De dagen en maanden, de jaren mijns levens zijn voorbij, en zij zijn voorbij gevlogen gelijk eene schaduw.

Consummatum est! Het is volbracht! Aan \'t geld en goed, dat ik verzameld heb, moet ik gaan vaarwel zeggen ; de grootheden dezer wereld kunnen mij niet meer baten ; de vermaken, die ik genoten heb, zijn voorbij. Vaarwel schatten en rijkdommen! Vaarwel eer en glorie! Vaarwel wellusten «n pleizieren der wereld ! Vaarwel bloedverwanten en

ocr page 123

Trienden! Vaarwel gezelschappen en kameraden! vaarwel kroegen en herbergen! ik ga, of liever, ik moet u gaan verlaten; de tijd van leven is voorbij; de dood met hare zeissen gewapend staat aan mijne legerstede, om er een einde aan te maken. Alles is volbracht; alles, uitgenomen het werk mijner zaligheid! Ongelukkige die ik ben! Nu besef ik eerst voor goed, dat ik geschapen was om in dit leven mijnen God te dienen en hiernamaals Hem eeuwig\' te aanschouwen, maar, helaas! Ik heb mijnen God niet gediend; ik heb zijne geboden niet onderhouden, noch die onzer Moeder de H. Kerk; ik heb de plichten van mijnen staat niet volbracht; en wijl ik mijnen God niet gediend heb in dit leven, daarom zal ik ook nooit het geluk hebben van Hem hiernamaals te aanschouwen; neen, nooit of nimmer zal ik in den hemel komen! \'t is volbracht! alles is voorbij! consummation est! en nu ga ik naar de hel, om daarin in eeuwigheid te branden. Welk een verschrikkelijk consurnrnatum est, \'tis volbracht, als dat van den zondaar!

Maar laat ons nu ook eens zien, in welken zin de rechtvaardige op zijn sterfbed die woorden zal kunnen uitspreken. Ja, de rechtvaardige zal dan ook kunnen zeggen: Consurnrnatum est! \'t is volbracht! Mijn leven is voorbij gegaan gelijk eene schaduw. Aan de armoede en ellende is een einde gekomen. De verachting en verdrukking der wereld hebben opgehouden ; de ziekten en kwellingen zijn voorbij. Vaarwel kruisen en wederwaardigheden ! Vaarwel rampen en tegenspoed ! Vaarwel bloedverwanten en vrienden! Ik ga n verlaten; de tijd van lijden is voorbij, want de dood gaat er een einde aan maken. Consurnrnatum est! \'t is volbracht!

ocr page 124

— 120 —

Ja! Ik heb liet werk mijner zaligheid voltrokken. Ik heb mijnen Heer en God getrouw gediend. Ik heb zijne geboden en die onzer Moeder de H. Kerk zoo goed mogelijk onderhouden. Ik heb mij zoo trouw mogelijk van de plichten van mijnen staat gekweten; van alles, waaraan ik te kort ben gebleven, heb ik mijnen Heer en God ootmoedig vergiffenis gevraagd, en wijl ik dus mijnen God getrouw gediend heb, koester ik de zoete hoop, dat ik Hem hiernamaals eeuwig zal mogen aanschouwen. Ja! Mijne ziel, schep moed, want alles is voorbij, alles is volbracht! consummatum est! wij zullen het huis des Heeren, den schoonen hemel binnen gaan, en in den hemel zullen wij in eeuwigheid gelukkig zijn! In domum Domini ibimus! (i) M. Z. Overwegen wij dit tweevoudig « Y is volbracht » wel, want eenmaal zullen die woorden, door ons, zoo niet met den mond, dan toch inderdaad uitgebracht, in den een of anderen zin bewaarheid worden.

II.

Bijaldien Onze Goddelijke Zaligmaker zijne zending voltrokken, zoo Hij alles volbracht heeft: dan blijft er Hem ook niets meer over, dan tot zijnen Hemelschen Vader, die Hem gezonden heeft, weder te keeren.

Daarom dan ook roept Jezus met luider stem: Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest! Pater in manus tnas eornrnendo spiritum meuml (2)

(l) Ps. CXXI, 1 (2) Luc. XXIII, 46.

ocr page 125

Onze Goddelijke Zaligmaker had reeds alles tot zaligheid der menschen ten beste gegeven. Hij had zijn lichaam aan de beulen overgeleverd, om verscheurd en gekruist te worden. Hij had zijne kleederen den soldaten gelaten, om ze onderling te verdeelen. Hij had zijne Moeder zijnen leerling Joannes toevertrouwd. Niets bleef Jezus meer over dan zijne ziel. Doch ziet! die kostbare ziel beval Hij, noch in de handen zijner vrienden, noch in de handen zijner Apostelen, niet eens in de handen van zijne Moeder, maar alleen in de handen van God Zijnen Hemelschen Vader. Vader! zegt Jezus, in uwe handen beveel ik mijnen geest!

Welke zorg draagt Jezus niet voor zijne ziel? Over zijn lichaam bekommert Hij zich niet. De zorg om het te begraven, laat Hij aan anderen: Hij spreekt er niet eens van; maar het is zijne ziel, en zijne ziel alleen, die Hem ter harte gaat.

Onze Goddelijke Zaligmaker, M. Z., leert ons hier door zijn voorbeeld, hoe zeer wij voor onze ziel bezorgd moeten zijn. De ziel immers is het waardigste deel van den mensch. Zij is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, en onsterfelijk. Zij is vrij gekocht door het kostbaar bloed van Jezus-Christus. De ziel overtreft dus al wat aardsch en vergankelijk is. Al het goud en zilver, alle edelgesteenten der gansche wereld kunnen niet opwegen tegen ééne ziel. Wanneer men dus zijne ziel verliest, al wint men ook al het overige; men verliest alles: maar wint men zijne ziel, dat is, maakt men haar zalig, al verliest men ook al het overige; men wint alles.

ocr page 126

— 122 —

In geval dus de ziel van zoo groote waarde is, zoo zij het lichaam ver te boven gaat; hoe is het dan mogelijk, hoe komt het dan, dat zoo menig mensch zijne ziel zoo gering acht? Waarom geeft hij haar prijs, bij voorbeeld, voor eene handvol onrechtvaardig geld of goed? Waarom offert hij haar op voor een schandig vermaak van een oogenblik? Waarom draagt hij meer zorg voor zijn lichaam, dan voor zijne ziel? En inderdaad, M. Z., men treft vele dwaze, vele verblinde menschen aan, die voor alles zorgen, uitgenomen voor hunne ziel en zaligheid. Zij doen alles voor de wereld, alles voor het tijdelijke, alles voor het lichaam, daarvoor getroosten zij zich de grootste moeielijkheden en opofferingen; maar voor de ziel, die eenige onsterfelijke ziel, waarvoor zij terstond na hunnen dood zullen moeten verantwoorden, wordt niets gedaan, zij wordt vergeten.

Welk eene dwaas- welk eene verblindheid! O, M. Z., wachten wij ons dus wel van die personen in hunne dwaas-en verblindheid na te volgen. Zoo de mensch twee zielen had, hij zoude er eene kunnen wagen; maar wijl hij maar ééne ziel heeft, zoo moet hij haar zalig maken, koste wat het koste; want ziel verloren, alles verloren; maar ziel gewonnen, alles gewonnen en dat in eeuwigheid.

III.

Nadat Jezus zijne ziel in de handen van Zijnen Hemelschen Vader bevolen had, boog Hij het hoofd en gaf den geest ; Indinato capile tradidit spirituni. (i) De gansche natuur.

(l) JOAN. XIX, SO.

ocr page 127

hemel en aarde treurden bij den dood van hunnen Schepper.

De zon verduisterde. Drie uren lang weigerde zij haar licht. De H. Dionysius, toen nog heiden en wijsgeer van Athene, bemerkte die wondervolle zonsverduistering, die met volle maan plaats had, eu bijgevolg niet natuurlijk was, en hij riep uit: Aid Deus naturae patilur! of de God der natuur lijdt, of de wereld vergaat! ant mundi machina dissolvitur!

Het voorhangsel des tempels werd van boven tot beneden in twee stukken gereten, om te toonen, dat de Sacrificiën der oude wet moesten ophouden te bestaan. De H. Hieronymus verhaalt, dat de Engelen, die over den tempel aangesteld waren, gehoord werden, en dat zij zeiden: Laat onze deze plaats verlaten.

De aarde beefde; zij werd zoo hevig geschokt, dat volgens de geschiedschrijvers op verschillende plaatsen gebouwen, zelfs gansche steden ingestort zijn.

De steenrotsen spleten met een ijselijk gekraak. De H. Cyrillus verhaalt, dat de berg van Calvarië scheurde tusschen het kruis van Onzen Goddelijken Zaligmaker en het kruis van den kwaden moordenaar, en dat te zijnen tijde die scheur nog te zien was.

Eindelijk, de graven gingen open. Vele lichamen van Heiligen, die gestorven waren, verrezen en vertoonden zich in de stad Jerusalem.

De Hoofdman, die aangesteld was om Onzen Goddelijken Zaligmaker te bewaken, al de wonderen, die er plaats

ocr page 128

— 124 —

grepen, ziende, werd bevreesd. Hij had Jezus zien sterven; hij overdacht de wijze, waarop Hij gestorven was; dat Onze Goddelijke Zaligmaker, alhoewel uitgeput van krachten, onmiddellijk voor zijnen dood nog met eene forsche stem geroepen had; Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest. Daardoor was de Hoofdman overtuigd, dat Jezus geen gewoon mensch was. Ja, wat meer is, hij besluit er de Godheid van Christus uit, en belijdt ze. Waarlijk, zegt hij: Deze was de Zoon Gods! Fere Fillius Dei erat is te! (i)

Velen van onder het volk, die uit Jerusalem gekomen waren om de kruisiging van Jezus bij te wonen, werden inwendig getroffen. Getuigen van al de wonderen, die er gebeurden, zagen zij in, dat zij grootelijks misdaan hadden, door Jezus te vervolgen, door Hem op allerlei wijzen te mishandelen; ja, door Hem zelfs tot in het uur van zijnen dood aan het kruis te beleedigen en te bespotten. Zij beleden hunne schuld, en zich op de borst slaande, keerden zij rouwmoedig naar huis terug: Perculientes pectora sua revertébantur. (2)

SLUITREDE.

Ziedaar, M. Z., u het lijden en den dood van Onzen Goddehjken Zaligmaker gedurende den vastentijd uitgelegd. Gave God, dat deze, alhoewel korte en onvolledige meditatiën, in mij en in u te weeg brachten, hetgeen de wonderen te weeg brachten in de harten dergenen, die de kruisiging van Jezus op den berg van Calvarië bijwoonden!

(1) MaTTH. XXÏH, 64. (2; Luc, SXIil, 48.

ocr page 129

Zij keerden huiswaarts, terwijl zij zich op de borst sloegen: Perculientes pectora sua rcvertebanlur. Zij begrepen dus de misdaad, waaraan zij zich plichtig gemaakt hadden Zij verfoeiden ze en hadden er berouw over. Zij beseften nu waarschijnlijk ook de liefde van Jezus, die daarvoor hen aan het kruis kwam te sterven, en zij werden door wederliefde jegens Jezus ontstoken.

Ziedaar, M. Z., de twee gevoelens, gevoelens van berouw en van lietde, die ons, gelijk ik reeds in den beginne gezegd heb, ook moeten bezielen. Ja, wij ook moeten berouw hebben over onze zonden; wij moeten ze baten en verfoeien, omdat zij de oorzaak geweest zijn van Jezus\' lijden.

Om de zonden van vloeken uit te boeten is Jezus op allerlei wijze gelasterd. Om de zonden van dronkenschap en gulzigheid uit te boeten heeft Hij geleden honger en dorst, en is Hij met edik en gal gelaafd. Om te voldoen voor de zonden van onkuischheid is zijn lichaam tijdens de geeseliug van het hoofd tot aan de voeten verscheurd. Om te voldoen voor de ijdelheid en hoovaardigheid is zijn Goddelijk hoofd met doornen gekroond. Om de zonden van ongehoorzaamheid en wederspannigheid uit te boeten is Jezus gehoorzaam geweest tot den dood, ja, tot den dood des kruises.

Wijl de zonden dus ons werk zijn, en wijl Jezus om onze zonden uit te boeten, heeft moeten lijden en sterven; daarom zijn wij in zekeren zin Jezus\' vijanden, Jezus\' beulen, Jezus\' moordenaars geweest, en moeten wij, zoowel als de tot inkeer gekomen Joden, onze misdaden haten en verfoeien ; wij moeten zoo wel als zij op onze schuldige borst slaan en er berouw over hebben.

ocr page 130

— 126 —

Vervolgens moeten wij aan de liefde van Jezus met wederliefde beantwoorden, \'t Is uit liefde voor ons dat Jezus lijdt en sterft, zonder eigen belang, enkel om onze zielen, om mijne ziel, om uwe zielen te verlossen en zalig te maken. Ja, Jezus heeft mij bemind en zicli zeiven voor mij overgeleverd! Dilexit me et tradidit semetipsurn \'pro me! (i) En ik zoude dien Jezus, ik zoude mijnen Verlosser en Zaligmaker op mijne beurt niet beminnen?

Bijgevolg, geven wij bewijzen van die twee gevoelens van berouw en van liefde, vooral in deze dagen. Beweenen wij onze zonden. Vragen wij er God dikwijls vergiffenis van, bijzonder in liet H. Sacrament der Biecht. Ja, werpen wij ons met Paschen ootmoedig aan de voeten van zijnen plaatsbekleeder neder, en beschuldigen wij ons van onze zonden met een oprecht leedwezen, met een vast voornemen van ze niet meer te bedrijven. De God van goedheid en barmhartigheid zal onze zonden vergeven.

Eindelijk, bereiden wij ons goed, om Jezus-Christus Onzen Zaligmaker met liefde in de H. Communie te ontvangen; Jezus-Christus, zeg ik, den God-Mensch, dien het niet genoeg geweest is A:an zich voor ons te geven, maar die zich ook nog aan ons wil geven, om dan in die gelukkige oogenblikken der H. Communie naar waarheid te kunnen zeggen: Thans, behoort Jezus-Christus mij toe, en ik aan Jezus-Christus 1 Dilectus mens mihi et Ego HU! (2) Amen.

EINDE.

(1) Gal. n, 20. (2j Cant. cant. 11, ie.

ocr page 131

TWEEDE JAARGANG

ocr page 132
ocr page 133

EERSTE MEDITATIE

Tristis est anima mea usqiie ad mortem.

Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe.

(Matth. xxvi, Ö8.)

INHOUD.

VOORREDE.

Christus heeft voor ons geleden, u een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudet volgen. — Wie heeft geleden? — Wat? — In zijne ziel en in zijn lichaam. — In zijne zintuigen. — In zijn gezicht, gehoor, reuk, smaak, gevoel. — Voor wie? — Waarom? — Om ons zijne zonderlinge liefde te toonen en voorbeelden te geven van alle deugden, van liefde tot God en de menschen, van ootmoedigheid, gehoorzaamheid, geduld. — Inspice et fac secundum exemplar quod tïbi... rnonstrcdura est.

MEDITATIËN 9.

ocr page 134

— 130 —

I. Jezus wasclit zijnen leerlingen de voeten. II. Jezus gaat met zijne leerlingen Jerusalem uit. III. Jezus is bedroefd tot den dood toe.

I.

Jezus had zijn lijden meermalen voorzegd. — Hij vergadert zijne Apostelen voor de laatste maal te Jerusalem, eet het Paaschlam met hen, staat van tafel op, legt zijne boven-kleederen af, omgordt zich met een linnen doek, giet water in een bekken, werpt zich op de knieën voor zijne Apostelen neder, en wascht hun de voeten. — Wie staat op en werpt zich op de knieën? — Voor wie? — Tot wat einde? — Petrus verstond en verstond niet. — Uitroeping van Petrus. — Op het zien van de ootmoedigheid van Jezus zullen wij ons wachten van de hoovaardigheid, zullen wij ons schamen van ons boven den evenmensch te verheffen. — Discite a me quia sum humilis cor de.

II.

Jezus stelt het aanbiddelijk Sacrament des Altaars in, wijdt zijne Apostelen priesters, en gaat met hen Jerusalem uit. — Egressus est cum discipulis suis. — Jerusalem verdiende wel dat Jezus er uit ging. — Zijne inwoners verdienden wel door Jezus verlaten te worden. — Klachten over en bedreigingen tegen Jerusalem en zijne inwoners uitgesproken, die Jezus hier te recht mocht herhalen. — De christenen, die zich aan doodzonden plichtig maken.

ocr page 135

volgen de ondankbare inwoners van Jerusalem na. — De dronkaard, de onrechtvaardige, de onzuivere. — Impii dicebant Deo recede a nobis. — Och of de zondaren den vrede, dien Jezus hun aanbiedt, de straffen, die hen boven het hoofd hangen, erkenden!

III.

Jezus komt met zijne leerlingen in den Hof der Olijven. — Adam zondigt in eenen lusthof, het aardsch Paradijs, en maakt daarin het menschdom ongelukkig. — Jezus begint voor goed in een hof, in den Hof der Olijven, de zonde uit te boeten en wil het menschdom gelukkig maken. — Droefheid van Jezus over de oneer Zijnen Hemelschen Vader aangedaan, over het ongeluk van het menschdom, over de zonden. — Hij neemt onze zonden op zich om er voor te voldoen.

SLUITREDE.

Jezus de onschuld zelve is bedroefd over de zonden van anderen. — Wij zeiven zijn zondaren, waar is onze droefheid? — Onze zonden roepen om wraak. — Zoo wij geene boetvaardigheid doen, zullen wij vergaan.— Verootmoedigen wij ons voor God, vragen wij vergiffenis van onze zonden. — Troosten wij het bedroefd Hart van Jezus door eene oprechte bekeering.

EINDE.

ocr page 136

EERSTE MEDITATIE

Trist is est anima mea usque ad mortem.

Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe.

(Matth. xxvi, 38.)

VOORREDE.

De Apostel Petrus schreef in zijnen eersten brief aan de Joden, die zich tot het christendom bekeerd hadden, onder anderen de volgende woorden : Christus passus est pro nobis, (i) Christus heeft voor ons geleden, vobis relinquens exemplum, n een voorbeeld nalatende, ut sequamini vestigia ejus, opdat gij zijne voetstappen zoudet volgen.

Die woorden nu, M. Z., welke de prins der Apostelen tot de christenen van zijnen tijd ter overweging richtte, zijn ook tot ons christenen gericht. Wij ook moeten het lijden van Onzen Goddelijken Zaligmaker en wel bijzonder gedurende den vastentijd overwegen.

Jezus-Christus heeft geleden. Christus passus est. Niet een mensch, een engel; neen, maar de Zoon Gods; niet een plichtige, een misdadiger; neen, maar de onschuld, de heiligheid zelve.

Hij heeft geleden: Passus est. Onze Goddelijke Zaligmaker heeft geleden, zijn geheel leven lang groote armoede en verdriet naar ziel en lichaam, maar op den dag van zijn lijden, grootere pijnen en smarten dan ooit een mensch

11) Petr. ii, 21.

ocr page 137

verdragen heeft. Ja, op den dag van zijn lijden heeft Hij vooral geleden, geleden in zijne ziel door de treurigste herinneringen, door de akeligste gedachten, door de grootste droefheid, zoodat zijne ziel op het punt stond van te bezwijken. Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe, zeide Jezus, Tristis est anima me a usque ad mortem! (i)

Geleden in zijn lichaam ; in al zijne zintuigen ; in zijn gezicht, bij het aanschouwen van de woede zijner vijanden, van de droefheid zijner Moeder. In zijn gehoor, bij het hooren van de valsche beschuldigingen, van de moordkreten en godslasteringen. In zijnen reuk, wegens het vuil speeksel in zijn Goddelijk aangezicht gespuwd, wegens den stank der doode lichamen op den berg van Calvarië. In zijnen smaak, wegens den brandenden dorst, den wijn, dien men met gal en azijn gemengd had, en Jezus te drinken gaf. In zijn gevoel, in al zijne ledematen, door die onmenschelijke geeseling, die bespottelijke kroning met doornen, de pijnlijke vastnageling aan het kruis, zoodat er geen enkel gezond lidmaat aan zijn Goddelijk lichaam te vinden was: Aplanta pedis usque ad verticem non est in eo sanitas. (2)

Christus heeft geleden; voor wie? Pro nobis, voor ons, zegt de Apostel Petrus. Hij heeft geleden voor alle menschen van af den eersten, namelijk van Adam af, tot aan den laatsten op het einde der wereld, voor Joden en Heidenen, voor vrienden en vijanden, voor n en voor mij, voor allen te zamen en voor ieder in liet bijzonder.

(l) MaTTU. XXVI, 58. (2) ISAlAS ï, 6.

ocr page 138

— 134 —

Jezus-Christus heeft geleden, waarom? Om ons te toonen zijne zonderlinge liefde. Ja, M. Z., Jezus heeft mij. Hij heeft u bemind, en daarom heeft I-Iij zooveel geleden. Eenieder kan te recht met den Apostel Paulus zeggen: Hij heeft mij bemind en zich zelden voor mij overgeleverd! Dilexit me et tradidit semetipsum pro me! (i)

Hij heeft geleden, waarom? Om ons een voorbeeld te geven van vele deugden: Vobis relinquens exemplum. En inderdaad: Jezus heeft ons voorbeelden gegeven van alle deugden; een voorbeeld van liefde tot God en de menschen, want het is uit liefde tot God Zijnen Hemelschen Vader en om zijne eer te herstellen, dat Hij lijdt; uit liefde tot de menschen, om hen van de \'slavernij des duivels en den eeuwigen dood te verlossen. Een voorbeeld van ootmoedigheid ; Hij heeft onder de boosdoeners willen gerangschikt, zelfs achter Barabbas willen gesteld worden. Een voorbeeld van gehoorzaamheid; Hij is gehoorzaam tot aan den dood, tot den dood des kruises. Een voorbeeld van verduldigheid; Hij heeft zich als een lam zonder zijnen mond te openen laten slachtofferen. In een woord. Hij heeft ons een voorbeeld gegeven van alle deugden, waarom ? Opdat wij zijne voetstappen zouden volgen, voegt de H. Petrus er bij; Ut sequamini vestigia ejus.

Ziedaar, M. Z., wat wij vooral moeten betrachten.

Terwijl wij dus het lijden van Onzen Goddelijken Zaligmaker overwegen, en daarin de verschillende deugden aantreffen, waarvan Hij ons het voorbeeld gegeven heeft.

(i) GiL. n, 20.

ocr page 139

— 135 —

dan moeten wij denken, alsof Jezus tot eenieder onzer zeide, hetgeen eertijds God tot Mozes zeide: Inspice et fac secundum exemplar quid tibvmonstratum est. (i) Zie, en doe volgens het voorbeeld, dat u getoond is. Zie toe en volg Jezus na, in zijne liefde tot God en den evennaaste, in zijne ootmoedigheid en gehoorzaamheid, in zijn geduld en andere deugden ; dat moet ons inzicht wezen, M. Z., en \'t is te hopen, ja \'t is zeker, wij zullen door Gods gratie bijgestaan, overvloedige vruchten uit de meditatiën op het Lijden en den Dood van Onzen Heer Jezus-Christus trekken.

Vandaag zullen wij te zamen overwegen:

I. Dat Jezus zijne Apostelen de voeten wascht.

II. Dat Hij met hen Jerusalem uitgaat.

III. Zijne droefheid in den Hof der Olijven.

I.

Onze Goddelijke Zaligmaker, M. Z., had zijne leerlingen tijdens zijn leven dikwijls over zijn lijden onderhouden. Telkens werden zij bedroefd, als zij er hunnen Goddelijken Meester over hoorden spreken.

Toen nu het uur naderde, waarop Jezus aan zijne vijanden zoude uitgeleverd worden, begaf Hij zich met zijne Apostelen naar Jerusalem, en vergaderde hen daar voor de laatste maal in eene prachtige zaal. Daar at Hij met hen het Paaschlam naar de voorschriften der wet van Mozes; en ziet,nauwelijks is het Paaschlam geëten, of Jezus staat van tafel op, zegt de

(l) Ex. XXII, 40.

ocr page 140

H. Joannes, Surgita ccena, (i) Hij legt zijne bovenkleederen af, ponit veslimenta sua, Hij ueemt een linnen doek, waarmede Hij zicli omgordt. Hij giet water in een bekken, werpt zich op de knieën voor zijne leerlingen neder, wasclit Imn de voeten, en droogt ze af met den linnen doek, waarmede Hij omgord was: Ccepit lavare pedes discipolorum et extergere linteo quo erat prcednctus.

M. Z., staan wij hier een oogenblik stil; zien wij eens met aandacht, wat daar te Jerusalem in die eetzaal plaats lieeft. Wie staat daar op? Wie ligt daar op de knieën? Voor wie? Tot wat einde? Die daar opstaat, op de knieën ligt, is Jezus van Nazareth, de Zoon van Maria, maar die Zoon van de Allerheiligste Maagd Maria is tevens de Zoon Gods, die weet dat de Hemelsche Vader Hem alles in handen gegeven heeft, zoo als de Evangelist Joannes spreekt: Sciens quia omnia dedit ei Pater in manus. Die weet, dat Hij van den Vader uitgegaan is, en tot God wederkeert; quia a Deo exivit et ad Deum vadit; (2) die dus alwetend, almachtig is, even als God zijn Vader, van wien Hij in eeuwigheid voortkomt; die, door de menschelijke natuur aan te nemen, mensch geworden en in de wereld gekomen is, en die weldra God en Mensch tot zijnen Vader zal wederkeeren, om aan zijne rechterhand te zetelen ; die Jezus, die God-Mensch, die Schepper van heme en aarde, die Koning der koningen staat op van tafel, terwijl zijne leerlingen, zijne schepselen, zijne onderdanen blijven zitten. Hij legt zijne bovenkleederen af. Hij omgordt zich met een linnen doek, Hij giet water in een bekken,

(a) Joan. XIII, 4. (2) Joan. XIII, 3.

ocr page 141

Hij werpt zich op de knieën neder, voor wie? Voor zijne leerlingen. Doch dat is niet alles: Tot wat einde? Om een laag, om een slavenwerk te verrichten; Hij wascht zijnen leerlingen, zelfs Judas, die Hem weldra verraden zal, de voeten, en Hij droogt ze af met den linnen doek, waarmede Hij omgord is.

O wonder van ootmoedigheid! Verstaat gij dat, M. Z.? Petrus de prins der Apostelen verstond en verstond niet; hij weet dat die Jezus zijn God, zijn Schepper, zijn Heer en Meester is; maar hij begrijpt niet, hoe die God zich voor een mensch, hoe die Schepper zich voor zijn schepsel, hoe die Heer zich voor zijn dienaar, hoe die Meester zich voor zijn leerling op de knieën kan neder werpen, hem de voeten kan wasschen; neen, dat wonder van ootmoedigheid begrijpt Petrus niet, en van daar dat hij vol verwondering uitroept: Heer! Gij mij de voeten wasschen! Domine! Tu mihi lavas pedes! In eeuwigheid zult Gij mij de voeten niet wasschen! Non lavabis mihi pedes in ceternurn! (i)

Wanneer wij nu wel inzien en nagaan, hoe zeer Onze Goddelijke Zaligmaker bij het voeten wasschen zijner Apostelen zich vernedert; zullen wij ons dan niet wachten van de zonde van hoovaardigheid? En bijaldien wij ons aan die zonde hebben plichtig gemaakt; zullen wij er dan niet schaamrood over worden ? Zullen wij ons niet wachten, zullen wij ons niet schamen van ons boven onzen stand te verheffen? Van ons boven onzen staat te kleeden? Van onzen

(l) Joan. xul, 8.

ocr page 142

— 138 —

eTenmensch met trotschheid te bejegenen, met minachting op hem nêer te zien ?

Zullen wij ons niet wachten en schamen van ons te beroemen op het weinige goed dat wij doen, daar wij zoo vele en groote zonde bedrijven ?

Zullen wij ons niet wachten en schamen van dat weinige goed te doen, om van de menschen geëerd en geprezen te worden, daar wij alles moeten doen tot glorie van God en tot zaligheid der zielen; daar wij moeten denken, wijl het ook inderdaad zoo is, dat wij, zoo wij alles gedaan hebben, wat wij moeten doen, nog nuttelooze dienstknechten zijn? Servi inutiles sumus. (i) Verfoeien wij dus, M. Z., de hoovaardigheid en de tiotschheid, hebben wij een klein gedacht van ons zeiven, en zijn wij ootmoedig. Ja, volgen wij Jezus in de ootmoedigheid na, Hij heeft er ons het voorbeeld van gegeven opdat wij het zouden navolgen. Leert van mij, zegt Jezus, niet alleen met woorden maar ook met werken, leert van mij, dat ik ootmoedig van harte ben : Discite a me quia sum humilis corde. (2)

II.

Nadat Onze Goddelijke Zaligmaker zijnen leerlingen de voeten gewasschen had, stelde Hij nog het Aanbiddelijk Sacrament des Altaars in; Hij verhief zijne Apostelen tot de waardigheid van Priester van de Nieuwe Wet; Hij liet hun ook genoegzaam verstaan, dat zij voor de laatste maal te

(j) Ltic. XVJI, 10. (2) Matth. XI, 29.

ocr page 143

zamen vergaderd waren. quot;Wie beseft de droefheid, die zich alsdan van de harten zijner leerlingen meester maakte?

Daarna gaat Jezus met hen Jerusalem uit: Egressus est cum discipulis suis. (i) Die ondankbare stad verdiende wel, dat Jezus uit haar wegging; hare inwoners verdienden wel, dat zij door Hem verlaten werden. Jezus had hen met weldaden overladen, eene macht van wonderen onder hen verricht; Hij had hunne zieken genezen, zijne zaligmakende leering verkondigd; al wat Hij had kunnen doen, had Hij voor zijn volk gedaan; en ziet, in plaats van dankbaar te zijn, en Hem voor hunnen Messias te erkennen, willen zij niets van Hem weten; zij vervolgen Hem, en op het oogenblik beramen zij alle middelen, spannen zij met den trouweloozen Judas, dien zij omgekocht hebben, te zamen, om Jezus gevangen te nemen en om te brengen.

Te recht mocht Jezus hier zijne klachten over Jerusalem, zijne bedreigingen tegen die ondankbare stad vernieuwen, welke Hij vroeger gedaan had. Jerusalem! Jerusalem! kon Jezus zeggen, dat de Profeten doodt en degenen steenigt, die tot u gezonden zijn; hoe dikwijls heb ik uwe kinderen willen vergaderen, even als eene hen hare jongen vergadert onder hare vleugelen, en gij hebt niet gewild ? ziet, uw huis zal u verwoest overgelaten worden.

O Jerusalem! Zoo gij erkendet, en wel op dezen dag, die u overblijft, wat u kan dienen tot vrede, tot uw geluk en welzijn! Zoo gij wist wat u boven het hoofd hangt; doch nu is het verborgen voor uwe oogen, want er zullen dagen

(l) JOAN. XVIII, 1.

ocr page 144

komen, dat uwe yijanden u met eeiien wal zullen omgeven, dat zij u zullen omsingelen en benauwen van alle kanten; zij zullen u tot den grond toe verwoesten, en uwe kinderen in u; zij zullen den eenen steen niet op den anderen laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet gekend hebt ! Als wilde Jezus zeggen: inwoners van Jerusalem, ik beklaag u, omdat gij den vrede, het geluk, dat ik u tot op den dag van heden aanbied, niet wilt, en daarom zal er u in plaats van vrede oorlog, in plaats van geluk ongeluk overkomen; gij zult op de verschrikkelijkste wijze gestraft worden, omdat gij mij niet ontvangen, maar verworpen hebt; want ziet, ik ga heen; dan zult gij mij zoeken maar niet vinden, en in uwe zonden zult gij sterven! In peccato veslro moriemini! (i)

Ziedaar de klachten en bedreigingen welke eertijds Onze Goddelijke Zaligmaker tegen de ondankbare inwoners van Jerusalem uitbracht, en die Hij te recht \'s avonds voor zijnen dood tegen hen mocht vernieuwen.

Doch weet, M. Z., dat de inwoners van Jerusalem ook een afbeeldsel zijn van zoo vele christenen.

Ja, onder de christenen treft men er aan, die de inwoners van Jerusalem navolgen, en waarvoor Jezus zich te recht te beklagen heeft, en die Hij te recht mag bedreigen.

Die christenen zijn de zondaren. Jezus-Christus heeft hen niet gratiën en weldaden overladen; van onder zoo velen heeft Hij hen geroepen tot het waar geloof, in zijne Heilige Kerk opgenomen, in zijne zaligmakende leering onderwezen, de Heilige Sacramenten voor hen ingesteld, hen aan de

(l) JOAN. VIII, 21.

ocr page 145

— 141 —

kostbaarste gratiën, die er uit voortvloeien, deelachtig gemaakt; te recht mag Onze Goddelijke Zaligmaker van hen, even als van het volk van Israël, zeggen: Wat had ik nog meer voor u moeten doen, dat ik niet gedaan heb? En waar is nu de dankbaarheid, welke zij Jezus betoonen? In plaats van Hem voor hunnen Weldoener te erkennen, willen zij niets van Hem weten; in plaats van Hem te ontvangen, verwerpen zij Hem. Dronkaard, onmatige, die u zoo dikwijls te buiten gaat in spijs en drank; gij wilt niets meer van Jezus weten? gij verwerpt Hem? uw buik, zooals de Apostel Paulus zich uitdrukt, is uw afgod; Quomm deus venter est. (i)

Geldzuchtige, onrechtvaardige mensch, die u zoo dikwijls misgrijpt aan \'t geld en goed van uwen evennaaste, die uwe schulden niet wilt betalen ; gij wilt van Jezus niets meer weten? gij verwerpt Hem? \'t goud of zilver is uw afgod: Avaritia quod est idolorum servitus. (2)

Onzuivere, die u aan de schandigste zonden met u zeiven en met anderen plichtig maakt: gij wilt van Jezus niets meer weten? gij verwerpt Hem? \'t voorwerp uwer schandige driften is uw afgod. Doch om kort te zijn, zeggen wij in \'t algemeen: De zondaren, zoo dikwijls zij doodzonde bedrijven, jagen God hunnen Zaligmaker uit hunne ziel volgens de uitdrukking van den Heiligen Man Job: De goddeloozen zeiden tot God: Impii dicebant Deo, gaat weg van ons! recede a nobis! (3)

Och of die ongelukkige zondaren erkenden, en wel vandaag in dit uur, wat hun tot vrede, tot hun tijdelijk en eeuwig

(i) Ph. iii, 19. (2) Eph. v, 5. (3) Job xxi, i-i.

ocr page 146

— 142 —

welzijn verstrekt! och of zij wilden inzien de straffen, die hen boven het hoofd hangen, en waarmede zij elk oogenblik, door den dood verrast, kunnen getroffen worden! voorzeker, zij zouden tot inkeer komen, Jezus niet langer blijven verwerpen; en die goede Zaligmaker, in plaats van uit hen te gaan, zoude tot hen wederkeeren; Hij zoude in hen komen en blijven, en nooit of nimmer zouden zij, evenals de ondankbare inwoners van Jerusalem, hunnen ondergang te betreuren hebben.

III.

Onze Goddelijke Zaligmaker, na met zijne leerlingen uit Jerusalem gegaan en de beek Cedron overgetrokken te zijn, kwam in eenen hof, namelijk in den Hof der Olijven.

\'t Was in een hof, M. Z,, in eenen lusthof, het aardsch Paradijs, dat Adam en Eva de zonde bedreven, en ons ongelukkig gemaakt hebben, \'t Is in een hof, in den Hof der Olijven, dat Jezus voor goed de zonde gaat uitboeten, en ons voor eeuwig gelukkig wil maken.

Aan den ingang van den hof gekomen, zegt Jezus tot acht zijner leerlingen: Zet u hier neder, tot dat ik verder ga om te bidden. Sedeie Mc, donec vadain üluc et orein. (i) Hij neemt Petrus, Jacobus en Joannes wat verder mede. Zij waren getuigen geweest van zijne gedaanteverandering op den berg Thabor ; Jezus wil dat zij nu ook getuigen zijn van zijne droefheid in den Hof der Olijven.

(l) MATTH. XXVI, 33.

ocr page 147

— 143 —

Op de bestemde plaats aangekomen, begint Onze Goddelijke Zaligmaker te vreezen, Hij is bedroefd en ter neêr geslagen ; Hij zegt tot die drie leerlingen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; Tristis est anima mea usque ad mortem, (i) Welk een schouwspel! Jezus de blijdschap der Engelen en Heiligen des hemels; Jezus de Trooster der bedrukten op aarde; Hij is ter neêr geslagen, bedroefd, zoo dat Hij op liet punt staat om van droefheid te sterven!

En van waar komt dan die doodelijke droefheid? Wat is er de oorzaak van? De voornaamste oorzaak dier droefheid, M. Z., is de zonde. Jezus kende en doorgrondde de afschuwelijke boosheid en de noodlottige gevolgen der zonde; Hij begreep, dat door de zonde Zijn Hemelschen Vader de grootste oneer was aangedaan, dat het gansche menschdom voor tijd en eeuwigheid er ongelukkig door geworden was; over die oneer, over dat ongeluk is Hij tot den dood toe bedroefd, en bijgevolg ook over de zonde, omdat zij er de oorzaak van is. Die oneer, dat ongeluk wil Hij herstellen; Hij biedt zich bij Zijnen Hemelschen Vader als Zoenoffer aan; Hij beschouwt zich als beladen met de zonden van het gansche menschdom, met uwe zonden, met de mijne, bedreven met gedachten en begeerten, met woorden, werken eu verzuimenissen; Jezus neemt al die zonden op zich, om ze uit te boeten en om er voor aan de Goddelijke Rechtvaardigheid te voldoen. En ziedaar eene der voornaamste redenen, waarom Hij zoo bedroefd is.

(l) MATTH. XXVI, 38.

ocr page 148

— 144 —

SLUITREDE.

Tristis est anima mea usque ad mortem! (i) Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe!

Aanschouwen wij, M. Z., in den geest Onzen Goddelijken Zaligmaker met aandacht in den Hof der Olijven. Plij siddert en beeft; Hij is bedroefd, gedompeld als in eene zee van droefheden. Jezus is bedroefd over de zonde, en nogtans Hij heeft geene enkele, de kleinste zonde zelfs niet bedreven; Hij is bedroefd over de zonden van anderen, die Hij op zich genomen heeft.

Is het ook zoo met ons gelegen ? Helaas! welk een verschil! Wij, M. Z., wij zijn in zonden ontvangen, in zonden geboren; door de heilige waters des Doopsels afgewasschen, zijn wij nauwelijks tot de jaren van verstand gekomen, of wij hebben ons aan zonde plichtig gemaakt. Hoevelen worden er wellicht onder ons niet gevonden, die talrijke en groote zonden bedreven hebben; die in hunne hoovaardigheid tegen God zijn opgestaan, en Jezus uit hunne ziel gedreven hebben? quot;Waar is nu onze droefheid? Waar ons leedwezen? Waar onze boetvaardigheid ? En nogtans onze zonden zijn bekend tot in den hemel, en daar roepen zij om wraak bij God, bij God, die gezworen heeft van zich op de zondaren te wreken. Zoo waar als ik leef in eeuwigheid, zegt God, vivo ego in ceternum! ik zal wraak nemen op mijne vijanden, reddam ultionem hostibus! [s) Ja, M. Z., zoo wij geene boetvaardigheid doen, Onze Goddelijke Zaligmaker heeft het uitdrukkelijk

(l) MATTH. XXVI, 38. (2) DOUT. XXXII, 41.

ocr page 149

— 145 —

verklaard, zullen wij allen vergaan: Nisi pcenitentiam hdbueritis omnes similiter peribitis. (i)

Daarom verootmoedigen wij ons voor God; erkennen wij onze nietigheid, onze ondankbaarheid, waaraan wij ons jegens God,den beste der vaderen,hebben plichtig gemaakt; vragen wij Hem ootmoedig vergiffenis, omdat wij Hem zoo dikwijls verstoeten, zoo dikwijls gedwongen hebben van uit ons te gaan, want telkens als wij aan eene gratie weder-staan, eene doodzonde bedreven hebben, hebben wij Jezus verstoeten, hebben wij Hem uit onze ziel gedreven. Ja, M. Z., zijn wij van harte bedroefd van God zoo dikwijls en zoo grootelijks vergramd te hebben; God zal een ootmoedig en berouwhebbend hart niet versmaden, cor contrilum et humiliatum Deus non despicies; (2) daardoor zullen wij Jezus\' bedroefd hart troosten, zijne droefheid in vreugde veranderen, want er staat geschreven, dat er vreugde zal zijn in den hemel over de boetvaardigheid zelfs van eenen zondaar : Gaudiurn erit in coelo super uno peccatore pcenitentiam agente. (3) Amen.

EINDE

(l) Luc. XIII, 2. (2) Ps L, 19 (3) Luc. XT, 10.

meditatiSn 10.

ocr page 150

TWEEDE MEDITATIE

Factus est sudor ejus sicutguttce sanguinis decurrentis in terram.

Zijn zweet werd als druppelen bloeds dat op de aarde nederviel. (Luc. xxir, u.)

INHOUD.

VOORREDE.

Jezus heeft zijnen leerlingen de voeten gewasschen en het Heilig Sacrament des Altaars ingesteld. — Hij gaat met zijne Apostelen Jerusalem uit. — Droefheid van Jezus in den Hof der Olijven over de zonden. —- Voorbeeld voor ons. — Jezus scheidt zich ook van de drie leerlingen af. — Valt op zijne knieën, op ziju aangezicht neder en bidt met ootmoedigheid en eerbied, met betrouwen en overgeving aan den wil van Zijnen Hemelschen Vader. — Voorbeeld voor ons.

ocr page 151

— 147 —

I. Jezus verkeert in doodstrijd.

II. De Apostelen slapen.

III. Jezus wordt verraden en gevangen genomen.

I.

Een Engel uit den hemel verschijnt om Jezus te sterken.

— Hij valt in doodstrijd, en zweet water en bloed. — Wat is de doodstrijd ? — Waardoor werd hij veroorzaakt ? — Jezus verkiest te lijden en te sterven tot glorie van God en tot zaligheid der zielen. — Het akelige van den doodstrijd des zondaars, als hij denkt aan zijne bedrevene zonden, aan de gratiën, waarvan hij misbruik gemaakt heeft. — Als hij zijne oogen ten hemel richt.— (Jbi sunt dii tui quos fecisti tibi ? surgant et liberent te! Als hij zijne oogen naar de aarde slaat, ziet, wat hij moet verlaten. — Drievoudig ergo erravimus! — Stelt u den stervenden zondaar voor oogen.

— De duivelen vol woede bespringen hem. — De tijd is kort. — Hij sterft, en zijne ziel daalt neder in de hel. — Denken wij dikwijls aan den doodstrijd van den zondaar, ook aan den doodstrijd van Jezus-Christus.

II.

Na den doodstrijd en het gebed vindt Jezus zijne Apostelen slapende. — Quid dormitis? — Jezus\' vijanden waken, de Apostelen slapen. — Plichtverzuim der Apostelen. — Volgen de Apostelen na, die het werk hunner zaligheid verwaar-loozen, de plichtvergetene ouders en oversten. — Dergelijken moet geantwoord worden; Surgite! Op, en aan het werk!

ocr page 152

III.

Judas nadert aan liet hoofd eener gewapende bende soldaten. — Teeken, dat Judas gegeven heeft. — Geveinsdheid van Judas. — Ave Rabbi! et osculatus est eum. — Judas verdiende op staanden voet met den dood en de hel gestraft te worden. — Laatste poging van Jezus om Judas te bekee-ren. — Amice! ad quid venisti? Oscido Filiurn hominis tradis? — Tweevoudig wonder. — Judas volhardt in zijne boosheid en vergaat. — Ongelukkigen, die Judas navolgen. — Woorden van den Heiligen Vincentius Ferrerius.

SLUITREDE.

Laat ons dikwijls denken aan den doodstrijd en het uiteinde van den zondaar. — Hebben wij onze plichten verwaarloosd, laat ons uit den slaap opstaan, het verledene herstellen en voor de toekomst zorgen. — Bidden voor elkander om de goede voornemens ten uitvoer te brengen, in \'t goede voort te gaan, te volharden tot het einde toe. Qui perseveraverit usque in fmen Mc salvus erit.

EINDE.

ocr page 153

— 149 —

TWEEDE MEDITATIE

Factus est sudor ejus sicut guttce sanguinis decurrentis in terrain.

Zijn zweet werd als druppelen bloeds dat op de aarde nederviel. (Luo. xxn, it.)

VOORREDE.

In het laatste avondmaal, M. Z., had Onze Goddelijke Zaligmaker ons een treffend voorbeeld gegeven van ootmoedigheid. Hij had zich op de knieën voor zijne leerlingen neder geworpen en hun de voeten gewasschen. Ook stelde Hij bij die gelegenheid het Aanbiddelijk Sacrament des Altaars in, en verhief zijne Apostelen tot de priesterlijke waardigheid. Daarna ging Hij met hen het ondankbare Jerusalem uit, en begaf zich naar den Hof der Olijven. In dien hof aangekomen, scheidt Hij zich van hen af. Drie Apostelen, Petrus, Jacobus en Joannes neemt Hij nog wat verder mede.

Met deze alleen zijnde begint Hij te sidderen en te beven, en Hij zegt: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe! Trislis est anima mea usque ad mortem! (i)

Jezus is zoo doodelijk bedroefd, onder anderen over de zonden, die zich daar in al hare boos- en afschuwelijkheid voor zijnen geest vertoonen; daardoor leert Hij ons, dat wij nooit of nimmer te zeer bedroefd kunnen zijn over onze zonden.

(1) MATTH. XXYI, 38.

ocr page 154

— 150 —

Na aldus tot die drie leerlingen gesproken te hebben, verwijdert Hij zich ook van hen, en Hij gaat een steenworp verder om Zijnen Hemelschen Vader te bidden.

Jezus zet zich op de knieën, werpt zich op zijn aangezicht plat ter aarde neder en bidt: Mijn Vader! Zoo het mogelijk is, laat dezen kelk dan van mij weggaan, doch niet mijn maar uw wil geschiede!

Gij ziet het, M. Z., Jezus bidt met de diepste ootmoedigheid en met den grootsten eerbied. Hij zet zich op de knieën; posiiis genibus; (i) Hij werpt zich plat ter aarde neder: Procidit in faciem siiarn; Hij bidt met kinderlijk betrouwen: Mijn Vader! zegt Hij: Pater mi! Zoo het mogelijk is, laat dan dezen kelk van Mij weggaan! Hij bidt met overgeving aan den wil van Zijnen Hemelschen Vader: Non mea voluntas sed tua fiat! (2)

Welk een schoon voorbeeld voor ons! voorbeeld, waarnaar wij ons altoos in ons gebed moeten gedragen.

Doch onderzoeken wij vandaag eens verder, wat er nogal meer in den Hof der Olijven plaats heeft.

Wij zullen dus zien:

I. Den doodstrijd van Christus.

II. Den slaap der Apostelen.

III. De gevangenneming van Christus.

I.

Terwijl Onze Goddelijke Zaligmaker Zijnen Hemelschen Vader zoo vurig bad; ziet, een Engel uit den hemel verscheen

(l) Luc. XXII, 42. (2) Luc. XXII, 43.

ocr page 155

— 151 —

om Hem te sterken. Doch Jezus geraakt in doodstrijd: [actus in agonia; (i) en zijn zweet wordt als druppelen bloeds, dat op de aarde nedervalt: F actus est sudor ejus sicut guttce sanguinis decurrentis in terrain. (2)

De God-Mensch komt in doodstrijd. Gij weet, M. Z., wat de doodstrijd is, en wellicht hebt gij den een of anderen uwer bloedverwanten of vrienden in doodstrijd zien ver-keeren. Gij hebt hen bijgestaan in hun uiterste. Welnu, in dergelijken doodstrijd verkeert Onze Goddelijke Zaligmaker in den Hof der Olijven. Hij worstelt met den dood.

Die strijd wordt veroorzaakt, wijl Jezus beschouwt van den eenen kant de pijnen en tormenten, den schandigen kruisdood, dien Hij zal moeten ondergaan; van den anderen kant de eer, die er voor Zijnen Hemelschen Vader, en het heil, dat er voor de menschen uit zal voortspruiten.

Onze Goddelijke Zaligmaker nu, M. Z., verkiest te lijden en te sterven tot glorie van God en tot zaligheid der zielen; doch de strijd, waarin Jezus verkeert, is niettemin zoo hevig, dat hij een doodstrijd genoemd en te recht genoemd mag worden, en dat hij Onzen Goddelijken Zaligmaker een bloedig zweet uit al zijne ledematen perst.

Was nu de toestand, M. Z., van Onzen Goddelijken Zaligmaker, die geene enkele zonde bedreven had; die, wijl Hij de Heiligheid zelve is, niet zondigen kan ; was zijn toestand op het gezicht van den dood zoo pijnlijk en akelig; ik vraag het u, hoe pijnlijk en akelig moet dan de toestand van den mensch, vooral van den zondigen mensch niet wezen.

(1) Luc. xxiii, 43. (3) Luc. xxiv, 44.

ocr page 156

als hij, op liet punt van de wereld te verlaten, den dood ziet naderen ? Hoe verschrikkelijk moet de doodstrijd van den zondaar niet zijn?

Die zondaar op zijn sterfbed uitgestrekt, wordt, volgens de uitdrukking van den Profeet David, eensklaps van alle rampen omgeven ; Virum injuslum mala capient in interiiu. (i) Geen rust of vrede voor dien zondaar, maar de grootste onrust en knaging van geweten.

Keert hij in zich zeiven, wat al zonden en misdaden zal hij niet bespeuren? Vroeger schenen hem die zonden gering en in klein getal; nu vertoonen zij zich in al hare afschuwelijkheid. Die zonden en misdaden scharen zich als het ware, gelijk de H. Bernardus zegt, rondom zijn sterfbed, en zij roepen hem toe: Opera tua sumus, non te derelinquemus ! Wij zijn uwe werken en wij verlaten u niet!

Keert hij in zich zeiven, en denkt hij na over de gratiën, welke God hem bewezen heeft; het goede, dat hij er mede had kunnen verrichten gedurende de jaren, die hij geleefd heeft ; hij bemerkt, dat hij van Gods gratiën misbruik gemaakt, dat hij er volstrekt niets goeds mede gedaan heeft voor den hemel, en \'t is alsof eene inwendige stem hem toeriep: En nu, nu is er geen tijd meer! Tempus non er it amplius! (2)

Er is geen tijd meer, om voor uwe ziel en zaligheid te zorgen! Jam non po ter is villicare! (5) Wat zal die zondaar op zijn sterfbed, als hij met den dood worstelt, als hem het koud zweet van alle kanten uitbreekt, kunnen denken? Wat

(l) Ps. CX5.XIX, 12. (3) Apoc. X. 6. (3) LUC. iVI, 3.

ocr page 157

zal hij moeten zeggen? Niets anders dan de verschrikkelijke woorden van het Heilig Schrift; Ik heb gedwaald, en ik heb mij schandig bedrogen! Ergo erravimus! (i)

Keert die zondaar zijne stervende oogen ten hemel, wat ziet hij daar? Hij ziet eenen rechtvaardigen God, van wiens goed- en lankmoedigheid hij misbruik gemaakt, wiens heilzame vermaningen hij in den wind geslagen heeft. Hij ziet dat die rechtvaardige en beleedigde God den arm zijner wraak over hem uitgestrekt heeft, om hem te treffen. Zoo die zondaar in den uitersten nood gedwongen, doch niet oprecht den Heer zijnen God aanroept, zal hem God niet verhooren: Non exaudiam. (2) God zoude hem, gelijk wel eertijds tot het volk van Israël kunnen zeggen: Ubi sunt dii tui? Waar zijn nu uwe goden, die gij u gemaakt hebt? Quos fecisti tibi? Gij hebt u een god gemaakt van het geld en goed, dat gij onrechtvaardig verzameld en bezeten hebt; een god van de eer en glorie, die gij driftig nagejaagd hebt; een god van spijs en drank, die gij gulzig genoten hebt; een god van de vermaken en pleizieren, waarin gij u schandig verlustigd hebt; goden, die gij gezocht hebt in plaats van mij te zoeken ; die gij bemind hebt in plaats van mij te beminnen; die gij gediend hebt in plaats van mij te dienen. Surgant! Ja, dat die goden zich nu oprichten en u verlossen uit den nood! Et lib er ent ie! (3) En wat zal die zondaar vol vertwijfeling, worstelende met den dood, dan kunnen denken? Wat zal hij met de stem van een wanhopende kunnen

{1) Sap. v, 8. (3) Peov. i, 28. (3) Jir. u, js.

ocr page 158

zeggen? Ik heb gedwaald en ik heb mij schandig bedrogen! Ergo err animus !

Wendt die stervende zondaar zijne oogen ter aarde, wat ziet hij daar? Hij ziet, dat hij moet gaan verlaten zijn geld en goed, zijn huis en zijne familie, zijne bloedverwanten en vrienden, de gezelschappen waarin, de personen waarmede hij zoo veel kwaad gedaan heeft; en dat alles in den geest ziende, want de oogen des lichaams beginnen reeds te verduisteren, wat kan die zondaar op zijn sterfbed uitgestrekt denken ? Wat mag hij met eene gebrokene stem voor de laatste maal roepen?\'Niets anders dan de verschrikkelijke woorden van het Heilig Schrift: Ik heb gedwaald en ik heb mij schandig bedrogen! Ergo erravimus!

M. Z., stelt u den stervenden zondaar voor oogen; hij verkeert reeds in doodstrijd, zijne krachten verminderen merkelijk, hij valt reeds van tijd tot tijd in bezwijming, zijne oogen draaien verwilderd rond, sluiten zich; zijne ademhaling gaat moeielijk, langzaam; zijne ledematen beginnen te verstijven, en een koud zweet overdekt reeds zijn bleek aangezicht; nog een oogenblik en het is er mede gedaan.

Intnsschen komen de duivelen vol woede hem bespringen, en van alle kanten benauwen. Ik zeg de duivelen, niet één maar meer; het huis van den stervenden zondaar zal vol duivelen zijn, zegt de Profeet Isaïas: Replebuntur domus eorum draconibus. (i) Zij zullen vol woede zijn, wetende dat de tijd kort is, en die ongelukkige hun nog zoude kunnen ontsnappen, en van daar dat zij hem van alle kanten prangen

(1) ISAlAS XIII, 21.

ocr page 159

en benauwen. En ziet; de tijd van den zondaar eindigt, de eeuwigheid slaat, hij geeft zijn laatsten snik, hij sterft, hij is niet meer; en zijne ziel, zijne onsterfelijke ziel daalt met de duivelen neder in den afgrond der hel, om in dien poel van solfer en vuur, dag en nacht, in eeuwigheid gefolterd te worden: CrucAahuntur die ac node in scecula soeculorum. (i)

Ziedaar, M. Z., den doodstrijd; ziedaar het einde van den zondaar. Zijn zij niet in staat om ons allen, doch vooral om den zondaar, die in staat van doodzonde leeft, te treffen? In denzelfden toestand verkeerende, en met den dood bedreigd, kan hij elk oogenblik door den dood getroffen, hetzelfde ongeluk ondergaan.

Overwegen wij dus wel het akelige, het afgrijselijke van den doodstrijd des zondaars, om een afschuw vau de zonde, die er de oorzaak van is, op te vatten, om er ons zorgvuldig van te wachten, en om de bedrevene zonden uit te boeten.

Overwegen wij tevens den doodstrijd, waarin Onze Goddelijke Zaligmaker in den Hof den Olijven verkeert, waarin Hij water en bloed zweet, en dien Hij ondergaat uit liefde tot ons, en om onzen doodstrijd zoo min pijnlijk en akelig mogelijk te maken.

II.

Na dien hevigen doodstrijd doorgestaan en zijn gebed gesproken te hebben, stond Jezus op en begaf zich naar zijne

(l) Apoc. xx, 1

ocr page 160

leerlingen; doch zonderlinge zaak! Hij bevond hen slapende: Invenit eos dormientes. (i)

Voorzeker, dat slapen zijner leerlingen moest Onzen God-delijken Zaligmaker bedroeven. Van daar ook dat Hij hun aansprak, zeggende; Quid dormitis? (2) Wat, slaapt gij? Hebt gij dan geen uur met mij kunnen waken? Sic non potuistis una hora vigilare mecum? (3) \'t Schijnt alsof Jezus wilde zeggen: Maar hoe is het toch mogelijk, dat gij slaapt? Ziet eens, allen waken, en gij slaapt? Judas waakt om mij over te leveren; de soldaten waken, om mij gevangen te nemen; de Phariseën en Schriftgeleerden waken, om mij aan te klagen; de Opperpriester waakt om mij te ondervragen; de beulen waken om mij te mishandelen en te pijnigen; mijne vijanden waken, en gij, gij die mijne leerlingen, mijne Apostelen zijt, gij durft slapen, en dat in dit oogenblik; want ziet eens het uur nadert dat de Zoon des menschen in de handen der zondaren zal overgeleverd worden; staat op! zegt Jezus daarop vol moed, surgile! laat ons gaan! Eamus! (4)

De Apostelen, M. Z., waren, alhoewel niet grootelijks, toch aan hunne plichten te kort gebleven. Jezus had hun bevolen van te waken en te bidden, vigilate et orate, (5) en zij doen noch het één noch het ander, zij slapen.

Hoevelen onder de christenen treft men er hedendaags niet aan, M. Z., die in eenen zedelijken zin de Apostelen navolgen, en die, wat erger is, grootelijks misdoen? \'t Zijn

(l) MaTTH, xxvi, lt;9. (2) LüC. xxii, 46. (3) MaTTH. xxvi, 40. (4) MaTTH. xxvi, 4«. (6) matth. xxvi, 41.

ocr page 161

de onachtzame, nalatige christenen, die het werk hunner-zaligheid verwaarloozen, die voor alles, uitgenomen voor het eenige noodzakelijke, namelijk voor hunne ziel, zorgen; die, als zij, bijv. het ongeluk gehad hebben, van in doodzonde te vallen, zonder acht te slaan aan welk groot gevaar zij blootgesteld zijn, onbekommerd voortleven, alsof hunne ziel en zaligheid niet het minste gevaar liepen. Dergelijke christenen slapen, alhoewel Onze Goddelijke Zaligmaker hen dikwijls vermaant van te waken, van uit hunne onverschilligheid en zorgeloosheid op te staan, van zorg te dragen voor hunne ziel en zaligheid; alhoewel Jezus hen meermalen vermaand heeft van te bidden.

Doch, M. Z., er is vooral een soort van personen, waarop de berisping valt, welke eertijds Jezus zijnen leerlingen deed, toen Hij hen slapende vond.

Die personen zijn de plichtvergetene ouders en oversten. Ja, zij slapen, en zij hebben reeds lang geslapen, de ouders, die verwaarloozen hunne kinderen in de vrees des Heeren op te voeden; die hunne kinderen laten leven in eene schuldige onwetendheid van de christelijke leering ot catechismus; die hunne kinderen de manieren der bedorvene wereld laten volgen. Die ouders, die vaders of moeders vooral slapen, die geen waakzaam oog op hunne kinderen houden, als zij reeds grooter worden; die hen maar laten loopen, alsof zij niet eenmaal eene strenge rekenschap van hunne kinderen zullen moeten afleggen. Die vaders of moeders slapen, die hunne kinderen, vooral hunne jonge dochters laten omgaan met ongelijke personen, laten verkeeren bij dag en bij nacht, aan hoeken en kanten tot hun eigen ongeluk, tot het ongeluk

ocr page 162

— 158 —

hunner kinderen, tot ergernis der mensclaen, die het weten, zien en er reeds over spreken.

Zij slapen en hebben misschien reeds lang geslapen, de oversten, die geen waakzaam oog houden op het gedrag hunner dienstboden; die hen niet vermanen als zij aan hunne plichten te kort blijven ; die hen niet berispen als zij, bijv. vloeken, zedenkwetsende taal voeren.

Wat moet men tot dergelijke slapers zeggen? Juist hetgeen eertijds Onze Goddelijke Zaligmaker tot zijne Apostelen zeide: Surgite! staat op! laat ons gaan! eamus! gij hebt lang genoeg geslapen, lang genoeg het werk uwer zaligheid verwaarloosd, gij hebt lang genoeg uwe plichten verzuimd: op dus! het uur is daar, het uur van uit den slaap op te staan! Hora est jam nos de sonimo surgere! (i) \'t Wordt tijd, hoog tijd voor velen, waarom? Wel, de dood nadert, de eeuwigheid, de nacht, waarin niemand meer voor zijne ziel zal kunnen werken ; op dus ! en aan het werk ! Surgite eamus! (2)

III.

Terwijl Jezus zijnen Apostelen zeide, staat op en laat ons gaan, voegde Hij er tevens bij: Ziet, degene, die mij overleveren zal, is nabij: Ecce qui me tradetprope est. (3)

En inderdaad, M. Z., op kleinen afstand naderde Judas aan het hoofd eener gewapende bende soldaten. Judas had

(l) ROM. V, 14. f2) MATTH. XXVI, 46. (s) MARC. XIV, 43.

ocr page 163

— 159 —

den soldaten een teeken gegeven; dien ik. omhelzen zal, had hij gezegd, die is het, grijpt Hem vast en leidt Hem voorzichtig. Judas ging daarop eenige stappen vooruit, en bij Jezus komende zeide hij: Wees gegroet Meester! Ave Rabbi! en hij omhelsde Hem; Et osculatus est Eum. (i)

Bijaldien de geveinsdheid ooit ver gedreven is, of ver gedreven kan worden, dan is het voorzeker hier het geval. Hoe dat? Judas nadert Jezus. Hij behandelt Hem uitwendig alsof hij zijn grootste vriend ware. Hij groet Hem : wees gegroet Meester; hij omhelst Hem; en inwendig heeft Judas een wrok, een haat tegen Jezus; en dien wrok, dien haat heelt hij tegen Hem reeds over lang gevoed, hier oefent hij hem voor goed op Jezus uit, hij levert Hem over aan zijne verbitterdste vijanden.

Die trouwelooze Apostel, die veinzaard, dat monster van ondankbaarheid verdiende voorzeker van op staanden voet met den dood gestraft en neder geworpen te worden in den afgrond der hel; maar neen, Onze Goddelijke Zaligmaker zal nog eene laatste poging doen; Hij heeft reeds vroeger alles in het werk gesteld, om Judas tot inkeer te brengen; Hij heeft zich zeiven in \'t laatste avondmaal voor Judas op de knieën neder geworpen en hem de voeten gewasschen; hier zal Jezus eene laatste poging aanwenden; zoo Judas er niet aan beantwoordt, dan zal hij door zijne eigene schuld verloren gaan. Vriend! zegt Jezus: Amice! Welk een woord door Jezus tot Judas, wiens inzichten Hij kende, gesproken. Vriend! Waartoe zijt gij gekomen? Ad quid venisti? (2)

(1) MATTH. XXVI, 49. (2) MATTH. XXVI, 60.

ocr page 164

— 160 —

Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kust? Osculo Fillium hominis tradis? Jezus doet nog meer, niet één maar twee wonderen om Judas te bekeeren: Hij laat de soldaten door een enkel woord plat ter aarde nedervallen; Hij geneest, door liet oor enkel aan te raken, den gewonden Malchus. Niets te doen. Judas, die lang in zonden geleefd heeft, die zoo lang aan de uitnoodigingen ter bekeering wederstaan heeft. Judas volhardt in zijne boosheid en hij vergaat, gelijk wij verder zullen zien, in de zonde.

Hoe velen, M. Z., vindt men er niet in onze droevige tijden die den ongelukkigen Judas navolgen? Hoe velen die een zondig en scliandig leven leiden, die alle vermaningen van Paus, Bisschop en Priester in den wind slaan, die er mede lachen en spotten, die de Heilige Kerk en hare dienaren lasteren en vervolgen; die op den boord der eeuwigheid, op het punt van te sterven, den priester nog verstoeten, niets van hem willen weten, en die zoo sterven en moeten verschijnen voor den rechterstoel van God!

Ach! M. Z., bijaldien ik de droevige, de ergerende gevallen overdenk, die in onze ongelukkige tijden, helaas! plaats grijpen en immer toenemen; dan begrijp ik eenigszins dat de H. Vincentius Ferrerius heeft kunnen schrijven: Majus miraculum est, \'t is een grooter wonder, quod male viventes faciant borium /mem, dat zij die slecht leven goed eindigen, dan dooden te verwekken, quant suscitare mortuos. O! de goede God beware ons toch voor een slecht einde, voor den dood van den zondaar en daarom herhaal ik nog ten slotte.

ocr page 165

— ]61 —

SLUITREDE.

Denken wij dikwijls aan liet uiterste van den stervenden zondaar, den akeligen toestand, waarin hij zich op zijn sterfbed zal bevinden; aan den doodstrijd waarin hij zal ver-keeren, het ergo erravimns, ik heb gedwaald, ik heb mij schandig bedrogen, dat hij zoo niet met woorden, dan toch inwendig zal moeten bekennen. Ja, M. Z., denken wij met ernst goed na over die groote waarheid.

Zouden wij in den dienst van God, in het onderhouden zijner geboden en die der Heilige Kerk, in het volbrengen onzer plichten te traag, te langzaam geweest zijn;en bijgevolg het groote werk, het zaligmaken onzer eenige onsterfelijke ziel verwaarloosd hebben; dan moeten wij opstaan uit onze onverschillig- en slaperigheid, wij moeten zoo goed mogelijk het verledene herstellen, en voor de toekomst beginnen te zorgen: waken over ons zei ven; waken over degenen, die ons toevertrouwd zijn, of waarover wij aangesteld zijn, over onze kinderen, over onze onderdanen; vervolgens biJden, bidden voor elkander, om de goede voornemens, welke men maakt ten uitvoer te brengen, in het goede altijd voort te gaan, te volharden tot het einde toe.

O, M. Z., dan zullen wij niet te vreezen hebben voor een rampzalig einde, zooals dat van Judas en van zoo vele onge-lukkigen, die hem navolgen; integendeel: wij zullen heilig leven, wij zullen zalig sterven, want er staat geschreven:

MEDITATIËN 11

ocr page 166

— 162 —

die volhard zal hebben tot het einde toe, die zal zalig\' worden: Qui autem per sever merit usque in finem, hic salvus erit. (i) Amen.

EINDE.

(1) Mattii x, 21

ocr page 167

DERDE MEDITATIE

Negavit cum juramento: Quia non novi hominem.

Hij loocliende met eed : Ik ken den mensoh niet. (Matth. xxvi, 7a.)

INHOUD.

A\'OORREDE.

Judas heeft Jezus verkocht en een getal soldaten bekomen. — Hij stelt zich aan het hoofd der bende, om Jezus gevangen te nemen. — Hij brengt de soldaten op de plaats, waar Jezus zich bevindt. — Hij groet, omhelst en levert Jezus over. — lste Vraag van Jezus. Quem quceritis? Antwoord. Jesum Nazarcenum. — Jezus zegt; Ego sum. — De soldaten vallen achterover ter aarde neder. — 2118 Vraag. Quem quceritis? Antwoord. Jesum Nazarcenum. — Jezus zegt: Ik heb u reeds gezegd, dat ik het ben. — De soldaten slaan hunne handen aan Onzen Goddelijken Zaligmaker, boeien en sleuren Hem naar Jerusalem.

ocr page 168

— 104 —

I. Jezus door Caïphas ondervraagd.

II. Jezus door Petrus verloochend.

III. Petrus, door Jezus aangezien, bekeert zich.

I.

Mishandelingen door Jezus onder weg uitgestaan. — Aankomst te Jerusalem. —- De soldaten brengen Jezus, eerst naar Annas, vervolgens naar Caïphas, bij wien de raad vergaderd was. — Caïphas ondervraagt Jezus over zijne leerlingen en leering. — Jezus zwijgt over zijne leerlingen, doch Hij antwoordt rechtuit, aangaande zijne leering. — Jezus wordt op zijn vrijmoedig antwoord in het aangezicht geslagen, zoodat het bloed Hem uit den mond loopt. — Jezus vraagt den dienaar, waarin Hij misdaan heeft. — Door te zwijgen over zijne leerlingen geeft Jezus ons de schoonste les, van namelijk nooit kwaad te spreken. — Die zonde is algemeen. — Zij strijdt tegen de liefde, tegen de rechtvaardigheid. — Verplichting van zijn woord te herroepen, de oneer te herstellen. — Bclractores Beo odibiles. Nolite detrahere alterutrum fratres. Jezus beschouwt het ongelijk onzen evenmensch aangedaan als Hem aangedaan.

II.

Petrus, na gevlucht te zijn, komt terug. — Hij volgt Jezus,, komt te Jerusalen bij het paleis van Caïphas, in het voorhof. — Onvoorzichtigheid van Petrus van zich zonder reden te

ocr page 169

vervoegen bij de vijanden van Jezus. — Drievoudige verloochening. — Petrus valt telkens dieper. — Hoe is liet mogelijk, dat Petrus zoo diep gevallen is? De voornaamste reden is, omdat Hij liet gevaar niet gevlucht, de gelegenheid niet vermeden heeft. — Zoo gaat het ook met den zondaar.

— Hoe wordt men een vloeker? Hoe een dronkaard? Een onkuischaard? — Qui amat \'pcriculum in Ulo peribit.

III.

Jezus aanschouwt Petrus. — Petrus wordt indachtig, wat hij gedaan heeft. — 11 ij herinnert zich de voorzegging van Jezus. — Hij gaat buiten en weent bitter. — Jezus is meer bezorgd voor Petrus dan voor zich zeiven. — quot;Welke goeden barmhartigheid in Onzen Goddelijken Zaligmaker. — Gelukkig, dat Petrus aan den oogslag van Jezus beantwoord heeft.

SLUITREDE.

Wij zijn ook aan Gods goedheid en barmhartigheid verschuldigd van reeds niet over lang verloren te zijn gegaan.

— Wij moeten ons ook herinneren wat men ons voorzegd heeft. — Verlaten wij ook de gevaren en gelegenheden der zonde. — Beweenen wij onze zonden. — Die tranen van leedwezen zullen ons bewaren voor verderen val, — vergiffenis, kwijtschelding en beloouing hiernamaals bekomen.

EINDE.

ocr page 170

— 166 —

DERDE MEDITATIE

Negavit cum juramento: QvAa non novt hominem,

Hij loochende met eed : Ik ken den mensah niet. (Matth. xxvi, 72.)

VOORREDE.

Judas, de ondankbare en trouwelooze Apostel, liad zijnen Goddelijken Meester voor dertig zilverlingen verkocht. Hij had op zich genomen, van Jezus in de handen zijner vijanden over te leveren.

Te dien einde hadden de priesters hem een tal soldaten ter hand gesteld. De soldaten waren gewapend met stokken en zwaarden, voorzien van fakkels en lantaarnen. Judas had zich aan het hoofd dier bende soldaten gesteld. Hij zoude hen brengen op de plaats, waar Jezus zich bevond; ja, wat meer is, hij in persoon zoude Jezus in hunne handen overleveren. Judas begeeft zich dus met de soldaten naar den Hof der Olijven, waar Jezus gewoon was te gaan bidden.

Onze Goddelijke Zaligmaker, wien niets, van alles wat Judas tegen Hem smeedde, verborgen was, ging den trou-weloozen Apostel en de soldaten te gemoet. Zoodra nu Judas Onzen Goddelijken Zaligmaker gegroet, omhelsd en op die wijze verraden had, gelijk Hij voorzegd had, naderde Jezus de soldaten, en Hij vroeg hun: Wien zoekt gij? Quem quccritis? Zij antwoordden; Wij zoeken Jezus van Nazareth. Jesum Nazarcenum. (l) Jezus antwoordt: Ik ben hetl

(1) JOAN. 1VII1, 4-6.

ocr page 171

Ego sum! En ziet, eensklaps vallen de soldaten op den grond neder. Wat zouden die soldaten nu tegen Onzen Goddelijken Zaligmaker gedaan hebben, zij, die op het enkel hooren dier woorden, Ego sum! Ik ben het! reeds achterover op den grond nedervallen? De soldaten moesten voorzeker, door hetgeen Jezus hier deed getroffen, tot inkeer zijn gekomen; doch evenals hun aanvoerder Judas, zijn zij ook verblind en versteend.

Onze Goddelijke Zaligmaker vraagt nu voor de tweede maal: Wien zoekt gij? En de soldaten antwoorden wederom: Jezus van Nazareth; ik heb u reeds gezegd, antwoordt Jezus, dat ik het ben; zoo gij mij dus zoekt, zoo laat deze, zijne Apostelen bedoelende, ongehinderd gaan. Als ik dagelijks bij ii in den tempel was, voegde Jezus er bij, dan hebt gij mij niet gevangen genomen, doch dit is uw uur en de macht der duisternissen. Jezus geeft hun daarop de macht om zich van hem meester te maken. De soldaten slaan hunne handen aan Onzen Goddelijken Zaligmaker: zij boeien Hem, alsof Hij een groote booswicht ware, en sleuren Hern in triomf naar Jerusalem.

Overwegen wij vandaag wat er te Jerusalem bij Annas en bijzonder wat er voor de rechtbank van Caïplms plaats had.

Wij willen dus de drie volgende punten onderzoeken:

I. Jezus bij Caïphas in \'t aangezicht geslagen.

II. Petrus loochent Jezus te kennen.

III. Petrus bekeert zich.

ocr page 172

— 108 —

I.

Dat Onze Goddelijke Zaligmaker op weg van den Hof dei-Olijven naar Jerusalem de grootste mishandelingen ondergaan lieeft, laat zich gemakkelijk begrijpen.

De soldaten komen dan eindelijk met den vermoeiden Jezus in de stad aan. Eerst brengen zij Hem volgens afspraak naar Annas, den schoonvader van Caïphas. Dien grijsaard wilde men op de eerste plaats het genoegen verschaffen, van Jezus gevangen te zien.

Zoodra Annas nu eenigen tijd zijn wraakzuchtig hart voldaan, en den diep vernederden Zaligmaker uitgelachen en bespot liad, zond hij Hem naar Caiplias, die dat jaar het ambt van Opperpriester bekleedde, en bij wien de Priesters, de Schriftgeleerden en ouderlingen des volks vergaderd waren. Bij Caïphas aangekomen, begint terstond het verhoor.

De Opperpriester ondervraagt Jezus over zijne leerlingen en zijne leering. quot;Wat zijne leerlingen betreft, daarover zweeg Jezus, Hij antwoordt niet. Op de vraag aangaande zijne leering, antwoordt Hij vrijmoedig: Ik heb, zoo antwoordt Jezus, in \'t openbaar in de wereld gesproken; ik heb altijd geleerd in de Synagoge en in den tempel, waarin alle Joden tezamen komen, en in het verborgen heb ik niets gezegd: wat vraagt gij mij? Ondervraag degenen, die mij gehoord hebben, die weten wat ik gezegd heb.

Uit deze woorden blijkt, M. Z., dat Onze Goddelijke Zaligmaker recht voor zijne leering uitkwam, waardoor Hij volstrekt niet aan den eerbied, den Opperpriester verschuldigd, te kort bleef; doch zoo dacht men er niet over in de

ocr page 173

— 169 —

joodsche vergadering, die overigens reeds zoo zeer tegen Onzen Goddelijken Zaligmaker ingenomen was; want luistert, wat er plaats greep.

Een der dienaren liet zich voorstaan, dat Jezus, door zoo te antwoorden, den Opperpriester beleedigd had. Hij eigent zich het recht toe van Onzen Goddelij ken Zaligmaker op staanden voet daarvoor te straffen, en hij geeft Hem uit al zijne kracht eenen geweldigen kaakslag, terwijl hij Jezus toesnauwt: Is het zoo dat gij den Opperpriester antwoordt? Sic respondes pontifici? (i)

Welk eene verschrikkelijke, hemeltergende misdaad, als die, waaraan de dienaar zich plichtig maakt! Hij slaat den Zoon Gods in zijn aanbiddelijk aangezicht, dat, gelijk de Apostel Petrus zegt, de Engelen zoo zeer verlangen te aanschouwen, in quem desiderant Angeli prospicere; (2) en die kaakslag, M. Z., was zoo geweldig, dat Jezus het bloed uit den mond liep.

Voorzeker, Onze Goddelijke Zaligmaker kon dien booswicht oogenblikkelijk straffen; de Engelen snelden reeds toe, om de oneer hunnen Koning aangedaan te wreken: maar neen, Jezus houdt zijne Engelen tegen. Hij straft niet. Om te toonen nogtans, dat Hij volstrekt niets misdaan heeft tegen den Opperpriester, vraagt Jezus: Bijaldien ik kwaad gesproken heb, geef dan bewijs van het kwaad, si male locutus sum testimonium perhibe de mcdo, zoo niet, waarom slaat gij mij? Si autem bene quid me ccedis? (3)

£l) JOAN. XVIII, 27. (2) \' PETK. I, 12. (3) JOAN. XVIII, 23.

ocr page 174

— 170 —

Ziedaar, M. Z., eenige der mishandelingen, welke Onzen Goddelijken Zaligmaker bij Caïphas worden aangedaan. Doch zien wij eens wat meer van nabij, welke zedenles wij uit het gedrag van Jezus moeten trekken.

Caïphas, gelijk wij gezien hebben, had Jezus ondervraagd over zijne leerlingen. Onze Goddelijke Zaligmaker had kunnen antwoorden, dat zijne leerlingen zich slecht gedragen hadden; dat zij aan zijne gunsten en weldaden geenszins beantwoord hadden. Hij had kunnen zeggen, dat Judas, die Hem overgeleverd had, een verrader, dat Petrus, die Hem loochent te kennen, een trouwelooze was, en dat de overige Apostelen, die Hem verlaten hadden, zich laf hadden gedragen. Zoo had Jezus, zonder in het minste tegen iemand te misdoen, kunnen antwoorden; want die zaken waren publiek, iedereen bekend. Jezus, gelijk gij dus ziet, had alle redenen om zich over zijne leerlingen te beklagen, en Hij mocht er zich over beklagen. Doet Hij het ook? Neen, M. Z., maar Hij zwijgt over zijne leerlingen.

Welk eene schoone les, die Onze Goddelijke Zaligmaker-ons hier geeft! En welke les? Van nooit kwaad van onzen evenmensch te spreken. En welke zonde nogtans, is alge-meener dan de zonde van kwaadspreken? Men treft personen aan, die schier nooit met iemand in gesprek kunnen komen, of de een of andere moet er aan, zooals men dat noemt.

Men vertelt zaken, die grootelijks strijden tegen de eer en den goeden naam van den evennaaste, en die men zeer goed weet valsch te zijn.

ocr page 175

— 171 —

Men spreekt over zaken, die onbekend zijn, en onbekend moesten blijven; men vergroot de kleine fouten en gebreken; liet goede zelfs, dat iemand doet, wordt slecht uitgelegd, en men beeft allerlei soort van manieren, allerlei soort van uitdrukkingen, om op eene behendige, listige wijze als die van de slang zijnen evenmensch te steken, in zijne eer en goeden naam te benadeelen. Weet gij wel, M. Z., dat men door kwaadspreken grootelijks kan zondigen?

Door kwaad te spreken zondigt men tegen de liefde; want \'t is doorgaans uit haat, nijd of afgekeerdheid, dat men kwaad spreekt, kwaad ontdekt, vergroot of het goede slecht uitlegt. Men zondigt tegen de rechtvaardigheid; want die evenmensch heeft recht op zijne eer en goeden naam, waarin hij benadeeld wordt, en de eer en goede naam zijn meer waard dan geld of goed. De kwaadspreker is dus verplicht zijn woord te herroepen, of op eene andere wijze het ongelijk zijnen evenmensch aangedaan te herstellen. En waarvan nogtans hoort men minder spreken als van woordherroeping, van eerherstel? Te recht zegt bijgevolg de Apostel Paulus, dat de kwaadsprekers hatelijk zijn in de oogen van God. Detractores Deo odibiles. (i)

Om ons dus aan de zonde van kwaadspreken niet plichtig te maken, en den haat van God niet in te loopen, luisteren wij naar den raad, welken de Apostel Jacobus ons geeft, als hij zegt: Nolile detrahere alterulrum fralres: (2) mijne broeders, wilt geen kwaad van elkander spreken. Zouden wij het een of ander van onzen evenmensch weten, dat

(i) eom. i, so. (2) Jac. iv, u.

ocr page 176

— 172 —

minder prijsbaar, minder loffelijk voor hem is; verbergen wij het onder den dekmantel der liefde; volgen wij Onzen Goddelijken Zaligmaker na, die zweeg over de misdaden, de fouten en gebreken zijner Apostelen; en om nog meer aangezet te worden om het voorbeeld van Jezus te volgen, weten wij wel, dat Onze Goddelijke Zaligmaker het ongelijk, de oneer, de mishandelingen onzen evenmensch aangedaan, zal beschouwen als Hem aangedaan, en dat wij bijgevolg in zekere mate den goddeloozen dienaar navolgen die Jezus in \'t aangezicht sloeg. Wat zegt Onze Goddelijke Zaligmaker in het Evangelie? Al wat gij den geringste der mijnen gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan. Mild fecistis. (i) Als wij dus kwaad van onzen evenmensch spreken, hem beleedigen, dan zegt Jezus ons als het ware: Wat spreekt gij kwaad van mij? Wat beleedigt gij mij? En wij, M. Z., wij zouden, evenals eertijds Saulus, Jezus moeten vragen: Heer! wat wilt gij dat ik doe? Domine! quid me vis facere? (2) En Onze Goddelijke Zaligmaker zal antwoorden: Volgt mij na, spreekt nooit kwaad van uwen evenmensch, en zwijgt van zijne fouten en gebreken.

II.

Terwijl Onze Goddelijke Zaligmaker bij Caïphas over zijne leerlingen en leering ondervraagd en mishandeld werd, zien wij eens wat er een weinig van daar in \'t voorhof van den Opperpriester plaats had.

(i) Matth. xxv, 49. (2) Act. ix,

ocr page 177

— 173 —

Petrus, die eerst met de andere Apostelen gevlucht was, kwam eindelijk op zijne schreden terug; hij volgde Jezus en de soldaten van verre naar Jerusalem. In de stad aangekomen waagde hij het zelfs van naar het huis van Caïphas te gaan, om te vernemen hoe het met zijnen Goddelijken Meester zoude afloopen.

Door bemiddeling van den eenen of anderen persoon kwam hij tot in het voorhof van den Opperpriester; daar mengde hij zich onder de overige dienaren en soldaten, en hij warmde zich bij een kolen vuur, wijl het koud was.

Welk eene onvoorzichtigheid van Petrus! Aan welk gevaar stelt hij zich daar niet bloot! Zich zonder reden voegen bij de dienaren, bij de dienstmeiden, bij de soldaten, bij de vijanden van Jezus, enkel om zijne nieuwsgierigheid te voldoen! Ook wordt hij weldra opgemerkt.

Terwijl Petrus zich onder het overige volk bij het vuur zat te warmen, naderde hem eene dienstmeid des Opperpriesters, die de deur bewaarde. Zij zag Petrus goed in het aangezicht, en zeide: Gij waart ook bij Jezus den Galileër. Petrus ontkent het en zegt: Ik ken hem niet; daarop ging hij uit, en de haan kraaide.

Toen Petrus nu naar buiten ging, zag hem eene andere dienstmeid, die tot de omstaanders zeide : Deze was ook bij Jezus van Nazareth. Petrus loochent het op nieuw, en ditmaal met eed, zeggende: Ik ken dien mensch niet. Hij durft den naam van zijnen Goddelijken Meester niet eens uitspreken.

ocr page 178

Eenigen tijd daarna zeiden degenen, die met hem bij het vuur stonden, en die hem hoorden spreken; Inderdaad, gij zijt ook een van zijne leerlingen, want gij zijt een Galileër, uwe spraak verraadt u. Een bloedverwant van Malchus, dien Petrus het oor afgehouwen had bij de gevangenneming van Jezus, hem met aandacht beziende, zeide: Heb ik u dan niet bij Hem in den hof gezien? Op het hooren dier woorden begon Petrus te vloeken en te zweren, dat hij volstrekt geen kennis aan dien mensch had, en de haan kraaide voor de tweede maal.

Zoo dikwijls men, M. Z., deze droevige geschiedenis leest of hoort, vraagt men zich onwillekeurig af; maar hoe is het toch mogelijk, dat Petrus zoo diep gevallen is? Hoe dan Petrus! gij door Jezus tot Apostel verkozen, die zoo lang met Hem omgegaan hebt, die Hem zoo vele wonderen hebt zien verrichten, die plechtig beloofd hebt van Hem getrouw te zullen blijven tot den dood toe, die nog maar eenige uren geleden uw zwaard voor Hem getrokken hebt; gij kent dien Jezus niet meer, die u in \'t laatste avondmaal de voeten gewasschen, priester aangesteld, met zijn Goddelijk Vleesch gespijsd, met zijn Goddelijk bloed gedrenkt heeft! Gij djirft zeggen dat gij dien Jezus niet kent, en dat durft gij met eed, onder vloeken en verwenschingen bevestigen! M. Z., ik herhaal het nogmaals, als men dal alles nauwkeurig nagaat, dan vraagt men zich onwillekeurig af: maar hoe is het toch mogelijk, dat Petrus zoo diep en telkens dieper gevallen is? He voornaamste reden van Petrus\' val is geweest, dat hij het gevaar, de gelegenheid van zonde niet gevlucht heeft. Keen, Petrus was niet voorzichtig genoeg; zijn val was hem

ocr page 179

— 175 —

voorzegd, en wat had hij te doen onder de vijanden van zijnen Goddelijken Meester? Hij is daar enkel uit nieuwsgierigheid, om te zien hoe de zaken zouden afloopen, ut videret /mem, (i) dat was geene reden.

Petrus is gevallen, hij heeft Jezus verloochend, omdat hij niet heeft willen vluchten, zegt de H. Joannes Chrysostomus. Petrus quia fugere noluit abnegavit. Ziedaar tevens de voornaamste reden, waarom zoo menig christen in zonde valt, van de eene zonde in de andere, de eene al grooter dan de andere. Men vlucht de gevaren en gelegenheden der zonde niet. Men heeft mooi vermanen en waarschuwen van voorzichtig te zien. \'t Kan helaas! bij menigeen maar al te dikwijls niet baten, en ziedaar, hoe de mensch tot val en tot dieperen val komt.

Maar is het niet de dagelijksche ondervinding die zulks leert? Zegt mij eens: waarom is die persoon een vloeker en godslasteraar geworden? Om den omgang met personen, die vloeken en lasteren.

Waarom is een tweede een dronkaard geworden ? Doorgaans, wijl hij vroeger omgegaan heeft met kroeg- en herbergsmannen.

Waarom is een derde een vuilspreker geworden? Om den omgang met zijne consoorten.

Waarom is die jongeling, waarom is die jonge dochter zoo zeer veranderd? Nog maar weinig tijd geleden, kenden zij bijna de schandige ondeugd niet. Hij, zij vooral, werd

(l) MATTH. XX.VI, 58.

ocr page 180

— 176 —

reeds schaamrood bij het hooren Tan den naam alleen. De engelachtige deugd van zuiverheid maakte hun schoonste sieraad uit, en nu, nu is het vooral aan die schandige zonde dat zij zich plichtig maken; nu schaamt hij, nu schaamt zij zich ook nergens meer over; zij hebben alle schaamte verloren, zij zijn reeds met het teeken der schandige ondeugd gebrandmerkt; van waar die noodlottige verandering? Omdat men het gevaar niet gevlucht, de gelegenheid niet vermeden heeft; dat huis, dat gezelschap, dien persoon; ziedaar de reden van den val, de oorzaak van het ongeluk. De Heilige Geest, de Geest der waarheid zegt het uitdrukkelijk: Die het gevaar bemint, zal er in vergaan. Qui amat periculum, in Ulo peribit. (i)

Gelukkig nogtans, M. Z., de zondaar, die, na Petrus in den val gevolgd te zijn. hem ook volgt in zijne bekeering. Zien wij dus in \'t kort hoe Petrus opstaat en zich bekeert. Hier schijnt vooral de barmhartigheid van Jezus uit.

III.

Nadat Petrus tot driemaal toe zijnen Goddelijken Meester verloochend had, gebeurde het, dat Jezus, waarschijnlijk van de eene plaats naar de andere overgebracht, in \'t voorbijgaan zijnen Apostel aanschouwde. Ja, Jezus wierp eenen medelijdenden blik op Petrus. Die blik trof niet zoo zeer de lichamelijke oogen, dan wel de oogen der ziel van den Apostel. Deze, door de gratie, welke Jezus hem gaf, inwendig bewogen, ziet in, wat hij gedaan heeft. Hij wordt tevens

(l) ECCLI III, 27.

ocr page 181

indachtig, wat Jezus hem voorzegd had, dat namelijk, alvorens de haan tweemaal zoude kraaien, hij Hem driemaal zoude Terloochenen. Petrus gaat naar buiten en begint bitter te ween en.

Wat al goedheid, wat al barmhartigheid van Jezus voor Petrus! Te midden der mishandelingen, welke Hem worden aangedaan, vergeet Hij zijnen Apostel niet, al is het ook, dat deze zijnen Goddelijken Meester tot driemaal toe komt te verloochenen. Hij is meer bezorgd voor Petrus dan voor zich zeiven. Hij heeft meer medelijden met Petrus dan met zich zeiven.

Voorzeker, \'t is aan den oogslag vol medelijden van Jezus, dat Petrus op de eerste plaats zijne bekeering te danken heeft. Gelukkig ook dat Petrus aan den oogslag van Jezus beantwoordde; zonder dat had hij wellicht den ongeluk-kigen Judas nagevolgd. Op den oogslag van Jezus wordt hij indachtig, wat zijn Goddelijke Meester hem voorzegd heeft; hij gaat terstond naar buiten en verlaat het gevaar, waaraan hij zich roekeloos heeft blootgesteld. Hij begint bitter te weenen, niet zoo zeer uit vrees voor de straffen, dan wel uit liefde tot zijnen Meester, dien hij zoo grootelijks beleedigd heeft. Petrus verstond op dien oogenblik welk eene ramp, en hoe bitter het is zijnen Heer en God verlaten te hebben; daarom weent hij bitter, en heeft hij het overige van zijn leven zijne zonden beweend.

MEDITATIËN 12.

ocr page 182

— 178 —

SLUITREDE.

\'t Is aan den oogslag van Jezus gelijk ik reeds gezegd heb, dat Petrus zijne bekeering te danken heeft. Wij ook, M. Z., hebben aan dergelijken oogslag te danken, dat wij reeds niet over lang zijn omgekomen, verloren zijn. Misericordice Domini quia non sumus consumpti. (i) Wij moeten er dus ook aan beantwoorden, zooals Petrus deed.

Herinneren wij ons ook eens wat ons voorzegd is geworden, van wege denzelfden Jezus, door den mond van zijne dienaren, van den biechtvader, van den predikant. Zij hebben ons ook den val voorzegd. Zoodra gij u aan dat gevaar blootstelt, zoo dikwijls gij u in die gelegenheid begeeft, zult gij vallen, in groote en telkens in grootere zonden vallen. Die voorzegging is bewaarheid.

Verlaten wij dus ook de gevaren en naaste gelegenheden der zonde; de plaatsen waarop, de gezelschappen waarin, de personen waarmede wij gezondigd hebben.

Beweenen wij ook onze zonden, vooral de zonde van kwaadspreken, die wij bedreven hebben; niet zoo zeer uit vrees voor de straffen, die wij er door verdiend hebben, dan wel uit liefde tot Onzen Goddelijken Zaligmaker, tegen - wiens oneindige goedheid zij gedaan zijn.

Doen wij er boetvaardigheid over naar het voorbeeld van Petrus; niet voor korten tijd, maar gansch ons leven. Die tranen van leedwezen en die boetvaardigheid zullen ons

(1) THR. III, 22.

ocr page 183

— 179 —

bewaren voor verderen val; wij zullen er ook nog door bekomen vergiffenis der zonden, kwijtschelding der tijdelijke pijnen, en eindelijk eene schoone belooning in den hemel. Amen.

EINDE.

ocr page 184

VIERDE MEDITATIE

Aliens laqueo se suspendit.

Judas ging heen, en verhing zich in een-strop. (Matth. xxvii, s.)

INHOUD.

VOORREDE.

Jezus is voor de rechtbank van Caïyhas ondervraagd over zijne leerlingen en leering. — Op de eerste vraag antwoordt Jezus niet. — Waarom niet? — Voor zijne leering komt Hij recht uit, en beroept zich op zijne toehoorders. — Kaakslag. — Beleediging Jezus door Petrus aangedaan. — Jezus heeft medelijden met Petrus. — Gelukkig, dat Petrus aan den genadevollen oogslag van Jezus beantwoordt.

I. Jezus belijdt dat Hij de Zoon Gods is.

II. Jezus den ganschen nacht mishandeld.

III. Judas verhangt zich.

ocr page 185

— 181 —

I.

Schijn van rechtbank bij Caïphas. — De getuigen worden ondervraagd en gehoord, zij komen niet overeen, doch spreken zich tegen. — Beschuldiging van tempelschending.

— Jezus zwijgt.— Caïphas snauwt Jezus aan. — Hij bezweert Hem bij den levenden God van te zeggen, of Hij de Christus, de Zoon Gods is. — Nu spreekt Jezus. — De eer van Zijnen Hemelschen Vader vordert zulks. — Hij wordt als godslasteraar ter dood veroordeeld. — Zonderlinge rechtbank. — Echte tijpe van zoo vele hedendaagsche rechtbanken. — Jezus leert ons zwijgen en spreken. — Wanneer moeten wij zwijgen? — \'t Moet een goed woord zijn dat zwijgen verbetert. — Men moet spreken als de eer van God en het welzijn van den evenmensch het vorderen. — De ouders en oversten. Non licet tibi. — Wanneer? — Insgelijks de geestelijke oversten. — Men moet zich niet tegen de vermaningen verzetten, of die ten kwade duiden. — Alle katholieken moeten hedendaags spreken; Ego sum! Ik ben katholiek!

— Ego sum! Ik ben vader, moeder, en ik zal voor mijne kinderen zorgen! —Jezus zal zich dan niet over ons schamen, maar ons belijden voor Zijnen Hemelschen Vader in den laatst en dag des oordeels.

II.

Jezus is ter dood veroordeeld. — De raadsleden gaan naar huis. —Jezus wordt den soldaten ter bewaring overgegeven, die Hem den ganschen nacht mishandelen. — In \'t aangezicht

ocr page 186

— 182 —

spuwen. — Blinddoeken. — Slaan. — liet haar uittrekken en bespotten. — Woorden van den H. Joannes Chrysostomus. — Jezus heeft alles geleden, omdat Hij het gewild heeft, zonder morren, uit liefde tot ons. — Wie zijn wij, die durven klagen zoo wij wat te lijden hebben? — Waarom niet geleden met geduld, met overgeving aan den wil van God, uit liefde tot Jezus? \'t Lijden zal lichter, de verdiensten zullen grooter zijn.

111.

De joodsche raad, na Jezus veroordeeld te hebben, staat op en begeeft zich naar Pontius-Pilatus, om de bekrachtiging van het doodvonnis te bekomen. — Judas krijgt berouw, gaat naar den tempel, werpt het geld daar neder, gaat heen en verhangt zich. — Eerst verblindt de duivel den mensch, daarna zet hij hem aan tot wanhoop. — Droefheid van Jezus. — Reden voor ons van te vreezen, doch wachten wij ons van de wanhoop.

SLUITREDE.

Wij moeten onze zaligheid met vrees en hoop bewerken. — Vreezen. — Judas is gevallen en verloren gegaan. — Hopen. — Petrus is gevallen en opgestaan. — Wij moeten niet Judas maar Petrus navolgen. — Wij moeten onzen roep ter zaligheid door goede werken verzekeren, dus onze plichten van christen, van katholiek goed volbrengen. — De

ocr page 187

— 183 —

plichten van onzen staat, al zouden wij daarom bepraat, gelasterd, in \'t tijdelijke benadeeld worden. Beati qui persecutionem patiuntur propter justitiam, quoniam ipsorum est regnum ccelorum.

EINDE

ocr page 188

— 184 —

VIERDE MEDITATIE

Abiens laqueo se suspcndit.

Judas ging heen, en verhing zich in een strop. (Matth. xxvii, 3.)

VOORREDE.

In onze voorgaande meditatie, M. Z,, hebben wij Onzen Goddelijken Zaligmaker reeds beschouwd voor de rechtbank van Caïphas. Wij hebben gezien, dat de Opperpriester Jezus ondervroeg over zijne leerlingen en leering. Wijl Hij van zijne leerlingen geen goed kon zeggen, en wijl Hij er geen kwaad van wilde zeggen, daarom verkoos onze Goddelijke Zaligmaker van hen te zwijgen. Wat zijne leering betreft, wel wetende, dat zij aan zijne woorden toch geen geloof zullen hechten, beroept Jezus zich op zijne toehoorders, die weten wat Hij geleerd heeft, en die bijgevolg getuigenis kunnen afleggen. Daarop verstout zich een dienaar van den Opperpriester, zonder daartoe orde ontvangen te hebben, enkel om Caïphas te behagen. Onzen Goddelijken Zaligmaker in zijn aangezicht te slaan, zoodat het bloed Hem uit den mond loopt. Jezus, die natuurlijk op staanden voet dien booswicht naar verdienste kon straffen, lijdt die mishandeling geduldig; Hij vraagt enkel, dat, zoo Hij door zijn antwoord aan den Opperpriester misdaan heeft, de dienaar daarvan reden geve, zoo niet, waarom slaat gij mij dan? vraagt Jezus. Quid me ccedis? (1)

(1) joan. xviii, 28

ocr page 189

En terwijl Onze Goddelijke Zaligmaker daar tijdens het verhoor bij Caïphas door een dienaar des Opperpriesters geslagen wordt in zijn aanbiddelijk aangezicht, wordt Hem een weinig verder in \'t voorhof van Caïphas eene andere, en zelfs nog veel gevoeligere beleediging aangedaan, door een zijner leerlingen, namelijk door Petrus. Petrus, die vroeger zoo stout gesproken had, die zeide, dat hij Zijnen Goddelijken Meester getrouw zoude blijven tot den dood toe, diezelfde Petrus durft er hier niet eens vooruitkomen, dat hij de leerling van Jezus is. Op de stem eener meid en van eenige bedienden loochent hij Jezus te kennen, en hij loochent het met eed, onder vloeken en verwenschingen.

Bijaldien ooit iemand, M. Z., bewijs gegeven heeft van menschelijke zwakheid, dan is het voorwaar Petrus, de prins der Apostelen. Gelukkig, dat Onze Goddelijke Zaligmaker medelijden met Petrus had; dat Hij een oogslag op hem ■wierp. Gelukkig ook voor Petrus, dat hij aan dien genadigen oogslag van Jezus beantwoordde, dat hij buiten ging en zijne zonden beweende; zonder dat, had hij wellicht den verrader Judas in zijn ongeluk nagevolgd.

Doch alvorens over het rampzalig uiteinde van Judas te spreken, laat ons eerst nog overwegen, wat er meer bij Caïphas in \'t verhoor, en den nacht daarop in de gevangenis plaats had.

Ziehier de drie punten die wij gaan verhandelen:

I. Jezus belijdt voor Caïphas dat Hij de Zoon Gods is.

II. Jezus wordt den ganschen nacht mishandeld.

III. Judas wanhoopt en verhangt zich.

ocr page 190

— 186 —

I.

Alhoewel de Opperpriester en de overige leden van den raad den dood van Onzen Goddelijker) Zaligmaker reeds besloten hadden; opdat het onwettige en onrechtvaardige van het doodvonnis niet te zeer in \'t oog zouden springen, zoo wilden zij toch een schijn van rechtbank onderhouden. Er moeten dus getuigen tegen Jezus opkomen.

Verscheidene personen treden op. Zij worden ondervraagd en gehoord; doch men bevindt weldra dat die personen niet overeenkomen; de eene zegt dit, de andere dat; zij spreken elkander tegen; bijgevolg kan hunne getuigenis niet anders dan valsch zijn, zij kan niet aangenomen worden. Welk een spijt voor Caïphas en de overige leden van den joodschen raad!

Doch ziet, daar worden zij eindelijk uit hunne verlegenheid getrokken. Twee getuigen staan fier op; zij beschuldigen Onzen Goddel ij ken Zaligmaker van tempelschending; wij hebben van dezen gehoord, zeggen zij: Ik kan den tempel Gods verwoesten en na drie dagen wederom opbouwen. Possum destniere templum Dei et post triduüm recedi-ficare illud. (i) Die beschuldiging had natuurlijk eenige uitlegging noodig, en ongelukkig, terwijl die twee getuigen bezig zijn met zich te verklaren, zijn zij het wederom niet eens, en zoo loopt ook deze laatste getuigenis, even als de voorgaande, op niets uit. Onze Goddelijke Zaligmaker had

(i) matth. xxvi, 61.

ocr page 191

— 187 —

niet tusschen beide te komen. Oimoodig van zich te verdedigen, wijl de getuigen niet overeenkomen, zich zeiven tegenspreken; daaruit blijkt genoeg, dat alles wat zij tegen Jezus inbrengen, valsch is; daardoor alleen was Hij genoegzaam verdedigd; Jezus had niets te doen dan te zwijgen, gelijk Hij inderdaad deed.

Gaïphas begrijpt zeer goed dat hunne onderneming mislukt; ook kan hij niet langer verdragen dat Onze Goddelijke Zaligmaker zoo kalm daar tegenwoordig is, dat Hij volstrek niets inbrengt tegen de beschuldigingen ; hij vliegt te midden van den raad op, en hij roept Jezus toe: Antwoordt gij niet op hetgeen dezen tegen u inbrengen? Jezus zweeg nog: de tijd van spreken was nog niet gekomen. Caïphas bezit zich als het ware niet meer, zoo kwaad wordt hij, en hij roept: Ik bezweer u bij den levenden God, Adjuro tc per Deum vivum, van ons te zeggen of gij de Christus, de Zoon Gods zijt, si tu es Christus Filius Dei! (i) Zal Onze Goddelijke Zaligmaker nu nog zwijgen? Neen, M. Z., nu is de tijd van spreken gekomen; uit eerbied voor Zijnen Hemelschen Vader gaat Hij antwoorden. Gij hebt het gezegd, zoo spreekt Jezus: Tu dixisti: Ik ben de Zoon Gods. Ik voeg er bij: Weldra zult gij den Zoon des menschen zien, gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods en komende op de wolken des hemels; als wilde Jezus zeggen: Ja, ik ben de Zoon Gods, al is het ook dat ik hier vernederd, mishandeld, geboeid voor u sta, en alzoo weinig van den Zoon Gods heb; want ik verklaar u; ik, die hiervoor u sta om geoordeeld te worden,

(l) MATTH. XXVI, 63.

ocr page 192

— 188 —

ik zal weldra op mijne beurt komen om te oordeelen. Onze Goddelijke Zaligmaker komt dus recht voor de waarheid uit, gelijk gij ziet.

Op dat vrijmoedig antwoord van Jezus, scheurt zich de Opperpriester de kleederen, en hij zegt: Blasphemavit! Hij heelt God gelasterd! Wat hebben wij nog getuigen noodig? gij hebt zeiven de godslastering gehoord: Ecce nunc audistis blasphemiam. Wat dunkt u? vraagt Caïphas: En allen antwoordden; Hij is des doods schuldig! Reus est mortis! (i)

Wat rechtbank! M. Z., wat rechters! wat raadsleden! wat getuigen! Echte tijpe van zoo vele rechtbanken, welke onlangs iji ons land tijdens het zoogenaamd schoolonderzoek zetelden.

Doch zien wij enkel een weinig meer van nabij, wat Onze Goddelijke Zaligmaker door zijne manier van handelen voor de rechtbank van Caïphas ons wil leeren.

Jezus leert ons hier zwijgen en spreken, elk op zijnen tijd. Hij leert ons zwijgen, als men ons in \'t een of ander verongelijkt ol\' bekladt; als men ons het een of ander ten onrechte, ten laste legt, of dit of dat slecht uitlegt; gelooft gij wel, M. Z., niets beter in \'t algemeen, om onze vijanden te beschamen, dan stilzwijgen; niets beter om den lastei weldra te doen verdwijnen, dan niet te antwoorden, en van daar het spreekwoord, dat zegt: \'t Moet een gufd woord zijn, dat zwijgen verbetert.

(i, MATTH. XXVI, 60.

ocr page 193

— 189 —

Maar leert Onze Goddelijke Zaligmaker ons door zijn voorbeeld zwijgen, Hij leert ons ook, van op tijd te spreken, als liet namelijk de eer van God en de zaligheid der zielen vorderen.

Dit geldt vooral de ouders en oversten, ja, in onze droevige tijden geldt liet alle katholieken.

De ouders en oversten moeten spreken, als er in hun huisgezin iets gebeurt, dat niet zijn mag; als hunne kinderen of dienstboden zich slecht gedragen: zij moeten spreken, als zij namelijk God vloeken, zedenkwetsende taal voeren, ja, wat nog erger is, zoo de een den andere tot het kwaad verleidt.

De ouders en oversten moeten spreken, als hunne kinderen of dienstboden zich aan de zonde van dronkenschap plichtig maken; bijaldien zij te laat in de herbergen blijven, met ongelijke en slechte personen omgaan. Ja, M. Z., dan moeten ouders en oversten spreken, zij moeten vermanen en berispen ; dan moeten zij de woorden van den Heiligen Joannes den Dooper gebruiken, welke hij eertijds tot Ilerodes sprak: Non licet tibi!(\\)Y)}xi is u niet geoorloofd! Zoon, dienstknecht, wacht u van dat vloeken: ik verbied, en ik verbied u streng, van nog ooit op het werk dergelijke taal te voeren. Wacht u van de onmatigheid in den drank, en bijgevolg, zorgt dat gij voortaan op zon- en feestdagen bij tijd te huis zijt.

Non licet tibi! Dat is u niet geoorloofd! Mijne dochter, dienstmeid, wacht u wel voor dien en dien persoon, voor die en die plaats; ik verbied u den omgang met dien persoon,

(l) MATTH. XIV, 4.

ocr page 194

— 190 —

~ ^--

~----—

-

luj zal u verleiden en ongelukkig maken; ik verbied u van in dat huis, in dat gezelschap te komen; zoo niet, zal er veel over u gesproken worden.

Doch niet alleen de ouders en de wereldlijke oversten, maar ook, en wel bijzonder de geestelijke oversten moeten spreken. Een pastoor, bijv. moet vermanen en berispen; een pastoor moet aantoonen, waarvoor men zich, en hoe men zich moet wachten; dat is een strenge plicht voor hem, en het is de glorie van God en het heil der zielen, die zulks vorderen.

Bijaldien de ouders, en oversten, zoo wereldlijke als geestelijke, zich naar behooren van hunne plichten kwijten, de onderhoorigen moeten zich niet tegen hen verzetten; zij mogen het hun niet ten kwade duiden, want wee den ouders! wee den oversten, die hunne plichten verwaarloozen! Wee hun, die zwijgen, wanneer zij moeten spreken! Eenmaal en misschien te laat zouden zij met den Profeet al klagende moeten uitroepen; Wee mij! omdat ik gezwegen heb! Yce mihi, quia tacui. (i)

Hetgeen ik hier van de ouders en oversten gezegd heb, dat zij namelijk moeten spreken, als hun plicht het vordert, dat mogen wij in onze droevige tijden van alle katholieken zeggen. Wij katholieken moeten er thans vooruit komen. Wij moeten de vijanden der Kerk in hun aangezicht verklaren, wie en wat wij zijn. Wanneer zij hun best doen, om ons mede te slepen; wanneer zij alle middelen aanwenden, zooals beloften, bedreigingen, geld, enz., om ons tegen onze

(l) ISAÏAS VI, 5.

ocr page 195

— 191 —

Moeder de Heilige Kerk op te zetten; om aan den Paus, de Bisschoppen en de overige geestelijke overheid te wederstaat!; dan moeten wij rechtuit verklaren, wie wij zijn ; wij moeten antwoorden: Ego sum! Ik ben katholiek! Ik ben een kind van de Heilige Kerk, en die Moeder, die mij altoos alle goed gedaan heeft, zal ik getrouw blijven; ik zal Haar, in zoo ver het in mijne macht is, verdedigen, in plaats van Haar te verlaten, in plaats van mij tegen Haar te verzetten en Haar te vervolgen. Wanneer de vijanden der Kerk ons aanzetten van onze heiligste plichten te vergeten, dan moeten wij antwoorden: Ego sum! Ik ben vader! Ik ben moeder! en nooit of nimmer zal ik mijne eigene ziel, noch de zielen mijner kinderen, voor een stuk geld overleveren of verkoopen.

Ziedaar, wat wij in onze droevige tijden moeten doen; God, de Heilige Kerk, hare overheid, onze heiligste plichten, onze dierbaarste belangen voorstaan; dan behoeven wij niet te vreezen dat Jezus-Christus, die zoo kloekmoedig voor de waarheid uitkwam voor Caïphas en zijnen raad, dat diezelfde Jezus zich eenmaal over ons zal schamen voor Zijnen Hemel-schen Vader. Integendeel, Hij zal ons belijden. Hij zal ons voor de zijnen erkennen voor Zijnen Hemelsclien Vader, en voor de gansche wereld in den laatsten dag des oordeels.

II.

Onze Goddelijke Zaligmaker is dus door den joodschen raad des doods schuldig verklaard. Caïphas en do overige raadsleden staan op en gaan naar huis, om zich ter rust te begeven, want het was nacht. Wat gaat er nu met Jezus

ocr page 196

— 192 —

gebeuren? Hij is vermoeid en geheel en al afgetobd ; zal men Hem ook eenige uren rust vergunnen? Neen, M. Z., maar de joodsche raad geeft Onzen Goddelijken Zaligmaker ter bewaring over aan de krijgsknechten. Die onmenschen, wetende dat Jezus reeds ter dood veroordeeld is, en bijgevolg door niets meer wederhouden, besluiten van zich eens goed met Hem te vermaken.

Den ganschen nacht, zonder Onzen Goddelijken Zaligmaker de minste rust te laten, tot den morgen toe, drijven zij den spot met Hem.

Zij spuwen Jezus in het aangezicht, binden Hem een doek voor de oogen.

Zij geven Hem vuistslagen en oorvegen; zij trekken Hem het hoofdhaar en den baard uit, en zij roepen : Profeteer ons Christus! wie is het die u geslagen heeft? en nog vele andere lasteringen braakten zij tegen Jezus uit. De H. Joannes Chrysostomus aarzelt niet van te zeggen, dat de hel dien nacht hare duivelen heeft losgelaten, dat Lucifer met zijnen aanhang in de stad Jerusalem is gekomen; dat de duivelen in de Joden en Romeinen zijn gevaren, en hen als werktuigen gebruikt hebben, om hunnen haat en nijd, om hunne gramschap en woede op Gods Zoon uit te oefenen.

En inderdaad, de duivel alleen heeft de soldaten kunnen ngeven, hetgeen zij op Onzen Goddelijken Zaligmaker uitwerkten.

Zij spuwen Jezus in zijn aangezicht, die met zijn speeksel de blinden het gezicht, de stommen de spraak, de dooven het

ocr page 197

— 193 —

gehoor gegeven had; in dat aanbiddelijk aangezicht, waarvoor de Engelen zich met hunne vleugelen dekken; en Jezus heeft zijn aangezicht niet afgewend van hen, die er in spuwden.

De soldaten binden Jezus een doek voor de oogen, en ongetwijfeld een vuilen, een smerigen doek. Mozes, na met God op den berg gesproken te hebben, moest zich ook een doek voor het hoofd binden, opdat de kinderen van Israël zicli met hem zouden kunnen onderhouden; doch de soldaten blinddoeken hier Jezus, om Hem des te vrijer te kunnen mishandelen.

De soldaten slaan Jezus met de gebalde vuist, met de platte hand, overal waar zij Hem maar treffen kunnen, tot in zijn Goddelijk aangezicht, dat paars en blauw wordt van de slagen, dat opzwelt; en Jezus laat hen begaan, Hij wendt zijn aangezicht niet af van degenen, die Hem slaan; hier zegt Hij niet eens meer, waarom slaat gij mij ? Quid me ccedis?

De soldaten trekken Jezus het hoofdhaar en den baard uit, hetgeen de Profeet Isaïas reeds jaren te voren voorzegd had. Welke folterende pijn moet die mishandeling Onzen Goddelijken Zaligmaker niet veroorzaakt hebben! En terwijl zij Jezus zoo onmenschelijk mishandelen, voegen zij het bespottelijke nog bij het pijnlijke; al lachende roepen zij: Profeteer Christus! Prophetiza Chris te! (i) Wie is het, die u geslagen heeft? Quis est qui te percussit? En al die mishandelingen duurden niet eenige oogenblikken, maar den gauschen nacht; zij werden Jezus aangedaan door een troep

(i) Matte, xxvi, cs.

MEDITATIËN 13.

ocr page 198

— 194 —

bandelooze soldaten, die de duivelen tegen Jezus aanhitsten.

Verbeeldt u, zoo gij kunt, M. Z., wat Onze Goddelijke Zaligmaker dien nacht geleden heeft; welnu, dat alles heeft Hij geleden, omdat Hij het gewild heeft, zonder morren, en uit liefde tot ons.

Wie zijn wij dan, die zoo licht klagen en zuchten, als wij maar een weinig te lijden hebben? Wie zijn wij dan, die het minste te zwaar vinden, om voor Jezus te lijden ? Waar is dan onze wederliefde tot Jezus? O, M. Z., zoo wij wisten en beseften, hoe verdienstelijk, hoe glorievol het is voor Jezus bespot, gelasterd en beschimpt te worden; zoo wij wisten en beseften, hoe verdienstelijk, hoe glorievol het is voor Jezus, wat ook, te lijden, wij zouden even als een andere Heilige Paulus er naar verlangen, en er ons over verheugen; doch zoo wij tot dien graad van volmaaktheid nog niet gekomen zijn, wij moeten toch het ongelijk, dat ons wordt aangedaan, \'t lijden, dat ons overkomt, met overgeving aau den wil van God, met geduld en uit liefde tot Jezus verdragen, \'t lijden zal lichter, de verdiensten zullen des te grooter wezen.

III.

Zoodra de dag nu was aangebroken, vergaderden de Priesters, de Schriftgeleerden en de ouderlingen des volks op nieuw. Het doodvonnis, tegen Jezus reeds uitgesproken, wordt bevestigd. De gansche zaak nu is, de goedkeuring te bekomen van den Romeinschen Landvoogd Pontius-Pilatus, die door den keizer Tiberius, over Judoea was aangesteld.

ocr page 199

— 195 —

Zij staan dus op, en leiden Onzen Goddelijken Zaligmaker geboeid naar Pontius-Pilatus.

Toen Judas nu zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw van zijnen Meester verkocht en overgeleverd te hebben; hij neemt de dertig zilverlingen, die hij nog bezit, gaat naar den tempel tot de priesters en ouderlingen, en brengt ze hun terug, zeggende: Ik heb gezondigd, omdat ik onschuldig bloed heb overgeleverd. Wat antwoorden de priesters daarop? Zonder medelijden met den ongelukkigen Judas, zeggen zij; Wat gaat ons dat aan? Quid ad nos? Dat is uwe zaak! Tu videris! (i) En ziet, nauwelijks heeft Judas die woorden gehoord, of hij neemt de dertig zilverlingen, werpt ze in den tempel, gaat heen en verhangt zich.

Zoo gaat het, M. Z. Eerst verblindt de duivel den mensch, om hem tot zonde te brengen, en nauwelijks heeft deze de zonde bedreven, of de duivel stelt ze hem voor oogen, om hem te doen wanhopen. Die wanhoop, dat noodlottig uiteinde van Judas veroorzaakte Onzen Goddelijken Zaligmaker de. grootste droefheid. Hij ziet daar dat zijn Goddelijk bloed voor dien ongelukkige te vergeefs gestort wordt; daaraan is Jezus gevoeliger dan aan al de mishandelingen, die Hij onderstaan heeft.

Voorzeker, M. Z., wanneer wij wel nagaan, hoe Judas, een leerling, een Apostel, die zoo lang met Jezus had omgegaan, die wellicht mirakelen verricht had, zondigt, in wanhoop vervalt en ellendig omkomt, dan vinden wij inderdaad redenen van te vreezen, omdat wij ook, leerlingen van Jezus

(l) MATTH. XXV1F, 4.

ocr page 200

— 196 —

en met weldaden overladen, Hem zoo dikwijls vergramd hebben. Doch iets, waarvoor wij ons toch wel moeten wachten, is, van Onzen Goddelijken Zaligmaker, dien wij door onze zonden reeds bedroefd hebben, op nieuw en nogquot; meer te bedroeven door onze wanhoop.

Ten slotte dus zeg ik :

SLUITREDE.

Wij moeten onze zaligheid met vrees en hoop bewerken. Vooreerst met vrees. Anderen zijn gevallen, zijn verloren gegaan. Judas een leerling, een Apostel zelfs, is gevallen en A7erloren gegaan; het ongeluk, dat anderen overkomen is, kan ons ook overkomen.

Vervolgens met hoop. Anderen zijn gevallen, zijn opgestaan. Petrus een leerling, een Apostel zelfs, gelijk wij vroeger gezien hebben, is gevallen, hij is opgestaan; daaruit blijkt dus, dat God den dood van den zondaar niet wil, maar dat hij zich bekeere en leve.

Zoo wij dus die twee Apostelen nagevolgd zijn in den val; en wie onzer zoude durven ontkennen, dat hij het niet gedaan heeft? volgen wij dan Petrus na in de bekeering, en wachten wij ons wel van Judas te volgen in de wanhoop.

En om dat ongeluk voor te komen, doen wij ons best van onzen roep ter zaligheid te verzekeren door goede werken, zooals de Apostel Petrus zegt: Satagüe ut per bona opera certain vestram vocationem faciatris. (i)

(i) 2 Petr. I, 10.

ocr page 201

— 197 —

Te dien einde moeten wij ons ook trouw van onze plichten kwijten, van onze plichten van christen mensch, van katholiek; er voor uitkomen dat wij leerlingen van Christus zijn, dat wij kinderen zijn van de Roomsch-katholieke Kerk; en daarom, in plaats van die moeder te vervolgen, in den steek te laten, moeten wij als ware, als verkleefde kinderen hare geboden en wetten onderhouden, hare rechten voorstaan en tegen hare vijanden verdedigen op allerlei wijze, met woorden en met werken, bijzonder door bekwame en echt katholieke Volksvertegenwoordigers te kiezen, door de vijanden der Kerk af te weren. Wij moeten ons trouw kwijten van onze plichten van staat.

De ouders vooral moeten zorgen voor de opvoeding hunner kinderen; dat zij zich wel wachten van hunne kinderen toe te vertrouwen om ouderwezen te worden aan personen, die slecht of gevaarlijk zijn, en hetgeen onze Moeder de Heilige Kerk door hare wettige overheid streng verboden heeft.

Gebeurde het nu, dat wij en wel juist ter oorzake van het stipt volbrengen onzer plichten, vervolging zouden lijden, dat wij gelasterd, verongelijkt, zelfs in onze tijdelijke zaken benadeeld zouden worden; offeren wij dat lijden aan Onzen Goddelijken Zaligmaker op, ondergaan wij het tot uitboeting der zonden, die wij vroeger bedreven hebben en uit liefde tot Jezus, die uit Heide tot ons en om onze zouden uit te boeten zoo veel geleden heeft.

Herinneren wij ons ook nog wat Jezus tijdens zijn leven geleerd heeft; Zalig zijn zij, zoo sprak Jezus, die vervolging

ocr page 202

— 198 —

lijden om de gereclitiglieid, JSm^z quipersecutionempatiun-tur propter jusliUam, want het rijk der hemelen behoort hun toe! quoniam ipsorum est regnum ccelorum! (i) Amen.

EINDE.

ocr page 203

VIJFDE MEDITATIE

Quem vultis dimittam voiis, Barabbam an Jesum?

Wien wilt gij dat ik u loslate, Barabbas of Jezus? (Matth. xxvn, it.)

INHOUD.

A^OORREDE.

Tijdens het leven van Onzen Goddelijken Zaligmaker hadden de Joden hunne onafhankelijkheid verloren. — Zij stonden onder den keizer van Rome. — Judea was eene Romeinsche provincie, bestuurd door Pontius-Pilatus. — Zij hadden het recht op leven en dood verloren, en dus moest het doodvonnis tegen Jezus uitgesproken door Pilatus bekrachtigd worden. — De joodsche raad begeeft zich naar het paleis van Pilatus. — Optocht.

ocr page 204

— 200 —

I. Jezus beschuldigd bij Pilatus en Barabbas

Toor Jezus gesteld.

II. Jezus gegeeseld.

III. Jezus met doornen gekroond.

I.

De Joden gaan bij Pilatus niet binnen, om niet ontreinigd te worden. — Huichelarij. — Pilatus vraagt welke beschuldiging zij tegen Jezus in te brengen hebben. — Antwoord; Bijaldien deze geen kwaaddoener ware, zouden wij ons wel wachten, van Hem aan u over te leveren. — Pilatus wil Jezus niet blindelings ter dood veroordeelen. — Beschuldigingen. — Hij ruidt het volk op. — Hij weigert de schatting aan den keizer te betalen. — Hij maakt zich koning. — Onderzoek van Pilatus. — Ik vind geene schuld in Hem. — Jezus zwijgt. — Beschuldiging. — Hij ruidt het volk op door-van Galilea af tot hiertoe zijne leering te verkondigen. — Jezus naar Herodes gezonden. — Hoe Hij daar ontvangen wordt, en hoe Hij zich voor Herodes gedraagt. — Jezus, met een witten mantel bespot, wordt naar Pilatus terug gezonden. — Verzoening van Herodes met Pilatus. — Vergelijking met Barabbas. — Non hiinc, sed Baruhbarn! — Tolle hunc et demitte nobis Barahham! — Jezus wordt door den zondaar achter Barabbas gesteld. — De onzuivere. — De gierigaard en onrechtvaardige. — De onmatige en de dronkaard. — Ondankbaarheid der Joden en der zondaren.

ocr page 205

11.

Pilatus is een lafaard, een onrechtvaardige en een wreedaard. — Jezus wordt veroordeeld om gegeeseld te worden. — Onrechtvaardige, schandige en wreede foltering. — Om de zonde van onzuiverheid uit te boeten. —Jezus is schaamrood, en wij zullen ons niet schamen over die zonde? — Jezus heeft de handen aan de kolom vastgebonden, en wij zullen onze handen uitsteken tot zondige werken ? — Jezus wordt uitgelachen, en wij zullen nog lachen met zeden-kwetsende taal? — Jezus wordt verscheurd, en wij zullen onze driften involgen? — Jezus valt in zijn bloed neder, en wij zullen ons wentelen in de ontucht ?

III.

Jezus wordt eene nieuwe foltering aangedaan, niet minder onrechtvaardig, schandig en wreed. — Hij wordt met doornen gekroond. — De soldaten rukken Jezus op nieuw de kleederen af, werpen Hem een purperen mantel om de schouders, drukken Hem eene doornen kroon op het hoofd en geven Hem een rietstok in de hand. — Bespottelijke vereering. — Zij knielen voor Jezus, groeten Hem, geven Hem kaakslagen, spuwen Hem in \'t aangezicht, slaan Hem met den rietstok op de doornen kroon. — Onbegrijpelijke pijn die Jezus verdraagt.

SLUITREDE.

Waarom?. Om voor onze zonden te voldoen, om voor ons de kroon van glorie te verdienen. — Wij moeien ook door

ocr page 206

te lijden onze zonden uitboeten, waardoor wij Jezus achter Barabbas gesteld hebben, bijzonder de zonde van onzuiverheid. — Wij moeten ook door te lijden de kroon van glorie verdienen. — De weg des lijdens is de weg naar den hemel. — Jezus is voorgegaan. — De Heiligpn zijn gevolgd. — Magdalena van Pazzi. — Joannes van \'t kruis.— Wij moeten ten minste met geduld de kruisen en wederwaardigheden dragen, de doornen kroon van Jezus ontvangen, willen wij eenmaal met de kroon van glorie versierd worden.

EINDE

ocr page 207

— 203 —

VIJFDE MEDITATIE

Quem vultis dimiltam vobis, Barabbam an Jesum?

Wien wilt gij dat ik u loslate, Barabbas of Jezus? (Matth. xxvii, it.)

VOORREDE.

Tijdens liet leven van Onzen Goddelijken Zaligmaker, M. Z., hadden de Joden hunne onafhankelijkheid verloren. Zij waren gevallen onder de macht der Romeinen. Die natie, zoo fier op hare vrijheid, en die, wat mser is, eertijds zich mocht beroemen van God tot Koning te hebben, die natie hangt thans af van een heiden; zij moet aan den Roineinschen keizer gehoorzamen. Jndea is veranderd in eene Romeinsche provincie. De keizer Tiberius heeft er een landvoogd over aangesteld, om ze in zijnen naam te regeeren. Die landvoogd is Pontius-Pilatus. Hij woont te Jerusalem in een prachtig paleis gelegen op den berg Sion. (i) Hij is omgeven van eene sterke bezetting Romeinsche soldaten, waarmede hij de Joden tot onlusten en oproer geneigd, in bedwang moet houden. Wijl dus de Joden van de Romeinen afhingen, zoo hadden zij veel van hunne rechten verloren, en onder die rechten bevond zich het recht op leven en dood.

De joodsche raad, namelijk het Sanhedrin, bestond wel is waar nog: deze was samengesteld uit Priesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen. Oorspronkelijk was die raad alle eer en achting waardig, doch thans heeft hij geheel en al

(]) Anderen willen dat Pontius-Pilatus den burg Antonia op den Moria bewoonde.

ocr page 208

— 204 —

zijnen Toormaligen luister verloren. Voor dien raad is Onze Goddelijke Zaligmaker, gelijk wij reeds gezien hebben, verschenen. Hij is er reeds door ter dood veroordeeld, doch om ter dood gebracht te kunnen worden, moet het doodvonnis eerst door den Romeinschen Landvoogd bekrachtigd worden. De Joden konden wel is waar Jezus in het geheim ombrengen, doch dat was hun niet genoeg; hun haat tegen Onzen Goddelijken Zaligmaker is te groot, en daarom willen zij Hem een schandigen en pijnlijken dood doen sterven.

Alles is hun tot hiertoe naar wensch gelukt. Voor een spotprijs hebben zij een Apostel omgekocht; met eenige soldaten en zonder opschudding onder het volk, waarvoor zij in den beginne het meest vreesden, hebben zij Hem gevangen genomen; Jezus is reeds ter dood veroordeeld. Er blijft hun niets meer over dan de bekrachtiging van het doodvonnis door Pilatus, en om die te bekomen, gaan zij zich thans aan \'t werk stellen. De joodsche raad zendt \'s morgens vroeg gerechtsdienaren naar de gevangenis, waarin Jezus opgesloten, den ganschen nacht mishandeld is geworden. Uitgeput, bleek en mismaakt brengen zij Hem te voorschijn. De optocht van af het huis van Caïphas naar het paleis van Pilatus gaat beginnen. Duizenden van menschen loopen op de tijding er van te zamen ; want wegens het Paaschfeest, dat stond gevierd te worden, was eene menigte vreemdelingen naar Jerusalem gekomen. Om nu alle Joden, én die van Jerusalem, én die van andere streken, op hunne zijde te krijgen, en zooveel mogelijk indruk op hen te maken, stellen zij zich uitwendig in \'t groot aan. Caïphas de Opperpriester gaat voorop; hij is omgeven van de overige leden

ocr page 209

— 205 —

van den raad, van Priesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen. Daarop komen de valsche getuigen en vervolgens Onze Goddelijke Zaligmaker geboeid en van soldaten omgeven; een drom van volk sluit zich bij dien stoet aan, en zoo komt men eindelijk aan het paleis van den Romeinschen Landvoogd.

Overwegen wij vandaag eens, M. Z., het voornaamste van hetgeen er bij Pontius-Pilatus plaats had.

Zien wij dus;

I. Jezus bij Pilatus beschuldigd en Barabbas

voor Jezus gesteld.

II. Jezus gegeeseld.

III. Jezus met doornen gekroond.

I.

Zoodra Caïphas, de Opperpriester en de overige leden van den raad aan het paleis van Pilatus gekomen zijn, blijven zij buiten voor het paleis staan; zij gaan niet binnen. Waarom niet? Zij moeten toch den Romeinschen Landvoogd spreken, om de bekrachtiging van het doodvonnis tegen Jezus uitgesproken te kunnen bekomen. Ha! die huichelaars, die schijnheiligen! Wat had Onze Goddelijke Zaligmaker gelijk van ze zoo te noemen. Pilatus is een heiden, en volgens de valsche overlevering der Pharizeën en Schriftgeleerden werd een jood door het huis van een heiden binnen te gaan ont-reinigd, en alzoo belet van het Pascha te eten. Daarvoor zijn zij bevreesd, en gaan zij bij Pilatus niet binnen, maar om de veroordeeling van eenen onschuldige te komen vragen, en dien den schandigsten en pijnlijksten dood te doen sterven,

ocr page 210

— 20G —

ven, neen, daarvoor vreezen zij niet, dat zullen zij Pilatus zonder schroom vragen.

Pilatus van hunne aankomst verwittigd komt, om hun te believen, naar buiten en vraagt hun: Quam accusationem affertis adversus hominem hunc? (i) Welke beschuldiging hebt gij tegen dezen mensch in te brengen? Die vraag van wege Pilatus was billijk, \'t Was alsof hij zeide: Gij wilt dat ik dezen mensch ter dood veroordeele? \'t zij zoo, maar dan moet gij hem eerst beschuldigen van eene misdaad, die de doodstraf verdient, en die misdaad bewijzen. Gestoord over die eenvoudige en billijke vraag van Pilatus antwoorden zij: Als deze geen booswicht was, zouden wij Hem aan u niet hebben overgeleverd. Als wilden zij zeggen: Waarvoor ziet gij ons aan? Denkt gij dan, dat wij Priesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen, dat wij leden van den raad u zullen komen vragen van eenen onschuldige ter dood te veroordeelen?

Pilatus zoude dus enkel op hun verzoek Jezus ter dood moeten veroordeelen. Doch neen! Pilatus is rechtvaardiger dan zij. Neemt gij Hem dan, antwoordde Pilatus, en vonnist Hem volgens uwe wet. Nu moeten zij bekennen dat het recht op leven en dood hun ontnomen is. Ons is het niet geoorloofd, zeggen zij, iemand ter dood te brengen.

Ziende dus, dat Pilatus niet genegen is hun verlangen te voldoen, door namelijk Onzen Goddelijken Zaligmaker blindelings te veroordeelen, zijn zij gedwongen hunne beschuldigingen te beginnen. De valsche getuigen treden op.

(l) JOAN. XVIII, 2!).

ocr page 211

Van dezen hebben wij bevonden, zeggen zij, dat hij ons volk opruidt, aanzet van oproer te maken; en Jezus nogtans, gelijk wij weten leerde op straat, in den tempel, overal de gehoorzaamheid aan de wetten, dus juist het tegenovergestelde der aanklacht.

Hij verbiedt, zeggen zij op de tweede plaats, den keizer schattingen te betalen; en Jezus leerde: geeft den keizer, wat den keizer toekomt, ja wat meer is, hij zelf betaalde de schatting, en toen Hem zekeren dag het geld daartoe ontbrak, deed Hij een wonder om te kunnen betalen. Eindelijk treden er nog eenige getuigen op, die beweren, dat Onze Goddelijke Zaligmaker zich Koning heeft willen maken; en nogtans, toen de scharen zekeren dag Jezus tot Koning wilden uitroepen, had Hij de vlucht genomen.

Toen Pilatus nu die verschillende beschuldigingen gehoord had, neemt hij er maar ééne in aanmerking, en daarover wil hij Onzen Goddelijken Zaligmaker eens ondervragen. Hij gaat dus naar binnen, doet Jezus bij zich komen en vraagt: Zijt gij de Koning der Joden? Jezus antwoordt: Spreekt gij zoo van uw zeiven, of hebben anderen u dat van mij gezegd? Over die eenvoudige vraag is Pilatus gestoord. Ben ik dan een jood? zegt hij: uw volk en uwe priesters hebben u aan mij overgeleverd, wat hebt gij gedaan? Jezus antwoordde: Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn koninkrijk van deze wereld ware, dan zouden mijne dienaren wel strijden dat ik aan de Joden niet werde overgeleverd, doch nu is mijn rijk niet van hier.

Pilatus heeft reeds genoegzaam verstaan, dat Onze Goddelijke Zaligmaker geen wereldsche koning is, noch zijn wil;

ocr page 212

— 208 —

en dat bijgevolg zijn meester, de keizer van Rome, niets van Hem te vreezen heeft. Hij gaat naar de Joden toe, en zegt: Ik vind geene schuld in dien mensch. Nullam invenio in eo causa,in. (i) De Priesters en Ouderlingen hielden niet op van Jezus te beschuldigen, doch Onze Goddelijke Zaligmaker antwoordde daar niet op. Hoort gij dan niet, zeide Pilatus, wat beschuldigingen zij tegen u inbrengen? Doch Jezus zweeg, zoodat de landvoogd zeer verwonderd stond.

Intusschen gingen de Joden voort met Onzen Goddelijken Zaligmaker aan te klagen, en onder anderen roepen zij: Hij ruidt het volk op, door van Galilëa af tot hiertoe overal zijne leering te verkondigen. Toen Pilatus het woord Galilëa hoorde, was hij tevreden; hij vraagt of Jezus uit Galilëa, het gebied van Herodes is, en vernemende dat het zoo is, zendt hij Onzen Goddelijken Zaligmaker, om zich van die lastige zaak te ontdoen, naar Herodes, die zich juist in die dagen te Jerusalem ophield. Zoodra de koning Herodes vernam, dat Onze Goddelijke Zaligmaker tot hem gebracht werd, was hij zeer verheugd. Hij had reeds zoo veel van dien Jezus van Nazareth gehoord, en nu zoude hij dus het genoegen eenshebben van Hem voor zich te zien, te hooren, misschien zal die Jezus voor Herodes en zijn hof wel het een of ander mirakel doen, om op vrije voeten gesteld te worden.

Toen Jezus nu voor Herodes stond, stelde de koning Hem vele vragen; en ziet! Jezus gaf hem geen enkel antwoord. En geen wonder, M. Z., die Herodes was een overspeler, een onkuischaard. En hoe zoude Onze Goddelijke Zaligmaker, de

(l) J O AN. XVIII, 35

ocr page 213

— 209 —

zuiverheid zelve, dien wulpschen vorst hebben willen aanzien, hebben willen antwoorden? Neen, dat oordeelde Jezus hem niet eens waardig, en met reden.

Van die omstandigheid maakten de joden gebruik, en zij beschuldigden Onzen Goddelijken Zaligmaker hevig, doch Herodes in zijne verwachting te leur gesteld, spreekt Jezus wel is waar niet vrij, maar hij wil Hem toch ook niet ter dood veroordeelen. Hij veracht Jezus met zijne lijfwacht, doet Hem een wit kleed aantrekken, en zendt Hem als een zinnelooze naar Pilatus terug. Dien dag verzoende Pilatus en Herodes zich met elkander, zij werden wederom vrienden, want te voren waren zij eerste vijanden.

Toen de Joden Onzen Goddelijken Zaligmaker bij Pilatus hadden terug gebracht, bevond zich de Romeinsche Landvoogd op nieuw in dezelfde moeielijkheid. Hij gaat een tweede middel beproeven om Jezus te kunnen loslaten, \'t Was de gewoonte bij de Joden, dat er jaarlijks ter gedachtenis aan de verlossing uit Egypte een gevangene werd losgelaten. Te dien tijde bevond er zich een groote booswicht in de gevangenis, die onder andere misdaden een moord begaan had. Die booswicht heette Barabbas. Al het volk had er een afschrik van. Pilatus denkt dat het volk dus de voorkeur wel zal geven aan Jezus boven Barabbas. Hij richt zich dus tot het volk en vraagt: Wien van beiden wilt gij dat ik u loslate, Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt? En de gansche menigte door de Priesters en de Ouderlingen opgestookt, roept als door éénen mond: Niet dezen maar

MEDITATIËN 14.

ocr page 214

— 210 —

Barabbas! Non hunc sed Barabbam! (i) Niet dezen roepen zij; zij willen den naam van hunnen Messias niet eens uitspreken, zulken afkeer tooneu zij voor Hem; maar Barabbas, den naam van dien booswicht, noemen zij. Ja, Barabbas moest op vrije voeten gesteld worden, Jezus willen, zij dat gekruist worde. Welk eene keus als die der Joden! O! in die keus leggen zij eenen helschen haat tegen Onzen Goddelijken Zaligmaker aan den dag. Zoude men, zoo men voor het overige met de zaken niet bekend ware, zoude men niet moeten deuken, datjezus hun grootste kwaaddoener was? En nogtans wij weten het, Hij is hun grootste Weldoener, en toch geven zij de voorkeur aan Barabbas, een moordenaar boven Jezus hun grootste Weldoener; weg met dezen en laat ons Barabbas los! roepen zij. Tolle hunc et dimitte nobis Barabbam! (2)

Welk eene ondankbaarheid! Hoe gevoelig moesten die woeste moordkreten der Joden het hart van Onzen Goddelijken Zaligmaker niet treffen?

En och of deze Joden de laatste waren geweest, M. Z., die aan Barabbas de voorkeur hebben gegeven boven Jezus. Doch helaas! onder de christenen worden er zelfs velen aangetroffen, die de Joden in ondankbaarheid navolgen. Dergelijken zijn, aldegenen die zich aan doodzonde plichtig maken.

En inderdaad: wat doet een christen mensch anders, telkens als hij doodelijk zondigt, zoo niet de voorkeur geven aan het schepsel boven den Schepper? Hij stelt dus in

(l) JOAN. XVIII, 40. (2) LüC, XXIII, 18.

ocr page 215

zekeren zin Bar abbas voor Christus, en in dit gezegde, M. Z., heeft volstrekt geene overdrijving plaats.

De onzuivere, bij voorbeeld, stelt Jezus achter Barabbas, zoo dikwijls hij zijne vuile driften involgt, zich zeiven of anderen on teert, de schandige zonde bedrijft, daar hij integendeel de schoone engelachtige deugd had moeten voorstaan.

De gierigaard, de onrechtvaardige stelt Jezus achter Barabbas, zoo dikwijls hij zich op eene onrechtvaardige wijze verrijkt, zoo lang hij het onrechtvaardige geld of goed niet terug geeft, zich grootelijks plichtig maakt aan de zonde van onrechtvaardigheid, daar hij integendeel voor de rechtvaardigheid had moeten uitkomen.

De onmatige, de dronkaard stelt Jezus achter Barabbas, zoo dikwijls hij zich grootelijks te buiten gaat in spijs en drank, zich aan de zonde van onmatigheid en dronkenschap overgeeft, daar hij integendeel de matigheid had moeten beoefenen.

Ja, M. Z., zoo gaat het telkens als de menscli bekoord, tot zonde wordt aangezet. Het voorstel wordt hem gedaan; hij heeft te kiezen tusschen de deugd en de zonde, tusschen Christus en Barabbas, en zoo dikwijls de mensch de doodzonde bedrijft, kiest hij Barabbas voor Christus; hij roept als het ware telkens met de Joden: weg met dezen! tolls hunc! en laat ons Barabbas los! et dimitte nobis Barabbam! (i)

En nogtans, Jezus heeft ons evenmin kwaad gedaan als den Joden. Integendeel, Hij heelt ons ook met weldaden

(l) Luc. XXIII, 18.

ocr page 216

212 —

overladen, én in de orde der natuur én in de orde der genade. Bijgevolg, zoo de Joden ondankbaar zijn geweest, door de voorkeur aan Barabbas te geven boven Jezus, de zondaren, door hen na te volgen, maken zich niet minder aan de zonde van ondankbaarheid plichtig.

II.

Tot hiertoe, M. Z., heeft Pilatus zich laf gedragen. Hij kende de onschuld van Jezus. Hij was er van overtuigd, dat de Joden Onzen Goddel ij ken Zaligmaker enkel uit haat en nijd hadden overgeleverd. Hij verklaart het in \'t publiek: Ik vind geene schuld in Hem, zegt Pilatus; Ego nullam invenio in eo causam. (i) Bijgevolg is Pilatus een lafaard, wijl hij den onschuldigen Jezus niet terstond op vrije voeten stelt.

Doch nu gaat Pilatus verder. Hij handelt onrechtvaardig. Hij gaat zich aanstellen als een wreedaard. Hij veroordeelt Onzen Goddelijken Zaligmaker om gegeeseld te worden.

Ik ben niet voornemens, M. Z., u hier die onmenschelijke geeseling te beschrijven; neen! Ik zeg enkel dat de straf waartoe Jezus hier veroordeeld wordt, onrechtvaardig,, schandig en wreed is.

Zij is onrechtvaardig: Niets zoo klaar als die onrechtvaardigheid. Pilatus verklaart dat Jezus onschuldig is, dat Hij niets misdaan heeft, en toch veroordeelt hij Hem om gegeeseld te worden. Kon ooit de onrechtvaardigheid van een vonnis klaarder uitkomen?

(1) JOAN. XXIII, 38.

ocr page 217

Zij is scliandig; Welk eene oneer, welk eene schande voor Onzen Goddelijken Zalgmaker van eene straf te moeten ondergaan, waartoe de slaven en de grootste misdadigers veroordeeld werden! Hij wordt dus voor niets meer dan voor een slaaf, voor een booswicht aangezien. Daarenboven worden Jezus de kleederen van zijn maagdelijk lichaam afgerukt, en Hij wordt met de handen in de hoogte aan de kolom vastgebonden, terwijl de soldaten en omstaanders Hem bespotten en uitlachen. Welk eene schande voor Jezus, den Bruidegom der Maagden!

Zij is wreed, hetgeen men kan afleiden:

1° Van de werktuigen waarvan de beulen zich bedienen. Drieërlei werktuigen bezigen zij: doornen roeden, lederen riemen met knoopen erin en ijzeren ketenen.

2° Van de woede, waarmede de beulen te werk gaan. Die onmenschen zijn uit zicli zeiven reeds zonder gevoel. Daarenboven worden zij nog aangezet door de Joden, door Pilatus, ja zelfs door de duivelen, om Jezus zoo zeer mogelijk te mishandelen en te pijnigen.

3° Van het getal slagen dat men Onzen Goddelijken Zaligmaker toetelt. De wet van Mozes, die verbood het getal van veertig slagen te buiten te gaan, wordt hier niet in acht genomen. Men slaat en geeselt Onzen Goddelijken Zaligmaker zoo lang, tot dat de beulen het moede zijn, en Jezus op het punt staat van te sterven. Zij is wreed:

4° Wijl Jezus zoo zwak en ellendig is ter oorzake van het bloedig zweeten en den doodstrijd waarin Hij verkeerd heeft.

ocr page 218

— 214 —

en al de misliandelingen, die Hij reeds te ondergaan heeft gehad.

Jezus nogtans is bereid, gelijk Hij zelf verklaart door den mond van zijnen Profeet David, om gegeeseld te worden: Ego in flagella paralus sum. (i) Hij ondergaat die onrechtvaardige, schandige en wreede foltering zonder in het minste ongeduldig te worden, zonder te klagen of te kermen, en toch, Hij is zoo zeer mishandeld dat er geen gezonde plek meer aan zijn lichaam is, van het hoofd tot aan de voeten; a planta pedis usque ad verticem non est in eo sanitas; (2) dat Hij geene gedaante of schoonheid meer heeft; non est et species neque decor; dat Hij gelijk is aan eenen melaatsche, aan iemand die door God geslagen en vernederd is; quasi leprosum et percussum a Deo et humiliatum; Jezus is ook rood van schaamte, zijne handen zijn aan de kolom vastgebonden. Hij wordt uitgelachen, Hij wordt gansch verscheurd, en Hij valt na de geeseling uitgeput van krachten aan den voet van de kolom in zijn Goddelijk bloed neder. Ziedaar wat Jezus voor ons lijdt, hoe Hij mishandeld wordt om onze zonden uit te boeten, vooral de zonde tegen de schoone deugd. Zullen wij nu geen medelijden met Jezus hebben? Zullen wij niet ophouden de schandige zonde te bedrijven? Jezus is rood van schaamte, en wij zullen ons niet schamen over die zonde? Jezus heeft zijne handen vastgebonden aan de kolom, en wij zullen onze handen nog uitstrekken tot zondige werken? Jezus wordt uitgelachen, en wij zullen nog lachen met die zedenkwetsende taal? Jezus

(l) Ps. XXXVII, 18. {2} ISAÏAS I, C.

ocr page 219

— 215 —

trekt zijn lichaam onder de slagen van pijn krampachtig te zamen, en wij zullen in de schandige zonden onze driften trachten te voldoen, ons aan den wellust overgeven? Jezus ligt aan den voet der kolom zwemmende in zijn Goddelijk bloed, en de wellusteling zal voortgaan zich te wentelen in de ontucht? O! M. Z., zoo hij ongevoelig is voor al wat Jezus voor Hem tijdens de geeseling geleden heeft, dat hij maar voortga, maar dat hij toch ook wete, hoe streng hem het bloed, door Jezus tijdens de geeseling gestort, zal afgeeischt worden.

III.

Na die onrechtvaardige, schandige en wreede geeseling wordt Onzen Goddelijken Zaligmaker eene nieuwe foltering aangedaan, foltering, die niet minder onrechtvaardig, niet minder schandig, niet minder wreed zal wezen. De soldaten herinneren zich, dat er spraak is geweest van koning. Zij komen te zamen in den binnenhof van het rechthuis van Pilatus, om zich met Onzen Goddelijken Zaligmaker te vermaken. Zij gaan een spotkoning van Hem maken. Vooreerst trekken zij Jezus de kleederen uit. Hij wordt op nieuw uitgelachen, en de wonden die Hij tijdens de geeseling gekregen heeft, worden op nieuw opengereten; \'t is als eene nieuwe geeseling, die Jezus ondergaat. De soldaten werpen Jezus een versleten purperen mantel om de schouders. Herodes bespotte Onzen Goddelijken Zaligmaker met een witten mantel; hier wordt Hij met eenen purperen uitgelachen. Zij vlechten eene kroon uit doornen, en die doornen kroon zetten zij Jezus op het hoofd: Plectentes coronan de spinis

ocr page 220

— 216 —

posuerunt super caput ejus, (i) Welke pijn moet die kroon Onzen Goddelijken Zaligmaker niet veroorzaakt hebben ? Het hoofd is het gevoeligste deel van den mensch, en Jezus\' hoofd wordt van alle kanten met scherpe doornen doorstoken, zoodat het bloed met strepen over zijn voorhoofd, in de oogen, over zijn aangezicht afloopt. Zij geven Jezus eenen rietstok voor schep ter in de handen. Daarop beginnen de soldaten voor goed Jezus te bespotten en te folteren. Terwijl Onze Goddelijke Zaligmaker in dien ellendigen en pijnlijken toestand nederzit, komen de soldaten, een voor een, voor Jezus, zij knielen voor Hem, groeten Hem, zeggende: Wees gegroet. Koning der Joden ! Zij geven Hem kaakslagen, spuwen Hem in het aangezicht en den rietstok uit zijne handen nemende slaan zij er Hem mede op de doornen kroon, zoodat de doornen al dieper en dieper in zijn hoofd doordringen. Welke pijnen, welke tormenten moeten die mishandelingen Onzen Goddelijken Zaligmaker niet veroorzaakt hebben ? En ziet, Jezus lijdt alles met het grootste geduld.

SLUITREDE.

Waarom, o mijn Jezus! O mijn Zaligmaker! Waarom, ik vraag het u hier ten slotte, hebt gij die wreede foltering willen ondergaan? Waarom hebt gij met doornen willen gekroond worden? En mij dunkt, Jezus antwoordt: Ik heb willen gefolterd worden om voor uwe zonden te voldoen; ik heb hier op aarde met doornen willen gekroond worden om

(i) Matth. xxvir, £9.

ocr page 221

u eene kroon van glorie le Terwerven in den hemel. Doch zoo Jezus, M. Z., door zijn lijden voor onze zouden voldaan, zoo Hij de kroon van glorie voor ons verdiend heeft, dat neemt niet weg, dat wij op onze beurt ook onze zonden nog moeten uitboeten, dat wij de kroon van glorie moeten verdienen door te lijden.

Ja wij moeten uitboeten al onze zonden, waardoor wij zoo dikwijls de voorkeur gegeven hebben aan het schepsel boven den Schepper, Jezus om zoo te zeggen achter Barabbas gesteld hebben; wij moeten uitboeten vooral de zonden tegen de schoone deugd, waarom Onze Goddelijke Zaligmaker zoo onmenschelijk is gegeeseld geworden; wij moeten lijden om de kroon van glorie deelachtig te worden. De weg des lijdens is de weg die ten hemel leidt. Jezus is er ons op voorgegaan, wij moeten er Hem dus op volgen. De Heiligen, M. Z., hebben die waarheid begrepen, en vandaar dat allen met geduld leden, velen zelfs naar het lijden verlangden. Niet sterven, zoo verzuchtte eene Heilige Magdalena van Pazzi tot God: Niet sterven maar lijden: Non mori secl pati. De Heilige Joannes van \'t kruis bad zekeren dag voor een kruisbeeld nedergeknield; hij hoorde eene stem die hem vroeg, wat loon hij verlangde, en de Heilige Joannes antwoordde: Heer! dat ik voor u moge lijden en veracht worde. Ziedaar, M. Z., welk gedacht de Heiligen zich vormden van het lijden. Wij moeten ons best doen van die voorbeelden zoo veel mogelijk na te volgen. Laat ons dus in de kruisen en wederwaardigheden, die ons treffen, voor het minste geduldig zijn; beijveren wij ons van welgemoed te wezen. Ja, dragen wij de doornen kroon voor Jezus, welke Hij ons aanbiedt, en die

ocr page 222

— 218 —

toch bijna niets beteekent in vergelijking der doornen kroon, die Hij voor ons gedragen heeft. Die doornen kroon, met geduld uit liefde voor Jezus gedragen, zal na dit kortstondig leven voor ons veranderen in eene onverwelkbare kroon van glorie in den hemel. Amen.

EINDE.

ocr page 223

ZESDE MEDITATIE

Sajulans sibi crucem, exivit in eum, qui dicitur Calvaries locum.

Jezus zijn kruis dragende, ging uit naaide plaats, die Calvarië genoemd wordt.

{JOAK. XIX, 17.)

INHOUD.

VOORREDE.

Jezus, na gegeeselcl en met doornen gekroond te zijn, wordt aan het volk vertoond. Ecce homo! — Kreten van de priesters en van liet volk. Crucifige Eum! — Pilatus: Neemt gij Hem en kruist Hem, want ik vind geene schuld in Hem. — De Joden: Wij hebben eene wet, en volgens die wet moet Hij sterven. — Pilatus tot Jezus: Van waar zijt gij ? Antwoordt gij niet? — Jezus: Gij zoudt geene macht over mij hebben, zoo zij u niet van boven gegeven ware. — De Joden: Zoo gij dezen loslaat, zijt gij de vriend van den keizer niet. — Pilatus:

ocr page 224

— 220 —

Ecce Rex vester! — De Joden: Weg met Hem! Kruis Hem!

— Pilatus: Zal ik uwen koning kruisen? — De Joden: Wij hebben geen koning dan den keizer. — Pilatus: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige. — De Joden: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! — Pilatus laat Barabbas los, en veroordeelt Jezus om gekruist te worden.

I. Jezus neemt het kruis op zijne schouders.

II. Jezus woz\'dt met gal en edik gelaafd.

III. Jezus beveelt zijne ziel in de handen van zijnen Vader.

I.

Vreugde van de vijanden van Jezus bij zijne veroordeeling.

— Jezus wordt de speelbal der soldaten. — Het kruis wordt gereed gemaakt. Jezus gaat met het kruis op de schouders tusschen twee moordenaars Jerusalem uit. — Verschil van hetgeen eenige dagen geleden voorviel. — David, afbeeldsel van Jezus. — Jezus valt voor de eerste maal onder het kruis.

— Hij ontmoet zijne bedroefde Moeder. — Simon wordt gedwongen Jezus\' kruis te dragen. — Hij doet het gedwongen, met tegenzin, morrende. Waarom? — Vele christenen volgen Simon na. — De ziekte is een kruis. — Het slecht gedrag van kinderen of ouders is een kruis. — De tegenspoed.

— Wat wint men erbij door het kruis gedwongen, met tegenzin, morrende te dragen? — Men moet liet kruis met geduld dragen, — De weg des kruises is de weg naar den hemel.

ocr page 225

221

II.

Veronica droogt Jezus\' aanschijn af. — Tweede val van Jezus onder het kruis. — De vrouwen van Jerusalem beginnen luidkeels te weenen. — quot;Woorden van Jezus. — Derde val onder het kruis. — Aankomst op den berg van Calvarië. — Blijdschap der vijanden van Jezus. — Alles wordt gereed gemaakt voor de kruisiging. — Jezus wordt met edik en gal gelaafd. — Hij proeft er van om te voldoen voor de zonde van onmatigheid in spijs en drank. — Die zonde is eene schandige en noodlottige zonde voor het lichaam en de ziel. — \'Wachten wij ons voor die zonde.

III.

Jezus aan het kruis genageld. — In de hoogte gericht tusschen twee moordenaars. — Curniniquis reputatus est.

— De vijanden van Jezus lachen met Hem, zij bespotten en beschimpen Hem. — De voorbijgangers, — de priesters, — de soldaten, — de slechte moordenaar. — Geduld van Jezus.

— Testament, vergiffenis voor zijne vijanden; de hemel voor den goeden moordenaar; Maria aan Joannes; Joannes aan zijne Moeder; zijn lichaam aan Joseph van Arimathea en Nicodemus; zijn geest aan Zijnen Hemelschen Vader. — Hij Iaat ons zijn leven, zijn bloed, zijne verdiensten, — zijne Moeder, alles wat Hij heeft. — Düexit me et tradidit semetipsum pro me. — Hij buigt zijn hoofd en sterft.

ocr page 226

SLUITREDE.

Blik op Jgzus aan het kruis. — Zijne oogen zijn gesloten,

— zijne tong zonder spraak, — zijne handen zijn stijf, — zijne voeten zonder gevoel, — gansch zijn lichaam zonder beweging. — Joseph bij het lijk van zijnen Vader Jacob. — Hij beweent en omhelst het. — De mensch moet ook weenen en beminnen. — Zijne zonden beweenen. — Jezus beminnen.

— Zich met Paschen door eene rouwmoedige en oprechte biecht met Jezus zijnen Zaligmaker verzoenen.

EINDE.

ocr page 227

— 223 —

ZESDE MEDITATIE

Bajulans sibi crucem, exivit in ewn, qiii dicitur Calvaries locum.

Jezus zijn kruis dragende,ging uit naar de plaats, die Calvarië genoemd -wordt.

(J o an. xix, 17.)

VOORREDE.

Onze Goddelijke Zaligmaker, M. Z., heeft, gelijk wij in onze voorgaande meditatie gezien hebben, twee onrechtvaardige, schandige en wreede mishandelingen ondergaan. Hij is op bevel van Pilatus door de beulen gegeeseld, van het hoofd tot aan de voeten verscheurd en met wonden overdekt. Hij is door de soldaten uit eigen beweging met doornen gekroond, met een oud versleten purperen mantel omhangen. De Romeinsche Landvoogd brengt Jezus in dien pijnlijken en bespottelijken toestand te voorschijn; hij denkt dat de Joden op het zien van Onzen Goddelijken Zaligmaker door medelijden bewogen, tot betere gevoelens zullen komen; dat zij voldaan zullen zijn, en dat hij Onzen Goddelijken Zaligmaker zal kunnen loslaten. Jezus verscheen dus op een balkon, dragende de doornen kroon en den purperen mantel, zegt het Evangelie. Portam coronam spineam et purpu-rewn vestimsntimi. (i) Pilatus, op Jezus wijzende, roept tot het volk; Ecce homo! (2) Ziet den mensch! Zoodra de Priesters, de Pharizeën en Schriftgeleerden Jezus zagen, begonnen zij te

(1) Joan. xvi, 12. (2) Joan. xix, 6-G.

ocr page 228

— 224 —

schreeuwen: Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifige! Crucifige Eura! En bijna de gansche menigte voor het paleis van Pilatus vergaderd, voorgegaan en aangehitst door de priesters en de overige vijanden van Jezus, herhalen die moordkreten en roepen ook: Kruis Hem! Kruis Hem! Pilatus niet kunnende begrijpen, hoe de Joden op den dood van Onzen Goddelijken Zaligmaker kunnen aandringen, zegt; Neemt gij Hem, en kruist Hem, want ik vind geene schuld in Hem! De Joden antwoorden: Wij hebben eene wet, en volgens die wet moet Hij sterven, omdat Hij zich den Zoon Gods gemaakt heeft! Toen Pilatus die woorden hoorde, vreesde hij nog meer. Hij ging daarop weder in het rechthuis, en vroeg Jezus, die intusschen daar was gebracht, van waar zijt gij? Jezus gaf geen antwoord. Pilatus zeide dan: Spreekt gij mij niet aan? Weet gij dan niet, dat ik de macht heb van u te laten kruisigen, en dat ik de macht heb van u los te laten? Jezus antwoordde: Gij zoudt niet de minste macht over mij hebben, zoo zij u niet van boven gegeven ware, maar zij, die mij aan u overgegeven hebben, zijn plichtiger dan gij. Van toen af verlangde Pilatus nog meer van Jezus los te laten. De Joden zulks bemerkende, beginnen hem bang te maken, en zij schreeuwen: Zoo gij dezen loslaat, zijt gij de vriend van den keizer niet, want al wie zich voor koning uitgeeft, verklaart zich tegen den keizer! Daarop deed Pilatus Jezus op nieuw naar buiten komen. Hij zet zich op zijnen rechterstoel neder, en zegt tot het volk: Ziedaar uwen Koning! De Joden roepen; Weg! weg met Hem! Kruis Hem! Pilatus herneemt: Zal ik dan uwen Koning kruisen? De Joden antwoorden: Wij hebben geenen anderen koning dan den keizer. Toen Pilatus zag, dat

ocr page 229

hij niets vorderde, maar dat de opschudding al grooter en grooter werd, nam hij water, wiesch zich de handen in de tegenwoordigheid van het volk, en zeide: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige; ziet wat u te doen staat. En al het volk roept uit: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Op die woorden gaat Pilatus aan hunnen wensch voldoen; hij laat Barabbas, die om oproer en moord in de gevangenis geworpen was, los, en hij geeft hun Jezus over om gekruist te worden. Laat ons vandaag, M. Z., den kruisdood van Onzen Goddelijken Zaligmaker met aandachtigheid bijwonen.

I. Jezus neemt het kruis op zijne schouders.

II. Jezus wordt met edik en gal gelaafd.

III. Jezus beveelt zijne ziel in de handen van zijnen Vader.

I.

Zoodra Onze Goddelijke Zaligmaker tot den kruisdood veroordeeld is, breken de Joden in vreugdekreten los. Zij wenschen zich geluk, van toch eindelijk hun doel te hebben bereikt. Terstond stelt men zich aan het werk, om alles, wat er tot de uitvoering van het doodvonnis vereischt wordt, aan te brengen. Jezus wordt terstond de speelbal der soldaten en beulen. Zij grijpen Hem vast, rukken Hem den purperen mantel af, en doen Hem zijne eigene kleederen aantrekken. Het kruis, waaraan Jezus moet vastgenageld worden, is reeds in gereedheid gebracht. Twee ruwe balken zijn in haast over elkander geslagen. Jezus wordt gedwongen dat kruis op te nemen, of wel, de beulen werpen het Hem op

MEDITATIËN 15.

ocr page 230

— 226 —

zijne doorwonde scliouders, en om de doodstraf, de kruisiging van Jezus zoo onteerend en schandig mogelijk te maken, hadden de priesters nog twee misdadigers, die reeds ter dood veroordeeld waren, uit de gevangenis gehaald, om met Jezus gekruist te worden. Onze Goddelijke Zaligmaker zal te midden van die twee moordenaars aan \'t kruis genageld worden, \'t Is om te ijzen als men er aan denkt. Eu ziet, M. Z., Onze Goddelijke Zaligmaker is kalm. Hij laat zich mishandelen. Hij is overgegeven aan den wil van Zijnen Hemelschen Yader, want in dat doodvonnis tegen Hem uitgesproken, ziet Hij den wil van Zijnen Hemelschen Yader, en aan Zijn Hemelschen Vader is Hij gehoorzaam tot aan den dood, ja, tot aan den dood des kruis. Hij neemt het kruis met liefde op zijne schouders, Hij omhelst het, en vol moed gaat Hij er Jerusalem mede uit. quot;Welk verschil van hetgeen er nog maar weinige dagen geleden plaats had! Nog maar weinige dagen geleden werd Jezus met zijne leerlingen gezeten op eene ezelin in triomf Jerusalem binnen geleid; de lucht weergalmde van het vreugdegeroep; Hozanna! den Zoon van David! Hosanna! Filio David! Gezegend die komt in den naam des Heeren! Benedictus qui venit in nomine Domini! (i) En nu, eenige dagen later, wordt diezelfde Jezus, die Zoon van David met een kruis beladen tusschen twee moordenaars Jerusalem uitgedreven onder smaad-geroep, onder vloeken en verwenschingen. Hetzelfde, M. Z., was den koning David, die een afbeeldsel van Jezus is, vroeger overkomen. Tijdens den opstand van zijnen ontaarden zoon

(i) Matth. xxi, y.

ocr page 231

Absalon moest hij de stad Jerusalem ook verlaten; een zijner dienaren, Semëi, riep David, toen hij barrevoets en met bedekten hoofde de stad uitging, na: Ga uit, ga uit, gij bloedhond en duivelskind! Egredere, egredere, vir san-quinem et vir belial! [\\)Jeza.?, gaat dus met een kruis beladen tusschen twee booswichten de stad Jerusalem uit. Uitgeput van krachten en door den last van het kruis overmand, valt Hij er weldra onder neder; opgerukt kan Hij met moeite zijnen weg vervolgen. Na eenige stappen voortgegaan te zijn, ontmoet Hij zijne bedroefde Moeder. Daardoor is onze Goddelijke Zaligmaker zoo zeer aangedaan, dat Hij schier niet meer voort kan, en gevaar loopt van elk oogenblik onder het kruis te sterven. De beulen bemerken het, zij zijn er inderdaad bang voor, en dan zouden zij het helsch genoegen niet smaken, van Onzen Goddelijken Zaligmaker levend aan het kruis te kunnen nagelen en te midden der folteringen te zien omkomen. Zij houden raad onder elkander en zij komen overeen, van den een of andere Jezus het kruis te doen helpen dragen. En ziet! daar komt een vreemdeling aan, Simon van Cyrene genaamd, en dien Simon dwingen zij Jezus het kruis te helpen dragen. Hunc angariaverunt ut tollcrel crucern ejus.[2) Hoe dan! Moest Simon gedwongen worden ? Hielp hij slechts met tegenzin en morrende ? Ja, M. Z., en dat was volstrekt niet te verwonderen, \'t Was Simon te vergeven, dat hij het gedwongen, met tegenzin en al morrende deed. Simon kende Jezus niet genoegzaam. Het kruis was de schandigste straf, waartoe

(1) Keg. xvi, 8. (2) Matth. xxvii, ;{2.

ocr page 232

— 228 —

iemand kon veroordeeld worden; hij wist niet welk voordeel er aan vast was Jezus zijn kruis te helpen dragen. Doch ziehier, M. Z., eene andere zaak en die te verwonderen is, dat is, dat er onder ons christenen gevonden worden, die gedwongen, met tegenzin en al morrende hun kruis dragen. Die christenen nogtans, wijl zij leerlingen van Christus zijn, kennen hunnen leermeester, zij weten dat het hun volstrekt niet tot oneer strekt, en tevens weten zij welke voordeelen er voor hen aan vast zijn; en wat gebeurt er nu ongelukkig maar al te dikwijls? God zendt den eene eene ziekte over: die ziekte veroorzaakt te veel pijn, zij duurt te lang, zij kost te veel geld; men beklaagt zich, wordt ongeduldig, en staat soms tegen God op. Een tweede wordt op eene andere wijze beproefd: Die vrouw, bij voorbeeld, heeft een kruis in haren man, nooit kan zij het bij hem van pas maken. Die man heeft een kruis in zijne vrouw, \'t is onmogelijk haar te voldoen. De ouders hebben een kruis in hunne kinderen: Niettegenstaande de beste opvoeding, de beste voorbeelden, de beste vermaningen, de vurigste gebeden schikken de kinderen zich niet. De zoon bedroeft den vader door zijn slecht gedrag; de dochter de moeder door hare ongebondenheid. Die kinderen zijn nagelen aan de doodskist hunner ouders. En ziet, die ouders verliezen den moed, worden ongeduldig en wenschen wel eens zich zeiven of hunne kinderen den dood toe. De kinderen vinden soms een kruis in hunne ouders; die zoon is een oppassend jongeling, die dochter een oppassend meisje, zij doen hun best om eervol door de wereld te komen. En ziet, die vader, wijl hij zijne heiligste plichten overtreedt, strekt hun tot oneer; die moeder wijl zij zich geheel en al

ocr page 233

— 229 —

vergeet, wordt hun tot schande, de kinderen verliezen den moed, en hetgeen erger is, zij maken zich wel eens plichtig aan groote zonde tegen het vierde gebod. Een derde heeft tegenspoed in zijne ondernemingen: de oogst mislukt, de handel gaat slecht; in plaats van voorspoed, waaraan hij zich verwachtte, komt de tegenspoed, waaraan hij zich niet verwachtte, en nu verre van met eenen geduldigen man Job te zeggen: God gaf, God nam, de naam des Heeren zij gezegend, verliest hij zijn geduld, en hij staat wel eens op tegen God. Ziedaar, M. Z., wat voor kruisdragers men onder ons christenen aantreft. Doch nu vraag ik u, wat is daarbij gewonnen ? Zijn do kruisen verminderd ? Integendeel, zij vermeerderen. Worden zij lichter? Neen, zij worden zwaarder. Strekken zij ons tot welzijn? Evenmin, want zij maken ons ongelukkig voor tijd en eeuwigheid. Wat blijft er ons dan over te doen? Willen wij wijs handelen, M. Z., en op ons welzijn uitzijn, dan moeten wij ons in die droevige noodzakelijkheid aan den wil van God onderwerpen, wij moeten de kruisen en wederwaardigheden, die ons, zoolang wij leven, zullen overkomen, van God ontvangen en met geduld dragen; op die wijze zullen wij Onzen Goddelijken Zaligmaker navolgen, die, gelijk Hij zelf aan de leerlingen van Emmaus verklaarde, moest lijden, en door te lijden zijne glorie moest binnen gaan. Bijgevolg, de weg des lijdens of des kruises is de weg ten hemel; willen wij dus Jezus hiernamaals ten hemel in zijne glorie volgen, wij moeten Hem ook met het kruis in zijn lijden volgen hier op aarde.

ocr page 234

— 230 —

II.

Onze Goddelijke Zaligmaker, door Simon van Cyrene bijgestaan, kan nu zijnen pijnlijken weg naar den berg van Calvarië vervolgen. Ook kwam eene godvreezende vrouw met name Veronica Hem nog troosten, door zijn Goddelijk aanschijn af te droogen. Jezus gaat dus, doch niet zonder moeite, vooruit en Hij valt nogmaals onder zijn kruis neder. Toen Jezus daar voor de tweede maal plat ter aarde onder zijn kruis lag, mishandelden Hem de beulen op de onmensche-lijkste wijze; zij rukten Hem op, en stuwden Hem op nieuw vooruit. Eenige vrouwen, die onder het volk uit Jerusalem mede gekomen waren, al de mishandelingen, die Jezus aangedaan werden, zijn lijden en zijn geduld ziende, kunnen zich niet langer meer inhouden; zij beginnen luidkeels te weenen. De soldaten en beulen lachen daarmede. Jezus het geween en gejammer dier vrouwen hoorende, keert zich een oogenblik tot haar, en hij zegt; Dochters van Jerusalem, weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen; want bijaldien zij het groene hout zoo behandelen, wat zal er dan met het dorre geschieden? Onze Goddelijke Zaligmaker denkt hier aan den uitersten nood, waarin de inwoners van Jerusalem zich weldra tijdens de belegering en inneming der stad zullen bevinden. Jezus, na voor de derde maal onder het kruis bezweken te zijn, komt eindelijk op den berg van Calvarië aan. De Priesters, de Schriftgeleerden en Ouderlingen, die zoo zeer verlangd hebben den kruisdood van Jezus bij te wonen, wenschen zich geluk van Onzen Goddelijken Zaligmaker zoo ver levend te hebben

ocr page 235

gebracht; zij gebieden van terstond met de kruisiging te beginnen. Eenigen der beulen brengen de strafwerktuigen in gereedheid, het kruis en de touwen, de nagels en de hamers, alles wat zij noodig hebben. Anderen slaan terstond hunne handen aan Onzen Goddelijken Zaligmaker, zij rukken Hem de kleederen van zijn doorwond lichaam. Alvorens Hein aan het kruis vast te nagelen, geven zij Jezus wijn te drinken, dederunt Ei vinurn bibere, doch dien wijn hadden zij met gal gemengd: Felle mixtum. (i) In plaats dus dat Onze Goddelijke Zaligmaker zijnen brandenden dorst mocht lesschen, werd Hij door dien bedorven wijn nog meer gefolterd. Onze Goddelijke Zaligmaker wilde er van drinken, om te boeten voor de zonde van gulzigheid, waaraan de mensch zich zoo dikwijls plichtig maakt. En inderdaad; welke zonde is er algemeener dan de zonde van onmatigheid vooral in den drank? Die zonde nogtans is eene schandige en noodlottige zonde. Zij,is eene schandige zonde. Daardoor verlaagt zich de mensch zeer. Met rede en verstand begaafd moest hij zijne bedorvene natuur intoomen, zijne kwade neigingen tot overtollige spijs en drank paal en perk weten te stellen. En wat doet de gulzigaard, de dronkaard? Hij laat de bedorven natuur geworden, volgt de kwade neigingen in en gaat zich te buiten in spijs en drank. Daardoor wordt hij gelijk aan het redelooze dier; ja wat meer is, hij verlaagt zich beneden hetzelve. Alzoo is de gulzigheid eene schandige zonde. Zij is op de tweede plaats eene noodlottige zonde, zoo voor het lichaam als voor de ziel. De gulzigheid veroorzaakt eene

(l) MATTH. XXVII, 34.

ocr page 236

menigte van ziekten. Zij is volgens de leering der genees-heeren de moeder van alle ziekten: Gula morhorurn omnium mater. De droevige ondervinding bevestigt, helaas! maar al te dikwijls die waarheid. Zij ondermijnt de krachten des lichaams, zij doet het langzamerhand wegkwijnen en veroorzaakt eenen vroegtijdigeu, niet zelden eenen plotselijken dood. Ja, personen die gezondheid schenen te koop te hebben, heeft men in den bloei hunner jaren zien verouderen, ten grave zien dalen. De gulzigheid is noodlottig voor de ziel, vooreerst wat de natuurlijke geestvermogens betreft. Het geheugen verliest, het verstand verbijstert, verstompt, gaat soms geheel en al verloren.. De wil is gespannen op het stoffelijke, op eten en drinken. De gulzigaard, de dronkaard is niet meer in staat zich hooger te verheffen. De geestelijke en hemelsche goederen behagen hem niet; hij blijft als aan de aarde gehecht, en \'t is het stoffelijke, eten en drinken dat hij najaagt, daarin stelt hij zijn laatste einde, daarin zoekt hij zijne gelukzaligheid. Zij is noodlottig voor de ziel wat de gratie betreft. De gulzigaard, de dronkaard maakt zich dikwijls aan groote zonde plichtig, en daardoor berooft hij zijne ziel van de heiligmakende gratie, die haar leven is ; ja, menigeen stort zich neder in den afgrond der hel, waarin hij met den brasser van het evangelie eenen eeuwigen honger, eenen eeuwigen dorst zal moeten lijden. Ziedaar, M. Z., het schandige en het noodlottige zoo voor het lichaam als voor de ziel van de zonde van onmatigheid. Om voor die zonde te voldoen heeft Onze Goddelijke Zaligmaker honger en dorst willen lijden, heeft Hij op den berg van Calvarië met wijn, die met gal en myrre gemengd was, willen gelaafd worden.

ocr page 237

— 233 —

Wachten wij ons dus goed voor die zonde om Onzen Godde-lijken Zaligmaker, om zoo te zeggen, niet op nieuw met dien walgenden drank te laven.

III.

Nadat de beulen Jezus dien bedorven wijn te drinken hadden gegeven, nagelden zij Hem aan het kruis. Met drie of vier plompe nagelen slaan zij er zijne gezegende handen en voeten aan vast. Daarop richten zij het kruis met het slachtoffer beladen in de hoogte. Ook hadden zij met Jezus nog twee booswichten aan hunne kruisen vastgemaakt, de eene aan zijne rechter, de andere aan zijne linker zijde, zoo dat de voorzegging vervuld werd: El cum iniquis reputatus est: (i) Hij is onder de boosdoeners gerangschikt. Terwijl Onze Goddelijke Zaligmaker daar hing tusschen hemel en aarde, ten prooi aan de hevigste pijnen; terwijl zijn Goddelijk bloed van alle kanten uit zijn doorwond lichaam op de aarde nedervloeide, lachten, bespotten en beschimpten hem zijne vijanden. De voorbijgangers zeiden het hoofd schuddende: Ha! Gij die den tempel Gods afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos u zeiven! Zoo gij de Zoon Gods zijt, kom dan van het kruis af! De Priesters, de Schriftgeleerden en Ouderlingen riepen cü spottende: Anderen heeft Hij verlost, zich zeiven kan Hij niet verlossen! Zoo Hij de Koning van Israël is, dat Hij van het kruis afkome en wij zullen in Hem gelooven! De soldaten riepen al spottende: Zoo gij de Koning der Joden zijt, red u dan het leven! Ja wat meer is, een der

(1) Marc. xv, 28.

ocr page 238

— 234 —

moordenaars, die met Hem gekruist waren, durfde Onzen Goddelijken Zaligmaker nog lasteren: Zoo gij de Christus zijt, zegt hij, verlos u zeh\'en dan en ons met u! Onze Goddelijke Zaligmaker verdroeg al die bespottingen, lasteringen en beschimpingen met geduld. Hij is als verslonden in het grootsche werk der verlossing van het menschdom; Hij wil alvorens te sterven nog zijn testament maken; doch wat zal Jezus bij testament, en voor wie zal Hij iets maken? Jezus, M. Z., denkt op de eerste plaats aan de Joden, die Hem zoo zeer mishandelen en aan het kruis hebben doen hechten. En wat laat Jezus den Joden bij testament? Luistert, M. Z., Jezus laat hun de vergiffenis hunner misdaad. Vader! vergeef het hun, zegt Jezus, want zij weten niet wat zij doen ! Pater! dimitte illis nesciunt enim quid faciunt (i) Op de tweede plaats denkt Jezus aan een booswicht, aan een moordenaar, wiens leven eene aaneenschakeling geweest is van misdaden en schelmstukken, en die er te recht voor met den dood gestraft wordt, en wat laat Jezus den moordenaar, die berouw heeft over zijne misdaden? Luistert, M. Z., \'t is bijna ongeloofelijk; Jezus laat hem den hemel. Heden, zegt Jezus, zult gij met mij zijn in het Paradijs! I Iodic mecum er is in Paradiso! (2) Op de derde plaats denkt Jezus aan twee personen, die Hem zoo zeer aan het hart liggen, en die Hem zoo trouw tot onder het kruis toe gevolgd zijn. Die personen zijn Maria zijne Moeder, en Joannes zijn leerling. Jezus zag hen staan, de oogen vol tranen en der droefheid ten prooi; Maria om het verlies van haren teêrgeliefden Zoon,

{1) Luc. xxm, 34. (2) Luc. xxiii, 43.

ocr page 239

— 235 —

Joannes om liet verlies van zijnen teèrgeliefden Meester. Wat zal Jezus hun nu laten voor het verlies dat zij lijden? Hij laat Maria zijnen leerling. Vrouw, ziedaar uw Zoon! zegt Jezus: Muiier ecce films tuus! (i) Hij laat aan Joannes zijne Moeder. Ziedaar uwe Moeder! zegt Jezus: Ecce Mater lua! Onze Goddelijke Zaligmaker heeft niets meer ter beschikking over dan zijn lichaam en zijne ziel. Zijn lichaam laat Hij aan Joseph van Arimathea en Nicodemus, om het na zijnen dood te begraven, en zijne ziel geeft Hij aan Zijnen Hemelschen Vader. Vader! zeide Jezus, in uwe handen beveel ik mijnen geest! Pater! in manus tuas commendo spiritum meum ! (2) Ziedaar het testament van Jezus, M. Z., met zijn Goedelijk bloed geteekend. Hij laat vergiffenis aan zijne vijanden; den hemel aan den goeden moordenaar; Joannes aan zijne Moeder; zijne Moeder aan Joannes; zijn lichaam aan Joseph en Nicodemus, en zijne ziel aan Zijnen Hemelschen Vader. Is dat alles? Maar heeft Jezus ons dan vergeten? Neen, M. Z., zijne goedheid is te groot om ons te vergeten: Hij geeft ons alles wat Hij heeft; zijn leven, zijn bloed, zijne verdiensten, zijne Moeder; wij, wij zijn zijne volle erfgenamen, en eenieder onzer mag zeggen met den Apostel Paulus: Hij heeft mij bemind, en zich zeiven voor mij gegeven: Dilexit me et Iraclidit semetipsum pro me. (3) Zoodra Jezus zijn testament gemaakt, over alles beschikt heeft, buigt Hij zijn hoofd en sterft: Et inclinato capite emisit spiritum. (4)

(l) JOAN. XIX, 26-27. f2) LUC. XXIV, 46. \'3) GAL. II, 20. (4) JOAN. XIX, 30.

ocr page 240

— 236 —

SLUITREDE.

Werpen wij nu ten slotte nog een oogslag op Onzen God-delijken Zaligmaker, doodhangende aan het kruis. Ja, M. Z., aanschouwen wij Jezus nog een oogenblik met aandacht. Ziet, zijne oogen zijn gesloten, die eenieder zoo minzaam aanzagen. Zijne tong is zonder spraak, die alom de blijde tijding verkondigde. Zijne handen zijn stijf, die zich uitstrekten om te zegenen. Zijne voeten zijn zonder gevoel, die overal rondwandelden om het Evangelie te verkondigen. Gansch zijn lichaam is zonder beweging, dat lichaam, dat zich geene rust gunde om voor de glorie van Zijnen Hemel-schen Vader en voor de zaligheid der zielen te arbeiden. Ja, Jezus is dood. Och of ons het geluk te beurt viel, hetgeen eertijds Joseph mocht genieten, bij het sterven van zijnen vader Jacob! ïoen zijn vader Jacob overleden was, brak Joseph in tranen los, hij viel op het lijk van zijnen vader, en omhelsde het; zoo zeer beminde die zoon zijnen vader. Zouden wij nu ongevoelig kunnen blijven bij den dood van Jezus, die wel meer onze Vader is, dan Jacob van Joseph? Zouden wij met drooge oogen onzen Vader aan \'t kruis kunnen zien hangen, en zouden wij Hem niet beminnen, die uit liefde voor ons aan het kruis sterft? Welk eene ondankbaarheid ! En wijl wij ons inderdaad dikwijls aan die ondankbaarheid hebben plichtig gemaakt door onze zonden, laat ons dan, M. Z., afstand doen van die zonden; laat ons de zonden oprecht beweenen; laat er ons ootmoedig vergiffenis van vragen. Ja, ter gelegenheid van Paschen, de groote verzoeningsdag, laat ons rechtzinnig ons met Jezus

ocr page 241

— 237 —

verzoenen. O neen, M. Z., vreezen wij niet, dat Jezus die verzoening ons zal weigeren, al waren onze zonden ook nog zoo talrijk en groot, vermits wij er een waar berouw over hebben, met het vast voornemen van ze niet meer te bedrijven. En om u daarvan te overtuigen slaan wij liever onze oogen nog eens op het kruis. Ziet Jezus! Hij heeft zijne armen uitgestrekt om ons in liefde te ontvangen, zijn hoofd gebogen om ons te omhelzen, zijne zijde geopend om ons eene schuilplaats aan te bieden. Ja, M. Z., in de wonden van Jezus en bijzonder in de wonde van zijne zijde kunnen wij eene veilige schuilplaats vinden tegen de gramschap van God, gelijk de Heilige Hieronymus zegt: In vulneribus Christi. Naderen wij dus tot Jezus, terwijl Hij aan het kruis nog een goede en barmhartige Zaligmaker is, want eenmaal zal Hij komen om ons te oordeelen als een onverbiddelijke rechter. Belijden wij dus met Paschen rouwmoedig en rechtzinnig onze zonden aan den priester, om er vergiffenis van te bekomen; onze zonden zullen ons vergeven worden, wijl Jezus in den persoon der Apostelen aan alle priesters de macht heeft gegeven van de zonde te vergeven, want er staat geschreven: Wier zonde gij zult vergeven hebben worden hun vergeven: Quorum remireritis peccata remittuntur illis. (i) Amen.

EINDE

(l) JOAN. XX, 23.

ocr page 242
ocr page 243

B LADWIJZER

EERSTE JAARGANG

EERSTE MEDITATIE

Bladz.

Yan af de instelling van het Allerheiligste Sacrament des Altaars tot aan het verraad van Judas.......12

I. Droefheid van Jezus in den Hof der Olijven . 14 Over de afschuwelijkheid der zonde en hare

straffen.

II. Jezus neemt zijne toevlucht tot het gebed. . 19 Over het gebed en rleszelfs voorwaarden.

III. Judas aan het hoofd van de vijanden van Jezus. 2L Over de ergernis.

ocr page 244

— 240 —

TWEEDE MEDITATIE

Bladz

Van af het verraad van Judas tot aan de gevangenneming van Jezus . 30

I. Verraad van Judas......32

Over de geldzucht.

II. Jezus werpt zijne vijanden ter aarde. . . 37 Over het oordeel en de verharding der zondaren.

III. Vlucht der Apostelen.....40

Over de trouweloosheid der wereld.

DERDE MEDITATIE

Van af de gevangenneming van Jezus tot aan

den val van Petrus.....49

I. Jezus voor Annas en Caïphas .... 51 Over de liefde jegens zijne vijanden.

II. Jezus wordt van godslastering beschuldigd . 57 Over de godslastering.

III. Val van Petrus.......01

Hoe wij Jezus door de zonden veiiooclienen.

VIERDE MEDITATIE

Van af den val van Petrus tot aan de kroning

met doornen......70

I. Jezus wordt gedurende den nacht mishandeld . 72 Over de tegenwoordigheid Gods.

ocr page 245

— 241 —

Bladz.

II. Jezus wordt gegeeseld.....78

Over de onkuischheid.

III. Jezus wordt met doornen gekroond ... 84 Hoe men Jezus door de doodzonden kroont.

quot;VIJFDE MEDITATIE

Van af de kroning met doornen tot aan de

kruisiging van Jezus.....92

I. Jezus neemt het kruis op zijne schouders . . 95 Hoe wij ons kruis moeten dragen.

II. Woorden van Jezus tot de weenende vrouwen . 100 Hoe slechte ouders over zich zeiven en hunne

kinderen moeten weenen.

III. Jezus tusschen twee moordenaars gekruist . 104 Over de hoop en het vermetel betrouwen.

ZESDE MEDITATIE

Van af de kruisiging van Jezus tot aan den kruisdood.......113

I. Woorden van Jezus aan het kruis . . . 115 Over het quot; Consummatum est» van den zondaar

en van den rechtvaardige.

II. Kruisdood van Jezus ..... 120 Over de zorg voor zijne ziel.

III. Wonderen bij den dood van Jezus . . . 122 Over de boetvaardigheid.

ocr page 246

— 242 —

TWEEDE JAARGANG

EERSTE MEDITATIE

Bladz.

Yan af de voetemoassching tot aan de komst in den Hof der Olijven .... 132

I. Jezus wascht zijnen leerlingen de voeten . . 135 Over de ootmoedigheid.

II. Jezus gaat met zijne leerlingen Jerusalem uit . 138 Hoe Jezus door de doodzonde gedwongen wordt

de ziel van den menscli te verlaten.

III. Jezus is bedroefd tot den dood toe . . . 142 Over de droetheid over onze zonden.

TWEEDE MEDITATIE

Van af den doodstrijd van Jezus in den Hof der Olijven tot aan het verraad en de gevangenneming van Jezus . . . 149

I. Jezus verkeert in doodstrijd .... 150 Over den doodstrijd van den zondaar.

II. De Apostelen slapen......155

Over den slaap der pliclitvergetene ouders en oversten.

ocr page 247

— 243 —

Bladz.

III. Jezus wordt verraden en gevangen genomen . 158 Over de versteendheid van Judas en den zondaar.

DERDE MEDITATIE

Van af de gevangenneming van Jezus tot aan de verloochening van Petrus . . . 166

I. Jezus door Caïplias ondervraagd . . . 168 Over liet kwaadspreken.

II. Jezus door Petrus verloochend .... 1T2 Over het gevaar en de gelegenheid der zonde.

III. Petrus, door Jezus aanzien, bekeert zich . . 176 Over de barmhartigheid Gods.

VIERDE MEDITATIE

Van af de rechtbank van Cdiphas tot aan den zelfmoord van Judas.....184

I. Jezus belijdt dat Hij de Zoon Gods is . . 186 Hoe men spreken moet als de eer van God of het welzijn van den evenmensch zulks vordert.

II. Jezus den ganschen nacht mishandeld . . 191 Hoe wij het ongelijk moeten verdragen.

III. Judas verhangt zich......194

Hoe wij onze zaligheid met vrees en hoop moeten bewerken.

ocr page 248

244

Bladz.

VIJFDE MEDITATIE

Van af de rechtbank van Pontius-Pilatus tot aan de kroning met doornen

I. Jezus bij Pilatus beschuldigd, en Barabbas voor

Jezus gesteld.......

De zondaar stelt Jezus achter Barabbas.

II. Jezus gegeeseld......

Over de onkuischheid.

III. Jezus met doornen gekroond .... Hoe men met de doornen kroon, de kroon van glorie moet verdienen.

ZESDE MEDITATIE

203

212 215

Van af de veroordeeling tot den kruisdood,

tot aan den dood van Jezus

Jezus neemt het kruis op zijne schouders

Over het voordeel van het lijden.

II. Jezus wordt met gal en edik gelaafd. . . 230

Over de onmatigheid in eten en drinken.

III. Jezus beveelt zijne ziel in de handen van zijnen

Vader......

223 225

Over de liefde tot God en het verlaten der zonde.

EINDE.

233

I

ocr page 249
ocr page 250
ocr page 251