MEDITATIÃN OP HET LIJDEN EN DEN DOOD
VAN
ONZEN HEER JEZUS - CHRISTUS
N0 103G2
.
Vak 94
/33
MEDITATIÃN
OP HET
LIJDEN EN DEN DOOD
VAN
ONZEN HEER
JEZUS-CHRISTUS
IN TWEE DEELEN
DOOR
Ant. ROOVERS. Pastoor
VIER JAARGANGEN
TWEEDE DEEL
DERDE EN VIERDE JAARGANG
1\' ca^v. wüos⬠amp;$; i
HASSELT
MICHEL CEYSENS, DRUKKER-UITGEVE11 1880
Eerwaarde Heer Pastoor,
Volgens het verslag dat ons is voorgelegd over Uwe « Meditatiën op het lijden en den dood van O. H. J. C. «, is irw werk alleszins waardig te worden aanbevolen. Wij stemmen dus toe dat liet gedrukt worde, en wensclien u tevens geluk om de echt priesterlijke wijze, waarop gij uwe ledige uren hebt weten te benuttigen.
f VICTOR-JOSEPHUS
BISSCHOP VAN LUIK.
luik, den 6 October ISS3.
DERDE JAARGANG
EERSTE MEDITATIE
Jesus egressus est cum discipulis suis trans torrentem Cedron.
Jezus ging met zijne leerlingen over de beek Cedron. (Joan, xviii, i.)
INHOUD.
VOORREDE.
Algemeene oogslag op het lijden van Jezus. â Wie lijdt?
â Hoe lijdt Jezus? â Wat heeft Hem tot dat lijden bewogen?
â Wat beoogt Jezus met zijn lijden ?â Droefheid en liefde. â Beiden vragen door de voorspraak van Maria, die de Moeder der smarten, de Moeder der schoone liefde is. â Haar verzoeken van ons te willen vergezellen op den lijdensweg van Haren Goddelijken Zoon.
VERDEELING.
I. Droefheid van Jezus in den Olijfliof.
II. Gebed van Jezus tot Zijnen Hemelsclien Vader.
I.
Na de instelling van liet Aanbiddelijk Sacrament des Altaars, gaatjezus met zijne Apostelen over de beek Cedron naar den Olijfliof. â Droefheid van Jezus. â Woorden van Jezus tot zijne drie Apostelen. â Wat is de oorzaak van Jezus\' smarten, van zijne doodsche droefheid ? â De zonden der wereld, mijne zonden in \'t bijzonder. â De folteringen, die Jezus moet onderstaan. â De ondankbaarheid der menschen. â De droefheid zijner Moeder. â De vervolgingen zijner leerlingen, der christenen. âWij moeten onze zonder ook beweenen.
II.
Jezus neemt zijne toevlucht tot het gebed, om ons een voorbeeld te geven, hoe wij moeten bidden. â Jezus bidt met eerbiedigheid, met ootmoedigheid, met betrouwen op de goedheid en almacht Zijns Vaders, met overgeving aan diens Goddelijken wil, en eindelijk met volharding. â Dat voorbeeld moeten wij in ons gebed navolgen.
SLUITREDE
Wijl Jezus zoo bedroefd is, onder anderen, over mijne zonden, water en bloed zweet; daarom moet ik er ook bedroefd over zijn, ze beweenen, haten en verfoeien, ze nimmer meer bedrijven, en daartoe de middelen aanwenden.
EERSTE MEDITATIE
Jesus egressus est cum discipulis suis trans torrentem Cedron.
Jezus ging met zijne leerlingen over de beek Cedron. (Joan, xviii, i.)
VOORREDE.
Alvorens het smartvol lijden van Onzen Goddelijken Zaligmaker in zijne bijzonderheden te overwegen, willen wij eerst eenige algemeene opmerkingen maken.
De Olijfhof is juist de plaats niet geweest, waar Jezus zijn lijden begonnen heeft. Neen, M. Z., gansch zijn leven, van af de kribbe van Bethleëm, waar Hij, klein kind, op eene handvol stroo bittere tranen stortte tot op Golgotha\'s kruin, waar Hij aan een schandig moordhout vastgeklonken zijn Goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergoot; gansch zijn leven, zeg ik, is eene aaneenschakeling, eene onafgebrokene reeks van bittere smarten geweest. De bitterste dier smarten nogtans waren van dusdanigen aard, dat vele menschen ze volstrekt niet mede gevoelden.
Bij dat altijd klimmend inwendig lijden wilde Jezus op het einde zijns levens zoodanige uitwendige smarten vervoegen, die geheel de wereld in staat is mede te gevoelen, en als bewijzen zijner groote liefde te beschouwen. In de overweging van het lijden van Onzen Goddelijken Zaligmaker zullen wij zien, dat Hij naar de voorzegging van den Profeet Isaïas wegens onze zonden versmaad, bespuwd en gewond is; dat
Hij als een lam zonder den mond te openen ter slachtbank is gevoerd.
Wanneer wij zulks overwegen, o, M. Z., overwegen wij het dan met aandacht, en prenten wij daarbij diep in ons
hart:
1° Wie het is, die lijdt? \'t Is de eenige Zoon des Plemelschen Vaders, die in Hem zijn welbehagen schept, \'t Is mijn God, mijn Schepper, mijn Heer en Meester, \'t Is de Godmensch: \'t Is Jezus van Nazareth.
2° En hoe lijdt Jezus? Hij lijdt, niet alleen met het grootste, met voorbeeldeloos geduld, met de volkomenste onderwerping aan den wil van Zijnen Hemelschen Vader, maar ook uit eigene vrije keus; geene enkele pijn werd Hem veroorzaakt, geene enkele slag werd Hem toegebracht, die Hij niet voorzag en kon vermijden, indien Hij het gewild had.
3° Wat heeft Jezus tot dat lijden bewogen? De liefde jegens Zijnen Hemelschen Vader en jegens de menschen, de liefde jegens mij, ellendig schepsel.
4° Wat zoekt Jezus door zijn lijden? Hij zoekt de eer zijns Vaders en het eeuwig heil der menschen; \'t geluk, de zaligheid mijner ziel. Hij leed voor allen, maar tevens voor mij, en voor ieder in \'t bijzonder, alsof Hij uitsluitend voor mij en voor ieder in \'t bijzonder leed.
Wie onzer nu zal met onverschilligheid het lijden van Jezus overwegen? Wie onzer zal van de innigste gevoelens van droefheid en liefde niet doordrongen worden ? Van gevoelens van droefheid, zeg ik, wijl wij door onze zonden Onzen Goddelijken Zaligmaker al dat lijden, al die pijnen en
â 12 â
smarten veroorzaakt hebben. Van gevoelens van liefde, wijl Jezus uit loutere liefde voor ons geleden heeft. Dilexit me et tradidit semelipsumpro me! (i) Hij heeft mij bemind eu zich zeiven voor mij overgeleverd!
Doch helaas! M. Z., wij hebben geene genoegzame droefheid, geene liefde brandend genoeg uit ons zeiven. Daarom, wenden wij ons tot Maria, de Moeder der smarten. Mater dolorosissina ; de Moeder der schoone liefde, Mater imlchrce dilectionis. (2) Smeeken wij Haar, dat zij zich ge waardige ons te vergezellen.
O Maria! Vergezel ons op den smartvollen weg van uwen Goddelijken Zoon: Van uit de eetzaal van Jerusalem naar den Olijfhof; van uit den Olijfhof naar de ondankbare stad; doorkruis met ons hare opgepropte straten; stel U met ons voor de rechtbanken van Annas en Caïphas, van Pilatus en Herodes; beklim met ons den berg van Calvarië, en daar aan den voet des kruises, waar Gij ons tot uwe kinderen hebt aangenomen, daar zullen wij onze zonden volkomen beweenen, zullen wij Jezus en U volmaakt beminnen; daar aan de bron der smarten, aan de bron der liefde zullen wij ware tranen van droefheid en liefde plengen.
Van avond, M. Z., ga ik u spreken:
I. Over de droefheid van Jezus in den Olijfhof.
II. Over het gebed van Jezus tot Zijnen Hemelschen Vader.
tr Gal. ii, 20. (2j eccli xxiv, 24.
I.
Zoodra Jezus het Aanbiddelijk Sacrament des Altaars ingesteld, en zijn gebed voor zijne leerlingen en ons geëindigd heeft, begeeft Hij zich aan het hoofd zijner elf Apostelen over de beek Cedron naar eene pachthoeve, Gethsemani genoemd, alwaar een hof ligt en dien hof treedt Hij binnen: Ook aan Judas is die plaats wel bekend want Jezus is gewoon er meermalen heên te gaan om te bidden. Zoodra Onze Goddelijke Zaligmaker in den hof is aangekomen, zegt Hij tot zijne leerlingen : Blijft hier, terwijl ik ginds henen ga en bid. Hij vermaant hen ook tot het gebed: bidt gij ook, zegt Jezus, opdat gij niet in bekoring vallet. Hij neemt drie zijner leerlingen, Petrus, Jacobus en Joannes, die getuigen geweest zijn van zijne glorie en heerlijkheid op den berg Thabor, en dus meer bestand dienen te wezen, om den strijd, dien Jezus te leveren staat, van nabij te beschouwen; die drie leerlingen neemt Hij een weinig verder mede. Zoodra Jezus zich nu met deze alleen bevindt, begint Hij te treuren, te sidderen en te beven, en Hij zegt: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; Tristis est anima mea usque ad mortem: (i) blijft hier, waakt met mij en bidt. Hierop rukt Hij zich als met geweld van hen af, gaat een steenwerp verder, valt op zijn aangezicht neder, en zegt: Vader! is het mogelijk, zoo laat dezen kelk voorbij gaan, doch niet mijn, maar uw wil geschiede!
(1) MATTU. XXVI, 88.
â 14 â
Na dit gebed keert Onze (xoddelijke Zaligmaker tot zijne leerlingen terug, doch Hij vindt hen slapende. Simon! zegt Jezus, slaapt gij ? Hebt gij dan geen uur met Mij kunnen waken? waakt en bidt, opdat gij niet vallet in bekoring: de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.
Vervolgens gaat Jezus andermaal weg en bidt : Vader ! kan deze kelk niet voorbij gaan, zonder dat ik hem drinke; dat dan uw wil geschiede! Hij keert nogmaals tot zijne leerlingen terug, vindt hen op nieuw slapende, en zij weten niet wat Hem te antwoorden. Hij verlaat hen, verwijdert zich, en bidt ten derde male, gelijk te voren. Nu verschijnt Hem een Engel uit den hemel om Hem te sterken. In eenen doodelijken angst vervallende, volhardt Jezus langer in het gebed. Zijn zweet wordt als druppelen bloeds, dat op de aarde valt.
Nu zoekt Hij ten derde male zijne leerlingen op, en zegt: Slaapt nu en rust â zoo gij kunt! -â Ziet! het uur is gekomen, dat de Zoon des menschen in de handen der zondaren zal overgeleverd worden. Staat op! Laat ons gaan; ziet, mijn verrader is nabij.
Welk schouwspel, M. Z.. dat wij zoo even hebben overwogen! De Godmensch vervalt in doodsangsten; Hij siddert en beeft. Hij spreekt zijnen Apostelen eene taal, zooals Hij nog nooit gevoerd heeft: Mijne ziel, zegt Hij, is bedroefd tot den dood toe! Tristis est anima mea usque ad mortem! (i) Wat mag wel de reden van die doodsche droefheid wezen?
(i) Matth. xxvr, :is.
â 15 â
O, M. Z., men zoude vele redenen van die droefheid kunnen opsommen, doch ziehier de voornaamsten.
Vooreerst de zonden der wereld, waarmede de Hemelsche Vader Hem beladen heeft. Al de zonden, van af de ongehoorzaamheid onzer stamouders Adam en Eva, tot aan de laatste, die op aarde zal bedreven worden, vertoonen zich met al hare boos- en afschuwelijkheid voor zijnen geest. Die stroomen van goddeloosheid hebben Hem geschokt. Torrentes iniquitatis conturbaverunt me: (i) Zij zijn als water tot in het diepste zijner ziel doorgedrongen; Intraverunt aqua; usque ad animam meam. (2) Onze Goddelijke Zaligmaker ziet al de doodslagen en heiligschenderijen; al de onrechtvaardig- en onzuiverheden ; in een woord, hij ziet al de schand... en misdaden van gansch het zondig menschdom; hij ziet al onze misdaden, en elke in \'t bijzonder; ja. Hij onderscheidt ze allen, en elke misdaad brengt Jezus de bitterste en pijnlijkste smarten toe.
Tegelijkertijd voorziet Onze Goddelijke Zaligmaker de menigvuldige en felle folteringen, die Hij, om onze zonden uit te boeten, moet ondergaan. Tallooze rampen hebben mij omgeven, zegt Jezus door den mond van zijnen Profeet; Circumdederunt me mala, quorum non est numerus. (3) Hij ziet in den geest de boeien en geeselroeden; de doornen kroon en nagels ; het kruis, gansch de schande van zijn lijden; \'t Is, als of Hij er reeds de pijnen van gevoelt.
Jezus voorziet ook de ondankbaarheid van zoo vele men-schen, waarvoor Hij gaat lijden; dat zij geene vrucht met
(1) Ps. XVII, 5. [â¢gt;) Ps. LX.VIII, 2. (3) Ps. XXXIX, 13.
zijn lijden zullen doen. Wat zal hun mijn Goddelijk Bloed baten? Qnce utilüas in sanguine meo? (i) Hij ziet dat klein getal van gelukzaligen, die groote menigte van verdoemden, de verwerping der Joden, het verraad en den zelfmoord van Judas, de vlucht der Apostelen, de verloochening van Petrus; Hij voorziet de droefheid zijner dierbare Moeder, de vervolging der christenen; Hij ziet reeds het bloed van zoo vele kloekmoedige Martelaren met stroomen vlieten. Ach! M. Z.,. op dat akelig, hartverscheurend tafereel wordt Jezus in zijne menschelijke natuur geschokt; Hij verschrikt, vervalt in eene doodelijke droefheid, die Hem een bloedig zweet uit al zijne ledematen perst.
O Jezus! Gij beweent mijne zonden! Gij stort tranen! Gij zweet water en bloed om ze uit te wasschen! En ik, ellendige zondaar! Ik zal er mij nog over verheugen? Gij betreurt en beweent den ondergang der menschen! En ik, ik zal door mijne ergernissen dien ondergang vermeerderen? Gij, het hoofd der Kerk, lijdt in al hare leden! En ik lid uwer Kerk, ik zal geen medelijden met U hebben ? Ja, lieve Jezus! Tranen, om mijne zonden te beweenen! Tranen, om mijne ergernissen te herstellen! Tranen om U mijn medelijden te betoonen!
II.
Wij hebben overwogen, M. Z., de benauwdheid van Jezus in den Olijfhof en de voornaamste redenen er van. Overwegen wij nu ook nog een oogenblik, hoe Jezus zich tijdens die benauwdheid gedragen heeft.
(i) Pr. xxix, 10.
Ten prooi aan die doodelijke droefheid, neemt Jezus zijne toevlucht tot het gebed. En waarom bidt Onze Goddelijke Zaligmaker? Hij bidt Zijnen Hemelschen Vader, niet zoo zeer om hulp van Hem te erlangen, zegt de H. Ambrosius, dan wel om ons een voorbeeld te geven. En hoe bidt Onze Goddelijke Zaligmaker? Jezus, na zich een steenworp ver van zijne leerlingen verwijderd te hebben, bidt met den grootsten eerbied, met de diepste ootmoedigheid.
Hij zet zich op de knieën, Posilis genibus: Hij valt op zijn aangezicht neder, Procidil in faciem suam: Waarom? Om mij te leeren, hoe ik, nietig schepsel, stof en asch, ellendige zondaar, tijdens het gebed, mij voor God moet vernederen.
Jezus bidt met betrouwen. Hij steunt op de goedheid en almacht Gods. Dat betrouwen op de goedheid Gods straalt door in de zoete benaming, die Hij God geeft. Hij noemt God zijnen Vader. Abba Pater! (i)
Jezus steunt op de almacht Gods, zeggende: Vader! Alles is U mogelijk! Omnia Tibi possibüia sunt! Welk een schoon voorbeeld van gebed voor ons! Wanneer wij dus iets noodig hebben, moeten wij vol eerbied en met een ootmoedig hart tot God gaan; wij moeten Hem bidden met een groot betrouwen op zijne goedheid en almacht. Bijaldien iemand, zegt de H. Jacobus, wijsheid â en onder den naam van wijsheid mag elke bovennatuurlijke gave begrepen worden â bijaldien iemand wijsheid noodig heeft, hij vrage ze aan God, en zij zal hem gegeven worden. Po slide t a Deo et
(l) Marc. xiv, sg.
26 DEEL MEDITATIÃN 2.
â 18 â
dabitur ei: (i) doch wij moeten met betrouwen bidden, zonder te aarzelen, zonder te twijfelen, in fide nihil hacsitans; want die twijfelt, zegt dezelfde Apostel, is gelijk aan eene golf derzee, die door den wind lieênenweêr geslingerd wordt.
Jezus bidt nog met overgeving aan den wil van Zijnen Hemelschen Vader. Vader! Bijaldien het mogelijk is, zegt Hij, Si possibile est. (2) Bijaldien Gij, Vader! het goed vindt; laat dan dien kelk van mij weggaan, doch niet mijn, maar uw wil geschiede ! Daarin moeten wij Onzen Goddelijken Zaligmaker ook navolgen; wij moeten dus nooit iets verzoeken, dat in strijd is met Gods wil, maar ons altijd en in alles aan zijne goedheid en barmhartigheid overgeven, wel overtuigd, dat God alles tot ons tijdelijk en eeuwig welzijn zal schikken. Eindelijk bidt Onze Goddelijke Zaligmaker met volharding, waarin de kracht des gebeds vooral gelegen is. Hij bidt gedurende drie uren. Hij onderbreekt zijn gebed niet uit traag- of lichtzinnigheid; maar enkel uit noodzakelijkheid, om zijne Apostelen op te zoeken en te vermanen. Na hen opgezocht en vermaand te hebben keert Hij terstond terug, om Zijnen Hemelschen Vader hetzelfde te verzoeken.
Ziedaar, M. Z., waarom en hoe Onze Goddelijke Zaligmaker tijdens zijne benauwdheid in den Olijfhof gebeden heeft. Hij heeft gebeden, onder andereu, om ons een voorbeeld te geven: Hij heeft gebeden met eerbied en ootmoedigheid; met betrouwen op de goedheid en almacht Gods: Hij heeft gebeden met overgeving aan den wil van zijnen Hemelschen Vader, en eindelijk met volharding.
(l) JAC. 1, 5-6. (2; MATTH. XXVI, 3«.
â 19 â
Voor dat schoon voorbeeld moeten wij Onzen Goddelijken Zaligmaker dankbaar zijn; en om Hem onze dankbaarheid te betuigen, moeten wij ons beijveren om het na te volgen.
Ja, dank aan U, o goede Jezus! Duizendmaal dank voor het schoon voorbeeld, dat Gij mij gegeven hebt! Ik zal trachten van het zoo goed mogelijk na te volgen: In al mijne noodwendigheden, zoo wel naar ziel als naar lichaam, zal ik mijne toevlucht nemen tot hei gebed: Ik zal tot U komen met eerbied, met een ootmoedig en vermorzeld hart, dat Gij niet kunt versmaden, Cor conlritum et humüiatum Deus, non clespicies: (l) Met een kinderlijk en vast betrouwen, met eene volkomen overgeving aan uwen Goddelijken wil zal ik niet ophouden ü, mijn Vader! te bidden.
SLUITREDE.
Wij hebben Onzen Goddelijken Zaligmaker in den Olijfhof in zijne benauwdheid beschouwd. Wij hebben gezien, M. Z., dat Jezus in die benauwdheid zijne toevlucht neemt tot het gebed.
De zonden van het menschdom; uwe, mijne zonden zijn, onder anderen, de oorzaak geweest van die doodsche droefheid. Jezus, mijn God, mijn Schepper, mijn Zaligmaker siddert en beeft; Hij roept uit: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe! Tristis est anima mea usque ad mortem! (2) Hij valt, terwijl Hij aan mijne zonden denkt, op zijn aanbiddelijk aangezicht neder. Zijn aangezicht, gansch zijn lichaam is met zweet, met een bloedig zweet overdekt. Wanneer ik nu
(1) Ps. L, 19. (a) M.VTTH. XXVI, 18.
â 20 â
mijnen God in dien pijnlijken toestand op den grond zie liggen, en terwijl ik tevens de oorzaak van zijn lijden overweeg, moet ik dan niet ten sterkste aangezet worden om eene oprechte droefheid over mijne zonden op te vatten, om ze te haten en te verfoeien ? Moet ik dan niet een vast voornemen maken, van ze nooit meer te bedrijven, en krachtdadige middelen daartoe aanwenden? Ja, M. Z., tot dat besluit moeten wij, allen komen; en van daar dat ik in naam van allen, en van eenieder in \'t bijzonder, deze eerste meditatie eindigt met een kort gebed tot Jezus en Maria.
Mijn Goddelijke Zaligmaker! In den geest zie ik U in den Olijfhof met een bloedig zweet overdekt, bedroefd tot aan den dood, ter aarde liggen. Ik ben ook bedroefd over mijne zonden, die de oorzaak geweest zijn van al uw lijden, wijl ik U daardoor zoo zeer beleedigd heb. Ik haat en ik verzaak mijne zonden uit liefde tot ü, en ik maak een vast voornemen van ze niet meer te bedrijven. Ik maak een vast voornemen van in de bekoringen mijne toevlucht te nemen tot het gebed; van te bidden vooral met eerbied en ootmoedigheid, met betrouwen en volharding. Ja, ik maak een vast voornemen van liever te sterven dan U nog te vergrammen.
O Maria, Toevlucht der zondaren! bid voor mij, ten einde mijne zonden oprecht te beweenen, er eene ware boetvaardigheid over te doen, en ze nimmer meer te bedrijven. Amen.
EINDE.
TWEEDE MEDITATIE
Dixit illi Jesus: Amice! Ad quid venisti?
Jezus zeicle hem; Vriend! Waartoe zijt gij gekomen? (Maith. xxvi, so.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus had zijn lijden en dood voorzegd. â Beraadslaging Tan den Joodsclieri raad, om Jezus gevangen te nemen. â Besluit des Hemelsclien Vaders. â De Joden veranderen van besluit. â Waarom? â Tijdens liet laatste avondmaal sprak Jezus over liet verraad. â Wat er plaats liad. â Judas stond op, verliet de zaal, en begaf zich naar de Priesters.
I. Verraad door Judas gepleegd.
II. Zondaar, die Judas navolgt.
Verraad van Judas. â De soldaten ter aarde geworpen. â Gevangenneming van Jezus. â Oorzaak der misdaad door Judas gepleegd. â Eene slechte genegenheid, waartegen Judas zich niet verzet heeft. â De geldzucht. â Omstandigheden van het verraad. â Wie is de verrader? â Wie wordt er verraden? â Hoe? â Hoe gedraagt zich Jezus?
II.
Onder de christenen treft men personen aan, die Judas navolgen. â Wie? â De heiligschender. â De heiligschender overtreft in zekeren zin Judas. â Vergelijking van den heiligschender met Judas.
SLUITREDE.
Aanmaning tot bekeering. â Zijne toevlucht nemen vooral tot Maria, de Moeder van Jezus. â Gebed tot Maria.
EINDE.
TWEEDE MEDITATIE
Dixit illi Jesus: Amice\' Ad quid venisti?
Jezus zeide hem: Vriend! Waartoe zijt gij gekomen? (Matth. xxvi, so.)
VOORREDE.
Onze Goddelijke Zaligmaker, M. Z., liad vroeger tijdens zijn openbaar leven zijnen leerlingen reeds meermalen zijnen dood voorzegd; doch zij wisten het juiste tijdstip niet, waarop hun Goddelijken Meester ter dood zoude gebracht worden.
Kort voor zijne gevangenneming sprak Jezus klaar tot zijne Apostelen. Gij weet, zeide Hij, dat het na twee dagen Paschen is, en dat de Zoon des menschen overgeleverd zal worden om gekruist te worden.
Terzelfder tijd, ja wellicht denzelfden dag, dat Jezus zoo sprak, vergaderden de Priesters en Ouderlingen des volks in het voorhof van den Opperpriester Caïphas, en beraadslaagden onderling, om Jezus met list gevangen te nemen, en daarna te dooden. Jezus\' dood, M. Z., hadden zij reeds over lang besloten; zij beraadslaagden enkel over de wijze, waarop zij zich van Onzen Goddelijken Zaligmaker zouden meester maken. Met openbaar geweld-Jezus gevangen nemen durfden zij niet. Zij waren bang voor het volk, waarbij Onze Goddelijke Zaligmaker nog in groot aanzien stond. Zij namen dus het besluit, van Hem met list te vangen; doch niet op het Paaschfeest, zeiden zij, dat is,niet gedurende de Paaschweek, opdat er onder de menigte des volks, dat van alle zijden
â 24 â
naar de stad Jerusalem gestroomd was, om liet Paasclifeest te vieren, geen oproer uitbreke. Zij waren dus voornemens Jezus in heclitenis te nemen, te veroordeelen en ter dood te brengen, zoodra het feest afgeloopen, en Jerusalem van vreemdelingen verlaten zoude zijn.
Doch God, M. Z., had anders besloten. Ja, de Hemelsclie Vader had vastgesteld, dat zijn eenige Zoon op het Paasclifeest zelve zich tot zaligheid der menschen zoude opofferen.
Eene schoone gelegenheid, om Jezus in stilte gevangen te nemen, door Judas, een der twaalf, den Priesters aangeboden, deed hen van besluit veranderen. Zij wilden hun moordplan zoo spoedig mogelijk voltrekken.
Judas, over de zalving van Jezus\' voeten door Maria Magdalena geërgerd ; Judas, die dat liefdewerk eene verkwisting durfde noemen, begaf zich, door den duivel bezeten, naar de Priesters, en zeide hun: Wat wilt gij mij geven, en ik. zal Hem u overleveren ? Zoodra de vijanden van Jezus Judas hoorden spreken, verheugden zij zich zeer;zij beloofden hem dertig zilverlingen, en ziet! de trouwelooze Apostel gaf hun zijn woord, hij was gereed. Van dien tijd af zocht Judas eene geschikte gelegenheid om zijnen Meester over te lederen.
Gedurende het laatste avondmaal, terwijl Jezus met zijne Apostelen, waaronder ook Judas, aan tafel zat, sprak Hij over het verraad. Voorwaar, voorwaar, sprak Jezus, ik zeg het u: één onder u zal mij verraden.
Welk eene treurige aankondiging! Geen wonder, dat de elf Apostelen, die hunnen Goddelijken Meester teeder beminden
bedroefd werden. Bevreesd vroegen zij Jezus, een voor een. Heer! ben ik het, die ü verraden zal? Jezus antwoordde: Die met mij de hand in de schotel doopt, die zal mij verraden. Daarmede nogtans bleef de verrader onbekend. En Onze Goddelijke Zaligmaker voegde erbij; De Zoon des menschen gaat wel is waar heen â namelijk van het leven in den dood â gelijk van Hem geschreven staat; maar wee toch den mensch, door wien de Zoon des menschen zal overgeleverd worden! Want \'t ware beter voor hem, dat hij niet geboren ware. Als wilde Jezus zeggen: \'t Ware beter voor hem dat hij nooit bestaan hadde.
Wat ging er wel om in \'t hart van Judas, toen hij die woorden hoorde? Doch Judas bleef ongevoelig, en hij verstoutte zich zelfs, even als de andere Apostelen, doch vol liefde, gedaan hadden, Jezus te vragen: Heer! ben ik het? En Jezus zeide hem rechtuit: Ja, gij zijt het. Tu dixisti. (i)
Een weinig tijds daarna stond Judas van tafel op ; en terwijl de overige Apostelen meenden dat hij het een of ander ging koopen, snelde hij naar de Priesters, om hun zoo spoedig mogelijk Jezus over te leveren.
\'t Is over dat snood plan van Judas, over zijn afschuwelijk verraad en over de gevangenneming van Jezus, dat wij van avond gaan spreken.
O Maria! wier hart ongetwijfeld met een zwaard van droefheid doorboord werd, bij het vernemen van de gevangenneming van Jezus uwen Zoon. Door die droefheid bid ik
(1) MATTH. XXVI, 64.
U, o smartvolle Moeder! verkrijg voor ons de genade van deze meditatie met vrucht te mogen verrichten.
Ziehier de twee punten, die wij gaan overwegen:
I. De afschuwelijkheid der misdaad door Judas bedreven.
II. Welke zondaar Judas vooral navolgt.
I.
Zoodra Jezus in den Olijfhof zijn gebed geëindigd heeft beveelt Hij zijnen Apostelen van op te staan. En ziet! Nauwelijks heeft hij hun het dreigend gevaar opmerkzaam gemaakt, of daar komt Judas, de trouwelooze Apostel, aan. Die ongelukkige heeft met de Priesters en Ouderlingen des volks een verdrag gesloten, van zijnen Goddelijken Meester voor dertig zilverlingen over te leveren. Hij staat aan het hoofd eener bende soldaten van fakkels voorzien en met zwaarden en stokken gewapend. Judas heeft den soldaten ook een teeken gegeven, waaraan zij Jezus erkennen zullen: Hij, dien ik kussen zal, is het; grijpt Hem en leidt Hem voorzichtig.
Zoodra Judas Jezus ziet aankomen, snelt hij vooruit, gaat naar Hem toe en zegt: Wees gegroet Meester! En kust Hem. Jezus zegt tot Judas : Vriend ! Waartoe zijt gij gekomen ? Verraadt gij den Zoon des menschen door eenen kus? Jezus gaat de soldaten te gemoet, en vraagt wien zij zoeken. De soldaten antwoorden; Jezus van Nazareth. Daarop zegt
Jezus: Ik ben het! Ego stem! (i) en op die woorden vallen de krijgsknechten, als door den bliksem getroffen, ruggelings ter aarde, en zullen niet opstaan, alvorens Jezus het toelaat. Jezus vraagt hun nogmaals wien zij zoeken; zij geven hetzelfde antwoord: Jezus van Nazareth. Jezus antwoordt: Ik heb u reeds gezegd, dat ik het ben ; naardien gij mij dus zoekt, zoo laat deze â zijne leerlingen bedoelende â ongehinderd gaan. Daarop slaan zij terstond de handen aan Onzen Goddelijken Zaligmaker.
Wanneer men vermelde schroomelijke daad van Judas nauwkeurig overweegt, de omstandigheden er van wel nagaat, dan vraagt men zich natuurlijk af: Hoe is het toch mogelijk, dat Judas zoo ver gegaan, dat hij zoo diep gevallen is? Wilt gij er de reden van weten? Ziehier de reden.
Eene slechte genegenheid, eene drift, die Judas niet beteugeld, waartegen hij zich niet Arerzet heeft, heeft aanleiding gegeven tot het verraad van zijnen Goddelijken Meester. Judas is een geldzuchtig mensch, van geldzuchtig, wordt hij een onrechtvaardige, hij hesteelt Jezus en de overige Apostelen ; hij verstout zich zelfs van Jezus onwaardig in \'t laatste avondmaal te ontvangen; en eindelijk verraadt hij Hem voor dertig zilverlingen. Ziedaar, hoe ver de geldzucht den mensch brengen kan ; hoe eene slechte genegenheid, wanneer men er niet aan wederstaat, den mensch hoe langer hoe ongelukkiger maakt, hem van den eenen afgrond in den anderen stort, en eindelijk, gelijk wij later zullen zien, in
(l) J O AN. XV1I1, ö.
â 28 â
den afgrond der hel. De eene afgrond roept den anderen in: Abyssus abijssum invocat. (i)
Docli onderzoeken wij een oogenblik de omstandigheden yan het verraad door Judas bedreven.
Wie is het, die verraadt? \'t Is Judas: Judas, zeg ik, dien Jezus uit de geringe klasse A\'an het Joodsche volk tot de waardigheid van Apostel verheven had, die dagelijks met zijnen Meester en Weldoener omging; Judas, die getuige was van het heilig leven van Onzen Goddelijken Zaligmaker, van zijne verhevene deugden ; die uit den gezegenden mond van Onzen Verlosser de zaligste lessen en onderwijzingen hoorde; \'t is Judas, de vriend, de lieveling van Jezus.
Wie wordt er verraden? \'t Is Jezus van Nazareth, de zoo lang gewenschte Messias, die geene moeite spaarde om zijn volk gelukkig te maken; die steden en dorpen rond reisde, om overal zijne zaligmakende leer te verkondigen; die de zieken genas; aan de dooven het gehoor, aan de blinden het gezicht, aan de stommen de spraak, aan de kreupelen den gang gaf; die de hongerigen in de woestijn tot tweemaal toe met een wonderbrood spijsde: \'t Is Jezus, de weldoener van gansch het volk, en van Judas in \'t bijzonder.
Hoe heeft Judas Jezus verraden?
Met moeite kan men zijne verontwaardiging bedwingen, M. Z., als men de valschheid, de huichelarij en de schijnheiligheid van dien trouweloozen Apostel inziet. Neen, ware Judas er recht voor uit gekomen, hij zoude aan het minnend
(l) PS. XLI, 8.
Hart van Jezus zoo diepe wond niet toegebracht hebben. Doch ziet! Judas stelt zich nog aan, alsof hij de leerling van Jezus is, en hij heeft reeds zijn gezelschap, zijne school verlaten. Hij groet Jezus: Ave Rabbi! (i) zegt hij, wees gegroet Meester! Hij stelt zich uitwendig aan als de vriend van Jezus, en inwendig is hij zijn vijand. Met eenen helschen grimlach op de lippen, en eenen doodelijken haat tegen Jezus in het hart, komt hij vooruit en omhelst Hem. O geveinsde vriendschap! Verradelijkekus! Heiligschendende omhelzing! Wat zal Onze Goddelijke Zaligmaker nu doen? Hij, die de schandige inzichten van Judas kent: Zal Hij dien huichelaar, dien schijnheilige ontmaskeren? Zal Hij hem op het oogen-blik naar verdienste met den dood straffen ? Neen, neen ! M. Z.; Jezus straft niet: Jezus zal integendeel alle pogingen aanwenden om dien ongelukkige tot inkeer te brengen, om zijn versteend hart te vermurwen. Jezus laat alles toe: Hij aanschouwt Judas nog met minzaamheid en liefde; Hij noemt hem zijn vriend: Amice! Hij stelt zich eerst aan, als of Hij niet weet, waarom Judas komt: Ad quid venisti? (2) Waartoe zijt gij gekomen? Hij noemt hem bij name, en stolt hem daarop wel is waar, maar op de zachtste en minzaamste wijze, zijne misdaad voor oogen : Juda! Oscido Filium hominis tradis? Judas! Gij levert den Zoon des menschen over door eenen kus? Doch, helaas! Niets is in staat Judas te bewegen; noch het minzaam gelaat van Jezus, noch zijne woorden vol aandoening, noch de wonderen, die Hij op het
(I) MATTH. XXVI, 49. (2) MATTH. XXVI, 50.
oogenblik verricht, door het omverwerpen der krijgsknechten, door het genezen van het oor van Malchus; niets, niets kan Judas bewegen, hij volhardt in zijne boosheid, hij veracht alles: Impius, cum in profunclum venerit, coniemnit: (i) Ja, de goddelooze, wanneer hij zich eenmaal in den afgrond der zonden heeft nedergestort, veracht alles.
Gij zijt verontwaardigd? Gij veroordeelt Judas? Gij staat verwonderd over de goedheid, over de lankmoedigheid van Jezus? Gij zegt: hoe heeft Judas die ongehoorde, die afschuwelijke misdaad toch kunnen bedrijven? Hoe heeft Onze Goddelijke Zaligmaker hem zoolang kunnen verdragen? En te recht, M. Z. Doch vergeeft mij, zoo ik u zegge, en tevens bewüjze, dat de misdaad van Judas, die wij veroordeelen, hedendaags nog bedreven ; dat de goedheid, de lankmoedigheid van God, die wij bewonderen, hedendaags nog uitgeoefend wordt. Ja, en \'t is zelfs onder de christenen, dat men Judassen aantreft, dat is, zondaren, die Judas gelijken; wat zeg ik, die hem gelijken? Ja, die hem in boos- en wreedheid te boven gaan. Die droevige waarheid ga ik u uitleggen in het tweede deel.
II.
Er zijn christenen, M. Z., die den trouweloozen Judas gelijken, die hem zelfs in boos- en wreedheid te boven gaan. Dusdanige christenen zijn de heiligschenders, en men vindt er, helaas! maar al te veel.
(ij PROV. X.TIII, 3.
Zijn heiligschenders, bij voorbeeld, degenen, die met een hart vol haat en nijd, met een hoofd vol trotsch- en opgeblazenheid te communie gaan.
Zijn heiligschenders, die met handen vol onrechtvaardig geld of goed, met eene tong als het ware zwart van de vloeken en godslasteringen durven communiceeren.
Zijn heiligschenders, die met eenen mond nog stinkende van onzuivere woorden, met een lichaam als bedorven door de ontucht zich verstouten hunnen Heer en God te ontvangen.
Zijn heiligschenders, in een woord, al degenen, die met een geweten besmeurd met doodzonde tot de Heilige Tafel naderen. Is dat niet het goddeloos verraad van den trouwe-loozen Judas navolgen ? Ja, \'t is zelfs in zekeren zin dien verrader overtreffen, hetgeen ik bewijs door de vergelijking-te maken tusschen Judas en den heiligschender.
Judas onderhandelt met de vijanden van Jezus om Hem over te leveren. Quid vidtis mild dare et ego Eum vobis tra/lam? (i) Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren ? Zij stellen hem dertig zilverlingen, en Judas is tevreden, hij neemt het voorstel aan. De heiligschender onderhandelt in zekeren zin ook eerst met de vijanden van Jezus, en wel met wreedere, met grootere vijanden dan de joodsche Priesters. Met welke vijanden? Met den duivel, de wereld en het vleeseh. Wat wilt gij mij geven? vraagt de heiligschender. Quid vultis mild dare? De duivel biedt hem dertig zilverlingen aan, een weinig onrechtvaardig geld of goed ; de wereld een zondig vermaak, dat vervliegt; het
(l) MATTH. XXVI, la.
â 32 â
vleesch een schandigen wellust van een oogenblik. De heiligschender is gereed; Ego Eum. vobis Iradam: Ik zal Hem u overleveren.
Hij is gelijk een andere Judas op weg naar de priesters. Volgen wij hem een oogenblik. Hij begeeft zich naar den biechtstoel; daar verzwijgt hij bij voorbeeld uit schaamte zijne zonden; ofwel hij biecht ze, maar zonder berouw; want hoe zoude hij een goed berouw hebben? In plaats van zich voor te bereiden, te bidden, zijn geweten te onderzoeken, heeft hij aan den biechtstoel wat zitten te praten en lachen; zonder voornemen van de kwade gewoonten af te leggen, van de naaste gelegenheden van zonde te verlaten, zonder welk voornemen men nogtans geen goed berouw kan hebben.
Die ongelukkige zondaar onder de macht van den duivel gaat immer voort. Hij vervoegt zich, niet gelijk Judas bij de openbare vijanden van Jezus ; neen, zijne schijnheiligheid gaat verder, hij vervoegt zich bij de godvruchtige christenen; uitwendig wil hij zuiver van zonde schijnen, en alzoo in schijn bevriend met Jezus, nadert hij, vijand van Jezus, tot de H. Tafel.
Hij geeft als het ware ook een teeken. Aan wien? Aan een Romeinschen soldaat ? Neen, neen, maar aan den aartsvijand van Jezus, aan den duivel. Dien ik ontvangen zal, zegt hij als het ware tot Satan, die is het, grijp Hem vast. En ziet! de ongelukkige zondaar, die daar met gevouwen handen, met neêrgeslagen oogen tot de communiebank nadert; ja.
Heer Jezus ! die is het, die U verraden zal! Ecce appro-pinquavü! (i) En wat doet Jezus ? Hij roept van uit het Tabernakel inwendig tot dien heiligschender, gelijk eertijds tot Judas: Amice! Mijn vriend! Mijn kind! Wat gaat gij doen ? quot;Waartoe zijt gij gekomen ? Ad quid venisti ? Wat misdaad gaat gij bedrijven? Wat heb ik u toch misdaan, mijn kind ! dat gij Mij wilt gaan verraden, aan mijnen grootsten vijand overleveren, en dat onder den schijn van vriendschap? Oscido Filiurn hominis tradis? Niets te doen, M. Z., de heiligschender veracht die hartroerende, die zoete woorden van Jezus, Hij komt vooruit, knielt en zet zich voor, of aan de H. Tafel neder. De priester neemt de ciborie in de hand, toont den minnelijken Zaligmaker onder de gedaante van brood, en zegt: Ecce Agnus Dei, ecce qui tollit peccata mundi! Ziehier Jezus, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt! De priester treedt nader; hij legt de H. Hostie op de tong van den heiligschender, zeggende : Corpus Domini Nostri Jesu Christi cusdodiat anirnarn tuam in vitam celernam, amen. Het Lichaam van O H. J. C. beware uwe ziel ten eeuwigen leven, daar hij integendeel zoude kunnen zeggen, verdoeme uwe ziel in eeuwigheid.
Ziedaar, M. Z., hoe de heiligschender Jezus verkoopt en Hem groet. Ziedaar hoe hij Jezus verraadt, hoe hij Hem als het ware aan den duivel overlevert. Kan er wel eene afschuwelijkere misdaad dan eene heiligschendende Communie uitgedacht, een grooter monster van boosheid dan de heiligschender gevonden worden ?
(IJ MATTH. XXVI, 4G.
2e DEEL MEDITATIÃN 3.
-
-
-
â 34 â
SLUITREDE.
Zouden er nog Judassen kunnen zijn? Zijn er misschien hier tegenwoordig, die den ongelukkigen Apostel hebben nagevolgd, die zich tot op den dag Tan heden in dien ongelukkigen staat bevinden? O, M. Z., ik bid en ik smeek u dan door het bitter lijden van Jezus: Staat op uit uwen afgrond! Beweent uw ongeluk! Wilt gij opstaan? Wilt gij u bekeeren? Ja, ik wil wel, zegt gij, maar ik durf niet tot Jezus gaan, wijl ik Hem zoo zeer vergramd heb. O, gij wilt u dan bekeeren? Dan zijt gij gered. Gij durft niet tot Jezus gaan? Niets nogtans zoude u moeten wederhouden, wijl Hij gereed staat om u met open armen in liefde te ontvangen ; doch zoo gij, door eene eerbiedweerdige vrees wederhouden, u niet rechtstreeks tot Hem durft begeven, er is nog een middel; er is nog een tweede persoon, die u volgaarne zal vergezellen, en die persoon is Maria. Ja, wendt u tot Maria, en zegt Haar: O, Maria, mijne Moeder! Ik durf niet naar Uwen Goddelijken Zoon gaan, en daarom neem ik mijne toevlucht tot ü. O Toevlucht der zondaren ! Spreek voor mij ten beste; verkrijg voor mij eene ware droefheid over mijne zonden; leid mij vervolgens naar den biechtstoel, om door eene trouwe en ootmoedige schuldbelijdenis vergiffenis mijner zonden te bekomen, en eindelijk, O Goede Moeder! Vergezel nog uw kind tot Jezus uwen Zoon aan de Tafel des Heeren, opdat ik Hem met eerbied ontvange, van helde en dankbaarheid doordrongen aan mijn hart drukke en vol vreugde moge
amp;
,_:__
â 35 â
uitroepen: Ziet, nu behoort Jezus uw Zoon mij toe, en ik aan uw Zoon Jezus! Dilectus meus mild et ego HU ! (i) Amen.
EINDE.
(i) Cant, II, 16.
DERDE MEDITATIE
Misit Eum Annas ligatum ad Caïplmm Pontijicem.
Annas zond Hem geboeid naar den Opperpriester Caïphas.
(JOAÃT. SVIII, 2i.)
INHOUD.
VOORREDE.
Verschil tusschen den intocht van Jezus uit Bethphage binnen Jerusalem en den optocht uit den Olijfhof naar de ondankbare stad.
VERDEELING.
I. Mishandelingen van Jezus in quot;t huis van Caïphas. II. Droefheid van Jezus veroorzaakt door Petrus en Judas.
1.
Jezus wordt eerst naar Annas, vervolgens naar Caïplias geleid. â Caïphas ondervraagt Hem over zijne leerlingen en leering. â Op de eerste vraag antwoordt Jezus niet, ons leerende het kwaad van onzen evenmensch te zwijgen, zoo wij geen goed van hem willen zeggen. â Jezus belijdt zijne leering kloekmoedig. â Een soldaat geeft Hem een kaakslag.
â Zonderlinge rechtbank.âJezus straft den schaamteloozen soldaat niet. â Door zijn gedrag veroordeelt Hij den oploopenden, den wraakgieriger! mensch. â Valsche getuigen treden op, doch spreken elkander tegen. â Jezus, door Caïphas ondervraagd, belijdt zijne zending, waarop Hij ter dood veroordeeld wordt. â Verschil tusschen de rechtbank van Caïphas en die van den Zoon Gods in den laatsten dag des oordeels. â De soldaten mishandelen Jezus. â Zij spuwen Hem in \'t aangezicht. â Slaan Hem met de vuist, met de platte hand. â Zij lasteren, blinddoeken Hem. â Toepassing. â De hoovaardige bespot Jezus. â De gierigaard slaat Hem met de vuist, de verkwister met de platte hand.
â De vloeker lastert, de onzuivere besmeurt Hem.
II.
Dubbele smart Jezus\' minnend hart aangedaan door Petrus die Hem verloochent, en door Judas die zich verhangt. â Oorzaak van den val van Petrus; de vermetelheid, de hoo-vaardigheid en de onvoorzichtigheid. â Oogslag van Jezus op Petrus. â Petrus gaat buiten en weent bitter. â Om dezelfde reden valt de mensch in zonde. â Judas, door den
duivel vervolgd, werpt het geld in den tempel, dwaalt rond buiten Jerusalem, en verhangt zich uit wanhoop.
SLUITREDE.
Wij allen hebben Petrus in den val gevolgd, wij moeten hem ook in de bekeering volgen, en vooral de gevaren en gelegenheden der zonde verlaten en vluchten.
EINDE.
DERDE MEDITATIE
Misit Bum Annas ligatwn ad Cdiplmm Pontificem.
Annas zond Hem geboeid naar den Opperpriester Caïphas.
(J O AN. XVIII, 21.)
VOORREDE.
Hoezeer verschilt de plechtige intocht van Jezus uit Bethphage binnen Jerusalem van den droevigen optocht Onzes Zaligmakers uit Gethsemani naar de ondankbare stad. Nog maar weinige dagen geleden, deed Jezus, gezeten op het veulen eener ezelin, in triomf zijne intrede in de stad van David. Eene juichende volksschaar, schier uit vreemdelingen van Galilea en Judea bestaande, wedijverde om alle krachten in te spannen, ten einde Jezus te vereeren, te prijzen en te verheerlijken.
Zij verliet met palmtakken in de hand de stad, en kwam Hem feestelijk te gemoet; zij spreidde hare mantels en overrokken over den weg, sneed groene looftakken van de boomen, om die voor de voeten van Jezus te strooien; hun vroom en onschuldig hart stortte zich uit in uitbundige vreugde; de lucht weergalmde van het daverend vreugdegeroep : Hosanna den Zoon van David! Gezegend die komt in den naam des Heeren! Hosanna Filio David! Benedictus qui vcnit in nomine Domini! (i) Welke triomf! Jezus gaat dan eindelijk den troon van David beklimmen? Maar helaas!
(l) MATTH. XVI, 15.
Jezus wist, en maar al te wel, welke treurige optocht dien zegepralenden weldra zoude volgen, \'t Is nacht. Judas heeft zijn snood plan reeds voltrokken, \'t Is het uur van de vijanden van Jezus, de macht der duisternissen. De soldaten slaan hunne onzuivere handen aan het Vlekkelooze Lam en sleuren Onzen Goddelijken Zaligmaker triomfantelijk naar de stad. O welke verandering! Het jonge lastdier, waarop Jezus gezeten was, is vervangen door zware ketenen en dikke touwen ; die juichende menigte door eene woelige bende soldaten; die palmtakken, kenteeken van vrede, door stokken en lansen ; dat zonderling tapijt, uit kleederen en loover vervaardigd, door distelen, doornen en scherpe steenen verspreid op den hobbeligen weg; in plaats van lofliederen hoort men de afschuwelijkste beschimpingen; in plaats van vreugdegeroep een luidruchtigen schaterlach. O neen! O neen! De lucht weergalmt niet meer van \'t golvend Hosanna, van zoete jubeltonen; \'t is het getier eener woelzieke bende, \'t gekletter der wapenen, dat onze ooren treft, \'t zijn de afgrijselijkste vloeken en godslasteringen die ze doen tuiten. O welke verandering! Doch verlaten wij daarom Onzen Goddelijken Zaligmaker niet. Integendeel, als getrouwe vrienden, als verkleefde minnaars van Jezus volgen wij met zijne bedroefde Moeder de bebloede voetstappen van Haren Goddelijken Zoon; doorkruisen wij met Haar kloekmoedig de straten van Jerusalem; stellen wij ons aandachtig voor de rechtbanken, om door de leering en het voorbeeld van Onzen Goddelijken Meester gesticht, door zijne mishandelingen en pijnen getroffen en bedroefd, door zijne liefde aangedaan en ontstoken te worden.
Wij zullen dus van avond overwegen:
I. De mishandelingen Jezus aangenaan bij Caïphas.
II. De droefheid, die Jezus gevoelt over de verloochening van Petrus en den zelfmoord van Judas.
I.
De woeste soldaten, M. Z., leiden Onzen Goddelijken Zaligmaker geboeid, vooreerst naar Annas den schoonvader van den Opperpriester Caïphas, waarschijnlijk, om dien grijsaard het genoegen te geven, van het zoo lang gewenschte slachtoffer in hunne handen te zien. Zoodra Annas zijne nijdige oogen in het aanschouwen van den diep vernederden Jezus voldaan, en zijn hart tegen Hem gekoeld heeft, zendt hij Hem naar den Opperpriester Caïphas. Die booze en onrechtvaardige rechter, die reeds een Apostel heeft doen omkoopen, heeft ook nog valsche getuigen aangesteld. Hij durft Jezus, niet om de waarheid te kennen, maar om Hem in zijne antwoorden te vangen, ondervragen over zijne leerlingen en leering.
Wat de eerste vraag betreft, daarop antwoordt Onze Goddelijke Zaligmaker niet. Hij kan van zijne leerlingen weinig goeds zeggen. Judas heeft Hem verraden, de overige Apostelen hebben Hem verlaten, zijn schandig gevlucht, Petrus zal Hem weldra tot driemaal toe verloochenen. Wijl Jezus dus weinig goeds van hen kan zeggen, zegt Hij niets, Jezus zwijgt. Schoon voorbeeld, M. Z., waardoor Onze Goddelijke Zaligmaker leert hoe wij ons ten opzichte van
onzen evenmenscli moeten gedragen ; dat wij namelijk, willen wij geen goed van liem zeggen, ten minste liet kwaad ook moeten zwijgen. Doch op de tweede vraag naar zijne leering antwoordt Jezus vrijmoedig: Ik heb in het openbaar gesproken, zegt Hij: Ik heb altijd geleerd in de Synagoge en in den tempel, waar de Joden samenkomen, en in het verborgen heb ik niets gezegd. Waarom ondervraagt gij mij? Ondervraag hen, die gehoord hebben, wat ik gezegd heb; zie, die weten, wat ik tot hen gesproken heb. De Opperpriester, M. Z., wordt op dat bescheiden en vrijmoedig antwoord van Jezus vertoornd, omdat hij er niets in vindt om Hem te kunnen beschuldigen en veroordeelen. Een lage vleier, gelijk er altijd in dergelijke omstandigheden gevonden worden, zulks bemerkende, schaamt zich niet zijne vuist, met eenen ijzeren handschoen gewapend, tegen Jezus uit te brengen,en zijn aanbiddelijk aangezicht ten bloede te slaan; en om zijnen meester te streelen, voegt hij er bij: Is het zóó dat Gij den Opperpriester antwoordt? Sic respondes Pon-tifici? (i) Jezus, na die ongehoorde mishandeling ondergaan te hebben, vergramt zich niet; doch om te toonen, dat Hij den Opperpriester geenszins beleedigd heeft, antwoordt Hij met zachtheid: Indien ik slecht gesproken heb, geef er dan bewijs van; doch zoo ik wel gesproken heb, waarom slaat gij Mij? Quid Me ccedis? (2)
Wat zonderlinge rechtbank! Wat droevig schouwspel, de aandacht nogtans van hemel en aarde waardig ! God, de Rechter van levenden en dooden, verschijnt als een misda-
(]} JOAN. XVIII, 22. (2; JoAN. XVIII, 23.
diger voor den Opperpriester. De dienaar is gezeten, om te vonnissen, en de Meester staat voor hem, om gevonnist te worden. Men ondervraagt den aangeklaagde, en op een bescheiden antwoord geeft een woedende krijgsknecht uit al zijne kracht Hem een verschrikkelijken kaakslag. Hemel en aarde staan verwonderd. De Engelen des hemels weenen bitter, omdat zij tegengehouden worden van hunnen Heer en Meester te wreken. De Cherubienen en Seraphienen bedekken zich met hunne vleugelen, op het gezicht der beleediging, die hunnen God wordt aangedaan. O, Mijn God! roept de H. Ephrem uit: Hoe is het heelal met zon, maan en sterren niet in de duisternissen verzonken, bij de ongehoorde mishandeling van zijnen Schepper ! Wat heeft Jezus den Opperpriester dan toch wel geantwoord ? Wat heeft Hij gezegd? Caïphas vraagt Hem rekenschap van zijne leering; en Jezus, om zich te rechtvaardigen, beroept zich op zijne toehoorders; Hij verlangt dat men hen tot getuigen oproeper Is dat eene misdaad? Moet men Hem daarom dien verschrikkelijken kaakslag geven, zijn aangezicht ten bloede slaan? Wat recht heeft men daartoe? O, M. Z., roepen wij hier het recht niet in; het bestaat niet meer in de gerechtszaal van Caïphas; \'t is de drift, de haat, die er heerscht; \'t is de afgunst die er spreekt; de nijd, die hare stem verheft. Hetgeen wij voor de rechtbank van Caïphas moeten overwegen, moeten bewonderen en onzer navolging voorstellen, is de onwrikbare standvastigheid van Onzen Goddelijken Zaligmaker. Luistert, M. Z., waarom:
Het geduld, de lankmoedigheid van Jezus wordt op de hardste proef gesteld. Hij ontvangt eenen kaakslag in zijn
aanbiddelijk aangezicht, en dat te midden eener talrijke vergadering ; Hij wordt geslagen van eenen lagen vleier, zonder wettige machtiging, enkel onder voorwendsel van den Opperpriester niet geëerbiedigd te hebben; antwoordt Gij zóu den Opperpriester ? Sic respondes Pontifici ? De Schepper, de Heer van hemel en aarde heeft slechts te spreken, en \'t vuur des hemels zal oogenblikkelijk nederdalen om dien stoutmoedige te verteren, gelijk het eertijds op de stem van den Profeet Elias nederdaalde en den hoofdman met zijne soldaten verteerde. Jezus heeft enkel te gebieden en de aarde zal terstond openscheuren om dien schaamtelooze te verslinden, gelijk zij eertijds Gore, üathan en Abiron verslond. Ja, M. Z., wat meer is, \'t schijnt dat Jezus er toe verplicht is, om zijne eer op staanden voet te wreken; dat zijne waardigheid van Messias, van Zoon Gods het vordert. En ziet! Jezus straft niet; Hij vergramt zich niet eens; Hij antwoordt enkel met zachtheid; Bijaldien ik slecht gesproken heb, toon het mij; zoo niet, waarom slaat gij mij? Ziedaar, wat Jezus doet; ziedaar de eenige voldoening, die Hij vordert.
Wat schoon voorbeeld voor ons, M. Z., voorbeeld van geduld, van zachtmoedig- en lijdzaamheid ! O oploopende, wraakzuchtige mensch ! treed nader: Kom hier voor de rechtbank van Caïphas van den Zoon Gods, van den Opper-wetgever van hemel en aarde leeren, hoe gij u moet gedragen. Gij kunt het geringste ongelijk van uwen evenmensch niet verdragen; bij den kleinsten aanstoot vliegt gij op; bij de minste beleediging valt gij uit in de schandigste verwijtingen; ja, wat meer en tevens erger is, gij gaat soms zoo ver, van de personen, waarvoor gij de grootste liefde en achting moet
â 45 â
hebben, zooals ouders, oversten en kinderen te beschimpen en te verwenschen. Onder een ijdel voorwendsel van gekwetste eer, van geweigerden eerbied draagt gij haat in \'t liart, tracht gij uwen evenmenscli te benadeelen, vervolgt gij hem. O, M. Z., hoezeer verschilt ons gedrag van het gedrag van Onzen Goddelijken Meester: Jezus antwoordt met zachtheid. Hij vergeeft: handelen wij, die Jezus\' leerlingen willen zijn, ook zoo, en onderhouden wij voortaan beter de wet der broederliefde.
Caïphas en zijn aanhang verheugen zich over de mishandeling Jezus aangedaan; doch zij zijn niet voldaan. Hun doel is niet bereikt. Zij willen Onzen Goddelijken Zaligmaker ter dood veroordeelen, en om ten minste een schijn van recht te bewaren, doen zij de valsche getuigen, die zij omgekocht hebben, te voorschijn komen.
Nu moet de onschuldige Jezus allerlei hatelijke gezegden, allerlei soort van ongerijmdheden tegen zich hoeren inbrengen. Men legt Hem eene menigte van misdaden te laste ; doch ziet! de getuigen komen niet overeen, zij spreken elkander tegen. Mentita est iniquitas sibi. (i) Jezus geeft geen antwoord op al die beschuldigingen: Hij zwijgt. Caïphas door de tegenspraak der getuigen in zijne verwachting te leur gesteld, en door het diep stilzwijgen van Onzen Goddelijken Zaligmaker verbitterd, ontvlamt in woede; hij wil volstrekt dat Jezus antwoorde. Daarom roept hij Jezus toe: Gij antwoordt niet? Nihil respondes? (2) Ik bezweer U bij den Levenden God, van ons te zeggen, of Gij de Christus de Zoon
(i) Ps. xxvi, 12. (2) Matth. xxvi, 26 etc.
Gods zijt! Adjuro te per Deum Vivum, ut dicas nobis, si tu es Christus Filius Dei! Nu, M. Z , nu is de tijd van spreken gekomen. Jezus antwoordt uit eerbied voor den Heiligen Naam van Zijnen Hemelschen Vader; uit eerbied voor de waarheid, en uit belang voor de zekerheid van ons geloof; en ofschoon Jezus voorziet, stellig weet, dat Hij gaat antwoorden ten koste van zijn leven. Hij belijdt niettemin zijne Godheid vrijmoedig, standvastig en klaar. Tu dixisti: Ego sum! antwoordt Jezus. Gij hebt het gezegd : Ik ben het! Daarenboven zeg ik u : Gij zult den Zoon des menschen zien gezeten ter rechter zijde van de kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.
De schijnheilige Opperpriester Caiphas is voldaan. Hij heeft een antwoord naar wensch gekregen, en indruk willende maken op de overige leden van den raad, scheurt hij zich verontwaardigd de kleederen en roept uit: Blasphemavit! Hij heeft God gelasterd! Wat hebben wij nog getuigen noodig ? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord : Wat dunkt u? En allen roepen als uit eenen mond: Hij is des doods schuldig! Reus est mortis!
Zonderlinge rechtbank, als die van Caiphas, heb ik reeds gezegd; en met reden. O wat zal de rechtbank van den Zoon Gods in den laatsten dag des oordeels verschillen van de rechtbank van den Opperpriester. Ja, M. Z., dan zal Onze Goddelijke Zaligmaker vol luister en heerlijkheid met het kruis op de wolken verschijnen. Jezus zal rechter, Caiphas zal aangeklaagde wezen. Ego sum! Ik ben die Jezus, zal de Goddelijke Rechter uitroepen, die eertijds voor u gestaan heeft. Caïphas! Gij antwoordt niet? Nihil respondes? Sta
recht! Richt uw hoofd op! Nu is het mijne beurt om u te rechten en \'t vonnis over u uit te spreken. Ha! M. Z., hetgeen ik hier van Caïphas zeg, zoude ons ook wel in den laatsten dag des oordeels kunnen overkomen, wijl wij allen voor den rechtvaardigen Rechter dei\' levenden en dooden zullen moeten verschijnen. Doch vervolgen wij de geschiedenis van den lijdenden Godmensch. Het doodvonnis is geveld: Onze Goddelijke Zaligmaker hoort het gelaten aan: Hij is tevreden, wijl Hij weldra in staat zal zijn het doodvonnis, tegen Adam en ons uitgesproken\' te vernietigen.
Eene onstuimige menigte werpt zich in volle woede op den onschuldigen Jezus. Zij slaat, stoot en sleurt Hem eindelijk naar een onderaardsch vertrek, onder de rechtzaal van Caïphas gelegen.
Daar wacht Jezus de afschuwelijkste mishandeling.Eerlooze booswichten spuwen Hem in \'t aangezicht; in \'t aangezicht van Hem, die de glans des Vaders is; in dat aangezicht, hetgeen de Engelen zoo zeer verlangen te aanschouwen, \'t Is gansch besmeurd, \'t heeft geene schoon- of behaaglijkheid meer. Wij hebben Hem gezien, zegt de Profeet, maar er was Hem geen aanschijn; als verborgen was zijn gelaat. Wij hebben Hem niet meer erkend ; Hem, den versmade, den laatste der menschen.
Die booswichten slaan Jezus op de onmenschelijkste wijze; de eene met de platte hand, een andere met de vuist; op zijn hoofd, in zijn aangezicht, op zijne armen, overal waar zij Hem maar treffen kunnen. Zij wedijveren onder elkander, wie van hen Jezus de meeste en hardste slagen zal toebrengen; zij gaan in hunne dolzinnigheid zelfs zoo ver, dat zij
Hem met geweld het haar en den baard uitrukken: En Jezus,. M. Z., neen, Hij is niet achteruit geweken. Hij heeft zijn lichaam aangeboden aan hen, die Hem sloegen; zijne wangen aan hen,die Hem plukten: Hij heeft zijn Goddelijk aangezicht niet afgewend van hen, die Hem versrnadeden en bespuwden.
Bij al die onteeringen, bij al die mishandelingen en slagen voegen die onmenschen nog de verschrikkelijkste godslasteringen.
\'t Schijnt nogtans dat de beulen het minzaam gelaat van Jezus niet langer verdragen kunnen; daarom blinddoeken zij het, om Hem des te vrijer te kunnen mishandelen. Zij vragen Hem spottende: Profeteer Christus! Wie is het die U geslagen heeft? Prophetiza nobis Chrisle! Quis est qui te percussii? (i) O, Mijn God! Gij zwijgt! Gij lijdt alles met het grootste geduld! Geen enkele klacht laat Gij hooren! O hoe duur komen U onze zonden te staan!
Ja, M. Z., te vergeefs vallen wij uit tegen die beulen; te vergeefs verontwaardigen wij ons over hunne snoodheid ; te vergeefs wenschen wij hun de verdiende straf toe, zoo wij met de oogen des geloofs niet verder doordringen, zoo wij namelijk niet opklimmen tot de oorzaak der versmaadheden.
Ja, erkennen wij ons ongelijk, \'t Zijn de soldaten niet alleen, die Jezus mishandeld hebben ; wij ook zijn zijne beulen geweest, wij ondankbare christenen. De Goddelijke Rechtvaardigheid bediend zich van die soldaten als van werktuigen, om Jezus onze zonden te doen uitboeten. En inderdaad. Wie is het nog, die Jezus mishandeld heeft?
(l) MATTII. XXV, 68.
â 49 â
O, M. Z., vragen wij het Jezus, maar met een ander inzicht, dan de soldaten het deden. Zeg Jezus: Wie is het, die U bespot en geslagen, die ü gelasterd en besmeurd heeft ? Luistert: Jezus gaat antwoorden: Die mij bespot heeft, zegt Jezus, is de hoovaardige. Die mij geslagen heeft met de vuist, is de ongevoelige, de gierigaard; met de platte hand, de onmatige, de dronkaard. Die mij gelasterd heeft, is de vloeker. Die mij van het hoofd tot aan de voeten met vuiligheid besmeurd heeft, is de wellusteling; die trouwelooze man en vrouw; die onzuivere jongeling; die schaamtelooze, onkuische jonge dochter. O, M. Z,, \'t is dus aan ons, dat wij rekenschap moeten vragen van de beleedigingen Jezus aangedaan; \'t is op ons, dat wij zijne versmaadheden moeten wreken; \'t is onze plicht van onze zonden te bevveenen en er boetvaardigheid over te doen.
II.
Bij al die uitwendige mishandelingen van Jezus komt zich weldra eene dubbele inwendige smart vervoegen, Hem door twee zijner Apostelen aangedaan; door Petrus, die Hem verloochent, en door Judas, die zich in wanhoop verhangt. Trachten wij uit die twee voorbeelden ons nut te trekken, door bij tijds Petrus in de boetvaardigheid na te volgen, om niet te laat en te vergeefs met Judas ons ongeluk te moeten beweenen.
Petrus, ziende dat de bende Jezus gevangen mede voert, kan van zich niet verkrijgen zijnen Meester geheel en al te verlaten. Na met de andere Apostelen een eind\'wegs
2e DEEL MEDITATIÃN 4.
gevlucht te zijn, komt Hij op zijne schreden terug en volgt Jezus van verre, Sequébalur Bum a longe. (i) Hij is door bemiddeling van een of ander tot in het gerechtshof van Caïphas doorgedrongen; daar zet hij zich in het voorhof bij het vuur neder en warmt zich. Eene der dienstmeiden des Opperpriesters, dezelfde die de deur bewaarde, nadert hem en zegt; Gij waart ook bij Jezus den Galileër. Petrus, op het hooren dier woorden verschrikt, loochent het, zeggende; Ik ken Hem niet. Hij verlaat het voorhof en de haan kraaide. Terwijl hij naar buiten gaat, ziet hem eene andere dienstmeid, en zegt tot de omstaanders: Deze was ook bij Jezus van Nazareth. Petrus loochent het op nieuw en wel onder eed, zeggende; Ik ken dien mensch niet. Omtrent een uur daarna zeggen degenen, die naast hem bij het vuur staan; Gij zijt een Galileër; uwe spraak verraadt u. Een nabestaande van Malchus, dien Petrus het ooi-had afgehouwen, zegt; Heb ik u niet bij Hem in den hof gezien? In het nauw gebracht, en bevreesd van door die onbeschofte lieden mishandeld te worden, begint Petrus te vloeken en te zweren, dat hij dien mensch volstrekt niet kent, quia non novisset hominem. (2)
Petrus, M. Z., verlicht van hierboven, de prins dei-Apostelen, op wien Jezus zijne kerk moet bouwen; Petrus, die door Jezus ondervraagd, wat hem van den Zoon des menschen docht, de Godheid van Christus beleden heeft, zeggende; Gij zijt de Christus, de Zoon van den Levenden God. Ju es Christus Filius Dei vivi: (3) Petrus, die zoo
(i) Matth. xxti, 38. (2) Matth. xxvi, quot;j. (s) matth. xvi, 10.
â 51 â
plechtig beloofd lipeft dat hij Jezus niet zal verlaten, dat hij Hem in de boeien, ja zelfs in den dood getrouw zal blijven, die zijn zwaard zoo kloekmoedig getrokken heeft, om zijnen Meester te verdedigen; die zelfde Petrus durft nu Jezus niet eens erkennen: Op de stem eener dienstmeid loochent hij Hem onder eed, zelfs onder vloeken en zweren. O Petrus! O Prins der Apostelen ! Hoe zijt gij toch zoo diep gevallen? Wat is de oorzaak van uw ongeluk, van uwen drievoudigen val geweest? Ziehier, M. Z., die oorzaak.
Vooreerst de vermetelheid: Jezus had hem zijnen val voorzegd; Petrus wilde het niet gelooven.
Vervolgens de hoovaardigheid; Petrus had zich boven de andere Apostelen verheven.
Eindelijk de onvoorzichtigheid: Petrus had zich aan het gevaar, aan de gelegenheid blootgesteld.
Ziedaar, hoe Petrus Zijnen Goddel ij ken Meester verloochent heeft, waarom hij gevallen is.
Doch Jezus heeft medelijden met zijnen Apostel; Hij verlaat hem niet.
Wat gebeurt er dan? Terwijl dat treurig voorval plaats heeft, wordt Onze Goddelijke Zaligmaker eensklaps door eene verwarde menigte onder hoon en smaad, onder de verschrikkelijkste mishandelingen voorbij gesleurd. Jezus werpt een oogslag op Petrus : Petrus ziet te gelijkertijd Jezus. O, M. Z., die blik van Jezus spreekt: \'t Is alsof Jezus Petrus toeriep: Mijn kind! Mijn arm kind! Mijn Leerling! Mijn Apostel! Wat hebt gij gedaan? Petrus wordt alles indachtig, zijne eigene woorden: Ik zal u niet verloochenen.
Non te negabo : (i) Die van Jezus ; alvorens de haan ten tweede male kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. Ier me negabis. De deur gaat open; daar komt Petrus verstrooid aan, de handen voor zijn aangezicht; hij stort bittere tranen, loopt weg, en begeeft zich in de eenzaamheid om zijn ongeluk te beweenen.
Wat treurig schouwspel! M. Z. Hier zien wij nu de zwakheid van den mensch. O wat was het tijd dat Jezus Petrus aanschouwde, dat Petrus aan de genade beantwoordde, de gelegenheid verliet en zijnen misslag beweende! Zonder dat had hij wellicht den ongelukkigen Judas nagevolgd. Doch alvorens over het ongelukkig einde van dien verrader te spreken, staat mij toe eene vraag te doen. Treft men soms hedendaags ⢠ook nog Petrussen aan ? Dat wil zeggen. Christenen, die den ongelukkigen Apostel in den val navolgen? Ja, M. Z., en men vindt er velen. Wat is nu de oorzaak van hunne menigvuldige en betreurenswaardige vallen? De oorzaak is dezelfde als die van den val van Petrus, \'t Is de vermetelheid: Men heeft niet willen luisteren naar de stem van den biechtvader, van den predikant.
\'t Is de hoovaardigheid; Men heeft zich beroepen op zijne krachten.
\'t Is de onvoorzichtigheid: Men heeft het gevaar, de gelegenheid van zonde gezocht of niet willen verlaten. Ziedaar de reden, waarom men ongelukkig geworden is.
Maar, M. Z., hebben wij Petrus nagevolgd in den val, volgen wij hem dan ook na in de bekeering; beantwoorden
(ij Matth. xxiv, 34 etc.
1
â 53 â
â wij ook aan de genade van Jezus, aan den oogslag, dien Hij op ons werpt; aanschouwen wij Hem met aandacht in zijne mishandelingen ; mistrouwen wij van ons zeiven; vernederen wij ons voor God, en vooral, verlaten wij de gevaren en gelegenheden der zonde; zoo niet, zullen wij eenmaal vroeg of laat het lot van den ongelukkigen Judas moeten deelen. En welk is zijn lot geweest? Ziehier, M. Z., in weinige woorden.
Zoodra de dag is aangebroken, vergaderen de Priesters, Ouderlingen en Schriftgeleerden opnieuw, en raadplegen onder elkander, hoe zij Jezus ter dood zullen brengen. Zij vragen Onzen Goddelijken Zaligmaker andermaal: Zijt Gij de Zoon Gods? En Jezus antwoordt met dezelfde standvastigheid: Ik ben liet! Ego sum! Nu staan zij op, en leiden Hem geboeid naar den Landvoogd Pontius-Pilatus.
Zoodra Judas verneemt, dat Jezus ter dood veroordeeld is, begint er een akelige strijd in zijn binnenste. De droefheid, het berouw, de wanhoop maakt zich van hem meester. De duivel zet hem aan van te vluchten. Judas, nog in \'t bezit van de dertig zilverlingen, waarvoor hij Jezus verkocht heeft, loopt met spoed; niet naar Jezus om zich voor diens voeten neder te werpen, om zijne schuld te belijden, om vergiffenis te vragen; maar hij loopt naar den tempel, om zich van het bloedgeld te ontdoen. Daar gekomen zegt hij tot de priesters: Ik heb gezondigd door onschuldig bloed ⢠over te leveren. De priesters zonder medelijden met den
ongelukkigen Judas geven tot antwoord: Wat gaat ons dat
I
â 54 â
aan? Quid ad nos? (i) Dat is uwe zaak. Tu videris. Op liet liooren van die woorden bezit Judas zich niet meer : Vol woede en wanhoop neemt hij de dertig zilverlingen, werpt ze in den tempel en vlucht buiten de stad.
Zien wij in den geest een oogenblik dien ongelukkige-buiten Jerusalem rondloopen gelijk aan een krankzinnige. Mij dunkt, ik zie den duivel aan zijne zijde. Door Satan gedreven komt Judas aan de beek Cedron. Hij ziet den Olijfberg. Hij meent de stem van Jezus nog te hooren: Mijn vriend! Waartoe zijt gij gekomen? Levert gij den Zoon des menschen over door eenen kus? Hoe akelig klinken hem die-woorden in het oor. Judas, immer door den duivel vervolgd, vol van de akeligste en de verschrikkelijkste gedachten, komt aan het zuiden van Jerusalem. Het gerucht der stad treft van tijd tot tijd duidelijker zijn oor. Nu, nu, denkt hij bij zich zeiven, wordt Jezus ter dood geleid, en ik, ik heb Hem verkocht en verraden. Ondankbare, trouwelooze Apostel! Wat heb ik gedaan? Ach! ellendeling die ik ben! Ik verdien niet van nog langer te leven; ik ga een einde maken aan mijn rampzalig bestaan. En inderdaad, M. Z., wat gebeurt er? De wanhoop stijgt bij Judas ten top; hij neemt eene koord of zijnen gordel, werpt hem om den tak van eenen boom en verhangt zich. Terwijl Judas daar tusschen hemel en aarde hangt, barst zijn lichaam open; zijne ingewanden storten op den grond; maar zijne ziel, zijne onsterfelijke ziel, ach! mij dunkt dat wij reden hebben van te mogen zeggen; Zij daalt met den duivel neder in den afgrond der hel.
(i) MATTH, XXVIII, 4.
SLUITREDE.
Ziedaar, M. Z., het uiteinde van eene slechte genegenheid. Ziedaar den zelfmoord van dien rampzaligen Apostel. Wat dunkt er u van? En wat dunkt er u van, u vooral zondaar? Wien van beiden wilt gij navolgen, Judas of Petrus? Ha! gij antwoordt; Neen! neen! niet Judas, maar Petrus. Welnu, dan roep ik u ten slotte met den Profeet Isaïas toe: Consurge! Sta op uit uwen ellendigen zondenstaat, waarin gij gevallen zijt! Excutere de pulvere! (i) Werp het stof, den modder der zonde af! Verscheur de strikken, waarin de duivel u gewikkeld; verbreek de ketenen waarmede hij u geboeid; de kluisters waarmede hij u beladen heeft! Dat wil zeggen, verlaat de gevaren en gelegenheden der zonde; zoo niet, o! denk dan aan liet rampzalig uiteinde van Judas, hoe hij namelijk door den duivel gevangen, voortgestuwd, eindelijk in wanhoop vervalt, en zich zeiven om hals brengt.
Maar neen, M. Z., wij allen hebben wel is waar Petrus in den val gevolgd, wij willen hem ook in de bekeering volgen.
Ziet! Van af het kruis werpt Jezus eenen beminnelijken oogslag op ons, gelijk Hij eertijds op Petrus deed. Hij roept ons als het ware toe: Bekeer u tot God, want \'t is eene bittere ramp den Heer uwen God verlaten te hebben! Ja, vluchten wij ook naar buiten, gelijk Petrus deed; dat is, verlaten wij de gevaren en gelegenheden der zonde; zeggen wij vaarwel aan die slechte plaatsen en huizen, aan die
(l) Isaïas lii, 2.
slechte personen en gezelschappen ; keeren wij nooit tot dezelve terug; beweenen wij gelijk de Apostel Petrus, onze zonden; en dan, en dan alleen zullen wij ons met Petrus rechtzinnig bekeeren, vergiffenis bekomen en eenmaal zalig worden. Amen.
EINDE.
VIERDE MEDITATIE
Regmm meum non est de hoe mundo. Mijn rijk is niet van deze wereld.
(J O AN. XVIII, 30.)
INHOUD.
VOORREDE.
De lang gewenschte dag is eindelijk aangebroken, de dag van Goeden Vrijdag, waarop Jezus het groote werk der verlossing gaat voltrekken. â Oogslag op Jezus in zijne gevangenis. â Hij offert zich op aan Zijnen Hemelschen Vader. â Maria voegt haar offer bij dat van Haren Godde-lijken Zoon.
â 58 â
VERDEELING.
I. Jezus in verhoor bij Pontius-Pilatus.
II. De schijnheiligheid der Phariseen en Schriftgeleerden en de onverschilligheid van Pilatus.
I.
Jezus wordt op nieuw in de vergadering gebracht en des doods schuldig verklaard; vervolgens naar Pilatus geleid.â Beschrijving van den optocht. â De Phariseen en Schriftgeleerden gaan bij Pilatus niet binnen, om niet ontreinigd te worden. âJezus wordt de marmeren trappen opgesleurd. â Verhoor bij Pilatus. â Beschuldigingen der Joden. â Jezus wordt beschuldigd van oproer, dat Hij verbiedt schatting te betalen aan den keizer, dat Hij zich voor Koning uitgeeft. â Jezus antwoordt niet op de twee eerste beschuldigingen, maar wel op de derde. â Pilatus\' verwondering over Jezus\' stilzwijgen. â Jezus is bewonderenswaardig op weg naar Pilatus, voor Pilatus. â Hij legt zijn rijk uit, en stelt het tegenover het rijk van den duivel. â Wij moeten kiezen tusschen het een en ander.
II.
De geveinsdheid van Caïphas en zijn gevolg. â Zij vreezen het huis van eenen heiden binnen te gaan, en zij vreezen niet hunne handen te bezoedelen met het onschuldig bloed van Jezus. â Vele christenen volgen die geveindsheid na. â
Zij maken zonde, waar geene zonde is, en zij stappen over groote zonden heên. â Wat zegt Jezus van de Phariseen en Schriftgeleerden, en bijgevolg ook van de christenen, die veinzen? â De onverschilligheid van Pilatus. â Hij vraagt naar de waarheid en hij wacht geen antwoord af. â Eveneens handelen de christenen, die de waarheid niet willen hooren; ofwel, die, na de waarheid gehoord te hebben, zich gedragen alsof er niets gezegd is. â In plaats van naar Christus te luisteren, luisteren zij naar den duivel. â Zij volgen den doolweg, omhelzen de dwaling en komen eindelijk om. â Hoe is Pilatus gestorven?
SLUITREDE.
Gebed tot Jezus, opdat ons verstand verlicht en ons hart getroffen worde. â Gebed tot de Allerheiligste Maagd Maria, om door hare machtige voorspraak die dubbele genade te bekomen.
EINDE
â 60 â
VIERDE MEDITATIE
Regnum meum non est de hoe mundo.
Mijn rijk is niet van deze wereld.
(Joan. xviii, 30.)
VOORREDE.
Eindelijk is de langgewensclite dag aangebroken, M. Z., dien Onze Goddelijke Zaligmaker van af het begin zijns levens voor oogen hield gevestigd; de dag namelijk, waarop Jezus zijne sterfelijke loopbaan zal eindigen, en waarop Hij zijn kostbaar bloed tot den laatsten druppel voor het schuldige menschdom zal vergieten. De zon van Goeden Vrijdag, genoodzaakt de akeligste tafereelen te verlichten, rijst treurig op. Zij zendt hare eerste stralen door de luchtgaten des kelders, waarin Jezus opgesloten zit, en toont ons daar den Man der Smarten.
Aanschouwen wij eerst een oogenblik Onzen Goddelijken Zaligmaker in zijne gevangenis. Overwegen wij met aandacht de liefdevolle gewaarwoordingen zijns Harten. Ziet, daar heft Jezus de bebloede oogen en de geboeide handen het opkomende licht te gemoet. Het hart ontroerd van de tee-derste aandoeningen offert Hij zich op aan Zijnen Hemelschen Vader, om onze zaligheid te voltrekken, om de hel te sluiten, den hemel te openen, om over ons menschen bronnen van zegening te doen ontspringen.
Doch vergeten wij ook Maria de Moeder van Jezus niet; zij voegt haar offer bij dat van haren Lieven Zoon; zij doet
nogmaals afstand van haar Moederrecht, en geeft haren Jezus ten beste, om ons, ellendige kinderen van Eva, te hulp te komen. Ja, M. Z., Maria gaat wederom den droevigen optocht bijwonen, de woedende vijanden van Jezus volgen; zij gaat op nieuw hunne hartverscheurende moordkreten hooren, de mishandelingen Jezus aangedaan aanschouwen; in een woord, de Moeder der Smarten gaat met den Man der Smarten, met haren Goddelijken Zoon, den bitteren lijdenskelk deelen. Vervoegen wij ons dus andermaal bij Maria, om ten minste eenigszins te kunnen begrijpen wat Jezus op nieuw voor ons gaat lijden.
Van avond zullen wij in \'t kort overwegen:
I. Jezus in verhoor bij Pontius-Pilatus, en hoe Hij zich gedraagt.
II. De schijnheiligheid der Phariseën en Schriftgeleerden, en de onverschilligheid van Pilatus.
I.
Zoodra het dag is, zenden de priesters gerechtsdienaren naar de gevangenis, om Onzen Goddelijken Zaligmaker te voorschijn te brengen. Jezus is uitgeput door den schrik-kelijken doodstrijd in den Olijfhof, door het bloedverlies en door de mishandelingen, die hij op weg naar Jerusalem en gedurende den nacht verdragen heeft. Hij is zoodanig verzwakt, dat Hij ter nanwernood kan recht staan; en toch wordt Hij op de wreedste wijze gestooten en geslagen, en voor de tweede maal naar de vergadering der Priesters en
â 62 â
Schriftgeleerden gebracht. Daar wordt Jezus op nieuw ondervraagd, of Hij de Christus, de Zoon Gods, is. Op bevestigend antwoord: Ego sum! (i) Ik ben het! wordt Hij wederom des doods schuldig verklaard.
De vijanden van Jezus kunnen Hem nu wel is waar heimelijk ombrengen, doch wijl zij besloten hebben Onzen Goddel ijken Zaligmaker eenen schandigen en pijnlijken dood, namelijk den dood des kruises, te doen sterven; daaiom moeten zij eerst de bekrachtiging van het doodvonnis \\an den Romeinschen Landvoogd bekomen. Zij leiden dus Jezus naar Pontius-Pilatus. Overwegen wij een oogenblik den optocht van uit liet hof van Caïphas naar het paleis van Pilatus.
Op het gerucht dat Jezus aan den Romeinschen Landvoogd overgeleverd gaat worden, stroomt eene menigte nieuwsgierigen bijeen. Caïphas in priesterlijk gewaad uitgedost, en door Schriftgeleerden en Phariseën omgeven, gaat majes-teitvol voorop. Hoezeer verheugen zij zich over het smaad-geroep, dat zich van alle kanten tegen Jezus laat hooren! Daarna komen de valsche getuigen, en eindelijk Onze Goddelijke Zaligmaker, van soldaten omgeven. Uitgeput van krachten, en met zware boeien beladen, gaat Jezus met moeite vooruit. Hij is vreeselijk mismaakt. Zijn Goddelijk aangezicht is bleek, met wonden en bloedvlekken overdekt. Jezus gaat niet snel genoeg naar hunnen zin vooruit, en daarom stooten en trekken Hem de soldaten zoodat Hij gevaar loopt van telkens te bezwijken.
(l) Luc. XXII, 70.
Eindelijk komt men aan het paleis van Pilatns. De schijnheilige Priesters, Phariseën en Schriftgeleerden gaan het gerechtshof van den Romeinschen Landvoogd niet binnen. Zij vreezen ontreinigd, en alzoo belet te worden het Paasch-lam te eten. Doch ziet; Jezus wordt door de gerechtsdienaren de marmeren trappen opgesleurd, en op eene open gaanderij gebracht, van waar Pilatus de Joden zal spreken. De Romeinsche Landvoogd is reeds aangaande de komst van Jezus ingelicht. Verbitterd wellicht van zoo vroeg lastig te worden gevallen, werpt hij, zoodra Onze Goddelijke Zaligmaker voor hem staat, eenen verachtenden blik op het mishandelde slachtoffer, en begint terstond met het verhoor. Welke beschuldiging, vraagt Pilatus den Joden, hebt gij tegen dezen mensch in te brengen ? Quara accusationem afjertis adversus hominem hunc?(\\) De Priesters, Phariseën en Schriftgeleerden worden door die vraag in hunnen hoogmoed gestoord. Zij willen dat Pilatus Jezus zoo maar op hun eerste gezegde ter dood veroordeele. Bijaldien Hij geen kwaaddoener ware, antwoorden zij, dan zouden wij ons wel wachten van Hem aan u over te leveren. Pilatus oordeelt en gevoelt zich te recht in zijne waardigheid van rechter door de Joden beleedigd: Daarom roept hij hen met spijtige woorden toe: Neemt gij Hem dan, en vonnist Hem volgens uwe wet. Ha! Nu moet er bij die hoovaardigen het hoog woord uit komen; zij zijn genoodzaakt te bekennen, dat hun de macht daartoe ontnomen is. Ons is het niet geoorloofd, -zeggen zij, iemand ter dood te brengen. Nobis non licet
(l) J O AN. XVIII, 21).
â 64 â
interficere quemquam. (i) Zij bemerken dus weldra, dat Pilatus niet genegen is Jezus blindelings te veroordeelen ; daarom nemen zij eenen aanhang met hunne valsclie klachten. Ziehier die klachten :
Vooreerst beschuldigen zij Onzen Goddelijken Zaligmaker van oproer. Wij hebben van dezen mensch ondervonden, zeggen zij, dat Hij het volk verleidt. En Jezus, M. Z., gelijk uit zijne leering blijkt, heeft het volk altoos tot de stipste gehoorzaamheid vermaand. Op den leerstoel van Mozes, heeft Hij geleerd, zullen Schrifgeleerden en Phariseën zetelen ; onderhoudt en doet al wat zij u zeggen.
Op de tweede plaats beschuldigen zij Onzen Goddelijken Zaligmaker, dat Hij verbiedt den cijnspenning of de schatting aan den keizer te betalen. En Jezus nogtans heeft geleerd aan den keizer te geven, wat den keizer, en aan God, wat God toekomt; ja, wat meer is. Hij heeft voor zich en Petrus de schatting betaald.
Eindelijk beschuldigen zij Jezus, dat hij naar het koningschap staat. En Jezus, M. Z., heeft de vlucht genomen, gelijk wij weten, toen de scharen Hem tot Koning hebben willen uitroepen.
Op de twee eerste beschuldigingen neemt Pilatus geen acht. Bijaldien zij wezenlijk grond hadden, kon hij in hoedanigheid van Landvoogd er niet vreemd aan zijn. Wat de laatste betreft, daarover verontrust zich Pilatns eenigszins: Hij is bang dat zijn meester, de keizer Tiberius, soms aangerand worde; daarom wil hij die zaak wat nauwkeuriger
(l) JOAN. XVIII, 31.
â 65 â
onderzoeken. Pilatus laat dus Jezus voor zich brengen, en vraagt Hem : Zijt Gij de Koning der Joden ? Ta est Rex Judceorum? (i) Jezus antwoordt: Mijn rijk is niet van deze wereld; bijaldien mijn rijk van deze wereld ware, zouden mijne dienaren wel strijden, dat ik aan de Joden niet werde overgeleverd, doch nu is mijn rijk niet van deze wereld. Regnum meum non est de hoe mundo Pilatus ondervraagt Jezus nogmaals of Hij Koning is, en Jezus antwoordt ten tweede male: Ik ben Koning. En Hij voegt er bij: Daartoe ben ik geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis van de waarheid te geven.
Pilatus bemerkt weldra, dat Tiberius van het koningschap van Jezus niets te vreezen heeft: Doch op het hooren van het woord â¢â¢ waarheid » vraagt hij onbedacht, wat is waarheid? Quid est Veritas? en gaat, zonder antwoord af te wachten, terstond uit. Buiten gekomen bekent Pilatus openlijk voor gansch het volk, dat hij geene schuld in Jezus vindt: Ego nullam in Eo invenio causam. (2)
De vijanden van Jezus bevreesd, dat Pilatus Onzen God-delijken Zaligmaker ga vrijspreken, waartoe hij natuurlijk verplicht is, omdat hij Hem onschuldig bevindt, verdubbelen hunne klachten. Pilatus vraagt Jezus: Hoort Gij dan niet, wat zware klachten zij tegen U inbrengen ? Doch Onze Goddelijke Zaligmaker spreekt geen enkel woord, zoodat Pilatus zelf daarover zeer verwonderd staat.
Bewonderen wij ook een oogenblik Onzen Goddelijken
(l) JOAN, XVIII, 33 etC. (2) JOAN. XVIII, 38.
2© DEEL MEDITATIÃN 5,
ü
â 66 â
Zaligmaker. Jezus, M. Z., is in alles en alom bewonderenswaardig\'. Hij is bewonderenswaardig, vooreerst op weg naar Pilat,us:Hij wordt op de omnenschelijkste wijze mishandeld; Hij lijdt de grootste pijnen en smarten, en dat met een onbegrijpelijk geduld.
Jezus is bewonderenswaardig voor de rechtbank van Pilatus: Daar wordt Hij van de grootste misdaden beschuldigd, en alhoewel Hij ze terstond kan wederleggen, door den Romeinschen Landvoogd er zelfs toe uitgenoodigd wordt, en door die wederlegging zich uit de handen zijner vijanden kan verlossen, bewaart Hij een diep stilzwijgen. Wat de Arraag naar zijne zending nogtans aangaat, daarop antwoordt Jezus voor Pilatus vrijmoedig, evenals Hij voor Caïphas gedaan heeft, dat Hij namelijk Koning is. Quia Rex sum Ego. (i) Hij zal er later nog bijvoegen, dat Pilatus geene macht over Hem zoude hebben, bijaldien zij hem van boven niet gegeven ware. Om dus de waarheid te verdedigen, trotseert Jezus, zoowel de macht van den Romeinschen Landvoogd, als den haat en de woede van den Joodschen Opperpriester. Ik ben Koning, zegt Onze Goddelijke Zaligmaker tot Pilatus. Quia Rex sum Ego.
Ja, M. Z., Jezus, die daar vernederd, geboeid en mismaakt voor Pilatus staat, is Koning. Hij is de Koning der koningen, de Heer der heeren. Rex regum et Dominus dominan-tium. (2) \'t Is door Hem dat alle koningen regeeren; doch zijn rijk, alhoewel in deze wereld, is niet van deze wereld. Regnum meum non est de hoe mundo. (3) Mijn rijk is niet
(i) Joan, xvm, sr. (a) i Tim. vi, 15. (s) Joan, xviii, se.
van deze wereld, zegt Jezus. Welk mag dan wel het rijk van deze wereld zijn? Het rijk der bedorvene wereld is het rijk van Satan, het rijk der zonde; en het is tegenover het rijk van Satan en het rijk der zonde, dat Jezus zijn rijk en het rijk der deugd en der genade stelt. Het rijk dezer wereld is niets anders dan het rijk van de begeerlijkheid des vleeschs, van de begeerlijkheid der oogen en van de hoovaardij des levens; en Jezus stelt er zijn rijk tegenover, het rijk der versterving, der onthechting en der ootmoedigheid. Jezus is in de wereld gekomen, om het rijk van den duivel, den prins der bedorvene wereld, te bevechten. ])e prins dezer wereld, dat is, de duivel, zoo sprak Onze Goddelijke Zaligmaker, zal buiten geworpen worden. Ja, Jezus zal door zijn lijden en dood het menschdom, dat onder de klauwen van Satan gezucht heeft en zucht, verlossen, en op die wijze zal de duivel van zijn rijk beroofd en buiten geworpen worden.
Ziedaar het verschil, dat er bestaat tusschen het rijk van Jezus-Christus en het rijk van den duivel. Er blijft ons nu over van te besluiten, tot welk rijk wij willen behooren. O voorzeker, wij allen moeten onderdanen zijn van het rijk van Onzen Goddelijken Zaligmaker, en niet van het rijk van den duivel. Jezus-Christus moet onze Koning zijn, de Koning onzer harten. Hij moet in onze harten heerschen met zijne genade. Wij moeten noodzakelijk tot het rijk zijner genade behooren, willen wij eenmaal kinderen van het rijk zijner glorie, dat is, van den hemel worden. Geen midden dus, ofwel God heerscht over ons, of de duivel; ofwel dienaren, ja zelfs kinderen van God-Koning, ofwel slaven van den dwingeland Satan.
Zien wij nu ook nog een oogenblik de schijnheilige geveinsdheid van den Opperpriester, van de Phariseën en Schriftgeleerden, en de ongehoorde onverschilligheid van Pilatus.
II
Zoodra Caïphas en de overige vijanden van Jezus aan het gerechtshuis van Pilatus gekomen zijn, gaan zij daar niet binnen; zij blijven buiten staan, om niet ontreinigd en belet te worden het Paaschlam te eten. Nergens nogtans, M. Z., leest men in de wet, dat de. Joden, door de woning van eenen heiden binnen te gaan, eenig beletsel inloopen. \'t Is niets anders dan eene ij dele pharisëische overlevering. Die booswichten vreozen onrein te worden, door het huis van eenen heidenschen rechter binnen te gaan, en zij vreezen niet den onschuldigen Jezus aan Pilatus over te leveren, en valamp;ch aan te klagen.
Zij veinzen zuiver te zijn, die huichelaars, wier handen vol bloed zijn, en wier hart de onrechtvaardigste besluiten voedt. Wie heeft ooit, vraagt de H. Augustinus, zulke verblindheid, zulke buitensporig- en goddeloosheid gehoord? Dat is wel de huichelarij, de geveinsdheid en de valsche godsvrucht ten uiterste gedreven. Men maakt er geene zwarigheid uit den onschuldigen Jezus te mishandelen, valsch te beschuldigen, zijnen dood te eischen; en men maakt er zwarigheid uit \'t huis van eenen heidenschen Landvoogd binnen te gaan.
Die geveinsdheid dei\' Pliarizeën en Schriftgeleerden, M. Z., wordt door vele christenen nagevolgd Die christenen noemt men schijnheiligen, dat wil zeggen, heiligen, maar enkel in schijn, niet inderdaad. Die schijnheilige christenen maken dikwijls zonde, daar geene zonde is; en waar wezenlijk zoude is, zien zij niets, zoodat zij niet zelden zonder vrees, zonder nadenken, over doodzonden heenstappen. Zij meenen door zekere werken van godsvrucht te voldoen en te behagen ; maar wat de ware en zware plichten van christen mensch of staat aangaat, daarin zien zij zoo nauw niet. Zij zullen, bij voorbeeld, met zorg hunnen mond spoelen, alvorens tot de Heilige Tafel te naderen, en zij zullen er zich weinig aan gelegen laten liggen hunne ziel door eene oprechte boetvaardigheid te zuiveren. Hoe dikwijls gebeurt het niet, M. Z., dat men den biechtvader kleinigheden komt vertellen, zooals onvrijwillige verstrooidheden, onvrijwillige slechte gedachten ; maar dat men aan zijne plichten jegens God, jegens zich zeiven en jegens zijnen evenmensch grootelijks te kort is gebleven, daarvan spreekt men niet. Is dat niet de huichelarij der Phariseën navolgen? En wat zeide eertijds Onze Goddelijke Zaligmaker van die Phariseën â want ziedaar het belangrijkste der zaak; men moet ook zien, hoe ver men met huichelen komt. â Vcb vobis Scribce et Phariscei hypocritce! (l) Wee u Schriftgeleerden en Pliarizeën ! huichelaars, die gij zijt, zeide Jezus. Van anijs en komijn, dat is, van kleinigheden, betaalt gij tienden, maar het voornaamste der wet veronachtzaamt gij. Eene mugge
(1; MATTH. XXIII, 14.
zeigt gij uit, en een kemel zwelgt gij door. Vee vobis... hypocrike! Wee u huichelaars! die den drinkbeker van buiten schoon maakt, maar van binnen zijt gij vol roofzucht en onreinheid. Reinigt eerst het inwendige, opdat het uitwendige ook rein worde.
Jezus vergelijkt hen bij witgepleisterde grafsteden, die van buiten een schoon aanzien hebben, maar van binnen vol doodsbeenderen en vuiligheid zijn. Neen, M. Z., \'t is niet in ongegronde angstvalligheden, ook niet in kleinigheden alleen, dat de dienst van God bestaat. De dienst van God bestaat op de eerste plaats in \'t volbrengen zijner ware plichten, waar men vervolgens andere werken van godsvrucht voordeelig bijvoegt; Haec oportet facere et üla non omittere: (i) zonder dat zullen wij evenmin als de schijnheilige Phariseën en Schriftgeleerden de straffen van het helsclie vuur ontkomen.
Wat de onverschilligheid van den Romeinschen Landvoogd betreft, zij is te groot, om niet in \'t oog te springen; zij is tastbaar.
Jezus spreekt Pilatus van de waarheid. Hij is gereed hem de waarheid te leeren. Pilatus vraagt nog: Wat is waarheid? Quid est Veritas? (2) Doch helaas! zonder antwoord af te wachten draait hij zich om, en gaat heen. O, M. Z , \'t was het oogenblik der genade voor Pilatus, en hij maakte er geen gebruik van. Bijaldien Pilatus was blijven staan, en had willen luisteren, Jezus zoude wellicht geantwoord hebben: Ego sum via, Veritas et vita: (3) Ik ben de weg, de
(1) MlTTH. XXIII, 2». (2) JOAN. XVIII, 38. (3) JOAN. XIV, 6.
waarheid en het leven : Jezus zoude hem die groote en belangrijke waarheid hebben uitgelegd; maar Pilatus verwijderde zich. Waarom? Pilatus was niet van de waarheid, en daarom luisterde hij niet naar de stem Gods.
Wat ongelukkige onverschilligheid in Pilatus! Enoch of er hedendaags maar niet velen aangetroffen werden, die den Romeinschen Landvoogd daarin navolgen. Jezus-Christus zendt zijne dienaren uit : Hij beveelt hen de waarheid te verkondigen. Euntes doce te omnes gentes; (i) gaat, zegt Jezus-Christus; onderwijst alle volkeren; loert hun onderhouden, al wat ik u bevolen heb.
Roept, zegt God, en houdt niet op met roepen, verheft uwe stem ; Clama, ne cesses, quasi tiüja exalta vocem tuam. (2) Houdt mijn volk zijne misdaden voor oogen, en het huis van Jacob deszelfs zonden. Verkondigt de deugd met hare aangenaam- en schoonheid; leert dat zij alleen den mensch reeds hier op aarde gelukkig maakt; dat de mensch ze moet oefenen, toont de middelen daartoe aan. Stelt de ondeugd, hare afschuwelijkheid en hare droevige gevolgen voor oogen; dringt er op aan, dat de mensch ze moet vluchten, dat hij de gevaren en gelegenheden der zonde moet vermijden of verlaten, doet hem de middelen daartoe bij de hand. Stelt hem mijne liefde, mijn lijden en dood, waardoor ik zijne zonden heb moeten uitboeten, voor oogen; in een woord, spreekt van dood, oordeel, hel en hemel; over de plichten van eenieders staat: clama, ne cesses, roept, en houdt niet op met roepen. Welnu, men roept en houdt
(l) MiTTH. XXTIII, 28. (2) ISAlAS LVIII, 1.
â 72 â
inderdaad niet op met roepen. Wat gebeurt er? Men luistert niet; men stoort zich nergens aan; m^n gaat zelfs verder dan Pilatus; men ondervraagt niet eens meer; ofwel, als men de stem Gods in zijne dienaren gehoord heeft, vraagt men met de grootste onverschilligheid der wereld: Quid est ventas? Wat is waarheid? Wat beteekent dat? Men keert den rug, en gaat heên, alsof er niets gezegd ware. In plaats dus van naar God te luisteren, die de onfeilbare leermeester is, luistert men naar eenen leugenaar, den duivel. In plaats van Jezus-Christus Koning te volgen, die de weg, de waarheid en het leven is, volgt men eenen dwingeland. Satan. Men stelt zich op den doolweg, op het pad der ondeugd; men kleeft de dwaling aan, de schijnvermaken der wereld, de schandige genuchten of wellusten des vleeschs. Wat is er het gevolg van? Men sterft, M. Z., vooreerst naar de ziel, dat is, men verliest de heiligmakende genade, die het leven der ziel is, en eindelijk sterft men den eeuwigen dood, men gaat verloren.
Wat is er met Pilatus gebeurd, die naar de eeuwige Waarheid niet heeft willen luisteren ? Hoe heeft hij zijn leven geëindigd? De geschiedenis meldt het ons; hij valt bij den keizer Tiberius (l) in ongenade, wordt in ballingschap gezonden, en gelijk een andere Judas brengt hij zich zeiven om \'t leven.
Welk is dan het onfeilbaar gevolg voor hen, die niet â¢willen luisteren? Die hunne oogen voor het licht der waarheid sluiten? Die, na gehoord te hebben, niet willen doen
(1) Rolirbacher zegt dat Pontius-Pilatus door Caligula in ballingschap gezonden
is.
wat zij gehoord hebben, misschien er den spot nog mede drijven? \'t Is een afgevallen Apostel Judas, \'t is een onverschillige landvoogd Pontius-Pilatus, die het ons leeren, die â en merkt deze woorden wel op â die door hun rampzalig uiteinde de woorden van Jezus-Cliristus, die de eeuwige Waarheid is, bevestigen; en wat zegt Jezus-Christus de eeuwige Waarheid? Si non credideritis in peccato vestro moriemini, (l) zoo gij niet geloofd zult hebben, zult gij in uwe zonden sterven. Ziedaar het onfeilbaar en rampzalig uiteinde.
SLUITREDE.
O Lieve Jezus! wiens lijden en smarten ik. moet verkondigen; ik ben van het plan mij voorgesteld afgeweken. Doch Lijdende Zaligmaker ! ontvang, alvorens wij tot hetzelve wederkeeren, eene korte bede. Ik herinner mij de woorden van uwen Apostel Paulus: Niet die plant, noch die besproeit, is iets, zegt hij: Neque qui plant at, neque qui rigat est aliquid, (2) maar God, die den wasdom geeft. Sed qui incrementum dat, Deus.
Wij priesters, wij dienaren zijn niets anders, gelijk dezelfde Apostel zich uitdrukt, dan een klinkend metaal, een welluidend instrument; \'t komt U, Heer Jezus! toe den wasdom te geven; \'t is uw werk het beneveld verstand te verlichten; \'t is uwe zaak liet versteend hart te vermurwen.
Laat dan, o Goddelijke Zaligmaker! deze weinige woorden vruchten van zaligheid voortbrengen. Dat het woord der
(1) J O AN. VIII, 21. (2) I COR. Ill, 7
waarheid, dat ik verkondig, en dat uw zaad is, niet valle op de steenrots, waarop het verdorre; noch tusschen de doornen, die het verstikken; maar op eene goede, wel bereide aarde, opdat het honderdvoudige vruchten voortbrenge. Verlicht te dien einde, Heer Jezus! door een straal van hierboven onzen verduisterden geest; vermorzel ons versteend hart met oen slag uwer Goddelijke liefde.
O Maria! Gij die het Eeuwig Licht Jezus-Christus Uwen Zoon aan de wereld geschonken hebt; Gij die de Moeder der Goddelijke genade zijt ; door uwe machtige voorspraak verkrijg voor ons bij God Uwen Zoon die dubbele genade. Amen.
EINDE.
VIJFDE MEDITATIE
Sprevit lllum Herodes cum exercitu suo.
Herodes met zijne lijfwacht veracMte Jezus. (Luc. xxm, ii.)
INHOUD.
VOORREDE.
In onze voorgaande overwegingen hebben wij reeds veel smarten verhandeld, die Onze Goddelijke Zaligmaker geleden heelt. Doch in plaats van te verminderen, nemen in- en uitwendige smarten toe. â Maria voegt hare smarten bij die van haren Goddelijken Zoon,
VERDEELING.
I. Jezus door Herodes beleedigd.
II. quot;Welke christenen door de wereldlingen beleedigd worden.
Pilatus belijdt Jezus\' onschuld. â Vernemende dat Jezus een Galileer is, zendt hij Hem naar den Viervorst Herodes. â Woede der Phariseèn en Schriftgeleerden in hunne verwachting te leur gesteld. â Herodes is zeer tevreden, en denkt dat Onze Goddelijke Zaligmaker een wonder voor hem zal doen. â Hij ondervraagt Jezus, doch deze geeft geen antwoord. â Die slag is voor Herodes te hard; hij bespot en beschimpt Jezus als een zinuelooze. â Die smaad ontbrak nog: De Eeuwige Wijsheid moest nog zinneloos verklaard worden. â Smart van Jezus. â Vooruitzicht op de bespottingen der latere tijden. â Men spot hedendaags met God en godsdienst, met priesters en Sacramenten, met kloosters en kloosterlingen: Die spotternij moet Jezus ook nog treffen. â Wie zijn voor een groot gedeelte die spotters? Afgevallene kinderen der Heilige Kerk.
H.
De brave christenen zullen ook bespot worden. â De knecht staat niet boven den heer; de leerling is niet beter dan de meester. â Men moet zijne oogen slaan, vooreerst op Jezus ons voorbeeld, vervolgens op de belooning, eindelijk op het einde der spotternijen. â In den laatsten dag des oordeels zal er eene andere rol gespeeld worden. â De brave menschen moeten moed scheppen; de kortstondige droefheid zal veranderen in eeuwige vreugde, do kortstondige spotlach der wereld in een eeuwig gehuil en tandengeknars. â God straft ook dikwijls de spotters reeds hier op aarde. â Herodes en Herodias.
SLUITREDE.
Gebed tot Jezus om te verkrijgen voor de braven de volharding, voor de bespotters de bekeering. â Die dubbele genade vragen door de voorspraak van Maria.
EINDE.
VIJFDE MEDITATIE
Sprevit Ilium Herodes cum exercitu suo.
Herodes met zijne lijfwacht verachtte Jezus. (Luc. xxm, 11.)
VOORREDE.
In de overweging van Jezus\' smartvol lijden hebben zich reeds verschrikkelijke tafereelen voor onze oogen ontrold. Men heeft Onzen Goddelijken Zaligmaker op de wreedste wijze mishandeld, van den eenen rechter naar den anderen gesleurd. De Joden, vol haat en nijd, hebben Hem i-eeds ter dood veroordeeld.
Pilatus, die zwakke Landvoogd, alhoewel van de onschuld van den aangeklaagde overtuigd, durft Hem niet vrijspreken. Jezus\' lijden is bijgevolg nog niet geëindigd. Neen, M. Z., integendeel: in- en uitwendige smarten gaan vermeerderen, en zullen al zwaarder op het reeds afgefolterde slachtolfer nederkomen.
De woede van den Opperpriester, van de Phariseën en Schriftgeleerden groeit zichtbaar aan. In de stellige meening, dat Pilatus enkel op hun verzoek het doodvonnis, dat zij reeds over Jezus uitgesproken hebben, zal bekrachtigen, vinden zij zich schandig bedrogen. Genoodzaakt bij eenen anderen rechter de kans te wagen, zullen zij intusschen hunne mislukking op den onschuldige wreken. Ja, zij zetten
de krijgsknechten aan van Onzen Goddelijken Zaligmaker op allerlei wijze te mishandelen.
Ziet! Daar stelt zich de verwarde menigte op nieuw in beweging. Op! Naar het paleis van Herodes! klinkt het van alle zijden, en de reeds afgesloofde Jezus van Nazareth wordt op nieuw onder hoon en laster, onder vloeken en tieren door de straten van Jerusalem gesleurd, om voor de vierschaar van Herodes te verschijnen.
Welk een hartverscheurend schouwspel voor Maria, zijne Moeder! Doch die Moeder, M. Z., heeft reeds over lang haar offer gebracht. Vol moed zal zij dus de bebloede voetstappen van haren Geliefden Zoon volgen. Voegen wij ons bij liaar gezelscliap, om te overwegen wat Jezus en Maria, beiden slachtoffers van liefde, voor ons schuldige menschen op nieuw gaan lijden.
Wij zullen dus zien:
I. De beleediging Jezus door Herodes aangedaan.
II. Welke christenen, en door wie zij beleedigd worden.
I.
Zoodra Pilatus Onzen Goddelijken Zaligmaker in eeu kort gesprek ondervraagd heeft, komt hij terstond terug, en verklaart voor gansch het volk de onschuld van Jezus. Ik vind, zoo spreekt de Romeinsche Landvoogd, geene schuld in dezen mensch: Ego nullam invenio in eo causarn. (i) Bij
(l) JOAN. XVIII, 38.
â 80 â
het liooreu dier woorden bruist de woede der Phariseen en Schriftgeleerden op. Bevreesd dat Jezus hun ga ontsnappen, verheffen zij heviger dan ooit hunne stem: Onder eene menigte van valsche beschuldigingen hoort men hen roepen en schreeuwen: Hij verleidt het volk, leerende door geheel Judëa, van Galilëa, waar Hij begonnen is, tot hiertoe. Intusschen bewondert Pilatus de kalme en edele houding van den Godmensch; want niettegenstaande de mishandelingen op Hem gepleegd, heeft Jezus zulke uitdrukking van waardigheid behouden, dat de Romein er door getroffen wordt.
Pilatus durft den onschuldige niet veroordeelen, om niet tegen zijn geweten te handelen; hij durft Hem niet vrijspreken, om den haat en de woede der Phariseen en Schriftgeleerden niet in te loopen. Wat zal hij dan aanvangen? Van Galilëa hoorende spreken, glanst er den zwakken Landvoogd een straal van hoop op uitkomst tegen. Hij vraagt of Jezus een Galileër is; met genoegen verneemt hij, dat Onze Goddelijke Zaligmaker tot het gerechlsgebied van Herodes behoort. Ha! dat biedt hem onverwachts een uitweg, en tevens eene gunstige gelegenheid aan, om met Herodes op nieuw bevriend te worden.
Hetgeen Pilatus hier misschien als een toeval beschouwt, is volstrekt geen toeval. Neen, M. Z., in deze gebeurtenis ligt een groot geheim opgesloten. Jezus, gelijk wij weten, lijdt voor Joden en Heidenen. Vandaar dat Hij door beide volkeren mishandeld, door beider oversten veracht wil worden. Pilatus en Herodes hebben zich op dien dag ook verzoend, want vroeger leefden zij in groote vijandschap. Die verzoening is een afbeeldsel van de groote verzoening,
die Onze Goddelijke Zaligmaker tusschen Joden en Heidenen komt bewerken, door beide volkeren in een en dezelfde Kerk op te nemen en met elkander te verbroederen. Ziedaar het groote geheim in vermelde gebeurtenis opgesloten.
Doch vervolgen wij de lijdensgeschiedenis van Onzen Goddelijken Zaligmaker. Jezus wordt dus van de eene rechtbank naar de andere gebracht; van de rechtbank van Pilatus naar die van Herodes. Wie beschrijft ons den haat en de woede der Phariseën en Schriftgeleerden, tot hiertoe in hunne verwachting te leur gesteld? Alles gaat op den onschuldigen Jezus nêerkomen; \'t is op Hem, dat zij hunne teleurstelling en mislukte pogingen gaan wreken. Daarom zetten zij, gelijk ik reeds gezegd heb, de soldaten aan om Jezus meer en meer te mishandelen en te folteren. Eindelijk komen zij aan het paleis van Herodes.
Herodes is reeds door een bode van Pilatus aangaande de komst van Jezus verwittigd. Gezeten te midden zijner hovelingen en krijgsknechten, wacht hij den stoet af. Herodes is ten uiterste tevreden over de verschijning van Jezus: Hij heeft veel over Hem gehoord; en nu, zoo denkt Herodes, zal Hij wel eenige wonderen verrichten, om zijne vrijstelling te bekomen; daarom ondervraagt Herodes Jezus veel; doch ziet. Onze Goddelijke Zaligmaker gewaardigt zich niet eens dien dwingeland te antwoorden.
En inderdaad, M. Z., hoe zoude Jezus, die de inzichten van Herodes kende, die wist dat de viervorst niets anders dan een genoegelijk schouwspel zocht, hoe zoude Hij zich gewaardigd hebben dien nieuwsgierige aan te spreken? Hoe zoude Jezus, de Heiligheid zelve, dien wellusteling, wiens
20 DEEL MEDITATIÃN 6.
schandig gedrag met Herodias het gansclie volk tot ergernis verstrekte; dien wreedaard, die zijnen voorlooper, zijnen boetgezant den Heiligen Joannes den Dooper had doen vermoorden; hoe zoude Jezus, ik vraag het u, dergelijken persoon hebben willen antwoorden? O. M. Z., bijaldien Herodes een goed inzicht gehad hadde; en zijne begeerte om Jezus te zien en te hooren ontsproten ware geweest uit een waar verlangen naar Jezus leering, uit eene oprechte droefheid over zijne zonden, Onze Goddelijke Zaligmaker, die gekomen was om den ongelukkigen zondaar te redden, zoude niet geweigerd hebben van te antwoorden; Jezus, die de boetvaardige zondares Maria-Magdalena zoo liefdevol ontving en vergiffenis schonk, die den rouwmoedigen moordenaar weldra den hemel zal beloven, zoude Herodes ook minzaam toegesproken hebben; voor zijne ziel en zaligheid zoude hij een wonder van genade gedaan hebben. De glans zijner majesteit zoude zijnen verblinden geest verlicht; de stem zijner leering zoude hem het gehoor teruggegeven; de kracht zijner hand zoude den duivel der ontucht uit zijn hart gedreven hebben: Ja, Jezus zoude zijne arme ziel aan de klauwen van Satan ontrukt hebben. Maar nu Onze Goddelijke Zaligmaker weet, met wien Hij te doen heeft, wie Herodes is, welke zijne inzichten zijn; neen, M. Z., Jezus heeft zijnen Apostelen het bevel gegeven, van het heilige niet te geven aan de honden; van de parels niet te werpen voor de zwijnen; nu gaat Hij ook met zijn voorbeeld voor; Jezus zwijgt en antwoordt niet; Ipse nihil ei respondit. (i)
(i) Luc. xxiii, y.
Die slag valt den hoovaardigen en wulpschen vorst te hard. Gaat hij Jezus nu terstond ter dood veroordeelen? Neen; liever wil hij Hein voor eenen zimielooze doen doorgaan, en als dusdanigen verachten. Herodes met zijne lijfwacht verachtte Jezus, zegt het Evangelie : Sprevit Illum Herodes cum exercüu suo, (1) en na Hem beschimpt, en een wit kleed aangedaan te hebben, zendt hij Hem naar Pontius-Pilatus terug. Ziedaar, M. Z., wat er voor de vierschaar van Herodes plaats heeft. Herodes veracht Onzen Goddelijken Zaligmaker. Hij ziet Jezus aan voor eenen onmachtige, die geen wonder kan verrichten; voor eenen lafaard, die zich niet durft verdedigen; voor eenen onwetende, die niet weet te antwoorden. Die smaad ontbrak Jezus nog. De Almachtige, die eene menigte van wonderen gedaan; de Onverschrokkene, die zich reeds zoo kloekmoedig verdedigd had; de Alwetende, wien niets verborgen was, moest nu ook nog op eene plechtige wijze voor een vorstelijk hof onmachtig, laf en zinneloos verklaard worden. Welk eene beleediging! Welk eene beschaming voor Onzen Goddelijken Zaligmaker! Hoe groot is niet de droefheid, hoe innig de smart, die Hij er over gevoelt? Denken wij toch niet, M. Z., dat Jezus daar ongevoelig aan is. Volstrekt niet. Hij roept Zijnen Hemelschen Vader tot getuige Aran het leed, dat Hem door die bespotting aangedaan wordt. Gij kent, roept Hij uit door den mond van zijnen Profeet David; Gij kent mijne versmaadheid, mijne schande en schaamte: Tu seis impropericum meurn et confusionem meari et reverentiam rneam. (2) Die droefheid
(1) Luc. XXIII, 11. (2) Ps. LXVIII, 20.
en smart worden nog vermeerderd door een droevig voor-uitzicht.
Inderdaad; op dat oogenblik voorziet Onze Goddelijke Zaligmaker reeds al de bespottingen, waaraan Hij zelf, zijne leering en zijne leerlingen in latere tijden zullen blootgesteld zijn. Ja, Hij voorziet dat de ontaarde kinderen, waarvoor Hij zooveel geleden, die Hij zooveel goed gedaan heeft. Hem eenmaal zullen uitlachen. Ik heb kinderen opgevoed en verheven, zegt Hij, doch zij hebben mij versmaad: Füios enutrivi et exaltavi, ipsi aulem spreverunt me. (i)
quot;Waarmede drijft men in onze dagen den spot niet? Men spot met alles wat heilig is. Men spot met God en godsdienst, met priesters en sacramenten, met kloosterlingen en beloften. De wellusteling, bijvoorbeeld, spot met den jongeling of jonge dochter, die verzaken aan de bedorvene wereld en al wat deze bekoorlijks heeft, om zich voor altijd aan hunnen Goddelijken Bruidegom door de beloften van zuiverheid toe te wijden.
De onafhankelijke, de vrijgeest spot met hen, die hunnen eigen wil opofferen, en zich door de belofte van gehoorzaamheid aan God en zijne oversten onderwerpen.
Zij, die niets dan geld en goed, uitsluitend het aardsche najagen, spotten met de belofte van armoede, en zien ze voor de grootste dwaasheid aan.
Men spot met allerlei soort van opofferings-en liefdewerken, door, bijvoorbeeld, de Zusters van liefde en der armen te beschimpen en uit te jouwen. Ziedaar hoe ver hedendaags de
(I) ISAÃAS I, 2.
spotlust gekomen is. Maar dat is nog niet genoeg. De spotternij moet ook nog Jezus-Christus den stichter der christen-doms treffen, en daarom durft men thans spottend zeggen en schrijven, dat God het kwaad zeifis; dat Hij zijnen tijd gehad heeft, en dat men zich van het bestaan van God als van een schrikbeeld, een spook moet ontdoen. Daarom schaamt men zich hedendaags niet van te zeggen en te schrijven, dat Onze Goddelijke Zaligmaker niets anders dan een bedrieger is, die er wonder in gelukt is, om bij middel van kunstgrepen zijne tijdgenooten te doen gelooven, dat Hij de Zoon Gods is, maar die te gelijkertijd zoo verschrikkelijk dom is geweest, dat Hij op eene onvoorzichtige wijze in de handen zijner vijanden gevallen is. En wie zijn voor een groot gedeelte die spotters en godslasteraars? Ah! M. Z., meestal afgevallene kinderen der Kerk, ontaarde zonen. Christenen, die, na door het Heilig Doopsel in de H. Kerk aa genomen, in dezelve opgevoed te zijn, tegen hunne Moeder opstaan, haar bespotten en vervolgen, ja, haar den moordpriem door het hart zouden jagen, zoo zij konden. O Heer Jezus! Nu begrijp ik toch eenigszins de weeklacht, die Gij door den mond van uwen Profeet laat hooren: Ik heb kinderen opgevoed en verheven, doch zij hebben mij veracht! Filios enutfivi et exaltavi, ipsi autem spreverunl me! Ver van mij, M. Z., van te veronderstellen, dat er hier zulke spotters, of godslasteraars, zulke bastaardkinderen tegenwoordig zijn; doch het zoude evenwel kunnen gebeuren, dat er zich onder ons bevonden, die wel is waar niet uit boosheid, uit haat tegen God of godsdienst, maar misschien uit lichtzinnigheid de deugd en deugdzame menschen bespotten. Laten
â 86 â
Avij desaangaande nog een woordje zeggen, om er ons nut uit te trekken.
II.
Onze Goddelijke Zaligmaker is in het paleis van Herodes, gelijk wij gezien hebben, bespot geweest. Hij alleen kent het hevige, het knijpende zijns harteleeds. Doch Jezus geeft ons zijnen leerlingen, tevens een schoon voorbeeld, hoe wij ons, namelijk ten opzichte der spotternijen der wereld, moeten gedragen.
Al degenen, M. Z., die godvruchtig willen leven, zullen vervolging, ten minste de vervolging der bespotting te lijden hebben. Doch werpen wij een oogslag op Jezus-Christus, die ons voorgegaan is; vervolgens vestigen wij ook onze blikken op de belooning, die ons wacht, en zijn wij eindelijk wel overtuigd, dat de zaken eenmaal geheel en al van gedaante zullen veranderen.
Wij dragen den naam van Christenen, dat is, leerlingen van Christus; wij stellen er onzen roem in, en te recht. Welnu; wat leert ons Onze Goddelijke Meester? De leerling, zegt Hij, staat niet boven den meester, noch de dienaar boven den heer. Het moet den leerling en den dienaar genoeg zijn, behandeld te worden gelijk de meester en de heer. Zoo zij nu den huisvader Beëlzebub genoemd hebben, hoeveel te meer dan zijne huisgenooten ? Bijaldien ze mij vervolgd hebben, zegt Jezus, zullen zij u ook vervolgen. Si me
persecuti fuerint et vos persequentur. (l) Zij hebben Onzen Goddelijken Zaligmaker b3spot; niets te verwonderen dus, dat ze ons ook bespotten. Aanschouwen wij bijgevolg Jezus in \'t paleis van Herodes aan de grootste versmaadheden blootgesteld, en leeren wij door zijn voorbeeld de spotternijen misachten, en ze met geduld voor Jezus verdragen.
Maar, \'t is niet altijd zoo gemakkelijk, zult gij misschien denken, de bespottingen der wereld te misachten en met geduld te verdragen. Daarom moeten wij ons oog ook gevestigd houden op de belooning. Zalig zijn zij, leert Jezus, die vervolging lijden om de gerechtigheid. Zalig zijn zij dus, die om hun deugdzaam, godvruchtig en onschuldig leven veracht en bespot worden. En waarom zalig? Het rijk der hemelen behoort hun toe. Quoniam ipsorum est regnum ccelorum. Verheugt en verblijdt u, zegt Onze Goddelijke Zaligmaker, uwe belooning zal groot wezen in den hemel. Quoniam m er ces vestra copiosa est in ccelis. (2)
Daarenboven, de vervolging en de spotternij zullen ook niet blijven duren.Neen,M. Z.,er is een tijd bepaald, waarop alles eene andere wending zal nemen. Eenmaal zal er eene geheel andere rol gespeeld worden, en die rol zal gespeeld worden voor denzelfden Jezus, die door Herodes en zijne lijfwacht bespot en beschimpt is geweest. Ja, in den laatsten dag des oordeels zullen alle menschen voor Jezus moeten verschijnen, zullen zij allen voor Hem staan; de onderdrukten met de onderdrukkers; de bespotteden met de bespotters;
(1) MATTH. X, 23. (2i MATTH. V, 12.
gene opgeruimd en verheugd, deze ter neêr geslagen en bedrukt. Ja, wat meer is; voor den rechterstoel van Jezus-Christus zullen de onderdrukkers en bespotters hun ongelijk moeten bekennen. Daar in de tegenwoordigheid der gansche wereld zullen zij vol wanhoop uitroepen: Ergo erravimus! Wij hebben gedwaald! Ziedaar in \'t algemeen. Doch treden wij liever in eenige bijzonderheden, om eene juiste toepassing te maken.
De dwaze jongeling, bij voorbeeld, die den spot drijft met een ander jongeling, omdat hij zich met nauwg \'zetheid van zijne plichten kwijt; omdat hij dikwijls tot de HH. Sacramenten nadert; omdat hij dikwijls naar de kerk gaat, en zich daar eerbiedig en godvruchtig gedraagt; omdat hij deel maakt van liet een of ander goed werk of broederschap; omdat hij zorgt van \'s avonds bij tijd t\'huis te zijn; omdat hij de gevaren en gelegenheden der zonde, de slechte plaatsen en de slechte gezelschappen vlucht; de dwaas, zog ik, die met dergel ij ken deugdzamen jongeling den spot drijft, zal eenmaal moeten bekennen, dat hij gedwaald heeft. Ergo erravimus!
De ijdele, lichtzinnige, wereldsche jonge dochter, die het een ol ander braaf meisje uitlacht, om zijne eenvoudigheid en godsvrucht, om zijne zedig- en voorzichtigheid; omdat het met de lichtzinnigen niet mede doet; zich, bij voorbeeld, niet opschikt gelijk do belachelijke modepoppen; omdat het zich niet ophoudt met ongelijke personen; zich niet begeeft naar gevaarlijke plaatsen, niet rondloopt gelijk andere losbollen, hetzij over dag, ja zelfs laat in den avond, tot in den nacht, daar, waar men eene jonge dochter vooral nooit vinden
moest; O, M. Z., die jonge dochter zal ook eenmaal haar ongelijk moeten bekennen en uitroepen: Ik heb gedwaald! Ergo erravimus!
Ja, de goddelooze en booze menschen, die met God of godsdienst, die met de deugd of de deugdzamen spotten, zullen eenmaal vol wanhoop deze verschrikkelijke waarheid doen hooren: Nos insensali! (i) Wij uitziunigen! Ziedaar met wie wij eenmaal den spot gedreven, wie wij uitgelachen hebben. Wij achtten het leven der braven, der deugdzamen eene dwaasheid en hun einde zonder roem ; en ziet, nu worden zij onder de kinderen Gods gerekend, en hun lot is het lot der Heiligen: Computah sunt inter filios Dei et inter sanctos sors illorum est. Wij zijn dus van het pad der waarheid afgedwaald. Het licht der gerechtigheid heeft voor ons niet geschenen; de zon des verstands is voor ons niet opgegaan. Wij hebben ons afgetobd op den weg der ongerechtigheid en des verderfs: Lassati surnus in via iniquüatis et perdiiionis. Wij hebben moeielijke wegen bewandeld, maar den weg des Heeren hebben wij niet gekend; Viam autem Domini ignoravimus. Wat heeft ons de hoovaardij gebaat? Quid nobis profuit superbia? Wat heeft ons het roemen op schatten en rijkdommen gediend? Alles is als eene schaduw voorbij gegaan, als een voorbij snellende renbode, als een schip dat de golven doorsnijdt, als een vogel die de lucht doorklieft, als een pijl die voorbij snort en geen spoor achter laat. Eveneens is het met ons vergaan. Nauwelijks waren wij geboren of wij hielden op met leven.
(i) Sap. v.
en wij hebben geen spoor van deugd achter gelaten; integendeel, wij zijn in onze zonden en boosheden omgekomen: In malignitate aiUern nostra consumpli sur rus.
Ziedaar wat de goddeloozen tegen wil en dank zullen moeten bekennen. In den laatsten dag des oordeels nu zullen de rechtvaardigen kloekmoedig tegenover hunne verdrukkers staan: Reden te meer om den moed niet te laten zinken. Neen, deugdzame mensch, en gij vooral brave jongeling, brave jonge dochter, op wie de wereld het grootendeels gemunt heeft; gij strekt der spotternij vooral tot mikpunt. Schept moed! Laat u nimmer afschrikken door het gelach, door de bespottingen der wereld van het beoefenen der deugd. Stelt u voor oogen, hoe Jezus, wiens leerlingen gij zijt, bespot en beschimpt is geweest, en denkt aan de groote belooning, die u wacht. Ja, uwe Korstondige kwelling en droefheid zullen weldra in eene eeuwigdurende voldoening en vreugde veranderen; de vreugde en de spotlach der wereld in een eeuwigdurend gehuil en tandengeknars: Ibi erü fletus el st/rider dentium. (i)
Doch, M. Z., God, die wel is waar lankmoedig is, stelt zijne bedreigingen niet altijd uit tot na den dood. Hij straft niet zelden reeds hier op aarde degenen, die met God of godsdienst, met deugd of deugdzame mensclien spotten. Vergeten wij die waarheid niet. Herodes is er een doorslaand bewijs van. Wat is er met hem gebeurd? De geschiedenis meldt het ons. Gelijk Pilatus door keizer Tiberius, zoo wordt Herodes met Herodias door keizer Caligula in ballingschap
(l) MATTH. VIII, 12.
â 91 â
gezonden, en beiden komen ellendig om. Wat hun eeuwig lot betreft, M. Z., \'t komt ons niet toe er uitspraak over te doen. Jezus-Christus, met wieu zij gespot hebben, en die in \'t boek der spreuken van den goddelooze zegt: Ego quo que in interitu vestro ridebo et subsannabo. (l) Ik zal ook in uwen ondergang lachen en spotten, diezelfde Jezus heeft hen geoordeeld.
SLUITREDE.
Zijn er soms onder ons, die zich ooit bij Herodes, zijne hovelingen en lijfwachten vervoegd hebben? Die ooit den spot gedreven hebben met God of godsdienst, met deugd of deugdzame menschen? O, zij denken er eens wel over na, of zij namelijk in den laatsten dag des oordeels bij hen zouden willen staan, die dan hun ongelijk zullen moeten bekennen. Voorzeker, M. Z., niemand onzer zoude zoo ongelukkig willen zijn. Welnu; herroepen wij dan, nu het nog tijd is, onze dwaling, om ze naderhand, doch helaas! te laat niet te moeten bekennen.
En Gij, o mijn Lieve Jezus! die de eerste van allen bespot en beschimpt zijt geweest; door uw smartvol lijden bidden en smeeken wij U, schenk de brave en deugdzame menschen den moed, dien zij noodig hebben, om met U en voor U met geduld de bespottingen der wereld te verdragen; aan de ongelukkigen, die zich aan de zijde uwer vijanden geschaard hebben, de genade van zich te bekeer en.
(l) PjROV. I, 26.
O Maria! Moeder van Jezus, die zoo ruimschoots in de bespottingen van Uwen Goddelijken Zoon gedeeld hebt; verkrijg door uwe machtige voorspraak de bekeering der zondaren en de volharding der rechtvaardigen. Amen.
EINDE.
ZESDE MEDITATIE
ToUc hunc, et dimitte nobis Barablam.
Neem dezen weg, en laat ons Barabbas los. (Luc. xxin, is.)
INHOUD.
VOORREDE.
Herodes, na zich in de bespottingen verzadigd te hebben, geeft Jezus aan zijne vijanden over. â Deze leiden Hem fiaar Pilatus terug. â Beschrijving van hetgeen er op dat oogen-blik gebeurde. â Maria ziet op nieuw, hoe haar Goddelijke Zoon mishandeld wordt.
VERDEELING.
I. Beleedigingen Jezus bij Pilatus op nieuw aangedaan, II. Wie de Joden in die beleedigingen navolgen.
I
Aan het paleis van Pilatus terug gekomen, begint het volk. met nog meer woede dan van te voren te schreeuwen. â Pilatus gaat een ander middel beproeven. â Jezus met Barabbas vergeleken. â Pilatus richt zich vooral tot het volk. â Het volk, denkt Pilatus, zal gevoeliger zijn; het kent én Barabbas én Jezus. â Wat heeft Barabbas gedaan? Wat Jezus? \'t Is wel een vernederend middel voor Jezus, maar \'t schijnt toch een zeker middel te zijn om Hem los te laten. â Het volk moet en zal de voorkeur aan Jezus geven. â Alles bedrog. â Het tweede middel is niet krachtiger dan het eerste. â De Hemelsche Vader heeft het Pilatus niet ingegeven. â Pilatus gebruikt het, omdat hij voor de waarheid niet durft uitkomen. â Gezicht op het plein van het paleis van den Romeinschen Landvoogd. â Pilatus doet het voorstel. â Schouwspel na het voorstel. â Pilatus wordt andermaal vermaand. â Hoe gedraagt zich het volk? Hoe de Phariseën en Schriftgeleerden? â Pilatus komt vooruit en vraagt: Wien wilt gij dat ik loslate? â Antwoord van het volk. â Smart van Jezus en Maria.
H.
Het schouwsper schijnt ongeloofelijk, de misdaad van het volk onbegrijpelijk. â Groote zonde in Pilatus, grootere in het volk, allergrootste in de Phariseën en Schriftgeleerden. â Smart, die Jezus wordt aangedaan. â De Christenen noodigen Jezus uit. â Antwoord van Onzen Goddelijken
Zaligmaker. â Onze ondankbaarheid is grooter dan die der Joden. â De zondaar stelt den duivel voor Christus. â Wat doet de onkuischaard? De gierigaard? De onrechtvaardige? De hoovaardige? â De zondaar roept niet met woorden maar met werken.
SLUITREDE.
Beknopte geschiedenis van het vervolg van het lijden van Jezus. â Van zijne geeseling, kroning, kruisweg en kruisdood. â Gebed tot Jezus en Maria om de genade te bekomen van onze zonden te beweenen, en Jezus en Maria, beiden slachtoffers van liefde, in eeuwigheid te beminnen.
EINDE.
â 96 â
ZESDE MEDITATIE
Tolle hunc, et dimitte nobis Barabbam.
Neem dezen weg, en laat ons Barabbas los. (Luc. xxm. 18.)
VOORREDE.
In onze laatste overweging lieten wij Onzen Goddelijken Zaligmaker te midden der spotternijen, waarmede Herodes en zijn aanhang Hem verzadigden.
De Phariseën en Schriftgeleerden deden ruimschoots, gelijk men gemakkelijk hegrijpen kan, in die mishandelingen mede. Mij dunkt, ik zie ze daar staan. Een helsche grimlach speelt om hunne lippen, en doet hun inwendig genoegen uitkomen. Doch dat was eigenlijk het einde niet, waartoe zij gekomen waren. Zij wenschten niets zoo zeer, dan dat de Viervorst Herodes het doodvonnis over Onzen Goddelijken Zaligmaker uitsprak ; dan zouden zij hunnen helschen boezem voor goed lucht geven. Zij maakten gebruik van de gemoedsstemming van Herodes, en beschuldigden Jezus met hardnekkigheid.
Herodes nogtans was niet op hunne zijde te krijgen, hoezeer zij hem vleiden en smeekten, welke middelen zij ook aanwendden; Herodes had ook zijne inzichten.
Toen de troep der lage vleiers het eindelijk moede werd den Zaligmaker langer tot speelbal zijner goddeloosheid te gebruiken, leverde de ontuchtige Herodes Jezus wederom
aan zijne vijanden over, om naar Pilatus teruggezonden te worden. Herodes was ook inwendig bevreesd. De moord van Joannes den Dooper lag hem op \'t geweten. Daarenboven wilde hij met Pilatus op nieuw bevriend worden, en om den Romeinschen Landvoogd te erkennen en te behagen, zond hij Jezus naar Pilatus terug.
Verbeeldt u een oogenblik, wat er toen plaats greep. Mij dunkt, de menigte groeit zichtbaar aan. Het geschreeuw, het getier neemt immer toe. De Phariseën en Schriftgeleerden, om hunne nieuwe teleurstelling beschaamd en boos geworden, weten niet wat aanvangen; zij schuimbekken, ja, worden als razend van woede. Niemand wil Jezus ter dood veroor-deelen. Zij worden van den eenen rechter naar den anderen verzonden. De tijd gaat voorbij zonder te vorderen. Eensklaps stelt zich de volksdrom in beweging, en sleurt die bloed- en moordademende bende, onder wilde kreten en een belee-digend schaterlachen. Onzen Goddelijken Zaligmaker naar het gerechtshuis van Pilatus terug. Jezus kan, door vermoeienis en bloedverlies, door gebrek aan eten en drinken uitgeput, nauwelijks recht staan. En toch, men heeft geen medelijken met Hem. Onder een stroom van godslasteringen en eene hagelbui van slagen wordt Hij vooruit gestoolen.
O Maria! Hoezeer verkrimpt uw moederhart op het gezicht der mishandelingen uwen Lieven Zoon aangedaan! En niettemin, gij drukt zijne voetstappen. Wij willen ons bij TJ aansluiten, om getuigen te zijn van Jezus\' en uw lijden. Daarom zullen wij van avond bijzonder overwegen :
2e DEEL MEDITATIÃN 7,
â 98 â
I. Welke beleedigingen Jezus bij Pilatus op nieuw worden
aangedaan.
II. Hoe zekere Christenen de Joden in die beleedigingen
navolgen.
I.
Nauwelijks is men bij Pilatus teruggekomen, of liet volk, door de Schriftgeleerden en Phariseën aangehitst, begint met grootere woede te schreeuwen. Pilatus ondervraagt Jezus, doch deze antwoordt niet meer.
De Romeinsche Landvoogd weet zeer goed, dat Jezus onschuldig is. Hij geeft zelfs voor reden op, dat ook Herodes niets plichtigs in Hem gevonden heeft. Pilatus wil Jezus wel loslaten, maar hij is te zwak en te lafhartig, om de onschuld te verdedigen, en om voor het recht uit te komen. Bevreesd van den haat en de woede der Phariseën en Schriftgeleerden in te loopen, gaat hij een ander middel beproeven, middel dat schijnt te zullen gelukken. Pilatus zal het volk op zijne zijde trachten te krijgen. Ziehier hoe hij daarmede in toe gaat.
\'t Was de gewoonte, dat de Romeinsche Landvoogd met liet Paaschfeest den Joden toestond de vrijstelling van eenen gevangene te vragen. Er bevond zich juist een beruchte booswicht in de gevangenis, met name Barabbas, die onder andere misdaden bij een volksoploop een doodslag begaan had. Pilatus denkt dat het volk zeker de voorkeur aan Jezus boven Barabbas zal geven, zoodra hij voorstelt een van beiden te kiezen.
Schijnt liet inderdaad geen schoon redmiddel voor Pilatus? En zoude men bijna niet mogen zeggen dat de Hemelsche Vader het hem ingegeven had, om zijnen eenigen Zoon aan de woede zijner vijanden te ontrukken? \'t Is wel is waar eene schande, eene groote beleediging met een booswicht, een moordenaar vergeleken te worden, maar die schande, die beleediging zal maar uitwendig zijn; Jezus zal er zich wel boven verheffen, de hevigheid er van niet gevoelen.
Pilatus daarenboven gaat zeer voorzichtig te werk; hij neemt de uiterste voorzorgen. Ditmaal zal hij zich niet tot de Phariseën en Schriftgeleerden wenden; hij kent te goed hunnen haat; hij weet hoe hevig zij tegen Jezus vooringenomen zijn, dat zij Hem enkel uit nijd en afgunst overgeleverd hebben, \'t Is dus tot het volk, dat gevoeliger is dan de oversten, dat Pilatus zich wendt. Het volk kent én Barabbas én Jezus; het huivert bij het hooren van den naam van den eersten ; Barabbas heeft alom vrees en schrik verspreid ; hij heeft hen van hunne goederen beroofd, eene menigte schelmstukken bedreven; Barabbas staat hun zelfs naar het leven; nog maar weinige dagen geleden heeft hij eenen moord gepleegd.
Van den anderen kant weet het volk, hoe Jezus overal vrede en eendracht gepredikt, hoe Hij hun alle goed bewezen, tot tweemaal toe zelfs op eene wondere wijze met weinig brooden en visschen gespijsd heeft in de woestijn. Het volk weet, hoe Jezus overal weldoende rondgereisd heeft, om de bedrukten te troosten en hunne rampen te leenigen. Het weet, hoe Jezus hunne zieken genezen heeft; hoe Hij aan de dooven het gehoor, aan de stommen de spraak, aan de blinden
â 100 â
het gezicht, aan de kreupelen den gang, aan de dooden zelfs het leven terug gegeven heeft; hoe Hij degenen, die van den duivel bezeten en gefolterd werden, verlost heeft; er zijn er onder die menigte wellicht tegenwoordig, die het voorwerp zijner goedheid geweest zijn; die Hij, of wier bloedverwanten Hij genezen heeft.
Het middel dus, dat Pilatus gaat aanwenden, is wel is waar een schandig, een vernederend middel voor Jezus, maar het schijnt toch ook een krachtig middel te wezen, om Onzen Goddelijken Zaligmaker op vrije voeten te stellen. Ha! Jezus gaat vrij gesproken worden; het volk moet en zal de voorkeur aan Jezus boven Barabbas geven.
M. Z., hebt gij nu den staat van zaken goed gevat? Moesten wij nu, natuurlijker wijze gesproken, niet zeggen; alles gaat ten voordeele van Jezus uitvallen? En niettemin, alles is bedrog. Neen ! Neen! het middel, waarmede Pilatus zich hier vleit, is niet krachtiger dan het eerste, toen hij namelijk meende zich van die lastige zaak te ontdoen, door Onzen Goddelijken Zaligmaker aan Herodes over te leveren. Neen! Neen! \'t Is de Hemelsche Vader niet, die den Romeinschen Landvoogd dat middel ingegeven heeft. Die Vader voorziet de wond, die het Hart van zijnen beminden Zoon toegebracht gaat worden, \'t Is de zwakheid van Pilatus, die er de oorzaak van is. Die laffe rechter durft voor het recht niet uitkomen, en daarom heeft hij dat schandig middel uitgezocht, maar alles te vergeefs. Stellen wij ons het plein vóór het paleis van Pilatus een oogenblik voor den geest, \'t Is opgepropt van volk. Jezus heeft opnieuw de marmeren trappen beklommen ; Hij heeft ze opnieuw met zijn Goddelijk
bloed gekleurd. Daar staat Onze Goddelijke Zaligmaker Avederom voor Pilatus, thans als een zinnelooze in het wit gekleed; Hij wordt aan het volk voorgesteld. Jezus ziet daar die beweging, het gewemel der menigte op het plein. Ja, M. Z., wat meer is, Jezus kent ook nog het inwendige; Hij ziet de wraak- en bloedzucht in \'t hart zijner vijanden. Eenige Joden komen vooruit, en roepen Pilatus toe: doe, gelijk gij altijd ter gelegenheid van het Paaschfeest gedaan hebt. Pilatus gaat spreken, \'t Is de gewoonte, vangt hij aan, dat ik u met Paschen eenen misdadiger loslate, tot aandenken aan de verlossing uit de slavernij van Egypte. Wilt gij nu dat ik den Koning der Joden in vrijheid stelle? Wien wilt gij dat ik u loslate? Qitern vidtis dimittam vobisl (i) Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt? Barrdbbam an Jesum, qui dicitur Christus? Op dat voorstel heeft er een akelig schouwspel plaats. Pilatus, wiens geweten aanhoudend vermaant, gaat nog op eene andere wijze van wege God vermaand worden. Zijne vrouw zendt een bode, om hem te zeggen, van dien rechtvaardige niet te veroordeelen; want, zoo doet zij er bijvoegen: Ik heb in eenen droom heden veel om Hem geleden.
Het volk, zoodra het den naam van Barabbas hoort noemen, denkt onwillekeurig aan al de misdaden van dien booswicht; eene siddering loopt door de menigte. Op het hooren van den naam Jezus, vertoonen zich eensklaps al de weldaden, die Hij hun gedaan heeft. Men draalt bij liet voorstel ; het volk durft niet beslissen; het zwijgt; er heerscht
-
â--
-
-
â 102 â
een oogenblik eene plechtige stilte. De Phariseën en Schriftgeleerden bezitten zich niet meer van yrees en angst; quot;t is het oogenblik der beslissing ; vraagt het volk Jezus, Hij wordt terstond in vrijheid gesteld, en al hunne hoop is verloren. Zij naderen de menigte, loopen overal rond ; zij beschuldigen Jezus rechts en links van al wat hun invalt, en de duivel hun ingeeft; zij geven hunne bevelen en bedrijgen het volk, zoo het Jezus boven Barabbas durft stellen. Wat gaat er gebeuren? Pilatus komt vooruit; hij vraagt het volk : Wien wilt gij dat ik u loslate, Barabbas of Jezus? Qiiem vultis dimiltarn vobis, Barabham cm Jesum? En, o gruwel der gruwelen! de ganse he menigte, weinigen uitgenomen, door de woede der hel en door de opstokingen van Jezus\' vijanden aangejaagd, vraagt met een oorverdoovend geschreeuw de verlossing van Barabbas ! Non hunc, sed Barabham! niet dezen, maar Barabbas! roepen zij als uit éénen mond; weg met dezen, en laat ons Barabbas los!. Toll? hunc, et dimitte nobis Barabham! (i) Wat wilt gij dan, vraagt Pilatus geheel en al verwonderd, dat ik met Jezus doe? Dat men Hem kruise! is het antwoord; Maar wat kwaad heeft Hij dan gedaan? Dat men Hem kruise! Dat men Hem kruise! roepen zij met grootere woede ; Crucifigalur! Crucifigatur! (2) En dat schrikverwekkend geschreeuw blijft eenige oogenblikken als eene sombere onweerswolk boven die razende menigte drijven.
M. Z., hebt gij nu die opgepropte menigte voor het paleis van Pilatus in den geest gezien? De Phariseën en Schriftgeleerden, die als razenden en dolzinnigen te werk gaan?
(1) Luc. xxiii, 18. (2) MaTTH. xxviii, 32.
Den duivel, die in zijne helsche razernij rondloopt, én volk én priesters aanzet? Hebt gij nu die kreten van voorkeur gehoord ? Non hunc, sed Barabbam! Niet dezen, maar Barabbas! Dat moordgeschreeuw ? Kruis Hem ! Kruis Hem ! Crucifige! Crucifi/je Eum! Wie beseft de wond, die Jezus\' Hart wordt toegebracht; de wond die Marias\' Hart wordt ingeslagen, terwijl zij de moordkreten tegen Jezus haren Beminden Zoon hoort weergalmen ? O Maria! Waarom hebt gij u niet verwijderd? Jezus uw Zoon is gevangen, maar gij, gij zijt toch vrij ! Waarom wilt gij dan al den smaad, al de beleedigingen uwen Zoon aangedaan bijwonen? Uw Moeder Hart met een zwaard van droefheid laten doorboren? Ah! M. Z., Maria kan zich niet van haren Jezus scheiden. Neen, zij wil met Hem voor ons in \'t werk der verlossing deelen.
II.
Het akelig schouwspel, M. Z., dat zich zoo even voor onzen geest vertoond heeft, schijnt ongeloofelijk; ennogtans, \'t is maar al te waar; ja, het heelt plaats gehad.
Ook zullen wij nooit de afschuwelijkheid der misdaad beseffen, waaraan Pilatus, het joodsche volk en de Phariseën en Schriftgeleerden zich plichtig maken.
Wat schandige vergelijking! Jezus, de gever des levens, wordt vergeleken met Barabbas, een moordenaar.
Scliandigere voorkeur: Niet dezen, maar Barabbas! roepen zij.
â 104 â
Schandigste veroordeeling: Dat men Hem kruise! Dat men Hem kruise!
Jezus met Barabbas vergelijken is onvergeeflijk. Eenen moordenaar stellen voor den Zaligmaker is onverdragelijk. Den Gever des levens tot den kruisdood veroordeelen is wraakroepend.
Pilatus bedrijft eene groote zonde, zonde uit zwakheid en lafheid.
Het volk bedrijft eene grootere zonde, zonde uit verblinden onwetendheid.
De Phariseën en Schriftgeleerden bedrijven eene allergrootste zonde, zonde uit enkele boos- en wreedheid.
Wij zullen ook nooit de beleediging begrijpen, die Jezus daardoor aangedaan wordt. Jezus herinnert zich al wat Hij ooit voor het joodsche volk gedaan heeft; hoe Hij het onder eene macht van wonderen uit de slavernij van Egypte verlost, hoe Hij het door de roode zee geleid en er Pharao met zijn leger in begraven heeft; hoe Hij het in de woestijn vergezeld, en eindelijk het beloofde land, van honig en melk overvloeiende, binnen geleid heeft. Ja, Jezus herinnert zich al wat Hij gedurende dertig jaren voor Israël uitgestaan en gedaan heeft. Hoe Hij zich afgemat, hoe Hij steden en dorpen rond gereisd heeft, om zijne zaligmakende leer te verkondigen, om hunne zieken te genezen; en nu, nu gaan zij Hem verwerpen; nu gaan zij de voorkeur geven aan een baanstrooper, een moordenaar Barabbas; zij willen zijn naam niet eens meer uitspreken, niet dezen, maar Barabbas! schreeuwen zij
O Lieve Jezus! Welke ondaukbaarlieid in de Joden! Zij -willen niets meer van U weten? Verwerp dan ook dat halstarrige volk, dat U verwerpt. Verscheur liet verbond, dat Gij met hunne voorouders hebt aangegaan, en maak een nieuw met ons, die geenen anderen naam dan den uwen zullen dragen. Ja, Heer Jezus! Wij noodigen U uit; kom tot ons christenen; Gij zult onze Koning zijn, de Koning onzer harten; kom tot ons, wij zullen U niet bedroeven door ondankbaarheid, U niet verloochenen, door boven U aan het schepsel de voorkeur te geven.
Maar helaas! M. Z., wat antwoordt Jezus op de verzekering van liefde en getrouwheid, die Mij Hem doen? Houdt op! roept Jezus ons als het ware toe; houdt op, ontaarde kinderen, met die schoone beloften, die gij toch niet zult nakomen. Gij zult de Joden, die mij verworpen hebben, in ondankbaarheid overtrefl\'en; gij zult mijn Hart nog meer en grootere wonden toebrengen, niet alleen door boven Mij aan Barabbas, maar zelfs aan den duivel de voorkeur te geven. Christenen! Christenen! roept Jezus ons toe, die mij aan de zonde slachtoffert; gij gaat de Joden in ondankbaarheid te boven.
En inderdaad, M. Z., wat doet de christen, als hij zondigt, ten minste als hij doodelijk zondigt, zoo niet in zekeren zin den duivel voor Christus stellen?
De onzuivere, bij voorbeeld, heeft den God der zuiverheid en \'t voorwerp zijner wulpsche genegenheid voor zich. Wie van beiden zal zijn hart bezitten? Weg met den God der
zuiverheid! roept de onkuischaard; ter dood de Verlosser 1 Mijn bart is voor het schepsel en het schandig vermaak.
De gierigaard of de onrechtvaardige heeft God en het geld of goed voor zich. Wien of wat zal hij kiezen? Weg met God! roept hij uit; ter dood de Verlosser! Ik houd meer van dat geld en goed dan Aran God en zijne genade.
De hoovaardige heeft te kiezen tusschen God en dat ellendig punt van eer. Wat zegt hij? Weg met God! roept hij; weg met den Verlosser! Het scheelt mij weinig; ik stel de ijdele achting der menschen boven God en zijnen hemel.
En denkt niet, M. Z., dat er hier overdrijving plaats heeft. Neen, neen, \'t is de zuivere waarheid. Onze ondankbaarheid gaat zelfs verder, dan men met woorden kan uitdrukken. Ja, wij zijn monsters van boosheid, zoo dikwijls wij ons aan doodzonde plichtig maken, en alzoo aan den duivel de voorkeur geven. Want wat kwaad heeft J.ezus ons gedaan? Hij heeft ons geschapen en zoo minzaam voor ons gezorgd. Hij heeft ons uit eene slavernij verlost, on verdragelij ker dan die van Egypte, namelijk uit de slavernij des duivels. Hij heeft ons geleid door eene zee, maar door welke zee? Door eene zee van bloed, dat Hij voor ons gestort heeft. Hij heeft ons van onze ziekten naar de ziel genezen in het H. Sacrament des Doopsels, en daarna nog zoo dikwijls in het H. Sacrament der Biecht. Hij heeft ons gespijsd, niet met een gewoon brood, maar met een levend brood, dat uit den hemel nedergedaald is, en waarvan het Manna slechts een afbeeldsel is, met zijn eigen vleesch en bloed. Wat kwaad heeft Jezus ons dus gedaan? En de christen, die doodelijk zondigt, roept niet
â 107 â
met woorden maar met werken: Kwaad of geen kwaad, \'t komt er niet op aan! Weg met Hem! want Hij stelt zicii tegen mijne driften; Hij verbiedt dat ik ze involge, dat ik aan mijne scliandige neigingen voldoe; Hij gebiedt mij dat onrechtvaardig geld en goed terug te geven; Hij wil niet dat ik mij ver heffe; in een woord, Hij stelt zich tegen mij; weger mede! Tolle hunc! Dat men Hem kruise! Crucifigatur! Dwaze, verblinde menschen, die wij zijn. Wij verontwaardigen ons tegen de Joden, omdat zij eens « Barabhas » geschreeuwd hebben, en wij zijn niet verontwaardigd over onze ongehoorde handelwijze? Wij schamen ons niet over ons zeiven, daar wij nogtans zoo dikwijls door onze zonden die ellendige keus vernieuwd, die moordkreten tegen Jezus herhaald hebben? Welk eene ongevoelighed! Ach! M. Z., gevoelen wij onze ondankbaarheid niet, Jezus gevoelde ze des te beter. Onze zonden waren als zoovele stemmen, vervoegd bij die der Joden, om tegen Jezus te roepen; zij waren als zoovele steken zijn minnend Hart toegebracht. Ziedaar dus, wanneer en hoe wij de Joden navolgen, niet met woorden maar met werken, zoo dikwijls namelijk als wij ons aan doodzonde plichtig maken.
SLUITREDE.
Hier, M. Z., eindig ik met de meditatiën op het smartvolle lijden van O. H. J. C. Niet dat de geschiedenis der Smarten van den lijdenden Godmensch eindigt, neen, maar wijl het onmogelijk is alles in éénen vastentijd breedvoerig te verhandelen.
â 108 â
Ik laat dus aan uwe godvruchtige overweging over dat groote werk te voltrekken.
Overweegt te dien einde deze laatste dagen de bloedige geeseling, die Jezus ondergaan heeft, om de schandige zonde tegen de schoone deugd van zuiverheid uit te boeten. De pijnlijke kroning met doornen, om voor de hoovaardigheid te voldoen.
Volgt Jezus, in gezelschap van Maria en de godvreezende vrouwen van Jerusalem, naar den berg van Calvarie, door deze laatste dagen zooveel mogelijk met aandacht den kruisweg te doen. Gij zult dan zien, met welke liefde Jezus zijn kruis opneemt en omhelst; met welk geduld H ij het draagt, om u te leeren, hoe gij met liefde de kruisen en wederwaardigheden moet aanvaarden, en met geduld en overgeving aan den Ooddelijken wil moet dragen.
Gij zult Jezus, uwen Goddelijken Zaligmaker, onder zijn kruis zien vallen en herhaalde malen zien vallen, om voor uw vallen en dat ongelukkig hervallen in de zonde te voldoen.
Eindelijk zult gij op de kruin van den Calvarieberg aankomen, en daar zult gij zien, hoe Jezus, de zondendelger, aan een schandig moordhout vastgeklonken, tusschen hemel en aarde verheven is, om als middelaar den mensch met God te verzoenen.
Ja, lieve Jezus ! Ik zie u hangen aan het kruis, en terwijl ik een vasten blik op u vestig, ben ik ten volste overtuigd, dat Gij mij ten uiterste bemind hebt, wijl Gij geen oogenblik geaarzeld hebt den dood des kruises te sterven, om mij ten eeuwigen leven op te wekken. Doch ik zie tevens, o lieve
Jezus! hoe duur u mijne zonden zijn komen te staan; aan -welke schromelijke misdaad ik mij jegens u heb plichtig gemaakt; dat ik, gelijk de Apostel Paulus leert, uw lijden en uwen kruisdood heb hernieuwd: Riirsum crucifigentes sibimetipsis Filium Dei. (i) Bijgevolg bid ik u om eene ware, oprechte droefheid over mijne zonden, die de oorzaak geweest zijn van uw lijden. Daarom bid en smeek ik u, van u altoos te beminnen, wijl Gij mij eerst bemind hebt.
O Maria! O Goede Moeder! Gij hebt mij onder het kruis tot uw kind aangenomen; uw kind, ik weet het, kunt gij niets weigeren. Gij zijt de Moeder der smarten, de Moeder der schoone liefde; daarom bid en smeek ik u ook, o goede Moeder! Verkrijg door uwe machtige voorspraak voor mij de genade van mijne zonden oprecht te beweenen, waardoor ik Jezus en u zoo zeer bedroefd heb; de genade van Jezus en u te beminnen gedurende mijn leven, om het geluk te hebben van u beiden in eeuwigheid te kunnen beminnen in den Hemel. Amen.
EINDE.
(i) Heb. vi, 6.
VIERDE JAARGANG
EERSTE MEDITATIE
Quem vultis dimittam voiis: Sarabiani an Jesum, qui dicitur Christus?
Wien wilt gij dat ik u loslate: Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt?
(MATTn. XXVII, 47.)
INHOUD.
VOORREDE.
Men moet het lijden van Jezus, vooral tijdens den vasten, overwegen. â Wonderen bij den dood van Jezus geestelijker wijze vernieuwd. â Oorzaak en beweegreden van Jezus\' lijden. â Haat tegen de zonde, liefde tot God. â Mediteeren met ootmoedigheid, betrouwen en aandachtigheid. â Aanroeping van Maria.
2e DEEL MEDITATIÃN S.
â 114 â
VERDEELING.
I. Gebed van Jezus en verraad van Judas,
II. Jezus voor Caïphas, Pilatus en Herodes.
I.
Jezus is in den Olijfhof bedroefd tot den dood toe. â Hij neemt zijne toevlucht tot het gebed. â Hij bidt, onder anderen met volharding en overgeving aan den wil van Zijnen Hemelschen Vader. â Zoo moeten wij ook bidden tijdens de bekoringen, kruisen en wederwaardigheden. â Judas, na Jezus verkocht te hebben, levert Hem aan zijne vijanden over door eenen kus. â De zondaar, die in staat van doodzonde tot de H. Tafel nadert, volgt Judas na.
II.
Jezus wordt door Caïphas ondervraagd over zijne leerlingen en leering. â Hij zwijgt van zijne leerlingen, doch belijdt zijne leering. â Jezus des doods schuldig verklaard. â Petrus loochent tot driemaal toe Jezus te kennen. â Petrus is vermetel en stelt zich roekeloos aan het gevaar bloot. â Waarom valt de zondaar en hervalt hij ? â Na Petrus in den val gevolgd te hebben, moeten wij hem ook volgen in de bekeering. â De Joden vragen Pilatus, van het doodvonnis, tegen Jezus uitgesproken, te willen bekrachtigen. â Jezus beschuldigd van oproer te maken, van te leeren den cijns niet te betalen, van zich voor Koning uit
te geven. â Pilatus zendt Jezus naar Herocles. â Jezus gewaardigt zich niet Herodes te antwoorden. â Na door Herodes en zijne lijfwacht bespot te zijn, wordt Jezus naar Pilatus terug gezonden. â Keus tussclien Barabbas en Jezus. â De Joden kiezen Barabbas.
SLUITREDE.
De misdaad, waaraan de Joden zicli pliclitig maken, door den dood van Jezus te vragen, wordt vernieuwd door den zondaar, zoo dikwijls hij in de bekoring bezwijkt en doodelijk zondigt. â Gebed tot Jezus om vergiffenis. â Gebed tot Maria.
â 116 â
EERSTE MEDITATIE
Quem vultis dimittam vobis: Barabbam an Jesum. qui dicitur Christus?
Wien wilt gij dat ik u loslate: Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt?
(Matth. xxvii, ij.)
VOORREDE.
Allhoewel wij dikwijls in het jaar aan het lijden van Onzen Goddelijken Zaligmaker moeten denken, verlangt onze Moeder de H. Kerk nogtans, dat wij er ons gedurende den vastentijd bijzonder mede bezig houden.
Deze dagen, M. Z., moeten de wonderen, die bij den dood van Jezus plaats grepen, geestelijker wijze vernieuwd worden.
Bij den dood van Jezus beefde de aarde: Terra mota est. (l) Bij de overweging van het smartvolle lijden van Jezus moeten onze gemoederen bewogen worden.
Bij den dood van Jezus spleten de rotsen: Petrce scissce sunt. Bij de overweging van den pijnlijken dood van Onzen Goddelijken Zaligmaker moeten onze harten als \'t ware scheuren van droefheid over onze zonden.
Bij den dood van Jezus gingen de grafsteden open, en stonden de dooden op: Monumenta aperta sunt. Bij de overweging van Jezus\' lijden en dood moeten de zondaren
(i) Mattii. xxyii, üi etc.
â 117 â
zich in zekeren zin openen, namelijk, door eene rouwmoedige belijdenis hunner zonden; zij moeten uit het graf der zonde opstaan.
In onze overwegingen moeten wij ook onderzoeken, wat de oorzaak geweest is van Jezus\' lijden, en wat er Hem toe bewogen heeft.
â¢De oorzaak van Jezus\' lijden zijn de zonden van het menschdom; \'t zijn mijne, \'t zijn uwe zonden. Ja, M. Z., wij zondaren zijn Jezus\' beulen geweest, en onze zonden de werktuigen, waarmede wij Jezus gepijnigd, ter dood gefolterd hebben.
Wat heeft Jezus bewogen om zoo veel te lijden? Onder anderen, zijne liefde voor het menschdom, zijne liefde voor mij, zijne liefde voor u; ja, wijl Jezus ons bemind heeft. Eenieder onzer moet dus met den Apostel Paulus zeggen: Hij heeft mij bemind, en zich zeiven voor mij overgeleverd! Dilexit me el Iradidit semetipsum pro me! (i)
Die oorzaak en die beweegreden wel ingezien, zullen wij dan niet aangezet worden, om de zonden te haten en te verfoeien? Om Jezus wederkeerig te beminnen? Ziet! Mijn God wordt gevangen, als een misdadiger geboeid; Hij wordt beleedigd en mishandeld; Hij wordt gegeeseld en met doornen gekroond; Hij wordt als een misdadiger ter strafplaats gesleurd en aan het kruis genageld, en daar aan sterft Hij den scha-ndigsten en pijnlijksten dood; Mijne zonden zijn de oorzaak van dat lijden en van dien dood; en ik zal die zonden niet haten en verfoeien ?
il
(i) Gal. ii, 20
â 118 â
Jezus in eeuwigheid oneindig gelukkig in zich zeiven, wordt mensch; Hij lijdt en sterft uit loutere liefde voor mij, om mij ongelukkige, gelukkig te maken: En ik zal dien God van liefde niet wederkeerig beminnen ?
Ziedaar, wat wij in onze meditatiën op het lijden van Jezus moeten beoogen: Haat tegen de zonden,die de oorzaak geweest zijn van Jezus\' lijden; liefde tot Jezus die ons eerst bemind heeft.
Te dien einde zullen wij ons best doen van te mediteeren :
1° Met ootmoedigheid, wijl wij zondaren zijn, dus Jezus\' beulen geweest zijn;
2° Met betrouwen, wijl Jezus sterft voor de zaligheid der zondaren, voor zijne beulen, dus den dood van den zondaar niet wil, maar dat hij zich bekeere en leve;
3° Met aandachtigheid, door goed toe te luisteren, het gezegde te overwegen en de zedenlessen op ons toe te passen.
Er is reeds een jaar verloopen, M. Z., dat ik u over het lijden van Jezus gesproken heb. Ik heb de lijdensgeschiedenis toen slechts gedeeltelijk verhandeld. De stof is te uitgebreid, om in eens, zij is te belangrijk, om ter loops verhandeld te worden. Dezen vastentijd zullen wij dus het tweede deel van Jezus\' lijden overwegen. Vandaag zullen wij het eerste deel in weinige woorden herhalen, en eenige korte toepassingen maken. In de andere meditatiën zullen wij de lijdensgeschiedenis voortzetten.
O Maria! Moeder der Smarten! die zoo ruimschoots in het lijden van Uwen Goddelijken Zoon gedeeld hebt: Moeder van Jezus, onder het kruis onze Moeder geworden; bid voor
-119 -
ons, opdat wij het lijden van Jezus uwen Zoon naar behooren en met vrucht overwegen mogen. Van avond zullen wij dus zien:
|iB|
I. Het gebed van Jezus en liet verraad van Judas.
II. Jezus voor Caïphas, Pilatus en Herodes.
I\'
I-
5 V. .
Ã
Zoodra Onze Goddelijke Zaligmaker het Aanbiddelijk Sacrament des Altaars ingesteld heeft, gaat Hij, vergezeld van zijne leerlingen, over de beek Cedron. Hij begeeft zich naar eene pachthoeve, Gethsemani genaamd, alwaar een hof 4$!
ligt, en dien hof treedt Hij binnen.
Jezus scheidt zich van zijne leerlingen af. Drie leerlingen,
Petrus, Jacobus en Joannes neemt Hij voortgaande een weinig verder mede. Zoodra Jezus met deze alleen is, begint Hij te treuren, te sidderen en te beven, en Ilij zegt: quot; Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; blijft hier, waakt met Mij en bidt. lt;â Daarop verwijdert zich Onze Goddelijke Zaligmaker een weinig. Alleen zijnde, valt Hij op zijn aangezicht ter aarde en bidt: Vader! zoo het mogelijk is; laat dan dezen kelk voorbijgaan, â Jezus bedoelt hier den lijdenskelk, â
doch niet mijn, maar uw wil geschiede! Hij keert naar de drie leerlingen terug, doch ziet! zij slapen. Simon ! zegt Jezus, zich tot Petrus wendende, die zoo veel beloofd had:
Simon! slaapt gij ? Hebt gij dan geen uur met mij kunnen waken? Waakt en bidt, opdat gij niet vallet in bekoring.
Jezus verlaat de drie Apostelen, en bidt voor de tweede
;1r -
rlp
-â H
\'li
maal: Vader! kan deze kelk niet voorbij gaan, zonder dat ik hem drinke; uw wil geschiede! Jezus bezoekt voor de tweede maal zijne Apostelen, en zij zijn wederom in slaap gevallen. Op nieuw wakker gemaakt, schamen zij zich, en weten niet wat antwoorden. Jezus verwijdert zich van zijne leerlingen, en bidt voor de derde maal: Vader ! zoo het mogelijk is, laat dan dezen kelk voorbijgaan, maar niet mijn, maar uw wil geschiede! Daarop verschijnt een Engel uit den hemel, door Zijn Hemelschen Vader gezonden, om Hem te sterken.
Wat schoon voorbeeld voor ons, M. Z., voorbeeld, dat wij in de bekoringen, en tijdens kruisen en wederwaardigheden moeten navolgen! Jezus bidt herhaalde malen; Hij volhardt in het gebed, om ons te toonen, dat wij, willen wij iets van God bekomen, niet voor een oogenblik, maar lang; niet eens, maar meermalen moeten bidden; dat wij moeten aanhouden met kloppen en vragen, totdat er voor ons geopend worde, en wij verkrijgen hetgeen wij begeeren.
Wij moeten ons ook altijd aan den wil van God onderwerpen naar het voorbeeld van Jezus: Niet mijn, maar uw wil geschiede! Zoo bad Jezus Zijnen Hemelschen Vader. Zoo Gij wilt, Vader! dat ik lijde, het zij zoo! Zoo Gij wilt dat ik meer lijde, uw wil geschiede! Zoo moeten wij ook bidden. Zoo gij wilt, o mijn God! dat die bekoring blijve duren, dat ik dat kruis drage, dat die ziekte, dat ongeluk mij overkome, het zij zoo! Zoo Gij daarentegen wilt dat ik van die wederwaardigheden verlost worde, ook goed, uw Heilige wil geschiede!
121 â
O, M. Z., bijaldien wij zoo bidden, wij kunnen zeker zijn, God zal ons vetiiooren. De Hemelsche Vader immers verhoorde Jezus ook. Hij zond eenon Engel, die Hem sterkte en troostte. God zal ons ook verhooren; Hij zal ons moed en sterkte geven, om in de bekoringen niet te bezwijken, om met geduld en overgeving aan den Goddelijken wil de kruisen en wederwaardigheden te dragen, en op die wijze verdiensten voor den hemel te vergaderen.
Zoodra Jezus voor de derde maal bij zijne leerlingen komt, maakt Hij hen opmerkzaam, dat het uur gekomen is, waarop Hij aan zijne vijanden zal overgeleverd worden. Staat op! zegt Jezus : Laat ons gaan ; ziet, mijn verrader is nabij. Nauwelijks heeft Hij gesproken, of Judas, aan \'t, hoofd eener bende, komt aan. Die trouwelooze Apostel heeft zijnen Goddelijken Meester reeds voor dertig zilverlingen verkocht. Hij heeft in \'t laatste avondmaal nog eene heiligschendende Communie gedaan ; nu gaat hij Jezus overleveren.
Onze Goddelijke Zaligmaker gaat met zijne Apostelen de bende te gemoet. Judas, die den soldaten een teeken gegeven heeft, waaraan zij Jezus kunnen erkennen, snelt, zoodra hij Jezus ontwaart, vooruit, gaat naar Hem toe, en na Hem gegroet te hebben, kust hij Hem. Jezus zegt; Vriend! Waartoe zijt gij gekomen? Verraadt gij den Zoon des Menschen door eenen kus? Daarop wendt Hij zich tot de soldaten en vraagt: Wien zoekt gij? Zij antwoorden: Jezus van Nazareth. Ik ben het, zegt Jezus; en na duidelijk bewezen te hebben, dat zij geene macht op Hem hebben, zoo Hij het niet toestaat, geeft Hij zich aan hen over. De soldaten slaan hunne handen aan Onzen Goddelijken Zaligmaker en boeien Hem. Petrus wil
â 122 â
zijnen Meester verdedigen, doch Jezus laat liet niet toe. Hij gebiedt hem liet zwaard in de schede te steken, en geneest daarenboven nog den gewonden Malchus.
Welk eene afschuwelijke misdaad, M. Z., waaraan Judas zich plichtig maakt! Hij verkoopt zijnen Goddelijken Meester voor dertig zilverlingen: Hij on teert het vleesch en bloed van den Godmensch in het laatste avondmaal: Hij levert Hem onder den schijn van vriendschap aan zijne verbitterdste vijanden over.
Geen wonder dus, zoo de naam Judas alleen reeds verachtelijk is.
Niemand onzer immers zoude een Judas willen genoemd worden.
En nogtans, wanneer men de zaak wel inziet, men treft er onder de Christenen aan, die verdienen van Judas genoemd te worden.
Waarom? Wijl zij dien trouweloozen Apostel navolgen.
Is hij geen Judas, de Christen, die zich verstout met een doodelijken haat in \'t hart tot de Heilige Tafel te naderen?
Is hij geen Judas, de Christen, die het onrechtvaardig geld of goed niet terug geeft en te communie gaat?
Is hij geen Judas, de Christen, die met een geweten besmeurd met doodzonden zijnen Heer en Go J ontvangt in het Heilig Sacrament des Altaars? Ja, M. Z., hij heeft zijnen Heer en God verkocht voor eene handvol onrechtvaardig geld of goed, voor een schandig vermaak van een oogenblik: Hij heeft het Goddelijk vleesch en bloed van Jezus-Christus onteerd, daar, aan de Communiebank: Hij heeft Jezus aan
zijnen grootsten vijand overgeleverd, namelijk aan den duivel. .Ta, de heiligschender is een andere Judas; en evenals Jezus van Judas zeide, dat het beter voor hem ware, van nooit geboren te zijn geweest, zoo kan men ook van den heiligschender zeggen, dat het beter voor hem ware van het daglicht nooit aanschouwd te hebben.
II.
Terwijl de soldaten de handen aan Jezus slaan en Hem boeien, verlaten de Apostelen hunnen Goddelijken Meester, en nemen schandig de vlucht.
Eerst brengt men Jezus bij Annas, den schoonvader van Caïphas. Annas doet Onzen Goddelijken Zaligmaker gebonden naar den Opperpriester Caïphas leiden, bij wien de overige Priesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen reeds vergaderd waren. De Opperpriester ondervraagt Jezus over zijne leerlingen en leering. Van zijne leerlingen zegt Jezus niets. Wat zijne leering betreft, daarop antwoordt Hij : Ik heb altijd in \'t openbaar gesproken; ondervraag hen, die mij gehoord hebben, want zij weten wat ik gezegd heb. Op dat bescheiden antwoord verstout zich een bediende Onzen Goddelijken Zaligmaker een kaakslag te geven. Jezus vraagt reden van die mishandeling: Zoo ik kwaad gesproken heb, zegt Hij, toon het Mij ; doch heb Ik wel gesproken, waarom slaat gij Mij ? Intusschen zoeken de Priesters en de gansche vergadering valsche getuigenissen tegen Onzen Goddelijken Zaligmaker, ten einde Hem ter dood te veroordeelen; doch hoewel er verscheiden valsche getuigen optreden, vinden zij
â 124 â
niet ééne getuigenis, die toereikend is, om Hem met eenigen schijn van recht te veroordeelen. Jezus bewaart een diep stilzwijgen. Dat kan de Opperpriester Caïphas niet langer verdragen: Hij staat op, en snauwt Jezus toe: Antwoordt Gij niet op hetgeen dezen tegen u getuigen? Ik bezweer u bij den Levenden God, van ons te zeggen, of Gij de Christus, de Zoon Gods zijt! Jezus antwoordt: Ik ben het. Caiplias beweert dat Jezus God gelasterd heeft, en de gansche vergadering roept uit: Hij is des doods schuldig! Reus est mortis! (l)
Tijdens de zitting van den joodschen raad, waarin Jezus onrechtvaardig ter dood veroordeeld wordt, zit Petrus, die, van de vlucht teruggekomen, de bende van verre gevolgd was, zich in het voorhof bij het vuur te warmen. Eene dienstmeid van den Opperpriester komt bij hem en zegt: Gij waart ook bij Jezus den Galileër. Petrus loochent het, zeggende: Ik ken Hem niet. Een oogenblik daarna ziet hem eene andere dienstmeid, en zegt tot de omstaanders: Deze was ook bij Jezus van Nazareth. Petrus loochent het opnieuw, en wel onder eed. Omtrent een uur daarna zeggen degenen, die met hem bij \'t vuur staan: Inderdaad: Gij zijt een zijner leerlingen, want gij zijt een Galileër; uwe taal verraadt u. Daarop begint Petrus te vloeken en te zweren, dat hij Jezus niet kent.
Welk eene droevige geschiedenis als deze! Gelooft gij wel, M. Z., dat de droevige val van Petrus hedendaags bij vele Christenen nog plaats heeft, en juist om dezelfde reden?
a. Matth. xxvi, üo.
Waarom is Petrus gevallen? Om zijne vermetelheid, en om de naatste gelegenheid. Jezus had Petrus den val voorzegd : Petrus had Jezus niet willen gelooven. Non te negabo. (l) Ik zal u niet verloochenen, had hij geantwoord. Petrus begeeft zich in de naatste gelegenheid, onder de bedienden van Caïphas en onder de krijgsknechten, allen slechte menschen en vijanden van Jezus. Wat is er nu het gevolg van ? Petrus valt, hij valt herhaalde malen, en telkens dieper. Eerst loochent hij Jezus te kennen ; de tweede maal bevestigt hij met eed, en de derde maal begint hij te vloeken. Ziedaar, hoe het met Petrus gaat. Nu vraag ik u; Waarom zijt gij gevallen, herhaalde malen, en telkens dieper gevallen in de zonde? Ook, omdat gij vermetel zijt geweest: Gij hebt den predikant, den biechtvader niet willen gelooven : Hij heeft het u nogtans duidelijk genoeg voorzegd ; maar gij hebt stoutmoedig geantwoord ; Ik zal met dien persoon, op die plaats, in dat gezelschap, in een woord, in die gelegenheid niet meer zondigen. Wat is u wedervaren? Juist hetgeen Petrus wedervaren is. Gij hebt gezondigd; gij hebt meer en meer zonden bedreven ; gij hebt immer grooter en grooter kwaad gedaan, zoodat gij zelf er over verwonderd staat, dat gij beschaamd over u zeiven zijt, en u afvraagt: Maar hoe ben ik toch zoo dikwijls en zoo diep gevallen? Gij ziet dus wel, hoe het den mensch vergaat, die vermetel is ; die vrijwillig zich aan de gevaren blootstelt en in de gelegenheden der zonde begeeft: Doch zoo wij Petrus in den val gevolgd hebben, moeten wij hem ook in de bekeering volgen. Wat doet Petrus ? Nauwelijks heeft Jezus hem aanschouwd.
(i) Mattii. xxvi, 35.
of hij vernedert zich; hij verlaat het gevaar en de gelegenheid en bekeert zich. Zoo moet de zondaar handelen. Hij moet zich vernederen, stellig gelooven hetgeen de predikant, de biechtvader hem zegt; hij moet de gevaren en gelegenheden der zonden verlaten, dien persoon, bij voorbeeld, dat gezelschap, dat huis, die plaats, en dan, en dan alleen zal hij door Gods genade, als door een oogslag van Jezus bekeerd, evenals Petrus zijne zonden beweenen, en er eene ware boetvaardigheid over doen.
Jezus, gelijk wij gezien hebben, is reeds ter dood veroordeeld Caïphas en de leden van den joodschen raad begeven zich met den geboeiden Zaligmaker naar den landvoogd Pontius-Pilatus, om het vonnis te doen bekrachtigen.
Pilatus komt tot hen naar buiten, en vraagt: Welke klacht hebt gij tegen dien mensch in te brengen? Zij antwoorden: Zoo Hij geen misdadiger ware, zouden wij ons wel wachten, van Hem aan u over te leveren. Welnu, zegt Pilatus, neemt gij Hem dan, en vonnist Hem volgens uwe wet! Het staat ons niet vrij, zeggen zij, iemand te dooden; en daarop beginnen zij allerlei beschuldigingen tegen Jezus in te brengen. Ziehier die beschuldigingen:
Wij hebben van dezen ondervonden, dat Hij het volk verleidt; dat Hij verbiedt den cijns aan den keizer te betalen, en dat Hij zich voor den Christus, den Koning uitgeeft.
Pilatus vraagt Jezus: Zijt Gij Koning? Jezus antwoordt: Mijn rijk is niet van deze wereld; indien mijn rijk van deze wereld ware, zouden mijne dienaren voor mij strijden, opdat ik aan de Joden niet werde overgeleverd. Gij zijt dan toch
Koning? vraagt Pilatus op nieuw. Ik beu Koning, antwoordt Jezus; daartoe ben ik geboren en in de wereld gekomen, om getuigenis te geven van de waarheid. Pilatus vraagt: Wat is waarheid? Doch zonder antwoord af te wachten, gaat hij naar buiten, en verklaart openlijk voor het volk, dat hij geene schuld in Jezus vindt.
De Joden nogtans gaan halstarrig voort met Onzen Goddel ij ken Zaligmaker te beschuldigen, en zeggen: Hij ruit het volk op, met gansch het joodsche land door, van Galilëa af tot hiertoe zijne leering te prediken. Zoodra Pilatus van Galilëa hoort spreken, vraagt hij, of Jezus van Galilëa, het gebied van Herodes is; en daar hem zulks bevestigd wordt, zendt hij Jezus naar Herodes, die zich in die dagen juist te Jerusalem ophield. Herodes is zeer verheugd van Jezus te kunnen zien. Reeds over lang heeft hij er naar verlangd, want hij heeft van Onzen Goddelljken Zaligmaker veel hooren vertellen; en nu, zoo denkt Herodes, nu zal Hij ook wel het een of ander mirakel voor mij doen, om zijne vrijheid te bekomen. Doch hoe zeer vindt Herodes zich in zijne verwachting bedrogen! Van hovelingen en eenen grooteu stoet omgeven, doet Herodes Jezus voor zich komen: Hij ondervraagt Hem veel, doch Jezus, die Herodes beter kent dan iemand, niet alleen zijn gedrag, maar ook zijne inzichten; Jezus gewaardigt zich niet eens van te antwoorden.
Intusschen staan de Priesters en Schriftgeleerden Onzen Goddelijken Zaligmaker te beschuldigen. Herodes nogtans wil Jezus niet veroordeelen, doch hij beschimpt en bespot Hem met zijne hovelingen en lijfwacht, doet Hem een wit
â 128 â
kleed aantrekken, en zendt Hem in dien belaclielijken staat, alsof Hij zinneloos ware, naar Pilatus terug.
Zoodra Jezus terug is gebracht, roept Pilatus de Priesters, Ouderlingen en het volk bijeen, en zegt: Gij hebt dezen mensch bij mij gebracht en beschuldigd; en ziet! ik heb Hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en aan niets plichtig bevonden : Ook Herodes heeft Hem niet plichtig bevonden. De Joden zijn bang dat Pilatus Jezus gaat vrijspreken ; daarom beginnen zij Hem op nieuw aan te klagen, en eischen met des te meer hardnekkigheid zijnen dood.
Pilatus durft Jezus niet veroordeelen, want hij weet dat Onze Goddelijke Zaligmaker onschuldig is. Hij durft Hem niet vrijspreken, om den haat en de woede der Joden niet iu te loopen; Hij zal dus een middenweg kiezen, om tot zijn doel te komen.
Het gebruik wilde, M. Z., dat de Landvoogd bij het Paaschfeest aan eenen gevangene naar de keus van het volk de vrijheid schonk. Er bevond zich toen juist een beruchte booswicht, een moordenaar, met name Barabbas, in de gevangenis. Pilatus denkt: Ik zal het volk tusschen Barabbas en Jezus laten kiezen, en ongetwijfeld, het volk zal de voorkeur aan Jezus boven Barabbas geven.
Wien, zoo spreekt Pilatus, wien wilt gij dat ik u loslate? Qiiem vullis dirnittam vobis? Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt? Barabbam an Jesum, qui dicitur Christus? (i) De Priesters en Ouderlingen maken de menigte op van Barabbas\' vrijstelling, en niet die van Jezus, te
(l) MATTH. XVII, 17
â 129 â
Tragen. Zoodra nu Pilatus vraagt: Wien van beiden wilt gij dat ik u loslate? roept gansch het volk uit: Laat ons Barabbas los! Dimitte nobis Barabbam! Wat zal ik dan met Jezus doen? vraagt Pilatus: En zij roepen: Dat men Hem kruise! Crucifigatur! Crucificjatur! Welk een akelig schouwspel! Onwillekeurig vraagt men zich af; maar hoe is het toch mogelijk, dat de Joden zoo ver zijn kunnen gaan, dat zij Barabbas voor Jezus gesteld hebben? M. Z , men treft hedendaags nog van die Joden aan; en om ons daarvan te overtuigen, maken wij ten slotte nog eene kleine aanmerking.
SLUITREDE.
Wanneer de mensch bekoord wordt tot doodzonde, dan wordt hem als het ware ook te kiezen voorgesteld, evenals den Joden door Pilatus. Hij moet kiezen tusschen God en het schepsel. Tusschen God, bij voorbeeld, en wat onrechtvaardig geld of goed; tusschen God en een persoon, waarmede hij schandigen omgang heeft gehad; tusschen God en een zondig vermaak, waartoe hij wordt aangezocht. Wien of wat zal hij nu kiezen? De stem van zijn geweten, zijne oversten, God zelf zet hem aan van de voorkeur aan Jezus te geven, dat is, van niet te zondigen, en door de doodzonde zijnen God niet te verwerpen. De duivel, de wereld en het vleesch doen ook hun best, om den mensch over te halen van de voorkeur aan het schepsel te geven. Quem vultis dimittam vobis? Wien of wat zal hij nu kiezen? Zal hij aan de slechte raadgevingen van den duivel, de wereld en het vleesch wederstaan, zijnen God getrouw blijven en niet zondigen?
26 DEEL MEDITATIÃN 9.
â 130 â
Of zal hij daarentegen, niet luisterende naar de stem van zijn geweten, van zijne oversten en van God, door den duivel, de wereld en het vleesch overgehaald, zijnen God ontrouw worden, de zonde bedrijven? In het eerste geval geeft hij de voorkeur aan Jezus boven het schepsel, hij volgt de Joden niet na. In het tweede geval geeft hij de voorkeur aan het schepsel boven Jezus, hij volgt de Joden na. Laat ons Barabbas los, roept hij dan als het ware met de Joden, en dat Jezus gekruist worde! Maar wat kwaad heeft Jezus u gedaan? \'t Komt er niet op aan, weg er mede! Dat men Hem kruise! Cruciflgatur!
Ziet gij nu, M. Z., hoe de Christenen de Joden navolgen, telkens als zij zich aan doodzonde plichtig maken? En zijn wij soms van het getal dier Christenen? O, M. Z., werpen wij ons dan op de knieën, en vragen wij Jezus ootmoedig vergiffenis van onze zonden.
O goede Jezus! Wat hebt Gij voor mij niet gedaan en geleden! In den Olijf hof zie ik u water en bloed zweten van droefheid. De soldaten boeien en sleuren u gevankelijk naar Jerusalem, terwijl zij u overal beleedigen en mishandelen. Onrechtvaardig wordt Gij ter dood veroordeeld, als een zinnelooze bespot en beschimpt. Gij wordt achter een booswicht, een moordenaar gesteld; dat alles lijdt Gij uit liefde voor mij, om mijne zonden uit te boeten.
Ja, ik beken het: Mijne zonden zijn de oorzaak geweest van al uw lijden. Doch ziet, o lieve Jezus! die zonden zijn mij nu ook van harte leed, omdat ik er u door vergramd heb: Ik haat en verzaak ze uit liefde tot u, en ik maak het vast
â 131 â
voornemen van ze nimmer meer te bedrijven. Neen ! Nooit ! In eeuwigheid geene zonden meer!
O Maria, die om mijnent wille ook zoo veel geleden hebt; bid voor mij;en door uwe machtige voorspraak verkrijg mij de genade van mijne zonden te beweenen, er boetvaardigheid over te doen, en ze nooit meer te bedrijven. Amen.
EINDE.
TWEEDE MEDITATIE
Tunc apprehendit Püatus Jesum ei Jlageilavit.
Toen nam Pilatus Jezus en deed Hem geeselen. (Joan, xix, i.)
INHOUD.
VOORREDE.
Pilatus wordt gewaar, dat zijn redmiddel mislukt. â De Joden geven de voorkeur aan Barabbas.âDaarop veroordeelt Pilatus Jezus, om gegeeseld te worden. â Schaamte en pijn tijdens de geeseling. â De zonde tegen de schoone deugd daardoor uitgeboet. â Gebed tot Maria.
VERDEELING.
I. De geeseling van Jezus.
II. Welke zonde door de geeseling is uitgeboet.
Jezus is veroordeeld om gegeeseld te worden. â De beulen maken zich tot de uitvoering van het vonnis gereed; zij bereiden hunne werktuigen. â Het schandige der geeseling.
â Jezus wordt ontkleed in tegenwoordigheid van het volk en van de soldaten, die Hem uitlachen. â Waarover schaamt Jezus zich ? Omdat Hij in dien ellendigen staat ten toon gesteld wordt; vervolgens om de zonden uit te boeten, die wij bij gebrek of bij overmaat van schaamte bedrijven. â Het pijnlijke der geeseling. â Wat beteekent het woord Flagellavit? â \'t Is de Romeinsche, niet de Joodsche geeseling. â Omstandigheden der geeseling. â Wie wordt gegeeseld? Op wiens bevel? Door wien? Waarmede? Hoelang?
â Ellendige staat van Jezus na de geeseling; Hij is de man der Smarten, van wien Isaïas spreekt.
II.
Jezus is om onze zouden, doch vooral om de zonden van onkuischheid.zoo onmenschelijk gegeeseld.âDeonkuischaard is de wreedste beul van Jezus tijdens zijne geeseling geweest.
â Geschiedenis van den Aartsvader Jacob, van Joseph en zijne overige kinderen, op God den Hemelschen Vader, zijnen Zoon Jezus-Christus en de onkuischaards toegepast.
SLUITREDE.
Jezus, die onze zonden enkel op zich genomen heeft, heeft zoo veel geleden, om er voor te voldoen; hoe zouden wij dan
â 134 â
die zonde nog durven bedrijven? â Vragen wij er Jezus liever vergiffenis van, om de schande en pijn, die wij Hem veroorzaakt hebben. â Maken wij een vast voornemen van boetvaardigheid te doen, en de zonde nimmer meer te bedrijven. â Gebed tot Maria, de zuiverste der Maagden, om de schoone deugd van zuiverheid te bekomen en te bewaren.
EINDE
TWEEDE MEDITATIE
Tunc apprehendit Pilatus Jesum et Jlagellavit.
Toen nam Pilatus Jezus en deed Hem geeselen. (Joan, xix, j.)
VOORREDE.
In onze eerste meditatie over het lijden van Jezus hebben wij onder anderen gezien, welk middel Pilatus beproefde, om Onzen Goddelijken Zaligmaker op vrije voeten te stellen.
Overtuigd van Jezus\' onschuld, stelde Pilatus aan het volk voor te kiezen tusschen Barabbas en Jezus; hij dacht, dat het volk de voorkeur wel aan Jezus zonde geven. Doch helaas! hij vond zich in zijne verwachting bedrogen. Wien van beiden, vroeg Pilatus den Joden, wilt gij dat ik u loslate: Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt? En het volk, door de Schriftgeleerden en Oversten overgehaald, vroeg de vrijstelling van Barabbas: Niet dezen, maar Barabbas! riepen de Joden uit; Non hunc, sed Barabbam! (i) Wat moet ik dan met Jezus doen? vroeg Pilatus, Dat men Hem kruise! Dat men Hem kruise! schreeuwden zij. Maar wat kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik vind geene schuld in Hem, zeide Pilatus; ik zal Hem derhalve kastijden en loslaten: Corripiam ergo illum, et dimittam. (2) Doch de
(l) JOAN. XVIII, 40. \'2) LüC. XXIII, 22.
Jodeu schreeuwden des te harder, dat men Hem kruise! Crucifigatur!
Toen Pilatus zag, dat hij niets vorderde, maar dat het getier nog aangroeide, wilde hij het volk toch eenigszins â voldoen. Hij liet dus Barabbas los, maar Jezus deed hij geeselen: Tune ergo ap\'prehendit Pilatus Jesum et flagel-lavit. (i) \'t Is de schandige en pijnlijke geeseling van Jezus, die wij thans gaan overwegen. O, M. Z., doen wij ons best, om te beseffen, wat schaamte en pijn Jezus tijdens die bloedige geeseling geleden heeft. Doch leggen wij er ons ook op toe, om de oorzaak te kennen, waarom Jezus zoo verschrikkelijk heeft willen verscheurd worden ; welke namelijk de zonde is, die Hij daardoor heeft moeten uitboeten.
O Maria! Vlekkelooste der Maagden! Gij hebt, zoo niet lichamelijk, ten minste in den geest de schandige en pijnlijke foltering den schoonste der menschen, uwen Goddelijken Zoon, aangedaan, bijgewoond. Wij bidden U, door uwe machtige voorspraak, verkrijg ons de genade, van met vrucht die onmenschelijke geeseling te overwegen, de oorzaak er Tan te kennen, en de ongelukkige zonde, die er door uitgeboet is, op ons zeiven te wreken. Te dien einde zullen wij zien;
I. De geeseling van Christus.
II. Welke zonde er bijzonder door uitgeboet is.
JOAN. XIX, 1
I.
Nauwelijks heeft Pilatus Jezus veroordeeld om gegeeseld te worden, of ziet, een woeste troep soldaten sleurt Onzen Goddelijken Zaligmaker naar het voorhof van liet gerechtshuis. Eene menigte van nieuwsgierigen verdringt zich als het ware, om dat onmenschelijk en bloedig schouwspel bij te wonen, en toe te juichen. Bloeddorstige beulen springen toe, en werpen koorden, roeden, zwepen, in een woord, de werktuigen, die zij gaan gebruiken, aan den voet eener kolom neder, waaraan de schrikkelijkste euveldaad gaat voltrokken worden.
Jezus siddert en beeft bij het zien der beulen, bij het aanschouwen hunner werktuigen. Doch welk een purperrood kleurt het aanbiddelijk aangezicht van den Bruidegom der Maagden, bij het gedacht van hetgeen er staat te gebeuren!
Eensklaps grijpen de beulen op gegeven teeken Onzen Goddelijken Zaligmaker aan, en dat Lam zonder vlekken geeft zich, zonder den mond te openen, zonder weêrstand te bieden, in hunne bezoedelde handen over. Mijn God! Wat gaat er nu toch gebeuren? Ja, heulen, \'t is uw uur! \'t Is u, duivelen van den afgrond, gegeven, op Jezus uwe macht uit te oefenen! De beulen rukken al razende en met geweld Jezus de kleederen van het lichaam, en stellen Hem in dien ellendigen toestand voor het volk ten toon. Een schaterlach gaat op van onder die schaamtelooze menigte, die niets zoo zeer verlangt, dan de foltering te zien aanvangen. Doch staan wij, de oogen neèrgeslagen, hier een oogenblik stil.
â 138 â
Ach! M. Z., het schandige der geeseling overtreft, zoo niet voor ons, naar ons oordeel, dan toch wel voor Jezus, naar zijn oordeel, het pijnlijke er van. Hoe u uitdrukken, wat Jezus in dien ellendigen toestand in het voorhof van het gerechtshuis van Pilatus geleden heeft! Dat maagdelijk lichaam, door God den H. Geest zeiven in den zuiveren schoot van Maria gevormd; die Levende Tempel der Godheid wordt daar ter bespotting voor toomelooze soldaten en \'t schuim des volks ten toon gesteld. Jezus had het voorzegd. Door den mond van zijnen Profeet had Hij reeds jaren te voren aangekondigd : Mijn aangezicht is met schaamte overdekt : O\'peruH, confusio faciem meam. (i) Zijnen Hemelschen Vader toesprekende, zeide Hij; Voor ü, Vader! heb ik dien smaad ondergaan. Gij, Vader! Gij alleen kent mijne schande en schaamte, en de oorzaak er van.
Welnu, M. Z., wat is het, waarover Jezus zich zoo zeer schaamt? Is het van eene strafte moeten ondergaan, waartoe de slaven veroordeeld werden? Doch door de gedaante van eenen slaaf aan te nemen, heeft Hij er ook in toegestemd. Is het van gegeeseld te worden als een misdadiger? Maar Jezus getuigt, dat Hij er toe gereed is; Hij biedt zich aan : Quoniam in flagella paralus sum. (2) Waarom is Jezus dan zoo beschaamd ? Wijl Hij in dien ellendigen staat door de soldaten en het volk uitgelachen wordt? O voorzeker, M. Z., \'t is eene reden, waarom Onze Goddelijke Zaligmaker zich schaamt, maar \'t is de eenige niet. Ziehier, waarin de voornaamste reden gelegen is.
(1) PS. LXVIII, 8. (2) Ps. XXXVII, 18.
â 139 â
Jezus, gelijk wij weten, heeft de zonden van het gansche menschdom op zich genomen. Welnu; in deoogen van Zijnen Hemelschen Vader ziet Hij zich bedekt met al de misdaden, die wij bij gebrek of bij overmaat van schaamte bedreven hebben, en Hij heeft besloten die misdaden door het schandige zijner geeseling uit te boeten. Leggen wij die waarheid een weinig verder uit.
Is liet, M. Z., helaas! maar niet al te waar, dat de mensch zich dikwijls over iets schaamt, waarover hij zich volstrekt niet behoeft te schamen, en dat hij zich niet schaamt, waarover hij beschaamd moest zijn? Hij schaamt zich niet van te zondigen; van zelfs in \'t openbaar die zonde te bedrijven, waarover hij zich het meest moest schamen, wijl zij den mensch zoo zeer onteert; ik bedoel de schandige zonde tegen de engelachtige deugd van Zuiverheid. Vandaar dat hij slechte gesprekken voert, dat hij dubbelzinnige woorden spreekt: Vandaar dat hij schandige gemeenschap houdt, ongeoorloofde vrijpostigheden bedrijft of toelaat; Vandaar dat hij zich aan eene menigte van schandige zonden tegen de schöone deugd plichtig maakt. Ja, \'t is bij gebrek van schaamte, dat hij soms zoo ver gaat, van zich op die zonden te beroemen.
Zonderlinge zaak, M. Z.,en nogtans maar al te waar: Hij, die zich niet schaamt van het kwaad te doen, is beschaamd van het goede te verrichten, zooals, bij voorbeeld, van te bidden, de goddelijke diensten wat meer en eerbiediger bij te wonen, van tijd tot tijd de H. Sacramenten te ontvangen, te biechten te gaan, tot de H. Tafel te naderen ; in een woord : uit menschelijk opzicht is hij beschaamd van de deugd te
oefenen, een braaf, christelijk leven te leiden. Ongelukkige schaamte, die, gelijk de Heilige Bernardus zegt, de bron is van alle kwaad, daar integendeel de schaamte voor het kwaad, de bron is van alle goed. Herinnert n, M. Z., wat Jezus-Christus in het Evangelie zegt; Die zich over mij en mijne leering zal geschaamd hebben, over dien zal ik mij ook schamen voor mijnen Vader en de Engelen. Wat blijft er ons dus over te doen ? Juist de zaken omkeeren. Wij moeten uit al onze macht de schaamte voor het goede bestrijden en verbannen, en ons integendeel op de schaamte voor het kwaad toeleggen en ze trachten te bewaren. Doch dit is genoeg, M. Z.,over het schandige der geeseling. Onderzoeken wij nu nog het pijnlijke er van.
De Evangelisten zeggen, dat Pilatus Jezus deed geeselen. Flagdlavit. (i) Ziedaar, hoe zij zich met een enkel woord uitdrukken ; meer woorden gebruiken zij niet, als of zij niet in staat waren die marteling genoeg te beschrijven. Neen, meer zeggen zij niet. Maar wat ligt er in dat enkel woord, Flagellavit, hij deed Hem geeselen, niet opgesloten? Er is hier geen spraak, M. Z., van de geeseling bij de Joden in gebruik : Hunne wet verbood het getal van veertig slagen te boven te gaan, en daarom telde men er den misdadiger voorzichtigheidshalve maar negen en dertig toe; Doch hier is spraak van de geeseling bij de Romeinen in gebruik, en waartoe alleen vreemdelingen en slaven veroordeeld werden. Overwegen wij dus een oogenblik de omstandigheden dier geeseling, om ten minste een weinig de ongehoorde wreedheid te beseffen, waarmede zij geschied is.
(j) JOAN. XIX, 1.
â 141 â
Wie wordt er gegeesekl? Jezus wordt gegeeseld, M. Z., wiens maagdelijk lichaam zoo teeder als onschuldig, zoo gevoelig als schoon, door het bloedig zweet in Gethseraani en de mishandelingen gedurende den nacht reeds afgemat en uitgeput is.
Op wiens bevel wordt Jezus gegeeseld? Op bevel van Pilatus, van een onrechtvaardigen en lafhartigen rechter, die voornemens is door die geeseling de woede der Joden tot bedaren te brengen, hunne verstokte harten tot medelijden op te wekken, en Jezus vervolgens los te laten. Daaruit kan men besluiten, dat de Romeinsche Landvoogd orde zal gegeven hebben, van Onzen Goddelijken Zaligmaker zoo verschrikkelijk mogelijk te mishandelen, om op die wijze zijn doel te bereiken. Door wie wordt Jezus gegeeseld ? Door beulen, M. Z., waarin alle menschelijk gevoel schijnt uitgedoofd, en die dus voor geen medelijden vatbaar zijn. Door beulen, wier bloeddorst, bij het zien van bloed, in plaats van te verminderen, toeneemt; die door Pilatus ingegeven, door de Phariseën en Schriftgeleerden, ja, door den duivel zelfs aangehitst, onderling wedijveren, wie van hen den onschul-digen Jezus de hardste slagen zal toebrengen, wie van hen de diepste wonden zal openen, wie van hen de grootste stukken vleesch uit zijn maagdelijk lichaam zal los rukken.
Waarmede wordt Jezus gegeeseld? Luistert, M. Z., wat de H. Hieronj-mus daarover zegt. Zes beulen, zoo spreekt die H. Vader, naderen: Twee hunner met lederen riemen van knoopen voorzien. Twee met doornen roeden. Twee met ijzeren ketenen. Zij gebruiken dus de verschrikkelijkste werktuigen, om het Heilig lichaam van Jezus te verscheuren.
li
â 142 â
Hoelang wordt Jezus gegeeseld? De joodsclie wet, M. Z., verbood, gelijk ik reeds gezegd heb, liet getal van veertig-slagen te boven te gaan, doch die wet wordt hier niet in acht genomen, en men telt er reeds zoovele honderden. De beulen vermoeien zich van slaan, zij rusten uit, doch voor het lichaam van Jezus is geene rust. In de plaats van hen, die afgemat zijn van het geeselen, treden nieuwen op, en op deze volgen wederom anderen. Men vernieuwt de oude wonden; men voegt er immer andere bij. Gansch het lichaam van Jezus, zoo smartelijk onder de folteringen samengetrokken, is maar eene wond meer. Zijn maagdelijk vleesch, verhakkeld en verscheurd, vliegt in stukken op de omstaan-tlers rond. Zijn kostbaar bloed stroomt op den grond ; de geeselroeden en de kolom zijn bloedrood geverfd; de muren zijn er van bespat; de vloer is beplast; de handen, armen en kleederen der beulen druipen er van; de gerechtszaal weergalmt van de slagen ; de volksmenigte lacht; de hemel zucht; Maria weent, en Jezus, de Verlosser der wereld, lijdt en zwijgt. Ach ! Wreede, mededogenlooze beulen! Meent gij dan, dat het lichaam van Jezus van ijzer of staal, van hout of marmer is? Houdt op, booswichten! Houdt op! Doch neen; men gaat immer voort met geeselen, totdat eindelijk een der omstaanders, ziende datJezus onder de slagen gaat bezwijken, door medelijden bewogen wordt, en de koorden, waarmede Jezus aan de kolom vast gebonden is, losmaakt ; doch, helaas! Onze Goddelijke Zaligmaker kan zich niet meer staande houden, Hij zinkt aan den voet der kolom in een bloedplas neder.
Daar ligt nu krachteloos te zieltogen, Hij, wiens machtige hand het heelal ondersteunt! Die leven, vreugde en verkwikking geeft aan al wat ademt op aarde! Daar ligt nu, Hij, die nog maar weinige dagen geleden de schoonste onder de kinderen der menschen was, en nu verbrijzeld en verscheurd nauwelijks aan een mensch meer gelijkt! O! M. Z., de woorden van den Profeet Isaïas worden letterlijk bewaarheid. Van het hoofd tot aan de voeten is er geene gezonde plek aan zijn lichaam: A planta pedis usque ad verticem non est sanitas in co. (i) Hij heeft noch gedaante, noch schoonheid. Wij zagen Hem, en Hij was de meest verachte, en de geringste onder de menschen ; Hij was de Man der Smarten, wij zagen Hem aan voor eenen melaatsche, voor iemand, die van God geslagen en vernederd was. Voorwaar! Hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze zonden gedragen.
Edoch, M. Z., merken wij, en wel met aandacht, in ons tweede deel op, hetgeen de Profeet er bijvoegt.
11.
Jezus, zoo spreekt Isaïas, is om onze misdaden gewond: Vulneratus est propter iniquitates nostras; om onze zonden is Hij vermorzeld geworden: Attrüus est propter scelera nostra. (2)
En inderdaad, M. Z., wat zal het ons baten de schandige en pijnlijke geeseling, zelfs in hare bijzonderheden te overwegen?
â 144 â
Wat zal het ons baten tegen een laffen en onrechtvaardigen rechter, tegen bloeddorstige beulen, schaamtelooze aanschou-wers en losbandige soldaten uit te vallen, bijaldien wij met het oog des geloofs niet hooger opklimmen, zoo wij de reden niet opzoeken, waarom Onze Goddelijke Zaligmaker zoo onmenschelijk gegeeseld is geworden; en zoo wij, na de ware oorzaak in ons gevonden te hebben, die oorzaak op ons niet wreken ?
Ja, M. Z., in het algemeen is het om onze zonden, dat Jezus zoo zeer mishandeld is geworden. De zondaren hebben op mijnen rug gesmeed, zegt Onze Goddelijke Zaligmaker door den mond van zijnen Profeet David: Supra dorsum meum fahricaverunt peccatores ; (i) Of wel, gelijk de hebreeuwsche tekst zich uitdrukt: Zij hebben mijnen rug-doorploegd: Supra dorsum meum araverunt: En wijl de zondaren niet opgehouden hebben misdaden op misdaden, zonden op zonden te stapelen, daarom hebben zij mij slagen op slagen, wonden op wonden toegebracht; daarom hebben zij gansch mijn maagdelijk lichaam van \'t hoofd tot aan de voeten verscheurd.
Doch onder al de zonden, die er bedreven worden, treft men er vooral eene aan, om welke uit te boeten, Onze Goddelijke Zaligmaker in bet gerechtshuis vanPilatus zooveel te lijden heeft gehad. Onder al de zondaren, die Jezus mishandeld hebben, treft men vooral één monster aan, dat zich met de grootste wreedheid op Hem heeft losgelaten. Die zonde, M. Z., is de zonde van onkuischheid; dat monster is de onk ui schaard.
(i) Ps. cxxvni, 3.
Gij kent de geschiedenis van den kuischen Joseph. Zekeren dag, zoo lezen wij in de Heilige Schrift, zonden de onkuische zonen van Jacob, die hunnen jongsten broeder, den kuischen Joseph, haatten, den bebloeden rok van hunnen broeder naar hunnen vader, en deden hem zeggen: Bezie dezen rok, of hij soms niet de rok van uwen zoon is. Jacob erkende het kleed, en brak in weeklachten los. \'t Is de rok van mijnen zoon! riep hij uit; een wreed dier heeft hem verslonden! Fera pessima comedit eum! (i) Een beest heeft mijnen Joseph verscheurd! Best/ia devoravil Joseph! De Aartsvader Jacob, M. Z., bedroog zich. Zijn zoon Joseph was niet verscheurd, noch verslonden. Zijne ontaarde kinderen hadden hunnen broeder aan Ismaëlietische kooplieden verkocht, namen daarop den veelkleurigen rok van Joseph, doopten dien in \'t bloed van eenen bok, en zonden hem vervolgens naar hunnen vader, om hem te doen gelooven, dat zijn zoon door een wild dier verscheurd en verslonden was. Jacob, gelijk gij dus ziet, bedroog zich; doch de Hemelsche Vader mag met recht zeggen en uitroepen: Een wild roofdier heeft mijnen Zoon verslonden ! Fera pessima comedit Eum! Een beest heeft mijnen Jezus verscheurd! Bestia devoravit Joseph!
En inderdaad, M. Z., de onkuischaard, door zijne ongeregelde, dierlijke wellusten in te volgen, gelijkt hij niet aan het redelooze dier? Met rede en verstand begaafd, moeten die verheven zielsvermogen zwichten en onderdoen voor zijne schandige, vleeschelijke lusten.
(i) Gen. xxxvii, 33 etc.
2e deel meditatiën 10
â 146 â
Een wild roofdier lieeft zijnen Zoon verslonden: Fera pessima comedit Eum. Ja, M. Z., \'t is waarheid. Slaaf van zijne schandige driften, wordt de onkuischaard immer voortgezweept, en wil toomeloos door de hechtste of heiligste banden niet wederhouden worden; noch door de banden der bloedverwantschap, en vandaar de bloedschender; noch door de banden der echtvereeniging, en vandaar de overspeler; noch door de banden der beloften, en vandaar de heiligschender.
Een wreed roofdier ; Fera pessinia. Ja, dat Is de onkuischaard. Ongevoelig voor al hetgeen God voor hem gedaan heeft, waaraan hij niet denkt; ongevoelig voor zijnen evenmensch, dien hij ergert; ongevoelig voor zijne eigene dierbaarste belangen, voor zijne ziel en zaligheid, is hij tevens onverzaadbAar. Hij kan nimmer zijne lusten voldoen. Zijn kreet is; A ff er! A ff er! (i) Breng aan! Breng immer aan! Hij is gelijk aan het vuur. Hoe meer hout men bij werpt, des te heviger brandt het. Hoe meer hij zijne schandige lusten, door ze in te volgen, tracht te bevredigen, des te onstuimiger worden zij. Hoe meer hij ze tracht te verminderen, door er aan toe te geven, des te sterker groeien zij aan; en dat wreede, onverzaadbare roofdier, dat is, die onkuischaard heeft zijnen Zoon verslonden, heeft Hem door het ophoopen van de zonden van ontucht en onzuiverheid slagen op slagen toegebracht, heeft zijn Goddelijk bloed met stroomen doen vlieten, heeft zijn maagdelijk vleesch in flarden gerukt, een beest heeft zijnen Zoon verscheurd ! Beslia devoravit Joseph!
Jl) Prov. xxx, 15.
â 147 â
SLUITREDE.
Ziedaar,M Z.,in welken ellendigen toestand wij zondaren Onzen Goddelijken Zaligmaker gebracht hebben, wijl Hij om onze zonden, en vooral om onze zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid, zoo schandig en wreed mishandeld geworden is.
Ja, Jezus is in zijne geeseling met schande en schaamte overdekt, om de zonden van het menschdom, die Hij niet bedreven, maar enkel op zich genomen heeft; en wij, M. Z., wij zouden niet beschaamd zijn, zelfs over de schandigste zonden, die wij persoonlijk bedreven hebben? Wij zouden er ons nog op durven beroemen?
Jezus vergiet tijdens zijne geeseling stroomen bloeds, om ons van onze zonden te zuiveren; en wij, M. Z., wij zouden geen enkelen traan storten, om onze misslagen te beweenen, om onze ongerechtigheden af te wasschen? Jezus laat in zijne geeseling zijn teeder lichaam van \'t hoofd tot aan de voeten met scherpe geeselroeden verscheuren; en wij, M. Z., wij zouden onze slechte neigingen involgen, den wellust bot vieren ?
Ach ! na wel te hebben ingezien, hoe duur de zonde tegen de schoone deugd Onzen Goddelijken Zaligmaker is komen te staan, werpen wij ons op de knieën, om er Hem met een ootmoedig en vermorzeld hart vergiffenis van te vragen.
Ja! Minnelijke Jezus! \'t Is om onze zonden, wij bekennen het, dat Gij zoo schandig en vreeselijk gegeeseld zijt geweest. Wij zijn de barbaarsche beulen geweest, die wegens de
zonden van onzuiverheid U de kleêren afgerukt, en aan de kolom gebonden; die uw Goddelijk bloed vergoten, uw maagdelijk lichaam verscheurd hebben. Doch thans, Goddelijke Zaligmaker! beweenen wij die zonden. Wij maken het vast voornemen van onze zinnen te versterven, en ons lichaam te kastijden. Ja, Lieve Jezus! \'t is gedaan! Nooit! neen, nimmer geene zonde van onzuiverheid meer!
O Maria! Maagd der Maagden ! door uwe Vlekkelooze Ontvangenis bidden en smeeken wij U: bekom ons de genade, van eene ware boetvaardigheid te doen over onze zonden, en al de dagen van ons leven kuisch en zuiver te wezen. Amen.
EINDE.
DERDE MEDITATIE
Plectentes coronam de spines posuerunt super caput ejus.
Zij vlooliten eene kroon uit doornen, en zetteden die op zijn lioofd.
(Matte, xxvii, 29.)
INHOUD.
VOORREDE.
Jezus, na gegeeseld te zijn, valt in eenen bloedplas aan den voet der kolom neder. â Niemand heeft medelijden met Hem. â Men maakt zich gereed, om Hem nieuwe pijnen aan te doen. â Maria beweent Haren G-oddelijken Zoon. â De Engelen des vredes weenen ook bitter; zij noodigen ons uit, om den lijdenden Godmensch te aanschouwen. â Aanschouwen wij Jezus met aandacht tijdens de kroning; hoe Hij de hoovaardigheid, de wederspannigheid en de zinnelijkheid uitboet. â Gebed tot Maria.
â 150 â
VERDEELING.
I. Kroning van Jezus met doornen.
II. Welke zonden door de Kroning zijn uitgeboet.
I.
Na de geeseling vangen de soldaten met de Ijroning aan. Zij roepen de gansche bende bijeen, om Jezus als een spotkoning te mishandelen. â Alles is gereed gemaakt, purperen lap, kroon, schepter, enz. â Het schandige der kroning: Jezus wordt op nieuw van zijne kleederen beroofd en uitgelachen. â Men werpt Hem een versleten purperen mantel om de schouders.â â⢠Het pijnlijke der kroning: â De doornen kroon wordt Jezus op het hoofd geduwd, er op geslagen. â De doornen dringen tot in de hersenen door. â Een enkele doorn doet den mensch, een dier zoo lijden; welke pijnen heeft dan die doornen kroon Jezus niet veroorzaakt ? â Schepter, dien Jezus in de handen krijgt, een rietstok. ââ Oogslag op Jezus. â Schandige en pijnlijke vereering. ââ Aanmerking van den H. Laurentius Justinianus.
II.
Waarom is Onze Goddelijke Zaligmaker gekroond ? â Antwoord van den Hemelschen Vader. â Antwoord van den purperen lap, van de doornen kroon, van den rietstok, van de lichaamsfolteringen. â Om voor de hoovaardigheid, de wederspannigheid en de zinnelijkheid te voldoen. â Wij
moeten de schuld niet alleen op anderen, maar ook op ons werpen.
SLUITREDE.
Ziedaar, hoe Jezus ons bemind heeft; wij moeten Hem dus ook beminnen. â Vervloekt de mensch, die Jezus niet bemint. â Vragen wij Jezus vergiffenis van de zonden, die de oorzaak geweest zijn van zijne schandige en pijnlijke kroning. â Zeggen wij vaarwel aan den drievoudigen geest der bedorvenè wereld. â Gebed tot Maria om ootmoedig, onderdanig en zuiver te wezen.
EINDE
DERDE MEDITATIE
Plectentes coronam de spines posuervnt super caput ejus.
Zij vlooliten eene kroon uit doornen, en zetteden die op zijn hoofd.
(Matth. xxvii, 20.)
VOORREDE.
In onze voorgaande overweging van het bitter lijden, M. Z., zagen wij Onzen Goddelijken Zaligmaker met schaamte overdekt, van het hoofd tot aan de voeten verscheurd, druipende van bloed, in eenen bloedplas aan den voet der kolom nedervallen. En nogtans, niemand bood zich aan, om Hem te helpen; niemand had medelijden met Hem ; geen enkele klacht liet zich hooren. Neen, zijne wonden, gelijk de Profeet Isaïas zegt, werden niet verbonden; zij werden met geene geneesmiddelen verzorgd, noch met olie verzacht. Integendeel; woeste vreugdekreten stegen op van onder die ongevoelige krijgsknechten ; een luidruchtige schaterlach weergalmde in de gerechtszaal; men heeft een nieuw middel uitgevonden, om met het reeds afgefolterde slachtoffer den spot te drijven, om Jezus nieuwe pijnen aan te doen.
Niemand had dus medelijden met Jezus. Maar neen! ik bedrieg mij. Treurig neêrgezeten, en van weinige getrouwe zielen omgeven, beweende Maria haren Goddelijken Zoon. Zij sidderde en beefde op het vooruitzicht der nieuwe belee-digingen, der nieuwe pijnen haren Jezus bereid. De Engelen
â 153 â
des vredes vervoegden zich bij de Moeder der Smarten. Zij weenden bitter met Haar over de vernedering\' en het lijden hunnen Goddelijken Koning aangedaan. Mij dunkt, ik hoor hen met droevige stem roepen: Egredimini filice Sion: Gaat uit. dochters van Sion: Vide te regem Salomonem in diddemate: Aanschouwt den waren koning Salomo, met eene kroon versierd, kroon, waarmede zijne moeder, de ondankbare Synagoge, Hem gekroond heeft: Quo coronavit illum mater sua! (i)
Ja,M. Z., beantwoorden wij aan die uitnoodiging. Dringen wij door tot in het gerechtshof van Pilatus, om een tweede hartverscheurend schouwspel bij te wonen. Aanschouwen wij in den geest Onzen Goddelijken Zaligmaker, met een versleten purperen mantel omhangen, om de hoovaardigheid der wereld uit te boeten; met eene doornen kroon op het hoofd, eenen rietstok in de hand, om voor hare wederspan-nigheid te voldoen; door de solda en bespot en mishandeld, om voor hare zinnelijkheid te betalen.
De Allerheiligste Maagd Maria sta ons bij. Ja, Maria, bedrukste der vrouwen! Koningin der Martelaren gekroond! Wij bidden U, door uwe machtige voorspraak, verkrijg ons de genade, om de schandige en pijnlijke kroning van uwen Zoon, die de Man der Smarten, de Koning der Martelaren is, met aandacht te overwegen, en vooral om de zonden, die er de oorzaak van geweest zijn, oprecht te beweenen.
Wij zullen van avond dus zien;
(i) Cant, hi, u.
â 154 â
I. De kroning van Jezus met doornen.
II. Welke zonden door de kroning zijn uitgeboet.
I.
Zoodra de koorden, waarmede Onze Goddelijke Zaligmaker aan de kolom vastgebonden is, zijn los gemaakt, valt Hij, van pijn en bloedverlies uitgeput, machteloos op den grond neder.
De onmenschelijke beulen, nog niet verzadigd, stampen Jezus, zegt Tertulianus, en doen Hem, evenals een bol op den vloer, in zijn bloed voortrollen.
Jezus kruipt met moeite voort tot aan de plaats, waar zijne kleederen liggen, om er zijn verscheurd lichaam mede te dekken.
Doch ziet! De soldaten, die tot hiertoe een bevel van den Romeinschen landvoogd, hoe onrechtvaardig en onmenschelijk ook, uitgevoerd hebben, gaan verder. Zonder door Pilatus gelast of gemachtigd te zijn, vangen zij eene andere schan-dige en pijnlijke foltering aan. Zij herinneren zich, dat de Joden Jezus beschuldigd hebben, dat Hij zich Koning wilde maken. Die beschuldiging geeft bun nieuwe stof tot verregaande spotternijen en mishandelingen. En nogtans, M. Z., wij weten het uit het Evangelie, dat Jezus volstrekt geen aardsche koning wilde zijn; want toen het volk Hem zekeren dag uit dankbaarheid tot Koning wilde uitroepen. Hem wezenlijk aan hun hoofd wilde stellen, nam Jezus de vlucht, om die waardigheid te ontwijken; maar hier, M. Z., wijl zij
een spotkoning van Hem willen maken, hier biedt Onze Goddelijke Zaligmaker zich gewillig aan.
De soldaten roepen dus terstond al lachende en tierende hunne gansche bende bijeen, om die schandige en pijnlijke kroning te beginnen. Men stoot Jezus vooruit. Op de plaats aangekomen, waar de kroning moet geschieden, omgeven Hem de woeste soldaten; zij vormen eenen kring rond Hem. Alles is gereed gemaakt; purperen mantel, kroon, schepter, niets ontbreekt er.
Eenige dier onmenschen komen vooruit, en slaan opnieuw hunne bezoedelde handen aan het Lam zonder vlekken, dat zonder tegenstand te bieden, zonder den mond te openen, zich wederom aan hen overgeeft. Zij rukken vooreerst Jezus de kleederen, die Hij na de geeseling aangedaan heeft, met geweld van zijn lichaam. O! M. Z., wie beseft de schaamte en pijn, welke Jezus bij die tweede ontkleeding opnieuw te verduren heeft? Wijl de kleederen door het geronnen bloed overal aan de wonden vastkleven, trekken zij Hem het vel met het kleed, de stukken vleesch met het vel van zijn gezegend lichaam, en doen nogmaals het bloed langs alle zijden stroomen.
Vervolgens werpen zij Hem een versleten purperen mantel om zijne vermorzelde schouders ; Et chlamidem coccineam circumdederunt ei. (i) Het purper strekt den mensch tot eer; doch hier gebruiken de soldaten het, om Jezus te bespotten. Het Goddelijk bloed, weldra in dien purperen lap doorgedrongen, druipt op den grond neder. Welke schande voor
(l) MATTH. XXVII, 25
â 156 â
Jezus! Nauwelijks is Hij op bevel van-Herodes met een wit kleed omhangen, of ziet! hier wordt Hij in \'t purper uitgedost, voor allen tot spotkoning ten toon gesteld.
Doch, M. Z., het blijft niet alleen bij het schandige, bij spotternijen; het pijnlijke, de folteringen vervoegen er zich weldra mede, en nemen immer toe; de wreedheid der soldaten gaat verder. Ziehier, hoe de vijanden van Jezus voortgaan met Hem te mishandelen.
Zoo Jezus Koning is, zeggen zij, moet Hij ook eene kroon dragen. Koningen, triomfeerenden en goden moeten gekroond worden.
Jezus heeft zich voor een Koning uitgegeven; Hij is eenige dagen geleden in triomf Jerusalem binnen getrokken; Hij heeft verklaard dat Hij de Zoon Gods is, welnu, in hoedanigheid van Koning, van triomfeerende en van Gods Zoon, moet Hij met eene kroon versierd worden; doch met welke kroon? Eene kroon uit bloemen of lauweren gevlochten? Eene kroon uit goud of zilver met edelgesteenten versierd? Ach! M. Z., luistert wat het Evangelie zegt: Et plectenles coronam de spinis, posuerunl super caput ejus: (i) Zij vlochten eene kroon uit doornen, en zetteden Hem die op het hoofd; ja, wat meer is, denkende, dat zij misschien zal af vallen, duwen, slaan zij de doornen kroon op zijn hoofd vast. Welke foltering! Welke pijn en smart! Eene menigte scherpe doornen doorboren dat Heilig hoofd, en dringen door de aderen tot in de hersenen heên met eene onbegrijpelijke pijn.
(i) Math, xxvh, 29.
Zoo vele doornen, zoo vele -wonden; zoo vele wonden, zoo vele bronnen bloeds ontspringen er. Het bloed van Jezus stroomt van zijn voorhoofd in de oogen; uit de oogen over zijn aangezicht; van zijn aangezicht op de schouders; van de schouders langs zijn lichaam op den grond neder.
Welk eene on verdragelij ke pijn moet die doornen kroon Onzen Goddelijken Zaligmaker niet veroorzaakt hebben ! Een enkele doorn in de hand of in den voet doet den mensch reeds zooveel lijden. Men is niet tevreden, alvorens er hem uitgehaald te hebben. Een enkele doorn in den poot van een dier, van een leeuw, bij voorbeeld, doet hem zoo hevig lijden, dat hij er woedend, als razend van wordt, en de bosschen van zijn gebrul doet weergalmen. En wat is dat alles in vergelijking van de doornen kroon, die men Jezus opzet? Niet één, maar eene menigte lange scherpe doornen wonden niet eene hand of eenen voet, maar dringen door tot in het aanbiddelijk hoofd van Onzen Goddelijken Zaligmaker. En wie weet niet, hoe gevoelig de minste pijn is aan dat zoo teeder deel des lichaams ? quot;Welk eene pijn! Welk eene foltering! Ja, M. Z., wij mogen het gerust zeggen, zonder ons te bedriegen, zonder de waarheid te overdrijven; de doornen kroon bracht Jezus zooveel doodelijke wonden toe, als zij doornen telde.
Jezus is dus reeds in koninklijk gewaad uitgedost, met eenen purperen mantel omhangen; Hij is reeds Koning gekroond. Poch een Koning zwaait ooii een Schepter. O neen ! Die mag hier niet ontbreken. Hij zal in evenredigheid zijn met de overige eereteekens. Daarom geven de soldaten, die immer in hunne baldadigheid voortgaan. Onzen
â 1S8 â
Gofldeiijken Zaligmaker een rietstok voor Schepter in zijne gezegende handen, om te beteekenen, dat zijn koningschap ijdel, belachelijk is. Jezus neemt den rietstok met gelatenheid aan, en houdt hem stevig in de handen.
Aanschouwen wij nu een oogenblik Onzen Goddelijken Zaligmaker in zijn koninklijk gewaad gekleed. Hij draagt een versleten purperen mantel om de schouders, eene doornen kroon op het hoofd, eenen rietstok in de geboeide handen. Vestigen wij eenen strak ken blik op den Koning der Martelaren. Ziet! Jezus kan het bebloed hoofd ter nauwernood recht houden; Hij kan de oogen niet opslaan; Hij staat op het punt, van, uitgeput door de folteringen en pijnen, te bezwijken, van zijnen smartvollen troon op den grond neder te vallen. O! nu zullen de soldaten wel voldaan en verzadigd zijn; te meer, daar zij zien, dat Jezus hen geheel en al laat begaan, dat Hij zich in \'t minste niet verzet; ja, dat Hij zelfs nog een liefdeblik op zijne beulen werpt. Mij dunkt, velen hunner zijn reeds door medelijden bewogen, en bewonderen Jezus\' voorbeeldeloos geduld. Ja, zij zeggen: \'t heeft nu lang genoeg geduurd; \'t moet een einde nemen; wij gaan Hem uit dien akeligen toestand verlossen.
M. Z., bijaldien wij er zoo over denken, bedriegen wij ons. Neen, niets van dat alles. Er komt nog geen einde aan Jezus\' lijden. Integendeel: \'t Wordt immer zwaarder. Men lacht, men spot met Onzen Goddelijken Zaligmaker. Kom aan ! roept een dier onmenschen uit: Wij moeten onzen Koning gaan eeren, en op eens begint die hulde, die eerbe-wijzing, vangt die bespottelijke en pijnlijke aanbidding aan.
â 159 â
De soldaten naderen één voor één Onzen Goddelijken Zaligmaker. Zij knielen al lachende en spottende voor Hem, als voor eenen Koning, neder; zij groeten Hem zeggende: Wees gegroet Koning der Joden! Ave Rex Judceorum! (l) Zij geven Hem, evenals in het huis van Caïphas, kaakslagen; zij rukken met geweld den rietstok uit zijne gezegende handen en slaan er mede op de doornen kroon; zij bespuwen Hem schandelijk, en zoo handelt ieder soldaat der gansche bende; zij hebben zich op rij geschaard; de eene volgt op den andere. Jezus\' aangezicht is gansch opgezwollen van de kaakslagen; zijn gelaat is met vuil speeksel bedekt; iedere slag op zijn hoofd vernieuwt en vermeerdert zijne wonden, en doet de doornen kroon dieper en dieper door dringen; het bloed vloeit immer overvloediger en stroomt sneller op den grond neder.
m
O! M. Z., zouden wij hier met eenen H. Laurentius Justinianus niet mogen vragen, of Onze Goddelijke Zaligmaker nog wel dezelfde is, die weinig tijd geleden steden en dorpen rond ging, overal weldoende; die de zieken genas, de bezetenen van den duivel verloste ? Of Hij nog wel dezelfde Jezus is, die op den berg Thabor van luister en heerlijkheid omgeven zijnen leerlingen de macht zijner Godheid toonde? En bijaldien Hij nog dezelfde Jezus is, hoe is Hij dan zoo veranderd? Waarom heeft Hij dan zijne vorige schoonheid verloren?Koninklijke waardigheid,eervol uitzicht, fonkelende glans des aanschijns, schitterende blankheid des kleedsels. Waarom is dat alles zoo spoedig voorbij gegaan ? Thans is
lit
(i) Matth. xxvii, â¢_,y.
-
â 160 â
Hij de laatste der menschen, de Man der Smarten; Hij is zonder glans, zonder schoonheid, zonder een enkel gezond lidmaat aan zijn lichaam. Het afstroomend bloed heeft zijn aanbiddelijk aanschijn bedekt, het vuil speeksel heeft het gansch misvormd. Mijn Goddelijke Zaligmaker! Hoe zijt Gij de smaad der menschen, de vreugde uwer vijanden geworden? Zeg, leer ons dierbare Jezus ! Wie is het, die u zoo zeer mishandeld heeft?
II.
M. Z., Gij die den moed hebt gehad, van uwen Goddelijken Zaligmaker te midden der schande en folteringen te aanschouwen, leent ook uw oor, om te vernemen, wat er de oorzaak van geweest is.
Maar Jezus zwijgt, zegt gij. En inderdaad, Jezus zwijgt; doch de Hemelsche Vader verheft zijne stem, en roept ons toe: Propter scelus populi mei percussi eum: (i) Ik heb Hem om de zonden van mijn volk geslagen. Maar \'t is de Hemelsche Vader niet alleen, die mij zegt, waarom zijn Zoon zoo wreed gefolterd is. Die schandige purperen lap, die bespottelijke koningskroon en schepter, die hevige lichaamssmarten verheffen ook hunne stem; ja, ik versta hunne stomme taal. Zij spreken mij van den drievoudigen geest der bedorvene wereld, die in onze dagen schier alles ingenomen heeft; van den geest der losbandige pracht, van den geest der hoevaardige wederspannigheid en van den geest der wulpsche zinnelijkheid.
(i) Is. mi, s.
â 161 â
Wat ziet men hedendaags in de bedorven wereld ? Men ziet een brandenden dorst naar immer toenemende pracht. Vandaar die aanhoudende verandering en nieuwigheid in de kleederdracht, de eene al zotter dan de andere, de eene al belachelijker dan de andere, ja, en wat helaas ! meer te betreuren is, de eene niet zelden al onzediger dan de andere.
Vandaar dat er zooveel geld verkwist wordt aan de ijdelheid en praal. Vandaar dat zoo menig huisgezin tot armoede komt en zijne schulden niet meer kan betalen. Men tooit en siert zich op, en Jezus zit daar vol smart, liet hoofd voorover, onder het schandtooisel van een versleten purperen lap; en de arme, die uitgeput van krachten niet weet wat aanvangen, heeft nauwelijks eenige lompen, om zijn van koude verkleumd lichaam te dekken.
En naast die uitzinnige pracht rijst een andere geest op, die de oorzaak geweest is van Jezus\' lijden in het gerechtshuis van Pilatus. Men behoeft slechts een weinig met de tijdsomstandigheden bekend te zijn, om dien geest te raden. Ha! \'t Is de geest der hoovaardige wederspannigheid. Die geest ondermijnt onze ongelukkige tijden. Hij doet de grondslagen daveren waarop én Kerk én Staat én huisgezin steunen. Overal schier opstand en omwenteling onder de schoon klinkende namen van vrijheid en onafhankelijkheid. Is het noodig, M. Z., van in bijzonderheden te treden? Welken eerbied heeft men nog voor God en zijne dienaren ? Hoe gehoorzaamt men aan beider wetten ? Men lacht met God en men vreest niet de handen aan zijne gezalfden te slaan. Waar is de troon die niet kraakt? Waar de vorst die den
2C DEEL MEDITATIÃN 11
â 162 â
Scliepter in de hand niet voelt sidderen? En hoevele ongelukkige ouders treft men niet aan, die bittere tranen storten over de wederspannigheid hunner kinderen?Hoevele oversten die klagen over de ongehoorzaamheid hunner dienstboden? O! M. Z., verstaat gij nu, wat die doornen kroon op het hoofd, wat die rietstok in de handen van Jezus beteekenen? Maar waar is de derde geest, de derde beul van Jezus, die zich nog een weinig verborgen houdt ? Ha ! ik erken dat monster, \'t Is de geest der wulpsche zinnelijkheid. Houdt die geest zich nog verborgen? Neen, ik bedrieg mij. De tijden zijn voorbij, toen dat monster zich nog in de duisternissen verborg, en niet durfde te voorschijn komen; maar waarom zoude het zich langer schamen van openlijk op te treden, wijl in onze dagen de wereld zoo bedorven is? Neen, M. Z., de onkuische steden Sodoma en Gomorrha, door God onder eenen regen van solfer en vuur verpletterd, behoeven zich niet meer te schamen, wijl zij door andere steden van onzen tijd in schanddaden, zoo niet overtroffen, ten minste geëvenaard worden.
Ziedaar de bedorvene wereld met haren drievoudigen geest, wereld, waarvan de Apostel Joannes zegt: Wilt de wereld niet liefhebben: Noli te düigere mundum, noch hetgeen in de wereld is, neque ea quce in mundo sunt: (i) want wat is de wereld? De Heilige Joannes\'antwoordt: De wereld, zegt hij, is niets anders dan begeerlijkheid des vleeschs, begeerlijkheid der oogen en hoovaardij des levens: Concwpiscentia carnis, concupiscenlia ocidorum et superbia vitce.
(l) 1 Joan. II, 15 etc.
Docli nu tot ons, M. Z. Hebben wij altoos naar den Apostel geluisterd ? Zijn wij zijne les trouw nagekomen ? O voorzeker, men is nog zoo diep niet gevallen; men is nog zoo ver niet van het pad der deugd afgeweken. Doch kan men zich geheel en al vrij pleiten? Zouden wij ons misschien kunnen vrijspreken en zeggen, dat wij Jezus niet mishandeld hebben, wijl wij ons nog niet in den afgrond der opgesomde ongeregeldheden hebben neêrgestort ? Neen, M. Z., geene verblindheid. Bedriegen wij ons niet. Gaan wij uit, en aanschouwen wij ook onzen Koning Jezus-Christus, voor een spotkoning uitgelachen.
Egredirnini et videte! (i) Gaat uit en ziet uwen Koning! Zijne schouders zijn met een versleten purperen mantel bedekt. Wie heeft Hem dien mantel omgeworpen ? Wij ook, M. Z., wijl wij ons zoo dikwijls aan de ijdelheid in kleeding hebben overgegeven. Aanschouwt met aandacht Uwen God-delijken Zaligmaker, hoovaardige jongeling, pronkzieke jonge dochter; voor uwe schoone kleederen draagt Jezus een versleten lap; voor uwe opgetooide, welriekende haarlokken zijn Jezus\' haren verward en met bloed geverfd; voor uw glinsterend gelaat is Jezus\' aangezicht met vuil speeksel bedekt; voor uwe flere, schaamtelooze oogslagen slaat Jezus zijne oogen neder ; voor uwen opgeheven, trotschen hals laat Jezus zijn hoofd kwijnend ter aarde hangen.
Egredirnini et videte! Gaat uit, en ziet uwen Koning! Jezus\' hoofd is met doornen gekroond;in de geboeide handen houdt Hij een rietstok. Weet gij wel, wie Hem die kroon
(i) Cant, in, u.
â 164 â
op liet hoofd gedrukt, dien schepter in de handen gegeven heeft? Wij ook, M Z., wijl wij ons aan onze ouders en oversten niet hebben willen onderwerpen. De zoon, wijl hij tegen zijnen vader; de dochter, wijl zij tegen hare moeder; de kinderen, wijl zij tegen hunne ouders; de dienstboden, wijl zij tegen hunne oversten; de geloovigen, wijl zij tegen Paus, Bisschop en andere Priesters over hen aangesteld, opgestaan zijn, hun eerbied en gehoorzaamheid geweigerd hebben.
Egredimini et viel et e! Gaat uit, en ziet uwen Koning! Gansch zijn lichaam, van \'t hoofd tot aan de voeten, is met wonden overdekt. Wie heeft Jezus in dien pijnlijken toestand gebracht? Wij ook, M. Z., wijl wij zoo dikwijls naar de voldoening onzer zinnen, naar de gemakken des lichaams, naar de vermaken der bedorvene wereld verlangd, in een woord, wijl wij zoo dikwijls den wellust bot gevierd hebben.
Wij hebben dus Onzen Goddelijken Zaligmaker ook met eenen purperen mantel omhangen, met doornen gekroond, bespot en uitgelachen, met een rietstok geslagen. Ja, \'t is waarheid, als de Hemelsche Vader ons zegt, dat Hij zijnen eenigen Zoon om onze zonden getroffen heeft: Propter scehis populi mei peceussi Eum. (i)
En Jezus, M. Z., heeft alles verdragen, zonder zich op iemand te wreken, zonder te klagen; ja, wat meer is, Hij heeft ons nog bemind. Hij biedt zich aan om nog meer voor ons te lijden. Hij geeft zich over om den dood des kruises
(i) Isa lui, 8.
â 165 â
voor ons te sterven: Dilexit me et tradidit semetipsum pro me! (i)
SLUITREDE.
O liefde van Jezus te midden der folteringen, die wij Hem hebben doen lijden ! En wij zouden Hem niet beminnen ? Bijaldien er hier tegenwoordig zijn, die hunnen Goddel ij ken Zaligmaker niet beminnen, zij sidderen en beven bij het hooren der verschrikkelijke woorden van den Apostel Paulus in zijnen brief aan de Corinthiers. En wat zegt de Apostel in dien brief? Si quis non amat Dominum Jesum, zegt hij, zoo iemand den Heer Jezus niet bemind, dat hij vervloekt weze! Sit anathema! (2)
Maar neen, Lieve Jezus! Wij beminnen U! En tot bewijs onzer liefde vragen wij U eerst ootmoedig vergiffenis van al onze zonden, waardoor wij de oorzaak geweest zijn van al het lijden, U door die schandige en pijnlijke kroning A7eroorzaakt.
Vervolgens zeggen wij vaarwel aan den drievoudigen geest der bedorvene wereld; vaarwel aan de hoovaardigheid, wij zullen voortaan ootmoedig en nederig zijn; vaarwel aan de wederspannigheid, wij zullen voortaan aan ouders en oversten gehoorzamen; vaarwel aan alle zonden tegen de schoone deugd, wij zullen voortaan een kuisch, een zuiver leven leiden.
(i) Gal. ii, 20. ;2) i Cor. xvi, 22
â 166 â
O Maria! Gij tlie zoo ruimschoots in het lijden van Uwen Goddelijken Zoon gedeeld hebt, met den Koning der Martelaren tot hunne Koningin gekroond; wij bidden U ootmoedigste, onderdanigste en allerzuiverste Maagd, door uwe machtige voorspraak verkrijg ons de genade, van U gedurende dit leven in die deugden na te volgen, van Jezus Uwen Goddelijken Zoon en U, o Moeder! te beminnen, gedurende den tijd, om U hiernamaals te kunnen beminnen, gedurende de-eindelooze eeuwigheid. Amen.
EINDE.
VIERDE MEDITATIE
Ecce Homo!
Zie den Mensch! (Joan, six, s.)
INHOUD.
0 â
VOORREDE.
Akelig schouwspel, dat zich op het plein voor het paleis
van Pilatus opdoet. â Jezus wordt vertoond. â Beweging
onder het volk. â Haat, nijd en woede der Schriftgeleerden
en Pharisëen. â Moordkreten tegen Jezus. â Smart van
Maria. â Wij hebben de Joden nagevolgd. â Gebed tot
Maria.
i
VERDEELING.
I. Jezus aan het volk voorgesteld en verworpen. II. Het volk stelt den keizer voor den Messias.
â 168 â
I.
Pilatus, na te vergeefs verschillende redmiddelen beproefd te hebben, tracht het volk tot medelijden op te wekken. â Na de geeseling en kroning vertoont hij Onzen Goddelijken Zaligmaker aan het volk. â Ecce Homo! Zie den Mensch! â De Joden roepen; Kruis Hem! Kruis Hem! â Pilatus wil Jezus aan de Joden overgeven. â Angst van Pilatus na vernomen te hebben, dat Jezus zich voor den Zoon Gods uitgeeft. â Pilatus valt tegen Jezus uit. â Pilatus is plichtig, de Joden zijn plichtiger. â Jezus vol medelijden laat de oogen over de menigte rond gaan, die roept: Kruis Hem! â Toevlucht tot den Hemelschen Vader. â Uitnoodiging van Jezus\' vijanden te straffen.â De Christenen volgen de Joden na, zoo dikwijls zij zondigen.
II.
Pilatus verlangt nog meer Jezus los te laten. â De Joden roepen, dat hij de vriend van den keizer niet is, zoo hij Jezus loslaat. â Pilatus trekt Jezus\' koningschap, nu eens in het belachelijke, dan wederom schijnt hij het ernstig op te nemen.â⢠Pilatus vraagt of hij hunnen koning mag kruisen. â De Joden antwoorden, dat zij niemand voor koning-erkennen dan den keizer. â Pilatus doet water brengen, wascht zich de banden en zegt, dat hij onschuldig is aan het bloed van den rechtvaardige. â De Joden roepen de wraak Gods over zich af; zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! â Pilatus en het joodsche volk worden gestraft.
â 169 â
â Den Cliristenen zal liet eveneens vergaan, zoo zij de Joden blijven navolgen. â Niemand kan twee heeren dienen. â De zondaar wil God niet dienen; dus is liij een slaaf van den duivel. â God zal toch eenmaal regeeren over de zondaren, die Hem nu niet willen dienen, in den laatsten dag des oordeels, als Hij zal komen oordeelen, de rechtvaardigen zal beloonen en de zondaren zal straffen. â Om de straffen der hel te ontkomen, moeten wij God dienen in plaats van den duivel.
SLUITREDE.
Oogslag op Jezus. â Ecce Homo! â Jezus heeft een heeten strijd te strijden gehad, maar Hij heeft den duivel overwonnen, en ons uit diens klauwen gered. â Van slaven van den duivel zijn wij dienaren, kinderen Gods geworden. â Jezus is onze Koning, wij moeten Hem dus dienen. â Maria is onze Koningin, wij moeten Haar ook dienen. â Gebed tot Maria om Jezus en Haar getrouw te dienen.
EINDE.
VIERDE MEDITATIE
Ecce Homo!
Zie den Mensoli! (Joan, xix, s.), VOORREDE.
Een akelig schouwspel, M. Z., zal zich vandaag voor onze oogen vertoonen; wilde kreten zullen onze ooren treffen.
Eu inderdaad, Onze Goddelijke Zaligmaker gaat den Joden op nieuw worden voorgesteld.
Het plein van het paleis van den Romeinschen Landvoogd is weldra voor een tweede maal opgepropt van volk.
Wat woeste, afschuwelijke gezichten ziet men daar! De Phariseèn en Schriftgeleerden, altijd bevreesd dat Jezus hun ga ontsnappen, gelijken meer aan monsters dan aan menschen. Haat en nijd staan op hun misvormd gelaat te lezen; zij schuimbekken van woede. De overige samen-gescholen menigte raast en tiert. Door hunne Oversten opgewonden en aangehitst, gaan de Joden op nieuw den dood van hunnen Weldoener eischen. \'t Scliijnt alsof de adem van den helschen afgrond over hen is heengegaan.
Ja, M. Z., hartverscheurende moordkreten gaan op van onder die bloeddorstige menigte: Weg met Hem! roepen zij. Kruis Hem! Kruis Hem! schreeuwen zij met immer toenemende woede; en die moordkreten, tegen Jezus den Zoon gericht, treffen wellicht ook nog de ooren van Maria zijne
â 171 â
gezegende Moeder, die, van weinige getrouwe zielen omringd, op korten afstand getuige is van hetgeen er plaats heeft.
Welke smart voor Onzen Goddelijken Zaligmaker! Welke droefheid voor Maria zijne Moeder! Dat bevoorrecht volk wil dan niets meer van Jezus haren Goddelijken Zoon weten? Zij verwerpen Hem. Zij willen volstrekt, dat Hij den dood, en wel den schandigsten en pijnlijksten dood, den dood des kruises sterve. En och of wij, M. Z., die verblinde en verstokte Joden nimmer hadden nagevolgd! Want ziedaar ons gedrag, zoo dikwijls wij ons aan doodzonde plichtig maken.
Onderzoeken wij\'vandaag die waarheid. De Allerheiligste Maagd Maria verkrijge ons door hare machtige â voorspraak de genade, van ze wel te begrijpen, onze misslagen te erkennen en ze oprecht te beweenen. Te dien einde zullen wij overwegen:
I. Hoe Jezus aan het\'tolk voorgesteld en verworpen wordt. II. Hoe het volk den keizer voor den Messias stelt.
I.
Pilatus, gelijk wij reeds weten, M. Z., had \'niet lang geleden een schandig middel beproefd, om Jezus los te laten. Hij had namelijk Onzen Goddelijken Zaligmaker in vergelijking gebracht met Barabbas, een booswicht en een moordenaar, en aan het volk de keus gelaten; doch de Joden gaven de voorkeur aan Barabbas, en eischten den dood van Jezus. Het eerste redmiddel van den Romeinschen Landvoogd
â 172 â
is dus mislukt. Nu tracht hij het volk tot medelijden te stemmen, en alzoo Jezus\' vrijstelling te bekomen.
Onze Goddelijke Zaligmaker wordt de marmeren trappen opgesleurd, en komt te voorschijn. Hij draagt een versleten mantel om de schouders, eene doornen kroon op het hoofd, eenen rietstok in de geboeide handen;zijne oogen, ja,gansch zijn gelaat is vol bloed; Hij laat bloedige stappen na, waar Hij treedt; blijft Hij een oogenblik stil staan, er druipt een bloedplas op den grond neder. In dien ellendigen toestand wil de Landvoogd Onzen Goddelijken Zaligmaker aan het volk vertoonen.
Pilatus gaat dus uit, en zegt; Ziet ik breng Hem tot u buiten, opdat gij weten zoudt, dat ik geene schuld in Hem vinde.
Pilatus beraamt allerlei soort van middelen om zijn knagend geweten gerust te stellen, en om de verbitterde Joden te voldoen. Hij veronderstelt dat zij nog voor mensche-lijke gevoelens vatbaar zijn, en dat zij bewogen zullen worden, zoodra zij Jezus zullen zien, die gansch verscheurd, met doornen gekroond, en van het bloedverlies nauwelijks recht kan staan. Doch de ondervinding zal weldra leeren, dat Pilatus zich bedriegt. Hij vertoont dus Jezus aan het volk onder deze woorden: Ecce Homo! (i) Ziet den Mensch! Als wilde hij zeggen: Ziedaar, al wat er van den mensch overblijft, dien gij aan uwe woede geslachtofferd hebt. Wat wilt gij nog meer? Heeft Hij nu nog niet genoeg geleden?
(l) JOAN. XIX, 5,
â 173 â
7Ajt gij nog niet voldaan, en moet Hij nog meer gepijnigd en mishandeld worden? Ziet toch eens met aandacht dien mensch, en heb eindelijk medelijden met den ongelukkige, die de gedaante van mensch bijna verloren heeft. Doch neen, M. Z.; de Joden kennen geen medelijden; zij zijn er zoo vreemd aan, dat zij de wilde dieren zells in ongevoelig- en wreedheid overtreffen. In plaats van bewogen te worden, dorsten zij immer meer naar bloed; zij vorderen sterker van Onzen Goddelijken Zaligmaker den schandigsten en pijnlijksten dood, den dood des kruises te doen sterven; want luistert, M. Z., wat er plaats heeft.
Zoodra de priesters en de dienaren Jezus zien, zegt de Evangelist Joannes, schreeuwen zij: Crucifige, crucifige Eum! (i) Kruis Hem! Kruis Hem! Pilatus is te lafhartig en durft Jezus niet vrijspreken; maar hij kan toch ook niet begrijpen, hoe de Joden nog op Jezus\' dood kunnen aandringen. Ongeduldig van niets te winnen, roept hij de Joden toe; Neemt gij Hem dan, en kruist Hem, want ik vind geene schuld in Hem! Zonderlinge zaak! Pilatus verklaart openlijk, dat Onze Goddelijke Zaligmaker onschuldig is, en hij wil Hem aan de Joden, die Jezus\' verbitterdste vijanden zijn, overgeven om naar willekeur met Hem te handelen. De Joden antwoorden ; Wij hebben eene wet, en volgens die wet moet Hij sterven, omdat Hij zich den Zoon Gods verklaard heeft.
Zoodra Pilatus die woorden hoort, wordt hij bevreesd. Jezus, zoo denkt hij, moest eens de zoon van den een of ander
(i) Joan, xix, g.
â 174 â
heidenschen god zijn;en wijl Pilatus Hem zoo onrechtvaardig en onmenschelijk heeft doen mishandelen, vreest hij^oor den een of anderen dier goden gestraft te worden. Vandaar dat Pilatus, het rechthuis binnen gegaan, Jezus ondervraagt: Van waar zijt Gij? Doch Onze Goddelijke Zaligmaker, wel wetende dat die heiden geene vrucht zal trekken uit de verklaring van zijn Goddelijk Zoonschap, gewaardigt zich niet op die vraag te antwoorden. Pilatus stoort zich over het diep stilzwijgen van Jezus. Hij meent dat Jezus hem in zijne waardigheid van rechter beleedigt. Vol trotschheid valt hij in gramschap tegen den zachtmoedigen Zaligmaker uit: Mihi non loqueris? (i) Spreekt Gij mij niet aan? Weet Gij dan niet, dat ik de macht heb, van U te kruisen, en dat ik de macht heb van ü los te Iaten?Nu gaatJezus antwoorden; Hij gaat Pilatus eene heilzame les geven: Gij zoudt geene macht tegen mij hebben, zegt Jezus, zoo zij u van boven niet gegeven ware: Non haberes potestatem adversus me ullam, nisi tibi datum esset demper. (2) Onze Goddelijke Zaligmaker legt den vinger op de wond. Pilatus is vol trotschheid, â iets wat den grooten dezer wereld nog al eigen is, â en Jezus herinnert hem, wat hij is. Pilatus beroemt zich op zijne macht, en Jezus herinnert hem, dat hij ze aan God te danken heeft; ja, wat meer is, Jezus zegt hem rechtuit, dat hij zich aan eene groote misdaad plichtig maakt; dat de Joden, die Hem overgeleverd hebben, wel is waar plichtiger zijn, maar dat hij toch ook niet vrij te pleiten is.
(1) JOAN. XIX, 10. (2) JOAN. XIX, 11.
â 175 â
En inderdaad, M. Z., Pilatus is plichtig, maai1 de Joden zijn pliclitiger dan de Romeinsche Landvoogd. Pilatus, zoo hij naar de stem van zijn geweten geluisterd hadde, zoo liij rechtvaardig te werk gegaan ware, had de onschuld moeten verdedigen; hij had geen gehoor moeten geven aan de valsche beschuldigingen; hij had Jezus moeten vrijspreken niettegenstaande de woede der Joden. Maar Pilatus is een heiden ; hij kent Onzen Goddelijken Zaligmaker niet genoeg â â laten wij hem dit ten minste toegeven â Daarenboven wordt hij door de Joden op allerlei wijze gepraamd en bedreigd; Pilatus heeft reeds middelen in \'t werk gesteld, om zich van die lastige zaak te ontdoen; door Jezus naar Herodes te zenden; door de keus voor te stellen tusschen Earabbas en Jezus ; door Hem te doen geeselen, en alzoo het volk tot medelijden op te wekken en te voldoen. Pilatus is dus wel plichtig, maar kan misschien nog eenigszins verschoond worden ; doch de Priesters, de Phariseën en Schriftgeleerden, de joden in een woord zijn pliclitiger, kunnen geenszins verschoond worden. quot;Waarom niet? Wel, M. Z., zij kennen Jezus van Nazareth; zij weten dat Hij de langgewenschte Messias, de Zoon Gods is; Jezus heeft hun noöit het geringste ongelijk aangedaan ; integendeel, Hij heeft hen altijd niet weldaden overladen; aan zoovele blinden heeft Hij het gezicht, aan zoovele dooven het gehoor, aan zoovele stommen de spraak, aan zoovele zieken de gezondheid weêrgegeven; Hij heeft al weldoende jaren en jaren onder hen verkeerd ; en ziet! Vol haat en afgunst hebben zij hunnen Messias verworpen, hebben zij hunnen woldoener reeds afgefolterd; blakende van woede, en immer dorstende naar bloed, zijn zij nog niet verzadigd.
Daar staat Jezus in den akeligsten toestand ten toon gesteld: Ecce Homo! (i) Zie den Mensch! Vol liefde en medelijden met zijn volk, laat Jezus de oogen met bloed overgoten over die uitzinnige en verstokte menigte rondgaan. Mij dunkt, ik hoor Jezus den Joden toeroepen: Mijn volk! Mijn volk! quot;Wat heb ik u gedaan! Waarin heb ik u bedroefd! Antwoord mij! Omdat ik u uit de slavernij van Egypte heb verlost; omdat ik u veertig jaren lang in de woestijn geleid en daar met Manna uit den hemel heb gevoed; omdat ik u in een land overvloeiende van honig en melk heb binnen geleid, eischt gij mij daarom ten dood? Wilt gij daarom dat ik gekruist worde? Wat had ik voor u moeten doen, dat ik niet gedaan heb? En ziet! Nauwelijks heeft het volk Jezus gezien, of de moordkreten weergalmen door de lucht: Weg met Hem! Tolle! Kruis Hem! Crucifige! roepen de Phariseën en hunne aanhangers, en de Joden door huune Oversten voorgegaan, herhalen woedend: Weg er mede! Tolle! Tolle! Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifige, crucifige Eum! {2)
\'t Is dus gedaan! Er is geen hoop op redding meer! Jezus moet sterven! Tot wien moet ik mij wenden? Tot wien moet ik mijne smeekende stem verheffen, om medelijden te verwekken, om hulp en bijstand af te smeeken? O Hemelsche Vader! Ja, \'t is tot u, dat ik mijne toevlucht neem voor Jezus! Ecce Homo! O Vader! Van uit het hoogste des hemels zie neder op dien mensch! Die mensch is uw eenig geboren Zoon, die nog maar weinige dagen geleden al de kinderen der menschen in schoonheid overtrof; en nu is Hij
(l) JoAN. XIX, 5. (2) JOAN. XIX, C.
â 177 â
zoo verschrikkelijk mishandeld, dat Hij schier geene gedaante meer heeft. Ecce Homo! Zie dien raensch, Vader! quot;t Is uw â welbeminde Zoon, in wien Gij uw welbehagen genomen hebt! Ach! Heb toch medelijden met Hem!
Wij zouden den Hemelschen Vader ook kunnen vragen, van eenen blik, maar eenen vertoornden blik te werpen op die verwarde menigte, voor het huis van Pilatus vergaderd, \'t Zijn Joden, die de mishandelingen zijnen Zoon aangedaan toejuichen en die met hardnekkigheid zijnen dood vorderen. Waarom laat Hij die ondankbaren begaan? Waarom straft Hij die monsters van boosheid niet? Waarom zendt Hij zijne bliksems niet af, om hen te treffen? Er is immers geen slach van straf, hoe groot, hoe verschrikkelijk ook, welke dat ontaarde volk niet duizendmaal verdiend heeft. Ja dat het vuur uit den hemel nederdale om het te verteeren! Dat de aarde opensplijte om het in te zwelgen! Dat de afgrond openscheure om het te verslinden! Ja, dat zij even als Core, Dathan en Abiron levend in de hel nederzinken, om daar voor eeuwig in de vlammen gefolterd te worden!
Edoch! Waar dool ik heen? Wat zeg ik? Ik roep de rechtvaardige wrake Gods enkel over de Joden af? Ach, M. Z., bedwingen wij een oogenblik onze verontwaardiging. Een ander volk is niet minder strafwaardig dan het joodsche volk. Hoe dat? Zijn er buiten de Joden nog anderen, die tegen Jezus geroepen, die zijnen dood geëischt hebben? Ja, M. Z., zoo is het. Luistert, en gij zult het begrijpen. Op het plein van Pilatus zien wij enkel Joden; maar Jezus, wiens alziende oog door alle eeuwen heêndringt, ziet van af het balkon, waarop hij staat, iets meer dan wij. En wat ziet Hij dan?
2e DEEL MflDlTATlfiN 12
â 178 â
Ach! M. Z., acliter die verblinde menigte van Joden ziet Jezus nog eene andere groote menigte, die niemand tellen kan, uit alle geslacht, én volk, én taal; \'t Zijn de zondaren van de gansche wereld. Al die zondaren heffen moordkreten tegen Jezus aan. Ja, onder de menigte van zondaren heeft Jezus ons ook gezien; Hij heeft ons ook gehoord, wijl wij onze stem bij die der Joden vervoegd en met hen geschreeuwd hebben; weg met Hem! Kruis Hem ! Kruis Hem! Ziedaar wat er niet met woorden, maar met werken gebeurd is, zoo dikwijls wij grootelijks gezondigd hebben.
En wat kwaad heeft Jezus ons gedaan? Heeft Hij ons ook niet, even als de Joden, met weldaden overladen? Kon Jezus ons ook niet zeggen; wat moest ik voor u nog meer doen dan ik gedaan heb? Ik heb u geschapen, uit katholieke ouders doen geboren worden; ik heb u den eersten dag uws levens in het H. Sacrament des Doopsels tot mijn kind aangenomen ; gansch uw leven door, tot op den dag van heden, heb ik u met genaden en weldaden overladen, en gij!... Gij hebt, zoo dikwijls gij gezondigd hebt, uitgeroepen met de Joden: Tolle! quot;Weg er mede! Kruis Hem! Kruis Hem! Crucifige JEum! Gij hebt mij evenmin als de Joden voor uwen Heer en Meester, voor uwen Koning willen erkennen.
Zoo is het, M. Z., Jezus heeft gelijk. De Joden hebben Jezus voor hunnen Koning niet willen erkennen, zij hebben de voorkeur gegeven aan den keizer; en wij, wij hebben de Joden dikwijls in ondankbaarheid nagevolgd, ja zelfs overtroffen, hetgeen nog duidelijker worden zal in ons tweede deel.
II.
Nadat Pilatus een kort gesprek met Ouzen Goddelijken Zaligmaker gehad, en Jezus hem over den oorsprong zijner macht onderwezen heeft, wordt hij bang, en verlangt nog meer Jezus los te laten. Doch ziet! Nu slaan de Joden tot andere middelen over. Zij bedreigen Pilatus van hem bij den keizer aan te klagen: Zij schreeuwen uit al hunne macht: Zoo gij dezen loslaat, zijt gij de vriend des keizers niet; want al wie zich voor Koning uitgeeft verklaart zich tegen den keizer ! Pilatus trekt het koningschap van Jezus, nu eens in het belachelijke, dan wederom schijnt hij het ernstig op te nemen. Ziedaar uwen Koning! zegt hij tot de Joden: Ecce rex vester! (i) Als wilde hij zeggen; Een mooie Koning dien gij mij aangebracht hebt, en dien gij zegt een mededinger, een onderkruiper van den keizer te zijn. Beziet Hem eens wel; aanschouwt zijne Koningskroon, zij is uit scherpe doornen gevlochten; zijn koninklijk gewaad, een versleten lap, doortrokken van bloed; de Schepter, dien hij zwaait, een rietstok. Bijaldien Hij Koning is, waar zijn dan zijne soldaten, zijne lijfwachten en onderdanen? Waar is zijn rijk? Waar zijn troon? \'t Zij nu genoeg. Het koningschap is dien ongelukkige duur genoeg komen te staan; men heeft Hem als Koning gehuldigd; Hij heeft zijne koningsrol reeds gespeeld; ziet eens, wat voor een Koning men van Hem gemaakt heeft; zijt dus nu tevreden, en hebt liever medelijden met Hem.
(1 ) JOAN. XIX, 14-15.
â 180 â
En wat doen de Joden? Bedaren zij zich? Volstrekt nietr Integendeel; zij roepen met nog meer woede dan te voren: Weg met Hem ! Kruis Hem! Pilatus over die ongevoeligheid gestoord, vraagt hun: Zal ik dan uwen Koning doen kruisen? Regen vestrum crucifigani ? En de Joden antwoorden: Wij hebben geen anderen Koning dan den keizer! Non habemus regern nisi ccesarem !
Terwijl de Romeinsche Landvoogd ziet, dat hij volstrekt niets vordert, en dat de opschudding nog grooter wordt, doet hij water brengen, wascht zich in de tegenwoordigheid van het volk de handen, en zegt: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen Rechtvaardige; ziet wat u te doen staat: En het gansche volk roept uit; Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Sanguis ejus super nos et super filios nostras! (i)
Pilatus, M. Z,, zegt dat hij onschuldig is. Neen! Pilatus is niet onschuldig: Hij kan zich de handen wasschen, zooveel hij wil, doch daardoor zal hij zijne ziel niet zuiveren van de vlek der ongehoorde misdaad, waarmede hij ze bezoedelt door den onschuldige te onderdrukken, en den rechtvaardige te veroordeelen. Weldra in ballingschap gezonden zal hij voor zijne lafhartigheid en onrechtvaardigheid moeten boeten.
De Joden willen Jezus niet voor hunnen Koning erkennen; zij verwerpen hunnen Messias met hardnekkigheid; zij geven de voorkeur aan een heidenschen keizer: Weldra zullen zij ook ondervinden, wien zij gekozen hebben; zoodra de
(l) MATTH. XXVII, 25.
â 181 â
Romeinen hunne stad zullen omringen en insluiten; wanneer zij haar zullen uithongeren en tot den grond toe als het ware zullen verwoesten. Zij hebben geroepen: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Van uit het hoogste des Hemels heeft God den vloek gehoord, dien zij over zich en over hunrie kinderen hebben afgeroepen; Hij heeft er hen mede getroffen, en tot den dag van heden dwalen de Joden, op hun aangezicht er mede geteekend, den ganschen aardbodem rond.
Ziedaar, M. Z., wat den Joden, die hunnen Koning verworpen hebben, wedervaren is. Eveneens, ja nog erger zal het eenmaal met ons vergaan, zoo wij de Joden in hunne verblind- en hardnekkigheid navolgen. Maar hoe de Joden navolgen, denkt gij misschien? Ja, M. Z., en men vindt er, helaas! maar al te veel, zelfs onder de Christenen.
Wat zegt Onze Goddelijke Zaligmaker in het Evangelie? Niemand kan twee heeren dienen, zegt Hij uitdrukkelijk: Nemo potest duobus dominis servire. (l) Men moet dus kiezen tusschen God en zijnen tegenstrever. Eu wie is zijn tegenstrever? De grootste tegenstrever van God is de duivel. O voorzeker ; men moest geen oogenblik dralen in die keus : Men moest Jezus en zijn rijk stellen boven den duivel en zijne slavernij; Jezus is een beminnelijke Koning; de duivel is een wreede dwingeland.
Jezus is gekomen om de zielen zalig te maken; de duivel loopt als een brieschende leeuw aanhoudend rond om ze te verslinden.
(l) MATTH. VI, 24.
â 182 â
Jezus geeft eene eeuwige belooning voor de kleinste diensten, die men Hem of de zijnen bewijst; de duivel beoogt niets anders dan de menscben in eenen afgrond van ellenden en pijnen te storten.
De wetten of geboden van Jezus zijn niet zwaar: Mijn juk is zacht, en mijn last is licht, zegt Jezus ; en het juk van den duivel is zwaarder dan het juk van den grootsten dwingeland der wereld.
En nogtans, M. Z., hoe vele verblinde zondaren worden er niet gevonden, die niet willen dat God over hen heersche? Nolumus hunc regnare super nos! (i) Wij willen niet, dat deze over ons regeere! zeggen zij. Wij willen Hem niet dienen! Non serviam! (2) Wie zal dan hun Koning zijn? Wien zullen zij dan dienen? want niemand kan twee heeren dienen. En die ongelukkigen roepen, zoo niet met den mond, dan toch door hunne werken uit: Wij hebben geenen anderen koning dan den duivel! In plaats dus van Jezus-Christus te dienen, dienen zij den duivel. In plaats van vrije kinderen Gods te zijn, verkiezen zij slaven te zijn van den helschen Satan. En zegt niet, overdrijving! Neen, M. Z,, zoo gaat het inderdaad met den zondaar; maken wij liever de toepassing.
Hoovaardige, ongehoorzame mensch! Hoe kromt gij uwen rug onder het juk van den helschen Lucifer, die om zijne hoovaardij en ongehoorzaamheid van boven uit den hemel nedergeworpen is in den afgrond der hel!
(i) Lüc. xix. 14. (2) Jee. ii.
â 183 â
Onrechtvaardige! Gierigaard! Hoe kromt gij uwen rug onder het juk van den helschen Mammon, den afgod des gelds!
Haatdrager! Wraakzuchtige mensch! Vloeker en godslasteraar! Hoe kromt gij uwen rug onder het juk van Satan, die, hij ook. God haat en verwenscht!
Wellusteling! Onkuischaard ! Hoe kromt gij uwen rug onder het juk van den onzuiveren geest, die in u is gekomen, en in u woont, want uw lichaam, onkuische! is, gelijk de duivel zelf verklaart, zijne woonplaats geworden.
Zondaren! Gij wilt Jezus-Christus niet dienen? Gij wilt de vrije kinderen van God niet zijn? Het zij zoo. Dient dan den duivel; weest zijne slaven en slavinnen; hij zal u wel onder zijn juk houden, zoo gij wilt; hij zal u wel met kluisters en ketenen beladen als slaven en slavinnen quot;behandelen, u voortstuwen en voortzwepen, van dag tot dag, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar, ja, van den tijd naar de eindelooze eeuwigheid. De duivel zal u met geweld brengen tot voor de vierschaar van Jezus-Christus, den Koning der koningen, dien gij thans niet wilt, dat over u regeere. Dan zal Hij tegen uwen wil en dank over u regeeren, wijl Hij regeeren zal over rechtvaardigen en zondaars. In den laatsten dag des oordeels zal Hij tot de rechtvaardigen, aan zijne rechterhand geschaard, zeggen: Komt gezegenden mijns Vaders! neemt bezit van het rijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af! Tot de zondaren, aan zijne linker hand geschaard, zal Hij met eene forsche stem zeggen: Gaat van mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat
â 184 â
bereid is voor den duivel en zijne engelen! Op den plechtigen, majesteitvollen dag van het laatste oordeel, zal de Koning Jezus-Cliristus zijne bevelen geven, die de Engelen terstond ten uitvoer zullen brengen. Bindt de verdoemden aan handen en voeten, zal Jezus zeggen, en werpt ze in de uiterste duisternissen ; en de Engelen zullen de verdoemden binden, en werpen in de uiterste duisternissen: In lenebras exterior es, waar geween en tandengeknars zal heerschen; Ibi erit fletiis et stridor dentium. (i)
Die waarheden nu wel ingezien, wat dunkt u, M. Z., ben ik te ver gegaan, als ik zeide, dat het met de zondaren, zoo zij Jezus blijven verwerpen, den duivel blijven aanhangen, eenmaal nog erger zal vergaan, dan met de Joden? Voorzeker neen. Er blijft hun dus geen twijfel over. Zij moeten het zwaar en onverdragelijk juk van Satan afschudden, en het zoet en zacht juk van Jezus-Christus opnemen; zij moeten het oproerig vaandel van den duivel verlaten, en zich scharen onder den standaard van Jezus-Christus.
SLUITREDE.
Werpen wij allen nu ten slotte nog een oogslag op Onzen Goddelijken Zaligmaker. Ecce Homo! Zie den mensch! die zooveel voor ons gedaan en geleden heeft; die eenen hevigen strijd tegen den duivel te leveren heeft gehad, maar die hem overwonnen en ons uit de klauwen van Satan verlost heeft!
(l) MATTII. VIII, 12.
Slaven van den duivel heeft Hij ons op vrije voeten gesteld, lieeft Hij van ons kinderen Gods gemaakt.
Jezus-Christus, gelijk gij ziet, M. Z., heeft dus recht van onze Koning te zijn; Hij heeft recht van over ons te regeeren. Wij moeten zijne trouwe dienaren zijn; wij allen moeten als uit eenen mond uitroepen; Wij willen volstrekt dat Jezus-Christus over ons regeere! Wij willen geen anderen Koning dan Jezus-Christus. Weg met den duivel en zijnen aanhang! Weg met den dwingeland Satan! Dat het kostbaar bloed, dat Jezus onze Koning in dien reuzenstrijd tegen den duivel voor ons vergoten heeft, over ons kome! Sanguis ejus super nos! maar om ons te zuiveren, om ons te teekenen met het teeken zijner soldaten, om ons aan te moedigen tot den strijd tegen de vijanden onzer zaligheid, en om ons de overwinning te doen behalen!
Ja! Lieve Jezus! Wees onze dierbare Koning, en regeer over ons! En Gij, Maria! Wees onze dierbare Koningin en regeer ook over ons! Bid voor ons, opdat wij uwen Godde-lijken Zoon en U altijd getrouw dienen, want God en U dienen is reeds regeeren, is regeeren gedurende den tijd op aarde over den duivel, de wereld en het vleesch, om met uwen Zoon den Hemelschen Koning, en met U, o Hemelsche Koningin! te mogen regeeren in den hemel gedurende de eindelooze eeuwigheid. Amen.
EINDE.
VIJFDE MEDITATIE
llajvlans sibi crucem exivit in eum, qui dicitur Calvaria locum.
Jezus ging, zijn kruis dragende, uit naar de plaats, die Calvarië genoemd wordt.
(JOAN. XIX, 17.)
INHOUD.
VOORREDE.
Pilatus heeft allerlei middelen aangewend, om Jezus los te laten, doch te vergeefs, â De Joden willen zich niet laten bewegen. â Onze Goddelijke Zaligmaker is voor geen lijden teruggeweken. â Met nieuwen moed vangt Hij aan, om het werk der verlossing te voltrekken. â Maria zal haren Goddelijken Zoon op den weg naar Calvarië vergezellen. â Gebed tot Maria, om den kruisweg naar behooren te doen; om tot droefheid over onze zonden, en tot liefde jegens Onzen Goddelijken Zaligmaker aangezet te worden.
VERDEELING.
I. Jezus neemt liet kruis op de schouders.
II. Waarom Jezus valt en hervalt onder het kruis.
T
Pilatus veroordeelt Onzen Goddelijken Zaligmaker tot den kruisdood, en laat Barabbas los. â De Joden verheugen zich over de uitspraak van het doodvonnis. â Het lijden van Jezus neemt immer toe. â Jezus ziet en groet blijmoedig het kruis, en neemt het op de schouders. â Jezus in gezelschap van twee moordenaars ter strafplaats geleid. â De stoet stelt zich in beweging. â Vreugde van de vijanden van Jezus; zij maken den optocht mede, om zich in den kruisdood van Jezus te verlustigen. â Eerste val van Jezus onder het kruis; hoe Hij mishandeld wordt. â Droefheid van Maria, zoodra zij verneemt dat haar Zoon ter dood veroordeeld is. â Zij biedt zich aan, om in Jezus\' plaats te sterven. â Overgeving aan den wil van den Hemelschen Vader. â Maria gaat in gezelschap van eenige godvreezende vrouwen Haren Goddelijken Zoon vergezellen, en den kruisdood bijwonen. â Droevige ontmoeting van Jezus en Maria. â Beleediging Maria aangedaan. â Maria aanschouwt haren Zoon; Jezus aanschouwt zijne Moeder; beiden kunnen van droefheid nauwelijks een woord uitbrengen. â Maria verlangt Jezus\' kruis te dragen. â Simon moet er toe gedwongen worden. â Veronica droogt Jezus aanschijn af, en wordt voor die heldendaad beloond. â Woede van de vijanden van Jezus. â Mishandelingen Jezus aangedaan. â. Tweede val
van Jezus onder het kruis. â De vrouwen van Jerusalem beweenen Jezus; zijne woorden tot de weenende vrouwen.
II.
Hartverscheurend schouwspel van de kruisdraging van Jezus. â Doordringende blik op den onder het kruis diep gebogen Godmensch. â Wat is de oorzaak van Jezus\' vermoeienis? Van zijn vallen en hervallen onder het kruis? â De voornaamste oorzaak is het vallen en hervallen in de zonde. Men houdt God niet voor oogen; men bidt niet; men nadert niet tot de Heilige Sacramenten; men vlucht of verlaat de gelegenheden en gevaren der zonde niet. â Jezus vermaant ons van over onze zonden te weenen. â Wat den zondaar in den laatsten dag des oordeels wacht.
SLUITREDE.
Wij moeten, daar het nog tijd is, gebruik maken van de barmhartigheid Gods ; onze zonden beweenen ; boetvaardigheid doen, en de kruisen, die ons overkomen, met geduld dragen. â Wij moeten Maria, die de eerste de voetstappen van Jezus gedrukt heeft, volgen. â Met het kruis moeten wij aan de deur des hemels aankloppen, waarop voor ons geopend en ons geantwoord zal worden: Ga de vreugde van den Heer uwen God binnen!
EINDE
VIJFDE MEDITATIE
Bajulans siii crucem exivit in eum, qui dicitur Calvaries locum.
Jezus ging, zijn lïruis dragende, uit naai* de plaats, die Calvarië genoemd wordt.
(Joan. xix, n.)
VOORREDE.
Met rassche schreden naderen wij, M. Z., liet einde der treurtooneelen, die zicii voor onze bedroefde blikken hebben afgewisseld.
Pilatus, gelijk wij gezien hebben, heeft allerlei soort van middelen aangewend. Hij heeft de Joden trachten te overtuigen, maar te vergeefs; zij blijven doof, en luisteren niet naar de stem der gezonde rede. Hij heeft hen tot medelijden opgewekt, doch zonder beter gevolg; die ongevoelige en verstokte Joden zijn voor geen medelijden meer vatbaar.
Onze Goddelijke Zaligmaker is voor geen lijden teruggeweken. Met onverschrokken moed, met voorbeeldeloos geduld, ja zelfs met liefde heeft Hij de schandigste en pijnlijkste folteringen verdragen. Op het punt van het groote werk, namelijk de verlossing van het menschdom, te voltrekken, waarom Hij uit den hemel op de aarde nedergedaald is, verzamelt Hij al zijne krachten, en vangt met nieuwen moed, met een zwaar kruis beladen, den moeielijken en smartvollen weg aan, die naar Calvarië leidt.
â 190 â
\'t Is op dien weg, M. Z., dat wij vandaag Jezus zullen volgen. Gaan wij in gezelschap van Maria en van de godvree-zende vrouwen het ondankbare Jerusalem uit. Aanschouwen wij Onzen Goddelijken Zaligmaker met aandacht. Hij gaat gebukt onder het kruis, om te beteekenen, welken zwaren last de zondaren Hem op de schouders gelegd hebben. Hij valt tot driemaal toe onder het kruis ter aarde neder, om het ongelukkig hervallen in de zonde uit te boeten. Hij leert ons, hoe wij onze zonden beweenen, en ons kruis met geduld moeten dragen.
O Maria! Gij die de eerste de bloedige voetstappen van uwen Goddelijken Zoon naar den berg van Calvarië gedrukt hebt; wij bidden U, door uwe machtige voorspraak, verkrijg ons de genade van den kruisweg naar behooren te verrichten, om daardoor aangezet te worden tot droefheid over onze zonden, die de oorzaak geweest zijn van Jezus\' lijden, tot liefde jegens Hem, die ons eerst bemind heeft.
Te dien einde zullen wij overwegen;
I. De kruisdraging van Jezus.
II. Waarom Jezus valt en hervalt onder het kruis.
1.
De Romeinsche Landvoogd Pontius-Pilatus bemerkt weldra, dat de Joden niet tot bedaren te brengen zijn, zoolang hij Jezus niet veroordeelt; hij gaat dus aan hun verlangen voldoen.
Pilatus spreekt den booswicht Barabbas, die om oproer en moord in de gevangenis geworpen was, vrij, en levert den onschuldigen Jezus aan den moedwil der Joden over, om gekruist te worden.
Eensklaps breekt de samengeschoolde menigte in vreugdekreten los.
Het nieuws -van de veroordeeling van Jezus tot den schandigen kruisdood verspreidt zich terstond door de stad.
Intusschen omringen de krijgsknechten Onzen Goddelijken Zaligmaker.
Helaas! Nu is Hij van alle bescherming verstoken; door niemand, zelfs niet meer door een onrechtvaardigen en lalfen rechter verdedigd.
Wat heeft Jezus nu niet van die ongevoelige soldaten uit te staan? Zij beginnen ook weldra op nieuw hunne spotterijnen en mishandelingen.
Ja, M. Z., met den ongelukkige, die reeds zooveel geleden heeft, die zoo onrechtvaardig ter dood veroordeeld is, drijven zij nog den spot.
Zij slaan hunne handen wederom aan zijn verscheurd lichaam. Jezus staat daar nog, met den versleten mantel omhangen; zij rukken Hem dien purperen lap van zijne vermorzelde schouders, en doen Hem zijne eigene kleederen aantrekken.
Eensklaps brengt men met zegevierend gejoel het werktuig onzer verlossing te voorschijn.
â 192 â
Het kruis, dat men met haast gereed gemaakt heeft, quot;bestaat uit twee ruwe balken, waarvan de eene vijftien, de andere acht voet lang is.
Zoodra Jezus het kruis ziet, groet Hij het minzaam. Wees gegroet, o kostbaar kruis! zegt Jezus, ten minste inwendig; kruis, zoo lang gewenscht, zoo vurig begeerd, en ten slotte voor mij bereid! Hij omhelst het met aandoening en liefde, en legt het met vreugde op zijne doorwonde schouders. Ja, met blijdschap neemt Jezus het kruis op, wijl Hij het voor het werktuig onzer zaligheid, voor den sleutel des hemels aanziet; omdat Hij weet, dat, alhoewel door de Joden gemaakt, de Hemelsche Vader het Hem oplegt, om er de verlossing van het menschdom mede te voltrekken.
Tot overmaat van schande voor Jezus, heeft men nog twee booswichten, die ook ter dood veroordeeld waren, uit de gevangenis gehaald, om met Onzen Goddelijken Zaligmaker ter strafplaats gevoerd, en gekruist te worden, Jezus, dien men -voor den grootsten der booswichten houdt, zal voorop, of in hun midden gaan, en tusschen beiden ter dood gebracht worden.
De kruisweg naar den berg van Calvarië vangt dus aan. De trompet van de Romeinsche ruiterij, die den optocht mede maakt, weerklinkt reeds door de stad. Terstond stroomt er eene ontelbare menigte volks bijeen. Mannen, vrouwen, kinderen uit alle hoeken der stad, van alle gewesten des lands â want wegens het Paaschfeest waren de Joden van alle oorden naar Jerusalem gekomen â allen juichen en verheugen zich den kruisdood te kunnen bijwonen, van den
â 193 â
zoo zeldzamen Profeet, die sedert eenigen tijd zooveel ophef gemaakt, on hun land doorkruist heeft.
De Priesters en Ouderlingen, de Phariseën en Schriftgeleerden wenschen elkander geluk van hun doel te hebben bereikt. Jezus, dien zij voor hunnen grootsten vijand aanzien, en wiens dood zij reeds over lang besloten hebben, is dan eindelijk veroordeeld. Zij zullen Hem vergezellen naar de strafplaats, naar den berg van Calvarië, om op het gezicht van de folteringen van Jezus hunne nijdige oogen te verlustigen, en hunnen haat te koelen.
De gerechtsdienaren gaan reeds woelig vooruit; zij zijn met ladders, houweélen en andere werktuigen, die zij ter uitvoering der straf noodig hebben, beladen.
Jezus, door beulen omgeven, volgt. Met de doornen kroon op het hoofd, gaat Hij onder het zwaar kruis gebogen, wankelend vooruit. Hij is uitgeput van krachten .door het bloedverlies, door honger en dorst, door al de pijnen, die Hij reeds onderstaan heeft; en nogtans. Hij wordt nog altoos door de beulen mishandeld.
Twee beulen, die voorop gaan, trekken Hem met koorden, die zij aan den gordel vastgemaakt hebben,vooruit;anderen, die volgen, slaan en stooten Hem. Doch ziet! Nauwelijks heeft Jezus een eind\' wegs afgelegd, of Hij valt afgemat onder den zwaren last des kruises op den grond neder. Daar ligt Hij voor de eerste maal plat ter aarde, in zijne volle lengte uitgestrekt, het moordtuig aan zijne zijde! De beulen rukken al tierende en vloekende Jezus terstond omhoog, en doen Hem zijnen smartvollen weg vervolgen. Doch ziet thans
2° DEEL MEDITATIÃN 13.
â 194 â
een hartverscheurend schouwspel, dat zich voor onze oogen vertoont.
Zoodra Maria gehoord heeft, dat haar Goddelijke Zoon veroordeeld is om gekruist te worden, breekt zij in weeklachten los. \'t Is op die doorluchtige Moeder-Maagd, die haren Jezus zoo teeder bemint, dat wij met recht de woorden van David mogen toepassen.
Toen de Koning David vernomen had, dat zijn Zoon Absalon vermoord was, weende hij bitter. Troosteloos liep hij rond en riep al jammerende uit: Absalon mijn zoon! Mijn zoon Absalon! Wie vergunt mij voor u te mogen sterven!
\'t Is op Maria, M. Z., dat wij die woorden mogen toepassen. Zij ook weent bitter, zoodra zij hoort, dat haar beminde, dat haar onschuldige Jezus veroordeeld is; zij biedt zich voor haren Zoon aan, zeggende : Jezus mijn Zoon ! Mijn Zoon Jezus! Wie vergunt mij voor u te mogen sterven!
Bekend nogtans met den wil van den Hemelschen Vader, die vordert, dat zijn eenige Zoon zich opoffere voor de zaligheid der menschen, onderwerpt zij zich geheel en al aan diens Goddelijken wil.
Geheel anders gesteld dan Agar, die in vertwijfeling uitriep : \'t Is mij onmogelijk mijn kind te zien sterven ! zal Maria bij den pijnlijken en schandigen dood van Haren Goddelijken Zoon tegenwoordig zijn. Ik zal gaan, zegt zij met den Aartsvader Moses; ik zal dat groote schouwspel zien; Vadam et vidébo visionem hanc magnam.
Vergezeld van Joannes en eenige godvreezende vrouwen begeeft Maria zich op weg. Mij dunkt, ik zie haar den weg
inslaan, dien Jezus met zijne verscheurde voeten bloedig heeft afgeteekend. Wat gaat er niet om in \'t hart van die Moeder?
Een weinig voortgegaan, hoort Maria het geschal der trompet; eene koude rilling loopt Haar door de leden. Weldra ziet zij de woelige menigte, die Haren Goddelijken Zoon omringt. O Maria! Keer toch terug op uwe schreden! Ja, ga u liever verbergen, en beween uwen Zoon iu de eenzaamheid ! Gij kunt Hem toch niet verlossen! Integendeel, Gij gaat door uwe tegenwoordigheid zijn lijden nog vermeerderen ! Gij gaat zelf bespot, beschimpt en mishan leid worden!
M. Z., mag men zoo iets niet veronderstellen ? Ja, Maria heeft onderweg, hier en daar de voorbijgangers reeds over en tegen haren Zoon hooren spreken. Die personen keuren de veroordeeling goed; zij zeggen dat die Jezus van Nazareth het wel verdiend heeft.
Weldra komen de gerechtsdienaren, die de strafwerktuigen dragen.
Maria ziet hen, begint te beven en te zuchten, en wringt zich van smart de handen krampachtig samen.
Mij dunkt, ik hoor een dier onmenschen vragen: Maar wie is toch de vrouw, die daar zoo weent, en zich zoo aanstelt? En een ander antwoordt: Wel, dat is de Moeder van den Galileër; en zoodra de omstaanders die woorden hooren, beginnen zij die bedroefde Moeder uit te lachen en te bespotten. Zij wijzen Maria met den vinger aan, terwijl zij al schimpende zeggen: Ziet! daar, daar is zijne Moeder.
â 196 â
Een hunner gaat verder. Hij neemt de lange nagels, waarmede Jezus aan het kruis moet vastgemaakt worden, en toont ze al lachende aan Maria.
Hoe zullen wij ooit kunnen beseffen, M. Z., wat die Moeder-Maagd alsdan geleden heeft?
Doch dit alles is niets in vergelijking van hetgeen daarna hare oogen aanschouwen: Ach! Daar erkent zij haren Lieven Zoon, haren teêrbeminden Jezus! Hij is vreeselijkmismaakt; onder een zwaar kruishout neèrgebogen gaat Hij wankelend vooruit; op zijn hoofd draagt Hij de doornen kroon; zijn aangezicht is bleek, met blauwe plekken, met bloed en vuiligheid bedekt. Ach! M. Z., slaat eenen nauwkeurigen blik op hetgeen er plaats heeft. Ziet! Daar wrijft Jezus van voor de oogen het geronnen bloed weg, dat zijn gezicht verduistert, en werpt van onder de doornen kroon een blik van droefheid en medelijden op zijne beminde Moeder. Maria werpt te gelijker tijd een blik op haren beminden Zoon. Wat smartelijke blikken, die als afgescherpte, gloeiende pijlen wederzijds twee minnende harten doorboren ! Eene diepe ontroering schokt thans die ongelukkige Moeder; eene siddering grijpt haar aan, en doorloopt hare ledematen. Van droefheid overstelpt, als verslonden in hare smart, blijft Maria een oogenblik zonder beweging.... Jezus mijn Zoon!.... Mijn Zoon Jezus!.... zegt zij eensklaps.... Maria mijne Moeder!.... Mijne Moeder Maria!.... antwoordt Jezus.... En Jezus en Maria willen verder spreken, doch hunne snikken smoren hunne stem.
Welke mensch, hoe hard, hoe ongevoelig ook, zoude niet bewogen worden op het gezicht van een zoo treurig schouwspel? En ziet, wat er gebeurt: Maria wordt door de beulen nog beleedigd. Vrouw, snauwt men haar toe; wat komt gij hier doen? Hadt gij Hem beter opgebracht, Hij zoude thans in onze handen niet te zien zijn. Barsch en mededoogenloos stootèn zij Maria terug. Neen, geen sprankel medelijden bestaat er in die tijgerharten; zij blijven ongevoelig, zelfs voor den eindeloozen rouw eener moeder.
Jezus wordt opnieuw voortgesleurd, doch Maria zal haren Goddelijken Zoon volgen tot op den berg van Calvarië, waar de offerande moet voltooid worden. Onafgebroken heeft Maria de oogen in de richting van haren Zoon gevestigd. Zij ziet Jezus meer en meer zijnen slependen gang vertragen, dieper en dieper onder den last des kruises buigen.
O Maria! Gij zijt gereed voor uwen Jezus te sterven! Ik weet het; doch was het u nu maar vergund uwen Goddelijken Zoon bij te staan en te helpen, gelijk gij Hem zoo dikwijls, toen Hij klein en zwak was, bijgestaan en geholpen hebt! Mocht gij nu het kruis in zijne plaats maar dragen !
Dan vol angst bemerken de Phariseën, dat Jezus merkelijk verslapt; dat Hij, fel gebogen onder het kruis, voortgaat. Zij worden bewogen; door droefheid en medelijden? Neen, maar door woede en spijt. Jezus moest, uitgeput van krachten, onderweg eens komen te sterven; dan zouden de monsters het helsch genoegen niet smaken, van Hem levend aan \'t kruis te zien vastnagelen. Zij zien dus naar hulp en bijstand uit; zij grijpen eenen voorbijganger, Simon van Cyrene
â 198 â
genaamd, vast, en dwingen hem het kruis achter Jezus te helpen dragen.
Door Simon bijgestaan kan Jezus, alhoewel met moeite, zijnen weg vervolgen: Doch ziet! Nauwelijks is men eenige honderde schreden gevorderd, of eene treffende gebeurtenis grijpt plaats.
Eene vrouw van aanzien komt uit haar huis ; zij biedt Onzen Goddelijken Zaligmaker een witten doek aan, om zijn gezegend aanschijn af te drogen. Jezus, die zich nooit in edelmoedigheid laat overtreffen, gaat ook weldra die kloeke vrouw beloonen. Hij drukt zijn Goddelijk aanschijn in den doek af, dien Veronica Hem aangeboden heeft, en geeft hem haar weder.
Denkt gij, M. Z., dat de vijanden van Jezus op het zien van dat wonder beter gestemd zullen zijn? Integendeel: De Phariseën en Schriftgeleerden zijn ontevreden over die korte vertraging; en meer verbitterd nog over de eer, die Onzen Goddelijken Zaligmaker door eene edele vrouw wordt aangedaan. Ook beginnen de beulen zich op Jezus te wreken: Zij slaan Hem, en willen Hem spoediger doen voortgaan; doch helaas! Jezus struikelt, en valt voor de tweede maal onder het kruis neder.
De beulen houden een oogenblik stil. IJselijke vloeken en verwenschingen ontvallen hunnen mond. Zij slaan en schoppen Onzen Goddelijken Zaligmaker; mishandelen Hem zoo onmenschelijk, dat eenige vrouwen van Jerusalem, die deiv droevigen stoet vergezellen, van medelijden worden aangedaan, en luidkeels beginnen te weenen.
â 199 â
Jezus opgestaan zulks hoorencle, keert zich om, en spreekt haar toe: Dochters van Jerusalem, zegt Hij, weent niet over mij, maar weent over u en over uwe kinderen! Want indien zij het groene hout zoo behandelen, wat zal er dan met het dorre geschieden ?
Na een kort oponthoud stelt men zich wederom in beweging. Jezus, onder het zware kruishout meer en meer gebogen, wankelt zuchtende vooruit; doch ziet! Daar valt Hij voor de derde maal op den grond neder.
II.
Welk een hartverscheurend schouwspel biedt ons de kruisdraging van Jezus aan! De Godmensch gaat gebogen onder het kruis; tot drie maal toe valt Hij onder dien moordbalk neder; men beweent Hem, en Hij antwoordt: Weent niet over mij : Nolite fiere super me, maar weent over u en uwe kinderen! Sed super vos ipsas flete et super filios vestros! Want bijaldien men zoo met het groene hout handelt, wat zal er dan van het dorre geworden ? Si in viridi ligno hcec faciunt, in arido quid fiet? (i)
Beschouwen wij een weinig meer van nabij dat groote geheim; niet enkel oppervlakkig, het uitwendige er van; neen, doch dringen wij tot in het binnenste er van door.
Jezus gaat gebukt. Hij mat zich af onder het kruis. Waarom ? Wijl dat houten kruis zoo zwaar is ? O, M. Z., de
(i) Luc. xxiii, 28 etc.
â 200 â
natuurlijke zwaarte van dat kruis is de eenige reden niet; de voornaamste reden zijn de zouden van liet mensclidom, die Onze Goddelijke Zaligmaker niet bedreven, maar enkel op zich genomen heeft, om ze uit te boeten. Al onze misdaden, de misdaden der gansche wereld, waarmede liet kruis beladen is, drukken, vermoeien en putten dat Lam zonder vlekken uit. Wij allen waren afgedwaald, gelijk aan verdoolde schapen. Wij allen waren verkeerde wegen ingeslagen; en ziet! De Hemelsclie Vader belaadt Zijnen Goddelijken Zoon met ons aller misdaden: Posuit Dominus in eo iniquitatem omnium nostrum, (i) Al die misdaden zijn als een zware last drukkend op Jezus neêrgekomen; ja, zij hebben Hem zelfs onder het kruis doen bezwijken.
Doch waarom is Onze Goddelijke Zaligmaker tot driemaal toe, en wellicht meermalen, en telkens met verdubbeling van mishandelingen en pijnen onder het kruis ter aarde neêrgevallen ? Om dat dikwerf vallen, wat dieper en dieper hervallen in de zonde, dat bij ons plaats heeft, uit te boeten.
Ziedaar, M. Z., de oorzaak. En wat mag nu wel de reden zijn van dat ongelukkig hervallen in de zonde? O! Men wil zich nog verontschuldigen. De mensch is zoo zwak, zegt men; en \'t is tot dien ijdelen uitweg, dat men te vergeefs zijne toevlucht neemt, terwijl men voor de ware oorzaak, zoo menigmaal door de ondervinding bevestigd, oogen en oor en sluit.
Voorzeker, de mensch is zwak, maar dat is de eenige reden niet van het hervallen in de zonde; \'t is vooral, omdat
(1) Is. LUI, 6.
men de middelen niet gebruikt, om sterk te worden. Men verliest God uit liet oog; en Gods tegenwoordigheid gedenken; .ziedaar, nogtans, een krachtig middel, om heilig te leven; want God zegt; Wandel in mijne tegenwoordigheid, en gij zult volmaakt wezen.
Men bidt niet; en het gebed nogtans is het middel, om te verkrijgen hetgeen wij noodig hebben ; want God zegt: Vraagt en gij zult verkrijgen.
Men nadert niet dikwijls genoeg, of zonder de vereischte gesteltenis tot de Heilige Sacramenten; en ziedaar nogtans de bronnen, waaruit moed en sterkte te putten zijn, om aan de aanvallen van de vijanden onzer zaligheid te wederstaan.
Men valt en hervalt dikwijls in dezelfde zonde; waarom? \'t Is vooral, omdat men de gevaren en gelegenheden der zonde niet wil vluchten of verlaten; omdat\' men er zich zonder reden aan blootstelt. Treedt in uw binnenste, M. Z., en vraagt u eens rechtzinnig af: Waarom ben ik na die biecht zoo spoedig in dezelfde zonden hervallen? En gij zult moeten bekennen, omdat gij naar den raad van den biechtvader niet geluisterd hebt. De biechtvader heeft u gezegd: Breekt af met dien persoon; en gij hebt niet gewild. Houdt u van dergelijken verwijderd, of gij zult op nieuw dezelfde zonde bedrijven ; gij hebt den biechtvader niet willen gelooven. Blijft van die plaats, uit dat huis weg, heeft bij gezegd, of gij kunt u niet beteren; gij hebt het beter willen weten dan uw biechtvader, wijzer willen zijn dan hij; ja wijzer dan God
â 202 â
zelf, die gezegd heeft, dat degene, die het gevaar bemint, er in vergaan zal: Qui amat periculum in Ulo peribil. (l)
Ziedaar de reden, waarom gij na uwe bekeering, na vergiffenis van uwe zonden bekomen te hebben â als het maar waar is, dat gij u bekeerd, dat gij vergiffenis van uwe zonden bekomen hebt; want dat lijdt niet zelden grooten twijfel â waarom gij zoo spoedig hervallen, dieper en dieper hervallen zijt, en alzoo uwen Goddelijken Zaligmaker herhaalde malen onder het kruis nedergeworpen, en telkens meer pijnen veroorzaakt hebt. Daarover vermaant Jezus ons van te weenen, als Hij zegt: quot;Weent over u en over uwe kinderen: Super vos ipsas flete et super fllios vestros. (2) Niet, M. Z., dat het verboden is Onzen Goddelijken Zaligmaker te bewee-nen, tranen van medelijden over zijn bitter lijden te storten; voorzeker, dat is niet verboden, \'t is zelfs prijsbaar; maalais Jezus zegt: Weent niet over mij, dan geeft Hij te kennen, dat de tranen over Hem gestort ons weinig zullen baten, dat zij Hem niet aangenaam zijn, zoo wij niet hooger opklimmen, en ons zei ven en onze zonden niet be weenen, die de oorzaak van zijn lijden geweest zijn. Daartoe zet Onze Goddelijke Zaligmaker ons dus aan, als Hij zegt: Weent over u en over uwe kinderen. Hij voegt er de reden bij: Want, zoo gaat Jezus voort: Bijaldien er met het groene hout zoo gehandeld wordt, wat zal er dan van het dorre geworden? Als wilde Hij zeggen: Bijaldien ik, die de Heilige der Heiligen, de Zoon Gods, de onschuld zelve ben, die de zonden van het schuldige mensch-dom uit gehoorzaamheid enkel op mij genomen heb, om er
(1) EcGL. III, 27. (2) Luc. XXIII, 8
â 203 â
voor te Toldoen; bijaldien ik door toelating van Mijnen Hemelschen Vader zoo verschrikkelijk gestraft word; wat zal er dan eenmaal geworden van den schuldigen mensch, die persoonlijk eene menigte van zonden, en wel van de afschuwelijkste zonden bedreven heeft? Wat zal er van dien mensch geworden, op het oogenblik dat de Goddelijke rechtvaardigheid, die de kleinste fout niet ongestraft kan laten, in gansch hare zwaarte op dien ongelukkigen zondaar zal nederkomen, om zich te wreken over die menigte van gruwelen, die hij gedurende zijn leven als water heeft ingezwolgen, en waarmede hij zijnen Heer en God getergd heeft? Wat zal er van den zondaar geworden, op den dag der wrake? Dies irce: Op den dag der wrake, zeg ik. Wie onzer siddert en beeft niet, als hij aan dien schrikverwekkenden dag denkt ? O ! het gedacht alleen: Eenmaal zal ik voor God moeten verschijnen, om geoordeeld te worden! Dat gedacht alleen, moest het den zondaar zijn bloed niet doen stolten in de aderen ? En ziet! De dag der wrake, de dag des oordeels nadert voor hem met rasche schreden. Ja, zondaar ! Weldra gaat gij uwen laatsten levensdag beginnen, hebt gij hem misschien reeds begonnen; want ik vraag het u: Kunt gij ook niet eensklaps van deze wereld, even als zoovele anderen, worden weggerukt? Wellicht bereidt zich de Goddelijke Rechter reeds, om u het quot; Redde rationern »gt; (i) geef rekenschap van uwe daden, donderend toe te roepen. Te vergeefs zult gij dan uitroepen: Bergen valt op ons! Heuvelen overdekt ons tegen het bliksemend gelaat van den vertoornden
(i) Luc. xvi,
â 204 â
Rechter! O neen! De tijd der vaderlijke barmliartigheid is dan geweken, en de eeuwigheid der onverbiddelijke, der onverzoenbare wrake vangt aan.
SLUITREDE.
Daarom, M. Z., wijl het nog tijd is, dat wil zeggen, wijl wij nog leven, en de nacht, waarin niemand kan werken, dat is, de dood ons nog niet verrast heeft; arbeiden wij voor onze ziel en zaligheid.
Roepen wij de Goddelijke barmhartigheid over ons af; en om ze te bekomen, werpen wij ons voor God neder, en beweenen wij onze zonden en misdaden.
Doen wij boetvaardigheid, zonder dewelke wij noodzakelijk zullen vergaan.
Nemen wij het kruis of de kruisen, in- of uitwendige, groote of kleine, lichte of zware, van welken aard ook, met gelatenheid van God aan, wijl de kruisen, die ons overkomen, als zoovele werktuigen ziju, waarmede wij in dit leven onze zonden kunnen uitboeten.
Leggen wij het kruis op de schouders, en slaan wij er met geduld den koninklijken weg mede in, die ten hemel leidt.
Jezus is ons met het kruis voorgegaan, en Hij heeft er ons den hemel mede geopend; wij moeten ons kruis ook opnemen en dragen. Die zijn kruis niet draagt, en mij niet volgt, zegt Onze Goddelijke Zaligmaker, is mijner niet waardig; hij kan mijn leerling, mijn volgeling niet zijn. Doch, M. Z., zoo wij Jezus\' leerlingen, zijne volgelingen niet zijn, kunnen wij ook
â 205 â
nooit onder liet getal zijner uitverkorenen gerekend worden. Maria is de eerste der uitverkorenen; Zij lieeft ook de eerste den weg der uitverkorenen bewandeld; getrouw aan de stem van Haren Goddelijken Zoon heeft Zij de eerste na Hem liet kruis opgenomen, en is Jezus naar den Golgotha gevolgd.
Die weg des kruises voorzeker is lastig en met doornen bezaaid. Hoe oneffen en woest lag hij daar, toen Jezus en Maria hem voor de eerste maal beklommen ? Doch zij hebben hem voor onze zwakke schreden gebaand en vereffend.
Scheppen wij dus moed, M. Z. Nemen wij met overgeving aan den Goddelijken wil ons kruis op; dragen wij het met geduld; roepen wij Jezus en Maria aan; zij zullen ons helpen en bijstaan, en na gedurende eenigen tijd ons kruis gedragen, na de voetstappen van Jezus gedrukt, den berg van Calvarië kloekmoedig beklommen te hebben, zullen wij daar boven aanlanden; ja! wij zullen met het kruis aan de deur des hemels aankloppen; men zal voor ons openen en tegelijkertijd ons toeroepen; Welaan, getrouwe d ien aar! getrouwe dienares! Euge serve bone! Ga de vreugde van den Heer uwen God binnen! Intra in gaudium Domini Dei tui! (i) Amen.
EINDE.
(i) Matth. xxv, 21.
ZESDE MEDITATIE
Postquam venerunt in locum, qui vacatur Calvarice, ihi crucifixerunt Eum.
Kadat zij op den Calvarieberg aangekomen zijn, hebben zij Hem daar gekruist.
(Luo. XXIII, 33.)
INHOUD.
VOORREDE.
Wij zijn aan liet smartelijkste van Jezus\' lijden gekomen. â Jezus heeft den kruisweg afgelegd, het toppunt van den berg bereikt. â Op den Calvarieberg zijn de hoogwaardigste offers der voorwereld opgedragen. â In dien berg rusten de overblijfsels van den eersten Adam. â Op Golgotha gaat de grootste der misdaden gepleegd, het droevigste der treur-tooneelen vertoond, het grootste der liefdewerken voltrokken worden. â Gebed tot Maria.
â 207 â
VERDEELING.
I. Kruisiging van Jezus.
II. Kruisdood van Jezus.
I.
Aankomst op den berg van Calvarië. â Vreugde van de vijanden van Jezus. â Mishandelingen Jezus aangedaan, alvorens gekruist te worden. â Kruisiging van Jezus. â De Joden hebben Jezus gekruist. De Christenen volgen de Joden na, zoo dikwijls zij doodelijk zondigen. â Kruisoprichting.
â Smarten van Jezus. â Wonderen die er gebeuren. â Jezus hangt tusschen twee moordenaars. â Maria plaatst zich aan den voet des kruises. â Smart dier Moeder bij het aanschouwen van het lijden van haren Zoon.
II.
Jezus aan het kruis beschimpt en uitgelachen. â De Joden drijven den spot met zijne almacht, zijn koningschap, zijn betrouwen op God en zijn Goddelijk Zoonschap. â De Romeinsche soldaten voegen zich bij de Joden. â Een der moordenaars beschimpt Jezus ook. â De voorbijgangers, de onverschilligen. â Voorzegging van den Profeet David volbracht. â Vele Christenen volgen de Joden op den Calvarieberg na. â Wat is de H. Mis, en hoe woont men ze bij?
â Men treft er aan, die enkel aanschouwers zijn; anderen die rondzien; sommigen die lachen; men treft er zelfs aan die zedenkwetsende taal voeren. â Terwijl de Joden Jezus
mishandelen vervolgt Onze Goddelijke Zaligmaker zijn liefdewerk. â Zeven woorden van Jezus. â Dood van Onzen Goddelijken Zaligmaker. â Wonderen die er gebeuren.
SLUITREDE.
Consummatum est! Het is volbracht! â De afschuwelijkste der misdaden is gepleegd, het droevigste der treurtooneelen is vertoond, het grootste der liefdewerken is voltrokken. â Les van sterven. â Eenieder zal eenmaal moeten zeggen: Consummatum est! â Beteekenis dier woorden in den mond van den zondaar; van den rechtvaardige.â Welke beteekenis zouden wij aan die woorden willen geven? â Gebed tot Jezus, van ons tot zich te trekken. â⢠Gebed tot Maria, van ons tot hare kinderen aan te nemen, van voor ons te bidden, nu en in het uur van onzen dood.
EINDE.
ZESDE MEDITATIE
Postqitam venerunt in locum, qui vacatur Calvaries, ibi crucijixertmt Eum.
Nadat zij op den Calvarieberg aangekomen zijn, hebben zij Hem daar gekruist.
(Luc. XXIII, 33.)
VOORREDE.
Na reeds verscheidene en tevens droevige tafereelen van liet lijden van Onzen Goddelijken Zaligmaker verhandeld te hebben, zijn wij eindelijk aan het laatste, doch helaas! ook aan het smartelijkste van allen gekomen. Jezus met zijn kruis beladen heeft den steilen en moeielijken weg afgelegd, die naar de gerechtsplaats leidt; Hij heeft het toppunt van den Golgotha bereikt.
Op dien berg, M. Z., zijn de hoogwaardigste slachtofferanden der voorwereld opgedragen. Op den Golgotha heeft, naar de overlevering der Joden, God aanvaard de offers van Abel en Noe, van Abraham en Melchisedech ; offers, die niets anders dan afbeeldsels zijn van het alverzoenend offer, dat Jezus-Christus op het punt staat Zijnen Hemelschen Vader op te dragen.
\'t Is in dien berg ook dat de overblijfsels van den eersten Adam rusten, door wiens ongehoorzaamheid de zonde, en met de zonde de dood in de wereld gekomen is. \'t Is op den Golgotha, dat Jezus-Christus, de tweede Adam, door zijne
2e DEEL MEDITATIÃN 14.
gehoorzaamheid de zonde gaat uitboeten, door zijnen dood het menschdom liet eeuwige leven gaat bezorgen.
Wenden wij dus, M. Z., onze oogen naar den berg van Calvarië. Zien wij, hoe daar de afschuwelijkste der misdaden gepleegd, het droevigste der treurtooneelen vertoond, het grootste der liefdewerken gaat voltrokken worden.
Ja, het joodsche volk maakt zich aan een Godsmoord plichtig.
Maria ziet haren eenigen Zoon aan het kruis sterven. Jezus geeft zijn leven ten beste, vergeeft en bidt nog voor zijne moordenaars.
Dat de Allerheiligste Maagd Maria, die zoo ruimschoots in \'t lijden van Jezus gedeeld heeft, ons de genade bekome, om den dood van haren Goddelijken Zoon met vrucht te overwegen.
In de laatste meditatie zullen wij zien:
I. De kruisiging van Jezus.
II. Den kruisdood van Jezus.
I.
Zoodra de stoet op den Calvarieberg aangekomen is, begeven zich de gerechtsdienaren aan \'t werk. Welke vreugde voor de beulen, voor de Phariseên en Schriftgeleerden, in een woord, voor de vijanden van Jezus, die Hem tot op de gerechtsplaats vergezeld hebben!
Op tie eerste plaats biedt men Onzen Goddelijken Zaligmaker wijn, met gal en mirre gemengd aan; drank, die eene bedwelming kon te weeg brengen, en alzoo liet lijden van liet slachtoffer verminderen; doch Jezus, die vol gevoel en met zelfbewustheid wil sterven, weigert, na er van geproefd te hebben, meer te drinken.
De beulen grijpen Jezus aan; zij nemen Hem de doornen kroon van het hoofd, en trekken Hem de kleederen uit. \'t Is als het ware eene nieuwe geeseling, die Onze Goddelijke Zaligmaker te onderstaan heeft. Zij trekken het kleed zonder naad, dat Maria voor haren beminden Zoon vervaardigd heeft, over het hoofd uit. Dat kleed is overal aan zijn gezegend lichaam vastgeplakt. De wonden, die Hij in de geeseling ontvangen heeft, worden dus op nieuw geopend. Het bloed stroomt van alle kanten op den grond neder. Bloedige stukken vel en vleesch hangen druipend langs Jezus\' misvormd lichaam. Men zet Onzen Goddelijken Zaligmaker op nieuw de doornen kroon op het hoofd, \'t Is als het ware eene nieuwe kroning. Vervolgens gebiedt men Hem, van zich op het kruishout uit te strekken; of liever, de beulen stooten en werpen er Jezus achterover op neder, en beginnen terstond met er Hem aan vast te nagelen.
Ziet eens die beulen aan \'t werk! Welke woede! Welke haast! Welke onstuimige drift! \'t Zijn geen menschen; \'t zijn razende monsters.
Een hunner grijpt de rechter hand van Jezus vast, doet ze open, terwijl een tweede een langen dikken spijker neemt, door het vleesch heendrijft, en zijne hand aan het kruishout
â 212 â
vastnagelt. Een bloedstraal springt er uit omhoog; ganscli het lichaam van Jezus wringt zich, en trekt samen van pijn
Na de rechterhand aan het kruis genageld te hebben,gaat men met de linker beginnen. Zij trekken den ingekrompen linker arm zoo lang, tot dat de hand de bestemde plaats bereikt, en jagen een tweeden nagel door pezen en spieren heen, zoodat ook de linker hand aan het kruishout Tast zit. Het lichaam van Jezus krimpt in; zijne knieën trekken omhoog. De beulen, kwaad dat zij telkens Onzen Goddelijken Zaligmaker moeten uitrekken, grijpen Hem nogmaals aan. Zij trekken zoo sterk aan zijne voeten, dat de ledematen zich ontwrichten, en dat men de beenderen hoort kraken.
Daar nemen zij den langsten nagel, dien zij vinden, en slaan hem met herhaalde hamerslagen door de voeten in het kruishout vast. Stroomen bloeds springen uit de wonden; het lichaam van Jezus siddert en wringt zich van smart; zijne borst hijgt en zucht; zijne oogen sluiten, en eene zonderlinge doodskleur verspreidt zich over zijne ledematen.
De voorzegging van den koninklijken Profeet is volbracht: Zij hebben mijne handen en voeten doorboord, al mijne beenderen geteld. Doch, o Heer! wat beteekenen die wonden in \'t midden uwer handen ?
Daarmede ben ik doorwond, antwoordt Jezus, in \'t huis van hen, die mij beminden; als wilde Jezus zeggen: \'t Is in de Synagoge, dat ik zoo zeer mishandeld ben. \'t Zijn de Joden, die mij eertijds beminden, en die mij nog moesten, beminnen, die mij die wonden hebben toegebracht
Doch helaas! hetgeen Jezus hier zegt van de Synagoge en van de Joden, kan eveneens van de Kerk en van vele ondankbare Christenen gezegd worden. Waarom? Omdat die Christenen naar de leering van den Apostel Paulus door hunne zonden Jezus-Christus op nieuw kruisen: Rursvm crucifigentes sibimetipsis Filium Dei. (i)
Het goddeloos werk is dus voltrokken. Jezus is aan het kruis vastgeklonken. Terstond stelt men zich in beweging, om het kruis op te richten. Wie zal zich ooit een gedacht vormen van hetgeen Onze Goddelijke Zaligmaker in dat oogenblik lijdt? Ziet! daar verheft zich het kruis, met het Lam zonder vlekken beladen, wankelend in de hoogte; het zwaait een oogenblik op zijn voetstuk, en valt dan met eenen geweldigen schok in de holte, die men in de rots van den Golgotha gekapt heeft. Jezus slaakt een gil van smart. Men maakt het kruis met herhaalde slagen en stampen in de holte vast, zoodat het eenigen tijd staat te daveren. De wouden van Jezus\' handen en voeten worden grooter; zij scheuren door het gewicht van zijn Goddelijk lichaam open; iedere stoot, iedere schok, dien men het kruis geeft, vernieuwt en vermeerdert de pijnen van den God-Mensch.
Nauwelijks heeft men het kruis opgericht, of er ontstaat eene plechtige stilte. Mij dunkt, de schok van het kruis heeft hemel en aarde bewogen; hij heeft tot in de harten der beulen, ja zelfs tot in den afgrond der hel door gedreund. Ziet! de gansche schepping wordt ontroerd ; het licht van
{1) Hebr. vi, 6.
â 214 â
den dag verflauwt; de zon verbleekt, en ofschoon in haar hoogste standpunt gerezen â want het was bijna middag â schiet zij slechts sombere stralen op de aarde. Gansch de natuur kwijnt en ligt als in treurnis verzonken.
De beulen zeiven, hoe ongevoelig voor het overige, blijven niet vreemd aan de algemeene ontsteltenis; bevreesd zien zij op, en werpen hunne verwilderde oogen op het onschuldig slachtoffer, dat daar voor hen aan het kruis hangt.
En naast het kruis van Jezus rijzen nog twee andere kruisen in de hoogte, waaraan men de twee moordenaars vastgemaakt heeft, het eene aan de rechter-, het andere aan de linkerzijde van Jezus; zoodat de Heilige Schrift vervuld wordt: Hij is onder de booswichten gerekend : Et cum sceleratis reputatus est. (i)
De kruisiging is dus voltrokken. Jezus, die als middelaar tusschen den beleedigden Schepper en het misdadige Schepsel opgetreden is, hangt tusschen hemel en aarde, om de menschen met God te verzoenen. Intusschen treedt Maria de Moeder van Jezus nader : Zij komt zich plaatsen aan den voet des kruises. De droefheid ten prooi, staat zij daar, de oogen vol tranen. Maria laat zich niet terug houden door de schande, die van den Zoon op de Moeder nederkomt; zij laat zich ook niet afschrikken door het folterend lijden, dat zij uit te staan zal hebben. Neen, maar Maria plaatst zich onder het kruis, en wel volgens de overlevering aan de rechter zijde van het kruis; want deze is de plaats van den offeraar
(l) Is. LUI, 12.
â 215 â
bij het altaar, en bijgevolg de plaats van Medeverlosseres bij de offerande van den Verlosser. De beulen, door eene boven-aatuurlijke kracht wederhouden, zullen Maria niet durven verwijderen; zij moet daar tegenwoordig zijn: Ja, Maria wil in het lijden en de bespottingen van haren Zoon deelen. Mijn God! Mijn God! Wat ziet, wat hoort Maria aan den voet des kruises! Welk een hartverscheurend schouwspel voor eene moeder! Zij slaat hare oogen omhoog, en aanschouwt haren eenig geboren Zoon, haren teergeliefden Jezus aan het moordhout vastgeklonken. Zijn hoofd is met doornen gekroond; waar Hij het ook wende of niet, bet wordt immer door die doornen kroon gefolterd. Het Goddelijk bloed loopt over zijn aangezicht. Gansch zijn lichaam, van het hoofd tot aan de voeten, is met wonden overdekt. Stroomen bloeds springen uit zijne doornagelde handen en voeten. Maria ziet haren Goddelijken Zoon sidderen, zich van pijn samentrekken. Jezus vindt geene rust, geene verlichting, welke houding Hij ook aanneme. Steunt Hij op zijne voeten, dan weegt zijn lichaam in gansch zijne zwaarte op twee pijnlijke wonden. Laat Hij zich aan de nagels hangen, die zijne handen doorboren, dan scheuren die wonden meer en meer open. IJselijke foltering! Onbegrijpelijke smarten, die Onze Goddelijke Zaligmaker gedurende drie uren te verdragen heeft! En Maria zijne Moeder staat daar te zien onder het kruis! Doch dat is niet alles. Bij die hevige folteringen en pijnen komen zich nog andere mishandelingen voegen, namelijk de spotternijen, waarin Maria ook zal deelen. In plaats van wat troost te vinden bij de menschen, die Jezus zoo zeer bemint, en voor welke Hij zijn leven ten beste geeft;
â 216 â
in plaats van tot medelijden op te wekken, dat men met den grootsten misdadiger niet zelden heeft, als men hem ter dood brengt, wordt Onze Goddelijke Zaligmaker nog op de hemel-tergendste wijze uitgelachen en bespot. Overwegen wij ook nog, M. Z., die spotternijen om er ons nut uit te trekken.
II.
Na de kruisiging van Jezus verdeelen de soldaten zijne kleederen. Zij zetten zich bij het kruis neder, en bewaken het. Intusschen vangen de spotternijen en beleedigingen aan.
Daar hangt Hij nu! roepen al lachende de Phariseën en Schriftgeleerden: Zijne tooverkracht is ten einde! Anderen heeft Hij verlost, zich zeiven kan Hij niet verlossen! Zij verwijten Jezus dus de weldaden, die Hij den Joden gedaan, de wonderen, die Hij onder hen verricht heeft; zij lachen met zijne almacht.
Indien Hij de Koning der Joden is, roepen zij, dat Hij dan van het kruis kome, en wij zullen in Hem gelooven! Zoo drijven zij den spot met zijn Koningschap.
Dat Hij zich redde, zeggen zij, indien Hij de Christus, de uitverkorene Gods is! Hij heeft op God betrouwd; \'t wordt tijd, dat God Hem voor zijnen Zoon erkenne, en Hem verlosse! Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon Gods! En zoo lachen zij met Jezus betrouwen op God en zijn Goddelijk zoonschap.
De Romeinsche soldaten voegen hunne spotternijen bij die der Joden. Al lachende lezen zij het opschrift van het kruis.
â 217 â
dat Pilatus in drie talen heeft laten vervaardigen, en boven het hoofd van Jezus heeft doen vastmaken, opdat eenieder het zoude kunnen lezen: Jesus Nasarenus Uex Judceorum: (i) Jezus van Nazareth Koning der Joden. Zij naderen het kruis, bieden Hem edik te drinken aan, en roepen Hem toe; Zoo Gij de Koning der Joden zijt, red u dan het leven! Ja, wat meer is, een der moordenaars, die met Jezus gekruist zijn, durft Hem lasteren en beleedigen te midden zijner eigene smarten : Zoo Gij de Christus zijt, snauwt hij Jezus toe, verlos dan u zeiven en ons met u!
Buiten de Phariseën, Schriftgeleerden en soldaten spreken de Evangelisten ook van voorbijgangers, die Onzen Godde-lijken Zaligmaker beschimpen. Hun hoofd schuddende zeggen zij; Ha! Gij, die den tempel Gods afbreekt, en in drie dagen weder opbouwt, verlos u zeiven! Zoo Gij de Zoon Gods zijt, kom dan van het kruis af!
De Evangelisten maken ook nog gewag van aanschouwers, dat is, van personen, die bij de kruisiging van Jezus tegenwoordig zijn, doch zonder gevoel; die eenen onverschilligen oogslag op Onzen Goddelijken Zaligmaker werpen: Stabat populus spectans ; Het volk stond daar te kijken, en die handelwijze ten opzichte van Jezus wordt ook ouder de spotternijen en beleedigingen gerekend. Te recht zegt dus de Profeet Jeremias, van Onzen Goddelijken Zaligmaker sprekende ; Hij zal verzadigd worden van versmadingen; Saturabitur opprobriis. Ja, de voorzegging van den koninklijken Profeet David wordt hier volbracht, als hij reeds jaren
^1) JOAN. XIX, 19.
â 218 â
te voren in persoon van den Messias sprekende zeide: Ik ben een worm en geen mensch; Ik ben de spot der mensclien en de smaad des volk: Al die mij zagen bespotteden mij: Zij liebben hunne lippen geroerd en hun hoofd geschud. Welke ondankbaarheid ! quot;Welke misdaad, waaraan de Joden zich plichtig maken! Jezus heeft hen met weldaden overladen, en terwijl Hij zich hier uit liefde opoffert, bespotten en lasteren zij Hem.
Doch helaas! M. Z., de Joden zijn de eenigen niet; zij zijn slechts de eersten van zoovele ondankbaren, die in den loop der tijden de liefde van Onzen Goddelijken Zaligmaker zullen versmaden. Ja, men zal zelfs Christenen aantreffen, die de bespotters en beschimpers, die de voorbijgangers en de onverschilligen van den Golgotha zullen navolgen. Verstaat gij dat,M. Z. ? Wilt gij er eene korte verklaring van? Maken wij dan de toepassing.
Wat is het Heilig Sacrificie der Mis, en hoe woont men het bij ?
Het Heilig Sacrificie der Mis is niets anders dan de vernieuwing van het bloedig Sacrificie des kruises op eene onbloedige wijze. Ja, dezelfde Jezus-Christus, die zich op den Calvarieberg opgeofferd, zijn Goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergoten heeft, voor de glorie van God en de zaligheid der menschen; diezelfde Jezus, zeg ik, offert zich hedendaags nog op het altaar in onze kerken op, door de bediening des priesters, tot glorie van God en tot zaligheid der menschen. Ziedaar, wat het geloof ons leert.
â 219 â
En hoe woont men het Heilig Sacrificie der Mis bij? Luistert wat er plaats heeft.
Jezus, die op den berg van Calvarië beschimpt en bespot wordt door de Joden, wordt door de slechte Christenen ook eenigszins bespot en beleedigd. \'t Is de ondervinding, welke die droevige waarheid bevestigt. Op den Calvarieberg waren er weinigen, die naar behooren het bloedig Sacrificie des kruises bijwoonden; velen, die Jezus bespotteden en lasterden. In de kerk zijn er wel is waar velen, die met eerbiedigheid en aandachtigheid het onbloedig Sacrificie der Mis bijwonen; weinigen, die zich onstichtend gedragen; doch wijl wij allen, zonder uitzondering, van godsdienstige gevoelens doordrongen, in de kerk moeten verschijnen, zijn die weinigen nog te veel. Deze laatsten volgen in zekeren zin de Joden op den berg van Calvarië na.
Op den berg van Calvarië waren er tegenwoordig, die enkel aanschouwers waren: Stabat populus spectcms. (i) In de kerk zijn er bij het H. Sacrificie der Mis tegenwoordig, zonder te weten wat zij doen; zonder acht te geven op hetgeen er plaats heeft; die lichamelijk tegenwoordig zijn, maar met hunnen geest, hetzij te huis, hetzij elders, vrijwillig vertoeven.
Op den berg van Calvarië waren er bij de kruisiging van Jezus tegenwoordig, die hun hoofd schuddeden: Moventes capita sua. (2) In de kerk zijn er bij het H. Sacrificie der Mis tegenwoordig, wier hoofd zelden of nooit stilstaat; die nu rechts, dan links; nu hier, clan daar rondzien.
(1) LüC. XXII, 35. (2) MARC XV, 29.
â 220 â
Op den berg van Calvarië waren er bij de kruisiging van Jezus tegenwoordig, die spotteden en lachten: Deridébant mm et illudebant. (i) Welnu; in de kerk zijn er bij het H. Sacrificie der Mis ook tegenwoordig, die lachen, die schier den ganschen tijd lachen, terwijl Jezus zich aan God zijnen Hemelschen Vader opoffert.
Op den berg van Calvarië waren er bij de kruisiging van Jezus tegenwoordig, die Hem schimpwoorden toestuurden: Anderen heeft Hij verlost, zich zeiven kan Hij niet verlossen: Alios salvos fecit, seipsum non potest salvum facere; (2) en dergelijke. In de kerk zijn er bij het H. Sacrificie der Mis tegenwoordig, die praten; die zelfs eene taal durven voeren, die door een Christen mensch nooit moest gevoerd worden, en waardoor zij Jezus-Christus, het vlekkelooze Lam, zoo zeer onteeren.
Er zijn dus Christenen, gelijk gij ziet, die de Joden gelijken, en dusdanige zijn de ongodsdienstige, de ontstichtende Christenen, de onteerders van Gods huis. Wee die ongelukkigen, zoo zij niet tot inkeer komen! Voorwaar! Voorwaar! Het zal die ongodsdienstige Christenen niet beter vergaan, dan het den Joden, die Jezus aan het kruis beschimpten en bespotteden, vergaan is!
Terwijl de Joden hunnen haat op Onzen Goddelijken Zaligmaker uitoefenen; terwijl zij Hem te midden der hevigste folteringen beschimpen en bespotten, vervolgt Jezus zijn liefdewerk, en zal het weldra voltrekken. Hij vergeeft aan
{1) LüC. XXIII, 33-36. (2) MiTTH. XXVII, 43.
â 221 â
zijne vijanden : Hij vraagt Zijnen Hemelschen Vader zelfs vergiffenis voor hen, en wil lien nog versclioonen: Vader! zegt Jezus, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen! Pater! Dimitle illis non enim sciunt quid faciunt! (i) Jezus belooft den hemel aan eenen misdadiger, die aan zijne zijde gekruist is, en die op het einde zijns levens tot inkeer gekomen, zijnen God verdedigt. Voorwaar, ik zeg het u, heden zult gij met mij zijn in het Paradijs! Hodie mecurn eris in Paradiso! (2)
Jezus heeft zich voor het menschdom ten beste gegeven. Wat blijft er Hem nog over? Van afliet kruis ziet Hij Maria,, zijne Moeder, en Joannes, zijnen leerling, die ons vertegenwoordigt. Die Moeder gaat Hij aan Joannes, en in den persoon Aran Joannes, aan ons allen schenken. Vrouw! Ziedaar uwen Zoon! zegt Jezus tot Maria: Muiier! Ecce Films tuus! (3) En tot Joannes: Ziedaar uwe Moeder! Ecce Mater tua! O. M. Z., trachten wij het geschenk, dat Jezus ons hier doet, te waardeeren. Beminnen en dienen wij naar het voorbeeld van den H. Joannes die doorluchtige Moeder, de Moeder van Jezus, ook onze Moeder geworden.
Nu bezit Jezus niets meer. Zijne schatten zijn uitgeput. Zijn Goddelijk bloed stroomt immer op de aarde; de laatste druppel zal weldra vergoten zijn.
Doch ziet! De duisternissen nemen toe; de zon verbleekt meer en meer, als of zij uitgedoofd ging worden: \'t Is ongeveer de negende uur, dat is, drie uren namiddag. Van
(l) Luc. XXIII, 34. (2) Luc. XXIII, 14. (S) JOAN. XIX, 26-27.
â 222 â
allen menschelijkeu troost verstoken wordt Jezus ook nog als verlaten van de Godheid. Eli! Eli! Lamma Sabacthani! (l) roept Jezus met luider stem: Dat wil zeggen: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij mij verlaten ?Eenige omstaanders die Jezus hooren roepen, zeggen: Hij roept Elias; terwijl anderen al spottende er bijvoegen: Laat ons eens zien, of Elias Hem zal komen verlossen.
Er moest nog eene voorzegging, door den koninklijken Profeet gedaan, vervuld worden; men moest Jezus nog met edik laven. Onze Goddelijke Zaligmaker zeide dus: Silio! (2) Ik heb dorst! Er stond eene kruik met edik aan den voet des kruises. Een soldaat komt toe, doopt er eene spons in, steekt ze op eenen rietstok, en brengt ze Onzen Goddelijken Zaligmaker aan de lippen. Zoodra Jezus van den edik geproefd heeft, zegt Hij: Consumrnatum est! Het is volbracht ! Vader! roept Jezus met eene krachtige stem, om te toonen dat Hij uit vrije keus sterft; Vader! In uwe handen beveel ik mijnen geest! Pater! In mamis tuas commendo spiritum meurn! (3) Eu na zijn hoofd gebogen te hebben, geeft Hij den geest: Et inclinato capite emisit spiritum.
En ziet, M. Z., welke schrikbarende wonderen er gebeuren. Gansch de schepping, hemel en aarde betreuren den dood van hunnen Schepper. De zon weigert haar licht. Eene verschrikkelijke aardbeving schokt den grond. De rotsen van den Golgotha scheuren met een ijselijk gekraak. Het voorhangsel van den tempel wordt in twee stukken gereten. De graven openen zich, en werpen hunne doóden uit.
(l) MATTH. XXVII, 4\'J. (2) JOAN. XIX, 28. (3) JOAN. XIX, 80.
â 223 â
Schrikverwekkende verschijnsels vertoonen zich in de stad. De Hoofdman en de soldaten, getuigen van de wonderen, die er gebeuren, belijden de onschuld en de Godheid van Christus. De menigte slaat zich rouwmoedig op de schuldige borst, vlucht in alle haast naar de stad, en laat de soldaten en eenige vrienden van Jezus alleen op het tooneel van den Godsmoord.
SLUITREDE.
Consummatum est! (l) \'t Is volbracht! Ja, Jezus is dood! Daar hangt Hij nu, aan het kruis uitgestrekt, levenloos, onbeweeglijk, zoodanig misvormd, dat Hij nauwelijks meer te kennen is.
Consummatum est! \'t Is volbracht! Ja, de ongehoordste der gruwelen, de afschuwelijkste der misdaden is gepleegd. De schepselen hebben hunnen Schepper, de ondankbaren hunnen Weldoener, de Joden hunnen Messias, de zondaren hunnen Verlosser, hunnen God vermoord.
Consummatum est! \'t Is volbracht! Het werk der Goddelijke liefde is voltrokken. Hemel en aarde, God en de mensch zijn met elkander verzoend. De hemel is heropend, en de hel is gesloten.
Consummatum est! \'t Is volbracht! Ja, Lieve Jezus! Gij hebt de taak, door Uwen Hemelschen Vader U opgelegd, hoe moeielijk ook, volbracht. Gij hebt het menschdom van de slavernij des duivels en den eeuwigen dood verlost. Weldra
(l) J O AN. XIX, 30.
â 224 â
zal men uw gezegend lichaam van het kruis afnemen, en begraven; doch na drie dagen zult Gij, verwinnaar des doods, roemrijk uit het graf opstaan, en nimmer meer sterven.
Wijl wij hier, M. Z., met den dood van Jezus eindigen, zoudt gij ook wel de les van sterven willen hooren. Welnu: aanschouwt dan uwen Goddelijken Zaligmaker doodhangende aan het kruis, en herinnert u zijne voorlaatste woorden. Die woorden zullen wij allen eenmaal moeten uitspreken, lietzij zondaren, hetzij rechtvaardigen.
\'t Is volbracht! zal eenieder onzer ten minste feitelijk moeten bekennen; doch hoe verschillend zal de beteekenis dier weinige woorden wezen.
O, de ongelukkige zondaar! Welk een bitter oogenblik voor hem, als hij op zijn sterfbed uitgestrekt, van vrees en angst bevangen, zal denken, Consummatum est! \'t Is volbracht!
\'t Is volbracht! Alles is voorbij! Voorbij de wereld met hare schijnvermaken en goederen! Voorbij mijn leven, waarvan de dagen sneller gevlucht zijn dan een renbode, en vergaan zonder eenige hoop! Voorbij de tijd, dien God mij gegeven heeft, om voor mijne ziel en zaligheid te besteden, en dien ik schandig misbruikt heb tot mijne eeuwige verdoemenis ! Voorbij de gratiën en weldaden, die God mij zoo overvloedig geschonken heeft, en waarmede ik mij zoo gemakkelijk had kunnen zalig maken, doch die ik, helaas! in mijne dwaas- en verblindheid heb weg gesmeten! Alles is voorbij! En nu, nu blijft mij alleen over het kille graf! O dat graf, waarin mijn lichaam de prooi der wormen zal
worden! Dat graf, waaruit het in den laatsten dag des oordeels in eenen afscliuwelijken staat zal te voorschijn komen, om, met de zondige ziel vereenigd, geoordeeld en veroordeeld te worden tot de hel! Wee mij ongelukkige! Alles is voorbij! Consummatum est!
Hoe gelukkig daarentegen is de rechtvaardige! Welk een zalig oogenblik voor hem, wijl hij met voldoening op \'het veiiedene kan terugzien, met blijdschap op de toekomst mag staren! Met vreugde mag hij op het einde zijns levens de woorden van Onzen Goddelijken Zaligmaker herhalen: Consummatum est! \'t Is volbracht! \'t Is volbracht! Alles is voorbij! Voorbij de kruisen van dit tranendal! Voorbij de beproevingen van den strijd! Voorbij de vermoeienissen van den arbeid! Voorwaar, ik heb eenen goeden strijd gestreden, mijne loopbaan afgelegd, het geloof bewaard. Ik ga nu sterven. Mijn lichaam zal wel is waar begraven worden, doch ik weet dat mijn Verlosser leeft; dat ik ten jongsten dage zal verrijzen, en dat mij dan de belooning voor de gerechtigheid weggelegd, zal gegeven worden. Die zoete hoop beurt mij op, daarmede troost ik mij. Wie onzer, M. Z., ik vraag het u, zoude in het uur des doods het Consummatum est! \'t is volbracht! van den rechtvaardige niet willen uitspreken ?
Daarom, volgen wij in ons leven den rechtvaardige na. Beminnen wij Onzen Goddelijken Zaligmaker; dienen wij Hem getrouw, want \'t is op die voorwaarde, en op die voorwaarde alleen, dat wij met den rechtvaardige die woorden zullen mogen gebruiken.
2e DEEL MEDITATIÃN 15.
â 226 â
O Lieve Jezus! terwijl wij U aan \'t kruis zien hangen, wenden wij ons tot U. Wij herinneren ons, dat Gij tijdens uw leven gezegd hebt: Wanneer ik eenmaal van de aarde zal verheven zijn, zal ik alles tot mij trekken. Nu, nu zijt Gij van de aarde aan het kruis verheven en aangesteld tot middelaar van God en de menschen. Trek ons nu ook tot U. Vereenig ons door de banden der liefde met U, en wel zoo vast, dat wij nooit, in eeuwigheid niet van U gescheiden worden.
0 Maria! Moeder van Jezus! door uwen Goddelijken Zoon onder het kruis tot onze Moeder aangesteld; neem ons allen tot uwe kinderen aan. Bid voor ons, o goede Moeder! zoolang wij hier op aarde in dit tranendal moeten verblijven, en bid vooral voor ons in het uur van den dood, om met den rechtvaardige opgeruimd te mogen zeggen: \'t Is volbracht! En om vervolgens Jezus uwen Goddelijken Zoon en ü, o Goede Moeder! te mogen bedanken van alles wat Gij voor ons gedaan hebt; en eindelijk om in gezelschap van Engelen en Heiligen in den schoonen Hemel Gods barmhartigheid te mogen lofzingen gedurende de eeuwen der eeuwen : Misericordias Domini in ceternum cantabo. Amen.
EINDE.
BLADWIJZER
DERDE JAARGANG
EERSTE MEDITATIE
Bladz.
Van af de instelling van het Allerheiligste Sacrament des Altaars tot aan het verraad van Judas.......10
I. Droefheid van Jezus in den Olijfhof ... 13 Over de droefheid over de zonden.
II. Gebed van Jezus tot Zijnen Hemelschen Vader . 16 Over het gebed en deszelfs voorwaarden.
â 228 â
TWEEDE MEDITATIE
Bladz.
Van af het verraad van Judas tot aan de gevangenneming van Jezus. ... 23
I. Verraad door Judas gepleegd .... 26 Over het niet bedwingen eener slechte genegenheid.
II. Zondaar die Judas navolgt.....30
Over eene heiligschendende Communie.
DERDE MEDITATIE
Van af de gevangenneming van Jezus tot aan de rechtbank van Pilatus .... 39
I. Mishandelingen van Jezus in het huis van
Caïphas........41
Over het vergeven van de beleedigingen zijner vijanden.
II. Droefheid van Jezus veroorzaakt door Petrus en
Judas ........ 49
Over het vluchten der gevaren en gelegenheden der zonde.
VIERDE MEDITATIE
Jezus voor de rechtbank van Pontius-Pilatus. 60
I. Jezus in verhoor bij Pontius-Pilatus ... 61 Over het rijk Gods.
â 229 â
Bladz
II. De schijnheiligheid der Phariseën en Schriftgeleerden en de onverschilligheid van Pontius-
Pilatus........68
Over de huichelarij en de onverschilligheid in \'t hooren van Gods woord.
VIJFDE MEDITATIE
Jezus voor de rechtbank van lier odes . . 78 I. Jezus door Herodes beleedigd .... T9
Over de bespottingen der wereld.
II. Welke Christenen door de wereld beleedigd
worden........86
Over het lot der bespotteden en der bespotters.
ZESDE MEDITATIE
Jezus voor de tweede maal voor de rechtbank van Pilatus . . .... 96
I. Beleedigingen Jezus op nieuw bij Pilatus aan
gedaan ........98
De Joden geven de voorkeur aan Barabbas boven Jezus.
II. Wie de Joden navolgen ... . 103 De zondaren geven de voorkeur aan den duivel
boven God.
â 230 â
VIERDE JAARGANG
EERSTE MEDITATIE
Bladz.
Korte geschiedenis van Jezus\' lijden van af het begin tot aan de geeseling . . . 116 I. Gebed van Jezus en verraad van Judas . . 119
Over het gebed en de heiligschendende Communie. II. Jezus voor Caïplias, Pilatus en Herodes . . 123 Over de misdaad waaraan de zondaar zich plichtig maakt.
TWEEDE MEDITATIE
Jezus wordt gegeeseld.....135
I. De geeseling van Jezus.....137
Over het schandige en pijnlijke dier geeseling.
II. Welke zonde door de geeseling vooral is uitgeboet. 143 Over de onkuischheid.
DERDE MEDITATIE
152 154
Jezus wordt met doornen gekroond I. De kroning van Jezus
Over het schandige en pijnlijde dier kroning
â 231 â
Bladz.
II. Welke zonden door de kroning zijn uitgeboet 160
Over de hoovaardiglieid, de wederspannig- en zinnelijkheid.
VIERDE MEDITATIE
Ecce Homo! Zie den Mensch! .... 170 I. Jezus wordt door de Joden verworpen . . 171
De zondaren verwerpen Jezus ook.
II. De Joden stellen den keizer boven hunnen
Messias..............179
De zondaren geven de voorkeur aan den duivel boven God.
VIJFDE MEDITATIE
De kruisdraging van Christus I. Jezus neemt het kruis op de schouders
Geschiedenis van den kruisweg.
II. Jezus valt en hervalt onder het kruis.
De zondaren hebben Jezus doen vallen hervallen.
ZESDE MEDITATIE
De kruisiging en de dood van Jezus . . 209 I. Jezus wordt aan het kruis gehecht . . . 210 De zondaren kruisen Jezus op nieuw.
189
190
199
â 232 â
Bladz.
II. Jezus, aan liet kruis bespot, sterft , . 216
De oneerbiedige Christenen volgen de bespotters na.
EINDE.