-----
-\'
vquot;\':\'
V\'
\'\' \'f r
■k\'
. t
\'c^-/
\' ; •: gt;. - .v \'
, . -
\' - V
: \'v
V.r?v,
■ \'t \'\' , \'f- \'\'
quot; \'i , V
1
--- •\' f
./
. ■\' \'^j^-
v \',v
\'
j - .- .iT. 1 V :
:; H\'-- ■■ r\'l\'y-
- ■ \' \'f \' \' -\' \' ■
\' ■ \' i -P !\\ quot;V ■ .
^ ^ : ^ i quot; it\' A\'\\
A - \'-$* w\';.: \' \'
mm ft,:
-v
NICOLAAS BEETS.
LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.
(Verkrijgbaar by D. BOLLE, Rotterdam.)
VOLLEDIGE UITGAVE, NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKT EN OPNIEUW HERZIEN.
GEMENGDE GEDICHTEN. Ö116 BUNDEL. 1869 — 1873.
Onsterfelijk .
God laat groeien De opperzale .
Vier Engelen .
Liefde tot Jezus Verzen Roepstem
Aan zekeren ouden boom Man van den dag.
In schoonmaakstijd .
Verbeter, en verbitter niet Een goede raad van Lavater Uw tijd .
In het Nijenburgsche bosch „Kennis is machtquot;
Star en kus.....
Aan een pas geleerde .
De wilg aan een dichter In het diaconessenhuis te Utrech Vaderlandsche leuzen.
\'s Levens doel .
In den zomer .
Wat geef ik om een werelddeel
Gebonden stijl......
De kerk op den Vluchtheuvel ingewijd Feestzangen gezongen op het Zendings? Boetvaardigheid . .
Op iemands bladvullingen Carpe diem....
Jan Veelschrijver .
Grain de beauté .
God is liefde .
De gebroeders te Padua Hart en geest -Groot gemak .
ifeest
te
Bladz.
Strozzi\'s bijschrift op Michel Angelo\'s beeld: „de Nachtquot; . 29.
Hedendaagsche methode............29.
Tijdens den oorlog.............30.
I. De oorlog verklaard...........30.
II. Bemoediging.............30.
III. Het slagveld van Gravellotte..............31.
IV. Uitboezeming. (Na Sedan).........33.
V. Aan Lodewijk Napoleon.........84.
VI. Aan Koning Wilhelm..........36.
VII. Noodkreet van den stillen burger in \'t geteisterd
VIII. De hoofdstad der beschaving........38.
IX. Parijs in opstand............39,
X. Aan_ een gewezen dichter.........40.
XI. Parijs in brand...... .....41.
XII. Caesar triumphator........ . . 43.
Ter gedachtenis..............44.
De vijftiende...............47^
Voorzienigheid...............48.
Het portret................49,
Hard en ïacht...............51.
Weleer en thans..............51.
Aan den Apostel Johannes...........51.
Voor den krijgsmansstand...........53.
Aan de artsen...............54.
Een lied op het jaarfeest der ütrechtsche Zendingsvereeniging 55.
Ontwikkeling der vrouw............57.
Het lied des vertrouwens...........58.
Bij het graf van Mr. C. W. J. Baron van Boetzelaer van
Kinderkusje................60.
Tactiek.............. . . 6L
\'t Is alles goed...............61.
De natuur aan den natuuronderzoeker dezes tijds. . . 61.
Vernuft en vlijt..............62.
Als gij voor \'t laatst.............62.
Vaderwijsheid...............63.
Sanctum sanctorum.............63.
Tegenstrijdig...............64.
Utrechts blinden aan hunne weldoeners.......64.
Bladz.
De kunst om de kunst............65.
Hans aan Hanslein.............65.
Kortom — in het kort............65.
Ter gelegenheid van het Taalcongres te Middelburg in September 1872.
I. Aan Zeeland.............66.
II. Het wapen van Middelburg.
III. In de oranjerie van Overduin
Een goede preek......
Bij het graf van Bernard Gewin.
Pracht .........
Jubilarissen.......
Bij den dood eens uitnemenden .
Voor de Utreohtsche waterleiding Baas boven baas.
Schoolverzuim.
Eenheid ...
Bij het graf van eene achttienjarige Hooger waarheid.
De regenboog.
Aan mijn vrouw .
Bij het graf eens Evangeliedienaar!
Oppervlakkigheid Van buiten rood .
„Lionquot;.....
Eens vaders raad
Audax.....
Voor de vuist-Aan sommigen .
Verkregen wensoh .
Oculus animi speculum Niet waar?
Macht en onmacht .
Kunstvaardig . . .
Echt en basterd .
Geestdrift ....
Een rol te spelen Wie van beiden geldt Tweeërlei ....
Jan Zonderling .
Naar Don Manuel. I. II.
Peter de Groote\'s geschenk aan Willem III Kennis niet = kracht Oefening ....
Erg......
Neem het beste . .
Roerend.....
held
voor den grootsten
INHOUD.
■\\t m rmiaz.
.Ncicir Tersteegen......_
79.
Saussaye.
a
Mei 1874
99. 99. 99. 99. 100. 100. 100. 101. 101. 102. 103.
103.
104.
\'rouwdag
[V Taal-
Festina lente
Geen kind des tijds................79
GEMENGDE GEDICHTEN. BUNDEL. 1874—1880.
Goede raad........
Niets onvermengd.......
Vuurwapenen........
Anna s sterfdag. Aan de beroofden .
Bij Anna\'s begrafenis......
Haar Bruidskrans......
Hopeloos onderwinden.......
Bij het open graf van Daniël Chantepie d
Theol. Dr. en Prof........
quot;s Konings Vijfentwintigjarige Regeering: 12
Cnassmet-versje.......
Zendingslied.......
Bij den dood van Henriëtte Swellengrebel I
Cave Canem.........
Opvoeding........
Spreek van uzelven niet ....
Aan verachters huns volks.....
Een van beiden.......
Agnes bruid.......
Nederland en Amerika. Ook een toepassing
Verschillend oordeel......
Hygiëensche verbrandingsijver
Het ledig wiegje........
Echtverjaring........
Aan Dr. Matthijs de Vries ....
Heilwensch .......
De kracht bestaat Slechts bij de maat
Wereldwijsheid........
Zonder woord.......
Green opstanding, noch engel, noch geest .
Aan mijne vrienden D. M. O. op hun veertigjarig
Aan „Mijn Wijfquot;......
Mijn Heer en Mijn God .....
Anna Wilhelmina . .....
Maastricht. Feestdronk aan den disch van \'t
en Letterkundig Congres Zedenwet......
VIII
Bladz.
Sine quibus non..............104.
Verkeerd efleot..............105.
Bij het graf van een Vader, na een jaar tijds zijn eenige
Dochter daarin gevolgd..............105.
Re non verbis..............106.
Maartsche Bruiloft.............106.
De Horenslak...............107.
Morale Inde\'pendante............108.
Ter Zilveren Echtfeest van enz..........108.
Tijd = Geld...............109.
Laudari a viro laudato............109.
Naar Epictetus..............109.
Onderscheiding..............109.
Luchtkasteelen..............109.
Verflauwing...............110.
Ottho Gerhard Heldring...........110.
Taal en letteren..............111.
Aan de versierden met het Metalen Kruis.....113.
Teleophobie...............114.
Materialistische Logica............114.
Psychologie...............114.
Prima quae vitam dedit hora, carpsit.......114.
Wet der tranen..............115.
Waarschuwing..............115.
Zelfs dat niet........ ......115.
Kattjesspel................115.
Rol creëeren........•......115.
Aan mijn Zoon. Met een uurwerk........116.
Voor kort.................116.
Victuros agimus semper ree vivimus unquam .... 116.
Herinnering...............116.
Aan een opgeworpen ziekentrooster........117.
„Alle menschen zijn leugenaarsquot;.........117.
\'t Spreekt vanzelf.............117.
Aan Clara, op den dag van haar vertrek naar Oost-Indië 117.
Openlijk verloofd. Aan..............119.
Queruliana, I—VIII.............120.
Gestoorde Bruidsvreugde...........121.
In het Bosch...............122.
Onderwerping met volharding.........128.
Een Grafschrift..............123.
INHOUD.
Bladz,
Noblesse Oblige..............124.
Aan Favellus...............124.
Een weg die uitnemender is..........125.
Teleurstelling...............125.
Eervolle uitzondering............125.
Nieuwe Stijl...............125.
Nieuwste Stijl...............126.
Gulden Bruidspaar.............126.
Ontwikkelings-tbeorie............127.
Hlc Bhodus, hio salta............127.
Bileams ezel...............127.
Noodwendigheid..............127.
Tegen misrekening.............127.
Drieënzestigste verjaardag...........128.
Bij een graf in den vreemde..........129.
Kindertranen...............130.
Beproeving................130.
Ter Begraafplaats.............131.
Indien ge iets goeds verricht, enz...... . . 131.
\'t En is geen rijkdom, enz...........131.
Consequent................132.
Ter nagedachtenis.............132.
Voor oudejaarsavondpredikers.........133.
Werk door en woeker met uw uren, enz.......133.
Uw stof is arm; enz.............133.
Tezijnertijd komt ramp en tegenspoed, enz......133.
Catheder-Novellisten.............134.
Jacobus Jan Cremer. . ...........134.
Twee Sterfbedden.............134.
Mijn Zwarte Tijd..............135.
Aan J. Langelaan, veertig jaar Arts te Heemstede. . . 135.
Quandoque bonus dormitat Homerus.......135.
Genoeg is meer. Spreuk van Anna Roemers.....135.
Oost, West, Thuis best............136.
Sentimenteel...............137.
Bis in eundem..............138.
Verkeerde wereld.............138.
Domme dommekracht............138.
Zie wat gij doet ..............138.
Op het Huwelijk van mijn achtste kind......139.
Aan L. R. Beynen, te Leiden mijn Contubernaal. . . . 140. .,\'k Ben dwaas geweest,quot; enz...........141.
X
t. Ik zal \'t bewondren, wü \'t verheffen, enz.......141.
1. Conservatief quand même...........141.
4. Gelukwenschen..............141.
b. Qui bene distinguit, bene docet.........142.
5. Aan wijzen van den dag...........142.
5. Hein Hoogvlieger.............142.
5. Vrouwendeugd..............142.
8. Anders.................142.
6. Deugd en Deugden.............143.
7. Gods Borduurwerk.............143.
7. God en Godsbegrip.............143.
7. Incompetent...............143.
7. Bij een grafpaal..............144.
7. Non tali auxilio..............146.
8. Stof en kracht..............146.
9. Niet murmureeren.............146.
0. Bij eene sohoone doode............147.
0. Et poëma nascitur.............148.
1. Taal-optimisme. Aan...............148.
1. Aan Koningin Emma............149.
1. Jan Wring................149.
2. Een woord van Labadie...........149.
2. . Causa Mortis...............149.
3. Ongelijk huwlijk..............150.
3. Lachen.................150.
3. Kunstzin................150.
3. Twee Zusjes...............150.
3. De betere vraag..............151.
;4. Crambe Kecocta..............151.
4. Gezond verstand..............151.
■4. Stelsels.................152.
■4. Opgeblazen...............152.
15. Milde armoede..............152.
gt;5. Zoo wreed beroofd.............152.
!5. Gelukskind...............153.
15. \'k Ben jong geweest.............158.
16. Zware tijden...............154.
56. Onvermogen...............155.
57. Mtya i6 T-rji; fvGfftfLnq /Avar^QiOi\'........155.
57. Aan Prinses Marie.............156.
58. I Altiora contra Humaniora...........156.
58. Dagbladstijl.......... .... 158.
58. Lang van stof...............158.
38. Hellend vlak...............158.
38. T\'ó ydp yfjdutiu \'auoxxfivfc Tb óé Ttvfv^u ^tooTToifZ, . . 158.
39. Evangelizeeren..............159.
40. Victor Hugo...............159.
41. Nieuwste Dichtschool............159.
INHOUD.
XIT
Bladz.
Den Heere De Veer.............160
Minuutwijzer...............161
De Wraak van Koningin Eleonora, 1173......165
Ontwikkeling...............174
Sursum Corda...............174
Blijde Verwachting. Maart 1880 ..................175
Classieke wereld..............175
De Verborgenheden des Geloofs.........176
Nieuwerwetsch onderwijs...........176
Biooht eens oprechten......... . . 176
Bevallig onkruid..............177
Bij het graf van Mr. George Willem Vreede. . . . 178
Uw alziend oog..............178
Jonge doode. Naar Malherbe..........179
Gebruik en Misbruik............179
Breek den pas! . . . . •.........179
Aan Rinidius Naso.............180
Blijde tijding. 31 Augustus 1880..................180
Treurspel . . ..............181
Aan G. J. Loncq. Med. Doctor en Professor.....181
Met een waaier. Aan...............181
Met een verrekijker, aan mijn dochter, naar Madera vertrekkende.................182
Over \'t paard tillen..............182
Levenskracht. Arbeidsvermogen.........182
Getrouwd. Aan een betrouwbaar paar.......183
Aan Therèse Schwartze. Na \'t verlies van een geliefde
Nog ten achteren...... ......184
In een exemplaar der „Kinder- und Hausmarchenquot;. . . 185
Nieuwste Wetenschap............185
GEMENGDE GEDICHTEN. 8ste BUNDEL. 1880—1884.
„Mijn dagen zijn in \'t gele bladquot; enz........187.
Byron, aan wien deze eerste regel ontleend is, schreef op zijn zesëndertigsten verjaardag:
INHOUD.
My days ars in the yellow leaf;
The flowers and fruits of love are gone; The worm, the canker, and the grief Are mine alone.
The fire that on my bosom preys
Is lone as some volcanic isle;
No torch is kindled at its blaze —
A funeral pile!
Wat ik verbad: „Een wintersche ouderdomquot;, Zie „Najaarsmijmeringquot;, 1836. Dichtw. IL 28.
Bladz.
Haarlems Flora..............189.
Een uit velen........... ... 190.
Bij het graf eener Moeder. ... ......191.
Morgenstond...............191.
Naar Maerlant .............192.
Lied voor Lijkverbranders..........193.
Profaneeren...............193.
Het Eigen Huis..............194.
Onze Koningin. Aan Ther\'ése Schwartze . . ... 195.
Het Tranenkruikje............ ■ 197.
Aan J. J. Van Oosterzee, Veertig jaar Evangelieprediker. 198.
Geen rimpels..... .........198.
\'t Poëtisch Oor ..............199.
Een woord van Pica de Mirandola................200.
Teksten. ..............................200.
Aan den Heiland........ ..........200.
Voorzichtig!...............201.
Tempus actum..............201.
Dank voor Loon............................202.
Bii het Graf eener Zevenentachtig-jarige............202.
Ai irato......... ............203.
Twee vijanden............................203.
De Bass-rock..............................204.
De Berken van Aberfeldy . . ..............206.
Verheug u in den nevel niet....................207.
Kunst geen nabootsing........................207.
Zelfbewustzijn............................207.
Malcontent ............................208.
Tusschen de regels..........................208.
Alternatief. Aan........... . ■ • . 208.
Uit één stuk............... 209.
Kring van denkbeelden........... 209.
Onderzoeker, verzoeker............210.
Aan mijne twee nog overige zusters.......210.
XIII
INHOUD.
Bladz.
De mannen van Homerus...........211.
Ken u zei ven...............211.
Gods kennen en God kennen..........211.
Proefmiddel...............212.
Geluksrecept...............212.
Aan Hendrik Conscience...........212.
Onmogelijke definities............212.
Op mijn portret door Therese Sohwartze......213.
Het Lijden van den jongen Werther. Volgens Thackeray. 213. De Kielen en de Wielen en de Rand van \'t Land . . . 214.
Wees vroolijk...............215.
Aan de Critiek..............218.
Aan een Recensent.............218.
Voelhorens................218.
Alleenspraak van een wijsgeerig kuiken......219.
Geef meê.....\'........... 220.
Laat de leer voor andren staan.........221.
Echtpaar.............. . 222.
Zielsverheffing.............. 222.
Groothartig............... 222.
Stel tegen drift geen drift.......... 223.
Wat de natuur bedwingt........... 223.
Pessimisme............... 223.
Vreeze des doods............. 223.
Gevolgtrekking.............. 223.
Os sublime............... 224.
Coelumque tueri.............. 224.
Het lied van de Cel............ 224.
Opvliegendheid.............. 225.
Veel pijlen............... 225.
Niet ten halve.............. 225.
Vraagt gij............... 225^
Blaf, trouwe hond!............. 226.
Aan mijn Zonen.............. 226.
Liefde na den dood............. 227.
Gelooven en Weten............. 229.
Geen Doel? ............... 229.
Vos non vobis.............. 237.
Bilderdijk................ 237.
Geen vergeldend God............ 237.
XIV
Bladz.
OpreoVitlieid .... .......... 237.
Liefdes Eijkdom..............• 238.
Driftige mensclien geen verraders........ 288.
Het oog verraadt den mensch ... ..... 238.
Veel leer ik steeds ............ 239.
Passend, maar ook gepast?.......... 239.
Querulianum............... 239.
Godloochening.....quot;........ 239.
De Dood verzoent............. 240.
Wel duizendmaal............. 240.
Verstand en hart............. 240.
Geen vergoeding............. 240.
J. J. Van Oosterzee, in den vreemde gestorven .... 241.
Washington...... . ...... 242.
In het Album, Mevr. Boaboom—Toussaint aangeboden . 242.
Daar is iets tiutligs in die oogen........ 243.
Variis modis—male fit............ 243.
Bekeering of bekeerdheid?........ ■ 243.
Vacantiewerk.............. 244.
The pen is mightier than the sword....... 244.
üw hart is in uw oogen........... 245.
Bloemendaal. Aan Ida en Cornelia De Marez Oyens . . 245.
De Oude Olm bij Kraantje-lek......... 248.
Aan den predikant J. Moll Jbz..........251.
Wij vergeten...............251.
Wees sterk en Hij zal uw hart versterken..... 252.
Verdraagzaam. Aan ***........... 253.
Een vraag................ 253.
Vrije gemeente.............. 253.
Aan J. P. Hasebroek, op zijn zeventigsten verjaardag. . 254.
Zware proef............... 255.
Kleurloos en Kleurloos is twee......... 255.
Misrekening............... 256.
Tijs en Gijs............... 256.
Hebbende een zwaard............ 256.
Wat zoekt gij?.............. 256.
Gij schittert............... 257.
Al te fel................ 258.
Raadsels. Uit het Pransch.......... 258.
Spreekt uw hart............. 259.
Godsdienstig leven............. 260.
Dat telt af............... 260.
Een Nieuw Lied voor het Nieuwe Jaar......261.
Walter Scott............... 263.
Bladz.
Rosabella................ 268.
Stemmen der Natuur.........• . . 271.
I, Augustusnacht...........271.
II. Januarinacht............ 272.
Moed en overmoed............. 273.
Geen Schepper.............. 273.
Michel Angelo\'s La forza d\'un bel volto etc..... 273.
Wat doet gij ?.............. 274.
Vergeet ze niet.............. 274.
Sledevaart................ 275.
De Wijsheid, die aan d\' eisch voldoet. .... 276.
Sleutelbloem............... 277.
Victor Hugo\'s Soyez comme l\'oiseau....... 277.
Mij dunkt daar klopt geen jonger hart...... 278.
Zieltje zonder zorg............. 278.
Lachebekje............... 279.
Bleekneusje............... 280.
Aan mijn Jonathan, op het Gedenkfeest enz.....281.
Est modus in rebus.............282.
Nemo mortalium omnibus horis sapit....... 282.
Quieta non movere............. 283.
Niet begrepen.............. 283.
Propter vitam vitae perdere causas....... 283.
Laatste schans.............. 288.
A Dieu ta vie, en Dieu ta fin......... 284.
Kozen. Aan Vrouwe Van Loon—Voombei-gh..... 285.
John Wiolifs asch............. 286.
Bij een in laten herfst nog groenen treurwilg .... 287.
Vertrouwen............... 287.
Pijnstilling............... 287.
Eens Menschen Hart............ 288.
Naar Hooger.............• . 988,
Groepeeren............... 288.
Die altijd drinkt, enz............. 290.
Partijgeest............... 290!
Wie ooit?................ 290.
Naooging. Aan Miss Ada Mary B. op zee naar Australië. 29L
De omtuining uit!............. 292.
Ontleende Gedachten............ 293.
I. Alternatief.............. 293.
II. Aan een Materialist........... 293.
III. Jeunesse dorée............. 294.
IV. Verdraagzaamst............ 294,
V. Verleiding.............. 294,
VI. „Ten eerste zuiverquot;........... 294,
VII. Ontziet elkaar............. 294,
I
INHOUD. XVII
Bladz.
271. TTIT DES
97^
273 1882. 1883.
274. Eladz.
274. Inleiding................................297.
274. Aartsengel Michaels boodschap..................803.
275. Astolfo\'s Maanbezoek............311.
276. Lof dei- Vrouwen..........................324.
277. Lieve Vrouwen............................325.
277. Vrouwelijk Voorrecht........................325.
278. Onweerstaanbaar..........................326.
278. Tijden en Weertijden........................326.
279. Geruchten..............................327.
280.
281. GEMENGDE GEDICHTEN. O3® BUNDEL.
282.
282. Wat eiloofranken, trouw festoen, enz................329.
283. Aan niijn Volk..............331.
283. Aan de Nederlandsche Studenten, mij op mijn Zeventigsten
283. Verjaardag een Winterstuk met Zonsondergang, van
288. quot;Duchattel vereerd hebbende..................832.
284. Het sneeuwt..............................332,
284. Quis separabit?............................383.
285. Middelmatig. Aan................................338.
285. \'t Beweren warmt niet......................388.
286. Perspicua................................384.
287. Twijfelen................................834.
287, Ik weet niet..............................334.
287. Voor \'t Goede............................384.
288. Dweperij....................834.
988. Mijnen vriend G. H. De Marez Oyens..............834.
288. Aan Dr. J. I. Doedes........................835.
290. Zilveren bruiloft..........................335.
290. de beeltenis van Prinses Wilhelmina............386.
290, Jozef..................................386.
291, Kort zijt ge.....................387.
292, Aan mijn meerderen . ■....................337.
298! Hij weet te min..........................337.
29g, Naar Thomas Moore........................337.
298, I. All that\'s bright must fade................337.
294. II. \'t Is the last rose of summer..............338.
294^ »,wi) wetenquot;............................889.
294. Een zwakke................339.
294\' Men kan hetgeen men wil....................389.
294!
1
echt
üti
te
véritéquot;
justrt
San
denburg ,
Bijna ....
Populair . .
Te uitvoerig.
Sonnetten. .
Zelfzucht . .
De Schoonste .
Aan J. J. L. Ten Kate, op zijn Gedenkfeest Bede van het oude Orgel der Nioolaï-Kerk Het Roode Kruis ....
Beleefdheid......
Waar Geluk......
Goede Raad......
Het Barkschip „Nicolaas Beets
Niet compleet.....
Aan een Vrijdenker •
Verhef de liefde Gods.
Dankbaar Ontzag ....
Die zegt.......
Arme pronk......
Heel dom te wezen „Du choc des opinions jaillit la
Een.....
Twijfelen ....
Een Grafschrift-Levens-beschouwing Gepeins ....
Aan de Leidsohe Hoogeschool op haar LXIIste Op de eerste bladzijde van een Gedenkboek De liefde blijft het beeld bewaren,
Geef woorden aan uw leed .
Wegen.......
Mogelijk.......
Germania.......
Aanvaard uw geluk .
Zoo zijn er......
Wee hem!......
Geen uitneming des persoons Non tali auxilio ....
Zaak en Vorm.....
Gematigd.......
Wat beter is.....
Abba Vader.....
Niet wat gjj kunt ....
Aan een Mistroostige .
Constant Theodore Grave van Lijnden van Aan Dr. Coenraad Leemans.
Stijl-les.......
Sti)l-verschil......
Niets nieuws.........
Onvoldoende.........
Je, jij, en jouw in brief en boek .
Neen, \'t leven ziet niet steeds zoo zuur De godsdienst leeft met God .
Waar \'t van afhangt......
Het komt vanzelf niet......
Een woord van Claudius.....
Aan mijne Vrouw.......
Aan mijne Jongste.......
, Ue Heer weegt de geesten....
De Slaap..........
A an..............
Aan een jonge Weduwe, uit Oost-Indië
Goedhartig zijn........
Versche Smart........
Het Schoone is altijd schoon . .
Diamant en Kool.......
Slechts het hart,.......
Twee Levensbeschouwingen ....
De mortuis nil nisi bene.....
Dum trahimus trahimur.....
Aan een Overgeleerde......
Les. Geen leer........
Zelfs verzen!........
Illusie. — Knthusiasme.....
Nardus..........
Wat in den grijsaard omgaat .
Philophrosyne........
Nieuwe Leer.........
Hypothesen.........
Engelsch Tractaatje......
Hoe schoon.........
Onzijn...........
De laatste eer........
Schrijf op mijn zerk geen lofgedicht . Grafschrift voor mijzelven ....
Niet klagen.........
Bij liet graf van A. L. G. Bosboom-Toussi
Meer, niet = meerder.....
Een dilettant gevonnisd ....
Doctor Umbraticus......
Als de storm is opgestoken .
Nog eens Mei.......
Veenrook.........
Zelfonderzoek.......
Waar een wil is, is een weg .
Anneke.........
terug
amt
INHOUD.
Pieter .......
Zoek -waarheid ....
Zoek wijsheid ....
Meer.......
Gij zijt zoo goed . . .
Een al te groote ramp . Kerkgebeden. .
Aanvang dor Beeldende Kunst Ingehouden tranen.
De Eoolsche Harp .
Nubem pro Junone. .
Bedekselen.....
Aan Leiden.....
Spreek zachtzinnig.
Een slimme streek.
Slijten.......
Hoe men gewoonlijk handel Aan een Zestienjarige.
Onbevoegd oordeel.
Uitroeien......
Het heeft geen haast.
Deugd en geluk. .
Puloheria......
\'t Geluk is enkelvoud.
Het Woord en de Stem .
Meedeelen.....
Herfstpraal.....
Gevaar......
Voor de Zwakken .
Naar Henri Frederic Amiel
Hohwald......
Verzoening.....
De Fakkels gaan van hand tot hand Teleurstelling .... Comma-Bacillen. .
Industriëele Tentoonstelier Aan een Reiziger rondom de Wereld
Het Leven.....
Lang en Kort ....
Bij een Beeltenis .
Penseel en Beitel -Berusten is zoo maklijk niet.
Daar \'s over u iets heengegaan Het Zendingwevk .
Eenvoudig zijn ....
Als de kinderskens.
Die tegen \'t Oosten treedt Vernuft......
Bladz.
368.
inhoud.
Bladz.
............389.
............390.
............390.
............390.
......391.
......................392.
......................393.
schoone bloem..............394.
......................394.
394. 895.
396.
397.
397.
398.
Vei-worven smaak Gebeden .
Een Psalm . \'s Konings Zeventigste Probleem.
Pijn.....
Winter .... Verwelkt, verdort gij, Waar zijn? .
LeelijkV Mooi? . Ue Doodsklok . Een Kerkhofwandeling Twee Pilaren Verjaardag .
Aan mijn Vaderland
Verjaardag.
Feest-cantate bij de viering van het tweehonderdvijftig-jarig
bestaan der ütrechtsche hoogesohool....... 899.
Het gladde voorhoofd onzer jeugd, Dat elk verheugt,
Krijgt met de jaren kreuken. Een lied der min Is aan \'t begin,
Maar \'t einde ervarings-spreuken.
Voor \'t minst, indien het leven doet Hetgeen het moet,
En niet vergeefs verspild is, Zoo vreugd en smart Voor hoofd en hart Werkt wat door God gewild is.
zesde bundel t
1869-1873.
Enkele der in dezen Zesden Bundel voorkomende gedichten mogen van tijd tot tijd, langs dezen of genen weg, eeaigszins bekend zijn geworden, de overige hebben tot hier toe het licht niet gezien, en de bundel als bundel, kan tot hiertoe OHuitgegeven worden genoemd.
Sept. 1875. _
Dichtresnaam zal immer blinken; \'t Echte lied Sterreft niet,
Eeuwig blijft het klinken.
Krijgsmanseer zal nimmer sterven, Heldenaard,
Ridderzwaard Nooit zijn eerkrans derven.
Martlaahsbloed blijft altijd spreken; Vroeg en laat Uit dit zaad God zijn Kerke kweeken.
Eedle daad gaat nooit verloren; Lang miskend Zal ze in \'t end Als \'t gesternte gloren.
Vuig verraad wordt nooit vergeten; \'t Laatst geslacht Blijft met kracht Schelmen schelmen heeten.
1869.
GOU LAAT GROEIEN.
God laat groeien; Die groeien laat is God. Waar roos of lelie bloeien, Waar zaadje of blaadje bot.
1
de opperzale.
Daar staat de naam te lezen. Waarmee verblinding spot. Die groeien laat is God.
Wie zou het anders wezen?
Zijn almacht zij geprezen!
Zijn goedertierenheid Zij eeuwig lof bereid!
God laat groeien;
De groote God alleen. Wij zaaien en besproeien;
Maar wasdom geven? Neen. Wij vragen, vorschen, zoeken. In weetlust, nooit gestuit; Wij vinden namen uit, En schrijven ze in de boeken, Maar winden \'t in geen doeken: „Ook zelfs wat groeien is ,Blijft Gods geheimenis.quot;
God laat groeien;
Gezegend al wat groeit! De levensstroomen vloeien Daar vol en onvermoeid; De levenskrachten werken Daar dat men \'t ziet en tast. Gezegend al wat wast!
Het doet ons God bemerken, Den Levenden en Sterken, Die niet slechts heeft en geeft, Maar werkt in al wat leeft.
DE OPPERZALE.
En als zij ingekomen waren, gingen zi: op in do opperzaal, daar zij bleven, [namelijk] Petrus en Jacobus, en Johannes, en Andreas, Phillppns en Thomas, Bartholomeus en Mattheus, Jacobus Alphei [zone], en Simon Zelótes, en Judas de broeder van Jacobus,
Deze allen waren volhardende in \'t bidden en smeeken, met de vrouwen, en Maria de moeder van Jezus, en met zijne broederen.
Hand. 1: 13, 14.
Een huivering van eerbied schokt mijn leden.
Als ik met mijn gepeis Jeruzalem bereis.
En \'t waag, stille Opperzaal, u in te treden.
DE OPPERZALE.
Daar zitten zij terneer,
De vrienden van mijn Heer,
Zich sterkende in eendrachtige gebeden.
Mijn heilige verbeelding scherpt haar oogen,
Dat ze onderscheiden ziet.
Is dit die Petrus niet,
Die nu Zijn kudde ■weer zal weiden mogen? \') En naast hem, in dien kring,
Ons aller lieveling.
Die \'t hoofd op \'s Heilands borst had neergebogen.2)
De ziel, „waar geen bedrog in werd gevonden,quot; Spreekt, dunkt mij, uit dit oog.3)
Daar zit hij, die zich boog Naar \'t heilig merk van des Gekruisten wonden. ■\') Mji trekt de kruin vooral.
Die \'t eerste vallen zal Om bloedend zijn geloofstrouw te verkonden.1)
Ziehier, die \'t vroegst het Cxodslam zoo bescheiden Navolgde waar hij trad.
En straks het voorrecht had,
Een broeder op dien goeden weg te leiden/\') Zie hier den Tollenaar,
Op de eerste roepstem klaar Om lief en leed met Jezus te verbeiden.2)
Toont niet dit oog, waarin de vonken gloren, Van noo bedwongen gloed Eens IJveraars gemoed? — s)
Ziedaar den mond, die ongeloovige ooren Genas door \'t „Kom en Zie!quot;9)
Ziedaar de lippen, die Het „Heer, toon ons den Vader!quot; deden hooren,10)
En \'t ongeduldig woord: „Wat mag het wezen. Dat ge u aan ons verklaart,
En geenszins openbaart Aan al des werelds volken?quot; \'t kwam uit dezen.11) Nooit hoorden wij de stem Des broeders nevens hem;
Ook dien nochtans had Jezus uitgelezen.
Dit zijn zij; dit de mannen, zoo verscheiden Van gaven, aard, en naam,
Gewaardigd al te zaam
3
1) Joh. 21:15 en vervolg. a) Joh, 21:20. ;,1 Joh. 1:48.
) Matth. 9:9. sgt; Simon Zelotes, d i. de IJveraar. y) Joh. 1:46,47.
de opperzale.
Zijn godlijk Evangelie te verbreiden;
In Zijne school g-ekweekt Tot martlaars — Eén ontbreekt... Helaas! waar is „de plaatsequot; des misleiden? \')
Gelooft gij nu, gij, Broederen des Heeren ? -) En voegt ge u in den kring.
Die van zijn Geest ontving,3)
Nadat ge op aard zijn aanscliijn moest ontberen V — 0 Moeder, welk een feest Der ziele! Hier geneest De wond, die \'t zwaard u sloeg, niet af te keeren.
Hij voer ten hemel in, dien gij zaagt slachten. En die u van zijn kruis Den zoon wees, in wiens huis En hart een plaats was voor de diepste klachten Der moedersmart; maar nu!
De Zoons omringen u!
Dit overtreft gebeden en gedachten.
En met u zijn de Zustren; deze „Vrouwen!quot;
Haar liefde liet niet af.
Bij bloedig kruis noch graf.
Wat spelt mij hier het aanzijn dier getrouwen V Dat Jezus zijne kerk Ook door het stille werk Der moeder- en der zusterhand zal bouwen.
O Kleine schaar in de Opperzale! Vrede Zij u! — Voorspoedig zal Uw honderdtwintigtal Zich verveelvuldigen bij de eerste schrede,
Die gij daarbuiten zet!4)
Volhard in smeekgebed!
Tien dagen, en de Heer verhoort uw bede.
Dan dalen al de krachten, lichten, gaven Des geestes op u neer.
Ten teeken dat die Heer Zijn heerlijkheid, door u, voor de aard wil staven. Dan schijnt de groote zon;
Dan zal de volle bron,
4
Door uwen dienst, den dorst der volkren laven.
r} Hand. 1:25.
1869.
2) Joh, 7 : 5. 3) Joh. 20 : 22. 4) Hand. 2 : 41.
VIEli ENGELEN.
VIEU ENGELEN.
(Een Recitatief.)
Wie is de Engel, die daar komt\'?
Zijn naam is leven.
Wat zal hij ons geven?
Wat brengt hij onder zijn vleugelen meê ? Strijd of vreê ?
Spaart uw vragen,
Plechtig zullen Een voor een Alle dagen Zich onthullen Zijn verborgenheên.
Een voor een Zal, bij \'t levenwekkend prikkelen Van elk volgend morgenlicht,
Bloem- op bloemknop zich ontwikkelen, Gistren dicht.
Heden ontloken, ontploken, ontvouwd.
Met een nieuwe geheimnis in \'t harte van goud. Staat op en nadert onbeschroomd.
Brengt hem nw groete en eeren;
Gezegend is hij, die daar koomt,
Koomt in den naam des Heeren!
Wie is de Engel die daar komt?
Zijn naam is vreugd.
Zijn aangezicht glinstert van eeuwige jeugd.
Rozerood als \'t morgenkrieken Zijn aan zijn schoudren de donzige wieken; Blijde als de dag Is zijn lieflijke lach;
Ketenen zullen zijn zilveren voeten,
Ketens van liefde ze kluisteren moeten,
Zal hij wat blijven en stille staan.
Hij komt om te gaan!
Hij gaat om te keeren;
Hij keert somtijds als smart vermomd. Om \'t even, wij zullen hem danken en eeren. — Gezegend is hij, die daar komt.
Komt in den naam des Heeren!
Wie is de Engel, die daar komt!
Zijn naam is leed.
5
vier engelen.
Staat op en treedt Hem tegen om eerbiedig hem te ontvangen,
Kust hem de harde hand en heet Hem ■welkom, schoon met hleeke wangen.
Hij zal blijven;
Den helderen hemel verdonk\'ren;
Hij zal blijven;
Lang zal de dag zijn, nog langer de nacht, Tot dat, in zijn schaduw, de taak is volbracht En de kroon in het duister gaat flonk\'ren. Treedt toe, treedt toe, neemt met geduld Den kelk, dien hij u langzaam vult,
Zijn alsem zal niet deren:
\'t Is artsenij Voor u en mij.
Maar wat het zij —
Gezegend, gezegend, gezegend is hij,
Die komt in naam des Heeren!
Wie is de Engel, die daar komt?
Zijn naam is dood.
Weest niet vervaard.
Maar den schedel ontbloot!
Want gij staat voor een koning zoo machtig en groot Den machtigsten koning der aard.
Glinstrend en kil als het kille zwaard. Het kille zwaard, dat u zal vellen,
Is \'t oog, dat u in de oogen staart,
De lach, die u gerust wil stellen.
Bedwing uw vreezen!
Mistrouw hem niet!
Het is geen kwaad, dat u geschiedt; Hij komt u bevrijden; hij komt u genezen.
Verbeidt uw lot!
Wilt ook in dezen Gezant van God Den Zender eeren.
En roept, daar zucht en klacht verstomt. Gezegend is hij, die daar komt,
Komt in den naam des Heeren!
Naar Anna Adelaide Procter.
LIEFDE TOT JEZUS.
LIEFDE TOT JEZUS.
Naar een lied alt de XVe eeuw.
Hofman v. F. Niederl. Geistl. Lieder des XV.
Jahrh. No. 92.
Horae Belg. X. 182.
Hooge vreugden zyn hierboven En in eeuwigheid,
Waar de heilgen Jezus loven,
Die hij plaats bereidt.
Mijnen Heiland te behagen.
Kies ik voor mijn deel;
Daar voor sterven alle dagen Is mij niet te veel.
Die des Heilands vriend wil blijven.
Zoekt met veel gebeên
Uit zijn boezem weg te drijven Lust en ijdelheên.
Die zijn Heiland mag beminnen Uit een rein gemoed,
Ziet zijn waar geluk beginnen.
Al zijn schuld geboet.
Die zijn Heiland toe mag hooren.
Diens geluk beklijft;
Want zijn hart heeft uitverkoren \'t Goed, dat eeuwig blijft.
Die vrijmoedigst kan betuigen Dat hjj Jezus mint,
Zal ootmoedigst nederbuigen.
Volgen als een kind.
Die voor Jezus kan verzaken Eigen wil en wensch:
Welk een loon hem rijk zal maken Raamt geen zondig mensch.
Die aan Jezus \'t hart blijft schenken,
Smaakt het zoetste zoet;
Al Gods wegen, woorden, wenken Z^n hem even goed.
Hem te zien, den Heer der Heeren,
In zijn heerlijkheid;
Daarnaar strekt zich mijn begeeren, —
Ware ik slechts bereid!
7
- ROEPSTEM. — AAN ZEKEREN OUDEN BOOM.
Wat is aan de vreugd gelegen
Van een nietige aard?
\'t Innig hart vliegt Jezus tegen En wil hemel waart.
VERZEN.
De verzen zijn bokalen,
Waarin een dichter zijn gedachten giet. Een vers is goed of niet,
Naarmate \'t vol is tot den rand, dien niet kan halen, Of over-vliet.
ROEPSTEM.
In bange dagen.
Haast, Haast u, berg u, vlucht in de Ark!
Laat geen Behouder wachten! De doodsschicht vliegt des daags naar \'t merk. De pest verpest de nachten.
Vlucht, vlucht in de Ark! De vloed stijgt hoog;
Luid bruisen storm en baren;
Zwart is het zwerk; toch kan uw oog Die toevlucht nog ontwaren.
Treed in, treed in! Is \'t eens te laat.
Dan blijft gij eeuwig buiten;
De deur, die nu nog open staat,
Is op het punt van sluiten.
Naar het Engelsch.
AAN ZEKEREN OUDEN BOOM,
Ligt de bijl aan uwen wortel, Boom der boomen Opgekomen uit een heilig zaad,
In wiens loof de vooglen vroeg en laat Nestien zouden en ter ruste komen?
Meent men dat gij nutloos plaats beslaat?
Hoopt men gansch geen vrucht meer van uw loten Breed, maar al te welig uitgeschoten?
Schaadt uw lommer aan het jonger hout.
Waar een nieuw geslacht zijn hoop op bouwt?
Ach wat krak, waar gij wordt omgehouwen.
Welk een smak zal \'t geven, als gij zwicht.
Welk een vak zich opdoen aan \'t gezicht! Ja, men zal ten lichten hemel schouwen,
man van «ex dag. — in sciioonmaakstijd.
Maar verblinden zal voortaan zijn liolit,
En verbrandend zal de hitte gloeien,
En de ruigte en \'t Hemmerkruid verschroeien,
Dat veel loofs en weinig wortels heeft,
Van den drop slechts levend wat het leeft.
Doch men krijscht: „laat ons den boom verderven!
„Voor zijn stam en takken geen gena!
„Wat te lang gestaan heeft, staat tot scha;
„Wat zijn tijd heeft overleefd moet sterven.
„Roei hem uit, dat zelfs zijn naam verga!quot;
Glinstrend rijst de bijl voor aller oogen,
En — de zwarte misdaad wordt voltogen?
Neen, mijn Boom! \'t is vruchtloos U bekampt! Gij groeit voort; de schendige arm verlamt.
Svellerla non puote.
Se da\' cardini suoi non svelle il Mondo, Francesco Gianni.
MAN VAN DEN DAG.
Voor u uit, voor u uit bruisen de baren;
Achter u, achter u sluit zich de stroom;
Rechts en links, rechts en links knielen de scharen, Wuiven de kransen en trillen de snaren;
Achter u, achter u eindigt de droom.
Bij uw graf, om uw graf staat men verslagen, Storten bewondraars met vrienden en magen
Lofspraak en klachten om \'t hartlijkst en grootst, \'t Graf wordt gesloten — onmisbre! wij weten. Heftig geprezen is haastig vergeten.
Luide gekreten is spoedig vertroost;
Snel is de keer van bewogen gemoederen;
Al te luid, al te luid loofden de broederen:
Al te stil, al te stil houdt zich hun kroost.
IN SCHOONMAAKSTIJD.
De man, die op den schoonmaak knort,
Heeft geen verstand, mevrouwen! Hij doet uw schoonste deugd te kort;
Wat deed hij ooit te trouwen?
Voor mij, \'k vergrijp mij nooit zoo grof, Maar zing uw lof.
Omringd van stof, En denk het vol te houen.
9
10 VERBETER, EN VERBITTER NIET.
Uw netheid doet ons Weemaal \'sjaars
Ter baaierd wederkeeren;
Al dunt dit haar bewonderaars,
Ik blijf uw moed vereeren.
rTohoe wabohoe,quot; hebt_geduld! Eer drie paar weken zijn vervuld. Zie dan eens wat gij zeggen zult, En wat u deert, mijnheeren!
Dan zien wij, na \'t verwoedst geklop.
Uit wolken stofs en stroomen Van golvend vocht en schuimend sop. Onze oude wereld weder op-
En boven water komen.
\'t Is alles helder als een glas; Een frissohe geur van kalk en was Wordt overal vernomen.
En wat verscheurd is — is verscheurd,
Wat weggevaagd — gevlogen. Wat afgekeurd is — afgekeurd,
Aan aller blik onttogen, \'t Vernieuwde... (Val niet! Deze mat
Is wel wat glad!...)
Zal uw geluk en iet of wat
De nieuwjaarsschuld verhoogen.
VERBETER, EN VERBITTER NIET.
Verbeter, en verbitter niet;
Toon goedheid, toon vertrouwen! _ Een oog, dat scherp, maar zuiver ziet. Kan bij het kwade, dat geschiedt, \'t Aanwezig goede aanschouwen.
Rechtvaardigheid alleen behoedt
Het zwakke voor versterven; Miskenning dooft den laatsten moed En helpt den struikelenden voet Te wisser ten verderven.
Gij zaagt wel menig strijdgenoot, Getroffen door des vijands lood,
Herstellen van de wonden.
Waarin men wijn en olie goot.
En die, al was de hoop niet groot. Verpleegd werd en verbonden.
T
een goede raad van lavater. — uw tijd. 11
Maar waar men zei: „Zoo goed als dood!quot;
En hem op \'t veld liet smachten,
Was niet veel heil te -wachten.
1869.
EEN GOEDE RAAD VAN LAVAÏER.
Vertrouw hem weinig, die te mild. Met zoeten lach en streelend woord, Aan Jan en Alleman verspilt Een lof, die enklen slechts behoort.
Maar eindloos minder nog den man. Die altyd rondziet of hij niet Iets vindt dat hij berispen kan, En liever schrolt dan hulde biedt;
En allerminst en allerlaatst Het onverschillig koud gemoed.
Door niets geërgerd, niets verbaasd. Dat enkel trots en twijfel voedt. Kaar Adelaide Anna Procter.
1869.
UW TUD.
Wilt ge ooit iets goed beginnen: Uw tijd moet gij beminnen,
Uw tijd; een andren hebt gij niet. De vorige is verdwenen.
De aanstaande is niet verschenen; Bemin het geen gij voor u ziet.
Vertwijflend aan het Heden,
Te leven in \'t Verleden,
Wat is het anders dan Een schaduw te vergoden,
Den levenden te dooden Voor d\' afgestorven man?
„De Toekomstquot;... Neen, mijn vrinden! Daar is geen hoop te vinden
Dan waar men liefde vindt; De moeder te verachten,
Is weinig goeds te wachten Van \'t ongeboren kind.
„Mijn tijd heeft veel gebrekenquot; ...
Daar moogt gij tegen spreken;
in het nijenbdllgsche bosch.
Ik bid u, vlei hem niet.
Maar goeds kant gij niet stichten Zoo lang men, in uw richten,
Geen richter, maar een vijand ziet.
Wilt gij uw tijd bestieren, \'t Is beter dan hem vieren.
Hem volgen als zijn knecht; Maar hartlijk moet gij wezen En in uw oog doen lezen:
„Ik deed u gaarne recht.quot;
Beleedigend beklagen
Heeft niemand ooit doen slagen
Tot winning van \'t gemoed; De scherpe hekelroede Veroorzaakt leed of woede.
Maar doet den minsten harten goed.
Slechts hij mag alles zeggen. Die in zijn toon kan leggen
Het harte van een man.
Door liefde altijd rechtvaardig. Grootmoedig, edelaardig.
En die in alles komen kan.
1869.
IN HET NIJENBURGSCHE BOSCH.
Aan mijne Vrouw.
Zoo kirde de tortel, zoo geurde het kruid.
Toen ik hier u mijn min heb beleden;
Zoo speelde het zonlicht door \'t bladrijke hout.
Toen ik hier u den nood mijner ziel heb vertrouwd. Uwe hand in de mijne is gegleden.
Tien jaren verliepen, vervlogen veeleer;
Onze liefde, ons geluk was gestadig.
Eenmaal dreigde, eenmaal ging er een zwaard door mijn ziel, Eenmaal was \'t of, in u, mij het leven ontviel —
Maar God spaarde u en bleef ons genadig.
Sinds leeft gij, sinds straalt ge, in onschendbare jeugd,
Als een beeld van gezondheid mij tegen;
In uw oogen de tintling van levensgenot.
Op uw lippen de lach van den vrede met God,
Op uw voorhoofd het merk van zijn zegen.
„kennis is macht.quot; — star en kus. — aan een pas geleerde.
Nog tien jaren, mijn dierbre! Is het leven niet zoet
Voor wie \'t zoetste des levens niet derven? Nog tien jaren; nog twintig (of vraag ik te veel?j? Met den hemel in \'t harte en met u tot mijn deel, Om daarna in uw armen te sterven.
Juli 1869.
„KENNIS IS MACHT.quot;
Kennis zij macht: geen macht is goed geplaatst. Ten zij er Wijsheid zij, er boven, of er naast.
STAU EN KUS.
Een star voor \'t voorhoofd van den Man,
Een eerkrans voor zijn haren.
Die, in een nacht van donkerheid. Een licht van kennis heeft verspreid, En \'t duister op doen klaren!
Een kus voor \'t voorhoofd van de Vrouw,
Door englenmond te geven.
Die kindren van een edel bloed In eedlen geest heeft opgevoed.
En in hun ziel blijft leven!
AAN EEN PAS GELEERDE.
Beschimp geen voorgeslacht, omdat het weinig wist Van \'t geen \'t onmooglijk weten konde. En maak \'t niet tot zoo groot een zonde.
Zoo \'t slechts vernuftig heeft gegist.
Zoo gij, wiens wijsheid bij \'t vergaderen
Der vrucht van andrer arbeid blijft.
Geleefd hadt in den tijd dier vaderen.
Wier vonnis uw verwaandheid schrijft. In ons waar \'t nimmer opgekomen Met u te spotten, naar ik acht;
Want vriend! van lieden van uw kracht Heeft nooit het volgende geslacht Den naam of eenig woord vernomen.
de wilg aan een dichter.
DE WILG AAN EEN DICHTER.
Zie het dichtstukje getiteld „Wilgenquot;, „ Aunstkronykquot;; 1869. Afl. 3. bl. 9.
Wat maakt gij, in uw schoone zangen,
Waar aan ik willig hulde doe,
Mij uit, als deugde ik nergens toe.
Dan om uw harp aan op te hangen?
Schoei ik de voeten van den schamelen Niet trouw en zorglijk met mijn hout?
Doe \'k, als mijn bloesem zich ontvouwt.
Geen overvloed van honig zamelen?
Want bloesems draag ik, talloos velen En van de besten, die al vroeg,
(Al zijn ze „een maagdquot; niet mooi genoeg\'), Den smaak der jonge b^en streelen.
Beschermen mijn gevlochten twijgen.
Al steun ik tempeldak noch wand,2)
Niet heel een dierbaar vaderland.
Wanneer de felle waatren stijgen?
Een loflijke eik schaft\'\' boöm en duigen. Tot berging van een kostbaar nat;
Maar mijne hoepels vormen \'t vat — Zoo nuttig zijn ze, die zich buigen.
En schoon ik zaag noch schaaf verdrage, De draaibank noch den vuurhaard dien,
Toch wil ik van een Dichter zien Dat hij van mij met lof gewage.
Of is mijn houtskool niet de beste?
(Getuig, vermeld het Kunstkronijk!)
Waard dat een Rubens, een van Dijk Daarmee zijn meesterstukken schetste ?
.De maagd, die wenscilt een krans te winden,
Waar mee ze borst en lokken tooit,
Weet in uw groen geen bloem te vinden,
Geen bloesem die zijn knopje ontplooit.quot;
JVilgen,
„De priester, die \'t gewelf ziet zakken,
Des tempels, waar hij de offers biedt,
Zoekt staf en steun, maar uit uw takken Bouwt hij de hechte pilaars niet.
Alleen de dichter, die zijn zangen Niet voor de wereld zingen wil.
Komt aan uw twijgen \'t speeltuig hangen;quot; enz.
Wilg en.
in het diaconesseniiuis te utrecht. —
15
vaderl. leuzen.
IN HET DIAC0NESSENHUI8 TE UTRECHT.
De hemel doe zijn zegen dalen,
Zijn gunst beklijv\'
Op dit Bethesda en zijn zalen,
Veel meer dan Zijn Englen zende hij, zijn kraohten,
Tot hulp gereed.
Voor hen, die hier genezing wachten. Uit ziekte en leed!
En Jezus zelf doe, in hun midden,
Zijn aanzijn kond.
En make, er, op \'t ootmoedig bidden.
De ziel gezond!
Men hoore er \'t ruischen Zijner schreden.
Als Troost en Baat Voor doffen geest en kranke leden Hier ommegaat!
Men voel de aanraking Zijner handen,
In \'t zacht geduld.
Dat daaglijks, binnen deze wanden,
Zijn taak vervult!
Men zie Zijn liefde in de aangezichten,
Zoo blijde en stil.
Van die hier moeilijk werk verrichten. Om Zijnent wil!
Men smake er, bij de vele zorgen
En zware taak,
In bangen nacht en droeven morgen.
Iets van den smaak Der vreugde, die in \'t hart zal stroomen,
Als \'t uur zal slaan.
Waarin de Heer zal wederkomen. En zeggen; Zusters ! wel gedaan !
4 Nov. 1869.
VADERLANDSCHE LEUZEN.
,Je maintiendrai.quot; De Koning leve! Een dankbre natie schraag zijn troon! Haar liefde is perel aan zijn kroon. „Je maintiendrai.quot; De Koning leve!
„Vive le c/ueux.quot; De Vrijheid bloeie! Oranje in \'t hart en niemand knecht! De vrijheid is het heiligst recht.
„Vive le yueux.quot; Zij bloeie en groeie!
\'s levens doel.
„Eendracht maakt macht.quot; De Vrede blijve Één vorst, één volk, één -wet, één wil!
Geen Godsdiensttwist; geen Staatsgescliil! „Eendracht maakt macht!quot; Haar werk beklijve!
„God zij met ons.quot; Alleen Zijn zegen Geeft aan ons pogen kracht en klem.
God zij met ons, en wij met Hem !
God zij met ons, in vook en tegen!
1870.
\'S LEVENS DOEL.
„Iets te zijn, iets te zijn is de droom van den knaap, „En de worstling des mans, iets te worden;\'
Maar op eens overvalt ons de oneindige slaap,
„Terwijl we ons de lenden nog gorden.
„Niets geweest, niets geworden, schrijf\' dat op de zerk „Die het stof van zoo menig komt drukken,
„En gij, volgend geslacht! drijf uw vruchteloos werk, „Tot ook gij voor uw noodlot moet bukken.quot;
„Is de doodslaap het einde, is een graf het besluit,
„Welk een ijdle vermoeiing is \'t leven!
„Altijd haken naar morgen; het heden vooruit „Met begeerten, gedachten, en streven...
„En de toekomst is niets, is een eeuwige nacht,
„Is een slaap zonder droom, zonder woelen?
„O mijn God! welk een spel met het menschlijk geslacht, „Met de wezens, die denken en voelen.quot;
Neen! Zoo wreed is geen God, geen Oneindige Geest, Die den eindigen geest heeft doen worden:
Geen wreedaardige scherts is zijn oogmerk geweest.
Maar een school tot verhevener orden.
Neem het aan, wat de stem in uw boezem u zegt. En gehoorzaam de drijving des geestes.
En \'t krijgt alles zijn doel, zijn gewicht, en zija recht, Wat tot hiertoe uw kwelling geweest is.
Neem het aan! Zet uw voet in de wegen van God, — En het licht gaat u op uit de nachten!
Wijs het af — en verga in uw redeloos lot, Uw onvruchtbre verspilling van krachten.
1870.
16
IN DEN ZOMER.
IN DEN ZOMER.
O laat mij dwalen, laat mij dwalen
Door akker, veld en dreef;
Laat me onbekommerd ademhalen
En voelen dat ik leef!
Laat mij de klare beek zien vloeien
Door dit vergeten dal.
Waar schoone bloemen eenzaam bloeien. En niets ze storen zal!
Laat mij de lieve zonnestralen,
Van \'s hemels hoogen trans. Op enkel schoonheid neer zien dalen.
Die zettende in haar glans!
Laat, in dees kostlijke oogenblikken,
De zachte harmonie Mijn zinnen en mijn ziel verkwikken, Van \'t geen ik hoore en zie!
Het windje strijkt langs ritslend loover,
Waarin oen vogel fluit:
Het bijtje gonst met wellust over
\'t Naar honig riekend kruid; Het speelziek visohje, quot;t stil geklater
Verstorende der bron,
Vertoont zijn schubben boven \'t water, Die glinstren in de zon.
En al wat ademt, ademt vrede
En rust en stil genot,
En deelt mijn hart de kalmte mede
Van zijn gezegend lot;
En a,]les vraagt of schijnt te vragen.
Lucht, water, plant en dier: „Mensch, die gevoelt! van welke slagen ,Klopt U de boezem hier?quot;
Laat, laat mij hier den tijd herdenken
Van \'slevens morgenrood.
Toen niets het vol genot kon krenken,
Waar \'t hart van overvloot;
Toen alles licht was voor mijn schreden.
En bloemen voor mijn voet. En knoppen, die zich opendeden,
Zoo rijk van geur en gloed.
wat geef ik om een werelddeel ?
Laat, laat mij, uit de rust van heden,
Terugzien op den strijd,
In \'t diepst des boezems uitgestreden,
In \'s levens heetsten tijd!
Er vielen slagen, vielen -wonden.
Al bracht geen voorhoofd ze uit; Zij zijn genezen en verbonden.
En heilig is de buit.
Laat hier mijn hart zich voorbereiden
Op d\' avond van mijn dag,
Die, eer men \'t wacht, zijn schaduw spreiden.
Zijn koelte brengen mag.
Mijn bloemen voor mijn oogen sluiten,
Mijn zon doen ondergaan,
Mijn arbeid en genoegens stuiten. Het scheidensuur doen slaan.
Och of mij in een oord als dezen De slaap bevangen mocht;
Mijn laatste rustplaats hier mocht wezen.
Zoo stil en onbezocht;
Mijn sluimren, onder gindsche zoden,
Waar langs het beekje zwiert, En afgezonderd van de dooden.
Wier graven men versiert!
Dat hier de liefde tusschenbeien —
(De liefde: zij-alleen!)
Een stillen traan bij \'t graf mocht schreien.
Waarin mijn asch verdween.
Maar ook bekomen van haar smarten.
Vertroost en opgeleid Tot een zoet voorgevoel des harten
Van \'t stil geluk der eeuwigheid.
1870.
WAT GEEF IK OM EEN WERELDDEEL?
Wat geef ik om een werelddeel? \'t Is mij te groot, \'t is mij te veel! Dat e\'éne land is mij genoeg.
Waar mij mijn lieve moeder droeg. Mijn vaderland, mijn vaderland, U blijft mijn hart verpand!
Wat maal ik om de groote stad? Ik ben ze moe, ik ben ze zat!
18
gebonden stijl. - de kerk op den vluchtheuvel ingewijd.
Mijn neech\'ig huis, mijn lief gezin,
Daar leef ik en daar zweef ik in;
Mijn eigen haard, mijn eigen haard. Gij zijt mij alles waard!
Wat stoft men mij van geld of eer? Ik heb veel beter, \'k heb veel meer! Een goeden God, een vroolijk hart, Een bron van troost in zorg en smart; God zij geloofd, God zij geloofd.
\'k Heb wat geen mensoh me ontrooft!
1870.
GEBONDEN STIJL.
Gewis, voor wie de kunst verstaat,
Zijn rijm en maat Geen blok aan \'t been, maar vleugels; Doch uw „gebonden stijlquot;, mijn vriend, Die wel te recht dien naam verdient, Vliegt — als een kind in beugels.
DE KERK OP DEN VLUCHTHEUVEL INGEWIJD.
(19 Juni 1870.)
De Kerk op den Vluchtheuvel is de kerk, door mijn vriend Heldring, uit vrijwillige bijdragen, gebouwd, op den kunstmatigen heuvel, welken zijn volhardende ijver, op deze voorwaarde, door ver-eenigde kracht van Rijk, Provincie, en Gemeente heeft weten te doen opwerpen, onder Valburg, in het midden der Betuwe, ten behoeve der bewoners der z. g. velddorpen, d. i. van die dorpen, die te ver van den dijk liggen om, bij overstrooming en watersnood, tot dezen de toevlucht te kunnen nemen.
Die kerk is ruim genoeg, en behoorlijk ingericht om, bij dergelijk, altijd mogelijk, onheil, eene groote menigte menschen behoorlijk te kunnen herbergen en hun vee te stallen: maar in gewone tijden strekt zij tot bedehuis voor de verpleegden en verplegenden in de drie gestichten van christelijke liefdadigheid (het Asyl Steenbeek, Talitha Ku.mi en Bethel) op kleiner of grooter afstand van den heuvel gelegen, alsmede voor de kweekelingen en het onderwijzend personeel der Normaalschool voor Onderwijzeressen in Christe-lijken zin en geest, van alle welke inrichtingen, in een zelfden oord. in de laatste vijfentwintig jaar, achtereenvolgens verrezen, dezelfde Heldring niet alleen de Stichter, maar ook de Hoofdbestuurder, de Leeraar en de Ziel is en lang nog blijve!
Op den zondag der plechtige inwijding van deze kerk, was de morgendienst met het zingen van Ps. 84 : 1 (Hoe lieflijk, hoe vol
19
de kerk op des vluchtheuvel ingewijd.
heilgenot, enz.) aangevangen, en had Heldring aanleiding tot zijne toespraak genomen uit de woorden Joh. 1 : 47. „Kan uit Nazaret iets goeds zijn? — Kom en zie!quot; In den avonddienst, waarin ik de hier volgende verzen voordroeg, hadden o. a. eerst de Boetvaardi-gen van het Asyl Gez, 39, 1, 2,3, (Jezus neemt de zondaars aan, enz.), later de kinderen van Talitha Kumi (er worden er ongeveer 150 verpleegd) Gez. 52:1, 2, 8, (Geloofsartikelen) gezongen, en de jonge dochters der Normaalschool een heerlijk koorgezang uit Psalm 84 doen hoeren.
Zie verder over den Vluchtheuvel: Bethel. Alm. voor 1870, blz. 72 en volg. (Rotterdam, M. Wijt en Zn.)
De hand van God bekroont het werk
En doet zijn goedheid prijzen:
Daar staat de heuvel, staat de kerk.
Die tot zijn eer mag rijzen. .
Daar staat ze, en ziet op \'t landschap neer, Zoo rijk gezegend door den Heer,
En wijst, om Hem te loven,
Met stillen ernst naar boven.
Daar staat ze, om op denzelfden grond
De kracht van \'t Kruis te toonen,
Waar eens het heidensch altaar stond
Van Bato\'s oudste zonen.
Daar staat zij, lieflijk middelpunt.
Dat God ons in zijn liefde gunt,
Van wat die liefde werkte.
Wier hand Hij vulde en sterkte.
Daar staat ze, een vrucht der lijdzaamheid
Van \'t onverwrikt vertrouwen,
Dat, daar \'t gedwee Gods tijd verbeidt.
Beloond wordt met aanschouwen.
Daar staat ze, en noodigt van rondom Gods kindren tot haar heiligdom.
En heeft haar deur ontsloten Voor kleinen en voor grooten.
Wij traden aan; een bonte schaar.
Door eenen Geest verbonden;
Wij hebben bij dit Gods-altaar
Een lofzang opgezonden.
Wij hoorden de evangeliewet:
„Het goede komt uit Nazaret;
De Goede komt tot allen,
„Die aan zijn voeten vallen.quot;
20
DE KEKK OP DEN VLUCHTHEUVEL INGEWIJD.
Hoe troostrijk klonk dat troostrijk lied,
Uw lied, o Magdalenen!
„De Heer verwerpt de zondaars niet,
„Die aan zijn knieën weenen.quot; Hoe schoon beleed der kindren stem Het zaligend geloof in Hem,
Die met het zachtst ontfermen Hen opneemt in zijn armen.
Hoe treffend heeft een frissche jeugd,
Bij \'t morgenrood van \'t leven. Van godsvrucht boven wereldvreugd
Den psalmtoon aangeheven: „Hoe lieflijk is uw woning. Heer! „Eén uur is in uw Huis mij meer „Dan duizend elders, Heere!
„Waarbij ik u ontbere!quot;
Hier, hier is Bethel, hier „een poort
Des hemelsquot; Bethelieten!
Hier waar u \'t evangeliewoord Uit zuivre bron mag vlieten;
Hier waar de onziohtbre ladder staat, Waarlangs het op en neder gaat. Geredde zielen stijgen.
En englen nederzijgen.
O onze Heldring! Vader, Vrind,
En toevlucht van zoo velen!
Bemind door al wat God bemint.
En in uw werk mag deelen; Voorganger, voorbeeld, elk ten baat. Van trouw der liefde in woord en daad. Door rein geloof gesteven.
Wat dag u is gegeven!
Nu staat het Gooshuis opgericht
In \'t midden dier gestichten.
Waarop des hemels zegen ligt.
Om over \'t land te lichten;
De plaats der toevlucht voor den dag Van bang gejammer en geklag (God late \'t nooit gebeuren!)
Dat dijk en dammen scheuren;
Een plaats van Zegen, te aller tijd,
Voor die vertroosting vragen, In zielenood, in boezemstrijdf, Om \'s levens last te dragen;
feestzang.
Een plaats van Bedding, voor de ziel, Die in den strik des satans viel: Een plaats om \'t hart te sterken ïot lijden en tot werken.
Zoo zij \'t, Algoede! uw macht en kracht
Blijf\' met hem t\' allen tijde :
Uw oog houde over \'t huis de wacht.
Dat hij u needrig wijdde!
Die hand, waaruit hij kracht ontving En zegening op zegening.
Die hem op al zijn wegen Gesteld heeft tot een zegen;
Die hand hou hem nog menig jaar
Staande in \'t gezegend midden Der tot uw troon gevluchte schaar.
Die aan dees plaats zal bidden: Die hand blijf zorgen vroeg en laat Voor allen waar dat hart voor slaat. Dat in zoo vele nooden Heeft troost en hulp geboden.
Komt, broedren, zustren, oude en jeugd!
Op dezen dag der dagen.
Dankt allen God, en weest verheugd,
Voor wat onze oogen zagen!
Gelijk onze aanvang zij ons slot: „Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,
„Is mij uw huis, mijn Heer, mijn God!quot;... Denkt op een dag als dezen:
„Wat zal de hemel wezen?quot;
FEESTZANG.
Gezongen op het Algemeen Evangelisch Nationaal Zendingsfeest, gehouden te Heiloo, den 22 Juni 1870.
Alle heuv\'len, alle dalen
Loven \'s Heeren liefde en macht;
Waar de zon verspreidt haar stralen.
Waar de maan verlicht den nacht.
Waar geen dauw of regen falen,
Waar een bloeiende aarde lacht; —
Alle heuv\'len, alle dalen.
Loven \'s Heeren liefde en macht.
Alle kusten, alle stranden
Prijzen Christus, onzen Heer;
Waar zijn heilgezanten landden
ItO ET v A Alt Dl GH Ell).
Met zijn kruis- en vredeleer;
Waar zijn liefde deed ontbranden
Dankbre harten tot zijn eer.
Alle kusten, alle stranden Prijzen Christus, onzen Heer.
Vrede en zegen, vrede en zegen.
Kroost der Vaadren! over \'t oord,
Waar hun heidensch off\'erplegen
Door uw Heiland werd gestoord;
Waar de ruwste kreten zwegen
Voor den klank van \'t zachtste woord! Vrede en zegen, vrede en zegen.
Vrede en zegen zij dit oord.
Blinkt in \'t zonlicht, Hollands duinen!
Hollands beemden, Hollands bosch! Ruischt haar \'t loflied, hoogste kruinen!
Met uw groenen bladerdos;
Bloem en vrucht van Hollands tuinen.
Spreekt ons van de Liefde Gods!
Blinkt in \'t zonlicht, Hollands duinen! Hollands beemden, Hollands bosch!
Klaarder zon is nooit gerezen,
Hooger boom nooit opgegaan.
Rijker bloemhof nooit geprezen.
Schooner vrucht lacht niemand aan, Dan die u bekend mag wezen,
Sinds gij \'t Godswoord hebt verstaan! Klaarder zon is nooit gerezen,
Hooger boom nooit opgegaan!
Zon des iieils, verlicht alle oogen!
Godsboom, sprei uw takken wijd!
Al gij Vooglen, komt gevlogen,
Waar gij vrij en veilig zijt!
Heiland, door uw alvermogen.
Bloei heel de aarde in God verblijd! Zon des Heils, verlicht alle oogen! Godsboom, sprei uw takken wijd.
BOETVAARDIGHEID.
(Naar gegeven aanleiding.)
Dogmatische tranen schrei ik niet;
Maar van smart en berouw kan ik weenen.
Om mijn eigene zonde en mijns naasten verdriet, En het meest als zich beiden vereenen.
\'2-i OP IEMANDS ULADVULLINOEN. — CARPE DIEM.
Niet omdat ik in Adam verloven ben;
Maar omdat ik mijzelf ging verliezen
Op wegen, waarvan ik de dwaasheid erken,
En die \'t zondige hart mij deed kiezen;
Niet „omdat van de pest, die in Kurdistan woedt,
Alle zonde, ook mijn zonde de schuld is,quot;
Maar wanneer door mijn toedoen een broederhart bloedt. Of van angsten en zorgen vervuld is;
Ziedaar wat mij leed doet, beschaamd maakt en smart, Wat mij de oogen kan over doen loopen.
_ Mijn verstand heeft geen tranen, hun bron is het hart. En \'t getroffen gevoel zet die open.
O Mijn God! wees genadig, vergeef mij de schuld,
Die \'k met droefheid, in ootmoed, belijde!
Ik besef dat gij \'t kunt; ik gevoel dat gij \'t zult.
Zoo ik \'t kwaad, dat ik haat, ook bestrijde. 1870. __
OP IEMANDS BLADVULLINGEN.
Bladvulling noemt gij \'t; ik zou meenen Dit zijn „vervullende\' edelsteenen.quot;
CARPE DIEM.
Waar \'t leven van gemaakt is
Zij kostlijk in ons oog! De vluchtige uren spoeden.
Niets kan den tijd vergoeden. Die eenmaal ons ontvloog.
Ontvloog ons goud en zilver.
Waarop de wereld drijft. Schoon \'t zuchten op doe stijgen. Het is nog weer-te-krijgen. Zoo ons de tijd maar blijft.
Blijft hun de tijd maar over.
Die rozen baren kan.
Al keven goede vrinden. Zij kunnen \'t nog weer vinden; Maar is hij om, wat dan?
Dan als dat woord moet komen, Dat vreeslijk woord: te laat! Begint een leed te kwellen.
Door niets ter zij te stellen. En waar geen troost voor baat. 1870. __
-
jan veelschrijvkil. — god is liefde. — de öebuoedeks eni. \'25
JAN VEELSCHRIJVER.
Jan met zijn slecht voorzienen kop
Schrijft over alles zonder schromen, Daar zit voor hem niets anders op Om nog eens achter iets te komen, edt. _____
GRAIN DE BEAUTÉ.
l-t,
Quel neo, quel vago iieo! j Marino.
Die Mael, die soete Hael.
Hüygens.
De vervallen Schoonheid spreekt.
„Ten dage van mijn bloeiend schoon, „Verdronken in een vloed van rozen,
„Deê \'t zwarte stipjen op mijn koon ,Die niet dan des te schooner blozen;
„Maar nu ik rimplig ben en oud, „Nu schijnen de eertijds malsche koonen „Niets dan dien doodsvlek te vertoonen „Aan die mijn bleek gelaat beschouwt.quot;
Antwoord.
Zoo gaat het. Wat men gaarn vergeeft. Als duizend lieflijkheên \'t vergoeden. Kan voor hard oordeel niet behoeden.
Wanneer het blijft en ze overleeft.
Onze ouderdom komt met gebreken.
Maar niet slechts dit! Het oud gebrek. Elks aangeboren moedervlek Doet hij, helaas! te sterker spreken.
1870.
GOD IS LIEFDE.
God is liefde, \'t Is zijn liefde, \'t is de liefde, en niet een wet. Die de dingen draagt en koestert en hun ondergang belet. 1869.
DE GEBROEDERS TE PADÜA.
Een oude en nieuwe geschiedenis.
Het teas een avond schoon en stil, Twee broeders stonden naar \'t azuren, Gestamde firmament te turen.
Op eens ontstond een zot geschil.
DE GEBROEDERS TE PADUA.
ansklmo.
Indien ik zooveel grond bezat Als de uitgestrektheid dezer hemelen!
baktolo.
Indien ik zoo veel schapen had Als ginder züvren starren wemelen!
axselmo.
Wat zoudt gij met uw schapen doen?
eartolo.
Op uwe weide zou ik rekenen.
an s elmo.
En weigerde ik u gras en groen?
babtolo.
Dat zou hij mij niet veel beteekenen.
anselmo.
Hoe dan?
babtolo.
\'k Joeg toch mijn kudde er in.
anselmo.
Dat zou ik wel beletten!
babtolo.
Waarmee ?
anselmo.
Wel, \'k heb nog meer of min Vertrouwen op de wetten.
bartolo.
Maar \'t weiloon werd u toegeteld!
Ik zou u goed betalen.
anselmo.
\'k Ben niet verlegen om uw geld.
bartolo.
Dat kon nog wel eens falen.
anselmo.
Elk schaap, waarmee ge in \'t mijne vielt. Zou ik den kop verpletten!
hart en geest. —
babtolo.
En ik de wei, die gij me ontliieldt,
Gansch onder water zetten.
anselmc.
Gij Schelm!
babtolo.
Gij Vrek!
akselmo.
Pas op!
BAKTOLO.
Geen nood! ...
De twist ging altijd verder.
Op \'t laatst, de degens raakten hloot. En \'t einde was — hun heider dood, Gkondeigenaau en Herder.
1870.
HART EN GEEST.
Een enkle vonk valt in de ziel;
Een snaar van \'t hart begint te trillen; De vlam gaat op, de zang ontwaakt;
De band der tong wordt losgemaakt:
En \'t lied stroomt, dat wij hooren willen.
Maar waar die vonk ontbreekt, die snaar Niet trilt, vergeefs verhit zich daar
De geest eens dichters rol te spelen;
Zijn keurigst werk voldoet ons niet,
En zijn volmaakt, maar ijskoud lied Zal ons volmaakt vervelen. 1870. ________
GROOT GEMAK.
Alle schoonklinkende thesen
Zijn klokspijs voor Jan Hol-van-Kop; Bewezen of niet bewezen.
Hij eet ze voor waarheid op. \'t Verwondert mij niet van dat heertje;
\'t Verschijnsel verklaart zich terstond In \'t vacuum komt een veertje
En een goudstuk gelijk op den grond.
groot gemak.
heb lief.
HEB LIEF.
(Naak Freiligrath.)
O Heb tocli lief zoo lang gij kont, Zoo lang ii God nog tijd verleent;
Daar komt een dag, daar komt een stond, Dat ge aan een grafkuil staat en weent.
Zorg dat uw hart van liefde brand\' En branden blijve en niet verkoel, Zoo lang daar van een andren kant Iets voor u klopt met warm gevoel.
En zoo dat andre hart zich sloot,
O Rust niet voor gij \'t weder-wint!
Blijf altijd goed en welgemoed;
Bemin het tot het u bemint.
Maar ach, bedwing vooral uw tong! \'t Onvriendlijk woord ontsnapt zoo snel. \'t Was niet zoo hard gemeend als \'t klonk Maar dien het krenkte onthoudt het wsl.
0 Heb toch lief, zoo lang gij kont. Zoo lang u God den tijd verleent!
Daar komt een dag, daar komt een stond, Dat ge aan een grafkuil staat en weent.
Dan knielt gij op de zode neer.
Of ligt wanhopig uitgestrekt — Helaas! uw doode keert niet weer! — Op wat hem voor uw oog bedekt.
Dan kermt gij : ^Zie nog eenmaal op Tot hem, die bij uw groeve weent!
Vergeef hem \'t leed, dat hij u deed: \'t Was waarlijk niet zoo boos gemeend!quot;
Geen oor, dat hoort, geen oog, dat ziet, Geen wang, die meer uw kus ontvang De mond, de doode mond kan niet Meer zeggen: ik vergaf \'t u lang.
Toch deed hij \'t; hij vergaf \'t u voort; Maar menig bittre traan vloot neer. Om u en om dat vreeslijk T^oord —
Maar \'t is voorbij; het deert niet meer.
O Heb toch lief, zoo lang gij kout. Zoo lang u God den tijd verleent;
Daar komt een dag, daar komt een stond. Dat ge aan een grafkuil staat en weent.
28
strozzi\'s niJSCHR. — natcurkeus. — iiedend. methode. \'29
STROZZI\'S BIJSCHRIFT OP MICHEL ANGELO\'S BEELD „DE NACHT.quot;
De Nacht, die gij hier slapen ziet,
Is, bij een Engel, uit een marmergroef geboren;
Zij leeft, want anders sliep zij niet;
Wie twijfelt, wek haar, en zij zal \'t hem zelv\' doen hooren.
Michel Angelo\'s antwoord voor zijn heeld.
Mijn slaap is zoet; \'t is goed van steen te wezen In dezer tijden schande en druk;
Niet zien, niet hooren is een groot geluk:
Spreek zacht; niets moet ik meer dan \'t wakker worden vreezen. Uit het Italiaansch.
NAT UURKEUS.
Aan —
Natuur is en doet alles; dat \'s de leus:
Lang droeg zij zorg; nu heeft zij zelfs een keu»:
Verkiezing en Verwerping, harde namen Toen ze uit de pen van godgeleerden kwamen, Natuurgeleerdheid brengt ze weer in \'t land!
Maar kiezen onderstelt toch oordeel en verstand:
Verstand is Geest, geen Stof. Een Geest, die \'t al omspant, Uit alles en voor allen kiest, de velen En \'t enkle kent en keurt en uitzoekt, is — is — God?
Dien wilt gij niet — maar wel mot woorden spelen. Leenspreuken, die \'t gemis van wat men mist verhelen. De leer, waarvoor gij strijdt, ten spot.
Intusschen doen ons deze tropen,
Door hun onmisbaarheid, op beetre wijsheid hopen.
Nature is but a name for an effect. Whose cause is God.
Cowper.
HEDENDAAGSCHE METHODE.
Dresseeren, dresseeren.
Schoon \'t hier en daar een geest verstompt. Ziedaar wat onzen tijd behaagt.
En met examineeren De schoonste vruchten draagt!
Eerst moet een jongling Yol-gepompt,
En dan weer \\ee%-gevraagd.
TIJDENS DEN\' OORLOG.
TIJDENS DEN OORLOG.
1870, 1871.
DE OORLOG VERKLAARD.
De dag der slachting is gekomen;
Het lot der volken wordt beslist, Het schorre krijgsgeschrei vernomen,
En moed en moedwil aangehitst.
Haast dreunt de buskruitdonderknal,
Waarop de bloedstroom volgen zal.
Kan niets, o God! den storm bezweren. Den toorn verbidden, die hem wekt. Den vuurgloed, eer hij uitbreekt, keeren.
En half een wereld overdekt?
Gij kunt het, elke macht te sterk.
Maar niet dan door een wonderwerk.
Of moet het, naar Uw raad, geschieden.
Wat wederzijdsche wrok verlangt?
Heet Gij de driften uit te zieden,
In \'t berstend hart vergeefs geprangd? Bereidt, door d\' onvermijdbren strijd, Uw wijsheid ons een beetren tijd;
Moet de oorlogsvlam, waar wij voor huiveren,
Die zooveel goeds verdelgen zal, Den dampkring van de smetten zuiveren.
Die krankheên telen zonder tal.
En branden distlige akkers schoon.
Opdat een beetre vrucht zich toon?
O, maak het kort! Voleindig spoedig
Uw goed, maar vreeslijk werk, o Heer! Bestraf, beteugel, maak ootmoedig.
Doe recht, en — geef den Vrede weer! Den Vrede, die, na bang gemis,
Den volken dubbel dierbaar is!
27 Juli 1870.
HEMOEDIGING.
Neen! nog is Neerland niet in nood. Al hebben vorsten \'t zwaard ontbloot, Al rees de krijg uit \'s afgronds kolken;
30
TIJDENS DEN OORLOG.
Al had verborgen staatsmanslist Het in gedachten uitgewisoht Van uit de rij der volken.
Die \'t op de rol der volken schreef,
In zoo veel nooden \'t sterken bleef,
En \'t uitgered heeft zoo veel keeren; Die \'t eigen taal en volksaard schonk, Die nooit gewild heeft dat het zonk, Regeert en blijft regeeren.
En zoo een natie, onder God,
Op Vorsten zien mag, en zijn lot
Mag toebetrouwen aan zijn helden: Oranje leeft; en \'t ITeerlandsoh bloed Zal niet verzaken d\' ouden moed.
Waar \'t vrijheid, recht, en eer zou gelden.
Lig waakzaam neer, zie rustig rond; Gij hebt nog tanden in den mond;
Gij hebt nog nagels aan de klauwen; Hebt immers nog een hart in \'t lijf, O Leeuw van Neerland\'? Leef, en blijf De pijlen bij elkander houen!
III.
HET SLAGVELD VAN GBAVELLOTTE.
Hoe liggen op de velden.
Door de oorlogsplaag vernield. De wederzijdsche helden
Verwond, verminkt, ontzield!
Als rijpe korenaren.
Na \'t vlijtig sikkelslaan.
Als dorre en — groene blaren, Na \'t woeden van d\'orkaan!
Hier is een hoofd gevallen,
Veel honderd hoofden waard; Het heeft die duizendtallen
Gerangschikt en geschaard;
Het zag voor duizend oogen; _
Het dacht voor heel een heir... Ee\'n kogel komt gevlogen —
Het ziet en denkt niet meer.
Hier ligt een hart doorschoten
Aan alle deugden rijk;
Van duizend strijdgenooten.
31
TIJDENS DEN OOKLOG.
Geen enkle dien gelijk;
Voor kindren, gade, vrinden, Oneindig goed en trouw — Gii zult zijn graf niet vinden, Bedrukte weduwvrou-w !
Dees liand, van _d\' arm geslagen. Die nog voor \'t laatst vertrok. Heeft wondren op doen dagen
Uit marmerblok bij blok; En deze vuist, om \'t wapen Bestorven, dat zij droeg. Won voor een huisvol knapen Den kost, bij spade en ploeg.
Dees heeft er veel genezen.
Gered uit ziekte en dood; Die, velen onderwezen.
Die, schafte duizend brood.
Dees zag zich \'t deel beschoren, Zoolang met smart verwacht; Diens zon begon te gloren ... Nu drukt hen e\'éne nacht.
O Mannen, vaders, broeders. Aan huis en volk zoo nut\'. O Zonen, van uw moeders Het sieraad en de stut!
Gij keur en kern van \'t heden.
En hoop der toekomst! Spreekt Wie zal uw plaats bekleeden? Wie komt, waar gij ontbreekt;\'
Gij kunt geen antwoord geven;
Stil zwijgt ge in uw bloed; Zooëven nog vol leven.
Vol levenskracht en moed. Gedachten, wenschen, beden.
Scherts, ernst, en luim, en lust. Op eenmaal afgesneden.
En alles uitgebluscht!
Daar ligt gij onbegraven,
Onkenbaar, wild dooreen; Reeds zweven kraai en raven
Bloeddorstig om u heen. Wat baat u, doode helden!
Of dank en lofgeschal üw heldendood vermelden En uitbazuinen zal?
TIJDENS DEN OORLOG.
Trompetten, pauken, trommen!
Een nieuwe dag breekt aan. \'k Zie nieuwe heliendrommen
Vol geestdrift strijdwaarts gaan. De hooge vaandels wapperen;
Het schittrend morgenlicht Blinkt op \'t kuras der dapperen — Het is een schoon gezicht.
Daar knallen de eerste schoten!
Daar rijst een woest misbaar! Daar naadren zich en stooten
De legers op elkaar!... Uit duizend donderslagen
Ontwart zich — zegezang!
Maar \'shemels Englen klagen: Hoe lang nog, Heer! hoe lang?
iug. 1870.
IV.
UITBOEZEMING.
(Na Sedan.)
De Heer regeert! een beter tijd
Is voor deze aard geboren.
Met bloed en tranen ingewijd,
Komt hij te voorschijn uit den strijd, Om als een zon te gloren.
Europa zal niet langer aan
Parijs bevelen vragen:
Niet meer aan Franschen leiband gaan; Een beter licht zal bovenstaan; Een schooner dag zal dagen.
Daar zal een hart, daar zal een hoofd.
Daar zal een geest regeeren.
Die in den hoogen God gelooft, En \'t eindeloos gesnoef verdooft Van helsche mode-leeren.
De vrucht des denkenden verstands.
De kracht van wijze wetten,
De deugd der vrouw, de trouw des mans. Der zuivre zeden reine glans Zal \'t nieuwe voorbeeld zetten.
De wind zal uit een beter hoek Langs alle bergen stroomen,
33
IV.
TIJDENS DEN OORLOG.
En maken alle harten kloek, Die sidderden voor ban en vloek Van een onfeilbaar Romen.
„Italia fara da se,quot;
Van \'t Fransche blok ontslagen: En Spanje, in onrust of in vreê, Beschikt zijn eigen wel of wee.
Naar eigen welbehagen.
De Britsche Luipaard scheeloog vrij
Zijn hulp is overbodig;
De vrees voor Frankrijk is voorbij; Het tegenwicht aan de overzij Der waatren niet meer noodig.
Want de Aadlaar, die nu zweven mag
Op zijn verbreede vlerken.
Houdt alle volken in ontzag Met dien geduchten vleugelslag. Waarin hem God blijf sterken.
Hij zal roofgierig zijnen blik
Op vriend noch vreemde vesten, Geen vrijen lokken in den strik,
Geen vredelievenden met schrik Opjagen van hun nesten.
Maar onder zijner vleuglen schaüw
Wat saambehoort vergaderen. Bewaken \'t met zijn oogen trouw En weren fel met neb en klauw Al wie zijn horst durft naderen.
Ook gij, mijn Vaderland! zult vrij.
Zult onafhanklijk blijven;
Mits zich uw hart in \'t recht verblij... Het is eens dichters-profecij.
Die ge in uw boek moogt schrijven,
5 Sept. 1870.
V.
AAN LODEWIJK NAPOLEON.
Geen schimp of smaad op uw vernederd hoofd. Van Cesars krans. Augustus kroon beroofd.
Geen spotkreet bij dien glans, op eens verdoofd. Na tergend blinken!
34
tijdens den oorlog.
Maar deze vraag bij \'t blussohen van een zon, Wier nederlaag geen -wonder schorten kon, Of God u onrecht doet. Napoleon!
In \'t roemloos zinken?
Uw vijand dreef u toornig voor zich heen; Uw leger weet zijn rampen u alleen;
Uw volk verzaakte u : u ter gunste geen Een woord dorst wagen;
Uw Keizerin verborg haar machtloos schooa; \'t Rampzalig kind, veroordeeld tot uw troon, Verwenschte \'tuur, dat hem van Keizevszoon Den naam deed dragen.
En nu! \'t Is uit. Gevangen; weggevoerd; Dat trotsche hoofd geknakt, die mond gesnoerd; Gebracht waar gij zoudt komen, waar gij zweert Te zegepralen!
Waar zijn de vleiers nu des „Grooten Mans ?quot; Wat doen voor hem Europa\'s Vorsten thans? Zij koesterden zich gistren in den glans.
Dien hij deed stralen.
Ach gij bedroogt, en werdt bedrogen. Schijn, En anders niet. mocht uwe grootheid zijn.
Maar de Almacht sprak te harer tijd: «Verdwijn „Wees niet met allen!quot;
Hier viel, getroffen door een bliksemstraal.
Geen Aadlaar uit de lucht, als de eerste maal. Alleenlijk is van zijn te hoogen paal Zijn beeld gevallen.
Gij weet het. die uzelven kennen moet;
Wiens hart alleen verachting heeft gevoed Voor wat er boog en omkroop voor uw voet. En heimlijk lachte.
Die vreugd is uit, in bitterheid verkeerd; De laatste lach is uit uw ziel geweerd; Zij lachen, die gij \'t lachen hadt verleerd — In uw gedachte!
0 Kaas niet op „dien helsohen keer uws lotsquot;! Buig neer de kruin! Erken het oordeel Gods! Het wreekt niet slechts uw Keizerlijken trots, üw godheid-spelen!
36 TIJDENS DEN OOKLOG.
Het wreekt de trouw en de eer, door u verzaakt, Den meineed, die u Keizer heeft gemaakt, Den gruwelnacht, dien gij hebt doorgewaakt Met moordbevelen.
Het wreekt... O gij zult weten wat het wreekt, Zoo maar \'t geheugen werkt, \'t geweten spreekt, De wroeging haar verterend vuur ontsteekt. De hamer, die het hardste hardsteen breekt. Den berg kan sloopen.
Zich opheft en zijn werk doet, onverkort!
Vorst! Al uw wonderboomen zijn verdord; Uw Babelstoren ligt in puin gestort:
Alleen als ook uw hart verbrijzeld wordt,
Staat iets te hopen.
5 Sept. 1870.
AAN KONING WILHELM.
Vervolg uw weg, voorspoedig held!
Wat kan uw loop beperken?
Gij hebt den Arend neergeveld;
Gij kort den Haan de vlerken.
Gij jaagt hem wreevlig binnen \'t hok. Bedreigt zijn sluiting en zijn stok. Verleert hem \'t koningkraaien.
En laat uw toorn niet paaien.
Verschrikklijk maakt uw lood en staal
Een eind aan \'t roekloos tarten. Aan hol gezwets en leugentaal
Van diepbedorven harten.
De Seine, bevende en in pijn.
Betaalt voor uw bedreigden Rijn;
Parijs zal aan uw voeten Berlijnsche droomen boeten.
Niet altijd zal, niet langer mag — üw veerkracht zal het keeren — Een driest, een ingebeeld gezag
Geheel Euroop regeeren;
Niet langer, met de hand aan \'t zwaard, Eén volk de schrik zijn van heel de aard. Maar u een waarborg schenken Van niemands rust te krenken.
Zoo zij \'t! Doe, in des vredes-naam.
Dien dienst aan \'s werelds volken!
tijdens des ooulou.
Een dankbaar nakroost zal uw faam
Verheffen tot de wolken.
Maar heeft uw arm die taak volbracht, Maak, maak geen misbruik van uw kracht, Wees van \'t geslacht dergenen. Wie rookend puin doet weenen.
Bestrijd den snoever; strafte uw kling
Die vruchtloos zich verzetten;
Maar ga geen overwonneling Met ijzren voet verpletten.
Schenk aan ootmoedigen den vreê.
En keer een slagwaard in de scheê.
Onwillig opgeheven,
Waaraan geen smet mag kleven.
Geen smet van heerschzucht, smet van roof:
Onteer \'t rapier des braven!
Het mag geen nooit te dempen kloof
Van wrok en wrevel graven.
De lauwer, die dat zwaard bedekt.
Zij een, die \'s vijands eerbied wekt. Die achting vindt bij allen.
En \'s Hemels welgevallen.
Geen weekheid — gij gedenkt uw plicht
Aan zooveel heldenzielen.
Als, de oogen op uw doel gericht.
Getroost op \'t slagveld vielen! —
Maar kracht ! De kracht van \'t zelfbezit. Dat, na \'t beschieten van zijn wit,
Geen nuttelooze pijlen Het wit voorbij doet ijlen.
Men kroon met onverderflijke eer.
Die steden wint en sloten:
Hij, die zijn geest beheerscht, is meer,
Is grootste van de grooten.
Die eer zij uwe, o Vorst! Zij zegt Meer dan een landwinst, die niet hecht. Dan, op uw zilvren haren.
De frissche lauwerblaren,
37
tijdens den oorlog.
VII.
noodkreet van den stillen burger in \'t geteisterd frankrijk.
Gij Engel van den vrede,
Gij Bode van \'t geluk,
Keer weer op onze bede En red ons van den druk!
Wij hebben reeds zoo lang Onze armen uitgeslagen.
Met bidden en met klagen En tranen op de wang.
Onze akkers zijn vertreden.
Ons kudden zijn verjaagd;
Verwoest zijn onze steden,
De straten leeg gevaagd.
De vaders zitten neer,
De moeders staan verslagen.
De bruiden jammerklagen,
De zonen — zijn niet meer.
Och, dat zich God erbarme.
En zijne slaande hand Afkeere van dit arme.
Verdrukte vaderland!
Zij heeft met recht verscheurd;
Dat ze uit genade heele!
Al zijn de zonden vele En alle gunst verbeurd.
December 1870.
VIII.
de hoofdstad dek beschaving.
Een ruige balk, een ruwe plank Dient wei geschaafd, maar niet te lang; Verschaal\' ze niet tot enkel krullen!
En is die dwaasheid eens verricht. Voorzichtig dan met vuur en licht! Want waar de vonken vallen zullen,
Ontstaat meteen een laaie gloed, Waarvan de vlam, niet licht te dooven. Met helsche schittring stijgt naar boven. En denklijk groote schade doet.
De „Hoofdstad der Beschavingquot; is Geschetst in dees gelijkenis;
Zij schijnt geheel vEKSchaafd te wezen Tot fraaie krullen, licht en fijn.
38
TIJDENS DES OORLOG.
Die overal bewonderd zijn En om haar sierlijkheid geprezen.
Die krullen vatten dikwijls vuur; Ook zit er harst en olie tussohen;
En siddrend wacht Europa \'t uur Dat zij niet meer zijn uit te blusschen.
IX.
PARIJS IN OPSTAND.
Der Vaadren ondervinding baat Niet aan hun kindren, schoon zij \'t hopen; \'t Kroost wil zijn eige\' ervaring koopen, Ook die op bloed en tranen staat. Geschiednis! vruchtloos predikt gij Uw lessen voor der volkren ooren;
Een nieuw geslacht wil, vrij en blij,
Alleen zijn eigen wijsheid hooren.
Gemeene onachtzaamheid vergeet De roede, die haar heeft geslagen;
En soms schijnt tegenwoordig leed Tot nieuwe dolheid op te jagen...
0 stad der Dwaasheid! viel te kort. Te licht u \'t leed, dat ge in uw muren Van vreemden vijand moest verduren,
Dat gij u-zelf ten vijand wordt?
Verlustigt ge u in smart op smarte, En strijkt gij, met verblinde drift. Aan nieuwe dolken \'t oud vergift.
En zet ze u roekloos tegen \'t harte;
Strooit vuur en vonken overal.
En juicht als gij de vlam ziet lichten,
Die \'t overschot vernielen zal,
Waarop gij \'t nieuw gebouw zoudt stichten?
Godloochnaresse, die uw lot In eigen handen meent te dragen
En op zijn hemeltroon bespot,
Die tot u spreekt in donderslagen!
Is dit het einde of \'t eind nog niet? Zal straks de ontzette wereld hooren:
„Wat lang gedreigd heeft, is geschied; „Parijs ligt in haar bloed te smoren?quot;
Of zal een vuist, die d\'arm verplet. Die wreevlig staat naar eigen leven. Nog eens de macht zijn die u redt. En aan den zelfmoord uitstel geven? Een schijn van rust, door machtloosheid,
39
40 TIJDENS DENquot; OORLOG.
Waaruit u nieuwe toorn zal rukken En dan den gruwel doen gelukken,
Dien gij uzelf\' hebt opgeleid? Of moeten nog verscheiden malen —
Dat. uw verderf te wisser zij — De wisselingen zich herhalen Van machtloosheid en razernij? Hem, dien gij loochent, is \'t bekend; C4een sidderende stervelingen.
Die u, in telkens nauwer kringen,
Zien wervlend naar \'t noodlottig end.
AAN EEN GEWEZEN DICHTER.
De gruwel wereld is gekomen,
Die uw verbeelding heeft gestreeld. De werklijkheid dier wilde droomen.
Door koortsig bloed in \'t brein geteeld. De hel, waarin gij zijt gedoken
Om kleuren voor uw schilderij. De gansche hel is losgebroken En dankt u voor uw poëzij.
De Thracer temde, woudgedrochten Door onweerstaanbaar citerslaan: Gij lokt de monsters uit hun krochten
En moedigt ze in hun woestheid aan. Afgrijslijk toonen ze ons de tanden
En brullend vliegen ze op den roof, Met oogen, die van bloeddorst branden, En ooren, als van de adder, doof.
O Dichter, geest van eedier orden.
Van hooger aandrift eens geblaakt. Wat is er van uw volk geworden?
Wat hebt gij van uw volk gemaakt? Ach, mannen zonder eer of waarde, ^ Ach, vrouwen zonder schaamte of tucht. Zich wentlende in het slijk der aarde, En azende op verboden vrucht!
Een jonglingschap, voor geestvervoering. Voor \'t beste en hoogste doof en koel, Onvatbaar voor de zachte ontroering
Van eedle liefde en rein gevoel; Ontvlambaar slechts voor spoorloosheden.
TIJDENS DEN OOULOÖ. 41
Voor weelden van \'t ontuchtig bed,
En met de heiligschennendste eeden Verbonden tegen orde en wet!
Een ras van bandlooze onverlaten,
In list en misdaad uitgeleerd.
Zijn gmwlen plegende op de straten, .
En tegen God en mensch gekeerd.
Godloochnaars, moordnaars, moordnaressen.
Brandstichters vol van woede en haat.
De vrucht van de ingezogen lessen
U spuwende in \'t verschrikt gelaat. 1
Voorwaar, de goden zijn rechtvaardig;
De hand, die hen trotseert, verdort;
De zanger, rang en plaats onwaardig,
Wordt van zijn hoogte neergestort.
De geest is lang van u geweken;
De hemelgalm ontvluchtte uw lier:
Een snorkende onzin werd uw spreken.
Uw zang een krijschend straatgetier.
Gij houdt van vorsten, na de onttroning,
Uw smaad terug; \'tis welgedaan!
Ook zelf zijt ge een onttroonde koning.
Een star geworpen uit haar baan.
Schier onherkenbaar ligt gij neder.
Met wat van vroeger lauwren rest.
Bij \'t goud, gewoekerd door die veder.
Die smaak en zeden heeft verpest.
Geloof niet dat ge u op kunt heffen.
Iets doen, iets zijn kunt als weleer!
De vloek, die u de kruin moest treffen,
Duldt zelfs geen schijn van grootheid meer.
Vergeefs den blik omhoog geslagen,
Ten heldren lichtkreits opgestaard!
Die aadlaar, die u heeft gedragen,
Is in een borstlig zwijn onïaard.
PARIJS IN BRAND.
\'t Groote Babel zinkt ineen.
Gaat in vlammen op en vonken; Al zijn pracht heeft uitgeblonken. Al zijn grootheid ligt vertreên. Wat het krijgszwaard heeft gespaard, Valt voor oproertoorts en dolken.
tijdens den oohlog.
Tot een prediking den volken, Tot een schouwspel voor heel de aard.
Waar is thans uw flonkerkroon, Trotsche koningin der steden,
Die u knielend hulde deden,
\'t Hoofd ontblootten voor uw troon V Wie het waagde tegen u Woord of vinger op te heffen.
Zou de vloek der wereld treffen.... Wie, onschendbre! schendt u nu?
Waar blijft thans de tooverkracht. Die de koningin verleidde.
Die den volken strikken spreidde,
Allen aan uw voeten bracht? \'t Laatste spoor van schoon verdween, Is afzichtlijkheid geworden.
Sinds de omhelzing woester horden, Eerlooze! u verdraaglijk scheen.
Dit is aller weg en lot.
Die met veile schoonheên pralen ; Altijd laag en lager dalen.
Eerst aanbeden, eens bespot!
Eerst vorstinnen, weeldrig, rijk, En voor vorsten slechts toeganklijk. Straks van minder liên afhanklijk; Eindlijk wentlende in het slijk!
Eindelijk vertrapt, verjaagd. Opgeofferd, prijsgegeven.
Om op \'t gasthuisstroo te sneven.
Door geen eerlijk hart beklaagd ... Neen! niet dus is \'t dat gij sneeft! Doodgegeeseld door uw beulen.
Moet uw lijk op \'t mijtvuur smeulen, Dat hun woede ontstoken heeft.
\'t Groote Babel zinkt ineen.
Gaat in vlammen op en vonken;
Nero zwaait de toorts brooddronken.
Duizend Nero\'s, teelt van Een! Wat het tachtig jaren lang Heeft gezocht op al zijn wegen, Is verworven, is verkregen.
Heeft het nu: zfjn ondergang.
Volkren! ziet gij over de aard Ginds die dikke rookwolk hangen. Telkens door een vlam vervangen.
tijdens den oorlog. 43
Die ten lioogen hemel vaart?
Daar, daar bloeide \'t paradijs,
\'t Paradijs der booze geesten.
Stad van bloed en gruwelfeesten, \'t Hemeltergend -wuft Parijs.
God ontfermt zich, en geen wind Doet de vlammen feller woeden;
Maar, om \'t vreeslijk vuur te voeden,
IJvren zinloos vrouw en kindl \'t Kwaad wil door het uiterst kwaad Zich zijn eigen loon verschaffen;
God behoeft het niet te straffen;
\'t Straft zich zeiven en vergaat.
Mei 1871.
XII.
caesak triumphator.
Memento hominem esse.
Gedenk een sterveling te wezen.
Verwinnaar, vorst en held;
Uw zegeboog staat hoog gerezen;
Uw lauwer is besteld;
De Jeugd strooit bloemen voor uw voeten.
Al \'t volk verheft uw deugd; De Schoonheid haakt uw blik te ontmoeten; De Grijsheid beeft van vreugd.
Gedenk een sterveling te wezen!
Toon wijsheid, toon verstand!
Te hoog geloofd, te luid geprezen Voert op des afgronds rand.
De roem verblindt; de lof doet dwalen;
Verbijstrend is de macht;
Geur uit afgodische offerschalen Is doodlijk in zijn kracht.
Gedenk een sterveling te wezen!
Verwacht eens stervlings lot!
Eén wolkjen aan de kim gerezen.
Maakt al uw glans ten spot.
De krans verdort; de wierookwalmen
Vervliegen; \'t is gedaan;
En, voor het luidst hozannagalmen.
Vangt „Kruist hem! Kruist hem!quot; aan.
Gedenk een sterveling te wezen!
Het eind is nimmer ver.
Zij \'t leven in uw oog te lezen:
teh gedachtenis.
De dood treedt naast uw kar. Eén wenk! Uw luister is verdorven, Uw kracht voor goed geknot. Eén wenk! De stervling is gestorven ; De Gesar staat voor God.
Gedenk een stervelinö te wezen!
Gelukkig, die \'t bedenkt;
Die \'t kan gedenken zonder vreezen.
Waar God hem grootheid schenkt; quot;Wiens innigst hart op keizerskronen
Noch veldheerslauwren teert, En zich indachtig weet te toonen Wie rekenschap begeert!
Mei 1871.
Aan u, mijn viertal zonen, ^ Die God mij gaf en nam, U wijde ik deze tonen;
U, takken van mijn stam. Zoo pijnlijk afgereten,
U, perels rein en schoon. Gevallen van mijn kroon. Vervangen, niet vergeten!
Gij zijt mij vroeg ontvallen.
Mijn kleine naamgenoot1), ü zag ik eerst van allen
Zoo bleek op moeders schoot; Dat mondje zoo vertrokken. Dat oogje zoo verflauwd, En met koud zweet bedauwd Die lieve, blonde lokken.
Reeds groenden drie maal zeven
Meimaanden om uw graf; Van voor mijn geest te zweven
Laat nog uw beeld niet af. Nog zie ik honderdmalen, In nacht en eenzaamheid, Die armpjes uitgebreid. Die zachtblauwe oogjes stralen.
Maar de engel, dierbaar zoontje! Wier borst u had gevoed
44
) Overl. 29 Mei 1850. Zie bl. 80 en volgg. Herinnering; en bl. 123 V. On\'ÉL Afwezig»\'. ai
TKK GEDACHTENIS.
En met dat rozekoontje
Beschonken uit haar bloed,
Heeft slechts een zestal jaren Uw vroegen dood beweend:
Toen werd ook zij vereend Met hemdschc englenscharen.
Ach, Godsgaaf mij geschonken
Toen \'t liefste mij begaf.
Uw troost heeft kort geblonken,
Uw steun brak spoedig af!
Gij hadt geen moed het leven Te aanvaarden moederloos;
Dies, na een korte poos,
üw zieltje heen ging zweven.
Toen ik ter aard bestelde
Uw lijkje, dierbaar wicht!
Een tweetal mij verzei de
Met diep bedrukt gezicht.
Mij, bij dat graf verzwolgen.
In onuitspreeklijk wee:
Wie dacht dat een dier twee Zoo spoedig u zou volgen?
Mijn Marten, lieve Marten, -)
Hoe heb ik u bemind!
Gü waart de trots mijns harten.
Mijn eerstgeboren kind;
Gij hebt mij \'t eerst doen weten Wat zaligst is, wat bangst,
Wat, na eens Echtvriends angst.
Eens Vaders vreugd mag heeten.
Gij hebt mij \'t eerst doen smaken
Dat daaglijksch zielsgeriot.
Dat nog mijn hart doet blaken Van gloênden dank aan God,
Als \'t oog zich mag verlusten Aan \'t zich ontwikklend wicht,
En op een lief gezicht.
Daar \'t zieltje doorbreekt, rusten.
Gij hebt mij \'t eerst gegeven
Dien vadernaam zoo zoet.
Dien gij, door al uw leven.
Ontzien hebt vroom en goed;
n |) De lienoni van bi. 183; overl. 20 Aug. 1857. Zijn doopnaam Tlieodorus 1gt; \'quot;bekent Godsgaaf.
\') Overl. 9 Oct. 1867.
4.
TER GEDACHTENIS.
„Wat zal van Marten groeien?quot; 1 Vroeg vol van hoop ons hart: Wee onzer! Marten werd Gestuit in \'t weligst bloeien!
Gestuit en afgesneden,
In \'t midden van mijn vreugd Om zoo veel lieflijkheden,
Verstand en kinderdeugd, Om zoo veel kostbre gaven Van hoofd en hart tezaam, In staat om van mijn naam Ook verder de eer te staven.
Haast zijn het veertien jaren,
Dat u het graf besloot. En nooit rees van mijn snaren
Een treurtoon om uw dood. Ach, \'t lied, als \'t op wou stijgen, Werd in de keel gestuit — Een kleiner leed is luid, De groote smarten zwijgen.
Wreed graf, niet om te koopen
Door welke tranen \'t zij!
Gingt gij nog eenmaal open
Eer ge opengaat voor mij ? Wat deerde u, lieve jongen! ■) Dat ge ons op \'t onverhoedst Uw lachje weigren moest, Hoe we u om lachjes drongen?
Uw volle koontjes bleven;
Maar ernstig zaagt ge ons aan, Als waar de lust van \'t leven
Op eenmaal u vergaan. Wij peinsden, zochten, gisten \\Yol vrees, maar hoopten nog.. Uw oogje zei: „Wil toch De rust mij niet betwisten!quot;
Neen! rust, mijn viertal zonen!
Geniet een hooger heil,
Voor goud, noch eerekronen.
46
Noch duizend levens veil!
\') Zie bl. 119. II. Onze oudste. 2) Willem, overl. 26 Febr. 1869.
DE VIJFTIENDE.
Is u \'t geluk beschoren,
Dat God Zijn kindren geeft, Zoo gij bij Jezus leeft.
Heb ik u niet verloren.
Maar wat mij \'t aardsche leven Nog schenke of houden laat. Die plaats wordt nooit vergeven,
Die ge in mijn hart beslaat. Zoo min ik uwe namen Aan uw opvolgers gaf,
Gaat van uw deel iets af.
Voor hen, die na u kwamen.
Mijn dierbren, mij ontvloden!
En gij, die kwaamt en bleeft! Mijn levenden! Mijn dooden.
Die in den hemel leeft!
Mijn groot, uiteen-getreden,
Maar on-verdeeld gezin! Ben zelfde vadermin Vereenigt al uw leden.
DE VIJFTIENDE.
Kom aan mijn hart, mijn vijftiend kind! Ik heb u net zoo lief als \'t eerste;
Rijke ouderharten zijn de teerste;
En voel hoe u een vader mint.
Kom in den kring, mijn kleine pop, Den wijden kring van kleine en grooten! Hij heeft met blijdschap zich ontsloten; \'Hij neemt u met gejubel op.
Doe niet als kleine Willem deed. Die, voor hij loopen kon of praten. Ons zonder \'reden heeft verlaten En heenging tot ons bitter leed.
Doe wat de dochtertjes hier doen, Die allen \'t zelfde voorbeeld geven;
Blijf vriendlijk lachen, bloeiend leven, Én houd uw vaders grijsheid groen.
47
voorziexigheid.
Ook uwe haren des boofds zijn allen geteld.
O God! wat is dees nietige aard,
Dees vonk, die in \'t lieelal mag gloren\'?
Gij ziet haar aan — zij is bewaard;
Gij wendt uw oog — zii is verloren.
Wat zijn die starren hooggeloofd.
Wat die verbijsterende hemelen,
Waaraan hun myriaden wemelen.
Meer dan de haren van mijn hoofd?
Meer dan de haren van mijn hoofd,
Die Gij geteld hebt en geschapen.
Die niet verbleeken op mijn slapen.
En die mij tijd noch zorg ontrooft,
Tenzij Gij \'t wilt, almachtig God,
Die aan een Niet het Al doet hangen, \')
Bestuurder van zijn orde en gangen,
Regeerder van mijn leed en lot?
Ach \'t grootste en kleinste. Hemelheer 1 Slechts door uw macht uit niet gerezen.
Blijft door die macht alleen in wezen,
Behoeft haar daaglijks evenzeer.
Gij houdt aan \'s hemels hoogen trans De zon in hare baan gebannen;
Gij houdt het vlerkjen uitgespannen Van \'t mugje, dansende in haar glans.
Het groeiend en het denkend riet, :)
Gij kunt het een als \'t aar verpletten;
Maar wilt gij zijn verderf beletten.
De wind, die \'t krookt, verbreekt het niet.
Dees adem, die uw lof vermeldt, 0 God almachtig! steunt op d\'uwe\'; De luchtstroom, daar \'k mijn lied aan huwe. Gij hebt zijn trillingen geteld.
Gij telt de kloppingen van \'t hart,
Dat uwen naamt noemt. God des harten!
Zijn tranen, zuchten, vreugden, smarten. Zoo wonderbaar dooreengeward.
\') Zie Job. 26: 7.
-j L\'liumme n\'est qu\'un roseau, le plus falble de la nature maïs c\'est un roseau pensant. Pascal.
48
het portret.
Zijn, in hun samenliang, gewicht,
Hun vrucht en doel, uw werk, uw gaven;
Zij zullen saam uw liefde staven.
Doorschouwd bij uw toekomstig licht.
Maar wat geen aardsch verstand doorziet, Gevoelt met zekerheid daar binnen
Het hart, dat u bemint en niet.
Niet anders kan dan u beminnen,
In U beweèg en leef en ben Ik, Heer en God van mijn vertrouwen! —
Het zij gelooven, \'t zij aanschouwen,
Genoeg dat ik uw liefde ken! 1871. _
HET PORTRET.
rUw beeltnis, lieve man! Laat ook uw beeltnis maken!
\'t Was onder dit beding, dat \'k myne maken liet.quot;
Zoo sprak de jonge vrouw, en streelde hem de kaken, En poogde boos te zien; maar dit gelukte niet.
„„Gij hebt mijn photogram,quot;quot; „Gij \'t mijn\'; maar daarenboven „Begeerdet gij van mij een kunstwerk levensgroot... „Gü fronst\'? Waar denkt gij aan?quot; „„Aan oude bijgelooven: „„Wiens beeltnis wordt gemaakt is dikwijls spoedig dood.quot;quot;
Hij schrikte zelf er van. „Zoo wondt gij mij vermoorden?quot; Een kus was \'t antwoord, en: „„Van vrouwen geldt het niet.quot;quot; „Van mannen evenmin,quot; hernam ze, „en zulke woorden „Zijn dwaasheid in uw mond, en doen uw vrouw verdriet.
„Goedwilligheid, en trouw aan \'t geen gij mij beloofde,
„Ziedaar wat ik verlang; geen sprookjes, heer gemaal!
„Maar \'k zie wel dat het vuur der eerste liefde doofde ,..quot; Zoo schertste ze en ontvlood, en liet hem in de zaal.
„„Het zal geschieden, mijn lief vrouwtje! \'k Schrijf nog heden „„Den schilder!quot;quot; riep liij in de gang haar na. En zij;
„Heel goed: Wij zullen zien —quot; maar, keerende op haar schreden ,\'t Portret moet vroolijk zien; zoo niet, behoud het .vrij,quot;
De beeltnis werd gemaakt; \'t „lief vrouwtjequot; was tevreden.
II.
De morgenzon scheen fel op \'t gansch gesloten huis.
De koetsen rolden aan, waarin de volgers kwamen.
De buren staan op stoep of kijken door de ramen. De straatjeugd schoolt bijeen met min of meer gedruisch.
49
HET PORTRET.
De zwarte lijkkoets, op wat afstands, staat gereed.
.Het is de mooie; met de pluimen; voor de rijken!quot;
„Dat deze rijk is, zal wel uit de draagplaats blijken;quot;
,\'t Was vijftien gulden bij zijn broêr!quot; zegt een, die \'t weet.
En in liet donkre huis verzamelt zich de stoet;
Heel stil en statig; witte dassen; zwarte rokken;
Het aanzicht droevig, of in droeve plooi getrokken; En fluistrend, juist zoo als m\' in ziekenkamers doet.
.Daar \'s veel gebeurd, mijnheer! Sinds ik u laatstmaal zag.quot; „.Dat moogt gij zeggen, \'t Is verschriklijk.quot;quot; „En zoo spoedig! „Voor veertien dagen was hij bij ons; heel blijmoedig;
„Maar toch; mijn vrouw zei: toch wat anders dan hij plag.quot;
En ginds: „Wie had dit kunnen denken, waarde heer? .Mij dacht dit was een man om honderd jaar te worden.quot; „„Wel zeker! en een man van regelmaat, van orden; ,,De maatschappij mist veel. —quot;quot; „En de arme vrouw nog meer!quot;
„„Gelukkig zijn er hier geen kindren. en — geen zorg!quot;quot;
„Dat\'s waar. \'t Zal evenwel een aaklig ledig wezen.quot;
„„Nu is \'t zoo erg nog niet; daar \'s veel te doen na dezen, „„Na dezen dag, mijnheer, begint het; \'k sta uw borg.quot;quot;
Gestommel in de gang; getrappel op de straat;
Een oopnen van de deur; een zacht gerol van raderen.
Die zich verwijdren, en van andre, die wat naderen, — Men spreekt wat luider, dat de stem er bovengaat.
Men ziet op \'t uurwerk; naar de deur; de deur ontsluit; Een heer in \'t kort, met bef en mantel, purpren konen En purpren neus, komt zich met deftigheid vertoonen.
En noodt „Van de eerste koets!quot; de heeren luidkeels uit.
„Het ging heel stil in \'t werk; zij heeft vast niets gehoord,quot; Zoo spreekt, in de eerste koets, het viertal met vertrouwen. „Ik raadde haar,quot; zegt een, „haar kamer maar te houen, „Die achterboven is.quot; „„Heel wijs!quot;quot; is \'t wederwoord.
Maar die had opgezien naar \'t venster om den hoek Der pui, dat blinden had van buiten noch van binnen.
Had, door een smalle reet van \'t neergelaten linnen.
Een schoon gelaat aanschouwd, maar bleek gelijk een doek.
En die den zonnestraal, die dit bedroefd gezicht Verlichtte, verder met het oog had kunnen volgen.
iO
Had, achter \'t beeld van smart, in \'t wreedst gepeins verzwolgen. Een vroolijk mansportret zien glinstren in zijn licht.
HARD EX ZACHT. - MISPAS.
51
- WELKER EN THANS. ENZ.
HARD EN ZACHT.
Spaar geen hardnekkigen,
Noch wees tegen zwakken fel;
Gisp de gebreken wel,
Maar beschimp geen gebrekkigen.
MISPAS.
Een valsche stap is ras gedaan, En, bij den spoed om voort te gaan. De omnooglijkheid om stil te staan.
Volgt al te licht een tweede; Ja ook de derde is op het punt. Indien men u den tijd niet gunt. Dat ge u eens wel bedenken kunt En letten op uw schrede.
Beschimp hem niet, die (arme ziel!) Dewijl hij zich aan \'t koord niet hiel. Pardoes van al de trappen viel. En pijnlijk ligt te kreunen;
Houd uw verwijten in den krop;
Maar pleister zijn bebloeden kop. En geeft hem, krabt hij weder op, üw arm om op te leunen.
WELEER EN THANS.
Eer we onze xanden hadden.
Kregen wij moeders borst.
En werden we altijd
Heerlijk gevoed;
Nu wij ze hebben,
Bijten we in alles.
Maar ach! niet alles
Bekomt even goed.
AAN DEN APOSTEL JOHANNES.
De Schilders In \'t gemeen, die malen of verzinnen
Een Enyel bij Matthijs of Seraphijnschen Man; Bij Marcus eenen Leeuw, verhit op overwinnen, Bij Lucas eenen Os, een arend bij sint jan.
jee. de decker.
Waak op mijn ziel! Paar stem en snaar,
En zing den vliegend\' Adelaar,
Die u een bode Gods mag wezen!
Des Heilands vriend, de groote ziel,
aas den apostel johannes.
Die op zijn boezem nederviel,
En in zijn hart mocht lezen!
Die door den geest, die uit dat hart In \'t zijne drong, gedreven werd.
Als hij verkondde: „God is liefde.
De ziel, die lief heeft, is uit God. Zij blijft in Gode, \'t oud gebod En \'t nieuw gebod is liefde!quot;
0 Konings-arend! met wat pracht Sloegt gij de vleuglen uit, vol kracht; Hoe hemelhoog zijt gij gevlogen! Hoe staardet ge, in \'t gebied van \'t licht, De hoogste zon in \'t aangezicht Met onverbij sterde oogen!
Haar weerglans, nimmermeer verdoofd. Blinkt heerlijk om uw hals en hoofd. En doet uw gulden veedren stralen; En daalt gij in ons midden neer, De balsemlucht van hooger sfeer Komt met u nederdalen.
Gij neemt ons op; gij draagt ons voort; Gij zet ons neer in \'t heilig oord,
Waar wij den voetstap kussen mogen,
Door Hem in \'t aardsche zand geprent, Wien de engel voor zijn Heer erkent, En dient met pinkende oogen.
Gij stelt zijn beeld ons voor \'t gezicht, \'t Is alles heerlijkheid en licht,
Wat de oogen zien, wat de ooren hooren. Ons hart ontgloeit, gelooft, aanbidt.
(Geen zaliger genot dan dit!)
En ademt als herboren.
Maar eensklaps voert uw stoute vlucht Ons boven wolken uit en lucht.
En alle starren, alle hemelen.
Tot waar de troon rijst voor ons oog\'. De troon, waarom een regenboog Zijn kleurenpracht doet wemelen.
De troon in \'t heiligst heiligdom Der groote schepping Gods, waarom Zijn uitverkoornen zich verdringen, Het twalefmaal-twaalf\'duizendtal. De schaar, die niemand tellen zal, Hun halleluja\'s zingen.
VOOR DEM KRIJGSMANSSTAND.
Met u slaan we ook den Afgrond ga, Gij zweeft den hemelsoli\' engel na,
Wiens hand, naar Gods bevelen, beide Zijn sleutel, en de keten voert.
Waar hij den Ouden Draak mee snoert, Die \'t heidendom verleidde.
En waar uw breede vleugelslag.
Uw sterke klauw ons voeren mag,
In hemel, aarde, of hellekuilen: Uw levenswarmte, uw liefdegloor Dringt koestrend tot de harten door.
Die ge aan uw borst doet schuilen.
Hoogvliegende Arend! merkt gij niet Wat pijlenzwerm men om u schiet,
Hoe felle jagers u belagen?
Neen! Hooger zweeft ge en geeft geen acht. Vernieuwt uw jeugd, behoudt uw kracht, En blijft ons rustig dragen.
VOOR DEN KRIJGSMANSSTAND.
Verdraagt gij \'t, dappre legerscharen, Gij helden, trouw aan eed en plicht, Dat brabbeltaal en kreupeldicht U daaglijks scheldt voor moordenaren\'? Dat lafaards, blind voor deugd en eer, Beschimpen \'t ridderlijk geweer?
Hoe nu? Zijn grenzen, goedren, rechten, Is vrouw en kind, altaar en haard \'t Verdedigen niet langer waard? Of zullen zij er zelf voor vechten.
Wanneer de vijand dreigt den grond. Zij met hun pen, zij met hun mond ?
0 Neen! Gij moogt hun \'t lijf beschermen; Ziedaar uw voorrecht en uw nut! Het levend schild, dat hen beschut,
Zijn, tot hun vreugd, uw krachtige armen; Zij reeknen op uw heldenmoed. Uw deugdlijk „ijzer,quot; kostbaar ,bloedquot;.
Maar krijgskunst, krijgseer, roemverwerven Op \'t bloedig slagveld — niets daarvan I Een moordnaar is hun de oorlogsman. Die niet zoo goed is van te sterven;
58
AAX DE ARTSEN.
Is hij gesneuveld in \'t geweer,
Dan een vermoorde, en weinig meer.
Bewaar mij Grod den stand te onteeren. Die aller standen recht bewaakt;
Die, als het uur des noods genaakt,
Zijn plicht niet eerst nog- heeft te leeren, Maar doet en uitvoert, en niet vraagt. Wat hij daarvoor verwerft of waagt.
Bewaar mij God den krijg te vloeken!
Mijn vloek treft ivat hem noodig maakt, Hem voedt en aanvuurt, als hij blaakt; Gij doet het mee, gij avrechts kloeken; Die onrecht doet en oorlog kweekt. Ook dan, als gij van vrede spreekt.
AAN DE AETSEN.
Vervolgt met stillen heldenmoed, Wat dood er dreig\', wat pest er woed\'. Uw weg uit de eene in de andre woning;
Biedt rijk en arm de trouwe hand Der hulp, en oogst voor dankbetooning Berispingen van \'t onverstand 1
Weest, in den dag van zorg en angst, \'_t Gezegend voorwerp van verlangst,
Wien \'t woord ten mond\' wordt uitgekeken.
Een engel Gods, een halve god, —
En, is dat oogenblik geweken.
Een mensch, met wien de domste spot!
Maak, daar de dwaas uw kunst veracht, Bekrompen vroomheid u verdacht En hoon Gods voorzorg in uw gaven:
Uw zelfverloochning, uw geduld Verdient den handslag aller braven. En \'t hart loont die zijn plicht vervult.
Maar Artsen! waar uw kunde slaagt. Het leed verzacht, den dood vertraagt, \'t Genot des levens weer doet keeren;
Verheft u niet! Geeft de eer aan God! Die d\' Eerens-waardigste niet eeren. Miskenning is hun billijk lot.
54
EEN LIED OP HET JAARFEEST DEll UTRECHTSCHE ZENDIXGSV. 55
EEN LIED OP HET JAAREEEST DER UTRECHTSCHE ZENDINGSVEREENiaiNG.
April 1871.
Bom. XV: 10—12.
Verheugt u met het volk van God,
Gij volken en geslachten
Weest met ons vroolijk in uw lot;
Gij leeft in Gods gedachten.
Zijn roepstem klinkt van oord tot oord;
Hij stort zijn Geest, hij zendt zijn Woord;
In welk een hoek gezeten.
Geen uwer wordt vergeten.
Prijst, al gij heidnen, prijst zijn naam Looft, looft den Heer der Heeren!
Gij zult hem kennen al te zaam,
üw somber lot zal keeren.
De duisternis uws nachts verdwijnt;
De dag breekt aan, de zon verschijnt;
Het altaar wordt verbroken Den On-bekende ontstoken.
De Twijg, met eeuwig groene blaan,
Uit Jesse\'s stam gerezen.
Zal als banier der volkren staan.
Zal aller toevlucht wezen.
Een Heilbanier, die hope wekt.
Beschermt, vereenigt, overdekt.
Bezielend op zal zweven.
En vrede en ruste geven.
Al spotten Booze en Wereld luid Met heil en heilverwachting;
Al trekken christenvolken uit Ten krijg en broederslachting;
Al treft het oordeel Gods alom
Een overspelig christendom.
Op twee gedachten hinkend,
In ongeloof verzinkend;
Hij die \'t beloofd heeft is getrouw,
Getrouw en machtig beide;
En ryzen zal het godsgebouw Waar hij den grond van leide;
En wassen \'t wondre Mosterdzaad;
En werken \'t Zuurdeeg vroeg en laat;
Ook zal van kust tot kusten Het Visschersnet niet rusten.
56 een lied op het jaakfeest der utrechtsche zenoimgsv.
Welzalig, die van \'t Visschersnet
Een slip heeft aangegrepen;
Die meedoet, waar \'t wordt uitgezet
Om buit voor God te sleepen!
Welzalig die, van quot;t oeverstrand.
Het hart mag sterken en de hand Van die de zee braveeren,
Om met dien buit te keeren!
Welzalig, die een handvol graan Aan handen toe mag trouwen.
Die in den naam des Heeren gaan
De wildernis bebouwen!
Welzalig, die het onweer tart,
En, met de hoop in \'t biddend hart.
Niet moedloos wordt te zaaien.
Wat na hem andren maaien!
De graankorl schijne in \'s aardrijks schoot
Verloren en verdwenen;
Eens breekt haar leven uit den dood
Door elk beletsel henen.
Gods tijd is daar; de kiem ontspruit,
De volle halm, na \'t groene kruid;
Haast zal het ruisohend koren Den lof zijns naams doen hooren.
Niet altijd zal uw dompig bosch
Het licht des hemels keeren;
Eens wordt ook gij een planting Gods,
Een vruchtbre hof des Heeren,
O Nieuw Guinea! \') Al begeeft Een_ Geissler -) u, een Jezus leeft.
Die hem had uitgezonden Heeft nieuwe hulp gevonden.
Rust zacht in Vaderlandschen grond.
Nog eens aanschouwd vóór \'t sterven: Man Gods! uw naam leeft in den mond
Van die u noode derven.
Gij derft niets meer; gij ziet uw Heer,
Deelt in zijn heerlijkheid en eer,
En wacht aan Zijne zijde,
Dat de oogst uw hart verblijde;
De oogst van dien akker stug en woest.
Waar gij op rotsen ploegde.
Maar \'t doen van wat gij mocht en moest Uw stil geloof vernoegde.
1) Voornaamst zendingveld der Utr. Zendlngsvereeniging.
2) Een der eerste zendelingen op N. Guinea, kort te voren overleden.
HAGEKOOS. — ONTWIKKELING DER VROUW.
Uw voorbeeld vuur de mannen aan, Die tot uw taak zijn ingegaan; De geest, die in u werkte,
Zij ook hun licht en sterkte 1
0 Geest des Heeren! kom, daal neer
Met krachten, gaven, stralen! Beziel de dienaars van den Heer,
Vermeerder hun getal en!
Voer alle Heidnen tot hun God! Wend, door hekeering, Isrels lot! Laat ons, in onze dagen, ,Goeddoende niet vertragen!quot;
HAGEROOS.
Mijn Hageroos, mijn bloem van \'t veld!
Daar groeit in koningshoven.
Waar slaafsohe zorg de bloemen giet,
Zoo\'n frisch, zoo\'n vriendlijk bloempje niet. Als \'t oog der liefde in u beziet En ieders lippen loven.
Gij steekt niet uit door gloed of pracht.
Maar streelt en steelt de harten.
Laat waar zijn, wat men loflijks meldt Van bloemen, die men koopt voor geld: Mijn Hageroos, mijn bloem van \'t veld. Kan al die pronksters tarten.
ONTWIKKELING DER VROUW.
„Het vrouwelijk geslacht Dient tot een hooger ontwikkling gebracht.quot; Dat is: Dochters en Moeders behooren te weten. Wat Vaders en Zonen vergeten;
En een Vrouw dient te doen,
Wat een Man van fatsoen Noodwendig moet negligeeren.
Zal hij den tijd hebben, mijnheeren!
Om in de club het land te regeeren.
En over rijp en groen (Geen oordeel te hebben maar) te redeneeren.
57
58 EEN LIED DES VERTROUWENS. — \'T BESTE. — ÜIJ HET GRAF.
EEN LIED DES VEE/TROUWENS.
Mijn voorhoede en mijn achtertocht .. Zijt gij, mijn God, zijt gij!
Mijn bloed en leven wordt gezocht,
Maar gij beveiligt mij.
De vijand van mijn ziel rukt aan Met helsche list en kracht :
Met U durf\' ik hem tegen gaan;
Met U is overmacht.
De wereld, die ik vlied en ducht.
Vervolgt mij, waar ik treed :
Gij dekt mijn aftocht en mijn vlucht,
Steeds tot mijn hulp gereed.
Die op zichzelven niets vermocht.
Wordt sterk, zijt gij nabij.
Mijn voorhoede en mijn achtertocht,
Zijt gij, mijn God! zijt gij.
1871.
\'T BESTE.
\'t Beste voedsel was voor elk Toegevloeide moedermelk. Ongevraagd verkregen; Wat natuurlijkst, ongezocht Onzer ziel wordt toegebrocht, Is haar \'t meest ten zegen.
BIJ HET GRAP.
VAN MR. CHKISÏIAAN WILLEM JOHAN VAN BOETZELAER VAN DUBBELDAM.
Overl. 18 April 1872.
Strooi rozen op dit graf, die na \'t verwelken geuren,
Als, na zijn dood, de deugd en liefderijke daan
Van hem, om wiens gemis wij treuren.
Wiens nagedachtnis blijft, en nimmer zal vergaan.
„Welzaligquot; — zegt de Schrift — „die in den Heere sterven.quot; Ja; hunner is de rust na wel volbrachten loop;
Hun heil, de troost van die hen derven,
Hen weer te zien, de hoop.
„Hun werken volgen hen.quot; Uw werken waren velen, Getrouwe dienstknecht! en in needrigheid volbracht.
Eens in uw heerlijkheid te deelen ...
Die eerzucht geeft ons moed en kracht.
holland. 59
Gij hadt geen eerzucht. Neen, gij hadt slechts liefde,_ ontstoken Aan de eerder liefde van een Heiland, trouw en teêr.
Ook deze les heeft niet ontbroken Aan \'t voorbeeld, dat ge ons gaaft; „Aan God alleen zi] de eer!quot;
Bust, werkzaam vriend, rust zacht! Treurt niet, beroofde zonen!
Hef, droeve weduw! \'t hoofd, van hooger hulp bewust;
God in den hemel zal u toonen Wat zegen op het huis van zijn beminden rust.
23 April 1872.
HOLLAND.
Zoet Holland, lieflijk Holland,
mijn Holland, weet gij wat\'?
Ik heb u heel mijn leven
steeds even lief gehad. Uw bosschen en uw duinen,
Uw weiden en uw tuinen.
Zoo menig aardig dorpje,
zoo menig nette stad.
In Haarlem stond myn wiege_,
mijn eerste huis en school. Het is een stad van bloemen
van rozen en viool;
Stad van vergeet-mij-nieten Aan vaarten en aan vlieten,
Waartusschen ik nog dikwijls
in mijn verbeelding dool.
Naar Leiden trekt het harte
der oefengrage jeugd; Een stad is \'t van geleerdheid
en rijke jonglingsvreugd; \'k Weet niet wie \'t meest mij dienden,
Mijn meesters of mijn vrienden.
Wel, dat mij beider leering
en beider liefde heugt.
Bij Alkmaar ligt een dorpje,
dat oog en hart verrukt; Daar heb ik de eerste bloemen
der reinste min geplukt; Heiloo, de zachtste banden Sloegt gij om onze handen;
Gezegend ieder plekje,
1 door onzen voet gedrukt!
GOD. — KINDERKDSJE.
Te Heemstee, waar het meerschuim
haast week voor golvend graan, Daar ving mijn huislijk leven,
mijn werkzaam leven aan. 0 God, de zegeningen Vermeerdren en verdringen.
Verdringen zich, al vergt gij
ook nu en dan een traan!
Zoet Holland, liefljjk Holland,
nu leef ik in het Sticht,
Door leiding van Gods goedheid
en nooit betreurden plicht; \'k Zie daar een grafkuil gapen.
Waarin ik zacht zal slapen.
Als, op den Stichtschen akker,
mijn dagwerk is verricht.
Maar nooit zal ik vergeten,
zoolang ik ademhaal, Uw duinkant, dierbaar Holland,
waar ik nog daaglijks dwaal, Uw beken en uw stroomen Uw schaduwrijke boomen,
Uw steden en uw dorpen,
mij dierbaar altemaal!
Is God een God slechts van \'t Verleden, Die eenmaal dacht, en sinds zijn raad Zich buiten hem ontwikklen laat; Of wel de God van \'t eeuwig Heden, Die, eeuwig, leven is en daad?
KINDERKUSJE.
Als een zegen daalt het neer,
\'t Kusje van het kind; Van het welbeminde kind. Gave van den Heer.
Onbewust van wat het werkt.
Waar \'t als balsem viel In een diep gewonde ziel, Die het troost en sterkt.
60
TACTIEK. - \'T IS ALLES GOED. - DE NAT. A. D. NATUCRONDEEZ. ENZ.
Onbewust van wat het kan,
Waar niets anders baat,
Op den radeloozen man,
Wien zijn kracht verlaaquot;.
Onbewust van wat het doet,
Ongemerkt en stil,
In \'t verbitterde gemoed,
Dat geen liefde wil.
Onbewust waarvan het spreekt.
Waar \'t een beeld van is,
Als een schuldig harte breekt.
En met hoop en vreeze smeekt Om vergiffenis.
TACTIEK.
Waar ik \'t niet winnen han, en niet verliezen mag, Al pruttelt die mij volgt, daar lever ik geen slag.
\'T IS ALLES GOED.
\'t Is alles goed wat komt van God,
Al komt het van de menschen: Verbittring van ons deel en lot,
Verijdling onzer wenschen; De hand eens vijands hou hem op: De Hemelvader vult den kop.
O zie dan, zie den mensch voorbij.
En vest op God uw oogen! \'t Is geen vergif\', maar artsenij. En zal uw kracht verhoogen. De teug zij bitter in den mond: Zij maakt het kranke hart gezond.
DE NATUUR AAN DEN NATUURONDERZOEKER DEZES TIJDS.
\'k Ben in mijn neevlen niet meer veilig: Mijn dichtste sluier dekt mij niet Voor wie mij met uw oogen ziet;
Geheim noch schuilhoek is u heilig.
Zoo ras verraden als bespied.
Toch is er iets, dat u ontvliedt:
Mijn leven ziet gij en mijn streven.
Maar niet het leven van mijn leven.
62 VERNUFT EN VLIJT. — JANTJE. — ALS GIJ VOOR \'t LAATST.
VERNUFT EN VLIJT.
Wil d\' arbeid van \'t nadenkend hoofd Uw eerbied toonen;
En gun aan \'t vlug vernuft, dat rassche lauwren rooft Zichzelf te kronen.
Weet dit; de krans is haast verdord,
Die al te licht veroverd wordt.
Neen, neen, door arbeid wordt geen kunst Of geest verkregen;
Maar \'t vroeg ontwaakt genie verbeurt vaak de eerste gunst, Op later wegen.
Een klein talent, gekweekt met vlijt,
Braveert den nijd, verduurt den tijd.
JANTJE.
Is Jantjen opgevoed\'?
0 neen, maar ongevuld.
\'k Wed dat ge \'t merken zult. Zoo ras gij Jantje ontmoet.
Hij heeft zoo veel in \'t lijf, Dat beenen, armen, handen
Gansch roerloos zijn en stijf, En ook — zijn mond vol tanden.
ALS GIJ VOOR \'T LAATST.
Als gij voor \'t laatst mij hebt gekust,
Mijn lief, mijn leven !
Uw echtvriend bij de dooden rust,
Aan \'t stof hergeven;
De zerk gelegd is over \'t graf.
Daar \'k in vernachte:
O wisch dan, wisch uw tranen af.
Bij dees gedachten:
Die aan mijn armen is ontgaan
En uitgedragen.
Heb ik steeds „goed, nooit kwaad gedaan,
Van dag tot dagenquot;: \')
Het lief, daar ik zijn hart door won.
Ging ver te boven Al wat hij ooit beschrijven kon.
Of ik gelooven.
\') Spr. 31:12.
SANCTUM SANCTORUM.
63
VAUER WIJSHEID —
VADER WIJSHEID.
Indien gji een vader van kinderen zijt,
Al worden ze ook mooglijk wat velen,
Dank vrij uwen God en wees hartlijk verblijd, Het maakt een half man tot een heelen;
Het doet u het leven te beter verstaan;
Het oefent in voor- en in mede- te gaan,
\'t Geeft geduld onder kibblen en spelen.
Een kinderloos man heeft wel mannenverstand. En een vader van kroost is niet wijzer;
Maar hij is weder wijs op een anderen trant.
Breekt, bij voorbeeld, met handen geen ijzer.
Een kinderloos man zij een man van de Mok, Een man van zijn tijd is de vader;
Hiï gaat niet gezet met de kippen op stok;
Maar hij staat aan de kuikens veel nader.
Een kinderloos man leert wel veel, maar vergeet Toch ook veel in \'t gezelschap van ouden;
Maar een vader van kroost onderhoudt wat hij weet, En \'t gezicht van de jeugd helpt onthouden.
SANCTUM SANCTORUM,
Er is een heiligdom van \'thart;
Ontziet het stervelingen!
Daar woont geweten en gevoel, Bewustheid van een hooger doel, En drang naar beter dingen.
Daar zetelt zekerheid van God
En onverderflijk leven,
Daar plichtbesef, erkentenis Van al wat goed en godlijk is. En waar geluk kan geven.
Daar gaan de kostlijke offers op;
Gebeden, zuchten, tranen.
Die zich zoo stil en ongemerkquot;.
Door al wat om hen woelt en werkt, Een weg naar boven banen.
De lamp, die daar voor \'t outer hangt,
Is door God zelf ontsteken.
0, laat de reine vlam met rust!
Want waar haar licht is uitgebluscht. Gaat alle licht ontbreken.
tegenstiujdig. — utrechts blinden. — ach.
TEGENSTRIJDIG.
\'t Is om den mooien Weg te doen, Het frissche groen,
De donkre boomen,
Het wandlen langs den klaren vliet, \'t Gezicht van \'t wisslend bergverschiet — Toch Tvensclit gij aan te komen.
Gij zijt naar \'t Vaderhuis op weg,
Door heg en steg;
Veel zwarte wolken ziet gij drijven;
Veel doornen kwetsen u den voet; \'t Gezelschap, klaagt ge, is ver van goed. Aan \'t benzlen nu, en straks aan \'t kijven — Toch is \'t uw wensch.
Onwijze mensch!
Lang onderweg te blijven.
UTRECHTS BLINDEN
AAN HUNNE WELDOENEBS, BIJ DE OPENING VAN EEN NIEUW VOOR HEN BESTEMD WEKKGEBOUW.
De dank der blinden stijgt tot God,
Voor wat, tot beetring van hun lot.
Uw liefde deed en uit blijft denken; Zij zien hun nieuwe werkplaats niet;
Maar God, dié \'t al en allen ziet.
Moge u daarvoor Zijn zegen schenken.
Zijn gunst bestrale u met haar licht; Hij spare u \'t zintuig van \'t gezicht.
Door ons gemist met zooveel smarten; En zij u de ondervinding zoet Dat, wat gij voor blinde oogen doet.
Niet is verkwist aan steenen harten.
24 Juni 1872.
A C H!
Ach, hoe zeldzaam is \'t uitnemende! Ach, hoe veel het daarnaar zweemende! Ach, hoe moeilijk is \'t den luiden Ooit hun wansmaak te beduiden! Ach, hoe dwaas is \'t van te toornen Dat niet zien de blindgeboornen.
Dat de dooven niet begrijpen Welke snaren, welke pijpen Valsche klanken van zich geven,
he kunst 051 de kunst. — hans aan hassleik. — kortom. exz. . 65
Die een juist gehoor doen beven,
Dat het volk niet beter weet Of die blaaskaakt en geraasmaakt, Is een reednaar, is poëet!
Ach !
DE KUNST OM DE KUNST.
,De kunst om de kunstquot; — zoo verkrijgt gij ? — Natuur\' Het zij zoo, maar \'t schijnt me een heroïsche cuur.
HANS AAN HANSLEIN. (Reisherinnering).
Die \'t hardst kan schreeuwen is de man,
In \'t land der Jonker Hansen;
Daarom, mijn zoon, schreeuw wat je kan.
Het geeft de schoonste kansen.
Schreeuw luider, Knabe! luider nog! De schreeuworganen hebje toch, En \'t voorbeeld, dat we u geven,
Is maklijk na te streven.
Franzose sist; Englilnder lispt;
Wij krijschen, kind! wij gillen;
Vertoont zich iemand, die het gispt.
Wij weten hem te stillen.
Wij krijschen dubbel, beste maat,
Tot hooren hem en zien vergaat;
In onze scherpe kelen.
Zijn „der ressourcen velen.quot;
En schiet de lieve keel te kort.
Wij zoeken \'t maar wat verder,
In maag en buikstreek, en het wordt Niet mooier, maar wel harder.
En daarom, „eens voor allemaalquot;.
Schreeuw door! Maar schreeuw grammaticaal! „Grammaticalischquot; krijschen Moet uw fatsoen bewijzen.
KORTOM. - IN HET KORT.
Wees in de keus tusschen dezen zorgvuldig; In het kort is bescheiden, kortom ongeduldig.
IV.
5
TER GELEGENH. V. H. TAALCOXGR. TE 5IIDDEL1!. IN SEPT. 187
TER GELEGENHEID VAN HET TAALCONGRES TE MIDDELBURG IN SEPTEMBER 1872.
AAN ZEELAND.
Hef, Zeeuwsche Leeuw, den breeden kop
En schouders uit de baren.
Schud fier en trotsch de manen op
En laat uw oogen waren.
Langs drom bij drom, uit elk gewest In uwe hoofdstad saamgeprest,
Waar, onder roos en palmen,
De blijdste tonen galmen.
Met dien van Holland, u getrouw
Sinds zooveel honderd jaren.
Biedt Vlaandrens Leeuw u thans den klauw.
Bij onze vrede-altaren.
De staatkunst scheidt en scheurt en deelt: De taal vereenigt, zalft en heelt.
En Cats en Zevecoten Zijn eeuwig bondgenooten.
O Land van Cats, goed Zeeuwsch, goed rond.
Die \'t zout en \'t zoet vereende.
Waar Bellamy het speeltuig vond.
Dat Roosjes dood beweende;
O Bloemhof, rijzende op uit zee. De vriendengroet, de zegenbee Van alle Dietsche tongen Wordt thans u toegezongen.
Uw vette klei zij meer en meer Met voedzaam goud beladen;
Uw handel bloei, gelijk weleer,
Langs nieuw beproefde paden;
De ronde Zeeuw verandre nooit;
De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;
En al wat Zeeuwsch is toone Den glans van \'t Goede en \'t Schoone!
II.
HET WAPEN VAN MIDDELBURG.
Aan den Heer Burgemeester SCHOEEIi.
Op aadlaars-borst rust. Middelburg! Uw Burg van goud op keel;
TER BBLGEJIH. V. HET TAALCONGR. TE MUIDEL 11. IJl SEPT. 1872. 67
Uw naam worde, als op aadlaars vlerk, Gedragen door het luchtig zwerk.
Naar \'s werelds verste deel.
Op aadlaars-bor.st praalt Middelburg!
Uw schild met glans en gloed; Geen arends-oog ontdekke een vlek, Maar arends-klauw en arends-bek Waak voor uw goed en bloed.
De Keizerskroon, die \'t hoofd versiert
Uws Arends, schittert schoon ;
Maar schooner en tot eedier vreugd, Blinkt \'t eikenloof der burgerdeugd Rondom uw stedekroon!
III.
IN DE ORANJERIE VAN OVEKDÜIN. \')
Dat de Overduinsche bloemhof bloei.
Zijn boomgaard rijke vrucht doe plukken. Het kunsttrezoor er overvloei
Van altijd nieuwe meesterstukken.
Zijn Eigenaar aan \'t zilvren haar.
Op \'t hoofd zoo ongebogen.
Nog lang den gloed van \'t leven paar,
Dat tintelt in zijn oogen.
Dat aan zgn zij zijn gade prijk.
Hem \'t levenspad blijf tooien.
Zijn Dochteren, aan gaven rijk,
\'t Met bloemen overstrooien.
Zijn Zoons den naam van zijn geslacht
Met nieuwen luister kronen Door \'t zwaard, den tabberd en de kracht Der kunst in \'t rijk der tonen.
Bij zoo veel keurigs, zoo veel schats,
Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde.
Verhoog nog steeds „iets nieuws van Catsquot;
Van zijn verzameling2) de waarde;
Cats\' hooge leeftijd, blijde moed
En hoop op \'t beter leven.
Meer waard dan al des werelds goed.
Zij rijklijk hem gegeven!
\') Buitengoed van den Heer de Jonge van Ellemeet, A]g. Voorzitter van *t Congres, te Oostkappel.
-) Museum Catsianum.
68 EEN GOEDE PREEK. — BIJ HET GRAF VAN BERNARD GEWIN.
Een dankbre „Afdeelinge-presidentquot;
Wenscht dit den „Algemeenen,quot; En al wat ademt hieromtrent
Moet in dien wensch vereenen. „Lang en gelukkig leef de man,quot;
Roepe ieder duizend malen „Die ons zoo goed regeeren kan En ons zoo gul ontlaaien!quot;
EEN GOEDE PREEK.
Een goede preek is als een goed portret; Zij kijkt u aan waar ge u ook nederzet.
BIJ HET GRAF VAN BERNARD GEWIN.
Rust zacht! Gij zijt ter rust gelegd,
Waar niets kan deren,
Beminlijk vriend! Getrouwe knecht Des trouwsten Heeren!
Gij neemt een vriendschap mede in \'t graf,
Van veertig jaren.
En wacht haar nieuwen morgen af.
Bij de englenscharen.
AVij wandlen hier, door lief en leed,
Nog op en neder,
En gaan tot de ure, die God weet.
Door wind en weder.
Voor u was \'t weder dikwijls ruw,
— Het deel der vromen! —
Maar nooit is tusschen mij en u Een wolk gekomen.
Daarboven zal geen wissling zijn
Van licht en duister.
Maar een, een zelfde zonneschijn,
In vollen luister.
Wij hebben van dat heerlijk licht, ■
In \'t uur van scheiden,
Reeds op uw stervend aangezicht, Een straal zien spreiden.
Dat heeft ons hoofd omhoog gewend.
Ons hart genezen —
Rust zacht, mijn Vriend, en moge ons end\' Als \'t uwe wezen.
15 Maart 1873.
PRACHT. — JUBIi.AUISSEN. — BIJ DEX DOOD EENS UITNEMENDE^. 69
. PRACHT.
\'t Is alles prachtig wat men hoort of leest: Een prachtig boek, lied, landschap, uitzicht, feest... Wat altijd lief, bevallig, schilderachtig,
Door reinen eenvoud treffe)id is geweest.
Het moet nu prachtig heeten, \'t minst en \'t meest, \'k Moet zeggen, al die pracht verveelt mij machtig. En wordt ik dan dat oude woord indachtig,
Eu spreek ik \'t uit, bescheiden, maar met kracht: „Ik vraag u schoonheid, en gij geeft mij prachtquot;. — „Men roept van alle kant: „dat woord is prachtig!quot;
JUBILARISSEN.
Die vijf-en-twintig .jaar uw put geleegd.
Uw gang gewit, uw schoorsteen heeft geveegd. Ter zelfder kroeg de borrels heeft geschonken, In \'t zelfde huis gegeten en gedronken. Zal Jubilaris wezen; gek of guit.
Ken dagblad meldt het maanden lang vooruit; „Dien bravenquot; moet men „aangenaam verrassen.quot;
Een „prachtig albumquot; heeft men reeds in \'t oog; Zend uw portret en wil uw duiten passen!
Als ieder wat doet, loopt het niet te hoog,quot;
BIJ DEN DOOD EENS UITNEMENDEN.
Waar is, o Dood! uw prikkel? Uw overwinning, gulzig Graf\'!1 Gods Engel greep den sikkel. En maait wat rijp is af.
Het zaad was uitgesproten. Ontwikkeld, wie zal zeggen hoe ? De halm was opgeschoten, De zwellende aar daartoe.
Bij vroeg\' eu spaden regen, Bij heeten zomerzonnebrand.
Had zij haar eisch gekregen. Op \'t welbereide land.
De vrucht wordt rijp bevonden. En naar \'t verhonderdvoudigd zaad De sikkel uitgezonden — De sikkel doet geen kwaad.
70 VOOK DE UTRECHTSCHE WATERLEIDING. — BAAS ISOVES BAAS.
Nu is het uur geslagen,
Van d\' oogst der eng-len \'t plechtig uur; De garve wordt gedragen,
Gedragen in de schuur.
De schoof ter rechter tijde Gevoerd ter plaatse, die haar wacht. Maakt niet bedroefd; maar blijde Ziet men haar ingebracht.
1873.
VOOR DE UTRECHTSCHE WATERLEIDING.
Voert water aan, voert water aan, In frissche, heldre stroomen.
Zoo als de hooge God het geeft,
Voor nog de mensch \'t bedorven heeft;
Voert water aan, voert water aan,
Laat, laat de Godsgaaf komen!
Voert water aan, voert water aan, Uit zilvren waterwellen!
Geen drab. waar ziekte en dood uit gist, Maar zuivre bron, die \'t bloed verfrischt;
Voert water aan, voert water aan. Dat kranken doet herstellen!
Voert water aau, voert water aan.
Voor armen en voor rijken!
Voor quot;s rijken goed, door kunst en kracht, Den armsten broeder toegebracht;
Voert water aan, voert water aan.
Waar liefde en trouw uit blijken!
Een burgerkroon, een liefdekrans. Die nimmer moet verflensen.
Waarin zich doorn noch distel mengt. Voor \'t hoofd, dat deze weldaad brengt,
En water schenkt, goed water schenkt Aan zestig duizend menschen!
24 Sept. 1873.
BAAS BOVEN BAAS.
Voorzichtigheid ziet ver, boosaardigheid nog verder; De wolf heeft fijner neus dan menig herder.
SCHOOLVERZUIM. — EENHEID. — HIJ HEI GRAF, ESÜ.
SCHOOLVERZUIM.
Nu is de groote zonde ontdekt.
De moeder aller zonden ;
Het kwaad, dat alle kwaad verwekt
En aanvoedfc, is gevonden;
Want Hebzucht, Heerschzuclit. Ngd en Haat, Zijn slechts gevolgen van dit kwaad;
Maak iedereen schoolplichtig,
En alle ding is richtig.
Verzuim geen school, leergrage jeugd!\'
Wier lot\' wij daaglijks zingen.
Is niet de kennis macht en deugd
En alle goede dingen\'?
Verzuim geen school, en moord en roof Met leugen, ontucht, kerkgeloof En diergelijke schande.
Verdwijnen uit den lande!
De goudeneeuw, het paradijs Zal voor de wereld keeren,
Zoo maar de kindren dezes tijds
Goed schoolgaan en goed leeren.
Dies prikkien wij tot schoolbezoek Met chocolade en krentekoek,
Belovende alle straffen Geregeld af te schaffen.
Breng eenheid in uw werk, wilt ge u met werking vleien; De vuist treft beter dan tien vingers uit te spreien.
BIJ HET GRAP VAN EENE ACHTTIENJARIGE, MET EEN BLOEMKRANS BEDEKT.
Rust onder deze bloemen,
In dit vroegtijdig graf!
Uw jarental te noemen Perst ieder tranen af.
Te denken aan het lijden.
Dat nu geleden is,
Is oorzaak van verblijden Bij deze droefenis.
72 hooger waarheid. — de regenboog. — aan mijn vrouw.
Het oog omhoog te beuren Is balsem voor de smart,
Genezing, na \'t verscheuren Van \'t arme moederhart.
Het hart in God te sterken,
En \'t oog op \'t graf gericht.
Te leven en te werken Ziedaar de taak, de plicht.
1873.
HOOGER WAARHEID.
Wat gij, onvatbaar voor bewijs.
Alleen door \'t hart kunt weten. Dat geeft gij als onbruikbaar prys; Alsof gij zeidet; \'t Is geen spijs, Wat \'k met geen vork kan eten.
DE REGENBOOG.
(Naar Wordsworth.)
Mijn hart springt op, wanneer mijn oog Een regenboog Den trans ziet kleuren met zijn verven. Zoo was \'t, zoo vroeg mij heugen mag. Zoo is het heden nog, en ach!
Zoo blijve \'t tot mijn ouden dag,
Of — laat mij sterven!
Het kind is vader van den man.
En ik verlang niet liever dan
Mijn dagen aan elkaar te snoeren Door dat natuurlijk vroom gevoel.
Dat eens mijn jonkheid mocht vervoeren, En nooit verkoel! 1873. _
AAN MIJNE VROUW.
Zoo^ als God mijn hart aan u gesnoerd heeft,
Lieve gade en weerhelft mijner ziel.
Sinds zijn liefde mij u toegevoerd heeft.
En uw licht op mijne paden viel,
Hoe ik voel dat onze banden klemmen, Bij de minste scheiding, kort of lang, Hoe mijn hart en \'t uwe samenstemmen. Meldt geen citer, zegt geen zang.
aan mijn vrouw
Dierbre, mij in \'s hemels gunst gegeven,
Tot vertroosting na den diepsten rouw!
Heel uw rang en adel staat gesclireven,
Tn dit tweetal woorden: echte vrouw.
Vrouw — wie \'t waag uw waarde te verminderen.
Door verbastring van uw deugd en aard —
Vrouw te zijn en moeder zijn van kinderen Is de kroon der kronen waard.
O Gij zijt het, lieflijk en volkomen,
Met een vreugde in \'t hart en op \'t gelaat, Die het zoetste zoet der mannendroomen
En het hoogst geluk te boven gaat.
O Gij zijt het, met een liefde, krachtig
En zachtmoedig, teeder, trouw en groot,
Vriendlijk als het zonlicht, alles machtig Voor uw kroost en echtgenoot.
In uw armen, aan uw hart gedrongen.
Door uw oog bestraald, verkwikt, doorzien. Van wat nood of vijandschap besprongen,
In uw arm kan mij geen leed geschiên.
Rustend aan uw boezem, waar ik \'t kloppen
Hoore en telle van dat liefdrijk hart.
Kan ik alle zorg en leed verkroppen.
Steekt geen doren, duurt geen smart.
Met wat teerheid moest ik u omringen.
Met wat dankgevoel u gadeslaan!
Met wat aandrift \'s hemels zegeningen
Nedersmeeken op uw hoofd en paan!
Met wat zorg u op mijn handen dragen,
Dat ge aan geen steen uw voet bezeert!
Met wat vreugd en innig welbehagen.
Doen al wat uw hart begeert!
Gij begeert slechts liefde, ziel vol liefde!
Hart, waaraan geen heb- of heerschzucht knaagt, Dat nooit argwaan met zijn angel griefde,
Dat met hersenschimmen zich niet plaagt! Van mijn hart verzekerd, hangt uw vrede
Van geen toeval, van geen indruk af, —
O Mijn God! vergun mij deze bede:
Koestre mij die liefde tot mijn graf!
In Gelderland, 1878.
HIJ HET GRAF EENS EVAXGELIEDIEXAARS. —
BIJ HET GRAF EENS EVANGELIEDIENAARS.
Hoe zacht rust in des aard rijks schoot
Het overschot der vromen,\'
Tot dat het eeuwig morgenrood
Ter kimmen uit zal komen,
Totdat, bij \'t jongst bazuingeschal. Des Hollands stem weerklinken zal, En \'t graf ten eeuwgen leven Zijn dooden wedergeven!
Hoe heerlijk zullen, met een glans
Daar sterren bij verzinken.
De trouwe leeraars aan den trans
Des nieuwen hemels blinken!
Hoe zullen, die, door hen geleid.
Zich wendden tot de zaligheid.
Met hen aan \'t stof\' ontrezen.
Hun kroon en blijdschap wezen!
Inmiddels bloeien stil en zacht De bloemen op hun graven,
Die liefde en eerbied samenbracht
En dankbre tranen laven.
De naklank van hun stem en woord. Hun beeld leeft in de zielen voort. Zij spreken menigwerven Nog krachtigst na hun sterven.
OFFERVLA KKIG HEID.
De waarheid heeft geen erger vijand dan Dien schijn van wijsheid, die niet verder ziet Dan d\' eigenwijzen neus. De wijze man Bemint den strijd met wijzen, maar ontvliedt Schermutsling met verwaanden, waar het kan; \'t Is tijdverlies en onbeloond verdriet.
VAN BUITEN ROOD.
Van buiten rood, maar zwart in \'t hart. Schoon op den hoogsten steel verheven. De schoone bloem verdort en wordt
Aan wind en stof ter prooi gegeven.
Wat anders niet dan schijn kan zijn,
OPPERVLAKKIGU. E.VZ.
„LION.quot; — EENS VADERS RAAD. — AUDAX. — VOOR DE VUIST. 75
Maar arm aan tracht is, deugd en waarde, Hoe hoog geplaatst, ontzinkt,
waar \'t blinkt.
En, eer men \'t denkt, ligt plat ter aarde. 28 Mei 1873. ___
„LION.quot;
Proteo novello di quando in quando Di nome e d\'abito ci va oangiando; Fu petit-maitre chiamato un di, Poi muscadin, indi dandij,
E fu per ultimo in Albion Ribatezzato per un Lion:
II che significa, con sua licenza Ch\'egli e la bestia per eccellenza.
Arnoldo Fusinato.
Moderne Proteus, menigkeeren Verwisselend van naam en kleeren;
Eerst petit maitre, muscadin,
En later dandy, moest hij zijn.
Tot dat ten laatste Britsche monden Den naam van Lion voor hem vonden,
\'t Geen zeggen wil, of \'k heb bet mis,
Dat bij het beest bij uitstek is.
EENS VADERS RAAD.
Mijn zoon, indien gij leven wilt als wijzen mannen past:
Wees steeds tot nut, niet graag vooraan, en nimmermeer tot last Spreek nooit te vroeg, spreek niet te veel of anders dan gü denkt; Wees trouw, mistrouw niet, maar zie toe wien ge uw vertrouwen
[schenkt.
AUDAX.
„Sla toch dien mallen Audax ga! „Hij durft van alles ondernemen;
„Hij vat ter hand, waar ik voor staquot;____
Mijn vriend, laat dat u niet bevremen: Hem die niets is, is alles even na.
VOOR DE VUIST. „Wat voor de vuist wordt toegediend, „Komt warm op tafel,quot; zei een vriend.
Komt warm op tafel, dat is waar. Maar is niet altijd even gaar.
76 AAN SOMMIGEN. — OCULUS ANIMI SPECULUM. — NIET WAAK, ENZ.
AAN SOMMIGEN.
Wat gij me op tafel zet, mijnheeren!
Is al te weinig naar mijn zin:
Er zit niet heel veel voedsel in.
En \'t valt nog moeilijk te verteren.
VERKREGEN WENSCH. \'t Verkijgen van den wensch Verheft ons dwaze mensohen Vaak boven onzen wensch, Niet altijd boven \'t wenschen.
OCULUS ANIMI SPECULUM.
,Geheel de mensch is in zijn stijl,quot; beweert Butfon, maar ik: Igt;e stijl bedriegt mij nog wel eens, maar nimmermeer de blik.
* TLe. Style, eest Vhommequot; — immers dit schrijft men Buifon toe, ofschoon het woord bij hem eenigszins anders luidt, en ook verder getrokken wordt dan in zijn bedoeling lag.
NIET WAAR.
Een witte raaf, een roode spreeuw Zijn zeldzame zaken, maar Zoo zeldzaam niet als, in onze eeuw. Welsprekendheid zonder „Niet waar?quot;
MACHT EN ONMACHT.
Kweek al wat kiemt, laat niets dat groeit verleppen; Maar droom niet van te maken of te scheppen;
Door tijd noch vlijt, noch vrome wensch ontstaat, Uit duizend korlen zand, een enkle korrel zaad.
KUNSTVAARDIG.
A.
Jan is een ware wonderman;
Hij kan
In rijm en maatval alles zeggen.
B.
Ik acht hem daarvoor evenveel Als een, die in een kersensteel Een knoop met zijne tong kan leggen.
ECHT EN BASTERD. — GEESTDRIFT. — EEN ROL TE SPELEN, ENZ. 77
ECHT EN BASTERD.
„Een basterdnachtegaal, die aardig in zijn soort is, .En aanheft ongevraagd,
,Boeit dikwijls en behaagtquot;. ..
Wel zeker, vriend! zoo lang maar de Echte niet gehoord is.
GEESTDRIFT.
Waar \'t hart niet voor een hooger wereld slaat, Kan nog wel geestdrift zijn, maar die vergaat,
Als \'t uit is met de jeugd en schoone droomen.
Als de eerzucht is bevredigd of — benomen;
Slechts hemelsch vuur verdooft niet; vroeg noch laat.
EEN ROL TE SPELEN.
„Een rol te spelen in den Staat,quot; „Een rol te spelen in de Kerk,quot;
Daar hebt gij steeds den inond van vol. Dat\'s „levenstaak,quot; dat\'s „mannenwerk,quot;
Waar u het hart voor slaat!
Vergis u niet, mijn beste maat!
Een rol is maar een rol.
WIE VAN BEIDEN GELDT VOOR DEN GROOTSTEN HELD ¥
„Ik ken,quot; zegt Jan, „geen vrees; ,\'k Blijf altijd bij mijn zinnen.quot;
„Ik ken haar wel,quot; zegt Kees, „Maar \'k weet haar te overwinnen.quot;
TWEEËRLEI.
Schudt gij \'t uit de mouw: Dat gaat glad en gauw;
Baart gij \'t uit uw hoofd en hart. Dat kost tijd en smart.
JAN ZONDERLING.
De zucht naar grootheid, die mij prest, Doet my betreden paden vloeken.
Ik kan niet heter doen dan best. Zoo wil ik \'t dan bij anders zoeken.
PETEK DE GKOOTE\'S GESCH. AAN WILLEM HI.
NAAR DON MANUEL.
I.
Waag nooit uw schat of hoogen staat Aan \'t geen een armer man u raadt.
II.
Denk nooit dat ik behagen schep In wie mij prijst om \'t geen ik mis;
Ik weet te zeker dat het is Om mij te ontzeggen wat ik heb.
PETER DE GROOTE\'S GESCHENK AAN WILLEM III.
Groote Peter schonk den grooten
Willem met zijn eigen hand, Maar in grauw papier gewikkeld,
eenen grooten diamant: Was het niet een treffend zinbeeld
van den gever en zijn land?
Naar Jacobus Scheltema.
i eter de Groote. I. 212.
KENNIS NIET = KRACHT.
Niet altijd mannen die veel loeten,
Maar die veel kunnen eischt het werk; Te vaak, te veel, en alles te eten Maakt mooglijk vet, maar zelden sterk.
OEFENING.
Bij menigen juffer en menigen heer
kom ik haast tot dit treurig besluit: \'/Aj oefnen zich in den godsdienst zeer,
maar zij oefnen hem matigjes uit.
„Erg mooi,quot; „erg lief,quot; „erg goed,quot; „erg zacht,quot; „erg rijk,quot;
Klinkt mij erg naar, erg slecht, erg erg en ergerlijk.
Anders:
„Erg lief,quot; „erg mooi,quot; „erg zachtquot; — \'t Gaat nu, gelijk gij hoort. Van goed, gelijk weleer van kwaad, tot erger voort;
\'t Kan erejer niet, is nu wel \'t ware woord.
78 NAAR DON MANUEL. —
79
NEEM HET BESTE. —
ROEREND. —
NAAR TERSTEEGEN, EXZ.
NEEM HET BESTE.
Wat pijnt ge u af, mijn goede heer!
Uw nachtrust wordt vergeefs verkwist Eén gram voorzichtigheid is meer Dan kilogrammen list.
ROEREND.
Jan War preekt roerend, zegt gij. Kom,
Ik wil het ook gelooven.
Hij roert een pot met woorden om. En hutst het onderst boven.
NAAR TERSTEEGEN.
Hij is niet rijk, die veel bezit, Zoolang hij daar nog bij wil voegen;
Er is geen rijker zijn dan dit: Dat ge u met God kunt vergenoegen.
PESTINA LENTE.
Door drift gedreven drijver!
Hoor wat het oude spreekwoord zegt:
„Een slechte ba,as is de IJver, Ofschoon een beste knecht.
GEEN KIND ZIJNS TIJDS.
Geen hind zijns tijds te zijn, strekt geen verwijt; Een groote geest staat hoven zijnen tijd.
Maar huiten zijnen tijd, of naast zijn tijd te leven.
Dat \'s wat onvruchtbaar maakt, en niemand wordt vergeven.
ZEVENDE BUNDEL.
GOEDE RAAD.
Is iemand sterk, en heeft moed: \'t Zij tot bescherming van niet-sterken.
Een hart, gedrenkt met edel bloed. Laat aan een eedlen aard zich merken.
Is iemand zwak. en heeft hij list: Hij leere voor zichzelf te vreezen.
Een listig man kan, eer hij \'t gist, In eigen strik gevangen wezen.
Is iemand wijs en hoogst geleerd: Hij wete ook somtijds niet te weten.\')
Geleerdheid werkt wel eens verkeerd Bij wijze lui, die dit vergeten.
Is iemand onafhanklijk: hij Zoek zelf iets, dat hem mag beperken.
Gevoelt de wil zich al te vrij, De wilsamp;roc/ji houdt dan op te werken.
Is iemand mooi, en heeft zij geest: Zij moet zich niet te veel betrouwen!
Bewonderd wordt zij, maar gevreesd; Voor alles wil men lieve vrouwen.
Is iemand dom, maar wel ter taal: Hij leere ook nog die gaaf verzaken.
Een gek, die zwijgt, zal menigmaal Een schrander man te schande maken.
\') Ars nesciendi.
niets onvermengd. — vuurwapenen.
Heeft iemand, denkt hij, goeden raad; Hij zij volvaardig dien te geven;
In \'t algemeen; dat kan geen kwaad; Maar in \'t bijzonder?.. Wacht eens even!
NIETS ONVERMENGD.
Vreugd en droefheid gaan te zaam
In dit hachlijk leven;
Rozen, zacht en aangenaam.
Worden ons gegeven;
Doornen zijn er, meer of min.
Aan de onmisbre stelen;
Veel, dat zoet was in \'t begin. Heeft aan \'t eind iets bitters in, Voor te grage kelen.
\'t Is gewaarschuwd, laat en vroeg,
In gedicht en proze.
Maar nog nooit herhaald genoeg
Voor den achtelooze;
\'t Wordt bevonden, vroeg en laat.
Al te waar te wezen;
Maar men ziet met dat het baat; Ieder maakt op alles staat. En schijnt niets te vreezen.
Volgens Ariosto.
(Orlando Eurioso, C. IX en XI.)
Bij ruwe kracht, geweld, en felle listen.
Kwam nog \'t geweer, daar de Ouden niet van wisten. Een ijzren buis van twee el, meer of min;
Daar brengt men pulver en een kogel in.
81
VUURWAPENEN.
Van achtren, waar de koker schijnt gesloten,
Wordt met een lont een gaatjen aangetikt, Zoo klein, als waar het bloed uit komt gespoten.
Wanneer \'t lancet van d\' arts u nauwlijks prikt! Op eenmaal komt de kogel uitgeschoten ...
\'t Is of des hemels donder u verschrikt!
En, even als zijn bliksem, waar hij doorkomt, Verslaat, verplet, vernielt hij wat hem voorkomt.
De zwarte-kunst beschonk, te kwader uur. Tot eigen doem en onzer aller schade.
Den Duitscher met dit helsche tuig en vuur; De Booze-zelf kwam zijn vernuft te stade,
En leerde \'t hem, door proef en helschen raad. Het best gebruiken tot het meeste kwaad.
Itaalje, Frankrijk, alle strijdbre volken
Zijn spoedig door dien wreeden vond bekoord.
Hier vormt m\', in naar de kunst gegraven kolken, Het gloeiend brons ten vuurmond; ginder boort Men \'t ijzer tot wat, meer dan zwaard en dolken. Het menschdom dreigt met uitgebreiden moord, \'t Geschut is zwaar of licht; de namen velen Van zinkroers en kartouwen (halve\' en heelen),
Veldslangen, donderbussen, gootling, bas — Al naar \'t den vinder smaakt; maar, waar zij raken,
Gelijklijk \'t ijzer brijzelend als glas.
En \'t marmer gruizlend, om zich baan te maken.
Soldaat! geen dagge of zwaard komt meer te pas. Verkoop ze vrij als uitgediende zaken!
Voorzie u van een snaphaan, arme vriend!
Daar ge anders uw soldij niet meer verdient.
Hoe zijt ge in menschenhart ooit opgekomen,
Gemeene, schelmsche en allerwreedste vond ?
Door u is de eer der waapnen weggenomen;
Door u gaat alle krijgsroem naar den grond;
Door u behoeft de lafste niet te schromen.
En vallen laagste en hoogste te eener stond;
Geen mannenmoed, geen geestdrift mogen rekenen Dat ze op het veld van eer nog iets beteekenen.
Wie telt de riddren, wie de dappre helden Door u alleen in \'t bloedig stof gelegd?
Wie de eedlen, die elkeen voor honderd telden,
Waar natiën om treuren, naar het recht Der smart, die weet wat hooge deugden gelden? Gewis, \'t is veel, maar niet te veel gezegd.
anna s sterkdag.
Zoo \'k zeggen durf, dat hier de goddelooste Het denkend brein gespitst heeft tot het snoodste.
\'k Geloof ook, dat de Almachtige in zijn toorne
Een zwaar, een vreeslijk vonnis heeft geveld. En de gevloekte ziel van dien verloorte
In \'t diepst der hel naast Judas heeft gesteld.
Zoo dacht, zoo zone/, voor vierdhalf honderd zonnen,\')
De zanger van Orlando fel en forsch.
Onze eeuw geeft antwoord met haar Krupp-kanonnen,
Torpedo\'s, Mitrailleuses, Monitors.
Moorddadig door moorddadiger verwonnen.
Verwoestend door verwoestender — Vermors, O Dichter! thans geen tijd met nutloos zingen.\' — Ziedaar de vrucht van onze vorderingen.
ANNA\'S STERFDAG.
aan den beroofden.
Heb ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?
Jeztjh.
Gij heht Gods heerlijkheid aanschouwd In \'t vast gelooven, lijdzaam lijden,
In liefdeblijken duizendvoud Van \'t hart, dat zich ter dood moest wijden;
In d\' uitdruk van dat zielvol oog.
Ten open hemel opgeslagen.
Waar, na een leed van zoo veel dagen,
\'t Verloste zieltje henenvloog.
Gij zult, gij zult, zoo gij gelooft.
De heerlijkheid van God \'aanschouwen,
In \'t geen hij schenkt, ook waar hij rooft, Aan harten, die op hem vertrouwen,
83
In troost, als balsem neergevloeid.
\'■) Ariosto leefde van 1474—1033.
BIJ ANNA\'S BEGRAFENIS. — HAAR BRUIDSKRANS.
In kracht, bij \'t drinken van uw beker,
In de eedle vrucht die, zacht maar zeker. Aan \'s levens scherpe doornen groeit.
En eenmaal — droeve zielen! beidt.
Verbeidt zijn tijd met stil gelooven —
Zult gij des Heeren heerlijkheid,
In vollen luister, zien daarboven;
Als de engel, die gjj hebt gekweekt.
Die al uw vreugd was hier beneden,
U met een lach zal tegentreden.
Daar waar men van geen scheiden spreekt.
3 Februari 1874.
BIJ ANNA\'S BEGRAFENIS.
„\'k Beis naar den hemel,quot; was het woord. Zoo troostrijk uit haar mond gehoord. Om uit de smart u op te beuren.
Die nooit uw hart verlaten zal....
Maar nu!... Bedroefden, staakt dit treuren! Zij is er al!
Zij is er al. O twijfelt niet!
Zij ziet den trouwen Heiland, ziet Wat boven denken gaat en hopen.
In Hem geloofd! Aan haar gedacht! De weg is vrij; de deur staat open;
En zij — verwacht.
6 Febr. 1874.
HAAR BRUIDSKRANS.
De krans van roos en leliekelken. Gevlochten voor uw bruine vlecht. Werd op uw doodkist neergelegd. En zal verwelken.
84
hopeloos onderwinden. — bij het opkn graf, enz.
Gijzelv\', die neerligt in dit stof, Aan worm en made prys gegeven. Verwelkte bloem van onzen hof! Gij zult herleven.
HOPELOOS ONDERWINDEN.
In \'t alpgebied der oeestelijke wereld,
Waar menig spits met schittrend ijs bedekt Zich veler blik en aller voet onttrekt.
En mist op mist voor sterflijke oogen dwerelt.
Dat we overal slechts stuksgewijze zien, —
Mijn vrienden! spreekt, wat dunkt uw hart van dien. Die, diep in \'t dal, op ingesloten meren.
Op \'t maken van een bergkaart zich be vlijt, Uit weeke kurk daarvan modellen snijdt.
En de oreographie ons wil doceeren.
Gij ziet slechts wat uw oog hereiken kan;
Gij kent slechts waar u deze voeten dragen;
\'t Licht (van Gods Woord) beschijnt er deelen van. En toont ze u, in zijn gunstrijk welbehagen.
\'t Geheel, \'t ontwerp, het onderling verband Zijn zijn geheim en boven uw verstand.
Verkwik u aan de beken, aan de stroomen.
Aan \'t lommer en de bloemen der vallei.
De zuivre lucht der grazige alpenwei.
En wat er meer van zegen af moog komen.
En sla uw oog naar steilen top bij top,
Niet om te weten, maar te aanbidden op.
BIJ HET OPEN GRAP
van
DANIËL CHANTEPIE DE LA SAUSSAYE.
Theol. Dr. en Prof.
Te laat gekend, te vroeg bezweken.
Voor die hem kenden alles waard, Daalt hier een sterveling ter aard, Die na zijn dood nog lang zal spreken.
85
86 \'s konings vijfentwintig-jarige regeerixg.
Een geest op \'t hoogste doel gericht, Aan kennis rijk en rijk aan krachten, Vol van diepzinnige gedachten,
En door een hooger geest verlicht.
Een hart vol Ernst, als \'t hart moet zijn Van hen, die naar den Vrede jagen En, in de gisting_ onzer dagen.
Het heiige schiften van zijn schijn.
Een hart, voor niets en niemand koud, Fijnvoelend, eerlijk, edelaardig,
Voor tegenstanderen rechtvaardig.
En voor zijn vrienden, trouw als goud.
Beween, gij Kerk en Vaderland!
School, die zoo koi\'t hem hebt bezeten 1
Dien rijken geest, dat rijp verstand:
Mijn hart zal nooit dat hart vergeten.
Groningen, 18 Febr. 1874.
\'s KONINGS VIJFENTWINTIG-JARIGE REGEERING.
12 mei 1874.
Meidorens zenden zoeten geur Aan frissche oranjes tegen;
Lief bloemgewas van elke kleur Ontwaakt op veld en wegen.
De steden zijn met groen versierd. Met slingers, bogen, kransen;
De feestklok luidt, de feestvlag zwiert En wappert van de transen.
De vorst heeft vijfentwintig jaar Zijn koningskroon gedragen.
En nog valt zij zijn hoofd niet zwaar,
Bij \'t klimmen van zijn dagen.
God spaar die kroon! God spaar dat hoofd! Uw hart, uw huis, o koning!
Uw levenszon blinke onverdoofd.
Als op den dag der kroning!
ZEND1KGSLIED. 87
Ga voort, trouw volk! met nieuwe vreugd,
Naar \'s hemels welbehagen,
Door kinderliefde en burgerdeugd
Zijn staf en stoel te schragen!
Strik vaster nog uw eendrachtsband,
In schaduw van de olijven.
En moog in \'t dankbaar Nederland Zijn kleur Oranje blijven.
CHASSINET-VERSJE.
Den Koning, onder wiens bewind Zich \'t volk gerust en veilig vindt. De Vrede bleef, de Welvaart steeg, De Negerslaaf zijn vrijheid kreeg. En \'t krijgsvuur aan Sumatra\'s kust Eerlang voorspoedig zij gebluscht. Den Derdes Wii.lesi vreugde en eer En zegen van der Heeren Heer!
ZENDINGSLIED.
Roept uit aan alle stranden. Verbreidt van oord tot oord.
Verkondigt allen landen Het Evangeliewoord!
Roept uit den Heer der Heeren, Als aller volkren vriend!
De volkren moeten leeren Wat tot hun vrede dient.
Verbreekt de vreemde altaren En bouwt des Heeren huis!
De wereld moet zich scharen. Zich scharen om het kruis.
De dooven moeten hooren. De onkundigen verstaan.
Den blinden \'t heillicht gloren De kreuplen leeren gaan;
hij den dood van henriette swellengkebel.
De treurenden vergeten Hun leed en droefenis,
En al wat arm is weten Dat daar een Heiland is!
Roept uit aan alle stranden,
Verbreidt van oord tot oord. Verkondigt allen landen Het Evangeliewoord!
van
HENRIETTE SWELLENGREBEL,
sedert zijn oprichting in 1844 tot den 80sten Mei 1874, Bestuurster van het Diacoi:essenhuis te Utrecht.
VOOR DE DIACONESSEN.
hij haar graf.
Zij is met .jubeltoon ontvangen In \'t nieuw Jeruzalem;
Maar hier zijn tranen op de wangen En tranen in de stem;
Daar wij de dierbre missen moeten Wie nooit ons hart vergeet.
Die neerzat aan des Heilands voeten En naar zijn voorbeeld deed.
Met welk een stroom van vreugdeklanken Zal zij, door heel den stoet
Van haar voor goed genezen kranken, Daarboven zijn begroet!
Maar wie zal waardiglijk bekleeden De plaats, die Zij begaf?
Zoo klaagt de droefheid hier beneden, En staart op \'t zwijgend graf.
cave canem.
Het hoofd naar boven! God zal zorgen.
Op Hem het oog gericht! Uit donkren nacht verrijst de morgen,
Als hij spreekt: Daar zij licht! Wij willen wachten, wij vertrouwen
En houden biddend aan;
Gelijk die edelste der vrouwen Ons steeds is voorgegaan.
AAN HAAR BEDROEFDE ZUSTERS.
Een parel is aan \'t snoer ontzonken.
Verbroken door Gods hand,
Maar om in Jezus\' kroon te pronken;
Een rozenstruik verplant.
Om in den hoogsten hof te pralen. Om daar in vollen bloei te staan. Waar, bij de zachtste zonnestralen. De schoonste knoppen opengaan.
GAVE CANEM.
Het hondgeblaf verstomme op aarde! Elk mensoh, één kind heeft grooter waarde
Dan al die ,trouwe hondenquot; saam. Eén dolle hond doet in zijn woeden Meer kwaad dan duizetide vergoeden Van edelst ras en schoonsten naam.
Maar zonder hond kunt gij niet leven? Het zij! De vreugd zij u verbleven.
Maar houd haar voor uzelf, geheel! Uw naasten met uw beest te kwellen Of aan gevaren bloot te stellen,
Is toch een weinigje te veel.
Geen paarden worden losgelaten;
Geen stieren zwerven bij de straten;
89
OPVOEDING. — AAN WIE DE SCHULD,
En ook de hond blijve aan den band. Dol worden kan geen niensch beletten; Maar laat ten minste wijze wetten Mijn buid beschermen voor zijn tand.
Wat zoekt gij voor uw kindren? Veiligheid,
Zooals op aard geen\' mensch is weggeleid?
Afsnijding van verzoeking en gevaren,
In stilte werkzaam en alom verspreid?
Neen! Zoek hun wijsheid, kracht, zelfstandigheid.
En leer hen zich te wachten en te waren.
Bestel hun moed en waapnen, tegenwicht.
Gevoel van verantwoordlijkheid en plicht.
En prent hen in, het oog dat, altijd open.
Ook voor hun welzijn waakt, gelijk zij hopen.
Als \'t alziend oog te ontzien! — Waar dit niet baat.
Baat niets, en wat gij anders aanvangt, schaadt.
Een dwaas houdt, als besmettingen regeeren,
Zijn deur en vensters dicht om ze af te weren,
En (wanende dat hij zijn kroost behoedt)
Vergiftigt, door vervuilde lucht, hun \'t bloed.
De wijze zorgt voor lucht, geregeld leven,
Goed voedsel, en een onbezwaard gemoed —
De rest blijft biddende in Gods hand gegeven.
AAN WIE DE SCHULD?
De naam „kinderen der zonquot; is voor de bloemen wel dichterlijk, maar niet geheel onjuist.
Het groene kleed der aarde.
Album der Nat. 1S74.
„Wel dichterlijk, maar niet onjuistquot; Verneemt Gij \'t Dichters? Juistheid is u vreemd!
U, die slechts dichters zijt door juist te wezen;
Door met één juisten trek \'t geheel als voor
90
SPliEEK van UZELVEN NIET.
91
ethische statistiek.
Den geest te voeren en ons hart en oor Te treffen door den juisten toon, gerezen Uit de echte snaar ter juister plaats gedrukt;
Die, als gij ons betoovert en verrukt,
Ons niet verblindt door ijdlen schijn of iogen.
Maar, zelfs door uw verdichtingen, onze oogen Onthaalt op waarheid, die gij zien leert, die de ziel Erkent, wanneer, door u, er \'t juiste licht op viel!
Dat \'s uwe schuld, doemwaarde poëtasteren,
Die verzen schrijft tot aller dichtren smart,
Geen dichters-oog bezit, geen dichters-hart,
Geen zaken kent, en in de taal verwart!
Gij doet de poëzie door prozaschrijvren lasteren.
Wier brein geen wetenschap, geen helder oordeel mist,
En slechts in \'t ivezm van de dichtkunst zich vergist.
SPREEK VAN UZELVEN NIET.
Spreek van uzelven niet, ten goede noch ten kwade;
Toon wie gij zijt, en elk zal weten wie gij zijt. Miskenning heeft haar tijd, en doet meer nut dan schade,
Mits gij met daden, niet met woorden, haar bestrijdt. „Zoo iemands wegenquot;, zegt de Schrift, „den Heer behagen.
Bevredigt hij met hem, ook die hem fel weerstond\') Maar die zich roert en weert en slagen keert met slagen, Mistrouwt zichzelf en God, en boort zich in den grond.
oor liet
\') Spr. XVI: 7.
ETHISCHE STATISTIEK.
What\'s done we partly may compute, But ne\'er what is resisted.
Burns,
Pas op! uw kennis is beperkt. Zij weet iets van \'t gedane;
\'t Begane kwaad is ras bemerkt; Maar ook het wederstane?
1\'
AAN EEN PESSIMIST. — AAN VERACHTERS HUNS VOLKS, ENZ.
AAN EEN PESSIMIST.
Als \'t regent, daar de zon bij schijnt,
Ziet gi) alleen den regen;
Ik vestig op de zon mijn oog En op dien lieven regenboog,
En lach hem hoopvol tegen.
„Goed! Maar intusschen -wordt gij nat.quot;
O qa, dat was te duchten.
Zoo ik mijn regenscherm niet had.
Dat \'k altijd meeneem op mijn pad,
Bij \'t zien van donkre luchten.
„Maar als uw regenboog verdwijnt,
„De regen door blijft stroomen; „Als giet- op gietbui nederstort, „Uw scherm ten laatste nutloos wordt...quot; \'k Zoek dan een onderkomen.
Ik schuil, maar pruil niet, beste vrind!
En mijd de lui die pruilen.
De felste bui houdt eenmaal op;
Maar van den regen in den drop,
Kwam, die bij U kwam schuilen.
AAN VERACHTERS HUNS VOLKS.
Wat smaalt ge op Neerlands volk „van d\' ouden roem vervallenquot;; Wat schimpt ge op hen, die „op dien ouden roem slechts brallenquot;; Gij, die geen voorbeeld geeft van beter soort of kracht?
Die dit doen, zijn er nog bij \'t levende geslacht.
Miskent hen niet, noch dooft, kwansuis op elk verbolgen. Den moed bij die niet uw, maar beter voorbeeld volgen.
EEN VAN BEIDEN.
Beschimp geen machteloozen, even
92
Alsof \'t hun schortte aan goeden wil; Bestraf den dood niet; wek het leven; En kunt gij dat niet: houd u stil.
AGNES BRÜI1).
AGNES BRUID.
„Ik had in mijn gedachten „U reeds vaarwel gezeid,
„U reeds in \'t grafje neergeleid,
„Waar wij uw broertje brachten „Met groote treurigheid.
„Maar God heeft ons gegeven „Dat gij behouden werdt, „Een groote vreugd voor groote smart;
„U als op nieuw het leven,
„Ons een erkentljik hart.quot;
Zoo sprak, voor twintig jaren.
Mijn diepgevoelde dank. \') Nu eisoht de tijd een andren klank
Van mijn verheugde snaren. Een vroolijk feestgezang.
Hoe trilt bij u te aanschouwen De vaderlijke luit.
Geliefde Dochter, schoone Bruid,
Hoe galmt zij onweerhouen Haar blijdste tonen uit!
Al brak ook dezer dagen Een dierbaar leven af.
Al keer ik van eens broeders graf.
Waar wees en weduw klagen Tot Hem, die nam en gaf:
Het floers moet weggenomen, Hoe zwaar en wettig \'t drukk\': De smart moet wijken voor \'t geluk;
De vreugd moet boven komen; God geeft haar; voet bij stuk!
O Bruid, zoo jong van jaren. Zoo vroolijk van gelaat!
Hoe lacht u \'t leven toe; hoe laat
Gij alle zorgen varen En vreest geen leed of kwaad.
93
Want niets hebt gij te duchten In de armen van een vrind.
l) Dichtwerken Ille Dl., bl. 122.
AGNES BRUID.
Die met geheel zijn hart u mint
En voor uw minste zuchten Den besten balsem vindt.
0 Bruigom, zoo vol leven,
Zoo vol van liefde en jeugd! Hoe haakt uw hart, met louter vreugd
De aanstaande vrouw te omgeven, Gelukkig dat gij \'t meugt.
Want wat, voor duizend weken, \'k Haar vriendlijk heb verzocht Dat zij op aarde wezen mocht,
Dat is zij nu gebleken,
Hoe weinig zij \'t zich docht.\')
Hoe blij zien vriend en magen,
Lief Paar! uw echtpad in!
Want hart aan hart, één ziel en zin,
En \'t oog op God geslagen. Dat maakt een goed begin.
En de ouderlijke zegen Zal, met zijn vol genot.
Van vier op aarde en éénquot; bij God
U volgen op uw wegen En meegaan in uw lot.
Dies juichen stem en snaren U toe met luiden klank:
\'t Geluk is groot; zijn duur zij lang;
Geniet het vele jaren;
En zegt den hemel dank!
Augustus 1874.
\') Tot ons geluk gespaarde!
Reeds hadt ge, in \'s Hemels licht Een Engel kunnen zijn, lief wicht 1 Wees \'t nu nog wat op Aarde!
Dichtw. Ille Dl., bl. 123.
94
— VERSCHILLEND OORDEEL.
95
NEDERLAND EN AMERIKA.
NEDERLAND EN AMERIKA.
OOK EEN TOEPASSING,
Wanneer men daar (in Amerika) sprak van Nederland, sprak men als van een roemrijk land door zijn verleden, en van een land dat tegenwoordig slechts bekend is door Schiedam. Hierop make ieder de toepassing.
Dagblad-rapport van eene bij een openbare gelegenheid gehouden Redevoering.
Het Neerland dezes tyds, aan de overzij Alleen bekend door zijn jeneverstokerij! En moet dit tegen Nederland bewijzen? Of toont bet Uncle Sam\'s liefhebberij? Hoe \'t zij, onwetendheid is nooit te prijzen. Toch was er menig onzer beter aan,
Wist hij wat minder van d\' Amerikaan, \'j.
M Videatur de Prijscourant der Effecten, bepaaldelijk Spoorweg-dito.
VERSCHILLEND OORDEEL.
A.
Wat zegt gij van dit heerlijk stuk?
B.
Om mij te stichten, veel te druk;
Veel te hartstochtlijk, om te ontroeren; Om schoon te wezen, te vol pracht —
A.
Mij mocht het aan mijzelf ontvoeren!
Goed! Maar waar heeft het u gebracht?
96 HYGIKBNSCHE VERHRANDINGSIJVER. — ZESTIGSTE VERJAARDAG.
HYGIËENSCHE VERBRANDINGSIJVEE.
Dat menschen sterven, werd weleer den Dood verweten; Nu zijn de dooden schuld; de Dood wordt glad vergeten.
ZESTIGSTE VERJAARDAG.
„Ben je zestig?quot; Ja, ik ben \'t; Ik beken \'t;
Kan ik \'t wel ontveinzen?
\'t Haar mijns hoofds is dun en grijs, En (dat maakte ik niemand wijs) Niet slechts van gepeinzen.
Ook van bange zorgen niet Of verdriet,
Schoon ik \'t leed wel kende; Maar, wat immer zij gebeurd,
Niet een smart, die hooploos treurt. Niet het hartzeer, dat verscheurt, On-verzachtbre ellende.
Vrouw en kindren, ziet mij aan! \'t Kan nog gaan.
Op mijn tweemaal dertig.
In de wangen nog wat bloeds, In deze oogen nog wat gloeds, In den boezem nog wat moeds. \'t Hoofd nog „fix und fertig.quot;
\'k Dank dit hoogstgelukkig lot Aan mijn God;
\'k Dank het u daarneven.
Die mij jong houdt en verblijdt, Die mijn kroon en sieraad zijt, En mij nog een langen tijd Wenschen doet te leven.
13 Sept. 1874.
HET LEDIG WIEQJE. — ECIITVEUJAillNG.
NASCHRIFT.
Word ik zeventig? Wie weet Lief of leed,
Hem door God beschoren ? .... \'t Jongste kind nog groot te zien Is een zoeten wensch, en dien Moog zijn gunst verhoeren!
HET LEDIG WIEGJE.
(Schilderij van C. Bisschop.)
Het wiegje leeg; het kindje in \'t grafl Gods liefde gaf,
En heeft genomen.
Geen troost nog in dit oogenblik,
Maar snik op snik.
En tranenstroomen.
Welwijze vriendschap ziet dit aan En laat begaan —
Haar tijd zal komen.
Quis matrem, nisi mentis inops, in funere nati Fiere vetet? non hoc illa monenda loco.
Ovidiüs.
ECHT VERJARING.
Driemaal vijf jaren
Gelukkig gepaard. Van zes lieve kindren
Een vijftal gespaard; Ontelbare goedheen Genoten van God, Nooit iets ontbroken Voor levea of lot;
97
AAN DEZEN EN GENEN.
De kracht niet verminderd;
De liefde onverkoeld; In leed haar vermogen
Te dieper gevoeld; Een huis, waar de vrede,
En harten, waar vreugd In wonen, in heerschen. Bij ouden en jeugd.
Ziedaar wat ons heden Vervult en vervoert. Ons dankbaar doet juichen,
Ons innig ontroert, Ons vurig doet bidden
Tot hem die \'t vermag: „God! laat ons die weelde, Nog menigen dag.quot;
20 Oct. 1874.
1874.
AAN DEZEN EN GENEN.
Gij zijt wel mannen van mijn richting.
Maar zijt geen mannen naar mijn hart; l-\'w werk is niet tot vredestichting. En, zij^ het strijden óók verplichting,
Gij. doet veel meer, gij tergt en sart. Gij zijt wel mannen van mijn richting. Maar zijt geen mannen naar mijn hart.
Ik mag, ik wil u niet bestrijden,
Maar met u strijden kan ik niet;
Veel liever uw miskenning lijden En, in de hardheid dezer tijden.
Zijn wat uw soort lafhartig hiet.
JJj. ;i, _.-i .. i ,
■1 Sam. 3: 39m.
aan dr. matthijs de vries. - iieilwensch. - kunstmiddelen, enz. 99
AAN Dr. MATTHIJS DE VRIES,
op zijn feestdag.
Den Kenmer Vries, mün stad- en schoolgenoot en vriend, Die vijfentwintig jaar den tabberd heeft gedragen,
Maar levenslang de zaak der Moedertaal gediend. En \'t Vaderland versierd van d\' opgang van zijn dagen. Zij op dees scboonen dag, uit eensgestemd gemoed.
Mijn heilwensch toegebracht en feestelijke groet.
28 Nov. 1874.
HEILWENSCH.
God, de Vader, make u rijk Door zijn allerrijksten zegen. En voorkome u vaderlijk Met zijn gunst op al uw wegen;
Waar zijn hand u weidt en hoedt. Kent gij \'t Goede, hebt gij \'t goed.
1874.
KUNSTMIDDELEN.
Dat Kunst Natuur haar hulp bewijst Gansch af te keuren, is niet recht; Waar is de Venus, die men prijst. Die zich de hulp van zeep ontzegt?
Naar Punch.
DE KRACHT BESTAAT SLECHTS BIJ DE MAAT.
\'t Al te overdadige Is \'t ongenadige. Of gaat dien kant uit. Ik kan \'t niet roemen Als gij de bloemen Laaft met de brandspuit.
WERELDWIJSHEID. — ZONDER WOORD, ENZ.
WERELDWIJSHEID.
Spreek als de meesten,
Denk als de minsten;
Zwijg met een wijs gezicht; Houd beide uw oogen Strak op den hoogen Weerhaan des tijds gericht; Weet u te voegen Naar elks genoegen,
Mits ge er wat loons uit perst; Onnoozel kijken,
Geduldig wijken,
Brengt u het verst.
Zorg te vermijden,
Dat ze u benijden.
Indien gij vast wilt staan. En bij de lieden Eens Aristiden Noodlot ontgaan.
ZONDER WOORD,
Een vrome „wandel zonder woordquot;
Gaat boven vloed van reden;
Meer wat men ziet dan wat men hoort
Werkt deugd en goede zeden;
Zoo wie met goede woorden spot:
\'t Goed voorheeld brengt hem nog tot God.
Ik zegen, boven al wat preekt.
Den stillen in den lande. Die, onbespraakt, welsprekendst spreekt,
En schreeuwers maakt te schande; Die lastertaal en tegenspraak Doet zwijgen met beschaamde kaak.
GEEN OPSTANDING, NOCH ENGEL, NOCH GEEST.
Hand. 23:8,
Ontzettend, Hein! wat zijt gij knap!
Wat door die knappe Sadduceeuwen Geleerd werd voor pas achttien eeuwen.
Leert ge ook, maar! als de vrucht der nieuwste wetenschap.
aan mijne vrienden d. m. o. — aan „mijn wijfquot;.
AAN MIJNE VRIENDEN
D. M. O.
op hün veeetigjajrigen tkouwdac.
Door geen woestijn hebt gij, dus vee:;tig jaar.
Trouw hand in hand gewandeld met elkaar; Wel hieldt gij steeds dat Kanaan in \'t oog,
Dat God te zijner tijd u oopnen moog!
Maar kind en kleinkind ziet u vleiend aan En zegt: „Och, blijf nog wat aan dees zij der Jordaan!quot;
Ook ik, wien aan uw feestelijken disch.
Door hen gelokt, een plaats beschoren is,
Die reeds zoo menig vriend den donkren vloed Zag overgaan, met diepbedroefd gemoed.
Maar u behield en dankbaar mij verblijd Dat gij nog blijven moogt en wezen die gi] zijt.
Mij dunkt, zoolang gij hand in hand te zaam Langs d\' oever treedt, is \'t blijven aangenaam; Zoolang u zooveel liefde omringt en bidt Om uw behoud en langgerekt bezit,
Is \'t blijven goed, is \'t blijven \'t blijven waard — Zoo zij \'t; dit weet gij toch: het Beetre is wél bewaard.
Ainstei\'dani,
13 Febr. 1875.
AAN „MIJN WIJFquot;.
Wijf! ik weet geen beter naam.
Waar \'k u meê kan groeten. Koosje klinkt mij veel te fijn.
Koos te grof; wijf moet het zijn. Zal het blijven moeten.
Wifman, in de aloude taal
Der Germaansche landen,
Wifman is de mensch die weeft. En — de spil van \'t echtheil heeft In haar zachte handen.
Wijf, in d\' ouden Bijbelstijl,
Zegt van den beginne Niet de vrouw in \'t algemeen Of in \'t afgetrokken, neen! Wederhelft, Manninhe,
101
„mijn heer en mijn god!quot;
Hrr.pe tegen over hem,
Wien zij werd gegeven Door een goedertieren God Tot zijn vreugd, geluk, genot,
Leven van zijn leven.
Moet dan dit de naam niet zijn.
Daar ik haar meê noeme.
Die dit alles is voor mij,
In wier liefde ik mij verblij,
Op wier trouw ik roemer
Maart 1875.
Wip daz muoz iemer sin der wlbe höliste name. Waltheb vox dek Vogelweide.
„MIJN HEER EN MIJN GOD!quot;
Mijn Heer! Laat mij uw dienstknecht zijn!
Mijn God! Laat mij op ü vertrouwen\'. Uw dienstknecht, niet in valschen schijn.
Of naar het uiterlijk aanschouwen.
Maar naar mijns harten diepsten drang.
En tot de hoogste vreugd mijns harten; Uw dienstknecht, Heer! mijn leven lang; Uw dienstknecht onder vreugd en smarten.
Zij mijn vertrouwen onverwrikt,
In nooden, strijden, moeiten, zorgen. En waar mijn oog naar binnen blikt.
En \'t boezemkwaad niet blijft verborgen. Gn zit omhoog. Gij zijt nabij;
Uw kracht, uw iicht zal nooit verflauwen; Mijn Heer, dat ik uw dienstknecht zij!
Mijn God! laat mij op U vertrouwen!
April 1875.
102
ANNA WILHELMINA. — MAASTRICHT.
ANNA WILHELMINA.
Leg haar bij haar moeder neder,
Laat haar aan haar God!
Die haar gaf, ontneemt haar we dei-
Tot een beter lot.
Vroeg ontwikkeld, rijk in gaven.
Maar voor de aarde koel,
Komt haar dood het denkbeeld staven Van een hooger doel.
Laat de tranen \'t graf bespoeien.
Die een Vader schreit,
Maar in \'t hart de balsem vloeien,
Door een hand bereid.
Goed en wijs in al haar werken,
\'t Zij ze rooft of schenkt. En gereed de ziel te sterken,
Die haar niet verdenkt.
27 Mei 1875.
MAASTRICHT.
Feestdronk aan den discli van \'t XlVe Taal- en Letterkundig Congrea. (HET STADSWAPEN VOERT EEN STER.)
Maastricht, uw ster, uw zilvren ster lt; Scheen ons zoo zacht in de oogen.
Zij lokte en lonkte ons toe van ver,
En heeft ons niet bedrogen.
Gastvrijheid, vriendschap, was de gloed. Waarmee zij koesterde ons gemoed,
Zij vuurde ons aan bij \'t streven,
Dat hier ons hart deed leven!
O Trecht der Maas, geen vesting meer,
Maar vredestad geworden!
Een nieuwe roeping zij uw eer,
Gij steegt tot hooger orden.
Wees, op de grens van Nederland, Een waarborg voor den broederband Met trouwe nageburen.
En slecht de laaste muren.
103
104
zedenwet. —
erfsmet. —
SINE QÜIBDS NON.
De laatste scheidsmuur zwielite en vall\' —
Die ergernis van velen!
De Taal vereende ons eens voor al,
Geen Tol moet ons verdeelen.
Maastricht, dat niets uw welvaart stoor!
Haar ster ga op en schittre door!
Het Noord zal zich verblijden,
En \'t Zuid — u niet benijden.
De opheffing der Tollinie tusschen Nederland en België is een vurige wensch van wederzijde
25 Aug. 1875.
ZEDENWET.
Vergeefs de kracht ontveinsd van deze zeedlijke Orden; Uw Zijn blijkt uit uw Doen; uw Doen bepaalt uw Worden!
ERFSMET.
Mijn erfsmet is mijn schuld niet, maar mijn lot. \'k Ben van dit lot nochtans \'t slachtoffer niet te noemen; Geen lijdende Onschuld; dat weet God,
Schoon ik \'t mijzelven zou verbloemen.
SINE QÜIBUS NON.
Veredelt zich een rozenstruik, gij ziet Dat ze andre doornen krijgt, maar zonder wordt zij niet. Ontleend.
105
ANDERS, ENZ.
PARADOXE. -
VERKEERD EFFECT. —
PARADOXE.
Hoe zegt men mij: „Gij blijft nog ,iong van geest!quot; — Die oud van geest quot;wordt, is nooit jong geweest.
VERKEERD EFFECT.
Gij meent het goed, maar \'t werkt verkeerd. Voor de ondeugd wilt gij afschuw wekken. Maar beeldt haar af met zulke trekken,
Dat zij zichzelf beivondren leert.
Fier dat gij \'t zijt, die haar wil malen.
Komt zij zich zien in uw verhalen.
Komt zij zich spieglen in uw lied,
En denkt: ,\'k Ben nog zoo leelijk niet.quot;
ANDERS.
Gij schildert de Ondeugd zwart, maar stelt haar zwart gezicht In zulk een belangwekkend licht.
Dat zij zich gaarn herkent en zeit:
„Ik ben toch mooi van leelijkheid.quot;
BIJ HET GRAF VAN EEN VADER,
NA EEN JAAR TIJDS ZIJN EENIGE DOCHTER DAARIN GEVOLGD.
Hij heeft zoo lang hier omgedwaald
En kon niet scheiden.
Nu is hij zelf terneergedaald.
Waar zij haar leiden.
106 BE NON VERBIS. — MAAKTSCHE BRUILOFT.
Vereenigd wordt nu beider stof,
Vereend die zielen,
Die met het: „U zij eer en lof!quot;
Voor Christus knielen, En smeeken dat hij van omhoog
Met hemelkrachten De Weeuw en Moeder sterken moog, Die nog blijft wachten.
7 Deo. 1875.
RE NON VERBIS.
,\'t Geloof in liefde (w^zaam!quot; roept ge altijd. Zoo is \'t; en \'t helpt niet dat gij spraakzaam zijt.
1875.
MAARTSCHE BRUILOFT.
Maart roer zijn staart of hou zich stil,
En geve ons storm of regen.
Hij houdt, hij make \'t zoo hy wil.
Geen bruiloftsvreugde tegen,
Noch stuit den opgezetten vloed
Van hartelijke woorden.
Die opwelt uit het vol gemoed, Die uittreedt uit zijn boorden.
Een ander, tot de trouw gezind.
Verbei de zomerdagen;
Dit Echtpaar vraagt naar weer noch wind
En spot met bui en vlagen.
Een ander kies de Bloeimaand uit Om d\' eersten stap te zetten;
Dees kloeke Bruigom kroont zijn Bruid Met Maartsche violetten.
Een Maartsch viooltje, zacht en fijn,
Zoo zedig, ingetogen.
Dat mag zijn Bruidje zelf wel zijn.
Dat is zij in zijn oogen.
DE HO HENSLAK.
Zij is voor liem de liefste bloem,
Die \'t aardrijk op kon geven: Ze zij zijn sieraad en zijn roem, En blijve \'t beel zijn leven.
Een Maartsch viooltje tart een tu.p
En alle zomerrozen.
Gelijk de parel in haar scbulp
Robijnen en turkoozen.
Schoon Paar! gelukkig zij uw lot.
Door zachte en reine vreugden. En dierbaar in het oog van God Uw hart, door stille deugden!
3 Maart 1876.
DE HOEBNSLAK.
Sans ami, comme aans familie. Ici-bas vivre en étranger: Se retirer dans sa coquille, Au signal du moindre danger; S\'aimer d\'une amitië sans bornes; De soi seul emplir sa maison; En sortir suivant la saison,
Pour faire a son voisin les cornes; Signaler ses pas destructeurs Par les traces les plus impures; Outrager les plus tendres fleurs, Par ses baisers ou ses morsures; Enfin, chez soi comme en prison, Vieillir, de jour en jour plus triste C\'est l\'histoire de l\'égoïste Et celle du colimayon.
Arnault.
Hier, zonder vrienden of gezin.
Gelijk een vreemdling rond te sluipen;
Zorgvuldig in zijn schulp te kruipen.
Zoo ras gevaar dreigt, meer of min;
Met eigen ik en niemand meer Het huis vervullen, waar ze in wonen. En, uitgegaan bij gunstig weer.
De hoornen aan zijn buurman toonen; Het heilloos pad, waarlangs men gaat.
Aan \'t vuile spoor te laten kennen;
De teerste bloemen, vroeg en laat,
Met valschen kus of beet te schennen;
107
MORALE INDÉPENDANTE. —
108
TER ZILVEREN ECHTFEEST.
Gevangene onder eigen dak,
Zijn dagen vreugdloos voort te sleepen, Ziedaar liet leven, welbegrepen, Van egoïst en horenslak.
MORALE INDEPENDANTE.
Hen, die in alle christenlanden,
In onzen tijd.
De hand slaan aan de dierste panden,
En, zonder spijt.
De zeedlijkheid wijsgeerig moorden.
Verstaat en leest een klein getal.
Nochtans de weergalm van hun woorden Is overal.
Het standpunt, waar zij zich op plaatsen
Is ver en hoog;
\'t Vlak, waar hun woorden van weerkaatsen.
Onttrekt zich \'t oog_;
Maar, duizendwerf vermenigvuldigd
Met dof gerucht.
Wordt als orakeltaal gehuldigd Die stem der lucht.
1876.
TER ZILVEREN ECHTFEEST.
VAN
J. BOSBOOM
EN
A. L. G. TOUSSAINT.
Het Echtpaar, ée\'n in kunst, in roem, in doel, in geest. Welsprekend door \'t penseel, en schildrend met de veder. Breng ik mijn hulde en groet en heilbede op hun feest. Hun oog zie dankende op, Gods oog zie zeegnend neder!
3 April 1876.
tijd — geld. — laudari a viro laudato, enz.
TIJD = GELD.
„Tijdquot;; roept gij daaglijks; „tijd is geldquot;. Dit zal Daarbij uw denkbeeld zijn: „En geld is \'t alquot;.
LAUDARI A VIRO LAUDATO.
Schaamt ge u eens zwakslioofds eerbewijzen:
Verheug u vrij Waar prijzenswaardigen u prijzen,
Mits — \'t meenens zij.
NAAK EPIGTETUS.
Valt u een blad, een lauwer op de slapen, Een eerekruis oj) \'t kleed; neem \'t aan in dank I
Maar buk u niet om \'t uit het stof te rapen. Noch waag uw eer aan \'t woelige eergedrang.
ONDERSCHEIDING.
Indien gij kunstnaar zijt, en wenscht te blijven. Waar gij niet schildren kunt, ga niet beschrijven.
LUCHTKASTEELEN.
Is door een onvoorzienen stoot Uw kaartenhuis uiteengevallen,
De ramp is niet zoo bijster groot, En overkomt ons beurtlings allen.
En hebt ge in nieuwen huishouw zin — Welnu, de kaarten zijn behouen;
Daar zitten nog veel huizen in.
Die gij maar hebt voor \'t bouwen.
tfaar rüokert.
109
VERFLAUWINO. — OTTHO GERHARD HELDRING.
VERFLAUWING.
De zangdrift schiet wel wat te kort,
Bij \'t klimmen van de jaren;
Wat vroeger grif werd uitgestort,
Schijnt grooter zorg te baren.
Het hart zij vol gelijk weleer:
De hand is traag, en tast niet meer Zoo gretig naar de snaren.
Wie trekt zich \'t aan? — Een nieuw geslacht Doet nieuwe liedren rijzen,
Verlangt een andren toon en lacht Met de ouderwetsche wijzen.
Welaan, goê kindren! toont uw vlijt!
Wij zullen zonder nijd of spijl Wat goed en schoon is prijzen.
1876.
OTTHO GERHARD HELDRING,
overleden te Mariénbad In Bohemen, den llden, begraven te Zetten, op den Vluchtheutel, den 17den Juli 1876.
Ofschoon de dood uw fakkel bluschte
In ver verwijderd oord:
Hier moest de plaats zijn van uw raste;
Hier, waar gij thuisbehoort;
Hier, waar wij u met liefde ontvangen;
Met blijdschap bij de smart; Met tranen op de bleeke wangen;
Maar met een dankbaar hart.
Hier zult gij zacht en rustig slapen,
In vaderlandschen grond.
Te midden. Herder! van de schapen,
Die u Gods liefde zond.
Hier zult gij in de ruste deelen
Van haar die, stil en blijd\',
ü, den verzorger van zoo velen,
Haar zorgen had gewijd.
no
: ii\'! If
TAAL EN LETTEREN. 111
Hier zal u \'t kerkje schaduw schenken.
Door uwe hand gebouwd,
Waar gil de woorden en de wenken i
Ües hemels hebt ontvouwd.
Hier staan, als opgerichte steenen
Eerbiediglijk geschaard,
De vier Gestichten \') om u henen,
Die zeggen wie gij waart.
Hier zullen kindren, vrienden, broedren
Verzamen keer op keer.
En diepbewogene gemoedren
Zich wenden tot den Heer,
Om kracht als uwe kracht te vinden.
En moed, uw moed gelijk.
Tot leven, werken, onderwinden.
Volharden, koninklijk!
O Gij gezegende des Heeren,
Man Gods en Menschenvrind,
Schoon voorbeeld, dat wij dankend eeren,
Hoe hebben we u bemind!
De krans verwelkt, na korte stonde.
Die hier uw lijkbus tooit;
Maar \'t hart, dat u waardeeren konde.
Vergeet zjjn Heldring nooit.
\') Steenbeek, Talitha kumi. Bethel, en de Normaalschool voor Onderwijzeressen.
TAAL EN LETTEREN.
Uitgesproken aan den Disch van het Taal- en Letterkundig Congres, gehouden te Brussel, Augustus 1876.
Zij rusten niet, zij rusten niet,
Wie \'t Schoone mag verrukken.
Die ijvren op het Taalgebied,
Die worstlen met het woord en \'t lied.
Om Waarheid uit te drukken.
De kunst is lang, het leven kort;
De prijs, waar om gestreden wordt.
Dien weinigen ontvangen,
Is schoon, maar hoog gehangen.
-■Wr\'—^ ~ -
TAAI, EN LETTEREN.
Zij stex-ven niet, zij sterven nooit,
Die dezen prijs verwierven.
Een lijkbus met een krans getooid. Een graf met bloemen overstrooid.
Verkondig\' dat zij stierven.
Hun stof verga, verwaai — geen nood Is Maerlant weg? Is Vondel dood? Is Bilderdijk bezweken?
— Zij leven; want zij spreken.
Van nageslacht tot nageslacht,
Van eeuw tot eeuw weerklinken Hun godenzangen, zwaar of zacht. Die met hun oude en nieuwe kracht
In open harten zinken;
Het lied der smart, het lied der vreugd, Het vroolijk lied van liefde en jeugd. Dat eeuwig jong zal blijven Zoo ver er wolken drijven.
Zij achten \'t niet, zij kennen \'t niet,
Die enkel stof bejagen;
Die waar het hart ons vol bij schiet. Ons oog een zachten traan vergiet,
Hun „maar wat geeft het?quot; vragen. Die laagheid strekt zichzelf ten straf; \'t Slijkwroetend zwijn beloont zijn draf. Klapwiekende adelaren,
Der zon in \'t oog te staren.
De schoone kunsten sieren \'t land.
Waar zij haar kracht in toonen, De kunstmin, meer dan diamant
Of bloedrobijn, de kronen.
Heil vorst en volken, die \'t beseft, Den kunstnaar eert, beschermt, verheft; Uw naam zal in gezangen.
Onsterflijke eer erlangen!
112
AAN DE VERSIERDEN ENZ. — OPSCHIK.
MET HET METALEN KRUIS. Op hun jaarfeest, in Augustus 1876.
Als de oogstzon op den akker brandt, De sikkel weidt door de aren,
Herzaamlen zich in Nederland Zijn oude heldenscharen.
De zeis des doods ging ook te keer,
En dunde hun geleedren zeer,
In vijf en veertig jaren.
Maar die gespaard zijn, zijn gespaard, En toonen dat zij leven,
Van de oude geestdrift niet ontaard, 4Door de eigen zucht gedreven;
Nog blaakt het heilig vuur hun borst;
Nog is voor Vaderland-en Vorst Een zelfde hart gebleven.
Me talenkruisers! \'t Grijze haar Siert, met het kruis, u allen.
Nog vijf, nog tien, nog twintig jaar. ... Eens zal de laatste vallen.
Dies blijft, voor die nog heden staan.
Het krijgsbevel: „sluit aan! sluit aan!\'\' Met dubblen nadruk schallen.
Een nieuw geslacht leeft om n voort; Een derde werd geboren.
Dat nooit de krijgstrom heeft gehoord. En nimmermeer moog hooren!
Maar wordt zij voor zijn oor geroerd,
Het zij van d\' eigen geest vervoerd, Die u de borst deed gloren!
OPSCHIK.
Draag niet edelsteen bij steen! Veelheid maakt waardij geringer.
Eéne diamant alleen Geldt voor echt aan uwen vinger.
113
materialistische logica, enz.
114
tele0ph0b1e —
Waar zij schieten straal bij straal, Zal de nijd hen allemaal.
Schoon zij uit Golconda waren,
Voor geslepen glas verklaren.
Naar rückeet,
TELEOPHOBIE.
„\'t Geschaapne heeft geen doelquot;, — \'t en zij om te bewijzen Wat gij bewezen wenscht te zien.
Den Maker mag het werk niet prijzen;
Genoeg zoo \'t maar den roem des Onderzoekers dien\'! „Een plan!...quot; Het denkbeeld doet u schrikken!
\'t Is alles gansch vanzelf gegaan,
Maar komt zich in uw stelsel schikken,
Als waar \'t alleen daarom gedaan.
MATERIALISTISCHE LOGICA.
„Een bons op \'t hoofd — het brein lijdt last.
_\'t Verstand bekomt er nimmer van. „Het brein is dus \'t verstand.quot; — Wel vast; Zooals de zaag de timmerman.
PSYCHOLOGIE.
Verhef geen psychologen!
Nakomers al te maal. Voorganger in mijn oogen Is hier alleen de Taal.
PRIMA QUAE VITAM DE IJ IT HORA, CARPSIT.
quot;t Uur der geboorte zelf verkort den duur Van \'t leven; \'t wordt gerekt door \'t stervensuur.
r
WET DEH TRANEN. — WAARSCHUWING. — ZELFS DAT NIET ! ENZ. 115
WET DER TRANEN.
Waar traan en glimlach samenkomen,
Wordt steeds de traan Het eerst vernomen,
Om \'t laatst te gaan. ,
f\'
WAARSCHUWING.
Zoo gij uw weg met God wilt treên: Loop nooit vooruit; dan loopt ge alleen.
ZELFS DAT NIET!
„Een blik slechts!quot; zegt ge in valsch vertrouwen; „En dan niets meer!quot; — Maak \'t u niet diets! Wilt gij den zinnen iets onthouen.
Vergun hun niets.
KATJESSPEL.
Speel met den hartstocht niet. Een tijd lang ga het goed: Wat steeds te vreezen was, zal eindlijk toch gebeuren;
Gelijk het wilde dier, dat makke kunsten doet.
Toch altijd eindigt met zijn meester te verscheuren.
ROL CREËEREN.
De stervling schept zijn rol op \'t schouwtooneel van \'t leven, En speelt haar goed of slecht. Toch was zij hem gegeven.
|
quot; |
116 aan mijn zoon. — voor koet. — vergeefs. enz. |
|
AAN MIJN ZOON. | |
|
met een uurwerk. | |
|
Zoolang uw levensdag mag duren, Dit is mijn bede, — Wijze u dit werk gezegende uren. En welbestede! | |
|
VOOR KORT. | |
|
1 |
Wij gaan tezaam een zelfde pad; Een zelfde deur zien we openstaan; Wat is ons scheiden? Niets, dan dat Wij een voor een naar binnen gaan. |
|
VERGEEFS. | |
|
Uw vensters keeren \'t licht; toch dringt het door de reten; Het duister is geweest. Voor Jezus sluit gij \'t hart, wilt zelfs zijn naam vergeten; Toch werkt hij op uw geest. | |
|
VICTUROS AGIMUS SEMPER NEC VIVIMUS UNQDAM. | |
|
Mani.lius. | |
|
Wij leven nooit; wij wachten steeds op \'t leven, Dat nimmer komt, maar altijd gaat; Het nu wordt weggedacht voor wat te komen staat. Nog vragen wij : Waar is de tijd geblevenV | |
|
1 |
HERINNERING. Weet dit, geleerde mannen, Die andrer leeraars zijt! De boog altijd gespannen Raakt alle spankracht kwijt; De boog verkeerd gespannen. Nog grooter ongeluk. Breekt in uw handen stuk. __________ |
AAN EEN OPGEWORPEN ZIEKENTROOSTER. ENZ.
AAN EEN OPGEWORPEN ZIEKENTROOSTER.
Voor die op \'t ziekbed kwijnen Zijt gij de rechte man niet, Piet!
Gij kent de medicijnen;
Maar van de dosis weet gij niet.
„ALLE MENSCHEN ZIJN LEUGENAARS.quot;
Psalm CXVI: n.
„De Schrift tot leugenaar te maken Is zondig,quot; predikt Gijs vol vuur.
En liegt maar toe met st^ve kaken. Tot grooter glorie der Schriftuur.
\'T SPREEKT VANZELF.
.lan heeft zijn buurman welgedaan; Maar dees ontloopt hem sinds dien dag. Vanwaar die afkeer komen mag? — Elk poogt zijn crediteur te ontgaan.
AAN CLARA,
OP DEN DAG VAN HAAR VEBTREK NAAR OOST-lNDIE,
met het Stoomschip „ yoorwaarls.quot;
Vaarwel, mijn dochter, streef met moed Door zee en vloed
Naar \'t geurig Oosten! Ga daar eens Echtvriends trouw gemoed
Van \'t uitgerekt verlangen troosten. En breng mijn Zoon mijn Vadergroet!
Met ons gedachten blijven wij Het schip nabij.
Dat u mag dragen. Wij volgen u van zee tot zee.
De weken tellende en de dagen Met luiden wensch en stille beê.
117
AAN .
Wat feest- wat dank-dag zal het zijn,
Als, na de pijn Van \'t machtloos wachten, heimlijk schromen.
Ons hart zich ophaalt aan \'t genot Der blijde tijding: ,Aangekomen —
Gezond — Vereenigd — Dank zij God.quot;
O spoedig smake \'t ouderhart
Die vreugd, de smart Vergoedende van \'t moeilijk scheiden!
Vaarwel! Vaarwel! De „Voorwaai-tsquot; wacht; Gods Englen mogen \'t schip geleiden, Beschermende u, bij dag en nacht.
22 Deo. 1876.
AAN....
Tu ne me chercherais pas, sl tu ne m\'avais déja trouvé.
Christus, bij Pascal.
Daal in uzelven af;
Gij zult er Christus vinden.
Als in een eerlijk graf.
Waar doeken hem omwinden;
En drijft de heete zondesmart U tranen langs de bleeke kaken.
Hij zal voor \'t hem behoevend hart Als uit den doode ontwaken.
Gij hebt hem lang miskend.
Schoon veel van hem geweten;
Naar die tot hem zich wendt.
Wordt nimmer iets verweten.
Dien ge als een doode hebt vereerd.
Zal als de levende u gedenken,
En wat ge eerst nu van hem begeert.
us
Als \'t lang voor u gereede u schenken.
1877.
even lief. — openlijk verloofd.
EVEN LIEF.
Mijn klemki-oost meerdert vast en klom
Al tot een viertal zonen.
Een aardig meisje leidt den drom
Met rozen op de koonen. Grootmoeders lieven naam draagt zij —
O worde \'t eene Aleide!
Een tweetal knapen heet naar my, —
— Gods zegen ruste op beide!
Twee hebben van den andren kant Hun waarden naam verworven, Naar mannen, voor hun vaderland
En huis te vroeg gestorven.
Maar met wat namen, en naar wien
Of wat, zij heeten zouden,
Ik bleef hen even gaarne zien En evenveel van deze\' als dien. Van dien als dezen houden.
Februari 1877.
OPENLIJK VERLOOFD.
Aan.....
Voor Gods en aller menschen oogen De liefde, die hun hart verheugt. Te erkennen met een fiere vreugd: Driewerf gelukkig zij die \'t mogen!
Zij \'t zoet geheim zoo zoet als \'t mag; Een groot geluk -wil klaren dag.
Die klare dag is aangebroken; Die schoonste zon is opgegaan; De nachtegalen heffen aan,
En alle rozen zijn ontloken
Op \'t pad, ontsloten voor uw voet. Waar oog en hart u blij begroet.
Smaak uw geluk met _volle togen. Verbeidende den blijden stond.
Waarin een heilig echtverbond Het gaat voltooien en verhoogen; En zorg, lief Paar! dat ieder weet Hoe wijs de keus was, die gij deedt.
1877.
119
QUERU LIANA.
QUERULIANA.
I.
Dat rei een zangrei zegt, een dansrei of een koor,
En rij een reeks beduidt, drong niet tot ieder dooi-. Dat die op \'t mos zich vlijt, geen vleier hoeft te wezen. Blijkt ons niet altijd, waar wij \'t lezen;
En wat geenssints beduiden moet.
Wordt geenszins door mijn brein bevroed.
II.
Schijfschieten heette \'t eerst wat nu Schietwedstrijd heet. Scherpschutters placht voordezen De vaste naam te wezen Van die met vaste hand zich in den Doelen kweet.
\'t Is nu aX juistheidwapen wat men ziet;
De juiste woorden echter treft men niet.
III.
Een afgeworpen vrucht deed eertijds zuchten slaken. Zij kon slechts noodrijp zijn, doorvreten van een worm, Of afgesmeten door een storm:
Thans schijnt zij iedereen te smaken.
IV.
Verplaatsen is?
„Van plaats verandren doen.quot;
Zeer goed.
Zeg nu ook wat verpakken wezen moet!
„Verpakken is nu voor /«pakken \'t woord...quot; Och! pak u voort!
,lets ten halve te zijnquot; is een kwaad en een leed;
Maar uw „halfheidquot; is Duitsch, en heel Duitsch, dat gij \'t weet,
VI.
„Van afquot; is meer dan schennis van een wet.
Door taalgeleerden ingezet;
Moedwillige verkrachting mag het heeten Van taalgevoel en taaigeweten.
1-20
GESTOORDE BRUIDSVREUGDE. 121
.,\'k Wou af uw schoot,quot; zegt in zijn brabbeltaal het wicht, Dat aanstonds beter leert door moeders onderricht,
Kn zeker levenslang in \'t rechte spoor zal blijven.
Zoo \'t maar geen lezen leert of schrijven.
VIT.
Gij cjaat er op in, gij gaat er op in!
Sta mij toe, dat ik er in trede.
Gij hebt, op zijn Duitsch, polemiek in den zin;
Maar ik, op zijn Hollandsch, houd vrede.
VUL
Erg lief, erg mooi, erg aardig — beste man! \'t Hardnekkigst optimisme beeft er van.
Wordt alles erg, dan is \'t zoo erg als \'t kan.
GESTOORDE BRUIDSVREUGDE.
Hoe blaast nog de oostewind zoo gum-Langs akker, veld en wegen,
En houdt de ontwakende natuur In \'t wakkerworden tegen!
Geen nood! Zij leeft en wacht haar dag.
En zal, zoo vroolijk als zij plag.
Zich weer met bloemen kronen En al haar schatten toonen.
Wat dreiging van een dag vol leeds Kwam hier de bruidsvreugd stuiten.
En sloot door zorg en bange vrees Haar feestlijkheden buiten?
Geen nood! De liefde leeft in \'t hart;
Zij mint de vreugd, maar schuwt geen smart; Zij groeit bij droefenissen.
En kan den feestdisch missen.
Doet dit uw eerste tegenspoed U voelen en ervaren;
Lief paar! waag dan met blijden moed üw scheepjen aan de baren.
in het bosch.
Is \'t ebbe en vloed op \'s levens zee,
Zijn wind en stroom niet altijd mee: \'t Geluk is in den zegen Der trouwe min gelegen.
Doch is \'t geluk voor \'t wenschen veil
Van die u thans omringen,
Dan voegt zich bij dat innig heil
Nog tal van zegeningen.
Haast wijk\' de koude en bloeie \'t veld, Straks zij de kranke weer hersteld, En eerlang, eerlang dage Wat goeds uit \'s Gravenhage.\')
April, 1877.
Een gehoopte bevordering.
IN HET BOSCH.
Dichter:
Hef aan, hef aan toch, nachtegaal 1 Indien ik door dees bosschen dwaal, Is \'t om uw lieve stem te hooren!
Laat duif en koekoek niet aan \'t woord; Voor die hier gaat en u niet hoort.
Zijn schrede en tijd verloren.
Nachtegaal:
Gij dwaas! \'t is niet voor uw vermaak, Dat ik mijn zoete zangen slaak.
Ofschoon \'t uw eigenwaan zoo schijne! Myn eenig lied is \'t lied der min; Gij zingt het voor uw hartvriendin; En als Ik zing, is \'t voor de mijne.
Mei, 1877.
122
ONDERWERPING MET VOLHARDING.
123
— EEN GRAFSCHRIFT, ENZ.
ONDERWERPING MET VOLHARDING.
In Godes hand te geven
Lot, uitzicht, hoop, en wensoh, In dit afhanklijk leven,
Is wijsheid in den mensch. In Godes hand te laten
Wat eens haai- werd betrouwd, Is wijsheid hoven maten,
Die zelden wordt aanschouwd.
EEN GRAFSCHRIFT.
01 dessous git un grand seigneur, Qui de son vivant nous apprit Qu\'un homme peut vivre sans coeur Et mourir sans rendre l\'esprit.
La Comtesse de Bbégis.
De man, die hier begraven werd. Bewees door sterven en door leven. Dat men kan leven zonder hart, En sterven, maar den geest niet geven!
WAARSCHUWING.
Overloop uwen vriend niet, noch zit er te lang;
Voor een zegen, verwierft ge u vervloeking.
Menig vriend maakt het daardoor zijn vrienden te bang. Uw bezoek zij bezoek, geen bezoeking.
124
jas rek. —
aan favellus.
noblesse oblige. —
JAN BEK.
Jan Rek -wil grooter zijn dan God hem heeft gemaakt Dies staat hij doorgaans op zijn teenen. Vergeefsch gepoog! De sukkel raakt Toch niet aan \'t geen waarnaar hij haakt. Maar wel veelvuldig van de beenen.
NOBLESSE OBLIGE.
Devies van de Hertogen de Levis.
Noblesse oblige — Groot de Guoote, die \'t beseft! — Maar klein de Kleine, die \'them voorhoudt! Hij verheft Zichzelf, of zoekt zijn voordeel te bejagen En d\' arend, dien hij vleit, tot leg-hen te verlagen.
Febr. 1877.
AAN FAVELLUS.
Uw stijl, Favellus, is een nufje.
Zij draagt altijd het nieuwste snufje; Zij rijgt zich stijfjes, schoeit zich knapjes. En tript daarheen met kleine stapjes.
Laat luid haar hooge hakjes tikken, Trousseert haar kleedje alle oogenblikken, Om ieder vuiltjen, ieder spatje Met zorg te mijden op haar padje,
En weet maar niet hoe zich te wenden. Om van de vrienden en bekenden Steeds meer de opmerkzaamheid te trekken, En elks bewondring op te wekken;
Ook gaat zij nooit voorbij, Favel!
Of ieder onzer zegt: „Wel! wel!quot;
1877.
EEN WEG DIE ÜITNEMENDEB IS. —
EEN WEG DIE UITNEMENDER IS.
Wat duizend malen is gezegd, Dat zegt gij slecht; Uw spreken heeft geen roem te hopen; Leg u op \'t zwijgen toe, mijnheer! En \'t pad der eer Staat voor u open.
TELEURSTELLING.
\'t Stond in d\' oproepingsbrief te lezen;
De president herhaalde \'t luid: ,(?«fZoc//ie;(wisslingquot; zou het wezen; Maar \'t kwam op (roo/\'de/fwissling uit.
EERVOLLE UITZONDERING.
„De Nederlanders zijnquot; — Wat zijn ze niet\'? Lees honderd Couranten, lees er één; \'t is steeds hetzelfde lied: De Nederlanders deugen niet; Hun dagbladschrijvers, dat verstaat zich, uitgezonderd.
NIEUWE STIJL.
Ministers plachten af ie treden;
Zij mogen weggaan — luidt het heden;
Zich uit de voeten maken hiet Het zelfs bij een, die niets ontziet. Zoo spreekt, zoo schrijft men naar uw regel, Hof van Jan Vlegel!
TELEUllSTELLING, ENZ.
GULDEN BRUIDSPAAR.
126
NIEUWSTE STIJL. —
NIEUWSTE STIJL.
Jan Salie speelt niet meer den baas; Hi] maakte voor Jan Vlegel plaats;
Hoe plomper nu, hoe fraaier. De ruwste taal, de platste spraak Is naar den welbekenden smaak
Van boef en oproerkraaier. Weg met den liksteen en de vijl! Wij hakken met de grove bijl.
GULDEN BRUIDSPAAR.
Vijftig jaar vereend,
Lief en leed gedragen;
Dikwijls veel geweend, Zonder veel te klagen;
Dikwijls veel gesmaakt Van des Heeren goedheid;
Over \'t hart gewaakt Bij \'t genot dier zoetheid; En bij bittre togen
Ook den troost gekend. Die zich uit den Hoogen
Tot de harten wendt. De Echtgenoot nog krachtig
En vol levensmoed;
Schoon nabij de tachtig
Nog vol geest en gloed; \'t Vrouwtje wel wat zwakker.
Maar, hoe zwak gesteld, Levendig en wakker
Waar het liefde geldt.
Liefde voor haar gade,
Liefde voor haar kroost. Dat zij Gods genade
Opdraagt onverpoosd.
, Blijft nog wat verbonden,
,Wordt nog lang gespaard!quot; Roepen hart en monden,
„Want gij zijt het waard!quot; Maar Gij buigt ootmoedig \'t Hoofd, en schikt u stil (Koom hij spade of spoedig) Naar des Heeren wil.
H1C RHODÜS, HIC SALTA, ENZ.
ONTWIKKELING-S-THEORIE.
,Ontwikkling!quot; i-oept men. „Uit het leelijke, het sohoone; „\'t Goede uit het kwade; en de waarheid uit bedrog. „Zoo is \'t, en anders niet.quot; Ik echter twijfel nog Totdat hij, die \'t beweert, het door zichzelven toone.
HIC RHODÜS, HIC SALTA.
Het onverklaarbre is meer dan al wat gij verklaart; En al wat gij verklaart berust op \'t onverklaarde. Eén blik in die Geheimnis was meer waard Dan al wat proefbevinding samengaarde.
BILEAMS EZEL.
Dat ooit een ezel sprak, schijnt u te groot een wonder. Mij treft het niet bijzonder.
Neen, dat een ezel zwijgt, mijnheer.
Verbaast mij dikwijls meer.
NOODWENDIGHEID.
„Noodwendigheid regeert; geen Wijsheid; maar ik ben De Wijsheid, ik, die de Noodwendigheid erken.quot;
TEGEN MISREKENING.
Gij rekent en berekent steeds, mi care! Maar rekent ge ook op \'t onberekenbare?
ONTWIKKEMNQS-THEOIUE. —
ÜKIEiÓNZESTIGSTE VEI)JAARDAG.
128
ZONSOPGANG. —
ZONSOPGANG.
Ziet men nog starren aan de lucht, Wanneer de zon begint te stralen,
Voor wie niet slechts het duister zwicht. Maar alle lichten onderhalen?
De maan verbleekt, geen star houdt stand — Maar \'t wolkje kr^gt een gouden rand.
Hoort men nog zangers, waar het lied Des meesterzangers op mocht stijgen?
De stoutste zelfs verbreken niet Het algemeen, eerbiedig zwijgen —
Maar om een mond, beproefd door druk. Verschijnt een glimlach van geluk.
DEIEËNZESTIGSTE VERJAARDAG.
Voor drieënzestig jaar geduld.
Voor drieënzestig jaar genade,
Een maat met weldaan hoog gevuld. Een levenspad, dat ge overlaadde Met bloemen, waaraan niets ontbrak, En waar, zoo mij een doren stak,
De balsem vloeide naast de wonde;
Voor kracht bij vreugd en troost bij smart. Voor zoo veel goeds bij zoo veel zonde.
Dankt u, o God! mijn kloppend hart.
Nog klopt het; ja voor gade en kind.
Voor kroost en kleinkroost mij geboren;
Voor menig bijgebleven vrind.
Na velen, door den dood verloren:
Voor \'t werk, waarin ik dag aan dag ü naar vermogen dienen mag;
Voor \'t Goede en Schoone, waar ik \'t vinde,
O God! nog met denzelfden gloed Waarmee mijn ziele \'t vroeg beminde. En immers eeuwig minnen moet?
\'k Ben jong geweest; \'k ben oud geworden.
Maar voor veroudren nog bewaard; Wat boomen om mij heen verdorden.
BIJ LEN GKAb\' IN DEN VREEMDE. 129
Ik voel mi] sap en merg gespaard.
Waartoe, o Heer van dood en leven?
Dan om een weinig vrucht te geven,
Een weinig lommer, laat als vroeg;
Totdat uw bijl wordt opgeheven En \'t woord gesproken: „Lang genoeg.quot;
Nassau a/L.,
13 Sept. 1877.
BIJ EEN GRAF IN DEN VBEEMDE.
Geen afsoheidssmart, geen bang Vaarwel, Beantwoord uit bedrukte monden.
Maar ingeslapen, stil en snel De rust aan de eeuwge rust verbonden —
Zoo hebt gij hier naar Gods bestel. Uw einde in \'t vreemde land gevonden.
In \'t vreemde land, in \'t verre graf.
Maar waar eendrachtig zich om scharen
De kinderen, die God u gaf\'. Die weenende in de groeve staren.
Doch staan u aan den hemel af. Dit denkbeeld doet de smart bedaren.
Hoe lieflijk is de heuvelkring.
Uw stof tot rustplaats aangewezen.
Besloten in een ommering Van bergen, schoon en hoog gerezen.
De rustplaats, die uw ziel ontving,
Moog veiliger en schooner wezen!
Uw leven heeft, een kalme vloed.
Zich kalm in \'t doodsmeer uitgegoten.
Uw liefde was een zachte gloed. Uw deugd in needrig hart besloten.
Een stille geest, een rein gemoed Heeft altijd gunst bij God genoten.
Ik heb n veertig jaar gekend; Dooreengevlochten was ons leven;
KINDERTllANEN. — BEPROEVING.
Maar gij, tot aan uw vreedzaam end,
Zijt steeds uzelf gelijk gebleven.
Uw beeld, tot ook mijn dag zich wendt. Blijft vriendlijk mij voor oogen zweven.
NllIIE LONGE A DEO.
Monica.
Nassau ajL.,
KINDERTRANEN.
Het knaapje schreit. Een kleinigheid Kost d\' armen jongen tranen-plassen.
Zijn vader glimlacht bij dat leed: Is dat niet wreed\'?....
Vraag \'t als hij is volwassen.
Hoe menig klacht Wordt uitgebracht Om rampen, redloos in dit leven.
Heeft God geen deernis? Deelt hij niet In ons verdriet? ....
Laat de eeuwigheid het antwoord geven.
BEPROEVING.
Hij die met God een blik gewisseld heeft.
Heeft lang genoeg geleefd.
„Laat nu, o Heer! uw dienstknecht gaan in vrede!quot; Zoo luidt ook zijne bede.
Maar God beproeft dien hij gelukkig maakt. Een bange stonde naakt.
Een zwarte wolk, die \'t zonlicht komt vervangen. Begint het hart te prangen.
Daar daalt de nacht; daar dooft de laatste ster; En alle troost schijnt ver....
Neen. Wanhoop niet! Stare ook uw oog in \'t duister Ontsluit uw hart, en luister!
130
TER BEGRAAFPLAATS.
Daar is een stem, die antwoordt op uw klacht; Daar is een liefdemacht,
Die steunt, en die haar liefderijk bedoelen In \'t innigst hart doet voelen.
En de overtuiging kweekt, die eenmaal zegt: „Nu ken ik God eerst recht!quot;
1877.
TER BEGRAAFPLAATS.
\'t Is soms of het Leven de Dooden bespot.
Wij brengen de ontslaapnen ten akker van God; Wij zwijgen eerbiedig, wij fluisteren zacht;
Het offer der tranen wordt snikkend gebracht,
Wij wagen een troostwoord, een ernstig vermaan; Wi] wijzen ten hemel... Op eens kraait een haan; Een hond komt geloopen en breekt door de rij; Een snorrende spoortrein druischt gillend voorbij. En spreekt in dien wanklank het haastige woord: ?Het leven heeft haast; staat niet stil; spoedt u voort! Spoedt u voort — tot uw werk — tot uw zaak — tot uw Onze tijd heeft slechts tijd voor gewin of vermaak.
Staat niet stil bij de graven, niet stil bij uw smart;
Staat niet stil bi] den hemel, niet stil bij uw hart!
Eens was \'t leven een scheepsreis, een reis langs de kust, Met een lieflijken droom van een haven der rust;
Nu, een reis met den sneltrein, steeds verder, steeds voort, Tot de stoomketel springt of de wagen ontspoort.quot;
1877.
Indien ge iets goeds verricht, mijn zoon! \'t Nog meer te willen zij uw loon.
\'t En is geen rijkdom, die het doet. De kunst is keur, geen overvloed.
TER NAGEDACHTENIS.
132
CONSEQUENT. —
CONSEQUENT.
Gij „blijft uzelf gelijk.quot; — Waarin? In de overtuiging-Dat gij altijd gelijk hebt. Dit staat pal.
Daaraan is geen verwrikking of verbuiging; Standvastigheid gaat boven al!
\'k Ben zoo standvastig niet. Mij zeiven toe te schrijven
„Ik kan niet dwalen, niets meer leerenquot; is te mal. Ik wensch in eerlijkheid mijzelf gelijk te blijven;
Want eerlijkheid gaat boven al.
TER NAGEDACHTENIS.
Gij stierft, gij daaldet in uw graf;
Een lichtglans merkt uw spoor, En glinstert voort en laat niet af
Te troosten met zijn gloor; Een lichtglans, die een denkbeeld geeft. Van \'t licht, waarbij gij hebt geleefd.
Licht van geloof en liefde en hoop, Vroeg\' schijnende om uw hoofd. Door heel uw aardschen levensloop
Versterkt, en nooit verdoofd, \'t Omstraalde uw stervend aangezicht — Wij zien u niet dan in dat licht.
Dat smoort de kracht, dat stilt de smart,
Dat droogt de tranen af;
Dat is de balsem voor het hart,
De zegen bij uw graf,
Die elk doet zeggen duizendmaal; „Och dat ook mij dat licht bestraal!quot;
DOOFPOT. — VOOK OUÜt:JAARSAVONDPRF.IHKFHS.
DOOFPOT.
Niet alle vuur moet branden Of glimmen blijven, dat staat vast;
\'t Zijn dikwijls wijze handen,
Waarmee men naar den doofpot tast.
Wees haastig om te smoren,
Waar \'t minste twistvuur wordt gestrooid;
Geen vonkje blijve er gloren —
Maar \'t vuur der liefde, doof dat nooit.
VOOR OUDEJAARSAVONDPREDIKERS.
(-fij preekt: „de tijd vliegt snel; het vluchtig leven slijt!quot; Och, wees gij zelf nu ook wat zuinig met den tijd.
Werk door en woeker met uw uren;
Spaar gaaf noch kracht!
Straks daalt de nacht;
133
De roest verslijt veel meer dan \'t schuren.
Uw stof is arm; uw stijl is breed; Een maagre mensch, maar dik gekleed.
Tezijnertijd komt ramp en tegenspoed. Bevreesdheid gaat ze halfweg tegemoet.
134 catheder-novellisten. — jacobus jan cremek, enz.
CATHBDER-NOVELLISTEN.
Novellen-makers en -uitkramers, als gij weet, Die zijn er bij de vleet.
Men zou misschien als regel kunnen stellen: Die niets te zeggen heeft, komt wat vertellen.
1878.
JACOBUS JAN CREMER.
Een uit duizend.
Wie Cremer leest, kent slechts zijn twintigst deel; Alleen wie Cremer hoort, kent hem geheel.
Men kan door \'t oog niet dan een weinig hooren Van \'t geen hij ons te aanschouwen geeft, door de ooren.
April, 1878.
ÏWEE STERFBEDDEN.
Het oog van Hausschein \') brak. — Als licht ontboden werd.
Zoo wees hij op zijn hart.
„Daar heb ik lichts genoegquot;, kwam stervend van zijn lippen. „Meer licht!quot; riep G-öthe, -) en liet den adem glippen.
1878.
!) Oecolampartlus t 1531. -) Göthe t 1832.
AFVAL.
Wat afvalt van den hoogen God,
Moet vallen.
Een zelfde schuld: een zelfde lot
Voor allen.
\'t Gezin, \'t geslacht, het volk, de staat.
De kleinen en de grooten:
Verlaten wordt wat God verlaat, Wat God verstoot, verstoeten. Wel hoort men daaglijks stem op stem
Weerklinken:
„Geen nood! wij redden \'t zonder Hem!quot; Maar die het zeggen — zinken.
1878.
mijn zwarte tijd. — aan j. langelaan, enz.
MIJN ZWARTE TIJD.
Felix quem faciunt allena perlcula eau tuin.
\'k Heb openhartiglijk mijn „Zwarten tijdquot; beleden, Hem met dien naam benoemd;
Zijn dwaasheid niet verbloemd,
Gezorgd dat anderen, gewaarschuwd, hem vermeden, — Maar niet tot loon gehad,
Dat iemand hem vergat.
April 1878.
AAN J. LANGELAAN,
Veertig jaar Arts te Heemstede.
Den kundige\' Arts, in bange stonden Steeds even trouw als wijs bevonden;
Den Vriend, dien nooit mijn hart vergeet; Den Christen, onder lief en leed,
Wien God nog menig jaar moog sterken Met kracht tot dragen, moed tot werken. Met balsem voor een hart, dat bloedt, Mijn warme feest- en broeder-groet!
18 Mei 1878.
QUANDOQÜE BONUS DORMITAT HOMERUS.
„Dat zelfs Homerus somtijds inslaapt,\'quot; is gezegd Door Flaccus; maar, mijn hemel! geeft dit recht Aan die nooit wakker zijn en iedereen doen slapen. Zich ook al aan den naam van dichter te vergapen\'?
Het schijnt zoo. Menig rijmwerk onzer eeuw Voere op den titel niet: Gedichten, maar: Gegeeuw.
1878.
GENOEG IS MEER.
Spreuk van Anna Roemers.
135
Genoeg is meer; niet slechts meer dan „te weinigquot; maar Meer dan Je veelquot;. Die \'t er mee doen kan, vindt het waar.
1878.
1^6 STICHTING. — OOST, WEST, THUIS REST.
STICHTING.
Het was een hooge feestdag
Voor \'t vrome christendom; De klokken luidden plechtig
En noodigden ten dom. De dom was hoog en statig,
Het orgel diep van klank;
Na ernstige gebeden.
Kwam zielvol psalmgezang; De preek was goed en krachtig —
Maar ik werd meer gesticht Door nw devoot gezicht.
Daar zat gij, stil en zedig,
En sloegt den blik omhoog, De handen saamgevouwen
Een grooten traan in \'t oog. Dat Ootmoed en Vertrouwen
.. Die meerder zijn dan schijn.
Op aarde zijn te aanschouwen.
Op aarde \'t schoonste zijn, Dat de eelste vrucht der Vroomheid
.....In Eenvoud wordt gekweekt,
Dat hebt gij mij stilzwijgend
. . Door uw gelaat gepreekt.
Dat reine Zielevrede
Bij menschen wonen kan. Daar zong uw helder voorhoofd
Den Heer een loflied van. Dat God de blijdste Hope
Dan zacht Geduld verbond. Dien zegen sprak het lachjen
Om uw gesloten mond. Ik zou niet durven zweren
Dat gij geluisterd hadt.
Maar zag dat gij aanhadt.
OOST, WEST, THUIS BEST.
In hoven en hoeven,
in Oost of in West, Moog \'t goed zijn te toeven:
te huis is het hest.
SENTIMENTEEL. — HARIG.
Geen plekje zoo heilig,
geen kerk of geen kluis
Zoo vreedzaam en veilig
als \'t vreedzaam Tehuis.
\'t Zij prachtig in \'t Oosten,
\'t zij heerlijk in \'t Zuid;
Natuur sprei er schatten
en wonderen uit;
Het goud moge er lokken,
de wellust, of de eer.
Genot moge er veel zijn:
Gemis is er meer.
Tehuis zijn mijn schatten,
mijn eer, en mijn lust;
Mijn smaaklijkste maaltijd,
mijn rustigste rust.
De bloem in mijn venster,
het vuur op mijn haard
Zijn al uw tooneelen
en lustoorden waard.
1878.
Gevoelziek volkje, smart-studenten.
Verliefd, gekrenkt, mistroostig koor Gij gorgelt u met sentimenten;
Maar slikt gij ook een droppel door\'?
Ontleend,
HARIG.
Hoe harig is onze eeuw! De vrouwen dragen vlechten
Van haar op \'t hoofd als Atlas\' hemelkloot;
De mannen, baarden, zwart, bruin; grijs, wit, bont, en rood — Vertooning van physieke krachten.
Bedreiging met barbaarsch geweld,
Is dit, waar zij haar eer in stelt?
187
138 BIS IN EUNDEM. - VERKEERDE WERELD. - DOMME DOMMEKRACHT, ENZ.
BIS IN EUNDEM.
\'k Zie daaglijks nieuwe vrienden in mijn ouden Een nieuwe baard bedekt hun oud gelaat.
Eerst kijk ik vreemd; maar \'t is niet kwaad; Nu kan ik tweemaal van lien houden.
VERKEERDE WERELD.
Hoe maakt thans de oude stok een rijpe jeugd te schande! Onze oudste vrouwen zijn de fraaist getande.
EX UNGÜE.
Wie is beleefdst, wie spreekt besoheidenst van de twee?
„Hoor reis!quot; zegt Hollands volk, maar de Engelschman: „I say!quot;
DOMME DOMMEKRACHT.
De dommekracht in zeedlijke belangen,
Ter vordring van het Rijk van God, Is God verzoeken en verlangen Dat Satan zelf met onze domheid spot.
ZIE WAT GIJ DOET.
Zorg dat uw hand geen vruchtbaar twijgje knakke; Snij \'t vooze weg, maar ondersteun het zwakke.
OP HET HUWELIJK, ENZ.
OP HET HUWELIJK
VAN MTJN ACHTSTE KIND; Beroepen Predikant te Houten.
„Zeven en een was acht;
Ze zeiden dat het wat veel wasquot; \')
Maar schoon \'t een ordentlijk deel was, We hebben tot vijftien \'t gebracht.
Schoonzoons kregen wij twee; Zij werden met blijdschap ontvangen; Wij konden geen beetre verlangen; Wij tellen ze als eigene meê.
Schoondochters hebben wij een.
Zij is wel wat ver uit onze oogen Haar echtvriend in de armen gevlogen; Maar mochten wij \'t laken\'? Neen. 1)
Ook blijft het er geenszins bij.
Daar brengt ons Cornelis de tweede! „Wij zijn uitermate te vredequot;
En haast zoo gelukkig als hij.
Naar Oost of West te gaan Zal hij zich met haar niet verstouten. Zij gaan vooreerst maar naar Houten, Een uur op zijn best hier van daan.
Daar staat de woning klaar.
Omgeven van needrige daken,
Waarin zij tezamen gaan smaken Het zoet van \'t eerste jaar.
De pastorie, het stil En zedig en zalig verblijfje,
Daar \'t zedig en huiselijk wijfje Een hemeltje stichten wil.
Daar staat de statige kerk,
En opent de deur met verlangen, Om de eerstelingen te ontvangen Van \'s jeugdigen leeraars werk.
139
) Zie hiervoor blz. 117, Aan Clara, euz.
AAN L. H. BEYNES.
Daar ligt de herdersstaf De trouwe hand te verbeiden, Waarmee hij de kudde zal weiden, Die God hem te weiden gaf.
Trek op, gelukkig Paar!
Met Zijn en uw Vaders zegen, En weest, onder vóór en tegen. Een zegen, ook voor elkaar!
9 Augustus 1878.
AAN L. K. BEYNEN,
te Leiden mijn Contubeenaal.
Op zijn Veertigjarig feest.
Voor veertig jaar mijn Tentgenoot In \'t kamp der Wetenschaps-recruten,
En sinds dien tijd tot op dees dag Een trouwe vriend van \'t echte slag,
Wiens ooren dikwijls moesten tuten.
Wanneer, in zijn afwezigheid,
In kleiner of in grooter kringen
Zijn lof door mij werd uitgebreid.
Waar niemand had op af te dingen.
En dien ik thans op dezen dag.
Als Jubilaris groeten mag!
Wat zou mijn mond u zeggen mogen.
Dat gij niet altijd wist en steeds Gelezen hebt in \'t hart van Beets,
En nu moogt lezen in zijn oogen?
God, die ons Vrienden heeft gemaakt. En Broeders worden deed uit vrinden.
Als \'t samenwonen werd gestaakt Om elk zijn weg en werk te vinden;
Hij, die u thans de rust verleent. Mij mooglijk nog een weinig jaren
Aan \'t werk houdt, zoo hij \'t dienstig meent. Zoolang dit bloed ons vloeit door de aren,
Houde ons in éénen geest vereend!
En komt de dood ons d\'adem rooven.
Mijn Laurens Reinhart! Wel, daar zij Een plaatsje dan voor u en mij In \'t Contubernium hierboven!
Scheveningen,
11 Sept, 1878.
140
CONSERVATIEF QUAND 51ÊME. —
,\'k Ben dwaas geweest,quot; herhaalt gij duizendmalen, Maar \'t let u nooit uw dwaasheen te herhalen.
Zeg eenmaal: ,\'kHeb gezondigd; \'k voel mijn schuld Zoo weet ik dat gij wijzer worden zult.
Ik zal \'t bewondren, wil \'t verheffen, Indien \'t natuurlijk tot mij komt; Maar \'t is onmooghjk mij te treft\'en Met wat gij uitgalmt, snort en bromt.
CONSERVATIEF QUAND MÊME.
Houd, oude steenklomp, eenmaal op
ons in den weg te staan! „Respect! ik heb drie eeuwen reeds
hetzelfde kwaad gedaan.quot;
Sept. 1878.
GELUKWENSCHEN.
Aan____
Wij hebben zoo veel malen
elkaar geluk gewenscht,
Terwijl we een heil bezitten
Onpeilbaar, onbegrensd.
Zijt gij dan ontevreden?
ben ik nog onvoldaan?
Wat blijft er steeds te wenschen,
en wat ontbreekt er aan?
Niets dan een recht ootmoedig.
Volkomen dankbaar hart;
Een nooit geschokt vertrouwen,
Ook in den dag der smart;
Een groot, een evenredig
besef van \'t groot bezit....
Gij, die ons rijk gemaakt hebt,
O Heiland! geef ook dit.
1878.
geluk wens chen.
qui bene distinguit, bene docet, enz.
QUI BENE DISTINGUIT, BENE DOCET.
Het onderricht kan mji \'t verstand niet geven; Zoo min als \'t licht het leven en de kracht. Wel kan ik zonder licht niet leven;
Maar nooit heeft licht-alleen het leven voortgebracht.
AAN WIJZEN VAN DEN DAG.
Heeft God zijn almacht, door te scheppen, uitgeput?
Bezit hij ze ook niet tot regeeren ?
En blijft ze in hem niet werkzaam, ons tot nut: — Zoo doet gij meer dan Hij, mijnheeren!
Die u geen uur van rust vergunt,
Om ons maar altijd weer te toonen wat gij kunt.
HEIN HOOGVLIEGER.
Met de vlucht van den aadlaar stijgt ge op, naar gij spreekt.
Het zij zoo; ik gun u dat stijgen.
Maar het ooy van den aadlaar, den klauw, die ontbreekt,
Zult gij die door te vliegen verkrijgen?
VROUWENDEUGD.
Zachtmoedigheid staat onzen vrouwen goed.
Sliet slechts een zacht gemoed, maar ook een zachte moed.
Anders :
\'t Gemoed zij zacht, en zacht de moed: Dat \'s vrouwen-deugd en staat haar goed.
142
GODS BORDUURWERK, ENZ.
143
deugd en deugden. —
DEUGD EN DEUGDEN.
Veel deugden malsen nog de deugd niet uit.
Veel deugden hebt gij, Jaap, en echter zijt ge een guit.
1878.
GODS BORDUURWERK.
Wat God borduurt, door lief en leed, In \'t weefsel van eens Christens leven.
Vertoont een werk, waar niemand weet Gewisse duiding aan te geven.
Aan deze zij schijnt lijn bij lijn Dooreen te weemlen en te warren;
Aan de andre, zal \'t een bloemstuk zijn, Omgeven met een krans van starren.
17 Oct. 1878.
GOD EN GODSBEGRIP.
Gij hebt een Gods-BEGRip, gansch naar uw zin. Zeer wel; ik heb een God, dien ik bemin.
Uw Gods-BEGRip doet u noch kwaad noch goed. Mijn God troost, sterkt, en reinigt mijn gemoed.
Uw Gods-BEGRip verandert, wijzigt gij.
Mijn steeds dezelfde God verandert mij.
INCOMPETENT.
Tout comprendre serait tout par-donner.
Mad. dk Staël.
, Alles begrijpen ware ook alles te vergeven.quot; Vergeven? Maar daar is de vraag niet van.
Gij hebt niets te vergeven, vrouw of man!
Ten zij dan zonden tegen TI bedreven.
Hij, hij alleen, die recht tot straffen heeft,
Heeft recht om te vergeven en —- vergeeft.
1878.
bij een grafpaal.
BIJ EEN GRAFPAAL.
(Naar William C. Bennett.)
Slechts Gudrtje Piujsee. Boven dien Geen woord. Het jaartal zelfs vergeten.
Is \'t niet puur dwaasheid, omtezien Naar iemand, daar wij niets van weten.
Maar \'tis niet anders; Guurtje ligt Dicht bij een weg, dien \'k vaak moet reizen;
En krijg ik Guurtjen in \'t gezicht,
Mijn hart wordt week en vol gepeizen.
Niets dat haar leeftijd melden mag.
Jong? Oud? Vergeefsch is al mijn gissen.
Een kind ? Een zuigling van een dag ? Een meisje? Een vrouw? Wie zal \'t beslissen?
Maagd? Gade? Weeuw? ... Wij moeten \'t dan Maar zonder deze kennis stellen;
Hier zijn we alleen maar zeker van.
Dat wij niets hebben te vertellen.
Wat was haar lot? Dat van een kind. Omringd van liefde en welgevallen?
Of van een jonge maagd, bemind Door eenen, en gevierd door allen?
AVas ze ijdel ? Needrig? Minzaam? Hoog? Druk? Geestig? Of een stil natuurtje?
Zat daar een schalkjen in haar oog? Een heksje? Ik wil \'t niet hopen, Guurtje!
Was moederweiK/rf of moedersmart Haar deel? Of wel, bij beurte, beide,
Waar zij een liev\'ling van haar hart Naar \'t echtaltaar of \'t graf geleidde?
Heeft zij haar kleinkroost groot gezien.
Of uit de wieg in \'t kistje leggen?
Een dierbaar petekind misschien;
Haar eerste en schoonste? Wie zal \'t zeggen?
Doch mijn verbeelding blijft maar steeds Van \'t nooit geziene Guurtje droomen.
Aan al wat ons vervult en vrees En hoop en zorg baart lang ontkomen.
Wat ze ooit gehad hebb\', hier is rust Voor haar in dezen koelen lommer;
Haar bangste strijd werd hier gesust.
Haar hoogste vreugd, haar laatste kommer.
BIJ KEN CRAFPAAL.
Hoe zacht ontroert zij mij \'t gemoed, Die lang door elk vergeten doode,
SlecMs niet door Hem, die hier zoo zoet, Een geur doet opgaan van haar zode.
Zoo als zij hier ligt, kan \'k haar mij Slechts als een lieflijk wezen denken.
Die \'t leven opgaf vrij en blij.
Om God haar beste deel te schenken.
Ik denk haar jeugdig, schoon en zacht, Een effen voorhoofd, gouden lokken.
Een vriendlijk oog, een mond die lacht, Door zorg, noch vrees, noch leed vertrokken.
Mets mag voor mij van dit gelaat Den zacht weldadige\' indruk storen.
Daar \'t onbewolkter voor mij staat. Dan wat me ooit levend kwam te voren.
Want zij die leven hebben duur Noch rust, \'t moge avond zijn of morgen!
Nooit eens een vrij, een vredig uur.
Maar altijd arbeid, drukte, zorgen.
Voor haar zijn lief en leed daarheen. Al wat ons zuchten doet en beven;
Haar laatste strijd is uitgestreên;
Haar zonden, hopen wij, vergeven.
Op Gods tijd volgden, voor en na.
Al die haar kenden en beminden
Haar in het oord der ruste na. Tot wederzien en wedervinden.
Sta hier dan niets meer dan haar naam, \'t Is haar zoo wel in \'t eeuwig leven.
Als die veel gaven om een faam.
Die niet heel veel om hen zal geven.
Maar gij, die deze verzen schrijft En meent: ,\'k heb wel eens iets geschreven.
Dat hier en daar, als \'t hangen blijft. Mij, met mijn naam, zal overleven!quot;
Zou \'t zoo veel schelen of me u las Of niet, na jaar en dag? ... Wees wijzer.
Vergeten ook, slaapt ge onder \'t gras Al even zacht als Guurtje Prijser.
146 NON TALI AUXILIO. — STOF EN KRACHT. — FLINK, ENZ.
NON TALI AUXILIO.
Beeld u niet in, de •waarheid te beschermen. Te dekken, of te waapnen! — Noodloos werk. Ze is, naakt, gezond en, on-gewapend, sterk. Gij hoont haar door u over haar te ontfermen. Ze is onbevreesd, onkwetsbaar, en geen kind. Een vijand is haar nutter dan een vrind.
STOF EN KRACHT.
Leev-kracht, leerstof — ziedaar hoe \'t Heden spreekt, \'t Wordt alles stof en kracht, waar ziel en geest ontbreekt.
FLINK.
„Flink, flink, en nog eens flinkquot;. De „welgeschapen zoonquot; Heet thans in \'t kraambericht ,een flinke jongenquot;.
De zelfvoldoening uit zich op dien toon.
En altijd flinker wordt het „flinkquot; hem voorgezongen.
NIET MURMUUEEREN.
Niet murmureeren, liefdrijk God!
Niet twijflig vragen; Mij niet, in schijn van over \'t lot,
Van U beklagen;
Niet doen als of uw liefde faalt;
Haar niet verdenken;
Maar altijd haar een onbepaald Vertrouwen schenken —
BIJ BENE SCHOONE DOODE. 147
Dat wil, dat doe ik, als uw kind.
Wat leed me ook griefde;
Dat, met een hart, dat u bemint
Voor uwe liefde;
Uw liefde, die mij \'t hoogste goed,
Den zielevrede.
Geschonken heeft door Jezus bloed.
En \'t al daarmede.
Maar ach, ik die mijzelven ken.
Moet altoos vreezen.
Heer! doe mij blijven, die ik ben
En slechts kan wezen.
Mits uw_ genade elk oogenblik
Mij hulp bewijze.
Opdat ik tot mijn jongsten snik Uw liefde prijze.
16 Dec. 1878.
BIJ EENE SCHOONE DOODE.
Nog zoo veel schooner in uw dood
Dan ooit in \'t leven,
Toen aan uw wang het rozerood
Zijn gloed mocht geven!
Nog zoo veel dierbrer aan het hart,
Dat u moet derven.
Dan toen \'t u liefhad zonder smart, — Doet dit het sterven?
Is dit het, wat de dood vermag?
Het schoonste ontdekken? Het beste, dat het diepste lag.
Naar boven trekken?
Geheel de kracht, den ganschen schat
Ons doen waardeeren Der liefde, die ons hart bevat,
En nog vermeeren?
148 et poema nascitur. — taal-optimisme.
Zoo is dan \'t einde een nieuw begin;
Zoo sluit ons scheien Een inniger vereenen in,
Dat door ons schreien Ben lach van stille blijdschap weeft,
Verzeekring gevend Dat onze liefde een toekomst heeft, Voor eeuwig levend.
26 Dec. 1878.
ET POEMA NASCITUR.
Wat \'s een Gedicht? — Kunstminnaars, spitst uw ooren! Kunstkunde spreekt van haar verheven stoel:
„Poëtische gedachten en gevoel,
Waarvoor de kunstnaarsziel den vorm heeft uitgekoren. Die schoonst was en het dienstigst tot zijn doel.\' — \'t Klinkt fraai; maar laat ons ook den Dichter zeiven hooren. „Neen,quot; zegt hij, „zoo is \'t niet, indien \'k er iets van weet. \'t G-ezield gedicht wordt als gedicht geboren;
De vorm? zij is het lichaam, niet een Meed.quot;
TAAL-OPTIMISME.
Aan ....
De taal schijnt me optimist; \'t gelaat noemt ze ook: het wezen. Maar laat ons elk gelaat altijd het wezen lezen?
Ja, bij de oprechten zijn gelaat en wezen e\'én.
Maar, zijt gij dit? \'t Gelaat zegt „ja;quot; het wezen; „neen.quot;
1879.
aan koningin emma. —
149
jan wring, enz.
AAN KONINGIN EMMA.
Schoon is, Vorstin! de taak, die ge op u naamt. Waar Schoonheid, Jeugd, en Deugd u toe bekwaamt. Waar de Almacht zelf haar zegel op moog drukken. En Vorst en Volk de reine vrucht van plukken! De kroon, die u een Koning schenkt, zij schoon: \'t Geluk diens Konings zij uw schoonste kroon. Janunari 1879.
JAN WRING.
Gepijnigd is uw stijl, en doet den lezer pijn;
Gij zijt een beul. Jan Wring, en meent een baas te zijn.
EEN WOORD VAN LABADIE.j
\'k Heb eens dat woord ontmoet, en laat het nimmer los: „De God van Eden is meer waard dan \'t Eden Gods.quot;
CAUSA MORTIS.
Wien honderd jaar werd toegeleid,
Is in zijns levens kracht bezweken.
Waar stierf hij aan? Zijn eind moog spreken: Aan rijp te zijn voor de eeuwigheid.
150 ONGELIJK HUWELIJK. — LACHEN. — KUNSTZIN. — TWEE ZUSJES.
ONGELIJK HUWELIJK.
Wat wordt van ongelijke paren,
Van oud met jong gekald, gemald? De man is jong, hoe hoog van jaren, Die aan een jonge vrouw bevalt. Zie Goethe\'s Nauslkaa.
LACHEN.
JTfXfÊ}^ u r :c u / r ^ iaza), fxrjót / :i ï jjo A/ tLTjóè \'avft/xfroq,
Epict. Eneilir é;i,
Lach niet te zeer Lach niet om veel;
En nimmermeer Te luid van keel.
KUNSTZIN.
„Kweek kunstzin aan bij \'t volk; stel marmers, bronzen, doeken, Zooveel gij kunt, ten toon, en kweek den bouwsmaak aan!quot; \'t Klinkt fraai, maar \'t zal zoo grif niet gaan.
Natuurzin is te ver te zoeken.
TWEE ZUSJES.
De eene een bruintje, de andre een blondje,
Oogjes blauw, en oogjes zwart;
Maar een zelfde stem in \'t mondje, Rechtstreeks gaande tot het hart.
Zacht ontroerend.
Stil vervoerend.
Stem die onweerstaanbaar is,
Moeders kostlijke erfenis.
151
CRAMBE REOOCTA. —
GEZOND VERSTAND.
DE BETERE VRAAG. —
Wie van dezen zal het wezeu,
Die het eerst een man belezen.
\'t Wiegeliedje zingen zal,
Bruintje of blondje aan \'t harte klemmen, En een kinderkeeltje stemmen Ook zoo lief en liefgetal.
1879.
DE BETERE VRAAG.
Zendt God u kruis, treft u zijn roe: Vraag niet waarom, maar vraag waartoe.
CRAMBE RECOCTA.
Te sollen met de vrouw, de kerk, de predikanten. Getuigt van slechten smaak als oud en afgezaagd: Doch hoe het zijn moog, het behaagt Nog steeds aan wawelaars en schrijvers van couranten.
GEZOND VERSTAND.
Kien ne tue le coeur comme le bon sens; le bon sens tuerait anssi l\'espfit si on le laissait faire.
M. S. Sauvagk.
Niets kan het hart gewisser dooden
Dan zoo genaamd gezond verstand;
Wordt daar geen weerstand aan geboden,
\'t Maakt eindlijk allen geest van kant.
1879.
STELSELS. — OPGEBLAZEIf. — MILDE ARMOEDE, ENZ.
Gansch objectief te zijn is de eisch, is wensohlijk; Maar zou het mooglijk zijn?
Och! paai u met geen schijn!
De stelsels zijn persoonlijk, of niet menschlijk.
De kennis, ja, maakt opgeblazen. Met liefde niet gepaard;
Maar de opgeblazenheid van kennis-toose dwazen Is van den ergsten aard.
MILDE ARMOEDE.
Verwacht van \'t volle hart geen woorden-overvloed Het gulst met woorden is het ledige gemoed.
ZOO WREED BEROOFD.
AAN...,
Zoo wreed beroofd, zoo diep bedroefd — Niet vreemd, zoo gij bij oogenblikken
Den troost ontbeert, dien gij behoeft, En niet dan tranen hebt en snikken!
Ween voort, ween uit, en klaag uw leed! Die \'t u ontzegt is meer dan wreed.
152
GELUKSKIND. — \'K BEN JONG GEWEEST.
God telt uw tranen, sterveling!
En wil diezelfde God ze wraken?
0 Neen! Maar, na verduistering. Het opzien dubbel dierbaar maken Naar \'t alt^d zacht en vriendlijk Hebt Van zijn barmhartig aangezicht.
GELUKSKIND.
Verhaast u niet te zeer met roemen In \'t lot, dat ge u beschoren ziet; Een vette grond maakt dubble bloemen, Maar dubble bloemen zaaien niet.
\'K BEN JONG GEWEEST.
Ps. 37: 25.
\'k Ben jong geweest. Ik greep van \'t leven Den beker moedig aan.
Met rozen was de rand omgeven En frissche wingerdblaan.
\'k Heb menig zoete teug gedronken —
Niet altijd en kel zoet!. ■..
Die haar gemengd hadt en geschonken.
Mijn God! waart altijd goed.
\'k Ben oud geworden, \'k Heb de doornen. Het deel van Adams kroost,
Als alle van een vrouw geboornen Gekend, maar ook den troost;
Het zweet des aangezichts, de smarten En zorgen hun bereid;
Maar ook den stillen vreê des harten;
En nooit vertwijfeldheid.
153
ZWARE TIJDEN.
Ik zag rechtvaardigen en vromen,
Door leed op leed gedrukt,
Het water tot de lippen komen,
Het dierbaarst \'aun ontrukt;
Belaagd, gekweld door die hen haatten,
Gelasterd en bespot.
Van hun voornaamsten vriend verlaten. Maar nimmer van hun God.
Ik zag hun kroost, met smartlijk treuren,
Beroofd van steun en staf,
\'t Bekreten oog ten hemel beuren.
Bij \'t ouderlijke graf;
Maar zegen aan hun lot verbonden.
Ook bij den hoogsten nood,
Altijd den balsem bij de -wonden.
En zeker van hun brood.
1879.
ZWARE TIJDEN.
Men klaagt en jammert luid, Men schrijft een bidstond uit. Men teemt van „nood der kerkequot;; Men schrijft, men leest, men praat Van „crisis in den staat;quot;
Maar geen, zoo veel ik merke,
Wien \'t diep ter harte gaat.
Men eet, men drinkt, men speelt. Men kortswijlt en krakeelt.
Leeft weeldrig en wellustig.
Windt zich met boozen kop Van tijd tot tijd eens op,
154
Maar slaapt weer even rustig. En haalt zijn zeil in top.
Aug. 1879.
ONVEKMOGEN, ENZ.
ONVERMOGEN.
Op eenmaal soms ontwaakt in mij, Wanneer ik \'t minst verwachtte,
Van schoonheid en van poëzj Be wordende gedachte.
Een onbepaalde en zoete lust Sluipt hart en aadren binnen,
Als werd ik in den droom gekust Door een der Zanggodinnen.
Er ruischen tonen om mij heen. En schoone vormen zweven
In glanzig nevelwaas dooreen.
Die mij het hart doen beven.
De schoonste wenkt mij in \'t verschiet Om tot haar door te dringen;
Ik strek mijn armen uit — zij vliedt, En al mijn snaren springen.
META TH2 E Y 2 EB El AZ MY2THPION.
1 Tim. 3: 1G.
0 grootste der Verborgenheden, Die tot godzaligheid geleidt; God openbaarde hier beneden
Zich in het kleed der sterflijkheid, Is, gerechtvaardigd in den geest. Van \'t englendom gezien geweest!
Hij is gepredikt allen volken:
155
De wereld heeft in hem geloofd; Hij voer ver boven lucht en wolken Ten hemel, als ons heerlijk hoofd; O Grootste der Verborgenheên, Ons heil staat vast, in U alleen!
AAN PRINSES MARIE. — ALTIORA CONTRA HUMANIORA.
AAN PRINSES MARIE.
9 Sept. 1879.
„Hoe lieflijk komt een Rozeknop Zich aan \'t Oranjeloof vertrouwen !
De Hemel geve er zegen op En doe ze ons lang vereend aanschouwen.quot;
Zoo zong mijn hart, een jaar geleen, U toe, als niets uw vreugd mocht deren.\')
En nu! — \'t Oranjeloof verdween; De Roze moet haar steun ontberen.
Wie zal, als zich een storm verheft.
Haar zorgzaam schutten en beschermen ?
Wie, als de zon te hevig treft,
Zich liefdrijk over haar ontfermen?
Haar blijft de koele, heldre dauw.
Die uit den hemel neer komt dalen;
Die duldt niet dat haar \'t hart verflauw\', Of dat zij \'t hoofd zou onderhalen.
1) Op Pansliuize, aan den disch van den Commissaris des Konings, bij de feestelijke ontvangst, te Utrecht, van H. K. H. met haar beminden Gemaal; 9 Sept. 1878.
ALTIORA CONTRA HUMANIORA.
De dichters hebben kwaad gedaan. En elk vangt aan Hen te betichten. Ze onthaalden ons op enkel waan
In hun gedichten.
Zij zouden, liet men hen begaan, \'t Gezond verstand te gronde richten. En met hun malle, murwe maan De kaarsen met verdooving slaan, Die ons verlichten.
156
ALTIORA CONTRA HUMANIORA.
Wij denken \'t anders te verstaan. Zie maar dien jongen knaap eens aan
Dien wij verplichten Den weg der wijsheid in te slaan, Ter hooger burgerschool te gaan En nut te stichten.
Hij heeft van poëzie geen last;
Zie maar die oogen;
Dien wipneus, daar een bril op past
Van sterk vermogen;
Die dikke lipjjen, pas omvlast
Met pluis bi] pluisje;
Dien kop, als een lokettenkast Met wetenschappen volgetast.
Elk in een huisje Van \'t brein, dat nimmer viert of vast, Maar onophoudlijk gaat te gast Op worteltrekkingen en brast
Aan kegelsneden.
Nooit door een inval wordt verrast. En nooit blijft zitten voor den mast
Der hoogste reden;
Die borst, die in de examens plast
En steeds blijft zwellen.
Die als een rijzend wonder wast\')
Tot elks ontstellen! —
Zoo hier de vraag wordt ingelascht: „Wat zal er worden van dien kwast?quot;
Wie kan \'t voorspellen? Een „hooger burgerquot; is \'t alvast.
Sept. 1879.
J) Plagiaat uit de Overwintering op Nova Zembla:
Europa zag verbaasd het rijzend wonder wassen.
157
158 DAGBLADSTIJL. — LANG VAN STOF. — HELLEND VLAK.
DAGBLADSTIJL.
De Koningin heeft aan een arbeider op het Loo — een goud horloge aangeboden.
De Prins van Oranje heeft een photographie van zijn Broeder aan diens vrienden aangeboden, enz, enz.
Leer toch uw taal, en voegzaamheid verstaan, Een Vorst schenkt, of vereert, maar biedt niet aan.
LANG VAN STOF.
Uw rede is louter goud; geen die \'t in twijfel trekt. Ik voeg er bij: tot gouddraad uitgerekt.
HELLEND VLAK.
Een hellend vlak gevaarlijk? — Ja gewis!
Voor al wat rolt en glijdt en afschuift, zonder leven;
Maar voor den boom niet, die geworteld is. En vaststaat waar hij staat, de kruin omhoog geheven.
Tó /ay yydufia airoATfivfu Ti, óf 7tvfvf.ia ^oioTtoufZ.
2 COR. 3 : 6.
„De letter doodt; de Geest maakt levendquot;. — Ja, voorzeker.
Maar ook de Letter, waar gij dit in leest?
„De Geest maakt levend.quot; Maar, mijnheeren, welke Geest? De ,Geest des tijdsquot; toch niet, die tegenspreker Van al wat geestlijk is, met dit besluit;
-Niets leeft er dan de stof, en daarmeê uit!quot;
evangelizeeren. — victor hugo, enz. 159
EVANGELIZEEREN.
Werp van uw brood voor vooglen aller veêren, Maar sta er niet als molik bij op \'t land. De tijd moet komen dat zij leeren En willen eten uit uw hand.
1879.
VICTOR HUGO.
Bedorven kind zijns tijds; fransche afgod; wiens gedicht
De diepste snaren weet te roeren,
ü beurtlings streelt en kwetst, doet gruwen, kan vervoeren, Betoovert, en vertoornt, verteedert, sticht, ontsticht; Een ziel aan zielsrust vreemd en vreemd aan hooger licht; Een groote geest, maar buiten \'t evenwicht.
1879.
NIEUWSTE DICHTSCHOOL.
„Dit is het nieuwste nieuws, in spijt van wien het grieve: In naam van wetenschap, ontwikk\'ling, kunstgevoel, Is bestialiteit te schilderen ons doel;
Zoo volgen wij natuur....quot; Dat\'s waar; ten minste de uwe.
1879.
NU EN DAARNA.
(Francis Ridley Havergal.)
Nu, het zaaien; nu de tranen ;
Hard gewerkt en lang gewacht; Maar daarna, de gouden granen Juichende in de schuur gebracht.
Nu, \'t meedoogenloos besnijden,
\'t Scherpe mes door rank en loot; Dan, des Meesters zoet verblijden Bij de vruchten veel en groot.
DEN HEEKE DE VEER.
De in-plons nu, het overstelpen, \'t Blindling tasten, lang of kort;
Dan, \'t kleinood der parelschelpen. Dat des duikers losprijs wordt.
Nu, \'t nauwlettende behouwen,
\'t Zwaar verwerken van de stof;
Maar daarna, \'t volmaakt aanschouwen Van het heerlijk koningshof.
Nu, het stemmen van de snaren; Wan- hij wanklank, anders niet;
Dan — het grootsch ten hemel varen Van het halleluja-lied.
Nu, de strijd, het sterk verweren, \'t Bloedig worstlen, bang en zwaar;
Dan, het vreedzaam triomfeeren.
En de kroon der eere op \'t haar.
Nu, een donkre school doorkropen, Tucht en les naar lust noch zin;
Dan, de hoogste werkplaats open. En des Meesters woord: „Treed in!quot;
Dec. 1879.
DEN HEERE DE VEER,
TE AMSTERDAM.
In antwoord op zijn vereerende uitnoodiging tot medewerking aan het voorgenomen „IJsnommerquot; van „Eigen Haardquot;.
\'k Had gaarne tot dit werk het mijne toegebracht;
Maar \'t was vergeefs getracht En moeite en tijd verloren:
De Zangberg was te glad, de Hengstebron bevroren! Hoe treurig ook, ik dacht:
Ziedaar ten minste stof voor dichterlijke klacht, —
Nu is de dooi gekomen En beeft me ook die benomen.
Utrecht, 30 Dec. 1879.
160
DE ZONDEVAL. — MINUUTWIJZER.
DE ZONDEVAL.
Wij willen liefst den Val vergeten,
En staan, in ons gevoel, zoo hoog; Maai- hij betuigt zich aan \'t geweten, Als \'t zonlicht aan \'t gesloten oog.
Ontleend.
Zie Dr. Gunnings Overlevering en Wetenschap, bl. 36.
MINUUTWIJZER.
Met zestig afgepaste schreden.
Doorloopt de wijzer op de plaat Den cirkel, dien hij nooit verlaat —
Dan is ons weer een uur ontgleden. Gelijk de luide hamerslag Op \'t klokmetaal ons melden mag.
Hoe snel, hoe schielijk is \'t vervlogen Voor die genoot; maar voor die bang Verbeidde of leed, wat duurde \'t lang !
Wat stelt de wijzer ook voor oogen? Den tijd? Een denkbeeld is \'t alleen; Genot en smart zijn werklijkheen.
Het is niet met een maat van uren. Maar met de maat van lief en leed. Dat elk van ons dat leven meet.
161
Dat wij verslinden of — verduren, En elke dag is lang of kort Naar dat wat ondervonden wordt.
n
IV.
DE WRAAK
VAN
1173.
Naak WILLIAM C. BENNETT.
Eleonoke de Guyenne, d\'abord reine de France, puis reine d\'An-gleterre, était fllle et heritiere de Guillaume X, dernier duo d\'Aqui-taine, et naquit vers Tan 1122. Elle épousa, a l\'age de 15 ans, Louis VII, roi de Trance, et lui apporta en dot le duché de Guyenne, qui comprenoit alors la Gascogne, la Saintonge et le Poitou. Mais la le\'gérité de sa conduite et son goüt pour les divertissements déplurent bientöt a Louis-le-Jeune, gui observait plus rigoureusement les pratiques religieuses. La mésintelligence s\'étant accrue pendant le voyage que le Roi fit en Terre-Sainte avec Ele-onore, lors de la seconde croisade, celui-ci obtint le divorce a son retour (1152). Six semaines après, Eléonore épousa Henri, comte d\'Anjou et due de Normandie, depuis roi d\'Angleterre, sous le nom de Henri II (1154), et par la fit passer les riches provinces de l\'Aquitaine sous la domination de l\'Angleterre. Toutefois le mariage ne tut pas pour les nouveaux époux plus heureux que le premier; Eléonore, jalouse de plusieurs dames de la cour, jeta le trouble dans la familie royale et souleva même les enfants contre leur père. Henri, fatigué, la fit enfermer dans un couvent.
Bouillet, Diet, de Hist, et de Géogr. El. de Guyenne.
Sbe (Rosamond) was tbe fayre daughter of Walter lord Cliffordgt; concubine of Henri II, and poisoned by queen Elianor—Henry made for ber a bouse of wonderful working, so that no man or woman might come to her. This house was named Labyrinthus, and was wrought unto a knot in a garden called a maze. But the queen came to her by a clue of thredde, and so delt with her that she lived not long after. She was hurried at Godstow, in a house of nunnes.
Hiohden, Monk of Chester.
Jane Clifford was her name as books aver;
Fair Rosamond was but her iwm de guerre.
Diiyden, Epilogue to „Henry II,quot;
Quae de fónte vetus Bosamundae fabula plebi Narrat, et hisce locis quasi daedaleo labyrintho, Sprevimus, et quibus ista vacat confundere veris, Non irvidimus.
Const. Huoenius, De Vita propria.
DE WRAAK VAN KONINGIN ELEONORA.
Koningin Elenora, uw haat is geducht.
Hij vervolgt als liet Noodlot, dat niemand ontvlucht.
Koningin Elenora, uw gramschap is fel.
\'t Is een gramschap ontstoken aan \'t vuur van de hel.
Beter nimmer geboren, dan doel van dien haat.
Dan de vuurblos getart op uw donker gelaat!
Liever prooi van den bloedhond tot aanval gesard,
Dan de wolk, Poitevine, op uw voorhoofd getart.
Zij hij hoog, zij hij machtig: te gronde gericht Is de man, Aquitaansche, die U staat in \'t licht.
Zij ze schoon, zij ze een engel: ter aarde gestrekt.
Ligt de vrouw, Koningin, die uw ijverzucht wekt.
Wee der dochter van Clifford, zoo blozend van wang!
Want haar zoekt de Aquitaansche, haar zocht zij sinds lang.
Zocht zij lang, zocht zij hijgend, met brandend gemoed. Met een dorst, slechts te lesschen door \'t Cliffordsche bloed.
Want het bloed van Poitou eischt iets meer, waar het brandt, Dan een woeden met woorden, naar vrouwlijken trant.
Wat haar wraakzucht alleen kan voldoen deze maal,
Is een dronk uit den giftkelk, een stoot van het staal.
Is een dronk uit den kop, dien zij zelve met kracht In dat handje zal wringen, zoo tenger, zoo zacht.
DE WRAAK VAN KONINGIN ELEONORA.
Is een stoot van den dolk, dien zij zelf drukken moet In de borst van dat liefje, gekromd aan haar voet.
Een van beiden. Lord Clifford! zoo waar help haar God, Een van beiden zal wezen uw Rosamunds lot.
Wel diep had de Koning verborgen zijn schat.
Lang had het geduurd eer zij \'t spoor er van had;
Lang de speurhond gesnuffeld door bosch en door veld. Eer hij lucht had gekregen, en \'t blaffend gemeld;
Maar rood goud, aas en prijs voor de afschuwlijkste daan. Heeft in \'t eind haar de schuilplaats der Clifford verraan.
O, hoe helsch is de grijnslach, hoe duivelsch de vreugd, Waar de voorsmaak der wraak haar de ziel mee verheugt!
Grijp en kus maar, zoetliefje! den zoom van haar kleed; Het is thans om geen kussen te doen, dat gij \'t weet!
Ha, hoe zal zij dat oortjen, aan vleitaal gewoon, Overstroomen, verdooven met smaad en met hoon!
Ha, hoe zal haar bedreiging, haar vloek en haar blik Dat zoet hartje doen stilstaan van doodsangst en schrik!
\'t Is dan Woodstock, \'t is Woodstock, waar \'t oogenpaar lonkt, Dat den Koning betoovert, vervoert, en ontvonkt!
Flauw en lauw was haar haat, zoo ze een oogwenk verschoof, Zich naar Woodstock te spoên, als een gier tot den roof.
Want ver over zee, in den oorlog verward,
Is de man, die den weg voor haar wraak had vcrspard.
En moog\' God van haar weren den zegen van \'t kruis, Zoo de Clifford nog leeft, als hij keert in zijn liuis!
BE WRAAK VAN KONINGIN KLEONOKA. it
Voor haar goud is de draad van den doolhof gekocht,
Zijn de wachters ontwapend, de trouw overmocht.
Welk een weerlicht in \'t git van dat zuidelijk oog,
Als het gif wordt gemengd voor de gruwzame toog!
Welk een gloed, op het bruin van die wangen te zien.
Als de dolk wordt gekozen, de scherpste van tien!
Nu wee u, blond kopje! zoo trouw en zoo teer
Maar zoo vruchtloos verzorgd door uw Koning en Heer!
Nu wee u, blauwe oogjes, zoo smeltend en zacht;
Die het hoofd van een koning op hol hebt gebracht.
Nu wee u, malsch koontjen en lipjens zoo rood!
Die zoo spoedig zult dragen de kleur van den dood.
Nu wee, driewerf wee u, gij weeldrige leest!
Die voor \'t laatst, door een Koning omarmd zijt geweest.
Nu wee, driewerf wee! geurige adem der lippen,
Die voor \'t laatst, die voor goed aan haar mond zult ontglippe
Langs heimlijken uitgang ontsluipt Leonoor.
Haar rijknaap, haar pages, de paarden staan voor.
In den zaal zit haar lijfwacht, koelbloedig en stil. Weer en wapen gereed tot haar gruwzaamsten wil.
Schoone Roze van Woodstock! welk lot is het uw! Moet gij vallen in handen, zoo grof en zoo ruw?
IJzren mannen, zoo min als hun daggen bekend Met genade of verdrag, en geen sparen gewend!
Aquitaansch, Poitevijnsch als zij zelve, en in staat Al haar wenschen te lezen op \'t donker gelaat;
DE WRAAK VAN KONINGIN ELEONORA.
En wier bijl zelfs den Koning den kop had gekloofd, Op een blik van haar oogen, een knik van haar hoofd;
Ieder hunner een bloedhond, van bloeddorst vervuld. Die zich stort op zijn prooi, als haar lip zich maar krult.
Elenoor stijgt te paard, en jaagt voort, immer voort.
Heel een dag, door wiens neevlen geen zonnestraal boort.
Op dien dag volgt een nacht, zoo onstuimig en zwart.
Als wel strookt met het opzet, dat spookt in haar hart.
Waar zij dorpen en buurten doorrent met haar stoet.
Gaat den slapenden huisman een rilling door \'t bloed.
Uren komen en gaan, maar van uur tot uur stijgt Nog die vreeslijke haat, waar haar boezem van hijgt.
Uren komen en gaan, veel te traag naar haar zin....
Maar daar rijdt zij het slapende Woodstock toch in!
Koud en fel is de wind die zijn boomen doorwoelt,
Maar haar voorhoofd blijft gloeien en wordt niet verkoeld.
Hier en daar waakt men op; vensters oopnen; verschrikt Staren oogen haar na; zij verweegt noch verwikt.
Voor haar oog staat een beeld, dat haar voorttrekt met macht; Een gelaat zonder kleur, en een hand zonder kracht.
\'t Is bereikt; — Wat zijn kronen, wat schatten der aard.
Bij de vreugd van haar ziel, als zij springt van haar paard\'?
(o Mijn God en mijn Heiland! gering zij \'t getal
Van wier hart ooit een vreugd als die vreugd smaken zal!)
Nog een uur is verstreken na \'t middernachtsuur.
Of daar staat de vorstin voor d\' onzalige muur;
168
DE WRAAK VAN KONINGIN ELEONORA. 169
Eer een tweede verstrijkt, wordt daar binnen ven-icht,
Wat het derde beschijnt met zijn schemerend licht.
Met zijn licht? .... Ach, waarom dekt geen eeuwige nacht, Zoo ontzettend een gruwel, zoo gruwzaam volbracht?
Men ontsluit haar de poorte. Men wijst haar het pad.
Haar hand heeft het eind van het kluwen gevat.
Met den tred van een tijger, tot d\' aanval bereid,
Zoekt ze omzichtig haar weg langs den draad, die haar leidt.
Een huivring gaat met haar door \'t gras, waar ze op treedt; Een rilling door \'t loover, beroerd door haar kleed.
Daar is \'t hart van den hof! — Niet dan nauwlijks bedwingt Zij den kreet en den lach, waar de vreugd haar toe dringt.
Scheemrig rijst in den duister de toren omhoog.
Die de keurbloem van Woodstock onttrekt aan haar oog.
O Keurbloem, o Roze van Woodstock zoo schoon!
\'tjonge leven is veeg in uw stengel en kroon!
Wat verstoort, Rosamur.da, uw slaap diep en vast?
Door wat plotslingen schrik wordt uw harte verrast?
Ach, uw droom was zoo aaklig van onheil en moord!
Droomt gij nog, of is \'t werklijk en waar wat gij hoort?
Is \'t het spooksel uws drooms, dat u dreigend genaakt,
Of een voet, daar de trap naar uw kamer van kraakt?
0!.....Van doodsangst verstijfd, zit zij op in haar bed
Want wat zal hij haar brengen, die vreeslijke tred?
0!... hoe vaart haar de doodsschrik door merg en door been; Want wie rukt voor haar oog de gordijnen van een?
Zij wil gillen; zij kan \'t niet. Één ding is haar klaar:
Die zij lang heeft verwacht, is gekomen, is daar.
DE WRAAK VAN KONINGIN ELEONORA.
„Genade!quot; — 0 zij ziet wat dat oog haar belooft, \'t Is het oog der wolvin, van haar jongen beroofd.
,Genade!quot; In dat één-eene woord dat zij vindt,
Gilt de vreeze des doods, die haar denkkracht verslindt.
Vluchten wil zij; ontvluchten; haar bed vliegt zij uit... Als Lenore zich wendt en de kamerdeur sluit.
Maar, daar wankelt, daar valt zij, daar ligt zij, vernield Door den blik van dat oog, dat haar levend ontzielt;
Voor den blik van dat oog, dat met innig genot Zich vergast aan haar siddren, haar doodsangst bespot.
Voor dat oog, dat haar schamper en tartende vraagt: Wie zijt gij, die een kans tegen mij hebt gewaagd?
\'t Hachlijk spel is gespeeld, is verloren, en zij Die bet won, komt om d\' inzet, die inzet zijt gij!
Hebben hemel en hel haar geloften gehoord:
\'t Was al meenens, en thans volgt de daad op het woor
Ha! zie hier dan dat handjen, zoo gunstig bedeeld. Dat zijn wang heeft gekoosd, met zijn lokken gespeeld.
Ha! Zie hier dan die armpjes, zoo rond en zoo malsch. Die zijn midden omvatten, zijn schouders en hals....
„Op liefjen,quot; zoo snauwt zij, „de min heeft gedaan; „De haat is gekomen; het lief moet er aan!
„Op! Hebt gij een koning gelokt in uw net,
„Misbruikt als uw speelpop — \'t is uit met die pret!
„Op! Ziet gij den ring niet aan deze, aan mijn hand? „Daarmee had die koning zijn trouw mij verpand.
„Ik zwoer mij te wreken; mijn wraak is gereed: „Op! eer ik u onder mijn voeten vertreed!
DE WRAAK VAN KONINGIN ELEONORA.
„Gena? Ja, voor lijf en voor ziel, zondares!
„Maar geen andre dan komt met dien kelk, of\' dit mes.
„G-ena! Ja, gij deedt daar het uwe wel toe!
,RÜS 0P\' \'k ben uw snikken, uw hanc\'.gewring moe.
„Ik lach met uw wanhoop, de hel zij geloofd!
„Op! eer ik u optrek bij \'t haar van uw hoofd.
„Rys op, sta en sidder! Ik Eleonoor,
„Gebiede u, rijs op om te sterven, gü sloor!quot;
Als een doode rijst ze op, die haar grafzerk verbrak; Koud en wit zijn haar lippen, haar oog stijf en strak.
Strak en wezenloos tuurt ze op dien kelk, op die dolk. Die de wreekster haar voorhoudt, en ziet door een wolk;
Door een wolk die twee handen, dat dreigend gelaat... Maar het komt tot haar ziel niet als waarheid en daad.
Als iets vreemds, als iets wonders, voor haar niet bestemd. Schijnt die vlijm en die kop, in die handen geklemd.
Maar die vlijm is koud ijzer, die kop vol venijn.
Drinken zal zij den dood, of verbloeden met pijn.
En die stem, die zij hoort, is een werklijke stem.
Die een vreeslijk „verkies!quot; haar in \'t oor schreeuwt met klem.
Ach, wat zal zij verkiezen? Wat weigren? „Verlies „Mij den tijd niet met dralen! Kies, zeg ik u, kies!
„Doe een keus, eer dees ponjaard u zendt naar de hel, „Waar uw mond voorts uw schande uws gelijken vertell\'!quot;
Wat ? Een stoot van die hand ? Neen — die raak haar niet aan... Schielijk grijpt zij den kelk, drinkt hem uit — \'t is gedaan;
Drinkt hem uit in één teug, voelt den dood aan haar hart. En zinkt neer voor de voeten van haar, die haar sart.
171
DE WRAAK VAN KONINGIN ELEONORA.
Slechts één blik naar omhoog, slechts één uitroep na dien: „O God! eer ik sterf, nog mijn jongens eens zien!quot;
,0 mijn Hendrik!quot;... Die naam is haar laatste geluid ... Een snik, een vertrekking, en alles is uit. —
\'t Werk der hel is verricht, en uw wraak trof haar doel; Moordnaresse! wie schetst uw boosaardig gevoel,
Als ge een vlammenden blik werpt op \'t lijk dat daar ligt. En u sprakeloos afwendt met grimmig gezicht.
Maar terugkeert en straks, over \'t offer gebukt.
Met uw dolkmes haar een van haar tressen ontrukt;
Een dier heerlijke tressen, zoo lang en zoo zacht. — Die tres heeft een page den Koning gebracht;
Heeft een page den Koning gebracht met dees\' taal: ,Geschenk van een Vrouw aan haar Heer en Gemaal.quot;
Als de Koning die haarlok ontvangt en beschouwt.
Wordt hij bleek en schreeuwt uit als een leeuw in het woud
Als een leeuw in het woud, door een jager gewond. Met den bliksem in de oogen, het schuim op den mond;
En ontzettend is de eed, door zijn trillende kaak Uitgegild, zijner doode ter vreeslijke wraak.
Goed voor u, Koningin! dat de zee, die daar stroomt Tusschen u en den Koning, zijne woede nog toomt;
Want geveld was uw vonnis, onmiddlijk volbracht — Waart ge hier in zijn kamp, voor zijn oog, in zijn macht.
Toch wellicht waar \'t u beter dan d\' üslijke straf.
Die u treft, hart vol hartstocht! in \'t levende graf;
172
DE WK AAK VAN KONINGIN ELEONOUA.
In den kerker eens kloosters, waar woede u verteert, Tot ge in \'t eind u getemd voelt, getemd en verneêrd;
Tot ge in \'t eind u begeeft, ter bekoming van zoen, Om vergif\'nis te smeeken en boete te doen.
Op een tombe te Godstow, in \'t koor van het stift.
Zag men eens quot;5Rofa ÏOÏUtlbtquot; in marmer gegrift.
En een drinkschaal van marmer geplaatst op den steen.
Daar vlochten zich sneeuwwitte rozen om heen.
Onder zielsmis, gebeden, en nonnengezang.
Rustte daar nu de Clifford, en rustte er reeds lang,
Als een bisschop dien weg kwam en week in die kerk.
En het grafgesticht zag met dien naam op de zerk.
Maar zoo ras hij verstond, wie het gold, wat zij was:
,Breek het afquot; — sprak zijn mond — „en verwijder haar asch.quot;
Want dit praalgraf beschimpte de plaats, waar het stond, En haar zonden ontwijdden den heiligen grond.
Goede God in den hemel! Uw deernis is groot.
Grooter zij ze dan die ze ooit van menschen genoot.
Lieve Heiland! Uw bloed koom haar ziele te sta! — Rechtvaardige Rechter! bewijs haar gena!
Gij weet wat, Gij weet ivie haar ten val heeft gebracht; En geen zerpzoete teug heeft bedwelmender kracht.
En geen net, waar de Satan het dieper in wart.
Dan de min van een koning voor \'t vrouwelijk hart.
Leid ons niet in verzoeking, verlos ons van \'t kwaad!
En elk onzer zie toe niet te vallen, die staat.
173
ROEM. — ONTWIKKELING. — SÜRSUM CORDA.
ROEM.
De Roem, de Roem, de ware Roem
Verstaat zich niet op liegen.
Heeft elk gewas zijn eigen bloem:
Die bloem kan niet bedriegen.
Waar zich de bloem des Roems ontsluit. Daar is een wortel, waar ze uit spruit;
Daar is een grootheid, die zich kroont.
Met onverdoofbre stralen.
Wee, die haar door zijn twijflen hoont,
Of lastert door zijn smalen!
Verwierf hij ook een enkle stem:
De stem der eeuwen brandmerkt hem.
Maar noem geen Roem het luid geschreeuw.
De lafl\'e huldeblijken,
\'t Dienstvaardig schepsel zijner eeuw
Gebracht door zijns gelijken.
Waar elk, voor ware grootheid blind, Zichzelven toejuicht in dien vrind.
Bevorder, zoo gij kunt, dat als een rozeknop,
Bij \'s hemels zonneschijn en frisschen morgendauwe. De geest van uw jong kind zich opene en ontvouwe; Maar breek hem met geen mes, gelijk een oester, op. Zie Dickens, Dombey and Son.
SÜRSUM CORDA.
Verwachten — en — Betreuren, Ziedaar, o menschenkind! uw lot, Zoolang gij \'t hoofd niet op kunt beuren En zeker wezen van uw God.
174
OUDEN, — BLI.IDE VERWACHTING. —
DE OUDEN.
Den lof der Ouden hoor ik gaarne zingen: Maar hun gezag betwist ik, eens voor al; Want, als ik \'t zeggen zal, Wat waren ze in hun tijd dan Nieuwelingen?
BLIJDE VERWACHTING.
Maart 1880.
Nu spreidt de hoop haar schoonste stralen,
En doet een zachten rozengloed Op een lief kinderhoofdje dalen.
Dat ze in \'t verschiet aanschouwen doet.
Wat spruitje zal ons de Almacht geven.
Om op te wassen bij den troon? Der Moederliefde zij \'t om \'t even; De Koningin verlangt een Zoon.
Des moog de hemel zich ontfermen.
Dat Zij vol vreugd, na korte smart, Een Prins legge in haars Konings armen, Ben Kind drukke aan haar Moeder-hart.
KLASSIEKE WERELD.
Hier liggen doode talen onder de aard;
Haar graven om te woelen maakt vermaard.
Hier zweven eedle geesten door de lucht; Te luistren naar hun stemmen heeft goê vrucht.
KLASSIEKE WERELD.
DE VERBORGENHEDEN DES GELOOFS. ENZ.
DE VERBORGENHEDEN DES GELOOFS.
Geniet, ook waar geen inzien is vergund, Drink uit de bron, die gij niet peilen kunt.
NIEUWERWETSCH ONDERWIJS.
Ontwikklen zou het zijn, en \'t werd verdooven. Wat groeien zou, wordt door de „leerstofquot; dood gestoven. En in dat stuifzand, dat naar allen kant verwaait, Gelaat men zich alsof men zaait.
BIECHT EENS OPRECHTEN.
Het is met mij een vreemd geval; Mijzelven ken ik niet, en al; De waarheid wil ik heelendal; En \'t allerwaarste ontveins ik mij — En gij?
Hij dwaalt, die mij baatzuchtig hiet; Mijzelven zoeken wil ik niet;
Toch zie ik vaak, tot mijn verdriet, Mijzelven niet geheel voorbij —
En gij?
Het blinkend lokaas, geld en goed,
Heeft weinig vat op mijn gemoed;
Toch kan in ruimte en overvloed Iets wezen, dat ook ik benij —
En gij ?
Eerzuchtig?____Wat is wereldsche eer!
Een bonte waterbel, niets meer.
Toch overkomt me een enkle keer,
lïat \'k heimlijk om een pluimpje vrij — En gij?
176
BEVALLIG ONKRUID. 177
„De wereldvreugd vergaat met haar.quot;
Ik ken dat woord en acht het waar;
Ook kent mijn hart iets beters; maar Soms haak ik wel naar iets daarbij —
En gij?
Mijn kruis neem ik geduldig aan.
„Wat God doet, dat is welgedaan.quot;
Toch voel ik, met mijzelf begaan,
Soms iets dat zich beklaagt in mij -En gij?
Wat hier door mij beleden werd.
Strekt me inderdaad tot groote smart;
\'k Bestrij \'t en val mijzelven hard.
En toch — somtijds vergeef ik \'t mij! —
En gij?
Het veld, waar blauwe korenbloem En roode klaproos tiert.
Al is het fraai versierd.
Gedijt den bouwman niet tot roem; Want ieder, die het ziet,
Zegt: hij heeft slecht gewied.
Bevallig onkruid is er veel, En blinkende ijdelheid. Die oogen ti-ekt en vleit.
En lof heeft bij het meerendeel; De wijze gaat voorbij En zegt: Niet fraai, voor mij.
-—p
IV.
8 BIJ HET ÖKAF VAN MK. GEORGE WILLEM VREEDE, ENZ.
BIJ HET GRAF
VAN
ME. GEORGE WILLEM VREEDE.
Trouwhartig, eerlijk Man, rechtschapen Nederlander.
Doorkundig, werkzaam brein, en licht ontvlamd gemoed. Waar liefde en eedle toorn niet streden met elkander. Maar blonken even schoon — de ruste zij u zoet!
Mei 1S80.
WIEGEN.
Het wiegen afgeschaft; liet wiegelied vergeten — Voor uwe Kindren ja, maar ook voor uw Geweten i
UW ALZIEND OOG.
Uw alziend oog, dat mij bewaakt.
Mijn God!
Aarschoirwt niet slechts en wil, maar maakt Mijn lot.
Uw weten, willen, doen is één,
Is macht,
Is macht der liefde, streng meteen En zacht.
Ik buig mij met aanbidding neer.
En zwijg.
Mijn wil voert met den Uwen, Heer!
Geen krijg.
Al snerpt somtijds uw roede fel En raakt
Het teerste — steeds hebt Ge alles wel Gemaakt.
179
ILLUSIËN. —
JONGE DOODE. —
GEBRUIK EN MISBRUIK. ENZ.
JONGE DOODE.
SAAB MALHKRBE.
Elle était de la terre, etc.
Zij was van de aarde, waar wat schoonst is in onze oogen
Rampspoedigst is en teer;
Het roosje heeft geleefd, wat roosjes leven mogen, Een ochtendje — niet meer!
ILLÜSIEN.
Wat gij gehoopt hadt en gedacht.
Heeft ii het leven niet gegeven;
Maar hadt ge, in d\' opgang van dat leven. Ook van uzelv\' niet meer verwacht ?
GEBRUIK EN MISBRUIK.
Gebruik uw kracht: zij zal vermeeren;
Misbruik uw kracht: zij gaat te leur. De maat betrachten is — regeeren; Gebrek aan wilskracht — willetetr.
BREEK DEN PAS!
Laat geen gedachten al te lang, Eentonig, met den zelfden tred,
U door den geest gaan, zwaar en bang; Maar wissel ze af en neem verzet.
Voor d\' aangehouden legerpas Is meer dan eens een brug bezweken,
Die denklijk niet gebroken was, Zoo men den pas had willen breken.
AAN RINIDIÜS NASO. — BLIJDE TIJDING.
AAN RINIDIÜS NASO.
Als ik een neus bezat als gij,
\'k Was immer met den neus er bij, \'k Zou overal mijn neus in steken;
\'k Viel dikwijls met mijn neus in \'t vet. En maakte \'t gaarne mij ten wet Om altijd door den neus te spreken.
Dien neus te stooten, — welk een pijn. Wat schok, wat schade zou dat zijn! Dien neus te schenden — welk een zonde! \'k Schond dan mijn aanzicht inderdaad; Want niets dan neus was mijn gelaat, Met hier en daar wat haar in \'t ronde.
BLIJDE TIJDING.
31 Augustus 18S0.
Laat Oost en West de blijmaar hooren. Die Kroon en Volk vervult met vreugd:
Den Koning is een hind geboren, Een Dochter, die zijn hart verheugt.
Wees welkom, welkom, Koningskind!
Vóór uw geboorte reeds bemind.
God doe zijn zegen nederdalen Op \'t wiegje waar ge in nederligt,
Bewake uw sluimrend ademhalen En \'t blosjen op uw jong gezicht!
Bloei, groei voorspoedig, Vorstenloot!
Elk wenscht u schoon te zien en groot.
Met dankbren lach op \'t vriendlij k wezen. Hou straks, naar aller wensch en hoop
Gezond van \'t kraambed opgerezen, De liefste Moeder u ten doop!
Gelijk haar; druk, o Koningsspruit,
Naar lijf en ziel haar wezen uit!
180
— MET EEN WAAIER, ENZ. 181
TREURSPEL.
Magnumque loqui, nitique cothur:;o.
Spreek grootsche taal, en stap op hooge brozen,
Maar wees een Aeschylus.
Zoo niet, dan stiller tred en lager toon gekozen. Of ieder lacht u uit, mislukte tragicus.
AAN G. J. LONCQ.
Meel. Doctor en Professor.
23 Sept. 1880.
Den Arts, die veertig jaar Geleerdheids-tabberd plooide.
Die meer dan veertig jaar der Menschheid heeft gediend. Den dood zijn prooi betwistte en \'t lijden maankop strooide, De groet, de dankbre groet, de feestgroet van een vriend!
MET EEN WAAIER.
Aas...
Als heete zonnestralen zengen, Zij dit geschenk u liefgetal! Het zal de Zefirs tot u brengen; Geen Gratiën; die zijn er al.
Variant op een bekend
Quatrain van Lemière.
TWEEDE JEUGD.
Nogmaals Jon/) is de frissche, de manlijke geest,
Die zijn bloesems tot vruchten zag rijpen; Hij is \'t eens metterdaad en in eenvoud geweest, Hij is \'t nu, door zijn jeugd te begrijpen.
TREURSPEL. — AAN S. J. LONCQ.
182 MET EEN VERREKIJKER, AAN MIJN DOCHTER. — IJVER, ENZ.
MET EEN VERREKIJKER, AAN MIJN DOCHTER.
naar Madera vertrekkende.
Hoe ver gij over zee en baren Ook kijken zult door deze buis,
Gij kunt niet tot uws Vaders huis,
Niet tot in onze harten staren.
Maar zoo gij \'t kondt, gij zoudt ervaren. Hetgeen gij zonder dat wel weet. Dat niemand onzer u vergeet.
8 Oct. 1880.
IJVER.
Een ijver, die slechts doeti wil, en niet hooven, Is niet uit liefde, maar uit hoovaardij geboren.
OVER \'T PAARD TILLEN.
Uw nauwgezetheid is beducht
Mij „over \'t paard te tillen.quot;
Maar is er iets dat u belet Dat gij mij in den zadel zet\'? Gesteld — dat gij \'t zoudt willen.
LEVENSKRACHT, ARBEIDSVERMOGEN.
Touché ?
\'t Was leven eerst; nu arbeid; \'t heet vermogen, Wat kracht genaamd werd. Is het raadsel nu ontdekt,
Hoe wat beweegt werkt op \'t geen wordt bewogen,
Wat en vanwaar het is, hetgeen beweging wekt?
Het zij zoo: wissel woorden, namen, termen.
Maar noem geen treffen, wat niet is dan schennen.
--
getrouwd. — aan therêse schwartze. iso
aan een betrouwbaar paar.
0 Heerlijk woord voor \'t echtverbond,
Dat zinriik woord van trouwen! Men sluit de Trouw, men voelt de Trouw; De „oprechte Trouw van man en vrouw;quot; Daar is op \'t wisslend wereldrond
Geen trouwer trouw te aanschouwen.
Bewijs dit, gij trouwhartig Paar,
Waarop wij huizen bouwen!
Het echtpad wisselt vreugd en smart:
Maar steeds eenstemmig Moppe uw hart: Vertrouwt elkaar, behoudt elkaar.
En, wat u \'t leven roove of spaar.
Blijf\' op Gods trouw vertrouwen!
AAN THEBÈSE SCHWARTZE.
NA \'T VEELlKS VAX EEN GELIEFDE ZUSTER.
„Als ik haar nog maar ééns zien mocht, Ik zou tevreden zijn.quot;
TH. S.
„Nog éénmaal, éénmaal slechts haar zien!
„Mocht dat geschiên,
„\'k Zou in mijn leed tevreden wezen.quot;
Hoe nu? Een tweede scheidens-smart.
Na de eerste, zou van \'t bloedend hart De wond genezen?
Neen, neen! Verwin dien ydlen wensch,
Als God den mensen Een offer vergt, — hoe zwaar \'t moog vallen, Hij brenge \'t hem; eerbiedig; stil;
Volkomen; naar zijn eisch en wil En welgevallen.
184 QUASI. — NOG TEN ACHTEREN.
Dan neemt hij \'t als een offer aan,
Van \'t kind voldaan, Dat Vaderliefde-alleen beproefde.
\'t Is of hij \'t zacht voor \'t voorhoofd kust, — En o! nu komt de kracht, de rust.
Die \'t hart behoefde.
Nu durft, in vrede met haar lot.
Met vroom genot.
De ontprangde ziel zich overgeven Aan al wat troost en hopen doet. Verzachting brengt, en nieuwen moed Schenkt om te leven.
Therèse, sla dat donker oog Eens blijde omhoog!
Daar is een weerzin voor Gods kindren;
Daar waar de voet op starren treedt. En zonde, hartstocht, dood noch leed \'t Genot der liefde zal vermindren.
17 Nov. 1880.
QUASI.
Een zuiver Ripn is \'t echtpaar zoo als \'t hoort; Een zelfde klank, en niet hetzelfde woord. Te ryhe^ rijm van twee volmaakt gelijken, Is rijm in schijn, maar zal haast onrijm blijken. Twee rechterhanden maken nooit een paar; Een rechter en een linker lijkt elkaar.
NOG TEN ACHTEREN.
In naa.m van \'t nieuwe licht, waar hij bij ziet, i „Geen trekschuit meer, geen duivlen, englên, wondren Geen Christus, naar \'t geloof der otccle heilverkondren!quot; Zegt Roen; maar, brave Roen! gij wilt nog altijd iet
in een exemplaar. — plastisch. enz. 185
Dat, door uw mond gepredikt, godsdienst hiet.
Gij zijt ten achtren. Boen! Schud af die malle droomen!
\'t Is trekschuitwerk, \'t is uit de nachtschuit komen. Indien gij \'t nieuwe wilt, -waarom dan \'t nieuwste niet?
IN EEN EXEMPLAAR
der „KINDER- UND HAUSMARCHENquot;.
verzameld door de Gebr. GRIMM,
BESTEMD VOOR MIJN KLEINZOONTJE IN DE O. I.
Wat eeuw aan eeuw van mond tot mond gegaan is.
Van volk tot volk, van land tot land gebracht; Wat overal door \'t kinderhart verstaan is,
Stichte ook in d\' Oost een knaap van mijn geslacht-•20 Dec. 1880.
PLASTISCH?
Gij schildert, meent ge, en stelt voor oogen. Zou dit iets op mijn hart vermogen ?
Daar \'s weinig kans toe, beste man! Met uw tableaux — maar niet vivants.
NIEUWSTE WETENSCHAP.
De „nieuwste wetenschapquot; baart mij noch pijn noch vreezen. Ik weet te wel dat zij de laatste niet zal wezen.
T
tijdig.
TIJDIG.
Grijpt als \'t rijpt! zij de leus; niet te vroeg; niet te laat; Als de kleur en de geur u \'t volgroeide verraadt;
Eer een vogel \'t verpikt; eer een wesp het doorknaagt; Eer het druipt van den tak, die het buigende draagt;
Eer \'t verzuurt of verdroogt; eer het rimpelt of rot; Eer een wijze of — een kind met uw onverstand spot.
186
„Mijn dagen zijn in \'t gele bladquot;; De tijd van groei en bloei is om; Xog spaart mij G-od, wat ik verbad: „Een wintersche\' ouderdomquot;.
Het heilig vuur, in mijn gemoed Niet uitgedoofd door wel of wee, Verwarmt mij nog, deelt van zijn gloed, Mag \'t zijn, aan andren meè.
^f
achtste bundei,.
HAARLEMS FLORA.
Als ik omdool dooi- de lieve streken,
Waar mijn blijde kindsheid is ontwaakt. Wederzie de bosschen, duinen, beken.
Waarvan de aanblik min gelukkig maakt: \'t Zijn dezelfde kruiden, bloemen, blaren,
De eigen plantenwereld om mij heen,
Die mijn vrinden en gelieven waren.
Sinds mijn voet hun groeiplaats heeft betreen,
In den Hout, Doschlievende Anemonen,
Corydalis met veelvingrig blad,
Wilde Lychnis met gesplitste kronen.
Blauwend Aardveil, langs het zonnig pad. Aan den duinkant, scherpgespitste rozen, Windeklokjes tusschen bleekte en blozen;
Waar de duinbeek door de grasbeemd schiet,-Penningkruid en blauw Vergeet-mij-niet,
Op het duin, een rijkdom van Violen,
Bij den Kruipwilg diep in \'t mos verscholen. Wilde Thym aan geur en honig rijk.
En het scherpe Sedum, goud gelijk; Onverbleekt bij \'t felste zonnebranden,
Gouden Toortsen in de schraalste zanden;
Maar in \'t vochtig duindal, \'t week moeras. Vlekkige Orchis en Parnassisch Gras,
EEN UIT VELEN.
Overal langs vaarten, kreken, slooten.
Goudgele Iris, purpren Kattestaart ;
Uit het water lijnrecht opgeschoten,
Zwanebloem, nw schoonen eernaam waard! En aan uwe bochten, kronklend Sparen! De Aster, en de Althé met donzen blaren, \'t Paarse bloempje, dat ons de Elf-rank biedt, Slingrend door het zwartgepluimde riet.
Zal haar bloemhof steeds dezelfde blijven.
Haar verscheiden grond, jaar in, jaar uit, \'t Zelfde kruid uit de eigen kiemen drijven,
De eigen kiemen uit hetzelfde kruid:
Dat dau ook de nazaat niet ontaarde, Corenherten ! van uw deugd en waarde, Ripperda\'s en Kenau\'s, hoog geroemd!
Waar uw stad haar parken naar benoemt.
1lt;S0.
EEN UIT VELEN.
Naar ruste trachtend; En wederom
De rust verachtend Als laf en dom.
Met alle winden De vaart beproefd;
Maar bang te vinden Wat hij behoeft.
Uitwendig strijdend Met Schrift en Lot;
In \'t hart belijdend Het recht van God.
Zijn tijd verspillend Aan wind en waan;
Ten slotte willend Ten hemel gaan.
190
hij het graf eeser moeder. — morgenstond.
BIJ HET GRAF EENER MOEDER.
De hoop, door bang-e vrees bestreden,
Werd uitgedoofd in diepe smart,
In spijt van tranen en gebeden
Is zij ontrukt aan \'t kinderhart Rondom haar open grafkuil schreien
Beroofde liefde en dankbaarheid;
Maar daar is vreugd bij de englenreien
En bij den Eega, die haar beidt. Het dochtrenpaar, haar voorgetogen.
Omhelst haar voor den tro.on van God — Zoo is hier troost bij weenende oogen. En daar een onbewolkt genot.
MORGENSTOND.
BUITEN,
Wees vroolijk! \'t Is geworden dag;
De zon is opgekomen. Het leeuwriklied, de kwartelslag
Wordt reeds van ver vernomen; De wazige ochtendmist trekt op; De dauwdrop hangt aan blad en knop; Een luchtig windje schudt den top
Der frisch ontwaakte boomen. Gij rijst, treedt uit, van ongeduld Naar \'t wachtende genot vervuld, En vreest te laat te komen.
BINNEN.
Wees vroolijk! Hoor! de dag vangt aan
Voor straten, stegen, kaaien.
Reeds doet eens bakkers schorre haan
Een poging om te kraaien;
De buurt ontwaakt; uw wekker luidt; De melkboer schelt; de spoortrein fluit; _ Een vrachtkar dreunt; een handkar kruit; Uw dienstmaagd klopt de matten uit;
191
192 naar maerlant.
Haar bezem gi\'ist; haai- glazenspuit
Komt trommlen op uw vensterruit____
Gij hoort dit alles, maar besluit
U nog eens om te draaien.
En schoon \'t geweten zegt: „Ontwaak! Vroeg opstaan is een schoone zaak!quot; Gij toont daarvoor in \'t minst geen smaak, Maar antwoordt met vernieuwde vaak. En weet het wel te paaien.
NAAK MAERLANT.
(van jacob ende van martine. eerste martijn sïh. 48, 49.)
Jn dees bedroefde wereld zijn Twee kleine woordjes, mijn en dijn :
Och kon men die verdrijven!
De vrede was dan meer dan schijn,
Elk vrij, geen mensch in band of pijn.
De mannen noch de wijven.
Men had gemeen de tarwe en wijn.
En over zee noch aan den Rijn
Zou men geen ziel ontlijven.
Maar nu beneemt ons \'t zwart venijn Der hebzucht dit genot, Martijn!
Of doet het achterblijven En ander recht beschrijven.
II.
God, die het al met wijsheid doet,
Gaf dit verganklijk aardsche goed
Den menschen in \'t gemeen;
Opdat zij zouden zijn gevoed.
Het lijf gekleed, geschoeid de voet,
En leven rein van zeen.
Maar zie nu hoe de hebzucht woedt, Dat iedereen in arren moed \'t Al hebben wil alleen.
LIED VOOR LIJKVERBRANDERS. - PROFANEEREX.
Hierom vergiet men menschenbloed, En bouwt met roekeloozen spoed Burchtsloten zwaar van steen, Tot smart van menigeen.
LIED VOOR LIJKVERBRANDERS.
Ten vuren, ten vuren Met vrouw en kroost, al klinkt het ruw! \'t Is goed voor u.
Dan kunje langer duren;
Wel eens zoo lang als nu.
De lijken, de lijken Ontvolkten veel te lang het land — \'t Is zonde en schand\' —
Dat zal statistisch blijken,
Zoodra men ze verbrandt.
Naar d\' oven, naar d\' oven!
Die \'t lijk verbrandt, verbrandt den Dood, Den stervensnood,
En brengt het leven boven .... Voorwaar onze eeuw is groot!
PROFANEEREN.
Het profaneeren is aan de orde van den dag; Wat andren heilig is, vindt geen ontzag Bij kindren eener eeuw, die zich beroemt Op hooge ontwikkling als zij \'t gaarne noemt.... Ja, van den geest, \'t mag zhn, maar niet van \'t hart, Dat altijd doover, altijd doffer werd En koel en koud verwerpt, beschimpt, begekt Al wat van hooger komt, naar hooger trekt, Op hooger wijst, dan \'t glinstrend stof der aard. En zelf gevoelloos, uw gevoel niet spaart.
193
HET EIGEN HUIS.
Pe kerk niet slechts, niet slechts de vromen, God, Godzelf en zijn regeering wordt bespot. Voorzienigheid, onsterflijkheid, ziedaar Voor \'t spotziek hart de meest gewilde waar. Zoo dit behoort tot wat vooruitgang doet.
Wee \'t nageslacht, dat nog weer verder moet!
HET EIGEN HUIS.
EEN JEUGDIG ECHTPAAR AAN DEN BBUILOFTSDISCH TOEGEZONGEN.
De huwlijkstempel werd betreden.
De heilige echtknoop is gelegd.
Des hemels zegen afgebeden.
Waarop elk onzer Amen zegt;
Nu zal het uur van scheiden slaan; De huwlijksreis vangt aan.
Twee moeders zien met vochtige oogen.
Twee vaders met een kloppend hart.
Door liefde, niet door vrees, bewogen,
U na met tranen zonder smart.
Waardoor een aangename lach
Van stil genoegen spelen mag.
Zes weken zal het reisje duren.
Waarin het honigmaantje schijnt;
O schoone dagen, zalige uren.
Waarvan de erinring nooit verkwijnt!
Maar is de huwlijksreis gedaan,
Dan vangt het zaligste aan.
Het zoetste zoet van \'t huwlijksleven Neemt niet op reis, maar thuis begin;
In \'t „eigen huis,quot; van God gegeven. Ten heiligdom der echte min.
Ter kweekplaats van de reinste vreugd, Bij onbesproken deugd.
104
ONZE KONINGIN.
Gelooft het, jeugdige Echtelingen!
Ervaart het lang en smaakt het recht! Die u dit liedje toe mag zingen,
Kent wat hij zingt, weet wat hij zegt. Deze\' eenen wensch nog brengt hij uit: Dat gij voor hem uw deur niet sluit.
ONZE KONINGIN.
AAN THERÈSE SCUWARTZE.
De Koningin! Van dag tot dag
Is \'t Neerlandsch hart om haar verheugd. En prijst zoo luid het prijzen mag Haar wijze jeugd,
haar rijke deugd.
Het ziet haar aan zijns Konings zij.
Een frissche roos op elke koon, Een vriendlijk oog, zoo vrij en blij; Met haar den troon
zoo dubbel schoon;
Manlijke kracht bij \'t zacht der vrouw.
Zoo zedig rein, zoo vriendlijk goed; Oprechtheid zonder vlek of vouw; Een vasten moed;
een eedlen gloed;
Den Koning trouw; een hart voor \'t Land
Waar zy haars Vaders huis voor liet. Voor \'t Volk, dat ze aan haar voeten ziet; Een kloek verstand;
een open hand;
Een mond, die met bekoorbren klank
Het Neerduitsch van den landzaat tart; Een oor, graag luistrend naar den zang, Waar \'t Hollandsch hart
in kenbaar werd.
195
BLIJMOEDIG.
Een hoofd, zicli buigende voor Dien,
Die alles schiep, en \'t al regeert.
En die in gunst op Haar zal zien Die, hoog geëerd.
Hem eeren leert.
Van elk beminde Koningin!
De Koning juicht in uw bezit,
En heel zijn volk spreekt, eens van zin; „God nam hem veel: H^ spaar hem dit.
„Hij spaar hem haar; Hij spaar hem \'t kind,
„Welks vriendlijk glimlachje elk verrukt, „Om hem, zichzelf, en haar bemind „Die \'t in haa.r moederarmen drukt!quot;
TOEKIGENING.
En gij, die Kind en Moeder maalt!
Die taak ontsteke in u den gloed, Die, waar hij uit uw oogen straalt, Het doek bezielt en leven doet.
BLIJMOEDIG.
Verzoend met God
en met mijn lot, In sterven en in leven.
Het leven nemende als het is,
Rust, onrust, leed, bezit, gemis, Zooals het God wil geven;
En in den dood
geen jongsten nood. Maar \'t opgaan van den morgen Begroetende van schooner dag Dan dien ik hier voleinden mag: Wat weet mijn hart van zorgen?
196
HET TEANENKRUIKJE.
een oogenblik Een nevel voor mijn oogen;
Het is een oogenblik, niets meer. En \'k zie \'t gelaat mijns Heilands weer, Vol liefde en mededoogen,
UIT DE EDDA.
(Naar Etlar Lang.)
Hulda (Holle) is In de Scandinavische godenleer die „donkerequot;, maar vriendelijke godin der onderwereld welke het leven geeft en tot welke het leven \'en laatste terugkeert. Haar bron is boven Ygdrasil (den Wereldboom) en daaruit stijgen de kinderzielen op, die geboren worden ; van daar de sproken van de Kinderbron en van den Ooievaar, die de kindertjes uit het water vischt en aanbrengt. Vroeg gestorven kinderen keeren weder tot Hulda in de onderwereld terug, waar zy weleer liefderijk gevoedsterd en gekoesterd werden. De bijzonderheid dat, in vele sagen als deze, in den cbristelyken tijd de Moedermaagd in de plaats van Hulda gesteld werd, toont hoe madonna-menschlijk men zich het beeld der Hulda voorstelde.
Daar weent een moeder haar oogen rood; Haar eenig dochtertje, eilaas! is dood.
Zij plant op \'t grafje vergeet-mij-niet; Zij liet het bloeien, het troost haar niet.
Daar zweeft in \'t hofken vrouw Hulda aan. Tot wie de zieltjes der kindren gaan.
Haar volgt blijmoedig de gansche schaar; Maar ach! haar kindjen is niet met haar.
„Zoo \'k u slechts eenmaal met Hulda zag, „Hoe zou ik zeegnen dien blijden dag?quot;
197
AAN J. J. VAN OÜSTEKZEE, ENZ.
Maar nog één zieltje komt achteraan; Een kruik te torsen doet langzaam gaan.
„Uw weenen, moeder! doet mij geen goed, „Die al uw tranen verzaamlen moet!
De moeder hoort het; het smart haar zeer; En voortaan weent zij geen tranen meer.
AAN J. J. VAN OOSTERZEE,
VEERTIG JAAB EVANÖELIEPKEDIKEE.
Uit zijne volheid hebben wij allen ontvan gen, ook genade voor genade.
Joh. I. 16.
Naar \'t lichaam wat geschokt, maar onverzwakt van geest,
Viert zielvolle Oosterzee zijn veertigjarig feest.
Maar geeft den Heiland de eer van wat hij leefde en werkte.
Die „uit zijn volheidquot; hem begaafde, laafde, sterkte.
En lang nog sterken moog; die nimmer hem verlaat.
En aan zijn zij zal staan, ook als zijn rustuur slaat.
6 Febr. 1881.
Na zijne leerrede over bovenstaand schriftwoord.
GEEN RIMPELS.
„G-een rimpels heeft uw voorhoofd nog; „Zij moesten toch „Daar wezen naar uw tal van jaren. „Hadt gij van zorg of leed geen deel? „Of zijn er door dit hoofd niet veel „Gedachten van belang gevaren?quot;
198
\'t poëtisch oor.
Ik weet het niet, mijn lieve man!
Zoek gij er zelf de reden van.
Misschien zult gij het rechte treffen.
Maar weet gij wat ik somtijds zeg ? God heeft een ploeg; maar ook een egg\'; De ploeg maakt voren; de egg\' maakt effen.
\'T POËTISCH OOK.
Gij toetst en recenseert gedichten;
Maar hebt gij \'t uor voor poëzy ?
Om met rechtvaardigheid te richten,
Hoort dat er wel een weinig bij. Ook zonder muzikaal gehoor Kan \'t spel der tonen iemand roeren;
Maar als een kenner \'t woord te voeren Kan, zonder dat, er moeilijk door.
Ach, menigeen die vonnis spreekt Met zelfbetrouwend stemverheffen,
Is niet bij machte te beseffen
Wat hem, bij \'t geen hij heeft, ontbreekt. Hij heeft vernuft en spreekt met macht. Door ieder die hem leest bewonderd, Het gild der dichters uitgezonderd.
Dat om zijn hoogwijze\' onzin lacht.
Gij, die uzelv\' een oordeel gunt,
Lees, lees mij verzen, en \'t zal blijken Of gij een deugdlijk vonnis strijken.
Of zelfs niet deugdlijk hooren kunt; Of gij den zang in \'t dicht gevoelt, \'t Gevoel des dichters na kunt roeien,
Beseffen wat de toon bedoelt.
Of slechts uw mond met woorden spoelen.
199
\'200 EEN WOORD VAN PICA DE MIRANDOLA. — DIALECTEN, ENZ.
EEN WOORD VAN PICA DE MIRANDOLA.
Verltatem Philosophia quaerit, Theologia invenit, Kellgio possidet.
De Wijsbegeerte zoekt, de Godgeleerdheid vindt De waarheid — O mijn God! gij schenkt haar aan uw kind.
DIALECTEN.
De taal van \'t hart heeft menig dialect;
Wijs, die \'t hem min verstaanbre niet begekt.
TEKSTEN.
Gü leeft bij teksten, weet er tien. Ja twintig op een rij te scharen, \'t Bevredigt menigeen misschien; Mij niet; geef mij het woud te zien, Geen afgeplukte blaren.
AAN DEN HEILAND.
Gij hebt den weg gewezen,
Gij hebt den weg gebaand; Gij wilt de Leidsman wezen, Voorkomend en meegaand, Besturende de schreden
Van die het steile pad, Het steile pad betreden Ter hooge hemelstad.
voorzichtig! — f.iïnst, enz. 201
Gij hebt de poort ontsloten,
Ontsloten dooi- uw bloed,
Die al de tochtgenooten
Vervult met blijden moed;
G-ii zult hen welkom heeten
In \'t vaderlijk paleis,
Waar spoedig zijn vergeten De moeiten van de reis.
VOORZICHTIG!
Dat nooit, in groote vreugd of diepe droefenis.
Een woord dat te vertrouwlijk is Uw\' onbewaakten mond door \'t hart worde uitgedreven! Men kijkt als had men \'t niet gehoord.
Maar neemt het op en draagt het voort. Als of ge er last toe hadt gegeven.
ERNST.
De toon van echten ernst is waardig, kalm, en zacht;
Niet hartontzettend zwaar, noch pijnlijk scherp in de ooren; Een middentoon, welluidend uitgebracht;
Men kan er \'t hart, waaruit hij komt, in hooren.
Dat is zijn schoonheid en zijn kracht.
TEMPUS ACTUM.
Verbeelding keert zich naar \'t Weleer; Zoo als zij \'t ziet, wenscht zij \'t ons weer; Maar kwam het weder zoo als \'t was, \'t Bedrogen hart verwenschte \'t ras.
DANK VOOR LOON, — BIJ HET GRAF, ENZ.
Als ik mijn zangen tot uw oor,
Neen, tot uw edel hart, mocht brengen,
Brak nu en dan een traantje door. En kwam zich met uw glimlach mengen; Heb dank daarvoor!
Geen schooner loon dan zulk een traan. Zacht opgeweld uit zuivre bronnen!
Een kleine ziel doet weinig aan; Een groote, geeft zich gaarn gewonnen. Diep voelen is geheel verstaan;
Verstaan wat kracht daar in een woord. Een toon, een nadruk is gelegen,
De ziel verstaan uit wat men hoort. En hooren ook wat wordt verzwegen Of in onzichtbre tranen smoort.
EENEB ZEVENENTACHÏIGJARIGE.
Na tienmaal acht en zeven jaren,
Is hier dan \'t einde van de reis! De school des levens had haar eisch; Niet langer moest de dood haar sparen.
Drie Zusters, voor den troon van \'t Lam Haar voorgegaan sinds vele dagen. Behoeven langer niet te vragen,
Of zij, ook zij, niet eindlijk kwam?
202
AB IRATO. — TWEE VIJANDEN. 203
Een liefde, tot den dood getrouw,
Deed in den dood haai- uitgeleide.
Gerust, dat wat de grafkuil scheidde De hemel weer vereenen zou.
Zij oogt haar na met kalm gelaat. Bij zacht herdenken, stil verwachten. En houdt maar altijd in gedachten Dat eerlang ook haar uurtje slaat.
Och, ieders uurtjen is bepaald;
Geteld zijn alle onze oogenblikken;
Gelukkig die, als de avond daalt.
Niet schroomt de klok te hooren tikken.
27 April 1881.
AB IRATO.
Hen, die de sabel moeten trekken. Om zich perfors te doen verstaan. Ziet menig mensch met eerbied aan. Maar overtuigingen te wekken Door neus en ooren af te slaan. Zou dat juist wel zoo heel goed gaan?
TWEE VIJANDEN.
O Gij die waarheid wilt, heb kracht van ziel, wees man Verwin partijdigheid, en ook — de vrees er van.
DE BASS-ROCK BIJ DE KUST VAN SCHOTLAND.
DE BASS-ROCK
BIJ DE KUST VAN SCHOTLAND.
(Keisherinnering)
The air was dlskit with the fowlls That earn with yammeris and with yowlis, With skyrklng, screeking, skrymmlng scowlii And meikle noyls and shoutes.
lU\'NHAK,
De meeuwen vliegen om de Bass;
De Bass is voor de meeuwen;
Schere ook een enkel schaap haar gras,
De Bass is voor \'t gevederd ras,
De Bass is voor de meeuwen.
Daar heeft, voor tal van eeuwen, Een burchtslot op haar kruin gestaan:
Het is, het moest tot puin vergaan:
De Bass is voor de meeuwen;
Voor kap- en mantel-meeuwen.
Voor zilvermeeuwen blank en fijn.
En wat er meer voor meeuwen zijn.
Zich pluizende in den zonneschijn,
In rep en roer bij \'t jagen Van storm en onweersvlagen.
Die met hun uitgelatenst woên De sterke rots niet wanklen doen.
De Bass-rots van de meeuwen.
Zij krijschen er en schreeuwen,
Zjj dwarlen neer, zij stuiven op.
Zij wervlen om haar woesten top,
Als beedlaars \') om de hoven;
Zij roesten in haar kloven;
Zij maken bij en ver van \'t nest.
Haar grauw gesteente wit van mest.
Van onderen tot boven;
Zij voeden, brekende uit hun dop Met spitsen neb en harden kop.
Jaar uit, jaar in, de jongen op.
Die weer met de ouden vliegen.
Of op de golven wiegen,
Of scheren langs het ruime sop.
Dat, als met donzen pluimen.
204
l) Sollicitanten.
de bass-rock bij de kust van schotland. 205
Rondom haar voet komt schuimen,
Om wat haar fel en scherpziend oog Zich wenschlijks uitzag van omhoog Te slikken zonder smaken,
Al quot;wat haar gele snavelspit.3 Van dood of levend vleesch of visch
Om, wederkeerend van den plas.
Als of het voor dit gulzig ras Ter spijsverduwing noodig was,
Op nieuw te zwermen kris en kras.
Links, rechts, voor, achter, om Rots Bass, Als spreeuwen om de daken....
Voor de meeuwen niet alleen, maar voor alle soort van zeevogels, bepaaldelijk ook voor den z, g. Jan van Gent, een rotspelikaan, die zijn wetenschappelijke!! naam, Sula Bassana, aan de Bass-rock ontleent. Solan-goose noemen hem Schotten en Engelschen.
.The Bass is an island, or rhater a tremendous rock, about [400] feet in height, starting out of the sea, just opposite the formidable castle of Tantallon, upon the shore of East Lothian. It is about a mile in circumference, and is conical on the one side, presenting on the other an abrupt and overhanging precipice. It may well be termed —
„An island salt and bare,
The haunt of seals and ores and sea-mews\' clangquot;,
Upon the top of the rock gushes out a spring of clear water, and there is verdure enough to support a few sheep. But its chief inhabitants are sea-fowl, in such immense quantities, that they literally darken the air, when the discharging of a gun puts them on the wing. They are of all sizes that swim the sea, and scream in all varieties of notes. To visit the place at sunrise, when all the feathered tribes are preparing to take wing, gives one of the most extraordinary sights which Scotland affords quot;
Walter Scott,
Prov. Antiquities of Scotland.
PE BERKEN VAN ABERFELDY.
EEN LIED VAN ROBERT BURNS.
Een bezoek aan Aberfeldy (Perthshire) en zijn waterval ^Falls of Moness) gaf mij lust deze coupletten tot eer, aandenken te vertalen. Burns schreef ze, volgens zijne-eigene verklaring, op de plaats zelve, „standing under the fallsquot;, In Sept. 1787, naar het motief van een oud lied: The Uirks of Abergildi/ (Aberdeenshire). De waterval van Aberfeldy vereenigt al wat men in een waterval verlangen kan. Hij bestaat uit drie vallen, die zich door een nauwe kloof, over zwarte bazaltklompen heen, en tus-schen de weelderigste vegetatie door, bruisende en schuimende naar beneden spoeden. Op verscheiden plaatsen raakt het loover van de ter wederzijde groeiende boomer, (veelal berken) aan elkander. De onderste val bestaat uit een reeks van kleine vallen, die een smallen stroom vormen. De middelste is de schoonste. Men vergat niet mij daarbij de bank aan te wijzen, waarop gezeten, Burns zijn lied zou hebben gedicht. De bovenste, op ongeveer veertig minuten afstand van den voet der kloof, komt loodrecht met een storting van zeventig voet naar beneden. — Het lied van Burns schetst ze alle drie achtereenvolgens, naar het leven.
Zoet lief meisje, wilt gij (/aan,
Waar Aherféldy\'s herken staan,
De Zomer bloeit met gullen lach;
Het stroompje ruischt zoo blij het mag:
Kom, slijten -wij den langsten dag,
Het klein gevogelt zingt zijn lied,
Waar \'t hazelloof zijn schaduw biedt,
En \'t vroolijk door de takjes schiet.
Maar \'t bergpad rijst. Hoe schuimt, hoe zwelt» De stroom, die langs den rotswand snelt.
Waarover \'t geurig lommer helt Van Aberfeldy\'s berken.
De kruin der klip, op roosjes prat, Ü
Schouwt neêr op \'t loodrecht stortend nat.
Wiens wolkend stofschuim frischheid spat. Op Aberfeldy\'s berken.
VERHEUG U IN DEN NEVEL NIET. —
207
KUNST GEEN NABOOTSING. ENZ.
Dat geld en goed nu vall\' zoo \'t vall\', \'k Weet wien \'t geen zuchtje kosten zal! Gij en mijn liefde zijn mij \'t al, Bij Alberfeldy\'s berken!
VERHEUG U IN DEN NEVEL NIET.
Verheug u in den nevel niet,
Omdat uw oog dien kan bemerken.
De zuivre lucht, die niemand ziet, Ziedaar hetgeen uw kracht moet sterken. Niet wat zich zien en tasten doet: \'t On-zichtbre doet ons \'t meeste goed.
KUNST GEEN NABOOTSING.
Neen, Kunst is geen herhalen der Natuur;
Dat zet geen hart in gloed;
Niet aan wat is, maar aan wat wezen moet Besteedt zij licht en vuur.
ZELFBEWUSTZIJN.
Wat is mijn Ik? Een wetens Zien,
Een wetens Hooren, Rieken, Smaken;
Ben wetens Denken bovendien,
Dat een besluit weet op te maken;
Een Zijn, dat zijn ondeelbaarheid Erkent door wat het onderscheidt,
En zelfs zijn droomen weet te schiften van zijn waken.
208 malcontent. — tusschen de regels. — alternatief, enz.
MALCONTENT.
Al wat gij ziet, strekt u tot ergernis;
Het beste, schoonste, liefste heeft gebreken. Te groot, te veel, te gek oui van te spreken! Niets deugt bij u dan \'t geen onmooglijk is.
TUSSCHEN DE REGELS.
„Tusschen de regels lezenquot; sta u vrij;
Maar daar niet naar te luistren, staat aan mij,
Vervalsching is \'t, of\' louter fantazy.
Wat zwart op wit staat heeft beteekenis; Niet wat vermoeden, gissing, argwaan is.
ALTERNATIEF.
Aan ....
Dat \'k mij bedroeve, of mij verbaze, Daar laat gij mij de keus slechts van; Want wat gij schrijft, geleerde man! Is uit den booze, of uit den dwaze.
GEEN NOOD.
De God, door wien wij leven.
Op wien wij ons verlaten. Zal ons niet overgeven
Aan menschen die ons haten;
K Ti ING VAN DENKBEELDEN.
209
UIT KKN STUK. —
Hij zal ons niet doen bukken Voor zorgen, die ons drukken,
Voor rampen, die ons dreigen :
Daar zijn geen ongelukken Voor hen, tot wie in gunst zich godlijke oogen neigen.
Daar \'s troost bij iedre smarte,
Daar \'s kracht tot dde lijden,
Zoolang \'t geloovig harte
In God zich kan verblijden.
Maar alles is verloren En alles gaat bezwaren,
Waar \'t hart zijn God laat varen.
\'t Geluk is slechts beschoren Aan hen, wier oog op God, als op hun God blijft staren. 1881.
„Uit één stuk is de man.quot;
Uit één slechts?
„Slechts uit één.quot;
\'t Is fraai, mits \'t ééne stuk geen kurk zij of een steen.
KRING VAN DENKBEELDEN.
Een kring van denkbeelden! Wat is \'t Dan een denkbeeldige kring ? Maar, is \'t niet zonderling? Denkbeeldige kringen zijn tusschen ons Juist de allerwerlclijkste cordons; Er in of uit te komen — De proef wordt niet genomen.
iv.
14
ONDERZOEKER, VERZOEKER, ENZ.
ONDERZOEKER, VERZOEKER.
Ik eer uw christeliik bedoelen.
Maar laat mij, bid ik u, met rust. Mij telkens aan den tand te voelen (jeeft mij tot b^ten boozen lust.
AAN MIJNE TWEE
NOG OVERIGE ZUSTERS.
Eens waren wij een kring van zeven;
Drie broers, vier zusters waren wij:
Niet dan een drietal is gebleven.
Mijn lieve zusters, gij met mij.
Het was de jongste van ons allen.
Een blijde bloem van twintig jaar.
Die \'t allereerst ons moest ontvallen... . Hoe lang alreeds beweent gij haar!
Toen de oudste; een lieve gade en moeder.
Zoo rijk begaafd, zoo hoog geschat; Uw tweede, straks de derde, broeder.
Ter helfte van hun levenspad. Ons levenspad begint te hellen;
De tijd des avonds nadert vast; Och mochten we onze dagen tellen Zoo als het wijzen lieden past!
Nooit heeft de liefde last geleden.
Nooit tweedracht tussohen ons bestaan; Die voorgegaan zijn, zijn met vreden
Van onze zijde weggegaan.
Zoo zal het blijven bij die bleven.
Totdat de laatste stond beslist;
Het hart, dat God ons heeft gegeven, Is onbekwaam tot broedertwist.
Wiens uurtje zal nu \'t eerste komen?
Aan mij de beurt, naar \'t .jarental.
Maar als wij \'t geen van drieën schromen,. Zoo is er troost, het vall\' hoe \'t vall\'.
de mannen van homerus. — ken u zelven, enz. 211
Dan zien we elkander aan bij \'t scheiden
En zeggen; Gods wil moet geschiên!
Wat wij in \'t leven dikwijls zeiden,
Dat geldt ook nu: „Tot wederzien!quot;
Nov. 1881.
DE MANNEN VAN HOMERUS.
De mannen van Homerus storten tranen;
Op zijn Olymp klinkt soms een gul gelach. Wij, die ons helden, die ons goden wanen.
Wij brengen onze grootheid aan den dag.
Door ons van lachen en geween te spanen; — Hoe later mensch, hoe min men mensch zijn mag.
KEN U ZELVEN.
\'t Is alles allen niet gegund.
Niet wat gij wilt, maar wat gij kunt. Bepaalt de maat van \'t vruchtbaar leven.
Gelukkig die \'t bereikbaar punt Niet, vruchtloos, wenscht voorbij te streven! Die naar \'t niet hem gegeevne tracht Verspilt zijn tijd, vernielt zijn kracht.
C40DS KENNEN EN GOD KENNEN.
(Zie I Kor. Vin. 8.)
Het kennen Gods is liefde-in-waarheid-en-in-daad. God kennen gaat zoo ver als onze liefde gaat.
PKOEFMIDDEL. — SELUKSKECEPT, ENZ.
PROEFMIDDEL.
Indien ge uw hart wilt hoeden voor versmoring Van \'t diep gevoel van nw ellendigheid,
Zoo sta eens stil bij \'t onderscheid Van \'t geen dat hart gevoelt en zeit,
Bij \'t hidden in den nood, en \'t danken voor verhooring.
GELUKSEEGEPT.
Begeer geen al te groote dingen,
Poog nooit iets met geweld te dwingen. Hoop veel en steeds, maar met geduld, Zoo gij gelukkig wezen zult.
AAN HENDRIK CONSCIENCE,
in het Album, hem door Kunst- en Lettervrienden vereerd, bij \'t verschijnen van zijn Honderdste Boekdeel,
Consciense, honderdmaal de vriend zijns Volks gebleken.
Der Fraaie Lettren en der Deugd,
Leze in eens Kunstbroêrs naam diens vriendschap, en een teekeu Dat hij zich in zijn Eer als in zijn Werk verheugt.
ONMOGELIJKE DEFINITIES.
Spaar vrij uw moeite, wijze man!
üw vlijt is overbodig,
Wat niet omschreven worden kan.
Heeft geen omschrijving noodig.
Noem \'t bij den naam, dien \'t altijd droeg; Dat slechts is mooglijk en — genoeg.
212
LOF. — OP MUX PORTRET. ENZ.
LOF.
Lof verdienen en ontvlieden Is het werk van wijze lieden.
OP MIJN PORTRET
door
THEBÈSE SCHWABTZE.
„Die vriendlijkheid voegt bij geen tabberd,quot; roept men luid. Och, laat mij vriendlijk zien! Trek eer mijn tabberd uit. 1881.
HET LIJDEN VAN DEN JONGEN WERTHER.
Volgens Thackeray.
Werther minde zijn Charlotte
Meer dan hij kon exprimeeren —
Bij hun eerste ontmoeting zag hij Haar de boterhammen smeren.
Een getrouwde vrouw werd Lotte,
Werther was een extra-beste —
Voor geen duizend gulden zou hij Iets doen dat de zeden kwetste.
Werther zuchtte, kwijnde, loensde,
Werthers hartstocht kookte en blaakte — Tot een kogel door zijn hersens Aan dit spel een einde maakte.
Lotte, bij d\' ontbijtdisch staande.
Zag zijn lijk haar deur passeeren —
Altijd even onberisplijk,
Bleef zij boterhammen smeren.
213
de kielen en de wielen en de rand van t land.
DE KIELEN EN DE WIELEN EN DE RAND VAN \'T LAND.
Vaderlandsche Feestdronk.
De bekers vol geschonken.
Geheven in de hand,
En de oude dronk gedronken: De Kielen En de Wielen En de Rand Van \'t Land!
U moet die beker gelden,
Op krijgs- en handelsvloot, Zeerobben, wakkre helden!
Door u werd Neerland groot. De bekers vol geschonken.
Geheven in de hand.
En de oude dronk gedronken: De Kielen En de Wielen En de Rand Van \'t Land!
Den Landman en den Veeman,
Die d\' akker mest of ploegt, Hem dankt de rijke steeman
De rust die hem vernoegt. De bekers vol geschonken,
Geheven in de hand.
En de oude dronk gedronken: De Kielen En de Wielen En de Rand Van \'t Land!
Maar hun, die ons behoeden
Door kennis, kunst en vlijt.
Voor zee en watervloeden
Zij heel ons hart gewijd!
De bekers vol geschonken,
Geheven in de hand.
En de oude dronk gedronken: De Kielen En de Wielen En de Rand Van \'t Land!
214
1881.
GELD. — WEES VHOOLIJK.
GELD.
.Tijd is geld, en geld is \'t al „In dit aardsche jammerdal ; „\'t Is voor \'t geld slechts dat wij leven. -Zij dan ieder ademtocht „Tot den diersten prijs verkocht. „En er nimmer aan gedocht,
„Iets omniet te geven.
„Geld is \'t al, en tijd is geld;
„Rijk zijn is bonorum summum.
„Carpe diem! Carpe nummum!
„Hora ruit! \'t Leven snelt!
„ïel uw dagen, tel uw geld!
„Sine lucro nulla dies!
„Ante mortem nulla (juies!
„Zij het leven lang ot\' kort,
„Best leeft die er rijkst in wordt.quot;
Dit, als iets het heeten mag.
Dit is \'t liedje van den dag.
Onder hoog- en laaggeboren,
\'t Wordt gezongen zacht of\' luid; En de handen brengen \'t uit,
Poogt men \'t in de keel te smoren.
WEES VROOLIJK,
Wees vroolijk! Vroolijkheid is kracht, Is kracht tot arbeid, kracht tot deugd.
Daar wordt niets goeds, niets groots volbracht Dan bij een innerlijke vreugd.
Een treurig hart maakt dof, verzwakt. Een schreiend oog ziet ver noch klaar. Gebogen, staat gij wankelbaar,
Met al wat in u is geknakt.
215
UIT PLATO. —
•216
KERSTZANG.
Vergt zware ramp of groot verdriet Een bittren traan van droefenis:
Betaal dien tol; maar kweek toch niet Wat in zichzelf slechts doodlijk is.
Het liiden heeft zijn nut en vrucht;
Het lijden, maar het kwijnen niet; \'t Veerkrachtig lijden, dat niet zucht,
Maar met een glimlach opwaarts ziet,
Zich keert naar \'t licht, dat troostrijk straalt. Waarbij de vrucht van \'t leed zich zet; En dat, waar \'t diep in \'t harte daalt, De kracht verhoogt en d\' ijver wet.
UIT PLATÜ.
(Zie zijn Gorgias.)
Zoo ik een vijand had, en \'t vrijstond aan den haat. Van al wat onheil heet hem \'t ergste toe te wenschen.
Ik wenschte hem onsterflijkheid in \'t kwaad, En in wat dwaselijk geluk heet bij de menschen. Misdadig wezen is rampzalig, sterveling!
Maar \'t ongestraft te zijn, als vloekbaarst lot te vreezen. Uw grootst geluk moet schuldeloosheid wezen.
Maar, na schuldloosheid, tuchtiging.
KERSTZANG.
Sol Deus invictus.
Het feest van de Onverwinbre Zon,
Dat vieren wij en zingen!
Een nieuwe licht- en levensbron
Komt door de wolken dringen.
0 Zonne der gerechtigheid!
Hoe hebt ge uw stralen uitgebreid,
Hoe schittren zij en schijnen.
Dat nacht en mist verdwijnen.
AAN GOD.
Vaart henen, nacht en duisternis!
Vaart heen met uw verschrikking!
De morgen, die verrezen is,
Brengt blijdschap en verkwikking.
Wij zien, o God! wij smaken \'t licht
Van uw genadig aangezicht,
Wij voelen ons het leven En levens-vreugd gegeven.
Ga voort, vervolg aan \'s hemels trans Uw pad, en schiet uw stralen,
Heldhafte Zon! met schitterglans Ver over berg en dalen!
Niets dat zich aan uw gloed onttrekk\'!
Verlicht, verwarm, beziel en wek De gaven en de krachten.
Die op uw koestring wachten!
Dec. 1881.
AAN GOD.
Al wat ik heb, en ben en kan.
Zij in uw hand gegeven!
Mijn gade en kroost, mijn wereldsch goed, Mijn vleesch en bloed,
Mijn hoofd, mijn hart, mijn leven!
Wat heb ik, dan uit uwe hand?
Wat hen ik, dan afhanklijk?
Wat kan ik, dan in uwe kracht,
Mensch zonder macht.
Zoo nietig als verganklijk?
Maar die zich zwak weet, voelt zich sterk
In U, o Heer der Heeren!
Die alles in uw handen geeft,
Geruster leeft Dan die zich dapperst weren.
217
218 AAN DE CR1TIEK. — AAN EEN ÏIECENSENÏ. — VOELHORENS.
AAN DE CBITIEK.
Is waarlijk goed te doen uw onvermengd bedoelen,
En kleeft er praal nocli vitzucht aan: Doe wat gebrekkig is aan wie u leest gevoelen, Maar wat voortreflijk is, verstaan.
AAN EEN RECENSENT.
Hoe kweet ge u van de taak, die u werd opgedragen\'?
Gaaft gij verslat) van \'t werk, of hebt ge uw man verslagen?
VOELHORENS.
G-i] hebt ze wel, of hebt ze niet,
Maar kunt ze uitbotten doen, noch maken; Er eens bij toeval aan te raken,
Is iets dat nimmermeer geschiedt;
Gij leest ze niet uit boek of blaren;
Zij komen met geen ambt of jaren;
Door schoonheid, schatten, edel bloed.
Door niets, wordt hun gemis vergoed;
Niets dat hun taak kan overnemen;
Waar zij ontbreken, daar vergist Zich kloeke wijsheid, schrandre list; — Eén ding alleen kan niet bevremen:
Men mist ze, en voelt niet dat m\' iets mist.
\'
alleenspraak van een wijsgeerig kuiken, pas uit den dop. 219
ALLEENSPRAAK
VAN EEK WIJSGEEEIG KUIKEN, PAS DIT DEN DOP.
Zeer vreemd, voorwaar! Bijzonder zonderling!
Nochtans verblijd ik mij in dees verandering:
Het duister van den kerkerdop verdwenen.
En mijn gedachten, vrij gelijk mijn beenen,
Zich roerende in een onbegrensder! kring!
Niet langer zoo onredzaam ingepakt;
In staat tot onderzoeken, tot betoogen,
Waarnemen en doorzien met klaarziende oogen,
En, zoo zich harde knoopen op doen mogen,
Die opgelost of, moet het, doorgehakt!
Zou een vrij denkend kuiken \'t kuikenleven In twijflen slijten, daar \'t met twijflen aanvangt? Neen!
\'t Probleem moog zwaar zijn, dat zich opdoet voor mijn sehreén:
Ik ben geen kuiken om het op te geven —
Ik ben niet blind; wie blinddoekt mij\'? Niet een.
Laat zien! Dit \'s de eerste vraag: Hoe was ik ingekomen Waar \'k uitgekropen hen? De tweede is: En van waar
Kwam ik daar in? De derde: Waarom daar Niet eerder uitgeraakt ? \'k Beken het: ver van klaar
Is mij dit drietal raadsels. Zou ik schromen Het onder \'t oog te zien? Neen! Laat mij peinzen .... Maar Hoe weet ik dat ik ooit geweest ben, waar ik zeide Dat \'k uitkroop? Neen! voorwaar! hoe grondiger ik denk. Hoe min. vertrouwen \'k aan eene onderstelling schenk Zoo stuitend voor mijn rede en zelfbewustzijn beiden.
Met recht in opstand ^yaar \'k mijn kuikenwaarde krenk :. .. Onmooglijk! Ik, met lijf en beenen, snavel, schachten, En vlerken, en dit machtig hoofd.
Die werkplaats der diepzinnige gedachten.
Eens in zoo vuil een dop!.. . Een slechthoofd die \'t gelooft! Neen, neen! Laat andren zich met schijn van waarheid paaien; Ik ben geen kuiken, dat m1 een rad voor \'t oog kan draaien, Maar dat bij licht van eigen rede ziet,
En wat ik niet begrijp, geloof ik niet.
Doch van waar kwam ik dan? Dien doolhof uit te komen Is zoo gemaklijk niet; is deksels zwaar. Maar zacht! Natuurlijk is daar van nature een kracht, Een vormkracht, alles vormende uit atomen, Die, ergens in de ruimte, en onverwacht (Ook onbedoeld, dat spreekt!) bijeengebracht....
lÉte
GEEF MBK.
Gebracht? Wat zeg ik? niet gebracht, gekomen. En, naar de ontioiklclingswet — (dat schrikbeeld van de vromen, Maar sleutel van \'t heelal) — ontwikkeld, — duizend jaar — Et cetera .... Daar hebt gij \'t. \'k Zie \'t zoo klaar Als dees mijn neus-tip met dit oogenpaar.
Wat hoor ik daar? Mijn moeder kakelt tegen!...
Daar is ze een oud.je voor en weinig aan gelegen;
Ze is diep onkundig, ver ten achtren, en veracht (\'fc Vooroordeel toont in haar zijn kracht)
Het nieuwe, als ik het oude, uit alle macht.
Hoor haar eens leutren! rDiepe denker, stoute spreker! Wat zoudt gij ivezen dan een dwaas? \'k Zie \'t hij uw taal,
Zoo klaar, zoo duidlijk en zoo zeker.
Als aan uw achterst dit fragment van de eierschaal!quot; Voortreflijk! Dit fragment! Uw achterst! Wij herkennen \'t Malootig bijgeloof\' van suffe moederhennen,
Dat altijd zien wil wat het ziet!
Voor mij, hoe \'k mi) bevlijt om langs mgn neus te staren, \'t Doet me aan mijn achterst\' schaal noch schaalsgelijk ontwaren. En \'k blijf\' standvastelijk met kuikenmoed verklaren:
Wat ik niet zie, geloof ik niet.
Naar het Engelsch#
GEEF MEÊ,
Geef\' mee, geef toe, geef\' op, laat los, Waar \'t eigen recht geldt, eer of\' goed, Waar ruwheid, hebzucht, overmoed Uw nadeel zoekt: gefnuikte trots En afgunst, met geweld of list, ü afbreuk doet, uw roem betwist!
Mijn Christenmensch! veel beter is \'t
Dat ge onrecht lijdt dan doet.
Maar sta voor \'t recht van andren pal. Verweer de weduw, wreek den wees; Ken eigenbaat noch menschenvrees, Waar \'t hun bescherming gelden zal;
220
LAAT DE LEER VOOR ANDUEN STAAN.
Verdedig d\' aangevallen vrind, De zwakke vrouw, het weerloos kind! \'t Is de eereplicht, waaraan geen Man Van eer zich weigren kan.
LAAT DE LEER VuOR ANDBEN STAAN.
Laat de leer voor andren staan. Daar gij langs zijt opgegaan. Om zoo schoon een vrucht te plukken.
Als geen mensch kan gadeslaan, Zonder innig zielsverrukken.
Wijs den dwalende het pad.
Dat uw wijzer voet betrad,
Om den doolhof uit te komen.
Die ook u verbijsterd had En een wis verderf deed schromen.
Toont den sukkelaar \'t recept. Dat gij tegen krankheên hebt, Die haar aantocht merken laten.
Eer de kwaal een toestand schept, Dat geen medicijnen baten.
Zeg niet met een koel gelaat; „Elk moet weten wat hem baat: „Wat hem uithelpt, of doet slagen!quot;
2-21
Reik de hand tot raad en daad, Waar een oog die schijnt te vragen.
222
ECHTPAAR. —
GROOTHARTIG.
ZIELSVERHEFFING. —
ECHTPAAR.
As unto the bow the chord is,
So unto the man is woman,
Though she bends him, she obeys him. Though she draws him, yet she follows. Useless each without the other,
Longfellow, The song of Hiawatha.
De vrouw is voor den man. wat voor den boog, de pees, Zij buigt hem, maar gehoorzaamt hem;
zij trekt, maar dient hem steeds. Te zaam een nuttig paar,
Is zij niets zonder hem, en hij niets zonder haar.
ZIELSVERHEFFING.
Verhef uw ziel! Laat haar ten hemel stijgen. Terwijl uw voeten nog op aardschen bodem staan! Doch niet om, duizlend van verrukking neer te zijgen.
Maar om te kloeker voort te gaan.
1882.
GROOTHARTIG.
De bloodaard beeft voor \'t geen den held verheugt. Een groote ziel versmaadt te kleine vreugd: quot;t Genot der rust kan zij geen heilstaat heeten; Zij hoeft een vijand, om haar kracht te meten, En rampen, tot beproeving van haar deugd.
STEL TEGEN DRIFT GEEN DRIFT, ENZ. 223
STEL TP^GEN DRIFT GEEN DEIFT.
Stel tegen drift geen drift, maar wacht uw tijd en duik! De hartstocht is geen kracht, maar krachtsverbruik.
WAT DE NATUUR BEDWINGT.
Wat de natuur bedwingt en perken zet, Kan geen natuurkracht zijn; is wil. geen wet.
PESSIMISME.
Gij klaagt: „het leven heeft niets zoets,quot; Nadat ge u eerst met volle teugen Door zingenieting liet verheugen — Is \'t ook de haarpijn na den roes?
VREEZE DES DOODS.
Waarom den dood gevreesd, den stervende beklaagd?
Niets wordt een prooi des doods dan wat hem in zich draagt
GEVOLGTREKKING.
\'k Voel mij al samen vrij; gedrongen; en verplicht. Wat zegt dit dan; daar is een God, en een Gericht?
224 OS SUBLIME. — COELUMQÜE TUERI. — HET LIED VAN DE CEL.
OS SUBLIME.
Geen os sublime meer; die tijd is lang geweest;
Geen God; geen Geest; geen Mensch; nog slechts een schrander Beest...
— Waarvoor gij boeken schrijft en die het, hoopt gij, leest.
COELUMQÜE TUERI.
Geen blik meer naar omhoog: geen opzien naar het Licht; Maar duiken in de Stof, met lenzen voor \'t gezicht...
— En dwepen met de cel, wie ge alles zijt verplicht.
HET LIED VAN DE CEL.
Hoezee! wij komen uit de Cel.
Wij meisjes en wij knapen.
En uit dezelfde cel nog wel.
Met schimmels, oesters, apen!
\'t Ging immers langs een rechte lijn,
Van \'t minste tot de meesten. Tot waar een epicurisch zwijn De koning is der beesten!
JVaiMW-keur ving de schaakling aan,
En, waar haar kunst bleef steken. Heeft MuKe-keur de rest gedaan,
Die van zich af durft spreken \').
Hoezee! wat groeit, wat vliegt, wat zwemt,
Het tam gedierte en \'t wilde,
\'t Is al, met ons, tot niets bestemd,
\'t Groot Cellebroeders-gilde!
1) Variant: Heeft wetenschap ons borg gestaan Voor schalmen, die ontbreken.
OrVLIEGENUIIEID. — VEEL PIJLEN. — OPSCHIK, EXZ.
OPVLIEGENDHEID.
Opvliegendheid vliegt over \'t hoofd, en wordt veracht, st-.. Gerechte toorn is kalm en doet op \'t hart zijn kracht.
VEEL PIJLEN.
Veel pijlen stelt gij op uw boog
en schiet ze her en der; Maar hun punt is niet scherp
en zij dragen niet ver; Alleen door wat wind gaan zij hoog.
Dies dient het niet gelaakt.
Dat van hun mooie veeren Gij \'t meest hebt werk gemaakt.
OPSCHIK.
Wat is, bij schrale stof, een opgesmukte stijl? Een bonte veder aan een botten pijl.
NIET TEN HALVE.
Aanvaard wat God u oplegt gansch en gaar! Zwaar zij het kruis; het halve is eens zoo zwaar.
VRAAGT GIJ.
Vraagt gij wat diep in \'t hart en op zijn bodem ligt ? Deze eerste plicht, van niet te twijflen aan den plicht.
225
IV.
15
BLAF, TROUWE HOND ! —
SPKEUKEX. —
AAN MIJN ZONEN.
BLAF, TROUWE HOND!
Blaf, trouwe hond! waai- nood is of gevaar; Maar laat u uit uw hok niet peutren door misbaar.
SPREUKEN.
Wat niet kalm is, is niet groot; Wat niet koud is, nog niet dood; Wat niet laag is, is niet klein; Wat niet klaar is. is niet rein; Wat te zoet is, is niet zoet; Wat niet waar is, is niet goed; Wat niet goed is, is niet wijs; Wat te vroeg is, niet bijtijds; Wat niet recht is, is niet krachtig; Wat niet matig is, niet machtig.
Die driest beweert, is niet geleerd;
Die graag verkettert, niet bekeerd;
Die alles aandurft, niet beproefd;
Die groot misbaar maakt, niet bedroefd;
Die luide klaagt, heeft weinig pijn;
Die minst is, wil de meeste zijn.
AAN MIJN ZONEN.
Wanneer het graf mijn stof begeert, Mijn lijk gevoerd wordt langs de straten En straks ter groeve neergelaten. Wat wereld zal ik achterlaten?....
Een wereld, waarin God regeert.
LIEFDE NA DEN DOOD.
Een wereld, waarin God regeert,
Zijn almacht als van ouds zal toonen. Als altijd, bij de oprechten wonen —
Dit zij uw kracht, uw troost, mijn Zonen\'! Bij al wat ergert, kwetst, en deert.
Bij al wat ergert, kwetst, en deert. Bij al wat vallen zal en zinken, Met valschen glans en kleuren blinken, (jodlasterlijk in de ooren klinken.
En oud\' of nieuwen afgod eert.
Een oud\' of nieuwen afgod eer\' Het kroost niet uit mijn heup gesproten, Met heilig doopvocht overgoten ....
De stam behoorde U; laat de loten Niet groenen dan voor ü, o Heer!
De liefde ontwaakt in \'t menschlijk hart Sterk, waar de Dood ziju werk gedaan heeft.
Wie voelde \'t niet met schaamte en smart. Die eenmaal bij een lijk gestaan heeft?
Daar lag hij, dien men had gekend, En toch niet heel en al gekend had;
Wie weet? Men vreest het! Tot op \'t end In menig opzicht wreed mis-kend had.
Nu zijn er oogen om te zien Wat schoonst en best was in dat leven.
En sterke neiging bovendien Om \'t slechtste een beetren plooi te geven.
227
WEL GOED.
Nu is liet voor altoos gedaan Met dat lichtvaardig vonnis vellen;
Nu vullen wij \'t gebrekkige aan, Om \'t nooit gebleek\'ne te onderstellen!
Nu kunnen wij — wij konden \'t lang, Maar deden \'t niet, in al die jaren! —
Het ergste ook uit den samenhang Met iets belendend goeds verklaren.
Heel de inhoud van den liefdeplicht.
Dien we altijd kenden, schaars betrachtten.
Komt tot ons met zijn vol gewicht, En blijkt zoo zwaar niet als wij dachten.
Ach, waarom levenslang bestreen. Of slechts ten halve toegegeven.
Waarvoor het hart te pleiten scheen. En dat Gods Woord had voorgeschreven?
Ach, waarom levenslang betwist.
Wat we in een oogenblik begrijpen.
Zoo ras een doode aan dien sofist-in-\'t-hart dan gorgel toe komt knijpen?
Ach, waarom gij, die met ons leeft, Is \'t noodig dat ge ons gaat begeven.
Eer onze liefde u alles geeft.
Waarop gij recht had heel uw leven?
WEL GOED.
„Wel goed, maar ruw.quot;
Waarom dat nu?
Is voor die goed zijn kan het ruw zijn onverwinlijk? En zoo hij \'t wezen wil, waarom ook niet beminlijk?
228
GELOOVEN EN WETEN. — GEEN DOEL ? 229
GELOOVEN EN WETEN.
Gij weet, en gaat mij ver te boven;
Ik weet alleen maar te gelooven.
GEEN DOEL V
Gij zegt: „Dat al wat is een doel heeft, is verzinsel
Van bijgeloof, verbeelding, vroom gevoel.quot; Ik zeg: Daar is een doel waar orde is, en \'t beginsel Der orde is anders niet dan juist — bet doel.
UIT
HILDA; AMONG THE BEOKEN GODS.
Als de doodelijkste dwaling- klinkt liet nu eens in mijn oor; Dan weer ia het mij alsof ik enkel evangelie hoor;
Iets waar \'k zelf in staat toe ware, dan juist als \'t geloof het luidst In mijn hart spreekt van de liefde, die voor zondaars werd gekruist. Maar dan komt van achttien eeuwen weer de eenpaarge stem en schre it: „Wee den dwazen, heil den wijzen maagden, in alle eeuwigheid!quot; Mag ik op mijn hart vertrouwen, waar mij alles wederlegt?
Hilda.
Een ziel verlost van zonde en dood,
En rein van smet,
Kwam, waar zich \'s hemels poort ontsloot. Met steelschen tred.
Al de Englen zwegen stille.
Een glans lag op haar aangezicht.
Zoo vol en klaar;
Maar ook een schaduw, bij dat licht, Gansch wonderbaar.
Al de Englen zwegen stille.
Als de avondwolk, die zachtjes drijft.
Met goud omboord.
Maar schijnbaar onbeweeglijk blijft, Zoo sloop zij voort.
Al de Englen zwegen stille.
„Ontsluit de poort, ontsluit haar wijd!quot;
Riep Petrus uit,
„Zij is van smet en vlek bevrijd;
„Niets dat haar stuit.quot;
Al de Englen zwegen stille.
„ „Al kleeft mij smet noch vlek meer aan,\'
Zoo sprak zij stil,
„ „Ik kom niet hier om in te gaan; „„Ik mag noch wil.quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
ZELFBAX.
„ ,Eén blik slechts in de Stad, zoo schoon „ „Eén blik voor mij
„ „Op \'t Lam, dat in den gouden troon „„Zit aan Gods zij!quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„ „Be\'n galm slechts van het Nieuwe Lied „ „Tot \'s Winnaars eer!
„ „Van \'t Levend Water, dat hier vliet, „ „\'t Geruisch, niets meer!quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„ „Het ingaan staat niet aan mijn macht; „ „Want ik moet zijn,
„„Waar een tot leed gedoemd geslacht „„Krimpt in zijn pijn.quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„ „En die hier inging mag tot daar „ „Niet overgaan,
„ „Hoe foltrend hem hun droef misbaar „„Om \'t hart moog slaan.quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„ „Die inging: zucht noch stomme smart „ „Mag om hun nood
„ „Zich niet meer melden in zijn hart, „„Hoe zwaar en groot.quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„ „Ik had twee broedren; eigen bloed „ „Is \'t hart zoo dier;
„ „Thans vloeken zij elkaar verwoed „ „In \'t helsche vier.quot; quot;
Al de Englen zwegen stille.
„ „Hoe zou \'k de gouden harpe slaan, „ „Als door mijn lof
„ „Zoo diep een weemoedstoon moest gaan, „ „Die hen betrof?quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„ „Hoe nog beminnen wat versmacht, „ „En zijn verblijd?
„ „Hoe loven, met mijn gansche kracht, „ „Als \'k om hen lijd?quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
ZELFBAN.
„„O Heei-lijk straalt de Gouden Straat, „„Waar \'t oog op blikt!
„„De Boom, die in het midden staat, „„Geurt en verkwikt!quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„„De Heiligen met kroon en palm, „„Hoe schittren zij!
„„Hoe schoon en grootsch hun zegepsalm! „„Maar niet voor mij.quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„„Hier is geen nacht; maar, waar geen dag „„Is, moet ik heen;
„„Rampzaalgen troosten wat ik mag, „„In hun geween.quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
Sint Petrus zag haar toornig aan;
Straf klonk zijn stem:
„Mint gij den Heer, en wilt gij gaan „Zoo ver van Hem?quot;
Al de Englen zwegen stille.
„Mint gij den Heer, die voor u stierf, „Én mijdt gij \'t oord,
„Waar de eerkroon, die hij zich verwierf, „Zoo schittrend gloortVquot;
Al de Englen zwegen stille.
„Die eens hier inging kent niets meer „Waar \'t hart naar haakt;
„Mets mist hij, want hier is de Heer, „En \'t heil volmaakt.quot;
Al de Englen zwegen stille.
„„Zou \'k dichter hij mijn Heiland zyn,quot;quot; Was \'t wederwoord,
„„Met minder deernis voor de pijn „„Die hen doorboort?quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„„Hem meer gelijken, nader staan,
„„Met min gevoel
„„Voor hen, die in hun leed vergaan, „„In gindschen poel?quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
235
ZELFIÏ AN.
„„Verdroeg Hij niet de acliande en smart
„„Aan \'t kruis voor mij,
„„Mijn zonde dragende op zijn hart, „„Uit medelij?quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
„„Zou \'k dit vergeten, en aan Hem „„Gelijker zijn,
„„Slechts juichende met luider stem; „„Het heil is mijn?quot;quot;
Al de Englen zwegen stille.
De Heer stond zelf dicht bij de poort, En hij verstond
Het diep gevoeld, ontroerend woord Uit haren mond.
Al de Englen zwegen stille.
Ontferming is een godlijk iet In \'t menschlijk hart;
Dat, waar Gods Eenge mensch om werd. Verzaakt hij niet.
Al de Englen zwegen stille.
„O Liefdrijk hart!quot; heeft hij gezeid, \'k Zal met u gaan.
„Ook mij staat enkel heerlijkheid „En macht niet aan.quot;
Al de Englen zwegen stille.
„\'t Verloorne gaan wij zoeken en „Wat diepst me ontviel —
„Die ergsten, wien ik noodigst ben,
„Gaan me aan de ziel.quot;
Al de Englen zwegen stille.
286
237
bilderdijk. —
vos non vobis. —
geen vergeldend god, enz.
VOS NON VOBIS.
Als de os met al zijn kracht het akkerveld geploegd heeft: Voor andren de oogst die opgaan mocht!
Als \'t rustloos bijtjen trouw de raten vol gezwoegd heeft: Voor andren \'t kostlijk honigvocht!
Voor andren \'t nestjen, dat zij ophangt aan de klippen, \'t Kiesch zwaluwtje van \'t ïndisoh strand!
Voor andren de kus der lieve maagdelippen.
Waarvoor ge uw leven hadt verpand!
Voor andren \'t wild, dat door een maagren hond met woede Vervolgd werd op de lange-jacht!
Voor andren \'t voordeel van de rijmen, daar ge op broedde, De eer der gedachten, die gij dacht.
Naar Barbier.
BILDERDIJK.
Op u te vuren blijft aan de orde, maar los kruit Bluscht geen onsterflijk leven uit.
Na de lezing van....
GEEN VERGELDEND GOD.
God mag geen recht doen; recht wordt onrecht, als Hu straft. Ontkomt gij \'t aardsch gericht, gij hebt niets meer te vreezen. Het hemelsche (in zoo ver daar sprake van kon wezen)
Is door \'t moderne Weten afgeschaft.
OPRECHTHEID.
,Oprechtheid is voor \'t minst een deugd van ogt;ize» tijd.quot; \'t Is waar; men vreest geen schande, en is de schaamte kwijt. 1882.
LIEFDES RIJKDOM, ENZ.
LIEFDES RIJKDOM.
God, over hoeveel hoofden
verdeeldet gij mijn hart! En zoo er een zou zeggen:
„Ik heb het kleinste part!\'1 Zij slechts een matig koortsjen,
een nietig leed zijn deel, Terstond zal hij gevoelen:
,0 Neen! ik heb het heel.\'
Is liefde zich te geven,
geheel te geven, dan Besta ik zoo veel malen
als ik beminnen kan. Vermenigvuldigd leef ik,
als ik liefhebbend leef. Bezittende mijzelven
zoo dikwijls ik mij geef.
DRIFTIGE MENSCHEN GEEN VERRADERS.
,\'k Ben driftig, maar Goddank! ook geen verrader!quot; Goed, Zoo gij noodwendig \'t een, of \'t ander wezen moet.
HET OOG VERRAADT DEN MENSCH.
Het oog verraadt den mensoh, den vijand, en zijn doel. Het vlamt of veinst (maar dat gij \'t merkt), al schijnt hij koel. Schermmeesters leerden mij, had ik \'t rapier getogen:
Volg dat uw \'s vijands niet, maar zie hemzelf in de oogen.
238
VEET. LEER IK STEEDS. — PASSEND; MAAR OOK SEPAST ? ENZ. 239
VEEL LEER IK STEEDS.
Veel leer ik steeds, dat ik niet wist; Nog meer, waarin \'k mij had vergist.
PASSEND; MAAR OOK GEPAST?
Het zwierig kleed, waarin m\'uw dochter ziet, Is passend — \'t past haar, maar het past haar niet.
QUERCLIANUM.
Gelijk men zegt: „Ik zoek, ik zocht.
Ik breng, ik brocht,quot;
Zoo zei men ook; „Ik werk, ik wrocht,quot; Zoolang het volk zijn taal verstond.
Thans hoor ik, uit geleerden mond: „Ik wrocht, ik wrochtte, heb gewrochtquot;....
Nu ja! — een wangedrocht!
GODLOÜCHENING.
De vraag naar God wordt in uw boezem nooit gestild. Gij wordt belegerd, door hetgeen ge ontkomen wilt.
wel duizendmaal, enz.
240
de dood verzoent. —
DE DOOD VERZOENT.
De Dood verzoent. Dat we allen sterflijk zijn Bezweert geen strijd, geen veede;
Maar stervens-NooD en stervens-puN,
En sterven metterdaad zijn stappen tot den vrede. .Die goede manquot; is de overleden man.
Het Graf maakt goed; de Dood heeft de eer er van.
WEL DUIZENDMAAL.
\'k Herinner hem wel duizendmaal „Zijn duren plicht met kracht van taal „Of onmiskenbre wenken.quot;
Mijn vriend! gij kwelt vergeefs uw geest. Wat nimmer is bedacht geweest. Kan niemand doen her-denken.
VERSTAND EN HART.
Als uw verstand. Die dwingeland, Uw hartsgeloof u duidt ten kwade. En \'t vonnis velt, dat u verplet: Zoek baat bij uitvlucht noch verzet. Maar vraag alleen genade.
GEEN VERGOEDING.
Geen nieuwe vriend vergoedt den vriend, die u verliet, \'t Hart laat zich troosten, maar zich schaadloos stellen niet.
Ontleend.
j. j. van oosterzee.
VERGISSING.
trouw gelaat bedriegt niet!quot; riep ik uit. w \' -ï bed!:oof/ die \'t omdroeg bleek een guit. Wat zeg ik nu? „Vertrouw geen mensch meerquot;? Neen «vertrouw uw oog wat minder dan voorheen quot;
J. J. VAN OOSTERZEE,
IN DEN VREEMDE GESTOHVEN.
(Wiesbaden, 29 Juli 1882.)
Altius eglt iter.
Hij OP i\'6quot;; Waarheen? Wij dachten dat wij \'t wisten, Maai wisten t waarlijk Diet.
Op eenmaal bleek hoe deerlijk we ons vergisten ioen hi) zijn reisgenoot verlegen achterliet.
Wat was \'t? Zijn beste vriend, zijn Heiland was gekomen tr zlende 1 miskleed dat hij droeg Had hij hem eensklaps meegenomen quot;
ar t beter vaderland, daar lang zijn hart voor sloeg.
Nu zien we elkander aan met stil ontroeren-
Maar niemand keurt het af, al doet\'het pijn •
Want op ziin beurt wenscht elk te ziin In t goede land, waar hij zich heen liet voeren.
Aug. 1882.
vergissing. —
WASHINGTON. — IN HET ALBUM, ENZ.
WASHINGTON.
Waar blinkt aan \'t oog, van staren moe.
Dat ware grootheid vraagt,
Geen glorie die bevlekt is toe. Of hoogheid die verlaagt?
Tn U het eerst, het laatst, het best.
Mijn Cincinnatus van het West!
Aan wien geen nijd zich waagt; Die ons een blos in \'t aanzieht_ drijft, Omdat gij de Eenge zijt en blijft.
Naar Byron.
IN HET ALBUM,
MEVROUWE BOSBOOM—TOUSSAINT
AANGEBODEN OP HAAR ZEVENTIGSTEN VEHJAARDAG.
1G Sept. 1882.
Van die tienmaal zeven jaar Hebben gij en ik elkaar Meer dan zestienduizend dagen Vriendschap, achting toegedragen,
Heeft, bij blond en grijzend haar, \'t Hart ons altijd warm geslagen
Voor wat Schoon is. Goed en Waar.
En zoolang mijn adem gaat,
Mij \'t verstand de dingen laat In het rechte licht beschouwen,
Zal ik haar in eere houen.
Die, daar ze ijdlen lof versmaadt. Van de Nederlandsche vrouwen.
Op den top der eere staat.
■242
DAAK IS IETS TINTLIGS IN DIE OOGEN. —
243
INVLOED, ENZ.
DAAR IS IETS TINTLIGS IN DIE OOGEN.
Daar is iets tintligs in die oogen,
Iets donzigs op die rozewang;
Daar gloort iets wonders op de tippen Dier vriendlijk lachelende lippen,
Bereikbaar door penseel noch zang.
Daar klopt een hartjen in dien boezem,
Zoo vol gevoel, zoo zacht en goed. Zoo rein in wenschen en begeeren. Zoo buigzaam voor den wil des Heeren, Dat die het kwetsen kon of deren Zichzelf geheel verachten moet.
INVLOED.
Die invloed hebben kan en wil, bedenke steeds:
Daar is iets sterkers dan mijn invloed: de invloedvrees.
VARUS MODIS - MALE FIT.
Gij wilt slechts blindelings gelooven. En schuwt het onderzoek, en ducht er d1 uitslag van.
„Het mocht u de gerustheid rooven!quot;
Maar dit is uw manier van twijflen, beste man.
BEKEERING OF BEKEERDHEID?
Wel hem die zich bekeert en blijft bekeeren. \'k Acht Bekeering hoog, maar houd bekeerdheid voor verdacht.
THE PEN IS MIGHTIER THAN THE SWOKD.
VACANTIEWERK.
De tijd moet ons niet altijd kort, Behoort ons somtijds lang te vallen.
Opdat er tijd gevonden word\'
Voor wat het noodigst is van allen;
En daarom dient er niet gemord, Mijnheer met groot beslag van zaken, „Waar gij niet uit of door kunt raken!quot;
Zoo God u eens op \'t ziekbed stort, Om voor dat noodigst plaats te maken.
THE PEN IS MIGHTIER THAN THE SWORD.
Bülwee.
„De pen is machtiger dan \'t zwaardquot;
Heeft hij verklaard,
Wiens pen reeds merklijk wordt vergeten;
Maar toch, dit woord is alles waard. Hoezee, hoezee ! mijn prulpoëten!
De pen is machtiger dan \'t zwaard.
De pen; uw pen; die stalen punt.
Die gij vergunt Haar weg te gaan met sierlijk horten
En stooten, is \'t er op gemunt,
Kan staat en tronen in doen storten! Met haar is \'t grensloos wat gij kunt.
Een tooverstaf, een geeselroê (Gij weet wel hoe!).
Een toorts tot barnen, of verlichten:
Aan u staat wat ze worde of doe —
En wil \'t niet lukken met Gedichten:
Zoo leg u oij het Dagblad toe.
244 VACANTIEWERK. —
UW HART IS IN UW OOGEN. — BLOEMENDAAt..
UW HART IS IN UW OOGEN.
Uw hart is in uw oogen,
Een hart vol liefde, een hart vol gloed Voor al wat schoon is, groot, en goed. Een hart vol mededoogen.
Een hart vol kracht en moed.
LTw hart is in uw oogen;
Uw oogen stralen tot in \'t hart. Tot diep in \'t innig hart; wie tart Hun wonderbaar vermogen. Wanneer gij ze openspart\'?
En zijn ze neergeslagen :
Wie bukt niet voor de stille macht Dier zedigheid die, rein en zacht.
Niet droomt van te behagen.
En \'t doet met dubble kracht?
Maar doet een traan ze zwellen. Te lang verdrukt, vergeefs geweerd: Wien breekt het hart niet, wie begeert Niet naar u toe te snellen. Te vragen, wat u deert\'?
BLOEMENDAAL.
AAN IDA EX CORNELIA TE MAEEZ OYENS.
\'k Tel achtenzestig jaar. \'k Verjongde vijftig jaren. Toen ik omringd van liefde, schoonheid, deugd. En vriendschap die veel jaren heugt,
Lief lustoord van mijn vroegste jeugd.
245
bloemendaalu
Bekoorlijk Bloemendaal! Uw bosschen door mocht wareu,
Mijn groenen duinkant wederzag,
En van des Blinkerds top mijn grijze stad aan \'t Sparen Begroette met een stillen lach!
„Daar heb ik eerst om honig uitgevlogenquot;
Omtrent dien oeverrand,
Met ruischend riet beplant,
„En als een bie violendauw gezogenquot;.
Daar werd me de eerste vonk in \'t hart gegeven Van \'t vuur dat, eens ontgloord,
Verdoofd wordt noch gesmoord.
En \'t aanzijn tot geen durkn maakt, maar leven.
Daar heb ik eerst de knie voor God gebogen:
Daar is mijn ziel ontwaakt Voor wat gelukkig maakt,
En \'t leven in doet zien met moed in de oogen.
O Dierbre Stad, wat al herinneringen.
Verdrongen zich verward En prikkelden mijn hart.
Op nieuwen toon uw ouden lof te zingen!
Daar laagt gij, met uw kerken, met uw huizen. Omringd van beemd en bosch In rijken najaarsdos.
En \'k zou uw heerlijke omstreek weer doorkruisen;
Weer dwalen onder \'t eik- en olmenlommer, Het beuk- en berkengroen.
Zoo als het grijsaards doen.
Die daar hun jeugd hervinden vrij van kommer.
Nog prijkten met hun kronen de oude stammen. Beschaduwend het pad.
Waar \'k op en neder trad.
Als in mijn borst het dichtvuur op kwam vlammen.
Een jonger teelt was naast hen opgeschoten.
Maar stond, zoo docht het mij.
Met eerbied aan hun zij Slechts ijvreud onderling met frisscher loten.
toeeigenino.
En de eigen bloemen lachten, steeds herboren, Van de eigen plaatsen me aan,
Waar ik ze \'t eerst zag stapn.
En lonkten zoo vertronwlijk als te voren.
De tijd is ver. Waar zijn mijn jonglingsdagen V Mijn mannenleeftijd nijgt ïen ouderdom; reeds stijgt De nevel op, dien niemand kan vertragen.
Maar ik ook blijf het hoofd naar boven steken; Ook mijn stam is niet zwak.
Al brak wel menig tak Ontijdig af en liet een jammerteeken.
En \'t jong geslacht, dat \'k om mü zag verrijzen. En eens mijn plaats vervult.
Betoont geen ongeduld.
Verveel ik niet, maar blijft mij eer bewijzen.
En o! wat rijke schat van blijde bloemen. Die liefde groeien doet,
Bloeit vroolijk voor mijn voet,
En doet mijn hart de hoogste liefde roemen;
Die hoogste liefde, die mij schraagde en leidde. En, na zoo menig vreugd.
Mij in dit Eden mijner jeugd,
In \'s levens laten herfst nog lentevreugd bereidde.
toeüigesixg.
Gij jongste Telgen, aan een Stam ontsprongen. Mijn vriendenhart zoo dier.
Aanvaardt dees klanken van mijn lier. En denkt: „ook wij, wij deden hem verjongen.quot;
Sept. 1882.
247
DE OUDE OLM BIJ KRAANTJE-LEK.
„KRAANTJE-LEKquot;,
aan den voet van den Blinkerd, bij Haarlem*
■Ja, \'t is nog \'t oude Kraantje-lek\') Vaak door mijn voet betreden, Behelzende in beknopt bestek Tal van vermaaklijkheden. De wipplank hier, de schommel daar,,\' En gij, mijn Olm, die honderd jaar Het voorbeeld hebt gegeven;
Van op de schors te leven!
Uw Blinkerd;), door Van Walré\'s lied
Zoo luid en hoog geprezen,
Is sedert lang de Blinkerd niet.
Waarvoor zijn zangen rezen. De mensch heeft hem te zeer geplaagd, Zijn hooge schedel is verlaagd,
Zijn romp ineengezonken,
Zijn lenden zijn geslonken.
Maar gij, hoe hol, heft nog de kruin.
En draagt uw eeuwen prachtig! C4een storm, die aanrukt over \'t duin,
Geen tijd is U te machtig.
Voor zestig jaren kende ik u;
Toen waart gij reeds zoo hol als nu. En nu, indien \'t kan wezen, ! Nog groener dan voordezen.
De schoolknaap, met zijn kameraads
Naar Kraantje-lek getogen.
Zag in dien hollen stam een plaats. Begeerlijk in zijn oogen.
248
DE OUDE OLM BIJ KRAANTJE-LEK.
Hij daalde, als in een levend graf,
Met zingen en met fluiten — Gij kondt er vier besluiten.
De grijsaard, zestig jaar daarna.
Stapt weer uw heiligst\' binnen.
Genoodigd, volgen hem weldra Twee jeugdiger vriendinnen.
Mijn kraantje-leksche wonderboom! Wij konden \'t wel ontwaren Aan \'t raatlen van uw blaren.
Blijf lang nog frisch en vol van kracht, Schoon holste van de hollen!
Beschaam, door kroon en bladerpracht. De volste van de vollen!
Blijf, door herbergzaamheid, de vreugd
Van Haarlems wandelgrage jeugd. En, hoe ook stormen razen. Elk nieuw geslacht verbazen!
OPHELDERING-EN.
1) KRAANTJE-LEK.
— „de oude herberg „het Kraantje-lekquot;, het paradijs der Haarlemsche jeugd. quot;Daar staat een der oudste en merkwaardigste voortbrengselen van het plantenrijk in Haarlems omstreken, een holle iep (l\'lmus suherosa L,) wiens korte stam een verbazenden omvang bezit. De boom is geheel hol, en uit zijn dikke, bouw-valachtlge wanden groeijen van boven dikke takken en vormen een breede groene bladerkruin, zoodat hij in de verte gaaf schijnt. — Deze boom is een der dikste van Haarlems omstreken. — Te midden van het gulle zand, aau den voet van den stuivenden Blinkert, staat deze kolos daar als het prachtigste monument van het oude Haarlemsche woud.
De stam heeft een omvang van 6 Ned. el, en de ouderdom des booms wordt door de bewoners van het oord gerekend op 500 jaren, welke berekening niets onwaarschijnlijks heeft. Hij is de laatste van een groep dikke boomen, waarvan in het begin dezer eeuw nog twee aanwezig waren; zijn takken moeten nog voor vijftig jaren een verbazenden omvang hebben gehad. —
Kraantje-lek ligt aan den noordelijken uithoek van eene schilderachtige duinvlakte, vroeger uitgestrekter, lager, en met een waterplas, het Volmeer, bedekt,
249
DE OUDE OLM BIJ KRAANTJE-LEK.
waaruit waarschijnlijk de Haarlemsche Beek haar oorsprong nam. Ook hier heeft men verondersteld, dat een heiligdom onzer voorvaderen geweest is, en in deze veronderstelling ligt niets ongerijmds. Ja, ik zou in het denkbeeld kunnen komen, dat hier in het bosch bij het meer, en op weinig afstand van de zee, de eerste tempelhut of ïïarah ter eer van moeder Aarde in deze streken is gevestigd geworden. De Zeeuwsehe volksgodin had ook haar heiligdom aan den zeekant. Bij het volk is Kraantje-lek sedert onheuglijke tijden als plaats van vermaak in hooge eer.
En gelijk wij in onze bosschen nog de bloemen van het oude woud terugvinden, zoo zien wij-bij het Haarlemsche volk, in zijn vrolijke togten naar Kraantjelek en in het vieren van den Hartjesdag de sporen van de voormalige eeredienst van de Aarde, Hertha, onze groote en goede moeder.
Kraantje-lek, even als het Volmeer, is een der gedeelten van de oude woudstreek, die het laatst door het zand der duinen zijn ondergestoven, en de dikke boom is daarom een zeer merkwaardig overblijfsel uit den woudtydquot;.
F. W. van Eeden, De Bosschen van Kennemerland: in het Album der Natuur, Jg. 1867.
Di: BLINKERD.
De Haarlemsche Dichter Jan Yan Walré schreef in 1825 zijn „Ode aan de Blinkertquot;.
„Hef. blanke Corusca! uw luisterrijk hoofd,
Siciliê\'s Etna ten trotsquot;; enz.
Toen mocht nog
„(Haar) aanzien, (haar) vastheid, schoon los en als stofquot;
250
de lier „tot haar lofquot; stemmen, en eenige waarheid zijn in de verzekering:
Uw wondere kracht, die Eool niet ontziet. Vreest ook geen Orion, Zeus donder zelfs niet.
Ik was toen elf jaren oud en zou het onderschreven hebben. Voor dertig jaar zag ik nog weinig \\erandering. Maar in de laatste jaren is de, toen nog zoo hooge en steile zandheuvel, op schromelijke wijze afgeloopen, mij dunkt, wel een vierde lager en zyn kruin veel vlakker geworden.
AAN DEN PREDIKANT J. MOLL JBZ. — WIJ VERGETEN. 251
heeft deze men,
ei\'Ste AAN DEN HOOGST EERWAARDEN HAAGSCHEN\' PREDIKANT
stlgd kant.
lk | J. MOLL J Bz.,
viu-
atJ0quot; op den dag, waarop hij zijn zestigjarigeu evangeliedienst lierdacUt.
enst
0,nd- (13 Oct. 1882.;
ikke
De Man, die zestig jaar het Heilwoord mocht verkonden. Die liefdevol en onverpoosd Eeu troostbehoevend Adamskroost.
Te midden van zijn leed en zonden.
Getroost heeft met den besten troost.
Ook door hemzelven troost bevonden;
De trouwe Herder, steeds zichzelf gelijk In stillen ernst, zachtmoedigheid, en wijsheid,
Ontvange op \'t hooger feest, dat God gunt aan zyn grijsheid. Bij die van duizenden, mijn groet en eerbiedsblijk!
WIJ VERGETEN.
Wij vergeten; God gedenkt.
Onze daden, onze woorden.
Die wij uiten, die wij smoorden.
Wat gegriefd heeft, wat gekrenkt. Wat ons kort slechts heeft gespeten,
Kort vervuld heeft met berouw. Waar we al lang niets meer van weten, Schoon \'t „ons altijd heugen zouquot; ... God gedenkt het — wij vergeten.
Wij vergeten; God gedeukt. God gedenkt, en doet gedenken Door zijn woorden, wegen, wenken.
Door de teugen, die ons drenken Uit den beker, dien hij schenkt.
252 WEES STERK EN HIJ ZAL UW HART VERSTERKEN.
Wel dengene, wel dien allen,
Die het in de schuld doet vallen,
Als Hii ernstig brengt aan \'t licht \'t Lang vergeetne, fraai verbloemde, \'t Met zoo schoonen naam vernoemde, En \'t geheugen tot zijn plicht! Wel hem, die zichzelven richt; Die ootmoedig wil beweenen. Met verschoonen, niet verkleenen
Wat hem God herinnerd heeft. En geen troost heeft dan dien eenen: God vergeet niet, maar — vergeeft!
AVEES STERK EN HIJ ZAL UW HART VERSTERKEN.
(Psalm XXVII, v. IJ.)
Wek op de kracht, die in u is.
En God zal grooter geven;
Die steunt op zijn Getuigenis,
Dien wordt het geest en leven.
Verhef uw stem.
Roep uit tot Hem,
Toon moed, om moed te erlangen! Bezittenden ontvangen.
Maar buk u over d\' afgrond niet.
Noch drentel op zijn boorden!
Hij trekt, die in hem nederziet Mot zjin onzichtbre koorden.
Zie naar de rots.
En laat niet los Die onontbeerlijke armen,
Die steunen en beschermen!
Die mijmrend met de Wanhoop speelt, Zal haast wanhopig worden.
Hot apostolisch woord beveelt
Dat we ons de lenden gorden.
253
EEN VRAAG. —
VRIJE GEMEENTE.
VERDRAAGZAAM. —
Richt ze op, en zie!
De slappe knie, Verlamd door twijfiig vreezen, (God wil het!) is genezen.
VERDRAAGZAAM.
Aan * * *
Gelooven wilt gij niet, noch dulden dat men \'t doe;
Dit heet verdraagzaam zijn; maar wat verdraagt ge, en hoe ?
EEN VRAAG.
Een nieuwe Wet, meer Leeraars, en meer Vakken, Zou dat niet goed, zou \'t niet prohatum zijn? Of is \'t wellicht een overvloed van wijn (Nieuw, oud, rood, wit, gewoon, en fijn) Uitgieten in — te kleine zakken?
VRIJE GEMEENTE.
„Vrije Gemeente!quot; \'t Klinkt wel zoet. Maar laat ons zien: Ben ik niet vrij genoeg, als ik mijn Heiland dien?
PROBLEEM. — AAN J. P. HASEBROEK.
PROBLEEM.
(SONNET MET OVERSCHARIGEN VERSREGEL.)
LotVeednaars van het Vroegre zijn verdacht; Zij maken zich illusies van \'t Verleden:
-Hun jeugd viel in den goeden tijd — maar \'t Hedenquot; Zal ook zoo schijnen aan hun nageslacht.
Hoe komt het? heb ik menigmaal gedacht,
Ligt in den mensch of buiten hem de reden?
Toont zelfbedrog hier steeds op nieuw zijn kracht? Of krimpt de maatstaf in van deugd en zeden?
Zal wat nu treurig schijnt, na dertig jaar Verdraaglijk zijn, voor die \'t gelijken mogen Bij \'t geen zich dan zal opdoen aan hun oogen.
Of is \'t een waan, verbeelden zij \'t zich maar ?
Is dat het altijd heter ivorclt een logen,
Of dat het altijd slechter gaat niet waar?
Een stem verheft zich: „Noch het een, noch \'t aar!quot;
AAN J. P. HASEBROEK.
OP ZIJN ZEVENTIGSTEN VEE-JAARDAG.
Heil mij, die u, op dezen schoonen dag.
Den groet eens Vriends, eens Broeders zenden mag
Die vijftig jaar heeft aan uw zij gestaan.
Des levens school met u is doorgegaan;
Bij \'t eigen Licht, bij \'t eigen Brood geleefd.
Een zelfde zucht in \'t hart gekoesterd heeft,
En nu, daar beider dag ten avond helt.
Met de eigen ernst en troost zijn uren telt!
Hij dankt u voor een vriendschap, voor een trouw.
Hij weet het, wie geen proef ontzetten zou.
254
zware proef. — kleurloos ex kleurloos is twee. 265
Tot iedre hulp, ook ongevraagd, bereid,
Van afgunst vrij en van kleingeestigheid.
En die, wat zwichten mocht voor tijd of lot.
Nu half een eeuw verduurd heeft, dank zij God! Hoe heugt hem nog die Februaridag,
Die hem voor \'t eerst met u te zamen zag,
Die dag, dat uur, waarin het schoon verbond Door ons niet werd gesloten, maar ontstond. Dat, nooit geschokt en nooit gekrenkt, van jeugd Tot ouderdom ons leven heeft vervreugd, En ongeschokt zal blijven, ongekrenkt,
Zoolang Gods gunst dat leven nog verlengt.
En zou de dag des doods — we ontveinzen \'t niet: Hij nadert uit een niet meer ver verschiet, —
De dag des doods \'t verijdlen?... Christen-Vkind ! Daar is iets eeuwigs in wat ons verbindt.
6 Nov. 1882.
ZWARE PROEF.
De jonge Man op eenmaal weggenomen.
De jonge Vrouw een Weduw, en haar Kind Reeds vaderloos, daar \'t leven pas begint — O Droefenis! O nacht, niet door te komen!
Ja toch! — Door \'t hart dat God, het ga hoe \'t ga, bemint,
Wordt uit de wolk zijn Vaderhand vernomen. Die ze aangrijpt voelt een kracht die Alles overwint.
Deo. 1882.
KLEURLOOS EN KLEURLOOS IS TWEE.
Het Licht is wit; Kleur is op weg naar \'t duister.
Hoog rood is donker rood ; diep blauw is donker blauw. Het kleurloos wit is schoon door reinheid, glans en luister: Niet wat gij kleurloos heet, maar vaal is, dof en grauw.\'
HEBBENDE EEN ZWAARD*\', ENZ.
MISUEKEKISG. —
TIJS EN GIJS. —
MISREKENING.
Hij zal zich in \'t effect vergissen,
Die alles schildren wil wat schoon is in \'t model.
Uitvoerig kunstnaar! weet het wel:
\'t Geheel van \'t schoone wint, door iets te willen missen.
TIJS EN GIJS.
Onwetend zijn zij beiden.
Toch zijn zij te onderscheiden,
En door geen klein verschil,
Daar Tijs \'t niet weet, en Gijs \'t niet weten wil.
„HEBBENDE EEN ZWAARDquot;.
Hij had een zwaard, en trok van leer, En vond berisping bij zijn Heer.
\'t Was ook verkeerd; dat weten we allen. Maar om dien Broeder hard te vallen, Is \'t noodig dat men eerst eens ziet Of men er ook een heeft, of niet.
WAT ZOEKT GIJ?
Wat zoekt gij? Zegepraal? Of Martlaarschap? Een Kruis? Een Kroon? — Zoek niets. Vervul uw plicht. Betreed een donkren weg met vasten stap,
En ga op niets af dan — op \'t Licht.
beseffen. — gij schittert.
BESEFFEN.
\'k Heb in mijn hart een diep besef ,T.^ai? vee^ m.et geen woorden tref,
Niet in kan sluiten in begrippen;
Toch laat ik dit besef niet glippen.
Noch dalde dat het iemand krenk\'.
Maar eer het als een Godsgeschenk.
GIJ SCHITTERT.
Gij schittert, maar verrukt ons niet, Hoe schittrend gij ook zijt.
Uw blinkend woord, uw klinkend lied Verkwikt niet, noch verblijdt.
Gij toont u rijk, en laat ons arm;
Gij gloeit, en maakt geen onzer warm.
Hoog vliegt gij op verbeeldings vlerk. Hoog boven aarde en zee.
Wij zien u na door \'t luchtig zwerk: Maar niemand voert gij mee.
De hoogste kracht op \'t kunstgebied
Ontzet ons, maar ontroert ons niet.
Vergeefs voor haar bewonderaar Met gouden luit gepraald!
De snaar toch, die de hartesnaar In ons doet aanslaan, faalt.
De rijkste tonen zijn verspild,
Waar deze snaar niet medetrilt.
Groot Kunstnaar, wil gij Dichter zijn: Wees met ons jienscii! — Gevoel
Eens menschen harte-vreugd en pijn, Üf alles laat ons koel.
Vertolk wat in ons lacht en schreit;
En oogst den traan der dankbaarheid
257
AL TE FEL. — RAADSELS.
AL TE FEL.
„Dat gij mij liefliebt, weet ik niet, „En wil er niets van weten;
„Zoo gij \'t mij toezingt in een lied : „Ili zal dat lied vergeten.
„Zoo gii mij zendt uw quot;beeltenis:
„Ik zal dat beeld verscheuren;
„En zegt men dat dit jammer is:
„Ik zal het nooit betreuren.
„Indien ik hoor: hij maakt het hof „Aan een der schoonste schoonen:
„Ik zal uitweiden in haar lof „En mij verheugd betoonen.
„En dreigt gij mij: „„Ik ga naar West „„Of Oost, om nooit te keeren!quot;quot;
„Zoo zal ik zeggen: Opperbest!
„En wel te diverteeren!quot;
Zoo sprak ze en dacht, ze meende \'t wel, Als honderdduizend vrouwen.
De minnaar dacht: „\'t Is al te fel, „Ik meen maar vol te houen.quot;
RAADSELS.
Uit het Fransch.
Mijn lijf is saamgesteld uit enkel lange graten;
Ik ben mijn leven lang vel over been geweest;
\'k Blink in gezelschap uit; elk vreest mij thuis te laten,
En \'t kan zoo warm niet zijn of \'k draaf van feest tot leest. Waar ik me ontspan, daar geef ik andren groot genoegen; Ik weet me, in plooi bij plooi, naar ieders wensch te voegen:
258
SPREEKT UW HART. —
Een enkle zenuwdraad vereenigt al mijn leên, En \'t scheidt of schaadt ze niet, al gaan zij vaak uiteen. Ik kan niet bogen op de omzichtigheid der slangen,
Maar soms verwissel ik, gelijk de slang, mijn huid; En heeft de nieuwe tooi den ouden dos vervangen,
Geen mensch herkent mij meer, zoo nieuw zie ik er uit.
II.
Men kan mij krijgen voor een mijt;
Maar heeft men mij, \'t kost zorg en tijd;
Die mij verliest, verteert van spijt;
En wint men mij, men is mij kwijt.
III.
^Gerieflijk, maar vreemdsoortig vriend.
Die, schoon \'t in strijd met alle leer is,
Tehuisblijft, als de zon ons dient.
En voor ons opkomt, als \'t slecht weer is.
SPREEKT UW HART.
Spreekt uw hart voor iets goeds:
Kort en goed zij \'t beraad. Paar de daad aan \'t besluit. Huw \'t gebed aan de daad.
ist.
CASUSPOSITIËN.
Wat nood is \'t mijn gemoed met vragen te doorwoelen: „Zoo dit gevorderd wordt, zoo dat met u geschiedt, „Zult gij de kracht er toe bezitten, al of nietquot;? — Den plicht kan ik altijd, de kracht eerst dan gevoelen. Als \'k haar behoeven zal, omdat de plicht gebiedt.
CASUSPOSITIËN.
AL TE FEL. — RAADSELS.
AL TE PEL.
„Dat gij mij liefhebt, weet ik niet, „En wil er niets van weten;
„Zoo gij \'t mij toezingt in een lied : „Ik zal dat lied vergeten.
„Zoo gi] mij zendt uw beeltenis:
„Ik zal\' dat beeld verscheuren;
„En zegt men dat dit jammer is:
„Ik zal liet nooit betreuren.
„Indien ik hoor: hij maakt het hof „Aan een der schoonste schoon en:
„Ik zal uitweiden in haar lof „En mij verheugd betoonen.
„En dreigt gij mij; „,Ik ga naar West ,,0f Oost, om nooit te keeren!quot;quot;
„Zoo zal ik zeggen: Opperbest!
„En wel te diverteeren!quot;
Zoo sprak ze en dacht, ze meende \'t wel. Als honderdduizend vrouwen.
De minnaar dacht: „\'t Is al te fel, „Ik meen maar vol te houen.quot;
RAADSELS.
Uit liet Fransch,
Mijn lijf is saamgesteld uit enkel lange graten;
Ik ben mijn leven lang vel over been geweest;
\'k Blink in gezelschap uit; elk vreest mij thuis te laten.
En \'t kan zoo warm niet zijn of \'k draaf van feest tot teest. Waar ik me ontspan, daar geef ik andren groot genoegen; Ik weet me, in plooi bij plooi, naar ieders wensch te voegen:
258
SPREEKT UW HABT. — CASUSPOSITIEN. 2-59
Een enkle zenuwdraad vereenigt al mijn leên, En \'t scheidt of schaadt ze niet, al gaan zij vaak uiteen. Ik kan niet bogen op de omzichtigheid der slangen,
Maar soms verwissel ik, gelijk de slang, mijn huid; En heeft de nieuwe tooi den ouden dos vervangen,
Geen mensch herkent mij meer, zoo nieuw zie ik er uit.
II.
Men kan mij krijgen voor een mijt;
Maar heeft men mij, \'t kost zorg en tijd;
Die mij verliest, verteert van spijt;
En wint men mij, men is mij kwijt.
III.
Gerieflijk, maar vreemdsoortig vriend.
Die, schoon \'t in strijd met alle leer is,
Tehuisblijft, als de zon ons dient.
En voor ons opkomt, als \'t slecht weer is.
SPREEKT UW HAKT.
Spreekt uw hart voor iets goeds:
Kort en goed zij \'t beraad. Paar de daad aan \'t besluit. Huw \'t gebed aan de daad.
CASUSPOSITIËN.
Wat nood is \'t mijn gemoed met vragen te doorwoelen: „Zoo dit gevorderd wordt, zoo dat met u geschiedt, „Zult gij de kracht er toe bezitten, al of nietquot;? — Den plicht kan ik altijd, de kracht eerst dan gevoelen. Als \'k haar behoeven zal, omdat de plicht gebiedt.
godsdienstig leven.
260
— dat telt al\'.
GODSDIENSTIG LEVEN.
Wat \'s, boven lof en blaam ootmoediglijk verheven.
Schoon duurzaam voorwerp van veel spots, Wat is \'t godsdienstig, dan \'t geheiligd zeedlijk leven, Ontkiemd op d\' akker der genade Gods; Opgroeiend tot Gods eer,
In alle wind en weer;
Geteisterd zonder schade, en vruchtbaar zonder trots.
DAT TELT AF.
Dat telt af, dat telt ap ! Zegt de klok als zij slaat,
Zegt de dag als hij gaat.
Zegt de scheidende nacht. Daar een volgende op wacht, Die, als hij weder daalt, De eigen woorden herhaalt. Dat telt af ! zegt de week, Die zoo spoedig verstreek. Dat telt af ! zegt de maand. Uit en om, eer gn \'t waant. Sint Silvester is daar: Dat telt af!_ zegt het jaar. Als het wegzinkt in \'t niet Met zijn vreugd en verdriet. Vang het nieuwe jaar aan Met ter kerke te gaan;
Stel het feestelijk in Met uw bloeiend gezin, Met uw vrienden, geschaard Om uw lustigen haard.
Waar gij roemt in het lot U beschoren door God;
Waar gij \'t goede geniet, Dat het heden u biedt.
En bij voorbaat reeds smaakt Wat gij hoopt en naar haakt
een nteuw lied voor het nieuwe jaar.
En van \'t leven verwacht In Uw manlijke kracht, Met dien vroolijken moed, Die u tintelt in \'t bloed, — Is die feestdag voorbij, Dat telt af! zegt ook hij.
Van de wieg tot het graf, Een gestaag; dat telt af : Wee! die \'t hoort, en niet telt. Wee! wien \'t pijnigt en kwelt. Wel! die \'t hoort en verstaat, Wien het loutert en baat.
Kortste dag.
EEN NIEUW LIED,
OP EES OUD REFEREIN
VOOR
HET NIEUWE JAAR.
Het Oude Jaar is in het niet verzonken.
God geeft een nieuw: gij zaagt zijn morgenlicht; Met nieuwe kracht heeft u de slaap beschonken ;
Ontwaak dan nu, sta op, en doe uw plicht!
Dank God! Gij hebt het menigmaal vergeten
Of flauw gedaan, en later weer geklaagd. Bid God! Hij wil uw Vader zijn geheeten,
Maar eischt van u dat ge u als kind gedraagt.
\'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goed in \'t Nieuwe Jaar.
Geef eer dien God, die tegen \'t kwaad beveiligt, Die goed leert doen en \'t booze hart herschept. Met woord en daad zij voorts zijn Naam geheiligd. Hij weet hoe vaak gij dien ont-heiligd hebt.
261
EEN NIEUW LIED VOOK HET NIEUWE JAAR.
Hij bouwt zijn Rijk; gij, bid dat het moog komen!
Bouw meê met God, en dien hem van uw goed! Wat gij hem geeft, is uit het Zijn\' genomen; Onthoudt gij \'t hem: het brandt u op \'t gemoed, t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goed in \'t Nieuwe Jaar.
Gods wil geschiedt; zijn Raad moet zich voltrekken;
Buig voor dien wil in alles wat hij brengt!
Door lief en leed zal \'t al ten zegen strekken Voor wiens geloof zijn liefde niet verdenkt. Hij geeft, hij neemt; in geven en ontnemen
ïs hij de God, wiens hand zich nooit vergist. Wacht, wacht uw ziel ziel voor vragen of bevremen! Reeds veel te veel heeft zij met God getwist. , \'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goéd in \'t Nieuwe Jaar.
God zal voorzien; zijn trouwe hand zal zorgen;
Wees slechts tevreên met uw bescheiden deel! Bekommer u niet om den dag van morgen;
Maar bid en werk en kies \'t genoeg voor \'t veel! Wees goed, als God, en toon, als hij, erbarmen
Voor al wat lijdt en zwak is, kleen of krank; Gedenk den wees, der weduw, en den armen;
Strooi uit en deel, en vraag naar loon noch dank! \'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad! doe goed in \'t Nieuwe Jaar.
Gij wenscht dat God uw zonden moog vergeven:
Ontveins dan niet, belijd, betreur uw schuld! Vergeef ook gij, die tegen u misdreven;
Laat los, geef toe, verdraag en toon geduld! Geen dag, waarin Gods gunst u toe mocht stralen. Geen zon, die u verkwikt heeft door haar gloed, Moet in dit jaar voor u ter kimme dalen.
Of, was er toorn, hij week uit uw gemoed.
\'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goed in \'t Nieuwe Jaar.
Het kwaad besmet; de wereld spreidt haar strikken;
Mistrouw uw hart; het is niet wat het lijkt; De booze werkt door vleien en verschrikken;
Bidt God dat ge in verzoeking niet bezwijkt!
Zijne is de kracht, niet uwe; Hem zij de eere.
262
walter scott.
Zoo ge in den strijd manhaftig weerstand doet; Leef wat gij leeft in \'t Nieuwe Jaar den Heere, En sterf in Hem, indien gij sterven moet!
\'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; wees goed in \'t Nieuwe Jaar.
Dec 1882.
Niemand randt mij strafloos aan Zie ik om den Distel staan.
Schotland! op uw wapenborden;
Maar de distel werd een bloem.
Sinds die eene Schot de roem Van heel Schotland is geworden;
Werd een bloem, die ieder prijst,
Ieder gunst en eer bewijst,
Waard acht in den krans te prijken, Waar de Brit zich op verheft.
Die de Shamrock overtreft.
En de Koos niet hoeft te wijken;
Sinds, door proza en door dicht,
Deze Schot het luistrijkst licht
Op uw land en voïk deed dalen; \'t Land der neevlige Ossians,
\'t Land van Burns, met nieuwen glans. Als het land van Scott deed stralen;
Waar King Arthur van zijn Seat Op Edina nederziet.
Fier dat hij er \'t licht aanschouwde; Waar het Dryburgh\'s grafgesteent Plaats gaf aan \'t geliefd gebeent,
Daar heel Schotland over rouwde;
•263
walter scott.
Waar dat Abbotsford verrijst, _
Dat hem als zjin schepper prijst
Met de bossohen die \'t omringen,
W aar zijn eiken frisch en groen,
Hunnen planter hulde doen,
Met zijn lauwren mededingen;
Waar van Melrose \'t overschot Met den tand der eeuwen spot,
Sinds zijn lied het heeft doen leven;
Waar Loch Katrin\'s blauwgroen nat Om het Ellens-eiland spat,
Trotsch dat hij \'t den naam mocht geven.
Hoog- en Laag-land, berg en dal,
Meer en stroom en waterval.
Waar de steile klippen rijzen,
Waar, voor uw ontroerd gezicht,
,\'t Schoon in d\' arm van \'t Schriklijk ligtquot;. Alles moet zijn Dichter prijzen.
Alles roept zijn Dichter uit Waar zich \'t vergezicht ontsluit,
En, voor uw verwonderde oogen,
Al zijn schoon zoo snel ontvouwt,
Dat het denkbeeld u benauwt:
\'t Wordt mij even snel onttogen;
Waar de herder in zijn plaid,
Door het dompig moerland treedt.
Hinde en hert den vloed doorwaden;
Waar de jachthoorn de echo\'s tergt.
Waar zich \'t bloode zeekalf bergt. Op Hebriden en Oreaden;
Waar löna\'s Kruisen staan,
Stafl\'a\'s orgeltonen gaan,
Zetlands ruige paardjes grazen;
Waar de Bals, de Bens, de Glens,
Duns en Kils een christemnensch Met hun vreemden naam verbazen ;
Waar de Clyde langs den voet Van Dumbarton zeewaart spoedt,
Stirling op haar Forth terneerziet;
Waar op \'t Slot de golfslag breekt.
Dat van schoone Mary spreekt En des Douglas\' zwijgende\' eerbied;
walter scott. 265
Waar de Tay, langs \'t bloedig veld,
Van Clan Chattan\'s neerlaag meldt
En aan \'t schoone tind doet denken,
Dat door Falklands torenspleet,
Sohotlands Prins herleven deed,
Maar de kracht niet -weer kon schenken;
\'t Slagveld, dat elks eerbied wekt,
\'t Kerkhof, dat de martlaars dekt,
Kerkers waar zij in bezweken.
Koningshof en ridderslot.
Kerk en klooster, groeve en grot,
Alles spreekt van Walter Scott,
Die van Schotland heeft doen spreken :
Spreken heel de wereld rond.
Van den vaderlandsohen grond
Tot de verst verwilderde oorden;
Waar de Ganges \'t Zand verplaatst,
Waar de Missisippi raast,
Diep in \'t Zuiden, hoog in \'t Noorden. —
Laat dan, Schotland! op uw schild.
Zoo ge uw Distel houden wilt,
Aan zijn stekels \'t cijfer hangen Van uw beste\' en grootste vrind;
Niemand die mij niet bemint
Mag er de oude spreuk vervangen.
OPHELDERI NGE N.
1ste Coupl. Niemand enz.
Nemo mo impune lacescit,
•3cie Coupl. De Shamrock, een klaverblad, zinnebeeld van Ierland; de Roos, zlnne-beeld van Engeland.
4de Coupl. Arthur\'s Seal (spr. uit sief): een der drie bergen, die Edinburg omringen; en wel de hoogste, ten oosten. „Lofty and craggy hill, silent and solitary as the grave.quot; Walter Scott. Zie Thr Hcarl of Mid-Lothian.
WALTER SCOTT.
Dryhiirgb\'s grafgestecnt. Walter Scott, geb. 15 Aug. 1771, overl. 21 Sept. 1832, werd 26 Sept. 1832 begraven in de schilderachtig gelegen ruïne van de Abdy van Dryburgh, overeenkomstig een oud recht zijner familie. „The grave was worthy of a poet — was worthy of Scott. — And so there he lies, amidst his own loved scenes, awaiting throughout the duration of time the visits of yearly thousands.quot; E. Chambers.
5de Coupl. Waar zijn eiken. — Met zijn lauwren mededingen.
„My oaks will outlive my laurels,quot; schreef Walter Scott eens aan een zijner vrienden. Maar op zijn eeuwfeest, in 1871 gevierd, aarzelde ik niet uit te roepen: „Daar tart ik ze toelquot; Zie mijne Sparsa, bl. 416.
6de Coupl. Waar van Melrose (spr. uit Melrooz) \'t overschot.
De schoone ruïne van de Abdy van Melrose, zoo verheerlijkt door zijn Laif of the last Minstrel.
Loch Katrine.; een der schoonste, tusschen hooge bergen ingesloten, meren van de Hooglanden, tooneel van Scott\'s Lady of the Lake.
Ellen\'s eiland; naar de heldin in dat dichtverhaal.
7de Coupl. \'t Schoon in d\' arm van \'t Schriklijk.
„Beauty lying in the lap of Terrorquot; heet het van het schoone Perthshire met de woorden van den dichter Gray.
«of/i fioiTnl Al zijn schoon zoo snel ontvouwt,
Dat het denkbeeld u benauwt:
\'t JFordt mij even snel onttogen.
I recollect pulling up the reins without meaning to do so, and gazing onquot; the scene before me as if I had been afraid it would shift like those in a theatre before I could distinctly observe its different parts, or convince myself thaf what I saw was real.quot; Zoo schreef Walter Scott, ditmaal onder het masker van Chrystal Croftangry, met opzicht tot het panorama van het Tay-dal, als het zich plotseling in al zijn schoonheid, van eene besto-gene hoogte, aan zijne oogen vertoonde. Fair Maid of Ferth. Ch. I, Ik ben in den zomer van 1881 in de gelegenheid geweest de gewaarwording op de plaats zelf te verifiëeren.
10de Coupl. Föna, Staffa.
Twee eilanden, behoorende tot de Hebriden: lüna, beroemd en gezegend als het eiland van Columba, den apostel der Schotten en Pieten, en vol van de merkwaardigste overblijfselen uit de oudste christentijden; en Stapa, onbewoonde bazaltklip, hoog oprijzende uit de zee, vermaard door den z.g. Fingals-grot, ter eere van den verdichten Ossian, bij accomodatie zoo genoemd, daar de eigenlijke naam Uagh-na-Bhine was, d. i. grot der muziek, naar de schoone galmen en geluiden, die de invallende winden er in opwekken.
lüna\'s Kruisen.
De merkwaardigste voorwerpen op het eiland zijn een soort van hooge steenen kruisen, van 11 tot 16 voet, sierlijk in bas-relief behouwen. Er moeten er vroeger tot 360 gestaan hebben. Zie Walter Scott\'s The Lord of the Isles, en de aanteekeningen op mijn opstel: lüna, in de Sparsa.
Waar de Bals, de Bens, de Glens,
Duns en Kils een christen-mensch Met hun vreemden naam verbazen.
266
WALTER SCOTT.
Bv. Ballalachan, Ben-muich-dhui, Glen Urquarth, Dun Dornadilla, Killie-crankie, en derg.
Bal is plaats, stad; Ben berg; Glen, kloof; Dun, versterkte heuvel; Kil, kluis, kerk.
11de Coupl. \'t Slot — Dat ran schoone Mary spreekt.
Het kasteel van Lochleven, midden in het meer van dien naam, waar Maria Stuart gevangen gehouden werd, en de jonge Douglas hare ontvluchting bevorderde. Zie Walter Scott; The Abbot.
12de Coupl. \'t Bloedig veld Van Clan Chattan\'s neerlaag meldt.
The Xorth Inch, een der twee uitgestrekte publieke grasvelden, ter weerszijde van het aan de Tay zoo schilderachtig gelegen Perth; waar, onder de regeering van Robert III, de beslissende stryd gestreden werd tusschen de kampioenen van Clan Kay en de kampioenen van Clan Chattar., die op de vernietiging van de laatste uitliep. Zie Walter Scott: The Fair Maid of Berth.
Falkland. Het kasteel van Falkland, waar de hertog van Rothsay (Schot-lands [erf-]prins) gevangen gehouden en uitgehongerd werd. Zie hetzelfde verhaal.
Üde Coupl. Waar de Ganges \'t zand verplaatst —
De hoeveelheid, dagelijks door de Ganges in de Golf van Bengalen afgezet, wordt in omvang en gewicht met die der „groote pyramidequot; gelijk gesteld.
267
ROSABELLA.
ROSABELLA.
Hoort toe, gij JuttVen, lief en schoon! Ik zing een bloedig wapenfeit;
Droef is het lied en zacht de toon, Die Rosabella\'s lot beschreit.
„Meer, kloeke Veerman, meer uw schuit! „En schoone Jonkvrouw, wacht uw voet! ,Stel d\' overtocht tot morgen uit;
„Waag u vandaag niet aan den vloed.
„De zwarte golf jaagt schuimend voort; „De meeuwen vliegen angstig rond; „De gil der meermin is gehoord, „Die schipbreuk, nood, en dood verkondt.
„Den grijzen ziener kwam vannacht „Een vrouw in druipend doodskleed voor; „Geef op zoo droef een voorspook acht; „Blijf hier, en zet de reis niet door.quot;
,,\'t Is om Lord Lindsay\'s erfzoon niet, „„Niet om den dans op \'t feestlijk bal; „„Maar om mijn moeder, wie \'t verdriet, „„Alleen te zitten in haar hal.
„„Denk niet, het mocht om \'t ringspel zijn, „„Waar Lindsay\'s zoon de kroon bij spant! „„Neen, maar mijn\' vader smaakt geen wijn „„Tenzij van Rosabella\'s hand.quot;quot;
\'t Kasteel van Roslin scheen dat urn-In wonderdadig licht te staan;
\'t Was breeder dan van \'t bakenvuur; \'t Was rooder dan de glans der maan.
ROSABELLA.
Het gloeide om Boslins steile rots, Het kleurde \'t braambosch in de glen; Men zag \'t van Drydens eikenbosch, En van \'t spelonkrijk Hawthornden.
Het gloeide om Eoslins slotkapel, Waar, ongekist en onbedekt. Elk Heer van Eoslin goed en wel Ligt in zijn rusting uitgestrekt.
Daar binnen scheen \'t op beuk en muur; Op \'t altaar; in de sacristy; De omkranste pijler blonk als vuur; \'t Lichtte, onder \'t wulf, de dooden bij.
Eu elke roos, aan boog en beer. Aan trans en tin, scheen bloedig rood — Als telken maal, wen ramp en nood Den Huize dreigde van St. Clair.
Zijn twintig Heeren zag dat Huis Uitdragen ter gewijder steê; Geharnast slapen ze in haar kluis; — Maar Rosabella slaapt in zee.
En geen St. Clair, \'t zij oud of jong, Is zonder lijkdienst heengegaan; — Maar Rosabella\'s doodlied zong De schorre meeuw, de wilde orkaan.
Naar Walteji Scott.
\'t Kasteel van liosslyn ligt op den rand van een steile rots, aan den oever van de Eek, een groote vier uur zuidelijk van Edinburg. Ik zag er in 1871 de uitgebreide ruïne van. Het werd in het midden der 15de eeuw gebouwd door William St. Clair, Prins van Orkney, Hertog van Oldenburgh, Graaf van Caithness en Stratherne, Lord St. Clair, Lord Niddesdale; etc. Dezelfde machtige edelman legde ook den grond van de in de nabijheid zich bevindende kapel, een meesterstuk van rijkversierde gothische bouwkunst. Zij is nog steeds in gebruik. De overlevering zegt dat zij, in de nachten vóór den dood van een der St. Clairs, zich voordeed als in brand te staan.
Dry den; een naburige Heerlijkheid, in \'t begin dezer eeuw in \'t bezit van John Mercer, zoon van Mercer of Pittchar in Perthshire: vroeger, als uit een zich daarop bevindend groot gedenkteeken blijkt, van „James Lockhart of Lee and Carnwarth, Lord of the Bedchamber of his Imp. Majesty Joseph IIquot; etc. t 1790.
269
ROSABELLA.
\'lt; Spelonkrjjk Jlawthornden. Overschoon landgoed, vermaard als het verblijf van den dichter Sir John Drummond (t 1649) gentleman usher van Jacobus VI, en hoog vereerd door zijn vriend Ben Jonson. Het huls ligt op een hooge rots, van v,-eiker steilen rand het almede op de Eek neerziet. In den wand van de rots, beneden het huis, bevindt zich een tal van met handen gemaakte holen, waaromtrent verscheidene verhalen in omloop zijn, doch die waarschijnlijk reeds van de 13de eeuw, uit den tijd der bloedige oorlogen tusschen de Schotten en Engelschen, dagteekenen.
Jfaar on gekist en onbedekt enz. Het was eerst in de dagen van Jacobus VII. dat een Roslin in een doodkist ten grave ging. Al zijn voorouders waren, in volle wapenrusting, in een gewelf onder den kerkvloer ter ruste gelegd.
De omkranste pijler. Deze uitnemende proeve van gehouwen beeldwerk, een pijler waar zich op de bevalligste wijs een bloemslinger omheenwindt, heb ik ten hoogste bewonderd. Het is een der schoonste sieraden van een gebouw, waarin voor het overige geen enkele der pijlers, bogen of vensters aan de andere gelijk is. Men noemt hem J/ie Prentice\'s pillarquot;, en het verbaal luidt dat een bouwgezel hem gedurende het afzyn van den meester, die naar Rome gegaan was om zich een model te verschaffen, had afgewerkt; voor welken gruwel hem de afgunstige meester met den dood zou hebben doen boeten.
Elke roos aan hoog en beer. Onder een overvloed en verscheidenheid van bouw-sieraden, komt hier de roos veelvuldig voor, waarschijnlijk, op den klank af. in toespeling op dien naam van Roslin. Deze heeft echter niets met rozen uitstaande. liosslinhe is volgens Walter Scott zooveel als ^promontory of the lin or waterfall.quot;
270
STEMMEN DER NATUUR.
STEMMEN DER NATUUR.
Uit het Italiaansch.
AUGUSTUSNACHT.
Hoort toch, gij Starren, wat de Baren U telkens zeggen stil en luid;
„Wij zijn zoo moede u aan te staren;
Komt hier! Wij strekken de armen uit.
Wij hebben duizend kostbre dingen,
Kristal en paarlen en koraal;
Wij kunnen sohoone liedren zingen;
Versmaadt ze uw koelheid altemaal?
Of heeft u andre liefde ontsteken.
En smacht gij naar een Dageraad,
Die u doet kwijnen en verbleeken,
Als hij op u zijn oogen slaat?quot;
Ziehier wat, in de stille nachten,
De Starren zeggen tot de Zee;
„Wij hoorden uw verliefde klachten, Uw doffe zuchten, luide beê.
Ook minnen we U; maar altijd vergen Het zwijgend kerkhof, \'t eenzaam pad,
De donkre wouden, zwarte bergen
Ons troostlijk licht; ei gun hun dat.
Zoo we aan uw borst ons nederleggen En dalen tot uw schatzaal af:
Wat zullen de arme dichters zeggen. En wat de dooden in hun graf?quot;
STEMMEN DER NATUUR.
II.
JANUARINACHT.
De Wind, die door het luchtruim huilde, Heeft dezen nacht den Dood ontmoet,
In dichten sluierplooi verschuilde Hij \'t aanzicht zonder vleesch of bloed.
„Van waar, mijn broeder! en waarhene, In zulk een nacht; te dezer stond?quot;
— , „Bij \'t licht der danszaal, kuste ik eenc-Der schoonsten voor haar rozenmond.
Ik min de rozen als zij bloeien; De roze-knoppen zijn mijn lust;
En \'k ga mij naar een wiegje spoeien, Waarin een mollig knaapje rust.
Ik zal, onvatbaar voor erbarmen.
Der moeder zeggen, in haar smart:
Alle ouden vallen mij in de armen;
Maar naar wat jong is trekt mijn hart.quot; quot;
De Wind vervolgde door de vlakte Zijn weg en gierde \'t uit in \'t rond:
„Ik maakte \'t erger nog; ik knakte De bloem, die ik op \'t kerkhof vond;
\'k Befloersde \'t schijnsel der planeten En joeg de wolken voor de maan;
Ik heb de zangen der poëten Gestoord, verstrooid, te niet gedaan.
En \'t schip dat, meer dan kostbre gaven. Dat vaders bracht naar \'t wachtend huis.
Stiet ik terug voor de open haven. Op nieuw in \'t razend golfgebruis.quot;
MOED EN OVERMOED. —
273
GEEN SCHEPPER, ENZ.
MOED EN OVERMOED.
Moed toont den Man, maar Overmoed \'t groot Kind; En Kracht houdt op, daar waar Geweld begint.
GEEN SCHEPPER.
Geen Schepper, \'t Kwam vanzelf\'. Ontwikkling trap voor trap. — „Met gaping hier en daar!quot; — Dan schept de Wetenschap.
MICHEL ANGELO\'S
La forza d\'un bel volto al ciel mi sprona»
Kracht van een schoon gelaat kan mij ten hemel sporen ;
Een andren hemel geeft mij de aarde niet te zien;
\'k Proef wat een zaalge smaakt, tot eeuwig heil verkoren; Een godsgunst, die maar schaars een\' stervling mag geschiên.
Zoo innig stemt hier \'t werk met Hem, die \'t bracht te voren,
Dat heel mijn wezen zich van dat verheft tot Dien;
Al wat mijn hart doorkruist, al wat mijn mond doet hooren, Wordt door het schoon beheerscht, dat \'k siddrend blijf bespiên.
Waar een schoon oogenpaar mijn blik vermag te boeien, Wat wijst het mij dan \'t pad, waarop ik God ontmoet?
Zoo \'k door hun reinen gloor mijn binnenst voel ontgloeien.
Wat is \'t dan dat mijn oog, in \'t tintien van dien gloed,
Iets van de vreugd ziet, die den hemel lachen doet?
WAT DOET GIJ? — VEHGEET ZE NIET. — ZIEN.
WAT DOET GIJ?
Wat doet gji, Mannen, die voor \'t heil van \'t Land, Naar de uitspraak van geweten en verstand,
Zoudt zorgen, onder plicht- en eedverband ? „Wij rapen steenen.quot;
Wat doet gü, daar u \'t al tot liandlen noopt.
Daar de arbeid voor uw oog ligt opgehoopt.
Daar week op week en maand op maand verloopt? „Wij rapen steenen.quot;
274
1 i
9 h
Niet anders? „Neen, wij spelen ook met kruit; Wij schelden nu en dan elkander uit;
Maar dat is tusschenspel, dat niets beduidt;
Wij rapen steenen.quot;
Februari 1883.
VERGEET ZE NIET.
quot;
Vergeet ze niet, de heerlijke idealen.
Wier gloed, in \'t hart gevoeld, uw jong gelaat deed stralen .\' Vergeet ze niet in later levenstijd!
\'t Zou, zoo gij \'t kondt, oneindig erger wezen,
Dan of ze in \'t jong gemoed nooit waren opgerezen.
En ge altijd waart geweest hetgeen gij heden zijt.
li iroi ï
i\' j
Als \'t oog niet vatbaar was voor \'t licht, Hoe zou het iets van \'t licht ervaren?
Het is de zon niet, maar \'t gezicht, Dat u al \'t zichtbre doet ontwaren, \'t Hangt aan uw oogen, dat gij ziet. Of \'t licht u licht zal zijn of niet.
1883.
SLEDEVAART.
SLEDEVAART.
Hoor de sleden met de bellen,
Zilvren bellen,
Die van jeugd en vreugd vertellen, D\'oudsten sulfer wakker schellen, \'t Al in rep en roere stellen,
Wat niet somber ziet of zuur In dit fijnkoud avonduur.
Nul min vijf van Réaumur,
Daar aan \'s hemels hel azuur.
Alle sterren pittig pralen,
Flikkren, stralen.
Als nooit uitgeblonken vonken
Van een lustig hoogtijdvuur.
Als zoo veel deelnemende oogen Vroolijk blikkende uit den hoogen
Op dit sneeuw- en vreugdeveld. Schitterend aan alle kanten Van juweel en diamanten;
Waar het pronkpaard met zijn pluimen, Briesohende \'t gebit doet scliuimen En steeds sneller voorwaarts snelt, Op \'t geklingel En getingel.
Dat het prikkelt, dat het kwelt. Dat het, met een vruchtloos wanen, Door het schudden van zijn manen Wil doen zwijgen met geweld,
Daar \'t steeds luider belt, belt, belt. Belt en schelt.
Schelt en belt,
En, in altijd hooger tonen,
Onzer dochteren en zonen
Onverdoofbre feestpret meldt.
Naar aanleiding van Edgar\'s Poe\'s The Bells (I).
276
DE WIJSHEID DIE AAN D EISCH VOLDOET.
DE WIJSHEID DIE AAN D\' EISCH VOLDOET.
De Wijsheid, die aan d\' eisoli voldoet, Die we om haarzelv\' beminnen zullen.
Die, door te werken op \'t gemoed Haar schoone roeping kan vervullen.
Moet vrooliik zijn zoo wel als goed. Haar beeld laat zich niet samenvoegen Met iets dat vrees of afschrik baart. Daar ware schoonheid, rein genoegen Haar wettig erfdeel zijn op aard.
li li:
Wie zijn \'t die, waar wij ze ooit genaken, Het Beste zoo aantreklijk maken,
Wier godsvrucht niemand schuwt of ducht; Daar de indruk van geheel hun wezen
Ons zeggen doet met stillen zucht;
„Ik zou wel willen zijn als dezen?quot;
276
Die schoone zielen zullen \'t zijn, Die zielen schaarsch en uitgelezen.
Oasen in een zandwoestijn,
In wie nooit denkbeeld is gerezen
Van iets dat praal was, kunst, of schijn; Bij wie geen stroefheid wordt gevonden, Maar alles, goed en welverbonden.
Zich als vanzelf naar \'t Beste strekt; Die naar Gods wil en raad zich voegen. Maar met dat innerlijk genoegen, Dat uiterlijk geen opzien wekt;
Die, daar zij \'t wereldsche verzaken, Daarvan zoo weinig ophef maken,
Dat wie \'t niet zien wil, \'t niet ontdekt; Die, boven spot en lof verheven. Moedwillig niemand aanstoot geven.
En, zoo zij leven naar een wet. Den vrijen, blijen zanger slachten, Die, waar hij trouw en nauwgezet
M
i:P
II
m
i I\'S li
SLEUTELBLOEM. — VICTOR HUGo\'s ENZ.
Op d\' eisch van maat en rijm blijft achten,
In maat en rijm geen ketens ziet,
Maar vleuglen, vleuglen, op wiei- schachten Hij zweeft en opvaart met zijn lied.
Vergelijk het Engelsch van Coventry Patmore.
SLEUTELBLOEM.
Waar \'t Sleutelbloempje zich vertoont, Daar, heet het, ligt een ding van waarde Diep, diep verborgen onder de aarde — Ik zocht het, maar werd niet beloond.
Ik vond er niets, en werd verstoord Op die de zottepraat verdicht had. Al wat ik gravende uitgericht had. Was dit: een lieve bloem vermoord.
VICTOR HUGO\'S
Soyez comme l\'oiseau, etc.
Wees als de vogel op een tak In \'t vliegen neergestreken.
Het takje buigt; het takje is zwak;
Het takje dreigt te breken,
Toch heft hij aan zyn vroolijkst lied
En laat zich niet beteugelen;
Toch zingt hij dóór en staakt het niet; Want — heeft hy niet zijn vleugelen?
^78 MIJ DUNKT DAAR KLOPT GEEN JONGER HART, ENZ.
MIJ DUNKT DAAR KLOPT GEEN JONGER HART.
■ li
Mij dunkt, daar klopt geen jonger hart
In iemands borst dan \'t mijn. Ofschoon ik oud en ouder werd
En duf en suf kon zijn.
Nog niets ter wereld laat mij koel, En altijd voel ik wat ik voel Nog even sterk en fijn.
Een lief gelaat, een zoet geluid.
Een vriendlijk oogenpaar Werkt nog in mij niets anders uit
Dan voor ruim vijftig jaar; Op d\' aanblik van waarachtig schoon. Op \'t hooren van een hartetoon.
Trilt nog dezelfde snaar.
Schoon hij zijn helder hoofd behoudt
En weinig krachts verliest.
Die man wordt oud, wiens hart verkoudt,
Wiens zielsgevoel bevriest;
Ook, die ontijdig zich onttrekt Aan wat de jeugd des harten rekt En \'t heilig vuur tot voedsel strekt; Die oud te zij» verkiest.
ZIELTJE ZONDER ZORG.
Zieltje zonder zorg! Is slechts u het leven Anders dan te borg, Dan ter leen gegeven,
\'t Leven, kort van duur. Bij zoo dure plichten, Dat gij uur op uur U ontglippen laat. Zonder metterdaad Heel veel uit te richten?
LACHEniiKJE.
Wis, de jeugd is schoon, Tot genot geschonken.
Laat haar blijdste toon U het hart ontvonken!
Laat haar zoetst gevoel Tintien door uw aren!
Maar daar zij een doel, Waar de frissche kracht, ^ De eedle gloed naar tracht Van uw jonge jaren.
Zie de wereld in Zonder vrees of zuchten,
Met een blijden zin,
Wars van ongenuchten;
Pluk de bloemen vrij. Die uw pad verfraaien;
Maar bedenk er bij: \'t Vroege jaargetij Is toch ook voor mij Mede een tijd van zaaien.
LACHEBEKJE.
Lachebekje, die men acht Eens zoo mooi, wanneer gij lacht. Als zich in uw malsche konen \'t Aardig putje komt vertoonen, \'t Rozemondjer, opengaat En zijn parels kijken laat;
Als het tintien van uw oogen No^ vergroot hun groot vermogen. En geheel uw lief gezicht Overgoten schijnt met licht! Wie zou u dat schoon misgunnen. Wie die vreugd betwisten kunnen ? Wie misprijst den blijden lach Van uw heldren lentedag?
BLEEKNEUSJE.
Wie en zou het niet betreuren,
Als het eenmaal moest gebeuren, Dat hij hooren moest; „Och Heer! Lachebekje lacht niet meer.quot;
Weet nochtans van maat te houen; Onmaat stuit, het meest in vrouwen; Lach, zoo als wij \'t liefst aanschouwen; Lach zoo dat gij \'t nooit verbruit, Niet te dartel, niet te luid.
Nimmer schamper, niemand uit.
BLEEKNEUSJE.
Bleekneusje moest zoo bleek niet zijn. Zij is niet ziek; zij voelt geen pijn; Zij kent geen zorgen, die haar prangen; En toch altijd die bleeke wangen.... Bleekneusje moest zoo bleek niet zijn.
Bleekneusje, weet gij \'t waarlijk niet.
Waar gij zoo treurig bleek van ziet?
En zie me eens aan, en goed in de oogen! — Nu bloost ge en maakt mijn woord ten logen. Bleekneusje, weet gij \'t waarlijk niet?
Gij weet het wel ?... Dan weet ik \'t ook. Och of de roos nog weer ontlook,
Die \'t kinderlijke bekje kleurde.
Eer wat gij weet haar bloei versteurde!
■280
Gij weet het; en dan weet ik \'t ook.
AAN MIJN JONATHAN.
AAN MIJN JONATHAN,
OP HET GEDENKFEEST ONZEK VIJFTIGJARIGE VRIENDSCHAP, na \'t verlies van een gemeenschappelijken vriend.
Och, blijf nog wat!
Zoo velen zijn verdwenen;
\'t Wordt op ons pad Zoo ledig, om ons henen. Och, blijf nog wat!
Wij waren jong,
Toen wij elkaar ontmoetten.
Gij zongt, ik zong Om \'t bruisend hart te boeten. Wij waren jong.
Een zelfde werk Eischte onze mannekrachten,
Die wij der Kerk Met vreugd ten otter brachten, In \'t zelfde werk.
Wij werden oud —
\'t Verwelken komt na \'t bloeien —
Maar nog niet koud Voor wat ons eens deed gloeien, Al werden we oud.
En zoet noch zuur, Bij jong zijn of verouden
Bracht nooit een uur. Dat wij elkaar mistrouwden, Bij zoet of zuur.
Voor ons verbond Zijn vijftig jaar verloopen.
Is daar nog grond Op langer tijd te hopen Voor ons verbond?
EST MODUS IN REBUS SUNT CERT1 DENIQUE FINES, ENZ.
\'t Zij naar Gods wil. Wij hadden nooit iets te eisclien.
Wij zullen stil Vaneengaan en verreizen,
Zoodra hij \'t wil.
Toch wensch ik dat Aandoenlijk uur verschoven;
Het ,Blijf nog wat!quot;
Komt telkens weder hoven. Och, blijf nog wat.
9 April 1883.
EST MODUS IN REBUS SUNT CERTI DENIQUE FINE
Daar is een maat in alle zaken;
Daar is een grens aan alle ding.
Die maat en grens te buiten ging, Zal nimmer tot iets groots geraken.
Hij draaft voorbij; hij schermt in \'t wild; ^ Besteedt, verwerkt niet, maar verspilt, En broddelt door het mooi te maken. De kracht is in de maat; de grens Bepaalt de taak. — Begaafde mensch. Die dit miskent of wilt braveeren!
Gij moet door schade en schande leeren.
1883,
NEMO MORTALIUM OMNIBUS HORIS SAPIT.
Geen sterflijk mensch is te aller uur verstandig; En dien gij \'t meent te zijn.
Die is het slechts in schijn,
Maar, in zijn uur van dwaasheid, handig.
282
QÜIEÏA NON JIOVEKE. —
283
NIET BEGKEPEN, ENZ.
QUIETA NON MOVERE.
Wat stil is hlijve stil.
In staat, in kerk, gezin, gestel.
Laat rusten wat nog rasten wil;
Van zelf ontwaakt het wel.
Maar wat ge ontijdig wakker maakt — Van \'t geen \'t misdoet, draagt gij de schuld! En \'t uur komt dat gij vragen zult,
Hoe \'t weer in slaap geraakt.
NIET BEGREPEN.
„\'k Word door de wereld niet begrepen; rIk blijf miskend mijn dagen sleepen!quot;
Begreept ge uzelv\' maar eens, mijn vriend! Gij wist, waartoe miskenning dient.
PROPTER VIT AM VITAE PERDERE CAUSAS.
Beklaag hem, die alleen voor zijn gezondheid leeft. En, om des levens wil, geen wil van \'t leven heeft.
LAATSTE SCHANS.
\'t Kwaad dat, waar \'t fel bestreden wordt. Op \'t punt staat van het op te geven. Als \'t zich terugtrekt in het fort
Dat Hoogmoed heet, rekt, redt zijn leven.
A DIEU TA VIE EN DIEU TA VIN. —
284
US.
A DIEU TA VIE EN DIEU TA FIN.
Devies van Jean Taffin, eersten Waalschen predikant te Haarlem.
„Aagt;i God uw leven,
In God uw endquot; —
Die leus geschreven Op vaan en tent!
Ze in \'t hart geprent,
En trouw gebleven!
In deze uw kracht,
Van dag tot dagen.
Uw werk volbracht.
Uw kruis gedragen.
En, zonder klagen of versagen. Het albeslissend uur gelaten ingewacht.
1883.
IJ S.
Waar de Lis-berg over de andre gluurt En uitkijkt met zijn toppen.
Daar worden de oogen uitgetuurd. En alle harten kloppen.
Zoo ras zich op \'t verdronken land Een vlies van Us iaat merken:
Wat zegt verdronken? \'t Hart ontbrandt. En ieders voet krijgt vlerken.
En komt er Us op \'t nagerecht, \'t Wordt nergens afgeslagen;
Zelfs nufje Kieskauw-Maagkramp zegt: „Ik zal het toch maar wagen.quot;
Is \'t Us dan wel een ijzig ding. Dat huivren doet en rillen?
Neen, aller menschen lieveling.
Zoo zij \'t maar weten willen.
1883.
ROZEN. — IKGA.
ROZEN.
AAN VROUWE VAN LOCN-VOÜMBEEGH.
Schoon in den knop, en in uw volheid schoon, En lieflijk steeds, nog geurend na \'t verwelken, Bloemkoningin! wie dringt u van uw troon\'?
Geen gouden tulp, geen zilvren leliekelkeu.
Geen modebloem van vreemde\' en weidschen naam, Geen nieuwe vondst uit verre yerelddeelen. De schoonheên, die verdeeld zijn over velen,
Vereenigt gij en voegt ze zedig saam.
Bloeit in mijn hof, beminnelijke rozen!
In schoonheid één, in tinten velerhand;
Door kenners-oog met zorg en smaak gekozen.
Door huwlijksliefde of vriendschap mij geplant. Verblijde uw schoon, dat altijd mij verrukte,
Elk jaar op nieuw het hart, dat God mij gaf; En leg\'ge een hand, die ik nog stervend drukte, Een uwer neer op mijn eenvoudig graf.
285
Lieve Inga, die met mij een tijd Hebt op den Engelberg \') gewoond, En na mijn oog onttrokken zijt Ten berge, daar men vorsten kroont 1), Gedenkt gij somtijds d\' ouden man. Die u maar niet vergeten kan?
Voor wien gij bloemkens fijn en schoon Hebt aan uw moeders zij geplukt; Die, op zijn beurt, een bloemenkroon.
) Könlgsberg, in Pruisen.
inga.
Heeft op uw jeugdig hoofd gedrukt?
Gij, zelve een bloem van \'t frissche Noord \'),
Die aller oog en hart bekoort!
Nog ziet mijn oog dat lief gezicht, Dat voorhoofd, helder als de dag,
Dat oog_, waar zooveel hart in ligt.
Dien reinen blik, dien gullen lach;
Nog voelt mijn hart, met groot geluk. Van uwe hand den zachten druk.
Nog zit ik, tot onschuldig spel.
Met u terneder aan den disch,
En merk uw guitig lachje wel.
Wanneer \'t geluk u gunstig is.
Maar nooit, wanneer \'t u tegengaat. Een rimpeltje op uw blij gelaat.
Gelooft gij \'t. Inga! dierbaar kind!
Dat toen, voor mij ten laatsten groet. Uw zakdoek fladderde op den wind.
En ge aan mijn oog ontgingt voor goed. Dat oog, eens grijsaards oog, lief wicht! Een wolk zag komen voor zijn licht?
Een wolk? O ja! een stille traan;
Een traan uit een bekommerd hart.
Door wondren weemoed aangedaan.
Door vrees, zich mengende in de smart. Als moest ik beven voor het lot Van dit uw schepsel, o mijn God!
Voor \'t lot van een zoo rein, zoo zacht, Zoo wonderschoon, zoo lieflijk goed,
Die \'t leven vriendlijk tegenlacht.
En nergens kwaad of leed vermoedt; Het leven, dat de grijsaard kent.
Wiens hellend pad zich grafwaarts wendt.
Of staat niet, in dit aardsche dal.
De schoonste bloem op d\' ergsten wind?
Hangt niet een noodlot over al
Wat hoogst gevierd wordt, teerst bemind?...
Maar neen! Geen noodlot, gij regeert!
•286
Gij spreekt, en \'t onheil blijft geweerd.
M Noorwegen,
JOHN WICUFS ASCH.
0 weer het van dit lieflijk hoofd! O spaar het aan dit lief gemoed!
Al wat zoo schoon een jeugd belooft, Dat schenk\' haar \'t leven mild en goed, Als de oude man, wiens hart zij stal, Reeds lang den doodslaap slapen zal.
Oct. 1883.
JOHN WICLIFS ASCH.
This brook (the Swift) hath conveyed his ashes into Avon, Avon into Severn, Severn into the narrow seas, they into the main ocean: and thus the ashes of Wycllfte are the emblem, of his doctrine, which is now dispersed all the world over.
Thomas Fuller (t 1661),
De Swift ontving de gloeiende asch
Van \'t eerbiedwaard gebeente Van die een kracht in England was,
Een licht der Godsgemeente;
Wiens ijvervuur met pen en mond Alleen de dood gebluscht had.
En die nu in gewijden grond
Schier half een eeuw gerust had. üe haat, die nimmer rusten kan.
Moest hem in \'t graf vervolgen. Het laatste spoor van zulk een man Door vlam en vloed verzwolgen! De Swift, van \'t wreed geschenk ontroerd.
Heeft, met eerbiedig beven.
Die asch aan de Avon toegevoerd,
En aan de Severn de Avon;
De Severn haar, langs breeder baan, ïer zeestraat in doen stroomen : Van daar is zij in d\' Oceaan,
De wereld-zee gekomen.
287
288 BIJ EEN IN LATEN HERFST NOG GROENEN TREURWILG, ENZ.
Niet anders \'t woord uit Wiclifs mond,
Heel England door, de wereld rond,
Wicllf was in Dec. 1384, ouder \'t hooren van de mis, in zijne parochiekerk te Lutherworth ontslapen. De stoel, waarin hij den geest gegeven had, wordt er nog getoond. — Een en dertig jaar daarna, ten jare 1415, werd hij in het concilie van Constanz ketter verklaard, en bevel gegeven tot opgraving van zyn gebeente en uitwerping uit den ge wij den grond. Eerst dertien jaar later (1428) werd aan dit bevel, op aanmaning van Paus Martlnus den Vden, uitvoering gegeven door Bisschop Fleming van Lincoln. Deze liet het gebeente verbranden en de asch in de Swift werpen.
Avon; spreek uit Even. Severn; spreek uit Sec\'ern. Ter zeestraat in enz. Fuller zegt: into the narrow seas; nl. het kanaal van Bristol, en dat van St. George.
BIJ EEN IN LATEN HERFST NOG GROENEN TREURWILG.
Dees treurwilg blijft nog groen en weet van geen verkleuren,
Al bruint en geelt en dort rondom hem al \'t geboomt; Beeld van gemaakte smart en tooneelmatig treuren,
Dat heel wat lijkt, maar dat zoo kwalijk niet bekoomt. 28 Oct. 1883.
Wilt gij bedrogen zijn: geef blijk dat gij mistrouwt Vertrouwen, niets dan dit, werkt goeds bij jong en oud.
Hem die veel lijdt, verwekt de dood geen schrik. Pijn schijnt een eeuw; dood is een oogenblik.
289
— NAAP, HOOOEK. —
GROEPEER EN.
KENS MENSCHEN HART.
EENS MENSCHEN HART.
Eens menschen liart ia een na.uwluistrend instrument. Het laat zich menig toon, die lieflijk klinkt, ontrukken,
Zoo \'t maar bespeeld wordt door een meester, die liet kent,
Die \'t lief heeft, die zijn snaren weet te drukken Naar aard en eisch, met vingren vol gevoel;
Maar dat maar al te vaak in handen valt van krukken. Van broddlaars, die met een eerzuchtig doel Het wagen aan hun dolle meesterstukken.
En dan \'t noodwendige mislukken Zichzelf niet wijten, maar aan \'t speeltuig, dat, o smart!
Voor lang ontstemd, misschien voor goed bedorven werd.
1883.
NAAR HOOGER.
Plus liaut! toujours plus haut, vers ces hauteurs serelnes, Oü nos désirs n\'ont plus de flux et de reflux;
Oü les brnlts de la terre, oü le cliant des sirenes,
Oü les doutes rallleurs ne nous parvlennent plus!
Plus iiaut dans le mépris des faux dieux qu\'on adore; Plus haut dans ces combats, dont le ciel est 1\'enjeu;
Plus haut dans vos amours! Montez, montez encore, Sur cette échelle d\'or qui va se perdre en Die.
Vioxok de Lapbade (t Dec. 1883).
Naar hooger! hooger steeds, ter heldren hoogten henen, \'t Getij te boven der begeerten; waar \'t gerucht Der woelende aarde, waar de lokstem der sirenen,
De spot des twijflaars u niet inhaalt op uw vlucht!
Naar hooger met uw smaad voor kostlijke ijdelheden;
Naar hooger in den strijd, waar \'t om den hemel gaat;
Naar hooger in uw liefde! Al hooger, langs de treden Der ladder, op wier top uw God en Vader staat.
Dec. 1883.
GROEPEEREN.
\'t Groepeeren van de cijfers, zoo of zus.
Maakt groot verschil, kan menigeen misleiden.
Niet elk kan „Waar \'t hem zitquot; genoegzaam onderscheiden. Is \'t met groepeeren van de teksten ook niet dus?
PARTIJGEEST. — WIE OOIT?
They never taste, who always drink; The always talk, who never think.
Prior.
Die altijd drinkt, kan nooit iets smaken;
Die nimmer denkt, roert steeds de kaken.
anders:
Die altijd drinkt, proeft niet met allen; En die nooit denkt, zal eeuwig kallen.
PARTIJGEEST.
\'t Is en zal zijn zoo als \'t altijd geweest is: Partijgeest is de dood van al wat geest is.
WIE OOIT?
Wie heeft ooit, in Gods ooren, Eén goed gebed gedaan?
Wie immer, naar behooren,
Zijn dank hem doen verstaan?
Wie in zijn oog doen gloren Eén zuivren boetetraan?
Wie heeft, bij dag of nachte, In menschelijk gemoed,
Een enkele gedachte.
Die heilig was gevoed?
Wie heeft één woord gesproken. Wie éénen zucht geslaakt.
Waar niets aan heeft ontbroken. Die rein was en volmaakt?
Wie, in geheel zijn leven.
Een enhel liefdeblijk
Aan God of mensch gegeveui Volkomen liefderijk.
290
.n\'aooging.
Al had ik al mijn dagen
Nooit feit,lijk kwaad gedaan, Toch mocht ik het niet wagen
Mijn oogen op te slaan Tot U, volheilig Wezen,
Die in mijn hart kondt lezen.
Die in mijn binnenst zaagt! Mijn vonnis is gewezen
Waar Gij naar \'t goede vraagt.
NAOOGING. Aan Miss Ada Maky B., op zee naar Australië.
Ik denk aan u in stille nachten.
Die op den ongemeten vloed,
\'t U beidende echtheil te gemoet.
Drijft in de hoede des Almachten,
Die u genadig zij en goed!
Kind, dat uw hart mij hebt ontsloten,
Wiens vriendschap mij gelukkig maakt, Daar, ze in een oogenblik ontwaakt.
Gelijk een bloem kwam opgeschoten,
Door tooverschepter aangeraakt!
Kind, dat ik nimmer zal vergeten.
Schoon voor zoo kort op aarde aanschouwd! Hoe oogt mijn geest u na op \'t zout Der zee, en wenschte wel te weten Wat koers gij door de golven houdt;
En of ze u zoo behoedzaam dragen.
Zoo zacht uw doel doen tegenspoên,
Als dees mijn armen \'t wilden doen, En tegenwind en onweersvlagen Uw kiel verschoonen van hun woên!
291
2g2 de omtuming uit!
Want gij zijt een dier zóó geschapenen, Die zeggen doen aan wie ze zien: „Aan deze moet geen leed geschiên; „Voor haar, zicli al wat dreigt ontwapenen, „Haar, al wat steunt bescherming biên.quot;
Beminlijke Eenvoud, gul Vertrouwen, Met vrees en argwaan onbekend!
U dekt een schild dat niemand schendt. De reine ziel zal God aanschouwen;
Gods oogen zijn tot haar gewend.
Moge u Zijn machtigequot;arm beschermen, En dragen over \'t golfgebied.
Tot gij die nieuwe wereld ziet.
Waar gij, in uwer waardige armen, Een leven in Zijn gunst geniet!
Mei 1884.
DE OMTUIN ING UIT!
De omtuining uit, de wereld in, Rechtaarde christenscharen!
Laat broederliefde en menschenmin
Alom zich openbaren!
Treedt ieder vriendlijk voor \'t gelaat, In wien een ernstig harte slaat; En laat geen vormen prijken. Maar geest en leven blijken.
Nooit zij, wat beter wezen kon. Als slecht ter zij geschoven. Al \'t goede heeft een zelfde bron;
Het komt van God hierboven, \'t Betreklijk goede is ook uit hem; Gebrekkig antwoord op de stem, Die \'t innig hart doet trillen, En \'t werken werkt als \'t willen.
Het wordt door allen niet beseft.
Maar Gods geest werkt aan allen. Waar iets tot Hooger zich verheft, Daar is hij ingevallen.
ONTLEENDE GEDACHTEN.
Daar heeft hij zich (nog ongekend,
Maar kennende) tot dat gewend Wat, in het hart der blinden.
Door tasten, dringt tot vinden.
God brengt zijn schapen bij elkaar, Op veleivei manieren;
Niet elk wordt straks den staf gewaar. Die aanvangt hem te stieren.
Eerst waar het nadert tot den stal,
Die ze al te zaam bevatten zal.
Zal elk op eigen wijzen. Den Goeden Herder prijzen.
Gij die hem kent, misken hem niet [n zijn geduldig werken!
Hi] voert zijn godlijk algebied ïfiet enkel in uw kerken.
Vermoed ook buiten \'t heiligdom
Zijn wijze hand; zij werkt alom Aan \'t ryk van liefde en vrede. Gij, werk eerbiedig mede!
ONTLEENDE GEDACHTEN.
ALTERNATIEF.
Gij kunt al \'t goed niet doen, dat ge in uw eedle droomen
U voorgespiegeld hadt en als uw plicht beseft; Des moedloos, geeft gij \'t op. Moet dan, wat u betreft, Al \'t kwaad, dat komen kan, maar komen ?
AAN EEN MATERIALIST.
Hoe hooger ik uw gaven eer Te dieper moet ik mij bedroeven. Zoo groot een geest te hooren snoeven Dat zij een lichaam is, niets meer.
293
ONTLEENDE GEDACHTEN.
III.
JEUNESSE DORÉE.
Verachtelijke zwerm van knapen, los van zeden,
quot;Verkwisters van uw jeugd, haar kracht, haar geest, haar gloed. Die \'t leven wegsmijt voor doemwaarde nietigheden.
Geeft mij uw twintig jaar, zoo gij er niets mee doet!
IV.
VERDRAAGZAAMST.
Wie moet verdraagzaamst zijn? Wie is het duurst verplicht\'? Die \'t klaarziendst oog bezit, by \'t ruimste vergezicht.
V.
VERLEIDING.
Heeft u de duivel vriend! of hebt gij hem verleid, Zijn list uitlokkende door goê gelegenheid?
VI.
„TEN EERSTE ZUIVER!quot;
Hoe neemt gij \'t? Rein van hart, of zuiver in de leer? Veel is de waarheid waard; maar waar te zijn nog meer.
VIL
ONTZIET ELKAAR.
Ontziet elkaar, gij strijdende partijen!
Bewijst elkander schuldige eer! De waarheid zal er niets bij lijen,
En gij betracht een deugd te meer.
294
UIT DEN
ORLANDO FURIOSO. 1882. 1883.
„Messer Ludovico, waar ter wereld haalt ge al die zotternijen van daan? (dove mai avete pigliato tante coglionerie?)quot; zou de kardinaal d\'Este gezegd hebben, toen hij zijn oogen over de hem aangeboden zangen van Ariosto\'s groot dichtwerk had laten gaan, hetwelk Voltaire heeft doen zeggen dat de kardinaal er had be-hooren bij te voegen: „en van waar ter wereld ook zooveel goddelijks (tante cose divine)!quot; Maar de dichter heeft op Voltaire niat behoeven te wachten om zich van het eenzijdig oordeel van zijn Mecenas gewroken te zien. Dit heeft, terstond na de openlijke uitgave, de algemeene toejuiching, de bewondering der voortreffe-lijken, de dankbaarheid van een volk. welks lievelingsdichter hij blijven zoude, gedaan. Paus, Priester, Vorst en Vorstin, geleerd en ongeleerd, aanzienlijk en gering, alles las eerlang den Orlando Furioso; de lof van Aristo was in aller mond, drong overal door; en zelfs de struikroover in de Apennijnen, op het punt de hand aan hem te slaan om zijn beurs te nemen, trok ze terug op het vernemen van zijn naam. Alle volgende eeuwen hebben, in alle beschaafde landen, de geestdrift van den tijdgenoot gerechtvaardigd en het zegel gedrukt op de populariteit van een dichter, die terstond getoond had het geheim er van meester te zijn. Het tijdperk, waarin Ariosto leefde en dichtte, was het tijdperk der herleving van het classicisme, de eeuw der renaissance. Twintig jaar vóór zijn geboorte was Constantinopel voor het Turksche kromzwaard bezweken, en hadden wie er in Griekenland van geleerden nog overig waren, met de schatten van Grieksche letterkunde, die zij nog bezaten, do wijk genomen naar Italië. Daar werd in nieuw gestichte leerscholen de stoel van Plato weder opgericht, en al wat geleerdheid, kunde, smaak bezat, of geacht wilde worden te bezitten, hellenist. Een nieuwe geest was bij alle fraaie geesten ontwaakt, en liefde voor de oude letteren scheen slechts liefde voor de letteren te mogen heeten. In zulk een tijdsgewricht is de groote opgang, in alle kringen, van een werk als de Orlando Furioso te treffender en een te schitterender bewijs voor de overmacht van het genie van zijn dichter; want schoon
INLEIDING.
liet overal de blijken draagt, dat ook die dichter gedeeld heeft in de voordeden, die deze zijn tijd voor zijn vorming aanbood, en zelfs in menig opzicht aan een Homerus denken doet, oorspronkelijk en zelfstandig grondt het zich op en sluit het zich aan bij den Bidderroman der Middeleenwen, put uit de avontuurlijke kroniek, toegeschreven aan Turpyn, aartsbisschop van Eheims, fabel-achtigen tijdgenoot van Charlemagne, en is een doorgaande verloochening van alle classieke eenheid, orde, en vormen. Het wil de voortzetting wezen van het werk van een anderen dichter, een leeftijd vroeger, den Orlando Inamorato van Boiardo, dien het in de schaduw stelt.
Het is moeielijk de dichtsoort aan te wijzen, waartoe de Orlando Furioso behoort \'). Ook is het niet noodig. Hij is er des te meelde Orlando Furioso om. Die den Don Juan van Lord Byron kent, heeft er een denkbeeld van. Het is zoo gij wilt een heldendicht; maar een heldendicht, waarvan men den held telkenmale, en soms voor zeer lang, uit het oog verliest; een heldendicht zonder middelpunt; zonder plan; van gang ongeregeld; van toon ongelijk. Een gemengd heldendicht; tegelijk heroïsch en komisch; waarin het noch aan het wonderbare, noch aan het alledaagsche ontbreekt; waarin ernst en jok elkander verbeurten; de satyre een groote rol speelt; het tooneel ieder oogenblik verandert; en de personen, de gebeurtenissen, de voorvallen, de wonderen, de avonturen elkander verdringen, om als „een labyrinth van poëzie te vormen, waarvan nochtans de dichter al de uitgangen en al de draden in handen heeftquot;.
De held van dit heldendicht is volgens den titel Boland, de eerste en grootste der paladijnen van Keizer Karei den Groote; de zoon van diens zuster Bertha, onkwetsbaar als Achilles, en zijn rechterhand in den krijgstocht tegen de Saracenen, die het heilig geloof en zijn machtig rijk bedreigen. Maar deze Roland ziet zich door den Keizer de door hem geliefde Angelica, eer-e Saraceensche prinses, waar ook Keinoud, de eerste na hem, aanspraak op maakt, geweigerd en, óók als een andere Achilles, wil hij niet meer strijden. Door zijn ontbreken verliest het christenleger den slag, en Angelica ontsnapt in de verwarring. Hierom verwijdert zich Roland van het christenleger en wordt een dolend ridder, om tot eiken prijs zijne beminde te zoeken. Edoch met geen
1) Nous n\'avons garde de decider quel est le nom qui doit être donné au poëme de l\'Orlando: le manque d\'unité d\'action met en droit les critiques de lui disputer le titre de poëme épique, quoique le tissu de l\'ouvrage soit lié par des rapprochements ingénieux, et bien faciles a saisir. Eli! qu\'importe, après tout, que ce poëme s\'éloigne des lois rigides de l\'épopêe? il n\'en est que plus original. II oblige le lecteur qui lui refusera le nom d\'épique, a s\'eflbrcer d\' en inventer un autre pour le caractériser; mais ce nouveau nom, malheureusement, ne pourra jamais s\'appliquer a quelque autre ouvrage qui réunisse tout ce que nous aimons et admirons dans ce celui-ci.
Le Comte de Tresan,
Abrégé de la vie d\'Ariosto.
298
INLEIDING.
299
mindere belangstelling dan de zijne, wordt, gelijk behalve die nog menige andere, de liefdesgeschiedenis van Rntger en Radamante behandeld, die tot die van Roland in geen verband staat, dan door de vernuftige aaneenschakeling van den dichter en door eene kunst, die hier voor de ontbrekende eenheid in de plaats treedt en, alomtegenwoordig, de inslag is van het weefsel, waarvan Orlando\'s avonturen de schering zijn. Die Orlando heet Orlando Furioso, de Razende Roland; maar het is, in dit dichtwerk van 46 zangen, eerst in den 23sten, dat zijne razernij plotseling uitbreekt, als hij in het afgelegen oord, waar zijne omdolingen hem brachten, onverwacht, uit de in een boomstam gegrifte, dooreengeslingerde namen, de ontrouw zijner geliefde en hare betrekking tot den moor Medora leest, en straks door het verhaal der landlieden van dat oord ten volle daarin bevestigd vindt. Hierin is niets onnatuurlijks, en geheel overeenkomstig de natuur wordt het met ontzettende trekken geschilderd; maar geheel bovennatuurlijk, en min of meer vermakelijk, is weder de wijze, waarop het onder zoo aangrijpende omstandigheden verloren verstand tot den razenden woesteling zal worden teruggebracht, in een dichtwerk, waarin niet alleen het onwaarschijnlijke met het waarschijnlijke beurt houdt, maar dat ook geen zwarigheid maakt zich op het grenzen-loos gebied van het onmogelijke te begeven; waarin toovenaars en feeën geen kleinere rol spelen dan helden en gelieven; dat ons dikwijls aan Ilias en Odyssea, maar even dikwijls aan de Meta-morphosen van Ovidius en aan de Arabische Duizend en een Nacht denken doet, en waarvan de dichter, wiens verbeeldingskracht onuitputtelijk is, niet tevreden, ons beurtelings in alle landen van Europa, en daaronder ook in ons nederig Friesland en Zeeland, te hebben rondgevoerd, de hemellichten te baat neemt, en een der gewichtigste gebeurtenissen van zijn epos laat plaats vinden op de maan. Terecht heeft men gezegd: „Geen ander heeft met groo-ter behendigheid het bevallige en het ontzettende, het verhevene en het gemeenzame dooreengemengd; geen ander een zoo groot getal en zoo groote verscheidenheid van personen te gelijkertijd, die alle tot een zelfde doel medewerken, opgevoerd. Geen ander is meer dichter geweest in zijn stijl, rijker in beschrijvingen, getrouwer in het schilderen van karakters en zeden; geen, bij wien meer waarheid, meer bezieling, meer leven gevonden wordt.quot; \') Al wat hij u voor den geest voert, heeft een frischheid, een kleur, een gloed, die u bekoort en betoovert; en niets overtreft de welluidendheid van Ariosto\'s verzen, in Italië\'s taal.
Met deze te wedijveren is eene wanhopige zaak; maar de drang om ook hen die geen Italiaansch lazen eenigszins met den inhoud en de schoonheden van dit dichtwerk bekend te maken was natuurlijk. Het heeft dan ook in Frankrijk, in Engeland, in Duitsch-land aan geene vertalingen, hetzij in proza, hetzij in verzen, ont-
1) Ginguené.
300 INLEIPINU.
broken. Wat Nederland betreft: van Dante\'s meesterwerk bezitten wij meer dan eene, van Tasso\'s heldendicht een zoo voortreffelijke vertaling, dat zij alleen genoegzaam zoude zijn om mijnen vriend Ten Kate een hoogen rang onder de dichters aan te wijzen; maar van eene vertolking, ook maar voor een gedeelte, van den Orlando Furioso is mij onder ons niets bekend. Mijne vermetelheid heeft zich tot het wagen van enkele proeven laten verleiden.
AARTSENGEL
ORLANDO FURIOSO.
Canto XIV. St. 75-97.
Op het bericht dat Beinoud met een hulpleger uit Engeland op de Fransche kust geland is, verzamelt de aanvoerder der Saracenen al zijn macht om die tegen Parijs te doen aanrukken. Op het vernemen hiervan beveelt Charlemagne, dat in alle kloosters en kerken dringende gebeden tot den Allerhoogsten quot;worden opgezonden om den aanval te verijdelen en het dreigend onheil van de Christenheid af te wenden. De vrome Keizer zelf roept met ootmoed, boetvaardigheid, en betamende geloften den bijstand des hemels in. Zijn vurig gebed bleef niet onverhoord. Zijn beschermengel voerde het voor den troon des Verlossers; en alle engelen ondersteunden het.
En de ongel ijkbre Goedheid, wie te smeeken
\'t Geloof zich nimmer vruchtloos onderwond,
Zag met ontferming neer en gaf een teeken
Aan Michael. „Vlieg benen!quot; spx-ak haar mond; „Een Christenleger heeft het zeil gestreken
„Ter kust van Picardye ; voer terstond „Het voor de muren van Parijs, maar zonder „Dat \'s vijands kamp iets merke van het wonder.
„Ga eerst de Stilte vinden, met bevel „Om tot dit werk aan uwe zij te kleven;
„Zij kent de middlen en de kunsten wel,
„Die aan een zaak een goeden uitslag geven.
„Ga dan naar \'t oord, alwaar de Tweedracht, fel „En woest van aard, haar zetel heeft verheven.
„Zij volge u, toorts en tonder in de hand,
„En brenge in \'t kamp der Moren moord en brand.
„Zij strooie er, tusschen grooten en geduchten
„ Door moed en kracht, haar twistvuur, en kwaad zaad. „Dat welig opsla met vergifte vruchten,
„Zoo dat de een d\' ander aanvalt, kwetst, verslaat, „En andren veel \'t verwarde kamp ontvluchten,
„Waardoor \'t gi-oot heir zijn Koning luttel baat.quot; God sprak. De Aartsengel, voor zijn troon verschenen. Gaf niet een woord ten antwoord; maar vloog henen.
De wolken deinsden. Klaar werd \'s hemels trans Alom waar de Engel heendreef op zijn schachten.
Een gouden gloor omzweefde hem, in glans Den bliksemstraal gelijk bij donkre nachten.
„Waarquot;, dacht de hemelbode, „is nu de kans „Mij \'t schoonst? Waar kan ik eerst en best verwachten „Dat ik die vijandin der spraakzaamheid „Ontmoet, tot wie mijn eerste boodschap leidt?quot;
304 michaels boodschap.
Hij ovei-daclit haar wijzen, wegen, werken.
Doorliep met zijn gepeinzen menig oord,
Met dit besluit ten laatste: „Kloosters, kerken,
„Ziedaar waar zij wel \'t zekerst tliuisbeboort. „Het vroom verblijf, waar zich de paters sterken
„In \'themelsche; waar niets van de aard hen stoort, „Waar dorme, refter, boet-, ja alle cellen,
„Elk op hun deur, \'t woord Stilte zagen stellen. )
Dit denkbeeld gaf d\' Aartsengel nieuwen lust. En nieuwe snelheid aan zijn gulden pennen.
\'t Vooruitzicht van slechts liefde, vrede en rust Deed hem het zwerk met vlugger vaart doorrennen.
Maar \'t licht dier hoop werd deerlijk uitgebluscht. Zoodra hij plaats en toestand leerde kennen. 0 .„
Hier was geen Stilte; al lang ontweek zi] totiit; Of, was ze er nog, het was alléén in schrift.
Ach, vruchtloos met een schoon tooneel van vrede,
Van liefde, vroomheid, ootmoed zich gevleid!
Zij waren er geweest, maar lang geleden.
Nu was er vraatzucht, hebzucht, toornigheid.
Nijd, luiheid, wreedheid, trots, ontuchtigheden!
De Aartsengel stond verbaasd van \'t onderscheid..
Zijn oog doorliep de onoogelijke bende....
— Was dit de Tweedbacht niet, die hij herkende .
Hoe zij, die hij, naar \'t goddelijk bevel.
Zou zoeken, als de Stilte was gevonden.
Die hij gedacht had op den weg der Hel^ Te ontmoeten bij verdoemden en gebonden\';
Die vond hij, waar — afschuwlijk guichelspel! — Gebed en offer werden opgezonden!
Was \'tmooglijk? Hij vermoedde^een verren tocht: En zoo nabij, en hier was, die hij zocht!
Hij kende haar aan \'t kleed van honderd kleuren.
Uit ongelijke banen saamgehaakt.
Dat hier haar dekt, daar naakt laat door zijn scheui en.
Die iedere beweging grooter maakt.
Haar, \'t onderling oneensche, haren sleuren.
Rood, wit, zwart, grauw, hier uit elkaar geraakt. Daar in een vlecht, ginds in een lus gevangen.
Haar over borst, en rug, en maagre wangen.
1) Anders:
Waar m\' overal t bevel om stil te zwijgen, Op muur en deur gegrift, te zien kan krijgen.
michaels boodschap.
^ Ook torste ze, onder de armen, en in \'t kleed, Een zware vracht van wetten, decretalen.
Volmachten en adviezen, heel een vleet Dagvaardingen, verhooren, en verbalen.
Als niet alleen zij die men „kleintjesquot; heet,
Maar steden met den ondergang betalen;
En vóór en achter haar en rond en om. Een procureurs- en advocatendrom.
De Aartsengel wenkte en deed zijn last haar hooren:
„Zij moest in \'t kamp der Moren zulk een twist, „Als op vernieling uitliep, doen ontgloren;
„Sterk tegen sterk moest wordèn aangehitst.
„Maar zeg me eerst waar de Stilte is op te sporen?quot;
Sprak Michael, verzekerd dat zij \'t wist.
Die t\' allen tijde in alle wereldstreken.
Nu hier dan daar, een brand had aan te steken.
„Maar \'t antwoord was: „Ik weet zoo waar- niet, of „Ik haar wel ooit ontmoette in stad of velde;
„Wel heb \'khaar naam vernomen en een lof, „Die overal haar schranderheid vermeldde.
,\'k Denk echter wel dat iemand van mijn hof, „Die menigmaal haar op haar weg verzelde,
„U goed bericht zal kunnen geven. — Ziequot;, Zoo sprak zo en wees Bedrog aan: „het is Diequot;.
Een steelsche tred; zeer zachte wezenstrekken;
Een neergeslagen oog; een spraak zoo zoet En zedig, dat zij \'t denkbeeld op moest wekken
Van d\'Engel Gabriel bij \'t „Wees gegroetquot;; Het oovrig moest een lang, wijd kleed bedekken:
Mismaaktheid van den hals af tot den voet. Nog iets verborg \'t en mocht daar nooit ontbreken ; Uw dolk. Bedrog! met zwart venijn bestreken !
Haar vroeg dan nu dé Aartsengel, werwaarts hij. Om Stilte te betrappen, heen moest zweven.
„Zij woonde vroeger tij de Deugdes; zijquot; ^
Was \'t antwoord — „zij beminde \'t kloosterleven,
„Toen \'t nieuw en schoon was, en bezocht de abdij, „Casino\'s kruin en Karmels hooge dreven;
„Ook had zij eertijds scholen; maar dat was „Slechts in de dagen van Pythagoras.
„Sinds Philosoof en Heilig haar ontbraken,
„Die lang haar hielden op de rechte paan, „Zag men haar meer en meer de Deügd verzaken; Weldra tot schelmerijen overslaan;
306 michaels boodschap.
,\'s JSTaclits met verliefden op den tril geraken;
.En straks met dieven op den strooptocht gaan;
„Veel heeft zij met Verraad zich opgehouen,
,En ook met Mookd mocht haar mijn oog aanschouwen.
„Met valsche munters en hun loos bedrijf „Houdt zij zich vaak in duistren hoek verscholen;
„Maar wisselt ook zoo dikwijls van verblijf,
„Dat die haar wenscht te vinden, lang kan dolen.
„Toch is er kans, dat gij haar valt op \'t lijf,
„Zoo gij te middernacht de diepe holen,
„De donkre grot des Slaaps kunt binnentreên:
„Daar neemt zij rust; begeef u derwaarts heen!quot;
Ofschoon Bedrog meest liegt: in \'t geen zij zeide Was deze maal toch zoo veel schijn van waar.
Dat de Engel haar geloofde. Hij verbeidde
Geen oogwenk meer; maar spoedde zich van daar. Hij regelde zijn vlucht en overleide
Zijn weg, en nam zijn tijd terdege waar.
Om in \'t verblijf des Slaaps, dat hij wel kende.
Haar, die hij zocht, te vinden in het ende.
Arabië! daar ligt een eng, diep dal.
Ver van uw steden, dorpen, en woestijnen;
In schaduw van twee bergen, heel en al Bedekt met breede beuken, grijze pijnen;
Waar steeds de zon vergeefs in pogen zal Zijn vollen gloed van stralen te doen schijnen;
Daar, dichtbegroeid en tusschen bonk en stronk,
Loopt een smal pad uit op een bergspelonk.
Daar, achter \'t zwaar geboomte, ontsluit een wijde,
Zeer diepe grot zich in den harden steen.
\'t Gezellig eiloof, groen ten allen tijde.
Rankt wild en dicht zich om den ingang heen.
Hier woont de logge Slaap. Aan de eene zijde.
Zit Ledigheid met haar gemeste leên Plat op den grond; en Luiheid strekt de beenen Aan de andere uit, die haar geen dienst meer leenen.
Vergetelheid houdt bij de deur de wacht;
Kent noch herkent wie ooit haar koom te voren;
Laat niemand in, geeft op geen boodschap achu, En heeft naar \'t schijnt zelf tong en spraak verloren.
De Stilte doet de ronde, en schuifelt zacht Op fulpen zool, den mantel over de ooren;
En wien ze ook zou zien naderen: zij gaf Een teeken met de hand en wees hem af.
michaels boodschap.
Maar Michael trad toe en, fluistrend, zeide:
,\'t Ls Godes wil. dat Reinouds legermacht „Oprukke naar Parijs, in uw geleide,
„Opdat den Keizer hulp zij toegebracht;
„Maar zóó, dat niet zich \'t kleinst geluid verspreide,
„De Saraceen niets hoor, waar \'t nog zoo zacht, „En, eer \'t (jerucht in zijn trompet kan stooten,
„Hij zich van alle kant vmde ingesloten.quot;
De Stilte gaf geen antwoord, maar zij hoog Eerbiedig \'t hoofd en, straks reisvaardig, stelde
Zich achter hem die haar gebood, en vloog Met hem naar Picardye en \'t heir te velde.
Daar zorgde de Engel dat de strijdlust hoog Opvlamde in alle rangen. Alles snelde Te wapen; naar Parijs; in éénen dag\';
En niet een man, die daar iets vreemds in zag.
De Stilte ging, dan achter en dan voren.
Om \'t leger heen; op zijn geleedren zonk Een dikke mist, waardoor geen zon kon boren.
Schoon verderop de dag op \'t helderst blonk.
Die nevel was zoo dik, dat tromp noch horen
Naar buiten hoorbaar werd, hoe schel hij klonk.
Toen toog zij naar de heidenen, en diende Ze een \'k weet niet wat toe, dat elk doof maakte en stikziende.
307
Canto XXXIV. St. 48-9\'2. Canto XXXV. St. 10-30.
Astolfo, woest, maar dapper Engelsch prins, die zich mede met Karei den Groote tegen de Saracenen verbonden beeft, is onder de helden van diens gevolg, in dit dichtwerk, wel een dergenen, wier lotgevallen het verscheidenst en het ongehoordst zijn. Hij is al eens op den rug van een walvisch door de zee naar het eiland eener toovergodin gevoerd, waar hem lief en leed wedervaren, waar bij ten slotte door deze in een mirteboom veranderd is; maar door eene andere in zijn vorige gedaante hersteld, en met een boek begiftigd, waardoor hij in de toekomst kan lezen, en met een hoorn, waarop hij slechts heeft te blazen om mensch en dier van schrik te doen verstijven en weerloos te maken. Nu virden wij hem in den zadel op een hippogryf, wonderwezen, half paard, half griffioen, dat hem bevorens aan de poort der hel gebracht heeft, maar hem nu door de lucht zal voeren tot een tocht, waarvan de volgende verzen de geschiedenis en het doel doen kennen.
Weer nam hem \'t wietpaard op en, in de lucht gerezen, Ging \'t naar den top des bergs, die, als Astolfo dacht, Niet verre van den zoom der maansfeer af kon wezen.
\'t Verlangen om te zien had in hem zulk een kracht. Zoo perste hem de drang ten hemel, dat voor dezen
Onze aard beneden hem werd voor geen ding geacht. En hooger ging het steeds, steeds hooger, tot ten laatste \'t Gedienstig vleugelpaard hem op den bergtop plaatste.
Saffieren, perlen, goudstof, diamant.
Topazen, chrysolieten en robijnen
Moest in \'t verrukljikst oord, aan iedren kant,
Het blij gebloemte in \'sRidders oogen schenen;
Het glanzig groen van gras en kruid en plant Deed puiksmaragden in het niet verdwenen;
Met minder schoon was \'t loof van boomen, rijk Aan bloemen en aan vruchten tegelijk.
Daar kwinkten vogeltjes van alle veeren,
Blauw, geel, groen, rood, maar allen even schoon;
Daar blonken luide beekjes, stille meren,
Klaar als kristal, aan stormen ongewoon.
Zóó zacht een koeltje, als bloem noch blad kon dex-en.
Hield daar altijd een zelfde maat en toon;
Daar \'t in de lucht juist zoo veel trilling baarde. Dat van den dag de hitte u niet bezwaarde:
Maar wat er geurigst leefde in bloem en blad En glanzig ooft, zich wiegende op zijn stelen,
Dat mengde \'t zaam eu droeg het rond, opdat Het ziel en zin op \'t aangenaamst zou streelen.
Een prachtbouw, die van verre \'t aanzien had Als mocht hem louter vuur en vlam omspelen.
Stond daar, en praalde en straalde met een gloed, Als sterflijk oog nooit had op aarde ontmoet.
ASTOI.FO\'S JIAANBEZOEK.
Astolfo liet zijn klepper langzaam treden
Naar \'t hoog paleis, zoo grootsch als zonderling, En rechts en links op al de heerlijkheden.
Die hem omringden, \'t oog gaan. Hoe gering, Hoe leelijk werd hem de aard, die wij heh-eden En die van \'s hemels vloek het merk ontving, Geleken bij dit lustoord, waar geen dampen \'t Volkomen schoon vermindren of bekampen.
Verpletterd door bewondring, houdt hij stand Bij \'t naadren van dit puik der praalgebouwen.
Doorzichtig als karbonkel gloeit zijn wand; Uit eenen steen is heel \'t kasteel gehouwen.
Waar mocht ooit menschenoog, in stad of land. Een wonderwerk aan dit gelijk beschouwen?
Zwicht hof van Dedalus! vergeet uw faam.
Gij \'s werelds Zeven Wondren al te zaam!
In \'t voorportaal dier woning zoo verheven,
Ontwaart Astolf een Grijs die tot hem treedt.
Zijn mantel is uit purperstof geweven.
En wit als melk \'t fijnlinnen onderkleed.
Sneeuwwit was \'t haar op d\' achtbren schedel; even
Sneeuwwit de baard, die op zijn boezem gleed. Hem docht — zoo heerlijk was \'t gelaat van dezen — Het moest een Zalige uit den hemel wezen.
Eerbiedig steeg hij af. Met blij gelaat En minzaam oog, breekt nu de Grijze \'t zwijgen;
„Baron! \'t Was niet dan naar des Hemels raad, „Dat gij tot dit aardsch Eden op mocht stijgen;
„Gij weet niet om wat reden, noch verstaat „Wat vrucht gij van dien uitstap zult verkrijgen; „Dcch, zeker, uit lichte oorzaak is het niet,
„Dat gij uw noordlijk halfrond dus verliet!
„Het geldt den Grooten Karei; \'t geldt gevaren
Van \'t Heiligste Geloof. Om onderricht „En raad tot dezer redding op te garen
„Is \'t dat uw weg naar herwaarts werd gericht-„Doch wacht n wel, dit voorrecht te verklaren „Uit eigen deugd: gij zijt het God verplicht.
„Noch wonderboom, noch vleugelpaard zou baten. „Had God de Heer uw reis niet toegelaten.
„Straks spreken wij wat rustiger te zaam „Van \'t geen waarmee zijn raadslag u belastte.
312
ASTOLFO S MA AN BK ZOEK.
„Verkwik u eerst en schep een weinig aam „Van de ongewone reis, de lange vaste.quot;
Aldus de Grijs. Maar als daarop zijn naam, Hem meegedeelc1, den jongen held verraste:
Wie schetst, hoe snel hem \'t bloed door de aadren dreef, Den naam diens mans die \'t Evangelie schreef?
Johannes was \'t; geliefdste, meest vertrouwde Des Heeren. Had de broederkring verstaan Dat hij alleen den dood niet smaken zoude:
\'t Was uit des Heilands mond niet uitgegaan,
Als hij tot Petrus had gezegd: „Zoo \'k woude
Dat hij bleef tot ik kwam, wat ging \'t u aan?quot;
Maar had hij niet gezegd: „hij zal niet snevenquot;:
Dat\'hij \'t bedoeld had, bleek hier door zijn leven.
Hier was hij opgenomen; hier ontmoet Door Henoch, in des werelds vroegste dagen
Door God aan de aarde onttogen; hier begroet Door die voor Isrel „ruitren was en wagenquot; \'),
Alle ergernis te boven; hier vergoedt Een eeuwge lent1 hem al des werelds plagen.
Tot jongst bazuingeschal aan volk bij volk Verkondt: „De Heer komt weder, op zijn wolkquot;.
Het drietal heiige mannen wees goedmoedig
Een ruim verblijf den aardschen ridder aan.
Zijn ros werd, in een ander, overvloedig
Onthaald op korlen van het edelst graan.
Hemzelv\' werd ooft geboden, dat zoo spoedig
Hij \'t proefde, \'t denkbeeld door zijn ziel deed gaan: Als zulke, o Kennisboom! uw vruchten waren.
Laat de overtreding Adams zich verklaren.
Als nu de Held aan de eischen der natuur Voldaan had en, nadat hem \'t maal verkwikt had,
De rust van zijn vermoeiend avontuur Op \'t dons gesmaakt, dat hem goê zorg- beschikt had,
En oprees in het hartverkwikkend uur.
Als reeds Aurore op de aarde neergeblikt had,
Zag hij terstond zijn achtbren gastheer weer,
Dien Jonger, die het liefst was aan den Heer.
Hij heeft hem vriendlijk bij de hand o-enomen,
313
En veel gesproken; maar ik meld niet wat.
Kon. II. 12.
314 ASTOLFO\'S MAANBEZOEK.
In \'t eind: „Mijn Zoon, uit Frankrijk hier gekomen,
„Weet ge echter niet, wat daar heeft plaats gehad. „Verneem \'t! Uw Roland heeft den weg der vromen
„Verlaten, en zijn heldenziel beklad;
„Zwaar straft de hand des Heeren den verblinde; „Het zwaarst altijd, dien hij het meest beminde.
,üw Roland; hij, bij wiens geboorte God „Den grootsten moed met groote kracht vereende;
„Wien hij, verheven boven \'t menschlijk lot, „\'t Onkwetsbaar zijn door zwaard of speer verleende;
„Vermits, gelijk hij eens een Simson tot „Verweerder van zijn Isrel spierde en zeende,
„Hij dezen tot Beschermer had gewijd „Van \'t heilige Geloof dat hij belijdt;
„Uw Roland heeft zoo groote gunstbewijzen
„Maar al te slecht vergolden aan zijn Heer.
„De heiige zaak, die eens zijn borst deed rijzen,
„Ontging zijn hart, vergat hij al te zeer.
„Voor eenquot; — wien doet zoo diep een val niet ijzen? —
„Voor een hei din verzaakt hij deugd en eer!
„Voor haar geblaakt door wulpsche en wreede tochten, „Heeft hij herhaald zijn eigen bloed bevochten \').
Dies heeft hem God van zijn verstand beroofd, „Zoodat hij naakt heromzwerft door de velden,
„Zoo zeer in \'t brein verduisterd en verdoofd,
„Dat hij niet een van die zich voor hem stelden
„Herkent, noch zelf zichzelf te zijn gelooft;
„Als zeven jaar, naar ons de Schriften melden,
„Het lot diens trotschen Konings is geweest,
„Die gras at in de weiden als een beest.
„Zoo zwart als die van deze\' is in Gods oogen
„De zonde niet van uwen christenheld;
„Dies wordt zijn straf in korter tijd voltogen.
„Drie maanden heeft de Hemel haar gesteld.
„Wat tot uw reis den Heiland heeft bewogen:
„Het uur is daar, dat u mijn mond het meld\', „Zij thans (Hij wil \'t) door u van mij vernomen, „Hoe Roland weer tot zijn verstand zal komen.
„\'t Is waar, tot nieuwen tocht moet ge aan mijn zij, „Verlatende deze aarde, u thans bereiden.
1) NI. Reinoud, met wien hij tweemalen om Angelica gestreden had. Zie Orlando Inamorato.
ASTOLPO\'S MAANBEZOEK.
„Naar \'t schoone hemelliclit, ons \'t meest nabü „Van al wat om ons zweeft, zal \'k u geleiden.
„Wat Roland afhelpt van zijn razernij „Is enkel daar te zoeken door ons beiden.
„Zoo ras dat licht ons boven \'t hoofd zal staan,
„Gaat onze reis, nog heden avond, aan.quot;
Zoo sprak de Heilige; en de dag vlood henen In \'t onderhoud der wijsheid, diep en breed.
Maar, als de zon was in de zee verdwenen.
De maan haar blanke hoornen glinstren deed,
Is voor des Ridders oog een kar verschenen.
Tot reizen door het luchtruim toegereed.
De wagen was \'t, waarin, voor sterflijke oogen,
Elia steeg en opvoer naar den hoogen.
Vier hengsten, als een vuurvlam rood van gloed.
Zijn door d\' Apostel in \'t gareel geslagen.
Hij plaatst Astolfo naast zich, grijpt vol moed De leidsels op, en stuurt den wonderwagen
De lucht door, die de raadren gonzen doet.
Straks worden zij den vuurkring doorgedragen;
Maar de eeuwge gloed dringt tot hun vel niet door; De wonderdoende Apostel zorgde er voor.
De sfeer des vuurs ligt onder hen. Nu trekken
Ze op \'t maanveld aan. \'t Scheen hun voor \'t grooter deel Een stalen schild gelijk, met roest noch vlekken;
En in het oog verschilt het niet zeer veel Van \'t geen. in \'t groot, onze aarde geeft te ontdekken
In zee en land, vereend tot een geheel.
Ver onder hen zien zij die aarde zweven.
Van d\' oceaan, haar gordel, strak omgeven.
Twee dingen wonderden Astolfo zeer.
Hoe kon zich van nabij zoo groot vertoonen.
Wat hem een kleine schotel scheen, niets meer,
Gezien van uit den bol dien wij bewonen\'?
En, zag hij uit zijn koets op dezen neer:
Het mocht ter nauwernood de moeite loonen,
Zoo nietig scheen hij, die daar, zonder licht.
Zich telkenmale onttrok aan zijn gezicht.
En ginds! Gansch andre stroomen, meren, weien. Dan ooit het oog op aarde heeft aanschouwd,
Gansch andre bergen, heuvelen, valleien.
Met steden, burchten, huizen hooggebouwd.
ASTOLFO S MAANEEZOEK.
En wegen, die naar alle\' kant zich spreien;
Ook menig uitgestrekt en donker woud,
Waarin de schoone nimfen, alle dagen.
Met opgeheven spriet de hinden jagen.
De Bidder mag niet stilstaan bij dit al.
Niet daartoe is hij herwaarts opgestegen.
De Apostel voert hem in een zeer diep dal,
Omringd van hooge bergen allerwegen.
Daar ziet hii wat hij nooit vergeten zal:
Al wat door eigen schuld, door \'t voor en tegen Van \'t lot, of door \'t geweld des tijds, op aard Verloren werd, was hier bijeengegaard.
\'k Wil aanstonds niet aan staat of schatten denken.
Die \'t wentlend rad geeft en ontneemt om \'t zeerst; Van wat het lot te rooven noch te schenken
Vermag, gewaag ik voor uw ooren eerst: Vermaardheen, die zich langzaam voelden krenken En straks vernielen door den geest die heersoht;
Veel ijdle wenschen; veel vergeefsche beden.
Die \'t zondig hart tot God zond van beneden.
Verliefde zuchten, klachten, jammerkreet;
De t^d, vermorst aan opschik, spel, of droomen;
Verzuimde tijd van \'t volk dat nooit iets deec\'; Voornemens, vaak gekweekt, nooit nagekomen;
En doellooze verlangens bij de vleet,
Zijn wat hier meest de plaats heeft ingenomen.
Zoek niets meer van dit alles hier beneên.
\'t Ging maanwaarts; die \'t wil weerzien reize er heen!
De Paladijn zag alles met verbazen.
En vroeg zijn achtbren gids nu dit dan dat.
Daar merkt zijn oog een berg van vochte blazen,
Luid rammelend, zoo vaak de wind ze vat.
De kronen waren \'t, dier gekroonde dwazen
Der oudheid, die een later eeuw vergat;
Assyriërs en Perzen, Grieken, Geten,
Wier rijk verging, wier naam wij nauwlijks weten.
Daarnevens stond geheel een hoop ten toon Van ringen, zilvren, gouden, kostbren, schooner.;
Al giften, die men gaf op hoop van loon,
Aan vorsten en hebzuchtige patronen.
Een slinger hing er, lang en ongewoon.
Geknoopt uit vleitaalstrikken. Muzenzonen!
316
ASTOLFO\'S MAANBEZOEK.
Een hoop geborsten krekels was hier \'t beeld Van zangen, op verkochte lier gespeeld.
Hier gouden ketens, perlen, halssieraden —
Bedrogen min! uw ras hernomen tooi!
Daar arendsklauwen, slechts tot eigen schaden,
Misbruikte macht! geslagen in uw prooi!
Blaasbalg bij balg in \'t ronde, stijf geladen
Met vorstengunst; bedriegelijke fooi.
Die zij voor ééns hun Ganymeden schenken.
Om later nooit meer hunner te gedenken!
Van menig stad en menig burchtslot lag De puinhoop hier met de uitgestorte schatten;
Vrucht van te zwak verbond, trouwloos verdrag. Of samenzwering die uiteen moest spatten.
Serpenten met een juffer-hoofd en lach.
Waar dief en valsche munter moed op vatten; Gebroken flesschen veel, en groot van ziel;
Loon voor den dienst bij hoven kaal en schriel.
Een menigte van weggeworpen spijzen
Wekt \'s Ridders vraag, wat die beduiden moet? „De weldaan zijn ;tquot;, is \'t antwoord van don Grijzen,
„Die, na zijn dood, een vrek aan de armen doet.quot; Een hooge berg zag hij daarachter rijzen;
Verlept gebloemt\' droeg hij in overvloed;
Eens was zijn geur zoo zoet, nu geen verpester. \'t Was Constantijns schenkaadje aan Paus Silvester.
Lijmstokken zag de Held in groot getal; Uw schoonheên, juffers! en haar zoet vermogen...
Maar wie die \'t al naar orde noemen zal.
Wat hier zich voordeed aan Astolfo\'s oogen?
Oneindig is, wat in ons tranendal Bloeit, maar welhaast betreurd wordt als vervlogen; De dwaasheid slechts, nooit weinig, nooit genoeg, Vei-laat nooit de aard en wijkt niet uit haar voeg.
Astolfo zelf zocht naar verscheiden dingen
En dagen, die ook hij verloren had.
Die echter in den hoop zjjn oog ontgingen.
Tenzij dan, door den Gids, die naast hem trad. Toen kwam hij tot waar alle stervelingen
Zich stout meê vleien, geen ooit God om bad: Verstand! — Hier lag \'t, in massa\'s niet te ramen. Maar vast zoo veel als van al \'t andre samen.
318 ASTOI.Fü\'s MAANBEZOEK.
Het bleek een heldre vloeistof, fijn en rein,
Schier even ras vervluchtigd als vergoten.
Die quintessentie van het menschlijk brein Dient in een vat van rondsom dicht gesloten.
Hier zag ze Astolf in kruiken groot en klein;
Zeer klein soms; maar zijn oog ging naar de grooten. Een had een bef bevestigd aan den stop;
„Verstand van Rolandquot; stond er duidlijk op.
Zoo was aan iedre kruik de naam gebonden
Van die zijn inhoud miste. Dat een deel Ook van het zijn\' daaronder werd gevonden,
Verwonderde onzen Ridder niet te veel.
Maar dat van lieden, die \'t niet missen konden Of mochten, die hij waande in \'t vol en heel Bezit er van, hier \'t tegendeel moest blijken,
Daarvan stond onze Astolfo vreemd te kijken.
Dees had het in de liefde, die aan de eer,
Grene in \'t bejag voor \'t vullen van zijn kisten Verspild; in \'t likken van een grooten heer; In \'t zot bedrijf der droomende alchimisten,
Bouwwoede, schilderijdrift, en wat meer Een hartstocht worden kan, die \'t bloed doet gisten. Van menigen geleerde, uit menig land.
Van heel wat dichters ook, lag hier \'t verstand.
Zijn leidsman, dien we als \'s Heilands lievling loven,
Reikte aan Astolf het zijne toe; hij kreeg De kruik die \'t inhield; hield den neus er boven;
Snoof op, en voelde hoe \'t naar boven steeg! Turpijn zelf heeft geschreven te gelooven,
Dat sinds dien dag de Ridder wel terdeeg Wat wijzer leefde, en wijzer waar gestorven.
Had niet één dwaasheid alles weer bedorven.
Nu nam Astolf de groote, volle kan.
Die al \'t verstand van Roland in moest houen.
Hij vond ze, in \'t dragen, nog veel zwaarder dan Hij haar geschat had op het bloot aanschouwen.
r\'t Doel was bereiktquot;. Zoo dacht hij. Maar St. Jan Vergunde hem uit deze lichtlandouwen Nog de afreis niet, maar leidde zijnen voet Naar een paleis op d\' oever van een vloed.
Hier waren al de kamers volgeladen
Met kluwens van wol, zijde, vlas, katoen.
ASTOLFO\'S MAANBEZOEK.
In de eerste trok een oudje tal van draden
Uit dezen op haar haspl zwart, wit, geel, groen. Zoo zien wij uit lauw water, waar ze in baden.
De zijwormpoppen van haar dos ontdoen,
Wanneer des zomers, naarstige boerinnen Zich zetten om de nieuwe zij te winnen.
Zoodra deze oude een streng gereed had, was Een tweede daar en reikte ze aan een derde.
Die \'t werk bezag, \'t fijne uit het grove las, De kleuren sohifte, en \'t lichte aan \'t donkre ontwarde.
„Wat doen zij toch?quot; riep onze Astolfo ras d\' Apostel toe, die niet met \'t antwoord marde: „Dit drietal zijn de Parcen, en het weeft „De levens, die gij stervelingen leeft.
„Zoolang een weefsel duurt, duurt ook het leven
„Eens menschen, en geen oogenblik daarna.
„Natuur en Dood, trouw op de wacht, slaan even
„Opmerkzaam, draad voor draad, \'t voltooien ga. „Wat uit de schoonste draden wordt geweven
„Moet \'shemels zalen sieren, vroeg of spa;
„Wat uit de grauwe en zwarte wordt tot snoeren „Om hen te binden die ter helle voeren.quot;
Een ijzren, zilvre\', of gouden plaatje gaf Den naam van ieders levensweb te lezen.
Wie plukte er hier het een na \'t andere af? Een grijsaard, die een jongling scheen te wezen.
Indien men acht sloeg op den snellen draf,
Waarmee hij aan kwam stuiven, om met dezen Zijn mantelslip te vullen, heen te gaan.
En weer te keeren om een nieuwe vracht te laan.
Wie was die grijsaard, nog zoo rap van leden,
Tot zulk een spoed geheel gemaakt naar \'t scheen? Wie was hij? Werwaarts richtte hij zijn schreden?
Waar bracht hij telkens wat hij roofde heen? — Zooras Astolfo hier de wonderheden
Beschouwd zou hebben, en Sint Jan zijn schreên Naar buiten had gewend, op d\' oeverzoomen Des breeden vloeds, zou hij er achter komen.
Het was een stroom, die drabbig, morsig, zwart. Met zand en slijk gemengd, zijn golven rolde.
Daar kwam de Grijze, vlugger dan een hert En lichter dan een vogel aan, en holde
319
ASTOLPO S MAAXBEZOEK.
Naar d\' oever, en in \'t woelend water werd De gansohe vracht, die hem den mantel volde. Op eens geplonsd, als waar \'t in arren moed. De Lethe was de naam van dezen vloed.
En weder ging de grijsaard, en kwam weder
Terug met nieuwe vracht en d\' ouden spoed,
En liet op nieuw zijn mantelslippen neder.
En schudde op nieuw den inhoud in den vloed, \'t Getal der namen die verzonken: veder
Noch tong, die \'t meldt, noch gissing die \'t vermoedt. Van velen zou geen stervling \'t ooit gelooven.
Slechts enkele, een op duizend, dreven boven.
En langs en om den stroom: ziedaar een vlucht. Een dichte zwerm van raven, kraaien, gieren.
En wat er meer van roofgespuis gerucht Met aaklig krassen maakt en twistig tieren.
Zij schieten op den Grijs aan uit de lucht, Omweemlen hem met telkens dichter zwieren.
Daar elk om \'t gretigst neb en klauwen slaat Naar \'t geen er uit zijn kleed te water gaat.
Maar wat zij meester worden, bleek hun krachten
Te zwaar. Zij lieten \'t vallen. Lethe\'s vloed Ving namen, mooglijk waard in elks gedachten
Te leven, op en zwolg die in voor goed.
Twee zwanen slechts, met zilverblanke schachten.
Te midden van dat zwart en grauw gebroed, Verschenen, hielden vast wat zij bekwamen, En zwommen zingend weg met enkle namen.
O ja! Zij hadden die, met blijkbre vreugd.
Aan \'t lot ontrukt, door d\' Oude zoo kwaadaardig
Hun toegedacht. Klapwiekende en verheugd.
Zoo rein als schoon, zoo schoon als edelaardig.
Doorkliefden zij den stroom, die eeuwen heugt, In zwemmen als in vliegen even vaardig;
Zij zetten \'t naar een heuvel op wiens kruin Een tempel stond van marmer of arduin.
\'t Was aan de Onsterflijkheid, dat tempelzaler.
En heuvel waren toegewijd. Straks kwam Een schoone nimf van daar naar d\' oever dalen.
Die uit der zwanen neb de namen nam.
En ze in \'t portaal van \'t heiligdom deed pralen.
Bij \'t reine licht der zuivre outervlam.
320
astolfo\'s maanbezoek.
Door ze aan een rijzige eerzuil vast te klinken,
Om, even gaaf, al de eeuwen door, te blinken.
Wat gindsche Grijs, nooit des verdervens zat.
Wiens lust was \'t al te werpen in de baren;
Wat deze nimf; wat deze tempel; wat Ginds roofgespuis en c\'eze zwanen waren;
\'t Misterie, dat dit a.lles in zich had —
Kon zich Astolf op geene wgs verklaren.
Dies bad hij van den Godsman \'t noodig licht;
En deze heeft aldus hem onderricht:
„Weet,quot; sprak hij, „dat geen blad zich daar heneden
Verroeren kan, dat hier geen teeken geeft.
„Wat daar van daag geschiedt, geschiedt hier heden,
„Met d\' eigen zin, schoon \'t andre vormen heeft. „Die Oude, wit van baard, maar rap van leden,
„Wiens vaart niets kan belemren, niets weerstreeft, „Doet hier omhooy geheel dezelfde dingen,
„Die ginds de Tijd doet bij de stervelingen.
„Als van den haspel hier, de bonte draan,
„Zoo wikkelt ginds zich af het menschlijk leven;
„Ginds zou geen naam, geeu naamplaat hier vergaan, „Duurzaam bestaan aan beiden zijn verbleven,
„Had niet de Grijsaard hier de plaat verdaan,
„De Tijd ginds zijn gedachtnis uitgewreven.
„De een werpt, gij zaagt het, in den donkren vloed, „Wat de ander voor altijd vergeten doet.
„En zooals hier de gieren, met hun bekken,
„En raaf en kraai, met vruchteloos gepoog,
„Zich pijnigen om aan den stroom te onttrekken „Die namen, die het schoonst zijn in hun oog: „Zoo ijvren ginds om \'t zelfde, domme gekken „En valsche vleiers, laag geplaatst of hoog,
„Hofrekels, die om vorstengunsten draven,
„Hun liever dan aan kundigen en braven.
„Wel toonen zij der hovelingen aard,
„Wijl zij zoo goed voor zwijn en ezel spelen,
„En van hun heer, als hi) vertrok van de aard, „Om wat hun beurs spekte en hun maag mocht streelen,
„Om Wijn en Trijn hun boven alles waard.
„Nog soms den naam voortbrengen uit hun kelen;
„Maar voor een enklen dag, en langer niet;
„Zoo als hier gier en kraai dien vallen liet.
32]
ASTOLFO\'S MAANHEZOEK.
„Maai- als de penningen, met blijde tonen,
„Door \'t zwanenpaar ten tempel opgebracht,
„Ziet ge ook de waardigste der mensohenzonen
„Door \'t dichterlied ontrukt aan d\' eeuwgen nacht. „Wijs is het hoofd, o Vorsten, in uw kronen!
„Indien ge eens Cesars voorbeeld wel betracht; „ü vrienden maakt uit Dichters en, door dezen, „Geen Lethestroom hebt voor uw roem te vreezen.
„Maar, als die zwanen, zijn de Dichters schaarsch, „Althans de ware en waardige, niet velen;
„Hetzij de hemel hun bewonderaars „Niet over een groot aantal wil verdoelen;
„Hetzij de vorstelijke gierigaards „Het groot vernuft in armoê doen verkwelen, „En dat de fraaie kunsten \'t land ontvliên,
„Waar zij deugd beedlen, ondeugd kronen zien.
„Ik acht dat God dien slechten en verkeerden
„\'t Verstand ontnam en de oogen heeft verblind, „Zoodat zij zang en zangers van zich weerden, „Waardoor het graf hen nu geheel verslindt; „In plaats dat zij, die \'t werk der Muzen eerden,
„Een leven kennen, dat den dood verwint.
„Heil, heil den Vorst, om wien de Muzen treuren! „Zijn nagedachtnis blijft als nardus geuren.
„Enéas was zoo vroom niet, Peleus zoon „Zoo dapper niet, als allen hem nu loven;
„De moed en vroomheid van veel duizend doun „Ging mogelijk den hunnen ver te boven;
„Maar schenkingen, grootmoedig, rijk en schoon, „Van steden, staten, schatten, huizen, hoven,
„Huns nazaats aan de mannen van de kunst, „Verzekerden hun hunne en onze gunst.
„Augustus was zoo groot, zoo edelaardig
„Niet, als het klinkt uit Maro\'s loftrompret;
„Maar een goed vers was al zijn aandacht waardig;
„Dit maakt veel goed voor zijn verbanningswet. „Wie hield een Nero voor zoo onrechtvaardig, „Zoo wreed, met zooveel gruwelijks besmet, „Wie zag hem in elk mensch een vijand vinden, „Zoo hij de Dichters had gehad tot vrinden?
„Homeer maakt de Trojanen traag en flauw;
„Doet Agamemnon heerlijk zegepralen;
ASTOLFO S MAANBEZOEK.
„Penélopé een voorbeeld zijn van trouw,
„Koud jegens alle vrijers, zonder falen.
„Had hij gewild dat \'t anders wezen zou, „Men hoorde alom het tegendeel verhalen;
„\'t Was Ilium dat won, de Griek verloor \'); „Penélopé was een gsmeene sloor.
„En wederom moet Dido maar gedoogen,
„Dat zij, zoo wijs als kuisoh en rein van kwaad, „Alom als manziek vrouwmensch wordt belogen,
„Alleen om dat Virgiel haar heeft gehaat.
„Maar reeds genoeg van \'s Dichters groot vermogen,
„Een stof, waarin mijn geest graag weiden gaat. „Aan hen die schrijven moet ik eere geven, „Die zelf op aard twee boeken heb geschreven.
„Maar mij ook viel een deel daarvoor te beurt, „Dat door geen tijd of lot ooit wordt geschonden.
„Wel heeft hij mij iets heerlijks waard gekeurd, „Die Christus, wien mijn veder mocht verkonden!
„Te dieper worden zij door mij betreurd,
„Die \'t in hun tijd zoo anders ondervonden, „Die bleek en uitgeteerd en hongrende aan „Veel deuren kloppen, die niet opengaan.
„Zijn groote geesten zeldzaam: ondank moet „Waar hij regeert, ze noy veel sohaarscher maken.
„De zandwoestijn, die niemand laaft of voedt „Ziet zich, door \'t wild gedierte zelfs, verzaken.quot;
Zoo sprak Johannes; \'toog in vollen gloed; De Boanerges-vuurblos op de kaken;
323
Maar straks was \'t over, en de Apostel zag Den Held weer aan met d\' ouden, lieven lach.
\') Ariosto, die den Paladijn Rutger van de Trojanen doet afstammen, laat nooit na dezen ten koste van de Grieken te verheften; en wat Dido betreft: het is hem met hare verdediging, op het voetspoor van Ausonius, waarin hem Petrarca en de Spaansche dichter Ercilla gevolgd zijn, volkomen ernst.
--
324 LOF UKH VKOUWEN.
LOF DER VROUWEN.
Le donne antique banno mirabil cose Fatto nell\' arme e nelle sacre muse; etc.
Orl. Tur. XX. 1. 2. 3.
De vrouwen hebben oulings groote dingen
Bestaan op \'t oorlogsveld, in \'t muzenkoor.
Haar schoon bedrijf zien wij een glans omringen,
Die schittren mag de gansche wereld door.
Camilla en Harpalioe verdringen,
Om de eerepalm, elkaar in \'t heldenspoor;
Corinne en Saffo, groote geesten boven Veel mans! niets zal uw luister ooit verdooven.
De vrouwen blonken schittrend t\' allertijd In iedre kunst daar zij haar hart aan gaven.
Elk, die een uur in \'t oud geschiedboek slijt,
Ziet overal haar faam en grootheid staven.
Scheen \'t anders in een later eeuw, \'t verwijt Treff\' slechts de blinden voor haar geest en gaven, \'t Was domheid bij de schrijvers, of misschien Jaloerschheid, die maar liever niet wou zien.
Maar wie ontveinst zich dat, in onze dagen.
Zooveel verdienste in eedle vrouwen blinkt, Dat ieder volgende eeuwkring zal gewagen Van namen, nu geboekt met gulden inkt? Vergeefs, vergeefs, zoo booze tongen knagen
Aan \'t geen verrukt en tot bewondring dwingt! [Schwartze! uw penseel, Toussaint! uw zwaneveder Richt u een eerzuil op — wie werpt die neder?]
VROUWELIJK VOORRECHT.
325
LIEVE VROUWEN. —
Cortesi donne ebbe l\'antiqua etade, etc.
Orl. Fur. XXVI. 1.
In vroeger dagen vond men lieve vrouwen.
Wier hart voor deugd en niet voor schatten sloeg; Maar zelden zijn ze in onzen tijd te aanschouwen,
Die zeggen; „deugd is mi) geluks genoegquot;; Die, waarlijk goed, beminlijk, edelaardig.
Een leven naar den geest der eeuw geleid Verwerpende als haar rein gemoed onwaardig.
Den zegen waard zijn der tevredenheid,
Zoolang ze ons hier haar lieflijk voorbeeld geven, En onverwelklijke eere in \'t ander leven.
VROUWELIJK VOORRECHT.
Multo consigli de le donne sono
Meglio improvviso, eb\' a pensarvi, usciti; etc.
Orl. Fur. XXVII. 1.
\'t Besluit onvoorbereid genomen,
De keus op \'t eerst gezicht geschied,
Zijn bij de vrouw de slechtste niet,
En zullen meestal best bekomen.
Bij zooveel kostbre gaven, aan Het schoon geslacht ten deel gevallen,
Mag ook die gaaf\' een plaats beslaan.
En is de minste niet van allen.
Maar nimmer worde iets goeds verwacht Van \'t geen de mannen gaan besluiten,
Indien \'t niet lang is overdacht,
Bezien van binnen en van buiten;
Zoo \'t niet behoorlijk in hun geest Geruimen tijd is omgedragen En, vóór het optreedt, om te slagen.
Nog eens verworpen is geweest.
TIJDEN EN WEERTIJDEN.
ONWEERSTAANBAAR.
Quantumque debil l\'reno, etc. Orl. Fm*. XI. 1.
Een toom, hoe zwak ook, heeft wel dikwijls \'t vurigst paard, In \'t midden van den ren, gestuit en halt doen maken;
Doch zelden heeft de kracht der Reden hier op aard d\' Ontvlamden Hartstocht zijn voldoening doen verzaken,
In \'t gunstig oogenblik, hem meer dan alles waard.
De Beer die, op haar rand, een druppel slechts mocht smaken. Wiens neus den zoeten geur van d\' inhoud binnenkreeg. Omarmt de honigkuip, duikt in en zwelgt ze leêg.
TIJDEN EN WEERTIJDEN.
Vlen tempo poi.
Orl. Fur. XXXVII. 110.
De Bergstroom, door gestage regenvloeden
En sneeuw die smolt, ontzettend, rijst, en zwelt Hoogmoedig op, bruist dondrend neêr; zijn woeden Sleept wouden mee en spaart geen oogst op veld.
Maar daarna komt, eer angst en schrik \'t vermoeden.
Een tijd, die aan die stoutheid palen stelt.
Een kind, een vrouw doorwaadt hem, zonder schromen, En vaak zal \'t nat niet eens tot de enkels komen.
ONWEERSTAANBAAR. —
GERUCHTEN.
GERUCHTEN.
O Bene o mal che la lama cl apporti, etc.
Orl. Fur. XXXVIII. 42.
Van \'t goed of \'t kwaad, dat ons \'t Gerucht laat hoeren,
Vergroot het, naar gewoonte, steeds de maat.
Dwaas, die den moed te haastig geeft verloren,
Dwaas, die zijn hoop te ras ontvlammen laat Door maren, die ziin vrede en rust verstoren.
Wat, eer \'t ons oor bereikt, door zóó veel monden gaat.
Baar minder vrees, doe min verwachting rijzen.
Naarmate \'t meer tot juichen tergt of ijzen.
827
Wat eiloofranken, trouw festoen Voor dorre linde en iepelaren,
Wat steekpalra, tuya, sparregroen, Dat droge naalden biedt voor blaren:
Daar moet, in \'t koud en laatst seizoen, Het de uitgebloeide hof mee doen, Om nog wat levens te openbaren.
Verwacht den storm, die \'t boompje knakk\', Het eiloof scheur\' van stam en tak, De sneeuw, die \'t al zal dekken,
En tot een lijkwa strekken!
22
IV.
NEGENDE BUNDEL.
—-
AAN MIJN YOLK.
(Herinnering aan 13 Sept. 1884.)
Mijn Volk, mijn eigen dierbaar Volk,
Goed Volk der Nederlanden!
Tot aan mijn jongsten ademtocht
Blijft u mijn hart en ziel verknocht Met sterke liefdebanden.
Al waart gij koud voor mij geweest,
Nog zou die liefde gloren;
Voor haar is \'t Hollandsch hart gemaakt;
Ze is met mijn leven zelf ontwaakt,
Haar kiem mij aangeboren.
Maar nu! Hoe hebt ge ook mij bemind. Die in uw midden woonde!
Uw liefde — diepst gevoelde ik haar.
Toen zij mijn Tienmaal Zeven jaar Met al haar goedheên kroonde.
De gunst des Konings schoot een straal Van vorstlijk welgevallen.
Geen zweem van afgunst — o veelmeer!
Een liefdrijk ijvren voor mijn eer.
Vreugde en geluk, bij allen.
Neen! \'k Stond op dien Septemberdag,
Niet „tusschen dorre blaren.quot;
\'t Was bloem en loover wat ik zag;
De Schoonheid had haar liefsten lach; De Ernst liet zijn rimpels varen;
De Wijsheid schonk haar vriendlijkst woord. De Kunst haai- zoetste tonen;
De Dichter bracht zijn hartlijkst dicht,
De Jeugd haar stralend aangezicht.
Meer waard dan lauwerkronen.
Waar waren, o mijn Volk! dien dag. Uw twisten en krakeelen,
Miskenning, argwaan, nijd en spijt;
Waar iets, dat in dees droeven tijct De geesten moet verdeelen?
AAN DE NEDERLANDSCHE STUDENTEN. — HET SNEEUWT.
Den boogen God zij eer en lof!
Die dag was zonder -wolken; Hij toonde uw hart en waren aard, Mijn hoogsten dank en liefde waard, En d\' eerbied aller volken.
AAN DE NEDERLANDSCHE STUDENTEN,
mü op mijn Zeventigsten Verjaardag een Winterstuk met Zonsondergang, van Duchattel vereerd hebbende.
Eeohtaarde Jonglingsohap der Nederlandsche Atlienen,
Ontvangt eens Grijsaards dank voor gaveren eerbetoon! Zijn Winter komt, zijn Zon heeft eerlang uitgeschenen; quot;Ga de uwe blinkende op, en zij uw Lente schoon.
HET SNEEUWT.
Gegroet, gij bleek en koud, maar zacht En maagdlijk kind van \'t kille Noorden! \'Jw ijskaros met stille pracht Trekt een paar beren, wit van vacht. Aan glinstrig rnigbevroren koorden;
De hemel huift een tentgordijn U over \'t hoofd van grjis satijn.
In \'t hermelijn uws mantels breed, In \'t zilverkleurd tluweelen kleed,
Dat met zijn sleep en donzen zoomen Haar altijd dichter naadren zal,
Verdwijnt de wereld gansch en al.
En niets dat leeft kan bovenkomen.
Geen omtrek merkbaar; geen geluid; \'t Zwijgt alles; alles wischt zich uit. Bedolven onder \'t doodsohe laken.
Het sneeuwt; de sneeuw daalt stil en zacht. Maar stadig neer, den ganschen nacht, En dekt paleis en rieten daken.
Ja daalt, verbergt voor zijn gezicht
Een wereld, die in \'t booze ligt En lastrend spot met God almachtig,
Gij hemel-lelies! die zoo stil.
Eerbiedig, ernstig, en eendrachtig, Uw blaadren loslaat op zijn wil.
Kaar een Sonnet van Blehepin.
332
qüis separabit? — middelmatig. — \'l beweren warmt niet. 333
QUIS SEPARABIT?
In derven en verwerven Gevoelen zij uw hand;
In leven en in sterven
Blijft U hun hart verpand;
Hoe vaak zij \'t ook verkerven,
Gij maakt hen nooit te schand,
Die \'t heillot zullen erven Van \'t hemelsch vaderland.
Wat zal van U hen scheuren,
Die uwe kindren zijn\'?
Geen lijden en geen treuren,
Geen lijfs- of zielepijn;
Wat zorg hun vrede steuren.
Wat -wolk den zonneschijn,
Daar zij het hoofd in beuren,
Die zeggen: „Gij zijt mijn!quot;
„Mijn God, mijn deel, mijn leven,
„Mijn burcht, mijn schild, mijn loon;
„Gij hebt U mij gegeven „In Christus uwen Zoon;
,ü aan te mogen kleven „Heft boven lof en hoon;
„De vrees is uitgedreven;
„De liefde zit ten troon.quot;
MIDDELMATIG.
Aan ....
Hij dwaalt, die meer in u dan \'t middelmatig ziet.
Denkbeelden hebt gij, maar een Denker zijt gij niet.
Gij spreekt, gij schrijft, maar zijt geen Schrijver, ook geen Spreker; En zoo gij licht verspreidt, \'t is niet als \\\\chi-Ontsteker.
\'T BEWEREN WARMT NIET.
\'t Beweren warmt niet, maar verkoelt. En werkt niet uit wat gij bedoelt; Ik weet wel wat gij me in wilt prenten. Wilt ge op mijn stam uw overtuiging enten, Doe mij gevoelen wat gij voelt.
PKRSPICUA. — TWIJFELEN. — IK WEET NIET, ENZ.
De heldre ruit, waar gij doorhenen ziet.
Kost aan den dommen vogel \'t leven, Die daar \'t gevoelig hoofd aan stiet, \'t Doorzichtige te zien is elk nog niet gegeven.
TWIJFELEN.
Slechts kan niet twijflen, die niet denken kan. Die niet durft denken is geen ernstig man. En hij die immer twijflen wil en zal. Die twijfelt reeds niet meer; hij loochent al.
IK WEET NIET.
Ik weet niet waar ik \'t heb gelezen,
Maar \'t heeft zich in mijn ziel gezet: Tevreden zijn is dankbaar wezen, Vertrouwen, \'t wezenlijkst gebed.
VOOR \'T GOEDE.
„De man is voor het goede.quot; \'k Weet het wel; Maar is hij tegen \'t kwade wel heel fel?
Het is naar d\' ernst des weerstands tegen \'t kwaad, Dat zich de zucht voor \'t goede schatten laat.
DWEPERIJ.
Zij neemt haar mijmren voor gedachten, Haar koortsbewegingen voor krachten.
MIJNEN VRIEND
G. H. DE MAKEZ O YENS ter nagedachtenis.
Rechtschapen, eerlijk man, die beter dan de velen,
Meer dan de meesten hebt gedaan, Die onbeperkt met groote woorden spelen,
Maar halverwegen blijven staan;
AAN DR. J. I. DOEDES. — ZILVEREN BRUILOFT.
Een Christen metterdaad, zachtmoedig en grootmoedig,
Bescheiden, maar met waardigheid;
Een hart voor God, een hand in weldoen overvloedig. Een mond, die niemand ooit gesmaad heeft of gevleid.
Vijfentwintig jaar Hoogleeraar iu de Godgeleerdheid.
Mihi Constat.
Het schrander brein, dat vijfentwintig jaren De Hoogeschool versierd heeft in het Sticht, De wetenschap beschenen met zijn licht,
En, als die School, door \'t helderst schriftverklaren
De Kerke Gods gediend heeft en gesticht;
Den Vriend sinds lang, dien God nog lang moog sparen Bij de oude kracht, breng ik mijn hulde en dicht; Nog „staat hem vastquot; hetgeen hem vast deed staan,
Sinds hij het pad der eere is opgegaan.
22 Juni 1884.
,\'kWerd Zeventig; ik zag mijn jongste grootquot;;1) Zag me op mijn feest met bloemen en laurieren Door Vorst en Volk vereeren en versieren;2)
Maar schooner feest nog mag ik heden vieren, Het Zilvren Feest met U, mijne Echtgenoot!
Van vijftien kindren zijn mij tien gespaard;
Acht aan dees disch vereend; \'k zie dochtren, zonen, Reeds prijkende met eigen huwlijkskronen Tn eigen huis, waar liefde en vrede wonen, En kleinkroost, dat naar deugdzame ouders aardt.
En ik, mijn Zilvren Bruid! gedenk den dag Der groene bruiloft en de blijde stonden.
Toen dit mijn hart getroost werd van zijn wonden. En halve weezen weer een moeder vonden.
Mijn huis weer vroolijk werd als \'t eertijds plag.
In lief en leed, dat God ons zenden wou — _ Het leed trof diep, maar \'t lief dat ons verblijdde Was veel en meer — waart ge immer aan mijn zijde, In liefde en deugd dezelfde t\' allen tijde,
O\' o«
Schoon toonbeeld van; „Waar werd oprechter trouw?quot;
J) Zie „Zestigste Verjaardagquot;. !!) 13 Sept.
336 BIJ DE BEELTENIS VAN PRINSES W1LHELMINA, ENZ.
En O! waar klopte een Moederhart als \'t uw,
Voor eerste en laatste, kleinste en grootste, kranken En stervenden?... Mijn kindren, paart uw klanken Aan mijne, om haar te huldigen, te danken!
Mijn eerfeest is geweest; het hare is nu.
Bekranst haar \'t hoofd met rozen hagelwit En rein als \'t hart, dat God haar heeft gegeven; Verheft de deugd haar in \'t gelaat geschreven;
En zoo ge uw Vader liefhebt, bidt, ei bidt Dat zij, met U, haar Man moge overleven.
20 Oct. 1884.
VAN
PRINSES WILHELMINA.
Te goeder uur geboren Tot aller braven vreugd.
Om van haar eerste jeugd Heel Neerland toe te hooren, Zal, moge \'t God behagen. Dit vriendlijk aangezicht De kroon van Neerland dragen. Bestraald door \'t vriendlijkst licht;
Licht van Zijn hoogsten zegen En Onze trouwste min — Aanstaande Koningin,
Hoe klopt ons hart u tegen! Geliefde Oranjespruite, Aan Emma\'s hand gekweekt. Dat niets de ontwikkling stuite, Die uit uw oogje spreekt.
De jongling, die naar Dothan toog
Om broedren op te zoeken,
Wier haat en nijd hem tegenvloog
Met smalen en vervloeken.
Toog toch den weg der Grootheid op, Totdat hij. op den hoogsten top, Aan Faro\'s zij verheven.
Een volk behield bij \'t leven.
— aan mijn meerderen, enz.
337
kort zijt ge.
Vrees niets, godvruchte, van wat God
Gedoogt u te ovorkomen!
Gij, volg uw plicht; Hij schikt uw lot
En kroont den weg der vromen. Zie hopende op; treed rustig aan. Al moest het tot het uiterst gaan. En slechts een manlijk sterven U troon en kroon doen erven.
Kort zijt ge, en dient daarvoor geprezen \'t Is een geluk voor die u lezen;
Maar zal \'t u een verdienste wezen, \'t Is noodig dat men onderscheidt, Of \'t armoede is of spaarzaamheid.
Hoog vliegt gij op verbeeldings vlerken,
Ontdekt, vindt uit — Ik niet als gij. \'k Voel mij tot enger kring beperken. Zie rond, merk op, herinner mij.
Hij weet to min, hoe boud hij spreekt.
Wiens hoofd niet merkt dat hem een hart ontbreekt.
ALL THAT\'S BRIGHT MUST FADE.
\'t Moet bleeken al wat blinkt, Wat heerlijkst blinkt het eerste; Het lieflijkste is het teerste; \'t Ontluikt, bekoort, ontzinkt! De starre, die verschiet, De bloemen, die verbloeien.
Zijn beeld van wat geschiedt Met al wat ons kan boeien.
\'t Moet bleeken al wat blinkt. Wat heerlijkst blinkt het eerste;
NAAK THOMAS MÜORE.
Het lieflijkste is het teerste; \'t Ontluikt, bekoort, ontzinkt!
Wie prijst dan nog, of tracht Naar vreugden, die doen treuren,
Naar banden teer en zacht. Die ieder uur kan scheuren?
Veel beter, in den donker
Te houden onze rust,
Dan, na een kort geflonker. Ons licht te zien gebluscht, \'t Moet bleeken al wat blinkt, Wat heerlijkst blinkt het eerste; Het lieflijkste is het teerste; \'t Ontluikt, bekoort, verzinkt.
II.
\'X IS THE LAST ROSE OF BüillIEB.
\'t Laatste roosje van den zomer
Bloeit hier nog, maar bloeit alleen; Al haar lieve gezellinnen
Welkten weg en zijn daarheen!
Niet een bloempje van haar maagschap.
Niet een enkle roze-knop,
Bleef haar zachten blos weerkaatsen, Zendt zijn geur nog tot haar op.
Langzaam op uw steel vervallen Laat ik u, verlaatne! niet.
Slaapt het al wat ge om u ziet, Ga dan, slaap ook gij met allen!
\'k Schud, uit liefde, uw blaadjes af, Dat ze in \'t zwijgend noodlot deelen Van de vrienden en gespelen. Neergezegen op hun graf.
Ook zoo spoedig moge ik volgen. Als de vriendschap mij begeeft. En de rijke krans van liefde
Bloem op bloem verloren heeft! Waar getrouwe harten weken,
Teedre harten niet meer slaan: Wie wenscht in zoo leêg een wereld Nog een wijle alleen te staan?
338
— MEN KAN HETGEEN MEN WIL, ENZ. 339
„WIJ WETEN.quot;
(Zie Joh. III. 3.)
Met weten, Nicodemi! komt ge er niet; Kiet zóó ver zelfs dat gij het godsrijk ziet. Zijn eisch gaat dieper, \'t Zij voor hart en zin Een nieuw beginsel, en een nieuw begin.
EEN ZWAKKE.
Een zwakke zal een sterker overmogen. Die sterk is in zijn eigen oogen.
MEN KAN HETGEEN MEN WIL.
„Men kan hetgeen men wilquot;, zegt menig man. De Wijze wil alleenlijk wat hij kan.
BIJNA.
Bijna een Dichter, bijna een Stilist,
Bijna Welsprekend man, goed Violist — \'t Is admirabel; maar verdrietig is \'t, Dat zoo veel bijna\'s in zoo vele zaken, Bijeengeteld, toch niets voortreflijks maken.
Vier halven maakt twee heelen, maar, o smart; Vier grauwe Schimmels daarom nog geen Zwart!
POPULAIR.
Spreek dingtaal, gij die volkstaal spreken wilt; Geen kindertaal, zoetvoerig, kwansuis aardig; De goede grond is deeglijk uitzaad waardig; Uw suiker-ertjes zijn vergeefs verspild.
Uw onderwijs verloopt zich in te veel Bijzonderheên, die \'t oog voor kern en hoofdzaak sluiten. Zaai korrels, man! die wortelen en spruiten;
Houd op ons te bestuiven met uw meel.
„WIJ WETEN.quot; — EEN ZWAKKE.
SONNETTEN.
SONNETTEN.
Sonnetten hier, sonnetten daav!
Een wereld vol sonnetten!
Men is er machtig gauw mee klaar,
In spijt der stipte wetten.
Al loopt de zin wel wat gevaar,
Daar valt niet op te letten;
Het fijne van de mis is maar Ze goed ineen te zetten.
Een klinkdicht — als\'tin\'t Hollandsch heet — \')
Heeft niets te doen dan klinken;
En hebt gij daar den slag voor beet,
Uw roem zal eeuwig blinken....
Zie zoo; het mijne is ook gereed,
En hoor het eens rinkinken!
II.
Tweemaal vier, tweemaal drie, voor het rijm en de maat
Die dit weet en een denkbeeld kan baren,
Voelt zich dichter en is tot een „klinkdichtquot; in staat.
En het klinkt (als katoen) van zijn snaren.
Lijdt het duitsch ook wat last, nu dat schaadt niet, wair \'t baat,
quot;En een Vriend zal \'t zoo licht niet ontwaren.
Het verklaart zich gemaklijk uit afgunst en haat.
Heeft een booze Critiek haar bezwaren.
„Maar een denkbeeld! Het komt niet, in spijt van mijn weên!quot;
Heb geduld; het zal komen, mijn vrindje!
Zoek zorgvuldig maar vast al de rijmen bijeen.
Deze brengen, zij halen het kindje;
Zij schikken, zij kleeden, zij baakren zijn leên.
En een wiegje.... dat hebje, of dat vindje.1)
340
-) Men weet dat de Sonnet-dichter in de keuze van de versmaat geheel viy is
ZELFZUCHT. — DE SCHOONSTE. — AAN J. J. L. TEN KATE, ENZ.
„Brand! brand!quot; in \'t midden van den nacbt-
,Brand!\'\' roept de wacht.
„Brand!quot; klept de klok. De lucht is rood; De halve stad raakt op de beenen;
Wat handen heeft wil hulp verleenen;
De schade is wis; \'t gevaar is groot. Misschien was \'t voor die brave lieden Alreeds te laat om \'t vuur te ontvlieden! Misschien, terwijl m\' een wakkren redt, Verbrandt een slapende op zijn bed,
Of kost door gloed en rook te streven Aan een der toegesnelden \'t leven!
En altiid woedt de vuurzee voort....
Knort, dewijl \'t uw nachtrust stoort.
Wie immer als de schoonste zij geprezen. Om leliewit en rozekoon:
Bevallig zijn is meer dan schoon te wezen;
Het vriendlijkste is het schoonste schoon.
Het statige doet zich met eerbied groeten, \'t Volmaakte, met bewondering;
Maar \'t hart ontsluit waar wij de lieve ontmoeten. Wier mond ten glimlachje openging;
Daar \'t oogje tintlend meêlacht met de lippen, En \'t handje minzaam toegestrekt.
Als \'t zich vanzelf in onze hand laat glippen. De zachtste ontroeringen verwekt
Moog dan de kroon der schoonheid hoofden sieren. Des kunstnaars hand en marmer waard\';
De schoonste roos, die in mijn hof wil tieren, Wordt voor de vriendlijkste bewaard.
AAN J. J. L. TEN KATE,
OP ZIJN GEDENKFEEST.
6 Mei 1886.
Den man, die veertig jaar de kruisleer heeft gepreekt, Maar meer dan vijftig jaar zijn liedren heeft gezongen.
342 JiEDE VAN HET OUDE ORGEL ENZ. — HET KOODE KRUIS. ENZ.
Waar diep en rein gevoel voor God en \'t Goede in spreekt, En \'t pleit der waarheid door de schoonheid wordt voldongen; Wiens maatgezang altijd als gulden olie vloeit,
Maar bruist en stroomt om alles mee te sleepen.
Wanneer „de God in onsquot; zijn ziel heeft aangegrepen,
En al wat in hem is op eenmaal vlamt en gloeit; Het machtig hoofd, het teeder hart, vol tranen En blij gejuich naar leed of lief \'t ontroert;
Den geest, die beurtlings speelt, streelt, sticht, verheft, vervoert En tot in \'t stugst gemoed zich toegang weet te banen; In \'t kort: Ten Kate, in al zijn rijkdom, waarde, kracht, Zij, op zijn feestdag, ook mijn hulde toegebracht.
Lang schittre nog zijn zon, en wete van geen tanenl
der Nlcolaï-Kerk te Utrecht.
Vier eeuwen paarde ik reeds mijn klanken aan uw psalmen;
\'k Ben veel gebreks, maar van geen onwil mij bewust; Thans is mijn keel verroest en kreunt in plaats van galmen; Mijn adem weigert.... Ei, vervang me en geef mij rust!
Zie over dit Orgel, liet opstel van Jhr. Mr, J. C. M. Van Riemsdijk, in het Tijdschrift der Vereeniging voor N. N. Muziekgeschiedenis D. II. Sd0 stuk.
HET ROODE KRUIS.
\'t Bestaan van „\'t Roode Kruisquot; is vast een groote zegen; Maar beter was noch oorlog noch gevecht. Een kindermond zei hier met recht:
„Waarom verwondt men, die men daarna gaat verplegen?quot;
Beleefdheid jegens luiden die men acht. Wordt best door openhartigheid betracht.
WAAR GELUK.
Daar is, voor ouderdom noch jeugd, Hoe \'t menschlijk h art er naar moog haken.
Daar is geen onvermengde Vreugd, Maar wel volkomen Troost te smaken; En wat de wereld vreugde hiet Haalt bij dien troost in waarde nieb.
crOliDE RAAD.
De wijste wijsheid, buiten God,
Is niet dan die der pessimisten.
Te roemen in zijns levens lot Heeft enkel waarheid in den Christen. Bedwelming en ontveinzing zijn Slechts stilling voor gevoelde pijn.
Wat is de blinde vreugd van \'t kind? De dartelheid van jonge knapen?
\'t Genot uit rijkdom of bewind.
Verworven eer of rang te rapen?
Wat huislijk heil, zoo groot, zoo zoet. Vaak met de diepste smart geboet?
De troost der Liefde Gods, die ,\'t al Doet medewerken mij ten goedequot;.
En daar mij „niets van scheiden zalquot;. Wat zee van ramp ook om mij woede; De troost der Hoop „die niet beschaamtquot;, En \'t hart tot eiken strijd bekwaamt:
Ziedaar waarin \'t geluk bestaat En slechts bestaan kan voor ons menschen.
God geeft het in een volle maat Aan hen, die niets daarboven wenschen; En ook te midden van de smart Klopt in hun borst een vroolijk hart.
GOEDE RAAD.
Aan een Lid der Staten Generaal,
Stem naar uw overtuiging niet.
Maar naar men links ot rechts gebiedt.
Denk aan uw kiezers, niet aan d\' eed.
Dien gij bij God almachtig deedt.
En haal er \'s Lands belang niet bij;
Zorg slechts voor \'t welzijn der Partij.
Verklein, zoolang ge er niet aan zit,
De groene tafel, doel en wit.
Waarop gij pijlen schiet van smaad,
En oogen vol begeerte slaat.
Zoo ge anders doet, ik acht u dan
Geen staats-, maar slechts een eerlijk man.
343
344 HET BARKSCHIP „NICOLAAS BEETS.quot; — NIET COMPLEET, ENZ.
HET BARKSCHIP „NICOLAAS BEEÏSquot;
UITGEZEILD 19 MAART 1885.
Zeil uit, mijn naamgenoot! Kies zee, doorklief de baren,
Kanaal, Biscaaische Golf, Atlantisch\' Oceaan,
Om voorts, met ruimen zwaai het Kaapland omgevaren,
Den breeden waterweg naar \'t Oosten op te gaan!
Groet England, groet de Kaap, waar dierbre vrienden wonen. Groet met een dubblen groet het woongewest mijns zonen l).
Heel de Eilandzee, waar zooveel harten voor mij slaan; En als gij \'t anker tot den wedertocht zult lichten.
Den boeg naar \'t Vaderland en uw bevrachters richten,
Breng goede tijdingen en rijke lading aan.
NIET COMPLEET.
Die van verrukking weet, noch opgetogenheid, Onvatbaar voor een diepe ontroering, Ontvlamming kent noch geestvervoering,
Is niet de groote man, dien hij zichzelven vleit. Op nuchtren oordeel, dat de teugels kan bewaren. Op meerderheid van geest doe zich zijn trots te goed:
Het speeltuig van zijn hart mist snaren. Waarvan zi]n groot verstand de waarde niet bevroedt.
AAN EEN VRIJDENKER.
Gij meent dat over u de meening is verspreid,
Dat gij aan niets, volstrekt aan niets, meer zoudt gelooven. Wat argwaan heeft uw geest misleid?
Geen lastertong, die ooit u de eer zal rooven,
Dat gij gelooft aan uw voortrefiijkheid.
VERHEF DE LIEFDE GODS.
Verhef de liefde Gods; maar zoek haar meest en eerst In eigen hart en leven Haar vollen eisch te geven.
Alom gebiedt zij, maar \'t geluk is waar zij heerscht.
*) Java.
DANKBAAR ONTZAG. — DIE ZEGT. — ARME PRONK, ENZ. 845
DANKBAAR ONTZAG.
Men werpt geen ateenen in de bron,
Waaruit men heeft gedronken;
Men zoekt geen vlekken in de zon.
Die ons haar licht en warmte heeft geschonken.
DIE ZEGT.
Die zegt: daar is geen eerlijk man
Op heel deze aard te vinden; Die deugt, wees daar verzekerd van. Ook zelf niet veel, goê vrinden!
ARME PRONK.
Gij hebt niet eens wat nqodig is, En schaft wat overbodig is.
Wat vaster kost bij minder praal Gaf degelijker maal.
HEEL DOM TE WEZEN.
Heel dom te wezen kan geen kwaad, Zoolang de domoor zich geen wjjsheid dunken laat.
j.DU CHOC DES OPINIONS JAILLIT LA YÉRITÉ.quot;
„Het botsen der gevoelens,quot; zegt men vaak, „Kan voeren tot het ware van de zaakquot;.
Maar waar vooroordeel met vooroordeel strijdt. Wat is het — dan verlies van tijd!
EEN.
„Daar \'s niemand wijs dan Godquot;, luidt Plato\'s leer\'). „Daar \'s niemand goed dan Eenquot;, zegt ons de Heer\'-).
23
\') Timaeus. •) Matth. 19 v. 17.
IV.
346 TWIJFELEN. - EEN GRAFSCHRIFT. — LEVENSBESCHOUWING, ENZ.
TWIJFELEN.
Uw twijflen zij een -worstlen met de baren,
De baak in \'t oog, de haven in \'t gemoefc;
Geen speelsch en loom zich laten wieglen op den vloed,
Om de open zee half domm\'lende in te varen,
Die in een oogenblik uw bootje zinken doet.
EEN GRAFSCHRIFT.
Hier is uw strijd ten einde, uw taak vervuld. De wereld kende uw leed; God uw geduld.
LEVENS-BESCHOUWING.
^amp;Yms-hescJiouwingquot;. Hoe versta ik \'t? Leeft men slechts
Om \'t leven te beschouwen, links en rechts.
En al of niet, naar men \'t beschouwt, te leven?
Of heeft het leven zijn beschouwing ingegeven?
Beschouwt gij \'t naar gy leeft, en leeft gij naar uw zin?_ Of is \'t een woord, niets meer, en kracht noch ernst daar in?
GEPEINS.
A.
Waar denkt gij aan, met dit gefronst gezicht?
Ik denk aan niets; ik denk slechts over \'t denken.
A.
Laat andren daar de denkkracht zich mee krenken. Denk liever aan het leven en zijn plicht.
AAN DE LEIDSCHE HOOGESCHOOL
op haar LXIIste Lustrum.
Mijn Alma Mater! neem de hulde van een !.oon,
Wien vijfenveertig jaar niet konden doen vergeten, Hoe hij, het oog geslagen op uw kroon,
Zes jaren aan uw voeten heeft gezeten, De lessen ingedronken van uw mond.
Om levenslang uw woorden en uw wenken.
OP DE EERSTE BLADZIJDE VAN EEN GEDENKBOEK, ENZ.
Die hij verstond, of later eerst verstond.
Met dankbaarheid en eerbied na te denken. Hoe talrijk is, van eeuw tot eeuw, uw kroost!
Hoe schoon de taak, die gij hun leert verrichten 0, Leef en bloei! Blijf trouw, blijf onverpoosd Elk nieuw geslacht vereedlen en verlichten!
OP DE EERSTE BLADZIJDE
VAN EEN
GEDENKBOEK.
Zoo wie, op vriendelijk verzoek.
Zijn naam wil schrijven in dit boek. Die doe \'t van harte en zonder dralen; Een woord in proze of poëzy Verhoogt de gunst en haar waardij. En \'t hart zal haar met dank betalen. Men zal, zoo vaak men \'t Schrift herleest, Het Beeld herroepen voor den geest. En met erkentlijkheid herdenken.
Wat elk door daden, woord of wenken
Voor zijne vrienden is geweest, \'t Verrassend van een eerst ontmoeten, Te zaam gesmaakte vreugd of smart. Een zitten aan elkanders voeten.
Een weerzijdsch opengaan van \'t hart; De zoete kout; het gul vertrouwen;
Een woord van ernst ter rechter tijd; Een woord van jok, niet ingehouen
Door vrees voor misverstand of spijt; De warme druk der hand bij \'t scheiden; De blijde hoop (bewolkt misschien Door bange zorg) op wederzien:
Ziedaar waarin de Erinring weiden.
Waarbij de Liefde stil zal staan,
Met hier een glimlach, da^r een traan.
Wat eigen hand hier neer zal schrijven. Hangt aan de Ervaring, hangt aan \'t Lot. Het beste zal wel tusschen God En eigen ziele blijven,
348 UE 3L.IKFDE BLIJFT HET BEELD BEWAKEN, bNZ.
DE LIEFDE BLIJFT HET BEELD BEWAREN.
De liefde blijft het beeld bewaren Zóó als zij \'t liefgeki-egen heeft. Het moog veroudren met de jaren:
Voor haar het jonge in \'t oude leeft. Die \'t jong om \'t oud gelaat vergat,
Heeft nooit dat jonge liefgehad.
Hij heeft bewonderd, heeft geprezen.
Gevleid, geliefkoosd en gespeeld; \'t Veroovren van zoo lief een wezen
Heeft zijn hoogmoedig hart gestreeld; Voor liefde nam hij d\' oogenlust — Een stroovuur, dat zichzelven bluscht.
]Seen, lief! Te zamen oud geworden
En altijd dierbaar aan elkaar,
Schoon leliën en rozen dorden.
De tijd zijn zilver strooit in \'t haar,
Voor mij verandring noch gemis!
\'k Zie al wat was in al wat is.
GEEF WOORDEN AAN UW LEED.
Geef woorden aan uw leed; de smart die niet wil spreken. Doet door haar fluistren \'t hart, dat zich geweld doet, breken
Shaeespeaiïk
WEGEN.
De rechte weg is overal de kortste;
De beste niet altijd misschien.
De langste en slechtste die, waar men zijn tr|d vermorste Met altijd naar een beetren om te zien.
MOGELIJK.
Zij de aard en de omvang van \'t gebeurlijke onbetooglijk: Wat onvermijdliik, wat verplichtend is, is mooglyk.
STflPFEF.
GERMANIA.
(Nlederwald, Augustus 1883).
Germania rust op haar zwaard, En heft de Keizerskroon naar boven, Omkranst met lauwren barer waard,
GERMAHIA.
Wier glans geen spijt of nijd kan dooven.
Haar Keizer, met zijn kloek geslacht En helden die voor krijgseer blaken,
Houdt aan haar Rijn de trouwe wacht. En zal ook aan den Moezel waken. De loftrompet blaast ver en luid Haar oogst van zegepralen uit.
Wie koenheid, kracht, en vrijheid mint. Aanschouwt haar beeld met welbehagen.
Haar lokken fladdren op den wind;
Haar oog is helder opgeslagen;
Haar schoons mond zegt vastheid aan.
Haar blik, verachting van gevaren;
Ontzag gebiedt haar rustig staan Te midden van haar adelaren;
Daar ze in haar wijdgestrekt gebied Haar een en eenig Duitschland ziet.
O Welk een dag, als op \'t geluid Der trom, haar zonen samenvloeiden,
En traan bij traan van gade en bruid De hand die \'t krijgszwaard greep besproeiden
Ach, welke nachten, als de bloem Haars volks, in haar gevallen helden,
Alleengelaten met hun roem,
Terneerlag op bebloede velden.
En door de najaarswolken heen,
De maan hun koud gelaat bescheen!
Maar welk een dag van vreugde en eer. Als zij haar dappre duizendtalen.
Met d\'eikenlooftak op \'t geweer,
Door luid gejubel in zag halen!
Als echtgenoot en bruidegom Weer gade en bruid in de armen zonken,
En bij \'t ontroerend wellekom Geen tranen dan van blijdschap blonken.
Daar \'t „Dank zij God!quot; bij \'t lofgeschal Ten hemel steeg van berg en dal!
Die dag heeft rijkelijk vergoed Een jaar van krijg en afzijnsmarten,
Van bergen angst en stroomen bloed En zooveel rouw voor zooveel harten.
Die dag, God geve \'t! hebbe een tijd, Een schoonen tijd, een Eeuw van vrede.
Voor kroost en nakroost ingewijd,
AANVAARD UW GELUK. — ZOO ZIJN ER. — TVEE HEM! ENZ.
Die \'t zwaard terughoudt in de seheede, Die broedertwist noch tweedracht duldt, En Amalthea\'s horen vult.
AANVAARD UW GELUK.
Aanvaard, -waar God ze geeft, geluk en blijde tijden!
Zijn hart misgunt u niet, wat menschen u benijden. Verdenk geen liefde, op grond dat g\\j ze onwaardig zijt. Berisp hem niet, die „mildlijk geeft en niet verwijt.quot;
ZOO ZIJN ER.
„Ik ben voor \'t goede, kameraad!
Voor \'t goede, en daarom doe ik kwaad; Maar gij zijt eer- en pliohtvergeten. Want gij blijft onrecht onrecht heeten.quot;
WEE HEM!
(Jez. 5: 20).
„Wee hem die \'t kwade goed heet, \'t goede kwaad!quot; — Partijschap doet het, door zijn liefde en haat.
GEEN UITNEMING DES PERSOONS.
(Kol. III: 25).
rüie onrecht doet zal \'t onrecht dragen, wie hij zij!quot; Zeg dit u zeiven eerst, en dan uw weerpartij. Uw godsvrucht en uw deugd, voor \'t oovrige onbesproken. Maakt onrecht nooit tot recht, en onrecht wordt gewroken.
NON TALI AUXILIO.
Vrijdenkers, die niet vrij zijt te gelooven,
Geloovigen, die \'t denken u verbiedt,
Gij zijt ter wederzij de rechte mannen niet. Die tusschen wetenschap en godsdienst twistvuur dooven Of muren slechten zult, die ge altijd stijgen liet.
ZAAK EN VORM. — GEMATIGD. — WAT BETER IS.
Dat ge in de Zaak verschilt, verstoort geen vrede; De Wijs, daar gij de zaak op voorstaat, dikwijls wel. Spreek luid, maar liefdrijk, krachtig, maar niet fel. \'t Goed staal kwetst niet dan door de snede.
Gematigd, zijt gij niet de man van \'t oogenblik.
Noch van de menigte; maar overwint ten lesten.
De toekomst doet u recht, gelijk reeds nu de besten.
Men haakt naar houdbren grond, na \'t gaan door dun en dik.
Wat beter is, wat beter is,
wat beter is dan \'t Leven,
Dat is de Hoop der heerlijkheid,
die God ons heeft gegeven, Dat is de hooge levens-Vreugd,
de blijde stervens-Moed Van \'t hart dat zegt: „Gy zijt mijn rots,
mijn deel, mijn eeuwig goed!quot;
Wat verder brengt, wat verder brengt,
wat verder brengt dan \'t Weten, Dat is de Liefde, die mij God
doet „Abba, Vaderquot; heeten; De Liefde, daar ik hem door ken,
wien geen verstand verstaat, Maar die zich woning maakt in \'t hart dat voor hem opengaat.
Wat wisser baat, wat wisser baat,
wat wisser baat dan \'t klagen. Het is de Lijdzaamheid, die \'t kruis
den Heiland na doet dragen; Het is bet roemen in een heil,
dat boven \'t leed verheft;
Het is het kussen van de roe,
die zegent waar zij treft.
Wat sterker is, wat sterker is,
veel sterker dan de Zonde,
Het is de Drang, de Liefdedrang
van Jezus\' bloed en wonde,
851
352 ABBA VADER. - NIET WAT GIJ KUNT. — AAN EEN MISTROOSTIGE, ENZ.
Die daaraan denkt, die daarvoor dankt,
die daar zijn moed uit schept, Strijdt en verwint, en grijpt de krans die afvalt noch verlept.
Leg uw hoofd aan de borst van den God, die u mint; Sla uw oog tot hem op, en gevoel u zijn kind.
NIET WAT GIJ KUNT.
Niet wat gij hunt, niet wat gij wilt, maar wat gij zijt, Bepaalt een waarde en rang, die geen betwisting lijdt.
Met uw vreugde, werd uw kracht
Ingeboet;
Ach, daar zit gij, zonder macht.
Zonder moed,
Tot een troost, zoo goed als groot,
U verkwikt.
En geen leed meer krenkt, geen nood Meer verschrikt.
Ga dan tot den Trooster uit,
Die u wacht.
Die zijn armen u ontsluit!
Zie hij lacht,
Lacht u tegen, peilt uw smart,
Uw verdriet;
Stort u aan zijn godlijk hart; Wanhoop niet.
CONSTANT THEODORE GRAVE VAN LIJNDEN VAN SANDENBURG
TEE GEDACHTENIS,
t 8 Nov. 1885.
Rust, wakkre Staatsman, rust! De lyksteen drukke u zacht! Een eervolle eerzucht heeft uw rijke ziel doen blaken.
Haar roeping zich bewust, haar gaven, en haar kracht. Maar ook geschapen tot grootmoedig zelfverzaken.
Waar liefde drong, waar plicht, waar wijsheid werd betracht.
ENZ. AAN DR. COENRAAD LEEMANS, ENZ. — STIJL-LES. — STIJL-VEUSCHIL. 353
Rust, steun van Vorst en Volk! Uw tijd was welbesteed; Gewoekerd hebt gij met de u toebetrouwde ponden.
Gij kost wat niemand kost; gij deedt wat niemand deed; Ach, hoeveel hulp en hoop zijn in uw graf verslonden! Ondankbaar Nederland, indien het u vergeet.
Mijn hart vergeet u niet; het heeft uw hart gekend.
Hart voor uw Koning, voor uw Land, uw Huis, uw Vrienden;
Dien arm, tot steun bereid; dat oog, tot God gewend;
Dien mond, zoo minzaam voor de minste die u dienden!
Kust zacht, u wacht de kroon; gij hebt den loop velend.
op den 3den December 1885,
vijftig jaar Directeur van het Museum van Oudheden te Leiden.
Een half ontgraven, half nog in \'t Egyptisch zand
Bedolven Sphinx geheimen af te vergen.
Aan \'t licht te brengen, wat alom bij volk en land. De nacht der eeuwen in zijn duister bleef verbergen,
En Heden en Verleen te stellen in verband;
Een Priester en een Eer der Wetenschap te worden;
Den roem des Vaderlands te staven wijd en zijd:
Ziedaar de taak, waartoe \'k uw jeugd zich aan zag gorden.
De schoone vrucht van uw gerekten levenstijd. O Leemans! mij vooruit in kennis en in jaren.
Maar met wien, — sinds, bedekt met Mavors lauwerblaren,
De Leidsche Pallas in haar koor u wederzag —
\'t Mijn als uw voorrecht was om wijsheid op te garen Bij die voor half een eeuw haar achtbre Tolken waren,
Hoe juicht mijn hart u toe op dees uw jubeldag! Nog lange ontzie de dood uw deugd en grijze haren.
Schrijf niet al te los daarheen.
Die u wilt doen lezen. Ongemaakt, maar ongemeen Moet uw proza wezen.
Die weet, is kort; die zoekt, is lang; Die twijfelt, gaat een ziegzaaggang; Die overreedt, is driest en druk; ht. Die overtuigt, houdt voet bij stuk;
354 NIETS NIEUWS. — ONVOLDOENDE. — JE, JIJ, EN JOÜW IN BRIEF ENZ.
Wien \'t ernst is, spreekt met klem enkraclit; Die ijdel is, zoekt woordenpracht;
Die, zonder diepte, diep wil wezen,
Omringt met neevlen die hem lezen.
NIETS NIEUWS.
De Dichter; schoon gij \'t zoudt verwachten;
De Dichter zegt niets nieuws; niets dat door uw gedachten En hart niet dikwijls ging en gaat;
Maar zegt het zóó, dat gij uzelv\' verstaat.
ONVOLDOENDE.
„Niet rijk van inhoud; maar de vorm! Hoe schoon was hij!quot; \'k Erken \'t; maar, bij \'t vertoon van zilvren schalen,
Verwacht en eisch ik mij te onthalen Op gulden appels, — niet op bellenhlazerg.
JE, JIJ, EN JOUW IN BRIEF EN BOEK.
\'t Je, jij, en jouw in schrift, en zelfs in druk!
\'t Herinnert\'ons te smartlijk Jt ongeluk.
Waardoor wij \'t lieve du en dijn verloren.
\'t Natuurlijk schrijven moet zoo ver niet gaan; Laat ons veeleer naar netter spreken staan, En \'t ge, gij, uw niet enkel zien, maar hooren.
NEEN \'T LEVEN ZIET NIET STEEDS ZOO ZUUR.
Neen, \'t leven ziet niet steeds zoo zuur.
Als sombre wijzen u vertellen.
Het regentje in het morgenuur
Kan ook een lieven dag voorspellen.
De donkre wolk, die u verschrikt.
Maakt straks weer plaats voor blauwe luchten, De bui, die \'t rozenbed verkwikt.
Verdient geen traan of zuchten.
Naar het Engelsch.
DE GODSDIENST LEEFT MET GOD.
De godsdienst leeft met God, de godsdienst-twist met Menschen; De plant, onttrokken aan haar luchtkring, moet verflensen.
WA Alt \'t VAN AFHANGT. —
WAAE \'T VAN APHANG-T.
Men heeft geen zin in uw gedachte: daarom aohb Men \'t geen gij voortbrengt on-doordacht. Men vindt zijn eigen denkbeeld in het uw: O welk een licht van wijsheid zijt gij nu!
HET KOMT VANZELF NIET.
Het komt van zelf niet, met de jaren, met de grijsheid. Wijs oud te worden is het toppunt van de wijsheid.
EEN WOORD VAN CLAUDIUS.
Doe nooit een meisje leed, naar lichaam of naar geest. Uw Moeder is het ook geweest.
AAN MIJNE VROUW.
Zes en twintig jaar vereenigd.
Uit Gods hand veel goeds gesmaakt, :t Leed door huwlijksmin gelenigd.
En de last tot lust gemaakt,
Dalen wij den weg naar \'t graf,
\'t Oog omhoog, blijmoedig af.
AAN MIJNE JONGSTE.
,\'t Jongste kind nog groot te zien. Was een zoete wensch, en dien
Heeft mij God gegeven.quot;
Moog zij met een vroom gemoed, Wijs in \'t geen zg laat en doet, Lang mij overleven.
„DE HEER WEEGT DE GEESTEN.quot;
(Spr. XVI. 2.)
Gü weegt de geesten, Heer! en de ongerechte wagen
HET KOMT VANZELF niet, ENZ.
Zijn U een gruwel, die wij voeren in de hand. Wij echter wegen toe, en zonder eens te vragen: Heb ik van geesten en van wegen ook verstand?
DE SLAAP.
De slaap, de kalme slaap, een glimlach op \'t gezicht: Wat is ze? Een beeld der Hoop op dag en morgenlicht.
356 AAN .... — AAN EEN JONGE WEDUWE, ENZ.
AAN....
\'t Begin was beter dan \'t besluit,
Als leed en zorgen weken; De rampspoed bracht uw deugden uit, De voorspoed uw gebreken.
AAN EEN JONGE WEDUWE,
uit Oost-Indlë terug.
In \'t Vaderland terug, maar zonder dien,
Om wien gij \'t eens blijmoedig kondt verzaken;
Terug, om allen weer te zien,
Behalve hem, die uw geluk moest maken!
Omfloerste Weeuw! met zwijgend\' eerbied slaan We uw rouwkleed ga, diep, diep in \'t hart bewogen.
Zoo jong en schoon, nog schooner door de traan. Die staat en zwelt in de alles zeggende oogen.
Ach, \'t medelij geneest geen bloedend hai-:.
Al drupt het ook wat balsems in de wonde!
Indien uw hart geen God had die het konde,
Gij waart reeds lang vergaan in uwe smart.
Maar zij vergaan niet, die hij staande houdt En steunt en opbeurt en gebiedt te leven. En \'t onderpand u van zijn trouw gegeven,
Hebt gij, met ons, in \'s Heilands kribbe aanschouwd.
Tweede Kerstdag. 1885.
GOEDHARTIG ZIJN.
Goedhartig zijn is meer dan mooi te wezen.
Men wordt om \'t een bemind, om \'t andre slechts geprezen.
VERSOHE SMART.
Versche smart is heiige grond.
Raak aan geen nog open wond!
Waar nog de eerste tranen leken, Troost het zwijgen, tergt het spreker.
HET SGHOONE IS ALTIJD SCHOON.
Het Schoone is altijd schoon, het Goede is altijd goed;
Waar schoonst bij \'t zedig oog, en best in \'t vvoom gemoed.
DIAMANT EN KOOL. — SLECHTS HET HART, ENZ. 357
DIAMANT EN KOOL.
Schoon een en dezelfde stof,
De eene schittrend, de andre dof.
Die liefheeft is de Diamant,
Die geeft wat hij ontvangt en \'t uit laat stralen
In kleur en gloed aaar eiken kant,
Wiens rechte waarde alleen de kenner kan bepalen.
Der Kool gelijk is \'t zelfziek hart,
Die, schoon gij ze ook in \'t helderst licht zoudt plaatsen. Geen straaltje door kan laten of weerkaatsen.
Maar alles opslurpt in haar zwart.
Laat haar met rust: een vuile veeg Was \'t meest, dat iemand van haar kreeg.
SLECHTS HET HART.
Slechts het hart is de Mensch, en de mensch is zijn Hart;
Niet zijn brein, niet zijn tong, niet zijn handen.
Denke \'t hart, spreke \'t hart, pare \'t hart wil en daad, Strale \'t hart, door het oog, van het hartlijk gelaat. En het doet alle harten ontbranden;
Ja, ontbranden in liefde, in de heilige vreugd
In een ander zichzelven te ontdekken,
D\' eigen zin voor wat aandoet en goeddoet en treft. Wat vertroost en versterkt, en tot hooger verheft Om de schoonste verlangens te wekken.
TWEE LEVENSBESCHOUWINGEN.
DE VROEGERE. DE NIEUWSTE.
Voor God en Naasten leven, Te leven om te leven,
En naar volmaking staan; Te strijden om \'t bestaan,
Ziedaar op \'s levens baan Ziedaar wat ons voortaan
De taak u voorgeschreven, Als doel voor \'t oog moet zweven,
Den eisch aan u gedaan. En — niet ter harte gaan.
Gij vaardt die dankbaar aan. De rest is droom of waan.
Schoon vrees en heilig beven Waar die zijn opgeheven,
U om het harte slaan. Daar vangt de wijsheid aan ...
De neigingen weerstreven; Ja! — Mits de mensch, gedreven
Maar, \'t oog tot God geheven. Door wat ont-menschtenschreven.
En door zijn Geest gedreven. Naar \'t voorschrift hem gegeven.
Zwak stervling! zal het gaan. Den mensch heeft uitgedaan.
358 DE MOUTUIS NIL NISI BENE. — DUM TEAIIIMUS TRAHIMDB, ENZ.
DE MORTUIS NIL NISI BENE.
De mortuis nil nisi hene wordt geduid Als moest men niets dan goeds van hen verkonden! Neen, neen! zij hadden ook hun zonden;
Verbloem ze niet, al meet gij ze niet uit. De spreuk wil dit: Zwijg gansohlijk van de dooden, Of spreek van hen naar billijkheid en recht; Let dubbel op bij \'t geen gij van hen zegt, En wacht u voor verwerpen en vergoden.
DE MOKTDIS NIL ; NISI BENE.
DUM TEAHIMUS TRAHTMUR.
Toen de oproervaan gezwaaid werd door \'t verbolgen Gepeupel van Parijs, sloeg die hem had geplant De schrik om \'t hart bij \'t zien van moord en brand. „Wat wil ik?quot; sprak hij; „\'k ben hun Hoofd; ik moet hen volgenquot; \')
AAN EEN OVERGELEERDE.
Gij hebt veel meer dan \'k bij u zoek.
Maar minder dan ik wensch. Ik voel in u geen levend Mensch, Maar hoor een sprekend Boek.
LES. GEEN LEER.
Wantrouwen zij de vrucht van \'t leven en \'t verkeer: Aanvaard de les, maar niet ten grondslag voor een leer.
ZELFS VERZEN!
A.
Hij kan van all es; heeft zelfs verzen in de maak.
Dat is van alles wel de makkelijkste zaak.
Maar verzen baren uit een dichterlijken geest.
Dat is te geener tijd een ieders werk geweest.
1) Je suis leur chef; 11 faut blen que je les suive. Ledru Rollin, Febr. 1848,
illusie. — enthusiasme. — nardus.
ILLUSIE. - ENTHUSIASME.
Laat varen uw begoocheling,
Maar blijf uw geestdrift kweeken, Begoochling is een rozeknop,
Maar die niet loslaat aan den top
En in zijn lx oei blijft steken;
Maar Geestdrift is het immergroen, Dat tiert en siert in elk seizoen.
Laat dooven uw begoocheling,
Maar houd uw geestdrift glorend! Begoochling is het tooverlicht, Dat alles kleurt waarop \'t-zich richt.
Bedrieglijk en bekorend;
Maar Geestdrift is de heiige gloed \'), Die gloeien blijft, en gloeien doet.
Mijn Heiland is het beate waard.
Het echte en uitgezochte. Het schoonste in hemel en op aard,
Het nooit te duur gekochte: De nardus moet voor Hem gespaard.
Moet uitgestort, moet stroomen, Moet dalen op zijn hoofd en baard En op zijn kleederzoomen.
Is Hij de Hoogepriester niet.
Door God den Heer geheiligd.
Door wien verzoening is geschied.
Die voor \'t verderf beveiligt? Wil Hij het huis „daar liefde woontquot;
Zijn intree waardig keuren,
\'t Moet al, waar liefde liefde kroont Van d\'eêlsten nardus geuren.
Gezegend is het huldeblijk,
Gebracht ter rechter stonde Door wien. hij zij dan arm of rijk,
Gedaan is, „wat hij kondequot;.
Aan „\'t goede werk aan Hem gewrochtquot;,
Daar \'t hart toe had gedreven.
Heeft Hij een dieper zin verknocht. En dezen naam gegeven.
360 WAT IN DEN GRIJSAARD OMGAAT. — PHILOPHROSYXE,
WAT IN DEN GRIJSAARD OMGAAT.
De grijsaard, die een beeldschoon aangezicht, Den zachten straal die uit lieve oogen licht, Het glansriïk goud van rijke en blonde lokken, De aanminnigheid van \'t vriendlijkst wezen ziet. Gevoelt in zich de wondre ontroering niet, Die jonger hart, vaak al te diep, kan schokken;
Maar eerbied voor de zuivre maagdekroon. Ontzag voor \'t vol, nog onbeschadigd schoon, Verteedring voor een jong en argloos leven. Onzekerheid van \'t lot het voorgezet.
Brengt over hem een stemming van gebed, Een biddend hopen en een liefdrijk beven.
Wees beminlijk! Al uw deugd
Heeft geen ingang bij de jeugd.
Heeft op d\' ouderdom geen vat, Zonder dat.
Draag een vriendlijk wezen rond;
Spreek met vriendelijken mond;
Vriendlijk zij uw oogopslag En uw lach.
Waar de jeugd haar vreugd geniet:
„TSTimm ein Stock und reite mitquot; \').
Waar men zucht om zorg of smart: Toon een hart.
Maakt bedeesdheid iemand schuw:
\'t Zij voor andren, niet voor u.
Die zijn oog niet op durft slaan. Zie hem aan.
Zie hem aan met zulk een blik.
Die vertrouwen wekt voor schrik;
Die den armsten zondaar moed Scheppen doet.
Zij uw ernstigst woord nooit straf;
Stoot niet van u; snijd niet af;
Smoor, waar gij barmhartig zijt, Elks verwijt.
M Claudius.
NIEUWE LEER. — HYPOTHESEN. — ENGELSCH TRACT A AT JE. 36J
Wees toegevend, sparend, goed;
Door oprecht zijn, toon uw moed;
Door verdragen, toon uw kracht;
Oordeel zacht.
Wees beminlijk, gij die mint,
Liefde, die de harten wint,
— Machtloos blijkt gemaakte schijn —
Moet het zijn.
NIEUWE LEER.
Een strijd van allen tegen allen,
Beding van \'t leven, en het wachtwoord der natuur:
Een stelsel op dien grondslag moet bevallen;
\'t Gaat door de wereld als een loopend vuur.
\'t Is zoo geschikt de roofzucht te vertroosten,
De zelfzucht te beschermen voor verwijt.
Veel beter dan dat Woord, gekomen uit het Oosten, Dat zelfverloochning eischt van die \'t belijdt;
\'t Maakt kracht tot recht, succes tot deugd, te letten Op \'t geen geschieden moest, tot dwaasheid. Wat geschiedt Zal les en regel zijn. Beginslen tellen niet;
Verschijnselen en feiten worden Wetten.
HYPOTHESEN.
Die, redeneerende, onderstelt.
Al komt hij ook tot resultaten,
Krijgt — noem het saldo\'s, maar geen baten. Hij heeft in plaats van wichtig geld Met rekenpenningen geteld.
Die hebben ook hun nut, mijnheeren!
Mits gij ze kunt realiseeren.
ENGELSCH TRACTAATJE.
Op de eerste bladzijde, een die zich voor God niet buigt, En voor de Menschen leeft in allen boozen handel;
Eeeds op de derde, een kind, geloovig, overtuigd; Een voorbeeld, op de vierde, in leer zoowel als wandel.
IV.
HOE SCHOON. — ONZIJN. — Igt;K LAATSTE EER.
HOE SCHOON.
Hoe schoon versiert een zachte lach Te midden van de smarte,
Die ons den vrede melden mag
Van \'t nochtans bloedend harte!
Die glimlach zegt;
„De Heer is recht, „In spijt van duisternissen. ,Hii kan zich niet vergissen.quot;
Hoe heerlijk blinkt een stille traan Te midden van de vreugde,
Die \'t volle, hart zoo snel deed slaan, Het diepst der ziel verheugde!
Die traan verkondt,
Al zwijgt de mond: „O God! door zooveel zegen „Maakt gij uw kind verlegen.quot;
ONZIJN.
Och, was daar in uw dof gemoed Iets dat naar hooger trok te wekken. Een vlam die uitsloeg of een gloed Voor wat het waar, te ontdekken!
Maar nu gij hart toont noch gevoel,
Voor elk en alles even koel,
Is daar niets goeds te wachten Van uw onnutte krachteg.
Ik mag u van een slordig zwijn Of dartlen wulp den naam niet geven Maar toch, geen mensch-, maar dierlijk zijn
Is uw verloren leven.
Hoe lang reeds? Twintig? Dertig jaar? .. .. Verzwijg het maar!
\'t Deed pijn aan die \'t vernamen; U brengt het niet tot schamen.
DE LAATSTE EEK.
De laatste, u gaarn bewezen, eer — En voorts niets meer
Aan u te geven!
Men sluit uw graf.
En wendt zich af,
Om met de levenden te leven.
362
SCHRIJF OP SIIJN ZERK GEEN LOFGEDICHT.
Of mooglijk toch Een wijle nog
Blijft ra\' u gedenken,
En aan uw werk Voor Staat of Kerk,
Een luttel van zijn aandacht schenken.
Ook dat verslijt.
Een andre tijd
Heeft andere oogen,
En weinig hart Voor wat niet werd Met hem geboren en getogen.
Wees dan tevreê Met de eertropee
Nog bij uw leven.
Laat na uw dood De tijdgenoot Zijn Nieuwen mannen eere geven.
Hebt ge iets gezaaid.
Dat niet verwaait:
Een ander maai \'t
En toon de schooven Met fier gebaar....
Wat nocdï zoo maar De vruohtrijke aar,
In \'t voedzaam brood, haar deugd doet loven.
SCHRIJF OP MIJN ZERK GEEN LOFGEDICHT.
Schrijf op mijn zerk geen lofgedicht,
Laat op mijn graf geen praalgesticht Ten hemel rijzen.
Weg eerbewijzen,
Voor d\'armen zondaar, die daar ligt;
Is hij voor u, door hart of geest,
Iets meer geweest:
Gedenk het zonder taal of teeken.
God, die met andere oogen ziet —
Voor God-alwetend is hij niet Dan zondig stof gebleken.
En zoo die God met kracht en klem Zich over hem Ontfermd heeft en hem opgenomen
HOE SCHOON. — ONZIJN. — DE LAATSTE EER.
HOE SCHOON.
Hoe schoon versiert een zachte lach Te midden van de smarte,
Die ons den vrede melden mag
Van \'t nochtans bloedend harte!
Die glimlach zegt;
„De Heer is recht, „In spijt van duisternissen. ,Hii kan zich niet vergissen.quot;
Hoe heerlijk blinkt een stille traan Te midden van de vreugde,
Die \'t volle hart zoo snel deed slaan, Het diepst der ziel verheugde!
Die traan verkondt,
Al zwijgt de mond: ,0 God! door zooveel zegen „Maakt gij uw kind verlegen.quot;
Och, was daar in uw dof gemoed Iets dat naar hooger trok te wekken, Een vlam die uitsloeg of een gloed Voor wat het waar, te ontdekken!
Maar nu gij hart toont noch gevoel,
Voor elk en alles even koel,
Is daar niets goeds te wachten Van uw onnutte krachten.
Ik mag u van een slordig zwijn Of\' dartlen wulp den naam niet geven Maar toch, geen mensch-, maar dierlijk zijn
Is uw verloren leven.
Hoe lang reeds? Twintig? Dertig jaar? .... Verzwijg het maar!
\'t Deed pijn aan die \'t vernamen; U brengt het niet tot schamen.
DE LAATSTE EER.
De laatste, u gaarn bewezen, eer — En voorts niets meer
Aan u te geven!
Men sluit uw graf.
En wendt zich af.
Om met de levenden te leven.
SCHRIJF OP MIJN ZERK GEEN LOFGEDICHT.
Of mooglijk toch Een wijle nog
Blijft ra\' u gedenken,
En aan uw werk Voor Staat of Kerk,
Een luttel van zijn aandacht schenken.
Ook dat verslijt.
Een andre tijd
Heeft andere oogen.
En weinig hart Voor wat niet werd Met hem geboren en getogen.
Wees dan tevreê Met de eertropee
Nog bij uw leven.
Laat na uw dood De tijdgenoot Zijn Nieuwen mannen eere geven.
Hebt ge iets gezaaid,
Dat niet verwaait:
Een ander maai \'t
En toon de schooven Met fier gebaar....
Wat nood? zoo maar De vruchtrijke aar,
In \'t voedzaam brood, haar deugd doet loven.
SCHRIJF OP MIJN ZERK GEEN LOEGEDICHT.
Schrijf op mijn zerk geen lofgedicht.
Laat op mijn graf geen praalgesticht Ten hemel rijzen.
Weg eerbewijzen,
Voor d\'armen zondaar, die daar ligt;
Is hij voor u, door hart of geest,
Iets meer geweest:
Gedenk het zonder taal of teeken.
God, die met andere oogen ziet —
Voor God-alwetend is hij niet Dan zondig stof gebleken.
En zoo die God met kracht en klem Zich over hem Ontfermd heeft en hem opgenomen
368
CUlArSCBIlIFT VOOE MI.7ZELVEN. — NIKT KLAGEN.
Ter plaatse waar Een moordenaar,
Aan \'sHeilands hand, is ingekomen: Dat geeft geen stof Om met uw lof Zijn assohe te eeren.
Hef op de stem En loof, met hem,
Alleen den Heer der Heeren.
Twee dingen heb ik willen zijn: Een Christen, en een Nederlander. Gebrekkig was ik \'t een als \'t ander; Maar toch naar \'t wezen, niet in schijn. Zoo \'t slechts gebrekkig is geweest: God en mijn Volk moog mij \'t vergeven! Maak gij het beter, die dit leest; Gij hebt nog tijd van leven.
NIET KLAGEN.
Niet klagen.
Maar dragen.
En vragen
Om kracht;
Niet zorgen Voor morgen Bij vallenden nacht!
Niet beven Voor \'t leven Gegeven
Van God;
Maar \'t heden Besteden Naar plicht en gebod!
Niet dringen In dingen Door niemand bevroed.
Tevreden Te treden
Bjj ,\'t licht op het padquot; en „de lamp voor den
BIJ HET GRAF VAN A. L. G. BOSBOOM-TOUSSAINT, ENZ. 365
BIJ HET GRAF VAN
A. L. Gr. BOSBOOM-TOUSSAINT.
Rust, Roem van Neerlands vrouwen! Hoogbegaafde,
Zoo rijk aan sohoone deugden, leef en rust! Het lichtspoor van uw geest wordt hier niet uitgebluscht; De bron der hoogste kracht, daar zich uw hart aan laafde. Vloeit milder nog aan gindsche kust.
17 April 1886.
MEER, NIET — MEERDER.
Meer menschen zijn daarom geen meerdren; meer Aren zijn. Van wie \'k de minder ben, of in mijn oogen schijn.
Qüerulxjs.
EEN DILETTANT GEVONNISD.
„Een Dilettant, maar een Geleerde niet!quot;
,,Waarom niet?quot;quot; vraagt ge mij.
„Omdat hij door een plank, daar wij niet doorzien, ziet, „En niet alleen twee voeten heeft als wij,
„Maar vleugels nog daarbij.quot;
DOGTOR UMBRATICUS.
Hij weet heel veel, maar niet wat hij moest weten. Zijn weten is geen Wijsheid, geen Verstaan. Het Leven staart hij als een weetniet aan.
Daar hij niet weet te Leven: laat hem Weten.
ALS DE STORM IS OPGESTOKEN.
Als de storm is opgestoken. Losgebroken,
\'t Schuimend zeenat kookt en bruist, quot;t Schip, geslingerd naar de wolken. Neergeploft wordt in de kolken,
Daar de leviathan huist;
Als, bij \'t buldren aller winden,
Eik en linden Siddren, wanklen, nederslaan: Dan den goeden God te vinden
In den God, ook van d\' orkaan. Wordt slechts door zijn welbeminden In ootmoedigheid verstaan.
nog eens mei. — veenrook. — zelfonderzoek.
Daar is mijn groene wereld weer,
Met al haar tinten zaclit en teêr,
In \'t licht der zonnestralen,
Of zacht gedommeld in de schauw Der wolkjes die aan \'s hemels blauw Als dunne sluiers dwalen.
Daar ruischt de vleugelslag door \'t hout Der boschduif die haar nestje bouwt;
Daar hoor ik de eerste slagen Van \'t heerlijk lied, dat voor zijn bruid De nachtegaal in \'t lommer uit, Om haar zijn min te klagen!
Wees, groene wereld! wees gegroet, Met de eigen liefde in \'t oud gemoed.
Als \'t jonger hart deed kloppen. Wat schooner dan de jeugd van \'t jaar. Met bloesems aan den appelaar, En rozen in haar knoppen?
VEENROOK.
Gelukkig land, met geen Samoem bekend, Siroco noch Mistral, die de almacht zendt. Zoo \'t ook den Veenrook miste, die zijn bdrek Van jaar tot jaar zijn grenzen over sturen;
Juist als de Mei haar vollen horen stort. Dan zwijgt het vooglenlied; de hof verdort; De zwarte-vlieg verknaagt de boomgaardvruchten Reeds in de kiem; nog zwakke kranken duchten (Zij hoopten maanden lang van \'t voorjaarsweer Verbeetring van hun toestand) wederkeer Van hoest of kramp; gezonden voelen de oogen Ontstoken, \'t hart beklemd, de huid verdrogen; En ik, ik acht de vraag niet ongepast:
Zijn daar geen wetten tegen overlast?
Mei 1886.
Zelfonderzoek! Ach, \'k heb zoo lang niet te onderzoeken,
Maar slechts een weinig stil te staan.
Mijn zonden schuilen voor mijn oogen in geen hoeken. Maar grijnzen van den dorpel me aan.
366
WAAll EEN WIL IS, 13 EEN WEG. — ANNEKE. 86
\'k Veroordeel ze naar \'t recht. Maar wat zegt vonnis vellen? De doodstraf over haar voltrekken eischt de plicht.
Lafhartige! gij zoekt het uit te stellen,
£n durft Hem tarten, die de slappe rechters richt.
WAAR EEN WIL IS, IS EEN WEG.
Waar een wil is, is een wey;
Waar een weg is, zij een wil; Hij bekent noch weg noch steg. Die slechts toegeeft aan een gril.
Die iets deugdlijks aan wil vangen. Moet niet meer in twijfel hangen Tusschen schromen en verlangen; Weten moet hij wat hij wil.
Waarlijk weten wat men wil;
Alles draait om deze spil.
Deeglijk willen wat men kan Spant de krachten, maakt den man.
Waar gebed, en wijs beraad Wekt den moed en werkt de daad.
ANNEKE.
(Zangstukje)
Anneke, wacht n voor d\'avondwind!
Waarlijk, waarlijk.
De avondwind is heel gevaarlijk!
Wacht u voor d\' avondwind, schoon kind!
Wacht u voor d\'avondwind, schoon kind! Waarlijk, waarlijk,
De avondwind is heel gevaarlijk!
Hij is uw vijand, al schijut hij uw vrind.
Hij is uw vijand, al schijnt hij uw vrind. Waarlijk, waarlijk.
De avondwind is heel gevaarlijk! Streelende, knakt hij de bloempjes, schoon kind!
Streelende, knakt hij de bloempjes, schoon kind! Waarlijk, waarlijk.
De avondwind is heel gevaarlijk! — Anneke sloeg het in den wind.
PIETER. — ZOEK WAARHEID. - ZOEK WIJSHEID, ENZ.
— Anneke sloeg- het in den wind. Waarlijk, waarlijk, De avondwind is heel gevaarlijk!
Waar is uw bloempje, verloren kind?
PIETER.
Uw denken is maar dunken, Piet!
Slechts wanen al uw tveten;
Wat gij beweert bewijst gij niet.
En wilt een wijsgeer heeten!
Maar Pieter, wat die naam bediedt Moet ge eerst ons doen vergeten;
Want wijsheid zoekt of wilt gij niet; Slechts wat, door die zoo nauw niet ziet. Voor wijsheid wordt versleten.
ZOEK WAARHEID.
Zoek waarheid, vind ze, en roem in haar waardij; Blijf waar zij is, en streef haar niet voorbij.
ZOEK WIJSHEID.
Zoek wijsneid, vind ze, en is het meer dan schijn; Bewijs net door niet wijs in eigen oog te zijn.
MEER.
Geduld, verdraagzaamheid, toegevendheid te kweeken, Zegt meer dan elk de loef met weldaan af te steken.
GIJ ZIJT ZOO GOED.
Gij zijt zoo goed en zoo verstandig; zoo getrouw Een Moeder, en zoo echt een Echte-vrouw,
Dat die om \'t beste bidt dat de aard kan geven. Daarbij uw beeld moet voor den geest zien zweven.
EEN AL TE GROOTE RAMP.
Een al te groote ramp brengt vromen van hun stuk. Men roept van raadselen, onmooglijk te doorgronden! Maar hoe? Vergeet men dan de zonden? Een grooter wonder is \'t geluk dan \'t ongeluk.
AANVANG DER BEELDENDE KUNST, ENZ.
369
KERKGEBEDEN. —
KERKGEBEDEN.
(Aan Voorgangers.)
üw voorgebeden zijn soms psalmen, dikwijls preken;
Ook vaak een hiecht van eige\' ervaring, eigen strijd. Vergeet niet dat ge uit naam van allen hebt te spreken; En God wel weet wie Hij is en Gij zijt.
AANVANG DER BEELDENDE KUNST.
Anton Springer hat die Ornamente die wahren Inkanabeln der Kunst genannt.undfernergesagt, niclit im Kampfe um das Dasein sei die Kunst geboren worden, sondern aus der Freude am Dasein.
Ebers, Aegypten inBiid und Wort. II. 193.
De strijd om \'t leven riep de kunsten niet in \'t leven; \'t Genieten van \'t bestaan beeft haar \'t bestaan gegeven; Het leven sieren, tot vermeerdring van zijn vreugd.
Was \'t eerst en eenig werk van d\' eenvoud harer jeugd.
INGEHOUDEN TRANEN.
Ik neem uw ingehouden tranen
Aan trilling uwer lippen waar.
Och, laat ze zich hun uitweg banen,
Uw oogen vullen, mild en klaar!
\'t Verlicht, wat op de wang verschijnt;
Maar wat in \'t hart blijft, prangt en schrijnt.
Blijf op die „leege plaatsquot; niet staren.
En ondervraag de toekomst niet.
Denk aan \'t geluk der vroeger jaren.
Waar \'t dervend harte vol bij schiet; Dan vloeit de bron, dan stijgt de vloed. En bittre tranen worden zoet.
DE EOOLSCHE HARP.
De eoolsche harp ruischt in den nacht, Ruischt op den toon der treurgezangen; Aandoenlijk als de weeke klacht Van \'t hartje, dat van liefde smacht. Of breekt van onvervuld verlangen.
Die doorslaapt, waar die citer slaat. Sliep zeker in met zoete droomen;
NÜBEM PRO JUNONE. — BEDEKSELEN. — AAN LEIDEN.
Die slaaploos aan het venster staat Wendt naar den kant het bleek gelaat, Vanwaar de galmen óverkomen.
De nachtwind weet niet wat hij doet,
Die al haar snaren dwingt te trillen, — Zoo min als \'t oog dat, door zijn gloed, Ontroering in een rein gemoed Verwekt, maar niet vermag te stillen.
NUBEM PKO JUNONE.
Wat is \'t geschrevene, wat is \'t gelezen woord,
Bij \'t levende, uit den mond van die het dacht, gehoord? Geen Juno; slechts een wolk, waarin men Juno niet Aanschouwt, maar — hij gedenkt, of zich herinnerd ziet.
BEDEKSELEN.
Een sluier, masker, dekkleed, wat het zij. Dat dienen moet om iets aan \'t oog te onttrekken, Kan veel, alleen zichzelven niet bedekken.
Niets is zoo openbaar als mommerij.
AAN LEIDEN.
HEEINNEEING;
1833—1839.
In U begon mijn leven.
Mijn leven en mijn kracht. Gij hadt zoo veel te geven. Zoo veel mij toegedacht! Tot kunnen en tot kennen.
Naar hoofd en naar gemoed. Door aan- en af te wennen, Hebt gij mij opgevoed.
In U, mijn eerste stappen
Op wijsheids vasten grond, En \'t merg der wetenschappen Geproefd met gragen mond; Door U mijn eerste schreden
Op \'t pad der kunst bestuurd En \'t rechte krachtbesteden Gewekt en aangevuurd.
^ AN LEIDEN.
Voor wat mijn taak zou wezen
Hebt gij mij voorbereid,
Den weg mij aangewezen,
Mij bij de hand geleid;
Maar ook dij toe doen stroomen Wat, door mijn boofd en bavt Onwetend opgenomen,
Mij maakte wat ik werd.
Wel zocht ik in de boeken Hetgeen ik noodigst had,
Maar vond ook zonder zoeken
En zonder boeken wat.
Met lezen en stndeeren
Kon alles niet gesohiên;
Er was zoo veel te leeren Door rondzien, afzien, zien.
Veel heb ik ü te danken,
Miin meesters hoogvereerd! Op uw collegiebanken
Ontzaglijk veel geleerd;
Maar veel, naar mijn gevoelen, —
Uw schim vergeef mij dat! — Maar veel ook op de stoelen, Waarop men zachter zat.
\'t Ontwikklen onzer gaven Geschiê door les en leer: Het rechte geestbeschaven
Komt door \'t beschaafd verkeer. Bij werken, wurmen, wroeten Blijft menig blokker groen; Het menschelijk ontmoeten Geeft klotsen hun fatsoen.
Cubicula locata \'),
Langs straat en gracht verspreid, Simpliciter ornata.
Maar vol gezelligheid!
\'k Zie nog uw haardvuur glimmen,
\'k Zie nog den geurgen damp Uit thee- bij theekop klimmen, Bij \'t zachte licht der lamp.
\'k Zie nog, met glinstrende oogen En wangen hoog gekleurd,
t) Kamers, door studenten gehuurd.
372 AAN LEIDEN.
Bewering en betoogen
Bewonderd, en verscheurd; De geldendste systemen
Gevonnisd en verzaakt, De ontzettendste problemen Gemaklijkst uitgemaakt;
\'t Volhardend samenblijven
Bij \'t plengen van den wijn, En scherts den ernst verdrijven.
Maar even nuttig zijn; Als pijlen uit de bogen
Van grof en fijn vernuft Ons om- en tegenvlogen,
Maar niemand werd verbluft.
Heb dank, mijn jonge vrinden, Verscherpers van mijn geest! Voor wat bij u te vinden, Te smaken is geweest: Dat opengaan der harten Zoo onbekommerd vrij, Dat overmoedig tarten Van elke weerpartij;
Dat oppren van gedachten. Aan derden niet geborgd; Dat oefnen aller krachten. Zoo koen en onbezorgd; Dat wrijven, worstlen, wagen
En winnen, in den strijd. Die nutte nederlagen.
En aftocht op zijn tijd!
Ze is uit elks oog verdwenen,
Mijn eigen kleine cell); \'k Moest menig vriend beweenen.
Naar \'t heilig godsbestel;
Maar voor het oog mijns geesten
Herleeft al wat mij heugt, En \'k vier opnieuw de feesten Der vriendschap en der jeugd.
Maar zou ik u vergeten,
Voortreflijken, wier gunst Ik meer heb dank te weten Dan wetenschap en kunst?
\') Door opneming in grooter bouw.
AAN LEIDEN.
Uw huizen en uw kringen,
Waar kiesche smaak en toon En fijne geest me ontvingen, Naijvrig op hun schoon?
Lofwaardigen en grijzen, Met eerbied aangeblikt, Ervarenen en wijzen.
Wier wijsheid niet verschrikt, Beminlijke matronen.
Beleefder dan bedaagd, Bevalligen en schoonen.
Wie men zoo gaarn behaagt:
Zij geven ons de plooien. De vormen en \'t polijst. Dat onze jeugd moet tooien, En blijvend dienst bewijst; Van zedig zelfbetrouvven Den aangenamen glans,
En wat er van de vrouwen Mag wezen in de mans.
\'t Is enkel niet het ruwe,
Dat voor dien invloed zwicht. Maar ook dat bloode en schuwe.
Dat zooveel onheil sticht: Hooghartigheid — door vreezen,
Boosaardigheid — uit spyt. Hier een gramstorig wezen, En daar een hart vol nijd.
Ach, hoeveel letter-Helden En Voreten in hun vak. Wie woord of blik ontstelden,
Tact missende en gemak. Geleerd, begaafd, verstandig.
Begunstigden door \'t lot.
Maar hulploos en onhandig, Hun minderen ten spot!
Hij, die de school van \'t Leven Ter Hooge school niet zocht, Heeft, spijt zijn lofiijkst streven,
Te weinig thuisgebrocht. Die, voor de Zanggodinnen,
De Gratiën versmaadt. Wat eerplaats hij moog winnen. Betreurt het vroeg of laat.
374 spreek zachtzinnig. — een slimme stkeek. — slijten, enz.
Spreek zachtzinnig. Beter is \'t Dat de goedheid zich vergist,
Dan door barschheid te verbeuren \'t Doel te treffen, dat zij mist.
Liefde is nooit geheel verkwist;
Hardheid sluit zich open deuren.
In hun oogen wijze liên Zullen duizendmaal misschien „Al die goedheidquot; dwaasheid heeten:
Maar zij blijft wat ze is, bij Dien Die in niets zich kan verzien,
En voor \'t kalm geweten.
EENE SLIMME STKEEK.
A cunning trick helps but once, but hinders ever after.
John Locke.
Een slimme streek helpt slechts voor ééne maal; Wat springstok is geweest, wordt hinderpaal.
Slijt uw droefheid door den tijd, \'t Is omdat uw hart wat slijt-.
Hoe men gewoonlijk handelt, weet elkeen; Maar hoe men handlen moet, do wijze alleen. Bishop Hall.
In dank voor haar beeltenis.
De eene dienst is de andre waard.
\'k Heb uw lief gezichtje: Wel, zoo dient de lier besnaard
Voor een dankbaar dichtje. Want een dichtje moet het z^n, Aardig vleiend maagdelijn.
Zoo ik mij zal voegen Naar uw ,groot genoegen.quot;
ONBEVOEGD OORDEEL. — UITROEIEN. — HET HEEFT GEEN HAAST, ENZ. 375
Nonnie staat nog aan \'t begin
Van haar jeugdig leven,
Nonnie ziet het vroolijk in;
Blijde lachjes zweven Om haar on-betrokken mond,
En haar oogjes gaan in \'t rond Met die heldre blikken,
Die een hart verkwikken.
Nonnie-lief, geniet uw jeugd.
Smaak uw jonge jaren;
Moge ook laatre levensvreugd
Rijklijk u weervaren.
„Treed opquot; — \'t is het oude lied —
,Rozen, en vergeet mij niet.quot;
Wil ook niet vergeten Wien gij \'t dank moet weten.
ONBEVOEGtD OORDEEL.
Zoo ge er niet binnen zijt geweest,
Zoo kunt ge er buiten niet van spreken;
Al de eigenschappen en gebreken.
Die ge onderstelt, zijn niet gMéken,
En niet dan schepsels van uw geest.
Woon eerst er in, treed dan er buiten,
Zoo zijt ge en rijp, en vrij, en moogt een oordeel uiten.
UITROEIEN.
Uitroeien kunt gij niets, dat menschlijk is, in kinderen; Maar wel, het krenken; wel, zijn groei en bloei verhinderen; Tot zwakheid maken, wat een kracht zou zijn geweest, Een ondeugd van een deugd, in een verminkten geest.
HET HEEFT GEEN HAAST.
„Het heeft geen haast!quot; zegt gij. \'t Heeft wel! zeg ik;
De tijd is haastig en stelt af wat uitgesteld is.
Tast toe, grijp aan, zet door! Dat oogenblik Is \'t uwe slechts, dat niet voorbij gesneld is.
Deugd en geluk — indien maar beiden Yan de echte soort! — zijn niet te scheiden.
376 PULCHEBIA. — \'r GELUK IS ENKELVOUD. ESZ.
PULCHERIA.
Schoon als haar Moeders kind, en edel door haar Bloed, Door stille Ervaring wijs, en door Genade goed!
\'T GELUK IS ENKELVOUD.
\'t Geluk is enkelvoud; men wil \'t in \'t meervoud smaken:
Een saamgesteld geluk, dat nooit volledig wordt, Dat niet gelukkig kan, wel ontevreden maken,
En \'t nooit verzadigd hart tot elke dwaasheid port.
TEén ding is noodigquot;, zegt de Heer. Men wil \'t gelooven; Maar \'t Veel verlangend hart komt altijd weder boven. Dat, daar Hij rust belooft, zich steeds in onrust stort.
HET WOORD EN DE STEM.
Wat zegt het Woord, voor die geen Stem vernamen,
Die in dat Woord zich tot hun innigst keert?
Wat de inhoud van de Schriften al te zamen.
Door \'t brein gevat, maar niet door \'t hart begeerd? Vergeefs de Waarheid Gods bewezen en verdedigd:
\'t Heeft kracht noch nut voor \'t hart, dat koel zich elders wendt \'t Is overbodig, waar de geest den Geest erkent.
En \'t hart ontwaakt voor wat het hart bevredigt.
MEEDEELEN. I.
De dichter, die het schoone ziet,
Moet wat zijn hart gevoelt in andren overgieten;
Zijn stil geluk voldoet hem niet;
Er in doen deelen is \'t genieten.
II.
Gevoelen doen is meer dan zelf gevoelen,
En zalig te gevoelen dat gij \'t moogt.
\'t Ontgaat wie, boven dit, op roem of voordeel doelen, Maar \'t eerioof valt hem toe, die niet dan dit beoogt.
HERPSTPRAAL.
Pronk in uw najaarspracht, Goud en oranjedracht, Sieraad van \'t bosch!
VOOlt DE ZWAKKEN.
877
OF.VAAR. —
\'t Lichtgroen op \'t lentefeest Is niet zoo schoon geweest, Kn ook uw zomordos,
Glanzig en dicht, Schitterde in \'t zonnelicht Niet met zoo rijk een gloed. Als het dit herïstkleed doet —
Maar wees niet trotsch! Daar hoeft geen noodorkaan Tegen u op te staan.
Die u den kranken tooi Wreed van de leden scheur. Woest van de lenden vaag, Wild over \'t veld verstrooi; Daar hoeft geen regenvlaag, Die al uw gloed en kleur Uitwisch, en doe vergaan
\'t Hachlijkc mooi.
Spare u geweld en macht; \'t Vorstje van éénen nacht, Pronk zonder pit of kracht! Nadert u stil en zacht.... Maakt u zijn prooi.
October 1886.
In \'t afgaan onzer levensdagen,
Als veel nog toejuicht, eert, en streelt, Is groot gevaar van zelfbehagen.
Dat straks in \'t oog valt, ras verveelt. Wel mag een Grijs den hemel vragen
Dat hem de droes die part niet speelt. Van draaien heeft het hoofd veel kans Bij jonge vrouwen, oude mans.
VOOR DE ZWAKKEN.
Aanbidt de kracht en \'t ruw geweld,
Gij wijzen onzer dagen!
De wereld zij u \'t oorlogsveld,
Waar slechts de sterken slagen; Uw wetenschappeiyke hoop Late aan \'t verdelgingswerk zijn loop En al wat zwak is sneven — God en de Heiland leven.
IT.
NAAK HENRI FREDERIC AMIEL.
God leeft; daar is een God; de God
Van zwakk\' en sterken samen.
Bij hem \'t bestaan, bi] hem het lot,
Bet willen en \'t beramen.
Gjj schrijft uw wetten: Hij regeert. Gij spreekt uw vonnis: Hij casseert. Het recht van dood en leven Is aan de Kroon verbleven.
Barmhartigheden acht gij wreed,
Barmhartig, wreed te wezen.
Gij ziet in \'t lijden niets dan leed,
En leed in hoop als vreezen.
Slechts wanhoop hebt gij, en geen troost Voor onderliggend menschenkroost;
Het kies voor \'t lijden \'t sneven.
Het niet zijn boven \'t leven!
Daar is een Heiland, trotsch geslacht!
Der lijdend\' en verdrukten;
Wiens kracht in zwakheid wordt volbracht,
Bij die vertrouwend bukten.
Zijn hand richt op wat gij vertreedt;
Zijn oog gaat na wien gij vergeet; Hij koestert in zijn armen Wat ge aan den weg laat kermen.
Uw wetten der Natuur zijn hard:
Des Heilands wet is liefde.
Hij geeft te danken onder smart,
Te roemen in wat griefde.
Heft op de stem, gij die hij schraagt! Verdooft het lied, dat u beklaagt,
En toont door woord en werken: De zwakken zijn de sterken!
Een ondeel in het oog, en \'t aanzijn is onlijdlijk, Een enkle zwarte stip in \'t hart: \'t krimpt weg van pijn; Hoe fijner zintuig, des te kwetsbrer zal het zijr;
Want bij volkomenheid is teerheid onvermijdlijk.
Ontwortel niet te licht uw leven, lotgenooten!
De eik groeit het liefst en \'t best, waar de eikel is ontsproten. Men vindt een tweede dak; geen tweede vaderland. Het sterft niet zelden, \'t kwijnt altijd, wat gij verplant.
NAAR HENRI FREDERIC AMIBL.
Daar is een nuttig, en soms noodig-, opgangmaken. ■ Men hecht niet aan zichzelf, als niemand anders \'t doet. Door \'t oog van vreemden leert het zedige gemoed Zichzelf waardeeren, in ziohzelven thuisgeraken.
Een man te zijn zegt weinig; Man te wezen Zegt meer; De man te zijn: geen rang gaat boven dezen.
KENNIS EN GEEST.
\'t Efont, dat het haardvuur voeden moet,
Kan ook zijn vlammen dooven;
Maar halen deze \'t boven,
Te schooner is de gloed.
\'t Gelijkheid-schreeuwen is een haat.
Die zich op liefde voorstaan laat.
„Een echt genie, maar in de kiem gesmoord; een geest „Van aanleg groot, maar door de omstandigheden
„Verhinderd op te tredenquot;......
Geloof ze niet, die zulke dingen leest.
,\'t Wordt wat kan worden; wat niet wordt is niet geweestquot;
Dwaas, die wil winnen, en niet strijden.
Dwaas, die wil minnen, en niet lijden.
Dwaas, die zich vrij waant, daar hij eiken band verscheurt. Dwaas, die wil leven, en niet sterven op zijn beurt.
Gij weet het, die wat weet, al wilt gij \'t ook vergeten : \'t Maatschaplijk-zijn steunt niet op \'t weten, maar \'t geweten.
Op recht te hopen, op erkentlijkheid te wachten Is zieklijk; manlijk is de man.
Die recht en dank ontberen kan En leeft bij onafhanklijk plichtbetrachten.
378
HOHWALD.
Van verontwaardiging te blaken Om eigen onrecht? Neen, mijn vriend! Wat verontwaardiging verdient Zijn groote en algemeene zaken.
Hoe komen, luid geprezen,
Lang mijn verlangst geweest Ow sohoonheên, o Vogezen!
Weer op in mijnen geest; Uw bergen en nw boomen. Uw rijkbegroeide grond. Uw beken en uw stroomen, Met bloemen in den mond;
Uw sombre dennewouden,
Die op de steenrots staan En \'t naar den hemel houden. En recht naar boven gaan; Uw eedle beukenbosschen,
Met stammen blank en glad. Die \'t stugger naaldhout trotsen En pronken met hun blad!
Hoe eenzaam zijn de paden,
Hoe vreemd aan elk gedruiscb I De sprankjes slechts verraden Hun aanzijn door geruisch. Geen wildzang klinkt mij tegen, Geen vleugel roert de blaan... Zoo ernstig zijn de wegen, Waarlangswij opwaarts gaan.
Maar zonnestralen breken
De schaduw van rondom, Die van den hemel spreken In \'t zwijgend heiligdom. En, waar ze een open treffen,
Verblijden met hun glans, De bloemkens die zich heffen, En openen hun krans.
Belust om uit te munten,
Dringt hier en daar de steen, Op de allerhoogste punten. Door loof en ruigten heen.
380
HOHWALD.
Bestijgt hem, -wandelaren!
Geniet het vergezicht,
En laat uw oogen waren,
Bij \'t volle morgenlicht.
Wis ziet gij aan de kimmen
Des Schwarzwalds bruinen rand; Misschien de gletschers glimmen
Yan \'t Berner Oberland. „Die derwaarts vliegen konde!quot;
Verzucht uw reisziek hart.... Die meer verlangt, pleegt zonde Aan \'tgeen geschonken werd.
Laat, laat uw oogen weien
Langs \'tgeen ge omlaag aanschouwt De lachende valleien
Met oogsten geel als goud;
Tooneel van stil genoegen Bij welvaart en bij vlijt.
Waar die den akker ploegen Ook maaien op hun tijd!
Ziet op en om, de keten
Van groene bergen langst,
Die van veel zegen weten,
Maar ook van schrik en angst; Als in die zelfde dalen,
Waar nu de vrede lacht,
De krijg zoo menigmalen Dood en verwoesting bracht.
Langs dezen bergkam richtte
De Heiden sterkten op1); En Christen vroomheid stichtte Haar woon op gindschen top;
Daar blijft zij \'t lijk omringen
Der Heiige, die zij eert2),
En Gode \'t loflied zingen. Dat zeegnend wederkeert.
Buira uitzicht zal \'t beloonen.
Als ge u, door kruis en hand, \'t Begroeide pad laat toonen
Naar Rathsams scherpen tand 3);
Maar o, zie ver en verder.
Tot waar de schepping rijst Van Steinthal\'s trouwen herder4),
Wien \'t nakroost dankt en prijst!
HOH WALD.
Al schijnt, aan\'t hoofd der bergen,
Bekranst met glanzig veil. De Spesburg5) ons te tergen Door wegen woest en steil: Wij willen kracht vergaderen;
Aan moed ontbreekt het niet; En \'t heerlijk alzicht naderen, Dat ons zijn standplaats biedt.
Daar zullen we, uit den hoogen. Dien hoogen Dom 6) misschien In \'t ver verschiet beoogen.
Maar zeker Andlau zien;
\'t Lief stadje, dat zich kronkelt
Naar \'t kronklen van den vloed, Wiens nat in \'t zonlicht vonkelt, Daar \'t naar beneden spoedt.
o Dappre wandeltochten.
Van dag tot dag volbracht, Met vrienden en verknochten, Steeds vriendelijk herdacht. Niet afgeschrikt door verte
Of paden hoog en ruw, Hoe leeft gij in mijn harte, Hoe trouw herdenk ik u!
Hoe blijft gij mij verkwikken,
Herlevende in mijn ziel. Gezellige oogenblikken,
In \'t gastvrij Sint Odiel,
Waar \'t Oudje met haar nonnen7)
Ons vriendlijk tegentrad.
Of aan den rand der bronnen En haar verfrisschend nat;
In weide- of forst-manshoeven,
Of open plekje in \'t bosch. Waar wij \'t niet u beproeven, Bed van veerkrachtig mos! Of op de hupsche banken,
Wier doopnaam \'t hart bekoortquot;), Die we aan uw zorgen danken, Verfraaiers van dit oord!
o Liedren, aangeheven
Bij \'t dalen van den voet,
Door d\' aandrang ingegeven Van \'t welgestemd gemoed,
HOHWALD.
Welluidend, krachtig, treffend;
Aandoenlijk, teeder, zacht, Het hart naar boven heffend. Of waar de scherts in lacht!
o Handen vol met bloemen, Om lieven vorm of kleur Geprezen en te roemen.
Bij varens rijk van geur! o Glanzige eiloofkronen.
Op \'t grijze hoofd gedrukt! o Tuiltjes voor de schoonen In \'t oevergras geplukt!
o Vriendelijk hereenen
Van allen aan den disch.
Als \'t klokje van halféénen
Juist koud geworden is.
Waar, met verschot van talen,
De gasten paarsgewijs Beleefdheên en verhalen Opdisschen bij de spijs!
o Zoet zich onderhouden.
Als \'t zwerk ons regen zond, Met jongen en met ouden,
En lieven kindermond!
U blijf ik vóór mg wenken,
Manshoofden grijs en zwart! Wier weten en wier denken Mij uitgewisseld werd.
U zal ik niet vergeten,
Beminlijk schoone vrouw! Die, naast mij aangezeten.
Me uw aandacht schenken wou; Noch \'t kind van zestien jaren.
Dat aan mijn lippen hing. En \'t ruischen van mijn snaren Met gretige ooren ving;
Ook u niet, vrooiijk stoeiend,
En dravend om en om Met meisjes even bloeiend. Luidruchtig knapendom!
Maar evenmin dat kleentje,
Vol levenslust en gloed. Met haar gebroken beentje, En on-gebroken moed.
383
HOHWALD. — VERZOENING.
OPHELDERINGEN.
1) Langs dezen bergkam richtte De Heiden sterkten op.
. De z. g. Heidenmauer, In de 3de of 4de eeuw, van groote steenklompen gebouwd, twee a drie meter hoog en twee dik, strekt zich over een lengte van tien kilometers, nog in vrij goeden staat, over den rug van den Hohenburg uit.
2) Der Heiige, die zij eert.
St. Odilia, Beschermheilige der Elzas. dochter van dier hertog Athalrich. stichteres van het klooster op het naar haar genoemde St. Odiel-gebergte, waar zy leefde en stierf en dat haar gebalsemd lijk bewaart. (7de Eeuw).
3) Rathsam\'s scherpe tand.
Rathsamhausenstein.
4) SteinthaVs trouwe herder.
Joh. Friedr. Oberlin (geb. 1740), die er van zijn 27ste tot zijn 86ste levensjaar werkzaam was. en de gansche woeste streek en hare bewoners, uit een toestand van ellende en stompe onwetendheid, tot een staat van voorbeeldigen bloei en een tooneel van beschaving en nijverheid heeft weten op te werken, (f 1826.)
6) Speshnrg.
Ruïne van \'t kasteel van dien naam.
c) Dien hoogen Dom.
van Straatsburg.
7) \'/ Oudje met haar nonnen.
„Frau Mutterquot; werd genoemd, en teekende zich in mijn gedenkboekske de be-minlijke, nog altijd opgewekte, bijna tachtigjarige vrouw die hier aan het hoofd dezer tertiaires van St. Franciscus van Assisi staat.
8) fVier doopnaam \'t hart bekoort.
Banc Antoinette; Banc Phylle; Banc Anna; Banc des Essoufflés; en dergel.
Met de verfraaiing van dit oord belast zich sedert 1872 de z. g. Vogezen-club.
Waarmee verzoent gij ons, Gij Gods en \'s Menschen Zoon? Waarmee verzoent uw Woord, uw Kruis, uw EerekroonV
Uw Woord, mijn Leeraar! onze kranke en lichtschuwe oogen, Tevreden met den schijn, en door den schijn bedrogen.
Met \'t licht der Waarheid, dat niet pijnigt, maar verkwikt, Als wat uw hand genas het dankbaar tegenblikt;
Uw Kruis, mijn Middlaar! met de Heiligheid des Heil\'gen, Voor wiens ontzaglijkheid we ons door de vlucht beveil\'gen En bergen willen met een vrees gemengd met haat,
Maar wijkende als het hart het kruis, uw kruis verstaat.
884
DE FAKKELS GAAN VAN HAND TOT HAND. — TELEURSTELLING. 885
En wilde een trotsch gemoed voor niets of niemand zwichten. Zijn eigen meester zijn, en meester van zijn plichten, üw Kroon, mijn Koning! voor zoo scherp een levenspijn En stervenssmart gekocht, met d\' Eisch; gehoorzaam zijn I
DE FAKKELS GAAN VAN HAND ÏOT HAND.
De Fakkels gaan van hand tot hand. Van eeuw tot eeuw, van land tot land. Met heilzaam licht en schoonen luister: Gezegend, die een fakkel draagt,
Die voor ons oog den mist verjaagt, En voorgaat in den duister!
Gezangen gaan van hart tot oor,
De tijden en de volken door,
In de eêlste galmen aller talen:
Gezegend, die zich hooren deed In liedren die geen eeuw vergeet.
Maar dankbaar blijft herhalen!
Een Woord gaat door de wereldrond, Dat leven uit den dood verkondt En heerlijkheid na smaad en smarten; Den hoogen God zij eer en lof,
Die \'t wil doen komen, in dit stof, Tot aller menschen harten!
,\'k Trad moedig op, maar bleef alleen.
„Van vriend en geestverwant niet één „Gezind tot volgen of mijn zijde te bekleeden.
„Thans draaft een gansche kudde in \'t eens versmade spoor; „Maar niemand gunt mij de eer voorop te zijn getreden; „\'t Is eigne wijsheid nu, die \'t goede pad verkoor! „Wie denkt aan mijn vergeefsche schreden?quot;
Zoo gaat het steeds, mijn vriend! en heel de wereld door; En — die zichzelv\' niet zocht, is even weltevreden.
386 COMMA-BACILLBN. — I.VDUSTK1 KEI.E TEXT00NSTKLLER3, ENZ.
COMMA-BACILLEN.
Comma-Bacillen zijn ontdekt;
Men hoort er overal van spreken.
Maar Krelis, die met alles gekt,
Heeft óók door \'t mikroskoop gekeken, En zegt: „de naam voldoet mij niet; „\'t Is al vraagteeken wat men ziet.quot;
INDÜSTKIËBLB TENTOONSTELLERS.
Wat toont ge ons? \'t Geen gij kunt, en niet hetgeen gij doet? Zoo tuigt het tegen u, wat voor u pleiten moet.
AAN EEN REIZIGER RONDOM DE WERELD.
Een reis rondom de Wereld (dat \'s gezeid:
Rondom onze Aardbol) schijnt me een kleinigheid.
Wij doen van jaar tot jaar een grootre, goede man! Met d\'Aardbol, om de Zon, — en niemand spreekt er van.
HET LEVEN.
Het leven is geen Maaltijd, ons door \'t Lot
\'t Zij ruim, \'t zij karig aangericht; Het leven is een Roeping en een Plicht, Een Dienen van de Menschheid, namens God.
LANG EN KORT.
Is \'t korte leven lang genoeg Om ons tot God te keeren; Ook \'t langste leven blijkt te kort Om wat ons dan tot zonde wordt Volkomen af te leeren.
BIJ EEN BEELTENIS.
Maal deze niet, of maal haar met dien lach. Dien glimlach, die haar schoonheid is, haar ziel. Hij zag haar niet, die zonder dien haar zag, Hij krijgt haar lief, wien die te beurte viel.
FENSEEL EN BEITEL. — BERUSTEN IS ZOO MAKLIJK NIET. 387
Die zonneschijn-alleen brengt aan den dag, Wat zedigheid aan uwen blik onthiel;
Al wat haar goeds en liefs door \'t harte gaat Straalt, in dien glans, van \'t anders koud gelaat.
PENSEEL EN BEITEL.
Waar wit en rood de schoonheid maakt. Het gloedje dat in \'t oogje blaakt. Het goud of git om blanke slapen. Het rozemondje, \'t hagelwit Ontdekkende van \'t gaaf gebit,
En als tot lach en kus geschapen:
Daar grijp de Schilder naar \'t penseel. En doe \'t lief voorwerp op \'t paneel In al zijn glans en frischheid pralen. Verzekerd dat zijn fraai portret Elk zinlijk hart in vlammen zet,
Als \'t uit zijn gulden lijst zal stralen.
Maar waar de schoonheid van \'t gelaat In \'t eedle van den vorm bestaat, In d\' eenvoud van zijn grootsche trekken, Waar de adel van een flere ziel Zich uitdrukt in \'t volmaakt profiel. Om eerbied en ontzag te wekken:
Daar is met schildren niets gedaan,
Daar grijp de Kunst den beitel aan, En doe in \'t reinste marmer blinken Wat meer dan marmer waardig is, Waarbij wat kleur hoeft on vernis, Met al zijn liefs, in \'t niet moet zinken.
Berusten is zoo maklijk niet.
Hij die niet kan, wil wagen.
Hans Sukkel denkt te slagen, En Sijmen Allemansverdriet
Voedt hoop van te behagen.
Naar \'t „Ken u zeivenquot; hoort men niet. Maar ziet met nijdige oogen Wat anderen vermogen.
\'s OVER U IETS HEENGEGAAN. — HET ZENDING WERK»
Wat eer of voordeel hun geschiedt;
En zou men zelfs niet pogen?
\'t Zichzelven wijten doet men niet,
Al heeft men allerwegen Den bout op \'t hoofd gekregen;
Het blijft maar bij het oude lied:
„\'k Deed wijs; maar \'t liep mij tegen.quot;
Twaalf ambachten genoegen niet, Met dertien ongelukken.
Voor halzen en voor krukken;
En komt het veertiende in \'t verschiet:
„liet blinde lotquot;, zegt blinde Piet,
„Vervolgt mij met zijn nukken.quot;
DAAR \'S OVER U IETS HEENGEGAAN.
Daar \'s over u iets heengegaan:
Ik zie \'t u aan.
Uw volle geestkracht hadt gij noodig
Tot snel besluit, na kloek beraan.... Zeg niets; het woord is overbodig,
\'k Heb d\' uitdruk van \'t gelaat verstaan.
Die iets als gü doorstaan moest, heeft
Niet slechts geleefd,
Maar \'t leven op zijn hand gewogen, Van rillingen des doods doorbeefd;
Zijn kracht gezien, en onvermogen.
En Hem behoefd, die sterkte geeft.
Dat laat op \'t voorhoofd na een spoor, Dat doet den gloor Van blinkende oogen zachter stralen;
Dat schijnt in d\' ernst van \'t lachje door. Dat we om een bleeker mond zien dwalen . .., Wie ruilde er \'t vroegre wezen voor?
HET ZENDINGWERK. Verdrijf den nacht,
Verstoor zijn macht
door de Evangeliestem! De Heiden vraagt niet naar uw hulp;
God vraagt door hem.
ALS DE KINDERKENS, ENZ.
389
EENVOUDIG ZIJN. —
De taak is zwaar, de vrucht komt traag en zorglijk voort:
Getroost u dit;
Werk door en bid; God werkt en hoort.
EENVOUDIG ZIJN.
Eenvoudig zijn is niet zoo moeilijk, maar te blijven.
Toch brengt men \'t wel zoo ver dat men \'t vermag, in schijn; Maar met geen klein gevaar dat speeltje te overdrijven. Die blijven \'t maklijk, die niet weten dat zij \'t zijn.
ALS DE KINDERKENS.
Zoo ge als een Man te handlen zijt gezind: Laat u door God be-handlen als een kind.
DIE TEGEN \'T OOSTEN TREEDT.
Die tegen \'t Oosten treedt bij rijzend zonnelicht.
Bemerkt de schaduw niet, hem volgende op zijn schreden.
De schrik des doods vale weg, voor wie het oog slechts richt Op \'t voor hem dagend heil en eeuwge heerlijkheden.
Ontleend.
VERNUFT.
Vernuft voegt wel bij Poëzij,
Maar mag haar niet vervangen.
Wie doet zijn maal met Kruiderij? \'t Moet Spijs zijn, uit wat keuken \'t zij (Mits geen spartaansche Zwarte Brij), Wat wij in haar verlangen.
VERWORVEN SMAAK.
J{ ijnilooze verzen, in het metrum van den Griek,
Zijn lekker als — tabak. Die maakt gezonden ziek;
Wekt walging; \'t koude zweet breekt uit; het komt tot braken. Maar \'t went wel en begint van lieverleê te smaken. Ten laatste vindt men \'t heerlijk, en het heet:
„Zoo\'n fijn sigaartje is \'t keurigst dat ik weet.quot;
390 GEBEDEN. — KEN PSALM. - \'s KONINGS ZEVENTIGSTE VERJAARDAG.
GEBEDEN.
Ach, welk een -weefsel, Heer! zijn mijn gebeden!
De schering z^ van \'t u benoorend hart;
Maar de inslag komt van \'s levens ijdelheden,
Waarin de ziel zich altijd weer verwart.
Wie sluit haar uit, al sluit hij de oogeleden.
Wier toedrang ook den sterksten weerstand tart?.... Neen, niets hield proef, zoo ge in \'t gericht zoudt treden, Geen deugden, o mijn God! geen offers, geen gebeden: Genade alleen geeft troost, zelfkennis altijd smart.
EEN PSALM.
Heft de oogen op, heft de oogen op.
De harten opgeheven,
Tot boven berg en heuveltop.
En waar de wolken zweven. Tot boven maan en sterreglans. Tot in des hemels hoogsten trans! Uw hulp en heil, mijn vromen, Moet van nog hooger komen!
Van Hem, van Hem, die hooge troont,
Maar lage neer wil schouwen. Die \'I; ontoeganklijk licht bewoont,
Den God van uw betrouwen! Den God, die vóór en met u gaat, Die uwen voet niet wanklen laat. Die redden kan, en sparen. En uwe ziel bewaren.
Des daags zal hij ten wolkkolom.
Des nachts ten vuurzuil wezen. Zijn englen leegren zich rondom
De tent van die hem vreezen. De weg zij bar; treed rustig aan;
Zijn aangezicht zal met u gaan,
Wat schrikbeeld u moog kwellen, Om u gerust te stellen.
Nieuwjaarsmorgen.
\'S KONINGS ZEVENTIGSTE VERJAARDAG.
19 Februari 1887.
Een weemoedstoon trilt door den blijden groet. Waar Neêrlands Volk den Koning meê ontmoet, Dien God het suaarde;
probleem.
Die, veertig jaar welhaast, ten rijkstroon zat,
Maar zeventig dat volk heeft liefgehad.
En hield in waarde.
Het juicht hem toe, verteederd en verrukt.
Daar hij die Gemalin aan \'t harte drukt.
Van God gegeven Om door haar vriendlijk oog en heuschen mond Het lieflijk licht te zijn, in d\' avondstond Van \'t vorstlijk leven.
Het voelt zijn hart vervuld van hoop en troost.
Daar Hij \'t lief voorhoofd en de wangen koost
Van \'t Kind, geboren Om aller vreugd te wezen, liefde en lust;
Schoon roosje, door de morgenzon gekust,
En zonder doren.
\'t Looft God, mijn Koning! dat, in de achtbre rij, Uw leeftijd dien des Oudsten komt nabij
Van al uw Vaadren;
Maar ach! die eene zorg beklemt zijn borst:
Het ziet in ü zijn laatst\' Oranjevorst Den eindpaal naadren.
De Laatste Oranje!... \'t Hart vergeet er geen; Van d\'Eersten, die een reddende Engel scheen.
Van God gezonden,
Tot Dien, wiens bloed, bij Waterloo gevloeid. Een zelfde zucht, als ze allen had ontgloeid. Ons blijft verkonden.
En thans... Mijn Vorst! Vergeef een dankbaar Volk Zoo \'t, op zoo schoon een dag, zoo droef een wolk
Niet kan verdrijven.
Te luider spreekt de bede in \'t vol gemoed,
Dat die, helaas! de laatste wezen moet,
Het langst moog blijven.
PEOBLEEM.
\'k Wou weten hoe het u zou staan. Als zich dit voorhoofd eens ontplooide.
Dit oog eens plaats had voor een traan. Iets als een lach, die lippen plooide.... Haar daar is gansch geen denken aan.
391
PIJN.
Wat mag van dit gefronst gelaat, Dit strak en onbeweeglijk wezen
Toch de oorzaak zijn\'!\' Verborgen haat? Verkropte spijt? Kleinmoedig vreezen? Of \'t wroegen van een booze daad?
Of doen we u mooglijk te veel eer
Naar sleutels van \'t probleem te vragen; En is \'t een masker, en niets meer,
Door de onbeduidendheid gedragen, Die voor deze eene keuze staat:
Die grijns — of een onwijs gelaat?
Naar het Engelsch.
Mijn al te trouwe makker, Pijn!
\'k Wil eens vertrouwlijk met u spreken.
Altijd wilt gij de meester zijn:
Geef nu eens van wat heuschheid teeken.
Ik had zoo graag een klaar bescheid:
Waarom gij \'t mensehdom toch kwaamtkwellen
Drukte u de last der eenzaamheid,
En kondt gij \'t zonder ons niet stellen?
Of hebt gij \'t echt tirannenhart,
Zoodat gij lust schept in verdrukken.
En u verkneukelt in de smart Van die gij goedvindt te onderjukken?
Waarom mij \'t kranke brein geplaagd Met folteringen, niet te stillen;
Mij \'t koortsig bloed naar \'t hoofd gejaagd, En elke zenuwsnaar doen trillen?
Houdt gij van oogen, dof en mat?
Van beurtlings bleeke of gloênde wangen?
Van handen, beevrig, slap en nat,
Die \'k lustloos naast mjj neer laat hangen?
Of doe \'k u mooglijk onrecht aan,
En is \'t uw roeping, om de bloeden,
Die uw mishandling ondergaan.
Voor erger onheil te behoeden?
WINTER.
Beschermt gij ook door leed te doen Wilt gij door lijden ons bewaren
Voor janim\'ren, die wij niet vermoên,
Voor doodlijk dreigende gevaren?
En komt er nog een dag misschien,
Waarop ik in uw vreeslijk wezen
Geen loutre wreedheid meer zal zien.
Maar welgemeende goedheid lezen?
Kue ik uw hand dan welgemoed?
Wordt dan met dank door mij beleden :
„Uw wegen waren alle goed,
„Hoe ruw ook schijnbaar al uw treden ?quot;
Mij dunkt, ik zie u: Dun en schraal,
Maar als tot kracht en duur geschapen,
De trekken hard, de wangen vaal.
De haren ordloos om de slapen.
Ik hoor niet dat gij nadertreedt.
Maar aan uw greep is geen ontspringen;
Ik voel uw vingren, dor en heet.
De mijne omknellen en verwringen.
Maar trekt uw hand mij dichter bij:
Ik zie in die diepliggende oogen Een schat van liefde en mededoogen____
Gewis! een zegen brengt gij mij.
Zoo zong een grijsaard, gansch gezond van lijf en leden, Een deerniswaarde na, door Uchaamsleed bezwaard;
Maar roemt met dubhlen dank Diens goedertierenheden, Door toien dit middel tot zijn heil, hem bleef gespaard.
WINTER
De Winter met zijn sneeuw en vorst Komt van eens Najaars warme borst. En draagt in zijnen schoot misschien Zoo schoon een Lente als ooit gezien.
Verzaak uw lust; aanvaard de rust; Houd krachten in, om kracht te sparen; Wees op zijn tijd eens koud en hard! Zoo \'t Herfst was eer het Winter werd, De Winter zal een Lente baren.
Uit het Engelsch genomen.
394 VERWELKT, VERDORT GIJ, SOHOONE BLOEM. — WAAR ZIJN? ENZ.
VERWELKT, VERDORT QTJ, SCHOONE BLOEM.
Verwelkt, verdort gij, schoone Bloem,
Gij roem
der hoven?
Heft gij, verdoofd van gloor en glans. Uw bladerkrans Niet meer naar boven?
Is \'t dat u zon of regen schort.
En wordt
onthouden ?
Of wel doorknaagt een worm uw hart?
Doet stille smart U dus verouden?
0 Droef gezicht, waar Schoonheid kwijnt, Verdwijnt,
moet sterven!
Het hart vex-draagt het denkbeeld niet.
De weelde, die de aanschouwing biedt,
Voor goed te derven.
Waar zijn de makkers van mijn jeugd.
De vrienden van mijn jonglingsjaren. De mannen rijp van kracht en deugd.
De tijdgenooten, grijs van haren? Een enkle staat nog aan mijn zij: Zal ik hem voorgaan, of hij mij?
Dat weet slechts hij, die \'s levens duur. By dag en uur Aan elk van ons heeft toegemeten, Hij antwoordt op de vragen niet, Die hij verbiedt.
Maar leert ons wegen wat wij weten.
LEELIJK? MOOI?
„Leelijk!quot; zegt gij. — Neen voorwaar? Veel moge aan dit schoon ontbreken:
De adel van een ziel is daar.
Die van \'t schoonste weet te spreken. En de liefde van een hart.
Dat nooit moe van weldoen werd.
DE DOODSKLOK.
„Mooi!quot; verklaart gij. — Waarlijk niet! Niets moge aan die schoonlieid quot;falen:
Uie den kouden glimlach ziet Om gesloten lippen dwalen,
Die den trots voelt van dien blik, Blijft bewondren, maar — met schrik.
DE DOODSKLOK.
De doodsklok luidt.
Gezangen zwijgen. De scherts heeft uit.
De zuchten stijgen. De wang verbleekt. De doodsklok spreekt.
De doodsklok spreekt:
„Het gaat op scheiden. ,Schoon \'t hart u breekt,
„Wilt u bereiden! „Vergeefsch misbaar! „De tijd is daar.
De doodsklok zegt:
_ „Wel moogt gij schromen, „Die voor \'t gerecht
„Eens Gods moet komen, „Wiens heilig oog „Nooit schijn bedroog.
„Geteld, gericht
„Zijn al uw zonden; „Uw deugd te licht
Voor God bevonden; „Verdiend verderf „Uw deel en erf!quot;
Maar englenzang
Klinkt luid er boven, Als om \'t geklang
Der klok te dooven: Daar is_ geen nood,
„Daar is geen dood,
„Voor die gelooven! „Niets kan Gods kind „Aan Hem die \'t mint „Ontrooven!quot;
EEN KEKKHOFWANDELING.
Ik wandelde over \'t kerkhof rond.
En met mij ging mijn kleinste jongen:
Ik, met mijn oogen naar den grond; Hij, lachende en met wilde sprongen.
„Lief kind!quot; vermaande ik, „\'t is niet goed, „Hier zoo onstuimig rond te draven,
„Zoo luid te schreeuwen als gij doet; „Men maakt zoo\'n leven niet bij graven.quot;
Hij kwam tot mij, voor \'t oogenblik, En staakte \'t blijde spel, schoon noode!
Keek bijna even sip als ik,
En hield zijn mondje als zelf een doode,
Maar \'t jonge leven werkt met drang, En wil van geen betooming weten;
Ras ging \'t opnieuw denzelfden gang,
Mijn hand geslaakt, mijn woord vergeten.
Maar nu ook liet ik \'t kind begaan,
\'k Had naar den hemel \'t oog geheven;
Zijn aanblik had mij goed gedaan En beter wijsheid ingegeven.
Hij immers had geen zwart of grauw Juist boven \'t kerkhof uitgespannen.
Maar hier als ginds datzelfde blauw,
Dat al het sombre moet verbannen.
Daar zweefden vroolijk, op dit pas, Sneeuwwitte wolkjes over henen;
En nergens werd een groener gras Van rijker zonnegloed beschenen.
En uit denzelfden molm gevoed Waarin zoo vele lijken lagen,
Hield Madeliefje \'t oog vol gloed, Ten heldren hemel opgeslagen.
De wakkre kraai beschreef omhoog Met blij gekras haar fraaiste kringen,
En op een grauwen grafpaal vloog Het kneutje en zette zich tot zingen.
Neen, dacht ik, zoo veel glans had God Hier over de aard niet uitgegoten.
396
twee pilaben. — verjaardag.
Noch zulk een bron van rein genot In \'t bruisend kinderhart besloten,
Indien \'t de hoogste wijsheid was ^ Naargeestig hier om \'t graf te dwalen,
En \'t hart aan wormen, stof en asch Met nutloos mijmren op te halen.
Neen, neen! die heldre zonnestraal, Die kinderjubel, niet te smoren.
Doen denken aan een zegepraal,
Die ons een Heiland heeft beschoren.
Die zonde en dood hun buit en roof Ontrukte en voor zijn macht deed buigen.
Zoodat op \'t kerkhof, ook \'t Geloof Als een gelukkig kind mag juichen.
Uit het Engelsch,
TWEE PILAREN.
Wortelvast en onomstootlijk
rijzen voor het menschlijk oog.
Gons besluit en onze vrijheid
als twee zuilen steil omhoog.
Voor die oogen on-bereikbaar,
legt de hand van God den boog.
VERJAARDAG.
De wereld aan te zien, welvarend nog en krachtig.
Maar met een afscheidnemend oog.
De zeventig voorbij, in \'t opgaan naar de tachtig, Een leefkring dien, uit velen, een enkle slechts voltoog;
Omstuwd van een geslacht, mij over \'t hoofd gewassen, Meest door een andren geest dan mij vervult bestierd; Op stelsels prat, die slecht bij wat ik voorsta passen; Dat weinig missen zal als \'t ook myne uitvaart viert:
Ziedaar wat ernstig maakt; maar niet gebiedt te treuren.
Zoolang mij huwlijksmin en kinderliefde omringt, Een Godlijk avondrood mijn westerkim blijft kleuren, Zoo menig lieve bloem mijn dalend pad doet geuren, En tusschen \'t gelend groen nog ééne vogel zingt. 13 Sept. 1887.
398 aan mijn vaderland,
AAN MIJN VADERLAND.
Men lieeftvoor vijftig jaar mij dezen raad gegeven:
„Kies snel een wilgetak, waar gij uw lier aan hangt. ) Ik sloeg het in den wind, ben lieretnan gebleven:
Deed ik er kwalijk aan, of hebt gij \'t zoo verlangd?
\'1 Hippokreen-Ontzwavellng.
BIJ DE
VIERING VAN HET
TWEEHONDERDVIJFTIG-JARIG BESTAAN
DEB
UTRECHTSCHE HOOGESOHOOL,
1636-1886.
——\\3 a/\'--
Hot hier volgend dichtstuk werd door mij geschreven op ver-eerende uitnoodiging van Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, uit naam van den Raad.
Het op muziek te brengen was aan den op muzikaal gebied zoo loffelijk bekenden stadgenoot Richard Hol opgedragen, die zich naar aller oordeel, uitstekend van zijne taak gekweten heeft.
De uitvoering had plaats op den 28en juni in (je Buurkerk.
Een Klavier-uittreksel zag bij den muziekhandelaar H. Rahr het licht.
Nu maak u op om feest te vieren,
Vermaarde Stad aan Vecht en Rijn!
Laat loof en bloem uw straten sieren,
In ieders woning vreugde zijn.
Ruischt citersnaren!
Schalt fanfaren!
Bazuinen, trompetten, geeft vroolijk geluid! Laat, laat u hooren,
Vereende koren,
En stort uw hoogsten jubel uit!
Streel, zuivre zangstem, streel onze ooren! Het geldt —
Het geldt —
Een troetelkind.
Voor vjjfmaal vijftig jaar geboren. En vijfmaal vijftig jaar bemind.
feest-cantate.
II.
Als \'t liefste zoet na \'t bangste leed, Van God gegeven Vrede,
Het zwaard tot ploegschaar heeft versmeed, üf kluistert in de scheede.
Dat is, voorwaar, de beste tijd Voor zaaien en voor bouwen;
De geesten kunnen vrij en blijd Hun vleugelen ontvouwen.
Dan wekt de gunst, dan kweekt de moed De gaven en de krachten;
De horen van den Overvloed Doet lof en loon verwachten;
Daar waar de Olijfboom wortel schiet Wil Alles welig groeien,
De Lauwer wast op elk gebied,
En alle lio^n bloeien.
Sticht dan, ontsluit met pleeggebaar Der Wijsheid eeretempels;
Verzamel dan haar priesterschaar Op hun gewijde drempels!
Als voor de tabberd wijkt de kling En niemand hoeft te schromen,
Dan is voor vlijt en oefening De rechte tijd gekomen.
III.
Spreek, wederspreek het, gij rol der Historie!
Dagen van nood waren dagen van glorie.
Klaagt niet te zeer als de olijfboom niet wast „Palmen steigren tegens last.quot;
Sterren zijn helderst in donkere nachten;
Spanning en worstling verdubblen de krachten;
Nederland heeft niet op vrede gewacht,
Heeft, onder \'t zwaarste, het grootste volbracht.
De oorlog bleef duren: toch zaaide \'t en bouwde \'t;
Niet op de Toekomst, op \'t Heden vertrouwde\'t;
\'t Zwaard aan de heupe, de banden aan \'t werk.
Voelde \'t zich weerbaar en toonde \'t zich sterk.
Eere gij vromen, gij wakkren, gij wijzen!
Daden van moed deden wondren verrijzen,
Stedenbedwinger, hoe groot was uw eeuw!
Hoe bloeiend de Tuin van den bloedigen Leeuw.
IV.
O Vorst, die in Gods gunst geboren. Aan volk en land ten zegen wierdt!
400
FKtST-CANTATE.
Schoon is de loopbaan u beschoren,
En groot de tijd, dien gij versiert.
„Op gouden leliën en stralen Laat trotsen Fransche en Spaansche kroon;quot;
Om daar „de perels af te halenquot;
.Braveert uw krijgsmoed „duizend doón.quot;
Maar peerlen blinken allerwegen En puikjuweelen, rein van gloed,
U in de Zeven Landen tegen.
Waar gij uw deugd beminnen doet.
Uw Am stel tart de Stad der Bloemen Door Kunst van beitel en penseel.
De schoonste Dichterzangen roemen Uw deugd en daden schoon en veel.
De Wetenschappen dragen kronen,
Wier glans zich heinde en veer verbreidt.
De School, die Leidens deugd mocht loonen. Kweekt mannen voor de onsterflijkheid.
De Wjjsheid zet alom haar schreden. Verspreidt haar licht, vertoont haar schoon,
Haar krachten en bekoorlijkheden —
En ook in \'t Sticht verrijst haar troon.
V.
Ontsluit uw poorten, grijze Dom!
Voor die uw koor begeeren.
Die kennis kweekt is wellekom Bij hen die God vereeren.
Die leering zoekt, die hoort en vraagt, Zal zich tot deugd bekwamen.
Neemt toe in wijsheid, en behaagt Aan God en mensch te zamen.
Treedt op, plechtstatig ingeleid.
Waar men uw stem wil hooren.
Die een lofwaardige Overheid Heeft tot uw ambt verkoren!
Gij de eersten in de eerwaarde rij, Die altijd aan zal groeien.
En die van eeuw- tot eeuwgetij Haar stichting zal doen bloeien.
401
feestcantate.
Met regen is de maartsche dag
En somber aangevangen;
Maar zie, daar komt een zonnelach En stemt tot blijde zangen;
Tot zangen, die gebeden zijn,
Ten hemel opgeheven.
Opdat een hooger zonneschijn Haar warmte en licht moog geven.
Gij Zonne der Gerechtigheid,
Stort over haar uw schoonste stralen!
Laat al uw zegen nederdalen Op die eerbiedig hem verbeidt!
Bij U is licht voor hart en hoofd;
Gij wekt, gij kweekt, gij voedt het leven; Wat gij onthoudt, kan niemand geven; Uwe is een glans, die nooit verdooft.
VII
0 Hevige ommezwaai der tijden!
Hoe zwaxt, hoe geducht Vertoont zich de lucht!
Wolken kruien in \'t Oost en in \'t Zuid! Onweer dreigt van alle zijden!
Daar barst het uit!
Hoe vreeslijk die donder, hoe doodlijk die schicht
Van \'t bliksemlicht!
Verwoesting, vernieling, verwildring door schrik.
Van oogenblik tot oogenblik.
Geen daad bij de vromen, geen raad bij de vroeden, Aan helpen noch hoeden
Noch redden gedacht----
Hoe loodzwaar\'drukt gij, „Fransche Nacht!quot;
VIII.
Gjj hebt dien wakend doorgebracht. Gij priesters in Minerva\'s tempel!
Al schond de woestaardij den drempel.
Gij hebt aan vlucht noch overgaaf gedacht, üw schoone taak niet afgebroken,
Uw lamp gevoed, uw licht ontstoken,
En niet vergeefs den dageraad verwacht.
FEEST-CANTATE.
IX.
„Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen als hij vruchten maait;
Die \'t zaad draagt, dat hij zaaien zal,
Gaat weenend voort en zaait het al;
Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Eeriang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, te goeder uur.
Zijn schooven dragen in de schuur.quot;
X.
Een eeuw en nog een eeuw ging om. üw leeftijd, Alma Mater, klom
Tot vijfmaal vijftig jaren;
Maar, met de jaren, klom uw kracht, En van geslachte tot geslacht
Bleeft gij uw ouden roem bewaren.
Een feestgewaad, een hoogtijdskrans Versiert u thans;
AVij zien uw voorhoofd stralen; Uw helder oog ziet vroolijk rond;
En op den glimlach van uw mond,
Kent onze geestdrift perk noch palen.
De Schoonheid, die u zedig groet,
Sprengt voor uw voet
Een bloemenregen.
Een wakkre Jonkheid jubelt luid; De Grijsheid strekt haar armen uit, En geeft u biddend haren zegen.
De Liefde voor het Vaderland Drukt u de hand;
Beschaving heft u tot de wolken; De Godsdienst ziet u ernstig aan.
En dankt u, met een stillen traan Voor zooveel trouwe tolken.
XL
De dwaas alleen veracht de wetenschap. De wijze juicht haar toe op d\' eeretrap.
Kennis is macht, geen macht van dwingelanden. Lofwaardig, die haar zamelt en waardeert! Gezegend, die haar uitbreidt en vermeert! Wij kussen hem eerbiediglijk de handen.
FEEST-CANTATE.
XII.
Gij mannen, grijs van haren,
Maar vol van merg en sap!
Gij jongeren van jaren.
Reeds rijp in wetenschap!
Gij, die ons de oude tijden
Hun denken, spieken, daan,
Hun leven en b\'m lijden Hertoont en doet verstaan!
Gij, die ons door doet dringen In de eischen van het Recht,
Of van de zichtbre dingen De wetten openlegt!
Die kranken leert genezen.
Aan blinden \'t licht herschenkt.
Of van het Hoogste Wezen De orakels overdenkt!
Houdt moed, vervolgt de banen.
Waarop gij voorwaarts snelt,
Of plant uw trotsche vanen,
Op nieuw veroverd veld!
Graaft dieper in de mijnen.
Waar gij uw goud uit schept,
En laat het heerlijk schijnen.
Als gij \'t gezuiverd hebt!
Stijgt hooger op uw vlerken.
Streeft alle sferen door,
En laat uw vlucht bemerken Aan \'t lichten van uw spoor!
Blijft moediglijk bekampen
Onwetendheid en waan.
En troost ons van de rampen,
Die uit de zonde ontstaan!
XIII.
Eere in ons midden en eere in hun graven,
d\' Eedlen en braven.
Wier wijsheid u bracht op de plaats, die gij siert!
Uw roem is hun roem, en hun lust zijn uw ga\\en. Gelukkig de kiel, door hun handen gestierd!
404
F EEST-C ANT ATE,
En Gij, de Hoop des Vaderlands, Van wie \'t zijn naaste toekomst wacht, Zijn zonen, in den vollen glans
Der jonkheid en der kracht!
Schept heldre teugen uit de bron. Die hier van laafnis overvliet,
Laat, Iaat u koestren door de Zon, Die hier haar stralen schiet.
Smaakt al de vreugd Der blijde jeugd, Der vriendschap heilig zoet! Wordt al wat edel is en goed! En viert men \'t volgend eeuwgetij, Nog \'t hoofd omhoog,
Nog gloed in \'t oog.
Woon menig uwer \'t bij.
Vivat Academia!
Ploreant Artes,
Exsultent Musae,
Faveant Cbarites,
Pereat Barbaries,
Salva sit Pax;
Valeat Concordia,
Vigeat Patria,
Gaudeat Civitas Ultrajectina!
O Stad, waar Willebrord het Kruis Geplant heeft, en den Heer een Huis
Mocht bouwon onder Wilt en Friezen, Van waar het i\'erst de fakkel scheen. Die lichten zou door de eeuwen heen. En nooit vooï u haar glans verliezen!
O Stad, waar N assau\'s wijze hand De Pijlen saamunoerde in een band
En in den klauw des Leeuws bestelde! Doe, doe uw oude leus gestand; Dat steeds uw kroon en dierbaarst pand, Uw Hoogesehool, u alles gelde!
O Stad, door Vecht en Rijn besproeid, Wier helder nat door \'t lustoord vloeit, Aan rozen rijk t\\n korenaren!
feest-oantate.
Geen bloem of vi-uoht draagt hoogev lof, Dan die gekweekt wordt in den hof,
Die u bedekt met lauwerblaren.
O Stad, zoo trouw door haar bemind! Omhels, omhels uw voedsterkind;
Eén wensch, één hoop beziele u beiden! Vernieuw, vernieuw uw schoon verbond. En dan, herhaal met blijden mond Dat plechtig woord; „wie zal ons scheiden?quot;
\'t Kniel alles voor den Hoogen God! Hij schiep de wereld, schikt het lot
Zijne is de wijsheid en de kracht;
Hem zij de lof in elk geslacht.
halleluja.
AANTEEKENINGEN.
III.
„Palmen steigren tegens last.quot;
üit het motto voor Vondels Maria Stuart, met het onderschrift Pbudenter; geheel in Vondels kracht en stijl, en hoogstwaarschijnlijk van hemzelven. Zie Van Lenneps Vondel-uitgave V. 500, I.
Stedenbedwingeb.
Siededtcinger was de eernaam aan Fbedeeik Hendbik toegekend.
IV.
„Op goude lelyen, en straelen,
Laet trotsen Fransch\' en Spaensche kroon.
Om daer een perel af te halen.
En streeft zoo niet, door duizent doón,quot;
Hooft, Klaghte der Prinsesse van Oranje over \'t oorlogh voor \'s Hartogenbos.
Uw Avistel tart de Stad der Bloemen Door kunst van heitel en penseel.
Florence; als Hooft In 1638 aan Mabia. dk Medicis, bij hare komst te Amsterdam, verlangde getoond te zien.
V.
Ontsluit uw poorten, grijze Dom!
„Het koor der Domkerk was (der Hoogeschool) tot een gehoorzaal bestemd en daar zou de plechtigheid der Inwijding plaats hebben.quot;
De Geeb, De Dom van Utrecht blz. 40.
406
FEEST-CANTATE.
Die leering zoekt, die hoort en vraagt.
Zal zich tot deugd bekwamen.
Neemt toe in wijsheid en behaagt Aan God en mensch te zamen.
Luk. 2:46 was de tekst, door Voetiüs ten grondslag gelegd van zijn predicatie „Over de nuttichheydt der Academiën ende Scholenquot;, des Zondags voor den dag der Stichting gehouden.
Met regen is de viuartsche dag (26 Maart 1636.)
En somber aangevangen;
Maar zie, daar komt een zonnelach.
„Des Dlngsdagmorgens vroeg was de stad versierd en getooid en alles voor het feest gereed; maar nog was de hemel bewolkt en hield de regen niet op. Te négen ure echter brak de zon helder door, en in statigen optochtquot; enz.
De Geer, T. a. p. blz. 41.
VI.
Gij Zonne der Gerechtigheid.
Sol justitiae illustra nos. Is de bede, die de Utrechtsche Hoogeschool in haar vaandel en op haar zegel draagt.
De Vaderen dachten daarbij aan de belofte bij den profeet Maleachi (4:2 „TJlieden — die mijnen naam vreest, zal de Zonne der Gerechtigheid opgaan.quot;
VII.
O Hevige ommezwaai der tijden!
Het jaar 1672.
Wolken kruien in \'t Oost en in \'t Zuid.
Belden de Bisschop van Keulen en de Koning van Frankrijk hadden den Staten den oorlog verklaard.
Verwoesting, vernieling, rerwildring door schrik,
Van oogenblik tot oogenblik.
Geen daad bij de vromen, geen raad bij de vroeden,
Aan helpen noch hoeden Noch redden gedacht.
„De Regeering radeloos, het Volk redeloos, het Land reddingloosquot;, zeggen de geschiedschryvers.
„Eene genoegzaam algemeene wildheid en ongehoorzaamheid van alle de ingezetenen in de steden en op het platte land.quot;
Brief van Jan de Witt.
„ Fransche Nacht!quot;
„*t Is Fransche middernacht,quot; schreef in 1673 de toen 86-jarige Vondel, die hem nog zes jaren overleven zou.
VUL
Gij hebt dien wakend doorgebracht.
Gij Priesters in Minerva\'s tempel!
„De Academische Senaat nam het besluit om zelfs gedurende de aanstaande wintervacantie de lessen niet te staken, maar geregeld te laten doorgaan.quot;
Ter Haar, Utrecht in 1672. blz. 31.
407
feest-cantate.
Al schond de woestaardij den drempel.
tn t-r, r,QVirtr.v7nni wm in een soort van graanscliuur, neen! erger nog, In
een pathos oMWÉ^laata van meequot; fn^een werlplaa.s voor mulders en batters herschapen.quot; Tl,K Haas, blz. 30.
IX.
„Die hier bedrukt mei tranen zaaitquot;, enz.
Men herkent Ps. 126 vs. 3 in onze schoone berumlng VoEiirs bij
16,27 Nov. 1673.
XV.
O Stad, waar Wlllebrord het Kruis Geplant heeft enz.
Op de helft der zevende eeuw; 660.
O Stad, waar Nassau\'s wijze hand De Pijlen saamsnoerde in een band.
En in den klauw des Leeuws bestelde.
■Jan van Nassau, by de Unie van Utrecht, 1579.
Doe doe uw oude leus gestand:
Dat\'steeds uw kroon en dierbaar pand.
Uw Hoogeschool, u alles gelde.
het eeuwenlang aankleven van het aangenomen beginsel: Alles voorde tMguchoul.quot; AscH VAN WlJCKj De stad Utrecht in hare
betrekking tot de Hoogeschool. bl. 55.
„Wie zal oks scheiden?quot;
Qns S.pababit, omschrift van den gedenkpenning, geslagen op het Tweede Eeuwfeest; 1836.
408
- -
quot; ■: - ■ quot; ■ ■
• ■■ •- . quot; .....
- \\ ■■- ■ . ■
v~ u - • ■
^ J; 1 / \' \'■
. i~ v -quot;•.•• •■-■•
: -lt; ■ • . . , ■ _ C\'
% ■
quot; T\'
\\ • . \\ .
■■ -s • • ■ quot; .
\'V •• • lt; „ - -
quot;r-:,
—
•\' •.