VOLLEDIGE UITGAVE, NAAR TIJDSOKDE GERANGSCHIKT EN OPNIEUW HERZIEN.
(Verkrijgbaar bij D. BOLLE, Rotterdam.)
lEMESGUE GEDICHTEN. S3® BUNDEL. 1848—1854, lste Helft.
Bladz.
Wat kinderoogen zien kunnen.........3.
Arabische menschenhaat...........6.
De deuvik en de kompasnaald.........6.
Aan een onderwijzer, op zijn jubelfeest.......7.
Triomfeerende argumenten..........8.
Scheppend genie..............10.
Het juiste midden.............11.
Aan een reiziger naar overzee................12.
Prijsvraag...................
Eens konings tranen............13,
Aan mijne echtgenoote............20.
Niet voor de wereld ...........23.
De Magdalene bij \'t kruis...........23.
Bij een beeltenis..............27.
Bruidsbezoek in de pastorie..........31.
Aan mijn vader..............33.
Aan Dr. Karei Gutzlaff............35.
De Moeder des Heeren............40.
Het Haarlemmer-meer. 1850 ..........44.
Toelichting........... ... 45!
Naamgeving aan eene landhoeve........46\'
INHOUD.
,1k betrou in Godquot; ....
Nachtegaal......
Keurigheid.......
Koekoek .......
Zonsondergang.....
Aan de zee......
Reinen van harte ....
Een is noodig......
Het Oranjewater.....
Opmerking ....
Simon Petrus......
Oog en hart...... . .....
Aan mijn vader, op zijn 72sten verjaardag.....
Vleugels...............
Weent niet over mij...........
Weerhaan-wijsheid............
Jaargetijden..............
Op \'t ziekbed..............
Geen deel, maar \'t geheel..........
Eenvoud ...............
Stijg, maar nijg.............
Zwijgen................
Morgenstond..............
Madeliefje...............
Geen orgeltoon, maar uw persoon.....
Een roos ...............
Aan eene jonge dicbteresse.........
Ter bruiloft van Moeders Troost.......
Zelfcritiek...............
Aan mijne echtgenoote, met een bloemstukje, enz. .
Volkomenheid ......
Wederzien .............
De Leidsche vissoher en het Haarlemmer-meer, in 1852
Waarschuwingen.............
Herinnerin g............
Het kruis...............
Liedje................
Ontdekkingen.............
Medebroeder...... .......
Aan eene achttienjarige..........
Scheiding...............
Overgangen...... .......
Voluptas flendi.............
Een Nederlandsch lied ..........
Koperen bruiloft. Aan Aleide.........
Suum cuique..............
Jan.................
Meizang. Aan Maria............
In Mei................
VI
Bladz.
Steenvruchten...............91.
Aan mijne moeder.............91.
Niels Stockfleth, Predikant in Finmarken......93.
Bloeiende linde..............98.
Geen genade..... .........101.
Het Haarlemmer-meer drooggemaakt. 1853 . . . • 101.
Uit moeders naam. Ter bruiloft mijner jongste zuster . . 102.
Vlekken in de zon.............104.
Jongelingschap..............105..
Drie jongelingen..............105.
„Met zen achtenquot;.............106.
Maat en toon...............108.
Kerstfeest.......... .....108.
Hemelvaart..... ......■ . 109.
Nog eens: de waarheid ligt in \'t midden......109.
Waarheid.....\'...........110.
Begrafenis....... ...... .110.
Opvoeding............... .111.
Nog een wenk...............111.
Het zeemanshuis..............112.
Aan mijne kinderen.............112.
Lotwisseling...............118.
Onbereikbaar...............114.
In den herfst...............114.
Een lied om bevrijding............116.
Nog een lied om bevrijding..........117.
Vaders vedeldeuntje bij de wieg.........117.
Gulden les................119.
Liederkransje voor de jarige moeder .......119.
Wie schuilt er?..............124.
De vlinder................124.
Polemiek................1\'24.
Aan Jonkvrouw S. v. S............124.
GEMENGDE GEDICHTEN. 4(ie BUNDEL. 1854 2|ie Helft.—1859.
De Stichtsche zwerfster........ ... 126.
Nieuwe woning..............130.
Mijn hof ...........■ . . 130.
Vallende sterren..............131.
Wasdom tot kleiner.............131.
Laatste grond...............132.
INHOUD.
Maandroos.........
Weerslag.........
Bartje..........
De taal..........
Aanteekeningen.......
Vijftal gewijde liederen.
I. Het woord is vleescli geworden.
II. Bede . . .
III. Belijdenis . .
IV. Loflied. . •
V. Lofzegging .
Galm en nagalm.
Aan Nederland .
Onze vriendschap. Aan J. P. Hasebroek Oud en nieuw Aan bedroefden .
Nog......
Vertrouwen Niet onfeilbaar .
Kwikstaart.
Twee Geneve\'s .
De kleingeblevenen .
In eenzaamheid .
Elsje. . _ . ■ .
In de diligence .
Haarlem ....
Heiloo.....
Het lied des dooden.
Bij het overlijden eens leeraars Wapen voor de gemeente .Haarlemmermeerquot; Mijn roos .
Open vensters.
Betje ....
In de kinderkamer Bij haar graf .
Bepos ailleurs.
Nevens de bijenkorf Jan Janszen .
Nog te jong . .
Scherts....
Slechts eene taak Twee lichten .
Nagedachtenis Benöni ....
Nazomer .
Oud en nieuw verbond
VIII
INHOUD.
Onder \'t vreemde juk .
Naar Rückert.......
Afscheid........
Morgenwekker......
Zomerdag .......
Blijvende waarde......
Vrede.........
Aan den Heiland......
Johanna Gray.......
Eenvoud ........
Godsvrucht.......
Jong blijveu.......
Dichtluim........
Wanneer de kindereji groot zijn.
Eindelijk........
Goedheid........
Bij den dood van Dr. J. J. Viotta Geen kruis, geen kroon. . . .
In de lente........
De post van eer......
Bladz
JI
185
185
186
187
187-
188 188
188-192 192 192 193. 193.
196.
196.
197. 197. 197.
GEMENGDE GEDICHTEN. nDKDEL. 1859—1869.
Madelieven zijn er altijd...........iqs
/-« It*..,—1.!-! 1____1 _ \' * O\'~J,
198.
199.
Tweede huwelijksdag
Een driekoningen-lied.................
Zilveren echtfeest.......... \' \' gnj
Hanna\'s lied........... . go-V
Hollandsch huishouden............or)/
Twee wrakken................oiv
Mooi Kaatje.......................
Hooge school...................\'gt;07\'
Doorgraving van Holland op zijn smalst...... 207\'
Herstelde kraamvrouw....................gt;208
Bij de beeltenis van Z. M. den Koning. . . 209
Aan mijne landgenooten in Februari 1861. . . \' \' \' 209
Echte dichtgeest............\' 2IO
Vragen aan den Schepper.......... oil
Waar is uw hart........................211\'
De beste vriend...................212
Bede voor de Burgerweezen te Haarlem . . . . ! . 213 Zwitserland ••••..., . 213
De twee Lutchinen . . . ■.......\' 215
Vrouw Sijmensz .... ...... . 216
Oude vriendschap........■ • \'gt;17
Hoe langer hoe liever Niet en kan der beter
:gt;i r
-L i
i\' passen, enz.........217.
INHOUD.
Ongewone gunstbewijzen, enz Nog een driekoningen-lied.
Vondels borstbeeld, enz. .
Veldbloem en kasbloem Aleide 11 . . • _
Bij de uitgave van mijne „Verstrooide De bloemverkoopster Het regenscherm.
Het herberg-meisje Lauterbrunnen. ■
Regendag .
Het Oranjefeest, te Utrecht gevierc Jan Logica. .
.Tan Klank. .
Mozes op den Nijl Aan een „Openbrief\'-schrijver Vijfentwintigjarig Burgemeesterschap
P. J. Kien.......
Jubelfeest van den slag van Wate Aan den Hoogleeraar G. J. Muidei
Verborgen......
Klauterlessen ..... Kinder-godsdienstoefening .
Aan J. J. van Oosterzee -Zij zeggen .
Winandermeer De verminkten Baumans grot.
Waterval in Saksisch \'L Blijf e\'én .. .
Groote ontdekking .
Aan eene erfdochter.
Gratiosa ....
Iemand aan eene.
Dorothea Serena.
Aan de Mogendheden
Vondel.....
Uit Shakspere.
O Mihi praeteritos .
Ootmoed ....
Drie stemmen.
Bemoediging .
Bede • •
Geen partij-man .
Wat wil men toch?;
Gesprek tusschen drie De Bijbel ....
Het oude lied.
Maanlicht ....
edichten
Hee
[e
00
and
witsel
Eladz.
Waar niet?..............................257.
Afdalen................................257.
quot;Vraag..................................257.
Avondregen..............................257.
Echte zang..............................259.
Opwekking..............................260.
Op tijd..................................260.
Onberouwelijk...............261.
Gezondheid en genoegen stralen.........261.
Aan eene weduwe..........................262.
Alles en niets..............................262.
Drie gedichten naar Thomas Hood.
I. Het lied vau het hemd....................262.
II. Het sterfbed..........................265.
III. De drenkelinge........................265.
Kinderlach................................268.
Een woord van Bacon........................269.
Zijt gij rijk, dat het blijk!....................270.
Aan Dignns..............................270.
Maakt plaats..............................270.
Ee\'n slechts...............271.
Geen Homerus..............271.
Verlies van vrienden............271.
Zijn of schijn..............................272.
Aan een H. E. H. G..........................272.
Handen thuis..............................278.
Poëtisch proza............................273.
Aan ... Geen lid der St. Gen....................273.
Ttkéov ijf.i ton Jtanoq..........................273.
Naar Ilückert 1—8............................273.
VISSCHERSVOLKJE. 1801.
I. Jagiks wieg op \'t strand geboend...... 275.
II. Trijntjes dolce far niente......... 275.
III. Het breistertje............ 276.
IV. Harmens uitreis........................277.
V. Jantjes eerste reis......................277.
VI. Het beslissend oogenblik..................278.
VII. Joost Atlas..........................279.
VIII. Moeders middagslaapje..................280.
IX. Langs moeders graf....................280.
X. Netten boeten............281.
XI. Waar blijft hij?............281.
XII. Het anker uitgebracht.......... 282.
XIII. Pleuntje.............. 282.
XI V. Toebereidselen voor de toekomst............284.
inhoud.
kinderzangen naar is aak watts. 1864.
Bladz.
De lof van God............................285.
Lof aan den Schepper en onderhouder....... 286.
Dank aan Grod voor onze verlossing..............287.
Dank voor tijdelijke en geestelijke voorrechten .... 287.
Dank voor geboorte en opvoeding in een christenland. . 288.
Dank voor het Evangelie......................289.
Voortreffelijkheid der Heilige Schrift..............289.
Dank aan God dat men lezen leert................290.
De alles ziende God.............291.
Ernstige gedachten aan God en den dood.....291.
Hemel en hel..............................292.
Het voorrecht van vroege godsvrucht..............292.
Gevaarlijk uitstel..........................293.
Voorbeelden van vroege godsvrucht................298.
Tegen het liegen............................294.
Tegen Wisten en vechten......................295.
Liefde tusschen broers en zusters................295,
Tegen smalen en schelden......................296.
Tegen vloeken, zweren en misbruik van Gods naam . . 296.
Tegen ledigheid en moedwil....................297.
Tegen slecht gezelschap......................297.
Tegen hoovaardij ojj kleeding..................298.
Gehoorzaamheid aan de ouders..................299.
Kinderklacht..............................299.
Een morgenlied............................300.
Avondlied................................300.
Zondagavond...............301.
De luiaard................................302.
Onschuldig spel............................302.
De roos..................................303.
Stelen..................................303.
De mier................................304.
Goede voornemens..........................305.
Zomeravond..............................306.
welkomstgroet aan de leden van het Prov. Ut-
rechtsch Genootschap, enz. 26 Juni 1867 . . 307.
wedde, iieir.igerlee, winschoten. Vaderlandsche uitboezemin-gen. 1868 en 1873.
Te Wedde, 22 Mei 1868 ....................317.
Op het veld bij Heiligerlee. 28 Mei 1868 ............818.
Te Winschoten. 23 Mei 1873. Aan den Koning ... 328.
feestcantate voor den dag der onthulling van het Nat. Gedenk-
teeken voor 1813; 17 Nov. 1869 ..................331.
Aanteekeningen............................340.
xii
VAN DE KLEINERE GEDICHTEN DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH.
Bladz
Aan \'t spoorstation te Heidelberg......... 223-
Aardsohe lust is haast genoten..........102-
Ach hoe vele, Groene, gele...........gg
Ach, melieve, -welk een feest!.......... i 88
Ach Moeder, welk een dag van diep en droef ontroeren . . 91
Al heeft het lang geduurd............208
Alles in slaap! Alles in rust!...........XgY
Als ik een woord van wijsheid wist.........82
Als ik Marie en Koosje zie...........\' 121
Als van twee gepaarde schelpen........217 218
Ambtsbroeder — Foei! dat\'s stijf en koel! 83
Amen! U zij kracht en eer...........1415
Atlas draagt het hemeldak.......... . 279
Beschimp, beschimp geen vrouw, enz......... 206.
Bevallig Meer, volschoon Gennésaret........56.
\'t Bezig leven sleept mij voort..........92.\'
Bij poëzij is toovnarij in \'t spel.......... 274.\'
Bij \'t kruis op den heuvel, daar buigt zich......78\'.
Bljjf e\'én, blijf één mijn Vaderland \'......... 243!
Blijf op de wieken drijven............15l!
Blinde stervling! die daar meent..........109.\'
Bloem der amandelen!.............89*
Bloemen uit Spa...............77\'
Bouw een huis voor Janmaat op . .........112.
Boven Limmen ligt Heiloo............162.
Collega heeft mij niet begrepen..........8.
Collega, \'k hoor u somtijds zuchten.........93.
VAN DE KLEINERE GEDICHTEN
Bladz.
Daal in de harten, Geest des Heeren........ 252.
Daar is een God en Schepper aller dingen.....
Daar is een hemel boven de aard.........
Daar was een kleine jongen ■ ......... oaq
Dankt allen God en weest verblijd......... •
Dat elk die liefheeft en gelooft.......... \'
Dat gi) klautert, jonge borsten......... ■ ^g\'
Dat zal ik van mijn leven niet • .........017\'
Dat zal uw roem, uw eeuwge vreugde wezen......g •
De beste Vriend is wel daarboven.......... \'
De bloemkens langs de wegen ..........7„-
De bloempjes kusten haar den voet......... •
De boomen, die de hagelslag.......... „oo
De Brandweer, tuk op de eer enz. .........
De dag is neergezonken............235\'
De deugd is een gewas, dat enz..........
De dichtluim is wel gansoh en gaar........
Dees werkt om roem enz. ■ • • ...... \' \' quot;q
De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig..........^
De hemel heeft op menig hoofd..........^
De Keizer is in Frankrijk baas..........g01\'
De lieve Zondag is voorbij . ...........n,
De Lutschinen, Witte en Zwarte..........g\'
De man is overal weerlegd........... 2g()_
De moeder van \'t gezin....................2gx
Den gansohen nacht........................235
Den man, wiens wetenschap enz.................._
De schooljeugd groet. . _........... 073
De schoonheid der Schepping enz. • ....... 9/..7
De vertroostingen Gods zijn nooit te klem.......•
De Vriendschap, door ons hart gevoed.......• •
De waarheid ligt in t midden...............1
De waarheid moet in diepe kuilen • ■ ■ ■ , 0
De ware wijsheid gaat met needngheid gepaaid.....0.
De ware wijsheid is zich naar de omstandigheden .... ^
De wereld is een kreng, enz. • • • ........04^\'
De wereld is niet dan een groot tooneel......• •
De wichtjes worden daaglijks ouder.....• 2^
De woorden dienen enz.. •.........
De zon heeft vlekken, dat is waar.........-^24.
De zon is heet, de lucht is lauw......
De zon rijst op te juister tijd -........^ 220.
Die in een viool geboren werd . ........
Die laag bij de aard is vreest geen ...........^
Die niet langer varen mag...................207
Die niet uit alles leeren wil.......... ^g\'
Diep dringt de wortel door........\' \'
Die \'s Heeren zegen heeft • ..........3Q0\'
Dit is de dag. wiens morgenstond...........
DEKDE BUNDEL.
„Onder den, zoo ik hoop, besclieiden titel van Korenhloemen, reik ik mits dezen mijnen Landgenooten eenen nieuwen bundel gedicli-ten toe, waarvan sommige vroeger bekend geworden, maar de meeste nooit gedrukt zijn, en die het bewijs moeten opleveren dat ik de ppëzie niet geheel verwaarloos, al is het dat mij tijd en gelegenheid ontbreekt om haar opzettelijk te kweeken.
„Een onzer uitnemendste, en door mij van der .jeugd af meest geliefde dichters, is mij voorgegaan in eene naamgeving, waarop ik ook reeds bij den herdruk van mijnen eersten dichtbundel, met motto en titelplaat, gezinspeeld heb \'). Gaarne beken ik dat zijn
Tarw, en van het beste Koren,
Ten beste van \'t Gemeen,
overvloediger en zijn Korenbloemen kleuriger waren dan de mijnen. Maar de wensch van ook mijn hart is altijd geweest, dat mijn A\'a-derland niet geheel te vergeefs naar mijn Koren mocht vragen, en van mijn gebloemte getuigen:
Ts \'t Onkruyd, \'t is van \'t best\'; \'t is vriendelick, \'t is fijn. \'t Is soet en schadeloos, en niet min ak fenijn.quot;quot;
Zoo schreef ik te Heemstede tegen het einde van het jaar 1853. De gedichten, die ik met deze voorrede in het licht zond, maken het grootste gedeelte der hier volgende afdeeling uit. Ik zou niet lang meer in Heemstede blijven, en wat het halfjaar vóór mijne\' verandering van woonplaats nog aan verzen heeft opgeleverd, met al den overigen
By-slagh, die den aerd van \'t Land, of van het Koren,
in dezelfde jaren
Te voorschijn had gehaelt,
zonder juist in den aangeboden ruiker te zijn opgenomen geweest, heb ik er hier aan toegevoegd.
De Korenhloemen, in 1853 in groot, in het volgend jaar in klein octavo uitgegeven, hebben bij het publiek een allerwelwillendst ont-
\') Het motto is geweest.
De Bloem verschijnt nochtans, en menght sich onder \'t Koren; de titelplaat, een handvol Korenbloemen, naar eene teekening van mijne vrouw, ill. 1
VERWACHTING.
haal gevonden, en zijn nu sedert lang uitverkocht. Ook in het prin-cinibus placuisse riris mocht ik mij verblijden, als o. a. uit de gunstige openlijke beoordeelingen van dichters als Tollens, kunstrechters als van Vloten bleek \') Ik zelf zie met zekere voorkeur op dezen bundel neder. Is het omdat ik, eerst in dezen, van het begin tot het einde geheel mijzelf ben en mijzelven zie? Is het omdat zijn inhoud mij een tijd, een oord, een levenskring voor den geest brengt, waarin mij zoovggI geluk, zoovggI gGnot, zoovggI zGgGn van aliGilGi aard is tG bGurt g\'Gvallen, Gn waarop, als nu tot hGt vGrlGuGnG dg-hoorende, mijn oog met een gemengd gevoel van weemoed en genoegen rust? Of mag ik waarlijk gelooven; dat onder deze voortbrengselen van mijn drieëndertigste tot mijn veertigste levensjaal dGzulko gGVondon wordon, dio tot hot bGstG bGhooron van wat ik vroeger of later in staat geweest ben op dichterlijk gebied voort te brengen ?
April 1874,
\') In Leeskabinet en A\'unstkronyk.
Van der bergen steile wanden Storten, met luidruchtig klateren. Met een onverduldig branden. Met onwederhoudbren val,
Alle Wateren Zich in \'t dal;
Daarop scheiden Zich de vloeden.
Om de landen door te spoeden; Daarop spreiden Zich de stroomen Langs verscheiden Bed en zoomen;
Daarop breken Honderd beken,
Met een daverend geluid.
Haastig uit; Zij doorkruisen
Zonder rust Alle streken,
ledre kust. Zij doorbruisen Alle landen.
Zij bereiken alle stranden. Zij doorvorschen alle hoeken; Om den God der aard te zoeken.
WAT KINDEROOG EN ZIEN KUNNEN.
En de vlammende Gloed Treedt, zooras hij ontwaakt,
\'t Lage dal, waar hij blaakt.
Met den vurigen voet.
En schiet lijnrecht omhoog-Naar den op|jersten boog;
En zijn hoornige kop.
Immer hooger gestrekt.
Scheurt het wolkenkleed op:
Of hij den Heer van den Hemel ontdekt.
En de aarde schaart, als stille wachten. De reuzenbergen op hun post.
Door jaar- noch eeuwkring afgelost.
Wier kruinen ijs en sneeuw bevrachten.
Zij zien op, zij zien uit.
Naar het Oost, naar het West, naar het Noord, naar hot Zuid, Bij dagen.
Bij nachten.
Bij stormen, bij stilte, bij bloei, bij verval: En vragen \'t Heelal,
Of de groote Wereldrichter dan niet eindlijk komen zal!
1848.
Dit stukje, onder den naam van PerziscJie Wereldheschouioing, in den Muzen-Almanak van 1849 opgenomen, is ontstaan uit de lezing van het volgende in vox schubebt\'s Geschichte der Seele (S. 59): „Die Wasser, so sagt ein alter persischer Spruch, sie rauschen vom Gebirge hera,b und eilen hinaus in alle Lande, suchend ob sie den Herrn der Erde tanden, die Flamme des Feuers, sobald sie erwachet, schaut den Boden nicht mehr an, sondern geraden Zuges richtet sie sich empor zum Himmel ob sie den Herrn des Himmels erblicken niöchte; die Erde, sie hat hier, sie hat dort die hohen Warten der Gebirge aufgestellt.; diese ragen weit empor und schauen sehnend hinauf und umher. ob der Richter der Welt noch nicht komme?quot;
WAT KINDEROOGEN ZIEN KUNNEN.
Fier zwijgt de vader in zijn lot. En leert, in \'t duister kerkerkot.
Verdragen wat hij draagt. De klacht der moeder stijgt tot God;
Eens raakt zij uitgeklaagd.... ,Ach kinderkens, mijn kinderkens! Uw moeders hart Bezwijkt van smart.
WAT KINDEROOGEN ZIEN KUNNEN.
Zij heeft geen woorden meer.
Komt! handjes samen, oogjes dicht! Uw englen zien Gods aangezicht: Ontferme zich de Heer!quot;
Bij \'t venster knielt de kleine kring; In \'t midden, vaders lieveling,
In \'t midden, de oudste zoon;
Wat is zijn leeftijd nog gering,
Wat is de jongen schoon! „Ach kinderkens, mijn kinderkens. Uw moeders hart Bezwijkt van smart;
Zij heeft geen woorden meer. Wat staart gij op de donkre straat r1 Bidt, bidt tot\'God die u verstaat! Ontferme zich de Heer!quot;
De nacht is duister. Star noch maan Is aan den hemel opgegaan;
De kamer zonder licht,
De moeder ziet den kleinsten aan....
Hoe blinkt zijn aangezicht! „Och moedertje, lief moedertje! Hoe schoon trekt daar Een gansche schaar Van gouden lichtjes voort!
Zij zweven naar des Hertogs slot: De heilige englen zijn \'t van God, Die ons gebed verhoort!
De bleeke moeder hoopt, en ducht; Zij treedt aan \'t venster met een zucht:
Maar alles wat zij ziet Is donkre huizen, zwarte lucht;
Gods englen ziet zij niet. „Ach kinderkens, mijn kinderkens. Het wicht verstaat Niet wat het praat;
Lief jongsken! ga ter rust.
De vromen dient Gods englenschaar; Maar in dien boozen Hertog daaquot; Betoonen zij geen lust.quot;
Nu schudt de kleine \'t lokkig hoofd, Bedroeft dat moeder niet gelooft.
En tuurt aandachtig voort,
Tot dat de glans is uitgedoofd.
Die om zijn kopje gloort. „Ach moedertje, lief moedertje
WAT KINDEREN ZIEN KUNNEN.
Gewis geschiedt Wat Iroertje ziet;
Der englen taak is schoon;
Grehoorzaam aan zijn wijs gebod.
Volbrengen zij een last van Godquot; —
Zoo spreekt haar oudste zoon.
De kindren gingen tot hun rust.
Het wee der moeder schijnt gesust;
Zij slaapt den ganschen nacht;
Ook droomt zij dat haar de eega kust,
Die in den kerker smacht.
„Ach kinderkens, mijn kinderkens!
Wat toeft gij nog?
Omhelst hem toch,
En kust zijn bleek gezicht!
Hij kwam in \'t holste van den nacht;
Due d\'Alva heeft hem thuisgebracht Met pauk en fakkellicht.quot;
Due d\'Alva woelt op \'t ledikant;
Zijn voorhoofd gloeit, zijn boezem brandt;
Zijn mond gaapt naar \'t geluid:
Nu strekt hij de een\', dan de andre hand
Met schrik en woestheid uit.
..Laat los, laat los, gij kinderkens!
Laat los, o vrouw!
Vergeet uw rouw!
Gij hebt uws Hertogs woord;
\'k Verbreukte \'t nooit, tot goed noch kwaad; \'k Vervul het met den dageraad;
Uw beden zijn verhoord.quot;
De nacht gaat om; het morgenlicht Schijnt reeds den kleinen in \'t gezicht.
Genaderd door een scheur.
Nog zijn de zware bouten dicht....
Wie klopt daar aan de deur?
„Staat op, staat op. mijn kinderkens!
Sta op, vriendin,
Kn laat mij in!
Omhels uw echten man!
Hij, die het hart der vorsten buigt.
Heeft voor mijn goede zaak getuigd.
Hij hebbe de eer er van!quot;
1848.
* Dit volksverhaal is te vinden in woli-\'s Niederl. Sagen. S. 157.
DE DEUVIK EN DE KOMPASNAALD.
ARABISCHE MENSCHENHAAT.
„Up wereld is een Kreng; die haar begeeren. Honden,quot; Zegt de Arabier, die voor geen honden achting heeft, \'t Opzittend soort, dat pootjes geeft,
Wordt zeker niet bij hem gevonden.
DE DEUVIK EN DE KOMPASNAALD.
Een Deuvik, zich terecht zijn waarde „Als Deuvik en Geleerdequot; wel bewust.
Daar hij op een madera-fust Een reis gemaakt had om heel de aarde.
En ongetwijfeld al dien tijd (\'t Was streng verboön hem af te trekken)
Aan overdenkingen gewijd,
Waarmeê slechts onverstand durft gakken; Een Deuvik dus, van de eêlste geesten vol.
Van rijpe ervaring daarenboven. Met wetenschap gelaafd in een stikdonker hol. Bij ,passendquot; afkeer van gelooven,
\'Verliet zijn „stil studeervertrekquot;
En kwam zich toonen op het dek. Het scheen zijn eerste plicht, voor allen. De Scheepskompasnaald aan te vallen: „Gij zijt gelukkig, lieve vrind!
Maar \'t is als een onnoozel kind; Onnoozelheid, die ik iiiot laken.
Maar evenmin benijden wil:
Gij meent ons, trillende op uw spil. Den koers naar \'t noorden uit te maken. Maar al mijn studie (en ik zat Zoo lang reeds muurvast op dit vat) Bewijst de onmooglijkheid dier zaken. Vooreerst: nog is \'t_ mij niet gewis. Dat daar een werklijk Noorden /«; Ten andren, kan ik niet ontdekken,
tlue \'t Noorden naalden aan zou tresken. \'t lieqrip van \'t Noorden laat ik staan; Dat trekt sinds lang van alles aan,
Door wat gevoeligheid te wekken;
Maar \'t Noorden zelf, hoe zou dat gaan r Gij wilt er tot bewijs van strekken;
Maar zie of u \'t bewijs niet schort, Dat ge inderdaad getrokken wordt,
En dat ik waar gij op durft roemen Geen meden op één punt mag noemen. Geloof niet dat \'k uw eer verkort;
ARABISCHE MENSCHENHAAT. —
O XT IIOKZKM ING. — AAK EEN ONDERWIJZER.
Maar hoor hetgeen ik u verklare:
Zoo daar een trekkend Koorden ware,
Het ti\'ck mij lang reeds van dit vat....
Doch neen, hoezeer ik \'t zelf\' begeerde,
\'t Gebeurde niet: verklaar mij dnf! En voorts....quot;
De Naaide sprak: „Ei wat!
Gij zijt van hout, U Hooggeleerde.quot;quot;
\'t Schip kwam ter reede zoo \'t behoort.
Men rolde \'t vat met wijn van boord.
De wijze Deuvik, vol gepeizen En studie, rolde deftig meê.
\'t Kompas bleef eervol op zijn steê.
Het schip stak af tot nieuwe reizen;
De Naald wees trouw den weg door zee.
184S.
* Misschien weten niet alle lezers terstond wat een Deuvik is. \'t Is de houten stop, waardoor een vat gesloten blijft, totdat zij plaats moet maken voor een kraan, waardoor zich de inhoud mededeelt.
ONTBOEZEMING.
,Ontboezeming.quot; Ja; zoo dat waar was! maar ik ducht Gij zijt er nog geboezemd afgekomen.
En schept alleen een weinig lucht,
Om straks op nieuw ons te overstroomen.
AAN EEN ONDERWIJZER,
01\' ZIJNquot; JUBELFEEST.
{VOOR DE SCHOOLKINDEEEN.)
De Schooljeugd groet.
Met blij gemoed.
Den Meester op dit feestlijk heden; Wat kwam er in die vijftig jaar. Een groote, bonte kinderschaar Zijn schooldeur ingetreden.
„Ik onderwees Uw ouders reeds!quot;
Denkt hij met liefde, en ziet ons naderen. Van menig onzer heugt hem, dat Zijn grootvaar op de banken zat In \'t eerste boek te bladeren.
Een zeldzaam lot Schonk hem zijn God,
TltlOMFEERENDE AHGÜMENTEN.
Waarvoor ons hart Hem luid wil prijzen;
Die, bij \'t aanvaarden van zijn werk, Den Jongman moedig maakte en sterk. Die zegende ook den Grijzen.
..Diens zegen zij Hem nog nabij!quot;
Zoo wil met hem ons harte smeeken:
„Hem moog geen rust, geen lust, geen kracht, En, bij het dalen van den nacht,
Geen \'hemelsch licht ontbreken.quot;
1848.
TRIOMFEEKENDK ARGUMENTEN.
De ware wijsheid gaat met needrigheid gegaard;
\'k Ben needrig — en dus wijs! dat\'s dunkt mij klaar bewezen En wien ik voortaan geen orakeltje mag wezen.
Bewijst zijn domheid klaar en opgeblazen aard.
AAN EEN GELEERDEN TEGENSTANDER.
Geleerdheid zal ons niet verbazen;
De eenvoudige is het meest verlicht.
De kennis, vriend! maakt opgeblazen;
De liefde, alleen de liefde sticht.
AAN EEN GEMOEDELIJKEN TEGENSTANDER.
Genioedlijk, ernstig! \'t Kan wel wezen!
Maar, \'lieve man! houd uw gemak....
Wie weet of gij Hebreeuwsch kunt lezen! En voorts, gi] zijt geen man ran \'t vak.
AAN EEN HOOGGELEEUDEN TEGENSTANDER.
Collega heeft mij niet begrepen:
\'k Bedoelde \'t juist zoo als hij wil.
\'t Verschil van rechte en kromme strepen Is, wel bezien, een klein verschil.
ÏKIOMFE ERENDE ARGUMENTEN\'.
AAN EEN JEUGDIGEN TEGENSTANDER.
Laatdunkend jongling, zoo verwaten!
\'t Bewijst niet veel wat gij bewijst. In zulke dingen mee te praten Past hoofden slechts, met eer vergrijsd,
AAN EEN GRIJZEN TEGENSTANDER.
De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig.
Maar, is ze ook al de kluts niet kwijt, Ze is, wat ze ook zijn moog, eigenaardig Niet op de hoocjte van dm tijd.
AAN EEN WELSPREKENDEN TEGENSTANDER.
Komt ge in uitnemendheid van woorden? ^ Schrijf recht en slecht, al is \'t wat grof! Een kleed zoo schittrend om te boerden. Bewijst niet heel veel voor de stof.
AAN EEN ZAK ELIJK EN TEGENSTANDER.
Leer eerst uw taal wat beter schrijven!
Gebruik de Siegenbeeksche vijl! Uw aanval zal niet lang beklijven; Hij heeft zijn vonnis in den stijl.
ET AAN, MAAR VAN EEN DUCHTIGEN TEGENSTANDER.
De man is overal weerlegd Door alle knappe luiden,
En \'t beste, dat hij schrijft en zegt.
Heeft weinig te beduiden.
Ook heeft hij onze weinigheid
Niet enkel aangevallen.
Maar zelfs (met afschuw zij \'t gezeid!)
Dien lievling van ons allen!
En zoo het groot publiek eens wist,
Zoo als \'t ons is gebleken, Hoe dikwijls zich die man vergist, _ Die men zoo stout hoort spreken! Eén staaltje! Op zekere pagina,
Staat a b voor b a.
SCHEPPEND GENIE. — GERMANISMEN.
AAN ALLERLEI TEGENSTANDERS.
Ik ben de liefde zelf, en zoo er iets ontbreekt Aan mijn geleerdheid — nu! wie zou zich .feilloosquot; prijzen:\' Maar gij zijt zeedlijk slecht. En vraagt gij naar bewijzen. üit ééne: dat gij mij gedurig tegenspreekt.
1848.
SCHEPPEND GENIE.
„Jan is geen middelmatig man.
Maar een genie, dat scheppen kan.quot;
Welzeker! Uit zijn meesters pan.
GERMANISMEN.
Gij hebt mij, lieve Buren! Uw toonstuk niet te sturen;
Ik zing niet gaarne op Diutsch; Houdt, daar gij mij door \'t oor boort Met uw afgrijslijk voorwoord,
Uw liedertafels thuis.
Verlost mij van de daadzaak, Waarover ik mij kwaadmaak,
Gewis niet zonder grond!
En wijs, om mij te grieven,
Niet heen naar de oniloopshrieven,
Die gij mij onlangs zondt.
Och, dat de Nederlanden Toch sporeloos verbanden
Wat voortgaat uit uw huis, In plaats van door te roeren Wat burgeren en boeren
Tot schande strekt of kruis. Ons Neerduitsch was welluidend, Zoo lang gij \'t niet beduidend
Met valsche klanken schondt; Ons Neerduitsch was verstandig. Zoo lang men \'t niet onhandig
Verplooide naar uw mond; Ons Neerduitsch zal slechts leven. Zoo lang wij \'t niet vergeven Met vruchten van uw grond.
10
HET JUISTE MIDDEN. - ANDERS. — INTUÏTIE. — TAAL-CENSUUR. 11
HET JUISTE MIDDEN.
Ja, \'t Juiste Midden! Maar waar tussohen? Tusschen dwaling En dwaling, \'t Mag zoo zijn; maar geldt dit voor bepaling Van \'t juiste middelpunt der Waarheid? Die dit zeit.
Geeft haar een lucht-bestaan van loutre onzekerheid,
Van \'t aantal, van de maat der dwalingen afhanklijk.
En niet bestaande, niet erkenbaar dan door haar.
De Wijze vrage dan niet langer! Wat is waar?
Alleen het onderzoek! Hoe dwaalt men? is belangrijk.
Maar waar den waarborg nu te vinden, die \'t bescheid Voor nieuwe dwaling hoedt bij de oude onzekerheid?
Neen, wandlaar! zie niet om naar die den weg slechts raden. Maar vraag dien eeniglijk aan die hem weet en wijst;
Betreed hem. leidt hij ook langs onbezochte paden. Met onverschilligheid voor die u laakt of prijst.
A N D E R S.
Jan rekent: „Tweemaal zes is zeir.ii.quot; Maar Piet zegt: ..Zeven is wat min.quot; „ ,.\'t Is f/m/efquot;quot; valt er Krelis in; Maar dit acht Piet „weer overdreven;quot; En Krelis, die dus overdrijft.
Vergeet dat dwalen menschlijk blijft. En wil \'t maar niet gewonnen geven!
I N T U ï T I E.
\'k Schiet hoenders in de vlucht, en op den aanslag. Jan! Gij enkel in den zit, en legt een half uur \'an.
Nochtans beschouwt ge uzelf met innig welbehagen. En noemt het wetenschaplijk jagen.
Maar Jantje! wat is \'t mijne dan?
„Het uwe! Durft gij daar naar vragen?
Daar neemt men geen notitie van.quot;
1848.
TAAL-CENSUUR.
Verkiesbaar zijt gij naar de wet; Het dagblad doet dit daaglijks lezen. Maar onze taal is nauwgezet;
Dat blijkt in dezen.
Een uitgang maakt een groot verschil: Wees zoo verkiesbaar als je wil. Verkieslijk zulje nimmer wezen.
aan een reizigee naar overzee. - prijsvraag. - zangdrift.
AAN EEN REIZIGER NAAR OVERZEE,
tot afscheid.
Ttiaroc; (v A(t/.oZq ayrjo XQfioOVXV yccXrfvTjc rai ci^óiOtv fiOOQdv.
Edripidbs.
„Een trouwen vriend in \'t oog te staren,
Doet ons den boezem meerder goed Dan de aanblik der gestilde baren, ^
Als weer en wind beeft uitgewoed.
Maar zoo ons oog den blik ontmoet Van Hem, wieiis wenk de zee bedaren,
Den storm zicli nederleggen doet Laat bruisen \'s levens hooge vloed!
Wi] weten in wiens scliuts wij varen:
Zijne is een liefde, die behoedt.
1848.
PRIJSVRAAG.
Ernst is zwartgalligheid; dat \'s duizendinaal verklaard. Wat kleur van gal gaat met lichtzinnigheid gepaard. En is er oorzaak hen, die de ernstigen verdoemen. Steeds „duifjes zonder galquot; te noemen ?
1849.
ZANGDRIFT.
Hoe woelt de poëzij In mij.
En haakt aan \'t licht te komen;
Als in \'t gebergte een volle bron, Begeerig naar den glans der zon,
Begeerig uit te stroomen!
Hoe voel ik mij omringd,
Omkringd,
Door beelden, geesten, schimmen Van schoonheid, liefde, waarheid, kracht. Me omzwevende in een halven nacht. Waaruit een dag wil klimmen!
Hoe ruischt mij koor op koor In \'t oor.
Verlokkend en ontroerend!
12
EENS KONINGS TRANEN.
Hoe zoet weemoedig is het mij, _ Als ware een stroom van melodij Mij op zijn golven voerend;
Als hoorde ik in \'t verschiet Een lied,
Dat hart en zin mocht kluisteren; Een nieuw gezang, dat niemand zong. En dat de gansche wereld dwong Tot opgetogen luisteren!
Mijn vrienden, neen! geen lust. Maar rust Ontbreekt den armen zanger. Hem kwelt een lang getergde dorst Naar poëzij, zijn moede borst Is van gedichten zwanger.
Geeft de onbezorgde vreugd Der jeugd,
Haar zoete mijmeringen.
In schaduw van \'t aloud geboomt, Of waar, van munte en tijm omzoomd, De rimpelende duinbeek stroomt. Hem weer — en hij zal zingen.
EENS KONINGS TRANEN.
Vergeet uw vrees voor louter vreugd. Wees, Dochter Sions! wees verheugd. En laat uw psalmen stroomen: Uw Vorst en Heer zal komen!
Hij komt, de Koning lang verwacht. Maar houdt, eenvoudig, arm, en zacht, Op \'t needrig lastdiervolen Zijn majesteit verscholen.
Hoe trekt de schaar hem in \'t gemoet, Het hart vol vuur, het oog in gloed, Hoe schudt men met de palmen. En doet hozanna\'s galmen!
„Hozanna! zegen over hem, ,,Die nadert tot Jeruzalem,
.Die komt in naam des Heeren, „Hozanna, God zij eeren!
„Hozanna! eer zij God gebracht, „Tot in den hemel van zijn kracht.
EENS KONINGS TRANEN.
„Tot in de hoogste plaatsen!quot;
Dat berg en dal \'t weerkaatsen.
Aanschouwt hem! Goedertierenheid Ligt op zijn aanzicht uitgespreid;
Genade ia op de tippen Dier lachelende lippen.
Ziedaar het godlijk aangezicht Van die den blinden heeft het licht, Den stommen spraak gegeven, En Lazarus het leven!
Valt, palmenraeien! voor dien Heer Uit de uitgestrekte handen neer; De knieën moeten buigen.
Waar hart en lippen juichen!
Hoe klopt de boezem, die hem prijst, Wanneer men van den grond verrijsr,. Maar \'t opperkleed laat blijven Bij palmen en olijven!
Rijd, Koning vol zachtmoedigheid!
Rijd zacht op \'t pad aldus bespreid, En laat uw oogen waren Langs de opgetogen scharen.
Trek door het bloeiend, vruchtbaar dal. Dat nooit nw hart vergeten zal.
Waar \'t liefde vond en vrede...
Zijn nardus-geur trekt mede.
Bestijg op \'t veulen, nooit bereên, Betphage\'s heuvlen een voor een.
Waar dadelen en vijgen U groeten met hun twijgen.
Rijd, rijd voorspoedig, naar uw woord, Tot d\' afgang der olijven voort;
Straks zal uw oog aanschouwen Jeruzalems gebouwen.
Daar ligt de stad, de koningsstad. Op tempel en paleizen prat.
Daar ligt zij, de overschoone. En vonkelt met haar krone.
Daar ligt de stad, der stede eer.
Waar zich de stammen van den Heer, Om voor zijn oog te naderen. Hem lovende, vergaderen.
KENS KONINGS TRANEN.
Hoe heerlijk pronkt, hoe vroolijk zwiert Het prachtig feestkleed, dat haar siert, En laat zijn breede zoomen Langs al haar bergen stroomen!
Hoe breekt de schaar, die om u sluit, In hooger jubelkreten uit.
Zoo ras zij aan hun voeten Uw koningsstad begroeten. \')
Hoe heft zij van uw wonderdaan Met dubbelde hozanna\'s aan,
En trekt er hupplend henen —
Maar \'s Konings oogen weenen.
Hoe vroolijk worden, waar zij trekt. Do wedergalmen opgewekt Van Sions bergvalleien —
Maar \'s Konings oogen schreien.
Zij schreien. Want de Koning kem De stad, die Gods profeten schendt, En overdekt met wonden Wie God haar heeft gezonden.
Zij schreien. Want de Koning laat De bloedvlek op haar schoon gelaat. De lastring op haar lippen Zijn aandacht niet ontslippen.
Jeruzalem! Jeruzalem!
Gij zult het roepen dezer stem, Het galmen dezer koren.
Bij uw altaren, smoren.
De blijdste schaar zwijgt ras verschrikt, Als gij haar toornig tegenblikt;
Slechts wordt in kindermonden \'t Hozanna weergevonden. 2)
Maar blijve ook \'t kinderlipje stom, En doe, van uit het heiligdom,
\'t Gekrijsch der lasterkreten \'t Hozanna gansch vergeten;
Zelfs daar gij met uw banvloek doemt, Wie slechts zijn naam met eerbied noemt. Hem zal geen lof ontbreken:
Uw steenen zullen spreken!
\') Zie Luk. XIX. 37.
-) Zie Matth. XXI. 15.
15
EENS KONINGS TRANEN.
üw steenen dronken woorden in Van goddelijke mensohenmin, Uw steenen zagen wonderen,
Die ze in uw ooren donderen.
Uw steenen, doof Jeruzalem!
Zij roepen, niet onsmoorbre stem.
Zijn schriklijk Wee! u tegen, Ook schoon zijn lippen zwegen.
En als uw vijand om uw wal Straks een begraving werpen zal. En u rondom benauwen, Met kinderen en vrouwen:
Hoe zal \'t geween, \'t gejoel, \'t verward Gejammer van uw woede en smart, \'t Vertwijfelende gillen.
Door dag noch nacht te stillen:
Hoe zal het ruischelende bloed, Dat door uw straten zijplen moet, Waar broedermoordenaren.
Met pest en honger, waren;
Hoe zal. bij \'t steigren van den nood. Het vruchtloos zoeken van den dood, \'t Vergeefs verplettring vergen Van heuvelen en bergen;
Hoe zal de schelle wanhoopskreet Van moeders, met het staal gereed Haar kroost door \'t hart te steken, üws Konings eere wreken!
Straks, als het heilig grondgebied Den „gruwel der verwoestingquot; ziet. De vlam des vuurs zal naken Tot tempelwand en daken,
Hoe schriklijk zullen wederom De muren van het heiligdom, In \'twagglen, kraken, splijter. Tot eer uws Konings krijten!
Geen steen van heel uw trotsche wal Zoo vast en heerlijk, of hij zal Van uit zijn voegen breken;
Geen steeii of hij zal spreken.
Verhef dan, bij \'t verwoeste Huis, Uw klachten over \'t rookend gruis.
EENS KONINGS TRANEN.
Ween luid! de stem die?/ steenen Roept luider dan uw weenen.
Of smoor uw jammerklachten, zend Uw kwijnend kroost tot \'s aardrijks end: De bloedige ascli en kolen Kleeft wroegende aan hun zolen.
II.
üw Koning middierwijl volbrengt Zijn zegetochten ongekrenkt,
En gaat van oost tot westen Zijn vrederijkstroon vesten.
Verwerpt het kroost van Abraham Den leeuwenwelp uit Juda\'s stam : De heiden zal hem kronen ... Uit steenen Abrams-zonen!
Houdt Jacobs dolend huisgezin Zijn plechtige hozanna\'s in:
In honderd nieuwe talen Hoort hij zijn lof herhalen.
Verdort het Oostersch palmenblad,
Daar \'t zich terughoudt van zijn pad ; Het Noord noopt pijn en eiken Hem duurzaam loof te reiken.
Het Westen, door geen zee gestuit, Rekt voor dien Vorst zijn grenzen uit, Wien \'t aangename Zuiden Begroet met bloem en kruiden.
Wat nood dan. Koning! al veracht U \'t muitend Isrel, de Aarde wacht. Reeds hoort gij, dezer dagen. De Grieken naar u vragen.\')
Wisch van uw stralende gelaat Dien traan, die in uw oogen staat: Geen wederhoorig harte Verdient zoo diep een smarte.
Laat, daar gij tot een kampstrijd trekt. Die heel een\' wereld heil verstrekt. Het oog van uw getrouwen Een blij gelaat aanschouwen.
\'( Zio Joli. XII. 20, 21.
KENS KONINGS TRANEN.
Geniet de hulde, die u wacht Van heel het menschelijk geslacht;
Maar spil geen kostbre tranen Aan trouwlooze onderdanen.
Is niet de grond, dien gij betreedt. Tot drinken van uw bloed gereed? En zoudt gij dien besproeien Met tranen ? ... Maar zij vloeien.
7a] blijven vloeien .... Moordnaarskroeht. Voor u dit godlijk tranenvocht!
Volk, dat hem trapt op \'t harte.
Voor u. voor u dees smarte!
Hij weet wat ijselijke nacht Hem in dit dal des Kedrons wacht. Wat perskuip hij gaat treden,
Na dit bedrieglijk heden.
Hij weet wat strijd, wat heete strijd Hem tot der Volken koning wijdt; Hij weet in welke plassen Hij zijn gewaad moet wasschen;
Hij weet. uw Koning hoog geloofd. Aan welk een doop hij \'t buigend hoofd Kn \'t krimpend lijf moet leenen:
Maar dit doet hem niet weenen.
U geldt zijn droefheid, u alleen,
O Israel, zijn vleesch en been.
Niets kan in West of Oosten Hem van uw afval troosten.
Geen Grieksche aanbidding, eer, en lof, Geen Adelaren in het stof.
Geen aangegroeide scharen Verteederde Barbaren;
Geen uitgestoken heidenhand Uit Mitzraïem of Morenland;
Geen bloeiende woestijnen.
Waarop zijn licht gaat schijnen;
Geen heerschappij van vloed tot vloed; Geen nieuwe wereld aan zijn voet Met schatten neergebogen.
Kan deze tranen drogen.
Ach Sion! dat. op dees uw dag,
\'t Zoo lang afkeerig oog nog zag
EENS KONINGS TRANEN.
Wa.t tot uw vrede diende, Die koningstranen ziende!
Ach, dat gij \'t onheil wenden mocht, Zich spieglende in dat tranenvocht! Ach, dat gij mocht bezwijken Voor zulke liefdeblijken!
Dat de uitgebreide vleugelschauw U nog mocht bergen voor den klauw Des giers, die uit den hoogen U reeds verslindt met de oogen!
Hoe menigmaal, Jeruzalem!
Heeft u des Konings zachte stem Gezocht bijeen te gaderen .... Ach, dat gij nog- kost naderen!
Gij wendt u af; gij blijft verhard; Maar van zijn koninklijke smart Zal \'t oog der Volken leken. Tot eens u \'t hart zal breken.
III.
En eenmaal breekt het. Eindlijk zullen,
Naar Gods bestel.
Ook uwe tijden zich vervullen,
O Israel!
Ook gij zult tot uw Koning naderen,
Ook gij aanbidden aan zijn voet, Hem kennende als de Hoop der Vaderen, Die al uw jamm\'ren enden doet.
Ue olijfstam zal, voor vreemde twijgen
Hem ingegrift.
Zijn sap in eigen hout doen stijgen.
Met nieuwe drift.
Het aaklig dal, waar \'t dor gebeente
Verworpen ligt, verstrooid, verbleekt. Zich met een levende gemeente Bevolken, als Gods almacht spreekt.
En alle volkren, alle tongen.
Zoo verre en wijd De lof diens Konings wordt gezongen,
^Wiens vleesch en been gij immers zijt, Zij zullen zich om u verdringen.
En blijde en luid Het groote Halleluja zingen.
Dat op uw groot Hozanna sluit.
19
AAN MIJNE ECHTGENOOTE.
AAN MIJNE ECHTGENOOTE.
Verwijt gij mij, mijn waarde!
Dat \'k sedert jaar en dag-Mijn citer niet besnaarde, Zoo vroolijk als ik plag\',
Om u een lied te zing-en
Op uw geboortefeest,
Die negen zonnekringen Mijn sieraad zijt geweest?
Mijn sieraad en mijn eere.
Mijn grootste schat op aard, Een\'gave van den Heere,
Zijn groote goedbeid waard; Een onwaardeerbre zegen.
Een hulp, een troost, een vreugd: Dat zijt gij op mijn wegen,
Gij. huisvrouw van mijn jeugd!
Wij plachten u te kronen.
Op menig feestgetij,
Met liederen en tonen
En luide poëzij.
Wij lieten al de stralen
Van onzen vroegsten roem Op \'t blonde hoofdje dalen,
Dat ik het mijne noem.
Mei had geen rozenknoppen,
Geen leliën genoeg. Met perelende droppen
Bedauwd des morgens vroeg. Om u het hoofd te tooien.
Vorstinne van ons hart.
En over \'t pad te strooien.
Waar gij bewelkomd werd!
Wij riepen filomeelen Van alle zijden op,
Om u een lied te kweelen,
Van berk en elzentop, De tortelduif moest dalen.
Vol teederheid en min,
En om uw schouders dwalen, En streelen hals en kin.
Van uit de luwe bosschen. Van veld en vijvervlak.
AAN MUSE ECHT0ENOOTE.
Van tusschen bloementrossen
En viMchtbren boomgaardtak, Moest u het lauwe luchtje De geuren, die het torst, Toevoeren met een zuchtje. En sterven aan uw borst.
En allen moesten hooren
Van \'t achttienjarig kind, Dat Ik had uitverkoren
En teeder werd bemind. En allen moesten weten
Hoe zacht zij was en trouw. Die mjine Aleide heeten En mij behooren zou.
Maar sedert God u kroonde
Met kostelijker krans Dan ooit uw schoon verschoonde,
En liefelijker glans Deed op uw schedel dalen,
Dan waar de poëzij Uw lokken van deed stralen. Op \'t lente-feestgetij;
Maar sedert Gods genade Uw teeder hart verblijd En de allerliefste Gade
Tot Moeder heeft gewijd;
Maar sedert spruit op spruite
Onze echtkoets heeft verheugd. Verstomde mijne luite. Van eerbied en van vreugd.
Laat frissche maagdenwangen.
Laat oogen vol van gloed. Den luiden lof ontvangen
Van \'t dichterlijk gemoed;
Laat keur van poëzijen En al wat ooren treft Om \'t minzaam lachje vrijen. Waarop zich \'t hart verheft:
Die in den bloei der jai-en,
Gelukkig echtgenoot.
Zijn eegade aan mag staren,
Een zuigling op den schoot. Met neergeslagen oogen Zijn kinderlijken dorst
AAN MIJNE ECHTOENOOTE.
Met meer dan nectartogen Verkwikkende aan haar borst.
Die laat de citer glippen,
Die stort g-een maatgezang; Een beê zweeft op zijn lippen, Zijn boezem smolt in dank; Maar stem en woorden falen,
Of schijnen leeg en koel; De rijkdom aller talen Is arm bij zijn gevoel.
Maar die, met rozenwangen En oogjes vol van vreugd.
Zijn kroost in d\' arm ziet hangen
Der huisvrouw van zijn jeugd; Maar die haar moeder noemen
En moeder wezen ziet; Vergankelijke bloemen
Vlecht hij haar schedel niet.
Hij laat geen liedren rijzen En klinken tot haar eer, Wie eigen kindren prijzen,
Die lof heeft van den Heer. Hij wenscht niet meer te pralen
Met zijn benijdbaar lot.
Maar zegent duizendmalen
Het hoofd, gekroond door God.
Mijn dierbre, die mij zonen
En lieve dochtren schonkt. En met hun frissche konen
En vroolijke oogen pronkt. Hoe prijkt gij zelve tusschen
Het vijftal uit uw schoot. En reikt mij om te kussen Mijn kleinen naamgenoot.
Hoe treedt mijn ziel u tegen
Op dees geboortedag.
Verplet, van al den zegen.
Waarin zij roemen mag; Hoe dankt u dit mijn harte
Voor \'t offer van nw jeugd. Voor al uw moedersmarte.
Voor al mijn vadervreugd.
Hoe stijgen mijn gebeden
En zuchten hemelwaart: „God! die dit huwlyks-Eden
niet VOOlt de wereld, — lie magdalene hij \'t krdis. quot;23
„Geplant hebt, en bewaart: ,,Het blo\'iie in uw bescherming, „Uw goedheid, nooit verpoosd I „Och, schenk uw rijkste ontferming „Der moeder en naar kroost 1quot; 1S49. _
NIET VOOR DE WERELD.
Voor de wereld bloeit gü niet.
Roem der lenterozen!
\'t Zedig blosje, dat zij ziet
Op uw wangen blozen.
Zult gij, waar haar adem gloeit En het kruid des velds verschroeit. Niet verroekeloozen.
Voor de wereld gloeit het niet,
\'t Lichtjen in uw oogen.
Dat zoo zachte stralen schiet
Van zoo groot vermogen;
Keert zich niet uw reine blik. Met een heilzaam heilgen schrik. Van haar lust en logen?
Voor de wereld vloeit het niet,
\'t Traantjen op uw wangen!... Vreemd aan \'t wereldsche verdriet.
\'t Wereldsche verlangen.
Zal het, in zijn zuiver schoon. Zal het aan haar trotsche kroon Niet als perel hangen.
Neen, de wereld boeit u niet, Hoe gij haar moogt boeien! Waar uw hart van overvliet. Wat uw oog doet gloeien,
[s een heiliger genot,
Is een blijdschap, die uit God Zielen toe mag vloeien.
DE MAGDALENA BIJ T KRUIS.
Hier is mijn plaats. Aan deze voeten.
Genageld op dit hout;
Hier, dat de tranen vloeien moeten,
Die Gij in gunst aanschouwt. De Simons schudden \'t hoofd en smaden En lastren als weleer:
DE MAi; 11 Al.KNK BIJ quot;r KRUIS.
üe Zondares, met schuld beladen,
Stort in aanbidding neer.
De middagzonne derft haar luister De dag is donkerheid.
Uw oogen zien, ook in dit duister: Wie aan uw voeten schreit.
Gij kent haar. Heer! Gij zult haar dulden, Gij leest haar tot in \'t hart.
Het is de vrouw van vele schulden. Wie veel vergeven werd.
Ook op haar arme ziele daalde Een zevendubble nacht!
Maar \'t licht, dat eens haar tegenstraalde. Behoudt, ook hier, zijn kracht
Gij lijdt. Gij sterft; Zij\' voelt uw sniarte. Zij siddert bij uw wee;
Maar, in het binnenst van haar harte. Behoudt gij haar den vreê.
Haar oor vernam die bittre klachte: „Waarom verlaat gij mij ?quot;
O zielverbijstrende gedachte ... Verlaten!... Heiland, Gij ?
Toch blijft gij haar van vrede spreken. Die al uw strijd aanschouwt;
Toch voelt zij, in geen strijd bezweken, Dat haar \'t geloof behoudt.
Ja, Gij zult Israel bevrijden;
Eens stijgt ge op Davids troon;
Daar komt een heerlijkheid ua \'t lijden. En, na dit kruis, een kroon!
Eens. in uw koninkrijk gekomen.
Gedenkt gij, naar uw woord.
De vrouw, die gij hebt aangenomen. Bemoedigd en verhoord.
Gewis, haar zonden zijn vergeven.
Haar schuld is weggedaan.
Haar naam in \'t levensboek geschreven; Dat zeide uw mond haar aan;
Die mond, die lieflijke, die zachte. Die thans zoo bleeke mond.
Zich oopnend tot zoo bittre klachte, In zoo ontzetbren stond!
Ach, Zij vertroost, en Gij verlaten; Gij smachtend. Zij onthaald;
Gij, prooi van allen die u haten.
de maodalena iuj \'t kruis. 2
Zij, door uw gunst bestraald!
Die alle straffe Gods verdiende,
Zelfs door geen vrees benauwd!
Gods Heilgen in een jammer ziende,
Daar God zich ver van houdt!...
Dit heilig lichaam enkel wonde,
Van koorts en pijn verteerd;
En \'t schandlijk werktuig van de zonde
Gezond en ongedeerd!
Komt, overmoedige soldaten!
Doet recht, en spot niet meer!
Laat dezen Koning \'t kruis verlaten;
Mij voegt het, niet mijn Heer.
Dit hout, met al zijn ijslijkheden.
Verdiende ik lang en steeds.
Wat toeft gij? Komt! Verscheurt dees leden,
Ontziet geen tenger vieesch!
Ik heb de wet van God geschonden,
Moedwillig, dartel, dwaas....
Komt! Laat mij sterven voor mijn zonden, En sterven in Zijn plaats!
Maar neen! de Onschuldige moet lijën.
Als \'t offer op \'t altaar.
Als \'t Lam der oude profecijen ....
En zoo hij \'t Offer waar?
Indien.... Ja, Israels Verwachting!
Verzoener van mijn schuld!
..Men leidde u als een lam ter slachting. ,Zachtmoedig, vol geduld!quot;
Een stem roept uit: „Ons overtreden
,,Kost Hem dit leed, dit bloed „Het zijn Onze ongerechtigheden,
„Die Zijn verbrijzling boet.
„De straf, die op ons hoofd moest wezen,
„Verdraagt hij in dees smart.
„Door Zijne striemen zijn genezen „De wonden van ons hart.quot;
Mijn ziel geeft antwoord: „Heer! ik dwaalde
Gelijk een schaap in \'t rond;
Zijt Gij \'t, op wien mijn misdrijf daalde.
Gij Herder, die mij vondt?
Zijt Gij voor mij, voor mijne zonde
Gelijk een lam geslacht? ....quot;
Aanbidlijk woord, door uwen monde „Gesproken: \'t is vomiiiacut!quot;
1^19.
NAJ AARS LIED.
* Door het opschrift van vorenstaand stukje •wensch ik de vraag-geenszins te beslissen of. overeenkomstig de kerkelijke overleveringen Prof. lange (Lebeu Jesu), de Boetvaardige Zondares (Luk. Vil) met mama MAGDAi.ENA een zelfde persoon zij, dan wel, naar het gevoelen der meeste nieuweren, eene andere. Slechts had de poëzie behoefte aan den naam voor het type.
NAJAARSLIED.
Ik ken geen schooner kleuren Dan die van \'t Hollandsch bosch. In bruinen najaarsdos;
Ik ken geen zoeter geuren,
Dan die uit droge mos, üit geelroode eikenbladeren En varenkruid dat bloeit Mij op het koeltje naderen.
Dat met mijn lokken stoeit.
Ik ken geen schooner zangen Dan vink en lijster slaakt.
Bij \'t morgenlicht ontwaakt, Eer hen de strikken vangen,
Door al wat zingt gewraakt; Den wildzang uit de twijgen Met vochtig rag omstrikt. Dat, als de dampen stijgen. Met perels blijft bestikt.
Ik ken geen schooner luchten Dan waar de herfst mee praalt. Als \'t zonlicht nederdaalt En dorpen en gehuchten
In goud en kleuren maalt. Dan rijzen blanke rotsen En donkre bergen op,
Begroeid met ruige bosschen. Verguld aan rand en top.
Dan spelen alle verven Dooreen met stille pracht. Tot dat ze, schoon en zacht. Versmelten en versterven,
ïm zeggen ; „Het wordt nacht! Weer is een dag vervlogen ;
Welhaast een jaargetij;
Een jaar gaat voor uwe oogen, Gelijk een damp voorbij.quot;
Sept. 1849.
26
HIJ EEN BEELTENIS.
BI.T EEN BEELTENIS.
Doet ons dit indrukwekkend wezen.
Die fijnbesneden neus en mond, De aanzierlijke geboorte lezen.
Die ons uw schoone naam verkondt: De hemel heeft u meer gegeven
Dan eedlen naam en hoogen staat,
Meer dan dien adelbrief, geschreven Op \'t onberispelijk gelaat.
Of straalt er van dien kahnen schedel.
Dien gij zoo onbedeesd verheft.
Geen gloed, meer lieflijk nog dan edel,
Die alle harten trekt en treft;
De vlucht verradende en de krachten Van dien zoo hoog gestemden geest. Wiens leven, werken, en gedachten Men op \'t gewelfde voorhoofd leest\'?
Licht de adeldom van eedle Zielen
Die, door geen sterflijk hart weerstaan, De stroefste knieën dwingt te knielen
En zinlijke oogen neer doet slaan. Om moed in \'t needrig hart te wekken
Van al wat zwak is en verdrukt.
Niet heerlijk over al de trekken.
Waarmee gij \'t starend oog verrukt?
Dit sprekende gelaat vereenigt
Ernst, reinheid, kloek verstand, en geest, Daar vrede en liefde d\' indruk lenigt.
Die licht te ontzaglijk waar geweest. Het statig schoon der streng\'ste lijnen
Is, bij zijn regelmaat, niet koel.
Omdat er \'t leven door komt schijnen Dier ziel vol leven en gevoel.
Geen zweem van dofheid in die oogen,
Maar zachtheid, die hun felsten gloed. Als met een wolkje, houdt betogen
En vriendelijker stralen doet;
Met zulk een glans als doet beseften,
Dat elke vreugd en iedre smart Uw edelmoedig hart zal treffen. En weerklank vinden in dat hart.
Wij zien uw glimlach, onder \'t zweven.
Aan lippen, ernstig saamgekleind. Een uitdruk van genoegen geven.
BIJ EEN BEELTENIS,
Maar die den ernst niet overstemt. En zwijgend zeggen ons die lippen.
Die gaarn doen zwijgen, waar gij spreekt: „Ons zal wel nimmer iets ontglippen, Dat geest of kracht of zout ontbreekt.quot;
Wij zien... Wij zien? Helaas, wij zagen!
Dat lief aanschouwen is geweest. Wij hebben naar het graf gedragen
\'t Schoon hulsel van zoo schoon een geest. Ten hemel is die geest gevaren,
Daar God hem voor zijn zetel ziet, En wa-ar we onze oogen blind op staren Is slechts uw Beeltnis, anders niet.
Ach, die u-zelf mocht zien, mocht hooren. Mocht lezen in \'t grootmoedig hart; Dat oog van d\'edelst\' ijver gloren.
Of glinstren van de reinste smart; Die lieve lippen zich ontsluiten.
Om met een stem, zoo klaar, zoo zoet, Een stroom van vriendlijkheden te uiten. Opwellende uit een trouw gemoed;
Die wat uw innigst hart bedoelde, üw helder oog op eens doorzag.
Uw geest ontdekte, ried, gevoelde,
In blik en kreukje, blosje en lach,
In fijne schaduwen en stralen.
Afwisselend van stond tot stond.
Zich op \'t oprecht gelaat zag malen. Dat slechts het veinzen niet verstond;
Die in die oogen \'t wolkje stijgen, Den regendrop zich vormen zag.
Waarin, na lang en ernstig zwijgen,
Een wereld van gedachten lag;
Maar straks die neevlen weer verslonden.
Die zon weer schittrende in haar pracht. Daar reeds het troostwoord was gevonden, Nooit lang, nooit vruchtloos ingewacht:
Die u de heilleer in zag drinken
Van Gods genade en Christus bloed, Vol ootmoed in u zelf verzinken.
Of opstaan in een grooten gloed.
Om wat uw gansche ziel deed leven En uitstraalde op \'t bezield gelaat., In gloênde woorden weer te geven,
Of te bezeeglen, door een daad.
28
HIJ EEN BEELTENIS.
Die u beleven en belijden,
Getuigen en betoenen zag,
U in de kracht dier Waarheid strijden.
Waarin uw heil verborgen lag:
Die u den Heiland na zag streven,
U zelf\' verlooehnen, zonder trots,
Voor andren, velen, allen leven.
Steeds werkzaam, in de vreeze Gods:
Die u mocht nagaan op de wegen Der teederste menschlievendheid. Het milde hart tot iedren zegen.
De hand tot eiken dienst bereid; De knie bij \'t krankbed neergebogen
Des schaamlen, bij zijn laatsten snik Nog opziend naar die minzame oogen. Die hem vertroostten door hun blik;
Die u, uw kind aan \'t hart zag drukken Met teerheid, die nooit weekheid werd, Met innig, moederlijk verrukken.
Maar met ootmoedig biddend hart; Die u, in nederige wijsheid.
Den mond zag openen tot troost En raad van neergebogen grijsheid Of van een hulpbehoevend kroost :
Die, met een hemelsch vergenoegen.
Van \'t liefdrijk hart den ganschen schat IJ uit zag storten, toe zag voegen
Aan die gij liefgekregen hadt,
En wie u Liefde meer verheugde
Dan al haar weldaan zonder tal -Die zag der englen lust en vreugde. En wat hij nooit vergeten zal.
o Droefenis, niet uit te spreken 1
Bezorgdheid, klimmend met den dag! Als men dit zacht gelaat verbleeken,
Versmallen en vermaagren zag;
Als men dat oog nog wel zag blinken.
Van \'t eigen liefdevuur ontgloeid,
Maar dieper in den schedel zinken.
Van \'t leven en zijn strijd vermoeid.
Als men uw ijver nog vermeeren,
Maar reeds vermindren zag uw kracht, En de olie in die lamp verteren.
Zoo helder brandende bij nacht; Als reeds een stem begon te fluisteren
DIJ EEN HEEI/rENI.S.
„Bemerkt gij niets van \'sHeeren wil?quot; Maar \'t angstig hart niet wilde luisteren ,,lk weet het ook wel; zwijg gij stil.quot;
Op eens! Daar zonkt, daar laagt gij neder,
De geest nog krachtig, \'t lyt\' gesloopt; Daar laagt gij en verreest niet weder —
Vergeefs ontveinsd, vergeefs gehoopt! Vergeefs den hemel aangeloopen
Om uw behoud, gekermd, gezucht; Die hemel immers ging u open.
Gij naamt uw afscheid, en uw vlucht!
O onvergeetlijkste der nachten.
Niet dan met tranen nagedacht. Met tranen, die de wond verzachten,
Ons ongeneeslijk toegebracht;
Met tranen, die wij weder vegen
Uit de oogen, tuigen van uw smart.
Maar ook getuigen van den zegen.
Dien üod u stortte in \'t stervend hart!
o Nacht van lyden. nacht van pijnen.
Van doodsbenauwdheid bang en lang! Wat licht van vrede zaagt gij schijnen,
Hoe hoordet gij den zegezang.
Die door \'t geloof werd aangeheven.
Aan woorden en aan krachten rijk; Hoe bleef, in \'t sterven als in \'t leven. Dat hart vol liefde zich gelijk!
Belijdend, dankend, biddend, zegenend, —
Met spreuken troostrijk, leerzaam, trouw, Den diep bedroefden kring bejegenend.
Die gaarne met u reizen wou.
Tot ge al uw smeekingen ten laatste
Vereenigde in dat eene woord: „Kom, Heere Jezus! kom met haaste!quot; En stiilezweegt, en werd verhoord.
Zoo zagen u de schreiende oogen;
Thans zien ze u in den hemel na.
Waar gij aan \'t aardsche leed onttogen.
Den lijder ziet van Golgotha,
Dien uw Geloof ons aangewezen.
Uw Liefde ons afgeschaduwd heeft. En die alleen de troost moet wezen Van :t hart, waarin uw beeltnis leeft.
r.UUIDSHEZOEK IS DE PASTOUIE.
BRUIDSBEZOEK IN DE PASTORIE
TE HEEMSTEDE.
Tradt gij, lieve Bi-uid! Amstels muren uit,
Kwaamt ge in onne dreven, Waar het eerste groen Knopt aan \'t jong plantsoen, En \'t verjongde leven.
Over bosch en beemd.
Weder aanvang neemt Af en aan te zweven?
Schept gij in den lust. Schept gij in de rust Van ons land behagen?
Komt gij, voor uw kroon. Ook het needrig schoon Van de veldbloem vx-agen? Doet het lied u goed Van \'t gewiekt gebroed Tjilpende in de hagen?
Mag de frissche lucht. Die het tegenzucht,
\'t Volle hart verkwikken? Busten de oogen uit.
Die op bloem en kruid Rustig neder blikken?
Dankt de ziel een God, Die ook dit genot Vriendlijk wil beschikken?
En gebeurt ons huis.
Onze stille kluis,
Onzen disch die eere.
Dat Zij binnentreedt. Die zich welkom weet ll\'aar haar voet zich keere; Dat zij plaats neemt in Uw verheugd gezin. Dienstknecht van den Heere?
Zouden dan ook niet. Met der vooglen lied. Menschelijke wijzen. Dichterlijke galm.
Klank uit snaar en halm. Haar ter eere, rijzen ?
KBUIDSBEZOEK IN DE PASTORIE.
En een zang vol gloed Van \'t oprecht gemoed Haar den dank bewijzen,
Klink, mijn citer\', klink\'.
Hijs, mijn zangtoon! dring Luid door bosch en hoven. Yroohjkst maatgeluid Moet de liefste Bruid,
Moet dees feestdag loven. En een zinrijk woord En een vol akkoord Allen wildzang dooven.
Doch wat zegt de klank Van het blijdst gezang. Van de schoonste rede.
Doch wat zegt een^ lied. Dat als bronnat vliet.
Bij de stille bede, __
\'Die, als alles zwijgt. Fluisterende stijgt Tot den God van vrede:1
Die in \'t volle hart Uitgesproken werd.
Schoon geen lippen spraken. Die het peinzend oog-Tot een traan bewoog, Bigglend op de kaken. Tintiend van den gloed. Die een trouw gemoed Voor haar heil doet blaken V
Bruidje\'. twijfel niet Of een lieflijk lied Zulker stille beden
Stijgt van uit dit huis. Stijgt uit iedre kluis Die gij in komt treden. Stijgt van uit dit oord. En, van God gehoord. Keert het weer met vreden.
Over \'t vredig hoofd. Dat in hem golooit. Dat op hem blijft staren (Wachtende op zijn stem. Buigende voor hem. Met alle englenscharen)
32
AAK MUX VAUEK.
En, bij \'t vriendlijk licht Van zijn aangezicht,
Vrees kent noch bezwaren.
O Mij dunkt, ons oog Ziet van God omhoog Zegen op n dalen!
Op uw bloemenkrans Zijgt een zachte glans Van de schoonste stralen; \'t Oog van Gods gena Slaat u vriendlijk ga,
Waar nw voeten dwalen.
Keer ze wederom Tot uw Bruidegom,
Die u wacht met smarten! Strooi hem met uw hand Bloemen van ons land. Groeten onzer harten! De echtband, dien gij knoopt, In dat licht gedoopt.
Zal veel stormen tarten.
18 April 1850.
AAN MIJN VADER.
Die \'s Heeren zegen heeft In lief en leed ervaren.
Een leeftijd heeft doorleefd Van tienmaal zeven jaren.
Die dankbaar neer mag zien Op kindren en kinds-kindren.
Deed God ook hun getal verniindren. Gelukkig pryst nien dien.
Gelukkig prijst men \'t hoofd. Gekroond met grijze lokken.
Van denkkracht onverdoofd. Nog kloek en onverschrokken,
Nog moedig opgericht.
Door tijd noch last gebogen; Gelukkig de onbenevelde oogen En \'t onverbleekt gezicht.
Gelukkig prijst men d\'arm, Nog krachtig om te schragen.
Het hart nog even warm Als in zijn beste dagen,
33
En dat zoo teeder slaat
3
in.
LENTE.
Als immer voor die gade,
Die Gods geprezene genade Het nog behouden laat.
o Dat ze, aan gunsten rijk,
U dit geluk bestendig\'.
Totdat zich eindelijk _ ^
Uw schoone loop volendig,
Mijn Vader! en uw kroost,
Isla \'t lang gezegend leven, U welgemoed den geest zie geven. Gelukkig door eens christens troost.
Had ik uw adem, Nachtegalen!
Üw zilvertoon.
Langs alle heuvlen, alle dalen.
Zou ik uw smeltend lied herhalen.
Zoo vol, zoo schoon!
Ik prees dien\' God in mijn gezangen.
Die veld en woud Weer \'t groene kleed heeft omgehangen. Na zoo veel maanden van verlangen Zoo blijde aanschouwd.
Tk zou dien grooten Schepper loven.
Die, ongezien.
Zijn troon gevestigd heeft daar boven. En wien de bloempjes onzer hoven Hunne offers biên.
Mijn zangtoon zou des morgens stijgen.
En \'s avonds laat:
Met u, zoude ik des nachts niet zwijgen. Daar !t maantje, glurend door de twijgen, Ons gadeslaat,
En \'t oog dat nimmer wordt gesloten.
Dat alles ziet.
Den kleinen zanger en den grooten.
Wier lofgezangen samenvloten,
In gunst bespiedt.
Mijn lied zou vrome zielen treffen.
Daar \'t woorden gaf Aan wat zij kennen en beseften,
Ên logge geesten opwaart heffen Uit stof en draf.
AAN Dlquot;. KAREI. GUTZLAFF. — EVA.
Ik ware een priester in dien tempel,
Die thans alom Van liefde en almacht toont den stempel — Nu zink ik zwijgende op den drempel Van \'t heiligdom.
ZENDELING IN CHINA, BIJ ZIJN BEZOEK AAN NEDERLAND.
Door zevendubblen muur en hemelhooge bergen
En wetten eeuwenoud beveiligd en bepaald,
Meent China voor altijd al \'s Werelds macht te tergen,
Maar weert het zonlicht niet, dat van Gods Hemel straalt. Haast doet een hooger zon de Bloeiende Aarde bloeien,
En \'t Rijk des Middens prijkt met oogsten dicht en vol; Haast zal het eeuwig ijs in beken nedervloeien,
En drijven d\' ouden Draak druipstaartende uit zijn hol. Haast dreunt de grijze muur, bij \'t klinken der bazuinen
Van \'t vorstlijk priestervolk, dat vrede brengt door \'t kruis, En stort bij \'t blij gejuich tot onherstelbre puinen ....
Neen, levert bouwstof uit voor Gtods gezegend Huis ! Verspieder, op bevel van Jezus doorgebroken!
Wat tijding brengt gij uit dit Jericho ons weer, Van Rachabs-harten, reeds voor \'t heilgeloof ontloken. Van lippen tot den lof zich oopnend van den Heer? Ja, China\'s tijd genaakt; langs alle waatren ruischend.
Wordt de adem van Gods Geest vernomen, en het geldt
Zijn zestigduizendmaal zesduizend.
Wier eerstlingen door u aanschouwd zijn en geteld! o Gutzlatf, keer tot hen; breng hun eens broeders groeten.
Van d\'oever der Noordzee, aan de uiterste oosterkust: Betuig hun hoe zijn geest hen eenmaal hoopt te ontmoeten, Tot duizenden vermeerd, in \'t Hemelsch Rijk der rust.
14 Mei 1850.
E V A.
Wie zal uw lijden ons verhalen, O Moeder! uit wier vruchtbren schoot Al \'t leven en het lijden sproot,
Dat, in zijn worstlen met den dood. Zijn stem verheft in aardsche dalen? Dat zesmaalduizend jaren lang Zijn noodkreet stort en treurgezang Aan alle waatren, alle zeeën.
Of, moè van \'t nutteloos geklag.
Zijn pijn verloochent met een lach.
.3
Of krimpende in verzwegen weeën.
Ziin stille tranen plengen mag! Ach tranen!.... Bi] de tranen-beken Tn zand gesmoord en eenzaamheid, Wie zal ons van de tranen spreken,
Die \'t eerst en bitterst zijn geschreid ï Wie zal ons zeg\'g\'en welke ellende,
En hoe ze een ziel verscheuren moest, Die, in haar volheid, zag verwoest De zaligheden, die zij kende?
Helaas! wie heeft, bij eigen smart.
Voor de uwe ontzag, gevoel, of hart V Wie gunt, bij eigen boezemklachten,
Bij eigen doornen, eigen zweet. Een luttel tijds aan zijn gedachten.
Ter overpeinzing van uw leedV Of zoo de poging tot vergeten
Vau wat men in den boezem bergt, Met heimelijke slangenbeten De hartaar van het leven tergt,
Maar van de ziel de dwaasheid vergt, Om ijdelheden, vreugd te heeten En \'t zondig wereldsche gewoel Te prijzen, met verdoofd gevoel: \'t Is ramps genoeg, zoo aan die droomen. Waarin ze een avrechtsch Eden smaakt, Een kreet van smart een einde maakt, Haars ondanks, van nabij vernomen;
Wat zou er wezen, dat haar trekt Een noodeloozen blik te wijden Aan een tooneel van smart en lijden, Met zestig eeuwen leeds bedekt ?
Neen, Moeder! Zoo zij u gedenken. De kindren, die gij achterliet, \'t Is zelden om uw diep verdriet Een diepgevoelden traan te schenken; Kiet om zich voor den geest te wenken Het treurig beeld der schoonste vrouw. Versteend van plotselingen rouw.
Het is niet om u na te staren,
Zooals gij Edens stroom doorwaadt, Het hoofd gebukt, de blonde haren
Ten sluier voor \'t verbleekt gelaat. Den rug gekeerd naar \'t laatste stralen Van \'t ondergaande zonnelicht.
En naar den oever \'t oog gericht.
Waar voorts uw voeten zullen dwalen.
De hand gelegd, in Adams hand,
Niet losgelaten, niet gegrepen;
EVA.
Bereid het leven voort te sleepen
In \'t door den vloek gedrukte land.
Het is niet om den kreet te hooren.
Den kreet, die door \'t gebergte schalt, Om alle heemlen door te boren,
Als barenswee u overvalt;
Den gil, waarvan Gods engien ijzen.
Waar heel de schepping van versaagt. Die boschleeuwinnen op doet lijzen.
En de arendsmoêr van \'t nest verjaagt, Den gil, die \'t bloed in Adams aderen Doet stilstaan, en hem storten doet Op \'t schamel bed van mos en bladeren,
Waar \'t ingewand u scheuren moet;
Waar gij, bij \'t wringen van uw leden.
Bij \'t splijten van uw zwangren schoot. Slechts denkt aan \'t strafgericht van Eden,
En siddrend kermt: „Ziedaar den dood!quot;... \'t Is niet om met u neer te bukken.
Daar gij uw Abel — ach, hoe bleek! — Van bloed wilt zuivren in de beek,
En. door hem aan Uw hart te drukken, Hem \'t leven, dat Zijn hart ontweek, — Het wondre, weggevluchte leven! — Met duizend kussen wedergeven.
Een proef, waarbij uw ziel bezweek!
Het is niet om al de ijslijkheden Te voelen, in haar volle som,
Van uw verschriklijk\' ouderdom.
Vergrijsde ballinge van Eden!
Die acht geslachten voor zich heeft. Ter dood toe lijdende aan uw wonden.
En de aard vervullende met zonden.
Waarin uw eerste zonde leeft.
Die eerste, de allereerste zonde;
\'t Begeerig oog; de onwijze hand; De vrucht, zoo zoet in uwen monde.
Zoo bitter in uw ingewand;
Het luist\'ren naar de stem die vleide;
\'t Verlokken van een echtgenoot,
Zoo haast verleidende als verleide,
En met hem stortende in den dood — Ziedaar wat uw verharde kinderen.
Ziedaar wat een ondankbaar kroost Zich met een koelheid blijft herinneren.
Waar wie gevoel heeft over bloost. De naam, waarmeê gij staat geschreven In de ijz\'ren harten van dees tijd.
Die alles toont wat gij hun zijt.
37
EVA.
Die smalende op hun lip komt zweven,
Of vol van wrevel en verwijt:
De naam, waarmee ze u kennen leeren
Aan \'t kroost, hun dankbaar voor die les Van kinderliefde en vroom vereeren,
Is anders geen dan — zondares;
Eerste, ergste, dwaaste zondaresse!
De tranen, daar uw oog van vliet,
Hebb\' God geborgen in zijn flessche.
Op hun register zijn ze niet;
De tranen niet, de tranenvloeden.
Die gij hebt uitgestort voor God,
Bij \'t vreeslijk treffen van zijn roeden,
\'t Vervullen van zijn strafgebod!
De tranen niet, de tranen-zeeën
Van deernis met uw nageslacht. In schrikkelijker zieleweeën
Dan lichaamssmarten voortgebracht! Gij hebt geboet; — Zij, onboetvaardig. Verwijten U hun zondig hart.
Gij hebt geleden om hun smart; — Zij achten u geen deernis waardig.
Gij hebt het schandlijk zondekwaad Uit voller harte leeren vloeken, —
Zij. die het altijd meerder zoeken,
Beladen u slechts met hun smaad.
Gij hebt vergiffenis ontvangen,
Na \'t aardsche Wee een hemelsch Wel, — En zij verwijten u hun hel.
Die naar uw hemel niet verlangen.
\'t Is of in u hun \'t beeld verrijst Der „vreemde vrouwquot; op de onschuld loerend.
Die haar gestolen waatren prijst. En, \'t hart door teederheên ontroerend.
Met haar verboden vruchten spijst.
Terwijl haar valsche hand de dooden Verbergen blijft voor haar genooden.
Die zij het pad der helle wijst.\')
En immers zien zij, in uw beeld.
Een wijze nweder voor zich treden.
Die met haar vurigste gebeden
Haar kroost den hemel aanbeveelt;
Die met den rimpel van de smarte.
En met haar zachtsten, teersten blik.
Blijft smeeken tot haar jongsten snik;
38
„Mijn kindren, ach 1 bewaakt uw harte!quot; — Of zoudt gij niet die moeder zijn?
\') Spr. IX: 13—18.
EVA.
Of zijt gij \'t enkel onzer zonde?
En danken we u, alleen de pijn Der erfelijke boezemwoude.
Waaruit een altijd versclie smaad Voor uw gebogen hoofd ontstaat,
En die van de eerste levensstonde
Ons van een liefdeplicht ontslaat V Zijt gij geen moeder, die vermanen,
Die troosten kan wie haar vereert ?
Speelt daar geen glimlach door uw tranen,
Voor hem, die van uw tranen leert?
Gaat uw betrokken mond niet open
Tot woorden van den zoetsten klank. Die op een Paradijs doen hopen,
Waarin geen plaats is voor de Slang? En zijn daar lippen die u vloeken.
Die u bespotten met verwijt,
O Gij, die aller moeder zijt.
Beschermt u niet het Boek der boeken. En wreekt u de arm niet van dien God, Die wie zijn moeder vloekt, of spot. Met nacht en duister zal bezoeken ? \')
Drie zonen, Eva! heeft uw schoot Geschonken aan dees droevige aarde;
En zoo gij hen met smarte baarde, Wel bracht gij hen met kommer groot! Uw eerste is Kaïn. Eenmaal stond Hij voor u, bleek, verwilderd, bloedig Van handen en gelaat, hoogmoedig
En woest een glimlach om den mond. Hij had voor al uw luide klachten Niets over dan een koud verachten;
Voor \'t moederlijk verwijt een blik,
Dia \'t hart u stil deed staan van schrik; Hij vluchtte in d\'ijslijkst\' aller nachten . .. En sedert werd geen troostlijk woord Van d\' eerstgeboren zoon gehoord. — Uw tweede is in zijn bloed gesmoord. Hij scheen geboren om te lijden En vroeg te sterven; ach, hoe heeft ü \'t hart des jonglings aangekleefd,
Wien zulk een dood haast af zou snijden! — _Uw derde is Seth; uw troost, uw kroon, Cw kracht, uw steun in oude dagen. Een trouwe smeeker voor den troon
89
Spr. XX. 20.
DE .MOEDER DES IIEEREX.
Diens Gods, naar wien hij leerde vragen. — Nog leeft die Kaïn, in \'t geslacht,
Dat koel -zijn vaders naam veracht En dat zijn moeders naam niet zegent:quot;
\'t Geslachte dat zijn broedren drukt. De vroomheid met zijn haat bejegent, En voor de roede Gods niet bukt. — Nog sterft die Abel duizendwerven, En weekt met tranen en met bloed De doornige aarde voor zijn voet,
Maar lijdt en zwijgt met zacht gemoed. Heeft lief, en zegent in zijn sterven. — En nog heft Seth, met vroom gelaat. De handen ernstig tot den Heere
En bidt vergeving voor al \'t kwaad, En predikt, dat zich \'t hart bekeere Tot Hem die haast te komen staat Opdat hij de aard met vuur vertere;
Tot Hem. die eerst uit Eva\'s schoot Een menschlijk bloed hoeft aangenomen,
Dat, als hij \'t op deze aard vergoot,
Haar beetre dingen toe deed stroomen, Dan dat uit Abels wonde vloot.
Met welk een vreugd wordt Seths geslacht In Eva\'s armen opgewacht,
In schaduw van de levensboomen.
Die God aan \'t klare stroomkristal Van \'t Jiemelsch Eden planten zal!
DE MOEDER DES HEEREN.
Neen, niet alleen toen gij Gods Engel zaagt,
Wiens schoon gelaat het vredig licht der hemelen Weerkaatste, en over \'t uwe, ontroerde maagd! Een weerglans van hun heerlijkheid deed wemelen;
Neen, niet alleen toen gij zijn groet gehoord En, diep ontsteld, zijn boodschap hadt vernomen,
Is in uw hart dat hartdoorschokkend woord:
„Hoe zal dat zijn?quot; met siddring opgekomen —
Het bleef u immer bij; het leefde met u voort.
„Hoe zal dat zijn?quot; Het antwoord is gegeven.
Gij weet: Niets is onniooglijk bij dien God,
Wiens geest, wiens kracht, wiens schaduw scheppend zweven
En over u zal komen. Naam en lot Stelt ge in zijn hand, en buigt het hoofd: ,De Heere
40
DE JIOEUEIt DES HEEREN.
Doe naar zijn -wcord.quot;\' Zijn woord is liefde en macht, ü riep hij tot een voorrecht, tot een eere,
Waarbij uw ziel bezwijkt — neen! zwijgt en wacht,
Maar zonder dat ze een straal van hooger licht begeere?
\'t Geloof verwint. Uw maagdelijke voet Trotseert gevaar en steilte op Juda\'s bergen,
^ Waar \'t wonderkind in moeders schoot u g-roet.
En vreugde en dank uw ziel een lofzang vergen.
_ Hoe hoog, hoe triumfeerend klinkt de toon Van \'t harte, dat zich in zijn God verheugde,
Dor moeder waard van Davids grooten Zoon Ontstoken van een Koninklijke vreugde.
Bleef steeds uw moed zoo hoog\', uw hoop zoo klaar, zoo schoon\'?
Of daaldet ge, in uw eenzaam huiswaarts dwalen.
Somwijlen van den stralenrijken top Uws vasten bergs, en kwam in donkre dalen
\'t -Hoe zal dat zijn?quot; weer in uw boezem op V Die boezem zwelt, \'t Gelooven wordt aanschouwen.
Het uur genaakt. Ook Jozef leert den staat Te zeegnen der gezegendste der vrouwen.
Het slaat.....Maar beeft uw hart niet als het slaat?
Uw oog aanschouwt het kind. Maar durft ge uw oog vertrouwen
Hoe__was \'t u, in dien wonderbaren nacht.
Als gij dit kind het stroo der kribbe spreidde, En herdersmond een lied van englen bracht.
Dat \'s Heeren lof en \'s menschen heil verbreidde?
Hoe was \'t u, op dien wonderbaren dag,
Als de ouderdom, hem heffende in zijn armen,
In \'t schreiend wicht het Licht der Volken zag.
Dat Isrel zou beschijnen en verwarmen;
Maar \'t zwaard, uw ziel bestemd, u niet verbergen mag?
Hoe zal \'t u op dien schoonen morgen wezen.
Als Seba komt met Scheba aan zijn zij,
En zegt: „Ons is des Konings star verrezen!quot;
En wierook brengt en goud en specerij ?
Die dag gaat om. Hem volgt een nacht van vreezen.
Van moederangst en vlucht in aller ijl.
God echter waakt. Dit kind moet veilig wezen.
Maar is niet vaak, aan d\' oever van den Nijl,
t „Hoe zal dat zijn?quot; met kracht in \'t peinzend hart gerezen?
\'t Geloof is strijd: het wordt, in tijd en smart.
Door schok op schok bestreden allerwege;
Het harte zelf bekampt dien schat van \'t hart.
En zoekt zijn ergste neerlaag bij de zege.
Maar welk een strijd was de uwe, Vrouw en Maagd!
DE MUEDEK DES I1EEREN.
Die .\'t Heilig\'equot; uit uw reinen sclioot geboren,
Gods Zoon genaamd, met Moeder-oogen zaagt,
Zijn dorst versloegt, zijn kinderkreet mocht hooren.
En de eerste tranen van zijn koontjes hebt gevaagd!
Een heiige wolk omnevelt voor onze oogen
Het Galileesch gebergte, \'t lage dal,
De stille stad, waar gij hebt opgetogen
Wien alle knie zich eenmaal buigen zal.
Ons bleef zijn .jeugd, zijn reine jeugd verborgen;
Het woord slechts niet, waarin zijn klaar gemoed U toonde dat hij, in zijns levens morgen Alreeds, \'t geheim zijns levens had bevroed;
Maar gij, gij zaagt hem hind, afhanklijk van uw zorgen.
Gij zaagt hem kind, den kinderkens gelijk.
En onder kindren; spelend, leerend, wassend
Naar geest zoowel als leden; slechts geen blijk Van zonde; op uwe en Jozefs wenken passend;
Welhaast diens zweet en needrig werk gewoon; Vol wijsheid, maar eenvoudig; ingetogen;
Geen woord, geen wenk, geen stap tot Davids troon:
Geen wondergaaf, geen bovenaardsch vermogen.
Nu vroegt ge: „Is dit mijn kind?quot; En straks: „Is dit Gods zoon?quot;
Gerekte proef van dertig lange jaren.
Waarin dit stil, dit diep, dit trouw gemoed De woorden en de dingen bleef bewaren,
Waardoor uw hoop getergd werd, en gevoed.
Ach woorden, door Gods englen, Gods profeten
Gesproken en gezongen; en het woord Van \'t Heilig Kind, in \'t midden neergezeten Van wijzen, door zijn wijze jeugd bekoord;
Woord slechts door U bevroed, door U-slechts niet vergeten.
Op eenmaal, van het zuiden tot het noord.
Doet ééne kreet vallei en bergen schateren.
De stemme van den Roepende is gehoord.
Het volk ontwaakt bij duizenden. De wateren
Weerkaatsen \'t woord, dat van hun oever stijgt: „Het Koninkrijk des Heeren komt! Gij dalen.
Verheft u! En gij trotsche bergen, zijgt Terneder, om den Koning in te halen!quot;
Gij kent dien Koning, Gij aanschouwt hem — Maar hij zwijgt.
Gij zaagt hem niet, waar zich de hemel scheurde.
De Heiige Geest neerzweefde van omhoog,
En \'t needrig hoofd, dat uit den stroom zich beurde.
Met al den glans der hemelen omtoog.
ü was het niet vergund de stem te hooren.
42
DE MOEUER DES HEEKEX.
Die uit het diepst van \'s hemels zalen klonk.
Wanneer, omringd van zwijgende englenkoren.
De Vader aan den Zoon getuignis schonk...
Maar hij doolt heen, in ruigte en wildernis verloren.
Hij keert terug. Wat glans van zegepraal Blinkt om zijn hoofd en schittert uit zijn oogen!
Straks zit hij neer aan Kana\'s bruiloftsmaal...
Daar is uw ziel zijn daad vooruitgevlogen;
Het wonder van zijn liefde, dat uw hart Reeds, in dat hart vol liefde, had gelezen,
Eer \'t op een woord, een wenk geboren werd, Om U-slechts niet te wonderlijk te wezen.
Klonk, bij zoo grootsch een Daad, zijn ernstig Woord u hard?
Leer, teedre vrouw! leer zwijgen, leer verwachten,
Leer lijden; want uw lijdenstijd vangt aan;
De tijd der openbaring der gedachten
Uws volks, wiens dag van heil is opgegaan.
Te midden van uw moederlijke droomen
Van heerlijkheid, die zich vervullen gaat,
Van vorsten, gaven voerend langs do stroomen, En heerschappij van zeestrand tot Eufraat —
Gedenk dat woord; „ÏTog is mijne ure niet gekomen.quot;
Gedenk het, als de Vorst, van God beloofd.
Miskend wordt door de zijnen en verstoeten,
Geen schuilplaats vindt voor zijn gezegend hoofd! Gedenk het, als uw eigen stadgenooten
Hem voeren naar de steilte, dat aan dien.
Wiens vlekloosheid men dertig jaar aanschouwde,
Voor aller oog het ergste moog geschiên....
Peil, zoo gij kunt, dien afgrond, die u grouwde!
Diep is hij; dieper zult gij zijn verneedring zien.
-Zijt gij het, die zou komen, of verwachten
We een ander?quot; vraagt de Dooper in den strijd. Hot warren en het worstlen der gedachten.. ..
Gij zwijgt; gij zegt: „Ik weet dat gij het zijt.quot;
„Toon, wreek u op ons ongeloof!quot; dus tarten Uw zonen dezen zoon; gij zwijgt, en wacht.
En volgt, maar God slechts weet met welke smarten. En in wat kamp der ziele, dag en nacht.
Tot uit den zwartsten nacht het licht verrijst uws harten!
O bange nacht! wat macht heeft u gebaard? Afschuwlijk kruis! hoe komt gij opgerezen?
Heeft de Almacht zelf haar meesters op deze aard? Bezwijkt de Zoon? o God! „Hoe zal dit wezen?quot;
Daar staat gij op den heuvel, koud als ijs.
43
het haarlemmer-meer.
u
navolging. —
Versteend en stom, staroogend, zonder leven, ^
Tot dat een wenk, een klank van „paradijs,
Een woord van liefde u d\'adem weer komt geven ), En u het hart versterkt, op nooit gekende wijs.
o Gij die niets meer ziet of wensclit te aanschouwen, Nadat uw oog dit schouwspel heeft gezien, ^ Die niets meer vraagt wat verder mag geschien, Gczegcndste en beproefdste van de vrouwen.
Zie weder op, krijg weder oogen, kracht En moed tot leven; want gij zult nog leven.
„Zijn uurquot; breekt aan uit dezen bangsten nacht;
Steun op den zoon, u door den Zoon gegeven;
Verlaat den berg van smart, en (eenmaal nog.) verwacht.
Een nacht, een dag, en nog een nacht verdwenen;
Het morgenlicht der nieuwe week breekt aan. Nu spoeden de Maria\'s grafwaarts henen;
Maar gij blijft stil, gij laat ze grafwaarts gaan. Het graf is leeg. De Magdalena\'s snikken.
De Simons naadren en verschrikken.
Johannes hoopt en vreest. Maar gij verbeidt. Een stem Roept juichende uit: Hij is verrezen!
En gij vraagt niet: „Hoe zal dat wezen r1Gestorven met uw Heer, rijst ge uit uw graf met hem.
1850.
gt;) Naar mijne voorstelling van de volgorde der Kruiswoorden, is dac tot den Medegekruisigde aan het woord tot de Moeder vooratgegaan.
NAVOLGING.
Gaat u een meester voor,
Volg, maar blijf vrij! Treed op zijn weg, maar rij Niet in zijn spoor.
HET HA A RLEMMER-MEEH, 1850.
Nu wordt de Slokop opgeslokt, Nu raakt zijn rijk ten ende; Nu ligt de grove Waterreus Zieltogend op zijn breeden neus, En jammert van ellende.
Nu laat hem Oome Gruquius,
Nu kopt hem Vader Lijnden, En de oude Rijnsche Molenaar \')
) LEEGHWATEK.
toelichting.
Purgeert hem sedert derd\'half jaar.
Dat al zijn krachten kwijnden.
Nu slinkt zijn buik met ieder dag,
Zijn onderkin en wangen;
Nu droogt hij als een stokvisch uit.
En hoort wel dat zijn doodklok luidt In onze zegezangen.
Ja, oude Landplaag! \'t is genoeg Aan Hollands tuin geknabbeld;
Genoeg gesleept naar diepte en krocht,
En wat gij niet verslinden mocht Bezoedeld en bezabbeld.
\'t Geduld is uit; de straf gereed;
Uw wisse dood gezworen;
Uw huis en erf verbeurd verklaard;
En wat uw roofzucht heeft vergaard Zal nu der vlijt behooren.
Kukt aan, met spade en ploeg, en komt Dit watererf bezaaien,
Gij, zonen van \'t gewroken land!
Met vroolijk hart, met nijvre hand ...
En doe Gods gunst u maaien!
* Aan dit stukje (mijn tweede Haarlemmermeer-Zang; zie den eersten, van 1839, II. bl. 95) door mij in 1851 in den Volhsalmanat\' geplaatst, viel de eer te beurt dat een Lid der Meer-Commissie, en niemand minder dan de groote Conrad, onder den titel van Ant-looord van het Haarlemmermeer, er een weerslag op schreef, door hem in 1851, in het midden harer leden, aan den disch van haren voorzitter, Gevers van Endegeest, voorgedragen. Zie Lerensherigt ran Frederik Willem Conrad, door .1. G. W. Fijnje, in het Tijdschr. v, h. Kon. Inst, van Ingenieurs 1869—1870. 5e Afl. waar ook het dichtstukje van Gonuad in zijn geheel wordt medegedeeld.
TOELICHTING,
Nu laat hem Oome Cruquius enz.
Welk Nederlander weet niet, dat de drie groote Stoomwerktuigen waardoor de 40,000 bunders land van het Haarlemmer Meer aan den Staat en den Landbouw geschonken zijn, genoemd zijn naaide drie mannen uit drie eeuwen, wier namen overvloedig verdienen voor altijd met die van dezen Polder vereenigd te blijven? 1°. Dat. aan de Kaag, naar (Jan adriaansz.) i.eeghwater. Molenaar te Rijp in Noordholland, schrijver van het Haarlemmer Meerhoek (1641), eerste ontwerper van een Plan tot uitmaling; 2°. dat, bij Heemstede, naar (nicolas) cruquius, met jan noppen. Toeziener, en mki.chkik holstra, Landmeter van Rijnland, als hiertoe gelast, opstellers van een uitvoerig Plan iref/ens de lgt;ed!jkiti(/ der Haarlemmer Xfeer.hetvreYk
45
naamgeving aan bene landhoeve.
hij in Juli 1742 aan Dijkgraaf en Hoogheemraden vim Rhijiiland overhandigde; 3°. dat, nabii Halftoeg Haarlem en Amsterdam, naar (e. g. baron van) lijnden (van hemmen), Lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal, schrijver van een allerbelangrijkste en uitvoerige Verhandeliikj over de DroogmaTcing der Haarlemmermeir (1820), waarin almede \'een plan tot de uitvoering van dit werk wordt voorgesteld, en dat inderdaad als het Hoofdwerk over dit onder-werp mag worden beschouwd.
Zie van hasselt, Het Haarleinmermeer-hoelc, enz.
NAAMGEVING AAN EENE LANDHOEVE.
Noem ze rozengaaude.
Wat is meer gepast Voor een plek der aarde,
Waar geen onkruid wast;
Waar de schoonste rozen.
Van den zoetsten geur,
Van de zachtste kleur,
In Gods zonlicht blozen;
Waar men eiken vrede,
ledre liefde vindt,
Bloeiende op de bede
Van wie God bemint;
Waar steeds versche knoppen Vroolijk opengaan Eu bepareld staan Met de reinste droppen\'?
\'k Sleet zoo zoete dagen
In dien stillen hof,
Geen der woeste vlagen.
Die zijn bloemen trof;
Heilzaam, frisch en geurig Was er mij de lucht;
\'t Afscheid kostte een zucht,
Want mijn hart was treurig.
Hoe gij hem wilt noemen
Uit bescheidenheid:
Ik denk aan de bloemen
Mij door u gespreid ;
Stelle ons ook op aarde Menig naam te leur.
Boven uwe deur Schrijf ik; rozengaarde.
Zeist, 1850.
40
IK liETROU IN GOD.quot;
4
HERFST. —
HERFST.
Voer me op des Heuvels top, als, uit haar slaap ontwakend. En, door den zachten drang der nieuwe levenskracht.
Haar windselen en boeien slakend,
Cleheel de schepping vroolijk lacht.
\'k Smaak de eerste lentelucht liefst frisch en ruim daarboven; \'k Zie gaarne \'t gansch tooneel dier nieuwe heerlijkheid. Waar alle schepslen God bij loven.
Aan mijne voeten uitgebreid.
Breng me aan den g-roenen rand der heldre Waterstroomen, Als ^ zonlicht in den vloed zijn felste stralen doopt,
En in de schauw der wilgenboomen.
De zwaan vergeefs op koelte hoopt.
\'k Wil, uit mijn schuilplaats, langs den bochtig1 oever staren. En zien hoe ^ bonte vee hot lauwe bad geniet.
Bij ^ dobbren van de plompeblaren En \'t zacht gewiegel van het riet;
Maar als (mijn lust van ouds!) de rijke herfsttijd nadert.
Het zonlicht vroeg ter kimme nijgt;
0! Laat me alleen in \'t Bosch, waar, uit verdord gebladert.
Geur als van rijpe vruchten stijgt.
\'k Wil, tegen \'t eiken groen en \'t blauw der Schotsche dennen. Aan \'t hooge geel, den berk herkennen;
Ik wil ^ getijgerd beukenhout Zijn kroon zien dragen van bruin goud;
\'k Wil ^ bloedrood loof met zwarte vlakken Zien fladdren, eschdoorn! aan uw takken:
En peinzen met bedrukt gezicht.
Waar ik den statig1 olm, die in mijn kindsche dagen Zoo menig lieven naam heeft in zijn schors gedragen,
Geblutst zie met den bijl, die aan zijn wortel ligt.
„IK BET HOU IN GOD.quot;
ZINSPREUK VAN ELBUUG VAN DEN BOETSELAER. (Abdisse te Rijnsburg 1552 —15G8).
Maakt Elburg van den Boetselaer \') De woorden van haar zinspreuk waar, „Betrouwt ze in God,quot;
Dat Hij haar lot Bestiere en regel:
Zoo heeft ze een steun van grooter kracht Dan rijkdom, rang en oud geslacht.
NACHTEGAAL.
Of\' \'s Hoogepriesters schrift en zegel Ooit in haar hand tezamenbracht;
Geen Keizer, knielende aan haar voet, -) Ontstak haar tot een hooger moed Dan -waar haar lippen van getuigen.
Als zich voor God haar knieën buigen.
De geur van haar barmhartigheid Wordt door gansch Holland uitgebreid, Daar grijze en jeugd Haar zachte deugd Met eer bejegent;
Luid wordt zij door den vreemdeling.
Dien ze onder \'t gastvrij dak ontving. En luid door de arme weêuw gezegend. Die nimmer troostloos verder ging,
Maar steunt ze, ook voor haar eeuwig lot. Niet op haar deugd, maar op baar God, Zijn englen zullen met gezangen Haar in zijn gastvrij hof ontvangen.
1) Zie haar beeld op een der kerkglazen in fle kerk te Gouda, en baar lof in Scbotel\'s Abdi/ van Itijnshursj bl. 203 en volgg. t.-ovo1 v
■\') Eene eer, aan baar voorgangster Maria van Tautenbnrg door Keizei Kaiel ^ aangedaan, die haar bij die gelegenheid „zijn gebiedende Vrouwe noemde.
NACHTEGAAL.
Zijt mij gegroet,
Met blij gemoed.
Maar niet met luide zangen!
Mijn opgewekte zangdrift zwijgt Bescheiden stil, waar de uwe stijgt.
Waaraan mijn gansche ziel blijft hangen.
Ik ken er veel.
Wier schelle keel In uwen roem wil deelen;
Maar eensklaps zwijgt gij tot hun strat. En wacht den stillen avond at,
Om \'t Eenig lied in eenzaamheid te kweelen.
* Voor Zang en Piano op muziek gebracht door J. B H. Bremer (Sicelingh; Jaarb. aan de Toonk. in Ned. gewijd door .1. .1. \\ lotta bl. 68 enz.)
48
KEURIGHEID. —
KOEKOEK. —
49
ZONSONDERGANG.
Wat schoon is moet eenvoudig- zijn ; Maar eenvoud mag geen ruwheid wezen
Eenvoudig zij \'t gevoel, maar fijn; Jienvoudig \'t woord, maar uitgelezen.
KOEKOEK.
Zeer zelden is ons de eer beschoren, Dat iemands oog* u ziet;
Maar des te meer vervult ge onze ooren Met uw eentonig lied;
^jn ~ wi^en \'t altijd hooren, Al zingt gij anders niet; Dan: Koekoek, Koekoek!
Koekoek Eenzang!
Elk kent, mijnheer! uw ruim geweten. Uw vreemd begrip van recht;
Daar gij om zelf\' wat rijker te eten, uw kroost te vondling legt;
En wij — -wij willen \'t aardig heeten, Al is het nog zoo slecht Van Koekoek, Koekoek,
Koekoek Eenzang!
Gij spelt ons niet dan regenbuien; Gij gilt uw blijdschap uit.
Als, op een heldren dag, in \'t zuien Een donker luchtje kruit.
Hiei zou een ander t door verbruien; Maar wat wordt ooit misduid Aan Koekoek, Koekoek,
Koekoek Eenzang?
Gij schijnt ons deze les te leeren Van populariteit:
quot;Men heeft zich niet zoo zeer te keeren „Aan kunde of eerbaarheid!
„ \\ erberg alleen met zorg uw veêren, „En zie wat kracht er leit „In Koekoek, Koekoek,
„Koekoek Eenzang!quot;
1851.
ui.
\'s Hemels wonder Duikt in volle schoonheid onder, Schittert met gekleurde stralen
1
AAN DE ZEK.
Over heuveltop en dalen,
Dekt de kim met vuur en vonken, Troost do wereld met zijn lonken, En neemt afscheid met een lach — Morgen rijst een nieuwe dag!
Maar voor heden.
Slechts wat na-gloor hier beneden; Slechts een lichtstreep aan de kimmen, Met een rozenkleurig glimmen.
Dat de wolkjes in hun zweven Aan blijft kleven;
Straks is \'t nacht....
Maar de maan betrekt haar wacht.
Desgeli]ken Is uw glorierijk bezwijken Ook geweest,
Groote Geest!
Als een zon zijt gij gezonken.
Als een zon hadt gij geblonken En met vollen glans gepraald.
Tot gij, laat, hadt uitgestraald. Rijkbegiftigde, des gevens
Nimmer moe,
Wierpt ge ons, op de grens des levens.
Nog uw schoonste schittring toe. Eensklaps, als gij waart verdwenen. Werd het duister om ons henen ...
Ja, een schoone na-gloor blijft Aan de nevelwolkjes hangen —
Maar waar of het maantje drijft. Dat van nacht u zal vervangen?
AAN DE ZEE.
Te Shnnklin op het Eiland Wight.
Ik heb van nacht uw stem gehoord. Weerklinkende in dit lieflijk oord.
Waar mij mijn voeten \'s avonds brachten; Hoe statig klonk die grootsche stem.
En zong met majesteit en klem,
In \'t heilig uur, de macht van Hem,
Die op u ziet in stille nachten.
:k Heb, slaaploos op mijn legerstee.
Naar u verlangd, geduchte Zee!
Ik zag u voor het oog der ziele.
50
AAN DE ZEE.
Thans, bi des hemels vroegsten blos, Aanschouw ik, van dees hooge rots, U, grootste dezer schepping (-rods!
Diens Gods, voor wien ik needrig kniele.
Hoe prachtig blinkt, in \'t morgenlicht, \\ oor mijn bewondrend aangezicht. Dat veld van donkerblauwe baren;
Niet grauw en grijs als zij, die ^t strand -bespoelen van mijn Vaderland;
En toch, met deze hand aan hand, Een zelfde Zee, waar de oogen staren.
Een zelfde Zee, die Englands vlag Naar s werelds einden voeren mag. En Neerlands dundoek op ziet wuiven • Een zelfde, die, in \'t bloeiend Zuid, \' i)e geuren riekt van \'t geurigst kruid, En, hoog in \'t SToord, met schor geluid De schotsen op elkaar doet schuiven.
In Oost en West en Zuid en Noord,
brengt al t gebergte stroomen voort • Zn gunsteen, murmlen, ruischen, klateren Verbreeden, vallen, scheuren \'t land Uaan snel en bruisende af naar \'t strand -Een zelfde Zee, aan eiken kant,
verzwelgt hen in haar zoute wateren.
Aldus, nog\' riekende van wijn En geurge klaver, gij mijn Rijn!
Aldus de Teems, trotsch op haar krone-De laag, doorvonkt van gouden gloed; le A-iger, zwart van menschenbloed-An blonde Granga\'s heiige vloed;
En de onverwinlijke Amazone.
Een zelfde Zee vereent en scheidt De volkren, langs haar zoom verspreid-Verplaatst, verdeelt des aardrijks gaven; Ontvangt, vervoert, verzwelgt, vergeet De hooggetuig-de Armade, en weet Het schelpdier in zijn steenrotsspleet Bijtijds te spijzen en te laven.
Een zelfde Zee, die hier met lust t Groen voorgebergte omarmt en kust. Daar bruisend brandt om klip en banken. Hier monsters kweekt, daar wondren bergt u schatten brengt, dan offers vergt.
UK INKS VAN HAKTE.
Hier helden tot een noodkreet tergt,
En ginds genezing brengt aan kranken.
Een zelfde Zee----En is dat waar,
Zoo kan zij ook, van baar tot baar.
Voor mij een boodschap overzenden!
Ik bid u. Golven! dat gij \'t doet;
Brengt aan de lieve Vrouw mijn groet. Die gij bij \'t Hollandsch duin ontmoet En \'t oog naar \'t Zuiden heen ziet wenden...
Doet ook het Kind een weinig goed. Het knaapje met verlamden voet,
Dat zij komt baden in uw vloed.
En laat haar bange zorgen enden.
Augustus 1851. _
REINEN VAN HARTE.
NAAR BENE SCII1LDEKIJ VAN AKY SCHEFFER.
Vroolijke Onschuld,
die niet weet.
Welk een eerplaats
zij bekleedt;
\'t Licht begroetend
van den dag.
Met haar blijdsten kinderlach.
Met de tintling van twee oogen,
In wier blauw Wij de oprechtheid lezen mogen En een vlekkelooze trouw.
Kuische Schoonheid,
die haar oog Vredig- opslaat
naar omhoog;
\'t Effen voorhoofd,
rein en schoon, Onversierbaar
door een kroon; Schoonheid met haar kracht en waarde
Niet bekend;
Lelie, zwevende over de aarde,
d\' Ópen kelk naar God gewend.
Goelijke Eenvoud,
\'t hart vervuld Van haar liefde en rijk geduld;
52
i
?)
een is noodig. — het oranjewater. 53
Liefst de laatste;
liefst geleund
Op een schouder,
die haar steunt;
Door geen vreezen of vermoeden
Ooit ontrust;
Prooi der boozen, vreugd der goeden,
Maar van beiden onbewust.
Scheur uw heemlen.
Hemelheer!
Zend beschermende englen neer!
Blinke een straal van hooger licht
Deze\' uw schepslen _ in \'t gezicht!
Gun dat zich de reine blikken.
Dezer Trits In de aanschouwing Gods verkwikken,
Die het deel der reinen is !
1851.
EEN IS NOODIG.
Een schoone leest,
^ Een edel bloed.
Een rijke geest.
Een vroom gemoed:
Alles is hij waard.
Die dit samenpaart;
Maar die het laatste alleen bezit.
Heeft ook genoeg aan dit.
HET ORANJEWATER.
De jonge Prins van Oranje stak op den llden November 1851, de eerste spade in het stnk duingrond achter het landgoed Leyduin, boven Haarlem, waarin men voorhad de eerste vergaarkom te graven voor de sedert voltooide ll\'nler-teiding ten behoeve der Hoofdstad. Eer de Prins nog vertrokken was, zag men het gewenschte water in het door hem gegravene gat reeds opgeweld. De ver-gaarkom heeft den naam van Oranjewater gekregen.
het hoofd, het achtbaai- hoofd,
It ij Hoofdstad, die wij roemen,
Met klimop, dat geen winter rooft,
En late najaarsbloemen;
HET ORANJEWATER.
Vertoon uw volk een blij gelaat,
En doe van \'t sleepend feestgewaad De zoomen en de plooien Met munte en tijm bestrooien.
Zie westwaarts! Hef uw oogen op
Tot waar ze ons duin aanschouwen! De herfstwind waait, van \'s Blinkerds top,
Ons vaandel uit zijn vouwen:
Een daverend trompetgeluid Voorspelt u krijg noch oorlogsbuit,
Maar, naar uw stille bede.
De vruchten van den vrede.
Wat koningszoon, wat heldenbloed.
Wat middelpunt van zegen Trekt hier dees feestelijke^ stoet
Met vreugde en geestdrift tegen V Een zachte blos op \'t lief gezicht.
Biedt hem een veertienjarig wicht\')
(Maar komt hem die te stade?)
Geen degen aan, maar spade.
Aanvaard dit teeken. Vorstenspruit,
Geboren tot regeeren!
Des werelds volken prijzen luid
Hen, die den arbeid eeren.
Verstrekke \'t, in Oranjes hand.
Aan Hollands volk ten onderpand.
Dat wie zijn akkers bouwen Te recht op hem vertrouwen.
Ja, drijve uw vorstelijke voet
Dit blinkend vredewapen Den koning schatten in \'t geuioet.
Die onder de aarde slapen;
Het wijs den weg in uwe hand Tot waar, van nacht bedekt en zand,
De zilvren stroomen wachten,
Die naar het daglicht smachten.
Houdt in, trompet en feestgedruisch!
En herfstwind, zwijg en luister!_
Met murmlend onderaardsch geruist h
Verbreekt de bron haar kluister.
Daar welt zij op, hand over hand.
En stort haar spranken over \'t zand,
\') Sylvia van Lennep, nu Baronesse Taets van Amerongen, jongste dochter van den onvergetelljken Dlekter van den Uollandschm Duinzang.
54
HET OR AX JE WATER. 55
Ïjïi blinkt ons tintiend teg8n.
Een beeltnis van Gods zegen.
Ja, Bron van Goedlieid, God! van wien
De goede gaven komen,
Gij doet ook dezen zegen zien,
Ook^ deze waatren stroomen.
De wijsheid, die de bron ontdekt,
De kunst, die haar tot leidsvrouw strekt,
Zijn goddelijke stralen,
Die uit uw hemel dalen.
Van U is elke waterdrop.
Die neerzijgt uit de wolken.
Die afruisoht van des heuvels top,
Die opbruist uit de kolken;
Wat steden drenkt, wat volken spijst,
Waar zich een vorst om zalig prijst.
Bij overvloed en vrede —
Gij deelt het alles mede.
o Moge uw zegen, mild en rijk.
Met onverpoosde stralen,
In liefdeblijk op liefdeblijk
Op \'t minzaam voorhoofd dalen Van \'t vorstlijk kind, dat dezen dag-Zijn naam aan waatren g\'even mag.
Wier overvloedig vloeien.
Hoos en olijf doe bloeien!
Barst los weer, blijde jubeltoon,
En dreunt, gij feestbazuinen!
Ja, klinkt en weerklinkt, vol en schoon.
Langs Haarlems grijze duinen!
De donder van \'t geschut vermeld\'
Aan stad en lande, bosch en veld,
Dat hier de waatren vlieten.
Die naar den Amstel schieten!
Vloeit, hel dro spranken, op den wenk
Van Willems zoon verkregen!
Bruist, als een koninklijk geschenk.
Zijn dankbre hoofdstad tegen;
Voert bloemen van gezondheid aan.
Die frisch en vroolijk opengaan.
En laat uw zuivre teugen Het laatst g\'eslacht verheugen!
Kovember 1851.
OPMERKING. — SIMON PETRUS.
OPMERKING.
\'t Uitvoerig Beeld voldoet niet recht,
\'t Moet voor een Omtrek quot;wijken. Portretten lijken doorgaans slecht; De meeste Charges lijken.
SIMON PETRUS.
Bevallig\' Meer, volschoon Gennésaret,
Dat. met een lach van moederlijk ontfermen.
Den jeugdigen Jordaan in \'t koele bed Ontvangt en streelt en ophoudt in uw armen.
Dan weer ontslaat en, met een^stil gepeis, Van tusschen \'t groen, nog vroolijk na blgft staren,
Onwetend hoe hij, na een korte reis.
Het Meer des Doods in d\'open muil zal varen!
\'k Wenschte u te zien, stil, donkerblauw, en klaar In \'t diepe dal met effen golfjes vloeiend.
Geen windje met den ruigen gersten-aar.
Geen tochtje met den wilden haver stoeiend.
Die aan uw zoom, met bont gebloemt vermengd. Op de akkers praalt, die in de glooiing hangen.
Waarlangs u beek bij beek de schatting brengt. Van trap tot trap in \'t vallen opgevangen.
\'k Wenschte u te zien, wanneer in Vhoog gebergt De wind ontwaakt en uitbreekt door zijn kloven,
Door \'t oponthoud verbitterd en getergd.
Om met één vlaag u al uw glans te ontrooven.
Uw waatren op te jagen, dol van schrik En wit van schuim, dat opstuift van uw zoomen,
En uren ver, in \'t eigen oogenblik,_
De roosjes knakt, die van geen onheil droomen. _
\'k Wenschte, aan uw rand, te denken aan den tijd, Toen gij, omringd van dichtbevolkte steden.
Nog schooner dan gij tegenwoordig zijt.
Geen graanoogst slechts uw oevers zaagt bekleeden.
Maar aan den wijn- de olijvenhof zich sloot. Het dadelbosch u schaduw toe mocht wuiven.
En \'t hart van maand tot maand werd uitgenood Op overvloed van vijgen en van druiven;
Toen \'t in uw kil, zoo stil en eenzaam tnans. Bij nacht en dag van bruine zeilen krielde,
\'En \'s leyens nood en de arbeidstaak des mans Uw oevers en uw watervlak bezielde.
Zoo heeft de zoon van Jona u aanschouwd. De visscher aan uw boorden opgetogen.
SIMON PETRUS.
Van jongs af op uw wateren vertrouwd,
En in gevaar, als de appel van zijn oogen,
^ Door God bewaard, die voor dit needrig hoofd Een^ last_ en, bij den last, een kroon bewaarde, ^ Die (Simon had uw hart het ooit geloofd ?)
Eens schittren zou voor hemel en voor aarde!
O welk een dag, als, uit eens broeders mond.
Door \'t vurig hart de blijmaar werd vernomen:
„De Christus, aan de Vaderen verkond, „De Christus, o mijn broeder, is gekomen
Als ge aan de hand diens broeders, vol ontzag Hem aanzaagt, die geheel uw ziel doorschouwde,
En in den zoon van .Tona, reeds dien dag. Den Petrus zag, dien hij hem maken zoude!
O welk een dag, als ge aan diens broeders zij, In \'t stille meer het vischnet uit gingt strekken.
En \'t: „Visschers van de menschen zijt gij mij!quot; \'t Ontroerde hart zijn roeping moest ontdekken! ^ O welk een dag, als, na een langen nacht Van ijdle moeite en arbeid en gevaren.
De morgenstond den Meester tot u bracht.
Om van uw boord de saamg\'evloeide scharen ^ Te zeegnen met zijn woorden, enkel geest En leven, kracht en balsem voor de zielen.
Maar straks daarop u, bevende en bevreesd,
Voor d\'aanblik van zijn wondren te doen knielen.
Neen, als verplet terneer te werpen, van Een diep besef van schaamte en schuld verslonden -
„Heer, wijk van mij! ik ben een zondig man____quot;
Zoo spraakt gij tot den Redder van de zonden,
Maar liet zijn hand niet varen. Ach, uw hart Was \'t zijne alreeds, om nooit van hem te scheiden..
Vaarwel, lief Meer! Dit afscheid baart geen smart Uw zoon gaat waar hem Jezus zal geleiden.
^Vaak zal hij nog, met Hem u wederzien. Uw watervlak op nieuw zijn scheepken dragen.
Getuige van veel wondren. \'t Zal geschiên Dat Petrus in de branding zal versagen.
En Jezus sluimren; tot op eens zijn woord Uw golvpn, en den stormwind, en de zielen
Der zijnen stilt, en aan \'t bevredigd boord Slechts knieën vindt om voor hem neer te knielen.
Haast... Schriklijk is de nacht en hoog de nood. En Jezus ver. Hoe schuimen al uw baren! ^ Hoe dreigt en nijgt de ranke visschersboot Elk oogenblik den afgrond in te varen.
Een hoogste golf rolt voor \'t verschrikt gezicht Plechtstatig aan, omringd van hooge golven;
SIMON PETRUS.
Haar witte kruin, verliclit door bliksemlicht,
Blinkt altijd uit, wordt nimmer overdolven.
Zij nadert... Neen, dat is geen waterpluim... De stormwind speelt met breede mantelvouwen...
Een Spook der nacht waart om door \'t brandend schuim. Hoe gilt de vrees, dit vreeslijkste aan te schouwen!
..Hebt goeden moed!quot; zoo spreekt een dierbre stem: „Vreest niet! Ik ben \'t.quot; De vrees is weggenomen.
Het is de Heer. En Petrus zegt tot hem;
„Indien gij \'t zijt, zoo laat mij tot u komen!quot;
Een wenk! Hij staat op \'t om hem zwalpend nat. Een blik! Zijn voet zinkt weg; zijn knieën volgen...
En, had de Heer zijn hand niet aangevat,
De Petra waar door d\' afgrond ingezwolgen!
Heeft Simon! in dien later nacht.
Toen ge, over dieper stroomen.
Tot Jezus wildet komen,
En ge andermaal bezweekt van kracht. Om andermaal te ervaren:
„Slechts Jezus kan bewaren,quot;
Uw hart aan dezen nacht gedacht?
Vergunden toen de weenende oogen Te denken aan dien nacht op \'t Meer,
Waar wind en golven uwen Heer Woest in \'t gezegend aanschijn vlogen.
Maar zonder dat zijn oog of mond Zweem van ontsteltnis deed vermoeden.
Daar hij als op een steenrots stond.
Te midden van de watervloeden;
Te denken aan dien oogenblik
Van ontzetting en schrik.
Toen dondren en klateren Van bruisende wateren.
Gegons en gegier van een razend\' orkaan U den moed deed vergaan,
U \'t geloof deed bezwijken.
En het beeld des Heeren wijken,
In wiens kracht gij slechts kondt staan!. . . Ach, wat dwarling greep u aan!
Voor uw oogen, welk een duister!
Zie hoe zwerk en water wielt ...
Maar een blik straalt u toe, door de liefde bezield;
Uit het diepst van uw hart rijst een heilzaam gefluister „Heer behoud mij!quot; ... Hij behield.
En ook later heeft hij u quot;behouden.
Met dien blik. die doordrong tot het hart —
simon petri\'s.
Ach, hij wist wel dat ze vloeien zouden.
Deze bittre tranen uwer smart.
Tegen hem zijn stormen losgebroken Woedender dan immer op het Meer,
Maar, zichzelf vergetend, heeft de Heer ü de hand der redding toegestoken.
Hij zal den storm niet doen bedaren.
Die thans hem tegendruisoht;
Hij zal niet wandlen op de baren.
Wier barning om hem bruist;
Straks overstelpen hem de golven
Dier opgezette zee;
\'t Gezegend hoofd wordt overdolven
Door \'t onuitspreeklijkst wee ;
Straks sluiten over hem de beken Zich dicht van dood en graf;
Maar, als hij \'t hoofd weer op zal steken, Wischt hij uw laatste tranen af.
Daar rijst de schoonste morgenstond, Die uwe bergen ooit verguldde.
Uw vreedzame oevers in het rond In rozengloed en paarlen hulde.
Of, op het aadmen van zijn mond. Uw tintelende golfjes krulde,
O Galilea\'s lieflijk meer!
Uw borst gaat golvende op en neer. Als of zij klopt voor reiner sfeer.
Als of zij trilt van hooger leven; Een ongelijkbre heerlijkheid Ligt op uw spiegel uitgebreid,
Als of ge een zegen Gods verbeidt En aan voelt zweven;
Als of gij van den reinen glans.
Die eens zal schittren aan den trans Der nieuwe hemelen, reeds thans Een zuivren straal hadt opgevangen;
Als of gij waardig waart gekeurd. Het heil, waarom de schepping treurt, Waarnaar zij reikende armen beurt,
Eeeds nu te erlangen.
En immers mag u \'t heil geschien. Den Heer der heerlijkheid te zien,
Wien de englen op gebogen kniên, Verlangende ten hemel wachten.
(Want alle dingen zijn gereed).
SIMON PETRUS.
Maar die nog eens uw zoom betreedt, Als hij zoo menigwerven deed,
Bij dag en nachten!
De volle gloed der heerlijkheid. Ten hoogsten hemel hem bereid.
Waar hem de troon der eeuwen beidt,
Staat nog te komen;
Maar, op dit hemelsehoon gelaat.
Blinkt van dien dag de dageraad.
Die heel den glans vermoeden laat,
Die uit zal stroomen.
Zijn Jongren zitten zwijgend neer.
Hun ziel gevoelt: „Het is de Heer!quot; Een vraag welt op, maar smoort zich weer; Zij wagen \'t niet een zucht te slaken;
Maar \'t hart slaat hoorbaar, klop voor klop. Hier is het als op Thabors top ;
Als of de Heer sprak: „Ik vaar op ;
Ontziet, mij aan te raken!quot;
Zijn blikken, die in \'t ronde gaan.
Doen Thomas de oogen nederslaan; Johannes ziet hem vorschend aan; Nathanael zit opgetogen;
Maar Simon, zoon van Jona! Hij Wendt zich tot u. „Bemint gij mij ?quot;
Vraagt hij tot driemaal toe; en gij.... Toont weenende oogen;
Maar ook, een hart zijns zelfs bewust. Op zijn alwetendheid gerust,
Ken liefde, die zijn voeten kust. Met ootmoed en vertrouwen beiden.
Welaan! Die liefde is in staat De kudde, die hij achterlaat Voor hem te hoeden en te weiden.
En hem te „volgen, waar hij gaat.quot;
Simon, heeft voorheen U ons hart geprezen:
Deze liefde alleen
Doet u Petrus wezen.
Deze liefde doet
Wandlen op de baren;
Zonder overmoed
Lacht zij met gevaren.
Zij zal, in haar kracht.
OOG EX HART.
Over muren springen;
In den holsten nacht Blijde psalmen zingen.
Dat na \'s vijands haat,
Volk en hoogepriester, Dat des Boozen raad,
Sluwer steeds en driester, Deze liefde vrij
Aanval onder \'t wapen: Nimmer wankelt zij,
_Nooit meer zal zij slapen. Nimmermeer vervaard
Wijken, vluchten, zinken — Maar het vleeschlijk zwaard In de soheede klinken.
Deze liefde kent
Koem noch eigen krachten, \'t Oog omhoog gewend.
Durft zij hulp verwachten. Deze liefde, rein
Van \'t hoogmoedig eigen. Stil voor God en klein.
Weet haar wil te neigen. Gordt zichzelv\' niet, laat Zich de handen boeien.
Lijdt, en acht geen kwaad Zoo haar bloed moet vloeien.
Moet zij aan het kruis
\'s Heilands beker drinken. Uit des Vaders huis
Zal haar tegenklinken:
„Deze liefde moest,
rUit de kroes des Heeren, „Zevenmaal getoetst.
Zuiver wederkeeren, „Om voorts onverdoofd
„Als een kroon te pralen, „Die op Jezus hoofd „Schittert met haar stralen.quot;
OOG EN HAET.
Een blik die tot in \'t binnenst ziet....
Ach, welk een gaaf voor u en mij! Mijn Heiland! geef me uw oogen niet, Of geef me uw hart er bij.
61
G\'2 AAN MIJN VADER.
AAN MIJN VADER,
O!\' ZIJN TWEEKXZEVENÏIOSTEN VERJAARD AO.
NA DE AANVANKELIJKE HERSTELLING MI.TNEIÏ MOEDER UIT ZWARE KRANKTE,
Het hart eens teedren echtgenoots Vreez\' voor zichzelf geen pijl des doods,
Toch blijft het beven;
Hij ademt voor een ander ik.
En kan hij denken zonder schrik Aan dien ontzetbren oogenblik.
Als dat zal sterven, en hij leven?
De liefdeband, die nooit verslat.
Klemt vaster na een langen tijd,
En wil niet breken.
Hoe siddren hart en ingewand Op \'t denkbeeld van de ijskoude hand,
Die eens, door \'t slaken van dien band. Het levenzelf naar \'t hart zal steken!
Zoo iets, in \'s echtvriends trouw gemoed. Aan de oude liefde een nieuwen gloed
En kracht kan geven,
\'t Is dan, wanneer des Engels zwaard Een dierbre weerhelft tegenvaart.
En zij bedreigd wordt----doch gespaard
Om als\' op nieuw voor hem te leven.
Hoe zevenvoudig zalig is
\'t Bezit, na \'t reeds gevoeld gemis.
De rust, na zorgen;
Hoe nieuw op nieuw \'t geluk voor \'t ha.rt,
Door persende angsten lang benard; Hoe lieflijk, na een nacht van smart. Het scheeniren van een stillen morgen!
Hoe vroolijk straalt, in zulk een licht, üw opgehelderd aangezicht Thans in ons midden;
Mijn Vader! met hoe blijde een geest.
Viert gij den dag van dit uw feest,
Die haa,st een treurdag was geweest —
Maar onze God liet zich verbidden.
Hoe smelt mijn ziel met de uwe;_ en prijst Een liefde, die haar macht bewijst.
Door dus te sparen!
VLEUGELS. — WEENT NIET OVER MIJ. 68
Hoe veilig, wat de toekomst baar,
Steunt ons geloovig hart op haar,
Die u, na zesmaal twalef jaar.
De vreugd gunt van een zulk veriaren!
1!) April 1852.
Zoo gij mij boeien wilt en treffen
Door Poëzij;
Zoo dwing mij \'t oog\' omhoog te heffen;
Zweef boven mij!
Van dichters wensch ik liefst te ontmoeten
\'t Gevleugeld soort;
Beleefd wil ik ook de andren groeten;
Maar pak mij voort.
WEENT NIET OVER MIJ.
Jezus wordt weggeleid :
Heilige onnoozelheid!
Is daar geen deugd of eer Bij Jood noch Heiden meer\'? Is daar geen moed of kracht Dan bij de helsche macht? Druischt niet een enkle stem In tegen quot;t: „Weg met hem?quot; Barst niet een menschlijk hart Los in een luide smart,
lit in een ran wen gil?
Zwijgt ook de hemel stil?
Valt, op dees onweersdag, Nergens een donderslag?
Gaat door de onreine lucht Zelfs niet een bange zucht. Die voor den Heiige spreekt. En de onschuld wreekt?
Jezus wordt weggeleid:
Heilige Lijdzaamheid! Gij droegt de doornenkroon:
Zij stond u schoon.
Gij torst het kruishout nu; Die last verheerlijkt U. Gij kunt niet schooner zijn Dan in uw hoogste pijn,quot; Doende den diepen grond Van uwe liefde kond:
Maar wie heeft oog of hart
WEEKT NIET OVER MIJ.
Voor deze sclioone smart?
\'t Woedend gepeupel niet,
Dat zijn profeet verstiet,
Dat zijn onschuldig bloed Over zich komen doet,
Noch ook de krijgerstoet.
Die \'t plengen moet...
Stil! In der Vrouwen drom.
Gaat een gemompel om:
Stil! Uit der Vrouwen rei.
Meldt zich een luid geschrei.
Dat Jezus eer bewijst...
Hoor, hoe het rijst!
Jezus wordt weggeleid;
Heiige Barmhartigheid!
Minst over eigen smart Bloedt hem het hart.
Als hij de Sioniet\'
Over hem weenen ziet,
Vall\' hem zijn kruis ook zwaar.
Hij weent om haar.
Want, over kruis en dood,
Ziet hij haar bange nood.
Hoort hij haar jammerklacht,
quot;Radeloos voortgebracht:
.Heil der versmade maagd,
„Die geenen man behaagt!
„Zalig de dorre schoot,
„Nimmer van kinde groot!
„Bergen verplet me vrij!
„Heuvlen stort over mij !...quot;
En die ten kruisberg gaat Spreekt met een zacht gelaat:
„Klagende Sioniet\'!
„Ween over Jezus niet;
„Maar zoo gij weenen moet,
„Ween over eigen bloed;
„Stort om Jeruzalem „Tranen — met Hem!quot;
* Van hinde groot. De uitdrukking is in onbruik geraakt, maar juist daardoor plechtig en kiesch. Dat zij goed Hollandsen is, zal geen Letterkundige betwisten, die zich den schoonen Kei uit Hootts Baeto herinnert: „Wien zit de wreedheid in \'t geheent enz.
64
W E E RIIA A X - W IJ S H E1D. 05
WEER HAAN-Wr.TSHE ID.
Terapori cedere — semper sapientis est habltuut.
Cicero.
„De ware -wijsheid is zich naar de omstandigheden
Te schikken.quot; Dat \'s een spreuk van Romes redenaar.
Dies diende, voor een tijd, Pompejus aangebeden,
En Cesar, na diens val, verheerlijkt, dat is klaar.
Su, \'t is ook veiligst hij den winnaar; en in zegen Wordt immers liever dan in nederlaag gedeeld?
Een kroontje lacht het hart wel eens zoo aardig tegen.
Als traan, of schaamteblos die door de wangen speelt.
De zon gaat op! Bid aan! — Zie, zie haar hooger stijgen!
Kraai al wat kraaien kan haar morgenglorie uit!
\'t Is avond, en zij daalt. — Zwijg! Wijzen voegt het zwijgen —
Zij zinkt, gaat onder! — Foei, nu dient zij uitgefluit. Op nachtuil, \'tis hoog tijd! — De Maan schijnt op te komen.. .,
is t waarheid! Is zij vol? Wij smelten reeds in lof. —
Zij naakt Orion. Hoe? Zij schijnt zijn knots te schromen....
Haar wang verbleekt----Houd op! Daar is geen lovensstof. —
w iii11\' — 200 snel • Daar is een soort van loven Met laken ondermengd; waar past dat, zoo niet hier?
Zoek Nieuwland middlerwijl. Maar neen! de Maan haalt boven!
gt;v eg, latte starpoëet! üw lichtheid deugt geen zier.
Lang leef de Maangodes! - Wel mag het haar bekomen:
Ziet gr| dat wolkenheir? Haar neerlaag is gewis.
t hukt aan, verdikt, verwint, heett alles ingenomen
liet rijk der Maan heeft uit. — Lang leef de Duisternis! Hoe was t ook mooglijk dat we aan \'t licht ons zoo verwenden ?
V erblindmg hield ons aan een ijdlen glans geboeid.
\\ erga en Zon en Maan en duizend Sterrenbenden:
Het Duister is \'t alleen, waarvoor ons hart ontgloeit.
Ach, zotte schouwburg-pronk met gloed en straalgeflonker,
bie de oogen afmat en \'t gevoelig brein ontsteekt!
Hoe veilig tasten we om in \'t hartverkwikkend donker, w wien \'t ons lust, terwijl geen schepsel \'t wreekt. —
Wat s dat? Een purpren gloed verschijnt aan de oosterkimmen: t\\ Ve. j wordt klaar en blauw. Wat of dat worden zal?
at is „de blonde Auroorhaar „rozenvingrenquot; glimmen.... Verwaeht de Zon eerlang met schepter, kroon, en al! — at s leelijk. — Niet in \'t minst. Al toonden wij gehechtheid v. I-? cluisterms en nacht, wat maakt dat uit, gansch bloed 1 -öeiyci die dwaling met wat nagemaakte oprechtheid:
Uie grijns is overal voorhanden, en staat goed.
Ach, \'t kost zooveel niet zich in \'s werelds spel te schikken. too knie en rug en tong maar mee wil, en \'t verstand en .] ui sten tact bezit der gunstige oogenblikken,
III. 5
jaargetijden.
Het maakt u meester van de meesters van het land.
„Ja maar \'t geweten!quot; Wat geweten? Zulke dingen Zijn overbodig; moeit ge u daarmee? Lieve man!
Wat beeldt uw hart zich in? Wij zijn geen hemelingen,
Maar nog op de aarde thuis. Daar gaat het... zoo als \'t kan. Volhardt gij? Ban u dan uit onze samenleving!
Gewetens\' zijn niet op de hoogte van den tijd.
Wij dulden veel; maar voor gewetens.... gepn vergeving!
Zij zijn behoudend, aclifenatc/aand en, in spijt Der wetenschap, geheel niet vatbaar voor ontwikkelen.
\'t Geweten acht ik niet rein menschlijk; niet geschikt De tnenschheid op de haan kaars strevens aan te prikkelen —
.Maar God heeft, dunkt mij toch....quot; Van God dient niet gekikt. Of wilt ge een God, en ons den waven godsdienst toonen.
Ze is liefde, en anders is \'t geen godsvrucht zoo \'t behoort. Wat zegt nw Bijbel? „Zoet en lieflijk is \'t dat zonen Van \'t zelfde huisgezin als broedrenquot; en zoo voort.
En daarom, plaag ons niet met wat wij stelsels heeten;
Wees liefdrijk; geef en neem, en knel u in geen keurs...
Dat is: Vertrap het liecht, om meer en heter te eten;
Verzaak Gewisse en God, maar nimmermeer aiv Beurs.
JAARGETIJDEN.
(naak Ernst Flokis.)
LENTE.
Onder vreugde en zoete smarten.
Scherts, gezang en minnekoozen.
Vluchten ons de schoonste weken.
Al wat bloeien kan, kan breken. Veldviooltjes,, malsche rozen.
Blanke lelies, jonge harten.
ZOMER.
Drukkend is de heete lucht;
Dreigende onweers barsten los;
Donker kleurt zich veld en bosch;
Maar in stilte rijpt de vrucht.
HERFST.
Koren hier, en ginder druiven.
Die tevreden is, is wijs;
Gaarne ziet hij, tot dien prijs.
Kleur en geur verstuiven.
66
OP T ZIEKBED. — GEEN DEEL, MAAK \'T GEHEEL. — EENVOUD. 67
Wordt u de aarde droef en duister /ie omhoog naar quot;s hemels luister.
Leer in grauwe windeldoeken Kiemen van nieuw leven zoeken.
OP \'T ZIEKBED.
0Pr,\'t webbed dankt u, Heer! mijn lied Dewijl \'t een bed mag zijn;
Zoo vele kranken hebben \'t niet;
Maar warm en zacht is \'t mijn\'.
Op t ziekbed looft u, Heer! mijn zang Omdat een ziekbed leert;
Zooveel gezonden leefden lang,
Maar leefden lang\' verkeerd.
Maar wat, indien \'k ondankbaar was Jin morde en tegensprak\'?
k Verdiende dan dat \'k nooit genas. Maar sukklGnd bl6Gf en zwak.
Heer, zoo _ gij \'t ziekvertrek ook nu Voor mg ten schoolzaal kiest
Vertoon mij dat een kind van u Daar nimmer bij verliest!
GEEN DEEL, MAAR \'T GEHEEL.
Een weinig menschenkennis schaadt
vr rSt y.ei\'bittring der gemoederen;
Maar hebt gij ze m een volle maat, Zoo strekt zij tot verbroederen.
EENVOUD.
Wat elk behaagt op d\' eersten blik
-biii aantrekt op den duur,
Is Eenvoud, wars van kwik en strik Is Eenvoud en Natuur.
De Schoonheid spot met elk sieraad.
De Waarheid evenzeer;
Zoo t eerbaar hart het reeds versmaadt, Het vrome des te meer.
1852.
stijg, maar sijg. —
De wereld heeft haar uiomnierij Züo noodig als haar geld:
Een reine ziel is vrank en vrij, En treedt in \'t open veld.
En laat zich tót den bodem zien, G erust en zonder schrik,
Maar let op onbescheiden liên, En weert ze niet een blik.
Haar valt de zegen Gods ten deel; Dat \'s alles wat zij vraagt;
En voorts bekreunt zij zich niet veel, Wien ze al of niet behaagt.
Toch rust op haar, met stille vreugd En zachten liefdegloed.
Het oog van ouderdom en jeugd. Die \'t Schoon vereert in \'t Goed\'.
STIJG, MAAR NIJG.
Laat niets uw ader stremmen.
Beek, zoo vol en klaar!
Niets uw vleuglen klemmen.
Moedige Adelaar!
Niets uw liedren smoren.
Zanger van het woud!
Niets uw werking storen.
Geest, zoo vrij en stout!
Oefen al uw krachten.
Neem uw steilste vlucht.
Waag uw zwanenschachten
Aan de hoogste lucht.
Spot met band en perken,
Die u \'t schepsel stelt....
Maar neig uw oogen, plooi uw vlerken. Waar zich de Heer der schepping meldt!
ZWIJGEN.
Gij ziet alleen maar moed, waar moedig wordt gesproken.
Leer, Justus! leer den prijs van \'t zwijgen ook vermoên; Daartoe heeft menigmaal aan sprekers \'t hart ontbroken: Ook zwijgen is somtijds een spreken en een doe:j.
ZWIJGEN.
MORGENSTONI). —
69
MADELIEFJE.
MORGENSTOND.
Wat is er niet te hooren,
Wat is er niet te zien.
Bij \'t eerste morgengloren,
Als nacht en nevel vliên: Van glansen, kleuren, stralen. Die langs den hemel dwalen; Van rozenroode wolken,
Die \'t oost en \'t west bevolken; Van heldre pareldroppen Op blaadren, bloemen, knoppen Van blijde vogelzangen,
Luidruchtig aangevangen.
Uit volle borst geslaakt....
Maar tot Arbeid is de mensch ontwaakt.
Wat is er niet te ontwaren
In \'s harten diepsten grond.
Bij \'t opgaan onzer jaren,
In \'s levens morgenstond!
Te voelen, te beseffen.
Te gissen en te treffen.
Te zoeken, te verlangen. Te ontdekken, op te vangen. Te kennen en te smaken. Tot eigendom te maken,
Te droomen en te dichten. Te slechten en te stichten. Te ontginnen, nooit genoeg.... Eén ding is noodig, en dat Eéne vroeg.
MADELIEFJE.
\'t Is Flora\'s page: — in every place,
In every season fresh and fair, It opens with perennial grace, And blossoms everywhere.
J. Montgomery.
Spreid vroolijk, tusschen gras en kruid. Het hagelwitte kroontje uit.
Om \'t hart van louter goude!
Al valt ons \'t voorjaar schraal en ruw. Wat, Madeliefje, deert het u?
Gij zijt niet bang voor koude.
MAÜKI.IElquot; JE.
Grij wacht niet tot, met zonnepi-acht, De zon vroeg opstaat in haar kracht,
In \'t purperkleurig oosten;
Maar komt ons, needrig als gij zijt. Van een gerekten wintertijd Met goelijk lachje troosten.
Als \'t Maartsch viooltje, dicht in \'t mos, In \'t warmste plekje van het hosch.
Zich huivrig aan komt melden,
Wast reeds uw knopje, rood als bloed. Het bibb\'rend paaschlam voor den voet, In de onbeschermde velden.
Daar spoort gij, met ontloken blaan. De velerhande bloempjes aan.
Nog sluimrend of kleinmoedig. Ze ontwaken lieflijk, een voor een. En schittren vroolijk om u heen, —
Maar neigen \'t hoofd zoo spoedig.
Zij neigen \'t hoofd, zoo jong en schoon. Hier pronkende met gouden kroon,
En ginds met bonte verven; Het blozende gelaat wordt bleek; En \'t oogje, dat zoo geestig keek.
Breekt, in een haastig sterven.
Maar gij bloeit voort in \'t scheutig gras. Haast overdekt u \'t hoog gewas.
Als pluim en aren zwieren.
De hooitijd komt: die pronk ligt neer... Gij zijt er nog, gij zijt er weer,
En zult het etgroen sieren.
Het etgroen. ja! en \'t laatste groen.
Laat vrij najaarsstortvlaag woên.
De winterstormen naderen: Glimlachend ziet gij \'t woeste spel. En groet den kortsten dag nog wel. Van tusschen gele bladeren.
Ik weet wie, in bevroren grond, In \'t zonnig hoekje u bloeien vond. Als sneeuw het veld reeds dekte; Ik weet, in wiens bezwijkend hart De les, die dus gegeven werd. Een nieuwe veerkracht wekte.
0 leerzaam bloempje, laag benaamd, Gij maakt uitnemender beschaamd.
MADELIEFJE.
Door onuitputbre kraohten.
Die needrigst leeft, leeft, veiligst voort; En die zich aan geen tijden stoort,
Hoeft op geen plaatsen te achten.
De duinroos vindt men slechts op \'t duin: De heibloem, in \'t eentonig bruin:
De korenbloem, in \'t koren;
Geen smachtende vergeet-mij-niet Dan tusschen lisch en oeverriet En waterkers verloren.
Der bloemen schoone koningin Ontziet zich met haar hofgezin
In \'t open veld te pralen;
Daar slechts in schaüw van dicht geboomt, De balsemgeur ons tegenstroomt Van \'t lelietje der dalen!
Maar gij, gij klimt den heuvel op.
Ontplooit op \'t heideveld uw knop,
En siert des akkers zoomen;
Grij spiegelt u in kreek en vliet;
En, in uw eenvoud, schroomt gij niet Den bloemhof in te komen.
Oij schuwt de schaduw noch het licht. Maar toont alom een blij gezicht;
Gij hebt geen zorg van noode; Een droppel regen, laat of vroeg. Een weinig zons is u genoeg, Een staanplaatsje op de zode.
Veel bloempjes kiest men om hun geur; Dit om zijn vorm, dat om zijn kleur;
Niet elk behaagt aan allen;
Maar gij, aan lof noch blaam gewoon, Uw zedig, uw bescheiden schoon Toont ieder welgevallen.
TJ mint niet slechts de schalke maagd, Die stil uw blaadjes ondervraagt.
Om \'t zoetst geheim te ontdekken;
Maar ook de ziele stil voor God,
Waarin het voorrecht van uw lot Een weinig moed kan wekken.
U mint het hart, dat, vol en zacht,
Gods rijke schepping tegenlacht En \'t loflied uit doet vloeien;
De wijze, wien gij ootmoed leert,
GKKX ORGELTOON, MAAR UW PERSOON. —
72
EEN ROOS.
De needrige armoe, die gij eert.
Door voor haar deur te bloeien.
ü mint een onbezorgde jeugd, In \'t gras, met koninklijke vreugd.
Haar boersche kransjes windend; En \'t weesje, vreemd aan spel en lust, Ter stille plek, waar moeder rust, ü altijd wedervindend.
\'t quot;Weemoedig schaapje, in de open hei. Het veulen, dartiend door de wei.
Verheugt zich u to ontmoeten. En \'t bijtje, dat uw honig ruikt.
En in uw open hartje duikt.
Om liefde en lust te boeten.
U mint al \'t dichterlijk gediert: De leeuwrik, dien gij \'t nest versiert
En naoogt onder \'t steigeren;
En ik, wien ge, als ik eens voor al Ü door mijn snaren vlechten zal,
CTeen wedermin zult weigeren.
GEEN ORGELTOON, MAAR UW PERSOON.
Uw verzen komen tot mijn ooren.
Maar \'k hoor een mond, geen mensch daarin o Geef mij ook den mensch te hoeren.
Opdat ik hem bemin!
EEN ROOS.
Hoe lieflijk staat een frissche roos
In d\' open hof te pralen,
En vangt in d\' opgebarsten knop Zoo menig heldren dauwdrop op En duizend zonnestralen.
Nu laat ze eens op den morgenwind
Het hoofdjen achtloos wiegelen; Dan bukt zij, om in \'t vijvernat. Dat kabb\'lend om haar voetjes spat. Het lief gelaat te spiegelen.
En straks vergeet zij paarlenkroon
En zachtgebloosde wangen,
Staat stil, en luistert, en gevoelt Wat gindsche nachtegaal bedoelt, Met zijn verliefde zangen.
aan eene joxge diciiteresse.
Niet anders bloeit een prille maagd,
In d\' ochtendstond van \'t leven.\' Ach, pluk de tengre roos niet af,
Noch doem haar, in kristallen graf : Te prijken en te sneven!
„Maar zoo veel vrijheid! Dreigt zij niet
Met onverwacht verleppen?quot;
Neen, lucht en vrijheid zijn gezond; Wijd slechts uw zorgen aan den grond, Waaruit zij kracht moet scheppen.
AAN EENE JONGE DICHTERESSE.
(sedert overleden.)
Zeg uw gedachte, zing uw lied.
Laat ons uw gansche ziel vernemen.
Eer u een engel Gods gebiedt Uw steilste vlucht te nemen!
Zet voor den opgezetten vloed De sluizen van den boezem open;
Vergun een uittocht aan den gloed, Eer u zijn vlammen sloopen!
Laat op dit voorhoofd, rein en schoon. De flikkring van den dichtgeest stralen, Op \'t fijn albast der maagdenkroon
\'t Verhoogde blosje dwalen!
Laat, laat een vonk van \'t heilig vuur. Dat hart en bloedstroom houdt bewogen, Ons tegentintlen in \'t azuur Van die zoo zielvolle oogen.
Is poëzie een gaaf van God, Een godenspijs voor menschenharten. Een teug van hooger zielsgenot.
Een laafdrank, in hun smarten: O Pleng dien, pleng dien, stort hem uit. Laat in ons hart dien nectar glippen. Op \'t klinken van uw zilvren luit. Op d\' adem van uw lippen!
Wij zullen, met verrukt gemoed. Uw godgewijde tonen vangen;
Wij zullen drijven op dien vloed, Van maagdelijke zangen;
T
TE It Illin l.OFT VAN MOEDERS TROOST.
Een bleekte, een blos, een traan vooral. Een blik zal onze erkentnis toonen.
Maar eerbewijs en lofgeschal Uw zedigheid niet hoonen.
Geen weelderige mirtekrans,
Van dartlen rozengeur doortrokken.
Durft naadren tot den kuischen glans.
Die afstraalt van uw lokken;
En ook de lauwer wage \'t nooit Zich tot een kroon voor quot;t hoofd te strengelen, Dat met een schoonheid is getooid,
Verwant aan die der engelen.
Ook zien we een trek op dat gelaat. Een glimlach om die lippen spelen.
Die ons bekommerd hart verstaat.
En vruchtloos wil verhelen.
Nog raakt uw voet een nietige aard, Nog zweeft gij, troostende, in ons midden. Maar uw verhaaste hemelvaart Zal niemand lang- verbidden.
o Toef, vertoef nog, neem geduld!
De dag van God bestemd zal komen.
Eerst moet wat zulk een hart vervult
Van zulke lippen stroomen.
Doorzuiver onze onreine lucht Met galmen van verheven zangen....
Klep dan uw vleuglen, neem uw vlucht. En boet uw heet verlangen.
Maart 1852.
TER BRUILOFT VAN MOEDERS TROOST \').
Was op mijn versleten luit
Slechts één snaar gebleven.
Kon die snaar slechts één geluid
Stervend van zich geven,
Klinken moest van daag die toon, Daar ik deze huwlijkskroon Om dit hoofd zie zweven.
o Gewis, het speeltuig, dat
Al zijn melodieën Reeds voor u ten beste had,
74
Op uw moeders knieën.
\') Zie Dl. II. bl. 32-34.
ter bruiloft van moeders troost.
Galmt voor u, geliefde Bruid!
Galmt vanzelf een feestzang uit, Wacht op geen gebieën.
Duldt gij, brave Bruidegom,
Trotsch op uw vriendinne!
Dat men thans haar spreken kom
Van een oude minne.
Van een teedren liefdegloed.
Zestien jaren aangevoed,
Groot van den beginne ?
Dat \'s de liefde van mijn hart
Voor uw uitverkoren.
Die de kracht der jaren tart,
Die geen tijd zal smoren;
Bruidjelief, ziedaar de gloed. Die vandaag in mijn gemoed Dubbel op komt gloren.
Dubbel — Maar waartoe? Mijn kind.
Kan uw oogje \'t vragen?
Om den bruigom, die u mint,
\'t Harnas aan te jagen?
Ach, dat pogen ware omzonst,
Daar uw hartje voor hem bonst. Tot zijn laatste slagen.
Neen, indien wat onverpoosd
Mij het hart deed blaken,
Dezen dag voor moeders troost Krachtig op komt waken.
Beste Bruigom, \'t is alleen Om voor haar geluk mijn beên Vuriger te slaken.
..Baat eens dichters heilwensch veel?quot; \')
\'k Durfde quot;t nooit betoogen;
Maar de Bruid zal \'t tegendeel
Niet beweren mogen.
Wat haar zestien jaar geleên.
Door mijn zang werd toegebeên, Is haar toegewogen.
,Liefde, vreugde, zegen,quot; werd Kijklijk haar gegeven.
Deed wel ooit een groote smart \'t Jeugdig hartje beven?
1) zie t. a. x). bl. 34.
ter bruiloft van moeders troost.
God heeft haai- met teederheid Langs een zachten weg geleid, Tusschen rozendreven.
Zie de roosjes ook eens aan,
Die, bij elk ontwaken,
Fi-isch en vroolijk opengaan
Op haar zachte kaken ;
Zie dien heldren zonnegloed.
Die haar oogjes stralen doet,
Om elks hart te raken.
Zie die lipjes, fijn en schoon.
Steeds ten glimlach vaardig. Gravende in haar malsche koon.
Kuiltjes diep en aardig;
Zie dat voorhoofd enkel glans.
Niet versierbaar door een krans.
Maar den schoonsten waardig.
Dus is moeders troost altoos
Moeders troost gebleven;
In haar hand een frissche roos,
Haar van God gegeven;
Lieve ster, in iedren nacht.
Lach, te midden van de klacht,
Leven van haar leven.
Blijf, o blijf het, lieve bruid!
Want gij kunt het blijven,
Mag de bede. die ik uit.
Door Gods gunst beklijven. Kom, herstel u van den schrik.
Ziet ge ook in dit oogenblik Stille tranen drijven.
Kan zich \'t moederlijke hart
Niet geheel verkroppen,
Daar is zoo veel vreugd als smart
In dees kostbre droppen;
Voelt zij slechts, bij \'t scheiden gaan. Tegen haren boezem aan d\' Uwen rustig kloppen.
\'t Scheiden wordt welhaast verzoet,
\'t Leed is ras vervlogen.
Zoo maar steeds een zelfde gloed
Tintelt in uw oogeu.
Zoo maar de eigen gulle lach.
Na als vóór uw hnwlijksdag,
Haar houdt opgetogen.
-vax mijxe echtgenoot ic.
Zoo maar op uw lief\' g\'pziqht.
Zij het ook in smarten.
Steeds de glans des vredes licht
Der voldane harten;
Zoo ze u maar een wisslend lot, Met een kalmen blik op God, Onbevreesd ziet tarten.
Zoo ge in de armen van uw vrind ^ Uw geluk blijft roemen, En, beminnende en bemind,
Vruchten plukt na bloemen; Zoo zij, door haar moeders troost Ras een haar gelijkend kroost.
Naar haar naam hoort noemen.
Lieve, lang geliefde Bruid!
Storte God dien zegen,
Naar zoo veler wenschen, uit
Op uw hoofd en wegen!
Lache, als van uw vroegste jeugd. Bij uw lieflijkheid, uw vreugd En geluk ons tegen!
En gij. Bruidegom! Aanvaard
Wie wij allen minnen;
Zij is_ de uwe. wees haar waard:
Wijd haar hart en zinnen;
Wees haar vreugde, steun en trots. Leid met haar den zegen Gods l\'we woning binnen!
ZELFCKITIEK.
Hier dient de zedigheid bestreden; Zij vonnist zonder recht of reden; Zij geett een valsch getuigenis.... Toch heeft zij \'t altijd juist niet mis.
AAN MIJNE ECHTGENOOTE.
Met een bloemstukje uit Spa medegebracht, voorstellende witte hozen.
Bloemen uit Spa,
Van den rand der fonteinen,
Zachten en reinen.
Breng ik mijn Ga.
zelfckitiek. —
volkomenheid. — wederzien.
Zoo zij ze ziet Met iets teers in haar blikken, Meerder verkwikken Kan zij mij niet.
Strooide maar steeds,
Op haar wegen en paden.
Bloemen en bladen iSTieolaas Beets. 1852. _
VOLKOMENHKID.
\'t Cienie maakt nog den Kunstnaar niet,
Al grijpt het naar zijn kroon.
Wien voegt zi] dan dien godenzoon. Die in de Kracht
de Maat betracht, Nauwkeurigheid in \'t Schoon ?
WEDERZIEN.
(naar Ernst Floris.)
Bi] \'t kruis op den heuvel, daar buigt zich
quot;Een zwerver en leunt op zijn staf;
Daar ziet hij, met tranen in de oogen,
In het dal op de woningen af.
.Ta, dat is zijn dorpje, dat gloeiend
Zich uitbreidt bij \'t avondzonrood! Nog eens mag zijn voet het bereiken, Nog eens mag hij \'.t zien voor zijn dood.
Daar staat nog het kerkje op de hoogte,
Zoo net en zoo wit als weleer;
Slechts werden de linden wat zwaarder; Slechts werden de graven wat meer.
De oude put is bezocht als tevoren;
Moeders huisje kijkt uit tusschen \'t groen; Aan wie of het thans mag behooren\'? Wat of zij daarbinnen wel doen?
Daar is veel dat gansch nieuw is geworden;
\'t Jong geslacht eischt verandring en plaats Het verbouwt zich de dorpen tot steden. En verandert de stilte in geraas.
Zie, het beekje ruischt over zijn keitjes, En het kronkelt zich zachtjes en zoet.
78
DE LEIDSCHE VISSCHEK EN HET HAAKLEMMEK MEEK.
\'t Waren eenmaal geweldige waatren Voor het kinderlijk droomend gemoed.
Ach, de bergen, de bosschen, de velden,
Ze zijn allen gering nu en kleen;
Ook zoo krimpt voor veroudrende harten Elke vreugd en verwachting ineen.
Zie, de huisman keert weer van den akker;
\'t Wachtend kroost kent zijn stap en zijn stem. Ook de huismoeder treedt op den dorpel.... Hij herkent haar, maar niemand kent hem.
DE LEIDSCHE VISSCHEK
EX
HET HAARLEMMER MEER,
ix 1852.
Nu is het Meer niet meer;
Het moet zijn water missen;
Het krijgt het nimmer weer —
En nog wil Caubes visschen.
Het wilde-andijvie-kruid
Schudt overal zijn stengelen,
En strooit zijn pluizen uit —
En nog wil Caubes hengelen.
Het koolzaad zal eerlang
Hier veld bij velden kleuren;
Het ploegpaard komt te gang —
En nog wil Caubes peuren.
Haast hoort men hier alom
Het kraaien, tokken, kakelen Van \'t bonte hoenderdom —
En nog wil Caubes schakelen.
Och Caubes! \'t Is gedaan;
De hekken zijn verhangen!
Daar is in \'t Meer voortaan Voor u slechts slib te vangen.
* Het beweerde recht der stad Leiden op den droogvallenden bodem van het meer, op grond van haar recht van visscherij, en de daarover gevoerde procedure gaven aanleiding tot dezen mijnen Hl116quot; Haar-
79
80 waauschüw1ng. — herinnering.
lemmei-Meer-Zaiig, na den lsteiii ;n 1839, en den Ilden in 1850. Zie op bi, 95, 96 van het IIde en 44, 45 van liet voorliggende Dl.
Cauhes is min of meer de Leidsche uitspraak van den in die stad onder de peueraars niet ongewonen naam van Cobus, verkort voor Jacobus.
Het wilde-andijvie-hruid.
De bodem van het Haarlemmer Meer kwam nauwelijks boven, of hij was ook op vele plaatsen als overdekt met Cineraria palastris, Moeras-Aschkruid, dat reusachtig opschoot, rijk bloeide, en zijn zaadpluis op den wind ver en wijd overal bij wolken henenzond, ja tot in Amsterdam verspreidde. De polderlieden noemden deze plant Wilde Andijvie, wegens de gelijkenis van het blad.
\'i Bonte Itoenderdom.
„Dit kleine notabel stukje zal ik hier nog bij verhalen, dat men vermoedt, dat de eijeren van de hoenderen en eenden in de Beemsfer thans meer opbrengen dan te voren al de visch, die in de Beeinster werd gevangen.quot;
Leeghwateh, Haarlemmermeer-hoeJc (1641) Uitgave van van Hasselt, 1888, bl. 29.
WAARSCHUWINGEN.
Pluk rozen ;iaar uw lust, en laat het boompje snoeien: Hoe meer gij snoeit en plukt, te milder zal het bloeien.
Maar laat geen ruwe hand in \'t plukken kracht gebruiken Want die de wortels ophaalt, doodt de struiken.
En die de struiken doodt, heeft weinig recht tot toornen. Zoo hij zijn vingers kwetst aan scherpe doornen.
HERINNERING.
Neen, ducht niet dat ons hart, lief jougsken! u vergeet, Schoon reeds ten derdemaal, de herfstwind, in zijn waren. Uw grafje onkenbaar maakt met afgescheurde blaren. En immers, sinds een tweetal jaren. Een dochtertje in ons huis uw leege plaats bekleedt. Neen, ducht niet dat uw beeld terugwijkt uit onze oogen.
Te midden van de vreugd, die thans ons hart vervult. Waaraan we op nieuw, Godlof! van blijdschap opgetogen, Een aardig wichtje drukken mogen....
Neen, ducht niet, dat gij ooit vergeten worden zult.
Der oudren hart is trouw: het laat zijn kroost niet varen.
Al offren zij het Gode en leggen \'t welgemoed Terneer in \'t donker graf, om voorts omhoog te staren; Geen nacht des doods, geen macht der jaren, Scheidt hen volkomen van hun bloed:
H E 111 X NE RING.
Zie Geen nieuwe vadei-vreugd, geen anclre moedersmarte,
Geen goddelijke troost, geen bovenaardsohe vreê tad Verdooft zijn beeltni? in dat harte,
Dor Dat nooit zijn kindren telt, of telt de dooden meê.
Ach, \'t was me een zware gang, toen \'k, met een hart vol tranen.
Uw dierbaar lijkje bracht, waar \'t rusten zou in de aard. Hoe lieflijk was die plek, door eikjes en platanen En bloeiende kastanje omschaduwd en bewaard!
Hoe lieflijk was dat uur. Het zonlicht was aan \'t dalen.
Maar deed zijn ondergaande pracht,
Met tintiend rood en goud, door \'t dichte lommer pralen.
En wierp zijn laatste en schoonste stralen In de open grafkuil neer, waarin gij werdt verwacht.
Ik ben op \'t kerkhof thuis; \'k heb in die twalef jaren,
Waarin ik voeren mocht den herderlijken staf,
Er beurtelings in ieder graf Met velerlei gedachten moeten staren;
Ik wacht er al de dooden af;
En immer was \'t mij goed, in \'t wachten op een doode.
De groene heuvlen rond te gaan.
Bij menig harde zerk en menig zachte zode
Herin\'rend, peinzend, stil te staan.
Ik zwierf er veel, en lang met ongewisse treden;
Mets dan \'t geval alleen bestuurde er vaak mijn voet;
Maar, sinds dien avond, spreekt het bloed.
En gaat dat kerkhofhek niet open voor mijn schreden.
Of \'k weet, waar ik het eerst die schreden wenden moet.
Dat hek.... Mijn kind! Wanneer, bij schoone zomerdagen,
Het lied des nachtegaals tot over \'t kerkhof klinkt, ^ Uw moeder uitlokt om te hooren wat hij zingt.
En ze aan mijn zijde treedt langs bosch en doornehagen ; Als zij dat hek genaakt, hoe zie ik haar meteen
Reikhalzend gluren door de reten.
Of zij, door \'t hooge gras en \'t lage lommer heen.
Een blik mocht werpen op den steen.
Dien wij zoo wél te vinden weten.
Dan gaan wij zwijgend voort. Een zucht mag ons ontglippen ; Doch^ geen van beiden spreekt, -/Aj soms de lust ook groot;
Maar eindlijk----\'t Is genoeg! Uw naam moet van de lippen,
Uw naam, mijn lieve naamgenoot!
Dan schetsen _we ons uw beeld, in \'t spelen, staamlen, koozen, In dartle kindervreugd of ongestoorde rust,
Dat zachtblauw oog vol liefde en levenslust.
Die wangen frisch als lenterozen.
Dien mond, die stervend nog ons handen heeft gekust.
in. 0
81
HET KRUIS. — LIEDJE.
En s winters als de storm daar buiten Door witbesneeuwd geboomte vaart, En \'t ramm\'len van de vensterruiten Ons, met ons lief gezin, een dichten kring doen sluiten Rondom den huiselijken haard;
Als wij, omringd van al de spruiten.
Ons door de goedheid Gods gespaard — De jongste op moeders schoot, een andere aan naai voeten Op \'t kleine stoeltje neergehukt.
Een derde aan vaders hart gedrukt —
Niets dan erkentnis wezen moeten Voor wat ons oudrenhart verrukt.
Dan gaat wel nooit het oog, met innig welgevallen, Van hlij gezicht tot blij gezicht, _
Of \'t hart gedenkt u, dierbaar wicht!
En zegt: Ziedaar zijn plaats; hier is hij uitgevallen.
Dan stijgt in moeders oog wel vaak een stille traan. En vaders stem verflauwt, te midden van t verhalen;
Zijn kroost ziet hem verwonderd aan.
Onwetend dat hij denkt, hoe thans de bleeke maan Uw graf verlicht met koude stralen.
Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongskenl u vergeet.
Maar gij, gedenkt gij in dat Eden,
Waar gij, in jezus arm, van smart noch tranen weet. Nog soms — ik zeg niet aan ons leed —
Maar wel aan onze teedevheden?
Daar weet gij met wat lietde ons hart u heelt bemind; Een liefde, die u \'t heil der heemlen niet benijdde;
Maar. als uw Heiland riep. bedroefd en nochtans blyde, Tot u kon zeggen: Ga, mijn kind!
October 1852.
Met begrijpen zal \'t niet gaan:
Grijp het\'onbegrepen aan.
LIEDJE.
Als ik een woord van wijsheid wist.
Ik zou het gaarne spreken. Om vroom bedrog en achterlist Den buigbren nek te breken.
Bezat ik kracht van scherts en luim,
Die zette ik graag op renten.
Voor die ons altijd schuim voor kruim En schijn voor wezen venten.
ONTDEKKINGEN. — MEDEBROEDER.
Zoo mij een tuchtroe waar bedeeld,
Zij zou de schouders streden Van \'t nietig volk, dat altijd speelt. En kibbelt bij zijn spelen.
Had ik den toon van d\' echten troost,
Straks werd die aangeboden Aan wie vergeefsche zuchten loost, Kn roept tot valsche goden.
Maar wist mijn keel een lofgezang
Behoorlijk aan te stemmen.
Ik nam een kaars en zocht zoo lang. Tot ik aan \'t hart mocht klemmen
Een man die, aan beginsels trouw
En zonder blaam ot\' vreezen. De opgaande zon niet eeren zou.
Noch heden noch nadezen.
ONTDEKKINGEN.
Ik vond een man, een man van staal.
Een man van stalen moed.
Een man van onvermengd metaal — En toch van vleesch en bloed.
Ik vond een man met ijs omschorst.
Voor lof- en naspraak koel —
Maar, in het binnenst van zijn borst.
Vond ik een warm gevoel.
Ik vond een man ten strijd gereed,
En vaardig toe te slaan —
Maar, schoon hij van zijn wang niet gleed. Zag \'k in zijn oog een traan.
Ik vond een man met vrijen nek.
Van eedlen geest bezield —
.luist kwam hij uit zijn bidvertrek.
Hij had voor God geknield.
MEDEBROEDER.
Ambtsbroeder — Foei! dat \'s stijf en koel! Slechts Medebroeder toont gevoel. Oprechtheid, warmte, liefde, vrede,
\'t Komt alles met dat Mede mede.
AAN EEXE ACHTTIENJARIGE.
AAN EENE ACHTTIENJARIGE.
November brengt geen malsohe rozen.
Geen zilverblanke lelies aan,
Dan die op niaagdenwangen blozen En op haar voorhoofd opengaan. Hij draagt een krans van gele bladeren Op lokken haavloos en doorweekt. En \'t hart van \'t laatste bloempje breekt Op zijn onstuimig naderen.
Toch viert ge uw jaardag, lieve schoone!
Door storm noch regenvlaag bedroetd. Gerust dat gij noch bonte krone
Noch groenen bladerkrans behoett.
Toch brengen we u een handvol bloemen, Maar bloemen van een andre gaax-d, Dan die de herfstwind vaagt van de aard. En koel ter dood durft doemen.
Wij brachten gaarne t\' allen tijde
Ons kransje aan een frissche jeugd.
Die in haar jonkheid zich verblijdde
Met tintelende levensvreugd;
Maar vlochten onze schoonste rozen Het liefst om dat gezegend hoofd. Dat vroeg in hooger vreugd geloofd En \'t beste had gekozen.
Aandoenlijk straalt, bij hooge jaren.
Beproefde godsvrucht met haar licht Om \'t zilver van besneeuwde haren
Kn eerbiedwaardig aangezicht;
Maar waar wij bruine of blonde lokken, Een voorhoofd zonder kreuk of voor Zien glinstren van dien zachten gloor, Hoe wordt daar \'t hart getrokken!
Daar zijn juweel noch goudglans noodig,
Noch paarlen kwistig uitgestort. De bloemkrans zelfs is overbodig
En deed aan \'t zedig schoon te kort. Een reine blik uit zielvolle oogen. Een glimlach van \'t gerust gemoed Toont daadlijk den geleenden gloed Zijn blinkend onvermogen.
Melieve, daar we uw jaarfeest vieren,
Eén wensch is \'t, die ons hart vervult: Dat altijd u dat schoon moog sieren.
SCHEIDING. 85
Dat siert en jjeen versiersel duldt.
De frissche roos der inaagdenkoonen,
Wat is zij bij dien zachten gloed,
Die uitstraalt, waar in \'t stil gemoed Geloof en liefde wonen\'?
Een ijfHe jeugd is \'t eerst geweken,
Onzuivre weelde snelst aan \'t end:
Vergeefs gepoogd door duizend treken.
Een schoon te redden, dat zij schendt!
Daar is geen schoonheid meer beveiligd,
Daar is geen langgerekter jeugd,
Dan die bewaakt wordt door de deugd,
En die de godsvrucht heiligt.
De lelie zal niet haast verwelken.
Schoon ook de hitte \'s middags prangt.
Die \'s morgens vroeg in de open kelken Den koelen dauwdrop rijklijk vangt;
Maar als de morgenwind de droppen Uit speelschheid wegkust van de roos,
Dan duurt de vreugde een korte poos;
Haast kwijnen bloem en knoppen.
o Lieve Lelie, die onze oogen
Aanschouwen in haar morgenstond.
Van zuivren hemeldauw betogen,
Drink aan dat vocht uw hart gezond!
Streelt de uchtendkoelte ook u de bladeren,
Bewaar uw schat, bewaar uw hart.
En laat zijn adem, tot uw smart,
Dat heiligdom niet naderen!
Ontplooi, bij \'t brandenst middagstralen,
Geheel uw stille bloesempracht;
En. waait een stormwind door de dalen.
Buig neer met ootmoed, rijs met kracht!
Vervul de lucht nog van uw geuren.
Als de avondzon in \'t westen blinkt;
God zal u, waar zij nederzinkt,
Zijn bloemhof waardig keuren.
\'2 November 1852.
SCHEIDING.
Onze wegen scheiden.
Maar ons hart blijft een : Immers is ons beiden Eéne hoop gemeen;
OVERGANGEN.
En de dag zal komen.
Is reeds in \'t verschiet,
Die ons vereent met alle vromen,
En voor altijd te zamen ziet.
Onze wegen brengen
Over bers en dal.
Naar liet God geheugen
En besturen zal;
Liefde doet ze kronkelen,
Maakt ze ruw en vlak;
Tot waar wij \'t vredig licht zien vonkelen. Van onder \'t veilig vaderdak.
1852.
OVERGANGEN.
Ach, hoe vele Groene, gele.
Bruine roode,
Bontgekleurde,
Halfverscheurde,
Levend doode.
Zwartgevlekte,
Met het stof des wegs bedekte.
Dorre blaan Kraken op de waudelpaan!
Zie ik omhoog:
Kaalheid en naaktheid en dood treft mi)n oog; Hoekige takken en knoesterige armen.
Sprokkels, geschikt om den haard te verwarmen, \'t Ledige nest iu den schuddenden top;
Maar aan de twijgen de wordende knop.
Heden, stormen aarde en zee beroerend.
Morgen, regen alles met zich voerend.
Heden, luchten ondoordringbaar grauw.
Morgen, nog een plekje waterblauw;
Nog een zonnelonkje, nog een lachje. Toegeworpen aan bet krimpend dagje,
Maar dat treurig wegsmelt en vergaat.
Als een glimlach op een krank gelaat.
Nog weinige dagen Van vlagen en buien,
Uit zuien En westen, met gieren en jagen.
Met blazen
VOLÜPTAS FLENDI. — EEN NEDEKLANDSCH LIED.
En -woelen,
En joelen En razen....
En \'t Noorden laat zijn adem voelen. Die machtige adem overwint. Het tierende oproer is bezworen; Uit onrust wordt de rust geboren; De winterslaap der aard begint.
Haar slaap? Haar dood;
Dus naakt en bloot Ter prooi gegeven Aan de ongena van koude en vorst, Die \'t hart doet stilstaan in de borst, En toornig optrekt tegen \'t leven.
Maar neen! de hoogste goedheid waakt. De hulp genaakt.
Zoo trouw als teeder.
Een donzen vlok, een zachte pluim (Een zweemsel naar bevroren schuim),
Daalt dwarlend neder.
Straks volgt haar uit de grauwe lucht Een dichte vlucht. Met zwervend zweven.
Gij weet niet of zij naakt of wijkt; Maar als zij eindlijk nederstrijkt,
Is \'t koestrend winterkleed geweven.
November 1852.
Wat \'s de schoonste en zoetste traan. Die u de oogen kan doen schitteren? Waar een edelmoedig hart Krimpt van onverdiende smart, Zonder te verbitteren.
EEN NEDEKLANDSCH LIED.
o Nederland, mijn Vaderland!
Hoe fier staat, aan uw roemrijk strand.
De aloude leeuwbanier geplant.
Door Belg, noch Frank, noch Brit te rooven. Hoe sierlijk prijkt, op \'t spits der lans. De onschendbre hoed des vrijen mans. Omslingerd niet oen lauwerkrans —
Oranje Boven!
koperen bruiloft,
o Nederland, mijn Vaderland!
Eén naam, één roem, één eendrachtsband
Omsnoert uw burgers hand aan hand.
Bij vrije vaart en volle schooven: Hollandia, Zelandia,
Met Frisia, Brabantia,
Sticht, Oversticht en Gelria —
Oranje Boven!
o Dierbaar erf, gehaald uit zee!
Wat vijand dreige aan grens of ree,
Gij kent de spreuk: „je maintiendraiquot;.
Den moed door tijd noch lot te dooven. \'t Bloed, dat zoo di\'kwiils heeft gevloeid. Dat voor uw eer en vrijheid gloeit. En gaarne „uw laatste schans besproeitquot; — Oranje Boven!
o Nederland, mijn Vaderland!
Doe Nassaus oud verbond gestand,
En stel uw lot in Godes hand,
Wien, als de vaadren, \'t kroost moet loven Blijf trouw en edel, vroed en vroom.
Rust waakzaam, zonder blaam of schroom, Bij uw Oranje- en Vrijheids-boom —
Oranje Boven!
\'s Konings Verjaardag, 1863.
KOPEREN BRUILOFT.
aan Al.ki uk.
Ach, melieve, welk een feest!
Welk een vreugde voor de harten, Die, in voorspoed en in smarten.
Steeds gezegend zijn geweest.
Door de liefde van dien God,
Die de schaal houdt van ons lot.
Ach, melieve, welk een dag!
Daar we een zestal frissche spruiten In de minnende armen sluiten.
Met een stillen, dankbren lach. Waar een traan zich meê vereent, \'t Lieve jongsken nageweend.
Ach, melieve, welk een dank. Welk een schaamrood nederknielen Voor den Herder onzer zielen;
Welk een davrend lofgezang!
88
suum cuiqüe. — jax. — meizang.
Hij schonk liefde en overvloed,
Gaven, krachten, troost, en moed.
En, te midden van \'t genot.
Hoeft de boezem voor zijn ooren Deze bede niet te smoren:
„Spaar onz\' echtknoop, machtig God!
„Spaar de kindren! Schend, o Heer!
„Onzen schoonsten krans niet weer.quot;
4 Maart 1858.
SUUM CU I QUE.
(\'naar kückeet.)
Bloem der Amandelen!
Gij vliegt de Lente voor en, op haar naadren,
Bestrooit gij \'t pad, waar langs haar voet zal wandelen.
Aanvallig Klokje!
quot;Van \'t sneeuwkleed, dat van de aarde is opgenomen,
Zijt gij teruggebleven als een vlokje.
Bedeesd Penseetje!
Gij zegt: „De Roos zal komen als ik weg ben.quot;
Goed dat zij komt; maar blijf nog maar een beetje.
Gij zijt, te midden Der zustren. de priestresse, zilvren Lelie!
Wanneer zij godsdienst houden en aanbidden.
Maar, Lelie-stengelen!
Voor onze ruikers zijt gij niet geschapen;
Uw plaats is in de handpalm van Gods Engelen.
1853.
JAN.
Jan was ter preek bij Dominus Verschrimp.
Het stuk was „wel doorwrochtquot;, en wel verdeeld in deelen; Maar Jantje zei: „Wat kan \'t mij schelen\'?
„Heel fijn gekorven; maar niet krimp!quot;
M E I Z A N G.
aan maria.
Nu zich het aardrijk opendoet Tot vroolijk groen en blijde knoppen, Nu voel ik ook in mijn gemoed De dichtaar weder kloppen.
89
IX MEI.
Xu \'t nachtegaaltje wederom Ben lied zingt in den hagedoren,
Nu blijf ook ik niet langer stom,
Maar lief weer aan als voren.
Maar \'t eerste liedje dat ik slaak,
Maria! moet uw ooren treffen:
Het is een lang beloofde zaak.
En die ik graag vereffen.
Wat zing ik, daar het roosje knopt, En gouden regens en seringen En mei met bloemen staan gepropt, En alle vogels zingen?
Wat denk ik, als ik denk aan u.
Die \'k als achtjarig kind reeds minde. En als volwassen jonkvrouw nu Niet min beminlijk vinder
Ik denk aan deze\' uw lentedag.
Dees sohoonen voortijd van uw leven: Geniet hem. daar uw hart het mag; Hij is van God gegeven.
Pluk rechts en links zijn bont gebloemt. En hoor den wildzang onder \'t lommer; De reine vreugd, waarop hij roemt. Aanvaard ze, vrij van kommer.
Aanvaard ze, niet een blijden geest. Als uit de goede hand des Heeren: Een dankbaar hart geniet het meest. En kan het best ontberen.
Gij weet: een lentedag is kort; Zim weelde telt maar weinige uren; \'t Gezang verflauwt, \'t gebloemte dort; De liefde Gods zal duren.
1853.
IN MEI.
Laat mij rusten aan uw boezem, Schepping Gods
in lentedos.
Met dien krans van appelbloesem. Met dien zachten rozenblos!
Dat uw glimlach, dat uw blik, Dat uw adem mij verkwikk\'.
90
AAN MIJNE MOEDER.
\'Jl
STEENVRUCHTEN. —
Dat uw stem mij toe koom fluisteren, Waar ik eeuwig naar wil luisteren.
Van mijns levenslente spreekt gij. Lentevreugd
der blijde Jeugd!
U bemin ik nog, al weekt gij; Gij verheugt zoo lang gij heugt.
Van de lente mijner Min Vlecht gij zoete woordjes in,
Van de bloemen, die nog geuren, Al verschoten ook haar kleuren.
Maar uw zachte fluisteringen,
Hemelzoet
voor mijn gemoed.
Kaken goddelijker dingen Dan gij zelve smaken doet:
Van een lente, die niet vlucht.
Van een eeuwge balsemlucht.
Waar de rozen nimmer dorden.
Lelies nooit bezoedeld worden.
\'k Zag u, in mijn winterdroomen.
Met uw krans,
In vollen glans Uit de sneeuw te voorschijn komen.
Even heerlijk, docht me, als thans; Maar waar blijft mijn schoonste droom, Daar ik u te aanschouwen koom\'? Zeg mij, zal ik ook zoo spreken.
Als die lente me aan zal breken\'!1
STEENVRUCHTEX.
Gij zegt: Uw verzen hebben pit. Ik\' noem \'teen steen, wat daarin zit! En wien het kraken moog behagen, \'k Zal mijn gebit er niet aan wagen.
AAM MIJNE MOEDER.
Ach Moeder, welk een dag- van diep en droef ontroeren.
Als eensklaps, onverwacht, met donderend gedruisch. De koets, bestemd u uit ons midden weg te voeren, Aanrolde, naderkwam, en stilstond voor ons huis.
VERPOOZING.
\'t Portier gaat open, en de treê wordt neergelaten.
Hoe klinkt die bel en breekt de harten van uw kroost! Uw gade staat en weent; maar zucht noch tranen baten: Gij kleedt u tot den tocht, en spreekt een woord van troost.
Reisvaardig, neemt gij, met het oog op God geslagen.
Een moedig afscheid van \'t verslagen huisgezin;
Betreedt het voorvertrek, ziet voerman, paarden, wagen .... Maar wacht tot hooger wenk u zeggen zal: Stijg in!
Die wenk blijft achter. Uur aan uur vervult zijn ronde, Met pijnlijk wachten, hoop en vreeze, moed en angst. Uw afreis blijft bepaald, maar onbepaald haar stonde;
Ons voorwerp steeds van schrik, l. dikwijls van verlangst.
Op eens, wat ommekeer! Het rijtuig, weggereden.
Haalt vrienden, zusters af, bestemd u voor te gaan. Uw diepbedroefde kring omhelst u wel te vreden;
Gij glimlacht, maar met ernst, en — houdt het reiskleed aan
VERPOOZING.
\'t Bezig leven sleept mij voort Met zijn last en lusten;
Laat mij, in dit lieflijk oord. Van mijn zorgen rusten!
Vriendschap opent mij dees deur, Tusschen loof en bloesem;
Rozen van den zoetsten geur Draagt zij aan haar boezem.
Onder \'t half verborgen dak.
Lachen vreugde en vrede.
Zoo mij hier een doren stak, \'k Bracht dien zelf dan mede.
Voedsel zal hier aan \'t gemoed Noch den geest ontbreken.
Waar men van \'t waarachtig Goed, \'t Echte Schoon kan spreken,
\'t Woord des Heeren vind ik hier Tot mijn troost en stichting;
\'k Breng er zelf een deel of vier Waarheid en verdichting.
Mooglijk wordt een enkle maal Eigen dichtgeest wakker,
Als ik langs het mastbosch dwaal Of den boekweitakker.
NIELS STOCKFLETH.
Mooglijk ... maai- geen plannen, neen!
Thuis 11100,2: \'t werk mijn lust zijn. Rusten kom ik hier alleen;
En de rust moet rust zijn.
Zeist, 1853.
NIELS STOCKFLETH,
PREDIKANT IN FINMARKEN. BHIEF AAN EEN AMBTSEEOEDEE.
Collega, \'k hoor u somtijds zuchten
Dat gij een standplaats hebt,
Waarin uw ziel, bij weinig vruchten.
Nog al mishagen schept.
De menschen wilt gij niet betichten;
Zij meenen \'t wel met u:
Al vallen zij om u te stichten Wat onbeschaafd en ruw.
Tien jaren hebt gij reeds gesleten
In wat ik nu en dan Het eind der wereld hoorde heeten;
Ook heeft het daar wat van.
Want als de klei tot over de ooren
U overdolven heeft.
Of ge in den vloed zit vastgevroren, Wie weet er of gij leeft?
Wat mij betreft.,. „Gij hebt mooi sprekenquot;.
Voorzie ik dat gij zegt;
„Die in zoet Hollands schoonste streken
Uw tent hebt vastgehecht;
En die, vervelen u de boeken
En boomen altemet.
En hof- en hoofdstad kunt bezoeken. En gaan nog thuis te bed.quot;
\'t Is waar; de hemel zij geprezen!
Ik kan licht dankbaar zijn.
En uw vertrooster moeilijk wezen.
Al doet uw lot mij pijn.
Ik spaar u dus mijn wijze lessen,
Maar wil, zoo gij \'t gehengt.
Collega Stockfleths werkkring schetsen; Zie zelf waartoe dit brengt.
Collega Stockfleth is te vinden —
Maar wie bezoekt hem ooit? —
93
NIELS STOCKFLETIT.
In \'t woest gebied der noord e\\vin den,
Met enkel sneeuw bestrooid.
Zijn oog wordt niets dan wildernissen
Met boom noch struik gewaar,
En moet ook zelfs dit uitzicbt missen,
Twee maanden van het jaar.
Want dan vergeet ten eenemalen
De zon dit aaklig oord,
Waar ze anders nog wat bleeke stralen
Door mist en nevel boort.
Genoegzaam om te doen gevoelen,
Hoe naar het schouwspel zij Van grijze rotsen, bruine poelen,
Gemonsterd op een rij.
Wie onzer kan zich denkbeeld vormen
Van dien gerekten nacht. Als onophoudelijke stormen
Betoenen al hun kracht,
De jachtsneeuw giert, de stortsneeuw dondert,
\' En, zij ook \'t haardvuur heet,
Geen mensch zich van de rijp verwondert Aan deur- en vensterreet!
Dan worden, voor zijn vuur gezeten,
En luistrend naar \'t geweld,
De lange jaren, hier gesleten,
Door Stockfleth nageteld.
Dan mag hij mijmren aan de dagen
Van \'t schoon en drok weleer.
Die hem den degen voeren zagen Voor quot;t vaderland en de eer.
Dan mag hij, als \'t uitzinnig tieren,
\'t Geraas, \'t gejoel, \'t gegons. Het beurtlings schor en gillend gieren
Hem wakker houdt op \'t dons.
Bij \'t flauwe lamplicht om zich staren.
Te midden van \'t gedruisch.
En denken aan die vóór hem wa,ren Bewoners van dit huis.
Als hij, het heilig ambt bekleedden
Met onbeneveld hoofd.
Tot eenzaamheid en aakligheden
Hen hadden uitgedoofd;
En die, als tintelende vonken
In grauwende asch versmoord, Tot zinloosheid zijn weggezonken,
In dit afgrijslijk oord.
NIELS STOCKFLETH.
Collega Niels heeft zijn gemeente,
En toont het metterdaad,
Voorzeker lief tot in \'t gebeente,
Daar hij haar nooit verlaat;
En \'t zegt niet weinig stompe Finnen En Lappen, vuil en dom.
Een reeks van jaren te beminnen In naam van \'t christendom.
Collega Stockfleths combinatie Sluit half een Neerland in;
Zijn kudde is een geheele natie,
En alles Lap of Fin.
Hier hoort men somtijds wel eens klagen „Dat huisbezoek valt zwaar!quot;
Maar zoo wij Stockfleths arbeid zagen. Wij onderdrukten \'t maar.
Laat ons hem volgen op die reizen.
Van ijskoud oord tot oord! —
Daar zit hij neer in zijn gepeinzen;
Het rendier trekt hem voort.
Reeds gaat de tocht met trage stappen.
Want nacht en duister daalt;
De grove tent der grove Lappen Wordt voor den dag gehaald.
Men veegt terzij de losse vlokken:
Men strooit den grond met rijs;
Men spant het doek op negen stokken.
Naar Finniaansche wijs.
In \'t midden zal het haardvuur branden;
Reeds maakt de rook begin ;
En Stockfleth kruipt op knie en handen Den lagen kegel in.
Het reisgezelschap volgt die schreden.
Geen naam van schreden waard.
En slaat op kruislingsche onderleden Een cirkel om den haard.
Straks zal de houten lepel rondgaan En, dank zij \'t heilig vuur!
Met vloeibre sneeuw van mond tot mond gaan, Voor langer dan een uur.
Terwijl die nectar zich laat pooien.
Ligt, bij denzelfden gloed,
Een groot stuk rendiervleesch te ontdooien. Dat aanstonds -dienen moet.
NIELS STOCKI\'LETH.
De kousen \') hangen vast te drogen,
En benglen, van haar staak, Den drinkenden voor neus en oogen;
Maar dat doet niets ter zaak.
Koude en vermoeidheid zijn vergeten.
De dorst in \'t eind gelescht;
Men spitst zich slechte op \'t keurig eten.
En glimlacht al zijn best.
„God zij voor \'t warme huis geprezen!quot;
Roept ieder blij te moe;
En Stockfleth zegt, met minzaam wezen. Er bibbrend „Amenquot; toe.
De rook, het vuur, \'t getrouw betasten.
De tong van \'t hondenpaar _
Zal ras een eind doen zien aan \'t vasten —
Het oogenblik is daar!
Een Lap neemt aan het vleesch te hakken;
Hij knielt; de bijl rijst op----
En, eer de grage honden \'t pakken.
Vliegt stuk bij stuk in \'t sop.
Nu doet men \'t vuur verdubbeld knappen.
Nu wordt de gloed een hel.
Tot groot vermaak der kleine Lappen
En van hun vetleer vel.
Collega zou \'t zich minder troosten,
Zoo wijken mooglijk waar;
Maar laat in \'s hemels naam zich roosten, Een roemloos martelaar!
Zoo hij maar eens zich om kon wenden.
Zijn gloed was ras gebluscht; Dat voelen zijn bevroren lenden.
Waarop het tentdoek rust.
Maar vleesch en soep zijn naar behooren;
Elk prijst de lekkernij;
Den Pap=)quot;is zelfs een brood beschoren; Een mes en vork daarbij!
En is de maaltijd afgeloopen
En öode dank betaald.
Dan fluks den pelszak ingekropen. De deken opgehaald 1
») Eigenlijk de komugen; een soort van wijde laarzen, die tot over de knieën reiken en met zacht gras aangevuld zijn.
-) Predikant.
96
niels stockfleth. 97
Men strekt zich boogsgewijze neder.
Gelijk gestopte worst.
En elke Lap legt trouw en teeder,
\'t Hoofd onder buurmans borst.
Zoo slaapt men, onder \'t dak van lijnen \').
Gezellig en gerust,
Pjii laat het flakkrend vuurtje kwijnen.
Of uitgaan, naar zijn lust.
De morgendisch vereischt geen stoken.
Voor d\'onverweekten Lap;
Toch zal men mooglijk nog eens poken.
Ter eere van den Pap.
\'t Gebed gedaan, \'t ontbijt genoten:
De vrienden maken haast.
Het rendierspan dient opgestooten,
En wie weet waar het graast \'?
Het vee te zoeken staat den Lappen
Op vrij wat zweetverlies;
De Pap, door heen en weer te stappen.
Zorgt dat hij niet bevriez\'.
In \'t eind, de dieren en de mannen
Staan hijgende in het rond;
Nu wordt er ijlings ingespannen,
En men vertrekt terstond.
Door sneeuw- op sneeuwveld gaat het verder
Met klinglend belgeluid,
Het zweetend schaap, de koude herder.
Elk in zijn berenhuid.
Maar de Opperherder in den hoogen
Ziet op die sledevaart Gewis met welgevallige oogen;
Want hem zijn lief en waard De liefde, die de sneeuw durft tarten
En in geen ijs bevriest.
t Geloof, dat ook in Lapsche harten Zijn waarde niet verliest.
Zeist, 1853.
i-nibls ..ioaghïsi christian vire stockfletn word in \'t jaar 1787 te Chnstiansand (in Noorwegen), waar zijn vader stiftproost was, o-e-boren. Hi) verloor hem vroeg, en studeerde, sedert 1803, onder zeer bekrompen omstandigheden, op kosten van eenige vrienden, en niet zonder grooten tegenzin, te Kopenhagen, in de Rechten. Als later de
1) Lynen — linnen. Vergelijk: lijnwaad, in.
TiLOEIENDE LINDE.
oorlog in Holstein uitgebroken en een aanstelling van jonge officieren noodig geworden quot;was, meldde hi] zich tot den ^krijgsdienst aan, maar bekwam eerst een luitenantsplaats nadat hij zich reeds bij een schrijnwerker aangemeld had om, tegen een paar men daags lesgevens aan diens dochter, van hem het handwerk te lee-ren. In den slag bij Sehestedt (10 Dec. 1813) streed hij dapper mede. Na de scheiding van Noorwegen en Denemarken, verlangde hij naar dit zijn vaderland terug te keeren, kreeg, als kapitein, eervol ontslag, en ging in 1814 naar Noorwegen, waar hij^in 1S18 eene nieuwe aanstelling erlangde. Kort daarop verliet hij echter den krijgsdienst voor goed, en in 1823 vinden wij den voormahgen hoofdman, als student in de godgeleerdheid, te Christiama terug. Hij gevoelde zich sterk naar het Noorden getrokken en, m 1824 predikant geworden, werd hij in 1825 tot voorganger der gemeente Vadsöe geordend, om toenmaals de eenige predikant van geheel Finmarken te zijn, een kerspel dat zich over 300 vierkante mijlen verbreidde. Van dien tijd af dagteekent de reusachtige en onvermoeide leeraars- en zendelings-werkzaamheid van dezen getrouwen dienstknecht des Heeren onder de Lappen en Finnen van het hooge Noorden: een arbeid die zich tot in het Hussische ryk uitstrekte, en waarvan, zoo ik wel onderricht ben, de wakkere grijsaard tot op den huidigen dag nog niet is aigelost.quot; „
Aldus schreef ik in 1858, bij de uitgave mijner Korenbloemen. Nog m datzelfde jaar werd Stockfleth genoodzaakt wegens lichaamslijden (in rug en knieën) zijn ontslag te nemen. Het overige zijner levensdagen bracht hij deels in Christia-nia, deels, tot gebruik der daar aanwezige slijkbaden. in Sandefjord door, bleef echter ook alzoo, maar nu met wetenschappelijke!! arbeid, voor het hem zoo dierbare Kinnenvolk werkzaam, en ontsliep den 26s^en April 1866, in de armen zijner trouwe levensgezellin. 1! ij was negen en zeventig\'jaar oud geworden.
Zie chr. v. kalkar, in piper\'s Ev. Kalender 1867.
BLOEIENDE LINDE.
Diep dringt de wortel door,
Die \'t oog ontvlucht;
Hoog stijgt de stam hervoor,
Hoog in de lucht.
Ver breiden, met een zacht ontfermen. De takken, als weldadige armen, _
Zich over \'t lager groeiend kruid.
Naar alle zijden, liefdrijk uit.
De koele schaduw strekt nog verder. En lokt de kudde met den herder.
Des middags, op den zoom van \'t bosch. Ter sluimring uit in \'t koele mos.
BLOEIENDE LINDE. 99
^tv1* c^e. geur van de geurige bloesems,
Die de twijgen bezaaien, omlaag en omhoog.
Zij verbergen zich needrig en zedig voor \'t oog.
Al aar verkwikken veel hoofden en zalven veel boezems. it7 quot;ÏÏ vailgt dien geur, en bij dag en bij nacht
VVorclt de linde gezegend en dank toegebracht.
\'t Blind en hulpbehoevend zieltje,
( Lang van \'s levens last vermoeid,
Ruikt hem bij haar spinnewieltje:
„Kindertjes! de linde bloeit!quot;
Op het ziekbed neergezegen.
Haalt het teringachtig wicht Dezen geur nog eens terdegen ^ Op, en lacht met bleek gezicht.
Voor haar open venster, staken,
(Komt hij ook hun neusjes raken)
Broertje en zusje \'t vroolijk spel.
De oudste heft zich op de teenen,
Gluurt_ vernoegd naar \'t bedje henen:
„Zusje!quot; vraagt hij, „ruikt gij \'t wel?quot;
Zelfs de ruiter, op de heiden.
Waar die geur hem tegenvaart,
Kort den teugel, stuit zijn paard.
Om het plekje te onderscheiden.
Waar de balsemwolk van stijgt.
Die _zoo koestrend nederzijgt.
Als hij, met geslaakte toomen,
Toestapt op de lindeboomen.
Zien zijn bruine wangen bleek;
Beelden uit het diepst verleden.
Enkel liefde en lieflijkheden,
Maken hem den boezem week.
Onder \'t lommer zit de Wijze,
Met den leerling aan zijn voet.
Starende op den achtbren grijze,
^ \'t Oog vol eerbied en in gloed.
Naar den blondgelokten schedel
Wordt de stramme hand gestrekt:
\'t Voorhoofd streelt zij, breed en edel.
En de geest wordt opgewekt.
„Dring diep door, eedle geest!
Om te steiler te stijgen.
Maar hoe hooger gij reest,
Leer des te lager, in liefde te neigen
xqo ■ geen\' engel. — volkslied.
Tot wat, zwak en beproefd, Uw bescherming behoeft.
En haar inroept met hopen en zwijgen.
Vermenigvuldig en verbreid
Uw kracht, uw werk, uw zegen.
Maar glimlach zacht een lijdend mmschdom tegen Ver \'reikt de liefde, verst met lieflijkheid.
Zeist, Juli 1853.
GEEN ENGEL.
Gij zijt geen engel, maar een mensch. Mensen vol bekoorlijkheden;
Een engel heb ik nooit aanschouwd,
Een mensch, als daar ik u voor houd. Maar zeldzaam op zien treden.
Gij zijt geen engel, maar een mensch. Waar mensohen roem op dragen;
Een mensch aantreklijk, geestig, goed.
Met helder hoofd en rijk gemoed. En \'t oog omhoog geslagen.
Gij zijt geen engel, maar een mensch. Al \'hebt ge een englenharte;
Al hebt ge eens engels hulp en troost
Beschikbaar, waar een menschlijk kroost Den doren voelt der smarte.
Gij zijt geen engel, maar een mensch; o Neem geen englenwieken!
Maar wend uw voet vaak naar mijn deur.
En laat mijn huis den nardusgeur Van uwe liefde rieken.
1853.
VOLKSLIED.
Wij zijn kindren van ons land.
Vrije Batavieren!
Bloemen van den waterkant Ons den hoed versieren.
\'t Water dreigt, maar krijgt ons met,
Achter onze dijken.
En de verste zeeplas ziet Onze vlaggen prijken.
GKEN GENADE. — HET HAARLEMMER-MEER DROOGGEMAAKT.
Dankbaar dienen we onzen God,
Keren onzen Koning,
Slechts op trouw aan \'t hoogst gebod
Wachten wij belooning.
Helden zijn wij voor het recht.
Niet in \'t oproerschreenwen;
Aan de Oranjevaan gehecht,
Nederlandsche leeuwen.
GEKN GENADE.
A.
\'t Is waar, hier is een glasruit stuk.
En daar is een deur, die niet sluit; Maar \'t gansch gebouw is heerlijk ....
B.
Neen!
\'t Steekt te hoog boven de anderen
HET HAARLEMMER-MEER DROOGGEMAAKT.
1853.
Nu, kom eens uit uw graf.
Gij puik der Molenaren, \')
En zak het Zuider-Sparen Eens in een schuitjen af!
Nu, klim dien dijk eens op!
Gij hoeft niet meer te vragen; Uw^ vijand ligt verslagen,
üw zielsvreugd stijgt ten top.
Nu, geef van vreugd een schreeuw. Nu, schud uw manen statig; Uw fierheid is rechtmatig, Oud-Hollands trotsche Leeuw!
„Zuig haast uw long gezond Aan de uiers van de koeienquot;.
Die \'t luid triumflied loeien Op d\' overwonnen grond.
Geluk, mijn Vaderland!
Geluk, geluk, mijn Koning! Volharding vindt belooning. Volharding en verstand.
_ Gij rukte \'t zwaard niet bloot Gij liet het in zijn scheede;
Gij hebt in vollen vrede Uwe eer en erf vergroot.
102
GENOT. —
ROEM. —
UIT MOEDERS NAAM.
Heb dank, almachtig Heer! Uw gunst moclit ons bestralen; t4ij deedt ons_ zegepralen; Aan u-alleen zij de eer.
Blijf die ge óns zijt geweest; Bestel het zaad den zaaier, Een dubbel\' oogst den maaier.
Heel \'t volk een dankbren geest!
1) Dat, in dezen mijn IVAen Haarlemmer-meer-Zang (zie Nr. I, II en III op H. 96, 96 van liet Ilde en op bl. ii, 45 en 79, 80 van het voorgaande Dl.) met het puik der Molenaren, de oude liijpsche Molenaar van den lilden bedoeld wordt, de man die in 1641 het eerste plan tot droogmaking van het H. M. heeft ingediend, behoeft evenmin hier opgemerkt te worden als dat de woorden: Zuig haast uw long gezond Aan de uiers van de koeien, aan het krachtige vers van Vondel „Op het Uitmalen van het Haarlemmermeir, aan de Leeuw van Hollant (1642) ontleend zijn.
ROEM.
Wat \'s aardsche roem? \'t Vermolmend hout. Dat in den nacht der wereld lichtte,
Maar, bi] den dag van \'t jongst gerichte. Als morsig vuilnis wordt beschouwd.
II.
GENOT.
Aardsche lust is haast genoten; Wijn is \'t, op een zeef gegoten.
Uit hot Hoogduitsch.
UIT MOEDERS NAAM.
TEK BRUILOFT MIJNER JONGSTE ZUSTER.
Het is niet om de vreugd te storen, Die voorzit aan dees blijden disch, Indien zich hier de stem laat hoeren
Der Moeder, die afwezig is;
Niet om een wolk van smart te brengen. Waar alles licht en glans moet zijn. En in den feestelijken wijn Een bittren drop te mengen.
UIT MOEDERS NAAM.
Laat, lieve Bruid! dit traantje blijven,
Dat uit uw oogje dringt en breekt;
Om uit uw hartje \'t weg te drijven,
Ziedaar waarom uw Moeder spreekt. Het laatste rimpeltje moet wijken
Van \'t voorhoofd, dat een bruidskrans tooit Kom, laat uw Moeder nu of nooit.
Het van uw slapen strijken.
Gij weet toch, lieve! dat uw rozen
Voor haar geen doornen zijn van smart. Of slechts met fletse verven blozen,
Voor \'t uw gemis betreurend hart. Betreurend? Neen! dit is geen treuren.
Dees zachte weemoed baart geen pijn; Wie op die wijs bedroefd mag zijn.
Blijf ik g-elukkig keuren.
\'t Is waar.... Maar waarom toch dit schreien
Ik schrei niet daar ik tot u spreek! \'t Is waar, hier is een moeilijk scheien;
Maar is uw Moeders hart zoo week? \'t Is waar, hier rijzen vele zorgen;
Maar lieve, hebt gij niet bemerkt Hoe God uw Moeder heden sterkt?
En zal hij \'t ook niet morgen ?
Hoog zijn mijn jaren, klein mijn krachten,
\'t Geschokte lichaam krank en broos.
Mijn dagen lang gerekt, mijn nachten
Maar al te dikwijls slapeloos.
Veel troost, veel vreugde neemt gg mede... Doch wij genoten veel en lang;
Uw waar geluk eischt al mijn dank.
En was altijd mijn bede.
Uw trouwdag heb ik vaak verschoven;
Mijn stervensuur scheen zoo nabij;
En zou ik nu mijn God niet loven,
Die hem doet opgaan, ook voor mij ?
Zijn wijsheid riep van uit ons midden Een ander dierbaar leven af;
Maar ik mag, op den rand van \'t graf.
Zijn goedheid nog aanbidden.
Aanbidden, ja; en met u allen
Op luiden toon hem danken, dat Hij nog zoo schoon een straal laat vallen Op \'t haast voleindigd levenspad.
VLEKKEN IX UK ZOX.
Kom Bruid! dit traantje zij het leste!
AVij weenen niet; wij zijn verblijd; Wij willen dat gij vroolijk zijt,
Wij zijn het zelf, mijn beste!
Niet waar, mijn Gade: wij zijn blijde.
Wij ziju het beiden, gij en ik?
Wij juichen op dit feestgetijde;
Het is een heilig oogenblik.
Lang kondt ge aan dezen dag niet denken, Of dacht uw lijdende Eega dood ;
Maar God, mijn dierbare Echtgenoot! Wilde ons dien samen schenken.
Komt, laat ons Hem vereenigd prijzen.
En voorts getroost zijn in ons lot!
Door duizend gunst- en trouwbewijzen
Blijft hij een algenoegzaam God.
Laat ons de lieve yochter zegenen Voor al de vreugd ons aangedaan.
En haar met moedig hart ontslaan. Met helder oog bejegenen.
Laat ons den braven Bruigom toonen,
Hoe gansch volkomen ons gemoed Hem opneemt bij ons viertal zonen.
Hem liet heeft als ons eigen bloed;
Laat zijn gevoelig hart niet lijden.
Geen oogenblik benepen slaan.
Als deed hij daar een misdaad aan.
Zich zichtbaar te verblijden.
Komt, Zoon en Dochter! komt, knielt neder!
Hier is uw Moeder in den geest.
Hier is dat hart, zoo trouw en teeder.
Dat oog, dat in uw boezem leest.
Hier is haar moederlijke zegen!
Aanvaardt dien! Hij zal met u gaan. En (hechte er God zijn zegel aan!) — Op blijde en donkre wegen.
VLEKKEN IN DE ZON.
De zon heeft vlekken; dat is waar. Maar wordt ook luid genoeg verkondigd;
Zij is \'t getroost. Dit spijt haar maar: Er wordt zoo vreeslijk op gezondigd.
104
JONGELINGSCHAP. — DRIE JONGELINGEN. 105
JONGELINGSCHAP.
Treedt vroolijk, treedt met fierheid op,
^ Rechtaarce Jongelingen!
En plukt den schoonsten rozenknop,
Waarvan de dichters zingen.
Voor u is \'t, dat hij geurt en gloeit.
Met droppels van een dauw besproeid.
Die op de blaadren wiegelt,
Waar zich Gods zon in spiegelt.
Treedt vurig op, treedt moedig voort,
Van God geschonken Zonen!
De lauwer, die uw oog bekoort,
Zal u den schedel kronen.
Tast toe; hij strekt zich naar u uit!
Het glinstrend zwaard, de zilvren luit.
Zo? machtig in uw vingeren.
Wil hij met loof omslingeren.
Treedt lachend op met scherts en zang,
En siert de gouden lokken
Met eppenloof en wingerd-rank,
( Van mirtegeur doortrokken.
Gevoelt het bruisen van uw bloed.
De spanning van uw kracht en moed.
En laat de zucht tot daden Zich in uw blik verraden.
Maar houdt den boezem onbesmet,
En treedt op reine wegen.
Hebt eerbied voor des hemels wet,
Behoefte aan \'s hemels zegen;
Beheerscht u zeiven; hebt de kracht
Te huivren, waar de zonde lacht.
Den moed om God te vreezen.
Om kuisch en vroom te wezen..
DRIE JONGELINGEN,
(maar üklaxd.)
Drie jongelingen togen dwars over den Rijn;
In gindsche kleine herberg, daar moeten zij zijn.
-Laat proeven, kasteleinse! uw besten wijn en bier.
En breng\' ons zonder dralen uw mooie dochter hier!quot;
„Mijn bier en wijn, mijnheeren! zijn krachtig, frisch en klaar; Maar ach, mijn mooie dochtertje, ligt op de zwarte baar.quot;quot;
]06 „met zen achten.quot;
De knapen traden binnen, en maakten geen gedruisch;
Daar lag het mooie dochtertjen, in \'t enge planken buis.
En de eerste iongling rukte den hoofddoek snel omhoog.
En zag het mooie dochtertjen... Een traan blonk m zi]n oog.
„Ach, waart gij blijven leven,quot; zoo sprak hij, „beeldschoon kind „\'k Had van den dag van heden u teer en trouw bemind.
De tweede jongling haalde den hoofddoek weder neei. En keerde zich naar \'t venster toe, en weende zoo zeer:
„Ach, ligt gij daar ter neder, mijn allerliefste schat!
^Ik heb zoo menig jaartjen u teeder liefgehad.
De derde heeft den hoofddoek weer spoedig weggerukt.
En op haar bleeke lippen een stijven kus gedrukt:
„ü minde ik lange jaren, u min ik ook nog nu.
„Mijn lief, mijn uitverkoren! voor eeuwig mm ik u.
1853.
„MET ZEN ACHTEN,quot;
(naak wokdswohth).
Wat kan, in \'t Gooi, een schuldloos kind. Met rozen op de frissclie kaken.
Daar \'t niets dan leven in zich vindt. Van dood of sterven maken?
Een meisje trippelde aan mijn zij Van zes, of mooglijk zeven, jaren: Wat schitterde dat oogje blij Van onder \'t zwart der haren.
Een aardig lachje, zacht en schoon. Ontblootte hagelwitte tanden,
En vormde een kuiltje in iedre koon. Wat bruin van \'t zonnebranden.
\'k Vroeg: „Met hoe velen zijt gij wel?quot; Ze liet niet lang op \'t antwoord wachten, Maar vroolijk keek ze, en zeide snel: „We bennen met zen achten.quot;quot;
„Zoo!quot; zeide ik „dat \'s een heel gezin^ „Dan zult ge de oudste wel niet wezen?quot; „„Neen, krek de jongste,quot;quot; viel zij in; „„Maar ik kan toch al lezen.quot;quot;
-MET ZEN ACHTENquot;.
„En wat doen de andren?quot; vroeg ik. ..„Twee Was \'t antwoord (kort, om tijd te sparen): „„Twee onder dienst, en twee naar zee, „„Kn een woont heel te Baren.
„„Twee liggen er op \'t kerkhof neer, „„Het oene een zusje, \'t andre oen broertje; „„En alder-aldernaast, mijnheer!
„„Daar woon ik met mijn moertje.quot;quot;
„Twee onder dienst, en twee naar zee, -Een heel te Baren — \'t is geen reisje!... „Maar gij telt ze allemaal nog mee,
„Niet waar, mijn beste meisje?quot;
„„En dan de twee op \'t kerkhof nog!
„Want wij zijn met zen achten, weet u? „„ü ziet die hooge boomen toch?
„„De twee daaronder, die vergeet u.quot; quot;
,,\'k Vergeet ze niet, maar aardig wicht! Zoo, in de schaduw van die boomen, „Een broertjen en een zusje ligt.
„Is \'t acht-tal dan volkomen?quot;
„„Hun grafjes zijn vlak bij malkaar, „En o! zoo dicht bij moeders huisje.
„„Laat zien! Een stap of twalef \'maar; „„Op ieder staat een kruisje.
,, „Ik zit er dikwijls, \'s morgens vroeg, „Of tusschen twaleven en tweeën;
„„De kousen, die ik zondag droeg,
„„Die heb ik daar gebreeën.
„„En \'szomers, als het avond wordt, „In \'t hooge gras terneergezeten,
„„Brengt moeder daar mijn tinnen bord „„En schaft mijn avondeten.
„„Het eerste stierf mijn zusje Brecli;
„Wat lag ze lang in \'t bod te klagen! „„God nam op eens haar pijnen weg;
„„Toen werd zij uitgedragen.
„„Toen kwam ze op \'t kerkhof, kort bij \'t hek .In \'t graf; vlak naast een iep; zoo\'n dikke; „„We speelden dikwijls op de plek,
„„Mijn broertje Jan en ikke.
MAAT EN TOON. — KERSTFEEST.
,,\'t Was zomer; maar toen \'t winter werd, „(De sneeuw lag dik op \'t doornenhegje) Kreeg Jantjen ook de koorts, heel hard,^ „ „En ging heel gauw naar Breohje.quot; quot;
„Maar daar hij nu naast Brechtje ligt, „En nimmermeer met u kan spelen!
„Tel nog reis over, aardig wicht!
„G-ij zijt - met u hoevelen?quot;
Het meisje sloeg haar oogjes neer.
En stond een poosjen in gedachten:
Maar eensklaps riep ze, als de eerste keer: „„Wel heerschap! met zen achten.quot;quot;
„Maar zoo Gods englen Brechtje en Jan „Bij Jezus in den hemel brachten?quot; ^ „
„\'„Ja, daar praat moeder ook wel van.... „Goed! met hoevelen blijft gij dan?quot; ^ „ Wel... Ik zou meenen____met zen achten.
MAAT EN TOON.
Wat een lied kan doen behagen Is de toon,
Is de maat.
Waar die goed zijn aangeslagen, Is een schoon Dat volstaat.
Echte Kunst, naar recht en reden.
Dringt op meerder schoonheên aan. Maar het oor is reeds tevreden, \'t Hart getroffen en voldaan.
Toon en maat doet leege galmen Klinken als verheven psalmen.
Zich in toon en maat vergissen Godentaal haar werking missen.
KERSTFEEST.
Laat ons met de herders gaan
\'t Heilig kind begroeten, Zwijgend bij zijn kribbe staan.
Knielen aan zijn voeten. Denken aan het hemelsch lied
Van Gods englenreien.
En bij \'t wonder, hier geschied, Dankbre tranen schreien.
108
HEMELVAART. - ZIE OP ! - NOG EENS: DE WAAKH. LIGT IN \'T MIDDEN.
Sluiten we in ons innigst hart,
Wat onze ooren hoeren.
Met de maagd, die moeder werd,
In gepeins verloren;
Wijkeu wij niet van dit Kind,
Eer we ons vergewissen Dat ons hart het teeder mint, En niet meer kan missen,
Variant: Eer wij zeker weten
Dat ons hart het teeder mint. En niet kan vergeten.
HEMELVAART.
Wat staart gij, met kortzichtige oogen, Op d\' ondoordringbren hemeltrans?
Daar houdt een wolk uw Heer omtogen, Gansch oogverblindend door haar glans.
Wat wenscht ge u wieken, wenscht u krachten Om op te varen waar hij leeft.
Die zelfs op vleuglen van gedachten Het heiligdom niet binnenzweeft!
Ach, leer in eigen boezem delven;
Misleid u niet, tot enkel smart;
En vraag, bij hemelsch licht, uzelven:
„Woont reeds de Heiland in mijn hart\'?
„Werd hem, die opvoer in den hóogen, „Ook daar een zetel opgericht,
„Zoo dat hij, naar zijn alvermogen „En liefde, ook daar een hemel sticht?quot;
Blinde stervling! die daar meent, Als gij weent:
„God is verre!quot;
In den donker licht de sterre.
NOG EENS: DE WAARHEID LIGT IK \'T MIDDEN.
De waarheid ligt in \'t midden Mijn vrienden, is dat waar,
Dan ligt zij heden elders Dau heden over een jaar.
waak heid. — begrafenis.
De waarheid ligt in \'t midden:
Als ik quot;t gelooven zal,
Dan ligt de waarheid nergens, Of ligt ze misschien overal?
De waarheid ligt in \'t midden...
„Och sukkel! zwijg toch stil! De waarheid ligt in \'t midden Wil zeggen: Ze ligt waar ik wil.quot;
1863.
WAARHEID.
(naar rückeht.)
Waarheid is het lichtste spel van allen. Doe u voor geliik gij zijt;
En vrees geen dan dit verwet: Uit uw rol te zijn gevallen,
BEGRAFENIS.
Ween, trouwe liefde, ween Bi] \'t scheiden van uw bloed! Gevoelloos wezen als een steen Bewijst geen vroom gemoed.
\'t Geloof blijft evenzeer
Den blik naar boven slaan; De christen daalt in \'t graf slechts neer Om heerlijk op te staan.
o God, u looft ons hart,
U prijst het bij dit graf.
Dat uw gena, bij zoo veel smart. Zoo schoon een hoop ons gaf!
Het sterven is gewin.
Voor die op Jezus ziet;
Hij ziet den open hemel in.
En d\' open grafkuil niet.
o Gij, die eeuwig leeft.
En eeuwig leven doet,
De troost, dien gij in \'t sterven geeft, Is onze gansche moed!
no
opyoedinü. — sok ken wenk.
Wij zaaien hier een zaad, Verderflijk, zwak en teer;
Maar, bij den jongsten dageraad, Wekt gij het op in eer.
Dees prooi van \'t vuig gewormt Wordt, voor \'t verbaasd heelal, U tot een ovenbeeld hervormd. Dat ii aanschouwen zal.
Hiller.
OPVOEDING.
(naau rückert)
Nooit kon ik den kunstgreep leeren Om mijn kindren te dresseeren; Daarom zijn zij opgegroeid Als hun vader, onbesnoeid.
Maar, wanneer ik \'t soms beproefde, Heeft het toch dit nut gehad. Dat het aan mijzelf iets glad-schaafde, da.t de schaaf behoefde. Iets! niet alles; daaglijks toch Haakt het hier en elders nog\'. Mooglijk, dat zich Alles gladde Zoo ik meer tuchtmeesters hadde, Naamlij k kindren op te voên . .. Doch met zeven kan ik \'t doen.
NOG EEN WENK.
Zoo ge u goede menschen op wilt voeden,
Veins niet! Wie ge ook zijt, wees diè gij zijt! Waar de kinderen een rol vermoeden,
Zijt gij \'t spel en al uw invloed kwijt.
Aan wiens blik de waarheid zich onttrekken, Hoe de leugen zich verbergen moog; \'t Godlijk en het Kinder-oog Zullen beide ontdekken.
De eerste deugd is Waarheid. Heb dan moed Waar te wezen: gij zijt groot en goed.
Vg. Paulus Silesius.
AAN MIJNE KINDEREN.
HET ZEEMANSHUIS.
112
Bouw een liuis voor Janmaat op!
Zet een anker in den top;
Laat om hem te praaien,
Hollands vlag er waaien.
Bouw het sierlijk, bouw het sterk,
Ruim en deftig als een kerk.
Binnen knap en buiten.
En met groote ruiten.
Maar verlok hem door geen mooi;
Vang hem niet gelijk een prooi;
Laat hem in zijn vrinden Ware vrinden vinden.
Janmaat is niet veel gewend\'
Veêren laten zonder end.
Vijfentwintig\' jaren Voor zijn slaapbaas varen.
Kieuwe slaapbaas, wie gij zijt!
Schrijf je niet met dubbel krijt.
Jan zal al zijn dagen Van uw lof gewagen.
Spreid zijn kooi gelijk \'t behoort.
Houd de kapers van zijn boord.
Zorg geen liffelaffen,
Maar wat goeds te schaften.
Hebt ge dan nog bovendien _
Wat voor hem op \'t hart misschien.
Ik wed dat hij luistert,
Waar hem liefde kluistert.
opend zijn, waarv Zeemanshuis te Amsterdam en Kotter-
wordt bevestigd. Zie „Het ^eemanhuui-L Kirbera-n-
dam door P. N. Muller,quot; Amsterdam 18o7, W rl. Knbeiga.
AAN MIJNE KINDEREN.
Kindren! leert u vroeg gewennen
Te aller tijd,
Gods alwetendheid te erkennen, Waar ge ook zijt.
LOTWISSELING. 113
Hen, die overal beseffen:
„God is hier!quot;
Zal geen pijn des Satans treffen,
Hoe hij zwier.
Opent g-ij des morgens de oogen
Voor het licht.
Denkt: ,Op mij staart uit den hoogen
Gods gezicht.quot;
Op uw rustbed neergelegen,
In den nacht,
Zij dit denkbeeld u ten zegen „God geeft acht.quot;
Waar zich ooit uw voeten keeren,
God gaat mee.
Over hergen, heiden, meren.
Zand en zee.
Niemand kan die hand ontvlieden
Of dien blik.
Baar die troost van brave lieden ü geen schrik!
Ach, het is een vreeslijk vreezen.
Waar men vreest en beeft,
van dien God gezien te wezen.
Door wiens zorg men leeft.
Ach, het is een hooploos hopen.
Waar men hoopt en haakt Aan die_ trouwe hand te ontloopen.
Die gelukkig maakt.
LOTWISSELING.
WelWelk in uwfuf - welk É?loed in uw bloed,
w 1, een glans op den krans uwer liefde,
w!it 6611 V01^ ^n, ^ 0?amp;en, vol zorgloozen moed,
Welk een speelzieke lach op die lipjes zoo zoet,
de smarte des levens u griefde!
Maar waar was toen die Vree, die uw harte thans smaakt, Wo .ulflLlloofd met haar gloor heeft omtogen;
Wanv rl\'! bracht dww boezem nu nimmer verzaakt, i f Hoop, die den blos op uw wangen bewaakt, -^11 de tranen verdrijft uit uw oogen?
wtnJ T?01quot; Uu hai\'t\' Welk een zwaai\'d voor uw ziel,
Woiv T11 wolk\' ,welk een naeht OP paden,
Welk een storm op de speelreis der zorglooze kiel
Als uw aigod op eenmaal zijn voetstuk ontviel,
III. o
onbereikbaar. —
in den herfst.
11-1
Om het ledig van \'t hart te vevraclen!
Maar daarna - welk een licht voor \'t beneveld gezicht.
Welk een balsem voor \'t snerpen der wonden,
Welk een anker van troost, welk een adem van rust, \\ls uw lippen de voeten uws Heilands gekust,
Ên uw ziele haar God had gevonden!
ONBEREIKBAAR.
(naar rückert).
Is iets voor uw bereik te hoog,
Gii moet den blik niet derwaarts keeren,
\'Ten zii dan met zoo scherp een oog^
Dat u doet zien: „Ik kan \'t ontberen.
IN DEN HERFST.
Hebt gij nog een lach.
Late Najaarsdag?
Hebt gij nog een lonkje i
Wekt ge in miin gemoed Weer een glimmend vonkje Van den ouden gloed?
Brengt gij aan mijn hart Weer die zoete smart.
Eens mijn welbehagen,
Als ik, jongeling,
In de Octoberdagen Door de wonden gmg?
Geurt mij in de lucht,
Ruischt mij, in \'t gerucht Van de dorre bladen.
Zweeft mij, in het rag Van de najaarsdraden,
Op dees koelen dag.
Stijgt mij, uit het bosch, In wiens bonten dos.
Daalt mij uit de hemelen,
Door wier bleek azuur.
Alle tinten wemelen,
In dit plechtig uur.
Spreekt mij, \'k weet niet hoe. Heel \'t Verleden toe\'
IN DEN HERFST. J25
Zonder stem of woorden?
t Hoor ik in \'t verschiet,
Nagalm der akkoorden Van mijn eigen lied?
\'t Lied, de mijmering Van den jongeling,
Die zijn weeke snaren Stemde naar den toon Van de vallende blaren En \'t stervende schoon ?
Wien t, als de zon haar dwarse stralen,
Up ündetop en beukenkruin.
Deed lichten over rood en bruin,
en wellust was door \'t bosch te dwalen,
-Ün, in den koelen najaarswind,
Jiens ruim en zuiver aam te halen,
Die steeds den Herfsttijd heeft bemind ?quot; \')
Hij mint hem nog. De Lente van zijn leven is nu voorbij, met al haar geur en gloed:
1 e Aomer kwam, en heeft hem meer gegeven Uan ooit zijn Lente had vermoed.
0 ^lk,een «chat van frissche liefdeknoppen
n i®vePs^\'oemen, rijk en bont,
„.. Ontbloeide er vroolijk, op zijn grond,
dij uw licht, o mijn God. en uwe regendroppen.
Daar is geen vreugd voor \'tmenschlijk hart te smaken ueen t menschiyk harte waarde vreugd, 01. meerder dan de droom der jeugd,
Mocht zij Zijn hart gelukkig maken.
In liefde rijk, in zegen rijk, in hopen Nog rijker, steunende op zijn God,
Roemt hij op aard zijn zalig lot En ziet den hemel open.
Geen weemoed meer; geen mijmrend zich onthalen
Up teugen van gemaakte ellend____
} heeft hij ook de smart gekend.
Maar als een bad, om \'t weeke hart te stalen.
En zoo dat hart ook nu het Herfstgetijde aSog liefheeft, en zijn ernstig schoon Aan de oude luite ook thans een toon Ontlokt, die toon klinkt blijde.
Zie Dl. II bl. 28 en vv. Najaarsmijmering.
ees lied 05! bevrijding.
Want wat des jonglings hart, in stille stonden Van zoete mijmerij,
Deed zuchten is voorbij,
En wat het zocht, gevonden.
En ziende hoe de dag der dorre bladeren
Ziin schoonheid heeft, zijn glimlach, en zijn licht, Ziet hii, ook zelf een glimlach op t gezicht. Met iedren Herfst, den Herfst des Levens naderen.
1853.
EEN LIED OM BEVRIJDING.
neoex jaar later verhoord.
Laat de ketens vallen!
Breekt, verbreekt het juk! Vrijheid is voor allen
Noodig tot geluk.
Menschelijke harten, _
Die dien schat besluit.
Brengt hem ook den zwarten. Stelt niet langer uit!
Laat de ketens vallen! _
Breekt, verbreekt het juk! Vrijheid is voor allen Noodig tot geluk.
Jezus is gekomen
Tot uw volk en huis;
Zegen doet hij stroomen
Van zijn kribbe en kruis.
Allen wil hij nooden.
Stillen iedre pijn;
Laat zijn vredeboden Vrijheidsboden zijn!
Laat de ketens vallen!
Breekt, verbreekt het juk! Vrijheid is voor allen Noodig tot geluk.
Hoort, het lied der slaven
Kuischt van strand tot strand; ,Machtigen en braven
„In het vrije land!
„Laat ons weldra hooren ,\'t Lied van de overzij: „ „Wij zijn vrij geboren, ^ „Én wij maken vrij!
116
VADERS DEUNTJE, ENZ. 117
NOS EEN LIED OM BEVRIJDING. —
Laat de ketens vallen! t Breekt, verbreekt het juk! Vrijheid is voor allen Noodig tot geluk.
1853.
NOG EEN LIED OM BEVRIJDING.
MERKELIJK KORTER DAN HET VORIGE.
Och Neerlands machtigen en braven!
Verbreek ons juk;
Brengt, brengt uw arme negerslaven Toch eindlijk, eindlijk uit den druk. Wij zijn wel zwarten.
Maar hebben harten.
Zoo goed als gij.
En zoo uw harten beter zijn,
Verlost dan de onzen van de pijn! Veel lijden wij.
1853.
VADERS VEDELDEÜNTJE BIJ DE WIEG.
Daar was een kleine jongen,
Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldie, fiedeldooi. Daar was een kleine jongen,
Zijn moeder vond hem mooi.
Zijn oogjes blauw en klaar, en
Zijn neusje lief on fijn;
Zijn mondje, voor zijn jaren. Zoo proper als \'t kon zijn;
^ Zijn handjes als satijn,
^ij\'1 lijfje, waar men kijkt of tuurt,
Zoo wel gevormd, zoo goed gevuld: En \'t haar, dat uit zijn mutsje gluurt, \'t Is net of al wat krult!
Daar was een kleine jongen,
Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldie, fiedeldooi. Daar was een kleine jongen,
Zijn moeder vond hem mooi.
Zijn vader zei: Wijf, wees niet mal!
I w uiltjen is geen valkje.
Fiedeldo, fiedeldom, wat was \'t geval? De moeder hield van \'t schalkje; De vader? — Niemendal.
Daar was een kleine jongen,
Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldiet, fiedeldoet.
118 VADERS VEDELDEUNTJE BIJ DE WIEG.
Daar was een kleine jongen,
Zijn moeder vond hem zoet.
Hij was des nachts zoo rustig;
Hij kwam een keer drié vier, niet meer;
Dan zoog hij maar eens lustig,
En daadlijk sliep hij weer.
Gezellig was hij zeer.
Soms lag hij, langer dan een uur.
Met open kijkers, zonder dorst;
Wat kon hij kraaien tegen \'t vuur.
En hunkren om de borst!
Daar was een kleine jongen,
Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldiet, fiiedeldoet,
Daar was een kleine jongen,
Zijn moeder vond hem zoet.
Zijn vader zei: Wijf, wees niet mal!
Het is een lastig kwantje.
Fiedeldo, fiedeldom, wat was \'t geval?
De moeder hield van Jantje,
De vader\'? — Niemendal.
Daar was een kleine jongen,
Fiedeldo, fiedeldom, fiedelstok, fiedelstreek.
Daar was een kleine jongen.
Die op zijn vader leek.
Een aardje naar zijn vaartje.
Dat zat er stellig in:
Zijn hoofdjen, en zijn haartje.
Zijn neusje en zijn kin,
\'t Leek alles meer of min.
Als moeder hem in de oogjes zag,
Werd haar gemoed zoo vol, zoo week.
Omdat hij, zei ze, met den dag Meer op zijn vader leek.
Daar was een kleine jongen,
Fiedeldo, fiedeldom, fiedelstok, fiedelstreek.
Daar was een kleine jongen.
Die op zijn vader leek.
Maar vader zei: Wijf, wees niet mal!
Het is een leelijk aapje!
Fiedeldo, fiedeldom, wat was \'t geval?
De moeder hield van \'t knaapje;
De vader? — Niemendal.
* Dit deuntje is aangeheven naar aanleiding van het allergeestigst tafereeltje van onzen uitnemenden Bles, waarnaar eene gravure het
GULDEN LES. — LIE DER KRANS JE VOOli DE JARIGE MOEDER. 119
jaarboekje Aurora van 1854: versiert. Een enkele blik op het gelaat van den vader op de schilderij zal terstond doen zien. hoe zijn „Niemendalquot; gemeend is.
GULDEN LES.
Maak een dag van den nacht, door in \'t donker ook geen
Dan werken des lichts te verrichten.
Maak een nacht van den dag, door stilzwijgend elkeen Met uw rust en uw kalmte te stichten.
(Zie SIMON METAPHRASTES, OVCl\' JACOBUS JUSTUS.)
LIEDERKRANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER. I.
Gij zaagt u gaarne heden Nog eens een liedje toegedacht.
Maar hebt, om wijze reden.
Het maar niet al te vast verwacht. Nu kom ik er met Acht.
Hier zijn er Acht, mijn waarde!
Meer dan gij ooit of ooit voorheen Op uw verjaarfeest gaarde:
Acht van uw Man-alleen.
En dit is Een.
U gelden de andre Zeven;
Daar Moeders immers gansch en gaai-
In hare kindren leven.
Is \'t bij een enkle twijfelbaar:
Van u is \'t dubbel waar.
O Moeder, die wij loven
En lieven teederlijk,
ü zeegne God hierboven Met liefdeblijk op blijk!
Hij is zoo rijk.
ONZE OUDSTE.
Marten is ons oudste kind:
Wat zal van Marten groeien? Een man van geld of van bewind.
Veel koeien en veel moeien? Een man van tabberd, zwaard, of pen? Een man, gelijk ik zei ver ben?
LIEDERKRANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER.
Een rijmelaar of preeker?
\'t Is alles gansoh onzeker.
Maar schoon dit onzeker zij En lang onzeker blijve:
Dit, oudste Jongen! hopen wil
Dat vast sta en beklijve:
Dat ge edel, eerlijk, vroed en vroom, Een Man wordt, zonder blaam of sohr In woord en daad waarachtig\', En aan zijn God gedachtig,
ONZE KREUPELE.
Het hielp niet of wij wreven Met handen warm en zacht. Of borstelden met kracht.
En \'t bloed naar buiten dreven.
Het hielp niet of wij baadden In water zout of zoet,
In mout, in smout, in bloed,
Naar dat ons de artsen raadden.
Het hielp niet of wij streken Met d\' uitgezochtsten keest, Met vluchtig zout of geest.
Of lichtzalf deden leken.
Het hielp niet of wij schokten En pijnigden met kracht,
Die we uit gepaarde macht
Van zink en koper lokten.
Het hielp niet of wij smeekten Tot God den Heer omhoog. Of daaglijks uit ons oog Veel heete tranen leekten.
Het hielp niet of wij zuchten.
Daar \'t oog uw krukjes ziet. Of, starende in \'t verschiet.
Veel droevigs voor u duchten.
Ach, schoon wij handenwrongen En schreiden dag en nacht, \'t Verlamde kreeg geen kracht!
Gij blijft een kreuple jongen.
Maar, schoon wij \'t graag verbaden, Zoo \'t zich verbidden liet.
LIEDERKRAXSJE VOOR DE JARIGE MOEDER.
^Dit blijvende verdriet
Kan niet aan alles schaden.
Gij hebt van God ontvangen Gezondheid, moed, en kracht, Een oog dat vroolijk lacht,
En rozen op de wangen.
Wil \'t met den voet niet lukken. De geest is vlug en goed. Bij velen zweeft de voet.
Maar gaat het hoofd op krukken.
En waar \'t gebrek u hinder, Verloochning koste of smart, \'t Maakt in uw ouders hart
De liefde vast niet minder.
En God verbond zijn zegen. Dat onwaardeerbaar goed.
Niet aan een rechten voet,
Maar aan de rechte wegen.
Een kreuple voet kan brengen Op \'t smalle levens-pad. Kan voeren tot de hemel-stad...
Dat moge God geheugen.
IV.
DE OUDSTE MEISJES.
Als ik Marie en Koosje zie,
Gaan mijn gedachten zweven
In dagen van een toekomst, die Ik zeer graag zou beleven.
Mij dunkt een vader is zoo rijk, Wiens dochtren, haast volwassen,
Ak rozeknoppen staan te prijk.
En op zijn wenken passen;
Die in haar frisch en blij gelaat Zijn huisvrouw ziet verjongen.
En duizend trekjes gadeslaat,
Eens door zijn luit bezongen :
Die__door haar geest en vroolijkheid Zijn zorgen voelt verpoozen.
En door haar hand zijn weg bespreid Met allerhande rozen.
Die in haar hart, zoo zacht en stil, Een godsvrucht op ziet bloeien,
LIEDERKRANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER.
Die naar de moeder aarden wil,
En in haar schaduw groeien.
Mijn kindren! maakt die droomen waar,
Lief leven van mijn leven!
En moog mijn oudste dochterpaar Het tweede een voorbeeld geven.
ONZE AFWEZIGE.
Vroegtijdig zijt gij heengegaan, Vroegtijdig hebt gij \'t goed daarboven.
Wij Inlijven, koste \'t menig traan. De hand, die gaf, in \'t nemen loven, Wat liefde doet is wel gedaan.
En thans, lief Zoontje! roept ons \'t lot Ook van die dierbre plek te scheiden.
Waar wij uw dierbaar overschot Een plaatsje onder de aard bereidden. Ook dit kost; maar ook dit wil God.
VI.
NETJE.
Naar wie hebt gij dat lief^gelaat.
Zoo zuiver omgetrokken? Dat voorhoofd, dat zoo helder staat? Naar wie die gouden lokken?
Naar wie dat oog, zoo blauw en zacht,
Het stugste hart veroverend? Dat mondje, dat zoo vriendlijk lacht. Dat stemmetje zoo tooverend?
Naar wie? Wij weten \'t niet. Van wien?
Och, mocht gij \'t altijd weten; _ En, door op Hem, die \'t gaf, te zien Uw lief gezicht vergeten!
VII.
AGNES.
Ik had in mijn gedachten ■ ü reeds vaarwel gezeid, U reeds in \'t grafje neergeleid. Waar wij uw broertje brachten. Met groote treurigheid.
LIEDERKRANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER.
Maar God heeft ons gegeven
Dat gij behouden werdt;
Een groote vreugd voor groote smart; U als op nieuw het leven,
Ons een eikentlijk hart.
Tot ons geluk gespaarde!
Reeds hadt ge, in \'s Hemels licht, Een engel kunnen zijn, lief wicht!
Wees \'t nu nog wat op Aarde, En sluit Ons de oogen dicht.
VIII.
CORNELIS.
Zeven en een is acht!
Ze zeggen dat het wat veel is;
Maar wij hebben, lieve Cornelis! Met blijdschap u verwacht.
Zonen hadden wij drij;
Eentje bij God, twee beneden: Wij zijn uitermate tevreden Met nog een zoontjen er bij.
Dochters hadden wij vier;
Waart gij als de vijfde gekomen, Wij hadden \'t niet kwalijk genomen. Maar geroepen; Welkom hier!
Zeven en een is acht.
Of de achtste de laatste zal wezen In wolken of sterren te lezen.
Gaat boveu mijn wensch en macht.
Gij zelf, ir.ijn kleine man!
AI ligt er u veel aan gelegen, Gij zuigt en zingt maar terdegen. En weet voorts nergens van.
Er is Een die \'t weten moet. Doe Hij naar zijn welbehagen! Wij zullen er met naar vragen. Zoo als hij het maakt is het goed.
124 WIE SCHUILT ER. - DE VLIND. - POLEM. - AAN JONKVR. S. V. S.
WIE SCHUILT ER?
_l)e Waarheid moet in diepe kuilen „Voor de arge Wereld zich verschuilen.quot;
Dat \'s \'t oude liedje. Maar ik zeg: Zij schuilt zich voor de Waarheid weg.
DE VLINDER.
De zon is heet, de lucht is lauw,
De hemel blauw,
De parelende morgendauw
Hangt glinstrende aan de knoppen; Van bloem- tot bloembed zweef ik rond, Zie roos en lelie, blank en bont. De schoonste kus ik voor den mond, En zuig er amberdroppen.
Eens kroop ik vaakrig, moe en mat,
Van blad tot blad,
Der spijs, niet, maar des levens zat,
Een walg in eigen oogen;
\'k Slaap in, ontwaak, verbreek mijn web. Voel dat ik vroolijk adem schep.
Voel dat ik twee paar vleuglen heb. En klapwiek naar den hoogen.
1854.
* Vg. Karel Esslin.
quot;k Stem toe. niet ieder menschenkind
Is muzikaal geboren:
Maar krijgsmuziek, mijn beste vrind!
Is kost voor aller ooren.
Maak staat op d\' allerhoogsten dank Voor turksche trom en bekkenklank.
AAN JONKVROUW S. V. S.
Het wordt weer groen in Haarlems Hout,
De blijde vogels zingen.
De bloempjes komen duizendvoud Door mos en graskleed dringen.
AAN JONKVROUW S. V. S.
De nachtegaal is weergekeerd,
Om oor en hart te kluistren;
Hij^heeft den toon nog niet verleerd, Noch wij \'t bewondrend luistren.
Maar ik, ik sta voor goed gereed Dit oord vaarwel te heeten ;
Dat is: te doen wat gij eens deedt. En velen heeft gespeten.
Naar d\' Usel volgdet ge op haar pad
^ Uw moeder trouw en teeder,
En ik sla straks ter Bisschopsstad Mijn tent gehoorzaam neder.
Toch laat mijn hart de hoop niet los ü soms hier weer te vinden ;
Wij hebben op den zoom van \'t bosch Een huis vol goede vrinden.
Maar de allertrouwste en beste vrind. Die u en mij geleid heeft.
Maakt dat ik eens u zeker vind, In \'t huis dat hij bereid heeft.
Hoe lieflijk zal die woning zijn, Hoe schoon en welgelegen!
Kondom, een eeuwge zonneschijn. Van binnen, louter zegen.
Daar zal \'t verwonderd oog altoos Meer goeds en schoons ontdekken.
Daar ruischt het loflied eindeloos; En niemand mag vertrekken.
VIERDE BUNDEL.
1854, Ilde HELFÏ — 1859.
In het laatst van Mei 1854 verliet ik, na een verblijf van dertien en een half jaar, mijn geliefd Heemstede, en verwisselde het buitenleven met de stad. Was het merkbaar aan den bundel Nieuwe Gedichten dien ik, onder dezen titel, in 1857, uit Utrecnt aan de pers overgaf\'? Misschien wel; ofschoon het boek der Natuur toch ook tot dezen nog wel menigmaal de stof geleverd had. Hoe dit zu: het boek des Levens had mij nu onlangs eene zeer smartelijke bladzijde opgeleverd, en indien wat ik aanbood ook ditmaal Korenbloemen waren, ik kon er van zeggen: „de meesten heeft het anderen de droefheid doen ontspruiten. Sommigen hebben gediend om een vroolijk hoofd te versieren, anderen werden gestrooid op een dierbaar grafquot;. .
Bii de .drie jaren poëziequot; welke de nieuwe bundel bevatte, waarvan sommige stukjes echter in de tegenwoordige uitgave tot de vorige afdeeling hebben moeten worden teruggebracht, voeg ik m deze de overigen van 1857, met die _van 1858 en 1859, op een na^ waarmede, omdat zich daarbij een tijdperk van nieuw levensgeluk voor mij ontsloot, het mij een lust is eene nieuwe reeks te openen.
De omstandigheden, waaronder het volgende liedje verbeeldt afgeluisterd te zijn, waren de volgende: .
Toen ik in 1854 mijn dorp met de stad Utrecht ging verwisselen, kon ik aldaar voor de eerste twee maanden van mijn vei b^i]! nog geen huis vinden, maar werd met mijne vrouw en de drie jongste kinderen bij hartelijke vrienden geherbergd. Van het overige viertal waren wij gescheiden. Mijn oudste zonen bleven, onder opzicht van hunnen onderwijzer, op de Heemsteedsclie pastorie, van de heide mijner vorige gemeente omringd. Twee dochtertjes genoten achtervolgens te Zeist, te Driebergen, en te Ede, op buitengoederen van nabestaanden en vrienden een onthaal, waarvoor myn hait hun dankbaar blijft.
DE STICHTSCHE ZWERFSTER.
EES LIEDJE GEZONGEN TEK BRUILOFTSTAFEL VAN EENE SCHOON.r!ÜSTEB.
Ik hoorde een liedjen in het Sticht,
\'t Werd door een hupsche vrouw gezongen; Zij hield op d\'arm een zuigend wicht, Een dikken vetten jongen.
DE STICHTSCHE ZWERFSTER.
, Tweë meisjes speelden aan haar schoot, En luisterden naar haar mamaatje:
\'t Een leek een roosje rozenrood, Het andere een agaatje.
Ook was de roos op moeders wang Bijlang nog niet van kleur verschoten. Al kwam er onder haar gezang. Een traantje langs gevloten.
„Ach kindren!quot; zong zij: „welk een smart! -Wie had het immer durven droomen? „Uw vader heeft een steenen hart;
„Zijn wreedheid is volkomen.
„Hij heeft mij uit dat lieflijk oord,
„Waarin wij woonden, sinds wij trouwden, „Zoo vreedzaam en zoo ongestoord,
„Alsof we er sterven zouden;
„Hij heeft mij uit dat dierbaar huis,
„Waar ik hem al zijn kindren baarde, „Verraderlijk ontvoerd, o kruis! „En \'k zwerf en dool op aarde.
„Ik zwerf in dit mij vreemd gewest, .. k Dool in dees vreemde stad wanhopend, „Daar mij geen andre toevlucht rest „Dan vreemde liefde me opent.
„ISTog ware \'t mij een zoete troost,
.Indien ik bij dit ommezweven,
„Omringd mocht zijn van al mijn kroost, „Dat leven van mijn leven.
„Maar ach, niet meer dan deze drie „Liet de onverbidbre kinderrooverquot;
(Zij trok ze dichter bij haar knie)
„Mij in mijn droefheid over.
„Mijn oudste twee, mijn zoons, mijn trots, „Laat hij in \'t ledig huis verknijzen; „Zij zwerven o_m langs Meer en Bosch \') „Om lafenis en spijzen.
„Uw zusjes, foei! de wreedaard joeg „Ze ]t pad maar op met leege handen „Zij waren nimmer ver genoeg,
„Tot ze op de hei belandden.
\') Naam van een zeer bevriend Buitengoed.
DE STICHTSCHE ZWERFSTER.
,Dat liad liij Koosje niet voorspeld,
„Toen ze e\'én quot;jaar oud reeds weggedwaald was,
„En hij mij zoo lang heeft gekweld
„Tot \'t schaap weer thuisgehaald was.
„Daar was ze! Och arme! welk een vloed „Van woorden, rijmen, tranen, kussen!
„Alsof hij ze in zijn diepst gemoed „Beminde... En ondertusschen! \')
„Neen, kindren! neen, hij mint u niet; „Hij kan uw bijzijn niet verdragen;
„Het eenigst dat hem vreugde hiedt,
„Is u en mij te plagen.
„Wat let hem, zuigling! die uw dorst „Moet lesscheu met vergalde togen,
„Dat hij u afrukt van mijn borst,^ „En wegvoert uit mijn oogen?
„U wegvoert, ach! wie weet waarheen -„Ten prooi aan duizend ongelukken,
„Om voor de moederlijke speen,
„Een koude flesch te drukken ...quot;
Hier zweeg zij stil en wischte een traan. Zag strak en somber voor zich henen.
En toen de kleine agaatroos aan;
Dit deed op nieuw haar weenen.
„Ja vloei vrij, zilte traanstroom, vloei!
„Daar ik dit wichtje kom te aanschouwen;
„Gaat niet haar lieve Petemoei,
„Mijn liefste zuster, trouwen?
„Men knoopt haar groene palm; men breit „Een aardig kransje voor haar vlechten;
„Maar d\'oudste zuster is \'t ontzeid „Het op haar kruin te hechten.
„Voor mij geen bruid, geen bruiloft, neen! „Geen plaatsjen in de blijde reien;
„Mijn heer en meester gaat er heen,
\' „Maar ik mag zitten schreien!
„Zoo hij zich maar belasten wou
„Der lieve bruid mijn groet te brengen,
,.En van wat ik haar zeggen zou
128
„In \'t zijne een woord te mengen!
\'i Zie Dl. II. bi. 333 en volgg
DE STICHTSCHE ZWERFSTER. 129
Jk heb haar steeds zoo lief gehad „En voel die liefde sterk vermeeren,
„Hoe meer ik, op mijn levenspad,
„Haar bijzijn moet ontberen.
„Haar vreugde was mijn eigen vreugd,
„Haar smart altijd mijn eigen smarte;
„Hoe juichte ik in de stille deugd „Van dat gelouterd harte!
„Hoe juichte ik in dat zacht geduld, „Dat onbezweken godsvertrouwen!
„Thans wordt haar liefste wensch vervuld: „Och, mocht mijn oog \'t aanschouwen!
^ „Mocht ik maar eens dat blijd gezicht „Zien aan des bruigoms zijde pralen,
„En blinken van dat lieflijk licht,
„Dat bruiden pleegt te omstralen!
„Zoo \'k slechts tot een, een enklen zoen „Haar eens recht zusterlijk omarmde...
„Mijn heer gemaal zal \'t nu wel doen,
„Maar kan hij \'t met die warmte ?
„Och lieve zuster, lieve bruid,
„Och.lieve dochter van mijn moeder!
„Mijn hart en ziel roept voor u uit „Tot uwen Heer en Hoeder.
ü.Hij was met u: hij zij met u!
„Hij leide u op gebaande wegen!
„En is de weg ook somtijds ruw,
„Ook daarin zij een zegen.
„Ik weet, uw echtvriend mint u teer;
„Zijn trouwe min duldt geen verdenken;
„En liever nog heeft u de Heer,
„Wien gij, als hij, uw hart mocht schenken.quot;
Het vrouwtje, zweeg. Zij zag omhoog.
Mij dunkt dat ik haar moed zag grijpen.
Hoe schielijk wist zij uit haar oog Het traantje weg te knijpen.
Hoe zoet een lachje zag ik toen Om die bedrukte lipjes zweven!
Elk van haar drietal kreeg een zoen,
Maar \'t petekind wel zeven.
Juli 1854.
9
in.
nieuwe woning. — mijn hof.
NIEUWE WONING.
(Utrecht, Boothstraat, 597.)
Hier woon ik. Zult gij met mij wonen,
Mijn God en Heer, mijn kracht en troost? Hier woon ik nu met gade en kroost,
Vier dochters en drie zonen.
Uw liefdezorg heeft mij beschoren Dit goede, ruime, stille huis.
Waar \'k, in de stad, het stadsgedruisch Kan, maar niet hoef te hooren.
Uw goedheid gunt, na dertien jaren Zoo vreedzaam doorgebracht op \'t land, Ook hier mijn oog naar eiken kant In \'t zachte groen te staren.
Heb dank, o God! mijn wenschen bleven U niet verborgen, schoon gesmoord. Een stille wensch wordt ook verhoord. Wat zijt gij mild in \'t geven!
Wil met uw vleuglen nu ook dekken De tente, waar uw hand ons bracht, En laat uw liefdrijke oppermacht Ons vol vertrouwen wekken!
Weer ziekte en ramp van onzen drempel; En, komt zij, heilig ook de smart; Zij onze woning, zij ons hart U daaglijks meer tot tempel!
4 Aug. 1854. _
MIJN HOP.
(liedje.)
Midden in de stad heb ik een hof,
Een hof met schoone bloemen; Die bloemen liefheeft, vindt er stof Tot kijken, ruiken, roemen: Bloemen zoo kleurig,
Bloemen zoo geurig.
Fijn en grof. _
God laat ze groeien.
Blad voor blad, knop voor knop. En schrijft, als ze bloeien.
Zijn naam er op.
130
VALLENDE STERREN, — WASDOM TOT KLEINER. — TWEEDE KNOP. 131
Midden in mijn huis, heb ik een hof,
Een hof met schoone rozen: Die rozen lief heeft vindt er stof Tot kussen ea tot koozen.
Rozen zoo kleurig,
Rozen zoo geurig\',
Fijn en grof.
Cxod doe ze samen Opwassen zonder smart.
En schrijve al zijn namen Diep in haar hart.
VALLENDE STEUREN.
Volksgeloof der Lithauwers. Zie Alb. der Nat. 1853 bl. 348.
Zaagt gij hoe die ster verschoot?
Denk, o Stervling! aan uw dood.
Teder kind. op aard geboren,
Doet een nieuwe ster ontgloren.
Aan zijn dunnen levensdraad Zweeft zij, tot zijn sterfuur slaat.
Als de dood zijn oog doet breken,
Doet hij ook die ster verbleeken.
Keert zijn adem hemelwaart.
Uitgedoofd stort zij op de aard.
WASDOM TOT KLEINER.
Een kind van God wordt steeds meer kind,
_ Of anders is \'t er geen:
Wij brengen onze kindren groot; God maakt de zijnen kleen.
TWEEDE KNOP.
NAAR RÜCKERT.
De boomen, die de hagelslag Geteisterd heeft aan hoofd en leden.
Staan weer zoo schoon men wenschen mag. Ja, boven wenschen en gebeden.
weerslag. — barïje.
maandroos. —
liaatstk grond. —
Verborgen knoppen loerden slechts Hun kans af, om voor \'t licht te komen.
Daar heeft de hagel links en rechts Aan elk zijn voorman weggenomen.
Nu staan ze in \'t eerst gelid geschaard; En wat de spits heeft afgebeten,
Wat de eerste ontmoeting wierp ter aard, Is met een enklen nacht vergeten.
Mijn hart! wat dient er meer gezeid, Wanneer de stormen om u fluiten?
\'t Verloorne geeft gelegenheid Aan \'t Nieuwe om uit te spruiten.
LAATSTE GROND.
Of Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte spott\': God-zelf is „laatste grondquot; van mijn geloop in God.
MAANDROOS.
naar kückekt.
Een beeld der Hoop, voor die haar ziet! De knop belooft hem schoone dingen —
Maar \'t floddrig bloempje brengt ze niet.
Doch wilt niet klagen, stervelingen!
Indien uw vreugd te zeer gelijkt Op \'t Roosje, dat zoo vluchtig prijkt.
Voor hem, die wachten kan en hopen,
Gaan maandlijks nieuwe knoppen open. 1854. ______________
WEERSLAG.
Wilt gij zien een schoone maagd:
Zie haar als zij liefde draagt.
Cats.
Wilt gij zien een schoone vrouw;
Maak haar gelukkig door uw trouw.
BARTJE.
Voor uw mooie oogen, Bartje! Had menigeen ik weet niet wat. Zijn ganschen schat Gegeven, met zijn hartje —
Maar gij versmaaddet dat.
de taal.
Waar g\'ij uw oogjes wendde,
Daar werd een vonkjen uitgestrooid, En \'t hart ontdooid.
Dat nog geen liefde kende —
Maar gij begreept het nooit.
Nu zijn die vriendlijke oogen Gesloten door een vroegen dood; De rouw is groot;
Elk hoofd gaat neergebogen,
En ieders oog is rood.
Voorzaagt gij \'t, lieve Barte\'? En wildet ge, om een enkel jaar. Geen weeuwenaar Met een gebroken harte Doen weenen bij uw baar\'?
DE TAAL.
voorafgaande toelichting.
De Vohuaakte Telg der Onhekende, die bij den aanvang van het volgende gedicht, met trekken van schoonheid aan de oude Indische poëzie ontleend, geschetst wordt, mag aan vele lezers en lezeressen ook zelve wel onbekend zijn! Niemand anders is bedoeld dan [ndië\'s vroegere, schoon niet vroegste, taal, onder den naam van Sanshrita bij de geleerden bekend: welke naam de beteekenis heeft van Volmaakt, Volledig, Afgewerkt, en in later tijden haar gegeven is in tegenstelling van tongvallen uit hare meerdere of mindere verbastering geboren (Prakriet, Pali).
De Onbekende Moeder had waarschijnlijk haar verblijf gehad in het hart van Azië, benoorden het Himalaya gebergte; de hoogleeraar Hamaker gist in het oude Sogdiana. Van daar moet de Volmaakte Dochter, aan de hand van den godsdienst der Brahmanen, eerst tot het noorden, en van lieverlede ook tot het uiterste zuiden van Indië zegevierende doorgedrongen zijn; doch geenszins tot altijddurende, noch ook tot eene uitsluitende heerschappij. Om de beeldpraak te laten varen: De Sanskrita taal, welker vroegste gedenkstukken waarschijnlijk derdehalf duizend jaren oud zijn. die reeds vroegtijdig in Indië zelf op wetenschappelijke wijze bewerkt is, en ons eene schoone en rijke letterkunde heeft nagelaten, schijnt omstreeks den tijd der veroveringen van Alexander den Grooten opgehouden te hebben de levende taal van Indië\'s bewoners te zijn, om voortaan nog slechts in de scholen en werken der geleerden voort te leven. Bij het volk werd zij vervangen door de tongvallen der oorspronkelijke bewoners, die nooit geheel verdrongen waren geworden, maar zich met den woordenschat der Sanskrita hadden weten te verrijken. Het zijn deze spraken.
133
de taal.
die in liet volgende gedicht onder de persoonsverbeelding der „Hin-doedochter, die zich schoon gelooftquot; opgevoerd zijn; terwijl, in de eerste twee verzen van de 7de strophe, gezinspeeld wordt op den aanmerkelijken invloed, dien de Sanskrita ook op de talen en letterkunde van het oostelijk Azië, niet name ook van Java en den Indischen Archipel, gehad heeft.
Met de Sanskrita zijn uit dezelfde Onhekende Moeder voortgesproten alle de talen, die, van Azië uit, geheel Europa vervuld hebben en. in hare hedendaagsche afstammelingen, de Nieuwe Wereld vervullen. De geleerden verdeelen ze onder vijf veeltakkige stammen: als, voor Azië nog, den Medoperzischen of Iraneeschen, voor Europa den Grieksch-ltaliaanschen, den Celtischen, den Germaanschen. en den Slavoonsohen. De poëzie heeft ze in het volgende gedicht als het talrijk kroost eener reisvaardige, moedige, onderwindende Zuster van Sanskrita voorgesteld, en gepoogd ze in hare ontwikkeling te schetsen.
Met deze voorafgaande toelichting meenen wij lezers, op dit g-e-bied ongeleerd, geen ondienst te hebben gedaan. Voor een uitvoeriger onderricht verwijzen wij hen naar de Akademische Voorlezingen van Hamaker (Leiden 1888) en bepaaldelijk tot de eerste in dat boekdeel.
Misschien is het niet overbodig nog op te merken, dat Karna de naam is van den Indischen liefdegod, aan wien pauwen en flamingo\'s geheiligd zijn; dat Ramayana (Rama\'s Tocht) de titel is van een der oudste en beroemdste gedenkstukken der Sanskriet-letterkunde, en dat Kalidasa een der uitnemendste onder de latere dichters van Indië is geweest. Hij leefde omstreeks den tijd van Christus geboorte.
Dat de heilige boeken van het oude IJsland den naam van Edda dragen, Nibelungenlied de titel is van Duitschlands beroemd heldendicht, de zangers der Scandinaviërs Skalden, en die der Celten, waaronder Ossian, Barden genoemd werden, is zekerlijk bekend genoeg. __
DE TAAL.
Met een bloemkrans om de bruine lokken,
Golvend tot de heupen afgedaald.
Mond en borst van ambergeur doortrokken, D\' open hals van paarlengloed omstraald, Bloemen om de zachtgezwollen lende.
Goudgloor om den zachtgebloosden voet, O Volmaakte Telg der Onbekende!
Sluimert gü aan Ganges vloed.
\'t Windje speelt door hooge mango-twijgen.
En zij schomm\'len zachtkens heen en weer; Bloemenstof en roode bloesems zijgen Als een regen om uw leger neer;
DE TAAL.
Ketaka, kadamba, en jasmijnen
Met asoka-trossen afgezet,
Die haar sneeuw te blanker uit doen schijnen, Walmen geuren om uw bed.
\'t Slaaplied zingen mommelende bijen,
Zwermende om den honigzoeten buit, Purpren pauwen scharen zich in rijen,
Spreien om uw hoofd hun schaduw uit. Strijken met het zachtste van hun veeren.
Ter verkoeling, langs uw bloote berst. Haasten zich den adder af te keeren,
Die uw rustplaats naadren dorst.
Blanke, blauwe, roode lotus wiegelen
Op de waatren, bruisende aan uw voet. Waar zich zwanen en flamingo\'s spiegelen.
Kweelende van Kama\'s teedren gloed; Buffels, evers, elefanten, leeuwen
Dringen dorstig door het hooge riet,
Doen verschrikte kranen zwermen schreeuwen — Maar het stoort uw sluimring niet.
Ja zij slaapt. Den glans, die om haar straalde,
Als ze, omringd van \'t heilige gezin. Zegepralend van uw bergen daalde,
Himalaya! trok zij slmmrig in.
En die schoone lippen zijn gesloten.
Ais een roode leliekelk bij nacht,
Van wier boord de wijsheidslessen vloten, Waar de Brahman naar versmacht.
Ach! De stem die Bama\'s Tocht bezongen,
Kalidasa voorgezongen heeft.
Blijft voortaan in de elpen borst bedwongen,
Tot zij in den langen doodslaap sneeft.
Pronk met klanken, vrij haar afgeluisterd.
Hindoe-dochter, die u schoon gelooft!
Wien zij toegelonkt heeft, toegefluisterd, Schudt met droeven glimlach \'t hoofd.
Ja zij slaapt; het aangezicht naar \'t Oosten,
Levend bij den weergalm van haar lied; Slechts haar schoone Zuster kan ons troosten. Die, zoo fier van blik, naar \'t Westen ziet; Die, reisvaardig, moedig, onderwindend, _ \'t Strakke kleed om ranke lendnen gordt. En, een helm op \'t goud der lokken bindend, In den drom der voltaren stort.
135
DE TAAL.
Die, de Tigris lachend langsgetrokken,
\'t Machtig Iran van haar schoon vervult,
Door geen sneeuw des Kaukasus verschrokken. Noordwaarts blikt met klimmend ongeduld. Ha! Als van de hemelhooge toppen
Haar de berglucht toestroomt, koel en vrij, Voelt zij \'t hart van moed en geestdrift kloppen Tot een wereldheerschappij!
In een kloek en talrijk kroost herboren.
Roept zij: „Neen! deze eerzucht is geen droom! Mijne stem zal elk der bergen hooren,
Van mijn lied weergalmen iedre stroom.quot; En dat kroost, van schoonheên onderscheiden. Maar in schoonheid één, naar zustren aard, Gaat den stroom der stammen begeleiden, In zijn splitsing over de aard.
Met Pelasgen, Celten en Ibeeren,
Scythen, Cimbren, Slaven wandlen zij.
Niet gestuit door hoogten, diepten, meren,
Zee vol ijs of barre woestenij.
Met den Stier en schoone Europa zwommen
Ze over naar den bloemrijk\' oeverkant, Met Ulysses, \'t pijnboomhout beklommen.
Naar \'t Cimmerisch Schimmenland.
En alom verhieven zij haar stemmen.
Naar den eisch des levens, forsch en zacht, Met een zieldoordringend ademklemmen.
Of een weekheid, waar de weelde in lacht; Op de maat van stormen en orkanen.
Of van \'t koeltje, dat met rozen stoeit; Op den toon van losgerolde vanen,
En van \'t hart in liefde ontgloeid.
En alom verwekten zij de geesten
Tot den grooten wedstrijd van \'t Gezang, En bereidden aan de volken feesten.
Waar de galm van naklinkt eeuwen lang. Haar, haar voorgang deed Homerus zingen,
Op haar wenk weerklonken, vol en schoon, Iliaden, Edda\'s, Nibelingen,
Skaldenlied en Bardentoon.
Schoone Taal! Geschenk des Allerhoogsten!
U verheft ons proza en gedicht;
Lof en lauwren, die wij zingende oogsten.
Zijn wij u, en u alleen, verplicht. Zelfverheffing ware uw eer verkorten;
DE TAAL.
Onze kracht is de uwe; zijn wij rijk, \'t Is door uwen rijkdom uit te storten,
Eeuwig, onuitputtelijk.
Welk een lust uw ader te zien stroomen,
Met zich voerende alles dat bestaat.
Alles, dat in werklijkheid en droomen
\'t Aanzijn aan een \'s menschen ziel verraadt: In dien stroom, den hemel en zijn stralen.
En dat Licht, waar alle licht uit welt.
Zich te zien weerspieglen en herhalen.
Met de bloemekens van \'t veld!
Welk een vreugd, met uwe kracht gewapend,
Voor het oog der volkren op te treên, D\'oorlogsmoed, in vuige harten slapend.
Op te prikkien, door de stem alleen.
Volken, Vorsten lessen in te scherpen,
Onvergeetlijk voor een wereldtijd,
En de fierste geesten te onderwerpen Aan dien God, wiens tolk gij zijt!
Maar w^t wellust ook, u op uw paden
Na te wandlen door der tijden nacht;
Met ii zee en stroomen te doorwaden,
\'t Hoofd te biên aan sneeuw en hageljacht. Met de volken, dringende en gedrongen,
D\' engen bergpas door te worstlen — maar. Rechts en links van vijanden besprongen,
Bloot te staan aan nieuw gevaar!
Op het slagveld, \'t overschot der helden
Met u te verzaamlen, na den strijd;
Of den ploeg te drijven door de velden,
In een rustiger en beter tijd.
Als niet slechts de Jachtspriet ligt versmeten Voor den staf des Herders, zacht en trouw, Maar, voor u, ook deze wordt vergeten, Volkenbouwende Akkerbouw!
Klimmende Behoefte roept de Konsten,
ledre Konst roept nieuwe krachten op;
Elke vondst drijft U tot nieuwe vondsten.
En voert. Vindingrijkste! uw roem ten top. Alomtegenwoordig, alomvademend.
Alverzorgend volgt gij, stap voor stap.
Licht en leven, groei- en bloeikracht ademend. Wetenschap bij wetenschap.
Doch wie prijst het heil dier stervelingen,
Wien door God dit voorrecht werd bewaard :
DK TAAI,.
Tot uw zielsgeheiirmis door te dringen.
Die zoo veel geheimen ons verklaart.
\'t quot;Raadsel van uw worden, wassen, streven
In het heilig donker te bespiên,
En den gang van uw onsterflijk leven Met een sterflijk oog te zien?
Hier vloeit, op de schemerige grenzen,
Aarde en hemel, stof en geest ineen. En aanschouwbaar breekt de ziel des mensclien
Door den dichtgeweven sluier heen.
Hier, hier vallen stralen uit den hoogen.
Hartverheffend door hun godlijk licht;
Maar ook hier zweeft ons die mist voor de oogen, Die tot needrigheid verplicht.
Gave Gods, en godlijkste aller gaven!
Gij schept volkren; gij maakt menschen; gij Blijft in ons een godlijke afkomst staven,
Hoe ons hoofd door schuld gebogen zij.
U bezitten slechts, is mensch te wezen;
U beheerschen, meester zijn van de aard; U doorzien, het heilig schrift te lezen.
Dat het heimlijkste openbaart.
Maar die u bezitten, u waardeeren,
U doorzien, zoo ver een mensch mag zien, ü beheerschen mag, door u regeeren;
Wat verwacht een prijzende aard van dien?
Uii\'i\' roeping is den Mensch te dienen,
Kn de Menschheid door den enklen Mensch,
Is de oneindige eer des Ongezienen,
Aller braven wit en wensch.
Komt dan Zangers, Sprekers, Eedenaren,
Aan wier mond wij hangen, enkel oor! Taaldoorvorschers met bekranste haren.
Die den fakkel voordraagt in het koor!
Laat die roeping ook uw hart bezielen;
Liefdedienst gaat boven zelfgenot;
En onze eervolste eer is neer te knielen Met een lofgezang tot God.
September 1854.
In de Vergadering van het Zesde Ned. Taal- en Letterkundi Congres, gehouden te Utrecht.
138
DE TAAL.
Het een bloemkram om de hruine lukken enz.
De trekken van dit beeld zijn aan de voorstellingen der oude Indische poëzie ontleend. Met zekere matiging echter heeft men van deze voorstellingen gebruik gemaakt; want het beeld moest schoon blijven ook in het oog van den westerschen lezer; en dit doel zou men gemist hebben, door zich bij voorkeur te bevlijtigen liet bij uitnemendheid Indische op een te stapelen, en den Euro-peeschen smaak, door het aanbrengen van roodachtige oogleden, langgetrokkene wenkbrauwen, omkranste borsten, en ooren vol bloemen aanstoot te geven. Zoo ziet men hier dan niets, dat niet overal schoon is, tenzij men zegge dat een elpen of albasten voetje, zonder aangebracht sieraad, behagelijker zijn zou dan een „zachtge-bloosdenquot; voet met gouden enkelring. Dat de Indische schoonen ook dat versiersel dragen, dat zij zich de huid met geurige, kleurige en verkoelende mengsels inwrijven, is even algemeen bekend, als dat zij er bijzonder werk van maken zich, door het kauwen van kruiden, een welriekenden adem te geven.
\'f Windje speelt door hooge mango-twijgen enz.
Alle de in deze strophe genoemde boomen en heesters komen gedurig voor in de natuurschilderingen, die ons de Indische poëzie aanbiedt. Men leze, om zich daarvan te overtuigen, het in zes korte liederen, elk een Indisch seizoen bezingende, aan kalidasa toegeschreven gedicht: Ritu-sunhara (de Jaarkring), met eene Latijnsche en Hoogduitsche vertaling uitgegeven door p. van hohlen, (Leipzig 1840). Hier hoort men de koperkleurige twijgen van den Mango, met zware bloemtrossen beladen, zachtjes door den wind heen en weder geschommeld, het maagdelijk hart tot het genot der liefde aanmoedigen (Vasanta, 15); ginds kan het jasmijnboschje in den hof, met zijne witte bloesems bekoorlijk glinsterende, zelfs het hart van den wijze, hoe veel te meer dat van den minnaar boeien (Vasanta, 28). Elders ziet men de blanke Jasmijn tusschen de ko-raalroode bloesems der Asoka uitkijken, als hagelwitte tanden tusschen roode lippen, terwijl met de schoonheid van schoone armen bloeiende lianen wijdijveren (Sarad 18). Zoo geurig zijn de bloemen van den Kadambaboom, dat de welriekende zuidewind, naar dezen, bij uitnemendheid Kadambaviija wordt genoemd; wat wonder zoo de hand der schoonheid ze rijkelijk in hare kransen vlecht (Varsha 21, 25)? Doch van Kadambabloemen niet alleen, ook van de bloesems van Sarja-, Arjuna-, Nipa-, Ketaka-geboomte geurt zijn adem in het Varsha-seizoen, en verkwikt alle harten, als hij, vergezeld van de Regenwolk, die hem tot gade verstrekt, zacht rui-schende optreedt (Varsha 15).
Voor het overige staat de Mango-boom, met zijne schoone witte bloempluimen, eetbare vrucht, en die tot 30, 40 voeten hoogte be-
189
de taal.
reiken kan, bij de kruidkundigen als Mangifera Indica bekend; de Kadamba, Ncniclea Kaclamha is volgens jones one of the most elegant Indian trees; Ketaka is de Pandanus odoratissimus; Asoka, Jonesia Asoka. Van dezen overschoonen bloeienden heester heb ik eene fraaie afbeelding gezien tegenover bl. 189 van het IX Dl. van de Flora des Serres et Jar dins l\'Europe (Gent 1853—1854). Want sedert het jaar 1830, waarin zaad van dit gewas uit Serampore te Liverpool is aangebracht, wordt het nu ook in ons werelddeel gekweekt\') De Mangifera Indica vindt men afgebeeld in curtis\'s Botan. Mag. comprising the Plants of the Royal Gardens of Kew, Tab. 4510 (1851); Nauclea Kadomba bij uiieede Hort. Mal. III. 83 en Pandanus odoratissimus bij denzelfden II. 1—5.
Wat Jasmijnen betreft, men vindt ze in Indië in soorten fgrandiflo-rum, arabioum, auriculatum, multiflorum, villosum). en deze komen onder zeer verschillende namen in de sanskriet gedichten voor.
Bloemenstof en roode bloesems enz.
Het stuifmeel (pollen) der bloeiende boomen, door den wind afgeschud, kleurt niet zelden den ganschen grond, evenzeer als de afgevallen bloemblaadjes; en groot is het aantal gewassen die roode bloemen dragen. „De bosschenquot; — heet het in eene Indische schildering van het lentegetijde — „de bosschen van Kinsuka- 3n Pa-rijata-bloesems zwaar, golven als een vlammend vuur, en de aarde schittert als een jonge bruid in een purperen kleed.quot;
Purpren pauwen scharen zich in rijen.
De Pauw, die zoo wel als de Bij, in de Indische poëzie een belangrijken rol speelt, en bij groote, somtijds dansende scharen optreedt, wordt steeds als doodsvijand van de Adder voorgesteld. Het is een aardige trek in kalidasa\'s schildering van de zomerhitte, wanneer hij de smachtende Adder schaduw doet zoeken onder den staart van den Pauw, terwijl deze te dof is om het haar te belet-ten.^lRitu-sanhara, Grishma 12, 15.)
[Haastten zich den adder af te keeren.
Adder, hoewel vrouwelijk, is hier mannelijk genomen, ./ure poetae. Maar ook kan de n bij het lidwoord om den volgenden klinker, more majorurn, euphonisch verklaard worden, of in gedachte bij adder gevoegd, waar zij naar de Etymologie behoort.
J) „The vegetable world scarcely exhibits a richer sight than an Asoca tree in
[full bloom. sir w. jokes.
-) De Indische liefdegod heeft tot pees voor zijn boog een snoer van enkel bijen met fijne angels. Kalidasa vergelijkt den oogappel van een moui meisje bij een bij, \'t Zwart van \'t oogje glanst in \'t witte met een donkren flonkerschijn, Als een honlgpurend bijtje in een bloemkelk van jasmijn.
(mégha r«uta.)
140
de taal.
Blanke, blauwe, roode lotus.
De Lotus of Waterlelie vervult in de Indische poëzie de plaats, welke de Roos bekleedt in de Europeesohe. De verscheidenheid van kleuren, waaronder deze sohoone bloem voorkomt, werkt hiertoe mede. De roode lotus (Nelumhium speciosmn of Nymphaea Xelumho) strekt tot beeld voor het schoone gelaat, de frissche lippen, de blozende handen en voeten eener Indische schoone. Bij den blauwen {Nymphaea coerulea) vergelijkt de dichter oogen. wolken, en den staart van den pauw. Somtijds vergissen zich de bijen en zien dezen laatsten voor lotus aan (Bit. Varsha 14). De witte {Nymphaea Candida esculenta) bloeit alleen des nachts. Tanden, die tusschen de lippen doorschemeren, somtijds ook het aangezicht, worden er bij vergeleken.
Rama\'s Tocht.
Het onderwerp der Ru may ana is de Verovering van Indië door Rama, wiens gemalin door een boozen geest weggevoerd was geworden.
Een volledige uitgave van dit gedicht, met Italiaansche overzetting, bezorgde coekesio, Par. 1840—1850.
Met den Stier en scJioone Europa zivommen Ze over naar den bloemrijk\' oeverkant,
„Wanneer men de zaak oppervlakkig beschouwt, zou men kunnen vragen, of het niet voor het minst even waarschijnlijk is, dat de Indogermaansche stammen door de passen van den Kaukasus gedrongen zijn, zich van daar in allerlei richtingen verspreid en, over den Donau getrokken zijnde, de landen, zuidwaarts van die rivier gelegen, bevolkt hebben. Het lijdt wel geen twijfel, dat reeds in zeer vroege, vóórhistorische tijden, ook langs dien weg volksverhuizingen hebben plaats gehad; maar ieder, dunkt mij, die den zamenhang der volken in het noorden en westen van Klein-Azië aandachtig gadeslaat, en de stem der aloude overleveringen raadpleegt, zal het aannemelijk vinden, dat de Pelasgen, of met andere woorden, de oudste Grieksch-Aziatische volksplanters, over den Bosporus en den Hellespont, in Thracië. en zoo vervolgens in Macedonië, Thessalië en Griekenland zijn overgegaan.quot;
Hamaker. Akad. Voorll. bl. 13. 14.
Met Ulysses, \'t pijnboomhout beklommen,
Naar \'t Cimmerisch Schimmenland.
„De Kymriërs, naderhand door de Angelsaksen uit hun vaderland verdreven, hebben zich alleen in het prinsdom Walles, enin jSTeder-Bretagne op de kust van Frankrijk staande gehouden. Intusschen zou niets ons beletten, den tijd van de vestiging der Kymriërs in Brittannië veel vroeger te stellen. Kon men deze eenige eeuwen hooger opvoeren, dan vond de Homerische fabel, dat ulysses naar het land der Gimmeriërs, aan gene zijde des Oceaans gelegen, overstak, om de schimmen te raadplegen, hare waarschijnlijke uit-
141
142 UK TAAL.
legging. Want het is van elders bekend, dat de bewoners der Gal lisch-Belgische kust Engeland voor het Elysium hielden, werwaart de afgescheiden zielen werden overgevoerd.quot;
Hamaker, A had. Vuorll. bl. 20.
VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.
HET WOOED IS VLEESOH GEWORDEN.
EEN 1ÏEUHTZANG.
Verg. Joh. I.
ALLE STEMMEN.
In den beginne was het Woord;
\'t Woord was bij God; het Woord was God; Van eeuwigheid bij God en God:
In den beginne was het Woord.
EEJJE STEM.
In den beginne bracht het Woord Deze aarde en alle heemlen voort.
ANDERE STEM.
Gods Geest zweefde op den duistren plas: God sprak: Daar Zij licht! En \'t licht was.
ALLE STEMMEN.
O Eeuwig Woord! o Levensbron!
O Aller Geesten Licht en Zon!
Niets leeft, ten zij gij \'t leven doet;
En niemand ziet, dan bij uw gloed.
EENE STEM.
Geen licht in \'s werelds duisternis.
Dat niet aan u ontstoken is.
ANDEKE STEM.
Geen blijvend duister voor de ziel.
Waarop uit u een lichtstraal viel.
EENE STEM.
De Wereld is door \'t Woord gewrocht;
Het Zijne heeft hij opgezocht.
ANDERE STEM.
De Wereld heeft hem niet gekend;
Het Zijne heeft zich afgewend.
VIJFTAL GEWIJDE UEUEItEN.
EENE STEM.
Maar die zijn hart hem opensloot,
Dien maakte hij \'jods gunstgenoot.
ANDE3E STEM.
Maar die hem aannam tot zijn Troost, Dien voegde hij bij \'t godlijk kroost.
ALLE STEMMEN.
Juich, zondig Menschdom! in uw lot. Het woord bij God, en eeuwig God. Der englen lof, der englen Heer,
Werd vleesch en daalde op aarde neer.
EENE STEM.
Het eeuwig Woord, des Vaders Zoon, Verliet zijn starrelichten troon,
En koos (de ontferming Gods zij lof!)
Zijn tabernakel in dit stof.
ANDERE STEM.
Hoe breekt de stille majesteit-Van zijn verborgen heerlijkheid In \'t licht der Waarheid, in een gloor Van stralende Genade door!
Wat milde dauw, wat overvloed Van zegen stort hij in \'t gemoed.
Dat, daar \'t zijn nood en armoe klaagt. Genade voor genade vraagt.
ALLE STEMMEN.
Geeft, hoogste heemlen, geeft God eer! Het Woord werd vleesch, Gods Zoon daalt
TWEE STEMMEN.
Gods welbehagen daalt met hem; Behouden Mensch! verheerlijk hem!
ALLE STEMMEN.
Verheerlijk God op hoogen toon, God schenkt zijn Eengeboren Zoon!
Zie hoe hij \'t zondig menschdom mint; Aanbid die liefde, en word zijn kind.
VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.
BEDE.
(Naar Stkegman.)
Och, blijf met uw genade,
Heer Jezus, ons nabij!
Opdat ons nimmer sobade_
Des Boozen heerschappij.
Woon met uw levenswoorden,
Verlosser, bij ons in.
En trek ons met de koorden.
Van uwe zon daar smin!
Och, licht ons met uw stralen.
Gij Licht der wereld, voor!
Opdat wij nooit weer dwalen,
Of struiklen op ons spoor.
Och. blijf ons met uw zegen Nabij, schatrijke Heer!
En zend op onze wogen
Uw kracht en goedheid neer.
Och. neem ons in uw hoede.
Gij onverwinbaar Held!
En weer des Satans woede,
En \'s Werelds boos geweld.
Och, blijf ons met uw trouwe Nabij, Heer, groot en goed!
Op wien ons harte bouwe Met onbezweken moed.
Geleid ons aller wege,
Door \'t hachlijk levenslot;
En fluister tot den veege:
„Gij zijt verzoend met God!quot;
* Opgenomen in den Gezanyhuiidel der Herat. Er. Luth. Gem. onder N0. 325.
III.
HELIJUESIS.
Wat vleesch noch bloed Mijn dof gemoed,
O Heiland! openbaarde,
Zegt mij de stem In \'t hart, van Hem,
Die hemel schiep en aarde.
144
vijftal gewijde liedeken. 14-r)
In U aanschouw Ik \'t Zaad der Vrouw,
Op wien alle eeuwen wachtten;
Den Man, wiens dag Reeds Ahram zag;
Den Zegen der geslachten.
Gij zijt het. Gij,
Wien profecij En schaduwdienst verkondde;
De Christus Gods,
De sterke Bots,
Daar ik mijn hoop op grondde.
Ja, in u heeft De God die leeft Zijn Zoon aan ons gegeven.
Heer! waar dan heen\'?
Gij hebt alleen Het Woord van eeuwig leven.
* Opgenomen in den Gezanghundel der Herst. Ev. Luth. Gem. onder N0. 66; in den Vervolgbundel op de Ev. Gez. onder N0. 229.
IV.
loflied.
(Naar Tersteegen.)
Looft allen, looft Gods grooten Zoon,
Door hem verloste zielen!
Komt samen voor den hoogen troon
Des Overwinnaars knielen!
Prijs, lof, eer, dank, kracht, wijsheid, macht Zij aan \'t geslachte Lam gebracht.
Wij moesten \'t licht van Gods gelaat, \'-em. Zijn gunst en leven derven;
Verzegeld was ons Godes raad.
Verzegeld zevenwerven.
Geen engel, die dien raad ontsloot;
Alleen het Lam, Gods Gunstgenoot.
De hoogste Geesten al te gaai-Voor Hem de knieën buigen;
Der Englen millioenen-schaar
Doet Hij aanbiddend juichen;
Al \'t schepsel roept niet eéne stem;
Lof, prijs, macht, wijsheid, eer zij Hem! III. 10
VIJFTAL GEWIJDE LIEDEKEN.
De Aartsvaders van den ouden tijd
Begroeten hun Verlangen;
De schare der Profeten wijdt
Hem nieuwe lofgezangen;
De Apostlen roepen, hoog en luid,
\'t Hozanna met ons, kindren, uit.
De Martlaarschap, met gouden kroon.
Schudt hem de gToene palmen;
Bekranste maagden, rein en schoon,
Verhetfen bruiloftspsalmen.
Daar is één stem in elks gemoed:
„Gij kocht ons Gode met uw bloed!quot;
De Zwervers door de woestenij
Zijn vroolijk aangekomen;
Zij juublen met de ontelbre rij Door kruis beproefde vromen.
Gij, aller Liefde en Kracht en Lust,
Gij waart hun Zege, en zijt hun Rust!
En zou op aarde uw volk dan ooit
Van uwe liefde zwijgen?
\'Neen, dankbaar doet het, schoon verstrooid.
Zijn halleluja stijgen.
Eens wordt het juichend saamgebracht Dit elke natie, elk geslacht.
Hoe zal \'t ons zijn, wanneer wij daar
Van al uw trouw gewagen:
Hoe ge ons gezocht hebt, wonderbaar.
Gevonden, en gedragen?
Waar aller harp vereenigd klinkt.
En elk zijn eigen danklied zingt.
* Gedeeltelijk opgenomen in den Gezanghimdel der Herst. Ev. Luth. Gem. onder Nquot;. 205. ^ _ -Tm
* Aanleiding tot de navolging van dit schoone lied van lerstee-gen gaf het bijwonen van eene godsdienstige samenkomst te Mühl-heim aan de Ruhr, (Tersteegens woon- en sterfplaats), waar dit lied werd opgezongen. Zie over deze samenkomst Le Glaneur itïissionaire.
Dec. 1845.
V.
LOFZEGGING.
(Vg. 1 Tim. V.
Amen! U zij kracht en eer.
Zalig, alleenmachtig Heer!
God, wien \'t gansch heelal aanbidt.
Die de onsterflijkheid bezit.
146
GALM EN NAGALM. 147
Eenig, eeuwig, onafhanklijk!
Koning, die daar boven troont.
En een heilig licht bewoont,
Voor geen sterflijk oog toeganklijk. * Met omzetting opgenomen in den Gezaiifihimdel der Herat. Er. Luth. Gen;, onder N0. 33.
GALM EN NAGALM.
Uit een ver verschiet.
Uit een ver verschiet. Klinkt mi] een toon:
\'t Is een vroolijk lied,
\'t Is een vroolijk lied, Vroolijk en schoon.
\'t Is het lied der vreugd,
\'t Is het lied der vreugd (Ken ik \'t niet wel?)
Van mijn eerste jeugd.
Van mijn eerste jeugd; Lachjes en spel.
\'t Komt wat naderbij,
\'t Komt wat naderbij; Hoor hoe het zwelt!
Is dit melodij,
Is dit melodij Of woest geweld\'?
Hoe luidruchtig dreunt,
Hoe luidruchtig dreunt Wanklank op klank;
Maar daartusschen dreunt.
Maar daartusschen dreunt Zuiver gezang.
Bij het lied der min.
Bij het lied der min. Smeltend en zacht.
Mengt zich weemoed in.
Mengt zich weemoed in : \'t Gloeit en versmacht.
Ook die toon verstomt.
Ook die toon verstomt; Lief blijft hij mij.
Maar een andre komt.
Maar een andre komt Op aan mijn zij\'.
148 AAN NEDERLAND.
In mijn vroolijk huis,
In mijn vroolijk huis, Aan zegen rijk,
Rijst een luid gedruisch.
Rijst een luid gedruisch: Kindermuzijk.
Met een zachte klem.
Met een zachte klem. Dringen verward
Kinderstem bij stem,
Kinderstem bij stem Door tot mijn hart.
Hoor, de moeder spreekt.
Hoor de moeder spreekt Is dit geen lied.
Dat als honig leekt,
Dat als honig leekt, Als bronnat vliet?
Lieve stemmen, zwijgt!
Lieve stemmen, zwijgt! Zwijg, zoet geklank!
In mijn boezem stijgt,
In mijn boezem stijgt Een nieuw gezang.
\'t Is een diepe galm,
\'t Is een diepe galm Van rein genot;
\'t Is een dankbre psalm,
\'t Is een dankbre psalm Tot u, mijn God!
AAN NEDERLAND.
U heb ik steeds bemind.
Bemind, mijn Vaderland!
\'k Heb vroeg u hart en hand verpand. Als uw erkentlijk kind.
Ik was in rijper jeugd U altijd meer verknocht;
\'k Heb in uw roem mijn eer gezocht, In uw geluk, mijn vreugd.
ONZE VRIENDSCHAP.
\'k Heb steeds dit woord geslaakt, Ik heb mijn kroost geleerd:
Dat die^ zijn Vaderland niet eert,
Zichzelf te schande maakt.
Ik heb van \'s werelds end,
Van \'t lieflijkst zuideroord, Een lokstem: „Kom tot ons!quot; gehoord; \') Maar de ooren afgewend.
Zoude ik mijn kracht, mijn vlijt. Mijn lied, mijn luit (mijn lust)
Gaan brengen aan een vreemde kust? Neen, zij zijn U gewijd.
Ja U; U levenslang;
Zoo lang ik adem schep, Een droppel bloeds in de aadren heb. En in mijn luit een klank.
•) Herhaalde beroeping {Nov. 1852 en Sept. 1853) tot Hoogleeraar te Stellen-bosch, in Zuld-Afrika.
ONZE VRIENDSCHAP.
AAN J. P. HASEBEOEK, OP EEN KOUDEN WINTERDAG TOT MIJ OVERGEKOMEN.
De Vriendschap, door ons hart gevoed
En dapper aangekweekt.
Zij is, voorwaar, geen weeke bloed,
Die van een tochtje breekt.
Zij is en blijft, na menig jaar,
Nog even frisch en sterk —
Gewis de hemel zegent haar.
Of \'t is een wonderwerk.
Voor niets ter wereld is zij bang,
Al heeft zij ook misschien De Zeeuwsche Stroomen wel wat lang Bedenklijk aangezien.
Bescheen haar \'t eerste levenslicht
Op d\' allerheetsten dag:
Dat zij__voor_ vorst noch jachtsneeuw zwicht,
Bewijst zij slag op slag.
Hoe gunstrijk lachte, blij te moe,
De geest der poëzij Het lieve kind in \'t wiegje toe,
En bleef haar altijd bij.
149
OUD EN NIEUW.
Hoe vroolijk was haar eerste jeugd, En schreide ze ook eens wat.
Het was een andre soort van vreugd; Zij had ze droog en nat.
Wat heeft ze menig bloem geplukt, En menig frisschen krans
Op \'t onbekommerd hoofd gedrukt, In \'s levens morgenglans!
Hoe hartlijk werd zij van rondom Bewelkomd en begroet.
En wierf bij .jeugd en ouderdom Zich gunst in overvloed!
De liefde Gods zag vriendlijk neer. En schonk haar van omhoog
Een ernstig harte meer en meer, En een eenvoudig oog.
Een oog voor \'t licht vol majesteit. Dat uitstraalt van zijn Woord,
En op den weg naar de eeuwigheid Met zachte glansen gloort.
En in haar ziel ontlook een kracht. Die uitblinkt om haar hoofd.
Waardoor zij zich van Gods geslacht En onverderflijk g\'looft.
Sinds ziet zij vroolijk op en om, En maakt haar blijdschap groot.
En telt geen tijd, geen ouderdom. En lacht met graf en dood.
Sinds is ze ons, in vernieuwde jeugd, Een engel van den Heer,
En, bij zoo menig troost en vreugd. Een troost en vreugd te meer.
15 Febr. 1855.
OUD EN NIEUW.
Lieflijk prikkelt op de tongen. Die het lied des Oogstes zongen Met de dartelheid der jeugd, Nieuwe Most, die \'t hart verheugt.
Maar de mannen, in wier haren Wij een grijze vlok ontwaren.
Daar zij zich in \'t hoekje scharen.
AAN BEDROEFDEN. — NOG. — VERTROUWEN. 151
Waar zij uit de drukte zijn,
Prijzen luide d\' Ouden Wijn.
Geurig, keurig, uitgelezen ....
Zou \'t met vriendschap ook zoo wezen ?
AAN BEDROEFDEN.
Geeft u niet over aan uw Smart.
Maar aan den Man van Smarte. Die al het leed van \'t menschlijk hart Gevoeld heeft in zijn menschlijk harte ü roept zijn stem.
Die van zijn smart zijn leven maakt
Dien zal de smart verslinden;
Maar die tot Hem om troost genaakt, Zal uit den dood het leven vinden. Het is bij Hem.
NOG.
Het leed, dat u te beurte viel,
Moet gij niet, maar het moet u dienen. Het leide uw afgedwaalde ziel
Van \'t zienlijke op tot d\' Ongezienen!
Het make uw neergebogen geest
Wat losser van het stof der aarde! \'t Is u wellicht wat veel geweest, En heeft zoo weinig waarde.
VERTROUWEN.
Blijf op de wieken drijven,
Die God geschonken heeft!
Zij zullen aan den schouder blijven.
Ook daar waar alles u begeeft.
Durf op die wieken streven Ten hoogsten hemel heen!
Schoon door den dampkring wolken zweven, Een weinig hooger zijn er geen.
Blijf op die wieken hangen,
Hoe zwart de nacht ook zij!
Ook waar geen straal is op te vangen,
Is uw getrouwe God nabij.
T
152 NIET ONFEILB. - KWIKST. - TWEE GENÈVK\'S DE KLEINGEBLEV.
Mijn God, op uw genade
Vertrouw ik nacht en dag. Sla met uw oog mij gade, En kom mij met dat Woord te stade Dat zegt dat ik vertrouwen mag!
NIET ONFEILBAAR,
„Van mij te verschillen, gelijk gij ziet, „Is van domheid of onwil een blijk; „Onfeilbaar? Neen zeker! dat ben ik niet! „Maar wel heb ik altijd gelijk.quot;
Trippel vroolijk op uw dorre beenen,
Lentebodetje in den lichten rouw.
Daar gij niet-met-al van schijnt te meenen, Trippel vroolijk om den landman henen. En vertroost ons van de late kou!
Hadt gij reeds de mist op \'t veld geroken ?
Reeds \'t gebriesch gehoord van \'t boerenpaard. Eer de ploegstaart in den ploeg gestoken En de taaie klei werd opgebroken.
Die eerst u, dan ons het voedsel baart ?
Welkom! Nooit zijt gij te vroeg gekomen,
Kleine, fijne, trouwe menschenvrind!
Schoon ge uw eigen voordeel zoekt en vindt. Zoek het, vind het; gij hebt niets te schromen. Met u is de hoop in \'t veld vernomen:
Die het goede boodschapt, wordt bemind.
\'k Weet dat er twee Geneve\'s zijn;
Een van Rousseau, een van Calvijn. Maar \'t zelfde, diepe, blauwe meer Besproeit ze beiden — God zij de eer!
DE KLEINGEBLEVENEN.
(naar Rückerï.)
De wichtjes worden daaglijks ouder. De lieve kleintjes zachtkens groot; Zij glippen Vader van den schouder En springen uit hun Moeders schoot.
IN EENZAAMHEID. — ELSJE. 153
Maar gij, die, in uw eerste dagen,
Mijn Vader mij terug kwam vragen,
Blijft die gij waart en groeit niet meer:
quot;t Mag nog u in mijn armen dragen;
En Moeder wiegt met welbehagen U in haar schoot, gelijk weleer.
1855.
IN EENZAAMHEID.
In eenzaamheid, gedenk ik aan mijn Vader.
Mijns Vaders eenzaamheid.
Sinds Moeder is ter rust geleid.
En hem een dienstmaagd blijft, en niemand nader.
Veel kindren heeft hij, maar die op hun beurt Reeds vaders zijn en moeders.
Nog eens vereenen zich de broeders En zusters om die doodbaar, zoo betreurd.
Dan gaan ze uit een. Elk vindt zijn lieve kleenen Verbaasd van \'t rouwgewaad;
Terstond verheldert hun gelaat:
Reeds boort de glimlach door de tranen henen.
Maar Vader blijft en treurt alleen. Helaas!
Kan hij zijn oog gelooven?
Daar staat haar stoel terzij geschoven... Hoe ledig is heel \'t huis door ééne leege plaats!
Ach Vader! wat kan kindermin hier baten?
Neen! Zoek bij God uw troost!
De Hemelvader heeft geen kroost Dan dat hem nooit verlaat, en nimmer wordt verlaten. 19 April 1855. _
ELSJE.
Waar is, waar is de nachtegaal,
Die in het boschje zong,
En door zijn lied — Is \'t waar of niet? — Een traan in de oogen drong?
Waar is, waar is de frissche roos, Zoo bloeiende op haar steel?
Haar roode koon — Was zij niet schoon? Beloofde nog zoo veel.
Waar is, waar is de heldre beek,
Die opwelde uit het zand,
En dwars door loof en ruigte stoof. Met bloempjes op haar rand?
154 IK DE DILIGENCE.
Waar is, waav is dat beeldschoon kind.
Dat, vroolijk, bloeiend, jong.
Naar \'t beekje keek, op \'t roosje leek. En als de vogel zong?
De beek vloeide af, de beek droogde uit:
De frissclie roos verdween;
Het nest werd leeg, de vogel zweeg, En vloog, wie weet waarheen.
Het beeldschoon kind werd krank en zwak
En wit om neus en kin;
Haar beste deel — Zegt dat niet veel? — Vloog d\' open hemel in.
1855.
IN DE DILIGENCE.
In den ouden bolderwagen,
Die van Alkmaar op Haarlem rijdt.
In den wagen van van der Hagen,
Gebruik ik voortreflijk mijn tijd.
Ik denk van Heiloo tot Limmen —
Ja somtijds denk ik er om Tot waar ik het haantje zie glimmen.
Op den toren van Castricom —
Ik denk aan die dagen en weken,
In de jaren van jonkheid en min.
Die ik met u in deze streken Heb gesleten, mijn lieve vriendin]
Ik denk aan die wandelingen.
Waarop wij, hand aan hand.
Door het bosch en het korenveld gingen.
Onder praat naar ons beste verstand.
Wij zaten terneer op een dijkje \'),
van viooltjes en klokjes omtuild.
En genoten het vreedzame kijkje Naar het duin, waar zich Egmond verschuilt.
\'t Groote licht was gedaald, of op \'t tipje.
Ons oog zag het na met ontzag....
Nog een strookjen, een streepjen, een stipje ... En voorbij was de heerlijke dag.
\') Aarden wal ter afscheiding v.\'n akker. .
IN DE DILIGENCE,
Maar het avondrood blonk en vervulde
Heel de lucht niet een vlammigen gloed,
I)ie de toppen der duinen vergulde,
En \'t schroomvallige maantje kreeg moed.
\'t Werd zoo stil langs den beemd en den akker,
Alles sliep of sliep in op dat pas.
Slechts de piepende krekel bleef wakker.
En het haasje kwam spelen in \'t gras.
„Kom, mijn vriend! laai; ons keerenquot;; zoo klonk er
Dan een stem: „het wordt laat, als gjj^ ziet; Moeder wacht ons op \'t Huis, vóór den donker; Maar vergeet onze bloemekens niet.quot;
En de ruiker, geplukt tusschen aren,
Tusschen struiken en gras van het veld,
Werd, doorvlochten van bloeiende varen.
Met een kus in uw handen gesteld.
Welk een tijd, welk een tijd, mijne Aleide,
Zijn die zachte genoegens geleên\'.
Om het even; voor u, voor ons beide,
Is de liefde nog jong als voorheen .,,,
Maar mijn voerman steekt den horen,
En ik zie, uit mijn mijmring gewekt, Den Castricumschen toren.
Van Engelsche kogels doorspekt ■);
En Castricumsche hoornen
Glad geschoren, gekapt, en gewit.
En tuintjes zoo net en volkomen.
Stok- op stokroos geschaard in \'t gelid,
\'t Bonte vee graast in schaduw der heuvelen. Donker groen van den voet tot den kruin, Teeuwis Tijssen staat vreedzaam te keuvelen.
Over \'t hek van den dam, met Jan Duin,
Jan Duin heeft twee pikzwarte kalven —
„len wit voetje heeft de ien, de aare nietquot; — En hij wedt om een zak met zesthalven,
„Dat je nieuwerts der wederga ziet.quot;
Dit is Guurtje, Teuns dochter, vrij krachtig.
Kort gejakt, lang gerokt, gansch niet bleek: Die des zondags een kap draagt heel prachtig, Maar een mop, als gij ziet, in de week.
1) Tot een aandenken van \'t jaar 1799.
IN DE DILIGENCE.
Lange lanen van elzen en berken,
Ik bemin en bewonder u wel,
Maar gij schijnt wat slaapwekkend te werken Op het dichterlijk droomend gestel!
Ik voel mijn oogen bezwaren.
Het is of\' ik ze sluit;
Maar nog zie ik grasgroene blaren,
En weder, en immer rechtuit!
Een opweklijke stoot in den horen!
Dit is Beverwjik, naar ik merk.
Ik ken dien heelen toren Bij die halve, en toch dubbele kerk \').
Beverwijk! nooit vergeet ik de dagen,
Toen langs heel deze uw straat, voor \'t gemak. Die moorddadige keisteenen lagen.
Daar men assen en ribbon op brak 2).
Ach, toen deedt gij door paarden en menschan.
Uit elkander geschokt en ontwricht,
U van d\' ochtend tot d\' avond verwenschen;
Maar aw ooren en beurs hieldt gij dicht.
Beverwijk! welk een toekomst, wat tijden,
Als de hoofdstad des Rijks, met haar schaar. Straks uw Holland-op-\'t-Smalst zal doorsnijden. Of \'t een blaadje couponpapier waar!
Als uw meer in zee zal stroomen.
En aan \'t sneeuwwitte strand, uit het niet, Dat IJmuiden *) te voorschijn zal komen,
Daar de Helder reeds donker om ziet!
Lieflijk Velzen! van u moet ik zingen.
Met uw kerkje, verscholen in \'t groen;
Uiterst punt van de wandelingen.
Die de Haarlemsche schoolknaap mocht doen.
Maar hij kwam niet tot u over Schoten,
Hij kwam niet tot u door Zandpoort —
Waar werd ooit langs een straatweg genoten. Wat het hart van een schoolknaap bekoort?
\') De kerk te Beverwijk placht veel grooter te zijn. Wat er van het vroegere gebouw overig is, is onder twee daken gebracht.
-) Wegens een geschil tusschen het Rijk en het Stedeken over: Straat ol. Straatu?^.
3) Men denke aan de profetische mijmering van Prof. Vissering, Ao 1848. Zij werd destijds door den Gids medegedeeld, later in het bundeltje zijner Herinneringen opgenomen (Amst. 1863.)
156
IN DE DILIGENCE.
Langs de Overveensclie tuinen
Door \'t Bloemendaalsohe bosch.
Liep zijn pad over hobb\'lige duinen.
Begroeid met veerkrachtige mos.
En de hoogste top werd bestegen.
Welgemoed zat hij neder, eu keek Op de bossohen, de beemden, de wegen Van de schoone, welvarende streek.
Hier de Zomerzorgsche schommel;
Daar het I.T in zijn glansrijke pracht: En daar achter, in neevlig gedommel, Amsterdam... Kon hij \'t zien ?... Ja, hij zag \'t.
Maar meer dan \'t welvarende Heden,
Voor zijn oog door geen nevel bewolkt, Trok de bouwval hem aan van \'t Verleden, Door zijn stoute verbeelding bevolkt.
\'t Oud kasteel, dat, in roemrijke dagen
Met zoo menigen toren gekroond, Brederode! uw banier had gedragen En uw schildleeuw den volke vertoond.
Derwaarts heen! Dit \'s de weg. Dees moerassen.
Waar de kikvorsch uw geestdrift bespot. Rijk met lischbloem en kalmoes bewassen. Waren eenmaal de grachten van \'t slotl
Dit \'s de poort; dit \'s de trap, heel versleten;
\'t Spreekt van zelf, \'tmiddeleeuwsche geslacht Was met ijzer geschoeid, als wij weten, En zoo\'n ridder een vreeslijke vracht.
Op naar boven! o Zalig verrukken.
Als ten laatsten een bevende hand Er de goudgele muurbloem mocht plukken. Op de kruin van den schuddenden wandl
Soms heeft, in later dagen.
Het zachtkens dravend ros Den leeraar van Heemstee gedragen Langs den duinkant en \'t Velzensche bosch;
Maar nooit zag hij op tot die muren.
Die de moker nog spaart tot zijn vreugd. Of zijn hart dacht terug aan die uren En \'t genot van zijn dwepende jeugd.
En óók in den bolderwagen.
Die van Alkmaar op Haarlem rijdt.
IX DE DILIGENCE.
Den wagen van van der Hagen,
Gedenkt hij dien vreugdrijken tijd.
Als een rook, als een schim vlucht ons leven.
Men voelt zich nog jong, en is oud;
En men vindt zijn vier kruisen geschreven,
Eer men \'t weet of zijn oogen vertrouwt.
Haast is van \'t geen wij waren
Ook niet meer dan de bouwval te zien,
En de dood, die ons zóó lang wou sparen,
Hoe zeer kort spaart hij dezen misschien!
„Gij zijt stof. en tot stof zult gij keeren!
\'t Graf is klaar, en de moederschoot wacht;
Zalig hij, die den vrede des Heeren Heeft tot licht bij den dalenden nacht!
Pit \'s de les. die \'k verneem bij het naderen Van het kerkhof, aan \'t einde der baan \'),
Die mji wilgen met weenende bladeren En de bleeke cypres doen verstaan.
Ach! hier rust, onder \'t rustige lommer.
Een bevolking in de aard\', die een stad Heeft vervuld met haar arbeid en kommer,
Toen zij markten en straten betrad.
Groot en klein, arm en rijk, boozen, braven,
Vriend en vijand, de heer en zijn knecht.
Hebben eerst hier elkander begraven,
Daarna zelf zich ter ruste gelegd.
\'t Zuidewindje ruischt stil langs de zoden. Met verwelklijke bloempjes bedekt:
Sluimert zacht, sluimert vreedzaam, gij dooden! Tot de stem van den Heiland u wekt.
Sluimer zacht, sluimer zacht aan de zijde
Van het kind, met veel tranen beschreid.
Trouwe ziel, die uw zorgen mij wijdde.
Die mijn zorglooze jeugd hebt geleid!
Lieve Moeder! mijn oog zoekt de stede,_
Waar uw Gade u gelegd heeft, en wij —
Maar ons driespan draaft door, voert mij mede. En... reeds zijn wij het kerkhof voorbij.
Dus is \'t leven. De Tijd voert den wagen;
Onder vreugd, onder smart gaat het voort!
1) De Haarlemsche Begraafplaats, onder Schoten, draagt op de zullen van haar hek de schriftuurplaatsen: „O\'j/ zyt slof, en tot stof zult gij ivt-l-rkeerw,quot; en ^Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven.quot;
UAARLE.M. 159
\'t Is voorbij wat wij zien, eer wij \'t zagen,
Tot wij duizlende staan voor de poort...
Dit is Haarlem; zijn kerk en zijn toren,
Dit dat plein, dit die gracht, dit die straat,
Waar men hijlikt en kindert als voren,
Als dit rood zijden lapje1) verraadt.
1) De zoogenaamde klopper op de deur, naar oud gebruik, tot aanduiding van een kraamvrouw.
HAARLEM.
Tussclien bossclien, beemden, duiuen.
Ligt de grijze Spaarnestad,
Midden in haar rijke tuinen.
Als een steen in goud gevat;
Daar heeft mij het eerst beschenen
\'t Licht van een Septemberdag, Die op mijn mistroostig weenen Met een glimlach nederzag\'.
Daar heb ik geheel genoten.
Wat voor \'t vaak ondankbaar kind In het hart ligt opgesloten
Van een moeder, die het mint, Van een vader, die van \'s morgens Tot des avonds werkt en waakt. Gaarne, mits hij door veel zorgen? Slechts zijn kroost gelukkig maakt.
Mannen van beroemde namen
Voerden mij van trap tot trap, Om mijn jonkheid te bekwamen
Tot een weinig wetenschap.
\'k Heb er dezen voor te prijzen
Zoo ik soms mij prijzen zag.
Dat ik, als mijn zangen rijzen.
Voel wat Hollands taal vermag.
\'k Heb het dezen dank te weten.
Maar wat laat eerst recht gedaan, Zoo ik Latiums poëten
Ook een weinig mag verstp^an; Zoo ik ook wat meê mag rieken u- Van den fijnen geurenschat,
in Dien het heiligdom der Grieken
Stort uit menig gouden vat.
HAARLEM.
Maar hoe zal ik ooit vermelden,
Stad, waarvoor mijn boezem blaakt! Wat ik in uw open Velden,
In uw Bosschen heb gesmaakt;
Wat ik tusschen mos en varen,
Aan den voet van \'t ruige Duin, Op mocht zaamlen, en vergaren Van des Blinkerds kale kruin?
Niet omdat ik al de plekken.
Waar de braambes weligst groeit, En de plaatsjes wist te ontdekken.
Waar \'t verborgen beekje vloeit; Beekje, dat mijn krachten sterkte
Op mijn slingrend wandelpad,
Schoon ik waarlijk niet bemerkte Dat ik sterking noodig had;
Niet, omdat ik gansche scharen
Vlinders, kevers, en gespuis,
Dat mijn moeder deed vervaren. Krijgsgevangen bracht in huis;
Niet omdat ik al de bloemen.
Al de kruiden, ieder gras.
Daar uw Flora op mag roemen.
Voor mijn gapend plantboek las;
Maar naardien uw duin en dalen,
Bosch en beekjes, bloem en kruid. Stomme vlinders, nachtegalen Met hun dichterlijk geluid,
\'t Wilde torteltje in de linden,
\'t Krekeltje onder tijm en mos. En \'t gesuis der avondwinden Door de toppen van het bosch;
Maar naardien het eerst ontluiken
Van de lente, jaar op jaar.
\'t Gele bloeisel aan uw struiken.
Grijze wilg en hazelaar!
Maar omdat het prachtig pralen
Van den zomer, in uw hof\'.
\'t Geestig spel der zonnestralen Met de schaduw, onder \'t lof.
\'t Bont verkleuren, \'t langzaam dunnen,
\'t Dwarlend vallen van de blaan. Die der zon een kijkje gunnen.
Waar ze in lang geen oog kon slaan.
160
HAARLEM.
Stiaks do storm in \'t AVost geboren Opgekomen uit de zee, ■p ^ stem my ho oren
J^n haar spiegel glinstren deê;
111aardiei1 dit groeien, bloeien Wisslen, werken der natuur,
c.mün binnenst deed ontgloeien Spranken van geheiligd vuur.
Door mijn ooren, door mijn oogen,
^0}..mün jonge ziel en zin Goddelijke nectartogen Met een zuivren wellust in.
O Gewis! \'t Veelvoudig leven
van de wondre schepping Gods, Uie alom mij hield omgeven.
In uw beemden, in uw boseh, In uw hoven, waard te roemen, ur u,w keuvlen, aan uw vliet, orr bitterzoet zijn bloemen Slingert door \'t weemoedig- riet.
Heeft het leven in mijn boezem
Deels verdubbeld, deels gewekt. Als een vroege amandelbloesem,
Dien het zonlicht opentrekt-Ja gewekt, gevoed, ontwikkeld.
Aangemoedigd, opgebouwd,
Hjii ^met zaehteii drang geprikkeld Tot genieten duizendvoud.
\'k,y?,e* u nog\'\' ,8\'ewijde ontroering, t Hart doorritslend reis op reis, Ziel son t vl am ming, gees t ver vo ering.
Afgekoeld tot stil gepeis. Weerklank in mijn innigst harte
Van het lied, dat alles zong, Dobbnng tusschen^ vreugd en smarte, iraan, die in mijn oogen drong!
0 quot;lijn God] ik durf niet hopen. Dat ik ooit ü waardig prees!
Maar mijn boezem ging u open,
1 En mijn kinderlofzang rees.
t Groote lied was aangevangen,
Dat geheel mijn ziel doordrong; -fcJron van duizend, duizend zangen. Die ik zong, en niet en zong.
162
HEILOO.
Kweekplaats van mijn kmdsche dagei -
Heb ik ooit in later dag,
Op miin luit een toon geslagen,
Daar ik lof voor beuren mag; Naklank is bet van de klanken.
Die zii indronk in uw liicnt,
Daar mijn hart u voor zal danken Tot mijn jongsten boezemzucht.
1855.
HEILOO.
Boven Limmen ligt Heiloo.
Waarom klopt bet bart mij zoo,
Als ik, boven Limmen,
Op een spitsen torentop,
\'t Haantje met vergulden kop,
Boven \'t hout zie klimmen i Heiloo ligt boven Limmen.
Sehoone dreven heeft Heiloo. Waarom klopt het hart mij zoo.
Midden in zijn dreven.
Als van tusschen \'t groen geboomt, \'t Witte Huis te voorschijnt koomt, Statig en verbeven?
Heiloo heeft sehoone dreven.
Lieve vrouwtjes telt Heiloq._ Waarom klopt het hart mij zoo.
Kom ik die te aanschouwen. \'t Heugt mij hoe ik, jongeling, \'t Liefste meisjen uit haar kring In zijn kerk ging trouwen.
Heiloo telt lieve vrouwen.
Zeegne God u, klein gehucht! Dubbel zuivel, dubble vrucht
Laclie u daaglijks tegen. Onbezoedeld, onverpoosd,
Vloeie u de evangelietroost Als een malsclie regen.
Aan mij verdient gij zegen.
1855.
het lied des doouex. —
HEï LIED DES DOODEN.
^ Gij hebt mij lang gekend,
En komt mij dus te aanschouwen: Ach, eer gij \'t denkt, is dit het end;
De dood is niet te trouwen.
Ik leefde een jaar of wat; niet meer! Nu lig ik op de lijkbaar neer;
De nacht der graven wacht op mij — Wie zal mij volgen? Gij?
Lijk volgers. Vriendenschaar,
Wilt over mij niet weenen!
Mijn ziel, al schreit gij bij mijn baar,
Ik reeds voor God verschenen.
Daar smaakt zij, om haars Heilands bloed, Des hemels onverbitterd zoet —
Hoe zalig is die rust voor mij;
Wie zal mij volgen? Gij?
Geliefdste Vriend! één beê:
Vergeet mij niet te spoedig!
Ik droeg uw beeld ten hemel meê.
En wacht u daar blijmoedig,
Daar is geen graf, geen rouw, geen smart. Geen zondesmet bedroeft er \'t hart, Volkomen vreugde streelt er mij — Wie zal mij volgen? Gij!
Heb dank, o Vrienden saam.
Die mij naar \'t graf geleidde!
Dat u \'t geloof in Jezus naam
Een zachten dood bereide!
Bescherme u God bij dag en nacht —
Mijn aardsche dagtaak is volbracht ; Het stille graf sluit over mij —
Wie zal mij volgen! Gij.
1855.
Zie „Frankische Volksliederquot; (Leipz. 1855).
BIJ HET OVERLIJDEN EENS LEERAARS.
(Olney Hymns.
God nam zijn Meester weg van hem,
Aan d\' oever der Jordaan;
Wanhopig roept Eliza\'s stem; Wat vangt nu Isrel aan?
bij het overlijden enz.
wapen voou ue gemeente „haarlemmermeer.
Maar liij vergeet dat \'s Heereu maclit
Der zwakken lenden gordt,
En in wat maat Elia\'s kracht Op hem is uitgestort.
Hoe? Paulus endt zijn schoonen loop,
Apollos daalt in \'t graf:
Is Jezus Kerk nu zonder hoop?
Sneed hij haar leven af?
Of leeft hij nog, die eeuwig leeft,
En al haar nooden kent? Zij trooste zich niet wat zij heeft. En wachte \'t geen Hij zendt.
1855.
WAPEN VOOR DE GEMEENTE „HAAELEMMEEMEER.quot; Aan den Edelachtb. Heere Mr. M. S. P. Pabst, Burgemeester.
Gij, die op \'t nieuw, veroverd, land.
De vlag, in naam uws Konings plant;
Uw oog schijnt mij te vragen:
„Wat Teeken zal zij dragen ?quot;
Zoo ik een Teeken kiezen zou,
\'t Ware op een veld van Hemelsblauw,
Drie gulden Koren-aren,
Oprijzende uit de Baren.
Zoo gij \'t aanvaardt, en kronen wilt:
Plaats dan een Tand-rad boven \'t schild.
Symbool dier Werktuigkunde,
Die dees triumf vergunde.
Dat „Goud uit Schuimquot; de Zinspreuk zij!
Het is eens Dichters Profecy;
De Hemel doe beleven Wat vondels vingren schreven!
De Leeuw van Holland, nu gezond,
Zie bij dit Schild met hoogmoed rond,
Bescherm het met zijn klauwen.
En geef het d\' aard\' te aanschouwen.
November 1855.
* Bij koninklijk Besluit van 19 Sept. 1856, is het wapen, zoo als het, volgens het\' tweede couplet van dit stukje, door mij ontworpen en sedert door de bevoegde macht voorgedragen is, metterdaad het Wapen der gemeente „Haarlemmermeerquot; geworden. Van den verderen
164
mijn roos.
inhoud van het ontwerp, hier gegeven, kon ten gevolge der tegenwoordige wetsbepalingen op de Wapens van Plaatsen niets komen; en zoo moest dan ook de Zinspreuk achterblijven, welker opneming, vooral als herinnering aan hetgeen de eerste onzer dichters voor twee honderd jaren geschreven had, het vaderland zeker niet tot oneer zou gestrekt hebben :
Wat Vondels vingren schreven. Namelijk in 1642, in zijne voortreffelijke dichtreg-elen „Op het uitmalen van \'t Haerlemmer ineir: aan den Leeuw ran Ilollantquot;;
üitheemsche vyanden te zitten in de veeren.
Te slingeren den staert groothartigh over zee;
Is ydel, als uw long, geslagen aan het teeren,
Inwendigh vast vergaet, en ghy, van hartewee,
Zoo deerlijck zucht, en kucht, en loost, by heele broeken
Het rottende ingewant te keel uit, in de golf.
Wat baet het met uw klaeu al \'t oost en \'t west te plocken,
Naerdien u bijt in \'t hart dees wreede waterwolf.
Belust, om over u eer lang te triomferen?
(3 Lantleeuw, waeck eens op, en weck met eenen schreeu. Al \'t Veen, de Kennemaers, en Rijnlants oude Heeren,
Met d\'Aemsterlanders op, tot noothulp van hun Leeuw. Men sluite met een dijck dees pest, die u komt plagen.
De Wintvorst vliegh \'er met zijn molewiecken toe.
De snelle Wintvorst weet den waterwolf te jagen
In zee, van waer hy u kwam knabblen, nimmer moe. De Veenboer zit en wenscht dees waterjaght te spoeien.
En \'tVeenwijf roept; hij ruimt. De Lantleeuw weit op \'t ruim, Ljr z ff\'ff hl zijn Ion ff f/ezont aan lt;/\' uiers van de hoeien.
Zoo wint de Lantleeuw lant: zoo puurt hy gout uit schuim.
Van, Lennep teekent in zijne uitgave (IV. 368), meer overeenkomstig mijn voorslag en verijdeld verlangen dan naar waarheid, -1,1 ^S^ste woorden aan; ,Deze woorden prijken thans als „le-genei© by hefc Wapen vein de Gemeente Haarienimernieer.quot;
De Leeuw van Holland, nu fjezond. Toespeling op Vondels woorden m op een na den laatsten regel van \'t bovenstaand gedicht.
MIJN ROOS.
Ik ken, ik heb een frissehe Eoos, ^ Maar zonder steel of blaren; Zij bloeit voor mij geen korte poos, Maar nu reeds vijftien jaren.
Reeds vijftien jaren bloeit zij mij, ^ Bij dagen en bij nachten. En stoort zich aan geen jaargetij. Aan sneeuw noch hageljachten.
165
open vensters.
Green sneeuw of hagel, die liaar stooit,
En, lioe de zon mag steken,
Zii bloost en bloeit onkwetsbaar vooit, En weet van geen verbleeken.
Indien zij van verbleeken wist,
Zoo baar mijn oogen zagen Betrokken met een valen mist.
Hoe zoude ik dat verdragen i
Verdragen zoude ik eerder dat,
Waar ik mijn oogen wendde.
Miin voetpad niets dan dorens had. Dan dorens van ellende.
Geen dorens hebt ge, o Boos. zoo zacht
Als zacht fluweel en zijde.
Hoe zedig gloeit, hoe vriendlijk lacht Uw blosje t\' allen tijde.
o Gloei en bloei mijn leven lang \'
Laat niets uw glans verminderen. ..
Ik meen de Boos op moeders wang; Gij raadt het lieve kinderen.
OPEN VENSTEBS.
(Naar Longfellow.
Het prachtig Buiten hief zijn dak
Stilzwijgend uit de hndeboomen, Het zonlicht deed langs top en tak
Zijn goud op \'t ledig voorplein stroomen.
\'k Stond even stil bij \'t open hek, _
En sloeg weemoedig \'t oog naai bo-i en, \'k Zag van der kindren slaapvertrek I)e vensters allen opgeschoven.
Maar geen lief bakkesje keek uit.
Geen aardig ventje zag ik woelen.
Baar was beweging noch g61™*\'
Slechts leege tafels, leege stoelen.
Kardoes stond op de stoep van \'t Huis,
En tuurde goedig door de ™iten, En kwispelstaartte op t minst Sedlu1^1\' Maar wachtte vruchtloos zijn kornuiten.
166
1855.
liliTJ K.
Zij trippelden door \'t Huis niet om;
Zij speelden op geen beukenpleintjes;
Noch zagen blijde aan de eendenkom,
Hoe de ouden zwommen naast hun kleintjes.
\'t Gevogelt sprong van tak tot tak;
Zijn wildzang klonk door al de boomen; De stem der kindertjes ontbrak;
Zij wordt nog slechts gehoord, in droonien.
Ik trok den knaap wat dichter bij.
Die aan mijn zijde bloempjes plukte;
Lang keek hij me aan, toen vroeg hij mij: rWaarom \'k zijn handje toch zoo drukte?quot;
BET JE.
Neem mij niet kwalijk, lieve Bet!
Dat \'k u eens ernstig onderhoude En vlak de waarheid zegge, net Als ik \'t mijn eigen dochter zoude.
In de eerste plaats, mijn lieve kind!
Gij moet zoo dol oprecht niet wezen. Wat gij gevoelt, bedoelt, bevindt, Is daadlijk in uw oog te lezen I
En, waarom veinst gij nooit eens wat\'?
Bescheiden zijn is ongenoegzaam; Het veinzen — zondig dunkt u dat... Maai-, Betjen! ieder acht het voegzaam.
Die \'t recht verstaat, met mond en kaak,
Dien acht men overal verstandig: Hij heeft gemak, die groote zaak! Een flapuit is verbaasd onhandig.
Dus, meisje! \'k smeek u als een gunst, ^ Leer met bevalligheid wat liegen; En zoekt gij \'t toppunt van de kunst.
Leer bovenal uzelv\' bedriegen.
Ten tweede: Gij schijnt zeer gezind Uw tijd voor kennis uit te geven; Gij wilt wat weten. Lieve kind!
Zij weet genoeg, die „weet te leven.quot;
Het praten, zeker, hoort daarbij. Het aardig over alles praten;
Maar die veel weet, spreekt minder vrij. Of ziet zich als een wijsneus haten.
167
HET.iE.
Gi) leest Fransch, Duitscli: dat \'s naar mijn wil
\'Vooral toch Engelsch, moet ik hopen! ,Ook Hollandsehquot; ... Schepsel, houd u stil 1 Gij zoudt het met uw eer bekoopen.
Maar waarom leest gij\'? Dat \'s de zaak,
Waar \'tal op aan komt; om te lezen\'?
„Neen, tot mijn stichting, nut, vermaakquot; ... Ik dacht wel dat het mis zou wezen.
De Bijbel is uw liefste boek.
Hetgeen ik voor alsnog niet lake:
Zoo slechts het daaglijksoh onderzoek Der Schrift u tot geen dweepster make!
öij gaat getrouw ter kerk. Zeer goed!
Maar waarom, tegens aller wenschen.
Zet ge op de bals geen enklen voet?
Men ziet ook daar zijn evenmenschen.
En ook laat ge u geen lidmaatschap
Van comité-tjes welgevallen;
Melieve, nu nog mooier grap!
Die niet naar \'t bal gaan, doen dat allen.
Hoor kind! uw keus moet dnidlijk zijn: Verlicht godsdienstig, zoo als wij zijn;
Of wel ten eenenmale fijn ;
Maar daar moet dan wat extra\'s bij zijn.
In zang en toonkunst neemt gij les.
En schijnt in beiden wel te slagen,
Maar zijt verschriklijk ouderwetsch In \'t plaatsen van uw welbehagen.
Gij hebt, naar \'t schijnt, noch oor noch hart
Voor schitterende meesterstukken.
Die drok en dol zijn en verward.
Maar die men aanhoort met verrukken.
Beethoven, Mozart, Haendel, Bach,
Ziedaar de lui, die gij blijft roemen;
Maar dat is, als ik \'t zeggen mag.
De sterren prijzen en de bloemen.
Soms zien wij u, bij avondstond
Voor \'t open venster neergezeten, Een zachten glimlach om den mond, Het wereldsche gewoel vergeten;
En somtijds weer, voor dag en dauw. Tot stichting zeker van de boeren,
16S
BETJE. 169
Mooi blootgesteld aan de ochtendkou,
üw duiven en uw kippen voeren.
Of, op een ongelegen tijd,
In eenzaamheid door \'t hakhout dolen.
Waar gij uw kostlijke aandacht wijdt Aan bloeiend onkruid en violen.
Beken het maar! Is \'t waar of niet.
Dat vaak, als alles reeds ter rast is.
Het staren in het bruin verschiet Der breede lanen nog uw lust is.
En \'t opzien naar het stil gewelf,
^ \\Vaai% langs de maan, de wolkjes drijven, U dikwijls noopt, ondanks u zelf,
Nog uren op \'t balkon te blijven?
„Dan,quot; zegt gij, „hoort uw hart een stem,
Door \'t zinlijk oor niet op te vangen.
Die duidlijk tot u spreekt van Hem,
Wien de englen eeren met gezangen;
Wien gij gedenkt met diep ontzag,
En dankt met innig zielsverrukken.
Omdat het u gebeuren mag Den dorpel van zijn Huis te drukken!quot;...
Zoo zijt gij beurtlings, beste meid!
Wat ernstig, of wat kinderachtig.
Het eerste is overdrevenheid,
En \'t andre, schaap! verveelt ons krachtig.
De wereld is zoo als zij is;
Men moet wat nemen en wat geven,
En zonder erg of ergernis.
Zoo leven als men haar ziet leven.
De kronkelbeek, die kalm en zacht
Haar weg zoekt met bescheiden bruisen.
Wat is zij, bij de fraaie gracht.
Op peil gehouden door haar sluizen\'?
Het bijtje, hoe tevreden \'t zij
In zijn eenvoudig, stil bedrijfje.
Haalt immers niet in waarde bij Een wesp met ingeregen lijfje?
Maar gij vergaapt u aan den schijn.
En leeft bij veel te hooge zaken.
Die mooi en goed en kostlijk zijn.
Maar al te slechte reekning maken.
170 IN OE KIKDEEKAMER. — BIJ HAAR GRAF.
Ik hoorde soms, in \'t diepst van \'t woud,
Een vogel zingen, luide en blijde; Ik vond, verscholen onder \'t hout. Een geurig bloempje, zacht als zijde;
Ik zag een bron, vol, klaar, en frisch. Ontspringen op een eenzaam plekje; En zie daarin uw beeltenis... _
Maar wie zijn schuld is \'t, zedig bekje ?
1856.
* Vergelijk Juste Olivier, Clairette.
IN DE KINDERKAMER.
Alles in slaap!
Alles in rust!
Meisjes en knaap.
Droefheid en lust!
Kleine krakeelen, en knellende zorgen Wegens de moeilijke lessen voor morgen. Eensklaps gesust!
Allen gezond.
Allen vol kracht;
Zie hoe die mond Slapende lacht!
Eén, nog één kusje gedrukt op de koonen. Blozende rozen, van dochtren en zonen. En: Goeden nacht!
Ja, Goeden nacht!
Slaapt ongestoord!
God houdt de wacht.
God, die ons hoort.
Kom, leg ook gij nu liet hoofd maar terneder, Liefdrijke moeder! zoo zorgzaam en teeder; Slaap ook zoo zacht.
1856.
BIJ HAAR GRAF.
rMijn sieraad en mijn eere.
Mijn grootste schat op aard, Een gave van den Heere,
Zijn groote goedheid waard. Een onwaardeerbre zegen.
Een hulp, een troost, een vreugd: Dat waart gij op mijn wegen.
1ÏEP0S AILLEDKS. — NEVENS DES BIJENKOKP.
Gij, huisvrouw van mijn jeugdquot; \').
Thans, zijt gij van mijn zijde
Zoo droevig afgescheurd. Och, weet gij wat ik lijde.
En hoe mijn boe?em treurt V Gij moogt in de armen zinken
Van hem die eeuwig leeft:
Zou ik den kelk niet drinken Dien mij de Vader geeft\'?
Mijn kindren, lieve Zonen,
Vlucht tot dien Vader heen! Hij zal zich Vader toonen
Aan u en mij meteen.
Hij zal, in deze smarte.
Uw vader en zijn kroost Vertroosten aan zijn harte,
Gelijk een Moeder troost.
13 Mei 1856.
REPOS A1LLEURS.
Houd u den slaap des doods uit de oogen
Door werkzaamheid;
Geloof niet dat wij rusten mogen.
Eer ons de Heer ter rust geleidt.
Verpoos uw geest, verkwik uw kracht.
Schort d\' arbeid, maar hervat hem weer; En leg, ook zelfs in uw gedachten.
Uw taak niet neer.
1856,
NEVENS DEN BIJENKORF.
Sic vos non vobis melllficatis, apes.
Maak vlijtig honig, nijvre Bij !
Voor u niet, maar voor mij.
De schoone zon is opgegaan.
Veel duizend bloempjes zie ik staan.
Hoe aardig pronken ze in \'t gelid!
Dit geestig rood, dat zedig wit:
Dit blauw, dat geel; gestreept, bestipt;
Geplooid, gekarteld, uitgeknipt.
171
NEVEXS DEN IIIJEXKOKF.
Of glad en effen, gaaf en rond;
Hier, lachjes om den rooden mond Zoo gril en vroolijk opgespard,
En daar, oen heldre traan in \'t hart. Het eene draagt een kroon vol glans, Het andre eens Heiligs stralenkrans; Dit Ijikt een kleine zon, en dat Een groote vonk op \'t gras gespat; Een kruisje, een ring, een spitse pluim. Een droppel bloed, een vlokje schuim. Een monnikskap, een krijgsmanshoed. Een schoentje voor een poppenvoet. Een pijpje met gebogen steel. Een veldschalmei, een kermisveêl. Een leeuwenbek, een kattenstaart. Een oudje lachende in zijn baard. Een klokje benglende in de lucht, Een bonte vlinder in zijn vlucht. Een bekertje met goud daarin, Een oogje pinkende van min,
Of met een heldren, vrijen blik Ten hemel opziend\' zonder schrik. En iedre bloem, die zich ontsluit. Spreidt, met haar kleur, haar geuren uit, En lonkt en lokt u, nijvre Hij!
Om u niet, maar om mij;
En zet u, op uw vliegend spoor. Het nectarvocht in schotels voor; Of reikt het op een spitse roe U, mondjesmaat, bij droppels toe; Of laat u snufflen in zijn dons. Of zuigen aan een volle spons;
Of borgt, met plaagziek overleg.
Het in een donkren kelder weg.
Maar laat het deurtjen op een kier. Dat gij moogt ingaan, gulzig dier! En zwelgen, zwelgen, nijvre Bij!
Voor u niet, maar voor mij.
Spoed heen dan met nw zoete vracht! De korf, de cel, mijn kelder wacht! Spoed heen, en stort uw rijken buit In vat op vat bij stroomen uit;
Spijs van den klimmend\' overvloed Uw zuster en het jong gebroed;
Voorzie uw vruchtbre koningin,
Haar minnaars, en haar hofgezin; Leg ook den wintervoorraad op, In kruik bij kruik met wassen stop; Vlieg dan weer uit op vlugge vlerk.
JAN JANSZEN. 173
Van bloem tot bloem, van perk tot perk; Keer weer, ontlast u, vlieg -weer uit, Tot dat de dag zijn ronde sluit;
Neem rust, tot de eerste straal van licht ü weder opwekt tot uw plicht!
Wie weet of ge op uw vroegste vlucht Niet riekt een welbekende lucht,
Die lokt en zegt „de boekweit bloeit!quot; Daarheen, daarheen dan, onvermoeid! De weg is lang, maar groot het loon.
Maak haast! Nog is de morgen schoon; Licht dat, op \'t midden van den dag. Een donderkop, een donderslag.
Een zwarte wolk, die regen «pelt, U wegdrijft van \'t welriekend veld. En noodzaakt tot gedwongen rust Haar, die in d\' arbeid vindt haar lust.
Voor mij, lief Bijtjen! eens vooral Bestelde ik u dees bijenstal;
Ik heb u dezen korf gekocht.
Door nijvre menschenhand gewrocht; Ik plaats een vaantjen op den top: En schrijf er eigenhandig op:
Hier woont en werli de nijvre Bij,
Voor zich niet, maai- voor mij.
Want de ijzren vlijt, het taai geduld, De wijsheid, die dit pakhuis vult,
De liefde voor \'t G-emeene Best In ieder bijenhart gevest.
Al de orde en eendracht, die hier heersclit, Daar ieder zwoegt en zorgt om \'t zeerst, Die spaarzaamheid bij overvloed. Die daaglijks rijker worden doet:
Ik pluk de beste vrucht er van.
Ik, die geen honig maken kan.
Ik, die niet weet naar welke wet De zoetheid van het rozenbed In \'t binnenst van een bijenmaag Tot honig wordt, en \'t ook niet vraag: Maar gaarn mijn brood in honig doop: Ziedaar des werelds loop.
JAN JANSZEN.
Eer brengt een arme Vader met vreugd zes kindren groot. Dan dat zes rijke kindren
hem kosstren in den nood.
174 jan janszen.
Jan Janszeu had gehamerd, gezaagd, geboord, geschaafd,
Bii dag en nacht gezorgd, gezweet,
geploegd, gezwoegd, gesiaaid;
Zijn wijfje wist van sparen en zuinig overleg;
Zoo brachten zij zes kindren groot,
en legden nog wat weg.
De zonen kregen vrouwen, de dochtren kregen mans;
Geen vader was gelukkiger T
of rijker dan Jan Jansz.
Jan Janszens haar werd grijzer, maar dat was niemendal!
Maar hij verloor zijn brave vrouw,
dat was een treurgeval;
Maar hij verloor zijn wijfje, dat was een bitter kruis;
Daar zat hij oud en eenzaam neer
in \'t uitgestorven huis.
Daar zat hij, oud en eenzaam, te suffen bij den haard;
En menig, menig dikke traan
rolde in zijn grijzen baard.
Daar zat hij, oud en eenzaam, en sloeg zich voor den kop:
.Och, dat liij maar wat jonger waar,
hij nam het werk weer op!
Hij zat zoo lang te_peinzen in doffe mijmerij;
Zoo mager werd hij als een hout,
en zag den dood nabi].
Zijn kindren kwamen dikwijls en aten aan zijn disch;
Maar dubbel woog hem de eenzaamheid na korte lafenis.
„Kom,quot; sprak hij, ,\'k heb drie zonen, en elk zijn huisgezin
\'Kom, ik verkoop mijn have en goed,
en woon bij d oudsten m.
Jan Jansz. verkocht zijn boeltje, en deelde met zijn kroost.
.Vriend!quot; sprak hij tot zijn oudsten zoon, __ ^
„ik zoek bij u mijn troost.
\'t Ging goed in de eerste weken; wat minder op den duui
En eer het jaar verstreken was,
kwam menig moeilijk uur.
En op een vroegen morgen, riep zoonlief vroolijk uit:
.Heeft vader niets gehoord vannacht? _
Ik kreeg een jonge spruit.
JAN JAKSZEN
En eer nog de avond daalde, sprak hij zijn vader aan:
.Hoor vader, waar uw armstoel stond,
moet nu het wiegje staan.
Wij wonen wat bekrompen, en in een kiein bestek ;
Gij moest bij broeder öerrit gaan,
die heeft een groot vertrek.quot;
Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei; „Heel goed!quot;
Dies trok hij naar den tweeden zoon,
en schepte nieuwen moed.
\'t Ging best in de eerste dagen, in de eerste maand misschien:
Maar eer \'t een half jaar verder was,
had vader \'t al gezien!
En op een kouden avond, daar hoorde de oude man;
„Gij stookt de kachel veel te heet;
ik krijg er hoofdpijn van.
Maar warmte hebt gij noodig; welnu, ik weet goed raad;
Uw derde zoon is bakker, best
dat gij daar wonen gaat.quot;
Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heel goed!quot;
Dus trok hij naar zijn derden zoon,
maar met een droef gemoed.
quot;t Gring heerlijk de eerste dagen; \'t ging goed een week of wat.
Maar eer \'t drie maanden verder was,
was hem de bakker zat.
En op een schoonen morgen, sprak hij zijn huisvrouw aan,
Daar vader in den leunstoel zat,
zoodat hij \'t kon verstaan:
„Een bakkers huis, lief wijf jen! is net een duiventil;
Een ieder loopt er in en uit,
en vader houdt van stil;
Ik wil den man niet jagen, maar beter leek hem wis
Het stille huis van Leentje-zus,
dat op den stadsmuur is.quot;
Jan Janszen zuchtte in stilte: „Maarquot;, dacht hij: ,\'t is ook waar,
Een dochter hangt veel teerder aan;
veel beter ben ik daar.quot;
\'t Ging best in de eerste dagen; \'t ging goed nog menig week;
Maar ook het dochterhart liet los,
eer \'t eerste jaar verstreek.
-
JAN JANSZEX.
En in quot;t begin van \'t tweede, daar kwam de sclioonzoon aan, „En zei; „Hoe graag ik vader hield,
\'t is niet om uit te staan!
Mijn vrouw sterft duizend dooden, als zij haar vaders stap, Bij uitgang of bij thuiskomst, hoort
oji deze steile trap.
Zij zegt wel duizend malen: De man zou denken dat Hij ons te veel was; ver van daar;
maar anders, weetje wat?
Hij moest bij Betje wonen: die is nog wel jaloersch Dat vader ons gekozen heeft;
daar woont hij gelijkvloers.quot;
Jan Janszen dacht: „Mijn Leentje, die meent het zeker goed, En Betjen is jaloersch! Kom aan,
dat geeft een burger moed.quot;
\'t Ging extra, de eerste dagen; \'t ging goed, een langen tijd Toen ging ook Betjes teeder hart
zijn eerste warmte kwijt.
„Och vader, lieve vader! dat booze rheumatiek!
Ik vrees het aan mijn huisje ligt;
gij zijt hier altijd ziek.
Wou Grietjes man u hebben, dat was zoo mooi als \'t kon! Haar huisje, dat bij \'t kerkhof staat,
heeft altoos lucht en zon.quot;
Jan Janszen dacht: „Mijn Betje heeft gansch geen ongelijk.quot; Dus nam hij met een hoopvol hart
bij Grietjes man de wijk.
Hij was in \'t kurkdroog huisje geheel op zijn gemak. Doodgraver was zijn Grietjes man;
dat was geen vroolijk vak.
\'t Ging goed in de eerste dagen; maar, na een week of wat „Grootvader!quot; zei het jongste kind,
daar \'t op zijn knieën zat:
„Weet u wat Leenmoei zeide, toen zij bij Moeder was? Dat u geen kamer beter leek
dan onder \'t groene gras;
Een kamer, zoo als Vader er daaglijks maakt en sluitquot;... ..Kind!quot; riep Jan Janszen, zuchtte diep,
en — blies den adem uit.
176
nog te jokg. — scherts. 177
Straks maakt de man van Grietje zijn kamertje gereed. Nu komen al de kindren op,
in \'t effen zwarte kleed.
Jan Janszen wordt begraven met plechtig rouwmisbaar En op zijn grafsteen staat: Hier kust ....
En dat is dan ook waar.
Eer brengt een arme vader, met vreugd, zes kindren groot. Dan dat zes rijke kinderen
hem koestren in zijn nood.
1856.
* Het Neurenbergsche Volksverhaal, naar hetwelk deze Ballade geschreven is, heb ik gevonden bij Gaspari (GeistUches und Welt-liches. Erlangen 18-quot;gt;4).
De „Spaansche Wijsheidquot; zegt bij onzen Huygens:
Un Padre para cien Hijos,
Y no cien Hijos para un Padre.
Een Vader doet voor hondert Sonen
Dat hondert Sonen hem alleenigh niet en loonen.
NOG TE JONG.
(Naak Victor Hugo.)
Een aardig meisje zong. Met uitgeteerde wang-Lag, in het naast vertrek, de moeder op haar sponde. En sloeg ter dood benauwd een hollen blik in \'t ronde. Wij zaten bij dat bed en hoorden dat gezang.
Het kind was vijf jaar oud. Het zong zoo lief. Wij moesten Wel luistren, dat de kranke \'t zag.
Het meisje zong den ganschen dag;
Zij lag den ganschen nacht te hoesten.
Sinds gistren dekt het graf haar lief en schoon gelaat. Het meisje zingt reeds weer. En waarom zou het zwijgen ? De droefheid is een vrucht, die God niet groeien laat Aan nog te teere twijgen;
1856.
SCHERTS.
Ongevoelig, ruw, koelbloedig
Mag de scherts niet zijn; Vroolijk, vriendlijk en goedmoedig.
En niet scherp, maar fijn. \'t Lachje, dat zij op doet rijzen.
Zij noch wreed noch wrang; Glimlachje op de lip des wijzen. Kuiltje in poezle maagdenwang.
1857.
in.
SLECHTS EENE TAAK.
SLECHTS EENE TAAK.
De bloempjes kusten haar den voet, Wanneer zij trad door \'t veld;
De leeuwrik zong\' haar in \'t gemoet, Al heeft zij \'t nooit verteld.
Zacht streelde \'t windje haar de kin, En beefde om \'t stout bestaan;
Het boekje hield zijn murmlen in, En \'s dichters luit sloeg aan.
Het bijtje hield een gansche poos Zich op zijn vlerkjes op.
En nam haar mondje voor een roos; Maar \'t was een rozoknop.
Uit haar bruine oogen straalde een vonk Zoo liefdvijk, rein. en zacht,
Die in de stugste harten zonk Met onweerstaanbre kracht.
Het bestje sloeg van \'t spinnewiel Met vochtig oog haar ga.
En sprak: rZie daar een vrome ziel!quot; En keek haar lang nog na.
De boersche kindren staakten \'t spel, En Trijntje zei tot Jan;
„Zag jij die mooie juffer wel?
Wat keek ze ons vrindlijk an.quot;
En menig, menig edel hart Dacht; waren wij gepaard.
Ik weet wel wie gelukkig werd!
Maar ik ben U niet waai-d.
Doch huwen was de laatste zaak, Waarop baar zieltje zon;
Een kranke Moeder was haar taak. Die haar niet missen kon.
Een moeder, aan wier bed zij zat, Zoo menig dag en week;
Haar volgde zij van bad tot bad, Van wereldstreek tot streek.
Ach, beeldschoon kind! altijd vervuld Van \'t geen uw plicht gebood.
Gij waart een engel van geduld.
En uwe trouw was groot.
178
SLECHTS EENE TAAK.
Vergeefs. Green bruid, geen bad, geen lucht,
En zelfs uw liefde niet.
Heeft ter genezing kracht of vrucht,
Als gij met tranen ziet. —
Zoo sleet zji jaren achtereen,
— Haar frissche jeugd vervloog —
Maar werd nog schooner dan voorheen, In elks eerbiedig oog.
\'t Kan wezen dat haar lief gezicht
Wat bleek, wat smaller werd.
Maar \'t blonk te meer van \'t heerlijk lichr,. Dat voortkwam uit haar hart.
Wat is de heldre blos der jeugd.
Wat \'s levens dageraad.
Bij \'t geen een lang beproefde deugd Prent op een schoon gelaat?
Bij wat zij om den lieven mond.
Op \'t effen voorhoofd schrijft Van wie in God steeds sterkte vond.
En op hem hopen blijft?
Bij \'t geen er hemelsch blinken gaat
In \'t oog, dat, onbewolkt,
In dienst der rijkste liefde staat,
En haar getrouw vertolkt;
Vertolkt, hetzij ze dient of troost.
Hetzij ze draagt of lijdt.
Of dringend bidt, of vleiend koost. Of dankbaar zich verblijdt?
Maar eindlijk is haar taak volbracht,
En \'t laatste werk verricht;
De trouwe dochterhand drukt zacht Haar moeders oogen dicht.
Nu reikt zij dan die dierbre hand
Een langbeproefden vrind.
En knoopt den liefelijken baud.
Die harten samenbindt.
Verheven blinkt de huwlijkskroon
Op \'t godgevallig hoofd;
En \'t blosje ontgloeit weer op haar koon, Slechts voor een tijd verdoofd.
De aandoenlijke ernst van \'t zacht gezicht
Ontplooit zich tot een lach,
Waar al het stil geluk uit licht Van dezen huwlijksdag.
TWEE LICHTEN. — NAGEDACHTENIS.
o Trouwe Dochter, thans geheel
Uw\' Eega toegewijd,
Nog schooner roeping is uw deel.
En die gij waardig zijt!
Wat zult gij, na een weinig pijn,
— Uw liefde telt die licht — Een trouwe en teedre Moeder zijn Van een bekoorlijk wicht!
Dat kind vergelde u, rijk en mild.
Uw kinderlijke deugd En alles wat gij \'t wezen wilt.
Door de eerste moedervreugd!
Gij smaakt die; ziet uw zuigling aan...
Hoe bleek wordt mond en kaak! Gij sluit uw oogen ... \'t Is gedaan ... Gij hadt slechts ééne taak.
Januari 1857.
TWEE LICHTEN.
Dees werkt om roem, en die om nut te stichten. Kees draagt een kaars, om andren voor te lichten; Jan, om te zien hoe lang zijn schaduw wordt.
Vrij lang, mooi Jantje! maar uw Kaars is kort.
NAGEDACHTENIS.
Gij waart zoo goed. Dat konden allen lezen In \'t zacht blauw oog en vriendlijk aangezicht; Een heldre straal van lieflijk licht Speelde u om \'t blonde hoofd en onvergeetlijk wezen.
Uw Moeders vreugd; haar troost bij weduwsmarte; Ha,ar lief, voorbeeldig kind:
Als de appel van haar oog bemind.
En thans beweend, met een verbrijzeld harte.
Mij kreegt gij lief. Uw hart zoo onbevangen.
Uw ziel zoo rein en schoon Ging open op den zachten toon Van \'sjonglings luite en weemoedvolle zangen.
Gij schonkt me uw hand; wij werden saamverbondeh Gezegend uur voor mij!
Gods goedheid had mij aan mijn zij Een engel ter bescherming toegezonden.
180
xagedachtenis. 181
Hoe teeder was uw liefde, hoe zorgvuldig!
Hoe rijk en vindingrijk!
In lief\' en leed zichzelf gelijk;
Aanspraakloos, rein, zachtmoedig en geduldig;
Zoo trouw als goud, in woorden en in wegen.
Gij hebt mij nooit gevleid.
Door waarheid en oprechtigheid Werdt gij behoed, en waart gij mij ten zegen.
Wij poogden saam, bij \'t licht van Gods genade,
Den goeden weg te gaan.
Hoe onbelemmerd tradt gij aan!
Ik wees den weg; maar gij gingt voor, mijn gade!
Gij waart zoo vroom; Uw godsvrucht had geen vouwen De vroomheid van een kind.
Dat zijnen God en Heiland mint.
En zegt: „Hij is getrouw, dies zal ik ook vertrouwen.quot;
Ootmoedig kind! Wat andren aan u prezen Werd niets door u geacht.
Alleen de spreuk van uw geslacht;
„Mijn heil is Christusquot; was uw roem en mocht het wezen.
Gij schonkt mij kroost. Ge omringdet mij met zonen En dochtren. Blij gedruisch Vervulde mijn gelukkig huis Gij gaaft ze uw melk, en uwe rozekoonen.
o Welk een lust, in \'t midden van de velen,
^ \'t Lief moedertje te zien;
Een op haar zachten schoot, een aan haar kniên. Een spelende op den grond en keuvlende onder \'t spelen!
o Welk een rust, u bij de wieg te weten Van \'t krank en lijdend wicht.
Met zorg in \'t hart, maar kalmte op \'t aangezicht.
Niet wijkend van uw post, en \'t bidden nooit vergeten!
o Welk een troost, waar geen gebed mocht baten.
Maar \'t offer moest gebracht.
Van \'t vast geloof de groote kracht Te lezen in uw hart, zoo stil en godgelaten!
o Welk een troost, door u getroost te worden.
En in uw arm altijd Tot elke taak, tot iedren strijd De kracht te vinden om de lendenen te gorden!
NAGEDACHTENIS.
o Welk gemis, dien troost, dien steun te missen,
En op de levensbaan Verminkt en eenzaam voort te gaan,
Het hoofd vol zorg, het hart vol droefenissen!
Gij waart nog jong. Geen achtendertig jaren! Nog kleurde \'t lieflijkst rood Uw zachte wang... Geduchte dood!
Wat wist uw adem snel mijn schoonste roos te ontblaren.
\'t Was Meimaand; alles groen in bosch en weide.
En ook in onzen hof;
De bloemen rezen uit het stof;
Ook op dat kerkhof, dat uw stof verbeidde.
Daar bracht ik u. Sering en goudenregen Wuifde u het welkom toe.
Hoe treurig was mijn hart te moê.
Toch sterkte God en hield mijn tranen tegen.
Sering en goudenregen liet zijn bloemen Neervallen op uw graf;
Elk bloempje viel vervolgens af.
En \'t laatste blaadje na de laatste bloemen.
De winter kwam de treurigheid volmaken.
o Akker van den dood.
Wat werdt gij doodsch, dus naakt en bloot!
Toen viel de sneeuw en dekte u met haar laken.
Maar nu ..; Kan \'t zijn\'? Is \'t reeds een jaar geleden, Dat ik dien weg betrad.
Beroofd van \'t liefste dat ik had?
Nu bloeit gij weer, gelijk een bloeiend Eden.
En ook mijn hof herbloeit, als in die dagen Van angst en droefheid, toen Mij zoo gedurig \'t eerste groen,
In eenzaamheid, mijn nood aan God zag klagen.
Kleine Agnes plukte een lelietje en bekeek het. „Ziequot;, sprak mijn hartedief:
„Dit bloempje vond Mama zoo liefquot; —
En ik: „Dat \'s waarheid, kind! en zij geleek het.quot;
Welnu! Gelijk dit bloempje en alle bloemen Verborgen lag in \'t stof,
En nu weer opgaat in mijn hof,
Opdat we, o God! uw liefde en almacht roemen;
182
ï\'.::sö.\\i. 183
Zoo zal oot eens, gekoesterd door de stralen Van meer dan zonnelicht,
Herleven voor mijn aangezicht Mijn liefste bloem, mijn Lelietje-van-dalen.
Beminlijkste en godvruchtigste der vrouwen! Die balsem zaltt mijn pijn;
Ik zal daaraan gedachtig zijn,
Aleidelief! en voorts op God vertrouwen.
Och, mocht mijn kroost in uwen voetstap treden, En, ondanks uw gemis.
Mijn dochtertjes uw beeltenis Uitdrukken in een kring van stille lieflijkheden!
Mijn zoons niet van uw les en voorbeeld wijkeu, Zoo diep in \'t hart geprent,
En \'t wicht, dat nooit u heeft gekend.
Door aangeboren aard en inborst u gelijken!
En ik, die uw gedachtnis blijf vereeren,
o Mocht ik ook nog nu,
Verkeerende in den geest met u,
Gelijk voorheen, bestendig van u leeren.
ü
Gij wist niet wie \'t was, die zoo kort, maar zoo zacht
ü aan \'t hart van haar liefde mocht prangen.
Die op eenmaal verdween, in dien treurigen nacht.... Maar gij scheent haar terug te verlangen.
Rondom uwe wieg werd door velen geschreid;
Doch de reden kondt gij niet doorgronden;
Slechts hebt gij een dubble zorgvuldigheid Bij al deze droefheid gevonden.
Gij wist niet waarom, maar gij kondt maar niet recht
U gewennen aan \'t aardsche gewemel....
Tot dat gij heel zachtjes werd nedergelegd Op uw Moeders schoot, in den hemel.
20 Aug. 1857.
I
nazomer. — old es nieuw verbond.
NAZOMER.
Reeds begint de spin haar rag Overal te weven;
Korter wordt de zomerdag,
Korter wordt het leven;
Maar in \'t rijp en rijpend graan, Maar in halm en schooven.
Lacht de goedheid Gods ons aan. Die wij dankbaar loven.
Die het rozenbed beschouwt.
Wordt geneigd tot treuren;
Maar de boomgaard blinkt van goud, En de druiven kleuren.
Ook de roode lijsterbes
Gloeit zoo schoon als immer....
Vogels! volgt mijn wijze les;
Plukt haar nu — of nimmer.
Eerlang hangt de valsche boog In het vreemde lommer;
\'t Late besje lokt uw oog,
En gij ducht geen kommer.
Maar, verborgen voor uw blik.
Door den moord geweven,
Gaapt de paardenharen strik Naar uw schuldloos leven.
Lieve kindren! elk genot [s aan tijd gebonden;
Smaakt het, met een oog op God, En ter rechter stonden.
Die van geen genoegens weet.
Die hij niet mag rekken.
Zal zich een gedurig leed.
Of den dood verwekken.
Het Oude, de Omhulling; Het Nieuwe, Vervulling,
In het Oude, een stok en een staf, Op den weg naar het duistere graf;
In het Nieuwe, \'t vroolijkste licht. En een opene deur in \'t gezicht.
184
ONDER \'T VREEMDE JUK. —
NAAR RÜCKERT. —
AFSCHEID. 185
ONDER T VREEMDE JUK.
(Uit Eückert\'s Geharnischte Sonnette, verschenen ten jare 1814.)
Wat smeedt gij, Smid? „Wij smeden enkel keetnen.quot; Helaas, uw eiyeti hand om klimt een loei.quot;
Wat ploegt gij, Boer? ,Opdat de veldvrucht groei!quot; Ja, voor den vijand tano, voor n hrandneetlen.
Wat zoekt gij. Weiman? „Haar en veer, ten buit.quot; Hoor \'t jachtrumoer van die Uw leven zoeken. — Wat doet gij Visscher? ,\'t Watervolk verkloeken.quot; Wie breekt het net, dat om uw leden sluit ?
Wat wiegt gij, Moeders! en verbiedt h \'t slapen? „Een frissohe teelt van forsch gespierde knapen.quot; Ja om, in \'s Vreemdlings dienst, Jtun Vaderland Ten bloede toe te slaan met eigen hand.
Wat schrijft gij Dichter? \'k Grif\' in gloênde letteren Mijn eigen en mijns volks ondelgbre schand,
Dat wij aan onzen kerkerwand De onteerde hoofden niet verpletteren!quot;
1858.
NAAR RÜCKERT.
Stijgt gij naar omhoog,
Steeds wordt voor uw oog
\'t Uitzicht algemeener;
Van het groot Geheel Ziet ge een grooter deel,
Maar al \'t Bijzondre kleener.
Wee, die zijn „Ik ga stervenquot; spreekt, En niemand liefde heeft gedragen; Den beker, die in scherven breekt. En niemands dorst verslagen!
AFSCHEID.
(Uit het Hoogduitsch.)
Gij klopt; ik kom! Doch, eer \'k den laatsten gang Naar \'t stille graf, betrede.
Doodsengel! laat mij tijd voor één gezang, Tot dank en afscheidsbede.
MORGENWEKKER.
Heb dank, o milde Vader, liefdrijk God!
Voor al \'t genot van \'t leven;
\'k Heb nooit vergeefs, bij \'t wisslen van mijn lot. Het oog tot u geheven.
Heb dank voor \'t leven, dank ook voor den dood, Einde aller moeite en smarte:
Hoe bitter eerst, zoet wordt des stervens nood.
Leeft gij in \'t lijdend harte.
Hoe menig bloem van troost bloeit voor den voet, In \'t ondermaansch geweste;
„Uw wil geschiede: uw wil is altijd goed!quot; Die troost is ver de beste.
Vaarwel, sohoone aarde! En gij, vaartwel en leeft. Wie \'k minde en moet begeven!
Indien ik soms u heb bedroefd, vergeeft!
Het brandt me op \'t hart bij \'t sneven.
Wij scheiden, ja! maar zien elkander weer,
Waar allen zich vereenen.
Daar scheurt de vriend zich van zijn vriend niet meer Daar is geklag noch weenen.
Vaartwel! Reeds wordt het nacht voor \'t brekend oog \'t Mag U niet meer aanschouwen,
\'t Wordt duister; maar mij dunkt, ik zie omhoog Een nieuwen morgen grauwen ...
Gij roept! ik kom tot u, en draal niet meer! Geliefden, \'t hoofd naar boven!
Voorbij is \'t leed; reeds ziet mijn oog den Heer, Wien \'k eeuwig ginds zal loven,
MORGENWEKKER.
(Naar Longfellow.)
Een wind kwam op uit de oceaan,
„Gij neevlen!quot; riep hij, „maakt ruim baan!quot;
Hij praaide \'t schip en sprak: „Zeil voort! De nacht is om; de dagtoorts gloort.quot;
Hij haastte zich tot strand en kust,
En riep: „\'t Is dag! verlaat uw rust.quot;
„Juich!quot; hief hij luidkeels aan in \'t bosch: „Rol al uw loof banieren los!quot;
Hij stoorde \'t vogeltje op zijn nest: „Ontwaak, mijn zanger! zing uw best!quot;
186
ZOMERDAG. — BLIJVENDE WAARDE.
En op de werf: „0 Kanteldaar! \')
Steek uw bazuin; de dag- is daar.quot;
In \'t koren ging hij momm\'lend rond:
„Buig neer! begroet aen morgenstond.quot;
En gierend door den \'tranken muur: „Ontwaak, o klok! verkondig \'t uur.quot;
Ook sloop hij door de kerkhofpoort,
Maar fluisterde: „Nog niet! Slaapt voort.quot;
1) Cantekleer (naar het latijn cantu clarus) is in „Reinaert de Vosquot; de naam den Haan. Longfellow beeft Chanticleer.
Slechts blijde tonen kunnen \'t zijn,
Die van mijn lippen vloeien,
Bij dezen heldren zonneschijn.
Dit groeien en dit bloeien.
Al draagt het hart een diepe wond.
Toch kan er vreugde wezen,
Als alles rondom ons Gods liefde verkondt. En we overal vroolijkheid lezen.
Mijn geest is vrij en opgewekt;
En zou zich mijn hoofd dan buigen?
De graven zelf zijn met bloemen bedekt.
Die van nieuw leven getuigen.
Zij kijken den hemel zoo dankbaar aan.
Van \'t zonlicht zoo vriendlijk beschenen; Dat droogt op haar wangen den helderen traan. Dien de donkere nacht haar deed weenen.
BLIJVENDE WAARDE.
Prachtig blonk voor ons oog, met haar schittrende pluim.
De komeet, in kortstondigen luister;
Maar het vaste gesternte aan \'t onmeetlijke ruim Straalt nog steeds en bestendig in \'t duister.
Heerlijk schittren de gaven van schoonheid en jeugd.
Die een dichterlijk hart doen ontgloeien;
Maar het heilig versiersel van godsvrucht en deugd Blijft ons stichten, verlichten, en boeien.
1858. (Het jaar der komeet van Doxati.)
18
188
JOHANNA GRAY.
VKEDE. —
AAN DEN HEILAND. —
VREDE.
In onze dagen zij het Vrede,
Volmaakte vrede en stille rust! Het laatste twistvuur zij gebluscht; Het oorlogszwaard blijve in de soheede; Ontzweef ons niet, begeef ons niet, Gij Engel, die den Vreê gebiedt!
De herder weide zijne schapen Langs batterijen zonder nut;
In schaduw van \'t verroest geschut,
Legg\' zich \'t verzadigd ooi te slapen: \'t Nieuwsgierig lam zie vroolijk op. En steke in d\' ijzren mond den kop.
Het veld zij vol van gouden halmen. Van witte zeilen \'t golfgebruis.
Van blijde liedren ieder huis, Het heiligdom van dankbre psalmen; De burger, die het minst bezit,
Steke ook zijn stukje vleesch aan \'tspit!
PAX OPTIMA RERUM.
AAN DEN HEILAND.
Wij waren verloren; gij hebt ons gezocht. Gevonden en behouden!
Gij hebt ons met uw bloed gekocht,
Opdat wij u liefhebben zouden.
Wij waren gevangen; gij hebt ons verlost, Bevrijd op onze beden;
Die vrijheid heeft uw dood gekost;
Wij willen haar wel besteden.
Wij sliepen den doodslaap; gij hebt ons gewekt Uw Geest kan levend maken.
Wee ons, indien deze weldaad niet strekt Om ons te doen bidden en waken!
JOHANNA GRAY.
Ik heb het geloof behouden..
Neem de Kroon, neem de Kroon! ze is uw deel en uw lot, Door den wil van uw Koning, den wil van uw God! ü behoort zij; u voegt zij: uw godsvrucht, uw schoon Siert haar meer dan zij u; neem de Kroon, neem de Kroon
JOHANNA GRAY.
Ach, de schoone Johanna was zestien jaar oud:
Haar gebied was de stilte van boekcel en woud;
Heel haar rijkdom Gods Woord, zoo hartgrondig g\'eloofd: „Laat Maria regeeren! Geen Kroon past mijn hoofd.quot;
„Wat Maria?quot; riep Hertog en Rijksgraaf en Raad:
„Op den troon is geen plaats voor \'t onwettige Zaad! „In het land is geen plaats voor de afgodische leer!
„In ons hart is geen plaats dan voor u, en den Heer!
„Onze plicht eischt uw kroning; hier staan wij gereed. „Doem geen Eedlen tot ontrouw, geen Volk tot zijn leed! „Geef Gods_ Waarheid niet over aan lastring en hoon: „Maar eerbiedig Gods wil! Neem de Kroon, neem de Kroon
Ach, de schoone Johanna! Hoe klopt haar het hart! Doodlijk bleek wordt haar wang; haar gedachte verwart... Op haar oog daalt een nevel; nu voelt zij niets meer; En bezwijmd zinkt de schoone Johanna terneer.
Maar als uit die onmacht de jonkvrouw bekoomt.
Wat ziet zij rondom zich, en meent dat zij droomt V Ach, een Vader, een Moeder van koninklijk bloed. Met Hertog en Rijksgraaf geknield aan haar voet.
Ach, een Vader, een Moeder, met biddend gelaat. Met Hertog en Rijksgraaf en Vorstlijken Raad,
Zij jamm\'ren, zij smeeken op klagenden toon:
„Red den Staat! red den Godsdienst! Getroost u de Kroon!\'
Toen verhief zij haar harte godvruchtig en stil;
Toen sprak zij: „O God! is \'t uw heilige wil,
„Wat ik nimmer begeerd heb en nog niet begeere? „Zoo aanvaard ik de Kroon; moge \'t zijn tot uw eere!quot;
Nu kust haar de Hertog eerbiedig de hand;
Nu groeten haar de Eedlen gebiedster van \'t Land; Nu omhelst haar een Moeder, tot schreiens bewogen; Nu dankt haar een Vader, met tranen in de oogen.
Nu kleedt men Johanna met vorstlijke pracht;
Nu worden juweelen en paaiden gebracht;
Nu wordt op het voorplein de lijfwacht gevonden.
En men voert haar eerbiedig ten Burgslot van Londen.
Op \'t Burgslot van Londen is alles gereed;
Met ontzag draagt haar Moeder den sleep van haar kleed; De Lord van de Schatkist buigt neer aan haar voet, En reikt haar de Kroon — dat bedriegelijk goed!
JOHANNA GRAY.
Nu roepen, eer de avond de dagtaak besluit,
Herauten de doodsmaar van Eduard uit,
Kn Johanna, naar erfrecht en vorstlijken wil,
Tot Gebiedster van England! — Maar England zwijgt stil.
En na driemaal drie dagen — O omkeer van \'t lot! O Trouwloosheid der menschen! Beproeving van God! —
Kuimen Hertog en Eijksgraaf en Vorstlijke Raad Weder plaats op den troon voor \'t onwettige Zaad.
Weder plaats in het Land voor de afgodische leer,
En verzaken Johanna, hun eed, en hun eer...
Wel! Het zij zoo! De Kroon, zoo onwillig gedragen,
Legt zij willig weer neder, na driemaal drie dagen.
Maar na driemaal vier weken (ontzettend gezicht!)
Wordt de schoone Johanna gevoerd voor \'t gericht.
Om haar heen woelt een volk, dat haar smaadt en veracht.
Voor haar uit zweeft de bijl van den beul, die haar wacht.
Voor haar uit zweeft de bijl, die haar vonnis voorspelt.
Maar haar schuld niet bewijst, noch haar onschuld ontstelt,
Noch haar wang van \'t bekoorlijkste blosje berooft.
Noch den glans van haar deugd op haar voorhoofd verdooft.
Deugd en onschuld! wie eischt uw gerechtlijken moord?
De eigen lippen, wier jamm\'ren gij eens hebt verhoord:
De eigen mond, die u toeriep op smeekenden toon:
,\'t Is uw recht, \'t is uw plicht: neem de Kroon, neem de Kroon!quot;
Doch gij zwijgt; gij berust in de hardheid uws lots;
Ook de boosheid der menschen is toelating Gods;
Ach, de liefde en de grootheid der wereld is schijn;
Verre \'t best is daarboven, bij Jezus, te zijn!
Hangt de bijl van den beul over \'t schuldlooze hoofd.
Wat zegt dit voor het hart dat in Jezus gelooft.
Dat hem kent, dat hem liefheeft, en ook in het dal Van de schaduw des doods hem verheerlijken zal?
Over \'t schuldlooze hoofd hangt de bijl menig dag;
Maar men weifelt, men aarzelt, men draalt met den slag.
Wat de Staatzucht verlangt, wordt door deernis betwist,
Door \'t Geweten geweigerd; maar — Staatzucht beslist.
Ja de Staatzucht beslist en de Wreedheid voert uit.
\'t Bloedig woord is geschreven; de kerker ontsluit;
,Nog twee dagen, Johanna! Bereid u ten doode!quot;
Spreekt met somber gelaat de onbarmhartige bode.
190
JOHANNA GRAY.
Maar na hem spreekt een Priester, op vleienden toon: ,Nog een keus laat zij u, die gi] staakt naar de Kroon; „De eere Gods is haar meer dan haar eigene waard; ,Zweer uw wangeloof af, en uw bloed blijft gespaard.
,Zweer uw wangeloof af, dat verwoestende werk „Van den vijand der zielen, den vijand der Kerk;
„Zweer uw wangeloof af, dat ter helle doet varen;
„Neem het heilgeloof aan, dat uw leven zal sparen!quot;
Maar zij antwoordt: „O Priester! laat varen die hoop. „Van God is mijn leven, van God is mijn doop;
„Van God mijn geloof, dat den hemel ontsluit,
„En het schild, waar de pijl van den boozen op stuit.
„Ik ben jong nog van jaren, het leven is zoet,
„Rijk mijn deel, door Gods liefde, van gaven en goed: „Maar mijn God en mijn Heiland, Zijn Waarheid. Zijn Eer, „En de rust van mijn hart zijn mij eindeloos meer.
„\'k Heb een Midd\'laar beleden, wiens schuldeloos bloed „Al mijn schulden en zonden op \'t kruis heeft geboet; „Hem behoef ik, geen andren, en niemand met hem; „Hem bezit, hem belijd ik met hart en met stem!
„Neen! beweeg zoo meewarig het hoofd niet, noch poog „Mij de dwaling mijns wegs weer te stellen voor \'t oog; „Mijn geloof is halsstarrig, kortstondig mijn tijd....
„Laat me alleen, dat ik bidde en mijn zonden belijd\'!quot;
Nu verlaat haar de Priester. Zij buigt zich voor God; Hem belijdt zij haar zonden, beveelt zij haar lot,
Smeekt om kracht in haar zwakheid en hulplooze jeugd. En geniet reeds den voorsmaak der hemelsche vreugd.
Wie verstoort dien? Slechts gij, die haar leven verlengt. Die van uitstel de ontijdige tijding haar brengt;
Die nog eenmaal beproeft een geloof te verwrikken. Dat geen leven verlokt er. geen dood kan verschrikken!
Neen, geen sterven verschrikt haar, geen vreeslijke dood. Wees getroost, die haar liefhebt, haar voorrecht is groot! Op dit menschlijk gelaat ligt zoo hemelsch een rust, Als had haar een engel voor \'t voorhoofd gekust.
Ziet, het uur heeft geslagen; het blok is gezet; De scherprechter wacht, en zijn bijl is gewet;
Haar hart is bereid, en haar oog is verbonden;
Eén slag — en haar ziel is ten hemel gezonden.
191
EENVOUD. — GODSVRUCHT. —
192
JONG BLIJVEN.
En de hemel ontsluit zich. Verrukk\'lijk gezicht!
Duizend Englen en Zaalgen in \'t vleklooze licht! Een Rechtvaardige rechter gezeten ten troom;
En Zijn mond, die zich opent en zegt: ,]S!eein de Kroon!quot;
De Hemel heeft op menig hoofd
Een lieflijken krans laten vallen;
Hij bloeit en blinkt er onverdoofd,
En trekt het oog van allen.
Maar die hem draagt weet nergens van,
En ziet zoo eenvoudig\' in \'t ronde; Dat maakt haar zoo schoon als zij wezen kan. En bewaart haar voor dwaasheid en zonde.
GODSVRUCHT.
Een rein gemoed, een zedig oog. Een ziel ootmoedig voor den Heer-, Ziet met vertrouwen naar omhoog. En vol van liefde neer.
Een oil zijn God vertrouwend hart. Een hart vervuld met liefde en vreê. Geniet altijd meer vreugd dan smart. En dankt in wel en wee.
JONG BLIJVEN.
Het hart blijft jong en wordt niet oud, Wanneer \'t zich frisch en open houdt Om al wat menschlijk is te voelen, Te voelen wat een kind verblijdt. En wat er door den geest moet woelen Eens jonglings, in zijn schoonsten tijd.
Die zijn verleden in zich draagt,
Blijft jong, al is hij weibedaagd. En wekt der jonkheid geen mistrouwen.
Veel kan hij hopen, wien veel heugt: Veel met zachtmoedig oog beschouwen; \'t Herinn\'ren is een yroote deugd.
WANNEER DE KINDEREN GROOT ZIJN.
193
DICHTLUIM. —
DICHTLUIM.
De dichtluim is -wel gansch en gaai-Een Luim, \'t zij goede of kwade:
Zij komt en gaat heel wonderbaar:
Eer ik \'t vermoede of\' rade.
\'t Kan wezen dat ik jaar en dag Geen toontjen op voel stijgen,
En, wat ik ook beproeven mag.
Genoodzaakt ben te zwijgen.
\'t Kan zijn dat \'k eensklaps, \'s morgens vroeg Een liedjen op voel komen.
Alsof ik \'t, zonderling genoeg.
Bedacht had in mijn droomen.
Daar gaat, daar staat het op \'t papier!
Daar volgt aireede een tweede!...
Waar zijn uw Albums? Breng ze hier,
En ik verhoor uw bede.
1858.
WANNEER DE KINDEBEN GROOT ZIJN.
„Wanneer de kindren groot zijn,
mijn lief, mijn levenslust!
Dan komt er, na een tijd van zorg,
ook weer een tijd van rust,
Mijn haar zal wel wat grijs zijn.
Uw voorhoofd niet zoo glad;
Maar als het hart nog jong is,
hoe weinig hindert dat!
,Vier dochtren en drie zonen!
Het wil wat zeggen, wijf!
De jongste nog geen twee jaar oud,
en de oudste driemaal vijf.
Dan is om dezen, dan om dien
het moederhart in nood:
Veel werk bij dag, veel zorg bij nacht —
maar eenmaal zijn zij groot!
,Niets zijt gij voor uw vrienden,
\' maar alles voor \'t gezin.
De huiszorg, ieder weet het wel,
neemt al uw uren in.
\'t Penseel ligt lang vergeten,
geen boeken leest gij meer...
Maar als de kindren groot zijn,
dan komt dat alles weer.
13
WANNEER DE KINDEKEN GROOT ZIJN.
„Ons huwlijksreisje, liefste
was kort en gauw gestuit;
Wij reisden naar de pastorie
van Heemstee, daarmee uit!
Nog nooit zijn wij tezamen
eens ver van huis gegaan;
Maar als de Mndren groot zijn,
dan vangt ons reizen aan.
„Ik kon maar half genieten,
als \'k in den vreemde toog;
Mijn hart was thuis, het was bij u,
en mijn gedachte vloog!
Met haast verslond ik elk genot
en keerde in \'s hemels naam!
Maar als de kindren groot zijn,
genieten wij tezaam.
„Dan wijze ik u de plekjes,
die ik bekoorlijkst vond;
Aan Rijn en Moezel, Clyde en Teems
leide ik u dankbaar rond;
Winandermeer en Edinburg
zijn wat ik heerlijkst zag;
Daarheen zal ik u voeren,
vóór onzen ouden dag!
„Wanneer de kindren groot zijn —
Neen! zie niet dus mij aan!
Begin met dezen glimlach niet,
hij eindigt in een traan —
Wanneer de kindren groot zijn,
en dat gaat immers gauw?
Dan komt er weer een gulden tijd,
mijn allerliefste vrouw!quot; —
De kindren werden grooter
en grooter, naar de rij.
Maar eer er een volwassen was,
Kwam daar alweer een bij.
„Wees welkom, vierde zoontje!
gij komt nog juist bij tijds;
Ook gij zult eenmaal groot zijn,
Gods grooten naam ten prijs!
„Wees niet bezorgd: uw moeder
neemt u met blijdschap aan;
Zij heeft er zooveel grootgebracht,
het zal ook ditmaal gaan ,...
Ai mij! daar breekt op eenmaal
EINDELIJK.
dat dierbaar leven af\'! ... De kindren morden grooter —
maar op hun moeders graf.
aanteekening.
Wmander-meer. Gewoonlijk Windermere genaamd, een der schoon ste en zeker het lieflijkste der meren van het zoogenaamde Lake district, in het Noordwesten van Engeland.
EINDELIJK.
(naar \'t hoogdditsch.)
„Eindlijkquot; blijft niet eeuwig uit; Eindlijk is de troost verschenen;
Eindlijk groent, o Hope! uw kruid; Eindlijk houdt men op van weenen. Breekt de traankruik die men droeg; Eindlijk zegt de Dood; „Genoeg!quot;
Eindlijk wordt uit water wijn; Eindlijk komt de rechte stonde;
Eindlijk stilt de hartepijn;
Eindlijk heelt de diepe wonde:
Eindlijk maakt de slavernij Den gevangen Jozef vrij.
Eindlijk kan de nijd, de wrok, Eindlijk ook Herodes sterven;
Eindlijk Davids herdersrok Zijnen zoom in purper verven;
Saul zelf raakt door den tijd Veerkracht en vervolglust kwijt.
Eindlijk neemt het bang getob Onzes zwervens ook een ende;
Eindlijk staat een Heiland op. Die het juk des dienstknechts wende; Eindlijk maken veertig jaar Gods beloften lijdig waar.
Eindlijk bloeit een Aloë;
Eindlijk draagt de Palmboom vruchten;
Eindlijk eindigt aller wee.
En de laatste smart moet vluchten. Eindlijk ziet men Vkeugdendaal ; Eindlijk, Eindlijk komt eenmaal.
19.\'
GOEDHEID. — Dl\'. JOHANNES JOSEPHUS VIOTTA.
GOEDHEID.
Wie wordt door elk bemind? Wie -wint
Het hart, op \'t eerst aanschouwen? Het vriendlijk oog, het goed gelaat. De glimlach, die een hart verraadt. Oprecht en zonder vouwen.
Dat schoon, dat schooner is dan schoon.
Doet ieders hart ontgloeien. Een koude schoonheid roert ons niet; Maar deze wekt eens dichters lied. En kan een grijsaard boeien.
bij den dood van
Dr. JOHANNES JOSEPHUS VIOTTA,
Componist,
Overleden 6 Februari 1859.
Ook die harp, ook die harp dan tot zwijgen gebracht.
Wier geklank aan mijn zangen zich paarde,
In de dagen van jeugd en ontluikende kracht,
Die een hemel beloofden van de aarde! \')
Die ook sinds, in \'t gedrang van des levens gewoel,
Door het lied van den man zich liet wekken.
En, in geestrijke tonen, \'t eenstemmig gevoel En het hart van den vriend deed ontdekken. -)
Nog een lied was beloofd; nog een lied werd verwacht.
Was op weg van mijn hart tot mijn lippen —
Maar eer de adem mijns monds het had overgebracht. Kwam die har]) aan den sieester te ontglippen.
Zet haar neer bij zijn graf, waar des avonds de wind
Haar met smartlijke zuchten bespele,
En bereikt haar dees toon uit het hart van een vrind. Dat zij aansla en klagelijk kweele!
10 Eebr. 1859.
\') Zie de Leidsche Studenten-almanakken van de jaren 1836, 37, 38.
-) „Nouitquot;; schreef zijne welwillendheid, nog weinige maanden voor zijr dood, bij de uitnoodiging tot hetgeen waarop de derde strophe van dit stukje doelt: „nooit heb ik kunnen nalaten velen uwer verzen, en vooral enkelen, die dooiden vorm daartoe geschikt waren, te componeeren.quot;
196
GEEN KRUIS, GEEN KROON. — IN DE LENTE. — DE POST VAN EER.
GEEN KRUIS, GEEN KROON.
Neen, zondev kruis geen kroon!
Maar zonder kroon wel menig kruis In hart en Luis,
Mijn zoon!
Waar \'t leed gedragen wordt,
Maar zonder ootmoed bij de schuld, En \'t hart niet duldt.
Maar mort.
Waar \'t kruis wordt nagesleept. Vertoond, verheerlijkt, opgekleurd,
En \'t hart niet treurt.
Maar dweept.
De lijdzaamheid des Mans,
Des Christens, die in God gelooft,
Zij slechts is \'t hoofd Een krans.
Maar dezen werpt hij neer Voor Hem, die \'t kruis droeg zonder schuld; Aan Hem de hulde en de eer!
IN DE LENTE.
Onze oude moeder heeft verheugd Haar nieuwen mantel omgeslagen.
En is zoo schoon als in de dagen,
De dagen van haar prilste jeugd. De zoetste glimlach siert haar mond. Haar oogen tintien van nieuw leven.
En op haar voorhoofd, zacht en rond.
Zijn al de rimpels uitgewreven.
„Ja,quot; zegt zij, onder \'t luid gezang Der vooglen in de groene blaren,
, Mijn winterkommer en bezwaren,
„Mijn kinderen, vergat ik lang.
.Doet gij als ik: vergeet uw smart; „Staakt voor een oogenblik uw zorgen; „En laat, bij \'t licht van dezen morgen, „U drukken aan mijn vroolijk hart.quot;
DE POST VAN EER.
Het leven is een staat van oorlog; tegenspoed De post van eer voor \'t echte heldenbloed.
Aan Fransch proza ontleend.
VIJFDE BUNDEL.
1859-1869.
In 1862 verscheen de verzameling mijner, in deze complete uitgave weder elk tot zijn jaartal teruggebrachte, Verstrooide Gedichten, in twee boekdeelen. met eene voorrede in dichtmaat, welke men in de volgende bladeren te barer plaatse vinden zal. Maar in 1869 volgde een nieuwe dichtbundel, waarvan het mengeldicht grootendeels de tegenwoordige afdeeling vult, en welks titel, Madelieven, ik met de volgende dichtregelen toelichtte.
Madelieven zijn er altijd,
En die ze wil zoeken die vindt er:
We zijn ze slechts een oogenblik kwijt,
In \'t barste van den winter.
En daar het voor mij nog geen winter is.
Maar — zoo als gij \'t wilt noemen! —
Zoo leg ik heden op uwen disch.
Een handvol van deze bloemen.
Gij hebt er gewis wel eens mooier aanschouwd. Die frisscher en fleuriger blonken;
Maar hebben ook zij niet haar hartje van goud. Dat hemelschen dauw heeft gedronken?
April 1874.
TWEEDE HÜWLIJKSDAG.
Nu komt de zon weer schijnen;
Nu schijnt zij in mijn hart; De nevelen verdwijnen.
De wolken van de smart. De stormwind legt zich neder; De zee wordt klaar en stil: Een liefderijke wil Gebiedt het lieflijkst weder.
Nu heb ik weer verkregen
Een hulp, een steun, een troost. Een leidsvrouw op mijn wegen. Een moeder voor mijn kroost.
r
i
EEN DRIEKONINGEN-LIED.
Twee minzame oogen stralen Mij leven toe en quot;kracht, Een mond, die vriendlijk lacht, Stelt al mijn zoi-ger. palen.
Nu zal mijn zang weer rijzen
En klinken over de aard, Nu wordt tot nieuwe wijzen
Mijn oude lier besnaard.
God\'gaf. God nam, gaf weder, hj En kroonde op nieuw mijn hoofd;
jg Dies zij met mond en veder
Zijn groote naam geloofd\'
Jjg Verneem die jubeltonen,
Geliefde vriendenschaar!
Mijn dochtren en mijn zonen,
Herhaalt ze voor elkaar! Verzamel ze in het zachte,
Het stille hart, mijn vrouw! En streele u de gedachte: Een dankbre ziel is trouw.
20 October 1859. Heiloo.
EEN DBIEKONINGEN-LIED.
Op een Driekoningen-avond,
In een Kenmerlandsche stad.
Werd daar een kindje geboren. Dat vriendlijke oogjes had.
Het was een aardig meisje, Een dochtertje zoo zoet;
De moeder kuste haar roeden mond. En lachte zoo welgemoed.
De kaarsen stonden te branden Men zong het Driekoningen-lied;
De wereld gedacht aan de wonderen. Te Bethlehem geschied.
In alle christenlanden,
Gedacht men aan Gods Zoon.
Gelegerd in een voederkrib,
Geboren voor \'shemels troon;
199
ave in
EEN DRIEKONINGEN-LIED.
Gedacht men aan de sterre, In \'t sterrenwijs oosten aanschouwd,
En aan de gaven der koningen, Hun wierook, hun mirre, hun goud.
Hun goud vereert den Koning, De wierook den Zoon van God;
Maar de bittere, bittere mirre Voorspelt zijn leed en lot.
De moeder kuste haar dochtertje, En sprak: „Mijn dierbaar wicht.
Mocht ook die heldre Sterre U schijnen in \'t gezicht!
Mocht gij ook eenmaal reizen Naar Bethlehem en zijn stal.
En vinden in het Kindeken Uw heil, uw troost, uw al!
Mocht gij ook eens aanbidden Dien Lijder, dien Priester, dien Heer,
Die ons van alle schuld verlost, En leven doet tot Gods eer.quot;
II.
Op een Driekoningen-morgen,
In eene stad van \'t Sticht,
Daar zat een aardig moedertje. Omringd van zoo menig wicht.
Geen kind was haar geboren.
Toch had zij er één meer dan vijf;
Die noemden haar „lieve moeder,quot; En hingen haar aan het lijf.
Die zeiden met lachjes en traantjes. En stemmetjes teeder en fijn;
„Ons moedertje heeft ons verlaten. Maar gij zult ons moedertje zijn!
Maar gjj zult ons moedertje wezen, In blijdschap en in smart;
Maar gij zult ons moedertje wezen — Gij hebt een moederhart.
Wij lagen krank terneder,
Maar onze krankheid geneest;
Dat komt van uwe liefde;
Gij zijt ons een moeder geweest.
200
7
zilveren echtfeest. 201
Gi] zult ons een moedei- blijven,
Een leidsvrouw onzer jeugd!
Een moederlijk voorbeeld ons geven Van godsvrucht en christendeugd.
Gij zult onze harten vervullen
Met liefde en diep ontzag Voor dat beminljik Kindeken,
Dat in de kribbe lag.
Gij zult ons leeren aanbidden
Dien Gods en \'s Menschen zoon,
Die met onze eerste moeder Ons saambrengt voor Gods troon.
O Doe het, lieve tweede!
Wij zijn een dankbaar kroost.
Wij zullen uw harte verblijden.
Gelijk gij het onze vertroost.
O Doe het, lieve moeder!
En blijf onze moeder altijd.
Gij weet niet hoe onmisbaar,
Hoe dierbaar gij ons zijt.
O Doe het, lieve moeder!
En geve u de almachtige God Nog menig Driekoningen-avond Te danken voor uw lot.
En komt er een eigen kindje.
Een zoontje of een dochtertje bij,
Hoe blijde zullen wij wezen!
Zoo blij, lieve moeder, als gij.quot;
* * #
De man, die dit liedje gemaakt heeft,
Heeft achter de deur gestaan;
Een lofzang was in zijn harte,
En in zijn oog een traan.
,
ZILVEREN ECHTFEEST.
(aas muse vrienden d. m. o.)
Vijf en twintig jaar getrouwd,
Twintig jaar mijn vrinden! De echte-min geen vonk verflauwd; Ook de vriendschap niet verkoud. Die ons saam mocht binden.
zilveren echtfeest.
Dit vereisclit, aan dezen disch, Woorden, wenschen, zangen; \'Dit, de blijde erkentenis:
„Van -wat hier genoten is;
Heb ik mede ontvangen.
„Mee g-edeeld in \'t zoet genot
Van dien rijken zegen,
Die een goedertieren God Uitstortte op mv huwlijkslot. Uitstrooide op uw wegen;
„Meê genoten van de vreugd. Klimmend nog en groeiend. Die uw ouderhart verheugt,
Bij het neerzien op een jeugd, In Gods gunste bloeiend.quot;
Ja, mijn vrienden! God is goed.
Slaat zijn wegen gade!
Kalm genot bij overvloed,
Vrede en vreugde in \'t stil gemoed, Schonk u zijn genade.
Innig aan elkaar gehecht,
Eén van ziel en zinnen.
Zegent gij den zaligst\' echt.
Klemt elkaar aan \'t hart en zegt „God leerde ons beminnen.
„Wat, toen hij ons samenbracht,
\'t Kloppend hart gevoelde, Is geheiligd, kreeg zijn kracht. Uit die bron van liefde en macht. Die ons heil bedoelde.
„Hij maakte ons in Christus één,
Eén geloof\', één hope;
Heel zijn schat is ons gemeen. Kan die band ook scheuren? Neen; Wat de tijd ook sloope.
„Niet voor vijfentwintig jaar,
Niet voor vijftig jaren.
Maar voor keuwig staan wij daar Een in hem vereenigd paar.
Op zijn gunst te staren.
„In een zalige eeuwigheid Zijn geen huwlijksbanden;
202
hasxa\'s lieu.
Maai- wat is er, dat hen scheidt, Wie een zelfde kroon verbeidt Uit eens Heilands handen?quot;
Recht zoo\' Denkt dit voorrecht in,
Christlijke ecbtgenooten!
Smaak het, christlijk huisgezin! Magen, vrienden, deelt er in! \'t Is uit God gevloten.
Hem de dank, de lof en de eer,
Hem het zielsbetrouwen! Onuitputlijk is de Heer.
Dankbren doet hij meer en meer Van ziin gunst aanschouwen.
Amsterdam, 20 Febr. 1860.
HANNA\'S LIED.
1 Sam. II.
O Kind, van God_ gegeven!
Wat zult gij zijn voor God? Hem loven door uw leven, Hem dienen in uw lot? Hem eeren met de tonen. De psalmen van uw ziel. En met een staag gekniel In zijne tente wonen?
Uw moeder heeft verslonden Veel smaad en boezempijn; Haar zuchten moesten zonden
In \'t oog der heilgen zijn; Haar hart werd opgereten Door dagelijkschen hoon — Van God geschonken zoon! Gij doet het al vergeten.
De Heer doet honger lijden;
De Heer geeft overvloed; De Heer beschaamt verblijden,
En geeft bedroefden moed; Hij doet ter helle dalen;
Zijn woord ontsluit het graf. En doet wie d\' adem gaf Weer vroolijk adem halen.
Zijn vriend]jjk aangezichte
Verhief hij over mij ;
Zijn arm vol sterkte richtte
203
— HOLLAUDSCH HITISIIODDEN.
•204
VOOU.JAATt
Mij op en blijft mij bij;
Hij heeft mij u gegeven:
Ik geef aan hem u weer —
Loof, loof mijn ziel den Heer, Die sterven doet en leven!
VOORJAAR.
Mijn hof ontwaakt, wordt groen, wordt wit
Van bloesems aan de twijgen.
Reeds zoo veel malen zag ik dit,
Maar kon er nooit bij zwijgen.
Het blijft een wonder in mijn oog,
Zoo wonderschoon te aanschouwen, Dat krachtig opwijst naar omhoog. En aanspoort tot vertrouwen.
Hij leeft nog, die het leven geeft
En weergeeft uit de dooden!
Hem lieve en loov\' wat adem heeft. En zoekt hem in zijn nooden!
HOLLANDSCH HUISHOUDEN.
DE HUISVADER SPREEKT I
De Keizer is in Frankrijk baas, In Nederland de Koning,
Ik in mijn eigen woning;
Dat \'s ieder op zijn plaats.
De grondwet van mijn rijksgebied Is God en de Ouders te eeren;
Is Vrede en Rust, mijnheeren!
Is dit en anders niet.
Van vrijheid is hier spraak noch schrift, Maar wel wordt zij genoten.
Door kleinen en door grooten, In groote en kleine gift.
Elk brengt tot aller vreugd wat bij; Dat is zoo alle dagen De schatting, die wij vragen En brengen, vrij en blij.
De bronnen onzer welvaart zijn Vlijt, en des Heeren zegen Op onbesproken wegen;
fieen goud of zilvermijn.
twee wrakken.
Van al wat goed is blijven wij Een duurzame\' invoer wenschen, Maar weren van de grenzen Begeerte en Hoovaardij.
TWEE WRAKKEN.
(Naar Hersiann Ling.)
In \'t hoogste Noorden ligt een schip in d\' opgestapeld\' ijsberg vast;
De manschap slaapt op \'t open dek,
de sneeuw ligt om haar hoofd getast;
Hoe gillend ook de Noordwind fluit,
de zeilen hangen stijf en strak;
Geen touw beweegt, geen mastspriet kraakt, en \'t roerloos roer geeft kreun noch krak.
Maar \'t Noorderlicht verlicht den nacht en wemelt over \'t wit tooneel;
Het ledig ooghol gloeit als vuur,
de marm\'ren wang wordt rood en geel;
In \'t zeildoek komen bloemen op,
kristallen bloemen, koud en kil.
Zoo reuzig groot, zoo spokig vreemd, zoo onheilspellend doodsch en stil.
Van \'s ijsbergs donkre toppen zien
geduchte schaduws dreigend neer.
Als kwam des Voortijds monsterdracht uit zijn versteende wereld weer;
En vaak, of onder \'t wicht van sneeuw de kracht des vuurs \'t geduld verloor.
Bolt daar een zware donderslag,
en splijt de ijsklomp midden door. —
En in de Zuidzee ligt een schip,
in hartontzettende eenzaamheid,
In \'t blauw en windstil watervlak,
als in een open graf, geleid;
Met lijken is het boord bemand;
die zien zoo hol en uitgebrand.
Als hadden hare mummiën
de pyramieden hier verplant.
De zandplaat werd een vuil moeras,
en uit den drassen bodem schiet
Een weeldrig plantenrijk omhoog
van zeewier, schimmel, mos en riet.
20-quot;)
voor de gevallenen.
206
mooi kaatje. —
Vermolmend ligt het vaartuig daar;
uit ieder spleet en lekgat wast Een geile groene stengel op
en rankt en slingert naar den mast.
Onkenbaar is der dooden hoofd
verward in blad en klemmertak,
En bloemen bloeien uit hun mond,
als of die \'t woord des levens sprak;
Het lange sohelfblad wuift voor vlag
en. waar het scheepslicht heeft gebrand,
Vliegt \'s nachts een groene glimworm op en flonkert als een diamant.
MOOI KAATJE.
Mooi Kaatje, wrijf uw oogjes uit,
En kijk eens helder rond!
Men lacht om u, \'t zij stil of luid,
En is het zonder grond?
U viel een knap gezicht ten deel;
üw moeder heeft wat geld:
Maar zeg mij, zijt gij niet wat veel Op groot fatsoen gesteld?
Gij zijt een burgerdochter, kind!
En \'t strekte u niet tot scha
Uw vader was door elk bemind —
Och, kreegt gij zulk een ga!
Een eerlijk man wordt door geen schoon En door geen schijn misleid;
Hij vraagt, — het zij uw hoogste kroon!
Naar deugd en deeglijkheid.
Och lijk niet engelsch, speel geen fransch;
Maar reken hierop vast;
Mooi Kaatje heeft een mooie kans,
Maar Kat tv krijgt een kwast.
1860.
VOOR DE GEVALLENEN.
(Naar Victok Hugo.)
Beschimp, beschimp geen vrouw, van \'t pad der deugd geweken!
Wie zegt u voor wat drang \'t vervolgde hart bezweken.
Door welken nood in \'t eind haar kracht is uitgeput!
De storm, die de eerbaarheid dier zwakken heeft geschud.
UOOGE SCHOOL. — DOOKGHAVIKO VAN HOLLAND OIquot; ZIJX SMALST. 20
Weet best hoe bang, hoe lang, en tot wat prijs, de onteerden Krampachtig, maar vergeefs, haar dierbaarst pand verweerden. Zoo hangt een regendrop des lieven hemels, rijk In glans, aan \'t espenloof, waardoor de winden zweven, En trilt en klemt zich vast en worstelt om zijn leven,
Vóór \'t vallen parel, en na \'t vallen — morsig slijk.
Op mannen komt de schuld; op \'t goud en zijn bezitteren! Maar ook! Nog schuilt in \'t slijk die eens zoo heldre drop: Een straal van zon. een blik van liefde, trekk\' hem op,
En met vernieuwden glans zal hij als parel schitteren.
HOOGE SCHOOL.
Die niet uit alles leeren wil,
Wil in \'t geheel niet leeren.
De Hooge School staat nimmer stil,
Waarin wij saam verkeeren;
\'t Is alles les, wenk, voorbeeld, vraag —
Maar menig leerling valt wat traag.
Gij niet! Let op, zie af, onthoud.
En vorder \'t allen tijde!
Zorg dat de Leerzucht niet verflauwt,
Schoon de Eerzucht schipbreuk lijde.
Het is om prijs noch lauwergroen.
Maar om het leeren-zelf te doen.
DOORGRAVING VAN HOLLAND OP ZIJN SMALST.
Haast trekk\' de spade een rechte lijn, „In schaduw van der eiken kruinen.
Daar Holland op zijn smalst mag zijn En krimpt voor \'t stuiven van de duinen.quot;
\'t Is lang genoeg dat „Wijkermeer En Noordzee met oneven kelen
Elkaar beroepenquot; keer op keer.
Om Holland veld en vrucht te ontstelen.
Thans leer de Kunst den weg aan \'t LI Om West, als Oost, in Zee te stroomen,
Dat de Amsterdamsche Koopvaardij Met volle zeilen in mag komen.
Al blijft dan Pampus keel verzand,
IJmuiden zal die schade wreken,
En bergen in zijn havenrand De schatten van vier hemelstreken.
208 herstelde kraamvrouw.
En hamerklop op hamerklop Sticht aan den Amstel nieuwe wonderen,
En heft zijn glorie weer in top Met „steen omhoogquot; op „hout van onderen.quot;
Zijn bijenkorf zal, als weleer,
Van dichte en drukke zwermen krielen.
En de oude vlijt en welvaart weer \'t Bataafsch Venetiën bezielen.
Dat kan een Gouden spade doen.
Dat wetenschap en kunst bewerken;
Men kroon haar \'t hoofd met eeuwig groen. En bidde God haar hand te sterken.
a a xt eek en ing.
De toespelingen op uitdrukkingen van hooft en huvgens zal de letterkundige lezer, ook zonder , 9^ nadere aan
wijzing, weten thuis te brengen. IJmuiden is de indertijd 111 de Gids voorgeslagen naam voor de nieuwe haven. (Zie bl. 158; de aanteekening.)
HERSTELDE KRAAMVROUW.
Al heeft het lang geduurd.
Het hebben komt na \'t hopen: Wij mogen \'t kleintje doopen;
\'t Is alles wél bestuurd.
Werd menig lange nacht In bange zorg gesleten;
\'t Is alles nu vergeten;
De goede Hemel lacht.
Van moeders lief gezicht Was \'t roosje weggenomen.
Maar \'t is weerom gekomen;
Gij streelt het, aardig wicht!
Weer zit de beste vrouw In mijner kindren midden; Het danken volgt het bidder.,
Het feestkleed kwam voor rouw.
Ach, was er nu een hart,
Waar nooit het vuur van doofde, Dat in zijn vreugd God loofde.
Zoo als \'t hem smeekte in smart!
«ij de beeltenis v. m. uek koning. - aan mijne landgenoot en. 209
Help, help mij, dierbre Ga! Met mond, en hart, en leven Zijn goedheid eer te geven. En, Kindren! volgt ons na!
27 Januari 1861.
BIJ DE BEELTENIS VAN ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING.
in februari 1861.
{Jaar van Watersnood.)
Dit \'s willem, wiens gelaat, en woord, en milde hand De jamm\'ren matigen van \'t Overstroomde land.
Gods hand zij met hem en bescherm hem op zijn wegen! \'s Volks liefde stroome hem, aan alle stroomen, tegen!
AAN MIJNE LANDGENOOTEN.
in februari 1861.
Dankt allen God en weest verblijd. Omdat gij Nederlanders zijt!
Dien naam, die Eer, die Zegen Hebt gij van Hem verkregen.
De Naam, bekend van Noord tot Zuid, Schiet als een star zijn stralen uit, En licht, wat wende of keere, U voor op \'t pad der eere.
Die Eer, het erfdeel van uw bloed, Verheft uw hoofd, verhoogt uw moed. Der Vaadren goed mocht minderen Hun glorie kroont de kinderen.
Die Zegen tart den schoonsten schijn, Want schooner niet dan Vrij te zijn! Laat Groote volken brallen: De Vrije gaan voor allen.
Dankt allen God en weest verblijd, Omdat gij Nederlanders zijt!
Waar zoo veel volken klagen,
Kunt gij van heil gewagen.
Geen openbaren dwingeland Hebt gij te bieden wederstand.
Geen broederkrijg te sussen.
Geen twistvuur uit te blusschen.
in.
ECHTE DICHTGEEST.
Geen vijand dreigt voor grens of stad, Geen roofzucht scheert uw akkers plat. Of keert, voor de open haven, Den schat der Oostergaven.
Men ziet bij u, hoe ver men trekk\', Geen -weelde spotten met gebrek, En weduwen en weezen Wel treuren, maar niet vreezen.
Als kindren van een groot gezin.
Bindt u de band der broedermin:
Laat scheuren dam en dijken, Die band zal niet bezwijken!
Ja, dam en dijk bezwijke en zwicht\'. Die broedermin treedt meer aan \'t licht: Tot heeling aller wonden Wordt zij getrouw bevonden.
Dankt allen God en weest verblijd. Omdat gij Nederlanders zijt!
Laat nooit het bloed der Vaderen Verbastren in uw aderen!
Voert, voert der Vaadren eer in top, llicht marmerzuil en standbeeld op; Maar dat uw laatste zonen Zich hunner waardig toonen!
MENS DIVINIOU.
Heeft de Aeoolsche harp gespeeld, Heeft een adem uit den hoogen. Langs de snaren heengetogen.
Haar zijn Leven meegedeeld;
Viel een vonk uit hooger sfeer, Die de brandstof heeft ontsteken En de vlammen uit doen breken, In d\' ontroerden boezem neer:
Hoe gansch anders klinkt die toon Dan wat Kunst of Zucht tot pra\'.en Uit haar hout en erts leert halen.
Met een oog op lof en loon! Wat is, bij dien heilgen gloed. Die zich meedeelt onder \'t blaken, \'t Vuurwerk, dat de feestvermaken Knallend, schittrend kronen moet?
VRAGEN AAN DEN SCHEPPER. — WAAR IS UW HART. 211
VRAGEN AAN DEN SCHEPPER.
Hoe noemt gij wat wij Leven noemen,
O Gij, die leven (loet?
De hoogste wijsheid, waar we op roemen.
Valt duizlende u te voet.
AVij zien de werkingen, wij binden Ze tot een denk-beeld saam.
Maar kunnen \'t Leven-zelf niet vinden.
En kennen slechts een Naam.
Wat zijn het, dat wij Krachten heeten?
Ook dit een leege galm;
De korte ketting van ons weten Breekt af bij dezen schalm.
Hier hangt de sluier, hier ontwaren Wij d\' afgrond, die ons stuit.
Schoon velen in de diepte staren,
Wat stervling vorscht haar uit?
Wat is die Ziel, die we in ons voelen. Dit Meer-dan-vleesch-en-bloed,
Dat ons begeeren, willen, woelen,
U ondervragen doet?
Hoe hangt zij met dit stof te zamen.
Doordringt het, dient, beveelt ? . ..
Spreek! Leer die wijsheid zich te schamen. Die slechts met woorden speelt.
Wat dunkt U van \'t geen wij erkennen Als Wetten voor \'t Heelal,
Zelfs door uw Almacht niet te schennen,
Of alles kwaam ten val?
Gij zwijgt. Dit is op vele vragen Uw eenig antwoord, Heer!
Maar. waar wij deze laatste wagen,
Ziet gij met Deernis neer.
WAAR IS UW HART.
Waar is aw hart, waar is uw hart,
Waar is uw hart, mijn naaste? Omringd van \'s levens weelde en smart, Verhaal mij, waar gij \'t plaatste?
Hebt gij \'t verslingerd en verstrooid.
Op \'t breede pad der Zonde? Ik dacht niet dat zij ooit of ooit Dien schat vergoeden konde.
de bbstk vriend.
Hebt gij \'t verloren in \'t gedrang Van duizend IJdellieden?
Mocht elke dwaasheid sedert lang \'t Verneedren en vertreden ?
Of doet gij n op \'t Leed te goed, Met jamm\'rend zelfbehagen ?
Verdrinkt gij \'t in een tranenvloed, Bij krachtverterend klagen?
Of speelt gij trouw den sterken held, En toont uw moed bijzonder.
En houdt het, met barbaarsoh geweld. Uit louter hoogmoed onder?
Of wel. bekommert ge u niet veel. Wat van uw hart moog komen.
Zoo maar van \'t wereldsch goed een deel U rijklijk toe blijft stroomen?
Zoo dwaas niet, o mijn Broeder! tart Geen stem van God daarbinnen^
Zij roept: „Mijn zoon! geef mij uw nart; Gij zult een hemel winnen.quot;\'
DE BESTE VRIEND.
(Naar Schmoixk.)
De beste Vriend is wel daarboven;
Op aarde zijn de vrienden raar;
En in ons mènschlijk woelen, sloven,
Loopt trouw en waarheid veel gevaar , Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind! De Heiland is de beste Vrind.
Bii menschen is het vloed en ebbe;
De Heiland staat gelijk een rots. En schoon ik duizend feilen hebbe.
Hij laat daarom mijn hand niet los. Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind! De Heiland is de beste Vrind.
Hij liet voor mij aan \'t kruis zich dooden, Vergoot voor mij ziin dierbaar bloed. Staat nog mij bij in alle nooden.
En maakt mijn vele schulden goed. Dies blijft het bij de spreuk, mijn kmd. De Heiland is de beste Vrind.
BEDE VOOR DE BUBGERWE13ZEN TE II.VAKLEM. —
Die Vriend heeft mij zijn hart gegeven,
Ik ben de Zijne en Hij is mijn;
Hij is mijn Vivend voor heel mijn leven,
Tot over \'t graf zal Hij het zijn.
Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind!
De Heiland is de beste Vrind.
BEDE VOOR DE BURGERWEEZEN TE HAARLEM. IN Jrr.i 1861,
(Tijdens de Nijverheidsfeesten).
Ons tweede vaders klagen.
Vondel.
\'t Is Juli. Haarlems lusthof bloeit;
Zijn feestklok luidt; zijn kunstzaal bloeit;
\'t Oog hangt aan ■wondren rij op rij.
Och! gaat ons Weeshuis niet voorbij!
Gedenkt den armen! Brengt uw God De rente van uw feestgenot!
Geen grooter feest voor \'t edel hart Dan \'t liefdrijk lenigen van smart,
Geen grooter smart dan die gij vindt [n \'t hart van \'t ouderlooze kind.
Waar deze vrees in wakker wordt:
„Mijn tweede vader schiet te kort!quot;
Zijn tweede vader heeft het oog Tot aller Vader naar omhoog;
Zijn tweede vader wanhoopt niet,
Als hij de trouwe liefde ziet,
Wier hand ook nu, naar allen schijn.
Het middel in Diens hand zal zijn. \')
1) Het H. S. en gedrukte Exemplaren van dit stukje lagen In een bazar, ten behoeve van \'t Burgerweeshuis geopend, te koop. Men heeft mij verblijd met het bericht dat het H. S. honderd gulden had opgebracht.
ZWITSERLAND.
Die sehriklickst van ray swijght heeft allerbest geseit.
Huyoens.
Ook ik ben \'t land van bergen, stroomen
En meer bij meren doorgegaan;
Maar spraakloos ben ik weergekomen.
En bied geen dichttaafreelen aan.
Ook ik zag \'s hemels zonnestralen In donzig schuim en klaar kristal
ZWITSERLAND. 213
214 ZWITSERLAND.
Hun bonte regenbogen malen In waterval bij waterval;
Ook ik, de witte en zwarte vloeden.
Gekweld, gedwarsboomd, niet gestuit,
Zich kokend door hun bedding spoeden, En storten in de vlakten uit,
O Heldre spiegels, diepe meren!
Hoe dikwijls zal, in al hun pracht.
Voor mijn verbeelding wederkeeren,
üw zacht kobalt, uw klaar smaragd;
Uw lachende oevers, stoute zoomen.
Uw klare diepte, uw zacht gebruis. En \'t lied des roeiers op uw stroomen, _
Bij \'t klappren van \'t Helvetisch kruis!
Het bergpad voert, uit boomgaarddreven.
Door notenlommer, beukenwoud,
Tot waar de dennen eenzaam leven, En donkre pijn in d\' afgrond schouwt;
Tot waar geen takken schaduw spreiden.
Geen scherm van groen den bergwinti stuit, Daar boven spreiden de alpenweiden Haar onbeperkte schoonheid uit.
Nog hooger schitteren de toppen
Met eeuwig ijs en sneeuw bedekt; Ontzaggelijke reuzenkoppen,
Wier aanblik tot aanbidding wekt.
Ik zag hun sueeuwwit voorhoofd blozen.
Daar de ochtendzon hen zacht bescheen, Met gloor van verschontloken rozen.
Die ras voor heller glans verdween.
Ik zag de wolken om hen rijden.
De neevlen twisten met hun gloed.
Maar, als een mantel, nederglijden.
Zich samenrollende aan hun voet;
Hun onveranderlijke vormen,
Hun ongenaakbre majesteit,
Ten trots van eeuwen, schokken, stormen, En wetten van verganklykheid.
Ik tastte d\' ijsberg met mijn handen.
Bij d\' oorsprong van den killen vioed, En plukte van des gletschers randen Het alpenroosje, rood als bloed.
de twee lutschinen.
Ik hoorde sneeuw- op sneeuwval donderen, Door honderd echo\'s weergekaatst,
En \'t klokjen aan den hals der runderen Verraden waar de kudde graast.
Nog vangt mijn oor die berggeluiden, Nog weidt mijn oog van top tot top,
Nog haalt mijn hart den genr der kruiden. De frissche lucht der bergen op.
0 zaalge nasmaak, zacht herdenken, Vol zuivre geestdrift, nieuw genot.
Hoe rein een weelde kunt gij schenken. Bij stillen lof\' en dank aan God 1
Maar dichterlijke schilderingen.
Maar liedren, hooggestemd en luid ....
Neen! ga mijn zwijgen voor mijn zingen; Het drukt het best mijn eerbied uit.
Laat andren groote woorden smeden, In maat en rijm met zorg geschaard;
Uw heerlijk- en uw lieflijkheden Zijn hartelijker hulde waard.
Waar mij een blik te beurt mocht vallen. Natuur! op uw verhevenst schoon:
Met leegen galm en ijdel schallen,
Bewaar mij God dat ik u hoon!
Laat andren voor uw grootsche wondren. Zoo ernstig plechtig bij hun pracht,
De kleurdoos der verbeelding plondren. En overspannen kunst en kracht:
Gij haat die van hun eerzucht vergen. Waarbij hun kracht en kunst bezwijkt —
Een heimwee naar het land der bergen. Ziedaar waarin mijn liefde blijkt.
DE TWEE LUTSCHINEN. (Bern-Obeiiand).
De Lütschinen, Witte en Zwarte.
Gaan elk haar eigen pad. Zij maken een vreeselijk leven. En schuimen als \'k weet niet wat.
21
VROUW SIJ5IEKSZ.
Zij schuimen, bruisen, branden ■Vervaarlijk om stronk en steen;
Maar komen elkander steeds nader.
En stroomen ten laatsten ineen.
En als nu vervolgens die beiden
Vereend zijn naar lichaam en geest.
Dan zet ik het u te onderscheiden.
Wie wit en wie zwart is geweest.
Gansch anders de prachtige Rhone,
Waar hij \'t meer van Genève verlaat.
En hij de Arve wel aan-, maar niet op-neemt En niet met, ofschoon nevens haar gaat.
Mijlen ver gaan ze. onwillig te zamen.
De eene blauw, de andre grauw, gram te moed
Tot ze op eenmaal die koelheid zich schamen, Zich omarmen, en één zijn voor goed.
Dwaze trots, ijdle toorn, die den nooddwang. Die vereeniging eischt, wederstreeft!
Waar gij weet dat het eens toe moet komen. Doe dat liever terstond, en beleefd!
VROUW SIJMENSZ.
Vrouw Sijmensz kan niet scheiden van de zee. Dat groot gezicht doet haar zoo wel en wee.
\'t Is of de golf, die aan haar voeten breekt,
Zij weet niet welke woorden tot haar spreekt.
\'t Is of het schuim, dat krinkelt over \'t strand, Zij weet niet welke lettren schrijft in \'t zand.
\'t Is of in \'t licht, dat over \'t zeevlak straalt. Zij weet niet welk verschijnsel rijst en daalt.
Haar hart is vol, haar hoofd zoo wonder licht.... Straks draaien zwerk en zee haar voor \'t gezicht.
Een luchtje speelt, en schijnt te zeggen; „kom!quot; Vrouw Sijmensz roert de lippen, — maar blijft stom
Haar arm zinkt naast haar neder, zwaar als lood — En kind en kleinkind vindt vrouw Sijmensz dood.
oüde vriexds. — hoe lang. hoe liev. —
OUDE VRIENDSCHAP.
Geen nieuwe vriendschap, die vóór de oude gaat. De tiid dooft veel. maar kan niet alles dooven. Het trouwe hart komt altoos weder boven, En staaft zijn aanzijn door de trouwe daad.
HOE LANGER HOE LIEVER.\')
(Solanum Dulcamara).
Hoe langer hoe liever is een kruid.
Een kruid met purpren bloemen,
Purpren bloemen met gouden hart!
Ik wou ik hoe langer hoe liever werd.
Dan zou elk mensch mij roemen.
Hoe langer hoe liever is een kruid.
Een kruid met bittre stelen;
De smaak is bitter; de nasmaak zoet; Hoe langer hoe liever moog mijn gemoed Een zoete nasmaak streelen!
Hoe langer hoe liever, dat lieve kruid.
Hangt, met zijn rank-slank lijfje.
Zoo teeder en trouw aan het schuddende riet.. . Hoe langer hoe liever — zijt gij dat niet.
Wie is het dan, mijn wijfje?
\') Ook Bitterzoet, Mf- of Elf-rank en, in sommige plaatsen van ons vaderland, Flgjes- of ook Weerhout genoemd.
2) Stipites Dulcaimrae in de artsenijkunde bekend.
NIET EN KANDEI! BETER PASSEN ALS DAT T\'SAMEN IS GEWASSEN.
Als van twee gepaerde schelpen
D\' eene breeckt of wel verliest, Niemant sal u konnen helpen,
Hoe men soeckt, hoe nau men kiest, Aen een die met effen randen
Juyst op d\' ander passen sou. D\'outste zijn de beste panden,
Niets en gaet voor d\'eerste trou; D\'eerste trouw die leert het minnen,
D\'eerste trou is enckel vreught, D\'eerste trou die bindt de sinnen,
niet en kanper enz. \'217
218 ongewone gunstbewijzen enz. — nog een duiekoningen-lied.
Sy is \'t bloemtje van de jeuglit:
Na myn oordeel twee mael__troinven
Dat is veel niet sonder pijn,
Dry-raael kan niet als berouwen;
\\Vant hoe kander liefde zijn?
Hout u eerste lief in weerden,
Eertse met een vollen zin,
\'t Is een hemel opter eerden,
Soo je paert uyt rechte min. 16 V Cats.
ONGEWONE GUNSTBEWIJZEN DOEN GODS GOEDHEID DUBBEL PRIJZEN.
Als van twee gepaarde schelpen
De eene breekt of wel verliest,
Nog zal God u kunnen helpen.
Mits gij niet voorbarig kiest,
Aan een die met effen randen
Nog eens juist op de andre past En, gezegend door zijn handen.
Lieflijk met haar samenwast.
Blijft gij dit onmooglijk keuren
Bij de schelpen onzer zeën.
Echter laat het God gebeuren Bij die andre, die ik meen.
Is dan niet dat tweede trouwen
Voller bron van rijk genot.
Naar men \'t meerder moet beschouwen
Als een wonderwerk van God?
Werd zijn goedheid nooit vergeten
Bij \'t genot der eerste min:
Hem dit Wonder dank te weten Heeft iets wonder-zaligs in.
NOG EEN DRIEKONINGEN-LIED.
Driekoningendag is weder daar.
En doet ons dankbaar juichen. Met Melchior, Casper, en Balthasaar,
De knieën voor Jezus buigen.
Maar nog een andre vreugd dan die Verheft onze harten en buigt onze knie, En doet, met blijde klanken. Ons God-almachtig danken.
KOO EEN DRIEKONINGEN-LIED.
Een ster van vreugde verlicht dit huis,
Een ster met hemelsche stralen;
Daar mag, voor het harde weeuwenaarskruis.
De vruchtbare bloeitak weer pralen.
Daar zit, niet een rozen- en leliënkroon, De liefste vrouw op den moedertroon.
En ziet zoo zacht en teeder Op man en kindren neder.
Twee kleintjes heeft zij op haar schoot.
De zoetste kusjes haar gevende;
De een is Paus Adriaans naamgenoot.
Kleine Adriaan de Zevende.
Hij noemt zijn moeders naam alreê.
Daar doet hij krachten en wonderen meê; Wij allen, zonder pruilen,
Wij kussen zijn kleine muilen.
Het andre draagt den liefsten naam,
Die ooit in onze ooren kon stagen;
Maar is tot nog toe niet bekwaam
Dan om de borst te krijgen.
Wat zeg ik? Neen! het wichtje lacht Zoo hartlijk vroolijk, zoo vriendlijk zacht. Als of het waarlijk zeide;
„Ik ben de kleine Aleide.quot;
Dit is haar eigen vleesch en bloed;
God zeegne die teedere bloemen!
Maar nu komt nog een heele stoet.
Die ook haar „moederquot; mag noemen. Theodorik en Krelisvaar,
Marietjen en Koosje, paar aan paar Met Netjen en Angenietje,
Die zingen te zamen dit liedje;
Dit liedje, door den vader gedicht.
Maar \'uit hun hart geschreven:
„0 Moeder! heb dank voor het vroolijke licht,
„Dat gij spreidt op het pad van ons leven. „Gij zijt een wending in ons lot,
„Een gave des hemels, een zegen van God; „Wij minnen u elk om \'t zeerste:
„Ook zijt gij ons dierbaar, als de eerste.
„Wij zeegnen u met een kinderhart,
„Wij zeegnen u en bidden:
„Geen onzer verwekke u een oogenblik smart; „O Blijf toch altijd in ons midden!
219
vondels borstbeeld.
..Lief Moedertje, bewaar nog lang .Dien helderen opslag, die blozende wang; .God krone u voor onze oogen
.Met al wat uw vreugd kan verhoogen!quot;
* * *
Mijn kindren! door uw klanken lieen.
Heb ik een stem vernomen, Een welbekende, die mij scheen
Uit hooger sfeer te komen:
Een stem zoo roerend zacht en schoon. Die instemde in uw vreugdbetoon, Die meedeed in de beden Van dit gezegend heden.
in mijn studeervertrek,
MET VIOLEN VERSIERD.
— Ghy Nymfen, breit een stool
Van bloemen dien, die \'t licht eerst zag in een viool. En sedert, kiesche bie, versmaende alle andre tuinen. Op Pindas heuvels en zijn splckelige kruinen Gestadigh nekter zoog.
Vondel. If\'illem ran Nassau\'s Geboorte.
— mijn geboortestad Keulen.
Daer heb ik eerst om honigh uitgevlogen.
Omtrent den blonden Ryn,
Beplant met Rynschen wijn,
En als een bie riolendau gezogen.
Vondel. Oli/ftak. Aan Gustaaf Adolf.
Van df.n Vondel [is] te Keulen, in de straat genaamd de Wijngas, daar de Fiool uithing, geboren.
Brandt. Het leren van Joost ran den fondel, bl. 8.
Die in een viool geboren werd,
VioLE.Ndauw heeft gezogen.
Staat hier, op \'t wenschen van mijn hart.
Met een slinger violen omtogen.
Een Stichtsche jonkvrouw heeft dat gedaan.
Hoe zal ik naar waarde haar danken ? Kom, Vader Vondel! hef zelf eens aan Met de oude Vondélische klanken.
Clij zwijgt; uw lippen blijven stil
En strak, als uw appellooze oogen ?
Het faalt u wel niet aan goeden wil.
Maar enkel aan vermogen.
220
veldbloem ex kasbloem. — ale ide ii.
Ook mij, al ben ik niet van steen,
Al zal ik er nimmer in pralen!
Dies moge een erkentliike handdruk alleen De schuld onzer harten betalen.
Een handdruk, die haar dankbaar zegt.
Waar de eeuwen het zegel op drukken: „De hand. die dichters bloemen vlecht, Is waardig de schoonste te plukken.quot;
17 Mei 1862.
VELDBLOEM EN KASBLOEM.
De bloemkens langs de wegen.
Die ken ik meest allen bij naam;
Zij lachen mij vriendlijk tegen.
Zij groeten mij al te zaam.
De bloemen achter de ramen.
Omdat ik haar namen niet weet.
Die schijnen zich mijner te schamen.
En momplen: „Die Domme Poëet.quot;
Uw dienaar, preutsche prinsessen!
Gij zijt schoon, zijt bevallig, vol vuur;
Maar gij eischt nog al vijven en zessen.
En verkoopt uwe gunsten wat duur.
Pronkziek volkje uit Japan en Bengalen,
Dingt om prijzen van zilver en goud!
Ik wil ook u mijn hulde betalen.
Maar mijn hart, o mijn hart laat gij koud. —
Goeden dag. Madeliefje! Gouddropje!
Eereprijsje, zoo zedig en zacht!
Zegt eens gauw; sliept gij zoet in uw knopje, En wat weer of gij heden verwacht?
Eerenpr. „Goeden morgen! wij sliepen als\'rozen.quot; —
Goudd. „En het weer wordt vandaag vast heel mooi,quot; — Madel. „\'k Heb een plaatsje aan uw knoopsgat gekozen, Waar ik stervend mijn bladertjes strooi.quot;
ALE1DE II.
Moet er, moet er een liedje zijn.
Een liedje bij \'t eerst verjaren Van dit aanminnig kindekijn,
Met oogjes zoo helder, met lipjes zoo fijn? Welaan, zoo klinkt, mijn snaren!
221
222 lit.I DE UITGAVE VAN MIJNE „VERSTROOIDE GEDICHTEN.\'
Dit meisje kwam ter rechter tijd
Haar moeders hart verblijen;
Wij allen hebben haar om strijd Eeii jaar lang geliefkoosd, geprezen, gevrijd; Wij blijven haar prijzen en vrijen.
Het juffertje heeft een zéér ruim hart, .
En deelt onder velen haar gunstjes;
Maar, hoe ook in vrijers en vrijsters verward,
Haar moeder krijgt altijd het grootste j)art Van haar lonkjes en lachjes en kunstjes.
Dat komt van dat zoete, zuivere zog.
Dat niemand dan zij haar kan schenken;
Zij kreeg het een rond jaar, zij krijgt het ook nog. En vraagt men; „Mama! wanneer speen je haar toch?\' Dan zegt zij: „Ik zal me eens bedenken.quot;
Het zij zoo! Het kan u voorzeker geen kwaad.
Laat vloeien de beste der dranken!
Nu doet het dit oogje, dit vroolijk gelaat:
Weldra zij dit snoeperig mondjen in staat Met woorden voor alles te danken.
14 Oct. 1862.
BIJ DE UITGAVE VAN MIJNE „VERSTROOIDE GEDICHTEN.\'
Verscheiden tonen hoort men hier.
Naar mijn verscheiden jaren.
Ik had altoos een zelfde lier,
Maar dikwijls andre snaren.
En ook de zangstof wisselde af Bij \'s levens wiss\'lend woelen.
De bonte weg van wieg tot graf Heeft veel voor die veel voelen.
\'t Verstrooide bracht mijn hand bijeen.
En schikte \'t naast eikanderen;
\'t Was altijd beter, naar \'t mij scheen,
Dat zij het deed dan anderen.
Zoo iemand, die den bundel ziet.
Het hoofd schudt en gaat zeggen:
„\'t Verstrooide is juist het beste niet!quot;
Ik zal het niet weerleggen.
\'k Heb hier en daar gekapt, geschrapt.
Geschaafd, geschuurd, geschoren:
Het slechtste is wel wat opgeknapt.
Maar \'t werd niet weergeboren.
DE BLOEMVKlïKOOPSTER.
Is \'t met papieren kroost ook niet
Geliik met andre kinderen?
Men kan betreuren wat men ziet,
Maar niet altijd verhinderen.
Gaat thans te zaam de wereld in,
Mijn oudste en jongste telgen!
En moge uw broederlijk gezin Geen vriend of vreemde balgen.
November 1862.
{Hfidelberg.)
Aan \'t spoorstation te Heidelberg,
Daar staat een kind — van dertig jaar. Als mensch gekleed, gekapt in \'t haar. Daar ik een traan voor verg.
Traan in uw oog, zoo kwijnend schoon. Jong vrouwtjen, op den huwlijkstocht! Wier ga den ruiker voor u kocht.
Door haar u aangeboon.
Traan op uw wang, zoo vol en zacht. Bevalligheid van zestien jaar!
In \'t oog van uw bewonderaar Een engel, als gij lacht.
Traan, midden in uw rijke vreugd. Gij, moeder van dit beeldschoon kind! Die in haar schoon uw schoon hervindt. En in haar jeugd uw jeugd.
Dit hart is ook een vrouwlijk hart. Gevormd voor wat het uwe streelt;
Maar wat haar \'t arme leven teelt Is spot, verneedring, smart.
Al wat zoo zeer het schoon verhoogt. Wanneer men \'t in uw oogen leest, Belachlijk waar \'t in haar geweest, En nimmermeer gedoogd.
Geen liefdedroom, geen echtgenot,
Geen moedervreugd zijn haar bekend; \'t Zijn bloemen, bloemen, wat zij vent, Maar doornen zijn haar lot.
Vrouw naar de ziel, slechts kind in schijn; Als kind begroet, geplaagd, gesard,
223
HET KEGENSCHERM.
Door kindren, zonder hoofd en hart, Wier moeder zij kon zijn.
Beschimpt door knapen, laag van zin. Onrein van oogen, ruw van toon. Die, zoo zij rijzig ware en schoon.
Haar streelden om de kin.
En, alle dagen die God schenkt,
Door \'t reizend volk, van uur tot uur. Als wondre speling der natuur.
Bekeken en — gekrenkt.
Ach vrouwen! moeders! denkt er aan: Zij is een zuster, de arme dwerg\'! En stoomt niet voort langs Heidelberg, Of wijdt haar lot een traan.
HET REGENSCHERM.
(Wengern, Beru-Oberland.)
Hans Jorgen maait zijn goudgeel graan
Zijn wijfje bindt de schooven;
Zijn jongens dragen af en aan;
Zijn oudste dochters sloven.
Wat roert zich onder \'t regenscherm.
Dat uitstaat op de velden\'?
Ik zie een handje, zie een arm. Die jeugdig leven melden.
Ku buk eens, kijk eens, zie eens goed!
Is dit niet net een prentje? Christientje houdt haar broertje zoet. Dat aardig, mollig ventje.
Het kind is dertien maanden oud, Christientje een jaartjen ouder;
Maar zie hoe stevig zij het houdt! \'t Is bij geen mensen vertrouwder.
Zij zit het, onder \'t regenscherm.
Bestendig te vertellen.
De zon is hoog, de lucht is warm; Maar hen schijnt niets te kwellen.
De lucht is heet en hoog de zon.
En nergens dak of boomen;
Maar deze groene champignon Belommert hen volkomen.
I1KÏ HERliEKG-JIEISJE. —
225
I.ALTEKHItrXNKX.
Zij zien zoo vroolijk, zijn zoo zoet
Als iemand kan verlangen; Zie maar die oogjes, vol van gloed. Die kuiltjes in de wangen.
En als de moeder maar eens bukt,
En toeknikt uit de verte,
Dan zijn zij heel en d\' al verrukt. Dan juublen zij van harte.
HET HERBERG-MEISJE.
(Rosenlaui. Bern-Oberlaud.)
Mooi meisje, dat in \'t berghótel De jonge heeren kluistert!
Herinnert ge u het woord nog wel. Door mij u toegefluisterd?
„Uw wang blijf rood, uw hart blijf rein „Tot aan uw jongste stonde!
„De weg is glad, en de afstand klein „Van jokkernij tot zonde.quot;
Gij zeidet: „Ja, mijnheer! ik zal „Mij^ naar dat woord gedragen.quot;
Zoo zij \'t. Laat nooit, ook van uw val. Dit paradijs gewagen!
LAUTERBRUNNEN.
(Bern-Oberland.)
Ik dacht zoowaar dat „louter Bronnenquot;
Mij „louter Tranenquot; worden zou!
Wat had mijn dwaasheid toch begonnen. Van u te scheiden, dierbre vrouw!
Gij hadt den weg door \'t dal genomen.
Maar ik den bergweg, als een man! Te Lauterbrunnen saam te komen.
Ziedaar het plan, \'t „verstandigquot; plan.
Ik steeg vol moed, langs woeste paden ^ Al hooger, hooger, hooger op;
En kon mijn oogen niet verzaden Aan Eiger-, Mönch- en Jungfrau-top.
Hij die geen Scheideck heeft beklommen. Geen AVengernalp-weg in mocht slaan,
ni. 15
LAUTERBRUNSES.
Is \'t heiligste der heiligdommen Van \'t Oberland niet doorgegaan.
Van sneeuw- op sneeuwberg, op wiei spitse üe felle zon van Juli straalt.
0 Heldre beken, donkre wouden. , ,,
Diepe afgrond, vreedzaam, lachend dal.
Geen oogen, die u koel aanschouwden.
Geen hart, dat u vergeten zal\'.
Ik kon mijn schoonheidsdorst niet boeten.
En zag \'wel duizendwerven om;
Toch kreeg ik vleuglen aan de yoeten,
Als ik ten laatsten afwaarts kiom.
Of wist ik niet, dat gij mij uren
Vooruit moest zijn, en de eenzaamheid Ook in een lustoord lang moet duren,
Wanneer men uitziet en verbeidt.
Het pad is steil, en tegen \'t zuiden; ^
De griize bergwand gloeit als vuui De zon, \'bij hangende onweersbuien.
Steekt fel in \'t heet namiddaguur.
Aan de overzijde waagt, in éenen.
De beek den sprong van duizend voet -Indien gü neerkwaamt pp uw beenen,
O Staubbach! ik benijdde uw moed.
Maar beeld van hen, die God verzoeken.
Uw sohittrend waagstuk wordt ten spot.
Het dal ziet van den roekloos kloeken Zelfs geen ellendig overschot. )
Vj\'n die mij wacht, en óók haar oogen
\'Op u slaat, met beklemd gemoed.
Ziet u verstoven en vervlogen, „
En troost zich dat ik „langzaam spoed,
Tk stioed mii, lieve! ik kom u nader;
Ik spaar geen zweet; ik slaak geen klacht, \\1 zwoegt mijn boezem, ik vergader Tot grooter haast mijn laatste kracht.
i) De Staubbach Is, als bekend ls een s^
in^c^fe—geDeen weigernaip aan deze *de afrende, ziet ral hem tegen zich over.
•226
lautekbrunnen.
Nog één, één ziegzag! Neen, nog dezen! — En dezen! — En deez\' eenen nog! —
Dit echter zal de laatste wezen ..., O! zielvermoeiend zinbedrog!
In \'t eind: ziedaar het dal gewonnen. Waarin ik rast genieten zal,
Een dal van „loutre vreugdebronnen,quot; Aan uwe zij, mijn lief, mijn al!...
Gij zijt er niet! Vergeefsche vragen Aan gids en voerman, waard en gast!
Geen menschlijke oogen, die u zagen.
Geen hoek, waaruit gij mij verrast!
Intussohen pakken onweerswolken Zich saam tot ondoordringbaar zwart.
En bliksems schitteren als dolken. En steken naar mijn angstig hart.
Daar wekt de dreun der donderslagen Van honderd bergen de echo\'s op.
Doet de onverschrokkensten versagen, En voert mijn bange vrees ten top.
De regen stroomt, de beken klateren Met storting, die elks oor verdooft;
En alle golven, alle wateren
Gaan over mijn verbijsterd hoofd.
Ik zie, hoe langs doorweekte wegen Een donkre reiskoets mijwaarts jaagt;
De voerman, bukkende om den regen,
Duikt in zijn mantel, hooggekraagd.
De wit beschuimde paarden snuiven En brieschen, van geen storm verschrikt;
Maar op mijn hoopvol welkomwuiwen Geen antwoord dat mijn ziel verkwikt!
Een. tweede volgt haar — Ach, mijn oogen. Gij zoekt vergeefs! Zoo schreit nu, schreit
Een derde — heeft uw hoop bedrogen, — Een vierde — doemt tot raadloosheid.
Een vijfde... 0 Hemel! heb erbarmen.
Geef hoop, geef uitkomst voor mijn hart!
\'t Geschiedt! Daar valt gij in mijn \'armen. En weggevaagd zijn angst en smart!
Nu zweer ik dat ons niets meer scheiden. Maar dit het reisplan wezen zal:
9-1(5 LAUTERimUSNEN.
Is \'t heiligste der heiligdommen Van \'t Oberland niet doorgegaan.
O ongelijkhre wildernissen.
Waar\'boven \'t schittrend schouwspel praalt. Van sneeuw- op sneeuwberg, op wier spitsen De felle zon van Juli straalt!
O Heldre beken, donkre wouden,
Diepe afgrond, vreedzaam, lachend dal!
Geen oogen, die u koel aanschouwden.
Geen hart, dat u vergeten zal!
Ik kon mijn schoonheidsdorst niet boeten,
En zag wel duizendwerven om;
Toch kreeg ik vleuglen aan de voeten,
Als ik ten laatsten afwaarts klom.
Of wist ik niet, dat gij mij uren .
Vooruit moest zijn, en de eenzaamheid Ook in een lustoord lang moet duren.
Wanneer men uitziet en verbeidt?
Het pad is steil, en tegen \'t zuiden;
De grijze bergwand gloeit als vuur;
De zon, bi] hangende onweersbuien,
Steekt fel in \'t heet namiddaguur.
Aan de overzijde waagt, in éénen.
De beek den sprong van duizend voet — Indien gij neerkwaamt op uw beenen, O Staubbach! ik benijdde uw moed.
Maar, beeld van hen, die God verzoeken.
Uw schittrend waagstuk wordt ten spot: Het dal ziet van den roekloos kloeken Zelfs geen ellendig overschot.\')
Zij die mij wacht, en óók haar oogen
\'Op u slaat, met beklemd gemoed,
Ziet u verstoven en vervlogen, ^
En troost zich dat ik .langzaam spo jd;
Ik spoed mij, lieve! ik kom u nader;
Ik spaar geen zweet; ik slaak geen klacnt; Al zwoegt mijn boezem, ik vergader Tot grooter haast mijn laatste kracht.
»1 De Staubbach Is, als bekend is. een straal water, die bij L^terbrunnen va eene 926 voeten hooge rots geheel vrij naar beneden stor^ ®er ^ lef ^
bereikt, in de lucht verstuift. Den Wengernalp aan deze zijde afdalende, ziet m hem tegen zich over.
lauterbrunnen.
Nog één, één ziegzag! Neen, nog dezen! — En dezen! — En deez\' eenen nog! —
Dit echter zal de laatste wezen ..., O! zielvermoeiend zinbedrog!
In \'t eind: ziedaar het dal gewonnen, Waarin ik rust genieten zal,
Een dal van „loutre vreugdebronnen,quot; Aan uwe zij, mijn lief, mijn al!. ..
Gij zijt er niet! Vergeefsche vragen Aan gids en voerman, waard en gast!
Geen menschlijke oogen, die u zagen.
Geen hoek, waaruit gij mij verrast!
Intusschen pakken onweerswolken Zich saam tot ondoordringbaar zwart,
En bliksems schitteren als dolken.
En steken naar mijn angstig hart.
Daar wekt de dreun der donderslagen Van honderd bergen de echo\'s op,
Doet de onverschrokkensten versagen. En voert mijn bange vrees ten top.
De regen stroomt, de beken klateren Met storting, die elks oor verdooft;
En alle golven, alle wateren
Gaan over mijn verbijsterd hoofd.
Ik zie, hoe langs doorweekte wegen Een donkre reiskoets mijwaarts jaagt;
De voerman, bukkende om den regen,
Duikt in zijn mantel, hooggekraagd.
De wit beschuimde paarden snuiven En briesohen, van geen storm verschrikt;
Maar op mijn hoopvol welkomwuiwen Geen antwoord dat mijn ziel verkwikt!
Een__tweede volgt haar — Ach, mijn oogen, Gij zoekt vergeefs! Zoo schreit nu, schreit
Een derde — heeft uw hoop bedrogen, — Een vierde — doemt tot raadloosheid.
Een vijfde... O Hemel! heb erbarmen.
Geef hoop, geef uitkomst voor mijn hart!
t Geschiedt! Daar valt gij in mijn armen. En weggevaagd zijn angst en smart!
Nu zweer ik dat ons niets meer scheiden. Maar dit het reisplan wezen zal:
kegendag.
Eén doel, één toil, één weg voor beiden: Een zelfde berg, een zelfde dal!
De lezer echter leer mistrouwen
Den kastelein van Grmdelwoua, Die paarden toezegt aan mevrouwen, Maar die zijn woord niet altijd houdt.
REGENDAG.
(Interlaken. Bern-Oberland.)
Regen, regen, regen,
Regen, anders niet! Overstroomde wegen.
Waar men staat of ziet. Aan de lucht ontdek je,
Noord, Zuid, Oost oi West, Nergens een blauw plekje Voor een broek en vest Waar zijn thans uw toppen.
Bergen in \'t verschiet?
Regen, regendroppen.
Regen, anders niet!
Op de luie-stoelen
Hangt het reizend heir;
Elk is van gevoelen: ^
„\'t Is van daag slecht weer. Brit en Nederlander,
Pranschman, Duitscher, Deen, Stemmen met elkander
Lieflijk overeen.
Regen, regen, regen!
Regen, anders niet!
Niemand, die een zegen In den regen ziet.
Gids en voerman turen Op de donkre lucht;
Dat het lang zal duren
Wordt door elk geducht. Duidt hun niet ten kwade
\'t Morrend onverstand! \'t Regent enkel schade
Voor hun grage hand.
Regen, regen, regen!
liegen, anders niet!
228
1IET Oil AX JEF EEST.
Ovei-plaste wegen
Waar men gaat of ziet!
Maar c\'e paarden juichen
In den vollen stal;
Zweep en zadeltuigen
Rusten overal;
En ten minste heden
Kan zich \'t rauwe vleesch Der gedrukte leden
Vleien: .Ik genees!quot; Regen, regen, regen.
Wat men hoort of ziet: Onbegaanbre wegen
Zijn zoo kwaad nog niet!
En een arme stakker, Die met tranen zag Hoe zijn huislijke akker Droogde met den dag. Valt aanbiddend neder, Geeft den hemel lof. Die de veldvrucht weder
Opricht uit het stof. „Regen, regen, regen!quot;
Bad hij dag en nacht — En de Bron van zegen Heeft aan hem gedacht.
HET ORANJEFEEST
TE UTRECHT GEVIERD.
28 November 1863,
„Hoo waait de vlag zoo vroolijk uit „Van ïfeerlands hoogsten toren?
a\'t Geschut barst los, de feestklok luidt, „De juichtoon laat zich hooren.
\'k Zie groen en dundoek door elkaar „De volle straten sieren ..
Het is dewijl wij \'t jubeljaar Van Neerlands vrijheid vieren:
Van vrijheid, na den bangsten druk. Die ooit een volk deed klagen,
Van vrijheid van \'t uitheemscho juk, Zoo lang met smart gedragen.
230 het oranjefeest.
„Wie bracht u in dat groot verdriet?
„Wat voerde u naar die keten?quot;
Och, doe ons zulke vragen niet!
Wij zouden \'t graag vergeten,
„Vergat gij uioogliik de oude leer:
„Alleen door eendracht machtig?\'quot;
Helaas, nog eenmaal! Des te meer Zij haar ons kroost indachtig!
„Verloste u eindlijk speer en zwaard?quot;
Neen! Moed van heldenzielen.
De Hemel heeft ons bloed gespaard; Hii sprak; de banden vielen.
„In Utrecht?quot;.,. Werd het ergst verwacht.
Maar God beschaamde ons zorgen,
Nooit volgde er op een banger nacht Een onvergeetbrer morgen.
„En welk een dag?quot; Zoo schoon als \'t kon
Een dag van vijftig jaren.
Daar schoof geen wolkje voor de zon,
Dan om weer op te klaren.
„Wat spelt de toekomst? Goed? Of kwaad?quot;
Een weet het; HIJ regeere!
Wij maken op zijn bijstand staat,
Verkeere wat verkeere!
„Beschikt gij over hooger hulp?
„Verbindt gij d\'Üngezienen?quot;
Wij willen, in paleis en stulp,
Hem eeren, danken, dienen.
„Wat leuze smelt nu stand in stand,
„En prijkt op aller borsten?quot; Het vrijheids-teeken voor dit land,
De kleur van onze vorsten.
„Wat dankt gij aan dat vorstlijk bloed
„In oude en nieuwe tijden?quot;
Bescherming, welvaart, orde, moed En hoop en troost in lijden.
„Wie mag Oranjes beste vrind,
„En zijner waardig heeten?quot;_
Die, daar hij \'t vaderland bemint,
Zichzelven kan vergeten.
„Wie mint zijn land?quot; Hij die \'t betoont, Met woorden en met werken,
JAN LOGICA. — JAN KLANK. — MOZES OP UEN NUL. li.
Zijn eer door geen moedlooslieid hoont,
Zijn moed door hoop wil sterken.
„Wie is geen vriend zijns volks in schijn,
„Maar waar, en hoog te schatten?quot;
Die \'t oude twistvuur uit laat zijn.
En \'t nieuwe niet laat vatten.
„Wie twijfelt aan de toekomst niet?
„Wie ziet niet laag op \'t heden?quot;
Die liefderijk rondom zich ziet,
En opziet met gebeden.
„Wie vieren \'t quot;best dit jubelfeest,
„En met de reinste klanken?quot;
Zij die, met ootmoed in den geest.
Den hemel hartlijkst danken. 1863. _
JAN LOGICA.
Jan lag te slapen in zijn wagen. Schelmen komen En spannen Blesjen uit, en tijgen op den rit.
Ten laatste, Jan ontwaakt. „Hoe?quot; roept hij uit: Wat\'s dit „Van tweeën een: men heeft mijn paard mij afgenomen, „Of ik nam, in mijn slaap, een wagen in bezit.quot;
Uit het Engelsch.
JAiSF KLANK.
\'t Is solflëeren wat gij doet; geen spreken;
Want dat ge iets zegt, is mij nog nooit gebleken.
MOZES OP DEN NUL.
Draag, groote Nijl, wien nimmer sterflijke oogen Aanschouwden waar gij klein zijt en gering! \')
Draag op uw schoot dees kleinen zuigeling.
En spaar hem, met zijn Moeders leed bewogen.
Wieg, schommel hem voorzichtig op uw baren En drijf hem zacht naar \'t veilig hoekje voort.
Waar vorstlijk oor „het jongsken weenenquot; hoort. Van tusschen riet en groene lotus blaren.
En als hierna dit „knechtken der Hebreeuwenquot; Uw godlijk nat in drabbig bloed verkeert.
Den zegen van uw welige oevers weert.
En mensch en dier zijn noodkreet uit doet schreeuwen;
l) Non licuit populis parvum te, Nile, videre. lucanüs.
quot;232 AAN EEN ,OPENnR.quot;-SCIIR. • VIJPENTWINTIGE. BURGEMEESTERS.
Wijt dan dit leed het Kind niet, dat gij spaarde, lin veiliger gesmoord had in uw vloed,
Maar \'t Monster, door uw vruchtbaar slib gevoed, Der Dwinglandij, uw vloek, den vloek der aarde, Die overal liet water maakt tot bloed.
AAN EEN „OPENBRIEF\'-SCHRIJVER.
Telum imbellum sine ictu.
Uw wenkbrauw daalt, uw oog schiet stralen;
De booze lip krult vreeslijk op;
Het kort en snuivend ademhalen
Meldt een versnelden harteklop.
Krampachtig klemmen zich uw vingeren Te zamen om een scherpe speer;
Gij gaat dit „vaak beproefdquot; geweer Moorddadig op uw vijand slingeren.
En dooddoen zal het als weleer!
Dees echter, \'t oude wapen ziende,
Vreest of ontzet zich niet met al;
Dit „vaak beproefdequot; is \'t „uitgediende,quot;
Dat in uw handen breken zal.
Zoo was \'t. Geen hartaar word doorstoken;
Geen roode bloedstroom werd aanschouwd; De dufheid van \'t vermolmde hout.
Was al wat — onze neuzen roken.
VIJFENTWINTIGJARIG BURGEMEESTERSCHAP, van den Heer Mr. N. P. J. Kien te Utrecht.
VOOR DE BRANDWEER,
De Brandweer, tuk op de eer noodlottig vuur te blusschen, Blaakt zelv\' van eedlen gloed.
Nu zij den Burgervader groet,
Die vijfentwintig jaar gewaakt heeft op \'t Stads-kussen.
Haar wensch is vurig dat do fakkel van zijn leven Voortbrande stil en klaar.
Om onze stad nog menig jaar Het voorrecht van haar licht en warmen gloed te geven.
JUBELFEEST VAN DEN SLAG VAN WATERLOO. 233
Moog steeds de Burgerij hem eer en dank bewijzen,
Getrouw en onverdeeld!
En waar men ooit met twistvuur speelt,
Daar sta de Brandweer klaar, eer vonk en vlammen riizen. 1864.
JUBELFEEST VAN DEN SLAG VAN WATERLOO.
18 Juni 1865.
Hef, Hollandsch Volk, het feestlied aan p
De dag is weergekomen.
Die by de Nederlandsche vaan
Het vruchtbaarst bloed zag stroomen; De dag-, de dag, de groote dag,
Wiens ochtend droef en somber zag.
Wiens avondzon, bij \'t dalen,
Blonk van de schoonste stralen.
Steek vlaggen uit van top en trans. Om \'t heuglijk feest te melden !
Versier ze met een blijden krans
Van bloemen onzer velden! De oranjestrik steke af op \'t groen En vorme een vaderlandsoh festoen.
Waar vijftigjarige eiken Hun deugdzaam loof toe reiken!
Eén juichtoon klink van noord tot zuid.
Van oost- tot westerstranden,
En lokke een blijden weergalm uit
Bij de omgelegen landen;
Neen! meng zich in \'t eenparig lied. Dat Belg en Brit en Muscoviet En alle Duitsclie volken Doen rijzen tot de wolken!
Eén danktoon stijg tot God omhoog
En prijs den Heer der Heeren,
Bij welk altaar men knielen moog.
Of op wat wijs hem eeren;
Een toon, waarin wat anders scheidt Zich oplost in de eenstemmigheid Van die met ziel en zinnen God en de Vrijheid minnen!
Een danktoon uit paleis en stulp
Die uitroept allerwege:
„Van u, o God! kwam ons de hulp, ,Van u-alleen de zege.
234 JUBELFEEST VAN DEN SLAG VAX WATERLOO.
„Van u de moed, van u de kracht,
„Die \'t bloedig oorlogswerk volbracht; .En, na de krijgsgeruchten,
„De vrede met zijn vruchten!quot;
Wat breede schaar, wat achtbre stoet.
Met zilverwitte lokken.
Komt, fier van blik, schoon stram van voet,
Naar Leidens vest getrokken?
Ontbloot den schedel, jong geslacht!
\'t Is de eer van Neerlands legermacht, Het overschot der helden Der Waterloosche velden.
Daar gaan zij, vaderlandsche jeugd!
Die Hollands tuin verweerden. De vrijheid redd\'en door hun deugd,
De dwinglandij verneerden. Uw eerbetooning doet hun goed,
Daar zij in hen \'t vertrouwen voedt, Dat. keerden de oude dagen.
Gij \'t jonge bloed zoudt wagen.
Een traan rolt langs hun knevelbaard,
Een hulde aan die ontbreken, Die, sluimrende in den schoot der aard,
Ook door hun afzijn spreken!
Gij meest, wien \'t Delftsche graf besluit, Wiens naam blijft klinken verre en luid. En in het hart zal leven Van onze jongste neven!
Zoon van dien Dappren! Vorst van t land,
In deze vrede-tijden!
Stelde u cle nood het zwaard ter hand,
Om voor ons erf te strijden:
Wij weten \'t. Koning! door wat moed. Ook gij \'t onschatbaar heldenbloed Van Nassaus eêlste zonen U waardig zoudt betoonen.
Maar God geeft vrede. O Moog zijn hand
Ons lang die weldaad kweeken.
En een eendrachtig Vaderland
Geen dankbaarheid ontbreken! De Vrede, nooit te duur gekocht Voor \'t kostlijkst bloed, dat hem bevocht, Is nooit te hoog te schatten Door die zijn heil bevatten.
aan den hoogleekaar o. j. mulder. —
kladterl. 235
verborgen. —
AAN DEN HOOGLEERAAR G. J. MULDER.
In dank voor de vriendelijke toezending van zijn „Studium Generale.quot;
Est — commune vinculum.
Den man, wiens wetenschap niet lig-t in \'t stof begraven, Maar die haar rijp en rijk, en rein van haatlijk rag, Het leven in doet treên om, op den klaren dag, Met zegenende hand haar godlijk\' aard te staven;
Den man, die \'t gouden snoer, dat kennissen en kunst Vereenigt, kent en eert, wat woestaardij \'t verhaven\'. En, tegen \'t drilwerk, pleit voor \'t echte geestbeschaven, Bied ik mijn warmen dank, hoovaardig op zijn gunst.
10 Oct. 1865.
VERBORGEN.
De deugd is een gewas, dat niemand kweekt. Ten zij de wortel zich in de aard versteekt.
KLAUTERLESSEN.
(Naar Rückert.)
Dat gij klautert, jonge borsten!
Is naar mijn verlangen;
\'k Haat ze, die hun tijd vermorsten
Met in huis te hangen.
Om een nestjen uit te halen Staan er veel klimvaardig: Uitgeblazen eierschalen Zijn ook zeker aardig.
Is \'t om de appels of de peren.
Dat gij wenscht te stijgen? \'t Zelfde is van volwassen heeren
Ook te zien te krijgen.
\'k Wil de pret u niet benijden;
\'k Gun haar u volkomen;
Slechts om rampen te vermijden.
Zij mijn raad vernomen. Let steeds hierop, dat gij geenen
Loslaat van de takken.
Eer gij tijd hadt weder eenen
Anderen te pakken.
Op een dorren tak valt nimmer.
Nimmer te vertrouwen;
Zelfs niet altijd kan een klimmer Op de groene bouwen.
KIXDER-CtODSUIENSTOEFEXING.
En ver boven alle twijgen Blijft de stam te kiezen;
Wil dit nooit, bij \'t hoogste stijgen,
Uit het oog verliezen;
Want de takken zei ven moeten
Aan den stam zich schoren, Die alleen op eigen voeten.
Staat gelijk een toren.
Wijsheid heeft de beste kansen!
Waar uw voet zich wage,
Zorg dat nooit één tak den ganschen
Last des licha.ams drage!
Steun en tegensteun, mijn vrinden!
Moet er altijd wezen;
Mocht gij genen trouwloos vinden,
Gij vindt troost bij dezen.
Altijd moeten wel de sterken Uw voornaamste stut zijn.
Maar de zwakken, zult gij merken,
Kunnen ook van nut zijn;
Menig twijgje aan groote boomen
Dat niet veel beteekent.
Maar, met andre saamgenomen,
Duchtig mederekent.
Klimt ernsthaffcig (grappen maken.
Kunsten doen berouwt u);
Zoo zult ge in den top geraken.
En het dunste houdt u.
Maar terwijl gij u op \'t moedigst
Opwerkt met de handen,
Denkt eens hoe gij weer voorspoedigst Zult omlaag belanden.
(Naar Gerok.
Uit den mond der jonge kinderen en der zogelingen hebt gij u lof toebereid.
Het plechtige luiden der klokken
Riep de ouders bijtijds naar Gods huis; Hun kindren, met goudblonde lokken.
Zij blijven nog allemaal thuis.
236
HINDEK-GODSDIENSTOEFENINÜ.
Die gastjes, zoo vroolijk en woelig.
Zijn nog vrij wat te klein voor de kerk :
Maar toch, voor den zondag gevoelig.
Gaan ook zij, op hun wijze, te werk.
Elk van hen heeft een psalmboek genomen En houdt het verkeerd voor zich heen;
Nu juichen mijn jeugdige vromen Op het luidst en verhevenst dooreen.
Wat hij zingt, weet niet een van het troepj Elk heft aan uit een anderen toon —
Om het even! uw galmen, lief groepje! Keiken ook tot den hemelschen troon.
Staan daar niet uw englen om henen, En zingen hun lied voor een Heer,
Die zoo gaarn van de lippen der kleenen Zijn lof hoort vermeld en zijn eer?
Zingt dan voort! In den tuin, in de boschje Doet, als gij, elk met zingen zijn best;
De sijsjes, de meesjes, de moschjes,
•Tong en kleen, op den rand van het nest.
Zingt maar toe, in uw blinde vertrouwen! Het is dit, wat uw\' Heiland voldoet;
O, een hart gansch oprecht, zonder vouwen, Is veel dichter bij God dan \'t vermoedt.
Zingt op maar! Wij zingen, wij ouden. En lezen de Schrift, met verstand!
En toch — ach! hoe menigmaal houden Wij het boek nog verkeerd in de hand!
Zingt op maar\' Wij zingen en spelen De liedren naar noten, als \'t hoort!
Maar ach! door der broedren krakeelen, Hoe vaak wordt onze eenheid verstoord!
Zingt ook gij! — Uit de statigste bogen. Het plechtigste, krachtigste koor,
Wat is het\'?.. . Een kinderlijk pogen; Een gegons in des Eeuwigen oor!
AAN J. J. VAN OOSTERZEE. — ZIJ ZEÖÖEN.
AAN J. J. VAN OOSTERZEE. Na vijfentwintig jaren Evangeliedienst.
Ga voort, en stort uw besten balsem
Aan Jezus voet;
Vertroost zijn ziele van den alsem,
Dien \'t ongeloof hem smaken doet.
Vervul zijn huis met de eelste geuren.
En schraag het dak;
Verblijd ze die om Sion treuren.
En steun wat moedloos is en zwak.
Die vijfentwintig jaar u sterkte,
Is nog nabi):
Wat hij door u gezegends werkte,
Bevestige en vermeerdre hij!
Hij blijve u, nog een reeks van jaren.
Voor Kerk en Land,
Voor dierbaar huis, en vrienden sparen, En overdekke u met zijn hand.
En is de groote dag gekomen,
Door Hem beloofd.
Hij zette, omringd van al zijn vromen, De schoonste kroon op \'t dankbaarst hoofd.
11 Febr. 1866.
ZIJ ZEGGEN.
Zij zeggen: „Laat uw dwaas vooroordeel varen;
„Daar is geen God, die antwoordt op gebeën; ,\'t Oud Bijgeloof had tempels en altaren:
„De Wijsheid onzer eeuw behoeft er geen.quot; De honger nijpt, de pest ontvolkt de straten,
Uw kroost ligt krank en worstelt met den dood „Verbijt uw leed! Wat zou uw bidden baten?...quot; Geloof hen niet, en klaag aan God uw ncod.
Men leerde u van een Vader, die voor allen
En alles zorgt met vaderlijke trouw; Dat, zonder Hem, geen musch op aarde vallen
En op uw hoofd geen haar vergrijzen zou. „Neen!quot; zeggen zij: „Natuurwet drijft het leven
„En brengt den dood, voor beiden even blind.. „Vergeefs uw lot in hooger hand gegeven!...\' Geloof hen niet, en blijf uw Vaders kind.
238
WraANDERMEEB.
Men predikte u een Heiland, voor uw zonden
CTestorven. en uw Redder door zijn bloed;
Uw schuldig hart heeft troost bij Hem gevonden,
Uw kranke ziel bij Hem haar kracht en moed.
Zij zeggen: „LTdle troost voor noodloos vreezen!
„De mensoh is goed, hoe dweepzucht hem verguiz\':
„Steun op u zelv\', en gij zult krachtig wezen!quot;
Geloof hen niet, en houd u aan zijn kruis.
Godsakker noemt gij \'t kerkhof; \'t daar gezaaide
Herleeft eenmaal in nieuwe heerlijkheid!
„Dwaas!quot; zeggen zij: „\'t stof, dat de wind verwaaide,
„Is nergens meer, of overal verspreid.
„\'t Herleeft? O ja! In gras en kruid en bloemen,
„En sterft op nieuw, en wisselt eeuwig af...quot;
De geestV... „Wat is die geest, waarop wij roemen? Ken denkbeeld!quot; quot;... Hoor hen niet; maar plant het kruis op \'t graf.
WINANDERMEER.
(Westmoreland. Lake-district.)
Ik had nog nooit een meer aanschouwd. Dat grootsch of schoon mocht heeten:
Daar zag u mijn verwonderd oog.
Bespannen met een regenboog, —
Ik zal het nooit vergeten.
De zomerbui was kort van duur.
En dreef voorspoedig over;
De regen, die gevallen was.
Hing als juweelen aan het gras.
En parelde van \'t loover.
\'t Was de avond van den schoonsten dag;
De stilte was volkomen;
Plechtstatig stonden van rondom De heuvlen om de waterkom,
Met goudglans op hun zoomen.
En \'s morgens droeg me een vlugge boot
Op uw zoo heldre vloeden.
Uw oevers langs, uw bochten in,
Van \'t vredig eind naar \'t drok begin.
Waar u de stroom kwam voeden.
Bekoorlijk schouwspel! Rijk genot,
In op en rond te staren!
239
UE VERMINKTEN.
Van heuveltop tot heuveltoi)
Trok wolk bij wolkje langzaam op Als wierook van de altaren.
Maar \'t zonlicht, als het hooger steeg,
Kwam meer genoegen geven,
Daar \'t hout zijn licht en bruin ontving, Het spieglend meer zijn glinstering, En alles kleur en leven.
Hier keek een landhuis uit door \'t groen,
In \'t hangen van de heuylen;
Daar nam het bonte vee zijn bad;
Ginds gleed de zeilboot over \'t nat. Met witte en bruine vleuglen.
\'k Heb schooner waatren sinds gezien.
En stout en grootsch om \'t zeerste Lac-Leman en \'t Luzerner meer, Loch-Lomond, Schotlands roem en eer Maar gij blijft altoos \'t eerste.
DE VERMINKTEN.
{Slot Werningerode.)
Zij waren beiden frisch en sterk
En in den bloei van \'t leven.
Maar onvermogend tot het werk. Weleer door hen gedreven.
Zij waren, op een oud kasteel.
Een soort van „extra booien,quot; Vertoonden \'t ons van deel tot deel. En leefden er van fooien;
Gelukkig, dat zoo groot een vorst \')
Zich hunner aan wou trekken,
En dat de penning op hun borst Hun hartzeer mocht bedekken!
De een miste een arm, en de ander had
Het lood nog in de beenen,
240
De fraaie vruchten waren dat Van d\' oorlog met de Denen.
1) De Graaf van Werniugerode-Stolberg. 1866.
ISAUMAXNS GUur.
BAUMANNS GROT.
(Rübeland. Harz.)
Had hij een lucifer gehad,
Hij was nog- wel in leven!
Nu moest hij in een donker gat Bijkans den doodsnik geven.
Dat komt van \'t zoeken naar een schat, Door hebzucht aangedreven.
Hans Baumann, brandende van lust ^ Om geld en goed te winnen.
Kroop, met een berglamp toegerust, \'t Ontdekte kliphol binnen. \')
Geen\' mensch ter wereld was \'t bewust Wat Baumann ging beginnen.
Het hol was diep; de weg was lang Door de onderaardsche krochten;
Het ging van d\' een\' in d\' andre gang, Met wendingen en bochten.
De steendrop werkte er, eeuwen lang, Aan fraaie kunstgewrochten.
\'t Was nu een hooge kerkpilaar. En dan een bundel speren;
Een kansel hier, een orgel daar, ^ Een reuzenhelm met veeren;
Een tentgordijn, een feestsamaar, Een korf met monsterperen;
Wijwaterbekken, outersteen. En doopvont, naar behooren;
Pistolen, dolken, wild dooreen Geschud, met pauk en horen;
En vrouwenboezems, hard van speen; En spitse paardenooren.
Maar dit was niet wat Baumann zocht. Waar op zijn oog kwam azen;
Slechts dat hij goud-erts vinden mocht, Dat voedsel voor de dwazen!...
En eensklaps heeft een felle tocht De berglamp uitgeblazen.
Da-ar stond hij in \'t stikdonker vak En gilde \'t uit. Geen wonder!
Geen vuurslag had hij in den zak,
Geen lichtontvlambaar tonder;
242 WATERVAL IN SAKSISCH ZWITSERLAND.
Geen lucifer, dat groot gemak,
Geen lucifer bestond er.
De weergalm kaatst zijn gil weerom,
Zijn angst en jammerkreten;
Zij galmen voort van dom tot dom.
Door diepten, ongemeten;
En sterven, met een dof gebrom, In ongepeilde spleten.
Geen licht; geen kennis; troost noch raad Geen spijze; korst noch kruimpje!
Geen Ariadne\'s zijden draad;
Geen vinding van Klein Duimpje!
Die hier den moed niet zinken laat, Voorwaar! verdient een pluimpje.
Drie dagen werden doorgebracht Met tasten, stromplen, zwerven,
Drie dagen? Neen! Eén lange nacht. Die alle hoop deed derven.
Begraven was hij, als hij dacht, \'t Mankeerde maar aan \'t sterven.
Nog sleept zich de arme stervling voort En blijft een weinig hopen.
En zie! Een flauwe scheemring gloort! Een lichtstraal komt geslopen
Door de eigen enge en lage poort.
Waar Hans is in-gekropen!
Hij kruipt weer uit; hij ziet het kroost Van Adam nog eens even;
Doet zijn verhaal; maar stottert, loost Een zucht, en laat het leven.
Alleenlijk heeft hij dezen troost.
Aan \'t hol zijn naam te geven.
WATERVAL IN SAKSISCH ZWITSERLAND.
(Lichtenhainer en andere.)
Vijf (jroschen. Heeren, geeft wel acht
Zoo gij een oogenblikje wacht,
Zult gij een waterval zien stroomen. _
Daar komt — daar is hij. Een, twee, drie..
Claxidite vivos, pueri!
Ik zie een nieuw gezelschap komen.
Vijf f/roschen t Hebt gij \'t niet gezien;
Het kan onmiddlijk weer geschiên.
blijf één. — groote ontdekking.
BLIJF ÉÉN.
Blijf een, blijf ée\'n, mijn Vaderland!
Blijf ée\'n en ongeschonden.
Geen staatspartij, geen godsdiensttwist versclieure, door geweld of list,
Wat God heeft saam verbonden.
Blijf e\'én, blijf e\'e\'n, mijn Vaderland!
Laat niets die kracht u rooven. Schraag, als een eenig man, den troon. En meng geen wanklank in den toon Van \'t oud „Oranje-Boven!quot;
Blijf e\'én, blijf e\'én, mijn Vaderland!
Laat niets die vreugd verbitteren.
Blijf kleinst, maar roemrijkst volk op aard Door orde en rust de vrijheid waard, Die uw gelaat doet schitteren.
Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!
Laat niets die deugd verflauwen.
Wroet in geen eigen ingewand!
Ln, Leeuw van Neerland! toon geen tand Dan tegen vreemde klauwen.:
October 1866.
(In dagen van Kamer-Ontbinding.)
GROOTE ONTDEKKING.
Felix qui potiiit renim. cognoscere causas
Eurèkamen, Eurèkamen! wij hebben het gevonden! De gang der wereld is aan oorzaken gebonden.
Alles wordt door oorzaak en gevolg geregeerd;
Daarom gaat alles perfect en rolt als gesmeerd. Oorzaken en gevolgen houden alles in orden;
Gevolgen, die weder oorzaken worden;
Oorzaken, die weer gevolgen genereeren:
Gevolgen, die weer tot oorzaken promoveeren; Tot oorzaken, in gevolgen weder schatrijk, Pulu-lu-lu-leerende onophoudelijk.
Het is een systema van schakels en lussen En haken en oogen; geen speld kan er tusschen; In t stoflijk, in \'t zeedlijk, in hemel en aard — En daarmee zijn alle problemen verklaard!
Onze ouden hebben voor menig probleemple gezeten; Maar ze hebben ook van geen oorzaken geweten; Ze hebben om geen gevolgen gedacht.
244 aan eene erfdochter.
Wü zelv\' zijn maar pas op dat denkbeeld gebracht.
\'t Was ook niemand te vergen op die hoogte te komen, Eer hij, bij gaslicht, door tunnels mocht stoomen, D\' afstand „vernietigdequot; per telegraaf.
En „heer van de stofquot; werd, m plaats van haar slaat. Het was, wel beschouwd, een veygeefltjke zotheid „ Der vroegre geslachten, die droom van een „godheid. Een „hoogere zorg,quot; een „voorzienig bestuur, ^ Een koning der wereldquot; een „heer der natuur. Een quot;geest,quot; een „verstand,quot; dat formeerde en regeerde, Een „zeedlijken wilquot; die de stof reguleerde: -Zii konden niet anders, zij wisten geen raad.
Zii zagen het niet, dat de plant uit het zaad.
Van de plant weer het zaad komt, en zoo m t onendige, Daarom was hun wijsbegeerte ook „eene ellendige.
Nu is dit wel laat, maar nog tijdig ontdekt.
En geeft ons een inzicht, dat niylenver strekt.
\'t Is het „ei van Columbus;quot; een kind kan_ t begrijpen: Aile gevolgen dansen naar der oorzaken pijpen;
En, zoo lang maar conform dat principe geschiedt,
Is het leven — een dansjen, en meer ook niet.
AAN EENE ERFDOCHTER.
Wie zal u drukken aan zijn hart,
U dragen door dit leven\'?
Wie, in des levens zorg en smart.
Steun en vertroosting geven?
Wie, altoos met dezelfde trouw Voor de eene en uitverkoren vrouw.
Wier min zijn ziel verblijdde.
Zich stellen aan uw zijde?
De man, die daar een hart toe heeft.
Dien zal mijn hart beminnen.
Hij zoekt wat G-od in \'t echtheil geeft.
En geen genot der zinnen.
Maar \'t oog, dat op uw schoon slechts vlamt, Op \'t edel huis, waaruit gij stamt.
Uw rijkdom is geslagen, —
Dat kan ik niet verdragen.
Hoe teerder \'t u zal gadeslaan,
Hoe vuriger belezen,
Hoe meer de hoon, n aangedaan
Me een ergernis zal wezen:
Miskenning van uw schoonste schoon.
Uw besten schat, uw hoogste kroon;
Miskenning van den zegen,
In uw bezit gelegen.
1866.
GRATIOSA. — IEMAND AAN EENE.
GRATIOSA.
Ja enkel poëzij zijt gij,
Ja enkel schoonheid, leven, jeugd; Ue liefde klapwiekt u op zij.
En aan uw voetspoor kleeft de vreugd; Elk der Bevalligheden Komt met u opgetreden!
Daar schittert in uw oog een vonk, En op uw voorhoofd glanst een gloor, Als in de onsterflijke oogen blonk Der maagden van het hemelsch koor, Die in de zangen leven.
Op Chios aangeheven.
Maar \'t lachje, dat de rust verkondt. Den vrede van een rein gemoed.
Zweeft om uw rozerooden mond... Ontsluit hem! Laat uit d\' overvloed Van \'t hart die lippen spreken.
Haar taal als honig leken!
IEMAND AAN EENE.
Mijn lieve beste,
Zij zeggen dat gij gansch voor mij geknipt zijt; k Zie \'t zelf, zoo vaak ik de oogen op u veste.
Cti.i hebt twee oogen,
Die altijd vroolijk zien en vol gevoel zijn; Die hebben op mijn hart een groot vennogen.
En tusschen dezen Een neusje, nooit voor iemand opgetrokken.
Maar dat zijn volkje wel weet uit te lezen.
Oij hebt twee ooren,
Steeds opener voor \'t goede dan voor \'t kwade, En met een zwak om mijn geluid te hooren.
Grij hebt twee lippen.
Die \'k overgaarne kus, en langs wier boorden Ik nimmer iets wanluidends hoorde glippen.
Gij hebt twee handen.
Die allerhandigst zijn en nimmer ledig.
Steeds vaster strenglen zij de liefdebanden.
Gij hebt een boezem,
Die^ lieve kindren voedt en sust en koestert, En wangen geeft als frissche rozen-bloesem.
24.5
dorothea serena. — aan de mogendheden.
Daarbij een harte,
Zoo trouw, zoo goed voor mij in al zijn slagen. Dat ik (des noods!) den haat der wereld tarte.
DOROTHEA SERENA.
Heeft Dora nooit nog iets gehad.
De kleine lieve Dora?
Had ik geen hart er voor, of had
De moeder er geen oor na?
Dacht ik misschien: „Ik spaar mijn lied; De kindren luistren zeker niet.
Zing ik den lof van Dora?quot;
Kom, dat ik haar in stilte hier
Nu eens een toontje wijde,
Een toontje van dezelfde lier.
Die eens haar moei verblijdde; \')
Haar petemoei.... De lieve meid Streeft, dunkt mij, door haar vrooliikheid En geest haar reeds op zijde.
Bloei, aardig kindje! leef en bloei,
Blijf ons geluk verhoogen!
Lijk naar uw lieve petemoei,
Voer ons haar beeld voor oogen!
Wees: „Dorotheë,quot; een gaaf van God, En toon, verduistert zich uw lot,
„Serena,quot; uw vermogen!
\') Zie I, 188 en volgg. en elders.
24 Febr. 1867.
AAN DE MOGENDHEDEN.
na het vuedebeslcit te londen, voorjaar 1837.
Nu doet gij wijs, dat gij den vrede wilt.
Geen kostbaar bloed uit ziedende eerzucht spilt, Het zwaard ter scheê doet keeren, en uw schild
Van smet gaat zuiveren.
Nu eert ge u zeiven best, daar gij gehengt Dat zich de olijf in uw laurieren mengt En volk bij volk u zulk een hulde brengt Als niet doet huiveren.
Nu zegent u de moeder en de bruid;
De vreugd herleeft; de zangsnaar geeft geluid;
246
vondel. 247
\'t Geschokt vertrouwen strekt de hand weer uit; —
Met hoop van maaien,
Strooit weer de zaaier \'t zaad in de open voor;
Haast wordt het groen op zijn gezegend spoor,
En alle lieve bloemen breken door,
Die d\' oogst verfraaien.
Aldus wordt Duitsehland ée\'n en eensgezind,
En Frankrijk niet gevreesd meer, maar bemind;
Dit zet de tronen vast, dit lokt, dit wint
Het hart der volken.
Hier ziet God zelf in gunst op neder.... Och,
Verlengt ons dezen schoonen vrede toch!
Brengt over onzen blauwen hemel nog In lang geen wolken.
VONDEL.
Waar zijn de liedren, waar de tonen.
Den grooten Vondel waard? De lauwren, om een hoofd te kronen.
Waar eeuw bh\' eeuw op staart.
Met d\' eerbied, die aan de echte zonen Van \'t godlijk lied weervaart?
Laat de Amstel van zijn lof weergalmen. En gij, zijn „blonde Rijn,
Beplant met rijnschen wijn!quot;
Laat met uw ruischende oeverhalmen
Zijn naam verzelvigd zijn.
Bevlecht zijn schedel, Oosterpalmen! En gij, Germaansche Pijn!quot;
Wat snaar heeft hij niet aangeslagen?
Wat toon haar niet ontrukt? Wat anderen vermetel wagen.
Aan Vondel is \'t gelukt. De Davidsharp heeft hij gedragen. De Grieksche luit gedrukt.
Hij is ten hemel opgestegen.
Ten afgrond neergedaald,
Hij heeft, op on-bezochte wegen.
Steeds nieuwen roem behaald;
Nooit is hij machtloos neergezegen;
Nooit heeft zijn greep gefaald.
Hij heeft ons \'t lied der englenreien.
Der duivlen oproerklank Doen hooren; tortelduif! uw schreien.
DIT SHAKSPERE.
Op een „verdorde rank;quot;
De herderlijke veldschalmeien,
En krijg- en oft\'erzang.
.0 Kerstnacht, schooner dan de dagen!quot; O Kankerige tak,
Van vorstelijken boom geslagen,
„Met zoo geducht een „krakquot;!
„O Pluim,quot; die Ruben rouw deed dragen, „Waarin het duif ken stak!quot; \')
Hoe menig oor wist gij te boeien.
Daar \'t godentonen ving;
Hoe menig traan hebt gü doen vloeien. Die als een parel hing;
Hoe menig edel hart doen gloeien Van verontwaardiging!
Waar zijt gij, Helden, Vorsten, Wijzen, Van Hollands schoonsten tijd,
Wie Vondels hart geen lied deed rijzen, Aan uwen lof gewijd?
Onsterflijke gezangen prijzen U, die onsterflijk zijt.
Maar wie heeft liedren, wie heeft tonen, Den groeten Vondel waard?
Wie lauwren om hem \'t hoofd te kronen, Waar eeuw bij eeuw op staart,
Hem, wien van duizend muzenzonen Geen enkele evenaart?
Prijk op uw voetstuk, eenig zanger! Vertoon uw aangezicht!
üw vaderland verzaakt niet langer Zijn uitgestelden plicht.
Herinn\'ring van uw lied vervange er Ons later kreupeldicht.
1867.
14 De schoone reien uit: Gysbrecht van Amstel en David in Ballingschap en de klacht van Ruben in Joseph in Dothan, waarop hier bedoeld wordt, behoeven wel geen opzettelijke aanwijzing.
UIT SHAKSPERE.
{As you Wee it.)
De wereld is niet dan een groot tooneel;
Acteurs zijn alle mannen, alle vrouwen;
Zij hebben hun afwisslende „op\'squot; en ,of\'squot;\\
248
O MI1II PRAETERITOS !
En beurtlings speelt een zelfde vele rollen.
Bedrijven zijn er_ zeven. Eerst een wicht,
Schreiend en spijend in malmoertjes armen.
Daarna een frissche schoolknaap inet een lang
Gezicht en riem vol boeken, als een slak
Ter dagschool kruipend. Dan mijnheer de minnaar.
Die als een ketel stoomt, en voor zijn liefste
Een lied vol jammer zingt. Straks, een soldaat
Vol barsche vloeken: als een beer zoo ruig;
Heel fel op de eer; opvliegend: rasch tot twist;
De waterbel van roem en grootheid zoekend
Tot in den mond van \'t grof geschut. Nu volgt
Een raadsheer, dik van buik en onderkin;
Het oog gestreng; \'t snit van den baard formeel;
Vol wijze spreuken, voorbeelden, citaten.
Aldus speelt dees zijn rol. De zesde leeftijd
Komt als een maagre Pantalon, op muilen,
Een knijpbril op den neus, te voorschijn, \'t Vroege pak
Werd wel een huis te wijd voor den scharminkel.
De volle borst-stem, eens zoo manlijk zwaar.
Kreeg nogmaals \'t hooge van een kinderkeel.
En schiet al piepende over. \'t Laatst tooneel,
\'t Besluit van \'t drukke en voorvalrijke stuk,
Is tweede kindsheid; geen geheugen meer!
Tand-, oog-loos, oor-loos, smaakloos, alles-loos.
O MIHI PRAETERITOS!
„Mocht ik nog eens mijn leven over-leven,
Hoe anders ware in alles mijn gedrag!
Ik zou mijn hart niet weer aan dwaasheên geven. Waarvan ik, veel te Iaat, de dwaasheid zag.
„\'k Zou kinderlijk mijn kindertijd genieten.
Geen andren wensch in \'t kinderlijke hart;
Verzekerd dat zijn grievendste verdrieten Slechts weelden zijn bij later levenssmart.
„Mijn jonglingstijd zou \'k niet daar heen doen snellen In velerlei gebeuzel en gedroom;
Mijn rijkdom in geen luchtkasteelen stellen.
Noch rekenen op Jona\'s wonderboom.
„Ik zou geen roem, geen ijdlen lof begeeren,
Door valschen smaak aan valsch gevoel verkwist;
Noch leeren \'t laatst wat ik het eerst moest leeren: Eenvoudigheid, en waarheid onvernist.
OOTMOED. — DRIE STEMMEN.
,\'k Zou niet zoo veel verwachten van de boeken, Niet zoo veel zien door andrer oogen; neen!
Ter rechter plaats terstond een wijsheid zoeken, Die nu, na lang een omweg, mij verscheen.
„De menschen — \'k zou van hen geen vonnis vellen. Naar d\' indruk, naar de ervaring van een dag;
Met ingebeelde smart mijn ziel niet kwellen,
Noch iemands oor met noodeloos beklag.
.Ik zouquot;. — Wat zoudt gij, oude dwaas! bedrogen Door d\' eigen waan van wijsheid, vroeg en laat?
Gij zoudt veel wijzer zijn in eigen oogen, En mooglijk heel wat dwazer metterdaad.
OOTMOED,
(Naar Bunyan,)
Die laag bij de aard is, ducht geen val. Geen strik van hoovaardij;
Die stil en needrig aantreedt, zal God hebben aan zijn zij.
Ik ben tevreden met mijn deel,
\'t Moog wel of kwalijk^gaan;
Tevredenheid, des vraag ik veel.
Want zulken neemt God aan.
Zoo ik den weg ten hemel ga.
Strekt me overvloed tot last;
Hier weinig, en \'t geluk hierna.
Ziedaar hetgeen mij past.
DRIE STEMMEN.
Sound, sound the clarior., fill tlie fife!
To all the sensual world proclaim — One crowded hour of glorious life Is worth an age without a name.
Walter Scott.
eerste stem.
Klinkt op, trompetten! Roffel, trom!
Verkondigt aan een zinlijke aarde:
Geen leeftijd, gaat hij roemloos om,
Heeft bij een uur van glorie waarde.
250
BEMOEDIGING.
TWEEDE STEM,
Een uur, geliefde! aan uwe zij,
Daar \'k in uw liemelsoh oog mag turen. Gaat als een oogenblik voorbij.
En moest, dit wensclite ik, eeuwig duren.
DEBDE STEM,
Een oogenblik met u, o Heer!
Dat uw gemeenschap geeft te smaken, „Ee\'n uur is in uw Huis mij meer „Dan duizend, daar ik u ontbeer;quot; G-ij kunt alleen gelukkig maken;
Gij zijt mijn kracht, mijn lust, miju eer!
EERSTE STEM.
\'t Is schoon, voor \'t Vaderland ts sneven —
DEEDE STEM,
Verzekerd van zijn eeuwig lot!
TWEEDE STEM,
\'t Is zoet, voor die men mint te leven —
DEBDE STEM.
Waar men te zamen leeft voor God.
1867.
BEMOEDIGING.
Dat elk, die liefheeft en gelooft.
Voorts zonder zorge zij!
De Heer, zijn Heiland is nabij,
Gods zegen op zijn hoofd;
Hij grijpt zijn hand, hij steunt zijn voet, — Schep moed, bedrukte ziel! schep moed!
Dat niemand iets voor God verzwijg,
Of zich zijn nooden schaam;
Maar bede en zucht naar boven stijg,
In \'s Heilands dierbren naam.
De Vader in den hemel hoort.
Gij kent zijn trouw, en hebt zijn woord.
* Zie Filipp. IV: 5-7.
1867.
251
I1EDE. — GEEN PARTIJ-MAN.
BEDE.
Daal in de harten, Geest des Heeren,
En vorm ons naar des Heilands beeld Hem na te volgen is hem eeren,
Hem minnen, doen wat hij beveelt. Doordring, beziel ons, vuur ons aan,
Opdat wij naar volmaaktheid staan!
Laat ons niet weiflen of vertragen.
Niet omzien naar wat achterligt;
Maar naar die blinkende eerkroon jagen.
Waar Jezus zelf ons oog op richt.
Beziel, doordring ons, maak ons sterk; Dit Ee\'ne zij ons aller werk!
* Zie Filipp. III: 12, 13. 14.
1867.
GEEN PARTIJMAN.
Partijman wezen, wil ik niet,
\'k Wil aan geheel mijn volk behooren, Mijn ernstig woord, mijn vroolijk lied.
Moet zijn voor aller hart en ooren. Partijman wezen wil ik niet.
Zij hebben dikwijls mij verzocht;
Vooruitgeschoven met een buiging. Zij hadden gaarne mij gekocht
Voor flikkerij en eerbetuiging;
Maar hebben \'t nooit zoo ver gebrocht.
Zij zeggen, dat zij \'t zelv\' niet zijn
En voor geen schatten wezen willen; Maar leugens haat ik, grof en fijn,
En zie niet wat ze er van verschillen: Liefst mijd ik \'t wezen en don schijn.
Zij hebben \'t somtijds mij gemaakt.
Ondanks mijn dapperst tegenstreven. Mijn wagen aan hun trein gehaakt.
Ook mijn naam in hun vaan geschreven. Maar weinig vruchts daarvan gesmaakt.
Want spoedig kwam ik met protest. En zal er altijd weer mee komen. Partijzucht haat ik als de pest;
Zij fopt de wijzen, doekt de vromen. En haalt den duivel in op \'t lest.
wat wil men toch. — gesprek tussches ijrie. — de hijbel. 253
WAT WIL MEN TOCH?
O Fortunati nimUim sua si bona norint.
Wat wil men tocli in Nederland?
Het zwaard bleef in de scheede;
De welvaart deelt, naar eiken kant,
Haar gaven rijklijk mede, —
De tong is vrij, \'t geweten vrij.
De vrije pers dient u en mij.
Bij orde, rust, en vrede.
Wat wil men toch in Nederland,
Met praats en staatsgeschillen ?
De vorst, die liier de rykskroon spant,
Wil juist het geen wij willen:
Geen zwaren last, geen knellend juk,
Maar vrijheid, welvaart, volksgeluk.
En geen — vergulde pillen.
Wat wil men toch in Nederland?
Wat geeft men voor te duchten?
Wat kwaad humeur, wat onverstand
Wil ons volstrekt doen zuchten?
Daar is slechts iets, dat elk verveelt-,
Bedilzucht, die met buskruit speelt.
Om haar verstand te luchten.
Dec. 1867.
GESPREK TUSSCHEN DRIE.
A.
In uwe school gelooft men op gezag.
B.
In de uwe, dat men niets gelooven mag.
C. ■
In mijne, dat zich Jezus niet vergist.
Noch Paulus meer beweerd heeft dan hij wist.
DE BIJBEL.
(een leekedicht.)
Wie heeft ooit den Bijbel mij
Luid genoeg geprezen? Wie naar waarde zijn waardij
Andren aangewezen ?
Bron van zuiver zielsgenot.
DE BIJBEL.
Frissche levensspranken,
Gaaf van God, waarvoor ik God Levenslang zal danken!
\'t Woord des Heeren is volmaakt.
Krachtig tot bekeering,
Ejik voor wie naar wijsheid haakt,
Vol van les en leering.
Blijdschap storten in het hart
Gods getuigenissen,
Kracht in zwakheid, troost in smart. Licht, voor die het missen.
Gods gebod is wys en goed,
Zijn belofte heerlijk.
Zoeter dan het zoetste zoet.
Boven goud begeerlijk.
Heer! uw Woord behoedt uw knecht
Van u af te zwerven;
Die zich houdt aan \'t geen het zegt, Zal zijn loon niet derven.
Waarmee zal de jongeling Rein te voorschijn treden Uit den bonten tooverkring
Der begeerlijkheden?
Wat hem sterken in den strijd?
Redden uit gevaren ?
Gij, voorzeker, gij altijd.
Heiige Bijbelblaren!
Schaart u om mij kindren! Kom
Zet u neer, mijn gade!
Opgeslagen wederom
\'t Woord van Gods genade! Doornen zijn er op ons pad.
Zorgen, die ons knellen: — Kom! een blik op \'t heilig blad Zal de rust herstellen.
Dat is nimmermeer geschied,
Kostlijkst aller boeken!
Dat u ongetroost verliet,
Die uw troost kwam zoeken; Dat gij hem geen goeden raad
Gaaft of hadt te geven,
Dio u opsloeg, vroeg of laat,
Op den weg door \'t leven.
\'k Heb gehoord dat wijze liên \'t Bijbelboek berispen.
HET OUDE LIED.
Dwaasheen in zijn wondren zien, En zijn troostgrond gispen;
Maar den hemel dank ik dan, Die van mij begeerde
Dat ik maar een burgerman Zijn zou, geen geleerde.
Zoo \'k mijn B^bel missen moest. Of mistrouwen konde.
Ach, hoe aaklig, dor, en woest.
Werd dit hart vol zonde!
Donker werd het om mij heen. Donkender daar binnen!
En de Booze, naar ik meen,
Zou er \'t meest bij winnen.
Neen, mijn voetlamp! neen, mijn staf! Dat zal nooit geschieden;
Licht mij voor tot aan mijn graf.
Blijf uw steun mij bieden!
Blijf mij spijzen, hemelsch brood, En mijn krachten sterken;
Laat mi], in mijn jongsten nood, Al uw invloed merken!
HET OUDE LIED.
{Vrij naar het Eayelsch.)
O zing mij nog eenmaal het oude lied.
Van Christus, mijnen Heere!
Van hemelsche dingen op aarde geschied,
Van zijn liefde, zijn lijden, zijn eere.
O zing mij in eenvoud het oude lied.
Zoo als gij \'t een kind zoudt doen hooren!
Want ook ik wil een kind zijn en anders niet, Ik hulploos, onrein, en verloren.
0 zing het mij langzaam, het oude lied!
Het moet mij een laafdrank wezen.
Wiens verkwikking ik droppel voor droppel geniet. En die mij het hart kan genezen.
O zing mij toch dikwijls het oude lied!
Ik vergeet het, helaas! zoo veel malen.
De dauw, daar de morgen zoo vochtig van ziet, Verdampt met de zonnestralen.
255
MAANLICHT.
O zing inij zoo ernstig het oude lied,
Dat mijn hart zich voelt boeien en binden! Bedenk dat gij vóór u een zondaar ziet,
Wien Jezus wil zoeken en vinden.
O zing mij toch altijd het oude lied.
Dat alleen maar den moed mij kan vrekken, Zoo dikwijls, in eenige zorg of verdriet.
Gij mij waarlijk tot troost wilt verstrekken!
O zing mij onmiddlijk het oude lied.
Zoo ras gij een weinig zoudt vreezen.
Dat wat de wereld grootheid hiet
Mij op nieuw tot verzoeking kon wezen!
En als mij eens de adem en \'t leven ontvliedt.
Ter laatster, ontzaglijkster uren:
Zing dan voor het laatst mij het oude lied. Van een heil, dat oneindig zal duren!
Dit is, dit is het oude lied;
Daar is verzoening gevonden;
Het is volbracht, het is geschied;
Daar is vergeving van zonden.
Dit is, dit is het oude lied:
Het dierbaarst bloed is vergoten. De macht des afgronds is te niet; De hemel is ontsloten.
Dit is, dit is het oude lied,
Ons geschonken van God hierboven: De vloek der wet deert zondaars niet. Die in den Zoon gelooven.
Dit is, dit is het oude lied:
Een Heiland moest lijden en sneven. Dat wie vertrouwend op hem ziet Ook dankbaar voor hem zou leven.
Dit is, dit is het oude lied;
Uw Heiland stond op uit de dooden: In den hemel verheven, vergeet hij u niet. Maar deelt in al uwT nooden.
MAANLICHT.
Waarom de Maan zoo gaarn wordt aangeblikt? — Dat vriendlijk licht verblindt niet, maar verkwikt.
waar niet? — afdalen\', — vraag. — avondhegex. 257
Die schijnt en gloort en g-linstert, en niet schittert,
Geeft zoets te smaken, dat hij niet verbittert.
En die door schittring de oogen pinken doet,
Draag zorg van ook te koestren door wat gloed.
1868.
WAAR NIET?
„Wat Poëzie, en waar heur woon is?quot; Alom; waar \'s Levens adem gaat.
Zij is het sohoone in al wat schoon is;
In voorwerp, denkbeeld, woord, en daad.
AFDALEN.
Indien gij nut wilt stichten, wijze man! Tracht te begrijpen, die het u niet kan.
VRAAG.
Hoe komt dat we iedereen de Schepping hooren prijzen, En voor den Schepper zelf heeft menig hart geen plaats?
antwoord.
Natuur, dat tijdkleed Gods, ontdekt hem aan den wijzen. Verbergt hem voor den dwaas.
AVONDREGEN.
(Naar Gerok.)
Ei, wat tikt daar aan de ruit? \'t Venster opgeschoven!
Ruischt ei\' englenwiekgeluid Over veld en hoven?
Neen, uit donkre wolken, vliet Afgebeden zegen.
Zie hoe zacht hij \'t loof begiet!
Wees verwelkomd met een lied. Lieflijke avondregen!
Drukkend hing, den ganschen dag, \'t Zwerk met looden zwaarte;
Zwanger van den donderslag. Dreigde \'t wolkgevaarte.
AVONDREGEN.
Menig onzer zag den nacht
Met bezorgdheid tegen Maar geen onweer, dat hij bracht; Slechts uw laafnis, koel en zacht, Smeltende avondregen!
Zorgzaam wischt uw helder nat
\'t Stof van blad en twijgen;
Alles blinkt weer, gaaf en glad;
Dankbre walmen stijgen.
Hoor! de nachtegaal vangt aan.
Zingt langs veld en wegen! Heerlijk klinkt zijn krachtig slaan Door \'uw klettren op de blaan, Ruischende avondregen!
Ware ook ik, te dezer stond,
Struik, of bloem der weiden, Ü Hoe dronk ik mij gezond.
Na zoo lang verbeiden!
O Hoe strekte ik ieder blad.
Ieder blaadje u tegen. En verzwolg uw paarlend nat.
Drop voor droppel, spat voor spat, Kostlijke avondregen!
Hoe verkwiklijk en hoe frisch
Is nu \'t ademhalen!
Alles voelt uw lafenis,
Milde regenstralen! Wat verkwijnde komt weer bij. Heeft zijn kracht herkregen;
Alle geuren maakt gij_ vrij,
Alle boezems opent gij,
Toovrende avondregen\'.
Wat, wat komt er even zoet.
Even mild gevloten?
Tranen, in een stroef gemoed
Veel te lang besloten;
Maar ten laatste voelde \'t hait
Zich te diep bewegen.
En een vloed van tranen werd Troost en heulsap voor de smart. Als een avondregen!
Wat is u nog meer gelijk.
Onder \'s Hemels gaven ? \'t Godswoord, dat genadiglijk \'t Dorstig hart komt laven;
echte zang.
Dat de doive zandwoestijn
Als een roos doet bloeien, Barre rotsen groen doet zijn, En voor elke zielepijn Balsem uit laat vloeien.
Kitsel voort dan, doe nog steeds
Grooter weidaan leken.
Schoon ook enkle sterren reeds Door het wolkfloers breken; En wanneer wij, wel te moe.
Zijn ter rust gezegen,
Tokkel van de vensterroê Ons een wiegedeuntje toe, Vriendlijke avondregen!
ECHTE ZANG.
Niets zoo lieflijk, niets zoo schoon Als een dichterlijke toon.
Aan het hart ontvloeiend,
Door dien oorsprong, waar hij klinkt En in andrer harten dringt.
Alle harten boeiend.
Onvergeetlijk is het lied,
Dat uit echte bron-aar vliet;
\'t Leeft in duizend monden.
Ook een klankrijk woordenspel Trekt, vervoert, betoovert wel,
Maar voor weinig stonden.
Nieuwe vormen, maat met maat Wisslend, rijm in overdaad.
Beelden bij getalen Geven niet wat ik verlang;
Maken geen gezang tot zang,
Maar tot ijdel pralen.
Daar is „ik en weet niet wat,quot; Dat als levens-spranken spat,
Levenwekkend, sterkend; Dat ontvonkt, verkwikt, verheft. En bevredigt, waar het treft; On-weerstaanbaar werkend.
Dg,t is wat ik wensch en wacht; Schoonheid vraag ik, en geen pracht;
OPWEKKING. — OP TIJD.
Waarheid en geen kunsten; Ziels-, niet enkel zin-genot, Die met dit verlangen spot. Weiger ik mijn gunsten.
U de krans, die u behoort,
Zanger van de rechte soort.
Onder duizend krukken!
Dien mijn woord en wenk bedoelt. Dien mijn innigst hart gevoelt. Maar niet uit kan drukken.
OPWEKKING.
Houd vast, houd vast, met oog en hart.
De poëzie van \'t leven!
Ze is overal; ze is altijd daar; — \'t Gegoed zij rein, het oog zij klaar. Zoo ziet, geniet, verbiedt gij haar U ongemerkt te ontzweven.
Van hier, van hier \'t vroeg stokoud ras,
Met doffe en vaakrige oogen,
Voor God, Natuur, en Leven koel. Aan geestdrift vreemd en zielsgevoel. Tot dom\'len in een luien-stoel Geboren en getogen!
Miskennen eerst, misvormen dan;
Ontleden, en verwerpen;
Hooghartig twijflen, laffe spot:
Ziedaar hun wijsheid, eer en lot! En voorts wat dierlijk zingenot,
Daar zij hun geest op scherpen.
Neen! kloppe in ons nog als voorheen,
Schoon onze jaren vlieden,
Een hart vol leven, lust en vreugd In al wat schoonheid is en deugd: In de oude borst een jonger jeugd Dan bij die jeugdige oude lieden.
OP TIJD.
Onmiddlijk nut sticht niemand. Meestal gaat Het langs een weg, die zich niet nagaan laat.
260
on betkou wel ijk. - een lied. — gezondh. en genoeg. stralen. quot;261
\'t Zaad kiemt in \'t donker, wordt gevoed, gesterkt. En breidt zijn wortels uit, eer \'t iemand merkt.
\'t Kind leeft, en wordt van \'s levens stroom doorspoeld, Vier maanden — eer de moeder leven voelt!
\'t Duurt negen — eer het wonder mag gesohiên. Dat derden \'t nieuwe schepsel mogen zien.
En vele — voor \'t zichzelven onderscheidt.
En u een glimlach biedt van dankbaarheid.
ONBEROUWELIJK.
Geen goed besluit berouwt, al kost het pijn ;
\'t Goede is uit God, gezegend zal het zijn.
EEN LIED.
Laat hooren, laat hooren.
Wat u op \'t harte ligt!
Sluit haat en vrees de lippen dicht,
De liefde kan niets smoren.
Maar spreekt naar lust en plicht.
Laat praten, laat praten, Wat zwijgen kan noch wil! Een dwaze tong staat nimmer stil. Geen wederwoord kan baten.
Of stuit een zot geschil.
Laat komen, laat komen, Wat komen zal en moet!
Gods liefde maakt het altijd goed Met zijne oprechte vromen; \'t Is wijsheid wat Hij doet 1868. -
GEZONDHEID EN GENOEGEN STRALEN.
Gezondheid en genoegen stralen Van uw gelukkig aangezicht;
Geen volle roos kan schooner pralen. Waar op de dauw des hemels ligt; Uw glinstrend oog, uw lieve lach Herschept den nacht in klaren dag.
Uw kindren bloeien om u henen.
Als knoppen uit den zelfden steel, Die aan zijn sappen kracht ontleenen. En schoonheid erven, elk zijn deel. Groeit, lieve knoppen, zwelt, ontsluit, En drukt het beeld der moeder uit!
aan eene weduwe. - alles en niets. - drie gedichten enz.
En hij, wiens vreugd gij komt, volmaken, Wiens aardsch geluk aan \'t uwe hangt. Die aan uw zijde een lot mag smaken.
Waarvoor hij God gestadig dankt, Uw bloei, uw kracht, uw levensgloed Verjongt zijn hart, vernieuwt zijn bloed.
1868.
De vertroostingen Gods zijn nooit te klein;
Hoe groot het leed moog wezen.
Zij eeuwig gedankt en geprezen!
Houd dan moed onder \'t kruis! Hoe zwaar het drukk\'. Het zal u nooit verpletten.
Het geloof kan ook bergen verzetten.
1868.
Professor is geleerd, maar droog;
Hij heeft geen gaaf van meê te deelen. Zeer goede pijlen heeft hij velen; Een vollen koker; maar geen boog.
DRIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.
Thomas Hood, geb. 1798, overl. 1845, viel als dichter meest in \'t komische, en is als humoristisch prozaschrijver ook ten onzent door zijn Up the Rhine bekend. Intusschen heeft hij in enkele stukken getoond welke groote gaven hij had, ook voor de uitdrukking van een ernstig en diep gevoel, en de drie hiernavolgende zijn daarvan treffende voorbeelden. Zijn „Lied van het Hemd,quot; waardour hij de diepe ellende der arme Londensche naaisters op het hart zijner landgenooten poogde te drukken, verwierf hem de grootste populariteit en, zoo ik hoop, voor deze ongelukkige toasters eenige verbetering in haar lot. Zeker is het, dat het niet zonder grooten invloed is geweest op de afschaffing der| z. g. Korenwetten. Het kwarc. allereerst door het weekblad Punch ter kennis van het algemeen.
het lied van het hemd.
Met vingertoppen, ruw en wreed,
Zat daar een vrouw, in \'t voddenkleed.
DKIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.
Piek, piek, piek!
Van honger en kommer halfziek,
Van leed verteerd, door zorg beklemd.
Zong zij het .Lied van \'t Hemd.quot;
„Piek, piek, piek!
Van \'t eerste gekraai van den haan.
Piek, piek, piek!
Tot de zon is ondergegaan.
Een heiden en turk is er beter aan toe.
Die niet weet waarvoor hij leeft,
Dan een christemnensch, bij het werk dat ik doe, Die een ziel te verliezen heeft.
Piek, piek, piek!
\'t Wordt mij geel en groen voor \'t gezicht.
Piek, piek, piek!
Mijn oogen vallen dicht.
Zoom en oksel en strook;
Strook en oksel en zoom;
Totdat ik in slaap val over een knoop.
En hem aanzet in den droom.
Gij, jonkman, die naar uw liefje vrijt!
Gij man, met uw wijtje in uw schik\'.
Het is geen linnen, wat gij verslijt.
Maar arme schepsels als ik.
Een naad en weer een naad;
Een naad en weer een naad;
Voor wien is wel deze bestemd?
Geloof mij, ik naai, met een dubbelen draad.
Mijn lijkkleed en uw hemd.
Wat geef ik om den dood,
Hoe aaklig en naar hij ook zij?
Voor dat magere spook is mijn vrees niet groot. Het heeft te veel van mij;
Het heeft te veel van mij;
Van mij, die door vasten mijn krachten sloop — Och dat ook het brood zoo duur moet zyn, En vleesch en bloed zoo goedkoop!
ik piek maar al wat ik kan!
Mijn werk is nooit ten end.
Mijn loon? Een korst brood, een bos stroo, en dan Dit mooie equipement!
Een tochtig dak, een naakte vloer.
Een stoel en tafel, dat \'s al!
Zoo kaal een muur, dat ik snak naar het uur. Waarin er mijn schaduw op vall\'.
268
DRIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.
Piek, piek, piek!
Van uur tot uur, dat daar slaat.
Piek, piek, piek!
Als in \'t werkhuis de boef voor zijn kwaad.
Zoom, en oksel, en strook;
Strook en oksel en zoom;
Tot ik wee word om \'t hart en versufd in mijn hoofd, En ik zelf niet weet hoe \'k er koom.
Piek, piek, piek!
In den donkeren tijd om nieuwjaar.
Piek, piek, piek!
Als de hemel zoo blauw wordt en klaar. Als, tusschen de pannen, de zwaluw in-en uitvliegt keer op keer.
En mij vraagt of ik haar niet gelukkig vin-de, en mij tergt met het mooie weer.
Och of ik de groene wei _ Noch eens zien mocht, gelijk in mijn jeugd. En ruiken de dorens, de dorens van Mei,
Waar de geur mij haast niet meer van heugt! Wel dwaas dat ik er naar taal!
Wel dwaas dat ik er naar taal!
Als wist ik niet wat gebrek lijden hiet,
En een loopje gekocht voor een maal!
Maar toch, één uurtje van rust —
Zoo dat mij te beurte viel:
Niet om te denken aan hoop of lust.
Maar aan mijn arme ziel;
Maar aan mijn grootste smart!
Ach ! een weinig te schreien waar goed voor mijn hart I
Gelukkig zoo ik \'t mocht!
Maar aan naald en draad doet het niet dan kwaad: — Blijf weg dan, schaadlijk vocht!quot;
Met vingertoppen, ruw en wreed,
Met oogen, dik en rood,
Zat daar een vrouw in \'t voddenkleed, ïe naaien voor haar brood.
Piek, piek, piek!
Door honger en kommer halfziek.
Van leed verteerd, door zorg beklemd.
Maar op een toon zoo hoog,
(Och dat het de rijken bereiken moog!)
Zong zij dit „Lied van \'t Hemd.quot;
264
DKIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.
II.
HET STERFBED.
Met zorg hield een bedroefde kring Den adem in, om acht te geven Hoe in haar borst de stroom van \'t leven
Nog flauwtjes op en neder ging.
Elk onzer fluisterde zoo zacht,
En stond zoo machtloos op zijn beenen.
Als hadden we elk zijn eigen kracht Haar tot den doodstrijd moeten leenen.
Door vrees en hoop werd evenzeer Ons hart misleid, bij \'t pijnlijkst wachten.
Zij sliep. Wij zeiden: „Ze is niet meerquot;. Zij stierf. Toen sliep zij, naar wij dachten.
Want, toen de morgen koud en nat To voorschijn kwam met regenvlagen,
Hield zij haar oogjes toe. Zij had Een schooner dag zien dagen.
III.
DE DRENKELINGE.
Weer zoo\'n beklaaglijke. Die bij een korten dood \'t Haar onverdraaglijke Leven ontvlood !
Vat haar voorzichtig aan; Handel haar zacht!
Wees met haar jeugd begaan: Eer haar geslacht.
Zie toch dit bleek gelaat! Zie hoe dit nat gewaad Kleeft om die fijne leest: Wat moet ze, in blijder staat Schoon zijn geweest!
Hoor naar een zacht gevoel. En draag haar daadlijk Weg uit dit druk gewoel, Liefdrijk, niet smaadlijk. Zie haar niet toornig aan; Blijf niet koelbloedig.
Wijd haar een stillen traan, Menschlijk, zachtmoedig Denk aan haar zonde niet.
DRIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.
Haar misdaad, zoo rauw! Al wat gij in haar ziet Zij thans — de vrouw.
Vorsch niet nauwkeurig uit, Wat toch maar treurig luidt; Wien zou liet baten?
\'t Leelijke — zwijg er van.
Niets heeft de dood haar dan \'t Schoone gelaten.
Wat zij geweest zijn moog?
Och, laat het glippen!
Wisch deze wangen droog,
\'t Slijk van die lippen.
Strijk haar dit haar van \'t oog,
(Weelderig haar!
\'t Schoonste dat ge immer zaagt!)
Daar elk nieuwsgierig vraagt:
Wie? en: Van waar?
Wie was haar vader?
Wie was haar moeder?
Had zij geen zuster?
Zuster of broeder?
Was, door een andren baud.
Niet nog een teerder hand Haar ten behoeder?
0 het is waard beschreid.
Dat ge, in zoo trotsch een tijd. Echter zoo zeldzaam zijt, Menschlievendheid!
In deze groote stad.
Op haar paleizen prat,
Wonder der aard!
Vond zij (verantwoord dat!)
Geen huis of haard.
Ach, hier verloochende \'t Allesvermogende Zusterlijk, broederlijk.
Vaderlijk, moederlijk Hart zich geheel.
Smaad was haar deel.
Liefde nam wat zij gaf;
Keerde zich toornig af. Vromigheid schudde \'t hoofd Bij haar rampzalig lot;
266
DRIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.
Zelfs van den troost van God Bleef sdj beroofd.
Waar der lantaarnen gloed Trilde op den breeden vloed, En licht bij licht (Blijden een blij gezicht) Flikkerde laag en hoog,
Stond zij met somber oog. Staarde zij stijf en strak. En — had geen dak!
Billend; van vrees niet, neen! Billend van koude alleen.
Billend van top tot teen, In dezen guren.
Barren novembernacht,
Hield ze op de brug de wacht, Stond zij te turen Over de leuning heen,
Waar, voor haar oogen, In donkre bogen De stroom verdween. ^
Dol van des levens pijn, Brandende om niet te zijn, Verbijstring ten buit;
Inwendig gedreven ..., Waarheen? Om het even!
Ergens heen, ergens heen. Dit leven uit!
Eén sprong — Ze is verdwenen.
De kille rivier
Bolt over haar henen.
Lichtmissen! nadert hier;
Ziet wat gij doet!
Ziet wat hier nederplompt,
Zinkt en weer bovenkomt. Wegzinkt voor goed.
Hebt gij dan nog den moed, Drinkt weer uit, baadt weer in, Pleegt weer verboden min, Speelt in dien vloed.
Vat haar voorzichtig aan; Handel haar zacht;
Wees met haar jeugd begaan; Eer haar geslacht.
kinderlach.
Schik nu die leden,
Ijskoude leden,
(Eer zij verstijven)
Zoo als betaamlijk is.
Zoo als het deerenis.
Zoo als het liefde doet.... Wel! Laat ze blijven!
Zoo ligt zij goed.
Druk nu die oogen dicht. Starende zonder licht, Vreeselijk starende,
Ieder vervarende.
Als met dien laatsten blik. Die, met vertwijfeling,
Dood en vernietiging, Oordeelsdag, helschen schrik Woest onder de oogen zag. Zag en niet zag!
Koelbloedig bedorven, Wreedaardig veracht.
Ellendig gestorven —
Wie zegt wat u wacht?
Als of zij bade Tot God om genade.
Als of zij nog hopen dorst, Leg op haar doode borst Ootmoedig te zamen Die handjes zoo zacht en teer. Is hier groot kwaad geschied. Ons voegt het oordeel niet; Aan U verblijft het, Heer! Amen. Ja, amen.
KINDERLACH.
AAN EEN DAKWINIST.
Wat apenmoeder heeft voorheen Haar jong zoo vriendlijk aangekeken. Dat de apensnoet is weggeweken. En \'t lachje van een kind verscheen?
Het kinderlachje, zoo welsprekend, Vol leven, liefde, ziel en geest.
Dat, feitlijk, tusschen mensch en beest De onmeetlijkheid van d\' afstand teekent?
268
EEN WOORD VAN liACOX.
Laat, uit een stam nog onbekend
Sim Spitsneus naast Sim Platneus spruiten, Met mensclielijke kin en kuiten.
En zonder staart aan \'t achterend;
Laat Gibbons, Orangs, en Gorillen, En Ghimpanzé\'s de wellust zijn Van die volstrekt in rechte lijn Uit grijnzende apen dalen willen:
Eén blik op \'t wichtjen aan de borst
Van die zij weerhelft heeten mogen,
Als zij, na \'t laven van zijn dorst,
Het aanziet met haar zielvolle oogen En toelacht, en dien moederlach Betaald ziet met het zacht ontplooien
Dier lipjes versch gelaafd, vermag Dat luchtkasteel omver te gooien!
Verloren zoon! \'t is vruchteloos Verlangd eens anders zoon te wezen: Uw werklijke afkomst staat altoos In \'t lachje van uw kind te lezen.
\'Adap tov dfoi). Luk. III. 38.
1869.
* In een der nieuwste Duitsche werken vind ik den „stambaum der affexokdnüngquot; aldus opgemaakt:
gemeinsame stamfoem.
I. II.
Plattnasen. Schmalnasen.
II, 1. II, 2.
Geschwanzte Schmalnasen. Schwanzlose Schmalnasen. II, 2:
1. 2. 3. 4. 5.
gibbon. orang. schimp anse. gorille. mensch.
4—8 species. 2 spec. 5—10 spec.
EEN WOORD VAN BACON.
Reading makes a full man, conversation a ready man, and writing and exact man.
Lord Bacon.
Het lezen voedt een schoon verstand.
Waaraan niet licht iets goeds ontglipt; Het spreken maakt het bij-de-hand;
Het schrijven net en stipt.
269
2r3 :\'ijt gij kijk, dat het blijk. - aam digsüs. - maakt plaats.
ZIJT GIJ RIJK, DAT HET BLIJK!
Zoo gij gelukkig zijt, mijn vriend!
Hoe zoudt ge in dat geluk niet- roemen? Heeft God het niet aan u verdiend. De dingen bij hun naam te noemen?
AAN DIGNUS.
Zoo velen zwelgen in het Overbodige, Of lossen zich in \'t Onbeduidende op; Gjj, met uw edel hart en klaren kop.
Leef voor en door het Ware en Eéne Noodige
MAAKT PLAATS.
Naar Adelaide Anna Procteh.
Gouden starrevonken
Aan des hemels blauw.
Toeft, o toeft een weinig.
Dooft niet al te gauw!... Neen! Het starrelicht verdwijn! Dat de dag verschijn\'!
Smettelooze vlokken.
Sneeuwkleed over de aard, Beine lust der oogen.
Blijft nog lang gespaard!. .. Neen! Versmelte uw zilvergloor! Laat de lente door!
Bloesems, lieve bloesems.
Maakt niet zoo veel spoed! \'t Zonnetje is nog koestrend, \'t Regentje is nog zoet... Neen! Valt af, naar de oude wet Dat de vrucht zich zett\'!
Vreugd zoo trouw en teeder.
Aan mijn hart zoo dier. Wat ontplooit ge uw vleuglen?
Engel! blijf nog hier...
Neen! Een heilger staat gereed, Die uw plaats bekleed\'!
SLECHTS. — GEEN HOMERUS. —
271
VERLIES VAN VRIENDEN.
EEN SLECHTS.
Jar one chord, the harp is silent;
Move one stone, the arch is scattered; One small clarion-cry of sorrow-
bids an armed host awake;
One dark cloud can hide the sunlight;
loose one string, the pearls are scattered; Think one thought, a soul may perish; say one word, a heart can break.
Adelaide Anna Procter.
Doorkerf één draad: uw parelsnoer Strooit al zijn rijkdom langs den vloer;
Ontstem één snaar ; uw harp racet zwijgen; Verwrik één steen; de boog verzet;
Eén stootje in de alarmtrompet —
En duizend zwarte zorgen stijgen!
Eén donkre wolk verbergt de zon; Eén dwaasheid opent u een bron Van leed, dat zich geen hart verbeeldde; Eén vonk ontsteekt wat niemand blusoht; Eén wensch verstoort de gansche rust,
Eén, ééne erin\'ring elke weelde;
Eén smet bederft geheel een kleed; Eén wroeging werkt wat niemand weet; Eén oogenblik baart eeuwge smarte;_
Eén spaak, gebroken, breekt het wiel; Eén enkel denkbeeld doodt een ziel;
Eén enkel woord verscheurt een harte.
GEEN HOMERUS.
Een Ilias, en geen Homerus! Hooggeleerde, Het zij zoo! Beter dan het omgekeerde.
VERLIES VAN VRIENDEN.
(Naar Montgomery.)
Ontvalt u vriud op vrind —
Wie heeft nooit vrind betreurd?
Geen band, die harten hier verbindt,
Of hij wordt eens verscheurd. Als alles uit was met deze aard, Hoe weinig was dit leven waard!
Daar is een beter oord.
Daar is een milder lucht,
Waar \'t leven, door geen leed gestoord. Iets meer is dan een zucht,
zijn of schijn. — aan een h. e. h. g.
En wat een mensoKlijk hart doet slaan Niet flikkert, om weer uit te gaan.
Daar valt geen scheiding voor;
Daar wordt geen traan geschreid;
Daar heeft men lief, alle eeuwen door,
In rust en heiligheid.
\'t Geloof ziet derwaarts uit, bij \'t graf.
En wischt de heete tranen af.
Zoo dooven ster bij ster.
En wijken uit uw oog.
Als de ochtendzon steeds helderder
Verschijnt aan \'s hemels boog.
Zij gaan niet onder aan den trans.
Maar domplen zich in schooner glans.
* De bijzonderheid dat in het laatste couplet helderder op ster slaat, behoeft geen lezer te verleiden om nu ook de doffe e van den comparatief-uitgang als de scherpe e in ster te gaan uitspreken. Het is een van die onvolkomen rijmen, die geoorloofd zijn en, mits niet misbruikt, hunne eigene bekoorlijkheid hebben. Verg. scherm op arm; werd op hart. Bilderdijk veroorlooft zich zelfs eenmaal wordt op hart. Wintekhl. II. 118.
ZIJN OF SCHIJN.
Peu d\'bommes out esté admirez par leur domestiques.
Montaigne. II n\'y a pas de héros pour son valet de chambre.
Mad. CoBNUEL — Mad. de Sévigné.
Indien geen yroot man voor zijn .kamerdienaar groot is, \'t Scheelt aan den knecht, die blind of van gevoel ontbloot is.
Maar dat een klein man \'t minst bedriegen zal zijn minderen. Dat geef ik gaarne toe, en voeg er bij: zijn kinderen.
AAN EEN H. E. H. G.
Hofmeester, hoog in eer.
Als een getabberd heer Aan \'t hooger end gezeten! Al voert gij aan den disch \'t gebied. Van waar de wijn is weet gij niet, Ofschoon de dienaars \'t weten.
272
HANDEN THUIS. - POËTISCH PKOZA. - AAN... - NAAR RÜCKEHT. 273
HANDEN THUIS.
Gij de eerste mannen van bet land.
BedillenV Hals, laat naar u kijken!
Men sniidt het glas met diamant,
Den diamant met zijns gelijken.
POËTISCH PROZA.
„Poëtisch prozaquot;. — Ja, wij kennen dat, mijnheer! Borduren wil het zijn; maar \'t komt op hroddlen neer.
AAN.....
GEEN LID DER STATEN GENERAAL.
De -woorden dienen om gedachten te uiten;
Of te verbergen, naar men \'t vat: Gij, beste maat! die nooit gedachten hadt, Kunt op den duur uw lippen sluiten.
ijut-oTtftvcnz
„Een half ei beter dan een leege dop?quot; Gewis! En ook veel beter dan een heel,
Dat u bezwaart. (Genoeg is meer dan veel.) Een kind alleen, uit schrokzucht, eet het op.
NAAR RUCKERT,
De schoonheid der schepping staat duidlijk en dicht Voor ieder natuurlijk menschengezicht;
Gij behoeft, om haar te begrijpen. Vergrootglas noch brillen te slijpen.
Mal wicht! Gij baart uw eigen pijn!
Iets kunt gy wezen, maar alles onmooglijk. Waarom verbaast het u dan toch zoo hooglijk, Te zien dat andren ook iets zijn.
3.
Wit ge dat we u metterdaad In den huismuur bouwen\'?
Steenklomp! acht het niet zoo kwaad Dat we u wat behouwen.
naak rückebt.
Zult gij de w-ereld gadeslaan,
Doorzien hetgeen zij stelt te pryken, Geeft dan de schrale vreugd er aan Altijd u zelf te laten kijken.
Bij poëzij is toovnarij in \'t spel;
Of echter de poëten Betooverden of toovnaars moeten heeten, Dat weet ik niet te wel.
Van wat ik zag, van wat ik hoorde Voelde ik maar zelden kracht en zin. Zoolang de indruk de bezinning stoorde,
Eerst bij \'t herdenken zag ik allesi in.
Gij hadt geen genoegen, en ik had geen pret Wij trouwden elkander, nu hebben wij het; Hoe is dat geluk dan verkregen.
Indien niet van boven, als zegen?
Een dubblen trek heeft al wat leeft:
Trek naar beneden, trek naar boven Die best gehoor aan beiden geeft
Is allermeest te loven.
Geen hoogmoed vare u in den krop!
Laat ook den moed niet zinken!
Naar \'t licht des hemels streve uw top. En laat de wortel drinken.
274
— gracili modulatus avena — Vibgilujs.
Ons Visschersvolkje. Onder dezen minder treffenden, maar juister titel, geef ik hier wat, in 1861, onder dien van ile Kinderen der Zee, door mij bij een twaalftal voortreffelijke gravuren van j. c. resne-keld, naar schilderijen van jozef israels geschreven en, met deze, door den smaakvollen a. c. kruseman in \'t licht gegeven is.
Ik voeg er een paar gedichtjes van later dagteekening bij, evenzeer naar aanleiding van tafereelen van denzelfden Meester, die nog lang voortga den roem van ons Hollandsch strand van strand tot strand uit te breiden.
Dat ook maar een van de hier overgelegde stukjes beter zou zijn dan mijn „Visschers Jaapquot; van 1839 (Dl. II. 107), geloof ik eigenlijk niet. Iets anders is het naar de levendigste voorstelling van het leven, iets anders naar het leven zelf te werken.
April 1874.
japiks wieg op \'l strand geboend.
Gens innata salo Sal genti innatum.
Is \'t wonder, dat een visschersknaap
Der zee zijn hart moet geven?
Ze omringt hem reeds in d\' eersten slaap En mengt zich met zijn leven.
Zijn allereerste legerstee.
Het wiegje van den jongen.
Het was reeds van de zoute zee,
De zoute zee doordrongen.
II.
trijntjes dolce kar niente.
\'t Zit in de Golf van Napels niet.
Van Napels of Tarente;
Ook \'t Zandvoortsch kind heeft, als gij ziet.
Zijn dolce kar niente.
ONS VISSCHERSVOLKJE.
,\'t Is lui, \'t is heet, \'t is brandend weêr;
„Hoe kan die meeuw nog vliegen? ,\'k Lag liever plat op \'t water neer, „En liet mij zachtjes wiegen.quot;
Zoo spreekt zij, en ligt plat op \'t zand.
En laat het zonlicht spelen; Of \'t bruine vel wat meer verbrandt Kan haar geen oortje schelen.
III.
HET BREISTERTJE.
Mooi Kniertje staat van dag tot dag En breit voor haar deur een kwartiertje:
„Voor wien dat paar kousen wel wezen mag,
„Mijn allerliefste Kniertje?
„Voor wien dat paar kousen wel mag zijn,
„Voor moêrtjen of voor vaartje?quot;
Zucht dag op dag die bleeke Krijn,
„Of zijn ze voor Grietje of Saartje?quot;
„„Wel Krijn buur! wist je dat zoo graag?
„„TI wil ik het niet verzwijgen.
„„Je bent niet voor niet zoo jentig van daag, „„Om alles uit me te krijgen.
„„Beloof maar dat je \'t niemand zegt.quot;quot;
Spreekt Kniertje, hoe langer hoe zachter;
„„De wereld is tegenwoordig zoo slecht;
„„Ze zocht er zeker wat achter.
„„Die kousen zijn voor me moêrtje niet,
„„Ze passen niet voor me vaartje;
„,Ze zijn ook niet voor zuster Margriet,
„„Nog minder voor \'t kleine Saartje.
„„Ze zijn voor geen oompje, ze zijn voor geen meui, „„Hoe hoog of laag ze sprongen;
„„Ze zijn niet voor een oude kneu,
„„En niet voor een laffen jongen.
„„Ze zijn — ze zijn — ze zijn — ze zijn —
„„Je zult het maar raden moeten!
„„Die kousjes zoo witjes, zoo netjes, zoo fijn,
„„Ze zijn — voor twee bloote voeten.\' quot;
* Voor zang en piano op muziek gesteld door W. Hutschenruy ter (De Salon, N0. 11. Rotterdam.)
276
ONS VISSCHERSVOLKJE.
IV.
HARMENS UITREIS.
Nog wuift ie met zen mutsje, Jan!
Nog wuift ie met zen mutsje, En kijkt zoo lang ie kijken kan
Naar niemand als je zusje. Dag Hai-meni Jongen, hou je goed!
Ik zal liet ook doen, Harmen!
Ik zal niet, als een weeke bloed,
Gaan krijten en gaan kermen.
\'t Is zomerdag; de nachten kort;
De buien van \'s gelijken;
Maar strakjes, als het najaar wordt,
Dan komt wat anders kijken. Dag Harmen! Jongen, hou je goed.
Ik zal het ook probeeren.
C4od is almachtig, C4od is goed, Hij zorgt bij alle weêren.
Met Paschen spreek je Vader aan.
En waagt een woord van trouwen; Het zal misschien zoo grif niet gaan,
Maar wel met vol te houen. Dag Harmen! Jongen, hou je goed!
Ik zal je helpen. Vaartje!
Eer Mei in \'tland is (schep maar moed!) Zijn wij een vroolijk paartje.
Nog wuift ie met zen mutsje. Jan!
Nog wuift ie met zen mutsje. En kijkt, zoo lang ie kijken kan.
Naar niemand als je zusje....
En op dat zeiltje turen wij,
En dag en uur vergeet ik — Kom jongen! geef me een zoen, want jij Houdt ook van hem, dat weet ik.
JANVJES EERSTE REIS.
Klein Jantje steekt van wal; Hij doet zijn eerste reisje ;
Vrees niet, malmoêrtje! dat hij vall\'; Een jongen is geen meisje, En Jantje kan het al.
Kom dan, kom dan.
Kom als een man.
Kleine Jan
ons visschersvolkje,
Klein Jantje wendt den boeg Naar vaders open armen; Die haven is sekuur genoeg,
En wil liem graag- beschermen;
Kind! Kies haar laat en vroeg! Kom dan, kom dan.
Kom, als een man.
Kleine Jan!
Straks steekt hij weer in zee. En nog wel twintig keeren. Van de eene ree naar de andre ree. Met zeilen en laveeren!
Der oudren hart vaart mee. Kom dan, kom dan.
Kom als een man,
Kleine Jan!
Bezwijkt in \'t eind de moed, En wordt de kracht wat kranker. Dan strijkt hij \'t zeil en gaat voor goed Op moeders schoot voor anker;
Daar is de rust zoo zoet.
Kom dan, kom dan,
Kom, als een man.
Kleine Jan!
VI,
het liESLISSENI) oogenblik,
Dat zal ik van mijn leven niet,
Mijn leven niet vergeten, Hoe aardig jij dien morgen. Griet!
In \'t venster waart gezeten.
Ik weet niet of je \'t ook nog weet,
En of je er iets van merkte.
Maar Julfert .Toosten kreeg het beet. En voelde dat het werkte.
Je praatte, ja! van wie weet wat?
Ik heb niet veel geluisterd;
Maar op het bankje daar ik zat,
Zat ik voor goed gekluisterd. Er was iets in je — maar misschien
Dat ik het mij verbeeldde — Dat nooit te voren was gezien. En mij geweldig streelde.
ONS VISSCHERSVOr.kje.
Je bekje kende ik door en door,
Van onze vroegste jaren,
Maar voelde er niets bijzonders voor,
Dat kan ik rond verklaren.
Je was niet mooier dan je plag.
Niet heuscher dan voordezen ... Ik kan niet zeggen wat ik zag.
Maar — \'t heeft zoo moeten wezen.
Jij snapte voort; maar ik begon
In stilte te overleggen.
Ik dacht meer dan ik zeggen kon
En dan ik dukfde zeggen.
Maar eensklaps was je praatjen uit.
En mijn besluit genomen .. .
Je wou niet, zou niet, stelde me uit — Maar — \'t is er toe gekomen.
Dat zal ik van mijn leven niet,
Mijn leven niet vergeten,
Hoe aardig jij dien morgen. Griet!
In \'t venster waart gezeten, \'t Is zeker van den Heey geweest.
Want \'t bracht ons niets dan zegen; En, als het opkomt in mijn geest, Dan dank ik Hem terdegen.
VIL
joost atlas.
Atlas draagt het hemeldak,
Joost zijn bundel netten, \') Elk zijn zorgen, elk een pak
Dat hem zou verpletten.
Schikte niet de goede God Ieders leden naar zijn lot.
Schouders naar de vrachten. En naar \'t kruis de krachten.
Knikt het hoofd dan, trilt de hand,
Onder \'t moeizaam dragen, Heuvel-op door \'t barste zand,
In de heetste dagen:
Maak u kracht en tijd te nut; Klaag niet, zit niet, als Piet Lut, Neder bij de pakken, —
279
Zuchten is verzwakken.
1) De bundel netten, waarmede de Visseher op dit tafereel tegen het duin opklimt, heeft inderdaad de proportiën van een hemelbol.
ONS VISSCflERSVOLKJE.
VIII.
MOEDERS MIDDAGSLAAPJE.
De moeder van \'t gezin Slaapt bij haar vuurtjen in; Wat stervling kan het wraken?
Zij heeft zoo menig nacht Aan rust noch slaap gedacht;
Zij heeft zoo menig nacht met waken En zorgen doorgebracht;
Met wiegen van haar kind;
Met luistren naar den wind,
Die huis en hart deed beven;
Met bidden voor haar Geurt En Steven beurt om beurt;
Met bidden voor haar Geurt en Steven...
Haar toch van \'t hart gescheurd!
\'t Is doodstil om haar heen;
^ Zij bleef geheel alleen;
Een zeldzaam rustig uurtje!
De maaltijd is gedaan;
\'t Klein grut naar school gegaan; De maaltijd is gedaan, en \'t vuurtje Glimt nog eens even aan.
Zij zit en slaapt zoo diep,
Als zij maar zelden sliep,
Bij \'t wiegje moegezongen;
En nogmaals droomt zij van Haar overleden man.
En nogmaals droomt zij van den jongen. Die niminer keeren kan.
Neen! Neen! Hij keert uit zee.
Hij komt met Vader meê!
Daar zijn zij, bei te gader.
„\'t Was nat en koud aan boord,quot;
Zegt Steven, dat zij \'t hoort;
„\'t Was nat en koud aan boord,quot; zegt Vader.. Och arme ziel! droom voort.
IX.
LANGS MOEDERS GRAF. (Verhaal van Krelis.)
,\'t Was de eerste thuiskomst na haar sterven
Wij haalden hem van boord.
Hij pakte en kuste ons honderd we::ven.
280
ONS VISSCHERSVOLKJE.
Maar sprak geen enkel woord. Een tijd lang stond hij in gedachten
En zag ons zwijgend aan; Op eenmaal kreeg hij moed en krachten, En zeide: „„Laat ons gaan,quot;quot;
Het kleine Stijntje werd gedragen,
Ik bij de hand gevat;
Op eens de Kerkstraat ingeslagen, In plaats van \'t Achterpad. Verwondring heb ik niet doen blijken ;
Benepen zweeg ik stil.
En had het hart niet op te kijken,
Al had ik ook den wil.
Maar toen wij langs het kerkhof togen.
Zijn hand de mijne neep,
Zag ik hem aan met vochtige oogen,
Ten blijk dat ik \'t begreep.
„„Had ik dien blik maar niet geslagen!quot;quot;
Herhaal ik duizend keer,
\'t Gelaat dat toen mijn oogen zagen. Vergeet ik nimmermeer.quot;
NETTEN BOETEN.
Die niet langer varen mag.
Kan nog netten boeten;
Maar een werklooz\' ouden dag.
Wat zal dien verzoeten? Komt het eenmaal daarop neer. Dan ontferme zich de Heer! Die moet zitten hangen, Mag naar bed verlangen.
XL
WAAR BLIJFT HIJ.
Den ganschen nacht C4ewaakt, gewacht. En niet geweken;
Uit al haar macht In zee gekeken... Eén ding gedacht!
Eén ding gedacht, Den ganschen nacht En vastgehouen;
ons visschersvolkje.
„Het is Sint-Jan; „Wij moeten trouwen; „Waar blijft hij dan?quot;
XII.
het anker uitgebracht.
„Gij brengt uw anker uit, rechtschapen varensgasten! „Gelukkig die een anker heeft!
„Een anker, dat hem niet begeeft,
„Al steken stormen op, al kraken steng en masten!
„Wat zal uw anker zijn. op d\' oceaan van \'t leven\'? „Uw anker, in den bangsten nood?
„Uw anker. Broeders! in den dood?
„Plechtanker, dat u rest, als de andre u begeven?
„Die Heiland moge \'t zijn, u door mijn mond verkondigd; „Onmisbre Heiland! Denkt er aan:
„Wij moeten, zonder Hem, vergaan.
„Maar Hij wil \'t Anker zijn, al is er veel gezondigd.quot;
Zoo sprak op \'t Visschersdorp een Herder tot zijn kudde; En menigeen, in later stond.
Herdacht de woorden van zijn mond;
De schoone badgast ook, die eerst haar hoofdje schudde. 1861.
XIII.
pleüntje.
„Kom Pleuntje. ga naar huis! „Gij kunt toch hier niet blijven. „De regenbuien drijven „Een ieder naar zijn kluis. „De duisternis valt neer; „Gij hebt al zooveel uren „Vergeefs in zee staan turen; „En morgen weet gij meer.quot;
Helaas! Zij wisten \'t al; Zij hadden \'t reeds vernomen; Eén pink was weergekomen, Die kond gaf van \'t geval. Zij hadden \'t reeds verstaan: „Het scheepje „god zal zorgenquot; „Is. voor ons oog, vanmorgen „Met man en muis vergaan.quot;
Maar Pleuntje stond versteend; Zij kon van \'t strand niet scheiden;
282
ONS VISSCHERSVOLKJE.
Wat ook de buren zeiden Hoe goed en welgemeend.
\'t Was of zij \'t ook al wist;
Of ze aan haar liart kon voelen: „Gij zult hem aan zien spoelen, „Zien liggen in zijn kist.quot;
„Kom Pleuntje, wees nu wys! „Wees nu verstandig, vrouwtje! „Het wordt te laat voor Woudje; „Te koud voor kleinen Gijs, „De kindrenquot; ... En meteen Ontwaakte ze uit haar droomen, En heeft hen opgenomen; En langzaam sloop zij heen.
Men zag haar na met smart.
Dees schudde \'t hoofd bewogen; Die veegde een traan uit de oogen: Wat zee bouwt heeft een hart. „Och arme hals!quot; zei Krijn; „Och arme ziel!quot; zei Steven, „Wat zou een mensoh niet geven „Dat dat niet waar mocht zijn!quot;
Haar volgden uit den drom, Om haar in \'t oog te houen. Van verre een tweetal vrouwen; Nog eenmaal keek zij om.
Toen hielden zij zich goed, En spraken luid en keken Naar Pleuntje niet, en weken Terug op vluggen voet.
En Pleuntje raakt uit zicht.
Zij is met loome schreden Haar woning ingetreden,
En sluit de voordeur dicht.
Daar zit zij; — Gijs op schoot; Het lieve Woudje er neven; — Een standbeeld zonder leven.
Bleek als de bleeke dood.
De kindren kijken strak En somber voor zich henen; En Woudje wou wel weenen.
Maar meest dat moeder sjv-ak.. . Op eens een bittre schreeuw, Nooit dus gehoord voordezen
283
ons visschersvolkje.
„Och kindren, gij zijt weezeu, ,En ik een arme weeuw!quot;
Des morgens treedt al vr-oeg De jonge leeraar binnen, Die zachtjes wil beginnen .... Maar \'t komen is genoeg! „Och lieve Dominee!
„Ik hoef het niet te hooren .... „Ik heb mijn man verloren .. ,. „Gedenk mij in uw beê!quot;
Bij \'t deinzen van den nacht Was \'t lijk reeds aangekomen ; Nu werd het opgenomen En Pleuntje thuisgebracht.
Maar ook een losse plank Spoelde aan, dien zelfden morgen. Daarop stond: god zal zorgen — En dat was waar, God dank!
XIV.
toebereidselen voor de toekomst.
Natuur en waarheid spant de kroon, Blijft altijd schoon.
Zal tijd en eeuwen tarten;
Het treft, waar \'t zich ook toonen zal, Niet elk, maar al Wat oogen heeft en harten.
De aanstaande moeder, stil verblijd. Met alle vlijt Voor \'t eerste kindje aan \'t breien.
Breit Israels een schooner krans
Dan kunstvertoon en kleurenglans, Die om bewondring schreien.
Voor hem de roos, de palm, het Led Dat liefde biedt.
De aandoenelijke hulde Van \'t kloppend hart, dat hu doet slaan. Van \'t pinkend oog, dat met een traan Van zacht gevoel zich vulde!
Antwerpen,
17 Aug. 1873.
284
NAAR ISAAC WATTS.
Dr. Isaac Watts, door groote gaven, veel meer nog door oprechte, liefderijke godsvrucht uitnemend, leefde tussohen de jaren 1674 en 1748.
Hij was in Engeland de eerste letterkundige, die er aan dacht de x)en voor kinderen op het papier te zetten.
Zijne Divine and Moral Sonc/s for Children zjin in zijn vaderland nog altijd in bloeiend gebruik, en worden, ook ten behoeve van Amerika, nog telkens herdrukt.
„Gij zult;quot; legde ik mijnen vriend Crito in mijn Gesprek met hem Over Kinderboeken (Verscheidenheden op Letterk. Gebied 2e Druk Dl. I. bl. 230) in den mond. „G-ij zult in Kngeland, in beschaafde kringen, weinig kinderen vinden, die ze niet aan den schoot hunner moeders hebben geleerd, en weinig volwassenen die ze geheel hebben vergeten.quot;
Van bijna al de stukjes, onder genoemden titel door hem uitgegeven, behelzen de volgende bladzijden een meestal zeer getrouwe, hier en daar vrijere, navolging. Zij kwam in 1866, onder den titel van Godsdienstige en Zedelijke Zangen roor Kinderen in eene uitgave met plaatjes te Leiden in het licht; iu eene tweede uitgave, zonder plaatjes, te Utrecht 1873.
April, 1874.
DE LOF VAN GOD.
Hoe heerlijk is de Heer der Heeren.
In \'t groot en glansrijk hemelhof! En durft een nietig kind hem eeren. De stem verheften tot Zijn lof\'?
Geen mensch op aarde kan verhalen
De grootheid van zijn majesteit;
Geen heilige in des hemels zalen Zijn macht en goedertierenheid.
Geen engel kan zijn raad doorgronden:
Maar al de duizende englen gaan Met vreugd waar God hen heeft gezonden, En heften dankbaar \'t loflied aan.
\'k Wil met hun lof mijn tonen mengen;
De goede God versmaadt toch niet Het oft\'er, dat mijn jeugd kan brengen In haar gebrekkig kinderlied.
LOF AAN DEN SCHEPPEK EN ONDERHOUDER.
Zoo maar het hart mij heeft gedrongen
Tot wat de mond heeft voortgebracht, Dan heb ik mooi genoeg gezongen, Hoe zwak van stem, hoe min van kracht.
LOF AAN DEN SCHEPPER EN ONDERHOUDER.
Ik zing dien grooten God, wiens macht De bergen heeft gegrond,
De wijde zee heeft voortgebracht En \'t ruime hemelrond;
Zijn wijsheid, die aan zon en maan En sterrental bij tal
Hun wetten voorschreef en hun baan, Die niemand schenden zal;
Zijn goedheid, die met milde hand Al \'t schepsel laaft en voedt.
Zijn woord bracht al wat is tot stand.
En al wat is, is goed.
üw wondren, Heer! staan overal Voor mijn verwonderd oog:
Rondom mij in dit aardsche dal.
En aan des hemels boog.
Daar is geen bloem, geen blad, geen kruid. Of \'t maakt uw eer bekend;
De stormwind roept uw grootheid uit, De macht van wie hem zendt.
Uw zorg slaat al wat ademt ga.
Ter aller uur en tijd;
Daar is geen plekje, ver of na.
Daar Gij, o God, niet zijt.
Uw goedertierenheid vervult De heemlen, en deze aard.
Waarop uw goddelijk geduld
Een zondig menschdom spaart.
Uw grond is \'t, daar mijn voet op s^aat. Uw lucht is \'t die ik schep.
Uw wil, dat ook mijn adem gaat.
Ook ik mijn denkkracht heb.
Uw hand beschermt mij waar ik treed, Uw oog bewaakt mijn schreên;
Den God, die nimmer mij vergeet.
Zou ik vergeten? — Neen.
DANK AAN GOD VOOR ONZE VERL. - DANK VOOR TIJDELIJKE ENZ. 287
DANK AAN GOD VOOR ONZE VERLOSSING.
Geprezen zij de wijze niaclit,
De onpeilb;-e liefde zij geprezen,
Die aan het menschelijk geslacht Den weg der redding heeft gewezen !
\'t Verboden ooft, dat Adam at,
Doet heel zijn nakroost kwijnend sterven; Een kind kan ook gevoelen wat Het zegt, de gunst van God te derven.
Geloofd zij God! Hij heeft Zijn Zoon,
Zijn Eengeboren Zoon gegeven i Die bracht, ons van zjjns Vaders troon Vergiffenis en eeuwig leven.
Zijns Vaders wet, door ons zoo stout
Geschonden, eerde Hij volkomen.
Droeg onze zonden op het hout.
En doet Gods gunst ons tegenstroomen.
O Zie Hem, daar Hij \'t graf verliet.
Zie Hem ten hemel opgerezen;
Ook daar zal Hij de Zijnen niet Vergeten, maar hun Voorspraak wezen;
Daar, aan zijns Vaders rechterhand,
Zijn Kerk vermeerdren en bewaren, En slaken van den slavenband Die dienaars van de zonde waren.
Vandaar komt hij ten oordeel weer,
Dan wordt in \'t graf Zijn stem vernomên De gansche wereld ziet haar Heer; En \'t heil der heil\'gen is volkomen.
0 Geve God mij, dat ook ik,
In dien onxzaglijkst\' aller stonden. Den Rechter zien mag zonder schrik.
En bij zijn heil\'gen word bevonden.
DANK VOOR TIJDELIJKE EN GEESTELIJKE VOORRECHTEN.
Wanneer ik wandel langs den weg.
Wat tal van armen kom ik tegen.
Zoodat ik dikwijls dankbaar zeg:
„Hoe veel heb ik van God verkregen.quot;
DANK VOOR GEBOOUTE EX OPVOEDING IN EEN CHRISTENLAND.
Ik, die niet beter ben dan zij,
Die met gebedeld brood zich voeden,
Ken overvloed en lekkernij,
En heb van honger geen vermoeden.
Hoe menig gaat halfnaakt daar heen, In haavlooze en gescheurde kleêren.
Ik steek in \'t pak van top tot teen.
En wind noch weder kan mij deren.
Hoe menig, die des daags niet weet
Waar hij zich \'s avonds neer zal strekken;
Ik vind altijd mijn bed gereed.
En handen om mij toe te dekken.
Hoe menig kind leert in zijn jeugd
Slechts vloeken, schelden, liegen, stelen;
Mij leidt men op het pad der deugd. En buigt mijn wil naar Gods bevelen.
Zijn, boven andren, dit voor mij
Van dag tot dag uw goedheên, Heere!
O Geef dat ik U dankbaar zij.
En, boven andren, diene en eere.
DANK VOOR GEBOORTE EN OPVOEDING IN EEN CHRISTENLAND.
O God, Gij schenkt mij juichensstof!
Mijn vroegste .jeugd zij U gewijd!
\'k Begin mijn leven met uw lof;
Hij vergt geheel een levenstijd.
Uw milde goedheid gaf mij \'t licht Op Neerlands vrijen, blijen grond;
Daar hebt ge uw\' Zoon een Kerk gesticht. Daar wordt uw godlijk Woord verkond.
Mijn Vaderland — nooit ruilde ik dat Voor \'t weeldrigst oord, de rijkste kust! \'t Bevat een eindloos grooter schat Dan in eens goudmijns aadren rusj.
Hoe diep beklaag ik \'t arme kind,
Dat woont waar de afgodsdienst regeert. Geen Bijbel kent, geen Heiland vindt.
En uw gebod niet kennen leert.
DANK VOOR HET EVANGELIE. — VOORTREFFELIJKH. DER H. S. 289
Hier ben ik in uw naam gedoopt,
Hier richt men naar uw Woord mijn schreén; Zoo \'k niet zoo goed word als men hoopt, Het zal mijn schuld zijn, mijne alleen.
Klaar wordt door mij de stem verstaan, Die mij ten weg des levens noodt,
En duidlijk wijst uw Woord mij aan Elk pad dat afhelt naar den dood.
Uw lof moet op mijn lippen zijn.
Voor zoo veel trouw, genadig God!
Welk een afschuwlijk hart is \'t mijn.
Als \'t ooit met zulke weldaan spotl
DANK VOOR HET EVANGELIE.
0 God! ik maak uw goedheid groot,
Eu wil hier van geen toeval hooren, Dat ik uit Christlijke ouders sproot.
Geen Jood of Heiden ben geboren.
Wat ware \'t Isrels Vorsten, wat
Niet waard geweest aan zijn Profeten, Indien hun oor vernomen had
Wat Jezus Christus mij doet weten!
Hoe blij zou menig Heiden zijn.
Nu de afgoon dienende en verwilderd. Kon hij mijn Bijbel lezen, mijn Verlosser zien voor \'t oog geschilderd.
Zend ik dien Heiland dan voorbij.
Wil ik voor Hem mijn hart niet buig-en, Hoe vreeslijk zullen tegen mij De Heiden en de Jood getuigen,
VOORTREFFELIJKHEID DER HEILIGE SCHRIFT.
Mijn God, ik sla u werken gade.
En zie uw heerlijkheid, waar ook mijn oog zich vest; Maar al uw wijsheid en genade Leert mij het Boek der boeken best.
De starren schittren tot uw eere;
Uw lof verkondigen de heemlen overal;
Maar hier wijst mij uw goede leere Hoe ik ten hemel ingaan zal. in. \'
DANK AAN GOD DAT MEN LEZEN LEEKT.
De velden zijn bedekt met koren;
De halmen ruischen en verkonden: „God is Goed:quot;
Hier rijzen oogsten uit de voren,
Tot Voeding van mijn diepst gemoed.
Hier zijn mijn kostelijkste schatten;
Hier is de bron van troost, van kracht, van hoop, van deugd. Och dat ik beter mocht bevatten Hoe rijk ik ben, reeds in mijn jeugd.
Gods heilige geboden leeren Mij wie ik wezen moet en niet ben tot mijn smart; En \'t opgerichte kruis des Heeren
Spreekt van vertroosting tot mijn hart.
Dat God zijn Zoon, Zijn Eengeboren,
Gegeven heeft aan de aard, en mijn behoud in Hem,
Dat laat mij slechts de Bijbel hooren,
Dat spreekt tot mj geen andre stem.
O Bijbelboek, u wil ik eeren;
\'k Wil, bij uw heilig licht, mijn pad geloovig gaan.
En van den goeden God begeeren U altijd beter te verstaan.
DANK AAN GOD DAT MEN LEZEN LEERT.
Ik breng met hart en tong Mijn dank en prijs den Heer,
Dat ik, al ben ik nog zoo jong.
Zijn Woord reeds lezen leer.
Dat \'k uit dat Woord reeds weet, Dat in een zondig hart De bron ligt van het ware leed En eindelooze smart.
Dat \'k, door dat Woord, bevroed, Als ih iets worden zal.
Dat mij Gods goedheid leiden moet En helpen overal.
Dat mij dat Woord vervult Met dankerkentenis Aan Jezus, die, voor mijne schuld. Op \'t kruis gestorven is.
Dat ik van dag tot dag Van dezen Heiland lees,
En zie dat ik hem naadren mag En volgen zonder vrees.
•290
DE ALLES ZIENDE GOD. — ERNSTIGE GEDACHTEN AAN GOD ENZ.
Genadig God, o schenk Dat ik maar meer en meer Met ernst mijn lezen overdenk.
En ook betrachten leer!
Laat mij geheel verstaan Hoe groot uw goedheid zij,
Wat Jezus voor mij heeft gedaan.
En wat hij eischt van mij!
DE ALLES ZIENDE GOD.
0 God, uw aldoordringend oog Kan niemand ooit verblinden.
En waar ik mij verbergen moog,
Gij zult mij altoos vinden.
Al \'t kwade metterdaad begaan.
Of met het hart bedreven.
Elk zondig woord, den mond ontgaan, Staat in uw boek geschreven.
En eenmaal treedt gij in \'t gericht; Gij zult niet altijd zwijgen;
Al dit verkeerde komt aan \'t licht En zal zijn loon verkrijgen;
Tenzij ik uw genade zoek.
Vergiffenis verwerve,
En gij mijn misdaan uit uw boek Wilt wisschen, eer ik sterve.
Zoo \'k mij mijn zonden waarlijk schaam, Zoo zij me oprecht doen treuren.
En \'k tot u kom in Jezus naam.
Zal mij dit heil gebeuren.
Maar dat ik tegen \'t kwade waak En strijde t\' allen dage.
Dat blijft altijd de groote taak.
Waarin ik nooit vertrage!
ERNSTIGE GEDACHTEN AAN GOD EN DEN DOOD.
Daar is een God en Schepper aller dingen.
Heer van \'t heelal, die mij het aanzijn gaf; Ik vrees zijn toorn, ik smeek zijn goedheid af; En met mijn mond zal ik zijn lof bezingen.
HEMEL EN HEL. — HET VOORRECHT VAN VROEGE GODSVRUCHT.
Daar is een Wet, door Ziine hand geschreven, Die weerklank vindt in elk oprecht gemoed;
Zij is rechtvaardig, heilig goed;
Och dat ik gansch naar deze wet mocht leven!
Daar is een Blijde Boodschap vol genade.
Waar \'t schuldig hart zijn rijksten troost in vindt;
0 God, ook ik, ik ben een schuldig kind;
Zoo kome ook mij dat troostrijk woord te stade!
Daar is een uur bepaald dat ik zal sterven, En niemand weet wanneer;
Hoe menig kind lei vroeg het hoofdje neer, — Gelukkig die het eeuwig leven erven!
Laat mij o God! U vroeg mijn harte schenken, Zoo ben ik vroeg bereid.
In \'t graf is geen boetvaardigheid;
De dood beslist — 0 laat mij dit bedenken!
HEMEL EN HEL.
Daar is een hemel boven de aard Voor alle oprechte vromen;
Ook \'t vrome kind, dat Jezus mint. Zal, sterft het, in dien hemel komen.
Daar is een hel, het eindlijk deel Van hen die God niet vreezen;
Daar zal, o smart! \'t onheilig hart Steeds ongelukkig wezen.
Algoede Vader! Hoed mijn ziel!
Wil mij mijn schuld vergeven!
Geef dat ik steeds u eer en vrees, En als uw kind moog leven!
Snij me in den bloei der jeugd niet af: Leer mij mijn dagen tellen!
En wil mij, achter \'t duister graf, Uw hemel open stellen.
HET VOORRECHT VAN VROEGE GODSVRUCHT.
Gelukkig \'t kind, dat in zijn jeugd
Reeds vroeg naar goeden raad wil hooren. Dat wandelt oxj het pad der deugd,
En dat de godsvrucht kan bekoren.
Draag vroeg uw hart den Heiland op.
En dien hem naar uw best vermogen!
VOORBEELDEN VAX VROEGE GODSVRUCHT.
Een fnssche bloem, nog in den knop, Is welgevalligst in zijn oogen.
De taak, waaraan men vroeg begint,
Wordt later niet zoo zwaar bevonden;
Die God nie: dienen wil als kind,
Wordt vaak geheel verhard in zonden.
\'t Bewaart voor menig diepen val,
Indien wij nog godsdienstig waren.
\'t Geeft laatre godsvrucht kracht, en zal Ons menig grievend leed besparen.
Och lieve Heiland, geef toch dat Ons hart zich eenmaal mag verblijden,
Als wij terugzien op ons pad.
Dat we n ons gansche leven wijdden!
Maak uwe weldaad aan ons groot.
Dat wij geheel ons hart u geven!
Zoo zijn wij voor den vroegsten dood Bereid en voor het langste leven.
GEVAARLIJK UITSTEL.
Wie zegt daar: „\'t Is nog tijds genoeg . Om voor uw eeuwig heil te zorgen!quot;
Verwelkt een bloem niet soms zeer vroeg? En kan ik rekenen op morgen?
Zoo \'k heden mijn belang niet ken,
Gods roepstem in mijn hart versmade.
Wie weet hoe dof ik morgen ben, Hoe ongeschikt voor zijn genade.
Verdiende ook zulk een uitstel niet Dat hij, die nu zich nog doet hooren.
Mij aan mijzelven overliet
Én sprak: „gij wilt het; ga verloren!quot;
Neen, lieve God! van uw geduld Wil ik geen schandlijk misbruik maken;
O houd mij van uw woord vervuld.
En leer mij bidden, doe mij waken.
VOORBEELDEN VAN VROEGE GODSVRUCHT.
Voorbeelden weet ik wel genoeg In \'t heilig Bijbelboek te vinden
Van jonge kindren, die reeds vroeg Den dienst van God beminden.
GEVAASLIJK UITSTEL. -
TEGEN HET LIEGEN.
Mijn Heiland op dit oogenblik
De hemelen en de aard regeerend,
Was eens een kind zoo jong als ik,
Zijn Vaders wetten eerend.
Hoe lief een beeld stelt ons zijn jeugd Voor oogen in de. Heiige Blaren!
Gods Huis, Gods Woord -- ziedaar zijn vreugd En lust, op twalef jaren.
Uit blijde kindermonden steeg
\'t Hozanna. dat den Christus loofde.
Waar Schriftgeleerde en Priester zweeg, En hem zijn eer ontroofde.
Als Samuel gespeend werd, bracht
Zijn moeder hem in \'t Huis des Heeren;
Timotheüs had vroeg getracht De Heiige Schrift te leeren.
Waarom dan uitgesteld door mij.
Wat dezen zoo vroegtijdig deden?
Daar ga niet weer een dag voorbij Of \'k ben hen nagetreden!
TEGEN HET LIEGEN\'.
O hoe gelukkig is het kind.
Dat siddert voor de minste logen. Dat wij geheel vertrouwen mogen.
Daar \'t met zijn hurt de waarheid mint.
Een leugenaar wordt niet geloofd,
Al zou hij eens de waarheid spreken; „Die leugens zoekt voor zijn gebrekenquot; Laadt dubble schuld op \'t schuldig hoofd.
Hoe God de leugen straft en haat Behoeft hij waarlijk niet te vragen. Die ooit zijn oogen heeft geslagen In wat zijn Woord ons lezen laat.
Gedenk hoe Ananias stierf,
Saffira d\' adem voelde ontglippen. Een leugen op de valsche lippen. Die hen naar ziel en lijf verdierf.
De oprechte wordt door God geleid; Hij zal hem zeegnen en bewaren;
Maar \'t deel van al de leugenaren Is eeuwige rampzaligheid.
LIEFDE TUSS. BROED. EN ZUST. 295
O God! beware ik dan mijn mond! U kan ik nimmermeer bedriegen. Gij hoort bet, ook als kindren liegen En ziet hen tot op \'s harten grond.
TEGEN TWISTEN EN VECHTEN.
Krabbe het katjen, en bijte de hond:
God gaf hun klauw en gewapenden mond.
Woede de tijger, verseheure de beer:
\'t Is hun natuur, eh tot schande noch eer.
Gij, lieve kindren! weest anders gezind.
Krabben en bijten behoort bij geen kind.
Vinger en mond heeft wat beters te doen:
Komt, geeft elkandren de hand en een zoen!
Weest voor elkander toegevend en goed;
Past op de driften van \'t levendig bloed; Als boosheid of wraakzucht ontwaakt in uw geest, Denkt: „Welk een kind is mijn Heiland geweest?quot;
Zeker goedhartig en vriendlijk en zacht.
Dies, als hij toenam in wasdom en kracht, — 0 Zij dit voorrecht uw kinderlijk lot! —
Vond hij genade bij menschen en God.
Thans, in den hemel verhoogd en verklaard.
Laat hij zijn oogen nog gaan over de aard. En, waar hij kindren in liefde ziet leven,
Laat hij niet na hun zijn zegen te geven.
LIEFDE TUSSCHEN BROEDERS EN ZUSTERS.
Op straat zij twist en luid rumoer,
In huis moet liefde en vrede blijven;
Geen boos geschil mag tusschen broer En zuster dien verdrijven.
De muschjes schikken zich iu \'t nest,
En \'t is een droef tooneel, waar kinderen
Van \'t zelfde huis zich niet te best Verdragen en elkander hinderen.
Eerst scheldwoord, schimptaal, dreigement. Gebrom dat de ooren slechts kan kwetsen;
Maar straks de vuisten, en in \'t end De stokken en getrokken messen.
TEGEN TWISTEK EN VECHTEN. —
TEGEN SMALEN EN SCHELDEN. - TEGEN VLOEKEN. ZWEREN, ENZ
De Booze tergt tot arren moed
De zonen van een zelfde moeder,
En Kaïn rust niet eer hij \'t bloed Geplengd heeft van zijn lieven broeder.
Vergeef ons, God! krakeel en strijd.
En wil de bron der boosheid stoppen,
Opdat, in later levenstijd.
Ons hart van liefde slechts moog kloppen !
TEGEN SMALENquot; EN SCHELDEN.
God gaf den mensoh de tong en spraak. Om tot Zijne eer die aan te wenden.
En niet om, uit een booze wraak.
Eens broeders eer of rust te schenden.
Niet om met bittren schimp of smaad Of spotternij hem te bejegenen,
Maar om met troost en goeden raad En vriendlijkheden hem te zegenen.
Die tot zijn broeder zegt: „Gij dwaas!quot; (\'k Heb dit van Jezus zelv\' ontvangen)
Verdient ter vreeselijkste plaats.
Zijn vonnis en zijn straf te erlangen.
En hij die met het heiige spot. Met vrome liên den draak durft steken,
Moet weten dat een heilig God,
Zoo stout een snoodheid fel zal wreken.
Hoe is \'t dien kinderen vergaan.
Die oud\' Eliza „kaalkop!quot; scholden?
Een berenpaar viel op hen aan;
Zij hebben \'t met hun bloed vergolden.
„Zet, Heer! een wacht voor mijne lippen; „Behoed de deuren van mijn mond, „Opdat ik mij te geener stond
„Iets onbedachtzaams late ontglippen!quot;
TEGEN VLOEKEN, ZWEREN EN MISBRUIK VAN GODS NAAM.
Uw naam zoo heilig en verheven
Aanbidden de englen, Hemelheer! De booze geesten doet hij beven,
En heel de schepping geeft hem eer.
TEGEN SLECHT GEZELSCHAP. 297
TEGEN LEDIGHEID EN MOEDWIL. —
En zal een mensch, een kind het wagen
Dien naam te ontheilgen snood en stout, Pm naar uw felle wraak niet vragen, Of meenen dat gij doof zijn zoudt?
Afschuwlijk zweren, sohriklijk vloeken:
Hoe durft hij, die zich dat vermeet,
Ooit in \'t gebed uw aanzicht zoeken. En hopen u tot hulp gereed?
Met welk gelaat, met welk een harte, Zal hij, van troost en hoop beroofd. Het onheil, dat hij roekloos tartte.
Zien komen op zijn schuldig hoofd?
Maar ook al had hij niets te vreezen.
Al werd zijn gruwlijk kwaad verschoond. Een vloeker zal mijn vriend niet wezen, Ik kan niet dulden wie TJ hoont!
TEGEN LEDIGHEID EN MOEDWIL.
Het werkzaam bijtje weet heel goed Elk zonnig uurtjen uit te koopen,
En zamelt was en honigzoet Uit wat voor bloempje zich maar open\'.
Met oordeel vormt het cel bij cel, En bouwt ze aaneen op nette wijze.
En rust niet voor zij allen wel Voorzien zijn van de winterspijze.
Aan deeglijke\' arbeid, naar mijn staat. Verlang ook ik myn tijd te schenken;
Steeds weet de Booze kwaad op kwaad Voor leêge handen te bedenken.
\'k Wil tusschen nuttige oefening
En sterkend spel mijn jeugd verdeelen.
Verveling is een leelijk ding,
En kan slechts leed en wroeging telen.
TEGEN SLECHT GEZELSCHAP.
Neen, ik wil mijn vreugd niet zoeken,
Waar mijn hart niet vreedzaam slaat, Waar ik spotten, zweren, vloeken, Hooren moet of vuilen praat.
TEGEN HOOVAAKDIJ OP KLEEDING.
Slecht gezelschap wil ik schuwen;
\'fc Maakt de besten zelfs verkeerd; Wat een zedig hart doet gruwen Wordt daar spoedig aangeleerd.
Eerst een kijkje, dan een lachje,
Straks een woordje meêgezeid — En men is welhaast het hachje. Dat een\' ander ook verleidt.
Ziekten mijdt men die besmetten;
Daar is niemand op gesteld:
En ik zou mij niet verzetten.
Waar \'t mijn zielsgezondheid geldt?
TEGEN HOOVAARDIJ OP KLEEDING.
Wat dwaasheid is het trotsch te zijn Op mooie kleedren, rijk en fijn!
Of hielp niet. zoo als ieder weet,
Ons de eerste zonde aan \'t eerste kleed\'?
Ach. bij dat eerste kleedingstuk.
Was \'t uit met onschuld, eer, geluk,
Gekleede menschen, schaamt u dan,
En maakt er toch geen ophef van!
0 Zeker, zeker, \'t staat recht mooi, _ Dit nieuw gewap.d, dees kostbre tooi Maar \'t schaapjen en de zijworm stak Lang vóór mij in ditzelfde pak.
Een tulp, een vliegend ongediert\' Is prachtiger dan ik gesierd:
De stof zij rijk, de snede schoon:
Een bloem, een vlinder spant de kroon.
\'t Waar best dan, zoo mijn keuze viel Op \'t sieraad van een reine ziel;
Deugd, wijsheid, waarheid, ootmoed zij Mijn onverslijtbare eerkleedij.
Dan heeft de vergelijking uit Met wat er pronkt bij dier of kruid; Dan draag ik \'t kleed der Englen Gods;
Gods Zoon op aard droeg ook dien dos.
Dit kleed veroudert noch verschiet,
Het vreest de mot, den regen niet,
Het plekt, scheurt, slijt niet vroeg\' of laat, Hoe meer men \'t draagt, hoe mooier \'t staat.
298
GEHOORZAAMHEID AAS DE OUDERS. —
Welaan! dit zij mijn kleed op aard. Dit zij mijn reiskleed hemelwaart! Als ik daarmee voor God vei-sehijn. \'t Zal, als zijn werk, hem welkom zijn,
GEHOORZAAMHEID AAN DE OUDERS.
\'t Kind, dat godvruchtig wezen wil
En gaan op \'t pad der deugd,
Zwijge, als zijn ouders spreken, stil, En doe hun wil met vreugd.
Vernaanit gij niet wat straf hem wacht
Van een rechtvaardig God Die \'t vaderlijk gebod veracht.
Zijn moeders raad bespot?
Wat schuld zijn misdaad in zich sluit\'?
Wat vloek hem volgen moet? ,De rave pikk\' hem de oogen uit, „En de arend zwelg zijn bloed!quot;
Maar \'t kind, dat God en Gods gebod
In de ouders eert, verbeidt Op aard een rijk gezegend lot. Nog meer in de eeuwigheid.
KINDERKLACHT.
Hoe ben ik toch op mijn vermaak En spel zoo nauw gezet,
Maar achtloos in de beste zaak En traag in mijn gebed?
Wat baat mij, loshoofd die ik ben, Den wil van God te zien.
Als ik hem daaglijks beter ken. En daaglijks slechter dien?
Ach. veel te weinig is mijn hart Van u, o God vervuld;
Vergeef mij wat mij dikwijls smart. O God! vergeef mijn schuld!
Doordring mij van uw Geest en Woord, En schenk me in \'t bidden lust!
Dat gij \'t gebed eens kinds verhoort, Daar ben ik op gerust.
KINDERKLACÜT.
MORGENLIED. — AVONDLIED. —
EEN MORGENLIED.
De zon rijst op te juister tijd,
Wie zag dat immer falen?
Begint haar loop met kracht en vlijt En zendt alom haar stralen.
Zij talmt niet, houdt zich op haar haan Niet op, als tra.ge luiden;
Maar streeft steeds door, recht toe, recht aan Van \'t oost naar \'t west, door \'t zuiden.
O Groote Schepper van de zon!
Laat mij haar volgen mogen;
Laat me in de taak, die \'k vroeg begon, Volharden voor uw oogen.
Laat me ook dees dag met vlijt en kracht Mijn werk doen, zonder tragen!
Er volgt altijd een goede nacht Op welbestede dagen.
AVONDLIED.
De dag is neergezonken.
Ik zing mijns Scheppers lol\'; Hij heeft mij nieuwe stof Tot lof en dank geschonken.
Ach, had mijn jeugdig leven.
Mijn hart, zoo licht verleid, Tot ontevredenheid Geen nieuwe stof gegeven!
Vergeef mij. goede Vader!
De zonden van mijn jeugd, En breng mij toch der deugd En ware godsvrucht nader!
Ik leg mij biddend neder.
Denk aan uw liefde, o Heer! En als ik morgen weer Ontwaak, vind ik haar weder.
ZONDAGMORGEN.
Dit is de dag, wiens morgenstond
Den Heiland zag uit \'t graf verrezen; Wat schande, zoo hij mij bevond Een lui en slaaprig kind te wezen!
ZONDAGMORGEN.
ZONDAGAVOND.
Het christenvolk komt overal
Bijeen tot danken en aanbidden, En ik, hoe jong ik zyn moog, zal Een plaatsje vinden in hun midden.
Dat zich mijn hart aan \'t hunne paar!
En, wordt Gods Heilig Woord gelezen En voorgehouden, laat mij daar Aandachtig en eerbiedig wezen!
De Zondag zij me een heiige dag. De liefste dag van al de zeven; Wel mij, zoo hij mij leeren mag Om eiken dag voor God te leven!
ZONDAGAVOND.
De lieve Zondag is voorbij;
Wat heeft hij zoets geschonken!
Ik ging ter kerk, waar rij aan rij In aandacht zat verzonken;
Waar alles zong met ééne stem,
En zich vereende in \'t bidden
Om troost, om hulp, om kracht tot Hem, Die ook was in ons midden.
Daar hoorde ik door een achtbaar man Het Woord van God ontvouwen;
Schoon \'k alles niet begrijpen kan,
Ik heb toch veel onthouen.
Daar kwam men van mijn kleinen schat Mij iets voor de armen vragen;
Indien ik meer bezeten had \'k Had milder bijgedragen.
De gansche week heeft\'vader \'t druk ; Wij zien hem slechts bij tijden;
Den heelen Zondag — o geluk! — Kan hij aan ons zich wijden.
Hij leest ons voor, zegt op, vertelt,
Weet thuis ons te onderhouen,
Of doet ons, in het open veld. De wondren Gods aanschouwen.
De lieve moeder is er bij,
En kijkt met vroolijke oogen.
En al de kindren zien zoo blij En glunder als zij mogen.
ONSCHULDIG SPEL.
Zoo ging ook im de dag weer om,
Dien wij van God verkregen, Begonnen in zijn heiligdom, Begunstigd met zijn zegen.
DE LUIAARD.
Hoor de stem van den luiaard: „Gij wekt mij te vroeg,quot; Zoo kreunt hij, zoo steunt hij; „Ik sliep niet genoeg!quot; Als de deur op haar hengsels, zoo wentelt en keert Zich de luiaard op \'t bed, dat zijn krachten verteert.
„Nog even gedommeld! Nog even gedut!quot;
Zoo verslijt hij de helft zijner dagen onnut;
En is hij ten laatste overend en op \'t pad,
Hij slentert daarhenen en beuzelt zoo wat.
\'k Zag den hof\' van den luiaard: \'t was distel en doren En melle en brandnetel van achtren tot voren;
Al zijn goed is verwaarloosd, zijn boeltje bederft.
Zijn bezittting teert in, tot hij bedelt of sterft.
\'k Ging den luiaard bezoeken. „Aan hart en verstand,quot; Zoo dacht ik, „voor \'t minst houdt hij nbg wel de hand;quot; Maar hij sprak mjj van niets dan van schaffen en schenken; Zijn bijbel blijft dicht, en hij houdt niet va;i denken.
En ik sprak tot mijzelven: „Waardeer deze les!
Van wat gij kondet zijn, is die mensch u een schets.
Maar dank zij aan hen, die hun plicht beter kenden. En vroeg u aan werken en lezen gewenden!quot;
ONSCHULDIG SPEL.
Zie op de bruine heide
de lamm\'ren jong en klein Vast hupplen om de moeders
met vachtjes zacht en rein; Zie in het zonneschijntje,
bij d\' openstaanden stal. De jonge duifjes spelen,
de duifjes zonder gal.
Indien wij eendjes waren,
wij slobberden in \'t slijk. Of hondekens, wij keften
en beten vinniglijk;
DF LUIAARD. —
DE KOOS. — STELES.
Maar nu heet gij Wilmientjen,
en Willem is mijn naam, Nu spelen wij als duiven
en lammeren te zaam.
Nu willen wij elkander
niet plagen bij ons spel; Nu zeggen wij aan alle
geniepigheid vaarwel; Want schoon het met die grappen
zoo boos niet zij bedoeld, Wat grap is voor die \'t aandoet,
is ernst voor die het voelt.
DE ROOS.
Hoe schoon is de roos i Op het kleed der natuur Een sieraad, daar zij wel op mag bogen!
Maar de kleur van haar blaadren verbleekt in een uur. Zij verwelkt in een dag voor uw oogen.
Doch één eigenschap heeft zij, een deugd, en zij wordt Boven andrén er luid om geprezen;
Als haar kleur gansch verbleekt is, haar bloemkroon verdord. Blijft haar geur nog zoo zoet als voordezen.
Even broos als de rozen zijn jonkheid en schoon,
Hoe zorgvuldig wij beiden ook kweeken;
Haast verschieten de blosjes op voorhoofd en koon Onze frischheid en glans zijn geweken.
Dat mijn hart dan niet trotsch zij op schoonheid of jeugd,
Die ik eenmaal en schielijk zal derven,
Maar verwerve ik me een naam door mijn godsvrucht en deugd, Die nog riekt als een roos, na mijn sterven.
STELEN.
Zou \'k mijn naasten ooit berooven
Van wat God hem schonk en liet? \'k Heb mijn handen om te sloven. Maar tot roof en plundring niet.
Hij bedriegt zichzelf terdegen.
Die er winst of heil van wacht; Wat oneerlijk is verkregen
Heeft nooit iets dan leed gebracht. Eva reeds kan me onderwijzen Hoe gestolen vrucht gedijt;
Doorn en distel zag zij rijzen,
Maar haar Eden was zij kwijt.
303
DE MIER.
\'t Appeltje van buurmans boomen,
\'t Eitje uit buurmans hoenderkot: Daar is vaak mee aangekomen, Wat een eind nam op \'t schavot.
Dieverij blijft nooit verholen,
Schoon men \'t hope en zich beduid; God aanschouwt haar, hoe verholen. En brengt eens de misdaad uit.
Lieve God, uw kind zij eerlijk.
Niet begeerlijk.
Maar tevreden met zijn deel.
Zij het weinig, zij het veel!
Geef maar dat ik Uw beschikking-
In mijns naasten deel erken;
\'k Zal dan nimmer van mijn leven Nemen wat niet wordt gegeven. Houden wat ik schuldig ben.
DE MIER.
Hoe klein zijn de mieren,
die nietige dieren,
Die, zonder ontfermen
of deernis, bij zwermen De voet van een wandlaar vertreedt,
Maar deden we als wijzen,
we zouden ze prijzen.
Haar achten en eeren
en veel van haar leeren, Dat menig te dikwijls vergeet.
Zij slijten den tijd
Met geen slapen of spelen,
vervelen, krakeelen.
Maar wei-ken met orde en met vlijt. Zij werken en zwoegen,
met blijkbaar genoegen. Zij draven en dragen,
in \'t heetste der dagen. En zorgen, hoe fel haar de middagzon steekt.
Dat \'s winters geen graan in haar schuren ontbreekt.
Hoeveel dwazer blijk ik dan een mier, op de proef, Wanneer ik geen werk maak van wat ik behoef. Geen raad schaf voor komenden nood!
Op eens ben ik oud, overvalt mij de dood, — En verspilde ik met beuzien het best van mijn dagen, Ik zal mij te laat van die dwaasheid beklagen.
304
GOEDE VOORNEMENS.
Neen thans, iu den bloei van mijn jeugd en mijn kracht, Zaamle ik op wat mij dient als een ziekbed mij wacht,
Als de dagen van onlust genaken.
Wat mijn hand vindt te doen zij met ijver volbracht, En de zegen des nemels ootmoedig verwacht Op mijn bidden en werken en waken.
GOEDE VOORNEMENS.
Ik ben nu nog jong en teer,
Weet niet hoe mij God zal leiden. Daarom wil ik meer en meer Mij op alles voorbereiden.
Worde ik immer rijk of groot.
Ik wil andrer lot verzachten,
D\' armen deelen van mijn brood,
En geen Mindren ooit verachten.
Waar men hulploos is of zwak.
Wil ik troost en bijstand geven.
En niet slechts voor mijn gemak.
Maar tot nut van velen leven.
Als ik schimp of smaad ontmoet,
\'k Zal met schimp noch smaad betalen; Zacht geduld is wel zoo goed;
Mocht het mij daar nooit aan falen!
Hoor ik leugens, zottepraat.
Vloeken, zweren, dergelijken,
\'k Zal, als geen vermaning baat.
Zulk gezelschap snel ontwijken.
Blijft mijn staat gering en klein,
\'k Wil door stille plichtsbetrachting. Zedig, needrig, eerlijk, rein.
Aanspraak maken op elks achting.
Valt mij krankte of armoê toe,
\'k Hoop men zal zich dan ontfermen. Even als ik, blij te moê,
Kranken hielp en gaf aan de armen.
\'k Doe met opzet niemand leed
\'k Wil ook niet te licht gekwetst zijn; \'t Kwaad, daar ik geen raad voor weet. Stil te dragen zal het best zyn.
ZOMEKAVOND.
\'k Zorg maar dat ik meer en meer Slecht humeur en driften doode, En al wat verkeerd is weer,
Zij \'t ook overal de mode.
Kwade mode voert ter hel.
\'k Wil haar speelbal nimmer wezen. Hij alleen leeft waarlijk wel.
Die den dood niet hoeft te vreezen.
ZOMERAVOND.
Hoe schoon was de dag, hoe verrakk\'lijk de zon! Zij schitterde en straalde zoo vroolijk zij kon.
Ofschoon zij in neevlen haar loopbaan begon.
En de ochtend voor regen deed vreezen ;
Maar nu, aan het einde der dagreis, verdooft Deze heerlijke gloed om haar luisterrijk hoofd Nog al haren vroegeren glans, en belooft Dat zij morgen nog schooner zal wezen.
Zoo gaat het den vrome. Zijn loopbaan vange aan. Als de zon in een nevel, met menigen traan.
Die berouw en bekommering schreiden;
Maar daarna blinkt zijn voorhoofd van \'t lieflijkste licht Met een glans van genoegen op \'t vroolijk gezicht, Vervolgt hij zijn weg en volbrengt hij zijn plicht.
Nog het schoonst en het lieflijkst bij \'t scheiden. Als een zon gaat hij onder, aan zomerschen trans. Die ons spreekt van herrijzen in heerlijker glans.
AAN DE LEDES
YAN HET PROVINCIAAL UTEECHTSCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN
IN HUNNE
ALGEMEENE VERGADERING 26 Juni 1867.
Het lid des Bestuurs van het Provinciaal Utrechtscli Genootschap\' van Kunsten en Wetenschappen, aan hetwelk de eer te beurt valt de eenmaal \'s jaars te houden Algemeene Vergadering als Voorzitter te mogen leiden, ziet zich daarbij de taak beschoren, de vergadering met eene redevoering te openen, waarbij de opzettelijke behandeling van een of ander wetenschappelijk onderwerp aan de eerbiedige herdenking der in den loop des jaars ontvallene leden en aan de noodige vermelding der verdere lotgevallen des Genoot-sohaps, gedurende dat tijdsbestek, voorafgaat. Dit was met mij het geval, den 26sten Juni van het jaar 1867.
Op dien zelfden dag, zou door de Studenten der Utrechtsche Hoogeschool het 46stlt;! lustrum van haar bestaan, met het houden van een gecostumeerden optocht, gevierd worden, een feest dat het vorige jaar had moeten plaats hebben, maar wegens de, vooral in de academie-stad, sterk heerschende cholera was uitgesteld, üit^ samentreffen en de gewichtige tijdsomstandigheden van het vorige jaar (dat regenjaar!), toen de oorlog in Duitschland gevoerd en de ongehooi-de voorspoed van het Pruisische naaldgeweer, aan velen hadden toegeschenen tot een algemeenen oorlog aanleiding te zullen geven, waarvan Nederland, door de „Luxemburgsche questiequot;, in de eerste plaats, een onvermijdelijk slachtoffer zou zijn, schenen _ mij vrijheid te geven, eenigszins van den gewonen vorm af te wijken, en mijne medeleden, m plaats van hunne aandacht voor eene verhandeling in proza te vergen, met een Welkomstgroet in verzen te ontvangen, welke eerst op dringend verzoek afzonderlijk uitgegeven, daarna in het jaarverslag des genootschaps opgenomen, ook hier volledigheidshalve niet achterwege blijft. Dat de gecostumeerde optocht met zijn dichterlijk historisch onderwerp: de Intocht van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourfion-di\'è, in het jaar Jtmmer echtverbintenis, 1477, in dezen Welkomstgroet een belangrijke plaats besloeg, was in den bezinger der Leidsche Maskerade van 1835 te begrijpen en te vergeven.
Sept. 1874.
WELKOMSTGROET.
Zijt mij gegroet, gij Vaderlandsche Mannen, Die wetenschap en kunst uw gaven wijdt,
Op elk gebied de neevlen wenscht te bannen.
Die fakkels op den weg der -waarheid zijt,
Apollo\'s boog zoo krachtig weet te spannen,
En wederom te ontspannen op zijn tijd!
Uit eiken oord van \'t Nederlandsoh geweste,
Zijt mij gegroet in Utrechts oude veste!
De zomer stort zijn vollen horen uit,
Waar „Rijn en Vecht langs boomgaard en priëelen,
En heerensloten vloeit.quot; \') Een geurig^ kruid,
Een blij gebloemt lacht vriendlijk op zijn stelen.
De zegen, dien de korenaar besluit,
Buigt in den halm, waarmee de windjes spelen, De tortel vliegt van dquot; een tot d\' andren boom: En de uier van de koeien zwelt van room.
Wat baatte \'t, zoo een vijand ons belaagde,
Een nabuur, tuk op roof, de grenzen schond. Een hongerig soldaat de boeren plaagde,
Zijn stampend ros in \'t rijpend graanveld zond,
Zijn sabel door den hals van \'t zuiglam jaagde?...
Maar neen! de lieve vrede lacht in \'t rond.
En Tityr, in zijn beukenschaüw gelegen,
Zingt .Melibé! God schonk ons dezen zegen!quot;
Hoe anders was de zomer, die verdween,
Neen, wegspoelde in een reeks van regenvlagen!
De wraakflool der strenge goden scheen Zich uit te storten in een vloed van plagen.
Dood en verderf spookte aaklig om ons heen.
\'t Was jammer en ellende wat wij zagen, En vorstentwist en krijgsrumoer en moord En doodslag wat door de ooren werd gehoord.
Rampzalig jaar, dat nog ons \'t hart ioet bloeden!
Heel Duitschland stond in vlammen; als in de eeuw Toen Wallenstein\'s en Tilly\'s legers woedden.
Gustaaf Adolf hervoortrad uit zijn sneeuw Om Maagdenburg door Leipzig te vergoeden
En omging, brulde, en sneuvelde als een leeuw; Of in dien later tijd, toen hij regeerde.
Die molens spaarde en landen annexeerde 5).
■ j Zie Vondel, op de Afbeelding van TTtrecht door Zachtleven.
-) De Meunier de Sans-Souci Is (dank zij het talent van Andrieux) zoo bekend als Frederik de Groote zeilquot;.
308
WELKOMSTGROET.
Een ftroerferkrijg van \'t Noorden tegen \'t Zuid,
Niet in de nieuwe wereld \'), maar in de oude,
Niet oud genoeg om wijs te zijn, hoe luid De ervaring haar heur lessen ook ontvouwde,
^ En hoeveel jammren dit rampzalig kruit En lood haar sinds zijn helsche vinding brouwde!
Goddank! schoon vreeslijk, kort slechts stroomde \'t bloed; De naaldlont doet haar gruwzaam werk met spoed.
Toch vroegen zich de volkren af met vreezen;
„Zal \'t wapenstilstand zijn of waarlijk vreê?quot; Nog oorlogzwanger scheen het zwerk te wezen.
Schoon licht van beter hoop het splijten deê.
Schoon op het veld van Mars de bogen rezen
Eens Vredetempels -), \'t werd mistrouwd; nieuw wee Aan de aard voorspeld, zoo ras de lente keerde.
Daar Pruisen meer, en Frankrijk wraak begeerde.
„Klein Nederland! wat zal uw noodlot zijn?
Begeerde prooi voor een der Adelaren,
Eikanderen ter weerzij van den Rijn Met de oogen reeds verslindende. Laat varen
Den roem var^ uw zelfstandigheid, uw schijn Van weerbaarheid! Zoo snel kunt gij de baren Der zee niet dagen over beemd en veld,
Of overmacht heeft u de wet gesteld.quot;
Zoo sprak de vrees; zoo kreeg zij moed te spreken.
Als Luxemburg het ooft van Eris scheen.
De harten der kleinmoedigen bezweken;
Maar Neerlands fiere jonglingschaar sprak: „Neen! Wi] staan gereed ons recht en de eer te wreken
Op ieder die ons aanrandt, een voor een!quot;
Het Sticht ging voor; maar aller hart ontbrandde.
En als een vuur liep \'t wachtwoord door den lande.
.Aan dezen tres herkent een kloek geslacht Zijn nakroost, en de dappre man zijn zonen.
Een traan verschijnt in \'t moederoog, maar \'t lacht De helden toe^ en schaamt zich zorg te toonen.
t Jaar Dertien en \'t jaar Dertig wordt herdacht;
Straks reiken hun de teedersten der schoonen Het vaandel toe, gewrocht door eigen hand — ^ O scherpe spoorslag! heilig onderpand!
\') Als van 1861 tot 1865.
-) Het gebouw der Algemeene Tentoonstelling te Parijs.
1 Te quot;Utrecht den 2 April 1867, aan het Weerbaarheids-Corps door de Stndenten
gevormd.
309
WELKOMSTGROET.
Maar hij, die \'t hart van koningen en heeren,
Naar Zijnen wil, als waterbeken leidt,
Deed hun den vree, niets dan den vree, begeeren.
En laat ons onze rust en veiligheid — Neen! vraagt niet voor hoe lang! Laat God regeeren!
Smaak dankbaar \'t goede, u door zijn hand bereid! Wees wijs, en laat geen zorg uw vreugd verwoesten. Maar ook het zwaard, schoon \'t rusten mag, niet roesten.
Hoe rustig praalt, in vollen hoogtijdsdos. Ons Utrecht, om het feest dier School te vieren. Die haar groot sieraad uitmaakt en haar trots! De klokken luien en de vlaggen zwieren;
Zij plunderde den rozengaard en \'t bosoh.
Om straat en gracht op \'t luisterrijkst te sieren; En vroolijk geeft in haar een kloeke jeugd Zich over aan haar uitgestelde vreugd.
Weest jong met haar en deelt in haar genoegen,
Gij mannen, die der wijsheid tabberd plooit!
Zich naar den toon der gulle vreugd te voegen.
Misduidde zij in hare priesters nooit.
Waar zorg en vlijt de diepste rimpels ploegen Op \'t voorhoofd en de tijd z^n zilver strooit. Misstaat geen zachte glimlach, die goedaardig Haar spelen toejuicht, maar is harer waardig.
Gij zult Maximiljaan — d\' Aartshertog niet,
Wien m\' opdrong om eens keizers rol te spelen.
En aan zichzelv\' laaghartig overliet Om straks in iturbide\'s lot te deelen; \')
Maar dien, die op ons Nederlandsch gebied Veel eers g\'enoot, veel leeds vond, veel krakeelen Te slechten had, doch stierf in vollen vreê.
En toen voor \'t eerst zijn volken schreien deê1);
Dien Hertog, eerlang Graaf van Holland, Koning,
Straks Keizer van het Heiige Roomsche Rijk, Die Amsterdam, haar diensten ter belooning,
De kroon, die op haar wapen staat te prijk, Geschonken heeft; dien zult ge in schijnvertooning
Aanschouwen, daar dat Brugge plecf-tiglijk Hem inhaalt, dat hem nu wel hoog za\'i eeren.
Maar later bij een kruidenier logeeren2)
310
-) Solu morie suis gravis. Scriverius.
) Nog wijst men het winkelhuisje, op den hoek van de markt, waar zij hem in de beroeringen van 1488 gevangen zetten.
WELKOMSTGROET.
Des Stouten solioone dochter, hoog begeerd Door velen, en beloofd aan meer dan eenen.
Heeft met haar keuze en liefde hem vereerd:
Dies is er vreugde in \'t keizerlijke Weenen
En gramschap aan de Seine, die haast leert Haar trots te buigen, als, in \'t veld verschenen.
Deze arm de heersohzucht straft, die voor een kind Zoo dier een hand begeerd had en bezind \').
Hoe lieflijk is de Roos weer opgeloken.
Door zoo veel leeds, door zoo veel zorgs gedrukt.
Door wreede hand haast van haar steel gebroken,
En voor de borst eens woestaards afgeplukt!
God beeft voor \'t minst het dierhaarst recht gewroken
Der Weeze van Bourgondië! Mislukt Is \'t echtplan, daar geheel haar hart voor beefde,
Als Gelre \'t hoofd voor Doornik stiet en sneefde -).
Hij is haar beter waard, dees jonge Vorst ■,i),
Schoon, welgemaakt, welsprekend, edelaardig.
Met ridderlijke deugden in de borst.
Door min voor \'t schoone en reine zeên lofwaardig,
Niet blakend van een ijdlen gloriedorst.
Maar, trouw en goed, voor \'t recht en de eer strijdvaardig; Dies heeft zij \'t eens haar afgedrongen pand ■\')
Blijmoedig ingewisseld voor haar hand.
Aanschouw haar in haar schoonheid; aangebeden Van dien gemaal; dat schittrend oog, dien blos Van liefde en jeugd, waarmeê zij hem haar steden
En staten toont en rondvoert, blijde en trotsch! Wat kloekheid bij zooveel bevalligheden!
^ Hoe moedig stiert en tergt zij \'t vurig ros.
En schroomt niet, waar het schrikt van drukte en leven... — Pas op. Vorstin, een paard zal u doen sneven!quot;\')
A ch! kort slechts duurt de huwlijksvreugde; lang,
Lang zal de rouw des trouwen echtvriends duren.
Wat is \'t geluk? Helaas! Een ovérgang.
De blijdste bloemen bloeien weinige uren.
Het slot van \'t vreugdelied is treurgezang.
Wel hem, die wijsheid uit verdriet kan puren!
1) Lodewijk XI had haar willen dwingen hare hand te geven aan den, nog maar achtjarigen Dauphin.
-) De befaamde Adolf, Hertog van Gelre, wiens pretentie door die van Gent krachtig gesteund werd en die, om haar te believen, een oorlog tegen Frankrijk ondernam, sneuvelde voor Doornik. Nu steunden de Gentenaars Maximiliaan. Toen negentien jaar oud. Maria was eenentwintig.
4; Den diamant, dien zij vroeger, op last haars vaders, aan Maximiliaan gezonden had.
•\') Binnen vijf jaar (Maart 1482), te Brugge, in welks omtrek zij, op de jacht zijnde, achterover van \'t paard viel en aan de gevolgen overleed.
311
WELKOMSTGROET.
Die taak is de uwe; o Vorst! Waardeer uw ga!
Al uw geluk stort in haar graf haar na\').
Hoe vroolijk zweven thans haar de banieren,
In schoone, maar bedrieglijke eendracht, voor Van \'t zestal staten, door de hand te stieren
Van dien zij tot haar heer en voogd verkoor! Wat wijsheid eischt de macht! wat kunst! Nu vieren.
Dan teuglen; hier den breidel, daar de spoor! Blondlokkig jongling, zult gij \'t altijd raden?
Het paard nooit steigren, en zijn ruiter schaden\'?
Vraag \'t aan de weduw van Bourgonje, vraag \'t Der zuster van dien Yorck, wien Warwick kroonde
En weer ontkroonde 1); of, zoo \'t haar niet mishaagt; Vraag \'t haar, wie elk, reeds nu, de tanden toonde;
Aan wier gezag \'t Groot Privilegie knaagt2);
Wier raadsliên geen verbolgen grauw verschoonde; Wier rouwkleed, wier ontsnoerde vlecht, gebeên En tranen krachtloos bleken op \'t gemeen3).
0 T^den! Strijd van staten tegen staten
Niet slechts, maar ook van steden tegen steên! Van magistraten tegen magistraten.
Verwarringen, beroerten, spoorloosheên!
Partijen, die elkander erflijk haten;
Nu \'t krijgsvolk, straks \'t gepeupel op de been;
Hier \'t beulszwaard, daar de dolk van moordenaren ... Zegt niet dat de oude dagen beter waren.
Toch ziet gij gaarn het leven en de kracht Dier woelige eeuw voorbijgaan voor uw oogen;
Die burgers vol van toren, gloed en kracht. Die vorsten kampende om betwist vermogen;
Die ridderwereld in haar laatste pracht; Dat worstlen, dringen, drijven, werken, pogen — Dat gisten van een tijd, wiens maatschappij Zich omzet tot een andre, \'t zij hoe \'t zi]!
312
) Margaretha van York, Weduwe van Karei den Stoute, tweede moeder van Maria, was de zuster van Eduard IV, in 1461, door hulp van den zoogen. koningmaker, Warwick, Koning van Engeland; in 14:74: door c.ezen verjaagd.
) Waarbij zonder goedvinden der Staten de Vorstin geen huwelijk mocht sluiten, geen krijg voeren, enz.
) De gruwelen te Gent, waarbij „twee raadslieden van de Hertogin, Imbercourt en Hngonet, onschuldige slachtoffers van het woedend gepeupel werden, wier redding Maria, met loshangend hair en in rouwgewaad op de markt gekomen, vruchteloos door tranen en gebeden beproefde,quot; (Gr. v. Pr.) waren nogversch in \'t geheugen.
quot;WELKOMSTGROET.
Wel, laat dan deze Maximilianen,
Maria\'s, Margaretha\'s, heel dien stoet Van Eedlen, nu vereenigd om hun vanen,
Bourgonjers, Belgen, Duitschers hoog van moed, Dees Guliks, (Jleve\'s, Nassau\'s, Bergs, Irlanen, Met Kerkprelaten van het vorstlijkst bloed.
Maar ook dees Schepens, Poorters, Gilde-deken En Kamerist tot uw verbeelding spreken!
Ja, ook de Kameristen! wier „Fonteinquot; \')
ïe Brugge springt, om Vlaandren te verrukken Met sinnespel, hallade, referein,
Kluit, bateitieiit, en andre meesterstukken,
Voor \'t grootste deel Bourgondisch, voor een klein De taal van \'t land, al vloekt het vreemde jukken!
„PkOVINCIAAL WESTVI.AAMSCH ÖENOOTSCHAP,quot; dat
Mij tot mijn tekst terugvoert, dien \'k vergat.
Mijn tekst, mijn taak! Ik moest u welkom heeten,
L\'w raadslag\' leiden in dees stille zaal.
De hoofden van wie wij verwinnaars weten
Bekronen met het wachtend eevmetap.1;
Vergeeft, kon ik \'teen oogenblik vergeten.
Mijn broederen, vergeeft het deze maal!
Waar zeekre dingen zeekre snaren raken,
Daar schijnen de oude tonen weer te ontwaken.
Zwijgt, oude tonen, zwijgt! \'t Verleden heeft Zijn recht, maar heilige eischen heeft het heden.
Hij leeft in \'t heden, die in waarheid leeft En in de toekomst leven zal met reden.
Wat ooit verbeelding of herinnring geeft, De werklijkheid stelt slechts het hart tevreden. De taak van heden moet vandaag verricht; En daar is niets verheevner dan de plicht.
Gij weet het. Om geen dichterlijke droomen.
Geen spelen van de jeugd in momgewaad,
Geen feestlijkheden zijt gij hier gekomen.
Maar werklijkheid en leven, raad en daad.
Wordt nog van \'t een en \'t andre iets meegenomen. En ook de disch der vriendschap niet versmaad: De dienst der wetenschap is uw verlangen,
En tot den dichter spreekt gij: „Staak uw zangen!quot;
31
Laat hem nog slechts zoo menig dierbaar hoofd. Als wederom ten grave zonk, beschreien!
\') Naam en zinnebeeld eener vermaarde Vlaamsche Eederijkerskamer.
WELKOMSTGROET.
TJ \'t eerst, die wat gij daar reeds liadt beloofd,
Gehouden hebt, mijn tijdgenoot te Leien,
Tromp! aan de Friesche Themis wreed ontroofd!1)
En u Verdam! ontvallen aan de reien Van Neerlands Archimedessen! Uw stem Heeft Huygensquot; eer gewroken; leef met hem! ^)—
Haar kroon met paarsch gebloemte in Neerlands hof; Indien voor \'t eerst, voor «« voor \'t laatst, en strooide
Haar blaadren op uw graf, met onzen lof.
Japansche Siebold!2) — Ach, hoe somber plooide
Zich veler voorhoofd, als uw doodsmaar trof.
Pa re au!3) Gij de eer van Gruno\'s godgeleerden,
Wien tot uw dood verknochte volgers eerden. —
Moest eindlijk. Wijnbeek! ons zoo lang gespaard. En dierbaar aan zoo velen als beseffen
Wat gij der School, en \'tLand door deze, waart.
De dood uw eerbiedwaarden schedel treffen? 4)
Kon kennis van al de artsenij der aard Geen Lub er5) aan \'t gemeene lot ontheffen? —
Ontvielt ge ons Brunsveld, kenner van onze Oost! \') — En Rappard6) — maar wiens Broeder ons nog troost 7).
Uw tijd was daar. — Ook de uwe! In weinig dagen
Verslond verborgen gif uw levenskracht,
Claas Mul der — Reeds was \'t eermetaal geslagen.
Door dankbre liefde u vroolijk toegebracht,
Daar werd uw dierbaar lijk naar \'t graf gedragen.
814
) J. W. Tromp, Advocaat en Rijksadvocaat te Leeuwarden.
F. von Siebold. natuuronderzoeker en hijeenbrenger vanhet JapanschMuseun te Leiden. Onder anderen bracht hij uit Japan een boom in Europa, dien hij, naai Anna Paulowna, Groot-Vorstin van Busland en Prinses \\ an Oranje, den naam ga; van Fuulownia Jmpcrialü. Juist in zijn sterfjaar hadden de dagbladen met vee\', ophef, als een zeldzaamheid, vermeld, dat de boom in onderscheidene hoven in dc open lucht bloeide.
) L. Gr. Pareau, Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Groningen.
r) Mr. H. Wijnbeek, vele jaren Inspecteur der Latijnsche scholen en van he: Middelbaar en Lager Onderwijs.
quot;) H. W. Luber, Med.-Dr. te Amsterdam.
\') F. A. Ridder van Rappard, oud Direct. Gen. van Oorlog.
\'•) Mr. A. G. A. van Rappard, gewezen Minister van Binnenlandsche zaken: hu-norair lid van het Bestuur van het Pr. Utr. Gen.
WELKOMSTGROET.
Lafaille! \') Buste uw beider assche zacht! Met Zimmerman\'s, wiens dood het Weeshuis Wagen
En jamm\'ren doet met al wat braafheid acht:!) Moge aller naam in aller werken leven,
Hun roem aan veler vlijt den spoorslag geven!
Wij leven nog, mijn Broedren! Voor hoe lang Of kort, weet Hij, die alle levensdraden
In handen heeft, en al de hulde ontvang\'
Van \'t geen wij goeds vermogen of beraden En daar wij lof voor oogsten, lof of dank! Geslachten wisslen als in \'t woud de bladen.
Zij, daar ons blad nog groen is, gave en tijd Aan de eer van God en menschlijk heil gewijd!
Brengt leliën en uitvaartgaven
Met volle handen aan!
Strooit purpren rozen op de graven
En frissche lauwerblaan!
\'t Is zoet die hulde aan hen te schenken.
Zij \'t ook vermengd met pijn,
Die velen hunner doen gedenken.
Dewijl zij \'t waardig zijn
Maar ook de les, die \'t graf doet hooren.
Waar allen henen gaan.
Ga voor geen manlijk hart verloren.
En worde wel verstaan!
„gedenkt te STERVEN!quot; ruiscbt langs zerken En zoden ons in \'t oor:
„GEDENKT TE LEVEN EN TE WERKEN\'!quot;
Klinkt daar met nadruk door.
„Niet noodig is het dat wij leren,
Maar dat wij werken,quot; riep Een koning uit, door \'t vuur gedreven.
Dat nimmer in hem sliep:i).
Een werkloos leven wordt tot zonde;
\'t Is ballast, hoe men \'t kleur.
Onze is de spreuk van Aldegonde
„REPOS AILLEURs!quot;
1} J. Baart de la Falllc, Em. Hoogleeraar in de Geneeskunde te Groningen. Zijn vrienden en vereerders hadden juist een gouden medaille met zijn beeltenis laten slaan, ter gelegenheid van zijn jubeljaar als Doctor in de Geneeskunde.
■-) J. Docker Zimmerman. Em. Predikant der Luth. Gem. te Utrecht, indertijd zeer werkzaam tot oprichting en, nog kort voor zijn dood, tot instandhouding van het Weeshuis dier Gemeente.
: ) i-\'rederik de Groote, in een brief aan Voltaire, 17 Sept 1776, en derhalve op 64 jarigen leeftijd.
315
WELKOMSTGROET.
U \'t eerst, die wat g\'i] daar reeds liadt beloofd,
Gehouden hebt. mijn tijdgenoot te Leien,
Tromp! aan de Friesohe Themis wreed ontroofd! ■)
En u Verdam! ontvallen aan de reien Van Neerlands Arclümedessen! Uw stem Heeft Hnygens\' eer gewroken; leef met hem! 1)—
Paulownia Inqien\'cilis tooide
Haar kroon met paarseh gebloemte in Neerlands hof; Indien voor \'t eerst, voor u voor \'t laatst, en strooide
Haar blaadren op uw graf, met onzen lof.
Japansohe Siebold!2) — Ach, hoe somber plooide
Zich veler voorhoofd, als uw doodsmaar trof.
Par eau!3) Gij de eer van G runo\'s godgeleerden,
Wien tot uw dood verknochte volgers eerden. —
Moest eindlijk, Wijnbeek! ons zoo lang gespaard, En dierbaar aan zoo velen als beseften
Wat gij der School, en \'tLand door deze, waart,
De dood uw eerbiedwaarden schedel treffen ? 4)
Kon kennis van al de artsenij der aard Geen Lub er5) aan \'t gemeene lot ontheffen? —
Ontvielt ge ons B r u n s v e 1 d, kenner van onze Oost!6) — En Rappardquot;) — maar wiens Broeder ons nog troost 7).
Uw tijd was daar. — Ook de uwe! In weinig dagen
Verslond verborgen gif uw levenskracht.
Cl aas Mulder8\') — Reeds was \'t eermetaal geslagen.
Door dankbre liefde u vroolijk toegebracht.
Daar werd uw dierbaar lijk naar \'t graf gedragen.
314
) J. G. Verdam, Hoogleeraar in de Wiskunde te Leiden. Hij handhaafde de prioriteit van Ghristiaan Huygens boven Burgemeester Htidde, ten aanzien van de analytische opheldering van den regel van Cardanus voor de oplossing der 3de maehtsvergelijkingen.
) F. von Siebold. natuuronderzoeker on bijeenbrenger van het Japansch Museum te Leiden. Onder anderen bracht hij uit Japan een boom in Europa, dien hij, naai Anna Paulowna, Groot-Vorstin van Rusland en Prinses van Oranje, den naam ga: van Faulownia Jmpcrialis. Juist in zijn sterfjaar hadden de dagbladen met veel ophef, als een zeldzaamheid, vermeld, dat de boom in onderscheidene hoven in deepen lucht bloeide.
■\') L. G. Pareau, Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Groningen.
r) Mr. H. Wijnbeek, vele jaren Inspecteur der Latijnsche scholen en van hei Middelbaar en Lager Onderwijs.
quot;) H. W. Luber, Med.-Dr. te Amsterdam.
quot;) Mr. P. Brunsveld van Huiten, oud Proc. Gen. bij het H. Gerechtshof in Ned. Indie.
\'•\') Mr. A. G. A. van Rappard, gewezen Minister van Binnenlandsche zaken: honorair lid van het Bestuur van het Pr. Utr. Gen.
overleed ten gevolge van het onwetend eten van vleesch, afkomstig van een aan miltvuur gestorven rund.
welkomstgroet. 6
Lafaille!1) Ruste uw beider assche zacht! Met Zimmerman\'s, wiens dood het Weeshuis klagen
En jamm\'ren doet met al wat braafheid acht;!)
Moge aller naam in aller werken leven,
Hun roem aan veler vlijt den spoorslag geven!
Wij leven nog, mijn Broedren! Voor hoe lang Of kort, weet Hij, die alle levensdraden
In handen heeft, en al de hulde ontvang\'
Van \'t geen wij goeds vermogen of beraden En daar wij lof voor oogsten, lof of dank!
Geslachten wisslen als in \'t woud de bladen.
Zij, daar ons blad nog groen is, gave en tijd Aan de eer van God en menschlijk beil gewijd!
Brengt leliën en uitvaartgaven
Met volle handen aan!
Strooit purpren rozen op de graven
En frissche lauwerblaan!
\'t Is zoet die hulde aan hen te schenken,
Zij \'t ook vermengd met pijn.
Die velen hunner doen gedenken,
Dewijl zij \'t waardig zijn
Maar ook de les, die \'t graf doet hooren.
Waar allen henen gaan.
Ga voor geen manlijk hart verloren.
En worde wel verstaan!
„gedenkt te sterven!quot; ruischt langs zerken En zoden ons in \'t oor:
„gedenkt te leven en te webken!quot;
Klinkt daar met nadruk door.
„Niet noodiff is het dat wij leven,
Maar dat ivij iverkenquot; riep Een koning uit, door \'t vuur gedreven.
Dat nimmer in hem sliepquot;).
Een werkloos leven wordt tót zonde;
\'t Is ballast, hoe men \'t kleur.
Onze is de spreuk van Aldegonde
„repos ailleuhs 1quot;
\'de de a van g der
iseuin , naar m ga:
t veel in de
u bet
tof in
i; ho-
i. Hij n aan
) J. Baart de la Faille, Em. Hoogleeraar in de Geneeskunde te Groningen. Zijn vrienden en vereerders hadden juist een gouden medaille met zijn beeltenis laten slaan, ter gelegenheid van zijn jubeljaar als Doctor in de Geneeskunde.
WEDDE H EI LICTERLEE. WINSCHOTEN.
VADEKI.ANDSCHE UIT BOEZEMINGEN. 1868; 1873.
Onvergetelijk is mij de dag van den 23sten Mei 1868, toen het mij vergund was, op het veld bij Heiligerlee, waar de eerste steen tot het nieuwe Gedenkteeken zou gelegd worden. Vorst en Volk een Vaderlandsch Lied toe te zingen. De Koning zelf was niet verschenen, maar werd er vertegenwoordigd door den Prins van Oranje, en deze was van Prins Hendrik der Nederlanden vergezeld. Een aanzienlijke schaar van genoodigden, beide mannen en vrouwen, omringde de prinsen en het vorstelijk gevolg in het open paviljoen en. zoo ver mijn oog maar reiken kon, rustte het op eene ontelbare volksmenigte, dicht opeengedrongen op het uitgestrekt en gedenkwaardig terrein. Het weder was zonnig en schoon, de orde en stilte, gedurende al den tijd dat ik sprak, voorbeeldig en indrukwekkend.
Ook de vorige dag was een schoone dag geweest, toen in het naburig Oostwedde, de tegenwoordige eigenaar sn bewoner van het Huis te Wedde, de kundige en beminnelijke Mr. H. J. G. Koning, aan eene menigte feestgenooten een gastvrije ontvangst onder zijn dak en op zijne gronden bereid had. Dit was hei Huis, dat, destijds in het bezit van Aremberg, op den 24sten Apr:l 1568 door Graaf Lodewijk overrompeld was, waar hij een loopplaats gevestigd en dat hij gedurende den geheelen veldtocht bezet had gehouden; het huis ook, waar, na den slag bij Heiligerlee, het lijk van Graaf Adolf op de doodsbaar had gelegen, om vervolgens naar Emden vervoerd en later in het familiegraf te Dillenburg bijgezet te worden. Onder zijn nu zoo vreedzaam dak, sprak ik de dichtregelen uit, welke ik weinige oogenblikken daarna uitgenoodigd werd onder het lommer der hooge linden voor de saamgevloeide menigte to herhalen, en die nu hier. in de eerste plaats, volgen.
Vijf jaren later, \'23 Mei 1873, werd het toen voltooide Gedenkteeken onthuld. De redenaars en dichters, die bij die gelegenheid op het veld van Heiligerlee het woord voerden, hadden het geluk niet van zonneschijn en schoon weder, maar het voorrecht van des Konings persoonlijke tegenwoordigheid. Als Zijne Majesteit, na afloop der plechtigheid, in de stad Winschoten wedergekeerd was, viel het mij te beurt. Haar aldaar, in eene wel overdekte, feestelijk getooide zaal, als uit naam der bevolking den Feestgroet toe te brengen, waarvan ik gemeend heb de mededeeling hier op die van het Lied van 1868 te mogen laten volgen.
September. 1874.
te wedde. 317
TE WEDDE.
Dat zal uw roem, uw eeuwge vreugde wezen, Noordooster-grens van Neerlands dierbren grond!
Dat, eerst van u, c\'e straal is opgerezen.
Die ons den dag der Vrijheid heeft verkond.
Haar zon ging nauwlijks op, of zwarte wolken.
Van onweer zwaar, en vuur, en hagelslag.
Onttrokken haar op nieuw aan \'t oog der volken, —
Toch was het dag geworden, en bleef dag.
Dag, na een nacht, door rosse martelvuren Alleen verlicht en starren van geloof!
Zijn rijk heeft uit; niet eindloos zou het duren.
Schoon Gods geduld den morgenstond verschoof.
Daar breekt hij aan! Hoe kloppen alle harten Van vreugde en dank, bij \'t eerste lichtgeglim!
Een nieuwe moed zal nieuwe zorgen tarten.
Nu maar de zon gezien is aan de kim.
Na veertig jaren lijdens, tachtig jaren Van strijd, van bange worstling; \'t kostbaarst bloed
Bij stroomen, door steeds nieuwe heldenscharen,
Vergoten, onder wonderen van moed!
Aan \'t beulszwaard als aan \'t krijgszwaard \'t hoofd geboden. Den hongersnood verdragen en de pest.
En eindlijk, in den drang van duizend nooden.
De vrijheid van den nieuwen staat gevest!
Huis Wedde! uw naam moet onvergeeflijk blijven,
_En heilig in ons oog uw overschot!
Die d\' aanvang zaagt dier stoute krijgsbedrijven. Die eindelijk beslisten van ons lot.
Hier was de Rubicon; hier werd de teerling Geworpen; door geen Gesar, tuk op macht;
Maar door een hand, die dwinglandij te keer ging.
Zoolang ze een zwaard kon voeren, in Gods kracht.
Die heldenhand is om dat zwaard bestorven,
Eer \'t heilgoed was bevochten, daar ze om streed;
Maar roemt ons hart die \'t ons in \'t eind verworven. Wee onzer, zoo het Lodewijk vergeet!
Zijn naam sta in \'t gedenkboek der historie ^ Niet slechts, maar diep in \'t vaderlandsch gemoed!
Groot is die naam, nog meer door deugd dan glorie;
Door „Lijdzaamheid in Onschuldquot; groot, en goed.
* „Patience en Innocencequot; was het persoonlijk motto van Graaf Lodewijk van Nassau, te Wedde dertig en, ten dage dat hij op de Mookerheide sneuvelde, zes en dertig jaar oud.
01\' het veld bij heiliger lee.
OP HET VELD BIJ HEILIGERLEE.
23 Mei 1868.
Wees, Torst en Volk! weest mij gegroet,
Op dezen dag der dagen!
Nooit heeft voor \'t vaderlandsoh gemoed
Een blijder uur geslagen.
Herinneringen, grootsoh en schoon,
Verheffen \'t hart tot jubeltoon; De aanschouwing onzer oogen Komt onze vreugd verhoogen.
De meimaand spreidt haar rijkste pracht
Op wegen uit en velden;
Het aardrijk bloeit; de hemel lacht.
Als om Gods gunst te melden. De vaderlandsehe vlag, gesierd Met blijde oranje-strikken, zwiert En wappert, om ons henen....
— OüANjE-zelf verschenen!
Wees welkom, welkom, Vorsten-paar,
Uit d\'eelsten stam gesproten!
Wees welkom, onafzienbre schaar
Van Land- en Feestgenooten, „Wie Neerlandsch bloed door de aadren vloeit, „Wier hart voor land en koning gloeit,quot; Die, over veld en vloeden,
U naar dit punt kwaamt spoeden!
Waar staan wij ? Op het heuvelzand,
Ter onvergeetbre stede.
Waar nassau \'t eerst voor nederlanu
Het zwaard rukte uit de scheede;
Waar \'t Vrijheids-vaandel werd ontplooid. De leus weergalmde: „nu of nooit!quot; En \'t „sterven or herwinnen!quot;1)
Door harten dreunde en zinnen.
Waar staan wij\'? Op den heilgen grond.
Die \'t edelst bloed zag stroomen.
Maar aan het zwerk, op d\' eigen stond.
Den lichtstraal door zag komen.
Die, na een nacht van \'t bangste leed. De Martelaren hopen deed.
818
De scheemring, die in \'t oosten De Ballingen kwam troosten.
\') -Nunc aut nunquam,quot; „Recupeeare aut moriquot; stond op de vaandels^
op het veld bij heiligeklee.
Waar staan wij? Waar de strijd begon.
De strijd van tachtig\' jaren!
Die niet dan eervol einden kon
En Neeriands grootheid baren.
Waar de ïierste lauwer werd behaald,
Dien, schoon ook eerlang duur betaald \'),
De hoop als pand beschouwde Van d\' oogst, die volgen zonde.
0 Gij, „ouaxje\'s Rechterhand,quot;
En aan zijn hart ten zegen,
Met hem, de troost van \'t zuchtend land.
Door raad en daad en degen;
Gij, „Sidder zonder vrees of blaamquot;,
Graaf Lodewijk ! wiens dierbre naam. Aan Neeriands naam verbonden.
Onsterflijk is bevonden!
Uw hart was met dit volk geweest,
Van d\' aanvang van zijn lijden;
Hier stondt ge in \'t harnas, onbevreesd
Om voor zijn zaak te strijden.
ü w trouw was trouwe tot den dood!
De degen, hier door u ontbloot,
Is in uw hand gebroken.
Maar nimmer opgestoken.
Hier schaardet gij dat grimmig heir,
^ Dat gij alleen kondt temmen.
En, tot een strijd om eindloos meer
Dan buit en glorie, stemmen;
Gij, met den hoogen ernst van \'t woord.
Dat ^dringt in \'t hart van die het hoort;
Gij, op wiens open wezen Slechts goedheid was te lezen! 2)
Hier stondt gij, in uw God gerust;
Uw Broeder aan uw zijde;
Melakchtoks en der lett\'ren lust.
Maar even koen ten strijde:
Graaf adolf, edel, jong en schoon,
Zijn vrome Moeders vierde zoon.
En de eerste, die zijn leven Voor \'t heiligst recht zou geven 3).
\') Reeds den 21 Juli, bij Jemmingen.
2) Le Seigneur----de Sa grace vous a si richement eslargy ses dons, qu\'avecq
le bon vouloir et singuliere bonté que se liet sur vostre face, vous avez aussi etc. Charles utenhove, le lils, au Comte louis xassau, Groen v. Pr., Arrhites de la M ais son (V Orange-Nassau ii. 297.
\') Die moeder had hare vijf zonen (Willem, Jan, Lodewijk, Adolf en Hendrik) allen in den gebede aan God en zijne zaak toegewijd.
319
320 op het veld bij heiligerlee.
Hier stond het klooster; stille wijk
Der Norbertijnsclie vromen.
Daar werd het eerst door Lodewijk
Des vijands komst vernomen,
Als hij er \'t hart gesterkt had met Een weinig spijs en veel gebed,
En met gelaat en woorden De helden, die hem hoorden.
Ginds liep dat smal, dat zorglijk pad.
Langs de „onbetrouwbre grondenquot; \'), Dat aremiïerg voor eens betrad.
En nooit heeft weergevonden;
Hier stond hij, met verbolgen hart. Tot d\' ongeraden strijd getart.
En liet zijn koopren kelen Het „Genzendeuntjequot; spelen.
Hier wachtte hem dat Geuzenrot, Waarop de Spanjaard smaalde. Met rijklijk\' ernst voor laffen spot,
Als \'t hem op \'t vuur onthaalde Van hinderlagen wel geleid,
En aanviel met een dapperheid. Die toonde wat zij mochten.
En onder Wien zij vochten!
Hier stoof hem adolf in \'t gemoet.
Door \'t vurig ros gedragen.
Het oog in vlam, het hart in gloed.
Om \'t al voor \'t al te wagen.
Hier toonde hij zijn heldenaard.
En zocht den Veldheer met zijn zwaard. En hadd\' hem \'t hart getroffen . .. Als \'t lood hem neer deed ploffen.
Hier wreekte \'t heir zijn vroegen dood.
Met woede niet te toomen Eén worstling nog... De vijand vlood;
Zijn neerlaag was volkomen.
Naar allen kant uiteengespat,
Zocht hij vergeefs het veilig pad. En vond zich afgesneden,
Verdrongen en vertreden.
Hier heeft de bodem meegestreên
Voor die zijn vrijheid kochten. Met drassig moer, met brokklig veen, En groene watertochten.
^ De „Cumpi fallacesquot; van Tacitus.
OP HET VELD HIJ HEILIGERLEE. g21
Den vrienden trouw, den vreemden valsoh,
Bedroog, verzwolg hij tot den hals Meer van hun honderdtallen Dan lood of staal deed vallen.
Hier werd de zegevaan geplant,
Die schooner nog deed hopen!
Hier ging de buit van hand tot hand.
Met \'s vijands bloed bedropen.
Zoo was de leus gestand gedaan
Van „WEDERWINNEN of VERGAAN,quot; _
Trompetten aan de monden.
Die \'t land de maar verkonden!
Hier werd, met woeste vreugde, op \'t veld Bespreid met duizend dooden,
Het ros van d\' overwonnen Held Den winnaar aangeboden;
Maar hier ook stortte Lode wijk
Een traan bij \'t broederlijke lijk.
Een traan, als heldenoogen Om helden schreien mogen.
„Graaf adolp is gebleven
«In Friesland, in den slag!
„Zijn ziel, in \'t eeuwig leven,
„Verwacht den jongsten dag.quot; \')
Die zoo veel groots deed hopen
Voor d\' ongeboren Staat, -)
Moest met den dood bekoopen Zijn eerste heldendaad.
Geen bloei van jonge jaren.
Geen vorstlijk edel bloed,
Geen vroege lauwerblaren.
Gewonnen door zijn moed.
Geen broederlijke zorgen,
Geen moederlijk gebed,
Heeft, op dien grootschen morgen,
Dat dierbaar hoofd gered.
Dat dierbaar hoofd moest vallen.
Gelijk een bloem op \'t veld;
De zegepraal vergallen.
En toonen wat zij geldt. ..
J) Wilhelmuslied, 4e couplet.
Hooft6 Hif ^=LLeen ^®61\' wquot; !r00to h00pe\' en zeelquot; betreilrt by zijne broeders, was twee jaren oudeAun ^ jaren oud, toen hij sneuvelde. Lodewuk
OP HET VELD Bij HEIL1GERLEE.
Gij „Herberg der Gemeente!quot; \')
Ontvang \'t roemruchtig lijk, — Eens rijze een praalgesteente.
Zijn rang en deugd ten blijk.
,Graaf adoi.f is gebleven
pIn Friesland in den slag;
„Zijn ziel, in \'t eeuwig leven,
„Verwacht den jongsten dag.quot; Graaf lodewijk zal volgen:
Graaf hendrik, nevens dien In \'t slaggewoel verzwolgen, En nimmer weergezien.
De barre Mookerheide
Verbergt hun eindlijk lot; Een engel voerde beide Tot adolf en tot god.
Graaf .ian daalt, zat van dagen,
In \'t graf niet vreedzaam neer, Dan na drie zoons, verslagen Op \'t bloedig veld van eer.
En hij, die om te „ontvangen
„Van God, na \'t zure, \'t zoet,quot; Dit eene bleef „verlangen
„In \'t vorstelijk gemoed:
„Dat is, dat hij mocht sterven
„Met eeren, in het veld „Een eeuwig rijk verwerven, „Als een getrouwe held;quot;2)
Hij, dierbrer aan de harten
Dan do andre vier te zaam, In dezer tijden smarten.
De liefste en schoonste naam: Oranje, meer dan allen
Bemind en half vergood,
Moest door een sluipmoord vallen, En stierf den marteldood.
O Hemel! toon erbarmen Aan uw ellendig volk!
Wie zal het nu beschermen ?
Wie redden uit de kolk.
De zee, de diepe stroomen.
\') Embden, in Oostfricslanc!; dus geheeten als het toevluchtsoord van zoo veel vaderlandsche ballingen en vlnchtelingen om des gewetenswll.
-) WilUelmnslied, 9e couplet.
322
op het veld bij heiliöeklee. 323
Het schip van quot;t Vaderland,
Nu hij is omgekomen.
Die UUSTICi IN DEN BRAND DEI. CiOLiVEN EN DEK BAKEN, \')
Aan \'t roei- stond, kalm en vast,
Om „met Gods hulp te varen,quot;
Al kraakten steng en mast?
Schept moed, zijn onderzaten!
Heft op \'t mistroostig hoofd!
God zal u niet verlaten.
Al zijt gij nu beroofd.
Hij zal een redder vormen,
Die u ter hnlpe koom —
het tei.gje, in spijt der stormen,
woedt mettertijd een boom 1).
Prins maürits, held der helden.
En schranderst legerhoofd!
Wie zal uw roem vermelden,
Door later nooit verdoofd\'?
De sterkste steden bogen.
Werd slechts uw Komst gemeld.
En de opslag van uw oogen Sloeg legers uit het veld.
Hoe zegende, onder \'t zweven
Rondom zijn bloedig bed,
Graaf a dolk \'t hoofd zijns neven
Bij „Groningen gered!quot;3)
Hoe vlocht zijn geest hem palmen
En lauwren om de kruin.
Bij \'t overwinning-galmen,
In Nieuwpoorts roemrijk duin!
Maar toen „de stedeuwingekquot; 2)
Het vrijgevochten land,
Geteekend door Gods vinger,
Gezegend door zijn hand,
Zijn gordel had geschonken
Van Negen sterke steen —
En straks de vreêbazuinen klonken Zoo ver de zon dit erf bescheen;
s) De bevrijding van Groningen uit de macht der Spanjaarden door Prins Maubits, in 1594, is bedoeld.
) Eervolle bijnaam van Prins Frederik Hendrik.
op het veld bij he1lioerlee.
Toen \'t vrij gemeenebest zijn plaats En rang nam onder \'s werelds machten,
De dag des goeds den nacht des kwaads Vervangen kwam en \'t leed verzachten;
Maar toen, voor aller volken blik, Het kleinst, maar krachtigst volk der aarde De macht der vrijheid openbaarde.
Al wat tirannen heet ten schrik
Toen \'t, door de vrijheid rijk en groot.
Zijn vlag vertoonde in iedre haven.
En van twee werelden de gaven En schatten opving in zijn schoot:
Toen, toegelachen door haar gunst,
Zijn ■jrond zich ophief, na \'t vertrappen. De kweekplaats werd der wetenschappen. Het lievlingsoord van elke kunst;
Een toevlucht voor de Waarheid, lang Verstoeten van bebloede altaren; Een vrijplaats aller martelaren
Van godsdienst- en gewetensdwang:
Toen werd met volle hand gemaaid, Ter schuur gebracht met rijken zegen. Wat, onder zoo veel storm en regen.
Hier \'t eerst, met tranen was gezaaid.
Toen werd de gulden vrucht geplukt. Die op den eedlen boom gegroeid was.
Wiens wortel dikwijls blootgerukt En met het kostbaarst bloed besproeid was.
En nu — hier staan wij. Vorst en Volk! Een eeuw, en nog een eeuw verdwenen; Niet altijd heeft de zon geschenen;
Niet zelden dreigde wolk bij wolk.
Soms was de Vrijheid in gevaar;
Soms werd haar dierbaar erf geschonden;
En eenmaal werd, op haar altaar. Het heilig vuur gedooid bevonden.
Maar op dit veld, waar auolf viel.
Waar lodewijk zijn lauwer haalde.
Waar de eerste straal van licht op daalde, Betuige \'t onze dankbre ziel:
Met nassaü, met oranje aan \'t hoofd. Beveiligd door zijn staf en degen.
op het veld bij heu.igerlee. 325
Is ons geen voorrecht ooit ontroofd,
Maar wel \'t verloorne weergekregen.
Die hoogste macht beschikte \'t zoo,
Die over ons dees hemel welfde:
Het bloed der Nassau\'s bleef het zelfde. Van Heilgerlee tot Waterloo.
En zoo, om \'t even van wat kant.
Een vijand dreigde of onheil baarde.
Zien zoudt gij dat het met ontaardde.
Altijd gereed voor volk en land.
Wij weten \'t. Vorsten, die ik groet!
Waar \'t nood — des Konings bloed zou vloeien En, met het Uwe, een grond besproeien,
Gedrenkt met Uwer Vaadren bloed.
Zoo lang — (o God! dat niets ons scheid\'!) — Oranje Jfeerlands Kroon zal dragen.
Wordt strafloos nooit een hand geslagen Aan Neerlands onafhanklijkheid.
^ Maar \'s hemels gunst schenkt ons den Vreê, En, met den Vrede, zegeningen,
Die^ psalmen tot zijn eer doen zingen,
Van veld tot veid, van ree tot ree.
Ziet om u, Broedren! \'t Slagveld bloeit Van frissche klaver, golvend koren ;
En brood en goud bedekt de voren.
Waar \'t bloed der helden heeft gevloeid.
\'t Moeras draagt oogsten, waar gij ziet; De dorpen zijn gegroeid tot steden •
Waar elk des levens lieflijkheden Met on-benepen hart geniet;
Waar elk met lust zijn post betrekt.
Zijn werk verricht, en jjlukt de vruchten :
Waar slechts het misdrijf \'t zwaard moet duchten Dier Wet, wier schild de goeden dekt.
De wetenschap stalt ons haar licht Niet enkel uit, maar roert de handen.
En toegepaste kennis sticht Nieuwe „unie\'s van de zeven landen.quot;
Bracht niet de stoomtrein op dit veld \')
Het halve vaderland te zamen 1....
\'•) De spoorweg tusschen Groningen en Winschoten was juist sedert den eersten Mei geopend.
op het veld iüj heiligeklee.
Een wenk!... De telegraafdraad meldt In Spanje ons feest en nassads namen!
Ontwikkling, welvaart, overvloed,
Nieuwe onderneming, grootsehe werken; Ziedaar, waar God de hand wil sterken; Ziedaar, wat Vrede en Vrijheid doet.
Vrij — o mijn Volk! wie is \'t als gij, In uw Oranje-schaüw gezeten\'?
De tong, de pen. de pers, \'t geweten. Aanbidding en belijdnis vrij!
Waardeer uw voorrecht, Nederland! Erken \'t als gift van Gods genade;
Kweek, eer, ontzie het, vroeg en spade; Versterk het door uw eendrachtsband!
Sticht op dees plaats een eertropee!
Dat een gedenkzuil rijze,
Die \'t roemrijk veld van Heilgerlee
Aan kroost en nakroost wijze. Van adolfs lof de ziel vervuil\',
Van LODEwuK doe hooren.
Van nassads leeuw het eerst gebru.
Herroep voor hart en ooren!
Bestrooi met rozen dquot; eersten steen.
Aan wien wij \'t welkom zingen;
Plant bloeiend hout om \'t voetstuk heen,
Meidorens en seringen;
Dat telken jaar, wanneer de Mei
Haar bloemen weer komt schenken. Een geur zich over \'t land versprei
En hunner doe gedenken!
Maar ook, begraaf er d\' ouden twist En laat geen nieuwe ontspruiten! \'t Volk, dat inwendige eendracht mist,
Is zonder kracht naar buiten.
Verbeurt zijn vrijheid, en \'t genot
Van al haar zegeningen.
Verstoort zijn bloei, en zal zijn God Tot harde lessen dwingen.
Gij niet aldus! De wereld zie
In u een volk, vereenigd En krachtig door een wijsheid, die Geen wonden slaat, maar lenigt; Een volk dat, vreedzaam, vroom en vroed. Met zijne ervaring voordeel doet;
op het veld rij heiligerlee.
Waar allen samenwerken Om aller hand te sterken!
Waar eerbied heersoht voor ieders recht
En ieders rein bedoelen;
Waar arm en rijk, en heer en knecht
Zich land-genooten voelen;
Waar de eene stand den andren eert,
Geen enkle deugd haar lof ontbeert, En handen saamgeslagen Den troon des Konings schragen.
Geen volk dat, voor zichzelven wreed
En niet zijn toekomst spelend. Brooddronken zijn geluk vertreedt.
Uit weeldrigheid krakeelend;
Waar hoogmoed tegen hoogmoed strijdt; Waar eerzucht afgunst baart en spijt:
Waar lastren en verdenken Des naasten zielsrust krenken;
Waar godsdiensthaat den godsdienst moordt
En spot met broederplichten;
Maar, waar men leeft naar \'t Heilig Woord,
Dat niet dan goeds kan stichten;
Waar God gevreesd wordt, met ter daad. Alle ongerechtigheid gehaat.
En ouders kindren leeren Het best de besten te eeren;
Een volk, door zielegrootheid groot. Wat aanzien \'t worde onthouden 1 Sterk door den sterken bondgenoot,
Op wien de Vaadren bouwden;
Van wien oranje schreef; \') tot wien Ook LODEwijK had opgezien.
Tot hij, voor \'t oog der aarde. Den vrijheidskamp aanvaardde.
Zoo moge \'t zijn! De wereld hoor,
Van dees gewijde stede,
Een kreet, die door de wolken boor.
Een duren eed, een bede:
Een kreet van vreugde uit volle borst ; Een eed van trouw aan Volk en Vorst; Een beê tot God hierboven.
327
Wiens liefde en macht wij loven!
\') Uit Dordrecht, 0 Aug. 1573, aan die van liet Noorderkwartier: „metten aller-oppersten Potentaet der Potentaten alsulcken vasten verbont...quot; Zie den brief bij BOE, B. VI. 327, 8. .j.
op het velu nu iieiligerlee.
God! die de Vorsten leidt Naai- uwen wil,
Ieder zijn weg bereidt,
Woelig ot\' stil;
God! die de volken hoedt Naar uwen raad.
Wonderbaar wijs en goed, In goed en kwaad;
Die ze in den smeltkroes smelt. Loutert door druk;
Die al hun leed bestelt.
Al hun geluk:
Zegen met milde hand
Koning en Vaderland;
Sterk onzen eendrachtsband;
Houd nassaus Huis in stand; Weer ieder juk!
Weer ieder dreigend kwaad;
Smoor alle twist en haat;
Stuit elke booze daad;
Ruk al wat schendt en schaadt Uit onzen hof!
Leer Vorst en Volk zijn plicht;
Spaar ons uw strafgericht;
Laat ons het vriendlijk licht
Zien van uw aangezicht!... ü zij de lof!
TB WINSCHOTEN.
23 Mei 1873.
aan den koning.
Winschotens vreugde stijgt ten top; Het slaat zijn vroolijkste oogen op; Het heeft de maar vernomen Uw Koning is gekomen.
Uw Koning uit denzelfden stam, Waaruit het paar zijn oorsprong nam. Dat, op de naaste heuvelen. Herwinnen kwam of sneuvelen.
Uw Koning, van het zelfde bloed, Het zelfde hart, den zelfden moed. Die even gaarn\' zijn leven Voor uw behoud zou geven.
OP HET VELD BIJ HEILIGE RLE E.
De Koning, aan het hart zoo dier, Die vijf en twintig jaren schier Een koningsstaf deed vonkelen, Waarom de olijven kronkelen.
Hij kwam, hij kwam op aller wensoh ; Ook voor dees noordelijkste grens En grensplaats zijner Staten,
Heeft hij den Haag verlaten.
Zijn wenk onthulde \'t denkgesticht, Ter heilger standplaats opgericht, — Hoe klopten toen de harten.
Die alle volken tarten;
Die alle volken tarten om Te wijzen ruimer heiligdom Voor Vrijheid, Eendracht, Orden Dan Neerland is geworden;
Te wijzen vaster liefdeband Dan Nassau hecht aan Nederland, Dan Nederland blijft snoeren Aan die zijn schepter voeren!
G-egroet, die komt op aller beê. Gegroet, die komt van Heilgerlee, Gegroet, gegroet, o Koning, Met vreugde- en dankbetooning!
Winschoten was een dorp, niets meer. Toen Nassau krenkte \'t Spaansche heir Nu pronkt het bij uw steden.
Maar nooit zoo fier als heden!
Nooit zoo hoovaardig, zoo verblijd! Als nu gij in zijn midden zijt, In \'t midden van zijn zonen Uw aangezicht komt toonen.
Nu frissche jeugd en ouderdom U roepen mogen \'t wellekom, En maagdelijke vingeren L groen en bloemen slingeren;
Nu yaderlandsche moedermin De jongsten van hun groot gezin In de armen op mag heffen.
Op dat ze uwe oogen treffen;
Nu u de mannen-trouw en kracht Van \'t breedgeschouderde geslacht.
OP HET VELD BIJ HEILIGEKLEE.
Dat hier mag ademhalen,
Van \'t voorhoofd toe mag stralen.
Nu, in dees langgewenschten stond. De eenstemmigheid van hart en mond. 0 Koning ! voor uw ooren De bede mag doen hooren;
De bede: Koning! leef, regeer,
Nog lang in vrede, macht en eer. God dekke uw hoofd en wegen Met allerhande zegen!
Van waar de Dollart met zijn slijk Deze oorden vruchtbaar maakt en rijk. Tot waar de Zeeuwsche stroomen Hun Leeuw zien bovenkomen;
Van waar de Rijn langs Lobith spoedt. Tot waar het Vlie de wimpels groet, De wimpels op de stengen Die de oostergaven brengen;
Tn Noord en Zuiden, Oost en West, Waar zich uw vorstlijk oog ook vest. Zie \'t Neerlands vrije zonen Eendrachtig samenwonen.
Hun vrijheid, door het dierbaarst bloed Gekocht, verworven, en behoed. En allen braven heilig,
Is bij uw schepter veilig.
Uw troon gegrond op dank en deugd. Die driemaal honderd jaren heugt,
Dien liefde en trouw ommuren Zal tijd en lot verduren.
,Oranje boven!quot; blijft de kreet, In nood en dood, in lief en leed;
Geen andre ga daar boven Dan waar wij God meê loven.
voor den
DAG DER ONTHULLING
van het
NATIONAAL GEDENKTEEKEN VOOR 1813.
in het
WILLEMSPARK TE \'s-GRAVENHAGE. 17 November 1869.
Het was, aan het hoofd der ,Hoofd-Commissie voor liet Nationaal Gedenkteeken voor 1813quot;, het verlangen van Prins Frederik. dat door mij de tekst zou worden geschreven voor eene Cantate, uit te voeren op den dag der Onthulling, op een door Z. K. H. te geven avondfeest en waarvan de compositie aan den Heer Nicolaï, Directeur der Koninklijke Muziekschool moest worden opgedragen.
Met liefde kweet ik mij naar mijn best vermogen van de ver-eerende taak, en had daaraan in eene eerste plaats de aangename kennismaking en eene belangrijke briefwisseling met dezen begaafden toonkunstenaar te danken.
Ons gezamenlijk werk werd ter bepaalder ure ten gehoore gebracht, in tegenwoordigheid van den Koning, de Koningin, den Prins van Oranje, Prins Alexander, Prins Frederik, Prinses Maria, de Ministers, het Corps Diplomatique, ten welks behoeve eene Fransche prozavertaling van den tekst vervaardigd was, en de verdere aanzienlijke en uitgebreide schaar der door Prins Frederik genoodigden. Een „Klavieruittreksélquot; van de muziek zag te Utrecht bij Roothaan het licht. Hier geef ik de woorden, met terugneming, in het belang der lecture, van enkele geringe wijzigingen, welke de muzikale bewerking en verdeeling in het oorspronkelijk handschrift wenschelijk hadden doen voorkomen.
Sept, 1874.
In des aardrijks schoot,
In den arm van den dood,
Ligt de roerlooze steen.
Eeuwen aan eeuwen gaan over hem heen; Geslachten verschijnen Geslachten verdwijnen;
Tronen verrijzen en zinken ineen;
FEEST-CANTATE.
Machten en volken komen en gaan:
Niets doet hem aan.
Wat op de hoogten der aarde geschiedt, De duistere diepte verneemt het niet.
II.
Houweel en spade,
vervult uw plicht!
Werkzame handen,
brengt hem aan \'t licht!
Oog van den Meester,
daal neer in gunst!
Zweef om hem henen,
heilige kunst!
Kaak hem met uw vleugelen aan!
Laat over den dooden uw leven gaan!
Geef hem ziel, geef hem sprake!
De sluimrende ontwake!
De roerlooze heffe zich op!
Hij roepe ons te zamen!
Hij sta in ons midden,
Verhefl\'e zijn stem!
Hij doe gedenken Aan bange dagen.
Aan heilige uren,
Aan raad der wijzen.
Aan moed van helden. Aan trouw van vorsten; Hij wijze ten hemel —
Van waar de hulpe kwam!
III.
Men heeft u vaak benauwd, van vroege tijden.
Mijn Vaderland! en steeds uw val gezocht. Men heeft u vaak benauwd en veel doen lijden,
Doen lijden, maar niet overmocht.
Men heeft uw rug door ploegers diep geploegd;
Die hebben wreed hun voren lang getogen, En smart bij smart tot uw verderf gevoegd:
God was uw kracht — hun wreedheid, onvermogen.
Hij telde uw tranen, zag uw bloed,
En nam uw leed ter harte.
Gaf troost en hoop, geduld en moed En \'t einde van uw smarte.
FEEST-CANTATE. 833
Uw recht werd niet door hem veracht;
Zijn oor vernam uw klagen;
Straks deed hij uit den zwartsten nacht Den schoonsten morgen dagen.
IV.
Nog is het niet vergeten,
Al brak Gods hand ze stuk,
Het klemmen van de keten,
Het knellen van het juk;
Nog leven er die weten Hoe bang der vrije ziel De zweep des drijvers viel.
Al ligt zij lang versmeten.
Dat van die bange tijden
De erin\'ring niet verdwijn!
Den kindren der bevrijden
Moet ze eeuwig heilig zijn;
Hun lijden en hun strijden Met dieper dank herdacht,
Hoe meer zich \'t nageslacht In voorspoed mag verblijden.
V.
De wateren zijn tot de lippen gekomen;
Wee Holland! wee!
De kroon is van uw hoofd genomen;
Wee Holland! wee!
L w Zonen vinden in verre streken Een bloedigen dood;
De moeders schreien, van smart bezweken,
Haar oogen rood;
De wraakkreet der vaders stijgt tot de wolken De grijsaards scholen somber saam — Uitgewischt, uitgewischt is uw naam Op de rolle der volken.
Zet open de sluizen! Breek dammen en dijken,
liruis over den lande,
Verbolgene zee!
Verslind onze steden, verstrooi onze lijken,
Verberg onze schande!
Wee Holland! wee!
VI.
0 kalme Wijsheid, vol vertrouwen.
Die daar, waar alles valt en stort,
Een grond zoekt om weer op te bouwen.
En in geen storm verbijsterd wordt!
FEEST-CAXTATE.
Erntfeste Deugd van \'t onbevlekt geweten Van dringende eerzucht vrij en slordige eigenbaat En Moed, tot al wat groot mag heeten Altoos bereid, geheel in staat!
Drievoudig snoer, niet haast gebroken,
Aan u hing Neerlands lot,
Ten dage dat een machtig God Het woord der redding had gesproken.
Eere den Mannen, die niet versaagden!
Eere den Vromen, die hoopten en waagden!
Eere den Wijzen, die waakten en wachtten !
Eere den Braven, die \'t heerlijk volbrachten!
Eere het Drietal, die alles bewerkten!
Hun beeltenis praal In blinkend metaal!
Eere den Velen, die steunden en sterkten! De duurzame steen Voeg hun namen bijeen;
De zuile der eere vereenige en drage Hun beelden en namen ten eeuwigen dage;
De zuile der eere, door niets te vernielen. Vereeuwig den dank onzer dankbare zielen!
VII.
\'t Besluit is genomen,
Het moedig besluit;
Het uur is gekomen;
Zij treden vooruit.
Het volk stroomt hun tegen;
De vijand deinst;
Nu spreekt aller wegen Het hart ongeveinsd.
Oranje boven!
Laat hooren! Laat hooren!
Oranje boven!
De kleur van den Vorst Aan hoeden en borst!
De vlag op den toren!
Oranje boven!
VI1L
Al toeft de Vorst aan \'t vreemde strand.
Zijn hart is in zijn Vaderland!
Al had hem \'t Vaderland verstooten.
Het heeft reeds lang hem noode ontbeerd; Hoe wensoht het dat hij wederkeert In \'t midden van zijn landgenooten!
4
feest-cantate.
Hij komt; liij bomt; op aller beê! Met blijden golfslag voert de zee
Hem aller open armen tegen.
Wees dierbaar vaartuig! wees gegroet!
Geen ander bracht ons van den vloed Een grooter schat, een wisser zegen.
Hii komt! Daar is hij! God is groot! Aanschouwt hem, Kindren! \'t Hoofd ontbloot
Gij Mannen! draagt hem op uw handen! — Eén juichtoon rijst, één feestgeluid, En hof- en hoofd-stad roept hem uit Als „Hoopd en Redder dezer Landen.quot;
IX.
Prins Willem! dat geen hart vergete Wat gij voor Neerland hebt verricht!... Rust zacht in \'t Delftsche grafgesticht! Maar dat de laatste nazaat wete Wat land en volk u zijn verplicht.
Geen hoog-gezag kon u bekoren Dan afgeperkt met wijze hand Uw wensch was ,\'t vrije Vaderlandquot;; Het staatsverdrag, door u bezworen. Was heilige Eendrachts zachte band.
Gij hebt een koningstroon bestegen. Op aller liefde en wensch gegrond; De olijven groenden, waar hij stond, De gouden halmen ruischten zegen. De bijen vlogen vroolijk rond.
Het Oosten zond tiendubble gaven, Tiendubble schatten wel te vreê;
\'s Lands wimpel vloog van zee tot zee; Daar was belooning voor den braven. Verhooring voor der armen bêe.
Uw Zonen stonden aan uw zijde.
De hand aan \'t zwaard, het hart vol moed: Voor \'t land te sterven scheen hun zoet, Waaraan hun Vader \'t leven wijdde;
Twee helden van het echte bloed!
Rust\', ruste, o Vorst! uw koud gebeente, Bij zooveel Nassaus, ongestoord!
Uw hart kloppe in uw afkomst voort! Uw beeld versiere ons denkgesteente! Uw lof wordt nimmermeer gesmoord.
f eest-c ant ate.
X.
Het juk is afgeworpen,
De dwinglandij gestuit;
In steden en in dorpen Breekt vroolijk leven uit.
Aan Amstel, Maas en Schelde,
Aan Rijn en IJsselboord,
Heerscht blijdschap op den velde En binnen vest en poort.
In \'t rond, aan al haar stranden,
Besproeit de Zuiderzee Weer Neueklandsche landen, In vrijheid en in vrêe.
En op de groote wateren
Doet, als in vroeger dag,
De wind het dundoek klateren Van Neerlands vrije vlag.
XL
Nederland is hersteld,
Is hersteld in de rije der staten, Is verlost van het vreemde geweld, Is bevrijd van die \'t smaadden en haatten.
Nederland is hersteld;
Zijn rang en zijn eer zijn herwonnen,
Nederland is hersteld; Een nieuwe tijd is begonnen.
Nederland is hersteld! Trompetten, klaroenen, kanonnen, Vlaggen en vanen.
Dankbare tranen.
Stift der Historie, vermeldt:
„nederland is hersteld !quot;
XII.
Des Heeren hand heeft groote dingen
Aan land en volk gedaan;
Dies laat ons, hem ter eere, zingen.
En dankbaar tot hem gaan; Nu, daar wij vroolijk juichend maaiden
En droegen in de schuur.
Wat wij met zooveel tranen zaaiden, In \'t bang- beproevingsuur.
feesï-cantate,
„Ons schild en ons betrouwen giji 0 G-od en Heer!quot;
11 blijft Neerland bouwen; Verlaat ons nimmermeer!
Laat ons godvruchtig blijvên
U dienen \'t aller stond,
-Al wat onteert verdrijven Van Neerlands vrijen grond!
Behoed den Koning, Heere, Heere! n i Behoed des Ivonings Zoon!
at elk van ons zijn schepter eere, Jin schrage zijnen troon!
-Bewaar ons vrijheid, rust en vrede Versterk onz\' eendraohtsband in neig uw oor tot elke bede Voor Vorst en Vaderland!
XIII.
O bloem van onze steden,
1üquot;i\'u®sc^en en zilten vloed,
■Jk in bekoorlijkheden. Uw vijverzwanen voedt!
v \'s Gravenhage,
Verblijf van vorsten, vorsten waard:
-tloe klimt van dag tot dage
uw schoon voor \'t oog der aard.
L w pleinen en uw parken
biJ \'s hemels gunst, ün tooit ze met de werken Der nooit volprezen Kunst.
Gelukkigste der steden,
W0P zooveel sieraad prat,
Wat rijk geschenk wordt heden bevoegd bij uwen schat!
Een zuil rjjs tot de wolken Aan \'t Scheveninger strand-Ook gij verkondigt thans den volken: r(iod redde Nederland.quot;
De hulde, lang ontworpen.
Verbergt zich langer niet: Lw btirums en uw Hogendorpen,
uw van der Duyns is recht geschied.
En Neerlands uitverkoren.
De Vorst door elk beg\'eerd,
feest-caxtate.
Staat in uw midden als herboren, Op \'t voetstuk, dat hem dankt en eert.
XIV.
Stijg tot den hemelboog,
Schitter voor aller oog
Opgericht teeken!
Steen der gedachtenis.
Houd in ons raidden wacht,
Bl^i\' ons, bij dag en nacht,
Blijf tot het laatst geslacht Van al wat Hollandsch is Tuigen en spreken!
Gij toont de schoonste Namen!
O dat zij nimmer, nimmermeer Het nageslacht beschamen,
Maar prikkelen tot eer!
Gij moogt met Beelden prijken Van Vorst en vorstlijke Bdelliên:
O dat zij mannen era zich zien.
Die hun in deugd gelijken.
Gij voert veel Wapenschilden, Met ïfassaus schild ....
„je maintiendrai !quot;
Met Nassaus Schild in schoon verband:
O dat zij nooit iets anders wilden Dan quot;t heil van \'t eene vaderland!
Op uw top prijkt de Leeuw
onvervaard, vrij en groot: Dat God hem beware, zoo kent hij geen nood!
Stijg tot den hemelboog.
Schitter voor aller oog.
Opgericht teeken!
Steen der gedachtenis Houd in ons midden wacht.
Blijf ons, bij dag en nacht.
Blijf tot het laatst geslacht Van al wat Hollandsch is Tuigen en spreken!
Sta op uw breeden voet.
Sta in de stormen vast.
Lijd van geen winter last.
Splijt in geen zomergloed,
In alle wind en weer.
338
DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH. XXI
Bladz.
Wij zijn kindren van ons land...........100.
Wilt ge dat we u metterdaad......................273.
Wilt gij zien een sclioone maagd........132.
Winsohotens vreugde stijgt ten top..................328.
Wordt u de aarde droef en duister.........67.
Zaagt gij hoe die ster verschoot\'?.........131.
Zeer zelden is ons de eer beschoren.........49.
Zeg uw gedachte, zing uw lied..........73.
Zeven en een is acht.............123.
Zie op de quot;bruine heide..........................302.
Zijt mij gegroet, Met blij gemoed.........48.
Zjj waren beiden frisch en sterk....................240.
Zij zeggen: „Laat uw dwaas vooroordeel varen..........238.
\'t Zit in de golf van Napels niet..................275.
Zoo ge u goede menschen op wilt voeden.......111.
Zoo gij gelukkig zijt, mijn vriend!..................270.
Zoo gij mij boeien wilt en treffen.........63.
Zoo velen zwelgen in het Overbodige................270.
Zou \'k mijn naasten ooit berooven..................308.
Zult gij de wereld gadeslaan......................274.
DE EERSTE REGELS ALPHA BE TISCH. XIX
Bladz.
O God, ik maak uw goedheid groot..................289.
0 God, uw aldoordringend oog..........291.
0 Hoe gelukkig is het kind........ ■ 294.
0 Kind, van God gegeven ■ 203.
Omkrans het hoofd, het achtbaar hoofd .....53.
Onder vreugde en zoete smarten .........66.
O Nederland, mijn Vaderland!...........87.
Ongevoelig, ruw, koelbloedig...........177.
Onmiddlijk nut sticht niemand, enz....................260.
„Ontboezeming.quot; Ja; zoo dat waar was ... ... 7.
Ontvalt u vrind op vrind............271.
Onze oude moeder heeft verheugd.........197.
Onze wegen scheiden..............85.
Ook die harp, ook die harp dan tot zwijgen gebracht . . . 196.
Ook ik ben \'t land van bergen, stroomen.......213.
Op een Driekoningen-avond . .........199.
Op straat zij twist en luid rumoer..................295.
Op \'t ziekbed dankt u. Heer! mijn lied . ......67.
O Zing mij nog eenmaal het oude lied . . . . ■ - . 253.
Partijman wezen wil ik niet........... 252.
Pluk rozen naar uw lust, en laat het boompje snoeien ... 80.
,Poëtisch prozaquot; — Ja, enz............ 273.
Prachtig blonk voor ons oog enz...........187.
Professor is geleerd, enz........... • 262.
Reeds begint de spin haar rag..........184.
Regen, Regen, Regen............. 228.
\'k Schiet hoenders in de vlucht, enz.........11.
Slechts blijde tonen kunnen \'t zijn.........187.
Spreid vroolijk, tusschen gras en kruid........69.
\'k Stem toe, met ieder menschenkind........129.
Stijgt gij naar omhoog.............185.
Tradt gij, lieve Bruid!.............31.
Treedt vroolijk, treedt met fierheid op........105.
Trippel vroolijk op uw dorre beenen.........152.
Tusschen bosschen, beemden, duinen.........159.
ü heb ik steeds bemind.............148.
Uit een ver verschiet.............147.
\'t Uitvoerig beeld voldoet niet recht.........56.
Uw naam zoo heilig en verheven.......... 296.
Uw verzen komen tot mijn ooren..........72.
Uw wenkbrauw daalt, uw oog schiet stralen...... 232.
Van der bergen steile wanden..........2.
Van mij te verschillen, gelijk gij ziet........152.
van de kleinere gedichten
Bladz.
Van wat ik zag, enz............... 274.
Vergeet uw vrees voor louter vreugd........13.
Verkiesbaar zijt gij naar de wet..........11.
Verscheiden tonen hoort men hier . . . ■.....22\'J.
Verwijt gij mij, mijn waarde!...........20.
Vijf en twintig jaar getrouwd...........201.
Vijf groschen. Heeren, geeft wel acht....... 242.
Voer me op des Heuvels top, als uit haar slaap ontwakend . 47.
Voorbeelden weet ik wel genoeg.......... 293.
Voor de wereld bloeit gij niet...........23.
Voor uw mooie oogen, Bartje...........132.
Vroegtijdig zijt gij heengegaan..........122.
Vroolijke Onschuld, die niet weet.........52.
Vrouw Sijmensz kan niet scheiden van de zee.....216.
Waarheid is het lichtste spel van allen........110.
Waar is uw hart, enz..............211.
Waar is, waar is de nachtegaal..........153.
Waarom de Maan zoo gaarn wordt aangeblikt?..........256.
Waar zijn de liedren, waar de tonen................247.
Wanneer de kindren groot zijn, enz..........193.
Wanneer ik wandel langs den weg..................287.
\'t Was de eerste thuiskomst na haar sterven............280.
Was op mijn versleten luit............74.
Wat apenmoeder heeft voorheen....................268.
Wat dwaasheid is het trotsch te zijn................298.
Wat een lied kan doen behagen..........108.
Wat elk behaagt op d\'eersten blik.........67.
Wat is er niet te hooren............69.
Wat kan in \'t Gooi, een schuldloos kind.......100.
„Wat Poëzie, en waar haar woon is?quot;................257.
Wat \'s aardsche roem? enz............102.
Wat schoon is moet eenvoudig zijn.........49.
Wat \'s de schoonste en zoetste traan........87.
Wat smeedt gij. Smid? enz...........185.
Wat staart gij met kortzichtige oogen........109.
Wat vleesch noch bloed. ... ........144.
Wat wil men toch in Nederland?..................253.
Wee, die zijn „Ik ga stervenquot; spreekt........185.
Ween, trouwe liefde, ween............110.
Weer zoo\'n beklaaglijke..........................265.
\'k Weet dat er twee Geneve\'s zyn.........152.
Welk een vreugd in uw jeugd, welk een gloed in uw bloed . 113.
Wie heeft ooit den Bijbel mij......................253.
Wie wordt door elk bemind? enz..........196.
Wie zal u drukken aan zijn hart....................244.
Wie zal uw lijden ons verhalen..........35.
Wie zegt daar: „\'t ia nog tijds genoegquot;..............298.
Wij waren verloren: gij hebt ons gezocht.......188.
xx
FEES r-CANTATE.
Strek tot uw Makers eer, Wek kracht en moed!
XV.
Dat in ons midden
de Trouw volharde,
de Kloekheid pal sta, de Wijsheid woon, De Deugd regeere,
de Godsdienst wake,
de Dank zich toon!
De toekomst brenge
voor schoone blaadren in \'s Lands Historie de rijkste stof!
De Kunst omstrengel het hoofd der helden
met de eelste kransen uit haren hof!
Aan al wat groot is,
aan al wat goed is,
aan al wat schoon is, zij hulde en lof!
De plaats der eere de vrije lucht,
het licht des hemels,
\'t ontzag der volken, van eeuw tot eeuw, Neerlauds Maagd, Neerlands Leeuw!
god zij met ons !
XVI.
Is God met ons, wie zal tegen ons zijn
Wie tegen ons vermogen ?
Gerust in Hem,
stijg met luider stem Het feestlied naar den hoogen! Stort uit mijn volk, stort uit uw hart.
Laat blijde vivats rijzen!
Vervul de lucht
met uw zang en zucht Met liefde- en vreugd-bewijzen.
De koning leef! die d\' eersten steen Gelegd heeft voor dit eergesticht.
feest-cantate.
De koningin, wier vriendlijk oog De kroon versiert, haar volk verblijdt, De deugd vereert.
De kroonprins leef; dat over hem De geest der groote Vaad\'ren koom!
Leve elke Loot En Stamgenoot Van d\'oud\' Oranjeboom!
Prins FREDRiK leef, wiens wenk de zuil Onthuld heeft en aan \'t oog vertoond! De Hemel spaar Het grijze haar.
Waar Hij zijn deugd mee kroont!
De kunstnaar leef, die \'t werk ontwierp ! De kunstnaar leef, die \'t werk volwrocht! Elk die zijn tijd En kracht en vlijt Aan d\'arbeid leenen mocht!
Het vaderland, het vaderland. Ons dierbaar neerland bloei en leef! Met west en oost.
Waar onverpoosd Zijn vlag en wimpel zweef\'!
In des aardrijks schoot, enz.
De steen, waarvan het gedenkteeken gebouwd Is (lichtgele Bollendörfer hardsteen), is met de grootste zorg gekozen en uit een en dezelfde, maagdelijke, groeve gehouwen.
III.
Vg. Ps. 129.
Aan de achterzijde van het monument, is het driemanschap, de Graven G. K. vax Hogendorp en van Limburg Stirum met den Baron van der Duyn van Maasdam voorgesteld als zich met en jegens elkander verbindende voor de herstelling van Neerlands onafhankelijkheid onder Oranje.
Onder de groep van de drie mannen leest men, in verschillende soorten van vergulde groote letters:
Gijsbert Karel van Hogendorp, Frans Adam Baron van der Duyn van
340
11
■ -g-I IlS
É
f4\'
1«
-
tl f| ■ ■■
1,quot;\'
i
lil I
KEKST-CANTATE.
Maasdam, Leopold Graaf van Limburg Stirum ondernamen 17 November
1813 het herstel van nederlands onafhankelijkheid onder den kreet van „oranje boven!quot; In hunne gevaren, in hun beleid, in hunne overwinning deelden A. r. FaLCK, J. M. kemper en Gr. C. r. r. van BRIENEN van rame-rus, E. Canneman. F. D. Changuion, J. Fagel, C. A. Fannius Scholten,
W. van Hf.ynsbergen, E. van der hoeven, J. F. van hogendorp, C. F. de
Jonge, F. C. de Jonge, A. Kikkert, H. A. van Kinckel, C. R. T. Kraijenhoff, J. S. May, H. G. de Perponcher, A. H. J. van der Plaat, O. Repelaer van Driel, J. Slicher, J. D. Sweerts de Landas, J. C. van Oldenbarneveld genaamd Witte Tullingh, G. Verdooren, G. T. Wauthier en vele andere
brave burgers en krijgslieden.
Een dankbaar rolk eert hunne nagedachtenis.
VII.
Een bas-relief op de ovale zuidzijde van het monument stelt het openlijk dragen der oranjekokarde, het uitsteken van de oranje-vlag te\'s Gravenhage en het terugtrekken der Fransche krijgsmacht voor.
VIII.
Een bas-relief op de ovale noordzijde vertoont een tafereel van de aankomst van den Prins van Oranje op het strand te Scheveningen, den 30 Nov. 1813.
Op de voorzijde van het monument prijkt het beeld van Willem I als Souverein Vorst, het koningschap over de toenmalige Nederlandsche gewesten aanvaardende, voorgesteld op het oogenblik van het zweren van den eed van getrouwheid aan de Grondwet.
Daaronder staat in vergulde letters:
WILLEM FREDERIK, Prins van Oranje Nassau,
30 November 1813, na een scheiding van 19 jaren aan \'t vaderland wedergegeven, aanvaardde 2 December 1813, voor zich en zijne nakomelingen de souvereiniteit der vereenigde Nederlanden.
30 Maart 181J: te Amsterdam ingehuldigd, zwoer hij: de Grondwet te
ONDERHOUDEN EN DE ONAFHANKELIJKHEID VAN DEN STAAT EN DE VRIJHEID EN WELVAART DER INGEZETENEN MET AL ZIJN KRACHTEN TE BEVORDEREN.
Als nationaal blijk van dank aan hem,
NEERLANDS HOOFD EN REDDER,
werd dit gedenkteeken gesticht, uit bijdragen, verzameld in al de provinciën en de overzeesche bezittingen des rijks.
X.
In \'t rond, aan al haar stranden.
Besproeit de Zuiderzee Weer Nederlandsche landen, enz.
Men denke aan het Departement der Zuiderzee, deel van het Fransche Keizerrijk,
XI. XII.
Boven elk bas-relief (zie onder Vil en VIII) is geplaatst een zittend beeld, voorstellende, het eene de Geschiedenis, het andere den Godsdienst.
Boven de Geschiedenis staat met vergulde letteren ingebelteld :
Het Vaderland wederem geplaatst in den rang der volken van Europa. Brief Prins van Oranje van 22 November 1813.
Boven den Godsdienst:
De Heer heeft groote dingen hij ons gedaan; dies zijn wij verblijd. Ps. 126, v, 3.
God redde Nederland Is het opschrift van een gedenkteeken ter herinnering aan de gebeurtenissen van het jaar 1813, op den 24en Augustus 1865, te Scheveningen opgericht. Aanleiding daartoe was gevonden in de volgende versregelen van A. J. Zubli, voorkomende in zijn Dichtstuk In 3 zangen, in 1815, onder den titel van „Nederland verlost, Ao. 1813,quot; in \'t licht gegeven.
O Dag, door God bereid! O Heil, door God beschoren! Uw nagedachtenis ga nooit bij ons verloren!
Rlgt een gedenkzuil op aan \'t Schevenlngsche strand.
En grift daar op in goud; „God redde Nederland.quot;
341
FEESTquot; CANT ATE.
XIV. XV.
Eondom het bovenvak van het gedenkteeken staan de Wapens der toenmalige acht provinciën, met dat van den Prins in één snoer verbonden. Op den top, de Maagd van Nederland, bij verbrokene ketenen het Oranjevaandel plantende, en de Nederlandsche Leeuw, die zich opricht.
XVI.
Zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? is een der vier spreuken, welke naar aanleiding van de redevoering door van Oosterzee, bij het leggen van den eersten steen, uitgesproken, in den ondersten omgang van de stoep, die rondom het gedenkteeken is aangebracht, te lezen staan.
Aan den voet van het gedenkteeken, onder de groep der drie mannen wordt vermeld, dat Koning Willem III op den 17 November 1863 den Eersten Steen gelegd heeft: onder het beeld van Willem I leest men, dat de plechtige Onthulling op den 17 November 1869 door Prins Frederik der Nederlanden is geschied.
342
DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH.
Bladz.
Ik; ben de liefde zelf, enz.............10.
Ik ben nu nog jong en teer......................805.
Ik breng met hart en tong......................290.
Ik dacht zoowaar dat „louter Bronnenquot;..............225.
Ik had in mjin gedachten............122.
Ik had nog nooit een meer aanschouwd..............239.
Ik heb van nacht uw stem gehoord.........50.
Ik hoorde een liedjen in het Sticht.........126.
Ik ken geen schooner kleuren...........26.
Ik ken, ik heb een frissche Roos..........165.
Ik vond een man, een man van staal........83.
Ik zing dien grooten God, wiens macht..............286.
In den beginne was het Woord..........142.
In den ouden bolderwagen............154.
Indien geen groot man enz........................272,
Indien gij nut wilt stichten, wijze man................257.
In eenzaamheid gedenk ik aan mijn Vader......158.
In onze dagen zij het vrede...........188.
In \'t hoogste Noorden ligt een schip................205.
In uwe school gelooft men op gezag................253.
Is iets voor uw bereik te hoog..........114.
\'t Juli. Haarlems lusthof bloeit...........213.
\'t Is solflëeren wat gij doet............231.
\'t Is waar, hier is een glasruit stuk.........101.
Is \'t wondei\', dat een visschersknaap..................275.
Ja, enkel poëzij zijt gij............. 245.
Jan is geen middelmatig man...........10.
Jan lag te slapen in zijn wagen, enz.........231.
Jan rekent: ,Tweemaal zes is zevenquot;........11.
Jan was ter preek bij Dominus Verschrimp......89.
Ja! \'t Juiste Midden! Maar waar tusschenV enz......11.
Jezus wordt weggeleid........■ .... 68.
\'t Kind dat godvruchtig wezen wil......... 299.
Kindren leert u vroeg gewennen..........112.
Klein Jantje steekt van wal........... 277.
Klinkt op trompetten! Roftel trom......... 250.
Kom Pleuntje, ga naar huis........... 282.
Komt ge in uitnemendheid van woorden.......9.
Koren hier, en ginder druiven...........66.
Krabbe het katjen en bijte de hond......... 295.
Laat de ketens vallen!.............116.
Laatdunkend jongling, zoo verwaten.........9.
Laat hooren, laat hooren............261.
Laat mij rusten aan uw boezem..........90.
Laat niets uw ader stremmen...........68.
Laat ons met de herders gaan...........108.
XVII
van de kleinere gedichten
Leer eerst uw taal wat beter schrijven . Lieflijk prikkelt op de tongen .... Looft allen, looft Gods grooten Zoon. .
Maak een dag van den nacht, door \'t donker, enz Maakt Elburg van den Boetselaer. .
Maak vlijtig honig, nijvre Bij!
Madelieven zijn er altijd......
Mal wicht! enz.........
Marten is ons oudste kind.....
Met begrijpen zal \'t niet gaan.
Met een bloemkrans om de bruine lokken Met vingertoppen, ruw en wreed .
Met zorg hield een bedroefde kring .
Midden in de stad heb ik een hof.
Mijn God, ik sla uw werken gade. .
Mijn hof ontwaakt, wordt groen, wordt
Mijn lieve beste........
Mijn sieraad en mijn eere.....
Mocht ik nog eens mijn leven overleven Moet er, moet er een liedje zijn .
Mooi Kaatje, wrijf uw oogjes uit .
Mooi Kniertje staat van dag tot dag. .
Mooi meisje, dat in \'t berghötel .
rgeet
Naar wie hebt gij dat lief gelaat. . Natuur en waarheid spant de kroon Neem de Kroon, neem de Kroon! ze is, en Neem mij niet kwalijk, lieve Bet!
Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongsk Neen, ik wil mijn vreugd niet zoeken . Neen, niet alleen toen gij Gods Engel zaa. Neen, zonder kruis geen kroon Niets zoo lieflijk, niets zoo schoon
Noem ze rozenuaarde......
Nog wuift ie met zijn mutsje. Jan! . Nooit kon ik den kunstgreep leeren . November brengt geen malsche rozen . Nu doet gij wijs, dat gij den vrede wilt.
Nu is het Meer niet meer.....
Nu kom eens uit uw graf.....
Nu komt de zon weer schijnen Nu wordt de Slokop opgeslokt. .
Nu zich het aardrijk opendoet. .
pott\'
Och, blijf met uw genade.....
Och, Neerlands machtigen en braven Of Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte O God, Gij schenkt mij juichensstof .
wit
»1 \'
DE KERSIE KEGELS ALPHABETISCH.
Bladz.
Dit\'s Willem, wieus gelaat enz........... 209.
Doet ons dit indrukwekkend wezen.........27.
Doorkerf een draad; uw parelsnoer.........271.
Door zevendubblen muur en hemelhooge bergen.....85.
Draag, groote jSIijl, wien nimmer enz.........231.
Drie jongelingen togen dwars over den Eijn......10ö.
Driekoningendag is weder daar..........218.
Drukkend is de heete lucht............66.
Een aardig meisje zong, enz............177.
Een beeld der Hoop, voor die haar ziet........182.
Een blik, die tot in \'t binnenst ziet.........61.
Een Deuvik, ziet terecht zijn waarde.........6.
Een dubblen trek heeft al wat leeft..................274.
Een half ei beter enz............................278...
Een Ilias, en geen Homerus! Hooggeleerden......271.
Een kind van God wordt steeds meer kind.......181.
Een rein gemoed, een zedig oog..........192.
Een schoone leest, een edel bloed..........53.
Een trouwen vriend in \'t oog te staren........12.
Een weinig menschenkennis schaadt.........67.
Een wind kwam op uit d\' Oceaan..........186.
Eer brengt een arme Vader enz...........178.
Eindlijk blijft niet eeuwig uit...........195.
Ei, wat tikt daar aan de ruit?....................257.
Ernst is zwartgalligheid enz............131.
Eurèkamen, Eurèkamen! Wij hebben het gevonden .... 248.
Fier zwijgt de Vader in zijn lot..........8.
Gaat u een meester voor............44.
Ga voort, en stort uw besten balsem................238.
Geef u niet over aan uw smart..........151.
Geen goed besluit berouwt, enz...........261.
Geen nieuwe vriendschap die voor de oude gaat.....217.
Geleerdheid zal ons niet verbazen.........8.
Gelukkig \'t kind, dat in zijn jeugd..................292.
Gemoedlijk, ernstig! \'t kan wel wezen........8.
\'t Genie maakt nog den kunstnaar niet........78.
Geprezen zij de wijze macht......................287.
Gezondheid en genoegen stralen..........261.
Gij brengt uw anker uit, enz........................282.
Gi] de eerste mannen van het land ...............278.
Gij, die op quot;t nieuw, veroverd, land.........164.
Gij hadt geen genoegen enz.......... . 274.
Gj) hebt mij lang gekend..... .... . 168.
Gij hebt mij, lieve Buren .... .......10.
Gij klopt; ik kom! enz. ... .....185.
XV
van de kleinere gedichten
Gij waart zoo goed. Dat konden allen lezen Gij wist niet wie \'t was, die zoo kort, maar Gij zaagt u gaarne lieden .... Gij zegt: Uw verzen hebben pit . . _. Gij ziet alleen maar moed, waar moedig won Gij zijt geen engel, maar een menseli . . God gaf den mensoli de tong en spraak. God nam zijn Meester weg van hem.
Gouden starrevonken.......
onde
zoo zacht
Haast trekt de spade een rechte lijn. .
Had hij een lucifer gehad.....
Had ik u adem, Nachtegalen .... Hans Jorgen maait zijn goudgeel graan.
Hebt gij nog een lach......
Heeft de Aeoolsche harp gespeeld .
Heeft Dora nooit nog iets gehad . . . Hef, Hollandsch Volk, het feestlied aan. \'s Hemels wonder Duikt in volle schoonhek Het hart blijft jong en wordt niet oud . Het hart eens teedren echtgenoots . Het hielp niet of wij wreven .... Het is niet om de vreugd te storen . Het leed dat u te beurte viel .... Het leven is een staat van oorlog enz. . Het lezen voedt een schoon verstand. .
Het oude, de Omhulling......
Het plechtige luiden der klokken. Het prachtig Buiten hief zijn dak Het werkzaam bijtje weet heel goed. Het wordt weer groen in Haarlems hout Hier dient de zedigheid bestreden Hier is mijn plaats. Aan deze voeten Hier woon ik. Zult gij met mij wonen . Hoe ben ik toch op mijn vermaak . Hoe heerlijk is de Heer der Heeren .
Hoe klein zijn de mieren.....
Hoe komt dat we iedereen enz. . . Hok langer hoe liever is een kruid. Hoe lieflijk staat een frissche roos Hoe noemt gij wat wij leven noemen .
Hoe schoon is de roos!......
Hoe schoon was de dag enz. _.... Hoe waait de vlag zoo vroolijk uit .
Hoe woelt de poëzij In mij.....
Hofmeester, hoog in eer _.....
Hoor de stem van den luiaard enz. .
Houd u den slaap des doods uit de oogen Houd vast, houd vast, met oog en hart
xvi
oker
espr