-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

T

BIBLIOTHECA. CONVENTUS F. F. M1NORUM YENLONENSIS.

if

I

GEDICHTEN

ISriOOLAAS BKETS.

-ocr page 8-
-ocr page 9-
-ocr page 10-
-ocr page 11-

iv2

VAN

NICOLAAS BEETS.

UITGAVE, NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKT EN OPNIEUW HERZIEN.

V IJ F D E DRUK.

/O

i\'i(

LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

\'k Ben, voor ruim veertig jaren,

Als Dichter opgetreèn.

Ik tokkelde mijn snaren.

Door alle tijden heen;

Mijn meeste Lezers waren

Mij wel gezind, naar \'t scheen; En mijn Beoordeelaren Zacht over \'t algemeen;

Ik zelf maar half tevreên.

Mijn halmen en mijn aren,

Mijn bloemen en mijn blaren,

Hier hebt gij ze bijeen.

1874. Nicolaas Beets,

-ocr page 14-
-ocr page 15-

INHOUD.

VOORSPEL.

Bladz.

Bij den dood van Vrouwe Bilderdijk...........1.

WenseVien.....................2.

Het Maaitsch Viooltje................2.

Aan een vondeling..................4.

Loon naar werken..................7.

Ossian aan de zon..................8.

Colma.......................9.

Mijn eerzucht....................11.

Maria op den Kruisberg............. . . 11.

Zwijgen......................14.

Troosten......................16.

Grafgebloemte...................17.

Raad.......................18.

Eer........................18.

Lizette......................18.

Bruiloftsbeurtzang naar Catullus............20.

Bij een graf....................22.

Aan de starren...................23.

Rijmelarij.....................24.

Ver jaarverzen.........................28.

Ada.......................30.

Stil is de nacht...................31.

Zangstukje.....................32.

De gondelier....................32.

Budders grafschrift.................33.

Liefde......................34.

Echte moed....................34.

Aan Serena....................35.

Aan Miranda....................37.

Schroom......................40.

-ocr page 16-

INHOUD.

NAAR WALTER SCOTT.

Bladz.

De laatste Meistreel.................42.

Vaderlandsliefde..................45.

De Harp.....................45.

De Kavalier....................47.

Verveliog.....................47.

Het ergste....................49.

Ridder Kuno...................50.

Lied van Annot Lyle................54.

De Sint-Jansnaoht.................55.

Het Meisje van Toro................62.

Heiltrude.....................63.

Elsjes gelofte...................64.

Rebecca\'s lofzang..................65.

\'t Viooltje.....................65.

Aan Brigitta...................66.

Elk zijn wijs....................66.

Fingals grot....................68.

Dochtertroirw...................69.

Als de zanger sterft.................69.

Serenade.....................70.

Pib\'roch van Donald Dhu..............70.

NAAR LORD BYRON.

DB GEVANGENE VAN CHILLON..............72.

MAZEPPA.....................83.

PAIÏI8INA.....................106.

FRAGMENTEN.

Uit Lara...................121.

„ den Treurzang over Sheridans dood.......121.

, Don Juan.

Julia\'s afscheidsbrief............122.

Minnesmart................123.

Begoocheling...............124.

, Tasso\'s klaagzang..............124.

„ Childe Harold (De Zee)............125.

JOODSCHE ZANGEN.

In schoonheid wandelt ze.............127.

De harp des mans naar \'s Heeren hart........127.

Weet in die hooger, reiner sfeer..........128.

De steenbok..................128.

Ween over \'t volk................129.

Jordaan! uit u.................129.

Jeftha\'s Dochter................129.

Fn volle schoonheid weggerukt...........130.

X

-ocr page 17-

INHOUD. XI

Bladz.

\'t Wordt naclit in 1115..............130.

Ik zag u weenen................131.

Uw leven vlood................131.

Sauls lied voor zijn iaatsten strijd.........132.

Saul.....................132.

Alles is ijdelheid................133.

Als doodskou door dees leden vaart . . ,......133.

Belzazars Geziekte................134.

Zon van den slapelooze..............135.

Was mijn hart zoo ontrouw, enz...........135.

Herodes jammerklacht over Mariamne........136.

Op den dag der verwoesting van Jeruzalem......136.

Bij de wateren van Bahylon, enz...........137.

De verdelging van Sanheribs leger.........137.

Uit Job...................138.

VKKSCHEIDENE GEDICHTEN.

Aan Maria...................139.

O Heerlijk, heerlijk zij het oord..........140.

Herroep hem niet................140.

Gij, weenen bij mijn graf.............141.

Afscheid...................142.

Aan Thyrza..............I. 142, H. 144.

Euthanasia...................145.

Ook gij bezweekt................147.

Turksch lied..................149.

Op de vraag: hoe ontstaat de liefde.........149.

Zangcoupletten.................150.

Aan den Vader eener H. Nonne..........151.

Niemand onder duizend schoonen .........151.

Vaar gij wel...........•......152.

De Droom...................153.

Aan Augusta..................157.

Aanteekeningen..........,.......159.

Jose, een Spaansch verhaal.

Aan Serena................. . 161.

Jose..................... 163.

Aanteekeningen.................184.

Aan den Dichter J. v. Walré............185.

de maskekade. Een gedicht..............186.

KusEE, een verhaal.

Aan mijn vriend J. P. Hasebroek.......... 205.

Kuser..................... 207.

Aleide....................214.

Bertha....................218

-ocr page 18-

INUOUD.

Willem ..........

Liefde ...........

Aanteekening........

mannekens in db maan. Ecil Eendje . .

gwy de Vlaming. Een verhaal.

Voorzang..........

Machteld..........

Gwy............

Mara............

Aanteekening.........

XII

-ocr page 19-

VAN DE KLEINERE GEDICHTEN

DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH.

ElaJz.

Ach, waarom draagt gij, jong en schoon.........R7.

Als donkre tegenspoeden...............14.

Als doodskou door dees leden vaart.....\' . 133.

Als om den hoogmoed af te wijzen...........68.

Als \'t laatste gloren van den stillen zomeravond......121.

Als \'t viooltje in \'t lindelommer............65.

Bestaat er mensch, zoo dood van hart..........45.

Daar is een zielsgesteldheid, aan ons allen........47.

Daar pronkt gij weer in tal en pracht..........23.

Daar toog een geest voorbij mijn aangezicht.......188.

Daar zijn voor menschelyke zielen...........69.

De aarde kan geen vreugde geven...........150.

Dees kus, melieve! van uw mond...........142.

De harp des mans naar \'s Heeren hart.........127.

Du nacht verdwijnt; de mist die berg en woud omhult . . . 121. Den Bard, wiens fiksche zang den geest der oudheid aamt. . 185.

Der waarheid trouw te zijn, als heilig boven allen.....18.

De schoonheid slaapt, de liefde waakt.........70.

De steenbok springt met vrije borst...........128.

De tooverrede heeft geboden.............132.

De weg was lang, de wind was koud......... . 42.

Die Niets heeft, dingt naar Iets met wenschen en gebeden. . 2.

Een heimlijke aandrift, met het leven..........66.

Eén worstling nog, en wat mij griefde.........144.

Eischen God en mijn natie mijn bloed..........129.

En de Assyrier kwam af, enz..............137.

Geen steen bedekt uw graf en zegt...........142.

Gelukkig zijt gij, en \'k gevoel.............139.

Gij weenen bij mijn graf? Vriendin...........141.

-ocr page 20-

VAN DR KLKINERK (IKDICHTKN

filadz.

Herroep hem niet voor mijn gedachten...... . . . 140.

Het is nacht; ik ben angstig, verlaten, alleen.......9.

Het snoer dat \'k gaf, was schoon en blont........149.

Het was een beeldschoon kroost, dat ons de hemel gaf . . . 151.

Het zonlicht daalde op Toro\'s meer..........62.

Hier ligt een schoone knop geveld...........22.

Hoe! — zou een rijmlaar aan een feestdisch zitten kunnen. . 28. Hoor wat Elsje van de Zaan.............64.

Ik zag hem nooit te voren..............18.

Ik zag u weenen; schoon en klaar...........131.

Indien mijn zorg de plant, die opwies in mijn gaarde . . . 205.

In volle schoonheid weggerukt............130.

In schoonheid wandelt ze, als de Nacht.........127.

\'t Is aan d\' avond, Jongelingen! enz...........20.

Is de middag mijns levens geweken...........157.

\'t Is zoet de blonde lok op \'t voorhoofd glad te strijken. . . 40.

Jordaan! Uit u drenkt Amalek zijn kemelen;.......129.

Koele Hedeneerder.................16.

Krijgren en hoofdliên! Zoo slagzwaard of speer......132.

Liefde lokt een zoet geluid........\'.....34.

Luister, lieve Gondelier...............32.

Macht, wijsheid, rijkdom, liefde, roem..........133.

Men zegt mij \'t is beslist! enz.............122.

Met een lachje op \'t gezicht.............4.

Neen, noem \'t niet dwaas; hij dwaalde niet.......69.

Neen, \'t is niet voor de koude doon..........17.

Niemand onder duizend schoonen...........151.

Nog grauw was de scheemring............47.

Nog lacht ons beiden, u en mij............35.

Nu bloedt reeds, Mariamne! \'t hart......... . 136.

O Gij, die daar rolt aan den trans, enz..........8.

O Heerlijk, heerlijk zij het oord............140.

O Liefde! o Roem! wat is uw flonkrend wemelen.....124,

O Min! wat is het op deze aarde, dat..........123.

\'t Ontstaan der „Liefdequot;? O waarom nu.........149.

Ontzie u niet du waarheid voor te staan............7.

Ook gij bezweekt. — Gij jong en schoon..........147.

Ook gij, Maria! gij op \'t schriklijk Golgotha!.......11.

O zeg niet, melief! zoo bedrukt van gelaat........66.

Pib\'roch van Donuil Dhu...............70.

Rol, Oceaan, uw donkro golven uit . ...........125.

XI\\

-ocr page 21-

DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH. XV

liladz.

Scherp is het oog van wie voor liefde blaken.......63.

Schoon de weidsche vederbos.............34.

Stil is de nacht, en lieflijk blinkt de maan........31.

Toen \'t volk, in Abram uitgelezen...........65.

Treurt, Negen Zustren, treurt! Treurt Heliconiaden.....1.

U heb ik steeds en hartlijk lief gehad..........161.

Uit Bohemens oude dagen zinge ik u een waar verhaal ... 50.

Uw leven vlood, uw naam werd groot..........181.

Uw lok is zwart, zwart zijn uw wenkbrauwbogen.....80.

Vaak heb ik van drift, vaak van liefde geblaakt.....83.

Vaar gij wel, en moet het z^n, voor immer.......152.

Van den top des laatsten heuvels, enz..........136.

Van mijn eerste kinderdagen, enz............45.

Van zijn Satrapenstoet................134.

Vroeg zit de Heer van Smaylho\'m op..........55.

Waagt gij \'t uit te spruiten..............2.

AVaart gi] laag als ik in stand...............54.

Wanneer, \'t zij vroeg of laat.............145.

Was mijn hart zoo ontrouw enz.............135.

Wat heft ge uw pas ontloken knop...........32.

Wee der bark, als haar zeil is verscheurd........49.

Ween over \'t volk, dat weende aan Babels stroom.....129.

Wees wijs, bedwing u zelf, enz.............18.

Weet, in die hooger, reiner sfeer............128.

Woorden door den mond gespeld............11.

\'t Wordt nacht in mij. O breng terstond........ . 130.

Wij leven tweevoud: — slapen ook is zijn........153.

Wij zaten neder bij de stroomen............187.

Zon van den slapelooze! droeve ster..........185.

Zoo menig jaar! Dat knakt de kracht in mij.......124.

Zoo veel Het filomeel-gekweel...................24.

I

-ocr page 22-
-ocr page 23-

VOORSPEL.

— Haec nostiis spectentur ab annis.

VlBGILlUS.

BIJ DEN DOOD

VROUWE KATHARINA WILHELMINA B1LDERDIJK, geb. SCHWEIOKHARDT.

f 10 April 1830.

Treurt, Negen Zustren, treurt! Treurt Heliconiaden!

Stelt op een sombren toon het nokkend lijklied in,

Trekt uit het starrenkleed, rukt af de feestsieraden!

Gij telt een priesteres te min.

Treur, Maagd van Neerland, treur en doe uw tranen vloeien! Zet af, zet af de kroon, die om uw lokken sluit! Met tranen moot gij haar besproeien;

Een schoone parel viel er uit.

En gij, mijn Sparengod, meng tranen met uw wateren;

Verberg in damp en mist \'t met riet gekroonde hoofd! Verbied, langs_ Haarlems wal, uw golven \'t vroolijk klateren; Zij is van \'t schoonst sieraad beroofd.

Ach, Neerlands Sapho! moest ge uw laatsten adem geven?

Verstomde uw zilvren stem, uw zacht en troostrijk lied? Wie doet een toon als d\' uwe\' in Nederland herleven ? Uw wederga bezit het niet.

Had, wreede Dood! deze aard geen andere offers over, Veelmeer den nekslag van uw gruwbaar zeisen waard? Waarom, koelbloedig menschenroover,

Verdienste niet gespaard?

Zoo moet dan ramp bij ramp zich op uw hoofd vergaren, Homeer van Nederland, verzonken in \'t verdriet! \' Neen! \'t Noodlot spaart uw grijze haren. Uw groenbekransten schedel niet.

Het rukte u, keer op keer, een dierbaar kroost van \'t harte;

Nog slechts een enkle telg verheugt uw ouderdom; Uw gade bleef uw troost, verzachtende al uw smarte: De hemel eischt dien schat weerom.

-ocr page 24-

wenscuen. — 11 kt maart80ii viooltje,

Wat vraagt men dan, waarom zoo dof uw snaren klinken, Waarom zoo\'n sombre toon van uit een speeltuig klimt, Dat steeds de tranen heeft te drinken,

Waarvan uw oog bestendig glimt?

Ook wij beweenen haar.... Wat zeg ik? Haar beweenen, Die met het englenkoor de gouden citer slaat,

Van heldren hemelglans omschenen,

lu hagelblank gewaad?

Neen! wij beweenen ons, ons smartelijk verliezen,

O Dichteres, te vroeg aan ons, aan de aarde ontrukt! Nog ruischt uw zachte toon door Spaarnes grijze biezen. En houdt ons hart verrukt.

Bewaar, o Nageslacht, den naklank van die tonen.

Zoo lieflijk voortgebracht uit godgewijde harp;

Hang aan haar grafcypres steeds versche lauwerkronen, Strooi bloemen op haar terp!

Als gij, verrukt, gedenkt aan \'t roemrijk dichtrenwonder, Die uw Alcéus was, Alcéus en Pindaar,

Hoor nooit naar \'t raatlen van zijn „donderquot;. Of\' denk aan hare „Aeoolsoliequot; snaar.

* Zie Bilderdijk: „Sapho en Alcéus. Aan mijne Egade.quot; Krekelzangen, I. 131,

WENSOHEN.

Die Niets heeft, dingt naar Iets met wenschen en gebeden; Die Iets heeft, haakt naar Meer; naar Veel, die Meerder heeft;

Die Veel heeft, is nog \'t minst tevreden.

Maar had graag Alles wat de wijde wereld geeft.

Zoo blijft een rustloos menschdom jagen

En troost zich zorgen en gezwoeg.

In plaats van naar \'t geluk te vragen.

Dat in da t woordje schuilt; genoeq.

HET MAARÏSCH VIOOLTJE.

Bene qui latult bene vixlt.

OviDins.

Waagt gij \'t uit te spruiten. Bloem van zacht fluweel? Durft gij \'t knopje ontsluiten, Rondzien op uw steel?

-ocr page 25-

HET UAARTBGH VIOOLTJE.

\'t Purpren hoofdje wagen

Aan de gure lucht,

Voor geen hagelvlagen,

Voor geen storm beducht V

Hoor! \'t Noordwesten zwatelt

Om den top van \'t duin; \'t Dor gebladert ratelt Aan der eiken kruin;

Dikke doode takken

Breken voor zijn kracht; Zal uw steel niet knakken, Nog zoo jong en zacht?

Neen, gij vreest zijn woede, Telt zijn gramschap niet. Veilig in de hoede.

Die uw standplaats biedt. Op den top te pralen

Stelt aan \'t noodweer bloot In de stille dalen Is \'t gevaar niet groot.

Wie zou u niet minnen Om uw gullen spoed? Bloemenkoninginnen Missen uwen moed,

Blijven diep gedoken Tn haar wintergraf: Gij, vóór haar ontloken. Wacht ze, bloeiende, af.

Aan geen gure vlagen,

Buien vroeg en laat. Mag het hoofd zich wagen. Daar eeu kroon op staat. Zacht gebloosde wangen

Zijn te teer, te fijn.

Om van kou bevangen En verkleumd te zijn.

Om met glans te pralen

Boven al wat bloeit.

Hoeft men zonnestralen.

Waar de Kreeft van gloeit. Dit is \'t lot der Grooten:

In een minder rang.

Beeft men zooveel noten Niet op zijnen zang.

-ocr page 26-

AAN EEN VONDELING.

Toch weet ge elk te boeien Door uw zedig schoon;

Uw verscholen bloeien Heeft zijn eigen loon;

Lage staat maakt veilig; Needrigheid geeft moed;

Allen braven heilig Is een Stil gemoed.

Wel hem, die uw voorbeeld Steeds voor oogen heeft,

Zich gelukkig oordeelt Dat hij needrig leeft;

Niet wenscht uit te steken, Op geen lof belust;

Hem zal nooit ontbreken Liefde, Vrede, Rust.

AAN EEN VONDELING.

Met een lachje op \'t gezicht Huppelt gij, onnoozel wicht,

Vroolijk rond en plukt u rozen; Onschuld doet uw koontjes blozen.

Daar de vreugde door haar gloed \'t Vriendlijk oogje u tintien doet!

Onbewustheid van uw lot Gunt u \'t onvergald genot. Dat slechts kindsheid doet genieten; Laat die bron dan niet vervlieten;

Boet uw zucht naar vreugde en spel! Eenmaal toch vergaat ze u wel.

Volg, in \'t wijd gebied der lucht, Bonte vlinders in hun vlucht;

Juich, bij \'t vroolijk bloemengaren, Luide met de kinderscharen —

Jongen! neem den tijd te baat,

Eer u lust en vreugd vergaat.

Nog bemerkt gij d\'oogblik niet, Die in deernis op u ziet,

Als gij met uw makkers huppelt; Nog den traan niet, die er druppelt Op uw vooi-hoofd, als ge ons naakt; Nog den zucht niet, soms geslaakt.

-ocr page 27-

AAN EEN VONDELING.

Als wo uw argloos juublen hooren, Of ge, tot geluk geboren,

Tot genot werd opgevoed,

In der weelde zonnegloed!

Eenmaal, eenmaal, vroolijk wicht! Wordt de blinddoek afgelicht, Rie u lang gelukkig maakte:

Al de blijdschap, die gij smaakte. Al uw weelde, vreugde en lust Wordt in tranen uitgeblnseht.

\'t Lachje, dat uw lippen plooit, \'t Blosje, dat uw wangen tooit. Zal besterven, en nadezen U de juichtoon vreemder wezen. Vreemder aan uw jonglingshart. Dan op heden boezemsmart.

Als uw oogen opengaan. Dan verstaat gij wis dien traan. Door \'t meewarig oog vergoten, Dan dien zucht, der borst ontschoten. Die uw weedom voor-beseft — Dan verstaat gij \'t, als \'t u treft.

Ach, met tranen op de wang.

Bleek van weenen, bloode, bang Om een wereld te begroeten,

Waar hij schaars een hart ontmoeten Mag, dat heel zijn nood verstaat. Treurt de Wees in \'t rouwgewaad.

Knaapje, als die Wees zijt gij,

Maar rampzaliger dan hij;

Beiden mist ge een teedre Moeder, Beiden een Vader en Behoeder, Beiden wat de liefde geeft,

Die in \'t hart van Oudren leeft.

Maar met dankbaarheid in \'t hart. Stelt hij, in zijn stomme smart. Nog zich \'t moeder-beeid voor oogen; Schoon tot schreiens toe bewogen.

Gist hij nog met boezemlust Hoe haar mond hem heeft gekust;

Hoe haar borst hem heeft gevoed; Hoe haar hand zijn schreên behoed;

-ocr page 28-

a.an een tondetyinq.

Of vei\'boeldt zich nog een Vader Als zijn Leidsman, als zijn Rader;

Kn van kindermin bezield,

Ligt hij op hun graf geknield.

Gij? Helaas! ook dit genot Weigerde u \'t hardvochtig lot.

Hemel! \'t is niet in te denken,

Hoe \'t uw kindervreugd zal krenken, Als gij naar uw Ouders vraagt.... En zich geen aan \'t antwoord waagt.

Als gij, aan u zeiven vreemd.

Naar uw waren naam verneemt,

En als zij, die u verplegen,

Angstig, huivrende en verlegen,

Met den blik omlaag gewend,

Zeggen — dat u niemand kent.

Ach! hoe vreeslijk zal dat woord. Wordt het eens door u gehoord,

In uw boezem wederklinken!

Hoe een wereld u ontzinken.

Waar dit vonnis voor uw hart Duidlijk uitgesproken werd:

„Neen! een sterframp is er niet,

,Maar een gruwel hier geschied!.... „Die de teerste banden slaakte,

,ü tot een Verlaatne maakte,

(\'k Voel het hoe gij siddren zult!) „Was de dood niet — maar de schuld.

„U verstiet de moedermin;

„Vreemde deernis nam u in.

„Tot uw moeders straf geboren,

„Was uw schreien niet te hooren, „Uw gelaat niet aan te zien .... „En — het ergste moest geschiên!

„Maar, terwijl ge in lagen staat „Schimp verduren moet en smaad, „Schamel brood met tranen eten,

„Brast, in weelde neergezeten „Aan zjjn welvoorzienen disch, „Mooglijk, die uw vader is!

„Wijl u \'t lot met euvelmoed, „Met vooroordeel kampen doet,

-ocr page 29-

loon naail wekken.

„Voor een wereld u doet schamen, „Die,_lioe nietig, hangt aan namen: „Stijgt wellicht in rang en eer, „Dag aan dag, uw vader meer.

„o. Terwijl gij, hier beklaagd,

„Daar vergeten, ginds verjaagd, „Omzwerft op de onbillijke aarde, „Dartelt mooglijk die u baarde, „ü vergetend, voort, en boet „Snooder nog een snooden gloed.quot;

Weegt dit alles op uw hart,

o, Hoe zal het van de smart Krimpen, ot\' in gloed gevlogen,

\'t Vuur doen fonklen in uw oogen, Daar uw mond zich woest ontsluit, En een felle vloekspraak uit____

Neen! — hoe vol uw boezem schiet, Vloek, o vloek uw Oudren niet! \'t Zou de harmonie verstoren Van des hemels hoogste koren,.... Eer die wanklank werd gehoord. Liever keel en borst versmoord!

Neen, vergeef het booze werk,

Eer u zeiven, en wees sterk.

Toon u moedig en rechtschapen.

Neem de blanke deugd tot wapen! Waar men hoont of schimpend ziet, \'t Raakt een rein geweten niet.

De Almacht, die u gadeslaat,

Zij uw troost en toeverlaat.

Hij zal u tot oudren strekken!

Met zijn liefdevleuglen dekken.

Die naar afkomst vraagt noch staat. En verlaatnen nooit verlaat.

LOON NAAR WERKEN.

Ontzie u niet de waarheid voor te staan;

Waar zij het eischt, moet gij haar schild verstrekken.

Zoo zal ze u ook, grijnst u de laster aan, In wederdienst, met haren beuk\'laar dekken.

7

-ocr page 30-

ossian aan de zon.

OSSIAN AAN DE ZON.

(naar macpherson.)

o, Gij, die daar rolt aan den trans, rond als het schild der Vaderen 1

Waar zijn uw stralen? Zon, waar is uw eeuwig licht?

Gij komt, verwinnend held, en op uw moedig naderen

Verbergt zich \'t starrenheir, dat voor uw opslag zwicht; Gij komt, — de Maan bezwijmt; en met bestorven wangen Zinkt ze in \'t verbeidend westermeer.

Gereed haar in zijn arm te vangen.

Ijskoud en siddrend neer.

Slechts gij wandelt voort op uw baan; wie kan uw loop verzeilen? Eens zwicht de steenrots, eens de forsche abeel in \'t bosch; Eens fnuikt de deinende eb der woênde golven trots;

De Maan zelfs vliedt daar heen! Maar wie, wie zal u vellen? Gij zijt onwankelbaar dezelfde, gij-alleen.

Gevierd en aangebeên!

Als de storm zich verheft in zijn kracht, en berg en dal ontluistert.

De donders rollen bij des bliksems rosrood licht, —

Dan midden in \'t gedruisch, bezwemen noch verduisterd.

Ziet ge uit de wolken neer, een glimlach op \'t gezicht.

Maar \'t is vergeefsch, vergeefsch voor Ossiaan!

Hij kan uw lach, uw lonk niet gadeslaan; Uw floukergloed mag voor zijn oog niet straïen; Uw blonde vlecht versiere d\'oostertrans,

Uw voorhoofd gloei van purperrooden glans,

Als gij, gereed ter westkimme af te dalen.

De poort ontsluit van \'t schittrend ondergaan,

\'t Is al vergeefsch, — vergeefsch voor Ossiaan!

Maar mooglijk is ook u (zoowel als mij, ook u!)

Een tijdkring voorbestemd, en zal het uur verschijnen.

Waarop ge (als ik weldra!) ook eindlijk zult verdwijnen, o Zon, zoo groot, zoo schittrend nu!

Dan zult ge in de wolken uw hoofd ter nachtrust nederstrekken. En sluimren waar geen dageraad TJ door zijn opeisch meer zal wekken.

Met nieuwe glansen op \'t gelaat!

Verheug u dan, jeugdige Zon! in \'t bloeien van uw jaren,

Daar u noch vuur ontbreekt noch kracht;

De sombere ouderdom heeft jamm\'ren en bezwaren, Is onaanzienlijk en veracht;

Hij ia een Maan, die niet dan flauwtjes gloort,

Beneveld door den mist, die op den heuvel zakte;

De storm van den Noordenwind huilt door de onbeschutte vlakte; De wandlaar siddert, die het hoort.

8

-ocr page 31-

COLMA.

COLMA.

Ossian toegeschreven.

\\ NA AR MACPHERSON.)

Het is nacht; ik ben angstig, verlaten, alleen,

Op den Heuvel-des-noodweêrs gezeten;

De stormwind giert luid langs de steenklippen heen,

De waterval snort door de spleten;

Geen afdak beschut haar voor weder en wind.

Die, alleen, zich ten Heuvel-des-noodweêrs bevindt.

Rijs, o Maan! uit de wolken! Blinkt, starren der nacht!

Üm het even welk licht! leid mijn schreden!

Dat ik weet waar mijn dierbre, vermoeid van de jacht,

In den arm van den slaap is gegleden,

Aan zijn zijde zijn handboog, ontspannen en los,

En zijn hijgende honden rondom hem op \'t mos.

Luid ruischt de stroom, nog luider bruist de wind; Hem hoore ik niet, dien mijne ziel bemint.

Wat toeft gij, Salgar! Zoon des heuvels, koom!

Wie, wat belet u woord te houden?

Dit is de Rots, dit de afgesproken Boom,

Waar wij elkander vinden zouden.

Mijn Salgar! ach, waar gingt gij heen?

Mijn Vader! laat mij niet alleen!

Mijn Broeder! ik wil met u vluchten!

Al haat en veracht Mijn geslacht uw geslacht.

Wij hebben van elkaar geen bittren wrok te duchten.

Ddar breekt de maan door. Hoe glinstert het dal!

Klaar toont de steenklip haar aschgrauwe koppen.

Maar geen gedaante verschijnt op de toppen;

Geen voorgesprongen hond meldt dat hij naadren zal.

En Colma blijft alleen.

Maar wie zijn dezen. Op \'t gindsche heivlak uitgestrekt?

Ach Salgar, ach mijn Broeder, zoudt gg \'t wezen?

Geef antwoord!... Maar gij zwijgt; geen roepstem die u wekt! Dood zijt gij! \'t Weerzijdsch zwaard met weerzijdsch bloed bevlekt Mijn Broeder! deedt gij Salgar vallen?

Mijn Salgar! heeft uw hand mijn Broeder neergeveld?

Gij beiden waart mij dierbaar boven allen....

Wat zegge ik best, dat uwen lof vermeldt?

-ocr page 32-

Schoon waart gij langs de bergen,

Mijn Vriend! ja, onder duizend schoon En gij, verschriklijk in den strijd,

Mijn Moeders Oudste Zoon!

Spreekt, zonen mijner liefde!

Spreekt nog een enkel woord! Ach, hoort toch! — Maar gij hoort mij niet.

En zwijgend slaapt gij voort. Ach, zwijgen zult gij, zwijgen.

Voor eeuwig zwijgen; koud Als steen zijn deze schoudren reeds.

Die \'k in mijn armen houd. — Welaan dan, van de klippen.

Van \'t hoogste herggevaart,

Spreekt afgescheiden Geesten, spreekt!

Gij vindt mij onvervaard.

Waar gingt gij om te rusten?

Waar zoek ik u? Wat kloof, Spelonk of herghol koost gij uit?

Helaas! Ook gij zijt doof.

Geen stem kampt met de winden,

Geen antwoord, half gesmoord. Verneem ik; maar de regen plast,

En \'t noodweer buldert voort.

Hier zit ik dan te weenen

En wacht den morgen af. Gij, vrienden van de dooden,

Delft dezen dooden \'t graf.

Maar laat het open; Colma komt;

Haar leven is een droom —

Ook zij, ook zij wil rusten

Aan dezen zelfden stroom.

Als dan de nacht zal dalen

Op heuveltop en dal.

Als langs de barre heide

De stormwind varen zal,

Dan zal zij op de hoogte staan

Met jammerklacht op klacht. De jager hoort het in zijn stulp,

En siddrend geeft hij acht.

Toch hoort hij \'t lied ten ende.

Want lieflijk is de toon,

Gelijk gij beiden lieflijk waart.

Mijn onvergeetbre doon!

-ocr page 33-

MIJN EERZUCHT. — MABIA OP PEN KRUISBERO.

MIJN EERZUCHT.

Woorden, door den mond gespeld, Verzen op \'t papier gesteld,

Tonen die de snaar doen beven, Alles heeft -waardij of niet Naar de bron waaruit het vliet, En de rest is mij om \'t even.

Prees de gansohe wereld mij: „Schith\'end is zijn poezy!

Heerlijk vloeien zijn gezangen!quot;

\'t Waar mij eers en lofs te min. Dezen wil ik slechts erlangen;

„Heel zijn harte klopt er in.quot;

MARIA OP DEN KRUISBERG.

Ook gij, Maria! gij, op \'t schriklijk Golgotha!

Opdat uw oog een blik op \'t bitter lijden sla

Des Heil\'gen, dien uw schoot (driewerf gezegend!) baarde

Tot lust der heemlen en tot zegen voor heel de aarde.

Hoe juichte uw teeder hart van moederlijken trots,

Hoe blonk uw oog van vreugd, terwijl een zachte blos

Uw wangen sierde; .ja, hoe trilden al uw leden

Van hooge weelde, toen ge uw dierbren, aangebeden,

Aanbiddenswaarden zoon, door \'t blij Jeruzalem

Als Vorst en Leeraar zaagt begroeten; toen men hem

Met loovren strooide, toen de bladerkroon der palmen

Zijn weg bespreien moest bij \'t luid hozannagalmen.

Daar \'t needrig lastdier zijn gezegend lichaam droeg.

En hij, met englenblik, \'s volks geestdrift gadesloeg.

Geen juichtoon klonk toen, en geen loover liet zich spreien

Door opgetogen grijze of lieve maagdenreien

Of jongelingen, wie zijn leer verrukte en tot

In \'t hart drong, als die van een Heil\'ge, van een God,

Of, teedre Moeder! \'t was voor u ook. Hemelweelde

Doorgloeide uw stil gemoed, dat zooveel eere streelde,

Gebracht aan d\'Eerstling, dien uw boezem zogen mocht,

Wien gij door bloed, door liefde, en eerbied waart verknocht.

Geen engel smaakte er ooit volmaakter zaligheden

Dan gij. En nu?.... Helaas! Het rouwkleed om de leden,

Ziet gij dien Ben\'gen weer, zoo feestlijk korts begroet;

Maar hemel! in wat staat? Bleek, lijdende, en bebloed!

Hoe hadt gij kortlings aan zijn englenleest gehangen,

Hoe mocht uw moederarm den teedren zoon omvangen,

Toen hij \'t gedruisch ontging en inkwam tot uw huis,

En ge aan zijn boezem vloogt... En nu, omvat go etw kruis!

11

-ocr page 34-

maria op dem kruisberg.

Een kruis, Maria! Hef, ach! hef den blik naar boven;

Daar, daar hangt Jezus; daar uw zoon; kont gij \'t gelooven? Daar hangt uw Meester, uw Messias, droeve! daar Gods Gunstgenoot, Gods Eengeboorne! Zie hem!

Maar

Zij ziet hem niet. Zij kwam ten kruisberg opgevlogen, En blikte woest in \'t rond. Helaas, het was geen logen! De boosheid zegepraalde en juichte. Ai mij! Haar zoon Hing aan \'t afziohtlijk kruis voor \'t gansche volk ten toon. Zij gilde \'t uit, vloog naar dien kruispaal heen en strekte Haar armen uit naar hem, dien zij maar half ontdekte.

Daar hangt hij, doodsbleek, met gebogen hoofd. Zijn haar Bezweet en klevende aan zijn schoudren; ieder aar Gezwollen; loodblauw om de slapen, om de lippen,

En om den gorgel. Ach! geen zucht mag hem ontglippen, Geen ademtocht, of \'t is aan \'t hijgen van die borst En \'t slinken van die zij bemerkbaar! Bloed bemorst Zijn handen, druipende met niet dan trage droppen Langs \'t kruishout af. Zij ziet; haar hart houdt op te kloppen; Zij staat versteend; haar blik staart roerloos naar omhoog; Haar arm beweegt zich niet; het schemert voor haar oog; De kracht begeeft haar; halfbewust en balfbezwemen,

Schijnt zij met d\' arm den paal nog in bezit te nemen,

Waar heel de schat, dien ze eens heeft onder \'t hart getorst. Aan hangt, en vallend\' drukt zo \'t kruishout aa.n haar borst.

Beklaaglijk ligt ze daar, met ingezonken oogen,

\'t Reeds grijzend haar ontsnoerd om \'t hoofd. O, wordt bewogen.

Gij huiohlaars! die, vervreemd van deugd en plicht en God,

De vleklooze onschuld doemde en haar in \'t leed bespot!

Hier ligt een Moeder, hier, van zielesmart bezweken;

Laat al de menschlijkheid, uw borst nog oovrig, spreken.

En voel één oogenblik de deernis in uw hart!

Ook gij hebt moeders, of gij hadt ze. Zie de smart

Van deze; zie haar \'t lijf rondom den kruispaal wringen!

O, wat ooit schriklijk was voor \'t hart van stervelingen.

Een schrikbrer lot, een gruwbrer lijden is er niet

Dan van een moeder, die haar lievling sterven r*,iet!

Koud, ijskoud is uw wang, waar langs geen traan komt leken, Maria! Geen die uit zijn schuilhoek uit mag breken. Ach, mocht gij schreien! Maar gij kunt het niet. Het hart Bonst in uw gorgel, van de folterendste smart Verscheurd. Helaas! Nu blijkt de strenge godspraak waarheid Van grijzen Simeon, nu blinkt in volle klaarheid.

Wat op uw moederhait zoo loodzwaar nederviel,

Nu waarlijk gaat het zwaard u vrebslijk door de ziel! Gij hebt ze niet geloofd, die profetie van smarte,

-ocr page 35-

maria op den kruisberg. 13

Zij vond, toen hij ze sprak, geen ingang in uw harte;

Maar God vergaf \'t u Ach, toen \'t vroolijk spartlend wicht Het lachend oogje naar uwe oogen hield gericht,

Toen kondt ge in \'t lief gelaat des kleenen ook niet lezen, Wat u de schrikbre dag van heden heeft bewezen!

Ach, hoop en uitzicht en verwachting ging teniet.

Hoe treurig staat de groep, die op u nederziet.

Want dwars door haat en spot wist ge u een weg te banen, Getrouwe liefde! Ai mij! hoe blonk uw oog van tranen, Hoe klopte u \'t brekend hart van deernis, en hoe zocht Uw mond naar woorden of ge een zuster troosten mocht, Bedroefde Naamgenoot!1) Maar vruchtloos blijft uw pogen: Ach, spreken kunt gij niet, dan door twee schreiende oogen! Gij Magdalene! stijf- en wit-bestorven als Albast, het blonde haar ontbonden en den hals Bedekkend, knielt gij neer; de handen samenklemmend En naar den Heiland slechts den strakken blik bestemmend Van_ \'t kwijnend lichtblauw oog, waarin een enkle traan Gelijk een parel blinkt. Een poosje blijft hg aan Uw zijden pinkers, als een heldre dauwdrop, kleven;

Maar eindlijk wordt hij door een andren voortgedreven, En rolt hij langs uw kaak en langs uw bleeken mond!

— Ach, trooatelooze, die geen Moeder troosten kont!

Ook de Discipel, wien de Heiland meer dan eenen

Als vriend bemind heeft, staat daarnevens; niet te weenen Als Clopas\' gade; niet met een verbrijzeld hart Als Magdalene; niet half zinloos door de smart Als de arme Moeder; maar als in gepeins verloren.

En zonder dat één traan hem \'t donker oog doet gloren; De handen kruislings op de borst, den blik ter aard.

Als met een duistren geest van twijfeling bezwaard, En Golgotha, noch kruis, noch iets of iemand ziende.

Maria! Ik keer tot u. Geen die met troost u diende. Beklagenswaardige! die u aan \'t kruishout knelt;

Voor wier verbeelding, dof, beneveld en ontsteld,

\'t Verleden opkomt, dat dit heden u ontroofde!

— Nog ziet gij d\'Engel, die uw schoot een vrucht beloofde; Gij ziet zijn majesteit; het luideklinkend woord:

„En hu zal groot zijn!quot; wordt nog eens door u gehoord; Maar ach, gij kunt op \'t Kruis die grootheid niet hervinden! Gods englen zongen ook den lof va,n uw beminden, Uw grooten Zoon, in \'t onvergeeflijk hemellied! —

Waarom beschermden dan Gods englen Jezus niet?

Ook deed hij wondren, en ontrukte velen \'t lijden En aan den dood! — Daar ziet gij Martha zich verblijden.

1

) Maria, de vrouw van Clüpaa.

-ocr page 36-

ZWIJGEN.

Daar, daar Maria, vreugde en dank op \'t zacht gelaat.

Dat opziet naar den Heer. Daar, droeve Moeder! staat

U Lazarus voor \'t oog, ter lijkgrotte uitgetreden;

Jaïrus dochter, met de doodwade om de leden.

Maar met een nieuwen blos op \'t jeugdig aangezicht:

Ook dilt heeft Jezus, de gekruisigde, verricht!

Hoe anders gaat het u dan Naïns weduwvrouwe,

Wie \'t „Ween niet!quot; tegenklonk in \'t heftigst van haar rouws:

Gij ziet den Zoon, haar weergegeven met haar vreugd,

Volheerlijk opgewekt tot nieuwherboren jeugd.....

En gij, de Moeder van den Godsman, gij blijft lijden; De Wonderdoener kan zich-zelven niet bevrijden!

En Hij was één met zijnen Vader — en zijn macht Houdt aan dees kruispaal op — Helaas! de denkenskracht Begeeft haar — \'t suizelt in haar ooren — en haar oogen Zien mat en moedloos naar den Heiland, of \'t geen logen, Geen laster is, dat Hij.......

En Jezds zag haar aan Zijn oogblik zoekt en treft het moederoog; de traan Mag eindlijk vloeien en langs d] engen boezem glippen.

Nu rolt dit lieflijk woord van zijn bestorven lippen.

Daar hij den schedel naar Johannes zachtkens wendt: ,0 Vrouwe, zie uw zoon!quot; En zijn discipel kert Die stem, die toon, die spraak, die uitspraak zoo vol zoetheid, Die klanken, enkel ziel en goddelijke goedheid;

En als hij d\' oogblik op den dierbren meester sloeg.

Sprak deze: „Zoon, aanschouw uw moeder!quot; \'t Was genoeg Voor beiden, en het hoofd, het heilig hoofd, zonk weder Op de afgefoolde borst, kalm en geduldig, nedei.

O, heiige kindermin vau \'t liefdevol gemoed,

Gij zweegt niet, toen een aard gered werd door zijn bloed!

ZWIJGEN.

Die zijnen mond bewaart, beiioudt zyne ziele.

Salomo.

Als donkre tegenspoeden

Ons stormen over \'t hoofd,

Verdriet het hart doet bloeden Waar vreugde werd beloofd;

Als \'t duister is voor oogen,

Door hoop en waan bedrogen,

Te leven pijnlijk wordt:

Dan, schoon een zucht moog stijgen,

ïe lijden en te zwijgen,

Daar \'t hart Gods wil niet tegenmort;

-ocr page 37-

ZWIJGEN.

Dau, met zijn Woord in \'t harte

Als steun en blijvend goed, Den kreet der felle smarte Te smoren in \'t gemoed, De hardste geeselslagen, Het moeilijkst kruis te dragen

En d\' opgehoopten last.

En, wat ons moog bejegenen, De slaande hand te zegenen: Zie daar wat Mannen, Christnen past.

Maar ook: den Eereloozen

Met eer te zien gekroond. Het goede \'t deel des Boezen,

Geen deugd van smart verschoond. Lichtzinnigheid voorspoedig, Godloosheid overmoedig.

De domheid op den troon, De wijsheid uitgefloten, Godsdienstigheid verstoeten, Ondankbaarheid des werelds loon —

Dit alles aan te staren

Met even kalm gelaat;

Niet grimmig uit te varen

Hoe hoog de weerzin gaat; Van ijvervuur ontsteken,

Geen God te na te spreken.

Die zulk een wereld duldt;

Maar wat Hij draagt verdragend. Naar \'t Hoe noch Waarom vragend. Waar Hij zijn wijzen raad vervult:

Zie daar wat ik moet leeren;

O Hemel! leer het mij!

Dat ik, naar uw begeeren.

Een goede zwijger zij.

Laat me, in mijn .jonge jaren Alreeds, mijn mond bewaren. Zoo hoede ik ook mijn ziel! Bewaak gijzelt mijn lippen.

Dat niets ze moge ontglippen Dat aan uw luistrend oor misviel!

Laat mij, bij Zien en Hooren, Ook Zwijgen, tot mijn baat.

Geen leerkans ga verloren,

Door eigenwijs gepraat.

Leer mij de Spotzucht dooven; Zij komt zoo dikwijls boven

-ocr page 38-

TKOOSTEN.

En maakt het vreeslijk bang; De Gramschap binnenhouen, En mijnen mond beschouwen Als oefenplaats voor zelfbedwang.

Laat me in den strik niet vallen

Van vijand of van vriend, Die uitlokt om te kallen

Van \'t geen gezwegen dient; Doe mij de kunst beseffen Door zwijgen te overtreffen

Die vlugst ter tale zijn;

Leer mij, door zwijgen, sparen. En liefde en vree bewaren, — Maar dat ik nooit lafhartig schijn!

Neen! Zie ik de Onschuld lijden.

De Waarheid in gevaar, Uw Naam en Woord bestrijden.

Beschimpen uw Altaar, Het Recht en de Eer verbreken — o, Geef mij dan te spreken,

En schenk mijn\' woorden klem! En laat mij niet versagen Om zelfs mijn bloed te wagen, Door \'t wel besteden van mijn stem.

TROOSTEN.

Koele Redeneerder,

Waan niet dat gij troosten kont; Gij verwekt slechts meerder Schrijning in de wond.

Tranenvloeden drogen Gaat niet door een woordenvloed, En \'t volhardend pogen Moordt een krank gemoed.

Waarom ook te stuiten, Wat vooreerst een hart verlucht, Dat zijn leed moet uiten.

Of te stikken ducht?

Zal het aandacht leenen Aan uw goed en heilig doel, Toon, door mede-weenen, Hartlijk meê-gevoel.

-ocr page 39-

QRAFGBBLOEMTE. 17

GRAFGBBLOEMTE.

Neen, \'t is niet voor de koude doón,

Indiër, een bloeratapeet

Den muilen kerkhofgrond bekleedt,

Door duizend kleuren schoon!

Wel aast er hij en vlinder op.

Met wat aan hladers knaagt;

Wel plukken jonge knaap en maagd Den versohontloken knop;

Wel vlecht de schooljeugd kransen van Hetgeen op graven bloeit;

Terecht 1 de bloemen zijn gegroeid Voor die genieten kan;

Maar welke lelie streelt een lijk?

Wat roos doordringt een graf?

Ach, roos en lelie vallen af En worden morsig slijk.

Daar is nochtans een grafgebloemt,

Daar niets op aard bij haalt,

Geen lauwer, met veel bloeds betaild,

Of waar de Kunst op roemt;

Een bloemenschat, die groeit en bloeit En nimmermeer vergaat

Ontwikkeld uit het edelst zaad,

Door \'t heiligst nat besproeid.

Hij bloeit om \'t stil en needrig graf,

Dat in geen oogen steekt.

Maar van een rijke liefde spreekt,

Die zegende en vergaf.

Hij spruit van uit die zwarte kist.

Waarbij de menschheid schreit.

Met eindelooze dankbaarheid Bedenkend wien zij mist.

Een engel Gods daalt, met een glans Van vreugd, van \'s hemels tin,

En oogst zijn eerstelingen in.

En vlecht ze tot een krans.

Naar boven wordt die krans gebracht,

In \'t eeuwig licht bewaard;

De rest bloeit lieflijk voort op aard,

En spreidt zijn geur bij nacht.

Only the actions of the just Smell sweet, and blossom In the du ___SHELLEY.

-ocr page 40-

RAAD. — EER. —

RAAD.

Wees wijs, bedwing n zelf, en ding naar eer noch goud. Maar zoek uw heil in \'t hart, zich zelf bewust van \'t goede; Wees voor \'t gespannen net der vleiers op^ uw hoede;

Haat niemand, maar zie toe aan wien gij u vertrouwt.

EER.

(naar rotlead.)

Der Waarheid trouw te zijn, als heilig boven allen;

Het Hecht te eerbiedigen en ook de Reedlijkheid;

Alle .mdren zacht, alleen zichzelven hard te vallen,

Verzakende om den plicht wat eer- of baatzucht vleit; Der maatschappij te zijn wat wij haar wezen mogen;

Te doen waartoe ons God de hand en \'t hoofd bekwaamt; Goed en rechtvaardig zijn, door lief noch leed bewogen: Ziedaar waarachtige Eer, en die den Man betaamt.

LIZETTE.

(naar ths. hayn\'es bayly.)

Ik zag hem nooit teroren.

Had nooit aan hem gedacht.

Mijn Vader had hem, als zijn gast, Bij ons aan huis gebracht.

Ik had hem zelfs niet éénmaal Genegen aangeblikt:

Aan tafel zat hij nevens mij;

Ik had het niet beschikt.

Maar bij zijn eerste spreken.

Hing reeds mijn hart aan hem; Nooit had ik liever spraak gehoord. Nooit aangenamer stem.

Als zich de dans bereidde.

Was ik zijn keuze weer;

Daar klonk op nieuw dat zacht geluid, Zoo hartvervoerend teer!

Wat wist hij mij te zeggen ? Ach waarom hem vertrouwd! „Hij had nog nooit zoo\'n lief gelaat, Zoo\'n hemelsch oog aanschouwd!quot;

I.IZETTE.

-ocr page 41-

LIZETTE. 1amp;

Waarom toch dus gesproken?

\'k Werd ijdel op die eor;

En ala de vleier mij verliet,

Hoe :.-iep mijn hart hem weer!

\'t Was vreemd; maar als ik uitging Verveelde ik mij altijd;

Het beekje was zijn lieflijkheên,

Het dal zijn schoonheid kwijt.

\'t Was vreemd; vermoeiend scheen mij De kleinste wandeltocht!

Ik wenschte mij dien vriendlijke\' arm,

Waarop ik leunen mocht.

\'k Wenschte iedereen afwezig.

En hem-alleen nabij?

Waarom bevroedde ik de oorzaak niet,

Noch wat er woelde in mij?

Vermeed ik \'t lieve plekje,

Bezocht door spel en vreugd,

En dwaalde ik om in eenzaamheid.

Zoo haatlijk voor de jeugd;

Doorstrengelde ik mijn lokken Met zijn geliefd gebloemt,

Koos ik de kleur voor mijn gewaad,

Door zijnen mond geroemd;

Schikte ik, in alle dingen,

Mij naar zijn smaak en zin,

Schoon \'k nauwlijks aan hem denken dorst; Wat kon het zijn dan Min?

Wee mij! ik hield het harte Der mannen niet zoo slecht!

Ik achtte elk lonkje welgemeend.

Elk streelend woordje oprecht.

Hij sprak van „eeuwge liefdequot;,

En ik geloofde dat.

Hoe kon ik denken dat hij reeds Zoo vaak bedrogen had?

Nu ziet hij naar een ander.

En, even teer en zacht,

Uekoort hij haar met de eigen taal,

Die ik mijn voor-recht dacht.

-ocr page 42-

BRUILOFTS BEUETZANG.

Ach, waarom moest zij schoon zijn? Ik wraak zijn keus niet; neen! Noch twijfel of zij zwichten moet Voor wat mijn oor zoo hemelzoet En onweerstaanbaar scheen.

BRUILOFTS BEURTZANG.

(Gezongen door lei-jonkers en gespelen der Bruid, die haar, met het vallen van den avond, bij fakkellicht, uit haar moeders woning naar het huis van haren Bruidegom overbrengen.)

(NAAR CATULLUS.)

REI VAN JONGELINGEN,

\'t Is aan d\'avond, Jongelingen! Opgerezen! Lang verwacht,

Blinkt het eindlijk aan den hemel, \'t voorbeduidsel van den nacht. Nu den blijden disch verlaten, nu ter bruiloftsrei gegaan!

Op nu, op! de Bruid zal volgen, en wij roepen Hymen aan.

Als zij nadert, als zij ingaat tot zijn beidend heiligdom:

„Kom, o Hymen, Hymenaeus, Hymenaeus, kom, ei kom!quot;

REI VAN MEISJES.

Ziet, de knapen zijn verrezen. Maagden! volgen we onzen plicht; Want reeds straalt het langs den heuvel, \'t nachtaanbrengend avondlicht.

Ziet hen driftig opgesprongen, saamvereend tot ons verdriet; \'t Bruiloftslied is op hun lippen, \'t maagdverwinnend bruiloftslied: „Kom, o Hymen, Hymenaeus, Hymenaeus, aarzel niet!quot;

REI VAN JONGELINGEN.

Maar de palm, die ons bereid is, is geen licht verkrijgbre buit. Ziet hoe zich de meisjes peinzend scharen om de bloode Bruid. Peinzende, en terecht, gezellen! want zij weten wat haar wacht, En haar list wil haar beschermen tegen \'s Bruigoms overmacht. Moeilijk zal de zege ons vallen, maar dat maakt haar schoon en zoet. Daarom vrienden! ons verbonden, één in poging, één in moed! Hoort reeds stemmen zij den aanhef! Op gezellen! dien herhaald! „Kom, o Hymen! Hymenaeus, Hymenaeus, niet gedraald!quot;

UEl VAN MEISJES.

Avondster! wat is er wreeder dan uw bloedig hemellicht,

Dat de dochter weg komt voeren voor haar moeders aangezicht. Komt ontscheuren aan die moeder, die haar vastklemt aan haar hart, Die haar met bekreten oogen aanziet met een stomme smart; Dat het onbesproken meisje, rein van zeden, stil en zacht.

Aan den vuurgenjongling wegschenkt, die met haar bedeesdheid lacht? Zeg, wat kan een vijand wreeder, keer\' hij stad en tempels om? „Kom, o Hymen, Hymenaeus, Hymenaeus, kom, ei kom!quot;

20

-ocr page 43-

BRÜILOFTS BEURTZANO.

HEI VAN JONGELINGEN.

Avondster! wat is zoo lieflijk als uw lichtgloed aan den trans, Die den huwlijksband bevestigt en verheerlijkt door zijn glans? Wat door mannen, wat door ouders, wat door magen werd bepaald. Wordt door u alleen bezegeld, ah uw glinstrend schijnsel straalt. Kondt ge ooit zaalger uurtje scheppen, menschenminnend godendom ? „Kom, o Hymen, Tfymenaeus, Hymenaeus, kom, ei kom!quot;

REI VAN MEISJES.

In den stillen hof besloten, bloeit het bloempje vredig voort; Waar geen ploegschaar \'t af komt snijden, en geen snufflend vee het

[stoort.

\'t Koeltje streelt, het zonlicht sterkt het, en de koele regendrop Parelt op \'t bevallig kransje, dringt naar binnen, voedt het op. Knapen zien het, maagden zien het, en begeeren \'t als om strijd; Maar zooras een scherpe nagel \'t knikkend stengeltje doorsnijdt. Maar zooras \'t geplukte bloempje glans en kleur en geur verliest, Ach, geen maagd meer die \'t zich aantrekt, en geen jongling die het

[kiest!

Dus is \'t ongerepte meisje de eer en lust van haar geslacht;

Maar zooras zij \'t maagdenkransje op \'t altaar des huwlijks bracht, Is ze noch de lust der knapen, noch de roem der maagden meer. Kom, o Hymen, Hymenaeus, kom en zie ontfermend neer!quot;

REI -VAN JONGELINGEN.

Op een schrale\' en ledige\' akker, meer geworpen dan geplant, Kan de wijnstok \'t hoofd niet beuren uit het onaanzienlijk zand; Kan hij nimmer vruchten kweeken, waar het dorstig hart naar blaakt. Moedloos kruipt hij over de aarde, waar zijn top zijn wortel raakt. Van hot stof des wegs bestoven, omgedreven door den wind.

Laat hem boer en jongling blijven, waar hij hem te kwijnen vindt. Maar wanneer de rank zich slingert om een olmboom, die haarschoort. Zie hoe zij het oog des landmans, \'t oog van eiken knaap bekoort! Dus het ongerepte meisje, als \'t veroudert onbemind;

Maar die zich ter goeder ure met een teedren ga verbindt,

Is dien gade een schat der schatten en haar oudren eens zoo dier. „Kom, o Hymen, Hymenaeus, Hymenaeus, nader hier!quot;

MEISJES EN JONGELINGEN TE ZAMEN.

Lieve Maagd! wat doet u aarzien, waar geen wederstreven baat? Kom, volbreng den wil aws vaders en uw moeders besten raad. Wees gehoorzaam aan die beiden, want uw plichten vergen dit. Wil niet wanen, schoone jonkvrouw! dat ge u zelf geheel bezit: \'t Eigendom uws vaders zijt ge voor een derde, schreiend kind! Voor een ander derde uw moeders, die u als zichzelf bemint; Slechts het derde derde is \'t uwe; o bestrijd geen dubble macht. Die haar heiige rechten afstond aan den Bruigom, die u wacht! „Kom, o Hymen! Hymenaeus, kom en sprei hun echtkoets zacht!quot;

21

-ocr page 44-

BIJ EEN QRAP.

BIJ EEN GRAP.

Hier ligt een schoone knop geveld, Die schooner bloesem had voorspeld;

Hier rust, in \'s aardrijks koelen schoot, Een jeugdig ofi\'er aan den dood;

Hier dekt het hooge kerkhofgras Een kind van achttien jaren pas.

Haar hart was rein; haar leest was schoon; De roos der jeugd bloeide op haar koon; Haar onschuld lachte u blij te moe Van \'t blanke, heldre voorhoofd toe; \'t Genoegen schitterde in de vonk.

Die in een lichtblauw oogje blonk, En zweefde met den schoonsten lach Om \'t liefste mondje dat men zag,.. . Ach, korte vreugde, — lang verdriet! De schoonste bloemen duren niet.

Helaas, belaas! hoe menigmaal Herhaalde zich dit droef verhaal!

De Tering koos zoo frisch een spruit Als een begeerlijk otter uit.

Toen gloeide \'t blosje op die wang Met nieuwen gloed, — maar doofde eerlang, Toen schitterde in dat oog de vonk Met dubblen luister, — maar verblonk.

Haar moeder zag, met zorg en smart. De liefste lievling van haar hart Vermindren, smelten; kracht voor kracht Der wreede kwaal ter prooi gebracht. Zijzelv\', schoon stervend lid voor lid. Had lang nog hoop, of veinsde dit; Verwachtte \'t voorjaar, hoopte zeer Op d\'invloed van „wat milder weer;quot; Op \'t nieuw verblijf, haar toegedacht; Op \'t nieuwe middel, groot van kracht. En dat haar arts beproeven zou,

„Als eerst die koorts maar slijten wou!quot; — Totdat zij, aan haar moeders borst. Een beter hoop belijden dorst.

En, met den hemel in het oog,

Het hoofd gedwee ten grafkuil boog.

Nu schreit beroofde moedermin.

Nu schreien zuster en vriendin.

Nu schreit wie deernis tranen gaf Zich blind bij dit ontijdig graf.

Maar komt! den blik omhooggebeurd.

-ocr page 45-

AA.S DU STARREM.

Bedroefde harten, die hier treurt!

Bedenkt wat vreugden bij den Heer Zijn weggslegd, en ween nist meer Om \'t ziebje, dat Hem vroeg gekend, Vroeg \'t oogje tot Hem heeft gewend, En niet te vroeg, schoon \'t ons zoo schijn, Gewaardigd werd bij Hem te zijn.

Wat moet ge, omstraald van eeuwig licht. Een vriendlijke engel zijn, lief wicht! Wat zal, omgloord van zachten glans, Die onverwelkelijke krans,

\'t Verwelkend kind door God beloofd, IJ lieflijk staan op \'t lieflijk hoofd!

AAN DE STARREN.

Daar pronkt gij weer in tal en pracht. Zoo rijk, zoo schoon als ooit,

Als stofgoud, dat de lieve Nacht Zich op haar paden strooit;

Als pronkborduursel, schoon van glans, Geweven door haar kleed,

Als lampen, die aan \'s hemels trans, Haar wenk ontsteken deed;

Als; — maar laat af, gij pronkziek lied Waartoe hier beelden? Neen!

De aard heeft ze voor den hemel niet, De hemel hoeft er geen; —

Als Wondren, door de_ Macht gesticht, Die ons alom omringt

En in uw lieflijk flonkerlicht.

Als macht der Liefde blinkt.

Weest, schoone wondren! weest gegroet Gegroet, gij starrenschaar!

Hoe heerlijk is des hemels gloed, Hoe helder, blauw en klaar!

Hoe goed is voor uw flikkrend licht. Het oostewindje thans!

Het blaast geen wolkje u in \'t gezicht, Geen walmpje voor uw glans.

En o! hoe vriendlijk, zacht, en blij Blikt gij terneer op de aard.

-ocr page 46-

KIJMELARIJ.

En ziet van uit den hemel mij, Die opzie hemel waart!

Zoo velen sloten \'t venster dicht En \'t lichtschuw bedgordijn, En zagen nauw uw troostrijk licht. Uw liefdevollen schijn.

Zoo velen sloten de oogen toe

En vlijden zich ter rust, Van arbeid of van beuzien moe, Van kommer of van lust.

Maar ik,_ ik waak; ik waak als gij,

Verlichters van den nacht! En mijmrend ziet ge, als dikmaals, En duizlend bij uw pracht.

Ik staar uw wonder weemlen aan, En denk aan Hem, wiens wil U eiken nacht weer op doet gaan En wentlen om uw spil;

Die als de gouden zonnegloed Hen op zijn wenk verliet,

U tot de menschen zeggen doet: „In donker blijft gij niet.quot;

Die, als de slaap voor al wat leeft Zijn dons en maankop strooit. Door u. aan de aard te kennen geeft „Uw Schepper sluimert nooit.quot;

Dit lokt een stillen traan in \'t oog,

Dat naar zijn hemel ziet,

o. Dat hij meer hem zeggen moog, Dan mijn onmachtig lied.

RIJMELARIJ.

Zoo veel Het filomeel-

gekweel

Verschilt van \'t schorre meeuw-geschreeuw En \'t rauw gekras Van \'t ravenras.

-ocr page 47-

RIJMELARIJ.

Zooveel verschilt de Bard,

Wiens hart Zich-zelf verplicht Tot zang en dicht,

Van hem, die ook poëet Zich heet,

Maar van gevoel noch geestdrift weet, En enkel regels smeedt En kneedt.

Als een, die slaafs zijn taak verricht. — 0 zie! met doodsverf op \'t gezicht. Met de oogen strak op \'t blad gericht, Dat voor hem ligt,

Zit daar Jan Rijmelaar;

En zwoegt En ploegt Aan zijn gedicht.

Alsof \'t een reuzenarbeid waar.

Voor menschenkracht te zwaar, \'t Gerimpeld voorhoofd van Den man.

Zijn wenkbrauwboog, zoo laag hij kan Op \'t oog gedaald En neergehaald.

Zijn daar de blijken van.

Op eens! daar slaat hij \'t oog

Omhoog,

Daar staart hij strak naar boven, O!

Wat deert mijn sukkel dan?....

Daar slaat hij, met een woest misbaar, De linkerhand in \'t zweetend haar.

En hijgt en steunt zoo zwaar:

Daar brengt zijn maagre rechterhand De ganzenveder, die ze omspant, Stuiptrekkend naar zijn mond.

Mond, waar zij \'t woeden van zijn tand

Zoo dikwijls ondervond.

Baloorig stampt hij op den grond, Vorschriklijk rolt zijn blik in \'t rond;

Hij slaat zich voor den kop;

Hij grijpt zijn rijmregister op.. ..

Daar leggen hem do ontsloten blaan Nog eens zijn ijslijk noodlot bloot.

En siddrend staart hij \'t aan.

Daar valt hij ruglings m zijn stoel. En, meer dan halt\' in zwijm.

-ocr page 48-

RIJMELARIJ.

En snikt (wieu laat zijn jammer koel ï): „Helaas!... ik... yind... geen... rijm!quot;

Hij werpt zich op zijn legerstee,

Maar slaapt (o smart!) niet in; Nog maalt die halve re-gelsnee

Den dichtworm door den zin. In \'t eind bezwijkt hij voor \'t geweld Des zoeten slaaps. Maar nu beknelt Een bange droom den rijmerheid, Die hem met duizend angsten kwelt, Hem rillende op de pijnbank stelt. Alwaar de diepbeklaagbre bloed Zijn vers voltooien moet. —

Het is hem of hij \'t doet,

En of de faam, door stad en veld,

Zijn zuur behaalde zege meldt....

Maar hij ontwaakt en \'t woord Is voort,

En — vruchtloos nagespoord!

Ach, staak een pogen, rijmerstoet,

Met zooveel zweets betaald,

Zoo u de ware dichtgeest faalt, \'t Is vruchtloos wat gij doet!

Het is een ingeschapen gloed. Die dichter maakt. Geen vlijt en zweet. Geen duizend reeglen, saamgesmeed

Met moeite, zorg, en kunst.

Verheffen immer tot poëet;

En, schoon \'t u schaamle domheid heet, Die van gevoel noch vinding weet, De muzen, dwaze rijmerdrom!

Ontzeggen u haar gunst;

Zij sluiten u haar heiligdom.

Ei, keer weerom!

En spaar uzelf \'t onvruchtbaar leed Der distelige paan.

Die de eerzucht op doet gaan.

Geslacht, dat niet gewaardigd zijt Tot Phebus\' hooge luit!

Verslijt Den tijd Met veèl-gespeel;

-ocr page 49-

RIJMELARIJ.

Beschouw de houten kermisfluit

Als uw gerechte deel;

Maar strek, in onbesuisde vaart,

Geen handen naar de citer uit.

Voor waardiger bewaard! —

O gij, wien dichtvuur \'t hart niet blaakt,

Dat van verrukking gloeit!

Waartoe een enklen toon_ geslaakt. Waartoe met beuzlend rijm-

gelijm

Uw duizlig brein vermoeid\'?

En gij,

Die mooglijk Poëzy Erkent in \'s rijmers lied;

In wie de geest dier bastaardij Nog heftige bewondraars ziet. Nog schutspatronen vindt,

Wat, ezels! maakte u zoo ontzind? Wat heeft uw oog verblind?

Zoo schaart, wanneer de wijde mond

Eens luiaards opengaat.

Die, van de wijs en int de maat.

Langs gracht en straat Zijn jammerdeunen hooren laat. De domme volkshoop zich in \'t rond, En ieder staat Genageld aan den grond.

Maar, als do zachte filomeel Haar duizendtonenrijke keel Ontsluit tot lief gekweel.

En \'t lied weergalmen doet door \'t woud. Dan gaat die zelfde hoop voorbij, Die haar zoo zuivre melody

Voor slechten wildzang houdt.

Ach, maakte eenmaal uw dwaasheid plaats Voor dichterlijk gevoel;

Ontvonkte eenmaal die gloed Uw bloed,

Hoe liet u \'t beuzlend rijmen koel, Hoe streelde u \'t dichtrenkoor

\'t Gehoor,

Hoe zoudt gij hun verheven toon Eerbiedigen als \'t eenig schoo», Hoe ruischte u die in \'t oor!

-ocr page 50-

ver jaarverz en.

In \'t oor?____o neen, de ware Bard

Dringt tot het hart En innigst leven door!

VERJAAR VEEZEN.

(een satire, of iets dat daarnaar gelijkt.)

Je hais le trlste personnage De ces Insipides rimeurs,

Qui dans leur Importun ramaqp,

S\'en vont bégayant des fadeurs: Qui ne passent pas votre fête.

Sans une chanson toute prête.

DELUXE.

Ik Laat de misiyke figurer

Van \'t lafheldkramend ïijmervolk. Met paperassen en schriftaren

Uw vreugd beneevlende als een wolk Niet duldend dat gij zoudt verjaren, üf zij, zij moeten verzen haren.

Hoe! — zou een rijmlaar aan oen feestdisch zitten kunnen,

En aan zijn dichttalent geen vrijen loop vergunnen? —

Zou (zoo als \'t veeltijds heet) zijn tohkelgrage hand,

Schoon onbedreren. niet het speeltuig aan den wand

Ontrukken ? Zou hij zich in hooger, reiner sferen,

Niet heffen, en met vuur het Negental bezweren

Om in zijn dienst te staan en, aan verwaandheid rijt.

De gasten siddren doen van zijn verjaarmuzijk!

Dat hoort zoo; dat betaamt; hij mag niet wederstreven;

Hij waar zijn plaats onwaard, indien hij \'t laten dorst!

Nu, \'t strookt ook opperbest met de eerzucht van zijn borst,

En met zijn ijver om zich toch eens lucht te geven!

Wie neemt hem \'t euvel af? Hij is gelijk die gast

Daar nevens hem, die nu een kalfsborst zit te ontleden,

En aanstonds gaarne met de slavork zich belast,

Als zijnde wel doorkneed in tafelkundigheden.

Ach nienig rijmer, die (\'k beklaag hem in mijn haiquot;t)

Nooit ooren vinden mocht, gereed hem aan te hooren,

Ziet aan een feestdisch zich op eens die eer beschoran;

Wat wonder zoo hij nu elks zielsverveling tart?

Hier, waar hem niemand durft ontsluimren of ontloapen,

(Gezelschap, spijs en wijn, \'t houdt alles de oogen open

En duldt geen aftocht) vraagt zijn deftigheid het woord:

Hij rijst, ontrolt zijn vers, en leest het ongestoord;

Ziet soms eens rond, of hij zijn hoordren zoo kan tretfen

Dat zij hun oogen nu en dan tot hem verheffen;

Gaat voort met nieuwen moed, dreunt zich blijmoedig moe,

Kn oogst (per slot) den lof van heel \'t gezelschap toe;

28

-ocr page 51-

VERJAARVERZEN.

Want deze blijft niet uit, daar kan hij vast op rekenen;

Zij durft niet. — Dat\'s eerst taal. — Dat wil nog wat beteekenen.\'

Een heel lief vers. — En zoo toepaslijk. — Ja, niet waar? —

\'t Is toch een lief talent! — Men is er steeds mee klaar

Bij feesten zoo als dit, hij \'t rondgaan van den beker. —

En kost het u veel tijd of moeite? — Weinig zeker! —

Hoe ivenschte ik dat ik \'t kon!... Zoo snapt liet gastenheir,

En onze dichter slaat zijn oogen zedig neer.

Zulk een gelegenheid is goud waard. Allen stellen

\'t Op reekning van gevoel en echte hartlijkheid;

Vooral de gastheer doet zijn vriendschap \'t gulst bescheid;

En niemand denkt er aan hoe de eerzucht hem deed zwellen,

En hij zichzelf alleen den wierook had bereid.

Van daar dat bijna geen verjaarfeest zich ziet vieren,

Of \'t galmt van citers en rinkinkt er van de lieren,

Waaronder zich gestaag het rauw geluid vermengt

Van een losbarstend hart, dat u zijn inhoud brengt.

Elk dichter, neen, elk dichtemr. spant daar de snaren,

Die eeuwig rijmen op het heugelijk verjaren.

En wie wil onderdoen, indien hij meedoen kan?

„Maar \'k voel geen zangdrift!quot; — Nu gedraag u als een man;

Begin maar vast; het zal wel komen! — ,\'k Schrik van \'t zwoegen

Die foltring ziet zich ruim beloonen door \'t genoegen.

Dat ge in de voordracht van uw weidschen feestzang smaakt.

Als die gewenschte stond van \'t nagerecht genaakt.

De schelle klepel klinkt van die den disch mag regelen,

En u en andren, wie het vuur der dichtkunst blaakt.

Verzoekt zijn woorden met hun zangen te bezegelen. —

Verruklijk oogenblik! Laat hoen- en schildpadsoepen,

Laat duurgekochte visch, gesaust met d\'eelsten wijn.

Laat malsche runderhaas u tot genieten roepen.

En wildbraad en kapoen uw tong ten wellust zijn;

Laat nieuwe groenten, die de broeibak pas kon geven.

Den feestdisch kransen, en verjongen \'t vroolijk hert, —

Uw weelde komt eerst, als dit alles is verdreven,

Om plaats te maken voor \'t u gunstige dessert.

Dan schijnt een nieuwe gloed uw aadren door te bruisen.

Dan wordt uw boezem eerst van \'t geen hij zocht verzaad;

„Lig daar, verachte vork!quot; — zoo denkt gij, en versmaadt

IJs, marasquin en ooft; want, o! uw zang zal ruischen! —

Vergeefs dan, zoo \'t gevoel zich tegen de eerzucht kant.

Verwin het, neem gerust de citer in de hand!

Wat zoudt ge, als prozaman, met de andren zitten droomen?

Neen, grijp uw veder! schrijf! \'t gevoel zal ook wel komen;

En blijft het uit, wel nu! daar stoort geen mensch zich aan:

\'t Is altijd troost genoeg: „ik heb toch meegedaan!quot;

\'t Is beter slecht gedicht dan gansch en al gezwegen.

Niet waar? komaan; aan \'t werk! papier en pen gekregen!

Begin maar vast met los te barsten, of indien

-ocr page 52-

atta.

Die toon wat forseh is voor uw inborst — laat ons zien!

Zeg dan \'(! Is feest; tot driemaal toe. Heft aan, mijn snaren!

Of spreek van rozen, waar uw blijde hand de haren

Van dien uw zangtoon geldt mee kapt. Verhef den dag

Waarop die thans verjaart het eerste daglicht zag!

Gelijk zijn leven bij een hacblijk schuitjevaren,

Of bij een enklen dag, of bij een sohouwtooneel,

Of bi] een pelgrimstocht; dat immers hoort men veel;

Dat zijn de beelden van de Mode; wel te weten:

Bij \'t laatste dient vooral noch roos noch doorn vergeten;

By \'t eerste moet volstrekt van klip en bank gewaagd,

Van storm en onweer, van \'t verstandig zeilenreven,

En kunt ge hier en daar een scheepsterm daarbeneven

Gebruiken, laat hot niet; die beeldspraak toch behaagt;

Bij \'t tweede, zonneschijn na regen opgedaagd!

En bij het derde — dien uw verzen gelden zullen

Behoort een groote rol met staatsie te vervullen.

Aan \'t slot wenscht gij hem al waar zjjn gemoed naar haakt.

Nog jaren achtereen, tot dat de dood genaakt,

En de eeuwigheid; of zoo gij dat wat ernstig oordeelt,

Of weet dat daarmee uw met rijm begroete vriend

Niet dan maar half aan zijn verjaardisch is gediend,

Zoo eindig met een grap uit duizenden; bij voorbeeld:

Vertel gij hoe gij hoopt dat gij nog Duizendmaal

Zijn jaarfeest vieren wilt bij \'t rondgaan der bokaal;

Of zeg wat heerlijk vers gij dkn hem voor zult lezen,

Als hij juist eens zoo oud als op dees dag zal wezen.

In \'t kort, aan \'t dichten, fiks aan \'t dichten! Schiet, o schiet

Uw vleuglen aan en schreeuw, \'t zij \'t onzin worde of niet!

Uw eer roept luidkeels en de tafelplichten spreken

Hun vonnis over u, — gij moogt hier niet ontbreken;

En dichter! \'t zij uw geest getuigen moge of niet,

Beveel uw dichtaar dat zij heden voor u vliet!

Maar, wilt ge u zelf, mijn vriend! en \'t Algemeen verplichten Verscheur, verberg na \'t feest die fraaie feestgedichten; Voorkom dat niet een prul te meer het daglicht zie.

Waarop \'t fabriekmerk prijkt; D, dwang en compagnie.

ADA.

Uw lok is zwart, zwart zijn uw wenkbrauwbogen.

Maar uw gelaat en voorhoofd lelieblank; Uw pinkers zwart, maar teeder blauw uw oogen.

En zacht van gloed het blosje op uw wang; Een zwarter oog voegde aan die zwarte lokken, Een donkrer tint aan blosjes en gelaat.

-ocr page 53-

STIL IS DE NACHT.

01\' \'t lelieblank, van rozerood doortrokken,

En \'t blauwend oog een blonder hoofdsieraad.

Maar neen! in u moest al het schoon zich paren, Dat ooit natuur in blond vertoonde en zwart, Uw schoonheid moest geheel uw zeldzaam hart, Uw hart geheel uw zeldzaam schoon verklaren.

Want in dat zwart van lok en wenkbrauwbogen Spreekt heel de kracht van uw standvaste ziel. De fiere moed die u ten deele viel;

En in het blauw van die zoo hemelsche oogen

De zachtheid van dat liefderijk gemoed.

Dat nooit door drift of hartstocht wordt bewogen,

Maar alles warmt en koestert in zijn gloed. Dat dubbel schoon is dubbel van vermogen; Het bruine toch stort hulde en eerbied in, En \'t blonde — teederheid en — o vergeef het — Min.

STIL IS DE NACHT.

Stil is de nacht en lieflijk blinkt de maan; Vermoeidheid rust met zorg en vrees en smarte, — Mnar liefde waakt in \'t rustloos kloppend harte, Zij, zij-alleen kan niet ter ruste gaan!

En waar legt Gij het lieflijk hoofd ter rust? Melieve, waar spreidt u de slaap heur bloemen? Wat legerkoets kan zich gelukkig roemen,

Dat zij u draagt en op haar sponde sust?

Waar is u thans het dons ten deel gevallen.

Waar gij uw leên tot sluimren nedervlijt? — O zij het zacht, gelijk gij waardig zijt.

Zacht als gij-zelv\', die zachter zijt dan allen.

En slaap gerust! — geruster dan ik \'t mag,

Sinds mij uw beeld geen rust vergunt te smaken. Sinds \'t mij bij nacht zoo menig uur doet waken, En droomen doet den ganschen langen dag.

Dat droomen ook is dierbaar aan den geest. In droomen slechts bestaat al \'t zoet van \'t leven. Maar die zijn \'t zoetst die ons de slaap kan geven, Als \'t hart gelooft, dat wakend hoopt maar vreest. O droom gij zoet! en word niet wreed bedrogen, Ontvlie \'t geluk u nimmer met de rust! —

Droom zoet en schoon van liefde en levenslust! En laat die droom profetisch wezen mogen!

-ocr page 54-

ZANGSTUKJE. — DE QONDEIAER.

ZANGSTUKJE.

Wat heft ge uw paa ontloken knop, Beladen met den nachtdauwdrop,

Lief Roosje, in den bloemtuin op,

Met zacht en eerbaar blozen? Wat acht gij \'t, als de Zuidewind, Die u aan \'t mos ontslopen vindt, Uw malsche wang komt koozen. Den kus eens trouwen die u mint? Hij doet het alle rozen.

O, buig uw kruintje naar den grond. Ontvlied de kussen van zijn mond; De dartle, wien gij niet weerstondt,

Zal weldra u verstooten;

Hoed, hoed u voor zijn ademtocht! Schoon hij een poosje u streelen mocht,

Heeft hij genoeg genoten,

Hij drijft uw blaadren door de locht, Van -waas en gloed verschoten.

Ach, eer en trots zijn dan geknot. En, dal en heuvelen ten spot.

Mort gij al zwervend tegen \'t lot.

Dat u tot ramp moest doemen. De herdersknaap, die u ontmoet.

Gunt u geen plaats zelfs aan zijn hoed,

Bij de andre lentebloemen;

En spaart u zijn gezoolde voet, Gjj moogt zijn deernis roemen.

DE GONDELIER.

(NAAR CASIMIll DE LA VIGNE.)

„Luister, lieve Gondelier!

Wilt ge me overvoeren?

\'k Zal dees zilvren halsboot hier,

ü ten loon, ontsnoeren;

Zie, de steen is overschoon!quot;

Maar de knaap was meer gewoon. Spotte met haar bede:

Schaaplief, houd uw halsboot maar; Die ik in mijn gondel vaar,

Breng me iets beters mede.quot;quot;

„Nu, zoo zij mijn luit besnaard.

Bloem der jongelingen!

-ocr page 55-

BUDDER3 UHAb\'SÜHKlPT.

En ik wil in de overvaart

U een liedje zingen!

Wijs en toon zijn overschoen!quot; Maar de knaap was meer gewoon,

Spotte met haar smeeken; „„Kindlief, neen! vermoei u niet; Uenkt ge dat ik met een lied Mij bevredigd reken Vquot;quot;

„Nu zoo neem dit bidsnoer dan,quot;

Sprak an meer verlegen; „\'k Houd het van een heilig man.

Met ziju achtbren zegen;

Zie het kruis is overschoon!quot;

Maar de knaap was meer gewoon;

Barscher nog en stroever.

Sprak hij met een wreeden lach: „„Die niets beter* toonen mag. Laat ik aan den oever.quot;quot;

Echter heeft de knaap de spaan

Vlug ter hand genomen.

En de kleine tocht ging aan.

Door de blauwe stroomen.

Echter vloog de gondel voort. Met de lieve vracht aan boord,

Aan des roeiers zijde;

Echter scheen zijn hart voldaan Eu hij zag haar vriendlijk aan, Ongefronst en blijde.

Zoo nu knaap of meisje vraagt

Wat den guit bekeerd had. En wat loon hem heeft behaagd,

Die zoo veel begeerd had?

Hoor een oordeel van zijn smaak: Als een eerbre blos de kaak Van de maagd ontgloeide.

Telde \'t mondje hem zijn loon. Meerder was hij nooit gewoon, Vroeg hij niet, maar roeide!

BUDDERS GRAFSCHRIFT.

VOOJt UEMZELVKN.

Vaak heb ik van drift, vaak van liefde geblaakt. Geschertst en gedronken, gedroomd en gewaakt. Geweend en gelachen en zuchten geslaakt;

-ocr page 56-

LIEFDE. — ECHTE MOED.

Maar nimmer naar hooger betrekking gehaakt; Ook heb ik erbarmlijk veel verzen gemaakt;

Maar hier ben ik eindlijk tot zwijgen geraakt, En zwijg, tot mijn zwijgend gezelschap ontwaakt.

LIEFDE.

In peace, Love tunes the shepherd\'s reed; In war, he mounts the warrior\'s steed; 1 halls, in gay attire is seen;

In hamlets, dances on te green.

Love rules the court, the camp, the grove, And man below, and saints above; For love Is heaven, and heaven Is love.

Walter Scott.

Liefde lokt een zoet geluid;

Uit de dwarse herdersfluit,

Lacht de lieve vrede;

Klinkt de schorre krijgstrompet,

Op het brieschende genet,

\'t Pantser aan, en \'t krijgshelmet Op de blonde lok gezet,

Trekt ze strijdwaarts mede.

In de feestelijke zaal

Blinkt zij in haar blijdste praal.

Kegelt scherts en zangen;

Waar de meiboom is geplant.

En de landjeugd, hand aan hand.

Omspringt naar den boerschen trant,

Naakt zij met haar rozenband Huppelt ze in de rangen.

Zij regeert op \'t blijde veld,

Zij in \'t woelig krijgsgeweld.

Zij in \'t hotgewemel;

Sedert \'s werelds eerst begin Voerde zij haar wetten in;

Ze is gedaald van hooger tin;

Enkel hemel is de min,

Enkel min de hemel.

ECHTE MOED.

Plurimum facere, minimum ipse de se loqui.

Sallubtius..

Schoon de weidsche vederbos Op den koopren strijdhelm wapper.

-ocr page 57-

AAN SBREKA.

\'t Maakt wel kleine zielen trotsch, Maar geen bloode harten dapper;

Schoon het blank geschuurd pantsier Om den breeden boezem schitter, \'t Geeft geen moed aan den bezitter, \'t Maakt slechts latte pronkers fier; En waar deugd en moed ontbraken.

Schonk ze heupzwaard nooit of dagg\', Dat wel snoevers stout kan maken.

Maar geen helden vormen mag. Pronkzucht juicht in bonte vederen. En verzaadt zich \'t dwaas gemoed Aan eens halskraags schittergloed, Aan \'t borduursel van haar kleederen;

Blooheid steunt op \'t krachtig staal, En vertroost, haar angst verkroppend, \'t Hart van bange siddring kloppend,

Met haar pantsers van metaal. Snoeverij verheft haar gesten.

Wijl ze met gevaren lacht,

Boemt op moed en wonderkracht, En verbergt den kop ten lesten

Waar een Hein gevaar haar wacht. Echte Moed acht helm noch degen, Bruist niet op — betoont zich koel — Naakt — rukt aan — bestemt zijn doel Strijdt — volhardt — behaalt de zege — Maar wat lauwren Mj zich plukk\', Altijd wijt hij ze aan \'t geluk.

AAN SERENA.

OP HAAK EENENTWINTIGSTEN JAARDAG.

Nog lacht ons beiden, u en my

De weg des levens vriendlijk aan, En, wien hij hard of doornig zij,

Wij nog, wij juichen hem te gaan; De lach zweeft om op ons gelaat —

Hij, lieflijke eigendom der jeugd, — En als ons oog in tranen staat,

Gewis die tranen zijn van vreugd! Of zoo, in \'s levens eersten bloei.

Het oog een droever vocht vergiet, Hoe zilt het langs de wangen vloei\',

\'t Is dat van later leeftijd niet; Ontstijgt een zucht den boezem al, Waar hoop, verbeelding, lust vergaan

-ocr page 58-

AAN SERENA.

\'t Is niet wat later wezen zal,

Noch doet het hart zoo pijnlijk aan.

Dekt soms een wolkje van verdriet

Ons vourhoofd, — o, \'t verheldert dra, En laat die diepe voren niet,

Die \'t eenmaal groeven zullen, na.

Nog is ons \'s werelds onrust vreemd.

Met al wat vreugde en heil belaagt. De zorg, die \'t hart ten zetel noemt.

De vrees, die aan zijn vezels knaagt, De ellende, die den moed verdooft,

Bekomm\'ring, die de wang ontkleurt, Met wanhoop, die ons alles roott.

Of stil verdriet, dat rustloos treurt. Nog dartlen liefde en vriendschap blij

In gulle oprechtheid om ons heen;

Nog is de menschheid u en mij

Niet wat ze aan hooger jaren scheen; Haar list, haar valschheid, haat en nijd, Haar hoogmoed, baatzucht, huichlarij.

Zijn, in des levens rozeutijd,

Geen distien nog voor u en mij.

Maar weelde, speelgenoot der jeugd, Omhuppelt ons op \'s levens paan,

Gevoel, genoegen, liefde en vreugd

Biedt ons om strijd den beker aan; Verbeelding siert den hemel ons

Met gouden glans en purpren gloed, En hoop spreidt ons haar vriendlijk dons En wiegt ons zacht — wij sluimren zoet Wij sluimren zoet en heerlijk. — O!

Wij droomen lieflijk, gij en ik;

Ach bleef het immer, immer zoo

Als in dit kostlijk oogenblikl Maar neen, dat wenscht ons woelziek hart.

Dat steeds naar meerder uitziet, niet. En slechts bij later, dieper smart

Benydende op \'t verleden ziet, — Benijdende! — Ach. wanneer \'t gemoed

Eens boet voor vroeger zaligheên. Dan wendt zich \'fc oog — als eenig^ zoet

Terug naar \'t weggevloeid verleên;_ Dan zal, hoe zwart de nacht ook schi\'in,

Hoe koud het om ons henen word\'. De erinring ons een lichtstraal zijn.

Die zachten gloed in \'t harte stort. —-Maar zij die lichtstraal — \'k vraag het niet Voor mij, die man worde, en wiens kracht Zoo licht niet neerbuigt voor \'t verdriet.

-ocr page 59-

aan miranda.

En \'t noodlot en zijn toorn veracht, —

Maar \'k smeek \'t voor u, wier teerder hart,

Niet zwakker, maar gevoel\'ger vast,

Zoo \'t lang en zwaar getroffen werd,

Misschien zou zwichten voor den last — Maar zij die lichtstraal de een\'ge niet,

Die \'t pad beschijn\', dat u verwacht.

Doch schaarsch de nevel van \'t verdriet,

En ver der rampen jammernacht!

Blijve u — verdient het e\'én, dan gij! —

Ook als des levens lente vlood,

Nog menig zoet genoegen bij.

Dat ge in uw lentetijd genoot;

En vind als jonkheids sluimer zwicht.

En ge in de wereld blikken zult,

Daar menig beeld in werklijk licht

ïerug, dat thans uw droom vervult;

Vind — waar gij doornen gaadren moogt —

Zoo menig roos op \'t verder pad.

Als ooit uw stille hoop beoogd,

Verbeelding u geschilderd had.

\'k Wensch u geen stoorloos zalig lot —

Ach! dwaas en vruchtloos waar die wensch — Maar, zooveel heils beschikke u (iod

Als ooit op aarde aan sterflijk mensch; Zoodat op elk geboortefeest.

Een feest zoo dierbaar ook voor mij, Dit denkbeeld vreemd blijve aan uw geest: „Goddank! reeds weer een jaar voorbij!quot;

AAN MIRANDA.

It (is) a charming sight to see Such high resolve and constancy, In form so soft and fair.

Waltkii Scoti.

Ach, waarom draagt gij, jong en schoon

En deugdzaam als gi] zijt,

Zoo vroeg des rampspoeds distelkroon, .

In \'s levens rozentijd?

Ach, waarom treft zoo rein een hart Zoo fel, zoo doodlijk fel een smart?

Genake ramp en tegenspoed,

Met onverbidbren tred.

Den trotsche, die in arren moed.

Zich hoog en hooger zet,

En leggen ze, in één gramme vlaag,

D\' in schijn onbuigbren schedel laag;

-ocr page 60-

AAN MIRANBA.

Of strekke \'t noodlot de ijzren hand,

In al haar schriklijkheid,

Naar hem, die tucht en rede bant,

En lust en hartstocht vleit:

En sla \'t den dartle, in éénen stond, Den zwijraelbeker van den mond;

Benauwe \'t diens verharde ziel.

Die God noch mensohen mint, Die, onbewust hoe diep hij viel.

Slechts eigenbaat bezint,

En weeke \'t hem \'t verstokt gemoed In eigen, wrangen tranenvloed!

O Heilzaam, driewerf heilzaam dan

Die felle wraak des lots.

Waar elk den wenk in merken kan

Des strengen vinger Gods,

En \'t billijk vonnis in vereert. Dat ondeugd straft en trots verneêrt!

Maar gij, die trots noch zelfzucht voedt

En iedere ondeugd mijdt.

Die, vreemd aan drift en dartlen gloed.

Slechts liefde en zachtheid zijt:

Maar gij. met God en mensch bevriend, Hoe hebt gij zooveel leeds verdiend?

O, hadde uw levenslot gestaan,

In mijne, in veler macht!

Gij waart met alles overlaan

Wat de aarde zegen acht; De schoonste rozen zouden \'t pad Versieren, dat uw voet betrad.

Geen traan werd door een oog zoo schoon

Zoo minzaam, ooit geschreid. En \'t vreugdeblosje op uw koon

Wachtte onverderflijkheid;

Geen bange zucht verroekloosde ooit Den glimlach, die uw lippen plooit.

Maar weelde wachtte u, zoete rust

En onvergalde vreugd,

En elk genoegen, iedre lust.

Bestaanbaar met uw deugd;

Gansch onbewolkt, blonk, nooit verdoofd. Den glnns des voorspoeds om uw hoofd.

-ocr page 61-

aan m iran u a.

Doch anders was \'t bestemd bij God;

Zijn wil beschaamt mijn wensch; U boidde «en eindloos grooter lot

Dan van gelukkig mensch;

Gij moest, dien voorrang waart gij waard, Ken lijdende engel zijn op aard.

Gij moest ten voorbeeld zijn gesteld,

Hoe zielsverdriet en smart,

Waarmeê de Hemel de aarde kwelt. Beantwoord wordt door \'t hart. Dat van Gods heilig doel bewust, De louterende roede kust.

\'t Moest rampspoed wezen, die uw schoon

Nog schooner blinken deed.

o, Deugd blinkt op verbleekte koon

Verhevenst uit in leed;

Geduld, geloof, hoop, kalmte, moed Zijn hemelsch in den tegenspoed!

En valle uw deel u bard en wreed, \'t Is schoon en groot te gaar; En immers, \'t vindt uw ziel gereed?

Wat last is u te zwaar ?

Ja, schoon uw wang van kleur verschiet, Uw boezem zwicht of weifelt niet.

De blijde Hofroos zijt gij niet.

Op duizend blaadren prat,

Die liefde, of eigenbaat, begiet

Met vezelsterkend nat, _

En hoedt ook voor den kleinsten tocht, Die aan haar bloesems schaden mocht.

De bleeke Duinroos, aan den wind

Ten prooi op \'s heuvels top, Die kweekaard\' voor haar wortel vindt,

Noch steunsel voor haar knop, — En immers, wat haar bloei belaagt,

Haar geuren walmt en vruchten draagt.

Zie daar uw beeld. Zij slechts is \'t waard,

Hoe fel de storm dan zij.

Zoo hoog te zweven boven de aard,

Den hemel zoo nabjj! —

Ook gij, beproefde in leed en druk,

Zjjt naast aan d\' oorsprong van \'t geluk!

-ocr page 62-

SCRUOOM.

(jij weet dit — Gij, verheven ziel,

In zulk een schoonen vorm! Dat steunt, -wat steun u ook ontviel,

I)at steunt u in don storm; Dat blinljtj wat uitzicht u vervloog. Als lichtgloed voor uw rustig oog.

Wat doren dan u \'t hart verwond\', Wat last u drukk\', wat wicht. Nog zweeft de kalmte u om den mond,

Die voor geen onspoed zwicht;

En in de tranen, die gij schreit,

Blinltt niets dan onderworpenheid.

Ach, ik benijd u; ik, uw deugd,

Uw onbezweken hart.

Ik gaf mijn zoetst genot, met vreugd.

Voor uw geduchtste smart.

Indien mij ook uw groote ziel.

Uw sterk geduld te beurte viel.

Brak eenmaal nog de scheemring door

Des lichts van uw geluk,

Versmolt in zachten morgengloor Het nachtfloers van uw druk, p]n lachte u op de levensbaan Nog eens een bloem van voorspoed aan —

De God, die \'t u beschikken kan.

Weet hoe ik \'t van Hem vraag Dat eens voor u die morgen daag....

Maar o! voor de aard zal dan. Na \'t scheuren van het nachtgordijn. Een heerlijk schouwspel minder zijn.

SCHROOM.

\'t Is zoet de blonde lok op \'t voorhoofd glad te strijken. Dat schittert van een glans waar \'t blankst ivoor bij zwicht. Der schoone die, een lach op \'t vroolijk aangezicht.

De vuurvlam van uw blik niet schroomt, noch tracht te ontwijken. Maar met een oog betaalt waar dartle min uit licht.

Doch zoeter is \'t een traan te zien in starende oogen.

Uit zacht bewogen hart in weemoed opgeweld,

Die lach en blos verjaagt, en, siddrend en ontsteld.

Ze van de bleeke wang meewarig af te drogen.

Terwijl \'t ontroerd gemoed in hemelweelde smelt.

40

-ocr page 63-

SCHROOM.

\'t Is zoet, in argloosheid, een reinen kus te drukken Op \'t onbewolkt gelaat, dat niet dar. lachend fronst; Den zachten boezem, die van jeugd en liefde bonst,

Aan \'t kloppend jonglingshart te klemmen met verrukken, Daar \'t in uw boezem zwelt, hoovaardig op die gunst.

Maar eindloos zoeter is die heiige en zwijgende eerbied, Die opziet naar de schoone — en huivert van ontzag;

Niet nadert dan met vreeze in iedren harteslag;

Verrukt is, als haar oog slechts ééns genegen neerziet. Maar beeft, als hij een zoom haars kleeds bereiken mag.

-ocr page 64-

NAAR WALTER SCOTT.

--— ik vereer zijne nagedachtenis als die

van eenen der weldoeners mijner jeugd, op nieuw myn vriend in later leven.

yer scheidenheden, incest op Letterkundig gebied. III. 174. (2e Uitg. I. 339).

DE LAATSTE MEISTREEL.

(LAY OF THE l.AST MINSTREL. INTRODUCTION).

Ue weg was lang, de wind was koud; De meistreel was verzwakt en oud;

Zijn grijze kruin, zijn dor gelaat Sprak van een eenmaal beter staat; De harp, al wat hem overschoot,

Werd door een kleinen tochtgenoot. Een knaapje, dat geen ouders had, Hem nagedragen, waar hij trad.

Behalve hem, geen zanger meer Voor ridderdeugd of heldeneer!

De tijd der barden was voorbij. Al \'t zangrig volksken dood, en hij Verdrukt, verwaarloosd, uitgebluscht, Had gaarne, als zij, in \'t graf gerust. Waar was de tijd, dat laat en vroeg Ook hem een vuurge schimmel droeg V Dat hij zijn lied kweelde, onbeducht En vrjj als \'t vogeltje in de lucht? Dat hij, vereerd en opgepast,

In elk kasteel een welkom gast.

Voor heer en vrouw van edel bloed Zijn rijm deed stroomen als een vloed? Ach, de oude tijden, de oude geest. De dag der Stuarts is geweest. Het onverdraagzaam heden ziet, Een misdrijf in \'t onschuldig lied! Nu zwerft hij, sjofel uitgedost.

En zingt een liedje voor den kost. En stemt een harp voor domme boeren. Die \'t hart eens konings mocht vervoeren.

Hij komt, waar Newarks torenspits Uit Yarrows berken zichtbaar is. Begeerlijk dak voor wie in \'t rond Geen nederiger herberg vond.

-ocr page 65-

DT, LAATSTE MEISTREEL.

Hij nadert, aarzelt, staat er voor.

Vermant zich, treedt de voorpoort door;

Die poort, wier boom en zwaar beslag

Een sterken vijand keeren mag,

Maar gaarne een goed onthaal voorzeit

Aan ouden dag en hulploosheid.

De burchtvrouw zag hoe moede en mat

De grijsaard over \'t slotplein trad;

Zijn schroom geviel der hertogin.

Zijn achtbaar uitzicht nam haar in.

En ras kont elk haar hoog gebod.

Hem wel te ontvangen op het slot.

Zijzelf was, spijt haar edel bloed,

Niet onbekend met tegenspoed;

Want, schoon zij macht aan schoonheid paart,

Het noodlot heeft haar niet gespaard,

Maar perst haar bittre tranen af

Bij Monmouths vroeg en bloedig graf.

Als spijs en drank hem zijn beschikt En de oude man geheel verkwikt.

Herleeft zijn dichterlijke toots;

Het oog schiet vuur, de tong komt los; Het geldt Graaf Francis, dood sinds lang, Graaf Walter, waardig lof en zang;

Geen dapprer held zat ooit in \'t zaal;

En hoe hij menig schoon verhaal Te doen wist van den ridderkring,

Die met Buccleuch te velde ging;

En, als de hooggeboren vrouw Eens grijsaards pogen hooren won.

Al was zijn stem zoo torsch niet meer.

Zijn hand zoo vast niet als weleer.

Hij wist nog wel een lied te spelen.

Dat haar niet ganschlijk zou vervelen.

Men leent zijn heusch verlangen \'t oor.

En de oude Meistreel krijgt gehoor.

Maar als, ter bnrchtzaal ingetreen.

Met al haar jufïren om haar heen. De hertogin den bard ontving,

Geloof ik dat hem \'t hart verging.

Hij stemt de harp, maar mist den moed. Die, door te durven, slagen doet, En overstelpend gaat een stroom Van beelden, als een bange droom Van langverleden vreugd en smart Hem door het kloppend brein en hart. Hij stemt de harp nog eens; voor niet;

-ocr page 66-

DE I.AATSTE MEISTREEL.

Zi) blijft ontstemd. De burchtvrouw ziet

Mnt deernis hoe hij zwoegt en beeft;

Zij prijst den blank, dien \'t speeltuig heeft;

Zij geeft den speelman moed en tijd,

Tot hem de rechte toon verblijdt.

De rechte toon, het juist akkoord

Met zielewellust wordt gehoord!

,Nu,quot; zegt de zanger, „wil hij \'t wagen

Nog eens een lied, voor vele dagen

Voor \'t laatst gezongen, als hij dacht,

Te doen herleven in zijn kracht.

\'t Was voor geen dorpers laaggeboren,

Het was bestemd voor de edelste ooren;

Eens zong hij \'t met een vol gemoed,

Den koning voor op Holy-rood\').

O, hoe gelukkig zou hij \'t achten,

Zoo hij, na zoo veel jaren tijds.

Den langvergeten tekst en wijs

Herroepen mocht in zijn gedachten 1quot;

Helaas! zij doen zich deerlijk wachten....

Wel menige aanvang wordt gemaakt.

Maar \'t hoofd geschud, en weer gestaakt.

Op eens, hij heeft den toon gegrepen!

En moedig heft hij \'t nu omhoog;

Een lach, een traan blinkt in zijn oog;

De geestdrift, die zijn hart bewoog,

Zal spoedig alles met zich slepen.

In wisselmaat, nu forsch, dan zacht.

Dwingt hij \'t weerklinkend koord met kracht;

Geen vrees, geen opzien meer, geen schromen;

De zorg is aan zijn hart ontnomen;

Zijn hooge jaren, lang verdriet,

Zijn armoe, hij gevoelt ze niet;

\'t Is alles in den stroom verslonden,

\'t Gaat alles onder in den gloed,

Waarbij zijn dichterlijk gemoed

Zijn jeugd en kracht heeft weergevonden.

\'t Verzwakt geheugen wordt gesterkt;

Elk geestvermogen waakt en werkt.

Tot dubble veerkracht opgewonden:

En ondersteund door \'t harpgeklang

44

Klinkt dus des Laatsten Meistreels zang.

\') Spreek uit: Holi-roed.

-ocr page 67-

vaderlandsliefde. — de uakp.

VADERLANDSLIEFDE.

(lay op the last minstrel).

Bestaat er luensch, zoo dood van hart, Die nimmermeer bewogen werd

Door \'t denkbeeld: vaderland? Die nooit een stil genoegen smaakte, Als hij, gekeerd van \'t vreemde strand,

Ziin eigen erfgrond weer genaakte?

Bestaat hij ? \'t Zij zoo! Maar weet wel: Voor hem geen lied of citerspel.

Hoog zij zijn rang en oud geslacht.

Zijn rijkdom veel, en groot zijn macht:

\'t Baatzuchtige gemoed,

Dat niet dan voor zicbzelven leeft, Doe zich op de ijdelheên te goed.

Waar \'t lage hart aan kleeft.

Maar wachte vruchtloos al zijn leven. Dat \'s Dichters lier een enklen toon Voor hem ten beste zoude geven! Vergetelheid, zie daar zijn loon.

Hij moog met pracht ten grave zinken. Geen oog wordt nat, geen luit zal klinken.

O Caledonia, bar en guur,

Voor een poëtische natuur De rechte Voedster! Dierbaar land Van bruine heide en warrig woud. Van berg en vloed; geen sterv\'lings hand Breekt immermeer den sterken band, Die mij aan u verbonden houdt!

Land van mijn vaadren! nooit herziet Mijn oog een deel van uw gebied,

Waarin ik eenzaam voort moet treden, Of \'t is als of me in berg en vloed Een oude trouwe vriend ontmoet;

Nooit denk ik aan uw schoon verleden, Of die gedachte doet mij goed,

En maakt, door uwe en mijne smart, U dubbel dierbaar aan mijn hart.

DE HARP.

(rokeby)

Van mijn eerste kinderdagen

plooide een vreemde trek mijn\' geest \'k Ben als knaap altijd afkeerig

van wat knapen streelt geweest;

-ocr page 68-

1

DE HARP.

In myzelf gekeerd en zwijgend,

. ging ik peinzende daarheen,

En beminde in eenzaam mijmren

slechts mijn Harp, mijn Harp-alleen.

Eerzucht blaakte \'t jeugdig hart mij,

en mijn trots verachtte ras \'t Eenzaam beekje, \'t needrig hutje,

dat mijns vaders rijkdom was; Zou de Faam er ooit van spreken?

Neen, mijn ziel vloog hooger heen; En wat deed me op hooger uitzien?

Slechts mijn Harp, mijn Harp-alleen.

Liefde blaakte sinds mijn\' boezem

met haar onberaden gloed,

Bracht begeerte en woeste driften

in mijn onbeproefd gemoed;

\'t Was de dochter van den Landheer,

„ ...... . wie mijn speeltuig godajk scheen;

H-ri XTTO T- n4--«t Vj A ___ ___* * 1_ O

En wat stijfde me in mijn hopen?

Slechts mijn Harp, mijn Harp-alleen.

Oorlog kwam met ramp en jammer,

TT , , , 611 gebrek met wee en smart;

k Had een deel van \'t leed te lijden.

waar mijn Land de prooi van werd; Wat kon nog mijn lot verzoeten,

ltr. bleef me ook van mijne akkers geen.

Wierp men ook mijn huis ter aarde?

Slechts mijn Harp, mijn Harp-alleen.

\'k Zag den droom der eerzucht wijken, „ \'k voelde \'shongers scherpen beet,

En den giften pijl der liefde,

die mijn boezem bloeden deed;

k Zag door allen mij verlaten,

lust en rust en hoop verdween — Maar een troost toch bleef mijn harte;

\'t was mijn Harp, mijn Harp-alleen. Daarom wil ik over bergen

en door dalen, waar \'k mij wend\', 1 rouwe Harp! u mededragen,

tot mijn aardsche kommer endt! .Niemand zal mijn grafstee naadren,

dat hij me in den dood beween\'; Maar gij zult een lijkzucht slaken,

gij, mijn Harp, en gij-alleen!

46

-ocr page 69-

DE K AVALIEK. — VERVELING.

DB KAVALIER.

(rokeby.)

Nog grauw was de scheemring-, nog neevlig het zwerk,

Mijn lief steeg te paarde krijgsvaardig en sterk,

Langs velden en wegen, waar \'t oproer zich toon\':

God hoede den dappre, die strijdt voor de Kroon!

Waar zijde hem dekte, \'t pantsier knelt hem daar;

Het staal van den helm drukt het goud van zijn haar; Het zwaard aan zijn heupe blinkt edel en schoon:

üod zeegne den dappre, die strijdt voor de Kroon!

\'t Is voor \'t recht van Oud-Kngland, zoo strijdzucht hem blaak\'; Haar Vorst is zijn leidsman, haar Kerk is zijn zaak;

Zijn wachtwoord is eer, en beroemdheid zijn loon:

Slrij\' God met den dappre, die strijdt voor de Kroon!

Laat ze roemen hun Fairfax, hun Waller en al \'t Rondhoofdig gebroedsel van Westminster-hall;

Maar weet! al koos de opstand \'t stout Londen ter woon: De speren van \'t Noorden omringen de Kroon.

Daar \'s Cav\'ndish, en Derby, ontzaglijk altoos.

Daar \'s Erins grijze Onnond en Schotlands Montrose. \')

Durft ge uw Skippon nog meten, uw Massey, uw Brown, Met Oud-Englands Baronnen, geschaard om de Kroon?

O vreugde over \'t hoofd van elk braaf Kavalier!

Zij zijn speer onweerstaanbaar, en sterk zijn pantsier!

Tot bij zege en in vreê hij zijns harten zucht toon In een dronk op zoet England, haar Kerk en haar Kroon!

VERVELING.

(lIAIiOI.i) TUE DAUNTLESS).

47

Daar is een zielsgesteldheid, aan ons allen Bekend, en die ons vaak bij \'t slaaprig vallen Van d\'avond, ot bij dag, bij triestig weêr, Bevangen kan, als onze geest veelmeer Zich voelt gestemd tot domm\'len dan tot waken. En alles strekt om de uren lang te maken. Verbeelding heeft dan vlucht noch licht; Verstand Geen enkel vruchtbaar denkbeeld bij de hand; Herinn\'ring suft, en Kunstzin heeft geen oogen; Het schoonst taafreel schijnt met een mist betogen;

^ Spreek: Montrooz\'.

-ocr page 70-

VERVELING.

Flauw, zoo uiet valsch, klinkt ons \'t bekoorlijkst lied.

Toch klagen wij dien toestand andren niet.

Men klaagt alleen op hoop van mededoogen;

Maar hoe zou deernis mooglijk zijn

Voor lasten zonder wicht, en lijden zonder pijnï

Ken vriend der jacht kan van dit leed verhalen,

Als, op den dag voor ,\'s eersten dood\'\' bestemd.

Stortregens, waar het veld van zwemt.

Hem aan \'t ondraaglijk huis bepalen.

De heng\'laar kent het, als „dat mooie weêrquot;,

„Die heldre luchtenquot; maar niet wijken willen;

i)e jonge juffrouw nog veel meer,

Wie(\\ \'Voogd ot\' Moei, in hun barbaarsche grillen,

Haar deel ontzeggen in de pret,

Die al de amies \'t hoofd op stelten zet,

Kn \'t jonge hart van zoet belang doet trillen.

Verveling! of, zoo als gij ook heet, „landquot;!

U danken wij veel goede en kwade zaken.

Gij stopt ons kaart en teerling in de hand;

Gij werpt d\'ivoren bal op \'t groene laken.

Bestelt de draaibank, reikt den styfselkwast.

Verwekt liefhebberijen, niet te tellen;

A plant zijn ezel, B zijn penningkast,

0 spelden in de ruggen van kapellen;

D, eerst de schrik van \'t muis- en kikvorschdom Door luchtpomp en galvanische kolom.

Keert nu, vermits zijn proeven zelden lukten,

Van dag tot dag, gedroogde planten om...

0 Deftig beuz\'len, o gemaakte drukten!

\'k Zwijg van de stapels boeken, niet geschreven Dan voor uw slaaprige oogen, Leyio,

Ziedaar den naam dier gansche rommelzoo Romans, bestemd slechts eenen dag te leven; Verhalen (.Lossequot; en — Stijve!); Luimig goed. Dat altijd nog de beste zaken doet.

Elk heeft zijn middel, elk zoekt raad

Bij \'t kwellen van dit schroomlijk kwaad.

Wat mij nog immer \'t meeste baat,

Is naar mijn boekzaal weg te sluipen,

In \'t hoekje van den haard te kruipen,

En op mijn luien-stoel, by \'t knappen van mijn vuur.

Een sprookje van fantastische natuur

Zóó lang te lezen tot, met neevlen overtogen.

De letters mij gaan huppelen voor de oogen.

En \'t fraai verhaal des dichters, binnen \'t uur.

Zich oplost in de wonderlijkste droomen.

-ocr page 71-

HET ERGSTE. 49

Die in mijn hazenslaap mijn geest bestormen komen.

Uansch wonderbaarlijk is \'t soelaas,

Door mij geput uit de avonturen

Van Ridders, strijdende voor hun Dulcinea\'s,

\\an Jufters, smachtende achter kloostermuren;

Ontleend aan Luchtpaleizen, Talismans,

Kabouters, Reuzen, Vampyrs, Doodendans

En Heksenfeest.... In weerwil van mijn reden

hn goeden smaak, het helpt, en \'k ben tevreden.

Somtijds ontvloeit me ook wel, op zulk een tijd,

Een stroom van verzen, die zich tot Vertelling schikken,

Maar die k, in wijzer oogenblikken,

Verscheur of in de vlammen smijt.

Er zijn er die dit vonnis overleven.

En die, — met fierheid zeg ik dit —

Mits ze in een ledig uur genoegen geven,

Niet vragen of een tijdschrift prijst of vit.

Pi]nstilling, mooglijk zachte streeling

Bij \'t haatlijk knagen der Verveling,

En vragende om geen ander loon

Dan \'t vaakrig lachjen op een uitgerekte koon.

HET ERGSTE.

(nAIiOLD THE DAUNTLESS.)

Wee der bark, als haar zeil is verscheurd. Als de draaikolk ten afgrond haar sleurt. Als de stormgeest de donderknots tilt. De meermin zich aan \'t haar rukt en gilt; Maar meer, als de trouwlooze hand Eens verraders de roerpen omspant!

Wee den pelgrim in Rama\'s woestijn. Die bezwijkt van vermoeidheid en pijn; Als de zon hem verbrandt van omhoog, Als de bron, die hij zocht, hem bedroog; Maar meer, als de schelm die hem leidt. Hem den dood in zijn strikken bereidt!

Wee den ridder, wiens schild is gekloofd, Wien het krijgshelmet afviel van \'t hoofd. Wiens strijdros gestort is in \'t zand.

Wiens degen men _wrong uit zijn hand; Maar meer, zoo hij \'t vleien vertrouwt Van een vrouw, die zijn ondergang brouwt!

4

-ocr page 72-

50 RTDPF.R KUNO.

RTDDER KUNO.

EEN OUDE BALLADE.

(The Noble Moringer; translated from the German.)

Uit Bohemens oude dagen zinge ik u een waar verhaal,

Van den eedlen ridder Kuno, dien gelukkigen gemaal.

Hii omhelst en kust zijn gade, lieflijk, eerbaar, schoon en goed; Maar hij spreekt: „Mijn halsvriendinne! hoor wat ik u melden moet.

\'k Hel) mij naar een verre landstreek tot een pelgrimstocht verplicht; \'k Moet Sint Thomas land bezoeken en verlaat nii)n slotgesticüt, Hier kunt Gij gebiedster wezen, zoo \'k er op vertrouwen mag, Dat gij trouw op mij zult wachten, zeven jaren en een dag.

Met een hart beklemd door droefheid sprak het vrouwtje tot haar ga: Zeg, mijn liefste! zeg, mijn eedle! wat bevelen laat gij na Wie zal uw vazallen leiden, wie voert hier voor u t bewind. En wie zal uw vrouw beschermen, als ge u in den vreemde vindt.

Toen sprak de eedle ridder Kuno: „Vrees melieve! daarvoor niet; Daar is menig edel ridder in mijn uitgestrekt gebied;

\'t Zal de vroomste zijn van allen, wien ik land en staat betiouw. Hij wordt hoofd van mijn vazallen, hij beschermer var mijn viouw.

Als een christen moet ik houden, wat \'k den heilgen aeh beloofd, O gedenk, als \'k ver zal wezen, aan uw ridder, heer en hoold, O, Melief! hou op van treuren, \'t is vergeefs ind^n gt rouwt ^ Neem van trouwen Kuno afscheid, die zijn eed den heilgen houdt.

Zoo sprak de eedle ridder Kuno, en hij haastte zich van t bed. En zijn kamerheer ontmoette hem met tabberd en lampet;

Om zijn schoudren viel de tabberd, rijk gevoerd met sabelbont En in \'t water doopte de eedle hand en voorhoofd, hoog en blond.

„Hoor, heer kamerheer!quot; zoo sprak hij, „want gij zijteen goed vazal, En de plicht is groot en wichtig, dien ik u betrouwen zal:

Zeven jaren zult gij heerschen over burcht en nddrenstoet, ^ Zeven jaren zult gij instaan voor mijn eega s trouw gemoed.

Maar de dienaar was rondborstig; zonder omweg zeiie hij.

„Heer, blijf bier, blijf zelf gebieden, en neem dezen raad van mij. Vrouwentrouw is zwak en wankel; zeven jaren, zegt gij ? k ^ou ^ Nauwlijks zeven dagen instaan voor de trouwheid van een vrouw.

De eedle ridder zag rondom zich, voelde \'t hart onrustig slaan. Maar hij zag Marstettens erfzoon, zijn getrouwen schildknaap, staan. Huivrend sprak hij tot den jonker: Trouwe schildknaap! spreek, Als ik ver zal over zee zgn, die verplichting op van mij ? [noemt gi).

-ocr page 73-

RIDDER KTTNO. ftl

Zult. ge dees mijn burcht bewaren, dit mijn land beschermen, en \'t Hoofd van mijn vazallen wezen, als ik op mijn tochten ben? Zult gij zeven jaren instaan voor een gade bij haar man,

En haar hoeden als Marye trouw beschermd werd door Sint Jan ?quot;

De eedle jonker was trouwhartig, maar hartstocht! ijk, fier en jong. Spoedig met een antwoord vaardig, maar met onbedachte tong; „Mei heer! verdrijf uw zorgen, vang gerust uw reistocht aan, Kn belast mij met dees eerplicht tot ge uwe eeden hebt voldaan.

Steun op mijn beproefde trouwe, die ik heilig houden zal,

\'k Zal uw land en burcht beheeren en elk ridderlijk vazal;

Voor uw lieve en trouwe gade geef \'k gerust mijn hoofd te pand. Dat ze u minnen blijft en deugdzaam, bleeft ge ook dertig jaar

[uit \'t land.quot;

Welgemoed was de eedle Kuno op \'t vernemen van dat woord; \'t Joeg den rimpel van zijn voorhoofd, van zyn wang de bleekheid voort; Allen wenscht hij wel te varen, scheept zich in zoo ras hij mag, Kn gaat zwerven in den vreemde, zeven jaren en een dag.

In een boomgaard sliep de ridder, in een boomgaard op den grond. Toen op eenmaal, in de sluimring, oen verschijnsel voor hem stond. Toen een stem hem zachtkens toesprak: „Ridder I \'t voegt u op te staan! Want uw erfgrond en uw gade neemt een andren meester aan.

Want uw strijdros ruilt zijn breidel en uw burchtslot zijn banier, En de stoet van uw vazallen volgt een\' ander in \'t bestier,

En de gade, die gij lief hebt, die zoo trouw eens was als schoon. Huwt zich, in uws vaders burchtzaal, heden aan Marstettens zoon.quot;

Op sprong de eedle ridder Kuno, en hij rukt zich aan den baard: , Welk een tijding moest ik hooren? waartoe leef ik nog op aard V Moest ik land en staf verliezen, al mijn vreugd was niet verwoest; Maar dat ooit een trouwloos ridder mij mijn gade ontrooven moest!quot;

„Mijn Bescherm-sint!quot; bad de ridder, „Heiige Thomas! gij, geeft achtl Een verrader steelt mijn erfland, daar \'k voor u mijn plicht betracht, En hij brengt mijn vrouw tot schande, die zoo zuiver was en goed. En ik dool in vreemde landen, dio dien smaad verzwelgen moet!quot;

Als Sint Thomas deze woorden uit zijns pelgrims mond vernam. Zond hij hem een diepen sluimer, die hem gansch bedwelmen kwam; Hij ontwaakt in \'t schoon Bohemen, aan eens beekjes oeverrand; Een kasteel stond rechts, een molen prijkte er aan zijn linkerhand.

Op sprong de eedle ridder Kuno; zijn betoovring was voorbij; Duizlend van geluk en vreugde, zag hij rond ter wederzij; „Ik herken mijns vaders burchtslot, met dien molen, met dien vliet! 0 heb dank, Geboorte-heiige! die mij bijstaat in \'t verdriet!quot;

-ocr page 74-

52 RIDDER KUNO.

Op zijn pelgrimsstaf gebogen, toog hij naar den molen heen,

Waar geen mensch zijn heer herkende, mits hij oud enzwaklijkscheen. O verhaalquot; — dus sprak de ridder, en hij greep des huismans hand, — \'O verhaal een\' armen pelgrim wat er nieuws is in dit land. -

.Weinig nieuws heb ik vernomen;quot; sprak de huisman wederom; Dit slechts: de eedle vrouw van \'t landschap kiest een tweeden quot; [bruidegom;

Haar gemaal stierf in den vreemde, dit verhaalt men telkens meel, En zijn dood gaat ons aan \'t harte, want hij was een waardig heer.

\'k Houd van hem dees kleinen molen, die mij brood en nooddruft geeft; God doe zacht den ridder rusten, die mi] zacht behandeld heeft. Als \'t Sint Maartensdag zal wezen, en raen ons ons loon voldoet^ Trekt de priester kap en stool aan, die voor Ivuno bidden moet.

De eedle Kuno klom den heuvel op, waar hij zijn burchtslot had. Voor de welgesloten poorte stond hij moede en afgemat:

,teder Heilige uit den hemel! sta uit deernis nu mij bij,_

Dat ik, die dees echt wil breken, hier niet uitgesloten zr|.

Flauw en moedloos was zijn kloppen, dof en droevig was zijn stem. Hoofd en hart en spraak en krachten, alles was bezwaard in hem. Tot den wachter sprak de ridder: ,Zeg der goede burchtviouw dit. Dat een pelgrim van St. Thomas voor éen dag bescherming bidt.

\'k Heb zoo menig weg geloopen, en mijn kracht heeft emdlijk uit; \'k Zal geen morgen weer aanschouwen, zoo zij mij de slotpooit sluit , \'k Vraag haar, om St. Thomas wille, pelgnmsleger, pelgnmsdisch, Om den wil van ridder Kuno\'s dierbre nagedachtenis.

De oude wachter trad ter burchtzaal op en sprak der vrouwe toe: Voor de slotpoort staat een pelgrim, oud en afgereisd en moe. Vragende, om St. Thomas wille, pelgnmsleger, pelgnmsdisch, Om den quot;wil van ridder Kuno\'s dierbre nagedachtenis.

\'t Zachte hart der vrouwe ontsluit zich,. Open,quot;sprak zij, „hem\'t kasteel.

Heet den zwerver welkom, vall\' hem spijs en drank en ^ ten deel. En daar hij mijns eega\'s naam noemt, zoo t zijn hait gelusten mag, Zal dit burchtslot hem beschermen zeven weken en een dag.

De oude wachter deed de slotpoort op, naar last der edelvrouw. En de ridder trad den drempel over van zijn slotgeDouw

Wees nu,quot; sprak hij, „goede hemel ! van een zondig mensch gedankt, Dat dit burchtslot in zijn muren zfln gebieder weer ontvangt.

Toen trad de eedle ridder Kuno in zijn hal met trage schreen En het deed zijn harte breken, dat hij elk een vreemdlmg scheen, Op een lagen zetel zat hij, diep weemoedig, bleek en bang;

Kort slechts zat hij daar, maar nimmer viel hem korte tijd zoo lang.

-ocr page 75-

KIDUEK KUNO. 53

Onder was de zon gezonken, \'t feest gedaan, en daai- de naoht; \'t Uur genaakt, dat jonge bruidjes in haar bruigoms armen wacht; \'t Is — sprak een der speelgenooten — „steeds eene ijzren wet geweest. Dat geen gast hier zal vernachten, die geen zang zong op een feest.quot;

„Daaromquot; — sprak de jonge bruigom, als hij neerzat naast zijn bruid „Legt, mijn zangren! legt de citer neder en de gouden luit;

Onze pelgrim zal ons toonen, dat hij aan die wet zich houdt, En ik zal zijn lied beloonen met een nieuw gewaad en goud.quot;

„Koel is \'t lied der koude grijsheid,quot; dus was\'t, dat de pelgrim zong, „Schittrend kleed, noch gouden schatten slaken ooit haar stramme tong-Eenmaal zat ik, blijde bruigom! aan mijn tafel, rijk als gij,

En een schoone bruid zat naast mij, en haar schoonheid was voor mij.

Maar mijn voorhoofd werd gerimpeld, en mijn haar is zilvergrijs. En mijn wangen zijn verschrompeld door de wreede hand des tijds; \'k Ben een arme pelgrim heden en, op \'s levens laatst tooneel, Meng ik in uw bruiloftsvreugde \'t krassen van mijn schorre keel.quot;

De eedle burchtvrouw hoort bewogen dit aandoenlijk treurlied aan, En voor \'t leed van d\' ouden pelgrim zwelt in \'t minzaam oog een traan.\' „Neem een gouden beker,quot; spreekt zij tot haar schenker, „vul hem hoog, Dat om mijnentwil de pelgrim haar ten bodem leegen moog\'!quot;

De eedle Kuno nam den beker, en zijn hand liet in den wijn Straks een gouden trouwring glippen, schittrend, kostelijk en fijn; \'t Was dezelfde, dien zijn bruid hem eenmaal aan den vinger staki De eigen bruid, die nu zoo schroomlijk haar belofte en trouw verbrak.\'

Daarop sprak hij tot den schenker; „Doe me een enkel dienstbetoon Dat ik, mocht mijn welvaart keeren, rijk en vorstlijk u beloon\'; \' Breng dien gouden beker weder, weder tot die blijde bruid,

En ter eer des grijzen pelgrims drinke ze eene teiig daaruit.quot;

Hotlijk was de goede schenker en wees zijn verzoek niet af;

Maar hij nam den gouden beker, dien hij aan de burchtvrouw gaf; „Eedle vrouw! de eerwaarde vader bidt dat hem gebeuren moog, Dat uw mond, in eedle heuschheid, hem bescheid doe mét een toog!quot;

Reeds zag zij den ring van verre, nu bekeek zij hem nabij;

„Hier moet ridder Kuno wezen — de eedle Kuno!quot; gilde zij;

En zij ijlde van haar zetel, en haar tranen stroomden ras; —

Maar een vrouw moog hier beslissen, of\'tvan vreugde of droefheid was.

Doch zij uitte luide erkentnis aan der Heilgen hooge macht. Die den eedlen ridder Kuno wederbracht vóór middernacht.

En zij zwoer met luider stemme, dat daar nimmer maagd of vrouw Zoo geducht als zij beproefd was, en zoo kuisch geweest en trouw.

-ocr page 76-

54 lied van annot ltle.

„Ja, ik vorder hier de lofspraak, die aan brave vrouwen past, Die haar woord en plichtenquot; — sprak zij — „trouw volbrengen en Want, tel vrij de dagen over! zeven jaren en een dag [standvast; Zijn te middernacht verstreken met den laatsten klokkeslag.quot;

Toen verrees Marstetten ijlings, en hij trok zijn blinkend zwaard, En hij knielde neêr voor Kuno, en lei \'t wapen af\' op de aard\': ,\'k Heb mijn eed en trouw gebroken, die ik plechtig had verloofd; Leenheer! neem uws leenmans degen; leenheer! neem uwsleenmans

[hoofd.quot;

De eedle ridder Kuno zag hem, en hij zeide met een lach; „Hij wordt wijzer, die gedwaald heeft zeven jaren en een dag; Vijftien jaren telt mijn dochter, die ik prijzen hoor als schoon, Ze is mijn ée\'nige erfgename, zij ze uw bruid, en wees mijn zoon!

Aan een jongen bruigom voegt een jonge bruid, maar de oude aan mij. Die haar trouw zoo wel bewaard heeft tot de proeftijd was voorbij; Maar gezegend zij de wachter, die mij toeliet tot dit feest, ^

Want zoo \'k morgen waar gekomen, \'t was een dag te iaat geweest.quot;

LIED VAN ANNOT LYLE.

(legend of montrose).

Waart gij laag als ik in stand, O! hoe zou\' mij \'t denkbeeld streelen. Lief en leed met u te deelen, \'k Volgde u over zee en land! Waar u wind en golfslag bracht. Was ik met u dag en nacht.

Maar het noodlot, dat ons scheidt, Voert ons op verscheiden wegen: Dierbre! zij het enkel zegen.

Wat u op uw weg verbeidt! Mij, mij arme, rest slechts dit, Dat ik weene en voor u bid.

Wat dit hart te lijden heeft.

Als de hoop het zal ontvluchten. Brengen klacht of droeve zuchten Nimmer uit, zoo lang gij leeft; \'t Zal een diep verborgen pijn. Een verzwegen droefheid zijn.

\'k Wil niet kwijnende en in rouw, Door des levens onspoedsholen.

Droef en halfbezwekén dolen.

-ocr page 77-

DB S1NT-J ANSNACUT,

Neen, de moed betaamt der vrouw! \'t Minste blijkje van miju smart Griefde licht uw dierbaar hart.

DE SINT-JANSNACHÏ.

Vroeg zit de Heer van Smaylho\'m op En spoort zijn ros en sneit

In eenen door, langs \'t rotsig spoor.

Naar \'t ruige heideveld.

Hij zoekt geen troepen van Buccleuch,\') Die op de grenzen waakt,

Noch keert zijn speer een vijand toe.

Die \'t land onveilig maakt.

Toch dekt het harnas horst en rug, De malierok zijn leên;

Zijn zwaar helmet is opgezet.

Waar hij een reus mee scheen.

Een stalen strijdakst, tien pond zwaar, Hangt aan zijn zadelknop.

Zijn arm beschut een beukelaar;

Daar prijkt zijn wapen op.

Hij komt terug, den vierden dag;

Zijn blik is stroef en scheel;

Zijn klepper stapt zoo traag hij mag.

Bij \'t naadren van \'t kasteel.

Hij komt niet van waar de Engelschman In \'t vochtig sekgras beet,

Waar trouwe Douglas met Buccleuch Voor de eer van Schotland streed.

Buccleuch Ralph Evers boeten deed quot;)

Voor plundring, kerkroof, moord,

Voor \'s priesters vloek en \'shuismana kreet, Glimlachend aangehoord.

Toch is zijn helm gebult, geblutst,

Zijn wapenrok gescheurd,

Zijn bijl en zwaard verstompt, geschaard. En met rood bloed gekleurd.

Spreek uit: Buecloe.

\'J) in den alag van Ancram, 1544,

-ocr page 78-

DE S1NI-JANSNACHT.

Af stijgt hij snel, bij zijn kapel,

Eer man of maagd hem zag;

Zijn fluitje klinkt, en ijlings springt Zijn voetknaap voor den dag.

Kom hier, mijn kleine voetknaap, kom! Gij zijt nog jong en teer;

Men veinst niet op uw ouderdom;

Trouw zijt gij aan uw Heer.

Ge onthoudt mij niet hetgeen gij ziet, Maar dient mij alles aan:

Welnu, sinda ik het huis verliet, Wat heeft Mevrouw gedaan\'? —

Mevrouw bemint, in weer en wind, Een eenzaam bakenvuur,

Dat op den naakten Watchfold \') blaakt In \'t donker avonduur.

Al riep schuifuit en roerdomp luid, Al blies de stormwind fel,

Mevrouw betrad het steile pad

Naar Watchfolds vuurbaak wel.

Ik volgde haar in stilte naar Tot waar zij boven kwam;

Geen waker waakte er bij de baak. En kwijnend was de vlam.

Zij koos een ruigbegroeiden steen, En wierp zich achtloos neer;

De vuren telde ze een voor een Van \'t Engelsch oorlogsheir.

Trouw gaf ik acht den tweeden nacht; Het weer was bar en guur;

Toch klom zij op dien hoogen top En plaatste zich bij \'t vuur.

Maar bij dat vuur, stond in dat uur, Beschenen door zijn gloed.

Een edel beer in krijgsgeweer.

En kwam Mevrouw temoet.

In volle rusting stond hij daar En sprak de Lady aan;

56

Maar storm en regen door elkaar Liet mij geen woord verstaan.

:1 Een klip van dien naam.

-ocr page 79-

DE SINT-JAN3NACUT. 57

De derde uaclit was stil en zacht;

De bergwind stak niet op;

k Nam \'t heimlijk paar weer heimliik waar, Op Watchfolds kalen top.

Toen ia een woord door mij gehoord: Te middernacht, Sint-Jan,

Kom dan tot mij, zoo fleemde zij.

En denk niet om mijn ma,n.

Hij drilt zijn speer voor Schotlands eer,

En weert zich met Buccleuch;

Sint-Jansnacht vindt gij die u mint,

En hare deur niet toe. —

Dat kan niet zijn, zoetliefste mijn!

Dat mag niet wezen, neen!

Sint-Jansnacht moet ik zwervend zijn,

Omzwervende en alleen. —

Wat hoor ik? Gij, gij weigert mij,

Lafhartig ridder! hoe?

Lacht u geen uurtje vrij en blij In mijn gezelschap toe?

Geen hond die bast; ik leg hem vast;

Den wachter zeg ik; Zwijg!

De steenen trap besprei ik knap Met bies en wilgentwijg.

En daarom nu bezweer ik u

Bij \'t boetkleed van Sint Jan,

Bij \'t hardsteen kruis in \'s Heeren huis,

Bezoek mij daar en dan. —

Al roert geen waaksche hond de kaak,

Al blijft de wachter stom;

Schoon zich mijn voet niet hooren doet,

Toch zeg ik niet: ik kom.

Een priester slaapt te hal verweeg;

Hij merkte licht mijn schreên,\'

En zag hij dat ik opwaarts steeg,

Hij giste ras waarheen. —

Wat priester, priester! sprak zij koen,

Naar Dryburg is zijn gang;

Zielmissen heeft hij daar te doen.

Drie volle dagen lang.

-ocr page 80-

58 DE SINT-JANSNACHT.

Een ridder geldt het, die in \'t veld Het jeugdig leven liet.

Gij leeft mijn vrind, en wordt bemind, — 0 vrees den priester niet! —

Hij keert zich grijnzende af en snauwt Met valschen lach haar toe;

Dat die voor hem de zielmis bauwt Meteen voor mij dat doe!

Maar \'t zij zoo! wachf mij aan uw spond\', In \'t uur van middernacht!

Dan hebben booze geesten macht En zwerven spoken rond. —

Daar trad hij heen; zij bleef alleen;

Mijn oor vernam niet meer;

Ik gaf naar plicht getrouw bericht. Nu weet gij alles, Heer! —

De donkre tint van Smaylho\'ms kaak Ontstak tot gloeiend rood;

Duid uit den schelm! Ik dorst naar wraak Bij God! ik eisch zijn dood. —

Des Bidders kleuren merkte ik gauw.

Bij \'t schittrend licht der vlam:

De pluim zijns helms was rood en blauw En dekte een gouden kam.

Zijn wapenschild vertoonde een brak Met zilvren halsband om,

\'t Holmteeken scheen me een jevertak, Maar die van goudglans glom. —

Dat is gelogen, stoute knaap!

Gelogen, luid en laf!

Want, slechthoofd, zie! bij Eildontree n Ligt dien gij meent in \'t graf! —

Hoor dan nog meer, hoogedel Heer! \'k Onthield den naam; verneem!

Mylady sprak dien zacht van^nacht: Sir Richard Coldinghame. \'■)

Een rilling ging zijn heer door \'t lijf;

Zijn wang werd koud en wit:

J) Spreek uit: Eeldoutrle. 2) Spreek uit: Cooldingheem.

-ocr page 81-

DE SiNT-JANSNACHT.

Het graf was diep; het lijk was stijf; Neen, nooit geloof ik dit.

Daar, waar de Tweed \') zijn golven schiet.

Bij Eildons heuveltop,

Kliefde, ongezien, een vijand dien Den bontgepluimden kop.

Men lei hem af; men groef hem \'t graf;

Drie nachten ligt hij daar —

En gij, gij zegt: ik zag den knecht... Bij God! Het is niet waar!

Het flikkrend licht heeft uw gezicht

Verbijsterd, en de wind Te fel gewaaid, den naam verdraaid En u misleid, jong kind!

Want weet, in Dryburghs grijze abdij,

Daar brengt met dof geluid De monnikspij de litanij

Voor dezèn Richard uit. —

Hij treedt door poort en hofplein voort.

Bestijgt de torentrap,

En nadert waar de jufierschaar Rondom zijn Lady zat.

De schoon e Burchtvrouw zit en schouwt

Op dal en heuvel neer.

Op zilvren stroom en donker woud En schilderachtig meer.

Gegroet, gegroet, mijn Lady zoet! —

Gegroet! roept zij hem toe; Wat nieuws brengt gij van Ancram mij? Wat tijding van Buccleuch? —

Een roode plas is heel \'t moeras

En stond den vijand duur;

Buccleuch beval ons toch vooral Te waken bij ons vuur. —

Haar kleur verschiet; zij antwoordt niet;

Haar eega zwijgt als zij;

Zij richt haar tred naar \'t slaapsalet. En schielijk volgde hij.

\'} Spreek uit: Twled.

-ocr page 82-

DE SINT-JANSNACHT.

De Lady legt, maar \'t lukt haar slecht,

Het hoofd ter ruste neer.

Hij woelt en wendt zich zonder end En mompelt keer op keer:

Het graf was diep, was dicht en goed,

En geeft geen lijk weerom!

En om hem wroet het wormgehroed — Wat droom, wat schroom ik? kom! —

Het mettenluiden neemt begin,

De vroege dag komt \'an;

Nu slaapt de Heer van Smaylho\'m in, Des morgens van Sint Jan.

Nu kijkt Mevrouw met naamlooz\' angst

Bij \'t uitgaand nachtlicht rond.

En ziet Sir Richard, haar verlangst,

Die in haar kamer stond!

Neen, neen! Ga heen, mijn lief, mijn last,

Roept zij hem fluistrend toe:

Gij weet niet wie hier naast mij rust. Of zijt het leven moe. —

Al weet ik wie hier naast u rust

En slaapt in \'t huwlijksbed,

\'k Verhef mijn stem! Ik weet dat hem \'t Ontwaken wordt belet.

Drie nachten heb ik reeds, reeds drie,

Gelegen in mijn graf;

Het leven nam bij Eildontree Het vuigst verraad mij af.

Men zong voor mij do litanij-

gebeden vroeg en laat.

Las mis op mis, maar alles is Vergeefsch en zonder baat.

Daar, waar de Tweed met snelle vaart

Den voet des heuvels net.

Versloeg mij valsch diens ridders zwaa:.-d. Die naast u rust in \'t bed.

En rustloos moet in \'t nachtlijk uur,

Nog weken lang, mijn geest Omzwerven bij dat Bakenvuur,

Waar wij zijn saamgeweest.

-ocr page 83-

PR SINT-.TANRNACHT.

Had uw bezwering niet geluid Als in den jongsten nacht,

Voorzeker vruchtloos hadt ge me uit-genoodigd en gewacht. —

De Lady staroogt; zij begint

Te siddren als een riet;

Maar zij bemint! De min verwint,

En spaart ziehzelve niet.

Zij slaat een kruis met vromen zin

En spreekt het nachtspook aan: O Richard, zeg het uw vriendin,

Hoe zal \'t uw ziel vergaan ?

Is daar voor haar nog heul en heel,

Of alle hoop verdoofd,

En de eeuwge pijn uw treurig deel? — Het nachtspook schudde \'t hoofd.

Die bloed verdoet, verbeurt zijn bloed!

Zeg dit uw heer en man!

Verboden gloed dient streng geboet!

Wees daar een voorbeeld van. —

Hij nadert, grijpt een bedstijl vast.

En tuurt in \'t ledekant;

De Lady zwijmt, van angst vermast. Het nachtspook grijpt haar hand.

Het grijpt haar band. Hoe brandt, hoe schroeit,

Hoe pijnigt haar die greep!

\'t Was of een ijzer, rood gegloeid.

Haar vingren samenneep.

Vier zwarte moeten liet die prang In \'t poezlig sneeuwwit staan, En voortaan had het levenslang Een zijden handschoen aan.

Daar is een non, voor wie nooit zon

In Dryburgs klooster blinkt.

Hetzij ze in \'t oost de kimmen bloost, Of westlijk nederzinkt.

Daar is een monnik in \'t convent

Van Melrose, uitgebleekt Door vasten, \'t oog ter aard gewend,

Die tot geen stervling spreekt.

-ocr page 84-

HET MEISJE VAN TORO.

Die non, in \'t donker celgewelf,

Is Smaylho\'ras achoone vrouw; Die monnik, zwijgende in zijn rouw, De trotsche Smaylho\'ru zelf.

HET MEISJE VAN TORO.

Het zonlicht daalde op Tovo\'s meer Met zwakker gloed en matter goud, Kn \'t windje schudde zacht in \'t woud

De blaadren heen en weer. Een meisje zat daar, overschoon.

Maar mat van oog en bleek van koon;

Helaas! aan \'t arme kind Ontzonk de hoop, ontzonk de moed. Zij paarde tranen aan den vloed En zuchten aan den wind.

rO Heilgen. die daar boven troont. Van waar gij, goed en zacht van aard, Tot zegen nederziet op de aard.

Eens door uzelv\' bewoond!

O lieve, zuivre Moedermaagd!

Tot wie geen droeve vruchtloos klaagt, Aanschouw mijn smart, mijn angst: Wond nood en dood van Walter af. Of stort Lenore in \'t vroege graf.

Haar eenigste verlangst.quot;

Al verder klonk het krijgsgedruisch. Al zwakker werd de wapenklank — En aanvalskreet en zegezang

Versmolt in \'t windgeruisch: Met ingehouden adem staart De droeve bosch- en heuvelwaart,

En zucht en weent. — O, schrik! Een krijgsman naakt met tragen tred; Ontsloten is zijn krijgshelmet.

En onheil spreekt zijn blik.

,0 red, schoon meisje! red u, spoed IJ voort! reeds vlucht geheel ons heir. En die u voormaals heeft behoed,

Die dappre — leeft niet meer... O red u — waarom nog gemard? Een speerpunt trof uw Walters hart. Ginds ligt hij — dood en koud! O red u — haast u, schoone maagd!

-ocr page 85-

HKILTRUDK.

Straks komt de vijand opgedaagd;

Reeds nadert hij door \'t woud.quot;

En nauwlijks was des moeden stem Tot \'t geven van \'t bericht in staat;

En zij, met doodszweet op \'t gelaat,

Maar nauwlijks hoort zij hem. Ach! koud en machtloos zeeg zij neêr; En toen de zon voor Toro\'s meer Ook nederzeeg in \'t wachtend west.

Toen was \'t voor hem en haar voor \'t lest.

HEILTRUDE.

Scherp is het oog van wie voor liefde blaken.

En scherp het oor van wie zij \'t hart doorwondt!

Soms kan zij, in des levens laatsten stond.

Het vonkje nog eens helder op doen waken.

De tering was Heiltrudes treurig lot;

Zij smolt daarheen in onvertroostbre smarte:

Maar nu toch zit ze op \'t hooge torenslot,

En wacht hem weer, den lievling van haar harte!

Dof was het oog, dat eens zoo vonklend scheen,

Haar leden meer dan uitgeteerd door \'t kwijnen.

Zoodat gij, door de dunne vingren heen.

Den bleeken gloor van \'t nachtlicht kondt zien schijnen;

Soms deed een blos, zacht, purperrood, en schoon,

Haar maagre wang een hooger gloed verwerven,

Dan weer betrok zoo vaal een bleek haar koon, Dat ieder dacht, het lieve kind zou sterven.

Maar hoe verzwakt, nog deden oor en oog Getrouw hun dienst, verfijnder door haar smarten;

De wachthond stak nog de ooren niet omhoog: Zij hoorde alreeds den lieveling haars harten!

Eer in \'t verschiet een duistre schim verscheen. Herkende zij, en wuifde om hem te groeten,

En wrong haar leest door \'t enge venster heen. Als zou haar dit hem te eerder doen ontmoeten.

Hij nadert — Neen! hij rijdt voorbij! Hij ziet Haar aan als zag hij nimmer haar tevoren;

De welkomstgroet, die aan haar borst ontschiet,

Gaat in \'t gedruisch van zijn galop verloren; —

Het slotgewelf, dat met een hol gerucht Elk woord hergeeft, hoe fluistrende uitgesproken.

Vernam schier niets van \'t flauw, ach jongst! gezucht, Dat melden moest: Hier is een hart gebroken.

63

-ocr page 86-

klsjes gelofte.

ELSJES GELOFTE.

Hoor wat elsje van de Zaan Rond en duidlijk deed verstaan:

„Nooit word ik klaas gijssens bruid, „Al stierf heel het menschdom uit, „Al bleef op dit oogenblik „Niemand na dan hij en ik!

„Voor geen opschik, goud of pracht, „Voor geen aanzien, rang of macht, „Voor wat m\' ooit mij bieden wou — „Nooit word ik klaas gijssens vrouw!\'

Oude jasper sprak met recht:

,\'t Zegt niet wat een meisje zegt! „\'t Vee verliet den stal nog pas „Voor \'t ontspruitend weidegras;

„Maar eer de eerste melkkoe weer „Naar de warme stallen keer,

„Eer het welig gras verdort,

„Eer \'t met sneeuw bestoven wordt — „Zie \'k, al spreekt gij nog zoo boud, „Dat gij met klaas gijssen trouwt.quot;

„De eiberquot; — sprak het meisje weer -„Bouwt zijn stokkig nest veeleer, „Waar het nu de kievit doet „En de grasmusch zit en broedt; „Mocht ook zelfs de breede Zaan „Zonder schuit of water staan,

„Kwame ook Haarlems duinenrij „Herwaarts vliegen over \'t IJ,

„Brak zelfs — wat men nimmer hoort „Ook een Zaanlandsch boer zijn woord „Welk een wonder ook geschied\', „Elsje trouwt klaas gijssen niet!quot; —

Op de schoorsteens, wijd en zijd Broedden de eibers als altijd; Haarlems duinen bleven staan; \'t Breede water van de Zaan Voerde, als immer, vry en vlug Duizend schuiten op zijn rug; En zoover men had gehoord Brak geen Zaanlandsch boer zijn woor — Toch had elsjes preutschheid uit, En zjj werd klaas gijssens bruid.

-ocr page 87-

KEiïECCA\'s LOFZANG. — \'t VIOOLTJE.

REBECCA\'S LOFZANG.

(l VANHOE.)

Toen \'t__volk, in Abram uitgelezen,

Uit zijn Egyptisch diensthuis kwam, Heeft God de Leidsman willen wezen.

Die alle zorgen op zich nam.

Des daags verrees, voor aller oogen, De grauwe wolkzuil naar den hoogen. Des nachts weerkaatste, rood a;s bloed. De zandwoestijn een zuil van gloed.

Daar steeg de lof uit volle koren.

Daar deed bazuin en cimbelklank,

Daar Jacobs dochtrenrei zich hooren,

Met priesterlied en krijgsgezang.

Nu zien de volken, die ons haten. Ons zwervend ras van (jod verlaten;

Want sinds het u verzaakte, o Heer! Gedenkt ook Gij uw volk niet meer.

Maar neen! de schapen uwer weiden,

Ofschoon geen zichtbre wolk ze leidt. Toch zal uw zorg hen veilig leiden,

Waar \'t hart vol ootmoed naar u schreit; Licht, dat misleidt, voor hen bewolken, En, aan den rand van \'s afgronds kolken, Bij donkren nacht een heldre schijn, Een lamp voor hunne voeten zijn.

Onze arm zal nooit de harp meer beuren;

Zij werd den volkren tot een buit;

Geen reukwerk doet uw altaar geuren;

Bazuingeschal en zang heeft uit.

Maar eenmaal spraakt Gij tot de stammen: Geen lamm\'renbloed, noch vet van rammen, Een hart, verbrijzeld, needrig, stil.

Ziedaar het offer naar mijn wil.

\'T VIOOLTJE.

Als \'t viooltje in \'t lindelommer

\'t Geurig vijftal openplooit, Mag het vrij zich schooner roemen Dan de rijkstgekleurde bloemen. Waar zich woud en dal mee tooit.

-ocr page 88-

aan brigitta. — elk zijn wijs.

Vriendlijk gloort zijn gloeiend purper,

Knikkende van morgendauw, — Van zoo\'n droppel overtogen,

Blonken me eens twee dierbare oogen Van nog liefelijker blauw!

\'t Zonlicht doet den dauwdrop drogen,

Eer de morgen middag wordt, — Ach, de traan der afscheidsrouwe Blonk in \'t oog der ongetrouwe Ook zoo lieflijk, ook zoo kort.

AAN BRIGITTA.

0 zeg niet, melief! zoo bedrukt van gelaat,

Dat de lente uwer jeugd is verloopen.

Noch verwijs mij naar vrouwen in bloeiender staat, Tot genoegens, die gij nog doet hopen.

Sier de bloeiende April zich met wingerdloof \'t hoofd.

Als zijn ranken uit speelschheid zich krullen: \'t Is de gloeiende August, die den druiventros stooft. Om den beker der weelde te vullen.

Eener nimf was uw leest eens, zoo slank en zoo rank;

Ik beken dat de tijd haar vergroofde;

Eener ster in uw oogen de vonklende sprank. Ik beken dat do zorg haar verdoofde.

Maar genoeg dat uw tred zich nog driftig versnelt,

Om na afzijn me aan \'t harte te drukken ; En genoeg dat uw oog mij de liefde nog. meldt. Die weleer onze jeugd mocht verrukken.

ELK ZIJN quot;WIJS.

(marmion.)

Een heimlijke aandrift, met het leven Bij de eerste ontwikkling meegegeven. Deel van ot szelf, des onbewust Beschikkende over zin en lust,

In heel ons wezen ingeweven; Of moogii|k, als men \'t wel beziet, Kracht van gewoonheid, anders niet, Verknochtheid aan wat de oogen zagen. In die indrukkelijke dagen,

-ocr page 89-

ELK ZIJN WIJS.

Toen alles nieuw was, nieuw en schoon,

Voert levenslang in ons den toon,

En trekt, in spijt van beter weten.

Ons mee aan haar onziohtbre keten.

Zoo dikwijls ik heb aangevangen

Onze ongekuischte volksgezangen.

Zoo heerlijk in mijn kinderoor.

Te doen herleven voor \'t gehoor,

Dan was \'t me als kwam bij de eerste tonen.

Mijn jonkheid zich op nieuw vertoonen;

Wat ik als kind gevoelde en dacht

Kwam weder in zijn oude kracht,

En, \'k voelde \'t met een nieuw genoegen,

Zich in mijn nieuwe verzen voegen.

Dan rees die rots, wier kale top

Een burg droeg, voor mijn oog weer op,

Zqoals zij met een wondre weelde

Mijn jeugdige verbeelding streelde;

Het gansche landscharp zag ik weer.

Waar zij de kroon van was en de eer.

En dat ik nimmer zal vergeten.

Onvriendlijk schouwspel! Naakt en bar

Lag daar de steenhoop, maar van ver

Ontdekte \'t oog, in hoekje en spleten,

Een plekje van het lieflijkst groen.

Een gouden muurbloem, blijde en koen

Te voorschijn komende uit de reten.

Een plaatsje, daar het geitenblad.

De slingrende elf-rank vat op had.

De zon bescheen, docht mij, niets schooners;

De menschheid bracht hel\' nimmer tot

Iets prachtigers of ongewoners

Dan op dien top dat oude slot.

Nog heugt mij \'t ongehoord genot.

Dat heel mijn kinderziel doorstraalde.

Als de oude pachter mij verhaalde,

Met welk oen stoutheid, welk een kracht

Een onverwinlijk voorgeslacht

Van uit dat roofnest nederdaalde,

Om ver en wijd des Zuidlings land

Te tuchtigen met moord en brand;

En hoe het, keerende in zijn hallen.

Het woeste zegelied deed schallen.

Den beker schuimen en heel \'t huis

Weergalmen van zijn wild gedruisch.

Mij docht, \'t geblaas op tromp en horen

Klonk mij van \'t slotplein nog in de ooren.

En voor \'t getralied venstergat

-ocr page 90-

FINGALS GROT.

Meende ik de barsche wezenstrekken Des lields, die overwonnen had,

En zijn verhit gelaat te ontdekken.

Maar \'s winteravonds aan den haard, Was mij geen mindre vreugd bewaard. Dan was \'t vertelling op vertelling Van dappren ridder, schoone vrouw, Getergde wraak, beproefde trouw. Miskende deugd en eerherstelling; Van menig, menig avontuur, In kluisnaarshol of kloostermuur;

Maar ook van groote, dappre daden.

Door mannen, trouw aan eer en plicht, Tot heil van \'t vaderland verricht, En met zijn lof en dank beladen. Dan Wallace!1) werd uw naam genoemd! Bruce! op uw heldendeugd geroemd! Dan hoorde ik keer op keer gewagen Van menig held van later dagen,

Als van hun bergen wijd en zijd De Clans vergaarden tot den strijd, Kn, waar zij daalden in de velden, Zoo menig, menig roode rok.

Hun feilen, lang verbeten wrok En breeden claymore:) moest ontgelden. Dan poogde ik, kruipende op den grond, Het ernstig spel ook na te spelen. En leger tegen leger stond Slagvaardig op mijn krijgsbevelen: Gelederen van kiezels da4r.

En hier een bonte schelpensohaar; En mits mijn hart het pleit besliste. Begrijpt gij licht dat Schotlands vaan Steeds roemrijk uit het veld mocht gaan En Englands neerlaag zelden miste.

PINGALS GKOT.

(the lokd op the isles.)

Als om den hoogmoed af te wijzen

Op menschelijke kunst en vlijt.

Deed hier Natuur een dom verrjjzen

68

Aan de eer haars Scheppers toegewijd. Neen! met geen ander doel verhoogen De trotsche zuilen hier de bogen;

1

) Spreek uit: WaMas. quot;■O Spreek uit; eleemoor.

-ocr page 91-

dochtektrouw. - ai.s de zangf.r sterft.

Neen! met geen ander oogmerk vuischt De branding, die hier kookt en bruist,

En, bij ontzagbre tusschenpoozen,

Uit dit eerwaardige gewelf Een weergalm lokt van wat zijzelf He.eft tot haar eeuwig lied gekozen.

Een weergalm van veel schooner klank Dan orgeltoon of koorgezang.

AVel mag, van uit het schuim der baren.

Dit heiligdom op \'t uwe staren,

löna! en uw trotsche kerk.

Van heerlijkheid tot puin vervallen! —

0 Zoon des stofs! verleer uw brallen!

Dit was uw, maar hier is Gods werk.

Van het onbewoonde Staffa, dat zich 120 voet boven de oppervlakte der zee verheft, ziet men in de verte löna, een ander eiland der Hebriden, dat ook den naam van het Heilige Eiland draagt, in het Gaelsch I-Colm-kill, (bedorven voor lï-Cholum-Chille) d. 1. Eiland van Columba\'s cel. Hier landde, in de zesde eeuw, uit Ierland deze, in die wateren eerste, apostel des Christendoms; en sedert werd het een eiland vol „volks, vol kloosters en vol kerken;quot; ook vooral vol graven van doorluchtige personages, die in dien heiligen grond begeerden te rusten. Van dit alles zijn de merkwaardige en deels zeer schoone overblijfselen nog te zien. De belangrijkste zijn die der eenmaal prachtige hoofdkerk. — Zie mijn klein geschrift: löna, Amst. 1861.

DOCHTEKTROUW.

(the lady op the lake.)

Daar zijn voor menschelijke zielen Genietingen, al zijn zij schaarsch.

Die eerder hemelsch zijn dan aardsch; En zoo er immer tranen vielen

Gansch vreemd aan elke\' onreinen tocht. En zuiver, heilig, godlijk vocht.

Dat zich geen engel schamen mocht.

Zij zijn het, die eens vaders oogen Op \'t voorhoofd van een deugdzaam kroost, Een dochter, die zijn grijsheid troost, Met liefde en eerbied schreien mogen.

ALS DE ZANGER STERFT.

(lay of the last minstrel.)

Neen, noem \'t niet dwaas; hij dwaalde niet. Die met een vroom geloof beweerde,

Dat, als een Zanger \'t leven liet,

Natuur een hoorbre hulde biedt Aan die haar levenslang vereerde;

69

-ocr page 92-

SERENADE. — Pln\'ROOII VAN DONAI.n DUD.

Dat holle klip en diepe kuil Weei-galmen van een bang gehuil, De bergbeek overloopt in \'t vloeien, De bloem een traan plengt onder \'t bloeien, Ben doffe zucht door \'t boschje saist.

Zijn lievlingsplek in blijde dagen. Beantwoord door een plechtig klagen. Dat door den top der eiken ruischt; Dat atroomen hunne golven leeren.

Zijn uitvaart met een treurzang te eeren!

SERENADE.

(the pirate.)

De schoonheid slaapt, de liefde waakt En weent, daar \'t uur van scheiden naakt; Wie geeft mij thans zoo zoet een lied te kweelen. Dat, in uw droom.

Te voorschijn koom Een beeld, in staat uw sluimrend hart te streeien?

Geen windje suist, geen tochtje zucht Verkoelend door de lauwe lucht;

Stil sluipt de glimworm rond met zacht geflonker; Niets dan haar geur Verraadt een keur Van bloemen, zich verbergende in het donker.

Maar neen, ontwaak, ontwaak nochtans! De zoetste droom heeft weinig kans De werklijkhoid in zoetheid te overtreffen.

Ontwaak, herleef,

Zieuit en geef [Iw hart aan \'t lied, dat Liefde u aan mocht heffen

PTB\'ROCH VAN DONALD DHU.

beröschotsche wapenkreet.

Pib\'roch van Donuil Dhu,

Pib\'roch van Donuil,

Krijsch ons uw tonen toe,

Dagvaard Clan-Conuil!

Weest gereed, gij die weet

Wat zij beduiden!

Komt in uw krijgsmanskleed, Kedlen en luiden\'

-ocr page 93-

PIB\'ROCH VAN DONALD DHÜ.

Komt uit het rotsig dal,

Daalt van uw heuvelen!

Komt met het oud geschal: Winnen of sneuvelen!

Plaid aan plaid, hart aan hart, Wapen aan wapen.

Samen den dood getart,

Trouw en rechtscha; en!

Laat de lieerde de heerde. Den ploeg in de voor,

liet lijk boven aarde.

De bruid in het koor.

Graze \'t vee als het wild,

En het wild zonder schroom;

Kom met uw zwaard en schild, Clan-Conuil, koom!

Koom als de orkaan, wanneer Wouden te pletter slaan,

Als de oceaan, wanneer Vloten vergaan.

Haast u zeer, haast u meer,

Spoed u gezwinder,

Hoofd, dienstman, knaap en heer, Meerder en minder!

Ha! men komt; ha! men komt, Tuk op de zege!

Arendsveer, heigebloemt Wuift allerwege. \')

Weg de plaid! \'t zwaard gereed! Wee die weerstaan zal!

Pib\'roch van Uonuil Dhu,

71

Dreun tot den aanval!

\') De hoofden der clans zi.n aan een arendsveder op de muts kennelijk; de gemeenen versieren die met een takje heide.

-ocr page 94-

NAAR LORD BYRON.

Is \'t onkruyt, \'t Is van \'t best.

Hutgens.

AAN CHILLON.

O Vrijheid! Eeuwge zucht van \'t bandenloos gemoed! Het heerlijkst schittert ge in den nacht der kerkerkrochten; ^ Want daar bewoont gij \'t hart, dat ge eeuwig blaken doet, En dat geen banden kent, dan die \'t aan u verknochten.

Ja, als een zware boei uw\' zonen d\'arm omsluit.

Als ze in den vochten nacht des kerkers zijn begraven. Dan stijgt des landzaats roem door \'t martiaarschap dier braven, En roept de Faam hun deugd in elke windstreek uit.

Chillon! uw kerkerhol is heilig; een altaar Der vrijheid is uw vloerplaveisel; \'t is betreden

(Totdat, alsof \'t een perk van weeke zoden waar.

De koude zarken \'t merk ontvingen van zijn schreden.)

Door Bonnivard! — o, dat geen andre ze ooit vervang!

Liu-d roepen zij tot God om wraak voor zieledwang.

DE GEVANGENE VAN CHILLON. (een verdichtsel.)

Zoo gij mij ziet met grauwe haren,

\'t Is niet de veelheid van mijn jaren;

Zij werden niet grijs In een enklen nacht tijds,

Als somwijlen geschiedt Door een persenden angst of een hooggaand verdriet.

Geen arbeid heeft mijn kracht geknakt,

Maar verachtlijke rust heeft mijn leden verzwakt.

Als \'k in een kerker heb verzucht,

Waar het goede der aarde en de zegen der lucht Van mijn hart werd geweerd als verbodene vrucht.

Voor mijns vaders geloof heb ik alles geleden,

Heb ik boeien verduurd en om \'t sterven gebeden;

Gelijk hij \'t martelvuur verdroeg Aan de waarheid getrouw, daar zijn boezem voor sloeg; En diezelfde getrouwheid heeft heel zijn geslacht Ten ondergebracht;

-ocr page 95-

DR GKVANBENE VAN CHII.LON.

Eens waren er zeven,

Thans sta ik alleen;

Zes offerden hun jeugdig leven,

In ouderdom volhardt er een.

De woede der vervolging deed Den moed ons wassen onder \'t leed,

Twee in den strijd, een in den gloed,

Bezegelden hun trouw met bloed.

Hun dood was als huns vaders ende.

Tot eer van dien God, dien hun vijand miskende.

Drie andren wachtte een kerkerkot;

Zie hier hun droevig overschot!

Zeven breede pijlers zijn er in den kerker van Chillon,

Diep en oud en\'hol en vochtig, even vreemd aan lucht als zon: Zeven grauwe wulf kolommen, waar een schemerzweem op daalt; \'t. Is een lichtstraal, door een muurspleet in die holen afgedwaald, \'t Is een scheemring, angstig sluipend langs den vochten kerkervloer, Als het flikkren van een dwaallicht door de dampen van het moer. Daar \'s een ring in ieder pijler en een boei in ieder ring. 0, verterend is dat ijzer, voor wien \'t eenmaal d\'arm omving! \'t Liet zijn teeknen in dees leden, die geen tijd_ verdwijnen doet. Tot ook weer dit nieuwe daglicht zich voor mij verbergen moet. Daglicht pijnlijk voor dees oogen, die sinds jaren \'t zonlicht niet In het oosten zagen rijzen, als mijn blik het heden ziet;

Jaren, die \'k niet na kan tellen, wier bereekning mij verging. Sinds de laatste moest bezwijken waar mijn brekend hart aan hing. Sinds de laatste van mijn broedren in zijn boeien \'t doodsbed vond, Sn ik levende aan zijn \'zijde neerlag op den harden grond.

Wij werden elk aan een pilaar Met korte boeien vastgesloten:

Zoo stonden zij gescheiden daar,

De broederlijke lotgenooten!

Zelfs konden wij eikaars gezicht Niet zien, tot troost in onze ellenden.

Dan in dat vaal en aaklig licht.

Waarbij we elkander nauwlijks kenden. Dus afgezonderd, schoon vereenigd.

De hand geboeid, maar \'t hart verscheurd.

Door lucht noch lichtstraal opgebeurd.

Werd enkel nog ons lot gelenigd Door nu en dan een troostlijk woor-d Uit broederlijken mond gehoord.

Een oud verhaal, herinneringen Van beter tijd, een hartig zingen.

Maar ook die troost nam spoedig af;

Want onze stem werd hol en zuchtend. Een weerklank van dit kerkergraf.

73

-ocr page 96-

DK GEVANGENE VAN CHILLON.

Geen adem meer, de borst verluchtend,

Die aan zijn galm zich overgaf;

Neen, nimmer konden daar mijn ooren Onze eigen stemmen meer in hooren.

\'k Was van ons drietal de eerstgeboren. En dies mijn roeping, naar mij docht. Den moed der andre twee te schoren;

Maar, ieder deed wat hij vermocht. De jongste, lievling van mijn vader,

Daar hij mijn moeders wezen had En oogen als azuur bezat.

Geen trof me in onzen .jammer nader. Wie, dien \'t gezicht niet deren zou Van zulk een vogel in zoo\'n kouw?

Want hij was schoon als \'t morgenkrieken.

Toen dat nog schoon kon zijn voor mij. Als voor \'t ontwakend arendskieken.

Door kracht van vleuglen fier en vrij! Schoon als een noordsche dag, niet zwichtend

Voor heel een zomer is voorbij,

Een zomer zonder slaa.p, steeds lichtend,

Telg van de zon in sneeuwkleedij;

Niet minder frisch en schoon was hij; Zoo helder \'t jong gemoed.

Dat nimmer andre tranen kende Dan dien beminnelijken vloed, Hem afgeperst door vreemde ellende. En stroomend tot zjjn hand haar wendde.

Ook de ander had een rein gemoed,

Maar strijdbaar vuur in \'t bruisend bloed; Sterk was hij, tot den krijg geschapen. Betrouwbaar met geweer en wapen;

Een die met vreugde in \'t eerst gelid Gesneuveld ware, maar het knagen Eens ijzren boeis niet kon verdragen.

En wegkwijnde in een lot als dit. Hem werd de boezem opgereten Bij ieder ramm\'len van zijn keten.

Ik zag \'t, zijn geest werd uitgedoofd. De mijne ook sufte in hart en hoofd.

Maar \'k spande me in van dag tot dagen,

Om \'t mij zoo dierbaar overschot Van \'t vaderlijke huis te schragen

En op te beuren in zijn lot.

Maar ach! een jager van \'t gebergte. Den strijd gewoon met wolf en hert. Wat wilt gij, dat er van hem werd, Als hem een enge voetboei tergde!

-ocr page 97-

PE GEKASGENR VAN CHIT.LON.

Diep is \'t meer Leman; duizend voet Zonk \'t peillood, dat het sterk kasteel Liet dalen van zijn wit rondeel En nederzinken in den vloed,

Die \'t insluit van rondom;

En onder \'t waterpas der kom,

Was \'t wulf, waar \'k met mijn broeders lag. Door dikke muren, diepe golven Als levende in dit graf bedolven.

Wij boorden \'t water, nacht en dag,

Steeds boven onze hoofden woelen En nistloos klaatren; ja ik zag \'t Bij stormig weer en winterdag Wel eens de tralies binnenspoejen;

Dan trilde soms de rots. en ik ....

Ik trilde niet; hoe zoude ik beven?

Ik had verblijd en zonder schrik Een eind zien komen aan mijn leven.

\'k Verhaalde u reeds hoe \'t krachtig hart Mijns oudsten broers verbrijzeld werd; Hij liet zijn maaltijd staan; niet of De spijs te schraal was of te grof;

Want ons, een jagersdisch gewond. Was geen kieschkeurigheid bekend;

Voor melk, die ons een berggeit bood. Was \'t nu schoon water uit de goot; Ons brood, het was gevangnenbrood. Als ieder reeds met tranen nette,

Die men vóór ons gevangen zette;

Brood dat zoolang gegeten wiord, Als kluisters zich om handen sloten En menschen hun natuurgenooten Inkerkerden als wild gediert.

Maar wat kon hem of mij dit schaan? Het deed ons ziel noch lichaam aan.

Mijns broeders hart was dus geschapen; Al ware een koninklijke zaal,

Eens konings beker, konings maal.

Eens konings bed om in te slapen,

Zijn deel geweest, — indien dat hart De vrije berglucht moest ontberen.

Toch had ik hem in stugge smart De bloem zijns levens af zien teren ...

Waartoe gedraald?. .. hij stierf... ik zag \'t Te naadren stond niet in mijn macht;

Niet om zijn hoofd in \'t nederbukken Te steunen, \'t oog hem toe te drukken,... Ach! hoe ik wringen mocht of rukken

-ocr page 98-

DE OEVANOENR VAN lt;\'H 11,1,ON.

De stugge boei sprong niet aan stukken! Straks werd zijn lijk ontboeid; men gaf \'t In d\' eigen killen grond,

Waarop men \'t liggen vond,

Een eng en aaklig graf.

Ik smeekte als weldaad af Dat men \'t een plaatsje gonde,

Waar zon bij komen konde. Kleingeestig zij \'t, maar \'k dacht, In dezen kerkernacht.

Was alle rust verboden Aan levenden en dooden 1

Ach, had \'k dien wensch gesmoord! Men glimlachte en groef voort. En dekte \'t lyk, zoo waard. Met harde, puinige aard; En, benglende over \'t graf.

Hing daar de zware keten af, Gedenkmerk, zoo wreedaardig Een moord en zulken moorders waardig!

Maar hy, ons aller roem en kroon.

Sinds zijn geboorte een liefste zoon.

Zijn moeders beeld en even zacht. De Benjamin van zijn geslacht,

Aan wien mijn vader \'t laatste dacht, Als hem de martelvlam deed sneven,

Mijn hoogste zorg, voor wien \'k mijn leven Nog wilde rekken, opdat hij Getroost zou zijn, en eenmaal vrij! Hij die, door jeugd of\' moed bezield. Het blonde hoofd nog bovenhield.

Ook hij verkweelde, hij verzwakte En kwijnde als \'t roosje dat men knakte, \'t Is altijd vreeslijk om het leven Eens menschen borst te zien begeven; \'k Zag \'t uitgestort in stroomen bloeds, \'k Zag \'t worstlen met de macht des vloed Ik zag des kranken jammerkoets. Wanneer, bij \'t wroegen des genioeds, De zondaar raaskalt in zijn vreezen —

Maar nooit een schrikbrer dood dan dezen; Schoon vreemd aun al dat zichtbaar leed. Trof hij zijn doel niet minder wreed.

Langzaam smolt hij weg en zacht, Lieflijk zonder traan of zuchten,

\'t Lijden scheen hij slechts te duchten, Om mij, dien hij tot wanhoop bracht. Het blosje, dat zijn wang ontgloeide

-ocr page 99-

DE GEVANGENE VAN CH1LL0N.

En met het graf te spotten scheen, Verflauwde allengskens, bleekte, en vloeide

Gelijk een regenboog daarheen.

Toch bleef zijn oog in \'t kerkerduister Nog glinstren van zijn ouden luister.

Geen klacht werd uit zijn mond gehoord; Geen zweem van wrevel, niet één woord Van spijt om \'t lot zijn jeugd beschoren; Maar wat, wat deed zijn mond mij hooren V Een blijde erinring van \'t verleen. Een uitzicht, dat zijn hoop verscheen. Alleen maar om mijn hoop te schoren! Want ik verzonk in mijmring — ach! Mij trof de laatste en zwaarste slag. Op eens verminderde ook het halen.

Het kreunen van zijn ademtocht,

Dat hij, vergeefs, wel duizend malen

Mij te verbergen had gezocht. Hoe luisterde ik of ik \'t nog hoorde! Helaas! het traagde, stokte, smoorde.

Hield op, stond stil!... Ik schreeuwde \'t uit met bang gegil! Ik wist, de jongling moest bezwijken.

Maar \'k poogde \'t denkbeeld nog te ontwyke: Ik riep; mij docht, :k vernam geluid, — Mijn zielsangst wrong,

Met éénen sprong,

Een schakel haar omschalming uit;

\'k Vloog toe — en vond hem? Neen! Ik, ik bewoog mij hier alleen;

Ik slechts, ik leefde in \'t aaklig oord Van nacht, gevangenschap en moord.

Ik, niemand met mij, ik Haalde adem in die plaats van schrik. Ach, de eenge, laatste, dierste band, Die mij aan aarde en menschheid bond, Was nu verbroken in dien stond. En binnen dezen kerkerwand!

Mijn broedren waren beiden heen;

Een op dien grond, een in dien grond.

En ik — ik bleef alleen ...

Ik greep zijn hand, — wat lag ze stil, — De mijne was al even kil!

Ik had geen kracht mij op te geven Van de aard, en \'k voélde toch te leven; Een treurige bewustheid dan Als wat men lief had \'t niet meer kan. Ik kon niet sterven van verdriet, En waarom niet ?

-ocr page 100-

DK GEVANGENE VAN CHILLON.

Geen aardsche hoop die \'t mij belette;

Maar \'t was \'t geloof, dat zich verzette,

En mij een wellekomen dood.

Naar eigen wil en keus, verbood.

Wat daarna zij geschied Vernam ik, weet ik niet.

Eerst weken licht en lucht daarheen,

Toen \'t duister zelve, naar mij scheen. Ik dacht niet, \'k voelde, \'k leed niet; neen! \'k Lag op de steenen, zelf een steen.

Ik wist niet of ik droomde of waakte;

\'k Zag nevelbeelden om mij heen,

Pm alles wat tot mij genaakte Was bleek en flauw En vaal en grauw;

\'t Was nacht noch dag Hetgeen ik zag.

Zelfs niet dat haatlijk kerkerschemeren. Wat mij voor de oogen scheen te wemeren, Was ruimte zonder perk of palen.

Voorwerpen zonder plaats of stand, Met eeuwig wervlen, wielen, walen,

Omzwierend buiten elk verband;

Geen lucht, geen zee.

Geen licht, geen sterre;

Geen wel, geen wee;

Nabij noch verre;

Geen dalen, geen stijgen.

Geen schokken, geen stoot,

Maar angstigend zwijgen.

Werktuigelijk hijgen.

Gee» leven, geen dood;

Een drijven op wolken Doorzichtig en iel.

Een zinken in boómlooze kolken... Een dalende nacht voor de ziel...

Op eens! wat geluid\'?

\'t Is eens vogels gefluit;

Het verpoost, en gaat voort, — Schooner een zang had ik nimmer gehoord. Tranen van dank kwamen op in mijn oogen; \'k Was voor een wijl aan mijn kerker onttogen.. Helaas! al te Tlug Kwam mij het droevig bewustzijn terug, \'t Waren de muren, de pijlers, de ringen,

\'t Was wel de vloer, en de scheemrige gloor, Die door de tralies en spleten kwam dringen .. Drong ook de vogel daardoor?

-ocr page 101-

DE GEVANGENE VAN CHII.LON.

Zoo soheeTi \'t; maar, hoe ook ingekomon,

Mak sprong het diertje om en rond; Veel makker nog dan op de boomen;

Een lieve vogel, schoon en bont.

Weer hief hij aan, met zilvren zangen! Wat stroom van milde melody,

Alleen voor mij,

Werd door mijn ooren opgevangen.

Nooit zag \'k zijn wederga voorheen. Nooit zie ik zijns gelijken, \'t Scheen Hij had, als ik, een vriend verloren.

Maar was niet zóó mistroostig dat Hij niet nog troost voor andren had; Of, tij had mij tot vriend verkoren. En kwam met balsem voor een ziel Die niets oj) aard meer overhiel. Hij bracht mij, door zijn zang zoo teeder, Tot denken en gevoelen weder.

Ik weet niet of hij de open lucht Verliet of, uit zijn kooi ontvlucht, In \'t lot kwam deelen van de mijne;

Mn ar wetend wat gevangenis Voor \'t vrijgeboren schepsel is,

Hoe kon ik wenschen naar de zijne?... Of mocht hij ook. in vogelschijn. Een bode uit beter oorden zijn!...

Want — moog mij God gena verleenen Zoo die gedachte zondig zij.

Die, als ze wederkeert in mij.

Mij tevens lachen doet en weenen — Somwijlen dacht ik of wellicht Mijns broeders geest voor mijn gezicht. In die gestalte, mij omwaarde.

En tot mijn troost me aldus verscheen,.. Maar eindlijk vloog de vogel heen. En toen bewees hij zich van de aarde; Want immers, zoo \'t de vrije geest Mijns lieven broeders waar geweest. Hij had niet nogmaals mij begeven.

En \'k waar niet nogmaals dus alleen Dus dubbel-eenzaam nagebleven;

Alleen als \'t lijk in \'t doodsgewaad. Als een verlaten wolk alleen.

Daar heel de hemel helder staat. En alles blauw is om haar heen; Een rimpel op \'t verblijd gezicht Des dags, en die daar niet moest wezen. Als \'t zonlicht helder is gerezen.

En alles blijdschap is en licht.

-ocr page 102-

DE OEVASQENE VAN CHILLUN.

Daar kwam verlichting voor mijn leed. Mijn beulen werden minder wreed.

11^ weet niet wat hun ziel verzacht had. Zij waren wel gehard genoeg Om \'t kruis te aanschouwen dat ik droeg, Zoo lang ik tot dat dragen kracht had.

Maar hoe de reden zij, zoo was \'t — De keten werd niet saamgelasoht,

Die \'k doorbrak in mijn angst;

\'k Had nu de vrijheid dat \'k mijn krocht; Van hoek tot hoek, doorwandlen mocht,

De dikke muren langst,

In lengte en breedte heen en weer. Of \'t hol doorkruisend op en neer.

En dan om eiken pijler heen,

En dan weêr keerende in mijn schreên ; De plek slechts sparende, als ik trad, Waar men mijn broers begraven had; Want dacht ik dat mijn stap wellicht Hun laatste rustplaats zou ontwijden.

Dan draaide me alles voor \'t gezicht En kromp mij \'t hart van naamloos lijden.

\'k Wist in den muur een hol te maken; — Niet om tot vrijheid te geraken; De vrijheid was mij weinig waard, Nu \'k niets meer lief had op deze aard; Wat kon dees wereld mij nadezen Dan slechts een ruimer kerker wezen?

\'k Had vader, bloedverwant, noch kroost, Geen menschlijk hart Deelde in mijn smart,

\'k Bedacht dit... en het was me een troost; Want aan hun leed te moeten denken Had mij de harsens kunnen krenken, — Maar \'t heeft mij als een trap gediend. Want \'k wenschte \'t venster uit te gluren En langs het hoog gebergt\' te turen.

Met al de kalmte van een vriend.

Ik zag de bergen. — Lot noch tijd Had hen als mij \'t verval gewijd. —

Ik zag de sneeuw Van eeuw op eeuw Nog altijd op hun kruin getast.

Het meer, dat aan hun voeten plast,

Des Rhones breeden vloed;

Ik hoorde \'t bruisen van den stroom,

Waar hij een holle rots ontmoet.

-ocr page 103-

1gt;B OEVANOBNK VAN CHILLON.

Of voortrolt langs der eiken voet, Die prijken aan zijn zoom:

Ik zag de stad in mist bedolven, En witte\'zeilen op de golven.

Zich derwaarts spoedende in \'t verschiet; \'k Ontdekte één eilandje in de verte,

En dat sprak troostrijk tot mijn harte; Een klein groen eiland — grooter niet Dan \'t duister oord van mijn verdriet:

Drie hooge boomen droeg zijn grond; De golfjes vloeiden \'t murmlend rond; De bergwind ruischte \'t lieflijk over, Bloemstruiken dekten \'t met hun loover. Zoo zoet van geur.

Zoo schoon van kleur,

Als \'k nimmer bloemstruik vond; De visschen zwommen langs het slot, In wellustig genot;

En d\'aadlaar, door den wind gedragen.

Scheen wel zijn steilste vlucht te wagen. Want nimmer vloog Hij zoo stout en zoo hoog Als thans mijn oogen zagen!

Dit kostte een nieuwen tranenvloed, En weer ontzonk mijn ziel de moed, Eu \'k wenschte, droevig zuchtend, dat \'k Mijn boei maar niet verlaten had; En toen ik afklom naar beneên,

Viel \'t duister eens verblijfs zoo droef Mij op de leen Als lood;

Het was mij of een graf zich sloot,

Waarin \'k een dierbren vriend begroef. En toch had mijn vermoeid gezicht Behoefte aan nieuw gemis van licht.

Zoo sleet ik ... maanden ... jaren... dagen ? Ik weet het niet, ik sloeg geen acht. Ik hield geen tel van dag of nacht,

Waar de oogen toch geen uitzicht zagen. Dat in mijn lot verheldring bracht.

Doch eindlijk trad de redding toe;

\'k Was vrij — maar vroeg waarom noch hoe. Het was op \'t laatst mij reeds om \'t even Geboeid of ongeboeid te leven:

De wanhoop was mijn vriend alleen; En dus, toen men in \'t eind verscheen. En van mijn uitgedorde leên Het overschot der boeien slaakte,

-ocr page 104-

DE ÖEVANGENE VAN CHILLON.

Was \'t hol, waar elk van gruwen zal,

Mijn thuis, mijn eigendom, mijn al! En \'k schroomde schier, toen \'t uur genaakte. Mij af\' te scheuren van een krocht.

Waaraan de tijd mij had verknocht.

Waar \'k met de spinnen vriendschap maakte, Die \'k dikwijls, ijvrende in haar web. Met afgunst gageslagen heb;

Waar \'k, als de maan wat helder glanste,

Het muisje soms met wellust zag.

Wanneer \'t met luchte sprongen danste.

Op d\' eigen vloer waar \'k nederlag. Wij immers waren huisgenooten.

En ik, de vorst van elk geslacht.

Ik heb tot gener dood besloten,

Al faalde \'t mii aan list noch macht. Ja zelfs — al schijnt het bittre spot — Ik en mijn keetnen wei-den vrinden:

Zoo kan gewoonte en tijd verbinden.

En ons verzoenen met ons lot! Ja, wederkeerende in de lucht.

Hernam \'k de vrijheid met een zucht.

-ocr page 105-

83

M A Z E P P A.

«Hij, die toentertijd dezen post bekleedde, was een Poolsch edelman, Mazeppa genaamd, geboren in de Palts van Podolie; hij was als page van Jan Casimieb opgevoed en had aan diens hof eenige bekendheid met de fraaie letteren opgedaan. Een intrige, die hij in zijn jeugd met de vrouw van een Poolsch edelman had, ontdekt zijnde, liet de echtgenoot hem geheel naakt op een wild paard binden, en in dien staat aan zijn lot over. Het paard, dat uit de Ukraine was, keerde derwaarts terug en bracht er Mazeppa, half dood van vermoeienis en honger. Eenige boeren kwamen hem te hulp; hij vertoefde lang in hun midden, en onderscheidde zich in menigen strooptocht tegen de Tartaren, Zijn meerder inzicht gaf hem een groot overwicht onder de Kozakken en zijn van dag tot dag hooger klinkende befaamdheid noopte den Czaar hem tot Prins van de Ukraine te verheften.quot;

Voltaire, Geschiedenis van Karei XII. pag. 196.

TEen paard werd onder den vluchtenden en vervolgden koning gedood; de kolonel Gieta, gewond, en al zijn bloed verliezende, stond hem het zijne af. Zoo herstelde men op de vlucht tweemalen dien overweldiger in den zadel, die gedurende den slag niet te paard had kunnen stijgen.quot;

Voltaire, Geschiedenis van Karei XII. pag. 216.

„De koning trok met eenige ruiters langs een anderen weg af. Het rijtuig, waarin hij zich bevond, brak op den marsch; men hielp hem weder te paard. Tot overmaat van tegenspoed verdwaalde hij des nachts in een woud; daar, wijl zijn moed zijne uitgeputte kracht niet meer te gemoet komen kon, de smarten van zijne wonde door de vermoeienis ondragelijk waren geworden en zijn paard afgemat neergevallen was, legde hij zich voor eenige uren aan den voet van een boom ter ruste, in gevaar van ieder oogenblik door de overwinnaars, die hem van alle kanten naspoorden, overvallen te worden.quot;

Voltaire, Geschiedenis van Karei XII. pag. 218,

Het bloedig werk, de heete dag Van Pultawa\'s vermaarden slag.

Waar \'t krijgsgeluk het vorstlijk Zweden Verlaten had. was doorgestreden.

In \'t rond lag een verslagen heir Met uitgeputte krachten neer.

De zege, die de trouw zoo heilig Als haar ontrouwe aanbidders houdt. Schonk thans den Czaar haar kronengoud. En Moscou\'s vest was weder veilig;

-ocr page 106-

StAZEPPA.

Tot dat een ijselijker dag Een trotscher vijand naadren zag,

Tot dat een onvergeetbrer jaar Een machtiger veroveraar Zou stuiten met een feller slag,

En in een dieper nacht doen zinken Een star, die als een zon mocht blinken.

Zoo had de teerling zich gekeerd. Aan Karei werd de vlucht geleerd,

Bij dag en nacht, door veld en vloed, Bespat met eigen bloed en \'t bloed Van zijn getrouwe duizendtallen,

In zulk een nederlaag gevallen.

Maar niet één mond ontsluit, wiens klacht Op zijn vernederde Eerzucht smaal. Ofschoon de waarheid, deze maal.

Niets heeft te duchten van zijn macht.

Zijn paard bezwijkt; Giëta geeft Hem \'t zijne, wacht den Rus. en sneett. Ook dit stort neer, na vele mijlen Van onverpoosd en nutloos ijlen,

En in het diepst van \'t donker woud. Dat afsteekt tegen \'t vlammig goud Van wacht- bij wachtvuur, dat van veer Doet zien hoe hem \'t vijandlijk hen-Omringt, strekt zich een koning neer. Is dit, is dit het lauwerbed,

Daar heel een natie \'t zwaard voor wetV Men geeft hem, machtloos, uitgeput, Een ruwen boomtronk tot een stut; ^

Zijn wonde is strak, heel \'t lijf verstijfd;

De nacht is kil en zwart.

Terwijl de koorts van \'t jagend hart De sluimring uit zijn oogen drijft.

Zoo ligt hij daar; en toch ... Een koning is hij nog!

Een koning, die in \'t uiterst leed Zijn zorgen te beheerschen weet; ,1a, onderworpen zijn ze, en stil Als eens de volkren voor zijn wil.

Zijn legerstaf! Hoe kleen een hoop,

Helaas! sinds \'t nijdig lot Die in eens enklen dags verloop Gedund heeft! Maar dit overschot

Is ridderlijk en trouw.

Elk hunner zit daar, \'t hart vol rouw. En zwijgend ter aard Bij koning en paard;

-ocr page 107-

MAZEPPA.

Want menaoh en beest zijn, in gevaar En nood, ah broeders met elkaar. In schaduw van een eiktrouk, oud En grijs gelijk hij zelf reeds, maakte Mazeppa zich een leger klaar; De ükrainsohe Hetman, rustig, stout In \'t veld, en vreeslijk waar hij naakte. Maar eerst wreef hij met zorg zijn ros,

Van \'t rennen afgemat;

Toen spreidde hij \'t een bed op \'t mos

Van saamgegaderd blad; Hij strookte maan en hoefhaar glad, En maakte bit en singel los,

En zag met blijdschap dat het at;

Want zeer had hij gevreesd Dat zijn amechtig beest, In nattigheid en koude.

Te grazen weigren zoude;

Maar \'t was, gelijk zijn heer, Gehard in wind en weêr.

En, even vurig als gewillig,

Voor bed en tafel onverschillig.

Ruig, forsohgespierd, en snel ter been, Geheel Tartaar van top tot teen,

Zoo droeg \'t zijn man door \'t veld. Was onderdanig aan zijn stem.

Verscheen op \'t roepen van zijn held, En kende, uit allen, hem.

Schoon gansche benden het omgaven En, zonder maan of ster, de nacht. Dat paard zou aan zijn zijde draven Van avondstond tot morgenwacht.

\'t Beest had zijn eisch. Mazeppa spreidde Zijn mantel onder d\' eikentak.

Waarbij zijn lans in de aarde stak; Maar voor hij zich ter ruste leide.

Werd eerst nauwkeurig onderzocht Of alle wapentuig den tocht Met eer had doorgestaan;

Of \'t kruit was op de pan gebleven. De steen in staat was vuur te geven

En vaststond in den haan;

Hij trok zijn sabel uit de scheede;

Bezag nauwlettend punt en snede;

Keek riem en draagband na. Eerst toen Greep hij naar \'t sober ratioen. Het luttel vocht, het luttel brood. Dat lagerflesch en knapzak bood.

-ocr page 108-

MAZEPPA.

En deelde daarvan gaarne mede Aan Kavel zelf en aan zijn stoet,

Met vrij wat onbeschroomder moed,

Dan of hij in zijns konings zaal Had neergezeten tot het maal.

En Karei nam \'t hem aangeboden\',

En plooide een lach op \'t bleek gezicht, Als achtte hij zijn pijnen licht.

En waren wonde en leed gevloden.

Hij sprak; „Van heel mijn legerstaf.

Schoon weinig traag en ver van laf,

Heeft geen, inschermutsling,of marschen, of plicht, Zoo weinig gesproken en zóóveel verricht, Als gij, Mazeppa; \'k peis dat de aarde Kooit heter paard en ruiter baarde. Van Alexanders tijd tot nu.

Dan uw Bucephalus en u;

Der Scythen ruiterfaam verdwijnt,

Zoodra gij in het zaal verschijnt;

Geen rijder half zoo kloek .. „„En echter,\'\'quot; sprak Mazeppa, „„\'k vloek De school daar \'k rijles heb genomen!quot;quot; „En toch is \'t u zoowel bekomen?quot;

Was Kareis antwoord aan den held.

„■„Mijn Vorst,quot;quot; sprak deze zonder schromen, „„\'t Verhaal daarvan dient uitgesteld. Wij hebben op dees tocht niet slec.hts

Nog menig marsch te goed.

Ook volgt de vijand op den voet, En overvalt ons links en rechts.

Veel dat ons gunstig wezen moet,

Eer we ons een nachtkwartier bereiden En onze paarden vreedzaam weiden

Aan d\'overzij van gindschen vloed. Uw Majesteit heeft rust van nooden. En \'k heb voor u en dees uw staf Mijn dienst als schildwacht aangeboden...quot;quot;

Maar Koning Karei liet niet af.

„Neen,quot; sprak hij, „Hetman! wil verhalen; Onthou mij uw vertelling niet.

Licht komt de slaap, die nog me ontvliedt, Weldadig op mijn oogen dalen!quot;

,„In deze hoop, mijn Vorst! zal \'k trachten Een vijftig jaar in mijn gedachten

Terug te treden, \'k Telde pas De twintig; Casimier regeerde;

Jan Casimier, wiens page \'k was,

Dien \'k zes jaar als gebieder eerde;

-ocr page 109-

MAZEPPA. 87

Een wijs monarch; ronduit gezeid,

Gansch anders dan Uw Majesteit;

Hij zocht geen oorlog en verwon Geen land, dat hij niet houden kon; De rijksdag-questies uitgenomen,

Was in zijn tijd de rust volkomen;

Toch had ook hij zijn ongerief,

En — wie heeft dan geen leed te schromen? —

De muzen en de vrouwen lief.

Zoo moeilijk konden zij \'t hem maken,

Dat hij een wijl naar krijg kon haken;

Maar spoedig bluschte zich die vlam.

Daar hij een ander liefje nam,

Een ander boek zich voor liet lezen.

Daar moest geen krimp van feesten wezen,

Waarop heel Warschau samenkwam,

Om al de pracht der edellieden En schoone vrouwen te bespieden.

Aan hoofd en borst en sleep verguld.

Waarmee zyn hof was opgevuld.

Hij was de Salomo van Polen,

Naar de uitspraak van heel \'t Poolsch Parnas. Een enkle slechts van \'t dichtrenras.

Die zonder jaargeld om moest dolen.

Zei dat dit luge vleitaal was.

Zijn vorstenhof was Phebus tempel.

Ik ook, ik offerde op zijn drempel.

En schreef als „hooplooze Agathouquot;

Een liedje, dat met Ach! begon.

Daar was een zeker graaf, geboren üit oud geslacht, een paladijn.

Rijk nis een zout- of zilvermijn1),

Trotsch naar venant, dat laat zich hooren.

Als mocht zijn afkomst hemelsch zijn.

Hij was zoo hoog, zoo aadlijk, dat Hij slechts den vorst tot meerdren had;

En door \'t beschouwen van zijn schat En \'t staren op zijn eedle vaderen.

Wier bloed verbasterde in zijn aderen.

Gebeurde \'t — somtijds ziet men dat —

Dat onze man zich ook verbeeldde Dat hij in hun verdiensten deelde.

Zijn vrouwtje scheen het anders toe.

Die dertig jaren met hem scheelde;

Zij werd hem daaglijks meerder moê.

En na wat wenschen, hopen, vreezen.

\') De vergelijking met een zoutmijn zal men mogelijk in een Pool toegeven, lt;le rijkdom van wiens land grootendeels in zoutmijnen bestaat.

-ocr page 110-

MAZEPPA.

Een traan of wat, die zij haar deugd Een billijk offer hield te wezen,

Een dartlen blik op Warschau\'s jeugd, Een smachtend lied, een wulpschen dans. Verbeidde zij alleen de kans Om de echt, aireede in \'t hart geschonden. Te breken op den weg der zonden.

\'k Was toen een knaap van melk en bloed, En nu \'k mijn levensavond groet,

Durft u mijn mond gerust verklaren,

Dat, in mijn sohoone jonglingsjaren.

Bij edelliên en ridderstoet Er uiterst zeldzaam mannen waren,

Wien zoo veel hartstocht in het bloed En dwaasheid was in \'t hoofd gevaren.

\'k Was jeugdig, dartel, vol van moed En krachten; \'k droeg het hoofd Ook vrij wat rechter in die dagen;

Nu is \'t van alle schoon beroofd,

Maar \'t scheen toen anders voor die \'t zagen. Mijn nu gerimpeld aangezicht Was toen gevuld, en kleurde licht;

Sinds hebben zorg on oorlogsplagen

En tijd me een ander man gemaakt, En \'k werd gewis door vriend en magen Op \'t wreedst verloochend en verzaakt, Zoo zij mijn gistren met mijn heden In vergelijking lieten treden!

Maar dit verval begon reeds, eer de tijd Mijn tronie zich ten dagboek had gewijd. Gij weet het. Koning! met de jaren Bezweek mij heldenmoed noch kracht, Of \'k zou u, in dees kouden nacht.

Hier onder \'t bedgordijn van blaren.

Geen oud verhaal doen hooren; — maar \'k ga voort! Theresa had mijn ziel bekoord.

Zij staat zoo duidlijk mij voor \'t oog. Nog nu, mijn Vorst! als gindsche linde, Hoe vreemd dan dat \'k geen woorden vinde.

Waarmee ik u baar schildren moog,

Die ik zoo vurig eens beminde!

Zij had het Aziatisch oog Van haar, die uit de mengling sproten Van onze Poolsche landgenooten Met schoonen van een Turksch geslacht; Gitzwart gelijk (lees donkre nacht.

Maar van een glans doorgloed.

Als waar de maan de donkerheid

-ocr page 111-

MAZEPPA.

Van \'t duistei- mid\'naclituur mee scheidt, Als zij de zwarte wolken kliefde, —

Groot, donker, drijvende in een vloed Van zachte teederheid, gansch liefde,

Halt\' kwijmng., en halt\' vuur, — een blik Als die van martelaars in \'t sneven,

Verrukt ten hemel opgeheven.

Als bracht de dood hun vreugd voor schrik; Een voorhoofd als een meertje effen,

quot;Wanneer geen windje \'t komt verhefien. Waarvan geen enkel golfje wiegelt,

En waar de hemel zich in spiegelt;

Een wang, een lip, — wat poge ik toch? Toen minde ik haar, en \'k min haar nog, En als een man, wien goed en kwaad In uitersten ter harte gaat.

Ach, de ijdle schimmen van \'t verleden

Vervolgen ons in d\'ouderdom,

En zelfs op dit noodlottig heden Ziet nog Mazeppa daai-naar om.

Het lot bracht ons bijeen; wij zagen Klkaar in \'t oog; ik zag haar aan, En zuchtte; ook zij deed zich verstaan, Schoon zij geen enkel woord dorst wagen, o, Duizendvuldig zijn de teekenen

En wenken, die men hoort en ziet.

Maar door \'t verstand niet na te rekenen,

Voel-, merkbaarquot;, maar verklaarbaar niet. Daar is een uitdruk der gedachten,

Die \'t overkropt gemoed ontsnapt,

Door andrer aandacht ras betrapt. Eer eigen hoofd en hart het wachten, Verstaanbaar toch en duidlijk, die Een gloeiend snoer van sympathie Tezamenschakelt, waar zich \'t hart Van d\' onervaarnen in verwart;

Die als elektrisch leidsnoer \'t vuur — Wie zegt ons hoe? — weet meê te deelen, \'t Van ziel op ziel doet overspelen. En heerscht op driften en natuur.

Ik zag haar aan en zuchtte, ik weende, In eenzaamheid en stilte, \'k Zocht Haar — hoe mijn hart ook muiten mocht — Te mijden, tot ons \'t lot vereende.

En ik haar, zonder achterdocht Te wekken, vrij ontmoeten mocht.

Toen wenschte ik en besloot te spreken; Maar zwak en bevend bleef mijn stem,

-ocr page 112-

MAZEPPA.

En al mijn woorden misten klem,

Of bleven me in den gorgel steken.

Daar is een zeker spel; ]t verslijt Op zoutelooze wiis den tijd;

Het heet — maar \'k lieb den naam vergeten; Doch \'k weet — ofschoon ik ook vergat, Hoe \'t lot het zoo bestoken had — Wij waren saam er toe gezeten.

Ik vroeg niet of \'k verloor dan won,

\'t Was mij genoeg zoo na te wezen Dat \'k ieder woordje hooren kon.

En in het lieflijk oog kon lezen

Van mijner liefde wit en bron.

\'k Scheen als een schildwacht acht te geven Op alles wat zij heeft bedreven,

(o, Worde in dezen donkren nacht.

Door de onzen zoo hun plicht betracht!) Tot dat ik merkte, en \'t bleek mij wel. Dat ze ook geen hart had voor haar spel; En zoo zij \'t niet ten eerste staakte,

\'t Was dat de speeldisch, waar ze aar; zat. Iets zeer aantreklijks voor haar had. Ofschoon haar kans noch winst vermaakte. Toen plotsling \'t denkbeeld in me ontwaakte,

En me als een bliksemstraal ontstak, Dat daar iets zijn moest in haar wezen. Dat mij mijn vonnis niet doet lezen,

Noch af kon wijzen, en — ik sprak. Onsamenhangend was mijn reden,

En min welsprekend vast — maar zij, Zij keerde een luistrend oor tot mij. Zij hoorde me aan, en \'k was tevreden. Die eenmaal hoort zal \'t nogmaals doen, — Zoo vleide zich mijn liefde toen —

Haar hart is niet voor \'t mijn gesloten, En weigren is nog geen verstoeten.

Ik minde en werd bemind. Men zegt Me, o Koning! dat gij nooit de zoetheid. Waarmee die zwakheid \'t jong gemoed pleit.

Gekend hebt, noch uw hart verhecht.

Zoo \'t waar is, \'k zal \'t verhaal u sparen. Van \'t geen mij sedert is weervaren Op \'t stuk van teedre minnepij11;

Het moet u ongerijmdheid zijn.

Maar ieder mensch is niet geboren Om op zijn driften te gebiên.

Of om, als gij, zich vorst te zien Van natiën, hem toegezworen.

-ocr page 113-

MAZEPPA.

En tevens van zichzelf. Ook ik,

Ik ben een vorat, ot liever was \'t.

Hoofd over velen, die, als \'t past. Van duizend levens vrij beschik. En duizenden van oorlogslieden

Doe draven op mijn wenk; maar kracht Om op mijn driften te gebieden,....

Ik heb het nooit zoover gebracht.

Doch gaan wij verder, \'k Minde en werd Bemind, een zalig lot op aarde.

Voorwaar! — maar die het zoetst ervaarde, Dien staat het op de wrangste smart. Ik zag haar heimlijk, en het uur

Dat me aan haar voeten bracht. Was lang en pijnlijk afgewacht.

En met een boezem enkel vuur!

\'t Was of\' mijn wezen werd verslonden In \'t smaken van dat luttel stonden; De erinring van geheel mijn leven Herroept geen andre mij zoo zoet. En \'k zou, met een verrukt gemoed. De Ukraine en al ten beste geven.

Mocht ik ze nog eens over leven;

Maar, als die page van weleer.

Die rijke page, die zich heer Mocht achten van een hart zoo teêr.

En van zijn deugdzaam zijdgeweer; Die page, die geen andren schat Dan frischheid, jeugd, en kracht bezat. Het was in \'t heimlijk dat we ons zagen. Men zegt wel, \'t is een dubbel zoet Wanneer m\'elkander dus ontmoet;

\'k Beslis zulks niet; maar \'k had mijn bloed

Gewillig veil gehad.

Indien ik met een vrij gemoed Haar als mijn eigendom, mijn schat,

Voor \'t open oog had mogen leiden Van belgzieke aarde en hemel beiden!

Ach, hoe zij zich verbergen moog. Verboden min valt licht in \'t oog.

De tijd der wrake kwam. Men bracht Mij voor den Graaf. Ik werd gewacht Met enkel woede en wreedheid. Neen! \'k Was ongewapend, maar al had Mü \'t schubbig staal van top tot teen Ompantserd — ach! wat kon \'k alleen ?

\'t Was bij zijn burcht: de stad Kn alle hulp was verre; nanw

-ocr page 114-

MAZEPPA.

Brak de uchtend door het schemeïgrauw, — Mij docht, het moest miin laatste wezen, En \'k rekende op geen dag na dezen.

In stilte en haastig bad ik tot Marye, en schikte me in mijn lot,

En liet mij volgzaam henenleiden Tot voor de groote poort van \'t slot.

Wat met Theresa zi] geschied,

Vernam ik nooit en weet ik niet;

Ons noodlot bleef gescheiden.

,Breng hier den hengst!quot; Men bracht hem hier. Voorwaar! het was een nobel dier!

Tartaar van echt Ukrainisch ras,

In wiens oogen de gloed,

In wiens spieren de spoed

Van een bliksemstraal was.

Ongeleerd, ongetemd.

Nooit door zadel geklemd,

Nooit door breidel bestierd,

Nooit door knieën genepen.

Eerst gistren gegrepen.

Sprong het woeste gediert Eerst vooruit; hief den kop;

Brieschte luid; steigerde op;

Toen terug,

Even vlug,

Met een schichtigen blik,

Schuimend van gramschap, en woedend van schrik! Vergeefs, gij woestling der woestijn! Mazeppa zal uw ruiter zijn!

Daar strekt men hem uit Op uw stoppligen huid.

Op uw stuiptrekkend vel;

En men knevelt hem wel Met den riem en het koord ...

En op eens is het: Voort!

Geen bergstroom zoo woest of zoo snel.

Voort, voort!--mijn aam bezweek,

Ik wist noch zag waarheen!

De dag brak nauwlijks aan, maar \'t scheen Dat aarde en hemel week....

Voort snoof de klepper — voort! En \'t laatst geluid, door mij gehoord, Was lach en spotternij Der wreedaards achter mij,

En voorwaarts ging het, voort!... \'k Verruk in woede \'t hoofd en vat

-ocr page 115-

MAZBPPA.

Het koord, waarmeê men aan den kop Van \'t beest mijn nek bevestigd bad, En wring mi] los, en hef mij op.

Zooveel mijn banden rekken konden,

En heb mijn vloek hun toegezonden...

Maar \'t -woest galop van \'t brieschend paard. De donder van zijn suizelvaart Heeft mooglijk hun die vloek gespaard! Dat smartte mij; graag had mijn toren Een antwoord op hun smaad doen hooren. Wel heb \'k die schuld, na jaar en dag.

Met woeker afbetaald;

Wel \'t breed kasteel omvergehaald,

Dat mijn ellende zag;

Geen ophaalbrug, geen torenspits.

Geen poort, geen balk, geen steen. Die op zijn plaats gebleven is.

Toen \'k in mijn wraak verscheen;

Geen grasscheut van heel \'t weidsch terras.

Dan die de richels dekken zal Der plaats, waar eens de schoorsteen was

Der wijde wapenhal.

Ik zag de torens in den gloed.

Den breeden ringmuur neergestort,

Kanteel en trans dooreengehort Door \'t vuur, dat om de wallen woedt, \'k Zag \'t gloeiend lood, als rooden regen Langs \'t krakend dak terneergezegen. En \'t blikkren van de gouden vlam.

Die \'t hecht gebouw vernielen\' kwam, Dat menig woesten storm verdroeg ... — Maar toch der wraak niet hecht genoeg! O! weinig dacht hun boosheid, toen Zij mij zoo weerloos rennen zagen.

Als door een bliksemflits gedragen.

Dat \'k eens hun wreedheid recht zou doen, Als \'k met tienduizend oorlogslieden.

Al ruiters, door mijn wenk geleid. Den Graaf mijn dank zou komen bieden Voor \'t rit, mij door zijn hoflijkheid, Ten dage van mijn jeugd, bereid. Zij hadden toen hun lust aan mij.

Toen \'k, aan \'t ontembaar ros gebonden. Een wis verderf werd toegezonden;

Maar eindloos harder hebben zij Van deze vuisten ondervonden.

De tijd vereffent iedre schuld Voor die wil wachten met geduld;

En, mits de wraak haar uur bereken\',

-ocr page 116-

MAZKPPA.

Zoo kan geen menschelijke macht Het lot ontvlieden, dat haar wacht Van die geleden hoon wil wreken,

En, wijl hij smaad verkropt en spijt,

In stilte woekert met zijn tijd.

Voort, voort! mijn ros en ik — voort, voort!

Op vleug\'len van den wind:

Geen weerlichtschittring zoo gezwind,

Die wegsterft als zij gloort:

Ut; vaart, waarmede een star verschiet,

Als \'t knettrend noorderlicht den trans Doet weemlen van zijn flikkerglans,

Is snel, maar sneller niet.

Stad. dorp, noch vlek was meer omtrent; Een schrikbre vlakte... een woud aan \'t end Zooverre ik zag één woud...

Wijl \'k nergens spoor van menschen merkte, Dan soms van verre een enkle sterkte. Den Tarter ten bedwang gebouwd. Het Turksche heir, een jaar geleden.

Was ook die vlakte doorgereden,

En waar des spahi\'s bloedig spoor Zich toonde, brak nog \'t gras niet door. De lucht was somber, donkergrauw. En drukkend; \'t windje zuchtte flauw; En ik ... mijn hai-t verzuchtte wel.. .

Maar voorwaarts ging het, vliegenssnel; \'k Had tijd voor zuchten noch gebeden. Ik voelde siddrend \'t koude zweet.

Dat mij van wang en voorhoofd gleed. Als regen nederdroppelen Op _\'s kleppers stugge stoppelen;

Maar hij, door woede en angst gespoord. Reed verder — verder — verder voort! Bij wijlen voedde ik de ijdle hoop Dat afgematheid eens zijn loop Zou stuiten; maar mijn slanke stal Was bij zijn krachten niets met al, En spoorde nog zijn spoed;

— Want geen beweging kon ik maken Om mijn gezwollen leên te slaken.

Of \'t jagend dier werd meer verwoed. Ik schreeuwde, nauwlijks hoorbaar, maar Voor \'t paard geen donderslag zoo zwaar —

Door \'t minst geluid ontzet,

Vloog \'t wilder nog en woester voort,

Alsoi \'t de klank der krijgstrompet Had aan zijn zij gehoord:

-ocr page 117-

MAZEPPA.

Intusschun kleefde nan koord bij koovd Het bloed, dat uit mijn wonden vloeide, Terwijl de dorst mijn keel verschroeide.

Wij naakten \'t ruige woud. Het strekte

Zich eindloos uit voor mijn gezicht,

Zoodat ik nergens grens ontdekte.

Ik zag er boomen oud en dicht,

Niet buigend voor den felste\' orkaan.

Dien \'t woest Siberië uit mag zenden,

Die menig bosch ter aard doet slaan, Wanneer hij \'t aangrijpt in de lenden.

Maar deze waren zeldzaam; meer De lage heesters jong en teer, En pronkend met een jeugdig blad. Nog door geen herfstwind aangevat.

Die \'t loover op den tak verschroeit. En, \'t door zijn adem rood gegloeid. Ter aarde werpt, geronnen bloed Gelijk, dat, is de strijd volstreden.

Nog kleeft aan der verslaagnen leden,

Kn dat de vorst verstijven doet,

Wanneer haar kille hand zich strekte

Langs onbegraven man bij man,

En met zoo hard een korst hen dekte, Dat raaf noch gier hen schenden kan. Ben wildernis van lager hout Was wat ik naakte; hier en daar Verhief zich eik en pijnboom, maar Op verren afstand van elkaar.

Als reuzen in dat dwergen woud;

En \'t was me zegen, anders waar Mij wreeder noodlot overkomen:

De takken weken van de boomen. En scheurden mijn gebonden leên

Niet wreed van een.

En \'k hield, tot doorstaan van mijn smart. De krachten over; \'t loover werd Geschud en ruischte waar wij \'t naakten. En mijn rampzaalge leden \'t raakten. Wij lieten kreupelhout en boomen, En wolven achter; — \'k hoorde \'snachts De schrikbre laatsten onverwachts Ons huilende op de hielen komen,

In dien ver-schrijdenden galop,

Die \'t hond en jager op doet geven,

Hen op hun voetspoor na te streven —

Ons gaf hun bloeddorst nimmer op. Zij volgden ons waarheen we ons wendden.

-ocr page 118-

HAZEPPA.

Bij \'t daglicht zelfs zag ik hun benden,

Op kleenen afstand zwervend\' door

Het bosch, en in den nacht,

Trof mij hun steelsche tred het oor.

Die hen door struik eu heesters bracht

Op ons rampzalig spoor.

Wat wenschte ik vaak naar zwaard of speer, Om ze aan te vallen in \'t geweer.

En als een man te staan.

En moest ik quot;t sterflot ondergaan,

Eerst menig vijand neer te slaan!

Zoo ras mijn wedloop was begonnen,

Wenschte ik mij d\'eindpaal reeds gewonnen;

Maar nu mistrouwde ik spoed en kracht

Van \'t onvermoeibaar beest,

Te dwaze twijfling! zijn geslacht

Was als een ree gepeesd.

Niet sneller valt de jachtsneeuw neer,

Die, bij snerpenden wind.

Voor de deur van zijn stulp \'s Huismans oogen verblindt,

Dat hij sterft zonder hulp,

En een doodsgewaad vindt.

Dat de vlokken in \'t zweven

En vallen hem weven:

Niet min snel was het streven,

Zoo bedwelmend de vaart Van het razende paard.

Ja, razend als \'t bedorven kind.

Dat ge in zijn wil weerstreeft.

Of, zoo gij \'t beeld gepaster vindt,

Als \'t vrouwtje dat hem heeft.

\'t Woud was doorkruist, \'t Scheen middag; maar \'k Was koud, ofschoon \'t in Juni waar.

Licht was \'t de kilheid van mijn bloed! Een lange foltring fnuikt den moed;

En ik, ik scheen mjjzelf niet meer,

Zoo flauw, zoo lijdlijk lag ik neer.

Eeeds uitgeput was iedre kracht,

Eer \'k alles wel had overdacht;

En zoo mij koude en honger kwelde,

Zoo schrik op schrik mijn brein ontstelde, En, moedernaakt aan \'t paard geriemd,

Ellende en schaamte mij verzelde, —

Mij, telg uit een aloud geslacht.

Dat, door beleediging gepriemd.

Of vuig vertreên door overmacht.

De ratelslang gelijkt, die woedend

-ocr page 119-

MAZKl\'fA.

Zich opheft — is het wonder dat Dit lichaam, koortsig, lijdend, bloedend. Op \'t laatst geen kracht tot weerstand had En voor een wijl bezweek. Het scheen Ot de aarde voor mijn oog verdween; \'t Uitspansel zwierde in kringen rond;

Het was me als zakte ik op den grond;

Maar \'t was vergissing; \'k was te stijf Aan \'t paard gebonden! — en mijn hoofd Was van zijn denkkracht half beroofd;

\'t Hart draaide me om in quot;t lijf.

Eerst was \'t mij of een hamer \'t schokte;

Toen scheen \'t weêr of de bloedstroom stokto-Het zwerk scheen als oen rad te wielen; De boomen tuimelden en vielen Als dronkaards; snel voorbijgevlogen Verscheen een flikkring voor mijn oogen;

Toen zag \'k niets meer, — mij docht, het leven Moest op die wijs de borst begeven; —

Ik voelde nacht en duister naken,

En weder deinzen; \'k wilde ontwaken.

Maar kon het niet, want niets herriep De ziel, die in mijn binnenst sliep.

Het was me als dreef ik op de golven;

Nu door het zeenat overdolven.

Dan door de baren opgeheven,

En aan bedwelming prijsgegeven.

Het leven vloeide me af en aan,

Gelijk de lichtjes, die in droomcn Ons voor gesloten oogen komen,

Als koorts het brein heeft aangedaan.

Maar dra was \'t over — \'t was geen pijn,

Maar zinsverwarring, even pijnlijk;

\'k Beken dat \'t leeds genoeg quot;zou zijn.

Indien ik op mijn stervensspond\'

Een zelfde weeheid ondervond;

En echter moet er oogenschijnlijk Nog meer gebeuren, eer een \'man Zijn laatsten adem geven kan.

Hoe \'t zij! Ik weiger niet te sterven,

Ik heb in \'t aanzicht van den dood.

En zonder vrees, reeds duizendwerven.

En heden nog, de borst ontbloot.

Weer kwam ik bij. — Waar was ik? — Koud En huivrig — harteklop voor klop Haalde ik het aarzlend leven op,

^ En pols voor polsslag, — doodsbenauwd. Een felle schok ging door mijn leden;

97

7

-ocr page 120-

MAZKPI\'A.

Met een zucht Kreeg ik lucht;

Met een milderen vloed Kwam het langzame bloed Tot mijn borst weer gegleden;

Mijn ooren suisden, en weer werd De slag geregeld van mijn hart;

?t Gezicht kwam weer; maar dof, helaas! Befloersd als met een nevelwaas;

Mij docht ik hoorde golfgeraas,

En \'k zag een schijnsel van den hemel. Met wolkgezweef en stargewemel,

Rondom mij ... Neen, dat was geen droom! De woestling klieft den woester stroom! Des breeden vloeds gezwollen tij Klotst hoog en wild ter wederzij\',

En wij zijn halverweg in \'t streven

Naar gindschen zwijgende\' oeverzoom.... Dat bad verbrak mijn zwijmeldroom; Het bracht mij weder uit den naiïht;

\'t Heeft, door\'zijn frischheid, nieuwe kracht Aan mijn verstijfde leên gegeven.

Mijns kleppers breede schoft klieft fier Het nat, dat om hem schuimt en woedt, En breekt de golven der rivier. En voorwaarts, voort, dwars door den vloed! Op \'t laatst bereiken wij den kant. Een gladde\' en glippige\' oeverrand.

Een kust, daar \'k weinig heil van wacht: \'t Is achter duisternis en schrik,

Vóór.... schriklijkheid en nacht! Hoe lang ik, tot dien oogenblik,

Tn aiimlooze angst had doorgebracht, Was me onbewust, \'k wist nauwliiks dat Ik nog wat adems overhad.

De huid doorweekt en blinkend glad, De manen druipende van \'t nat.

De leden rillende, en de borst Met weggesnoven schuim bemorst.

De lendeii rookende, en de pooten

Met kracht op d\'oever uitgestrekt.

Die poogt den zwemmer af te stooten.

Die zijn gespannen muskels rekt, —

Heeft eindlijk \'t ros den kant bestegen,

Die op een open heide bracht,

Befloersd door \'t duister van den nacht, En dor en aaklig allerwegen :

Zij scheen, als de afgrond, dien we in droomen

-ocr page 121-

MAZBPPA.

(Maar vruchtloos!) trachten dóór te komen. Zich immer verder uit te strekken;

En als de maan wat helder scheen,

Zag \'k enkle gele en groene plekken, Tot alles weer in nacht verdween;

Maar nergens kon ik iets ontdekken.

Dat in dees barre, woeste streek Naar menschelijk verblijf geleek;

Geen flikkrend kaarslicht blonk van verre, Gelijk een vriendlijke avondsterre;

Geen dwaallicht, met mijn lot begaan, Zweefde in den donker af en aan.

Gewis! hoe trouwloos ook van aard. Met wellust had ik \'t nagestaard, En, schoon voor wat het was herkend, Het had me althans, in mijn ellend,

Door zijn bedrieglijke vertooning Doen denhen aan een menschenwoning.

Wij gingen voort, maar langzaam, traag; Mijn klepper hield den kop omlaag; Het uurwerk van zijn forsche kracht Was afgeloopen; flauw en zwak Zjjn gang; een kind had met gemak Hem onderworpen aan zijn macht

En naar zijn wil geleid.

Wat .baatte mij die volgzaamheid\'?

Ik was geboeid; — doch ware ik vrij Geweest, \'t vermogen faalde mij! Wel spande ik telkens tot het breken Dier taaie koorden me in, maar \'t was Vergeefs, de kracht ontbrak mij ras, —

Zij knelden slechts te meer; Met nieuwe kracht beproefde ik \'t weer, Maar liet weer af, op nieuw bezweken.

Mijn duizelende wedloop scheen Voleind,— maar de eindpaal dien ik won..

Ai mij, daar was er geen! Een lichtstreep spelde de uchtendzon;

Wat rees zij traag, helaas!

Mij docht, het schemergrauw, dat \'k zag. Zou nimmer overgaan tot dag, Zoo langzaam week dat nevelwaas. Eer weer de lucht in \'t beidend oost. Met gloeiend purper was gebloosd. Eer weer de schoone zon verscheen, ^ Waarvoor der starren stoet verdween, En zij den bondel van haar stralen, Met stoute kracht deed nederdalen.

-ocr page 122-

MAZEPPA.

De wereld, van haar hoogen trans, Vervullend met haar eigen glans.

De zon rees op, — de mist verdween Van de aarde, die mij ledig scheen, Die rechts en links rondom mij lag,

Maar waar \'k geen levend wezen zag; Wat baatte \'t vlakte, bosch of vloed Nu door te kruisen? Mensch noch beest Scheen immer in dat oord geweest;

Daar was geen spoor van hoef of voet

In d\' onbebouwden grond.

Waar nergens \'t oog een teeken vond Van menschlijk\' arbeid, menschlijk lijden ...

De lucht zelfs was er stom! _

Geen vogels, die zich daar verblijdden; Geon krekel hupte er zangrig om Door gras of kruid. Een aantal wersten Werd zoo door \'t paard nog afgetreên, Dat trilde alsof hem \'t hart zou bersten,

En altijd bleven wij alleen.

Op \'t laatst, terwijl wij voorwaarts schrijdden. Was \'t of ik hoefgetrap vernam.

Dat uit het open pijnbosch kwam ... Of was \'t de wind, die \'t groen bewoog t Neen — neen! voor nquot; J=rd oog

Verschijnt op eens van

Een trappelende troep! Hij komt In dreigende orde; \'k blijf verstomd; Schoon \'k poog in gillen uit te breken, \'t Geluid blijft me in den gorgel steken.

De rossen draven rustig voort;

Maar wie bestuurt ze? — Duizend paarden! Geen menschen, die \'t gezag bewaarden. En niemand, wien die drom behoort? De staarten dreigende opgeheven,

De manen golvend langs den nek. Met nooit door \'t bit beknelden bek, En neuzen, nooit door riem omgeven,

Die wijd en snuivende openstaan; Met nooit door \'t staal geschoeide voeten, En lenden, vreemd aan zweep en spoor, Kwam, als een zwellende oceaan. Een duizend paarden steigrend aan, En draafde woest de vlakte door,

Als om ons op den tocht te ontmoeten. Hun aantocht bracht Een wijl de kracht Tn d\' afgematten klepper weer;

100

-ocr page 123-

MAZEPPA. 101

Hij steigerde op als om te groeten,

En hinnikte — en viel neer.

Daar lag hij, hijgend, \'t oog verglaasd,. . .

Daar lag hij, geeuwde, sloeg, en strekte Den hals uit, kromp ineen, en rekte Zich uit, voor \'t laatst.

De troep kwara. zag hem uitgestrekt.

Mij aan zijn breeden rug gebonden.

Met menig knellend koord omwonden.

Hem met mijn kleevrig bloed bevlekt.

Zij bukken, schrikken, steigren, snuiven Met luid gebriesch de lucht, en stuiven Dooreen, en draven op en neer;

Zij naadren schichtig, wijken weer,

En hupplen rustloos en ontroerd,

En draven om ons heen in kringen, —

Maar eensklaps wenden zij, en springen Terug, door éénen aangevoerd.

Die patriarch der kudde scheen.

Die ghnsterzwart gelijk een git was.

En aan wiens stoere, ruige leen.

Ik niet één haartje zag dat wit was.

YAj blazen, schuimen, snuiven, brieschen.

Slaan de achterpooten woest omhoog.

Maar haasten zich het bosch te kiezen.

Uit schuwheid voor een mensche.noog.

Zy lieten me over aan mijn lot,

Geboeid aan \'t roer-loos overschot.

Waarvan de dood mij zelfs niet scheidde!...

Daar lagen wij beide.

De stervende op het lijk; voor mij Was ook de laatste snik nabij...

Nog moest me een gansche dag verloopen,

Wiens eindlooze uren langzaam kropen;

En als de zon ter kimme neeg,

Had \'k juist genoeg besef van leven Om mij de zekerheid te geven.

Dat zij voor mij wel nooit meer steeg.... 0! Schriklijk is die overtuiging,

Waarbij toch eindlijk \'t hari, berust,

De mensch met kalme schedelbuiging

Den voet des ergsten vijands kust;

Des ergsten, dien wij \'t felst weerstonden.

En eindlijk \'t onweerstaanbaarst vonden.

En toch, zoo duchtbaar is hij niet;

Noch is \'t een droeviger verdriet Vroegtijdig in zijn hand te vallen;

Maar daarvoor wachten wij ons allen.

Als waar \'t een strik, dien gij vermijdt.

-ocr page 124-

102 MAZEPPA.

Zoo gij maar recht voorzichtig zijt! Ja, ingeroepen, uitgetart,

Bij eigen zwaard gezocht voor \'t hart, Steeds blijft de dood een vreeslijk slot Zelfs van het onverduurbaarst lot,

Onwelkoom hoe hij naak!

En (vreemd!) de priestren van \'t vermaak, Zij, die in schoonheid, wijn, genot En lusten baadden, sterven vaak Kalm, somtijds kalmer dan degenéli,

Wier deel in zucliten was en weenen;

Want hij, die beurtlings smaken mocht Al wat de -wereld kon verleenen,

Gaat vol en we)verzadigd henen;

De wereld gaf hem wat hij zocht. De onzaalge wacht, in zijn ellende. Nog altijd op een beter ende;

De dood. die toetreedt als een vrind, Schijnt in zijn oog, te droef verblind, Een vijand, die hem al den prijs Van al zijn onspoed komt ontrooven. Den vruchtboom van het paradijs. Dat zich zijn hoop nog dorst beloven. Die hoop was op den dag van morgen; Dan zouden jammren, nooden, zorgen Voorbij zijn, dan zou de eerste dag Hem opgaan, die hem zalig zag! Hij droomt reeds van die heldre tijden, En ziet, dwars door zijn tranenvloed. Een schoon verschiet in zonnegloed, Vergoedende zijn bitterst lijden:

De dag van morgen had hem macht En eer en glorie aangebracht. Met rijkdom, aanzien, heerschersstaf.... En moet hij opgaan voor zijn graf?

De zon zonk; \'k lag nog steeds op de aaid. Geboeid aan \'t koud, verstijvend paard. Wij zouden, docht mij, daar ons stof Wel mengen, en mijn oog zoo dof, Zoo duister en bezwaard.

Verlangde naar den dood.

Die \'t sloot,

Daar toch geen hoop meer overschoot Op redding .... \'k Sloeg dat oog Omhoog,

En, tusschen mij en de avondzon,

Zag \'k reeds de raaf verbeidend zwerven. Die nauwlijks zóólang wachten kon.

-ocr page 125-

MAZEPrA.

Tot ik, gelijk mijn beest, zou sterven,

Eer zij haar aak,.ig maal begon.

Zij vloog, zat neder, en vloog weer, En naderde altijd meer en meer.

Ik zag haar vlerk in \'t schemerlicht Bewegen, en op \'t laatst zoo dicht ÏTabij me, dat ik ze aan kon raken....

Maar \'t waren krachten, die me ontbraken. Doch \'t zwak verroeren van mijn hand, Het licht geschuifel van het zand.

Met een murmlond, een flauw Gereutel, dat nauw Den naam van stem vermocht te dragen, Slaagde eindlijk in haar weg te jagen.

Meer weet ik niet; mijn laatste droom Was, dunkt mij, van een lieve ster.

Die mij in de oogen scheen van verr\', En af en aan heur zwervend licht Deed weemlen voor mijn dof gezicht; En \'t half bewustzijn van een loom, Kil, onbestemd, herlevend leven.

Alras voor een poos In de sluimring des doods Weer opgeheven;

Dan weer ontwakend, maar pijnlijk altoos; Nu trillende leden ... Dan schroevende borst... Een smachtende dorst...

Een schok, die door mijn hersens ging. Een snik, een stui;gt;, een huivering.

Een kort gevoel van pijn... en weer Een zucht — En toen niets meer.

\'k Ontwaak — waar ben ik? — Is dat niet Een menschlijk oog, dat mij bespiedt? Is dit geen dak dat me overdekt?

Hoe? Lig ik op een bed gestrekt?

Is dit een kamer, die me omvat?

Neen! \'t oog, dat op mij staarde, Was zeker niet van de aarde!

Ik sloot het mijne; \'k had te vreezen Dat alles droorabedrog zou wezen!

Of was, wat ik aanschouwde, waar? Een schoone maagd, met lokkig baar En ranke leest, zat bij mij neder.

De tintling van dat oog zoo teeder Had mij de ziel verrukt, zooras Mijn kennis weergekomen was.

Zi] hield bestendig \'t lief gezicht

103

-ocr page 126-

MAZEPPA.

üp mij gericht,

En in don blik, zoo trouw en vrij,

Van \'t gitzwart oog blonk medeiij. Ik overtuigde in \'t eind mijn oogen,

iJat thans geen droom mij had bedrogen, Dat \'k leefde, en nu, naar allen schijn,

Goen raven meer tot aas zou zijn.

En als \'t Kozakkenmeisje zag,

Dat ik met open oogen lag.

Zoo lachte ze; en ik wilde spreken.

Maar was te zwak. Zij naakte toen En gaf met lip en vinger teeken

Dat ik geen poging had te doen Om \'t pijnlijk zwijgen af te breken.

Maar lijdzaam en gerust zou wachten Op \'t wederkeeren van mijn krachten. Zij greep mijn handen ondertusschen. En verlegde mijn hoofd en verschikte myn kussen, En week van mijn bed Met nauw hoorbaren tred.

Zachtjes ontsloot zij de deur zich, en zoetjes

Sprak zij tot andren; hoe schoon klonk het mij! \'k Hcorde muziek in de treetjes dier voetjes; Haar stem scheen me enkel melody!

Maar wie haar lieve lipjes riepen Bewonderden haar niet; zij sliepen.

Dies zij quot;t vertrek verliet,

Maar niet Dan omziende, en door vele teekenen

Mij gevende te kennen dat Ik mij in veiligheid mocht rekenen

En enkel te bevelen had;

En dat zij-zelve niet zou toeven Terug te keeren. Toen zij heen Gegaan was, voelde ik mij alleen. En \'t scheen mij dubbel te bedroeven.

Met bei haar oudren kwam zij weer. Gij weet de rest — wat hoeft er meer? \'k Bespaar u \'t lang verhaal van wat.

Sinds \'k der Kozakken gast werd, mij Weervoer: — bewustloos hadden zij Me op weg gevonden, — deernis had Haar stem doen hooren in hun borst:

\'k Was naar de naaste hut getorst;

Daar riepen zij me in \'t leven weer; My — sinds hun koning en hun heer! Zoo had de booze dwaas, die woedend Zijn hartstocht koelende in mijn leed.

-ocr page 127-

MAZEPPA.

Mij naakt, alleen, gebonden, bloedend,

Door wildernissen hollen deed,

Zijns ondtinks, mij gebracht 0]3 \'t pad, Dat, dwars door woestenij en heide,

Mij tot den vorstenzetel leidde.

Waartoe mij \'t lot verkoren had. Wat stervling, die zijn deel voorziet?

Wees nimmer moedloos; wanhoop niet. Op morgen ziet de Borystheen Ons op zijn Turkschen zoom bijeen;

En nooit was mij een waterstroom Zoo recht va.n harte wellekoom,

Als dees mij z.ijn zal, als wij daar Ons veilig vinden voor gevaar ... Spitsbroedren! goeden nacht.quot;

Hier strekte

Mazeppa zich op \'t leger, dat Hij van \'t geblaart\' vergaderd had. En eikenlommer overdekte:

Een koets, noch nieuw voor hem, noch hard, Uie, als hem rust veroorloofd werd,

Nooit angstig vroeg naar \'t waar of hoe; En weldra look hij de oogen toe.

En zoo gij \'t vreemd vindt, dat de Koninj?; Den Helman zonder dankbetooning Den zoeten sluimer vatten liet, \'t Bevreemdde den verhaler niet;

De vorst toch, door zijn taal gesust. Was reeds een vol uur in de rust.

-ocr page 128-

PARI SIN A.

\'t, Ts \'t uur, waarin de nachtegaal Het oor verrukt door \'t smeltend lied,

Waarin verliefde fluistertaal Voor \'t bart van zoetheid overvliet;

Waarin het koelheidaamend suizen

Van \'t windje, aan balsemgeuren rijk,

Zich met der \'golfjes murmlend bruisen

Vereenigt tot een zoet muzijk.

Op iedre bloem is dauw gezegen;

De starren blinken aan den trans.

Met zachton glans.

Elkander tegen;

Het water heeft een donkrer blauw,

Het loof een bruiner tint gekregen,

De lucht een wazig schemergrauw.

Het is dat zoet, dat lieflijk donker,

Die effen duisterheid omhoog.

Die \'t scheemren volgt aan \'s hemels boog, En voorgaat aan het maa.ngeflonker.

Maar \'t is om \'t lieflijk ruischen niet Van \'t beekje over \'t kiezelbed,

Dat Parisina \'t slaapsalet,

Bij \'t zwygen van den nacht, verliet;

\'{ Is niet om de oogen op te slaan Naar \'t maanlicht en zijn hemelluister.

Dat de eedle vrouw is uitgegaan En omzwerft in het avondduister;

En, toeft ze in Estes groen prieel,

Ze is om de rozen niet gekomen;

Zij hoort.... maar \'t is niet naar \'t gekweel Der nachtegalen in de hoornen.

Zij luistert. ■. ■

Een stap wordt gehoord in de krakende blaan;

En het hartje begint haar onrustig te slaan,... .

Haar lieflijke naam wordt gefluisterd.

En haar blos komt terug, en haar boezem schept aam; Nog een oogenblik slechts... en het vindt hen te zaam. Om een schuldige liefde te boeten — \'t Is daar.... Reeds ligt de minnaar aan haar voeten.

En nu, wat is voor hun gemoed Dees wereld met haar ebbe en vloed? Ach, hemel, aarde, menschdom, Grod,

Vergeten zij voor zingenot.

-ocr page 129-

PARISINA. 107

Als dootlen schijnen ze onbewust Van vrat er om hen woelt of rust,

Zij zien elkander slechts in \'t oog,

Of heel de schepping hun vervloog.

Elk zuchtje prikkelt nog den lust,

En pijnigt met de zoetste smart.

En tergt het brein, en blaakt het hart. Wie droomt er, in dien wilden droom.

Van schuld of straf, gevaar of schroom.

Van lange wroeging, scherp verwijt?

De woeste hartstocht laat geen tijd Om voor een oogenblik te denken,

Hoe hort een vreugd hij slechts kan schenken.

Met aarzelenden voet verlaat Het paar de plek van weelde en schuld.

Schoon zoete hoop hun hart vervult.

En plechtige afspraak zeker gaat.

Toch voelen ze een geheime vrees Als waar dit afscheid \'t laatste reeds.

Herhaalde omarming, zuchten, trillen.

Een somber staren van den blik,

En lippen die niet scheiden willen. ..

Op eens, een plotselinge schrik Voor \'t vredig glinstrend hemellicht Weerkaatsend van hun aangezicht;

Gevoel van onvergeefbre zonden.

Door iedre stille, reine ster Met afschuw aangezien van ver....

Dat alles houdt hun voet gebonden,

En maakt dit teeder scheiden zwaar.

Maar \'t onverbidlijk uur is daar!

Zij gaan. Een wicht van duizend ponden Weegt op de ziel van \'t schuldig paar.

En \'t voelt de koude huiveringen Van die een slechte daad begingen.

Naar \'t eenzaam bed keert Hugo thans. En smacht er van verboden lust;

Zij legt het schuldig hoofd ter rust Aan \'t argloos hart eens trouwen mans.

Zij slaapt, maar koortsig; \'t heete bloed Ontsteekt haar wang in purpergloed.

Zij droomt, en op haar lippen stijgt Een naam, dien zij bij dag verzwijgt.

Zij woelt en slaat haar armen uit.

Dat zij haar vriend aan \'t harte sluit\',

En doet haar echtgenoot ontwaken,

En streelt hem met den zoeten waan.

-ocr page 130-

PARTSTNA.

Die lieve omhelzing ging hem aan, Die haar gelukkig poogt te maken;

Tot schreiens is hij aangedaan, En opgetogen ziet hij neder Op de engel, in haar slaap zoo teeder!

Hij drukt de sluimrende aan zijn borst En wil elk staamlend woord verstaan. Hij hoort — Wat siduring grijpt hem aan Als trof \'s aartsengels stem den vorst? Hij siddre vrij! Geen zwaarder straf Kan hem verschrikken in zijn graf. Als hem, voor de eeuwigheid ontwaakt. De Rechter met het vonnis naakt! Hij siddre vrij! Eén klank, één woord Heeft heel zijn aardsch geluk vermoord; Eén enkel woord, één naam verraadt Zijn eega\'s schuld, zyn eigen smaa,d. En welk een naam V Ai mij! Als \'t botsen Van \'t siingrend schip op ijzren rotsen, Wanneer des afgronds diepste kolk Zich opent voor \'t wanhopig volk.

Schokt hem die naam \'t gemoed. Wie was de schender? Hugo! — Hij — O, dat die gruwel mooglijk zij! —

Zijn zoon, zijn eigen bloed!

\'t Misdadig kroost der misdaad van d\' Ontrouwen jongling straft den man, \'t Kind van Bianca, de verleide,

Die, al te dwaas, haar trouwdag beidde!

Hij trok zijn dolk, maar stak hem weer Ter scheede voor de punt ontbloot was; Schoon Parisina\'s misdrijf groot was.

Haar schoonheid zette hem terneer. Zoo lief een schepsel moest hij sparen; Althans zoo als hij nu haar zag.

Tevreden sluimrend met een lach;

Maar stond haar roerloos aan te staren.

En zoo ontzettend was zijn blik.

Dat, zoo zij \'t hoofd had opgeheven. Zij waar van angst versteend gebleven Of weder neergestort van schrik.

En bij der nachtlamp schemerlicht Blonk \'t paarlend zweet hem op \'t gezicht Maar de ongetrouwe sluimert voort.... En nu geen zuchtje meer, geen woord, Waarvan zijn gramschap hooger zwelt; Maar o! haar dagen zijn geteld.

-ocr page 131-

PAKISISA.

En nauw verrees de morgenstond, Of woedende Azo zocht, en vond In \'t bang verslag uit veler mond \'t Bewijs van wat zijn rust verslond. Wat hem deed siddren op \'t vermoeden. En raadloos zijn doet, nu hij \'t weet: Haar schuld en zijn toekomstig leed. Der maagden lang meêwuste schaar. Opdat zij voor gevaar zich hoeden,

Brengt schuld en smaad en vonnis over haar. Geen uitvlucht langer, niets verschoond! Al wat haar schendige echtbreuk toont.

Wordt Azo openbaar:

En zijn gefolterd hart en ooren quot;Rest niets te lijden, niets te hooren.

Hij was een man van kort beraad.

En in de richtzaal van zijn staat Zat Azo. Estes wettig heer.

Ten zetel zijner rechtsmacht neer.

Zijn eedlen en zijn wacht zijn daar, En voor zijn oogen \'t schuldig paar; Ach! beide\' in \'s levens eerst getij. En zij... hoe naamloos schoon is zij! Ai mij, ontwapend en geboeid,

Staat daar een zoon voor \'t streng gericht Eens vaders, die van gramschap gloeit, En moet op \'t doodsbleek aangezicht Een ongenadig vonnis lezen....

Toch schijnt hij niet verplet te wezen.

Maar klemt met kracht de lippen dicht.

En bleek en zwijgende als het graf. Wacht Parisina \'t vonnis af.

Wat omkeer, sinds haar sprekende oogen

Nog onlangs, voor de laatste maal, Een kring van blijdschap om haar togen

In Azo\'s feestelijke zaal.

Waar hooge heeren voor haar bogen.

En waar de schoonheid, door \'t bespiên Van duizende bevalligheden,

In lachje en taal, in leest en treden.

Haar \'t lief geheim hoopte af te zien. Waarop zij recht en aanspraak grondde, Dat zij das vorstlijk heerschen konde. Had toen e\'én zuchtje haar gekweld, \'t Had duizenden gevoerd in \'t veld; \'t Had duizend degens aan doen gorden. Om wrekers van haar leed te worden ...

109

-ocr page 132-

PARISIN A.

En nu — wat werd er van haar macht\'?

Wat van zoo veler dienst der oogen?

Daar staat men, plechtig, onbewogen; Men tuurt op de aarde, zwijgt en Tacht; De blik verfoeit, het hart veracht...

Zijn dit haar riddren? dit haar vrouwen? En moet zij dus haar hof aanschouwen? En hij — de dierbre, wiens geweer Ook nu zou schittren voor haar eer, Die, kon hij slechts den arm verroeren.

Haar uit het midden weg zou voeren.

Of aan haar voeten sterven, — hij Staat daar in boeien aan haar zij,

En ziet haar groot bruin oog niet, rood Van tranen, die ze om hem vergoot! Hoe vriendlijk spreidden blanke leden. Van fijne purpersprank doorgloord En met een donkren zoom omboord.

Daar zachte schaduw op tot heden; Nu tempren zij de stralen niet Der woeste blikken, die het schiet.

Maar drukken \'t, gloeiende en ontsteken. Naar mate dat haar tranen leken.

Zoo had ook hij wel kunnen weenen.

Voor haar — maar niet voor \'t hofgezin. Hier hield zijn felle smart zich in. Koelbloedig zag hij voor zich henen. Hoe schriklijk ook zijn lijden waar. Hij moest niet zwak zijn voor die schaar. Doch waagt geen enklen blik aan haar. De wreede erinring van \'t verleden,

Zijn schuld, zijn liefde, \'t vreeslijk heden. Zijns vaders toorn, der braven smaad.

Een aardsche, een eeuwge jammerstaat___

Haar lot... o \'t hare! Neen hij slaat Geen oog op dat verbleekt gelaat. Uit vreeze dat zijn hoogmoed zwichte Bij \'t zien des jammers, dien hij stichtte.

En Azo sprak: „Nog gistren d/oeg Ik roem op zoon en echtgenoot; Die droom verging dees morgen vroeg; Voor d\'avond zijn mij beiden dood. Zoo moge ik eenzaam verder wandelen! Het zij zoo; niemand, wie hij zij,

Die niet zou doen als ik zal handelen. Die banden scheurden, niet door mij! Ook dit moet wezen... Snoode zoon!

-ocr page 133-

PAR181NA.

De priester wacht u, en — uw loon. Vertrek! Vang uw gebeden aan!

Voor de avondster is opgegaan,

Zult gij voor \'s hemels vierschaar staan; Moog die u nog genade gunnen!....

Maar de aarde heeft geen plaats, daar ik En gij, zelfs voor een oogenblik.

Dezelfde lucht genieten kunnen.

Vaarwel! Ik zie uw dood niet aan.

Maar gij, wuft schepsel! zult zijn hals... Genoeg!... Ik kan niet verder gaan... Ga, vrouw zoo dartel en zoo valsch!

Trouwloos gemoed!

Niet ik, gijzelf vergiet dit bloed;

Kn kunt gij d\'aanbHk overleven,

Verblijd u, leef — ik schenk u \'t leven.quot;

En Azo wendde \'t aangezicht En \'t kloppend voorhoofd, dat hem gloeit Van \'t bloed, dat barnend ebt en vloeit En op zijn brein drukt met gewicht. Hij boog zich; bevende bewogen Zijn vingren zich langs slaap en oogen. Alsof die hand een sluier waar,

Die hem verheelde voor de schaar. En Hugo heft zijn boei omhoog,

En bidt hem dat hij spreken moog. Het wordt hem zwijgend toegestaan. En dus spreekt hij zijn vechter aan:

„Niet dat ik bang ben om te sterven!

Gij zaagt in menig strijd mijn moed. De degen, dien ik thans moet derven, Vergoot voor uwe zaak meer bloed Dan ooit de bijl mijns beuls zal verven.

Gij schonkt mij \'t leven: neem het weer! Ik was nooit dankbaar voor die gave.

Mijn hart vergas het nimmermeer: Gi) bracht mijn moeder om haar eer! Zij rust, en \'k ga bij haar ten grave.

De medeminnaar zij niet meer! \'t Gebroken hart der liefste vrouwe

Hef, met mijn afgeslagen kop,

Het loflied van uw jonglingstrouwe

En vaderlijke teerheid op.

\'t Is waar, ik heb u zwaar beleedigd;

Maar kwaad voor kwaad! Of roofdet gij. Opdat uw hoogmoed wierd bevredigd,

De bruid niet, reeds verloofd aan mij ? Ja, gij begeerdet haar tot gade.

-ocr page 134-

PAUISINA.

En om u van den zoon te ontslaan, Kwam u de misdaad nog te stade,

Die ge aan de moeder hadt begaan. Het ware een schande voor haar magen

Geweest, te huwen met een zoon. Die nooit zijns vaders naam mocht dragen,

Noch aanspraak maken op zijn troon! Om \'t even. . heden moet ik sterven.

Maar was mij slechts de tijd vergund. Ik zou mijzelv\' een naam verwerven

Veel schooner dan gij voeren kunt. Ik heb een hart, ik had een degen.

Naar grooter dingen uitgestrekt.

Dan in de parels zijn gelegen

Der kroon, die Estes wapen dekt.

Niet altijd draagt de hoogstgeboren De schitterendste riddersporen;

De mijnen tergden \'s kleppers zij Vaak vorsten in \'t bevel voorbij.

Als \'k aanrukte op \'t bezielend woord: „Voor Este en de zege — voort!quot; \'k Bepleit de zaak niet van mijn schuld, Ik kom niet smeekend uitstel vragen; Het leven viel mij zwaar te dragen;

De tijd mijns lijdens zij vervuld!

Mijn afkomst moog bezoedeld wezen,

Uw adel mij verwerpen — toch Staat op mijn aangezicht te lezen Dat ik uw zoon ben; meerder nog Is de aard van die mij niet erkent In dit hoogmoedig hart _geprent; De driften van dat hart zijn de uwen\'. Van u — wat doet mijn vader gruwen? — De ontembre ziel, de stoute hand. Het gloeiend vuur, dat in mij bran It. Gij gaaft mij \'t leven niet alleen,

Maar alles waar uw beeld in scheen. Zie wat uw wulpschheid heeft bedreven, Tot straf heeft ze u een zoon gegeven Aan u gelijk van top tot teen.

Ik ben geen bastaard van uw aard; Ik duld als gij geen wederstreven,

Ik ben zoo fier als ge immer waart; En dit mijn nietig, vluchtig leven,

Dat gij mij gaaft, en nu zoo vroeg Terugeischt... \'k had het lang genoeg. En \'k achtte \'t nimmer meer dan gij Als gij den helm op \'t voorhoofd drukte. En ik vol geestdrift aan uw zij,

-ocr page 135-

PARI5INA. 113

Door bloed en dood, ter zege rukte.

En nu, \'t verleden is voorbij!

De sombre toekomst kan nadezen Niet boozer dan \'t verleden wezen;

Maar \'k zou wel wenschen, toen veeleer Te zijn gesneuveld in \'t geweer;

Want, deedt gij ook mijn moeder sterven,

In \'_t bloeiendst van haar levenstijd,

En mij een lieve gade derven. -.

Ik voel dat gij mijn vader zijt!

En klinke uw vonnis hard en ruw,

\'t Is niet onbillijk, zelfs van u.

Geteeld in zonde, in schande sneven —

\'t Begin en \'t einde van mijn leven Gelijkt, voorwaar, elkander schoon!

En als de vader, zoo de zoon;

Voor wat door beiden is misdreven

Betaalt een zelfde straf het loon...

Een heeft in aller menschen oogen

Het zwaarste van de twee misdaan;

Maar God heeft beider schuld gewogen.

En zal een billijk vonnis slaan.quot;

Hij zweeg en kruiste de armen weer.

Men hoorde \'t ramm\'len van zijn keten.

Hoe deed die klank de harten zeer Van_ de edellieden, daar gezeten!

Zij sloegen siddrend de oogen neer.

Op eenmaal werd hun blik gekluisterd Aan haai% die Hugo had bekoord.

Zij had zijn vonnis aangehoord!...

Haar liefde had den vriend vermoord!

Hoe was haar heilloos schoon ontluisterd! Hoe roerloos stond zij, hoe versteend,

Hoe doodlijk bleek, hoe uitgeweend!

Geen enkle maal had zij den blik Van \'t punt gewend, waarop zij staarde;

Niet éénmaal sloeg zij dien ter aarde;

Daar stond ze, een standbeeld van den schrik. Met gapend oog, den mond ontsloten;

Geen koestrend bloed kwam toegevloten;

Koud was haar voorhoofd, koud als ijs;

Alleen daar welde nog somtijds Een enkle, groote, heldre drop In die verstijvende oogen op.

En vloeide niet te haastig neer Op \'t witte marmer van die wangen.

Maar bleef een wijle telken keer Aan \'t gitzwart van haar pinkers hangen.

8

-ocr page 136-

114 PAniSINA.

O! Zulk een traan drong tot in \'t hart Van allen, die hem vloeien zagen;

Hij scheen getmgenis _te dragen Van bovenmensohelijke smart.

Zij zocht te spreken; \'t onbestemd Geluid bleef in de borst beklemd;

Maar uit dat bang gekerm verstond Wie \'t hoorde heel haars harten grond. Zij zweeg; zij poogde op nieuw te spreken;

Toen barstte ze in een schril geluid,

Een kort en aaklig gillen uit,

En toen was stem en kracht bezweken. Het beeld wankte op zün pedestal.

En stortte met een looden val;

Het beeld van Azo\'s gemalinne

\'t Bekoorlijk schepsel zelf niet meer, Dat enkel léven, enkel minne.

Haar trouw verdartel de en naar eei*\' Wie hartstocht tot den val genoopt had,

Maar die de schande niet verdroeg,

Waarmee de ontdekking ze overhoopt had. Die \'t hart haar met vertwijflmg sloeg.

Toch leeft zij nog, en al te vroeg

Keert ze uit dien schijndood weer;

Want wat ze inwendig heeft geleden Verkrachtte \'t werktuig van de reden.

En haar bewustheid keert niet meer. Het denkvermogen bleef beroofd Van veerkracht in haar duizlend hootd, En zond, gelijk de boogsnaar, door

Den regen slap, de schicht Niet voortwerpt daar uw oog ze richt.

Elk denkbeeld buiten \'t spoor.

\'t Was alles wild dooreengeward;

\'t Verleden leeg en woest.

En al wat nu gebeuren moest Gehuld in tastbaar zwart,

Met hier en daar, ja, lichtgeflonker.

Maar als van bliksemlicht in \'t donker. Wanneer een storm de woeste kracht Zijns gramschaps toont te midderna.cht. — Zij vreest, zij voelt, iets ijslijks wacht Haar hart . . maar wat? \'t Is haar ontdacht. Een groote schuld, een groote schande Drukt daar op iemand in den lande;

Bloed zal er vloeien, maar van wienr1 Zij weet het niet. Droomt zij misschien? Staan dees haar voeten wel op de aarde?

Zijn dit gewelven, waar ze op staart r

-ocr page 137-

partstna. 115

En die zij om zich heen ontwaart;

Zijn \'t menschen, of zijn \'t duivlen, die Zoo fronsen tegen haar, voor wie Elk oog tot nog toe heeft geblonken Van teedre en toegenegen lonken,

In eerbied, liefde en sympathie ?

t Bleef al onzeker en verward;

Een woeste baaierd, waar haar hart En hoofd als op den tast in dwaalde:

Nu hoop, dan vrees, nu vreugd, dan smart:

been denkbeeld, dat haar ziel bepaalde.

En nu met lachen, dan niet weenen.

Maar zinloos, \'t zij ze lacht of schreit.

Bestreed ze in -wilde rustloosheid -De beelden, die haar geest verschenen,

Kn zocht den bangen droom te ontkomen.

Waarin zij eeuwig voort zou droomen.

Hoor, t gebom der kloosterklokken!

Klagend klinkt beur traag geluid Ten bemosten toren uit.

Waar de streng in wordt getrokken.

Zuchtend is hun klank en dof.

Als een toon van rouw en smarte,

En hij valt hem zwaar op \'t harte.

Wien hij de ooren trof.

Hoor, het koor wordt aangeheven.

Voor wiens fakkel wordt geblusuht,

Voor den boetling, nog in leven,

Maar die dra deze aard begeven Moet en bij de dooden rust.

Voor de ziel, die \'t lijf verlaat,

En haar oordeel tegengaat,

Is het dat de zielmis opstijgt, de gewijde klepel slaat.

-Keeds is zijn graf gedolven. Zie Daar knielt hij aan des priesters knie.

Aaklig is het wat m\'aanschouwt.

Droevig wat het oor verstond,

Hier in \'t midden staat het hout,

En de wachters staan in \'t rond D\'arm ontbloot en koel \'t gelaat.

Houdt de beul de moordbijl reede,

tv a Toetst de scherpte van de snede,

ie den slag op eens doet treffen en door pees en wervel gaat. ^ opraakloos treedt een groote stoet t Hartontzettend schouwspel nader,

Waar een zoon bezwijken moet Voor het vonnis van een vader!____

-ocr page 138-

PARrStNA.

Nog was \'t een lieflijk uur. De zon,

Die met haar sehoonsten glans Het leed, waarmee dees dag begon,

Bespot had van den trans,

Stortte over Hugo\'s aangezicht Den gloed uit van haar dalend licht.

Hij zegt zijn laatste biecht; hij smeekt Den troost af, dien een priester spreekt.

Wiens hart van deernis breekt.

Hij wordt gewezen op het bloed.

Dat ons van zonden zuivren moet;

En, als hi] nederligt en hoort.

Ziet \'t zonlicht minzaam neer, en gloort Met milden glans om \'s jonglings kruin.

Én om dier lokken glanzig bruin.

Dat welig om die slapen kronkelt

En langs dien hals, te wreed ontbloot.

Maar heldrer schittert, wreeder vonkelt

Die straal op \'t werktuig van den dood.

Ai mij, die ure was ontzettend!

Voor \'t onvermurwbaarst hart verplettend.

Gewis, hier werd slechts recht gedaan ...

Maar \'t schouwspel was niet uit te staan.

Het laatst gebed is van de lip gerezen

Diens zoons zoo snood, diens minnaars zoo voi moed. Ziin bidsnoer afgeteld, zijn zondenlijst gelezen,

Ziin uur verstreken, en zijn misdaad eisclit zijn bloe Men nam zijn mantel reeds; nu geldt het ook zun lokke Men scheert ze wreed zoo jong een schedel at; Nu wordt zijn kleed hem uitgetrokken;

De sjerp, die Parisina gaf.

Mag hem niet sieren in zijn graf.

Ook deze wordt hem \'t lijf onttogen.

Men houdt den blinddoek voor zijn oogen;

Maar neen! die laatste smaad misluKj.

Dat zal zijn hoogmoed niet gedoogen!

Zijn drift, schoon schijnbaar onderdrukt. Was bijkans weer in gloed gevlogen.

Toen hem de beul, zijn plicht getrouw.

De vurige oogen blinden wou;

Als of zijn altijd koene blik Den dood niet zien kon zonder schrik!

„Neen! neem mij bloed en levenslicht,

„Ik weiger niet het al te derven!

„Gij bondt dees handen — laat mij sterven „Met on-gebonden aangezicht!

„Sla toe, ik wacht met open oog „Uw bijl!quot;... En, als hij \'t zeide, boog

-ocr page 139-

PABISINA. 117

Hij \'t jeugdig hoofd op \'t blok, en zag Den dood in de oagen; \'t laatste woord Was nauwlijks uit zijn mond gehoord,

Of vlijmend viel de slag ...

En rolde \'t hoofd, en stortte \'t lijf Terug in \'t zand, en gutste \'t bloed Uit ieder aar in breeden vloed;

Zijn lip vertrok zich, en zijn oog Verdraaide snel, en niets bewoog Zich meer — \'t was all\' voor eeuwig stijf.

Hij stierf — gelijk een schuldig man,

Maar zonder trots of praalvertroon;

Hij had tot \'s hemels hoogen troon,

In ootmoed neergeknield, gebeden,

Zoo als een veege zondaar \'t kan;

Den troost der kerke niet vertreden;

Hij was niet zonder hoop gegaan;

En toen hij voor den priester knielde,

hem geen aardsohe zucht meer aan, Wnl hooger ernst hem gansch bezielde.

Zijn vader, toornig en verwoed,

Het voorwerp van zijn snooden gloed,

Wat was dat alles in dien stond\'?

.Hij voelde geen verwijt, noch vond Zijn hart van wanhoops vlijm doorsneden;

Want enkel hemel was zijn ziel.

En al zijn woorden boetgebeden!...

Behalve wat hem toen ontviel.

Toen hij den nek reeds hield ontbloot Ter ontvangst van zijn wreoden dood,

En hij alleen als weldaad vroeg.

Dat men zijn hart dien blinddoek spaarde.

En hem met open oog versloeg, —

Zijn eenigst afscheidswoord aan de aarde.

Met ingespannen ademtocht,

Als of de dood Elks mond met Hugo\'s lippen sloot,

Stond ieder, die \'t aanschouwen mocht,

En staarde op \'t schouwspel van ellende\';

Maar toen men d\' onafweerbren slag, \'

Die Hugo\'s liefde en leven endde,

Op \'s jonglings schouder dalen zag.

Toen voelden allen, die daar waren.

Een huivring door de leden varen.

En kwam met half gesmoord geluid Een diepe zucht ten boezem uit;

En toen zweeg alles stil;

De bijl slechts, die het bloedig blok

-ocr page 140-

PARTSIN A.

Nog was \'t een lieflijk uur. De zon,

Die met haar suhoonsten glans Het leed, -waarmee dees dag begon,

Bespot had van den trans.

Stortte over Hugo\'s aangezicht Den gloed uit van haar dalend licht.

Hij zegt zijn laatste biecht; hij smeekt Den troost af, dien een priester spreekt,

Wiens hart van deernis breekt.

Hij wordt gewezen op het bloed,

Dat ons van zonden zuivren moet;

En, als hij nederligt en hoort,

Ziet \'t zonlicht minzaam neer, en gloort Met niilden glans om \'s jonglings kruin.

En om dier lokken glanzig bruin.

Dat welig om die slapen kronkelt

En langs dien hals, te wreed ontbloot.

Maar heldrer schittert, wreeder vonkelt

Die straal op \'t werktuig van den dood.

Ai mij, die ure was ontzettend!

Voor \'t onvermurwbaarst hart verplettend.

Gewis, hier werd slechts recht gedaan ...

Maar \'t schouwspel was niet uit te staan.

Het laatst gebed is van de lip gerezen

Diens zoons zoo snood, diens minnaars zoo vol moed,

Ziin bidsnoer afgeteld, zijn zondenlijst gelezen, _

Ziin uur verstreken, en zijn misdaad eiscnt zijn bloed. Men nam zijn mantel reeds; nu geldt het ook zijn lokken, Men scheert ze wreed zoo jong een schedel af; Nu wordt zijn kleed hem uitgetrokken;

De sjerp, die Parisina gaf.

Mag hem niet sieren in zijn graf.

Ook deze wordt hem \'t lijf onttogen.

Men houdt den blinddoek voor zijn oogen;

Maar neen! die laatste^ smaad mislulit!

Dat zal zijn hoogmoed niet gedoogen!

Zijn drift, schoon schijnbaar onderdrukt.

Was bijkans weer in gloed gevlogen.

Toen hem de beul, zijn plicht getrouw,

De vurige oogen blinden wou;

Als of zijn altijd koene blik , ,

Den dood niet zien kon zonder schrik.

„Neen! neem mij bloed en levenslicht,

,Ik weiger niet het al te derven!

„Gij bondt dees handen — laat mij sterven „\'Met on-gebonden aangezicht!

„Sla toe, ik wacht met open oog „Uw bijl!quot;... En, als hij \'t zeide, boog

-ocr page 141-

PABI31MA.

Hij \'t jeugdig hoofd op \'t blok, en zag Den dood in de oogen; \'t laatste woord Was na,uwlijks uit zijn mond gehoord,

Of vlijmend viel de slag ...

En rolde \'t hoofd, en stortte \'t lijf Terug in \'t zand, en gutste \'t bloed Uit ieder aar in breeden vloed;

Zijn lip vertrok zich, en zijn oog Verdraaide snel, en niets bewoog Zich meer — \'t was all\' voor eeuwig stijf. Hij stierf — gelijk een schuldig man, Maar zonder trots of praalvertroon; Hij had tot \'s hemels hoogen troon, In ootmoed neergeknield, gebeden.

Zoo als een veege zondaar \'t kan; Den troost der kerke niet vertreden;

Hij was niet zonder hoop gegaan;

En toen hij voor den priester knielde,

Blies hem geen aardsche zucht meer aan, Wijl hooger ernst hem gansch bezielde.

Zijn vader, toornig en verwoed. Het voorwerp van zijn snooden gloed. Wat was dat alles in dien stond? _Hij voelde geen verwijt, noch vond Zijn hart van wanhoops vlijm doorsneden;

Want enkel hemel was zijn ziel,

En al zijn woorden boetgebeden!...

Behalve wat hem toen ontviel.

Toen hij den nek reeds hield ontbloot Ter ontvangst van zijn wreeden dood, En hij alleen als weldaad vroeg.

Dat men zijn hart dien blinddoek spaarde,

_En hem met open oog versloeg, —

Zijn eenigst afscheidswoord aan de aarde.

Met ingespannen ademtocht.

Als of de dood Elks mond met Hugo\'s lippen sloot,

Stond ieder, die \'t aanschouwen mocht. En staarde op \'t schouwspel van ellende;

Maar toen men d\' onafweerbren slag. Die Hugo\'s liefde en leven endde, ^ Op \'s jonglings schouder dalen zag.

Toen voelden allen, die daar waren. Een huivring door de leden varen.

En kwam met half gesmoord geluid Een diepe zucht ten boezem uit;

En toen zweeg alles stil;

De bijl slechts, die het bloedig blok

-ocr page 142-

PARISIN A.

Nog na deed dreunen van den schok, Was \'fc eenigst, dat zich nog deed hoeren.. Maar wat treft eensklaps aller ooren? Een woeste gil,

Zoo fel — zoo schril,

Doorklieft de lucht, waar alles zwijgt! Een kreet is \'t, als de moeder slaakt, Als ze in den donkren nacht ontwaakt En \'t eenig, lief en dierbaar kind Dood in haar moederarmen vindt; Een kreet is \'t, die ten hemel stijgt, Als door een boezem uitgedreven,

Wien niets meer rest in \'t hooploos leven! Die kreet — die gil — dat rauw geluid, Kwam Azo\'s burchtslotvenster uit, Eu aller oogen, aller ooren

Zijn derwaarts heengericht vol schrik ... Maar niemand toont zich aan den blik,

En niets meer doet zich hqoren.

Doch nimmer slaakte in \'t uiterst leed \'t Vertwijfeld hart een schrikbrer kreei, Die, wie hem hoorde, wenschen deed Het mocht de laatste reize wezen Dat zulk een gil was opgerezen.

Geen Hugo meer! En sinds dat uur. Werd binnen Azo\'s burchtslotmuur, In slaapsalet noch ridderzaal,

In hofpriëel noch burchtportaal

Ooit Parisine aanschouwd.

Haar naam, als of die nooit bestond. Werd aan geen oor meer toevertrouwd

En klonk uit niemands mond,

Als of er dreigend lijfsgevaar Of dwaasheid aan verbonden waar; En niemand hoorde aan Azo\'s lippen Een woord van gade of zoon ontglippen. Hun nagedachtnis was vergaan;

Geen zark wees hun begraafplaats aan In d\' ongewijden hoek der aarde.

Die zeker Hugo\'s overschot,

En mooglijk beider lijk bewaarde;

Geen mensch wist Parisina\'s lot.

Had zij ten hemel \'t oog gewend.

En was ze een klooster ingegaan.

Alwaar ze, in aardsche lustvermijding. Met harde vaste en zelfkastijding

Haar penitentie had gedaan,

Fn bij de foltring van \'t geweten

-ocr page 143-

PAKISINa.

De nachten in gebed gesleten,

Bij \'t vloeien var. een boetetraan?

Of\' deed een traag vergif haar sneven\'? Of nam een rappe dolk haar \'t leven, En had zij haar getrouwheid aan Haar Hugo dus gestand gedaan?

Of ging de slag, waardoor hij viel.

Haar moordend door do teedre ziel, Kn had de Dood, uit deernis met Haar zwak gestel, haar \'t hart verplet En met één schok vaneengereten?

Geen die het wist, geen die \'t kon weten: Maar, wat ook vau de droeve werd,

Haar einde was gewis in smart.

En Azo koos een andre bruid.

Zijn echtkoets bloeide in spruit bij spruit. Maar telde hij ook menig zoon,

üeen zoo beminlijk, geen zoo schoon.

Niet een zoo dapper als zijn doode.

Of waren zij \'t, hij merkte \'t noode;

Hij zag het aan in stille smart, Met zuchten, die hij smoorde in \'t hart. Nooit liet zijn oog een traan ontglippen; Nooit speelde een glimlach om zijn lippen; Slechts \'t stugge mijmren, dat zoo vroeg

Op \'t voorhoofd rimpels snijdt, — Geduchte voren van dien ploeg,

Litteeknen uit dien strijd!

En voorts geen blijk van vreugde of smart, Als ging hem niets aan \'t ijskoud hart. Slechts kwade dagen kon hem \'t leven. Slechts slapelooze nachten geven;

Zijn ziel was doof voor lof en hoon;

^ Zijn hart schuw van zichzelf; want schoon Zijn leed gesmoord werd en verbeten, Het wilde noch het kon vergeten;

Het kromp inwendig saam van pijn.

Als \'t ongevoeligst scheen te zijn.\'

Di felste kou, de strengste vorst Bedekt slechts \'t water met een korst; Daaronder woelt en stroomt de vloed, Uie woelen wil en stroomen moet.

Men kan de wateren zijns harten Verbieden uit te vloeien, maar Denwel blijft elke poging tarten.

En toont zich onvernietigbaar;

Bedenk, ontveins, bedwing uw oogen.

Zij zal verstijven noch verdrogen;

-ocr page 144-

120 PAR1S1NA\'

Maar in de diepten ondermijnt Zij \'t leven, dat inwendig kwijnt.

Zoo ging \'t met Azo. Immer treurde Zijn ziel inwendig om \'t gebeurde.

Hij droeg zijn dooden in zijn hart.

Daar was een ledig in zijn leven,

Slechts aan te vullen door zijn smart. Hij durfde zich de hoop niet geven Dat daar hereening was bij God Met die zoo schuldig moesten sneven.

Zij wrochten zich hun eigen lot. Het strengste vonnis was rechtvaardig, Hun euveldaad geen deernis waardig... Ook die gedachte schonk geen troost;

Zijn smart bleef knagen, onverpoosd. Wanneer een wijze hand de loten,

Waarin verderf sloop, zorgzaam snoeit. Het deert den boom niet, maar hij bloeit, In versche twijgen uitgesproten;

Maar als des hemels ongenade

Den bliksem in zijn kruin deed woên. Dan voelt de stam de onheelbre schade, En niet een takje wordt meer groen.

-ocr page 145-

FRAGMENTEN.

UIT LARA.

(Canto II. i.)

morgenstond.

De nacht verdwijnt; de mist, die berg en woud omhult,

Versmelt in \'t morgenrood, dat de oosterkim verguldt;

\'t Licht wekt de wereld uit haar slaap. Een ander heden

Gaat op, dat u, o mensch! die \'t met erkentnis groet,

Tot weinig meerder dan uw einde brengen moet.

En de omvang groeien doen van \'t vaak herdacht verleden.

Maar, steeds dezelfde, spreidt de machtige Natuur

Haar schatten uit van jeugd en schoonheid, als in \'t uur.

Dat haar \'t heelal tot vreugd en God ter eere baarde.

Nog siert het licht als toen den hemel, \'t leven de aarde.

Het gras de beemden, en de bloemen \'t lachend groen;

Dezelfde frischheid aamt in \'t koeltje nu als toen;

Als toen verrast de zon den heldren stroom in \'t wiegelen

Nog heden, om zich \'t hoofd er dartel in te spiegelen.

Nu even schoon als toen, en heerlijk toen als nu.

Onsterflijk mensch! aanschouw die wondren rondom u,

En roep dan in uw waan met opgetrokken slapen

En fiere blikken uit: ,\'t Werd al om mij geschapen!quot;

Zie vroolijk om u; o! \'t mag heden nog geschiên.

De morgenstond genaakt, waarvan gij niets zult zien;

En, wien uw doodsmaar wee en rouw in \'t hart moog brengen.

Noch aard noch hemel zal om u een traantje plengen;

Geen wolkje dat om u de lucht betrekken zal;

Geen blad zal dorren, en geen windje, u ten gevall\',

Een zuchtje slaken — maar de worm uw graf belagen,

Eu, levende in uw dood, het rottend rif doorknagen.

Dat de aard zal mesten waar ge in neerzonkt, en het dal

Met nieuwe bloemen in de lente tooien zal.

UIT DEN TREURZANG OVER SHERIDANS DOOD.

AVONDSTOND.

Als het laatste gloren van den stillen zomeravond

Zacht overvloeit en smelt in \'t domlig schemergrauw, O, wie dan voelde nooit verkwikkend, troostend, lavend

Den rijkdom van dat uur, als zwoelen hemeldauw In \'t bloempje, dalen in den boezem? Wie \'t gezuiverd Gevoel des harten, dat van stillen eerbied huivert

-ocr page 146-

UIT DON JUAN.

En heel de ziel vervult, niet mede, wen natuur Die pauze maakt van weelde en weemoed, in het uur Als \'t haar vergund is voor een oogwenk op de kusten. Waar duisternis en licht ineenvloeit, uit te rusten?

Wien was die kalme rust geen lekkernij voor \'t hart ? Wiens vol gemoed zou niet in tranen smelten konnen.

Wiens ziel niet huivren van die koninklijke smart. Verheven meegevoel met ondergaande zonnen?

Geen pijnlijk hartzeer, maar ontroering vol en zoet. Wel onbeschrijflijk, maar toch duidlijk voor \'t gemoed; Daar mengt zich bitterheid, noch alsem van de zorgen. Noch iets onzuivers in van nietig aardsch belang;

Maar heldre tranen doet zij bigglen op de wang. Vergoten zonder schaamte, en zonder pijn verborgen.

UIT DON JU AN.

(Canto I. St. 192-198.)

julia\'s apscheidsbkiep.

„Men zegt mij: \'t is beslist! Gij gaat vertrekken; \'t Is wijs, \'t is goed, maar niettemin het smart; Ik maak geen aanspraak meer op uw jong hart;

Niet gij, ik moet, ik wil ten offer strekken.

Dit \'s mijn vergrijp: \'k heb u te lief gehad.

Ik schrijve in haast, en kladt een vlek dit blad.

Het is niet wat het schijnt; mijn oogen gloeier. En steken, maar geen enkle traan wil vloeien.

\'k Beminde en min u nog; \'k heb voor die min verloren Staat, aanzien, hemel, eergevoel en eer!

Een dure prijs! En toch, ik klaag niet meer;

Zoo kan de erinring aan dien droom bekoren.

Waan echter niet dat \'k op mijn misdaad roem!

Geen doemt zoo wreed me als ik mijzelve doem. Ik schrijf alleen om \'t rustloos hart te kwijten;

Geen beden heb ik, en ook geen verwijten.

Der mannen liefde en leven zijn gescheiden;

Maar ze is het gansch bestaan der vrouw; voor hem Verheft hof, markt, vloot, leger, kerk de stem,

Daar tabberd, goud, en lauwren hem verbeiden.

Trots, eerzucht, wraak betwisten zich zijn hart. Wat drift die zulk een mededinging tart?

Hij heeft dit al ten uitweg-, wij slechts dezen:

Op nieuw beminnen, weer rampzalig wezen.

Gij gaat uw weg in levenslust en hoogmoed.

Bemind en weer beminnend; voor mij zal.

-ocr page 147-

UIT DON JUAN.

Geen vreugd meer zijn; slechts rest me een jarental, Waarin \'k met schaamt\' mijn misdaad voor Gods oog boet. Dit kan ik; maar de drift die, als voorheen,

Mijn hart doorgloeit, die te onderdrukken, neen!

En nu, vaarwel! vergeef mij, min mij, even Als ik--- dat woord is dwaas, doch ,.. staat geschreven.

\'k Was altijd zwak, en heb geen andren aard gekregen; Toch hoop ik op \'t verzaamlen van mijn moed;

Maar schoon mijn ziel bedaart, nog bruist mij \'t bloed. Der zee gelijk, schoon reeds de stormen zwegen.

Mijn hart is vrouwlijk; zou \'t vergeten? Neen!

\'t is blind voor alles; \'t ziet uw beeld alleen.

De naaide trilt, de pool staat roerloos; even Zoo trilt mijn hart naar \'t doelpunt van zijn leven.

Mij blijft niets meer te zeggen; toch blijf \'k toeven Om \'t zegel af te drukken op dit blad,

Als of ik vrees voor grooter smarten had,

En zwaarder leed mijn ziel nog kon bedroeven!

Indien verdriet kon dooden, \'k leefde niet;

De dood versmaadt wie smeekend tot hem vliedt. En \'k overleef dit laatst vaarwel zelfs, om te raidden Van \'t foltrendst wee, voor u te lijden en te bidden.quot;

Zij schreef dit op papier met gouden randen.

En met een kraaienveertje, uieuw en net;

Nauw kon zij met haar kleine witte handen

De waskaars, haar ontstoken voorgezet.

Bereiken of zij dreigde zich te branden;

Zij beefde, maar weerhield haar tranenvloed. Een zonnebloem; „Elle vous snit partuut!quot;

Praalde op \'t cachet van zuivren kornalijnsteen;

Zij drukte \'t af in goudlak, dat zeer fijn scheen.

(Canto III. 2.)

MINNESMART.

o Min! wat is het op deze aarde, dat \'t Noodlottig maakt bemind te worden? Wat Siert ge uw prieel met dof cypressenloover,

En brengt een zucht het best uw aanzijn over?

Als hij, die door een zoeten geur verrukt.

De tengre bloem van \'t buigzaam steeltje plukt,

En ze aan zijn boezem plaatst, maar om te sterven: Zoo nemen wij het voorwerp onzer Min In \'t kloppend hart, dat voor zijn heil gloeit, in,

Maar om \'t geluk en leven te doen derven.

123

-ocr page 148-

UIT TASSO S KLAAGZANG.

(Canto VII. St. 1.)

BEGOOCHELING.

o Liefde! o Roem! wat is uw flonkrend wemelen,

Dat ons gestaag blijft schittren voor \'t gezicht,

Maar schaars ons oog en schaars ons pad verlicht?

Geen noorderlicht aan heldre poolstreekhemelen,

Zoo rijk in gloor, zoo arm als gij in gloed.

Kil, aan den killen grond der aard gebonden, beuren

Wij \'t oog omhoog, tot waar \'t uw glans ontmoet;

Wij zien de wiss\'ling van uw duizend, duizend kleuren ...

En — eensklaps laat ge ons staan met winterkoude in \'t bloed.

UIT TASSO\'S KLAAGZANG.

(I. H.)

Zoo menig jaar! Dat knakt de kracht in mij;

Dat d\'aadlaarsgeest eens Zoons der Poëzij;

Zoo menig jaar van onrecht, laster, logen;

Voor dol verklaard, en aan den dag onttogen;

Gekerkerde eenzaamheid; en, in dit hart.

De kanker van een onverzachtbre smart;

Terwijl de dorst naar lucht en licht het blaken

En dorren doet, bij \'t rust- maar vruchtloos haken

Naar \'t geen het zwart der vloekbre tralie weert.

Die \'t zonlicht op gehate vormen keert,

En oog en brein het zoeken van zijn stralen

Met spanning en ontsteking doet betalen.

Ziedaar Gevangenschap, zoo als zij, naakt

En koud, de dichtgesloten poort bewaakt.

En hoonend lacht, en niets laat binnen komen

Dan wat vaal licht, een oogenblik vernomen,

En muü\'e spijs, die \'k zóó lang eenzaam at.

Dat ik oï; \'t\' laatst haar bitterheid vergat,

En hongrig, als een roofdier, opgerezen

In dees mijn krocht, mijn woning nu, nadezen

Mijn graf wellicht, op \'t voeder ga te gast.

Dit alles heeft mij beurtlings aangetast.

En doet het nog; maar \'k zal geen bloodaard wezen!

Ik buk niet voor de wanhoop. Neen! Ik streed

Mijn zielsstrijd manlijk. Ik ontvlood mijn leed

En de enge grens mijns hols op eigen vlerken;

Ik stelde \'t zwaard van Mekka\'s Ziener perken;

\'k Heb \'t Heilig graf van Turksch geweld bevrijd;

Gewandeld met wat achtbaar en gewijd

Gehouden wordt; door Palestina\'s dreven

Mijn vrijen geest tot eer van Hem doen zweven,

Die de aard bezocht, en in den hemel troont;

124

-ocr page 149-

DIT CITILDE HAROLD. 125

Want hij had ziel en lichaam kracht gegeven.

Dat, em mijns lijdens wil, mijn kwaad verschoond Mocht worden, wijdde it dees mijn boetejaren Aan \'t zingen der gewijde legerscharen.

Verwinners en aanbidders van zijn graf.

Doch \'t is gedaan! Die dierbre taak is af;

Mijn heul en troost bij zoo veel zielsbezwaren!

Indien een traan op \'t slotvers nederviel.

Weet! \'k stortte er geen om wat me ook mocht weervaren.

Maar gij, mijn schepping! Kind van mijne ziel!

Welks toovermacht mij steeds mijn groote ellenden

Vergeten deed en de oogen elders wenden,

Ook gij verlaat me, en met u \'t laatste zoet!

Hier ween ik om; dit kost mij hartebloed.

\'t Gekrookte riet moet van dien slag wel breken.

\'k Voltooide u! Maar wat nu, wat nu gedaan V

\'k Heb zeker nieuwe jamm\'ren door te staan.

Maar hoe ? Ik kan \'t niet zeggen. Doch ik reken

Ook nu nog op de krachten van mijn geest.

Van wroeging ben ik altoos vrij geweest;

Zij noemen mij waanzinnig — Gij kunt spreken,

En zeggen wat er van mijn waanzin zij,

Gij Leonore! O antwoord hier voor mij!

Mijn hart, ja, was waanzinnig; \'t op te heffen

Tot een\' zoo hoog\' verheevne was ontzind;

Maar \'t hoofd was vrij van alle wanbeseffen;

\'t Erkent de fout, wier straf \'t onbuigbaar vindt.

Ach, gij waart schoon, Lenore! en ik niet blind —

Ziedaar \'t vergrijp, waarvoor men me in moest muren!

Maar \'t zij zoo! Laat hun foltren eeuwig duren ...

Mijn hart vernieuwt uw beeltnis steeds — en mint...

Een liefde, die gelukkig is, verflauwe:

Waar rampspoed en vervolging zijn, is trouwe;

Elk ander hartsgevoel maakt plaats, of voedt

Dien eénen hartstocht van \'t verliefd gemoed.

Zoo storten in éën zee zich honderd stroomen;

Maar peilloos diep is de onze, en kent geen zoomen.

UIT CHILDE HAROLD.

(Canto IV. 179, 80, 81, 83.)

DE ZEE.

Rol, Oceaan, uw donkre golven uit.

Vergeefs geploegd door honderdduizend kielen! Des menschen macht tot schenden en vernielen Dekk\' de aard met puin; bij u is \'t dat zij stuit.

-ocr page 150-

UIT CHILDE TTAROTJD.

Of woedt zij voort, zij laat er blijk noch sporen! Ure werk is ieder wrak op \'t zwalpend sop;

Hijzelf in u, gelijk een regendrop,

Gevallen en gezonken en verloren,

Verdwijnt voor goed in uw onmeetlyk graf.

Niets merkt de plaats, waar hij den adem gaf.

Zijn schreden zijn niet op uw paan: uw velden Geen roof voor hem. Gij schudt hem af. Gy lacht Met alle plunder- en verdelgingsmacht,

Waar de aard voor beeft in haar vergoden helden. Gij slingert hem naar \'t hooge hemelruim, Of zendt hem, klappertandende in uw schuim, En tot zijn goden schreiend, naar de kusten Van waar hij kwam, terug — Daar laat hem rusten

Het schutgedonder, beukende de wallen

Van vestingen op rotsen ijzervast.

Doet koningen den schrik op \'t^ harte vallen

En rijken siddren, — maar gij lijdt geen last, De houten leviathans, door hun zwaarte

De hoogmoed van hun maker, wien zij de eer En naam zich toe doen kennen van uw heer. Wat zijn ze u? Speelgoed. En hun breed gevaarte Versmelt, met al zijn strijdkracht, buit en s^hat. Gelijk een sneeuwvlok in uw ziedend nat.

Zee! Reuzenspiegel, waar zich God Almachtig In spiegelt, onder stormen! t\' Aller tijd.

By stilte, koelte, noodweer, rust of stryd,

Waar gü de pool met ijs omschorst, of krachtig^

Den gloed verkoelt, waarvan de keerkring splijt. Alom verheven, groot en grootsch; \'t veelslachtig Geslacht der felste monsters in uw diep Verbergende; va.n \'t uur dat God u schiep. Dezelfde en onveranderd; beeld des Eenen En Eeuwgen en Onpeilbren — bruis daarhenen.

-ocr page 151-

JOODSCHE ZANGEN.

(HEBREW MELODIES.)

De volgende gedichten werden geschreven op verzoek van mijn vriend, den Eerw. D. Klnnalrd, voor een Verzameling van Hebreeuwsche Zangwijzen, en zijn, met de daarop gestelde muziek, door de Heeren Braham en Nathan uitgegeven.

Jan. 1815. btron.

IN SCHOONHEID WANDELT ZE.

In schoonlieid wandelt ze, als de Nacht

Aan onbewolkte slan-enbogen;

Des donkers ernst, des middags pracht Vloeit saam in haar gelaat en oogen.

En mengt zich tot dien malschen gloed,

Waar \'t blinkendst licht voor onderdoet.

Eén toetsje hier, één lichtje daar.

Zou \'t lieflijk evenwicht, geboren Uit schaduwen van lokkig haar

En blinkende gemoedsrust, storen Op \'t kalm gelaat, waar alles toont Wat zuivre ziel die borst bewoont.

En zoo een blosje, een lachje, een traan Dien mond, die wangen heeft betogen.

Wat duiden zij dan goedheid aan,

Met zacht, aandoenlijk spraakvermogen?

Wat dan een ziel vol kalm geduld,

Een hart, van liefde en vreê vervuld?

DE HARP DES MANS NAAR \'S HEEREN HART.

De harp des mans naar \'s Heeren hart, Des lieflijken in Isrels psalmen,

Die door Gods Geest in al zijn galmen Gelouterd en geheiligd werd,

De harpe van den koningszanger _Zweeg stil en troost ons hart niet langer. Zij schonk aan woestaards zacht gevoel.

Zij breidelde de wilde tochten.

Geen oor zoo stomp, geen hart zoo koel,

Dat niet haar tonen boeien mochten. Tot Davids harp, weemoedig zacht,

Zijn schepter overtrof in macht.

Zij bracht Jehova hulde en eer;

Zij meldde \'s konings zegepralen;

De heuvlen huppelden, de dalen

-ocr page 152-

WEET IN DIE HOOGER, REINER SFEER. — DE STEENBOK.

Weergalmden, ceders bogen neer.

De klank wilde opwaarts uit die snaren, En is ten hemel ingevaren.

Maar is hij ook voor de aard verstomd, De stille godsdienst spitst haar ooren, En meent de melodie te hooren.

Die uit den hemel tot haar komt.

WEET IN DIE HOOG-ER, REINER. SPEER.

Weet in die hooger, reiner sfeer

De liefde zich een weg te banen?

Klopt daar het hart nog even teer ?

Blinkt daar nog \'t oog, slechts niet van tranen Hoe welkom dan dat nieuw gebied!

B.oe wenschlijk, van dit stof ontbonden,

Deze aarde en al het aardsch verdriet In \'t eeuwig licht te zien verslonden!

Neen! \'t is niet om de stervenssmart,

Zoo we op den steilen oever beven. En, trekt ook de overzijde ons hart.

Nog aan dit droevig hierzyn kleven.

Laat slechts de toekomst, die ons beidt.

Hergeven, die wij hier verlieten,

En ons der liefde zaligheid Onsterfelijk en rein genieten!

DE STEENBOK.

De steenbok springt met vrije borst

Op Juda\'s bergen rond,

En elke bron verslaat zijn dorst

Op godgewijden grond;

Hoe zweeft zijn voet, hoe blinkt zijn oog, Hoe fier heft hij de kruin omhoog!

Een heldrer blik, een vlugger voet

Heeft Juda daar gekend,

Een lieflijker geslacht ontmoet,

Bij bron en herderstent;

Thans, zoo ge er slanke palmen ziet. De slanker dochtren Juda\'s niet.

Ach, meer gezegend boom en kruid!

Wij zwerven treurend rond;

Zij slaan hun wortlen rustig uit In dien verlaten grond!

-ocr page 153-

WEEN OVER \'T VOLK. — JORDAAN! UIT U. - JEFTIIA\'S DOCHTER. 129

Zij groenen frisch en eenzaam voort;

Geen ban verdrijft hen uit dat oord!

Uns weidt de dood, aan verre kust,

Na lange kwijning af,

En niemaud onzer vindt de rust

In zijner vaadren graf.

Daar bleef geen steen des tempels staan;

De heiden bidt op Sion aanl

WEEN OVER \'T VOLK.

Ween over \'t volk, dat weende aan Babels stroom; Hun heiligdom is woest, hun land een droom;

Geen harpjied zelfs beklaagt hun treurig lot; Godloosheid troont ter woonplaats van hun God.

Waar wasoht gij ooit de voeten, wreed verscheurd? Wanneer zal \'t lied weer zoet zijn in uw ooren, En Sions harp, met vrije hand gebeurd.

Het harte weer doen hupplen als te voren?

Waar zwerft gij heen in uwes aansohijns zweet? Hoe zult gij ooit ontkomen aan uw leed?

De tortel heeft haar nest, zijn hol de vos,

Elk volk zijn land — een graf het Isrel Gods!

JORDAAN! UIT ü.

Jordaan! Uit u drenkt Amalefc zijn kemelen; De heiden brengt op Sion d\'afgodn eer;

Op Horeb buigt de Baaiaanbidder neer —

En daar zelfs zwijgt de donder van Gods hemelen!

Heer! waar uw hand de Taaflen heeft beschreven, Uw schaduw op uw volk is afgedaald, Uw heerlijkheid, van vuur en vlam omstraald, Gijzelf — wien nimmer mensch kan zien en leven!

o. Laat uw toorn in bliksems nederva.ren!

Wring zwaard en spiets uit des verdrukkers hand\' Hoe lang vertreedt de dwingland reeds uw land! Hoe lang ontbreekt het vuur op uw altaren!

JEFTIIA\'S DOCHTER.

Eischen God en mijn natie mijn bloed,

o. Mijn Vader! uw dochter zal sneven.

Zoo uw zege haar \'t lijf kosten moet.

Zie hier is het, sla toe, neem haar leven.

-ocr page 154-

130 IN VOLLE SCHOONHEID WEGGERUKT. — \'T WORDT NACHT IN MIJ.

Reeds verstomde de stem van mijn klacht,

En de dagen der rouw zijn vervlogen;

Zoo de hand mij verslaat, die ik acht,

\'k Wacht den slag met een glimlach in de oogen.

\'t Bloed uws kinds, o wees daarop gerust!

Is zoo rein als de zegen, mijn vader.

Dien ik vraag van uw hand, eer het gutst.

Als de wensch daar ik Gode mee nader.

Bij de dochtren mijns volks zij geklag:

\'t Moet den richter, den held niet doen beven, \'k Won voor u den beslissenden slag;

In uw hand is de vijand gegeven.

Als gij \'t bloed, dat gij gaaft, ook vergoot,

Als ge uw dochter ziet zwijgen, moet derven, o Mijn vader, draag roem op haar dood;

Vergeet niet dat zij glimlachte in \'t sterven.

IN VOLLE SCHOONHEID WEGGERUKT.

In volle schoonheid weggerukt!

Daar zij geen lijksteen, die u drukt;

Maar \'t roosje schudde op \'t vroege graf, Van jaar tot jaar, zijn blaadjes af, En \'t wuiven van \'t cypressen-loover Sprei koelie en schaduwen daarover!

En weemoed zal, aan gindschen zoom. Het hoofd vaak buigen naar den stroom. En voeden daar het brekend hart Met al de droomen van de smart, En duchten zich te laten hooren.

Als zou \'t de lieve doode storen.

Laat af! De tranen baten niet!

De dood bespot uw lang verdriet.

Smoort dit één klacht van \'t droef gemoed i Of stelpt het iemands tranenvloed?

Gijzelf, die me aanspoort tot vergeten — Uw oog is rood, uw wang bekreten.

\'T WORDT NACHT IN MIJ.

\'t Wordt nacht in mij. O, breng terstond De harp, die \'k nog vermag te hooren. En zweve uw zachte vinger rond.

En streele uw lied mijn luistrende ooren. Is daar een hoop, die niet vervloog,

-ocr page 155-

IK ZAQ U VVEENEN. — l)W LEVEN VLOOD.

Uw lokstem zal haar op doen komen, En brandt mij nog een traan in \'t oog, Gij zult dien zalvend uit doen stroomen.

Doch klinke uw toon eerst bang en zwaar;

Bespaar uw honigzoete noten;

Want ik moet weenen, harpenaar!

De smart is in mijn hart besloten; Ik heb haar lang en trouw gevoed,

In nachten, door geen slaap bevangen; Het uur is daar dat \'t barsten moet, Of zacht zich oopnen voor uw zangen,

IK ZAG U WEENEN.

Ik zag u weenen; schoon en klaar

Blonk \'t helder nat in lichtblauwe oogen. Als werd een veldviolenpaar

Van frisschen morgendauw betogeu. Ik zag uw glimlach; de edelsteen Hield op met schitterglans te pralen. Bij \'t levend licht van zachte stralen. Dat uit uw heldre blikken scheen.

Als \'t zonlicht, dat de wolkjes kleurt

Met rozengloed en lichtgeflonker. Dat, schoon de nacht haar staf reeds beurt, Eerst langzaam wegsmelt in zijn donker: Zoo deelen aan \'t bedroefd gemoed üw heldre lachjes blijdschap mede; Hun zonschijn geeft het harte vrede. En warmt het met een zachten gloed.

UW LEVEN VLOOD.

Uw leven vlood, uw naam werd groot,

Uw volk bezingt voor de aard De zege van zijn gunstgenoot.

De slachting van zijn zwaard.

Verheft uw deugd en\' daden luid. En roept u als verlosser uit!

Hebt gij voor ons geen bloed gespaard,

Voor u bestaat geen iood!

Het vocht verdwijnt niet van deze aard,

Dat uit uw wonde vloot/

In deze onze aadren bruist het rond; Uw adem is in onzen mond!

-ocr page 156-

SAULS LIED VOOR ZIJN LAATSTEN STRIJD. — SAUL.

Uw naam bezielt ons in den strijd,

En iedro vijand beett!

Der maagden rei herhaalt altijd

Den zang, waarin gij leeft.

Te weenen deed uw roem te kort:

Geen traan worde over u gestort.

SAULS LIED VOOR ZIJN LAATSTEN STRIJD.

Krjjgren en lioof\'dlièn! zoo slagzwaard of speer Mij trefi\'e aan de spitse des heirs van den Heer, Spaart ook mijn lijk niet op \'t bloedige pad.

Maar begraaft uw geweer in de boezems van Gatn.

Gij, die mijn beuklaar mjj nadraagt en boog. Vluchten de mannen van Saul voor uw oog.

Leg me in dien stond aan uw voet met uw zwaard; Mij treffe \'t lot, dat hun blooheid vervaart.

Andren, vaartwel nu! Maar niets dat ons scheidt, Zoon van mijn hart, wien mijn schepter verbeidt! Kijk is de haarband en grensloos de macht. Of vorstlijk de dood, die op heden ons wacht.

SAUL.

De tooverrede heeft geboden;

„Verschijn, o geest van Samuel!

Verlaat de stilte van de dooden! ^

Vorst! zie den Ziener Isrels wel!quot;

De grond sparde op. Hij stond, in \'t midden yan een kring Van neevlen; \'t licht des daags bleekte op zijn nadering. De dood staarde aaklig uit zijn strakke en glazige oogen; Zijn uitgedordo hand was zichtbaatv, zonder bloed; Als blank gebeente glom de ontbloote voet.

Van lippen, die zich niet bewogen Tot spraak of adem, wederklonk Zijn stem, hol als de wind uit een spelonk;

De koning zag hem, stortte neder, —

Zoo velt een bliksemstraal den ceder.

„Waarom wordt mijn rust gestoord\'?

Welke stem heb ik gehoord?

De uwe, o Koning? Dien ge aanschouwt,

Ziet gij bloedloos, stijf en koud.

Dus ben ik, en dus wordt gij.

Als gij morgen komt tot mij;

Dus wordt gij, en dus uw zonen.

Als zij, vóór weer de avond daalt.

-ocr page 157-

ALLES IS IJDBI-nEID. - ALS DOODSKOU DOOR DEES LKDEX VAART.

Met u in de stilte wonen Van het graf, voor u bepaald.

Vaar dan wel, nog voor een nacht!

Morgen ligt uw gansch geslacht Met doorboorde borst ter aarde.

Sterft gij van uw\' eigen\' zwa.arde,

Storten kroon en takken neer,

En geen huis van Saul meer!quot;

ALLES IS IJDELHEID, ZEGT DE PREDIKER.

Macht, wijsheid, rijkdom, liefde, roem

Mocht mjjn jong hart verheugen: Mij liefkoosde der maagden bloem, Mij schuimden de eelste teugen;

\'k Heb mijn hartstochtlijk har-t verzaad

Aan schoonheids teerste blikken.

En wat voor weelde en wellust gaat, Het mocht mij al verkwikken.

Thans onderzoek, maar weet ik niet

Wat dag me ooit was gegeven,

Dien \'k, voor wat de aard begeerlijkst biedt,

Nog eens wil over-leven.

Geen dag, geen enkle ure bracht

Me een on vergald genieten;

Geen nieuwe glans bescheen mijn macht. Of \'k zag zijn ster verschieten.

Zij ook door tooverrijm de beet

Der slang in \'t veld te keeren;

De slang, die in den boezem gleed,

Wie zal haar tand bezweren?

Zij, die de stem der wijsheid tart

En \'t lied der vreugd doet kwijnen,

Nijpt in haar wrongen \'t arme hart. En spaart er geen venijnen.

ALS DOODSKOU DOOR DEES LEDEN VAART.

Als doodskou door dees leden vaart.

Waar zal de ziel dan henenzwerven ? Zij kan niet bljjven. kan niet sterven, Zij legt haar hulsel af op aard.

Zal zij, van star tot star verheven Nog paden van ontwikkling gaan.

Of breekt terstond dat tijdstip aan Van haar volkomen heerlijk leven?

-ocr page 158-

nm.ZAZARS (3EZICITTE.

Zal ze onverderflijk, onbepaald,

Een ongezien, maar alziend wezen, Het gansche boek der schepping lezen, \'t Verleden zien met licht bestraald?

Zal zij den nevel zien verdwijnen. Die domm\'lend voor de erinring zweeft, En alias, wat zij heeft doorleefd.

Met scherpen omtrek zien herschijnen?

Ja. tot den baaierd keert zij weer.

En ziet de vormlooze aarde wemelen, Of stijgt ten zevenden der hemelen, En baadt zich in de reinste sfeer;

Niet meer ontroerd door vreeze of hope. Sterk in haar eeuwig voortbestaan,

Ziet zij de zwangre toekomst aan.

En beeft niet, schoon ze een wereld sloope.

Ja, boven hoop, vrees, liefde en haat,

Gansch rein, en van geen drift bewogen. Verdwijnen eeuwen voor haar oogen,

Gelijk ons hier een jaar vergaat.

Door allo diepten zal zij streven, Op vleuglen — neen, van vleuglen vrij! Vergetende wat sterven zij

Bij \'t eeuwige genot van \'t leven.

BELZAZARS GEZICHTE.

Van zijn satrapenstoet

Omringd, za.t daar de koning;

De lampen spreidden gloed

Bij stroomen door zijn woning;

\'t Gewijde vaatwerk Ulonk

Voor \'t oog van die er brasten;

Jehova\'s tempelpronk

Moest heidenen vergasten.

Maar in dat dartel uur.

Bij \'t schittren van de wijnen.

Daar zag men op den mum-

De hand eens mans verschijnen.

Een enkle hand, niets meer.

Bewoog zich voor elks oogen

Vier woorden schreef zij neer, En dreigde, en was vervlogen.

De koning, bleek van schrik.

Doet straks den feestgalm stillen;

Staroogend staart zijn blik,

134

-ocr page 159-

ZON TAN DEN SI-APKT.OOZK. — WAS MIJN HART ZOO ONTRODW ENZ. 135

Zjjn stem en knieën trillen.

„Mijn wijzen! treedt hervoort!

Genaakt, mijn wichelaren ; Wat koningsvrengde stoort Moge uwe mond verklaren\'quot;

De wijzen staren \'t aan —

Hun wijsheid moest bezwijken!

Het schrift blijft onverstaaii En onheilspellend prijken.

Dit raadsel is te hoog,

Te machtig veel zijn sommen!

De zieners sluiten \'t oog.

De wichelaars verstommen.

Een vreemde in zijn paleis,

Een balling, jong van jaren.

Verneemt des konings eisch.

Hij kan Gods schrift verklaren;

Hel blonk der lampen pracht,

Luid heeft hij \'t schrift gelezen;

Hij las het in dien nacht,

Des morgens was \'t bewezen.

„Bélzazars tijd is daar!

Zijn koninkrijk verslonden!

Hij. aan Gods evenaar

Getoetst, te licht bevonden!

Het graf, zijn rijk voortaan!

Een lijk-, voor staatsiekleeden!

Zijn troon, den Perziaan!

Zijn grootsche stad, den Meden!quot;

ZON VAN DEN SLAPELOOZE.

Zon van den slapelooze! droeve ster,

Wier matte straal slechts weiflend glimt van ver.

Die \'t donker aantoont, maar niet weg kunt dringen!

Hoe zijt gij \'t beeld van zoete erinneringen!

Beschijne ons \'t licht van den verleden tijd

Nog met zijn gloor: het ging\' zijn warmte kwijt.

De droeve zocht dat scheemren, en aanschouwde

Het duidlijk, maar ver af! en klaar, maar — beeft van koude.

WAS MIJN HART ZOO ONTROUW ALS UW ARGWAAN VERMOEDT.

Was mijn hart zoo ontrouw als uw argwaan vermoedt, \'k Had dan nog in Judéa een plaats voor mijn voet;

-ocr page 160-

iiit) HEIiODBS JAMMUKKLACBT ENÜ. — OP DKN DAG DER VERWOEST. ENZ.

Daar me een handkus aan de afgoon voor eeuwig bevrijdt Van den vloek, dien gij mij als een misdaad verwijt.

Gaat het boozen nooit wel, dan is God u nabij!

Heeft de dienstknecht slechts zonde, onbezoedeld zijt gij! Heeft de hemel verworpen wien de aarde verstoot,

Leef in dit uw geloof, \'k wacht in \'t mijne den dood!

\'k Heb er meer voor verloochend dan ge immer vergoedt. Dat weet Hij, die tot heden uw hoogmoed nog voedt. In zijn hand is mijn hart en mijn hoop; in uw macht Is ons leven en land. Hem ten offer gebracht-

HERODES JAMMERKLACHT OVER MARIAMNE.

Nu bloedt reeds. Mariamne! \'t hart,

Dat pas uw blanke borst deed bloeden;

Mijn wraakzucht week voor helsche smart.

Woest zelfverwijt verdringt mijn woeden, o, Mariamne! waar zijt gij?

Mijn klachte komt niet tot uw ooren!

Vermocht gij, nog vergaaft gij mij,

Ofschoon geen hemel meer wil hooren.

Maar is zij dood? En wie volbracht

\'t Bevel, in razernij gegeven?

Het moordzwaard, dat haar heeft geslacht,

Is rookende in mijn hart gedreven.

Maar gij zijt koud, vermoorde min!

En zucht noch tranen kunnen baten;

Uw ziel vloog reeds dien hemel in.

Die nooit mij booswicht toe za.1 laten.

Ze is weg, mijn troongenoot, mijn roem!

Met haar, wat me aan dit leven boeide; Ik sloeg van Juda\'s struik die bloem.

Die daar voor mij, voor mij slechts, bloeide. Mij is die misdaad, mij die hel.

Waar wanhoop \'t hart aan toe blijft keeren; \'k Verdien de foltring al te wel

Die, nooit verteerd, mij zal verteren.

OP DEN DAG DER VERWOESTING VAN JERUZALEM DOOR TITUS.

Van den top des laatsten heuvels, die naar Salems hoogten ziet, Zag ik u, eens heilig Sion! deel van Romes rijksgebied.

Ach, uw laatste zon ging onder en de vuurgloed van uw val Antwoordde op den laatsten oogblik, dien ik opsloeg naar uw wal

-ocr page 161-

HIJ DE WATEREN VAN liAIiVtON ENZ. —

o. Hoe zocht die blik uw tempel, hoe mijn vaderlijken wand! Hoe vergat ik voor een oogwenk mijn aanstaanden slavenstand! Maar wat trof er dan uw lijkvuur, jjronklend langs uw tempelboog. En de vastgeklonken handen — tot geen wraak in staat — mijn oog y

Op zoo menig blijden avond, als ik van den heuvel zag,

Kaatste uw vest de laatste scheemring lieflijk weder van den dag; En ik zag des tempels tinnen sehittrende in den schoonen glans, Die den heilgen berg omringelde als een purpren stralenkrans.

En daar stond ik op den bergtop, en daar zag ik tot n neer, — Maar ik zag de blijde scheemring niet versmelten als weleer; o. Had in haar plaats de bliksem lucht en wolkgespan gekloofd, Waar\' de donder losgebarsten boven des verwoesters hoofd!

Maar der heid\'nen zwaard zij machtig — nimmer zullen valsche goön \'t Lieflijk heiligdom ontwijden, dat Jehova koos ter woon;

En, hoe door heel de aard verworpen, hoe vernederd, hoe veracht, Isrels hulde, o God der wrake! blijft slechts U, slechts ü gebracht.

BIJ DE WATEREN VAN BABYLON ZATEN WIJ EN WEENDEN.

Wij zaten neder bij de stroomen

Van Babel, treurende om den dag,

Die Salems poorten ingenomen

En door het vuur verteren zag;

Want toen was onze smart volkomen.... O üochtren Sions! welk geklag!

Als we op de blauwe golven zagen.

Zich vrij bewegende in haar kil.

Vroeg m\' ons een lied van vroeger dagen;

Maar harp en lippen zwegen stil;

Met dorheid zij de hand geslagen.

Zich voegend naar des vijands wil!

Ik hing mijn harp in \'t wilgenloover.

Geen slavernij zij haar bereid!

Zij bleef me als eenig kleinood over Van al mijn vroegre heerlijkheid.

Ik heb geen liedren voor den roover!

Maar gij, mijn oogen! schreit, ja schreit.

DE VERDELGING VAN SANHERIBS LEGER.

En de Assyrier kwam af als een wolf in het woud;

En zijn heirscharen blonken van purper en goud;

Als \'t geflonker der starren op \'t wemelend meer Blonk de blikkrende weergloed van heupzwaard en speer.

SANHERIBS LEGER. 137

-ocr page 162-

ÜTT JOB.

Als de blaadren des wouds, door den zomer gekust,

Zag nog de avond dien vijand ten strijde gerust ;

Als de blaadren, ten prooi aan des najaars geweld,

Zag de morgen dien vijand verstrooid en geveld.

Want een engel des doods wandelde om in den nacht; En hij blies in \'t gelaat der vijandlijke macht;

En de slapenden blikten verschrikt op en schril.

En nog eens sloeg hun \'t hart, en voor eeuwig zweeg \'t stil.

En daar lag nu het strijdros vertrokken terneer;

Ach, nu golfde in zijn boezem geen ademtocht meer;

En het schuim van zijn doodsangst stond wit op zijn lip, En zoo koud als de branding om steenrots en klip.

En daar lag nu de ruiter verbleekt en verrekt,

Met het hoofd in het slijk en den nachtdauw gestrekt. En \'t bleef stil om de tenten, de va,an bleef alleen;

Geen stak er een speer op, de krijgsbazuin geen.

En de weduwen Assurs zijn luid in haar klacht;

En o Baal! uw eerdienst heeft uit met uw macht;

En de heirschaar des Heidens, door \'t zwaard niet geknot, Is gesmolten als sneeuw voor den oogstraal van God.

UIT JOB.

Daar toog een geest voorbij mijn aangezicht:

\'k Zag heerlijkheid omstraald van eeuwig licht.

\'t Lag al in slaap gedompeld; \'k bleef ontwaakt;

Daar stond hij; onbeschrijflijk, maar volmaakt;

Mijn siddrend vleesch kromp saam, mijn oog stond strak, En \'t haar rees mij te berge als hij sprak:

„Wat mensch zou meer dan God, wie heilger wezen „Dan Hij, die vlekken telt tot in der englen heir? „Gij wroet in \'t stof, waaruit gij zijt verrezen, ,U overleeft de worm, wat zijt gij meer?

„Van gistren zijt ge; eer \'t morgen is, vergaan; ^ „En blind voor \'t licht der wijsheid, door uw waan.

-ocr page 163-

VERSCHEIDEN GEDICHTEN.

AAN MARIA.

(1808.)

Gelukkig zijt gij, en \'k gevoel Dat ik het ook moet wezen;

Want uw geiuk is nog mijn doel, Zoo hartlijk als voordezen.

Uw eegaas lust, \'k ontroer er van,

Als \'k liem zoo zalig vinde!

Maar \'t eij zoo; haten zou \'k dien man, Indien hij u niet minde.

Ik zag laatstmaal uw liefste wicht;

Mijn hartstocht sprak verwoeder;

Maar \'t schaapje toonde een blij gezicht; Ik kuste \'t; om zijn moeder.

Ik kuste \'t; \'k zag zijns vaders beeld:

Dat kostte een zucht van smarte!

Maar \'t was met moeders oog bedeeld. Nog alles voor mijn harte!

Vaarwel! ik ga. Geen laf geklag!

Uw echtheil smoort mijn zuchten ;

Maar \'t hart, dat u niet minnen mag.

Moet voor uw bijzijn duchten.

\'k Dacht dat door tijd, door trots misschien

Mijn jonglingsgloed verdoofd was;

Ik zag u weder, om te zien.

Dat slechts mijn hoop me ontroofd was.

Toch bleef ik kalm. \'k Weet hoe weleer

Uw enkle blik me ontrustte ....

Thans ware \'t niet onschuldig meer. Zoo iets mijn hart onthutste.

Gii zaagt me in \'t oog; sloeg ik het neer?

Kondt gij verwarring lezen?

Neen, strakke wanhoop, en niets meer La.g op mijn pijnlijk wezen.

Vaarwel, vaarwel, mijn jonglingsdroom!

Geheugen, wil niet spreken!

Besproei mijn hart, Vergetelstroom!

Daar \'t zwijgen moet of breken.

Zie de Aanteekeningen.

-ocr page 164-

140 o heerlijk, heerlijk zij het ooi1d. — hbitroep hem niet.

O HEERLIJK, HEERLIJK ZIJ HET OORD.

(1808.)

o Heerljik, heerlijk zij het oord!

Waarvoor uw ziel dit stofgewemel

Verliet; geen liever steeg ten hemel,

Waar zij het lied- der zaalgen hoort.

Op aarde ontbrak u slechts te wezen Wat gij nu eeuwig wezen moogt.

Geen smart zij in ons oog te lezen,

Daar gij uw God in de armen vloogt.

Zacht vall\' de zode u; en zij moet

Ons oog door vroolijk groen verrukken;

Geen sombre schaduw mag er drukken Op iets, dat u gedenken doet.

Laat frissche bloemen daar getuigen Van uw gewisse zaligheid;

Maar laat geen wilg het hoofd er buigen. Waartoe om uw geluk geschreid?

HERROEP HEM NIET.

(ison.)

Herroep hem niet voor mijn gedachten.

Dien zaalgen, dien vervlogen tijd,

Toen u mijn ziel was toegewijd.

Die tot op \'t sloopen onzer krachten,

Tot op \'t verstijven van ons bloed Ons onvergsetlijk blijven moet!

Kan ik. kunt gij, de zuivre weelde Vergeten, die wij smaakten als Ik d\' arm sloeg om dien blanken hals,

Eh met die donkre lokken speelde;

Terwijl uw oogen kwijnend, zacht,

Van liefde, niets dan liefde, spraken.

Maar uwe lippen «iet verbraken üe zoete stilte van dien nacht.

Wanneer gij \'t hoofd op eens kwaamt bei-gen Aan dees mijn boezem, als van schrik.

En tot mij opzaagt met een blik,

Die mij bestraffen moest en tergen;

Hoe drukten wij elkaar aan \'t hart, Hoe scheen in iedren kus der lippen Ons de adem en de ziel te ontglippien. Bezwijkende van liefdesmart!

-ocr page 165-

ü1j, weknen bij mijn gkaf v

Dan schooft gij voor die ernstige oogen Soms \'t zacht gordijn dier zijden leên; Als met een blanken sluier scheen Hun lieflijk blauw dan overtogen;

Terwijl uw pinkers, lang en dicht, Afstekend bij een wang zoo teeder,

Zich toonden als een ravenveder.

Die op een mollig sneeuwbed ligt.

Ik droomde laatstmaal dat hij keerde, Die tijd van liefde en van geneugt; Die droom schonk mij een zoeter vreugd, Als zijn veïbijstring me overheerde,

Dan of \'k met nieuwe drift in \'t bloed Een ander ware in d\' arm gevlogen,

Mijn heil verwachtende van oogen.

Waarbij \'k uw teerheid nooit ontmoet.

o, Zwijg mij van die oogenblikken, Van tijden, die, voor goed voorbij, Nog met een zoete mijmerij Mijn uitgeputte ziel verkwikken.

En \'t zullen — tot men u en mij Vergat, terwijl ons kil gebeerite Gevoelloos werd als \'t kil gesteente.

Dat de aarde meldt: hier rusten zij.

GIJ, WEENEN BIJ MIJN GRAF?

(1800.)

Gij, weenen bij mijn graf? Vriendin,

Herhaal die woorden voor mijn ooren!

Doch zoo ze u aandoen, houd hen in!

Ik ina:g uws boezems rust niet storen.

Mijn hart bezwijkt, mijn hoop is heen,

tón \'t bloed kruipt ijskoud door mijn aderen;

En als ik sterve, gij alleen

Zult met een zucht mijn rustplaats naderen.

Mij dunkt, een flikkering van troost Schijnt door mijn neevlen heen te breken;

Het leed mjjns harten wordt verpoosd.

Wanneer \'ik op uw deernis reken.

Gezegend vocht, door u geschreid

Om wie sinds jaren niet meer weende!

Die dauw heeft dubble dierba\'arheid

Voor hem, wien \'t leed sinds lang versteende.

-ocr page 166-

AFSCHEID. — AAN THYEZA.

O teedre vrouw! mijn hart was teer

En zacht als \'t uwe, in vroeger dagen; Nu treft de schoonheidzelf \'t niet meer; \'t Gevoelt alleen zijn jamm\'ren knagen.

Gij weenen bij mijn graf? Vriendin,

Herhaal die woorden voor mijn ooren! Doch zoo ze u aandoen, houd hen in! Ik mag uws boezems rust niet storen.

AFSCHEID.

(Maart 1811.1

Dees kus, melieve! van uw mond Blijft op mijn lippen kleven.

Tot dat ik dien, in blijder stond, TJ maagdlijk weer zal geven.

Het oog, dat mij zoo teeder groet,

Doet mij verdubbeld blaken;

Het traantje, dat gij weenen moet,

Moet mij nog trouwer maken.

Ik verg geen pand der min, tot troost, Bij \'t eenzaam ommedwalen.

Voor \'t hart, welks liefde niet verpoost In ieder ademhalen.

Geen schrift! Tot tolk van mijn gemoed Zou \'t alle kracht ontbreken.

Wat baat een ijdle woordenvloed?

Alleen het hart kan spreken.

Bij dag en nacht, in lief en leed.

Blijft dat uw beeltnis dragen.

En klopt, ofschoon het niemand weet. Voor u in al zijn slagen.

AAN THYRZA.

I.

(10 Oot. 1811.)

Geen steen bedekt uw graf en zegt Wat heel de wereld wel mocht weten;

Gij zijt in \'t stille graf gelegd

Door elk, behalven een, vergeten;

Ons scheidde \'saardrijks zwalpend nat En spotte met een min zoo teeder;

-ocr page 167-

AAS THYRZA.

\'t Verleden en de toekomst bad Om weerzien, — maar gij zaagt niet weder.

Ach, zoo dit mooglijk waar geweest.

Een enkel woord van vredig scheien Had mij de slaking van uw geest

Met zachter weemoed doen beschreien. Gij, langzaam door den dood gesloopt, Zeg, hebt gij, in uw droevig kwijnen.

Niet nog wel menigmaal gehoopt Mij aan uw bed te zien verschijnen\'?

Wie had daar neergeknield als ik?

Wie met meer pijns uw oog zien breken, Als, wachtende op den laatsten snik,

De trouwe liefde ontzag te spreken; Om straks, wanneer gij boven smart En lichaamspijnen waart verheven.

Aan al de tranen van het hart In volle stroomen lucht te geven?

Ja, vloeit, mijn tranen, stroomt en vloeit!

Waar thans mijn blikken treurig weiden, Hoeft teeder vocht den grond besproeid.

Op \'t denkbeeld van kortstondig scheiden; Hier heeft haar blik mijn hart verrukt.

Hier heeft haar lach mijn ziel gekluisterd: Hier heeft haar hand mijn hand gedrukt, Haar mond de liefste taal gefluisterd!

\'t Was hier dat ik dien kus verkreeg,

0 Engelreine! van uw lippen,

Waarbij mijn hartstocht de oogen neeg,

En niet een wensch hem dorst ontglippen. Ik hoorde hier die toovertaal,

Die \'t stugge hart uw vreugd deed deelen, \'t Lied, dat me alleen, maar duizendmaal, Uit uwen mond vermocht te streelen.

Hier wisselden we een panel der min;

Nog draag ik \'t uwe; waar is \'t mijne....? Waar zijt gij zelve, zielsvriendin?

Beseft, vermoedt gij hoe ik kwijne? Wat bittren beker hebt gij mij.

Mij jongling, op de hancl gegeven;

Maar zoo in \'t graf de rust slechts zij. Ik wensch u niet terug in \'t leven.

Doch zoo uw deugd in reiner sfeer Een nieuwe vreugde mag genieten.

143

-ocr page 168-

AAN THYKZA.

Zend dan een sprank dier blijdschap neer,

Die mij vertrooste in mijn verdrieten! Kom gij mijn vroeg geknakten geest

Aan boete en lijdzaamheid gewennen! Gij zijt me op aard zoo veel geweest, Dat ik uw hemel graag zou kennen.

AAN THYKZA.

II.

Bén worstling nog, en wat mij griefde

Vergeten, en mijn leed gesmoord! Eén zucht om u en om mijn liefde.

En dan der wereld toebehoord!

Thans moog mij alles welkom wezen.

Wat nooit mijn boezem heeft voldaan! \'k Heb niets te hopen, niets te vreezen: Wat smart der toekomst gaat mij aan?

Schaf wijn, en stel mijn disch in orden!

Wij leven niet voor de eenzaamheid, \'k Wil ook dat nietig wezen worden.

Dat altijd lacht, met niemand schreit. Het was niet dus in blijder tijden;

\'t Moest nooit zoo zijn; maar gij, gij liet Me alleen des levens jamm\'ren lijden, Ge ontzonkt me — en alles is te niet!

Ach, vruchtloos zoo \'k dien toon beproeve!

\'t Geveinsde lachen van zijn mond Bespot de droefheid van den droeve.

Als rozenbloei den kerkhofgrond. De vriendschap moog den beker tooien.

En bieden heulsap bij de smart, \'t Vermaak een wijl do ziel verstrooien: Verlaten voelt zich \'t arme hart.

\'k Sloeg vaak des zomeravonds de oogen

Met wellust op naar \'t starrelicht; Die zelfde glans van \'s hemels bogen

Bescheen, docht mij, uw lief gezicht. En door de Egeesohe zee gedragen.

Bij \'t vriendlijk licht der teedre maan, Waande ik uw oog op haar geslagen... -Helaas! zij staarde uw graf reeds aan.

En als de kooi\'ts mijn borst deed zwoegen. Op \'t pijnlijk leger neergevlijd,

-ocr page 169-

RÜTHANASIA. ]45

Hoe dikwijls dacht ik met genoegen:

„Mijn ïhyrza weet niet dat ik lijd.quot;

Wat baat het nog den boei te breken Des slaafs^ op d\'oeyet- van den dood?

Wat baatte t zoo mijn krankten weken,

Daar gij, mijn Thyrza! de oogen sloot.

o Pand der liefde, mij geschonken,

Toen alles nieuw was voor mijn hart,

Hoe droevig hebt gij uitgeblonken.

Beslagen door een wolk van smart!

Het hart, mij met dit pand gegeven.

Stond stil; wat klopt het mijne steeds?

Ueyoelloos voor \'t genot van \'t leven.

Gevoelt het slechts de neep des leeds.

o Droevig pand! Aandoenlijk teeken!

Schoon smartlijk, zijt gij me een geluk;

Blijf in mijn ziel die liefde kweeken.

Of. breek het hart, waaraan \'k u druk.

De tijd mag tempren, niet verdooven;

Een min, die niets meer hoopt, is schoon;

Hun liefde gaat het al te boven,

Die trouw blijft houden aan de doön.

Zie de aanteekeningen,

EUTHANASIA \').

(1811).

quot;Wanneer, \'t zij vroeg of laat.

De ontzettende ure slaat,

Waarin mij de adem kust Dier droomenlooze rust,

Donswiekige vergetelheid!

Zweef gij dan \'t sterfbed rond.

Waar \'t hart zijn laatsten klop verbeidt,

Zijn jongsten levensstond.

Geen vriend met sombren blik Verbei den laatsten snik.

Geen erfgenaam wiens hart Mij \'t einde gunt der smart,

Geen maagd met losgerukt gewaad,

Die jammerklagend deinst,

En die een droefheid voelt of veinst,

Die haar bekoorlijk staat.

\') Een gewenscbte dood.

-ocr page 170-

KTTTHAWAS1A.

Stil geve ik cTadem weer;

Stil zink mijn doodkist neer;

Niet met gehuurde klacht Zij \'t lijk naar \'t graf gebracht;

Ik wil niet dat mijn stervens-maar

Een uur van vreugd bederv\', .

Noch eisch dat vriendschap, als ik stert, Zal siddren hij miin baar.

Maar liefde, zoo zij dan Haar zuchten smoren kan,

En niet van \'t schouwspel wijkt Eens dierbren, die bezwijkt.

Blink\' dan voor \'t laatst m volle kracht,

En make, als alles beeft,

Voor hem, die sterft en haar die leett. Het uur des scheidens zacht.

\'t Ware zoet, melieve! indien \'k Uw schoonheid kalm mocht zien. En zonder blyk van \'t leed.

Dat u mijn liefde deed,

Uw zielsrust, door geen smart gesloopt,

In zachten hemelschijn.

Die zelfs de laatste en bangste pijn Nog tot een glimlach noopt.

Maar neen! de schoonheid lijdt Bij \'t aanzien van dien strijd; De tranen, die haar gril Ons voortbrengt als zij wil,

Misleiden ons ons leven lang;

En is de dood eens daar, _ Dan maakt haar nutteloos misbaar Ons \'t uur des afscheids bang.

Dies laat mij eenzaam gaan!

Geen stervling trekk\' \'t zich aan; Daar zij noch klacht noch snik In \'t uiterst oogenblik.

Zoo velen scheidden uit den tijd,

Van dood noch leed bewust.

Voor velen kwam de lange rust Na slechts een korten strijd.

„Maar sterven, sterveling!

Te gaan... Waar alles ging.

Waar alles henengaat Zooras zijn stonde slaat;

-ocr page 171-

OOK OU BEZWEERT. I47

Te keeren tot mijn vorig niet.

Eer ik voor de aardsche smart,

Mijzelf tot last, geboren werd,

Is dat zoo groot verdriet?

Tel de uren, die u \'t lot Vergunde tot genot:

Tel de uren dat geen smart ü knaagde aan \'t vroolijk hart;

Des levens vreugd is enkel schijn,

^ Bedrieglijk al zijn zoet;

Te wezen zij voor\' enklen goed,

\'t Is beter; niet te zijn.

OOK GIJ BEZWEEKT.

(Februari 1812.)

Heul quanto mluus est cnm reliquis versari quara tui memlnisse.

Ook gij bezweekt — gij jong en schoon

Als_ wat ooit bloeide op aard!

Zoo lief een leest, zoo frisch een koon

Niet door den dood gespaard!

Maar bood u de aarde een plek van rust,

Waar dartelheid en levenslust

Gedachteloos op staart:

Eén, lieve doode! leeft er, wien De moed ontbreekt die plek te zien.

Ik vraag niet waar ge uw rustplaats vondt;

Geen stervling wijz\' haar aan!

Gebloemte of onkruid dekk\' dien grond;

\'k Zal daar geen blik op slaan.

\'t Is hard genoeg te denken: .Dat,

Wat ik zoo teer heb liefgehad.

Moet als al \'t aardsch vergaan.quot;

Ik wil niet dat een steen mij zegt:

,\'t Is niets, waar gij uw hart aan hecht.quot;

Ik minde u tot uw jongsten snik;

Uw min was trouw en groot;

Gij wankeldet geen oogenblik,

in leven noch in dood.

Dood! Niets dat meer een liefde schendt,

Waarop dit zegel is geprent,

Trouwloosheid, tijd, noch nood;

En zoo ik leef, misdoe, en dwaal,

\'t Blijft u verborgen altemaal.

-ocr page 172-

OOK GTJ UEZWEF.KT.

Wij smaakten samen \'s levens zoet,

Maar de alsem rest slechts mij;

De zon verkwikk\', de stormwind woed\',

Het gaat uw graf voorbij;

Geen droom zelfs die uw nachtrust steurt; Gij moet benijd zijn, niet betreurd;

Ook klaag ik niet dat gij Mijn afzijn tot uw kwijning koort; U krank te zien had mij vermoord.

De volle roos, die \'t oog verrukt, Verwacht het eerst haar beurt; Ofschoon geen hand ze ontijdig plukt,

Verwelkt zij en verkleurt.

Ik zie haar liever afgesneên,

Dan al haar blaadren een voor een

Verlept en weggescheurd;

Niets schokt den boezem meer misschien Dan schoonheid in verval te zien.

\'t Verwelken uwer schoonheid, ach!

Wat denkbeeld voor mijn hart! De nacht, in strijd met zulk een dag.

Was zeker dubbel zwart;

Ik zag hem nog in middagpraal,

Toen ik hem zag de laatste maal...

Eer hij verduisterd werd!

Mij waart ge een star, die helder blinkt, Eii dan op eens in nacht verzinkt.

Maar dit, dit diende luid beschreid.

Indien ik tranen vond,

Dat ik geen uur met teederheid

Mocht waken bij uw spond\',

U niet mocht aanzien, stom van smart. Niet drukken aan mijn kloppend hart,

En op uw bleeken mond Een min bezeeglen, een verbond,

Dat ons op zooveel tranen stond.

Veel zijn er schoon, en in dit hart

Bruist nog het vuur der jeugd:

Maar neen, melieve! de oude smart

Is meer dan nieuwe vreugd ;

\'t Staat uit de dooden op, het lacht Mij toe, door duisternis en macht,

\'Wat mij voor eeuwig heugt!

Slechts iets kon zaalger zijn dan dit. Het was uw levendig bezit.

-ocr page 173-

TURKSGH LIED. — OP DE VRAAG: HOE ONTSTAAT DB LIEFDE.

ÏUKKSCH LIED.

Het snoer, dat \'k gaf, was schoon en blonk. De luit, die \'k aanbood, zoet van klank;

Het trouw gemoed, dat beide schonk. Verdiende een beter loon tot dank.

En heuneliik een toovcBrkracht

Beheerschte snoer en luit voor mij;

Zij hielden over u de wacht Toen \'t lot mij afriep van uw zij!

Ik zie ze weder, — weder nu!

Wel hebben ze aan hun plicht voldaan;

Helaas! maar waarom spoorden ze u Niet beter tot den uwen aan?

Dat snoer was sterk in ieder schalm,

Maar duldde een vreemden vinger niet;

Die luit klonk zoet, maar miste galm, Als gij ze in vreemde handen liet.

Het snoer schoot in de hand uiteen Van die \'t uw blanken hals ontnam;

Hij lassche, zoo hij \'t noodig meen,

\'t Weer samen, die hot breken kwam!

De luit werd stom, toen zij van de uw\' In vreemde hand moest overgaan, —

Hij, die ze ontving — kom! span hij nu De doode snaren weder aan!

Zij zijn veranderd. Zij als gij!

Het snoer is los, \'t muziek heeft uit;

Vaart samen wel! gaat! \'t is voorbij,

Valsch hart, broos s:;ioer, verstomde luit!

OP DE VRAAG: HOE ONTSTAAT DE LIEFDE.

\'t Ontstaan der „liefde?quot; O, Waarom nu

Tot mij die wreede vraag gericht? Zoo menig oog toch zegt het u;

Ze ontstaat op uw gezicht.

Haar einde? Wilt ge ook daarnaar vragen? Helaas! dit arme hart voorziet.

Dat zij zal sterven van verdriet,

Maar niet dan met zijn laatste slagen.

-ocr page 174-

ZANGCOUPLETTEN.

ZANGCOUPLETTEN.

(Maart 1815.)

O Lachrymarum fons, tenere sacros Ducentium ortus ex animo: quater Felix! in imo qui scatentem, Pectore te pla Nympha, isenslt.

GRAY.

De aarde kan geen vreugde geven

als die vreugde, die zij rooft,

Als de fi\'iachheid der verbeelding

in \'t veroudrend hart verdooft; \'t Is niet slechts de blos die wegkwijnt

op der jonkheid donzen wang; Ach! de bloesems van de ziele

welkten mooglijk sedert lang.

Zie den enkle, die de schipbreuk

zijns geluks nog overleeft,

Hoe hij naar de klip der zonde

door de zee der dwaasheid streeft. Ach, hem. lichten maan noch starren,

vruchtloos wijst de naald de kust. Waar hij, moedloos en ontredderd,

nimmermeer voor anker rust.

Onverschilligheid en koude

doemen \'t hart ten vroegen dood; \'t Kan in andrer leed niet deelen,

en ontveinst zijn eigen nood; De fontein der milde tranen

is bevroren in dat hart.

Waar bet oog temet van glinstert,

is een ijs, dat alles tart.

Vloeie scherts van gladde lippen,

zij de feestdisch toegesteld,

Als de donkre nachten dalen,

van geen nachtrust meer verzeid, \'t Is als \'t groenend klimoploover

om den kranken torenwal: Frischheid, groei en leven buiten.

maar van binnen doodsch verval.

Dat ik nog gevoelen konde,

dat ik zijn konde als voorheen, Schreien als ik vroeger schreide.

waar mij hoop of vreugd verdween!

-ocr page 175-

AAN DEN VADEB EENEK HEILIGE NONME. — NIEMAND ONDER ENZ. 151

Zoet is \'t bronnat, zoet, hoe brak ook,

in een dorre zandwoestijn;

Zoet ook zouden mij die tranen

it mijns levens dorheid zijn.

AAN DEN VADER EENER HEILIGE NONNE.

IN NAAM EENS VADERS WIENS DOCHTER KORTELINGS EN NA NAUWELIJKS GEHUWD TE ZIJN OVERLEDEN WAS.

(Naar Vittorelli).

Het was een beeldschoon kroost, dat ons de hemel gaf,

Beeldschoon en deugdzaam, en een vreugde voor ons harte! Maar Hij bestemde dat tot eedier doel, o smarte!

En zag uw kind en \'t mijne en vroeg ze ons beiden af.

Mijn dochter, wie de dood de ontglimmende echttoorts bluschte. Werd plotsling, ach te vroeg! een prooi van \'t aaklig graf; En de uwe zondert zich in \'t somber klooster af,

En schikt voor eeuwig zich ter wereldvreemde ruste.

Maar gij, voor \'t minst, schoon hout en ijzer u verbiedt Dat ooit uw lievling voor uw vaderoog verschijne,

Hoort somtijds nog de stem van die uw oog niet ziet,

Maar ik snel vruchtloos naar het marmer, dat de mijne Verbergt, terwijl mijn oog van bittre tranen vliet;

En klop, en klop, en klop! Maar antwoord krijg ik niet.

NIEMAND ONDER DUIZEND SCHOONEN.

Niemand onder duizend schoonen Heeft een toovermacht als gij; Wat voor \'t water \'t spel der tonen,

Is uw zilvren stem voor mij;

Waar zij vol en zuiver ruischen,

Wacht de vloed zich op te bruisen, \'t Golfje durft zich niet verroeren, \'t Windje laat zijn vleuglen snoeren.

Stort de maan bij zomerweder Op de zee haar zilver licht,

\'t Heft haar boezem op en neder.

Als de borst van \'t slapend wicht. Ook het hart van uw aanbidderen Kent dat zoet inwendig sidderen,

Kent de ontroering, die den stillen Zomeroceaan doet trillen.

-ocr page 176-

VAAK OU WEL.

VAAR GIJ WEL.

17 Maart 1816.

Vaar gij wel, en moet het zijn voor immer,

Üok voor immer, vaar gij wel, o vrouw!

Tegen u verzet mijn hart zich nimmer.

Schoon het uw mij niet vergeven wou.

Zoo uw oog tot in dees boezem blikte.

Waar uw hoofd zoo vaak op nederlag.

Als het zoet dier sluimring u verkwikte.

Die uw hart nu nooit meer smaken mag; Zoo dees borst geheel zich bloot kon leggen.

Dat zij zelfs haar innigst u verried.

Dan, dan zoudt ge op \'t laatst berouwvol zeggen:

,\'t Was niet wel dat ik hem zóó verstiet.quot;

Schooi) u de aard om wat gij deedt moog prijzen,

En mijn leed bij haar een glimlach vond, Gij moest van de minste lofspraak ijzen.

Op eens anders boezemwee gegrond.

Schoon zoo menig fout mijn ziel bevlekte,

Moest het juist de dierbare arm zijn, die Eens naar mij zich in omhelzing strekte,

Waar ik mij zoo diep gewond door zie?

Maar, o vrees u-zelve te misleiden:

Liefde kwijnt wel langzaam door verdriet.

Doch geen schok kan plotsling harten scheiden.

Die zij eens te zaambond, — waan het niet! \'t Leven is nog \'t uwe niet ontweken,

\'t Blijft in \'t mijn, hoe \'t bloeden moog, gespaard \'t Denkbeeld dat ons foltert, nooit bezweken,

Is dat we ons niet wederzien op aard.

Dat \'s een woord van dieper rouw en zorgen Dan bij \'t graf de treurkreet des gemoeds; Ach, gij leeft — ik leef, maar iedre morgen

Wekt ons van een weduwlijke koets.

En wen gij, als \'t hart u dreigt te breken.

Troost zoekt in de ontwikk\'Jing van ons kind... Zult gij haar den vadernaam doen spreken.

Die geen zorg eens vaders ondervindt?

Als haar zoet gekoos u zal bejegenen.

Als haar teeder lipje aan de uwe kleeft,

Denk aan hem, wiens bede u nog blijft zegenen,

Wien weleer uw min gezegend heeft!

Als haar zachter trekken \'t beeld hergeven

Van den man, dien gij nooit wederziet,

O! dan zal een zucht u \'t hart doen beven. Nog getrouw aan wien dat hart verstiet.

Wel kan \'t zijn, dat ge al mijn feilen kendet —

-ocr page 177-

DE DROOM.

Al mijn rouw en wnnhoop kent niet een;

Al mijn hoop, waar ge ooit uw voetstap wendet.

Kwijnt, maar volgt u door de wereld heen. Elk gevoel moest zwichten dat mij blaakte,

Trotschheid, die geen wereld week, week u, U alleen — doch sinds ze uw hart verzaakte,

Hoe verzaakt mijn ziel zichzelve nu!

Maar \'t is uit — geen woorden \'t leed verzachten,

Allerminst de mijne — zwijge ik stil.. ..

Doch wie toomt de muitende gedachten.

Die zich uittocht vergen, spijt den wil ?

Vaar gij wel! — Dus wreed vaneengescheiden.

Eenzaam — \'t hart gebroken — \'t lijf ontkracht, Kan mij \'t lot geen wreeder dood bereiden. Weggescheurd van wat ik dierbaarst acht.

DE DROOM.

Juli 1816.

Wij leven tweevoud: — slapen ook is zijn; Een toestand tusschen doodzijn en bestaan. De slaap heeft ook zijn wereld; \'t is een breed Gebied van wanorde en bestaanbaarheid. In droomen ook is leven en gevoel.

Smart, kwelling, leed en keetling van genot. Zij laten ons, ontwaakt, een wicht op \'t hoofd; Zjj nemen, slapende, ons een wicht van \'t hart. Zi] splitsen ons bestaan, en worden zoo Een aandeel van onszelf en onzen tijd.

Zij schijnen boden van \'t onsterflijk zijn.

Zij gaan voorbij als schimmen van \'t verleen; Zij spreken als sibyllen van \'t aanstaand! Zij heerscben als tirannen over vreugd En smart, en doen ons bukken voor hun wil. Gehoorzaam aan een indruk van \'t visioen. Dat voor ons heenging, schokken ze ons met angst Voor reeds vervlogen schaduws? Zijn zij dat? Is niet geheel \'t verleedne een schaduw? Zijn Ze iets anders of iets minder? — Ja. ze zijn Een schepping van de ziel. Welnu, de ziel Schept werelden naar wilkeur, en bevolkt Ze met een teelt van wezens, meer volmaakt Dan haar omringen; zij blaast d\'adem in Aan vormen, die den dood niet zullen zien. — \'k Herroep u hier een droomgezicht; ik zag \'t. .. In slaap misschien! — Wat iemand sluimrend ziet Kan menig jaar omvatten, en geheel

153

-ocr page 178-

DE DROOM.

Een leeftijd samenpersen in één uur.

Ik zag twee wezens in den bloei der jeugd;

Zij stonden op een geestig heuvelvlak,

Zachtgroen en lieflijk hellende; het scheen

Het laatste van een lange heuvelreeks,

Die in de zee zou einden; maar er ruischten

Geen golven aan haar voet dan die van \'t graan.

Een vroolijk landschap lag rondom, en bosschen,

En woningen van menschen, hier en daar

Verspreid en uit wier needrig boerendak

De rook zich krullend ophief, \'t Heuveltje

Scheen met een kring van boomen als gekranst.

Niet door natuur, maar door des menschen hand.

Dit tweetal — \'t was een meisje en een knaap —

Zag — de eene zag naar al wat, schoon als zij,

Te zien was aan haar voeten en rondom.

Maar de ander zag naar haar, alleen naar haar.

Zij waren beiden jong en de ééne schoon.

Zij waren beiden jong; niet jong!

Als \'t blozend maanlicht op den rand der kim

Was \'t meisje — schier volwassen, bijna vrouw!

De knaap had minder jaren, maar zijn hart

Was reeds zijn leeftijd ver vooruit: voor hein

Was daar op aarde slechts één lief gezicht,

En dat blonk nu hem tegen; en hij had

Zoo lang en veel er op gestaard, dat \'t hem

Onmisbaar was geworden; neen, hij had

Geen adem, geen bestaan meer dan in haar.

Zij was zijn spreken; hij sprak haar niet toe,

Maar sidderde op haar stem. Zij was zijn zien;

Want altijd volgde zijn oog \'t hare, en zag

Door haar, en heel de wereld in haar blik.

Hij leefde niet zijn leven, maar het hare!

Zij was de zee, waar zijn gedachtenstroom

Zich steeds in uitstortte en verloor, — één woord

Van haar, één handdruk, en zijn bloed

Stoof op, zijn wang werd hooggekleurd, — zijn ban

Hij wist niet wat er omging in zijn hart.

Zij — had geen aandeel in dat zacht gevoel;

Haar zuchten golden hem niet, maar hij was

Haar als een broeder, en niets meer. \'t Was veei.

Zij immers had geen broeders, dan in hem,

Dien zij \'t in kindervriendschap had genoemd,

Zij was de laatste loot eens eedlen stams;

Zij droeg een naam, die hem behaagde, en niet

Behagen moest; en waarom niet? De tijd

Gaf hem een zinrijk antwoord op die vraag.

Toen zij een ander liefhad. Nu zelfs had

Ze een ander lief, en op dees heuveltop

-ocr page 179-

DE DROOM.

Stond ze om te zien of haar geliefdes ros Zoo snel -was als haar ongeduld en — vloog!

Daar kwam verandrir.g in \'t gezicht mijns drooms.

Ik zag een oude huizinge, en daarvoor

Een opgezadeld paard. De jongling, dien

Ik u beschreef, stond in een oude zaal.

Hij was alleen, zag bleek, trad op en neer —

Zat neder, greep een pen en schreef iets, dat

Me een raadsel bleef, verborg het bukkend hoofd

In bei zijn handen; \'t was als schokte hem

Een stuip, die hem deed rillen. Hij rees op,

En scheurde met de sidderende hand

In flarden wat hij schreef — maar weende niet.

Hij bracht zich tot bedaren, en ontplooide

Zijn voorhoofd tot een schijn van kalmte. Toen

Verscheen de jonkvrouw zijner liefde daar.

Zij glimlachte en zag vroolijk; echter wist

Zij wel dat hij haar liefhad; wist zij wel —

Die wetenschap vereischt geen langen tjjd! —

Dat zij haar schaduw wierp op al zijn licht.

En heel zijn hart verdonkerde; en zij zag

Zijn ongeluk; maar alles zag zij niet.

Toen stond hij op en drukte koel haar hand.

Een oogenblik verscheen op zijn gelaat

Een dichte nevel van gepeinzen, maar

Die dreef weer af; en hij, hij scheen bedaard.

Hij liet haar hand weer langzaam los, eu ging

Met tragen tred, maar zeker niet als een

Die afscheid nam; zij scheidden met een lach.

En met een helder voorhoofd — hij vertrok.

De breede deur der oude hal sloeg dicht;

Hij steeg te paard, reed weg, en nimmermeer

Betrad zijn voet den drempel van dat slot.

Daar kwam verandring in \'t gezicht mijns drooms. De knaap was man. In heete hemelstreek Had hij aan woester oorden een verblijf Gevergd, en in hun zongloed zich verkwikt.

Zijn wang was bruin en vreemd zijn kleeding; hij Was niet dezelfde van voorheen; hij was Een zwerver over de aarde, \'k Was omringd Van bonte groepen, vreemd dooreengeward;

Maar hij was bij die allen; eindlijk lag Hij sluimrend bij een bouwval uitgestrekt, In schaduw van kolommen, die den naam Van die haar optrok overleefden. Aan Zijn zijde graasden keemlen, en niet ver

165

-ocr page 180-

DE DROOM.

Zag \'k bij een bron een koppel paarden staan. Een man in wijde kleeding hield de wacht; En menig, hem gelijk, lag neer in \'t rond, Het blanke zwerk was hun ten tentgordijn, Zoo onbewolkt, zoo klaar, zoo rein en schoon, Dat niets dan God te zien was aan dien trans.

Daar kwam verandring in \'t gezicht mijns drooms. De jonkvrouw van zijn liefde was gehuwd Met een, die haar niet liever had dan hij. Zij woonde ver van hem, in eigen huis.

Omringd van hare kindren — zoons en doohtren Der schoonheid, bloeiend, vroolijk, dartel kroost. Maar ziet! de tint der droefheid kleurt haar wang. De zielsstrijd wierp zijn schaduw op \'t gelaat. Onrustig slaat zij telkens de oogen neer. Als drukten hen haar ongeschreide tranen. Wat kon haar leed zijn? Zij had alles wat Zij ooit beminde, en hij, die haar zoo teer Had lief gehad, hij was niet daar, om thans Haar zuiver hart te ontrusten met zijn hoop. Verboden wensch en nauwgesmoorde smart. Wat kon haar leed zijn? Nooit had zij hem lief, Noch deed hem wanen dat zij hem beminde. Hij, schim van \'t lang verleden, had geen deel Aan wat haar ziele perste en lijden deed.

Daar kwam verandring in \'t gezicht mijns drooms. De zwerver was terug; ik zag hem voor Een outer staande — met een lieve bruid.

Haar aangezicht was schoon, maar niet als dat, Wat eens zijn jeugd ten star was. Zie, zelfs nu, Zelfs aan dit outer, was \'t als schokte hem Dezelfde stuip, die eens in de oude zaal Hem rillen deed; zelfs nu, als in dat uur.

Verscheen op zijn gelaat de dichte wolk Zijns harten, maar ook nu weer dreef zij af;

En hij stond kalm en rustig; en hij sprak \'t Vereischte, maar verstond zich-zelven niet. En alles wervelde om hem rond; hij zag Niet wat gebeurde of wat gebeurd moest zijn, — Maar de oude huizinge, en de groote zaal. De welbekende kamers, en die plek,

Die dag, dat uur, dat licht, die schaduwstreep. Al wat behoorde tot die plaats en tijd,

En haar, die hij begeerd had, kwam terug. En drong zich tusschen dit tooneel en hem — Waartoe dit, en waartoe dit in dit uur?

-ocr page 181-

nE DROOM.

Paar kwam verandring in \'t gezicht mijns drooms. De jonkvrouw die hij liefhad: — o, zjj was Vervallen door een zielskwaal; en haar geest,

Naar \'t scheen, had haar verlaten; in haar oog Was de oude glans gedoofd; haar blik was niet Van de aarde meer. Zij was de koningin Van een phantastisch rijk; haar mijmm\'ren was Een weefsel van verwarring; zij verkeerde Met wezens door geen ander oog gezien.

De wereld noemt dit waanzin, maar de waanzin Der wijzen gaat veel dieper, en de blik Des zieleweemoeds is een schrikbre gaaf.

Wat is zij dan der waarheid ver-ziend glas.

Dat d\' afstand zijn begoocheling ontrooft. Het leven in zijn naaktheid naderbrengt.

En koude werlilijkhcid en werklijk maakt?

Daar kwam verandring in \'t gezicht mijns drooms.

De zwerver was alleen, gelijk weleer;

Verlaten van de wezens, die hem korts

Omringden, of met hen in twist en strijd.

Hij strekte aan vloek en trouwloosheid ten doel,

Omringd van haat en afschuw. Daar was smart

Id al wat men hem aandeed; even als

Van ouds de koning van den Pontus at

Hij slechts vergiften, en zjj doodden niet,

Maar waren hem tot spijze; hij doorstond

Wat tot den moord van\' velen had volstaan.

Hij maakte bergen tot zijn vrienden; hij

Ging met de starren, met d\' onzichtbren geest

Van \'t groot heelal als met zijn meesters om!

Zij leerden hem verborgen tooverkracht!

Het boek des nachts lag open voor zijn blik;

En stemmen uit den afgrond riepen hem

Geheimnis toe en wonder.... Wel! zoo zij \'t.

Mijn droom was uit; nu geen verandring meer! Het was een vreemde zake, dat het lot En leed van dees twee schepslen dus, of \'t waar Naar \'t leven, werd geteekend, met dit ende: Waanzin voor de een\', voor beiden diepe ellende.

Zie de Aanteekenlngen.

AAN AUGUSTA.

(Dlodatl, 24 Juli 1816)

Ts de middag mijns levens geweken,

ft de sterre getaand van mijn lot.

157

-ocr page 182-

AAN ATTOTTSTA.

Uw zacht hart had geen oog voor gebreken,

Door zoo velen gezien en bespot Kende uw ziel ook al \'t leed dat mij griefde, Toch was zij van mijn jammer niet schuw. En wat \'k immer mij droomde van liefde,

Zag ik nimmer vervuld dan in u.

Lacht Gods schepping mij toe in mijn smarte —

Wie dan zij, die een lachje mij schenkt? — Geen mistrouwen ontstaat in een harte. Dat daarbij aan uw glimlach gedenkt.

Is daar krijg tusschen stormen en baren,

Als dor zielen, die ik lief had, met mij.

Zoo een denkbeeld mijn hart kan vervaren.

Het is dit: \'k word gescheurd van haaf zij!

Ja, vergruisd is de hoop van mijn leven.

Ja, verdronken in \'t diepst van het meer; \'k Ben ten prooi mijner foltring gegeven;

Maar ik buig niet. laaghartig mij neer.

Laat de ontzettendste jamm\'ren mij drukken,

Niet verachtlijk zal \'k zijn in mijn leed;

Laat ze foltren; mijn hoofd zal niet bukken,

Daar ik « slechts gedenk — hen vergeet.

Schoon een mensch, hebt gij nooit mij bedrogen;

Schoon een vrouw — werdt gij niet trouweloos; Schoon bemind — mijn geluk was uw pogen;

Schoon belasterd — onwrikbaar altoos. Ik vertrouwde u — en werd niet verraden;

Schoon wij scheidden — \'t was niet voor altijd; Gij zaagt toe — maar tot schimpen noch smaden; Gij zweegt stil en het was geen verwijt.

Doch de wereld wil \'k haten noch doemen,

Noch de velen in kampstrijd met een — Was mijn ziel niet gestemd haar te roemen.

Waarom heeft zij niet eer haar gemeen?

Zoo ik duurder dan \'k immer geloofde

Voor die dwaasheid geboet heb met smart, \'k Heb gezien dat wat ze ooit mij ontroofde, Zij toch ti niet vervreemdde aan mijn hart.

Bij \'t versplinterde wrak van \'t verleden,

Bleef mij dit tot een troost voor mijn geest: „Die gjj \'t liefst hebt gehad hier beneden,

„Die u dierst was, verdiende \'t ook meest.quot;

Elke bron in de zandzee ontspringend,

ledre boom in de barre woestijn,

-ocr page 183-

aanteekeningkn.

Elke vogel in de eenzaamheid zingend. Zal me een beeld van uw teederheid zijn. Zie de Aanteekenlngen.

AANÏEEKENINGEN.

de gevansene van chillon.

Lord Byron schreef dit gedicht in eene kleine herberg in het dorp Ouchy, nabij Lausanne, waar hij in Juni 1816 twee dagen door ongunstig weder werd opgehouden.

mazeppa.

Geschreven te Ravenna, in \'t najaar van 1818.

parisina.

Londen, in den herfst van 1813.

aan maria.

Miss Mary (Jhaworïh was de persoon, voor wie Lord Byron eene eerste teedere genegenheid opvatte. Zij was van een geslacht, waarvan een der leden door Byrons oudoom in een tweegevecht gedood was (zie daarop gedoeld bladz. 139) en vrij wat ouder dan hij. Had hij haar mogen huwen, misschien ware geheel zijn leven anders geweest. Doch zij had voor hem slechts de liefde van eene oudere zuster en trouwde een edelman uit een oud geslacht. Dat huwelijk was sedert alles behalve gelukkig.

aan thyrza.

Welke gissingen omtrent deze, door B. steeds als eene doode bezongene, mogen gemaakt en door den dichter zeiven aangemoedigd zijn, wij zijn genegen met Moore aan te nemen dat zij niet anders dan een kind zijner verbeelding is geweest, een smartelijke voorstelling, in een tijd dat zijn geest zich gaarne in treurige gepeinzen toegaf.

de droom.

Dit dichtstuk, bij de eerste uitgave The Destiny getiteld, behelst den geheelen loop van zaken met Miss Chaworth (zie boven) en zijn later huwelijk met Miss Milbanke, gesloten 2 Januari 1815, en na een jaar tijds en de geboorte eener dochter weder verbroken. (Zie vaar rij wel). — Moore verzekert dat de droevige schets bl. 156,

De zwerver was terug; ik zag hem voor Een outer staande — met een lieve bruid, enz.

159

-ocr page 184-

a anteekeninqen.

volmaakt overeenkomt met Lord Byrons hem bekend proza-verslag zijner eohtvereeniging in zijne Memoranda. Hij was des morgens opgestaan onder de zwaai-moedigste gedachten, door het gezicht van zijn gereedliggend bruigomskleed opgewekt. Hij had den ge-heelen morgen buiten gedwaald, totdat hij tot de plechtigheid werd geroepen, en hij, voor \'t eerst op dien dag, zijn bruid en hare familie onder de oogen kwam. Hij knielde; hij zei de ver-eischte kerkelijke antwoorden na; maar daar was een floers voor zijne oogen, — zijne gedachten waren elders; en hij kwam slechts door de begroetingen en gelukwenschen der omstanders tot zich-zelven, om te zien dat hij — gehuwd was.

„Het ia,quot; zegt Jeffrey van dit dichtstuk: „Het is onmogelijk hier aan versierde smarten te denken, met het doel om poëtisch effect te maken, bijeengebracht.

Mijne vertaling is, gelijk het oorspronkelijke, in blanke vijfvoe-tige jamben. Ik had begonnen haar in rijmende alexandrijnen te schrijven, maar bemerkte spoedig dat zij zoodoende veel te pompeus en heel wat anders werd. Men oordeele:

Tweevoud is :t leven, en de slaap heeft ook zijn wereld,

Als, in dien tusschenstaat van wat men Leven hiet En Dood, eens menschen ziel in balfbedwelming dwerrelt; —

Zijne is die tusschenstaat, en zijne een wijd gebied Van wilde wanorde en bestaanbaarheid; en droomen In hunne ontwikk\'ling hebben leven, leed en smart. En boezemfoltering en angst en tranenstroomen,

En weelde en wellust ook, met balsem voor het hart. Zij nemen van \'t gemoed een wicht af, zoo zij \'t streelen.

Maar laten ons, ontwaakt, een wicht op \'t mijm\'rend hoofd En op de ziel, die zij verlieten; zij verdeelen Ons aanzijn; niet tevreên ons tijd en rust te ontstelen,

Wordt van ons-zelf door hen ons ook een deel ontroofd. Zij schijnen voorboön van een tweede zijn; zij zweven Voorbij als schimmen van \'t verleden; fluistren ons Iets van de toekomst als sibyllen toe; en geven Vrijmachtig in hun wil, genot of leed op \'t dons.

aan augdsta.

Aosusta is Lord Byrons zuster, the Honourable Mrs. Leigh, Zijne liefde voor deze vrouw bleef hem in de lichtzinnigste, en tot in de laatste jaren zijns levens bij.

160

-ocr page 185-

JOSE.

EEN SPAASSCH VEKHAAL.

AAN SERENA.

My sister, my sweet sister, 11\' a name Purer and dearer were, it must be thine.

BYEON.

II heb ik steeds en hartlijk lief gehad,

Dat weet gij\' mÜ mint met de eigen liefde;

Geen roos ontlook me op \'t ingeslagen pad,

Geen distelstruik ontsproot er, die mij griefde.

Of ook uw hart heeft in mijn lot gedeeld;

Ik heb u nooit een enklen zucht verheeld;

Nooit is een traan mijn wangen langs gevloten,

Of gij, gij zaagt en kendet heel mijn smart;

Nooit heeft mijn ziel een zalig uur genoten.

Of gij — gij wist het, gij Vertrouwde van mijn hart.

Gij kendet mij van de eerste levensdagen,

Getrouwe ziel! niet één op aarde als gij;

Kent iedre drift, die \'t rustloos hart doet jagen,

Kent iedre feil en iedre deugd in m^;

En is mijn deugd gering, bij veel gebreken,

Gi) toch hangt me aan, gij blijft me een liefde kweeken.

Die mij vertroost als \'k, in mij-zelf gekeerd,

Mnn feilen telle en \'t vonnis uit ga spreken;

Wanneer \'t berouw mijn brekend hart verteert.

Versterkt gij \'t weer, — uw liefde is mij een heilrijk teeken.

Mijn zuster, o mijn goede zuster! Gij Hebt my geleid met liefde en wijsheicl tevens;

Een booze geest van wrevel volgde mij,

Hij was me een vloek, een kwelling hij,quot;mijns levens; Had \'k u gemist — \'k had nu reeds de aard gehaat, En \'t menschdom als een listig slangenzaad;

Gij hebt gewaakt, en hebt mij \'t hart gebogen; Gij maaktet mij ontvanklijk voor de vreugd;

^ Een nieuw verschiet mocht opgaan voor mijn oogen, En \'k smaak door u alleen de zoetheid van mijn j«ugd.

Gij hebt de vonk der heiige poëzij In \'t kinderhart van d\'aanvang af zien gloren;

Gij zaagt den gloed, gij ziet de vlam in mij.

En \'t is u zoet mijn zangen aan te hooren. i- li

-ocr page 186-

AAN SERENA.

O gij waardeert, gij kent de godsgaaf wel,

U is zij meer dan ijdel woordenspel,

Dan kunst, waartoe ze een ^eestlooze aard vernedert;

\'k Heb steeds voor u de zilvren luit besnaard,

En werd u \'t hart verrukt, ontgloeid, verteederd,

Mij was die lof genoeg, en meer dan lauwren waard.

O, \'t is een heil, een onwaardeerbre weelde,

Voor wiens gemoed van dichtvuur zwanger gaat,

(En die zoo schaars zijn aandrift mededeelde.

Omdat zoo schaars een hart zijn hart verstaat!)

Het diep gevoel dat hem de borst doet blaken.

De zucht, die nooit zijn boezem durft verzaken,

Den hemel, dien zijn geestdrift zich ontsluit,

De droomen der verbeelding, die het waken Verheemlen van den dichter, op de luit Te stellen, en den band des harten los te maken,

Voor een\', wiens ziel geheel zijn ziel verstaat,

Gevoelt, doorziet, waardeert, en tegemoetkooint;

Hem niet alleen niet zijn verrukking laat.

Maar deelt in \'t vuur, dat hem door \'t driftig bloed stroomt; Hem toont dat de aard nog boezems over heeft.

Waarin \'t gevoel van hooger Waarheid leeft,

Die van de zucht naar de eigen wereld blaken.

Waaruit zijn stem hun tegenklinkt in \'t lied.

Ais hem de roep der dichtgaaf doet ontwaken Tot meerder dan in hem oen koude wereld ziet.

Ik vond dat hart in \'t zusterlijk gemoed.

Wie is er die ons als een zuster aankleeft.

En minnen blijft met d\' eigen liefdegloed,

Sinds d\'eersten tred, dien onze voet gedaan heeft? Een zuster, die ons kinderlot gedeeld.

En nevens ons in schuldloosheid gespeeld.

En wat zij van den woester knaap moest lijden

Gedragen heeft en dikwijls droef beweend;

Maar altijd hem een liefde toe bleef wijden.

Die \'t bloed beveelt, en \'t hart zoo ongehuicheld meent.

o. Zusterliefde is de edelste van allen!

Daar mengt zich drift noch woeste hartstocht in;

Ze is zwak noch wuft, kent wanklen noch vervallen,

Maar zuiver is ze en mild als de Oudermin!

Ze is groot en schoon en door zich-zelve levend,

Ze is zacht, en sterk, en reklijk, en toegevend.

Volhardt het langst, schoon vaak het minst ontzien; Een engel is ze, ons achtloos hoofd omzwevend.

Die ons bestuurt, — het meest en \'t best misschien! — En \'t hart ten goede neigt, schoon \'t goede ook tegenstrevend.

-ocr page 187-

JOSE.

Het zusterhart stond open voor den zang,

Waar zich \'t gemoed eens broeders in verklaarde,

Nam in zijn toon als in zijn hart belang.

En in de hand, die de elpen luit besnaarde.

öij hebt mijn kunst steeds naar mijn zucht geschat, Den broeder in den dichter liefgehad, —

En daarom is geen klank zijn lier ontkomen.

Geen enkle toon ooit door zijn mond geslaa,kt, Of allereerst is hij door u vernomen,

En aan de ziel vertrouwd, die voor de zijne blaakt.

Thans zij uw naam met dit mijn lied vereenigd!

\'t Heeft u behaagd, — het zij u toegewijd! \'k Veracht den lof, den hoon der dwaze menigt\';

Ik zing alleen voor zulken als gij zijt;

Voor die, als gij, niet prijzen, maar gevoelen.

Gij, die mijn hart, mijn zucht kent en bedoelen.

Die weet. wat gloed mij aandrijft, als ik dicht, — Ach, aarzel niet het uit mijn hand te ontvangen! Ik ben u meer, ,ja eindloos meer! verplicht;

Maar ach, wat heeft de dichter dan zijn zangen?

JOSE.

Het was geen dag — het was geen nacht, Maar \'t was dat stil en vredig uur. Dat ademhalen der natuur.

Wanneer, aan \'s hemels klaar azuur, De zon haar dagreis heeft volbracht; Als \'t blauwrood waas de kimmen dekt. De schaduw zich langs de aarde strekt. De maan beur avondpost betrekt.

En aan den zuivren. d\' effen trans Den smetteloozen zilverglans Der blanke hoornen glimmen doet En spieglen in den gladden vloed.

Waar langs do mist des avonds zweeft. En golfje ruischt, noch blaadje beeft. De zachtgewiekte zefirstoet Was ingesluimerd, of vergat Door \'t loof te dartlen en den vliet Te rimplen; zelfs het popelblad Brak trillende de stilte niet.

Of ruisohte \'t loover soms, het scheen (Zoo zacht was \'t) als bewoog \'t alleen, Opdat de ruste, die het schond.

Geen schrikbren doodsslaap zou gelijken. Maar \'t sluimren van het Leven blijken;

-ocr page 188-

JOSH.

Opdat geen hniv\'ring \'t kalm gemoed Zou kwellen; want in zulk een stond, Moet alles weelde zijn voor \'t hart en hemelzoet.

O God! Het is der ziele goed.

Wanneer zij \'s werelds woest geraas Mag vluchten in een stille plaats, En daar. door aard noch aardsch verdriet Vervolgd, zichzelve kalm geniet;

Als vrede en rust, een englenpaar Zoo schuw als zacht, zoo haast verdreven

Als willig nederdalend, haar Op zachte wieken komt omzweven.

En haar met eiken vleugelslag Verkoelen en verkwikken mag.

Als ze in één lieflijk avonduur. Met U-alleen en Uw natuur,

In heiige stilte haar herstelling

Mag vinden, of ten minste troost!

Voor honderd dagen boezemkwelling,

Alleen door slaap en droom verpoosd.

o, Heilig tijdperk van den dag,

Betoovrend is uw zoet gezag.

Dat zich geen hart ontveinzen mag! Als gy den schemersluier spreidt Van halfbetwiste donkerheid.

Dan ruimen drift en dwaasheên \'t hart; Dan weent de droefheid zonder smart; üan bindt de luide vreugd zich in Tot stil genot en kinderzin;

He haat, de wrok vergeet zich dan. En \'t hart wordt vrouwlijk van den man; Dan toeft de boosheid niet alleen. Of \'t koene harte wordt haar kleen; En wie van gruwlen zwanger gaat Ontziet zich in het rond te blikken,

Uit vrees dat hem zijn moed verlaat, En dat hem de aanblik zou verschrikken Dier rust omlaag, dier kalmte omhoog. En neei-geslagen houdt hij \'t oog.

Wie is hij dan, in mijmering Verzonken, die den heuvelkling Met trage schreden afgedaald, In \'t duister van \'t citroenbosch dwaalt.

Aan \'s beekjes oeverrand?

Nu stilstaat, en de bruine hand

-ocr page 189-

JOSE.

Aan t diepgerimpeld voorhoofd slaat, En dan ze als moedloos zinken laat; Na \'t fonklend oog ten hemel heft, En opziet naar \'t azuur gewelf,

Maar dra, door d\' aanblik als versohr kt, Die onweerstaanbaar roert en treft.

Weer somberder ter aarde blikt, Of toornig om zich ziet, als een.

Die de aard haat en zichzelf,

En, \'t zij hij rondblikt om zich hoen Of inkeert tot zijn eigen hart.

Slechts stof tot wrevel vindt en smart?

Aldus was .lose, \'t Oorlogszwaard Nam vroeg zijn vader weg van de aard\'. Eer hij, een zorgloos kind, nog wist Hoe veel men aan een vader mist.

Hij had hem teeder liefgehad.

Zoo lang zijn jonkheid hem bezat;

Hij had zijn dood beweend, maar ras Vergeten dat hij weaikind was;

Want als de schuldloosheid der jeugd Het pad met rozen strooit van vreugd. Dan hechten smart noch lang verdriet. En blijft, hoe gapende ook en vreeslijk. De diepe wond niet ongeneeslijk.

Waar soms, in later levenstijd,

Geloof en Hoop te kort bij schiet. En \'t hart onstilbre pijn aan lijdt. — Hij was een dapper Man geweest. Een Ridder, met een ijzren hand.

Een vurig hart, een stouten geest, Een steunpilaar voor vorst en land; Een braaf Hidalgo, en wiens naam Niet vreemd was aan den mond der faam;

Maar trotsch, opvliegend, woest. Onbuigzaam als zijn ceedren lans, — Ach, dat de zoon des dappren mans Geheel zijn vader wezen moest!

Zijn moeder bleef hem. Schoon en zacht En stil gelijk een lentenacht.

Hield zij, in \'s hemels wet volleerd. Het hart den hemel toegekeerd.

Zij had haar gade teer bemind.

En als dien gade \'t eenigst kind,

Dat uit haar moederlijken schoot, In \'t eerste jaar des huwlijks, sproot;

16ft

-ocr page 190-

JOSE.

En toen ze, in \'t achtste van dien echt,

Haar dierbre zag in \'t graf gelegd,

Toen bad zij, op de zerk geknield En onder snikkend trahenplengen.

Om kracht om wat ze op aard behield Tot eer des hemels op te brengen;

Ach, had het in haar macht gestaan,

\'t Waar Jose zeker wel gegaan, —

Maar zij had aanzien, goud en land,

En menig trouwloos bloedverwant!

Men dwong haar van haar zoon te scheiden;

Geen vrouw — zoo zei men — was bekwaam Een jeugdig ridder op te leiden.

Die eere doen zou aan den naam Zijns vaders; en de knaap toog heen, Met droeve tranen wel in de oogen,

Maar toch met vreugde in \'t hart meteen. Dat hij tot held werd opgetogen.

En op een nieuw tooneel verscheen.

Een nieuw — maar een tooneel van smart. Noodlottig voor zijn jeugdig hart!

\'t Was een tooneel van boosheid, haat. Verdrukking, list en eigenbaat,

Berooving, hoon, mishandling; ach.

Wat leed het jongsken na dien dag.

Die hem de poort verlaten zag

Van \'t ouderlijke slot!

Hij leed, maar droeg met trots zijn lot. En boog het hoofd niet, maar verhardde \'t Gemoed, betaalde haat met haat.

En wee hem, die zijn drift weerstaat,

Maar dubbel in zijn moedwil __sardej Hij wrokte inwendig, fier zijn spijt Verbergende, en den rechten tijd Slechts wachtende ter wraak; zijn borst Was ijs voor allés wat hem deerde,

Maar gloed voor wie \'t hem aandoen dorst. En vlam voor die z^n trots verneerde.

Zijn moeder stierf — ter dood gekweld, Gefolterd en beroofd, maar niet Van \'t zacht geduld, dat meer dan schatten geldt. Noch van \'t geloof, dat blij ten hemel ziet. Hij zag haar sterven, en hij keerde

Naar \'t ledig huis zijns vaders weer,

Waar stugge smart zijn hart verteerde.

En hij der menschen toegang weerde —

Hij had op aard geen vrienden meer. \'t Is overbodig op te tellen.

-ocr page 191-

JOSE.

Wat sinds dat krank gemoed moest kwellen. Hij toefde oy \'t vaderlijke slot Slechts weinig jai-en; hij verdween Des nachts, onopgemerkt, alleen;

Geen mensch droeg kondschap van zijn lot.

Maar nu, — daar is hij weer in \'t oord, Dat hij ontvluchtte; — zeven jaren Zijn met hun wel en wee vervaren,

Van Jose heeft geen mensch gehoord;

Maar zeker, hem had weinig vreugd Het wederspannig hart verheugd;

Zijn wang was bleek en droef zijn trokken;

Doch, uit den wrevel van zijn oog Was \'t morren van een hart te ontdekken, Dat niet in ootmoed nederboog,

Maar dat zijn haat, zijn onhescheid Dos hemels roede tegenstelde.

Of al zijn rampen overtelde,

In ijskoude onverschilligheid;

Misschien, — ja, \'t scheen zoo uit zijn wezen — Was \'t stormen in de borst bedaard Der driften, die, in woeste vaart,

Hem \'t oog verblindden waar zij rezen.

Zij, telgen van de heiharpij;

Maar toch haar spoor was nagebleven:

Op \'t hoojje voorhoofd hadden zij Haar naam in rimplen aangeschreven, Fn groeven op de ontvleesde wang.

Hij had geen acht-en-twintig jaren.

En reeds was grijsheid door zijn haren.

En was het sedert lang.

Geen enkel mensch sloeg zonder schrik Op dat gestreng gelaat een blik, Dat huivring joeg in \'t hart van helden;

Zijn bittren mond ontsloot hij zelden, En immers \'t was als speelde er steeds Rondom zijn lip iets hards en wreeds. Dat hen deed wenschen, die het zagen. Dat hun geen woord bejeegnen mocht Van hem, wien elk te schuwen zocht.

Wiens oog geen stervling kon verdragen.

En van waar kwam hij? — Niemand wist Iets van zijn gangen. In wat streken.

Had hij getoefd\'? Een dikke mist Bedekte .loses spoor,

Sinds hij de landstreek was ontweken,

Waar niemand iets aan hem verloor.

-ocr page 192-

jose.

„ Dan mooglijk zij...

Maar dat\'s voorbij —

Der vrouwen min moog hemelsch achjjnen, Ze is als een lenteregenboog,

Schoon, kleurig, blinkend, zacht voor \'t oog, Maar slechts aanwezig tot verdwijnen;

En als dat neevlenkind uit regen En zon, een telg van zwakte en gloed. Die geen op aard betrouwen moet.

Noch hulde plegen!

Zoo toch dacht Jose. \'t Harde lot Had hem aan deugd en aardsche oprechtheid, Aan ruenschenliefde en hartsgehechtheid Doen twijflen, somtijds zelfs aan God!

Maar dat was kort; want wat op aarde Zijn haat mocht wekken, Gods natuur Hield voor zijn hart haar hemelwaarde. En sprak tot hein in nacht- en morgenuur. Verkondigende een Schepper, die Haar aanzijn schonk en harmonie.

Maar nooit kon hij haar schoon aanschouwen, Of\' \'t haatlijk denkbeeld greep hem aan. Dat zij een wereld op moest gaan Van boozen, listigen, ontrouwen.

Van kleine zielen, wier genot In laagheid was, en die haar God Verachten moest als hij, — van snooden, Die eer en deugd in \'t harte doodden. En weeuw en wees vervolgden; de aard Was, dacht hem, beter menschdom waard! Hij-zelf, bespat met bloed van velen.

Gevreesd, gevloekt waar hij verscheen, Verdient hij in haar gunst te deelen?

Zijn hart sprak: neen!

En dan, dan sloeg hij de oogen neder;

Maar vielen ze op zijn ijslijk zwaard,

O, dan verhief zijn trots ze weder.

En dacht hij: de aard Was slechts den haat van mannen waard.

Hij doolde voort; hij hoorde \'t ruischen

Des strooms, wiens oeverkant hij zocht, \'t Was de Ebro, die met lieflijk bruisen

Het vruchtbaar land met vruchtbaar vocht. Gelijk een zilvren lint, dooradert.

Hij kende hem, en aan den rand Des strooms genaderd,

Hi-eld Jose stand.

Hij zag, zoo ver zijn oogen tuurden,

-ocr page 193-

jose.

De blanke golven tusschen quot;t groen Der oevers, die zij heilzaam schuurden.

En sierden met een bloemfestoen,

Tot waar hij zich verschool in \'t donker

Ter wederzij; hij zag omhoog,

En met een hemelsch lichtgeflonker Scheen \'t lieflijk maanlicht hem in \'t oog. Hij zocht het weder in den vloed.

En vond ook daar zijn zachten gloed. Nu schokte een denkbeeld hem \'t gemoed! ,Gij zijt dezelfde stroom gebleven,

„Gij, Ebro!quot; - sprak hij in zich-zelt\'— ,Sinds ik uw boorden heb begeven; Nog even trouw aan \'t luchtgewelf,

En aan de landstreek, die uw vocht,

Sinds eeuwen, vruchtbaar maken mocht. Maar ik was anders dan ik werd: \'k Vergat mijn vaderland, mijn hart Werd aan den Hemel ontrouw, en. . .

Toch moet ik wezen die ik ben!

\'k Heb, waar mij \'t grillig noodlot leidde Den strijd met \'t menschelijk geslacht Gevoerd; zoo ver mijn wraakzwaard weidde.

Heb \'k offers aan mijn haat gebracht — Indien ik euvlen heb bedreven....

Ik moest het; — hunner is de schuld, Die mij dien haat in \'t hart gegeven. En nooit een beetre zucht geduld Of aangeprikkeld hebben, — die Mij elke teug vergalden van dit leven. En drongen op dees heillooze aard Alleen te staan, als ik u wederzie;

Alleen, — met velen om mij heen!

Alleen — maar onvervaard;

Alleen — maar met mijn wraak alleen; Alleen — maar met een driftenstoet Tot bondgenooten; onder \'t wapen; — Zóó heb ik \'t menschlijk ras begroet; Het was niet naar mijn hart geschapen; Ik stak \'t de handen toe — \'t verstiet mij. Het hoonde me als niets beters waard; Ik schreef een antwoord met mijn xwaard. Ik werd een duivel — God verliet mij...

Maar werd ik, als een worm, in \'t zand Vertrapt, \'k héb me als een slang gewroken, De wereld naar het hart gestoken.

En wie mij kent, ontziet mijn tand.

Doch hij, die \'t eerst en snoodst den voet

169

-ocr page 194-

jost;.

Bestaan heeft tegen mij te heften,

Dien valschaavd moet miin wraak nog treffen, Hij beve — dien ik tegenspoed ...

Voort trad hij, maar met sneller schreden —

Geen wonder! \'t hart sloeg haastig; \'t bloed Vloot bruisende om door al zijn leden,

En de onrust van \'t ontwaakt gemoed Liet zich gevoelen tot den voet.

Maar weldra; want hij was gewend Zijn hart te sussen, zijn gedachten

Te smoren, \'t denkbeeld der ellend\',

Waarvan hij prooi was, weinig te achten, Üen wilden stroom zijns jammers met Het ijs der onverschilligheid Te dekken; trager werd zijn tred.

En over \'t hol gelaat lag ras De sombre koelheid weer verspreid,

Waardoor het nog geduchter was.

Zoo trad hij voort, tot waar aan d\' overkant Een kloosterstift, der Moeder Gods gewijd,

Zyn muren hief en rondschouwde over \'t land, In achtbaarheid en statige\' ernst. De tijd Bedekte \'t dak met mos, maar had ontzag Voor \'t huis waar God gediend werd, waar men de aard Vergat, in rouw en boete nederlag.

Geen blik, geen wensch, geen hart dan hemelwaart. \'tWas reeds heel nacht; de lieve maan bescheen Het koepeldak van \'t kerkje met haar licht; En \'t blonk gewis, door \'t halve venster heen. Den kuischen rei der nonnen in \'t gezicht.

Die, rein als zij, voor \'t outer neergeknield, Het aardschuw oog ten eigen hemel hield.

Waaraan haar glans Gods almacht in den nacht Doet schittren van geslachte tot geslacht.

Daar rees op eens, in statig koorgezang.

Der nonnen lied tot \'s Heeren hoogen troon,

Gestevigd door den zwellende\' orgelklank,

Nu malsch en mild, dan zwaar en diep van toon. Dat lied weerklonk, en verder dan den muur.

Die haar omsloot, die \'t zongen in dat uur;

Het windje droeg \'t eerbiedig door de vlakte,

En de Ebro nam het huivrende op, en deed Den toon, die op zijn golven nedergleed.

Met nieuwe kracht verrijzen, als gereed \'t Geluid te sterken, daar waar lucht en wind \'t verzwakte; En de echo\'s, uit haar sluimring opgeschoten,

Herhaalden zacht die godgewijde noten,

-ocr page 195-

JOPE.

Tot dat ze, in \'t eind, verstierven in de lucht,

Gelijk een flauw, een zuider windgezucht.

En Jose stond aandachtig stil.

Zijn hart weersprak zijn norschen wil.

Hij kende \'t klooster. Zulke zangen.

Bij zulk een stilte der natuur,

In zulk een huivringwekkend uur.

Zij werden gretig opgevangen.

Door \'t oor, en door \'t verhard gemoed:

Geheel zijn wezen smolt tot hooren,

Op \'t klinken van dien overvloed Van klanken, zoo verruklijk zoet,

Als hadden \'s hemels eigen koren Den godverloofden nonnenstoet Dien zang in \'t hart gegeven, tot Vereering van den Zoon van God,

Die zeker in genade neerziet,

Wanneer het hart, in heilige\' eerbied,

Hem prijst in klanken, rein en schoon.

Maar hij! — die meer dan aardsche toon,

In staat om, door zijn stichtend streelen,

De wonden van het hart te heelen.

Den traan te drogen op de koon,

Voor \'t hart weldadig, als voor \'t branden Der wonden van den armen Jood,

De zalf, niet van den landgenoot.

Maar uit Samaritaansche handen;

Die toon. zoo krachtig, zoo nadrukkelijk,

Verschrikte \'t hart hem, hoe verrukkelijk Hij hem in de ooren klonk als heilig harpgeluid.

Maar lei zijn ziel aan zulke kluisteren.

Dat zij haars ondanks toe moest luisteren,

En toen hij eindlijk zweeg, brak \'t koude zweet hem uit. Zijn aangezicht verviel; zijn trekken

Verloren van hun hardheid, want Iets smartlijks was er in te ontdekken ;

Zijn oog stond doffer, en zijn hand Scheen, toen hij die had opgeheven Naar \'t voorhoofd — maar kon \'t zijn? — te beven. Hij zuchtte diep, en sprak in \'t end: „De ontroering heb ik nooit gekend,

Maar nu — en ik ontveinze \'t niet! —

Ik ben getroffen door dat lïéd.

Ik wenschte \'t klonk nog — neen, ik wilde Ik had het nooit gehoord! \'t Was schoon!

Iets milds, iets zachts was in dien toon,

Dat tot in \'t diepst des boezems trilde!

Maar \'t maakt mij week: dat moet niet zijn!

171

-ocr page 196-

jose,

\'t Voegt andren liarten niet het mijn\': \'t Uoet andrer oog een traan ontschieten: Het mijn was steeds met weenen tvaag, En heeft verleerd één vochtdrop te vergieten. Sinds \'t zwaard, dat \'k in den gordel draag. Zoo menig bloeddrop af zag vlieten.

Dien bliksem volgt geen regenvlaag Van deernis, als de hemel plengt Wanneer zijn bliksem \'t graanveld zengt! In \'t hart, dat onder \'t pantser klopt.

Wordt ras die tranenbron verstopt.

\'k Beu al wat zacht is vreemd geworden; Ik heb \'t als weekheid afgeschud;

Wat was gevoel of deernis nut?

De rozen van mijn reispad dorden; Men scheurde ae af barbaarsch en wreed, En liet mij distien slechts van leed.

Daar heb \'k mij mee op de aard gewroken. Op heel het menschelijk geslacht.

Dat ik verafschuw en veracht;

— Maar toen ook is de band gebroken,

Die me aan den hemel bond weleer....

—--Waarvan mijn moeder had gesproken ..

Ach — had mijn rustloos hart haar weer! Zij mooglijk zou dat hart bekeeren

\'J\'ot hem, aan wien \'t niet denken mag —

Niet gij, schijnheil\'gen! wier beklag Ons slechts in \'t oor klinkt tot verneêren!

Want zrj was ongeveinsd; zij loofde

Een hemel, die slechts rampen zond;

En, toen haar laatste hoop verdoofde,

Was nog de lofzang in haar mond.

Mij docht, daar klonk iets in die tonen.

Dat mij aan haar doet denken — ach!

Moest dus een eenig kind haar loonen.

Dat hij geen loflied meer, met kalmte, hooren ma 0, toen zij, met gebroken oogen.

Het elpen kruisbeeld drukte aan \'t hart. En \'k, bij haar peluw neergebogen.

Haar worstlen zag met dood en smart;

Toen zij de handen naar mij strekte.

En mij — o God! verdiende ik dat?. ... Ik, die mijn vuist met bloed bevlekte,

üw toorn mij over \'t hoofd verwekte.

En U en uwen dienst vergat!

En nu — daar is geen wederkeeren.

Geen rugwaartstreden op dit pad;

-ocr page 197-

joai:.

Nooit — nöüit kergroent het dorre blad; Wie zal er schaduw van begeereu?

^Het valle en zij vertreden. Macht Van aard noch hemel kan mij redden;

Eer, Ebro! wijkt gij van uw bedden,

Dan ik verander. —

Neen! mijn noodlot moet volbracht.

o, Kon ik nog van aard, van zeden Verwisslen als een schaap van vacht,

Op nieuw het menschelijk geslacht.

Doch onherkenbaar, tegentreden!...

Maar immers is mijn lot bepaald?!...

Mijn hart versteenci, mijn hand verstaald,

Mijn bloed vergald — en tot mijn dood Moet ik geducht en vreeslijk wezen, En onverzoenbaar als voordezen ....

Mijn wraak zij, als mijn jammer, groot!

En thans! Ik moet dit oord verlaten.

Hier was ik kind — hier worde ik \'t weer, Zoo ik niet spoedig wederkeer;

De erinring drukt mijn koenheid neer;

Want schoon mij allen hier vergaten,

\'k Vergat niet dat ik hier weleer,--

--Ja, spreek het uit, mijn wrange lippen!

Laat — laat nog eens dat woord ontglippen. Dat list en valschheid uit mijn mond Verbanden als een gif; o, \'k vond Het eenmaal zoet om uit te spreken.

Maar \'t is me een leege klank gebleken.

Die \'t oor bedriegt, het hart verlokt, Het streelt, maar in zijn innigst schokt...,

O, LIEFDE — LIEFDE — tl\'DUwlOOS WOOl\'d !

Gij hebt mijn rust, mijn hoop vermoord; Gij hebt mij hemelvreugd beioofd.

En zelfs de vreugd van de aarde ontroofd; — Wee mijner, dat ik ooit beminde!____

Maar gij waart schoon en goed, Florinde!

Gij waart----gelijk mijn moeder! maar

Ook zóó als \'k, buiten u en haar.

Geen sterflijk mensch op aarde vinde. —

Waar alles huichelt en verraadt.

En niets regeert dan eigenbaat,

Waart gij belangloos, gij alleen.

Gij kondt mij, buiten u niet een,

In tijds voor aarde en hemel bei behouen! Gij wildet, liefste van de vrouwen!

173

-ocr page 198-

jose.

Gij wildet, en gij mocht het? Neen. Men scheidde ons. Ha! men had uw hart Ben ander toegezegd! Die smart Was mij te veel; aan mensohenliefde Geloofde ik niet sinds menig jaar,

Behalve aan de uwe, en die van haar.

Die me (en tot leed!) gebaard had, — maar, Nu zooveel wee mijn boezem griefde.

Begon de twijfling aan Gods liefde:

Want daar \'k, in wrevel en in smart. Van hem mijn hart Had afgekeerd, zoudt gij \'t hem wederbrengen, — Maar Hij, Hij wilde \'t niet gehengen,

Zoo dacht ik, dat \'t verloren ram Ooit tot de kudde wederkwam:

Hij stiet mij weg, toen gij mijn\' ziel Hem toe zoudt wijden; — Hij, Florinde,

Dien ik om uwentwil beminde.

En o.a den wil der beste moeder; \'k viel Gcwisiijk diep — maar hief me één stervling op? God duldde \'t niet — zijn vloek rustte op mijn kop. \'k Ontvlood dit oord en u; en gij Vergat gewis en spoedig mij,

En ik — ik, die met luider stem Aan heel de wereld haat zwoer. Hem. En toch, na zulk een deel van \'t leven,

In woede en dolheid doorgebracht, Hoe wenschte ik tot Hem weer te streven, Zoo \'k mij dat heil nog waardig dacht! Der menschheid kan ik niets vergeven;

Haar moet ik haten tot mijn end, —

Maar \'k wenschte toch in mijn ellend\' Een beter wezen aan te kleven: —

Ik wou met God verzoend zijn.

Doch,

De schoonste wraak verbeidt mij nog. En \'k hou er \'t zwaard reeds toe geheven — Verbeetren kan ik niet, noch wil.quot;

Hij kruiste de armen en zweeg stil.

En zag weer somber voor zich heen. Onwrikbaar als een beeld van steen:

Beeld van Prometheus, door .Tupijn,

Als we in der Grieken faablen lezen,

Zijn roekloosheid ter straf, verwezen Om aan een leed ter prooi te zijn.

Door tijd noch dood gestaakt....

Daar werd zijn schouder aangeraakt, — Hij zag, als uit een droom ontwaakt.

Naar wat hem wekte huivrend om

-ocr page 199-

JOSE.

En, door wat voor hem stond ontzet,

Trad hij terug, van schrik verplet En sidderende en stom.

Het was een wezen, wit en lang;

\'t Was een gestalte, hoog en rank; Het was een wijd en sleepend kleed. Een sluier, die een hoofd bedekte.

Die over arm en midden strekte,

l)ie tot de voeten nedergleed;

Het was een vrouw, wier blanke hand Den sluier opgreep bij den rand. En wegschoof van een aanzicht, schoon — Maar doodsch en marmerbleek van koon, En heenwierp over gitzwart haar. Dat over blanke schoudren gleed,

E]n op dier schittrend elpenbeen Een breede schaduw vallen deed.

En stijf en roerloos stond ze daar.

Alsof zij uit het graf verscheel:;

En zag niet blikken, hol en strak Op hem, die siddrend voor haar stond. En door geen zucht de stilte brak. Zij strekte een hand naar Jose uit;

\'t Was stil omhoog en stil in \'t rond — Maar eensklaps ruischte een zwak geluid, En „Jose!quot; klonk het uit haar mond.

En Jose sidderde; en hij zonk Ineen, en ware neergezegen.

Maar leenende aan een eikentronk,

Hield hij in \'t wank\'len nog zich tegen: Zijn tanden klapperden; zijn hand Trilde als een riethalm in d\'orkaan; Hij voelde hart en polsen slaan.

En al zijn moed vermand.

Maar hij herstelde zich en sprak.

Ofschoon zijn sidd\'ren \'t onderbrak:

,Verrijst gij uit het graf... of leeft gij? Florinde? .....quot;

„Jose, waarom beeft gij?quot; Was \'t antwoord; en zij greep zijn hand En drukte ze aan heur hart, en zag Hem met die stille teerheid aan.

Die alle vrees verbant.

En met dien droeven schemerlach.

Die \'t hart meer aandoet dan een traan. De ontzette Jose voelde \'t slaan.

175

-ocr page 200-

JOSK.

Kn de onrust, die zijn borst deed jagen,

Bedaarde op \'t voelen van zijn slagen;

Maar, schoon hij spreken wou, \'t geluid

Bleef in de keel bekneld;

Hij bracht — zoo was hem \'t hart ontsteld — Wel klanken, maar geen woorden uit:

„Gij ziet mjj weerquot; — zoo sprak ze zacht, „Gij ziet mij weer, na zóóveel tijd;

\'k Heb dezen nacht U hier gewacht.

\'k Ben niet veranderd — als gij zijt.quot;

,Bn wie heeft, Florinde, mijn komst u gemeld?

Geen mensch kent mijn paden, wie heeft ze u voorspeld ? 1

\'k Heb jaren gezworven, maar niemand op aard

Mijn naam, of mijn hart, of mijn afkomst verklaard;

\'k Heb jaren den vloek van den hemel getorst:

Wie voert u terug aan mijn zondige borst?

\'k Heb jaren de wereld in woestheid bestreden:

Wie richt tot een booswicht uw maagdlijke schreden?

Wat zeg ik? — niet Maagdlijk! de schreden der Vrouw,

Met hem, wien ik — hate, vereend door de trouw.quot;

„De hemel, Jose, bracht mij hier.quot;

„Zoo voert hij de duive aan de borst van den gier. Florinde! men sloot mij den hemel. Ik hoop Op hemel noch aarde — het lot hebb\' zijn loop!

Daar leeft op de wereld geen mensch, die mij mint. Gij mooglijk, maar dat is misdadig; ik vind,

Ik zoek in den hemel geen God, die mij hoort,

Want ik heb zijn stem in mijn boezem gesmoord.quot;

„Niet zoo, mijn Jose, God verstiet U nog in uw ellende niet,

Noch ik vergat u. Gij verliet

Dit oord; ik bleef u trouw.

Geen andre ontving mij als zijn vrouw;

\'t Is nog Florinde, die gij ziet.

Die voor uw heil baar rust ten offer brengen zou.

Maar hoor mij aan.... Heb ik u ooit bedrogen?quot;

Een traan ontschoot haar met de vraag, En blonk in \'t oog, en rolde traag Langs \'t bleeke marmer van die koon.

Zoo droef verwelkt — maar nog zoo schoon!

176

-ocr page 201-

josk.

Hij hoorde en zag, en sprak bedaard:

.Neen, wonder op dees trouwlooze aard! k Geloove u; in die minlijke oogen bloort nog die zachte liefde, een beetre wereld waard!quot;

Ze lei haar vinger op zijn mond.

„Zoo hoor mij!quot; sprak ze: „Deze stond Moet van uw verder lot beslissen.

Het was uw moeder, die mij zond.

O, laat haar liefde \'t doel niet missen!

G-e ontstelt een traan ontspringt uw oog?1\' (\'t Was de eerste sedert zeven jaren!)

„Och of haar boodschap u bewoog!quot;

„O, spreek ze ... dat ik weten moos.. — Wat wil zij ? ..

.. .„\'k Zal \'t u al verklaren.

/11 sprak op gistren nacht Mij aan in stille droomen;

it „Florinde,quot; quot; zei ze zacht,

r,.. quot;«Mijn zoon is weergekomen;

amp;i) zult, aan Ebro\'s oeverzoom Hem vinden bij den eikeboom.

Zeg dat de hemel hem vergeeft,

ziin dienst nog toe wil treden, quot;J ln nienschlijk ras geleefd.

Zijn God beleedigd, maar — ik heb voor hem gebeden..

„De goede moeder!quot; riep hij nu;

„Florinde, een Engel spreekt uit u!

Is \'t waar, en zou mij God vergeven kunnen, Mij^ toegang tot zijn dienst vergunnen,

En niet beleedigd zijn, wanneer Ik tot Hem bad, — die hem verstiet? —

Neemt Hij mij aan .... mij?.... Neen; mij niet.\'

Nu sprak de maagd: „Zoo zegt de Heer:

Daar smeerder vreugde voor mijn troon. Wanneer één zondaar zich bekeert tot mijn geboön. Dan als er honderd mij getrouwen Het licht der zaligheid aanschouwen.

O Jose, Jose, twijfel niet!

Bekeer, bekeer ü tot den Heer!

Uw lieve moeder ziet Op u terneder.quot;

-ocr page 202-

JOSE.

„Goede geest!

2oo help mij bidden!quot; — Hij had meer Gezegd, doch kon \'t niet; maar zonk neer

En knielde op de aard,

De vochtige oogen nederwaart,

En de armen om haar leest;

En zoo vaalbleek, dat waar dees stond

Zijn stervensuur geweest.

Geen droever tint zijn dorre wang.

Ontvleesd en kleurloos sinds zoo lang. Had kunnen verven, of\' zijn mond Een blauwer loodkleur geven, dan De lippen dekte van dien man.

\'t Was schoon hem zoo bedwelmd, verrukt, Zoo voor den hemel neergebukt

Te zien, en vaardig tot gebeên.

Met de armen om de heup geslagen

Der maagd, die meer dan sterv\'ling scheen. Want schoon het teeder waas verdween Van \'s levens blijde lentedagen.

En \'t heilloos, schoonverwoestend knagen Des hartzeers haar den blos geroofd, De vuursprank had in \'t oog verdoofd,

Haar had doen welken als een bloesera,

Die voor te brandend zonnelicht.

Of voor te straf een regen zwicht.

Haar leest vermagerd, en haar boezem Doen slinken — zij bleef heerlijk schoon. En nu — die snelle blos van blijdschap op de koon. Die zachte blik ten hemel heen.

Waaruit ze als zeegnende engel scheen Gedaald; die groote traan in \'t oog.

Die zachte handen op den bruingelokten schedel Van die boetvaardig aan haar knieën nederboog, —

Die houding, zoo onschetsbaar edel.

Door reinen hoogmoed op de schoone zegepraal. Die zij den hemel had verworven door haar taal, Verheevner, en \'t gebed dat op haar lippen zweefde, \'t Gaf alles haar iets heerlijks, waar Het beeld van \'t eerste menschenpaar.

Van d\' adem Gods bezield, in leefde.

,o, Groote Hemel! sterk mij nu:

Gij koost me nw werktuig, \'k steun op u!

Op u-alleen, wien \'t soms behaagt

Om, tot volvoering van uw raad.

Een zwakke vrouw of tengre maagd

-ocr page 203-

jose, 179

Te kiezen! 0, dat thans uw kracht In dees mijn zwakheid zij volbracht!quot;

— Zoo sprak ze in stilte, en toen tot hem Met luider stem:

„De G-od, die u genade gaf,

Eischt zich ten zoon een offer af;

De hemel, die de wraak niet duldt,

Vergt afstand van de zondeschuld;

En — O, ik weet dat gij voldoet —

Gij moet u zuivren van het bloed,

Dat aan uw vingren kleeft,

En \'t zwaard, dat in uw schrikbre band Zoo lang meedoogenlnoi gewoed,

En u met bloed beladen heeft,

Ten offer leggen op \'r, altaar Des Heilgen, die uw noofd beschermt.

Dat vonnis valt niet zwaar.

Zoo is \'t dat zich uw God ontfermt.

De God van liefde en heil en zegen:

Hij biedt zijn hemel voor uw degen!quot;

Zoo sprak ze, en raakte met den top Haars vingers aan dien sabelknop;

Maar zoo ter nauwernood en zacht. Als vreemd moest wezen aan een kling. Wie steeds zoo\'n ijzren vuist omving

En zwierde in reuzenkracht, — Als vreemd moest wezen aan een hecht, Dat vaak, in t prangen van \'t gevecht. Gegloeid had in de vuist van een\'.

Wiens woede en kracht ontembaar scheen. Of tusschen tanden was gegrepen,

Die als een yoetklem samennepen, In \'t uiterst van \'t gevaar.

Maar wondre schroom bezielde haar. En afschuw van \'t misdadig staal,

Dat, werktuig van den dood. Zoo gaarn, zoo wreed, zoo menigmaal. Bloed, menschenbloed vergoot. En daarom roerde zij zoo even.

Zoo nauwlijks aan dien sabelknop.

Als of er \'t bloed nog aan kon kleven ....

Maar lag er \'s hemels vloek niet op V En eischte zij, in naam des Heeren,

Dat schuldig zwaard niet af, opdat Het zich ten teeken mocht verkeeren. Dat Jose voortaan God zou eeren.

En met de hel gebroken had!

-ocr page 204-

180 Jose.

Maar Jose hoort, en opgevlogen,

Ontbloot hij \'t lemmer voor haar oogen. Zij sluit ze op dit gezicht,

Met bange siddring dicht,

Terwijl hij \'t vurig tegenblikt,

Met oogen, -waar de woede uit licht, En met een stem, die haar verschrikt: „Florinde!quot; roept hij: „dit \'s mijn zwaard! Maar o, wij scheiden nooit op aard.

Toen elk, toen alles mij verliet.

Verliet dit eerlijk staal mij niet.

Het heeft mij beter dienst gedaan.

Dan wat me ooit dienen kon;

Ik kleef het als mijzelven aan;

\'k Min \'t als mijn oog de zon!

Zoo dit het offer wezen moet.

Waarmee mijn ziel haar euvlen boet.

Zoo is quot;t met mij gedaan,

Eu wacht ik \'s hemels felste straf Op \'t wederspannig voorhoofd af!

Nog is mün wraakzucht niet voldaan; Zij moet zich tegen de Oorzaak wenden Van al mijn lijfs- en zielsellenden!quot;

En spraakloos zag de maagd hem aan. En zonk toen bleekbestorven, smeekend

En weenend neder aan zijn kniên, En sprak zoo roerend, zoo hartbrekend:

„Moet ik u weer verloren zien!

Ach Jose, Jose, zult gij nimmer Ten hemel ingaan? Moet gij immer

De bloedvlek op uw schuldig hoofd Behouden? Hebben zooveel wraken

Het vuor der wraak niiït uitgedoofd? Kunt ge om den hemel niet verzaken, Wat gij der helle hebt beloofd?.... O Jose, zie mijn droeve tranen....

Gedenk uw moeder! Ach, zij meent U \'t smalle hemelpad te banen —

Maar neen, zij vindt uw hart versteend! Godzelf, Hij biedt u zijn genade.

Die gij zoo lang, zoo norsch versmaadde. Nogquot; eens, en gij verstoot ze weer En buigt de ondankbre knie niet neer! Zoo gaat gij nooit ten hemel heen;

Maar u (verschriklijk!) wacht het oord, Waar tandgeknars is en geween... o Zeg, dat gij mijn smeeken hoort.

-ocr page 205-

181

Zeg, dat ge uw ziele niet vermoordt,

Herroep, herroep dat vreeslijk woord,

Wend van uw buigend hoofd de straf

Des hemels af, —

Ach, blik niet zoo verstoord! ....

Laat ons weer knielen in gebeênquot;....

Maar Joses mond sprak: „heen.quot;

„Neenquot; — nogmaals „neenquot; — tot driemaal „neen! Toen smolt Florinde in hopeloos geween:

De smart belette haar te spreken;

Het was gedaan, zij kon niet meer;

Maar snikkend zonk de teedre neer.

Haar tranen stroomende als bij beken.

Zij lag, een beeld van raadloosheid,

Gekromd aan Joses voet.

Gelaat en boezem natbeschreid;

Gezwollen de oogen, rood als bloed.

De zwarte lokken zwierden haar Langs hals en schoudren golvende af; Zoo troostloos smeekend lag ze daar.

Als of ze een droeve boetling waar, ^ Die mindring bad van straf.

Kn toch, \'t was om haar-zelve niet.

Dat zij ten prooi was aan \'t verdriet;

Alleen om hem, dien ze als zich-zelf beminde.

En die, volhardende in de hardheid van zijn lot. Genade weigren bleef van God,

_ Was \'t jamm\'ren van Florinde,

Zij wrong de handen, hief het oog Tot Hem, tot den gestarnden boog Des hemels, als om hulp te smeeken En snikte, en trachtte op nieuw te spreken.

Maar zweeg; gedachte en woord bleef steken,... Ai mij! wat steeg haar lijden hoog.

En hij, die _\'t neen bad uitgesproken.

Hardnekkig bleef en onverwrikt, —

o. Nu hij op Florinde blikt.

Nu voelt hij \'t hart op nieuw gebroken.

Want was het niet een droef gezicht?

Zij, die zoo doodsbleek voor hem ligt.

Zoo nat van tranen, is zij niet Het eenigst wezen, dat op aard Hem met haar liefde niet verliet.

En al zijn liefde waard?

En ... kwam zij niet als bode van Zijn zaalge moeder? Ach, hoe kan

II

I |

li

m

■li:

■ ■?

-ocr page 206-

JOSE.

Hij aarzien? Maar de wrok, de haat,

Sinds zeven jaar in \'t hart gekoesterd,

Bn als een troetelkind gevoedsterd

Wat wordt hij, als hem die verlaat?

Zal hij de dorst naar wraak verzaken.

Nu zij hem \'t hoogst genot belooft. Nu \'t aankomt op diens valschaards hoofd. Die hem tot wien hij was moest maken V Zal hier Florinde hem weerhouden?

\'t Onzeker uitzicht van in deugd,

In rust, en vreedzaam te verouden,

En van aanstaande levensvreugd?....

Vreugd — ? Op een wereld, die geen vreugd heeft, Waar niets hem immer \'t hart verheugd heeft.

Dan — de ijslijkheid der wraak? Die strijd Is schriklijk. 0, \'t zijn oogenblikken,

Waar lichaam beide en ziel in lijdt,

Als driften van den wil beschikken!

Gij al te zaalgen! oordeelt niet.

Wier leven kalm daarhenen vliet,

Wier pad zich langs de rozen wendt,

Die slechts geluk en droomen ziet.

Met d\' ijslijke\' oorlog onbekend,

Die in \'t gemoed Verdelgend woedt.

Een felle koorts door de aadren zendt,

De rede velt, de denkkracht knot.

En omwoelt als een helspook, tot De ziel, in \'t kampen afgemat.

Bezwijkt____Gelukskind, denk u dat.

En oordeel hoe \'t den man verging.

Die in zoo schrikbren twijfel hing!

Zulk kiezen tusschen kwaad en goed

Werkt als verbijstring op \'t gemoed.

Hem was \'t als spleet hem \'t hoofd in tweên.

Zijn tanden klappren tegen een,

Het witte schuim omgeeft zijn mond.

Zijn oogen rollen vreeslijk rond,

En glinstren als twee bliksems; — hoe

Zal hij beslissen? Treedt hij toe,

Toe tot de ontferming Gods? —

Neen, — aarde en hemel! \'t is gedaan,.... Hij rukt zich van Florinde los;

Ziet haar nog eens, en schriklijk aan,

Ontvlucht haar.... en verdwijnt in \'t bosch.

En zij — stort neder met een gil.

Luid, aaklig, pijnlijk-valsch, en schril,

En lipt daar roerloos uitgestrekt, —

-ocr page 207-

JOSE.

Och, werd zij nimmermeer gewekt!

Och dat de dood, uit deernis met De kranke ziel, haar \'fc lijf verplett\'!

Helaas, zij moest rampzalig wezen.

JTlorinde ontwaakte. Maar nadezen Heeft nimmer sterv\'ling eenig woord Van haar vertrokken lip gehoord;

De droeve maagd bleef stom.

\'t Zij dat de schriklijkheid dier nacht \'t Beweeglijk spraaklid had ontkracht,

Ketzij ze \'t droef verhaal vermeed Van wat haar troostloos wezen deed — Zij zweeg; in stille beden sleet Zij al haar dagen en in weenen.

De smart ontvleesde \'t zacht gezicht En bracht de magerte in haar leên; Zij smolt als leutesneeuw voor \'t licht, En kwijnde zacht en langzaam heen; Zij leek een doode, op de aard verschenen; Een enkle nacht had al beur haar Vergrijsd; \'t was die waar Hij in was verdwenen! Zoo leed ze en kwijnde nog een jaar. De tering, ijslijkste aller kwalen.

Heeft voor \'t gezicht een zachten schijn; Zij nadert niet met felle pijn.

Maar foltert langzaam slechts; zij tergt De leefkracht met geen schokken; maar Vermoeit haar, mat haar af; zij vergt Haar offers traag, maar weerloos; zij Betoont geduld en medelij\'

En huichelt met den slag te dralen;

Maar ze eischt haar buit geheel; eerst dan Als \'t offer niets meer lijden kan,

De laatste vezel van \'t bestaan Haar laatste kracht ten prooi geeft aan

Haar beul, is \'t monster welvoldaan.

En mag zijn buit ter aarde dalen.

Zoo ging \'t Florinde. Nog een jaar Behoefde er, om haar gansch te sloepen;

Toen ging \'t herbergzaam graf haar open, En was er vrede en rust voor haar.

En Jose — JoseV — Niemand zag Hem immer weer, bij nacht noch dag, In bosch noch veld, op berg noch dal, In legerkamp noch stedewal.

Had hij zijn levensdraad verkort?

Zich hooploos in den stroom gestort?

Of, in een woeat verborgen oord.

-ocr page 208-

aanteekem.ngen.

Zicli-zelf met eigen hand vermoord? Had hy een vreemde kust gezocht, Dat hi] er \'t leven enden mocht?

Geen sterv\'ling, die hem wederzag Of kondschap wegdroeg van zijn lot Op aarde. Maar, na jaar en dag,

Vond m\', in een Pyreneesche grot, Het lijk eens mans gestrekt op de aard, En voor hem — een üebroken zwaard.

AANTEEKENINGEN.

Bladz. 161. My sister, my sweet sister etc.

d. i. Mijn zuster, lieve zuster, zoo daar reiner

En liever naam bestond, \'t moest de uwe zijn.

Bladz. 169. Maar iverd ik, als een worm, in \'t zand

Vertrapt, \'k heb me als een slang gewroken.

Hier hebben den auteur waarschijnlijk deze regels uit Byeoüs Corsair (Canto I) voor den geest gezweefd:

Yea, strange indeed — that heart hath long been changed. Wormlike \'t was trampled — adderlike avenged.

d. i. Ja, vreemd voorwaar — dat hart veranderde sinds lang, Vertreden als een worm, gewroken als een slang!

184

-ocr page 209-

AAN DEN DICHTER JAN VAN WALBÉ.

AAN DEN DICHTER JAN VAN WALRÉ.

MET MIJN „JOSE.quot;

Den Bard, wiens fiksche zang den geest der Oudheid aamt,

Wiens schittrende avondgloed mijn ochtendgloor beschaamt,

Den Grijsaard, wien de helft eens eeuwkrings immer meerder

Bevestigde in den rang van Dichter, en die fier

Zich mag verheft\'en op zoo menig eerlaurier,

Waar Poëzie zijn kruin mee tooide, \'t zij hij teerder

Of stouter tonen lokte uit altijd zuivre \'lier:

Wat breng_ ik dien voor \'t oog, in d\'opgang van mijn dagen?

Slechts twintigmaal verscheen een nieuwe herfst voor mij;

\'k Werd Jongling, — maar, wat gloed mij \'t jonglingshart doe jagen.

Wat ben ik dan een Kind in \'t vak der Poëzij,

Waarin hij grijs werd\'?... 0 Gij Dichter, zoo bevoorrecht!

De zang is zwak en flauw, dien u mijn stoutheid voorlegt;

Maar — zeg mij — blinkt er niet een vonk van d\' echten gloed

In dees mijn sbheemring, die verdient uw oog te trekken?

En kan dat lichtend punt de donkre nevelvlekken

Verschoonen? — Zeg mij dat — en geef mijn boezem moed.

185

-ocr page 210-

DE MASKERADE.

(9 Februari 1835).

EEN GEDICHT.

L. S.

„1 wrote to please my-self, and 1 publish to please others; and this so universally, that I have not wished for correctness to rob the critic of his censure, or my friend of the laugh.quot;

Edward Moke, Preface to his Fables.

hs75.

Op d\' achtsten was \'t van Februari \'J, dat De Hoogeschool, in \'t zoet en achtbaar Leiden,

Geleerdheids quot;wieg en liefste bakermat, — Als sedert al, die haar bezongen, zeiden —

Die vorstenkroost tot voedsterlingeu had En heeft, — en in wier lofspraak uit te weiden Onnut is, tot vergoeding werd gevest Van oorlogswee en hongersnood en pest.

Men viert dien dag: door vlaggen uit te steken,

Door zoete rust van \'t zoet collegiegaan,

Door in \'t latijn oraties uit te spreken.

Door de eerokroon van goud te schenken aan Wier kennis bovenmatig is gebleken.

Door aan diners en soupers bij te staan.

Door \'t geven van een fraaie serenade,

En nu eu dan eens door een maskerade.

\'t Studentencorps trekt dan, in momgewaad. En voorgelicht door \'t schitt\'ren van flambouwen

Te paard, te voet, en tredende op de maat Van feestmuziek, die nimmer mag verflauwen,

In fleren stoet, des avonds langs de straat.

Zoo\'n optocht is iets prachtigs om te aanschouwen.

Iets grootsch en iets poëtisch inderdaad;

Hij is somtijds verbeven-allegorisch,

En soms (wat mij meer aanstaat) echt-historisch.

Dat was hij nu Maar ach, tot veler spijt, Vermocht men \'t feest op d\' achtsten niet te vieren.

Omdat het op een zondag weinig vlijt,

Gemaskerd langs de straat te loopen zwieren;

-ocr page 211-

DE MASKERADE.

Tenzjj men al wat heilig ia ontwijdt Tot maskers, die \'t onheilig wezen \'siei-en;

Doch daar dit geen studentengeest is, wierd Het schitt\'rend feest den negenden gevierd.

Het werd gevierd. Reeds maanden lang tevoren

Werd, in \'t geheim, een heerlijk plan beraamd;

\'t Kwam nu en dan wel iemand eens ter ooren,

Maar \'t rechte toch wist niemand hoegenaamd,

Dan zij, die, tot Bestuurderen verkoren,

Den optocht — sinds door half Kuroop befaamd — Te leiden hadden, en vervolgens allen,

Wie in den trein een rol te beurt zou vallen.

Heel Holland was nieuwsgierig. Velen gisten

Naar \'t schouwspel, dat aanstaande was; maar \'t spreekt Vanzeive, dat hun conjecturen misten;

Officieel was daar niets uitgeleekt.

Couranten hielden zich alsof zij \'t wisten;

(Dat doen zij meer, mits daar geen kwaad in steekt!) Doch op dit stuk, kon niemand hen vertrouwen,

DAAR DE AFSPRAAK WAS, OM ALLES STIL TE 110UEN.

Couranten echter hadden \'t ditmaal recht;

De hemel weet, door welk een zeldzaam wonder

Zij in de toekomst lazen; maar men zegt,

Daar liep misschien wat van St. Anna onder.

Dat een poëet \'t aanstaande ons openlegt,

Is alledaagsch en niet in \'t minst bijzonder;

Maar dat een courantier — \'t is dunkt mij wel,

Zoo hij \'t verledene ons slechts juist vertell\'.

Thans weet heel \'t land, en kan de vreemd\'ling weten,

Wat de optocht der Studenten heeft vertoond;

Hij die het zag zal \'t nimmermeer vergeten.

En ik beklaag die \'t niet heeft bijgewoond;

Maar \'k zing voor hem — zoo hij mijn stout vernieten.

Mijn ruwen stijl en menig gril verschoont,

En \'t mij naar lijf, ziel, maat, rijm, alles welga, —

UW INTOCHT, FERDINAND EN ISABELLA! \')

,Noemt, Muzen! Gij, die op d\'Olympus leeft,

„Die alles weet en me alles meê wilt deelen —

Want ik weet niets dan \'t geen de faam mij heeft „ erteld. en wacht alleen op uw bevelen —

,.Wat helden al naar Troje zijn gestreefd;

„Want hadde ik ook tien tongen en tien kelen.

187

-ocr page 212-

DE MASKERiDB.

„Een koopren long, en onvermoeid geluid,

„Ik hield gewis zoo lang een lijst niet uit.

„Maai-, godlijk kroost van d\'Oppersten der goden!

„\'t Gaat alles wel, zoo gij mij slechts dicteert...quot; Zoo zong homeer; \'k heb de eigen hulp van nooden,

Maar \'t is vergeefs, zoo haar mijn hart begeert: Door \'t Negental wierd zij mij nooit geboden.

En \'k heb ook steeds dien troep genegligeerd, Zoodat ik gansch niet wel sta bij de Mouaai O/.vunia (nog nu ?) óuj^iar ê/ouaai.

Ook weet ik niet hoe gij er over denkt,

Die de Ilias des dichters hebt gelezen,

En \'t tweede Boek \') voor uw erinring wenkt. Of opslaat — doch dat zal niet noodig wezen, —

Maar \'t geen hij ons daar te doorworstlen schenkt, (Gij fronst en dreigt, maar \'k zeg het zonder vreezen) Kwam me altijd voor als iets, o! zeer klassieks,

Iets zeer langs, zeer vervelends, en toch Griekseh

Hij schreef die lijst, als sommigen beweren,

Om aadlijke families in het rond,

Door \'t noemen van hun vaadren, te flatteeren;

Maar andren weer vertellen mij, hij stond Met iemand, die bij \'t commentariëeren

Zijn brood, zijn roem, en \'t heil zijns levens vond, In afspraak, als er zooveel omgehaald werd —

Maar ik geloof dat hij bij \'t blad betaald werd.

En hiermee stap ik van homerus af.

Wiens naam ik steeds eerbiedig uit zal spreken. Omdat hy \'t eerst der wereld \'t voorbeeld gaf De dingen in \'t poëtisch pak te steken.

Had hij het niet gedaan, al klinkt het laf, Wij spraken nog steeds proza, dat \'s gebleken;

Geen bildekdijk had ooit bij ons bestaan,

Was hem geen Griek in \'t dichten voorgegaan.

\') Van Vs. 401—877.

\'2) Dat de Auteur, in dezen groven wansmaak aan den dag legt, zullen de drie argumenten, waarmee eknesïi de voortreffelijkheid der Boeotia bewijst, duidelijk in liet licht stellen: „In hoe Gatalogo, saeculorum id omnium laudem imprimis „meruit, quod seriem Geographicam, ab ipso etiam Virgilio neglectam, secutus sit „Homerus. — — Deinde, Homerus omnes, quos In Catalogo numerat, etiam pug-

^nantes, vel prospera vel sinistra forte, commemorat--Denique — Homero

„plerique vitio verterunt illud ^/nsP.aivai vrje; ainovroquot; in hoc Catalogo totidem „verbis saepius repetitum — — suo tamen In loco neque haec Ipsa repetitio .arte caret.quot;

Nooi ran den zetter, die ten oeleebde

188

-ocr page 213-

DE MASKERADE.

Wa,nt alles komt — dit zeggen zij die \'t weten —

Van Griekenland en Rome; ja, misschien,

Had geen van ons een grein genie bezeten,

Was niet de kunst aan de Ouden afgezien; Wij zouden nauwlijks zien, gaan, drinken, eten

Of slapen kunnen, zonder hen; en wien Dit vreemd klinkt of onbillijk, ach ! dien zouden Wij voor zeer dom of — zeer romantisch houden.

O Eomantisme! O woord van afschuw, schrik En aakligheid! O geest van kwaad en zonde!

Hoe beeft en trilt en flauwt, elk oogenblik, De Schutsgodin van Hollands Letterkonde,

_Als__zij uw naam hoort, en ik noem u, ik?

Gij, gij vergalt haar elke levensstonde!

\'t Is wreed van u, dat gij een sloof zoo goed, Zoo trouw, en zoo eenvoudig bang zijn doet.

Dan, tot mijn taak! want ik moet voortgang maken;

Gij houdt daarvan. — O, mijn verbeelding ziet Dien optocht nog den tour van Leiden maken;

Indien hij zich maar half beschrijven liet.

Die helft reeds deed u \'t hart van geestdrift blaken.

Als men den stoet zag naadren in \'t verschiet, Zag men in \'t eerst slechts — zegewagens, paarden. Banieren, pluimen, maar vooral ook baarden.

Wel was \'t iets schoons, in tijden zoo verwijfd. Dat trotsch verschiet van zooveel ruige kinnen, Vooral voor hem, wien \'t nog ten regel blijft, In mannen al wat manlijk is te minnen.

Die nooit den spot met \'s hemels gaven drijft! Den vreemdeling verrukte \'t hart en zinnen;

Voor die van Leiden was \'t effect gering,

Omdat men daar reeds lang met knevels ging.

\'k Heb evenwel van goederhand vernomen.

Dat menig maagd in de achtbre Sleutelstad Niet naliet van den schoonen baard te droomen.

Die torque ma de \') zich gekozen had.

Ook is er mij geen enkle voorgekomen.

Zoo breed, zoo lang, zoo donker, en zoo glad. Des Bisschops baard was ook wel de aandacht waard Maar die was grijs, en dames! dat \'s onaardig.

Sans hadiner! — Van Ruitren voorgegaan.

Toog statiglijk de stoet voorbij mijn woning;

De Groot-Inquisiteur.

-ocr page 214-

190 1gt;E MASKÜRADE.

Een drietal van Herauten trok vooraan,

Geleid door hun ontzagbren Wapenkoning \'),

Groot, forsch gebouwd, en prachtig aangedaan. Dat viertal gaf een manlijke vertooning;

\'t Herriep het beeld dier reuzen, op wier tred Het aardrijk dreunde in \'t rond bij iedren schred ;),

Hen volgde een stoet Boogscbuttren, en een Wagen

Die de eertropee des Zegevierders droeg,

In wapens, uit des vijands hand geslagen,

In vanen, wier beschermers men verjoeg,

In tulbands en in helmen, eens gedragen

Door Bassa\'s, maar wier benden men versloeg, In menig schild en menig veldbeei\'steeken.

Waarop de Halve Maan uit schaamte scheen te bleeken,

Teutonische Orde! een flere ridderstoet Uit u trok voort, en hield het zwaard getrokken;

Hjj droeg als merk, dat u herkennen doet, \'t Gegat.gde kküis 1) op witte wapenrokken;

Hem volgden, ook befaamd door deugd en moed. Van uitzicht woest, van houding onverschrokken. De Riddren van Sint Jan, wier zwart gewaad Het witte krtjïs van MAijTHA blinken laat.

Maar wie is hij, wiens helmpluim hooger zwiert, Die ridder, fier op \'t fier genet geheven?

Zijn leden zijn in ijzer gepantsierd.

Zijn slapen zijn van glanzend staal omgeven.

En \'t blank rapier, door ijzren hand bestierd.

Blinkt in \'t gevest, uit smijdig goud gedreven;

Het schild, dat hem zijn schildknaap nadraagt, telt Vier roode balken 2) op een zilvren veld.

Het is de roem van Spanjes strijdbre Grooten;

\'t Is Don gonzales de Cordova ; de eer Van die ooit zwaard voor \'s Konings zaak ontblootten.

Zoo als hij daar, in volle wapenweer.

Zich toont aan \'t hoofd der eedle strijdgenooten.

Op \'t moedig ros, dat roem draagt op zjjn heer, Schijnt hij in zich het toonbeeld om te dragen Van de ijzren kracht der middeleeuwsche dagen.

En naast hem rijdt op \'t hupplend staatsieros, Een held, wel waard die eerplaats te bekleeden.

1

) Croix poiencée.

2

*) Fasces.

-ocr page 215-

HE MASKKRADK.

Thans blinkt hij niet in stalen oorlogsdos,

Maar zijde en goud siert koninklijk zijn leden;

Een fulpen muts met rooden vederbod Bedekt hem \'t hoofd; ten schouder afgegleden, Golft om zijn leest de mantel van sa bij-:, Van binnen rijk aan vorstlyk hermelijn.

\'t Gedeelde ^ schild zal u zijn naam verhalen:

De paarse Leeuw van \'t strijdbaar, kloek Leon, Zien we overeinde in \'t maagdlijk zilver pralen;

Een kelen rand 5) met menig écusson 1)

Omgeeft een veld, van zeven gouden palen 2)

Doorstreept, maar zelf van eveneensch blason, Dat wapen doet, door schitterende teekenen. Den rang van pokce de i.eon berekenen.

Hij scheen een beeld van middeleeuwsche pracht. Van d\'eedlen zwier dier ridderlijke dagen,

Toen sierlijkheid vereenigd was met kracht. En zonder die niet kon, niet mocht behagen;

Toen de adeldom, door krijgsdeugd aangebracht, Op \'t schild, maar ook in \'t harte werd gedragen. En elk op nieuw bewijzen moest in \'t veld, Hoe hoog door hem zijn afkomst werd gesteld.

Men scheldt steeds op der Middeleeuwen nacht; \'t Is waar, Euroop lag in een nacht verzonken. Die afschuw baart aan ons verlicht geslacht;

Maar \'t was een nacht, waarin de starren blonken

Van riddereer en heldenmoed en kracht.

Die \'t duister met hun schoonen glans beschonken; Zij gingen wel niet onder aan den trans.

Maar zijn verbleekt voor onzen zonneglans.

Daar waren toen geen kunstnaars, geen geleerden.

Geen schrijvren en geen dichtren bij de vleet, Maar mannen, die zich manlijk \'t lijf verweerden. En in wier vuist het zwaard zich gelden deed; Geen reednaars, die als zieners redeneerden,

Maar helden, trouw aan koning, eer, en eed; En waar een troubadour de harp bespeelde. Hij zong den strijd, waarin hij zelf ook deelde.

Niet hij stond best bij \'t vrouwelijk geslacht. Die geestigst sprak, die rijkst of netst gekleed was:

191

1

\') Daar zgn er 8, en wel azuren.

2

) Pales.

-ocr page 216-

de jiaskeradt;.

Die \'t leven voor een jonkvrouw had veracht. In \'t weidsch tornooi om haar ten kamp gereed was, Van \'t leeuwenperk haar handschoen wederbracht,

Haar trouw zou zijn, gelijk hy \'t aan zijn eed was.

Dien schonk zij graag heur hand, heur min, heur trouw, En wist wat arm van staal haar schutten zou.

Wat roemen we ons beschaven, ons verfijnen,

Alsof bij ons \'t geluk ten zetel klom —

En zien niet hoe we in weeklijkheid verkwijnen.

Als offers van te vroeg een ouderdom!

Ons licht mag slechts een dwergenvolk beschijnen:

Een HERKULEs ging in dat duister om,

Een fiere reus, wiens machtig wonderplegen Ons babblen en scribleeren op kan wegen.

Doch gaan wij voort. Nu volgde \'t Vorstlijk Paar. Fernando was in purpren zaal gezeten;

Het zwart fluweel was op zijn donker haar Met sluierdoek omwonden, en een keten

Hing op zijn borst, van edelsteenen zwaar;

Men zag die door des staatsie-mantels reten. Het prachtgewaad, waarin hij was gehuld. Was vorstlijk rood, en aan den zoom verguld.

O, \'t is een schoone, een prachtige vertooning.

Waarbij de ziel zich koninklijk verheft.

Die aanblik van een zegevierend koning,

Die al zijn macht en majesteit beseft;

Wiens blik u zegt; „Ziet of ik de eer der kroning TMij waardig maakte, en welk een heil u treft;

„Ziet me aan en maakt mij plaats, mijn onderdanen! „Ik ben uw vorst, en breng u zegevanen.quot;

En aan zijn zij\' reed de eedle Koningin.

Een lichtblauw kleed paste om haar slanke leden,

Een gouden kroon sloot gouden lokken in,

Bji \'t sluiergaas, dat afhing naar beneden;

Een kostbre kant plooide om haar hals en kin;

Haar telle scheen voorzichtig voort te treden.

Maar schudde, op haar berijdster billijk trotsch, Op \'t edel hoofd den bonten vederbos.

En voor hen uit woei, golvende in den hoogen,

Op zilvren feld de Leeuw van \'t fier Leon;

Het gouden slot met blauwe vensterbogen,

Kastieljes vaan, op helder rood Mason;

En \'t gulden veld, met Palen overtogen

-ocr page 217-

de maskekaue.

Van vorstljjk keel \'), banier van Arragon;

En de edelliên, die zoo reel edels torsten,

Verhieven met hun vaandelen hun borsten.

En achter hen reed de uitgebreide stoet Van wat in \'t land aanzienlijkst en verheven

Gerekend werd, door rang en aadlijk bloed1); De stegt;auen, die de koningskroon mugeven,

En die haar glans verhoogen door hun gloed. De Infant was aan hun hoofd met \'s Konings neven. Fluweel en zijde en keur van kostbaarheên,

Blonk op hun kruin en wemelde om kun leên.

Het Opperhoofd der Heilige Inquisitie 2J,

Volgde in een koets met trapplend viergespan. Daar zat hij in gemaklij ke positie.

Als zeker toekomt aan een heilig man;

En heilig ook of niet, een monnik kiest die

Bij voorkeur uit, wat ik niet laken kan;

Hij was in \'t zwart ■\'), en droeg in beide handen Het Kruis — dat hem tot foltren noopte en branden

En in een tweede en kostbre staatsiekoets,

Wier hemel van satijn ook \'t Kruis vertoonde. Zat hij, in wien het merk des rooden hoeds Don Kardinaalr\') deed kennen. Naast hem troonde ^ Op \'t kussendons, iu vrede des gemoeds, Een grijsaard, wien de bisschopsmijter kroonde, Met stool, ring, staf en witgebaarde kin: De Biechtvaar was \'t der schoone Koningin 15).

Nu volgde, niet met neergebukten hoofde,

Maar als een vorst, niet buigend voor de gril Van \'t lot, en schoon men hem zijn rijk ontroofde,

Zoo trotsoh als zijn verwinnaar, boabdil 3); De Koning van Grenada, die geloofde ^ Dat daar geen macht zoo groot was als zijn wil, En dat zijn arm de trotsche maanbanieren, \'

Hoe ook verneerd, weer zou doen zegevieren.

Hij droeg de fijnstgebloemde sjaal, die ooit Met oostersmaak ten tulband was gevouwen.

1

) De G ran des.

2

) Thomas de Torqucmade, Groot Inquisiteur.

3

) Abou Abdallah Muhammed, genaamd Boabdil as-Schakl.

-ocr page 218-

DE MASKERADE.

Met gouden franje en gouden pluim getooid,

En met het merk van Mahomeds getrouwen.

Een sneeuwwit kleed was om zijn leên geplooid; Een Turksch-geel buis van zij\' met halve mouwen Bedekte hem de schoudren, en zijn voet Omschoeiden halve laarzen, rood als bloed.

Gepluimd was \'t hoofd zijns paards, en roede teugels

Bestierden \'t, wijl een ruige tiigerhuid Den rug bedekte; in kostbre gulden beugels

Hief zich de vorst nog trotsch op; maar \'t was uit Met zijn gezag; een rukwind brak de vleugels

Des aadlaars. en hij viel zijns vijands buit.

Schoon niets zijn moed, zijn fierheid deed verflauwen, Hij was geboeid, wat baatten hem zijn klauwen?

En aan zijn zij\' reed yousef, de Vizier \'),

Niet minder dan de koning, wiens bevelen

Hij volgde, in houding, pracht en kleederzwier, En uitgerust als die in alle deelen.

Gewis een andre mucius had hier Den staatsman voor den koning kunnen kelen.

Indien hij op niets anders lette dan Den opschik en den hoogmoed van den man ï).

En achter den gevallen Koning reden

Zijn Grooten, mede in schitterende pracht, —

Naar oosterwijs, niet knellende om de leden,

Maar in hun ruime en bonte kleederdracht;

Meest rood, wit, of sinopel. Toen, als heden,

Was bij den Turk het laatste \'t meest geacht. Aan gordelen van \'t fijnst Marocco-leder Hing aan hun zij\' de kromme sabel neder.

\'k Bemin dien dos van \'t kroost van Mahomed;

\'k Bemin de pracht en \'t snit van hun gewaden,

Wier losse zwier \'t bewegen niet belet;

\'k Hoor gaarne van de weelde daar ze in baden.

En hoe zij haar, en baard, en kleedren met Parfumen en odeuren overladen;

En, zonder Turksch te wezen, mag ik wel Een divan naar \'t oorspronklijk Turksch model.

Hun rooken en hun wijnhaat uitgezonderd,

Moet hun dieet, dunkt mij, zoo kwaad niet zijn;

M Youseiquot; Ben Tomelscha, Groot-Vizier.

-) Ibi (c. mucius) quiim — scriba cum rege sedens, pari fere ornatu — :tnulta ageret, tlmens sciscitari, uter Porsenna esset, ne ignorando regem semet ipse aperiret, quis esset, quo temere traxit fortuna facinus, scribam pro rege obtruncat.

Li vu Historiarum L. II. C. 12.

194

-ocr page 219-

DE MASKKUADK.

\'k Stond dikwijls van hun billijkheid verwonderd,

Die groot is in romans — men zie cottin \');

Leest ge er van een, die duchtig moordt en plondert,

Hij zal, voor \'t eind van \'t boek, naar allen schijn, Zoo gastvrij en zoo strikt rechtvaardig wezen,

Dat gij \'t bedrijf eens Christens meent te lezen.

\'k Bemin vooral die mensohen om \'t verschil, Dat fcussohen hen en ons bestaat in zeden.

En laak des Sultans Mammouts dwaze gril, Ons Franken op ons voetspoor na te treden -).

Ik houd wel van oorspronklijkheid, en wil Bij ieder volk zjjn eigenaardigheden Bewaard zien, en vooral daar waar zich die Vertoonen met een zeekre poëzie.

En \'k hoop daarom den tijd nooit te beleven,

Dat ieder Konstantinopolitaan Zich \'t uiterlijk eens dandy\'s zal gaan geven,

En tulband, baard, en ruim gewaad versmaan. Om met de rest de Pranschen na te streven,

En stijf en frac naar de opera te gaan.

Om, met een air llasé, daar neer te zitten.

En niets te zien, maar alles te bevitten.

En evenmin lacht mij het denkbeeld aan, Dat eenmaal nog, in \'t land des Grooten Heeren,

Geheel \'t serail zal ten concerte gaan.

Geregen in Parijsche modekleêren.

Alleen om daar toilettes ga te slaan,

Halfluid te fluistren en te coquetteeren,

En tot elkaar te zeggen op het lest:

„Een lief concert, maar sontag zong niet best.quot;

Doch keeren wij tot d\'optocht. — Laat ons zien — ja!

Twee Spaansche Christenhelden volgden thans; Een hunner3) was Don gusman de medina;

Gij kent de daad des dappren oorlogsmans — In Spanje was geen legerhoofd, vóór mina

Der kroon zóó trouw, noch ergens beter lans: —

Toen aan één woord het leven van zijn zoon hing. Sprak hij: „Het bloed weegt minder dan de koningquot;1).

\') Malhildc, Memoires tirées de l\'histoire des Croisades, par Madame cottin.

-) Zie Haarl. Courant vau Donderd. 26 Februari 1835.

^ De andere was Don Alonzo de Aqullar.

) „Mas pesa el rey que la sang re,quot; was woordelijk het gezegde van Don Gus-man de Medina Sldonla (sedert zijn devies), toen hij, door zijn vorst te verraden, bet leven van zijnen zoon redden kon. De auteur heeft het in een vrij lammen^ slecht rijmenden regel, zeer verminkt wedergegeven.

195

-ocr page 220-

de maskerade.

Toen volgden er Gezanten van \'t gewest,

Waar uwe ea mijne vaadren thuisbehoorden,

Van \'t vrij Venetiaajnsch gemeenebest,

Van Teems, van Po, en van de Seine-boorden.

Schoon meer dan overschaduwd door de rest, Xag dus mijn oog ook mannen van het Noorden. Zij wandelden te voet. Venetiaan!

Gij waart het rijkst en prachtigst aangedaan.

Grootmeestren van drie orden reden daarna,

Met hun gevolg van riddren (maar te voet). Voorbij. Eerst was het die van Alcantara,

Wien \'t LELiEKEUis uit andren kennen doet; En achter hem kwam die van Calatrava \'),

Die \'t eigen merk, op \'t ridderlijk gemoed Vertoonde, maar behangen met een keten.

Opdat hij zich af hanklijk zoude weten 1).

En eindelijk San Jago\'s riddrenstoet.

\'t Koraalrood zwaard, aan gouden snoer gehangen. Praalt op hun borst, geblaakt van oorlogsmoed. Het opschrift taont hun heftig strijdverlangen:

„Dit zwaard is rood van onzer vaadren bloedquot; quot;j! Doch \'t zou geen hart met siddering bevangen, Voegde elke trek huns wezens daar niet bij: „Wij zijn gereed dat bloed te wreken, wij.quot;

Vier Imans, met hun opperpriester, traden Toen voort; hen hulde een open opperkleed.

196

1

) D« ridders van Alcantara droegen op de borst een rood kruis, aan de vier uiteinden met leliën gesierd (Croix jieur-de-liséé); die van Calatrava hadden hetzelfde, maar met blauwe hand-boeien uitgemonsterd, ten teeken van de afhankelijkheid hunner orde van die van Alcantara. {Cantonnée aux deux cantons de la pointe de deux menotes d\'azur.)

s) De ridders van de Orde van San Jago de Compostella droegen aan een gouden keten een rood zwaard op de borst, met het opschrift: Rubet ensis sanguine avum.

-ocr page 221-

de m.vskehadk. 19

Waaronder \'t wit der lange sleepgewaden

Bedekt bleef tot de knieën; grievend leed Werd door \'t gebogen hoofd bij hen verraden.

Een edel viertal Moorsche riddren reed Daar achter, en vertoonde met veel gratie Zijn vlugheid in de kunst der equitatie.

Onze optocht loopt ten einde; want de \'-est Bestond nog slechts uit vier verscheiden benden;

Abencerrages, Zegri\'s, en op \'t lest Weer Spaanschen, die een piek ten hemel wendden,

En Ruiteren, in staal pantsier geprest,

Die \'t breede zwaard zich gespten om de lenden.

En de eiken speer, beslagen en gewet,

Omvingen met een ijzren gantelet.

Ziedaar voor u den ganschen trein beschreven.

Ik heb gezien hoe juist hij was; gij ziet Hoe telkens mij het denkbeeld heeft begeven,

Dat \'k een Vermomming huldigde in mijn lied. Ook was men zóó der waarheid trouw gebleven.

Dat de optocht, eens in werklijkheid geschied,

Niets fraaiers had dan deze maskerade.

\'t Verschil lag — tusschen Leiden en Grenade.

Denk aan \'t klimaat, bij voorbeeld! Wel beschouwd, Hoe patriotsch wij anders denken mogen.

Tenzij men dol van vai-iatie houd\',

Is daar by ons niet machtig op te bogen.

\'t Is somtijds heet, schaarsch zacht, meest waterkoud, En altijd zweeft ons vlaag of bui voor oogen, — En hebben we eens gestadig weer in \'t land, Wij zetten \'t als een wonder in de krant.

En water.... O! mijn VVaterlandgenooten!

Wat hebben wij al vochts bijeengezien,

In dit gewest van meren, vaarten, sloten.

Waar lucht noch aarde droog is! Bovendien, Hoe dikwijls hebt ge u schenen niet gestooten

(Als ik zoo vaak) aan emmers; goede liên!

En zijn wel ooit uw straten zonder plassen,

Hetzij \'t dan komt van \'t reegnen of van \'t wasschen?

Zij waren \'t ook dien avond niet. De regen

Doorweekte heel dien dag geheel de straat;

En toen de stoet te paarde was gestegen.

Stoof hagel hun en jachtsneeuw in \'t gelaat.

-ocr page 222-

i™ MASKEnABE.

Gij voelt hoe frisch \'t hun viel op \'s heeren wegen,

In zulk een weer, in Spaansch en Moorsoh gewaad, Terwijl men schier tot de enkels toe door \'t slgk; gmg. Denk nu aan Spanje, en maak uw vergelijking.

0 Spanje! Spanje! Schoon, romantisch land! G ij vruchtbaartste oord vaa \'t zwoel en imnRaam zuiden

Die, uren ver van uw verrukk\'lijk strand.

De zeelucht, met de geuren uwer kruiden

Welriekend maakt! \'k zal u niet zingen., want De taal moest zoet, en zoet als de uwe, luiden,

Waarin de lof van uw bekoorbren grond,

De zoetheid van uw dalen werd verkond.

Bekoorlijk oord, waar de citroenen bloeien, De oranjestruik zijn geuren walmen doet.

Geen dubbele oogst den akker kan vermoeien,

Waar balsemlucht aan \'t blijgestemd gemoed De levensvreugd in d\' adem toe doet vloeien.

En weelde schept in \'t sneller vlietend bioed.

Waar \'t hart ontsluit, als in uw schoone dalen De rozen, in den gloed der zonnestralen!

Zacht westersch land, van oostervuur bedeeld.

Waar \'t schoonste schoon van alle hemelstreken

Zich samenmengt en door elkander speelt, Om \'t paradijs als naar de kroon te steken.

Hupsch basterdkind, in weeldrigheid geteeld, Git teederheid en hartstocht! — o, ik reken \'t Uw lieflijkst schoon, dat gij op \'t fier gelaat TJws vaders drift, uw moeders mm verraadt.

De zonnebrand, die hersens drukt en longen En \'t veldgewas doet sterven in zijn jeugd.

Gematigd door zefieren, die verjongen,

Is \'t tipaansch klimaat, dat borst en hart verheugt. De wraakzucht van den Muzelman, bedwongen

Door riddergeest, schiep Spanjes oorlogsdeugd; De woestheid van den Ismaliet, bestreden Door Spaanschen trots, ziedaar de Spaansche zeden.

Maar \'t lieflijkst nog vermengt zich West en Ooüt, Spanje! in uw taal en in uw teedre schoonen.

Zij hebben \'t oog en \'t fier gelaat van \'t kroost Van Ismael, maar op haar malsche koonen

Is elke trek wat zachter nagebootst.

En o! de taal van die uw grond bewonen, —

-ocr page 223-

DE MASKERADK.

De zoete stem van \'i vrouwlijk Italiaansoh, Vermanlijkt door Arabisch, yormde \'t Spaanseb \').

Doch \'k liet mij hier te zeer, te lang verrukken.

\'k Beken mijn schuld. Maar menig weet als ik, Hoe zwaar het valt den dichtlust te onderdrukken;

Vooral in een weldadig oogenblik,

Als \'t reedlijk wol met maat en rijm wil lukken.

Ook was ik met mij-zelven in mijn schik,

Dat ik zoo zoet van Spanje wist te praten.

Die nooit „het erf der vaadrenquot; heb verlaten.

Thans keer ik my weer langzaam tot mijn taak. \'k Weet niet waarom ik haast zou maken, vrinden 1 \'k Ben goed op gang, vind in mijn werk vermaak. En heb mij aan papier noch plan te binden.

Zoo lang ik dus nog lust heb in de zaak,

Zult gij mij mild met episoden vinden,

En maak ik u, tot uw verdriet, wellicht Een honderdduizendstaozenlang gedicht.

In de eerste plaats wil ik u nu verhalen,

Wat stad de kroon van Spanjes steden spant. De pronk is \'t Andalusië! uwer dalen,

De bloem, de roem, de luister van het land!

Het is — gij raadt het reeds en kunt niet falen —

Sevilla, met dien bloemrijk\' oeverkant.

„Quien,quot; zegt men, „no ha visto a Sevilla,quot;

Die zegge niet: ,\'k zag ooit a maraviUa

Maar op Sevilla volgt Grenada, dat.

Indien er twee Sevilla\'s wezen konden.

Het tweede 74jn zou, volgens hugo :\'), wat Ik graag geloof, schoon byron \') heeft bevonden

Dat Cadix eindloos meerder schoonheên had; — Och, of ik eens naar Spanje werd gezonden, Om onderzoek te doen in loco, wie Van beiden beter smaak had, deze of die.

1) Mocht Charles-Quint zijn lief in de armen zinken,

Hij sprak tot haar in smeltend Italiaansch; Hij converseerde in \'t Engelsch met zijn vinken.

En met zijn paard In \'t brommend Moffrlkaansch; Deê \'t veinzend Fransch op de audiëntie klinken;

Maar bad tot God in \'t krachtig, statig Spaanseb. Die goede keus van talen doet ons wenschen :

Koos elke Vorst met dat verstand zijn menscbenl ■) Quien no ha visto a Sevilla, d. i. Die Sevilla nooit bekeek,

No ha visto a maravilla. Zag nooit iets dat wonder leek. 3) Zio Orient ales, XXXI.

Zie Childh Harold, C. I. Don Juan, C. I.

199

-ocr page 224-

\'200 igt;e maskerade.

Doch hugo\'s uitspraak komt hier best te stade;

Hij zegt\'): ,Grenade is Spanjes eêlste schat,

,Veel zoeter klinkt uit haar de zoete serenade;

„Met riiker kleuren zijn haar woningen bespat;

.Natuur lei \'t schoonste voor de voeten van Grenade;

,En zomeravonds, als de zegenrijke stad „Haar maagdenstoet verdeelt door haar bebloemde dalen, „Verbiedt het koeltje zich uit eerbied aam te halen.

„Zij was het die de Alhambra lang bezat,quot;

(En tot den dag van heden blijft bezitten)

„Meer talrijk zijn de wondren, die ze omvat,

„Dan in de vrucht, wier naam zij draagt, de pitten;

„En schoon zij steeds veel mededingsters had,

„Geen jaloezie weet iets op haar te vitten;

„Elk biedt haar graag den palm des voorrangs aan.quot; — En laat ons nu een blik op Leiden slaan.

O, \'k acht de stad der hupsche Leidenaren,

Zoo als zij door haar singels ligt omvat,

En door \'t kordon van nijvre hengelaren.

Zij zijn terecht op d\' eer der Breêstraat prat;

\'k Heb vaak met lust hun dierbren Rijn bevaren;

Schoon \'k zeggen moet, dat \'k daar steeds tegenhad, Dat zij dien stroom, in \'t statig zeewaartstreven. Den schurkennaara van Galgewater geven.

En Leiden heeft vermaardheid: bovenal Door \'t zwaar beleg, zoo manlijk doorgedreven;

Door hoogeschool, kaas, burcht en lakenhal,

Door \'t springen van het Kruitschip in \'t jaar Zeven,

En van \'t Fontein op d\' eersten Mei; maar zal Het daarom ons een helder denkbeeld geven

Van \'t schoon Grenade? Ach! als ik \'t zeggen moet, — Doch zwijgen wij! — door Leiden trok de stoet.

Hem volgde een tweede, die zoowel als de eerste

Geleid werd door een muzikantenschaar;

Maar Spaansch noch Moorsch; want in \'t bijzonder heerschte

Geen volk er bij: \'t was alles door elkaai\'.

Maar elk, die hier een rol had, was om _\'t zeerste

Door vreemd gewaad opmerklijk en misbaar.

Zoo trok men voort, woest, dartel, vroolijk, kluchtig, Braveerend, lachend, spottend, en luidruchtig.

Een eerste troep reed op een kar, en scheen Het corps der Faculteiten voor te stellen;

*) Siet eens wat versche scheelt van eens verkooclite spijsI Huygens, KorenbL. 2 Dl. bi. 771.

-ocr page 225-

de maskerade.

ïhans niet in \'t blank gewaad der goden — neen, Voor deze maal gehuld in duivel vellen.

\'t Waarom behoort tot de onbegrijplijkheên,

Waarmee \'k mijn hoofd niet nutteloos wil kwellen, — Ik zeg u slechts, \'t was aaklig om te zien,

Die horens, en die nagels bovendien!....

Ook leiden was vermanlijkt op dien wagen.

In \'t zwart gewaad met Sleutels overzaaid,

Scheen hij op \'t hoofd een soort van hoed te dragen,

Maar met een pluim van vreemd fatsoen \') verfraaid, Die de eerbre stad verbeeldde; \'k zou haast vragen

Wat wind hem zulk een veer had toegewaaid\':1Ook mocht hij hier het wapentuig niet missen. Dat leidens kroost ten schrik maakt aller — visschen.

Pierrot zat op den bok. Nu, die persoon Is u bekend door \'t Italiaansch theater;

Gij kent zijn wit gewaad, nog witter koon.

En tragen gang; geen luier knecht bestaat er;

Maar ook niet een komt zuurder aan zijn loon;

Want AKLEQUiN, zijn lieve meester, slaat er Geweldig op; uit aardigheid, \'t is waar!

Desniettemin de sukkel voelt het maar.

Die meester, in \'t veelkleurig pak verstoken.

lieed nu te paard op een van \'t tweespan, dat Den_wagen trok waarvan ik heb gesproken;

Zijn kamerknecht polioinello zat Op^ \'t andre, en dit ging van dien last gedoken,

En bijna zou \'t mij niet verwondren, had Hij \'t goede dier de ruggegraat gebroken;

Want zie, het droeg den kamerknecht niet slechts. Maar ook het tweetal bochels daar annex.

£n Arlequin, dat heertje Losvanzinnen,

Steeg, \'k zeg te niin, neen — danste telkens af. Den trein in \'t rond, en alle deuren binnen;

Zijn vrijbrief was gewaad en tooverstaf;

Hij wist den lof der schoonen zich te winnen.

Door \'t aanzien dat zijn lenigheid hem gaf.

Door gratie van beweging en posities,

En door \'t piquante van zijn apparities.

Ook wierp hij haar wel menig lonkje toe.

201

Door \'t halfzwart mom, hoe nauw dan ook van gaten. Wist menig vers, en menig billet-doux.

1

) Een Lert.shoorn.

-ocr page 226-

DE MASKKHADH.

In handen, die hij \'t waardig dacht, te laten. En werd zijn rol noch zijn beleei\'dheên moê. Ook hadden hem de hooge potentaten ües wagens, van een aanbevelingsbrief )

Voorzien, in \'t Fransch gesteld2) en „ijshjk hel.

Trompetgeschal verhief zich. Waar van daan? Een chart., at an kwam zwetsende aangereden. En bood de hulp van zijn geleerdheid aan Elk, die gebrand, gekorven of gesneden,

Ge__wat niet al? wou zijn; om kort te gaan,

Genezing zocht, of wien een van zijn leden Verveelde. Maar, gij goden\', hoort gij datr... Een Charlatan in de Academiestad!

Een derde rijtuig nadert, vol van heeren

Met zorg gekleed; een enkle droeg een keurs, ^ En elk van hen zijn ,beste en hooghtijdtkleeren;

Had daar slechts iemand hunner iets gescheurds Of kaals aan \'t lijf gehad, \'k had durven zweren,

Dat \'k een paskwil op de Amsterdamsche Beurs Te zien kreeg — maar, hoe had ik mij bedrogen! Hier had ik het tafreel eens hals voor oogen.

Ook zag ik duid\'lijk, toen het naderkwam. Een wezen (ach slechts één!) in vrouwenrokken.

Het scheen een maagd; één ongelukkig lam. Verdwaald, en prooi van meer dan twintig bokken;

Een\' lelie in het doornenbosch; ik nam Deel in haar lot, en heb \'t mij aangetrokken; Zij was met elk der cavaliers des bals Geëngageerd voor meer dan eene wals.

O streelt, als zij ten bal in feestdosch gaan zal,

Dit denkbeeld meest der Schoone zacht gemoed, Hoe zij omringd van heur aanbidders staan zal. En door hun oog zich smachtend zien begroet; Die zege wordt wat lastig, als hun aantal

Haar nauwlijks tot zichzelve komen doet...

Maar nimmer hebt ge zulk een bal gezien . — u. Dan waart ge in zeokre stad nooit op t Lasino.

•\') Lettre de Eeoommanaatton Pour le Sleur Arlequino, son valet de cliambre Pollcinelle, et son coiffeur Pierrot, s\'étant propose de faire voyage aux petltes malsons.

-) Echt Dnlvelseli, volgens bilderduk :

Verfoeilijk I\'ranscb, alleen den Duivel waard,

Die, met uw aapgegrijns, zleh meester maakt van de aarl. \' (Krekelzangen.)

202

-ocr page 227-

de maskerade.

Nu volgde een vierde wagen, om \'t contrast, Met Schoonen slechts beladen, slechts met Schoonen:

Door één, een enklen ridder opgepast.

Wat, dunkt u, moest dit schouwspel ons vertoonen V Een trouw taafreel, gemaald naar \'t leven, was \'t Van \'t schoon Concert \'), door de eedle Pallas-zonen, Van tijd tot tijd gegeven in de stad.

En altijd hoog, maar nooit genoeg geschat.

Verrukkende! Gij, die met klanken toovert,

\'t Gevoelig hart van wellust hupplen doet,

Deu weerzin des hardnekkigsten verovert,

En machtig heerscht op hartstocht en gemoed, — Ook uw altaar wordt liefelijk omlooverd

Door hen, wie hier het brood der kennis voedt; \'t Studentencorps zoo roemrijk door \'t studeeren,

Is al zoo zeer befaamd door \'t musiceeren.

Blijf steeds bestaan, Vereeniging van al Wat Toonkunst mint, en ijvrig blijft betrachten!

Bloei onder ons in Leidens stillen wal.

Wees onze lust en die der nageslachten! —

Geen tweedracht brenge u immermeer ten val.

Maar ieder .jaar vermeerdre nog uw krachten!

Bevestig en verheerlijk uwen naam:

Neem immer toe in ijver, kunst en faam!

Doch gaan wij voort! In staatsie rondgedragen.

Een paranimf ter rechte- en linker-poot,

Vertoonde zich thans, op een vijfden wagen.

Een ezel, die de schitt\'rende eer genoot Tot Doctor zich, met roem, te zien geslagen.

Zijn nuchterheid en flegma waren groot.

Mij scheen hij de allerdomste toe der kudden;

Hoe had hij ooit een nego kunnen schudden?

Nu volgde er een minister, rijk omhangen

Met ridderlint en kruisen; en hij krooi... ?

Een gans ; men had geen arend kunnen vangen.

Dat edel dier is anders wel zoo mooi;

Maar \'tstrijdt — zoo gaat de spraak — met zijn verlangen.

Zijn vleuglen steeds te houden in de plooi;quot;

Ook zweeft hij liefst niet laag bij de aard — zijn trachten Is naar omhoog, en slechts door eigen krachten.

Door eigen kracht, — door eigen kracht! Hoe schoon! Op eigen wiek, naar eigen doel te streven,

\') Invitatie-Concert van Sempre Creseondo.

208

-ocr page 228-

DE MASKERADE.

Zich-zelf genoeg, en niet verplicht vertoon Van needrigheid te doen, met vrees en beven!

Geen gunst te erkennen, dan de gunst der goon! Hoe zoet, hoe onafhanklijk, hoe verheven!

Kan rang of schat zich meten met die eer ? — Doch keeren wij tot onzen optocht weer!

Die optocht werd besloten door twee heeren.

Gezeten in een rijtuig naar den trant;

Zü moesten voor Studenten figureeren,

Die (daar Apol den boog niet altijd spant)

Door vreugde, wijn, tabak en geldverteren. ^

Zich zoeken te behoeden voor „het land,quot;

En naar die zoete en zaalge stemming trachten, Die taaie dagen geeft, na lange-nachten.

Plechtstatig was \'t begin des treins geweest, En kluchtig was en dwaas \'t besluit, mijn vrinden!

Zoo gaat het in dees lage wereld meest,

En die haar kent, zal daar niets vreemds in vinden.

De dwaasheid volgt de wijsheid wel \'t gereedst, Kn somtijds laten beiden zich verbinden.

En vaak neemt de een het kleed der andre aan. Om in dien schijn te zekerder te gaan.

Maar dwaast is hij, die zich gelijk wil blijven,

Wien dwaasheid nooit tot lachen dwingen kon. Wiens rimpelen zij nimmer mocht verdrijven,

Alleen — omdat hij een* daarmee begon.

Doch wachten we ons wijsgeerig te gaan schrijven;

\'t Werd gekker, zoo \'k in tijds mij niet bezon, — Wij zullen dus dien toon weer laten varen,

En u en mij \'t leed der verveling sparen.

Ik eindig dus. \'k Had eerst nog al gedacht Mijn dichtstuk tot een ronde honderd stancen Te rekken, maar \'t is laat na middernacht. En \'t schrift begint my voor \'t gezicht te dansen;

Ook hebt gij reeds te lang naar \'t eind gesmacht; Ook spreidt mijn lamp gedurig flauwer glansen; Ook heb ik vaak, en gij nog meer misschien ... Wij scheiden dus — Vaarwel! Tot wederzien!

Dese boeck danckt, met reverentie Den discreten leser voor syn patiëntie.

Vaernewyck.

-ocr page 229-

KUSER.

EEN VERHAAL.

Fye;

Your sword upon a woman?

Shakspebe, Othello.

IBI \'

AAN MIJN VRIEND J. P. HASEBROEK.

Indien mijn zorg de plant, die opwast in mijn gaarde,

Niet voor het oog verbergt van een nieuwsgierige aarde,

Maar ze aan de schaduw, die ze ontluiken zag, ontscheurt,

Opdat de volle dag heur blaadren moog bestralen.

En ieder, die den blik slechts laag genoeg doet dalen,

Moog zien wat verf haar bloesems kleurt;

■ I

Indien mijn Muze \'t eenzaam woud van haar gepeinzen Verlaat, en aan \'t gewoel der rustlooze aard zich waagt.

Zich in de menigt\' mengt, die nooit haar heeft behaagd.

En zonder voor dier koel gelaat terug te deinzen; quot;quot;

Zoo zij haar sombren toon doet hooren in \'t gedrang.

En, midden in \'t geraas der veelverscheiden kreten Van wie, als zij, het recht van spreken zich vermeten,

Gehoor durft vordren voor haar zang:

Het is niet, dat de drift naar eer mijn hart doet blaken.

Niet dat de zucht mij kwelt om mij befaamd te maken,

Niet dat de star des roems mij toeblinkt in \'t verschiet.

Niet dat mij \'t uitzicht streelt op palm of lauwerblaren;

Want, wie zij immer meer dan dorre loovren waren,

\'k Geloof in hun verkwikking niet.

Neen, roemzucht is geen zucht der zielen aangeboren; :

Maar als wat ooit het hart een hemel had beloofd.

Als \'t vuur van jeugd en liefde en hoop is uitgedoofd,

Dan schijnt zij uit dier asch en sintels op te gloren;

Dan is \'t geen zachte gloed, die borst en hart verkwikt.

Maar onverzaadbre brand, die alles wil verschroeien,

En van een koortsig vuur de slapen dwingt te gloeien.

Waarom de glorie kransen schikt.

Een blijder tooisel voegt mijn een en twintig jaren!

Reik, vriendschap! reik me uw kroon van frissche klimopblaren,

Die \'t fronsend voorhoofd, dat ge omringt, verheldren doet;

En gij, die al de smart, die ooit een Dichter griefde Vergoeden kunt, ontbloei me, o zachte roos der liefde!

Ontbloei me, eer ik verwelken moet!

-ocr page 230-

206 KUSE1U

Ja! mocht mijn sombre toon een vrouwlijk hart verrukken, Eenvoudig, teeder, zacht en zuivrer dan het miin\';

Of konde ik (wat triomf kan dichterlijker zijn?)

Den trots der schoonheid voor de macht der kunst doen hukken!

Vermocht mijn poëzie te heerschen op \'t gemoed Van een\', wier rijke ziel eens dichters grootheid eerde,

Hem \'t kloppend hart ontsloot, wien ze in zijn zang waardeerde. Ontgloeid door wat hem gloeien doet!....

Zie daar het eenigst loon den echten zanger waardig!

O men bezondige aan zijn rust zich niet lichtvaardig.

En strooi hem bloemen, strooi hem loovren op zijn pad! Hij vraagt de\' mirtekrans, — uw lauwren zijn hem doornen? Verdiend of onverdiend, uw lofspraak doet hem toornen; Hij eischt geluk, en geeft zij dat?

Maar hooploos zoo mijn kunst naar zulk een loon durft trachten, Vermetel zoo mijn trots zoo hoog ooit op dorst zien;

Genoeg indien mijn zang toegevendheid verdien\',

Maar dwaas indien ik ooit zoo groot een heil dorst washten!

Dies heeft mijn harte tot de vriendschap zich gekeerd.

Dies wacht ik énkel van haar minzaam welbehagen Mijn loon, en \'t is mijn trots haar klimopkrans te dragen,

Dien ik te schatten heb geleerd.

O 6ij, aan wien mij \'t lot, de kunst en \'t hart verbinden, Gij, \'die op ieder blad den vriend zult wedervinden.

Wiens goed en kwaad gij kent, wiens doel gij raadt en zucht, Wiens hoofd ik veel, wiens hart ik meerder ben verschuldigd, U zij hetgeen mijn kunst hier voortbracht toegehuldigd. Gij kent den wortel, neem de vrucht!

Gij weet het wat het zegt, bezielende gedachten \'Te huwen aan het kroost, dat uw verbeelding schept.

Tot dat ge u met haar teelt geheel vermaagschapt hebt, En ze om u leven ziet in de eenzaamheid der nachten;

Wat lust het is, uw liefde en afschuw, vreugde en pijn, Uw neiging en gevoel — niet ijdel te bezingen.

Maar in hun volle kracht aan wezens op te dringen.

Waar gij de schepper van moogt zijn.

Gij weet het wat het zegt, den zuivren klank te hooren Door eigen vingergreep uit eigen snaar geboren.

Te drijven op een stroom van eigen melodij;

Wat \'t zegt, gedachten, die uw boezem zwoegen deden, Met kracht van taal en van welluidendheid te omkleeden. En weet het wat dit zegt voor mij!

Gij hebt mijn tonen lief, alsof zij de uwe waren;

quot;Gij mint \'mijn zangen als den zanger; want gij hoort

-ocr page 231-

KÜSEK.

Zijn stemming, zijn gevoel, in ieder havpaklioord;

Zijn ziel spreekt tot u in het trillen van zijn snaren.

Dies zij mijn kunstloos lied u toegewijd. Aanvaard! Bewonder \'t niet, — uw lof zou mij hoogmoedig maken; Maar wilt gij mijner ziel een rein genot doen smaken. Zeg dan; ,\'t is onzer vriendschap waard!quot;

ICUSER.

Waardeert gij wel dat dichterlijk seizoen,

Wanneer de zon met rooder glansen straalt.

Een somber bruin het blij en helder groen

Vervangt, en de aarde in \'t kleed des najaars praalt?

De feestdos niet, die jeugd en lente hult.

Noch de opschik, dien natuur des zomers duldt.

Wanneer \'t haar lust met ieder dageraad

Te pronken in een prachtiger gewaad, —

De mantel is \'t der breede staatlijkheid,

Dien de achtbre herfst haar om den schouder spreidt.

Ja, de achtbre herfst. Het is geen blonde maagd.

Wier rozenmond den lach der blijdschap draagt,

Wier voorhoofd jeugd en helderheid vertoont,

En in wier borst slechts vreugde en lielde woont,

Wier blijde lonk een blijder hymne vraagt.

Wier enkle blik de somberheid verjaagt.

Die niets gedoogt dan vreugde, vrede, en min;

Het is geen trotsche en machtige vorstin.

Wier blik gebiedt, wier voorste vinger dwingt.

Die, als zij bloost, slechts bloost van ongeduld,

Die eerbied vraagt voor \'t purper, dat haar hult.

En voor \'t juweel, dat haar den slaap omringt;

Het is een man, eerwaardig, statig, schoon,

Wiens fier gelaat den tintelblos der jeugd

Verloochent met den glimlach van de vreugd.

Van schedel hoog en reeds verbruind van koon.

Welsprekend zijn zijn trekken, en indien

Zijn voorhoofd menig rimpel u doet zien,

\'t Is manlijke ernst, geen ouderdom of leed,

Wat in dat hoofd die diepe voren sneed.

Daar is een stille, een eiïen majesteit,

Die over hem een kalmen glans verspreidt;

Iets geheimzinnigs en verhevens, dat

Van hooger spreekt dan aardsch verstand bevat;

Iets heerlijks en iets machtigs, dat de geest

Niet navorscht, maar als iets ontzaglijks vreest.

Die hem vereert, komt, als hij nadertreedt.

Hem niet voor \'t oog met zang of jubelkreet,

-ocr page 232-

EÜSKR.

Maar wacht, hem op met stille huivring, bleek Van eerbied, als weleer aan Kedrons beek,

De kinderen van Isrel hun profeet.

Daar hij versoheen in \'t harig opperkleed,

Terwijl de Geest des Heeren zijn gelaat Deed blinken van der godspraak dageraad.

En is zij niet een godspraak, de natuur?

Een stemme des Almachtigen aan de aard,

Profetisch boek, waarin zich God verklaart.

Waarin zijn naam met letteren van vuur Geschreven staat, en waar de vrome geest Met diep ontzag zijn wondermacht in leest; _ Dat, schoon vervuld van raadslen. Hem gebiedt Te aanbidden in de erkent\'nis van zijn niet: Orakelwoord, dat ons Gods liefde onthult.

En \'t hart met troost, geloof, en hoop vervult?

Daar zijn, helaas! daar zijn er ziende blind,

En hoorend doof, wien de open boekrol niet

Ter harte gaat, wien \'t woord,_ dat de aard gescidedt,

Voorbijgaat als een ijle lentewind.

Maar o! ik ken, wie aarde en hemel spreken.

Wie alles woord en spiegel is en teeken,

Wier teeder hart van alles d\' indruk voelt.

Die gissen wat eens Scheppers werk bedoelt;

Wie lente en herfst doet lijden en genieten;

Voor wie geen straal vergeefs door \'t loof zal schieten.

Geen schaduw vruchtloos spelen over \'t mos.

Geen vogelstem om niet weerklinkt door \'t bosch;

Maar die \'t geheim van klanken, tonen, vormen.

Der schaüw, van \'t licht, der stilte, en des geluids

Verstaan; wie \'t dof geklaag der najaarsstormen

Beteeknis heeft als \'t lente-bladgesuis;

Voor wie des voorjaars zachte groenschakeering

Een zin heeft als \'t veelkleurig herfstbruin; die,

Met \'t wisslen der natuur in harmonie.

Gevoelig zijn voor iedere ommekeering.

En aan haar borst vertroosting zoeken van

Al wat op aard de zielen grieven kan;

Die zeggen, met het oog op haar geslagen:

„De menschen zijn mismaakt, misdadig, boos;

Gij, voorwerp van des Heeren welbehagen,

Zijt rein en goed en nimmer liefdeloos.

Gij blijft volmaakt, ten spijt van al hun woeden,

Als toen één woord u uit den baaierd riep:

Verhaal ons van den Machtigen en Goeden,

Die onverminkt in stand houdt wat Hij schiep!quot;

-ocr page 233-

KTTSEH.

Het was een late, een ■warme najaarsdag, Als somtijds wel het hart verkwikken mag.

Vóór nog de lucht, in ongestuiraigheid.

Ons op de kou des winters voorbereidt. Een onweersbui had aarde en lucht verfrischt. En de enkle wolk, die \'s morgens aan don trans Gezien was. werd in \'t avonduur gemist; Het zonlicht praalde in onbetwisten glans In \'t westen; \'t wierp zijn rood en vloeibaar goud Door \'t breed plantsoen van \'t statig Haagsche wou Het speelde met de schim der blaadren: \'t gleed Langs \'t bonte mos, der stammen opperkleed; \'t Stortte over \'t gras zijn heldre stropen uit; \'t Verbruinde hoog het helder, \'t glanzig geel Der najaarsbloem, zich wiegende op haar steel. En smoorde in \'t loof\' van \'t hooggeschoten kruid, Dat, of \'t den plicht der dankbaarheid verstond. Zijn geuren rijk en mild ten hemel zond.

Maar hij, die ginds in \'t donker loofpriëel

Ter nederzit, geniet hij dit tooneel?

Verstaat hij d\' ernst en \'t grootsche van dit uur,

En slaat hij acht op \'t wezen der natuur?

Of is hij een, wiens onverschilligheid

Zich \'t zoete van haar omgang h.;eH outzeid?

Verliest zijn ziel zich hier in mijmring? Heeft

Zijn hart behoefte aan meer dan de aarde geeffcV

Of zit hij neer en denkt niet in of naV...

— Mij dunkt, hij slaat de regendropplen ga, Die aan den tak, waarop hij de oogen richt, Gezevenkleurd door \'t op hen brekend licht, Nog hangen, en wier zacht en helder nat. Een oogenblik vertoeft op ieder blad,

Tot dat de drop, steeds meer en meer bezwaard, Moet vallen, en ternederspat op de aard.

— De^ beuzelaar! .... Stil! Schort uw oordeel op; Zijn ziel houdt zich niet bezig met dien drop;

Maar als het hart het volst is, als de geest Zich meest vermoeit en inspant, als hij meest Verdiept is in gepeinzen, wier gewicht

Geheel zijn aandacht vergt, dan geeft hij vaak Aan \'t lichaam een geringe beuzeltaak.

Iets dat de hand tewerkstelt of \'t gezicht;

Zoodat de ziel, door \'t lichaam ongekrenkt,

Alleen en onafhanklijk voelt en denkt.

Zie zijn gelaat, en zeg! getuigt het van Een kleine ziel, een minbeduidend man?

\'t Is bleek en dor, en iedre trek drukt smart

-ocr page 234-

210 KTJ8ER.

Of ernst uit, spreekt van een gebroken hart,

Of van een ziel, die, voor die leest te groot.

Dat lichaam veel doet lijden. Dat gelaat

Draagt treurig \'t merk van wien een vroege dood

Is voorbestemd; een diepe rimpel gaat

Van d\'eenen slaap tot d\'andren, en het is

Als drukte daar een wolk van duisternis

Zijn hoog en edel voorhoofd; in zijn blik

Is iets ontrustend droevigs, dat meer schrik

Dan deernis wekt; een fletse glimlach zweeft

Hem om de bleeke lippen, maar hij geeft

Geen uitdruk van genoegen aan een mond.

Waarmee geen denkbeeld zelfs van vreugd bestond.

Het is de lach van iemand, die zijn lot,

Hoe treurig, in gewaande rust bespot,

Van een, die zoo gewend is aan \'t verdriet,

Dat hij het met een lach in de oogen ziet,

Maar met een lach, aan vreugde en kalmte vreemd,

Die van de smart het smartlijkste overneemt.

Zijn houding heeft iets ernstigs, en hü leunt

Zich aan den stam des booms, en ondersteunt

Zijn schedel met de handpalm; \'t blonde haar

Valt op zijn borst in lokken, lang en zwaar.

Zoo stil, zoo onbeweeglijk zit hij daar;

Daar is in hem iets zoo noodlottigs, dat

Wie hem met aandacht gageslagen had.

Van hem gewis zou tuigen als van een

Die in zijn jeugd reeds meer dan grijsaard scheen,

Wieii wis een wreede kanker knaagde aan t hart.

Een zoon van \'t leed, een broeder van de smart.

Maar tevens was daar in zijn houding iet.

Dat onderwerping, geen geduld verried,

Iets krachtigs en iets manlijks, dat zijn leed

Weersprak en zich als meerder gelden deed.

Wie is hij? Hij is edelman, en noemt

Zich Kuser. Naam en stam zijn onberoemd.

Hy was aan \'t hof van Hollands Graaf l) verknocht,

Maar nauwlijks daar bekend; de jongling zocht

Geen vriendschap, geen bekendheid; hij volbracht

Zijn plicht getrouw, en meer werd niet gewacht.

Hij was een vreemd verschijnsel aan een hof,

Waar vreugde en dwaasheio. heerschten; maar hij trof

Er de aandacht schaars; hij nam behoorlijk deel

Aan alles wat gebeurde, en sprak niet veel;

Zijn somber uitzicht en zijn stroefheid deed

\') Graaf Albrecht, die, daar hij ook Hertog van Beieren was, beurtelings Gr a en Hertog werd genoemd.

-ocr page 235-

KFBVR.

Hem mijden door degenen die hij meed.

Hjj minde de eenzaamheid, maar zonder dat Hij vrees of afschuw voor de menschen had;

Want wie hem opzocht, wie hem toesprak, vond Geen norschheid, zelfs geen wrevel in zijn mond, Geen blijk van ongeduld, als hij verraadt.

Die \'t menschdom niet vertrouwt, of werklijk haat. Beminlijk was hij, enkel heuschheid, steeds Tot dienst bereid; en op dien grond bewees Men hem een graad van achting, en ontzag Zijn somberheid, verdroeg zijn bleek gelaat. En spaarde hem dat spottend hoongelach,

Waar de ijdelheid den ernst mee gadeslaat.

Soms zat hij aan bij feesteh. Dan verliet Hem vaak, zoo \'t scheen, de nevel van \'t verdriet; Dan brak zijn geest den tooverkring van smart Rondom hem, en ontspande zich zijn hart;

Dan nam hij deel aan \'t schaatren van de vreugd. Met al het vuur, de dronkenschap der jeugd;

Ja, dan ontstak een purpren blosje vaak Zijn altijd bleeke en ingevallen kaak;

Dan vloog zijn oog verwilderd om en rond; Dan week de jok, de scherts niet van zijn mond; Maar razend was zijn vreugd en woest zijn lach. En bitterheid zijn luim; en d\'andren dag Vond elk een dubble wolk van somberheid Op \'t uitgeput en dof gelaat verspreid.

Zoo dekken zwarte dampen een vulkaan.

Die gistren vuur en vlammen op deed gaan.

Dit zag men; dit werd opgemerkt; maar geen

Vermoeide zich met gissingen te smeên

Naar de oorzaak van een toestand die, zoo \'t scheen.

Den jpngling heimlijk ondermijnde. Ja,

Men sloeg hem soms een poos nieuwsgierig ga.

Men sprak soms van den sombre, die zijn jeugd

Das doorbracht zonder blijdschap, zondei- vreugd;

Maar niemand wilde, of niemand dorst bestaan.

Een dieper blik in zijn gemoed te slaan, —

En mooglijk was op zijn gelaat te lezen,

Hoe vruchteloos dat onderzoek zou wezen.

Eens had men hem omzichtig uitgehoord,

Of mooglijk een verborgen kwaal hem sloopte —

„Een kwaal!quot; de jongling glimlachte op dat woord,

Als een die \'t niet geloofde, maar het hoopte;

En sedert was geen poging meer gedaan.

Om wat hem kwelde en mijmren deed te raan.

De Graaf? Hij had om eemg dienstbetoon,

Hem door den vader aangedaan, den zoon

-ocr page 236-

KTTSFU.

Zijn breedcn kling van eedlen in doen treên,

En sinds den dag dat hij aan quot;t hof verscheen Een enkle maal hem gunstig afgevraagd;

rBevindt ge u wel, Heer Kuser?quot; of: „Behaagt ,U \'t hof?quot; en \'t wederwoord was telken keer Bevestigend geweest; wat wil men meer?....

Of mocht men van Graaf Albrecht vergen dat Hij kennen zou wie hij bevoorrecht had?

Maar wat kon \'t zijn, dat in don bloei van \'t leven Een jongling zulk een lot ten prooi kon geven;

Betreurde hij een doode? Dat verdriet Is zachter en vereischt dien zielsstrijd niet.

Noch \'t zelfbedwang dat zijn gelaat verried.

Die droefheid heeft iets kalms: zij treurt alleen; Men draagt die smart met zuchten en geween,

Niet met een rimplig voorhoofd en met blikken,

Wier wilde vlam de harten doet verschrikken;

Tenzij het hart, door ongeloof verstrikt,

Den \'dood met toorn en hooploos tegenblikt.

Maar Kuser scheen godsdienstig — o! wellicht Was hij een stugge dweper, die het vleesch Wou tuchtigen, die voor het hard gericht Der vroomheid, wat er kwaads in hem verrees Bestrafte, in strenge boete en zelfverzaking Zich scherpe doornen zaaiend tot volmaking!

Maar waarom dan én hoofsch én aardsch gedruisch Niet ras geruild voor kloostercel of kluis? —

Neen, eer weervoer hem \'t leed van een, wiens hart Aan droomen beeft geloofd en schriklük werd Bedrogen; van wiens liefderijk gemoed Ken wereld zich beloofd bad, braaf en goed;

Van wie met liefde, trouw, belangloosheid.

En edelmoed zich zalig had gevleid;

Maar voor wiens hart, aan \'s mensclien boosheên vreemd,

Die wereld straks een andre houding neemt;

Die meer en meer, waar hij zijn blikken slaat,

Slechts laagheid ziet en welberekend kwaad.

Vermomd belang en schaamteloos verraad.

Ziedaar, ziedaar de rampen van de jeugd!

Men noemt haar steeds des levens rozentijd.

Den dageraad der hoop, \'t seizoen der vreugd:

Voor wie gevoelt is ze een gestage strijd.

Waarbij zijn liefde in \'t ijslijk kampperk treedt

Met wat de valsche wereld wijsheid heet;

Waar zij aan d\' adel van zijn ziel \'t geweld

Van eigenbaat en laagheid tegenstelt;

Waarin zijn jeugdige ijver voor het goede

Ten kamp met haar veroude koelheid streeft,

-ocr page 237-

KUSEU.

Tot dat de ziel, het eeuwig worstlen moede, Het veld verlaat en ha.ai- de zege geeft.

Daar zijn er die reeds vroeg den schedel liukken; Daar ziin er die ten uiterst weerstand biên,

Wier vuist zich nooit de wapens laat ontrukken, Vóór zii zich kracht- en hoop- en weerloos zien; Maar allen, die den zwaren strijd beginnen, Verliezen er hun zuiverheid van hart,

Of laten er den boozen worm der smart.

De gifte slang van haat en wrevel binnen.

Tenzij hun ziel zich vroeg ten hemel keer\', God dienen en zoo de aard vergeten leer\'. — Was dit het lot van Kuser? — hield hij licht Nog vast aan wat hij zich had toegedicht? Gevoelde hij, op dees noodlottige aard,

Zieh-zelf misplaatst en beter wereld waard? Was hij, zijn eigen meerderheid gewis, Een standbeeld, dat te groot was voor zijn nis. Dat breken moest, niet krimpen kon, indien Men ter bestemder plaats \'t gesteld wou zien? Of had wellicht die schrikbre ramp der jeugd. Die \'t helder lichtje uitblaast van de vreugd. De bloemen van gezondheid, hoop en lust Doet welken, en den zegen weert der rust, Ook hem \'t geluk te wreed ontnomen? Griefde Hem \'t moordend leed van onvergolden liefde? Of voedde zich in \'s jonglings fier gemoed De kanker van de schande met zijn bloed? Of schreeuwde hem de booze wraak aan \'t oor, Kn liet hem rust noch levensvreugde vóór Hij aan heur bloedig\' eisch gehoorzaamd had? Of volgde hem de wroeging, waar hij trad? Verweet hij zich een woeste misdaad? Schaamde Hij zich zijn schuld, zijn boosheid? Of beraamde Zijn ziel ondanks zich-zelve een opzet, dat Haar moeite kostte, en huivren deed, en schokte. En afschuw baarde .... en niettemin verlokte ?

Maar wat er op zijns harten bodem lag.

Hij dacht er aan op dien Septemberdag;

Hij dacht er aan te midden dier natuur,

In \'t plechtig van dat najaarsavonduur.

Zijn (wat het waar) leed, wroeging, haat, of smart.

Woog thans hem met verdubbeld wicht op \'t hart.

Hij bleef verdiept in mijmring, en hoewel

Elk denkbeeld tbltring was en pijn, hij spaarde

Er zich niet één, geen enkel, maar vergaarde

De brandstof\' om zich tot zijn eigen hel.

Daar werd zijn oor een vrouwenstem gewnar.

-ocr page 238-

KDSEB.

Die spottend uprak: „Zie onzen droomer daar!quot; En \'t was aJs of bij \'t hooren van die stem, Een nieuw, een ander leven keerde in hem;

Het was als had een booze tooverkraeht Tot nog toe hem bezworen, die dat woord Weer ophief; want zooras hij \'t had gehoord Verrees hij uit zijn mijmring; \'t scheen als bracht Het op zijn wang een zweem van roodheid voort; Hij beet zich op de lip, totdat zij bloedde, — Van smart misschien, waarschijnlijker van woede! Hij zag niet op tot wie dus spotte, maar Hij wendde \'t aanzicht af en vlood van daar.

Doch, weinig schreden verder, zag hij om.

En mat een oog. waarin een traandrop glom,

Wierp hij, wie dus zijn mijmring had gestoord Een vuurblik na in plaats van wederwoord.

Blonk in dien traan een stil maar droef verwijt? Of was \'t een drop van overkropten spijt?

O zeker! want als \'t hart zich bezighoudt Met wat het als zijn hoogst belang beschouwt, Wat is er dan meer sarrend dan die toon Van spotternij, dan \'t lachen van den hoon! In \'t oog, dat nooit van weemoed weenen kon, Ontspringt aldus somtijds een volle bron Van tranen, die \'t verteren, en wier gloed De razernij in \'t br^in ontvlammen doet.

ALEIDE.

Kn wie is zij, die \'t woord gesproken had, Dat Kusers oog van zulk rampzalig nat Deed schittren, als \'t haar nazag op haar pad? Het is een vrouw, bevallig, jong, en schoon; Een maagd beminlijk en bemind; de kroon Van haar geslacht; de schoonste waterbloem Van Hollands week moeras; het is de roem Van \'t aadlijk huis te Poelgeest; \'t is de pronk Eens hofs, waar geen als zij in schoonheid blonk; Eens hofs. waar elk haar vierde, loofde en vleide. En \'t bijzijn zocht der beeldschoone Adelheide.

O, Zoo haar faam door heel het graafschap klonk, Indian zij \'t hart van Hollands maagdenschaar Verteren deed van afgunst jegens haar.

Indien ze aan \'t hof, waar na heurs vaders dood De Hertog haar een veilge schuilplaats bood.

Werd aangebeên en prinslijke eer genoot;

Zoo zelfs die vorst, wanneer hij naast haar zat. De schim van zijn gestorven ga vergat,

214

-ocr page 239-

KUSKH.

En voelde dat, ofschoon zijn leeftijd klom, Het, jonglingsvunr nog in zijn boezem glom;

Indien hij haar beminde, en eens misschien Haar naast zich op den zetel wilde zien. En deelende in den luister van zijn troon —

\'t Liet alles zich verklaren door haar schoon.

Want zij was een dier lieve schepslen, die Men liefheeft om haar lieflijkheid, en wie Gij uren lang met heimelijk genot In \'t schoon gelaat zoudt kunnen staren, tot Cie in \'t eind niet meer gelooven zoudt dat zij Van de aarde zijn en menscholijk als gij;

Omdat u van haar minlijk aangezicht Een meer dan aardsche zachtheid tegenlicht;

Omdat haar schoon zoo zuiver is en teer.

Als ge u verbeeldt van eindloos reiner sfeor;

Omdat ge er een volkomenheid in ziet. Als heenwijst naar volkomener gebied;

Omdat bet u doet zwichten voor zijn macht,

Die gij, uit hoogmoed, bovenmenschlijk acht. Zoo was Aleide. Wiens bedaarder hart Door liefde noch begeerte ontstoken werd, Zag echter haar met al dien wellust aan,

Oie de aanblik van iets heerlijks doet ontstaan. Met al die kunstnaarsliefde, die \'t gemoed Verrukt en \'t oog niet moede worden doet;

Want elke trek van \'t eirond aanzicht had Iets edels in zijn zachtheid; \'t voorhoofd blonk Als rein albast, en aan heur wangen schonk De levensstroom een tenger blosje, dat In meer dan lelieblankheid overvloeide;

En in de blauwheid van haar oogen gloeide Een vuur, dat tot in \'t hart drong, maar vergoed Door \'t bruin der lange pinkers, dat hun gloed Zoo minzaam maakte en vriendlijk, dat het scheen Als waar die gloed een vonk van liefde alleen.

Reeds telde Aleide twintig zomers, maar Nog scheen ze een kind van nauwlijks zestien jaar; Want de uitdruk van haar trekken toonde nog De eenvoudigheid der vroegste jeugd; en toch Wie vroeger haar gekend had, toen ze in rust En eenzaamheid op \'t vredig Poelgeest woonde,

Dier schoonheid en dier gaven onbewust,

Die ze enkel aan eens vaders teerheid toonde, Verklaarde, dat reeds nu haar lief gelaat De blijken droeg van een gevierder staat.

En dat reeds nu uit al haar trekken bleek, Hoe kinderzin en eenvoud langzaam week.

215

-ocr page 240-

K USEE.

O Wees niet hard voor vrouwlijke ijdelheid!

De vrouw mist veel wat onze driften vleit:

Onze eerzucht, en die onweerstaanbre dorst

Naar faam en roem, die \'t needrig harte wraakt.

Die dwalen doet en soms misdadig maakt.

Zijn vreemd aan haar zoo zachtgestemde borst!

Laat haar dan \'t zoet diens kleinen hoogmoeds, daar

Zij zich meê prikkelt, bezighoudt; en waar

Haar die tot zonde of trouwloosheid verleidt.

Heb deernis met haar onbedachtzaamheid!

Bedenk, zij is afhanklijk en verdrukt;

Is \'t wonder zoo het denkbeeld haar verrukt,

Dat ze op haar beurt op \'t hart gebieden kan,

Van dien ze als meerder eeren moet en manï

Kunt gij, indien een ruim tooneel u wacht.

Indien ge uzelf bewust zijt van uw kracht,

De rol altijd uit plichtbesef verzaken,

Die gij gevoelt dat u vermaard zal maken ¥

En vergt gij dat een rasbedwelmde vrouw

In kracht van ziel u overtreffen zou,

Of dat een kind, in \'s levens rozentijd.

Voorzichtiger zou wezen dan gij zijt?

Aleide ontging den strik dier eerzucht niet,

Sinds ze onbezorgd baars vaders huis verliet.

Haar bood het hof een al te groot verschil Met wat zij ooit gedroomd had. Zij had stil. Onopgemerkt en zedig voortgeleefd;

Thans vloog een tal van dienaars op haar wil;

Thans wist zij dat haar dwaaste meisjesgril Niet aarzlend werd ontvangen of weerstreefd.

Zij wist dat elk als aan haar wenken hong;

Zij wist dat zij den Graaf met de oogen dwong; Zij voelde, zag, en \'t streelde haar, dat zij Ras meer vermocht dan heel der Grooten rij.

Die hem omringde; want Graaf Albrecht was Een zwak, een weiflend man, en die zich ras En liefst door andren zag besturen, maar Het liefst van al van een schoon oogenpaar De wet wachtte; en het was haar hart een lust De zoomen van haar kleed te zien gekust Door wie haar voorspraak smeekten bij den vorst; En \'t wekte een trotsch genoegen in haar boist, Indien door haar bemiddling mocht geschiên. Wat hooploos scheen. Een heir van edelliên Was aan haar gunst zijn rang en staat verplicht. Zij had zich \'t lot dier staatspartij gewijd,

Waartoe haar \'t bloed verplicht had; en ten spijt Van \'t hof, en voor der Hoekschen aangezicht,

-ocr page 241-

KDSEB.

Verhief ze op hoogen zetel menig, wien Verdrukking niet vergund had op te zien.

Ach, weinig dacht haa;-; argloos harte, dat Zij dus op zich den haat geladen had Van menigeen, die aanspraak maakte op wat Aan andren werd geschonken; nimmer viel \'t Haar in dat wien haar invloed had verheven Door andren werd benijd; haar zachte ziel Bedacht niet dat m\', in dit rampzalig leven. Een vijand maakt met eiken nieuwen vrind;

Diis, als haar zorg \'t stadhouderlijk bewind Voor Arkel had verworven, zag ze alleen De dankbaarheid die hem te ontgloeien scheen. Maar giste niet hoe \'s Graven eigen zoon \')

Zijn hoogmoed zag vernederd door dien hoon, Noch raadde hoe zijn boos en heftig hart Door gramschap en door wraak ontstoken werd. Zij droomde — maar had zij verdiend zoo wreed. Zoo schrikkelijk te ontwaken als zij deed? —-Zij droomde alleen van feesten, zang, en dans, Van zalen, schittrende van licht en glans. Van staatsiekleedren, sluiers, goud en zijde, Van \'t halssnoer, dat ze een edelvrouw benijdde. En van \'t juweelen sieraad voor haar hoofd. Dat haar de Graaf liefkoozend had beloofd; En \'t zoet tooneel, waar zij haar eerste jeugd Gesleten had in onvergalde vreugd.

\'t Bemoste dak van Poelgeest, en die hof.

Waar ze aan de hand eens vaders had gespeeld, Met al wat daar heur kinderaandacht trof. De knaap, die in haar spelen had gedeeld,

Dien ze als een broeder had bemind, en wien Het scheen dat ze eens nog teerder aan zou zien Het bloemperk, dat haar zorgen bezighiel.... Dat alles week uit haar bedwelmde ziel.

De beek van haar herinn\'ring gaf niet meer Dat landschap in zoo klaar een spiegel weer; En was zij wel zoo zuiver als weleer?

Geheel nochtans vergat haar hart hot niet;

Want van wat daar haar jonkheid had omgeven Was haar getrouw één voorwerp bijgebleven, Een meisje, dat haar zijde nooit verliet.

Het was een maagd uit onaanzienlijk bloed. Wie met Aleide een zelfde borst gevoed, Een zelfde schoot gekoesterd had; dat kind

, Grave van Oostervaut.

-ocr page 242-

\'218 KusEit.

Werd meer dan teeder door haar hart bemind. Zij had gedeeld in heel haar blijde jeugd;

En wat verbindt ons meer dan de eerste vreugd Van \'t leven? meer, dan \'t deelen van dien dronk, Die milde teug, die ons onze onschuld schonk; Die de eenigste is, wier onvergiftig zoet Men niet door wrangen nasmaak boeten moet:1 Kn zuiver als die onschuld van de jeugd,

Eu zalig als die eerste levensvreugd,

Was \'t zacht gevoel, dat Bertha en Aleide Verbond; daar was een klove tusschen beide,

Want de een gebood en de andre diende, maar Der liefde rijkdom vulde ze aan voor haar.

BERTH A.

Daar zijn op aarde schepslen, in wier wezen Zooveel geduld en goedheid is te lezen,

In wier gelaat zich zóóveel liefs vereent Met zóóveel zwaks eu tengers, dat men meent Dat zij te zacht voor de aard zijn; dat wij vreezen Dat al wat haar omringt te ruw zal wezen;

Wie \'t minste kan bedroeven, niets verstoort; Wie alles kan doen lijden, niets doen klagen; Wie, bij een streng, een luid gesproken woord, Een groote traan in ieder ooghoek gloort;

Wier houding om bescherming schijnt te vragen; Wie de aanblik van een wapen siddren doet, Uit deernis met nog onvergoten bloed;

Wier vriendlijk oog de gramschap doet bedaren; Wie in zijn drift een woesteling zou sparen, En siddrend, als haar wang van kleur verschiet, Zachtzinnig tot haar zeggen: „Vrees mij niet!quot; Aldus was Bertha. Als zi) \'t bleek gezicht. Het groot, blauw oog naar u hield toegericht, Terwijl haar hand de blonde lokken scheidde,

Wier goud zich op haar blanke borst verspreidde, Daar liefde en ernst uit al haar trekken bleek, Maar liefde meest, dan werd u \'t harte week, Dan voeldet ge u geheel de ziel verrukken.

En lust om haar de tengre hand te drukken. Of vurig haar te smeeken: „Bid voor mij;

Want God verhoort wie engel is als gij.quot;

Zij was het, die langs \'t overschaduwd pad.

Waar Kuser in gepeins verzonken zat,

-ocr page 243-

KUSEa.

Met een gevolg van pages, Adelheide

Door \'t statig bosch ter wandeling geleidde.

O, \'t was haar lief en zalig als het uur

Des avonds naakte, en ze aau Aleides zij\'

Het hof ontvlood, en \'t zoete der natuur

Genieten mocht onopgemerkt en vrij.

Eerst placht zij dan te spreken van de dagen,

Toen pracht noch pronk der Jonkvrouw kon behagen;

Maar sinds Aleide in \'t hof genoegen vond.

Ontzegde zij dien wellust aan haar mond,

En sprak met vreugd van wat haar nooit bekoorde.

Alleen wijl haar gebiedster \'t gaarne hoorde.

Maar thans, haar ligt.... haar weegt iets op \'t gemoed.

Dat haar beknelt en pijnlijk zwijgen doet.

De Jonkvrouw ook blijft zwijgen na het woord.

Dat Kusers overpeinzing heeft gestoord;

Tot dat ze op eens, waar zich twee wegen scheiden,

Haar klein gevolg een wenk geeft daar te beiden;

Fin slechts verzeld van Bertha treedt zij voort.

Daar was een lieflijk plekje in dat bosch;

Een kleine beek doorstroomde er \'t wollig mos; Een olmboom spreidde, omringd van hazelaren,

Er mild en breed de schaduw van zijn blaren, De klimop, die nu bloeide, deed zijn tronk Zoo bladrijk als zijn takken zijn; thans blonk Zijn schedel van die kroon van bloedrood vuur, Waarmeê de zon hem sierde in \'t avonduur.

Rechts werd de blik door jeugdig groen gestuit;

Links zag men op een laan van linden uit. Die zuidwaarts \'t woud verdoelde, en waar het oog Het einde niet van zien kon, want zij boog Zich in \'t verschiet; de scheemring vulde haar Met plechtigheid en ernst, behalve waar Een ander pad, dat zich naar \'t westen richtte, Ze doorsneed in haar breedte; daar verlichtte De reeds zoo laag ter kim gedaalde zon De stammen nog, die zij bereiken kon,

En schiep in dat gebied van donkerheid Een vak van licht, dat ieder takje, waar Haar ghjed den omtrek van verscherpte, haar In schaduwen, verdubbeld uitgespreid En ver verlengd, betwistte, haar \'t gezag Ontzeggend, bij \'t verdwijnen van den dag.

\'t Was naar de plek, van waar men uit de verte Dien strijd kon zien van licht en donker, dat Het lieve paar stilzwijgend henentrad.

Er op een bank van zoden nederzat, —

En daar en toen ontsloot zich Bertha\'s harte.

219

-ocr page 244-

liUSEll.

,0,quot; sprak zy: ,eedle Jonkyrouw! \'fc is beslist: \'t Is waarheid wat mijn hart reeds lang gegist,

Mijn mond u had voorzegd: de Graaf bemint U niet alleen meer als uws vaders kind:

Hij heeft u lief, hartstochtlijk lief, — en gij... Uw goedheid geeft hem hoop! Vergeef het mij! — Ik weet, de Graaf heeft heden onverbloemd Zich op uw vriendschap, op uw gunst beroemd; En immers... maar gij glimlacht... is dat wel V... Bedenk, gij speelt een wreed, een hachlijk spel!

Zijn liefde laat u koel, en echter voedt Uw minzaamheid die aan in zijn gemoed, —

Opdat — hij u gehoorzame, opdat gij Aan \'t Haagsche hof gebieden moogt, en hij U al uw wenschen toesta! Zie, zoo werd Hem bijna recht gegeven op uw hart!

En als hij, ter belooning voor dat al,

ü vraagt wat gij hem weigren zult, dan zal üw lot of \'t zijne vreeslijk zijn. O wees Voorzichtig! Treed intijds terug, en vrees De vonk, die nu reeds blaakt in zijn gemoed. Te ontvlammen tot een onweerstaanbren gloed! — Indien gij bijzit zijn wilt noch gravin,

Zoo speel niet roekloos met des Graven min!quot;

Aleide had gelachen, maar het scheen

Dat nu voor drift haar bl^de luim verdween.

Zij hief het hoofd met spijt op, en daar gloorc\'.e

Ken tintelvonk van gramschap in haar oog.

Met trots vereend. Een kleine plooi betoog

Haar steeds zoo effen voorhoofd, \'t Was als stoorde

Die rimpel al haar schoon; hij was daar als

Een slijkspat op eens tortels reinen hals,

Een roestvlek op een blinkend lemmer, of

Een zwarte wolk aan een azuren trans,

Die, schoon omringd vau helderheid en glans.

Geheel de lucht betrokken maakt en dof.

„Kind!quot; borst zij uit tot de arme Bertha: „Kind!

Hetzij de Graaf mij al of\' niet bemint,

\'t Zij mijn gedrag hem grond tot hopen biedt.

Hetzij hij zich door mij bedrogen ziet,

Dit alles is mijn zaak en de uwe niet!

Ik heb geen raad van andren af te smeeken;

Wie gaf u \'t recht om dus tot mij te spreken Vquot;

„Wie gaf u \'t recht?quot; — Dat was haar nooit gevraagd

Helaas! zij was een arme kamermaagd,

Een meisje, dat geen ander recht bezat

Dan \'t geen de gunst van haar meestres haar had

-ocr page 245-

KtTSER.

Geschonken; — maar zij had, van kindsbeen aan,

Haar lief gehad en aan haar zij\' gegaan,

Zoo diep in haar vertrouwlijkheid gedeeld.

En nooit van wat zij dacht, een woord verheeld.

Nooit had haar raad, gevraagd of ongevraagd.

Der Jonkvrouw, wie zij dierbaar was, mishaagd,

Nooit was door die haar doel, haar zucht mistrouwd,

Maar altijd was ze als haar vriendin beschouwd.

En nam zij nu zoo plotsling alles weer?

Had Bertha thans dat teeder recht niet meer?

Eu werd ze op eens zoo hard! tot kamermaagd.

Tot dienares, en op dien toon, verlaagd?

Had zij dus ras den zusternaam verbeurd ?

„Wie gaf u \'t recht?quot; — Dat wreede woord verscheurt

Haar hart, en met een bittren tranenvloed

Valt zij bedroefd haar meesteres te voet:

„Ach!quot; — snikt zij — „dierbre Jonkvrouw! spreek zoo niet!

Maar zend mij van uw zijde weg, verbied

Mij immer weer u onder \'t oog te treên...

Maar spreek niet dus tot de arme Bertha! Neen,

Zij wil, indien haar liefde u tegenstaat.

Vertrekken tot verzoening van uw haat;

Van nndren wil zij hoon, verneedring, smaad,

En alles stil en lijdzaam dragen, — maar

Eén, hard, één spijtig woord van U is haar

Te veel! Gij waart zoo vriendlijk steeds! maar nu!

Vergeef!... dit haatlijk hof veranderde u!quot;

Aleide werd bewogen; haar gelaat Nam d\' uitdruk reeds van die verteedring aan,

Waar \'t vrouwlijk hart zoo ras toe overgaat.

Die \'t vrouwlijk oog zoo ongeveinsd verraadt In \'t blinken van een snelverschenen traan;

Haar fiere trots kromp saam voor rasch berouw;

Want de ondeugd ook is zwakker in een vrouw.

Zij hief de maagd, die op haar knieën lag.

Weer minzaam op, maar — eer zij spreken mag —

Daar treedt een knaap haar nader. Van wat kant? Zij zag het niet, hij sprak niet, maar zijn hand Wierp haar in haast een brief toe, en gezwind Verdween hij weer; zij sloeg geen acht op \'t kind.

Maar staarde ontzet op \'t saamgevouwen blad.

Dat in haar schoot zijn komst gelaten had.

Zij beefde, want zij was ontroerd, verschrikt, —

En als zij \'t koord, waarmee \'t was toegestrikt Zou slaken, greep zoo\'n huiv\'ring haar in \'t hart.

Dat zij den brief liet vallen, en zij werd Zoo bleek, en za{* zoo bang, zoo angstig rond,

Als had dat schrift haar nü reeds leed verkond.

221

-ocr page 246-

KÜSKR.

En als zich Bertha bukte, en haar het blad Hergeven wou, dat zij verloren had,

Week zij terug als van een giftkelk; „Lees!quot;

Borst ze eensklaps uit — „Ik weet niet wat ik vrees, Maar zeker \'t moet een slechte maar zijn, die Mij dus verschrikt, eer ik haar inhoud zie.

Lees, Bertha! lees!quot; En Bertha las voor haar: „Vlucht, Jonkvrouw! want u dreigt een (iroot gevaar. Vooral, keer niet ten hove; \'t komt ran daar.

Vlucht! haast u! vh- reikt de arm, dien gij niet kent. Mij bindt een eed, dien \'k reeds tenhalve schend.quot;

Aleide zat versteend: zij staarde strak Op \'t heilloos schrift, en de arme Bertha sprak Geen woord, maar zag de Jonkvrouw zorglijk aan, En greep haar hand, en wischte zich een traar. Van \'t oog, en slaakt een diepen zucht, en toachtte Te spreken, maar vermocht het niet; zij wachtte Op haar gebiedsters woorden. Deze zat Met de oogen nog niet afgewend van \'t blad. Als eischte zij een duid\'lijker bericht,

Iets meerder dan \'t ontdekte aan haar gezicht. Die strakke droefheid was daar in haar blik. Die strengheid in haar trekken, die de schrik. Wanneer hij zich op onze ziele stort,

Vóór \'t zenuwstel door haar bewogen wordt.

Ons over \'t bleek gelaat spreidt, zóó dat wie Verschrikte zelf verschriklijk wordt; \'t is die Geduchte en onverbidbre spanning, waar Het lichaam meest door Ijjdt, en die het haar Soms plotsling doet vergrijzen, of het bloed Doet stilstaan en haar prooi bezwijken doet; Of — noodlot nog verschrikbrer! die den mond De spraak ontneemt, of in één enklen stond De veerkracht rooft aan \'t aangetast verstand, \'t Is dan, als iedre spier zich krampig spant.

Als de adem stokt, het bloed niet omloopt, \'t leven Zich samentrekt en geen bewijs wil geven Van in dat roerloos lichaam te bestaan.

Dat zulk een schok op eens moest ondergaan.

Doch kort slechts was die spanning in Aleide, En weldra trad de redding toe: zij schreide.

Zij wrong de handen troosteloos, en zonk Aan Bertha\'s hart, en snikte luid. Zoo schonk Zij de arme maagd haar recht welsprekendst weer, Maar deze dacht aan leed noch onrecht meer. — ,0!quot; ving in \'t eind de ontstelde Jonkvrouw aan: „Waar heb ik toch zoo schriklijk in misdaan,

-ocr page 247-

KTJ8T5TÏ.

Dat alle kwaad zich tegen mij verheft,

En leed op leed, en smart op smart mi] treft?

Sinds weken spookt niet anders rondom mij Dan gramschap, afgunst, haat, en jaloezij!

Slechts rimpels op elk voorhoofd, dat ik zag! De Graaf alleen had nog voor mij een lach. Onnoozle! en ik, voor alles even blind,

Ik lachte voort gelijk een zorgloos kind!

Zelfs heden trof geen zweem van angst mijn hart. Schoon alles sprak van ongeluk en smart!

Mijn Bertha zelv\' kon fronsen, en ik zag Het teeken niet des noodlots van dees dag...quot;

Hier werd haar stem door snik op snik gesmoord.

Zij poosde een wijl, en ging bedaarder voort,

Niet langer op den toon der luide klacht,

Maar met dat dof, dat somber stemgeluid.

Waarin zich \'t hart tot eigen foltring uit.

Als \'t van zijn leed zich te overtuigen tracht.

Of als een voorgevoelen, donker, zwart,

Zich onweerstaanbaar meester maakt van \'t hart:

.Gevaar! — o, mij dreigt meerder dan gevaar!

Ik weet niet hoe, en evenmin van waar,

Maar vrees het ergste; ik weet, mijn hart voorziet

Wat mij bedreigt; ik overleef het niet!

God straft mij; \'k heb mijn leven dwaas geleid,

In ijdel-, wuft- en onbedachtzaamheid;

\'k Heb mijn geluk, mijn voorspoed nooit mistrouwd,

Maar \'t is te laat, indien het mij berouwt;

Het is gedaan, gedaan met de arme wees,....

Haar doodklok luidt.... Ik tel de slagen reeds!quot;

Zij zweeg en zat in diep gepeins terneer.

Geen tranenvloed stroomde uit haar oogen meer;

Geen snik, geen zucht ontkwam haar bleeken mond;

Zü bukte \'t hoofd wanhopig naar den grond.

Als een geknakte bieze. Zie! zóó zwaar

Was thans de hand van \'t harde lot op haar,

Die vroeger niet geloofd had dat haar hart

Bereikbaar was voor \'t grieven van de smart!

Wie heden haar in luchtig\' ochtenddos

Gezien had, als zij vroolijk nederzat

Voor \'t spiegelglas, dat zij beminde omdat

Het nimmer haar één fout verweten had.

Maar steeds dat schoon gelaat, dien rozenblos.

Dien zachten blik van haar gebiedend oog.

Dien lieven lach, die nimmer haar ontweek,

Die fijne leest, die zich zoo wèl bewoog.

Teruggaf met getrouwheid, als de beek

-ocr page 248-

Ktrsun.

De lelies, die haar oevers sieren; daar Haar Bertha door het bruin en welig haar De rozen of de paarlen vlocht, wier pronk Zi] niet behoefde en toch zoo liefhad; als Z\'y \'t kostbaar snoer haar omwierp om den hals. Het kostbaar snoer, dat haar de Hertog schonk, Waarmee zij speelde in kinderlijke vreugd,

Terwijl ze \'t licht, dat in haar kamer dro*g. Op \'t kantig vlak der diamanten vong.

Met al \'t genot, al d\'eenvoud van de jeugd; Of \'t oog, vol zelfbehagen, vreugde en lust.

Deed dwalen langs den rijkdom en de pracht, Waarmee dat schoon vertrek was uitgerust,

Waar zij haar ochtend doorbracht en haar nacht: Die dus haar had gezien, had hij geloofd,

Dat \'s avonds zooveel angst dit jeugdig hoofd Zou buigen? — dat des noodlots barschte storm Zich zou vergrijpen aan zoo fijn een vorm? En zonder eerbied, zonder medelij Voor een zoo lief, zoo schoon, zoo jong als zij?...

„De pages!quot;.... snikte Bertha; en Aleide Bracht (maar werktuiglijk!) aan haar bleekea mond \'t Bespraakt metaal, dat ze in haar gordel vond, En dat door \'t bosch een schellen galm verspreidde, Dieu de echo wederkaatste ver in \'t rond.

Hij zweeg. Helaas! geen antwoord liet zich hooren! En in dat woud. waar \'t donker meer en meer De schemering verdrong, was alles weer Zoo rustig en zoo doodstil als te voren.

„Wij zijn verraden, Bertha!quot; sprak bedaard De Jonkvrouw, en zij sloeg het oog ter aard; ,Wij zijn verraden, — \'t is te laat geweest.

Indien m\' ons heeft gewaarschuwd. Zoo gij vreest En weet waarheen, vertoef niet hier, maar vlucht!quot;

Het blonde kind sloeg \'t vochtig oog op haar, En zag de Jonkvrouw aan met blikken, daar De vraag uit sprak: „Grij? zijt gij niet beducht?quot; En \'t antwoord was, met kalmte en klem, ja! schier Met manlijke ernst en nadruk: „Ik blijf hier.quot;

Zij poosde en voegde er bij: „Waarhenen jou Ik vluchten ? — ik, een machtelooze vrouw ?....

En weet gij wie mij dreigt? Begrijpt gij niamp;t, Wat nu mijn ziel, en zonneklaar, doorziet:

\'t Ie küsek, dib zich wreken komt ! Ik zag

De schriklijkheid zijns torens. Deze dag

-ocr page 249-

KUSEIi.

Moet hem al \'t leed vergoeden, al deu hoon

Hem aangedaan, — Aleide ontvangt haar loon!

O, ik ontweek zijn oogen aan dit hof,

Zoolang ik kon, maar heden, heden trof

Me een blik, waaruit de dood sprak. Groote God!

Neen, Bertha! — neen, hij kwijnt niet noch verteert!

Het is de wraak, die hem de ziel verheert!

Het uur is daar — hij komt — ik wacht mijn lot!quot;...

Daar was, als zij dus sprak, iets in haar toon.

Haar wezen en haar houding, dat, ofschoon Zij \'t evenbeeld was van haar moeder, hij Die dus haar had gezien baars vaders trekken Gemeend had op dit schoon gelaat te ontdekken. Zij had dier beider schoonheid, maar voor \'t eerst Werd haar gelaat door manlijke\' ernst beheerscht

„Zij komen!quot; roept zij eensklaps, ,Bertha! ziet Uw oog — maar droog uw tranen! — in \'t verschiet Geen ruiters?... God! — zij naadren! al mijn moed Ontzinkt me op nieuw; — cle voorste is Kuser — O! Ik ken die roode veedren op zijn hoed! —

Dat is zijn houding in den zadel!.... Zoo Buigt hij zich over \'t paard! ... Ziedaar zijn wenk!... Ik tel er.,. Bertha! reik me uw hand!... Ik denk — Ik weet, ik voel niets meer... ik duizel.. . \'k hoor Slechts \'t bonzen van mijn hart... \'t draait alles voor Mijn oogen rond.quot;........

Zij bergt het lief gelaat In bei haar handen; de arme Bertha slaat Haar armen om die ranke leest. Haar bloed Is koud; zij beeft, maar weent niet meer.

Zoo wacht

Dat lieflijk paar, bij \'t vallen vau den nacht, Het naadren van dien boozen ruiterstoet.

WILLEM.

Zij naadren door de linden; acht in tal.

Vermomd, gewapend, zwijgend. Immer zal,

Zoolang \'t op aard zijn offers blijft begeeren, Het misdrijf met de stilte samenzweren;

En o! dat quot;geeft aan elk misdadig feit Een hartverschrikbre, een helsche plechtigheid. De somberheid des doods, iets dubbel wreeds,

15

-ocr page 250-

226 KUSEB.

Een ijzren ouvei\'bidlijkheid, die vrees Tot wanhoop maakt en ongenadig toont Hoe weinig deernis bij de boozen woont!

Twee stijgen af, en een dier beiden steekt De hand naar teedre Bertha uit; hij spreekt:

„Gij, volg me, kind! U zal geen leed geschiên!quot;

„Geen leed!quot; — roept ze uit, — „en is \'t geen leed, indien Ik mijn meestres in uwe macht moet zien,

En haar verlaten? AVie gij wezen moogt.

Wees niet zoo boos! Gewis: uw hart gedoogt Die wreedheid niet, o laat mij deel verwerven In wat gij haar beschikt; ... of voor haar sterven!

Geloof niet dat ik vrees te sterven, stoot Me een dolk in \'t hart en geef me een vroegen dood! Of zoo \'t misschien uw wrok te weinig zij.

Grief, pijnig, kwel, mishandel, folter mij!

Maar o, raak haar, raak haar niet aan, bezeer Geen haar heurs hoofds....quot;

Helaas, zij kon niet meer;

Maar \'t oog gericht op hem, tot wien zij dus Gesproken had, omhelsde zij Aleide,

En kuste haar voor \'t voorhoofd: — ach, die kus Had meerder in dan alles wat zij zeide!....

Maar die het zag was doof voor medelij\'.

En blind voor liefde en eenvoud; hij ontscheurde Haar wreed aan die omarming, en hij beurde Haar in den zadel. „Jonkvrouw!quot; snikte zij,

Terwijl zijn arm zich vastklemde om haar midden, „Zoolang men de arme Bertha \'t leven laat.

Zal zij voor u, voor haar gebiedster bidden.

Vaarwel, vaarwel, geen tegenworstling baat!quot;.... Zij spreekt; de wreede ruiter stijgt mot haar Te paard en haast te viervoet zich van daar.

Thans rijst de Jonkvrouw op. Daar stond ze alieen, Alleen, met zeven ruitren om haar heen;

De weerloosheid omringd van moedwil. Neen,

Daar hoefden, om een zwakke maagd te vangen.

Geen scherpe dolken in hun gordels, geen Geweren van hun draagband af te hangen.

Geen ruwe moed, geen list, geen lichaamskracht, — Daartoe voldeed hun daarzijn in dien nacht.

En toch, zij scheen bedaard; zij beefde, maar Had half de macht zich in te houden; haar Gelaat was bleek maar kalm; zij sprak; en schoon Een felle ontroering sidderde in haar toon.

Haar stem was luid en klonk hun fier en klaar:

Z5W!

-ocr page 251-

227

T

„Wie zijt gij, en wat wilt gij?quot;

Niemand sprak.

Toen wendde zij zicli tot den voorste; strak Zag zij hem aan, ais moei?t haar blik de mom Doordringen, die hij voorhad. Hij bleef stom;

Maar zij ging voort te spreken: ,Willem! meer Dan dit heb ik aan u verdiend. Uw haat Is wettig, en uw wraakzucht evenzeer;

Maar \'k achtte u niet tot zooveel wrok in staat! \'k Heb u verloochend, u mishandeld, u Gehoond; gij waart mijn vriend eens, mooglijk meer Dan dat! Gij zijt mijn ergste vijand nu!

En ik, — ik geef mij over aan uwe eer.

Ik vraag niet of \'t grootmoedig is, een vrouw Dus wreed te straffen, want uw antwoord zou.

Nu gij zoo ver — God weet met welk een doel! — Gegaan zijt, niet dan hard zijn voor \'t gevoel. Vergeef mij niets, volvoer uw opzet! Maar Indien ge een sprank van deernis voedt voor haar. Die eenmaal beter was dan nu, zoo spaar Haar zwakheid, straf haar niet te fel, wees zacht! En maak, als zij, geen misbruik van uw macht! ü Willem! gij waart nooit gestreng voor my...quot;

Maar \'t antwoord snauwt haar tegen: „Wie ik zij, Wie geeft u \'t recht mij dus te noemen. Vrouw! Ik ken u niet; zoo \'k u gekend had, \'k zou U lang, reeds lang verloochend hebben.quot;

Zie

Dat was te veel, te veel voor hoogmoed, die Zich dus vernederd had; — dat schriklijk woord Pleegde aan haar ziel een zedelijken moord; Het wondde, meer! \'t verplette haar het hart. Zij gilde \'t uit van spijt, en woede, en smart.

Toen zonk zij loodzwaar, toen amechtig neer. En sprak noch weende; zij bewoog niet meer. Och, ware \'t voor die liefelijke leest Reeds nu de roerloosheid dés grafs geweest!

De ruiters stegen af, en hieven haar

Weer op; zij stond, maar gansch gevoelloos, maar

Een marmerbeeld gelijkend; luid gebood

Men haar te paard te stijgen; doch zij gaf

Geen teeken of zij levend waar dan dood;

En mooglijk was zij veeg genoeg voor \'t graf!

Zij zag hen aan met oogen zonder licht.

En met dien onbezielden, kouden blik,

Waarmee op u een blinde de oogen richt,

Eu die slechts deernis baren kan of schrik.

|

ij

1 è v - t»il

4

1

■■\'i-ï ii

i^ll . . t\'ll

HMjfl

uil if

m

-ocr page 252-

K03EE.

Maar eensklaps blinkt het scliitti-en van een dogen \'t Boosaardig oog van haar belagers tegea.

Een ruiter naakt in driftigen galop,

Houdt stand, en heft zich in zijn beugels op. Hij spreekt niet, dreigt niet, ziel niet rond, noch telt \'t Getal van wie zijn woede tegensnelt.

Hij houdt alleen het (ach, hoe bleek!) gezicht Naar \'t roerloos beeld der tengre maagd gericht;

Viert weer den toom, en spoort en dringt zijn paard In \'t midden van wie om haar zijn geschaard,

Die, door zijn komst dus plotseling verrast.

Verschrikt en norsch hem aanzien. Hij verklaart Zich niet, maar grijpt Aleides sluier vast,

En dreigend vlamt zijn zwaard in \'t rofid, en treft Al wie zijn arm nog tegen haar verheft.

Men scheidt hem van de Jonkvrouw, wie een deel Bewaken blijft; een vijftal degens blinken Hem toe, maar doet zijn riddermoed niet zinken; Wat held, die zwaarden afwacht, vraagt hoeveel? Hij worstelt onversaagd met heel den stoet.

Een wapen treft en verft zich in zijn bloed.... Het stuit hem niet; zijn helm is afgevallen... Het deert hem niet; hij weert zich tegen allen: Hem rest zijn trouwe degen en zijn moed.

Verschriklijk was die kampstrijd, in dien nacht!

Reeds half bezweek des eedlen ridders kracht. En telkens trof hem \'t ijzer meer geducht.

Maar plotsling riep een stem: „Gezellen, vlucht!

Daar dwaalt een licht in \'t bosch... \'t komt naderbij. Gedenkt \'t bevel van Willem: — Pilips \') gij!quot; .„Gij siddert,quot;quot; — sprak een tweede — „„wel! Iaat mij De Bloote 1) was nooit bloodaard!quot;quot;

\'t Wordt volbracht. Een ponjaard licht in \'t duister van den nacht,

Gelijt: een bliksemstraal aan \'t zwart der lucht; Een scherpe gil gaat op ... een flauw gezucht...

Aleide viel...............

En tevens viel, wie haar Had voorgestaan in \'t uiterst van \'t gevaar. De moordenaars bereiden zich ter vlucht.

/iij gaan, zij gaan! de gruwel is bedreven;

De rol gespeeld, ten koste van hun eer!

228

1

) De persoon, die hier spreekt, is Hugo de Bloote.

-ocr page 253-

KÜ8ER. 229

Slechts zijn hun bloedige offers nagebleven,

Kn \'t zwart gordijn des doods daalt plechtig neer.

Nog zwerft het licht, verhaaster van den moord,

Door quot;t bosch, maar \'t blieft op afstand van da\'t oord;

Een reizend man, van \'t rechte pad verdwaald,

Wordt door dat licht tot eigen nut bestraald;

De schrikbre plegt;k, van zooveel wee vervuld,

Blijft nog een uur in duisternis gehuld;

Ken uur nog blijft een wreedheid, zoo ontaard.

Voor \'t menschlijk oog en \'t smetloos licht bewaard.

Hot komt op \'t laatst, en spreidt zijn bleeken gloed

Op dat tooneel van aakligheid en bloed;

\'t Beeft in de hand van wie het draagt, en spreidt

Zijn flikkring qp de minzame Adelheid

Met weerzin uit. O! leeft zij nog?... Hoe gaapt

Haar wond! — wat is haar liefiyk voorhoofd kil! —

Hoe koud die wang! haar hart?... ai mij!... staat stil—

Helaas! het is de doodsslaap, dien zij slaapt.

Ja! slaapt. Zoo schoon, zoo lieflijk lag zij daar,

Daar was zoo \'n rust, zoo zacht een kalmte in haar,

Zoo\'n vredigheid op \'t bleek, maar schoon gezicht, Dat, had niet \'t bloed, dat uit haar wonde vloot,

Haar sneeuwwit kleed gesmet met purperrood,

In haar had niets haar moordenaars beticht!

Geen rimpeltje op haar voorhoofd, dat verried Met hoeveel pijn zij \'t jeugdig leven liet;

(quot;ieen trekje, dat haar effen schoonheid schond. Ja, \'t scheen zelfs dat om d\' onvertrokken mond Ken glimlach speelde, een blijde en stille lach,

Als vaak uw oog met zachten wellust zag Daar gij den slaap bespieden kwaamt van \'t wicht, Dat van zijn moeder droomend nederligt.

O, \'t oogenblik, waarop het leven vlucht,

Geen ademteug meer toevloeit uit de lucht. De bloedstroom stokt, de ziel, het zij verrast Of voorbereid, zich van der leden last Ontdoet, en zich naar oorden heen begeeft.

Waar ze, als de christnen weten, eeuwig leeft, — Dat oogenblik is voor het lichaam bang.

En bangst, indien geen wreede kwaal het lang Heeft ondermijnd en langzaam voorbereid Op zijn gevreesde en zeekre schriklijkheid.

Zie, hoe \'t gelaat zich teekent van dien schok!

Het oog versparde, en ieder wenkbrauw trok Zich saam; de mond gaapt wijd, en toont boe bang De laatste snik geweest is; en de wang

-ocr page 254-

230 KÜSEtt.

Zonk in, en schijnt vertrokken door de pijn;

Waarvan des voorlioofds rimplen teekens zijn,

Bij \'t paarlend en in de\' angst geboren zweet.

En wat er meer getuigt van dierlijk leed;

Te vuist is saamgenepen, en met kracht.

Als had het lijf in \'t uiterst nog getracht Het leven te weerhouden daar \'t ontvlood, Kn worstlend zich te ontwringen aan den dood.

Want zelfs bij hem, wiens ziel gewilligst gaat. Die nooit zijn eind beschouwd heeft als een kwaad. Verzet zich \'t vleesch, en put zich vruchtloos uit. Of \'t mooglijk nog de schrikbre scheiding stuit!... Doch als het lijk een poos daar nederlag.

Het lichaam van dien schok bekomen mag. Dan wisschen zich die teeknen uit van pijn, En \'t krijgt een zacht\', een aangenamen schijn; De schoonheid, zoo het schoon was, wordt hersteld. Geen trekje meer, dat dood of doodsstrijd meldt; De rust herrijst op \'t niet meer strak gezicht; Het gapend oog en de open mond trekt dicht; Het voorhoofd wordt verhelderd en ontplooit,

\'t Gelaat herneemt zijn kalmte, en dikwijls tooit Eon blijder lach den nu gesloten mond Dan immer op die lippen toegang vond;

De kramp verdwijnt; de doode hand ontsluit;

Geheel het lijk drukt stil berusten uit,

Alsof \'t zich met den dood, die \'t had verschr.\'kt. Verzoende, en zich zachtmoedig onderschikt;

Alsof\' de ziel, nu vrij van \'s werelds .juk.

Een straaltje van den glans van haar geluk Op \'t hulsel wierp, dat zij zoo pas verliet.

Tot troost van hem, die \'t in zijn rust bespiedt;

Want de aanblik dier gelatene effenheid,

Die over \'t lijk welsprekend zich verspreidt.

Roept ieder toe: Beklaag de dooden niet!

Zoo — zelve een bloem, geknakt door wreed geweld,

Omgeven van do bloemen van het veld,

Bewierookt door dier geuren, en bestraald

Door \'t licht der maan, die nu ten hemel praalt.

En even kalm op \'t bosch ternederziet,

Alsof daar leed nog gruwel waar geschied —

Ligt daar Aleide. En aan haar zijde ligt

Hij, die haar hulp bedoeld bad. Zijn gezicht

Verbergt zich in het vochtig gras der aard.

Zijn rechterhand omklemt nog nu zijn zwaard;_

Het zwaard waarvan, schoon zwemmende ir. zijn bloed.

Geen edelman, geen ridder afstand doet;

Zijn linker houdt, met even forsche neep,

-ocr page 255-

KUSER.

Den sluier, dien hij in de worstling greep,

Alsof hij zich verzeekren wilde dat Hij wie zijn aantocht gold nabij zich had!

Alsof hij, bij dien dunnen sluier, haar Ontrukken Sonde aan \'t dreigend lijfsgevaar! Hij stierf nog niet, want vaak bewoog zijn arm, En somtijds deed een zwak, een flauw gekerm Vernemen dat hij leefde, en voelde en leed, En met den dood als met zijn moorders streed.

LIEFDE.

De zon is schoon en helder opgegaan,

En kleurt den mist, die optrekt naar omhoog, En schept in hem een bonten regenboog.

Geen wolkje duidt een dag van weemoed aan. Als volgen moest op zoo bedroefd een nacht,

Indien natuur, met \'s mensc.hen rouw begaan.

Voor hem een zucht kon hebben of een traan.

Neen, de aarde ontwaakte in blijdschap en in pracht

\'t Is of natuur soms \'t inenschlijk leed belacht; \'t Is of zij spot met onze jamm\'ren, of Zij lust schept in den rampspoed, die ons trof;

Daar ze, als de smart ons krimpend hart verteert, Ons dikwijls met haar blijdsten blik trotseert.

Ondankbren! Neen, verbeurt haar goedheid niet! Is \'t niet genoeg zoo ze u haar liefde biedtV Wat meent gij, dat zij deernis hebben moet.

Indien ge in leed en rouw uw zonden boet?

Zij, zelve \'t leed teboven, zij verneert Zich niet om u te vragen wat u deert.

Maar roept u toe: ,Indien u \'t lot doet weenen. Kom aan mijn borst, ik zal u troost verleenen.quot;

Verschrikking heerscht aan \'t graaflijk hof en rouw Om \'t sterven van de jeugdige edelvrouw.

Haar bloedig lijk was in den duistren nacht Voor \'t oog van den ontzetten Graaf gebracht: Thans zit hij neer bij \'t bed des ridders, wien Men aan haar zij\' stuiptrekkend had gezien.

Daar lag hij neer; een wondkoorts kwelde hem En bracht een blos op \'t pijnlijk aangezicht; Hij hield het hoofd naar Albrecht heengericht. En sprak hem toe met onverzwakte stem;

Want als de koorts het lichaam heeft ontsteld. Verdubbelt ze iedre kracht door haar geweld,

Spant, prikkelt en verfijnt, windt op, versnelt

-ocr page 256-

küsbr.

Zoozeer de werkzaamheid des levens dat Het werktuig, moede in \'t eind en afgemat, Bewegingloos ineenzinkt en verzwakt,

Voor langen tijd, en soms voor goed geknakt.

,01quot; sprak hij, „Graaf! beween haar als uw kindl Maar zeg mij niet, dat gij haar hebt bemind! Bemind? Ach, weet gij wat beminnen heet? Aanschouw dit lijf, vermagerd door het leed; Dit droef gelaat, niet door de pijn verdord! \'t Is tot dien prijs dat min gekoesterd wordt! Men zegt, dat liefde iets streelends is, iets zoets: Neen, Graaf! het is een foltring des gemoeds, \'t Is een harpij, die aan ons leven knaagt, Ken monster, dat ons bloed als schatting\' vraagt. De beendren ons verteert, het haar vergrijst, En ons in \'t eind den besten dienst bewijst.

Indien zijn macht ons uitstrekt op de baar; Goddank! die tijd — de tijd der rust is daar!

Ik kende Aleide als een onschuldig kind.

Gij hebt haar nooit zoo schoon gekend als ik. Mot zooveel engleneenvoud in den blik.

Maar zoo, mijn Vorst, heeft haar mijn hart bemind! Geen andre drift heb ik sinds zeven jaar Gekoesterd, dan de drift dier min voor haar!

Maar ook geen drift heeft ooit zoo fel geblaakt. Zoo zalig en zoo hopeloos gemaa.kt.

O Poelgeest! lieflijk Poelgeest! gij, gij zaagt De liefde van dien jongling en die maagd!

Toen was \'t een stille, een ongestoorde gloed, Ken zachte vlam in beider jong gemoed.

Wat sinds in mij zoo vreeslijk heeft gewoed!

Doch waarom mij dien tijd herinnerd? — Zij Sloeg toen een oog van teederheid op mij!

Zij had mij lief; ik wist het! — Zij vergat...

Maar ik, ik heb bestendig lief gehad!

Gij weet, mijn Vorst! wanneer ik \'t land verliet;

En toen ik wedei-keerde in uw gebied,

Toen \'k aan uw hof geplaatst werd, zagen wij

Ons weer, maar alles was gedaan voor mij!

Men giste, ik zag, \'k bevroedde, — Graaf! vergeef \'t

Indien mijn liefde u gageslagen heeft,

En meer dan paste.... Ik heb mijn schuld geboet.

,0!quot; riep ik uit, met wreed verscheurd gemoed,

/Zoo gij Gravin van Holland worden kunt,

\'t Is Kuser niet, die u dat heil misgunt!

-ocr page 257-

kuser.

Slechts uw geluk is \'t zijne; ga — hij kan Om u zichzelf verzaken — hy is man!

Hij zal zich \'t leed getroostenquot;____Ach! het bleek

Dat hij een kind was, zwak, kleinmoedig, week.

En zij — had zelfs geen deernis met mijn Jeed! Waardeerde niet den afstand, dien ik deed!

Zij wist niet hoe mij \'t harte brak; zij dacht Misschien dat ik vergeten kon als zij;

Maar waarom was zij wreed en stuursch voor mij, Zij, die altijd zoo vriendlijk was en zacht? Ze ontweek mijn oog; ze ontvluchtte mij alom; Als had ik iets afgrijslijks op \'t gezicht;

ÏTooit heeft haar mond tot mij één woord gericht; Zij was voor mij een vreemde, blind, en stom; Zij wendde \'t hoofd, indien ik nadertrad,

En gistren ... Neen! mijn mond verzwijgt u dat!...

Toch minde ik haar. Verterend was die min;

Mijn geest, mijn bloed, mijn krachten zwolg zij in; En niemand wien \'k mijn jamuier klaagde; geen Wien ik mijn noodlot niet verzweeg; niet een, Die deel kon nemen in mijn smart, of mij Vertroosten door een vriendlijk medelij\'.

O Somtijds klom mijn leed tot razernij!

Soms deed het me onverschillig zijn en koel, Of zinken in een haatlijk ongevoel,

Maar altijd bleef \'t me, en als een wroeging bij! Soms hoopte ik dat verdriet mij zou doen sneven. Maar, schoon quot;t mij alles roofde, \'t liet mij \'t leven.

En weet gij wat verschriklijk was? \'k Bestreed Sinds lang een opzet, dat mij huiv\'ren deed.

En toch verrukte: een zelfmoord, die mijn leed Zou einden! — Ja! moog de Almacht mij vergeven Wat ik den priester heb gebiecht, en nu Nog eens, mijn Vorst! herhalen zal voor u!

Van dag tot dag werd de afschuw van het leven Mij sterker, en ik voelde, bij mijn smart,

Des duivels kracht aangroeien in mijn hart.

233

O, hij verzocht me, en vruchtloos was mijn kampen; Reeds bukte ik onder \'t loodzwaar van mijn rampen. Thans greep mij zoo geducht een vijand aan — Had ik dan macht om alles te weerstaan ? ....

Op gistren, schriklijk gistren! ben \'k bezweken.

-ocr page 258-

234 KÜSER.

Ik was het hoi in \'fc avonduur ontweken;

Nog twijfelde ik, nog popelde mijn hart,

En \'t was, voor \'t eerst, of \'t denkbeeld van mijn smart

Door ijslijker gepeins verdrongen werd.

Ik zag Aleide, en dat gezicht bepaalde

Mijn oipzet; ik ontweek haar, en ik dwaalde

In \'t diepst van \'t woud; \'k geloof niet dat ik dacht

Aan wat ik waagde, maar ik miste kracht

Noch kalmte; \'k trok mijn zwaard; ik beefde niet

Noch schrikte, toen ik \'t lemmer blinken liet.

Noch achtte \'t weinig; \'t scheen mij, op dat pas.

Alsof \'t iets anders dan een moordtuig was;

Ik zag het aan, maar zeker niet met de oogen

Van iemand, die \'t der scheede heeft onttogen

In \'t zwart en zondig opzet, om den dood

Er van te ontvangen door een rasschen stoot.

Zoo stond ik — mijmrend niet, want \'t was mij licht

In \'t hoofd, en dof en neevlig voor \'t gezicht;

\'k Had een gevoel van weeheid door mijn leden.

Als hij ervaart, die in een afgrond ziet.

En indenkt, daar hij afblikt naar beneden,

Hoe \'t hem zou gaan aU hij zich vallen liet...

Toen, plotsling! mij een harnas tegenblonk.

En van nabij me een stem in de ooren klonk:

„Wat doet gij, Kuser! Neem mijn paard! vlieg heen;

Rijd oostwaarts op en, kunt gij, niet alléén!

Verzamel hulp! Aleide is in gevaar:

De saamgezworen Hoekschen vatten haar;

Een vorst beleidt hun gruwzaam opzet, en

Men licht haar op. gevangnis dreigt haar; \'k ben

Meineedig. maar ik moet haar redden; zij

Is door mijn zorg gewaarschuwd! Haast u!quot; — Hij

Verdween; zijn paai-d is daar en wacht op mij:

\'k Bestijg den zaal; jaag door; verneem gerucht;

Een bange gil snjjdt snerpend door de lucht;

\'k Vlieg toe en vind de moorders; woedend slaat

Mijn zwaard in \'t rond, maar \'t was voor haar te laat.

O Had zij slechts geweten, dat ik daar Aanwezig was en streed — alleen voor haar! Zij had, in \'t dringen van den angst, misschien Wel eenmaal, eenmaal tot mij opgezien! En zeker van mijn onbeloonde trouw Wel ééns myn naam genoemd. Hoe zalig zou Mij dan de dood geweest zijn aan haar voet — Nu komt hij traag, en niets dat hem verzoet!

Neen! wenk mij niet te zwijgen! Zeg mij niet

-ocr page 259-

KDSF,n.

Dat dees mijn wond, dit tijdstip mij verbiedt Te spreken; zoo \'k moest zwijgen, \'t zou geducht Mijn dood verhaasten, want mijn stervend hart Is vol; het moet zich uiten in zijn smart;

Het heeft zoo lang gezwegen, \'t hijgt naar lucht! TI heh ik iets te zeggen: hoor naar mij!

Het is mijn laatst bevel. . Bevel! schoon gij Ken vorst zijt; want dit sterfbed maakt me aan u Gelijk; dus. Graaf van Holland! hoor mij nu!

Bezweer mij, dat ge Aleides vroegen dood Zult wreken, schriklijk wreken! dat gij allen Die haar vermoordden door uw wraak doet vallen! Slechts spare uw hand hem, die mij in haar nood Gewaarschuwd heeft. Wat hen behoeden mag,

Kang, adel, macht, faam, volksgunst of gezag; Ten spijt van leen- en vriendschapsband en bloed! Opdat Aleides schim uw zwak gemoed Van weeklijkheid noch laf geduid verklaag!

Zelfs als gij hem van \'t misdrijf hieldt verdacht.

Die u het naaste aan \'t hart is, wees niet traag Ter wraak! Zeg niet als David: „Handel zacht Met Absalom!quot; en wreek ook mij! — Gij beeft Reeds nu? Heer Graaf! denk, dat mijn vader leeft!\'\'

De jongling zonk, na \'t uiten van dat woord. Onmachtig neer, en toen hij weder sprak,

Was reeds zijn stem gebroken, flauw en zwak.

En bleef \'t geluid als in de keel gesmoord:

„Haar sluier!... O, haar sluier..! \'k zag dien verre, Verre in \'t verschiet, een flauwe nevelsterre Gelijk... Zoo lang \'k zijn glans za^ in dien nacht... Was daar nog hoop;.,, waar is hij nu?... Ik bracht Hem immers hier... Dien sluier! Neen, ik zag Niet anders, — hij verdween, en Kuser mag Hem nooit weer zien! Aleide! Aleide! waar.

Waar hebt gij hem gelaten? — O! Ziedaar!

Godlof! ik heb dat kleinood weergevonden!quot;

Helaas! men had zijn borst er meê verbonden.

Hij rukt hem af, en drukt hem aan den mond;

Een jongste kus dauwt van zijn veege lippen;

Hem schijnt een zucht, een flauw gekerm te ontglippen

Maar \'t bruisend bloed stroomt gutsend uit de wond —

De Graaf schiet toe — \'t was Kusers laatste stond!

De laatste stond! De laatste! — Ja! het lijden Zijns lichaams en het lijden van zijn geest Had eensklaps uit; de martlaar was geweest;

Hij had geen enkel leed meer af te strijden.

-ocr page 260-

KtrsEn.

Ontzettend oogt-iblik! Gedachten, wil,

Gevoel, bewustzijn, kracht — \'t staat alles stil.

])ie straks den dood met zooveel drift begeerde,

Weet zelfs niet dat hij dood is. Nog een uur,

En hij zal koud als ijs zijn, wien het vuur

Des hartstochts blaakte en in zijn gloed verteerde!

Een uur nog, en men komt om \'t stijve lijk

Zijn wijdst, laatst, nutloos hulsel aan te trekken.

Het koud gelaat voor de oogen te bedekken,

En niets meer toont van vroeger leven blijk;

Niets, dat, wie \'t ziet, bewijs vermag te geven.

Dat hij, die korts zooveel gevoelde en pas

Zoo smartelijk een afscheid nam van \'t leven,

Gevoeliger dan hout of marmer was.

Die Kuser was een kind geweest van smarte.

En doornen vol zijn korte weg op aard;

Maar \'t grievendst leed was zijner ziel gespaard,

Het ergste bleef verborgen voor zijn harte.

O, Zoo hij in zijn uiterst oogenblik,

In \'t worstlen met den allerjongsten snik.

Geweten of gegist had dat de vrouw.

V\'oor wie hij streed en weldra sneuvlen zou,

In \'t stervensuur geen ander denkbeeld voedde.

Dan dat zij stierf, als offer van zijn woede ;

Dat, toen men, in dien schrikkelijken nacht,

Den naam van willem uitsprak, de verblinde

In \'t uiterst aan geen andren willem dacht

Dan aan wiens hart haar zoo wanhopig minde,

Hoe grievend zou die laatste zielesmart

De ondraaglijkste geweest zijn voor zijn hfirt! —

De deur ontsluit; een bleeke vrouw genaakt!

\'t Was Bertha, wie geen leed was overkomen.

Men had haar slechts verwijderd, toen geslaakt;

Maar, ach! zij had Aleides dood vernomen.

En dat bericht was doodlijk voor haar hart!

Ontzetting, angst, vermoeienis en smart

Had zoo geducht baar aangegrepen dat

Zij nauwlijks meer herkenbaar was. Zij trad

Ter zale in, waar de ontzette Hertog zat.

Een oogenblik vertoeft zij — Ach, hoe trilt,

Hoe wankelt haa.r de knie; hoe rolt haar b.ik

In \'t rond, en maakt een voorwerp haar van schrik.

Die vroeger enkel zachtheid was; zij gilt.

Als ze op den Hertog toetreedt: „Zeg mij, waar

Is Kuser... Kuser?quot;

En des vorsten hand Verwijst de maagd naar \'t bloedig ledikant. — ,0quot; gilt zij: „valsche, valsche moordenaar!

-ocr page 261-

k0sek.

Was dit uw liefde, dit uw leedï Maar gij

Zijt ook vermoord — ach! waarom niet door mijV

Ellendige!quot;

Maar plotsKr.g zweeg zij, waufc Do Graaf trad toe en greep haar koude hand,

Voor \'t eerst ten vuist genepen, zag haar aan, Met oogen, niet bevochtigd door een traan,

Maar met een blik, die blijk van wanhoop droeg En Bertha\'s hart met nieuwe siddring sloeg.

Toen borst hij uit op hartveracheurbreu toon;

,Niet hij, mijn kind! Haar moorder was mjjn zoon!quot;

AANÏEEKENINGEN.

——-

„Hoe Joncfrou Alijt van Poelgheest dootgheslegen worde.

Daernji, in den jare m. ccc. en xc op S. Mauricius, doe wei-den in den Hage dootgheslegen joncfrou Alijt van Poelgheest, Hertoge Aelbi\'echts Boel, ende was Jan van Poelgheest dochter Schiltknape. ;Ende doen Willem Kuyser des Hertoghen hofmeester haar beschermen woude, worde hy op haar lijf dootgheslegen, van den selfden die dese moort deden. Ende die dit feijt deden ruimden iter.-itout dat lant ende liepen wech. Ende van dezen dootslach quam ao.ch eenen grooten oploop ende rumoer in den lande, als men hoeren zal.quot;

Die Cronycke van Hollant, Zeelant ende Vrieslant, dat 36ste Capiltel.

..Hy [Hertog Albrecht] verloor zijne gemalin, en verslingerde zich toen aan Jonkvrouw Aleid van Poelgeest, wier schoonheid van do tijdgenooten hoogelijk geroemd wordt, en die Hij ten Hove onderhield. Haar vader was Jan van Poelgeest, een Edelman, die zich niet byzonder uitgeteekend had in de twisten, maar men mag vermoeden, dat hy der Kabeljaauwsche party was toegedaan \'). — Het was inderdaad een Vorst, in de kracht zijns levens weduwnaar geworden, en wien zulk een warm bloed door de aderen bruiscMe, niet te misduiden, dat hy zich van een beminlijk en lieftallig meisje betooveren liet; en niemand was ook aan dat Hof zoo heilig, dat liy er door geërgerd werd; maar haar invloed op den Hertog werd

1) [In den jare 1365 werd hy in den strijd tegen de Bovenlanders te Dordrecht doodelijk gekwetst.]

237

-ocr page 262-

KÜSER.

kennelijk door eene ongevoelige verandering in het bewind, dat nu allengs ook met Kabeljaauwschen bezet werd. Dit konden de Hoek-schen niet dulden; zy ruien den Graaf van Oostervant op, vooral na dat Jan van Arkel (de zoon van Otto, waarvan boven) in 1389 Stadhouder van Holland en Zeeland, geworden was, eene waardigheid, die men hem deed voorkomen, als aan hem behoorende. Kn met of zonder zijn weten, maar met zijn naam en gezag zich dekkende, vermoorden zy de ongelukkige schoone des avonds van den 21sten September 1390, op het Buitenhof in de Hage, waar zij, van eenige hovelingen verzeld, een wandeling deed! Willem Kuyser, \'s Hertogs Hofmeester, haar willende beschermen, werd desgelijks van het leven beroofd, en zy zelve werd met verscheiden wonden doorboord.quot;

Bildekdijk, Geschiedenis des Vaderlands, Deel IV, bl. 3, 4.

238

-ocr page 263-

MANNEKENS IN DE MAAN.

EEN EENDJE.

Mundls vult declpl.

Of de uitdrukking toen reeds gangbaar was, weet ik niet; ik althans herinner mji niet ze destijds gehoord te hebben; maar de aanleiding tot het volgende dichtstuk, in den trant van De Maskerade, was niet anders dan een kolossale, met alle vertoon van weten-schappelijken ernst uitgewerkte canard, waarmede broeder Jonathan het oude Europa, in mijn academietijd (welk jaar herinner ik mij niet met juistheid), allerbijzonderst beetnam, en waarvan de uitwerking op het algemeen gesprek volstrekt niet geringer was dan in het gedicht geschetst wordt.

i\'jï

m

i

• vquot;

! i|

Ik had dien nacht geen ooglid toegedaan.... Ontrust u niet, mijnheeren en mevrouwen!

Ik had mijn maag volstrekt niet overlaan;

Was zeer gezond en zelfs niet eens verkouen —

Ja, was met vaak en laat naar bed gegaan,

En had mijn geest geheel niet opgehouen Met eenig soort van droomen, welker zoet Of zuur den slaap atv sponde ontwijken doet.

Maar slaaploosheid hoort tot de fraaie kwalen,

Waarop ik vroeger fier was; nu niet meer.

Doch als men eens zoo\'n dwaasheid aan ging halen.

Verlaat zij ons, helaas, zoo licht niet weer.

\'k Lig uren lang te draaien en te malen

Tot \'k inslaap — maar gansch vruchtloos deze keer! Geen sluimring kwam. en hoe \'k mij moest vervelen Weet \'k zelf zeer goed, maar u kan \'t weinig schelen.

Mijn slaapvertrek, dit zij u eerst bekend,

Is niet zeer groot; maar dit doet niets ter zaken:

Ik heb er, uit mijn groene sluimer-tent. Een alleraardigst uitzicht op de daken;

Maar ook een weinig op het firmament.

Dit prefereer ik, als ik lig te waken.

Ik sloeg er ook dien nacht mijn oogen heen. — Een nachtpit brand ik somtijds, maar toen geen.

De maan scheen mij door \'t venster aan te staren.

De maan — 0 \'k heb haar lief, en lief als gij,

Lief, dweepziek kind van even zestien jaren.

Wanneer gij haar, in zoete mijmerij,

j iiiiyi

1 \'i • fik . pi!

.1 [[ ■ *

i i al

-ocr page 264-

MANNEKENS IN DE MAAN.

Door \'fc helder blauw der effen luclit ziet varen!

Daar haalt voor mij geen zon ter wereld bij. Maar toch, ik zie haar \'t minst graag als zij vol is, Omdat mij dan haar wezen wat te bol is.

Nu was zij zoo vol mooglijk; ja! ik dacht,

Voller dan vol; om ongerust te worden;

Om bang te zijn voor barsten! Nu! gij lacht, — Maar inderdaad, de zaak was niet in orden.

Roos, kiespijn, bof, of zoo iets was vannacht Bepaald haar deel; de gouden tafelborden Der Groningers en Friezen waren thans Haar beeld niet, maar veeleer de dikke Frans.

Fran9oise Gras, des morgens bij \'t ontwaken.

Met oogjes, half begraven onder \'t vet Der hooggebloosde en opgespannen kaken,

Niet kunnefide overwinnen om van \'t bed De zoetheid nog een oogenblik te smaken.

Voor zij zich zal begeven aan \'t toilet;

Frangoise Gras, eer zij haar bolle wangen Ter weerzij met haar krullen heeft behangen.

„Maan!quot; zeide ik, ,mooie maan! verbeeld u niet Dat gij vannacht uw jour hebt met die koonen!

Hoe languissant een blik gij op mij schiet,

Geen zuchtje zult gij uit mijn boezem troonen.

Kn als u -mijn geliefde Phyllisquot; ziet,

Zij hoeft zich heden niet jaloersch te toonen,

\'Maar kan gerust gaan slapen, en haar leed Vergeten, als ik wensohte dat ik deed.quot;

Maar altijd hield zij vol mij aan te kijken:

Ik: „Houd uw bakkes voor u, manziek wjjf!quot; Zij: „\'k Zal van nacht niet uit uw oogen wijken;

Doch zie in mij geen „bakkes,quot; maar een schijf. Wat hebt gij mij bij dingen te gelijken.

Waarmee ik niets gemeens wii hebben? Blijf Mij van mijn lijt met uw figuren, maatje!

Kn leer mij kennen! Dat \'s een ander praatje.

„Ik ben geen juffrouw, geen godes, ik hiet Geen Hekaté, Diana, noch Astarte.

Ik moei mij met eens anders gekheid niet, En draag ook geen verliefdheid in mijn harte.

Om Phyllissen en Bellamy-en schiet Ik nachtlijks in den lach, ondanks hun smarte, Fm keer mij aan hun teemen en gelijm Zoo veel als vroeger aan het tooverrijm.

240

-ocr page 265-

MANNEKENS IK DE MAAN. 241

„Ik ben geen zuster van de Zon, geen nichtje,

Geen achternichtje zelfs, (nog eer van de Aard 1)

Zij zou mij aan zien komen, nietig lichtje.

Bij haar en haars gelijk geen oortje waard!

Toch heb ik een ordentelijk gewichtje,

Met uitgebreidheid naar venant gepaard;

Vraag \'t die mij heeft gemeten en gewogen!

Gij ziet mij klein, want zeer klein zijn uw oogen.

,Wrijf ze uit en zet er telescopen voor.

En zend mij wetenschappelijke blikken,

Geen malle minnaarslonkén toe, waardoor Ik lust kreeg mij een sluier om te strikken

Van neevlen, zoo ik neevlen had; maar hoor Ook deze waarheid, die u zal verschrikken:

Ik ken geen neevlen; neevlen zijn van de aard, Mijnheer! Zijn uwe en u en barer waard.quot;

Zoo sprak de maan; zoo scheen zij mij te spreken. Of iemand uit haar naam, een spook, een geest Van Huygens, of van Newton, naar ik reken;

\'t Kan ook Tycho Brahe wel zijn geweest.

Maar meent gij nu, dat \'k met mijn wollen deken

Mijn aangezicht bedekte, die dit leest —

Zoo weet dat gij u deerlijk hebt bedrogen.

Ik keek de maan al even strak in de oogen.

,Hoe!quot;__sprak ik, „Hemellichaam, hemelbol.

Of wie gij zijt, die fluistert in mijn ooren!

Houdt gij mij waarlijk voor zoo dom of dol,

Dat gij mij meent een nieuwtje te doen hooren?

Al speel ik, uit beleefdheid, de oude rol,

Ik weet wel wie ik voorheb! Spaar uw toren Voor andren; ik weet alles, — en ook dit Dat gij geen invloed op het weer bezit.

Dat gij geen water hebt in al uw rillen

En aadren, groeven, diepten — niet een drop!

Ons kale bergen toont naast leege killen,

En zonder groene of sneeuw-kroon op den top; Dat niemand in uw land zou wonen willen;

Ook haalt er dier noch plant den adem op;

De lucht ontbreekt, en wie kan haar ontberen?..\'quot; „Dat,quot; sprak de stem, „zal ik u anders leeren.quot;

Scherp luisterde ik; maar \'t was het laatste woord, De maan betrok, of, wilt gij, werd betrokken,

\'t Licht van mijn geest beneveld en verstoord;

De gang van mijn gedachten raakte aan \'t hokken; \'■ 10

-ocr page 266-

2-42 MANNEKENS TN DE MAAN.

Toch mijmerde ik nog zoo wat reedlijk voort —

Op eens — daar voel ik een paar zenuwschokken — Spring op — hoe is \'t? Heb ik geslapen? Neen! — Ja toch! —Neen! — Ja! — Neen! — Maar daar drijf ik heen

Ik droomde van de maan? van duizend manen?

Van \'t „mannetje in de maan?quot; Van dikke Frans? Van staart- en dwaalster en hun kronkelbanen?

Van Uylenbroek en Schroder \') aan den trans Des hemels, tusschen stieren, beren, zwanen

En Berenices haarvlecht, schoon van glans,

Gevestigd, als een nieuw stel Dioscuren,

Waar hun benijders zich voorts scheel op turen?

Volstrekt niet. Neen! zoo gaat het al te veel In verzen en verhalen; maar in \'t leven Net andersom. Daar vat gij \'t casueel Des nachts niet op, waar \'t \'s avonds is gebleven,

Maar krijgt gij net precies het tegendeel.

En zelden zijn uw droomen zeer verheven;

Hoe grooter dag, hoe kleiner droom wellicht!

— Maar ik had ditmaal droom noch droomgezicht.

O Zoete stonde, uit diepen slaap te ontwaken,

Zich nog eens om te keeren in het bed;

Nu overend, straks op de been te raken.

En heel gewasschen, maar in half toilet. Uw opgeknapte kamer te genaken;

\'t Ontbijt gereed te vinden, thee gezet;

U frisch te voelen en vernieuwd van krachten —

Vooral wanneer u geen colleges wachten.

Dan haalt gij, met een nameloos gevoel Van vrijheid, lust, en liefde tot de menschen,

\'t Gordijn op; staart het vroolijke gewoel Der straat glimlachend aan; de beste wenschen

Zijn in uw hart voor iedereen; niet koel,

(Want uw goedhartigheid kent thans geen grenzen)

Niet koel zelfs laat, in dit gelukkig uur,

ü \'t mooie dochtertje van d\' overbuur.

Mijnheeren! \'k moet mijn zwakheid u belijden.

Dat ik niet doe als gij: mij zelf niet scheer.

De groote vrees mij in den neus te snijden,

Die gij trotseert, weerhoudt mij telkenkeer.

En ook mijn Figaro is te benijden!

Het blijft niet bg: „Een mooie dag, menheer!\'\'

*) Destyds Professoren In de Sterrekunde, de een te Lelden, de ander te Utrecht

-ocr page 267-

T

mannekens in de maan.

Daar zijn er veel bij die zich zeiven scheren,

Van wier barbiers ik niet de helft kan leeren!

Daar is hi], en zijn „mooie dagquot; vooraan;

Maar straks: ,Wat zegt u van de groote ontdekking?quot;

De groote ontdekking? Welke?quot;quot; — „Van demaan.quot; — De man wist nog geen woord van mijn vertrekking

Van zinnen — „Ja!-Ik kom er net van daan.quot; „„Hoe gij? Wat \'s dat, mijnheer Verbazingwekking?\'.\' Zoo noemde ik hem wel meer, maar nu vooral, Om reednen, die men licht bevroeden zal.

(Hier moet ik tussclïenbeide eens iets zeggen:

Men zit de dichters veel te dicht op \'t lijf\'.

Men wil hen aan te vele kluisters leggen.

De schepsels zitten al vanzelf zoo stijf In \'t wambuis! Laat aan hun geschoren heggen

Van tijd tot tijd een uitwas toe, en kijf Niet over rijmen, ongerijmd als dezen ...

En anders moet gij maar geen dichters lezen! —)

„Met van de maan;quot; was \'t antwoord van den man; „Ofschoon... maar... weet u, van mijnheer Termunde,quot;

(Alweer een naam, dien \'k best gebruiken kan), „Die altijd alles weet van sterrekunde.

„Hij had het boekje vóór\'em. U moet dan „Begrijpen dat het vast is...quot; Maar \'k vergunde Geen langer introductie — „„Goed! maar\' maak Wat voort, en meld ten eerste mij de zaak!quot;quot;

Daar kwam \'t verhaal. „In deze laatste weken,

Had men do lucht, hij wist niet waarvandaan.

Maar nog eens goed, door een nieuw ding bekeken.

En ziet: daar woonden mbnschen op de maan.

Men had het lang gedacht; nu was \'t gebleken.

Daar was volstrekt geen zween; van twijfel aan.quot; „„Wel!quot;quot; zeide ik, „„Vriend! zqo ze een barbier begeeren, Ben ik bereid u te recommandeeren.quot;quot;

Dus schertste ik. Maar ir. \'t verdre van den dag Werd alles ernst. Het was van alle zijden:

„Hebt gij \'t gehoord? Wat zegt ge er van? Dat mag Een grootsche ontdekking heeten. Welke tijden

Beleeft men! En \'b is zeker. Geen gewag Van twijflen; maar alleenlijk van verblijden In dees triomf der wetenschap, die wu,

Mijnheeren! wu beleven; ik en gij.quot;

Zoo luidde \'t op „de Kroeg,quot; uit honderd monden; Aan tafel; bij professor op de thee,

243

\' I

:m

s;|s

. \' P \'i \' \'|4P

t iijpiC

: ■ I ■ M

■ 1 Iml i\' M

11

m

il [Si

■ • if ;

•il

li

-ocr page 268-

244 MANNEKENS IN DE MAAN.

Waar dertien „ganzeg . .ten\')quot; zich bevondcri,

Kn dén het woord voor alle dertien deê,

Men ging, om \'t groote nieuwtje te verkonden,

Opzetlijk op visites en soiree,

Waar \'t al de jonge dames zeer frappeerde Dat zelfs Jan Saai nu geen discours ontbeerde.

In \'t kort! Ik heb \'t „Amerikaansohe boek,quot;

Waarin de zaak verhaald werd, zelf gelezen.

Vooraf, een wetenschaplijk onderzoek Hoe, casu quo, het glas zou moeten wezen Om levend haft te speuren in dien hoek.

Dit deel was zwart van cijfers, waard geprezen!

Daarna, \'t verslag van \'t slijpen van dat glas,

En wat het inhad eer het zóó ver was.

\'t Was klaar. Geen oog zag ooit door zijns gelijken.

Nu, \'t stellen van den kijker, aan de Kaap!

Het eerste, tweede, derde, vierde kijken ...

„De halce wereldquot; ligt in diepen slaap;

De volle maan staat aan de lucht te prijken;

Voor \'t ongewapend oog, een gele raap;

Voor Herschels blik, „een wereld rijk aan blijken Van menschbewoning!quot; Wat is dit? „A crowd!quot; „It mores; it separates!\'\'... Zij zijn aanschouwd!

Zij zijn aanschouwd. — Of \'t mooie jongens waren.

Dat, lieve juifrouw! is een andre vraag.

Mij staat iets voor van ongekamde haren.

Van baarden, hangende tot op de maag.

Maar, ziet u, het zijn altijd nog barbaren!

Ontwikk\'ling en beschaving komen traag.

Ook kon men door den kijker niets bemerken Van schoolgebouwen, schouwburgen, of kerken.

Hoe \'t zij, voor een begin is \'t mooi en goed;_

Maar \'k vraag: wat zal ook hier de aanschouwing baten,

Indien men daar zijn voordeel niet mee doet?

Laat ons geen tijd, die kostlijk is, verpraten!

Elk ziet terstond wat hier gebeuren moet.

Een nieuw ontdekte stam met rust te laten.

Daar is, op de aard, nooit voorbeeld van gezien.

En dat moet ook daar ginder niet geschiên.

Het is een punt van \'t Algemeen Gelooven,

Dat al wat is om ons geschapen is.

Geen schepsel spreekt dit tegen. Daarenboven

\') Oneerbiedige naam, destijds gegeven aan studenten van \'t eerste Jaar.

-ocr page 269-

mannekens in dk maan.

Wat ik ontdek is \'t mijne, naar ik gis. Wij laten ons dit Maanvolk niet ontrooven,

Noch ook ons recht op zijn erkentenis;

Want immers, hadden wij \'t niet opgedoken, Wie iu \'t heelal had ooit er van gesproken ?

En daarom moet het weten wie wij zijn, Ons leeren kennen, achten, dienen, eoren;

Op nog iets deeglijkers dan maneschijn.

Van uit zijquot; hooge woonplaats, ons tracteeren.

Daar zal toch wel iets wezen, grof of fijn, Waarmee die goede luidjes zich geneeren,

Dat ons kan loonen voor ons interest En kostbare démarches tot hun best.

\'t Is zaak met allen ernst ons aan te gorden

Tot vordring op een ingeslagen baan. Het luchtreisvak moet meer beoefend worden

Daar hapert nog het een en ander aan. Wij moeten — in \'t belang ook van „de horden.quot;

Die haar bewonen — eerlang naar de maan! Ik wanhoop niet of \'t nienschdora zal er komen. En mooglijk eer dan velen durven droomen.

-ocr page 270-

GWY DE VLAMING.

een verhaal.

ècpsuQs a lt;xy.ovamp;gt; 6 nócvd* * Oqïuv /qovo öty.amp;^n tov ayaf-iov yar/to»\'.

Sofokles. (Oedipus)

VOORZANG.

Voor nog eens krijgsmans ruwe hand Het aadlijk Poelgeest had verwoest.

Omdat de hitte van ssi^n brand Eens bisschoijs hart verwarmen moest;

Voor nog des burchtslots trotsche kruin Was neergestort en laaggelegd.

Omdat een slechte wapenknecht Braveeren moest op \'t rookend puin;

Voor nog het zwaar.d, van \'t moorden warm, Den grondslag zelf te ontblooten zoeht, Opdat de moedwil weten mocht Hoe ver de kracht ging van zün arm — Was daar, aan \'t eind van een der gangen, Een zaal, met zwart fluweel behangen,

Waar menschenvoet nooit binnentrad,

Waar, door gebroken vensterramen.

Slechts raaf en vleermuis binnenkwamen,

Eu \'t uilgebroed zijn nesten had.

Waar ge, als de maan door \'t venster speelde

En ge opzaagt naar den rechterkant,

U iets dat blonk te zien verbeeldde,

Dat afstak bi] dien zwarten wand.

Waarin het bijgeloof verhaalde

(Die telg en\' moeder van de vrees)

Dat \'s nachts een bloedig spooksel dwaalde,

Waarvan u \'t haar te berge rees.

Waar de Alphensche en Koukerksche boeren Met heilige eeden van bezwoeren,

Dat menig hunner, in den nacht Dien hoek met huivring langsgekomen. Een aaklig gillen had vernomen,

Dat opkwam uit de diepe gracht. — De dwazen! die den tijd verboden Den demper der vergetelheid Te zetten op een treurig feit,

Eu rust te laten aan de dooden!

7.CIO dat de wanklank ecuwig scheen,

-ocr page 271-

OWr DK VLAMING.

Die \'t hart doorreet van alle braven, \'fc Gestorven lichaam onbegraven,

De zaal nog open ah voorheen.

O, Vraagt ge mij wat daar gebeurde? Wat ramp, wat gruwel, welke schuld Die zaal met duister heeft vervuld. De wanden daar zoo somber kleurde? Wat onderzoekt gij \'t wreed verhaal! Zij word verwoest, de zwarte zaal. Die over zooveel jammers rouwde;

En toen men \'t aadlijk huis herbouwde. Toen immers dacht de nieuwe heer Aan zwart fluweel noch rouwzaal meer, Maar liet er de eigen kleuren pronken. Waarvan zijn andre zalen blonken, En Poelgeest was gelijk weleer. Dan, nieuwe krijg verwoestte \'t weer: Het scheen den vloek ter prooi geschonken! Ten derden male een nieuw gesticht Op d\' eigen grondslag opgericht! Ten derden male in puin gezonken!

Nu niet door d\' oorlog omgehaald,

Maar door een naar verval verdorven, Nu niet verwoest, maar weggestorven,

En in onedel graf gedaald.

Betwist, onteigend en verlaten,

Verviel het slot als die \'t bezaten, \'t Geslacht van Poelgeest, zoo vermaard, Werd_langzaam weggevaagd van de aard; De torens zijn ineengevallen;

De boom schudde al zyn blaadren af; De laatste Poelgeest slaapt in \'t graf; En waar zijn Poelgeest\'s breede wallen?

Toen \'k bij den armen bouwval stond. Die tot herinring is gebleven Van wat eens groot was en verheven,

Toen deelde ik met een geit den grond, Die \'t loover van een vlierboom plukte,

Wiens kranke kruin ter aarde bukte____

Geslachten! die uw wapenschild Met hooge borst ten hemel tilt.

Door arendsneb of leeuwenklauwen Of reuzenvuisten vastgehouen.

Waar vloog de zilvren leeuwrik heen,

Daar Poelgeest mee in \'t veld verscheen? Wiens onbeschroomde vinger wischte ei-Zijn naam uit Hollands breed regisfpv?

2-47

-ocr page 272-

QWY DE VLAMING.

Geduchten, die paleizen bouwt,

Gaat tot dien bouwval en aanschouwt!

Maar zulke waren mijn gedachten En dus was mijn verzuchting niet,

Toen ik mijn blikken dalen liet Op Poelgeest,\'s uitgediende grachten,

Toon \'k op een steenbrok nederzat. Of in den kleinen toren trad.

Geen puinhoop die mij hoeft te leereu Hoe rang en grootheid kan verkeeren. Daar is een wet voor elks verval. Die geen heraut verkrachten zal; De grootheid wisselt hier op aarde; En zoo hij zich zijns vaders bloed Noch eigen daden schamen moet, Zoo zie ik nauwlijks wat voor waarde Een fier en vrijgeboren man Nog in de glorie stellen kan.

Die hem dit flauw verguldsel baarde!

Neen, toen ik op dien bouwval zag, Toen schenen zich herinneringen

Van alles, wat voor jaar en dag Gebeurd was, aan mij op te dringen. In mijn gedachten schikte ik weer De slotvertrekken als weleer,

En \'t was als of die \'t huis bewoonden Zich bourtlings aan mijn oog vertoonden:

Die Jan, wiens ridderlijke stem.

Daar hij zijn ruitertroep geleidde,

Gehoord was voor Jeruzalem;

En dan die lieflijke Adelheide,

Beklagenswaarde, voor wier lot Ik niet vergeefs bij Hollands schoonen Een droeven traan zocht af te troonen —

Zij sleet haar kindsheid op dit slot! Maar plotsling rees mij voor de zinnen

Die zaal met somber zwart gehuld, En \'k trad haar aaklig duister binnen. Van huivering en schrik vervuld.

Wie uwer zal het mij verklaren. Wat aandrift ons het harte dringt Om iets verschriklijks te openbaren,

Dat ieders ziel tot siddren dwingt? Is \'t wreedheid, die zich ongenadig

Met andrer angst of pijn vermaakt? Hardvochtige eerzucht, die baldadig Naar een triomf van tranen haakt?

248

-ocr page 273-

Gwy de VLAMISO. 249

Is \'t eigenliefde, die zich prikkelt,

Omdat wie ramp verhaalt of leed Zich-zelven meest belangrijk weet,

En die, in \'t kleed des rouws gewikkeld,

Een huichelaarster, tot u treedt?

Is \'t heerschzucht, die \'t gebied wil voeren Op zwakke zielen licht verkloekt?

Of kunstnarij, die eerbied zoekt Door elk te schokken en te roeren?...

Neen! is \'t niet, dat ons krank gemoed Een hartstocht voor de droefheid voedt?

Een trek om \'s levens ijslijkheden In al haar treurigheid te ontleden.

Een prikkel, die behoefte werd,

En \'t zalig maakt, zich toe te geven Aan wat geheel de ziel doet beven, —

Sinds daar voor \'t menschelijke hart Niets zoeter is dan \'t mededoogen.

Niets milders dan de tvaan voor de oogen.

En geen gevoel voor \'t kenvermogen Zoo klaar en duidlijk als — de smart.

En daarom, zoo mijn huidig lied U mooglijk siddren doet of weenen.

Gij allen, die mij \'t oor wilt leenen.

Beschuldigt mij van wreedheid niet!

MACHTEED.

Zijt gij het, jonge burchtvrouw, gij? Die, in dees vensternis verscholen,

U toegeeft in uw mijmerij,

[Jw droeve blikken om laat dolen?

Hebt ge, in \'t weemoedig avonduur. Den zwaren zetel hier geschoven,

Waar \'t maanlicht schemert op den muur. En slaat dien matten blik naar boven? —

Neen, dit \'s de blonde Machteld niet. Die, met den bruidskrans op de lokken,

Het zedig Vlaamsch gehucht verliet. En Poelgeest\'s Huizing heeft betrokken;

Die (nog zoo weinig maanden pas!) Aan vromen Gwy door d\'echt verbonden. De huwlijksvreugd heeft ondervonden, — Of kwijnt het echtlijk heil zoo ras?... Wat zijt ge bleek! Die blauwende oogen. Verloren zij die tintelvonk,

Waar levenslust en liefde in blonk?

-ocr page 274-

GWV DE VLAMING.

Een nevel heeft hen overtogen,

Een tranenvloed ontstroomt hen nu — 0 Zeg, wat smart vermagerde uV Gij (immers beter noodlot waardig),

Wat bui viel, lelie! zoo wreedaardig?

En, lam! wat stormwind was zoo ruw?

De maan was uit een nevel opgegaan.

Haar breede schijf, min zilver nu dan goud.

Dreef statig boven \'t donker beukenhout En drong haar licht door \'t duister van de blaan. Elk heeft gewis, in menig stillen nacht Zijns levens, tot haar lichtgloed opgezien,

En bij dien glans aan velerlei gedacht.

Aan eigen, aan haar schijnbaar lot misschien!

Daar zijn er, die bij d\' aanblik van haar gloed De liefdevlam versterken in \'t gemoed Daar zijn er, wie haar vriendelijke schijn Gelukkig, kalm, en vroom gestemd doet zijn; Wel menig, starende op dat plechtig zweven.

Heeft aan een zieklijk dwepen toegegeven. En roekeloos zich aan een toovergloed Gewaagd, waar aarde en zee voor zwichten moet; Maar, waar ze ook \'t hart van andren mee vervult, Mij wekt ze altijd het denkbeeld van geduld. De zedige beschroomde, die bescheien,

Met bleeke wang, aan de oosterkim verschijnt,

Niet blinkend, voor een machtiger verdwijnt.

Niet — dan gesterkt door aller starren reien,

Als die haar ongenoegzaamheid beseft.

Zoo ziet gij haar den vromen strijd beginnen Met iedre wolk, die zich tot haar verheft.

Gelaten zwichten, zedig overwinnen,

En lijdlijk zijn bij alles wat haar treft.

Wat immer haar bedroeve, of kwelle, of trachte Te ontluistren en te dooven aan den trans,

Indien zij slechts een straaltje van haar glans Kan redden en doen schemeren — de zachte Weerhoudt het niet van wie het smachtend oog Van de aarde tilt en opslaat naar omhoog; En iedre speling van haar gloed Brengt balsem voor \'t bedrukt gemoed.

Zie, wel mocht zij vertroost zijn door die stralen. Die in den boog van \'t hooge burchtraam zit, Nu eens hot oog ten hemel heft en bidt,

En dan de blikken neer doet dalen

Op \'t zilvren kruisbeeld in haar hand,

Of op het snoer gewijde kralen

-ocr page 275-

GWY DE VLAMING.

Uit cederhout van \'t Heilig Land, Met vrome teekenen besneden,

Een kring van kinderlijke beden, In zusterlijk verband!

Wie was zij ? — Een gevonden kind.

Haar moeder had haar nooit bemind; De deernis had der oudren plicht Vervuld voor \'t wreed verlaten wicht. Maar was zij van onzeker bloed,

Haar schoonheid had die ramp vergoed. Waar zich de mensch onmenschlijk toont. Daar wreekt natuur zich, dus gehoond; Zij, algemeene moeder, neemt Do kindren op, aan moeders vreemd, En adelt met haar rijkste gaven

Dezulken vaak naar lijf en ziel.

Wie zelfs geen moederborst mocht laven, tieen vaderkus te beurte viel.

Een brave weduw had het kind.

Uit liêfde en godsvrucht, opgenomen

En met een moederhart bemind.

Gods liefde helpt en sterkt de vromen;

\'t Was of zijn zegen op haar kluis Verdubbeld rustte, sinds den morgen,

Dat zij voor \'t wicht begon te zorgen,

Dat sinds de lust werd van haar huis. En o! wie kan haar vreugd waardeeren. Wie, die haar hoogmoed schetsen kan, Die toen haar hart mocht overheeren.

Toen (rwy, de Vlamingsche edelman. Dat kind tot gade kwam begeeren,

In spijt zijns adellijken bloeds,

In spijt van zijn vergramde magen.

Die hem zijn wapen schenden zagen.

Haar beuren wilde op de echte koets. Haar waardig dacht zijn naam te dragen! Omdat zij schoon was? Zeker niet. De schoonheid waar het oog op ziet Was te allen tijd\', bij alle standen,

Niet zeldzaam in de Viaamsche landen;

En hij die zijn gelijke ontmoet In wie een gravenhoed doet pralen,

Zal \'t oog zoo licht niet af doen dalen

Op een van dubbelzinnig bloed.

Als hij in de edelste jonkvrouwen De schoonste tevens mag aanschouwen.

Neen! Machtelds vroomheid, dit-alleen Was \'t wat den edelman bekoorde.

-ocr page 276-

OWV UB VLAMING.

Waardoor zij hem een heiige scheen, Die beter wereld toebehoorde.

De vroomheid, sinds het menschdom viel En de eerste reinheid heeft verloren,

Een tweede reinheid van de ziel.

Niet minder vreugd der englenkoren!^

O Vroomheid! Vroomheid! Weet gij iet, Dat hemelscher kan zijn op aarde.

Dan vroomheid, die den hemel ziet, En zich in deemoed openbaarde?

Zij is iets vrouwlijks; nu, wat zou Daar schooners, heilgers, meer verhevens. En zediger en stiller tevens

Op aard zijn dan een vrome vrouw\'?

En Gwy was van zijn eerste jeugd Tot godsvrucht opgevoed en deugd; Hij was geloovig; niet als hij.

Die koel van hart en leeg van hoofd Slechts zegt: „Mijn vader heeft geloofd, „Mijn moeder bad; gelooven wij!quot;

Neen, zijn geloof had leven; \'t bloeide

Door goede werken; zijn gemoed Bleef nimmer koud of lauw, maar gloeide

Van christelijken liefdegloed;

Ja, die gestrengheid was de zijne.

Die licht tot dweepzucht overslaat.

Maar die, hoe hard ze somtijds schijne.

Altijd een vroom gemoed verraadt. En daarom hield hij alle dagen.

Ter vroegmisse ijvrig opgegaan,

\'t Oog op de blonde maagd geslagen.

En zag haar als een zuster aan.

Geen, wie zoo\'n heiige schroom bezielde.

Wanneer zij \'t outer nadertrad;

Niet een, die zoo eerbiedig knielde,

Als zij haar rozenkralen bad;

Geen, die zoo needrig, zoo boetvaardig Ter aarde neerzonk voor \'t Hoogwaardig,

Wie zulk een huivring overviel, Wanneer de miskelk ingeschonken, En \'t heilig bloed werd uitgedronken, Tot pand der redding van haar ziel! Gwy was verrukt; hij had bij velen Dien vromen zin vergeefs gezocht, En wenschte dat hij vinden mocht. Aan wie zijn harte mee te deelen,

Met wie te bidden naar zijn wensch. En die verrukkingen te smaken,

-ocr page 277-

owy DK VLAMISPr.

Die \'t hart vei\'heemlen van den niensch, En reeds in hope zahg maken! —

Daar waren, die van stap tot stap Den snellen gang der liefde schetsten.

En hoe zii stijgt ten hoogsten trap, Tot dat zij hartstocht wordt ten letsten: Wij schildren niet wat ieder man Gevoeld heeft, of gevoelen kan:

Ook was er in de min van dezen Een reiner zin, een hooger geest.

Zoodat zij een beschrijving vreest, Dio licht... beleedigend zou wezen.

Zijn liefde scheen van hartstocht vrij; Zij kende scherts noch koozerij;

Haar scheen niets zinlijks aan te kleven; Aan velen scheen zij veel te koel, En slechts een broederlijk gevoel,

Door weerzijdsch\' eerbied opgeheven;

Een kalme teerheid, die den gloed Der opgebruiste drift niet kende,

Zich enkel tot de zielen wendde,

En geen gebied had op het bloed.

Hoe \'t zij, die Gwy, die alle dagen

De Schriften ijvrig onderzocht. Des pelgrims voetzool had gedragen.

En \'t Heilig Graf aanbidden mocht; Hij, van wien allen lang voorzagen Dat hij als menschenschuwe klerk Zich toe zou wijden aan do Kerk, Het monnikskleed eens aan zou gorden.

De wereld in een cel ontgaan, Een dweper, of een heilig! worden.

Nam \'t sacrament des huwlijks aan. Hij trouwde Machteld, maar ontvluchtte

Zijn goedren en zijn land, omdat Hij \'t toornen van een maagschap duchtte.

Wier trots hij dus beleedigd had.

Haar wreveligen haat ontweken,

Trok hy naar noordelijker streken.

En vond in \'t ledig slotgebouw Van Poelgeest \'t lachend huwlijks-Eden, Smaakte al der liefde zaligheden. En d\' aardschen hemel van de trouw.

Maar nu? Ach, sedert zeven weken Heeft hem zijn Machteld niet gezien. „Hij was van \'t Huis verreisd misschien? Zijn afzijn deed haar \'t harte breken?quot; O neen! Dit zelfde slotgebouw

253

-ocr page 278-

GWY DE VLAMING.

Besloot den Vlaming en zijn vrouw.

Maar hij onttrok zich aan haar oogeu In cl\' onbewoondsten h.0Gk van t slot,

Waar niemand, naar zijn streng verbod, Hem voor \'t gezicht zou komen mogen,

Dan hij, die hem, na eiken nacht.

Een bete broods en water bracht.

Wat was van uit gedrag de reden ?_

Geen stervling die het wist; en zi]

Die hem beminde althans niet. Hij Leefde in zijn huis met elk tevreden;

Hij was gelukkig; dikwijls had Hij \'t haar betuigd; zijn oogen zeiden

\'t Aan ieder, die hem nadertrad----

En kan een helder oog misleiden?

Neen, vroomheid, vriendschap, ernst, verdriet. Dat alles kan vermomming wezen.

Alleen \'t genoegen huichelt niet Maar laat zich op het voorhoofd lezen;

Daar is een straal van vriendlijk licht. Die schijnt om \'s blijden aangezicht.

En lieflijk blonk hij over dezen.

Terwijl uit al zijn trekken sprak Dat hem niets kwelde, niets ontbrak.

Maar nu! Helaas, voor zeven weken.

Was hij des avonds onverzeld De lage zijpoorte uitgesneld,

En zonder tot zijn ga te spreken.

Hij kwam, bi] \'t vallon van clGn nacht, Op \'t huis terug, waar hij met beven En angst door Machteld werd gewacht. Wat had zoo laat hem uit-gedreven?quot; .... Daar was bij! Wonder klonk zijn taal. -Men breng mij licht in de oosterzaal;

„Mijn tabbaard; dronk noch avondmaal! „Bid de eedle vrouw, voor ik \'t begeere, „Mij niet te naadren. Ik verzoek „Mijn bijbel en getijdeboek;

„Breng die. \'k Beveel haar aan den Heeie.

Zoo sleet de Vlaming da^ aan dag,

In vaste en eenzaamheid.

De dienaar, die hem \'s morgens zag.

Bracht altijd kort bescheid.

Als Machteld, met gesmoorde stem, Hem schreiend vroeg: „Hoe vondt gij hem r1 Het antwoord was verscheiden. _Meest ^ Was \'t in den eersten tijd: „Hij leest.\'

Maar later kwam hij vaak verschrikt

254

-ocr page 279-

Gwr DE VLAMING.

Terug; dan had ziin Heer Hemnorsch of-grimmig aangeblikt; Bn eindljjk wist hij nauwlijks moer Wat antwoord hij der teedre vrouw In haar bezorgdhaid geven zou.

— „Uw Heer spreekt in zichzelfquot; — rHij trad „De kamer haastig door.quot; — „Hij zat Daar roerloos neder.quot; — „Hij gebood Mij uit zijn oog te gaan.quot; —\' „Zijn mond Sprak woorden, die ik niet verstond.quot; —

— „Bleek is hij als de dood.quot;...

Maar als des avonds om den haard De kring der dienstbren was geschaard, Dan werd aan dergelijk bericht Geheel een fabel toegedicht.

Dan werd er fluisterend gegist Naar de oorzaak, die geen hunner wist. Dan werd op lagen toon gemeld.

Hetgeen in d\' omtrek werd verteld.

De een zei: „hem was voor vast verhaald, Hun heer had \'s avonds omgedwaald,

En op zijn weg een heks gezien,

Die hem betooverd had misschien!quot; Een ander zei; „dat in den nacht Een vreemde brief was aangebracht;

En dat hij, slaaploos, aan de poort Verdacht gerammel had gehoord,

En luide stemmen in een taal,

Die hij niet kende, in de oosterzaal.quot;

Alom werd dit voor waar geacht; De Vlaming was in \'s Boozen macht,

En, \'t zij hij schuldig ware of niet,

De duivel voerde op hem gebied.

Ja, schoon \'t door velen werd weersproken, Dees had een zwaren stap gehoord.

Hem had een blauwe vlam gegloord,

Zij had een zwavellucht geroken.

Die in de gang haar tegenstoof.... Ach, onverstand en bijgeloof!

Maar zoo gij, in dees kouden tijd,

Bij \'t ongeloof van onze dagen,

Geen twijfelaar aan allfes zijt,

Wat pols en hart met voller slagen Doet kloppen en de ziel verblijdt!

Of zoo u ooit de ervaring streelde,

Hoe teer, hoe innig, hoe getrouw.

De liefde zijn kan in een vrouw.

Dan zal de erinring zulker weelde

256

-ocr page 280-

GWT in? VT.AMINO.

U doen beseffen hoe de smart Thans knagen moest aan Machtelds hart. Ach! de onrust, die dat hart verteerde,

Was als haar teedre liefde groot!

Zij stierf een duizendvouden dood,

Den dood slechts niet, dien zij begeerde.

Maar, zóó geloovig was haar min,

Ofschoon een maalstroom van gedachten Haar duizlen deed bij dag en nachten,

Daar sloop geen argwaan tot haar in!

Geen achterdocht, geen kwaad verdenken Van hem, die haar toch wreed verliet;

Neen, zij begreep zijn opzet niet.

Maar \'t kon haar trouw geen haarbreed krenken!

„Eens!quot; dacht zij „eens! — het ga hoe \'t ga, „Eens zal de dierbre zich verklaren,

„Eens moet zich \'t raadsel openbaren,

„Maar, hemel! zij het niet te spa!

„Mijn kracht begeeft me, zal me ontzinken; ,\'k Wil sterven, \'k zal \'t, en ras misschien! „Maar laat mij ééns hem wederzien,

„Dan wil \'k, o dood! uw beker drinken ....

„Doch Heere! laat uw wil geschiên!quot;

Vaak sloop zij naar den kleinen toren.

Den toren boven de oosterzaal,

Om daar den voetstap maar te hooren

Van haar onzichtbaren gemaal;

En dikwijls lag zij gansche nachten Geknield en bad met luider stem.

Soms voor zich-zelf, maar meest voor hem, Het middelpunt van haar gedachten.

Dus bad ze ook heden, \'t weenend oog Op \'t zilvren crucifix geslagen:

„Heer! geef mij kracht mijn kruis te dragen, „Hoe zwaar \'t mij arme vallen moog!quot;...

Daar treedt de dienaar voor haar oogen. „Wat brengt gij, Wolfert! kwaad of goed? Gij schijnt ontsteld — spreek uit — schep moed! Wat zou mij meer verschrikken mogen? Uw Heer ....quot;

„„Verlangt----quot;quot;

„Zijn gade?quot;

Ti n

Hij wacht u ongeduldig.quot;quot;

„\'k Ga.quot;

Neen! In haar zetel zonk zij neder.

Bedekte \'t aanzicht, weende luid:

256

-ocr page 281-

GWY DE VLAMING. 257

,Helaas!... ik durf niet!quot; snikte ze uit;

Maar ras verhief de vrouw zich weder.

Gesterkt rees ze en met waardigheid Van d\'eiken zetel, wiselito de oogen,

En sprak bedaard en onbewogen:

„Wel; licht mij voor; ik ben bereid.quot;

GWY.

Met huivring trad zij in die zaal.

Het was er donker. Niet een straal

Van licht, die door \'t behangsel drong,

Dat voor de nauwe vensters hong;

En Machteld zag, in dit gebied

Van duisterheid, haar gade niet.

Onzeker tastte zij in \'t rond.

Tot dat haar hand een zetel vond;

Zij sloot het oog, en siddrend zat

De jonge burchtvrouw neer en bad.

De Vlaming (zoo hij waarlijk daar

Aanwezig was!) sprak niet tot haar;

Zij werd geen ademtocht gewaar;

Ook zij dorst nauwlijks aadmen, dorst

Niet zuchten, schoon haar enge borst

Door siddring werd benauwd en vrees....

Ai mij! die stilte was iets wreeds!

Maar eindlijk noemde een kranke stem

Haar naam — ja! zij erkende hem!

Wel was het droevige des toons,

Waarop hij klonk, iets ongewoons.

Maar toch, die naam werd teeder, zacht

En zonder stroefheid uitgebracht.

\'t Was üwy! haar Gwy! De vrees verdween.

Hij moest bij \'t venster zijn, naar \'t scheen.

En ijlings vloog zij derwaarts heen.

Zij vond hom, leenende aan den wand.

Het hoofd verborgen in de hand.

Zij sloeg haar armen om zijn leest,

En hield hem aan haar hart gedrukt,

En was zoo zalig, zoo verrukt.

Als waar die gade dood geweest,

En nu, na hopelooze smart,

Teruggegeven aan heur hart.

En ook die gade-zelf, hij scheen

Veeleer een lijk, een beeld van steen,

Door zucht noch kus verwarmd; Zoo onbeweegl^k stond hij daar.

Als werd hij kus noch vrouw gewaar,

17

-ocr page 282-

GWy DK VLAM1X0.

]Cn in zijn slaap omarmd.

Maai* toen de lieve, teedre vrouw Zijn aangezicht ontblooten wou,

Was \'t of liem, plotseling ontwaakt, Ken gifte slang had aangeraakt,

Kn hij verschrikte; snol en stug Stiet hij haar teederheid terug;

Hij wendde \'t hoofd; voorkwam den kus. Die op zijn lippen dalen moest.

En sprak op harden toon en woest:

„Neen, Machteld! niet aldus.quot;

Ken pauze volgde. Machteld schreide.

Haar raadselachtige echtgenoot Trad naar de deur der zaal en sloot Die op haar grendel; hij verbeidde Ken oogenblik op afstand; kwam Tot Laar terug met groote schreden,

Kn plaatste zich bij \'t venster; nam \'t Gordijn en rukte \'t naar beneden.

Nu stroomde \'t licht der volle maan De duisternis dier zale binnen,

Kn Machteld zag hare eegade aan. Hoe schokte de aanblik haar de zinnen! Dat trillend, scheemrend, zieklijk licht Viel helder op zijn aangezicht,

Kn spreidde om \'t hoofd een bleeken glans, Gelijk eens Heil\'geu stralenkrans.

Niet heilig scheen dit aangezicht, Kn aaklig blonk het, dus verlicht. Het was vermagerd sinds den dag Dat hem voor \'t laatst zijn gade zag: De bleeke wang was weggeslonken,

liet helder oog scheen ingezonken,

Kn wild en schriklijk zag hij rond; Ja, daar was wanhoop in zijn blik. Op \'t fronsend voorhoofd angst en schrik. En hardheid om zijn mond.

Wild vielen baard en lokken neer; Hun koolzwart, glinstrende in dat licht, Gaf aan dat uitgevast gezicht Verschrikkingen te meer.

Dus zag hem Machteld voor zich staan. En dus verlichtte hem de maan.

Zij bleef in \'t donker; want do straal.

Die schuins naarbinnen drong,

Verlichtte alleen maar haar gemaal.

268

-ocr page 283-

G\\vy UE VLAMING. 259

En stuitte waar, aan \'t eind der zaal,

De beeltenis eens ridders hong.

Het was zijn vaders beeltnis; hij Was jong nog op die schilderij;

Blootshoofds, in \'t harnas, stond hij daar.

Een rustig man van dertig jaar,

En vriendlijk werd zijn kalm gezicht Beschenen door dien straal van licht.

0, Hoe gansch andera dit gelaat Dan dat van die bij \'t venster staat!

Dit oog was klaar, die schedel blond.

Een stille lach speelde om dien mond.

Daar was een glans van vredigheid Op al die trekken uitgespreid....

Verschriklijk was dat onderscheid Van zoon en vader!

\'t Was alsof Dit denkbeeld ook den Vlaming trof.

Want dikwijls hield hij \'t zwervend oog Naar dat tevreden aangezicht,

Als niet verborgen angst, gericht.

Maar eensklaps ziet hij Machteld aan,

En zóó, dat hij den schedel boog,

Als om haar vorschend ga te slaan.

O! Daar was angst, ontzetting, schrik.

Verwijt en vonnis in disn blik;

Hij was voor haar niet uit te staan!

\'t Was of dat vreeslijk oogelicht Verterend brandde op haar gezicht.

Hij had geen deernis: streng en straf Bleef op haar oog zijn oog gericht;

Maar eensklaps grijpt hij \'t siddrend wicht. En — stoot haar van zich af.

Een denkbeeld ging haar door de ziel!

Het was een vrouwlijk denkbeeld, dat Tot nog haar niet getroffen had.

Maar nu, een lichtstraal, op haar viel.

Zij sloeg een smeekend oog op hem.

Die haar dus norsch verstiet.

En sprak met diepbewogen stem:

„Ik heb mijn vroegre schoonheid nist!quot;

.„Uw schoonheid!quot;quot; — riep hij — „„vraagde ik ooit Hoe u de hemel had getooid?

[Jw jeugd hoeft nooit mij aangetrokken!

Voorwaar, geen vlechtinge der lokken,

Geen blinkend kleed, geen gouden pracht Behaagden me ooit in uw geslacht!

-ocr page 284-

GWY DE VLAMING.

\'t Verborgen hart, de stille geest,

Bekoorden mij in Machteld meest.

Zij waren \'t, die mijn ziel verleidden....

En nu, indien gij weten moet.

Wat hier mijn hart verkrimpen doet.... Eampzalige! het geldt ons beiden\'.quot;quot; —

Hij trok haar tot zich, blikte in \'t rond,

En neep haar arm met kracht.

Bracht aan haar oor zijn bleeken mond, En zei toen fluisterende en zacht: _ „„\'k Geloof, dat wij... verdoemd zijn!quot;quot;

Wat?

Zei vrome Gwy de Vlaming dat?

Verdoemd? Verdoemd? Tot Machteld? Neen,

Dat zeggen was niet wat het scheen.

En toch, haar gade sprak het uit,

Dat hartdoorsnijdende geluid.

Dat woord, zijn blik, zijn woest gezicht....

0! Alles werci haar schriklijk licht!

Op eens bevroedde zij de kwaal

Van dien rampzaligen gemaal;

En Machteld hief zich op met kracht,

En zag haar ga met moed en strak

In \'t rustloos warend oog, en sprak:

„Wat heeft u in dien staat gebracht?

Gij ijlt — gij zijt onzinnig.quot;....

, „Neen,quot;quot; — Was \'t fluistrend antwoord — „„nu nog niet! De Booze heeft een kort gebied;

Hij laat bij wijlen mij alleen.

Straks zal hij keeren. O! ik ken Hem reeds en weet zijn tijd.

Ik weet in welk gevaar gij zijt

Zoo ras ik weer----bezeten ben!

Maar nu — maar nu — Wees niet vervaard! Ik ben____bedaard.quot;quot;

Hij poosde. „„Daar zijn oogenblikken,quot;quot;

Dus ging hij voort op kalmer toon,

„„Die ik niet afwacht zonder schrikken....

En toch, ik beu ze reeds gewoon!

Neen, Machteld, denk niet dat ik ijle — Gij ziet mij in de goede wijle;

\'t Is vreeslijk, Machteld! maar \'t is waar. Ik wilde \'t u verzwijgen, maar Vermocht het niet. Het is gesproken;

-ocr page 285-

OWY DK VT.AMINO.

\'t Woord is zijn kei-kor uitgebroken!.... En, beter is het dat gij \'t weet,

Eer gij Gods vonnis tegentreedt!

Wij zijn ..quot;

Hij zweeg. Niet andermaal Kon bij die scbrikbre klanken uiten,

De vreeslijkste in der menschen taal,

Sinds \'t Eden achter hen moest sluiten, Waarin dat heilvernielend woord Eerst door de Slang was aangehoord. En zeker, \'t sloot ons allen buiten.

Indien niet Godes heilgena Gebleken ware op Golgotha.

Hij zweeg en trad de kamer door,

En zag haar lang en peinzend aan.

En lei der vrouw de Heiige Blaln, In \'t afschrift der Vulgata, voor:

„„Hier staat het, Machteld! hier geschreven

Wisch mij die lettren. zoo gij kunt! Ik heb een gruweldaad bedreven.

Die ons geen uur van rust vergunt. De Heer zal ons verdoen voor de oogen

Dor kindren onzes volks; zijn vloek Is op ons. Maak mij dit tot logen!

Wisch mij die lettren uit dit boek! Ha! \'k heb sinds de eerste kinderdagen Zijn woorden in mijn hart gedragen,

En voor zijn outer neergeknield;

\'k Heb, en van vromen geest bezield. Gebiecht, gevast, geboet, gebeden, Den duivel en mijn vleesch bestreden;

Ik heb van wat de Kerk beval Geen enkle letter overtreden!

De ketters haatte ik bovenal!

Ik heb, in negen Vlaamsche steden. Een zuivergouden kandelaar Doen zetten op het hoogaltaar.

\'k Heb, met ruw linnen om de leden,

Gekniekj bij \'s Heilands dierbaar graf. En op Calvarië gebeden;

En \'k lei den pelgrimsstaf slechts af. Om \'t slagzwaard aan de heup te gorden, Om schrik des Islamiets te worden. Der Moren geesel, vloek en straf!

En nu! Dit alles zal niet baten.

Ik heb het heilig pad verlaten.

-ocr page 286-

GWÏ DE VLAMING.

Ik ben gevallen, diep — ja, diep! Ik keerde me af, waar God mij riep, Ik heb gezondigd, boven maten!

\'k Had me op den steilen Libanon Een naakte grotte moeten kiezen.

En niet een enkel uur verliezen,

Dat mij den Heere heilgen kon.

Ik had, de stinkende aard ontvloden,

In boete, vaste, en lichaamspijn. Den ouden Adam moeten dooden,

Den Heilgen Geest deelachtig zijn!

Ik had der wereld moeten sterven. En Christus leven; al mijn tijd Besteden tot den goeden strijd,

Om eens de groote krone te erven.

Den uitverkoornen weggeleid!

Maar \'k heb — wie hoort het zonder beven

\'k Heb op zoo groote zaligheid (Verworpeling) geen acht gegeven.

\'k Was als de Rijke Jongeling, Die weenend van den Meester ging!

Mijn heiligheid van vroeger dagen Is uitgewisoht en weggedaan, —

\'k Ben op mijn pad niet voortgegaan, \'k Heb Christus \'t kruis niet nagedragen; Ik ben bij die van verre staan.

Ik was het, die met \'t zwaard zou slaan, En zoo lafhartig rugwaarts deinsde, — Voor mij ook kraaide de uchtendhaan. Maar vond berouw noch boetetraan.... O Farizeër! o geveinsde!

0 Valsche, huichlende apostaat!

Gij werd gedoemd tot erger kwaad! \'k Moest daarom, daarom, wederkeeren, U, u aanschouwen, u begeeren;

Omdat ik afweek van mijn pad,

Moest mij mijn vleesch geheel verderven.

Mijn ziel bevlekt zijn met een klad. Die nooit vergifnis zou verwerven.

Ik, die den Geest kon, dorst weerstaan. Moest, en zijns ondanks, tot de horden Des Satans opgeschreven worden! Uw oogen.... Zie mij zoo niet aan.

Noch ween! Gij zondigt met dien traan; Gij schreit slechts om uw lot en \'t mijne; Gij weent niet om uw zonden; nu.

Alleen die tranen voegen u.

Maar dat alle andre rouw verdwijne! Uwe oogen, zegge ik, hebben mij

-ocr page 287-

OWY DE VLAMING.

Doen vallen, doen verzinken; gij Hebt mij verstrikt door tooverij.... Ik minde u om uw vroomheid — \'t zij! Ook zulke liefde was misdadig!

Want alle liefde was ons dood En hel!... Vrouw! onze schuld is groot... O God! wees harer ziel genadig!quot;quot;....

,Helaas! dat ik u vallen deed,

Dat ge om mijn liefde gaat verloren,

Dat is wel sohriklijk om to hooren,

Dat is wbl schriklijk, Gwy! en wreed!

Maar \'t zij zoo; schoon ik nog niet weet Wat zonde of misdaad daar kon steken lu reine min voor u te kweeken,

Zoo één, ik was het die misdeed.

üooh met wat naam ze uw godsvrucht heet, Die zonde kan mij niet berouwen,

Noch doet mij vreezen; de Almacht weet Wat liefde is voor het hart der vrouwen!

Welnu, ik draag de schuld alléén;

Ik kan, ik wil, ik moet ze dragen;

Werp ze op mij en verlaat mij! Noen, \'k Ontroof geen uwer levensdagen

Den Heere. \'k Sta aan Hem u af;

\'k Wil mij van \'t offer niet beklagen;

Ik bid slechts een vroegtijdig graf. Gij — immers is \'t nog tijd van boeten? —

Gij, vraag den Heilgen Vader, wat Uw misdaad zal verzoenen moeten,

En keer terug op \'t heilig pad.

De Heer, van wien ge u af moest wenden,

Om mij rampzalige aan te zien,

Zal u nog eens den Trooster zenden,

En onbekrompener misschien!

Zoo gij een gruwel hebt bedreven

Door Machteld lief t3 hebben, haat.

Veracht, vervloek haar heel uw leven.... Neen.... Neen, vergeet haar —quot;

„„\'t Is te laat.quot;quot;

Toen volgde er een langdurig zwijgen,

Als op zoo\'n uitspraak volgen moet. De wanhoop kan niet hooger stijgen

Dan waar men deze hooren doet.

Te laat — Noodlottig woord in \'t leven.

Waar niets zoo duur is als de tijd.

En ge immer in verzoeking zijt

-ocr page 288-

OWY DE VLAMING.

Hem ongebruikt terug te geven.

Te laat — Verschriklijk! Zoo gij immer

Die woorden tot u-zelven spraakt, O, Ik bezweer u, doe het nimmer Waar \'t boeten of bekeering raakt! —

Maar Gwy ... Hij bad bet uitgesproken! De gruwel, dien hij zich verweet,

Moest door een eeuwigheid van leed Vergolden worden en gewroken!

En Machteld? Maohteld? Ach, zij wist Niet wat; het werd haar bang en banger;

Hetgeen zij vroeger had gegist Geloofde zij nu nauwlijks langer.

Neen! Neen! onzinnig scheen hij niet;

Maar kon hij schuldig zijn aan iet,

Dat geen genade kon verwerven?

En kon hij zonder hope sterven?.. ..

Het werd haar licht in \'t hoofd; de kracht Ontzonk haar; schoon zij mijmrend zat En peinzende naar \'t scheen, zij dacht Aan niets; zij weende zelfs noch bad.

Zij hield den doffen blik ter aarde.

Of zag haar onverstaanbren ga Met ziellooze oogen rustloos na.

Zooals hij door de kamer waarde,

Of plotsling stilstond om haar aan Te staren en weer voort te gaan.

Soms; schoon het, in die ernstige uren En in zijn toestand, wonder scheen;

Stond hij op dwaze nietigheên Aandachtig de oogen uit te turen;

Betrachtte een luchter, of bezag Een veder, die op tafel lag;

Of volgde met de vingerspits _

Den omtrek van een vensternis;

Ot zag bij \'t maanlicht doelloos uit; Of maakte trekken op de ruit;

Of, naar het scheen, bedacht zich weder, En trad weer rustloos op en neder.

Maar, plotsling voor haar stilgestaan.

Zag hij zijn gade toornig aan,

Kn sprak op schorren toon, die van

Lang zwijgen blijk droeg: Antwoord dan!quot;quot;

Ze ontwaakte: „Wat?quot;

„„Wat? Vroeg ik niet,

Wat op uw bruidsdag zij geschied?quot;quot;

264

-ocr page 289-

OWY DE VLAMING.

„Mijn bruidsdag?quot;

„„Gij vergat misschien! Gij hebt een vreemde vrouw gezien?quot;quot;

„Des vroegen morgens — een Heidin; Zij drong zich onze woning in____quot;

„„En wat heeft ze u gezegd?quot;quot;

„Zij sprak:

(Maar \'k sloeg een kruis; \'k geloofde niet; Geen Heiden, die \'t verborgen ziet!) Dit Huwlijh is vervloekt. Zij brak Twee rozen van een zelfden tak;

Zij bracht de bloemen tot elkander,

En zij ontblaarde de een met de ander;

Toen blies zij in de losse blaan:

„Zoo zal het u en hem vergaan!

Gedenk aan Mara\'s woorden....quot;quot;

„„Zij?quot;quot;....

„Verdween.quot;

„„En dit verzweegt ge mij?quot;quot;

„O, Tk wist beter! Wist ik niet Dat de Almacht op ons nederziet; Dat reine liefde ons hart verbond;

Dat God de Heer zijn zegen zond;

En wat gemaal mij had gekozen?quot;....

„„Neen! dat, rampzaalge, wist gij niet! O üaidlijk teeken van de rozen!

Wil Machteld zien wat dat bediedt?quot;quot;

Hij wees met uitgestrekte hand

Haar naar den wand: „„Zie, Machteld! Zie, bij \'t licht der maan, Die beeltnis aan!quot;quot;

„Het is uw vader.quot;

„„Ja, en de uwe!

Verschrik niet, gil niet, sidder niet! Wat baat of men teruggegruwe.

Als men zijn vonnis voor zich ziet?quot;quot;

Zij zag hem aan met strak gezicht; „Én van waar kwam u dit bericht?quot;

-ocr page 290-

OWr DE VLAMING.

„„Viui haai\', die vim een zelfden tak De twee vervloekte rozen brak. Rampzalige! voor zeven weken.

Kwam zij voor \'t eerst in deze streken, En vergde mij in \'t beukenwoud Een onderhoud.

Uw moeder, sprak zij, is gestorven;

\'k Ben half\' ontslagen van een eed, Die mij tot nog toe zwijgen deed,

Wat u en Maehteld heeft verdorven. Uw eegade is uws vaders kind;

Hij heeft een Vlaamsche maagd bemind; Zij stierf in \'t kraambed voor mijn oogen; Ik legde \'t wicht te vondling; \'k zag Het wel verzorgd den andren dag, En ben uit Vlaandren weggetogen. Na achttien jaren kom \'k -weerom, En vind u Maohtelda bruidegom.

Maar \'k had uw vader d\' eed gezworen (En \'k was uw vader dier verplicht; Hij redde mij van \'t veemgericht;) Dat nooit uw moeder dit zou hooren.

Noch iemand hier op aarde; \'k acht Een eed, hoe dier, van weinig kracht. Omdat ik niets voor heilig reken,

Maar \'k wilde eens dezen eed niet breken! Toch heb \'k uw bruid gewaarschuwd; zij Sloeg (vrome!) geen geloof aan mij; En als de zuster, zoo de broeder.

Maar zie uws vaders ring tot pand Der waarheid; \'k trok hem van de hand Van Machtelds vroeggestorven moeder;

[k droeg hem over zee en land!

Thans wil \'k en moet dit huwlijk breken, Ik keer terug na zeven weken.

En zoo ge uw zuster nog verzweegt. Wat schuld op uw geweten weegt. Zoo zal ik zelve tot haar spreken!

Welnu! straks komt zij! Vijftig dagen Heb ik in wanhoop doorgebracht.

Doch \'k heb uit deernis nog gewacht U eerder voor mijn oog te dagen....

Maar zij zal hier zijn — heden nacht! Hoe zullen wij haar blik verdragen?

Thans kent gij alles — uw geslacht, Uw schuld, uw gruwel, onze schande! Ha! hoe zal \'t klinken door den lande, Tenzij we — als onze vader deed —

-ocr page 291-

OWY DE VT.AMIim.

Dit vrouwmensch beedlen ora een eed! Het is versohriklijk. Machteld! waren

Ooit zondaars zondiger dan wij?

Sta mij zoo dom niet aa;i te staren;

Maar antwoord, antwoord, vonnis mij! O laat mij, in dees helsche stonde.

Niet met mijn wanhoop dus alleen! Spreek! gij hebt aandeel in de zonde;

Gevoelt gij al haar schriklijkheên! Spreek! gil als ik: wij zijn verloren!

Roep al uw siddrend\' afkeer uit! \'k Omarmde een zuster in een bruid — Moet ik dan alles u doen hooren? Gij slaapt! op, zondares! ontwaak!

Niet mijne alleen, \'t is uwe zaak!

Ik wil alleen niet langer spreken —

Ik dorst naar woorden uit uw mond ... O Zwijg niet! antwoord! geef een teeken Van afschuw voor dit echtverbond!quot;quot;

Maar Machteld zat als zonder leven;

Ken schoone doode; pijnlijk schoon! Toen, als door hooger geest gedreven,

Riep ze eensklaps uit op kalmen toon: „Wij hebben onbewust misdreven; l)e Heere, Gwy! kan ons vergeven.quot;

,rU? mooglijk, Machteld! maar verstond Gij geen der woorden uit mijn mond? Ik, ziet gij, mort verdoemd zijn, ik Moest vallen in dien helschen strik. Ik heb den Geest weerstaan; toen is Den boozen vorst der duisternis Deze almacht over mij gegeven,

En hem, hem kfin ik niet weerstreven. !k hinkte op twee gedachten, \'k Dorst De stem der roeping in mijn borst Tenhalve eerst volgen, eindlijk smoren! Mij was de Kerk als bruid beschoren; Ik heb die bruid veracht: welnu! Ik kreeg een andre bruid, in U;

Ik had mijn wensch — ik ga verloren. Zoo vangt de duivel d\' uitverkoren.

Voor ii (waardeer dien zegen wel!) U blijven boeten en gebeden,

U pelgrimstocht en kloostercel;

Maar ik heb allen troost vertreden, — Voor mij niets anders dan de hel!

-ocr page 292-

C.WY DE VLAMING.

Wel heugt mij die gevloekte dag.

Toen ik gestraft werd voor mijn zonden;

Toen ik met u voor \'t outer lag,

En we ons te zaam in d\' echt verbonden. De zon verspreidde een waatrig licht; De sneeuwvlok stoof ons in \'t gezicht; De wind, als wij \'t portaal inkwamen.

Zoog achter ons do kerkdeur dicht.... Wat rammelden die vensterramen!

Hoe zalig, hoe verrukt ik scheen,

Het was mij, bij ons binnentreden,

Toch eensklaps of wij zwaar misdeden; Het hart kromp mij van schrik ineen. Ook waren we in die kerk alleen. Een ander voert met vlugge schreden Een magen- en gespelen-stoet Den knecht des Heeren te gemoet:

Geen mensch mocht onze zij bekleeden; Ons huwlijk had mijn naam bevlekt.

Mijn moeders gramschap opgewekt.

En nu, wij weten \'t nu, met reden.

Schoon voor haarzelf dan ook bedekt, \'t Was of het waslicht niet wou branden; De koorknaap (weet gij \'t?) kwam te laat; Scheef zat des priesters plechtgewaad; De trouwring viel hem uit de handen;

\'k Zag al die wenken, mij voor \'t laatst Nog door mijn goeden geest gegeven;

Maar \'k werd tot voortgaan aangedreven: De duivel had mijn hart verdwaasd. Nog, toen ik u mijn rechter gaf.

Ging mij een huivring door de leden,

Als waar die plechtigheid me een straf; Ik hoorde niet naar \'s priesters reden. Ik dacht.... aan dingen van \'t voorleden. Die niet behoorden bij dat feest; Op \'t laatst — ik zag mijns vaders geest Mij fronsend, dreigend tegentredenj Juist sprak de priester \'t amen uit;

En ik toog henen met mijn bruid;

Mijn vonnis was volbracht, en ik Rampzalig sinds dien oogenblik ....quot; quot;

\'t Was of zich zyn gelaat verzachtte,

Waarop een vriendlijker gedachte Zich reeds bij voorraad lezen liet.

Als hij dus voortging:

„„Ween zoo niet!

-ocr page 293-

QWÏ DE VLAMING.

Ach, ween niet! Doe mij niet gevoelen Hoe teer ik u heb lief gehad! ....

En doe mij niet bekennen — dat Die liefde nog niet kon verkoelen!.. .

Ik moet niets weten dan mijn schuld;

Ik mag mijn vonnis niet verzachten;

En als me een week gevoel vervult,

Dan — O! bestrijdt het, al mijn krachten.\' Ook dit is uit den duivel — Neen!

Mijn Zuster! Machteld! Ga nu heen!

Ontvlucht mij — zij ons afscheid snel! Een kort — een koud — slechts één vaarwel! Geen kus — ik kuste u zooveel malen In schuld en zonde en als uw man,

Dat ik \'t als broeder nu niet kan____

Vaarwel! Laat mij \'t niet weer herhalen!

Ik heb u lief dit oogenblik —

Vlucht, eer mijn toorn u weer verschrikk\'! Ik voel den duivel om mij dwalen!

Om Gods wil, Machteld! ga nu heen!

O, Bij die min, die eens ons blaakte,

En ons zoo diep rampzalig maakte.

Bezweer ik u, laat mij alleen.

God .... Maar van mij geen zegen! Neen, Hij daalde op u als vloekspraak neder.... Vaarwel! Gij ziet mij nimmer weder....

Noch hier, noch daar!... Ga heen, ga heen!quot;quot;

„Nooit!quot; gilt ze, en werpt zich aan zijn voeten.

En slaat haar armen om zijn kniên;

„Niet dus is \'t dat wij scheiden moeten!

Ik wil mijn lieven broeder zien!

Ik zal uw zijde niet begeven;

Ik ben uw zuster: \'k deel uw lot,

Dat han niet zondig zijn voor God;

Ik mag als zuster voor u leven.

Ik deel uw misdaad en uw straf!

Ik sta u nimmer, nimmer af.

Ik poog uw jammer te verzoeten.

Wij zullen saam den gruwel boeten,

Wij zullen boeten tot ons graf!

De Heer zal zich verbidden laten —

Maar kan geen penitentie baten.

Moet gij rampzalig zijn; welnu.

Ook dat.... God! — ja, ook dat met u.quot;

De dweper zag haar teeder aan;

\'t Was of \'t beklemd gemoed Zich zou ontlasten in een traan

269

-ocr page 294-

ÜWÏ DE VLAJUSü.

Misschien een tranenvloed!

Maai* eensklaps! God! wat ommekeer!

Zjin gitzwarte oogen schittren weer,

Maar van nog woester gloed!

Een koude siddring doet hem beven;

Hij strekt znn armen krampig uit.

En houdt ze dreigende opgeheven;

Zijn mond gaapt naar \'t geluid.

Zyn wang vervalt; zijn schedel nijgt Ter aarde, en op zijn voorhoofd stijgt

De wolk der razernij;

Geheel zijn lichaam schokt en trilt; Hij grijnslacht, schatert, kermt en gilt;

Zijn duivel is nabij.

Hij schudt zijn zuster van zich; kruist De kamer, niet gebalde vuist

En woeste stappen door;

Zijn redevloed heeft slot noch zin;

Hij mengt er vloek en scheldwoord in. En bijbelplaatsen, onvertaald En buitensporig aangehaald.

Afgrijslijk voor \'t gehoor....

Maar, vrome Machteld bleef geknield,

En merkte niet haar eega\'s woede.

Maai bad, van hooger geest bezield.

Om bijstand tot d\' Algoede.

Zoo badeu Martlaressen vaak.

Gebonden aan den folterstaak,

En zagen, in \'t gebed verzonken,

Uiet hoe de vlammen om haar hlonken.

„Zij komenquot;quot; — zoo riep hij — „„wat komen zij vroeg! Laat af! Uw nabijzijn is foltring genoeg!

Wijk achter mij, satan! gij kunt uw gebied Wel voeren, wel foltren, al zie ik u niet!

Ha! tulband en heupzwaard, gekromd als een maan!

Ha! bloedige bassa, wat grijnst gij mij aan!

De held is gevallen en doemling als _gij;

Verheug u en schater, de hel is nabij!

„Ook gij werd dan krank, en ook gij ons gelijk;

„Uw trots is geknot in dit duistere rijk;

„\'t Geklank uwer luitequot; — dus spreekt gij _— „heeft uit,

„En maden en wormen verwachten hun buit.

„Hoe, morgenster! vielt gij dus neer van den trans?

„Hoe, zoon van den uchtend! hoe derft gij uw glans?

„O Gij, die jjeen heiden uw vloek hebt gespaard —

„Hoe vielt gij dus zelf, en vermorzeld, ter aard?quot;

270

-ocr page 295-

GWY UK VLAMING.

Ha! priester in \'t miskleed, vertoon uw gezicht! Uw vloek is vervuld en de hel u verplicht!

Zeg, ziet gij dien sleep niet van juffren in \'t geel? \'t Zijn allen mijn zusters in brailoftsfluweel.

— Geen rozen! geen rozen! neem weg uit mijn oog! Wat rozen beneden en rozen omhoog!

Geen teeken des kruises! Daar staat een hoidin — Ik kan aan haar zijde die kerkdeur niet in!

— Vervloekte, mijn lot heeft met u niets gemeens; Al ben ik geen christen, toch was ik het eens!

Weg, hondsche heid\'nen! weg van mij! Ontziet u! — Gwy de Vlaming heet ik —

Waan niet dat ik u dienstbaar zij, — Noen! Christus ken ik, Paulus weet ik. Maar, toovenaren! wie zijt gij?

Mijn degen! mijn degen! mijn lans en mijn zwaard! Men breng mij een harnas, men zadele een paard!

Trek uit dat ruw linnen, die pelgrimsrok knelt!

Ik stik in die plooien, zij doen mij geweld!

Mijn beuklaar! mijn beuklaar! zij vallen mij aan. Ik kan met dien palster geen heidnen verslaan! Ha! laclit niet, venneetlen! noch juicht in uw trots! Kon oogwenk, en \'k blink in de rustinge Gods! Op ridders! Heeft niemand een zwaard voor een vrind? Een zwaard, dat de levens der heid\'nen verslindt? Ha, dolk van den sultan! gij schuilt aan mijn borst; Nog zijt gij met bloed van barbaren bemorst;

Wees welkom! Nog eens zult gij baden in bloed!

Sterf, heks met uw rozen! Gij duivlengebroed!....quot;quot;

Hij spreekt; en van zijn handen snort Ken scherpe vlijm van blinkend staal —

Ken luide gil klinkt door de zaal!

En Machteld ligt ter aard gestort.

MARA.

De morgen rees, maar traag en flauw Geheel de lucht was donkergrauw; \'t Was mat en vocht en dompig weer; Een fijne regen daalde neer;

Daar lag een vale treurigheid Op heel het landschap uitgespreid;

271

-ocr page 296-

GWY DE VLAMING.

Een dofl\'o tint, een doodsche schaüw, Een loodzwaar floers van smart en rouw. \'t Was een dier dagen, die \'t gemoed Naar d\' avondstond verlangen doet, Verzekerd dat geen straal van licht Door wolken boren zal, zoo dicht. Die slaaprige onmacht der natuur Verveelt het hart, van uur tot uur;

\'t Is of haar, roerloos uitgestrekt, Een aaklig doodskleed overdekt;

Het is of wind en vloed vereend Een dof, een sleepend lijklied steent, \'t Geboomte staat als neergebukt, Gebloemte en kruid ter aard gedrukt;

Geen vooglenzang vervult de lucht;

Slechts waar een raaf haar nest ontvlucht, Als haar de lijklucht tegenstinkt.

Die door dien lauwen dampkring dringt, Verneemt het oor haar wiekgeklep En \'t krassen uit haar kromme neb; Slechts waar de bontgevlekte meeuw. Die \'t naadren van den storm voorziet. De rimpling scheert van kreek en vliet. Ontzet men van een rauwen schreeuw! Maar \'t neergeslagen harte haakt Naar \'t noodweer, dat zij kenbaar maakt.

Zoo\'n droeve dag ging Poelgeest op En schemerde om zijn torentop, Om \'t somber floers van nachtlijk zwart Te heffen van dit huis van smart, En spreidde een nevel, dun en voos. Om deze woninge des doods.

Een vrouw zat neer in de oosterzaal. Te wachten op den eersten straal, En doofde, bij de schemering.

Een lamp, die aan den zolder hing. Een grof en bruin gewaad, naar \'t scheen Eer voor een mannenleest gesneden.

Omgaf de ineengedrongen leden.

En hong in plooien naar beneen; Een kleine kap van vuurrood laken Sloot om haar lokken, kroes en zwart, En in wier schauw haar voorhoofd werd Verborgen en haar bruine kaken.

Haar gitzwart oog scheen, enkel vlam. Van vreemd, van oostersch vuur te gloren, En zilvren ringen in haar ooren

-ocr page 297-

owy DE VLAMING.

Verrieden den Bolieemschen stam.

\'t Was Mara. Peinzend zat zij neder,

Het oog op Machteld.s lijk gericht,

De bruine haud op \'t wit gezicht, En langzaam sprak ze en bijkans teeder:

„Kind! uitgeblonken is uw licht!

Geen balsems aller werelddeelen.

Geen kruiden van Egyptes grond,

Geen talisman of toovarvond Vermochten zulk een diepe wond Ooit dicht te sluiten of te heelen!quot;

Zij trad de kamer door. Daar lag Een ander lichaam uitgestrekt.

Maar met geen droppel bloeds bevlekt; Het was des dwepers lijk; zij zag Zijn oog verdraaid, zijn mond verrukt,

Zijn wenkbrauw pijnlijk saamgedrukt, En zonder dat een huivering Haar door de stoere leden ging;

Maar, met onafgewend gezicht,

Sloot zij den Vlaming de oogen dicht.

„Kust, moorder!quot; sprak zij: „deze nacht Heeft u den doodssteek toegebracht. Uw zwak, uw uitgevast gestel Moest zwichten in dien laatsten schok; Uw bloedsloop werd verstoord; toen trok Uw hart zich samen, pijnlijk snel!

En de ijlings opgestoven vloed Heeft op uw harsens uitgewoed,

Tot dat de vonk was uitgebluscht.

Tot dat gij koude vondt en rust.quot;

Zij poosde: „Mara! \'t moest zoo wezen.

Gij hadt het aan de blauwe lucht,

In heldre starren dus gelezen;

Voorwaar, het noodlot, is geducht.

Maar,quot; sprak ze, en trad weer Machteld nader, „O Gij verstootling van uw vader!

1\'k wilde u hoeden voor \'t gevaar,

Dat altijd spookt om onze bende,

(Een zwervende en verworpen schaar!)

Voor al de jamm\'ren, die ik kende;

Doch \'k had u beter dienst gedaan,

ü meê te voeren op mij11 wegen,

U op mijn sterken rug te laan, En onverschrikt, door storm en regen,

Met u de wereld in te gaan.

O, Toen zij uit uw moeders schoot

-ocr page 298-

GWY DB VLAMING.

U opving en uw eerste kreten Mocht hooren, hoe kon Mara weten Dat ze u zou bijstaan in uw dood!

En zij, die u tot moeder strekte,

Indien zij ooit of ooit ontdekte

Dat een heidin u de oogen sloot —

Hoe zou haar de afschuw \'t hart doen rillen, Hoe zou zij \'t woord weerspreken willen ...

En toch — ik kus u in den dood!quot; Zij knielde neer bij \'t lijk en drukte Een kus op \'t voorhoofd van de vrouw, Waar nooit meer kus op dalen zou;

En als zij over \'t lichaam bukte,

Trof \'t zilvren crucifix haar oog.

En hief zij \'t met een lach omhoog.

,Was \'t waarheid, wat dees twee geloofden.

Dat daar een hel was onder de aard, Een hemel boven hunne hoofden.

Waar goed of kwaad hun was bewaard; Werd aan den mensch een tweede leven Na \'t doorstaan van dees dood gegeven.

Was daar een rechter en een wet, Was daar een God, op \'t kwaad verbolgen, Hoe wreed zou hen de straf vervolgen.

Wie zulk een gruwel heeft besmet!

Maar dooden! neen, gij wordt ontbonden! Gij hebt u-zelven slechts gekweld.

En n een nachtsjooofc voorgesteld,

Waar enkel nachinist wordt gevonden.

Uw stof keert tot het stof der aard; Het vocht vermengt zich met de stroomen; En de adem, aan uw borst benomen.

Stijgt op de winden hemelwaart;

Zoo waait wat blies, en stroomt wat vloeide; En wat er in uw aadren gloeide.

En wat er in uw oogen blonk. Zal, opgegaan tot hooger sferen.

Mijn Aldebarans gloed vermeeren,

\'Óf Mixars helle schittervonk.

\'t Is alles uit: de lijken keeren Tot de elementen: \'t is gedaan!

Geen bloedschuld kleeft u langer aan; U zal geen enkel kwaad meer deren! Vergaat, vergaat! gij moogt vergaan!quot;

Hier zweeg de heidensche. Beklagen

Wij haar alleen, de dooden niet!

Zij, moest des onspoeds barschte slagen. Vervolging en ellende dragen.

-ocr page 299-

üwï de vlaming.

En zonder helderder verschiet.

Voor hen, zou nu de morgen dagen, Waarin hun vrijgemaakte ziel Een beter lot te beurte viel,

Waar vreezen, lijden is noch klagen!

Zij beiden hadden vroom geleefd, Gehoopt, geloofd, bemind, gebeden, Den Heiland als hun Heer beleden.

En naar godzaligheid gestreefd. Een gruwel hadden zij bedreven.

Maar in onwetendheid, en hij Al \'t ovrige in zyn razernij!

Denzulken kan do Heer vergeven! Of, denkt gij, wischt dit zwart besluit Geheel een helder leven uit ?...

Zij dachten \'t, die hun beider lijken Het voorrecht van gewijden grond Ontzegden. Op hun grafkuil stond Noch heilig kruis noch naam te prijken. Zij waren vreemden in dat oord;

Geen zielmis werd voor hen gehoord; Hun dienstbren vluchtten of vergaten; Des Vlamings maagschap kwam en zag Niet waar hun doode broeder lag,

Maar wat hij hun had nagelaten.

Een nieuw bewoner trok op \'t huis; Hij deed die droevigste aller zalen

Met zwart behangen, Machtelds kruis Gwy\'s dolk aan een der wanden pralen;

Die zag men blinken, als het licht Der maan de vensters in mocht stralen.

Hij metselde de zaaldeur dicht;

\' 1

5: 1

IPi 1

275

i

m

■lil

f \' \'i« 1 Hls! \' M

ii

,

l-Wif

En als een vreemde op Poelgeest beidde. En vraagde: „Wat is hier geschied?quot; Was alles wat de slotvoogd zeide; „„Verzoek de booze geesten niet!quot;quot;

AANTEEKENING.

Ia de „Beschrijving van de Heerlijkheid en het Dorp Alphen, aan wen Rhijnquot; door P. Plemper, „met konstprinten geciertquot; en te Leiden in den jare 1714 gedrukt, leest men, onder \'t vermelden van eenige bijzonderheden omtrent het huis poelgeest, onmiddellijk na tot verhaal van den moord aan Jonkvrouwe Aleide gepleegd, op pladz. 127 het volgende: „Zeeker Vlaams Edelman, op het huis Poel-

KI

a

-ocr page 300-

276 GWÏ DE VLAMING.

„geest woonagtig, en in voller minne met de 7.\\]ne leevende, begon „ziek en droefgeestig te worden, zomtjjds praat uitslaande, die naar „wanhoop sweemde. Meszen, en wat schaden kon, bield men uit de „weege. Zijn vrouw, met twee kinders gezeegend, bezoekt hem in de „kamer daar hij mijmerde. Hij sluit de deur, en gaat een poos met ,\'er wandelen, en, aft vermoeid, op de bedateede zitten, daar een „zoort van scherp verborgen lag, dat op zijn rapier pleeg te steeken, „waarmee hij die jonge Bloem, in \'er vierentwintigste jaargetijde, „en ook zigzelve vermoordde. Deeze zaal wierd met rouw behangen, „en geslooten, waarna daar niemand voet meer in zette.quot;

Ziedaar den eenigen grondslag van het verhaal, dat men gelezen heeft. Koelbloediger vermelding eener hoogst tragische gebeurtenis zal men wel niet kunnen aanwijzen; maar zij trof mij niettemin en bracht mij tot de conceptie van zulke omstandigheden, zulke karakters, en zulke hartstochten, als ik mij verbeeldde dat een dergelijk feit konden te weeg brengen. Mijn „Gwy de Vlamingquot; is niet anders dan de dichterlijke oplossing van het raadsel bij I Plemper.

-ocr page 301-

w

* \'

• r i

! GEDICHTEN

NTCOLAAS BEETS.

VOLLEDIGE UITGAVE, NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKT EN OPNIEUW

HERZIEN.

VIJFDE DKUK.

LEIDEN. — A. W. SIJTHOPF.

iiO i2

-ocr page 302-

276 GWÏ DE VLAMING.

„geest woonagtig, en in voller minne niet de zijne leeveude, begon „ziek en droefgeestig te worden, zomtjjds praat uitslaande, die naar „wanhoop sweemde. Meszen, en wat schaden kon, hield men uit de „weege. vrouw, met twee kinders gezeegend, bezoekt hem in de „kamer daar hij mijmerde. Hij sluit de deur, en gaat een poos met „\'er wandelen, en, al^ vermoeid, op de bedsteede zitten, daar een „zoort van scherp verborgen lag, dat op zijn rapier pleeg te steeken, „waarmee hij die jonge Bloem, in \'er vierentwintigste jaargetijde, „en ook zigzelve vermoordde. Deeze zaal wierd met rouw behangen, „en geslooten, waarna daar niemand voet meer in zette.quot;

Ziedaar den eenigen grondslag van het verhaal, dat men gelezen heeft. Koelbloediger vermelding eener hoogst tragische gebeurtenis zal men wel niet kunnen aanwijzen; maar zij trof mij niettemin cn bracht mij tot de conceptie van zulke omstandigheden, zulke karakters, en zulke hartstochten, als ik mij verbeeldde dat een dergelijk feit konden te weeg brengen. Mijn „Gwy de Vlamingquot; is niet anders dan de dichterlijke oplossing van het raadsel bij Plemper.

-ocr page 303-

GEDICHTEN

VAN

NICOLA AS BEETS.

VOLLEDIGE UITGAVE, NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKT EN OPNIEUW HERZIEN.

VIJFDE DKUK.

LEIDEN. — A. W. SIJTHOPF.

-ocr page 304-
-ocr page 305-

INHOUD.

UEMKNQDE CEDICHIEN. BUNDEL.

Bladz

Aan het Noorden.................1.

Brenda.....................3.

O vraag niet wat wellust de dichter geniet......4.

Maria.....................4.

Aan Serena...................5.

Eens Kusers klacht................7.

Verdorvenheid..................8.

Aan Arabella..................9.

Zwart en Blauw.................9.

Liefde.....................10.

Trouw.....................10.

De Bidder van St. Jan..............11.

Aan Bertha...................11.

Zoetheid....................13.

Verleiding...................14.

Scheiden....................15.

De Droefgeestige.................16.

Onstandvastigheid................16.

Begoocheling..................17.

Volksgunst...................18.

Wij weten...................21.

Sta bene....................22.

Vrouwengeluk..................23.

Het beeld des doods...............24.

Voorbereiding. Aan Geertruide...........24.

Najaarsmiimering................27.

Moeders Troost.................31.

Minone....................33.

Bij een kind...................38.

Aan eene jonge moeder..............39.

-ocr page 306-

itmooD.

Bladz.

Aan Yolande..................41.

Lof. In een Album ,...............43.

To a destined Kun................43.

Miskenning...................46.

Aan Serena. 13 April 1837 ............. 47.

Aan Aleide...................49,

Hoogmoed. Aan Mr. W. J. C. Van Hasselt.......51.

Aan Johannes Henricus Van Foreest, toen hij den naam

van V. d. Palm had aangenomen..........52.

Een lied van Bloemen...............54.

Keeds daagt het in het Oosten...... .... 55.

Voor de Leidsche Weezen.............57.

In Aleides Bijbel.................60.

Meizang....................62.

Aan Lilia...................S3.

Ebella.....................65.

Wandeling...................68.

Aan Maria...................68.

De Leidsche Burcht................69.

Oosterlingen.

I, Ismael...................71.

11. Rebekka...................72.

II!. Ezau....................73.

IV. Jakob....................74.

V. Jozef......\'.............75.

VI. Buth....................77.

VII. Hanna....................78.

VIII. Saul en Jonathan...............79.

IX. Rispa....................80.

X. üria....................81.

XI. Jafa....................82.

XII. Mi-tzoot...................82.

XIII. Salomo...................83.

XIV. Izébel....................84.

XV. Elia op Horeb................85.

XVI. Elia....................86.

XVII. Een lied in groote droogte............87.

XVIII. Kores....................88.

XIX. Vasthi...................89.

XX. Esther....................89.

LIEDEKENS.

De Aalsmeerder boer...............91.

Het putje van Heiloo...............92.

De Overgrootvader................93

VI

-ocr page 307-

INHOUD.

Bladi.

Meidag....................94.

Armoe....................94.

Bloemendaal..................95.

De Conducteur.................96.

Moed houden..................97.

Jantje......... ..........98.

Matrozenlied..................90.

Maartje van Schalkwijk..............100.

Duinzang...................100.

Willem I...................101.

De Weduwe..................102.

Roodkapjes thuiskomst..............103.

Blinde Elze..................104.

De lepenlaan..................105.

Stoomen....................106.

Hollandsch Lied.................107.

Guurtje....................107.

Het Boertje van Heemstede............108.

Grootmoeder..................110.

Groothouden..................111.

Zaansch Liedeken................112.

De Damiaatjes.................112.

Bruiloftslied voor Truitje.............113.

Zwaarhoofd..................114.

Tabakslied...................115.

DE ZWARTE TIJD...................117.

Droomen...................119.

Ernst.....................121.

Heiligschennis.................122.

Aan een vriend.................124.

Vaarwel....................125.

Aan......................127.

Aan een Dichter................128.

Vergeten...................129.

ADA VAN HOLLAND..................132.

Adelheide...................135.

Van Loon...................142.

Banjaart...................148.

Ada.....................155.

RIJMBIJBEL.....................162.

Zacharias...........I. 162. 11. 163. III. 164.

Maria................I. 164. II. I65.

Jezus Geboorte.................167.

VII

-ocr page 308-

IKHUUli.

V1U

Bladz.

167.

168.

170.

171. 171.

1. 169.

172.

173.

177.

178.

179.

II. 176

175

181.

182. 182. 184. 186. 188.

190.

191.

192.

193. 164.

195.

196.

198.

199. 201. 204.

204.

205. 207. 209. 212.

215.

216.

217.

218. 220. 221. 222. 224.

227.

228.

229.

230. 232. 234. 236. 240.

De Herders......

De Moeder.......

Simeon........

De Wijzen uit hel Oosten .

De Droom.......

De Vlucht.......

De Kindermoord ....

Jezus Kindsheid.....

Johannes de Dooper . . . Jezus gedoopt . . . . . De verzoeting in de woestijn

Het Lam Gods.....

De Bruiloft te Kana . . . De Tempelreiniging . . . De Samaritaansche Vrouw De Wonderdadige Visohvangst De Bergrede ......

Jezus slaapt in \'t schip . .

De Geraakte......

Het Dochtertje van Jaïrus. De Dooper in de gevangenis Des Doopers dood .... Jezus spijst de duizenden . Jezus wandelt op de zee . De Kananesche Vrouw . . De Blindgeboorne .... De Barmhartige Samaritaan Drie Gelijkenissen .... Lazarus en de rijke mensch he Verheerlijking op den Be Maria en Martha . . . De Kinderkens ....

Lazarus.......

Maria zalft den Heer. .

Jezus Intrede in Jeruzalem De Voetwassching. . . Het laatste Avondmaal .

Gethsémané.....

Judas........

De Overpriesters . . .

Petrus.......

De Geeseling.....

Pilatua.......

Simon van Cyrene . . . De zeven kruiswoorden . De Gestorvene .... De Begrafenis .... De Opstanding . .

. I. 206. II, . 1. 208. II. I, 210. II. 211. Hf. I. 213. II. 214. III. . I. 215. II.

1. 234. II. 235. III. 1. 237. II. 239. 111.

. I. 197. IL

. I. 199. 11,

. I. 201. II.

. I. 202. II,

. I. 185. 11. . I. 187. IL 11. 190. III.

II. 169. III. 1. 170. 11.

III. 176. IV.

. I. 226. II.

1. 180. II,

lö9,

-ocr page 309-

iNIlOÜDi

Bladz

Maria yan Magdala...............241

\'s Heilanda verschijningen.............242

De Hemelvaart.........I. 245. II. 246. III. 246

De Uitstorting van den Heiligen Geest........ 247.

GEMENGDE GEDICHTEN. 2^e BUNDEL.

Aleides Verjaardag...............249

Aan R. H. Arntzenius..............250

Geschreven op het Veld van Waterloo........251

Tusschen Namen en Dinant............251.

Zilveren Bruiloft................ 252.

Anna..................... 253.

Margarita................... 255.

Keetjes Verjaardag............... 255.

Aan de Bruid van den Erfprins........... 257.

By het huwelijk van Van der Palms kleinkinderen . . . 258.

Govert-Oom.................. 259.

De Speelnoot.................. 260.

Aan een gestorven kind.............261.

Geerte.................... 262.

Bome..................... 263.

Blindheid................... 263.

Hooge eerzucht................. 264.

Petrus.................... 264.

Napoleon terug................. 265.

Jacoba van Beieren.............. 265.

Wat?....................\'266

Aan een huisvader................266

Zomernacht..................268

Bruidstranen.................. 269.

Lijdzaamheid..................271.

Achterdocht..................271.

Arabische spreuk..... .......... 272.

Reciteeren................... 272.

Strijdlust...................272

Kunstrichters................. . 272.

Dwaasheid................... 273.

Tranen • .................. 273.

Jongensmijmering................ 273.

I Korinthen XIII................ 274.

Troost des Evangeliums.............. 276.

Bladvulling.................. 276.

Schelfhouts winterstukken............. 276.

Na een Avondmaalsviering te Heiloo.....■ . . 277.

Elk vogeltje zingt zooals \'t gebekt is........ 279.

Jeremia.................... 279.

Regenboog bij onweder.............. 285.

-ocr page 310-

X INHOUD.

Bladz.

Den kinderkens gelijk.............. 286.

Naar Jeruzalem........ ........ 286.

Een Lied................... 287.

Gezangen voor de kinderen der Diaconie-Scholen te Amsterd. 287.

Vroege keuze.................. 288.

De ledige plaats................ 290.

Berusting.................... 290.

Een stem van de overzijde.............291.

In een Bijbel..................291.

Een Paaschgezang................291.

Droombegoocheling............... 295.

Aan eene weduwe................ 295.

Vondel.................... 296.

Kerstavond................... 297.

Aan Mr. I. Da Costa op zijn zilveren bruiloftsdag . . . 299.

Zomerregen.................. 304.

Klein voor God................. 305.

Kalmte.................... 306.

Leven en Sterven..... .......... 306.

Aan Rachel.................. 307.

Aan W. W. W..................312.

Na den dood van mijn jongste zuster........313.

Een viertal Psalmen.

T. Lofpsalm.................3W.

II. Kerstpsalm.......... .....316.

III. Lijdenspsalm.......... .....318.

III. Een Psalm van den Goeden Herder....... 320.

God te kennen.................321.

Verstand en hart................321.

Liberaliteit...................321.

Aan Mr. Jacob Van Lennep............321.

Aan eene Bruid................ 322.

Ervaring................... 322.

Aan mijn vriend Hasebroek op zijn trouwdag..... 322.

Thuiskomst van het eenjarig Koosje.........325

Korenbloem..................327

Nog een Arabische spreuk.............327

-ocr page 311-

VAN DE KLEINERE GEDICHTEN

DE EE HST K REGELS ALPHABETISCH.

Bladz.

Ach, al wat klauwen heeft, of nebben of geweren..... 272.

Als al de andren van Hem vloden........... 226.

Als de Damiaatjes luien...............112.

Als de Moeder hem ziet, en haar oor door zijn lied .... 170.

Als Jezus Christus wilde leeren............218.

Als men Jezus heiige handen............. 232.

Als Rebekka\'s lieveling...............74.

Als Simeon, van grijsheid stram............169.

Als \'t leven over-leven wordt.............291.

Als \'t ochtendgrauw een zweem van lieht........241.

Arimatheër! boven allen............... 235.

At Lazarus hier bitter bedelbrood........... 205.

Bereft of youth, though young etc............43.

Blaast Schelfhout van \'t bevlakte vlak......... 276.

Blijde gezichten en vroolijk gebaar........... 252.

Blinde Elze zingt en spint het vlas...........104.

Blindgeboren! welk een lot..............201.

Bloedt u het hart van zoo geducht een wonde...... 305.

\'t Blonde Bruidje zit te staren............. 269.

Blondlokkige, die op den ijsberg troont......... 1.

Bogen zes en zestig jaren..............313.

Breng voor Hanna\'s aangezicht............78.

Buigt zestigjarige ouderdom.............. 266.

Daaglijks om hem heen gegroept............189.

Daar is uit \'a werelds duistre wolken..........316.

Daar kwam een boertje getogen............108.

Daar leefde een telg uit Levi\'s stam..........162.

De bloesems wasemen den Heere............ 288.

De boosheid waakt, die \'t kwade doet..........171.

Do Conducteur zat op den bok............96.

De dag uws feestea is gekomen............ 322.

De feesten zijn gevierd, de gasten afgetrokken...... 260.

De feesttijd is volend................176.

De geesel van Euroop lei, balling, \\ leven af....... 265.

De Heer is God, een eenig Heer............314.

De Heer is opgestaan! Dus jubelt Gods gemeente.....291.

De Heer wenscht somtijds gansch alleen......... 206.

De Heer zit aan een maaltijd neer...........216.

De Heiland staat aan \'t meer.............187.

Do Heiland treedt door Sidons palen..........199.

De heuvel werpt zijn schaduw over \'t dal........ 268.

-ocr page 312-

VAN DE KLEINERS GEDICHTEN

Bladz.

De knaap, die eerbiedvol, reeds in zijn kinderdagen .... 43.

De kraai dacht altijd dat hij kraste.......... 279.

De Leidsche Burcht, de Leidsche Burcht.........69.

De liefde, uit rein geloof in God............ 274.

De lieve Ruth, de lieve Ruth.............77.

Denk nooit aan hem, die steeds aan u zal denken.....127.

De plant, die in den wilde groeit........... 272.

Des levens Vorst heeft ook des levens macht.......213.

Des morgens was \'t een trotsohe plant.........115.

De ster houdt stand.................171.

De tocht gaat aan.................172.

De vorm is lieflijk, die uw schoone ziel omsluit......3.

De weekheid storte tranen-beken............ 273.

De wereld schreeuwt: Wees toch geen kind....... 286.

De woestijn geeft een plechtigen kreet.........178.

Die hooge ziet, die lage ziet............. 287.

Die, in do rampen van zijn lot............2£0.

Dit is de kracht van \'t waar geloof...........193.

Draagt gij den naam, zoo zacht, zoo schoon.......g07.

Een aardig dorp is Bloemendal............9quot;).

Één ding is noodig. Broedren ziet........... 209.

Één ding is noodig, één, o Heer............2S8.

Een lange Ervaring doet de maat der Kennis rijzen .... 322.

Een reiziger gaat langs een eenzaam pad........ 202.

Een ridderlijk knecht toog vol moed naar \'t gevecht. ... 11.

„Een schoone droom is altijd ietsquot;........... 295.

Een sterk gedruisch.................24:7.

Een weinig slijk, een weinig nat............201.

Eindpaal van mijn aardschen loop........... 236.

En eensklaps, met een blij gemoed...........186.

Englen des hemels daalt neer van omhoog........181.

En gij ouderen en grooten..............212.

Gaat heen, gij allen die dit hoort........... 204.

Geef waakzaam acht................ 237.

Geen kranke troost, met ophef aangeboden........ 276.

Geen toonbrood op gewijden disch...........291.

„Geen wraak beziele u,quot; sprak de Heer.........190.

Geestige lipjes en oogjes vol vreugd.......... 255.

Gelukkig zijn in Holland alle vrouwen.........23.

Gethsémané! Gij waart een plaats des lijdens.......221.

Gij, Isrels hinde! gij gevallen.............7y.

Gij, Niobe der volken, wreed beroofde.......... 263.

Gij schenkt Gods waarheid weg, en noemt dit liberaal . . . 321. Gi] waart een hulploos kind, een wichtje te dien tijde ... 24. Gjj wreede — sprak ik tot de wereld — waarom mag . . . 122. Ginder in het groene dal...............54.

XII

-ocr page 313-

DE EERSTE REUELS ALPHABET1SCU. XIII

Bladz.

God zal met ons en Holland zijn............107.

Gods liefde, die wiï dankbaar roemen.......... 327.

Govert-Oom had Flip en Marten............ 259.

Grijp je vedel, Julfert Joosten.............111.

Groote Plas, Groote Plas...............91.

Grootemoeder zou vertellen..............110.

Guurt.je zou te kermis gaan..............107.

Hadt gij aan d\' oever der Jordaan...........195.

Heb mij niet lief om dat of dit............10,

Heerlijke Heiland! vaar op tot uw troon!........ 246.

Heil over \'t blij en opgeheven hoofd..........68.

Herders, op het stille veld..............167.

Het glooiend gitzwart oog..............9.

Het hoog gebergt, met oogst gekranst..........251.

Het is een lust voor \'t vroom gemoed..........175,

„Het leven eerst, en dan des stervcns troost!quot;...... 306.

Het volk dat buiten staat..............164.

Het IJ is broed, de Zaan is breed...........112.

Het zeil weerkaatste de avondzon...........10.

Hier is een welversierde zaal.............182.

Hjj die een lieven zieke heeft ... .........192,

Hij gaat den dood voor de oogen treden......... 230.

Hjj heeft voor \'t_laatst den Berg bestegen........ 245.

Hi] is zoo pas mijn raam voorbijgevlogen........ 262.

Hoe? Ts des Boozen euvelmoed............180.

Hoe lieflijk ligt het klein Heiloo............92.

Hooge jaren, Grijze haren..............169.

Hoog waait de vlag, op \'t vroolijk feest.........255.

Ik vraag niet of de hemel stralen...........49.

Ik wou dat \'k had.................94.

Indien gij vraagt: waar zal mijn oog..........167.

Indien wij Jezus eeren konden.............215.

In Frankrijk, waar geen mensch in onze jammerdagen ... 18. Is Christus Niets, of Iets, of \'t Al?...........312.

,la Jezus stierf; het leed is uitgeleden.......... 234.

Jantje kwam van Amsterdam.............98.

Jehova\'s goedigheid heeft uit, zijn lang geduld...... 279.

Jezus is het eerst verschenen............. 242.

Johannes staat aan d\'oever van den vloed........179.

Johannes stond, en doopte, en leerde..........182.

Johannes zendt zijn boden tot.............194.

Koelbloedig zeggen zij: die dagen zijn voorbij.......4G.

Kom, liefelijke zomerregen .............. 304.

Komt gij in mijn huis weerom............. 325.

Komt, zoo gij den Heiland zien wilt .........210.

-ocr page 314-

VAN DE KLEINERE GEDICHTEN

Bladz.

Laat de kindren tot mij komen............211.

Laat schoone verzen glad van effen lippen vloeien..... 272.

Lief heeft de Heer zijn vriendental...........214.

Love onze ziel den Heer, mijn gade.......... 277.

Maartje ging met Kees uit hooien...........100.

Manlijker trots in een vrouwlijke borst.........89.

Maria ligt, van God bezield..............165.

Maria\'s luistrende ooren hoorden............1^8.

Men geeft den Dood een zeis, Behoeft hij dan......24.

Men vraagt hoe X den geest kon geven......... 306.

Mijn goede Herder is de Heer............. 320.

Minone treedt op \'t bal; bevallige Minone........33,

Moeder zit met zeven spruiten.............102.

Moest ge ook de strengheid nog van Homes tuchtroe smaken. 228.

Naar \'s Vaders Huis verlangt zijn jeugd.........176.

Neen, Isrel doet zijn legerwachten...........81,

Niet hier, maar in zijns Vaders huis.......... 290.

Nooit heeft hij heil geproefd, of zaligheid gesmaakt .... 16.

Nu draaide \'t windje met de zon............94,

Nu zal geen kwaad der aard meer deren......... 234.

O, Brandend, brandend, brandend smachtte..... . . 71.

O, De stonde des soheidens is bang...........15_

O Distel Sidons! waarom moest............84.

Ofschoon een vrouwe er negen overhad......... 204.

O, Geldzucht, wortel aller zonden........... 222.

O, Gij zijt jong; gij zijt jong; gij zijt jong........62!

O, Haast u niet om weer te keeren...........173

O, Hadt gij tranen voor uw leed............80!

Ü, Heil is u! een kind werd u geboren.........47_

O, Hoe wordt mij \'t hart van vreugde dronken......83.

O, Ik bemin de fulpen poëzij..............13^

O, Ik mistrouw u, ik mistrouw u! enz..........

O, Koningsdochter, Vorstenbruid............ 257.

O, Liefelijke straal van licht............. 285.

Ons hart zal nimmermeer vergeten........... 299.

Ontsteekt,ook soms de liefde in toorn..........184.

Ook heeft de Heer dit woord gesproken.........190.

Ook vrienden heeft de Heer gehad........... 208!

Op de golven treedt de Heer.............1.97!

Op fcijn besneeuwde kruin en groenen krans te wijzen. . . . 296.

O vraag mij niet, vraag mij nooit naar mijn smart.....124.

O vraag niet wat wellust de dichter geniet........4.

O wang van witte en roode rozen........... 253.

O wie van u een dierbren kranke heeft.........215.

O zee van groene en gelende aren...........251.

O, zeg niet; „hij is trotsch!quot; als zijn hart zich verheugt . . 51.

XIV

-ocr page 315-

DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH.

Blndz

O zie hem thans in \'t heiligdom............163,

O zoet aanschouwen voov mijn oogen..........60.

O zoete droomen, zoete droomen............119.

O Zone Rachels, Isrels Elfde.............75.

Pilatus! hoe? Gij durft de hand in \'t water steljen..... 229.

Pluk de blanke windekelken.............68.

Profeet en Held! Mond Gods op aard..........86.

Reeds daagt het in het Oosten............ . . 55.

Schoon Bloerneken, laag weggedoken..........164.

Schoone Esther, toen uw blanke hand..........89.

Schoon zijt gij, mijn vriendinne, als Thyrza schoon.....82.

Schrei Petrus! laat uw tranen stroomen......... 227.

Simon Bar Jona, gij Rots der gemeente......... 264.

\'t Sint-Jans-lot geeft aan \'t groene hout.........105,

Sla, lieve Bruid, den langen sluier op..........63.

Soms toont de Liefde een harden schijn.........199.

Stijg, lieve Heiland ! stijg omhoog ........... 246.

Stil is de Nacht en Zwart.............. 239.

Stoomen, stoomen, stoomen..............106.

Strooit i-o6 rozen..................113.

Toen gij van morgen, bij \'t ontwaken..........57.

Toen h^j zijn bjjzijn was ontvloden........... 220.

Toen ik, in mijn .jongen tijd..............97.

Toen \'sHeilands Knglen \'t zegel braken......... 240.

Treed naderbij, aanschouw den Heer.......... 207.

Trek heen, gi] telg van Betbuel!............72.

U heiïen Juda\'s dochtren aan.............88.

Uit Juda rijst oen bang geklaag............87.

U mint mijn oog, zacht vijftienjarig kind........4.

U zeegne God................... 322.

U zong de zee een vleiend lied............ 250.

Uw citer had weleer in onvolprezen zangen........321.

Uw deel is een gebroken hart.............41.

Uw God te kennen is geen weten slechts, o Mensch .... 321.

Vaak doet een al te groote moed.......... . 198.

Vaar gij wel, steeds wel, geliefde...........125.

Van de kruinen, onzer duinen.............100.

Veracht een laag en vleiend woord........... 272.

Verbaast ge u dat een Joodsche man..........185.

Verberg uw leven en verbreid uw geest......... 264.

Vergeten? Neen, vergeten niet.............129.

Versmaad geen handvol groene blaren......... 276.

Vertrouw den matten glimlach niet...........7.

Visschers Jaap rustte op de kruin...........103.

Voedt ge een pijnlijk verdriet, waar uw leven van kwijnt . . 16.

XV

-ocr page 316-

VAN DE KLEINERE GEDICHTEN ENZ.

BladE.

Voleind is \'t woovd.................188.

Voor u niet, voor mij niet, voor niemand, wiens hart.... 128.

Waan toch niet dat het zondigst, misdadigst gemoed. ... 8.

Waar diepe smart het hart vervult...........271.

Waar Verleiding u nadert met vleitaal en zang......14.

Wanneer de zon haar dwarse stralen..........27.

Wanneer gij lacht, dan tintelen uw oogen........9.

Wanneer mijn voorhoofd rimpels krijgt.........121.

Wat buigt ge u neder, o mijn ziel........... 297.

Wat feestelijk hozannagalmen.............217.

Wat houdt ge \'t hoofd ter aard gebogen........85.

Wat maakte in \'s lands historieblaren.......... 265.

Wat schenk ik u daar gij verjaart........... 286.

Wat schudt ge uw manen op, en trappelt voor de poort . . 65.

Wat slaapt het zacht op \'t blauwsatijnen kussen.....38.

Wat stervling zal zijn harsens kwellen......... 273.

Wat zijt ge met uw zuigling aan de borst........39.

Wees vroolijk, essche- en elzenbosch.......... 249.

Wees, wees gegroet, gij kleine vriendlijke engel......31.

Wel is de Zoon van God op aard...........196.

Wel te duizend! wat is \'t heet............ 273.

Wel wordt aan u nog menig traan gewijd........261.

Welzalig hjj, die Christus heeft gevonden........287.

Wie bidt niet voor de levensdagen........... 295.

Wie gaat mee, Over zee...............99.

Wie heeft op aard de prediking gehoord.........318.

Wie is zij, die daar statig naadren zal.........82.

Wien zoekt gij op vermoeide voeten..........170.

Wie revelt of Verstand en Hart elkander krenken.....321.

Wij dwalen om als stekeblinden ... ........ 263.

Wij weten niets dan dit: „dat wij niets wetenquot;......21.

Wijze achterdocht is een goed harnas, enz.........271.

Wij zijn een natie van Stavast; niet waar.......22.

Willem draagt een gulden hoed............101.

Wordt het in der golve» drang............191.

Zeg niet: de vreugde der jonkheid is kort........17.

Zeg reis, Teeuwis Van der Stenen...........114.

Ziedaar de dag weer opgegaan............5.

Ziedaar den nacht, den zwartsten nacht......... 224.

Zit wat in je leuningstoel..............93,

Zoo dikwijls ik uw hoofd beschouwde.......... 266.

Zoo hij hun smart had aangedaan...........177.

Zoolang ge een woord in \'t hart besluit......... . 327.

Zoo was daar aan uw heup geen zwaard.........73.

Zoo was het u geen eers genoeg............52.

Zoo zegent God de aartsvaderlijke tente......... 258.

XVI

-ocr page 317-

GEMENGDE GEDICHTEN.

EERSTE BUNDEL.

AAN HET NOORDEN.

Blondlokkige, die op den ijsberg troont,

Aan de opperste as der wentlende aard verheven;

Die \'t edel hoofd met sneeuw en kegels kroont; Een schepter voert, waarvoor de volken beven;

Het blauwend oog vrijmoedig om u slaat,

Op de onschuld trotsch, die in uw boezem zetelt. En met den blos des levens op \'t gelaat,

Het Zuid beschaamt, dat zich in wellust baadt, \'t Ontzenuwd lijf met zingenieting ketelt. En d\'ondergang in weelde en dartiend tegengaat!

Van u gaan kracht en leven uit en moed En heldendeugd, die edel en vertrouwd is

Als \'t blauw metaal, dat aan uw blanken voet Den bodem spiert, waarop uw troon gebouwd is;

Gezondheid vlot uw zuivre lippen af.

En stroomt van u het zieklijk Zuiden tegen. Dat, halfverteerd en bukkende over \'t graf,

Geen kracht meer kent dan die uw adem \'t gaf, En \'t waagt door list uw grootheid op te wegen,

U, die \'t doen zwijmlen kunt door \'t draaien van uw staf!

Blauwoogige, die schoon en onbesmet —

Gelijk de sneeuw waarvan uw gronden flikkeren —

Den vasten voet op zee en stranden zet.

Laat in uw vuist \'t ontzaglijk wraakzwaard blikkeren ^ 0, Tuchtig gij, — van u alleen verwacht Euroop nog heil in zwakte en machteloosheid, —

De Snoode, die met God en Hemel lacht,

^ Die deugd, en eer, en recht, en plicht verkracht. En schaamteloos \'t gebied voert in haar boosheid: Het Zuid, dat ons \'t verderf door bloed en beenders bracht.

Daar zit zij neer; een schimplach op \'t gelaat, In \'t zwervend oog der boosheid tintelvonken;

Daar zit zij neer in \'t blinkend prachtgewaad, Van eigenwaan en wellust zwijmeldronken!

Zie, hoe die kroon haar zwarte vlechten siert. Die bandloosheid en driest geweld haar gaven, Hoe achaamtevreemd haar hand don schepter zwiert, Hoe haar verraad en onrecht lijfstaffiert.

-ocr page 318-

AAN HKT KOORDEN.

Haar troon zich vest in \'t eerlijk bloed der braven, Hoe zij, voor \'s Hemels oog, en Hel en Duivlen viert.

Zij strekt de hand tot naar uw zonen uit, Die zwijgend \'t hoofd voor haar bedwelming bukken,

Vertrapt hun recht, maakt hun bezit ten buit. En .juicht zich toe met keetlend hartvorrukken;

Zij vult hun \'t oor met vleitaal als fluweel; Zij blinddoekt met verleiding hen en logon;

Zij sleept hen voort in \'t schandlijk dwanggareel. Schikt zorg en smart en onrust hun ten deel. En lescht zich \'t hart aan weeldes zwijmeltogen; Zij huwt zich aan \'t bedrog, opdat zij gruw\'len teel\'.

Krijgsvaardige! wat toeft gij? Hef u op!

Gord met uw zwaard de blanke heup ten leste.

Eens trof uw wraak de lloomsche sloor den kop, Toen zij heel de aard door beestlijkheid verpestte;

Eens zondt gij, als een sneeuwval van \'t gebergt. Uw zonen af in breedgeschaarde benden;

Toen wreekten zij den Hemel, lang getergd, Herstelden de aard, ontzenuwd en ontmergd, En deden \'t rijk van schande en ontucht enden — Nog eens hun moed geblaakt, hun strijdbren arm gevergd

Ja, wek hen, doe hen opstaan in hun macht;

Zend ze uit, gelijk een eenig man verbonden;

Hard, hard hun \'t lijf, en stevig met uw kracht De vuisten, die de greep van \'t zwaard hervonden\'

\'t Geldt deze maal d\' onteerden Tiber niet:

De Seine thans bespoelt den troon der boosheid, \'t Verderf der aard wast welig waar zij vliet;

Haar oever is \'t, die \'t outer prijken ziet.

Waar ontucht wordt gewierookt en godloosheid; Van waar de pest begint, die ons door de aadren schiet.

Verplet die macht, die de aard verderven zal. Zoo niet uw kracht, uw wakkre deugd \'t verhoede.

Zoo niet uw macht, in fiere reuzenstal.

Den moedwil toomt in niets ontziende woede!

Gesp, Noorden! gesp het stalen harnas aan! Ten strijd, ter wraak, voor \'t half ontwricht Europe! Het Zuiden kan en zal en nioet vergaan;

Gij kunt het, gij den kop te morzel slaan; Op u alleen is aller braven hope, —

Gesp, strijdbaar Noorden! gesp het stalen harnas aan!

Maar — reine Geest, die over \'t Noorden waakt! Licht hebt gij reeds de vonniswijzende oogen

-ocr page 319-

«RENDA.

Van \'t werelddeel, dat eigen heil verzaakt, En \'t wis verderf in de armen is gevlogen.

Gekeerd, uw troon reeds emgezet; verstiet Ge ons werelddeel, als \'t uwer hoede onwaarde. Verneemt sinds lang Europa\'s noodkreet niet, Terwijl ge alleen genegen nederziet Op \'t jonger deel, de nieuwer helft der aarde, En steunt ge Amerika in \'t wassend rijksgebied?

Wee onzer dan, en heil dat heilrijk land,

Zoo \'t, frisch van jeugd en onverminkt van krachten.

Niet ondermijnd aan hart of ingewand.

Van Orde en God zijn voorspoed af blijft wachten!

Amerika, Amerika! uw jeugd Vervange Euroop, die wegsterft in haar zwakte; Bestier en vorm en richt u naar een deugd Van beter tijd, die niemand onzer heugt, —

Maar hoed u voor de ontzindheid die haar knakte! Ga bij onze\' ondergang een toekomst in van vreugd!

BRENDA.

De vorm is lieflijk, die uw schoone ziel omsluit,

En zuiver is die ziel en schittert heerlijk uit;

Ze is „als een blinkend zwaard in een fluweelen scheedequot;; \') Maar zonder scherpte of spits voor wien zij zich ontbloot. Een werktuig slechts van liefde en vrede.

En dat met wonden dreigt noch dood.

0 gij, die niemand kwetst, wie zou U kwetsen kunnenV

Die al wat leeft bemint, wie leeft en mint u niet? Wie, dien gij d\' aanblik van uw lief gelaat wilt gunnen.

Die niet in iedren trek uw vriendlijk harte ziet?

Wien, die uw zachte stem slechts eenmaal aan mocht hooren Verrukte niet die toon, zoo liefdrijk en zoo zacht?. .. — O gij, die allen kunt bekoren.

Zeg, zijt gij van een aardsch geslacht?

Dan zeker zijt ge in \'s Hemels gunst gebaren.

3

Opdat gij, schoon naar lichaam en naar ziel. Een menschdom, dat het beeld der godheid heeft verloren, Herinn\'ren zoudt van welk een toestand het verviel.

]) Haygens.

-ocr page 320-

O VKAAQ NIET WAT WELLUST DE DICHTER GENIET. — MARIA.

O VRAAG NIET WAT WELLUST DE DICHTER GENIET.

O vraag niet wat wellust de dichter geniet,

Als het blosje der schoonheid bezwijkt op zijn stem; Als de ontroering in tranen versmelt voor zijn lied,

En de sterkte des mans zich vernedert voor hem;

Als de weerzin, ontwapend, het hoofd buigt ter aard; Als een rimpel van ernst zich vertoont op \'t gelaat Van wiens hart voor genoegens en ijdelheên slaat.

En de juichtoon des dartlen een poostijd bedaart;

Als de trots zich terneerbuigt, de boosheid_ verbleekt. En het hart van den edelen zwelt, waar hij spreekt.

Maar verstomme de lof en verdorre de kroon!

Breek de faam haar bazuin, die zijn glorie verhief! Van haar zwellend geluid wacht geen dichter zijn loon. En geen volksgunst, geen ophef, hoe luid, is hem lief. Zou een koning hem loonen met paarlen en goud, Of verhoogt hem het teeken eens ridders de borst, Die gebied voert tot zelfs op het hart van den vorst, En zijn adel van God en de hemelen houdt?

Is de beuzlende lofspraak der wereld hem waard, Hem, wiens taal profetie is en niet van deze aard?

MARIA.

U mint mijn oog, zacht vijftienjarig kind!

Schoon roosje, dat zich uit de zwachtels windt. Wiens lieve blaan geen wreede zon deed bleeken, Wien dwaze trots het hoofd niet op doet steken! O gij zijt schoon en tevens smetteloos!

De blos, die zich uw kaak ten zetel koos, Is \'t vuur nog niet des hartstochts op uw koonen, Is nog niet die des argwaans, die verschijnt Zooras de zoete onwetendheid verdwijnt Der ondeugd, die haar net spreidt om de schoonen; Is nog niet die der zelfmin, die ontgloeit,

Zooras de gaaf der schoonheid harten boeit En martelt, en de zegewachtende oogen Op elks gelaat bewondring lezen mogen!

En zoo uw mond zich tot een glimlach plooit, Die lach is kalm, oprecht, en zacht, en nooit Bedrieglijk nog of valsch voor die vertrouwen Dat zulk een lach iets goeds belooft van vrouwen.

Ja, zoo uw schoon bevallig is en meer.

Het is nog niet verschriklijk en verwinnend;

Het werpt nog geen aanbiddren voor u neer, Of doet het hart, schoon vuriglijk beminnend.

-ocr page 321-

AAN SERENA.

U vlieden als noodlottig; — want gij speelt \'t Gevaarlijk spel nog niet met mannendriften,

Noch hebt geleerd hoe men op \'t hart beveelt,

Als God de Heer met schoonheid heeft bedeeld, Hoe boezems wondt, die m\' eertijds heeft gestreeld, En heel den keilt des levens kan vergiften Van hen, wier hart zich heeft betrouwd op \'t geen Men \'t eenmaal gaf, maar weer terugnam; neen! Nog schuldloos zijt ge en onbewust van \'t kwade,

Dat gij vermoogt; onwederhouden spilt Ge uw gunsten nog; — eens rekent gij \'t genade,

Indien gij op den lijder afzien wilt,

Dien gij, geboeid aan uwen zegewagen.

Nog met een lach zijn smarten eischt te dragen.

Onnoozle! als ge uw minzaam lichtblauw oog Zoo kalm verheft, zoo vriend lijk blikt in \'t ronde,

Dan voelt mijn hart zich neigen, lieve Blonde!

Te wanen dat mijn wrevel zich bedroog;

O, loochen gij wat ondervinding leerde,

Wees, wat mijn jeugd van uw gevierd geslacht In argloosheid gedroomd heeft, en gewacht;

Wees, wat ik gaarn in iedre vrouw vereerde:

Een voorbeeld van zachtzinnigheid en deugd.

Trouw, edel, braaf, oprecht, goed, zacht en zedig,

Wie andrer leed tot roem gedijt noch vreugd,

En nooit met woord, of lach, of blik meineedig;

Wees in dien hof, waar menig bloem misleidt, Een schoone roos met doornenloozen stengel; —

Voor wie nog lacht en droomt, is iedre vrouw een engel;

Maar gij — dan zult gij \'t zijn, voor wie reeds waakt en schreit.

AAN SERENA.

OP HAAR TWEEËNTWINTIGSTEN JAARDAO.

Man !

Thou pendulum between a smile and tear.

Byron.

Ziedaar de dag weer opgegaan.

Die u ter wereld ingaan zag;

Toen vond hij in uw oog een traan,

Nu mooglijk op uw lip een lach.

Een traan, een lach, ziedaar ons lot!

Te lachen en te weenen, tot

De Dood, die rouw en wellust stuit.

Ons de oogen en de lippen sluit.

5

-ocr page 322-

AAN SERENA.

Een lach van Hoop, Gevoel, en Rust,

Van Kalmte, in nienis vreedzaam uuv. Van Mingenoegen, Levenslust,

Een lach voor de inspraak der Natuur; Een hemellach van Dankbaarheid,

Voor Hem, die ons door \'t leven leidt; Een lach van Menschemnin en Deugd, Ziedaar — ziedaar de levensvreugd.

Een traan van Moedloosheid en Vrees,

Een traan, waar Hoop of Troost verdwijnt, Waar \'t schoon Verschiet, dat ons verrees,

Ineenstort, waar de Dood verschjint,

Waar ons of andren \'t noodlot treft,

Waar \'t hart zyn eigen schuld beseft. Een traan, met een gebroken hart Geweend, — ziedaar de levenssmart.

En vaak, waar \'t oog in tranen staat.

Breekt door den traan een glimlach heen; Vaak siert een bliide lach \'t gelaat.

Die droef besterft voor bang geween; En dikwerf veinst de mond een lach.

Waarin het hart niet deelen mag;

En vaak, schoon \'t oog zijn aandrang tart. Ontwelt een stroom van tranen \'t hart.

En somtijds is de traan iets zoets.

En is er balsem in de smart.

De lach, een foltring des gemoeds.

De vreugde, bitterheid voor \'t hart.

Want somtijds weent het oog van Vreugd, — Geen glimlach, die zoo \'t hart verheugt!

Of is \'t de llaadloosheid die lacht, —

Geen traanstroom die zoo \'t hart ontkracht

0 wel hem! die in vreugde en smart,

Hetzü hij glimlacht, \'t zij hij weent. De kalmte voelen blijft in \'t hart,

Die Deugd, Geloof en Hoop verleent; Wel hem, die menig zoeten traan Mag schreien op de levensbaan.

Wel hem, wien menig stille lach De kalme lippen plooien mag.

Dat zij uw deel — uw lot op aard! —

O, Zoo ik \'t u beschikken mocht,

Daar was u niets dan vreugd bewaard, In glimlach-gloor en tranenvocht!

-ocr page 323-

KENS KUSERS KTjACHT.

Voor \'t minst, die Macht, die \'t al bestiert, Geve ii, dat als ge uw jaarfeest viert, Ge, in zuivre weelde, lacht of schreit Van Vreugdgevoel en Dankbaarheid.

EENS KUSEES KLACHT.

Vertrouw den matten glimlach niet. Die omdwaalt op miin dor gelaat,

Welks doodlvjk bleek liet zielsverdriet.

Dat aan mijn hartaar knaagt, verraadt; Maar minder nog die valsche vreugd.

Wier dartle woestheid u verheugt.

Die glimlach schiine u kalm en zacht:

Hij veinst, hij liegt: geloof hem nooit! De weemoed heeft hem voortgebracht,

De smart mijn lippen dus geplooid; \'t Is \'t blosje, waar de wang van gloort Eens jonglings, wien een tering moordt.

En toch, beklaag mijn toestand niet.

Zoolang die lach mijn mond omzweeft; Dan draag ik lijdzaam mijn verdriet, En niets verzet zich of weerstreeft; Dan, onderworpen aan mijn wil,

Is al mijn droefheid kalm en stil.

Maar als die glimlach mij verlaat.

Een hooge blos mijn kaak ontsteekt,

Mijn kalmte in woestheid overgaat.

Die vurig uit mijn blikken spreekt: 0! heb dan deernis met den strijd Van een, die dan verschriklijkst lijdt!

Want als ik blijdst en vroolijk schijn.

En enkel scherts ben, luim en geest; Dan krimpt mij \'t hart van zielepijn.

Dan foltert mij mijn weemoed \'t meest: -0! waan dien staat mijn blijdsten niet. Het is mijn wanhoop, die gij ziet.

Ha! zoo ik schertse en juiche en lach;

quot;t Is razeraij van \'t brekend hart;

Wat n genoegen schijnen mag,

Is niet dan overmaat van smart. Van smart, die kracht en geest vernielt: — Een kranke lacht zoo — maar hij ielt!

-ocr page 324-

VERDORVENHEID.

Alleen des avonds, als, in \'t woud,

De zon, bereid ter rust te gaan.

Nog om de toppen draalt van \'t hout, — Dan waait mij troost in \'t koeltje aan. En \'t voorgevoel eens vroegen doods Verkwikt mij voor een korte poos.

Ja sterven, sterven! onberoemd!

Zoo jong, en echter onbeklaagd.

Als een voorbijgegaan gebloemt\',

Den worm niet waardig, die \'t doorknaagt; Ja! sterven! en slechts hierin groot.

Dat hij niet aanklaagt wie hem doodt!

VERDOKVENHEID.

Waan toch niet dat het zondigst, misdadigst gemoed,

Dat de ziel, die in euvlen en snoodheden baadt.

Nooit een eedier gedachte in haar binnenste voedt,

Nooit een trachten naar deugd en verbeetring verraadt!

Als een tintling van goud, die de donderwolk zoomt.

Doch haar duister niet scheurt, noch haar bliksem betoomt,

Die van binnen reeds dreigt met vernieling en smart.

Zijn die beetre gedachten in \'s onverlaats hart;

Als een hagelwit schuim op den zwarte\' oceaan.

Die, door stormen beroerd en van monsters doorkruist,

Zich in schriklijkheid opheft en nooddreigend bruist.

Even vlug tot verdwijnen, als ras tot ontstaan,

Is dat trachten naar deugd, dat zijn boezem doet slaan.

Maar die poging tot beter in \'s boozen gemoed.

En die milder gedachte, die soms zich verraadt,

Dat kortstondig weerhouden van \'s onverlaats voet

Op de duistere wegen van dwaling en kwaad,

Dat ontwaken, boe kort, uit den zwijmlenden roes.

Waar hem boosheid in neerstort en zinlijkheid streelt.

Als een wufte gedachte aan iets edels en goeds

Hem het beeld der verloochende rechtheid herteelt,

Grieft den boezem te dieper van hem, wien zijn val

Met verachting en deernis en huivring vervult;

\'t Is een lichtstraal op \'t donker tooneel van zijn schuld.

Die zijn heimelijkst kwaad aan den dag brengen zal;

\'t Is de maatstaf der ondeugd, die heerscht op zijn ziel,

\'t Is het peil, dat u zien Iaat hoe redloos hij viel.

-ocr page 325-

AAN ARABELÏiA. — ZWART EN BLAUW. ö

AAN ARABELLA.

Wanneer gij lacht, dan tingelen uw oogen Van zaohten gloed, die koestert en verheugt;

En, lieflijk beeld der onbezorgde jeugd!

Bij wie u ziet zijn zorg en leed vervlogen.

Maar wijkt van u die glimlach van geneugt\',

(Gij zijt een mensch, en zou hij duurzaam wezen?) Is mijmrende ernst op uw gelaat te lezen,

Of stoort de smart uw blijdschap en uw vreugd;

Blinkt daar een traan van weemoed in uw oogen.

En is die wang, zoo blozend anders, bleek,

Dan maakt uw schoon \'t gevoelig harte week Van die u ziet door droefheid neergebogen.

Maar ik, die weet dat u geen onspoed drukt.

Dat nog geen smart uw teeder hart doet kwijnen.

Zie op uw wang met vreugd die blos verdwijnen,

En zoo gij weent, het streelt mij en verrukt.

Want als dat hoofd in weemoed nederbukt.

Dat lieflijk hoofd, zoo vreemd aan eigen smarte. Dan, weet ik, spreekt de deernis in uw harte,

Waar andrer hand des levens distel plukt.

Erbarming is iets hemelsch op deze aarde,

Kn godlijk zijn de tranen, die zij schreit;

Maar schoonst in u, die, rijk aan zaligheid.

Nooit zelve een wenk van wreeder lot ontwaarde.

ZWART EN BLAUW.

(NAAR TH. MOORE.)

Het gloeiend gitzwart oog Schiete al zijn dolken rond, Gevoelloos voor wien \'t wond\' Of doodlijk treffen moog: Het blauwe kwetst geen hart, Of \'t lenigt graag de smart. En wien \'t een dolk: moog wezen, \'t Schept wellust in \'t genezen.

Het zwarte zegge ons dit: „Heb eerbied voor mijn gloed! „Zoo gij mij hulde doet,

„Licht dat gij mij verbidt!quot;

-ocr page 326-

liefde, —

10

trouw,

Maar \'fc blauwe fluistert zacht, Daar quot;t vriendlijk lonkt en lacht; ,Ik wil u toebebooren,

,Mits liefde u \'t hart doe gloren!quot;

Nu, zeg mij eens oprecbt;

Voelt, liefste, uw boezem niet Wat mij de blauwheid zegt, Die m\' in uw oogen ziet?

Of zijt gij de eenge vrouw Met oogen zacht en blauw. Die minnaars zou ontvlieden. En liefde weerstand bieden?

LIEFDE.

(naar wilbye.)

Heb mij niet lief om dat of dit. Om oogenblauw of voorhool\'dwit. Om slanke leest of vluggen voet.

Of om mijn al te teer gemoed:

\'t Zijn louter ijdelheden;

Wilt gij volharden in de trouw,

Zie me aan met de oogen van een Vrouw! Bemin uw liefje om niet met al.

Zoo hebt ge altoos dezelfde reden,

Die uw verliefdheid voeden zal.

TROUW.

(naar th. moore.)

Het zeil weerkaatste de avondzon. De zee was rood als bloed;

Al wat mijn liefje snikken kon. Was dit: o keer met spoed!

Ons schip zwierf om door menig zee. En toefde aan menig strand;

Maar \'t zij de kou mij huivren deê, Of door de zon verbrand.

Op elke zee, in ieder oord.

Nooit zag ik \'t west in gloed.

Of altijd hoorde ik weer dat woord: o Ifeer, o keer met spoed!

En zoo mijn hart u soms vergat,

\'t Was in \'t gevecht; slechts dan,

-ocr page 327-

DE RIDDEK VAN ST. JAN. — AAN HEliTHA.

Wanneer ik de oogen op mij had

Van menig dapper man.

Maar zoo, in \'t, woeden van den strijd,

De min vergeten waar,

Zij gaf den roem zjjn waarde altijd.

Na \'t wijken van \'t gevaar;

En als de rust der zege kwam,

De drift had uitgewoed.

Was \'t of \'k op nieuw dat woord vernam: o Keer, o keer met spoed!

DE RIDDER VAN ST. JAN.

Een ridderlijk knecht toog vol moed naar \'t gevecht;

Geen volmaakter zat immer te paarde;

Geen bekwamer dan hij in gekoos en gevrij.

Geen zoo koen met de lanse en den zwaarde.

Ieder .jonkvrouw in den lande sprak er met verrukking van,

En zij liet een zuchtje glippen voor den Ridder van Sint Jan.

Naar zijn helmkamtooi zag men \'t eerst op \'t tornooi,

Waar zijn speerpunt de vroomsten versaagde;

En zóó muntte hij uit met gezang en door luit,

Dat geen meistreel een kans met hem waagde.

Ieder Jonkvrouw, die hem hoorde, trilde er tot in \'t hartje van, En haar oogje bleef geslagen op den Ridder van Sint Jan.

Zijn helder oog blonk als een tintlende vonk.

Zijn wangen als rozen zoo lustig;

Nergens houding zoo net, of zoo nobel een tred.

En hij stond op zijn voeten zoo rustig.

Ieder jonkvrouw, die hem aanzag sprak: Ziedaar een heerlijk man! En zij schreide om die gelofte van de ridders van Sint Jan.

AAN BERTHA.

O, Ik mistrouw u, ik mistrouw u! — Neen, gij zijt Niet wat gy schijnt; ik heb me in u bedrogen.

Wend af van mij die onsohuldveinzende oogen!

Zij liegen, zij misleiden. Maar de tijd Is om, dat \'k aan uw blik geloof sloeg; dat ik Vertrouwen stelde in \'t blosje, waar uw koon Van gloeide. Zie, in vroeger dagen had ik

Een eed gezworen dat gij goed waart, goed als schoon! Maar nu, — ik heb gedroomd, ik ben ontwaakt; ik zou u Niet kunnen haten, maar dit zegge ik: „Ik mistrouw u.quot;

11

-ocr page 328-

AAN BEBTHA.

En vraagt gij hoe \'k mij u verbeeldde? — \'k Hield U voor een engel van zachtmoedigheid en liefde;

Onnoozel, goed, en van geen zucht bezield,

Waardoor gij \'t hart, van wie het zijn mocht, griefde;

Niet ijdel, niet behaagziek, door geen lust Bewogen om te schitt\'ren, om te pronken.

Maar needrig en dier schoonheid onbewust,

Die u van God zoo heerlijk was geschonken.

Geen hulde vroegt gij, geen bewondring — Neen! Die zedigheid versierde u, die verlegen

Zich bijna schaamt dat zij behaagt; en \'t scheen Me een sieraad, dat het kostbaarste op kon wogen. Eenvoudig waart ge en kinderlijk van hart;

En \'k minde u om dien eenvoud; want zij werd Op aarde zeldzaam, maar ik zag ze in u... neen, meende Ze in u te zien; in u, die zoo veel goeds vereende Met zoo veel schoons en heerlijks, als ik dacht!

Die beter waart dan heel uw lief geslacht.

Wijl al de deugden van uw kunne de uwe waren,

Maar ge aan haar fouten vreemd bleeft; niet omdat Gij die vermeedt, maar nooit geweten hadt Dat zjj bestonden. Ach! waar is de droom vervaren.

Waarin uw beeld mij zoo beminlijk scheen?

— Gewis; die droom, dat lieflijk beeld verdween; De sluier viel; ik ken u. Onbedachte,

Gij hebt u-zelv\' verraden! Neen gij waart Niet beter dan die ik uw mindren achtte.

Niet beter dan zoo velen! Ook Uw aard Is ijdel, wuft, en zwak. Gij schept behagen De gifte bloem der Hulde aan \'t hart te dragen,

Die ge aanneemt van wie ze aanbiedt, \'t zjj zijn hart

Van wellust gloeie of liefdesmart.

U is \'t genoeg, indien m\' u naakt met huivrende\' eerbied; Genoeg, zoo ge op de reeks van uw bewondraars neerziet.

Wier vleitaal en wier lof u prikkelt, waar uw gunst Hen streelt, en hopen doet, gelooven en vertrouwen.

Helaas, zoo speelt ook gij de wreede rol, waar vrouwen Haar heil in vinden! Zoo verstaat ook gij de kunst

Om harten te doen bloeden aan een wonde.

Die gij ze toebracht, maar niet heelen wilt, als ge eerst Ze aan u verknocht, gevleid hebt en beheerscht.

En dan verstoot.

Zie, onbedachte! dit is Zonde;

Dit, meer dan menig kwaad, waar ge u met schrik voor wacht. Misdadiger dan veel dat gij misdadig acht.

En dit kunt gij! Gij, die op \'t vriendlijk wezen,

Den vrede draagt, den hemel en de deugd,

-ocr page 329-

zoetheid.

De opreclitlieid in uw teedren blik doet lezen,

Op \'t effen voorhoofd kalmte en vreugd!

Ach! \'t is ook geen verdorvenheid des harten,

Die u zoo wreed, zoo schriklijk wreed maakt; neen! \'t Is onbedachtzaamheid en ijdelheid alleen,

Die de oorzaak zijn wil zalker smarten; \'t Is zwakheid, die uw hart verleidt. 0 Keer Terug, en wees, die gij mij scheent tevoren! —

Doch \'t is te laat; — waar de eenvoud is verloren, Daar keert zij nimmer, nimmer weer.

Vaarwel! Ik heb me in u bedrogen; \'k draag u Geen haat toe of verachting, — maar beklaag u.

ZOETHEID.

0, ik bemin die fulpen poëzij;

Wier verzen \'t oor door zachten klank behagen, Als zweefden ze ons, op vlinderwiek gedragen.

Als tonen uit Aeoolsche harp voorbij; Zoetvloeiende als het rimpelende water,

Waarmede een zwoele, een zwakke zefir speelt. Als golfje aan golf zijn zwelling mededeelt.

En de oever ruischt van murm\'lend vochtgeklater;

Die woorden kiest, welluidend, vol, en malsch Als \'t zacht satijn der frissche maagdenboezems. Als \'t bladfluweel van der violen bloesems, Of \'t lauwe dons van Venus duifjes, als Haar teedre hand dat gladstreek om hun hals; Een taalmuziek, die slechts voor maagdenlippen Geschapen schijnt en ze afruischt op een toon, Wiens melodie ons streelend klinkt en schoon, En enkel weelde in \'t smeltend hart doet glippen!

Die vloeizaam zich ontwikkelt en beweegt, Als oiiestraal op koningshoofd gevloten,

Waar priesterhand de heiige zalf kruik leegt, Zacht, lenig, overvloedig uitgegoten.

Ja, zulk een taal is \'t die aan weelde, en lust, En liefde voegt, die slechts genoegens ademt;

Dione, wen ze op \'t rozenleger rust,

Dat om haar hoofd zijn balsemgeuren wademt.

Wier milde walm haar in bedwelming sust;

Daar \'t windje, dat haar plooiloos voorhoofd kust. En koelte brengt voor \'t gloeiend wangenblozen, De stengels schudt van leliën en rozen.

En d\'uchtenddauw, die uit de kelken spat. Op \'t golvend haar wellustig neer doet druppelen.

En \'t poezel vel besprenkelt met dat nat;

Daar om haar heen de minnegoodjes huppelen.

-ocr page 330-

VKIILEIDING.

En spelen met den kostlen gordelband,

Die \'t mollig lijf ontgespt werd door haar hand, Of, in de lucht op donzen wiek geheven.

Rondom haar hoofd in dartle kringen zweven,

Haar leden, blank als \'t vlokkig schuim der baar. Waaruit zij rees. met rozen overstrooiend,

Of \'t lieve hoofd met versche mirten tooiend. Een bruine kroon op \'t blond en welig haar.

Maar weg van mij verwijfdheids flauw geteem, Waar heldenmoed en mannendrilten spreken!

Waar vuur of gal den bloedstroom heeft ontsteken,

Daar voegt geen taal als laffe honigzeem.

Daar dreun de zang in onverheelde forschheid. En wijze én zoet- én gladheid af met norschheid! Daar klinkt alleen wat grootsch en stout is schoon, Dat wie hem hoort mag siddren van den toon.

Geen vloeizaamheid, geen afgevijlde woorden,

Maar kortheid, kracht, vuur, waardigheid, en drift! Geen bloode hand neem hier de citerstift; Stoutmoedig grijp ze en manlijk in de akkoorden! Zoetvloeiendheid — wie die ze hier vergt? Hij Vrage eer den storm een zoete melodij,

Die buldert, giert, en klatert; de eikenkruinen Als halmen breekt en neerwerpt; strand en duinen

Verstuiven doet; den brullend\' oceaan Met woest geweld op \'t siddrend land doet horten; Den trotschen burcht ten bouwval nederstorten, En hem den schrik om \'t harte slaan.

VERLEIDING.

Waar Verleiding u nadert met vleitaal en zang. Met oneerbaar blanketsel op voorhoofd en wang.

En, in dartel vertoon en bedwelmende praal,

ü verlokt met den honig der strookendste taal:

0! daar kan haar de deugd van den sterken weerstaan,

Daar de blooheid des zwakken nog vluchtend ontgaan,

En, de hartstocht moog branden in \'t snelbruisend bloed, Nog kan reden gebieden; de deugd blijft behoed!

Maar niet zoo, waar zij naakt met een traan op de koon,

In de kracht der bekoring van \'t lijdende schoon;

Waar zij vleit noch verlokt, maar zich stort aan uw voet,

En de deernis zich vergt van \'t verteederd gemoed.

Daar bezwijkt ook de vroedste, ook de vroomste, eer hij \'t weet,

En hij valt haar in de armen, tot zonde gereed;

14

-ocr page 331-

SCUEIUIiJ!.

En nog droomt liij van deugd, aan den boezem dur schuld, Tot verwijt hem komt wekken, berouw hem vervult.

0, heb deernis met hem, die onwillig dus viel. En veroordeel zijn zwakheid noch vonnis zijn ziel;

Want misschien is hij beter en eedier dan gij,

Die geen proef te doorstaan hadt, zoo schriklijk als hij. Ja, doorzoek u het harte en beproef uw bestaan,

En denk na hoe het u in zijn plaats waar vergaan. En verbid een verzoeking, de zwaarste van allen,

I)ie zoo listig verlokt, en zoo zeker doet vallen.

SCHEIDEN.

O, De stonde dos scheidens is bang.

Die ons \'t bijzijn van dierbren ontscheurt,

En de traan, die ons vloeit van de wang,

Door het doodsbleek der droefheid miskleurd.

En de zucht, die ons stijgt uit het hart,

En de klacht van den staamlenden mond,

Zijn slechts machtlooze tolken der smart, Die de ziel in ons binnenst doorwondt.

Maar geen afscheid zoo wreed voor \'t gemoed. Geen vaarwel, dat den boezem zoo grieft, Dan waar \'t hart u verloochenen moet,

Zoete Hoop! die \'t zoo teer heeft geliefd; ^ Dan waar gij ons uw bijzijn ontrooft. En alleenlaat met jammer en smart.

Die ons lust en genot hadt beloofd, Met genoegen en vrede voor \'t hart.

0, Die proef is te zwaar voor \'t gemoed. Dat in \'t leed zich aan u had verknocht.

En het hart van den moedigsten bloedt,

Hoe \'t zich sterken en louteren mocht, —

Als de nacht op ons daalt, die uw gloed Op ons pad voor een wijl had gescheurd.

En \'t vaarwel ons van \'t hart komen moet, Dat ook gij van ons vergt op uw beurt.

^ Dat vaarwel brengt den kanker in \'t hart En de bleekheid op \'t mager gelaat,

^ \'t Bukt het hoofd onder \'t juk van de smart, En geen troost, die uit menschen is, baat.

Zoo geen Hemel \'t gebroken gemoed Voor het wee der vertwijfling bewaart.

Zoo geen godsdienst voor wanhoop behoedt. Wie zal heelen, wie troosten op aard?

1

-ocr page 332-

DE DROEFGEESTIGE. — ONSTANDVASTIGHEID.

DE DROEFGEESTIGE.

Nooit heeft hij heil geproefd, of zaligheid gesmaakt,

Die zoo zijn ziel bezat of zijn gemoed vervulde,

Dat zij de erinnering aan smart of leed niet duldde,

En hem ondachtig aan de droefheid heeft gemaakt. Der wereld zoetheên doen hem denken aan haar plagen; \'t Genot der vreugde wekt hem \'t schrikbeeld van de smart; De zaligheid der rust schijnt, voor zijn somber hart. Het haatlijk, dreigend beeld des kommers op te dagen.

Het is niet dat hij waant dat vreugd, geluk, en rust Alleen aan kindren voegt, en dwazen slechts gelust.

Of dat het dichters past het hoofd ter aard te bukken, De somberheid van d\' ernst, de bleekheid van de smart Te veinzen op \'t gelaat, dat vroeg gerimpeld werd,

En, waar men lacht, een traan van weemoed weg te drukken.

Het is niet dat zijn hart zich toegeeft in het leed, \'t Zwartgallig opzoekt en, zich-zelven ongenadig,

Zich smarten iuueeldt of, ondankbaar en baldadig,

Zich met de doornen grieft en \'t rozenbed vergeet;

Het is niet dat zijn ziel haar heil stelt in te dwepen,

Het lijden plicht waant, schoon de hemel vreugde bracht. Of, strenge anachoreet, de bloemvallei veracht.

Om op de kale rots het leven voort te sleepen.

Maar \'t is dat zijn gemoed de vreugd der aard mistrouwt. Het zaad des onspoeds in de bloem des heils aanschouwt. Het voorspook van den nacht des daags ziet opgerezen; Dat, waar de blijdschap in triomf wordt omgeleid.

Zijn oor de stem van den Vermaner onderscheidt.

Die bij haar feestkar roept: „Gedenk een mensch te wezen!quot;

\'t Is dat zijn geest niet wordt verhelderd door het licht llondom hem, maar veeleer zijn eigen mistig duister Heromdraagt en het werpt op aller dingen luister.

Zoodat hem niets verrast of schittert voor \'t gezicht.

Het is dat op zijn wieg een sombre schaduw daalde,

\'t Is dat zijn ziel den weg des weemoeds toebehoort;

Zoodal ze, bracht haar \'t lot waar vreugde en blijdschap gloort. Verlegen om zich ziet, als iemand die verdwaalde.

ONSTANDVASTIGHEID.

Voedt ge een pijnlijk verdriet, waar uw leven van kwijnt. Waar uw hoop, waar uw heil, waar uw rust bij verdwijnt; Dan waardeer ik uw leed, dan gevoel ik uw smart.

Want ook eens was die foltring de kwaal van mijn hart.

16

-ocr page 333-

BEG00CHUL1N0.

En indien gij gelooft dat ge uw smart nooit vergeet, Dat daar heeling noch balsem bestaat voor uw leed, Dat voor eeuwig u hoop en geluk zijn ontroofd:

Ach, zoo dweept gij; maar eens heb ook ik het geloofd.

En toch komt hij, die tijd, als het hart nauwlijks meer Zich \'t gevoel kan verbeelden der smart van weleer; Dat ge uw lijden herdenkt met verzuchting noch traan, En op nieuw wordt begoocheld door hoop en door waan.

Eerst verlieft gij op \'t leed, waar ge uw schedel voor bukt, En gij koestert de smart, die u alles ontrukt;

Want die smart is poëtisch, is edel, is schoon,

En ook distien versieren, gevlochten ten kroon.

Maar op eens wreekt de hoop zich, herneemt haar gezag, En vertoont zich uw\' oogen met bloemkrans en lach; Gij herkent die geliefde uwer jeugd, en de smart Verliest langzaam haar recht op \'t verruimende hart.

Ongetrouwe! Verstoot haar uw boezem zoo wreed?

O! Gelukkig indien ze, als gij haar, u vergeet!

Dan omringt ge u de slapen met rozen, en vraagt

„Of de ondankbre bestaat, die van de aard zich beklaagt?quot;

BEGOOCHELING.

Zeg niet: de vreugde der jonkheid is kort. Vluchtig haar schoon, ras haar bloemen verdord! Hij, wien haar weelde nog zalig doet wezen.

Spot met uw wijsheid en lacht met uw vroezen. Zeg niet: de vreugde der jonkheid is kort.

Zeg niet: de liefde is iets wufts in de vrouw. Zinlijk haar teerheid en ijdel haar trouw!

Hij, die zijn heil van haar lippen blijft wachten. Lacht met uw wrevel en spot met uw klachten. Zeg niet: de liefde is iets wufts in de vrouw.

Zeg niet: het vuur van de geestdrift verkoelt. Wat u verrukt wordt eens nauwlijks gevoeld! Hem, wien haar vlammen de borst nog doen gloren, Meent in die taal slechts üw koelheid te hooren. Zeg niet; het vuur van de geestdrift verkoelt.

Eens komt de tijd, dat ik wjjs ben als gij;

Eens toont de wereld haar dwaasheid ook mij;

-ocr page 334-

volksgunst.

Maar in de lente aan den -winter te denken Zou me in \'t genot van haar zaligheid krenken. Eens komt de tijd, dat ik wijs ben als gij.

VOLKSGUNST.

(naar barbier.)

In Frankrijk, waar geen mensch. in onze jammerdagen,

In vrede stilzit bij zijn haard.

Waar reedlooze eerzucht thans \'t koelbloedigst hart doet jagen

En door de groofste hersens vaart,

Is \'t al gewoel en drukte op de openbare straten:

Met heesche keel en hoogen krop,

Wil elk aan \'t staatsgebouw zijn invloed kennen laten,

En maakt er snorkend aanspraak op;

Daar warrelt het dooreen wat vuist of tong kan roeren,

Poëet en Reednaar en Soldaat,

Al wie op \'t breed tooneel een rol meent uit te voeren,

In \'t groote drama van den Staat;

\'t Komt al ter marktplaats op van kaaien en uit stegen,

En hijgende, en gejaagd van voet.

Vertoont men zich aan \'t Volk en steekt het allerwegen. Met geestdrift, de armen te gemoet.

En zeker! \'t Volk is groot, nu \'t zich van alle toornen

Op eens zoo schittrend heeft bevrijd.

En, ziende dat zijn werk gelukt is en volkomen.

Rust als een worstlaar na den strijd.

\'t Is schoon, die breedgeschoft Kolos, wiens reuzenleden

Een handvol schaamle lompen dekt,

Als \'t u het wambuis toont, waarin het heeft gestreden,

Door \'t bloed des legerknechts bevlekt;

De woeste Slooper, die het vuur legt aan de tronen.

En, in de hitte van den brand,

De schepters om zich keilt en hoepelt met de kronen,

Bezoedeld door zijn vuile hand!

Maar \'t is belachenswaard, dat naakte Volk te aanschouwen.

Met bloote kruin en barren voet,

Zoo als het zich verstout een koningshof te houen, Een vorstelijken vleierstoet!

Ja, \'t is belachenswaard te zien, hoe lage zielen.

Niet door zijn vuilheid afgeschrikt.

Met beedlend smeekgebaar voor \'t Volk ter aarde knielen,

Of \'t ook genadig nedeiblikt!

Te hooren hoe men \'t vleit en opsteekt onder \'t kruipen, En burger-recht en naam verbeurt,

-ocr page 335-

VOLKSGUNST, 19

Door \'t zeggen: „Schoon is \'t, als we uw eelt van bloed zien di-uipen,\'

En dat het rood het geestig kleurt;

Dat de onomkoopbre Wet slechts afhangt van zijn Will

Gerechtigheid \'s Volks wenken wacht —

Onwetend dat haar zwaard, afhan klijk van Zijn grillen,

Liefst de onschuld moordt, de braafheid slacht.

Is dit het noodlot dan van wie zich mensohen heete

Dat steeds hun rug zich buigen moet?

Moet dan \'t Gepeupel ook zich-zelf een Afgod weten,

Welks outer men met eerbied groet?

Verheft men zich alleen om dieper zich te krommen?

Vergat men deze waarheid dan:

„Alleen de vrijheid is \'t, die m\' in haar heiligdommen.

Niet, tenzij staande, aanbidden kan ?quot;

Ach! allen zijn wg in een gruweltijd geboren,

Ben tijd, verschriklijk duizendwerf!

Waarin het zonlicht nauw het zaad trekt uit de voren.

Of \'t valt ter prooie aan zelfbederf;

Waarin de Baatzucht steeds haar rauwen kreet doet hooren.

Waarin niets edels tieren mag.

Waarin de Deugd zoo ras verstikt is als geboren,

Waar elk slechts held is voor een dag;

Een tijd, waarin Geloof en Goede Trouw en Zeden

Een glimlach wekken op \'t gezicht.

Waarin het heilig kleed der Schaamte, d\'arm ontgleden.

Vertrapt ter aarde nederligt;

Een ware slijkeeuw, die, zoo velen als wij leven.

Ons \'t kleed bezoedelt gansch en al;

Waarin de wereld naar verachting schijnt te streven.

En roem draagt op haar diep verval.

En toch, indien die poel, waarin wij nederzinken

En blindlings dolen op den tast,

Zoo deze nacht, waarin zoo schaars een star mag blinken,

Wier licht het twijflend oog verrast,

Op eens, bij toeval, zich een Wreker zag verheven.

Van kloek verstand en forschen bouw,

Een ijzren held, die in de raadzaal niet zou beven.

En voor geen moordbijl siddren zou;

Zoo zulk een vrije ziel zijn meerderheid liet gelden

En, na bedwelming van \'t Gemeen,

Zich kronen liet door hen, die eertijds wetten stelden,

Wier schot- en lotgenoot hij scheen;

Ha! \'k zou als Dichter en als Burger hem bezweren:

,0 gij, zoo groot in rang en moed!

„Ontzie u immer \'t oog ter diepte heen te keeren;

„Vraag niet: wat kruipt er aan mijn voet?

-ocr page 336-

20 votKsauNST.

„Laat daavrend handgeklap van uwen roem gewagen,

„En \'t volk, zich koestrende in zijn zon,

„ü zweven dat het eens, in staatsie omgedragen,

„Uw lijkbaar volgt naar \'t Pantheon;....

„Ga voort! vervolg nw weg! vraag niet wat ze u beloven!

„Bedenk, dat als zijn gril \'t besluit,

„Dat zelfde volk uw asch uit de urne weg zal rooven

„En strooien ze op de winden uit!

„Ga voort! vervolg uw weg, tot heil des Staats besloten,

„Met reuzenkracht en heldenmoed,

„Ofschoon ge in \'teind uw voet aan \'t moordschavot zoudt stooten,

„En \'t oversprengen met uw bloed!

„Moet eindlijk: voor het scherp van \'t beulzwaard, tuk op slachting,

„Uw helder hoofd en groote geest „Ook bukken — \'t Zij! Zoek niets, bejaag niets dan \'s volks achting; „Maar vrees zijn liefde, vrees haar meest!quot;

O Volksgunst! Volksgunst! Is zij niet de groote Onkuische,

Voor ieder veil, die tot haar naakt.

Zoo slechts zijn bloed voor haar van schandlijke ontucht braise,

Zijn arm naar haar omhelzing haakt?

Ze ia als de Zee! De Zee, eerst kalm en schoon en rustig.

Het licht weerkaatsende in kristal.

Welluidend suizende, of ze lieflijk en wellustig

Een tweede Venus baren zal;

De Zee, die \'t kuische strand haar zuivren kus doet smaken.

En \'t frisch maakt door haar ademstroom;

Die op haar zachten schoot den scheepling \'t angstig waken

Vergeten doet in zoeten droom! —

Maar straks die Zee, als een Bezetene opgerezen

Van uit haar sluimring, — woest en wild Zich toonende als Reuzin met wangeschapen wezen,

En de armen dreigende opgetild!

Omzwierend met gehuil, de haren losgewrongen.

Bij bliksemlicht en donderknal.

En loeiende als een stier, die straks, met woeste sprongen,

Zich op zijn vijand storten zal! —

Dan, wit van woede en schuim en bevende allerwege.

Verdraaid van oog, en scheef van mond.

Rolt zij zich over \'t zand en, reutlende als een veege.

Slaat zij haar naaglen in den grond.

Dan, eindlijk afgemat, met machtloos knarsetanden,

En ademloos, en uitgewoed.

Valt ze op haar koets terug, maar werpt den bleeken stranden Nog menschenschedels toe en bloed.

-ocr page 337-

wij weten.

WIJ WETEN.

rWij weten niets dan dit: dat wij niets weten,quot;

Zei Socrates. Maar Socrates is dood;

En schoon men nog zijn spMiik niet heeft vei\'geten, Men heeft ze althans van haar gewicht ontbloot. De man, die heden haar gepast dorst heeten,

Vond zeker ook in \'t kervelsap den dood;

En zonder dat men dagen lang en nachten Op \'t traag retour van eenig schip zou wachten.

Onze eeuw is de eeuw der kennis; de eeuw van \'t licht Dit weten wij, en leerden \'t op de scholen.

Voor ons gebrild of ongebrild gezicht Blijft klein noch groot verborgen of verholen;

\'t Heelal schijnt ons doorschijnend; \'t kleinste wicht Weet van „den bol, die plat is aan de polenquot;;

En heeft een bol, die, \'t zij dan plat ot spits, Scheepsruimte voor de hoogste wijsheid is.

Ontdekking, vinding, vruchten, resultaten,

Mijnheer! Onze eeuw telt nog geen veertig jaar. En heeft op dit punt reeds meer recht van praten

Dan al de vorige eeuwen met elkaar.

Want wat, wat hebben zij ons nagelaten ^ Van wetenschap? — De kunsten laat ik daar — Een hoop, mijnheer! van gissingen en droomen,

Waarmee wij niet veel verder zouden komen.

Maar ons, mijnheer! ons weten is gegrond;

Ons weten is niet dan wishunstig weten.

Bespiegi.ing hoort gij niet uit onzen mond;

Hot ivoord, om zoo te zeggen, is vergeten.

Toepassing is de boodschap. Zie maar rond!

Wij nemen waar, zien, tasten, wegen, mc\'ten,

En, als een rijpe vrucht van onze vlijt.

Beschaamt een nieuwe wereld d\' ouden tijd.

Er blijven vragen over; maar niet velen.

Wat leven is, wat kracht is, weet men niet.

Maar \'t kan ons eigenlijk ook weinig schelen,

Indien het ding maar daar is, dat zoo biet.

Langs welken weg zich ziekten mededeelen —

Daar is veel duisters ook op dat gebied;

Ook zijn wij nog niet zeker van \'t genezen;

Maar toch — de Dood mag op zijn hoede wezen!

In \'t zeedlijke zijn ook nog raadsels; maar Dat \'s minder! Als wij gaslicht zullen branden,

-ocr page 338-

sta bene.

Den luchtballon bestijgen met malkaar,

Per spoortrein reizen naar de verste landen,

Dan laat men die onvruchtbre quaesties daar. Wat hebben we er de vingers aan te branden? Wat baat ons \'t metaphysische gezwoeg Wij hebben aan de stof nog stofs genoeg.

Daar is de „stille wereld van de starrenquot;, De stomme wereld van de steenen nog,

Waarbij wij uw oneindig harrewarren

Ontwijken, en uw geestlijk zelfbedrog,

Mijnbeeren godgeleerden! die, als varren

En bokken, ons met hoornen aanvalt, doch Alleen gelooven kunt, en niets bewijzen,

Terwijl wij om \'t contrarie zijn te prijzen.

Maar gij wilt deugden kweeken! — Dat doen wu. De kennis geeft het rechte zelfvertrouwen;

Het zelfvertrouwen maakt de geesten vrij; De vrijheid doet de dingen juist beschouwen;

Het juist beschouwen leert, dat ik en gij Het best doen met ons aan die maat te houen. Waarbij fortuin, fatsoen, gezondheid, eer Het minste lijden — en wat wil men meer?

STA BENE.

Wij zijn een natie van stavast, niet waar? Ziedaar een trots, waar we onzen troost bij zoeken.

Nu ja; die predikant staat hier of daar.

En onze kunst en wijsheid staat in boeken.

\'t Is alles even staande, als een pilaar. Wij hebben staande jassen, staande broeken;

„Üie rok staat goed!quot; In Frankrijk zou het zijn: „Mnis eet\' habit, mon cher! vous va tres bien.quot;

Wij hebben een staand leger; sta-soldaten;

Studenten ook, die knevels laten staan; Een sTA-volharding, die niet veel wil baten;

Een sta-geleerdheid, die niet voort wil gaan, Maar blijft, waar groot-papa het heeft gelaten;

SrA-classici met ijzren harnas aan.

Wat nood, indien we ons voetenpaar ontbeerden, Indien wij niet somtijds den pas markeerden?

Maar deze wufte Franschjes, wel bekend. Waarvan ik met een woord reeds heb gesproken: Dat volkje loopt, en draaft, en vliegt, en rent. Dol als een zee, waarin de stormen spoken.

22

-ocr page 339-

VROtlWBNOKLÜK.

Doch weet gij wat ik zeg? Men lette op \'t end! Een zelfde hel zal voor hen a.llen rooken!

Maar wij, wij hebben nooit iets kwaads gedaan, Daar wii zoo vast in onze schoenen staan.

VROUWENGSLUK.

Gelukkig zijn in Holland alle vrouwen.

Vooreerst: ze spelen heel lang met de pop; Om daarna in een kostschool huis te houen;

Daar leert men fransch en engelsch in galop;

En om haar hartsgeheimen te vertrouwen.

Doet elke mooie een heele leelijke op;

Die schrijven zij dan \'s zomers lange brieven,

Zoo lang, zoo lang — totdat ze in ernst verlieven.

Nu komt de tijd, waarin men „paraisseert;quot; Het kind gaat op Mama\'s visites mede;

Is heel vrij, heel confuus, of coquetteert;

Mevrouw is altijd van haar telg tevrede;

Zij speelt piano, zingt, en reciteert;

\'t Oog van Mama geeft klem aan ieders bede;

En als haar beeldschoon kind met heeren spreekt. Voelt ze aan haar hart of \'t meisje bloost of bleekt.

De stad is juist niet rijk aan danspartijen;

Maar aan concerten wordt dit ruim vergoed.

Daar gaat men dan zoo zachtjes aan wat vrijen.

En trapt gestaag het buurtje op den voet,

Als zich een jonkman aan haar „toe komt wijen,quot;

Die haar verslag van wind en weder doet, En zonneklaar zijn liefde komt bewijzen.

Door haar liet nieuwste zangspel aan te prijzen.

Voorts beeft ze een allerdierbaarst kransje, — dan Ik weet u daar niets meer van meê te deelen;

Die dingen zijn mysteries voor den man.

quot;k Denk dat zij daar vrijmetslaresje spelen.

Een sneeuwval van biljetjes komt er van;

En \'t blijft bestaan — totdat ze er zich vervelen? Neen! Tot zoolang het meerderheid je trouwt.

Terwijl de rest haar nonnen-eeden houdt.

Maar dat is dweperij, of zotte grillen,

Of kinderliefde, of iets daaraan gelijk;

Want „daar zijn zooveel mannen als zij willenquot;.

En zijn die oud of leelijk: zij zijn rijk;

Zoo ze aan verstand nu juist zoo zwaar niet tillen,

-ocr page 340-

het beeld des doods. —

2i

voorbetteidinq.

Ze hebben posten in het koninkrijk — Enfin! wie trouwen wil, heeft maar te kiezen Uit vijftig Smits en zeventig de Vriezen.

HET BEELD DES DOODS.

Men geeft den Dood een zeis. Behoeft hij dan, Om ons te vellen, zoo geducht een wapen V

\'t Geringste is hem genoegzaam. Immers kan Hij beimlijk ons besluipen, daar wij slapen.

En waken we ook — ga, breng den sterksten man, Den stevigste uit de keur der legerknapen, Den Hercules, den Rappo in \'t gezicht Des Doods, en zie hoe ras hij onderligt.

Een bloedaar springt; een zenuw voelt zich schokken;

Een vliesje wordt te heftig aangedaan;

Het hart één stonde onmatig saamgetrokken.

Om in \'t vervolg voor eeuwig stil te staan; Één droppel gift doet heel den bloedstroom stokken;

jién tochtje doet de longen doodlijk aan ....

En dus, mijn vriend! Stel order op uw zaken,

En stel niet uit uw testament te maken.

VOORBEREIDING.

aan geektkuide.

Gij waart een hulploos kind, een wichtje, te dien tijde;

Uw moeder, bleek nog van de smart om u doorstaan.

Trok \'s zondags \'t stemmig kleed zich aan van zwarte zijde,

Om naar des fleeren huis te gaan.

Daar hield haar arm u voor de doopvonte opgeheven:

Daar sloeg haar zachte hand den sluier op met beven,

Den langen sluier, die uw hoofd verborgen hield;

Daar werd u, voor haar oor, haar moeders naam geschonken En zij, ootmoedig en in vroom gevoel verzonken,

Had gaarne met u neergeknield.

Want heilig was die dag, en plechtig was die stonde,

En menig plicht werd op haar buigend hoofd gehoopt! Gij, \'t kwaad nog onbewust, maar erfgenoot der zoude,

Werd in des Heeren naam gedoopt.

Gij werd in Christus kerk genadig opgenomen.

Gij ingelijfd in die gemeente van de vromen,

Met haar in \'t huis van God eerbiedig opgestaan;

En toen \'t gewijde vocht u op het voorhoofd daalde.

-ocr page 341-

VOORBEREIDING.

Was \'t of de Heiland haar op zachten toon herhaalde: „Wel! Laat de kindren tot mij gaan.quot;

Alsof Hij sprak: „Mijn bloed is ook voor hen vergoten;

.Ook hun bereidde ik plaats in \'s Vaders eeuwig huis; „Zij ook, zij zijn, hoe jong, des Geestes deelgenooten,

„Zij hebben aandeel aan mijn kruis.

„Leer gij dit dochtertje mijn woord, mijn lijden kennen, „Haar kleine lippen aan een vroom gebed gewennen,

„Behoed haar voor de smet der aard, die mij niet kent; „Prent haar \'t geloove diep in de onderworpen ziele, „Opdat ze in liefde en hoop en ootmoed nederkniele, „Den blik naar Golgotha gewend.quot;

Uw lieve moeder had de tranen in haar oogen.

En bukte \'t hoofd ter aard als een geknakte bies; Uw brave vader stond, stil biddende, gebogen;

Maar gij, onnoozle! wist van niets.

Ook hadden zij den Heer beloofd voor u te waken, U \'t dierbaar sacrament des doopsels waard te maken,

(J op te voeden voor den hemel, waar Hij leeft; ü in geloof zijn naam voor de aard te doen belijden,

U als christin het Hoofd der Kerke toe te wijden, — Zie, hoe men woord gehoudon heeft!

Zij hebben \'t al vervuld, wat toen hun hart beloofde;

Gods zegen rustte op hen, om al hun trouw voor u! Thans drukt de heiige last alleen op uwen hoofde;

Gij kiest uw eigen paden nu.

Ze zijn ontslagen van verplichtingen en eeden;

Gij-zelve hebt den Heer met mond en hart beleden;

Bkleoen! Denk, wat die belijd\'nis in zich sloot!

Gevoelt gij u vernieuwd, veranderd, weergeboren,

Zijt ge u bewust uw Heer en Heiland toe te hooren.

En zijt gij dezer wereld dood\'?

Zie, als gij nu voor \'t eerst aan \'t heilig Nachtmaal nadert,

Waar uw Verlosser zelf in teeknen tot u spreekt: Gij toetreedt met de rij, die in zijn naam vergadert.

En die zijn schuldverzoening preekt;

Wanneer ge plaats neemt naast uw moeder, daar uw zuster En nederzit, dan slaat het hart u ongeruster,

_ Uan schrikt ge, dat ge u zelve een oordeel eet en drinkt En als gij, aan den disch, den handschoen uit zult trekken. De vingren bevende naar brood en beker strekken. En bijkans u de moed ontzinkt:

Dan durft gjj nauwlijks u die panden waardig keuren. En \'t hartè breekt u, zoo beseft ge uw diepe schuld;

-ocr page 342-

VOOKBERErDING.

Gij durft het hoofd niet tot den dienaar op te beuren,

Gij zijt van heiige vrees vervuld!

O! \'t zijn de tranen niet, dan paarlende in uw oogen, L)e bleekheid niet, die dan uw wangen houdt betogen, De koude huivring niet, door tijd en plaats verwekt,

Noch \'t siddren voor de wolk van Gods verborgenheden. Waarmee het Hem behaagt zyn raadsbesluit te omkleeden, En die den Nachtmaalsdisch bedekt!

Neen! als de siddring en de ontroering zal bedaren. Dan zult gij weten wat dit ernstig feest beduidt;

Dan zal zich aan uw hart gevoelig openbaren.

Wat die geheimnis in zich sluit.

Gij zult aanbidden, gij u zuivren, u bekeeren,

Erkentnis, liefde, deugd en heiligmaking zweren,

Gemoedigd opsta n en gerust op Gods verbond.

Maar! als de werelu, warsch van heilige gedachten.

ü (aan de kerkdeur reeds!) koelzinnig op zal wachten,

Zult gij gedenken aan dien stond?

Gedenk hem steeds. Draag zorg u in \'t geloof te sterken:

Geen heil te zoeken dan bij Jezus en zijn bloed;

Niet hoog te stijgen op de wieken goeder werken,

Maar neer te vallen aan zijn voet.

Daar is één wet slechts voor den christen: zijn behagen. Wees niet te zwak Hem \'t kruis geduldig na te dragen;

O, Heb Hem lief; Hij heeft ons allen liefgehad!

Zijn liefde dringe u om uw naasten te beminnen,

En strijd te voeren met begeerlijkheid en zinnen, — Dat naamt gij voor: bevestig dat.

Ja, \'t christendom is schoon, en schoonst in jonge zielen!

Recht vroom te wezen is het lieflijkst in de jeugd: Met tranen van berouw en ootmoed neer te knielen,

Te midden van der wereld vreugd.

\'t Apostelschap is groot, het martlaarschap is edel;

Maar stille vroomheid blinkt als lichtgloed om den schedel;

Op \'t maagdlijk voorhoofd is ze een blanke leliekrans; Een paradijsroos, bloeit ze in de aardsche disteldreven; Een nachtlamp, licht zij in de duisternis van \'t leven. Tot aan den jongsten morgenglans.

Als Martha hoordet gij de stem des Heeren vragen:

„Gelooft gij dat?quot; En zij... zonk aan zijn voeten neer, En sprak, met de armen naar zijn knieën uitgeslagen:

„Gij zijt de Christus en de Heer!quot;

Wees zóó. De vroomheid valt niet moeilijk aan de vrouwen. Eens zij \'t u: „Dochter! uw geloof heeft u behouen!quot;

-ocr page 343-

NAJAARSMIJMERING.

Als haar, die slechts een zoom beroerd had van zijn kleed. Eens zij \'t: „Maria heeft het beste deel gekozen.quot;

En, als daar scheiding is van goeden en godloozen;

„Treed in; mijn hemel is gereed!quot;

NAJAARSMIJMERING.

Wanneer de zon haar dwarse stralen Op lindetop en benkenkruin Doet lichten over rood en bruin.

Dan is \'t me een lust door \'t bosch te dwalen.

En, in den koelen najaarswind.

Eens ruim en zuiver aam te halen. Den herfsttijd heb ik steeds bemind!

Ik ben geen vreugdig lentekind.

Dat, in de blijde Mei geboren.

Het aardrijk in den bruidstooi vond. Mij geurden roos noch hagedoren,

In \'s levens eersten morgenstond;

Geen schelle leeuwrik liet zich hooren; Der nachtegalen minnelied Klonk bij mijn eerste nachtrust niet.

Mijn wieg stond tusschen dorre blaren Én afgevallen bloemen in:

Yan daar in mij die najaarsmin.

Die zachte weemoed, alle jaren.

Wanneer der winden euvelmoed Het loover afschudt voor mijn voet.

\'t Is zoet, in \'t blijdste der seizoenen, \'t Ontwakend landschap te bespiên: Der beuken toppen te zien groenen,

De amandeltakken rood te zien.

\'t Is zoet op \'t rozenbed te staren.

Wanneer, door \'t haar omzwachtlend mos. De scheemring doorbreekt van den blos. Die schittren zal op duizend blaren.

\'t Is zoet des Zomeravonds \'t haar Aan \'t lauwe windje bloot te geven.

Van weelderige geurstof zwaar,

Die uitwaait van de lindedreven;

_ Te dwalen tot het donker wordt.

En, achter \'t lommer van de boomen.

De maan weer vriendlijk op zal komen.

Die zilver op hun toppen stort,

En door hun takken goud doet stroomen.

Maar o! aan \'t Najaar hangt mijn hart; Dan is \'t me een lust door \'t bosch te dwalen.

27

-ocr page 344-

NA JAARSMIJM ERIN(i.

Verdiept in zoete, stille smart,

Waarbij geen Lentevreugd kan halen,

En die des Zomers weelde tart.

\'t Behaagt me dan aan \'t hart te dragen, Die ik mijn blauwe lievling noem. De nagebleven korenbloem,

Schaarsch purper in die gele dagen!

Dan zie ik gaarne \'t bloedrood licht De tinten hoogen van de bladen. En glinstren op de najaarsdraden,

Die dwarlen voor mijn aangezicht,

Door onnaspeurbre kunst gesponnen; De gouden bloemen, die dien glans Weerkaatsen op haar stralenkrans. En schitteren als kleine zonnen;

Of staar den wondren nevel aan. Die grijzende oprijst in de verte.

En voel de neiging tot een traan.

En heel de volheid van mijn harte.

— — 0 Vraag mij niet, wat mijn gemoed In zulke stonden zuchten doet,

Of wat gedachten zich verdringen In dees mijn najaarsmijmeringen?

Wat denkbeeld, in dit zacht verdriet. Mij langst, en liefst, en zoetst kan boeien, Wat mij het hart doet overvloeien,

En meest mij roert.... ik weet het niet. Het is een onbestemd gevoelen.

Een toestand, donker en verward.... Wij voelen zoo, als op \'t concert De tonen op iets treurigs doelen: Een algemeen besef van smart,

Waarbij we, zonder orde of reden, In toekomst dwalen on verleden ....

\'t Is heel mijn wezen, heel mijn hart! Het zijn: mijn twee-en-twintig jaren; Het is: mijn eerste levensvreugd, \'t Herdenken aan mijn vroegste jeugd, Aan alles wat mjj is weervaren;

\'t Zijn al mijn afgevallen blaren,

En al mijn doode twijgen, die Ik in gedachte voor mij zie.

\'t Zijn duizende herinneringen,

Weerklinkende in \'t geroerd gemoed, Van wat ooit lieflijk was en zoet, Tooneelen, menschen, woorden, dingen!

Genoegens, die ik nogmaals smaak. Die weer mijn hart verhaast doen kloppen: Bekoorbre lentebloesems, vaak

28

-ocr page 345-

NA JA AU SM IJM BRING.

Gestorven in hun groene knoppen!

\'t Is wat ik droomde en heb gehoopt; \'t Zijn wenschen, die \'k met geestdrift wenschte Och, lelies, die de zon verflenste,

Pas in den morgendauw gedoopt! \'t Is moederzachtheid, zusterliefde. En vadergoedheid, die \'k genoot; \'t Is deernis met wat ooit mij griefde,

En rouw om blijdschap, die me ontvlood, \'t Zijn kinderlachjes, maagdenoogen,

En vriendenwoorden, die \'k herdenk, Pin schedels, naar mij toegebogen.

En blikken, passende op mijn wenk!

\'t Zijn dwaasheên, die ik wijsheid meende.

Die droefheid baarden op mijn pad;

\'t Zijn bittre tranen die ik weende, En weenen zag, en nooit vergat;

Het zijn gebeden, die ik bad;

\'t Zijn vreugden, die ik duur moest boeten;

— De vreugde vergt haar prijs zoo snel! — \'t Is menig, menig lief ontmoeten.

En menig, menig droef vaarwel.

\'t Zijn vrienden, die mijn zij\' begaven. Van wie mij zee en afstand scheidt,

Of die ik in den nacht der graven

Ter sluimering heb weggeleid.

O ernstig Najaar! Dorre blaren!

0, Grijze Nevel! Lage zon!

Indien ook ik niet sterven kon.

Ik zou u koel in \'t aanzicht staren.

Maar thans! uw troost is veel en groot. Gij predikt zulk een schoonen dood! O, Rustig, vredig, kalm te sneven.

Gelijk in \'t Najaar de natuur,

Eerwaardiger van uur tot uur,

Ziedaar wat groot is en vei-heven!

Als zij, bedaard den geest te geven.

En zoo, dat elk gevoelig hart In \'t afscheid deelen moet met smart. Dat weegt de moeiten op van \'t leven!

Indien ik nu reeds de oogen sloot,

Indien men in den donkren schoot Der aard mijn lijk een plaats beschikte. Waarop dit zonlicht nederblikte.

Waar déze herfstwind over woei.

Dan zou ik sterven in mijn bloei.

Mijn stam is nog niet hoog geschoten;

Mijn kroon droeg nog geen bruikbaar ooft. En wat mijn zomer eens belooft

-ocr page 346-

na.iaarsmijmebing.

Is nog in windselen besloten.

Ik sta aan d\' opgang van mijn pad,

Mijn webbe is lang niet afgesponnen;

Ik heb de taak nog slechts begonnen, Waartoe ik God om sterkte bad; —

Maar toch! \'t waar zoet in \'t graf te dalen, Voor \'t hart de dood nog tegen zucht, Voor mij des levens lust ontvlucht,

Voor ik alleen hier om moet dwalen.

Mijn God! hier bid, hier schrei ik om: Laat mij en herfst en zomer derven.

Laat me in mijns levens lente sterven____

Maar Heer! geen wintersche ouderdom! Geen leven, dat men dood moest heeten,

Geen koudheid in en om mij heen.

Niet, niet gevoelloos en vergeten Als een verlaten kerkhofsteen!

Ik weet, daar zouden schreiende oogen.

En wangen wezen, droef verbleekt, En lieve hoofden neergebogen,

Wier weemoed in hun zwijgen spreekt, Zoo nu mij de adem werd onttogen;

Daar zouden zijn, die \'t strak gezicht Naar \'t graf, waarin ik sliep, gericht. Verzuchten zouden, menigwerven Herhalen: „moest hij nu reeds sterven?quot;

En zie, ofschoon \'t my deren moet. Pat daar om mij één hart zou breken, Eén traan langs dierbre wangen leken —

Dat denkbeeld echter, het is zoet.

Maar dan! wie weet? — Men legt mij neder;

Men sluit het graf gevoelloos dicht; En gaat, en ziet het nimmer weder.

Men schrijft iets op de zark; wellicht Zal, naar bepaalde kerkhofwetten.

Men op mijn graf een treurwilg zetten. Een huichlaar, die de plaats vervangt Van droefheid, die geen stervlitig prangt.

O, Troost mij, spreek mij moed in \'t harte. Natuur! vertrouwde van mijn ziel! Wat immer zwaar of moeilijk viel, Gij hadt een zalve voor de smarte!

Gij predikt een barmhartig God,

Gij leert mij hopen en vertrouwen.

Gij, nooit te twijflen aan mijn lot.

Maar de oogen hemelwaarts te houen.... Kom, andermaal \'t verliefd gezicht Naar gindsche dreven heengericht!

-ocr page 347-

MOEDERS TROOST.

— Mijn wieg stond tusaohen dorre blaren En afgevallen bloemen in,

Maar werd bestraald door moedermin! Men had mij lief in later jaren!

En, wat of hoe mijn lot ook zij, Ontvangt mij eens de stervenssponde. Licht zal daar, in de laatste stonde, Een weinig liefde zijn voor mij.

MOEDERS TROOST.

quot;Wees, wees gegroet, gjj kleine vriendlijke engel! Die God, ten troost in diepe droefheid, schonk; Frisch spruitje aan een afgehouwen tronk,

Schoon knopje aan een neergebogen stengel!

Een lieve ster, wist ge, in den zwarten nacht.

Door \'t wolkenfloers een spoor van licht te banen; Gij waart een lach temidden veler tranen; Een vreugdekreet temidden van de klacht! Wel werdt ge in smart en kommer afgewacht. Wel zijt gij in een droeven tijd gekomen.

Wie deze onze aard zoo veel reeds had ontnomen.

Eer zij u zelfs haar lucht had toegebracht.

Maar gij verscheent, van God beschikte zegen! Een lichtgloed op uws vaders graf gedaald. Een glans, die om uw moeders rouwkleed straalt. En op haar pad een milde bloemenregen.

0. Zoo gij wist, hoe veel gij reeds moest derven, Eer nog uw oog voor \'t daglicht openging.

Eer nog uw mond des levens adem ving.

Gij zoudt, niet treuren, kind! maar, gij zoudt sterven.

O, Zoo gij wist, dat gij de plaats bekleedt Van een, wiens naam gij zelfs niet hebt gestameld. En hoe veel min zij op uw hoofd verzamelt.

Die u in smart gedragen heeft en leed;

Wist met wat naam de moederliefde u heet.

Wat zij gevoelt, als ze U aan \'t hart mag drukken, — Gij zoudt dit hoofd, dit vroolijk hoofdje! bukken.

Daar zulk een last van liefde u zwichten deed.

Maar gij weet niets — niets mag uw vreugde krenken; Gy liefkoost haar blijmoedig en gerust,

Of sluimert op haar knieën, onbewust Dat ge altijd aan een doode doet gedenken.

Wat zijt ge schoon! Wat blinkt er in uw oogen, Een blijde vonk van kindervreugd en geest;

-ocr page 348-

MOKDKKS TKOOST.

Wat zachtheid is \'t, die m\' op uw voorhoofd leest, Hoe houdt uw lach ons allen opgetogen!

Lief wicht! gij hebt aan smart en rouw weerstaan Het was de Heer, die voor uw leven waakte,

U zoo gezond, zoo schoon, zoo lieflijk maakte: Dat heeft Hij om uw moeders wil gedaan.

Hij zag haar leed, Hij nam haar tranen aan;

Zjjn liefde kan \'t gekrookte riet niet breken.

Zijn goedheid stelde aan u een heerlijk teeken.

En o! dat heeft haar moederhart verstaan.

Gij zijt haar meer dan een bevoorrecht wichtje,

Haar meerder dan een dierbaar liefdepand:

Gij zijt haar als een kleine godsgezant,

Zij leest geloof en hoop uit uw gezichtje.

Gij zijt de lust van al die u omringen;

Gij zijt de vreugd, de vroolijkheid van \'t huis; Men mint uw drukte, uw onrust, uw gedruisch, Uw stameltaal en uw gebrekkig zingen.

Gelukkig, wien ge uw gunsten waardig acht, Die, voor gekoos, op lachje en kus mag hopen; Want, als gij komt staan aller armen open, En ieders schoot wordt breed gemaakt en zacht. Uw oogje voert een vorstljjke oppermacht; Men knielt, opdat men in uw kleinte deele. Men maakt zich kind, opdat men met u spele.

Zwijgt waar gij spreekt, en schatert als gij lacht. Gij neigt het hart van zuster en van broeder. Wanneer hun groep u liefderijk omringt; En schoon ge er kleinste en laatste zijt, gij dringt De paarlen aan in \'t halssnoer van uw moeder.

Lief schepsel! zoo gij ook van mij bemind zijt,

(Mijn hart heeft steeds de kinderkens geschat; Die hen niet eert, heeft nimmer liefgehad!) \'t Is, maar \'t is niet alleen, omdat ge een kind zijt.

Het is omdat gij half een weesje zijt;

De deernis toch maakt steeds de liefde teerder;

Maar daarom nog mint u mijn hart te meerder. Omdat gij zoo uw moeders hart verblijdt.

O, Doe het nog, als later levenstijd U wat zij heeft verloren zal ontdekken En \'t denkbeeld van uw roeping op zal wekken.

En tot wilt heil\'ge taak gij wierdt gewijd. Het rouwkleed zal voor immer haar omgorden; Zij wacht geen andre vreugd dan van haar kroost! O, Zij verdient in u des hemels troost;

Verkoren kind! gij moet een engel worden!

-ocr page 349-

MINONE.

Opdat gi] gansch uw moeder aan zoudt kleven,

Schiep de Almacht u een dochtertje, en geen zoon! Üe zonen, ja! zijn hunner moeder kroon,

Maar dochtren zijn het leve-n van haar leven.

Gy dan, wees lief, wees zacht, word vroom, word goed! Gelijk haar, tot wier vreugd gij zijt geboren.

Dan zult gij tot die lioHijken behooren,

Wier rijke deugd men schaars op aarde ontmoet.

Kind! u doorstroomt een mild, een liefdrijk bloed; Ik weet, gij zult uw afkomst niet verzaken,

En wat ook zou uw hartje bitter maken,

Daar enkel liefde en zachtheid u begroet?

Geef slechts terug hetgeen gij moogt ontvangen j Bemin altijd gelijk gij wordt bemind;

Uw rijpe jeugd betaal de schuld voor \'t kind: Uw moeder, noch uw God zal meer verlangen.

O, Kon men slechts dos levens smarten keeren Van een zoo lief, van een zoo dier als gij! Kon tooverspreuk of macht van poëzij Het noodlot en zijn wisselzucht bezweren!

Hoe zoude ik u behoeden tegen kwaad!

Helaas! de kunst weet tranen af te drogen.

Maar om één traan te weren van uw oogen.

Daar is noch zang noch zanger toe in staat —

Doch! zoo misschien eens dichters zegen baat.

Ik wil mijn hand op dit uw hoofdje leggen.

En, met het oog ten ruimen hemel, zeggen:

„De Heere, kind! behoede u vroeg en Iaat!

„De Heere leide u zachtkens op zijn wegen;

„Hij grijpe uw hand, en richte uw teedren voet; „De Heere neige uw hart en uw gemoed;

„De Heere zij u liefde, vreugde en zegen!quot;

MINONE.

Minone treedt op \'t bal; bevallige Minone!

\'t Juweel blinkt schittrend op het voorhoofd van de schoone,

Maar schittrender de gloed, die uit haar oogen straalt. Haar siert in \'t gouden haar eeu tuiltje van violen;

Dus, in de blondheid van den akker half verscholen, \'t Gestamde korenbloempje praalt.

Zachtblauwe zijde blinkt door \'t gazen danskleed henen; \'t Gelijkt een nevel, van \'t azuur der lucht doorschenen.

Geen fijner leest werd ooit door kostbre stof gekleed;

Geen balgewaad mocht ooit om voller heupen vloeien.

33

-ocr page 350-

34 M1N0NE.

En nimmer wit satijn een spiohter voetje schoeien,

Dan waar zij \'t feest op binnentreedt.

Zij is haar echtvriends kroon; zijn lust, zgn heil op aarde. Wiens mannenbloei zich aan heur jonkheids bloesem paarde.

Maar die zijn eerste jeugd door haar herleven ziet;

Hij was der wereld en haar beuzlende vermaken Sinds jaren moede en vreemd, maar schijnt ze op nieuw te smaken, Omdat haar hart ze nog geniet.

Want hij was een van hen, die, menigmaal bedrogen,

In liefde en vriendschap niets dan onzin zien en logen.

Die de aard verachten en der menschen wuft gemoed; Tot dat ze een zachte ziel vol eenvoud kennen leeren,

Wier kinderzin hun haat tot liefde kan bekeeren.

En hen met de aard verzoenen doet.

Derzulken liefde is trouw en groot, maar heftig tevens;

Want zij alleen vervult de ledigte huns levens;

Ze is hun geloof, hun hoop, hun staf, hun licht op aard; Ze is slagaamp;r huns bestaans en muskel van hun krachten;

Ze is \'t eenige aardsche, waar ze een aardsch geluk van wachtsn, En dat het hemelsche verklaart.

En daarom is die min hartstochtlijk en te vreezen;

Want buitensporig, achterdochtig, is haar wezen,

Veeleischend (reedloos vaak!) uitzinnig, licht gekwetst; Gebiedend heerscht zij en tirannisch op de zielen;

Steeds treedt zij \'t spooksel der jaloerschheid op de hielen. En haalt het dikwijls in op \'t lest.

Maar als de graaf het oog liet rusten op Minone,

Of d\' arm geslagen om do leest der lieve schoone.

Haar diep in de oogen zag en vastknelde aan zijn zij\', Dan werd zijn hartstocht kalm, dan werd het stil daar binnen, En dikwijls riep hij uit; „Hoe durft men u beminnen?

Pin wie zou \'t wagen, buiten mij?quot;

Thans leidt hij haar ter feest. Hoe streelt hem de gedachte, Dat aller oog op zijn Minones intree wachtte!

Hoe zwelt zijn hart, als hij zijn ga bewondren ziet! Hoe groeit zijn hoogmoed, als de mond des eerbieds fluistert. En \'t oog der schoonen, wie /laar schoonheid heeft verduisterd. Haar halfbenijdend hulde biedt!

O, Wat op \'t woelig bal het zuiverst hart doet zwichten. Het trouwst gemoed ontrouw kan maken aan zyn plichten.

De sterkste deugd en de arglooste onschuld overmag,

Is niet alleen, den lust der zinnen toe te geven.

-ocr page 351-

MINONE. 35

En in den wilden wals de zalen rond te zweven,

Tot aan het lichten van den dag!

Neen! wat daar \'t hart bedweimt, wat in fluweelen kluister De zielen daar verstrikt, het is de pracht, de luister Dier zalen, waar het hart in huppelt als de voet;

\'t Is \'t gloeien van uw licht op uw kristallen kronen;

\'t Is \'t rusteloos orkest, dat, in zijn wilde tonen,

De ziel zich-zelv\' vergeten doet.

\'t Is dat er niets ontbreekt, wat immer zinnen streelde;

\'t Is \'t volop van genot, van pracht, van gloed, van weelde,

Van alles, wat een ziel doet duizlen en verwart;

En eer de schuwe maagd, hoe zuiver ook van zeden. Den jongling tot den dans in de armen is gegleden,

Gloeit reeds haar hoofd en bonst haar hart.

Minone was de dans verkwikking, rijkdom, weelde, Een zaligheid, waarin geheel haar harte deelde.

Als zij den tengren voet deed hupplen in de rij; In halfbedwelming zweefde en omzwierde in die zalen, Tot alles voor haar oog tot kleuren smolt en stralen.

En voor haar oor tot melodij.

Eerst was \'t haar of een droom haar zwakke zinnen blaakte; Droom, als nooit odaliske in \'t pronkziek Oosten smaakte,

Wen ze, ingesluimerd in de weelden van \'t serail. Op \'t kussen van sameet, van rozengeur omgeven.

Zich dartle houri waant, die \'t Eden door mag zweven, Dat zich geen vrouw ontsluiten zal.

Maar als de klanken op een wilder feestzin duidden.

Dan was \'t haar of, aan \'t hoofd der zwevende geluiden.

De Geest der tonen haar vervolgde tot haar straf;

Tot dat ze, beurtelings gekweld, verlokt, betooverd,

In \'t eind zich, afgemat, vermeesterd en veroverd. Den schoonen woestling overgaf.

\'t Was heerlijk haar te zien! Geen struis- of reiger veder Boog daar op zwart fluweel zich lichter heen en weder.

Door elk bewegen van een blanken hals beroerd,

Geen dunne sluier, wien een tochtje too mocht waaien.

Dan zij de teedre leest op heup en knie deed draaien,

Dan zij de zaal werd rondgevoerd.

Geen fee, wier luchte tred ooit de oogen meer verrukte. Ook de ouderdom, die \'t hoofd ten groenen speeldisch bukte.

Zag welgevallig soms die ranke houding na;

Haar kunne zelfs scheen op Minone roem te dragen;

-ocr page 352-

M1N0NE.

En menig jongling dacht, het oog op haar geslagen, Te weinig aan haar trouwen ga.

Kn toch, die gade, half aan iedera blik onttogen.

Bespiedde haar van uit de diepe vensterbogen,

Van achter \'t wit damast met hemelsblauw beplooid; O, heerlijk scheen ze ook hem in \'t licht maar maatvast zweven. Doch — zóó den wellust van de danszaal toegegeven. Zoo onverzaadbaar scheen zij nooit!

En waarom? Wist zij niet, dat zij des graven liefde.

Door \'t rustloos vieren van zoo dwaas een hartstocht, griefde V

En, zoo zij nimmer dat gehoord hadde uit zijn mond. Wat anders had zijn blik, half ernstig, haar gebeden,

Toen zn, haar rijk boudoir in feestdos uitgetreden,

Vroeg of die dos haar niet misstond?

Of was het, dat op \'t bal die jonkman haar bekoorde.

Wiens lof hij dikwijls van zijn eegaas lippen hoorde,

Vriend van haar vroegste jeugd, en nu eerst weergezien? Hij immers werd het meest bevoorrecht door Minone;

Hij was in dans op dans de dansgenoot der schoone; Hij — meer nog dan haar vriend misschien!

En wat, wie gaf hem \'t recht die rijke leest te omvatten? Wie \'t recht, zich-zelf\' den druk dier vingren waard te schatten?

Wie \'t recht, haar lang en diep te staren in \'t gezicht? Den geurig\' adem van haar lippen op te vangen.

En \'t lieve schepsel gansch in d\' arm te voelen hangen. En trotsch te zijn op dat gewicht?

En zij? Kon zij den blik van \'t gitzwart oog verdragen.

Als \'t aan de blankheid van haar boezem zich dorst wagen,

Den glimlach dulden, die des jonglings lippen tooit? Wat zeg ik? — Keen! Geheel in weelde en dans verloren. Met welgevallen naar \'t verdacht gefluister hooren.

Den lach vergelden, dien hij plooit?....

Onnoozle! ga niet voort. Verwerp de nectarteugen.

Die \'t overspannen hart in argloosheid verheugen!

Het is genoeg; genoeg! Ontscheur u \'t zondig bal!

Zie om! — Uw eega zet een gif kelk aan de lippen;

Hij laat een scherp venijn ten boezem binnenglippen.

Dat al zijn bloed ontsteken zal!

Keen, immer zweeft zij voort, en nauwlijks, nauwlijks poozend; Met oogen, enkel gloed en wangen, vurig blozend;

Geheel beweging, drift, gevoel en rustloosheid!

Tot dat ze, plotsling, na een woeste galoppade,

-ocr page 353-

M1N0SE.

Zich bij de tengre hand Toelt grijpen door haar gade, Die haar ten dauszale uitgeleidt.

Daar werpt hij haar met drift den mantel om den sehouder. Koud viel haar \'t paars satijn op d\' elpen hals, maar kouder

Sloeg haar de schrik om \'t hart: haar Eega zag zij aan; Zijn lip beweegt, zijn wang is bleek, zijn oogstraal schittert; Zij voelt het hoe zijn hand de hare nijpt, en siddert!.... Hij eisoht zijn rijtuig, en zij gaan.

Des morgens — bleek, besohreid, de lange en blonde lokken Omzwierende, en \'t gewaad in wanhoop losgetrokken,

Wrong daar een jonge vrouw de handen bij een lijk. Nu gaf zij \'t harte lucht in luide jammerklachten;

Dan zonk ze op \'t lichaam neer met uitgeputte krachten. En gaf van smart noch leven blijk.

Ja; de ijzren hand des Doods was ijskoud op zijn leden. In \'t bloedig tweegevecht koelbloedig oxjgetreden,

Had onmeedoogend lood des graven borst doorboord; En zij, de koningin van gistren. die zich baadde In weelde, en wier gelaat slechts vreugde en lust verraadde, Eiep uit: „Ik heb mijn man vermoord!quot;

Verschriklijk is :t van smart, van enkel smart te sneven: Het zij een slagaar barst, en in den bloedstroom \'t leven

Zich uitstort; \'t zij de schok des levens werktuig stoort; Beroerte \'t zenuwstel verlamt, of in haar stuipen Verscheurt; of tering zacht haar offer komt besluipen. En \'t langzaam in haar armen smoort;

Maar \'t is verschrikbrer nog, en grievender voor \'t harte. Te zien, hoe Razernij \'t gevolg kan zijn van smarte;

Veelkleurig monster, in zoo wreed een kamp gebaard! Als hij die lijden moet, maar zuchten kan noch treuren,

Zich \'t krimpend lichaam met de naaglen op wil scheuren. En zich zijn leed niet eens verklaart!

Zoo heb ik haar gekend. Zij heeft niet lang geleden.

Haar vrienden hebben om haar vroegen dood gebeden;

En niet vei-geefs; zij slaapt — en zij haar ruste zacht! Maar \'t was een droef gezicht, en wreed om aan te staren: Een vrouw zoo lief, zoo schoon, en nog zoo jong ran jaren, Door smart en wroeging omgebracht.

37

-ocr page 354-

BIJ EEN KISD.

BTJ EEN KIND.

Wat slaapt het zacht, op \'t blauwsatijnen kussen,

\'t Onschuldig kind in \'t derde levensjaar! Hoe geestig dringt zich \'t poezel handje tusschen

\'t Azuur der zijde en \'t goud van \'t vochtig haar Wat schuilt er glad een voorhoofdje in die lokken; Hoe kleurt de slaap die wangen gloeiend rood, En heeft, als hij het mondje half ontsloot. De kleine lip ten glimlach opgetrokken!

O, laat me een kus op \'t mollig knietje geven, In argloosheid en eenvoud blootgewoeld!

Gij zult toch niet ontwaken, als gij \'t voelt? De slaap is vaat in \'t derde jaar van \'t leven.

Daar komt een tijd als geen vermoeidheid baat Om \'t brandend hoofd in sluimering te sussen,

Wanneer de rust de valsche peluw baat____

Maar gij slaapt zacht op \'t blauwsatijnen kussen.

Gelukkig kind; ik wenschte als gij te zijn!.... Gij wenscht nog niets_ in droomen noch iti waken; Maar eenmaal zult gij dwaze wenschen slaken.

Als andren u vergapende aan den schijn.

O, \'t is nog niet op dit gelaat te lezen,

Maa,r nog een viertal jaren, en gij ziet ^Benijdend op tot wie volwassen h\'iet.

Lief kind! dat zal uw eerste dwaasheid wezen.

Volwassenen, ja! weten wie zij zijn;

Die kennis dwingt tot schreien hen of blozen. Gij kent geen blos dan der gezondheid rozen; ...Van tranen voelt gij \'t vocht, maar niet de pijn, Gij weet nog niets, begrijpt nog niets, ziet de aarde Verwonderd, maar met gretige oogen, aan.

En gist niet, hoeveel vreugd u zal vergaan, Zoo ras voor u dat raadsel zich verklaarde!

Uw vader gaat gebukt van stille smart; Uw moeder weent bij \'t doodsbed van haar moeder; De dorst naar eer verslindt uw oudsten broeder;

Bedrogen hoop verteert uw zusters hart;

Die \'t brak, vergaat van wroeging, niet te sussen; En ik, die bij dees rustbank nederkniel,

Beschrei de zwak-, de krankheid van mijn ziel... Gij!.... slaapt nog zacht op \'t blauwsatijnen kussen

Gij droomt misschien een blijden kinderdroom. Wjj droomen — kind! wjj droomen als wij waken,

-ocr page 355-

AAN EENE JONGE MOEDER.

Opdat wij ons den slaap onrustig maken;

Opdat de zorg ons pijnige en de schroom.

En wij, zijn zóó van boosheid als doordrongen,

Dat in den slaap de zoade ons niet verlaat,

Dat we in den droom r.og dienaars ziin van \'t kwaad! Gij weet nog niet wat kwaad is, lieve jongen!

En allen toch zijn wij als gij geweest;

En toen wij ook zoo schuldloos nederlagen,

Toen konden zij niet gissen, die ons zagen,

Wat eenmaal om zou gaan in onzen geest;

Wat beker ons Gods wijsheid in zou schenken;

Hoe onze hand dien beker nemen zou;

En of wij, in beproevingen on rouw.

Aan Hem of aan de Wereld zouden denken!

Gij, zult gij nooit, als stugge of woeste knaap, Hen grieven, die u \'t leven, alles gaven?

Als jongling aan geen hartstocht u verslaven.

Die u de deugd zou rooven, met dien slaap?

Nooit schandlijk vuur in stinkend water blusschen?

Geen heilig God verlooohnen in uw hart?

Wat wacht u? Schuld met weelde, of deugd met smart Nog slaapt gij zacht op \'t blauwsatijnen kussen.

O, Dat n leed en wroeging zij gespaard!

Dat de aarde n nooit den hemel moge ontrooven! Dat bidt mijn hart voor u van God hierboven,

Met haar, die u in smarto heeft gebaard.

Leer zelf reeds vroeg te bidden, in de jaren Van stil geloof en opgewekt gevoel.

En leer het nooit vergeten, in \'t gewoel Der wereld, die geen middelen zal sparen!

Eens zal de dood de vonk van \'t leven blusschen,

Dat gij in vreugde en argloosheid begint:

Wel u, indien gij \'t sterfbed zalig vindt.

En harder niet dan \'t blauwsatijnen kussen.

Waarop ik n zag sluimeren als kind!

AAN EENE JONGE MOEDER.

Wat zijt ge met uw zuigling aan de borst Gelukkig; gij gezegende der vrouwen!

Gij kunt den blik van teerheid niet weerhouen

Van wat gij op uw moederknieën toi-st.

Niet waar, het is uw eerstling, \'t mollig wichtje? \'t Is de eenigste, de schoone vrucht uwa schoots.

-ocr page 356-

AAN EENK JONGE MOEDËK.

Eu draagt het merk uws lieven echtgenoots In \'t vriendlijk oog, op \'t englen-aangezichtje!

r .Benijdbre! Hoe gelukkig is uw lot!

Zie \'t lieve kind dat, door uw arm gedragen.

Het handje aan uw boezem houdt geslagen.

En de oogjes sluit, alleen maar van genot!

Wat is hot schoon, de onschatbre levensstroomen Te deelen met hetgeen gij dierbaarst hebt, —

Daar \'t immers, buiten d\' adem\' dien het schept. Nooit iets geniet dan wat gij \'t toe doet komen.

Welzalig, wien een moederboezem voedt!

Want in de melk, zoo onbewust genoten.

Komt hem zijn moeders zachtheid toegevloten, Verzelvigd met het zachtste van haar bloed.

Vrouw! Ik heb ook een vrouwenborst gezogen.

En wat er vrouwlijks omgaat in mijn hart. De aandoenlijkheid voor liefde, vreugde en smart; Dat dronk ik in de mildheid van die togen.

Ja, \'t is iets grootsch, te zeggen: „Ik ben man!quot;

Mijn vaders kracht in tbrsch gespannen pezen Te voelen, en mij-zelv\' bewust te wezen,

Dat niets op aard mijn ziel ontzetten kan.

Maar zalig is \'t, zoo soms een zachte smarte.

Iets weekers, dat de linkerborst doorwoelt,

Iets vochtigs, in \'t verteederd oog gevoeld.

Herinnert aan mijn moeders teeder harte.

En daarom, wees gezegend, ook van mij!

En eens van hem, die thans nog onbewust is Hoe hij reeds nu zijn moeders vreugde en lust is;

0, dat hij eens zijn moeders hoogmoed zij! In moedertrots vloeit liefde en dank tezamen.

En de aard miskent, de hemel wraakt dien niet; Dus, zoo die hoop u toelacht in \'t verschiet,

Moog God de Heer die hope niet beschamen!

^ 0, moederliefde is onuitspreeklijk groot;

Een rijke bron, die nimmer draalt te vloeien; Een eeuwig vuur, dat nooit gebreekt te gloeien;

Een lang gebed van \'t kraambed tot den dood.

Ze is zacht en sterk, geduldig, krachtig, moedig; Een band, dien boosheid breekt, noch ondank scheurt En wie haar meest hardvochtig heeft verbeurd.

Dien volgt zij nog, en even overvloedig!

Ze is als Gods zon, die in haar reinheid straalt.

Maar opgaat voor rechtvaardigen en boozen;

-ocr page 357-

AAN TOLANDE.

Een regen, die op d\' akker des godloozen

Als op het veld des dankbren christens daalt.

Niet waar? wat ramp de hemel moog gehengen, Elk offer voor uw lievlmg valt u licht;

Zelfs zoo ge u tot het zwaarste zaagt verplicht, Gij zoudt het, gii, als alle moeders, brengen.

Zie, reeds verbleekt het blosje op uw koon;

Reeds mist uw oog het vuur van vroeger dagen;

lleeds klopt u \'t hart somtijds met matter slagen.

En gij verzwakt in \'t sterken van uw zoon;

Want! ... \'t is uw bloed, waarmee gij \'t kind wilt drenken 0, dat hij \'t nooit in later tijd vergeet!

Maar zelfs indien gij dat voorzaagt — ik weet. Gij zoudt hem toch geen teugje minder schenken.

Welnu! eens zij dit borstsieraad uw kroon!

Eens moog dit wicht uw ouderdom beschermen!

Thans hangt het zwak en machtloos in uw armen:

Hang eenmaal trotsch aan d\' arm van uwen Zoon! God zelve zij des jongskens schuts en hoeder,

En in dit kind uw zegenaar en vriend!

Hij immers weet wat moedermin verdient:

Ook Jezus zoog de borsten eener moeder.

AAN TOLANDE.

Uw deel is een gebroken hart,

Uw deel een buigend hoofd!

De giftige adem van de smart

Heeft u den blos geroofd;

Gij hebt, in pijnlijke eenzaamheid. Uw blinkende oogen dof geschreid;

En hadt ge u dat beloofd.

Toen ge u in de armen wierpt eens mans. Wiens liefde — maar waar is zij thans?

De roos viel af, de vlam ging uit,

Wier gloed u koestren zou,

En al de weelde van de bruid

Versmolt in \'t leed der vrouw; De blinddoek viel u van \'t gezicht; En, yoor \'t gedroomde zonnelicht.

Verscheen oen nacht van rouw. Van rouw, dien ge u ontveinsd hebt; maar Tn \'t eind viel hij uw ziel te zwaai-.

Zie, nauwlijks was de knoop gelegd. De heillooze eed gedaan,

-ocr page 358-

AAN YOLANDE.

Of wat ge u zaligs hadt voorzegd

Was als een droom vergaan.

Gi) hebt getwijfeld, — ras, niet waar? Toen was het uur uws jammers daar;

Toen ving uw tering aan!

Thans kent, thans overziet ge uw lot! Thans, Martlaresse, trooste u God!

Wat koude siddring, droeve vrouw!

Verkilde u \'t gloeiend hart,

Toen de afgod van de huwlijkstrouw

üw\' oog\' ontsluierd werd?

Toen gij, door weelde en min bezield. Een steenen beeld in de armen vielt.

Gevoelloos, koud en hard.

Waar ge u een engel hadt beloofd. Met lichtglans om \'t gezegend hoofd?

Eens hebt ge een vriendenraad mistrouwd,

Neen, acht het geen verwijt!

Gij waart pas zestien jaren oud.

En waart niet wat ge zpt.

Uw reine ziel, uw kinderzin Geloofde aan de eeuwigheid der min,

In \'s levens rozen tijd.

En raamde \'t listig tooverlied Of \'t masker der geveinsdheid niet.

0, Hadt gij thans die droomen weer.

Die droomen uwer jeugd,

Het zalig, kinderlijk weleer,

Dat u zoo smartlijk heugt!

Of kwelde u onspoed en verdriet.

Maar slechts die wreede ervaring met!

Wat raakt u \'s werelds vreugd?

Bezat gij de onbewustheid nog Van \'s werelds valschheid en bedrog.

Wee, wee den koelen echtgenoot.

Die ze u verliezen deed,

Die, toen hij u in de armen sloot,

U uithuwde aan uw leed!

Wien kort uw schoonheid heeft gestreeld. Maar ras uw kalme deugd verveeld.

Als \'t houden van zijn eed!

Gevloekt — Maar hoe! uw wang verschiet, En schreiend smeekt gij: Vloek hem niet!

Gij mint hem nog. Gij zijt een vrouw; Der vrouwen min is schoon;

-ocr page 359-

LOF. — TO A DESTINED NUN.

Trouwloosheid maakt haar niet ontrouw,

Verachting, smaad, noch hoon; Kn rooft de ruwe hand eens mans Haar wreed der liefde rozenkrans.

Zij draagt haar doornenkroon;

Want haar verteert een liefdegloed. Die zelfs door tranen wordt gevoed.

LOF.

IN EEN ALBUM.

De Knaap, die eerbiedvol, reeds in zijn kinderdagen, Het oog niet op de Kroon der dichtren hield geslagen,

Maar op hun Grootheid, op hun Adel, op hun Rang; Onwetend of hij eens hun deelgenoot zou worden. En quot;t heilig ordekleed zich om de leden gorden Der fiere Priestren van den Zang;

De Jongling, die, zoo vaak zijn geestdrift hem verrukte. Zich onder de almacht van die overstelping bukte.

Die de oogen schittren doet en \'t strak gelaat verbleekt, En, niet dan half bewust van wat hem \'t hart deed gloeien, Gehoorzaam aan dien dwang, zijn zangen uit liet vloeien. Als een, die in zijn droomen spreekt:

O, Zoo u ooit zijn toon behaagd heeft of ontroerde,

Zoo ooit zijn ziel u in haar wereld met zich voerde.

Het was de gave Gods, die uit hem sprak — niet hij. Ontzie u hem met lof en eer voor \'t oog te treden!

Nooit heeft in hem de Trots om lauweren gebeden,

Maar steeds \'t Gevoel om poëzij.

TO A DESTINED NUN.

FROM THE DUTCH OF J. P. HASEBROEK.

Bereft of youth, though young; confined, yet free; Howewer lovely, loving nor beloved;

Pious, not virtuous; saint, yet disapproved;

What can a cloisters desert offer thee?

What made you shave the ringlets from this brow. Beauty did form to kiss thy snowy neck?

If gold and silk were fond thy limbs to deck. Why does a woollen garb disgrace them now?

Thou thornless Rose, bethink thee, was it well To shun the shade of this delightful bower?

48

-ocr page 360-

to a destined nun.

The zephyr did not meekly fan thy flower,

But had a claim to its luxurious smell.

Thou\'rt earthly — and desir\'st the peace ot heaven . Thou\'rt human — and expect\'st celestial bliss?

A sinner — and pretend\'st to holiness? ., „ . a A christian — and thou deem\'st such pride forgiven lt;

Thou ask\'st a dungeon, and thou sigli\'st for rest? O There are many longing for repose.

And then there is a grave for thee and those. But — when it pleases Him, who knows the best.

Do not commit as black a suicide;

Nor do despise mankind! Continual strife Must be the only scope of human life —

And thou, thou fliest thy cowardice to hide.

Once thou wert loved; thou didst not lov® again. No sprightly brook of living water, thou.

But stagnant lake, disdaining on to flow, _

To drench the banks or mingle with the main.

Thou art devoted to thyself, wilt take No notice of the rest and hid\'st thy beauty;

And still thou deem\'st such avarice a duty.

Was it not giv\'n thee for anothers sake i

„Thou hast regret and sorrows?quot; From our birth. We have them all. If dusky cells should hold Each suffering sheep of this unnappy loid,

We were to make a cloister of our earth

Our name is fellow-sutferers till our death.

Those walls bestow no comfort; do not teign.

The token of thine order sooth\'s no pain;

It decks thy heart, but still \'t will break beneath.

Thou bow\'st in resignation.quot; Don\'t deceive Thyself, for such repentance has no worth.

Since thou hast lost the love, the hope of earth, Thou lov\'st the Lord but to forget thy gnet.

Thy tears are not agreeable to God _

Thy thoughts not sacred, for the world w there:

Before this altar if thou stoop\'st for pray r.

Beware! thou doest profane the sacred spot.

0, Pray\'rs are heav\'nly, godly! but the Lord Destined not all the surplice here to wear.

To waste our life in one fanatic prayr:

.Man, work and puay!quot; commands His sacred word.

E\'en the chaste Seraphs, crown d with heav nly light, Are ministers, who at His voice obey,

44

-ocr page 361-

TO A DESTINED NUN.

And as they sing his mighty glory, they Perform his will, not resting day and night.

„Thour\'t virtuous?quot; Virtue shows itself in stiufe! He, whom on earth no victor\'s wreath was given. Partakes not of th\' immortal palm of heaven! He needs no rest who idled all his life.

Look, look upon thy Bridegroom! Bore not He The cross, you bow at, to his trial place?

„Whoe\'erquot; — He said — „is worthy of my grace Takes up his cross and follows after me.quot;

„Thou oould\'st afford nor good, nor bliss, nor mirth?quot; Shortsighted! do you know the Lords decree Or to what task th\' Almighty destined thee, A being, harmless as thou art, on earth?

Oh, Latent virtue bears the richest fruit!

The balmy dew, calm Night weeps o\'er the flower, Is far more sweet than many a heavy shower To all the lovely daughters of the wood.

„However, thou art happy?quot; Say not so!

Thy Faith is dead, for it is buried here;

Thy Love is nothing, for it does not cheer; Thy Hope a lie; thou sow\'st not — shait thou mow?

Thy Piety is but a selfish scheme;

Thou art but cruel, though they call thee holy; Thy worship is a fancy and a folly;

And, oh! how shalt thou waken from thy dream?

Humanity \'s our duty, first of all!

The Christ entreats that we should love each other : Why, thou wert call\'d to be a spouse, a mother... Flow, Bigot! didst thou answer to that call?

Thou wipest no tear, thou sharest no smile; by thee No head was e\'er upheld with tender care;

Thou didst not comfort, didst not shelter; there Exist for thee nor thanks nor sympathy.

One day!... Whose blessing shall avert the doom? The sacred garb must from thy limbs be torn; The saint attire, in fancied virtue worn.

Falls down, at thy revival from the tomb.

Hadst thou reliev\'d a single poor\'s distress,

Or clad one orphan as good nature bade thee.

Bright Seraph\'s wings would gently overshade thee ... But now! thou hast thy shame and nakedness!

Do not persist! turn to the world again!

For acts of love to God must pay thy debt;

-ocr page 362-

miskenning.

If panes and sorrows gather o\'er thy head,

Such will protect and set thee free from pain.

Let Earth take back its worship; it was given Thee with thy veil, and leaves thee with thy dress. The Lord rejects fictitious holiness;

Love hallows Earth; Love only opens Heaven.

MISKENNING.

Koelbloedig zeggen zij: ,De dagen zijn voorby Dat de aard geloof leende aan een gaaf der Poe^Vl.\'

En in den Bard iets meer, dan aardsch, dan menschhjks eeide, Ontzag had voor den god. die godhjk sprak uit hem, Oraaklen vond in wat hij leerde, ^

Eerbiedig waclitende op zijn stem.

Sf quot;\'S fikt gemoed,

En die, op \'t voorhoofd uitgebroken.

Tot blijk van halven waanzin strekt i

quot;De dichter dringt zijn hart die koorts op; hem behaagt. Die valsche toestand, die zoo schoon een eernaam draagt, [Ui dicht zich de aandrift toe, die nooit zpn boezem blaakte, ilii raat zich af totdat hem \'t bloed m t aanzicht stijgt. En zegt: de Poëzie ontwaakte Staat af, oningewijden! zwijgt\'.

Neen poëzie is niet wat haar zijn hoogmoed heet;

Geen hem el waarheid met welluidendheid omkleed.

Maar dichterlijke waan en dichterlijke logen;

Een spel van woorden en van klanken; bonte schijn. Die de aard sinds eeuwen heeft bedrogen En daarom wezen waant te zijn.

Verkropt, verkropt dien hoon, vergiftigd door den -aijd. Bevoorrechten van God, die ware dichters zyt.^

Vloekt geen misleiden hoop, maar domme poetasterea,

Wier blinkende onzin, doelloos razen, ydle waan Hen tarten \'t Heilige te lasteren.

En aan uw krans de hand te slaan.

-ocr page 363-

AAN SKUENA.

AAN SERENA.

13 APRIL 1837.

O, Heil is u! Een kind werd u geboren!

Een dochtertje ligt aa.a uw hart gedrukt! En wel mocht God den blijden juichkreet hooren,

Door haar geschrei uw bleeken mond ontrukt. Uw angst heeft uit; uw smarten zijn geleden; De Heer heeft in de worstling u behoed; Dit kleine wicht heeft alle leed vergoed; — Ook hadden wij \'t den hemel afgebeden.

Zeg, Moeder, is de moederliefde zoetV Gelijkt iets naar de volheid harer weelde? Of haalt het heil, dat zich uw hoop verbeeldde, Bij \'t rein genot, dat zij u smaken doet\'?

Wel moogt gy \'t feest van uw geboorte vieren. Nu ge op uw schoot een jonggeboorne torst; Wel mag gebloemte uw eerezetel sieren.

Met zulk een pronk, dit sieraad aan de borst! Wel mag uw trots u rijk en zalig roemen.

Daar ge u verheft op kostelijker schat, ^ Dan menig, die zich rijk waande, ooit bezat; En. jonge vrouw! wel moogt ge uw jaren noemen

Uw moeder hebt gij altijd lief gehad;

Maar om geheel haar liefde te waardeeren. Dat moest gij, die haar eerstling zijt, nog leeren, En van uw eigen eerstling leert gij dat.

Uw eerstling! 0, wat naam zult gij haar geven? ^ Wat naam behoort een eerst, nog eenig, kind? Vernieuwing en verdubbeling van leven.

Die heel een hof van nieuwe liefde ontgint! Een derde, waar ge uzelve en uwen gade.

En beider min vereenigd, in aanschouwt; ^ Een eerste ziel, die u wordt toevertrouwd; Een leven, tot een pand van Gods genade!

Ziedaar een heil, waar alles bij verflauwt! Ziedaar een bron van onbegrijpbre vreugde! Ziedaar wat — zoo de smart u niet meer heugde Gij bijna voor een wonder nemen zoudt!

Ik weet niet, wat gevoelens toen zich schenen

Te kruisen, te verdringen in mijn ziel. Wat wondre lust tot lachen en tot weenen

Mij bij zoo zacht een aanblik overviel;

Toen ik voor \'t eerst bij \'t kleine wiegje bukte. Waarin dat kind der hope nederlag.

En ik dat teeder hoofdje sluimren zag,

-ocr page 364-

AAN SERENA.

Noch hoe mij \'t blijd, het schoon gezicht verrukte

Dier eersthng op haar eersten levensdag!

Toen kon ik mijn gedachten niet verzamelen, Een woord slechts, slechts een korten zegen stamelen. Maar wel haar, zoo mijn zegen iets vermag!

En thans, wat vreugd! Gezegende der vrouwen!

O, Laat ik hier op uw geboortefeest.

Eens blijde, eens recht hoogmoedig u beschouwen;

Ik ben altijd op u zoo trotsch geweest.

Daar zit gij, met uw zuigling op de knieën;

Of klemt haar zacht en teeder aan uw borst; En lescht haar eerste en schuldelooste dorst.

Of zit haar slaap aandachtig te bespieën.

Hoe lieflijk is in u die moedervreugd!

Hoe schoon die liefde in die verteederde oogen. En, zij de blos der maagdlijke ook vervlogen, Hoe wel staat u die moederlijke jeugd!

O, Vraag mij niet wat ik den hemel smeeken

En bidden wil voor u en voor uw kind!

Gij weet hoe luid de broedermin kan spreken. Gij weet hoe trouw u dit mijn hart bemint. Ik weet, gij zult een teedre moeder wezen,

Gelijk gij steeds een teedre zuster waart;

En \'zoo ooit zorg een zuigling heeft gespaard, Uw dochtertje heeft, lieve! niets te vreezen.

Maar gij en dit uw kindje zijn van de aard; En daarom, dat een hemel het behoede!

Opdat uw ziel nooit al te zeer bevroede Wat smarten soms de moederliefde baart.

Neen, deze vreugd zji immer in uw blikken. Zoo vaak uw oog dit lieve wicht ontmoet;

Geen bleeke wang moet immer u verschrikken.

Geen bange kreet, die u besterven doet!

Neen! deze lach moet steeds uw lippen tooien. Zoo vaak gij \'t kind aan \'t kloppend harte drust; Geen foltrende angst, die \'t hoofd ter aarde bukt. Moet immer op uw voorhoofd rimpels plooien.

Smaak alles wat een moederhart verrukt!

Voel weinig van wat moederharten griefde;

Daar zij geen bloem op \'t veld van deze liefde,

Die door uw hand niet dankbaar word geplukt. De reine vreugd, de stille trots, de zegen Des hemels valle u in dit kind ten deel!

\'t Gelijke altijd der lieve moeder veel;

Zoo bloeie u steeds een lieve dochter tegen!

-ocr page 365-

AAN AT^EIDE.

AAK ALEIDE.

Ik vraag niet of de hemel stralen,

Niet of het bloembed rozen heeft, Of geur en toongalm om mij zweeft Van bosohviool of nachtegalen,

Wier adem op het windje beeft,

Dat, in \'t bezielend ademhalen.

Het leven aan het leven geeft.

Als \'t fluistrend omgaat door de dalen;

Noch of het lauw is van den gloed. Die \'t loover losrolt uit de knoppen, Of vochtig van de koele droppen,

Wier kracht den bloemhof sterken moet. Ik vraag niet of de lente zoet, De meimaand lieflijk is voor \'t harte. En winterkoude en wintersmarte Aan lichaam en aan ziel vergoedt. Beklaagbaar, die geen hope voedt Dan op de hoop der bloeiende aarde. Dan op de kleuren van zijn gaarde,

En wat zijn takken groenen doet; Die, midden in des werelds jammeren.

Zijn heil afhanklijk maken moet Van ochtendgloor en avondgloed.

Of van een speelziek wolkgebroed, Een kudde, nu, van witte lammeren,

En straks een zwarten legerstoet.

Die, als de wind hem op doet zwellen,

In donderslag en bliksemgloed En aarde en hemel zal ontstellen.

_ Voor mij, ik wensch een zacht gezicht. Een zoetlief kind van achttien jaren In lente en winter aan te staren. Bij ochtendrood en avondlicht. En tusscben groene en gele blaren:

Een vriendlijke, op wier blij gelaat Wij roos en lelie groeten mogen.

Wier frischheid van geen zon vergaat, Die, \'s ochtends vroeg en \'s avonds laat. Een blauwen hemel voert in de oogen, En, in \'t aan zorgen vreemd gemoed. Een altijd heldren lentegloed.

O, \'t haatlijk noorden, \'t haatlijk noorden. Het zingt zijn kouden gorgel schor; Het ademt onze velden dor;

Het weert den wellust dezer oorden. Uw moeders bosch bleef naakt en grauw;

49

-ocr page 366-

AiS ALEIDE.

Uw moeders bloemhof wil niet bloeien,

Haar lamm\'ren bibbren van de kou, En wcnscben dat bun wol moog# groeien; Ook kleedt groen lommer \'t eindverscbiet Der breede Westerlaan nog niet.

Waardoor \'t een blauwe tent zou schijnen,

Voor wie het met onze oogen ziet,

Beplooid met groenende gordijnen;

Ver laat de Nijenburgh zijn dak Aanschouwen door de kale Doornen,

Waar slechts een enkle groene tak Der andrer dorheid uit doet komen Zoo hi] hun ij ver slechts ontstak!

Maar ziét de dochter van den Huize,

Met een gelukkig, blijd gezicht,

Dees nieuwen morgen aangelicht;

Ik \\*raa g niet of het -westen suize.

Dan of het knorrig noorden gromt,

Niet of de blijde lente komt;

Ik vraag niet ot\' de hemel stralen,

Niet of het bloembed rozen heeft,

Of roos en lelie sterft of leeft,

Noch of de wiek der nachtegalen

Van liefde, zang, of koude beeft;

Of alles groent in bosch en weide,

Kn leeft, en bloeit, en zich verblijdt;

Maar slechts of gij gelukkig zijt.

Of gij gelukkig zijt, Aleide!

Ik ken er wel, wier koude jeugd Gelijkt op dees bedrogen lente,

Wier jonkheid heenspoedt zonder vreugd. Wat hoop zich in haar ziele prentte Van voorjaarsweelde en meigeneugt.

Ik ken wier hart, voor alles koel,

Zichzelf genoeg is in zijn armte.

Wier jeugd geen smaak heeft, geen gevoel, Gelijk een meimaand zonder warmte.

Ook zijn er, welker ziele kwijnt.

Omdat, wat andren ook genieten.

Voor haar alleen de zon niet schijnt. De roos niet uit den knop wil schieten. En \'t lommerrijk verschiet yerdwiint, Waarmee zij, dwaas! zich vleien lieten;

Wier hoop een boomgaard zonder geur. Wier liefde een bloemtuin zonder regen,

Wier heil een roos is zonder kleur.

Wier deugd, een akker zonder zegen;

Voor wie, in \'s levens teerst seizoen,

-ocr page 367-

HOOGMOED.

De ruwste en barste winden loeien,

Die iselfs het veldkruid sterven doen,

Zoo \'t waagt, te zijner tgd, te bloeien.

Gij niet aldus! Üw feest is daar;

Een feest van lente en liefde beide;

Maar zijn zij wat uw hoop voorzeide?

En, dierbaar kind! geniet gij haarV Zijt gij gelukkig, mijne Aleide?

Gelukkig, lieve? Ja; niet waar?

O, Laat uw mond mij dit herhalen,

Uw blik mij \'t antwoord tegenstralen.

Bij \'t ingaan van uw twintigst jaar;

En zeg \'t uw vriend nog duizend malen.

Ja, zeg hem dat uw lente zoet,

Uw aarde groen, uw hemel open,

Dat dit de lente is van uw hopen.

Zoo lieflijk als uw lief gemoed;

Dat alles roos is voor uw voet;

En dat uw hart een heil mag smaken.

Groot — als de groote liefdegloed,

Waarvan ik \'t voor het mijn\' zie blaken.

En dan....! De iïeere, kind! is goed—

Door zijn genade, bidde ik, kome ei-Na zulk een lente zulk een zomer.

Als ze u en mij verwachten doet.

HOOGMOED.

Aan Mr. w. j. c. vak hasselï.

0, Zeg niet; „hij is trotsoh!quot; als zijn hart zich verheugt In den schittrenden glans van zijn blinkende jeugd,

In zijn ruischende krone van groenende blSxen,

In den lichtstraal des roems, die zijn naamcijfer kleurt, In de mirte en de roos, die men vlocht door zijn snaren, In den wierook des lofs, waar zijn kleeding van geurt!

Want dat al gaat voorbij en zal kort slechts hem streelen Ieder dag heeft zijn nacht, en haar worm ieder bloem; Eener vallende ster is de glans van den roem;

En zijn kroon is een pronk, waar de tijden mee spelen, Is een leengoed, van eignaar verwisslend, en nooit Een onschendbaar geheel met de kruin, die zij tooit; En misschien... Neen gewis! is het kind reeds geboren, Aan wie na hem de hulde en de krans zal behooren. Ander licht, andere oogen, een andere kreet!

En de tijd is nabij, die zijn schijnsel vergeet.

O, Zeg niet: «hij is trotsch!quot; als zijn hart zich verheft. Waar zijn adem de ziel in uw binnenste treft.

-ocr page 368-

AAN JOHANNES HENIUCUS VAN FOREEST.

Waar hij oogen doet sohifctren en wangen doet gloeien,

Waar de schoonheid hem eert met een blos en een traan,

Als de woorden der gave zijn lippen ontvloeien.

En het licht der verrukking hem op is gegaan.

Want die gave is des hemels, dat licht is van boven! _

\'t Is Gods kracht in zijn zwakheid, Gods sterkte in zijn stem

En hij weet dat hij niets is, maar alles door Hem,

Wiens vrijmachtige goedheid de serafien loven!

Dat de rente dier schatten behoort aan den Heer,

Die ze hem heeft betrouwd, met de glorie en de eer!

Dat hij glorie en eer Hem verschuldigd moet weten;

Dat hij eenmaal en glorie en eer moet vergeten.

Met een hart, waar de geest des Apostels in huist, ^

Die niets voornam te weten dan „Christus gekruist.

AAN JOHANNES HENRICUS VAN FOREESÏ,

ïoen hij den naam van van dek palm had aangenomen.

Zoo was het u geen eers genoeg Den eerbiedwaarden naam te dragen,

Dien, in zijn korte levensdagen,

Ben eerbiedwaarde Vader droeg? Een naam, die twintig voorgeslachten, In schauw van \'t zilvren wapenbord, Met purpren bloedstroom overstort, In aanzien en verheffing brachten;

Een naam niet ridderglans omstraald,

Fier op de krone veler deugden,

En wien reeds vijf paar eeuwen heugden,

Voor hij op u was afgedaald;

Een naam, niet slechts met eer bejegend. Om d\' eedlen gloed, waarvan hij gloort, Maar ook de liefde van dit oord,

Maar door heel Kenmerland gezegend!

Moest om uw kruin, o jonge bloem! Met grooter eer nog te overhoopen,

Men u ook nog met namen doopen.

Omstraald met schittering van roem? Moest gij een dubblen adel voeren,

En door uw Moeders schoonen naam De groene lauwren van de faam Aan d\'adelbrief uws Vaders snoeren?

— En immers zijt gij slechts een kind! En echter rust er op uw schedel Een erfenis, zoo groot, zoo edel...

Gelukkig die aldus begint!!

Benijdbre! eens vaders naam bemind, Geschat te weten en geprezen.

Eens braven vaders zoon te wezen.

-ocr page 369-

aan johannes henricus van for eest.

En eener lieve moeder kiud!

Zjin hart in u te voelen leven;

Haar hand te voelen op uw pad; Van zoo veel min ;e zijn omgeven, Pm om zoo veel i;oo dier geschat; In \'t bloeien van uw kinderdagen, De bloeiende aarde rond te zien; Foreest te zijn, en bovendien Den naam van van der palm te dragen

O, \'t ia niet slechts dat dit geluid Voor onze en alle Uollandsche ooren,

Een schellen kreet van roem besluit, En heel een lied van lof doet hooren;

Niet dat diens namen schitterglans. Voor meer dan vijftig schoone jaren, De duisternis heeft op doen klaren. Een nieuwe zon aan onzen trans;

Niet dat in \'t west de lauwerblaren.

Om hem te kransen waar hij blinkt. Aan \'t oostersch cederloof zich paren.

Van eerbied ruischend als hij klinkt. O, Daar zijn namen, hoog verheven, En groot, en schittrend, en beroemd, Met huiverend ontzag genoemd, In marmer en arduin geschreven — Doch zelden noemt de stem der faam Een lieven in een grooten naam! Maar zeker, dit geluid vereenigt Al wat ooit lieflijk was en goed; De schittring van dien feilen gloed Is door een zachten glans gelenigd!

Het is als waaide u, waar hij klinkt, Een ademtocht van liefde tegen,

lgt;ie zalvende in uw harte dringt: Een wenk van minzaamheid en zegen!

Een vriendlijk ruischen, stil en kalm. Dat al uw geestdrift op moet wekken. Maar meerder nog uw harte trekken, Ziedaar den naam van van der palm.

Welnu; die naam is u gegeven:

Zie toe hoe gij hem voeren zult! Wij vergen niet dat hem uw streven

Met nieuwe schittering omhult;

Reeds is hij hoog genoeg geheven.

Men erft geen gaven met een naam. Geen lauwer Iaat zich overplanten.

En geen geslachtslijst houdt de faam. Maar richt haar voet naar alle kanten:

-ocr page 370-

KEN LIED VAN BLOEMEN.

Verscheurt zij niet den adelbrief.

Zoo ras hij sterft, dien zij verhief?

Neen; wat we alleen van u begeeren

Is dat, beroemd of onberoemd,

Gij nooit de klanken zult onteeren

\'Des schoonen naams, waarnaar ge u noemt: Is dat gij, al uw levensdagen,

In needrigheid hem voeren zult;

Want zoo hij u met trots vervult,

Zijt gij niet waardig hem te dragen.

Hij zij uw wapen, geen geweer; Uw voetstuk, niet uw zegewagen;

Hij zij uw roem niet, maar uw eer; De spiegel, die uw plicht u leer;

Geen pronkgewaad van zelfbehagen;

Ken stem der leeringe, en een woord Van wijsheid, op uw pad gehoord,

En nooit verachtloosd of vergeten;

Een andere inspraak van \'t geweten; Een licht, dat voor uw voeten gloort.

Indien gij dus uw naam zult dragen.

Zoo zal de glans, die hem omringt,

U nooit verschrikken, waar hij blinkt. En, wie het oog op u geslagen

En tot uw naam geheven houd\'.

Niet een zal ooit verwonderd vragen:

„Hoe is \'t, dat gij dus heeten zoudtVquot;

EEN LIED VAN BLOEMEN.

Ginder, in het groene dal.

Bloeien rozen voor mijn voeten.

Waar ik haar mee sieren zal.

Die mijn liefde er zal ontmoeten:

Donkre rozen, schoon van kleur, Gloeiende in de zonnestralen;

Bleeke rozen, zoet van geur.

Waar geen reukwerk bij kan halen;

Lieve rozen altegaar.

Die mijn liefde saam zal vlechten Tot een blijden krans voor haar.

Ginder, aan de kleine beek.

Blinken lelies voor mijn oogen;

Lieflijk is haar marmerbleek Van een droppel dauw betogen\'.

Witte lelies, rein en blank.

Die ik tot een ruiker binde;

Blauwe lelies, malsoh en rank.

-ocr page 371-

HEEDS DAAGT HET IN HET OOSTEN.

Voor de borst ran mijn beminde;

Lieve lelies altemaal,

Die mijn liefde saam zal snoeren, Haar ten smer,teloozen praal.

Ginder, op het gele duin,

Groeien geurige violen.

Met de kleine, paarse kruin Onder mos en tijm verscholen.

Dwaas wie ooit violen vroeg. Om of vlecht of borst te tooien;

Want slechts zijn ze groot genoeg Om haar weg mee te overstrooien!

Geurig zijn ze niettemin.

Om de paden te besneeuwen Van mijn teedre zielsvriendin!

REEDS DAAGT HET IN HET OOSTEN.

(Eene oude Romance veruieuwd.)

Om dit oude volkslied wel te verstaan, moet men zich de zaak op de volgende wijs voorstellen. Twee Ridders dingen naar de hand en de gunsten eener zelfde Schoone. In blakenden minnenijd ontmoeten zi] elkander bij een lindeboom, trekken hunne \'zwaarden, en een hunner bl|jft op de plaats dood. De overwinnaar, gerust op zijne zege, ijlt de Jonkvrouw van zijn hart te gemoet en noodigt haar uit met hem te vluchten.

1. DE KIDDER. 1.

ijct fca,qt}Ct ltt)t ben Oofteil, lieeds daagt het in het Oosten .f)et Iic()t fcfytynt cccval, Het schemert overal;

£)oe weinig^ luect be tieffte Hoe weinig weet de Liefste ïöacr bat iet tjeenen jal. Waar ik haar brengen zal!

£)oe tociutjjt; weet be (ieffte, ja be ïieffte.

2. 2.

Söaren \'t Cll mijn brtnben. Zoo \'t al mijn vrienden waren,

®at mtyll C^anben Jl)n, Die mjjn belagers zijn,

3;(ï öoerbe li Ul)t be lanbe Ik voerde u uit den lande,

DJil}!! troeft, inl}n llüimctl)ll, eng. Lieftallig maagdelijn!

8. DE JONKVROUW. 8.

SBernwertê WPUt gijl) ml) öoeren Waarheen zoudt gij mij voeren, Stout 9M}ter loef gt}emcct? Kloekmoedig Ridder! waar ?

DE IUDDER.

9I( cnber be ItllbeBoom groene, Naar \'t groene lindelommer, ïffyu trooft,ni^nloaerbe groe^enj. Mijn liefje, volg mij daar.

-ocr page 372-

56

T

ItEEDS DAAGT HET IN HET OOSTEN.

DE JONKVROUW.

4.

4.

3t legg\' iu tntyn Itefö armen, Ik lig in mijn liefs armen,

3Jiet grcoter ccramerticj^cit): In deugd en onschuld neer,

3d tegg\' iu ml)n Hefö armen. Ik lig in mijn liefs armen,

@tout 9ilü}ter llicï gf)emoet, eilj. Kloekmoedig Edelheer!

5. DE ridder. 5.

8eg{)t gf)t) in Ut» lief? armen, Ligt gij in uw liefs armen? ïtyto bat iê niet »aer:

®aet outer te tiutie groene, SBerftagen foo tcljt Ijt) baer, enj.

6.

Set ïOietyëjen nam tjaer mantel, n ft) ging eenen gang, 91t outer te linbe groene, ®aaj ft) tjem üerflagfjentant, cnj.et ïOietyëjen nam tjaer mantel, n ft) ging eenen gang, 91t outer te linbe groene, ®aaj ft) tjem üerflagfjentant, cnj.

7. de jo;

Od) (egïj tl) [)ier uevffagtjen, SStrsmoort at in u» bloctt: ®tt t)ccft gt)ebaen im roemen, Sn mee t)oogf)e moet, enj.

Die tijd is om, voorwaar! Ga, zoek hem bij de linde, Verslagen ligt hij daar.

6.

De Sohoone neemt haar mantel, Door schrik en angst ontsteld. En vliegt naar \'t lindelommer, En vindt haar Lief geveld.

de jonkvrouw. \'•

Ach! ligt gij daar verslagen. Versmoord in al uw bloed? Dat heeft gedaan uw roemen En uw vermeetle moed.

Od) leg^j tl) tjier oerftagtyen, ®ie ml) tc troosten p(ad)? SBat ^ebtl) ml) nagtjetaten, @o menigeen troecen tagt), cnj. 9.

5)et 5Kel)«ieit feerte f)acr omme, (Sn fi) ging eenen gang, ?lt ooor t)acr 93atcr§ poorte, ©te fl)tcr ontftoteu taut, enj.

lü.

DE JONKV

Sn iö ()icy uiemantt inue,

^Jïod) 5)eer nod) Stelman: ®ie ml) nu tefen toeten ïer aerten ïjelpen fan, cnj.

11.

Se ipceren fmegtjen ftiKe, ®l) oasen gt)eeu g{)elut)t, $et SOÏeijejeu feerte ïjaer omme, @1) ging at loeenent u^t, euj.

Ach! ligt gij daar verslagen Die mij te troosten placht? Hoe zal ik u beweenen, Beweenen dag en nacht!

9.

De Schoone drukt den drempel Van \'t hooge burchtportaal. En weeklaagt om haar minnaar. En stort zich in de zaal.

ROUW. 10.

Ach, is hier niemand, niemand, Noch Heer noch Edelman, Die mij nu dezen doode Ter aarde helpen kan ?

11.

Maar al de ridders zwegen, Gevoelloos voor haar lot; En schreiend keert zij weder Van \'t Vaderlijke Slot.


-ocr page 373-

VOOR DE LKIDSCHE WEEZEN.

12. 12.

ïlïet ^aven cjeefen Ijatyren, Zij reinigt hem de leden

®at ft)bcr \'t blccbt of oreef Met lokken lang en blond;

?,t(et t)aer fnee=tt»ttfer Ijanben, Met lelieblanke handen

■Dat f^inoouben i3evt)0Ubt,enj. Verbindt zij wond bij wond.

13. 13.

5D?ct fl^lie Mancf e fwaerbe, 7A] graaft den Held een rustplaats

!£)at fl)ber bat grafje groef, Met eigen blinkend zwaard;

3)ïet {jaren Mancfeit armen, Kn met haar sneeuwwitte armen T)at f^ Ijem ter aerben broeg^ enj. Legt zij hem neer in de aard\'.

14. 14.

ïOïet fyaren Btancfen ïjanben, zij zelve luidt de doodklok

jDat ft)ber ^et beKetjeu ftoncf, Met handen teer en schoon;

SOiet I)are I/elbere feclc. Zij zelve zingt de lijkmis,

2)at ft) be 9?igi(ie fong, enj. Op zilverklaren toon.

15. DE JONKVROUW. 15.

S\'iu Wil i(f Uil) begt)e»en Nu wil ik, booze wereld!

3n een ttcl)n tlooétertijli; Uw snood gewoel ontgaan;

Ên bragt)en be ëwarte Wl)fen Ter eere van mijn liefste

ïcr cere be lieffte miju. Neem ik den sluier aan. (Sn bragljen be fwarte wl)Ien, ©roarte wijten.

YOOR DB LEIDSGHE WEEZEN.

Op Nieuwjaarsdag, 1838.

Toen gij van morgen, bij \'t ontwaken, Dit nieuwe jaar zaagt aangelicht, En niet een opgeruimd gezicht üw lieve kindren tot u naken,

üm, naar den zoeten kinderplicht, Hun beden voor uw heil te slaken, Met lachje en kus en blijden groot — En gij de kleinsten van den stoet Met wellust hebt aan \'t hart gesloten. En, met een handdruk, tot de grooten Gesproken, als een Vader doet:

Toen, Oudren! is uit uw gemoed Een luide danktoon opgestegen Tot Hem, die zulke\' en zoo veel zegen

In uwe poorten wonen doet;

Toen hebt ge een blijden blik geslagen

Op al de blijdschap om u heen; Wie stof tot zuchten hadde of klagen,

57

-ocr page 374-

VOOR DE LEID8CHE WEEKEN.

Gij dacht slechts aan \'t geluk alleen! Gij hadt voor uwe en andrer zorgen,

Voor droefheid, kommer, angst en smart, Dat oogenblik, noch oor noch hart;

Onze aard hield u haar leed verborgen. En kleurde uw lot in rozengloed;

Daar was een stem in uw gemoed, Die uitriep op dees bigden morgen „Voorwaar, te leven toch is zoet!quot;

O, in dat uur zoo waarlijk blij.

Toen alles om u juichte en lachte.

Toen kwam ons Weeshuis, hopen wij,

IJ niet bedroevend iu gedachte!

Daar. bij dit nieuwjaarsmorgenrood,

Daar rezen van hun schaamle krebben

Een aantal kindren, klein en groot.

Die geen van allen ouders hebben!

Ach, wichtjes, aan geen moederschoot Ontvangen met een blijde groete,

Kn wie, als hem hun blik ontmoette,

Geen vader in zijn armen sloot! Ach. kindren, die het heil nooit kenden Hun oudren, met een blijden lach, Eon wensch tG doen op nieuwjaarsdag, Of zulk een vreugde lang ontwenden! Ach, knapen! wie hun jeugd bekoort.

Maar wie geen vriendlijk vaderwoord In \'t nieuwe jaar mocht welkom heeten! En dochteren, die zelfs niet weten

Hoe graag men naar een moeder hoort.

Gewis! der Weezen lot is wreed.

En zoo gij \'t heden kondt vergeten —

Hier zijn zij, die het u doen weten.

Hier zijn zij, in hun somber kleed.

Hier naakt, op d\' eersten van de dagen. Waarmee het jaar zijn kring begint. Het arme, \'t ouderlooze kind.

Om aan uw deur gehoor te vragen.

Hier treedt — ach. vreemd aan al \'t genot, Dat heerscht in blijde huisgezinnen — De Wees-in-\'t-zwart uw woning binnen.

En wijst uw kindren op het lot Van die geen moeder mag beminnen.

En die geen vader heeft dan God.

— Maar noen! hij komt uw vreugd niet storen Hij komt niet, met beschreid gezicht, Zhn schaduw werpen op uw licht; Hjj komt u zucht nog klacht doen hooien;

-ocr page 375-

VOOK I)K LEIDSCHE WÜEZEN.

Hem drijft zijn smart niet, maar zijn plicht. Hij komt, met opgeklaard gezicht,

Zjjn zegen spreken over allen,

Wier weldaad hem te beurt mag vallen,

Wier goedheid hem den last verlicht. Hij komt u zeggen dat zijn beden Gedurig klimmen tot den Heer,

Maar dubbel op den dag van heden,

Opdat Hij uw geluk vermeer En rozen strooi voor al uw schreden!

Kn daarom, wendt het oog niet ai\'.

Noch trekt uw voorhoofd rimplend samen, Als kwam hij hier de vreugd beschamea

Van hen, wier deugd hem alles gaf.

Neen! om u dank en lof te brengen, — Wat heeft ze meer, zijn arme jeugd? — Om in den beker van uw vreugd Een goddelijker drop te mengen;

Om, wat hem moeilijk vallen moog In uw nabijheid te vergeten;

Om u „zijn Ouderenquot; te heeten, —

Verschijnt het Weeskind voor uw oog.

Hebt gij het opschrift niet gelezen,

Dat, voor de poorte van ons stift, Der vaadren vroomheid heeft gegrift? „God is een helper van de Weezen.quot;

Dat is een zoet, een troostrijk woord Voor allen, die daar binnenkomen,

Wie deernis daar heeft opgenomen.

Wier klacht en noodkreet zij verhoort; Een spreuk, wier zekerheid wi] leeren Bij iedre weldaad, al het goed.

Dat gij aan de arme Weezen doet En uitreikt, in den naam des Heeren,

Die liefde werkt in uw gemoed.

Nog staat er voor ons huis te lezen:

,Dat God der armen toeverlaat Verlossen zal van alle kwaad:quot;

Dat, eedlen, worde aan u bewezen!

Ook weet gij dat „wie d\' armen geeft. Met blij gemoed en milde handen.

Een rijken schat daarboven heeft.

Door roest nog roofzucht aan te randen!quot;

Die zij uw deel! De Wees kan niets Dan voor u bidden in zijn smarte,

Maar zoo hij \'t doet van ganscher harte — Dat, liefderijken, is toch iets.

69

-ocr page 376-

IN AI.EIDES BIJliEL.

IN ALEIDES BIJBEL.

O, Zoet aanschouwen voor mijn oogen, Als gij uw blond, uw jeugdig hoofd Naar \'t Bijbelboek houdt toegebogen,

En leest, en lief hebt en gelooft; Als ernst uw voorhoofd heeft betogen, Maav \'t vredig lachje om uw mond Die blijde rust der ziel verkondt,

Die de Englen altijd smaken mogen!...

0, heil u, heil u, in dien stond!

Het is, voor die u dan mag naderen,

Als wierp het boek een straal van licht U tegen van zijn heiige bladeren,

En op uw vriendlijk aangezicht;

Alsof uw hart de hooge woelde Der heilgen, wie Gods adem dreef.

Wier hand het heiige nederschreef, In heilige verrukking deelde;

Als brak een scheemring van den gloor, Die eens uw leden zal doorgloeien,

Reeds nu de lieve blosjes door,_ Waarvan uw zachte wangen bloeien.

En als uw ziel genoeg genoot,

En ge, overstelpt van zaligheden,

Verward in lofspraak en gebeden,

Het boek laat vallen in uw schoot. En, de oogen haastig om u slaande. Als wakende uit een droom, verschrikt Dat gij op de aarde nederblikt.

Die u aan de aard onttogen waande

En met het hemelsche verkwikt: Dan mag het wezen in mijn oogen Als was uw droomen waar geweest; Dan schijnt ge mij een goede geest. Een boodschap brengende uit den hoogen Op wiens gelaat men „Vredequot; leest.

Uw moeder heeft u niet geleerd, Den kring der dwaasheid rond te zwieren En ijdelheden bot te vieren.

Wier vuur des hemels oogst verteert; Nooit heeft haar hart van u begeerd, Dat gij zoudt schittren en behagen Door wat een wufte wereld eert, Of, van dier hoogmoed overheerd,

Haar valsche bloemenkroon zoudt dragen. Neen; in uw vroegste kinderdagen Vlocht ze om de slapen uwes hoofds

-ocr page 377-

IN ALEIDES liUBEI-

De witte rozen des geloofs,

Die zelfs der Englen oogen boeien,

Kn, van des hemels dauw bespat,

Haar geur verspreiden op uw pad,

En tot in \'t eeuwig leven bloeien —-Wel u, die zulk een moeder hadt!

Want daardoor zijt gij niet dergenen. Die eenmaal \'s weeks het gouden slot Ontgrendlen van het Woord van God, Om aan zijn waarheid \'t oor te leenen;

Die, \'t hart vervuld met aardsch genot, De vreugd der wereld nooit vergeten, In \'s Heeren huis zijn neergezeten.

Gehoorzaam aan een oud gebod,

Maar niet begeerig om te weten

Wat hemel opgaat voor \'t gemoed Derzulken, die zich vroeg gewennen Haar Schepper in zijn woord te kennen. En die haar redde door zijn bloed.

Het Woord des Heeren! \'t Woord des Heeren! O gij, die op den Bijbel rust.

Gij, die verrukt zijn blaadren kust, Hoe zullen wij het waardig eeren? — Een boom des levens, door Gods hand In \'t aardsohe dal des doods geplant; Een sneeuw van bloemen uit Gods Eden; Een blik van \'s Heeren aangezicht; Een bondel stralen uit zijn licht;

Een geur van \'s Heilands lieflijkheden;

Een stroom der Liefde en Wijsheid Gods; Geheel een stoet van hemelboden,

In englenschoon en englendos,

Die tot de aanschouwing Godes nooden;

Die, waar de boosheid ons belaagt.

Voor ons een vlammend slagzwaard trekken,

En waar het hart bescherming vraagt, Ons met hun blanke vleuglen dekken;

Een tooverzang der profecij.

Waarvoor de hemelsche gordijnen Zich oopnen, scheuren, en verdwijnen — Ziedaar den Bijbel! — Knielen wij!

Niet waar? Wij zullen op ons pad Ciedurig samen nederknielen En brengen \'t oft\'er onzw zielen,

Wien onze kindsheid vroeg aanbad; Wij zullen samen, alle dagen,

Dat boek ontsluiten van deu Heer,

61

-ocr page 378-

MEIZANO.

Ons laven aan zijn liefdeleer,

En naar zijn hemelsch manna vragen;

Wij zullen, bij het vriendliik licht, Dat uitstraalt van het Woord des Heeren,

Den Vader in het aangezicht Van zijn Gezalfde kennen leeren;

Wij zullen bonwen op do rots Van zijn apostlen en profeten,

En niét begeeren iets to weten

Dan \'t kruis des Eengeboornen Gods. En -waar de boozen ons weerleggen,

Waar twijfelzucht ons harte schokt, Of waar verzoeking ons verlokt.

De hand op onzen Bjjbel leggen.

Wij zullen, dierbaarste! iedre smart, Die bittre tranen vergt of zuchten.

Bij \'s Heeren troostrijk Woord ontvluchten;

En, met den Bijbel aan ons hart. Ten laatste ook clen dood niet duchten, Wiens prikkel weggenomen -werd.

Daar staat geschreven: Onze schuld; De boosheid, die ons hart vervult; De vloek, die op deze aard moest kleven; De dood, die Adams zonde boet.

Maar Gods genade in Christus bloed, Verlossing, redding, eeuwig leven.

Een hemel, die een aard vergoedt — Ook dat, Melieve! staat geschreven.

MEIZANG.

AAN ALEIDE.

0, gij zijt .jong; gij zijt jong; gij zijt jong!

Lieve, hoe schoon is de lente der aarde!

Groen is de heuvel en bloeiend de gaarde;

De ader der kracht en des levens ontsprong, \'t Sluierdun loover van beuken en berken Wappert om takken, van \'t windje gekust; Vroolijk ontwaken tot leven en lust Klinkt in de liedren en ruischt in de vlerken.

Als gij den gloed van het hemelsche blauw.

Hier onderschept door het lommer der boo.-nen, Daar, in zijn kracht, over \'t grasperk ziet stroomen.

Kleurig van bloemen en blinkend van dauw; Als ge, in genot en bewondring verloren,

Waar gij den voet zet op \'t geurige mos,

-ocr page 379-

AAN LIMA.

Dwaalt door de slingrende paden van \'t bosch, Schromend het ruischen uws kleeds te doen hoeren, Dat het den zang van een vogel zou storen,

Waar hij zich wiegt op een lageren top;

Als gij de riekende sneeuw dezer dagen Donzig ziet rusten op boomgaard en hagen;

Als gij do meibloem bespiedt in haar knop; Als gij u bukt naar uw blauwe violen,

Gistren in klemmende windsels verscholen,

Maar met den morgen verlost van haar wrong; Lieve, temidden van loover en bloesem,

Is daar geen vroolijkc stem in uw boezem: ,0, gij zijt jong; gij zijt jong; gij zijt jong?quot;

Lente des levens! O, lente van vreugde!

Lente van schoonhoicl, van frischheid, van kracht Feesttijd voor alles wat zoet is en zacht.

Voor wat ooit zinnen en harten verheugde!

Lente van weelde, van lust, van genot, Schittrende blikken en blozende wangen!

U voegen bloemen en blijde gezangen,

Adem des levens, en zegen van God!

Heerlijker weelde is daar nimmer te smaken.

Zoeter bewustzijn of zaliger vreugd,

Dan dat vervoerend besef onzer jeugd.

Als wij tot leven en lieven ontwaken!...

O, gij zijt jong; gij zijt jong; gij zijt jong!

Lieve, noe schoon is do lente der aarde;

Maar voor mijn hart had zij leven noch waarde. Zoo niet haar stem in uw binnenst weerklonk!

AAN LILIA.

Sla, lieve Bruid, den langen sluier op,

En laat mij u in \'t vroolijk aanzicht staren! Ik kende u in uw vroegste en blijdste jaren:

Volschoone roos, ik zag u in den knop. \'k Herinner mij uw spelen eu uw vreugden. Uw vogels en uw bonton bloemengaard.

Dien kleinen hof, daar gij meestresse waart; De dartelheên, die toen uw hart verheugden.

Uw hoepels en dien bontgekleurden bal. Die, duizendmaal geworpen en gevangen. Ten slotte altoos in \'t esschenloof bleef hangen — Ziedaar hetgeen ik nooit vergeten zal.

Maar uw gelaat! — Ik was een kind als gij; Ik had u lief, schoon gij mij dikwijls plaagde;

-ocr page 380-

64 aan lilia.

Ik weet dat rajj uw helder oog: behaagde;

Maar uw gelaat! Het bleet\'mijn ziel niet bij. De schoonheid maakt geen indruk, op die jaren,

En hecht zich slechts aan \'t oog, niet aan den geest; Maar dat ge ook toen een engel zijt geweest,

Getuigt de lof van die toen ouder waren;

En wie u thans, in \'t smetloos bruidsgewaad, In vollen bloei van jeugd en schoon aanschouwden. Begrijpen wel wat ik niet heb onthouden,

En zien, wat hun geheugen nooit ontgaat.

\'k Herinner mij uw donker, lokkig haar; Den stroohoed, breed van rand en geel van banden. Vaak vastgestrikt door moeders teedre handen.

Maar u, naar \'t scheen, te lastig en te zwaar. Mij heugt hoe \'k eens dien hoed heb willen sieren Met wild gebloemte, aan uwe zij\' geplukt.

En hoe gij hem hebt uit mijn hand gerukt.

Om met gejuich een vlinder na te zwieren;

Want rustloos waart ge, en druk, en woest, en luid; Uw jeugdig bloed scheen onbesuisd te vlieten;

Ik was als kind bedaarder in \'t genieten;

Gij sprongt va-n vreugde en gilde uw blijdschap uit.

En nu, daar ik u weerzie in dit uur----

Gij zijt dezelfde als toen ge op \'t grasperk spee.lde; Ik groet in u een troetelkind dor weelde,

Ik groet in u een lievling der na,tuur.

Ja, \'t leven blinkt nog helder in die oogen.

Met al den glans, de tintling van de jeugd; Uw lippen siert de gulle lach der vreugd;

Geen nevel heett uw voorhoofd nog betogen.

Voorwaar, u drukt de witte bruidskroon niet.

En de aarde teelt u jamm\'ren noch bezwaren;

Gij durft gerust een toekomst tegenstaren.

Wier voorgrond u de schoonste bloemen biedt.

O blijde Bruid! uw gansche jeugd was schoon. Uw boezem had met hoop noch vrees te kampen; Gij kwelde u niet met ingebeelde rampen;

Geen mijmerzucht verbleekte uw frissche koon.

Niet dwaas genoeg te veel van de aard te hopen. Maar dankbaar voor des levens schaadloos zoet, Stond steeds uw vrij, uw onbevlekt gemoed Voor iedre vreugd, in schuldlooz\' eenvoud, open.

Uw heldre geest schoot stralen uit van licht En vroolijkheid op allen, die u zagen,

En om den mist der zorgen te verjagen,

Daartoe volstond een blik op uw gezicht.

-ocr page 381-

EBEI.LA.

Wel bad om u zoo menig hart gesmacht;

Wel mocht uw schoon zoo menig oog verrukken;

Maar die u thans als Bruid in d\' arm mag drukken,

Hij was \'t aan wien gij \'t eerst in liefde dacht,

Geen enkle smart was aan die min verbonden,

Geen traan, geen zucht, geen bleekheid, geen gefrons. Neen! \'t blijdst gelaat der wereld boodschapte ons, Dat gij den man uws harten hadt gevonden. Gelukkigen! Volkomen is uw lot;

Haast zult gij op \'t fluweelen kussen knielen;

Kn daar \'t verbond bezwerende uwer zielen.

Wat vraagt gij dan den zegen van uw God?

Gewis, de Heer zal hun geluk volmaken.

Die vatbaar zijn zijn zegening te smaken.

En gij, gij zijt geschapen tot genot.

EBELLA.

Wat schudt y;e uw manen op, en trappelt voor de poort; (iij blanke klepper, trotsch op echt arabisch\' adel, Üp glinstrend hoofdstel fier, en marokijnen zadel.

Een sieraad, dat uw rust verstoort!

Gevoelt gij, zonder zien, uw meesteres genaken.

Wier lief gewicht gij door de dreven voeren zult?

Doet wat zoo veler borst vervult Uw oostersch hart voor haar ontwaken?

Zie toe; de dubble deur gaat open; ze is gereed. Hoe vorstlijk treedt zij, in de lichtbruine amazone!

Wel voegt het zwart kastoor op \'t zwarter haar der schoone,

In krullen vallende op haar kleed.

Verwacht dien dierbren last; rek uit de ranke leden;

Verlaag den rug en buig \'t hoogmoedig hoofd ter aard; Toon u door ootmoed de eere waard Van schoone Ebella\'s teederheden.

Bedenk! straks voelt gij, door den dunnen handschoen heen. Haar zachte vingren weer, die langs uw manen dwalen.

Als zij de marmren trap bevallig af kwam dalen.

Om lachende u op zij te treên.

Want Mirza was haar lief en eigen, sinds de dagen,

Dat zij voor \'t eerst zich in den zadel beuren zag, De teugels vasthield met een lach,

Hoe bleek haar lieve wangen zagen.

Toen trad, het voorplein om, de zwarte knaap vooruit. En leidde bij den kop het goelijkste aller paarden.

Haar vader ging er naast, maar moeders oogen staarden, Nog angstig, door de spiegelruit.

II. 5

65

-ocr page 382-

06 K1ÏELLA.

En nu! Dat blinkend oog, zoo dapper opgeslagen,

Dat voorhoofd, edel, kalm, en elpenbeen van gloed. Dat hoofd, zoo rustig omgedragen —

Dat alles zegt u: Zij heeft moed.

Voorheen, noch vrouwenzaal, noch rijsleep, als zü reed!

Een wilden knaap gelijk, deed ze u langs d\'oprij draven;

En zoo haar oudren haar geen kleine rijzweep gaven, Zü spaarden Mirza menig leed.

Maar ook, zij hield u nog met beide hand bedwongen.

De rechter gaf alleen den teugel haastig op,

Als, bij een driftigen galop.

De lokken haar in de oogen hongen.

En nu, wanneer de muil \'t veerkrachtig voetje schraagt,

Waar ze in den zadel stijgt, in min dan oogen blikken!

En als ze zich verzet om \'t plooiend kleed te schikken: Nog voelt gij nauwlijks dat gij draagt.

Nochtans, de liefste last, Ebella, drukt uw leden!

Ze is tot den rit gereed en grijpt de toornen op:

Hoe hoog verheft gij nu den kop,

Hoe sierlijk, Mirza! zijn uw schreden.

Zij gaat; de vreugde in \'t oog, een glimlach om den mond,

Het koele windje heft haar sluier op in \'t zweven.

Zij, enkel sdioonheid, jeugd, en vroolijkheid, en leven,

Ziet rustig \'t breed gazon in \'t rond.

Wat is \'t Ebella zoet, op \'t edel ros gezeten,

Gebied te voeren, en te vordren bovendien.

De wereld van zoo hoog te zien.

En hooge heesters laag te heeten!

Maar kort slechts streelt haar die bespiegling, dit genot,

Als wilder vreugden \'t hart der schoone kloppen deden;

Er komt, is de oprij kalm en statig afgereden,

Verandering in Mirza\'s lot.

Dan drukt zij zich den hoed wat vaster op de lokken;

Dan wordt de toom gevierd, en vliegt de stofwolk op; Dan doen en draf en handgalop Dat hart haar in den boezem schokken.

Vlieg voort, Ebella! Wees het kind nog van voorheen.

Dat dwang noch stoornis kent in \'t smaken_van zijn leven!

Wie u met heldren blos de bosschen door ziet zweven,

Zegt; Ze is gelukkig, indien een!

Vlieg voort! U immers lacht natuur en gij haar tegen.

God stortte u \'t frissche bloed niet doelloos in de leen. Geniet der jonkheid zaligheên.

En vriiheids onwaardeerbren zegen.

-ocr page 383-

EBELLA. 67

O zestien jaren! Lieve Ebella, gij zijt schoon;

Beeldschoon en rijk, mijn kind! maar onbewust van beiden; En voor \'t genot uw paard naar inval om te leiden,

Verwierpt gij een gravinnenkroon!

O zeetien jaren; zestien jaren, hier gesleten!

Der vroeg ontwaakte drift, den moedwil vreemd der stad; Hoe weinigen genieten dat,

Om zestien jaren jong te heeten?

Gij weet niet wat mijn hart bevroedt. Terwijl uw oog Behagen schept in \'t spel der stralen door de bladeren.

Meet ginds een slechthoofd na, of de afkomst van uw vaderen

Voor hem te laag is of te hoog.

Als gij den teugel kort, waar omgeworpen boomen

U \'t uitzicht gunnen op de roode en zwarte stad,

Wordt van uw moeders huwlijksschat Daar juiste rekening genomen.

Maar ook, terwijl ge uw hand naar gindsohe linde strekt. Of gij haar geurge bloem in \'t draven af kost plukken: Hoe velen, wie uw oog het harte mocht verrukken,

Wier liefde groot is, schoon bedekt!

Hoe menig stille zucht, hoeveel verliefde zangen.

Om uwentwil geslaakt, mijn schoone ruiterin!

Maar gij, gij vraagt niet naar de min,

Noch naar eens minnaars bleeke wangen.

Uw paard, ziedaar uw liefde, uw leven, al uw vreugd; Uw rappe leden in den zadel te vermoeien.

Ziedaar hetgeen uw oog van heller ronk doet gloeien.

Genoegens van een jo/iij\'e jeugd!

Straks voert de vlugheid u van Mirza\'s tengre hielen Op \'t huis weerom, en even vlug Verlaat gij, hoe vermoeid, zijn rug.

Om bij uw moeders schoot te knieion.

Dan, als zij, zacht van hand, de zwarte das ontstrikt. En \'t wit batist ontknoopt, dat om uw wangen plooide, Of \'t kleed u losmaakt, dat uw leest te lastig tooide,

En vriendlijk u in de oogen blikt;

Dan zult go u nog geheel diezelfde Ebella achten,

Die aan haar voeten speelde en dartelde aan haar kniên. En, door haar teeder aan te zien,

Haar kussen op uw voorhoofd wachten.

-ocr page 384-

WANDELING. — AAN MARIA.

WANDELING.

Pluk de blanke windekelken,

Lieve, voor uw blonde vlecht.

Eer ze aan d\' elzentak verwelken,

Waar hun slingerrank aan hecht! Dat de bloemen ras verflensen Merken daaglijks alle nienschen.

En is duizendmaal gezegd.;

Maar dat ze, aan haar steel onttrokken. Aardig staan op gouden lokken. Vat gij mooglijk nog niet recht.

Zie de frissche, frissche stroomen.

Helderblauw en spiegelglad;

Haast u niet te laat te komen,

Zoo go u spieglen wilt in \'t nat. Als, op donzen wiek gedragen,

\'t Guitig windje u wenscht te plagen.

Slijpt het heel den spiegel mat; Zeker is er uit te leeren Hoe de blijdschap kan verkeercn; Kleine kindren weten dat.

Zonnestralen, morgendroppen.

Wufte windjes, teere blaan.

Open kelken, dichte knoppen.

Overal kleeft leering aan.

Maar, op uwe en mijne jaren, _

Ziet men bloemen, dauw en blaren

Altijd niet, om school te gaan;

Laat ons vroolijk ommedwalen,

Vrij en luchtig ademhalen.

En aan God den dank betalen.

En ons harte zij voldaan.

AAN MARIA.

Heil over \'t blij en opgeheven hoofd. En \'t vroolijk oog, voor \'s levens blijdschap open. Den blijden blik. die liefde en trouw doet hopen, Den blijden lach, die vreugd belooft!

Want daar is vrede en helderheid van ziel. Oprechtheid, snel ontwaakt gevoel en goedheid, Tevredenheid bij \'s levens leed en zoetheid, Die \'t neenit zooals \'t den Heer geviel.

-ocr page 385-

UE LEIDSUUK liUUCUÏ.

Daar schroomt men niet voor \'t flikkren van den geest; \'t Welriekend kruid der scherts draagt daar geen doren; Waar zij verschijnt, die niet dun lieft) doet hooren, Is \'t slechts het scheiden dat men vreest.

DB LEIDSCHE BURCHT.

FEESTDRONK OP HET OUD-STÜDENTENFEEST, ALDAAR GEVIERD

DEN 9 AUG. 1838.

De Leidsche Burcht, de Leidsche Burcht!

De burcht der Wassenaren!

In Bato\'s erf, door Romes hand,

Op \'t slib des Nieuwen Rijns geplant,

Voor achttienhonderd jaren!

Gij, wien, der muitzucht ten bedwang,

Augustus machtwoord bouwde.

Gij burcht, van Ada\'s tranen nat.

Met bloed bemorst, met wijn bespat,

En toch maar altijd de oude!

Berenning, aanval, slachting, brand,

Geweld van ram en blijden.

Het bruisen van den Noordschen vloed,

Het stormen van den oorlogsmoed.

Dat alles moest gij lijden.

Maar toen de Zilvren Halvemaan

Uw poort werd uitgedragen.

En burchtgraafsrecht en titel koel Verkocht aan \'s Burgemeesters stoel, \')

Toen kreegt gij gulden dagen,

Toen vestigde, op uw ronden trans,

Minerva haar banieren.

En zette bij uw schalk fontein Zich neer, om als een oud Romein Eens duchtig feest te vieren.

Sinds; voor des krijgsmans vasten voet.

Op laarzen aangeschreden;

Sinds zaagt gj] menig wanklen stap Zich wagen op die hooge trap Van acht en zestig treden!

\') A0. 1651, door den prins de Llgny, Heer van Wassenaar. De Wassenaars voerden drie zilveren halvemanen op keel, geécarteleord met een gouden balk op lazuur.

69

-ocr page 386-

70 1gt;B LKIDSCHE BURCHT.

Zag soms des Slotvoogds wakker oog

Met schrik op Rijnlands weiden:

Sinds zaagt gij menig rond gezicht Op Hooglands hooge kerk gericht, En \'t lïunstenkweekend Leiden.

Stijg, oude Burchtgeest, uit uw put!

tvom uw gelaat vertoonen!

Put, die het Wassenaars-geslacht,

Keuw uit, eeuw in, naar Katwijk bracht Om d\' afslag bij te wonen.\')

Wat ziet gij van uw hooge tin?

Wat ziet\'gij van uw transen? Een heir van Zonen van Minerf Zich zeetien op uw wettig erf.

Een heir van bekers glansen.

Een dronk voor U; een dronk voor U!

Beschermgeest van den Toren! Wy allen zagen aan zijn voet. Weerkaatsende in der blikken gloed, Zoo vaak de feesttoorts gloren.

Wij allen dronken vreugde en wijn,

In schaduw van zijn wallen;

En luider dan de wapenkreet,

Die u Graaf Willem hooren deed, Mocht onze feestkreet schallen!

Zie neer! van Kenmerland en Rijn,

üit Zeeland, Friesland, Gelder, Verjongt uw aanblik heel ^dees rij, Die u begroet met Malvezij üit Kramers2) ouden kelder!

Voorzeker, menig mop bezweek,

Die eer uw bogen welfde,

Uw breede trappen zijn gesloopt----3)

Maar wat vergaan mag of verloopt. Die kelder blijft dezelfde.

Zoo de ouderdom u knorrig maakt, Zoodat de drukte u hindert;

\') Het volksgeloof wilde, dat men, door den Burchtput, naar Katwijk komen kon om vlsch te halen. Sobivkbius, Batav., p. 26.

\') Zoo heette de kastelein.

\') Dit had In datzelfde jaar plaats gehad.

-ocr page 387-

OOSTEBLINaEN.

Wie onzer zich student gevoelt, Is \'t hart nog even onverkoeld, De feestzin onverminderd.

En dus, van \'t vol studentenhart

Klinke u dees kreet in de ooren: Uw trotsohe burcht prijk jaar en dag Mel Pallas vaan en Bacchus vlag, Beschermgeest van den Toren!

OOSTERLINGEN.

I.

ISMAEL.

O, Brandend, brandend, brandend smachtte,

Jonge Ismael! uw droge borst;

En de angst van Hagar, de verachte, Had niet dan tranen voor uw dorst. En zoudt gij dus het leven enden, In schaduw van dees distelstruik, En naast die leege waterkruik.

Gij, de eersteling uit Abrams lenden? O, Schriklijk, schriklijk middaguur! De wind is gloed, het zand is vuur, Berséba, van uw dorre vlakte!

En nergens teeken van een wel,

Die \'t leven rekt van Ismael,

Die naar oen weinig water snakte.

Zoo had haar Abrams God gelogen.

Ten dage toen zij, bij de bron,

(Ach, had ze een enkle nu dier togen.

Wier frischheid toen niet troosten kon!) Bij eigen landpaal neergezeten.

Aan Sara\'s ijverzucht ontvlucht.

Wie zij haar dorheid had verweten,

Reeds trotsch op de ongeboren vrucht. Zijn stem gehoord had in de lucht; „De Heer heeft Hagar niet vergeten; „De Heer verhoogde Hagars klacht; „En als ze een zoon heeft voortgebracht, „Zal zij zijn naam verhookisg heeten.

„Vrij en ontembaar zal hij leven,

„Én woest als de ezel der woestijn. „Wat hand tot hem worde opgeheven,

„Zijn hand zal tegen allen zijn.

71

-ocr page 388-

OOSTERLINGEN.

„Hij zal zijn bvoedren hem doen eereii,

„Hij over duizenden gebiên;

,En wie naar \'t Oosten \'t oog zal keeren, „Zal siddrend zijne tenten zien!quot;

Dus sprak de Heers van \'t Gezichte; En nu! zie hier \'t beloofde kind! De moeder schreit haar oogen blind; Want, ach! z^n laatste sterkte zwichtte. O, Schriklijk, schriklijk middaguur! De wind is gloed, het zand is vuur, Berseba, van uw dorre vlakte!

En nergens teeken van een wel,

Die \'t leven rekt van Ismael,

Die naar een weinig water snakte.

Als Hagar zag dat bij zou sterven.

Die al haar hoop was en haar eer,

Stond ze op om \'t wreed gezicht te derven.

En zat een boogschot verder neer, Van waar zij luistren kon en hooren Totdat de dood zijn stem zou smoren.

Toen sprak Gocls Engel uit een wolk: „De Heer vernam des jonglings kermen; „Neem hem nog eenmaal in uwe armen, „En laaf den vader van zijn volk.quot;

O, Zegen, zegen, dubble zegen,

Driedubble zegen over \'t vocht.

Dat toen het hoofd verheffen mocht, Waar \'t machteloos was neergelegen. Des .jongen schutters op den tocht! Die in Berséba\'s zand moest dorsten;

Maar die, ter rechte- en linkerhand,

Zijn kroost vermeerdren zag als \'t zand. En vader werd van twalef Vorsten, — Gezegend die zijn vanen plant!

II.

KEBEHKA.

Trek heen, gij telg van Bethuel!

Indien ge, aan Nahors waterwel,

Op uwe hand hebt neergelaten De kruike, die den dorst versloeg Des vreemdlings, die een teuge vroeg — Ga, waar zijns meesters kudden blaten Die kudden hebben melks genoeg.

-ocr page 389-

OOSTERLINGEN.

Trek, Labans sclioone zuster! heen.

Indien u de armband kostbaar scheen, U door des dienstknechts hand fjeschonken, Voor wions geknieiden tochtgenoot Gij water in den drinkbak goot — Gij zult met Abrams schatten pronken; De Heere God maakte Abram groot.

Bestijg, bestijg, volschoone maagd! Den kemel, die u blijde draagt,

En keer het oog naar \'t vruchtbaar Zuiden, Waar Izak door de velden gaat,

En gij den sluier vallen laat,

Den langen sluier van de bruiden;

Waar Sara\'s tent u openstaat.

0, Onze zuster, onze trots.

Trek henen in de schutse Gods,

En word tot duizend en tienduizend! üw Zaad wasse op in bloei en kracht, De sterkten van zijns vijands macht En uwer haatren poort vergruizend!

Trek heen, gij roem van ons geslacht!

III.

E Z A 17.

Zoo was daar aan uw heup geen zwaard, Geen scherpe pijl op uwe schoudren? 0 Kind der tweedracht van uw oudren,

Met ruige borst en rossen baard!

Rondt ge u den doodsstrijd niet verkorten? Of was u moed en geest verdoofd,

Dat gij uw eerstgeboren hoofd Niet liever zoudt te plettren storten,

Dan \'t van zijn recht te zien beroofd?

0, Scheur uw kleedren, scheur uw kleedren!

Verstootling van uw moeder, ween!

Zoo ge u ten dienaar kondt verneedren:

Ook dwaalt gij ongezegend heen. Wel waart gij Izaks uitverkoren,

Wel had hij u en uw geslacht Zijn vaderzegen toegedacht, —

Maar overvloed van most en koren,

Maar vrijheid, heerschappij, en macht, Daalt neder op den jongstgcboren,

Verstoken in zjjn geitenvacht.

73

-ocr page 390-

OOSTEBLINOEN.

Zink aan de knieën neer des Ouden, Kn offer uw vergeefsche jacht; En jammer, of hij op uw klacht Geen enkien zegen heeft behouden!

U blijft niets over dan uw zwaard; Weerspannig zijn en hem belagen,

Wiens juk gij zijt gedoemd te dragen, Ziedaar n\'w eenig heil op aard,

Op, Edomieten! Edomieten!

Uw deel is arm, uw haat is groot! Bedenkt, hoe in Rebekka\'s schoot De broedren reeds elkander stieten!_

Voorwaar, die dag verheugt uw ziel. Waarin uw woede \'t juk zal breken. En \'t kroost van hem naar \'t harte steken,

Die Ezau vastgreep bij den hiel;

Want schriklijk zal, in \'t woedend tranen. Uw harige, arm het zwaard verheffen.

Het zwaard, uw laatst, uw eenigst goed. Den prijs, dien Ezau niet verachtte,

Toen hij van dorst en honger smachtte, Verraeerdrend met een prijs van bloed!

En gij, o Jakob! roem uw zegen!

Nog zult gij siddren op uw wegen.

Als, van \'de zijde der woestijn.

De wind zal voeren tot uw ooren Het krijgsgeschrei van d\' Eerstgeboren, En Edom zal in \'t wapen zijnl

IV.

JAKOB.

Als Kebekka\'s lieveling Ezau\'s kleed had aangetrokken. En het vel der geitenhokken

De onbewassen hand omving, Schudde hij zijn bruine lokken. Dat hem \'t haar in de oogen hing.

Bevende dat stem of spraak Mocht verraden den verrader,

Daar hij naakte voor zijn vader. Vlood de verve van zijn kaak; Huivrig sidderde in zijn ader Voorgevoel van Ezau\'s wraak.

-ocr page 391-

OOSTERLINGEN.

Als den vader, oud en blind,

\'t Al te tijdig wild verraste,

Hij des .ionglings hand betastte.

Die hij ruig als Ezau\'s vindt;

Ja, de zoon, die ham vergastte. Was zijn oudst, z^n dierbaar kind!

Daarom stroomt zijn zegen uit, Met een innig hartverteederen:

„Zoon, het rieken uwer kleederen

„Is als van gezegend kruid.

„Dauw des hemels dale neer; „Vruchtbre regen „Vloeie u tegen

„Van den Heer;

„\'t Vet der voren „Voede uw koren;

„Zonneschijn en raalsehe lucht „Doe de most steeds tintelgloren, „In uws wijnstoks rijke vrucht.

„Vele volkren u betuigen „Dienst en eer;

„Volkren buigen „Voor u neer,

„Uwer broedren opperheer;

„Waar ge uw aanschijn zult vertoonen, „Bukken zich uw moeders zonen;

„God u wreekt;

„Dies Hij zal met vloek bezoeken, „Dié u vloeken,

„Zeegnen, die u zegenspreekt!quot;

O, al klonk het honigzoet.

Zoet in uwe en moeders ooren,

Voor den roof aan d\' Eerstgeboren, Jakob, hebt gij zwaar geboet!

Maar de zegen evenwel Ging voor Jakob niet verloren;

Want God had hem uitverkoren. En zijn lust is Israel!

V.

JOZEF.

O Zone Rachels, Isrels Elfde,

Maar Eerstling der Verkoren vrouw! Toen over u het trotsch gebouw Der Farao\'s zijn zoldring welfde.

75

-ocr page 392-

oosterlingen.

En aan uw uitgestrekte hand Mocht blinken vorstlijk diamant,

Gedacht gij toen aan buigend koren En neergezegen starrendrom ...

Of, aan uws vaders ouderdom,

Die nooit van Jozef meer zou hooren!

Ja, Faro\'s lijftrawanten hielden Uw paarden bij den teugelriem.

Als allen in gansch Mitzraïem Voor \'s i.andbkhouders\') aanzicht knielden; En, zonder u, noch voet noch hand Bewogen in geheel het land!

Maar schoon van koninklijk geleide Omstuwd, en zeetlende als een vorst, Bleef daar een stem in Jozefs borst, Hoe Jakob om zijn liev\'ling schreide.

Hoe schemerden des grijsaards oogen, Als hij don wagen naadren zag,

Die, op dion afgebeden dag,

U in zijn arm zou voeren mogen!

Hoe schoen des grijsaards brein verward. Als Jozef uitweende aan zyn hart! O Zone Bachels, Isrels Elfde,

Maar Eerstling der Verkoorne! thans Blinkt gij van Koninklijken glans,

Maar immers zijt gij nog dezelfde!

Gij. telg uit vruchtbren stam gesproten, Bekabbeld van een klare bron,

Beschut voor wind en felle zon.

Hoog langs den hofmuur opgeschoten — Op u was menig pijl gericht;

Maar nimmer was uw boog ontwricht, Daar u de macht des Heeren schutte. Des Gods, die Jakobs oog\' verscheen, Toen slechts een ongehouwen steen Zijn afgematten schedel stutte.

U zal de God uws vaders zegenen. De Machtige, dien hij aanbad;

U welt des aardrijks borlend nat,

U zal de hemel wcldaan regenen! U zegent borst en moederschoot; T\'\'n, was uws vaders zegen groot,

Zafnath Paaneah.

-ocr page 393-

oost eu ling en.

Veol grooter zegen moet er Julen Op Jozefs opgeheven hoofd,

Welks glans der broedren glans verdooft, En blinkt van koninklijke stralen.

VI.

r u t ir.

Do lieve Euth, de lieve Ruth!

De dochter Moabs, de getrouwe!

Üie, zelve een droeve weduwvrouwe, Een weduw was tot steun en stut; Gezegend zij de stroom van smarte.

Die toen haar minlijk oog vergoot.

Toen uit Naomi\'s brekend harte De zegen op haar nedervloot:

„Gods liefde zij als de uwe groot!quot;

Zij hief haar stemme op en zij schreide.

En Orpa schreide en snikte als zij. „Nu, dochterkens! verlaat mij beide,

„Des Heeren hand is tegen mij.quot; Als Orpa nu haar moeder kuste. Zoo kleefde Kuth de moedlooze aan: „Hoe zoude ik van u henengaan ï „Voor Ruth is zonder u geen ruste!

„Uw droefheid deelt zij en uw lot; „Zij zal u sterken met haar krachten; „Waar gij vernacht, zal zij vernachten;

„Uw volk is \'t hare, uw God haar God! „Zoo iets, tenzij de dood, ons scheide, „Zoo straffe mij die God en Heer!

„Waar gij sterft legg\' men mij terneer!quot; — Dus sprak de lieve Kuth, en schreide.

In Bothlems akkers kwam zij aan; Zij zamelde de gerstenaren,

Die aan de hand ontvallen waren

Des maaiers, met haar lot begaan.

Daar vond zo in Boaz oog genade.

Als ze aan zijn voeten rust genoot;

Daar vond ze een Losser en een Gade; Daar opende haar moederschoot, — Des Heeren liefde en zorg zijn groot.

De naam der bitterheid van smarte Moest smelten in den zoeten klank

77

-ocr page 394-

OOSTERLINGEN.

Der vreugde, tij Naomi\'s dank,

Toen zij een kleinzoon drukte aan \'t harte!

En \'t huis van Ruth, tot heil der aard. Moest Isrels hope zijn nadezen.

En als van Perez vruchtbaar wezen.

Dien Thamar Juda had gebaard. Een Vorstenteelt sproot uit dien bloede. Totdat, van schijnbren glans beroofd, Haar stam in \'t eind den Silo voedde,

Dien God den Vaadren had beloofd! Geloofd, verheerlijkt zij de Algoede.

VII.

II ANNA.

Hreng voor Hanna\'s aangezicht Wijn noch uitgezochte spijzen;

Want gij zult die af zien wijzen; Droefheid sluit haar lippen dicht.

Arme, kinderlooze vrouw.

Die men in haar wee durft tergen! Ach, waar zult gij \'t hoofd verbergen, Neergebukt door smaad en rouw?

El\'kana veracht u niet,

Schoon de Heer uw schoot niet opent; Altijd liefde op liefde hoopend.

Zoekt hij troost voor uw verdriet.

Kom dan, droog dien tranenvloed! — Meerder dan een tiental zonen.

Wil hij u zijn liefde toonen,

Kn uw jammer is vergoed.

Bitter weenend gaat zij uit Tot des Heeren tabernakel,

En zij bidt dat een mirakel Haar onvruchtbren schoot ontsluit;

„God der Vaadren! Zie op mij! , Wie kan zonder zegen leven V „Zoo uw gunst me een zoon wil geven, „Dat hij U geheiligd zij!

Dus heeft Hanna hare ziel Voor Jehova uitgegoten;

En Hij heeft haar niet verstooten Wie het leed zoo bitter viel.

O, gezegend zij de zucht

-ocr page 395-

OOST Kil LIN GEN.

En de klachte harer rouwe, Die den schoot der droeve vrouwe Van den Ziener Leeft bevrucht!

VIII.

SAUL EN JONATHAN.

KEN TEEURZANG DAVIDS.

Gij, Isrels hinde! gij gevallen,

(ijj op uw heuvelen doorboord!

Hoe kost die wreede heldenmoord Het beste bloed der honderdtallen!

Die droeve tijding zij gesmoord!

Laat Gat-h met zulk een maar niet brallen,

Noch zij ze in Askalon gehoord!

Opdat de dochtren zulker vaderen. Der onbesneednen dartle jeugd,

Niet spotten met een woeste vreugd, Om \'t bloed, gevloeid uit vorstlijke aderen!

Op u, op u, geen enkle drop,

Gilbóa! van geen dauw of regen!

Geen halm schiete uit uw voren op, Gij akkers! vreemd aan iedren zegen!

Wa.nt dadr heeft een gevloekte hand,

Daar hebben roekelooze benden Het schild der helden durven schenden.

Het schild van Saül aangerand.

Als had de zalve Gods de lokken Van Isrels koning niet doortrokken.

Geen schicht ooit snorde van zijn koorde,

Die niet een vijand vallen deed,

Die niet een heldenhoofd doorboorde,

Waar Jonathan voor Isrel streed.

En trok de Koning; uit ten strijde.

Zoo stortten Jakobs haters neer;

Want nooit kwam \'t slagzwaard aan zijn zijde. Dan van de wraak verzadigd, weer.

U, teedre vriendschap tusschen dezen, U, heldentrouw in ieder nood,

U, waarlijk, u ontzag de dood!

Zij mochten niet gescheiden wezen. Hoogzwevende adelaars! gij vielt;

Sterk leeuwenpaar! gij ligt ontzield.

-ocr page 396-

OOSTERLINGEN.

Laat, dochtren Jakobs! tranen stroomen; Beweent uw koning en uw held. Die van het bloedig oorlogsveld U goud en opschik thuis deed komen; Den pronkhaak aan uw kleederzoomen, Don gordel, die uw lenden knelt!

Helaas! de helden zijn gevallen! De glorie Isrels ligt vermoord.

En op zijn heuvelen doorboord, De broeder, wien mijn hart behoort, Mij dierbaarst van de duizendtallen!

Mijn hart heeft vrouwen lief gehad; Maar hem beminde ik meer dan allen. Helaas! de helden zijn gevallen! Te schande ligt hun wapenschat.

IX.

K 1 S P A.

O, Hadt gij tranen voor uw leed.

Toen de oogstzon op den akker brandde

En gij uw droevig weduwkleed In Gibeon ten tente spande?

Voorwaar, voorwaar, uw lot was wreed.

Want, dochter A.ja\'s! zoo uw schoot Aan God gezalfde zonen baarde.

Het was niet tot een zulken dood. Een gruwel in het oog der aarde!

Voorwaar, voorwaar, uw rouw waa groot.

Daar hing het dierbaar koningskroost, Op last eens konings opgehangen;

Van heeten wind en zon geroost. Om zelfs geen eerlijk graf te erlangen —

Daar, Rispa, hing uw roem, uw troost!

Die moedermin hield trouwe wacht. Die in den dood hun lippen kuste;

Zij liet des daags \'t gewiekt geslacht Der heemlen op hun lijk geen ruste.

En weerde \'t roofdier af bij nacht.

O wee! hoe brandend was de zon! Wat sloegt gij vaak vertwijfelde oogen

Naar Silo. Nobe, Gibeon,

Waar eens de Heer was doorgetogen,

Of Hij zich hier ontfermen kon!

-ocr page 397-

OOSTERLINGEN, 81

Zoo zat frij, droeve weduwvrouw!

Totdat de koopren heemlen weken.

En de eerste droppel regendauw Op hun verhangen hoofd zou leken.

Voorwaar! de moederliefde is trouw!

X.

URI A.

„Neen, Tsrel doet zijn legerwachten.

En Juda sluimert op den grond;

De heiige Arke van \'t Verbond Moet in een dunne tent vernachten! Des konings knechten rusten uit Op \'t van den dauw bedropen kruid!

En zou Uria huiswaarts keeren,

En schenken zich den beker in,

En rusten in den arm der min?. ... Voorwaar, dit voegt geen knecht mijns Heeren.quot;

Aandoenlijk! — Overspelig Vorst,

Vergeefs bezwaart gij \'s dappren oogen, ^ Die trouw blijft wakker in zijn borst. En slaapt niet in voor zwijmeltogen.

Hij sluimert niet dan in \'t geweer; Wat andre rust zou helden passen?

Hij zal in eigen huis niet eer Zijn opgezwollen enkels wasschen.

Dan \'t leger opbreekt van zijn Heer.

En \'t licht is nauwlijks aangebroken.

Daar maakt hjj zich de voeten vlug,

En ijlt naar Isrels heir terug —

Zijn Vonnis in zijn kleed gestoken!

De strijd gaat aan, die roem belooft;

Hij, aan de spits der heldentallen!

Maar daar verraadt hem \'t legerhoofd;

Daar wordt hem, onder \'s vijands wallen.

De moed niet, maar de ziel ontroofd! —

Doch liever met den held gevallen Dan huichlend tot een wapenknecht Met u, gevallene! gezegd;

„De krijgskans staat gelijk voor allen.quot;

Zijt gij een vorst, en doet geen recht?!

II.

6

-ocr page 398-

OOSTERLINGEN.

XI.

J A F A.

DE GELIF.FDE.

Schoon zijt gij, mijn Vriendinne, als Thyrza schoon, Bekoorlijk als de keurstad van mijn troon, Ontzaglijk als een legerstoet van dapperen.

Als om hun hoofd de veldbanieren wapperen!

Wend af van mij dat machtig oog, mijn Bruid! Ik sta dien blik, dien fleren blik niet uit.

Mijn harem roemt op zestig koninginnen.

En tachtig is der vrouwen _aantal daar.

En ongeteld de reeks van mijn slavinnen;

Eene eenige is \'t, die heel mijn ziel blijft minnen,

Eene eenige, mijn duive! \'k min slechts haar.

En is ze ook niet haar moeders eengeboorneV En is zij haar volmaakte dochter niet\'?

Als haar de rei van Sions maagden ziet, Dan prijzen zij \'t geluk der Uitverkoorne,

Wie heel de stoot mijns harems hulde biedt:

„Wie is zij toch, die als de dageraad „Het blinkend oog vrijmoedig om zich slaat, „Die zuiver als de zonne is en verheven,

„Die schoon is als de Bleeke van den nacht, „Ontzaglijk als een trotsehe legermacht?quot; Zoo vraagt de rei. En zij zal \'t antwoord geven:

,\'k Was afgedwaald naar d\' open notenhof, „Om \'t groen des dals, de jonge wijnstoktrossen „En \'t bloeien der granaten in de bqsschen

„ïe zien, toen ik het oog des Konings trof;

„En eer ik \'t wist was \'k op den staatsiewagen „Mijns trouwen volks in glorie rondgedragen!quot;

XII.

MI-TZOOT.

DE UITVERKORENE.

Wie is zij, die daar statig naadren zal. Op \'t prachtig bed van Salomo verheven?

Een zuil van rook gelijkt haar slanke stal; De myrrhegeur schijnt voor haar uit te zweven, De wierookwalm verzelt haar \'overal.

-ocr page 399-

OOSTERLINGEN.

Aanschouwt ze wel, des Konings draagbedsponde! Een zestigtal van helden waakt in \'t ronde, Een zestigtal, de keur yan Isrela heir,

Ten strijd geleerd, de handen aan \'t geweer, Dat ze aan de heup, in fleren hoogmoed, gordden; Verschrikbrer dan de nachtschrik zijn hun orden.

De Vorst heeft zich een legerkoets gebouwd Van Libaneesch, van \'t geurigst cederhout;

Haar hemel steunt het zilver der pilaren. En \'t purper van den zachten zetel rust Op \'t zuiver goud der voeten; — maar de lust En liefde van uw schoone doohtersoharen, Jeruzalem! siert baar inwendig \'t meest! Kom, dochtrenrei van Sion, zie uw Koning!

Hem siert de krans die, op zijn bruiloftsfeest, Zijn moeder had gevlochten hem ter kroning. Ten dage, die hem dierbaarst is geweest.

XIII.

SALOMO.

EEN BRUILOFTSLIED.

O, hoe wordt mij !t hart van vreugde dronken,

Als mijn mond uw lof verheffen zal,

Koning, in Jehova\'s gunst geschonken. Pronksieraad van Sions steenig dal! Heerlijkheid licht uit uw oog ons tegen, En genade in \'t lachelen uws monds;

Daarom zalft de Heere des Verbonds Uw gezalfden schedel met zijn zegen!

Held! gy hebt uw zwaard slechts aan te gorden, \'t Van juweel en krijgsroem blinkend zwaard. Om de schrik van duizenden te worden.

En de zegen der verzuchtende aard!

Van uw kar beschiki gij \'t zegevieren.

En gij klemt de glorie in uw vuist;

Volken zinken, door uw hand vergruisd; Vorsten vallen, waar uw pijlen zwieren!

Godenzoon, in Godes gunst geboren! Onbeweeglijk staat uw vorstentroon!

Waart gij ook uws vaders jongste zoon.

Boven de oudsten werdt gij uitverkoren.

Op uw tulband voegt de\' koningskroon!

-ocr page 400-

OOSTERLINGEN.

Gij, die \'t recht bemint en haat de boozen, Vreugdebalsem blinkt op uw gelaat, Myrrhegeur doortrekt uw pronkgewaad, En hetgeen welriekends drupt uit rozen

Wasemt op de wegen, die gij gaat;

Maagden, in Armenië opgetogen.

Blank als leliën in Sarons dal,

Wijden u haar liefde in \'t stil serail; Koningsdochters wachten op uw oogen;

Maar eene enkle mint gij bovenal!

Vorstenspruit, door dezen Vorst gekoren!

Wend tot hem \'t gesluierde gelaat,

Die den lof uws Bruidegoms doet hooren.

Die uw bruiloftsoptocht gadeslaat!

Zie niet om naar \'t erfland uwer vaderen!

Dat de rouw van voor uw oog verdwijn\'! Want de liefde gloeit in \'s Konings aderen, En gij moet, gij moogt «iet droevig zijn! Buig uw smart en doe uw fierheid bukken,

Want hij is uw Koning en uw Heer —

Kn gij zult uw natiën verrukken,

En waar ooit uw voet den grond zal drukken, Kniele men voor u met gaven neer!

Schittrend, Koningin der Koninginnen!

Is \'t gewaad, \'waarin gij voorwaarts treedt, Maar uw schoonheid schooner dan uw kleed; En de breede stoet van uw slavinnen Voert met zang en blijden dans u binnen! —

Koningin! de bruidskoets is gereed!

Koning! weldra zullen uwe Zonen

Zijn waar eer uw Vaadren zijn geweest; En, zoo ver en wijd er volken wonen.

Zegent de aard uw schittrend bruiloftsfeest.

XIV.

I Z É B E Tj.

0 Distel Sidons! waarom moest De Koning u in Isrels gaarde Verplanten tot een vloek der aarde? Zie, nu is Isrels gaarde w:oest!

Sinds gij er hieft \'t getulband hoofd. Verdroogt de rank, verschroeit het koren;

Des maaiers hoop is weggeroofd, En wjjn en tarwenoogst verloren.

-ocr page 401-

OOSTEHLINUEN.

Om u zijn \'s hemels bronnen droog, De schoot der aarde dor geworden;

En toch — gij steekt het hoofd omhoog, Wat halmen om u henen dorden.

Maar wee u, als des Heeren oog U moe zal worden op zijn akker:

Dan roept zijn stem den Wieder wakker, Dat die uw struik ontwortlen moog!

Ha! Hoe wreedaardig zal zijn hand Uw hoogs kruin doea nederbukken, Uw scherpen steel aan de aarde ontrukken,

En schudden uit uw veezien \'t zand. Dan zullen u zijn harde vingeren.

Waar men des akkers vuil vergaart, Als een verfoeisel nederslingeren,

U, distel Sidons, vloek der aard!

XV.

B L I A OP 11 O K E U.

EEN BEURTGEZANG.

Wat houdt ge \'t hoofd ter aard gebogen, En scheurt het harig opperkleed.

Of slaat een woesten blik ten hoogen; Is daar geen God voor Gods profeet?

Wat doolt uw ziel door wildernissen. En klaagt haar klachte der woestijn,

En schrikt Jehova\'s hulp te missen. Ontzonken aan zijn arm te zijn\'?

Gij klaagt: „Het is genoeg, o Heere! „Neem nu mijn ziele weg van mij!

„Gun dat ik tot mijn vaadren keere, „Hoe zoude ik beter zijn dan zij?

„Wat kan het woord eens Zieners baten, „Eens Zieners met uw kracht gegord V

„Uw volk heeft uw verbond verlaten, „En uw altaren omgestort!

„Uw knechten telden zij ten zwaarde, „Ter wraak van valsche goón ontbloot;

„En zoo hun arm mijn ziele spaarde, „Zij sterft een dagelijkschen dood!quot;

Sta op! uw droefheid gaat verdwijnen, De stem verstommen uwer klacht.

Ga uit! de Heer zal u verschijnen:

Bestijg den Horeb! zwijg — en wnrht!

-ocr page 402-

OOSTEKLINGEN.

Hoor, de stormwind verheft zich! Daar dondert de orkaan, Die de krimpende vlakte met siddring zal slaan;

Die de steenrotsen breekt en de bergtoppen knot:

Dat is God!

De Heer is in den stormwind niet.

Zie! de grond wordt geschud en geschokt en beroerd; \'t Is of\' Horeb uw siddrenden voet wordt ontvoerd; De woestijn wordt beweeglijk en golft als een meer:

Dat \'s de Heer!

De Heer is in den aardschok niet.

Maar zie! lucht en woestijn staan in brand voor uw oog! \'t Is een vuurstroom beneden, \'t zijn bliksems omhoog; \'t Regent kolen, \'t spuwt vlammen, van verre en nabij: Dat is Hij!

De Heer is in den vuurgloed niet.

Maar voel na \'t vuur de zachte stilte dalen!

Het zoet gesuis van \'t koeltje waait u aan En zalft uw hart in ieder ademhalen,

En troost u van de vreeze doorgestaan.

Elia! nu het aangezicht omwonden!

Het hoofd gebukt! Jehova nadert nu.

Hij heeft den storm der Kracht vooruitgezonden;

Maar \'t windje suist: de Liefde spreekt tot u.

Ja, de Heer is rechtvaardig en groot en geducht,

Maar ontfermende en zacht en genadig!

Als voor de aarde de zoele, gebalsemde lucht.

Als een lieflijke lento weldadig!

Al verschrikt u zijn storm, en zijn vuur, en zijn kracht: Onze God is lankmoedig, meedoogend, en zacht.

XVI.

E 1. £ A.

Profeet en Held! Mond Gods op aard! Omgorde met des kemels vacht! Wiens brood de schorre rave bracht, Die Tsrel sterker toevlucht waart Dan wagenspan eu ruitermacht!

O Ziener, van des Heeren licht Beschenen, door zijn geest gevoed! Die koningen in arren moed,

Dorst dagen voor uw aangezicht, F.n smoren d\'afgodsdiehst in bloed!

8G

-ocr page 403-

OOSTERLINQKN.

Voor u vlamt \'s Heeren bliksemvuur, Dat wie u tarteu \'t hoofd verplet; ^ De regen ruischt op uw gebed; En \'t water splijt /.ioh als een muur, Waar ge in \'t geloof de voeten zet.

Voor u geen duistre grafspelonk,

Geen scheiding tusschen lijf en ziel; Maar \'s Heeren koets met rollend wiel, Waaruit uw eer hem tegenblonk, Op wien uw mantel nederviel.

XVII.

EEN 1.1ED IN OBOOTE DROOGTE.

(.IEKKMIA XIV.)

Uit Juda rijst een bang geklaag;

Haar poorten bukken \'t hoofd omlaag, Als met een rouwgewaad omgeven. Jeruzalem heeft aangeheven Een dof geschrei, dat opwaarts stijgt. Jehova in den hemel zwijgt.

ITaar grooten zenden hunne kleinen Naar waterbeken en fonteinen;

De dorst maakt hun de voeten vlug,

Maar schaamrood keeren zij terug. En toonen \'t droog en ledig bekken.

Terwijl zij \'t hoofd met asch bedekken. Van droogte scheurt des aardrijks korst; Uies slaat de landman op de borst. De hinde, door den nood gedrongen.

Verlaat haar pasgeworpen jongen,

Omdat haar uier niet en zwelt;

Geen grasje schiet er uit op \'t veld;

Geen blaadje bot er aan de takken. Om naar een weinig wind te snakken, Klimt, met een opgeborsten lip,

De onager op de heete klip,

En tuurt er langs de dorre landen. Met oogen, die als kolen branden.

Schoon tegen ons onze ongerechtigheden

Getuigen, om uws naams wil, hoor ons, Heer! Veelvuldig zijn de gruwlen, die wij deden.

Wij zondigden, — zie in genade\' neer! O Israels Verwachtinge! en, in vreezen,

Zijn Heul en Heiland! waarom zondt

87

-ocr page 404-

OOSTEK LING EN.

Gij als een vreemdling in den lande wezen,

Een reizend man, die hier slechts intrek houdt?

Waarom als een bezweken, een verslagen,

Een overweldigd held, wiens bijstand zwitht,

Daar wij den naam van Volk des Heeren dragen,

Daar Ge onder ons uw woning hebt gesticht.

MHn oog is rood van dag en nacht te weenen;

De Jonkvrouw van mjjn Volk ligt machtloos neer! In grimmigheid is haar de Heer verschenen....

O God, geef haar den adem weer!

Ga \'k uit naar \'t veld — het krijgszwaard heeft verslagen!

Keer ik ter stad — de honger heeft verteerd!

Vergeefs profeet en priester raad te vragen;

Met wanhoop keert die uit den tempel keert.

Zal Juda dan voor goed verworpen wezen,

Walgt dan uw ziel van Sion, Heer?

Gij slaat, en zonder hope van genezen;

Men smacht naar vree, daar komt geen vrede meer. Wij kennen, wij belijden de godloosheid,

Öie ons bevlekt; ei zie ons gunstig aan!

Zij overtreft al onzer vaadren boosheid;

0 God! wij hebben zwaar misdaan.

Versmaad ons niet! Om uwes naams wil, Heere!

Werp, werp niet om den zetel uwer eere!

Och of Gij des Verbonds gedacht!

Wie zijn er onder de afgoön, die doen regenen? Gij slechts zijt God, die scheppen kunt en zegenen.

Niet vruchtloos wacht die op U wacht.

XVIII.

K O K E S.

U heffen Juda\'s dochtren aan, Bij cimbelklank en harpgeluid;

U rijst het lied, u vloeit de traan, U roepen Juda\'s zonen uit!

Gij hebt des Heeren woord verstaan; De godspraak had op u geduid.

Toen ons Jehova wederbracht En Babels boei onz\' arm ontzonk,

Toen was \'t ons als een droom bij nacht; \'t Gejuich ging op, de glimlach blor.k;

De Heer had aan zijn volk gedacht, Aan Sions afgehouwen tronk.

Wij wieschen, na den blijden tocht, Tn \'t water der Jordaan den voet;

-ocr page 405-

00STE11LINGEN.

En, leegrende aan haar heilig vocht,

Verhief ons hart den welkomstgroet; Kieuw leven schepten we uit de locht. Nieuw leven uit den dierbren vloed.

En toen verhief ons hart en mond

Den koning, met Gods wil vertrouwd, Die Salem toeriep: Word gebouwd!

En aan den Tempel: Wees gegrond! Den Herder Gods klonk snaar en stem; Jehova\'s zegen over hem!

XiX.

V A S ï II I.

Manlijker trots in een vrouwlijke borst Is daar wel nooit in het Oosten vernomen, Dan waarmee Vasthi het weigeren dorst,

Zonder den sluier ter feestzaal te komen; Was niet de gastheer haar heer en haar vorst?

,Breng der Vorstinne mijn vorstlijken last: Dat zij het hoofd met den haarband doe pralen. Die aan de gade van koningen past;

Dat zij u volge in de feestlijke zalen.

Waar zich ons oog aan haar schoonheid vergast\'!quot;

Breng aan den Koning mjjn vorstlijken groet: Dat hij mjjn aanzicht niet zien zal op heden; Dat ik mijn haarband niet trap met den voet. Niet als slavinne ter feestzaal zal treden. Zeg hem, dat hoogmoed voor dwaasheid behoed.quot; quot;

Siddrend bracht Zethar die boodschap den vorst; Wreed heeft de Koning die lierheid gewroken; Maar zeker nooit heeft in vrouwlijke borst Manlijker trots in het Oosten gesproken, Dan waarmee Vasthi hem weigeren dorst.

XX.

EST H E 1!.

Schoone Esther, toen uw blanke hand liet sluiergaas had weggeslagen. En u des Konings oogen zagen, Hoe kromp u hart en ingewand!

89

-ocr page 406-

OOSTERLINGEN.

Gij zaagt hem, van zijn pracht omtogen,

In heerlijkheid en vorstentrots, Met gloed en vlammenschietende oogen, En blinkende als een engel Gods.

Hoe werd dat oog dus dof van vreeze,

Dat van zoo schoon een flikkring glom, Als \'t „Kom ik om, zoo kom ik omquot;

Het hart verhief der Joodsche weeze. Hoe boog dat heerlijk hoofd van schrik, Hoe werd de vuurblos op die wangen. Bestorven voor dien koningsblik,

Door bleekte van den dood vervangen.

Maar toen gij in uw blanken hals. Op uw slavinne neergebogen —

Gelijk een leliebloem des dals,

Bezwaard door droppels uit den hoogen —

Des gulden schepters konden knop Gewaar werdt, dien de Koning voerde: Wat vreugd die toen uw ziel ontroerde, Hoe sloegt gij toen uw oogen op!

„Wat is u, Esther? spreek! schep moed! „Ik ben uw broeder; gij zult leven!quot;

„„Heer! gij zijt wonderlijk en goed!quot;quot; Maar weer heeft haar de spraak begeven.

Schoone Esther! nogmaals zonkt gij neer In d\' arm van uw ontstelde vrouwen .... Schoone Esther had haar volk behouen. En Abrams zaad herleefde weer.

-ocr page 407-

LIEDEKENS.

DE AALSMEERDER BOER

AAN HET HAAItLEMMEKMEBB IN 1838.

Groote Plas, Groote Plas,

\'k Wou je leeggemalen was! Want je knabbelt, alle jaren. Aan miin weiland met je baren, En het kost me vrij wat geld Om je perk te zien gesteld.

Kjik, waar nu de schepen varen,

Heeft mijn vader mij verteld Dat veel landerijen waren Meer dan zevenhonderd roe. Van het Oost naar \'t Westen toe. Die zijn allemaal gevallen,

_ Slokop! in je holle maag;

En nog helpt het niet met allen,

En nog benje al even graag. Daarom, toen \'k heb hooren praten, Dat je in \'t oog liep bij de Staten, Ben ik in de Nieuwe Zwaan Met een vroolijk hart gegaan. En ik heb het aan de vrinden. Die ik in \'t gelag mocht vinden,

Voorgelezen uit de krant. En gedronken op de Hoeren,

Die je kansen doen verkeeren. Ten profijte van het Land.

liroote Plas, Groote Plas,

\'k Wou je leeggemalen was! \'k Had veel liever duizend morgen

Van je vetste en puikste land. Dan hier steeds te zitten zorgen

Aan je natten waterkant.

\'k Snee veel liever garst en haver, Kool- en raapzaad naar me toe; \'k Joeg veel liever kalf en koe In je diepte, op malsche klaver,

Dan ik \'t nu mijn schuitje doe. \'k Heb de Purmer eens bekeken, \'k Ben de Deemster rondgegaan. En het stond mij beter aan.

-ocr page 408-

HET PUTJE VAN HEILOO.

Niets te zien dan groene streken, Overal in \'t rond bezet Met veel huisjes, knap en net, Dan op al die witte bellen.

Die er op je golven zwellen,

Als de wind er onder spookt. Net alsof\' je water kookt.

tiroote Plas, Groote Plas,

\'k Wou je leeggemalen was! \'k Zou mijn hoed wel lichten willen

Voor de molentjes, wier vlucht \'t Water op het rad zal tillen En verheffen \'t in de luoht.

Ik zal lachen dat ik schater.

Als ik voor mijn oogen zie Dat er, in een maand twee drie, Al wat daling komt in \'t water;

En als eens de maaitijd komt En ik mag er koren snijden,

Zal ik, hoe je nu ook bromt, v Op je bodem mij verblijden.

En ik vier een Boerenfeest,

Waar je water is geweest.

HET PUTJE VAN HEILOO.

Hoe lieflik ligt het klein Heiloo Van \'t hooge bosch besehut;

Een kerk zeer oud staat daar gebouwd. Daar achter is een Put.

Die Put (een schat voor mensch en beest) Met heldre bron gevuld,

Die is daar altijd niet geweest.

Zooals gij hooren zult.

Toen Willebrord de Kruisleer bracht Van d\' overkant der zee,

Was \'t hier één zand in \'t heidensch land, Eén droge, dorre steê.

De tocht was lang, de hitte bang. De reisflesch uitgeput;

Des Heiligs borst versmacht van dorst.... En nergens huis of hut!

-ocr page 409-

DE OVERGROOTVADER.

Daar staat hij, leunende op zijquot; staf, En ziet vergeefs in \'t rond ,...

Daar knielt hij neer, en bidt zijn Heer, Daar opent zich de grond.

Daar vloeit een zilverklare bron, Die allen nood verdrijft,

Waar Willebrord zijn dank bij stort, En die gezegend blijft.

Dat is de put van \'t klein Heiloo, In Kenmerland beroemd;

Die \'t wonder looft ontdekk\' zijn hoofd En strooi hem met gebloemt.

DE OVERGROOTVADER.

„Zit wat in je leuningstoel!

,\'t Is hier koel.

„\'s Avonds hoü.je wel van praten. ,\'t Zuidewindje, bestevaar!

„Blaast hier zacht door \'t beetje haar, „Dat de tijd je heeft gelaten „Met je twee en tachtig jaar.quot;

Och! ik heb mijn tijd gehad;

Weetje wat?

Als de lieve God me haalde,

\'k Heb het menigmaal gezeid,

\'k Zou niet rouwig wezen, meid!

Als ik in het grafje daalde.

Daar je moeder lang in leit.

„Ja maar, als \'k me jongste zie „Op je knie,

„En hij lacht je vriendlijk tegen, „En jijzelf zoo welgemoed „Meelacht met den kleinen bloed, ,\'k Denk dan dikwijls, wat een zegen „De oude dag nog smaken doet.quot;

Nu mijn goede, trouwe Klaar!

Dat is waar.

\'k Wil den lieven hemel prijzen,

Die zoo gunstig nederziet,

En_inij meer genieten liet Dan ik jou wel aan kan wijzen; Die gelooven haasten niet.

-ocr page 410-

MEIDAG. — AKMOE.

MEIDAG.

Nu draaide \'t windje, met de zon,

Door \'t oosten heen naar \'t zuiden; Dat is zoogoed als \'t wezen kon.

Voor boer en buitenluiden.

Het blaadje rolt zich uit den knop. Het veld wordt groen, het zaad schiet op, De nachtvorst zal \'t niet plagen; Wij krijgen warme dagen.

Wi] hebben lang genoeg gezucht,

Als werden wij vergeten;

Daar komt op eens de zachte lucht....

Nu willen wij \'t niet weten,

Maar menigeen heeft vaak gezegd; Die kou is naar, dat weer is slecht! Als moesten wij \'t niet loven,

Als kwam het niet van Boven.

Nu staan wij daar beschaamd, niet waar?

Hoe zullen we ons verschoonen? De lucht is warm, de lente is daar,

Het groen komt zich vertoonen. Och, lieve Heer! zie gunstig neer! Wij klagen nooit ons dagen meer; Wij willen dankbaar leven;

Och Heer! wil ons vergeven!

AEMOE.

Ik wou dat \'k had Een grooten schat Van guldens en van zeeuwen; Ik lei daarom mijn werk niet neer, Noch zou gaan leven als een heer, Of als een luiaard geeuwen.

Naar Leiden op studeeren.

Noch hing mijn kinders en mijn wijf Een kapitaal van goud aan \'t lijf, Of opgepronkte kleeren.

\'k Bleef bij mijn vak;

\'k Zou geen gemak Voor dat ik oud werd wenschen;

94

-ocr page 411-

HLOEMESDAAL.

Maar weetje wat ik liever wou: Het is van \'t jaar aoo\'n bittre kou, Voor zooveel arme menschen.

Ik hielp zoo graag,

Maar voel gestaag Mijn zakken plat en ledig; Nu wensch ik ieder oogenblik, Dat al wie meer bezit dan ik Der armen nood bevredig.

BLOEMENDAAL.

De Bloemendaalsche vrijer spreekt:

Een aardig dorp is Bloemendaal,

Kn \'t heeft een spitsen toren;

Daar laat zich \'t eerst de nachtegaal,

Het langst de lijster hooren. Zoo menig jonkman komt uit stad

Om daar door \'t bosch te wandelen. En, met een juffertje op het pad, Van liefde en trouw te handelen.

Indien het haantje van de kerk

Zijn oog door \'t bosch kon boren, En zeggen ons, bij wonderwerk,

Al wat hem kwam tevoren;

Ik klom voorzeker op bij \'t dier,

Hoe hoog het zij gezeten.

En zei: Waaksch haantje! hoor reis hier. Ik wou graag alles weten.

Var» al de haantjes hier omtrent Moet gij me eens iets verhalen, Van ieder hennetje, u bekend.

Dat gij door \'t bosch ziet dwalen! Maar mooglijk dat het zeggen zou:

„ik ben een ernstig haantje, „Een monnikje op het kerkgebouw, „Ik kijk naar lief noch laantje.quot;

Dan was mijn antwoord: Haantjelief,

Blijf dan maar rustig draaien, Zoo^ zulje ook van mijn hartedief Noch van uw dienaar kraaien.

En als ik soms een zoentje steel,

In schaduw van de boomen.

Zoo weet ik zeker, voor mijn deel. Dat dat niet uit zal komen.

-ocr page 412-

DE CONÜUCXKUn.

DB CONDUCTEUR.

De Conducteur zat op den bok,

Van Amsterdam naar Leiden. Hij droeg een zwartflmveelen pak Met koopren knoopen, en hij stak Den horen tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,

Van Amsterdam naar Leiden.

quot;Hij had een zilvren plaat op \'t hart;

Zijn wang was bruin, zijn haar was zwart, Zijn oog zoo tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok.

Van Amsterdam naar Leiden.

Hij reed, met krasse blessen voor,

Halfweg voorbij en Haarlem door, En zuchtte tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,

Van Amsterdam naar Leiden.

Hij reed, met maal en horen om.

Door Bennebroek en Hillegom,

En lachte tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,

Van Amsterdam naar Leiden.

Hij reed de lomm\'rige eikendreef Van Hillegom tot Lis, en wreef\'

Zijn handen tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok.

Van Amsterdam naar Leiden. In Sassem zag hij eiken dag Een meisje, dat uit \'t venster lag, En groette \'t tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok.

Van Amsterdam naar Leiden, Op \'t laatst, het koele groeten moe,

Wierp hij \'t lief kind een lonkje toe. Een zoenhand tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok.

Van Amsterdam naar Leiden.

Hij had nu al zoo lang geknikt, Geglimlacht en verliefd geblikt: \'t Verdroot hem tusschenbeiden.

-ocr page 413-

MOED HOUDEN.

Eens zat eon Ander op den bok.

Van Amsterdam naar Leiden.

Maar^ op het Rechthuis heeft de Schout Aan \'t Sassemsch meisje hem getrouwd, En heil gewenscht aan beiden.

Nog zit hij daaglijks op den bok, Van Amsterdam naar Leiden.

Maar \'s morgens, eer hij \'t rit begint, /egt hi] goêndag aan vrouw en kind, En geeft een zoen aan beiden.

MOED HOUDEN.

Toen ik, in mijn jongen tijd,

Mooie Pleuntje heb gevrijd,

Ging ik, met mijn zondagshoed Op mijn hoofd, haar in \'t gemoet; Echter werd ik afgekeurd: Ook goed; daarom niet getreurd.

Toen ik daarop rijke Toos Tot mijn echte weerhelft koos. Had ze__er wel wat ooren naar. Maar zij hield in \'t eerst zich raar; \'k Heb er maanden om gezeurd: Ook goed; daarom niet getreurd.

\'k Had haar lief tot in mijn ziel; En toen ze in de kraam beviel,

AVas \'t een tweeling voor \'t begin, \'t Was wat veel, bij klein gewin; Maar ik dacht: \'t is meer gebeurd! Ook goed; daarom niet getreurd.

\'t Viel ook bitter uit de gis Met haar Peetooms erfenis.

Want een ander had op \'t laatst Van zijn boeltje_ veel genaast; \'t Restje had hij zelf versleurd: Ook goed; daarom niet getreurd.

Weetje wat ik altijd zeg?

Ieder kies den rechten weg;

Ga hem met een stijven stap, Doe zijn best en hou zich knap; Is er soms iets dat hem steurt: Ook goed; daarom niet getreurd.

-ocr page 414-

JANTJE.

JANTJE.

Jantje kwam Van Amsterdam.

Veel had Jantje te vertellen;

Jantje was zoo machtig wijs, Dat zijn borstje scheen te zwellen, Of hij kwam van \'t paradijs.

Jantje droeg Vast moois genoeg:

\'t Was een jasje van fijn laken;

\'t Was een hoedje, rijk van glans; En hij dacht jaloersch te maken Al de vrijers, al de mans.

Jantje zag Met witten lach Keer ojj al de boerenmaagden;

\'k Wed, dacht Jantje in zijn waan, Dut zij allemaal me vraagden.

Mocht een meisje uit vrijen gaan.

Jantje keek Een heele week,

Of ze niet verliefd en werden;

Maar niet een, wie \'t overkwam. Toen zij zich aldus verhardden.

Werd het wijze Jantje gram.

Jantje had Altijd in stad Malle praatjes kunnen slijten;

Maar toen Jantje \'t hier begon. Zag hij, tot zijn innig spijten. Dat hein dat niet baten kon.

Wat deed Jan Ten leste dan?

\'t Beste was naar steê te keeren.

Al de meisjes trouwden wel.

Maar met minder wijze heeren;

Jantje bleef een vrij gezel.

-ocr page 415-

MATROZENLIED.

MATROZENLIED.

Wie gaat mee Overzee,

Naar Gost-Inje /aren\'i Moetje Hollands driekleurvlag Niet reis volgen, nacht en dag,

Over blauwe baren\'?

Wie gaat mee Overzee,

Naar Gost-Inje varen?

\'t Is zoo mooi, zoo ver van wal,

In het schuimig waterdal Oost en West te staren.

Wie gaat mee Overzee,

Naar Oost-Inje varen\'?

\'t Is zoo aardig, voor de klucht,

Niets te zien dan zee en lucht.

Of we meeuwen waren.

Wie gaat mee Overzee,

Naar Oost-Inje varen\'?

\'t Is zoo mooi, zoover van land Hollands vlag te zien geplant Onder veel barbaren.

Wie gaat mee Overzee,

Naar Oost-lnje varen?

Hebje dan geen lust misschien Om de zwartjes eens te zien.

Of het nikkers waren.

Wie gaat mee Overzee,

Naar Oost-lnje varen?

Benje in \'t eerst wat bang voor \'t nat:

Als \'t wat meei- om je ooren spat, il

Zal dat wel bedaren.

Wie gaat mee Overzee,

Naar Oost-lnje varen?

Wij zijn \'t muffe land al moe,

Wij gaan naar Oost-lnje toe;

Welkom, blauwe baren!

99

:\'s M!

KM

...■i

-ocr page 416-

MAARTJE VAN SCHALKWIJK. — DUINZANG.

MAARTJE VAN SCHALKWIJK.

Maartje ging met Kees uit hooien. Zoenje, zei hij, nou me niet,

Al de roken,\') die je ziet,

Zal ik op je leden gooien.

Maartje zei: „\'t Is jou gegund, Doe wat jij niet laten kunt.quot;

Maartje ging niet Kees uit rijden, Op een hooge, hooge sjees.

Geef je nou geen zoen, zei Kees, \'k Laat je voor de wielen glijden! Maartje zei: ,\'t Is jou gegund. Doe wat jij niet laten kunt.quot;

Maartje ging met Kees uit varen, In een smalle, smalle schuit.

Geef me een zoen, riep Keesje uit, Üf ik smijtje zóó in \'t Sparen.

Maartje zei: ,\'t Is jou gegund. Doe wat jij niet laten kunt.quot;

Maartje, zei hij, jij hebt grillen, \'k Droomde dat je van me hiel... p\'k Doe \'t ook,quot; lachte ze, „in me ziel.quot; Kees dacht: Zij schijnt niet te willen, En toch weet ik niet een man. Die van haar meer houden kan.

iioor reis, zei hij, lieve Maartje!

\'k Heb op jou mijn zin gezet;

Als jij zelf het niet belet,

Wou ik spreken met je Vaartje. Maartje zei: „Nou ben je oen man! Doe wat jij niet laten kan.quot;

\') Hool-hoopen.

DUINZANG.

Van de kruinen onzer duinen

Zie ik graag op \'t land omlaag, \'k Zie er bosschen, hoven, velden, Groene klaverweiden meest,

Met zoo menig zwartbont beest. Maar ook \'t ploegpaard op de geest, Vrijheid, vrede en welvaart melden.

100

-ocr page 417-

WILLEM I.

Huizingen, zoo ruim als schoon — Dat is Holland, waar ik woon.

Dan verkwikken zich mijn blikken,

Bij des uchtends heldre lucht, Aan de stad, die in de verte Op haar palen staat te prijk, Handels liefste en beste wijk, Die zoo edel is als rijk;

Dat \'s een stadje naar mijn harte Dat, het machtig Amsterdam, Dat van visschershutten kwam.

Van de kruinen onzer duinen

Op het West het oog gevest!

\'k Zie de zon op \'t water blinken, \'k Zie de breede Zee, wier schoot Holland machtig maakte en groot, Vaak van \'t bloed van helden rood. Wier geduchte naam moet klinken, Klinken met een luid geschal.

Oost en West en Overal!

WILLEM I.

Willem draagt een gulden hoed. Daar \'k mijn pet voor lichten moet. Maar ik mag hem alle weken \'s Woensdags morgens komen spreken. En hij hoort mij minzaam aan. \'k Hoop het Willem wel mag gaan!

Willem heeft een grijzen kop:

Maar hij let nog netjes op Of de wagen recht blijft loopen; Niemand kan hem kool verkoopen; Hij is overal nog bij:

\'k Hoop hij lang gezegend zij!

Willem heeft veel grenadiers.

Veel huzaren en lansiers;

Maar hij kan naar alle zijden Veilig zonder lijfwacht rijden,

Want heel Holland schat hem hoog; \'k Hoop dat God hem sparen moog.

-ocr page 418-

1)K WEDUWIC.

DE WEDUWE.

Moeder zit met zeven spruiten,

Zoons en dochters, om haar heen, Frisch gewassen uit de kluiten.

Allen recht van lijf en leên.

\'t Heeft wat in, den kost te garen

Voor zoo menig gragen mond.

Allen in hun jonge jaren,

Allen lustig en gezond.

Moeder houdt zich, \'k moet het zeggen.

Altijd vroolijk, altijd goed.

Dat ze veel zal over-leggen,

Wordt door geen van ons vermoed. Maar de meisjes moeten trouwen,

Moeten trouwen op haar tijd;

Of wij moeten ze onderhouen,

Zonder wrevel of verwijt.

Ons sta \'t wijde wereldje open;

Traagheid is ons nooit geleerd;

Eerst door \'t kreupelhout gekropen.

Eerst op roggebrood geteerd!

Loopt ons alles dan niet tegen.

Zegt de schrale beurs niet: neen! Dan een vrijster beetgekregen.

En er mee naar \'t Raadhuis heen!

Dan gewerkt met dubble krachten.

Voor de lieve lotgenoot.

Voor den zegen, dien wij wachten. Hopend wachten uit haar schoot; Voor dien droevigst\' aller slagen.

Waar zij immers bloot voor staat, Als zij ziet naar \'t graf gedragen. Die haar weduw achterlaat!

Ach! wat was er niet te vreezen

Voor de troostelooze vrouw.

Weet men wat er van de weezen

En de weduw worden zou.

Als wij nooit vooraf eens dachten.

Wat mijn vader dacht vooraf.

Die ons naliet met ons achten,

Maar niet alles nam in \'t graf?

102

-ocr page 419-

HOODKAPJE3 THUISKOMST.

ROODKAPJES THUISKOMST.

Viaschevs Jaap rustte op de kruin Van een duin,

Op zijn ellebogen,

En hij sloeg zijn oogen op Naar het sop,

Groote, vroolijke oogen.

Helder zag hij \'t zonlicht blinken,

Helder over zee en zand,

Helder op twee kleine pinken. Die het hielden naar het strand.

Visschers Jaap dacht blijde: „Daar Keert mijn vaar Huiswaarts op Roodkapje, \'t Westewindje wakkert aan; Dat zal gaan,

Altijd vlak voor \'t lapje!

t\' Avond zal men afslag hquen,

t\' Avond zal er drukte zijn.

Zal ik vader helpen sjouwen,

En naar stad bij maneschijn!quot;

Moeder Jobje zat in huis \'t Blauwe buis Van haar Jaap te lappen;

Maar haar voet bleef evenwel Op de rel Van een wiegje trappen.

Dapper weerden zich de longen.

Boven moeders deuntje uit. Van haar dikken zesden jongen, Van haar tiende huwlijksspruit.

.\'k Hoor, Roodkapje is in \'t zicht!.. (Stil toch, wicht!)... \'k Heb het al begrepen;

Dat \'s van avond nog op \'t pad. Om in stad Met de ben te slepen;

Luid te schreeuwen langs de straten.

Mooie visch, tot lagen prijs Aan de lui te moeten laten;

Waarom komt hij niet bijtijds?

„Morgenochtend niet te kerk,

Maar aan \'t werk Op den dag des Heeren;

103

-ocr page 420-

BLINDE BLZE.

Hier een knoop af, daar een scheur, üe elboog deur Van je vaders kleeren!

Dan. mooi af van drukte en leven, Naar de niiddagpreek als \'t kan. Kleine Krelis! wacht reis even,

Wieg jij ook reis, als een man!

„Maandag vaart de jongen mee:

Dat \'s er twee Op de zoute baren;

Dat \'s weer een gebed te meer Tot den Heer,

Die hen kan bewaren.

\'k Ben mijn Sijmen niet vergeten, Hoe zijn lijk op \'t barre strand. Met den vloed, werd neergesmeten.. En een traan beefde op haar hand.

Nog lag Japik op de kruin Van het duin.

Op zijn ellebogen,

En nog hield hij de oogen op \'t Ruime sop,

Groote, vroolijke oogen. „Nou, Roodkapje mag wel blij zijn,quot; — Dacht hij — „en de heele zee! Japik zal er Maandag bij zijn,

Japik vaart \'n Maandag mee!quot;

BLINDE ELZE.

Blinde Elze zingt en spint haar vlas;

Maar zou zij zingen mogen,

Als \'t overal zoo duister was Als in blinde Elzes oogen;

Was daar geen lampje voor haar voet.

Geen lichtje op haar wegen,

Geen vlammetje in haar oud gemoed, Van goddelijken zegen;

f- ^en straaltje in haar zwart verschiet.

Om troost en kracht te leen en V... Blinde Elze ziet het kerkhof niet. Maar wel er over henen.

-ocr page 421-

de iepenlaan. 105

Zij draagt haar Bijbel in haar hart,

Die doet haar alles hopen;

En tuurt ze ook hier in nacht en zwart,

Zij ziet den hemel open!

DE IEPENLAAN.

\'t Sint-Jans-lot geelt aan \'t groene hout;

Dat is een vroolijk teeken;

Maar onze Steven Van der Woud, Die mag daar mee van spreken; Hij heeft het zestig jaar gezien,

En nog reis negen bovendien!

„Heb jij die iepenlaan geplant,

Mijn ouwe trouwe Steven?quot; „Ja, heerschap! met mijn eigen hand.

Al voor een menschenleven;

\'k Was toen vrij wat meer mans dan zij; Maar kijk! nu winnen zij \'t van mij.

„Ik zag ze vijftig winters kaal,

Die eigen iepeboomen.

En \'k heb er ook net vijftig maal Het groen weer aan zien komen.

Kijk! dien ik hier den vijfden tel. Was altijd voorlijk, weetje wel?

„Maar ik, ik ben voor goed verdord,

Ofschoon ik niet wil klagen; En \'k vrees, ik kan, als \'t winter wordt,

De kou niet meer verdragen;

Dus trek ik stil en zachtjes af,

Van \'t groene bosch naar \'t groene graf.quot;

Het heerschap zweeg. Het bar seizoen

En \'t voorjaar zijn gekomen.

En Steven zag nog eens het groen

Weer aan zijn iepeboomen;

Maar eer \'t Sint-Jans-lot weer verscheen, Ging de ouwe trouwe Steven heen.

Het heerschap ging door de iepenlaan

En in den koelen lommer;

Hij zag de mooie boomen aan.

Maar met een hart vol kommer; Zij waren even zwaar in \'t blad Of Steven nog de laan optrad.

-ocr page 422-

STOOMKN.

En de oude best, van steun beroofd,

Versuft en zat van dagen.

Zat, met haar voorschoot over \'t hoofd.

Haar nood aan God te klagen;

Waar moet zij heen? Wat vangt zij aan? Hoe zal het de oude Hanna gaan?

Maar eensklaps, ala zij om zich staart,

Ziedaar de hulp verschenen!

Daar zit het heerschap bij den haard

Gelijk een kind te weenen:

„Nu, goede Hanna! eens voor al,

Ik ben \'t, die voor u zorgen zal.quot;

STOOMEN.

Stoomen, atoomen, stoomen! Heel de wereld door!

\'k Heb een plaats genomen Op het langste spoor.

\'k Wil in zeven dagen Even naar Japan,

Met dien houten wagen Voerman! kookt je span?

Stoomen, stoomen, stoomen, Vliegen langs de baan!

Die wil zitten droomen. Mag met paarden gaan.

Moffen, Polen, Russen,

Zie ik in een week;

Zeil jij ondertusschen Heen en weer naar Sneek.

Wijf! 7.11 niet te pruilen! Wees toch niet zoo dom!

Voordat je uit kunt huilen, Ben ik al weerom.

Eer de kousen klaar zijn. Daar je nu aan breit.

Zal ik al weer daar zijn Met mijn dierbaarheid.

Stoomen, stoomen, stoomen. Snel door veld en bosch,

Over diepe stroomen.

Midden door de rots!

Aangevuld de dalen!

106

-ocr page 423-

HOLLANDSCH I.IBD. — GDURTJE.

Bergen omgehakt! \'k Ga een theeblad halen Van Chineesch verlakt.

Gloeit het vuurtje lekker?

Raast je water, maat? Voort maar met den trekker,

Die me vliegen laat! Stoomen, stoomen, stoomen!

Kerel! ben je gek?

\'k Ben al aangekomen.

Eer ik nog vertrek.

HOLLANDSCH LIED.

God zal met ons en Holland zijn,

Zoo wij hem needrig eeren.

Die God, die uit den hemel ziet,

Is ons een burcht, ons schild, ons lied, Hij is de Heer der Heeren.

God zal met ons en Holland zijn.

Zoo wij hem ijvn? zoeken.

De Heer betuigt zich aan zijn Kerk

Gansch wonderlijk door weg en werk En \'t heiligste aller boeken.

God zal met ons en Holland zijn,

Zoo wij in Gode blijven.

De Heer geeft kracht, de Heer geeft moed

Wie tegen Holland strijde of woed\'. De Heer zal hem verdrijven.

God zal met ons en Holland zijn,

Ons kan geen kwaad genaken.

Dies knielen vorst en volk voor God:

De Heer beschikke alleen ona lot!

De Heer zal ons bewaken!

GUÜRTJE.

Gunrtje zou te kermis gaan. Met een mooi goud ijzer aan. Met een aardig kermispak.

Rood van rok en groen van jak; Maar wie was de jongeling,

Daar ze mee te kermis ging?

-ocr page 424-

HET BOERTJE VAN HEEMSTEDE.

Klaas was haar te bijster lang. Foei, ze was begans wel bang, Dat bij haar verliezen zou In de plooien van zijn mouw! Klaasbuur! schoon je zuinig ziet, Guurtje gaat met U-E niet.

Piet was haar te dik van buik; Net zoo\'n lompe waterkruik.

Foei! men kon hem aan de liên Voor een fooitje laten zien. Pietbuur! schoon je zuinig ziet, Gruurtje gaat met U-K niet.

Janneef loensde haar te veel; Wat? hij keek geweldig scheel; En een man, die dubbel zag, Kreeg vast ruzie in \'t gelag. Janneef! schoon je zuinig ziet, Guurtje gaat met U-E niet.

Keesmaats beenen waren krom. Foei! waar dacht dat ventje om? Zou zij met zoo\'n hoepelbeen Voor de vedel komen? Neen! Keesmaat! schoon je zuinig ziet, Guurtje wil met U-E niet.

Toch ging lange Klaas er heen Met Marijtje Vlugterbeen;

Dikke Piet is uitgeweest Met Kristijntje Vroolijkgeest; Loensche Jan met Hille Net, Schuinscbe Kees met Bartje Pret.

Wat deed Guurtje? Bleef zij thuis Bij baar moeder? Wel abuis! Zij hield kermis deze maal Met een Piet-oom oud en schraal. Die een bril droeg en een kruk; Was dat niet een groot geluk?

HET BOERTJE VAN HEEMSTEDE.

Daar kwam een boertje getogen

Van Heemstee naar de Glip;

Zijn hoedje stond in zijn oogen, En treurig hing zijn lip.

108

-ocr page 425-

HET BOERTJE VAN HEEMSTEDE.

Meteen kwam Keeltje van Gelder,

Zij ging dat zelfde pad;

Haar kousjes waren zoo helder,

Haar jakje zat zoo glad.

„Jan Sijmen! wil jij me niet groeten?

Of zieje me niet misschien?

Hoe kijkje zoo naar je voeten?

Wat is daaraan te zien?

,Heeft stiefmoeder je bekeven?

Heeft stiefbroer je gekweld?

Of is er niet overgebleven Van \'t lieve kermisgeld?quot;

„„Mijn stiefmoer is goed van geesten,

Mijn stiefbroer is naar stad;

Ik wou, dat ik zoo veel beesten Als dertiendhalven had.quot;quot;

„Had ik zoo Teel dertiendhalven

Al uit mijn moertjes goed.

Ik mestte mijn eigen kalven. Jan Sijmen! Wees welgemoed!

„Ik melkte mijn eigen beesten.

Ik reed mijn eigen zwart.

Maar was niet zoo treurig van geesten, Noch kwelde mijn jonge hart.quot;

„„Mijn eigen koetjes te weiden,

Mooi Neeltje! dat zou nog gaan; Maar \'k wou de menschen me zeiden. Wie aan de karn zou staan!

„„Mijn eigen zwartje te bitten,

Mooi quot;Neeltje! dat was nog wat;

Maar wie zou achter me zitten.

Als \'k markten ging in stad?quot;quot;

Mooi Neeltje verschoot van verven,

Haar hartje sloeg zoo luid;

Zij dacht al zoo menigwerven:

„Och! was ik Jan Sijmen zen bruid!quot;

Jan Sijmen keek onder haar hoedje;

„„Mooi Neeltje, kijk me reis an?quot;quot; „Wel foei. Jan Sijmen! wat moetje? Gedraag jou als een man!quot;

-ocr page 426-

GROOTMOEDER.

„„Moet ik me als een man gedragen,

Mooi Neeltje, liefste mijn! Zoo zweer ik jou, al mijn dagen. Dat jij er me wijf zult zjjn.quot;quot;

GROOTMOEDER.

Grootemoeder zou vertellen,

Met den knijpbril op den neus, Van klein Duimpje en den Reus, Als de slaap haar juist kwam kwellen Dies zij werd te bed gebracht.

Jantje schudt haar kussen zacht; Keetje dekt haar met de deken;

Toen begon zij dus te spreken:

„Hoor reis,quot; zei ze; maar ze sprak Net alsof ze lag te droomen:

„Ik zal van dit bed niet komen,

Want mijn hoofd is bijster zwak; Mooglijk mag het mij gebeuren Dat \'k een leger hebben zal.

Maar je moet niet troostloos treuren. Zoo \'k je reis opeens ontval.

Daarom, kindren! als voor \'t leste, Hoort je grootemoeders raad.

Die u altijd ried ten beste, En u mooglijk gauw verlaat:

Leeft met God in den gebede,

Beide in voorspoed en in druk;

Blijft steeds met malkaar in vrede, Dat \'a je moeders grootst geluk. Denkt: je vader ligt te slapen.

Waar ik haast hem volgen zal; Christlijk was hij en rechtschapen; o Gelijkt hem toch vooral!

Kunt gij nu nog niets verrichten.

Doet zij alles nog alleen.

Moeders taak zult gij verlichten, Zoo gij braaf zijt en tevreên Zegenè u ons Lieve Heertje Heel uw leven allegaar! ...

Staat je moeder ook nog daar?quot; Daarop zei ze: „Trouwe Geertje!quot; Daarop zag zij moeder aan,

En zoo is zij heengegaan.

-ocr page 427-

GKOOTHOL\'i KN.

GROOTHOUDSN.

Grijp je vedel, Julfert Jooaten!

Als je wijf te danig knort;

AI wie moed houdt, kan zich troosten. Als hem \'t leven lastig wordt.

He! wat heeft ze al veel gekeven!

\'t Prettigst ding verveelt op \'t lest; \'k Heb genoeg voor heel me leven: Trijntjelief! bewaar de rest!

Haar humeurtje is, na haar trouwen.

Kaar veranderd voor haar man;

Maar ik moet haar nu wel houen. En verdragen, als ik kan.

Grijp je vedel, Julfert Joosten!

Als je wijf te danig knort;

Al wie moed houdt kan zich troosten, Als hem \'t leven lastig wordt.

Ziet men me over straat passeeron

Met mijn zoete hartedief,

leder zeg vast honderd keereu;

„Och! wat heeft zijn vrouw hem lief!\'quot;

Ook goed! niemand hoeft te weten,

Hoe ze in huis haar Julfert plaagt. Wat voor saus zij schaft bij \'t eten, Wat voor booze geest haar jaagt.

Grijp je vedel, Julfert Joosten!

Als je wijf te danig knort;

Al wie moed houdt, kan zich troosten. Als hem \'t leven lastig wordt.

Blijmren, suffen en herkauwen,

Dat helpt allegaar geen zier;

Die zich reedlijk groot kan houen,

Heeft een schijntje van plezier.

Ik heb niets op mijn geweten.

Dan die eene, groote fout.

Dat \'k mijn vrijheid heb versmeten, Dat ik Trijntje heb getrouwd.

Grijp je vedel. enz.

Ill

-ocr page 428-

ZAANSOH LIEDEKEN. - DE DASH AATJES.

ZAANSCH LIEDEKEN.

Het IJ is breed, de Zaan is breed: Wie wil de Zaan bevaren?

De meisjes zijn er net gekleed Zooals voor honderd jaren;

Haar oogen blauw en blank haar vel:

Ik mag de Zaansche meisjes wel.

Het IJ is breed, de Zaan is breed: Wie wil de Zaan bevaren?

Men vindt er molens bij de vleet, En rijke molenaren;

Maar wie de slanke dochters ziet.

Denkt aan de dikke molens niet.

Het IJ is breed, de Zaan is breed: Wie wil de Zaan bezoeken?

Czaar Peter droeg er \'t ambachtskleed En at er pannekoeken;

Maar \'t heeft hem levenslang berouwd,

Dat hij geen Zaansche had getrouwd.

DE DAMIAATJES. \')

{EEN HAAKI.EMSCU LIEDEKEN.)

Als de Damiaatjes luien.

Gaan de kindertjes naar bed, Maar de meisjes hebben buien Van verliefdheid altemet.

Wat al mutsjes, wat al doekjes,

Wat al muiltjes over straat! Wat al vrijers om de hoekjes,

Daar men mee spanseeren gaat.

Wat al praatjes, wat al fluisteren.

Wat al kleurtjes naar het hoofd! Wat al ongeloovig luisteren,

Daar men toch te veel gelooft!

Wees voorzichtig, mooie Grietje!

112

Wees voorzichtig, \'s avonds laat. De oude Lourens Koster zietje, Waar dat jij maar henen gaat;

\') Klokjes te Haarlem, eiken avond van negenen tot half tien geluld, ter ge* dachtenis der overwinning van Damlate, in den aanvang der 13e eeuw.

-ocr page 429-

BRUILOFTSLIED VOOR TRUITJE.

Zie het fladdren van de heertjes, Die je volgen op je pad;

Hoor het raatlen van je kleertjes — Meisjelief! de weg is glad.

Als je dan dien weg eens wikte, En je naamt een kort besluit...

\'k Zou niet wachten tot hij klikte, En ik scheidde er daadlij k uit.

Daadlijk, eer de klokjes koud zijn, Deed ik afstand van mijn lust.

Grietje! kindertjes, die stout zijn, Slapen nimmer heel gerust.

BRUILOFTSLIED VOOR TRUITJE.

Strooit roó rozen, strooit roö rozen,

Lieve Speelnoots van de Bruid,

Die door Egbert werd gekozen!

Keek ooit Vrijer beter uit?

\'t Blonde Truitje, \'t blanke Truitje,

Was er ooit een blijder Bruidje?

Zegen wenschen alle nienschen

Over \'t hoofd van \'t jonge paar;

Moog hun huwiijkskroon niet flensen,

In geen tienmaal zeven jaar!

\'t Blonde Truitje, \'t blanke Truitje,

Was er ooit een liever Bruidje?

Strooit roo rozen voor de voeten

Van de Moeder onzer Bruid;

Roept, om feestlijk haar te groeten.

Al den lof van Truitje uit!

\'t Blonde Truitje, \'t blanke Truitje,

Was er ooit een mooier Bruidje?

Op haar koenen zich vertoonen

Traantjes van een kleine smart.

Dat zij nu niet meer zal wonen

Waar haar \'t licht geschonken werd. \'t Blonde Truitje, \'t blanke Truitje,

Was er ooit een teerder Bruidje?

Treed naar voren naar behooren.

Lieve Speelnoots van de Bruid!

Doet haar oogjes vrooijjk gloren, rr. 8

113

-ocr page 430-

Z\'.VA AIIKOOFD.

Jaagt er al de droefheid uit! \'fc Blonde Truitje, \'t blante Truitje, Was er ooit geruster Bruidje?

Heeds verkwikken haar de blikken Van haar Vriend en Bruidegom; Zij houdt op met droevig snikken.

En zij lacht er zeiver om. \'t Blonde Truitje, \'t blanke Truitje, Was er ooit volmaakter Bruidje\'?

ZWAARHOOFD.

Zeg reis, Teeuwis van der Stenen,

Waarom jij je-zelf zoo kwelt.

\'k Wou je mijn gezicht niet leenen, Jij verknoeide \'t met geweld.

Zoo veel kreukels, zoo veel voren.

Zoo veel rimpels van verdriet! Al hadt je al je geld verloren. Naarder uitzien kon je niet.

Altijd kijkje omlaag naar de aarde, Nooit reis naar de blauwe lacht; \'k Wou wel weten waar je op staarde He! wat was dat weer een zucht.

\'t Moet wel aaklig met je loopen.

Arme drommel, daar je bent!

Altijd moet je effecten koopen;

Dat \'s een ding dat moeilijk went.

\'t Moet ook treurig z^n te leven

In dat hondenhok van jou: Nauwlijks een vertrek, zes, zeven. Pas zes kachels voor de kou.

\'t Moet wel naar zijn, alle dagen Wijn te drinken, en zoo voort;

Kijk, ik moet je zelfs beklagen; Elk wordt aaklig die het hoort.

Daarom benje dan ook mager

Als een osje in \'t klaverveld; Daarom zakt je kin al lager;

Och, je bent zoo droef gesteld!

-ocr page 431-

TATiAKSLtEO.

.Niemand,quot; zegt gij alle dagen,

„Niemand weet er wat ik lij\'.

Wat voor narigheên me plagen;

Telkens komt er weer wat bg.

„Pijnen, winden, steken, jichten.

Duizelingen, doodsbenauwd.

Vreemde droomen en gezichten,

Eensklaps warm, en eensklaps koud.

„Angsten voor slechts beuzelingen.

Daar een ander niets in ziet.

Moed noch doorzicht in de dingen ... Och, mijn vriend! je weet het niet!quot;

Weetje wat ik aan zou raden.

Arme sukkel? Neem een vrouw!

Zoo \'t geen goed doet, \'t zal niet schaden Maar \'k geloof het helpen zou.

TABAKSLIED.

VOOK KOOKEKS KN SMOKEKS.

Des morgens was \'t een trotsche plant. Maar \'savonds lag zij laag in \'t zand; Ook \'t menschlijk ras Verdort als gras.

Mijn vriend! koop nooit een ons tabak. Of steek dat lesje in je zak.

En als je een pijp krijgt, denk altoos: Hoe fijn! hoe wit! hoe bijster broos! Een klein fortuin;

Zij stort in puin!

En als je tijd hebt, denk er by:

Al lijk ik stevig, \'k ben als zij.

Blaast straks uw mond den rook omhoog, Dat brengt je alweer wat onder \'t oog: \'t Is enkel lucht.

Weg met een zucht.

De wijze koning heeft gezeid: Al \'s werelds goed is ijdelheid.

De booze lust vervuilt het hart, En \'t rooken maakt uw pijpje zwart.

-ocr page 432-

TABAKST.IED.

Geen wasschen baat;

Slechts \'t vuur schaft raad:

Uw boezemkwaad, gelijk je ziet,

Moet uitgebrand, of\' \'t helpt u niet.

En klopt gij eindlijk \'t pijpje uit,

Zoo neem dit lesje tot besluit:

Wat lekker was Werd enkel asoh;

\'t Genot is kort, en haast gedaan; j

Getroost u dat, of laat het staan. val

----bel

* Naar een oud Engelsch lied uit den tijd van jacobus r. ^

wa en Ge tei va de pl hi is

ge hi st a(

ki le

VI

g

ti

0 d

1 z

» l

1

116

-ocr page 433-

DE ZWARTE TIJD.

„Per me si va iiella cltta dolente;

Lasciate ogni speranza, voi che entrate.quot;

danti . Inf. c. 3.

Ik weet niet of mijn vriend een afstammeling is van den dichter van het beruchte liedeboebje, maar hij heet starter. Ontwijfelbaar behoort hij tot de gelukkigste nienschen der maatschappij. Onafhankelijk, in het bezit van een aardig vermogen, met eeu hoofd versierd met de edelste kundigheden en een hart vatbaar om al wat goed en schoon is te genieten, bewoont hij met een jonge gade en twee lieve kinderen een aangenaam gelegen landhuis in het Geldersche. Alles vertoont daar den goeden smaak van den bezitter; de sobere rijkdom in het meubilair, de harmonie der kleuren van behangsel en tapijten, het in \'t juiste licht opgehangene schilderij van waarde, de statige marmervaas, die op het trumeau de plaats van pendules en stolpen inneemt, het spreekt alles den humanen geest uit, die al deze dingen regelde. De bibliotheek is een der volledigste, die ik bij iemand van starters jaren ooit gezien heb, en vervult een der schoonste kamers van het bovenhuis. Het uiterlijk der boeken lokt tot lezen uit, en de deftige standbeelden, afgietsels van antieken, in de vier hoeken der zaal, ademen u als het ware de kalme rust der oudheid tegen.

Onlangs hem in dit heiligdom van geleerdheid en kunst bezoekende, vond ik hem met een bundel gedichten voor zich. „\'Wat leest gij daar?quot; vroeg ik, zonder te vermoeden dat deze vraag een voor mij zoo zeer belangrijk gesprek na zich slepen zou.

„Een schadelijk boek,quot; wüs het antwoord; „Lord byron.quot;

„Dank voor zijn vertaler!quot; zeide ik.

„Versta mij wel,quot; hernam starter troostrijk, „ik geloof niet dat gij door uwe vertalingen de zeden verpesten zult; daartoe hebt gij te wel gekozen. Als ik byrons werken schadelijk noem, denk ik ook ditmaal niet eens aan het. ongeloof en de ontucht, die er in doorspelen, niet aan den Don Jucin met al zijn behagelijke onzedelijkheid; aan niets van dat alles; maar alleen aan dat element in zijne werken, ook in dat gedeelte, hetwelk iedere vrouw zonder blozen lezen kan, dat u en mij voor een poos besmet heeft. Ik bedoel dat naargeestige, sombere, wanhopige, dat op zekere jaren onzes levens zooveel aantrekkelijks heeft; onder welks invloed gij den Jose geschreven hebt, en dat ik ook, gewijzigd naar uw gemoedelijker stemming, in den Kuser wedervind.quot;

„En de Gwi/ de Vlaming?quot;

„Heeft er dunkt mij niets meer van. Maar het fatale van het feit doet nog aan hyrons concepties denken.quot;

-ocr page 434-

118 dk zwarte tud.

„En waarom niet aan sokoki.es, uit wien nog wel het motto genomen is?quot;

,Omdat al uwe vormen de romantische school verraden. Voor het overige is het feit bij sopokles zeker nog afgrijslijker, en het optreden der kinderen uit het Ayafio; yAfio; gesproten, heeft voor mijn gevoel iets zeer stuitends. Ik vind ook niet dat de Grieksche treurspeldichter spaarzaam is met het gruwelijke. Oedipus is uitvoeriger dan (jwy:

naT.)]Q icpavamp;ijv eramp;ev üvtog fjgóamp;fjv

en dan nog meer:

rl yuQ yay.üjy ixitsati; tov natèqoc narljQ v/nwr e/tsamp;ve\' ti)v rsxovaav ijgoaev oamp;êv 7t€(j êcvro; iartaq)], y.bn tibv ïqwv egt;et/j(Taamp;t v/ua:, (orjtso ftvrbg i^écpv.

üwy zegt, door Machtelds versteend zwijgen als zijns ondanks genoopt duidelijk te zijn:

\'k Omarmde een zuster in een bruid!

Moet ik dan alles u doen hooren?

Ondertusschen ....quot;

„Wij zijn wel dwaas,quot; viel ik in, „in éénen adem van die twee stukken te spreken.quot;

„Welnu,quot; zei mijn vriend, „wij vergelijken ze niet; wij stellen ze tegen elkander over. Dit nog wilde ik zeggen. Het onverbiddelijk Noodlot heeft bij sofokles den gruwel bepaald; daar is geen ontkomen aan. Dat Noodlot is heilig, en wordt door u en mij overeenkomstig den geest der Oudheid geëerbiedigd: maar awv\'s vergel-dingsleer is eene dwaling, die wij niet erkennen; wij gelooven niet dat God den duivel macht geeft over hem, die geen geestelijke of monnik geworden is, en zijne roeping in dezen heeft miskend; en, al namen wij dit als een punt van geloof aan, wij kunnen ons niet voorstellen, dat de Algoede daar een onschuldige Machteld het slachtoffer van zou maken. De Givy de Vlaming is dus een schrikkelijk voorval, maar dat de heiliging mist, die sofokles aan den door hem voorgestelden gruwel, door zijn Noodlot, gegeven heeft.quot;

„Klaar en duidelijk; maar spreek mij niet van byron. Toen ik den Gwy schreef, had ik zijn werken reeds in jaren niet ingezien, en haatte ik niets zoo zeer als met hem vervolgd te worden, ja meende ik reeds geheel uit zijne netten ontkomen te zijn.quot;

„Ik geloof gij het bewezen hebt, en nog verder bewijzen zult. Ook kan niemand het lang bij dien hyhon uithouden. Zoo hij langer geleefd had, hij zelf zou verandei-d zijn, of althans een walg van zijn eigen gemaaktheid gekregen hebben. Want bij al zijn smart en wanhoop was veel gemaaktheid. Hoe weinig was zj)» leven,

-ocr page 435-

dk zwarte tup.

waren zijne uitspanningen, zijne genoegens, ja zijne denkbeelden over de kunst zelve in harmonie met zijne verzen! En diezelfde gemaaktheid kleeft allen aan, die onder zijn invloed schrijven of denken. Evenwel laat ons billijk zijn. In ieder jongelingsleven is eene periode waarin men dweept, en zoo men een teergevoelig, een prikkelbaar gestel heeft, vervalt men er licht toe om met eigen kleine teleurstellingen te dwepen. Men kan bij het ontluikend hart de kracht niet onderstellen zich hoog op te__heffen en de dingen groot te denken; het denkt ze liever aandoenlijk; en zonder sterkte om een held te zijn, wil men zich martelaar maken. Zoo heb ik het ondervonden, en in dat tijdvak deed de lectuur van byron mij machtig veel kwaad. Gij vindt hem nu in inijne handen; het komt omdat mij van morgen deze kleine portefeuille onder \'t oog kwam. Daarin zijn verzen uit dien zwarten tijd voorhanden. Ik herlas ze, en herinnerde er mij de half natuurliike, half aangenomene stemming bij, waarin ik ze geschreven had. Nu sloeg ik bykon nog eens op, en ik was weer achttien en negentien jaar oud ...quot;

„Mag men er ook iets van hooren?quot;

,0 ja! Er was een tijd, dat ik deze stukken niet gaarne aan iemand, behalve aan een zeker vriend, die vrij wat met hetzelfde nat evergoten was, had laten zien. De meeste anderen zouden mij vreemd hebben aangekeken, en volstrekt zich niet hebben kunnen begrijpen, dat ik ze geschreven had. Toen ter tijd zou ik er hen om veracht hebben; nu zou ik hun groot gelijk geven. Zie hier bij voorbeeld Nquot;. I. Droomen.

Het motto is van uai.zac, ook al iemand die op dat ziekelijk gevoel speculeert: „11 y a des hommes, qui apprennent la vie tout-a-coup, la jugent ce qu\'elle est, voient les erreurs du monde pour en profiter, les préceptes sociaux pour les tourner a leur avantage, et qui savent calculer la portee de tout; ce sont des hommes froids, mais sages selon les lois humaiues. Puia il y a dos pauvres poètes..Ik weet niet of ik dit motto niet nog ai uit zijn verband gerukt had, want ik zie nu dat het uit „le Médecin de Campagnequot; genomen is, en ik zie niet in hoe het daar, in eenige analogie met m^ne verzen, te pas zou komen; maar hoe het zij, zoo als ik het hier opneem is er een goed deel dichterlijke, of laat ik zeggen kwajongeustrots in, alsof men er beter om was, het leven niet te begrijpen en niet wijs te zijn!

„En nu het gedicht!

DROOMEN.

O zoete droomen, zoete droomen Van stil genot en echte vreugd.

Geliefde droomen van mijn jeugd,

Hoe spoedig werd me uw troost benomen!

Nog is mijn jeugd niet gansch voorbij.

Maar wreed en hard verstiet gij mij.

En ach! om nimmer weer te komen. —

119

-ocr page 436-

de zwarte tud.

O, waarom hebt gij me ooit gevleid?

Of waarom moest ik ooit ontwaken?

Ontwaken om de nietigheid Van wat men wereld noemt te smaken,

Ervaring, die tot weemoed leidt.

O jong te zijn is niet te weten Wat mensch te wezen is op aard;

Mij wien \'t geheim reeds is verklaard,

AVat bood ik, zoo ik \'t kon vergeten!

Geen kennis die zoo \'t hart bezwaart.

Stabteb zweeg eenige oogenblikken, en bleef op hot gedicht staren. „Het is belachelijkquot; borst hij daarop uit, „want wat toch waren dan wel die droomen van mijn nog vroeger jeugd? die luchtkasteelen van stil genot en echte vreugde? Het was mij, geloof ik, toen evenmin duidelijk als nu. Dat is het juist, mijn vriend! wij zijn ons zeiven niet duidelijk; wij leven in een wolk, in een mist, met een duister gevoel van het betere, het ware, het gelukkige, dat wy grijpen zouden, indien wij het ons helder konden voorstellen; maar het ontbreekt ons aan verstand, gezond verstand, klaar en onderscheidend, kiezend of deelend verstand. Het is niet dat wij illusies verliezen, zoo als wij ons verbeelden ■, maar het is dat wij behoeften aanwinnen, waaraan wij nog niet kunnen voldoen. Waarom niet? O, wij zouden het dan niet willen weten, maar het is eenvoudig omdat wij er nog te klein voor zijn!

„Droomen van mijn jeugd! Dat zullen dan droomen van de kinderjaren geweest zijn. Welnu, wat zyn dat voor droomen? Immers geen andere dan van koetsen met vier paarden, koningskronen, veldheersstaven, ridderlinten, en, als men eenigszins ouder wordt, van mooie meisjes, die allen, allen op ons verlieven! Al dat ongeluk is niet dan ongeduld; de loop der dingen is zoo haastig niet als wij; de Voorzienigheid stelt uit, en wij reikhalzen.quot;

Weder zweeg hij een poos, en toen stond hij driftig op:

„Het is ergerlijk!quot; riep hij uit, — „een jong student van een jaar of negentien verbeeldt zich te weten „wat mensch te wezen is op aard.quot; Redelijk aanmatigend, dunkt mij. En welke is dan nu zijne voorstelling van de zaak? Deze: dat mensch te wezen niet meer zegt dan: onderworpen te zijn aan allerlei teleurstellingen, allerlei grieven, waar de kunstmatige betrekkingen der wereld zjjn gevoel mee kwetsen; dat mensch te wezen bestaat in: onderworpen te zijn aan het plan eener baatzuchtige maatschappij; dat mensch te wezen is: eene droevige noodzakelijkheid om met men-schen te verkeeren. Nu, Goddank! weet ik beter wat dat schoone woord mensch te ziju inheeft. Mensch te zijn;quot; voer hij voort, en zijne oogen glinsterden van een edel vuur; „Mensch te zijn, is te weten wat men is, wat men kan, en wat men wil. Mensch te zijn, is te weten wat men voor de aarde wezen, en voor de toekomst worden moet. Het licht van Gods Woord, mijne vrouw en mijne kinderen leeren mij dat. Nu heb ik mijn doel voor oogen, voor

120

-ocr page 437-

UB ZWARTE TIJD.

mijn eigen ziel, voor hen, voor de maatschappij, voor de wetenschap, voor den hemel. Alles is mij nu helder en klaar, en ik ga recht op dat doel af, met bewustheid van mijne krachten, met bewustheid van Gods hulp, met vrijmoedigheid omtrent de genoegens des levens, met een mannelijke houding en een goelijken lach tegenover de dwaasheden der wereld, met beproefde wapenen tegen het leed. met kalmte en rust, te midden van beweging en botsing, en vol ijver om dien duren plicht te vervullen: mensch te zijn. Sedert predikt mij mijn kind op den schoot van z.ijne moeder: ,Gedenk te sterven!quot; en het kerkhof, waarop ik uit dit venster •/.ie: .Gedenk te leven!quot; Want dit is mensch te zijn: „te werken terwijl het dag is, eer de nacht komt dat niemanc! werken kan,quot; en die les van den Prediker te beleven: „Alles wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht, want daar is geen werk, noch verzinning, noch wijsheid in het graf, daar gij henen gaat.quot;

„Wat hebben wij hier?quot; hervatte hij na eene korte pooze, waarin hij op het kerkhof had gestaard, en ik op hem; „wat hebben wij hier?quot; hervatte hij, zijne zitplaats hernemende, en met een glimlach een ander gedicht uit de portefeuille opvattende: „Ah! de schildering van mijn voorkomen, zooals ik het in die dagen gaarne gehad had, van het effect, dat ik gaarne gemaakt had, van de uitzondering, die ik gaarne geweest was.quot;

ERNST.

Wanneer mijn voorhoofd rimpels krijgt.

Mijn breede wenkbrauw nederdaalt.

Mijn oog niet blinkt, maar duister straalt, Kn uitspreekt wat mijn mond verzwijgt,

Ken traan mij langs de wangen schiet.

Mijn schedel nederbukt naar de aard —

Bezorgde vrienden, vreest dan niet Dat wanhoop mij door \'t harte vaart.

Of dat \'t zich toegeeft aan verdriet!

Het zijn mijn zaligste uren dan: —

O, de Ernst, die dan mijn ziel beheerscht,

Als \'k onweerhouden mijmren kan,

Bekoort mijn stiller hart het zeerst.

Is het niet alsof ik voor het portret van een somber dichter ga poseeren, die niet eet of drinkt, nooit beuzelt en lacht als andere menschen, maar alleen fronst en peinst, zooals i.amartine en victor nuGo (hoe begrijp ik het mij, op hun leeftijd, indien ik het mij niet als kwakzalverij moet voorstellen?) zich willen beschouwd hebben, elkander opstekende met een:

Qu\'il passé en paix, au sein d\'un monde qui l\'ignore, L\'auguste infortuné que son ame dévore!

(Dat moet geen verstandig en krachtig man toelaten,) -

121

-ocr page 438-

de zwakte tijd.

Respectez aes nobles malheurs;

Fuyez, o plaisirs vains, son existence austere;

Sa palme qui grandit, jalouse et solitaire,

No peut croitre parmi les fleurs.

Dat hebben homebus, noch sofokles, noch hokatius, noch vondel, noch eenig krachtig genie der latere tijden alzoo ingezien. Het is een nieuwe ziekte, en zy is stellig contagieus! Maar verder met mijn gedicht! De maatschappij, die toch waarlijk, als geheel, zich niet inlaten kan met de stemming der individus, krijgt van den jongen poëet een duchtige preek, en een dreigement er bij:

En zoo een woeste wereld meest Dat mijmren weert, dien ernst verstoort:

Wat aan den boezem toebehoort,

Dat rooft geen wereld aan den geest;

Kn zoo de dartle menigt\' lacht.

Zij, die niets heilig achten wil.

Om wat ze een dwaasheid acht, een gril,

\'k Erken geen rechter, dien \'k veracht.

Eens zal haar spot en lach verbaan.

De doodsschrik haar om \'t harte slaan. En, ongeschikt zelfs voor berouw.

Ontzegt Gods toorn haar ook den traan.

Dien nooit haar boosheid dulden wou.quot;

„De meedoogenloosheid waarmee gijzelf uwe verzen beschouwt,quot; zeide ik, «geeft mij moed n ook mijne opmerkingen mee te deelen. In deze regels erken ik mijzelven, in dat tijdperk. Niet waar? men moet de heldhaftige houding, die gij hier tegenover de wereld aanneemt, mistrouwen. Het is juist het gevoel van de meerderheid der wereld, dat ons bang maakt, en nu doen wij alsof wij haar verachten. Les enfans chantent quand ils ont peur. En wij, met onze figuur verlegen, en beschaamd, omdat ons de breede mantel niet voegt, dien wij hebben omgeslagen, weten er niet beter op, dan met eeue zekere kwaadaardigheid op te treden.quot;

„Zoo is het!quot; hernam stabtek. „Het is niets dan verlegenheid, wat sommige menschen lomp maakt. Maar zie hier een derde stuk, dat zich aan het vorige aansluit. Hierin — maar oordeel zelf:

HEILIGSCHENNIS.

Gij wreede — sprak ik tot de Wereld ~ waarom mag Üe traan van \'t warm gevoel niet blinken voor uw oogen, En waarom haast ik me ooit hem blozende af te drogen. Om mee te deelen in uw lach?

Waar — waarom moet ik, wen ge een oogblik op mij slaat, Mij schamen, dat mijn borst een oogenblik gevoelde.

122

-ocr page 439-

DE ZWARTE TIJD.

En wat er edelst, braafst, en menschelijkst in woelde, Verloochnen door een koud gelaat.

Waarom drijft gij den spot met wat ik heiligst acht. En dwingt mij om mijn harr,, u vreezend, te verzaken,

Mijzelf geweld te doen en van geen gloed te blaken,

Waarmee gij in uw hoogmoed lacht.

En wie — wie gaf u \'t recht? — wie zijt gij die gebiedt, Die blijde blikken vergt en afgedroogde tranen.

Die koude harten eischt bij al uw onderdanen.

En warmte, en liefde, en ootmoed vliedt?

Verdwaalde die gij zijt, zoo dartel en zoo boos!

Van God en menschlijklieid zoo diep, zoo droef vervallen! Wie leerde als met iets schoons u met uw snoodheid brallen. En wat maakte u zoo liefdeloos?

Helaas, voor hemel doof\' en liefde, deugd en plicht.

Slechts blakend voor genot en ongestoorde weelde.

Behaagt ge uzelve, en kunt, sinds de ondeugd slechts a streelde, Geen deugd zelfs dulden voor \'t gezicht!

In uw verdorvenheid lach, dwaze, voort! — Vergiet Mijn oog een tranenvloed van uit den grond mijns harten; \'k Veracht u; \'k wil voortaan uw stalen voorhoofd tarten. Uw schampre glimlach hoont mij niet.

Hoe zal het u, en wie uw\' outers rookt, vergaan!

O wie met tranen spot door \'t zacht gevoel vergoten.

Die zal — wanneer ook gij hem eenmaal zult verstooten — Geen lichtnis vinden bij den traan.

Eens zal hij, door \'t verwijt gefolterd, \'t brandend oog Wanhopig heffen naar den Hemel, en hem smeeken Dat hem één enkle drop moog langs de kaken leken.

Dat hij zich-zelv\' beweenen moog.

„Het eindigt bijna als het vorige,\'\' zeide ik. „Intusschen, hierin is, dunkt mij, meer rechtvaardigheid en meer waarheid. Hier zijn ten minste de grieven tegen de wereld bepaald aangegeven, et chaque. flèche por te. Ik zie hier, dunkt mij, den wrevel van een gemoed, dat onder valsche schaamte lijdt, en daardoor duizend kwellingen ondervindt, die met een weinigje mannenmoed waren af te weren.quot;

„En waaronder ik ook sedert weinig geleden heb,quot; hernam mijn vriend. „Waarlijk, de wereld heeft het hart niet den spot te drijven met ,wat wij heiligst achtenquot;, indien wij slechts hot hart heb-

123

-ocr page 440-

de zwarte tijd.

ben duarvoor uit te komen. Daar is te veel natuurlijke vrees des kwaads, dan dat men die niet zou kunnen opwekken. — Doch wij hebben nog niets gezien dan proeven van ontevredenheid met de maatschappelijke orde van zaken. Wij treden nu op het gebied van het innerlijk leven; het smartelijke, het wanhopige, hetByron-niaansche. Ik zal u in eens op de hoogte brengen. Hadt gjj ooit gedacht, dat ik déze verzen had geschreven\'?quot;

AAN EEN VRIEND.

O, vraag mij niet, vraag mij nooit naar mijn smart!

Kondt gij mijn leed en mijn jammer waardeeren,

\'t Zou slechts de maat van uw droefheid vermeeren;

Gij hebt genoeg voor een menschelijk hart.

Wat mij de wang reeds zoo ras heeft verbleekt.

Wat mij de kruin reeds zoo vroeg deed vergrijzen,

Zou, zoo gij \'t wist, u te duidlijk bewijzen.

Dat zich het noodlot meedoogenloos wreekt.

Lang waart gij reeds uit uw droomen ontwaakt,

Toen mij der jonkheid begoochling nog streelde;

Nog bood de jeugd mij den beker der weelde,

Toen gij reeds d\' alsem der smart had gesmaakt.

Vaak waart ge reeds door de doornen gewond.

Toen \'k nog de rozen slechts kende van \'t leven;

Lang had de lach reeds uw lippen begeven.

Voor nog één zucht hem verjoeg van mijn mond.

Toen kwam het leed, waar gij vruchtloos naar vraagt; Gij zijt niet rijker aan heil dan tevoren;

Maar zoo geducht is het wee mij beschoren.

Dat ik benijd, dien ik eerst heb beklaagd.

O, vraag mij niet, vraag mij nooit naar mijn smart!

Kondt gij mijn leed en mijn jammer waardeeren,

\'t Zou slechts de maat van uw droefheid vermeeren;

Gij hebt genoeg voor een menschelijk hart.

„Geen kwade verzen, dunkt mij,quot; zeide ik na de lezing; en ^tau-tek had ze uitmuntend gelezen, want dat kon hij niet laten.

.Helaas!quot; was zijn antwoord; „ik vrees, dat deze geheele uitboe-zeming niet anders was dan oefening van den dichterlijken geest op een geliefd thema; de smart. Want de vriend, aan wien het gericht was, bestond evenmin als de grijze haren.quot;

„En het leed:quot;

Stjuiter nam een ander blaadje op en begon te lezen:

124

-ocr page 441-

de zwakte tijd.

VAARWEL.

Vaar gij wel, steeds wel, geliefde! \'k Sta u af; — raar wel — het moet!quot;

„Hm!quot; zeide ik, „het oude liedje!quot;

„Zoo uw keus mijn boezem griefde,

\'t Is uw heil met, dat het doet. — Zoo, toen \'k meest mij zalig waande,

— God! hoe hooploos ben ik nu! — Juist mijn zon het droevigst taande,

Lieve, \'k wijt het niet aan u.

Zoo ik eerder had gesproken.

Door geen hinderpaal verschrikt, \'t Hart waar mooglijk nooit gebroken,

Dat in bange zuchten stikt; —

Zoo \'t u vroeger waar gebleken, Hoe die boezem klopt voor u, Mooglijk zou de traan niet leken, Die mijn wangen uitbleekt nu.

Doch het zij zoo, — laat mjj zuchten

En verteren in mijn leed:

Staat slechts u geen smart te duchten,

Geen berouw van wat gij deedt; Mocht wat mij de borst verscheurde.

Wat mij hooploos kwijnen doet. Mij de wang met doodsbleek kleurde.

Weelde zijn voor uw gemoed;

Mocht wat mij doet zuchten slaken,

— Eenighoorbre klacht die \'k uit — U geheel gelukkig maken,

Tot gij (spade!) de oogen sluit!

Mocht wanneer \'k, in later dagen,

Soms uw naam vernemen mag,

Ieder van uw heil gewagen,

Die uw hart geopend zag; —

En, och of u \'t iot vergoude.

Dat gij zaalger werdt voortaan, Dan ik ooit u maken konde,

f/ud het in mijn macht gestaan. O dan zal ik zeegnend denken

Aan den feilen harteslag.

Die mijn levensheil moest krenken,

Maar het uw volmaken mag!

Doch, indien wat mij doet treuren

Eens ook u vervult met smart,

Eens een boezem komt verscheuren, Die te wreed bedrogen werd:

125

-ocr page 442-

de zwarte tijd.

O Hoe zou \'t dit hart doen lijden,

Hoe hem grijpen in \'t gemoed,

Die u niet vari \'t leed kon vrijden.

Eens zoo gaarn door hem verhoed. Maar wees zalig — blijf \'t, geliefdej_

— Steeds geliefde! schoon niet mijn\',— \'t Hart dat gij onwetend griefde,

Zal u nooit tot aanstoot zijn.

\'t Zal in doodsohe stilte lijden,

Met een glimlach op \'t gelaat. En, waar \'t mag, uw bijzijn mijden.

Dat het nergens zich verraadt! — Neen, gij moet het nooit ontdekken,

Nimmer weten hoe ik lij\',

\'t Zou een ziel tot hartzeer strekken,

Nog maar half zoo zacht als gij! Zoo die zachte ziel mijn harte

Vroeger beter had gekend,

O zij had zoo droef een smarte Licht, uit deernis, afgewend.

Maar \'t is uit, de luchtbel spatte

Droef uiteen van hoop en vreugd, \'t Droombeeld, dat \'k in de armen vatte. Moordt mijn rust en knakt mijn jeugd, \'t Is gedaan — geen woorden helpen.

Zucht en tranen evenmin.

Doch wien smarten overstelpen.

Vindt er troost en lichtnis in.

\'t IJzren noodlot, dat ons beiden

\'t Pad heeft voorbestemd op aard, Zal ons nog wel verder scheiden,

— O dat denkbeeld is mij waard.

Vaar gij wel — en wel voor immer;

Biede u de aard slechts rozen aan, En gedenk den droeve nimmer.

Die u nastaart met een traan!

„Dat heeft veel van kyrons: Fare thee well!quot;

„In vorm ja; maar de toestand gelijkt al heel sprekend op dien in zijne gedichten aan Mart/; daaruit had ik hier ook het motto genomen:

Fair one, adieu! I must away;

Since thou art blest, I\'ll not repine.quot;

„En de schoone? was zij, als de vriend van daareven, denkbeeldig?quot; .. .. , ,

„Neen, zij bestond. Het geval was, dat zij mij nauwelijks kende, en niet meer dan een paar malen op eene derde plaats ontmoet

126

-ocr page 443-

DE ZWARTK TIJU. 127

had. Zij verloofde zich aan een ander, dien zij wel kende, en dat was heel natuurlijk.quot;

„En gij waart inderdaad verliefd?quot;

rZoo gij mij dat toentertijd met eenig scepticisme gevraagd had, «

ik had u op zijn minst doodgeslagen. En gij moest mijn dagboek uit die dagen lezen; vol verliefden onzin, vol aanhalingen uit höltv en anderen! Zeer zeker was ik wat men épris noemt, want het meisje was buitengemeen mooi en bevallig. Hoe het zij, ik geloof nu dat het mij veel minder bevallen zou hebben, indien zij zich niet verloofd had; ik had nu een doorn, om mij dan toch wezenlijk mee te grieven; ik kon mij nu waarlijk ongelukkig maken en verdiepen in wolken van teleurstelling en hopeloosheid; ik had nu een bepaald voorwerp voor mijne aandoenlijkheid, eene soort van verwezenlijking mijner ingebeelde smart; een voorwendsel, om het raijzelven te vergeven dat ik zulke wanhopige gedichten schreef.

In het kort, ik verdiepte mij zoozeer in deze zaak, dat ik waarlijk geloofde waarheid te schrijven, toen ik de volgende verzen aan de verlorene geliefde maakte:

AAN ***

Denk nooit aan hem, die steeds aan n zal denken,

Herinner u geen woord zelfs uit zijn mond; O zeker, \'t zou de zaalge zielsrust krenken,

Zoo gij nog nu der liefde teedre wenken.

(Helaas te laat! waarom niet eer?) verstondt.

Indien gij thans u alles bracht te binnen, j, ™»

Wat \'k in den schroom der eerste liefde sprak,

Voor nog uw hand dien zacliten band verbrak.

En mij verbood u meer te durven minnen, —

En tevens zaagt, hoe thans uw blik op mij Mijn wang niet kleurt, maar huivren doet en bleeken,

Hoe droef de lach is van mijn lip geweken,

Hoe \'k als versteend terneerzit aan uw zij\'.

Niet zwijgen kan, en — God! — niet weet te spreken,

En met wat zorg ik u te ontmoeten schuw,

Wat nooit u blijken mocht, Melieve! bleek u nu.

:4

Verhoede \'t tiod! — gij moogt het nimmer weten!

\'t Bewustzijn blijve uw teeder hart gespaard, a

Dat, wreed geboeid in zelfgesmede keten, ; J

Om uwentwil één boezem lijdt op aard. , ,\\,i

O zoo gij \'t wist, en zaagt de hartzeerteekenen

Op dit gelaat, dat van uw opslag beeft.

Gij zoudt uw heil te duur gewoekerd rekenen.

En wanen, dat gij minnende misdreeft; IffflL

Uw minnaar zou een traan in \'t oog zien druppelen Van bittrer vocht, dan minneweelde schreit.

Uw hart, verdeeld door liefde en treurigheid,

\'ril

\' - quot;M : ^

! ■ h

■Ü

J |

•ns

■j! I

lillm

-ocr page 444-

de zwarte tijd.

O Hoe zou \'t dit hart doen lijden,

Hoe hem grijpen in \'t gemoed,

Die u niet vaii \'t leed kon vrijden.

Eens zoo gaarn door hem verhoed. Maar wees zalig — blijf \'t, geliefde_!_

— Steeds geliefde! schoon niet mijn\', — \'t Hart dat gij onwetend griefde,

Zal u nooit tot aanstoot zijn.

\'t Zal in doodsche stilte lijden.

Met een glimlach op \'t gelaat. En, waar \'t mag, uw bijzijn mijden.

Dat het nergens zich verraadt! — Neen, gij moet het nooit ontdekken.

Nimmer weten hoe ik lij\',

\'t Zou een ziel tot hartzeer strekken,

Nog maar half zoo zacht als gij! Zoo die zachte ziel mijn harte

Vroeger beter had gekend,

0 zij had zoo droef een smarte Licht, uit deernis, afgewend.

Maar \'t is uit, de luchtbel spatte

Droef uiteen van hoop en vreugd, \'t Droombeeld, dat \'k in de armen vatte. Moordt mijn rust en knakt mijn jeugd, \'t Is gedaan — geen woorden helpen,

Zucht en tranen evenmin,

Doch wien smarten overstelpen.

Vindt er troost en lichtnis in.

\'t Uzren noodlot, dat ons beiden

\'t Pad heeft voorbestemd op aard. Zal ons nog wel verder scheiden,

— O dat denkbeeld is mij waard.

Vaar gij wel — en wel voor immer;

Biede u de aard slechts rozen aan. En gedenk den droeve nimmer,

Die u nastaart met een traan!

„Dat heeft veel van hyrons : Fare thee well /quot;

„In vorm ja; maar de toestand gelijkt al heel sprekend op dien in zijne gedichten aan Mavy; daaruit had ik hier ook het motto genomen:

Fair one, adieu! 1 must away;

Since thou art blest, I\'ll not repine.quot;

„En de schoone? was zij, als de vriend van daareven, denkbeeldig?quot; .. ..

„Neen, zij bestond. Het geval was, dat zij mr) nauweh)ks kende, en niet meer dan een paar malen op eene derde plaats ontmoet

126

-ocr page 445-

de zwarte tijd.

had. Zjj verloofde zich aan een ander, dien zij wel kende, en dat was heel natuurlijk.quot;

„En gij -waart inderdaad verliefd?quot;

„Zoo gij mij dat toentertijd mat eenig scepticisme gevraagd had, ik had u op zijn minst doodgeslagen. En gij moest mijn dagboek uit die dagen lezen; vol verliefden onzin, vol aanhalingen uit hölty en anderen! Zeer zeker was ik wat men épris noemt, want het meisje was buitengemeen mooi en bevallig. Hoe het zij, ik geloof nu dat het mij veel minder bevallen zou hebben, indien zij zich niet verloofd had; ik had nu een doorn, om mij dan toch wezenlijk mee te grieven; ik kon mij nu waarlijk ongelukkig maken en verdiepen in wolken van teleurstelling en hopeloosheid; ik had nu een bepaald voorwerp voor mijne aandoenlijkheid, eene soort van verwezenlijking mijner ingebeelde smart; een voorwendsel, om het mijzelven te vergeven dat ik zulke wanhopige gedichten schreef. In het kort, ik verdiepte mij zoozeer in deze zaak, dat ik waarlijk geloofde waarheid te schrijven, toen ik de volgende verzen aan de verlorene geliefde maakte:

AAN ***

Denk nooit aan hem, die steeds aan u zal denken,

Herinner u geen woord zelfs uit zijn mond;

O zeker, \'t zou de zaalge zielsrust krenken.

Zoo gij nog nu der liefde teedre wenken,

(Helaas te laat! waarom niet eer?) verstondt.

Indien gij thans u alles bracht te binnen.

Wat \'k in den schroom der eerste liefde sprak.

Voor nog uw hand dien zachten band verbrak.

En mij verbood u meer te durven minnen, —

En tevens zaagt, hoe thans uw blik op mij Mijn wang niet kleurt, maar huivren doet en bleeken, Hoe droef de lach is van mijn lip geweken,

Hoe \'k als versteend terneerzit aan uw zij\',

Niet zwijgen kan, en — God! — niet weet te spreken, En met wat zorg ik u te ontmoeten schuw,

Wat nooit u blijken mocht, Melieve! bleek u nu.

Verhoede \'t God! — gij moogt het nimmer weten!

\'t Bewustzijn blijve uw teeder hart gespaard.

Dat, wreed geboeid in zelfgesmede keten.

Om uwentwil één boezem lijdt op aard.

O zoo gij \'t wist, en zaagt de hartzeerteekenen

Op dit gelaat, dat van uw opslag beeft.

Gij zoudt uw heil te duur gewoekerd rekenen.

En wanen, dat gij minnende misdreeft;

Uw minnaar zou een traan in \'t oog zien druppelen Van bittrer vocht, dan minneweelde schreit.

Uw hart, verdeeld door liefde en treurigheid,

127

-ocr page 446-

DE ZWAKTE TIJD.

Zou niet meer slechts van rein genoegen huppelen —

Dat moet niet zijn... Dat mag niet wezen! Neen! De liefde moet u stoorloos zalig maken;

Gij moet haar zoet, en ongetemperd, smaken;

Haar rozen kroon zij de uwe — en mij, haar doorn alleen.

„Gij ziet dat ik nu al mooi martelaar was. Ik begon mijzelven dan ook recht belangwekkend, recht poëtisch voor te komen. Maar hoeveel erger werd het, toen ik den vertrouweling mijner rampen kreeg, waarvan ik u vroeger sprak! Dat was nu geen denkbeeldige, maar een wezenlijk bestaande vriend, die dezelfde neigingen eu behoeften had als ik; in één woord, die ook in dien Zwarten Tijd verkeerde. Nu begon de dichterlijke beschouwing van ons ziekelijk gevoel eerst recht hare diepte te krijgen; het was, zoo als gjj het in een uwer Gedichten wèl hebt uitgedrukt:

— die smart is poëtisch, is edel, is schoon,

En ook distien versieren, gevlochten ten kroon.

Nu vriend, wij droegen een distelkroontje, zoo stekelig ah iemand. Zie hier een vers aan den vertrouweling, in de uren des nachts geschreven :

AAN EEN DICHTER.

Voor u niet, voor mij niet, voor niemand, wiens hart Iets hoogers durft eischen dan wereldsche vreugd.

Iets wreeders kan lijden dan wereldsche smart.

Bestaan de genoegens, de weelden der jeugd. —

Gelukkig, wiens boezem de zucht nooit geblaakt.

De drift nooit beheerscht heeft, wier oflers wij zijn, Den gloed, die de wangen ons bleek heeft gemaakt.

Niet kent, noch uw noodlot kan gissen of \'t mijn!

Want hem streelt een zeepbel van ijdel genot. Een dwaasheid, een niet, dat uw hoogmoed veracht. Hij kent een geluk, waar mijn deernis mee spot;

Onze Ernst keert zich af, waar hij afgunst verwacht, En licht valt hem \'t leed, dat hem \'t leven bereidt; Hij draagt en vergeet het, en hoopt weer en lacht, Ras droogt hij de tranen, in droefheid geschreid. En spoedig vervangt weer de juichkreet zijn klacht.

„Juiat zoo als het behoort, zou men zeggen! Neen; luister!

Maar ons .... O wij koestren, wjj minnen de smart,

Ons, ons is zij dierbaar aan \'t dichterlijk hart;

Wij lieven haar meer dan genoegen en lust.

Wij oft\'ren haar willig de kalmte der rust;

Zij sloope en vertere ons: ons hart kleeft haar aan, —

Voor hem, wien de vreugde der wereld mishaagt.

128

-ocr page 447-

41

de zwarte tijd. 129

De dwaasheên veracht, waar zij glorie op draagt,

Is weemoed iets zoets en iets zaligs de traan;

Iets zoets en iets zaligs te lijden; een leed Te kennen, waar de aarde geen oorzaak van weet,

Een leed, waarvan de indruk verflauwt noch verkoelt,

Een leed, waar het leven bij kwijnt en vergaat,

Maar waar \'t harte te sneller, te hooger door slaat,

Waar de ziel zich verheven en groot in gevoelt!

«

li

Voor u en voor mij is die zalige smart; —

Maar waar is zij, die hoogere vreugd, die ons hart 1 Zich gehoopt, zich voorspeld, zich beloofd had — misschien

^ In poëtischen droom reeds nabij had gezien? —

^ Waar toeft zij, die wereld van liefde en gevoel,

Die een hemel zou zijn voor ons teeder gemoed?

Ach, hoe droef heeft ons hart voor dien waanzin geboet; Is de wereld niet arm, zijn de menschen niet koel?

Voor den sombren, den stillen, den mijmrenden Bard,

Heeft de wereld geen troost, hebben menschen geen hart.quot;

„De aanhef,quot; zeide ik, ,gelijkt op dien van da oosta\'s

Noch voor u, noch voor mij is deze aarde gemaakt, Noch de droom van haar laffe vermaken.quot;

,Misschien was de aanhef een opgevangen toon,quot; antwoordde stakteii; „maar bij da costa spreekt eene religieuse verontwaardiging, by mij eene sentimenteele. Zie hier het onderscheid tusschen waarachtig en valsch gevoel: beide klagen; maar het eerste stelt,

voor datgene waar het over klaagt, iets beters in de plants:

Onze vleugels gerept! onze boeien geslaakt!

Om oen hooger aanschouwing te smaken!

„Ziet gij, het gezonde gevoel heeft vleugels! het ziekelijke blyft op den grond liggen.

Vliegen we uit naar de Hoop, die de Toekomst omkleedt,

zegt ua costa. Ziedaar een denkbeeld, dat de sentimenteele dweper zich verbiedt. Hij wil in den lauwen dommel der smart blijven,

waarvan hij in zijne oogen al zijn waarde ontleent. Foei; ondersteld dat al zijn leed werkelijk bestond, is het dan menschelijk, is het mannelijk (om niet te vragen of het dankbaar, of het christelijk is) verzen te schrijven als deze? ,i,:ï

VERGIETEN.

I m

Vergeten? Neen, vergeten niet!

■;1

Ik heb de droefheid lief, de smart Is dierbaar aan mijn kwijnend hart.

J,

-ocr page 448-

DE ZWARTE TIJD.

Ik koester heimlijk mijn verdriet;

Want zoo mijn weemoed mij begaf.

Mijn hart was ledig als het graf,

Mijn hoop vervloog; mijn rust verdween; Mijn min werd misdaad; ze is voorbij; Elk zoet genot verzaakte mij;

Niets rest mij dan de smart alleen;

Niets bleef mij trouw dan \'t stil verdriet — Vergeten\'!1 •- Neen, vergeten niet!

Want mij, wien vreugde en lust verging, Met blij genot en levensvreugd,

In al wat hartstocht vleit en .jeugd, (A.oh, reeds zoo vroeg!) een vreemdeling, — Hoe zou \'t mij arme! mij vergaan,

Zoo \'k nog mijn droefheid af moest staan.

Was daar een Lethe, die \'t gemoed De erinn\'ring van \'t doorstane leed Ontnemen kon, \'t vergeten deed,

Ik vlood terug van d\'ijsbren vloed;

Tk ken geen waarheid dan \'t verdriet, En van die waarheid scheide ik niet.

Mij dunkt, zoo immer \'t ongevoel

Verdronsr. en mnn i?ebroiien hart

Ooit doof kon worden — doof en koel. Ik zou mijzelf verachtlijk zyn,

En bidden weer mijn zielepijn.

O! \'t eenigst, dat verkwikking biedt, Is d\' aandrang van de stille smart Steeds in te volgen, en mijn hart Ten prooi te voelen aan \'t verdriet; Te mijmren aan en om mijn leed. Te waken, dat ik \'t nuoit vergeet.

180

Gij, trouwe droefheid, blijf mij bij! Erinn\'ring aan mijn leed! o vlucht Niet heen, verflauw niet; want ik ducht De smart niet, die gij eischt van mij ! Spreek, doffe klaagstem van \'t verdriet! Vergeten? — Neen, vergeten niet!

„En toch,quot; sprak mijn vriend, weder opstaande en de portefeuille dichtslaande: „dat heb ik geschreven. Ik ben die stemming teboven-gokomen, geheel tebovengekomen; en nu, van achteren, is het mij nuttig ook deze klip in al hare eigenaardigheden te kennen. Maar

-ocr page 449-

de zwakte tijd. l3l

het is meer dan een jongelingsdwaasheid, mijn vriend! Ik verzeker u: het is een gevaarlijk spel. De ziel neemt gaarne dien melancholieke plooi aan; en het ontbreekt niet aan omstandigheden, die er ons in aanmoedigen. Vrouwen hebben er sympathie voor; .jonge meisjes worden er door bekoord. De verbeelding verliest haar\'licht, het hart zijne gezondheid, het kunstgevoel zijne frischheid, de natuur haar schoon. Ja, eindelijk zouden wij er in slagen de menschen te worden, die wij gespeeld hadden te zijn. De waarachtige poëzie wordt uitgedoofd en, geloof mij, tot zelfs de physieke gezondheid lijdt; ik had het reeds tot elapelooze nachten en bleeke wangen gebracht; wie weet waartoe het gekomen zou zijn! Ik beklaag menig jong ^auteur, wiens werk ik in handen neem — maar dan troost ik mij ook weder met de gedachte: dat men vanzelf terugkomt en zijn eigen genezing uitwerkt.

Maar indien de kracht van zijn genie of de meerderheid van zijn verstand er den dichter zeiven ook boven verheft, niet hetzelfde is te verwachten van de zwakkeren, die hem lezen. Voor hen blijft de belangwekkende weekheid hare bekoring behouden, en de dichter zal, tenzij hij herroept wat hij gedaan heeft, het verdriet hebben, naargeestigheid, menschenhaat en zelfgenoegzamen trots — want niets is hoogmoediger dan die verwaande weemoed, die op menschen van een gelukkiger gestel als met verachting neerziet — te hebben in de hand gewerkt. Daarom, indien hij ooit tevoren het donkere pad betreden heeft, en zich bewust is van eenigen invloed te hebben uitgeoefend, behoort hij den moed te hebben met eigen hand af te breken, wat hij verkeerdelijk heeft gebouwd, en te zeggen als de Apostel: „Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik tenietgedaan hetgeen eens kinds was.quot;

Starter zweeg een oogenblik, en toen vervolgde hij;

,Wezenlijke rampen en smarten heeft dit leven vele, en heb ik sedert ook gekend; maar zoo ik ze gedragen heb. het is niet geweest door mij met het schoone en poëtische der smartzelve te troosten en mij daarin te verdiepen. De weg is opwaarts, mijn vriend! opwaarts en niet nederwaarts; zoo zal dan ook de stemming opwaarts moeten zijn! Zulk eene stemming geelt kalmte, tevredenheid en menschenliefde; zij is geen ziekelijke overspanning; zij is waarachtige kracht. Maar ik wensch iedereen, tot zijne opleiding in dezen, dezelfde middelen toe, die mij ten deele zijn gevallen. K,n laat ons nu eens gaan zien, hoe de vrouw het maakt.quot;

Wij vonden de jeugdige gade met een voorspoedig kindje aan de borst, en ik las aan den avond van dien dag mijn vers „Aan eene jonge Moederquot; nog eens voor.

-ocr page 450-

ADA VAN HOLLAND.

een verhaal.

Premit altum corde dolorem. Aeneidos L. I. 209.

O Ada, teere spruit! waar vondt gy een behoeder,

Als uwe Jeugd, misleid door heerschzucht uwer Moeder, De dartle bruiloft hield, omtrent uw Vaders lijk.

Ten spijt des Adeldoms, met uwen Lodewyk?

Gy zaagt U in den haat van Hollands onderdanen, Gevangen, en uw Oom gesteld in uw gebied.

Rampzalige Gravin 1 hoe smolt gy van verdrletl L)e roozen uwer jeugd verwelkten in uw tranen.

P. Langendijk.

De ziekte van Graave Dirk den Vil had lang genoeg geduurd, om hem gelegenheid te geeven van orde te stellen op het Lands bestier, na zijn overlyden, [door de oudste Schrijvers op het jaar 1203 gesteld]. Ook hadt hy, de dood voelende naderen, zigbegeerig getoond, om zijnen Broeder, Willem, te spreeken. Met deezen wilde hy zig verzoenen, on hem de Voogdy, over zijne Dogter, ada, op-draagen. Hy beoogde, zo \'tschynt, het Graafschap, op haaren naam, door Graave Willem en \'s Lands Edelen te doen beregien. Doch zijne Gemaalin, Vrouw Aleid, verydelde looslyk, deeze oogmerken. Zy beloofde zig, met reden, weinig goeds van de Voogdyschap van Graave Willem, wien zy voorheen zoo zwaar een neerlaag hadt toegebragt.

Des was zy op middelen bedagt, om zelve, zo dra Graaf Dirk overleeden zou zyn, den klem van \'t bewind in haare magt te krygen. Zy besloot heimelyk, haare Dogter Ada aan louewvk, Graave van Loon, ten huwelyk te besteeden, en wist Otto, Graave van Bentheim, Oom van Graave Dirk, smaak in deezen toeleg te doen krygen. Veelen van \'s Lands Edelen waren \'t eens met de Gravinne. En daar is nog een Brief voor handen, eenigen tyd hier na, door haar zelve, aan jan. Koning van Engeland, geschreeven, meldende dat Ada\'s Huwelyk met den Graave van Loon, op den raad en met toestemming van veele Hollandsche Edelen en Dienstmannen beslooten was; onder welken, zy met naame noemt Rogier van Meerhem, Hugo van Voorne, Dirk van Altena, Simon, Jan en Ysbrand van Haarlem, Willem van Tellingen, Volpert en Floris van Leede [of Leerdam], Arnoud en Henrik van Ryswyk en Wouter van Egmond. Alle welke Edelen, op Volpert van Leede 71a, voor het verdrag met Hertoge Henrik van Lotharingen gestaan hadden, gelyk wy boven gezien hebben. Vrouw Aleids toeleg bleef egter zoo geheim niet, of eenige andpre Edelen, meer tot Graave Willem genegen, kreegen er de lugu van Filivs va\'i Wassenaar verklaarde,

-ocr page 451-

ADA VAN HOLLAND.

onder anderen, „dat men zig niet ontzien moest, Graaf Willem, „met geweld te handhaaven, in de Voogdije, die hem, van regts-wege, toekwam.quot;

Vrouw Aleid de zekere dood van Graave Dirk te gemoet ziende, hadt Lodewyk van Loon in stilte naar Holland doen komen, opdat lay by der hand zijn zou, om het huwelyk met Ada te voltrekken, zoodra haar Vader den geest zou gegeven hebben. Hy hieldt zig eenigen tijd op den Huize van A.ltena; alwaar hy veilig vertoeven kon, mids Heer Dirk van Altena, gelijk wy gezien hebben, volkomen in zijne belangen was. Op de eei-ste tyding van \'s Graaven dood, begaf hy zig terstond r;aar Dordrecht; alwaar hy, zonder eenig uitstel, met de jonge Ada, in de Kgt verbonden werdt. Men gunde zich geenen tijd, om \'s Graaven Lyk eerst ter aarde te bestellen. Het bleef onbegraven staan in \'t zelfde Huis daar de Huwe-lyksplegtigheden verrigt werden, en het trouwfeest gevierd. Als alles volbragt was, werd het Graaflyk Lyk, te schepe, naar Egmond gevoerd en aldaar begraaven.

Lodewyk van Loon, was een Zoon van Gerard, Graave van Loon, en van Maria, Dogter van Hendrik III, Graave van Gelder. Loon, ook Los en Luos genoemd, was een oud Graafschap in \'t Ryk van Lotharingen, en een Leen des Bisdoms van Luik. Na Lodewyk is het, onder \'t bewind van verscheiden andere Graaven geweest.--

Graaf Willem, Broeder van Graave Dirk, die zig in Friesland bevondt, kon zo ras geene tyding van \'s Graaven afsterven krygen, noch zig, op \'t ontvangen der zelve, met zo veel spoed herwaards begeven, of \'t Huwelyk niet Ada, was eenige dagen voltrokken geweest, eer hy in Holland kwam. In de Zi/pe, op de grenzen van Kennemerland, aangekomen, verzogt hy Vrygeleide van Vrouw Aleid of van Graave Lodewyk, zonder welk hy niet voorttrekken durfde. Hy gaf voor, zijns Broeders graf te Egmond te willen bezoeken. Doch \'t Vrygeleide, hier toe noodig, werd hem zoo plat geweigerd, dat hy, zig in de Zype niet veilig waanende, schielijk naar een afgelegen oord van Friesland terugtoog.

De misnoegde Edelen beloofden zich vast weinig goeds van Graaf Lodewyks Kegeering, dien zy wisten, dat Vrouwe Aleid geheel naaide oogen zag, en niets buiten haar goedvinden, doen of laaten zou. Zy voorzagen dan, dat men hen buiten den Graaflijken raad en allen bewind zou houden, en nieuwe wetten maaken, zonder hen te kennen. De reeds gemelde Filips van Wassenaar en Jan na» Rijswijk moeten voor de Hoofden der misnoegden geteld worden. By deezen hadden zich gevoegd Simon van Haarlem, Willem van Tellingen, Wouter van Egmond, Albert Banjaard, en Jacob, Burggraaf van Leiden. Men besloot Graaf Willem, heimelyk, in Holland te ontbieden; en alzo de Zeeuwen zeer tot hem genegen waren, vondt men goed, hem in Zeeland het Graaflijk bewind op te dragen. Graaf Willem begaf zich wel haast naar Wassenaar, by Heere Filips, alwaar hy zig een korten tyd ophieldt; doch zo bedekt, dat zelfs de Huis-bedienden hem niet kenden. Twee vertrouwde kneg-ten bragten hem, vermomd in een slordig gewaad, en met den

133

-ocr page 452-

134 ADA VAN HOLLAND.

hoed of muts in de oogen getrokken, van daar te schepe naar som Vlaardingen. Hier lagen Zeeuwsche schepen van het Eiland Schou- een wen op hem te wagten, in welken hy, met blydschap ontvangen werdt. Men voerde hem, in aller yl, naar Zierikzee, en riep hem daar, openlyk, voor wettigen Graave uit. De Edelen en de Burgery \'0\'\'\' verklaarden, by plegtigen eede, don Graave van Loon vervallen van de Voogdye: en oud en jong liep te hoop, om zyne vreugde te betuigen, voor den wettigen Zoon van Graave Floris, dien, met een algemeen gejuich, eere en vrede, en een lang leeven toege-wenscht werd.

Terwyl dit, in Zeeland, voorviel, arbeidden Wouter van Egmond en Albert Banjaard, in Holland, heimelyk, om de Kennemers op Willems zyde te winnen, en Vrouwe Aleid, zoo wel als het jonge Paar, te Egmond, alwaar zy verwagt werden, om den Maandelyk-schen Kerkdienst, voor den overleeden Graave, by te woonen, te overvallen en gevangen te neemen. Een andere Wouter, die Lode-wyks zyde hieldt, en zig toen juist te Egmond bevondt, kreeg de lugt van deezen toeleg, en gaf er terstond kennis van aan Vrouwe Aleid en haare Kinderen, die, drie dagen voor den dertigsten dag na \'s Graaven dood, reeds te Haarlem gekomen waren. Gysbrecht van Amstel boodfc het verlegen huisgezin zijnen dienst aan, om het te schepe naar Utrecht te voeren, \'t welk hem sedert, daur genoeg te staan kwam. Vrouw Aleid en Graaf Lodewyk omhelsden deze aanbieding, begaven zig, in \'t holst van den nagt, uit Haarlem, en bragten \'t, de Osdorpers en Aalsmeerders, die op hen loerden, ter naauwernood ontslipt zijnde, behouden te Utrecht. De jonge Graavin Ada, die maar agttien dagen gehuwd was geweest, en nu haaren man, voor eenige jaren verliet, vloodt onder ds^bescherming van Rogier van Meerhem, Hugo van Voorne en eenige anderen, op den Burgt te Leiden, welke Stad de Edelen, die \'t met Graave Lodewijk hielden, beniagtigd hadden, zo \'t schynt, na dat de Burggraaf Jacob zig voor Graave Willem verklaard hadt. Wouter van Egmond en Albert Banjaard, gantsch Kennemerland op de been gebragt hebbende, sloegen terstond het beleg voor den Leid-scben Burgt. If\'ilips van Wassenaar toog ook met zijn Volk der-waards. Jan van Ryswyk was kort te vooren overleden. Alle de Rynlandsche Dorpen raakten in roere; en trokken, in grooten getale, uit, om den Burgt te helpen winnen: binnen welken, men haast zo groot een gebrek aan mondkost had, dat men tot de over-gaave besloot, zonder iets meer dan lyfsbehoudenis te konnen bedingen. Rogier van Meerhem, Hugo van Voorne en verscheiden\'

anderen werden gevangen gehouden, tot op de overkomst van Graave Willem, die, de vereischte orde op zijne zaaken in Zeeland gesteld hebbende, naar Holland overstak, en te Egmond van de Kennemers met open armen ontvangen, en voor Graave erkend werdt.

Vrouw Ada was, na \'t overgaan van den Leidschen Burgt, Heere Willem van Tellingen, haaren Bloedverwant, in handen gesteld, die haar heuschelyk bewaaren deedt. Doch toen Graaf Willem in Holland gekomen was, deedt hy haar, volgens het verhaal van

-ocr page 453-

ada van holtjand.

sommige Kronyken, naav het Eiland Texel brengen, alwaar zy eenigen tyd bewaard, en naar haaren staat gehandeld werdt.

Aldus wagenaar, in het Tweede Deel zijner Vaderlandsche Historie, bl. 299 en volgg.

ADELHEIDE.

„Dank, Moeder Gods! ik zegevierde. De strijd heeft schriklijk veel gekost; Maar moedig bleef ik op mijn post,, \'t Was of mij hooger geest bestierde!

Zoo Adelheid hai-dvochtig werd.

Men zal haar niet ten laste leggen,

Uat ze, in de droefheid van haar hart. Het land opofferde aan haar smart. Zij heeft gewaakt! zal \'t nakroost zeggen, Die de overreding zelfs weerstond Van een geliefde\', een veegen mond; Die heerschappij voerde op haar tranen. En redde, in \'t bitter oogenblik Van hares heeren jongsten snik,

Het heil en de eer der onderdanen.

Wie droeg zich vorstljjker dan ik?.... Een enklen dag, nog weinige nren Getoond van welk metaal gij zijt.

Mijn hart! en wat gij kunt verduren,

En dan der droefheid u gewijd! Op morgen dekt u \'t kleed der rouwe. Waarnaar gij in mijn boezem smacht.... O, hoe verlangt gij naar den nacht!quot;

Dus sprak Graaf Diedriks Weduwvrouwe, Toen zij den knoop had vastgelegd Van Ada\'s overhaasten echt, En Dordrechts wal den wanklank hoorde, Waarmee eens vaders uitvaartpsalm In d\' opgeheven bruiloftsgalm Der dochter, niet veismolt, maar smoorde.

Dus sprak zij met bestorven mond;

Haar wang was bleek; haar oogen blikten

Met ongewone glinstring vond;

Haar hand beefde, en haar knieën knikten, \'t Was de overspanning van de ziel, Die alles in een vrouw deed trillen,

Wier kracht alleen bestond in willen,

Als ze in haar lagen zetel viel.

Zij drukte \'t kloppend hoofd er tegen,

13Ó

-ocr page 454-

ADA VAN HOLLAND.

A Is zocht zij heul en baat bij \'t koel En zacht bekleedsel van haar stoel, Gansch rood fluweel met goud doorregen.

, Ach!quot;

riep zij uit met diep gevoel: ,Hoe hard is \'t noodlot voor vorstinnen! Het vergt baar alles te overwinnen,

En nog miskent het volk ons doel! Gij, andre vrouwen! moogt beminnen, Beminnen voor uzelve en dien,

Dien ge eenig hebt naar \'t oog te zien; En ziet ge uw kindren om u spelen.

Zoo kreunt ge u aan de wereld niet, — Maar die een vorstenzetel deelen,

Haar liefde is cijnsbaar aan \'t gebied, En wacht van \'t nageslacht bevelen. Dat ze altijd om en vóór zich ziet.

Haar teeder kroost is vorst geboren; De gouden kroon, hun hoofd beschoren, Heeft op die schedels meerder recht Dan al de teerheid van haar echt.

De landzaat mocht zijn nood bestenen En schreien met een luid geklag, Wanneer zijn heer op \'t krankbed lag, En nu vrijuit zijn dood beweenen.

Maar \'t eerste voorwerp van zijn min Moest minder Vrouw zijn dan Gravin, En houden, door haar tranen henen, De schittring van den gravenhoed In \'t oog, met onbezweken moed! Ja! als, door pijnen neergebogen En met den schrik des doods voor oogen, De Man den Vorst had afgelegd,

Zijns ondanks, waken voor diens recht. Jn plaats dat ze, op den droeven morgen. Waarop zijn ziel haar uitkomst zocht, Bij \'t dierbaar doodsbed knielen mocht, Moest ze opstaan! opstaan! om te zorgen Voor graaflijkheid, gezag en faam,

Voor Hollands eer en Diedriks naam!

Wie kon dit? wie dan Adelheide?

Zij zag den vorstlijke\' echtgenoot.

Daar hij, reeds worstlend met den dood. Nog altijd op den broeder beidde.

Wiens zoen hij, door zijn angst verblind En dof van ziel, in \'t laatst der dagen,

-ocr page 455-

ADA VAN HOLLAND.

Nog koopen wilde, door \'t bewind Van Holland aan hem op te dragen, Ten koste van zijn eenig kind ....

Nog zie ik hem de handen vouwen, En bidden, in zijn jongste smart.

Dat hij dien Willem mocht aanschouwen — Dien ik .... terughield....

Dat was hard!quot;

Zij borg haar aanzicht in haar handen. En pijnelijke tranen brandden

Op \'t brein dier vorstlijke vorstin; Hoe hoog zij met haar moed mocht dwepen,

Daar mengden zich verwijten in \'t Gevoel, dat haar had aangegrepen.

O, welk een rol zij spelen moog.

En door wat geestdrift opgewonden. De vrouw wordt altijd weergevonden, Ook daar waar zij zichzelf bedroog.

Geen rijkstroon, door haar voet bestegen, Geen lauwerkrans, in \'t perk verkregen, Pantsier nog aangegespte degen Verandren haar geheel \'t gemoed;

De melk blijft altijd in haar bloed; En streve ze ook in \'t spoor haars vaders, Nog leeft haar moeder in haar aders.

En daarom drong een tranenvloed Door Adelheides vingren henen;

Hoe spotte zulk een vrouwlijk weenen

Met zooveel koninklijken moed!

Ja, dat was hard geweest! Zij voelde Het in deze oogenblikken diep.

De Graaf, hetzij hij waakte of sliep. Bedaarder sprak of koortsig woelde.

Had steeds dien enklen wensch geuit; Zij zag nog eens zijn oogen smeeken, Verwachten, schreien, flauwen, breken —

En: „Willem!quot; was zijn laatst geluid. O! kon zij \'t leven wederkoopen,

Al ware \'t voor één oogenblik.

Opdat hij in zijn jongsten snik,

Nu niet meer vruchteloos zou hopen,

Maar, vóór zijn uiterst\' ademtocht.

Zijn broeders handen grijpen mocht.... De prijs — mocht Hollands Graafschap wezen, Die prijs zou niet te groot zijn; zij Zich nog getroosten de voogdij Van hem te dulden ....!

\'t Was voorbij!

-ocr page 456-

ADA VAN HOLLAND.

„Neep,quot; sprak zij, driftig opgerezen;

«Niet zulke tranen voegen mij!quot;

Daar zag zij op. Een heldre straal Der ochtendzon vergulde \'t staal,

üat over \'t rood behangsel hong.

Wiens degen was het, die zoo blonk\'?

Het was haar eigen zijdgeweer,

üoor haar, aan \'t hoofd van \'t Kenmers heir. Voor Alkmaar, met veel roems gedragen.

Toen üiedrik met den Vlaming streed,

Maar zij de Friezen zwichten deed;\')

Daar had zij Willem mee verslagen!

Ha! heerlijk blonk het, toen als nu!

De zaak, waarvoor zij \'t had geheven,

Was zij ook nu getrouw gebleven!

„Nog,quot; sprak zij, „bloos ik niet voor u! Nog zal ik, nu als toen, beletten Dat hier de Oostfries een voet zou zetten. En brengen eigen broeders bloed Om erfgebied en gravenhoed!

— Heeft Diedrik van zijn oudsten lande Een deel aan Brabant afgestaan,

En nam hij \'t weer als leenman aan.

Dat was genoeg voor Hollands schande.

Voor \'t minst dees Willem zij tevreên; Wij haten hem om duizend reên;

En, schoon hij Holland durft begeeren, W ij zullen door den zoon regeeren,

Dien wij ons kozen, \'t Kleefsche bloed \';) Is niet tot zwichten opgevoed,

Noch zal zijn vorstenplicht vergeten! —

Maar, dochtertje! uw lot is schoon;

Gij zult Gravin van Holland heeten ...

„„En gade wezen van Van Loon.quot;quot;

Dat woord werd achter haar gesproken. Van plotselingen schrik verbleekt.

Zag ze om:

„Wie is het, die dus spreekt?\'\'

\'t Hoofd in de plooien weggedoken Der lange wijle 3) droef en dicht,

De teere leden der jonkvrouwe

\') In \'t jaar 1195.

Zij was dochter van Dliderik, Grave van Kleef. a) Sluier.

138

-ocr page 457-

\'I\'

ADA VAN HOLLAND.

Gehuld in \'t zwart fluweel der rouwe.

Stond daar de Bruid voor haar gezicht.

Die bruid had nauwlijks zestien jaar;

Maar nooit had schooner oofrenpaar Een bleek en kommerlijk gezicht Met weemoedvollen glans verlicht.

Betrokken was haar droevig schoon; Het blijdste blosje op haar koon Sprak leven uil, noch bloei, noch jeugd ; Haar liefste lach was zonder vreugd;

Want blos en lachje evenzeer Scheen haar niet eigen; maar veelmeer De heldre traan, die \'t lichtblauw oog Zoo vaak in \'t eenzaam overtoog;_

En had men soms dien traan bespied.

En werd de droeve maagd Naar de\' oorsprong van dat vocht gevraagd.

Zij wist het zelve niet;

Maar over \'t elpen voorhoofd hong Een wolk, te droef voor een zoo jong.

Vaak aangewezen als het teeken Van hen, wier webbe vroeg zal breken.

Een vroege smart, een vroege rust... Ach, de eerste waarborgt schaars de laatste!

Toch was \'t of, van dit lot bewust.

Zich haar vervroegde ontwikkling haastte; Schoone Ada was volwassen; geen,

Wien zij een zestienjaarge scheen;

Gevormd en rijzig was haar leest;

Zij had haar moeders kracht van geest,

Maar stiller neiging, zachter zin,

Ken hart voor teederheid en min.

Bij een gevoel van grootheid, dat Kaar zachtheid nooit verloochend had, En sterker in haar leefde dan Een kinderhart begrijpen kan.

— Neen, wie haar heden had gezien.

Daar ze, in den morgenstond.

Zich aan Van Loon in dquot; echt verbond. Met klein gevolg van edellien.

Hij had veeleerder in de bruid Haar bleekheid dan haar jeugd misduid; En beter dan het bruidsgewaad Geplooid om \'t muitend hart,

Voegt haar het kleed van somber zwart, Waarin zij voor haar moeder staat.

Vrouw Adelheide zag haar aan.

139

m

m \' 1

. Ê

\'Vquot;quot;|

: \'M

tl tl

-ocr page 458-

140 ADA VAN HOLLAND.

„ÜV dochter heeft haar plicht voldaan,quot; Sprak Ada: ,heeft er iets ontbroken? De huwlijkszegen is gesproken; \'t Verweesde Holland werd vervoogd;

Meer heeft mijn moeder niet beoogd. Gij hadt mij hem tot ga verkoren,quot;

(Hier beefde \'t zilver van haar stem) „Het zij zoo, ik eerbiedig hem ..,

En heb ik hem geen trouw gezworen ?

Dit offer heeft uw kind gebracht,

En Ada zal zich niet beklagen;

^ Halve offers hebben weinig kracht, En kunnen God noch u behagen.

Maar \'k wil den rouw mijns Vaders dragen, En, als zijn maagdlijk kind. Mevrouw! Daar voegt geen bruiloft bij dien rouw. De Graaf eerbiedigt dees mijn smarte, En \'t geeft hem aanspraak op mijn harte. Mevrouw! ik wil mijns Vaders dood Beweenen met____zijn Echtgenoot.quot;

De Moeder zweeg en was bewogen

Van eerbied voor haar Kind. Een traan Verduisterde andermaal haar oogen;

Dat woord was haar door \'t hart gegaan. En ook, de droevige en bedroefde,

Die voor haar stond, en eer dan zij Den troost van \'t rouwgewaad behoefde...

„Mijn eenig kind! vergeeft gij mij?quot;

Borst ze eensklaps uit met bange snikken, Verteederd door de zachte blikken

Der onderworpne, die bedaard,

Niet schreiend, nauwlijks zelfs verzuchtend.

Haar in de rustlooze oogen staart: „Vergeeft gij \'t niij, indien deze uchtend ü zulk een offer vergen moet?quot;____

Maar \'t antwoord was: „Ik keur het goed. Mijn toekomst is in \'s Heeren handen. Ik deed wat mij betaamde; gij Wat oorbaar1) was voor u en mij.quot;

„En voor uws Vaders Kroon en Landen!quot; Eiep Adelheide, en drukte een kus

Op \'t hoofd der droeve Bruid.

„Neen!quot; riep zij opgewekter uit:

\') Nuttig, noodwendig.

-ocr page 459-

ADA. VAN HOLLAND.

„Slechts droefheid stemt ons dus!

Neen; niet rampzalig zult gij worden.

Uw bruidegom is jong en schoon;

En op uw beider wapenborden

Uust wederzijds een gravenkroon.

Onze adel heett uw echt besloten;

Ik beu met hem te raad gegaan;

Kn \'t volk van Holland bidt u aan,

Als uit dien Diederik gesproten,

Wiens dood het viert met menig traan.

— \'t Waar droever, ware uw hand gedwongen Waar zich uw hart reeds had verhecht,

Als door een onvermijdbare\' echt Een afgebeedne werd verdrongen.

O, \'t gif van onderdrukte min Vergalde menig gade \'t leven;

Maar gij, miin jeugdige vorstin!

Uw hart — wat doet uw lippen beven V — U w hart was immers vrij ..

„Om \'t even!quot;

Sprak Ada.

\'t Was of bleeker tint De wangen van de Bruid bedekte.

Was dit het dat tot antwoord strekte,

Dat zij reeds vroeger had bemind?...

— Zij sloeg haar lieflijke oogen neder.

Beladen met een klaren drop,

Maar eensklaps hief het Kind ze weder Met kalmte tot de Moeder op.

„Ik kwam u om uw zegen vragen;

Gij zult dien uw gehoorzaam kind Niet weigren. \'k Heb u steeds bemind. En zal u minnen, al mijn dagen!

Ik weet helaas wel, dat mijn jeugd U weinig blijdschap gaf of vreugd!

Ik was te treurig, veel te treurig!

Tc mijmerziek, te stil, te week! _

Mijn jonkheid was niet rozenkleurig,

Maar, als mijn arme wangen, bleek;

Daar zij de zoete kunst, uw oogen Blij ox» te luistren, of uw\' mond Een lach te vergen niet verstond;

Dat heil, schoon zij \'t zich onderwond,

Bleef boven Ada\'s zwak vermogen.

Ik was een schreister, was ik niet?

Maar toch, ik deed u geen verdriet;

Ik was gehoorzaam, volgzaam, teeder;

-ocr page 460-

ADA VAN HOLLAND.

Ik wederstreefde nooit uw wil;

Mijn hart zweeg voor uw uitspraak stil... Daar komen reeds de tranen weder!

Ik moest dit zeggen zonder smart; En zonder dat mijne oogen schreiden,

Maar steeds komt dit aandoenlijk hart Met al zijn weekheid tusschen beiden ... Uw zegen, moeder, voor uw kind!

En zeg maar... dat gij haar bemint!quot;

Zij greep haar moeder vast om \'t midden, En bracht ze tot haar zetel weer. En knielde bij haar schoot terneer.

En hief twee handjes, blank en teer, Op, om haar zegen af\' te bidden.

O, lieflijk was zij, dus geknield;

Daar, als zij \'t hoofd voorover hield. Geheel de schat van blonde lokken,

Gelijk een stroom van gouden vlokken, Terneervloeide in haar moeders schoot. En liet den hals van marmer bloot — Want zie, opdat zij neergebogen De hand te beter voelen mocht,

Wier zegen zij zoo ijvi\'ig zocht,

Had zij den sluier afgetogen.

En Adelheide scheen verward,

Bestormd door velerlei gedachte. O! de onderworpen taal der zachte Trof als verwijt haar moederhart!

Schoon zich die dochter niet beklaagde.

Toch had zij \'t dan gevoeld, als kind, Dat zij te weinig werd bemind,

Ofschoon zij naar geen reden vraagde.

Zij kon niet neerzien op haar spruit; Werktuiglijk legde zij haar handen O]) \'t lieve hoofd der lieve Bruid;

Schoon woorden op haar lippen brandden,

Zij durfden haar den mond niet uit; Alweder poogde zij te spreken.

Alweder bleef haar adem steken;

Maar eindlijk sprak ze, op zulk een toon. Als waar haar hart bij scheen te breken: „Ach! waarom waart gij niet een Zoon!quot;

VAN LOON.

De Schoonzoon ondertusschen treedt Door sranseewelven, lang en breed.

142

-ocr page 461-

ADA VAN HOLLAND.

En wandelt mijmrend door de zalen Van \'t eerbiedwaardig slotgebouw, Dat hem als Heer begroeten zou,

Wen Ada met de kroon mocht pralen.

Hebt gij gehuicheld, Graaf Van Loon,

Toen, knielende aan haar voet.

De liefde van een jong gemoed

Door u werd aangeboón?

Bekoorde u ooit een treurig schoon.

Een ziel door smart gedrukt?

Of had de glans der gravenkroon

\'t Eerzuchtig hart verrukt?

Voorzeker! \'t was een schoon verschiet: Ofschoon de wrong haar hoofd zou sieren.

Van Hollands grafelijk gebied Zou toch uw hand den staf bestieren;

En moest ge, in \'t onaanzienlijk Los, Als dienstman aan de voeten vallen Eens meesters in den bisschopsdos, In Holland zoudt gij hooger brallen!

Daar zoudt gij schittren in den kring Van een roemruchte\' en krachtige\' adel, Die in den raadsstoel, in den zadel,

Alleen aan uwe wenken hing,

En staan, in schaduw der banieren,

Waarop de kelen liebaard praalt, \')

Naar hooger roem en zegevieren

Dan ooit uw balken had omstraald!2)

Welnu, bet huwlijk is voltrokken. Der jeugdige voegde evenmin De kroon van Bruid als van Gravin;

Maar beide voert zij op de lokken.

Die dubble luister valt haar zwaar. En knelt haar \'t hoofd in plaats van tooien. Ach, zij verschuilt hem in de plooien

Van \'t rouwfloers bij haars vaders baar! Maar zal wel ooit de stonde dagen.

Dat 7,ij hem vroolijker zal dragen?

Als gij uw stoutste droomen viert. De toekomst met de beelden siert.

Die in \'t verhitte brein verrijzen.

Vergeet gij, in uw hoogen moed;

Nooit haar een eerste plaats te wijzen,

-ocr page 462-

ADA VAN HOLLAND.

Öp dat tooneel van licht en gloed?

De groote dingen, die gebeuren

In dit uw sohittrend droomgezicht,

Vol gouden glans en blijde kleuren,

Zijn zij voor u slechts groot en licht\'?

Of\', ziet gij altijd aan uw zjjde Het bleek maar kalm gelaat van haar.

Aan wie gij, voor het echtaltaar,

Uw hand, uw trouw, uw degen wijdde?

Draagt steeds dit buigend hoofd de kroon.

Of schijnt ze, in \'t warren van uw droomen,

Soms op uw schedel neer te komen?....

Hebt gij gehuicheld. Graaf Van Loon?

Hoe \'t zij, met eerbied, jonge vorst!

Hebt ge u voor Ada\'s rouw gebogen;

Daar is geen hardheid in uw borst Voor \'t dierbaar recht van schreiende oogen;

Gij staat de zoetheid van de trouw Vrijwillig af tot na den rouw. —

Mijn Bruidegom, spelt dees genade Den zachten. of den koelen gade?

Wat nood? Verlate u ook uw bruid.

De schoone toekomst blijft u blozen;

Onthou ze u nog des huwlijks rozen,

Zij strekt haar palmen naar u uit.

Dus troost Van Loon zich; de onbedachte.

Die, speelbal van een vrouwenhart,

In even dwaas beleid verward,

Zijn zege van de toekomst wachtte;

Die Hollands graafschap had gezien Door \'t oog van weinig edelliên,

Maar in zijn jonglingswaan zich vleide Dat alles boog voor Adelheide,

Fin roemde in Ada\'s vorstlijk bloed;

Dat wie niet willig voor zijn voet Zijn recht en aanspraak nederleide.

Welras zou bukken voor zijn moed____

O, Zoo hij d\' adel wfel gekend had.

En \'t Hollandsch volk, ik zegge u dat Zijn voet naar \'t roekelooze pad Wel nooit een enklen stap gewend had; .

Een adel en een volk, wiens ziel Den Vreemdling en het Spinnewiel\')

Met even grooten haat beschouwde.

Maar eerbied droeg aan \'t heldenzwaard,

l) Een vrouwenregeering. M ^

II.

144

-ocr page 463-

ADA TAN HOLLAND.

Wiens hart voor hem zioh had verklaard, Die aan den Nijl zijn vaan ontvouwde,

Een man en broeder Diedrik waard! \') Een vluchtig schittren zult gij wezen, Van Loon! een rasverschoten glans. Als van een val-ster aan den trans. Zoo haast verdoofd als opgerezen;

Vergeefs beproeft gij de oorlogskans; Wel zult gij \'t zwaard heldhaftig zwieren

En zwaaien vaan en fakkel ruw.

Maar Holland zal uw neerlaag vieren;

Hoon en versmaadheid volgen u!

Dat had die stilte u moeten leeren,

Die om u heerschte in \'t graaflijk slot; Niet dus begint een roemrijk lot,

Niet dus een onbetwist regeeren

Maar wat gaat u dit teeken aan?

Gij wist, toen de aadlijkste onzer steden

Voor u de poort had opgedaan,

Dat gij een sterfhuis in zoudt treden, En thans, als graaflijk echtgenoot. Doorwandelt gij de slotgewelven.

En enkel bezig met uzelven.

En doof voor rouwmisbaar en dood.

En toch, hij naderde den doode.

Van Loon ontsloot een deur. Daar zag Zijn oog hem, die op \'t lijkbed lag. Zyn schoone hersenschimmen vloden.

Zijn geest was weinig voorbereid Op dit tooneel van sterflijkheid.

Zijn hart kromp saam; zijn wang verviel; Een kille schrik besloop zijn ziel.

Toch moest hij naadren tot dat bed; Hij waagde \'t, doch met wanklen tred. De waskaars wierp haar treurig licht Met blauwe scheemring op \'t gezicht Des dooden. Voor des Graven geest Was \'t sterfbed marteling geweest; Hij was niet kalm tot God gegaan; Zyn laatste wensch bleef onvoldaan; En _\'t laatste lijden van zijn hart ^ Liet zelfs tot na zijn dood Een droevig\' afdruk na van smart,

Door hem, die \'s Graven ooeen sloot Niet glad te strijken. Pjjnlijk scheen

-ocr page 464-

ADA VAN HOLLAND.

Zijn mond tozaamgeklemd;

En om de lage wenkbrauw heen Sprak \'t foltrend ongeduld van een, Die niet tot rusten was gestemd;

\'t Was of dio holle kaak Den vreemden schoonzoon stil verweet, Dat hg zijn heil dankte aan dat leed;

\'t Was of \'t gesloten oog, Een diepgedaalde wenkbrauwboog Hem ramp bedreigde en wraak.

Een drietal kloosterbroeders boog De knie bij \'t doodsbed om te bidden quot;Voor \'t heil dor ziel, die henentoog Kaar beter oord; maar in hun midden Buigt /.ich bij \'t lijk van Hollands Heer Een ongeschoren schedel neer.

En als Van Loon die kruin ontwaarde,

Hief hij zich langzaam op en staarde

Hem met twee schittrende oogen aan. Wier gloed den jonkman zoo verschrikte.

Dat hij de zijnen neer moest slaan, En huiverend ter aarde blikte.

Dat huivren duurde een oogenblik; Hij schaamde zich zoo dwaas een schrik; Zag op; de vreemde was verrezen.

Maar hield als vroeger \'t strak gezicht Aandachtig op Van Loon gericht. Hij scheen een edelman te wezen.

Door eeille houding en gewaad,

En op zijn jong en schoon gelaat Was ernst met kalmen moed te lezen,

Maar door een /.waar verdriet gedrukt — Ook had hij bij een lijk gebukt! Zyn oogen schoten gloed en vonken

Op hem, die voor hem stond, totdat Ze op eens van heldre tranen blonken;

Daar was geen droefheid in dat nat; De traan van smart vloeit trager, milder. En tempert de oogen, waar ze in welt: Maar die, waar drift het hart ontstelt. Dringt zich naar buiten met geweld En maakt den glans der blikken wilder.

De vreemde trad naar \'t ledekant. En greep des Graven koude hand. „En moest u ook dees hoon geschieden, „Mijn vader!quot; riep hij, „dat zijn blik „U in uw ruste kwam bespieden?!

-ocr page 465-

ada van holland.

„Bij God! ik zal u wreken, ik!quot;

,[k ken uquot; — ging hij voort to spreken, De blikken naar Van Loon gewend — Ik zag uw aangezicht verbleeken, Die bleekheid maakte me u bekend.

Dit is graaf Lodewijk van Loon; Dit Adelheids verkoren zoon!

Nu reeds gehuwlijkt, naar ik reken?

Voorwaar, dit bruiloftsfeest is schoon, En Holland zal er lang van spreken!

Heer Graaf! hier ligt Graaf Diedriks kroon; De kroon van holland; ze is gedragen Met eer door dit eerwaardig hoofd. En wordt niet strafloos weggeroofd Door ieder, wien zii mocht behagen!

Op maagdenvlechten voegt zü niet!

En wie, te midden van haar schreien, Een maagd verrast in haar verdriet, Om haar voor \'t echtaltaar te leien.

Dien draagt een man van edel bloed Verachting in zijn diepst gemoed.

Gij moest des dooden rust niet storen!

Verlaat hem, zoo als ik. Gij juicht Bij \'t lijk, daar zich mijn hoofd bij buigt. Ik had graaf Diedrik trouw gezworen;

Ik ga zijn laatste bede en zucht Vervullen. Trotsche vreemdling, vlucht! Gij zult van Albert Ban.jaart hooren!quot;

„Vermeetle!quot; sprak van Loon verwoed: „Dit zult gij boeten met uw bloed!

Zoo niet mijn hand nog waar gebonden, Gij zoudt niet leven om den hoon,

Geleden door een Graaf Van Loon,

Aan uw gelijken te verkonden!

Vertrek. Mijn uur van wraak zal slaan.quot;

De vreemdling was reeds heengegaan.

Der droeve Bruid werd, voor den nacht. Als zij, met roodgekreten oogen,

Lag in haar bidcel neergebogen.

Door trouwe hand een brief gebracht. „Hoop, Ada!quot; stond er in geschreven:

„Ik ken uw hart; het wederspreekt „En kroon en echtjuk u gegeven.

„Vertrouw hem, die uw Vader wreekt. „Ik heb uw\' Bruigom haat gezworen.

„Hoop! nog is alles niet verloren.quot;

147

-ocr page 466-

ADA VAN HOLLAND.

Een snel voorbijgaand blosje kleurde Haar wang, als zij \'t geschrift verscheurde, En deze woorden glippen liet:

„Neen, Albert! Neen. Gij kent haar niet.quot;

BANJAART.

„Zoo zal haar oog mij hier aanschouwen!

En als liaar vijand! O, mijn ziel!

Hoe hard is \'t noodlot des getrouwen.

Die zich aan plicht en eeden hiel!

Schoone Ada! toen gij in mijn oogen.

Ofschoon mijn mond niet spreken dorst. De liefde laast, die dees mijn borst Zoo heftig sedert heeft bewogen!

Toen gij (gij waart reeds meer dan kind.

Noch bleeft\' voor zooveel liefde blind) Al d\' eerbied merken kost, waarmede Mijn blik u volgde schreê voor schrede,

En hoe ik, als gij tot mij spraakt Of me aanzaagt, beurtlings bloosde en bleekte, Terwijl mijn oog een weermin smeekte,

Door zedigheid en rang gewraakt;

Hadt, hadt gij immer kunnen droomen,

Dat eens diezelfde jongeling ü dreigende onder \'t oog zou komen,

Met uitgetogen degenkling?...

... Maar zoo gij slechts hem aan wilt hoeren ... O God! zij komt....quot;

Verbleekt van schrik. Stond Banjaart daar met strakken blik; Nog kwam zij zijn gepeins niet storen.

Waar hij, in \'t hooge slotvertrek,

Haar wachtte tot een mondgesprek.

Want, van haar Echtgenoot gescheiden.

Die hulp bij Utrechts Bisschop zocht.

Was zij met overhaasten tocht Gevlucht\'ten grijzen burg van Leiden;

Sinds Willem met de gravenkroon Gesierd was in de Zeeuwsche landen.

En adel en gemeent\' de handen

Krijgsvaardig hieven tegen Loon.

Ach! slechts een handvol van getrouwen Biedt van die burgtin tegenweer Aan de overmacht van \'t Ken\'mers heir.

-ocr page 467-

ADA VAN HOLLAND. 149

Dat Egmonds kepers\') kwam ontvouwen,

En, in den naam van Hollands Graaf,

Den burgtzaat dwingt tot overgaaf.

Die overgaaf kwam Banjaart vragen;

Hij, die, met Egmond in \'t Verbond,

Van Loon en Adelheid weerstond,

En Willem \'t land had opgedragen.

Ach, hoe verscheurde \'t Alberts hart. Dat schuldlooze Ada \'t offer werd Van haar Vrouw Moeders blinde staatzucht,

Die, om te zekerder te gaan,

Haar tengre jeugd verknocht had aan De koorden van haar eer- en baatzucht.

„Zij,quot; dacht hij, „heeft verwacht misschien Dat Holland, om den jongen jaren Van Diedriks kroost verdriet te sparen,

Haar heerschzucht lijdzaam aan zou zien.

En op Van Loons geboden staren.

Iets anders vergt de ridderplicht;

En Banjaart mag voor Ada sterven.

Maar, waar ze eens Vaders staf wil erven.

Daar wederstaat hij ze in \'t gezicht!

Nochtans....quot;

De deur ontsloot. Zij kwam.

Rogier, uit Meerhems ouden stam.

Steunt met zijn arm haar zwakke schreden.

Wel werd door haar die hulp behoefd.

En vaak had zij vergeefs beproefd Nog met een schijn van kracht te treden. Ach, langzaam sleepte zij haar leden;

Haar wang was hol; haar oog was mat;

En toch, daar zij ter zale trad.

Hief zij zoo vorstlijk \'t hoofd omhoog,

Dat Banjaart dieper \'t zijne boog:

Hij haastte zich haar zwakken leden

Den breeden zetel aan te biên.

Want kracht om verder voort te treden Scheen gansch te ontzinken aan haar knien.

„Ik dank u, heer van Brederode Dus sprak zij met een flauwen lach.

Daar zij hem diep in de oogen zag,

„Zij heeft geen vijands hulp vannoode,

„Die nog op vrienden steunen mag.quot;

1) Egmonda wapenteeken.

\'•\') Banjaart van Brederode wordt hy gennpmd.

-ocr page 468-

ADA VAN HOLLAND.

Toen werd zij Meeker dan een doode,

En zette langzaam zich terneer:

„Gij laat. ons weinig rust, mijn Heer! Bedenk toch, wij zijn jong en teer,

En niet gewoon ons \'t lijf te weren;

En sedert, vrede zij zijn ziel!

Een dierbre Vader ons ontviel,

Ontbrak ons tijd den krijg te leeren. — Ik hoop toch niet dat gij vergat.

Dat ik den Graaf tot vader hadïquot;

„Mevrouw!quot;....

„Ik heb niet uitgesproken.

Ik gis uw boodschap; gij begeert Dat Ada zich voor u verneert —

Maar \'t heeft haar nooit aan moed ontbroken. Zij meende, dat zij Egmonds vaan Nog véle maanden kon weerstaan.

En dat ze inmiddels kalm kon wachten Op haar heer Gade, die zijn vrouw Gewis ontzet verschaffen zou —

Zoo, zeg ik, waren haar gedachten,

En ze achtte \'t zich haar Echtgenoot Verplicht; zij zag den grooten nood.

Waar deze burcht in moet verkeeren.

Niet in, en kon haar wil geschiên.

Zij zou den laatsten steen verweren,

En vroom den dood in de oogen zien. Dan, grooter schijnen de gevaren.

Dan zij zich voordoen aan haar oog; Ook schat zij hier haar raadsliên hoog. Als meer in oorlogskunst ervaren;

Zij wil geen dwaasheid, die het bloed Des landzaats nutloos zou doen vlieten;

En roekeloosheid is geen moed,

Valsche ophef mag geen geestkracht hieten.

Zij wil zich dus met u verstaan.

Met u .... of Egmond, of met beide.

En de overgave biedt ze u aan.

Maar vergt voor zich een vrijgeleide. Men voere mij, met Voornes Heer, En Meerhem. en wat eedlen meer Hier Diedriks dochter nog beschermen, Terstond in mijn heer Eega\'s armen.

En vrij dees wal van de oorlogsplaag! Ziedaar mijn antwoord op uw vraag.quot;

-ocr page 469-

ADA TAN HOLLAND.

Zij bracht dees rede statig uit;

En toen verrees de Gravenspruit, En greep, hem nopende om te gaan, Opnieuw den arm van Meerhem aan. En Banjaart stond daar als verplet; Zoo fier een taal had hem ontzet; Het vorstlijk antwoord, dat zij gal\'.

Perste aan zijn hart bewondring af.

Maar als zij nu vertrekken zou,

Sprak hji verward;

„Neen; blijf. Mevrouw! Één oogenblik! één enkel woord! Gij hadt mijn boodschap niet gehoord; Gij weet niet alles; o vertrek Niet, voor ik heel mijn last ontdekk\'! Verneem een zending van gewicht.

Aan u ... , aan u-alleen gericht.quot;

Zij gaf een wenk aan Meerhems Heer, En weer zonk ze üi den zetel neer.

Haar kracht was uitgeput; zij sloot Het lieflijk oog als in den dood. En waarlijk, als haar Banjaart /,ag. Zoo roerloos als zij nederlag.

Met lippen blauw als lood.

Hij had dit teer en buigend hoofd.

Dees dunne vingren dood geloofd.

Indien haar zwoegende ademhaling Hem niet behoed had voor die dwaling.

De ridder zweeg; hij kon niet spreken; Hoe pijnlijk hem het zwijgen viel. Den moed gevoelde hij zijn ziel En aan zijn adem kracht ontbreken.

Hij zocht naar woorden, naar begin; In \'t eind, met bevinge der lippen.

Liet hij dees uitroep zich ontglippen: „Hoe schriklijk is uw lot. Vorstin! Hoe droef vervallen is uw wezen,

Door angsten, door gestadig vreczen!quot;

„Geen vreezen — hongren!quot; viel zij in.

Hoe sidderde Albert op het hooren Van zulk een taal, uit zulk een mond; Zijn voeten voelden nauw den grond; De dochter, Hollands Graaf geboren. Het kind, geteeld uit vorstlijk bloed En opgebracht in overvloed.

151

-ocr page 470-

ADA VAN HOLLAND.

Gelaafd, gespijsd met\'t eêlste en beste,

Dat de aarde ooit koningskindren bood,

Leed in deze ingesloten veste

Gebrek, en klaagde hongersnood!

Nog meer! De vrouw van zijn gedaohte,

Het wezen, door zijn hart vergood,

Zij was het, die naar nooddruft smachtte!

Schoon Gravenkind! herroep dat woord!

,0! dat ontviel mij,quot; ging zij voort;

„Tk had het nimmer moeten uiten;

Het maakt mijn vijanden bekend,

Hoe groot de maat is der ellend\'.

Maar. .,. breng de tijding vrij naar buiten ; Verkondig, durft gij, wijd en zijd, Dat Diedriks dochter honger lijdt!quot;

„Gewis; de nood is hoog gerezen,quot;

Sprak Banjaart, „op dees burcht, Mevrouw! Klke aanval onzer heirmacht zou Ontwijfelbaar de laatste wezen.

Gij hebt om vrijgelei gevraagd;

Vergeef mij! in deze oogenblikken,

Kunt gij niets vragen, niets beschikken;

En weigren waar te veel gewaagd.

Wij zijn aanspraaklijk voor uw leven En welzijn bij den Graaf, uw Oom;

Gij kunt u zonder schande of schroom Aan een van ons in handen geven.

En zoo gij Albert Banjaart kent, En weet.... wat zucht zijn hart doet kloppen, Wat smai-t zijn boezem moet verkroppen . .. Mag hij het zijn, tot wien ge u wendt?quot;

Zij sloeg haar oogen naar den grond. „Een Banjaart kende ik wel voordezen,

Een Albert Banjaart,quot; sprak haar mond: „Misschien zult gij dezelfde wezen. Nog onlangs toen \'k, mijn plicht getrouw, Bij \'t graf mijns Vaders knielen zou,

Kwam mij die naam nog eens ter oorer;

Ik ben door hem vervolgd, belaagd,

Daarna belegerd op dees toren.

En nu in gijzeling gedaagd —

Is dit die Banjaart van tevoren?quot;

„Dezelfde!quot; riep hij uit: „hij dient Vorst Willems zaak, maar als uw vriend!

-ocr page 471-

ADA VAN HOLLAND.

Hij heeft den degen uitgetogen, Uit plicht, uit eerbied voor het recht, En, schoon hij ook uw zaak bevecht. Hij volgt u met beschermende oogen.

Zoo lang hij leeft en iets vermag. Zal u geen leed geschiên; zijn leven Wil hij voor u ten beste geven.

En zalig reeknen zulken dag !

Maar ook, zijn zwaard is niet geheven Om Ada te vervolgen; schoon Het lot het dus beschikt. Van Loon, Ziedaar het voorwerp van ons strijden; Den opgedrongen bisschopsknecnt, Die hier wil heerschen tegen recht, En u ten prooi geeft aan een lijden. Dat staatzucht over u besloot, Terwijl....quot;

„Hij is mijn Echtgenoot.quot;

Als Ada deze woorden sprak.

Was \'t of op \'t mat gezicht Een blosje door de bleekheid brak.

Een vonk van feller licht Zich in haar flauwend oog ontstak. Hoe trotsch zag zij op Baujaart neer!

Ja, de ingezonken leest Verhief zich, met den fieren geest

Van Diedriks dochter, weer. Had Adelheid haar kind gezien.

Van zooveel kracht bezield, Z:quot; 1 \' \'it oogenblik misschien

voor haar geknield.

Ja, Moeder! U gelijkt zij nu,

Tn houding en gelaat;

Maar \'t hart, dat in haar boezem slaat,

Hoe ver beschaamt het u!

Het voelt zijn grootheid in een plicht.

Die zwaarder strijden vergt.

Dan waar de krijgstrompet toe tergt En dat een glans van eer verlicht. De moed, dien \'t hart der Vrouw besluit.

De grootheid van haar ziel — Wie damp;nr ook roem te beurte viel\' — Blinkt niet op \'t spoor der mannen uit. Ncenj wf.ar de kampstrijd wordt gestreên

1^ eigen hart en zin;

Waar plicht en eer ter worstling treên Met ongeluk en min;

153

-ocr page 472-

ADA VAN HOLLAND.

Waar zelfverloochening de borst, Die lijdt en zwijgt, met staal omschorst DSAr, tot beschaminge des mans,

Blinkt voor de vrouw de gloriekrans.

Wat zeg ik, blinken\'? Neen;

Geen stervling, die zijn scbittring ziet; Die hem behaalde siert hij niet Dan in haar graf alleen.

Dit al besefte Banjaart niet;

Want hevig stormde \'t in zijn harte.

Als Ada hem in haar verdriet Met al haar kalme grootheid tartte.

Zelfs scheen \'t of hij nog meer vergat Den eerbied, Diedriks dochter schuldig, Wanneer hij woest en ongeduldig Den zaalvloer op en neder trad. In \'t einde ving hij aan te spreken: „Uw Echtgenoot? 0, wees oprecht! Gij vloekt dees opgedrongen echt. Ik weet het. Nu! gij kunt hem breken.

Hij is onwettig. Neen; ik schroom Geenszins de waarheid u te ontdekken, Daar gij geen huwlijk mocht voltrekken,

Dan met vergunning van uw Oom. Welnu; nog is het tijd van keeren;

Een enkel woord van u tot mij. En niets ter wereld zal u deren;

Gij zult gelukkig zijn en vrij.

Gij kunt dit krijgend land verlaten. En wachten, in geruster staten,

Tot hier het zwaard ter scheede keert. Gij hebt wel nooit de kroon begeerd; Men noopte u \'t hoofd er in te dringen.

Ofschoon \'t uw harte kosten zou; En — nooit zal zij uw kruin omringen! Wat zoudt gij Hollands eedlen dwingen, Om tegen dierbaar gravenbloed Hun zwaard te richten, en hun moed Te toonen in dees droeve tijden,

Omdat ge een naam, door hen bemind. Aan dien des vreemdelings verbindt. Dien zij verfoeien en bestryden!

Gevangnis wacht u; ballingschap; God weet wat ramp en welke ellenden! Maar die gij alle af kunt wenden, En door een enklen, vrijen stap. Verklaar, dat gij uw echt wilt breken. Dat u. als ons. 7,ijn nietigheid

-ocr page 473-

ADA VAN HOLLAND.

En Willems rechten zyn gebleken.

Dat men uw jonkheid heeft misleid.

Jonk vrouwe! zie mij aan uw knieën! Ik knielde nimmer, sinds den dag Dat ik ontving den ridderslag,

Dan om aan God myn beê te bieëu.

Ik eisch niets voor mijzelf\', Mevrouw! Ik wenschte u aan uw ongelukken,

Aau deze uw hatelijke trouw, En \'t nijpende gevaar te ontrukken.

Verhoor een hart, dat voor u slaat!

Daar waren uren, dagen, weken,

Dat daar iets was in uw gelaat. Dat zoete dingen scheen te spreken — Toen mooglijk had ik eenig recht----quot;

„Mijnheer! wio heeft u dat gezegd?quot;.,. Sprak Ada, haastig opgerezen,

„Mij dunkt, \'t eerwaardig sacrament Des huwlijks moest u heilig wezen.

Ga! ik veracht heui, die het schendt.quot;

Zij sprak dit uit met kracht en klem

En heldre stem.

Toen was \'t of haar gefolterd hart Door velerlei geslingerd werd.

Eerst blonken tranen in haar oogen; Zij was gehaast die af te drogen;

Toen sidderde om haar mond een lach, Als vroeger niemand van haar zag; Zij beet de lip; haar vingren trilden;

Haar oogen zwierven wild in \'t rond, Alsof ze een toevlucht zooken wilden.

Maar meden Banjaart t\' eiker stond, In \'t eind, zij heeft haar kracht vergaderd; Het zilver klinkt; een page nadert: „Ontbiedquot;, dus sprak zij, „Heer Rogier Van Meerhem hier,quot;

Hij komt; haav kalmte heeft zij weer:

„Verzei dees edelman naar \'t heir: Verklaar er, dat we ons onzen Neven Van Tellingen in handen geven.

En ons verlaten op zijn eer.quot;

ADA.

O, Stille scheemring van den morgen. Als gij te voorschijn lokt en vleit Al wat in mist en duisterheid

155

-ocr page 474-

ADA VAN HOLLAND.

En dikke schaduw lag verborgen,

Hoe lieflijk maakt gij \'t aangezicht Van aarde en hemel bij uw licht!

Het zijn geen stralen, uitgeschoten Met zevenwerf verscheiden glans,

Geen stroom van gloed, van \'s hemels trans Op \'t kleurig landschap uitgegoten;

Maar koele daging, kalm en zacht.

Geen strenge vijandin der nacht,

Maar die dier schaduwen vereenigt

En saamsmelt met haar sober licht. Den strijd der harde kleuren lenigt,

En d\' omtrek afrondt voor \'t gezicht.

Voor ons, in \'t noordsche land geboren,

Waar nevel de ochtendkimmen dekt,

Wordt dat gezegend uur gerekt Van schemerschijn en twijflig gloren;

Als, in dien kalmen tusschenstaat.

De mist geen haast maakt weg te drijven.

En \'t maantje, met zijn bleek gelaat. Nog wat vergunning heeft van blijven;

Daar aan de kim een wolkgevaart De pracht der zon verbergt voor de aard, Maar \'t hooger zwerk begint te blozen Van zacht oranje en bleeke rozen.

Die lucht en aarde doen verstaan.

Dat zij nochtans is op-gegaan.

Dat uur van liefelijke rust Wordt door de lieflijke genoten,

Die, uit haars vaders erf verstooten. Een ballinge is aan Texels kust.

O, \'t is haar hart een zoete lust.

Voor nog de zonneglansen gloren Op \'t leidak van den hoogen toren.

Waaruit zij \'t eiland overziet.

Te turen in het grijs verschiet. En \'t ruischen van de zee te hooren.

Ja, haar is bitterheid weervaren;

De hand van \'t lot is tegen haar;

Het jonge leven valt haar zwaar;

En nooit trof kind van zestien jaren Een jammer, als haar zachte ziel In \'s levens uchtend overviel.

Maar kalm, als \'t landschap, voor haar oogen In lenteschoonheid uitgespreid,

Is hier haar vredige eenzaamheid;

De storm heeft struik en steel bewogen. En speelde wreed met bloem en knop;

-ocr page 475-

ADA VAN HOLLAND.

Gedwee heeft ze eerst het hoofd gebogen,

En daarna hief zij \'t moedig op.

Zooras de wonde was geslagen,

Waar Ada\'s hart aan bloeden zou, Gevoelde zij die kracht tot dragen,

Die al de grootheid maakt der Vrouw. In \'t eerst, te hevig opgewonden.

Deed de overspanning Ada pijn,

Maar nu, in eenzaamheid verzonden.

Scheen heel haar ziel in rust te zijn. Men hoorde nooit haar lippen klagen, En schoon zij nimmer vroolijk scheen, Men vond haar zelden in geween.

Maar veel met de oogen opgeslagen.

Ten ruimen blijden hemel heen!

Haar jeugd was arm aan gloed van stralen En wat er blinkt voor vorstlijk kroost, Maar \'t lieve licht van stillen troost Scheen op haar Ijjden af te dalen.

Een licht — gelijk \'t vroege uchtendlicht Verdraagzaam met den nacht der smarte, En zacht en lenigend voor \'t harte.

Sterkte Ada tot den zwaren plicht. 0, Velen dragen \'t leed van \'t leven, De hardheid van een moeilijk lot, Hun toebedeeld van onzen God,

Door zich in tranen toe te geven,

Behagen scheppende in de smart. En dwepende in \'t gebroken hart. Zij wanen Gode te behagen,

Door wat Hij tot beproeving zendt Met een geknakte kruin te dragen,

Trotsch op \'t gewicht van hunne ellend; — Maar \'t bloedend harte te genezen.

Uit waar geloof, met moed, en kracht Uit rein besef van plicht gerezen,

In zelfverloochening betracht;

Geen enkle smarte te vergeten.

Maar sterk te zijn bij iedre smart — Ziedaar wat waarlyk deugd raag heeten; Ziedaar de kracht van Ada\'s hart.

Slechts \'s avonds, als het duister werd, Maar \'t zonlicht aarzelde om de kruinen Va,n Hollands welbeminde duinen.

Voor alles donker werd en zwart. Verzonk zij soms in mijmeringen. Die pijnlijk door haar ziele gingen. En biggelde op haar bleek gezicht

-ocr page 476-

ADA VAN HOLLAND.

Een held re traan; maar, neergebogen,

Sloot zij voor d\' aardschen nacht haar oogen. En sterkte zich aan \'t hemelsch licht.

En nu: zij ziet het eiland over,

\'t Schoone eiland, dat den burcht omringt. En, in den dos van \'t eerste loover,

Den dauwdrop van den ochtend drinkt. Van verre rimpelen de baren

Haar ruischend kleed; een flauw geglim Begint aireede aan de oosterkim Haar grauwe golving op te klaren.

Op eenmaal! \'t Wolkgebergte scheurt En braakt een vuurgloed uit zijn krater, Wcerspieglend in \'t beweeglijk water.

Heel \'i oost is teeder rood gekleurd. Hoe schitteren dier bergreeks zoomen

Van d\'eigen glans, dien zij weerhoudt! Nu wordt een schittrend\' stip vernomen,

Waar alle vroegre gloed bij flauwt, Als vlammig koper bij rein goud; Het breidt zich uit met kracht van glansen.. De schoone zon beheerscht de transen!

Daar splijt zich, aan der kimmen rand. Het wolkgevaart naar iedren kant, En baadt zijn afgescheurde brokken

In \'t goud, •waarvan de hemel gloeit,

Of lost zich op in dunne vlokken,

Wier grijsheid in zijn rood vervloeit. Al hooger stijgt de zon ten hoogen, Met minder goud, maar meerder licht; Met zwakker blos op \'t aangezicht.

Maar met een feller kracht in de oogen;

Ja, zij verwerpt den purpren krans. Waarmee zij \'t nuchtre hoofd deed pralen: Haar rozen worden louter stralen.

Haar gouden sluier, enkel glans.

De zee weerkaatst dien duizendwerven; Als glinstrig marmer blinkt het duin; \'t Bosch wacht hem op zijn groene kruin, En \'t burchtraam op zijn bonte verven; De schaduw krimpt ineen, maar scherpt Haar omtrek; \'t blij gebloemte werpt Een regen van gekleurde droppen Terneer uit de uitgeslapen knoppen;

En de ijdle duif schiet snorrende op. En haakt om in die zonnestralen Met purpren hals en krop te pralen.

Hoog boven beuk en lindetop!

-ocr page 477-

ADA VAN HOLLAND.

Hoe duidlijk kwam, bij \'t helder licht, Westfrieslands uithoek in \'t gezicht!

Helaas! Schoone Ada\'s harte schrikte,

Zooras haar oog naar \'t zuiden blikte.

Daar immers blonk dees zonneglans Op zwaarden, schilden, en banieren,

En ook op \'t blank heimet des mans. Die voor haar zaak het zwaard deed zwieren.

Daar werd de grond met bloed bespat;

Daar menig eerlijk hart vertreden;

Daar in haar naam een strijd gestreden,

Waarbij men echter haar vergat! — Ach! sinds ze op Texel was gekomen,

Zoolang ze als balling nederzat,

Had zij van d\'Eega niets vernomen,

Wien zij haar rust geofferd had.

De bleeke Bruid was ras vergeten;

De Kroon vervulde \'t hart; hij deed Zich Graaf van Loon en Holland heeten;

Genoeg indien hij voor haar streed.

Totdat het pleit zou zijn voldongen,

Waaraan zijn recht en titels hongen!

Maar zij • ■. zoo had zij zich doordrongen Van \'t sterk gevoel van trouw en plicht, Dat ze altijd vreesde een slecht bericht Omtrent den koelen ga te hooren.

Zij beefde voor een zegepraal, Die andermaal haar rust zou storen,

Maav meer voor \'t lot van haar gemaal. O, Zoo de ondankbre had geweten,

Hoe Ada menig, menig dag.

Aan \'t smalle burchtraam neergezeten.

Met angst voor hem, naar \'t zuiden zag. En siddrend dacht aan zijn gevaren,

Die toch alleen uit heerschzucht streed, Hy had, in deernis met haar leed.

Wel eens naar \'t noorden willen staren.

En met gevoel van teederheid Aan de ongelukkige gedenken.

Wier rust zijn moedwil wreed kwam krenken.

Wier argloos hart hij had misleid!

Zie, dat hij Ada\'s cog verblind had. Een teedren gloed had voorgedaan.

Ofschoon hij nimmer haar bemind had.

Dat was haar wreed door \'t hart gegaan; Maar dat hem \'t veinzen zelfs verveelde.

En, sinds zij hem ontnomen werd.

Hij zelfs zijn rol niet langer speelde,

-ocr page 478-

ADA VAN HOLLAND.

_ Dat viel haar dubbel, dubbel hard! En echter stijgen voor den wreeden,

Die uit zijn ziel haar beeld verstoot, Nog daaglijlts haar getrouwe beden: Want... is zij niet zijn Echtgenoot?

Ook nn, op dees verkwikbren morgen. Terwijl haar oog naar Holland ziet, Verlaten haar de bange zorgen

Voor \'t lijfsbehoud des Graven niet. De knaap, zoo dikwijls uitgezonden Om kondschap van den worstelstrijd, Vertoefde nooit zoo lang een tijd; Wat tijding zou hij nu verkonden?

Het witte zeil, door haar gezien.

Van \'t opgaand zonnelicht beschenen.

Was. van zijn boot geweest misschien! Althans \'t was onder land verdwenen.

Hij kan aan wal zijn; o zij telt Zijn schreden om den burg te naderen ... Daar is iets rustloos in haar aderen,

Dat haar een euvle boodschap spelt. In \'t eind, ze aanschouwt hem in de verte; Wat treedt hij traag door de iepenlaan! Hoe schijnt hij telkens stil te staanl\' En immer sneller klopt haar harte. \' De poort ontvangt hem; wat behoeft Hij nog op \'t slotplein dus te dralen? — Vliegt, dienaars! om den knaap te halen; Zegt dat uw Meesteres hem toeft.

Hij naakt; zijn aanzicht spelt verblijding,

„Wat tijding, Egbert?quot;

„Goede lijding! Gravinne! uw Eega triomfeert;

Zuidholland is hem toegevallen;

De Kenmers zijn door hem verneerd. En Haarlem ziet hem in zijn wallen. Ha! vreeslijk tuchtigt hij het land!

Sint Aagtendorp is platgebrand.

En \'t slot van Banjaart ligt in kolen; De burcht van Egmond evenzeer; De abdij..,quot;

„Genoeg; en Banjaarts heer?quot;

„Ts bij het vuur aan \'t zwaard ontscholen. Als hij een uitval had gedaan.

-ocr page 479-

ADA VAN HOLLAND.

En als een leeuw zich \'t lijf verweerde,

Zag hij de vlam het Huis uitslaan;

Dies hij gezwind den teugel keerde. Tot onder \'t brandend poortgewelf Vervolgde hem uw Eega zelf;

Van uwe hand wil ik niet sterven!

Riep hij geweldig uit, en vloog In \'t brandend Huis, voor aller oog; Men zag hem door de vlammen zwerven; Daar waren die hem zagen tot Hoog in den toren van het slot.

Hoe \'t zij, de vaan van Brederode Verscheen nog eenmaal op de tin — En toen stortte alles daavrend in ....quot;

„En hij?quot;

„Niets vond men van den doode.quot;

„Ik weet genoeg,quot; sprak Ada: „ga!quot;

Staroogend zag zij Egbert na.

Een poos bleef ze in gepeins verloren;

Toen zag zij zorgzaam om zich heen. Of zü wel vrij was en alleen, En niemand, niemand haar kon hooren!

Daar blonk haar oog van helder nat. Daar sidderden haar bleeke lippen.

Daar liet zij luid dit woord ontglippen; „Ik heb dien Banjaart liefgehad.quot;

Er was verluchting in die klachte. Een oogenblik bleef ze in gedachte:

„Neen, ik zal sterk zijn!quot; riep zij uit; Eu uit haar miimring opgerezen:

„Van Loon! Ik sterf uw trouwe bruid. Alleen maar — mocht het spoedig wezen!quot;

Welnu! die bede werd verhoord:

Haar rust werd nimmenneer verstoord; Nog weinig maanden, in gebeden.

Geduld en ootmoed doorgebracht.

En toen was Ada\'s strijd gestreden.

Wat slaapt een jonge doode zacht.

-ocr page 480-

RIJMBIJBEL.

De oorspronkelijke stukken van mijne hand zgn met een B., twee gtukken, met bekorting en wijziging aan Jeremias de Decker ontleend, met een D. geteekend. Al het overige is met veel vryheid gevolgd naar W. Hey\'s „Erzahlungen aus dem Leben Jesu für dk Jügendquot;

zachauias.

Luk. I. v. 5—23.

i.

Daar leefde een telg uit Levi\'s stam, Die Zacliarias was geheeten, Een deugdzaam man van rein geweten, Een waardig zoon van Abraham;

En die geheel zijn levenstijd Getrouw den Heer had toegewijd.

Twee wenschen heeft zijn edel hart.

Sinds \'t rijpen van zijn levensdagen, In stillen ootmoed omgedragen,

Zijn hoop in vreugd, zyn troost in smart; Zoo die de goede God vervult,

Is heel zijn pad in licht gehuld.

Beloofde niet zoo menig tolk Des Allerhoogsten, lang geleden,

Dat daar een Heiland op zou treden, Een Redder van \'t verloren volk; Uit Davids stam een frissche loot. Een Koning, boven allen groot?

Dien vliegt zijn uitzicht in \'t gemoet; Dat ras de Heer diens komst verkonde. Helaas! nu dienstbaarheid en zonde Des Heeren volk verkwijnen doetl „O!quot; bidt hij, „mocht mij \'t heil geschiên, „Dien dag met eigen oog te zien!

„Maar zou de glans van \'sHeilands rijk „Oen erfzaat van mijn huis beschijnen? „Of zou mijn naam en stam verdwijnen, „Het stof des wandelpads gelijk?

-ocr page 481-

RIJMBIJBEL.

„Neen, dat me een lieve zoon verkwik k\', „Op wien ik stervend nederblikk\'!quot;

De jaren vliegen om altoos;

Zijn arm verzwakt; zijn kruin wordt grauwer,

Zijn hoop met iedei morgen flauwer;

Elizabeth blijft kinderloos.

Maar \'t zij dat zijn geslacht verga —

Onwrikbaar toch blijft Gods gena.

II.

O, Zie hem thans in \'t heiligdom, Het priesterkleed om \'t lijf geslagen, Het wierookvat voor \'t outer dragen, En keeren \'t over \'t outer om.

Veel hooger dan de wierook stijgt Zijn beê: „Vervul uw woord in \'t endo; „Gedenk, o Heer! uws volks ellende,

„En hoe \'t zijn Redder tegenhijgt.quot;

En eensklaps, daar hij eenzaam bidt,

Daar treft een zacht geruisch zijn ooren, En in den geurwalm ziet hij gloren Eens Engels schittrend zilverwit.

Wel was des priesters vreeze groot;

Maar de Engel sprak: „Wat zoudt gij vreezen

„Elizabeth zal moeder wezen;

„Gij zult een zoon zien vóór uw dood.

„Die zoon zal vóór den Heiland gaan, „Van Hem getuigen, roepen, leeren,

„En aller voet te Hemwaart keeren, „Met kracht van boven aangedaan.quot;

Dit treft den ouden man te zeer;

Zoo de Engel \'s Heilands komst verkondde, Het was genoeg te dezen stonde.

Genoeg tot \'s Heeren eeuwige eer;

Maar dat hem ook een Zoon gewordt!... Hij durft zoo stout een hoop niet wagen, En staat in twijfling en verslagen;

Is niet eens grijsaards kracht verdord?

Daar spreekt des Heeren knecht tot hem: „Ik sta voor Godes aangezichte;

-ocr page 482-

RIJMBIJBEL.

De oorspronkelijke stukken van mijne hand zijn met een B., twee stukken, met bekorting en wijziging aan Jeremias de Decker ontleend, met een D. geteekend. Al het overige is met veel vrjjheid gevolgd naar W. Heï\'s „ Erzdhlungen aas dem Leben Jesu für die Jügend.quot;

zach aki as.

Luk. I. v. 5—23.

I.

Daar leefde een telg uit Levi\'s stam, Die Zachariaa was geheeten. Een deugdzaam man van rein geweten. Een waardig zoon van Abraham;

En die geheel zijn levenstijd Getrouw den Heer had toegewijd.

Twee wenschen heeft zijn edel hart,

Sinds \'t rijpen van zijn levensdagen, In stillen ootmoed omgedragen,

Zijn hoop in vreugd, zijn troost in smart; Zoo die de goede God vervult,

Is heel zijn pad in licht gehuld.

Beloofde niet zoo menig tolk Des Allerhoogsten, lang geleden.

Dat daar een Heiland op zou treden, Een Redder van \'t verloren volk; Uit Davids stam een frissche loot, Een Koning, boven allen groot?

Dien vliegt zijn uitzicht in \'t gemoet; Dat ras de Heer diens komst verkonde. Helaas! nu dienstbaarheid en zonde Des Heeren volk verkwijnen doet! ,0!quot; bidt hij, „mocht mij \'t heil geschiên, „Dien dag met eigen oog te zien!

„Maar zou de glans van \'s Heilands rijk „Geen erfzaat van mijn huis beschijnen? „Of zou mijn naam en stam verdwijnen, „Het stof des wandelpads gelijk?

-ocr page 483-

BIJMBIJBEL.

„Neen, dat me een lieve zoon verkwikk\', „Üp wien ik stervend nederblikk\'!quot;

De jaren vliegen om altoos;

Zijn arm verzwakt; zijn kruin wordt grauwer,

Zijn hoop met ieder morgen flauwer;

Elizabeth blijft kinderloos.

Maar \'t zij dat zijn geslacht verga —

Onwrikbaar toch blijft Gods gena.

II.

O, Zie hem thans in \'t heiligdom, Hot priesterkleed om \'t lijf geslagen. Het wierookvat voor \'t outer dragen, En keeren \'t over \'t outer om.

Veel hooger dan de wierook stijgt Zijn beê: „Vervul uw woord in \'t endo; „Gedenk, o Heer! uws volks ellende,

„En hoe \'t zijn Redder tegenhijgt.quot;

En eensklaps, daar hij eenzaam bidt.

Daar treft een zacht geruisch zijn ooren, En in den geurwalm ziet hij gloren Eens Engels sehittrend zilverwit.

Wel was des priesters vreeze groot;

Maar de Engel sprak: „Wat zoudt gij vreezen

„Elizabeth zal moeder wezen;

„Gij zult een zoon zien vóór uw dood.

„Die zoon zal vóór den Heiland gaan, „Van Hem getuigen, roepen, leeren,

„En aller voet te Hemwaart keeren, „Met kracht van boven aangedaan.quot;

Dit treft den ouden man te zeer;

Zoo de Engel \'s Heilands komst verkondde, Het was genoeg te dezen stonde,

Genoeg tot \'s Heeren eeuwige eer;

Maar dat hem ook een Zoon gewordt!... Hij durft zoo stout een hoop niet wagen, En staat in twijfling en verslagen;

Is niet eens grijsaards kracht verdord?

Daar spreekt des Heeren knecht tot hem: „Ik sta voor Godes aangezichte;

-ocr page 484-

rijmbijbel.

„Hij sprak het woord dat ik berichtte: „En twijfelt gij aan \'sHeeren stem?

„Zoo hoor hoe gij gelooven zult:

„Daar ga, van dezen stonde,

„Geen woord uit uwen monde, „Tot alles zij vervuld.quot;

III.

Het volk, dat buitenstaat En naar den Tempel ziet,

Vraagt met een bang gelaat: „Wat of den Priester zij geschied?quot;

Daar staat bij voor hun oog, Ten voorhove ingegaan,

En ziet hen ernstig aan;

Maar slechts zijn band bewoog.

Zijn mond bleef stom en dicht;

Maar wie hem gadeslaat,

Ziet, op zijn vroom gelaat. Den weerschijn van het godsgezicht.

En spraakloos keert hij weer, En wacht .met kalm geduld, Geloovig in den Heer,

Tot alles zij vervuld.

Zijn hope wrikt noch wankt;

\'t Zjj als Jehova wil!

De mond blijft stom en stil; De ziele juicht en dankt.

maria.

Luk, I. v. 26—38.

J.

Schoon Bloemeken, laag weggedoken

In kruid, dat hooger schiet! Hoe heerlijk is uw kelkje ontloken. Ofschoon geen oog u ziet.

Wat zoeter geur, uit u gerezen, Verkwikt de luwe locht;

-ocr page 485-

RIJMBIJBEL.

Hoe zalig zou de stervling wezen,

Die u hier vinden mocht!

Schoone Edelsteen, 200 diep verborgen In \'t duister van de mijn!

Die u mocht brengen aan den morgen, Hoe schatrijk zou hij zijn.

Maar ach! een ondoordringbaar duister Boeit straal en schitterglans,

En wat een rijkskroon strekt tot luister. Ligt zonder eere thans.

Maar die u schiep, God in den hoogen. Geeft acht op uw waardij;

Want wie Hij lief heeft zien zijn oogen, In welken schuilhoek \'t zij.

Een nederige jonkvrouw leeft er In \'t stille Nazaret;

Een Koningsdochter; maar wie heeft er Op haar geslacht gelet?

Haar rang en afkomst zijn verscholen In \'t ongetooid gewaad;

Behoeftige armoe houdt verholen Haar koninklijken staat.

Maar wat zou Haar naar eer doen talen. Naar aardschen rang of pracht?

Met ziet de starren \'t helderst stralen, In d\' allerzwartsten nacht.

Haar oog is slechts op God geslagen; Hem hoort haar hart geheel;

Hem wil zij dienen al haar dagen;

Hij is haar lust, haar deel.

II.

Maria ligt, van God bezield, In \'t stil vertrekje neergeknield; Zij heeft haar hart en ziel en leven Op nieuw, in \'t kinderlijk gebed, In \'s Heeren trouwe hand gegeven. Die op de stem der kleinsten let.

165

-ocr page 486-

166 RIJMBIJBEr..

Al wat Hij wil, al wat Hij doet,

Is voor de vrome ziele goed.

Zal haar geluk of zegen wachten?

Zij neemt het aan tot Grodes eer;

Of zal de smart bij haar vernachten? Zij buigt in zwijgend\' ootmoed neer.

Zoo wereldgunst of aardsche lof Ooit harten met verleiding trof:

Zij wil alleen den Heer behagen;

Zij volgt slechts als een kind haar God. Hij zal haar helpen. Hij haar schragen,

Bij \'s werelds jammer, smaad en spot.

Daar schemert iets voor haar gezicht.

Daar ziet ze, omstraald van hemelsch licht. Een vriendlijke\' Engel nederzweven;

Eerst hoort ze een zacht, een zoet geruisch; Daar treft haar, tot inwendig beven.

De klank eens henielschen geluids.

En de Engel voert haar in \'t gemoet-„Gezegende! wees luid gegroet!

„Met u is God! Zijn oogen schouwen „In dubble goedheid op u neer;

„Gij zijt de zaligste der vrouwen;

„Gij, de uitverkoorne van den Heer.quot;

Als zij van zulk een groet verschrikt

En siddrend naar den Engel blikt,

„Staakquot; - spreekt hij - „staak dit angstig beven!

„Op u stroomt Gods genadevloed;

„Want zie, u wordt een Zoon gegeven,

„Die als een Koning heerschen moet.quot;

Op deze wooi-den suft de maagd;

Zij weet zich rein en kuisch en vraagt: „Hoe kan dat wezen?quot; Op dat vragen: „ü heeft des Heeren Geest vervuld;

„Dies \'t Heiige, dat gij baren zult,

„Den naam van Godes Zoon zal dragen.quot;

Daar buigt zij zich deemoedig neer:

„Zie hier de dienstmaagd van den Heer; „Haar moog geschieden naar Zijn wills! „Hem zij de lof en de eer alleen!quot;

Toen zweeg zij in gepeinzen stille. En \'t goddelijk gezicht verdween.

-ocr page 487-

RIJMBIJBEL.

JEZUS GEBOORTE.

Luk. II. vers 7.

Indien gij vraagt: Waar zal mjjn oog Den neergedaalde van omhoog Ontmoeten, en mijn blij gelaat Aanschouwen \'s werelds Dageraad, De Star, waar ieder zon bij zwicht, En die den zwartsten nacht verlicht?

Zoo wend den blik niet naar den gloed, Die koningskronen blinken doet; Zoo hef uw oog niet naar den glans, Die afstraalt van een lauwerkrans; Zoo tuur niet op de schitterpracht, Waarmee zich rijkdom siert en macht.

. Maar volg, waar u m^n hand geleidt, Ter plaats der diepste needrigheid.

Hier, in dees slecht verlichten stal.

Hier ligt de Koning van \'t Heelal.

Hier, in dees kribbe, Juda\'s eer! In grove windslen, \'s werelds Heer! Hier, de erfgenaam van Davids troon, Gods eigen, eengeboren Zoon!

O Denkbeeld, zoet voor onzen geest: Ook Jezus is een kind geweest. Een hulploos wicht, als onzer elk. Als wij gedrenkt met moedermelk!

Nu ga, en zeg aan al wat leeft. Dat ons de Heer gezegend heeft; En dat, naar zijn beloftenis,

De Christus Gods geboren is.

DK TIEHDEIIS.

LUK. 11. t. S—14.

Herders, op het stille veld,

De oogen hemelwaart!

Ziet, wie daalt er neer op aard?

Hoort hetgeen hij meldt! Ai, wat siddring gaat u aan? In dit stil en plechtig duister,

Ziet gij eensklaps hemelluister. En een Engel voor u staan.

187

-ocr page 488-

RIJMBIJBEL.

Herders, siddert niet voor hem;

Leed verkondt hij niet;

Zoo gij \'t aan zijn oog niet ziet,

Hoort het aan zijn stemr „\'k Zeg u groote blijdschap aan, ,D, en allen die het tiooren;

„Want de Heiland is geboren, „Die uw schuld op zich zal laan.

„Hij, de Christus en de Heer,

„Ligt in Davids stad,

„Als het God beschoren had,

„In de kribbe neer.quot;

Ziet, daar blinkt het blij gedrang Van des Hemels legerscharen, Herdren! die het aan moogt staren. Hoort hun jubelend gezang!

En de Herders hoorden \'t schallen: „Hoogste heemlen, zingt Gods eer! „Vrede daalde op aarde neer, „En in menschen welgevallen.quot;

DE MOEDE U.

LTIK. 11. V. 9.

Maria\'s luistrende ooren hoorden

Wat door de Herders wordt verhaald, En zoo haar spraak en rede faalt.

Haar boezem overlegt die woorden.

Als zij, met innig zielsverrukken, Op \'t pasgeboren wichtje ziet.

Zoo weet ze uit heilig\' eerbied niet.

Of zij het wel aan \'t hart durft drukken.

Het is haar alles als een droom.

Zou dit haar kindje zijn? haar eigen?

En nauw bedwingt zij, in haar schrocm, Haar knie om zich voor \'t wicht te neigen.

Zoo waarlijk meent ze op \'t zoet gezicht De hemelsche gena te lezen,

En beeft, als \'t op haar knieën ligt, Zoo groot een heil onwaard te wezen.

168

-ocr page 489-

RIJMBIJBEL. Itjy

Zij raatt het aan met zachte hand,

Zoo als men \'t heilige aan moet raken;

O Teeder kind! o dierbaar pand!

Wat zoetheid doet ge uw moeder smaken!

SIMEON.

T.ttk. II. v. 25—35.

I.

Hooge jaren,

Grijze haren,

Kracht uit God, Zijn, o Simeon, uw lot! Neergebogen Op uw staf.

Slaat gij de oogen

W\'i

Ji

Naar uw graf.

\'t Heerlijkst hopen

Staat u open, llfli

Na den dood:

Zaligheid in Abrams schoot.

Maar te voren Zal uw oog \'t Licht zien gloren Van omhoog.

r

Eerst nog zullen

Zich ■vervullen.

Hem ter eer.

De beloften van den Heer, En uw blikken

Aan quot;t gezicht Zich verkwikken Van dit wicht.

B.

IT.

Als Simeon, van grijsheid stram,

De moederlijke Maagd ontmoette.

Het Kindeken in de armen nam.

En met een blijden glimlach groette, , 1

Daar hief zijn mond den lofzang aan.

Tot eere Gods, die hem gespaard had Totdat zijn oog zich nog verklaard had Aan \'t Licht, der wereld opgegaan.

-ocr page 490-

rijmbijbel.

„Nu laat go, o Heer! den stromplende\' Oude

In vrede heengaan naar uw woord,

Nu hij uw Zaligheid aanschouwde,

Die al de volkren tegengloort,;

De heldre Zonne, die den Heiden Zal schittren in \'t verblind gezicht;

En, ze overstralend met haar licht, De glorie Isrels uit zal breiden.quot;

III.

Als de Moeder hem ziet, eu haar oor door zjjn lied Wordt gestreeld in het diepst van haar harte;

Daar bevangt haar een schrik, want een donkerder blik Van den grijsaard bedreigt haar met smarte.

„Zie,quot; dit is \'t wat hij meldt: „dit uw kind wordt gesteld Tot een aanstoot in Israels streken;

Die aan menig ten val, en ten steun strekken zal.

Tot een teeken, dat velen weei-spreken.

Wie uit Jacobs geslacht nog een Heiland verwacht En begeert, zal dit kind openbaren;

Maar o wee! als Uw hart \'t felle zwaard van de smart, In zijn grievendste vlijm, zal ervaren.

DE WIJZEN UIT HET OOSTEN.

Matth. II. v. 1—12.

i.

Wien zoekt gij op vermoeide voeten. Eerwaardig drietal? Spreekt, waarheen? „Wij komen ver uit \'t Oost getreên, „Om d\'ü geboren Vorst te groeten.quot;

Wie deed in \'t verre land u hooren.

Dat hij het licht ontvangen had?

En wie geleidde u langs uw pad.

Dat gij het nergens hebt verloren?

„Zijn heldre ster verscheen onzquot; oogen; „Toen hebben we ons den voet geschoeid; „En sedert dwaalden we onvermoeid, „Tot wij Hem hier aanbidden mogen.

170

-ocr page 491-

RIJMBIJBEL.

„Want als wij naar dien Koning vraagden „Den Wijzen van Jeruzalem,

„Zoo wezen ze ons op Bethlehem,

„Waar uw Profeten van gewaagden.

„Mar ving zijn ster weer aan te blinken; „Op gindsche hutte straalt haar licht; „Dddr is het koninklijke Wicht; „Da4r willen we aan zijn voeten zinken.quot;

11.

De ster houdt stand;

Der Wijzen hand Ontsluit de laaggebouwde woning; Zij treden in met diep ontzag, — En in zijn Moeders armen lag Het Kind, de jonggeboren Koning.

O Schoon gezicht

Van \'t heilig wicht! Het driemanschap staat opgetogen, \'t. Is of een zachte hemelgloed Het kinderhoofdje glanzen doet. En uitstraalt uit die schuldlooze oogen!

Geen twijfel meer!

Zij vallen neer,

Aanbiddend wat hun oogen zagen, En offren wierook, mirre, en goud; Al wat men Vorsten waardig houdtquot;. En God in \'t offer op durft dragen.

Het wichtje zag,

Met zoeten lach.

Op hun gebogen schedels neder:

Was daar iets zeegnends in zijn oog? Gewis, zijn Vader van omhoog Gaf hun de gaven tienvoud weder.

DE DROOM.

Matth. ii. v. ia.

De boosheid waakt, die \'t kwade doet, Maar God opdat hij \'t kwaad verhoed\'; Hij ziet haar op haar donkre wegen;

171

-ocr page 492-

eijmbijbki..

Zij pleeg haar sluwe listen raad,

Zij strekk\' de hand ter euveldaad, — Nog keert zijn goedheid het ten zegen.

Schoon zij zich onbeteugeld acht,

God zet de perken voor haar macht.

Hoog is haar driest geweld geklommen; Hij .spreekt: zij buigt den trotschen kop; Luid heft haar stem den bloedkreet op: Een enkle wenk — hij moet verstommen.

Herodes zint op gruweldaan.

De Wijzen spreekt hij vleiende aan,

Opdat zijn Ifst zijn snoodheid dekke:

„Gaat, zoekt het koninklijke kind, „En brengt mij kondschap waar gij \'t vindt. „Dat ik eerbiedig derwaarts trekke.quot;

Maar neen! die helsche list mislukt. De Wijzen, van het Kind verrukt.

Gedenken aan geens Konings woorden! Dat hitst zijn moedwil dubbel aan:

Toch zal zijn prooi hem niet ontgaan,

Zijn dolk den jongen Koning moorden!

Maria sluimerde gerust.

Het Kind lag in haar arm gesust.

Ook Jozef sliep. Kon hij vermoeden Wat ramp de boosheid hem beschikt?

Maar God, die uit den hemel blikt,

Hij wist het, die Zijn kind zou hoeden.

Een droom, gezonden van den Heer,

Daalt zacht op Jozefs zinnen neer;

Een stem komt tot hem uit den hoogen: „Op Jozef! maak u op met spoed!

„Op! met de moeder en haar bloed,

„Naar verre landen heengetogen!quot;

de vlucht.

matth. 11. v. 14

De tocht gaat aan.

Het licht der maan Schijnt vriendlijk over Bethlenis weiden; Maar toch, Egypteland is ver.

En waar de ster,

Die hen zal leiden?

172

-ocr page 493-

RIJMBIJBEL.

Zij vreezen niet.

Jehova ziet En telt en regelt al hun schreden; En, schoon zij buiten Isrel gaan, Hem roepen ze aan Tn hun gebeden.

De wreedheid woed\'

En dorst\' naar bloed,

Toch zal zo \'t heilig Kind niet deren. Zij wandlen veilig aan öods hand, In \'t vreemde land,

Naar \'t woord des Hoeren.

Zijn liefde doet De zon haar gloed Verzachten, waar zij treden mogen;

En als vermoeidheid kwelt of dorst,

Hij zalft hun borst Met frissche togen.

Hij zendt bij nacht Zi)n Englenwacht,

Die \'t Kindje met hun vleuglen dekken; En sterkt met sluimring, diep en zacht. Der oudren kracht,

Om voort te trekken.

Zoo komen zij Het land nabij,

Hun aangeduid door \'t woord des Heeren; Zoo leven ze in Zijn hoede voort, Tot óók Zijn woord Hen weer doe keeren.

Igt;K KINDERMOORD.

JlATTH. II. V. 16.

O, Haast u niet om weer te keeren Vrome Ouders, naar \'t geliefde land! Daar dreigt de haat met wreede hand; Geen liefde, die haar af kan weren.

Volleerd in schande en gruwelstukken. Schoffeert een vorst zijn heilig ambt. En doet, in dolle woede ontvlamd, Den moorddolk uit de scheede rukken.

-ocr page 494-

RIJMBIJBEL.

O, Zie hem, zie hem dreigend blinken,

In de arme stad, die gg verliet;

Hoor, waar de roode bloedstroom vliet, Der moedren jammerklacht weerklinken.

De moordlust weet van geen erbarmen;

Helglinstrend als een bliksemstraal, ^ Zwiert ze in haar vuist \'t getrokken staal. En treft het kind in onderarmen.

Helaas, zoo menig dierbaar wichtje Ligt met doorstoken borst ter aard; De wreedheid, die geen lijkjes spaart. Trapt op \'t vertrokken aangezichtje.

De moeders, die haar kroost verloren.

Haar vreugd, haar lust, haar eigen bloed, Gaan om, waanzinnig en verwoed, Kn willen geen vertroosting hooren.

O, Zuigelingen aan de borsten,

O, Telgjes op uw moeders schoot Besprongen van zoo wreed een dood, Hoe duur staat u de haat eens Vorsten!

Kan God het gruwelstuk niet keeren En de onschuld wreken van omhoog\'i1 Of kan \'t ontschuilen aan zijn oog?

Waar is de waakzaamheid des Heeren?

En toch, God waakt. Vergeefsche zonden! Vergeefs, o Vorst uw mofid gekoeld! De dolk, die op \'t kind Jezus doelt, Zal zijn onschuldig hart niet wonden.

Zoo vroeg wil God niet dat hjj sterve. En vloeit hier ook onschuldig bloed, Hij maakt het duizendvoudig goed. Die allen redt van den verderve.

Eens neemt Hij al de lieve kleenen. Om zünentwil dus wreed vermoord, Genadig op in beter oord.

Daar za) geen droeve moeder weenen.

-ocr page 495-

RIJMBIJBEL.

JEZUS KINDSHEID.

Luk. II. v. 41-62.

1.

DE TOCHT NAAK JERUZALEM.

Het is een lust voor \'t vroom gemoed,

Naar \'t Huis van God den voet te keeren,

En voor \'t geloovig harte zoet,

Te naadren tot een feest des Heeren.

Welzalig \'t kind, dat in zijn jeugd Vroeg voor Gods aangezicht gebracht wordt,

Waar \'t dankbaar zijn leert in de vreugd, En hoort hoe \'s levens smart verzacht wordt!

Blijmoedig treedt dees breede schaar;

Toch komt ze een verren weg getogen!

Een zoet verlangen prikkelt haar.

Een schoon verschiet speelt haar voor de oogen.

Ofschoon ze een rijzend voetpad gaan.

Geen moeheid zal hun moed verkloeken;

Den Psalm des Optochts \') heffen ze aan, Waarmee zij \'s Heeren aanzicht zoeken.

Maar d\' allervoorsten in de rij.

Die \'t eerst de godsstad zullen groeten.

Treedt onvermoeid een knaap op zij,

Wien ze in \'t verschiet haar wijzen moeten.

Hoe blinkt zijn oog, als hij ze ontwaart,

Daar ze opdaagt in do verre verte;

En als hij op haar tinnen staart, Wat huivring schokt zijn jeugdig harte!

Dit is het Huis zijns Vaders, dit Het Huis, geheiligd aan den Heere!

Waarin men ottert, rookt, en bidt,

En zich verzamelt, Hem ter eere.

Daarhenen richt ook bij deu voet! Als Leerling wordt hier \'t Kind ontvangen,

175

In \'t huis, waar eens een groote stoet Zal aan des Meesters lippen hangen.

\') De Liederen der Optochten {Liederen Hammaülöth) die raeu, van Psalm 120 tot 134 Ingesloten, In het boek der Psalmen aantreft, werden waarschijnlijk door de tot de Hooge Feesten opgaande menigte gezongen.

-ocr page 496-

RIJMBIJKËL.

11.

HET HUIS ZIJNS VADEas.

Naar \'s Vaders Huis verlangt zijn jeugd; Daar toeft hij met gewijde vreugd,

Daar, al de feestelijke dagen;

Daar zit hij aan de voeten neer Van hen, die leeren van den Heer, En heeft zooveel te vragen.

Te vragen slechts? Neen! \'t Helderst licht Was opgegaan voor \'t godlijk wicht,

En deed hem wondren zien van wijsheid En wat een knaap van twalef jaar Doet hooren aan der wijzen schaar. Verbaast het oor der grijsheid.

Hoe zalig wie hem gadeslaat!

Om \'t zacht en kindei-lijk gelaat

Schijnt glans van hooger licht te spelsn, En van zijn lieve lippen vloeit Een rede, die elks ooren boeit.

Om ieders hart te streelen.

Welnu; een Kind verheft zijn stem;

Maar is het niet de Zoon van Hem,

Wien hier zijn reine lippen prijzen? Een Kind! Gewis; haast komt de tijd, Dat Hij de volkren wijd en zijd Zal op zijn Vader wijzen.

111.

JEZUS VERMIST.

De feesttijd is voleud;

De schaar der vromen wendt Den voet om af te trekken;

Ook de oudren treden in de rij En schoon zij \'t knaapje niet ontdekken, Zij achten \'t zich nabij.

Maar als, op verdren tocht, Hun oog hem vruchtloos zocht. Zoo keeren zij met schromen.

Drie bange dagen staan zij uit.

Totdat zij aan den Tempel komen.

Die \'t dierbaar wicht besluit.

-ocr page 497-

RIJMBIJBEL.

Geduldig toevend slijt Het jongske daar den tjjd, Met vragen en met hooren;

Waar kon hij beter zijn dan daar?

Hier ging geen oogenbhk verloren; In Gods huis geen gevaar!

De moeder ziet hem aan:

„Wat hebt gij ons gedaan? „Wij zochten u met smarte.quot;

Maar vriendlijk zegt zijn heusohe mond: „Gij zocht me, en wist niet dat mijn harto „In \'t Vaderhuis zich thuis bevond?quot;

IV.

JEZUS TE NAZARET.

Zoo hij hun smart had aangedaan,

Zijn harto had geen schuld daaraan;

En ras vergeet hun liefde \'t lijden. —

Hij zal hen duizendwerf verblijden.

En daadlijk tot den tocht bereid,

Volgt Jezus waar de weg hen leidt,

En daalt van Saierns hoogten neder, Eu jSTazaret ontvangt hem weder.

Uit liefde tot den plicht gezind.

Betoont hij zich een volgzaam kind;

En zoo zijn kennis aan mag winnen.

Hij doet zich daaglijks meer beminnen.

Daar blijft van hem geen enkle plicht,

Geen needrig dienstwerk onverricht;

En, altijd ijvrend voor zijn ouders,

Heft hij de zorg hun van de schouders.

Hij, eigen, eenge Zoon van God,

Deelt met hen in een menschlijk lot. En schikt eerbiedig, zacht en stille.

Tot hulp gereed, zich naar hun wille.

Zie, als hij optreedt als Gods Zoon, Is \'t evenzeer tot dienstbetoon.

Om allen, zoo zij tot hem vlieden.

De hand ter redding aan te bieden,

n. u

177

-ocr page 498-

lUJMHIJBKI.,

Want hij, wiens aardsch bestaan begint In \'t needrig krebje van een kind, Hj) komt niet om gediend te worden,

Maar om zich \'t dienstklsed aan te gorden.

JOHANNES DE DOOPEK.

MATTH. III. V, 1 — 12.

De woestijn geeft een pleclitigen kreet;

\'t Is \'t geluid van des Roependen stem: „Maakt de wegen des Heeren gereed, „En vereffent de paden voor Hem!quot;

Ja, een andere Elia omhult

Zich het lijf met het kemelshaar kleed; Van zijn Geest en zijn Godspraak vervuld, Treedt hij op als Jehova\'s Profeet.

De Gestrenge! Geducht was zijn oog,

En zijn houding ontzaglijk en groot,

Als zijn lip zich tot spreken bewoog,

En zijn vuist in bedreiging zich sloot.

\'t Was de man die, op \'t steenige pad.

Honig vroeg van de kloven der rots;

Die den sprinkhaan der wildernis at;

Maar zich laafde aan de raadslagen Gods.

De heraut van den Christus is hij.

Die ,bekeering, bekeering!quot; beveelt;

Want het koninkrijk Gods is nabij.

Waar geen maagschap der boosheid in deelt. Zie. hij doopt, o Jordaan! in uw bad;

Maar reeds leeft Hij, en nadert zijn uur, Die met meerder zal doopen dan nat, — Met den Heiligen Geest en met vuur.

„Farizeen! Gij addrengebroed!quot;

— Alzoo spreekt de Gezant van den Heer — „De toekomende toorn is in gloed;

„Gij ontwijkt of ontvliedt hem niet mesr! „Aan den wortel ligt de akst, die den stam,

„Die geen vrucht draagt, hoe bladrijk hij zij, „Op zal offren aan \'t heete der vlam; „Zoo bekeert u! Gods rijk is nabij!

„Kindren Abrams! gij roemt uw geslacht,

„Schoon gij voortleeft in zonde en in kwaad; „Ook uit steenen verwekt ze zijn macht, „Zoo Hij \'t wil, wiens gebod gij versmaadt.

-ocr page 499-

RIJMBIJBEL.

„Zoo gij vraagt wat Jehova beveelt?

„Dat gij recht doet, en niemand berooft, „Dat gij uitstrooit den armen en deelt;

„Alzoo daalt \'sHeemi gunst op uw hoofd.

„Alzoo neemt de Messias u aan.

„Maar Hij komt, met de wau in zijn hand! „Op zijn dorschvloer doorzuivert hij \'t graan,

„En Hij levert het kaf aan den brand.

„Ja, de tarwe vernacht in zijn schuur,

„Waar de trouw van zijn dienaars haar brengt; „Maar voor \'t kaf vlamt een rusteloos vuur, „Dat de stopplen tot een toe verzengt.quot;

JBZUS GEDOOPT.

Matth. III. v. 13—17. Mark. I. v. 9—11,

Johannes staat aan d\' oever van den vloed.

En om hem heen der schuldbewusten stoet.

Die leer en doop ontvangen uit zijn handen; Och, mocht het hart van elk, die huiswaarts keert, Van ijver om te doen wat God begeert.

En liefde branden!

Ook Jezus naakt den bochtige\' oeverkant. En wenscht den Doop te ontvangen van zijn hand.

Johannes treedt terug op die gedachte;

„Hoe? Gij begeert den waterdoop van Mij? „Mij voegt veeleer dat ik Uw doopling zij, „üw zegen wachte.quot;

Maar Jezus, die in hem Gods dienaar eert,

Volhardt bij \'t geen Hij van zijn hand begeert;

De Koning wil den doop als de Onderzaten; En minzaam spreekt zijn mond: „O, Aarzel niet! ,\'t Betaamt ons dus, van wat de plicht gebiedt „Niets na te laten.quot;

En als Hij daalt in \'t helderstroomend bad, En \'t godlijk hoofd eerbiedig bukt naar \'t nat,

Hem noodeloos tot reiniging van zonde;

Zoo wordt op eens, als steeds bij wondien plag, De schepping vol van huivring en ontzag,

En zwijgt in \'t ronde.

En als Hij straks weer opstijgt uit den vloed.

Daar straalt op eens een zachte hemelgloed,

-ocr page 500-

RIJMBIJBKL.

En komt zijn licht om Jezus lokken spreiden; En, zwevende als een duif op zilvven veer,

Daalt \'sHeeren Geest op \'sHeilands schedel neer. En blijft er beiden.

En eensklaps klinkt een zuivre hemelstem;

„Mijn gunst en welbehagen rust op Hem,quot;

Spreekt God: „Zie hier mijn Zoon, mijn welbeminden Dat woord weerklinkt nog nu in menig hart;

En wie Hem zoekt, in leed of zondesmart,

Die zal Hem vinden.

DE VEHZOEKINü IN DE WOESTIJN.

Matth. IV. V. 1—11.

I.

DE BOOZE.

Hoe? Is des Boozen euvelmoed

Zoo groot, dat niets hem vreezen doet,

Dat hij den Reinen aan durft blikken En tarten tot zün worstelperk?

Durft hij, door list en lagen sterk. Den Heilgen lokken in zijn strikken?

Vernam hij, in de afzichtbre hel,

Van Gods genade \'t grootsch bestel,

Zoo is de tijd zijns wroks gekomen;

Want de aarde, \'t voorwerp van zijn wensch, Met den door hem gevallen mensch,

Zijn roof, zijn buit wordt hem ontnomen.

Verborgen voor zijns volks gezicht,

Bereidt zich Jezus tot den plicht,

Waarop hij \'t oog des geestes vestte, En toeft in \'t hart der woestenij.

Reeds veertig dagen vastte hij.

Maar nu, nu hongert hem ten leste.

Daar treedt, geoefend op verraad. Met vriendlijk oog en heusch gelaat, De Satan voor des Heilands oogen-„Hoe? Lijdt Gods zoon hier hongersnood? „Hij vordre van dees rotsen brood;

„Wat zou Zijn almacht niet vermogen?quot;

Naar \'s Tempels tinnen voert hij hem. „Welnu,quot; klinkt des Verzoekers stem.

-ocr page 501-

RIJMBIJBEL.

rWerp, werp u af! Gij moogt het wagen. „Zijt Gij Gods Zoon, voor u geen nood! „Daar de Englen Gods Gods Gunstgenoot, „Op hunne handen zullen dragen.quot;

Hij voert hem op een hoogen berg.

Dat hij zijn hart met eerzucht terg: len! „Ziehier al \'s werelds vorstendommen!

„Indien gij neervalt aan mijn kniên,

„Zult gij ze in Uwe handen zien,

„Ten top van grootheid opgeklommen.quot;

De Heilige blijft onverlokt;

Geen list des Satans, die hem schokt

Of in zijn hart den lust kan wekken; Hij keert de pijlen, die hij spilt, Op \'t godlijk woord als op een schild.

En dwingt hem schaamrood af te trekken.

II.

DE ENGELEN.

Englen des hemels! daalt neer van omhoog.

Dat gij den Heiland, verwinnaar, moogt groeten! Schaamrood vlood Satan daarheen voor zijn oog.

Englen des hemels! daalt neer van omhoog,

Valt aan des Heilands gezegende voeten.

Englen des hemels! hoe schoon klonk uw lied,

Bij zijn geboorte, door Bethlehems dreven!

Sedert vergat gij Gods Heiligen niet.

Waar Hij zich wendt, en zijn Vader gebiedt,

Zijt gij gereed om zijn slapen te zweven.

Englen des hemels! Gods eenige Zoon Zou aan den dienst van den Satan zich wijden? Hij, die hem stort van zijn pralenden troon?

Hem toeft daarboven de schittrende kroon.

Die hij zal dragen teu einde der tijden.

Englen des hemels! daalt neer van omhoog.

Dat gij den Heiland, verwinnaar, moogt groeten! Schaamrood vlood Satan daarheen voor zijn oog;

Englen des hemels! daalt neer van omhoog.

Valt aan des Heilands gezegende voeten!

B.

181

-ocr page 502-

HUM BIJBEL.

U E TLA M Cl O 1gt; S.

Joh. I. v. 29.

Johannes stond, en doopte en leerde Een groote scliaar,

Wier harte zicli tot God bekeerde, Ontwijfelbaar.

Maar toch, hen kwelt een pijnlijk vreezen; Hun harte beeft:

Wie zal hen van de smet genezen, Die op hen kleeft\'?

Wat offer, groot genoeg, te brengen, Dat God voldoet?

Wat wierook op \'t altaar te zengen. Wat lamm\'renbloed?

Johannes schat van \'t angstig harte Die vragen hoog;

Maar als hi] uitziet in de verte. Wie \'treft zijn oog?

Een jonge man gaat door de dreven. Waarop hij staart;

Zijn blik is ernstig en verheven. En hemelwaart.

Genade en milde liefde spelen Om \'t schoon gelaat;

En \'t schijnt zijn vrede mee te declcn. Waar dat hij gaat.

De vriendlijke opslag van zijn oogen. Zoo zacht van gloed,

Geeft allen, die hem aanzien mogen, Een stillen moed.

„Zie,quot; zegt Johannes, diep bewogen, „Ziedaar \'t van God gegeven Lam, „Dat alle zonden op zich nam.quot; —

UE KliUII.OFT TE KANA.

Joh. II. vs. 1—11.

Hier is een welversierde zaal, Ken blijde drom, een vroolijk maal;

-ocr page 503-

RIJMBIJBEL.

Hier spreekt de vreugd uit oog en mond Hier gaat de gulle beker rond;

Hier viert de welvernoegde geest Een schoon, een hartlijk bruiloftsfeest. Ook Jezus plaatst zich aan den disch; Geen vreugde geeft Hem ergernis.

Daar, waar m\' in eerbaarheid en deugd, Zich in den huwlijksband verheugt. Die trouwe harten saamverbond.

Daar blikt hij zacht en minzaam rond, Daar zegent hij met milden zin Het feest der vriendschap en der min. Hij, die op God vertrouwt, wiens hart, Door ondeugd niet bezoedeld werd, Die niemand kwelt, die niemand haat. En de armoe nooit verlegen laat,

O hem verbiedt de wil van God Niet, luid te juichen in zijn lot;

Gods Zoon zelfs deelt, met blijden geest, In \'t zoet vnn zijn gezegend feest.

De Gastheer ziet, met blij gezicht. Den langen feestdi:-ch aangericht,

En let wel op of iedereen.

Als hij, vernoegd is en tevrcên.

En let wel op of ieder vriend Naar eisch verkwikt wordt en gediend, En ze allen blijde en vroolijk zijn; En eensklaps — daar ontbreekt de wijn.

Als dit des Heilands moeder ziet. Verzwijgt zij \'t voor den Heiland niet; En ijlings voert m\', op Zijn bevel. De watervaten naar de wel,

En vult ze, met een rappe hand. Met helder vocht tot aan den rand. Maar als men nu een beker nat Geschept heeft uit het eerste vat,

Zooals de Heiland had begeerd —

Zie, \'t is in eedlen wijn verkeerd!

Hoe moest het hun om \'t harte zijn. Die proefden van dien wonderwijn! Hoe staarden zij den Heiland aan.

Die \'t vriendlijk wonder had gedaan. En zooveel macht en heerlijkheid, Tn liefde, had ten toon gespreid!

Zoo dit zijn eerste teeken was. De Heiland bleef zichzelf gelijk-,

-ocr page 504-

rijmbijbel.

Het zij hjj lijdenden genas,

De macht verbrak van Satans rijk, \'t Licht aan geboien blinden gaf, Of dooden opriep uit het graf;

Zijn wondren waren liefde als Hij; — Hog is die liefde ook ons nabij.

de tempelreiniging.

joh. ii. t. 13—17.

Ontsteekt ook soms de liefde in toren?

O! Wat ook Ware liefde doet,

En wat gij uit haar mond moogt hooren, Zij meent het goed.

Zie Jezus tempelwaarts getogen;

Een eedle gramschap geeft hem spoiïd, En heilige ijver aan zijn oogen Een dubblen gloed.

Hij houdt, met forsohe hand geheven

Een geesel van gestrengeld touw. En komt, den Tempel binnenstreven.

Zijn plicht getrouw.

Hij immers komt het kwaad bestrijden. Waar \'taan zijn oogen zich vertoont; En zouden wie Gods huis ontwijden Dan zijn verschoond.

Zie, in den heilgen Voorhof brengen

De wislaars hun onheilgen stoel.

Wijl rund en schaap hun stemmen mengen Aan \'t drok gewoel.

Zie, in den Voorhof wordt vergeten Dat hier Gods altaar prijken mag. Men durft zich woekerwinst vermeten, En vuil bejag.

Maar Jezus voelt zijn toorn ontwaken.

Verteerd door d\' ijver voor Gods Huis, En doet den boozen handel staken En \'t woest gedruisch.

O Laat ons \'t Heiige nooit ontwijden,

Door wat der wereld toebehoort,

Maar alles in ons hart bestrijden. Wat d\'eerbied stoort!

-ocr page 505-

RIJMBIJBEL.

Laat, als wjj voor Goda oog veracliijnen,

Het aardach belang en \'t aardsch gedi\'uisch Voor \'t heiligend gevoel verdwijnen:

Hier is Gods Huis.

DE SAMARITAASStlHE VltOUW.

Joh. IV. v. 1 — 13.

i.

Verbaast ge u dat een Joodsche man

ü toespreekt om een teug te vragen. En al den haat vergeten kan,

üw volk door \'t zijne toegedragen, En niet terugtreedt voor een dronk, Die uw verachte natie schonk ?

Samaritaanache! hoe veel meer

Zal zich uw hart verwondren moeten, Als gij den Christus en den Heer

In Hem erkennen zult en groeten, En weten dat gij laven mocht,

Die allen laaft met levend vocht.

„Ja, wien de bron van Jakob drenkt, Zal ras weer dorsten als voordezen; Maar \'t eeuwig water, dat Hij schenkt,

Zal eens voor al voldoende wezen, \'t Is een fontein, die eeuwig springt, Wier laafnis heel de ziel doordringt.quot;

Gij weet niet wat dat woord beduidt;

Maar \'t harte trekt naar zulk een toge. .Geef Heer,quot; dus roept gij haastig uit,

„Dat ik mij daaraan laven moge!quot; Gij weet niet, vrouwe! wat gij vraagt; Maar Hij verhoort, zoo \'t Hem behaagt.

En als Hij in uw harte leest,

Die in ons aller hart kan lezen,

Daar gaat het licht op voor uw geest;

„Die Ziener moet de Christus wezen!quot; Gij hebt in Hem geloofd! — Welnu, Het Levend Water vloeit voor u.

-ocr page 506-

BI.IMB1JBEL.

II.

En eensklaps, niet een blij gemoed,

IJlt zij ter stad op vlugge voeten, En noopt een breeden vriendenstoet.

Dat zij den Christus need rig groeten, Wien niets verborgen is op aard.

Die allen alles openbaart!

En spoedig is een groote schaar

Tot Jakobs bornput uitgekomen.

En heeft den hoogen Heiland daar

Met stil gelooven aangenomen; Hun eenvoud, die geen twijfel kent, Is needrig tot den Heer gewend.

Dit ziet de Heiland, blij van zin.

Zijn oogst is heerlijk in dees oorden! Gewillig keert hij tot hen in,

Verkwikt hun \'t hart met levenswoorden; En opent gaarn voor vrouw en man I^e bron, die allen laven kan.

Daar bleek de waarheid van dat woord.

Dat God den kleinen openbaarde, Wat nooit gezien werd of gehoord Door de opgeblazenen der aarde,

Wier arme wijsheid, in haar trots.

Zich ergert aan de wijsheid Gods.

Twee dagen toeft Hij nog en leert

In \'t land der van den Jood gehaten! En menig hart, tot Hem bekeerd.

Heeft nooit of nimmer Hem verlaten; En menig vroom Samaritaan Is in \'t geloof ter rust gegaan.

Neen, niet slechts schapen van den stal

Van Isrel wil de Heiland weiden.

Die eens geheel de wereld zal,

Met d\'eigen staf, ter drenkplaats leiden; Hij, Aller Herder, Aller Hoofd,

Zij tot in eeuwigheid geloofd!

-ocr page 507-

rijmbijbel.

de wonderdadige visc11 vangst.

Luk. V. v. 1—lü.

i.

jezus lekrt uit het scuip.

De Heiland staat aan \'t meer,

Daar Hij zijn woord verkonde. Een groote schaar komt tot den Heer, En dringt zich om Hem hoen in \'t ronde. O komt. en nadert van rondom;

Gij zijt Hem allen wellekom!

Of mooglijk aan den wal Niet ieder \'t woord vername.

Hij weet hoe Hij verhoeden zal \'Dat iemand vruchtloos derwaarts kwame. Geen mag zoo ver verwijderd staan, Dat hem zijn aandeel zou ontgaan.

Een scheepje aan het strand Wordt door zijn voet beklommen; Men steekt een weinig af van land,

Opdat Hij spreke tot de drommen; En heerlijk klinkt de hemelleer Aan d\' oever van \'t ïiberisch meer.

O, hoort Hem dankbaar aan,

Zoo lang gij nog kunt hooren!

Een golf, die \'t scheepje weg mocht slaan, Een felle windvlaag kon Hem storen. En drijven Hem (wat weet gij \'t?) voort. Waar gij zijn stemme niet meer hoort.

O, hoort dan en bewaart,

Wat Hij u wil verklaren.

En kent der schepen vluchtig\' aard: Zij leggen aan om at te varen.

\'Maakt haast, zoo lang het scheepke toeft. En neemt wat gij zoo zeer behoeft!

O hoort, waardeert het wel, Wat dient tot uwen vrede;

De vlugge tijd vervliegt zoo snel,

En voert zijn levensdagen mede.

Een scheepje komt en gaat van \'t strand: Zoo komt en gaat de Godsgezant.

187

-ocr page 508-

ItlJMBIJBEL.

II.

HET WONDER.

Voleind is \'t woord,

Nu spoedt u voort,

Om in de diepte visoh te yangen;

„Werpt,quot; spreekt de Heiland, .spoedig uit „De netten, die te drogen hangen,

En sleept uw buit.quot;

üe visscher zegt:

„De kans staat slecht;

Wij lieten vruchtloos, tot het dagen.

De netten ijvrig af van boord: —

Maar toch, wij willen \'t nogmaals wagen, Heer! op uw woord.quot;

Hij werpt hen uit;

Zwaar is de buit;

De netten scheuren onder \'t sleepen.

Nu laadt de visscher, blij te moe.

Geen enkel, maar een tweetal schepen, Tot zinkens toe.

Maar eensklaps, neen!

Zijn vreugd verdween.

De macht des Heeren doet hem boven.

Zoo groot een gunst als hem geschiedt. Zoo groot een Meester waard te leven. Vermag hij niet.

Daar valt hij neer Voor dezen Heer,

Met de armen om zijn knie geslagen,

En spreekt Hem angstig siddrend aan: „Ik ben een zondaar, al mijn dagen,

Heer! laat mij gaan.quot;

Maar Jezus stem Bemoedigt hem.

„Thans weet gij, wien gij toe moet hooren.

Laat varen, Petrus! vreeze en angst, Tot vischvangst zijt gij niet verkorer.,

Maar menschenvangst.quot;

-ocr page 509-

KIJMB1JBEL.

DE BERGREDE.

MATTH. V. VI. VII.

I.

Daaglijks om Hem heen gegroept, Volgen velen Jezus gangen,

Die naar licht en troost verlangen, En wier hart om -waarheid roept.

Daaglijks meerdert hun getal.

Heden, op een berg geklommen, Overziet zijn oog de drommen, Die zijn taal verkwikken zal.

Maar, wanneer Hij nederziet Om en rond naar alle zijden,

Merkt zijn oog des werelds^ blijden, Merkt het\'s werelds rijken niet.

Wie in droefheid zit en weent.

Wie het hoofd mistroostig bukte. Wie een last de schoudren drukte: Zulken ziet Hij hier vereend.

Armen in \'t gehavend kleed;

Zij, die dikmaala, in hun dagen,

Dorst en honger moesten dragen. Of in \'t hart een wrijtend leed.

Van des Heeren lief gelaat

Blinkt een straal van troost hun tegen; \'t Is een voorproef van den zegen, Waar hun smart in overgaat.

Hoort Hem, daar hij zalig prijst Allen, die gelaten treuren,

En de hoofden opwaarts beuren,

Daar Hij hun den hemel wijst.

Zalig, die in hongersnood En in dorst geloovig bleven;

Boven ieder leed verheven.

Wacht hun \'t eeuwig levensbrood.

Zalig, wie, op \'t slitiksche pad,

Zich geen rijkdom wou verwerven; Want hij zal dat betere erven, Dat hem God beschoren had.

-ocr page 510-

HUM 131J BEL.

En zoo leert de Heiland voort. Luistrende aan zijn voet gezeten, Heeft de sohaar haar leed vergeten, En verzaadt zich aan zijn woord.

II.

„Geen wraak beziele u,quot; sprak de Heer:

■ „Zoo iemand, gram te moe,

„U op de rechterwang slaat, keer ,t)e linkerwang hem toe.

„Wie tegen recht uw mantel vraagt, „Laat, laat hem ook uw kleed;

„God tuchtigt zelf die onrecht deed, „En loont hem, die verdraagt.

„Geef, wie u om een aalmoes bidt, „En wendt uw oog niet af;

„Denk dat God zelf hem aanspraak gaf „Op wat gij meer bezit.

„\'t Zegt weinig, zoo wie u bemint „Uw menschenliefde ervaart;

„Maar dat uw vjjand ze ondervindt, „Dat toont een vromen aard.

„Zoo zegen wie u toornig vloekt; „Doe wel aan wie u haat;

„En bid tot zelfs voor d\' onverlaat, „Die u te dooden zoekt.

„Zoo toont gij u een kind te zijn, „Dat aan dien Vader denkt,

„Die hemeldauw en zonneschijn „Aan booze en goede schenkt.quot;

HL

Ook heeft de Heer dit woord gesproken: „De vogel zaait te geener uur,

„Noch hoopt zijn voorraad in de schuur; „En echter, heeft hem iets ontbroken?

„De lelies spinnen niet, noch weven,

„quot;Noch ijvren voor haar kleederdracht; „En toch, met meer dan koningspracht „Zijn leliën des velds omgeven.

-ocr page 511-

RIJMB1 JÜEli.

„Gaat gjj de vooglen niet te boven?

,Of zijt gij als een slecht gewas,

„Dat de oven morgen schroeit tot asch? „En zoudt gij niet in God gelooven?

„Betrouwt op Hem. in al uw nooden, En zoekt zijn hemel blij te moe, „Zoo vloeit u al het aardsche toe;

„Maar houdt zijn wet en zijn geboden.

„Geen kommer voor den dag van morgen „Vervuil\' wie zich op God verlaat;

„Heeft ieder dag zijn eigen kwaad: „Uw Vader zal voor \'t goede zorgen.quot;

B.

JRZDS SI/AAPT IN \'T SCHIP.

Matth. VIII. v. 23 — 27.

Wordt het, in der golven drang, U te bang?

Vreest gij dat de baren woeden

Tot des scheepkens ondergang? Tot uw dood, in \'t hart der vloeden?

Ja, onstuimig stormt het weer, Bruist het meer,

Om uw kiel, aan alle zijden;

Vruchtloos poogt gij keer op keer, \'t Dek van golven te bevrijden.

Zwerft gjj dan verlaten heen, En alleen,

In der baren rustloos klotsen;

Hebt gü dan aan boord niet Een, Die uit nooden kan verlossen?

Ziet, de Heiland lag en sliep.

Kalm en diep,

Tot zjjn grootheid uit zou blinken, A.ls der Jongren angst hem riep: „Heer, behoed ons! wjj verdrinken.quot;

„Vreest uw klein geloof reeds weer?quot;

Vraagt de Heer.

En op de ongestuime vloeden

Ziet zijn oog met kalmte neer, Hoe én zee én winden woeden.

191

-ocr page 512-

UIJUBIJBEL.

Jezus wenkt, en op Zijn wil Wordt het stil,

Storm en branding zwijgt geduldig.

\'t Ruim der lucht, en \'s afgronds kil, Alles is Hem eerbied schuldig.

DE GEKAAKTE.

SlATTH. IX. V. 1—8. MAKS. II. V. 1-12.

Hij, die een lieve zieke heeft,

Voor wien de kunst geen middel heeft, Die voere hem den Heiland tegen;

indien bi) slechts van verre naakt, Indien hij slechts zijn kleedren raakt, Ervaart hij reeds des Hollands zegen.

Hier op dit bedde ligt een man, Die hand noch voet verroeren kan; Maar grooter smart doet hem verkwijnen; Zijn hart klaagt hem van zonden aan; Hij heeft zoo menig kwaad gedaan; Dat kwelt hem meer nog dan zijn pijnen.

Daar hoort hij van een Heer, in wien Zoo velen reeds den Redder zien. Die allen jammer op doet klaren; O mocht ook hij, in zooveel nood. Op zulk een Heiland goed en groot, Met oogen vol van tranen, staren!

Daar draagt hem \'t willig vriendental Waar hij den Heer ontmoeten zal; Helaas! \'t gedrang belet hun pogen!

Dies torst men hem naar \'t platte dak. Nooit was oprecht geloove zwak, Of werd van tegenheên bewogen.

Nu laat men hem voorzichtig neer. Tot voor de voeten van den Heer.

Zijn blik is smeekend opgeheven. De Heiland slaat het oog op hem. En spreekt hem toe met zachte stem: „Mijn zoon, uw zonden zijn vergeven.\'

Dat is een balsem voor zijn hart; Dat heelt zijn diepste, felste smart; Daar andren bij zichzelveu spreken:

-ocr page 513-

RIJMBIJBEL.

-Dit is godslastring\'; God alleen Vergeeft de zonden; anders geen! Wie durft God naar de kroon te steken?quot;

De Heer doorleest iie harten wel. Hij vraagt: „Vergiff\'nis of herstel, Wat oordeelt gü zou lichter wezen?quot; En als de boosheid zich bedacht: .Tot beide,quot; sprak Hij, „heb ik macht; „Sta op, geraakte! Wees genezen!quot;

HET DOCHTERTJE VAN JAIRUS.

Mark. V. v. 22—24, 35—43.

Dit is de kracht van \'t waar geloof, Dat, zelfs als alles schijnt verloren.

Voor wanhoop en vertwijfiing doof,

Het nog des hemels licht ziet gloren;

\'t Is van Gods almacht wel bewust,

Die \'t al volbrengt als \'t was beschoren, En is gerust.

Zie dezen vader voor \'t gezicht Des Heilands staan met vrees en beven:

Hem wierp de dood een scherpen schicht, En \'t gold zijn dochters jeugdig leven;

Toch houdt hij, daar hij Jezus ziet, De handen smeekend opgeheven. En wanhoopt niet.

De moeder schreit haar oogen blind;

Doch, kan hij nauw zijn tranen weren, „Gestorven,quot; roept by, „is mijn kind,

„Maar \'t kan mijn vast geloof niet deren;

„Leg slechts de hand op haar; niet meer! „Zoo zal het leven tot haar keeren;

„Gij zijt de Heer!quot;

Zal hem geschieden wat hij vraagt?

Zal hij zijn dochter zien herleven,

Wier dood die groote schaar beklaagt? — Des Heilands blik zal \'t antwoord geven.

O. wie in \'t onheil tot Hem treedt,

Door ongeveinsd geloof gedreven.

Vindt Hem gereed.

„Het dochtertje is niet dood,quot; spreekt Hij, „Het slaapt;quot; (ook zal Hij \'t wakker makeu!)

-ocr page 514-

bijmbijbel,

Dit brengt een lach van spotternij Op bleeke en nat betraande kaken.

Hij grijpt haar handje, teer en zacht — Eén woord! Men ziet het kind ontwaken, Vol levenskracht.

ue doopeb in de gevangenis.

JVIatth. XI. v. 2—g.

Johannes zendt zijn boden tot Den eengeboren Zoon van God;

Hij heeft van Jezus krachtig woord En van zijn wonderdaan gehoord:

„Maar waarom dan aanvaardt Hij niet Den schepter en het rijksgebied?quot;

Zoo dacht hij, in zijn vromen waan. Hem was het woorii niet kond gedaan, Dat Jezus tot de zijnen sprak,

Als hij hun stijgende eerzucht brak: „Het godsrijk komt niet met vertoon, „Het godsrijk wil geen aardschen troon.quot;

Helaas! gevangen en bewaard.

Sluit hij zijn levensloop op aard.

Maar \'t grieft hem diep dat nimmermeer Zijn oog aanschouwen zal den Heer;

Dies zendt hij boden, die het woord Hem brengen, uit zijn mond gehoord.

De Heiland blikt de scharen rond;

„Gaat honen!quot; spreekt zijn heusche mond, „Gaat henen; zegt Johannes aan,

„Wat gij gezien hebt en verstaan: „De blinden zien; de kreuplen gaan; „De dooven hooren me ijvrig aan; „De smet laat van melaatschen af; „De dooden rijzen uit hun graf;

„De Blijde Boodschap klinkt in de ooren „Van armen, zalig haar te hooren.quot;

Zij gaan. Dit antwoord was genoeg, Was alles wat Johannes vroeg;

Het was een laatst verkwikkend woord. Nog op den rand des grafs gehoord; Ja, stervend had hij \'t nog vernomen: Het rijk des Heeren was gekomen.

-ocr page 515-

RIJMBIJBEL.

DES DOOPERS DOOD,

Mark. VI. v. 17—29.

Hadt gij aan d\' oever der Jordaan, Den kreet „Bekeert u!quot; op doen gaan; Bestreed, o Boetgezant, uw mond De boosheid, waar uw oog haar vond; Gij bleeft uw roeping immer trouw, Ook schoon \'t uw vrijheid gelden zou, Ook schoon een kerker zich ontsloot. Ook in het aanzicht van den dood!

Die \'t kwaad vreest, vreest de boozen niet. Waar gij eens Konings gruwlen ziet.

Geen dreiging, die uw hart verschrikt, Geen list of goedheid, die \'t verstrikt. Gij legt hem bloot zijn euveldaan,

En zegt het oordeel Gods hem aan.

Dies, daar met schennis van do trouw. Herodes met zijns broeders vrouw fn ontucht leeft en snooden lust.

Heeft hem uw ernstig woord ontrust, Wanneer uw mond hem hooren liet: ,0 Koning! God gedoogt dit niet.quot;

De waarheid maakt de Vorsten gram; En deze was van snooden stam.

Eerst dacht hij zijn getergd gemoed Te koelen in des Doopers bloed;

Maar neen, een heimelijke stem Sprak: „Sla de handen niet aan hem.quot; En schoon hij hem in boei liet slaan, Nog hoorde hij hem dikmaals aan;

En, hoe in \'t net des kwaads verward, Hij droeg hem eerbied toe in \'t hart.

Herodes, waarom dan getoefd Te nemen, wat uw ziel behoeft?

Gevoelt gij eerbied voor den man,

Volg ook zijn gulden lessen dan;

Roei uit de neiging, die gij voedt. En zuiver uw onrein gemoed!

Straks groeit het kwaad u boven \'t hoofd; Tot wat ge omnooglijk hadt geloofd. Tot euvlen, waar gij nog van gruwt.

Wordt gij uws ondanks voortgestuwd; De Boosheid dwingt u: gij gehengt Een oifer, dat ge onwillig brengt.

-ocr page 516-

RIJMBIJBEL.

Een ijdel feest, één dartle stond, Een achtloos woord uit dronken mond — En op het zwaard uws dienaars kleeft Een bloedvlek, waar uw hart van beeft. De echtbreekster, waar uw ziel aan hangt, Juicht, als zij \'t achtbaar hoofd ontvangt, Dat van die lippen geen verwijt Meer klinken zal, haar wrok ten spijt! Zoo maar die mond voor eeuwig sloot,

Zijn Wet en Rechter voor haar dood.

Neen! Wet en Rechter sterven niet;

Want eeuwig uit den hemel, ziet \'t Rechtvaardig oog van God den Heer Op boozen en op goeden neer.

God richt hen allen naar zijn wet: De goede wordt in eer gezet;

Den booze wacht Zijn felle straf.

Laat, kindren! van de boosheid af!

JEZUS SPIJST DE DUIZENDEN.

MAEK. VI V. 37—14.

Wel is de Zoon van God op aari Aanbidding waard!

Den grooten Meester en den Heer Zij lof en eer!

Die, daar Hij alle dingen weet.

Ook zelfs de kleinste niet vergeet.

Toont Hij in \'t gi-oote godeskracht, Lof zij zijn macht!

En ziet Hij ook op \'t kleine neer,

Dank zij dien Heer!

De wondren, die de Heiland doet,

Zijn almachtglans en liefdegloed.

Door groote scharen is zijn woord Weer aangehoord;

De hemelspijs, die op hen viel. Verkwikt hun ziel;

Maar, als nu de avond nederdaalt,

Zie! \'t needrig brood der aarde faalt.

Gewis vergat, bij \'s Heeren taal. Hun honger \'t maal;

Maar die hun \'t hemelsch manna bood. Heeft alle brood.

-ocr page 517-

rijmbijbel.

Zit neer, gij scharen! en verwacht Een nieuw bewijs van liefde en macht.

Een vijftal brooden voeden zal

\'t Vijfduizendtal;

Want die het zegent, is de man

Die zeegnen kan.

Gij, zijn Disciplen! breekt en biedt! Uw schaamle voorraad mindert niet.

Wat zeg ik. mindren ? Komt en ziet

Wat overschiet!

Vult elk een spijskorf met dien schat;

Hij eischt ook dat.

Want schept Hij godlijk, deelt Hij mild Niets dient verwaarloosd of verspild!

jezus wandelt op de zee. Matth. XIV. v. 22—32,

i.

Op de golven treedt de Heer. Heeft der Jongren stoet den nacht In het scheepken doorgebracht,

Op \'t onstuimig meer; Hebben ze, op der waatren schoot, Vaak gesidderd voor den dood;

Op de golven treedt de Heer; In den donker zien zij Hem. Stormwind! smoor uw luide stem!

Vlij voor Hem u neer! Waatren! effent voor zijn voet \'t Schuimig hobblen van uw vloed.

Op de golven treedt de Heer. Hij, der elementen vorst.

Treedt de waatren op de borst;

Vergt hun hulde en eer;

Ziet, waar Hij de voeten zet. Huivert de eerbied door hun wed.

Maar der Jongren harte beeft. Dreigt hun erger leed misschien? Is \'t een spooksel dat zij zien. Langzaam aangezweefd? Neen, verdoolden! \'t is de Heer, Die u wandlend naakt op \'t meer.

-ocr page 518-

RIJMBIJBEL.

Op de golven treedt de Heer, •Eensklaps wordt zijn stem herkend. jVreest niet,quot; zegt Hij, „want ik ben \'t;

Ik kom tot u weer.quot;

O, Hoe onbeschrijflijk zoet Streelt dat woord hun bang gemoed!

II.

PETnuS WANDELT OP DE ZEE.

Vaak doet een al te groote moed Met overijling bandelen.

Dat dunkt een vuurgen Petrus goed.

Gelijk men op het droge doet,

Ook op de zee te wandelen.

En driftig roept hij uit en blij,

En is reeds half beneden:

-Heer, zijt gij \'t zelf? gebied dan mij

Tot u te komen, om als gij

Op \'t water voort te treden.quot;

De Heer, als men met kindren doet,

Geeft toe aan Petrus bede;

En noodt hem tot zich op den vloed;

En ijlings daalt hij af met moed. En waagt een eerste schrede.

Maar als hij op de baren staat.

Die hem gedwee ontvangen,

En ziet hoe fel de golfslag slaat.

En hoort hoe hoog de stormwind gaat. Heeft hem de schrik bevangen.

Daar wijkt het water voor zijn voet.

Daar dreigt hij weg te zinken;

Ach, laag gezonken was zijn moed!

„Heer!quot; roept hij, „red mij van den vloed. Behoed mij voor verdrinken!quot;

Maar Jezus grijpt zijn hand met macht, En houdt den drenkling boven;

„Gij hebt gewankeld,quot; zegt hij zacht,

„Hoe zwak, o Petrus 1 is uw kracht, „Hoe weinig uw geloo^en!quot;

Hij klimt in \'t schip, \'t Is stil op \'t meer. De stormwind is gevallen.

-ocr page 519-

RIJMBIJBEL.

En aan de voeten van den Heer Zinkt Petrus met de broedren neer; En Hem aanbidden allen.

I)E KANAJTESCHE VROUW.

Matth. XT. v. 21—28.

1.

Soms toont de Liefde een harden schijn, Als zou zij ongevoelig zijn,

Als had zij voor al \'s werelds leed Noch oog, noch oor, noch hart gereed; Als raakte \'s menschdoms droefst verdriet Haar afgewende ziele niet.

Maar \'t is toch niet zoo hard gemeend, Daar ze altijd gaarne hulp verleent.

Maar \'t is omdat zij \'t hart beproeft Van \'t Schepsel, dat haar hulp behoeft; Maar \'t is opdat, wie tot haar klaagt, Te beter wete wat hij vraagt.

Maar \'t is opdat wie tot haar schreit Een dubble zegen zij bereid,

En zich doordringen moog hiervan, Dat niemand redding eischen kan.

Dat alle hulp, in elk verdriet.

Genade zijn moet, anders niet.

De Heer kent allen in hun smart.

Ook \'t zwak geloof, ook \'t weiflend hart; En zout zoo gaarn zijn troostrijk zoet Met les en leering voor \'t gemoed;

En wil dat de indruk zij versterkt Dier Ijiefde, die Geloove werkt.

Ook wordt wel gaarn een duidlijk woord Van groot geloof door Hem gehoord; En, schoon Hij \'t ziet op \'s harten grond, Een klaar getuignis van den mond. Een luid belijden van zijn naam, Dat andrer ongeloof beschaam.

II.

De Heiland treedt door Sidons palen; Een vrouw verheft haar stem.

-ocr page 520-

RIJMBIJBEIi.

En poogt Hem schreiende in te halen, Maar roept vergeefs tot Hem.

Ach, zeker heeft zij grond tot weenen; Haar dierbaar kind ligt slecht:

Wie zal haar hulp of troost verleenen, Zoo Deze \'t haar ontzegt?

Zij blijft tot Hem de handen heffen. En smeekt zoo luid zij kan;

Zij zal toch eens \'t gemoed wel treffen Van zoo gestreng een man.

Reeds neigt zij zijner Jongren harten (Dus waant zij) tot gena.

Zij smeekten: „Heer, genees haar smarten, „Opdat zij van ons ga.quot;

Maar_Jezns zegt, dat op geen Heiden Zijn gunst en hulpe daalt;

„Hij moet zich houden aan de weiden, Waar Isrels kudde dwaalt.quot;

Doch de arme moeder smeekt al weder, Hoe hard zij \'t antwoord vind\'.

En laat zich op de knieën neder: „Och, Heer! genees mijn kind!quot;

Maar \'t wederwoord slaat dieper wonden: „Wie neemt der kindren brood,

„En werpt het roekloos voor de honden, „Hen latende in hun nood?quot;

Maar \'t zal haar vast geloof niet deren: „De honden krijgen toch

„Yan d\' afval van den disch der heeren „De kleene brokskens nog!quot;

Het was genoeg; genoeg gebleken Van welk een vlam zij gloort:

„Uw gi;oot geloof bleef onbezweken;

„Dies zij uw beê verhoord.quot;

Dus sprak de Heer, en opgerezen Is ze ijlings heengesneld.

Zijn woord kon niet dan waarheid wezen; Zij vond haar kind hersteld.

-ocr page 521-

RIJMBIJBEL

DE BLTNDGEBOORNE.

Jon.IX.

L

„Blindgeboren!

Welk een lot!

Op denzulken rust de toren Van zyn God!

Of zou hij dier zonden boeten,

Uit wier bloed hij oorsprong nam, En de straffe dragen moeten

Voor een erfsmet van zijn stam?quot;

Neen, verblinden!

God is goed.

Zoudt ge in alles wrake vinden, Wat Hij doet?

Zoo deze oogen nimmer zagen

\'t Licht der zonne of \'s aardrijks dos, \'t Is opdat bun \'t licbt zou dagen

Van de scbittrende almacht Gods.

„U zij eere,

Sabbatdag!

Dien geen dienstknecht van den Heere Schenden mag.

Heilig, heilig moet gij wezen,

Die Jehova\'s Ruste zijt;

Zelfs door redden en genezen

Werd uw heiligheid ontwijd!quot;

Neen, verblinden!

God is groot,

Maar op eiken dag te vinden,

In den nood.

Ook de Heiland laat niet wachten

Hen, die hulploos voor Hem staan; Alle dagen, alle nachten

Heiligt Hij door liefdedaan.

II.

Een weinig slijk, een weinig nat,

Gestreken aan des blinden oogen, Een wassching in uw waterbad,

Silóam! heeft zij dat vermogen. Dat zij den blinde ziende maakt. Wiens oog de Heer heeft aangeraakt?

201

-ocr page 522-

RIJMBIJBEL.

Heeft aangeraakt! — O, enkel dat

Sloot de ontoeganklijke oogen open;

Geen wonderzalf, geen heilig nat

Kon op een straal van licht doen hopen; Maar de almacht en de liefde alleen Des Eengen, die in \'t vleesch verscheen.

Die schonk den blindgeboorne \'t licht.

Hij ziet de zon, hij ziet de menschen. En, wamtlend voor hun aangezicht.

Kent dit zijn nieuw geluk geen grenzen. Maar, wie hem vraagt: „Hoe is \'t geschied? Dien antwoordt hij: „Ik weet het niet.quot;

En als do boosheid hem ontbood.

En vroeg, om Jezus te belagen,

„Wie was hij, die uw oog ontsloot?quot;

Zoo sprak hij luidkeels op dat vragen: „Hij was uit God; geen wonderkracht „Ware anders door zijn hand volbracht.quot;

Maar als hij in Gods eigen Zoon

Hem, die hem redde, mag begroeten, Zoo knielt, met meer dan dankbetoon,

De blindgeborene aan zijn voeten. En brengt Hem meer dan menschlijke eer. En zegt Hem: „Ik geloove. Heer!quot;

C.

DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.

Luk. X. v. 30—37.

I.

Een reiziger gaat langs een eenzaam pad; Een rooverstoet neemt alles wat hij had; En werpt hem naakt, geplunderd, en verwond. Ten prooi der wilde dieren, op den grond.

Een Priester, langs denzelfden weg gegaan,

Ziet d\'armen Jood, zijn wonde en naaktheid aan; Maar, vol_ van vrees voor dit onveilig oord.

Wendt hij den blik en spoedt zich haastig voort.

Nu volgt er, na den Priester, een Leviet, Die d\'armen Jood, zijn wonde en naaktheid ziet; Maar, ook beducht voor eigen lijfsgevaar.

Gaat hij voorbij, en vliedt met baast van daar.

202

-ocr page 523-

RIJMBIJBEL.

Och, arme Jood! zoo helpe God u nu!

Geen heilig man erbarmt zich over u;

ü blijft geen hoop, in uw rampzalig lot,

Dan die eens zachten doods; dien geve u God.

Wel waren zi] van godgewijden stand, En droegen Gods geboón aan hals en hand; Wel schreven zij zijn wetten op hun kleed,

Maar niet tot hulp, die God slechts ziet, gereed.

Maar, arme Jood! verlaten zijt gij niet,

Daar God omhoog op u ternederziet.

Ken derde gaat dit eenzaam oord voorbij, — Maar zal hij u zijn hulp bewijzen? Hij?

Samaritaan! als gij hier nederlaagt,

Eu in uw pijn een Jood voorbijgaan zaagt, Zou daar een hoop verrijzen in uw hart.

Dat hij u ooit zou bijstaan in uw smart?

Hij denkt niet na; hij hoort zijn harte slechts; Stijgt van zijn beest, en gaat ter zij\' des wegs. Giet zalve en -wijn in des verslaagnen wond, En tilt hem in zijn armen van den grond.

En schikt hem op den zadel van zijn dier, En gaat te voet er nevens, bevend schier Dat nog zijn hand te ruw hem plegen mocht, Of iets hem doen ontbreken op den tocht.

O, Hooglijk blikt en Priester en Leviet Naar hem terug, die d\'arme hulpe biedt;

Maar ze ijlen langs de woeste wegen voort, En laten hem tor prooie aan roof en moord.

Aan roof en moord! Schijnheilgen, waant het niet! God is zijn schild, die uit den hemel ziet. Hij waakt voor hem, die liefdes plicht betracht, Ofschoon uw haat hem een verworpling acht.

Veracht hem vrij, schoon hij den Isreliet Verbindt, geneest, en veilge toevlucht biedt; Veracht hem vrij; zijn loon bij God, is groot; Eens rust hij zacht in Vader Abrams schoot.

-ocr page 524-

KIJMBIJBEL.

II.

Gaat heen, gri] allen die dit hoort, En volgt dien vreemdling na;

Vergeet uw eigen leed en scha,

Door menschentnin gespoord;

Geeft heul en hulp waar \'t onheil kermt;

God heeft hem lief, die zich ontfermt.

Hebt lief; niet slechts wie u bemint Om bloeds- of vriendschapsband,

Niet slechts den burger van het land. Waaraan dat bloed u bindt;

Neen, weest tot ieders hulp gereed,

En helpt, zoo als die vreemdling deed.

En als gij helpt, en redt, en troost, O, Weet gij wien gij \'t doet?

Veel meerder dan uw eigen bloed.

Veel meer dan eigen kroost;

0 eindloos dierder, eindloos meer!

Uw eigen Heiland en uw Heer.

Want Jezus Christus zegt u aan; „Wat gij uw broedren doet,

„Zoo gij hen bijstaat, troost en voedt, „Dat hebt gij mij gedaan.

,En schoon de daad verborgen waar,

„Zij wordt beloond in \'t openbaar.quot;

Zoo gaat en geeft den armen brood, Den kranken troost en hulp;

Strooit uit en deelt in kluis en stulp, Schaft raad in ieder nood.

De lieve Heiland, die het ziet.

Vergeet uw kleinste weldaad niet.

DHTE GELIJKENISSEN.

LUK. TV.

Ofschoon een Vrouwe er negen overhad,

Zoo zij van tien éen Penning heeft verloren.

Ze ontsteekt haar lamp en zoekt dien als een schat, En rust niet voor ze in \'t duister hem ziet gloren.

Dan juicht ze als om een nieuwe vondst verblijd — Zoo is er vreugd voor de Engelen daarboven,

Indien een mensch, verdonkerd voor een tijd.

Weer keert in \'t licht van lieven en gelooven.

204

-ocr page 525-

RIJMBIJBEL. 205

Al bleef hem ook een groote kudde trouw,

Zoo slechts één Schaap van \'t honderdtal gaat dolen,

Wat Herder, die \'t niet ijvrig zoeken zou.

Al heeft het zich in ruigte en woud versoholen?

Dan brengt hij \'t op aijn eigen schoudren weer, En viert een feest met buren en met vrinden —

Verdwaalden! Dus zoekt u de trouwe Heer,

En juicht, indien Hij u terug mag vinden.

Wanneer een Zoon zijns Vaders huis verlaat.

Om zich aan zonde en ontucht toe te wijden,

Maar eensklaps keert en tot dien Vader gaat.

Om, met berouw, zijn schuld hem te belijden.

Zoo wordt hij niet verstoeten door zijn ziel,

Maar gaarne en blijde en liefdrijk aangenomen —

Aldus uw God! Geen die zoo droevig viel.

Die, zoo \'t hem rouwt, niet tot Hem weer mag komen.

B,

LAZARUS BN DE RIJKE MENSCH.

Lue. XVI. v. 19-31.

At Lazarus hier bitter bedelbroed,

En moest hij smaad en schampren hoon verdragen,

Nu rust hij ook in Vader Abrams schoot.

En kent geen leed, geen smarten meer of klagen.

Genoot de Rijke in \'t leven al het goed,

Dat de aarde in weelde en rijkdom doet verwerven:

Nu smacht zijn tong, geblakerd door den gloed Der helle, die hem opnam na ziju sterven.

Want hij was boos geweest en de ander vroom; Een breede kloof bestaat nu tusschen beiden;

Hij bidt vergeefs dat de arme tot hem koom,

En hem verkwikk\', — die afstand blijft hen scheiden.

Ook zendt men van omhoog geen boden af.

Om tot de deugd zijn broederen te nocden;

Want hem bekeert geen roepstem uit het graf,

Die God niet hoort, en spot niet zijn geboden.

B.

-ocr page 526-

RIJMBIJBEL.

DE VERHEERLIJKING OP DEN BERG Matth. XVII. V. 1—9.

I.

De Heer wenscht somtijds gansch alleun Zich af te zondren tot gebeên,

Of met een uitverkoren paar Te ontvlieden aan de groots schaar Der duizenden, die om Hem staan, Om naar het stil gebergt\' te gaan.

Is \'t, als Hij moede is van zijn werk. Opdat Hij zich de krachten sterkquot;? Behoeft hij rust en nieuwen moed Tot al de wondren, die Hij doet.

Tot al de hulp. die Hij verleent,

Waar armoe zucht, en droefheid weent?

Ts \'t om te wijken voor den haat. Die Hem vervolgt met hoon en smaad? Ts \'t dat Hij \'t Ongeloof ontvliedt,

Waar Hjj het zóó hardnekkig ziet, En, hooploos dat Hij \'t breng tot God, De handen aftrekt van zijn lot?

Neen. neen; zijn Vader werkt altoos; Ook Hij is nimmer werkeloos.

Steeds wil Hij leeren. helpen; steeds Verlossen uit den poel des leeds; Verdwaalden nooden door zijn stem, En brengen \'t stug gemoed tot Hem.

Maar daarom wil Hij gaarn alleen Met God verwijlen in gebeên,

Op \'t hoog gebergte, in stillen nacht.; Omdat Hjj weet wat taak Hem wacht: Omdat Hij, in zijn hartebloed,

Zoo groot een offer brengen moet;

Omdat alleen zijn Vader weet Wat eind de weg heeft, dien Hij treedt; Opdat Hij zich in eenzaamheid En biddend tot die taak bea-eid\';

Opdat Hij in zijn God zich sterk\' Tot d\'omvang van \'t Verlossingswerk.

Opdat — Vermetel kind der aard! Wie heeft het hemelsche u verklaard?

-ocr page 527-

RIJMBIJBEL.

Wat in deze eenzaamheid geschiedt Doorgrondt uw arme wijsheid niet; Kniel neer voor Gods genadetroon, Aanbid den Vader en den Zoon!

II.

Treed naderbij, aanschouw den Heer,

Daar Hij op Thabor staat! Een lichtgloed blinkt om zijn gelaat;

Het is de mensch niet meer,

Die, in \'t gewaad eens Joodschen mans, Op aarde ronddoolt zonder glans;

Het is des Allerhoogsten Zoon,

Die \'s Vaders zetel deelt,

Om wien het licht des Hemels speelt,

Gods eigen stralenkroon;

Voor wien, van heiige vrees bezield, De rei der zaalgen nederknielt.

Twee daalden er, op reine vlerk,

Uit bovenaardsche sfeer.

En juichen in zijn heilig werk.

En brengen hulde en eer Aan Hem, die kwam tot heil en troost Van arm, gevallen menschenkroost.

Door hen was óók een zware strijd

Op deze onze aard volbracht. Zoo donker was de gruwelnacht.

De poort des kwaads /.00 wijd, Alsof heel \'t menschdom God vergat. En dood noch straf te vreezen had.

Toen riep Hij Moz.es tot zijn tolk.

Door hem heeft Hij zijn Wet; Op Horebs bergtop ingezet.

Voor \'t uitverkoren volk;

Opdat het, door zijn God geleid. Zou wandlen in gehoorzaamheid.

Maar ach! dat volk. verblind en stout.

Doolt af van \'s Heeren pad. Verzaakt wie hen gezegend had.

En knielt voor steen en hout. En tergt, tot ieder kwaad gereed. Den Heil\'gen, dien hun hart vergeet.

-ocr page 528-

RIJMBIJBEL.

Daar zendt de Heer Elias af,

Zijn strengen boetprofeet,

Met goddelijk gezag bekleed,

Wie Baal dient ten straf;

Dat hij nog eens van Hem getuig\', En waan en hoogmoed nederbuig\'!

Wel was de strijd dier mannen zwaar,

Gestreden voor Gods eer!

Doch \'t eind ia goed; Hij vergt niet meer;

De tijd der rust is daar!

Maar, schoon hen Abrams schoot ontving. Nog moeide hun de sterveling.

Ach! wanneer zou aan \'t arme volk

Verlossing zijn bereid Van zondeschuld en dienstbaarheid,

Als \'t Licht brak door de wolk. Dat met zijn zegenrijken gloed Een troost zou zijn voor \'t vroom gemoed?

Het komt. Gods Zoon, ziedaar dat Licht!

Zij dalen juichend neer,

En groeten Jezus, aller Heer,

En brengen hulde en plicht Aan Hem, den Koning van \'t Heelal, Die arme zondaai\'s redden zal.

M AKI A EN MAKTUA.

Luk. X. v. yS—42.

I.

Ook vrienden heeft de Heer gehad,

Bij wie Hij gaarne nederzat;

Niet om te deelen in een disch,

Die kostbrer dan zijn maaltijd is.

Maar uit te deelen van de spijs Van zijn verheven ouderwijs.

Maar \'t liefst is Hem de welkomstkus In \'t huisgezin van Lazarus,

Waar ootmoed, liefde en hartlijkhe.d Hem met het zoetst onthaal verbeidt;

Waar steeds een vrome vrouw verlangt Naar \'t woord, dat ze uit zijn mond ontvangt.

Ook ditmaal treedt Hij zeegnend in Bij \'t klein en vriendlijk huisgezin;

-ocr page 529-

rijmbijbel.

Ook nu weer leert Hij aan den disch Van Zonden en Vergiffenis;

En wijst hun, na dit aardsch bestaaa, Ue zaligheid des hemels aan.

Zoo lieflijk stroomt het heilgeluid Van \'s\'Heilands zoete rede uit,

Dat wie de dierbre klanken vangt, Onslaakbaar aan zijn lippen hangt,

En in zijn innigst harte prent,

Wat hij voor wijsheid Gods erkent.

Aldus de jongste van \'t gezin.

Zij houdt haar adem angstig in,

Hangt aan \'t geluid van Jezus stem. En wendt niet éénmaal \'t oog van Hem; En zwelgt met ooren en gemoed De stroomen van den levensvloed.

Der oudste liartlijkheid was groot;

Zij ging en kwam, en diende en bood.

Bemerkt de Heer haar ijver nietV

„Hoe?quot; vraagt ze in \'t eind met klein verdriet:

, Behaagt mijn zuster u te meer,

„Wijl zij me alleen laat dienen, Heer?quot;

De Heer, die in haar boezem leest.

Zegt: „Dochter! wat verstoort ge uw geest

Door onrust en zorgvuldigheênV

Eén ding is noodig, Martha! één.

Dat heeft Maria uitverkoren.

Dat gaat in dood noch graf verloren.quot;

IT.

Één dinü is noodig, Broedren! Ziet, Zoo verontrust ge uw ziel om niet.

Indien gij leeft in staag gezwoeg.

Tot \'s avonds laat, van \'s morgens vroeg; En zeldzaam slechts, of nooit misschien,

Naar quot;t ééne soodige om kunt zien.

Eén ding is noodig. Denkt het in!

Geen zorg voor nooddruft of gewin

Vertraagt den zeekren dag uws doods,

Of stelt hem uit. Hij komt altoos.

Wat waar \'t, werdt ge eens naar \'t graf gebracht,

Voor ge aan dat eene hadt gedacht?

u

209

-ocr page 530-

rijmbijbel.

Één ding is noodig. Valt dan neer,

Knielt aan de voeten van den Heer, En laaft u aan zijn liefdeleer,

Gelijk Maria deed weleer!

Prent in uw harte zijn gebod;

Bekeert geheel uw ziel tot God,

En neemt Gods Zoon als Heiland aan; — Zoo zult ook gij ten hemel gaan.

de kinderkens.

ldk. xviii v. 15-n.

I.

Komt, zoo gij den Heiland zien wilt

in geheel zijn lieflijkheid!

Ziet Hem, daar hij needrig neerzit

en de komenden verbeidt;

Allen, zoo geringe\' als grooten,

zijn Hem welkom evenzeer;

Want geen mensch wordt uitgesloten

van de goedheid van den Heer.

Menig teeder moederharte

dacht in stil gepeins da.araan,

Of haar kindertjes ook mochten

tot den lieven Heiland gaan;

Want zijn mond is enkel zegen,

en zijn oogblik liefde slechts;

Niemand ijlt Hem vruchtloos tegen,

of keert onvertroost zijn wegs.

Mogen, kinderlijk en vroolijk,

ook de kleinen voor Hem staan?

Mogen zij op \'t heilig aanschijn

hun vrijmoedige oogjes slaan?

Zoo Hij de aangebeden handen

zeegnend tot u strekken wou.

Denkt wat blijdschap, dierbre panden,

\'t moederharte smaken zou!

O zij willen, moeten \'t wagen!

Wat haar dierbaarst is oj) aard

Moeten zij Hem tegenvoeren,

die zoo vriendlijk op hen staart!

Daar verstouten zich de vrouwen,

en de kleenen aan haar hand

Zien met oogjes vol vertrouwen,

naar den goeden Godsgezant.

-ocr page 531-

RUMBUBISL.

Als de Jongron dit ontwaarden,

weerden zij de kindren af,

Even of \'t gezicht van kleinen

aan den Heiland aanstoot gaf!

Hadden zij zijn liefdeleere

nimmer met het hart verstaan?

Hij, die d\' eenvoud zet in eere,

zou Hij kinderkens versmaan?

„Laat de kindren tot mij komen

en weerhoudt ze niet van mij;

„Hunner is het rijk der heemlen

en die needrig zijn als zy.quot;

Hij omhelst hen al te gader,

strekt zijn dierhre handen uit,

Kust en zegent ze als een vader,

die zijn kroost in de armen sluit.

Als een Vader? Eindloos meerder!

Als een Heiland, als een God,

Die dien zegen kan vervullen,

zelf Beschikker van hun lot.

Heerlijkst schouwspel, dat op aarde

sterflijke oogen mochten zien;

Hem, wien God zijn Zoon verklaarde,

met de onnoozlen op de kniên!

11.

„Laat de kindren tot mij komen,quot;

Was des Heeren vriendlük woord; Kindren, hebt gij dat gehooid?

Komt dan tot Hem, zonder schromen!

Jezus, o waardeert gij dat?

Heeft u allen liefgehad.

Liefgehad? Nog alle dagen Let Hij op uw teere jeugd;

Ziet uw spelen en uw vreugd;

Ziet uw zoete en stoute vlagen.

\'t Zij gij arm moogt zijn of rijk,

Voor den Heer zijt gij gelijk.

Jezus ziet uw ijvrig pogen Om van de ondeugd aftestaan.

En den goeden weg te gaan;

Dat is loflyk in zijn oogen.

Jezus zegent ieder woord.

Dat gij van zijn liefde hoort.

-ocr page 532-

HUM li MUM,.

Eert Hem, in uw kindsohe jaren! Als gij ouder wezen zult,

En van kommer zijn vervuld,

Zult gij al den troost ervaren,

Dien het inlieeft, als men vroeg Hem een teeder harte droeg.

Hij, de beste vriend van allen,

Blijft u altijd, altijd bij;

Wat en waar uw lot ook zij; Als uw Oudren u ontvallen;

Als gij droeve weezen zijt;

Jezus leeft en helpt altijd.

Mooglijk, dat gij jong moet sterven; Vele kindren sterven vroeg; Zoo uw hartje voor Hem sloeg, Zult gij \'t zalig leven erven;

Want zijn schoone hemel is Ook der kindren erfenis.

Dikwijls dan tot Hem gekomen. Die u immer tot zich noodt!

Hij is even goed als groot;

Zijn bescherming is volkomen. Gelukzalig is het kind.

Dat Hij zegent en bemint.

111.

En gij ouderen en grooten,

Die naar \'s Heilands gunsten staat, Ziet zijn kleine gunstgenooten

In \'t gezegende gelaat!

Ziet de onnoozlen tot Hem komen; Ziet, hoe ook \'t geringste kind In zijn oog genade vindt.

Zegenend wordt aangenomen.

Laat uw eenvoud wederkeeren,

Weest deemoedig, wordt een kin,i! Die het verst den hoogmoed weren, Worden meest door Hem bemind. Hebt gij niet zijn woord vernomen? „Die, den kindren ongelijk, , Ingaan wil in \'t hemelsch rijk, ,Zal daar nimmer binnenkomen.quot;

Christnen! laat ons kindren wezen Voor des Heilands aangezicht;

212

-ocr page 533-

T

ï

RIJMBIJBEL. 213

Oefnen we, in eerbiedig vreezen,

Ons als kindren in den plicht.

Verre zij het ijdel roemen Op een ingebeelde kracht;

Neen, ons hart zij stil en zacht;

Hij zal zelf ons kindren noemen.

ïreên wij Hem, als kindren, tegen.

Buigen wij, als kindren \'t hool\'d,

O, zoo heeft Hij ons den zegen

Van zijn liefde en trouw beloofd;

\'t Lieflijk uitzicht van ons hopen

Klinkt ons toe met heldren schijn.

En die hemel gaat ons open.

Waar de laatsten de eersten zijn.

LAZARUS.

Joh. XI v. 1—-i±.

I.

Des levens Vorst heeft ook des levens macht. Hij, neergedaald van Gods omstraalden troon.

Betreedt deze aard als Zijn doorluchte Zoon,

En werpt een blik op \'s graven donkren nacht.

Daar beeft voor \'t licht, dat uit zijn oogen schoot. Des levens vijand — do onontkoombre Uood.

Die alles tot zijn wet roept en geweld,

Geen onschuld spaart of bloei of frissche kracht. Wat adem haalt zich onderworpen acht,

Ziet siddrend op, en tot in \'t hart ontsteld.

Hij voelt dat hem een Sterker\' weerstand biedt. En peinst hoe hij het best zijn macht ontvliedt.

En ver en wijd, in duizend graven, lag

De groote prooi, door \'sroovers hand vermoord;

Daar sliep het stof der volken ongestoord Den nacht door, die niet uitzag naar een dag.

\'t Is of hun heir van stomme huivring beeft;

\'t Is of een zacht gefluister tot hen zweeft.

Ja dooden, ja! er komt een nieuwe dag!

De scheemring van een heldrer morgengloor Dringt reeds van ver uw tastbaar donker door; Een koeltje waait, als steeds bij \'t dagen plag. Des levens Vorst, met macht omkleed, genaakt:

Zijn stem weerklinkt in \'t graf\'; Ontwaakt! Ontwaakt.\'

-ocr page 534-

RIJMBIJBEL.

II.

Lief heeft de Heer zijn vriendental.

Maar lién vooral Bemint zijn goedig harte teeder;

Hij is \'t, die stervend de oogen sloot! Ach Lazarus! uw vroege dood Slaat wis des Meesters hart ter neder!

„Dien gij bemint ligt krank terneer!quot; Sprak tot den Heer I)e bode, dien de zusters zonden.

Maar Jezus sprak: „Die krankheid zal Niet zijn ten doode, maar \'t heelal De heerlijkheid van God verkonden.quot;

Twee lange dagen gaan voorbij.

„Gaat thans met mij,

Om naar Judea op te trekken;quot; — Dus spreekt de Heer zijn Jongren aan „Mijn vriend slaapt; ik wil henengaan Om uit dien slaap hem op te wekken.quot;

Zij trekken naar Judéa heen.

Daar is geween.

Heeds is des dooden lijk verdorven. De zusters vallen raadloos neer;

„O, zoo Gij hier geweest waart. Heer! „Ons broeder ware niet gestorven.quot;

Zij naadren weer bij \'t grafgesteent. De Heiland weent. Dit schouwspel heeft zijn hart bewogen. Elk ziet Hem aan met droef gezicht. Hij wenkt; de steen wordt afgelicht, Die \'t lijk onttrok aan aller oogen.

En Jezus hief het vochtig oog Tot God omhoog,

En heeft Hem dank en prijs geboden.

Toen riep Hij met een forsch geluid, Dat doordrong tot de rust der dooden: „Gij Lazarus, kom uit.quot;

De doode heeft dat wekkend woord In \'t graf gehoord.

Daar rijst hij op, vol kracht en leven, En ziet, ten Hjkgrotte uitgegaan.

Zijn vriend, den grooten Heiland, aan. Wiens naam de scharen hulde geven.

214

-ocr page 535-

RIJMBIJBEL. 215

III.

O, wie van u een dierbren kranke heeft,

Aan \'t ziekbed treurt van Ouderen of Vrinden,

In stadige\' angst vooc dierbre levens leeft,

En nergens hulp of raad vermag te vinden,

Vergete toch dien eenen Helper niet,

Die troosten kan, waar niemand uitkomst ziet!

Richt tot den Heer uw smeekend noodgebed;

Hij heeft ze lief, die voor geliefden bidden.

En toeft ook zijn genade, vóór zij redt,

Hij treedt op eens, en zegenrijk, in \'t midden,

Hij, die alleen het beste tijdstip weet,

Dat Hij in lief verandren zal hun leed.

En liggen ze ook in worstling met den dood.

Waar heul noch hulp van menschen meer kan baten:

Toch roep Hem aan! Des Heeren macht is groot; Hij gaf den vriend, wien \'t leven had verlaten.

Het leven weer, toen Hij onze aard betrad, Als zusterliefde in hom den Heer aanbad.

En ziet gij ook uw lievling op deze aard Niet weer, en moet ge een grafkuil hem ontsluitan:

Niet op dat graf met troostloos hart gestaard.

Als zou die zerk Zijn alvermogen stuiten!

Neen, \'t oog omhoog, en naar uw Heiland heen!

Geloof en hoop! Uw lievling slaapt alleen.

Hij slaapt slechts. O hoe heerlijk zal hierna \'t Ontwaken zijn, als gij hem weer zult vinden;

De vriend zi]u vriend, de ga zijn trouwe ga,

Elk allen, die op aard dien Kenen minden,

Elk allen, die ontsliepen in den Heer.

Heer! zie op mij en al mijn dierbren neer!

li AKI A ZALFT BEN UEEK.

Joh. XII. v. 1—g.

I.

Indien wij Jezus eeren konden Met rijke giften, pracht of schat, Zou daar wel ooit iets wezen, dat Wij te edel of te kostbaar vonden? Wel ooit iets, dat ons niet misviel Als otfer van een dankbre ziel?

-ocr page 536-

RIJMBIJBEL.

En kan -vvel \'t denkbeeld in ons rijzen, Van iets zoo nietig of gering,

Dat Hij, zoo Hij \'t van ons ontving, Versmaden zou of af zou wijzen,

Indien Hij zag op \'t dankbaar hart, Waarmee \'t Hem aangeboden werd?

Wat zou der Schepping Heer behagen? Wat kan er zijn dat Hij verlangt? Dit: dat Hij de offergave ontvangt Van liefde en dank. Hem opgedragen; Dit; dat geheel een levenstijd Hem stil en needrig zij gewijd.

Dat Hij het offer niet versmaadde. Nog meer! dat Hij er lust in vindt, Is eers genoeg voor die Hem mint;

Maar verder strekt zich zijn genade.

Die \'t duizendwerf vergelden zal.

Hier, en hier nainaals bovenal.

II.

De Heer zit aan een maaltijd neer.

Ach! \'t zal niet dikwijls meer gebeuren! Straks wil men Hem ten kruisberg sleuren; Voor al zijn liefde en vriendlijkheid Wordt dra Hem \'t bloedig loon bereid.

En hij, die neerzit aan zijn zij,

Is, wieii weleer het graf bedekte,

Is Lazarus, is de opgewekte,

Wiens kracht vernieuwd was door den Heer Die dankbaar voortleeft tot zijn eer.

Daar knielt, van liefde en dank bezield. Des Heeren trouwe dienaresse,

En giet haar alabaster flessche Uit over \'t heilig voetenpaar.

En droogt ze met hour lokkig haar.

De balsemgeur vervult het al; De nardusreuk stijgt zoet ten hoogen; En Jezus ziet met vriendlijke oogen En met een zachten glimlach neer Op \'t rijk bewijs van liefde en eer.

Maar Judas sprak: „Behaagt u dit,

„Dat zij den balsem goot ter aarde, rKn kwistte een gave, welker waarde

-ocr page 537-

RIJMBIJBEL.

„Den aimen zijn kon eens zoo lief?quot; — Hij droeg de beurzo en was een dief.

Dat weet de Heer, doorziet zijn list, En spreekt hem toe, :3iet straffe blikken: „Uw armen kunt ge altijd verkwikken. „Zij blijven bij u; ik moet gaan.

„Laat af; die vrouw heeft wel gedaan.

„Zoo zij dees balsem kwistte aan my; „Haar liefde had haar dit geboden; „Zij nam den veegen voor den dooden; „Zij heeft den laatsten plicht volbracht. „Haar naam zij eeuwiglijk herdacht!quot;

JEZUS INTREDE IS JERUZALEM.

Matth. XXI. v. 1—9.

Wat feestelijk hozannagalmen.

Wat luid gewoel in Davids stad,

Gezwier van schaduwende palmen En kleederspreiding over \'t pad!

Wien groeten de opgetogen scharen?

Wiens statig\' intocht viert haar drom?

Wien spreidt men bloem en groene blaren, En voert Hem zegevierende om?

Een Zegepraler, wien, na \'t strijden. Een juichend volk met drift begroet?

Maar bij zou \'t oorlogsros beschrijden, Nog kleurig van vergoten bloed.

Een lijfwacht zou zijn zij\' bekleeden, De bloem van \'t overwonnen heir

Zou in zijns kleppers voetspoor treden, Een keten sleepend, Hem ter eer.

Of is \'t een uitgeroepen Koning,

Die \'t rijk aanvaard heeft door zijn recht.

Ten dage, die met praalvertooning De kroon Hem op den tulband legt?

Maar neen, geen stoet van vorstenmagen. Die voor zijn schreden zich verdringt;

Geen schepter wordt vooruitgedragen;

Geen schelle feestbazuin weerklinkt.

En toch een Vorst, maar niet van de aarde, Is Hij wien \'t ezelveulen draagt;

Een prins, dien Davids dochter baarde,

Maar die geen zetel Davids vraagt.

-ocr page 538-

UI JM BIJIiEIj.

Uaar Hij ziju afkomst liooger rekent, En liooger troon bestijgen zal;

Wiens naam Gezalfde dods boteekent, Wiens staf trekt over \'t wijd heelal.

Wie kent, van die zijn intocht vieren. In Davids zegenrijke stad,

Wier handen hem de meien zwieren, En kleedren spreiden op zijn pad;

Schoon zij den grooten Meester eeren, Den Wonderdoener en Profeet,

Wie kent in Hem den Heer der Heeren, Die Satan op den gorgel treedt?

Die d\' ijselijken strijd beginnen. De schrikbre worstling aan zal gaan,

Waarin Hij Dood en Hel verwinnen. En, zegevierder, op zal staan?

En hoe\'? Door lijden boven maten.

Door sterven, \'t menschdom ten rantsoen,

Die nu Hem toejuicht op de straten. Een lot, dat gij Hem aan zult doen!

Wij weten van uw zegepralen,

O Heer, in wien ons hart gelooft!

Wij koestren ons in \'t licht der stra.\'en. Die schittren om uw zeegrijk hoofd.

Wij heften oog en hand en harte Tot U, die op de wolken troont;

Gij waart op aarde een man van smarte, Maar nu met heraelsche eer gekroond.

Hozanna! Koning, dien wij gi-oeten; Hozanna! Heer en Hoofd der Kerk!

Wij vallen needrig aan uw voeten.

Alleen door uw genade sterk.

liekrachtig ons, gij Heer der Heeren,

Opdat wij, in uw naam gegord.

Verwinnaars, uit het strijdperk keeren. Waarin ons zonde en dwaasheid siort.

DE VOETWASSCH1NG.

Joa. XIII. v. 1—17.

Als Jezus Christus wilde leeren, Dat wie ten hemel in wil gaan Den broederen ten dienst moet staan En om hun wil zichzelf verneeren,

-ocr page 539-

E1JMBIJBEI..

Zoo knielde Hij, der Heeren Heer, Bi) zijn disciplen neer.

Zijn opperkleed is uitgetogen.

Hij met den linnen doek gegord;

Zijn hand heeft water uitgestort In \'t bekken, voor dor Jongren oogen. Wat wil de Meester? Hij bespat Hun voeten met dat nat.

Dit voorbeeld wil Hij heden geven.

Maar Petrus, als Hij tot hem naakt.

Voor hij zijn voet heeft aangeraakt. Schijnt als ontzet terug te beven.

„Zoo gij mijn voeten wassohen zult —! ,0, Meen niet dat ik \'t duld!quot;

De Heer spreekt ernstig en bewogen: .Tenzij dees dienst hem welkom zij, Heeft Petrus nimmer deel met mij!quot; Kn deze, met een traan in de oogen: „Heer! dan de voeten niet alleen,

„Maar hoofd en hand meteen!quot;

En Jezus wascht hun aller voeten. En droogt ze vriendlijk af en zacht: Ook zijne, die nog dezen nacht,

Als zijn Verrader Hem zal groeten; Onreine, wiens verleide ziel Een prooi des Satans viel.

Hij rijst; herneemt zijn opperkleederen. En neemt zijn vroeger plaats weer in: „Verstaat gij,quot; vroeg Hij toen, „den zin „Van mijn gedienstig zelfvernederen ? „Gij noemt mij Meester, eu terecht! ,\'lk ben. hetgeen gij zegt.

„En echter wies ik u de voeten,

„Ik, die uw Meester ben en Heer; „Denkt hoe de dienaars des te meer „Elkanders voeten wasschen moeten! „Wat door den Meester werd gedaan, „Neemt dat als voorbeeld aan!quot;

Zoo wij des Heeren woord onthielden. En nooit, door valsche schaamte hard, Door ons een dienst geweigerd werd. Zoo we aan der broedren voeten knielden.

-ocr page 540-

220

It 1lt;IM HIJ It KL.

Waai- \'t pas had, tot hun hulp gereed, Zooals de Heiland deed;

Indien wij nimmermeer vergaten,

Hoe van een liefde, nooit verkoeld. Die altijd \'s naasten vreugd bedoelt,

Hij \'t voorbeeld ons heeft nagelaten; Wij zouden beter zijn in \'t oog Van onzen Heer omhoog!

li.

11 E T LAATSTE AVONDMAAL.

Mark. XIV v. 22—\'24.

Toen hij zijn bijzijn was ontvloden,

Wien Jezus, in den laatsten nacht, De bittre bete had geboden,

Die al zijn bloed aan \'t gisten bra.cht; Toen Judas, om, naar \'t woord des Heeren, Met haast te doen hetgeen hij deed.

Zijn heilig aangezicht vermeed.

Om met dien kus terug te keereu!

Toen de ijslijke ure was gekomen,

Waarin de kampstrijd aan zou gaan, Werd op zijn wezen niets vernomen.

Dat angst of droefheid kon verraar.; Hij zag in wat Hij zou beginnen,

In ieder foltring Hem bereid.

Al zijn aanstaande heerlijkheid,

En in zijn strijden \'t overwinnen.

Nog eens tot de Elve dan gesproken.

Van liefde en eendracht, moed en trouw! Toen heeft Hij plechtig \'t brood gebroken,

Daar elk van hen van eten zou.

Toen heeft Hij, aan dien heilgen dissche, Den laatsten beker om doen gaan. Zoo als \'t nog heden wordt gedaan. Ter maaltijd der gedachtenisse.

O Beeldspraak van de felste smart:

Gebroken brood, vergoten wijn!

Moet gij voor mijn geloovig harte

Van \'s Heilands dood de teeknen zijn! Gewis; zijn lichaam werd verbroken,

Om mij te redden van \'t verderf.

Zijn hand doorgriefd, zijn zij\' doorstoken, Opdat ik Gods gena verwerf.

-ocr page 541-

iilJMBIJUUL.

Als ik \'t gebroken brood tlan ete,

En proeve den vergoten wijn,

Mijn Heiland! dat ik nooit vergete _

Hoe veel en groot mijn zonden zijn! Updat ik voor mijzelf mij sohame,

Maar, overtuigd van Gods gena.

Van uw gewijde tafel ga,

Op nieuw versterkt in uwen name.

B.

OETHSÉMANÉ.

Maith. XXVI v. 3B—46.

Gethsémané! gij waart een plaats des lijdens!

Gij hebt zijn smart gezien.

Zijn schriklijkste misschien!

Zijn droevigst\' angst en \'t hevigste zijns strijdens!

Toen op zijn zachte ziel Geheel de zwaarte viel Van alles wat Hij uit moest staan en dulden,

Eer alles was volbracht.

En in één schrikbren nacht Al de ijslijkheén des doods zijn borst vervulden; En Hij dien zondenlast Zich voelde op \'t hoofd getast,

quot;Waarvoor zijn bloed aan \'t haatlijk kruis zou stroomen. Die ure viel Hem bangst;

Hij sidderde van angst,

Gethsómané! in \'t lommer van uw boomen.

Gethsémané, gij zaagt Hem neergebogen;

Met bloedig zweet bedekt,

Dat van zijn leden lekt.

Ten hemel slaan zijn droevig smeekende oogen: ,0 God, zoo \'t mooglyk zij,

„Dees beker ga voorbij;

„Maar niet mijn wil, uw wil geschiede, o Vader!quot; Dus klinkt tot driemaal toe Zijn bede, droef te moe.

Opdat Hij kracht in \'t smeekgebed vergader\'.

Toen, moedig opgestaan.

Zaagt gij Hem aangedaan Met kalmte en moed en sterkte van den hoogen. En bjj de bleeke maan Hun in \'t gemoete gaan.

Wier bende kwam bloeddorstig aangetogen.

Gethsémané! de trouwsten der getrouwen Zaagt gij ter aard gebukt.

-ocr page 542-

RIJMBIJBEL.

Uoor sluimerzucht gedrukt,

Onmachtig \'t oog op Hem gericht te houen; Gij zaagt der boozen macht,

Bij \'t duister van dien nacht,

IPw stillen hof baldadig binnenrukken; Kn d\' eerste van den drom \'t Verradersch wellekom.

Den valschen kus op Jezus lippen drukken.

Toen grepen zij den Heer,

Hij bood geen tegenweer;

Gij zaagt geen hulp van Englen hem begeeren; Maar wel hebt gij gehoord Zijn zacht en vredig woord,

Als Hij gebood, het zwaard ter scheê te keeren.

Gethsémané! gij zaagt den Heer verlaten Van heel zijn Jongrenstoet,

En volgen \'t snood gebroed Geduldig en alleen langs Salems straten.

Welnu, de boosheid zal Den Koning van \'t heelal Betichten, slaan, bespotten, doemen, slachten; Maar in uw duisterheid Heeft Hij zich voorbereid Tot alles wat zHn ziele staat te wachten.

Dies zal, zoo lang deze aard Des Heilands naam bewaart.

Het vroom geloof gedenken aan uw stede.

Bij \'t peinzen telken keer Op \'t lijden van den Heer,

Die, door zijn lijden, ons den zoen bracht en den

JÜDAS.

Matth. XXVI. v. 47—50. XXVII. T. 1—5.

O Geldzucht, wortel aller zonden!

Waar wordt een gruweldaad gevonden. Zoo schendig, zoo veracht.

Waartoe gij niet vervoert het menschelijk geslacht! Hoe kon uw macht een Judas dwingen, Dat voor een handvol zilverlingen (O Boosheid! al te groot!)

Hij \'slevens Vorst verried en leverde in den dood! Waarheen, waarheen, gij ong.etrouwe?

Keer, voor het schelmstuk u berouwe, Nog kunt gij \'t; Judas, keer!

Bevlek uw handen niet aan \'t bloed van uwen Heer!

-ocr page 543-

Rijmbijbel.

Wacht, wacht u wel, des Heilgen leven Voor nietig geld ten roof te geven!

Hoor de inspraak van uw hart!

Het sloeg voor Jezus, eer \'t een prooi des duivels werd. Maar neen, geen vroeg berouw verzacht u; Be nacht is daar, de bende wacht u;

Gij zult het feit bestaan!

De rooverstoet treedt toe, en booswicht! gij vooraan. Hij komt met sabelen en stokken Als op een moorder aangetrokken,

Bij bloedig fakkellicht.

En gij (dit was de leus) gij kust Hem voor \'t gezicht. Straks strekken zich der boozen handen Tot Hem met ketenen en banden;

O Valsche, valsche kus!

Verkoopt en levert gij des Menschen Zoon aldus? Verkoopt gij, op zoo snoode wijze.

Verkoopt gn, tot zoo kleinen prijze. Dat kostelijke bloed.

Dat Woed, dat ons den zoen des hemels koopen moet? En kan dit zacht en vriendlijk wezen Uw steenen harte niet belezen?

Staat, dunkt u, zijn gelaat Min minzaam dan het plag, omdat het droever staat? Hoe bard Hem \'t boos geweld moog wezen, Gij vindt zoo zacht Hem als voordezen:

Zijn vinger maakt gezond Een uit den woesten hoop, door Simons staal gewond, En geeft den driftige een teeken Dat nutloos slagzwaard op te steken,

En zegt hem ernstig aan:

„Wie met den zwaarde slaat, die zal er mee vergaan.quot; Uw oog (voor \'t laatst van heel uw leven!)

Ziet Hem een heldre proeve geven Van goddelijke macht.

Als heel het woedend rot, dat gij hebt meegebracht, Alleen maar op \'t gelaten vragen:

„Wien zoekt gijlieden?quot; wordt geslagen Met doodsschrik in \'t verstand,

En, op zijn woord „Ik ben \'tquot;, ternederstort in \'t zand Zoo zijn dan uw verstokte zinnen Door groot- noch goêlijkheid te winnen; Het bloedloon, u beloofd,

Heeft, Judas, binnen u de reden uitgedoofd.

Gij doet Hem fluks gevloekte banden Om heilige armen slaan en handen.

Gij legt Hem boeien aan.

Ham, die u van den boei des duivels zocht te ontslaan. De Meester wordt aldus gebonden.

223

-ocr page 544-

RIJMBIJBEL.

Door u, zijn haters toegezonden,

En gij op staanden voet,

(Jij woetert u, bij \'t geld, een kanker in \'t gemoed.

Als nu zijn vonnis was gesproken.

Zoo is u \'t steenen hart gebroken.

Zoo hebt gij \'t vloekbaar geld Aan \'t vloekbaar eedgespan wanhopig toegeteld;

Zoo hebt gij, voor hun oog getreden,

Geheel uw zwarte schuld beleden,

En de onschuld van uw Heer Den Priesteren betuigd; maar \'t kocht hun prooi niet weer. Toen, daar zij spottend u verstieten.

Daar ze u, wreedaardig, toezien lieten,

Wierpt gij hun geld daarheen.

En zocht den duistren dood, daar \'t licht u haatlijk scheen. O Droevig einde! schriklijk sterven!

Om luttel zilvers te verwerven,

Hebt gij dit feit bestaan:

Nu sterft gij zonder hoop, — en de eeuwigheid breekt aan!

DE OVERPRIESTERS.

MATTH. XXVI. XXVII.

Ziedaar den nacht, den zwartsten nacht; Het uur der boozen en hun macht; Ziedaar den Raad der heiige mannen!

Zij hadden lang genoeg gesmacht Den wijzen Leeraar \'t net te spannen! Nu zij de gruweldaad volbracht.

Want voor hun grijnzende oogen staat Het weerloos voorwerp van hun haat, Die al hun huichlarij ontblootte.

Maar wien \'t geldgierige verraad Eens volglings in hun moordkuil stootte, En die zijn vonnis tegengaat.

Hij, die hun hoogmoed heeft verneerd. Met wie hun trots veracht, verkeerd. En \'t needrig hart heeft aangenomen. Hun lofspraak nimmermeer begeerd, En \'t zacht gemoed der stille vromen Meer dan hun priestermom vereerd;

Die Isrel tot zich heeft genood,

Verkwikt heeft met des levens brood, Een vriend van weezen was en armen.

224

-ocr page 545-

KIJMBIJBEL.

Een redder was in ieder nood,

Voor allen troost had en erbarmen, En niemand, niemand buitensloot.

Maar die, met onverschrokken moed, Ook hun zijn zending kennen doet, De boetrede opheft voor hun ooren,

Hun van des hemels toornegloed En \'s Heeren strenge straffen hooren.

En van ziohzelven schrikken doet.

Nu staat Hij voor hen. Hoe geniet Hun oog, daar \'t Hem gebonden ziet, Aan groven spot ten prooi gegeven;

Gij snoodaards! tergt zijn almacht niet! Een woord van Hem, boe zoudt gij beven,. Maar neen! Hij zwijgt: Gods wil geschied\'

Treedt, valsche Tuigen, treedt hervoort! Één misgreep, één misdadig woord Volstaat om \'t vonnis uit te spreken!

Maar waarom langer u gehoord?

Dus is het schendig stuk besteken:

Het zal geen straf zijn, maar een moord.

Daar vraagt Hem \'t hoofd der weerpartij, Of hij Gods Zoon, de Christus zij ? Een duidlijk antwoord staaft dat vragen.

En aanstonds scheurt de huichlarij Haar kleedren, als om rouw te dragen. En spreekt het vonnis: Sterve Hij!

Maar nog ontbreekt het hun aan moed Hun hand te verven met zijn bloed; Uitheemsche macht zal \'t veilger plengen;

En ijlings haast zich \'t snood gebroed Hun doemling den Romein te brengen, Die \'t schendig feit voldingen moet.

Baar zal hun list de zwakke kracht Des Landvoogds lokken in hun macht. Hun moordgeschreeuw zijn hart versagen;

Daar zullen ze over \'t nageslacht Des hemels felle bloedwraak dagen; En \'t schriklijk offer is gebracht.

Verblinden, ja! u volgt de straf: De Heiden breekt uw muren af; Uw tempeldak gaat op in vlammen;

-ocr page 546-

226 RIJMBIJBEL.

Uw nakroost beurt den zwerverstaf; Verachting volgt de onteerde Stammen, In \'t vreemde land, naar \'t vreemde graf!

p E T li u s.

Mark. XIV. v. 27-31. en OC—72.

Als al de andren van Hem vloden,

In dien schrikkelijken nacht,

Toen de Heiland door de snooden

Werd voor Salems raad gebracht, Heeft zich Petrus willen dragen Als veel moediger en trouw.

Tot hij door een slechte vrouw Droevig is uit \'t veld geslagen.

„Eer ik me aan u ergren zoude, „Meester, wat u ooit geschied\', „Eer mij ooit uw vriendschap rouwde,

„Eer ik uwe zij\' verliet,

„Eerder zou \'k mijn vrijheid derven; „Eerder dan ik van u scheid!

„Heer! zie hier! ik ben bereid „Ook don dood met u te sterven.quot;

Maar op \'s Heilands heilig wezen Zich een droevig lachje groeft; „Eer de morgen is verrezen,

„Petrus, wordt uw trouw beproefd. „Eer de haan zich tweemaal hooren „Doet, als hy voor \'t licht ontwaakt, „Hebt gij driemaal mij verzaakt!quot; Dat klonk hard in Petrus ooren.

Schoon hij uitviel met den zwaarde,

In uw hof, Gethsémané!

Toen de schrik ook liem vervaarde.

Vlood hij met de broedren mee.

Maar weer schaamt hij zich dat vlieden, En hij dringt zich in den stoet, Die aan Jezus koelt zijn moed,

Als de Priestren zich berieden.

Dies hjj \'t schouwspel overblikte.

Waar geen mensch aan keeren mag; Toen een dienstmaagd hem verschrikte. Die hem diep in de oogen zag;

-ocr page 547-

RIJMBIJBEL.

„Uier is,quot; klonk het door de zalo, „Een van die met Jezus gaan.quot; „Neen!quot; sprak Petrus; maar de haan Kraaide luid voor de eerste male.

Als hij nu, met bleeke wangen, Siddrend deinsde van de plek,

Heeft hem nieuwe schrik bevangen

In de poort van \'t voorvertrek.

Waar de dienaars op hem wezen Als een volger van den Heer;

Maar zijn mond ontkende \'t weer: „Hem was niets gemeens met dezen.quot;

Telkens banger en bedeesder.

Staat hem \'t zweet op \'t bleek gelaat. Ieder blik maakt hem bevreesder,

Ieder woowl hem nederslaat.

Toch wil hij zijn angst ontveinzen; Toch, opdat zijn blooheid niet Al te duidlijk zich verried.

Als men straks hem af zag deinzen.

Maar de woorden, die des Hoeren

Naam verloochenden dus luid, Om verdenking af\' te keeren.

Brachten door hun klank hem uit. Toen, ten uiterste gedreven,

Zwoer hij met een dieren eed .... Als de haan zijn morgenkreet Andermaal heeft aangeheven.

Petrus! hoe heeft dat geklonken

In uw ooren, in uw ziel?

Hoe de blik u toegeblonken.

Die van Jezus op u vielV Ach! daar vliedt gij siddrend henen, Tot in \'t innigst hart verplet,

Om uw trotsche zwakheid met Bittre tranen te beweenen.

B.

II.

Schrei Petrus! laat uw tranen stroomen.

Beween uw kwaad!

t)e trots is vóór den val gekomen, Als \'t doorgaans gaat.

-ocr page 548-

RIJMBIJBEL.

Schrei uit dan om uw schuld te boeten! Al kunt gij uu

Niet vallen aan des Meesters voeten, Toch ziet Hij u.

Toch weet Hij dat uw hart van rouwe, Van droefheid breekt,

En kiemen van een beter trouwe In \'t binnenst kweekt. —

O Mochten w^ van Petrus leeren Ons hart doorzien!

Daar is verloochening des Heeren Niet vreemd misschien.

Maar ieder die zich zelf veroordeelt. Als Hem ontrouw,

Uie zie op Petrus, en op \'t voorbeeld Yan diens berouw.

13.

DE GEESEL1NG.

Mauk. XV. 16-19.

Moest ge ook de strengheid nog van Romes tuchtroê smaken,

O Jezus overgoed!

Ach! mocht uw lichaam niet aan \'t schendig hout geraken. Tenzij door felle roên gepurperd in zijn bloed?

Had dan de rechter zich niet grof genoeg vergrepen,

Dat hij U dus verwees?

Dus schuldeloos verwees? ach! moest hij nog met zweepon En roeden martelen uw teer en heilig vleesch?

De beulen toonen zich elk evenzeer verbolgen;

Hun krachten heulen saam;

Ik zie op eiken slag een open wonde volgen.

Op eiken wederslag een purperroode straam.

Ai mij! ai mij! die zweep komt op de teere lenden.

Die op de ribben aan!

O, Mijn versteende ziel! zie, zie op wat ellenden En smarten uwen Heer uw snoode zonden staan.

Aanschouwers! hoe? Uw oog kan die mishandling dulden;

Ach! weet gij wien men slaat?

Men slaat den trouwen borg, die voor al \'s werelds schulden. Den borge, die voor mijn, die voor uw schulden staat.

228

-ocr page 549-

HIJMBIJBEI..

Wilt, beulen, aan dit vleescli uw hand niet verder schenden! Roert, roert ze niet zoo vlug!

Die slag (gelooft het vrij!) viol nutter op uw lenden,

Die op des rechters borst, en deze op mijnen rug.

Verkeerde rechter! zie dees opgereten zijden;

Dit vleesch, dat bloedrood ziet;

Kunt gij dit lijden zien, ontkleed van medelijden? Dit weenende gelaat, en, wreede! weent gij niet?

Ach! als men eindelijk haar krachten ziet verflauwen,

Valt de onschuld, half vermoord.

En zwijmende, uit de hand der beulen in de klauwen Des woedenden soldaats, die alle deernis smoort.

Hier wordt ze weer bespot, bespogen en geslagen,

En van gewaad beroofd;

Hier doet men haar om \'t lijf een slet van purper dragen. Een spotstaf in de hand, een zotskroon om het hoofd.

Nog meer! de distelkroon, Hem om het hoofd gewonden, (Ondragelijke hoon!)

Die slaat en drukt men neer, opdat Hij zoo veel wonden Mag dragen aan zijn hoofd, als prikkels aan die kroon.

O Gij, mijn zondig hart! terstond van spijt ontsteken,

Ook om een klein verwijt,

Zie wat uw Koning lijdt, ja lüdt om uw gebreken, Ja schuldeloos, en stil, en zonder morren lijdt!

Ja, zie Hem aan, mijn ziel, zie zijn verwonde leden!

Het is zijns rechters wensch;

Die Hem, aldus, versierd, doet voor elks oogen treden.

En elk vermaant tot zien, en roept: „Zie daar den mensch!\'

Den mensch? — Den zone Gods, dos Hemels welgevallen. Verdrukt van helschen nijd!

Voor allen staat Hij hier, hier staat Hij om ons allen. Aan allen doende zien wat Hij voor allen lijdt.

D

PILATU8.

Matth. XSVII. v. 1—24.

Pilatus! hoe? gij durft de hand in \'t water steken, En roemt u vrij van \'t onrecht dat geschiedt! Zoo waart gij dan zijn Rechter niet,

Of niet in staat Hem vrij te spreken?

-ocr page 550-

rumbubel.

Lafhartige! üij hadt geen schuld in Hi\'m gevonden; Jin waarom dan zijn onschuld niet gered?

Maar Hem, in ppijt van recht en wet,

Den vuigen spotter\') toegezonden?

Gij ziet geen schuld. Maar om aan snooden te behagen. Wier helsche macht uw angstig hart beklemt,

Wilt gij den bloedkreet, dien zij stemt,

Afkoopen met uw geeselslagen.

Gij ziet geen schuld. Gij hoort uw eegaas bange droomen; Gij aarzelt, hoort, en draalt, en hoort alweer;

Maar toch, gij neigt u immer meer

Het schuldloos bloed te laten stroomen.

Blooharte vrees, de gunst eens Keizers te verbeuren. Gij hebt op \'t laatst het schriklijk pleit beslist!

Geluk, o Joden! met die list;

Nu zal men Hem ter kruispaal sleuren!

Maar gij, o Hechter! wascht in onschuld u de handen? O Zeg ons, zeg ons niet dat gij \'t gelooft!

l)it vonnis drukt u zwaar op \'t hoofd,

Dit bloed zal u op \'t harte branden.

En toch, indien nog thans u \'t valsche vonnis rouwde. Zoo kan het bloed, dat gij vergieten laat.

Ook u nog zuivren van dat kwaad.

Opdat het u de ziel behoude.

Straks, als door hand en voet de nagel wordt gedreven. Te midden van der beulen schendig woên.

Bidt Hij den Vader te vergeven Aan die niet weten wat zij doen!

Die beê geldt u; mocht slechts uw hart ze niet weerstreven ________B.

simon van cyrene.

xjük. xxiii v. ^6.

Hij gaat den dood voor de oogen treden, Aan d\'eindpaal van zijn moeilijk pad;

Wel heeft Hij leeds genoeg geleden.

Sinds Hij den Hof der Smart betrad!

Hij heeft hun lastertaal verdragen.

Hun schimp, hun spot, hun doornenkrana. Hun vuistslag en hun geeselslagen;

Hij torst hun schandlijk kruishout thans.

•) Herodes.

280

-ocr page 551-

niJMBIJBEL.

Hoe wordt dio leest, zoo naamloos edel,

Door zoo gevloekt een last gedrukt! Hoe houdt Hij d\' eens zoo hoogen schedel

Vermoeid en flauw ter aard gebukt! Dit is te veel! Na zoo veel plagen

En ziel en lichaam aangedaan,

Nog \'t gruwelhout te moeten dragen, P)n \'t rijzend voetpad op te gaan.

Zoo langzaam droegen Hem zijn voeten,

Zoo moeizaam viel de weg ter dood, Dat hun, die Hem geleiden moeten,

De traagheid van zijn tred verdroot; Als Hij nu krachtloos neerzonk, grepen

Ze een vreemdling aan, voor- Hem bereid Het kruis ten heuvel op te sleepen, Waarheen de weg des jammers leidt.

Waarom uit allen n gekoren,

Cyrener, die van d\'akker keert?

Omdat ge een lakend woord doet hoeren?

Omdat u \'s Heilands moeite deert?

Omdat ge een lijder durft beklagen, Die dus zijn doodsuur tegenging?

Omdat uw oog hen schijnt te vragen: Waartoe ook déze foltering?

Omdat een traan blinkt in uw oogen?

Of wijl ge uw oogen sluit en dekt. Zoo ras de stoet komt aangetogen.

Die naar de afschuwbre strafplaats trekt Omdat ze in uw verteederd wezen. Uw blikken op den Heer gevest. Een liefde voor den lijder lezen. Wel gaarne tot zijn dienst geprest?

Maar wat u tot die taak mocht nopen —

Een schoon, een heerlijk voorrecht was \'I De Liefde kon niets lievers hopen

Dan zich te kwijten van dien last. O, Heilig was de dienst voorzeker Uw hart, en zalig boven maat;

Een zoete droppel in den beker Van die zijn doodsuur tegengaat!

Dat valt aan geenen der getrouwen.

Geen der Disciplen meer te beurt; — Zij blijven achter en aanschouwen Hun Heer, met oogen rood getreurd;

-ocr page 552-

rijmbt jbeij.

Maai- ach! zij mogen niets dan klagen,

Van Hem en van zijn kruis geweerd; — O, Had een Petrus \'t mogen dragen,

Wien schuldbesef het hart verteert!

Een andre Simon mag het torsen;

Het eenigst vriendeljik gelaat, Te midden van de wreede\' en norschen,

Wier kring zich om den Heiland slaat; En de eenge die met medelijden Op d\'armen lijder nederblikt,

En van een deel Hem wil bevrijden Van wat de boosheid heeft beschikt.

Hem, die in alle ramp en nooden

De liefste en trouwste helper was, En meer dan bijstand heeft geboden.

De smart vertroostte, en \'t leed genas; Hem, die den zwakke niet liet kermen,

Maar heeft gesteund en opgericht. Hem toont hij heden zijn erbarmen, — O Zoete dienst, o diere plicht!

En Simon! was het u aan \'t harte Niet wel en zalig na dien tijd?

Bleef niet voortaan, in vreugde en smarte.

Uw leven aan den Heer gewijd? Verscheen niet vaak voor uw gedachten.

Heeft u in \'t sterfuur niet verkwikt. Het vriendlijk dankend oog des Zachten, Zooals het u had toegeblikt?

de zeven kruiswoorden.

Matth. XXVII. Mark. XVI. Luk, XXIII. Joh. XIX.

Als men Jezus heiige handen

aan d\' onheilgen kruispaal sloeg. Was het heerlijk om te aanschouwen

hoe Hij smaad en smart verdroeg; Bij het klinken van den hamer,

die Hem hand en voet deed bloên, Bad Hij: vader! o vergeef \'t hun

die niet weten wat zij doen.

Als de nevens Hem gekruiste

aan zyn onschuld hulde deed.

Vond hij Hem, hoe afgemarteld,

nog tot liefde en troost gereed;

-ocr page 553-

rijmbijbel.

Ja, die bede vond genade:

„Heer, gedenk hierna aan mij!quot; heden zui.t gij, sprak de Heiland,

\'t paradijs zien, aan mijn zij.

Als de Heiland aan het kruishout

tusschen aarde en hemel hing. Zag Hij nog zijn lieve Moeder

en zijn liefsten Volgeling;

Vrodwe, sprak hij, zie uw zone!

daar Hij \'t oog op dezen sloeg;

Toen, tot dezen: zie dw moeder!

\'t Was voor haar en hem genoeg.

Als de duisternis den heuvel

met een dikken mist omtoog, Die den mond der spotters snoerde

en bun hart met schrik bewoog; Toen, in \'t uiterst der benauwdheid,

met een schrikkelijk geluid.

Riep de Heer het: eli ki.i,

lama sabachtani uit.

Als des Heilands eind genaakte,

en bet scheidend levenslicht Nog de laatste flikkring spreidde

voor zijn halfgebluscht gezicht; Sprak Hij voor de vijfde male,

uitte zijn verschroeide borst De eerste klachte tot zijn beulen

in het deerniswaard: mij dorst!

Toen was \'t oogenblik op handen,

dat een eind maakte aan zijn lot; \'t Oogenblik, dat aarde en hemel

zou verzoenen, ons met God;

Als de profetie vervuld was,

en het vlekloos Lam geslacht:

Jezus riep met groote stemme

\'t menschenreddend : \'t is volbracht.

Nog één woord klinkt van zijn lippen,

eer zijn hoofd ter nederzijgt; Eer zijn afgefoolde boezem

van den hangen doodssnik hijgt; Vader! roept Hij, in uw handen

geef ik over mijnen geest!

Daarop stierf Hij; smart en lijden,

dood en doodsangst was geweest.

233

-ocr page 554-

RIJMBIJBEL.

DE GESTORVENE.

MATTU. XXVII. MAEK. XVI. LUK. XXIII JOH. XIX.

Ja, Jezus stierf; het leed is uitgeleden,

Waar \'t weeke hart van beeft;

Het werk voleind, waarvoor Hij heeft geleefd, De strijd volstreden.

Hij stierf, zijn hoofd hangt op zijn borst gezonken, Gansch slap en machteloos;

De bittre schaal des lijdens en des doods Is uitgedronken.

Hij stierf, en schoon zijn zijde wordt doorstoken Met de ijzren punt der lans.

Hem wordt (zoo houdt de profetie haar glans,) Geen been gebroken.

Hij stierf; Hij is voor ons, voor ons gestorven; Ons bracht Hij \'t leven aan;

Hij heeft voor ons de schuld bij God voldaan. En zoen verworven.

Hij stierf. Mijn ziel! Gij hebt zooveel misdreven. Gij hebt den dood verdiend;

Geloof in Hem, in uw gestorven Vriend, Zoo zult gij leven.

B.

DE BEGRAFENIS.

Joh. XIX, v. 38-42.

I.

DE AFNEMING.

TiJu zal geen kwaad der aard meer deren Den Heer der Heeren;

Nu is zijn leed voorbijgegaan; Ku randt, van \'t lichaam afgescheiden, Noch Jood noch Heiden Zijn ziel meer aan.

Nu helpt een vriendenhand zijn leden Zacht naar beneden,

En neemt ze \'t smaadlijk kruishout af; Nu leggen treurende getrouwen En droeve vrouwen Hem weg in \'t graf.

234

-ocr page 555-

RIJMBIJBETj.

Nu wedervaart den dooden Heere Rechtmatige eere;

Het sneeuwwit lijnwaad dekt zijn leen, En specerije, die zij strooien In al de piooien,

Geurt om Hem heen.

Een nieuwe grotte zal omvatten Dien schat der schatten, Met zooveel droef geschrei beweend; Daar zal Hij, na zooveel verdrieten, De rust genieten Die \'t graf verleent.

11.

JOZEF VAN AIUMATHKA.

Arimatheërl boven allen

Roemt u ons harte hoog;

U is een heil te beurt gevallen, Benijdbaar in ons oog.

Gij hebt uw onbeschroomde gangen Ten landvoogd heengericht,

En \'t lichaam uit zijn hand ontvangen, Dat in uw grafplaats ligt.

Zie, als Hij omging door de streken Van \'t onerkentlijk land,

Met wonderdoen en zegenspreken, Met kracht van woord en hand,

Wat vond Hij al gesloten deuren. Bij menig trotschen Jood!

Hoe zeldzaam mocht het Hem gebeuren Dat Hij werd in genood!

De vossen hadden hunne holen, De vogels nesten, waar

Zij zich voor hitte en kou verscholen, En dekten voor gevaar;

Maar van zichzelven moest Hij zeggen • Hem was geen plaats bewust,

Waar Hij het hoofd kon nederleggen. Verzekerd van zijn rust.

Van wie in Isrel gastvrij waren,

Naar vaderlijke deugd.

Nam slechts het dak der tollenaren Hera op met ware vreugd.

-ocr page 556-

RIJMBIJBEL.

\'t Getal was klein der trouwe vrienden, Die met, een vroolijk hart

Hem volgden, uit liun goedren dienden. En deelden in zijn smart.

Aan dezen hebt ge u aangesloten. Discipel van den Heer!

Gij schaamt u onder Isrels grooten Zijn heilgen naam niet meer.

Gij wilt zijn dierbaar lichaam dragen Naar \'t graf, dat u behoort;

Daar zal geen boosheid Hem belagen; Daar rust Hij ongestoord.

O Jozef! heilig is nadezen

Die grafplaats van den Heer!

Hoe zalig zal de rust u wezen Daalt gij er zelf in neer;

Hoe rustig zult gij nederleggen Uw hoofd, daar God u riep;

,\'k Ga slapen,quot; zult gij stervend zeggen, „Waar eens mijn Heiland sliep.

HL

HET GRAF.

Eindpaal van mijn aardsohen loop En verslinder van mijn leven!

Zal ik angstig voor u beven,

Zonder uitzicht, zonder hoop? Zal ik bang zijn en ontsteld,

Als mijn pad u tegenhelt?

Neen; mijn Heiland ging mij voor; Vriendlijk hebt gij Hem ontvangen, Daar Hij ruste mocht erlangen

Na een moeizaam levensspoor; \'tWas eerst in uw donkren schoot Dat Hij waarlijk rust genoot.

Moedig, willig volg ik nu;

\'k Wil het uur begeerlijk vinden. Dat ik met al \'s Heilands vrinden

Vredig rusten zal in u;

Waar mij nood noch ongeval,

Ramp noch kwaad verschrikken zal.

-ocr page 557-

RIJMBIJBEL.

Zoo ik levend Hem behoor.

Leidt Hij mij op zachte -wegen, Overstroomt Hi) mij met zegen,

Licht Hij met zijn lamp mij voor; Ook tot in uw donkren nacht Strekt kdch uit mijns Heilands macht.

Zoo Hij-zelf uw kuil bezocht, T)at brengt vrede, heil en zegen Allen, die daar zijn gelegen.

Na den jongsten ademtocht;

Ook het graf behoort Hem too,

Wien ik juichend hulde doe.

Stortte ik morgen in u neer,

\'k Zou des niet wanhopig wezen; Hij mag graf en dood niet vreezen,

Die zich vriend noemt van den Hoer; Jezus stierf, zoo sterve ook ik! Hem behoort mijn jongste snik!

OE OPSTANDING. MATTH. XXVIII. 1—15.

DE WACHTERS.

Geef waakzaam acht,

Romeinsohe wacht!

Het werd zoo streng u aanbevolen. Verzegeld hebben zij den steen; De zorge rust op u alleen,

Dat thans het lijk niet zij gestolen!

De boosheid tobde lang zich af,

Hoe zij haar vijand best zou vangen. Totdat zij Hem aan \'t kruis zag hangen; Nu ligt Hij neder in dit graf!

Daarom, o wacht!

Geef waakzaam acht.

De priesterschaar Ziet nóg gevaar;

Want Jezus had dit woord gesproken, Dat Hij alleen ter dood zou gaan, Om levend weder op te staan,

Als \'t derde licht was aangebroken.

Veel teeknen gaf Hij van zijn macht. En schoon hun hoogmoed \'t niet geloofde.

237

-ocr page 558-

UUMBIJBEL.

Zoo zijn discipelschaai- Hem roofde, Verkreeg die leugen schijn en kracht, Daarom, o -wacht!

Geef waakzaam acht.

\'t Is waar, hunn\' stoet Ontbrak de moed.

Hem na te treden op zijn wegen;

En zoo zij durfden, hun ontbreekt De lust, die zulk een stuk besteekt. En \'t aantal om het feit te plegen;

En zoo zij \'t pleegden, zou een lijk. Dat ze in geheimen hoek verstaken, Des kruislings dood ten leugen maken. En geven van zijn leven blijk? — Nochtans, o wacht!

Geef waakzaam acht.

Des Priestren hart Slaat nog benard Van stille en slecht verheelde zorgen. Het is \'t geweten dat hen .jaagt,

En hen met duizend vreezen plaagt. Gelijk een worm in \'t hart verborgen.

Wol is het gruwelstuk geslaagd;

Maar telkens, met inwendig schrikken.

Zien ze om zich heen met schuwe blikken, Of daar geen spook van wrake daagt. Daarom, o wacht!

Geef waakzaam acht.

Voor u geen rust.

Geen sluimerlust!

Maar kondt ge ook gansche benden weren, — Vergeefs! waar hooger macht genaakt. Die al uw moed te schande maakt,

En al uw wapens af kan keeren.

Want blijken zal het dezen nacht. Of wien de dood hier houdt gebonden De Christus is, van God gezonden,

Of dat deze aard een andren wacht. — Dies, wachters! waakt.

Het uur genaakt!

238

-ocr page 559-

BIJUBIJBEL.

II.

DE MORGEN.

Stil is de Nacht en zwart En schrikbaai voor het hart; Elk legt als in zijn graf, Een poos het leven af,

En toont zich in dien schijn, Waarin men dood zal zijn; Des levens luid gerucht Smoort in zijn dikke lucht;

Stil is de Nacht en zwart, En schrikbaar voor het hart.

Maar als het Morgenrood Deea dagelijkschen dood Met heldren glans beschijnt. Zie hoe zijn schrik verdwijnt! Het Leven heft zich op, Met sneller harteklop;

\'t Geluid ontwaakt en groet Den vroolijk\' ochtendgloed; De boei des slaaps valt neer. En de aarde vreest niet meer.

Maar u, o Zondagnacht! Is blijder toegedacht; Een heldrer ochtendschijn Zal heden de uwe zijn; Uw rijzend morgenrood Beschijnt den waren dood Met leven, waar geen nacht Mee beurt houdt of op wacht; Met licht, welks stralengloed De zon verbleeken doet.

Gods Englen dalen af En oopnen Christus \'t graf; Hun hoofd omstraalt een krans Als bliksemlicht van glans; Maar Christus aangezicht Blinkt van een schooner licht; Het is de klare straal Van \'sHeilands zegepraal. Die dood en hel verwon;

Het is de Nieuwe Zon;

De Zon van schooner dag Dan menschenoog ooit zaer;

289

-ocr page 560-

RIJMBIJBEL.

De Zon van hooger lucht, Waarnaar al \'t schepsel zucht; De Zon, die \'t licht verspreidt Van onze onsterflijkheid! — O Zon, die de aard verlicht! Hoe mat werd uw gezicht, Hoe stak uw schittring af,

Bij \'t licht uit Christus graf!

Licht van den derden dag, — Sinds Hij te rusten lag In \'t duister der spelonk,

Waarin Hij nederzonk, — Gegroet! heel de aarde viert Den dag, waarop gij wierdt! — Maar meerder (jij gegroet! Gij, meer dan zonnegloed, Gij, eeuwig, hemelsch Licht,

Waar alle zon bij zwicht!

Sinds uw verrijzenis Geen graf meer duister is! Gij werpt uw lieflijk rood Op \'t aanschijn van den dood; Gij maakt de toekomst licht En helder voor \'t gezicht; Hoe zalig mag hij zijn.

Die opziet naar uw schijn! O Christus, Zon en Heer; De schaduw is niet meer.

B.

111.

DK HEKK IS WAARLIJK OPfiKSTAAN.

Toen \'s Heilands Englen \'t zegel hraken En wentelden den zwaren steen,

Toen vlood de ontstelde wachter heen, Met vale doodsverf op de kaken,

En voelde \'t hart van siddring slaan; De Heer was waarlijk opgestaan.

Maar als de Baad der boosheid hoorde Wat door de wachters was aanschouwd, Zij daadlijk met een handvol goud \'t Waarachtige verhaal versmoorde;

Haar dacht, de dag der wraak brak aan De Heer was waarlijk opgestaan.

240

-ocr page 561-

RIJMBIJBEL.

Maar als de rij van zijn vriendinnen, Droefgeestig in den grafkuil ziet, Zoo spreekt een Engel: „Vreest gij niet! „Hij, dien gij zoekt, schuilt hier niet binnen; „Gaat heen; zegt zijn Disciplen aan: „De Heer is waarlijk opgestaan.quot;

„Hoe lieflijk mag die blijmaar klinken; De lieve Heiland bleef niet dood;

Zijn toeven in des aardrijks schoot Deed schittrender zijn glorie blinken; Wij kunnen rustig grafwaarts gaan: De Heer is waarlijk opgestaan.

MARIA VAN MAGDALA.

Joh. XX. v. 11—17.

Als \'t oehtendgrauw een zweem van licht Op \'t bleek gezicht Der lieve Magdalena straalde,

Vriendinne van den Zoon van God,

Zoo trad zij naar de duistre grot.

Waarin Hij daalde.

Met eedlen balsem nadert zij En specerij.

Om in zijn graf den doode te eeren,

Met de eigen handen, teer en kuisch,

Waarmee zij afhelp van het kruis Den Heer der Heeren.

Maar als zij naar de grafplaats blikt, — O Wee, haar schrik!

De steen der grotte is weggenomen.

Dies vliedt zij naar de Broedren heen;

Maar om droef schreiende en alleen Terug te komen.

Ja, bitter weenend zit zij neer.

„Waar is haar Heer?

Wie heeft bestaan Hem weg te rooven?quot;

— Want weinig wist haar ziel daaraf,

Dat geen Hem wegnam uit het graf. Dan God hierboven.

Met tranen van haar wang gevloeid Zjj \'t kruid besproeid,

-ocr page 562-

RIJMBIJBEL!

En al haar meegebrachte geuren;

En telkens, scnoon \'t haar vruchtloos blijk\', Zoekt weer haar oog \'t geliefde Ijjk, Met hooploos treuren.

Maar eensklaps wordt dat oog verlicht; Een schoon gezicht Van Englen treft haar in haar rouwe; Hoe schittert kleed en wezen uit!

En de eene vraagt mot zoet geluid: „Wat weent gi), vrouwe?quot;

Nu klaagt zij de oude klachte weer: „Ik mis mijn Heer!

,Tk weet niet waar quot;zij Hem verborgen!quot; En handenwringt als buiten raad,

Nooit zag men droeviger gelaat,

Op blijder morgen.

„Maria!quot; klinkt het; en niets meer.

„Dat is de Heer!quot;

il«eds ligt zij snikkende aan zijn voeten I Wie zaalger dan dit vrouwenhart, Dat zulk een Heer, na zulk een smart. Dus blij mocht groeten!

\'s HEILANDS VEESCHIJNING EN.

Matth. XXVIII. Mabs. XVI, Luk. XXIV. Jou. XX en XXI.

Jezus is het eerst verschenen

aan een neergebogen Vrouw.

Daarna zag Hem Simon Petrus,

afgemarteld door berouw;

Wat vertroosting moest het wezen

voor zijn diepgeschokte ziel

Dat hem de aanblik van den Heiland

reeds zoo vroeg te beurte viel!

Droevig trad een tweetal vrienden,

uit de bloedstad huiswaarts heen;

Ach, het uitzicht was vervlogen,

dat hun hart zoo heerlijk scheen!

Hij, die Isrel moest verlossen,

was gestorven aan het hout;

Was Hij opgestaan? Zij hoopten \'t;

Maar wie hadden Hem aanschouwd?

242

-ocr page 563-

UI JMBIJ BEL.

Vrouwen, zwaar bedrukte vrouwen,

wier verbeelding haar bedroog!... Daar verscheen de Heiland zelve

voor hun droefvorduisterd oog; Maar Hij opent hun de Schriften,

en ontgloeit hun \'t innig hart, Tot ze op eens den Heer herkeunen,

die des Grata verwinnaar werd.

„Vrede zij ulieden!quot; klonk het

uit des lieven Heilands mond. Als Hjj zijn beminde Jongren

tusschen hoop en vreeze vond; „\'t Is geen geest, die tot u nadert;

Jezus ziet gij voor u staan;

„Schaft mij spijze, dat ik ete,

strekt uw hand uit, raakt mij aan.quot;

Thomas\' kunt gij niet gelooven

wat zoo veler mond getuigt?

Vergt gij aanblik en betasting,

eer uw ongeloof\' zith buigt?

\'t Zij! Zijn liefde zal vergunnen

dat ge eerbiedig nederbukt Tot het droevig merk der naaglen,

aan zijn voeten ingedrukt.

O, Dan zinkt gij in aanbidding

■voor den Opgestane neer,

Dan zal Hem uw mond belijden,

Thomas! als uw God en Heer , Dan zult gij Hem al de hulde

van \'t geloovig harte biên;

Maar Hij zal ze zalig spreken,

die gelooven zonder zien.

Petrus, zijt gij nog mistroostig?

Keert gij tot het vischwant weer? Als \'t Apostelschap onwaai-dig,

en onwaardig zulk een Heer?

Daar vertoont Hij zich aan d\' oever,

als gij vruchtloos hebt gevischt; Maar Hij zegent met een w.onder;

en uw broeder zegt: Hij is \'t!

Ja, nu gordt gij u de lenden,

nu doorklieft gij snel den vloed; Maar, tot voor zijn oog genaderd,

daar ontzinkt op nieuw de moed;

-ocr page 564-

KIJMBIJBEL.

Liefde, schaamte, hoop, en vreeze

wisslen in uw angstig hai\'t,

Als gij neemt aan den stranddisch,

in verdeeld gevoel verward.

Maar de Heer zal deernis toonen

bij den deemoed van zijn vrind; Driemaal zal de vraag weerklinken,

Simon, of gij Hem bemint?

Ja, uw stem verstikt in tranen,

maar uw antwoord is gereed: „Heer, Gij weet dat ik u liefheb,

Gij, die alle dingen weet.quot;

Ja, Hij weet het, zoon van Jona!

Hij\'vergaf u; \'t hoofd omhoog! Gij zult nog de hoeksteen wezen

van zijn kerk en tempelboog. Zoo ge uw harte niet voldoen kunt,

daar \'t wil boeten voor zijn schuld, Hij verblijdt u met de tijding

dat gij voor Hem sterven zult.

Veertig dagen, veertig dagen!

schoone dagen van genot,

In het zoet verkeer gesleten

met den hoogen Zoon van God, Eer Hij oprees naar den hemel.

Hij, die uit het graf verrees,

Maar nog eerst in \'s Hemels dingen

zijn disciplen onderwees.

Toen beval Hij hun de Blijmaar

te verkonden wijd en zijd;

Toen beloofde Hij zijn bijstand

tot het einde van den tijd;

Toen den Geest, den Ware\' en Heilgen,

die het hart. Zijn dienst getrouw, Troosten moest en doen gedenken,

leeren en doordringen zou.

244

-ocr page 565-

RIJMBIJBEL.

DE II E M K L V A A U T.

HANDFL. I. V. 4 — 12.

I.

DE VEBZ.ATKNEN.

Hii heeft voor \'t laatst den Berg bestegen, En zijn disciplenschaar met Hem; Nu klinkt nogr eens zijn vriendenstem, En uit zich in den jongsten zegen;

Daar rijst voor hun verbijsterd oog, De Heer, nog zegenend omhoog, En zweeft den ruimen hemel tegen.

Gewis ten hemel moest Hij varen.

Die uit den hemel was gedaald; Die onder mensohen had gedwaald. Hernam \'t gebied der Englenscharen; Het elfgetal, verstomd van schrik.

Staat met onafgewenden blik.

En houdt niet op Hem na te staren.

Maar ras onttrekt Hem aan hunne oogen Een wolk, die om Hem henen zweeft. En den verheven Christus heeft Als met een wijd gewaad omtogen.

Is Jit de wolke, die voorheen.

Op Isrels heiligdom verscheen, Der heerlijkheid van God den Hoogen?

De Jongren waren diep verslagen. En hielden \'t hoofd ter aard gebukt, Als van een vreemden droom gedrukt. En durfden vraag noch uitroep wagen. Hun Heer was heerlijk weggegaan!

Maar wie, wie zou hun ziel voortaan Versterken, leeren, onderschragen?

Weer beuren zij den blik ten hoogen. Of niets meer zichtbaar zij van Hein! — Daar vangt hun oor een hemelstem; Twee Englen stonden voor hun oogen; „Gij Galileërs, staart niet meer! „Uw Heer komt even zeker weer, „Als Hij van u is weggetogen!quot;

Zoo treurt niet als verlaten weezen.

Keert weder naar Jeruzalem;

Gedenkt, vereert, verkondigt Hem;

-ocr page 566-

RIJMBIJBEL.

Hij zal ook deze smart genezen.

Gaat henen on verwacht den Geest. Hij komt, Hij komt op quot;t Pinksterfeest! De Zone Gods zij luid geprezen!

IL

TFHH quot;.ERLIJKTE.

Heerlijke Heiland! vaar op tot uw troon!

Do aarde is gered door uw lijden en sterven;

Had zij voor u slechts een distlige kroon,

Heeft zij gekruisigd Gods eenigen Zoon,

Thans zult Gij schepter en krone verwerven;

Daar waar Gij eeuwig en heerlijk regeert,

Tot Gij den laatsten weerstrever verneert!

Heerlijke Heiland, vaar op tot den gloed,

Die U omstraalde vóór \'s werelds beginnen!

De aarde is bespat met uw schuldeloos bloed, \'t Menschdom gered, en zijn zonde geboet;

Zwaar was uw strijden, maar roemrijk \'t verwinnen! Zwakheid des vleesches en lijden heeft uit; Gij hebt voleindigd; de hemel ontsluit!

Stijg dan ten hoogen door wolken en zwerk! De Knglen verwachten hun Heer in hun midden! Zie welgevallig terug op uw werk;

Kegel, bezegel en zuiver uw Kerk;

Wees onze Voorspraak bij Hem, dien we aanbidden; Reinig ons, heilig ons, maak ons bereid,

Om u te zicu in uw heerelijkheid!

B.

lil.

W IJ.

Stijg, lieve Heiland! stijg omhoog! U volgt ons oog.

De hemel moet wel zalig wezen;

Want Gij bewoont zijn heerlijk licht. Och mochten wij uw aangezicht Er zien nadezen!

Hoe zullen wij hem binnengaan? Heer, wijs \'t ons aan!

Geleid ons door deze aardsche wegen:

-ocr page 567-

RIJMBIJBEL.

Doorzuiver ona het schuldig hart, In zooveel zonde en lust verward, En schenk uw zegen!

O, veel behoeven wij: maar meest Uw goeden Geest;

Opdat wij altoos \'t beste kiezen, En, wat ons tijd of lot ontroof,

Toch nimmermeer \'t oprecht geloof In u verliezen.

Opdat wij steeds de smalle paan Der godsvrucht gaan,

Altijd gewapend zijn ten strijde. En heilig wandlen aan uw hand,

Niet wijkende ter slinkerkant Of rechterzijde!

Opdat wij leven u ter eer,

O onze Heer!

En immer naar volmaaktheid streven; En, pleitende op uw schuldloos bloed, Met vroom geloof en goeden moed. Den doodssnik geven.

B.

DE ÜITSTOBT1NO VAN DEN HEILIGEN GEEST.

Handel. II.

Een sterk gedruisch Vervult het Huis,

\'t Huis, waar de Apostelen eendrachtelijk verkeeren; \'t Is alles stil en kalm rondom,

Toch schudt de wind het Heiligdom:

Het is do Geest des Heeren.

De Heil\'ge kwam;

Een zachte vlam Daalt op hun hoofden neer, en flikkert zonder deren; En van hun lippen stroomt geluid Van twintig vreemde talen uit;

Het is de Geest des Heeren!

Ge ontzet u, Jood En Joodsgenoot,

Te hooren uit hun mond wat niemand hun kou leeren Maar wacht u, wacht u voor den spot!

Die uit de Apostlen spreekt is God;

Het is de Geest des Heeren!

-ocr page 568-

rijmbijbel.

O, knielt dan neer!

Neemt aan den Heer, Den opgestanen Heer, in wien ze u doen gelooven! Ue godspraak is aan hen vervuld;

Daarom bekeert u, boet uw schuld,

En wacht den Geest van boven.

Apostelstoet,

Treed op met moed!

Verkondig den Gekruiste aan Jood en blinden Heiden. U faalt, in Christus naam, geen kracht Van redenen of wondermacht;

De Geest zal u geleiden.

Ja, Jezus leeft;

De Vader heeft,

Op zijn gebed, den Geest gezonden in ons midden; Dies wordt op aard de naam gevreesd Van Vader, Zoon en Heil\'gen Geest,

Dien wij als God aanbidden.

C.

248

-ocr page 569-

GEMENGDE GEDICHTEN.

TWEEDE 13ÜNDEL.

Niet dat wy de vlijt betveuren

Van een dichterlijke jeugd. Of de kunst te nietig keuren.

Dat het hart zloh des verheugt. Neen, geen lente vas verloren, Die der dichtkunst werd gewijd.

Eilderduk.

ALEIDES VEEJAARDAG.

20 MEI 1839.

Wees vroolijk, essche- en elzenbosch Der Nijenburghsohe dreven!

Schud, iepenkroon! uw blaadren los, Waardoor de windjes zweven.

Blink in de zonne, beukentop!

Die al uw goud doe gloren;

Steekt, popels! groene spitsen op, Besneeuw u, hagedoren!

Riek geurig, dunne berkentak!

En linde! sprei uw looverdak, Waardoor geen zon kan boren.

Voor wie uw\' dichter is verloofd, Is \'t lentefeest gekomen.

Gij duifjes, klapwiekt om haar hoofd, l)ie nestelt in dees boomen!

Gij windjes, leegrend dicht bij huis, In duistren den verscholen,\'

Begroet haar met een zacht gesuis, Van uit uw groene holen!

En, als zij uittreedt, weeldrig mos!

Schud mollig op uw bruinen dos, Bepurperd met violen.

Klein bloembed! vreugde van baar ziel En toppunt van haar wenschen,

En dat zij, met een staag gekniel,

Ziet groenen en verflensen;

Verruk haar met een blijden schat Van knoppen die beloven,

Uitglurende door \'t dichte blad. Met wit en rood vanboven!

-ocr page 570-

AAN K0BE1ÏT HENDRIK ARNTZEN1US.

Eén bloem begeert zij voor haar vlecht, En een, die zij in \'t knoopsgat hecht Van die haar \'t hart mocht rooven.

Kom op haar feest haar blij gezicht

Met blijder glans verkwikken,

Zacht moederoog, en vroolijk licht

Van kinderlijke blikken!

En gij, mijn liefde! vier uw vreugd,

En krans uw hoofd met stralen; Doe op haar rozeroode jeugd

Uw heldre daging dalen;

Wek in haar oog den klaarsten sprank, En doe in \'t sneeuwwit van haar wang Het helderst blosje pralen!

Maar leg ook, vriendlijker dan ooit,

Op dees verheugden morgen.

Uw hand op \'t voorhoofd, niet geplooid

Door rimpelen van zorgen;

Lok \'s Hemels zegen van omhoog.

Op d\' adem der gebeden.

Verbid de tranen voor haar oog, De dorens voor haar schreden.

En zij haar weg door u bespreid Met zacbtigheid op zachtigheid En duizend teederheden.

A^lN ROBERT HENDRIK ARNÏZENIUS,

KAAK BATAVIA VEUTliEKKENUE.

U zong de zee een vleiend lied;

Gij zaagt slechts lachjes in haar rimpelen.

Slechts heldre starren in \'t verschiet, En geeft u op aan Hollands wimpelen. Terwijl uw hoop naar \'t Oosten ziet.

U volgen langs den oceaan En zusterliefde en moedersmarte;

Het trouw gebed, de stille traan. En menig zucht van \'t angstig harte. In zulk geleide zult gij gaan.

Wel hadt gij gaarne nog vooraf Uws vaders zegen willen vragen.

Maar, rust hij ook sinds lang in \'t graf. Zijn achtbren naam te mogen dragen,

Dien zegen nam geen dood u af.

-ocr page 571-

OP HET VELD VAN WATERLOO. — TDSSCHEN NAMEN EN DINANT.

O voei- hem, waar het lot u voert, Met eer voor aller braven oogen,

Onslaakbaar aan den plicht gesnoerd. Wat grond uw schreden drukken mogen, Wat zee zich onder u beroert.

En laat gij ook aan Hollands strand Zoo menig ziel in weemoed achter:

Haar lot is in de;-, Heeren hand; En boven is de trouwe Wachter,

Voor u op zee, voor haar aan land.

GESCHREVEN OP HET VELD VAN WATERLOO.

O zee van groene en gelende aren,

Hoe welig golft gij over \'t graf

Der sluimerende heldenscharen.

Wier arm Euroop den vrede gaf.

Hoe waant men hier in \'t ruischend koren. Wiens halm nog van hun bloedstroom zwelt!

Der geesten fluisterstem te hooren. Omzwervende over \'t vruchtbaar veld!

De zeisen zal door de akkers weiden,

En de aar valt, als de held weleer.

Maar om een volgend\' oogst te spreiden — Onsterflijk is der helden eer!

TUSSCHEN NAMEN EN DINANT.

Het boog gebergt, met oogst gekranst,

Ziet neder op den zilvren vloed,

Die van den schoonen morgen glanst.

Door \'t lachend landschap blij begroet; Hier heft de rots haar kale kruin.

Maar ginder hangt, en daalt, en vloeit De welige akker, geel en bruin,

Door \'t helder zonlicht rijp gegloeid; En telkens roept mijn hart hier uit. Ach, waart gij hier, mijn lief, mijn bruid!

Het lage leidak blinkt in \'t licht;

De steenrots, die tot muur verstrekt. Schuilt weg in klimop, groen en dicht. Of toont zich grauw, met mos bedekt.

-ocr page 572-

ZILVEREN BRUILOFT.

De jonge vrouw ziet, blijgezind,

Ue bonte heuvlen langs en rond, En vóór haar speelt haar jongste kind,

Met bloote voetjes, op den grond. Hoe vroolijk zou mij \'t harte slaan.

Mijn lieve, waart gij meegegaan!

Do herder drijft, met blij gelaat,

Zijn kleine kudde langs den zoom;

Zijn bruinverbrande jongen waadt

Tot aau de knieën door den stroom; De maaier, met den strooien hoed,

Ziet welgemoed zijn schooven aan, Pin rust aan d\' oever van den vloed.

Van d\'oogst en van zichzelf voldaan; En ik, ik heb slechts één verdriet;

Dat gij, mijn lieve! er niets van ziet!

Somwijlen doet ons onze tocht

Do kronkling mijden van den vloed. Maar eensklaps blinkt een nieuwe bocht Ons frisch en glinstrend in \'t gemoet. Ga, lieve Maasstroom! haast u voort.

Tot dat ge, aan berg en rots ontward, Uw kil verdiept, met breeder boord;

Gij trekt naar \'t Noorden, als mijn hart; Ga; voer in \'t kronklen naar de zee,

Mijn groet voor haar en Holland mee!

ZILVEREN BRUILOFT.

Blijde gezichten en vroolijk gebaar Voeren de Bruid naar het plechtig altaar;

Bloemen en bladen, in geurig festoen,

Sieren haar paden met kleuren en groen;

Vriendlijke blikken slaan minzaam haar ga; \'t Lichtkleurig bruidskleed sleept ruischend haar na \'t Geurige bloempje siert lokken en borst:

Ze is een vorstin, en de Bruigom een vorst.

Zijn voor het outer de banden gelegd,

Juichende viert men het feest van hun echt;

Vaders en moeders en maagschap en vrind Koemen het snoer, dat hun handen verbindt; Blozende rozen versieren de zaal.

Schijnende wijnen de wijde bokaal;

Geestige liedjes en helder gelach Riizen, en prijzen het feest van den dag.

252

-ocr page 573-

ANNA.

Vijf maal vjjf jaren vervullen hun loop;

Menig een Itind wordt geheven ten doop;

Vijf maal vijf\' jaren gaan over hun hoofd:

Keeds zien zij de oudste der dochtren rerloofd; Vijf maal vijf jaren vervliegen zoo snel: Nog heugt de blijdste der dagen hun wel;

Vijf maal vijf jaren zijn om en geweest:

Waar zij herroepen het dierbare feest.

Bruidstijd, vernieuw u voor hem en voor haar! Blijde gezichten en vroolijk gebaar!

Kuischende bruidstooi, versier weer de bruid! Bruigom! stap jeugdig en vreugdig vooruit! Bloemen en bladen, in geurig festoen,

Dekt weer hun paden met kleuren en groen! Maaj, in het middën van bloesem en kruid. Vonkel, rein zilver! voor Bruigom en Bruid.

Mist men hun speelnoots o zijt des getroost! Zie om hen henen den kring van hun kroost. Blozende wangen van dochter en zoon,

Zij zijn hun rijkdom, hun blijdschap, hun kroon. \\Venschen zij zangen en beden geuit,

Zie, drie geslachten verheffen die luid!

Dierbare grijsheid, en dierbare jeugd,

Vieren, verjongden! uw echtheil, uw vreugd.

Bloeie, zoo roept men, dit feestlijke paar!

Vloeie de beke des levens voor haar!

Gloeie zijn liefde met duurzame vlam!

Groeie de luister en de eer van hun stam! Drinke hij sappen van kracht en van jeugd! Klinke nog lange het lied van hun vreugd! Blinke de goedheid hun toe van den Heer! Zinke slechts spade hun levenszon neer!

ANNA.

O, wang van witte en roode rozen. En over \'t zachte voorhoofdblank. Aan iedren slaap, een blauwe sprank, Als purper in de sneeuw bevrozen!

Lief neusje, regelrecht en fijn;

Lief mondje, gloeiende als karmijn; Fiere opslag van twee lichtblauwe oogen,

Die dartel uitzien naar de vreugd, En zelve een hemel scheppen mogen Van liefde en vroolijkheid en jeugd!

253

-ocr page 574-

ANNA.

Ofschoon de Zuiderzee ons seheide,

Gedenk ik uwer tusschenbeide.

Ik ben begeerig om te weten Of gij nog altijd, als voorheen,

Dus wordt gevierd en aangebeên,

En aller maagden roem geheeten.

Of \'t nog steeds wemelt, waar gij gaat. Van oogen, die van liefde gloeien. Van bloed, bereid voor u te vloeien, Van liefde in proze en liefde op maat; Van liefde die van verre staat.

En die noch spreken kan noch zingen.

Maar zich door blos en schroom verraadt; Of nog de jonkers zich verdringen, Om \'t eerst viooltje, dat zij zien.

Met zoet gevlei u aan te bien;

En of gij, op uws vaders Buiten,

Nog nooit een venster kunt ontsluiten,

Of ziet een ruiter, die zijn paard Met zoo veel gratie op doet steigeren. Dat zoo gij hem een groet kost weigeren. Gij harder dan het hax\'dsteen waart.

Tk ben nieuwsgierig om te hooren.

Of gij nog altijd, als tevoren,

Betoonen blijft uw fleren aard;

Of gij nog steeds met alle krachten Pm liefde en minnaars blijft verachten,

Hen afschrikt met een spottig oog. En voor geen krans van witte bloesems De lelie ruilen wilt uws boezems.

Wat zilver hem doorschittren moog! Eu toch, gij droegt het hart niet hoog; Gij eisehtet voor uw jonge jaren Geen aadlijk bloed in \'s minnaars aren, Geen flikkerglans van rang of roem; Gij hieldt u zelve een frissche bloem. Tevreden met Gods zonnestralen.

Tevreden met Gods open lucht.

En met der windjes koelen zucht,

Maar niet begeerig om te pralen In gouden vaas of klaar kristal,

Uit vrees dat zij verleppen zal.

O Lieflijkste aller zachte rozen!

Nog bloeit gij mooglijk even vrij;

Maar duizendwerf gelukkig hij.

Aan wiens trouw hart gij eens zult blozen.

254

-ocr page 575-

255

MARGARITA.

(parel.)

Geestige lipjes en oogjes vol vreugd,

Zieltje vol leven, blijmoedige jeugd!

Werpt gij rondom u zoo vroolrjk een licht,

Dat gij verheldert het donkerst gezicht?

Waar Margarietje de voetjes maar zet,

Blijdschap en lachjes verzeilen haar tred;

Waar zij maar opent haar sneeuwige hand.

Tuimelt een regen van bloemen in \'t zand;

Bloemen van Scherts eu van vriendlijk Vernoft, Schooner dan die, waar de zomer op stoft.

Fleuriger, kleuriger, geuriger dan Schilder of dichter ze tooveren kan.

Trotsch moet hij wezen, gelukkig en rijt,

Wien zij maar geeft van haar vriendschap een blijk; Maar hij, wiens klachte zij eenmaal verhoort,

Neen! voor diens rijkdom heeft niemand een woord.

Is Margarietje een goudene schat?

Of een juweel in den goudglans gevat?

Weg met metalen en kantigen steen!

Zij heet een Parel; ook is zij er een!

KEETJES VERJAARD A.G.

Hoog waait de vlag, op \'t vroolijk feest

Van \'t aangebeden kind\'),

Geen schepsel wordt er meer bemind

Dan Keetje Van Foreest;

Men viert op \'t Huis geen blijder dag; Hoog waait do vlag!

De vreugde is als haar liefde groot In Moeders teeder hart;

\') Moeders Troost, na baars Vaders dood geboren. (Zie bl. 31 en volgg.

-ocr page 576-

256 KEETJES VERJAARDAG.

Het kindje, afgewacht met smart, Ontwies aan allen nood.

En dartelt in de Wijdste jeugd;

Groot is haar vreugd!

De broers en zusters, even teer, Omhelzen \'t vroolijk wicht,

Lief Nichtje dekt haar rond gezicht ^ Met kusjes, keer op keer;

En de oude Bram \') van blijdschap beeft Dat hij \'t beleeft!

Het halve dorp is even bljj En viert het jarig kind;

Men komt het toonen hoe men \'t mint. Uit hoeve en pastorij!

En elk neemt deel in \'t blij gedruisch Van \'t „Groote Huis.quot;

Daar staat de feestdisch aangericht. Omringd van blij gewoel;

In \'t midden, op versierden stoel, Aanschouwt men \'t vriendlijk wicht.

Daar heerschen vreugde, scherts en lach: Wat blijder dag!

Maar \'t donkergroene vat besluit Des Eijnzooms schat en roem;

Van boven is het enkel bloem. Van binnen geur en kruid;

En \'t biedt, door de open hevelkraan, Den feestdronk aan.

„Zij leve!quot; klinkt de luide kreet: „Zij leve lang en blij!

„Haar Moeders Trooste blijve zij „In alle smart en leed!

„Zij leve vroolijk jaar bij jaar! „God zegen haar!

Hoog -waait de vlag, op \'t vroolijk feest Van \'t aangebeden kind;

Geen schepsel wordt er meer bemind Dan Keetje Van Foreest;

Men viert op \'t Huis geen blijder dag; Hoog waait de vlag!

l) Eeu leeftyd lang by de familie in dienst.

-ocr page 577-

AAN UK BBUID VAN 1)EN ERFPlilXS.

AAN DE BRUID VAN DEN ERFPRINS.

(prinses sophia yan wuktemberg.)

0 Koningsdochter, Vorstenbruid! Oud-Holland strekt zijn armen uit, Om u met vreugde en eer te groeten;

Want vroolijk vloog de mare rond, Dat gij de prinselijke voeten

Haast zetten zoudt op Hollands grond.

Ons Haagsche Hof zich fler betoont Op al den luister, die het kroont, En roemt op Keizerlijke Vrouwen;

Maar \'t harte trekt, om \'t lieflijk hoofd, De sohoone leest van haar te aanschouwen Die aan onz\' Erfprins is verloofd.

De Burgerij naar \'t zoet gelaat. Met liefde en eerbied, de oogen slaat, Dat \'s Prinsen hart vermocht te boeien;

En, ziet gjj minzaam op haar groet, Hoe zult gij aller hart ontgloeien!

De glimlach staat een Bruid zoo goed.

Dan heffen we, in zoo blijd een stond, De kleine kindren van den grond.

Opdat hun oogjes de uwe ontmoeten;

En zeggen, schoon \'t hun wonder schijn\'. Dat wij onze Erfprinsesse groeten,

Die eens hun Koningin zal zijn.

Dan neemt ge uw plaats in ons gemoed. In \'t Hollandsch hai-t vloeit eerlijk bloed, Getrouw aan vorstelijke panden;

Maar, wie de Kroon eens sieren zal, Dezulken draagt het op de handen. Dezulken eert het bovenal.

Wees, sohoone Duitsche, luid gegroet, De Leeuw valt hoflijk u te voet.

En buigt zich voor uw zedige oogen;

De Oranje strekt zijn schaduw uit; En Hollands juichtoon stijgt ten hoogen: Wees Welkom, koninklijke Cruid!

367

II.

17

-ocr page 578-

BIJ HET HUWELIJK VAN V. D. PALMS KLEINKINDEREN.

BIJ HET HUWELIJK VAN VAN DER PALMS KLEINKIlj DEREN, DOOR HEM INGEZEGEND. 28 Nov. 1839.

(Zie mijn Leven en Karakter van J. H. van der Palm, bl. 122. 3.)

Zoo zegent God de aartsvaderlijke tente,

Die hij in gunst beschermt;

De blanke sneeuw des ouderdoms verwarmt Een wederschijn van liefelijke lente.

Een vonk van jeugd blinkt uit in aller oogen,

En zet elks hart in gloed,

Een lied van vreugd welt op in elks gemoed, En stijgt ten hoogen.

De Oudvader treedt met dochteren en zonen Vooruit, in \'t hart verheugd.

En toont het hoofd, dat wijsheid, roem en deugd. En vijfmaal vijftien schoone jaren kronen.

Zijn kleinkroost treedt met blij gejuich hem tegen; Daar schuilt een bruidspaar in;

Het wacht op \'t feest van hun bekroonde min Zijn kostbren zegen.

O zalig lot voor d\'overjaarden Grijze!

Hij breidt zijn armen uit Tot bruigom-zoon, en dochterlijke bruid.

En zegent d\' echt naar kerkelijke wijze.

Hoe schemert nu \'t verleden voor zijn oogen.

Toen de oudren van dit paar Dus lagen, bij het heilig echtaltaar.

Voor God gebogen.

Dezelfde mond, die d\' oudren \'t huwlijks-Eden Met ernst ontsloot weleer.

Bezweert ook hen, staroogende op den Heer, Den plicht getrouw, op \'t levenspad te treden. De hand, die eens besproeid heeft beider slapen Met heilgen waterdrop.

Heft biddende zich voor hun echtheil cp Tot d\' Ongeschapen.

Geheel de kring bidt stil en innig mede.

Met menig traan in \'t oog,

Eu aller ziel stjjgt uit het stof\' omhoog.

En wenscht tot God te gaan in dien gebede.

Wie is er dat hij voor den Heer het drage?

De zalige misschien,

258

-ocr page 579-

GOVERT-OOM.

Die van omhoop \'t geluk zijns zoons mag zien? O, dat hij \'t zage!

O, dat hij \'t zie vermeerdren en vervullen, F^n duren jaar en dag,

Het heil, waarvan ons oog den morgen zag, En velen wis den middag niet zien zullen.

Lief Paar! dat God zijn licht zende op uw paden. Beschermend voor u trekk\'.

Uw weg met al dien zegen overdekk\',

Waar wij om baden!

O, vraag mij niet of ik heb meegebeden ....

Maar laat mij in uw hart Het aandeel dat mij steeds geschonken werd, Kn zijn wij broeders, zusters als tot heden! Ei ziet, hoe zoet, hoe lieflijk is \'t dat zonen, Eén bloed en één geslacht.

Of door het snoer der liefde toegebracht. Eendrachtig wonen.

GOYERT-OOM.

Zie de schildery van Schalken, In het Eijks-museum te Amsterdam.

Govert-Oom had Flip en Marten \'t Avondstond te gast genood.

üat verheugt die jonge harten,

Want hij schafte meer dan brood.

Oude Zwaan de brij zou koken;

Och! het heugt ons allegaar,

Hoe we sprongen, als we \'t roken.

En de meid zei; „Straks is \'t klaarquot;.

Als de jongens dapper smulden,

Was Oom Govert in zijn schik.

Daar ze mond en lepel vulden

Schier in \'t eigenst oogenblik.

„Jongens,quot; vroeg hij, „ken je een eten,

„üat bij zulk een kostje haaltVquot;

Flip betuigt het niet te weten;

Maar broer Marten zwijgt en draalt.

„Wacht reis. Oom!quot; zei kleine Flipje,

Schoon hij nauw den tijd zich gunn\', Met den lepel aan zijn lipje:

„Schaf een eitje, zacht en dun!

„Dat \'s zijn lekkerste verlangen;

259

-ocr page 580-

1gt;E SPEELNOOT.

„t\' Ochtend heeft hij \'t nog gezeid.quot; Daarop bloosden Martens wangen, Enkel uit bescheidenheid.

Op een knikje van oom Govert,

Wordt terstond door de oude Zwaan \'t Assendelver nest veroverd,

En de buit in \'t net gedaan. Govert-Oom telt effen honderd;

Marten doet als merkt hij \'t niet. En hij toont zich heel verwonderd. Als zijn Oom hem \'t eitje biedt.

Aanstonds, zonder veel te spreken.

Breekt de knaap den brozen dop; Govert-Oom zet, op dat teeken.

Blij van hart, zijn fokje op. „Toe maar, jongen 1 smul terdegen!

„Is \'t van dunte naar je zin?

,\'k Heb er meer nog; dat \'s een zegen; „f/oopt het door wel langs je kin\'i1quot;

Marten liet niet vruchtloos nopen.

Met een glans op \'t blij gezicht.

Liet hij, braaf met struif bedropen,

Van de drie geen eitje dicht.

\'t Was te veel! Maar \'t was een jongen. Govert-Oom genoot als hij; Flipje-broer was even blij;

Vol van eieren en brij.

Zijn die twee naar bed gesprongen. Govert-Oom zat wel een uur Nog te*-kijken in het vuur;

Toen hielp Zwaantje ook hem te bedde;

Lange dienst maakt onbeschroomd: „Oompje,quot; zei de meid, „ik wedde „Dat je van de jongens droomt.quot;

DE SPEELNOOT.

(NAAK THOMAS HAYNES BAYLv).

De feesten zijn gevierd, de gasten afgetrokken;

Ach! de eenge zuster van de Bruid zit neer en schreit; De witte rozenkrans ontviel haar bruine lokken;

Haar hart gevoelt zijn eenzaamheid.

260

-ocr page 581-

AAN EEN GESTOKVEN KIND it

Met lachje en zoet gekoos hielp zij haar tooi volmaken, En leidde haar ter feest met toegenegen trots;

En schoon bij d\' afscheidskus de dierste banden braken, Zij rukte met een le.ch zich los.

Zij wil geen blijden dag verbittren met haar weenen,

Haar lieve zuster niet in droefheid weg doen gaan;

Daar rolt het rijtuig aan, en voert de dierbre henen.

Maar kan zij nu haar smart weerstaan?

Zij roept den tijd terug, aan \'t zusterhart gesleten, L)at vriendlijk hart, met haar in vreugde en droefheid één. De witte rozenkrans ligt aan haar voet versmeten, De speelnoot bleef bedrukt alleen.

AAN EEN GESTORVEN KIND.

Wel wordt aan u nog menig traan gewijd,

Lief kindje, dq,t we in \'t vochtig zand begroeven! Maar ziet gij soms nog neder op ons, droeven.

Nu gij bij God een vroolijke Engel zijt?

Gij scheent bestemd een blijde jeugd te smaken; Uw oogje blonk; uw wang was rozerood —

Op eens! die vonk werd dof, die blos verschoot. Terwijl wij van uw aardsche toekomst spraken.

Wij hadden op uw klein en dierbaar hoofd Een schat gehoopt van liefde en teederheden.

Zooveel voor u gewenscht en vroom gebeden.....

Wat hielp het, toen ge ons eensklaps werdt ontroofd ? En gij, gij hadt met koozen, streelen, vleien, Met lachjes en met woordjes, zoo bezield,

Ons steeds getoond hoeveel gij van ons hieldt — Toch gingt gij heen, en laat ons droevig schreien.

Het was, helaas! uw moeder niet gelukt, üw doodskou met haar liefde te verwarmen ;

En gij zijt zacht gestorven in haar armen.

En zelv\' heeft zij uw oogjes toegedrukt.

Nooit zal de wond van \'t moederhart genezen;

Haar vreugde is heen, haar lust, haar blos, haar kracht; En zoo ze u niet in \'s Heeren heme! dacht.

Zij \'zou reeds lang van smart gestorven wezen.

Hoe zwaar viel aan uw vader treê voor treê.

Die hij op \'t breed, op \'t heuvlig kerkhof zette; \'t Was of de kleine doodkist hem verplette.

Toen men die zacht en langzaam zinken deê.

-ocr page 582-

QEERTE.

Grootvader stond er bij, van rouw gebogen,

(Begroef hij niet zijn nieuwe kindervreugd?)

Dacht aan zijn grijze haren en Uw jeugd... Wat was er veel met uw bezit vervlogen!

En de arme, die haar Icind vertroosten moet,

Maar zelve in u een kindje heeft verloren,

Hoe deed zij zich geweld haar rouw te smoren!

Kindskindren zijn voor \'t moederhart zoo zoet. Wat kostte \'t haar, toen zij heeft weggeborgen \'t Oud speelgoed, dat reeds van uw moeder heugt, Uw erfenis, — helaas! uw laatste vreugd.

Lief schepsel, op dien laatsten blijden morgen!

Ach, allen, wien ge een lust des levens waart, Gedenken we u met smart en vochtige oo^en; En, weten we ook dat wij \'t niet wenschen mogen.

Onze eigenbaat wenscht u terug op aard.

O, denk toch niet dat, sinds ge ons zijt ontnomen. Wij u niet zien, niet daaglijks zien, lief kind! De ziele zoekt de plekjes, waar ze u vindt. En \'s nachts komt gij ze tegen in haar droomen.

Daar gingt gij heen, waar men noch treurt, noch lijdt. Waar ge ook van ons geen liefde zult behoeven;

Maar ziet gij soms nog neder op ons, droeven.

Nu gij bij God een vroolijke Engel zjjt?

O, bid hem dan (nu immers kunt gij bidden?)

Dat Hij de smart door zijn gena verzacht,

De ziel verkwikk\', die needrig op Hem wacht. En wederom een kind zende in ons midden I

GEERTE.

Hij is zoo pas mijn raam voorbij gevlogen.

Op \'t kleine paard, zijn trots en al zijn vreugd; Wat is hij schoon, hoe schitteren zijn oogen,

Hoe bloost zijn wang, hoe vroolijk is zijn jeugd. Hoe klopt mijn hart, wanneer ik hem zie ns.deren!

Of heeft mijn borst den jongen niet gevoed? Het is mijn melk. die bloed werd in zijn aderen; Het is mijn melk, mijn eigen hartebloed.

Zijn^moeder zegt; „Hou goede Geerte in waarde!quot;

Hij heeft mij lief, en goedig is zjjn hart.

Maar, was hij ook \'t ondankbaarst kind der aarde. Ik zou hem nog beminnen in mijn smart.

262

-ocr page 583-

ROME. BLINDHEID.

\'k Lag krank terneer; bij werd mij toegezonden;

Zijn moeder heeft vrouw Geertes leed verzacht; Wat was de gift, de balsem voor mijn wonden, Wat was zi], bij de vreugd dat hij ze bracht?

Mijn kindren zijn gering en laaggeboren.

Maar \'k heb er Een gezoogd uit edel bloed; O, Mocht hij eens met room van zich doen hooren,

Wat zou het zijn voor Geertes oud gemoed! Zou hij dan ook zijn arme Min vergeten,

Waar rang en roem hem \'t hoogste pad ontsloot; Wat nood! mag zij hem slechts gelukkig weten, Mag maar haar oog hem volgen tot haar dood.

ROME.

The Niobe of nations! there she stands, k. Byron. Chllde Harold, IV. 79.

Gij, Niobe der volken, wreed beroofde,

Wie \'t kronegoud viel van d\' ontsierden hoofde,

Wier arm vergeefs een ledige urn omknelt.

Waar de asch sinds lang uit heenstoof over \'t veld!

Tot u moet zich vernederde eerzucht keeren,

Die om \'t verlies van weinig lauwren pruilt.

Van u die rust en kalme grootheid leeren,

Waardoor ge in \'t graf van \'s werelds overheeren Noch tusschen \'t riet uws Tibers u verschuilt.

BLINDHEID.

Croyez, et la pauplère s\'ouvre, Aimez, et la prunella volt.

Wij dwalen om als stekeblinden,

Ons starend oog heeft geen gezicht. Of slaaprige onmacht strijkt het dicht; Wij missen kracht en lust en licht.

Om ooit den waren weg te vinden.

Och, of die dofheid wijken kon!

Die nevel eens werd weggetogen! ....

Geloof! Daar oopnen ïich uw oogen,

Heb lief en hoop! Gij ziet de Zon.

268

-ocr page 584-

IIOOQE EURZUCttT. — PETRUS.

HOOGrE EERZUCHT.

Cache ta vle et répands ton esprit,

„Verberg uw leven en verbreid uw geest!

,Verborgenheid versterkt den roem het meest;

„Men zag er veel, een nietige eerzucht streelend,

„Voor ijdelhcen een grootschen naam verspelend; „Uw huis zij klein, en uw bezoeker schaarsoh; „Den stroom zie elk, de bron blijve onderaardsch.quot;

Maar is er ook een waarborg uit te vinden,

Dat hi.) in zand noch duistre ruigte smoor?

En wringt hij daar zijn sterke storting door,

Zal hem niet haast de groote zee verslinden?

Sinoerus! neen, wie ooit den roem beminden,

Buil daar uw hart, uw open hart niet voor!

TETRUS.

Simon Bar Jona, gij Rots der gemeente.

Heb ik het zwaard niet gezien in uw vuist? Draagt gij den naam van onwrikbaar gesteente, Schoon in uw boezem de duive 1) nog huist ? Simon Bar Jona, de Rots is vergruisd.

Simon Bar Jona, de Rots moest bezwijken.

Nietige leem, voor de hand eener vrouw!

Gij, die verknochter dan allen zoudt blijken.

Waar is uw moed, held? en zoon, waar uw trouw? Bloode, slechts rest u een traan van berouw.

Simon, de Heer. dio ean blik op u vestte.

Sluit nog op hed\'B het oog voor den dood. Bloode, voor u was zoo\'n aanblik de leste;

\'t_Graf neemt Hem op in zijn duisteren schoot: Diep was uw val, maar uw droefheid is groot!

Dan, uit het graf is de Christus verrezen,

Simon Bar Jona, bemint gij den Heer?

Juich, gij zult weder zijn schaapherder wezen; Gij wordt de Petra, de onwrikbare weer!

Nieuw is uw kracht, en hersteld is uw eer ,

Of gij Hem liefhebt? Gij, Rots der gemeente!

üt)4

Vuur zijn uw woorden, en ijzer uw moed;

1

Beteekenis -van den naam Jona; die echter ook eeu verkorting van den naam Jochanan zou kunnen zyn.

-ocr page 585-

NAPOLEON TERUO. — JACOBA VAN BEIEREN.

Heft zich de kerk op uw duurzaam gesteente. Grondt zich de kerk in uw uitgestort bloed: Simon Bar Jona, de achuld is geboet.

NAPOLEON TERUG.

1840.

De geesel van Euroop lei, balling, \'t leven af;

Zijn eenzaam mart laarschap verzachtte \'t hart der volken;

Geen lauwer wies zoo hoog als op zijn rotsig graf; Een nieuw geslacht stond op en hief hem tot de wolken,

En zag miskenning in zijn straf!. ..,

Wat vjjand van zijn naam herstelt hem in zijn glorie, En voert zijn urn ons toe, en kroont ze, en knielt er bij? Hij maakt den held der poëzij Op nieuw ten voorwerp der historie,

Die — deernis kent noch dweperij.

JAGOBA VAN BEIEREN.

Wat maakte, in \'s lands hiatorieblS.ren, Het oordeel voor Jacoba zacht?

Wat doet een liefdrijk nageslacht Met zeekre teerheid op haar staren,

En aiet een mond, die goelijk lacht? Haar sierde, boven Hollands Graven, Wel geen uitnemendheid van gaven.

De landzaat prees haar goed noch groot; Geen krijgsmoed schonk haar zegepralen. Geen amazonisch roembehalen

Wierp ooit haar lauwren in den schoot; Haar staatzucht zette Hollands palen

Niet uit, maar voor den vijand bloot; En \'t bloed van trouwe landgenooten, In vloekbren burgerkrijg vergoten,

Verft haar de raantelzoomen rood;

Ja, op haar naroem kleeft, afschuwlijk. De schande van een dubbel huwlijk. En Beylings wreede marteldood.

En echter neemt haar met ontferming,

üit heel zijn achtbre Graven-rij, Een goedig nakroost in bescherming.

Haar, lievling van de poëzij!

Zij boeit in verzen en verhalen.

Haar naam vervult de schouwburgzalen.

2t)5

-ocr page 586-

WAT? — AAN EEN HUISVADER.

Poëet en schilder put zij uit Om haar op \'t lieflijkst af te malen,

Als schoone weduw, teere bruid;

En welke namen wij vergaten,

Verguisden, hoonden, leerden haten,

Zij vond genade in ieders oog;

Met tranen weten kind en grijzen Het huis te Teylingen te wijzen.

Waar eens haar laatste hoop vervloog.

O, Zoek bjj staatspartij en veeden.

Sinds lang vergeten of verdoofd.

Van dit verschijnsel naar geen reden.

Waarin geen sterveling gelooft.

Zoo \'t kroost van Kabeljauw en Hoeken Om strijd haar vrijspraak schynt te zoeken,

\'t Is dat ze een vrodw was, ,iong en schoon; En, was haar dwaasheid menigvuldig,

Alleen door liefde en hartstocht schuldig, En ongelukkig door een kroon.

WAT?

Zoo dikwijls ik uw hoofd beschouwde.

Zag ik katoen in ieder oor;

Men zegt, gij draagt het voor de koude ;

Maar sta mij toe, dat ik het voor Een staaltje van uw hersens houde.

AAN EEN HUISVADER.

Buigt zestigjarige ouderdom Uw hals niet krom,

En maakte u knieën slap noch lenden,

\'t Is, achtenswaarde, dat gij \'t oog Vrijmoedig op durft slaan en wenden Tot God omhoog.

Het is dat gij, met vasten tred. Den voet gezet,

Den gang gericht hebt op de wegen

Van deugd en billijkheid en plicht. Een eerlijk man draagt \'s hemels zegen Op \'t aangezicht.

Zoo gij \'t begaafd en helder hoofd Hebt afgesloofd,

-ocr page 587-

AAN EEN HUISVADER.

Het land ten oorbaar en der stede;

Dat maakt der grijsheid zilvren kroon, Die God u schenkt op veler bede, Zoo dubbel schoon.

Vast jjverdet voor kroost en gade,

En \'t vonnis wegens \'t brood des zweets Altijd verstaan hebt van genade.

Die God bewees;

Geen vorst, geen staatsbewind, geen stad, Vergeldt u dat.

Dat kan geen dankbaar kroost u loonen;

Maar God, u sterkend van omhoog.

Heeft zelf uw schedel willen kronen.

Voor ieders oog.

Dies beeft de trouwe hand nog niet, Die gij ons biedt,

Tot steunen, sterker, troosten, leiden;

Dies zweeft geen mist u voor \'t gezicht, Maar valt in oog en ziele beiden. Nog helder licht.

Dies blijven wakkerheid en kracht. Een mond die lacht,

Een wang van kleurig bloed doorschenen.

Een strakke knie, een vaste voet. Een arm in staat om hulp te leenen.

Een hart vol moed.

O steun en eere van ons huis.

Geen luid gedruisch Verheft uw lof door land en steden;

Maar negen kind ren spreken hem. En paren aan hun moeders beden Voor u hun stem.

Ja! steek nog lang dat hoofd omhoog. Laat lang dat oog Van helderheid, van moed getuigen En rustig op zijn meerdren zien! Ook schroomt die schedel niet te buigen.

Maar weet voor Wien!

Voor Hem, die moedig maakt en sterk In weg en werk,

-ocr page 588-

ZOMERNACHT.

Wiens hart zijn liefde heeft verteederd;

Die vrijmaakt wie zijn jok verdraagt; Die \'t hoofd, dat zich voor Hem vernedert, Verheft en schraagt.

Hij schrage u tot den einde. Hy,

Altüd nabij,

Altijd dezelfde, altijd almachtig;

De kracht des mans wordt eens verheerd; Maar zijn g^tuignis is waarachtig En triumfeert.

ZOMERNACHT.

L\'ete. lorsque le jour a ful, de fleur» couverte, La plalne verse au loin un parfum eulvrailt, Les yeux fermés, Torellle aux rumeurs entr\'ouverte On ne dort qn\'a demi d\'un sommell transparent. Les astres sont plus purs. Tonde parait meilleure; Un vague demi-jour teint Ie dónie éternel ; Et I\'aube douce et pale, en attendant son heure, Semblo toute Ia nuit errer au bas du ciel.

Victor Hdgo.

De heuvel werpt zijn schaduw over \'t dal;

Een zoete geur, opwalmend naar den hoogen.

Omhelst het windje, uit liefde toegevlogen,

Als \'t kussend langs de bloemen strijken zal. En, suizende door \'t elzenloof getogen,

Den nachtegaal verrast in \'t zacht geschal,

Of, van zijn lied nog trillende en bewogen,

De wiekjes doopt in gindschen waterval.

Waarnaar de wilg zijn twijgen houdt gebogen.

Gg dommelt in halfsluimerende rust;

De balsemluoht bereikt u van de kruiden;

Der vooglen zang schept u een droom var. lust,

Daar \'t zoet geruisch van vredige geluiden

Tenhalve u wekt, maar aanstonds weder sust; Of blijft, als ik, bij \'t open venster dralen.

\'t Is of u \'t blauw des hemels tegenlacht;

Der starren licht lijkt helderder te stralen:

Het duister zelf is vriendelijk en zacht En niet bekwaam verschrikkingen te malen;

En de ochtend schijnt alreeds den ganschen nacht Verlangende aan de kimmen om te dwalen.

-ocr page 589-

BRÜIDSTllANKN.

BRUIDSTRANEN.

\'t Blonde Bruidje zit te staren

Naar den lager zonnegloed,

Die de gelende iepenblaren

Van zijn purper gloeien doet; \'t Zuidewindje, in zijn zwatelen

Telkens door de vaak gestoord, Doet de witte kroontjes ratelen Van haar feestlijke eerepoort.

Roodeborst en tortel zwijgen,

Onder \'t hangend looverdak;

Stilte heerscht in top en twijgen.

Over \'t effen vijvervlak,

Op de pleintjes, in de dreven, Diehtebij en in \'t verschiet;

Alles rust wat uit van leven.

Wat het leven recht geniet.

Maar de krekel Iaat zich hooren. Met zijn slaapdeun zonder zin; Die zich zanger voelt geboren

Houdt zoo licht zijn kunst niet in; Lieve Bruid! de mijmeringen.

Daar uw hart zich in verdiept. Worden door mijn krekelzingen. Ei, gedoog het, nagepiept.

„Breede beuken! spitse dennen!quot;

— Spreekt het Bruidje in haar hart „Boomen, die mijn oogen kennen.

Sinds hun \'t zien veroorloofd werd! Vijver, aan wiens rand ik speelde, Van mijn moeders oog bespied. En waarvan ik mij verbeelde Dat men nergens schooner ziet?

Bosschen, waar ik al de paden

Blir.dlings in te wandlen weet, Die ik twintigmaal van bladen

Zag verwisseld en verkleed;

Plekjes, voor het oog verscholen. Die ik om uw bloempjes acht. Waar ik klokjes en violen Jaarlijks heb het eerst verwacht!

Dorpje, daar ik hoog op roemde, Stille daken, zoo bemind,

-ocr page 590-

BRUIDSTRANEN.

Waar ik al de kindren noemde,

Alle menschen had tot vrind!

Kerkje, waar ik alle weken

Opging met de kleine schaar.

Dat ik \'t afscheid uit moet spreken, Valt mij, bij mijn vreugde, zwaar!

Lustoord van mijn blijdste dagen,

Eden van mijn teere jeugd,

Waar mijn hartje heeft geslagen

Van een onvergalde vreugd!

Ben ik niet te lang gebleven In uw kring van zaligheid.

Dat ik thans u zou begeven Met een hart, geheel bereid ?

Heb ik niet in u gesleten

Jaartjes van te groot genot.

Dat ik ooit u zou vergeten

Bij het wisslen van mijn lot?

Mag er niet een traantje vloeien

Langs de wangen van de bruid, En de lieve plek besproeien. Die zooveel voor haar besluit?quot;

Bleekte ontkleurt de sohoone rozen

Van haar minnelijk gelaat.

Als zij, na een weinig poozen,

\'t Vochtig oog naar \'t noorden slaat; Waar zij ziet den spitsen toren

Van de nederige stad,

Waar zij zelve werd geboren.

Die haars vaders asch bevat.

Droevig keeren haar gepeinzen Tot haar weder en benauwd.

„Moet ikquot; — zucht zij — „henenreizen.

Daar zooveel mij wederhoudt? \'k Voel nu hoe dequot; banden klemmen.

Die mij boeien aan dit oord.

En de teederste aller stemmen Worden nu eerst recht gehoord.quot;

\'t Zonnelicht heeft uitgeschenen;

\'t Laatste straaltje is gedoofd; \'t Laatste gloedje haast verdwenen;

En het bruidje bukt haar hoofd. Och, in spijt van witten bloesem. Die haar blonde lokken siert,

270

-ocr page 591-

lijdzaamheid. — achtebdocht.

Beeft een traantje op haar boezem, Dat haar al te bitter wierd.

Zulke heldre parels drijven

In den opslag van haar oog,

Of zij bad te mogen blijven,

Aan de slingers van haar boog;

Zulke zuchten, bij die blikken,

1{ ijzen uit haar zachte borst.

Dat de bloemen er van schrikken. Die zij op haar hartje torst.

Maar de Bruigom treedt er tusschen.

Met een wijzer overleg.

Immers, met zijn vele kussen.

Vaagt hij alle traantjes weg.

En haar wang begint te gloren

Van een gloed, die vreugd verraadt. Als hij voor zijn uitverkoren

Van \'t hen wachtend Heemstee praat.

LIJDZAAMHEID.

You have seen Sunshine and rain at once King Lear.

Waar diepe smart het hart vervult.

Maar vroom geduld Haar weet te dragen.

Daar siert, schoon \'t oog in tranen staat.

Een lach \'t gelaat.

En blinkt, gelijk bij zomerdagen

Het scheemren van den zonneglans,

Die, strijdende met regenvlagen,

De kleuren oproept aan den trans.

En traan en lachjes gaan en komen,

Als kenden zy elkander niet.

Maar zij verkwikken alle vromen,

En God vereent ze, die ze ziet.

ACHTERDOCHT.

Suspicion is a heavy armour, and

With its own weight impedes more than protects.

bykon.

Wijze achterdocht is een goed harnas, maar wat zwaar, En meer belemm\'rend dan beschermend in gevaa,r.

271

-ocr page 592-

272 AKAlilbCUE Sl\'REUK. - KEClTEhliEN. - STE1JULUST. - KUNST RICH TEK3.

ARABISCHE SPREUK.

Veracht een laag en vleiend woord;

\'t Komt niet dan uit verachting voort.

--- 1

RECITEERSN.

Laat schoona verzen glad van eft\'en lippen vloeien,

Maar gil, noch galm, noch kwaak, noch bulder woest en luid Weerhoud uw arm en hand vau haamren, zwaaien, roeien;

De molenwiekerjj drukt geen verrukking uit.

Des dichters hartstocht stijge als opgezette baren.

Hij zij een storm, een stroom, die alles met zich voert:

Gij, blijf uw kalmte, uw kracht, uw meesterschap bewaren, En daar ge een ander schokt, schijn zelf niet eens ontro«rd.

STRIJDLUST.

Ach, al wat klauwen heeft, of nebben, of geweren,

\'t Zij\'kemphaan, duif, hond, kat, stier, mensch, of hoe het heet Zoo daar een voorwerp is, dat twee gelijk begeeren.

Al \'t bloed wordt aanstonds gal, en \'t strijkperk is gereed. Vergroot een regendrop bij \'t schelle gaslichtblaken.

En zie wat oorlogsveld hij u te aanschouwen schonk,

Hoe \'t al ten strijde trekt met opgesperde kaken,

Met angels in den staart en felle wederhaken.

Gespitste lansen en geschubden wapenpronk;

En dan, verbaas u niet dat ge u zoo boos kunt maken,

Daar ge enkel woede zwelgt met ieder waterdronk.

KUNSTRICHTERS.

De plant, die in den wilde groeit,

Behoett geen vinger die haar snoeit;

Haar bloesem pronkt aan sobre loten;

Maar wat in kamers is gebroeid Is ras te welig opgeschoten,

En draagt, aan d\' uitgerekten steel, Slechts schaarsche blaadren, flets en geel. Beperk die armelijke weelde!

Maar strek toch nooit uw snoeimes uit Naar Gods natuurlijk heidekruid.

Dat in die wetten nimmer deelde. Teruggehouden kracht vernielt De bloem en wat de bloem bezielt.

-ocr page 593-

DWAASHEID. — TRANEN. — JONGENSMIJMERING.

DWAASHEID.

Infinita è la schlera de sclocchl.

DANTE.

Wat ster^ling zal zijn hersens kwellen,

Met al de zotten op te tellen,

De soorten slechts van hun geslacht?

Die zeker zou de zotste wezen,

In wien dat denkbeeld was gerezen.

En zich „nog zoo heel zot nietquot; dacht!

TRANEN.

De weekheid storte tranen-beken :

Mistrouw dien ras verdampten vloed! Wat eedle harten weenen doet Zal in een enklen droppel spreken:

Eén droppel, door de ziel geschreid,

Geldt heel een stroom van zinlijkheid.

JONGENSMIJMERING.

(Een boerenlul aap, te halver lyve utt liet venster hangende, spreekt.)

Wel te duizend! wat is \'t heet!

\'k Word ook veel te warm gekleed.

\'t Moet wel koel zijn in die sloot!

Buurmans kersenboom is rood;

Buurmans schutting... Buurmans stok; Buurmans bril en dwaze rok. —

Zeven mosschen op het pad;

Die reis zeven plakkers had!

Zeven putters, o geluk!

Zeven paapjes op de kruk —

Drommels! dat \'s een nijdig beest.

Waar mag Krelis zijn geweest?

Sinds dat ventje rooken kan.

Kijkt hij nooit meer iemand an. —

Hoeveel mannen zijn der bij?

Wacht! de dikste kijkt naar mij!

Boog en pijlen, kruit en lood:

Al de mosschen moesten dood! —

Zie ik Neeltje daar niet\' gaan?

Heeft ze nieuwe muiltjes aan?

Zou ze dat om Krelis doen?

Gistren gaf ie haar een zoen. —

Hei wat, maat! niet al te gauw!

\'t Is niet allemaal voor jou.

n. u

273

-ocr page 594-

i KOiUNTUKN XIII.

Goed zoo! pik hem in zijn nek! Zou daar kracht zijn in zoo\'n bek? -» Wat een leven voor zoo\'n dier!

\'t Heeft den heelen dag pleizier;

Krijgt nooit knorren; doet nooit kwaad: Weet niet dat er school bestaat... Gistren schreef ie mij op \'t bord;

Jaap had al dien inkt gestort.

Kan ik \'t helpen dat ik lach?

Vrijdag; halve zaterdag;

Zondag; naar de kerk toe gaan;

Kijken naar de kegelbaan;

Lange Julfert! die kan \'t goed.

\'k Wed mijn Pietoom \'t beter doet! Of hij katjesknupplen kan!

Nog drie zondag.jes — en dan!

Kermis; hakblok; grootste koek; Petemoei, een nieuwe broek.

I KORINTHEN XIII.

De liefde, uit rein geloof in God In \'t Jezus eerend hart gerezen,

Wordt door d\' Apostel luid geprezen.

Als de eelste gave en \'t hoogst gebod. Ons moet geen eerbejag onteeren;

Geen ijverzucht verwekke ons pijn; Hij. die een dienaar is des Heeren, Wil slechts in Liefde de eerste zijn.

Al kende ik aller menschen talen, Al deed ik — roept de Apostel uit — Der heilige englen spraakgeluid Weerklinken in deze aardsche dalen;

Zoo ik de Liefde niet bezat,

\'t Verhief mij niet tot hooger orden;

Ken luid metaal, en niets dan dat, Een ijdel klaatren waar \'k geworden.

Hadde ik de gaaf der profecij, De kennis der verborgenheden; Was Toekomst, Heden en Verleden Een open, duidlijk boek voor mij; Had ik \'t Geloof in zulk een mate

Dat \'k bergen opnam door zijn kracht: Zoo ik de Liefde niet bezate.

Ik had het weinig ver gebracht.

274

-ocr page 595-

I KOBINTHEN XIII.

Ja, deelde ik om mijn geld en goederen, Verpleegde ik de armoe uit mijn schat, En hadde ik alles wat ik had Niet dan ten beste mijner broederen;

Of wierp ik me Dp ten martelaar En liet de vlam mijn leden blaken:

Zoo \'t niet uit dankbre Liefde waar. Het zou mij weinig beter maken.

Oprechte Liefde is stil van zin. Lankmoedig, goedig, edelaardig,

Zij i_s afgunstig noch lichtvaardig,

\'Zij beeldt zich niets uit hoogmoed in; Bedachtzaam is zij en bescheiden En zonder achterdocht of gal;

Geen laster, die haar ooit misleiden,

Geen leed, dat haar verbittren zal.

Geen misstap, dien zij op mag merken, Verwekt haar hatelijke vreugd;

Maar al wat rein is doet haar deugd; Zij groeit in andrer liefdewerken;

_Met zachte hand bedekt zij \'t kwaad; Zij denkt, gelooft, en hoopt het goede,

En draagt, met ongefronst gelaat, Het zwaarste, en wordt niet dragens moede.

De gaaf der talen, profecij,

En wetenschap — \'t moet al verdwijnen, Want als \'t volmaakte zal verschijnen,

Gaat al \'t gebrekkige voorbij.

Ons weten, spreken, profeteeren,

Wat is het, dan een nietig deel Van wat ons God zal kennen leeren,

In de openbaring van \'t geheel?

Dan wat ons kinderlijk gerevel Bij \'t rijp en manlijk oordeel was?

Dan \'t staren door een donker glas In een gebied, bedoersd met nevel,

Bij \'t vrij en opgeklaard gezicht,

Als alle raadsels zich onthullen.

En voor een onbetrokken licht De dichtste sluiers vallen zullen?

De Hoop verandert in genot;

\'t Geloof verwisselt in aanschouwen: De Liefde blijft haar stand behouen.

Omdat ze oneindig is, als God.

-ocr page 596-

2/6 TROOST DES EVANGELIUM8. — BLADVULLING, ENZ.

Zij heeft een kiem van Eeuwig leven, Die op zal gaan in \'s hemels schijn; Onze eeuwge Vreugde zal zij zijn... Zoo laat ons naar de Liefde streven.

TROOST DES EVANGELIUMS.

A AH JONKHEER V — IN ZIJN VERLIES.

Geen kranke troost, met ophef aangeboden.

Maar die de ziel, die onder lijden buigt, Te meer slechts van haar jammer overtuigt, Vermenge zich in \'t klagen bij de dooden! Alleen de straal van Evangelisch licht Is zacht genoeg voor \'t schreiend aangezicht; Alleen een dronk uit de altijd frissche stroomen,

Wier ader tot in \'t eeuwig leven vloeit.

Doet van den schok een brekend hart bekomen. Rust uit en drink; de weg heeft u vermoeid.

BLADVULLING.

Versmaad geen handvol groene blaren,

Gevlochten door uw bloemenkrans! De bloemen blijven die ze waren;

De doffe schaduw hoogt haar glans.

SCHELFHOUTS WINTERSTUKKEN.

Blaast Schelfhout van \'t bevlakte vlak \') De rijmkorst om den beukentak, De sneeuwvlok over \'t boerendak,

Bevriest hij kreek en waterplassen,

Ofschoon de Kreeft uw sproeten stak, Gij liet u door zijn kunst verrassen, En wederspraakt uw almanak.

Maar schoon hij tak en twijg ontblaar, De lauwer groent den kunstenaar; Die ook erkent geen wisslend jaar,

Maar schudt op de ijskorst, die hij bouwde. Een kroon van blaadren, frisch en zwaar. Die groen blijft bij de felste koude,

En bij de sneeuwvlok van zjjn haar.

\') Zyn palet.

-ocr page 597-

NA EEN AVONDJIAALSVIBUINÜ. 277

NA EEN AVONDMAALSVIERING TE HE1LOO.

AAN ALE1DE.

Love onze ziel den Heer, mijn gade!

Verhef zijn naam wat in ons is,

Die weder aan den heilgen discli Ons overstroomde met genade.

Op nieuw de zeeglen diens Verbonds,

Waar Christus bloed op neer moest vlieten, Ons aanwees, toebracht, deed genieten, —

Hoe zalig is zijn weg met ons!

Nog pas verkwikten we onze zielen.

Ter liefelijke plaatse, waar De snoeren onzes erfdeels vielen,

^ Ik zelf het brood breek voor de schaar;

En heden, daar wij ons verpoozen,

En \'t lieflijk oord waar gij en ik De banden voor de vrijheid kozen.

Gezegend tot dit oogenblik;

Daar gij, na maanden van verlangen.

Uw moeders woning weer aanschouwt.

Waar liefde, door geen echt verkoud,

U in haar armen heeft ontvangen;

Nu gij het kerkje binnentreedt,

Waar God u, zooveel honderd malen,

Zijn woord en waarheid deed herhalen,

Vindt gij ook hier den Heer gereed.

Love onze ziel den Heer, mijn gade!

Vergeten wij der weldaan geen.

Waarmee zijn gunst ons overlaadde,

Sinds ze ons in \'t zegel der genade

Aan deze plaats het laatst verscheen!

Gij waart mijn blijde Bruid, Aleide!

Ik uw benijdbre Bruidegom!

Daar stond zijn disch in \'t heiligdom —

Dat was een roepstem voor ons beide;

Wij kwamen, Bruid noch Bruigom meer,

Zoo ras wij brood en beker zagen,

Maar Broeder, Zuster in den Heer,

En, door \'t geloof, alleen zijn magen;

Zoo keerden wij te zamen weer.

Alras vereenden we onze handen.

Zoo vaak vereenigd in gebeên,

Met de ons van God bestemde banden.

En waren voor de wereld één.

O dag van blijdschap, dag van vrede,

Waarop onze echtknoop werd gelegd;

-ocr page 598-

NA EEN AVONDMAALSVIERING.

Hoe rees tot God ons beider bede

Om meer dan voorspoed op onz\' eclit; Bede om haar heiliging en wijding,

Door invloed van z^n goeden Geest, Ue beste gave op \'t schoonste feest, Ons hart ter eeuwige, verblijding.

Zoo traden we op, vereenigd paar, Verwachtende de hulp van Boven Met stil aanbidden, vast gelooven —

Des Hoeren gunst is wonderbaar!

Hij heeft ons tot zijn oogst gezonden, In gindschen liefelijken oord,

Waar wij aan zondaars \'t godljjk woord Van zonde en zondezoen verkonden;

Daar zijn we in zijn genade sterk;

Daar komt Hij milde zegens geven. Op \'t biddend pogen, \'t struiklend streven;

Daar kroont Hij ons gebrekkig werk.

Daar doet hij minzame aangezichten

Zich tot ons buigen in een kring. En vriendlijke oogen voor ons lichtei:,

Alleen maar tot bemoediging;

Daar trekken zachte liefdekoorden Ons telkens nader tot den Heer, Ons stichtend met onze eigen woorden. Ons leerend door onze eigen leer.

Love, onze ziele loov\' den Heerel

Zijn goedheid over u en mij.

Zij eeuwig dank en prijs en eero!

In angsten ook was God nabij.

Hij hoorde de opgezonden beden Om wat het huwlijk zaligst kent.

Zijn zegen zegende onze tent.

Hij schiep uit onzen hof een Eden.

Daar kwaamt gij. Moeder, aan den Disch, Waaraan gij \'t laatst als Bruid genaakte. En gisteren en heden smaakte,

Hoe goed de God uws levens is. En, \'t hoofdje duikende in zijn kussen.

Gedoopt met heilgen waterdrop.

Wacht daar ons zoontje ondertusschen

Ons in uw moeders woning op .... O zegening der zegeningen!

0 heil daar alles bij bezwijkt! Wat halleluja zal ik zingen.

Dat naar mijn hartsgevoel gelijkt? Al trilde mijn verschoven harpe

Een oogwenk van dees nieuwen klank.

278

-ocr page 599-

ELK VOGELTJE HINGX ZOO ALS \'ï GEBEKT IS. — JEREMIA. 271)

Wat anders wilt gij van mijn dank, Dan dat ik haar in \'t voetstof werper1

Mijn gade, neen! geen zang, geen kunst, Geen harpakkooiden, Hem ter eero!

Maar onze ziele loof\' den Heere,

Maar onze ziel zijn vrije gunst!

ELK VOGELTJE ZINGT ZOO ALS \'T GEBEKT IS.

De kraai dacht altijd dat hij kraste;

Maar, op het jonpst poëtenmaal.

Toevallig vliegend door de zaal.

Hoort hij dit spreekwoord, dat hem paste;

Dies vloog hij naar den nachtegaal,

Om hem het lidmaatschap te vragen Van \'t groot concert van bosch en hagen. De zanger sprak: Mijn lieve hart,

Gij zijt een deftig heer in \'t zwart,

En zeer beroemd door \'t disputeeren;

Maar schaatren, orgiën, kwinkeleeren,

En galmen over bosch en veld.

Met een geluid dat trilt en zwelt,

Dat schuilt zoowaar niet in die veeren! —

Zwijg, riep de kraai, verwaande gek! Dat kweelen, orgiën, schaatren, schallen.

Kunt gij niet slechts, wij kunnen \'t allen.

En ik ook; want ik heb een bek.

JEREMIA.

Jehova\'s goedigheid heeft uit, zijn lang geduld Een eind; de hooge maat der gruwlen is vervuld.

\'t Afvallig Juda, dat verfoeisels nahoereerde,

Waar Gods gezalfde zelf\') Gods tempel mee schoffeerde, Der Heidnen gruwelen beschamend, dio Gods vuist Weleer voor \'t aangezicht der Vaadren had vergruisd.

Heeft geen genade meer te hopen, \'t Vuur ontbrandde Van \'sHeeren wrake; zie \'t weerschittren in den lande! \'t Bedreigde kwaad, waar \'t oor des volks van klinken zou. Bukt aan; geen bidden helpt, geen wrijtend naberouw. God heeft gesproken: „\'k Zal den prijs des kwaads betalen, \'k Zal over Sions vest het meetsnoer Sjimroons :) halen, En \'t vreeslijk paslood van \'t huis Achabs; \'k wisch haar uit, Ik keer haar om gelijk een schotel; tot een buit.

Een roof, een plondring, zal \'k den vijand overgeven,

^ Manasse.

2) Samaria heet in \'t Hebreeuwsc.h Silrnroon.

-ocr page 600-

280 JEBEMIA.

Die van mijn Jesjurun, mijn erfdeel zijn gebleven,

En -wreken de overmaat der gruwelen, waarmee

Hun ongerechtigheid, sinda de opgehoopte zee

Hun Vaadren doorliet, daar \'k mijn arm ten schutse strekte,

Mij tot op dezen dag tot grimmigheid verwekte.quot;

Hilkia\'s kweekling\') had vergeefs des Heeren Huis

Gereinigd, weenend voor Jehova, \'t vloekgespuis

Der afgodspriesteren geslacht, en Kedrons baren

Doen sissen van den brand van beelden en altaren,

De Wet gehandhaafd, en het heilig Feest3) hersteld,

Dat aan vergetel kroost der Vaadren redding meldt.

Schoon voor noch na hem ooit gezalfde Gods regeerde.

Die zóó zijn gansche ziel naar al de Wet bekeerde,

Jehova\'s toorn werd niet verbeden; ja, zijn oog

Zou \'t kwaad, Jeruzalem gezworen van omhoog,

Niet zien; in vrede zou hij sterven; bij zijn Vaderen

Zou \'s Heeren gunste zijn gebeente doen vergadersn.

Eer \'t los zou barsten over \'t Huis, waarvan de Heer

Voorheen gezegd had dat zijn naam daar zijn zou, eer

Hij Juda wegwierp van zijn aanzicht; — maar \'t genaakte;

En \'t volk, niet merkende op de gramschap die vast blaakte.

Verhaastte \'t, na den dood des Vromen, in een strijd

Gevallen, waartoe God zijn zwaard niet had gewijd.

O, In die dagen van aanrukkend leed en schande.

Verjaging, slavernij, verbanning uit den lande.

Wat woog de mantel zwaar op uw gebogen leest.

Profeet, van God geperst, en sprekend door zijn Geest!

Wel had de Heer u tot een zware taak verkoren,

Ja, in uw moeders schoot, reeds eer gij waart geboren,

Geheiligd! Ach, uw jeugd, schroomvallig jongeling!

Gold, bij Zijn keuze, niet voor verontschuldiging3).

Gij moest zijn tolk zijn bij uw broedren; harde zake!

Gij, de verkondiger der pletterende wrake!

Gij, al de jammren voorgevoelen, al het wee,

Dat voor uw oogen, als een opgezette zee

Het land genaakte! Maar geen golfje kondt gij keeren.

Geen drop verbidden van den toornevloed des Heeren.

Wat wonder, zoo het hart u in den boezem splijtquot;),

Een wee, als barenswee, uw ingewand doorrijt,

Zoo \'t in uw binnenst stormt! Gij ziet den bloedstroom stroomen;

Do dwarrelwind des krijgs wordt door uw oor vernomen;

Bazuinen klinken en weerklinken in de lucht;

Neerlaag op neerlaag, klachte op klachte, vlucht op vlucht;

Des vijands legermacht bedekt der bergen kruinen;

Alweer zijn krijgsgezang, en nogmaals die bazuinen;

M .Tosia. 2) Pascha. 3) Jeremia 1. 4) Jeremla 4.

-ocr page 601-

JBKEM1A.

Zij dreunen nacht en dag; voor uw gesloten oog

Zwiert immer de banier des zegevierders hoog.

Reeds ziet gij \'t land verwoest en de akkers leeggebleven,

De bergen wankelen en Juda\'s heuvlen beven;

Het dal is eenzaam; zelfs geen vogel wordt gehoord;

\'t Is alles smeulend puin er. ongewroken moord!....

En ondertusschen tooit Jezuralem haar leden

Met goud en purper, en bedekt bevalligheden,

In hoererij verflenst, met blinkend wit en rood;

Zottin! de vijand wil uw min niet, maar uw dood! —

Ach, vruchtloos is uw moed, en vruchtloos al uw lijden.

Uw kracht in woord en daad, en onverschrokken strijden;

Vergeefs verheft ge u in den voorhof en voorzegt1)

De dingen, door den Heer u in den mond gelegd.

De kreet gaat op: „Die man moet sterven!quot; — Rechabieten c)

Verloochenen de vrucht des wijnstoks: Isrelieten

Den zwijmelbeker niet, in ongehoorzaamheid

Aan Hem gedronken, die de Aartsvaders heeft geleid.

Reeds maakt de vreemdeling hen cijnsbaar, slaat de handen

Aan \'s Heeren tempelgoud en Juda\'s eêlste panden,

Gedwongen om zijn hof te sieren, en zijn troon

Te steunen door hun raad, hem knielende aangeboón.

Uw profetie herleeft, in \'s Heeren hooge woning3),

Door Baruchs stem, voor \'t oor des ganschen volks; de Koning4)

Verneemt haar in den kring der grooten: maar het vuur

Zijns haards verslindt de rol der heilige Schriftuur;

En niemand scheurde daar zijn kleedren op dien morgen.

Gij vreest niet. Godsman, want de Heer heeft u verborgell.

Die haast den schender in zijn gruweldaden stoort,

Als de ezelsuitvaart hem te beurt valt, naar uw woord 5),

\'t Leeuwingebroedsel op zijn zetel komt regeeren 6),

En brullend aanvangt met zijn weduwen te onteeren7);

Maar Babel vangt liet in zijn groeve; Babel wringt

Zijn ring het door den neus; zijn gruwzaam brullen klinkt

Kiet langer op \'t gebergt van Juda. Chebars zoomen

Zien Juda\'s duizenden gevangen aan zijn stroomen;

Met dezen is de zoon van Buzi 3), en zijn lied

Weergalmt van \'t visioen des hemels, hem geschied.

Benijdenswaardige! de weggevoerde mande9)

Is met het bruikbaarst ooft gevuld uit heel den lande:

Het slechte alleen bleef op de takken, die de Heer

Slechts ter verdelging spaart; geen eetbre vijgen meer!

Benijdbaar, schoon hij ook een balling \'slands moet sneven;

281

llij mag in Juda\'s leed zijn loutering beleven,

) -Teremia 2G. -) Jeremia uri, ;)) Jeremla 36. 4) Jojaklm. 6) Jeremla 2-2. ) Jechonla. \'\') Ezechiel 19. quot;) Ezechiol. 9) Jeremla

-ocr page 602-

JËKEM1A.

De boete aanschouwen en de wederkeering tot De Wet der Vaadren en getrouwheid uin zijn God.

Maar gij moet blijven, met de snoodsten van de snooden; Gij moet hun afval, tot van menschlijke geboden Kn trouw, hier aanzien, en uw stem verheffen voor Een volk, van harte dik en toegestopt van oor,

Alleen toeganklijk voor de stem vau sohijnprofeten.

Die logens smeden en des Heeren vloek vergeten.

Een houten jak voor \'t oog des volks verbrekend, als De Heer het ijzren reeds gereed heeft voor zijn hals \').

Nu komt, het oordeel. Wat drie koningen weerspraken, Geschiedt. De vierde ziet Chaldea\'s benden naken :)

Maar nog onbuigzaam. Ja, hij slaakt u uit den band,

Hij laat u trekken uit den slijkput, waar de hand Van uw belagers u in neerstiet, hoort uw rede;

Maar laat zich, zelfs door God, niet manen tot een vrede. Ten prijs van ootmoed, van vernedering. Zoo slaat Het albeslissend uur voor tempel, troon, en staat.

Ziedaar de vijand, in zijn kracht niet, maar des Heeren.

Het zijn die zwaarden niet en opgestoken speren.

Die legerwagens, zoo verschriklijk, noch die macht.

Uit koninkrijk bij rgk door Bubel saamgebracht;

„Al kondt gij \'t leger, ter verdelging uitgezonden,,

Verdelgenquot;\'1), spreekt de Heer, „een handvol van gewonden,

Voorbijgezien op \'t veld der slachting, zou volstaan,

Kn stad en tempel nog in vlammen op doen gaan.quot;

Vergeefs ontvlucht gij met uw strijdbren; koopren bandon

Omsnoeren, als eens slaafs, uw koninklijke handen;

Zoo wacht u \'t land, waarvan de Heer gesproken heeft.

Dat gij \'t niet zien zult, Zedekia! schoon ge er sneeft ■\').

Ook ziet gij leeds genoeg, rampzalige! in uw boeien.

Och, dat de wreedheid nu reeds \'t oog u toe kwam schroeien!

Neen. Eerst nog moet gij \'t bloed zien vlieten van uw kroost,

En daarna daalt een nacht, nooit meer door dag verpoosd.

Nu klinkt de woeste kreet van Babels sterke helden.

En schatert over berg en omgelegen velden:

„Slecht, slecht de trotsche, wroet haar diepste grondvest om 5)!

Daar zij geen schaduw meer van stad of heiligdom!

Geef haar den vuurgloed en den bloedstroom ter verzwelging!

Op, op, ter plundring, ter vernieling, ter verdelging!quot;

\'t Geschiedt. De laaie vlam gaat bloedig lichtend op

Van vorstelijk paleis en heilgen tempellop.

Haar volgt een dikke rook, die, langzaam opgetrokken.

Slechts smeulend puin ontdekt, en neergestorte brokken

282

Van al de heerlijkheid in \'s Heeren gunst vergaard.

\') .Terenila 28. :) Zedekia. 3) Jeremla 37. 4) Ezechlel 12. 6) Psalm 137.

-ocr page 603-

JEIIEMIA. 283

„Hoe eenzaam zit de stad, voorheen de vreugd der aard1)!

Thans is ze een weduwe, een verlatene, een slavinne.

Wier opslag eenmaal, als der volkren Koninginne,

Gebood. Zij slijt den nacht in tranen onverpoosd.

Zij ziet naar \'t oosten, blikt naar \'t westen! Nergens troostI

Van jammer overstelpt datilt Juda van zijn bergen;

Oe Heiden haalt hem in, met godvergeten tergen,

Drijft hem in engten, en bezet hem van rondom.

De wegen jammeren om Sions heiligdom;

Want niemand gaat ter feest. De poorten zijzi verdwenen;

De priestren zuchten, en de jonge dochtren stenen.

Noem, noem haar Mara; \'t is haar bitter. Hoor de kreet

Van haar verdrukkers, die zich kittlen met haar leed.

De Heer, dus juichen zij, vergeldt hare euveldaden;

Dies gaat haar tenger kroost niet ketenen beladen.

O dochter Sions, al uw glorie is voorbij;

Gejaagde herten zijn uw vorsten, machtloos gü! —

Ach! nu gedenkt zij aan de dagen, aan de tijden,

Toen alle natiën der wereld haar benijdden.

Nu iedre natie haar bespot, veracht, versmaadt.

En in haar naaktheid zich verlustigt. Haar gewaad

Is verontreinigd tot de zoomen. Ja, haar zonden

Zijn schriklijk; daarom wordt zij troostloos weggezonden.

Zie neer, Jehova, zie hoe raadloos diep zij viel!

Haar vijand heeft een lust aan haar verdrukte ziel.

In \'t heiligdom zijn zij, waarvan gij hadt gesproken:

,Ik duld ze niet in mijn vergaadring,quot; ingebroken.

Zie neer. Jehova! Zie hoe diep ik word versmaad!

Moeit u deze aanblik niet, die langs mij henen gaat?

Is daar een smart gelijk te stellen met mijn smarte?

Zoo schriklijk brandt de toorn des Heeren mij op \'t harte.

Vertreden ben ik, en vernietigd is mijn eer.

Ontzaglijk, vreeslijk en rechtvaardig is de Heer!quot;

Zoo klinkt uw klaaglied, uit de puinen opgeheven.

Waaraan gij trouw bleeft, zoon Hilkia\'s! Heel uw leven

Was profetie van wat gij nu beweent. Nog wilt

Gij troosten: „Maar waarmede uw droefenis gestild5),

Beroofde Jonkvrouw? Op mijn harpe zijn geen snaren,

Wier klank in staat is om uw smarten te bedaren.

Uw wonde gaapt gelijk een zee; wie sluit haar ooit?

Uw schijnprofeten hebben logens uitgestrooid.

Thans oogst gij jamm\'ren; thans ziet g-e u door elk vertrappen

Uw hater gilt het uit met sarrend handen klappen;

Is deze \'t, die als kroon der schoonheid werd geroemd?

Is deze \'t, die de vreugd der wereld werd genoemd?

\') Klaagl. 9.

-ocr page 604-

284 JEBEHIA.

Ha! dit \'s de dag, waarnaar ik smachtte! Ze is verslonden; Van al haar siersels wordt geen enkel meer gevonden. De Heer heeft zijn besluit vervuld, zijn woord volvoerd; Verschooning was er niet; de stem des Heeren zwoer \'t. — Kn daarom, Sion, stort uw tranen uit bij stroomen.

Ween, ween altoos, uw tijd van jamm\'ren is gekomen!quot;

Hjj zwijgt en buigt het hoofd mistroostig in den schoot;

Het hoofd door jaren kaal en lijden, \'t Avondrood

Werpt op zijn schedel en tezaamgeklemde handen

Zijn rosse schemering. Des tempels zuilen branden

Op nieuw, naar \'t schijnt; zijn puin staat andermaal in vuur;

Maar rust en stilte heerscht in \'t plechtig avonduur.

Doch Jeremia ziet niet om zich; doö\'e smarte

Vervult en overstelpt des grijsaards brekend harte;

ICn in zijn boezem kiemt een stille bede, dat

Hij dus moog sterven op de puinhoop van Gods stad.

Hölaas! \'t was anders in des Heeren raad besloten.

\'t Klein aantal van wie bij de puinen overschoten

Bevlekt de handen weer met bloed, in muichelmoord

Vergoten, en de schrik der wrake jaagt hen voort;

Voort naar Egypte, naar het diensthuis van hun Vaderen,

Waartegen \'t laatste bloed moest vloeken in hun aderen.

Nog eenmaal predikt gij vergeefs, gezant van God!

\'t Weerbarstig volk hoort nooit, en kiest zijn eigen lot.

Men scheurt u af van d\' erfgrond Juda\'s en zijn heuvelen,

Om in \'t gehate land te kwijnen en te sneuvelen.

„Voorwaar! ik ben de man die jamm\'ren heb geziea\'j;

Ik, ik de roede der verbolgenheid van Dien,

Die mij in duister, niet in licht, heeft doen verkeeren.

Ik ken,quot; dus barst gij uit, „de schrikbre hand des Heeren!

Mijn vleesch verteerde Hij, mijn beendren brak hij stuk;

Hij heeft me ombolwerkt, heeft me omsingeld met den druk;

Hij deed mij wonen, als een doode, in donkre holen;

Hij maakte scherp en ruw de paden van mijn dolen;

Met alsem heeft Hij mij gespijsd, met gal gedrenkt

(Wat zoet is werd mij vreemd) en heel mijn ziel gekrenkt.

Maar echter leef ik door Zijn goedheid. Elke morgen

Vernieuwt mijn lijden: maar dit weet ik: Hij zal zorgen;

Hij is getrouw; mijn deel alleen! De Heer is goed

Voor alle ziele die hem wacht met stillen moed.

Wat pak van jamm\'ren God mij op de schoudren laadde,

Het juk te dragen van der jeugd af is genade.quot;

Klangl. 3.

-ocr page 605-

REGENBOOG BIJ ONWEDER.

REGENBOOG BIJ ONWEDER.

O liefelijke straal van licht,

Die, in een straal van vocht gebroken,

Den boog ons schildert voor \'t gezicht, Waar eens de Heer van heeft gesproken: „Zoolang uw oog zijn schijnsel ziet, „Verderft mijn gramschap \'t aardrijk niet;quot; Hoe troostrijk is het kleurig wonder,

Dat ge aan bewolkten hemel maalt, Wanneer de felle bliksem straalt,

En ons de rommelende donder

Van Gods geduchte kracht verhaalt! Wanneer \'t zijn zevenvervige armen Ter donkren kimmen nederstrekt,

Alsof het wilde \'t oord beschermen,

Waarom zijn halve kring zich trekt; Te midden der ontzaglijkhede,

Die onze ziele slaat met schrik,

Verschijnt het als een glans van vrede, Ais van Gods liefde een heldre blik, Die ons versterkt in den gebede!

O welkom, welkom zijn de stormen. De wolken, en de regenvloed,

Waaruit der zonne zachte gloed Zoo lief een schijnsel weet te vormen. Dat van zoo d\'ierbre dingen spreekt.

Omdat er zulk een licht in breekt! Gezegend, in deze aardsche dalen,

Voor hem, die in Gods heil gelooft, De storm van rampspoed om zijn hoofd. De kletterende regenstralen,

Wier stroom nochtans zijn licht niet dooft, Maar \'t voor zijn ziele een beeld doet malen.

Waar hij zijn trouwen God bij looft.

Wiens heilbelofte niet zal falen.

Wiens troost geen onweer hem ontrooft; Een boog, wiens mengling zachter kleuren Hem voorspeelt, in een schoon gezicht. Den vollen cirkel van dat licht.

Waarin hij \'t hoofd eens op zal beuren. Zooras zijn laatste schaduw zwicht.

285

-ocr page 606-

dun kindekkens gelijk. — naar jeruzalem.

DEN KINDEKKENS GELIJK.

De wereld schreeuwt: Wees toch geen kind Maar God geeft mij \'t gebod te lezen:

Een kind te worden! En \'k bevind Dat ik \'t moet zijn, om \'t niet te wezen.

NAAR JERUZALEM.

Aan Mevr. — —

Met een exemplaar van Heions Bedevaart naar Jeruzalem.

Wat schenk ik u, daar gij verjaart?

Eens zonen Jacobs Bedevaart Ter heiligste aller aardsche steden.

0 wel hem, wien des Heeren stem Doet opzien naar de zaligheden Van \'t hemelsche Jeruzalem!

Wie deze stad het harte trekt,

De reis zij kort of langgerekt,

En ga door blijde of donkre dalen;

Zij heffen moedig \'t vroolijk hoofd; Zij weten, aan wiens hand zij dwalen,

Zij, in wiens woord hun hart gelooft.

Die uit den hemel op hen ziet: De Wachter Isrels sluimert niet;

Zijn vleuglen dekken al zijn kinderen;

Zijn schaduw wandelt hun op zij;

De hitte zal hen \'s daags niet hinderen; De nacht trekt schaadloos hun voorbij.

Zij naadren, naadren meer en meer; De Psalm des Optochts looft den Heer, En brengt hun zegenbede en groeten,

Vooruit, in \'t godlijk Salem aan,

Alsof, o Godsstad! hunne voeten Reeds in uw gulden poorten staan!

En leggen zij den wandelstaf Terneder en het reiskleed af,

Waar zij dat heil genieten mogen:

Hoe wordt hun \'t moede hart verfrischt, Als alle tranen van hun oogen Door God zelf worden afgewischt.

Ziedaar het aardsch en hemelsch lot. Dat ik u toebid van dien God,

-ocr page 607-

EEN LIED. — GEZANGEN VOOK DE KINDEKEN DER DIACONIESCHOLEN. 287

Om -wicn zijn heilgen zich vergaderen.

Vaon Hem zij onze hulpe alleen!

Tot Hem moet alles biddend naderen;

Hij is een hoorder der gebeên.

EEN LTED.

Welzalig hij, die Christus heeft gevonden,

Wien ox) zijn weg zijn Heiland is ontmoet;

Die bij zijn kruis verlossing vond van zonden,

En reiniging in zijn onschatbaar bloed;

Die, bij zijn licht, de paden onderscheidt,

Waarop zijn God hem bij de hand geleidt!

Hem zegent, om den wille van dien bloede,

De God zijns heils, zijn schild, zijn zon, zijn lied. Hem werken alle dingen mee ten goede;

Ook \'t kwaad staat op, maar stoort zijn vrede niet; Een nacht van ramp daalt op zijn wegen neer: Hij wankelt niet; zijn Herder is de Heer.

GEZANGEN VOOR DE KINDEREN DER DIAC0NIESGH0LE1S1 TE AMSTERDAM.

BIJ EENE 0PENBA11K PRIJSDITDEELING.

I.

Die hooge ziet, die lage ziet,

Verheft ons lied.

Uit kindermonden Laat, die het groot heelal gebiedt,

Zijn lof verkonden.

\'t Hozanna stijge uw naam ter eer,

O God en Heer!

Voor al den zegen,

Dien wij, verbeurd, maar telkens meer.

Van U verkregen.

üw liefde werpt het daaglijksch brood Ons in den schoot,

Op \'t needrig knielen.

En spijst den tienmaal grooter nood Van onze zielen.

O God, als zooveel dankensstof Ons hart niet trof,

-ocr page 608-

VROEGE KEUZE.

Indien wij zwegen, — De steenen riepen haast uw lof Der wereld tegen.

II.

Één ding is noodig; één, o Heer!

Dat Eéne wilt Gij geven. Och werden derwaarts meer en meer De handen opgeheven!

Één ding is noodig; Één, slechts Één!

Och, mochten wij \'t begeeren! Hoe schamel onze stand ook scheen, Wij zouden niets ontberen.

Één ding is noodig; Één, bij jeugd.

En kracht, en oude dagen,

Dat Ééne schenkt de ware vreugd; Och mochten wij \'t U vragen!

Één ding is noodig. Ongelijk

Verdeelt Gij de aardsehe schatten; De hemelgaaf maakt armen rijk; Mocht onze hand haar vatten.

Één ding is noodig. U zij de eer, Dat Gij \'t ons in laat scherpen! Zoo \'t ons ontgaat, bewaar ons, Heer! De schuld op U te werpen.

Één ding is noodig. Hun zij dank,

Die onzen nood verplegen! Och, mochten ze allen, levenslank, ü kennen in hun wegen!

Één ding is noodig. Welk een lot

Uw goedheid hun verleene:

Mocht maar elk onzer, groote God! U danken voor dat Ééne!

VROEGE KEUZE.

De bloesems wasemen den Heere, De bloesems van uw lentetijd; En alles, lieve, wat gij zijt. Dat wilt gij wezen Hem ter eere;

-ocr page 609-

VBOEGE KEUZE.

Hem wordt uw frisch ontloken kracht, Hem iedre gave toegebracht.

Gij hebt, te midden van de rozen En leliën der blijdste jeugd.

Des hemels englen vroeg verheugd;

Gij, vroeg het beste deel gekozen;

Dat eene, dat geen tweede duldt.

En \'t hart geheel, of niet vervult.

Voor andve goden is daar plaatse.

Noch tijd, noch lust tot dienst of eer; Gij buigt u slechts voor Éénen neer;

Hijis uw Eerste, Hij uw Laatste;

Die Heiland, die u/e Heiland werd.

Moest immers Heer zijn van uw hart?

Is \'t last, met lust de wet te ontvangen, Van een, die ons door weldaan bindt? Is \'t deugd, te minnen die ons mint? Is \'t dienst, zijn redder aan te hangen? Is \'t veel, indien men trouw bewijst Aan die ons van zijn tafel spijst?

Dus voelde uw hart. Hoe zou \'t bevroeden Dat heel de wereld, die daar jaagt Naar ijdelheden, u beklaagt?

Hoe zou uw kalme ziel vermoeden.

Dat zij ten doel staat aan \'t verwijt Van zich te foltren vlt;5ór den tijd?

Te foltren? Zie die rustige oogen^

Dat effen voorhoofd, zoo gij dart.

Beluister \'t kloppen van dit hart,

En, wereld! schaam u voor die logen!

Hij, wien dat hart is toegewijd,

Is zachter meester dan gij zijt.

Ons oog slaat u met eerbied gade En dank, den Heere toegebracht.

Innemend toonbeeld van de kracht Van zijn vroegtijdige genade!

De Heer, die u zoo vroeg verkoor,

Heeft groote dingen met u voor.

Wat zult gij? Lang zijn liefde loven Op aarde, of ras bij Hem omhoog?

Lang hier een licht zijn voor ons oog.

Of haast een flonkerster daarboven? II. 19

289

-ocr page 610-

DE LEDIGE PLAATS. — BEKUSTING.

Nog velen toedoen door uw stem, Of vroeg vergaderd zijn tot Hem?

Gij vraagt het niet. Gij wilt niet vragen, Maar wachten; volgen, niet voorzien; De wil des Heeren zal geschiên. Uw oog is op Zijn hand geslagen.

Die op den weg des Heeren reist.

Weet altoos tijdig wat Hij eischt.

Zoo maar uw ziel uws Heilands leere In leven en in dood versier\',

\'t Ie u genoeg. Gij zegt: Zie hier De jonge dienstmaagd van den Heere! Haar overkome naar zijn wil!

Haar ziel is in haar binnenst stil.

DE LEDIGE PLAATS.

AAN MEVK. —

Niet hier! Maar in zijns Vaders huis, Waar Jezus hem een plaats bereidde. Kom, volgen we onder Diens geleide, Ook onder \'t opgelegde kruis!

Hij brengt ons allen vroolijk thuis.

Ja, vroolijk! Schoon nog menig traan Uw zoekende oogen zal ontvloeien.

En elke lieve plek besproeien,

Waar sporen van zijn voeten staan: De Heer ziet al die droefheid aan.

Sla tot Hem op het weeneud oog! Verheerlijk Hem in \'t schreiend harte! Het voelt den zegen van de smarte.

Mits \'t ook zijn Heiland voelen moog! Eens Christens droefheid trekt omhoog.

BERUSTING.

Die, in de rampen van zijn lot. Bij menschen zich beklaagt van God, Toont God te kennen noch te vreezen; Die onder \'t onheil, dat hem plaagt, Van menschen zich bij God beklaagt,

-ocr page 611-

EEN STEM VAN DB OVERZIJDE. —

PAASCHGEZANG. 291

IN EEN BIJBEL. —

Een vreemdling aan zichzelf te wezen. Zichzelf en God te kennen doet Stilzwijgen in den tegenspoed.

EEN STEM VAN DE OVERZIJDE.

Als \'t leven over-leven wordt,

Al is het korti \'t Schijnt lang te duren;

Hoe pijlsnel vroeger tijd verdween, Do laatste zijn de sleependste uren; Zij kruipen heen.

Maar troost de Heer, dien ik aanschouw, U in uw rouw,

Steunt Hij uw voeten.

Zoo zult ge uw weg gemoedigd gaan, Totdat wij ons bij Hem ontmoeten, — Treed rustig aan!

IN EEN BIJBEL.

Geen Toonbrood op ge wijden disch. Slechts spijze voor Aarons loten;

Geen Mannasc/iai,

In gulden vat Voor \'t oog versloten Bij de Arke der Getuigenis;

Maar mannarelt;?«i, daaglijks i\'risch, Om eigen tente neergevloten, — Ziedaar wat voor Gods gunstgenooten.

Het levend Woord des Heeren is. Zijn welbeminde wordt gezegend. Ook als hij slaapt:

Welzalig, die Gods Manna raapt. Daar \'t nederregent.

EEN PAASCHGEZANG.

DE HEEK IS OPGESTAAN.

De Heer is opgestaan! Dus jubelt Gods Gemeente, En sluat het oog — niet op de graven, waar gebeente En dierbre broederasch in sluimert, maar op Hem, Die voor haar stierf, en ziet, Hij leeft in eeuwigheden. En, als haar heerlijk Hoofd en Koning aangebeden, Het stof doet wachten op Zijn stem.

-ocr page 612-

EES PAASCHGEZANG.

De bittre beker is gedronken, \'t Is geleden,

0 Mensohdom! wat uw schuld uw Heiland kost. Volstreden

De strijd met d\' Overste der Wereld, \'t Is volbracht, Wat zondaars heiligt en rechtvaardigt in Gods oogen; Verwinnaar, heeft Hij in den dood het hoofd gebogen; Wat rust Hij op zijn kruishout zacht!

Het aardrijk heeft gedreund, steenrotsen zijn gespleten; Des Tempels voorhang scheurde in tweeën; \'t dood geweten

Kreeg, siddrend. leven, op den schok van Jezus dood; De mond des heidens moest zich oopnen, heeft beleden,

Zijn hart met engelen en heilgen aangebeden,

Als zich de mond van Jezus sloot.

Nu gaat, en slaat de borst, tezaamgevloeide scharen Van zijn vervolgers, zijn bespotters, moordenaren,

En smaders! Gaat, en keert aan deze plaats niet weer! Uw ure kwam; uw hart genoot haar; ze is verstreken;

Thans, waagt niet naar dit lijk een vinger uit te steken! Geen prooi des moedwils is Hij meer.

Alleen des krijgsmans speer doe \'t dierbaar bloed nog vloeien, Dat de aarde heiligt, die zijn droppelen besproeien,

En spare zijn gebeente in \'t wonden van zijn zij\'!

Doch, stelt zijn graf niet als zijn kruis bij de overtrederen! Hij liet zich tot den dood om onzentwil vernederen;

Maar zijn verneedring is voorbij.

De Vader eert Hem en verheerlijkt Hem, na \'t dragen Van onze krankheen. onze smarten, onze plagen.

Hu deed geen onrecht, geen bedrog was in zijn mond. Een eerlijke uitvaart voegt den Heiige. Vrienden moeten Het lijnwaad windlen om doorboorde hand en voeten En hoofd, om hunnent wil verwond.

Een andre hof dan die der „persing der olijvenquot; \')

Ontvangt zijn lichaam in de stille doodsverblijven,

Maar door geen\' doode nog ontreinigd. \'t Avondrood Blinkt schoon in \'t westen, en versmelt in \'t bruine loover. De Heer des sabbats slaapt in \'t graf den sabbat over. Wel is „de dag diens sabbats grootquot;!

Het krijgszwaard waakt bij \'t lijk. God zal het meer beveiligen, \'t Zal zeker wonen in zijn hoede. Voor zijn Heiligen Bestaat geen groeve der verderving. Als zijn geest Het zwijgend rijk bezoekt der geesten die verbeiden,

Zoo is, ook daar, de ziel niet van haar God gescheiden5); Dat is ze eenmaal op \'t kruis geweest.

\') Gethsemanc. ?) Hand. 1:25—28, I Petr. III: 18, 19.

-ocr page 613-

een paaschqezang. 298

Een andve nacht verbreidt haar sluier aan de transen Des hemels, dun, en als doorschemerd van de glansen

Eens morgens, die ter nood zijn komende uur verbeidt; Zacht waait de geurige adm der morgenlandsohe luchten Den hof des Raadsheers door. Het schepsel schort zijn zuchten \') En ademt met blijmoedigheid.

De eerst dag genoemde dag, die, als hij \'t machtwoord hoorde; Daar zij licht! aanlichtte, op het dondren van dien woorde,

Is weer te wachten uit den schoot der duisternis.

Wat is er van den nacht, gij wachters2)! die zoo blijde Den morgen uitroept, als door u, naar Hebrons zyde. Een straal van licht vernomen is?

Het schemert in den hof van Jozef. Eensklaps siddert De grond. Een Engel daalt, die als een bliksem schittert.

De grotte nader — Steen noch zegel sluit haar meer! De krijgsliên vlieden voor dien heirknecht uit den hoogen. Een kalme morgen rijst aan de onbewolkte bogen, —

Ja, toen begon \'t te lichten, Heer!

Te lichten in den hof; te lichten over de aarde;

Te lichten voor de ziel, van wie uw arm vergaarde;

Te lichten over graf en dood met levensgloed;

Te lichten over \'t Blad, dat tuigde van uw smarten En heerlijkheid die volgt; te lichten voor de harten.

Die Gij gekocht hebt met uw bloed.

Treedt nader, bij dat licht, bedrukte Magdalenen!

Verklaart uw oogen, zoo beneveld door uw weenen!

Beschaamde Simons, komt! Uw licht is opgegaan! Wat treurt en klaagt ge, als waar uw schoonste hoop vervlogen ? Gelooft, en vangt dit licht in uw verhelderde oogen;

De Heer is waarlijk opgestaan!

De Heer is opgestaan! Wat twijflen zijn getrouwen?

Wie eerst gelooft, zal eerst Gods heerlijkheid aanschouwen3);

Meer dan Bethaniën bestraalt zij Jozefs hof.

De Meester komt; hij draagt de teekens van uw zonden; Maar, eer ge een vinger heft tot de altijd zichtbre wonden. Knielt voor uw Heer en God in \'t stof!

Mijn Heiland! Welk een heil is uit uw graf geboren! Uw zachte lippen doen dat woord van Vrede hooren; — Ja, vrede kocht gij, brengt, deelt ge uit, verzegelt gij; Den vrede van de ziel, waarin ge uw licht doet stralen. En \'t nieuwe leven stort, waardoor ze, uit de aardsche dalen. Ten hemel opstijgt aan uw zij\'.

Rom. VIII. 22. 2) Van den Tempel. 3) Job. XI, 40.

-ocr page 614-

294 EEN PAASCHGEZANG.

Ten hemel opstijgt., ja; een nieuw, een ander leven Begon voor u; op de aard, maar boven \'t aardsch verheven;

Uw opstaan, Heer, is uw begonnen hemelvaart!

Zoo \'t onze. Deedt ge ons uit der zonde graf verrijzen, \'t Schijnt al wat in ons is ten hemel op te wijzen —

Raak ons niet aan, bezoedelde aard!

Ten hemel opstijgt, .ja; reeds proeft mijn ziel het leven Der heemlen, die, door u van zonde en dood ontheven, In \'t nieuwgeschapen hart der heemlen vrede smaakt; Zij trekt tot u omhoog, zij zucht u smachtend tegen;

En, na wat loutrens in des levens donkre wegen,

Duldt gij dat ze u in \'t licht genaakt.

0 Lichaam dezes doods! van dag tot dag verdorven, Wat deert me uw staag verval? Haast zijt gij «(\'«-gestorven;

Uw vonnis is tot stof te keeren: keer tot stot!

Mij moeit niet op wat wind uw asch daarhenen zweve. Zoo maar, van dag tot dag vernieuwd, mijn ziel Hem leve, Die eens haar opneemt in zijn hof!

Wat zegge ik? — Gij ook voelt een roeping voor zijn hemelen. Uw noodlot zal niet zijn in \'t Niet terug te wemelen;

Ook uw herschepping, uw verheerlijking spoedt aan; Zoo waarlijk als het bad des doopsels u besproeide, Zoo waarlijk \'t reddend bloed langs Jezus leden vloeide, Zoo waarlijk is Hij opgestaan.

Zoo waarlijk als Hij leeft, de Bots van__mijn vertrouwen, Zoo waarlijk zal ik uit mijn vleesch mijn God aanschouwen;

Zoo waarlijk, lichaam dezes doods! zult ge uit den dood Verrijzen, en Hem zien, die in u \'t hart deed branden Van \'t woord des levens uit zijn mond. Mijn ingewanden Verlangen heftig in mijn schoot

Wie ben ik, Heer, mijn God! die voor uw voeten kniele? Wie ben ik. Heiland! wat \'s mijn lichaam, wat mijn ziele,

Dat Gij ze u aantrekt, begenadigt, leven geeft?

Wie, dan een zondaar, ja, met enkel schuld beladen,

Dat zich mijn geest in die verwachtingen mag baden,

Mrjn hoop in zulk een hemel zweeft?

Wat mag ik tot uwe eer? — Gij, \'s hemels harpenaren!

Daalt op uw vleuglen, reikt me uw citers, leent me uw snaren,

Of stemt de mijnen op den toon van de uwen,! Wijst Mij \'t schoon geheim van uw verheven vingerdrukking,

Opdat de luistrende aard moog smelten van verrukking, Wanneer mijn dank ten hemel rijst!

gt;) Job SIX. 25, 20, 27.

-ocr page 615-

DROOMBRQOOCTtEIjfNG. ~

295

AAN EENE WEOITWE.

Of stijgt mijn wensch te steil; Iaat uit de hooge koren, Waarin ge uw liedren stemt, me een enklen nagalm hoeren

Van hemelmelodie, nabootsbaar voor mijn toon!

Geen antwoord! Alles zwijgt uit de onbereikbre verte;

Geen englen antwoord! Maar de Heer spreekt tot mijn berte: Hebt gij mij lief, o Jona zoon!

Of ik U liefheb, Heer? Gesloten deuren springen U open: kon mijn hart U wei-en? Alle dingen

Zijn ongedekt en naakt voor uw alwetendheid!

Of ik U liefheb, Heer? Gij weet het. O Vermeerder Die liefde! De uwe maak naar voller, zuivrer, teerder — En duld\' dat ik uw kudde weid\'!

Uw kudde. Vredevorst! De schapen met de lammeren!

Bestier ze zachtkens, door dees heide veler jammeren!

Bescherm haar. Sterke God! behoed haar voor \'t geweld! Tot waar zij \'t ruischen hoor, het ruischen en het klateren Des onuitputbren strooms van kristallijnen wateren Die uit den troon der eeuwen welt \'j.

De Heer is opgestaan] Dus jubelt Gods Gemeente,

En slaat haar oog — niet op de graven, iraar gebeente

En dierbre broederasch in sluimert, maar op iJem;

Die. voor haar stierf, en ziet, Ilij leeft in eeuwigheden,

En, als haar heerlijk Hoofd en Koning aangebeden,

Het stof doet wachten op Zijn stem.

DROOMBEGOOCHELTNG.

C\'est qnelque chose encor que d\'avolr nn beau ruve. ,Een schoone droom is altijd iets.quot;

Gewis! Maar is \'t ontwaken niets?

Ach \'t was, na droom en droomgestreel.

Voor velen dikwijls veel te veel.

Schoon Droomers daar den spot moe drijven, De Ontwaakte stemt voor wakkerblijven.

AAN EENE WEDUWE.

Wie bidt niet voor de levensdagen. Wie bidt niet voor de levensvreugd Der Weduw, wie de teere jeugd Van \'t eenig kind is opgedragen,

Wien van zijn vader niets geheugt?

Op. XXII. 1.

-ocr page 616-

VONDEL.

Wie paart bij \'t licht en sterkte vragen Van Hem, die wees en weduw redt, Geen smeeking aan haar smeekgebed?

Wie vraagt niet om een dubblen zegen, Voor haar, die in haar eenzaam lot, Één ding begeerd heeft van haar God: Haar Kind te leiden op de wegen,

Wier loop zich richt naar zijn gebod, En die besproeid zijn van den regen. En van dezelfde zon bestraald,

Waar al zijn Moeders troost uit daalt?

O Weduw! denk niet dat wij zwijgen. Als, in de stilte van den nacht. Tot Hem, wiens heil uw ziel verwacht, Uw stille beden opwaarts stijgen.

De Heer make al uw paden zacht! De lieer doe u de beê verkrijgen. Waarop het harte van zijn knecht Met zielsgemeenschap Amen zegt.

VONDEL.

Op zijn besneeuwde kruin en groenen krans te wijzen,

Der dichterlijke jonglingschap Zijn fikschen vingergreep ten voorbeelde aan te prijzen.

En zijner voeten vasten stap;

Zijn hooggevierden naam naar namen te vernoemen. Die de Oudheid grootst en roemrijkst had; Gebuur en vreemdling met zijn lofspraak doof te roemen •

Ja, alle dagen hoort men dat!

Maar hem te lezen, hem te kennen, hem te smaken.

Ziedaar wat schaarsch is in een eeuw. Die slechts twee wegen kent om tot wat naams te raken; Gemaakte klacht, of wild geschreeuw.

O Vondel! had mijn hart u meer in eer gehouen,

Zjjn dorst slechts aan uw bron gelaafd.

Mijn domme jeugd aan u zich willen toevertrouwen,

En in geen vreemd gareel gedraafd:

\'k Zou mooglijk hedendaags met vrediger genoegen

Terugzien op mijn dichterpad;

\'k Had mooglijk bij den krans een loover kunnen voegen,

Dien gij mijn\' land\' gevlochten hadt;

\'k Had zeker min gevleis en min geschreis vernomen

Van koortsig brein en week gevoel.

Maar kon met fierder tred en heldrer voorhoofd komen. Waar \'t nakroost zit ten rechterstoel.

296

-ocr page 617-

KERSTAVOND. 297

Ach, \'k heb den eersten gloed der vroege dichtvuurspranken,

In mijn onrijpe jeugd ontwaakt,

Ach, \'k heb den schoonen galm der vaderlandsche klanken,

Zoo vroeg, maar niet genoeg gesmaakt,

Ach, \'k heb uw grepen ir.. de oorspronkelijke snaren,

Tenhalve pas door \'t oor gevat.

Misbruikt om vreemden roem met wildzang te evenaren.

Tot \'k u, o Boem mijns lands! vergat.

Tot dat ik u vergat, uw koninklijke zangen,

Uw aadlaarsvlucht, uw zuivren gloed,

Uw rustig zelfbezit, de vrijheid uwer gangen.

Uw frischheid, en uw overvloed.

En wie gedenkt ze? Wie doet ze immer ons gedenken?

Wie spiegelt ze ons van verre toe?

Wiens luit zal Holland met een Hollandsch lied beschenken.

Dat Hollands Vondel eere doe?

Te zweren bij uw naam, en in uw naam te richten,

Dat hooren, dat vernemen wij;

Maar \'t zoet der honiggeur van Vondels maatgedichten

Verlokt geen enkle grage bij.

Ach bijen! \'t Veld is vol van kakelbonte vlinderen

En ijdle dingen van één dag,

Wien niemand \'t kort genot des fladderens verhinderen En allerminst benijden mag.

KERSTAVOND.

TROOST DER ARMEN.

Wat buigt ge u neder, o mijn ziel,

Waarom dus gansch verslagen?

Alsof op u al \'t donker viel Der donkerste aller dagen!

Besterft ons lamplicht op zijn pit.

Die uitgaat van de droogte.

Wij hebben beter licht dan dit,

In d\' OPGANG OIT DE HOOGTE \').

De middagkost was zeker schraal;

Elk onzer nam hem zuchtend;

Niets bleef er voor een avondmaal.

En niets voor morgenuchtend.

Maar beter lijfs- dan zielenood.

Zoo de aardsche broodstaf faalde: Kom, heffen we aan van \'t Hemelsch Brood, Dat uit den hemel daalde!

\') Luk. I. 78.

-ocr page 618-

KERSTAVONU.

Een handvol kools, wat havergorfc

Moest onze jongens voeden;

Hun zak is hard, hun deken kort;

Toch slapen zij, de bloeden!

Vrouw! klaag niet tot den hemeltroon,

Hoe arm ons vyftal \'t hebbe.

Denk aan Gods eigen lieven Zoon, Die neerlag in de krebbe.

0 Jezus Christus! Zoon van God,

Voor ons in \'t vleesch gekomen\'. Hebt Gij het in een beestenkot

Op aard voor lief genomen:

Dat doet het hart van d\' arme goed,

Dien Gij uw heil verkondigt, En zonder vreeze naadren doet, Al heeft hij veel gezondigd.

De Wijzen brachten wierook, goud.

En mirrhe, uit verre landen;

Maar wij, wij komen even stout

Tot ü, met leege handen.

Arm zijn wij, altijd arm geweest.

Dies wij wel dikwijls morden; Gij gaaft ons arm te zijn van geest; Toen zijn wij rijk geworden.

Ja, rijk wordt die zijn armoe kent,

Zijn naaktheid in Gods oogen. En zich tot ü om uitkomst wendt,

Om dekking uit den boogen;

Dien Gij een honger kennen doet,

Die naar uw brood leert smachten, En, daar Gij hem ten leven voedt, All\' andren nood verachten.

0 Jezus, die uzelven gaaft,

Zie bij uw krebbe ons knielen! Een arme vrouw heeft U gelaafd:

Gij laaft onze arme zielen.

Uw tengre hand is rijk gevuld

Met schatten van genade.

En breekt den kerfstok onzer schuld, Dat ze aan ons heil niet schade.

Zij wendt den vloek en \'t oordeel af,

Verzegelt ons den vrede.

En geeft ons een beproefden staf Op alle paden mede.

298

-ocr page 619-

AAN MB. I. DA COSTA, OP ZIJN ZILVEREN PRUIIjOFT3-DAG.

Welzalig die, in dezer, nacht,

Uw kinderhandje kusten,

Maar zaalger die op \'t geen het bracht In blind geloove rusten!

Die U zijn Heiland noemen mag.

Zijn leven uit de dooden,

Dien troost gij niet een zoeten lach

In alle soort van nooden.

Dien zegt Gij, als hij \'t laatste brood

Voor hongrend kroost zal breken: „Uw Vader kent ook dezen nood;

„Gij zult niet vruchtloos sraeeken.quot;

Wat buigt ge u neder, o mijn ziel?

God voert door donkre wegen.

Maar \'t heil, dat u te beurte viel,

Is pand van allen zegen.

De ster, die stilstond boven quot;t huis,

Waarin \'t kind Jezus schreide.

Verlicht ook elke schaamle kluis.

Waar \'t hart Hem plaats bereidde.

Gods heerlijkheid bestraalt den nacht, Gods licht verscheurt Gods wolken: Herhaal de boodschap u gebracht,

De blijdschap aller volken!

Gods Englen heit\'en \'t feestlied aan,

Tot lof van Gods erbarmen;

Zij hebben \'t ook voor u gedaan;

Het is een lied der armen.

„Geeft, hoogste heemlen! geeft God eer!quot;

Ziel, offer hem uw smarte!

„Gods vrede daalde op aarde neer.quot;

En daalde ook in mijn harte!

Om Jezus wil toont God „in \'t kroost

„Van Adam welbehagen!quot;

Ontfermer! bij zoo rijk een troost. Vergeef een zondaar \'t klagen.

AAN Mr. I. DA COSTA, OP ZIJN ZILVEREN BRUILOFTS-DAG.

HERINNERING AAN HEEMSTEDE EN WILLEM DE CI.ERCQ.

Ons hart zal nimmermeer vergeten

Dien aangenamen zomertijd,

Uien ge in ons midden hebt gesleten.

299

-ocr page 620-

MB. I. DA COSTA, OP ZIJN ZILVEREN BBUILOFTS-DAO.

Toen gij ons lief geworden zijt;

Toen gij bij \'t geuren onzer linden,

En bij onze eiken, door wier groen \'t Sint-Jans-lot vlocht zijn geel festoen, Verademing en rust kwaamt vinden

Voor kloppend hoofd en bruisend bloed. Voor dat aandoenelijk gemoed.

Verfijnd door alles te ondervinden;

Voor \'t hart, aan niemands zorgen vreemd. Dat een verterend aandeel neemt In al wat onze tijden baren;

Dat wat er kiemt en wat er woelt Snel en nadrukkelijk gevoelt.

En, diep bewogen met de scharen,

Wat land en volk beweegt en raakt Meelijdig tot het zijne maakt;

Een geest te groot om zich te sparen,

Om zich te onttrekken aan den vloed, Die op hem aanstormt met zijn baren.

En die met koninklijken moed De boosheên, die do lucht doorwaren, Om hart en hoofden in te varen,

De kracht op zich beproeven doet; Een geest, die\' in de drift der jaren

En in der dingen wervelkring. Onwankelbaar op \'t punt blijft staren,

Van waar hij al zijn licht ontving; En zonder voor den storm te buigen,

Die alles meesleept in zijn vaart.

Van eëne waarheid blijft getuigen.

Die zegevieren zal op de aard,

In wiens triomf reeds de Englen juichen.

Ons hart zal nooit den dag vergeten,

Waarop, aan d\'oever van ons meer. Het uur herdacht werd, toen de Heer U sierde met die huwlijksketen.

Die al uw heil maakt en uw eer. Hoe heerlijk ging de hemel open,

En liet het licht diens uchtends door; Hoe schittrend trad de zon hervoor. Een held, gereed om \'t pad te loopen. Een bruidegom in \'t bruiloftskleed. Die blinkende uit zijn slaapzaal treedt; Hoe glansrijk kaatsten toen haar stralen Terug van \'t stralende aangezicht Des Echtpaars, dat bij hooger licht Dan op zijn bruiloftskoets mocht dalen. Den weg gezien had van zijn plicht;

-ocr page 621-

AAN MR. I. DA COSTA, OP ZIJN ZILVEREN BRUILOFTS-DAQ. 301

Dat met een andre zon zich troostte,

Dan daaglijks opgaat uit den Ooste,

Dat op een andren morgen -wacht.

Dan die weer ondergaat in nacht!

Hoe lieflijk woei u \'t koeltje tegen,

Het koeltje van den morgenstond,

En wapperde in dien kring van zegen

Met zuchtjes van genoegen rond!

Uw kindren strooiden voor uw voeten De bloemen, die bun liefde vond;

Wij kwamen u, door hunnen mond,

Met zangerige wenschen groeten.

Waarin gij heel ons hart verstond!;;

En gij, guaft antwoord met gebeden ... ,

Ja, uw gebeden stroomden uit.

Als waatren aan hun wel ontgleden.

Klaar, overvloedig, vol en luid.

Gij stondt met opgeheven handen...,

Ja, uw gebeden walmden op.

Als eens op uw Moria\'s top De rook der morgenofferanden;

Nog vangt ons hart uw smeeldng op.

En God sloeg acht op dien gebede.

Ja, Hij verhoorde! Schoon de nacht U na dien dag van vreugde en vrede

Een persende beproeving bracht!

Ja, Hij verhoorde! Sloeg hij wonden.

Waarbij ons hart bezweek van schrik.

Zijn vingren hebben ook verbonden,

En doen het tot dit oogenblik.

Ja, Hij verhoorde! Vreeslijk wicssen De waatren, manr Hij sterkte uw voet.

En deed n wandlen op den vloed,

En veel, maar niet \'t geloof\' verliezen ...,

Loof, loof den Heer! want Hij is goed.

Ach! wij gedenken onder tranen.

Den dag waarop, bij \'t overschot Van Heemstee\'s omgeworpen Slot,

De nagebleven vijverzwanen

Den hals verlengden en den strot,

En wenschten over \'t huis te planen.

Waaruit hun tegenwoei de klank Van een hun onbekend gezang.

Het was geen toon van smart of weelde. Als dikwijls over \'t Sparen hong,

Dien \'t dartel op zijn golfjes vong.

Waarmee de wind vrijmoedig speelde;

Het was het onnavolgbaar lied

-ocr page 622-

AAN MB. I. 1)A COSTA, OP ZIJN ZILVEREN BRÜILOFTS-DAQ.

Van d\'Agrippijnsclieu strooinzwaan niet; Geen nagalm van de grootsohe zangen Van d\' ongelijkbren dichtervorst,

Uit wiens in \'t eind verdorde borst Het had den doodssnik opgevangen,

Kn nauw de mare melden dorst;

Het was een toon die hooger zweefde. Dan ooit de blanke wiek hen droeg. Waarvan het hart eerbiedig beefde

En met een vrome ontroering sloeg; Een lied, dat ze in de taal vernamen

Die steeds hun harten had gestreeld. Met klanken, die van verder kwamen,

En hemelscher muziek doorspeeld;

Een lied, dat zoo plechtstatig ruischte.

Als galmde \'t door eens tempels koor, En dat door de oeverrieten bruiste.

Als had het palm en ceder voor.

Dat was het klinken van uw snaren,

Profetenzoon van \'t morgenland! Met oostersch dichtervuur in de aren.

Heet als het Libyaansche zand;

Dat was uw harp, de godgewijde,

En dezer wijding zich bewust, Ook eerbiedwaardig in haar rust,

Maar nu ontwaakt ten feestgetijde.

Maar nu ontwaakt met blijden galm,

Maar nu ontwaakt ten bruiloftspsalm!

Wien zong zij\'? Ach! den vrind der vrindeu. Den broeder, aan het hart zoo waard, Die nu reeds sluimert onder de aard, Beschreid door alle Gods beminden;

Den man en vader, wien de kroon Van \'t zilvren echtfeest \'t hoofd mocht sieren.

Maar die welhaast, voor Godes troou. Een goddelijker feest zou vieren;

Den dichter, uit wiens overvloed En springende fontein van zangen.

Ook toen door ons ontroerd gemoed Een zachte toon werd opgevangen;

Maar die bestemd was, binnen kort, De gouden harp in d\' arm te klemmen. En \'t halleluja aan te stemmen.

Waarin het Lam verheerlijkt wordt; Den christen, die zoo diep gevoelde.

Zoo vurig dankte voor het lot. Hem toegeworpen door zijn God,

Maar in wiens borst behoefte woelde

-ocr page 623-

AAN ME. I. DA COSTA, OP EIJN ZILVEKEN BRUILOFTS-DAG. 303

Aan onbezoedelder genot;

Wiens harte licht werd, als zijne oogen

Zoo hongrig staarden hemelwaart,

Maar zwaar, gedrukt, en neergebogen,

Wanneer \'t geen hemel vond op de aard. quot;Wij hebben onder de eikenboomen,

Wij hebben in der linden schauw,

Wel menigmaal de klacht vernomen

Dier ziele, die naar boven wou;

Wij zagen \'t smachten van dat harte,

Het worstlen van die teere ziel,

En menig ondoorstrijdbre smarte,

Die loodzwaar op haar nederviel.

Wij zagen \'t; onze boezem treurde;

Maar onze blindheid merkte niet Dat God haar strakke windsels scheurde.

Dat God haar vleuglen wassen liet----

Daar voer zij op! En wij — verschrikten;

Daar vloog ze in de armen van haar Heer! En onze schreiende oogen blikten Op \'t afgelegde hulsel neer ....

Neen! zagen naar omhoog. Wij loofden

Hem die haar tijden had bereid.

Daar klonk een stem om onze hoofden.

Die sprak van c/roote heerlijkheid.

Da Costa, schoon uw oogen heden Den teergeliefden vrind niet zien Met tintlende oogen tot u treden,

En u den druk der handen biên;

Zoo aan Uw feestdag moet ontbreken,

Wat aan Zijn feest geschonken werd.

Het is een blijdschap voor uw hart,

Een troost, indien wij van hem spreken.

Die, had hij nog op aard geweest.

Zoo vurig u had toegesproken —

Maar heeft zijn stem u wel ontbroken V En zaagt gij hem niet in den geest?

En wij, wien God de vreugd wil gunnen

Uw dankbaar aangezicht te zien.

Wij brengen alles wat wij kunnön En wat wij hebben aan te biên;

Een handvol van herinneringen.

Wier geur uw hart verkwikken mag.

En beden die ten hemel dringen

Om zegen over dezen dag;

Om zegen over uwen hoofde.

Om zegen over gade en kroost.

-ocr page 624-

ZOMEEREGEN.

Van Hem, in wien uw hart geloofde, En die genoeg bleef tot uw troost. Hij is genoeg. Zijn gunst besproeie

Uw weg, uw werk, uw huis, uw hart; Uit zijn genadevolheid vloeie

_U balsem toe in iedre smart!

Zijn hand bevestige op uw haren

De kroon, waarin ge u thans verblijdt. En zoo ge een kroon voor Neerland zijt, Hij moge ons lang dat sieraad sparen.

ZOMERREGEN.

Kom, liefelijke zomerregen,

Waarbij de boezem ademhaalt. Kom suizend, ruisohend neergezegen.

En zegen de aarde daar go op daalt! Den zegen, die haar klacht zal stillen En leven geven aan haar borst,

TSTu, daar ze onmachtig hijgt van dorst, Moogt ge aan geen woeste zee verspillen,

Dient aan geen zandig duin vermorst. Kom tot ons over op uw wieken!

Het groene bosch ziet grijs van stof, De rozen sterven in den hof,

De glans der leliekroon is dof:

Doe gij ons de oude geuren rieken,

Verfrisch de kleuren voor ons oog.

Help overeinde wat zich boog,

Roep bovenal op weide en akker Het ingesluimerd leven wakker,

En wisch op al het groene kruid De sporen van bet lijden uit!

Daar dreigt, daar nijgt, daar komt gij dalen Daar trekt gij \'t landschap tegemoet Met heel uw hemelsch\' overvloed;

Daar storten zich uw milde stralen Met hartverkwikkend ruischen uit;

Zoet, als het troostelijk geluid Van die aandoenlijkste aller talen.

Waarin een moederlijk gemoed Zich uitstort voor haar eigen bloed.

Als \'t kindje neerligt in zijn zwakte,

En met een kwgnend oogje spreekt. En met een droevig lipje smeekt. Om \'t vocht, waarnaar zijn hartje snakte;

-ocr page 625-

KLEIN VOOR aoü.

Zoet, als het zacht en smeltend lied, Dat hopende eeuw aan eeuw herhaalde,

En thans mijn boezem tegenvliet,, Alsof het met uw dropplen daalde: .Hij zal gelijk zijn aan den regen,

„Die daalt op \'t late gras, „Aan droppels, die met milden zegen „Besproeien \'t veldgewas.quot;

— Mijn ziel, o God! heeft ondervonden

De waarheid van dat woord,

Als, op haar uitgedroogde gronden,

Die regen werd gehoord;

Wanneer ze hebben ingedronken.

Dien dauw, dien troost, die kracht, Uit uwe hemelen geschonken

Aan alles dat versmacht;

Verkoelend, lavend en doordringend

Tot in den diepsten schoot,

En op zijn nadering ontwringend

Het leven aan den dood.

Toen hief het door de zon verschroeide

Zich uit z^n kwijning op.

En \'t voor zijn tijd reeds uitgebloeide

Vernieuwde blad en knop; De sluimerende beek werd wakker,

Haar stokkende ader zwol.

De leege halmen, op den akker

Verwaarloosd, schoten vol;

De wonde, door de hagelstriemen

Hun toegebracht, genas.

En in de werkelooze kiemen

Ontwaakte een nieuw gewas; In \'t kloppend harte werd geboren

Deze éene wensch; o Heer!

Mocht op het veld mijn handvol koren Slechts ruischen tot uw eer!

KLEIN VOOR GOD.

AAN —.

Bloedt u het hart van zoo geducht een wonde.

Krenkt zooveel smart zoo vroeg Uiv tengre leest, Maar buigt gij \'t hoofd veel dieper om uw zonde:

Des Heeren arm verheft, zijn hand geneest. De gloed der zon schroeit de opgestoken toppen. Maar beurt omhoog de neergebogen knoppen, — Welzalig zijn de armoedigen van geest!

-ocr page 626-

LEVEN EN STEEVEN.

iS06

KALMTE. —

Is u het deel der needrigen beschoren;

En draagt uw hart in needrigheid zijn lot,

Gevoelt het diep zijn nietigheid voor God:

Heil u! Hij heeft het needrige uitverkoren!

Valt \'shemels dauw, zoo valt hij overal;

Maar meest en ruimst in \'t laagstgelegen dal.

En blijft er \'t langst in koele schaduw gloren.

The grace of God, like the dew, falls everywhere, but falls in greater abundance in the valley, and lies longest in the shade.

J. A. JAMES.

KALMTE.

Men vraagt, hoe X den geest kon geven.

Met een gelatenheid zoo groot;

Daar is geen siddren voor den dood 13ij \'t door den dood bedwelmde leven.

LEVEN EN STERVEN.

„Het leven eerst, en dan des stervens troost!quot;

Zoo denkt ge, o jongling! en geniet het onverpoosd.

Omringt, bedwelmt u dag en nacht van \'t woest geklater Der ijdelheên, en drinkt de zonden in als water;

Tot u de macht van \'t geld en \'s lichaams kracht ontbreekt, Beleedigde natuur zich op uw woestheid wreekt,

Uw hart doet walgen van de lusten daar ge in baadde. En ge — uit gaat rusten in den schoot der jonge gade, En bij het zorgloos ambt van staat,

Dat waardiger dan u ontgaat.

Ziedaar dan \'t groot bekeeringswerk voltooid!

Wie heeft van u iets meer te vergen, nu of ooit?

Gij zijt tevreden van uw braafheid, en de menschen Betoonen u op \'t klaarst dat ze u geen ander wenschen. Maar God? — „Wel, God is goed! zijn groote goedheid streeft Den mensch teboven, en de booze mensch vergeeft!

En zoo er nog iets schort, dat zal zich later vinden; Of waartoe anders dient het kruis van Christus, vrinden. Zoo zijn genade, die gij preekt.

Niet aanvult wat aan mij ontbreekt?quot;

Op eens het uur, \'t ontzaglijk uur genaakt!

De faculteit pleegt raad, de bleeke gade waakt.

Het oog des kranken smeekt om laafnis voor het branden Der lippen, en zij vloeit hem toe uit teedre handen.

-ocr page 627-

AAN KACHKL. 307

Maar de uitgestelde troost? Al vraagt mijn ziel hem niet,

Toch zal men.... „Neen! o neen! een wreedaard, die hem biedt! Het zou geen troost zijn, maar vergif. Indien aijn leven U lief is, kom hem hoop op zijn herstelling geven;

Maar noem geens Hcilands naam of bloed,

Die hem den dood vermoeden doet.quot;

Één snik.... Hij is er in gebleven.

Geen stervenstroost en, na den dood, geen leven!

AAN RACHEL.

(Treurdichtspeelster).

Draagt gij den naam, zoo zacht, zoo schoon, En zijt ge een dochter der geliefde.

Die Izaaks verbannen zoon Vertroosten mocht van wat hem griefde;

Zijt gij geboren uit het bloed Van haar, voor wie hij veertien jaren. Die hem als zooveel dagen waren,

Eens anders schapen heeft gehoed;

Een kind dier lieve en lievenswaarde,

Die hem zijn lieven Jozef baarde.

Maar onder Benjamin bezweek;

Voor wie hij, in de kleine streek,

Die Efrata van Bethel scheidde.

Een rustplaats aan den weg bereidde;

Die nooit uit zijn gedachten week;

Zijt ge uit die koningsheup gesproten, Die godlijke eere heeft genoten,

In \'t worstelperk aan Jabboks beek;

Vloeit u \'t gezegend bloed door de aderen Van honderd uitverkoren vaderen;

Zijt ge uit het heilige geslacht Der godsbeminden, godgewijden.

Dat, in de volheid van Gods tijden, D\'Immanuel heeft voortgebracht;

Ligt al de plechtige ernst van \'t Oosten

Op \'t donker voorhoofd, dat ge ons toont, En komt uw zonnig oog ons troosten.

Van al de flauwheid, die bier troont; Verraden houding en gebaren Een aangeboren vorstenrang.

En galmt ons, in uw stem, de zang Van Sions maagdelijke scharen;

Is daar een weerschijn in uw geest Van al de lichten, al de krachten.

-ocr page 628-

AAN UACHEL.

üie in den tijd der voorgeslachten üe roem der Natie zijn geweest; Verschijnt ons, tusschen uwe vlechten,

Een glans van grootheid en een gloed, Om \'t pleit voor Isrel te beslechten,

Trots onbesneden overmoed;

Schijnt, onzen tijden tot een teeken,

üe dochter Sions opgestaan.

En komt ze, ook in uw roem, zich wreken

Voor al den boon haar aangedaan.... — En is er bij de breede scharen Bestendiger bewonderaren.

Wier menigte om uw schreden woelt, Geen enkel hart, dat dit gevoelt?

Ontroert gij niemand, onder allen.

De ziel als dochter Abrahams,

Als spruit des uitverkoren stams.

Nu van Jehova\'s gunst vervallen?

Zoo ge eiken avond nederziet Op duizenden gedoopte bootden.

Wier lippen den Messias loofden,

Dien uwe blindheid nog verstiet,

Zegt niemands bloedend hart zich: „Deze Is hem een zuster naar den vleesche,

Maar Rachel kent dien Jozef niet!quot;

O Dochter Sems! als ge op uw lokken Den haarband der vorstinnen drukt, Om \'t hart van koningen te schokken, Van \'t toovren uwer kunst verrukt; Als ge optreedt om de rol te spelen Der edelsten uit Japhets bloed,

Is daar geen stem in uw gemoed Die andre rangen uit zou dealen ?

Zijn daar geen driften in uw borst. Die anders spreken, anders woelen Dan westersch harte kan gevoelen?

En blaakt u niet een groote dorst. En voelt ge n \'t kloppend hart niet persen. En roept uw ziel niet overluid Naar goddelijker dichtgeest uit.

Dan die u toegalmt in de verzen Van Javans \') nagespeelde luit?

Verzucht gij niet naar ruimer snoeren Dan van \'t Europisch maatgedicht.

i) Met dezen naam schenen, Gen. X. 2 en op vele andere plaatsen der II. S., de Grieken te worden aangeduid.

-ocr page 629-

AAN KACHEL.

Dat gij zoo kalm beheerscht, wellicht Als niet greschikt uw ziel te ontroeren, Als niet in staat u mee te voeren

Tot waar de kunst voor \'t leven zwicht? O Telg der priestren en profeten,

Wie de ongewijde lauwer wast.

Heeft nooit uw hart u dien verweten,

Als voor uw schedel ongepast?

Ontwaakt er, als de kreten rijzen,

Waarin uw lof zoo luid weerklinkt, In u geen zielszucht, die u dringt Oin al die glorie af te wijzen?

Is daar geen hoogheid in uw hart, Waardoor u al die grootheid smart?

Geen hoogheid, die den smaad kan kiezen,

Waaronder \'t kroost van Abram bukt. Maar niets van d\' adel wil verliezen,

Door God hem in de ziel gedrukt ?

Ja, in vernedering en lijden,

Den volken wezen tot een spel.

Dat is uw lot, o Israel!

Daarin vervullen zich uw tijden;

Dat is het erf-lot van uw schuld,

Waarin een groote ziel kan deelen

En waardiglijk haar plaats vervult;

Maar op hun heidensche tooneelen.

De rol der heidenen te spelen....

Geen dochter Rachels, die het duldt! En zoo zij \'t duldt — in Kama\'s velden

Ruischt daar een klacht op d\' avondwind, Om Rachels boezemsmart te melden, Beweenend haar verloren kind.

Gij hoort het niet. Gij hoort het galmen

Eens lofs, dien u een wereld brengt. Als zij uw lauwren strooit en palmen,

Met parelsnoeren ondermengd.

Maar somtijds, in uw eenzaamheden. Als gij, vermoeid van kunst en eer,

Uzelve zijn moogt, voor een keer,

Denkt gij terug aan \'t bang verleden,

En ziet uw haavloos hutje weer.

Waar gij, verloren en vergeten In \'t luid getier der groote stad. Die brood noch deernis voor u had. Uw jeugd in kommer hebt gesleten.

Nog heugt u \'t lijden van uw hart,

Als \'t zich bewust werd van zijn krachten, En aanving met een vreemde smart-

-ocr page 630-

AAN RACHEL.

Naar \'t onbekende goed te smachten, Dat nooit uw oogen duidlijk -werd.

Nog heugt u, hoe u \'t denkbeeld krenkte, Dus arm te zijn en onbekend,

Maar hoe een goede geest u wenkte,

Daar kwam een eind aan deze ellend;

Uw brandend hart zou ademhalen. Zou zijn verlangens zien geboet;

U zou een heldre zon bestralen.

En rozen blozen voor uw voet.

Maar hoe zich uw verbeelding pijnde, Dat zij het woord des raadsels ried. Zij vond het in haar droomen niet;

Dies uwe jeugd weemoedig kwijnde, Omtastende in een blind verschiet,

Waarover zich een nevel wolkte, Die echter alles hopen liet — —

Ha, hoe het sedert zich bevolkte.

En in wat glans gij \'t heden ziet!

Thans moogt gij in uw armen vatten, Wat vóór u zweefde ver en dof;

Egypte offert u zijn schatten.

En Babels palmbosch ruischt uw lof;

Der kunsten nectar komt u laven.

En uw versmachting ia geweest;

De zelfbewustheid van uw gaven Verheft uw schedel onbedeesd;

Gesloten deuren vallen open;

Daar ligt de wereld van uw hopen,

En gij beveelt haar door uw geest.

Maar ook die wereld heeft haar nachten; Maar ook dat leven kent een dood;

Daar blijft een onverklaarbaar wachten. Een onvervulde zielenood.

Nog komen zij, die oogenblikken.

Waarin de sterkste geest bezwijkt.

Wie heeft dan teugen die verkwikken, Wie, wat naar lafenis gelijkt?

Geen ziel kan ooit zichzelf bezielen, Wanneer zij wegzinkt zonder moed! Geen wereld, die een ziel voldoet!

Schoon al heur goden voor haar knielen, Nog grijpt zij naar een meerder goed;

Nog kan haar, bij de gouden vruchten, Haar mild geworpen in den schoot. Wel hongren naar een voedend brood;

Nog overvallen haar de zuchten Naar stille wateren van rust,

310

-ocr page 631-

AAN RACHET,.

Te midden van haar schoonsten lust; En welk genot haar mag bekoren In \'t vrrj gebied, dat haar behoort,

Niet altijd blijft de wensch gesmoord, Om zelve een Meerdren toetehooren,

Een Meerdren, die die vrijheid stoort! Een Meerdren! Ja, maar meer dan allen

En alles wat zij om zich ziet;

Met zulk een wil zij staan of vallen.

Maar met haar eigen wereld niet.

0 Rachel! Toen uw zwarte lokken U slordig hingen voor \'t gezicht,

Toen heeft zich, naakt en mager wicht, quot;t Meelydend hart u aangetrokken,

En uit den nacht gebracht in \'t licht. De goeden, de eedlen, en de grooten Wedijverden voor u in gunst.

En door de koningen der kunst Werd u de weg des roems ontsloten;

Elk hunner gaf u — wat hij had; Elk hunner wees u — wat hij kende; Ondankbaar zoo gij \'t ooit vergat! ...,

Maar hadde u in die groote stad,

Als ge in de dagen dier ellende Üw bedelbrood met tranen at.

Eens Christens mond het brood geprezen, Dat uit den hemel is gedaald,

Uw ziele bij haar God bepaald,

Hij hadde u beter dienst bewezen,

Waarbij geen andre goedheid haalt; En, mooglijk, ware u \'t licht gerezen,

Dat om het kruis van Christus straalt!

Het strale u nog! Het overschijne

Den lichtglans, waar uw hoofd van blinkt; Totdat gij aan zijn voeten zinkt.

Voortaan geen andre, dan de zijne!

Totdat gij roept met luider keel;

„Mijn Heer, mijn God, mijn rots, mijn deel!quot; Totdat gij nederwerpt de kronen Der Phedra\'s en der Hermionen,

En elke rol en iedren schijn Vergeet, om zondares te zijn;

Totdat uw hand de Grieksche tressen.

Naar Joodsche wijze, op \'t hoofd ontsnoert, En grijpt naar de alabaster flesschen,

Door dankbre liefdedrift vervoerd;

Tot gij de smaadheid uwes Heeren

311

-ocr page 632-

312 AAN w. w. »v.

Zult boven iedren krans begeeren, En dragen Hem het kruishout na, Die \'t droeg voor u, op Golgotha; Totdat gij verre zult verkiezen Al Paro\'s gunsten te verliezen, Mishandeld met het volk van God, Voor ijdelheid en zingenot;

Totdat ge een wereld zult beklagen,

Die roemt in de evangelieleer,

Maar mooglijk luide rouw zal dragen. Als ze u moet afstaan aan uw Heer.

AAN W. W. W.

TUEOL. STUD.

Is Christus Niets, of Iets, of \'t Al ? Ziedaar de vraag die, duizendwerven Herhaald, in leven en in sterven

Van ons geluk beslissen zal.

God gaf een antwoord in uw hart,

Hat Hij beproeft in menig smart.

Hem te verkonden was uw keus;

Zijn kruis der wereld voor te houden; Het: „Komt tot Hem en wordt behouden!quot;

Te stellen tot des zondaars leus; Te staan, te strijden voor zijn Kerk.... Hij roept u tot een ander werk.

Een ander werk\'?.... Ach werkloosheid! Een rusten met bezweken krachten; Een nederliggen en verwachten

Wat beker u zijn hand bereidt; Een vragen, bij uw daaglijksoh brood: „Heer! Zal het leven zijn of dood?quot;

„„En of het dood of leven zij,

„„Rust, arbeid, stille zijn, of strijden, „„Een langer, of een korter lijden,

„„Ben ik IJ alles?quot;quot; antwoordt hij. Wat klinkt het wederantwoord blijd: „Gij weet, dat Gij mij alles zijt!

„Wien heb ik nevens U omhoog? „Wat is mij nevens U begeerlijk?

„Gijzelf alleen zijt onontbeerlijk;

„Al \'t andre ontzinke aan hart en oog. „Mijns levens doel is anders geen „Dan U te leven. U-alleen.

-ocr page 633-

NA UBK DOOD VAN MIJN JONGSTE ZUSTER. 818

„Zoo somtijds vleesch en hart bezwijkt,

„Zoo, bij \'t verdwijnen van mijn krachten,

„Bij \'t zondig warren der gedachten,

„Uw troost van uit mijn ziele wijkt,

„Doe Gij mij vriendlijk, mild, en zacht „Het licht weer opgaan in dien nacht!

„Ik weet, mijn laatste nacht verdwijnt;

„Mijn dageraad bestijgt de kimmen;

„Des hemels poort vangt aan te glimmen

„Van \'t eeuwig Licht, dat haar beschijnt, „En eeuwig schijnen zal om \'t hoofd,

„Dat in den donker heeft geloofd.quot;

NA DEN DOOD VAN MIJN JONGSTE ZUSTER.

Bogen zes en zestig jaren,

Vader! nog uw hals niet krom,

Scheen een vroolijke ouderdom Immer nog uw kracht te sparen — Zoo moog God uw hoofd bewaren,

Na het vallen van den slag,

Op dien driewerf droeven dag,

Die een vreugd van twintig jaren In uw arm bezwijken zag!

Rekten zich uw zwakke krachten,

Trouwe Moeder! voor een kroost. Opgewassen tot uw troost,

Na zooveel doorwaakte nachten — Zoo moog God uw leed verzachten.

Nu zoo ongedacht een zwaard Door uw matte ziele vaart,

Bij het stijgen uwer klachten Om een dochter lief en waard!

Waren \'t moeielijke schreden,

Toen gij, van uw zoons omringd.

Achter hare lijkbaar gingt,

Schreden, die u zwoegen deden — Zoo verhoore God de beden,

Vader! die ons hart dien stond Tot den Hemel-vader zond;

Troostend zie Hij naar beneden,

En schenk balsem bij de wond!

Was \'t een pijnelijk verbeiden.

Als wij keerden van den tocht.

-ocr page 634-

EEN VIERTAL PSALMEN.

Waar gij ons Biet volgen mocht Om te zien waar -wij haar leiden — God moge u de vreugd bereiden, Moeder! dat ge uw jongste kind In den hemel wedervindt.

Waar geen dood of graf zal scheiden, Waar men blijft bij wat men mint!

Derwaarts zien de schreiende oogen. Derwaarts trekke \'t brekend hart. Wijst de grafsteen, roept de smart; Daar zal God de tranen drogen; Derwaarts is zij vroeg getogen,

Als „de Heiland, die niet sliep,quot; \') In haar slaap haar tot zich riep, — O, hoe zal zij Hem verhoogen,

Die ons deze droefheid schiep!

Moest voor \'t eerst de rouwgalm stijgen Uit ons veelgezegend huis,

Deed nog nimmer zulk een kruis Van zijn last de boezems hijgen — Ach, zoo geve ons God te zwijgen. Ja, te aanbidden in het stof.

Schoon Hij ons in \'t liefste trof; Hij doe kracht naar kruis verkrijgen! Hem, die gaf en nam, zij lof!

EEN VIERTAL PSALMEN.

T.

LOFPSALM.

(Jez. XLV.)

De Heer is God, een eenig Heer!

De Heer is God, en niemand meer!

Erkent het, alle volken!

Van waar de zon in \'t oosten blinkt. Tot waar ze in \'t westen nederzinkt,

In \'t rood der avondwolken.

De Heer is God, de Heer regeert;

Jehova, die het licht formeert.

En \'t duister op doet komen;

Door Hem is alles wat bestaat;

314

Hij maakt den vrede, en schept het kwaad. Verheerlijkt Hem, gij vromen!

l) Dezen troost had zij dlkwyls op haar ziekbed herhaald.

-ocr page 635-

EEN VIERTAL PSALMEN.

Zoo maar de Heer zijn stemme geeft: „Gij heemlen, drupt op al wat leeft!

„Gij wolken, vloeit van zegen! „Gij aarde, ontsluit uw vruchtbren schoot. „Schiet uit in overvloed van brood!quot;

Wie houdt den wasdom t.egenV Kn als zijn hand het bloeiend veld Tot dorre en zoute landen stelt,

Wie zal één halm doen groeien?

Bij TJ alleen is alle macht;

Gij gordt de koningen met kracht, Gij doet de volken bloeien.

Wee hem, wiens hart den ootmoed mist. Wiens ziel met zijn Formeerder twist,

En rekenschap durft vragen! Het broze werk. van leem gekneed.

Vraag niet wat zijn boetseerder deed,

Noch onderneem te klagen!

Heer, wij bedekken ons \'t gelaat, Wij zwijgen stil tot uwen raad.

Wij willen needrig knielen.

Verhoog, verneder naar uw wil: Wij zwijgen onderworpen stil.

Wij offren onze zielen.

Bampzalig hij, die U weerstaat.

Dien Gij te schande worden laat.

En ver van U doet zwerven.

Met d\' afgod daar zijn ziel aan kleeft. Die hem geen troost in \'t leven geeft.

En hooploos weg doet sterven.

Maar zalig \'t volk dat U erkent,

Dat Sij verlost hebt uit ellend.

En in uw weg doet treden: Zij wandlen. Heer! in \'t vroolijkst licht; Geen schaamte dekt hun aangezicht, Nu, noch in eeuwigheden.

De heeralen schiept Gij door uw woordgt; Hun heir heeft Uw bevel gehoord;

Uw hand vervulde de aarde; 0 God! het was dezelfde macht.

Die uit dit zondige geslacht

Uw dankbaar volk vergaarde. Het volk, dat al uw goedheid ziet. Het dient, o Heer! U nooit om niet; Gii houdt ü niet verborgen;

315

-ocr page 636-

EEN VIEKTAL PSALMEN.

Uw Woord vervult hun ziel met vreugd. Uw Geest scheukt hun vernieuwde jeugd, Uw blik verdrijft hun zorgen.

Treedt toe en spreekt, gij dwaas geslacht! Die al uw heil van de aard verwacht,

Die aan dit stof blijft kleven;

Die u van \'s levens vloek beklaagt.

Maar godheên in uw boezem draagt.

Die geen verlossing geven;

Treedt toe, spreekt uit, beraadslaagt saam, Ia daar op aarde een andre naam,

Waaruit ge u troost kunt lezen? Tk ben een Heiland, spreekt de Heer; Ik ben het, Ik, en niemand meer;

Ik ben, en zal het wezen.

Vloeit tot Hem samen. Adams kroost! Hij is de God, het heil, de troost,

Dien allen zoeken zouden.

Buigt, buigt u neder, alle knie!

Dat elke tong hem hulde bie!

Aanbidt en wordt behouden!

Treedt toe, spreekt nit, betuigt en zegt: In Hem is sterkte, in Hem is recht,

Tot Hem zal alles komen;

Den God, die recht en waarheid wreekt, Den God, die van genade spreekt In \'t hart van alle vromen.

II.

KERSTPSALM.

(Jez. IX.)

Daar is uit \'s werelds duistre wolken

Ken Licht der lichten opgegaan.

Komt lot zijn schijnsel, alle volken!

En gij, mijn ziele! bid het aan.

Het komt de schaduwen beschijnen, De zwarte schaduw van den dood; De nacht der zonde zal verdwijnen.

Genade spreidt haar morgenrood.

Al hebt ge, o God! vermenigvuldigd

De gaven van uw overvloed,

Wat baat het waar zich \'t hart beschuldigt En siddrend voor u krimpen moet?

-ocr page 637-

een viertal psalmbn.

Green dubbelde oogst van most of koren

Verdrijft de smarten van een ziel, Voor wie de hemel is verloren,

Omdat ze, o Heer! van U verviel.

Maar nu, nu zullen we ons verblijden.

Verblijden voor uw aangezicht! De volheid der beloofde tijden

Is voor de volken aangelicht!

Komt, dat we aanbiddend nederknielen

En .juichend roepen; God is groot! Daar komt een oogsttijd voor de zielen. De Heer zal spijzen met zijn brood.

Gij wilt met vrede tot ons komen,

Met vrede en vrijheid, vreugd en eer. Het juk is van den hals genomen;

0 God! wij zijn geen slaven meer! De staf des drijvers ligt verbroken.

Aan wien ons hart zich had verkocht, En \'t wapentuig in brand gestoken Van hem, die onze ziele zocht.

God lof! Een Kind is ons geboren,

Een Zoon gegeven, door zijn kracht; De heerschappij zal Hem behooren.

Zijn last is licht, zijn ,juk is zacht. Zijn naam is wonderbaar; zyn daden

Zijn wondren van genade slechts; Hij brengt der ziel met schuld beladen Vergeving van den God des rechts.

In Hem verschijnt, uit Hem zal spreken

De wijsheid Gods, der zielen raad; De troost zal van zijn lippen leeken.

Voor Adams neergebogen zaad.

Roept uit tot Hem, gij, wien de zonde Geworpen heeft op \'t smartlijk bed! Gebroken harten, toont uw wonde! Hij is de sterke god, die redt.

Aan \'t gras des velds gelijkt ons leven;

Als broze bloemen bloeien wy.

Zoo ras de storm zich heeft verheven,

Gaat onze heerlijkheid voorbij;

Maar Hij vervult alle eeuwigheden

Met schatten, die zijn hand bereidt. Voor \'t harte, dat Hem heeft beleden

Als vadek van zijn eeuwigheid.

-ocr page 638-

een vieetal psalmen.

O vredevorst ! Gij kunt gebieden,

Den vrede op aarde en in mijn ziel! Doe heel mijn ziele ü tegenvlieden;

Dat al wat ademt voor U kniel! Des Heeren ijver zal bewerken. Dat Hij den zetel, ü bereid, Met recht en met gericht zal sterken Van nu, tot in alle eeuwigheid.

III.

lijdenspsalm.

(Jesala LIII.)

Wie heeft op aard de prediking gehoord, De prediking van \'t vleeschgeworden Woord, Den Zoon van God, op Golgotha vermoord?

Wie durft gelooven?

Wie ziet in Hem Gods reddende\' arm, van Boven Tot ons gestrekt?

Wie durft zijn kruis belijden?

Wiens hs.rt zich in den Lijdenden verblijden, Met smaad bedekt?

Een rijsje, dat zoo woest een storm bewoog. Een wortel uit een aarde, dor en droog. Had geen gedaante of schoonheid in ons oog.

Als wij Hem zagen.

Zoo was daar niets dat oogen kon behagen; Hij was veracht.

De onwaardigste der menschen: Wie durft zich Hem tot Zaligmaker wenschen? Hij was veracht.

O Man van smert, dat ieder voor u kniel! Gij droegt aldus de krankheid onzer ziel; \'t Was onze smart, die op uw schedel viel;

Ons overtreden Heeft ü verwond; om de ongerechtigheden, Door ons begaan,

Zijt ge in dit leed gekomen;

De straf, die ons den vrede toe doet stroomen. Die naamt Gij aan.

\'t Is heil, wat uw verbrijzling ons verkondt; Uw striemen zijn genezing onzer wond; Wij dwaalden als verloren schapen rond, Op eigen paden;

-ocr page 639-

ken viertal psalmen. 819

De Heer heeft U met onzen last beladen;

Gij hebt geboet;

Niet Gij, slechts wij zijn schuldig;

Maar Gij, Gij stort gewillig en geduldig üw dierbaar bloed.

Gelijk een lam, dat stil ter slachtbank gaat,

Gelijk een schaap zich zwijgend scheren laat.

Zoo deed ge uw mond niet open onder \'t kwaad,

U overkomen.

God heeft U uit het oordeel weggenomen,

Als ge elke toog Zijns bekers hadt gedronken.

En \'t zondig volk gerechtigheid geschonken,

In \'s Heeren oog.

Toen was \'t volbracht! Volbracht voor zondaars, Heer! Gij buigt het hoofd tot uwe ruste neer;

Geen oneer treft uw heilig lichaam meer,

Geen smaad der boozen;

En schoon m\' uw graf gesteld heeft bij godloozen, God wreekt uw recht:

De liefde en de eerbied dragen üw lijk van \'t kruis, en schreiende oogen zagen Het weggelegd.

O Heiland, dus gefolterd voor mijn kwaad!

O Heilige, om mijn schande dus gesmaad!

Wat spruit er uit uw graf een heerlijk zaad

Van eeuwig leven!

Hoe veler ziel werd U van God gegeven Voor de eeuwigheid,

Om de eeuwige eer te deelen,

U, die U tot een offer gaaft voor velen,

Bij Hem bereid!

\'t Verloste volk verheft tot U zijn hart.

Rechtvaardige, die zonde voor hen werd!

Het zegent al uw wonden, smaad en smart!

Gij hebt geleden Voor snooden; Gij voor vijanden gebeden;

Gij hebt gesmacht.

Moest Gods nabijheid derven,

Hun ziel ten troost in leven en in sterven;

Hbt is volbracht.

-ocr page 640-

EEN VIERTAL PSALMEN.

IV.

EEN PSALM VAN DEN GOEDEN HEItDEIl.

(Psalm. XSIII. Joh. X.).

Mijn goede Herder is de Heer;

Hij stelt zijn leven voor de schapen. Hij doet des nachts mij veilig slapen,

Kn \'s morgens wekt Zijn stem mij weer. Mij zal geen goede weide ontbreken; Mij spijzigt Hij met overvloed, En zachtkens leidt Hij mijnen voet, In vreedzaam oord, aan frissche beken. Die Hij uit rotsen vloeien doet.

Hoe wordt door Hem mijn hart verkwikt! Hij is de sterkte mijner ziele.

Als ik onmachtig nederkniele,

En Hij genadig nederblikt.

Niet mij. niet mij, maar Hem zij eere, Indien ik wandel in Zijn licht;

Zijn goedheid heeft mijn voet gericht. Mijn goede Herder is de Heere; Hij ondersteunt mij waar ik zwicht.

Geen duistre schaduw van den dood.

Geen angst der helle doet mij beven; Waakt niet die Herder voor mijn leven, Die als Lam Gods zijn bloed vergoot. Al ligge ik dan in doodsche banden, De doodsschrik snijdt mijn hoop niet af, Ik hef mijn oogen naai- den staf. Die nimmer wankelt in Zijn handen. En juich in Hem bij \'t open graf.

Wees, Herder Jezus, luid geloofd! Uw hand is nimmer moe des gevens; Gij spijst mij met het brood des levens;

Uw vreu^denolie zalft mijn hoofd.

Gij doet mijn hart Uw goedheid smaken, In alle ding dat mij ontmoet;

Mij volgt, my achterhaalt het goed, Gij weet mij arme rijk te maken;

Het bittre maakt uw liefde zoet.

Hoe zal \'t mij zijn, als ik betreed Het huis, waar Gij mij plaats bereidde. Waar eens Uw hand mij binnenleide, Ten dage die Uw wisheid weet!

320

-ocr page 641-

liberaliteit, enz. 321

god te kennen. —

verstand en hakt. —

Och, dat mijn ziele stil verbeide Het heil, uw vrienden toe^ezeid,

Voor \'s werelds grondslag was geleid, Als elk der schapen Uwer weide U prijst in \'t licht der eeuwigheid.

GOD TE KENNEN.

üw God te kennen is geen weten slechts, o Mensch!

Geen voorstel door \'t verstand koelzinnig aangenomen; Geen koud bespieglen, en geen hartbeneevlend droomen; Geen zich verliezen in een ruimte zonder grens;

Geen tasten in een nacht, dien nimmer lichtstraal kliefde; Geen staren op een gloed, die \'t sterkst gezicht verblindt; Maar \'t is gemeenschap aan zijn wezen door de liefde, \'t Zien van den Vader in den Vader, door het kind. Die kennis is iets meer dan weiflend toortsgewemel. Of koude wintermaan, waarvoor geen sneeuwvlok zwicht. Of lauwe zomerlucht in nachten zonder licht,

Ze is koesterende zon aan on-bewolkten hemel.

VERSTAND EN HART.

Wie revelt of Verstand en Hart elkander krenken? De Zonde alleen heeft schuld, die beiden ons verwart, \'t Waarachtige Verstand geschiedt alleen door \'t Hart; \'t Volkomene Gevoel wordt een volkomen Denken.

LIBERALITEIT.

Gij schenkt Gods waarheid weg, en noemt dit liberaal, \'t ls maklijk mild zijn van eens anders kapitaal!

Hebt gij \'t in vruchtgebruik, deel mede van de vruchten; Die meer doet, heeft het recht des eigenaars te duchten.

AAN ME. JACOB VAN LENNEP,

bij \'t in \'t licht verschijnen van zijn Eduard van Gelhe. In weerslag op zijne mij in 1835, na de uitgave van Kusee, toegezondene dichtregelen. (Zie D!. I. bl. 333, 4).

Uw citer had weleer in onvolprezen zangen

Der vaadren grootsche daan vermeld aan \'t Vaderland : Gij hadt in \'t wilgenhout dat speeltuig opgehangen, En greept de prozastift mot onverzwakte hand;

li

-ocr page 642-

aan mijn vriend hasebroek.

- erva1ung. —

aaneen bruid.

Dat gaf mijn\' jonkheid moed, mijn\' prillen lentejaren-,

Vermetel trad ik op, schoon met ontstemde luit.

En zoo een zangziek volk een oor had voor mijn snaren,

Uw snaren stortten toen geen schooner galmen uit. üw zwijgen niet alleen, uw jnichen in mijn pogen,

Verwierf\' me een weinig roams, die \'t hart mij kloppen deed. Op eens! daar dreunt de klank van \'t oude Aichtvermoyen,

De wijs van elk zijn wijs, die niemand ooit vergeet. Van Lennep! mooi is \'t niet dat gij mij hebt bedrogen,

Maar mooi en meer dan mooi is \'t lied, waardoor gij \'t deedt. 22 Sept. 1847.

AAN EEN BRUID.

U zeegne God!

Hij stelle u tot een zegen!

Gezegend zij uw hoofd, uw hart, uw wegen, Uw aardsch, uw eeuwig lot.

Gezegend de Echt,

Die u verbindt! Zijn banden Zijn bloemen en zijn juk! Ue trouwe handen,

Door God ineengelegd.

Gezegend \'t Huis,

Waarin de liefde wone!

Waar u de Heer met vreugde en eere krone!

Gezegend ook het kruis.

Het kruis te zaam Met d\' echtgenoot gedragen,

Den blik op Hem, die \'t Kruis verdroeg, geslagen.

En in zijn kracht en naam!

ERVARING.

Een lange Ervaring doet de maat der Kennis rijzen.

Maar ze is geen Kennis; noch vergoedt haar, waar ze faalt; Of zijn zij \'t Leven zelf, de velerhande spijzen.

Waaruit de levens-Kracht het eene voedsel haalt?

AAN MIJN VRIEND HASEBROEK, destijds Predikant te Breda.

op zijn trouwdag.

De dag uws feestes is gekomen;

üw lieve Bruid staat aan uw zij; En alle vaderlandsche stroomen. Zij stroomen tusschen u en mij;

-ocr page 643-

AAN MIJN VRIEND HASEBKOEK.

Rondom uw schreden drongen scharen Van nieuwe vrienden, die gi] vondt:

Een vriendschap van zoovele jaren,

Blijft pruilende op den achtergrond.

Heeft zij geweigerd goed te keuren Den echtknoop, dien gij heden sluit?

Of is ze (\'t kon zoo licht gebeuren)

Najjvrig van de lieve Bruid\'?

Ligt in haar aard de vreugd te mijden, Te ontvluchten in een duistren hoek?

Zich te verblijden met de blijden.

Staat dat niet in haar woordenboek?

Is zij te traag de reis te maken?

Te bang voor \'t gure najaarsweer?

Beducht om aan den grond te raken,

Bij \'t scheepgaan aan zoo menig veer?

Of heeft zij mooglijk andre vreezen, Wel wetend dat er, waar zij naakt.

Geen preek slechts, maar een vers moet wezen, Waardoor zij in labeuren raakt?

Of is het, als met zooveel vrinden.

Ten laatste ook met ons gegaan;

De banden die hen saamverbinden,

Zij worden slapper zoetjes aan?

Wat, slapper? Neen! zij heeten stijver.

Steeds stijver! Ja voor goed verstijfd!

Maar verg het hart een blijk van ijver,

En zie dan waar de vriendschap blijft.

Neen! Dank zü God, die ons tot vrinden. Die ons tot broeders heeft gemaakt,

Die ons voor vijftien jaar deed vinden. Wat ons nog nu gelukkig maakt;

Geen tijd, geen afstand deed verkoelen De vriendschap in ons hart gelegd.

En wat wij voor elkaar gevoelen,

Heeft niets te vreezen van uw Echt!

Uw Echt! Zijn blijde dag gekomen!

Zijn schoon verschiet u opgegaan!

Zijn zachte kluisters aangenomen,

Met roos bedekt en mirteblaan!

Uw Echt! Een bron van zooveel zegen. Als zeven jaar mij zalig maakt.

Ook u ontsprongen op uw wegen,

Haar waatren ook door u gesmaakt!

323

-ocr page 644-

AAN MIJN VRIEND HASEBBOEK.

üw Echt! Geen dartle lust der zinnen,

Maar zielsvereening voor dien God, In wien elkander te beminnen

Het echtheil waarborgt togen \'t lot.... En zou geheel mijn hart niet gloeien, Van enkel blijdschap, lof\' en dank. En wenschen voor u uit te vloeien In zegenbede en maatgezang!

Mijn vriend! op dezen blijden morgen,

Üp dees uw schoonen huwlijksdag,

Voor uw volkomen vreugd te zorgen,

Door al wat hart en mond vermag; U met den handdruk te bejegenen

Der oude vriendschap, keer op keer; Uw echt plechtstatig in te zegenen. Als mededienstknecht van den Heer;

U, in zijn haam, een woord te zeggen

Van ernst en wijsheid, liefde en trouw, De handen in elkaar te leggen

Des jongen mans, der jonge vrouw: Met Gods gemeente, vrienden, magen,

Met alles wat u eert en acht. Uw echtheil biddende te vragen Van Hem, van wien alleen gij \'t wacht

Hoe zou mijn ziele kunnen scheiden Van al de blijdschap, al \'t genot, Dat deze dingen haar bereidden.

Tenzij dan op een wenk van God? Hoe zou mijn vriendschap kunnen dulden,

Bij \'t sluiten van uw huwlijksband. Dat anderen haar taak vervulden. Nam niet God zelf die uit haar hand!

Zijn wil geschiede! Laat ons zwijgen.

\'t Is wijze liefde wat Hij doet. De wenschen, die wij niet verkregen. Verdienen vast niet zooveel gloed. Ik wil, te midden van mijn kranken En met mijn kranken al te zaam, Den hemel op uw feestdag danken, En zcegnen dien in \'s Heeren naam.

324

-ocr page 645-

THUISKOMST VAN HET EENJARIG KOOSJE.

THUISKOMST VAN HET EENJARIG KOOSJE,

na, wegens ziekte van het overige gezin, een verblijf van vier weken in het huis van haar grootouders.

Komt gjj in mijn huis weerom.

Lieve, kleinste spruit?

Moest gij op uw ouderdom,

Eeeds zoo lang daaruit?

Speenden wij u, niet alleen,

Na een maand of elf,

Van uw moeders boezem, neen!

Zelfs ook van haar zelf?

Heb ik u met pak en zak Aan de deur gezet?

Zeide ik: Zoek uw eigen dak.

En uw eigen bed?

Moest gij zorgen voor uw brood.

In dees duren tijd?

Neen, die proef was al te groot;

\'k Had wat dikwijls spijt.

\'k Heb wel honderdmaal gedacht.

Midden in mijn werk,

{Ook een enkle maal bij nacht):

\'t Is wat al te sterk.

\'k Ben geen weeke vader; neen.

Lasteraar die \'t zeit!

Maai- uw leeftijd, naar \'t mij scheen.

Maakte een onderscheid.

Somtijds dacht ik: \'t Arme kind Denkt misschien met smart:

Ik word niet-met-al bemind Door mijns Vaders hart!

Waar zij haars gelijken ziet Bij hun ouders haard.

Denkt zij telkens met verdriet Aan mijn wreeden aard;

Broeit er in haar jong gemoed Vast een stil verwijt;

Zegt zij: Vader meent het goed,

Maar is liefst mij kwijt.

325

-ocr page 646-

THUISKOMST VAX HET EENJAKIG KOOSJE.

\'k Dacht dien argwaan aangevuurd. Door het boos gepraat

Aller kindren van de buurt____

En ik wist geen raad.

Kwam, zoo docht mij, \'t kind ooit weer

Onder Vaders dak,

\'k Wist wel wie er nimmermeer Van vertrekken sprak!

Doch de haat, dit was mij klaar.

Zat u reeds in \'t bloed:

Bij dien gierigen barbaar Zet gij nooit weer voet!

Maar daar zijt ge. Welkom hier!

Dank dat gij er zijt!

Met die oogjes vol pleizier,

Zonder e\'én verwijt.

Met dien vriendelijken lach

Op die lieve koon,

Dien ik in mijn droomen zag,

Maar nog eens zoo schoon!

Met die armpjes uitgebreid

Naar ons gansch gezin....

\'t Staat u open, lieve meid!

Kom er maar weer in.

Kom maar weder aan den disch —

(Jongens, schikt wat op!)

Waar desnoods een plaatsje is Op mijn knie, mijn pop!

Daar \'k u eindlijk wederzie,

Houd ik u ook hier;

Hebben wij nog brood voor drie, \'t Is er ook voor vier.

Zelfs geloof ik, kleine meid!

Is \'t er op gemunt:

\'t Bedje ligt nog wel gespreid,

Waar gij slapen kunt.

Schoon sinds weken aan \'t verdriet

Van \'t gemis gewend,

Moeder, denk ik, treurt toch niet Dat ge er weder bent.

Kijk, Maria en de broers (\'k Merk het aan \'t gekus)

-ocr page 647-

korenbloem. — nog een arabische spkedk. 327

Zijn alvast nog niet jaloerscii Van de kleine zus.

Allen zijn zij ziek geweest,

Met Mama en mij;

Thans is \'t haast herstellingsfeest,

Gij behoort er bij.

Daarom dan, in vredes naam,

Blijf nu waar gij zijt —

Zeegne God ona al te zaam,

Voor een langen tijd!

KOEBKBLOEM.

Gods liefde, die wij dankbaar roemen

Bij \'t nuttig koren, dat ons voedt,

Gods liefde schenkt ons ook de bloemen; Bij haar is weelde e:i overvloed.

Zoo ons de heerlijkheid des Heeren In \'_t goud des quot;akkers tegengloeit:

Hij wil dat we ook de bloem waardeeren, Die kleurig aan zijn zoomen bloeit.

De^knopjes gluren uit de bladeren

En zien_ons met een glimlach aan.

En zoo wij ons een tuiltje gaderen,

Daaraan is niet-met-al misdaan.

Slechts hij bedroeft den Allerhoogsten,

Die, _daar hij \'t minst vóór \'t meeste kiest. Den. tijd van zaaien en van oogsten Bij lieve bloemetjes verliest.

Bewaar ons. God! voor ijdelhedcn.

En hecht ons hart aan onzen schat,

Maar ook voor bloemen te vertreden.

Die gij doet bloeien op ons pad.

NOG EEN ARABISCHE SPREUK.

Zoo lang ge een woord in \'t hart besluit,

Zijt gij zijn heer, naar rede\' en recht; Maar laat gij \'t door uw lipjjen uit, \'t Neemt u gevangen als zijn knecht.

-ocr page 648-
-ocr page 649-

errata.

EERSTE DEEL.

Bladz. 4 regel 24 v. o. lachje lees: lachjen.

V

5

r

14

V.

0.

knaapje

n

knaapjen.

V

s

V

17

V,

0.

vergeefsch

n

vergeefs.

*

8

24

V.

0.

vergeefsch

7)

vergeefs.

71

22

n

21

blosje

n

blosjen.

T

23

,

3

ween

T

weent.

71

30

»

3

V.

0.

blosje

7t

blosjen.

.

32

n

3

roosje

roosjen.

V

36

30

zoet

zoet.

V

38

V

10

V.

0.

vreugdeblosje

vreugdeblosjen.

V

48

V

18

wier

n

wie

71

51

V

12

V.

0.

geeft

geef

V

79

n

2

diertje

n

diertjen

»

89

»

9

meertje

»

meertjen

90

22

V.

0.

doet

V

doen

»

106

V

23

V.

0.

beekje

7)

beekjen

109

51

18

Estes

n

Este\'s

112

15

Estes

n

Este\'s

ï)

112

n

9

bastaard

7)

basterd.

V

121

n

6

V.

0.

Als het

7t

Als \'t

*

138

ji

7

V.

0.

te berge

te bergen

-ocr page 650-

Bladz.

154 regel 14

meisje l

\'ee$.

• meisjen

157

16

en

n

te

158

V

12

die ik

n

die \'k

•n

181

V

7

Joses

Jose\'s

198

V

8 v.

o. Ismaliet

Islamiet

n

204

V

18 T.

o. andre

•n

andere

213

V

22

lichtje

■n

lichtjen

219

V

20

plekje

n

plekjen

v

222

r

16

slaakt

D

slaakte

V

239

3

Mundis

A

Mundus

V

244

11

haft

haaft

51

243

11

tusschenbeide

tusschenbeiders.

n

245

V

11

geneeren

*

generen

TWEEDE DEEL.

Bladz.

8

regel

4

koeltje

lees:

koeltjan

n

11

T

14

de

dei-

D

19

j,

3

will

willen

V

19

V

i

heete

heeten

23

j,

18

V.

o. buurtje

T

buurtjen

28

13

V.

o. levensvreugd

71

lentevreugd.

31

71

12

spruitje

V

spruitjen

Tt

31

13

knopje

V

knop; en

r

35

6

V.

o. teedre

7gt;

tengie

37

2

ten

71

ter

40

5

handje

?

handjen

V

41

V

7

blosje

r

blosjen

71

52

V

8

sera.fien

71

serafiem

V

58

7)

1

V.

o. nog

71

noch

7

60

7)

7

lachje

»

lachjen

-ocr page 651-

Bladz.

62 regel 19 laatste

lees:

laatsten

51

98

17 Jantje

7)

Jantjen

V

100

n

15 Keesje

7)

Keesjen

V

103

n

16 v. o. deuntje

7)

deun tj en

n

103

V

13 v. o. Roodkapje

n

Roodkapjen

V

104

71

7 v. o. lichtje

V

lichtjen

V

104

V

4 v. o. straaltje

7)

straaltjen

1)

118

V

12 v. o. Truitje

V

Truitjen

n

114

n

6 v. o. zelfs

n

zelf

V

115

15 v. o. lesje

n

lesjen

116

T

5 v. o. pijpje

»

pijpjen

n

131

7)

2 dien

Ï»

die

V

138

1)

10 v. o. dochtertje

71

doohterken

V

139

*

8 blosje

»

blosjen

139

n

11 lachje

V

lachjen

1)

146

n

9 Een

*

En

77

177

n

2 jongske

V

jongsken

V

187

V

5 Daar

V

Dat

V

187

16 scheepje

V

scheepjen

It

187

n

8 v. o. scheopke

*1

scheepken

Tl

188

V

22 v. o. sleepen

V

slepen

190

T

14 wendt

V

wend

J)

•209

V

6 rede

Tgt;

reden

V

217

V

13 v. o. sleepend

71

slepend

V

219

71

10 v. o. wies

V

wiesch

71

223

V

21 v. o. driftige

V

driftigen

n

231

V

15 sleepen

7)

slepen

v

241

V

1 v. o. besproeid

7)

besproeit

V

253

V

6 de

7)

die

V

256

7)

1 kindje

7)

kindjen

T

260

7i

15 fokje

»

fokjen

-ocr page 652-

Bladz.

266 regel

1

zij

lees:

zich

*

269

V

6

windje

windjen

V

269

V

17

V.

0.

Bruidje

Bruidjen

T

270

V

5

V.

O.

straaltje

straalt jen

71

271

n

1

traantje

traan tjen

V

276

V

10

T.

0.

uw

V

u

T

278

V

8

V.

0.

zoontje

71

zoontjen

V

294

,

19

V.

O.

is Hij

71

Hij is

T

305

V

16

dat

71

wat

V

307

T)

1

mijn

V

zijn

V

308

*

20

duizenden

V

duizenden

V

310

V

22

Egypte

»

Egypten

319

1)

8

deed

V

deedt

71

321

•n

22

Verstand

71

Verstaan

323

*

1

drongen

dringen

*

323

•n

23

laatste

V

laa.tsten

.

326

•n

16

V.

0.

plaatsje

V

plaatsjen

-ocr page 653-
-ocr page 654-
-ocr page 655-
-ocr page 656-