-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

gt;-V^-

-ocr page 5-

GEDICHTEN

VAN

ISTIOO-LAAÖ BEETS.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

V/n-lr- lif;^

GEDICHTEN

VAN

NICOLA AS BEETS.

VOLLEDIGE UITGAVE, NAAK TIJDSORDE GERANGSCHIKT EN OPNIEUW HEK ZIEN.

Derde Deel.

VIJFDE DEUK.

6 1 ____ ..

CO NV; MEGtfr; ^ r . ■ wt 1\' H

\\. f

_____\' N v

gt;

LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INHOUD.

GEMEXaDE GEDICHTEN. 3^e BUNDEL.

Bladz.

Verwachting....................

Wat kinderoogen zien kunnen...........2.

Arabische mensohenhaat.............4,

De deuvik en de kompasnaald...........4.

Ontboezeming.................q

Aan een onderwijzer, op zijn jubelfeest........6.

Triomfeerende argumenten ...........7.

Scheppend genie..............] . 8.quot;

Germanismen..................9\'

Het juiste midden................9^

Anders....................10^

Intu\'itie.................. ... lo!

Taal-censuur..................10^

Aan een reiziger naar overzee...........lü!

Prijsvraag...................ll\'

Zangdrift...................

Eens konings tranen...............12\'.

Aan mijne echtgenoote..............19^

Niet voor de wereld...............22.\'

De Magdalene bij \'t kruis.............22!

Najaarslied..................25\'

Bij een beeltenis................26.\'

Bruidsbezoek in de pastorie............30!

Aan mijn vader.................32\'

Lente...........•.........33quot;

Aan Dr. Karei (iutzlafi\' ............• 34,\'

Eva................. . ! . ! 34

De Moeder des Heeren..............39

Navolging.........................iS.

Het Haarlemmer-meer. 1850 ............43

Toelichting................! . 44\'

Naamgeving aan eene landhoeve................4tc\'

Herfst................... ! 46*

„Ik betrou in Godquot;..............! 46quot;

Nachtegaal............... ! ! ! 47*

Keurigheid.................. . 47

Koekoek................... \'48

Zonsondergang.................4gquot;

-ocr page 10-

IxNHOUD.

Bladz.

Aan de zee..................49.

Ueinen van havte................51.

Een ia noodig.................52.

Het Oranjewater................52.

Opmerking...................54.

Simon Petrus..................55.

Oog en hart..................fiO.

Aan mijn vader, op zijn 72stel1 verjaardag.......60.

Vleugels....................C2.

AVeent niet over mij...............fi2.

Weerhaan-wijsheid................63.

Jaargetijden..................65.

Op \'t ziekbed..................fc\'5.

Geen deel, maar \'t geheel.............66.

Eenvoud....................66.

Stijg, maar nijg.................67.

Zwijgen....................67.

Morgenstond..................67.

Madeliefje...................68.

Geen orgeltoon, maar uw persoon..........71.

Een roos...................71.

Aan eene jonge d\'chleresse............72.

Ter bruiloft van Moeders Troost..........73.

Zelfcritiek...................76.

Aan mijne echtgenoote, met een bloemstukje, enz. . . . 76.

Volkomenheid.................77-

Wederzien.......................77.

De Leidsche visscher en het Haarlemmer-meer, in 1852. . 78.

Waarschuwingen................79.

Herinnering..................79.

Het kruis....., . . . \'.........81.

Liedje....................81.

Ontdekkingen.................82.

Medebroeder ..................82.

Aan eene achttienjarige.............83.

Scheiding...................84.

Overgangen......... \'........85.

Voluptas flendi [drukfeil: plendi]..........86.

Een Nederlandsch lied....... -......86.

Koperen bruiloft. Aan Aleide...........87.

Suum cuique..................88.

Jan . . . ..................88.

Meizang. Aan Maria...............88.

In Mei....................89.

Steenvruchten.................90.

Aan mijne moeder................90.

Verpoozing...................91-

Niels Stockfleth, Predikant in Kinmarken.......92.

VI

-ocr page 11-

* INUOUU. Vil

Bladz.

Bloeiende linde.................97-

Geen engel..................98.

Volkslied......................................99.

Geen genade.................99.

Het Haarlemmer-meer drooggemaakt. 1853 ............99.

j lioem....................100.

.V Genot....................100.

V Uit moeders naam. Ter bruiloft mijner jongste zuster. . 101.

Vlekken in de zon...............103.

Jongelingschap................103.

Drie jongelingen................104.

„Met zon achtenquot;...............104.

Maat en toon.................106.

Kerstfeest...................107.

Hemelvaart..................107.

Zie op!...................108.

Nog eens; de waarheid ligt in \'t midden.......108.

Waarheid...................108.

Begrafenis..................108.

Opvoeding..................109.

Nog een wenk.................110.

Het Zeemanshuis................110.

Aan mijne kinderen...............111.

Lotwisseling..................111-

» Onbereikbaar.................112.

In den herfst.................112.

Een lied om bevrijding.............114.

Nog een lied om bevrijding. _...........115.

Vaders vedeldeuntje bij de wieg..........115.

Gulden les..................117.

Liederkransje voor de jarige moeder........117.

Wie schuilt er? . . \'.............122.

De vlinder..................122.

Polemiek...................122.

Aan Jonkvrouw S. v. S..............123.

GEMENGDE GEDICHTEN. 4cio It UN D KL.

De Stichtsche zwerfster.............124.

Nieuwe woning......\'.........127.

Mijn hof...................128.

Vallende sterren................129.

Wasdom tot kleiner...............129.

Tweede knop.................129.

Laatste grond.................130.

Maandroos..................130.

Weerslag ...................130,

-ocr page 12-

VIII INHOUD.

Bladz.

Bartje....................130.

De taal....................131.

Vijftal gewijde liederen.

I. Het Woord is vleesch geworden........136.

II. Bede...................188.

III. Belijdenis.................139.

IV. Loflied..................140.

V. Lof/.egging.................141.

Galm en nagalm................141.

Aan Nederland................143.

Onze vriendschap. Aan J. P. Hasebroek.......143.

Oud en nieuw.................145.

Aan bedroefden................146.

Nog.....................145.

Vertrouwen..................146.

Niet onfeilbaar................146.

Kwikstaart..................146.

Twee Geneve\'s.................147.

De kleingeblevenen...............147.

In eenzaamheid................147.

Elsje....................148.

In de diligence................148.

Haai-lem...................154.

Heiloo....................157.

Het lied des dooden...............157.

Bij het overlijden eens leeraars..........158.

Wapen voor de gemeente „Haarlemmermeerquot;.....159.

Mijn roos...................159.

Open vensters.................160.

Betje....................161,

In de kinderkamer...............164.

Bij haar graf.................1H4.

Bepos ailleurs.................16,5.

Nevens de bijenkorf...............165.

Jan Janszen..................168.

Nog te jong..................171.

Scherts....................172.

Slechts ée\'ne taak................172.

Twee lichten................ . 174.

Nagedachtenis.................175.

Benöni....................178,

Nazomer...................]7S.

Oud en nieuw verbond..............179.

Onder \'t vreemde juk..............17y.

Naar Rückert.............1. 179, II. 180.

-ocr page 13-

inhoud. ix

Bladz.

Afcheid...................]80.

Morgenwekker.................181.

Zomerdag...................181.

Blijvende waarde...............182.

Vrede....................182.

Aan den Heiland................183.

Johanna Gray.................183.

Eenvoud...................Igg,

Godsvrucht...................187.

Jong blijven..................187.

Dichtluim...................187.

Wanneer de kinderen groot zijn..........188.

Eindelijk........quot;...........190|

Goedheid...................19o|

Bij den dood van Dr. J. J. Viotta.........19l|

Geen kruis, geen kroon.................

In de lente..................192,

De post van eer....................

Gemengde gedtciiten. 5de Bundel.

Madelieven zijn er altijd.............193.

Tweede huwelijksdag..............193.

Een Driekoningen-lied..............194.

Zilveren echtfeest...............196.

Hanna\'s lied,.................198.

Voorjaar................ . ! ! 199!

Hollandsch huishouden.............I99.

Twee wrakken..................................200!

Mooi Kaatje..................20L

Voor de gevallenen..............................202.

Hooge school................• 202.

Doorgraving van Holland op zijn smalst..............202!

Herstelde kraamvrouw............................203.

Bij de beeltenis van Z. M. den Koning......! 204.\'

Aan mijne landgenooten in Februari 1861..............204\'.

Echte dichtgeest................................205!

Vragen aan den Schepper...........! 206!

Waar is uw hart...............! 207quot;.

De beste vriend...............\' 207.\'

Bede voor de Burgerweezen te Haarlem..............208!

Zwitserland................| \' 209!

De twee Lutschinen..............| 211

Vrouw Sijmensz..............\' 211

Oude vriendschap.............! ! ! 212

Hoe langer hoe liever...........212

Niet en kander beter passen, enz.......! ! .\' 213\'

Ongewone gunstbewijzen, enz.......... ! ! 218*

-ocr page 14-

INHOUD.

lUadz

Nog een driekoningen-lied............214

Vondels borstbeeld enz..............215

Veldbloem en kasbloem.............21G

Aleide 11...................217

Bij de uitgave van mijne „Verstrooide gedichtenquot; . . . 217

üe bloemverkoopster..............218

Het regenscherm................219

Het herberg-meisje...............220

Lauterbrunnen.................221

Regendag...................223

Het Oranjefeest, te Utrecht gevierd.........22-5

Jan Logica ..................227

.lan Klank..................227

Mozes op den Nijl . . \'.....\'......227

Aan een ,Openbrief\'quot;-schrijver..............227

Vijfentwintigjarig Burgemeesterschap van den Heer Mr.

N. P. J. Kien te Utrecht........................228.

Jubelfeest van den slag van Waterloo.......228

Aan den Hoogleeraar G. J. Mulder..................230.

Verborgen........\'.........231.

Klauterlessen.................231.

Kinder-godsdienstoefening........................232.

Aan J. J. Van Oosterzee..........................233.

Zij zeggen....................................234.

\\Vinandermeer..................................234.

Be verminkten..................................236.

Baumanns grot................................236.

Waterval in Saksisch Zwitserland....................238.

Blijf één . . . . \'............................238.

Groote ontdekking..............................239.

Aan eene erfdochter............................240.

Gi-atiosa......................................240.

Iemand aan eene................241.

Dorothea Serena..............quot; . 241.

Aan de Mogendheden............................242.

Vondel........................................243.

Uit Shakspere..................................244.

O Mihi Praeteritos!..............................245.

Ootmoed........................................246.

Drie stemmen..................................246.

Bemoediging..................................247.

Bede........................................247.

Geen partijman................................247.

Wat wil men toch?..............................248.

Gesprek tusschen drie . . \'......................249.

De Bijbel......................................249.

Het oude lied.................251.

Maanlicht......................................252.

-ocr page 15-

INHOUD» Xi

Bladz.

Waar niet?....................................252.

Afdalen . . . ...............................253.

Vraag........................................253.

Avondregen....................................253.

Echte zang....................................255.

Opwekking....................................255.

Op tijd........................................256.

Onberouwelijk..................................256.

Een lied......................................257.

Gezondheid en genoegen stralen....................257.

Aan eene weduwe..............................257.

Alles en niets . ...............................258.

Drie gcdiohten naar Thomas Hood.

I. Het lied van het hemd........................258.

II. Het sterfbed................260.

III. De drenkelinge...............261.

Kinderlach....................................264.

Een woord van Bacon............................265.

Zijt gij rijk, dat het blijk!........................265.

Aan Dignus. ..............................265.

Maak plaats..................................265.

Eén slechts....................................266.

Geen Homerus..................................267.

Verlies van vrienden............................267.

Zijn of schijn..................................268.

Aan een H. E. H. G..............................268.

Handen thuis..................................268.

Poëtisch proza..................................268.

Aan .... Geen lid der St. Gen......................268.

TtXaov ij/Liiav Ttavróg................................269.

Naar Rückert 1 — 8..............................269.

VISSCHEIÏSVOLKJE.

1. Japiks wieg op \'t strand geboend.......271.

II. Trijntje\'s dolce far niente . . . .......271,

III. Het breistertje...............271.

IV. Harmens uitreis............................272.

V. Klein Jantjes eerste reis......................273.

VI. Het beslissend oogenblik...........27-t.

VH. Joost Atlas................................275.

VIH. Moeders middagslaapje......................275.

IX. Langs moeders graf........................276.

X. Netten boeten............................277.

XI. Waar blijft hij?............................277.

XII. Het anker uitgebracht......................278.

XIII. Pleuntje..................................278.

XIV. Toebereidselen voor de toekomst..............280.

-ocr page 16-

inhoud.

Bladz.

kinderzangen naar isaak watts.

De lof van God................281.

Lof aan den Schepper en Onderhouder.......281.

Dank aan God voor onze verlossing................282.

Dank voor tijdelijke en geestelijke voorrechten .... 283.

Dank voor geboorte en opvoeding in een christenland . 284.

Dank voor het Evangelie..........................285.

Voortreffelijkheid der Heilige Schrift................285.

Dank aan God dat men lezen leert..................286.

De alles ziende God..............................287.

Ernstige gedachten aan God en den dood............287.

Hemel en hel..................................288.

Het voorrecht van vroege godsvrncht................288.

Gevaarlijk uitstel................................289.

Voorbeelden van vroege godsvrucht..................289.

Tegen het liegen................................290.

Tegen twisten en vechten............291.

Liefde tusschen broers en zusters..........291.

Tegen smalen en schelden........................292.

Tegen vloeken, zweren en misbruik van Gods naam . . 292.

Tegen ledigheid en moedwil......................293.

Tegen slecht gezelschap..........................293.

Tegen hoovaardij op kleeding .....................294.

Gehoorzaamheid aan de ouders....................295.

Kinderklacht..................................295.

Een morgenlied................29ö.

Avondlied......................................296.

Zondagmorgen..................................297.

Zondagavond..................................297.

De luiaard....................................298.

Onschuldig spel................................298.

De roos......................................299.

Stelen........................................300.

De mier......................................300.

Goede voornemens...............801.

Zomeravond......... ................302.

welkomstgroet aan de leden van het Provinciaal

Utrechtsch Genootschap, enz. 26 Juni 1867. . . . 303.

wedde, neiligerlee, winschoten. Vaderlandsche uitboeze-mingen. 1868 en 1873.

Te Wedde, 22 Mei 1868 ..........................313.

Op het veld bij Heiligerlee. 23 Mei 1868..............314.

Te Winschoten. 23 Mei 1873. Aan den Koning .... 325.

feestcantate voor den dag der onthulling van het Nat. Ge-

denkteeken voor 1813; 17 Nov. 1869 ..................328.

xii

-ocr page 17-

INHOUD.

Bladz.

GEMENGDE GEDICHTEN, G36 BUNDEL.

Onsterfelijk....................................338.

God laat groeien................................388.

De opperzale ... ..........................339.

Vier Engelen.................341.

Liefde tot Jezus................................343.

V erzen........................................344.

Roepstem......................................345.

Aan zekeren ouden boom..........................345.

Man van den dag..............................346.

In scboonmaakstijd..............................346.

Verbeter, en verbitter niet........................347.

Een goede raad van Lavater......................347.

Uw tijd......................................348.

In het Nyenburgsche boacb............349

„Kennis is machtquot;..............................349.

Star en kus....................................350.

Aan een pas geleerde............................350.

De wilg aan een dichter..........................850.

In het diaconessenhuis te Utrecht..........851.

Vaderlandsche leuzen............\' . 352.

\'s Levens doel..................................353.

In den zomer..................................858.

Wat geef ik om een werelddeel?....................855.

Gebonden stijl..................................355.

De kerk op den Vluchtheuvel ingewijd ....... 356.

Feestzang gezongen op het Zendingsteest te Heiloo. . . 359.

Boetvaardigheid................................360.

Op iemands bladvullingen............361.

Carpe diem......................361.

Jan veelschrijver................361.

Grain de beauté................361.

God is liefde..................................362.

De gebroeders te Padua..........................862.

Hart en geest..................................364.

Groot gemak..................................364.

Heb lief......................................364.

Strozzi\'s bijschrift op Michel Angelo\'s beeld: „de Nacht.quot; 365.

Natuurkeus....................................866.

Hedendaagsche methode..........................366.

Tijdens den oorlog.

I. De oorlog verklaard........................366.

II. Bemoediging..............................367.

III. Het slagveld van Gravelotte..................868.

IVquot;. Uitboezeming. (Na Sedan.)....................370.

V. Aan Lodewijk Napoleon...........871.

VF. Aan Koning Wilhelm........................878.

XIII

-ocr page 18-

INHOUD.

Blad?.

VII. Noodkreet van don stillen burger in \'t geteisterd

Frankrijk................................874.

VIII. De hoofdstad der beseliaving..................375.

IX. Parijs in opstand............................875.

X. Aan een gewezen dichter....................877.

XL Parijs in brand............................378.

XIL Caesar triumphator..........................380.

Ter gedachtenis................881.

De vijftiende..................................384.

Voorzienigheid..................................384.

Het Portret..................385.

H ard en zacht..................................387.

Mispas........................................387.

Weleer en thans................................388.

Aan den Apostel Johannes........................388.

Voor don krijgsmansstand........................890.

Aan de artsen.................391.

Een lied op het jaarfeest der Utrechtsche Zending-

vereeniging.................891.

Hageroos......................................894.

Ontwikkeling der vrouw..........................394.

Een lied des vertrouwens..........................894.

\'t Beste......................................395,

Bjj het graf van Mr. C. VV. J. Baron van Boetzelaer van

Dubbeldam..................................395.

Holland......................................396.

G od..........................................397.

Kinderkusje....................................897.

Tactiek......................................898.

\'t Is alles goed..................................398.

De natuur aan den natuuronderzoeker dezes tijds . . . 398.

Vernuft en vlijt.....................898.

Jantje........................................399.

Als gij voor \'t laatst............................399.

Vader wijsheid..................................399.

Sanctum Sanctorum..............................400.

Tegenstrijdig.................401.

Utrechts blinden aan hunne weldoeners.......401.

Ach!....................401.

De kunst om de kunst............................402.

Hans aan Hanslein...............402.

Kortom — in het kort............................402.

Ter gelegenheid vari het Taalcongres te Middelburg in September 1872.

1. Aan Zeeland................................403.

II. Het wapen van Middt\'burg....................403.

HI. In de oranjerie van Overduin.........104.

XIV

-ocr page 19-

INHOUD.

Bladz.

Een goede preek................

Bil het graf van Bernard Gewin..........4Uö.

Pracht........................................406.

Jubilarissen..................^gt;-

Bij don dood eens uitner.oi den..........4üb.

Voor de Utrechtsche ■wai. -ieiding.........40i.

Baas boven baas................408.

Schoolverzuim.................408.

Eenheid...................408.

Bij het graf van eenen achttienjarige........408.

Hooger waarheid. . ..........................409.

Ue regenboog..................................409.

Aan mijn vrouw ....._...........

Bij het graf eens Evangeliedienaars.........411.

Oppervlakkigheid................411.

Van buiten rood................411.

„Lionquot;....................412.

Eens vaders raad................412.

Audax....................412.

Voor do vuist.................412.

Aan sommigen.................413.

Verkregen wensch...............413.

Oculua animi speculum.............413.

Niet waar?..................413.

Macht en onmacht...............413.

Kunstvaardig.................413.

Echt en basterd................414.

Geestdrift...................414.

Een rol te spelen................414.

Wie van beiden geldt voor don grootsten held .... 414.

Tweeërlei...................414.

Jan Zonderling. ................415.

Naar Don Manuel. I. II ...... .......415.

Peter de Groote\'s geschenk aan Willem III......415.

Kennis niet = kracht..............415.

Oefening...................415.

Erg.....................415.

Neem het beste................416.

Roerend...................416.

Naar Tersteegen . . . . \'...........41f\'.

Festina lente.................416^.

Geen kind zijns tijds..............416.

XV

-ocr page 20-

VAN DB KLEINERE GEDICHTEN

DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH.

■--*\\£ GA--

Bladz.

Aan \'t spoorstation te Heidelberg...........218.

Aan u, mijn viertal zonen..............381.

Aardsche lust is haast genoten............100.

Ach he.3 vele, Groene, gele..............85.

Ach, hoe zeldzaam is \'t uitnemende..........401.

Ach, melieve, welk een feest!............87.

Ach Moeder, welk een dag van diep en droef\' ontroeren . . 90.

Al heeft het lang geduurd............................203.

Alle heuvlen, alle dalen..............................359.

Alle schoonklinkende thesen..........................364.

Alles in slaap! Alles in rust!.............164.

Als een zegen daalt het neer..........................397.

Als gij voor \'t laatst mij hebt gekust..................399.

Als ik een woord van wijsheid wist..........81.

Als ik Marie en Koosje zie..............117.

Als van twee gepaarde schelpen............213.

Ambtsbroeder — Foei! dat\'s stijf en koel!......82.

Amen! U zij kracht en eer..............141.

Atlas draagt het hemeldak............................275.

\'k Ben in mjjn neevlen niet meer veilig..................398.

Beschimp, beschimp geen vrouw, enz...............203.

Beschimp geen voorgeslacht, omdat het weinig wist .... 350.

\'t Beste voedsel was voor elk..........................395.

Bevallig Meer, volschoon Gennésaret..........55.

\'t Bezig leven sleept mij voort............91.

Bladvulling noemt gij \'t enz.............361.

Blinde stervling! die daar meent...........108.

Bloem der amandelen!...............88.

Bloemen uit Spa..................76.

-ocr page 21-

VAN DE KLKlNilltE ÖEDIUUTMN UE BEIISTB llEUELS ALPUABliXISClI. XVIJ

^ Bludz.

Blijf één, blijf één mijn Yaderland...........23^-

Blijf op de wieken drijven.............M6-

Bouw een huis voor Janmaat op...........110.

Hoven Limmen ligt Heiloo..............157.

Breng eenheid in uw werk, enz............400.

■ Bij menigen juffer en menigen heer..........415.

Bij poëzij is toovnarij in \'t spel........................269.

i Bij \'t kruis op den heuvel, daar buigt zich.......77.

Collega heeft mij niet begrepen............ 7.

Collega, \'k hoor a somtijds zuchten..........92.

Daal in de harten. Geest des Heeren....................247.

Daar is een God en Schepper aller dingen..............287.

Daar is een hemel boven de aard......................288.

Daar was een kleine jongen.............115.

Dankt allen God en weest verblijd. _....................204.

Dat de Overduinsche bloemhof bloei....................404.

Dat elk, die liefheeft en gelooft........................247.

Dat gij klautert, jonge borsten!............231.

Dat zal ik van mijn leven niet........................274.

Dat zal uw roem, uw eeuwg-3 vreugde wezen.......313.

De beste Vriend is wel daarboven......................207.

De bloemkens langs de wegen............216.

De bloempjes kusten haar den voet........\' . 172.

De boomen, die de hagelslag.............129.

De Brandweer, tuk op de eer enz......................228.

De dag der slachting is gekomen......................366.

De dag is neergezonken .............................296.

De dank der blinden stijgt tot God..........401.

De deugd is een gewas, dat enz...... .....231.

De dichtluim is wel gansch en gaar..........187.

Dees werkt om roem enz...............VIA.

De gruwel wereld is gekoinen . .....................377.

De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig..................7.

De hand van God bekroont het werk..................356.

De Heer regeert! Een beter tijd........................370.

De hemel doe zijn zegen dalen............351.

De hemel heett op menig hoofd............186.

De Keizer is in Frankrijk baas ......199.

„De kunst om de kunstquot; — zoo verkrijgt gij\'? enz..........402.

De lieve Zondag is voorbij............................297.

De Lutscbinen, Witte en Zwarte...........211.

De man, die op den schoonmaak knort..................346.

De man is overal weerlegd..........................8.

Do moeder van \'t gezin..............................275.

De Nacht, die gij hier slapen ziet......................365.

in

-ocr page 22-

van de kleinere gedichtis

bladz,

Den ganschen nacht................................277.

Denk nooit dat ik behagen schep...........415.

Den man, wiens ■wetenschap enz............230.

Der Vaadren ondervinding baat........................375.

De schooljeugd groet........,..............6.

De schoonheid der Schepping enz........................269.

De vertroostingen Gods zijn nooit te klein..............257.

De verzen zijn bokalen..............................344.

De vriendschap, door ons hart gevoed.........143.

De -waarheid heeft geen erger vijand dan........411.

De waarheid ligt in \'t midden............108.

De waarheid moet in diepe kuilen...........122.

De ware wijsheid gaat met needrigheid gepaard..........7.

De ware wijsheid is zich naar de omstandigheden.....63.

De wereld is oen kreng, enz............................4.

De wereld is niet dan een groot tooneel................244.

De wichtjes worden daaglijks ouder..........147.

De woorden dienen enz..............................268.

De zon heeft vlekken, dat is waar...........103.

De zon is heet, de lucht is lauw...........122.

De zon rijst op te juister tijd..........................296.

De zucht naar grootheid, die mij prest.........415.

DiciiTjiENNAAM zal immer blinken......................388.

Die in een viool geboren werd............215.

Die laag bij de aard is vreest geen val..................246.

Die niet langer varen mag..........................277.

Die niet uit alles leeren wil..........................202.

Diep dringt de wortel door...........\' . 97.

Die \'s Heeren zegen heeft..............32.

Die \'t hardst kan schreeuwen is de man................402.

Die vijf-en-twintig jaar uw put geleegd..................406.

Dit is de dag, wiens morgenstond......................297.

Dit\'s Willem, wiens gelaat enz..........................204.

Doet ons dit indrukwekkend wezen..........26.

Dogmatische tranen schrei ik niet......................360.

Door drift gedreven drijver..............416.

Doorkerf een draad: uw parelsnoer....................266.

Door zevendubblen muur en hemelhooge bergen.....34.

Draag, groote Nijl, wien nimmer enz....................227.

Dresseeren, Dresseeren......................366.

Drie jongelingen togen dwars over den Kijn.......104.

Driekoningendag is weder daar............214.

Drukkend is de heete lucht.............65.

Een aardig meisje zong, enz..............171.

Een basterdnach\'tegaal, die aardig in zijn soort is. . . . . 414.

Een beeld der Hoop, voor die haar ziet.........130.

Een blik, die tot in \'t binnenst ziet..........60.

xviii

-ocr page 23-

DE EERSTE REGELS ALPHABET1SCH. XIX

BI adz.

Een Deuvik, zioli tereott zijn waarde..................4.

Een dubblen trek heeft al wat leeft....................279.

Een enkle vonk valt in de ziel........................864.

Een goede preek is enz................................405.

Een half ei beter enz..............................269.

Een huivering van eerbied schokt mijn leden..............339.

Een Ilias, en geen Homerus! Hooggeleerden..............267.

Een kind van God wordt steeds meer kind.......129.

Een rein gemoed, een zedig oog...........187.

Een rol te spelen in don Staat............414.

Een ruige balk, een ruwe plank......................375.

Een sohoone leest, een edel bloed...........52.

Een star voor \'t voorhoofd van den man................350.

Een trouwen vriend in \'t oog te staren.........10.

Een valsche stap is ras gedaan........................387.

Een weinig menschenkennis schaadt..........66.

Een wind kwam op uit d\'Oceaan...........181.

Een witte raaf, een roode spreeuw...........413.

Eer brengt een arme Vader enz............168.

Eer we onze tanden hadden..........................388.

Eindlijk blijft niet eeuwig uit............190.

Ei, wat tikt daar aan de ruit?........................253.

„Erg mooi,quot; „erg liefquot; enz..............415,

Er is een heiligdom van \'t hart........................400,

Ernst is zwartgalligheid enz............................11.

Eurèkamen, Eurèkamen! Wij hebben het gevonden .... 239.

Fier zwijgt ds Vader in zijn lot........................2.

Gaat u een meester voor..............43-

Ga voort, en stort uw besten balsem....................233\'

Gedenkeensterveling tewezen..................880-

Geeft u niet over aan uw smart............145.

Geen goed besluit berouwt, enz........................256.

Geen kind zijns tijds te zijn, strekt geen verwijt.....416.

Geen nieuwe vriendschap die voor de oude gaat.....212.

Geen schimp of smaad op uw vernederd hoofd......371.

„Geheel de mensch is in zijn stijlquot; beweert Bufton .... 413.

Geleerdheid zal ons niet verbazen......................7.

Gelukkig \'t kind, dat in zijn .jeugd....................288.

Gemoedlijk, ernstig! \'t kan wel wezen..................7.

\'t Genie maakt nog den kunstnaar niet.........77.

Geprezen zij de wijze macht..........................282.

Gewis, voor wie de kunst verstaat......................355.

Gezondheid en genoegen stralen............ 257.

Gouden starrevonken................................265.

God gaf den mensch de tong en spraak................292.

God laat groeien..............................338.

-ocr page 24-

VAN DE KLË1NE11E GEDICHTEN

Bladz.

God nam zijn Meester weg van hem..........158. y

üod is liefde, \'t Is zijn liefde ...........................362. y

\'t Groote Babel zintt in een............•\' 378. y

Groote Peter schonk den grooten Willem........415. jj)

Gij brengt uw anker uit, enz.............278. y.

Gij de eerste mannen van het land....................268. ].j(

Gij, die op \'t nieuw, veroverd, land..........159. r ^

Gij, Engel van den Vrede..............374. jj(

Gij hadt geen genoegen enz............................270. [f,

Gij hebt mij lang gekend..............157. jj(

Gi] hebt mij, lieve liuren............................9- H,

Gij klopt; ik kom! enz................180. |-|(

Gij waart zoo goed. Dat konden allen lezen.......1^5. |i(

Gij wist niet wie \'t was, die zoo kort, maar zoo zacht . . • 178. |-£(

Gij zaagt u gaarne heden..............117. H(

Gij zegt: Uw verzen hebben pit . ..........J0. pj,.

Gij ziet alleen maar moed, waar moedig wordt gesproken. . 07. h.

Gij zijt geen enge!, maar een mensch..........98. yj

Haast, haast u, berg u, vlucht in de ark................345. je)

Haast trekt de spade een rechte lijn....................202.

Had hij een lucifer gehad............................236. jjj

Had ik uw adem. Nachtegalen............33.

Hans Jorgen maait zijn goudgeel graan.........219.

Hebt gij nog een lach...............112. ■ ik

Heeft de Aeoolsche harp gespeeld. \'..................205. []j

Heeft Dora nooit nog iets gehad...........241.

Hef, Hollandsch Volk, het feestlied aan..................228.

Hef, Zeeuwsche Leeuw, den breeden kop ...............403. jij\'s Hemels wonder. Duikt in volle schoonheid onder .... 48. |ij

Het hart blijft jong en wordt niet oud.........187.

Het hart eens teedren echtgenoots...........60. [jj

Het hielp niet of wij wreven.............118. ik

Het is niet om de vreugd te storen ,.........101. jn

Het leed dat u te beurte viel.............145. ]n

Het leven is een staat van oorlog enz..........192. jut

Het lezen voedt een schoon verstand....................265. ]nc

Het oude, de Omhulling...............1\'9. |n[

Het plechtige luiden der klokken......................232. i,,

Het prachtig Buiten hief zijn dak...........160. [n

Het vrouwlijk geslacht, Dient enz........................394. |u

Het was een avond schoon en stil......................362. in

Het werkzaam bijtje weet heel goed....................293. |

Het wordt weer groen in Haarlems hout........123. j

Hier dient de zedigheid bestreden...........76. Xs i

Hier is mijn plaats. Aan deze _voeten..........22. is :

Hier wooii ik. Zult gij met mij wonen.........127. is

Hoe hen ik toch op mijn vermaak......................295. \'t ]

-ocr page 25-

DE EERSTE KEGELS ALPIIAUETISCII.

BI adz.

Uoe heerlijk is de Heer der Heeren..........281.

IIoe klein zijn de mieren............................300.

Hoe komt dat we iedereen enz..........................253.

Hoe i,anouk hok liever is een kruid..........212.

Hoe lieflijk staat een frissche roos...........71.

Hoe noemt gij wat wij leven noemen..........20(1.

Hoe liggen op de velden............................368.

Hoe schoon is de roos!............... 299.

Hoe schoon was de dag enz...... ................302.\'

Hoe waait de vlag zoo vroolijk uit....................225.\'

Hoe woelt de poëzij in mij..............11.

Hoe zacht rust in des aardrijks schoot.........411.

Hofmeester, hoog in eer............................268.

Hooge vreugden zijn hierboven........................343.

Hoor de stem van den luiaard enz......................298.

Houd u den slaap des doods uit de oogon........165.

Houd vast, houd vast, met oog en hart..................255.

Hij is niet rijk, die veel bezit............410.

Iets te zijn, iets te zijn is de droom van den knaap .... 353.

Ik ben de liefde zelf, enz..............................8.

Ik ben nu nog jong en teer.............301.

Ik breng met hart en tong..............286.

Ik dacht zoowaar dat „louter Bronnenquot;.........221,

Ik had in mijn gedachten..............121^

Ik had nog nooit een meer aanschouwd................234.

Ik heb van nacht uw stem gehoord..........49.

Ik hoorde een liedjen in het Sticht..........124-.

Ik ken geen schooner kleuren............25.

Ik ken, ik heb een frissche Roos...........159.

..Ik ken,quot; zegt Jan, „geen vreesquot;...........414.

Ik vond een man, een man van staal.........82,

Ik zing dien grooten God, wiens macht.........281.

In den beginne was het Woord............136.

In den ouden bolderwagen...............148.

Indien geen groot man enz............................268.

Indien gij een vader van kinderen zijt..................399.

Indien gij nut wilt stichten, wyze man..................253.

In eenzaamheid gedenk ik aan mijn Vader.......147.

In onze dagen zij het vrede.............182.

In \'t hoogste Noorden ligt een schip....................200.

In uwe school gelooft men op gezag....................249.

\'t Is alles goed wat komt van God....................398.

\'t Is alles prachtig wat men hoort of leest............406.

Is God een God slechts van \'t Verleden..................397.

Is iets voor uw bereik te hoog............112.

Is Jantjen opgevoed?................................399.

\'t Is Juli. Haarlems lusthof bloeit......................208.

XXI

-ocr page 26-

VAN DE KLEINE11E GEDICHTEN

\'t Is om den mooien weg te doen . \'t Is solflëeren wat gij doet .... Is \'t wonder, dat een visschersknaap . \'t Is waar, liier is een glasruit stuk

.Ta, enkel poëzij zijt ......

Jan is een ware wonderman .... Jan is geen middelmatig man .

Jan lag te slapen in zijn wagen, enz. . Jan met zijn slecht voorzienen kop . Jan rekent: „Tweemaal zes is zevenquot; . Jan War preekt roerend, zegt gij. Kom Jan was ter preek bij Dominus Verschrimp Ja! \'t Juiste Midden! Maar waar tusschen\'? „Je maintiendrai.quot; De Koning leve. Jezus wordt weggeleid......

Kennis zij macht; geen macht, enz.. . \'t Kind dat godvruchtig wezen wil . Kindren leert u vroeg gewennen. .

Klein Jantje steekt van wal .... Klinkt op trompetten! Roffel trom!. Kom aan mijn hart, mijn vijftiend kind Kom Pleuntje, ga naar huis .... Komt ge in uitnemendheid van woorden Koren hier en ginder druiven.

Krabbe het katjen en bijte de hond Kweek al wat kiemt, laat enz. .

Laat de ketens vallen!......

Laatdunkend jongling, zoo verwaten .

Laat hooren, laat hooren.....

Laat mij rusten aan uw boezem.

Laat niets uw ader stremmen Laat ons met de herders gaan .

Leer eerst uw taal wat boter schrijven.

Lieflijk prikkelt op de tongen. .

Ligt de bijl aan uwen wortel, Boom der hoornen Loo\'ft allen, looft Gods grooten Zoon

Maak een dag van den nacht, door in \'t donke Maakt Elburg van den Boetselaer .

Maak vlijtig honig, nijvre Bij! .

Madelieven zijn er altijd ....

Mal wicht! enz........

Marten is ons oudste kind. .

Met begrijpen zal \'t niet gaan _.

Met een bloemkrans om de bruine lokken Met vingertoppen, ruw en wreed

XXII

-ocr page 27-

DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH. XXtll

Bladz.

Met zorg liield een bedroefde kring..................260.

Midden in de stad heb ik een hof.........128.

Mocht ik nog eens mijn leven overleven..............245.

Moderne Proteus, memgkeeren..........412.

Moet er, moet er een liedje zijn..........217.

Mooi Kaatje, wrijf uw oogjes uit.........201.

Mooi Kniertje staat van dag tot dag........271.

quot;Mooi meisje, dat in \'t berghotel......................220.

Mijn God, ik sla uw wei-ken gade..................285.

Mijn Hageroos, mijn bloem van \'t veld................394.

Mijn hart springt op, wanneer mijn oog..............409.

Mijn hof ontwaakt, wordt groen, wordt wit......199.

Mijn lieve beste...............241.

Mijn sieraad en mijn eere............164.

Mijn voorhoede en mijn achtertocht..................394.

Mijn zoon, indien gij leven wilt, enz.........412.

Maar wie hebt gij dat lief gelaat.........120-

Natuur en waarheid spant de kroon................280-

Natuuu js en doet ali.es; dat\'s de leus..............366.

Neem de Kroon, neem de Kroon! zeis,enz.......183-

Neem mij niet kwalijk, lieve Bet!.........161.

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongsken! u vergeet - . 79.

Neen, ik wil mijn vreugd niet zoeken................293-

Neen, niet alleen toen gij Gods Engel zaagt......39-

Neen! nog is Neerland niet in nood................367.

Neen, zonder kruis geen kroon..........191.

Niet altijd mannen die veel weten.........415.

Niets zoo lieflijk, niets zoo schoon..................255.

Noem ze rozengaarue.............45.

Nog wuift ie met zijn mutsje, Jan!..................272.

Nooit kon ik den kunstgreep leeren........109.

November brengt geen malsche rozen........83.

Nu doet gij wijs, dat gij den vrede wilt..............242.

Nu is de groote zonde ontdekt....................408.

Nu is het Meer niet meer............78.

Nu kom eens uit uw graf............99.

Nu komt de zon weer schijnen........• . 193.

Nu wordt de Slokop opgeslokt..........43.

Nu zich het aardrijk opendoet........\' . 88.

Och, blijf met uw genade............138.

Och, Neerlands machtigen en braven........115.

Of Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte spott\'.....130.

0 God, Gij schenkt mij juichensstof.................284.

0 God, ik maak uw goedheid groot................285.

0 God. uw aldoordringend oog....................287.

O God! wat is dees nietige aard..........584.

-ocr page 28-

VAN DE KLEINERE GEDICHTEN

Bladz.

O Heb toch lief zoo lang gij kont.........3(H.

O Hoe gelukkig is bet kind...........29Ü.

O Kind, van God gegeven............198.

O Laat mij dwalen, laat mij dwalen........853.

Omkrans hot hoofd, het achtbaar hoofd.......52.

Onder vreugde en zoete smarten..........65.

O Nederland, mijn Vaderland!..........86.

Ongevoelig, ruw, koelbloedig...........172.

Onmiddlijk nut sticht niemand, enz..................256.

,Ontboezeming.quot; Ja; zoo dat waar was..............6.

Ontvalt u vrind op vrind........................267.

Onze oude moeder heeft verheugd.........192.

Onze wegen scheiden.............84.

Ook die harp, ook die harp dan tot zwijgen gebracht. . . 191.

Ook ik ben \'t land van bergen, stroomen..............209.

Op aadlaarsborst rust. Middelburg..................403.

Op een Driekoningen-avond...........194.

Op straat zij twist en luid rumoer.........291.

Op \'t ziekbed dankt u. Heer! mijn lied.......65.

O Zing mij nog eenmaal het oude lied........251.

Partijman wezen wil ik niet........_ . . . 247.

Pluk rozen naar uw lust, en laat het boomp.je snoeien . . 79.

„Poëtisch prozaquot; — Ja, enz........................268.

Prachtig blonk voor ons oog enz..........182.

Professor is geleerd, enz..........................258.

Reeds begint do spin haar rag..........178.

liegen, liegen. Regen..........................223.

Rust onder deze bloemen........................408.

Rust zacht! Gij zijt ter rust gelegd..................405.

\'k Schiet hoenders in de vlucht, enz.........10.

Schudt gij \'t uit de mouw............414.

S)a toch dien mallen Audax ga!.........412.

Slechts blijde tonen kunnen \'t zijn.........181.

Spaar geen hardnekkigen........................387.

Spreid vroolijk, tusschen gras en kruid.......68.

\'k Stem toe, niet ieder menschenkind........122.

Strooi rozen op dit graf, enz......................395.

Stijgt gij naar omhoog.............179.

Ten dage van mijn bloeiend schoon........861.

Tradt gij, lieve Bruid!.............30.

Treedt vroolijk, treedt met fierheid op........108.

Trippol vroolijk op uw dorre beenen........146.

Tusschen bosschen, beemden, duinen........154.

XXIV

-ocr page 29-

DE EERSTE KEGELS ALPHAIiKTISCH.

Bladz.

U heb ik steeds bemind............143.

Uit een ver verschiet.............141.

\'t Uitvoerig beeld voldoet niet recht........54.

Uw beeltnis, lieve man! Laat ook uw beeltnis maken. . . 385.

Uw naam zoo heilig en verheven.........292.

Uw verzen komen tot mijn ooren.........71.

^ Uw wenkbrauw daalt, uw oog schiet stralen............227.

Van buiten rood, maar zwart in \'t hart.......411.

Van der borgen steile wanden....................1.

Van mij te verschillen, gelijk gij ziet........146.

Vau wat ik zag, enz............................269.

Verbeter en verbitter niet........................347.

Verdraagt gij \'t, dappre legerscharen . •............390.

Vergeet uw vrees voor louter vreugd........12.

Verheugt u met het volk van God.........391.

Verkiesbaar zijt gij naar de wet..........10.

\'t Verkrijgen van den wenseh..........413.

Verscheiden tonen hoort men hier.........217.

Vertrouw hem weinig, die te mild..................347.

Vervolgt met stillen heldenmoed.........391.

Vervolg uw weg, voorspoedig Held!................373.

Verwijt gij mij, mijn waarde!....... ... 19.

Voer me op des Heuvels top, als uit haar slaap ontwakend . 46.

i Voert water aan, voert water aan..................407.

Voorbeelden weet ik wel genoeg..................289.

Voor de wereld bloeit gij niet..........22.

Voor u uit, voor u uit bruisen de baren..............346.

Voor uw mooie oogen, Bartje..........130.

Voorzichtigheid ziet ver........................408.

Vroegtijdig zijt gij heengegaan..........120.

Vroolijke Onschuld, die niet weet.........51.

Vrouw Sijmensz kan niet scheiden van de zee.....211.

Vijf en twintig jaar getrouwd..........196.

Vijf groschen. Heeren, geeft wel acht..............238.

Waag nooit uw schat, ................415-

Waak op mijn ziel! Paar stem en snaar..............388.

Waarheid is het lichtste spel van allen.......108.

Waar ik \'t niet winnen kan enz....................398.

V/aar is, o Dood! uw prikkel?....................406.

Waar is uw hart, enz............................207.

Waar is, waar is de nachtegaal..........148.

Waarom de Maan zoo gaarn wordt aangeblikt\'? .... 252.

Waar \'t hart niet voor een hooger wereld slaat .... 414.

Waar \'t leven van gemaakt is..........361.

Waar zijn de liedren, waar de tonen................243.

XXV

Wanneer de kindren groot zijn, enz.........188.

%

-ocr page 30-

Bladz.

Wanneer ik wandel langs den weg..................283. 5;

Was op mijn versleten luit...........73. \'t

\'t Was de eerste thuiskomst na haar sterven..........276. Z

Wat apenmoeder heeft voorheen..........2G4. z

Wat dwaasheid is het trotsch te zijn........294. 1

Wat een lied kan doen behagen.........106. Z

Wat elk behaagt op d\'eersten blik.........66. z

Wat geef ik om een werelddeel?..................355. Z

Wat gij me op tafel zet, mijnheeren........413. Z

Wat gi), onvatbaar voor bewijs........\' • 409. Z^

Wat is er niet te hooren..........• . 67. Z\'

Wat kan, in \'t Gooi, een schuldloos kind.......104. Z:

Wat maakt gij, in uw schoone zangen................350. \'/,

„Wat Poëzie, en waar haar woon is?quot;.........252. Z

Wat pijnt ge u af, mijn goede heer........416.

Wat vleesch noch bloed............139.

Wat \'saardsche roem? enz............100.

Wat schoon is moet eenvoudig zijn.........47.

Wat \'s de schoonste en zoetste traan........86.

Wat smeedt gij, Smid? enz..........179.

Wat staart gij, niet kortzichtige oogen.......107.

Wat voor de vuist wordt toegediend........412.

Wat wil men toch in Nederland?..................248.

Wee, die zijn „Ik ga stervenquot; spreekt........180.

Ween, trouwe liefde, ween...........108.

Weer zoo\'n beklaaglijke............261.

Wees in de keus tusschen dezen zorgvuldig............402.

\'k Weet dat er twee Genèves zijn ......... 147.

Welk een vreugd in uw jeugd, welk een gloed in uw bloed . 111.

Wie heeft ooit den Bijbel mij....................249.

Wie is de Engel, die daar komt..........341.

Wie wordt door elk bemind? enz.....• . . . . 190.

Wie zal u drukken aan zijn hart..................240.

Wie zal uw lijden ons verhalen..........34.

Wie zegt daar ,\'t is nog tijds genoegquot;................289.

Wil d\' arbeid van \'t nadenkend hoofd................398.

Wilt ge dat we u metterdaad....................269.

Wilt ge ooit iets goeds beginnen..................348.

Wilt gij zien een schoone maagd.......130.

Winschotens vreugde stijgt ten_ top..................325.

Wordt u de aarde droef en duister.........65.

Wij waren verloren: gij hebt ons gezocht.......183.

Wij zijn kindren van ons land..........99.

Zaagt gij hoe die ster verschoot?.........129.

Zeer zelden is ons de eer beschoren........48.

Zeg uw gedachte, zing uw lied..........72.

Zeven en een ia acht.............121.

i

-ocr page 31-

1

DE KKRSTE KKGEI.S ALPHADETISCII. XXVII

r.lartz.

Zie op de bruine heide.............Ü9S.

\'t Zit in de golf van Napel,? niet.........271.

Zoet Holland, lieflijk Holland, enz....................390.

Zoo als God mijn hart aan u gesnoerd heeft............409.

Zoo ge u goede inensohen op wilt voeden.......110.

Zoo gij gelukkig zijt, mijn vriend!..................265.

Zoo gij my boeien wilt en treffen.........62.

Zoo kirde de tortel, zoo geurde het kruid......349.

Zoo velen zwelgen in het Overbodige........265.

Zou \'k mijn naasten ooit berooven..................300.

Zult gij de wereld gadeslaan......................209.

Zijt mij gegroet, Met blij gemoed.........47.

Zij wai\'en beiden frisch on sterk....................230.

Zy zeggen: „Laat uw dwaas vooroordeel varen!..........234.

i

-ocr page 32-
-ocr page 33-

GEMENGDE GEDICHTEN.

DERDE BUNDEI,.

VERWACHTING.

Van der bergen steile wanden Storten, met luidruchtig klateren, Met een onverduldig brandea, Met onwederhoudbren val,

Alle Wateren Zich in \'t dal;

Daarop scheiden Zich de vloeden,

Om de landen door te spoeden; Daarop spreiden Zich de stroomen,

Langs verscheiden Bed en zoomen;

Daarop breken Honderd beken,

Met een daverend geluid,

Haastig uit;

Zij doorkruisen

Zonder rust Alle streken,

Eedre kust,

Zij doorbruisen Alle landen.

Zij bereiken alle stranden. Zij doorvorschen alle hoeken: Om den God der aard te zoeken,

Kn de vlammende Gloed Treedt, zooras hij ontwaakt, \'t Lage dal, waar hij blaakt, Met den vurigen voet.

En schiet lijnrecht omhoog Naar den oppersten boog;

En zijn hoornige kop.

Immer hooger gestrekt,

Scheurt het wolkenkleed op:

Of hij den Heer van den Hemel ontdekt

En de Aarde schaart, als stille wachten. De reuzenbergen op hun post.

Door jaar- noch eeuwkring afgelost,

-ocr page 34-

WAT KINDEROOOEN ZIEN KONSEN.

Wier kruinen ijs en sneeuw bevrachten.

Zij zien op, zij zien uit Naar het Oost, haar het West, naar het Noord, naar het Zuid, Bij dagen,

Bi] nachten.

Bij stormen, bij stilte, bij bloei, bij verval. En vragen \'t Heelal,

Ot\' de groote Wereldrichter dan niet eindlijk komen zal!

* Dit stukje, onder den naam van Perzische Wereldbeschouwing, in den Muzen-Almanak van 1849 opgenomen, is ontstaan uit de lezing van het volgende in-vox scnvuicnT\'s Geschichte der Seele {S.59): „Die Wasser, so sagt ein alter persischer Spruch, sie rauschen vom Gebirge herab und eilen hinaus in alle Lande, suchend ob sie den Herrn der Erde fiinden; die Flamme des Feuers, sobald sie erwachet, schaut den Boden nicht mehr an, sondern geraden Zuges richlet sie sich empor zum Himmel ob sie den Herrn des Himmels erblicken möchte; die Erde, sie hat hier, sie hat dort die hohen Warten der Gebirge aufgestellt; diese ragen weit empor und schauen sehnend hinauf und umher, ob der Richter der Welt noch nicbt komme?quot;

WAT KINDEROOGKEN ZIEN KUNNEN.

Fier zwijgt de vader in zijn lot, En leert, in \'t duister kerkerkot.

Verdragen wat hij draagt.

De klacht der moeder stijgt tot God;

Eens raakt zij uitgeklaagd.... „Ach kinderkens, mijn kinderkens! Uw moeders hart Bezwykt van smart,

Zij heeft geen woorden meer.

Komt! handjes samen, oogjes dicht! Uw englen zien Gods aangezicht; Ontferme zich de Heer!quot;

Bij \'t venster knielt de kleine kring; Tn \'t midden, vaders lieveling,

In \'t midden, de oudste zoon;

Wat is zijn leeftijd nog gering.

Wat is de jongen schoon! „Ach kinderkens, mijn kindei-kens! Uw moeders hart Bezwijkt van smart;

Zij heeft geen woorden meer Wat staart gij op de donkre straat?

\'2

-ocr page 35-

WAT KINDEROOGEN ZIEN KUNNEN.

Bidt, bidt tot God die u verstaat! Ontferme zich de Heei-!quot;

De nacht is duister. Star r.och maan Is aan den hemel opgegaan;

De kamer zonder licht.

De moeder ïiet den kleinste aan....

Hoe blinkt zjjn aangezicht! „Och moedertje, lief moedertje! Hoe schoon trekt daar Een gansche schaar Van gouden lichtjes voort!

Zij zweven naar des Hertogs slot; De heilige englen zijn \'t van God, Die ons gebed verhoort!quot;

De bleeke moeder hoopt, en ducht; Zij treedt aan t venster met een zucht

Maar alles wat zij ziet Is donkre huizen, zwarte lucht;

Gods englen ziet zij niet. „Ach kinderkens, mijn kinderkens!quot; Het wicht verstaat Niet wat het praat;

Lief jongske! ga ter rust.

De vromen dient Gods englenschaar; Maar in dien boozen Hertog daar Betoonen zij geen lust.quot;

Nu schudt de kleine \'t lokkig hoofd, Bedroefd dat moeder niet gelooft,

Kn tuurt aandachtig voort,

Tot dat de glans is uitgedoofd.

Die om zijn kopje gloort. „Ach moedertje, lief moedertje!

Gewis geschiedt Wat broertje ziet;

Der euglen taak is schoon; Gehoorzaam aan zijn wijs gebod, Volbrengen zij een last van Godquot; — Zoo spreekt haar oudste zoon.

De kindren gingen tot hun rust. Het wee der moeder schijnt gesust;

Zij slaapt den ganschen nacht; Ook droomt zij dat haar de eega kust,

Die in den kerker smacht. „Ach kinderkens, mijn kinderkens! Wat toeft gij nog?

Omhelst hem tooii,

-ocr page 36-

de deuvik en de kompasnaald.

En kust zijn bleek gezicht!

Hij kwam in \'t holste van den nacht;

Due d\' Alva heeft hem thuisgebracht Met pauk en fakkellicht.quot;

Due d\'Alva woelt op \'t ledikant;

Zijn voorhoofd gloeit, zijn boezem brandt;

Zijn mond gaapt naar \'t geluid;

Nu strekt hij de een\', dan de andre hand

Met schrik en woestheid uit.

„Laat los, laat los, gij kinderkens!

Laat los, o vrouw!

Vergeet uw rouw!

Gij hebt uws Hertogs woord;

\'k Verbreukte \'t nooit, tot goed noch kwaad ; \'k Vervul het met den dageraad;

Uw beden zijn verhoord.quot;

De nacht gaat om; het morgenlicht Schijnt reeds den kleinen in \'t gezicht.

Genaderd door een scheur.

Nog zijn de zware bouten dicht....

Wie klopt daar aan de deur?

„Staat op, staat op, mijn kinderkens!

Sta op, vriendin,

En laat mij in!

Omhels uw echten man!

Hij, die het hart der vorsten buigt,

Heeft voor mijn goede zaak getuigd.

Hij hebbe de eer er van!quot;

Dit volksverhaal is te vinden in wolf\'s Niederl. Sanrjen S. 157

ARABISCHE MENSCHENHAAï.

„De wereld is een Kreng; die haar begeeren, Honden,quot; Zegt de Arabier, die voor geen honden achting heeft, \'t Opzittend soort, dat pootjes geeft,

Wordt zeker niet bij hem gevonden.

DE DEUVIK EN DE KOMPASNAALD.

Een Deuvik, zich terecht zjjn waarde „Als Deuvik en Geleerdequot; wel bewust.

Daar hij op een madera-fust Een reis gemaakt had om heel de aarde,

arabische mknschemhaaï. —

-ocr page 37-

DE DEUVIK EN DE KOMPASNAALD.

En ongetwijfeld al dien tijd (\'t Was streng verboon hem af te trekken)

Aan overdenkingen gewijd,

Waarmee slechts onverstand durft gekken; Een Deuvik dus, van de eêlste geesten vol,

Van rijpe ervaring daarenboven. Met wetenschap gelaafd in een stikdonker hol, Bij .passendquot; afkeer van gelooven,

Verliet zijn „stil studeervertrekquot;

En kwam zich toonen op het dek. Het scheen zijn eerste plicht, voor allen, Do Scheepskompasnaald aan te vallen: „Gij zijt gelukkig, lieve vrind!

Maar \'t is als een onnoozel kind; Onnoozelheid, die ik niet laken,

Maar evenmin benijden wil:

Gij meent ons, trillende op uw spil. Den koers naar \'t Noorden uit te maken. Maar al mijn studie (en ik zat Zoo lang reeds muurvast op dit vat) Bewijst de onmooglijkheid dier zaken. Vooreerst; nog is \'t mij niet gewis. Dat daar een werklijk Noorden is; Ten andren, kan ik niet ontdekken,

Hoe \'t Noorden naalden aan zou trekken, \'t Begrip van \'t Noorden laat ik staan; Dat trekt sinds lang van alles aan.

Door wat gevoeligheid te wekken;

Maar \'t Noorden zelf, hoe zou dat gaan? Gij wilt er tot bewijs van strekken;

Maar zie of u \'t bewys niet schort,

Dat ge inderdaad getrokken wordt.

En dat ik, waar gij op durft roemen Geen malen op één punt mag noemen.

Geloof niet dat \'k uw eer verkort;

Maar hoor hetgeen ik u verklare:

Zoo daar een trekkend Noorden ware.

Het trok mij lang reeds van dit vat.... Doch neen, hoezeer ik \'t zelf begeerde, \'t Gebeurde niet; verklaar mij dat! En voorts....quot;

De Naaide sprak: „Ei wat! Gij zijt van hout, U Hooggeleerde.quot;quot;

\'t Schip kwam ter reede zoo \'t behoort. Men rolde \'t vat met wijn van boord. De wijze Deuvik, vol gepeizen En studie, rolde deftig mee.

-ocr page 38-

ONTBOEZEMING. — AAN EEN ONDEBWIJZEK.

\'t Kompas bleef eervol op zijn stee.

Het schip stak af tot nieuwe reizen;

De Naald wees trouw den weg door ree.

* Misschien weten niet alle lezers terstond wat een Deuvik is. \'t Is de houten stop, waardoor een vat gesloten blijft, totdat zij plaats moet maken voor een kraan, waardoor zich de inhoud ontlast.

ONTBOEZEMING.

„ONTboezeming.quot; Ja; zoo dat waar was! maar ik ducht Gij zijt er nog geboezemd afgekomen, En schept alleen een weinig lucht.

Om straks op nieuw ons te everstroomen.

AAN EEN ONDERWIJZER,

OP ZIJN JUBELFEEST.

(VOOIÏ DE SCHOOLKINDEREN).

De Schooljeugd groet.

Met blij gemoed,

Den Meester op dit feestlijk heden;

Wat kwam er in die vijftig jaar,

Een groote, bonte kinderschaar Zijn schooldeur ingetreden!

„Ik onderwees Uw ouders reeds!quot;

Denkt hij met liefde, en ziet ons naderen. Van menig onzer heugt hem, dat Zijn grootvaar op de banken zat \'in \'t eerste boek te bladeren.

Een zeldzaam lot Schonk hem zijn God,

Waarvoor ons hart Hem luid wil prijzen; Die, bij \'t aanvaarden van zijn werk, Den Jonkman moedig maakte en sterk, Die zegende ook den Grijzen.

,Diens zegen zij Hem nog nabij!quot;

Zoo wil met hem ons harte smeeken:

„Hem moog geen rust, geen lust, geen kracht, En, bij het dalen van den nacht,

Geen hemelsch licht ontbreken.quot;

e

-ocr page 39-

TRIOMFEKRENDK AHUUU£NTKN.

TR10MFEERENDE ARGUMENTEN.

1.

De ware wijsheid gaat met needrigheid gepaard;

\'k Ben needrig — en dus wijs; dat \'s dunkt mij klaar bewezen ; En wien ik voortaan geen orakeltje mag wezen.

Bewijst zijn domheid klaar en opgeblazen aard.

2.

AAN EEN GELESBDEN TEGENSTANDER.

Geleerdheid zal ons niet verbazen;

üe eenvoudigste is het meest verlicht.

üe kennis, vriend! maakt opgeblazen;

De liefde, alleen de liefde sticht.

AAN EEN CÏEM015DEI.I.TKEN TEGENSTANDER.

Gemoedlijk. ernstig! \'t Kan wel wezen!

Maai-, lieve man! houd uw gemak.. •• Wie weet of gij Hebreeuwsch kunt lezen En voorts, gij zijt geen man van \'t vak.

4.

AAN EEN HOOOGELF.ERDEN TEGENSTANDER.

Collega heeft mij niet begrepen:

\'k Bedoelde \'t juist zoo als hij wil. \'t Verschil van rechte en kromme strepen Is, wel bezien, een klein verschil.

5

AAN EEN JEUGDIGEN TEGENSTANDER.

Laatdunkend jongling, zoo verwaten

\'t Bewijst niet veel wat gij bewijst. In zulke dingen mee te praten

Past hoofden slechts, met eer vergrijsd.

6.

AAN EEN GRTJZEN TEGENSTANDER.

De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig.

Maar, is ze ook al de kluts niet kwiit. Ze is, wat ze ook zijn moog, eigenaardig Niet op de Jiongte. van den tijd.

7

-ocr page 40-

SCHEPPEND GENIE.

7.

AAN EEN WELSPBEKENDEN TEGENSTANDER.

Komt go in uitnemendheid van woorden?

Schrijf recht en slecht, al is \'t wat grof! Een kleed zoo schittrend om te boorden,

Bewijst niet heel veel voor de stof.

8.

AAN EEN ZAXELIJKEN TEGENSTANDER.

Leer eerst uw tnal wat beter schrijven!

Gebruik de Siegenbeeksche vijl!

Uw aanval zal niet lang beklijven;

Hij heeft zijn vonnis in den stijl.

9.

NIET AAN, MAAR VAN EEN DUCHTBAREN TEGENSTANDER.

De man is overal weerlegd Door alle knappe luiden,

En \'t beste, dat hij schrijft en zegt.

Heeft weinig te beduiden.

Ook heeft hij onze weinigheid

Niet enkel aangevallen.

Maar zelfs (met afschuw zij \'t gezeid!)

Dien lievling van ons allen!

En zoo het groot publiek eens wist,

Zoo als \'t ons is gebleken,

Hoe dikwijls zich die man vergist,

Dien men zoo stout hoort spreken! Eén staaltje! Op zekere pagina,

Staat a b voor b a.

10.

AAN ALLERLEI TEGENSTANDERS.

Ik ben de liefde zelf, en zoo er iets ontbreekt Aan mijn geleerdheid — nu! wie zou zich „feilloosquot; prijzen Maar gij zijt zeedlijk slecht. En vraagt gij naar bewijzen? Dit ééne: dat gij mij gedurig tegenspreekt.

SCHEPPEND GENIE.

„.Tan is geen middelmatig man. Maar een genie, dat scheppen kan.quot;

Welzeker! Uit zijns meesters pan.

-ocr page 41-

HET JUISTE MIDDEN.

9

GERMAN ISMEN. —

GERMANISMEN.

Gij hebt mij, lieve Buren! Uw toonstuk niet te sturen;

Ik zing niet gaarne op Duitsch ; Houdt, daar gij mij door \'t oor boort Met uw afgrijslijk voorwoord,

Uw liedertafels thuis.

Verlost mij van de daadzaak. Waarover ik mij kwaadmaak,

Gewis niec zonder grond!

Rn wijs, om mij te grieven.

Niet heen naar de omloopshrieren,

Die gij mij onlangs zondt.

Och, dat de Nederlanden Toch sporeloos verbanden

Wat voortgaat uit uw huis, In plaats van door te voeren Wat burgeren en boeren

Tot schande strekt of kruis. Ons Neerduitsch was welluidend, Zoolang gij \'t niet beduidend

Met valsche klanken schondt; Ons Neerduitsch was verstandig. Zoolang men \'t niet onhandig Verplooide naar uw mond; Ons Neerduitsch zal slechts leven. Zoolang wij \'t niet vergeven Met vruchten van uw grond.

HET JUISTE MIDDEN.

Ja, \'t Juiste Midden! Maar waar tusschen? Tusschen dwaling En dwaling, \'t Mag zoo zijn; maar geldt dit voor bepaling Van \'t juiste middelpunt der Waarheid? Die dit zeit,

Geeft haar een lucht-bestaan van loutre onzekerheid.

Van \'t aantal, van de maat der dwalingen afhanklijk,

En niet bestaande, niet erkenbaar dan door haar.

De Wijze vrage dan niet langer; Wat is waar?

Alleen het onderzoek; Hoe dwaalt men? is belangrijk.

Maar waar den waarborg nu te vinden, die \'t bescheid Voor nieuwe dwaling hoedt bij de oude onzekerheid?

Neen, wandlaar! zie niet om naar die den weg slechts radon. Maar vraag dien eeniglijk aan die hem weet en wijst;

Betreed hem, leidt hij ook langs onbezochte paden, Met onverschilligheid voor die u laakt of prijst.

-ocr page 42-

andbrs. — intuïtie. — taal-censuür.--aan sbn rbiziobb bnz.

ANDERS.

Jan rekent: ,Tweemaal zes is zeven.quot; Maar Piet zegt: „Zeven is wat min.quot; „„\'t Is twalef!quot;quot; valt er Krelis in; Maar dit acht Piet „weer overdreven;quot; En Krelis, die dus overdrijft,

Vergeet dat dwalen menschlijk blijft, En wil \'t maar niet gewonnen geven!

INTUÏTIE.

\'k Schiet hoenders in de vlucht, en op den aanslag. Jan! Gij enkel in den zit, en legt een half uur \'an.

Nochtans beschouwt ge uzelf met innig welbehagen, En noemt het wetenschaplijk jagen.

Maar Jantje! wat is \'t mijne dan?

„Het uwe! Durft gij daar naar vragen?

Daar neemt men geen notitie van.quot;

TAAL-CENSUUR.

Verkiesbaar zijt gij naar de wet; Het dagblad doet dit daaglijk.s lezen. Maar onze taal is nauwgezet;

Dat blijkt in dezen.

Een uitgang maakt een groot verschil: Wees zoo verkiesbaar als je wil, Verkieslijk zulje nimmer wezen.

AAN EEN REIZIG-ER NAAR OVERZEE.

TOT AFSCHEID.

TCiatoq iv y.ccyoïq êcvijo yfjsiaocov yaAtjvqz vuvtiXoiaiv iiaooav.

Euripides.

„Een trouwen vriend in \'t oog te staren,

Doet ons den boezem meerder goed Dan de aanblik der gestilde baren.

Als weer en wind heeft uitgewoed.quot;

Maar zoo ons oog den blik ontmoet Van Hem, wiens wenk de zee bedaren,

-ocr page 43-

raiJSTRAAG. - ZANGDRIFT. 11

Den storm zicli nederleggen doet —

Laat bruisen \'s levens hooge vloed!

Wij weten in wiens schuts wij varen:

Zijne is een liefde, die behoedt.

PRLJSVE A AG.

Ernst is zwartgalligheid; dat \'a duizendmaal verklaard. Wat kleur van gal gaat met lichtzinnigheid gepaard? En is er oorzaak, hen, die de ernstigen verdoemen, Steeds „duifjes zonder galquot; te noemen?

ZANGDRIFT.

Hoe woelt de poëzij In mij,

En haakt aan \'t licht te komen;

Als in \'t gebergte een volle bron, Begeerig naar den glans der zon, Begeerig uit; te stroomen!

Hoe voel ik mij omringd,

Omkringd,

Door beelden, geesten, schimmen Van schoonheid, liefde, waarheid, kracht, Me omzwevende in een halven nacht, Waaruit een dag wil klimmen!

Hoe ruischt mij koor op koor In \'t oor.

Verlokkend en ontroerend!

Hoe zoet weemoedig is het mij,

Als ware een stroom van melodij Mjj op zijn golven voerend;

Als hoorde ik in \'t verschiet Een lied.

Dat hart en zin mocht kluisteren; Een nieuw gezang, dat niemand zong, En dat de gansche wereld dwong Tot opgetogen luisteren!

Mijn vrienden, neen! geen lust,

Maar rust Ontbreekt den armen zanger. Hem kwelt een lang getergde dorst Naar poëzij, zijn moede borst Is van gedichten zwanger.

~

-ocr page 44-

KENS KONINGS TRANEN.

Geeft de onbezorgde vreugd Der jeugd,

Haar zoete mijmeringen,

In schaduw van \'t aloud geboomt, Of waar, van munte en tijm omzoomd. De rimpelende duinbeek stroomt. Hem weer — en hij zal zingen.

EENS KONINGS TRANEN.

I.

Vergeet uw vrees voor louter vreugd, Wees, Dochter Sions! wees verheugd, En laat uw psalmen stroomen: Uw Vorst en Heer zal komen!

Hij komt, de Koning lang verwacht. Maar houdt, eenvoudig, arm, en zacht, Op \'t needrig lastdiervolen Zijn majesteit verscholen.

Hoe trekt do schaar hem in \'t gemoet, Het hart vol vuur, het oog in gloed, Hoe schudt men met do palmen. En doet hozanna\'s galmen:

„Hozanna! zegen over Hem, „Die nadert tot Jeruzalem.

,Die komt in naam des Heeren, „Hozanna, God zij eeren!

„Hozanna! eer zij God gebracht, „Tot in den hemel van zijn kracht, „Tot in de hoogste plaatsen!quot; Dat berg en dal \'t weerkaatsen.

Aanschouwt Hem! Goedertierenheid Ligt op zijn aanzicht uitgespreid; Genade is op de tippen Dier lachelende lippen.

Ziedaar het godlijk aangezicht Van die den blinden heeft het licht. Den stommen spraak gegeven, En Lazarus het leven!

-ocr page 45-

KENS KONINGS TRANEN.

Valt, palmenmeien! voor dien Heer Uit de uitgestrekte handen neer; De knieën moeten buigen,

Waar hart en lippen juichen!

Hoe klopt de boezem, die Hem prijst, Wanneer men van den grond verrijst, Maar \'t opperkleed laat blijven Bij palmen en olijven!

Rjjd, Koning vol zachtmoedigheid!

Rijd zacht op \'t pad, aldus bespreid, En laat uw oogen waren Langs de opgetogen scharen.

Trek door het bloeiend, vruchtbaar dal, Dat nooit uw hart vergeten zal.

Waar \'t liefde vond en vrede....

Zijn nardus-geur trekt mede.

Bestijg op \'t veulen, nooit bereên, Betphages heuvlen een voor een.

Waar dadelen en vijgen U groeten met hun twijgen.

Rijd, rijd voorspoedig, naar uw woord. Tot d\'afgang der olijven voort;

Straks zal uw oog aanschouwen Jeruzalems gebouwen.

Daar ligt de stad, de koningsstad, Op tempel en paleizen prat.

Paar ligt zy, de overschoone, En vonkelt met haar krone.

Daar ligt de stad, der steden eer,

Waar zich de stammen van den Heer, Om voor zijn oog te naderen, Hem lovende, vergaderen.

Hoe heerlijk pronkt, hoe vroolijk zwiert Het prachtig feestkleed, dat haar siert, En laat zijn breede zoomen Langs al haar bergen stroomen!

Hoe breekt de schaar, die om u sluit, In hooger jubelkreten uit.

13

Zoo ras zij aan hun voeten Uw koningsstad begroeten \').

\') Zie Luk. XIX. 37.

-ocr page 46-

14 EENS K0NWG3 TRANEN.

Hoe heft zij van uw wonderdaan Met dubbelde hozanna\'s aan,

En trekt er hupplend henen —

Maar \'s Konings oogen weenen.

Hoe rroolijk worden, waar zij trekt, De wedergalmen opgewekt Van Sions bergvalleien —

Maar \'s Konings oogen schreien.

Zij schreien. Wa-nt de Koning kent De stad, die Gods profeten schendt. En overdekt met wonden Wie God haar heeft gezonden.

Zij schreien. Want de Koning laat De bloedvlek op haar schoon gelaat. De lastring op haar lippen Zijn aandacht niet ontslippen.

Jeruzalem! Jeruzalem!

Gij zult het roepen dezer stem, Het galmen dezer koren,

Bij uw altaren, smoren.)

De blijdste schaar zwijgt ras verschrikt, Als gil haar toornig tegenblikt;

Slechts wordt in kindermonden \'t Hozanna weergevonden \').

Maar blijve ook \'t kinderlipje stom. En doe, van uit het heiligdom, \'t Gekrijsch der lasterkreten \'t Hozanna gansch vergeten;

Zelfs daar gij met uw banvloek doemt, Wie slechts zijn naam met eerbied noemt. Hem zal geen lof ontbreken: Uw steenen zullen spreken!

Uw steenen dronken woorden in Van goddelijke menschenmin, Uw steenen zagen wonderen,

Die ze in uw ooren donderen.

Uw steenen, doof Jeruzalem!

Zij roepen, met onsmoorbre stem,

\'Zijn schriklijk Wee! u tegen. Ook schoon zijn lippen zwegen.

\') Zie XXI. 16.

-ocr page 47-

EENS KONINGS TRANEN.

En als uw vijand om uw wal Straks een begraving werpen zal En u rondom benauwen,

Met kinderen en vrouwen:

Hoe zal \'t geween, \'t gejoel, \'t verward Gejammer van uw woede en smart, \'t Vertwijfelende gillen,

Door dag noch nacht te stillen;

Hoe zal het ruischelende bloed, Dat door uw straten zijplen moet,

Waar broedermoordenaren.

Met p«et en honger, waren;

Hoe zal, bij \'t steigren van den nood. Het vruchtloos zoeken van den dood, \'t Vergeefs verplettring vergen Van heuvelen en bergen;

Hoe zal de schelle wanhoopskreet Van moeders, met het staal gereed Haar kroost door \'t hart te steken, üws Konings eere wreken!

Straks, als het heilig grondgebied. Den „gruwel der verwoestingquot; ziet. De vlam des vuurs zal naken Tot tempelwand en daken,

Hoe schriklijk zullen wederom De muren van het heiligdom, In \'t wagglen, kraken, splijten. Tot eer uws Konings krijten!

Geen steen van heel uw trotsche wal, Zoo vast en heerlijk, of hij zal Van uit zijn voegen breken;

Geen steen of hij zal spreken.

Verhef dan, bij \'t verwoeste Huis, Uw klachten over \'t rookend gruis, Ween luid, de stem dier steenen Roept luider dan uw weenen.

Of smoor uw jammerklachten, zend Uw kwijnend kroost tot \'s aardryks end De bloedige asch en kolen Kleeft wroegende aan hun zolen.

-ocr page 48-

EENS KONINGS TRANEN.

n.

Uw Koning middlerwijl volbrengt Zyu zegetochten ongekrenkt,

fin gaat van oost tot westen Zijn vrederijkstroon vesten.

Verwerpt het kroost van Abraham Den leeuwenwelp uit Juda\'s stam:

De heiden zal hem kronen----

Uit steenen Abrams-zonen!

Houdt Jakobs dolend huisgezin Zijn plechtige hozanna\'s in:

In honderd nieuwe talen Hoort Hij zijn lof herhalen.

Verdort het Oostersch palmenblad,

Daar \'t zich terughoudt van zijn pad: Het Noord noopt pijn eu eiken Hem duurzaam loof te reiken.

Het Westen, door geen zee gestuit, Kekt voor dien Vorst zijn grenzen uit, Wien \'t aangename Zuiden Begroet met bloem en kruiden.

Wat nood dan, Koning! al veracht U \'t muitend Isrel, de Aarde wacht. Reeds hoort Gij, dezer dagen. De Grieken naar u vragen \').

Wisch van uw stralende gelaat Dien traan, die in uw oogen staat: Geen wederhoorig harte Verdient zoo diep een smarte.

Laat, daar gij tot een kampstrijd trekt, Die heel een\' wereld heil verstrekt, Het oog van uw getrouwen Een blij gelaat aanschouwen.

1G

Geniet de hulde, die u wacht Van heel het menschelijk geslacht; Maar spil geen kostbre tranen Aan trouwlooze onderdanen.

\') Zl» Joh, XII \'20, -21.

-ocr page 49-

EENS KONINGS TRANEN.

Ia niet de grond, dien Gij betreedt, Tot drinken van uw bloed gereed? En zoudt Gij dien besproeien Met tranen?.... Maar zjj vloeien.

Zij blijven vloeien... . Moordnaarakrocht. Voor u dit godlijk tranenvocht!

Volk, dat Hem trapt op \'t harte, Voor u, voor u dees smarte!

Hij weet wat ijselijke nacht Hem in dit dal des Kedrons wacht. Wat perskuip Hij gaat treden.

Na dit bedrieglijk heden.

Hij weet wat strijd, wat heete strijd Hem tot der Volken koning wijdt; Hij weet in welke plassen Hij zijn gewaad moet wasschen;

Hij weet, uw Koning hoog geloofd, Aan welk een doop Hij \'t buigend hoofd En \'t krimpend lijf moet leenen: Maar dit doet Hem niet weenen.

U geldt zijn droefheid, u alleen, O, Israel, zijn vleesch en been,

Niets kan in West of Oosten Hem van uw afval troosten.

Geen Grieksohe aanbidding, eer, en lof, Geen Adelaren ia het stof.

Geen aangegroeide scharen, Verteederde Barbaren;

Geen uitgestoken heidenhand Uit Mitzraïem of Morenland;

Geen bloeiende woestijnen,

Waarop zijn licht gaat schijnen;

Geen heerschappij van vloed tot vloed; Geen Nieuwe wereld, aan zijn voet Met schatten neergebogen,

Kan deze tranen drogen.

Ach Sion! dat, op dees uw dag, \'t Zoolang afkeerig oog nog zag Wat tot uw vrede diende, Die koningstranen ziende!

-ocr page 50-

ElitlS KONINlSS TRANEN.

Ach, dat gij \'t onheil wenden mocht,

Zich spieglende in dat tranenvocht! Ach, dat gij mocht bezwijken Voor zulke liefdeblijken!

Dat do uitgebreide vleugelschaüw

U nog mocht bergen voor den klauw Des giers, die uit den hoogen U reeds verslindt met de oogen!

Hoe menigmaal, Jeruzalem!

Heeft u des Eonings zachte stem

Gezocht bijeen te gaderen----

Ach, dat gij nog kost naderen!

Gij wendt u af; gij blgft verhard;

Maar van zijn koninklijke smart Zal \'t oog der Volken leken, Tot eens u \'t hart zal breken.

III.

En eenmaal breekt het. Eindlijk zullen,

Naar Gods bestel.

Ook uwe tijden zich vervullen,

O Israel!

Ook gij zult tot uw Koning naderen.

Ook gij aanbidden aan zijn voet, Hem kennende als de Hoop der Vaderen, Die al uw jaium\'ren enden doet.

De olijfstam zal, voor vreemde twijgen

Hem ingegrift.

Zijn sap in eigen hout doen stijgen.

Met nieuwe drift.

Het aaklig dal, waar \'t dor gebeente

Verworpen ligt, verstrooid, verbleekt. Zich met een levende gemeente

Bevolken, als Gods almacht spreekt.

En alle volkren, alle tongen.

Zoo verre en wijd De lof diens Konings wordt gezongen,

Wiens vleesch en been ge immers zijt. Zij zullen zich om u verdringen.

En blijde en luid Het groote Halleluja zingen.

Dat op uw groot Hozanna sluit.

-ocr page 51-

AAN MIJNE ECHTGENOOTE.

AAN MIJKE ECHTGENOOTE.

Verwijt gij mij, mijn waarde!

Dat \'k sedert jaar en dag Mijn citer niet besnaarde, Zoo vroolijk als ik plag, Om u een lied te zingen

Op uw geboortefeest.

Die negen zonnekringen Mijn sieraad zijt geweest?

Mjjn sieraad en mijn eex-e.

Mijn grootste schat op aard, Een gave van den Heere,

Zijn groote goedheid waard. Een onwaardeerbre zegen,

Een hulp, een troost, een vreugd Dat zijt gij op mijn wegen. Gij, huisvrouw van mijn jeugd!

Wij plachten u te kronen,

Óp menig feestgetij,

Met liederen en tonen

En luide poëzij.

Wij lieten al de stralen

Van onzen vroegsten roem Op \'t blonde hoofdje dalen,

Dat ik het mijne noem.

Mei had geen rozenknoppen,

Geen leliën genoeg, Met perelende droppen

Bedauwd des morgens vroeg, Om u het hoofd te tooien, Vorstinne van ons hart.

En over \'t pad te strooien.

Waar gij bewelkomd werd!

Wij riepen filomeelen Van alle zijden op,

Um u een lied te kweelen.

Van berk en elzentop. De tortelduif moest dalen. Vol teederheid en min.

En om uw schouders dwalen. En streelen hals en kin.

Van uit de luwe bosschen,

Van veld en vijvervlak.

-ocr page 52-

AAN HUNK ECHTGENOOTE.

Van tussclien \'bloementro^en

En vruchtbren boomgaardtak. Moest u het lauwe luchtje De geuren, die het torst, Toevoeren met een zuchtje, En sterven aan uw borst.

En allen moesten hooren

Van \'t achttienjarig kind. Dat Ik had uitverkoren

En teeder werd bemind. En allen moesten weten

Hoe zacht zij was en trouw, Die mijne Aleide heeten En mij behooren zou.

Maar sedert God u kroonde

Met kostelijker krans Dan ooit uw schoon verschoonde.

En liefelijker glans Deed op uw schedel dalen

Dan waar de poëzij Uw lokken van deed stralen. Op \'t lente-feestgetij;

Maar sedert Gods genade Uw teeder hart verblijd En de allerliefste Gade

Tot Moeder heeft gewijd;

Maar sedert spruit op spruite

Onze echtkoets heeft verheugd, Verstomde mijne luite.

Van eerbied en van vreugd.

Laat frissche maagdenwangen.

Laat oogen, vol van gloed, Den luiden lof ontvangen

Van \'t dichterlijk gemoed; Laat keur van poëzij en En al wat ooren treft Om \'t minzaam lachje vrijen. Waarop zich \'t hart verheft:

Die in den bloei der jaren.

Gelukkig echtgenoot,

Zijn e.egade atan mag staren,

Een zuigling op den schoot, Met neergeslagen oogen Zijn kinderlijken dórst

-ocr page 53-

AAN MIJNE ECUTÜKNOOTE.

Met nieei- dun neotartogen Verkwikkende aan haar borst,

Diu laat de citer glippen,

Die stort geen maatgezang; Een bee zweeft op zijn lippen, Zijn boezem smelt in dank; Maar stem en woorden falen,

01\' schijnen leeg en koel; üe rijkdom aller talen Is arm bij zijn gevoel.

Maar die, met rozenwangen En oogjes vol van vreugd.

Zijn kroost in d\' arm ziet hangen Der huisvrouw van zijn jeugd; Maar die haar moeder noemen

En moeder wezen ziet: Vergankelijke bloemen

Vlecht hi; haar schedel niet.

Hij laat geen liedren rijzen En klinken tot haar eer, Wie eigen kindren prijzen,

Die lof heeft van den Heer. Hij wenscht niet meer te pralen

Met zijn benijdbaar lot.

Maar zegent duizendmalen

Het hoofd, gekroond door God.

Mijn dierbre, die mij zonen

En lieve dochtren schonkt, En niet hun frissche koooen En vroolijke oogeu pronkt, Hoe prijkt gij zelve tusschen ^ Het vijftal uit uw schoot. En reikt mij om te kussen Mijn kleinen naamgenoot.

Hoe treedt mijn ziel u tegen

Op dees geboortedag.

Verplet van al den zegen,

VVaarin zij roemen mag; Hoe dankt n dit mijn harte

Voor \'t offer van uw jeugd, Voor al uw moedersmarte.

Voor al mijn vadervreugd.

Hoe stijgen mijn gebeden En zuchten hemelwaart:

21

-ocr page 54-

22 NIET VOOll UK WERELD. — DE MAGDALENE BIJ T KRUIS.

„God! die dit huwlijks-Eden

„Geplant hebt, en bewaart: „Het bloeie in uw bescherming-,

„Uw goedheid, nooit verpoosd! „Och, schenk uw rijkste ontferming „Uer moeder en haar kroost!quot;

NIET VOOR DE WERELD.

Voor de wereld bloeit gij niet,

lloem der lenterozen!

\'t Zedig blosje, dat zij ziet

Op uw wangen blozen,

Zult gij, ■waar haar adem glooit En het kruid des velds verschroeit, Niet verroekeloozen.

Voor de wereld gloeit het niet,

\'t Lichtje in uwe oogeu.

Dat zoo zachte stralen schiet

Van zoo groot vermogen;

Keert zich niet uw reine blik.

Met een heilzaam heilgen schrik, Van haar lust en logen?

Voor de wereld vloeit het niet,

\'t Traantje op uw wangen!... Vreemd aan \'t wereldsche verdriet,

\'t Wereldsche verlangen.

Zal het, in zijn zuiver schoon,

Zal het aan baar trotsche kroon Niet ais perel hangen.

Neen, de wereld boeit u niet,

Hoe gij haar moogt boeien!

Waar uw hart van overvliet,

Wat uw oog doet gloeien,

Is een heiliger genot,

Is een blijdschap, die uit God Zielen toe mag vloeien.

DE MAGDALENE BIJ \'T KRUIS.

Hier is mijn plaats. Aan deze voeten.

Genageld op dit hout;

Hier, dat de tranen vloeien moeten,

Die Gij in gunst aanschouwd. De Simons schudden \'t hoofd en smaden En lastren als weleer:

-ocr page 55-

DK MAGUALESE BIJ \'T KllUIS.

De Zondares, met schuld beladen,

Stort in aanbidding neer.

De middagzonne derft haar luister:

De dag is donkerheid.

Uw oogen zien, ook in dit duister. Wie aan uw voeten schreit.

Gij kent haar, Heer! Gij zult haar dulden, Gij leest haar tot in \'t hart.

Het is de vrouw van vele schulden. Wie veel vergeven werd.

Ook op haar arme ziele daalde Een zevendubble nacht;

Maar \'t licht, dat eens haar tegenstraalde. Behoudt, ook hier, zijn kracht.

Gij lijdt. Gij sterft; Zij voelt uw smarte. Zij siddert bij uw wee;

Maar, in het binnenst van haar harte, Behoudt Gij haar den vreê.

Haar oor vernam die bittre klachte: „Waarom verlaat gij Mij?quot;

O zielverbijstrende gedachte ....

Verlaten 1.... Heiland, G^V

Toch blijft Gij haar van vrede spreken, Die al uw strijd aanschouwt;

Toch voelt zij, in geen strijd bezweken. Dat haar \'t geloof behoudt.

Ja, Gij zult Israel bevrijden;

Kens stijgt ge op Davids troon;

Daar komt een heerlijkheid na \'t lijden, En, na dit kruis, een kroon!

Eens, in uw koninkrijk gekomen.

Gedenkt Gij, naar uw woord.

De vrouw, die Gij hebt aangenomen, Bemoedigd, en verhoord.

Gewis, haar zonden zijn vergeven.

Haar schuld is weggedaan.

Haar naam in \'t levensboek geschreven; Dat zeide Uw mond haar aan;

Die mond, die lieflijke, die zachte. Die thans zoo bleeke mond.

Zich oopnend tot zoo bittre klachte,

In zoo ontzetbren stond!

Ach, Zij vertroost, en Gij verlaten; Gij smachtend, Zij onthaald;

-ocr page 56-

DK MAGDALENE BIJ \'T KRUIS.

Gij, prooi van allen die u haten,

Zjj, door uw gunst bestraald!

Die alle straffen Gods verdiende.

Zelfs door geen vrees benauwd!

Gods Heilgen in een jammer ziende,

Daar God zich ver van houdt!____

Dit heilig lichaam enkel wonde,

Van koorts en pijn verteerd; Kn \'t schandljjk werktuig van de zonde,

Gezond en ongedeerd!

Komt, overmoedige soldaten!

Doet recht, en spot niet meer!

Laat dezen Koning \'t kruis verlaten; Mij voegt het, niet mijn Heer.

Dit hout, met al zijn ijslijkheden.

Verdiende ik lang en steeds.

Wat toeft gij? Komt! Verscheurt dees leden.

Ontziet geen tenger vleesoh!

Ik heb de wet van God geschonden,

Moedwillig, dartel, dwaas....

Komt! Laat mij sterven voor mijn zonden, .Kn sterven iu Zijn plaats!

Maar neen! de Onschuldige moet lijen,

Als \'t offer op \'t altaar,

Als \'t Lam der oude profecijen ....

Kn zoo Hij \'t offer waar?

Indien..,. Ja, Israels Verwachting!

Verzoener van mijn schuld!

„Men leidde u als een lam ter slachting, „Zachtmoedig, vol geduld!quot;

Een stem roept uit: „Ons overtreden

„Kost Hem dit leed, dit bloed.

„Het zijn Onze ongerechtigheden,

„Die Zijn verbrijzling boet.

„De straf, die op ons hoofd moest wezen,

„Verdraagt Hij in dees smart.

„Door Zijne striemen zijn genezen „De wonden van ons hart.quot;

Mijn ziel geeft antwoord: „Heer! ik dwaalde

Gelijk een schaap in \'t rond;

Zijt Gij \'t, op wien mijn misdrijf daalde.

Gij Herder, die mij vomit V Zijt (rij voor mii. voor mijne zonde

-ocr page 57-

n ajaausl1kd.

woord, door uwen monde

Gesproken: „\'t 13 volbracht!quot;

NAJAARSLIED.

Ik ken }jeen schooner kleuren Dan die van \'t Hollandsch bosch In bruinen najaarsdos;

Ik ken fjeen zoeter geuren,

Dan die uit droge mos, Uit geelroode eikenbladeren Kn varenkruid dat bloeit.

Mij op het koeltje naderen, Dat met mijn lokken stoeit.

Ik ken geen schooner zangen Dan vink en lijster slaakt,

Bij \'t morgenlicht ontwaakt. Eer hen de strikken vangen.

Door al wat zingt gewraakt: Den wildzang uit de twijgen Met vochtig rag omstrikt. Dat, als de dampen stijgen, Met perels blijft bestikt.

Ik ken geen schooner luchten Dan waar de herfst mee praalt. Als \'t zonlicht nederdaalt En dorpen en gehuchten

In goud en kleuren maalt. Dan rijzen blanke rotsen

En donkre bergen op,

Begroeid met ruige bosschen. Verguld aan rand en top.

Dan spelen alle verven Dooreen met stille pracht. Tot dat ze, schoon en zacht, Versmelten en versterven.

En zeggen: „Het wordt nacht! Weer is een dag vervlogen;

Welhaast een jaargetij:

Een jaar gaat voor uwe oogen. Gelijk een damp voorbij.quot;

quot; en la,m geslacht?....quot;

-ocr page 58-

BIJ EEN BEELTENIS.

BIJ EEN BEELTENIS.

Doet ons dit indrukwelikend wezen,

Die fijnbesneden neus en mond, De aanzienlijke geboorte lezen,

Die ons uw schoone naam verkondt; De bemel heeft u meer gegeven

Dan eedlen naam en boogen staat.

Meer dan dien adelbrief, geschreven Op \'t onberispelijk gelaat.

Of straalt er van dien kalmen schedel,

Dien gij zoo onbedeesd verheft,

üeen gloed, meer lieflijk nog dan edel.

Die alle harten trekt en treft;

De vlucht verradende en de krachten

Van dien zoo hoog gestemden geest. Wiens leven, werken, en gedachten Men op \'t gewelfde voorhoofd leest?

Ligt de adeldom van eedle Zielen

Die, door geen sterflijk hart weerstaan. De stroefste knieën dwingt te knielen

En zinlijke oogen neer doet slaan, Om moed in \'t needrig hart te wekken

Van al wat zwak is en verdrukt,

Niet heerlijk over al de trekken,

Waarmee gij \'t starend oog verrukt?

Dit sprekende gelaat vereenigt

Ernst, reinheid, kloek verstand, en geest, Daar vrede en liefde d\' indruk lenigt.

Die licht te ontzaglijk waar geweest. Het statig schoon der strengste lijnen

Is, bij zijn regelmaat, niet koel.

Omdat er \'t leven door komt schijnen Dier ziel vol leven en gevoel.

Geen zweem van dofheid in die oogen,

Maar zachtheid, die hun felsten gloed. Als met een wolkje, huudt betogen

En vriendelijker stralen doet;

Met zulk een glans als doet beseften,

Dat elke vreugde en iedre smart Uw edelmoedig hart zal treffen. En weerklank vinden in dat hart.

Wij zien uw glimlach, onder \'t zweven, Ann liprgt;pn. ernstig1 saamgekleiv^..

-ocr page 59-

BIJ EEN BEELTENIS.

Eon uitdruk van genoegen geven,

Maar die den ernst niet overstemt. En zwijgend zeggen ons die lippen,

Die gaarn doen zwijgen, waar gij spreekt: „Ons zal wel nimmer iets ontglippen. Dat geest of kracht of zout ontbreekt.quot;

Wij zien... Wij zien? Helaas, wij zagenl

Dat lief aanschouwen is geweest. Wij hebben naar het graf gedragen

\'t Schoon hulsel van zoo schoon een geest. Ten hemel is die geest gevaren.

Daar God hem voor zijn zetel ziet, En waar we onze oogen blind op staren Is slechts uw Beeltnis, anders niet.

Ach, die u-zelf mocht zien, mocht hooren,

Mocht lezen in \'t grootmoedig hart; Dat oog van d\' edelste ijver gloren,

Of glinstren van de reinste smart; Die lieve lippen zich ontsluiten,

Om met een stem, zoo klaar, zoo zoet, Een stroom van vriendlijkheden te uiten. Opwellende uit een trouw gemoed.

Die, wat uw innigst hart bedoelde. Uw helder oog op eens doorzag,

Uw geest ontdekte, ried, gevoelde,

In blik en kreukje, blosje en lach,

In fijne schaduwen en stralen.

Afwisselend van stond tot stond,

Zich op \'t oprecht gelaat zag malen. Dat slechts het veinzen niet verstond;

Die in die oogen \'t wolkje stijgen. Den regendrop zich vormen zag,

Waarin, na lang en ernstig zwijgen,

Een wereld van gedachten lag;

Maar straks die neevlen weer verslonden.

Die zon weer schittrende in haar pracht, Daar reeds het troostwoord was gevonden. Nooit lang, nooit vruchtloos ingewacht;

Die u de heilleer in zag drinken

Van Gods genade en Christus bloed, Vol ootmoed in u zelf verzinken,

Of opstaan in een grooten gloed,

Om, wat uw gansche ziel deed leven En uitstraalde op \'t bezield gelaat.

-ocr page 60-

BIJ EKN BEELTENIS.

In ^loonde woovden weer te geven.

Of te be^eeglen, door een daad:

Die u beleven en belijden,

Getuigen en betoenen zag,

U in de kraebt dier Waarheid strijden.

Waaiin uw beil verborgen lag;

Die u den Heiland na zag streven,

U zelf verloocbnen, zonder trots.

Voor andren, velen, allen leven.

Steeds werkzaam, in de vreeze Gods;

Die u mocht nagaan op de wegen Der teederste menschlievendheid, Het milde hart tot iedren zegen,

De hand tot eiken dienst bereid;

De knie bij \'t krankbed neergebogen

Des schaamlen, bij zijn laatsten snik Nog opziend naar die minzame oogen, Die hem vertroostten door hun blik;

Die u uw kind aan \'t hart zag drukken

Met teerheid, die nooit weekheid werd. Met innig, moederlijk verrukken.

Maar met ootmoedig biddend hart;] Die u, in nederige wijsheid.

Den mond zag openen tot troost En raad van neergebogen grijsheid Of van een hulpbehoevend kroost;

Die, met een hemelsch vergenoegen.

Van \'t liefdrijk hart den ganscheu schat U uit zag storten, toe zag voegen

Aan die gij liefgekregen hadt,

En wie uw Liefde meer verheugde

Dan al haar weldaan zonder tal — Die zag der englen lust en vreugde. En wat hij nooit vergeten zal.

O droefenis, niet uit te spreken!

Bezorgdheid, klimmend met den dag! Als men dit zacht gelaat verbleeken.

Versmallen en vermaagren zag;

Als men dat oog nog wel zag blinken.

Van \'t eigeu liefdevuur ontgloeid.

Maar dieper in den schedel zinken.

Van \'t leven en zijn strijd vermoeid.

Als men uw ijver nog vermeeren.

Maar reeds vermindren zag uw kracht.

-ocr page 61-

BIJ EEN BEELTENIS.

En de olie in die lamp verteren,

Zoo helder brandende bij nacht;

Als reeds een stem begon te fluisteren:

,Bemerkt gij niets van \'sHeeren wil?quot; Maar \'t angstig hart niet wilde luisteren: „Ik weet het ook wel; zwijg gij stil.quot;

Op eens! Daar zonkt, daar laagt gij neder,

De geest nog krachtig, \'t lijf gesloopt; Daar laagt gij en verreest niet weder — Vergeefs ontveinsd, vergeefs gehoopt! Vergeefs den hemel aangeloopen

Om uw behoud, gekermd, gezucht; Die hemel immers ging u open.

Gij naamt uw afscheid, en uw vlucht!

O onvergeetlijkste der nachten.

Niet dan met tranen nagedacht. Met tranen, die de wond verzachten,

Ons ongeneeslijk toegebracht;

Met tranen, die wij weder vegen

Uit de oogen, tuigen van uw smart,

Maar ook getuigen van den zegen.

Dien God u stortte in \'t stervend hart!

O nacht van lijden, nacht van pijnen.

Van doodsbenauwdheid bang en lang! Wat licht van vrede zaagt gij schijnen,

Hoe hoordet gij den zegezang,

Die door \'t geloof werd aangeheven,

Aan woorden en aan krachten rijk; Hoe bleef, in \'t sterven als in \'t leven. Dat hart vol liefde zich gelijk!

Belijdend, dankend, biddend, zegenend, —

Met spreuken troostrijk, leerzaam, trouw. Den diep bedroefden kring bejegenend,

Die gaarne met u reizen wou.

Tot ge al uw smeekingen ten laatste

Vereenigde in dat eene woord: „Kom, Heere Jezus! kom met haaste!quot; Eb stillezweegt, en werd verhoord.

Zoo zagen u de schreiende oogen;

Thans zien ze u in den hemel na,

Waar gij, aan \'t aardsche leed onttogen.

Den lijder ziet van Golgotha,

Diem uw Geloof ons aangewezen,

-ocr page 62-

BltüIDSBEZOEK IS DE PASTORIE.

Uw Liefde ons afgescliaduwd beeft, En die alleen de troost moet wezen Van \'t hart, waarin uw beeltnis leeft.

BEUTDSBEZOEK IN DE PASTORIE

TE HEEMSTEDE.

Tradt sijgt; lieve Bruid!

Amstels muren uit,

Kwaamt ge in onze dreven, Waar het eerste groen Knopt aan \'t jong plantsoen, En \'t verjongde leven,

Over bosch en beemd,

Weder aanvang neemt Af en aan te zweven?

Sobept go in den lust,

Scbept gij in de rust Van ons land behagen?

Komt gij, voor uw kroon. Ook het needrig schoon Van do veldbloem vragen?

Doet het lied u goed Van \'t gewiekt gebroed Tjilpende in de hagen?

Mag de frissche lucht,

Die het tegenzucbt,

\'t Volle hart verkwikken?

Rusten de oogen uit,

Die op bloem en kruid Rustig nederblikken?

Dankt de. ziel een God, Die ook dit genot Vriendlijk wil beschikken?

En gebeurt ons huis.

Onze stille kluis,

Onzen disch die eere,

Dat zij binnentreedt.

Die zich welkom weet Jfaar baar voet zich keere; Dat zij plaats neemt in Uw verheugd gezin, Dienstknecht van den Heere?

-ocr page 63-

BKUID8UEZ0EK IN DE PASTORIE.

Zouden dan ook niet Met der vooglen lied, Mensohelijke wijnen, Diohtei-lyke galm,

Klank uit snaar en halm, Haar ter eere, rijzen\'?

En een zang vol gloed Van \'t oprecht gemoed Haar den dank bewijzen\'?

Klink, mijn citer! klink! Rijs, mijn zangtoon! dring Luid door bosch en hoven! \'t Vroolijkst maatgeluid Moet de liefste Bruid,

Moet dees feestdag loven, En een zinrijk woord En een vol akkoord Allen wildzang dooven.

Doch wat zegt de klank Van het blijdst gezang. Van de schoonste rede,

Doch wat zegt een lied. Dat als bronnat vliet^ Bij de stille bede.

Die, als alles zwijgt, Fluisterende stijgt Tot den God van vrede?

Die in \'t volle hart Uitgesproken werd.

Schoon geen lippen spraken. Die het peinzend oog Tot een traan bewoog, Bigglend op de kaken. Tintiend van den gloed. Die een trouw gemoed Voor haar heil doet blaken?

Bruidje! twijfel niet Of een lieflijk lied Zulker stille beden Stijgt van uit dit huis, Stijgt uit iedre kluis Die gij in komt treden,

Stijgt van uit dit oord, En, van God gehoord. Keert het weer met vreden.

-ocr page 64-

AAS MIJN VADER.

Over \'t vredig hoofd,

Dat in Hem gelooft,

Dat op Hem blijft staren (Wachtende op zijn stem, Buigende voor Hem,

Met alle englenscharen)

En, bij \'t vriendlij k licht Van zijn aangezicht,

Vreest kent noch bezwaren.

O, Mij dunkt, ons oog Ziet van God omhoog Zegen op u dalen!

Op uw bloemenkrans Zijgt een zachte glans Van de schoonste stralen; \'t Oog van Gods gena Slaat, u vriendlijk ga,

Waar uw voeten dwalen.

Keer ze wederom Tot uw Bruidegom,

Die u wacht met smarten! Strooi hem met uw hand Bloemen van ons land. Groeten onzer harten!

De echtband, dien gij knoopt, In dat licht gedoopt. Zal veel stormen tarten.

AAN MIJN VADER.

Die \'s Heeren zegen heeft In lief en leed ervaren,

Een leeftijd heeft doorleefd Van tienmaal zeven jaren.

Die dankbaar neer mag zien Op kindren en kinds-kindren.

Deed God ook hun getal vermindren, Gelukkig prijst men dien.

Gelukkig prijst men \'t hoofd, Gekroond met grijze lokken.

Van denkkracht onverdoofd. Nog kloek en onverschrokken.

Nog moedig opgericht,

Door tijd noch last gebogen i Gelukkig de onbenevelde oogen En \'t onverbleekt gezicht.

-ocr page 65-

L3NTE. 33

Gelukkig prijst men d\' arm,

Nog krachtig om te schragen,

Het hart nog even warm Als in zijn beste dagen,

En dat zoo teeder slaat Als immer voor die gade,

Die Gods geprezene genade Het nog behouden laat.

o Dat ze, aan gunsten rijk,

U dit geluk bestendig\',

Totdat zich eindelijk Uw schoone loop volendig\'.

Mijn Vader! en uw kroost.

Na \'t lang gezegend leven,

U welgemoed den geest zie geven,

Gelukkig door eens christens troost.

LENTE.

Had ik uw adem. Nachtegalen!

Uw zilvertoon.

Langs alle heuvlen, alle dalen.

Zou ik uw smeltend lied herhalen,

Zoo vol, zoo schoon!

Ik prees dien God in mijn gezangen.

Die veld en woud Weer \'t groene kleed heeft omgehangen, Na zooveel maanden van verlangen Zoo blijde aanschouwd.

Ik zou dien grooten Schepper loven,

Die, ongezien.

Zijn troon gevestigd heeft daar boven,

En wien de bloempjes onzer hoven Hunne oifers biên.

Mijn zangtoon zou des morgens stijgen.

En \'s avonds laat;

Met u, zoude ik des nachts niet zwijgen.

Daar \'t maantje, glurend door de twijgen, Ons gadeslaat.

En \'t oog, dat nimmer wordt gesloten.

Dat alles ziet.

Den kleinen zanger en den grooten.

Wier lofgezangen samenvloten,

In gunst bespied.

III. 3

-ocr page 66-

AAN DU. KAKEL GUTZLAFF. —

Mijn lied zou vrome zielen treffen,

Daar \'t woorden gaf Aan wat zij kennen en beseffen,

En logge geesten opwaarts heffen Uit stof en draf.

Ik ware een priester in dien tempel,

Die thans alom Van liefde en almacht toont den stempel — Nu zink ik zwijgende op den drempel Van \'t heiligdom.

Mei. __

AAN De. KAREL GUTZLAFF.

ZENDELING lü CHINA, BIJ ZIJN BEZOEK A -N NEDERLAND.

Door zevendubblen muur en hemelhooge bergen

En wetten eeuwenoud beveiligd en bepaald,

Meent China voov altijd nl \'s Werelds macht te tergen.

Maar weert hel zonlicht niet, dat van Gods Hemel straalt. Haast doet een hooger zon de Bloeiende Aarde bloeien,

En \'t Rijk des Middens prijkt met oogsten dicht en vol; Haast zal het eeuwig ijs in beken nedervloeien,

En drijven d\' ouden Draak druipstaartende uit zijn hol. Haast dreunt de grijze muur, bij \'t klinken der bazuinen

Van \'t vorstljjk priestervolk, dat vrede brengt door \'t kruis, En stort bij \'t blij gejuich tot onherstelbre puinen ...,

Neen, levert bouwstof uit voor Gods gezegend Huis! Verspieder, op bevel van Jezus doorgebroken!

Wat tijding brengt gij uit dit Jericho ons weer. Van llacnabs-harten, reeds voor \'t heilgeloof ontloken. Van lippen, tot den lof zich oopnend van den Heer? Ja, China\'s tijd genaakt; langs alle waatrend ruischend, Wordt de adem van Gods Geest vernomen, en het geldt

Zijn zestigduizendmaal zesduizend,

Wier eerstlingen door u aanschouwd zijn en geteld! o Gutzlaff, keer tot hen; breng hun eens broeders groeten.

Van d\'oever der Noordzee, aan de uiterste oosterkust; Betuig hun hoe zijn geest hen eenmaal hoopt te ontmoeten, Tot duizenden vermeerd, in \'t Hemelsch Rijk dor rust.

14 Mei 1S50.

EVA.

Wie zal uw lijden ons verhalen, 0 Moeder! uit wier vruchtbren schoot Al \'t leven en het lijden sproot. Dat, in zijn worstlen met den dood,

EVA.

-ocr page 67-

EVA.

Zijn stem verheft in de aardsohe dalen? Dat zesmaalduizend jaren lang Zijn noodkreet stort en treurgezang Aan alle waatren, alle zeeën,

Of, moe van \'t nutteloos geklag.

Zijn pijn verloochent met een lach, Of krimpende in verzwegen weeën.

Zijn stille tranen plengen mag! Ach tranen!.... Bij de tranen-beketi In zand gesmoord en eenzaamheid, Wie zal ons van de tranen spreken.

Die \'t eerst en bitterst zijn geschi-eid\'? Wie zal ons zeggen welke ellende.

En hoe ze een ziel verscheuren moeso, Die, in haar volheid, zag verwoest De zaligheden, die zij kende?

Helaas! wie heeft, bij eigen smart.

Voor de uwe ontzag, gevoel, of hart? Wie gunt, bij eigen boezemklachten,

Bij eigen doornen, eigen zweet. Een luttel tijds aan zijn gedachten,

Ter overpeinzing van uw leedy Of zoo de poging tot vergeten

Van wat men in den boezem bergt. Met heimelijke slangenbeten De hartaar van het leven tergt.

Maar van do ziel de dwaasheid vergt Om ijdelheden, vreugd te heeten En \'t zondig wereldsche gewoel Te prijzen, met verdoofd gevoel: \'t Is ramps genoeg, zoo aan die droomen. Waarin ze een avrechts Eden smaakt, Een kreet van smart, een einde maakt, Haars ondanks, van nabij vernomen;

Wat zou er wezen, dat haar trekt Een noodeloozen blik te wijden Aan een tooneel van smart en lijden. Met zestig eeuwen leeds bedekt?

Neen, Moeder! Zoo zij u gedenken, De kindren, die gij achterliet, \'t Is zelden om uw diep verdriet Een diepgevoelden traan te schenken; Niet om zich voor den geest te wenken Het treurig beeld dor schoonste vrouw, Versteend van plotselingen rouw.

Het is niet om u na te staren,

Zooals .gij Edens stroom doorwaadt. Het hoofd gebukt, de blonde haren

-ocr page 68-

EVA.

Ten sluier voor \'t verbleekt gelaat, Den rug gekeerd naar \'t laatste stralen Van \'t ondergaande zonnelicht,

En naar den oever \'t oog gericht.

Waar voorts uw voeten zullen d-walen,

De hand gelegd in Adams hand,

Niet losgelaten, niet gegrepen.

Bereid het leven voort te slepen

In \'t door den vloek gedrukte land. Het is niet om den kreet te hooren.

Den kreet, die door \'t gebergte schalt, Om alle heemlen door te boren,

Als barenswee u overvalt;

Den gil, waarvan Gods englen ijzen,

Waar heel de schepping van versaagt, Die boschleeuwinnen op doet rijzen.

En do arendsmoêr van \'t nest verjaagt. Den gil, die \'t bloed in Adams aderen Doet stilstaan, en hem storten doet Op \'t schamel bed van mos en bladeren,

Waar \'t ingewand u scheuren moet; Waar gij, bij \'t wringen van uw leden.

Bij \'t splijten van uw zwangren schoot. Slechts denkt aan \'t strafgericht van Eden, En siddrend kermt: „Ziedaar den dood!quot; \'t Is niet om met u neer te bukken,

Daar gij uw Abel — ach, hoe bleek! — Van bloed wilt zuivren in de beek, En, door hem aan üw hart te drukken. Hem \'t leven, dat Zijn hart ontweek, — Het wondre, weggevluchte leven! — Met duizend kussen wedergeven, Ben proef, waarbij uw ziel bezweek! Het is niet om al de ijslijkheden Te voelen, in haar volle som.

Van uw verschriklijk\' ouderdom. Vergrijsde ballinge van Eden!

Die acht geslachten voor zich heeft. Ter dood toe lijdende aan uw wonden, En de aard vervullende met zonden. Waarin uw eerste zonde leeft.

Die eerste, de allereerste zonde;

\'t Begeerig oog; de onwijze band; De vrucht, zoo zoet in uwen monde.

Zoo bitter in uw ingewand;

Het luist\'ren naar de stem die vleide;

\'t Verlokken van een echtgenoot. Zoo haast verleidende als verleide,

-ocr page 69-

eva. 37

En met hem stortende in den dood —

Ziedaar wat uw verharde kinderen,

Ziedaar wat een ondankbaar kroost Zich met een koelheid blijft herinneren,

Waar wie gevoel heeft over bloost.

De naam, waarmee gij staat geschreven In de ijz\'ren harten van dees tijd,

Die alles toont wat gij hun zijt,

Die smalende op hun lip komt zweven,

Of vol van wrevel en verwijt;

De naam, waarmee ze u kennen leeren

Aan \'t kroost, hun dankbaar voor die les Van kinderliefde en vroom vereeren,

Is anders geen dan — zondares;

Eerste, ergste, dwaaste zondaresse!

Do tranen, daar uw oog van vliet,

liebV God geborgen in zijn flessche.

Op hun register zijn ze niet;

De tranen niet, de tranenvloeden.

Die gij hebt uitgestort voor God,

Bij \'t vreeslijk treffen van zijn roeden,

\'t Vervullen van zijn strafgebod!

De tranen niet, de tranen-zeeën

Van deernis met uw nageslacht,

In schrikkelijker zieleweeën

Dan lichaamssmarten voortgebracht!

Gij hebt geboet; — Zij, onboetvaardig.

Verwijten U hun zondig hart.

Gij hebt geleden om hun smart; —

Zij achten U geen deernis waardig.

Gij hebt het schandlijk zondekwaad Uit voller harte leeren vloeken, —

Zij, die het altijd meerder zoeken,

Beladen u slechts met hun smaad.

Gij hebt vergiffenis ontvangen,

Na \'t aardsche Wee een hemelsch Wel, —

En zij verwijten u hun hel.

Die naar uw hemel niet verlangen.

\'t Is of in u hun \'t beeld verrijst Der „vreemde vrouwquot; op de onschuld loerend.

Die haar gestolen waatren prijst,

En, \'t hart door teederheên ontroerend,

Met haar verboden vruchten spijst.

Terwijl haar valsche hand de dooden Verbergen blijft voor haar genooden.

Die zij het pad der helle wijst. \')

En immers zien zij, in uw beeld,

\') Bpt. IX. 13-18.

-ocr page 70-

EVA.

Een ■wijze moeder voor zicb treden,

Uie met haar vurigste gebeden

Haar kroost den hemel aanbeveelt; Die met den rimpel van de sniarte,

En met haar zachtsten. teersten blik, Blijft smeeken tot haar jongsten snik: „Mijn kindren, ach! bewaakt uw harte!quot;

— Of zoudt gij niet die moeder zijn? Of zijt gij \'t enkel onzer zonde?

En danken we u, alleen de pijn Der erfelijke boezemwonde,

Waaruit een altijd versche smaad Voor uw gebogen hoofd ontstaat,

En die van de eerste levensstonde

Ons van een liefdeplicht ontslaat?

2ijt gij geen moeder, die vermanen,

Die troosten kan wie haar vereert? Speelt daar geen glimlach door uw tranen,

Voor hem, die van uw tranen leert?

Gaat uw betrokken mond niet open

Tot woorden van den zoetsten klank, Dia op een Paradijs doen hopen,

Waarin geen plaats is voor de Slang? En zijn daar lippen die u vloeken,

Die u bespotten met verwijt,

O Gij, die aller moeder zijt.

Beschermt u niet het Boek der boeken, En wreekt u de arm niet van dien God, Die wie zijn moeder vloekt, of spot. Met nacht en duister zal bezoeken ?l)

Drie zonen, Eva! heeft uw schoot Geschonken aan dees droevige aarde; En zoo gij hen met smarte baarde.

Wel bracht gij hen met kommer groot! Uw eerste is Ivaïn. Eenmaal stond Hij voor u, bleek, verwilderd, bloedig Van handen en gelaat, hoogmoedig

En woest, een glimlach om den mond. Hij had voor al uw luide klachten Niets over dan een kond verachten;

Voor \'t moederlijk verwijt een blik,

Die \'t hart u stil deed staan van schrik; Hij vluchtte in d\' ijslijkst\' aller nachten ... En sedert werd geen troostrijk woord Van d\' eerstgeboren zoon gehoord. — Uw tweede is in zijn bloed gesmoord.

-ocr page 71-

EVA

Hij scheen geboren om te lijden En vroeg te sterven; ach, hoe heeft U \'t hart des jonglings aangekleefd,

Wien zulk een dood haast af zou snijden! —

Uw derde is Seth; uw troost, uw kroon, Uw kracht, uw steun in oude dagen.

Een trouwe smeeker voor den troon Diens Gods, naar wien hij leerde vragen. — Nog leeft die Kaïn, in \'t geslacht,

Dat koel „zijns vaders naam veracht En dat zijn moeders naam niet zegent;quot;

\'t Geslachte, dat zijn broedren drukt. De vroomheid met zijn haat bejegent, En voor de roede Gods niet bukt. — Nog sterft die Abel duizendwerven.

En weekt met tranen en met bloed De doornige aarde voor zijn voet.

Maar lijdt en zwiigt met zacht gemoed, Heeft lief\', en zegent in zijn sterven. — En nog heft Seth, met vroom gelaat. De handen ernstig tot den Heere

Fin bidt vergeving voor al \'t kwaad, En predikt, dat zich \'t hart bekeere

Tot Hem, die haast te komen staat Opdat Hij de aard met vuur vertere;

Tot Hem, dio eerst uit Eva\'s schoot Een menschlijk bloed heeft aangenomen,

Dat. als Hij \'t op deze aard vergoot,

Haar beetre dingen toe deed stroomen. Dan dat uit Abels wonde vloot.

Met welk een vreugd wordt Seths geslacht In Eva\'s armen opgewacht,

In schaduw van de levensboomen.

Die God aan \'t klare stroomkristal Van \'t hemelsch Eden planten zal!

DE MOEDER DES HEEREN.

Neen, niet alleen toen gij Gods Engel zaagt. Wiens schoon gelaat het vredig licht der hemelen

Weerkaatste, en over \'t uwe, ontroerde maagd! Een weerglans van hun heerlijkheid deed wemelen;

Neen, niet alleen toen gij zijn groet gehoord En, diep ontsteld, zijn boodschap hadt vernomen,

Is in uw hart dat hartdoorsehokkend woord: „Hoe zal dat zijn?quot; met siddring opgekomen — Het bleef u immer bij; het leefde met u voort.

-ocr page 72-

40 DE MOEDER DES HEEREK.

,Ho_e zal dat zijn?quot; Het antwoord is gegeven.

Gij weet: Niets is onmooglijk bij dien God,

Wiens geest, wiens kracht, wiens schaduw scheppend zweven

En over n zal komen. Naam en lot Stelt ge in zijn hand, en buigt het hoofd: „De Heere

Dpe naar zijn woord.quot; Zijn woord is liefde en macht. U riep Hjj tot een voorrecht, tot een eere,

Waarbij uw ziel bezwijkt — neen! zwijgt en wacht.

Maar zonder dat zo een straal van hooger licht begeere?

\'t Geloof verwint. Uw maagdelijke voet Trotseert gevaar en steilte op Juda\'s bergen.

Waar \'t wonderkind in moeders schoot u groot, En vreugde en dank uw ziel een lofzang vergen.

Hoe hoog, hoe triumfeerend klinkt de toon Van \'t harte, dat zich in zijn God verheugde.

Der moeder waard van fiavidg grooten Zoon,

Ontstoken van een Koninklijke vreugde.

Bleef steeds uw moed zoo hoog, uw hoop zoo klaar, zoo schoon?

Of daaldet ge, in uw eenzaam huiswaai\'ts dwalen.

Somwijlen van den stralenrijken top Uws vasten bergs, en kwam in donkre dalen

\'t „Hoe zal dat zijn?\'\' weer in uw boezem op?

Die boezem zwelt, \'t Gelooven wordt aanschouwen.

Het uur genaakt. Ook Jozef leert den staat Te zeegnen der gezegemlste der vrouwen.

Het slaat.... Maar beeft uw hart niet als het slaat? Uw oog aanschouwt het kind. Maar durft ge uw oog vertrouwen ?

Hoe was \'t u, in dien wonderbaren nacht,

Als gij dit kind het stroo der kribbe spreidde, En herdersmond een lied van englen bracht.

Dat \'s Heeren lof en \'smenschen heil verbreidde?

Hoe was \'t u, op dien wonderbaren dag.

Als de ouderdom, hem heffende in zijn armen,

In \'t schreiend wicht het Licht der Volken zag.

Dat Isrel zou beschijnen en verwarmen;

Maar \'t zwaard, uw\' ziel bestemd, u niet verbergen mag?

Hoe zal \'t u op dien schoonen morgen wezen.

Als Seba komt met Scheba aan zijn zij.

En zegt: „Ons is des Konings star verrezen!quot;

En wierook brengt en goud en specerij?

Die dag gaat om. Hem volgt een nacht van vreezer,

Van moederangst en vlucht in allerijl.

God echter waakt. Dit kind moet veilig wezen.

Maar is niet vaak, aan d\' oever van den Nijl,

\'t „Hoe zal dat zjjn?quot; met kracht in \'t peinzend hart gerezen?

-ocr page 73-

DE MOEDER DES HEEREN. 41

\'t Geloof is strijd; het wordt, in tijd en smart,

Door schok op schok beaireden allerwege;

Het harte zelf bekampt dien schat van \'t hart,

En zoekt zijn ergste neerlaag bij de zege.

Maar welk een strijd was de uwe. Vrouw en maagd! Die ,\'t Heiligequot;, uil uw reinen schoot geboren,

Gods Zoon genaamd, met Moeder-oogen zaagt.

Zijn dorst versloegt, zijn kinderkreet mocht hoeren.

En de eerste tranen van zijn koontjes hebt gevaagd!

Een heiige wolk omnevelt voor onze oogen

Het Galileesch gebergte, \'t lage dal,

De stille stad, waar gij hebt opgetogen

Wien alle knie zich eenmaal buigen zal.

Ons bleef zijn jeugd, zijn reine jeugd verborgen;

Het woord slechts niet, waarin zijn klaar gemoed ü toonde dat hij, in zijns levens morgen Alreeds, \'t geheim zijns levens had bevroed;

Maar gij, gij zaagt hem kind, afhanklijk van uw zorgen.

Gij zaagt hem kind, den kinderkens gelijk.

En onder kindren; spelend, leerend, wassend

Naar geest zoowel als leden; slechts geen blijk Van zonde; op uwe en Jozefs wenken passend;

Welhaast diens zweet en needrig werk gewoon; Vol wijsheid, maar eenvoudig; ingetogen;

Geen woord, geen wenk, geen stap tot Davids troon;

Geen wondergaaf, geen bovenaardsch vermogen.

Nu vroegt ge: „Ts dit mijn kind?quot; En straks: ,Is dit Gods zoon?quot;

Gerekte proef van dertig lange jaren,

Waarin dit stil, dit diep, dit trouw gemoed De woorden en de dingen bleef bewaren,

Waardoor uw hoop getergd werd, en gevoed. Ach woorden, door Gods englen, Gods profeten

Gesproken en gezongen; en het woord Van \'t Heilig Kind, in \'t midden neergezeten Van wijzen, door zijn wijze jeugd bekoord;

Woord slechts door U bevroed, door Ü slechts niet vergeten.

Op eenmaal, van het zuiden tot het noord,

Doet ééne kreet vallei en bergen schateren.

De stemme van den Roepende is gehoord.

liet volk ontwaakt bij duizenden. De wateren

Weerkaatsen \'t woord, dat van hun oever stijgt: „Het Koninkrijk des Heeren komt! Gij dalen.

Verheft u! En gij trotsche bergen, zijgt Terneder, om den Koning in te halen!quot;

Gij kent dien Koning, Gij aanschouwt Hem — Maar Hij zwijgt.

-ocr page 74-

DE MOEDER DES IIEEREN.

Gij zaagt Hem niet, waar zich de hemel scheurde,

üe Heiige Geest neerzweel\'de van omhoog.

En \'t needrig hoofd, dat uit den stroom zich beurde,

Met al den glans der hemelen omtoog.

U was het niet vergund de stem te hooren,

Die uit het diepst van \'s hemels zalen klonk.

Wanneer, omringd van zwijgende euglenkoreu,

De Vader aan den Zoon getuignis schonk....

Maar Hij doolt heen, in ruigte en wildernis verloren.

Hij keert terug. Wat glans van zegepraal Blinkt om zijn hoofd en schittert uit zijn oogen!

Straks zit Hij neer aan liana\'s bruiloftsmaal....

Daar is uw ziel zijn daad vooruitgevlogen;

Het wonder van zijn liefde, dat uw hart lieeds. in dat hart vol liefde, had gelezen,

Eer \'t op een woord, een wenk geboren werd, Om U slechts niet te wonderlijk te wezen,

Klonk, bij zoo grootsch een Daad, zijn ernstig Woord u hard?

Leer teedre vrouw! leer zwijgen, leer verwachten,

Leer lijden; want uw lijdenstijd vangt aan;

De tijd der openbaring der gedachten

Uws volks, wiens dag van heil is opgegaan.

Te midden van uw moederlijke droomen

Van heerlijkheid, die zich vervullen gaat,

Van vorslen, gaven voerend langs de stroomen. En heerschappij van zeestrand tot Eufraat —

Gedenk dat woord: „Nog is mijne ure niet gekomen.quot;

Gedenk het, als de Vorst, van God beloofd,

Miskend wordt door de zijnen en verstooten.

Geen schuilplaats vindt voor zijn gezegend hoofd!

Gedenk het, als uw eigen stadgenooten

Hem voeren naar de steilte, dat aan dien,

Wiens vlekloosheid men dertig jaar aanschouwde,

Voor aller oog het ergste moog geschién ...

Peil, zoo gij kunt, dien afgrond, die u grouwde!

Diep is hij; dieper zult gij zijn verneedring zien.

„Zijt gij het, die zou komen, of verwachten

We een ander?quot; vraagt de Uooper in den strijd, Hot warren en het worstlen der gedachten....

Gij zwijgt; gij zegt; „Ik weet dat gij het zijt.quot;

„Toon, wreek u op ons ongeloof!quot; dus tarten

Uw zonen dezen zoon; gij zwijgt, en wacht,

En volgt, maar God slechts weet met welke smarten.

En in wat kamp der ziele, dag en nacht.

Tot uit den zwartsten nacht het licht verrijst uws harten!

42

-ocr page 75-

NAVOLGING. — HET HAARLEMMERMEER.

0 banpre nacht! wat macht heeft u gebaard? Afschuwlijk kruis! hoe komt gij opgerezen?

Heeft de Almacht zelf haar meesters op deze aard? Bezwijkt de Zoon? o God! „Hoe zal dit wezen?quot;

Daar staat gij op den heuvel, koud als ijs, Versteend en stom, staroogend, zonder leven,

Totdat een wenk, een klank van „paradijs,quot; Een woord van liefde u d\'adem weer komt geven1), En u het hart versterkt, op nooit gekende wijs.

O gij, die niets meer ziet of wenscht te aanschouwen, Nadat uw oog dit schouwspel heeft gezien,

Die niet meer vraagt wat verder mag geschiên, üezegendste en beproefdste van de vrouwen!

Zie weder op, krijg weder oogen, kracht En moed tot leven; want gij zu/t nog leven,

„Zijn uurquot; breekt aan uit dezen bangsten nacht; Steun op den zoon, u door den Zoon gegeven;

Verlaat den berg van smart, en (eenmaal nog!) verwacht!

Een nacht, een dag, en nog een nacht verdwenen;

Het morgenlicht der nieuwe week breekt aan. Nu spoeden de Maria\'s grafwaarts henen;

Maar gij blijft stil, gij laat ze grafwaarts gaan. Het graf is leeg. De Magdalena\'s snikken.

De Simons naadren en verschrikken,

Johannes hoopt en vreest. Maar gij verbeidt. Een stem Roept juichende uit: Hij is verrezen!

En gij vraagt niet: „Hoe zal dat wezen?quot; Gestorven met uw Heer, rijst ge uit uw graf met Hein,

NAVOLGING.

Gaat u een meester voor. Volg, maar blijf vrij!

Treed op zijn weg, maar rij Niet in zijn spoor.

HET HAARLEMMERMEER.

1850.

43

Nu wordt de Slokop opgeslokt. Nu raakt zijn rijk ten ende; Nu ligt de grove Waterreus Zieltogend op zijn breeden neus. En jammert van ellende.

gt;) Naar raijne voorstelling van de volgorde der Kruiswoorden, is dat tot den Medegekruisigde aan het woord tot de Moeder voorafgegaan.

-ocr page 76-

t0kl10htihg.

Nu laat hem Oome Cruquius,

Nu kopt hem Vader Lijnden,

En de oude Rijpsohe Molenaar \') Purgeert hem sedert derd\'half jaar, Dat al zijn krachten kwijnden.

Nu slinkt zijn buik met ieder dag,

Zijn onderkin en wangen;

Nu droogt hij als een stokvisch uit. En hoort wel dat zijn doodklok luidt In onze zegezangen.

Ja, oude Landplaag! \'t is genoeg Aan Hollands tuin geknabbeld; Genoeg gesleept naar diepte en krocht, En wat gij niet verslinden mocht Bezoedeld en bezabbeld.

\'t Geduld is uit; de straf gereed;

Uw wisse dood gezwor\'en;

Uw huis en erf verbeurd verklaard; En wat uw roofzucht heeft vergaard Zal nu der vlijt behooren.

Bukt aan, met spade en ploeg, en komt

Dit watererf bezaaien,

Gij, zonen van \'t gewroken land! Met vroolijk hart, met uijvre hand .... En doe Gods gunst u maaien!

TOELICHTING.

Nu laat hem Oome Cruquius enz.

44

Welk Nederlander weet niet, dat de drie groote Stoomwerktuigen waardoor de 40,000 bunders land van het Haarlemmer Meer aan den Staat en den Landbouw geschonken zijn, genoemd zijn naar de drie mannen uit drie eeuwen, wier namen overvloedig verdienen voor altijd met dien van dezen Polder vereenigd te blijven??!0. Dat aan de Kaag, naar (jan adbiaansz.) leeghwater, Molenaar te Rijp in Noordholland, schrijver van het Haarlemmer Meerhoek (1641), eerste ontwerper van een Plan tot uitmaling; 2°. dat, bij Heemstede, naar (nicolas) cruquids, met jan noppen, Toeziener, en melchior bolstra. Landmeter van Rijnland, als hiertoe gelast, opstellers van een uitvoerig Plan wegens de bedijking der Haarlemmer Meer, hetwelk hij in Juli 1742 aan Dijkgraaf en Hoogheemraden van Ithijn-land overhandigde; 3°. dat nabij Halftveg Haarlem en Amsterdam, naar (p. a. baron van) lijnden (van hemmen), Lid van de Eerste

1) Leeghwatee,

-ocr page 77-

NAAMGEVING AAN EENE LANDHOEVE. 45

Kamer der Staten Generaal, schrijver van een allerbelangrijkste en uitvoerige Verhandeling over de Droogmaking der Haarlemmer-meir (1820), waarin almede een plan tot de uitvoering van dit werk wordt voorgesteld, en dat inderdaad als het Hoofdwerk over dit onderwerp mag worden beschouwd.

Zie van Hasselt, Het Haarlemmermeer-boek, enz.

NAAMGEVING AAN EENE LANDHOEVE.

Noem ze kozengaarde.

Wat is meer gepast Voor een plek der aarde,

Waar geen onkruid wast;

Waar de schoonste rozen.

Van den zoetsten geur,

Van de zachtste kleur,

In Gods zonlicht blozen;

Waar men eiken vrede,

ledre liefde vindt,

Bloeiende op de bede

Van wie God bemint;

Waar steeds versche knoppen Vroolijk opengaan En bepareld staan Met de reinste droppen V

\'k Sleet zoo zoete dagen

In dien stillen hof.

Geen der woeste vlagen.

Die zijn bloemen trof;

Heilzaam, frisch en geurig Was er mij do lucht;

\'t Afscheid kostte een zucht, Want mijn hart was treurig.

Hoe gij hem wilt noemen

Uit bescheidenheid:

Ik denk aan de bloemen

Mij door u gespreid;

Stelle ons ook op aarde Menig naam te leur,

Boven uwe deur Schrijf ik: uozengaaude.

Zeist.

-ocr page 78-

UEBPST. — „IK UETKOD IN GODquot;.

HERFST.

Voer me op des Heuvels top, als, uit liaar slaap ontwakend. En, door den zachten dranff der nieuwe levenskracht.

Haar windselen en boeien slakend,

Geheel de schepping vrooliik lacht.

\'k Smaak de eerste lentelucht liefst frisch en ruim daarboven; \'k Zie gaarne \'t gansch tooneel dier nieuwe heerlijkheid. Waar alle schepslen God bij loven,

Aan mijne voeten uitgebreid.

Breng me aan den groenen rand der heldre Waterstroomen, Als \'t zonlicht in den vloed zijn felste stralen doopt.

En in de schauw der wilgenboomen,

De zwaan vergeefs op koelte hoopt.

\'k Wil, uit mijn schuilplaats, langs den bochtig\' oever staren, En zien hoe \'t bonte vee het lauwe bad geniet.

Bij \'t dobbren van de plompeblaren En \'t zacht gewiegel van het riet.

Maar als (mijn lust van ouds!) de rijke herfsttijd nadert.

Het zonlicht vroeg ter kimme nijgt;

O! Laat me alleen in \'t Bosch, waar, uit verdord gebladert.

Geur als van rijpe vruchten stijgt.

\'k Wil, tegen \'t eiken groen en \'t blauw der Schotsche dennen, Aan \'t hooge geel, den berk herkennen;

ik wil \'t getijgerd beukenhout Zijn kroon zien dragen van bruin goud;

\'k Wil \'t bloedrood loof met zwarte vlakken Zien fladdren, eschdoorn! aan uw takken;

En peinzen met bedrukt gezicht.

Waar ik den statig\' olm, die in mijn kindsche dagen Zoo menig lieven naam heeft in zijn schors gedragen,

Geblutst zie met den bijl, die aan zijn wortel ligt.

October.

„IK BETKOU IN GOD.quot;

ZINal\'ÜEUK VAX ELBUKG VAN DEN BOETSELAAR,

(Abdisse te llijnsburg 1552—1568.

Maakt Elburg van den Boetselaer \')

De woorden van haar zinspreuk waar,

„Betrouwt ze in God,quot;

46

Dat Hij haar lot Bestiere en regel:

1) Zie haar beeld op een der kerkglazen in de kerk te Gouda, en haar lof In Schotels Abdij can Bijnsüurg bl. 203 en volgg.

-ocr page 79-

NACHTEGAAL. — KEURIGHEID.

Zoo heeft ze een steun van groot er kracht Dan rijkdom, rs.ng en oud geslacht, Of \'s Hoogepriesters schrift en zegel Ooit in haar hand te zamen bracht;

Green Keizer, knielende aan haar voet, \') Ontstak haar tot een hooger moed Dan waar haar lippen van getuigen,

Als zich voor God haar knieën buigen.

De geur van haar barmhartigheid Wordt door gansch Holland uitgebreid, Daar grijze en jeugd Haar zachte deugd Met eer bejegent;

Luid wordt zij door den vreemdeling,

Dien ze onder \'t gastvrij dak ontving. En luid door de arme weeuw gezegend, Die nimmer troostloos verder ging.

Maar steunt ze, ook voor haar eeuwig lot, Niet op haar deugd, maar op haar God, Zijn englen zullen met gezangen Haar in zijn gastvrij hof ontvangen.

NACHTEGAAL.

/ijt mij gegroet,

Met blij gemoed,

Maar niet met luide zangen!

Mijn opgewekte zangdrift zwijgt Bescheiden stil, waar de uwe stijgt. Waaraan mijn gansche ziel blijft hangen.

Ik ken er veel.

Wier schelle keel In uwen roem wil dcelen;

Maar eensklaps zwijgt gij tot hun straf, En wacht den stillen avond af, Om \'t Eenig lied in eenzaamheid te kweelen.

KEURIGHEID.

Wat schoon is moet eenvoudig zijn; Maar Eenvoud mag geen ruwheid wezen.

47

Eenvoudig zij \'t gevoel, maar iijn; Eenvoudig \'t woord, maar uitgelezen.

Eene eer, aan haar voorgangster Maria van Tautentmrg door Keizer Karei V aangedaan, die haar bij die gelegenheid „zijn gebiedende Vrouwequot; noemde.

-ocr page 80-

KOEKOEK. — ZONSONDERGANG.

KOEKOEK.

Zeer zelden is ons de eer beschoren, Dat iemands oog u ziet;

Maar des te meer vervult ge onze ooren Met uw eentonig lied;

En wij — wij willen \'t altijd hooren, Al zingt gij anders niet Dan: Koekoek, Koekoek!

Koekoek Eenzang!

Elk kent, mijnheer! uw ruim geweten. Uw vreemd begrip van recht;

Daar gij, om zelf wat rijker te eten, Uw kroost te vondling legt:

En wij — wij willen \'t aardig heeten. Al is het nog zoo slecht Van Koekoek, Koekoek,

Koekoek Eenzang!

Gij spelt ons niet dan regenbuien; Gij gilt uw blijdschap uit.

Als, op een heldren dag, in \'t zuien Een donker luchtje kruit.

Hier zou een ander \'t door verbruien; Maar wat wordt ooit misduid Aan Koekoek, Koekoek,

Koekoek Eenzang ?

Gij schijnt ons deze les te leeren Van populariteit:

„Men heeft zich niet zoo zeer te keeren „Aan kunde of eerbaarheid!

„Verberg alleen met zorg uw veêven, „En zie wat kracht er leit „In Koekoek, Koekoek,

Koekoek Eenzang!quot;

ZONSONDERGANG.

\'s Hemels wonder Duikt in volle schoonheid onder, Schittert met gekleurde stralen Over heuveltop en dalen.

Dekt de kim met vuur en vonken, Troost de wereld met zijn lonken, * En neemt afscheid met een lach — Morgen rijst een nieuwe dag!

-ocr page 81-

AAN DE ZE£. 49

Maai- voor heden,

Slechts wat mi-gloor hier beneden;

Slechts een lichtstreep aan de kimmen,

Met een rozenkleurig glimmen,

Lgt;at den wolkjes in hun zweven Aan blijft kleven;

Straks is \'t nacht ...

Maar de maan betrekt haar wacht.

Deegelijken Is uw glorierijk bezwijken Ook geweest,

Groote Geest!

Als een zon zijt gjj gezonken.

Als een zon hadt gij geblonken En met vollen glans gepraald.

Tot gij, laat, hadt uitgestraald.

Itijkbegntigde, des gevens

Nimmer moe,

Wierpt ge ons, op de grens des levens,

^ Nog uw schoonste schittring toe.

Eensklaps, als gij waart verdwenen,

Werd het duister om ons henen....

Ja, een schoone na-gloor blijft Aan de nevelwolkjes hangen —

Maar waar of het maantje drijft,

Dat van nacht u zal vervangen?

AAN DE ZEE.

Te SharkLin op Let Eiland IVighl.

Aug. 1851.

Ik heb van nacht uw stem gehoord. Weerklinkende in dit lieflijk oord,

Waar mij mijn voeten \'s avonds brachten; . Hoe statig klonk die grootsche stem.

En zong met majesteit en klem,

In \'t heilig uur, de macht van Hem,

Die op u ziet in stille nachten.

\'k Heb, slaaploos op mün legerstee,

Naar u verlangd, geduchte Zee!

Ik zag u voor het oog der ziele.

Thans, bij des hemels vroegsten blos.

Aanschouw ik, van dees hooge rote,

U, grootste dezer schepping Gods!

Diens Gods, voor wien ik needrig knisle.

-ocr page 82-

AAN UK ZEE,

Hoe prachtig blinkt, in \'t morgenlicht,

Voor mijn bewondrend aangezicht,

Dat veld van donkerblauwe baren;

IMiet grauw en grijs als zij, die \'t strand Bespoelen van mijn Vaderland;

En toch, met deze hand aan hand. Een zelfde Zee, waar de oogen staren.

Een zelfde Zee, die Englands vlag Naar \'s werelds einden voeren mag. En Neerlands dundoek op ziet wuiven; Een zelfde, die, in \'t bloeiend Zuid, _ De geuren riekt van \'t geurigst kruid. En, hoog in \'t Noord, met schor geluid, De schotsen op elkaar doet schuiven.

In Oost en West en Zuid en Noord,

Brengt al \'t gebergte stroomen voort; Zij glinstren, murmlen, ruischen, klateren, Verbreeden, vallen, scheuren \'t land.

Gaan snel en bruisende af naar \'t strand. Een zelfde Zee, aan eiken kant.

Verzwelgt hen in haar zoute wateren.

Aldus, nog riekende van wiin __

En geurge klaver, gij, mijn Rijn!

Aldus de Teems, trotsch op haar krone; De Taag, doorvonkt van gouden gloed; De Niger, zwart van menschenbloed; En blonde Ganga\'s heiige vloed;

En de onverwinlijke Amazone.

Een zelfde Zee vereent en scheidt De volkren, langs haar zoom verspreid; Verplaatst, verdeelt des aardrijks gaven; Ontvangt, vervoert, verzwelgt, vergeet De hooggetuigde Armade, en weet Het schelpdier in zijn steenrotsspleet Bijtijds te spijzen en te laven.

Een zelfde Zee, die hier met lust \'t Groen voorgebergte omarmt en kust. Daar bruisend brandt om klip en banken, Hier monsters kweekt, daar wondren bergt. Nu schatten brengt, dan offers vergt.

Hier helden tot een noodkreet tergt. En ginds genezing brengt aan kranken.

Een zelfde Zee---- En is dat waar,

Zoo kan zij ook, van baar tot baar.

-ocr page 83-

liEINEN VAN HARTE. 61

Voor mij een boodschap overzenden!

Ik bid u, Golven! dat gij \'t doet:

Brengt aan de lieve Vrouw mijn groet,

Die gij bij \'t Hollandsch duin ontmoet

Kn \'t oog naar \'t Zuiden heen ziet wenden....

Doet ook het Kind een weinig goed.

Het knaapje met verlamden voet,

Dat zij komt baden in uw vloed,

En Iaat haar bange zorgen enden.

REINEN VAN HARTE.

NAAK EENE SCHILDERIJ VAN ARIJ SCHEPPER.

Vroolijke Onschuld,

die niet weet.

Welk een eerplaats zij bekleedt;

\'t Licht begroetend

van den dag,

Met haar blijdsten kinderlach,

Met de tintling van twee oogen,

In wier blauw Wij de oprechtheid lezen mogen En een vlekkelooze trouw.

Kuische Schoonheid,

die haar oog Vredig opslaat

naar omhoog;

\'t Effen voorhoofd,

rein en schoon, Onversierbaar

door een kroon; Schoonheid, met haar kracht en waarde

Niet bekend;

Lelie, zwevende over de aarde,

d\' Open kelk naar God gewend.

Goelijke Eenvoud,

\'t hart vervuld Van haar liefde en rijk geduld;

Liefst de laatste;

liefst geleund Op een schouder,

die haar steunt;

-ocr page 84-

één is hoodig. — het oranjewater.

Door geen vreezen of vermoeden

Ooit ontrust;

Prooi der boozen, vreugd der goeden, Maar van beiden onbewust.

Scheur uw heemlen,

Hemelheer!

Zend beschermende englen neer!

Ulinke een straal van hooger licht

Deze\' uw scnepslen

iu \'t gezicht!

Gun dat zich de reine blikken

Dezer Trits In de aanschouwing Gods verkwikken, Die het deel der reinen is!

ÉÉN IS NOODIG. Een schoone leest,

Een edel bloed,

Een ryke geest,

Een vroom gemoed:

Alles is hij waard,

Die dit samenpaart;

Maar die het laatste alleen bezit, Heeft ook genoeg aan dit.

1IEÏ ORANJEWATER.

De Jonge Prins van Oranje stak op den llden November 1851, de eerste spade In het stuk dulngrond achter het land-goed Leyduln, boven Haarlem, waarin men voorhad de eerste vergaarkom te graven voor de sedert voltooide Waterleiding ten behoeve der Hoofdutad. Eer de Prins nog vertrokken was, zag men het gewenschte water In het door hem gegravene gat reeds opgeweld. De vergaarkom heeft den naam van Oranjewater gekregen.

Omkrans het hoofd, het achtbaar hoofd,

Gjj Hoofdstad, die wij roemen,

Met klimop, dat geen winter rooft,

En late najaarsbloemen;

Vertoon uw volk een big gelaat.

En doe van \'t sleepend feestgewaad De zoomen en de plooien Met munte en tijm bestrooien.

52

-ocr page 85-

HET ORANJEWATER. 53

Zie westwaarts! Hef uw oogen op

Tot waar ze ons duin aanschouwen!

De herfstwind waait, van \'s Blinkerds top.

Ons vaandel uit zijn vouwen;

Een daverend trompetgeluid Voorspelt u krijg noch oorlogsbuit,

Maar, naar uw stille bede De vruchten van den vrede.

Wat koningszoon, wat heldenbloed,

Wat middelpunt van zegen Trekt hier dees feestelijke stoet

Met vreugde en geestdrift tegen?

Een zachte blos op \'t lief gezicht.

Biedt hem een veertienjarig wicht\')

(Maar komt hem die te stade?)

Geen degen aan, maar spade.

Aanvaard dit teeken. Vorstenspruit,

Geboren tot regeeren!

Des werelds volken prijzen luid

Hen, die den arbeid eeren.

Verstrekke \'t, in Oranjes hand.

Aan Hollands volk ten onderpand,

Dat wie zijn akkers bouwen Te recht op hem vertrouwen.

Ja, drnve uw vorstelijke voet

Dit blinkend vredewapen Den koningschatten in \'t gemoet.

Die onder de aarde slapen;

Het wijs den weg in uwe hand Tot waar, van nacht bedekt en zand,

De zilvren stroomen wachten,

Die naar het daglicht smachten.

Houdt in, trompet en feestgedruisch!

En herfstwind, zwijg en luister!

Met murmlend onderaardsch geruisch

Verbreekt de bron haar kluister.

Daar welt zij op, hand over hand.

En stort haar spranken over \'t zand,

En blinkt ons tintiend tegen.

Een beeltnis van Gods zegen.

Ja, Bron van Goedheid, God! van wien _______De goede gaven komen,

\'I Sylvia Van Lennep, nu Baronesse Taets van Amerongen, jongste dochter van den onvergeteiyken Dichter van den lïollandschen Duinzang.

-ocr page 86-

HET ORANJEWATEK. — OPMERKING.

Gij doet ook dezen zegen zien Ook deze waatren stroomen, De wijsheid, die de bron ontdekt, Do kunst, die haar tot leidsvrouw strekt, Zijn goddelijke stralen,

Die uit Uw hemel dalen.

Van U is elke waterdrop,

Die neerzijgt uit de wolken. Die afruischt van des heuvels top.

Die opbruist uit de kolken; Wat steden drenkt, wat volken spijst. Waar zich een vorst om zalig prijst, Bij overvloed en vrede —

Gij deelt het alles mede.

o. Moge uw zegen, mild en rijk.

Met onverpoosde stralen,

In liefdeblijk op liefdeblijk

Op \'t minzaam voorhoofd dalen Van \'t vorstlijk kind, dat dezen dag Zijn naam aan waatren geven mag. Wier overvloedig vloeien Roos en olijf doe bloeien!

Barst los weer, blijde jubeltoon, En dreunt, gij feestbazuinen! Ja., klinkt en weerklinkt, vol en schoon,

Langs Haarlems grijze duinen! De donder van \'t geschut vermeld\' Aan stad en lande, bosch en veld. Dat hier de waatren vlieten,

Die naar den Amstel schieten!

Vloeit, heldre spranken, op den wenk

Van Willems zoon verkregen!

Bruist, als een koninklijk geschenk.

Zijn dankbre hoofdstad tegen;

Voert bloemen van gezondheid aan. Die frisch en vroolijk opengaan.

En laat uw zuivre teugen Het laatst geslacht verheugen!

OPMERKING.

\'t Uitvoerig Beeld voldoet niet recht,

\'t Moet voor een Omtrek wijken. Portretten lijken doorgaans slecht; De meeste Charges lijken.

-ocr page 87-

SIMON PETRUS.

SIMOls\' PETRUS.

Bevallig Meer, volschoon Gennesaret,

Dat, met een lach van moederlijk ontfermen.

Den jeugdigen Jordaan in \'t koele bed Ontvangt en streelt en ophoudt in uw armen.

Dan weer ontslaat en, met een stil gepeis. Van tusschen \'t groen, nog vroolijk na blijft staren,

Onwetend hoe hij, na een korte reis.

Het Meer des Doods in d\' open muil zal varen!

\'k Wenschte u te zien, stil, donkerblauw, en klaar In \'t diepe dal met effen golfjes vloeiend,

Geen windje met de ruige gersten-aar.

Geen tochtje met de wilde haver stoeiend,

Die aan uw zoom, met blont gebloemt vermengd. Op de akkers praalt, die in de glooiing hangen,

Waarlangs u beek bij beek de schatting brengt, Van trap tot trap in \'t vallen opgevangen.

\'k Wenschte u te zien, wanneer in \'t hoog gebergt De wind ontwaakt en uitbreekt door zijn kloven,

Door \'t oponthoud verbitterd en getergd.

Om met één vlaag u al uw glans te ontrooven,

Uw waatren op te jagen, dol van schrik En wit van schuim, dat opstuift van uw zoomen.

En uren ver, in \'t eigen oogenblik,

De roosjes knakt, die van geen onheil droomen.

\'k Wenschte, aan uw rand, te denken aan den tijd. Toen gij, omringd van dichtbevolkte steden.

Nog schooner dan gjj tegenwoordig zijt,

Geen graanoogst slechts uw oevers zaagt bekleeden.

Maar aan den wijn- de olijvenhof zich sloot. Het dadelbosch u schaduw toe mocht wuiven.

En \'t hart van maand tot maand werd uitgenood Op overvloed van vijgen en van druiven;

Toen \'t in uw kil, zoo stil en eenzaam thans, Bij nacht en dag van bruine zeilen krielde.

En \'s levens nood en de arbeidstaak des mans Uw oevers en uw watervlak bezielde.

Zoo heeft de zoon van Jona u aanschouwd. De visscher, aan uw boorden opgetogen,

Van jongs af met uw wateren vertrouwd,

Eu in gevaar, als de appel van zijn oogen.

Door God bewaard, die voor dit needrig hoofd Een last en, bij den last, een kroon bewaarde. Die (Simon! had uw hart het ooit geloofd?)

Eens sehittren zou voor hemel en voor aarde!

O, welk een dag, als, uit eens broeders mond.

Door \'t vurig hart de blijmaar werd vernomen:

55

-ocr page 88-

SIMON PETECS.

„De Christus, aan de Vaderen verkond,

De Christus, o mijn broeder! is gekomen;quot;

Als ge aan de hand diens broeders, vol ontzag Hem aanzaagt, die geheel uw ziel doorschouwde,

En in den zoon van Jona, reeds dien dag. Den Petrus zag, dien Hij hem maken zoude!

O, welk een dag, als ge aan diens broeders zij,

In \'fc stille meer het vischnet uit gingt strekken,

En \'t: „Visschers van de menschen zijt gjj mii!quot; \'t Ontroerde hart zjjn roeping moest ontdekken!

O, welk een dag, als, na een langen nacht Van ijdle moeite en arbeid en gevaren,

De morgenstond den Meester tot u bracht.

Om van uw boord de saamgevloeide scharen Te zeegnen met zijn woorden, enkel geest En leven, kracht en balsem voor de zielen.

Maar straks daarop u, bevende en bevreesd,

Voor d\' aanblik van zijn wondren te doen knielen,

Neen, als verplet terneer te werpen, van Een diep besef van schaamte en schuld verslonden —

„Heer, wijk van mij! ik ben een zondig man....quot; Zoo spraakt gij tot den Redder van de zonden.

Maar liet zijn hand niet varen. Ach, uw hart Was \'t Zijne alreeds, om nooit van Hem te scheiden...

Vaarwel, lief Meer! Dit afscheid baart geen smart, Uw zoon gaat waar hem Jezus zal geleiden.

Vaak zal hij nog, met Hem, u wederzien. Uw watervlak op nieuw zijn scheepken dragen.

Getuige van veel wondren. \'t Zal geschiên Dat Petrus in de branding zal versagen.

En Jezus sluimren; tot op eens zijn woord Uw golven, en den stormwind, en de zielen

Der zijnen stilt, en aan \'t bevredigd boord Slechts knieën vindt om voor Hem neer te knielen.

Haast.... Schriklijk is de nacht en hoog de nood. En Jezus ver. Hoe schuimen al uw baren!

Hoe dreigt en nijgt de ranke visschersboot Elk oogenblik den afgrond in te varen.

Een hoogste golf rolt voor \'t verschrikt gezicht Plechtstatig aan, omringd van hooge golven;

Haar witte kruin, verlicht door bliksemlicht.

Blinkt altijd uit, wordt nimmer overdolven.

Zij nadert.... Neen, dat is geen waterpluim.... De stormwind speelt met breede mantelvouwen ....

Een spook der nacht waart om door \'t brandend schuim.. Hoe gilt de vrees, dit vreeslijkste aan te schouwen!

„Hebt goeden moed!quot; zoo spreekt een dierbre stem: „Vreest niet! Ik ben \'t.quot; De vrees is weggenomen.

-ocr page 89-

simon petrus.

Het is de Heer. En Petrus zegt tot Hem:

,Indien Gij \'t zijt, zoo laat mij tot Ü komen!quot;

Een wenk! Hij staat op \'t om hem zwalpend nat. Een blik! Zijn voet zinkt weg; zjjn knieën volgen....

En, had de Heer zijn hand niet aangevat,

De Petra waar door d\' afgrond ingezwolgen!

Heeft Simon! in dien later nacht,

Toen ge, over dieper stroomen,

Tot Jezus wildet komen!

En ge andermaal bezweekt van kracht, Om andermaal te ervaren:

„Slechts Jezus kan bewaren,quot;

Uw hart aan dezen nacht gedacht?

Vergunden toon de weenende oogen Te denken aan dien nacht op \'t Meer,

Waar wind en golven uwen Heer Woest in quot;t gezegend aanschijn vlogen,

Maar zonder dat zijn oog of mond Zweem van ontsteltnis deed vermoeden.

Daar Hij als op een steenrots stond. Te midden van de watervloeden;

Te denken aan dien oogenblik

Van ontzetting en schrik.

Toen dondren en klateren Van bruisende wateren.

Gegons en gegier van een razend\' orkaan U den moed deed vergaan,

ü \'t geloof deed bezwijken.

En het beeld des Heeren wijken,

In wiens kracht gij slechts kondt staan!____

Ach, wat dwarling greep u aan!

Voor uw oogen, welk een duister!

Zie, hoe zwerk en water wielt____

Maar een blik straalt u toe, door de liefde bezield; Uit het diepst van uw hart rijst een heilzaam gefluister „Heer behoud mij!quot;.... Hij behield.

En ook later heelt Hij u behouden.

Met dien blik, die doordrong tot uw hart —

Ach, Hij wist wel dat ze vloeien zouden.

Deze bittre tranen uwer smart.

Tegen Hem zijn stormen losgebroken Woedender dan immer op het Meer,

Maar, zichzelf vergetend, heeft de Heer

U de hand der redding toegestoken.

Hij zal den storm niet doen bedaren.

Die thans Hem teerendrnischt;

-ocr page 90-

SIMON PETRUS.

Hij zal niet wandlen op de baren.

Wier barning om Hem bruist;

Straks overstelpen Hem de golven

Dier opgezette zee ;

\'t Gezegend hoofd wordt overdolven

Door \'t onuitspreeklijkst wee;

Straks sluiten over Hem de beken Zich dicht van dood en graf;

Maar, als Hij \'t hoofd weer op zal steken, Wischt Hij uw laatste tranen af.

Daar rijst de schoonste morgenstond, Die uwe bergen ooit verguldde.

Uw vreedzame oevers in het rond In rozengloed en paarlenhulde,

Of. op het aadmen van zijn mond, Uw tintelende golfjes krulde,

O Galiléa\'s lieflijk meer!

Uw borst gaat golvende op en neer,

Alsof zij klopt voor reiner sfeer,

Alsof zij trilt van hooger leven; Een ongelijkbre heerlijkheid Ligt op uw spiegel uitgebreid,

Alsof ge een zegen Gods verbeidt En aan voelt zweven;

Alsof gij van den reinen glans,

Die eens zal schittren aan den trans Der nieuwe hemelen, reeds thans Een zuivren straal hadt opgevangen;

Alsof gij waardig waart gekeurd,

Het heil, waarom de schepping treurt, Waarnaar zij reikende armen beurt,

Reeds nu te erlangen.

En immers mag u \'t heil geschiên, Den Heer der heerlijkheid te zien,

Wien de englen op gebogen kniên Verlangende ten hemel wachten (Want alle dingen zijn gereed)

Maar die nog eens uw zoom betreedt, Als Hij zoo menigwerven deed,

Bi) dag en nachten!

De volle gloed der heerlijkheid, Ten hoogsten hemel Hem bereid,

Waar Hem de troon der eeuwen beidt,

Staat nog te komen;

Maar op dit hemelschoon gelaat.

-ocr page 91-

SIMON PETRUS.

Blinkt van dien dag de dageraad. Die heel den glans vermoeden laat, Die uit zal stroomen.

Zijn Jongren zitten zwijgend neer.

Hun ziel gevoelt: „Het is de Heer!quot; Een vraag welt op, maar smoort zich weer; Zij wagen \'t niet een zucht te slaken;

Maar \'t hart slaat hoorbaar, klop voor klop. Hier is het als op Thabors top;

Alsof de Heer sprak: „Ik vaar op;

Ontziet, Mij aan te raken!quot;

59

quot;4 •j

Zijn blikken, die in \'t ronde gaan, Doen Thomas de oogen nederslaan: Johannes ziet hem vorschend aan; Nathanael zit opgetogen;

Maar Simon, zoon van Jona! Hij Wendt zich tot u. „Bemint gij mij?quot; Vraagt Hij tot driemaal toe; en gij ...

Toont weenende oogen;

Maar ook, een hart zijns zelfs bewust. Op zijn alwetendheid gerust. Een liefde, die zijn voeten kust, Met ootmoed en vertrouwen beiden. Welaan! Die liefde stelt in staat De kudde, die Hij achterlaat.

Voor Hem te hoeden en te weiden. En Hem te „volgen, waar Hij gaat.quot;

Simon, heeft voorheen U ons hart geprezen:

Deze liefde alleen Doet u Petrus wezen.

Deze liefde doet Wandlen op do baren;

Zonder overmoed Lacht zij met gevaren.

Zij zal, in haar kracht.

Over muren springen;

In den holsten nacht Blijde psalmen zingen.

Dat nu \'s vijands haat.

Volk en hoogepriester,

Dat des Boozen raad;

Sluwer steeds en driester.

,r

,ifc. ^ i

-ocr page 92-

60 OOG EN BART. — AAN MIJN VADER.

Deze liefde vrij

Aanval onder \'t wapen: Nimmer wankelt zij,

Nooit meer zal zij slapen, Nimmermeer vervaard

Wijken, vluchten, zinken, — Maar het vleeschlijk zwaard In de scheede klinken.

Deze liefde kent Eoem noch eigen krachten, \'t Oog omhoog gewend,

Durft zij hulp verwachten. Deze liefde, rein

Van \'t hoogmoedig eigen.

Stil voor God en klein.

Weet haar wil te neigen. Gordt zichzelv\' niet, laat Zich de handen boeien, Lijdt, en acht geen kwaad Zoo haar bloed moet vloeien.

Moet zij aan het kruis

\'sHeilands beker drinken, Uit des Vaders huis

Zal haar tegenklinken;

„Deze liefde moest,

„Uit de kroes des Heeren, „Zevenmaal getoetst,

„Zuiver wederkeei-en, „Om voorts onverdoofd

„Als een kroon te pralen, „Die op Jezus hoofd „Schittert met haar stralen.quot;

OGO EN HART.

Een blik, die tot in \'t binnenst ziet....

Ach, welk een gaaf voor u en mijl Mijn Heiland! geef me uw oogen niet. Of geef me uw hart er bij.

AAN MIJN VADER,

OP ZIJN T\\VEEËNZEVENTIGSTEN VEIUAARDAO.

NA DE AANVANKELIJKE HEU3ÏELLING MIJNEll MOEDER UIT ZWABK KRANKTE.

Het hart eens teedren echtgenoots Vreez\' voor zichzelf geen pijl des doods,

-ocr page 93-

AAN MIJN VADER.

Toch blijlt het beven:

Hij ademt voor een ander Ik,

En kan hij denken zonder schrik Aan dien ontzetbren oogenblik,

Als dat zal sterven, en hij leven?

De liefdeband, die nooit verslijt,

Klemt vaster na een langen tijd,

En wil niet breken.

Hoe siddren hart on ingewand Op \'t denkbeeld van de ijskoude hand, Die eens, door \'t slaken van dien band, Het levenzelf naar \'t hart zal steken!

Zoo iets, in \'s echtvriends trouw gemoed, Aan de oude liefde een nieuwen gloed

En kracht kan geven,

\'t Is dan, wanneer des Engels zwaard Een dierbre weerhelft tegenvaart.

En zij bedreigd wordt.... doch gespaard, Om als opnieuw voor hem te leven.

Hoe zevenvoudig zalig is

\'t Bezit, na \'t reeds gevoeld gemis,

De rust, na zorgen;

Hoe nieuw op nieuw \'t geluk voor \'t hart, Door persende angsten lang benard; Hoe lieflijk, na een nacht van smart, Het scheemren van een stillen morgen!

Hoe vrooljjk straalt, in zulk een licht, Uw opgehelderd aangezicht Thans in ons midden;

Mijn Vader! met hoe blijde een geest, Viert gjj den dag van dit uw feest. Die haast een treurdag was geweest — Waar onze God liet zich verbidden.

Hoe smelt mjjn ziel met de uwe, en prijst Een liefde, die haar macht bewijst.

Door dus te sparen!

Hoe veilig, wat de toekomst baar,

Steunt ons geloovig hart op haar.

Die u, na zesmaal twalef jaar,

De vreugd gunt van een zulk verjaren!

-ocr page 94-

VLEUGELS. - WKENT NIET OVER MIJ.

VLEUGELS.

Zoo gij mij boeien wilt en treffen

Door Poëzij,

Zoo dwing mij \'t oog omhoog te heffen:

Zweef hoven mij!

Van dichters wensoh ik liefst te ontmoeten

\'t Gevleugeld soort;

Beleefd wil ik ook de andren groeten; Maar pak mij voort.

WEENT NIET OVER MIJ.

Jezus wordt weggeleid:

Heilige Onnoozelheid!

Is daar geen deugd of eer Bij Jood noch Heiden meer? Is daar geen moed of kracht Dan hij de helsche macht? Druischt niet een enkle stem In tegen \'t: „Weg met hem?quot; Barst niet een menschlijk hart Los in een luide smart,

Uit in een rauwen gil?

Zwijgt ook de hemel stil? Valt, op dees onweersdag, Nergens een donderslag?

Gaat door de onreine lucht Zelfs niet een bange zucht. Die voor den Heiige spreekt. En de onschuld wreekt?

Jezus wordt weggeleid:

Heilige Lijdzaamheid! Gij droegt de doornenkroon:

Zij stond U schoon.

Gij torst het kruishout nu: Die last verheerlijkt U. Gij kunt niet schooner zijn Dan in uw hoogste pijn, Doende den diepen grond Van uwe liefde kond:

Maar wie heeft oog of hart Voor deze schoone smart? \'t Woedend gepeupel niet. Dat zijn profeet verstiet. Dat zijn onschuldig bloed Over zich komen doet.

62

-ocr page 95-

WEERHAAN-WIJSHEID.

Noch ook de krijgerstoet,

Die \'t plengen moet....

Stil! In dei- Vrouwen drom, Gaat een gemompel om:

Stil! Uit der Vrouwen rei,

Meldt zich een luid geschrei. Dat Jezus eer bewijst....

Hoor, hoe het rijst!

Jezus wordt weggeleid:

Heiige Barmhartigheid!

Minst over eigen smart Bloedt Hem het hart.

Als Hij de Sioniet\'

Over Hem weenen ziet,

Vall\' Hem zijn kruis ook zwaar,

Hij weent om haar.

Want, over kruis en dood.

Ziet Hij haar hangen nood, Hoort Hij haar jammerklacht. Radeloos voortgebracht:

„Heil der versmade maagd, „Die geenen man behaagt! „Zalig de dorre schoot,

„Nimmer van kinde groot! „Bergen verplet me vrij! „Heuvlen stort over mij!....quot;

En die ten kruisberg gaat Spreekt met een zacht gelaat: „Klagende Sioniet\'!

„Ween over Jezus niet;

„Maar zoo gij weenen moet, „Ween over eigen bloed;

„Stort om Jeruzalem „Tranen — met Hem!quot;

WEERHAAN-WIJSHEID.

Tempor! cedere — semper saplentls est habltum.

Oicf.ro.

„De ware wijsheid is zich naar de omstandigheden

Te schikken.quot; Dat \'s een spreuk van Romes redenaar. Dies diende, voor een tijd, Pompejus aangebeden.

En Cesar, na diens val, verheerlijkt; dat is klaar. Nu, \'t is ook veiligst bij den winnaar; en in zegen Wordt immers liever dan in nederlaag gedeeld? Een kroontje lacht het hart wel eens zoo aardig tegen, Als traan, of schaamteblos, die door de wangen speelt.

63

-ocr page 96-

64 WEERHAAN-WIJSHEID.

De Zon gaat op! Bid aan! — Zie, zie haar hooger stijgen!

Kraai al wat kraaien kan haar morgenglorie uit! -\'t Is avond, en zij daalt. — Zwijg! Wijzen voegt het zwjjgen. —

Zij zinkt, gaat onder! — Foei, nu dient zij uitgefluit. Op nachtuil, \'t is hoog tijd! — De Maan schijnt op te komen....

Is \'t Waarheid! Is zij vol? Wij smelten reeds in lof. — Zij naakt Orion. Hoe¥ Zjj schijnt zijn knots te schromen....

Haar wang verbleekt____Houdt op! Daar is geen levensstof.

Dus laken? — Niet zov snel! Daar is een soort van loven

Met laken ondermengd; waar past dat, zoo niet hier?

Zoek Nieuwland middlerwijl. Maar neen! de Maan haalt boven!

Weg, laffe starpoëet! Uw lichtheid deugt geen zier.

Lang leef de Maangodes! — Wel mag het haar bekomen;

Ziet gij dat wolkenheir? Haar neerlaag is gewis.

\'t Hukt aan, verdikt, verwint, heeft alles ingenomen....

Het rijk der Maan heeft uit. — Lang leef de Duisternis! Hoe was \'t ook mooglijk dat we aan \'t licht ons zoo verwenden?

Verblinding hield ons aan een ijdlen glans geboeid.

Verga en Zon en Maan en duizend Sterrebenden:

Het Duister is \'t alleen, waarvoor ons hart ontgloeit. Ach, zotte schouwburgpronk met gloed en straalgeflonker.

Die de oogen afmat en \'t gevoelig brein ontsteekt!

Hoe veilig tasten we om in \'t hartverkwikkend donker,

En knijpen wien \'t ons lust, terwijl geen schepsel \'t wreekt,. — Wat \'s dat? Een purpren gloed verschijnt aan de oosterkimmen;

De lucht wordt klaar en blauw. Wat of dat worden zal? Dat is „de blonde Auroor;quot; haar „rozenvingrenquot; glimmen....

Verwacht de Zon eerlang met schepter, kroon, en al! —

Dat \'s leelijk. Niet in \'t minst. Al toonden wij gehechtheid

Aan duisternis en nacht, wat maakt dat uit, gansch bloed! Belijd die dwaling met wat nagemaakte oprechtheid:

Die grijns is overal voorhanden, en staat goed.

Ach, \'t kost zooveel niet zich in \'s werelds spel te schikken.

Zoo knie en rug en tong maar meê wil, en \'t verstand Den juisten tact bezit der gunstige oogenblikken.

Het maakt u meester van de meesters van het land.

„Ja maar \'t geweten!quot; Wat geweten? Zulke dingen Zijn overbodig; moeit ge u daarmee? Lieve man!

Wat beeldt uw hart zich in? Wij zjjn geen hemelingen.

Maar nog op de aarde thuis. Daar gaat het.... zoo als \'t kan. Volhardt gjj? Ban u dan uit ome samenleving!

Gewetens zijn niet op de hoogte van den tijd.

Wij dulden veel; maar voor gewetens.... geen vergeving!

Zij zijn behoudend, achteruitgaand en, in spijt Der wetenschap, geheel niet vatbaar voor ontwikkelen.

\'t Geweten acht ik niet rein menschlijk; niet geschikt De menschheid op de baan haars strevens aan te prikkelen — „Maar God heeft, dunkt mjj toch....quot; Van God dient niet gekikt.

-ocr page 97-

JAARGETIJDEN. — OP \'T ZIEKBED.

Of wilt ge een God, en ons den waren godsdienst toonen,

Ze is liefde, en anders is \'t geen godsvrucht zoo \'t behoort. Wat zegt uw BybelV „Zoet en lieflijk is \'t dat zonen Van \'t zelfde huisgezin ala broedrenquot; en zoo voort. En daarom, plaag ons niet mee wat wij stelsels heeten;

Wees liefdrijk; geef en neem, en knel u in geen keurs,....

Dat is: Vertrap het Recht, om meer en beter te eten;

Verzaak Gewisse en God, maar nimmermeer uw Beurs.

JAARGETIJDEN.

(naar Ernst Florisj.

lenïe.

Onder vreugde en zoete smarten.

Scherts, gezang en minnekoozen,

Vluchten ons de schoonste weken.

Al wat bloeien kan, kan breken, Veldviooltjes, malsche rozen.

Blanke lelies, jonge harten.

zomee.

Drukkend is de heete lucht;

Dreigende onweers barsten los;

Donker kleurt zich veld en bosch;

Maar in stilte rijpt de vrucht.

herfst.

Koren hier, en ginder druiven,

Die tevreden is, is wijs;

Gaarne ziet hij, tot dien prijs.

Kleur en geur verstuiven.

win-.\'er.

Wordt u de aarde droef en duister: Zie omhoog naar \'s hemels luister.

Leer in grauwe windeldoeken Kiemen van nieuw leven zoeken.

OP \'T ZIEKBED.

Op \'t ziekbed dankt u. Heer! mijn lied,

Dewijl \'t een bed mag zijn;

Zoovele kranken hebben \'t niet;

Maar warm en zacht is \'t mijn\'.

-ocr page 98-

66 GEEN DEEL, MAAR \'ï GEHEEL. — EENVOUD.

Op \'t ziekbed looft u, Heer! mijn zang, Omdat een ziekbed leert;

Zooveel gezonden leefden lang.

Maar leefden lang verkeerd.

Maar wat, indien \'k ondankbaar was En morde en tegensprak?

\'k Verdiende dan dat \'k nooit genas. Maar sukklend bleef en zwak.

Heer, zoo gij \'t ziekvertrek ook nu Voor mij ten sclioolzaal kiest.

Vertoon mij dat een kind van u Daar nimmer bij verliest!

GEEN DEEL, MAAR \'T GEHEEL.

Een weinig menschenkennis schaadt

En werkt verbittring der gemoederen; Maar hebt gij ze in een volle maat. Zoo strskt zij tot verbroederen.

EENVOUD.

Wat elk behaagt op d\'eersten blik En aantrekt op den duur,

Is Eenvoud, wars van kwik en strik, Is Eenvoud en Natuur.

De Schoonheid spot met elk sieraad, De Waarheid evenzeer;

Zoo \'t eerbaar hart het reeds versmaadt, Het vrome des te meer.

De wereld heeft haar mommerij Zoo noodig als haar geld:

Een reine ziel is vrank en vry. En treedt in \'t open veld.

En laat zich tot den bodem zien. Gerust en zonder schrik,

Maar let op onbescheiden Hen, En weert ze met een blik.

Haar valt de zegen Gods ten deel; Dat \'s alles wat zij vraagt;_

En voorts bekreunt zij zich niet veel, Wien ze al of niet behaagt.

-ocr page 99-

8TIJ0, MAAR NIJG. — ZWIJGEN. — MORGENSTOND.

Tocli rust op haar, met stille vreugd

En zachten liefdegloed,

Het oog van ouderdom en jeugd, Die \'t Schoon vereert in \'t Goed\'.

STIJG, MAAR NIJG.

Laat niets uw ader stremmen,

Beek, zoo vol en klaar!

Niets uw vleuglen klemmen.

Moedige Adelaar!

Niets uw liedren smoren.

Zanger van het woud!

Niets uw werking storen.

Geest, zoo vrij en stout!

Oefen al uw krachten.

Neem uw steilste vlucht.

Waag uw zwanenschachten

Aan de hoogste lucht.

Spot met band en perken.

Die u \'t schepsel stelt....

Maar neig uw oogen, plooi uw vlerken. Waar zich de Heer der schepping meldt!

ZWIJGEN.

Gij ziet alleen maar moed, waar moedig wordt gesproken.

Leer, Justus! leer den prijs van \'t zwijgen ook vermoên; Daartoe heeit menigmaal aan sprekers \'t hart ontbroken; Ook zwijgen is somtijds een spreken en een doen.

MORGENSTOND.

Wat is er n:.et te hooren.

Wat is er niet te zien.

Bij \'t eerste morgengloren.

Als nacht en nevel vliên:

Van glansen, kleuren, stralen,

Die langs den hemel dwalen;

Van rozenroode wolken,

Die \'t oost en west bevolken;

Van beldre pareldroppen Op blaadren, bloemen, knoppen;

Van blijde vogelzangen.

Luidruchtig aangevangen.

Uit volle borst geslaakt....

Maar tot Arbeid is de mensch ontwaakt.

67

-ocr page 100-

HADELIEFJE.

Wat is er niet te ontwaren

In \'s harten diepsten grond,

Bij \'t opgaan onzer jaren,

In \'s levens morgenstond!

Te voelen, te beseffen,

Te gissen en te treffen.

Te zoeken, te verlangen, Te ontdekken, op te vangen, Te kennen en te smaken, Tot eigendom te maken.

Te droomen en te dichten, Te slechten en te stichten. Te ontginnen, nooit genoeg ...

Één ding is noodig, en dat Eene vroeg.

MADELIEFJE.

\'t Is Flora\'s p:ige: — In every place,

In every season fresh and lair, It opens with perennial grace, And blossoms everywhere.

J. Montgomeuy.

Spreid vroolijk, tusschen gras en kruid, Het hagelwitte kroontje uit,

Om \'t hart van louter goude!

Al valt ons \'t voorjaar schraal en ruw, Wat, Madeliefje, deert het u?

Gij zijt niet bang voor koude.

Gij wacht niet tot, met zomerpracht,

De, zon vroeg opstaat in haar kracht,

In \'t purperkleurig oosten;

Maar komt ons, needrig als gij zijt.

Van een gerekten wintertijd Met goelijk lachje troosten.

Als \'t Maartsch viooltje, dicht in \'t mos, In \'t warmste plekje van het bosch.

Zich huivrig aan komt melden.

Wast reeds uw knopje, rood als bloed. Het bibb\'rend paaschlam voor den voet,

In de on-beschermde velden.

Daar spoort gij, met ontploken blaan, De velerhande bloempjes aan,

Nog sluimrend of kleinmoedig.

Ze ontwaken lieflijk, een voor een.

En schittren vroolijk om u heen, —

Maar neigen \'t hoofd zoo spoedig.

-ocr page 101-

MADELIEFJE.

Zij neigen \'t hoofd, zoo jong en schoon, Hier pronkende met gouden kroon.

En ginds met bonte verven; Het blozende gelaat wordt bleek; En \'t oogje, dat zoo geestig keek,

Breekt, in een haastig sterven.

Maar gjj bloeit voort in \'t scheutig gras. Haast overdekt u \'t hoqg gewas.

Als pluim en aren zwieren.

De hooitijd komt: die pronk ligt neer.... Gijzijt er nog, gjj zijt er weer,

En zult het etgroen sieren.

Het etgroen, ja! en \'t laatste groen.

Laat vrij de najaarsstortvlaag woên.

De winterstormen naderen:

Glimlachend ziet gij \'t woeste spel, En groet den koristen dag nog wel, Van tnsschen gele bladeren.

Ik weet wie, in bevroren grond, In \'t zonnig hoekje u bloeien vond, Als sneeuw het veld reeds dekte; Ik weet, in wiens bezwijkend hart De les, die dus gegeven werd,

Een nieuwe veerkracht wekte.

O Leerzaam bloempje, laag benaamd. Gij maakt uitnemender beschaamd.

Door onuitputbre krachten.

Die needrigst leeft, leeft veiligst voort; En die zich aan geen tijden stoort.

Hoeft op geen plaatsen te achten.

De duinroos vindt men slechts op \'t duin; De heibloem, in \'t eentonig bruin;

De korenbloem, in \'t koren;

Geen smachtende vergeet-mjj-niet Dan tusschen lisch en oeverriet En waterkers verloren.

Der bloemen schoone koningin Ontziet zich met haar hofgezin

In \'t open veld te pralen;

Daar slechts in schauw van dicht geboomt. De balsemgeur ons tegenstroomt Van \'t lelietje der dalen!

-ocr page 102-

MADEI.IEFJE.

Maar gij, gij klimt den heuvel op, Ontplooit op \'t heideveld uw knop,

En siert des akkers zoomen; Gij spiegelt u in kreek en vliet;

En, in uw eenvoud, schroomt gij niet Den bloemhof in te komen.

Gij schuwt de schaduw noch het licht, Maar toont alom een blij gezicht;

Gij hebt geen zorg van noode; Een droppel regen, laat of vroeg, Een weinig zons is u genoeg. Een staanplaats.je op de zode.

Veel bloempjes kiest men om hun geur; Dit om zijn vorm, dat om zijn kleur;

Niet elk behaagt aan allen;

Maar gij, aan lof noch blaam gewoon. Uw zedig, uw bescheiden schoon Toont ieder welgevallen.

U mint niet slechts de schalke maagd. Die stil uw blaadjes ondervraagt.

Om \'t zoetst geheim te ontdekken; Maar ook de ziele, stil voor God, Waarin het voorrecht van uw lot Een weinig moed kan wekken.

U mint het hart, dat, vol en zacht,

Gods rijke schepping tegenlacht En \'t loflied uit doet vloeien; De wijze, wien gij ootmoed leert; De needrige armoe, die gij eert.

Door voor haar deur te bloeien.

ü mint een onbezorgde jeugd,

In \'t gras, met koninklijke vreugd.

Haar boersche kransjes windend; En \'t weesje, vreemd aan spel en lust, Ter stille plek, waar moeder rust, U altijd wedervindend.

\'t Weemoedig schaapje, in de open hei, Het veulen, dartiend door de wei,

Vei-heugt zich u te ontmoeten, En \'t bijtje, dat uw honig ruikt.

En in uw open hartje duikt.

Om liefde en lust te boeten.

-ocr page 103-

aBES ORGELTOON, MAAK UW PERSOON. — KEN ROOS.

ü mint al \'fc dichterlijk gediert: De leeuwrik, dien gij \'t nest versiert

En naoogt ondev \'t steigeren; En ik, wien ge, als ik eens Toer al U door mijn snaren vlechten zal, Geen wedermin zult weigeren.

GEEN ORGELTOON, MAAR UW PERSOON.

Uw verzen komen tot mijn ooren.

Maar \'k_ hoor een mond, geen mensch daar 0, geef mij ook den mensch te hoeren,

Opdat ik hem bemin!

EEN ROOS.

Hoe lieflijk staat een frissche roos In d\' open hof te pralen.

En vangt in d\' opgebarsten knop

Zoo menig heldren dauwdrop op En duizend zonnestralen.

Nu laat ze eens op den morgenwind Het hoofdje achtloos wiegelen;

Dan hukt zij, om in \'t vijvornat.

Dat kabb\'lend om haar voetjes spat. Het lief gelaat te spiegelen.

En straks vergeet zij paarlenkroon En zachtgebloosde wangen;

Staat stil, en luistert, en gevoelt

Wat gindsche nachtegaal bedoelt. Met zijn verliefde zangen.

Niet anders bloeit een prille maagd, In d\' ochtendstond- van \'t leven.

Ach, pluk de tengre roos niet af,

Noch doem haar, in kristallen graf Te prijken en te sneven!

„Maar zooveel vrijheid! Dreigt zij niet Met onverwacht verleppen?quot;

Neen, lucht en vrijheid zijn gezond;

Wijd slechts uw zorgen aan den grond. Waaruit zy kracht moet scheppen.

-ocr page 104-

AAN EENE JONGE DICHTERESSE .

AAN EENE JONGE DICHTERESSE.

(SEDEBT OVERLEDEN.)

Zeg uw gedachte, zing uw lied,

Laat ons uw gansche ziel vernemen,

Eer u een engel Gods gebiedt

Uw steilste vlucht te nemen!

Zet voor den opgezetten vloed De sluizen van den boezem open;

Vergun een uittocht aan den gloed,

Eer u zijn vlammen sloopen!

Laat op dit voorhoofd, rein en schoon, De flikkring van den dichtgeest stralen, Op \'t fijn albast der maagdenkroon

\'t Verhoogde blosje dwalen!

Laat, laat een vonk van \'t heilig vuur, Dat hart en bloedstroom houdt bewogen, Ons tegentintlen in \'t azuur Van die zoo zielvolle oogen.

Is poëzie een gaaf van God, Een godenspijs voor menschenharten, Een teug van hooger zielsgenot.

Een laafdrank, in hun smarten:

0, pleng dien, pleng dien, stört hem uit. Laat in ons hart dien nectar glippen. Op \'t klinken van irw zilvren luit. Op d\' adem van uw lippen!

Wij zullen, met verrukt gemoed. Uw godgewijde tonen vangen;

Wij zullen drijven op dien vloed.

Van maagdelijke zangen;

Een bleekte, een blos, een traan vooral. Een blik zal onze erkentnis toonen.

Maar eerbewijs en lofgeschal Uw zedigheid niet hoonen.

Geen weelderige mirtekrans,

Van dartlen rozengeur doortrokken.

Durft naadren tot den kuischen glans,

Die afstraalt van uw lokken;

En ook de lauwer cwage \'t nooit Zich tot een kroon voor \'t hoofd te strengelen. Dat met een schoonheid is getooid. Verwant aan die der engelen.

Ook zien we een trek op dat gelaat. Een glimlach om die lippen spelen.

-ocr page 105-

TEK BRUILOFT VAN MOEDERS TROOST.

Die ons bekommerd hart verstaat,

En vruchtloos wil verheelen. Nog raakt uw voet een nietige aard. Nog zweeft gij, troostende, in ons midden, Maar uw verhaaste hemelvaart Zal niemand lang verbidden.

O toef, vertoef nog, neem geduld! De dag, van God bestemd, zal komen. Eerst moet wat zulk een hart vervult

Van zulke lippen stroomen.

Doorzuiver onze onreine lucht Met galmen van verheven zangen ....

Klep dan uw vleuglen. neem uw vlucht, En boet uw heet verlangen.

TER BRUILOFT VAN MOEDERS TROOST \').

Was op mijn versleten luit

Slechts één snaar gebleven,

Kon die snaar slechts één geluid

Stervend van zich geven.

Klinken moest van daag die toon,

Daar ik deze huwlijkskroon Om dit hoofd zie zweven.

0 gewis, het speeltuig, dat

Al zyn melodieën lleeds voor u ten beste had,

Op uw moeders knieën,

Galmt voor u, geliefde Bruid!

Galmt vanzelf een feestzang uit,

Wacht op geen gebieën.

Duldt gij, brave Bruidegom,

Trotsch op uw vriendmne!

Dat men thans haar spreken kom

Van een oude minne,

Van een teedren liefdegloed,

Zestien jaren aangevoed,

Groot van den beginne?

Dat \'s de liefde van mijn hart.

Voor uw uitverkoren,

Die de kracht der jaren tart,

73

Die geen tijd zal smoren;

i) zie Dl. II. bl 31—33.

-ocr page 106-

74 ter bruiloft van moeders troost.

Bruidjelief, ziedaar de gloed, Die vandaag in mijn gemoed Dubbel op komt gloren.

Dubbel — Maar waartoe? Mijn kind,

Kan uw oogje \'t vragen?

Om den bruigom, die u mint,

\'t Harnas aan te jagen?

Ach, dat pogen ware omzonst,

Daar uw hartje voor hem bonst, Tot zijn laatste slagen.

Neen, indien wat onverpoosd

Mij het hart deed blaken.

Dezen dag voor moeders troost

Krachtig op komt waken.

Beste Bruigom, \'t is alleen Om voor haar geluk mijn beên Vuriger te slaken.

„Baat eens dichters heilwensch veel?quot;\')

\'k Durfde \'t nooit betoogen;

Maar de Bruid zal \'t tegendeel

Niet beweren mogen.

Wat haar zestien jaar geleên.

Door mijn zang werd toegebeên, Is haar toegewogen.

„Liefde, vreugde, zegen,quot; werd

Rijklijk haar gegeven.

Deed wel ooit een groote smart

\'t Jeugdig hartje beven?

God heeft haar met teederheid Langs een zachten weg geleid, Tusschen rozendreven.

Zie de roosjes ook eens aan,

Die, bij elk ontwaken,

Frisch en vroolijk opengaan

Op haar zachte kaken;

Zie dien heldren zonnegloed.

Die haar oogjes stralen doet.

Om elks hart te raken.

Zie die lipjes, fijn en schoon,

Steeds ten glimlach vaardig. Gravende in haar malscho koon

M Zie t. a. p. bl. 33.

-ocr page 107-

TER BRUILOFT VAN MOlfDF.RS THOOST.

Kuiltjes, diep en aardig;

Zie dat voorhoofd enkel glans,

Niet versierbafi.r door een krana. Maar den sclioonsten waardig.

Dus is moeders troost altoos

Moeders troost gebleven;

In haar hand een frissche roos,

Haar van God gegeven;

Lieve ster, in iedren nacht,

Lach, te midden van de klacht,

Leven van haar leven.

Blijf, o blijf het, lieve Bruid!

Want gij kunt het blijven.

Mag de bede, die ik uit,

Door Gods gunst beklijven. Kom, herstel u van den schrik,

Ziet ge ook in dit oogenblik Stille tranen drijven.

Kan zich \'t moederlijke hart

Niet geheel verkroppen.

Daar is zooveel vreugd als smart

In dees kostbre droppen;

Voelt zij slechts, bij \'t scheiden gaan. Tegen haren boezem aan d\' Uwen rustig kloppen.

\'t Scheiden wordt welhaast verzoet,

\'t Leed is ras vervlogen.

Zoo maar steeds een zelfde gloed

Tintelt uit uw oogen.

Zoo maar de eigen gulle lach.

Na als vóór uw huwlijksdag.

Haar houdt opgetogen.

Zoo maar op uw lief gezicht,

Zij het ook in smarten.

Steeds de glans des vredes ligt

Der voldane harten;

Zoo ze u maar een wisslend lot, Met een kalmen blik op God, Onbevreesd ziet tarten.

Zoo ge in de armen van uw vrind

Uw geluk blijft roemen. En, beminnende en bemind.

Vruchten plukt na bloemen;

75

-ocr page 108-

zelfcritiek. - aan mijne eohtgenoote.

Zoo zij, door haar moedehs troost Ras een haar gelijkend kroost,

Naar haar naam hoort noemen.

Lieve, lang geliefde Bruid!

Storte God dien zegen,

Naar zoo veler wensohen, uit

Op uw hoofd en wegen!

Lache, als van uw vroegste jeugd, Bij uw lieflijkheid, uw vreugd En geluk ons tegen!

En gij, Bruidegom! Aanvaard

Wie wij allen minnen;

Zij is de uwe, wees haar -waard;

Wijd haar hart en zinnon;

Wees haar vreugde, steun en trots, Leid met haar den zegen Gods Uwe woning binnen!

ZELPCRITIEK.

Hier dient de zedigheid bestreden; Zij vonnist zonder recht of reden; Zij geeft een valsch getuigenis.... Toch heeft zij \'t altijd juist niet mis.

AAN MIJNE EOHTGENOOTE,

Met een bloemstukje uit Spa medegebracht, voorstellende witte rozen.

Bloemen uit Spa,

quot;Van den rand der fonteinen,

Zachten en reinen.

Breng ik mijn Ga.

Zoo zij ze ziet Met iets teêrs in haar blikken,

Meerder verkwikken Kan zij mij niet.

Strooide maar steeds,

Op haar wegen en paden.

Bloemen en bladen Nicolaas Beets.

76

-ocr page 109-

VOLKOMENHEID. — WEDERZIEN.

VOLKOMENHEID.

\'t Genie maakt nog den Kunstnaar niet,

Al grijpt het naar zijn liroon.

Wien voegt zij clan dien godenzoon, üie in de Krifott

de Maat betracht, Nauwkeurigheid in \'t Schoon?

WEDERZIEN.

(naar Ernst Floris).

Bij \'t kruis op den heuvel, daar buigt zich

\'Een zwerver en leunt op zijn staf;

Daar ziet hi;, met tranen in de oogen,

In het dal op de woningen af.

Ja, dat is zijn dorpje, dat gloeiend

Zich uitbreidt bij \'t avondzonrood!

Nog eens mag zijn voet hot bereiken. Nog eens mag hij \'t zien voor zijn dood.

Daar staat nog het kerkje op de hoogte.

Zoo net en zoo wit als weleer;

Slechts werden de linden wat zwaarder; Slechts werden de graven wat meer.

De oude put is bezocht als tevoren;

Moeders huisje kijkt uit tusschen \'t groen; Aan wie of het thans mag behooren?

Wat of zij daarbinnen wel doen?

Daar is veel dat gansch nieuw is geworden;

\'t Jong geslacht eischt verandring en plaats Het verbouwt zich de dorpen tot steden, En verandert de stilte in geraas.

Zie, het beekje ruischt over zijn keitjes. En het kronkelt zich zachtjes en zoel, \'t Waren eenmaal geweldige waatren Voor het kinderlijk droomend gemoed.

Ach, de bergen, de bosschen, de velden.

Ze zijn allen gering nu en kleen;

Ook zoo krimpt voor veroudrende harten Elke vreugd en verwachting ineen.

-ocr page 110-

78 DE LEIDSCHE VtSSCHEIl EN HET HAARLEMMER HEER.

Zie, de huisman keert weer van den akker,

\'t Wachtend kroost kent zijn stap en zijn stem. Ook de huismoeder treedt op den dorpel.... Hij herkent haar, maar niemand kent hem.

DE LEIDSCHE VISSCHER

EN

HET HAARLEMMER MEER,

IN 1852.

Nu is het Meer niet meer;

Het moet zijn water missen;

Het krijgt het nimmer weer —

En nog wil Caubes visschen.

Het wilde-andijvie-kruid

Schudt overal zijn stengelen.

En strooit zijn pluizen uit —

En nog wil Caubes hengelen.

Het koolzaad zal eerlang

Hier veld bij velden kleuren;

Het ploegpaard komt te gang —

En nog wil Caubes peuren.

Haast hoort men hier alom

Het kraaien, tokken, kakelen Van \'t bonte hoenderdom —

En nog wil Caubes schakelen.

Och Caubes! \'t Is gedaan;

De hekken zijn verhangen!

Daar is in \'t Meer voortaan Voor u slechts slib te vangen.

* Het beweerde recht der stad Leiden op den droogvalleaden bodem van het meer, op grond van haar recht van visscherij, en de daarover gevoerde procedure gaven aanleiding tot dezen mijnen Ulden Haarlemmer-Meer-Zang, na den I8I,,,. in 1839, en den IIdfquot; in 1850. Zie op blz. 29, 30 van het IIJ\' en 60, 61 van het voorliggende Dl.

Caubes is min of meer de Leidsche uitspraak van den in die stad onder de peueraars niet ongewonen naam van Cobus, verkort voor Jacobus.

Het wilde-Andijvie-kruid.

De bodem van het Haarlemmer Meer kwam nauwelijks boven, of hij was ook op vele plaatsen als overdekt met Cineraria palustris,

-ocr page 111-

waarschuwingen. — herinnering. 79

Moeras-Asohkmid, dat reusachtig opschoot, rijk bloeide, en zijn zaadpluis op den wind ver en wijd overal bü wolken henonzond, ja tot in Amsterdam verspreidde. De polderlieden noemden deze plant Wilde Andijvie, wegens de gelijkenis van het blad.

\'i Bonte hoenderdom.

„Dit kleine notabel stukje zal ik hier nog bij verhalen, dat men vermoedt, dat de eieren van de hoenderen en eenden in de Beemster thans meer opbrengen dan te voren al de visch, die in de Beemster werd gevangen.quot;

Leeghwater, Haarlemmermeer-ioelc (1641) Uitgave van van Hasselt, 1838, bl. 29.

WAARSCHUWINGEN.

Pluk rozen naar uw lust, en laat het boompje snoeien; Hoe meer gij snoeit en plukt, te milder zal het bloeien.

Maar laat geen ruwe hand in \'t plukken kracht gebruiken; Want die de wortels ophaalt, doodt de struiken.

En die de struiken doodt, heeft weinig recht tot toornen. Zoo hij zijn vingers kwetst aan scherpe doornen.

HERINNERING.

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongske! u vergeet, Schoon reeds ten derdemaal, de herfstwind, in zijn waren. Uw grafje onkenbaar maakt met afgescheurde blaren, En immers, sinds een tweetal jaren,

Een dochtertje in ons huis uw leege plaats bekleedt.

Neen, ducht niet dat uw beeld terugwijkt uit onze oogen,

Te midden van de vreugd, die thans ons hart vervult, Waaraan we op nieuw. Godlof! van blijdschap opgetogen. Een aardig wichtje drukken mogen ....

Neen, ducht niet, dat gij ooit vergeten worden zult.

Der oudren hart is trouw: het laat zijn kroost niet varen.

Al ofifren zij het Gode en leggen \'t welgemoed Terneer in \'t donker graf, om voorts omhoog te staren;

Geen nacht des doods, geen macht der jaren,

Scheidt hen volkomen van hun bloed;

Geen nieuwe vadervreugd, geen andre moedersmarte.

Geen goddelijke troost, geen bovenaardsche vreê

Verdooft zijn beeltnis in dat harte,

Dat nooit zijn kindren telt, of telt de dooden mee.

Ach, \'twas me een zware gang, toen \'k, met een hart vol tranen. Uw dierbaar lijkje bracht, waar \'t rusten zou in de aard.

-ocr page 112-

HEKINNEBING.

Hoe lieflijk was die plek, door eikjes en platanen En bloeiende kastanje omschaduwd en bewaard!

Hoe lieflijk was dat uur. Het zonlicht was aan \'t dalen,

Maar deed zijn ondergaande pracht.

Met tintiend rood en goud, door \'t dichte lommer pralen, En wierp zijn laatste en schoonste stralen In de open grafkuil neer, waarin gij werdt verwacht.

Ik ben op \'t kerkhof thuis; \'k heb in die twalef jaren.

Waarin ik voeren mocht den herderlijken staf.

Er beurtelings in ieder graf Met velerlei gedachten moeten staren;

Ik wacht er al de dooden af;

En immer was \'t mij goed, in \'t wachten op een doode.

De groene heuvlen rond te gaan,

Bij menig harde zerk en menig zachte zode

Herin\'rend, peinzend, stil te staan.

Ik zwierf er veel, en lang met ongewisse treden;

Niets dan \'t geval alleen bestuurde er vaak mijn voet ;

Maar, sinds dien avond, spreekt het bloed.

En gaat dat kerkhofhek niet open voor mijn schreden. Of \'k weet, waar ik het eerst mijn schreden wenden moet.

Dat hek.... Mijn kind! Wanneer, bij schoone zomerdagen. Het lied des nachtegaals tot over \'t kerkhof klinkt. Uw moeder uitlokt om te hooren wat hij zingt.

En ze aan mijn zijde treedt langs bosch en doornehagen: Als zij dat hek genaakt, hoe zie ik haar meteen

Reikhalzend gluren door de reten,

Of zij, door \'t hooge gras en \'t lage lommer heen,

Een blik mocht werpen op den steen.

Dien wij zoo wel te vinden weten.

Dan gaan wij zwijgend voort. Een zucht mag ons ontglippen;

Doch geen van beiden spreekt, zij soms de lust ook groot. Maar eindlijk.... \'t Is genoeg! Uw naam moet van de lippen,

Uw naam, mijn lieve naamgenoot!

Dan schetsen we ons uw beeld, in \'t spelen, staamlen, koozen, In dartle kindervreugd of ongestoorde rust, Dat zachtblauwgt;oog vol liefde en levenslust,

Die wangen frijsch als lenterozen,

Dien mond, die stervend nog ons handen heeft gekust.

En \'s winters, als de storm daar buiten

Door witbesneeuwd geboomte vaart.

En \'t ramm\'len van de vensterruiten Ons, met ons lief gezin, een dichten kring doet sluiten Rondom den huiselijken haard;

Als wij, omringd van al de spruiten,

Ons door de goedheid Gods gespaard —

-ocr page 113-

HET KRUIS. — I.IBD.JR. gj

De jongste op^ moeders schoot, een andre aan haar voeten Op \'t kleine stoeltje neergehuRt Een derde aan vaders hart gedrukt —

Niets dan erkentnis wezen moeten Voor wat ons oudrenhart verrukt;

Dan gaat wel nooit het oog, met innig welgevallen,

Van blij gezicht tot blij gezicht.

Of \'t hart gedenkt n, dierbaar wicht!

En zegt: Ziedaar zijn plaats; hier is hij uitgevallen.

Dan stijgt in moeders oog wel vaak een stille traan,

En vaders stem verflauwt, te midden van \'t verhalen;

Zijn kroost ziet hem verwonderd aan,

Onwetend dat hij denkt, hoe thans de bleeke maan Uw graf verlicht met koude stralen,

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongske! u vergeet Maar gij, gedenkt g;i in dat Eden,

Waar gij, in Jezus arm, van smart noch tranen weet. Nog soms — ik zeg niet aan ons leed —

Maar wel aan onze teederheden ?

Daar weet gij met wat liefde ons hart u heeft bemind;

Een liefde, die u \'t heil der heemlen niet benijdde;

Maar, als uw Heiland riep, bedroefd en nochtans blijde,

Tot u kon zeggen: Ga, mijn kind!

HET KRUIS.

Met begrijpen zal \'t niet gann: Grijp het onbegrepen aan.

LIEDJE.

Als ik een woord van wijsheid wist.

Ik zou het gaarne spreken.

Om vroom bedrog en achterlist Den buigbren nek te breken.

Bezat ik kracht van scherts en luim,

Die zette ik graag op renten,

Voor die ons altijd schuim voor kruim En schijn voor wezen venten.

Zoo mij een tuchtroe waar bedeeld.

Zij zou de schouders streelen Van \'t nietig volk, dat altijd speelt, En kibbelt bij zijn spelen, m. «

-ocr page 114-

82 ONTDEKKINGEN. — MEDEHHOEUER.

Had ik den toon van d\' echten troost,

Straks werd die aangeboden Aan wie vergeefsche zuchten loost, Kn roept tot valsche goden.

Maar wist mijn keel een lofgezang

Behoorlijk aan te stemmen,

Ik nam een kaars en zocht zoo lang, Tot ik aan \'t hart mocht klemmen

Een man, die, aan beginsels trouw

En zonder blaam of vreezen, De opgaande zon niet eeren zou. Noch heden noch nadezen.

ONTDEKKINGEN.

Ik vond een man, een man van staal,

Een man van stalen moed.

Een man van onvermengd metaal — En toch van vleesch en bloed.

Ik vond een man, met ijs omschorst.

Voor lof- en naspraak koel —

Maar, in het binnenst van zijn borst Vond ik een warm gevoel.

Ik vond een man, ten strijd gereed.

En vaardig toe te slaan —

Maar, schoon hij van zijn wang niet gleed. Zag \'k in zijn oog een traan.

Ik vond een man met vrijen nek.

Van eedlen geest bezield —

Juist kwam hij uit zijn bidvertrek:

Hij had voor God geknield.

MEDEBROEDER.

AmUsbroeder — Foei! dat \'s stijf en koel! Slechts Medebroeder toont gevoel. Oprechtheid, warmte, liefde, vrede,

\'t Komt alles met dat Mede, mede.

-ocr page 115-

AAK EENE ACHTTIENJARIGE.

AAN EENE ACHTTIENJARIGE.

November brengt geen malsche rozen,

Geen zilverblanke lelies aan,

Dan die op maagdenwangen blozen En op haar voorhoofd opengaan.

Hij draagt een krans van gele bladeren Op lokken, haavloos en doorweekt. En \'t hart van \'t laatste bloempje breekt Op zijn onstuimig naderen.

Toch viert ge uw jaardag, lieve sohoone! Door storm noch regenvlaag bedroefd.

Gerust dat gij noch bonte krone Noch groenen bladerkrans behoeft.

Toch brengen we u een handvol bloemen, Maar bloemen van een andre gaard, Dan die de herfstwind vaagt van da aard. En koel tor dood durft doemen.

Wij brachten gaarne \'t allen tijde Ons kransje aan een frissohe jeugd,

Die in haar jonkheid zich verblydde Met tintelende levensvreugd;

Maar vlochten onze schoonste rozen Het liefst om dat gezegend hoofd. Dat vroeg in hooger vreugd geloofd En \'t beste had gekozen.

Aandoenlijk straalt, bij hooge jaren. Beproefde godsvrucht met haar licht

Om \'t zilver van besneeuwde haren En eerbiedwaardig aangezicht;

Maar waar wij bruine of blonde lokken. Een voorhoofd zonder kreuk of voor Zien glinstren van dien zachten gloor, Hoe wordt daar \'t hart getrokken!

Daar zijn juweel noch goudglans noodig, Noch paarlen, kwistig uitgestort,

De bloemkrans zelfs is overbodig En deed aan \'t zedig schoon te kort.

Een reine blik uit zielvolle oogen, Een glimlach van \'t gerust gemoed Toont daadlijk den geleenden gloed Zijn blinkend onvermogen.

Melieve, daar we uw jaarfeest vieren, Eén wensch is \'t, die ons hart vervult:

-ocr page 116-

SCHEIDING.

Dat altijd u dat schoon moog sieren, Dat siert en geen versiersel duldt.

De f\'rissche roos der maagdenkoonen,

Wat is zij bij dien zachten gloed, Die uitstraalt, waar in \'t stil gemoed Geloof en liefde wonen?

Een ijdle jeugd is \'t eerst geweken, Onzuivre weelde snelst aan \'t end;

Vergeefs gepoogd door duizend treken, Een sclioon te redden, dat zij schendt!

Daar is geen schoonheid meer beveiligd, Daar is geen langgerekter jeugd.

Dan die bewaakt wordt door de deugd, En die de godsvrucht heiligt.

De lelie zal niet haast verwelken.

Schoon ook de hitte \'s middags prangt.

Die \'s morgens vroeg in de open kelken Den koelen dauwdrup rijklijk vangt;

Maar als de morgenwind de droppen Uit speelschheid wegkust van de roos. Dan duurt de vreugde een korte poos: Haast kwijnen bloem en knoppen.

O lieve Lelie, die onze oogen Aanschouwen in haar morgenstond.

Van zuivren hemeldauw betogen.

Drink aan dat vocht uw hart gezond!

Streelt de uchtendkoelte ook u de bladeren. Bewaar uw schat, bewaar uw hart. En laat zijn adem, tot uw smart. Dat heiligdom niet naderen!

Ontplooi, bij \'t brandendst middagstralen, Geheel uw stille bloesempracht;

En, waait een stormwind door de dalen. Buig neer met ootmoed, rijs met kracht!

Vervul de lucht nog van uw geuren.

Als de avondzon m \'t westen blinkt; God zal u, waar zij nederzinkt.

Zijn bloemhof waardig keuren.

SCHEIDING.

Onze wegen scheiden,

Maar ons hart blijft een; Immers is ons beiden Eéne hoop gemeen;

-ocr page 117-

OVERGANGEN.

En de dag zal komen,

Ia reeds in \'t verschiet,

Die ons vereent met alle vromen. En voor altijd te zamen ziet.

Onze wegen brengen Over berg en dal,

Naar het God gehengen

En besturen zal;

Liefde doet ze kronkelen,

Maakt ze ruw, en vlak; Tot waar wij \'t vredig licht zien vonkelen, Van onder \'t veilig vaderdak.

OVERGANGEN.

Ach, hoe vele Groene, gele.

Bruine, roode.

Bontgekleurde,

Halfverscheurde,

Levend doode,

Zwartgevlekte,

Met het stof des wegs bedekte,

Dorre blaan Kraken op de wandelpaS,n!

Zie ik omhoog:

Kaalheid en naaktheid en dood treft mijn oog; Hoekige takken en knoestrige armen,

Sprokkels, geschikt om den haard te verwarmen, \'t Ledige nest in den schuddenden top;

Maar aan de twijgen de wordende knop.

Heden, stormen, aarde en zee beroerend,

Morgen, regens alles met zich voerend,

Heden, luchten, ondoordringbaar grauw, Morgen, nog een plekje waterblauw;

quot;Nog een zonnelonkje, nog een lachje, Toegeworpen aan \'net krimpend dagje.

Maar dat treurig wegsmelt en vergaat.

Als een glimlach op een krank gelaat

Nog weinige dagen Van vlagen en buien,

Uit zuien En westen, met gieren en jagen.

Met bla^.Pn

-ocr page 118-

VOLUrTAS FLENU1. — KKN NEDERLANDSCH LIED.

En woelen,

En joelen En razen ....

En \'t Noorden laat zijn adem voelen, l)ie machtige adem overwint. Het tierende oproer is bezworen; Uit onrust wordt de rust geboren; De winterslaap der aard begint.

Haar slaap? Haar dood;

Dus naakt en bloot Ter prooi gegeven Aan de ongena van koude en vorst, Die \'t hart doet stilstaan in de borst, En toornig optrekt tegen \'t leven.

Maar neen! de hoogste goedheid waakt. De hulp genaakt,

Zoo trouw als teeder.

Een donzen vlok, een zachte pluim (Een zweemsel van bevroren schuim).

Daalt dwarlend neder.

Straks volgt haar uit de grauwe lucht Een dichte vlucht.

Met zwervend zweven.

Gij weet niet of zij naakt of wijkt;

Maar als zij eindlijk nederstrijkt,

Is \'t koestrend winterkleed geweven.

November.

VOLUPTAS-FLENDI.

Wat \'s de schoonste en zoetste traan. Die u do oogen kan doen schitteren V Waar een edelmoedig hart Krimpt van onverdiende smart.

Zonder te verbitteren.

EEN NEDERLANDSCH LIED.

O Nederland, mijn Vaderland!

Hoe fier staat, aan uw roemrijk strand,

De oude leeuwbanier geplant,

Door Belg, noch Frank, noch Brit te rooven. Hoe sierlijk prijkt, op \'t spits der lans. De onschendbre hoed des vrijen mans, Omslingerd met een lauwerkrans —

Oranje Boven!

86

-ocr page 119-

kopeken bruiloft.

Ü Nederland, mijn Vaderland!

Kén naam, één roem, één eendrachtsband

Omsnoert uw burgers hand aan hand,

Bij vrije vaart 3n volle schooven:

Hollandia, Zelandia,

Met Frisia, Brabantia,

Sticht, Oversticht en Gelria —

Oranje Boven!

O dierbaar erf, gehaald uit zee!

Wat vijand dreige aan grens of ree,

Gij kent de spreuk: „je maintiendkaiquot;.

Den moed door tijd noch lot te dooven, \'t Bloed, dat zoo dikwijls heeft gevloeid, Dat voor uw eer en vrijheid gloeit.

En gaarne „uw laatste schans besproeitquot; — Oranje Boven!

O Nederland, mijn Vaderland!

Doe Nassaus oud verbond gestand.

En stel uw lot in Godes hand,

Wien, als de vaadren, \'t kroost moet loven, Blijf trouw en edel, vroed en vroom,

Rust waakzaam, zonder blaam of schroom. Bij uw Oranje- en Vrijheids-boom —

Oranje Boven!

\'s Konings Verjaardag.

KOPEREN BRUILOFT.

AAN AliElDE.

Ach, melieve, welk een feest! Welk een vreugde voor de harten. Die, in voorspoed on in smarten,

Steeds gezegend zijn geweest.

Door de liefde van dien God,

Die de schaal houdt van ons lot.

Ach, melieve, welk een dag!

Daar we een zestal frissche spruiten In de minnende armen sluiten.

Met een stillen, dankbren lach, Waar een traan zich mee vereent, \'t Lieve jongske nageweend.

Ach, melieve, welk een dank. Welk een schaamrood nederknielen Voor den Herder onzer zielen;

Welk een davrend lofgezang!

-ocr page 120-

SUUM CÜIQUE. — JAN. — MEIZANG.

Hij schonk liefde en overvloed,

Gaven, krachten, troost, en moed.

En, te midden van \'t genot,

Hoeft de boezem voor zijn ooren Deze bede niet te smoren:

.Spaar onz\' echtknoop, machtig God! „Spaar de kindren! Schend, o Heer! „Onzen sehoousten krans niet weer.quot;

4 Maart 1853.

SUUM GUI QUE.

(naar Rückert.)

Bloem der Amandelen!

Gij vliegt de Lente voor en, op haar naadreu,

Bestrooit gij \'t pad, waar langs haar voet zal wandelen.

Aanvallig Klokje!

Van \'t sneeuwkleed, dat van de aarde is opgenomen, Zijt gij teruggebleven als een vlokje.

Bedeesd Penseetje!

Gij zegt: „De Roos zal komen als ik weg ben.quot;

Goed dat zij komt; maar blijf nog maar een beetje.

Gij zijt, te midden Der zustren, de priestresse, zilvren Lelie!

Wanneer zij godsdienst houden en aanbidden.

Maar, Lelie-stengelen!

Voor onze ruikers zijt gij niet geschapen;

Uw plaats is in de handpalm van Gods Engelen.

JAN.

Jan was ter preek bij Dominus Vcrschrimp.

liet stuk was „wel doorwrochtquot;, en wol verdeeld in deelen; Maar Jantje zei: „Wat kan \'t mij schelen?

„Heel fijn gekorven; maar niet krimp!quot;

MEIZANG.

aan maria.

Nu zich het aardrijk opendoet Tot vroolijk groen en blijde knoppen, Nu voel ik ook in mijn gemoed De dichtaftr weder kloppen.

-ocr page 121-

IN MEI.

Nu \'t nachtegaaltje wederom Ken lied zingt in den hagedoren, Ku blijf ook ik niet langer stom,

Maar hef weer aan als voren.

Maar \'t eerste liedje dat ik slaak, Maria! moet uw ooren treffen:

Het is een lang beloofde zaak,

En die ik graag vereffen.

Wat zing ik, daar het roosje knopt. En gouden regens en seringen En mei met bloemen staan gepropt, En allo vogels zingen?

Wat denk ik. als ik donk aan u,

Die \'k als achtjarig kind reeds minde, En als volwassen jonkvrouw nu Met min beminlijk vinde?

Ik denk aan deze\' uw lentedag,

Dees schoenen voortijd van uw leven: Geniet hem, daar aw hart het mag; Hij is van God gegeven.

Pluk rechts en links zijn bont gebloemtj En hoor den wildzang onder \'t lommer; De reine vreugd, waarop hij roemt. Aanvaard ze, vrij van kommer.

Aanvaard ze, met een blijden geest, Als uit de goede hand des Heeren: Een dankbaar hart geniet het meest. En kan het best ontberen.

Gij weet: een lentedag is kort;

Zijn weelde telt maar weinige uren; \'t Gezang verflauwt, quot;t gebloemte dort; De liefde Gods zal duren.

IN MEI.

Laat mij rusten aan uw boezem. Schepping Gods

in lentedos, Met dien krans van appelbloesem. Met dien zachten rozenblos!

-ocr page 122-

steenvruchten. —

Dat uw glimlach, dat uw blik,

Dat uw adem mij verkwikk\',

Dat uw stem mij toe koom üuisteren, Waai- ik eeuwig naar wil luisteren.

Van mijns levens lente spreekt gij. Lentevreugd

der blijde Jeugd!

U bemin ik nog, al weekt gij; Gij verheugt zoo lang gij heugt.

Van de lente mijner Min Vlecht gij zoete woordjes in,

Van de bloemen, die nog geuren, Al verschoten ook haar kleuren.

Maar uw zachte fluisteringen.

Hemelzoet

Voor mijn gemoed,

Kaken goddelijker dingen Dan gij zelve smaken doet:

Van een lente, die niet vlucht,

Van een eeuwge balsemlucht.

Waar de rozen nimmer dorden.

Lelies nooit bezoedeld -worden.

\'k Zag u, in mijn winterdroomen,

Met uw krans,

in vollen glans Uit de sneeuw te voorschijn komen.

Even heerlijk, docht me, als thans; Maar waar blijft mijn schoonste droom, Daar ik u te aanschouwen koom? Zeg mij. zal ik ook zoo spreken.

Als die lente ine aan zal breken\'?

STEENVRUCHTEN.

Gij zegt; Uw verzen hebben pit. Ik noem \'t een steen, wat daarin zit! Kn wien het kraken moog behagen, \'k Zal mijn gebit er niet aan wagen.

AAN MIJNE MOEDER.

Ach Moeder, welk een dag van diep en droef ontroeren, Als eensklaps, onverwacht, met donderend gedruisch, De koets, bestemd u uit ons midden weg te voeren, Aanrolde, naderkwam, en stilstond voor ons huis.

aan mijne moeueu.

-ocr page 123-

VERPOOZING. 91

\'t Portier gaat open, en de tree wordt neergelaten.

Hoe klinkt die bel en breekt de harten van uw kroost! Uw gade staat en weent; maar zucht noch tranen baten: Gij kleedt u tot den tocht, en spreekt een woord van troost.

Reisvaardig, neemt gij, met het oog op God geslagen,

Een moedig afscheid van \'t verslagen huisgezin;

Betreedt het voorvertrek, ziet voerman, paarden, wagen .. , Maar wacht tot hooger wenk u zeggen zal; Stijg in!

Die wenk blijft achter, üur aan uur vervult zijn ronde. Met pijnlijk wachten, hoop en vreeze, moed en angst. Uw afreis blijft bepaald, maar onbepaald haar stonde.

Ons voorwerp steeds van schrik, ü, dikwijls van verlangst.

Op eens, wat ommekeer! Het rijtuig, weggereden.

Haalt vrienden, zusters af, bestemd u voor te gaan. Uw diepbedroefde kring omhelst u wel te vreden; Gij glimlacht, maar met ernst, en — houdt het reiskleed aan

VERPOOZING.

\'t Bezig leven sleept mij voort Met zijn last en lusten;

Laat mij, in dit lieflijk oord. Van mijn zorgen rusten!

Vriendschap opent mij dees deur, Tusschen loof en bloesem;

Rozen van den zoetsten geur Draagt zij aan haar boezem.

Onder \'t half verborgen dak.

Lachen vreugde en vrede.

Zoo mij hier een doren stak, \'k Bracht dien zelf dan mede.

Voedsel zal hier aan \'t gemoed Noch den geest ontbreken.

Waar men van \'t waarachtig Goed, \'t Echte Schoon kan spreken.

\'t Woord des Heeren vind ik hier Tot mijn troost en stichting;

\'k Breng er zelf een deel of vier Waarheid en verdichting.

Mooglijk wordt een enkle maal Eigen dichtgeest wakker.

-ocr page 124-

NIELS STOCKFLETH.

Als ik langs het mastbosch dwaal Of den boekweitakker.

Mooglijk... maar geen plannen, neen!

Thuis moog \'t werk mijn lust zijn; Kusten kom ik hier alleen;

En de rust moet rust zijn.

NIELS STOCKFLETH,

PREDIKANT IN FINMARKEN.

Geb. 1787. Overl. 1863.

BKIEF AAN KEN AMBTSBROEDER.

Collega, \'k hoor u somtijds zuchten Dat gij een standplaats hebt,

Waarin uw ziel, bij weinig vruchten,

Nog al mishagen schept.

De menschen wilt gij niet betichten; Zij meenen \'t wel met u;

Al vallen zij om u te stichten Wat onbeschaafd en ruw.

Tien jaren bobt gij reeds gesleten In wat ik nu en dan

Het eind der wereld hoorde heeten;

Ook heeft het daar wat van.

Want als de klei tot over de ooren U overdolven heeft,

Of ge in den vloed zit vastgevroren, V/ie weet er of gij leeft?

Wat mij betreft... „Gij hebt mooi sprekenquot;, Voorzie ik dat gij zegt;

„Die in zoet Hollands schoonste streken Uw tent hebt vastgehecht;

En die, vervelen u de boeken En hoornen altemet.

En hof- en hoofdstad kunt bezoeken, En gaan nog thuis te bed.quot;

\'t Is waar; de hemel zij geprezen!

Ik kan licht dankbaar zijn.

En uw vertrooster moeilijk wezen.

Al doet uw lot mij pijn.

Ik spaar u dus mijn wijze lessen,

Mnnr wil, zoo gij \'t gehengt,

-ocr page 125-

NIET.S STOCKFI.KTH.

Collega Stockfleths werkkring schetsen; Zie zelf waartoe dit brengt.

Collega Stockfleth is te vinden —

Maar wie bezoekt hem ooit? — In \'t woest gebied der noordenwinden,

Met enkel sneeuw bestrooid,

Zijn oog wordt niets dan wildernissen

Met boom noch struik gewaar,

En moet ook zelfs dit uitzicht missen,

Twee maanden van het jaar.

Want dan vergeet ten eenemalen

De zon dit aaklig oord,

Waar ze anders nog wat bleeke stralen

Door mist en nevel boort.

Genoegzaam om te doen gevoelen,

Hoe naar het schouwspel zij Van grijze rotsen, bruine poelen.

Gemonsterd op een rij.

Wie onzer kan zich denkbeeld vormen

Van dien gerekten nacht, Als onophoudelijke stormen Betoonen al hun kracht.

De jachtsneeuw giert, de stortsneeuw dondert,

En. zij ook \'t haardvuur heet,

Geen mensch zich van den rijp verwondert Aan deur- en vensterreet!

Dan worden, voor zijn vuur gezeten,

En luistrend naar \'t geweld.

De lange jaren, hier gesleten,

Door Stockfleth nageteld.

Dan mag hij mijmren aan de dagen

Van \'t schoon en drok weleer.

Die hem den degen voeren zagen Voor \'t vaderland en de eer.

Dan mag hij, als \'t uitzinnig tieren, \'t Geraas, \'t gejoel, \'t gegons,. Het beurtlings schor en gillend gieren

Hem wakker houdt op \'t dons.

Bij \'t flauwe lamplicht om zich staren,

Te midden van \'t gedruisch.

En denken aan die vóór hem waren Bewoners van dit huis.

Als hij, het heilig ambt bekleedden Met onbeneveld hoofd,

-ocr page 126-

MIELS STOCKFLET11.

Tot eenzaamheid en aakligheden Hen hadden uitgedoofd;

En die, als tintelende vonken

In grauwende aseh versmoord,

Tot zinloosheid zijn weggezonken,

In dit afgrijslijk oord.

Collega Niels heeft zijn gemeente, En toont het metterdaad,

Voorzeker lief tot in \'t gebeente.

Daar hij haar nooit verlaat;

En \'t zegt niet weinig: stompe Finnen En Lappen, vuil en dom,

Een reeks van jaren te beminnen In naam van \'t christendom.

Collega Stockfleths combinatie Sluit half een Neerland in:

Zijn kudde is een geheele natie,

En alles Lap of Fin.

Hier hoort men somtijds wel eens klagen „Dat huisbezoek valt zwaar!quot;

Maar zoo wij Stockfleths arbeid zagen. Wij onderdrukten \'t maar.

Laat ons hem volgen op die reizen. Van ijskoud oord tot oord! —

Daar zit hij neer in zijn gepeizen; Het rendier trekt hem voort.

Reeds gaat de tocht met trage stappen, Want nacht en duister daalt;

De grove tent der grove Lappen Wordt voor den dag gehaald.

Men veegt terzij de losse vlokken; Men strooit den grond met rijs;

Men spant het doek op negen stokken, Naar Finniaansche wijs.

In \'t midden zal het haardvuur branden; Eeeds maakt de rook begin;

En Stockfleth kruipt op knie en handen Den lagen kegel in.

Het reisgezelschap volgt die schreden, Geen naam van schreden waard,

En slaat op kruislingsche onderleden Een cirkel om den haard.

Straks zal de houten lepel rondgaan En, dank zij \'t heilig vuur!

-ocr page 127-

NIELS STOOKFLETH.

Met vloeibre sneeuw van mond tot mond gaan, Voor langer d^n een uur.

Terwijl die nectar :dch laat pooien,

Ligt, bij denzelfden gloed.

Een groot stuk rendiervleesch te ontdooien,

Dat aanstonds dienen moet.

De kousen \') hangen vast te drogen.

En benglen, van haar staak, Den drinkenden voor neus en oogen;

Maar dat doet niets ter zaak.

Koude en vermoeidheid zijn vergeten.

De dorst in \'t eind gelescht;

Men spitst zich slechts op \'t keurig eten.

En glimlacht al zijn best.

„God zij voor \'t warme huis geprezen!quot;

Roept ieder blij te moe;

En Stockfleth zegt, met minzaam wezen, Er bibbrend „Amenquot; toe.

De rook, het vuur, \'t getrouw betasten.

De tong van \'t hondenpaar Zal ras een eind doen zien aan \'t vasten —

Het oogenblik is daar!

Een Lap neemt aan het vleesch te hakken;

Hij knielt, de bijl rijst op ....

En, eer de grage honden \'t pakken.

Vliegt stuk bij stuk in \'t sop.

Nu doet men \'t vuur verdubbeld knappen.

Nu wordt de gloed een hel,

Tot groot vermaak der kleine Lappen

En van hun vetleêr vel.

Collega zou \'t zich minder troosten,

Zoo wijken mooglijk -waar;

Maar laat in \'s hemels naam zich roosten, Een roemloos martelaar!

Zoo hij maar eens zich om kon wenden,

Zi]n gloed was ras gebluscht;

Dat voelen zün bevroren lenden.

Waarop net tentdoek rust.

Maar vleesch en soep zijn naar behooren;

Elk prijst de lekkernij;

Den Pap2) is zelfs een brood beschoren; Een mes en vork daarbij!

\') Eigeniyk de homogen; een soort van wijde laarzen, die tot over de knlcün reiken, en met zncht gras aangevuld zijn.

-) Predikant.

95

-ocr page 128-

NIKLS !5T0CKFr.KTn.

En is ile maaltijd afgeloopen

En (jode dank betaald.

Dan fluks den pelszak ingekropen,

De deken opgehaald:

Men strekt zich boogsgewijze neder,

Gelijk gestopte worst.

En elke Lap legt trouw en teeder \'t Hoofd onder \'s buurmana borst.

Zoo slaapt men, onder \'t dak van lijnen \'),

Gezellig en gerust,

En laat het flakkrend vuurtje kwijnen,

Of uitgaan, naar zijn lust. De morgendisch vereischt geen stoken,

Voor d\'onverweekten Lap;

Toch zal men rnooglijk nog eens poken, Ter eere van den Pap.

\'t Gebed gedaan, \'t ontbijt genoten:

Do vrienden raaken haast. Het retulierspan dient opgestooten.

En wie weet waar het graast?

Het vee te zoeken staat den Lappen

Op vrij wat zweetverlies;

De Pap, door heen en weer te stappen.

Zorgt dat hij niet bevriez\'.

In \'t eind, de dieren en de mannen

Staan hijgende in het rond;

Nu wordt er ijlings ingespannen.

En men vertrekt terstond.

Door sneeuw- op sneeuwveld gaat het verder Met klinglend belgelaid.

Het zweetend schaap, de koude herder, Elk in zijn berenhuid.

Maar de Opperherder in den hoogen

Ziet op die sledevaart Gewis met welgevallige oognn;

Want Hem zijn lief en waard De liefde, die de sneeuw durft tarten

En in geen ijs bevriest,

\'Jü

\'t Geloof, dat ook in Lapsche harten Zijn waarde niet verliest.

\') Hjnen = linnen. Vergeiyk: lijnwaad.

-ocr page 129-

BLOEIENDE UNDE.

BLOEIENDE LINDE.

Diep dringt do -wortel door,

Die \'t oog ontvlucht;

Hoog stijgt de stam hervoor,

Hoog in de lacht.

Ver breiden, met een zacht ontfermen. De takken, als weldadige armen,

Zich over \'t lager groeiend kruid.

Naar alle zijden, liefdrijk uit.

De koele schaduw strekt nog verder.

En lokt de kudde met den herder,

Des middags, op den zoom van \'t bosch. Ter sluimring uit in \'t koele mos.

Maar hot verst reikt do geur van de geurige bloesems. Die de twijgen bezaaien, omlaag en omhoog. Zij verbergen zich needrig en zedig voor \'t oog.

Maar verkwikken veel hoofden en zalven veel boezems. Arm en rijk vangt dien geur, en bij dag en bij nacht Wordt de linde gezegend en dank toegebracht.

\'t Blind en hulpbehoevend zieltje,

Lang van \'a levens last vermoeid,

Ruikt hom bij haar spinnewieltje:

,Kindertjes! de linde bloeit!quot;

Op hot ziekbed neergezegen,

Haalt het teringachtig wicht Dezen geur nog eens terdegen

Op, en lacht met bleek gezicht.

Voor haar open venster, staken (Komt hy ook hun neusjes raken)

Broertje en zusje \'t vroolijk spel.

De oudste heft zich op de teenen,

Gluurt vernoegd naar \'t bedje henen:

„Zusje!quot; vraagt hij, ,ruikt\'gij \'t welVquot;

Zelfs de ruiter, op de heiden,

Waar de geur hem tegenvaart.

Kort den teugel, stuit het paard,

Om het plekje te onderscheiden.

Waar de balsemwolk van stijgt.

Die zoo koestrend nederzijgt.

Als hij, met geslaakte toornen,

Toestapt op de lindeboomen.

97

Zien zijn bruine wangen bleek:

7

in.

-ocr page 130-

ükes engel.

Beelden uit het diepst verleden,

Enkel liefde en lieflijkheden.

Maken hem den boezem week.

Onder \'t lommer zit de Wijze,

Met den leerling aan zijn voet,

Starende op den achtbren grijze,

\'t Oog vol eerbied en in gloed.

Naar den blondgelokten schedel

Wordt de stramme hand gestrekt; \'t Voorhoofd streelt zij, breed on edel, En de geest wordt opgewekt:

„Dring diep door, eedle geest!

Om te steiler te stijgen.

Maar hoe hooger gij reest,

Leer des te lager, in liefde, te nijgen Tot wat, zwak en beproefd, Uw bescherming behoeft.

En haar inroe})t met hopen en zwijgen.

Vermenigvuldig m verbreid

Uw kracht, mv werk, uw zegen;

Maar glimlach zacht een lijdend menschdom legen Ver reikt de liefde, verst met lieplijkueid.quot;

Juli.

GEEN ENGEL.

Gij zijt geen engel, maar een mensch, Mensch vol bekoorlijkheden;

Een engel heb ik nooit aanschouwd.

Een mensch, als daar ik u voor houd, Maar zeldzaam op zien treden.

Gij zijt geen engel, maar een mensch, Waar menschen roem op dragen;

Een menseh aantreklijk, geestig, goed,

Met helder hoofd en rijk gemoed. En \'t oog omhoog geslagen.

Gij zijt geen engel, maar een mensch, Al hebt ge een englenharte;

Al hebt ge eens engels hulp en troost

Beschikbaar, waar een menschlijk kroost üen doren voelt der smarte.

Gij zijt geen engel, maar een mensch: O neem geen englenwieken!

-ocr page 131-

VOLKSLIED. — CJEES GENADE. — HET IIAARLESIMEItMKEK DROOGGEMAAKT. 99

Maar wond uw voet vaak naar mijn deur, En laat mijn huis den nardusgeur Van uwe liefde rieken.

VOLKSLIED.

Wij zijn kindren van ons land,

Vrije Batavieren!

Bloemen van den waterkant Ons den hoed versieren.

\'t Water dreigt, maar krijgt ons niet.

Achter onze dijken.

En de verste zeeplas ziet Onze vlaggen prijken.

Dankbaar dienen we onzen God,

Eeren onzen Koning,

Slechts op trouw aan \'t hoogst gebod

Wachten wij belooning.

Helden zijn wij voor het recht,

Kiet in \'t oproerschreeuwen Aan de Oranjevaan gehecht, Nederlandsche leeuwen.

GEEN GENADE.

A.

\'t Is waar, hier is een glasruit stuk,

En daar is een deur, die niet sluit;

Maar \'t gansch. gebouw is heerlijk....

B.

Neen!

\'t Steekt te hoog boven de anderen uit.

IIEÏ HAARLEMMERMEER DROOGGEMAAKT.

1853.

Nu, kom eens uit uw graf\'.

Gij puik der Molenaren,\')

\') Dat. In dezen mijn IVden Haarlemmermeer-zang (zie Nr. I, II en m op bl. 12y. 30 van het Ilde en op bl. 60, 61 en lOö, 7 van het voorliggende Dl.) met het puik der Molenaren, de oude liypamp;he Molenaar van den lilden bedoeld wordt, de man die In 164:1 het eerste plan tot droogmaking van het H. M. heeft ingediend, behoeft evenmin hier opgemerkt te worden als dat de woorden: Znia haast uiv long gezond Aan de uiers van de koeien, aan het krachtige vers van Vuiidol „Op het Uitmalen van het Haerlemmermeir, aan den Leeuw van Hollnntquot; (1612) ontleend zijn.

-ocr page 132-

UOEM. — GENOT.

En zak liet Zuider-Sparon Eens in een schuitje af!

Nu, klim dien dijk eens op! Gij hoeft niet meer te vragen; Uw vijand ligt verslagen,

öw zielsvreugd stijgt ten top.

Nu, geef van vreugd een schreeuw, Nu, schud uw manen statig; Uw fierheid is rechtmatig, Oud-Hollands trotsche Leeuw!

„Zuig haast uw long gezond Aan uiers van de koeienquot;,

Uie \'t luid triumflied loeien Op d\' overwonnen grond.

Geluk, mijn Vaderland!

Geluk, geluk, mijn Koning! Volharding vindt belooning. Volharding en verstand.

Gij rukte \'t zwaard niet bloot; Gij liet het in zijn scheede;

Gij hebt in vollen vrede Uwe eer en erf vergroot.

Heb dank, almachtig Heer!

Uw gunst mocht ons bestralen; Gij deedt ons zegepralen; Aan U-alleen zij de eer.

Blijf die ge ons zijt geweest;

Bestel het zaad den zaaier.

Een dubble\' oogst den maaier,

Heel \'t volk een dankbren geest!

1.

KOEM.

Wat \'s aardschc roem? \'t Vermolmend hout. Pat in den nacht der wereld lichtte.

Maar, bij den dag van \'t jongst gerichte, Als morsig vuilnis wordt beschouwd.

11.

GENOT.

Aai-dsche lust is haast genoten; Wijn is \'t, op een zeef gegoten.

Fit het H®o^duitsch.

100

-ocr page 133-

UIT MOEDEKS NAAM.

UIT MOEDERS NAAM.

TER BRUILOFT MIJNER JONGSTE ZUSTER.

liet is niet om de vreugd te storen, Die voorzit aan dees blijden disch.

Indien zich hier de stem laat hooren Der Moeder, die afwezig is;

Niet om een wolk van smart te brengen, Waar alles licht en glans moet zijn.

En in den feestelijken wijn Een bittren drop te mengen.

Laat, lieve Bruid! dat traantje blijven,

Dat uit uw oogje dringt en breekt;

Om uit uw hartje \'t weg te drijven.

Ziedaar waarom nw Moeder spreekt.

Het laatste rimpeltje moet wijken Van \'t voorhoofd, dat een bruidskrans tooit — Kom, laat uw Moeder, nu of nooit.

Hot van uw slapen strijken.

Gij weet toch, lieve! dat uw rozen Voor haar geen doornen zijn van smart.

Of slechts met fletse verven blozen,

Voor quot;t uw gemis betreurend hart.

Betreurend? Neen! dit is geen treuren.

Pees zachte weemoed baart geen pijn: Wie op die wijs bedroefd mag zijn,

Blijf ik gelukkig keuren.

\'t Is waar... Maar waarom toch dit schreien? Ik schrei niet daar ik tot u spreek!

\'t Is waar, hier is een moeilijk scheien;

Maar is uw Moeders hart zoo week?

\'t Is waar, hier rijzen vele zorgen:

Maar lieve, hebt gij niet bemerkt Hoe God uw Moeder heden sterkt?

En zal Hij \'fc ook niet morgen?

Hoog zijn mijn jaren, klein mijn krachten, \'t Geschokte lichaam krank en broos,

Mün dagen lang gerekt, mijn nachten Maar al te dikwijls slapeloos.

Veel troost, veel vreugde neemt gij mede ... Doch wij genoten veel en lang;

Uw waar geluk eischt al mijn dank.

En was altijd mijn bede.

101

-ocr page 134-

UIT MOËDERS NAAM.

Uw trouwdag heb ik vaak verschoven;

^ Mijn stervensuur scheen zoo nabij;

En zou ik nu mijn God niet loven,

__Die hem doet opgaan, ook voor mij?

Zijn wijsheid riep van uit ons midden Een ander dierbaar leven af;

Maar ik raag, op den rand van \'t graf, Zijn goedheid nog aanbidden.

Aanbidden, ja; en met u allen

Op luiden toon Hem danken, dat Hij nog zoo schoon een straal laat vallen

Op \'t haast voleindigd levenspad. Kom Bruid! dit traantje zy het leste! Wij weenen niet; wij zijn verblijd; Wij willen dat gij vroolijk zijt,

Wij zijn het zelf, mijn beste!

Niet -waar, mijn Gade! wij zijn blijde.

Wij zijn het beiden, gij en ik?

Wij juichen op dit feestgetijde;

Het is een heilig oogenblik.

Lang kondt ge aan dezen dag niet denken, Of dacht uw lijdende Eega dood;

Maar God, mijn dierbare Echtgenoot! Wilde ons dien samen schenken.

Komt, laat ons Hem vereenigd prijzen,

En voorts getroost zijn in ons lot!

Door duizend gunst- en trouwbewijzen

Blijft hij een algenoegzaam God.

Laat ons do lieve Dochter zegenen Voor al de vreugd ons aangedaan,

En haar met moedig hart ontslaan. Met helder oog bejegenen.

Laat ons den braven Bruigom toonen,

Hoe gansch volkomen ons gemoed Hem opneemt bij ons viertal zonen. Hem liefheeft als ons eigen bloed;

Laat zijn gevoelig hart niet lijden.

Geen oogenblik benepen slaan.

Als deed hij daar een misdaad aan,

Zich zichtbaar te verblijden.

Komt, Zoon en Dochter! komt, knielt neder!

Hier is uw Moeder in den geest.

Hier is dat hart, zoo trouw en teeder. Dat oog, dat in uw boezem leest.

-ocr page 135-

VLEKKEN IN DE ZON. — JONGEI.INGSCHAP. lOéi

Hier is haar moederlijke zegen!

Aanvaardt dien, Hij zal met u gaan,

En (hechte er God zijn zegel aan!)

Op blijde en conkre wegen.

VLEKKENquot; IN DE ZONquot;.

De zon heeft vlekken; dat is waar, Maar wordt ook luid genoeg verkondigd.

Zij is \'t getroost. Dit spijt haar maar: Er wordt zoo vreeslijk op gezondigd.

JONGELINGSCHAP.

Treedt vroolijk, treedt met fierheid op, Rechtaardê Jongelingen!

En plukt den schconsten rozenknop. Waarvan de dichters zingen.

Voor u is \'t, dat hij geurt en gloeit, ^

Met droppels van een dn uw besproeid. Die op de blaadren wiegelt,

quot;Waar zich Gods zon in spiegelt.

Treed vurig op, treedt moedig voort, Van God geschonken Zonen!

De lauwer, die uw oog bekoort.

Zal u den schedel kronen.

Tast toe; hij strekt zich naar u uit!

Het glinstrehd zwaard, de zilvren luit, Zoo machtig in uw vingeren,

Wil hij met loof omslingeren.

Treedt lachend op met scherts en zang. En siert do gouden lokken

Met eppenloof en wingerd-rank. Van mirtegeur doortrokken.

Gevoelt het bruisen van uw bloed,

De spanning van uw kracht en moed. En laat de zucht tot daden Zich in uw blik verraden.

Maar houdt den boezem onbesmet. En treedt op reine wegen.

Hebt eerbied voor des hemels wet, Behoefte aan \'s hemels zegen;

Beheerscht u zeiven; hebt de kracht

-ocr page 136-

drie jongelingen. — „met zen achten.quot;

Te huivren, waar de zonde lacht,

Don moed om God te vreezen,

Om kuisch en vroom te wezen.

DRIE JONGELINGEN.

(Naar Uhland.)

Drie jongelingen togen dwars over den Rijn;

In gindsche kleine herberg, daar moeten zij zijn.

rLaat proeven, kasteleinse! uw besten wijn en bier.

En breng ons zonder dralen uw mooie dochter hier!quot;

„„Mijn bier en wijn, mijnheeren! zijn krachtig, frisch en klaar; Maar ach, mijn mooie dochtertje, ligt op de zwarte baar.\'\'quot;

i)e knapen traden binnen, en maakten geen gedruisch;

Daar lag het mooie dochtertje, in \'t enge planken huis.

En de eerste jongling rukte den hoofddoek snel omhoog. En zag het mooie dochtertje.... Een traan blonk in zijn cog.

„Ach, waart gij blijven leven,quot; zoo sprak hij, „beeldschoon kind „\'k Had van den dag van heden u teer en trouw bemind!quot;

De tweede jongling haalde den hoofddoek weder neer, En keerde zich naar \'t venster toe, en weende zoo zeer:

„Ach, ligt gij daar ter neder, mijn allerliefste schat!

„Ik heb zoo menig jaartje u teeder liefgehad.quot;

Dc derde heeft den hoofddoek weer spoedig weggerukt,

En op haar bleeke lippen een stijven kus gedrukt:

„U minde ik jange jaren, u min ik ook nog nu.

„Mijn lief, mijn uitverkoren! voor eeuwig min ik u.quot;

„MET ZEN ACHTEN.quot;

(naar Wordsworth).

Wat kan, in \'t Gooi, een schuldloos kind, Met rozen op de frissche kaken,

104

Daar \'t niets dan leven in zich vindt, Van dood of sterven maken?

t Een meisje trippelde aan mijn zij Van zes, of mooglijk zeven, jaren:

-ocr page 137-

If MET ZEN ACHTEN.quot; 1U5

Wat schitterde dat, oog-je blij Van onder \'t zwart der haren.

Een aardig- lachje, zacht en schoon,

Ontblootte hagelwitte tandon.

En vormde een kuiltje in iëdre koon.

Wat bruin van \'t zonnebranden.

,,\'k Vroeg: „Met hoe velen zijt gij wel?quot;

Ze liet niet lang op \'t antwoord wachten.

Maar vroolijk keek ze, en zeide snel;

, „We bennen met zen achten.quot;quot;

„Zoo!quot; zeide ik, „dat \'s een heel gezin;

„Dan zult ge de oudste wel niet wezen?quot;

, „Neen, krek de jongste,quot;quot; viel zij in;

„„Maar ik kan toch al lezen.quot;quot;

„En wat doen de andren ?quot; vroeg ik. „ „Tweequot; quot;

Was \'t antwoord (kort, om tijd te sparen):

„ „Twee onder dienst, en twee naar zee,

„ „En een woont heel te Baren.

„ „Twee liggen er op \'t kerkhof neer,

„„Het eene een zusje, \'t andre een broertje; „ „En alder-aldernaast, mijnheer!

» „Daar woon ik met mijn moertje.quot;quot;

„Twee onder dienst, en twee naar zee,

„Een heel te Baren — \'t is geen reisje!....

„Maar gij telt ze allemaal nog meê,

„Niet waar, mijn beste meisje?quot;

„ „En dan de twee op \'t kerkhof nog!

„ „Want wij zijn met zen achten, weet u?

„ ,U ziet die hooge boomen toch?

„ „De twee daaronder; die vergeet n.quot;quot;

„\'k Vergeet ze niet, maar aardig wicht!

„Zoo, in de schaduw van die boomen,

„Een broertje en oen zusje ligt,

„Is \'t achttal dan volkomen?quot;

, „Hun grafjes zijn vlak bij malkaar,

, „En o! zoo dicht bij moeders huisje.

„„Laat zien! Een stap of twalef maar;

„ „Op ieder staat een kruisje.

-ocr page 138-

MAAT KN TOON.

, „Ik zit er dikwijls, \'s morgens vroeg, „Of tusschen twaleven en tweeën; , „De kousen, die ik Zondag droeg, „„Die heb ik daamp;r gebreeën.

„ „En \'s zomers, als bet avond wordt, „In \'t hooge gras tenieergezeten,

„ „Brengt moeder daar mijn tinnen bord , „En scbaft mijn avondeten.

„ „Het eerste stierf mijn zusje Brech;

„VVaJ lag ze lang in \'t bed te klagen! „ „God nam op eens baar pijnen weg; „ „Toen werd zij uitgedragen.

„ „Toen kwam ze op \'t kerkhof, kort bij \'t hek, „In \'t graf; vlak naast een iep; zöo\'u dikke; „ „We speelden dikwijls op de plek,

, „Mijn broertje Jan en ikke.

„„\'tWas zomer; maar toen \'t winter werd, „(De sneeuw lag dik op \'t doornenbegje) „ „Kreeg Jantje ook de koorts, heel hard, „ „En ging heel gauw naar Brechtje.quot;quot;

„Maar daar hij nu naast Brechtje ligt. En nimmermeer met u kan spelen:

„Tel nog reis over, aardig wicht!

„Gij zijt — met u hoevelen?quot;

Het meisje sloeg haar oogjes neer,

In stond een poosje in gedachten;

Maar eensklaps riep ze, als de eerste keer: „„Wel heerschap! met zen achten.quot;quot;

„Maar zoo Gods englen Brechtje en Jan Bij Jezus in den hemel brachten?quot;

„ „Ja, daar praat moeder ook wel van. „Goed! met hoevelen blijft gij dan?quot; „Wel.... Ih zou meenen____met zen achten.quot;

MAAT EN TOON.

Wat oen lied kan doen behagen Is de toon,

Is de maat.

Waar die goed zijn aangeslagen, Is een schoon Dat volstaat.

-ocr page 139-

KERSTFEEST. — HEMELVAAIIT.

Echte Kunst, naaf recht en reden,

Dringt op meerder schoonheên aan; Maar het oor is reeds tevreden, ^ ^ \'t Hart getroffen en voldaan.

Toon en maat doet leege galmen Klinken als verheven psalmen,

Zich in toon en maat vergissen Godentaal haar werking missen.

KERSTFEEST.

Laat ons met de herders gaan

\'t Heilig kind begroeten. Zwijgend bij zijn kribbe staan.

Knielen aan zijn voeten.

Denken aan het hemelsch lied

Van Gods englenreien,

En bij \'t wonder, hier geschied, Dankbre tranen schreien.

Sluiten we in ons innigst hart,

Wat onze ooren hooren,

Met de maagd, die moeder werd,

In gepeins verloren;

Wijken wij niet van dit Kind,

Eer we ons vergewissen Dat ons hart het teeder mint. En niet meer kan missen.

Variant; Eer wij zeker weten

Dat ons hart het teeder mint, En niet kan vergeten.

HEMELVAART.

Wat staart gij, niet kortzichtige oogen.

Op d\' ondoordringbren hemeltrans \'i Daar houdt een wolk uw Heer omtogen,

Gansch oogverblindend door haar glans. Wat wenscht ge u wieken, wenscht u krachten

Om op te varen waar Hij leeft.

Die zelfs op vleuglen van gedachten Het heiligdom niet binnenzweeft!

Ach, leer in eigen boezem delven;

Misleid u niet, tot enkel smart;

En vraag, bij hemelsch licht, uzelven:

-ocr page 140-

iu8 ZIE op ! -- nog eens : de waakheid enz. — waarheid. — buqkaitenis.

„Woont reeds de Heiland in mijn hart? „Werd Hem. die opvoer in den hoogen,

„Ook daar een zetel opgericht,

„Zoo dat Hij, naar zijn alvermogen „En liefde, ook daar een hemel sticht?quot;

ZIE OP!

Blinde stervling! die daar meent, Als gij weent:

„God is verre!quot;

In den donker licht de sterre.

NOG EENS: DE WAARHEID LIGT IN \'T MIDDEN.

De waarheid ligt in \'t midden:

Mijn vrienden, is da.t waar.

Dan ligt zij heden elders Dan heden over een jaar.

De waarheid ligt in \'t midden*

Als ik \'t gelooven zal.

Dan ligt de waarheid nergens,

Of ligt ze misschien «veral?

De waarheid ligt in \'t midden ....

„Och sukkel! zwijg toch stil!

„De waarheid ligt in \'t midden „Wil zeggen: Ze ligt waar ik wil.quot;

WAARHEID.

(naah rückebt.)

Waarheid is het lichtste spel van allen. Doe u voor gelnk gij zijt;

En vrees geen dan dit verwijt: Uit uw rol te zijn gevallen.

BEGRAFENIS.

Ween, trouwe liefde, ween Bij \'t scheiden van uw bloed! Gevoelloos wezen als een steen Bewijst geen vroom gemoed.

-ocr page 141-

OPVOEDING.

\'t Geloof blijft evenzeer Den blik naar boven slaan: De christen daa \'tin\'t graf slechts neer Om heerlijk op te staan.

O God, ü looft ons hart,

ü prijst het bij dit graf,

Dat uw gena, bij zooveel smart. Zoo schoon een hoop ons gaf!

Het sterven is gewin,

Voor die op Jezus ziet;

Hij ziet den open hemel in.

En d\' open grafkuil niet.

O Gij, die eeuwig leeft.

En eeuwig leven doet,

De troost, dien Gij in \'t sterven geeft, Is onze gansche moed!

Wij zaaien hier een zaad,

Verderflijk. zwak en teer;

Maar, bij den jongsten dageraad.

Wekt Gij het op in eer.

Dees prooi van \'t vuig ge worm t Wordt, voor \'t verbaasd heelal, U tot een evenbeeld hervormd,

Dat U aanschouwen zal.

Vg. UlLLEll.

OPVOEDING.

(NAAK IIÜCKEUT.)

Nooit kon ik den kunstgreep leeren Om mijn kindren te dresseeren; Daarom zijn zij opgegroeid Als hun vader, onbesnoëid.

Maar, wanneer ik \'t soms beproefde. Heeft het toch dit nut gehad.

Dat het aan mijzelf iets glad-schaafde, dat de schaaf behoefde.

Iets; niet alles; daaglijks toch Haakt het hier en elders nog.

Mooglijk, dat zich Alles gladde Zoo ik meer tuchtmeesters hadde, Naamlijk kindren op te voên....

Doch met zeven kan ik \'t doen.

109

-ocr page 142-

nog ken wenk. — het zeemanshuis.

NOG EEN WENK.

Zoo ge u goede menschen op wilt voeden,

Veins niet! Wie ge ook zijt, wees die gij zijt

Waar de kinderen een rol vermoeden,

Zijt gij \'t spel en al uw invloed kwijt.

Aan wiens blik de waarheid zich onttrekken, Hoe de leugen zich verbergen moog: \'t Godlijk en het Kinder-oog

Zullen beide ontdekken.

De eerste deugd is Waarheid. Heb dan moed

Waar te wezen: gij zijt groot en goed.

* Vg. Paulus Silesius.

HEÏ ZEEMANSHUIS.

Houw een huis voor Janmaat op!

Zet een anker in den top;

Laat, om hem te praaien,

Hollands vlag er waaien.

Bouw het sierlijk, bouw het sterk,

lluim en deftig als een kerk.

Binnen knap en buiten,

En met groote ruiten.

Maar verlok hem door geen mooi;

Vang hem niet gelijk een prooi;

Laat hem in zijn vrinden Ware vrinden vinden.

Janmaat is niet veel gewend!

Veeren laten zonder end,

Vijf en twintig jaren Voor zijn slaapbaas varen.

Nieuwe slaapbaas, wie gij zijt!

Schrijf je niet met dubbel krijt.

Jan zal al zijn dagen Van uw lof gewagen.

Spreid zyti kooi gelijk \'t behoort,

Houd de kapers van zijn boord.

Zorg geen lilfelatfen.

Maar wat goeds te schaften.

Hebt gij dan nog bovendien

Wat voor hem op \'t hart misschien. Ik wed dat hij luistert.

Waar hem liefde kluistert.

110

-ocr page 143-

AAN MIJNE KINDEREN. — LOTWISSELING.

AAN MIJNE KINDEREN.

Kindren! leert u vroeg gewennen

Te aller tüd,

Gods alwetendheid te erkennen,

Waar ge ook zijt.

Hen, die overal beseiï\'en;

„God is hier!quot;

Zal geen pijl des Satans treffen, Hoe hij zwier.

Opent gij des morgens de oogen

Voor het licht.

Denkt: „Op my staart uit den hoogen

Gods gezicht.quot;

Op uw rustbed neergelegen,

In den nasht,

Zij dit denkbeeld u ten zegen; „Göd geeft acht.quot;

Waar zich ooit uw voeten keeren,

God gaat mee,

Over bergen, heiden, meren,

Zand en zee.

Niemand kan die hand ontvlieden

Of dien blik.

Baar die troost van brave lieden U geen schrik!

Ach, het is een vreeslijk vreezen,

Waar men vreest en beeft. Van dien God gezien te wezen,

Door wiens zcfrg men leeft. Ach, het is een hooploos hopen,

Waar men hoopt en haakt Aan die trouwe hand te ontloopen. Die gelukkig maakt.

LOTWISSELING.

Welk een vreugd in uw jeugd, welk een gloed in uw bloed.

Welk een glans op den krans uwer liefde,

Welk een vonk in die oogen, vol zorgloozen moed.

Welk een speelzieke lach op die lipjes zoo zoet.

Eer de smarte des levens u\'griefde!

Maar waar was toen die Vreè, die uw harte thans smaakt.

Die uw hoofd met haar gloor heeft omtogen;

Waar die Kracht, die uw boezem nu nimmer verzaakt.

lil

-ocr page 144-

ONBEREIKBAAR. — IN DEN IIEKl\'ST.

Waar die Hoop; die den blos op uw wangen bewaakt,

En de tranen verdrijft uit uw oogen?

Welk een smart voor uw hart, welk een zwaard voor uw ziel,

Welk een wolk, welk een nacht op uw paden,

Welk een storm op de speelreis der zorglooze kiel,

Als uw afgod op eenmaal zijn voetstuk ontviel,

Om het ledig vim \'t hart te verraden!

Maar daarna — welk een licht voor \'t beneveld gezicht.

Welk een balsem voor \'t snerpen der wonden,

Welk een anker van troost, welk een adem van rust,

Als uw lippen de voeten uws Heilands gekust.

En uw ziele haar God had gevonden!

ONBEREIKBAAR.

(NAAK ItÜCKERT.)

fs iets voor uw bereik te hoog,

Ciij moet den blik niet derwaarts keeren,

Tenzij dan met zoo scherp een oog Dat u doet zien: „Ik kan \'t ontberen.quot;

IN DEN HERFST.

Hnbt gij nog een lach, Late Najaarsdag?

Hebt gij nog een lonkjeV

Wekt ge in mijn gemoed Weer oen glimmend vonkje Van den ouden gloed?

Brengt gij aan mijn hart Weer die zoete smart, Eens mijn welbehagen.

Als ik, jongeling,

In de Octoberdagen Door de wouden ging?

Geurt mij in de lucht, Kuischt mij, in \'t gerucht Vau do dorre bladen.

Zweeft mij, in het rag Van do najaarsdraden. Op dees koelen dag.

Stijgt mij, uit het bosch, Tn welks bonten dos.

112

-ocr page 145-

IN DES IIKHKST. ]lg

Daalt mij uit de hemelen,

Uoor wier bleek azuur,

Alle tinten wemelen,

In dit plechtig uur,

Spreekt mij, \'k weet niet lioa,

Heel \'t Verleden toe,

Zonder stem of woorden\'?

Hoor ik, in \'t verschiet.

Nagalm der akkoorden Van mijn eigen lied?

\'t Lied, de mijmering Van den jongeling,

Die zijn weeke snaren Stemde naar den toon Van de vallende blaren En \'t stervende schoon ?

Wien \'t, „als de zon haar dwarse stralen.

Op lindetop en beukenkruin.

Deed lichten over rood en bruin,

Een wellust was door \'t bosch te dwalen.

En, in den koelen najaarswind.

Eens ruim en zuiver aam te halen.

Die steeds den Herfsttijd heeft bemind ?quot; \')

Hij mint hem__nog. De Lente van zijn leven Is nu voorbij, met al haar geur en gloed;

De Zomer kwam, en heeft hem meer gegeven Dan ooit zijn Lente had vermoed.

O, Welk een schat van frissche liefdeknoppen En levensbloemen, rijk en bont,

Ontbloeide er vroolijk, op zijn grond.

Bij uw licht, o mijn God, en uwe regendroppen!

Da-ar is geen vreugd voor \'t menschlijk hart te smaken been t menschlijk harte waarde vreugd.

Of, meerder dan de droom der jeugd,

Mocht zij zijn hart gelukkig maken.

In liefde rijk, in zegen rijk, in hopen Nog rijker, steunende op zijn God,

Roemt hjj op aard zjjn zalig lot En ziet den hemel open.

*) Zie Dl. II bl, 27 en vv. Najaarsmijmering. III.

-ocr page 146-

KEN LIED OM BEVRIJDING.

Geen weemoed meer; geen mijmrend zich onthalen Op teugen van gemaakte ellend....

Wel heeft hij ook de smart gekend,

Maar als een had, om \'t weeke hart te stalen.

Kn zoo dat hart ook nu het Herfstgetijde Nog liefheeft, en zijn ernstig schoon Aan de oude luite ook thans een toon Ontlokt, die toon klinkt blijde.

Want wat des jonglings hart, in stille stonden Van zoete mijmerij.

Deed zuchten is voorbij.

En wat het zocht, gevonden.

En ziende hoe de dag der dorre bladeren Zijn schoonheid heeft, z|jn glimlach, en zijn licht, Ziet hij, ook zelf een glimlach op \'t gezicht, Met iedren Herfst, den Herfst des Levens naderen.

EEN LIED OM BEVEIJDING. 1853.

NEGEN JAAR LATER VERHOORD.

Laat de ketens vallen!

Breekt, verbreekt het juk! Vrijheid is voor allen

Noodig tot geluk. Menschelijke harten.

Die dien schat besluit, Brengt hem ook den zwarten. Stelt niet langer uit!

Laat de ketens vallen!

Breekt, verbreekt het juk Vrijheid is voor allen Noodig tot geluk.

Jezus is gekomen

Tot uw volk en huis;

Zegen doet Hij stroomen

Van zijn kribbe en kruis. Allen wil Hij nooden,

Stillen iedre pijn;

Laat zijn vredeboden Vrijheidsboden zijn!

Laat de ketens vallen!

Breekt, verbreekt het juk!

-ocr page 147-

VADERS VEDELDEUNTJE BIJ DE WIEG. 115

NOO EEN LIED OM BEVRIJDING. —

Vrijheid is, voor allen,

Noodig tot geluk.

Hoort, het lied der slaven Ruischt van strand tot strand:

„Machtigen en braven „In het vrije land!

„Laat ons weldra hooren „\'t Lied van de overzij:

„„Wij zijn vrij geboren,

,,Kn wij maken vrij!quot;quot;

Laat de ketens vallen!

Breekt, verbreekt het juk!

Vrijheid is voor allen Noodig tot geluk.

NOG EEN LIED OM BEVRIJDING.

MERKELIJK KOETER DAN HET VORIGE.

Och, Neerlands machtigen en braven!

Verbreekt ons juk;

Brengt, brengt uw arme negerslaven Toch eindlijk, eindlijk uit den druk. Wij zijn wel zwarten.

Maar hebben harten.

Zoo goed als gij.

En zoo uw harten beter zijn.

Verlost dan de onzen van de pijn! Veel lijden wij.

VADERS VEDELDEUNÏJE BIJ DE WIEG.

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldie, fiedeldooi, Daar was een kleine jongen,

Zijn moeder vond hem mooi.

Zijn oogjes blauw en klaar, en

Zijn neusje lief en fijn;

Zijn mondje, voor zijn jaren.

Zoo proper, als \'t kon zijn;

Zijn handjes als satijn,

Zijn lijfje, waar men kijkt of tuurt,

Zoo wel gevormd, zoo goed gevuld; En \'t haar, dat uit zijn mutsje gluurt, \'t Is net of \'t al wat krult!

-ocr page 148-

116 VADERS VEDELDEUNTJE BIJ DE WIEG.

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldie, fiedeldooi, Daar was een kleine jongen,

Zijn moeder vond hem mooi,

.Zijn vader zei: Wijf, wees niet mal!

Uw uiltje is geen valkje.

Fiedelde, fiedeldom, wat was \'t geval? De moeder hield van \'t schalkje; De vader? — Niemendal.

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldie, fiedeldoet. Daar was een kleine jongen.

Zijn moeder vond hem zoet,

Hij was des nachts zoo rustig; Hij kwam een koer drie vier, niet meer; Dan zoog hij maar eens lustig. En daadlijk sliep hij weer.

Gezellig was hij zeer.

Soms lag hij, langer dan een uur, Met open kijkers, zonder dorst; Wat kon hij kraaien tegen \'t vuur. En hunkren om de bórst!

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldiet, fiedeldoet. Daar was een kleine jongen.

Zijn moeder vond hem zoet.

Zijn vader zei: Wijf, wees niet mal!

Het is een lastig kwantje.

Fiedeldo, fiedeldom, wat was \'t geval? De moeder hield van Jantje, De vader? — Niemendal.

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedelstok, fiedelstreek, Daar was een kleine jongen.

Die op zijn vader leek.

Een aardje naar zijn vaartje,

Dat zat er stellig in;

Zijn hoofdje, en zijn haartje,

Zijn neusje en zijn kin,

\'t Leek alles meer of min. Als moeder hem in de oogjes zag.

Werd haar gemoed zoo vol, zoo week. Omdat hij, zei ze, met den dag Meer op zijn vader leek.

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedelstok, fiedelstreek.

-ocr page 149-

GULDEN LES. — LIEDEKKHANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER. 117

Daar was een kleine jongen,

Die op zijn vader leek.

Maar vader zei: Wijf, wees niet mal!

Het is een leelijk aapje!

Fiedelde, fledeldom, wat was \'t geval?

De moeder hield van \'t knaapje;

De vader? — Niemendal.

gulden LES.

Maak een dag van den nacht, door in \'t donker ook geen

Dan werken des lichts te verrichten.

Maak een nacht van den dag, door stilzwijgend elkeen Met uw rust en uw kalmte te stichten.

(Zie Simon metaphkastes, over Jaoobus Justus.)

liederkransje voor de jarige moeder.

I.

Gij zaagt u gaarne heden Nog eens een liedje toegedacht,

Maar hebt, om wijze reden,

Het maar niet al te vast verwacht,

Nu kom ik er met Acht.

Hier zijn er Acht, mijn waarde!

Meer dan gij ooit of ooit voorheen Op uw verjaarfeest gaarde;

Acht van uw Man-alleen.

En dit is Een.

U gelden de andre Zeven:

Daar Moeders immers gansch en gaai-

In hare kindren leven.

Is \'t bij een enkle twijfelbaar:

Van u is \'t dubbel

waar.

O Moeder, die wij loven

En lieven teederlijk, U zeegne God hierboven Met liefdeblijk op blijk! Hij is zoo rijk.

-ocr page 150-

LIEDEKKKANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER.

II.

OKZK OUDSTE.

Marten is ons oudste kind:

Wat zal van Marten groeien? Een man van geld of van bewind,

Veel koeien en veel moeien? Een man van tabberd, zwaard, of pen? Een man, gelijk ik zelvet ben? Een rijmelaar of preeker?

\'t Is alles gansch onzeker.

Maar schoon dit onzeker zij En lang onzeker blijve:

Dit, oudste Jongen! hopen wij

Dat vast sta en bek lijve:

Dat ge edel, eerlijk, vroed en vroom. Een Man wordt, zonder blaam of schroom, In woord en daad waarachtig. En aan zijn God gedachtig.

nr.

ONZE KREUPELE.

Het hielp niet of wij wreven Met handen warm en zacht, Of borstelden met kracht. En \'t bloed naar buiten dreven.

Het hielp niet of wij baadden In water zout of zoet, In mout, in smout, in bloed, Naar dat ons de artsen raadden.

Het hielp niet of wij streken Met d\' uitgezochtsten keest, Met vluchtig zout of geest, 01\' lichtzalf deden leken.

Het hielp niet of wij schokten En pijnigden met kracht. Die we uit gepaarde macht Van zink en koper lokten.

Het hielp niet of wij smeekten Tot God den Heer omhoog, Of daaglijks uit ons oog Veel lieete tranen leekten.

118

-ocr page 151-

LIEDEUKRANSJE VOOK DE JARIGE MOEDEll.

Het helpt niet of wij zuchten,

Daar \'t oojf uw krukjes ziet, Of, starende in \'t verschiet,

Veel droevigs voor u duchten.

Ach, schoon wij handewrongen En schreiden dag en nacht, \'t Verlamde kreeg geen kracht!

Gij blijft een kreuple jongen.

Maar, schoon wij \'t graag verbaden. Zoo \'t zich verbidden liet. Dit blijvende verdriet

Kan niet aan alles schaden.

Gij hebt van God ontvangen Gezondheid, moed, en kracht, Ken oog dat vroolijk lacht.

En rozen op de wangen.

Wil \'t met den voet niet lukken, De geest is vlug en goed. Bij velen zweeft de voet.

Maar gaat het hoofd op krukken.

En waar \'t gebrek u hinder\', Verloochning koste of smart, \'t Maakt in uws ouders hart

De liefde vast niet minder.

En God verbond zijn zegen, Dat onwaardeerbaar goed.

Niet aan een rechten voet,

Maar aan de rechte wegen.

Een kreuple voet kan brengen Op \'t smalle levenspad, Kan voeren tot de hemel-stad....

Dat moge God gehengen.

IV.

ÜE OUDSTE MKISJJ-.S.

Als ik Marie en Koosje zie.

Gaan mijn gedachten zweven In dagen van een toekomst, die Ik zeer graag zou beleven.

119

-ocr page 152-

LIEDEUKRAN8JE VOOR DE JARIGE MOEDER.

Mij duukt een vader is zoo rijk, Wiens doohtren, haast volwassen,

Als rozeknoppen staan te prijk,

En op ziju wenken passen;

Die in haar frisch en blij gelaat ^ Zijn huisvrouw ziet verjongen.

En duizend trekjes gadeslaat,

Eens door zijn luit bezongen;

Die door haar geest en vroolijkheid Zijn zorgen voelt verpoozen.

En door haar hand zijn weg bespreid Met allerhande rozen.

Die in haar hart, zoo zacht en stil, Een godsvrucht op ziet bloeien,

Die naar de Moeder aarden wil, En in haar schaduw groeien.

Mijn kindren! maakt die droomen waar, Lief leven van mijn leven!

En moog mijn oudste doohterpaar Het tweede een voorbeeld geven.

V.

02sTZE AFWEZIGE.

Vroegtijdig zijt gij heengegaan. Vroegtijdig hebt gij \'t goed daarboven.

Wij blijven, koste \'t menig traan. De hand, die gaf\', in \'t nemen loven. Wat liefde doet is welgedaan.

En thans, lief Zoontje! roept ons \'t lot Ook van die dierbre plek te scheiden.

Waar wij uw dierbaar overschot Een plaatsje onder de aard bereidden. Ook dit kost; maar ook dit wil God.

VI.

M£TJ£,

Naar wie hebt gij dat lief gelaat.

Zoo zuiver omgetrokken ï L)at voorhoofd, dat zoo helder staat? Naar wia die g-ouden lokken ï

-ocr page 153-

L1EDERKHANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER.

Naar wie dat oog, zoo blauw en zacht,

Het stugste hart veroverend V Dat mondje, dal; zoo vriendlijk lacht, Dat stemmetje zoo tooverend?

Naar wie? Wij weten \'tniet. Fa» wienï ^ Och, mocht gij \'t altijd weten; En, door op Hem, die \'t gaf, te zien. Uw lief gezicht vergeten!

VII.

AGNES,

Ik had in mijn gedachten U reeds vaarwel gezeid,

U reeds in \'t grafje neergeleid.

Waar wij uw broertje brachten. Met groote treurigheid.

Maar God heeft ons gegeven ^ Dat gij behouden werdt; Ken groote vreugd voor groote smart; U als op nieuw het leven.

Ons een erkentlijk hart.

Tot ons geluk gespaarde!

Keeds hadt ge, in \'s Hemels licht. Een engel kunnen zijn, lief wicht! Wees \'t nu nog wat op Aarde, En sluit Ons de oogen dicht.

VIII.

COKNELIS.

Zeven eu een is acht!

Ze zeggen dat het wat veel is;

Maar tetj\' hebben, lieve Cornelis! Met blijdschap u verwacht.

Zonen hadden wij drij;

Eentje bij God, twee beneden: Wij zijn uitermate tevreden Met nog een zoontje er bij.

Dochters hadden wij vier;

Waart gij als de vijfde gekomen, Wij hadden \'t niet kwalijk genomen. Maar geroepen; Welkom hier!

-ocr page 154-

wie schuilt eb? — de vlindeb. — polemiek.

Zeven en een is acht.

Of de achtste de laatste zal wezen? In wolken of sterren te lezen,

Gaat boven miin wensch en macht.

Gij zelf, mijn kleine man!

Al ligt er u veel aan gelegen, Gij zuigt en zingt maar terdegen. En weet voorts nergens van.

Er is Een die \'t weten moet. Doe Hij naar zijn welbehagen! Wij zullen er niet naar vragen. Zoo als Hij het maakt is het goed.

WIE SCHUILT ER?

„Pe Waarheid moet in diepe kuilen „Voor de arge Wereld zich verschuilen.quot;

Dat \'s \'t oude liedje. Maar ik zeg: Zij schuilt zich voor de Waarheid weg.

DE VLINDER.

De zon is heet, de lucht is lauw,

De hemel blauw.

De parelende morgendauw

Hangt glinstrende aan de knoppen; Van bloem- tot bloembed zweef ik rond. Zie roos en lelie, blank en bont, De schoonste kus ik voor den mond En zuig er amberdroppen.

Eens kroop ik vaakrig, moe en mat,

Van blad tot blad.

Der spijs niet, maar des levens zat,

Een walg in eigen oogen;

\'k Slaap in, ontwaak, verbreek mijn web, Voel dat ik vroolijk adem schep.

Voel dat ik twee paar vleuglen heb. En klapwiek naar den hoogen. * Vg. Kabel Enslin.

POLEMIEK.

\'k Stem toe, niet ieder menschenkind Is muzikaal geboren;

122

-ocr page 155-

AAN JONKVROÜW s. v. s. 123

Maar krijgsmuziek, mijn beste vrind!

Is kost voor aller ooren.

Maak staat op d\' allerhoogsten dank Voor turksohe trom en bekkenklank.

AAN JONKVROÜW S. V. S.

Het -wordt weer groen in Haarlems Hout, De blijde vogels zingen,

De bloempjes komen duizendvoud Door mos en graskleed dringen.

De nachtegaal is weergekeerd,

Om oor en hart te kluistren;

Hij heeft den toon nog niet verleerd, Noch wij \'t bewondrend luistren.

Maar ik, ik sta voor goed gereed Dit oord vaarwel to heeten;

Dat is: te doen wat gij eens deodt. En velen heeft gespeten.

Naar d\' IJsel volgdet ge op haar pad Uw moeder trouw en feeder,

Er ik sla straks ter Bisschopsstad Mijn tent gehoorzaam neder.

Toch laat mijn hart do hoop niet los ü soms hier weer te vinden;

Wij hebben op den zoom van \'t bosch Een huis vol goede vrinden.

Maar do allertrouwste en beste vrind. Die u en mij geleid heeft.

Maakt dat ik eons u zeker vind, In \'t huis, dat hij bereid heeft.

Hoe lieflijk zal die woning zijn, Hoe schoon en wel gelegen !

Rondom, een eeuwge zonneschijn, Van binnen, louter zegen.

Daar zal \'t verwonderd oog altoos Meer goeds en schoons ontdekken,

Daar ruisebt het loflied eindeloos; En niemand mag vertrekken.

Mei.

T

-ocr page 156-

GEMENGDE GEDICHTEN.

VIERDE BUNDEL.

--\'v\\£gt;fG//.--

De omstandigheden, waaronder het volgende liedje verbeeldt afgeluisterd te zijn, w.aren de volgende:

Toen ik in 1854 mijn dorp met de stad Utrecht ging verwisselen, kon ik aldaar voor de eerste twee maanden van mijn verblijf nog geen huis vinden, maar werd met m^ne vrouw en de drie jongste kinderen bij hartelijke vrienden geherbergd. Van het overige viertal waren wij gescheiden. Mijn oudste zonen bleven, onder opzicht van hunnen onderwijzer, op de Heemsteedsche pastorie, van de liefde mijner vorige gemeente omringd. Twee dochtertjes genoten achter-volgens te Zeist, te Driebergen, en te Ede, op buitengoederen van nabestaanden en vrienden een onthaal, waarvoor mijn hart hun dankbaar blijft.

DE STICHTSCHE ZWERFSTER.

EEN LIEDJE, GEZONGEN ÏEIi BRÜILOPTSTAFEL VAN EENE SUHOONZUBXElt.

Ik hoorde een liedje in het Sticht,

\'t Werd door een hupsche vrouw gezongen^ Zij hield op d\'arm een zuigend wicht. Een dikken vetten jongen.

Twee meisjes speelden aan haar schoot. En luisterden naar haar mamaatje:

\'t Een leek een roosje rozerood.

Het andere een agaatje.

Ook was de roos op moeders wang Bijlang nog niet van kleur verschoten,

Al kwam er onder haar gezang.

Een traantje langs gevloten.

„Ach kindren!quot; zong zij: „welk een smart! „Wie had het immer durven droomen\'? „Uw vader heeft een steenen hart;

„Zijn wreedheid is volkomen.

„Hij heeft my uit dat lieflijk oord,

„Waarin wij woonden, sinds wij trouwden, „Zoo vreedzaam en zoo ongestoord,

«Alsof we er sterven zouden;

-ocr page 157-

DE STICHTSCHE ZWERFSTER. 125

-Hij heeft mij uit dat dierbaar huis,

„Waar ik hem al zijn kindren baarde,

„Verraderlijk ontvoerd, o kruis!

„En \'k zwerf en dool op aarde.

^ „Ik zwerf in dit mij vreemd gewest,

„\'k Dool in_ dees vreemde stad wanhopend,

„Daar mij geen andre toevlucht rest „Dan vreemde liefde me opent.

„Nog ware \'t mij een zoete troost,

„Tndien ik bij dit ommezweven,

„Omringd mocht zijn van al mijn kroost.

„Dat leven van mijn leven.

„Maar ach, niet meer dan deze drie „Liet de onverbidbre kinderrooverquot;

(Zij trok ze dichter bij haar knie)

„Mij in mijn droefheid over.

„Mijn oudste twee. mjjn zoons, mijn trots,

„Laat hij in \'t ledig huis verknijzen;

„Zij zwerven om langs Meer en Bosch \')

„üm lafenis en spijzen.

„Uw zusjes, foei! de wreedaard joeg „Ze \'t pad maar op met leege handen;

„Zij waren nimmer ver genoeg,

„Tot ze op de hei belandden.

„Dat had hij Koosje niet voorspeld,

„Toen ze, één jaar oud, reeds weggedwaald was, „En hij mij zoo lang heeft gekweld

„Tot \'t schaap weer thuisgehaald was.

„Daar was ze! Och arme! welk een vloed „Van woorden, rijmen, tranen, kussen!

„Alsof hij ze in zijn diepst gemoed „Beminde... En ondertusschen! ^

„Neen, kindren^ neen, hij mint u niet;

„Hij kan uw bijzijn niet verdragen;

„Het eenigst dat hem vreugde biedt „Is u en mij te plagen.

„Wat let hem, zuigling! die uw dorst „Moet lesschen met vergalde togen,

\') Naam van een zeer bevriend Buitengoed. 2) Zie Dl. II. bl. 325 en volgg.

-ocr page 158-

DE STICI1T8CIIE ZWERFSTER.

„üat hij u afrukt van mijn borst, „En wegvoert uit mijn oogen?

„U wegvoert, ach! wie weet waarheen? „Ten prooi aan duizend ongelukken,

„Om, voor de moederlijke speen, „Een koude flesch te drukken ..

Hier zweeg zij stil en wischte een traan, Zag strak en somber voor zich henen,

En toen de kleine agaatroos aan;

Dit deed op nieuw haar weenen.

„Ja vloei vrij, zilte traanstroom, vloei! „Daar ik dit wichtje kom te aanschouwen:

„Gaat niet haar lieve Petemoei,

„Mijn liefste zuster, trouwen?

„Men knoopt haar groene palm; men breit „Een aardig kransje voor haar vlechten;

„Maar d\'oudste zuster is \'tontzeid „Het op haar kruin te hechten.

„Voor mij geen bruid, geen bruiloft, neen ! „Geen plaatsje in de blijde reien;

„Mijn heer en meester gaat er heen,

„Maar ik mag zitten schreien!

„Zoo hij zich maar belasten wou „Der lieve bruid mijn groet te brengen,

„En van wat ik haar zeggen zou

„In \'t zijne een woord te mengen!

„Ik heb haar steeds zoo lief gehad „En voel die lietde sterk vermeeren,

„Hoe meer ik, op mijn levenspad,

„Haar bijzijn moet ontberen.

„Haar vreugde was mijn eigen vreugd, „Haar smart altijd mijn eigen smarte;

„Hoe juichte ik in de stille deugd „Van dat gelouterd harte!

„Hoe juichte ik in dat zacht geduld, „Dat onbezweken godsvertrouwen!

„Thans wordt haar liefste wensch vervuld: „Och, mocht mijn oog \'t aanschouwen!

„Mocht ik maar eens dat blijd gezicht „Zien aan des bruigoms zijde pralen.

-ocr page 159-

nieuwe woning.

„En blinken van dat lieflijk licht,

„Dat bruiden pleegt te omstralen!

,Zoo \'k slechts tot een, een enklen zoen „Haar eens recht zusterlijk omarmde ...

„Mijn heer gemaal zal \'t nu wel doen, „Maar kan hij \'t met die -warmte?

„Oct lieve zuster, lieve bruid,

„Och lieve dochter van mijn moeder!

„Mijn hart en ziel roept voor u uit „Tot uwen Heer en Hoeder.

„Hij was met u: Hij zij met u!

„Hij leide u op gebaande wegen!

„En is de weg ook somtijds ruw, „Ook daarin zij een zegen.

„Ik weet, uw echtvriend mint u teer;

„Zijn trouwe min duldt geen verdonken r

„En liever nog heeft u die Heer,

„Wien gij, als hij, uw hart mocht schenken.quot;

Het vrouwtje zweeg. Zij zag omhoog. Mij dunkt dat ik haar moed zag grijpen. Hoe schielijk wist zij uit haar oog Het traantje weg te knijpen.

Hoe zoet een lachje zag ik toen Om die bedrukte lipjes zweven!

Elk van haar drietal kreeg een zoen,

Maar \'t petekind wel zeven.

NIEUWE WONING-.

(Utrecht, Boothstbaat, 597.)

Hier woon ik. Zult gij met mij wonen,

Mijn God en Heer, mijn kracht en troost? Hier woon ik nu met gade en kroost.

Vier dochters en drie zonen.

Uw liefdezorg heeft mij beschoren Dit goede, ruime, stille huis,

Waar \'k, in de stad, het stadsgedruisch Kan, maar niet hoef te hooren.

Uw goedheid gunt, na dertien jaren Zoo vreedzaam doorgebracht op \'t land,

-ocr page 160-

128

Ook hier mijn oog naar eiken kant In \'t zachte groen te staren.

Heb dank, o God! mijn weuschen bleven U niet verborgen, schoon gesmoord. Een stille wensoh wordt ook verhoord. Wat zijt Gij mild in \'t geven.

Wil met uw vleuglen nu ook dekken De tente, waar uw hand ons bracht, En laat uw liefdrijke oppermacht Ons vol vertrouwen wekken!

Weer ziekte en ramp van onzen drempel; En, komt zij, heilig ook de smart; Zij onze woning, zij ons hart ü daaglijks meer tot tempel!

4 Aug. 1854.

MIJN HOP.

(liedje.)

Midden in de stad heb ik een hof.

Een hof met schoone bloemen; Die bloemen liefheeft, vindt er stof Tot kijken, ruiken, roemen: Bloemen zoo kleurig,

Bloemen zoo geurig,

Fijn en grof.

God laat ze groeien.

Blad voor blad, knop voor knop. En schrijft, als ze bloeien.

Zijn naam er op.

Midden in mijn huis, heb ik een hof,

Een hof met schoone rozen: Die rozen lief heeft vindt er stof Tot kussen en tot koozen.

Rozen zoo kleurig.

Rozen zoo geurig,

Fijn en grof.

God doe ze samen Opwassen zonder smart.

Pin schrijve al zijn namen Diep in haar hart.

-ocr page 161-

VALLENDE STERREN. — WASDOM TOT KLEINER. — TWEEDE KNOP. 129

VALLENDE STERREN.

Volksgeloof der Llthauwers. Zie Alb. der Nat. 1853 bl. 318.

Zaagt gij hoe die ster verschoot?

Denk, o Stervling! aan uw dood.

Ieder kind, op aard geboren.

Doét een nieuwe ster ontgloren.

Aan zijn dunnen levensdraad Zweeft zij, tot zijn sterfuur slaat.

Als de dood zijn oog doet breken.

Doet hij ook die ster verbleeken.

Keert zijn adem hemelwaart.

Uitgedoofd stort zij op de aard.

WASDOM TOT KLEINER.

Een kind van God wordt steeds meer kind

Of anders is \'t er geen:

Wij brengen onze kindren groot; God maakt de zijnen kleen.

TWEEDE KNOP.

(naak Eückert.)

De hoornen, die de hagelslag Geteisterd heeft aan hoofd en leden,

btaan weer zoo schoon men wenschen mag Ja. boven wenschen en gebeden.

Verborgen knoppen loerden slechts Hun kans af, om voor \'t licht te komen:

Daar heeft de hagel links en rechts Aan elk zijn voorman weggenomen.

Nu staan ze in \'t eerst gelid geschaard; En wat de spits heeft afgebeten,

Wat de eerste ontmoeting wierp ter aard Is met een enklen nacht vergeten.

Mijn hart! wat dient er meer gezeid, Wanneer de stormen om u fluiten?

\'t Verloorne geeft gelegenheid Aan \'t Nieuwe om uit te spruiten.

»

lil.

-ocr page 162-

Een beeld der Hoop, voor die haar ziet! De knop belooft hem schoone dingen —

Maar \'t floddrig bloempje brengt ze niet.

Doch wilt niet klagen, stervelingen!

Indien uw vreugd te zeer gelijkt Op \'t Roosje, dat zoo vluchtig prijkt.

Voor hem, die wachten kan en hopen,

Gaan maandlijks nieuwe knoppen open.

WEERSLAG.

Wilt gij zien een schoone maagd: Zie haar als zij liefde draagt.

Oats.

Wilt gij zien een schoone vrouw; Maak haar gelukkig door uw trouw.

BARTJE.

Voor uw mooie oogen, Bartje! Had menigeen ik weet niet wat, Zijn ganschen schat Gegeven, met zijn hartje —

Maar gij versmaaddet dat.

Waar gij uw oogjes wendde,

Daar werd een vonkje uitgestrooid, En \'t hart ontdooid,

Dat nog geen liefde kende —

Maar gij begreept het nooit.

Nu zijn die vriendlijke oogen Gesloten door een vroegen dood; De rouw is groot;

Elk hoofd gaat neergebogen. En ieders oog is rood.

laatste grond. — maandroos. — weerslag. — bartje.

LAATSTE GROND.

Of Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte spott\': God-zelf is „laatste grondquot; van mjjn geloof in God.

-ocr page 163-

ue taal.

Voorzaagt gij \'t, lieve Barte? En wildet ge, om een enkel jaar, Geen weeuwenaar Met een gebroken harte Doen weenen bij uw baar?

DE TAAL.

VOORAFGAANDE TOELICHTING.

De Volmaakte Telg der Onbekende, die bij den aanvang van het volgende gedicht, met trekken van schoonheid, aan de oude Indische poëzie ontleend, geschetst wordt, mag aan vele lezers en lezeressen ook zelve wel onbekend zijn! Niemand anders is bedoeld dan Indië\'s vroegere, schoon niet vroegste, taal. onder den naam van Sanskrlta bij de geleerden bekend; welke naam de beteekenis heeft van Volmaakt, Volledig, Afgewerkt, en in later tijden haar gegeven is in tegenstelling van tongvallen, uit hare meerdere of mindere verbastering geboren (Prakriet, Pali).

De Onbekende Moeder iiad waarschijnlijk haar verblijf gehad in het hart van Azië, benoorden het Uimalaya-gebergte; de hoogleeraar Hamaker gist in het oude Sogdiana. Van daar moet de Volmaakte-Dochter, aan de hand van den godsdienst der Brahmanen, eerst tot het noorden, en van lieverlede ook tot het uiterste zuiden van Indië zegevierende doorgredrongen zijn; doch geenszins tot altijddurende, noch ook tot eene uitsluitende heerschappij. Om de beeldspraak te laten varen: De Sanskrita taal, welker\'vroegste gedenkstukken waarschijnlijk derdehalf duizend jaren oud zijn, die reeds vroegtijdig in Indië zelf op wetenschappelijke wijze bewerkt is, en ons eene schoone en rijke letterkunde heeft nagelaten, schijnt omstreeks den tijd der veroveringen van Alexander den Grooten opgehouden te hebben de levende taal van Indië\'s bewoners te zijn, om voortaan nog\' slechts in de scholen en werken der geleerden voort te leven Bij het volk werd zij vervangen door de tongvallen der oorspronkelijke bewoners, die nooit geheel verdrongen waren geworden, maar zich met den woordenschat der Sanskrita hadden weten te verrijken. Het zijn deze spraken, die in het volgende gedicht onder de persoonsverbeelding der „Hindoe-dochter, die zich schoon gelooftquot; opgevoerd zijn; terwijl, in de eerste twee verzen van de Tde strophe gezinspeeld wordt op den aanmerkelijken invloed, dien de Sanskrita ook op de talen en letterkunde van het oostelijk Azië, met name ook van Java en den Indischen Archipel, gehad heeft.\'

Met de Sanskrita zijn uit dezelfde Onbekende Moeder voortge-gesproten alle talen, die, van Azië uit, geheel Europa vervuld hebben en, in hare hedendaagsche afstammelingen, de Nieuwe Wereld vervullen. De geleerden verdeelen ze onder vijf veeltakki^e stammen; als, voor Azië nog, den Medopeizischen of Iraneesche\'n

131

-ocr page 164-

de taal.

voor Europa den Grieksch-Italiaansohen, den Celtischen, den Ger-maanschen, en den Slavoonschen. De poëzie heeft ze in het volgende gedicht als het talrijk kroost eener reisvaardige, moedige, onderwindende Zuster van Sanskrita voorgesteld, en gepoogd ze in hare ontwikkeling te schetsen.

Met deze voorafgaande toelichting meenen wij lezers, op dit gebied ongeleerd, geen ondienst te hebben gedaan. Voor een uitvoeriger onderricht verwijzen wij hen naar de AJcademische Voorlezingen van hamaker. (Leiden 1838) en bepaaldelijk tot de eerste in dat boekdeel.

Misschien is het niet overbodig nog op te merken, dat Kama de naam is van den Indischen liefdegod, aan wien pauwen en flamingo\'s geheiligd zijn; dat Ramayana (Kama\'s Tocht) de titel is van een tier oudsfe en beroemdste gedenkstukken der Sanskriet-letterkunde, en dat Kalidasa een der uitnemeudste onder de latere dichters van IndW is geweest. Hij leefde omstreeks den tijd van Christus geboorte.

Dat de heilige boeken van het oude IJsland den naam van Edda dragen, Nibelungonlied de titel is van Uuitschlands beroemd heldendicht, de zangers der Scandinaviërs Skalden, en die der Geiten, waaronder Ossian, Barden genoemd werden, is zekerlijk bekend genoeg.

DE TAAL.

Met een bloemkrans om de bruine lokken,

Golvend tot de heupen afgedaald.

Mond en borst van ambergeur doortrokken, d\' Open hals van paarlengloed omstraald, Dloemen om de zachtgezwollen lende,

Goudgloor om den zachtgebloosden voet, O Volmaakte Telg der Onbekende!

Sluimert gij aan Ganga\'s vloed.

\'t Windje speelt door hooge mango-twijgen.

En zij schomm\'len zachtkens heen en weer; Uloemehstof en roode bloesems zijgen

Als een regen om uw leger neer;

Ketaka, kakamba, en jasmijnen

Met asoka-trossen afgezet,

Die haar sneeuw te blanker uit doen schijnen, Walmen geuren om uw bed.

\'t Slaaplied zingen mommelende bijen. Zwermende om den honigzoeten buit, Purpren pauwen scharen zich in rijen.

Spreien om uw hoofd hun schaduw uit. Strijken met het zachtste van hun veeren. Ter verkoeling, langs uw bloote boret,

132

-ocr page 165-

DE TAAL. lïJS

Haasten zich den adder at\' te keeren,

Die uw rustplaats naadren dQrst.

Blanke, blauwe, roode lotus wiegelen

Op de waatren, bruisende aan uw voet.

Waar ziob zwanen en flamingo\'s spiegelen.

Kweelende van Kama\'s teedren gloed;

Buffels, evers, elefanten, leeuwen Dringen dorstig door het hooge riet.

Doen verschrikte kranenzwermen schreeuwen _

Maar het stoort uw sluimring niet.

Ja zij slaapt. Den glans, die om haar straalde.

Als ze, omringd van \'t heilige gezin.

Zegepralend van uw bergen daalde,

Himalaya! trok zij sluimrig in.

En die schoone lippen zijn gesloten.

Als een roode leliekelk bij nacht.

Van wier boord de wijsh\'eidslessen vloten.

Waar de Brahman naar versmacht.

Ach! De stem die Rama\'s Tocht bezongen,

Kalidasa voorgezongen heeft,

Blijft voortaan in de elpen borst bedwongen,

Tot zij in den langen doodsslaap sneeft.

Pronk met klanken, vrij haar afgeluisterd.

Hindoe-dochter, die u schoon gelooft!

Wien zij toegelonkt heeft, toegefluisterd,

Schudt met droeven glimlach \'t hoofd.

Ja zij slaapt; het aangezicht naar \'t Oosten,

Levend bij den weergalm van haar lied;

Slechts haar schoone Zuster kan ons troosten.

Die, zoo fier van blik, naar \'t Westen ziet; Die, reisvaardig, moedig, onderwindend,

\'t Strakke kleed om ranke lendnen gordt.

En, een helm op \'t goud der lokken bindend,

In den drom der volkren stort;

Die, de Tigris lachend langs getrokken,

\'t Machtig Iran van haar schoon vervult.

Door geen sneeuw des Kaukasua\' verschrokken.

Noordwaarts blikt met klimmend ongeduld.

Ha! Als van de hemelhooge toppen

Haar de berglucht toestroomt, koel en vrjj.

Voelt zij \'t hart van moed en geestdrift kloppen

Tot een wereldheerschappij!

In een kloek en talrijk kroost herboren.

Roept zij: „Neen! deze eerzucht is geen droom!

-ocr page 166-

de ta Ai-

Mijne stem zal elk der bergen hooren,

Van mijn lied weergalmen iedre stroom.quot; En dat kroost, van sohoonheên onderscheiden. Maar in schoonheid één, naar zustren aard. Gaat den stroom der stammen begeleiden, In zijn splitsing over de aard.

Met Pelasgen, Celten en Ibeeren,

Scythen, Cimbren, Slaven wandlen zij.

Niet gestuit door hoogten, diepten, meren.

Zee vol ijs of barre woestenij.

Met den Stier en scboone Europa zwommen

Ze over naar den bloemrijk\' oeverkant. Met Ulysses, \'t pijnboomhout beklommen, Naar \'t Cimmerisch Sohimmenland.

En alom verhieven zij haar stemmen,

Naar den eisch des levens, forsch en zacht. Met een zieldoordringend aderaklemmen.

Of\' een weekheid, waar de weelde in lacht; Op de maat van stormen en orkanen.

Of van \'t koeltje, dat met rozen stoeit; Op den toon van losgerolde vanen,

En van \'t hart in liefde ontgloeid.

En alom verwekten zij do geesten

Tot den grooten wedstrijd van \'t Gezang, En bereidden aan de volken feesten.

Waar de galm van naklinkt eeuwen lang. Haar, haar voorgang deed Homerus zingen,

Op haar wenk weerklonken, vol en schoon, Iliaden, Edda\'s, Nibelingen,

Skaldenlied en Bardentoon.

Schoone Taal! Geschenk des Allerhoogsten!

U verheft ons proza en gedicht;

Lof en lauwren, die wij zingende oogsten.

Zijn wij u, en u alleen, verplicht. Zelfverheffing ware uw eer verkorten;

Onze kracht is de uwe; zijn wij rijk, \'t Is door uwen rjjkdom uit te storten,

Eeuwig, onuitputtelijk.

Welk een lust uw ader te zieu stroomen.

Met zich voerende alles dat bestaat,

Alles, dat in werklijkheid en droomen

\'t Aanzijn aan eens menschen ziel verraadt; In dien stroom, den hemel en zijn stralen, En dat Licht, waar alle licht uit welt,

134

-ocr page 167-

DE TAAL.

Zich te zien weerspieglen en herhalen,

Met de bloemetens van \'t veld!

Welk een vreugd, met uwe kracht gewapend,

Voor het oog der volkren op te troên, D\'oorlogsmoed, in vuige harten slapend,

Op te prikkien, door de stem alleen.

Volken, Vorsten lessen in te scherpen,

Onvergeetlijk voor een wereldtijd,

En de fierste geesten te onderwerpen Aan dien God, wiens tolk gij zijt!

Maar wat wellust ook, u op uw paden

Na te wandlen door der tijden nacht;

Met u zee en stroomen te doorwaden,

\'t Hoofd te bien aan sneeuw en hageljacht. Met de volken, dringende en gedrongen,

D\' engen bergpas door te worstlen — maar. Rechts en links van vijanden besprongen.

Bloot te staan aan nieuw gevaar!

Op het slagveld, \'t overschot der helden

Met u te verzaaralen, na den strijd;

Of den ploeg te drijven door de velden,

In een rustiger en beter tijd.

Als niet slechts de Jachtspriet ligt versmeten Voor den stat des Herders, zacht en trouw, Maar, voor u, ook deze wordt vergeten, Volkenbouwende A kkerbouw!

Klimmende Behoefte roept de Konsten,

ledre Konst roept nieuwe krachten op;

Elke vondst drijft ü tot nieuwe vondsten,

En voert. Vindingrijkste! uw roem ten top. Alomtegenwoordig, alom vademend,

Alvërzorgend volgt gij, stap voor stap,

Licht en leven, gvoei- en bloeikracht ademend, Wetenschap bij wetenschap.

Doch wie prijst het heil dier stervelingen,

Wien door God dit voorrecht werd bewaard: Tot uw zielsgeheimnis door te dringen,

Uie zoo veel geheimen ons verklaart, \'t Raadsel van uw worden, wassen, streven

In het heilig donker te bespiên,

En den gang van uw onsterflijk leven Met een sterflijk oog te zien?

Hier vloeit, op de schemeidge grenzen.

Aarde en hemel, stof en geest ineen,

-ocr page 168-

136 VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

En aanschouwbaar breekt de ziel des menschen

Door den diolitgeweven sluier heen.

Hier, hier vallen stralen uit den hoogen,

Hartverheffend door hun godlijk licht;

Maar ook hier zweeft ons die mist voor de oogen, Die tot needrigheid verplicht.

Gave Gods, en godlijkste aller gaven!

Gjj schept volkren; gij maakt menschen; gij Blijft in ons een godlijke afkomst staven,

Hoe ons hoofd door schuld gebogen zij.

U bezitten slechts, is mensch te wezen;

U beheersohen, meester zijn van de aard;

ü doorzien, het heilig schrift te lezen.

Dat het heimlijkste openbaart.

Maar die u bezitten, u waardeeren,

U doorzien, zoo ver een mensch mag zien, U beheerschen mag, door u regeeren:

Wat verwacht een prijzende aard van dien?

Uice roeping is den Mensch te dienen.

En de Merschheid door den enklen Mensch,

Is de oneindige eer des Ongezienen,

Aller braven wit en wensch.

Komt dan Zangers, Sprekers, lledenaren.

Aan wier mond wij hangen, enkel oor! Taaldoorvorsohers met bekranste haren,

Die de fakkel voordraagt in het koor!

Lnat die roeping ook uw hart bezielen;

Liefdedienst gaat boven zelfgenot;

En onze eervolste eer is neer te knielen Met een lofgezang tot God.

In de Vergadering van het Zesde Ned. Taal en Letterkundig Congres, gehouden te Utrecht, 1854, Sept.

quot;VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

1.

HET WOOED IS VLEESCH GEWORDEN. EEN BEURTGEZANG.

Verg. Joh. I.

ALLE STEMMEN.

In den beginne was het Woord;

\'t Woord was bij God; het Woord was God; Van eeuwigheid bij God en God;

In den beginne was het Woord.

-ocr page 169-

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

EKNE STEM.

In den beginne bracht het Woord Deze aarde en aile heemlen voort.

A NE\'E li E sfrEM.

Gods Geest zweefde op den duistren plas: God sprak: Daar Zij licht! En \'t licht was.

ALLE STEMMEN.

0 Eeuwig Woord! o Levensbron!

O Aller Geesten Licht en Zon!

Niets leeft, tenzij Gij \'t leven doet; En niemand ziet, dan bij uw gloed.

EENE STEM.

Geen licht in \'s werelds duisternis,

Dat niet aan u ontstoken is.

AKUERE STEM.

Geen blijvend duister voor de ziel.

Waarop uit u een lichtstraal viel.

EENE STEM.

De Wereld is door \'t Woord gewrocht; Het Zijne heeft hij opgezocht.

ANDERE STEM.

De Wereld heeft Hem niet gekend; Het Zijne heeft zich afgewend.

EENE STEM.

Maar die zijn hart hem opensloot,

Dien maakte Hij Gods gunstgenoot.

ANDERE STEM.

Maar die Hem aannam tot zijn Troost,

Dien voegde Hij bij \'t godlijk kroost.

ALLE STEMMEN.

Juich, zondig Menschdom! in uw lot. Het Woord bij God, en eeuwig God. Der englen lof, der englen Heer,

Werd vleesch en daalde op aarde neer.

EENE STEM.

Het eeuwig Woord, des Vaders Zoon, Verliet zijn starrelichten troon,

En koos (de ontferming Gods zij lof!)

Zijn tabernakel in dit stof.

137

-ocr page 170-

VIJFTAL, GEWIJDE I.IEDEllEN.

andere stem.

Hoe breekt de stille majesteit Van zijn verborgen heerlijkheid In \'t licht der Waarheid, in een gloor Van stralende Genade door!

Wat milden dauw, wat overvloed Van zegen stort Hij in \'t gemoed.

Dat, daar \'t zijn nood en armoe klaagt. Genade voor genade vraagt.

alle stemmen.

Geeft, hoogste heemlen, geeft God eer! Het Woord werd vleesch, Gods Zoon daalt neer.

twee stemmen.

Gods welbehagen daalt met Hem;

Behouden Mensch! verheerlijk Hem!

alle stemmen.

Verheerlijk God op hoogen toon,

God schenkt zijn Eengeboren Zoon!

Zie, hoe Hij \'t zondig menschdom mint; Aanbid die liefde, en word zijn kind.

II.

BEDE.

(Naar Steegman.)

Och, blijf met uw genade, Heer Jezus, ons nabij!

Opdat ons nimmer schade Des Boozen heerschappij.

Woon met uw levenswoorden, Verlosser, bij ons in.

En trek ons met de koorden Van uwe zondaarsmin!

Och, licht ons met uw stralen. Gij Licht der wereld, voor!

Opdat wij nooit weer dwalen, Of struikien op ons spoor.

Och, blijf ons met uw zegen. Nabij, schatrijke Heer!

En zend op onze wegen Uw kracht en goedheid neer.

138

-ocr page 171-

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEBEN.

Och, neem ons in uwe hoede, Gij onverwinbaar Held!

En weer des Satans woede. En \'a .Werelds boos geweld.

Och, blijf ons met uw trouwe Nabij, Heer, groot en goed!

Op wien ons harte bouwe Mot onbezweken moed.

Geleid ons aDerwege,

Door \'t haohlijk levenslot;

En fluister tot den veege: „Gij zijt verzoend met God!quot;

III.

BELIJDENIS.

Wat vleesch noch bloed Mijn dof gemoed,

O Heiland! openbaarde,

Zegt my de stem In \'t hart, van Hem, Die hemel schiep en aarde.

In U aanschouw Ik \'t Zaad der Vrouw, Op wien alle eeuwen wachtten; Den Man, wiens dag Reeds Abram zag; Den Zegen der geslachten.

Gij zijt het. Gij Wien profecij En schaduwdienst verkondde; De Christus Gods,

De sterke Hots,

Daar ik mijn hoop op grondde.

Ja in u heeft De God die leeft Zijn Zoon aan ons gegeven. Heer! waar dan heen? Gij hebt alleen Het Woord van eeuwig leven.

139

-ocr page 172-

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

IV.

LOFLIED.

(Naar Teüsteegen,)

Looft allen, looft Gods groeten Zoon,

Door hem verloste zielen!

Komt samen voor den hoogen troon Des Overwinnaars knielen!

Prijs, lof, eej-, dank, kracht, wijsheid, macht

Zij aan \'t geslachte Lam gebracht.

Wij moesten \'t licht van Gods gelaat,

Zijn gunst en leven derven;

Verzegeld was ons Godes raad,

Verzegeld zevenwerven.

Geen engel, die dien raad ontsloot;

Alleen het Lam, Gods Gunstgenoot.

De hoogste Geesten al te gaai-Voor hem de knieën buigen;

Der Englen millioenen-schaar Doet Hij aanbiddend juichen;

Al \'t schepsel roept met ééne stem:

Lof, prijs, macht, wijshei\'d, eer zij Hem!

De Aartsvaders van den ouden tijd Begroeten hun Verlangen;

De schare der Profeten wijdt Hem nieuwe lofgezangen;

De Apostlen roepen, hoog en luid,

\'t Hozanna met ons, kindren, uit.

De Martlaarschap, met gouden kroon.

Schudt hem de groene palmen;

Bekranste maagden, rein en schoon, Verheffen bruiloftspsalmen.

Daar is één stem in elks gemoed:

„Gij kocht ons Gode met uw bloed!quot;

De Zwervers door de woestenij Zijn vroolijk aangekomen;

Zij juublen met de ontelbre rij Door kruis beproefde vromen.

Gij, aller Liefde en Kracht en Lust,

Gij waart hun Zege, en zijt hun Rust!

En zou op aarde uw volk dan ooit Van uwe liefde zwijgen?

Neen, dankbaar doet het, schoon verstuooid. Zijn halleluja stijgen.

-ocr page 173-

GALM EN NAGALM.

Eens wordt het juichend saamgebracht Uit elke natie, elk geslacht.

Hoe zal \'t ons :!ijn, wanneer wij daar

Van al uw trouw gewagen:

Hoe Ge ons gezocht hebt, wonderbaar.

Gevonden, en gedragen?

Waar aller harp vereenigd klinkt, En elk zijn eigen danklied zingt.

V.

LOFZEGGING.

(Vg. 1

Amen! U zij kracht en eer,

Zalig, lilleenmachtig Heer! God, wien \'t gansch heelal aanbidt, Die de onsterflijkheid bezit,

Eenig, eeuwig, onafhanklijk!

Koning, die daar boven troont, Eö een heilig licht bewoont.

Voor geen sterflijk oog toeganklijk.

GALM EN NAGALM.

Uit een ver verschiet.

Uit een ver verschiet. Klinkt mij een toon:

\'t Is een vroolijk lied,

\'t Is een vroolijk lied, Vroolijk en schoon.

\'t Is het lied der vreugd,

\'t Is het lied der vreugd {Ken ik niet \'t wel?)

Van mijn eerste jeugd,

_ Van mijn eerste jeugd: Lachjes en spel.

\'t Komt wat naderbij,

\'t Komt wat naderbij; Hoor hoe het zwelt!

Is dit melodij,

Is dit melodij Of woest geweld ?

Hoe luidruchtig dreunt,

Hoe luidruchtig dreunt Wanklank op klank;

-ocr page 174-

142 GALM EN NAGALM.

Maar daartussclien deunt,

Maar daartusschen deunt Zuiver gezang.

Bij het lied der min,

Bij het lied der min. Smeltend en zacht,

Mengt zich weemoed in,

Mengt zich weemoed in; \'t Gloeit en versmacht.

Ook die toon verstomt.

Ook die toon verstomt; Lief blijft hij mij.

Maar een andre komt,

Maar een andre komt Op aan mijn zij\'.

In mijn vroolijk huis,

In mijn vroolijk huis, Aan zegen rijk.

Rijst een luid gedruisch:

Rijst een luid gedruisch: Kindermuzijk.

Met een zachte klem.

Met een zachte klem, Dringen verward

Kinderstem bij stem.

Kinderstem bij stem Door tot mijn hart.

Hoor, de moeder spreekt,

Hoor de moeder spreekt! Is dit geen lied.

Dat als honig leekt.

Dat als honig leekt. Als bronnat vliet?

Lieve stemmen, zwijgt!

Lieve stemmen, zwijgt! Zwijg, zoet geklank!

In mijn boezem stijgt

In mijn boezem stijgt Een nieuw gezang.

\'t Is een diepe galm,

\'t Is een diepe galm Van rein genot;

-ocr page 175-

AAN NEDERLAND. — ONZE VRIENDSCHAP.

\'t Is een dankbro psalm,

\'t Is een dankbre psalm, Tot u, mijn God,

AAN NEDERLAND.

ü heb ik steeds bemind, gt; Bemind, mijn Vaderland!

k Heb vroeg u hart en hand verpand. Als uw erkentlijk kind.

Ik was in rijper jeugd U altijd meer verknocht;

\'k Heb in uw roem mijn eer gezocht, In uw geluk, mijn vreugd.

\'k Heb steeds dit woord geslaakt, Ik heb mijn kroost geleerd :

Dat die xijn Vaderland niet eert.

Zich zelf te schande maakt.

Ik heb van \'s werelds end.

Van \'t lieflijkst zuideroord, Een lokstem; „Kom tot ons!quot; gehoord; \') Maar do ooren afgewend.

Zoude ik mijn kracht, mijn vlijt. Mijn lied, mijn luit (mijn lust)

Gann brengen aan een vreemde kust? Neen, zij zijn U gewijd.

Ja U; U levenslang;

Zoo lang ik adem schep. Een droppel bloeds in de aadren heb, En in mijn luit een klank.

ONZE VRIENDSCHAP.

AAN J. P. HASEBROEK, OP EEN KOUDEN WINTERDAG TOT MIJ OVERGEKOMEN.

De^Vriendschap, door ons hart gevoed

__En dapper aangekweekt,

Zij is, voorwaar, geen weeke bloed.

Die van een tochtje breekt.

\') Herhaalde beroeping (Nov. 1852 en Sept. 1853) tot Hootrleeraar te Stellen-bosch, in Zuld-Afrlka

143

-ocr page 176-

ONZE VRIENDSCHAP.

Zij is en blijft, na menig jaar,

Nog even frisch en sterk —

Gewis de hemel zegent haar.

Of \'t is een wonderwerk.

Voor niets ter wereld is zij bang,

Al heeft zij ook misschien De Zeeuwsche Stroomen wel wat lang Bedenklijk aangezien.

Bescheen haar \'t eerste levenslicht

Op d\' allerheetsten dag:

Dat zij voor vorst noch jachtsneeuw zwicht Bewijst zij slag op slag.

Hoe gunstrijk lachte, blij te moe.

De geest der poëzij Het lieve kind in \'t wiegje toe. En bleef haar altijd bij.

Hoe vj-oolijk was haar eerste jeugd,

En schreide ze ook eens wat,

Het was een andre soort van vreugd; Zij had ze droog en nat.

Wat heeft zij menig bloem geplukt.

En menig frisschen krans Op \'t onbekommerd hoofd gedrukt, In \'s levens morgenglans!

Hoe hartlijk werd zij van rondom

Bewelkomd en begroet.

En wierf bij jeugd en ouderdom Zich gunst in overvloed!

De liefde Gods zag vriendlijk neer,

En schonk haar van omhoog. Een ernstig harte meer en meer,

En een eenvoudig oog.

Een oog voor \'t licht yol majesteit,

Dat uitstraalt van zijjn Woord,

En op den weg naar de eeuwigheid Met zachte glansen gloort.

En in haar ziel ontlook een kracht,

Die uitblinkt om baar hoofd. Waardoor zij zich van Gods geslacht En onverderflijk g\'looft.

-ocr page 177-

OUD EN NiEUW. — AAN BEOROSFDBN. — NOQ.

Sinds ziet zij vroolijk op en om,

En maakt haar blijdschap groot, En telt geen tijd, geen ouderdom, En lacht met graf en dood.

Sinds is ons, in vernieuwde jeugd,

Een engel van den Heer,

En^ bij zoo menig troost en vreugd. Een troost en vreugd te meer.

OUD EïT NIEUW.

Lieflijk prikkelt op de tongen, Die het lied des Oogstea zongen Met de dartelheid der jeugd, Nieuwe Most, die \'t hart verheugt.

Maar de mannen, in wier haren Wij een grijze vlok ontwaren.

Daar zij zich in \'t hoekje scharen, Waar zij uit de drukte zijn.

Prijzen luide\'d\' Ouden Wijn,

Geung, keurig, uitgelezen____

Zou \'t met vriendschap ook zoo wezen ?

AAN BEDROEFDEN.

Geeft u niet over aan uw Smart, Maar aan den Man van Smarte, Die al het leed van \'t menschlijk hart Gevoeld heeft in zjfn menschljjk quot;harte. D roept zjjn stem.

Die _ van zijn smart zijn leven maakt.

Dien zal de smart verslinden;

Maar die tot Hem om troost genaakt. Zal uit den dood het leven vindén. Het is bij Hem.

NOG.

Het leed, dat u te beurte viel,

Moet gij niet, maar het moet u dienen. Het leide uw afgedwaalde ziel Van \'t zienlijke op tot d\' Ongezienen!

-ocr page 178-

146

VEUTKOUnVKX. —

KWIKSTAAUT.

NIET ONFEILBAAR. —

Het make uw neergebogen geest

Wat losser van liet stof der aarde! \'t Is u wellicht wat veel geweest, En heeft zoo weinig waarde.

VERTROUWEN.

Blijf op de wieken drijven,

Uie Grod geschonken heeft!

Zij zullen aan den schouder blijven, Ook daar waar alles u begeeft.

Durf op die wieken streven Ten hoogsten hemel heen!

Schoon door den dampkring wolken zweven, Een weinig hooger zijn er geen.

Blijf op die wieken hangen,

Hoe zwart de nacht ook zij! Ook waar geen straal is O]} te vangen, Is uw getrouwe God nabij.

Mijn God, op uw genade

Vertrouw ik nacht en dag.

Sla met uw oog mij gade.

En kom mij met dat Woord te stade. Dat zegt dat ik vertrouwen mag!

NIET ONFEILBAAR.

„Van mij te verschillen, gelijk gij ziet,

„Is van domheid of onwil een blijk: „Onfeilbaar? Neen zeker! dat ben ik niet! «Maar wel heb ik altijd gelijk.quot;

KWIKSTAART.

Trippel vroolijk op uw dorre beenen, Lentebodet.je in den lichten rouw.

Daar gij niet-met-al van schijnt te meenen. Trippel vroolijk om den landman henen. En vertroost ons van de late kou!

Hadt gij reeds de mist op \'t veld geroken?

Reeds \'t gebriesch gehoord van \'t boerenpaard, Eer de ploegstaart in den ploeg gestoken

-ocr page 179-

TWEE GENÉVES. — DE KLEINGEliLEVENEN. — IN EENZAAMHEID. 147

En de taaie klei werd opgebroken,

Die eerst u, dan ons het voedsel baart?

Welkom! Nooit zijl. gij te vroeg gekomen,

Kleine, fijne, trouwe menschenvrind!

Schoon ge uw eigen voordeel zoekt en vindt.

Zoek het, vind het; gij hebt niets te schromen.

Met u is de hoop in \'t veld vernomen;

Die het goede boodschapt, wordt bemind.

TWEE GENÈVES.

\'k Weet dat er twee Genèves zijn:

Een van Rousseau, een van Calvijn. Maar \'t zelfde, diepe, blauwe meer Besproeit ze beiden — God zij de eer!

DE KLEINGEBLEVENEN.

(NAAR EÜCKKRT.)

De wichtjes worden daaglijks ouder, De lieve kleintjes zachtkens groot; Zij glippen Vader van den schouder

En springen uit hun Moeders schoot. Maar gij, die, in uw eerste dagen.

Mijn Vader tnjj terug kwam vragen.

Blijft die gij waart en groeit niet meer: \'k Mag nog u in mijn armen dragen; En Moeder wiegt met welbehagen U in haar schoot, gelijk weleer.

IN EENZAAMHEID.

In eenzaamheid, gedenk ik aan mijn Vader, Mijns Vaders eenzaamheid,

Sinds Moeder is ter rust geleid.

En hem een dienstmaagd blijft, en niemand nader.

Veel kindren heeft hij, maar die op hun beurt Reeds vaders zijn en moeders.

Nog eens vereenen zich de broeders En zusters om die doodbaar, zoo betreurd.

Dan gaan ze uit een. Elk vindt zijn lieve kleenen Verbaasd van \'t rouwgewaad;

Terstond verheldert hun gelaat;

Reeds boort do glimlach door de tranen henen.

-ocr page 180-

KLSJE. — IN DE DILIGENCE.

Maar Vader blijft en treurt alleen. Helaas!

Kan hi) zijn oog gelooven\'?

Daar staat haar stoel terzij geschoven ... Hoe ledig is heel \'t huis door ée\'ne leege plaats!

Ach Vader! wat kan kindermin hier baten?

Neen! Zoek bii God uw troost!

De Hemelvader heeft geen kroost Dan dat Hem nooit verlaat, en nimmer wordt verlaten.

ELSJE.

Waar is, waar is de nachtegaal,

Die in het boschje zong,

En door zijn lied — Is \'t waar of niet? — Een traan in de oogen drong?

Waar is, waar is de frissche roos, Zoo bloeiende op haar steel?

Haar roode koon — Was zij niet schoon? — Beloofde nog zoo veel.

Waar is, waar is de heldre beek. Die opwelde uit het zand.

En dwars door loof en ruigte stoof, Met bloempjes op haar rand?

Waar is, waar is dat beeldschoon kind. Dat, vrooljjk, bloeiend, jong,

Naar \'t beekje keek, op \'t roosje leek.

En als de vogel zong?

De beek vloeide af, de beek droogde uit; De frissche roos verdween;

Het nest werd leeg, de vogel zweeg, En vloog, wie weet waarheen.

Het beeldschoon kind werd krank en zwak En wit om neus en kin;

Haar beste deel — Zegt dat niet veel? — Vloog d\' open hemel in.

IN DE DILIGENCE.

In den ouden bolderwagen.

Die van Alkmaar op Haarlem rijdt, In den wagen van Van der Hagen, Gebruik ik voortreflijk mijn tijd.

-ocr page 181-

IN DG DILIGENCE.

Ik denk van Heiloo tot Limmen —

Ja somtijds denk ik er om Tot waar ik het haantje zie glimmen,

Op den toren i\'an Castricom —

Ik denk aan die dagen en weken,

In de jaren van jonkheid en min,

Die ik met u in deze streken

Heb gesleten, mijn lieve vriendin!

Ik denk aan die wandelingen,

Waarop wij, hand aan hand,

Door het bosch en het korenveld gingen,

Onder praat naar ons beste verstand.

Wij zaten terneer op een dijkje \'),

Van viooltjes en klokjes omtuild,

En genoten het vreedzame kijkje

Kaar hot duin, waar zich Egmond verschuilt.

\'t öroote licht was gedaald, of op \'t tipje.

Ons oog zag het na met ontzag----

Nog een strookje, een streepje, een stipje... En voorbij was de heei-lijke dag.

Maar het avondrood blonk en vervulde

Heel de lucht met een vlammigen gloed, Die de toppen der duinen verguldde,

En \'t schroomvallige maantje kreeg moed.

\'t Werd zoo stil langs den beemd en den akker,

Alles sliep of sliep in op dat pas.

Slechts de piekende krekel bleef wakker,

En het haasje kwam spelen in \'t gras.

„Kom, mijn vriend! laat ons keeren,quot; zoo klonk er

Dan een stem; ,het wordt laat, als gij ziet; Moeder wacht ons op \'t Huis, vóór den donker; Maar vergeet onze bloemekens niet.quot;

En de ruiker, geplukt tusschen aren,

Tusschen struiken en gras van het veld.

Word, doorvlochten van bloeiende varen, Met een kus in uw handen gesteld.

Welk een tijd, welk een tijd, mijne Aleide,

Zijn die zachte genoegens geleên!

\') Aarden wal ter atsoheidlng van alikers.

-ocr page 182-

IN UE DILIGENCE.

Om het even; voor u, voor ons beide,

Is de liefde nog jong als voorheen....

Maar mijn voerman steekt den horen,

En jk zie, uit mijn mijmring gewekt.

Den Castricumschen toren,

Van Engelsche kogels doorspekt1);

En Castricuinsche hoornen.

Glad geschoren, gekapt, en gewit.

En tuintjes, zoo net en volkomen,

Stok- op stokroos geschaard in \'t gelid.

\'t Bonte vee graast in schaduw der heuvelen, Donker groen van den voet tot de kruin.

Teeuwis Tijssen staat vreedzaam te keuvelen, Over \'t hek van den dam, met Jan Duin.

Jan Duin heeft twee pikzwarte kalven —

„len wit voetje heeft de ien, de aare nietquot; —

En hij wedt om een zak met zesthalven, „Dat je nieuwerts der wederga ziet.quot;

Dit is Guurtje, Teuns dochter, vrij krachtig. Kort gejakt, lang gerokt, gansch niet bleek;

Die des Zondags een kap draagt, heel prachtig. Maar een mop, als gij ziet, in de week.

Lange lanen van elzen en berken.

Ik bemin en bewonder u wel.

Maar gij schijnt wat slaapwekkend te werken Op het dichterlijk, droomend gestell

Ik voel mijn oogen bezwaren,

Het is of ik ze sluit;

Maar nog zie ik grasgroene blaren.

En weder, en immer rechtuit!

Een opweklijke stoot in den horen!

Dit is Beverwijk, naar ik merk.

Ik ken dien heelen toren

Bij die halve, en toch dubbele kerk ^).

Beverwijk! nooit vergeet ik de dagen.

Toen langs heel deze uw straat, voor \'t gemak,

\') Tot een aandenken van \'t jaar 1799.

2) De kerk te Beverwijk placht veel grooter te zijn. Wat er van het vroegere gebouw overig is, Is onder twee daken gebracht.

150

-ocr page 183-

IN DE UIL1GEN0E.

Die moorddadige keisteenen lagen,

Paar men asten en ribbon op brak \').

Ach, toen deedt- gij door paarden en menschen, Uit elkander geschokt en ontwricht,

U van d\'ochtend tot d\'avond verwenschen;

Maar uw ooren en beurs hieldt gij dicht.

Beverwijk! welk een toekomst, wat tijden,

Als de hoofdstad des Rijks, met haar schaar.

Straks uw Holland-op-\'t-Smalst zal doorsnijden. Of \'t een blaadje couponpapier waar!

Als uw meer in zee zal stroomen.

En aan \'t sneeuwwitte strand, uit het niet.

Dat IJmuidon -) te voorschijn zal komen.

Daar de Helder reeds donker om ziet!

Lieflijk Velzen! van u moet ik zingen,

Met uw kerkje, verscholen in \'t groen;

Uiterst punt van de wandelingen.

Die de Haarlemsche schoolknaap mocht doen.

Maar hy kwam niet tot u over Schoten,

Hij kwam niet tot u door Zandpoort —

Waar werd ooit langs een straatweg genoten.

Wat het hart van een schoolknaap bekoort ¥

Langs de Overveensche tuinen.

Door \'t Bloemendaalsche bosch.

Liep zijn pad over hobb\'lige duinen,

Begroeid met veerkrachtige mos.

En de hoogste top werd bestegen.

Welgemoed zat hij neder, en keek

Op de bosschen, de beemden, de wegen Van de schoone, welvarende streek.

Hier de Zomerzorgsche schommel;

Daar het IJ in zijn glansrijkste pracht:

En daar achter, in neevlig gedommel,

Amsterdam ... Kon hij \'t zien?... Ja, hij zag \'t.

Maar moer dan \'t welvarende Heden,

Voor zijn oog door geen nevel bewolkt,

1) Wegens een gesclill tusscben liet llijk en het Stedeken over: Strait t, of Straatweg.

2) Men denke aan de profetische mijmering van Prof. Vissering, A0. 1848. zy werd destijds door den Gn/s medegedeeld, later in het bundeltje zijner Hcrinnf-Tinken opgenomen (Amst. 1803).

151

-ocr page 184-

IN DE DILIGENCE.

Trok de bouwval hem aan van \'t Verleden, Door zjjn stoute verbeelding bevolkt.

\'t öud kasteel, dat, in roemrijko dagen

Mét zoo menigen toren gekroond,

Bl-ederode! uw banier had gedragen En uw schildleeuw den volke vertoond.

Derwaarts heen! Dit \'s de weg. Dees moerassen.

Waar de kikvorsch uw geestdrift bespot, lïij-k mei lisohbloem en kalmoes bewassen Waren eenmaal de grachten van \'t slot!

Dit \'s de .poort; dit \'s de trap, heel versleten;

\'t Spreekt van zelf, \'t middeleeuwsche geslacht Was met ijzer geschoeid, als wij weten, En zoo\'n ridder een vreeslijke vracht.

Op naar boven! 0 zalig verrukken.

Als ten laatste een bevende hand Er de goudgele muurbloem mocht plukken, Op de kruin van den schuddenden wand!

Soms heeft, in later dagen.

Het zachtkens dravend ros Den leeraar van Heemstee gedragen Langs des duinkant en \'t Velzensche bosch;

Maar nooit zag hij op tot die muren.

Die de moker nog spaart tot zijn vreugd. Of zjjn hart dacht terug aan die uren En \'t genot van xijn dwepende jeugd.

En óók in den bolderwagen,

Die van Alkmaar op Haarlem rijdt, Den wagen van Van der Hagen,

Gedenkt hij dien vreugdrijken tijd.

Als een rook, als een schim vlucht ons leven,

Men gevoelt zich nog jong, en is oud; En men vindt zijn vier kruisen geschreven, Eer men \'t weet of zijn oogen vertrouwt.

Haast is van \'t geen wij waren

Ook niet meer dan de bouwval te zien. En de dood, die ons zóó lang wou spareu, Hoe zeer kort spaart hij dezen misschien!

„Gij sjjt stof, en tot stof zult gij keeren! \'t Graf is Waar, en de moederschoot wacht;

-ocr page 185-

IN DE DILIGENCE.

Zalig bij, die den vrede deg Heeren Heeft tot licht bij den dalenden nacht!quot;

Dat \'s de les, die \'k verneem bij het naderen Van het kerkhof, aan \'t einde der baan \'), Die mij wilgen met weenende bladeren En de bleeke cypres doen verstaan.

Ach! hier rust, onder \'t rustige lommer.

Een bevolking in de aard\', die een stad Heeft vervuld met haar arbeid en kommer, Toen zij markten en straten betrad.

Groot en klein, arm en rijk, boozen, braven, Vriend en vijand, de heer en zijn knecht. Hebben eerst hier elkander begraven.

Daarna zelf zich ter ruste gelegd.

\'t Zuidewindje ruischt stil langs de zoden,

Met verwelklijke bloempjes bedekt:

Sluimert zacht, sluimert vreedzaam, gijdooden! Tot de stem van den Heiland u wekt.

Sluimer zacht, sluimer zacht aan de zijde

Van het kind, met veel tranen beschreid, Trouwe ziel, die uw zorgen mij wgdde. Die mijn zorglooze jeugd hebt geleid!

Lieve Moeder! mijn oog zoekt de stede;

Waar uw Gade u gelegd heeft, en wij — Maar ons driespan draaft door, voert mij mede, En .... reeda zijn wij het kerkhof voorbij.

Dus is \'t leven. De Tijd voert den wagen;

Onder vreugd, onder smart gaat het voort! \'t Is voorbij wat wij zien, eer wij \'t zagen. Tot wij duizlende staan voor de poort....

Dit is Haarlem; zijn kork en zijn toren.

Dit dat plein, dit die gracht, dit die straat. Waar men hijlikt en kindert als voren.

Als dit rood zijden lapje 2) verraadt.

\') De Haarlemsche Begraafplaats, onder Schoten, draagt op de zullen van haar hek de schriftuurplaatsen: „Cry z\'yt stof, en tot stof zult gij tcedcrkeeren,quot; en: „Zalig zyn de dooden, die in den Heere sterven.quot;

2) De zoogenaamde klopper op de deur, naar oud gebruik, tot aanduiding van een kraamvrouw.

153

-ocr page 186-

HAARLEM.

HAARLEM.

Tusschen bosschen, beemden, duinen,

Ligt de grijze Spaarnestad,

Midden in haar rijke tuinen.

Als een steen in goud gevat;

Daar heeft mij het eerst beschenen

\'t Licht van een Septemberdag, Die op mijn mistroostig weenen Met een glimlach nederzag.

Daar heb ik geheel genoten,

Wat voor \'t vaak ondankbaar kind In het hart ligt opgesloten

Van een moeder, die het mint, Van een vader, die van \'s morgens Tot des avonds werkt en waakt, Gaarne, mits hij door veel zorgens Slechts zijn kroost gelukkig maakt.

Mannen van beroemde namen

Voerden mij van trap tot trap. Om mijn jonkheid te bekwamen

Tot een weinig wetenschap.

\'k Heb er dezen voor te prijzen

Zoo ik soms mij prijzen /.ag.

Dat ik, als mijn zangen rijzen,

Voel wat Hollands taal vermag.

\'k Heb het dezen dank te weten.

Maar wat laat eerst recht gedaan. Zoo ik Latiums poëten

Ook een weinig mag verstaan; Zoo ik ook wat mee mag rieken

Van den fijnen geurenschat.

Dien het heiligdom der Grieken Stort uit menig gouden vat.

Maar hoe zal ik ooit vermelden.

Stad, waarvoor mijn boezem blaakt! Wat ik in uw open Velden,

In uw Bosschen heb gesmaakt; Wat ik tusschen mos en varen.

Aan den voet van \'t ruige Duin, Op mocht zaamlen, en vergaren Van des Blinkerds kale kruin?

Niet omdat ik al de plekken.

Waar de braaanbes weligst groeit.

-ocr page 187-

HAARLEM.

En de plaatsjes wist te ontdelvken, Waar \'t verborgen beekje vloeit; Beekje, dat, mijn krachten sterkte

Op mijn slingrend wandelpad, Schoon ik waarlijk niet bemerkte Dat ik sterking noodig had;

Niet, omdat ik gansche scharen

Vlinders, kevers, en gespuis. Dat mijn moeder deed vervaren. Krijgsgevangen bracht in huis; Niet\'omdat ik al de bloemen,

Al de kruiden, ieder gras.

Daar uw Flora op mag roemen.

Voor mijn gapend plantboek las;

Maar naardien uw duin en dalen,

Bosch en beekjes, bloem en kruid, Stomme vlinders, nachtegalen Met hun dichterlijk geluid,

\'t Wilde torteltje in de linden,

\'t Krekeltje onder tijm en mos. En \'t gesuis der avondwinden Door de toppen van het bosch;

Maar naardien het eerst ontluiken

Van de lente, jaar op jaar,

\'t Gele bloeisel aan uw sh-uiken.

Grijze wilg en hazelaar!

Maarquot; omdat het prachtig pralen

Van den zomer, in uw hof, \'t Geestig spel der zonnestralen Met de schaduw, onder \'t lof,

\'t Bont verkleuren, \'t langzaam dunnen,

\'t Dwarlend vallen van do blafin. Die der zon een kijkje gunnen.

Waar ze in lang geen oog kon slaan, Straks de storm, in \'t West geboren,

Opgekomen uit die zee, _

Die van ver haar stem mij liooren En haar spiegel glinstren deê;

Maar naardien dit groeien, bloeien

Wisslen, werken der natuur,

In mijn binnenst deed ontgloeien

Spranken van geheiligd vuuiv Door mijn ooren, door mijn oogen, Zwolg mijn jonge ziel en zin

155

-ocr page 188-

HAARLEM.

Goddelijke nectartogen Met een zuivren wellust in.

0 gewis! \'t Veelvoudig leven

Van de wondre schepping Gods, Die alom mij hield omgeven,

In uw beemden, in uw bosch, In uw hoven, waard te roemen, Op uw heuv\'len, aan uw vliet, Waar het bitterzoet zijn bloemen Slingert door \'t weemoedig riet,

Heeft bet leven in mijn boezem

Deels verdubbeld, deels gewekt. Als een vroege\' amandelbloesem.

Dien het zonlicht opentrekt; Ja gewekt, gevoed, ontwikkeld.

Aangemoedigd, opgebouwd.

En met zachten drang geprikkeld Tot genieten duizendvoud.

\'k Voel u nog, gewijde ontroering, \'t Hart doorritslend reis op reis, Zielsontvlamming, geestvervoering,

Afgekoeld tot stil gepeis, Weerklank in mijn innigst harte

Van het lied, dat alles zong, Dobbring tusschen vreugd en smarte. Traan, die in mijn oogen drong!

O mijn God! ik durf niet hopen.

Dat ik ooit u waardig prees!

Maar mijn boezem ging u open.

En mijn kinderlofzang rees. \'t Groote lied was aangevangen,

Dat geheel mijn ziel^doordrong; Bron van duizend, duizend zangen. Die ik zong, en niet en zong.

Kweekplaats van mijn kindsche dagen!

Heb ik ooit, in later dag.

Op mijn luit een toon geslagen,

Daar ik lof voor beuren mag: Naklank is het van de klanken,

Die zij indronk in uw lucht.

Daar mijn hart u voor zal danken Tot mijn jongsten boezemzucht.

-ocr page 189-

HEILOO. — HET LIED DES DOODEN.

HEILOO.

Boven Liinmen ligt Heiloo.

Waarom klopt het hart mij zoo,

Als ik, boven Limmen,

Op een spitsen torentop,

\'t Haantje met vergulden kop Boven \'t hout zie klimmen\'?

Heiloo ligt boven Limmen.

Schoone dreven heeft Heiloo. Waarom klopt het hart mij zoo,

Midden in zijn dreven,

Als, van tusscnen \'t groen geboomt, \'t Witte Huis te voorschijn koomt, Statig en verheven?

Heiloo heeft schoone dreven.

Lieve vrouwtjes telt Heiloo. Waarom klopt het hart mij zoo,

Kom ik die te aanschouwen? \'t Heugt mij hoe ik, jongeling, \'t Liefste meisje uit haar kring In zijn kerk ging trouwen.

Heiloo telt lieve vrouwen.

Zeegue God u, klein gehucht! Dubbel zuivel, dubble vrucht

Lache u daagljjks tegen; Onbezoedeld, onverpoosd,

Vloeie u de evangelietroost Als een malsche regen!

Aan mij verdient gij zegen.

HET LIED DES DOODEN.

Gij hebt mij lang gekend. En komt mij (his te aanschouwen: Ach, eer gij \'t denkt, is dit het end;

De dood is niet te trouwen. Ik leefde een jaar of wat; niet meer; Nu lig ik op de lijkbaar neer; De nacht der graven wacht op mij — Wie zal mij volgen? Gjj?

Lijkvolgers_,_ Vriendenschaar,

Wilt over mij niet weenen!

Mjjn ziel, al schreit gij bij mijn baar,

157

-ocr page 190-

nu het ovehlijden eens leekaaks.

Is reeds voor God verschenen.

Daar smaakt zij, om haars Heilands bloed, Des hemels onverbitterd zoet — Hoe zalig is die rust voor mij;

Wie zal mij volgen? Gij?

Geliefdste Vriend! één bee:

Vergeet mij niet te spoedig!

Ik droeg uw beeld ten hemel mee,

En wacht u daar blijmoedig.

Daar is geen graf, geen rouw, geen smart, Geen zondesmet bedroeft er \'t hart. Volkomen vreugde streelt er mij — Wie zal mij volgen ? Gij!

Heb dank, o Vrienden saam.

Die mij naar \'t graf geleidde!

Dat u \'t geloof in Jezus naam

Een zachten dood bereide!

Bescherme u God bij dag en nacht — Mijn aardsche dagtaak is volbracht; Het stille graf sluit over mij —

Wie zal mij volgen? Gij.

„Frankische Volksliederquot; (Leipz. 1855).

BIJ HET OVERLIJDEN EENS LEERAARS.

(Olney Hymns.)

God nam zijn Meester weg van hem. Aan d\' oever der Jordaan;

Wanhopig roept Eliza\'s stem: Wat vangt nu Isrel aan?

Maar hij vergeet dat \'s Heeren macht Der zwakken lenden gordt,

En in wat maat Elia\'s kracht Op hem is uitgestort.

Hoe? Paulus endt zijn schoonen loop, Apollos daalt in \'t graf:

Is Jezus Kerk nu zonder hoop?

Sneed Hij haar leven af?

Of leeft Hij nog, die eeuwig leeft,

lin al haar nooden kent?

Zij trooste zich met wat zij heeft. En wachte \'t geen Hij zendt.

-ocr page 191-

WAPEN VOOR DE GEMEENTE „HAAKLEMMERMEEK.quot;— MIJN KOOS. 159

WAPEN VOOR DE GEMEENTE „HAARLEMMERMEER.quot; Aan den Edelachtb. Heere Mr. M. S. P. Pabst, Burgemeestei-.

1855.

Gij, die op \'t nieuw, veroverd, land,

De vlag, in naam uws Konings plant;

üw oog schijnt Mij te vragen:

„Wat Teeken zal zij dragen?quot;

Zoo ik een Teeken kiezen zou,

\'t Ware, op een veld van Hemelsblauw,

Drie gulden Koren-aren.

Oprijzende uit de Baren.

Zoo gij \'t aanvaardt, en kronen wilt:

Plaats dan een Tand-rad boven \'t schild,

Symbool dier Werktuigkunde,

Die dees.triumf vergunde.

Dat „Goüd uit Schdimquot; de Zinspreuk zij!

Het is eens Dichters Profecy;

De Hemel doa beleven Wat Vondels vingren schreven!

De Leeuw van Holland, nu gezond,

Zie bij dit Schild met hoogmoed rond.

Bescherm het niet zijn klauwen.

En geef het d\' aard te aanschouwen.

MIJN ROOS.

Ik ken, ik heb een frissche Roos,

Maar zonder steel of blaren;

Zij bloeit voor mij geen korte poos, Maar nu reeds vijftien jaren.

Reeds vijftien jaren bloeit zij mij, Bij dagen en bij nachten.

En stoort zich aan geen jaargetij. Aan sneeuw noch hageljachten.

Geen sneeuw of hagel, die haar stoort; En, hoe de zon mag steken.

Zij bloost en bloeit onkwetsbaar voort. En weet van geen verbleeken.

Indien zij van verbleeken wist. Zoo haar mijn oogen zagen

-ocr page 192-

OPEN VESSTEUS.

Betrokken met een valen mist, Hoe zoude ik dat verdragen?

Verdragen zoude ik eerder dat,

Waar ik mijn oogen wendde,

Mijn voetpad niets dan dorens had, Dan dorens van ellende.

Geen dorens hebt ge, o Roos, zoo zacht

Als zacht fluweel en z^jde!

Hoe zedig gloeit, hoe vriendlijk lacht Uw blosje fallen tijde.

o Gloei en bloei mijn leven lang!

Laat niets uw glans verminderen ...

Ik meen de Roos op moeders wang; Gij raadt het, lieve kinderen.

OPEN VENSTERS.

(Naar Longfellow.)

Het prachtig Buiten hief zijn dak Stilzwijgend uit de lindeboomen; Het zonlicht deed langs top en tak

Zijn goud op \'t ledig voorplein stroomen.

\'k Stond even stil bij \'t open hek.

En sloeg weemoedig \'t oog naar boven; \'k Zag van der kindren slaapvertrek De vensters alle opgeschoven.

Maar geen lief bakkesje keek uit.

Geen aardig ventje zag ik woelen.

Daar was beweging noch geluid;

Slechts leege tafels, leege stoelen.

Kardoes stond op de stoep van \'t Huis,

En tuurde goedig door de ruiten. En kwispelstaartte op \'t minst gedruisch. Maar wachtte vruchtloos zijn kornuiten.

Zij trippelden door \'t Huis niet om;

quot;Zij speelden op geen beukepleintjes;

Noch zagen blijde aan de eendekop,

Hoe de oude zwommen naast hun kleintjes.

-ocr page 193-

DETJE.

\'t Gevogelfc sprong van tak tot tak;

Zijn wildzang klonk door al de boomen; De stem der kindertjes ontbrak;

Zij wordt nog slechts gehoord, in droomeu.

Ik trok den knaap wat dichter bij,

Pie aan mijn zijde bloempjes plukte;

Lang keek hij me aan; toen vroeg hij mij: „Waarom \'k zijn handje toch zoo drukte?quot;

BETJE.

Neem mij niet kwalijk, lieve Bet!

Dat \'k u oens ernstig onderhoude En vlak de waarheid zegge, net Als ik \'t mijn eigen dochter zoude.

In de eerste plaats, mijn lieve kind!

(rij moet zoo dol oprecht niet wezen. Wat gij gevoelt, bedoelt, bevindt,

Is daadlijk in uw oog te lezen!

Ei, waarom veinst gij nooit eens wat?

Bescheiden zijn is ongenoegzaam; Het veinzen — zondig dunkt u dat...

Maar, Betje! ieder acht h jt voeg-zaam.

Die \'t recht verstaat, met mond en kaak,

Dien acht men overal verstandig;

Hij heeft gemak, die groote zaak!

Een flapuit is verbaasd onhandig.

Dus, meisje! \'k smeek u als een gunst.

Leer met bevalligheid wat liegen;

En zoekt gij \'t toppunt van de kunst,

Leer bovenal uzelv\' bedriegen.

Ten tweede: Gij schijnt zeer gezind Uw tijd voor kennis uit te geven;

Gij wilt wat weten. Lieve kind!

Zij weet genoeg, die „weet te leven.quot;

Het praten, zeker, hoort daarbij.

Het aardig over allés praten;

Maar die veel weet, spreekt minder vrij, Of ziet zich als een wijsneus baten, 111. li

161

-ocr page 194-

BETJE.

Gij leest Franscb, Duitsch: dat \'s naar nijjn wil;

Vooral toch Engelsch, moet ik hopen! „Ook Hollandschquot;... Schepsel, houd u stil! Gij zoudt het met uw eer bekoopeo.

Maar wiarom leest gij \'i1 Dat \'s de zaak.

Daar \'t al op aan komt; om te lezen^

,Neen, tot mijn stichting, nut, vermaak ... Ik dacht wel dat het mis zou wezen.

De Bijbel is uw liefste boek.

Hetgeen ik voor alsnog niet lake;

Zoo slechts het daaglijksch onderzoek Der Schrift u tot geen dweepster make.

Gij gaat getrouw ter kerk. Zeer good!

Maar waarom, tegen aller wenschen,

Zet ge op de bals geen enklen voet i1 Men ziet ook daar zijn evenmenschen.

Kn ook laat ge u geen lidmaatschap

Van comité-tjes welgevallen;

Melieve, nu nog mooier grap!

Die niet naar \'t bal gaan, doen dat allen.

Hoor kind! uw keus moet duidlijk zijn:

Verlicht godsdienstig, zoo als wi] zijn;

Of wel, ten eenenmale fijn; „

Maar daar moet dan wat extra s bij zi)n.

In zang on toonkunst neemt gij les.

En schijnt in beide wel te slagen.

Maar zijt verschriklijk ouderwetsch In \'t plaatsen van uw welbehagen.

Gij hebt, naar \'t schijnt, noch oor noch hart

voor schitterende meesterstukken,

Die drok en dol lijn en verward,

Maar die men aanhoort met verrukken.

Beethoven, Moaart, Haendel, Bach,

Ziedaar de lui, die gij blijft roemen;

Maar dat is, als ik \'t zeggen mag.

De sterren prijzen en de bloemen.

Soms zien wij u, by avondstond

Voor \'t open venster neergezeten, Een zachten glimlach om den mond. Het wereldsche gewoel vergeten;

-ocr page 195-

BETJE.

En somtijds weer, voor dag en dauw, Tot stichtirg zeker van de boeren.

Mooi blootgesteld aan de ochtendkou, Uw duiven an uw kippen voeren.

Ot, op een ongelegen tijd,

In eenzaamheid door \'t hakhout dolen, Waar gij uw kostlijke aandacht wijdt Aan bloeiend onkruid en violen.

Beken het maar! Is \'t waar of niet,

üat vaak, als alles reeds ter rust is, Het staren in het bruin verschiet Der breede lanen nog uw lust is.

En \'t opzien naar het stil gewelf,

Waar, langs de maan, de wolkjes drijven, U dikwijls noopt, ondanks u zelf.

Nog uren op \'t balkon te blijven y

„Dan,quot; zegt gij, „hoort uw hart een stem.

Door \'t zinlijk oor niet op te vangen, Die duidlijk tot u spreekt van H.em,

Wien de englsn eeren met gezangen;

Wien gij gedenkt met diep ontzag.

En dankt met innig zielsverrukken,

Omdat het u gebeuren mag

Den dorpel van zijn Huis te drukken!quot;...

Zoo zijt gij beurtlings, beste meid!

Wat ernstig, of wat kinderachtig. Het eerste is overdrevenheid.

En \'t andre. schaap! verveelt ons krachtig.

De wereld is zoo als zij is;

Hen moet wat nemen en wat geven. En zonder erg of ergernis.

Zoo leven als men haar ziet leven.

De kronkelbeek, die kalm en zacht

Haar weg zoekt met bescheiden bruisen, Wat is zij, bij de fraaie gracht.

Op peil gehouden door haar sluizen \'i

Het bijtje, hoe tevreden \'t zij

In zijn eenvoudig, stil, bedrijfje.

Haalt immers niet in waarde bij Een wesp met ingeregen lijfje?

163

-ocr page 196-

104 IN KlNDEUliAMEll. — BU 1IAAII GKAF.

Maar gy vergaapt u aan den schjjn,

En leeft bij veel te hooge zaken, Die mooi en goed en kostlijk zijn,

Maar al te slechte reekning maken.

Ik hoorde soms, in \'t diepst van\'t woud,

Een vogel zingen, luide en blijde; Ik vond, verscholen onder \'t hout,

Elen geurig bloempje, zacht als zijde;

Ik zag een bron, vol, klaar, en frisch. Ontspringen op\'een eenzaam plekje; En zie daarin uw beeltenis....

Maar wie zijn schuld is\'t, zedig bekje?

* Vergelijk Juste Olivieu, Clairette.

IN DE KINDERKAMER.

Alles in slaap!

Alles in rust!

Meisje en knaap.

Droefheid en lust!

Kleine krakeelen, en knellende zorgen Wegens de moeilijke lessen voor morgen, Eensklaps gesust!

Allen gezond,

Allen vol kracht;

Zie hoe die mond Slapende lacht!

Eén, nog één kusje gedrukt op de koonen, Ulozende rozen, van dochtren en zonen. En: Goeden nacht!

Ja, Goeden nacht!

Slaapt ongestoord!

God houdt de wacht.

God, die ons hoort.

Kom, leg ook gij nu bet hoofd maar terneder, Liefdrijke moeder! zoo zorgzaam en teeder; Slaap ook zoo zacht.

BIJ HAAE GRAF.

„Mijn sieraad en mijn eere.

Mijn grootste schat op aard. Een gave van den Heere,

-ocr page 197-

NEVKN3 DEN DIJEMKORF.

Zijn groote goe-dheid waard, Een onwaavdeerbre zegen,

Een hulp, een troost, een vvengd: Dat -waart gij op mijn wegen. Gij, huisvrouw van mijn jeugd.quot; \')

Thans, zijt gij van mijn zijde

Zoo droevig afgescheurct.

Och, weet gij, wat ik lijde.

En hoe mijn boezem treurt? Gij moogt in de armen zinken Van Hem, die eeuwig leeft:

Zou ik den kelk niet drinken,

Dien mij de Vader geeft?

Mijn kindren, lieve Zonen,

Vlucht tot dien Vader heenl Hij zal zich Vader toonen

Aan u en mij meteen.

Hij zal, in deze smarte,

Uw vader en zijn kroost Vertroosten aan zijn harte,

Gelijk een Moeder troost.

13 Mei 1856.

REPOS ATLLEURS.

Houd u don slaap des doods uit do oogen

Door werkzaamheid;

Geloof niet dat wij rusten mogen. Eer ons de Heer ter rust geleidt.

Verpoos uw geest, verkwik uw krachten, Schort d\'arbeid, maar hervat hem weer; En leg, ook zelfs in uw gedachten, Uw taak niet neer.

NEVENS DEN BIJENKORF.

Slo vos non vobla melllflcatls, apes.

Maak vlijtig honig, nijvre Bij!

Voor u niet, maar voor mij.

De schoone zen is opgegaan.

UEPOS AILLEDRS. —

Veel duizend bloempjes zie ik staan.

\') Zie bl. 19.

-ocr page 198-

NEVENS DEN BIJENKORF.

Hoe aardig pronken ze in \'t gelid! Dit geestig rood, dat zedig wit; Dit blauw, dat geel; gestreept, bestipt; Geplooid, gekarteld, uitgeknipt,

Of glad en effen, gaaf en rond;

Hier, lachjes om den rooden mond Zoo gul en vroolijk opgespard.

En daar, een heldre traan in \'t hart. Het eene draagt een kroon vol glans, Het andre eens Heiligs stralenkrans; Dit lijkt een kleine zon, en dat Een groote vonk op \'t grae gespat; Een kruisje, een ring, een spitse pluim, Een droppel bloed, een vlokje schuim, Een monnikskap, een krijgsmanshoed. Een schoentje voor een poppenvoet. Een pijpje met gebogen steel. Een veldschalmei, een kermisveêl, Een leeuwenbek, een kattenstaart. Een oudje, lachende in zijn baard. Een klokje, benglende in de lucht, Een bonte vlinder in zijn vlucht, Een bekertje met goud daarin, Een oogje pinkende van min,

Of met een heldren, vrijen blik Ten hemel opziend\' zonder schrik. En iedre bloem, die zich ontsluit. Spreidt, met haar kleur, haar geuren uit, En lonkt en lokt u, nijvre Bij!

Om u niet, maar om mij;

En zet u, op uw vliegend spoor. Het nectarvocht in schotels voor; Of reikt hot op een spitse roe U, mondjesmaat, bij droppels toe; Of laat u snufflen in zijn dons. Of zuigen aan een volle spons; Ot bergt, met plaagziek overleg,

Het in een donkren kelder weg.

Maar laat het deurtje op een kier. Dat gjj moogt ingaan, gulzig dier! En zwelgen, zwelgen, nijvre BijJ Voor u niet, maar voor mij.

Spoed heen dan met uw zoete vracht! De korf, de cel, mijn kelder wacht! Spoed heen, en stort uw rijken buit In vat op vat bij stroomen uit;

Spijs van den klimmend\' overvloed üw zusters en het jong gebroed!

-ocr page 199-

KDVBSS OBH BIJKNKORP. 167

Voorzie uw vruchtbre koningin,

Haar-minnaars, en haar hofgezin;

Leg ook den wintervoorraad op,

In kruik bij kruik met wassen stop;

Vlieg dan weer uit op vlugge vlerk.

Van bloem tot bloem, van perk tot perk;

Keer weer, ontlast u, vlieg weer uit,

Totdat de dag zijn ronde sluit;

Neem rust, tot de eerste straal van licht U weder opwekt tot uw plicht!

Wie weet of ge op uw vroegste vlucht Niet riekt een welbekende lucht,

Die lokt en zegt „de boekweit bloeit!quot;

Daarheen, daarheen dan, onvermoeid!

De weg is lang, maar groot het loon.

Maak haast! Nog is de morgen schoon;

Licht dat, op \'t midden van den dag. Een donderkop, een donderslag,

Een zwarte wolk, die regen spelt,

U wegdrijft van \'t welriekend veld,

En noodzaakt tot gedwongen rust Haar, die in d\' arbeid vindt haar lust.

Voor mij, lief Bijtje! eens vooral Bestelde ik u dees bijenstal;

Ik heb u dezen korf gekocht,

Door nijvre menschenhand gewrocht!

Ik plaats een vaantje op den top En schrijf er eigenhandig op:

Hier woont en werkt de nijvre Bij,

Voor zich niet, maar voor mij.

Want de ijzren vlyt, het taai geduld.

De wijsheid, die dit pakhuis vult.

De liefde voor \'t Gemeene Best In ieder hijenhart gevest.

Al de orde en eendracht, die hier heerscht.

Daar ieder zwoegt en zorgt om \'t zeerst, Die spaarzaamheid bij overvloed.

Die daagljjks rijker worden doet;

Ik pluk de beste vrucht er van,

Ik, die geen honig maken kan.

Ik, die niet weet naar welke wet De zoetheid van hot rozenbed In \'t binnenst van een bijenmaag Tot honig wordt, en \'t ook niet vraag;

Maar gaarn mijn brood in honig doop:

Ziedaar des werelds loop.

-ocr page 200-

JAN JANSZKiN\'.

JAK JANSZEN.

Eer brengt een arme Vader met vreugd zes kindren groot,

Dan dat zes rijke kinderen

hem koestren in den nood.

.Tan Janszen had gehamerd, gezaagd, geboord, geschaafd.

Bij dag en nacht gezorgd, gezweet,

geploegd, gezwoegd, geslaafd;

Zijn wijfje wist van sparen en zuinig overleg;

Zoo brachten zij zes kindren groot,

cn legden nog wat weg.

De zonen kregen vrouwen, de dochtren kregen mans;

Geen vader was gelukkiger

of rijker dan Jan Jansz.

Jan Janszens haar werd grijzer, maar dat was niemendal!

Maar hij verloor zijn brave vrouw,

dat was een treurgeval;

Maar hij verloor zijn wijfje, dat was een bitter kruis:

Daar zat hij oud en eenzaam neer

in \'t uitgestorven huis.

Daar zat hij, oud en eenzaam, te suffen bij den haard;

En menig, menig dikke traan

rolde in zijn grijzen baard.

Daar zat hij, oud en eenzaam, en sloeg zich voor don kop:

„Och, dat hij maar wat .jonger waar,

hij nam het werk weer op!quot;\'

Hij zat zoo lang te peinzen in doffe mijmerij;

Zoo mager werd hij als een hout,

en zag den dood nabij.

Zijn kindren kwamen dikwijls cn aten aan zyn disch;

Maar dubbel woog hem de eenzaamheid

na korte lafenis.

„Kom,quot; sprak hij, „\'k heb drie zonen, en elk zijn huisgezin;

„Kom, ik verkoop mijn have cn goed,

èn woon bij d\' oudsten in.quot;

Jan Jansz verkocht zijn boeltje, en deelde met zijn kroost.

„Vriend!quot; sprak hij tot zijn oudsten zoon,

„ik zoek bij u mijn troost.quot;

168

-ocr page 201-

T

JAN JANSZEN.

\'t Ging goed in de eerste weken, wat minder op den duur : Kn eer het jaar verstreken was,

kwam menig moeilijk uur.

En op een vroegen morgen, riep zoonlief vroolijk uit:

„Heeft vader niets gehoord vannacht?

Ik kreeg een jonge spruit.quot;

En eer nog de avond daalde, sprak hij zijn vader aan:

„Hoor vader, waar uw armstoel stond,

moet nu het wiegje staan.

Wij wonen wat bekrompen, en in een klein bestek: Gij moest bij broeder Gerrit gaan,

die heeft een groot vertrek.quot;

Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heel goed!quot; Dies trok hij naar den tweeden zoon,

en schepte nieuwen moed.

\'t Ging best in de eerste dagen, in de eerste maand misschien ; Maar eer \'t een halfjaar verder was,

had vader \'t al gezien!

En op een kouden avond, daar hoorde de oude man: „Gij stookt den kachel veel te heet;

ik krijg er hoofdpijn van.

Maar warmte hebt gij noodig; welnu, ik weet goed raad ; Uw derde zoon is bakker, best

dat gij daar wonen gaat.quot;

Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heel goed!quot; Dus trok hij naar zijn derden zoon,

maar met een droef gemoed.

\'t Ging heerlijk de eerste dagen; \'t ging goed een week of wat; Maar eer \'t drie maanden verder was,

was hem de bakker zat.

En op een schoonen morgen, sprak hij zijn huisvrouw aan. Daar vader in den leunstoel zat,

zoodat hij \'t kon verstaan :

„Eens bakkers huis, lief wijfjen! is net een duiventil; Een ieder loopt er in en uit,

en vader houdt van stil;

169

4

-ocr page 202-

JAN JANSZEN.

Ik wil den man niet jagen, maar beter leek hem wis Het stille huis van Leentje-zus,

dat op den stadsmuur is.quot;

Jan .Tanszen zuchtte in stilte: „Maarquot;, dacht hij: ,\'t is ook waar, Een dochter hangt veel teerder aan;

veel beter ben ik daar.quot;

\'t Ging best in de eerste dagen; \'tging goed nog menig week; Maar ook het dochterhart liet los,

eer \'t eerste jaar verstreek.

En in \'t begin van \'t tweede, daar kwam de schoonzoon aan, En zei: „Hoe graag ik vader hield,

\'t is niet om uit te staan!

Mijn vrouw sterft duizend dooden, als zij haars vaders stap, Bij uitgang ot bij thuiskomst, hoort

op deze steile trap.

Zij zegt wel duizend malen: De man zou denken dat Hij oiis te veel was; ver van daar:

maar anders, weetje wat?

Hij moest bij Betje wonen; die is nog wel jaloersch Dat vader ons gekozen heeft;

daar woont hij gelijkvloers.quot;

Jan Janszen dacht: „Mijn Leentje, die meent het zeker goed. En Betjen is jaloersch! Kom aan,

dat geeft een burger moed.quot;

\'t Ging extra, de eerste dagen; \'t ging goed, een langen tijd; Toen ging ook Betjes teeder hart

Zijn eerste warmte kwijt.

„Och vader, lieve vader! dat booze rheumatiek!

Ik vrees het aan mijn huisje ligt;

gij zijt hier altijd ziek.

Wou Grietjes man u hebben, dat was zoo mooi als \'t kon! Haar huisje, dat bij \'t kerkhof staat,

heeft altoos lucht en zon.quot;

Jan Janszen dacht: „Mijn Betje heeft gansch geen ongelijk,quot; Dus nam hjj met een hoopvol hart

bij Grietjes man de wjjk.

-ocr page 203-

nog te jong. 1

Hij was in \'t kurkdroog huisje geheel op zijn gemak.

Doodgraver was zijn Grietjes man;

dat was geen vroolijk vak.

VGing goed in de eerste dagen; maar, na een week of wat

,Grootvader!quot; zei het jongste kind,

daar \'t op zjjn knieën zat:

„Weet u wat Leenmoei zeide, toen zy bjj Moeder was?

Dat u geen kamer beter leek

dan onder \'t groene gras;

Een kamer, zooals Vader er daagl^jks maakt en sluit ...

„Kind!quot; riep Jan Janszen, zuchtte diep,

en — blies den adem uit.

Straks maakt de man van Grietje zijn kamertje gereed.

Nu komen al de kindren op,

in \'t effen zwarte kleed.

Jan Janszen wordt begraven met plechtig i-ouwmisbaar;

En op zijn grafsteen staat: Hier rust....

En dat is dan ook waar.

Eer brengt een arme vader, met vreugd, zes kindren groot.

Dan dat zes rijke kinderen

hem koestren in zijn nood.

NOG TE JONG.

(Naar Ykjtoii Hügo).

Een aardig meisje zong. Met uitgeteerde wang Lag, in het naast vertrek, de moeder op haar sponde. En sloeg ter dood benauwd een hollen blik in \'t ronde. Wij zaten bij dat bed en hoorden dat gezang.

Het kind was v|jf jaar oud. Het zong zoo lief. Wij moesten Wel luistren, dat de kranke \'t zag.

Het meisje zong den ganschen dag;

Zjj lag den ganschen nacht te hoesten.

Sinds gistren dekt het graf haar lief en schoon ge,laat. Het meisje zingt reeds weer. En waaroru zou het zwijgenV De droefheid is een vrucht, die God niet groeien laat Aan nog te teere twijgen.

-ocr page 204-

SCHERTS. — SLECHTS É^NE TAAK.

SCHERTS.

Ongevoelig, ruw, koelbloedig

Mag de scherts niet zijn; Vroolijk, vriendlijk en goedmoedig,

En niet scherp, maar fijn. \'t Lachje, dat zij op doet rijzen, Zij noch wreed noch wrang; Glimlachje op de lip des -wijzen. Kuiltje in poezle maagdenwang.

SLECHTS ÉÉNE TAAK.

De bloempjes kusten haar den voet.

Wanneer zij trad door \'t veld; De leeuwrik zong haar in \'t gemoet, Al heeft zij \'t nooit verteld.

Zacht streelde \'t windje haar de kin.

En beefde om \'t stout bestaan; Het beekje hield zijn murmlen in. En \'s dichters luit sloeg aan.

Het bijtje hield een gansche poos

Zich op zijn vlerkjes op,

En nam haar mondje voor een roos; Maar \'t was een rozeknop.

üit haar bruine oogen straalde een vonk

Zoo liefdrijk, rein, en zacht.

Die in do stugste harten zonk Met onweerstaanbre kracht.

Het bestje sloeg van \'t spinnewiel

Met vochtig oog haar ga,

En sprak: „Zie daar een vrome ziel!quot; En keek haar lang nog na.

De boersche kindren staakten \'t spel,

En Trijntje zei tot Jan:

.Zag jij die mooie jufter wel? Wat keek ze ons vrindlijk an.quot;

En menig, menig edel hart

Dacht: waren wij gepaard,

Ik weet wel wie gelukkig werd!

Maar ik ben U niet waard.

-ocr page 205-

SLECHTS ÉÉNE TAAK.

Doch huwen was de laatste zaak,

Waarop haar zieltje zon;

Een kranke Moeder was haar taak,

Die haar niet missen kon.

Een moeder, aan wier bed zij zat.

Zoo menig dag en week;

Haar volgde zij van bad tot bad, Van wereldstreek tot streek.

Ach, beeldschoon kind! altiid vervuld

Van \'t geen uw plicht gebood,

Gij waart een engel van geduld,

En uwe trouw was groot.

Vergeefs. Geen kruid, geen bad, geen lucht,

En zelfs uw liefde niet.

Heeft ter genezing kracht of vrucht.

Als gij met tranen ziet. —

Zoo sleet zij jaren achtereen,

— Haar frissche jeugd vervloog —

Maar werd nog schooner dan voorheen, In elks eerbiedig oog.

\'t Kan wezen dat haar lief gezfcht

Wat bleek, wat smaller werd.

Maar \'t blonk te meer van \'t heerlijk licht. Dat voortkwam uit haar hart.

Wat is de heldre blos der jeugd.

Wat \'s levens dageraad.

Bij \'t geon een lang beproefde deugd Prent op een schoon gelaat?

Bij wat zij om den lieven mond,

Op \'t enen voorhoofd schrijft Van wie in God steeds sterkte vond,

En op Hem hopen blijft?

Bij \'t geen er hemelsch blinken gaat

In \'t oog, dat, onbewolkt,

In dienst der rijkste liefde staat,

En haar getrouw vertolkt;

Vertolkt, hetzg ze dient of troost.

Hetzij ze draagt of lijdt.

Of dringend bidt, of vleiend koost. Of dankbaar zich verblijdt?

-ocr page 206-

TWEE LICETEN.

Maar eindlijk is haar taak volbracht, En \'t laatste werk verricht;

De trouwe dochterhand drukt zacht Haar moeders oogen dicht.

Nu reikt zij dan die dierbre hand Een langbeproefden vrind,

En knoopt den liefelijken band. Die harten samenbindt.

Verheven blinkt de huwlijkskroon Op \'t godgevallig hoofd;

En \'t blosje ontgloeit w«er op haar koon, Slechts voor een tijd verdoofd.

De aandoenlijke ernst van \'t zacht gezicht Ontplooit zich tot een lach,

Waar al het stil geluk uit licht Van dezen huwlljksdag.

o Trouwe Dochter, thans geheel Uw\' Eega toegewijd, _

Nog schooner roeping is uw deel, En die gij waardig zijt!

Wat zult gij, na een weinig pijn, — Uw liefde telt die licht — _

Een trouwe en teedre Moeder zijn Van een bekoorlijk wicht!

Dat kind vergelde u, rük en mild. Uw kinderlijke deugd

En alles wat gij \'t wezen wilt.

Door de eerste moedervreugd!

Gij smaakt die; ziet uw zuigling aan... Hoe bleek wordt mond en kaak!

Gij sluit uw oogen ... \'t Is gedaan.,. Gij hadt slechts eene taak.

TWEE LICHTEN.

Dees werkt om roem, en die om nut te stichten. Kees draagt een kaars, om andren voor te lichten Jan, om te zien hoe lang zijn schaduw wordt. Vrij lang, mooi Jantje! maar uw Kaars is kort.

174

-ocr page 207-

NAGEDACHTENIS.

NAGEDACHTENIS.

Gij waart zoo goed. Dat konden allen lezen In \'t zacht blauw oog en vriendlijk aangezicht; Een heldre straal van lieflijk licht Speelde u om \'t blonde hoofd en onvergeetlijk wezen.

Uw Moeders vreugd; haar troost bij weduwsmarte;

Haar lief\', voorbeeldig kind;

Als de appel van haar oog bemind,

En thans beweend, met een verbrijzeld harte.

Mij kreegt gij lief. Uw hart, zoo onbevangen,

Uw ziel, zoo rein en schoon Ging open op den zachten toon Van \'s jonglings luite en weemoedvolle zangen.

Gij schonkt me uw hand; wij werden saam verbonden; Gezegend uur voor mij!

Gods goedheid had mjj aan mijn zij Een engel ter bescherming toegezonden.

Iloe teeder was uw liefde, hoe zorgvuldig!

Hoe rijk en vindingrijk!

In lief en leed zichzelf gelijk;

Aanspraakloos, rein, zachtmoedig en geduldig;

Zoo trouw als goud, in woorden en in wegen.

Gij hebt mij nooit gevleid.

Door waarheid en oprechtigheid Werdt gij behoed, en waart gij mij ten zegen.

Wij poogden saam, bij \'t licht van Gods genade. Den goeden weg te gaan.

Hoe onbelemmerd tradt gij aan!

Ik wees den weg; maar gij gingt voor, mijn gade!

Gij waart zoo vroom; Uw godsvrucht had geen vouwen; De vroomheid van een kind.

Dat zijnen God en Heiland mint.

En zegt: „Hij is getrouw, dies zal ik ook vertrouwen.quot;

Ootmoedig kind! Wat andren aan u prezen Werd niets door u geacht.

Alleen de spreuk van uw geslacht:

„Mijn jieii, is cuiustusquot; was uw roem, en mocht het wezen.

Gij schonkt mij kroost. Ge omringdet mij met zonen En dochtren. Blij gedruisch

175

-ocr page 208-

176 N AGED ACHTEN IS.

Vervulde mijn gelukkig huis.

Uij gaaft ze uw melk, en uwe rozekoonen.

o Welk een lust, in \'t midden van de velen,

\'t Lief moedertje te zien;

Een op haar zachten schoot, een aan haar knien, Ken spelende op den grond en keuvlende onder \'t spelen.

o Welk een rust, u bij de wieg te weten Van \'t krank en lijdend wicht,

Met zorg in \'t hart, maar kalmte op \'t aangezicht. Niet wijkend van uw post, en \'t bidden nooit vergeten.

o Welk een troost, waar geen gebed mocht baton.

Maar \'t offer moest gebracht,

Van \'t vast geloof de groote kracht Te lezen in uw hart, zoo stil en godgolaten!

o Welk een troost, door u getroost te worden.

En in uw arm altijd Tot elke taak, tot iedren strijd De kracht te vinden om de lendenen te gorden!

o Welk gemis, dien troost, dien steun te missen.

En op de levensbaan Verminkt en eenzaam voort te gaan.

Hot hootd vol zorg, het hart vol droefenissen!

Üij waart nog jong. Geen acht en dertig jaren! Nog kleurde \'t lieflijkst rood

Uw zachte wang... Geduchte dood!

Wat wist uw adem snel mijn schoonste roos te ontblaren.

\'t Was Meimaand; alles groen in bosch en weide.

En ook in onzen hof;

De bloemen rezen uit het stof;

Ook op dat kerkhof, dat uw stof verbeidde.

Daar bracht ik u. Sering en goudenregen Wuifde u hot welkom toe.

Hoe treurig was mijn hart te moe.

Toch sterkte God en hield mijn tranen tegen

Sering en goudenregen liet zijn bloemen Neervallen op uw graf;

Elk bloempje viel vervolgens af.

En \'t laatste blaadje na de laatste bloemen.

-ocr page 209-

NAGEDACHTENIS. 177

De winter kwam de treurigheid volmaken.

o Akker vaa den dood,

Wat werdt gij doodsch, dus naakt en bloot!

Toen viel de sneeviw en dekte u met haar laken.

Maar nu.... Kan \'t zijn? Is \'t reeds een jaar geleden, Dat ik dien weg betrad,

Beroofd van \'t liefste dat ik had?

Nu bloeit gij weer, gelijk een bloeiend Eden.

En ook mijn hof herbloeit, als in die dagen Van angst en droefheid, toen Mij zoo gedurig \'t eerste groen,

In eenzaamheid, mijn nood aan God zag klagen.

Kleine Agnes plukte een lelietje en bekeek het: „Ziequot;, sprak mijn hartedief:

„Dit bloempje vond Mama zoo liefquot; —

En ik: „Dat \'s waarheid, kind! en zij geleek het.quot;

Welnu! Gelijk dit bloempje en alle bloemen Verborgen lag in \'t stof.

En nu weer opgaat m mijn hof,

Opdat we, o God! uw liefde en almacht roemen;

Zoo zal ook eens, gekoesterd door de stralen Van meer dan zonnelicht.

Herleven voor mijn aargezicht Mijn liefste bloem, mijn Lelietje-van-dalen.

Beminlijkste en godvruchtigste der vrouwen!

Die balsem zalft mijn pijn;

Ik zal daaraan gedachtig zijn,

Aleidelief! en voorts op God vertrouwen.

Och, mocht mijn kroost in uwen voetstap treden, En, ondanks uw gemis.

Mijn dochtertjes uw beeltenis Uitdrukken in een kring van stille lieflijkheden!

Mjjn zoons niet van uw les en voorbeeld wijken,

Zoo diep in \'t hart geprent.

En \'t wicht, dat nooit u heeft gekend.

Door aangeboren aard en inborst u gelijken!

En ik, die uw gedachtnis blijf vereeren,

o Moeht ik ook nog nu,

Verkeerende in den geest met u,

Geljjk voorheen, bestendig van u leeren.

UI. li

-ocr page 210-

BENÖNI. — NAZOMER.

BENÖNI.

Gü wist niet wie \'t was, die zoo kort, u aar zoo zacht \'U aan \'t hart van haar liefde mocht prangen,

Die op eenmaal verdween, in dien treungen nacht----

Maar gy scheent haar terug te verlangen.

Eondom uwe wieg werd door velen geschreid;

Doch de reden kondt Gi] met doorgronden;

Slechts hebt gij een dubble zorgvuldigheid Bij al deze droefheid gevonden.

Gii wist niet waarom, maar gij kondt maar niet recht

U gewennen aan \'t aardsche gewemel..-.

Tot dat gij heel zachtjes werdt nedergeiegtl Op uw Moeders schoot, in den hemel.

NAZOMER.

F.eeds begint de spin haar rag Overal te weven;

Korter wordt de zomerdag.

Korter wordt het leven;

Maar in \'t rijp en rijpend graan, Maar in halm en schooven.

Lacht de goedheid Gods ons aan. Die wij dankbaar loven.

Die het rozenbed beschouwt.

Wordt geneigd tot treuren;

Maar de boomgaard blinkt van goud. En de druiven kleuren.

Ook de roode lijsterbes

Gloeit zoo schoon als immer....

Vogels! volgt mijn wijze les:

Plukt haar nu — of nimmer.

Eerlang hangt de valsche boog In het vreemde lommer;

\'t Late besje lokt uw oog,

En gij ducht geen kommer.

Maar, verborgen voor uw blik,

Door den moord geweven

Gaapt de paardenharen strik Naar uw schuldloos leven.

Lieve kindren! elk genot Is aan tijd gebonden;

-ocr page 211-

179

OUD EN NIEUW VEItnOND. —

naar uückert.

ONDElt \'t VREEMDE JUK. —

Smaakt het, met een oog op God,

En ter rechter stonden. Die van geen_ genoegens weet,

Die hij niet mag rekken, Zal zich een gedurig leed,

Of den dood verwekken.

OUD EN NIEUW VERBOND.

liet Oude, de Omhulling; Het Nieuwe, Vervulling.

In het Oude, een stok en een staf, Op den weg naar het duistere graf; _ In het Nieuwe, \'t vroolijkste licht. En een opene deur in \'t gezicht.

ONDER \'T VREEMDE JUK.

(Uit Rückert\'s Geharnischte Sonnette, verschenen ten jare 1814.)

Jrat smeedt gij, Smid? „Wy smeden enkel keetnen.quot; Helaas, uw eigen hand omklemt een boei.quot; Wat ploegt gij Boer? „Opdat de veldvrucht groei!quot; Ja, voor den vijand tario, voor u brondneetlen.

Wat zoekt gij, Weiman? „Haar en veer, ten buit.quot; Hoor \'t jachtrumoer van die Uw leven zoeken. — Wat doet gij, Visscher? ,\'t Watervolk verkloeken.quot; Wie breekt het net, dat om uw leden sluit?

Wat wiegt gij. Moeders! en verbiedt u \'t slapen? „Een frissche teelt van forsch gespierde knapen.quot; Ja om, in \'s Vreemdlings dienst, hun Vaderland Ten bloede toe te slaan met eigen hand.

Wat schrijft gij, Dichter ? „\'k Grif in gloênde letteren Mijn eigen en mijns volks ondelgbre schand, Dat wij aan onzen kerkerwand De onteerde hoofden niet verpletteren!quot;

NAAR RÜCKERÏ.

I.

Stijgt gij naar omhoog, Steeds wordt voor uw oog \'t Uitzicht algemeener;

-ocr page 212-

AFSCHEID.

Van het groot Geheel Ziet ge een grooter deel, Maar al \'t Biizondre kleeuer.

II.

Wee, die zijn „Ik ga stervenquot; spreekt,

En niemand liefde heeft gedragen; Den beker, die in scherven breekt, En niemancU dorst verslagen!

AFSCHEID.

(Uit bet Hoogdultsch.)

Gij klopt; ik kom! Doch, eer \'k den laatsten gang Naar \'t stille graf, betrede.

Doodsengel! laat mij tijd voor één gezang.

Tot dank- en afscheidsbede.

Heb dank, o milde Vader, liefdrijk God!

Voor al \'t genot van \'t leven;

\'k Heb nooit vergeefs, bij \'t wisslen van mijn lot, Het oog tot u geheven.

Heb dank voor \'t leven, dank ook voor den dood,

Einde aller moeite en smarte:

Hoe bitter eerst, zoet wordt des stervens nood.

Leeft gij in \'t lijdend harte.

Hoe menig bloem van troost bloeit voor den voet, In \'t ondermaansoh geweste;

Uw wil geschiede; uw wil is altijd goed.

Die troost is ver de beste.

Vaarwel, schoone aarde! En gij, vaartwel en leeft. Wie \'k minde en moet begeven!

Indien ik soms u heb bedroefd, vergeeft.

Het brandt me op \'t hart bij t sneven.

Wii scheiden, ja! maar zien elkander weer.

Waai- allen zich vereénen. . , . ,

Daar scheurt de vriend zich van zijn vriend met meei Daar is geklag noch weenen.

Vaartwel! Beeds wordt het nacht voor \'t brekend oog; \'t Mag ü niet meer aanschouwen.

\'t Wordt duister; maar mij dunkt, ik zie omhoog Een nieuwen morgen grauwen....

-ocr page 213-

MORGENWEKKER. — ZOMERDAG.

181

1

Gy roept! ik kom tot u, en draal niet meeri Geliefden, \'t hoofd naar boven!

Voorbij is \'t leed; reeds ziet mijn oog den Heer, Wien \'k eeuwig ginds zal loven.

MORGENWEKKER.

(Naar Longfellow.)

Een wind kwam op uit d\' oceaan,

„Gij neevlen!quot; riep hij, „maakt ruim baan!quot;

Hij praaide \'t schip en sprak: „Zeil voort! De nacht is om; de dagtoorts gloort.quot;

Hij haastte zich tot strand en kust,

En riep: „\'t Is dag! verlaat uw rust.quot;

„Juich!quot; hief\' hij luidkeels aan in \'t bosch: „Rol al uw loof banieren los!quot;

Hij stoorde \'t vogeltje op zijn nest: „Ontwaak, mijn zanger! zing uw best!quot;

En op de werf: „O Kanteklaar!\')

Steek uw bazuin; de dag is daar.quot;

In \'t koren ging hij momm\'lend rond:

„Buig neer! begroet den morgenstond.quot;

En gierend door den kranken muur: „Ontwaak, o klok! verkondig \'t uur.quot;

Ook sloop hij door de kerkhofpoort.

Maar fluisterde: „Nog niet! Slaapt voort,quot;

ZOMERDAG.

Slechts blijde tonen kunnen \'t zijn,

Die van mijn lippen vloeien, Bij dezen heldren zonneschijn. Dit groeien en dit bloeien.

\') Cantekleer (naar het latyn cantu clarus) Is in „Reinaert de Vosquot; de naam vao den Haan. Longfellow heeft ChanUdeer.

-ocr page 214-

182 BLIJVENDE WAABDE. — VREDE.

Al draagt het hart een diepe wond,

Toch kan er vreugde wezen,

Als alles rondom ons Gods liefde verkondt, En we overal vroolijkheid lezen.

Mijn geest is vrij en opgewekt;

En zou zich mijn hoofd dan buigen? De graven zelf zijn met bloemen bedekt. Die van nieuw leven getuigen.

Zij kijken den hemel zoo dankbaar aan.

Van \'t zonlicht zoo vriendlijk beschenen; Dat droogt op haar wangen den helderen traan, Dien de donkere nacht haar deed weenen.

BLIJVENDE WAARDE.

Prachtig blonk voor ons oog, met haar schittrende pluim,

De komeet, in kortstondigen luister;_

Maar het vaste gesternte aan \'t onmeetlijke ruim Straalt nog steeds en bestendig in \'t duister.

Heerlijk schittren de gaven van schoonheid en .jeugd.

Die een dichterlijk hart doen ontgloeien;

Maar het heilig versiersel van godsvrucht en deugd Blijft ons stichten, verlichten, en boeien.

1858. (Het jaar der komeet van Donati).

VREDE.

In onze dagen zij het Vrede,

Volmaakte vrede en stille rust!

liet laatste twistvuur zij gebluscht; Hut oorlogszwaard blijve in de scheede; Ontzweef ons niet, begeef ons niet, Gij Engel, die den Vreê gebiedt!

De horder weide yijne schapen Langs batterijen zonder nut; In schaduw van \'t verroest geschut. Leg\' zich \'t verzadigd ooi te slapen; \'t Nieuwsgierig lam zie vroolijk op, En steke in d\' ijzren mond den kop.

Het veld zij vol van gouden halmen, Van witte zeilen \'t golfgebruis. Van bljjde liedren ieder huis,

-ocr page 215-

AAN DEN HEILAND. - JOHANNA GRAY.

Het heiligdom van dankbre psalmen; De burger, die het minst bezit,

Stake ook zijn stukje vleesch aan \'tspit!

PAX OPTIMA HEltUM.

AAN DEN HEILAND.

Wij waren verloren; gij hebt ons gezocht, Gevonden en behouden 1 Gij hebt ons met uw bloed gekocht.

Opdat wij u liefhebben zouden.

Wij waren gevangen; gij hebt ons verlost. Bevrijd op onze beden;

Die vrijheid heeft uw dood gekost; Wij willen haar wel besteden.

Wij sliepen don doodslaap; gij hebt ons gewekt; Uw Geest kan levend maken.

Wee ons, indien deze weldaad niet strekt Om ons te doen bidden en waken!

JOHANNA GRAY.

Ik heb het geloof behouden ....

Neem de Kroon, neem de Kroon! ze is uw deel en uw lot. Door den wil van uw Koning, den wil van uw God! U behoort zij; u voegt zij; uw godsvrucht, uw schoon Siert haar meer dan zij u; neem do Kroon, neem de Kroon!

Ach, do schoone Johanna was zestien jaar oud;

Haar gebied was de stilte van boekcel en woud;

Heel haar rijkdom Gods Woord, zoo hartgrondig geloofd: „Laat Maria regeeren! Geen Kroon past mijn hoofd.quot;

„Wat Maria?quot; riep Hertog en llijksgraaf en liaad:

„Op den troon is geen plaats voor \'t onwettige Zaad! „In het land is geen plaats voor do afgodische leer!

„In ons hart is geen plaats dan voor u, en den Heer!

„Onze plicht eischt uw kroning; hier staan wij gereed. „Doem geen Eedlen tot ontrouw, goon Volk tot zijn lood! „Geef Gods Waarheid niet over aan lastring on hoon;

Maar eerbiedig Gods wil! Neem de Kroon, neem de Kroon!quot;

183

-ocr page 216-

JOHANNA GRAY.

Ach, de sohoone Johanna! Ho6 klopt haar het hartl Doodlijk bleek wordt haar wang; haar gedachte verwart... Op haar oog daalt een nevel; nu voelt zij niets meer; En bezwijmd zinkt de sohoone Johanna terneer.

Maar als uit die onmacht de jonkvrouw bekoomt,

Wat ziet zij rondom zich, en meent dat zij droomt? Ach, een Vader, een Moeder van koninklijk bloed, Met Hertog en Rijksgraaf geknield aan haar voet.

Ach, een Vader, een Moeder, met biddend gelaat,

Met\'Hertog en Rijksgraaf en Vorstlijken Raad,

Zij iamm\'ren, zij smeeken op klagenden toon:

„Red den Staat! red den Godsdienst! Getroost u de Kroon!

Toen verhief zij haar harte godvruchtig en stil;

Toen sprak zij: ,0 God! is \'t uw heilige wil,

„Wat ik nimmer begeerd heb en nog niet begeeroï „Zoo aanvaard ik de Kroon; moge \'t zjjn tot uw 3ere!quot;

Nu kust haar de Hertog eerbiedig de hand;

Nu groeten haar de Eedlen gebiedster van \'t Land; Nu omhelst haar een Moeder, tot schreiens bewogen; Nu dankt haar een Vader, met tranen in de oogen.

Nu kleedt men Johanna met vorstlijke pracht;

Nu worden juweelen en paarlen gebracht;

Nu wordt op het voorplein de lijfwacht gevonden.

En men voert haar eerbiedig ten Burgslot van Londen.

Op \'t Burgslot van Londen is alles gereed;

Met ontzag draagt haar Moeder den sleep van haar kleed; De Lord van de Schatkist buigt neer aan baar voet. En reikt haar de Kroon — dat bedriegelijk goed!

Nu roepen, eer de avond de dagtaak besluit.

Herauten de doodsmaar van Eduard uit.

En Johanna, naar erfrecht eu vorstlijken wil.

Tot Gebiedster van England! — Maar England i.wijgt stil.

En na driemaal drie dagen — O omkeer van \'t lot! O Trouwloosheid der mcnschen! Beproeving van God! — Ruimen Hertog en Rijksgraaf en Vorstlijke Raad Weder plaats op don troon voor \'t onwettige Zaad,

Weder plaats in het Land voor de afgodische leer, En verzaken Johanna, bun eed, en hun eer....

Wel! Het zij zoo! Do Kroon, zoo onwillig gedragen,

Legt «ji willig weer neder, na driemaal drie dagen.

-ocr page 217-

JOHANNA OKAY. 185

Maar na driemaal vier weken (ontzettend gezicht!)

Wordt de schoone Johanna gevoerd voor \'t gericht.

Om haar heen woelt een volk, dat haar smaadt en veracht, Voor haar uit zweeft de bijl van den beul, die haar wacht.

Voor haar uit zweeft de bijl, die haar vonnis voorspelt,

Maar haar schuld niet bewijst, noch haar onschuld ontstelt. Noch haar wang van \'t bekoorlijkste blosje berooft.

Noch den glans van haar deugd op haar voorhoofd verdooft.

Deugd en onschuld! wie eischt uw gerechtiijken moord? De eigen lippen, wier jamm\'ren gij eens hebt verhoord; De eigen mond, die u toeriep op smeekenden toon:

„\'t Is uw recht, \'t is uw plicht: neem de Kroon, neem de Kroon !quot;

Doch gij zwijgt; gij berust in de hardheid uws lots;

Ook de boosheid der menschen is toelating Godsj Ach, de liefde en de grootheid der wereld is schijn;

Verre t best is daarboven, bij Jezus, te zijn!

Hang de bijl van den beul over \'t schuldlooze hoofd. Wat zegt dit voor het hart dat in Jezus gelooft,

Dat hem kent, dat hem liefheeft, en ook in het dal Van de schaduw des doods hem verheerlijken zal?

Over \'t schuldlooze hoofd hangt de bijl menig dag;

Maar men weifelt, men aarzelt, men draalt met den slag. Wat de Staatzucht verlangt, wordt door deernis betwist.

Door \'t Geweten geweigerd, maar — Staatzucht beslist.

Ja, de Staatzucht beslist en de Wreedheid voert uit. \'t Bloedig woord is geschrevon; de kerker ontsluit;

„Nog twee dagen, Johanna! Bereid u ten doode!quot;

Spreekt met somber gelaat de onbarmhartige bode.

Maar na hem spreekt een Priester, op vleienden toon; „Nog een keus laat zij u, die gij staakt naar de Kroon; „De eere Gods is haar meer dan haar eigene waard;

„Zweer uw wangeloof af, en uw bloed blijft gespaard.

„Zweer uw wangeloof af, dat verwoestende werk „Van den vijand der zielen, den vijand der Kerk;

„Zweer uw wangeloof af, dat tor helle doet varen;

„Neem het heilgeloof aan, dat uw leven zal sparen!quot;

Maar zij antwoordt: „O Priester! laat varen die hoop. „Van God is mijn leven, van God is mijn doop;

„Van God mijn geloof, dat den hemel ontsluit,

„En het schild, waar de pjjl van den booaen op atuifc.

-ocr page 218-

E1SNV0UD.

Tk ben jong nog van javon, het leven is zoet,

\'RLik mijn deel, door Gods liefde, van gaven en goed: \'Maar mijn God en miin Heiland, Zijn Waarheid, Zijn her, ^En de riist van mijn hart zijn mij eindeloos meer.

„\'k Heb een Midd\'laav beleden, wiens schuldeloos bloed quot;Al mijn schulden en zonden op \'t kruis heeft geboet; \'viem \'behoef ik, geen andren, en niemand met hem; quot;Hem bezit, hem belijd ik met hart en met stem!

Neen! beweeg zoo meewarig het hootd niet, noch poog quot;Mij de dwaling mijns weg.s weer te stellen voor \'t oog; \'Mijn geloof is halsstarrig, kortstondig mijn tijd....

„Laat me alleen, dat ik bidde en mijn zonden belijd !

Nu verlaat haar de Priester. Zij buigt zich voor God; Hem belijdt zij haar zonden, beveelt zij haar lot, _ Smeekt om kracht in haar zwakheid en hulplooze jeugd, Kn geniet reeds den voorsmaak der hemelsche vreugd.

Wie verstoort dien? Slechts gij, die haar leven verlengt. Die van uitstel de ontijdige tijding haar brengt;

Die nog eenmaal beproeft een geloof te verwrikken. Dat geen leven verlokt en geen dood kan verschrikken!

Neen geen sterven verschrikt haar, geen vreeslijke dood. Wees getroost, die haar lief hebt, haar voorrecht is groot! Op dit menschlijk gelaat ligt zoo hemelsch een rust. Als had haar een engel voor \'t voorhoofd gekust.

Ziet, het uur heeft geslagen; het blok is gezet; De scherprechter wacht, en zijn bijl is gewet;

Haar hart is bereid, en haar oog is verbonden;

Één slag — en haar ziel is ten hemel gezonden.

En de hemel ontsluit zich. Verrukk\'lijk gezicht!

Duizend Englen en Zaalgen in \'t vleklooze licht! Een llechtvaavdige rechter gezeten ten troon;

En Zijn mond, die zich opent en zegt: „Neem de Kroon.

EENVOUD.

De Hemel heeft op menig hoofd

Een lieflijken krans laten vallen; Hij bloeit en blinkt er onverdoofd, quot;En trekt het oog van allen.

-ocr page 219-

187

GODSVRUCHT. —

DICHTLUIM.

JONG ULIJVEN\'. —

Maar die hem draagt weet nergens van,

En ziet zoo eenvoudig in \'t ronde; Dat maakt haar zoo schoon als zij wezen kan, En bewaart haar voor dwaasheid en zonde.

GODSVRUCHT.

Een rein gemoed, een zedig oog, Een ziel ootmoedig voor den Heer, Ziet met vertrouwen naar omhoog. En vol van liefde neer.

Een op zijn God vertrouwend hart. Een hart vervuld met liefde en vreê, Geniet altijd meer vreugd dan smart. En dankt in wel en wee.

JONG BLIJVEN.

Het hart blijft jong en wordt niet oud, Wanneer \'t zich frisch en open houdt Om al wat menschlijk is te voelen. Te voelen wat een kind verblijdt. En wat er door den geest moot woelen Eens jonglings, in zijn schoonsten tijd.

Die zijn verleden in zich draagt,

Blijft jong, al is hij weibedaagd. En wekt der jonkheid geen mistrouwen.

Veel kan hij hopen, wien veel heugt; Veel met zachtmoedig oog beschouwen ; \'t Herinn\'ren is een groote. deuficl.

DICHTLUIM.

De dichtluim is wel gansch en gaai-Een Luim, \'t zij goede of kwade; Zij komt en gaat heel wonderbaar; Eer ik \'t vermoede of rade.

\'t Kan wezen dat ik jaar en dag Geen toontjen op voel stijgen. En wat ik ook beproeven mag, Genoodzaakt ben te zwijgen.

-ocr page 220-

Xgö WANNEER DB KINDEREN GROOT ZIJN.

\'t Kan zijn dat \'k eensklaps, \'s morgens vroeg,

Een liedjen op voel komen,

Alsof ik \'t, zonderling genoeg.

Bedacht had in mijn droomen.

Daar gaat, daar staat het op \'t papier!

Daar volgt aireede een tweede!...

Waar zijn uw Albimis? Breng ze hier,

En ik verhoor uw bede.

WANNEER DE KINDEREN GROOT ZIJN.

„Wanneer de kindren groot zijn,

mijn lief, mijn levenslust!

Dan komt er, na een tijd van zorg,

ook weer een tijd van rust.

Mijn haar zal wel wat grijs zijn.

Uw voorhoofd met zoo glad;

Maar als het hart nog jong is,

hoe weinig hindert dat!

.Vier dochtren en drie zonen!

Het wil wat zeggen, wijf!

De jongste nog geen twee jaar oud,

en de oudste driemaal vi|f.

Dan is om dezen, dan om dien

het moederhart in nood;

Veel werk bij dag, veel zorg bij nacht -

maar eenmaal zijn zij groot I

Niets zijt gii voor uw vrienden,

J maar alles voor \'t gezin.

De huiszorg, ieder weet het wel,

neemt al uw uren in.

\'t Penseel ligt lang vergeten.

Geen boeken leest gij meer —

Maar als de kindren groot zijn,

dan komt dat alles weer.

.Ons huwlijksreisje, liefste!

was kort en gauw gestuit;

Wij reisden naar de pastorie

van Heemsteê: daarmee uit!

Nog nooit zijn wij tezamen

eens ver van huis gegaan;

Maar als de kindren groot zijn,

dan vangt ons reizen aan.

-ocr page 221-

WANNEER DE KINDEBEN GHOOT ZIJN.

„Ik kon maar half genieten,

als \'k in den vreemde toog;

Mijn hart was thtis, het was bij u,

en m^n gedachte vloog!

Met haast verslond ik elk genot

en keerde in \'s hemels naam!

Maar als de kindren groot zijn,

genieten wij tezaam.

„Dan wijze ik u de plekjes,

die ik bekoorlijkst vond;

Aan Rijn en Moezel, Clyde en Teems

leide ik u dankbaar rond;

Winandermeer en Edinburg

zijn wat ik heerlijkst zag;

Daarheen zal ik u voeren,

voor onzen ouden dag!

„Wanneer de kindren groot zijn —

Neen! zie niet dus mij aan!

Begin met dezen glimlach niet,

hij eindigt in een traan —

Wanneer de kindren groot zijn,

en dat gaat immers gauw?

Dan komt er weer een gulden tijd,

mijn allerliefste vrouw!quot; —

De kindren werden grooter

en grooter, naar de rij.

Maar eer er een volwassen was,

kwam daar alweer een bij.

„Wees welkom, vierde zoontje!

gij komt nog juist bij tijds;

Ook gij zult eenmaal groot zijn,

Gods grooten naam ten prijs!

„Wees niet bezorgd; uw moeder

neemt u met blijdschap aan;

Zij heeft er zooveel grootgebracht,

het zal ook ditmaal gaan____quot;

Ai mij! daar breekt op eenmaal

dat dierbaar leven af!____

De kindren wordm grooter —

maar op hun moeders graf.

AANTEEKENING.

Winander-meer. Gewoonlijk Windermere genaamd, een der schoonste en zeker het lieflijkste der meren van het zoogenaamde Lake-district, in het Noordwesten van Engeland.

189

-ocr page 222-

EINDLIJK. — GOEDHEID.

EINDLIJK.

(NAAR \'X HOOGDÜITSCH).

„Eindlijkquot; blijft niet eeuwig uit: Eindlijk \'is de troost verschenen;

Kindlijk groent, o Hope! uw kruid; Eindlijk lioudt men op van weenen, Breekt de traankruik die men droeg; Eindlijk zegt de Dood: „Genoeg!quot;

Eindlijk wordt uit water wijn; Eindlijk komt de rechte stonde;

Eindlijk stilt de hartepijn;

Eindlijkquot; heelt de diepe wonde;

Eindlijk maakt de slavernij Den gevangnen Jozef vrij.

Eindlijk kan de nijd, de wrok, Eindlijk ook Herodes sterven;

Eindlijk Davids herdersrok Zijnen zoom in purper verven;

Saul zelf raakt door den tijd Veerkracht en vervolglust kwijt.

Eindlijk neemt het bang getob Onzes zwervens ook een ende;

Eindlijk staat een Heiland op. Die het juk des dienstknechts wende; Eindlijk maken veertig jaar Gods beloften tijdig waar.

Eindlijk bloeit een Aloë;

Eindlijk draagt de Palmboom vruchten;

Einiilijk eindigt aller wee,

En de laatste smart moet vluchten. Eindlijk ziet men Vkeuodesdaal; Eindlijk, Eindlijk komt eenmaal.

GOEDHEID.

Wie wordt door elk bemind? Wie wint

Het hart, op \'t eerst aanschouwen? Het viuENDLUK oog, het ooeu gelaat, De glimlach, die een hart verraadt, Oprecht en zonder vouwen.

Dat schoon, dat schooner is dan schoon, Doet ieders hart ontgloeien.

-ocr page 223-

Dli. JOHANNES JOSEl\'HUS VIOTTA. — GEKN KRUIS, GEEN KROON.

Een koude schoonheid roert ons niet; Maar deze wekt eens dichters lied, En kan een grijsaard boeien.

BIJ DEN DOOD VAN

DE. JOHANNES JOSEPHUS VIOTTA, Componist,

Overleden 6 Februari 1859.

Ook die harp, ook die harp dan tot zwijgen gebracht.

Wier geklank aan mijn zangen zich paarde,

In de dagen van jeugd en ontluikende kracht.

Die een hemel beloofden van de aarde! \')

Die ook sinds, in \'t gedrang van des levens gewoel.

Door het lied van den man zich liet wekken,

En, in geestrijke tonen, \'t eenstemmig gevoel En het hart van den vriend deed ontdekken. ■)

Nog een lied was beloofd; nog een lied werd verwacht.

Was op weg van mijn hart tot mijn lippen —

Maar eer de adem mijns monds het had overgebracht, Kwam die harp aan den meester te ontglippen.

Zet haar neer bij zijn graf, waar des avonds de wind

Haar met smartlijke zuchten bespele.

En bereikt haar dees toon uit het hart van een vrind, Dat zij aansla en klagelijk kweele!

GEEN KRUIS, GEEN KROON.

Neen, zonder kruis geen kroon! Maar zonder kroon wel menig kruis In hart en huis,

Mijn zoon!

Waar \'t leed gedragen wordt, Maar zonder ootmoed bij de schuld. En \'t hart niet duldt.

Maar mort.

l) Zie de Leidsche Studentea-almanakken van de jaren 183G, 37, 38,

\') „Nooitquot;; schreef zijne welwillendheid, nog weinige maanden voor zijn dood, by tie uitnoodiging tot hetgeen waarop de derde strophe van dit stukje Joelt: „nooit heb ik kunnen nalaten velen uwer verzen, en vooral enkelen, die dooiden vorm daartoe geschikt waren, te componeeren.quot;

-ocr page 224-

IN DE LENTE. — DE POST VAN EEK.

Waar \'t kruis wordt nagesleept, Vertoond, verheerlijkt, opgekleurd. En \'t hart niet treurt.

Maar dweept.

De lijdzaamheid des Mans,

Des Christens, die in God gelooft.

Zij slechts is \'t hoofd Een krans.

Maar dezen werpt hij neer Voor Hem, die \'t kruis droeg zonder schuld; Aan Hem de hulde en de eer!

IN DE LENTE.

Onze oude moeder heeft verheugd Haar nieuwen mantel_ omgeslagen.

En is zoo schoon als in de dagen. De dagen van haar prilste jeugd. De zoetste glimlach siert haar mond, Haar oogen tintien van nieuw leven.

En op haar voorhoofd, zacht en rond. Zijn al de rimpels uitgewreven.

„Ja,quot; zegt zij, onder \'t luid gezang Der vooglen in de groene blaren,

„Mijn winterkommer en bezwaren,

„Mijn kinderen, vergat ik lang.

„Doet gij als ik: vergeet uw smart; Staakt voor een oogenblik uw zorgen; quot;En laat, bij \'t licht van dezen morgen, ü drukken aan mijn vroolijk hart.

DE 1\'OSÏ VAN EER.

Het leven is een staat van oorlog; tegenspoed De post van eer voor \'t echte heldenbloed.

Aan Franach proza ontleend.

192

-ocr page 225-

GEMENGDE GEDICHTEN.

VIJFDE BUNDEL.

--—

BIJ DE UITGAVE VAN MIJN DICHTBUNDEL

„MADELIEVEN.quot;

1809.

Madelieven zijn or altijd,

En die ze wil zoeken die vindt er;

We zijn ze slechts een oogenblik kwijt, In \'t barste van den winter.

En daar het voor mij nog geen winter is

Maar — zoo als gij \'t wilt noemen! _\'

Zoo leg ik heden op uwen disch,

Een handvol van deze bloemen.

Gij hebt er gewis wel eens mooier aanschouwd.

Ihe insscher en fleuriger blonken;

Maar hebben ook zij niet haar hartje van goud fiat hemelschen dauw heeft gedronken?

T WE EDE HU WIJJKSDAGK

Nu komt de zon weer schijnen;

Nu schijnt zij in mijn hart; De nevelen verdwijnen,

De wolken van de smart. De stormwind legt zich neder; De zee wordt klaar en stil; Een liefderijke wil Gebiedt het lieflijkst weder.

Nu^ heb ik weer verkregen

Een hulp, een steun, een troost, Ecu leidsvrouw op mijn wegen. Een moeder voor mijn kroost. Twee minzame oogen stralen Mij leven toe en kracht. Een mond, die vriendlijk lacht, Stelt al mijn zorgen palen.

Nu zal mijn zang weer rijzen En klinken over de aard.

-ocr page 226-

EEN DRIEKONINGEN-LIED.

Nu wordt tot nieuwe wijzen Mijn oude lier besnaard.

God gaf. God nam, gaf weder. En kroonde op nieuw mijn hoorn;

Dies zij met mond en veder Zijn groote naam geloofd!

Verneem die jubeltoonen.

Geliefde vriendenschaar!

Mijn dochtren en mijn zonen, herhaalt ze voor elkaar!

Verzamel ze in liet zachte,

Het stille hart, mijn vrouw!

En streele u de gedachte: Een dankbre ziel ia trouw.

\'20 October 1859.

Hciloo.

EEN DRIEKONINGEN-LIED.

I.

Op een Driekoningen-avond,

In een Kenmerlandsche stad,

Werd daar een kindje geboren, Dat vriendlijke oogjes had.

Het was een aardig meisje, Een dochtertje zoo zoet;

De moeder kuste baar rooden mond, En lachte zoo welgemoed.

De kaarsen stonden te branden; Men zong het Uriekoningen-lied;

De wereld ^educlit tiiin de wonderen, Te Bethlehem geschied.

In alle christenlanden.

Gedacht men aan Gods Zoon,

Gelegerd in een voederkrib.

Geboren voor \'s hemels troon;

Gedacht men aan de sterre,

In \'t sten-onwijs oosten aanschouwd.

En aan de gaven der koningen.

Hun wierook, hun mirre, hun goud.

Het goud vereert den Koning. De wierook den Zoon van God;

-ocr page 227-

EEN DRIEKONINGEN-LIED.

Maar de bittere, bittere mirre Voorspelt zijn leed en lot.

De moeder kuste haar dochtertje, En sprak: „Mijn dierbaar wicht, Mocht ook die heldere Sterre U schijnen in \'t gezicht!

Mocht gij ook eenmaal reizen,

Naar Bethlehem en zijn stal, Kn vinden in het Kindeken Uw heil, uw troost, uw al!

Mocht gij ook eens aanbidden

Dien Lijder, dien Priester, dien Heer, Die ons van alle schuld verlost. En leven doet tot Gods eer.quot;

If.

Op een Driekoningen-morgen,

In eene stad van \'t Sticht,

Daar zat een aardig moedertje. Omringd van zoo menig wicht.

Geen kind was haar geboren.

Toch had zij er één meer dan vijf;

Die noemden haar ,lieve moeder,quot; En hingen haar aan het lijf.

Die zeiden met lachjes en traantjes. En stemmetjes feeder en fijn:

„Ons moedertje heeft ons verlaten, „Maar gij zult ons moedertje zijn!

Maar gij zult ons moedertje wezen, In blijdschap en in smart;

Maar gij zult ons moedertje wezen — Gij hebt een moederhart.

Wij lagen krank terneder.

Maar onze krankheid geneest;

Dat komt van uwe liefde;

Gij zijt ons een moeder geweest.

Gij zult ons een moeder blijven, Een leidsvrouw onzer jeugd;

Een moederlijk voorbeeld ons geven Van godsvrucht en christendeugd.

195

-ocr page 228-

ZILVEREN ECHTFEEST.

Gij zult onze harten vervullen

Met liefde en diep ontzag Voor dat beminlijk Kindeken,

Dat in de kribbe lag.

Gi) zult ons leeren aanbidden

Uien Gods en \'sMenschen zoon, Die met onze eerste moeder

Ons saambrengt voor Gods troon.

O Doe het, lieve tweede!

Wij zyn een dankbaar kroost. Wij zullen uw harte verblijden,

Gelijk gij het onze vertroost.

O Doe het, lieve moeder!

En blijf onze moeder altijd.

Gij weet niet hoe onmisbaar, Hoe dierbaar gij ons zijt.

O Dje het, lieve moeder!

En geve u de almachtige l^od Nog menig Driekoningen-avond Te danken voor uw lot.

En komt er een eigen kindje.

Een zoontje of een dochtertje mj, Hoe blijde zullen wij wezen! ^

Zoo blij, lieve moeder, als gij.

* * *

De man, die dit liedje gemaakt heeft,

Heeft achter de deur gestaan; Een lofzang was in zijn harte.

En in zijn oog een traan.

ZILVEREN ECHTFEEST.

(aan mijne vrienden d. m. o.)

Vijf en twintig jaar getrouwd,

Twintig jaar mijn vrinden. De echte-min geen vonk vernauwa Ook de vriendschap niet verkoud Die ons saam mocht binden.

Dit vereischt, aan dezen disch, Woorden, wenschen, zangen;

-ocr page 229-

zilveren ecfltfeest. 197

Dit, de blijde erkentenig;

„Van war, hier genoten is,

Héb ik mede ontvangen.

„Mee gedeeld in \'t zoet genot

Van dien rijken zegen,

Die een goedertieren God Uitstortte op uw hnwlijkslot,

Uitstrooide op uw wegen;

„Mee genoten van de vreugd.

Klimmend nog en groeiend.

Die uw ouderhart verheugt,

Dij het neerzien op een jeugd,

In Gods gunste bloeiend.quot;

Ja, mijn vrienden! God is goed.

Slaat zijn wegen gade!

Kalm genot bij overvloed,

Vrede en vreugde in \'t stil gemoed,

Schonk u zijn genade.

Innig aan elkaar gehecht,

Eén van ziel en zinnen.

Zegent gij den zaligste\' echt,

Klemt elkaar aan \'t hart en zegt:

„God leerde ons beminnen.

„Wat, toen hij ons samenbracht,

\'t Kloppend hart gevoelde,

Ts geheiligd, kreeg zijn kracht,

Uit die bron van liefde en macht,

Die ons heil bedoelde.

„Hij maakte ons in Christus één,

Eén geloof, één hope;

Heel zijn schat is ons gemeen.

Kan die band ook scheuren? Neen;

Wat de tijd ook sloope.

„Niet voor vijfentwintig jaar.

Niet voor vijftig jaren,

Maar voor eeuwig staan wij daar,

Ken in hem vereenigd paar.

Op zijn gunst te staren.

„In een zalige eeuwigheid

Zijn geen huwlijksbanden;

Maar wat is er, dat hen scheidt,

-ocr page 230-

TTAKNA\'Ê LIEIgt;.

Wie een zelfde kroon verbeidt Uit eens Heilands handen?quot;

Ueclit zoo! Denkt dit voorrecht in,

Christlijke echtgenooten!

Smaak het, christlijk huisgezin! Magen, vrienden, deelt er in! \'t Is uit God gevloten.

Hem de dank, de lof en de eer,

Hem het zielebetrouwen! Onuitputlijk is de Heer,

üankbren doet hij meer en meer Van zijn gunst aanschouwen.

Amsterdam.

HANNA\'S LIED.

1 Sam. II.

0 kind, van God gegeven!

Wat zult gij zijn voor God ? Hem loven door uw leven. Hem dienen in uw lot? Hem eeren met de tonen, De psalmen van uw ziel. En met een staag gekniel In zijne tente wonen?

Uw moeder heeft verslonden Veel smaad en boezempijn; Haar zuchten moesten zonden

In \'t oog der heilgen zijn; Haar hart werd opgereten Door dagelijkschen hoon — Van God geschonken zoon! Gij doet het al vergeten.

De Heer doet honger lijden;

De Heer geeft overvloed; De Heer beschaamt verblijden.

En geeft bedroefden moed; Hij doet ter helle dalen;

Zijn woord ontsluit het graf, En doet wie d\' adem gaf Weer vroolijk adem halen.

Zijn vriendlijk aangezichte Verhief hij over mij;

-ocr page 231-

VOORJAAn. — IKILI-ANDSGII KCI3TIOUDEN.

Zijn arm vol sterkte richtte

Mij op en blijft mij bij; Hij neet\'t mjj u gegeven: Ik geef aan hem u weer — Loof, loof mijn ziel den Heer, Die steiven doet en leven!

VOORJAAR.

Mijn hof ontwaakt, wordt groen, wordt Van bloesems aan de twijgen:

Reeds zoo veel malen zag ik dit.

Maar kon er nooit bij zwijgen.

Het blijft een wonder in mijn oog, Zoo wonderschoon te aanschouwen,

Dat krachtig opwijst naai\' omhoog. En aanspoort tot vertrouwen.

Hij leeft nog, die het leven geeft En weergeeft uit de dooden!

Hem lieve en loov\' wat adem heeft. En zoek\' hem in zijn nooden!

HOLLANDSCH HUISHOUDEN.

DK HUISVADER SPREEKT:

De Keizer is in Frankrijk baas, In Nederland de Koning,

Ik in mijn eigen woning;

Dat \'s ieder op zijn plaats.

De f/yondwet van mijn rijksgebied Is God en de Ouders te eeren; Is Vrede en Rust, mjjnheeren! Ia dit en anders niet.

Van vrijheid is hier spraak noch schrift, Maar wèl wordt zij genoten.

Door kleinen en door groeten, In groote en kleine gift.

Elk brengt tot aller vivugd wat bij; Dat is zoo alle dagen De schatting, die wij vragen En brengen, vrij en blij.

-ocr page 232-

twee wit ak ken.

De hronnin onzer welvaart zijn Vlijt, en des Heeren zegen Op onbesproken wegen;

Geen goud of zilvermijn.

Van al wat goed ia blijven wij Een duurzame\' invoer wenscnen, Maar weren van de grenzen Begeerte en Hoovaardij.

ÏWEE WBAKKEN.

(Naar Hermann Ling).

In \'t hoogste Noorden ligt een schip in d; opgestapeld ijsberg vast;

De manschap slaapt op \'t open dek,

de sneeuw ligt om haar hoofd getast;

Hoe gillend ook de Noordwind fluit,

de zeilen hangen stijf en strak;

Geen touw beweegt, geen mastspriet kraakt, en \'t roerloos roer geeft kreun noch krak.

Maar \'t Noorderlicht verlicht den nacht en wemelt over \'t wit tooneel;

Het ledig ooghol gloeit als vuur,

de marm\'ren wang wordt rood en geel;

Tn \'t zeildoek komen bloemen op,

kristallen bloemen, koud en kil,

Zoo reuzig groot, zoo spokig vreemd, zoo onheilspellend doodsch en stil.

Van \'s ijsbergs donkrc toppen zien geduchte schaduws dreigend neer.

Als kwam des Voortijds monsterdracht uit zijn versteende wereld weer;

En vaak, of onder \'t wicht van sneeuw de kracht des vuurs \'t geduld verloor,

Rolt daar een zware donderslag,

en splijt den ijsklomp midden door. —

En in de Zuidzee ligt een schip, in hartontzettende eenzaamheid,

In \'t blauw en windstil watervlak,

als in een open graf, geleid;

Met lijken is het boord bemand;

die zien zoo hol en uitgebrand.

Als hadden hare mummiën

de pyramieden hier verplant.

200

-ocr page 233-

mooi kaatje.

De zitndjjlaat werd een vuil moeras,

en uit den drassen bodera schiet Een weeldrig plantenrijk omhoog\'

van zeewier, schimmel, mos en riet. Vermolmend ligt het vaartuig daar;

uit ieder spleet en lekgat wast Een geile groene stengel op

en rankt en slingert naar den mast.

Onkenbaar is der dooden hoofd

verward in blad en klemmen,ak, En bloemen bloeien uit hun mond,

als of die \'t woord des levens sprak; Het lange schelfblad wuift voor vlag

en, waar het scheepslicht heeft gebrand, Vliegt \'s nachts een groene glimworm op en flonkert als een diamant.

MOOI KAATJE.

Mooi Kaatje, wrijf uw oogjes uit,

En kijk eens helder rond!

Men lacht om u, \'t zij stil of luid,

En is het zonder grond?

ü viel een knap gezicht ten deel;

Uw moeder heeft wat geld:

Maar zeg mij, zijt gij niet wat veel Op groot fatsoen gesteld?

Gij zijt een burgerdochter, kind!

En \'t strekte u niet tot scha.

Uw vader was door elk bemind — Och! kreegt gij zulk een ga!

Een eerlijk man wordt door geen schoon

En door geen schijn misleid;

Hij vraagt, — het zij uw hoogste kroon! — Naar deugd en deeglykheid.

Och lijk niet engelsch, speel geen fransch;

Maar reken hierop vast;

Mooi Kaatje heeft een mooie kans.

Maar Katty krijgt een kwast.

201

-ocr page 234-

voou rgt;f, okvai.t.enen. — hooge 3011001. — doongnavinq esz.

VOOR DE GEVALLENEN.

(Naar victor iiugo.)

Beschimp, beaohimp geen vrouw, van \'t pad rler deugd geweken! Wie zegt u vooi- wat drang \'t vervolgde hart bezweken,

Door welken nood in \'t eind hnav kracht is uitgeput! De storm, die de eerbaarheid dier zwakken heeft geschud, Weet best hoe bang, hoe lang., an tot wat prijs, de onteerden Krampachtig, maar vergeefs, haar dierbaarst pand verweerden. Zoo hangt een regendrop des lieven hemels, rijk In glans, aan \'t espenloof, waardoor de winden zweven, En trilt en klemt zich vast en worstelt om zijn leven.

Vóór \'t vallen parel, en na \'t vallen — morsig slijk.

Op mannen komt de schuld; op \'t goud en zijn bezitteren! Maar ook! Nog schuilt in \'t slijk die eens zoo heldre drop; Een straal van zon, een blik van liefde, trekk\' hem op, En met vernieuwden glans zal hij als parel schitteren.

HOOGE SCHOOL.

Die niet uit alles leeren wil.

Wil in \'t geheel niet leeren. Do Hooge school staat nimmer stil,

Waarin wij saam verkeeren; \'t Is alles les, wenk, voorbeeld, vraag — Maar menig leerling valt wat traag.

Gü niet! Let op, zie af, onthoud,

En vorder \'t allen tijde!

Zorg dat de Leerzucht niet verflauwt.

Schoon de Eerzucht schipbreuk lijde! Het is om prijs noch lauwergroen.

Maar om het leeren-zelf te doen.

DOORGRAVING VAN HOLLAND OP ZIJN SMALST.

Haast trekk\' de spade een rechte lijn, „In schaduw van der eiken kruinen.

Daar Holland op zijn smalst mag zjn En krimpt voor \'t stuiven van de duinen.quot;

\'t Is lang genoeg dat „Wükermeer En Noordzee met oneven kelen

Elkaar beroepenquot; keer op keer,

Om Holland veld en vrucht te ontstalen.

-ocr page 235-

HERSTELDE KRAAMVROUW.

Thans leer do Kunst don weg aan \'t IJ Om West, als Oost, in Zee te stroomen,

Dat de Anisterdamsche Koopvaardij Met volle zeilen in mag komen.

Al blijft dan Pampus keel verzand, Umuiden zal die schade wreken,

En bergen in zijn havenrand De schatten van vier hemelstreken.

En haraerklop op hamerklop Sticht aan den Amstel nieuwe wonderen.

En heft zijn glorie weer in top Met „steen omhoogquot; op „hout van onderen.quot;

Zijn bijenkorf zal, als weleer,

Van dichte en drukke zwei-men krielen,

En de oude vlijt en welvaart weer \'t Bataafsch Venetiën bezielen.

Dat kan een Gouden spade doen. Dat wetenschap en kunst bewerken;

Men kroon haar \'t hoofd met eeuwig groen. En bidde God haar hand te sterken.

HERSTELDE KRAAMVROUW.

Al heeft het lang geduurd. Het hebben komt na \'t hopen: Wij mogen \'t kleintje doopen;

\'t Is alles wfel bestuurd.

Werd menig lange nacht In banga zorg gesleten: \'t Is alles nu vergeten;

De goede Hemel lacht.

Van moeders lief gezicht Was \'t roosje weggenomen. Maar \'t is weerom gekomen.

Gij streelt hot, aardig wicht!

Weer zit de beste vrouw In mjjner kindren midden; Het danken volgt het bidden.

Het feestkleed kwam voor rouw.

203

-ocr page 236-

204 nl.T nu BEELTENIS V. Z. M. DEN KONING. - A AN MIJNE LANDGBNOOTEN.

Ach, was er nu een hart,

Waar nooit het vuur van doofde, Dat in zijn vreugd God loofde. Zoo als \'t hem smeekte in smart!

Help, help mij, dierbre Ga! Met mond, en hart, en leven,

Zijn goedheid eer te geven, — En,\' Kindren! volgt ons na.

BIJ DE BEELTENIS VAN ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING.

IN FEBRUARI 1861.

(Jaar van Watersnood).

Dit \'s willem, wiens gelaat, en woord, en milde hand De jamm\'ren matigen van \'t Overstroomde land.

Gods hand zij met hem en bescherm hem op zijn wegen! \'s Volks liefde stroome hem, aan alle stroomen, tegen!

AAN MIJNE LANDGENOOTEN.

IN FEBRUARI 1861.

Dankt allen God en weest verblijd. Omdat gij Nederlanders zijt!

Dien Naam, die Eer, dien Zegen Hebt gij van Hem verkregen.

Die Naam, bekend van Noord tot Zuid, Schiet als een star zijn stralen uit, En licht, wat wende of keere,

U voor op \'t pad der eere.

Die Eer, het erfdeel van uw bloed. Verheft uw hoofd, verhoogt uw moed. Der Vaadren goed mocht minderen: Hun glorie kroont de kinderen.

Die Zegen tart den schoonsten schijn, Want schooner niet dan Vrij te zjjnl Laat Groote volken brallen:

De Vrije gaan voor allen.

Dankt allen God en weest verblijd. Omdat gij Nederlanders zijt!

Waar zoo veel volken klagen.

Kunt gij van heil gewagen.

-ocr page 237-

ECHTE DICHTGEEST.

Geen openbaren dwingeland Hebt gij te bieden wederstand,

Geen broederkrijg te sussen,

Geen twistvuur uit te blusschen.

Geen vijand dreigt voor grens of stad, Geen roofzucht seboert uw akkers plat, Of keei-t, voor de open haven, Den schat der Oostergaven.

Men ziet bij u, hoe ver men trekk\', Geen weelde spotten met gebrek, En weduwen en weezen Wel treuren, maar niet vreezen.

Als kindren van een groot gezin.

Bindt u de band der broedermin:

Laat scheuren dam en dijken, Uie band zal niet bezwijl;on!

Ja, dam en dijk bezwijke en zwicht\', Die broedermin treedt meer aan \'tlicht; Tot heeling aller wonden Wordt zij getrouw bevonden.

Dankt allen God en weest verblijd, Omdat gij Nederlanders zijt!

Laat nooit hot bloed der Vaderen Verbastren in uw aderen!

Voert, voert der Vaadren oer in top, Richt marmerzuil en standbeeld op; Maar dat uw laatste zonen Zich hunner waardig toonen!

ECHTE DICHTGEEST.

MENS IUV1MUU

Heeft do Aooolsche harp gespeeld, Heeft een adem uit den hoogen, Langs de snaren hoengetogcn, Haar zijn Leven meegedeeld;

Viel een vonk uit hooger sfeer, Die do brandstof hoeft ontsteken En de vlammen uit doen breken, In d\'ontroerden boezem neer:

-ocr page 238-

VKAQEN AAN DEN SCHErPER.

Hoe gansch anders klinkt die toon Dan wat Kunst of Zucht tot pralen Uit haar hout en erts leert halen,

Met een oog op lof en loon! Wat is, bij dien heilgen gloed,

Die zich meedeelt onder \'t blaken, \'t Vuurwerk, dat de feestvermakeu Knallend, schittrend kronen moet?

VRAGEN AAN DEN SCHEPPER.

IToe noemt gij wat wij Leven noemen, ü Gij, die leven rfoet?

De hoogste wgsheid, waar we op roemen, Valt duizlende u te voet. _

Wij zien de werkingen, wij binden Ze tot een denk-beeld zaam,

Maar kunnen \'t Leven-zelf niet vinden, En kennen slechts een Naam.

Wat zijn het, dat wij Krachten heeten? Ook dit een leege galm;

Do korte ketting van ons weten Breekt af bij dezen schalm.

Hier hangt de sluier, hier ontwaren Wij d\' afgrond, die ons stait,

Schoon velen in do diepte staren, _ Wat stervling vorscht haar uit?

Wat is die Ziel, die we in ons voelen. Dit Meer-dan-vleesch-en-bloed,

Dat ons begeeren, willen, woelen, U ondervragen doet?

Hoe hangt zij met dit stof te zamen. Doordringt het, dient, beveelt?...

Spreek! Leer die wijsheid zich te schamen Die slechts met woorden speelt.

Wat dunkt U van \'t geen wij erkennen Als Wetten voor \'t Heelal,

Zelfs door uw Almacht niet te schennen, Ot alles kwaam ten val?

Gij zwijgt. Dit is op vele vragen Uw eenig antwoord, Heer!

Maar, waar wij deze laatste wagen,

Ziet gij met Deernis neer.

-ocr page 239-

WAAR IS UW HART. — DE BESTE VRIEND.

WAAR IS UW HART.

Waar is irv hart, waar is uw hart, Waar is uw hart, mijn naaste?

Omringd van \'s levens weelde en smart. Verhaal mij, waar gij \'t. plaatste?

Hebt gij \'t verslingerd en verstrooid, Op \'t breede pad der Zonde?

Ik dacht niet dat zij ooit of ooit Dien schat vergoeden konde,

Hebt gij \'t verloren in \'t gedrang Van duizend IJdelheden?

Mocht elke dwaasheid sedert lang \'t Verneedren en vertreden?

Of doet gij u op \'t Leed te goed, Met jamm\'rend zelfbehagen?

Verdrinkt gij \'t in een tranenvloed, Bij krachtverterend klagen?

Of speelt gij trouw den sterken held, En toont uw moed bijzonder.

En houdt het, met barbaarsch geweld. Uit louter hoogmoed onder?

Of wel, bekommert ge u niet veel. Wat van uw hart moog komen.

Zoo maar van \'t wereldseh goed een deel U rijklijk toe blijft stroomen?

Zoo dwaas niet, o mijn Broeder! tart Geen stem van God daarbinnen!

Zij roept: „Mijn zoon! geef mij uw hart; Gij zult een hemel winnen.quot;

DE BESTE VRIEND.

(Naar Schmolck.)

De beste Vriend is wol daarboven Op aarde zijn de vrienden raar;

En, in ons menschlijk woelen, sloven,

Loopt trouw en waarheid veel gevaar. Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind! De Heiland is de beste Vrind.

Hij menschen is het vloed en ebbe; De Heiland staat gelijk een rots.

-ocr page 240-

«EDE VOOB UE BURGER WEEZEN TE HAARLEM.

En schoon ik duizend feilen hebbe,

Hij laat daarom mijn hand niet los. Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind!

Do Heiland is de beste Vrind.

Hij liet voor mij aan \'t kruis zich dooden, Vergoot voor mij zijn dierbaar bloed, Staat nog mij bij in alle nooden,

En maakt mijn vele schulden goed. Dies blijft hot bij de spreuk, mijn kind! De Heiland is de beste Vrind.

Die Vriend heeft mij zijn hart gegeven,

Ik ben de Zijne en Hij is mijn;

Hij is mijn Vriend voor heel mijn leven.

Tot over \'t graf zal Hij het zijn.

Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind! De Heiland is de beste Vrind.

BEDE VOOR DE BUEUERWEEZEN TE HAARLEM.

IN .JULI 1861.

(Tijdens de Nijverlieidsfeesten.)

Ons tweede vaders klagen.

VoNDEIj.

\'t Is Juli. Haarlems lusthof bloeit;

Zijn feestklok luidt; zijn kunstzaal boeit;

\'t Oog hangt aan wondren rij op rij Och! gaat ons Weeshuis niet voorbij!

Gedenkt den armen! Brengt uw God De rente van uw feestgenot!

Geen grooter feest voor \'t edel hart Dan \'t liefdrijk lenigen van smart.

Geen grooter smart dan die gij vindt In \'t hart van \'t ouderlooze kind.

Waar deze vrees in wakker wordt;

.Mijn tweede vader schiet te kort!quot;

Zijn tweede vader heft hot oog Tot aller Vader naar omhoog;

Zijn tweede vader wanhoopt niet,

Als hij de trouwe liefde ziet,

Wier hand ook nu, naar allen schijn,

Het middel in Diens hand zal zijn.

-ocr page 241-

üwitskklaki).

ZWITSERLAND.

Die schrikllckst van my swijght heeft allerbest

Hüygens.

Ook ik ben \'t land van bei-gen, stroomen

En meer bij meren doorgegaan;

Maar spraakloos ben ik weergekomen, En bied geen dicbttaafreelen aan.

Ook ik zag \'s hemels zonnestralen

In donzig schuim en klaar kristal Hun bonte regenbogen malen In waterval bij waterval;

Ook ik, de witte en zwarte vloeden,

Gekweld, gedwarsboomd, niet gestuit,

Zich kokend door hun bedding spoeden, En storten in de vlakten uit.

O Heldre spiegels, diepe meren!

Hoe dikwijls zal, in al hun pracht,

Voor mijn verbeelding wederkeeren,

Uw zacht kobalt, uw klaar smaragd;

Uw lachende oevers, stoute zoomen,

Uw klare diepte, uw zacht gebruis, En \'t lied dea roeiers op uw stroomen,

Bij \'t klappren van \'t Helvetisch kruis!

Het bergpad voert, uit boomgaarddreven.

Door notenlommer, beukenwoud,

Tot waar de dennen eenzaam leven. De donkre pijn in d\' afgrond schouwt;

Tot waar geen takken schaduw spreiden.

Geen scherm van groen den bergwind stuit, — Daar boven spreiden do alpenweiden Haar onbeperkte schoonheid uit.

Nog hooger schitteren de toppen

Met eeuwig ijs en sneeuw bedekt; Ontzaggelijke reuzenknoppen.

Wier aanblik tot aanbidding wekt.

Ik zag hun sneeuwwit voorhoofd blozen.

Daar de ochtendzon hen zacht bescheen. Met gloor van verschontlokeu rozen,

Die ras voor heller glans verdween.

-ocr page 242-

ZWITSERLAND.

Ik zag de wolken om hen rijden,

De neevlen twisten niet hun gloed,

Maar, als een mantel, nederglijden,

Zich samenrollende aan hun voet;

Hun onveranderlijke vormen.

Hun ongenaakbre majesteit.

Ten trots van eeuwen, schokken, stormen. En wetten van verganklijkheid.

Ik tastte d\' ijsberg met mijn handen,

Bij d\' oorsprong van den killen vloed. En plukte van des gletschers randen. Het alpenroosje, rood als bloed.

Ik hoorde sneeuw- op sneeuwval donderen,

Door honderd echo\'s weergekaatst, En \'t klokje aan den hals der runderen Verraden waar de kudde graast.

Nog vangt mijn oor die berg geluiden,

Nog weidt mijn oog van top tot top. Nog haalt mijn hart den geur der kruiden, De frissche\'lucht der bergen op.

O zaalge nasmaak, zacht herdenken. Vol zuivre geestdrift, nieuw genot, Hoe rein een weelde kunt gij schonken. Bij stillen lof en dank aan God!

Maar dichterlijke schilderingen.

Maar liedren, hooggestemd en luid----

Neen! ga mijn zwijgen voor mijn zingen; Het drukt het best mijn eerbied uit.

Laat andren groote woorden smeden,

In maat en rijm met zorg geschaard; Uw heerlijk- en uw lieflijkheden Zijn hartelijker hulde waard.

Waar mij een blik te beurt mocht vallen,

Natuur! op uw verhevenst schooa: Met leegen galm en ijdel schallen.

Bewaar mij God dat ik u hoon!

Laat andren voor uw grootsche wondren,

Zoo ernstig plechtig bij hun pracht, De kleurdoos der verbeelding plondren. En overspannen kunst en kracht:

-ocr page 243-

.de twee lut3cbinsn. —

Gij haat die van hun eeuzucht vergen,

Waarbij hun kracht en kunst bezwijkfc — Ken heimwee naar het land der bergen, Ziedaar waarin mijn liefde blijkt.

DE TWEE LUTSCHINEN.

Bom Oberland.)

De Lutsohinen, Witte en Zwarte,

Gaan elk haar eigen pad,

Zij maken een vreeselijk leven,

En schuimen als \'k weet niet wat.

Zij schuimen, bruisen, branden Vervaarlijk om stronk en steen;

Maar komen elkander steeds nader.

En stroomen ten laatsten ineen.

En als nu vervolgens die beiden Vereend zijn naar lichaam en geest.

Dan zet ik net u te onderscheiden,

Wie wit en wie zwart is geweest.

Gansch anders de prachtige Rhone,

Waar hij \'t mee\' van Genève verlaat.

En hij de Arve wel aan-, maar niet op-neemt, En niet met, ofschoon nevens haar gaat.

Mijlen ver gaan ze onwillig te zamen.

De eene blauw, de andre grauw, gram te moed\',

Tot ze op eenmaal die koelheid zich schamen. Zich omarmen, en één zijn voor goed.

Dwaze trots, ijdle toorn, die den nooddwang. Die vereeniging eischt, wederstreeft!

Waar gij weet dat het eens toe moet komen. Doe dat liever terstond, en beleefd!

VROUW SIJMENSZ.

Vrouw Sijmensz kan niet scheiden van de zee.

Dat groot gezicht doet haar zoo wel en wee.

\'t Is of de golf, die aan haar voeten breekt.

Zij weet niet welke woorden tot haar spreekt.

\'t Is of het schuim, dat krinkelt over \'t strand,

Zy weet niet welke lettren schrijft in \'t z»nd.

vrouw sr.m ensz.

-ocr page 244-

OUDE VEIBNDSCHAr. — HOK LANGEK HOE LIEVEB.

\'t Is of\' in \'t licht, dat over \'t zeevlak straalt, Zij weet niet welk verschijnsel rjist en daalt.

Haar hart is vol, haar hoofd zoo wonder licht. .. . Straks draaien zwerk en zee haar voor \'t gezicht.

Een luchtje speelt, en schijnt te zeggenkom!quot; Vrouw Sijmensz roert de lippen, — maar blijft stom_

Haar arm zinkt naast haar neder, zwaar als lood — En kind en kleinkind vindt vrouw Sijmensz dood.

OUDE VRIENDSCHAP.

Geen nieuwe vriendschap, die vóór de oude gaat. De tijd dooit veel, maar kan niet alles dooven. Het trouwe hart komt altoos weder boven. En staaft zijn aanzijn door de trouwe daad.

HOE LANGER HOE LIEVER. \')

(Solauum Dulcamara).

Hoe langer hoe liever is een kruid,

Een kruid met purpren bloemen,

Purpren bloemen met gouden hart;

Ik wou ik hoe langer hoe_ liever werd.

Dan zou elk mensch mij roemen.

Hok langer hoe liever is een kruid,

Een kruid met bittre stelen;!)

De smaak is bitter; de nasmaak zoet;

Hoe langer hoe liever moog mijn gemoed Een zoete nasmaak streelen!

Hoe langer hoe liever, dat lieve kruid,

Hangt, met zijn rank-slant lijfje.

Zoo teeder en trouw aan het schuddende riet....

Hoe langer hoe liever. — zijt gij dat niet. Wie is het dan, mijn wijfje?

gt;) Ook Bitterzoet, of Elf-rank en, In sommige plaatsea van ons vaderlanii Elgjcs\' of ook fVeerhout Renoemd.

a) Als Stipites Dulcamarae In de artsenijkunde bekend.

212

i

-ocr page 245-

nirt en kandeb enz. — ongewone gunstbewijzen exz.

NIET EN KANDER BETER PASSEN ALS DAT T SAMEN IS GEWASSEN.

Als van twee gepaerde schelpen d\' Eene breeckfc of wel vei-liest,

Niemant sal u kennen helpen,

Hoe men soeokt, hoe nau men kiest, Aen een die met effen randen

Juyst op d\' ander passen sou.

d\' Outste zijn de beste panden,

Niets en gaet voor d\' eerste trou. d\' Eerste trouw die leert het minnen,

d\' Eerste trou is enckel vreught,

d\' Eerste trou die bindt de sinnen,

Sy is \'t bloemtje van de jeught:

Na myn oordeel twee mael trouwen

Dat is veel niet sonder pijn,

Dry-mael kan niet als berouwen;

Want hoe kander liefde zijnV Hout u eerste lief in weerden,

Eertse met een vollen zin,

\'t Is een hemel opter eerden,

Soo je paert uyt rechte min.

1G.?

•\' i-, y;

n

I

li

Cats.

ONGEWONE GUNSTBEWIJZEN DOEN GODS GOEDHEID DUBBEL PRIJZEN.

Als van twee gepaarde schelpen De eene breekt of wel verliest,

Nog zal God u kunnen helpen.

Mits gij niet voorbarig kiest.

Aan een die met effen randen

Nog eens juist op de andre past En, gezegend door zijn handen,

Lietlijk met haar samenwast.

Blijft gij dit onmooglijk keuren

Ëij de schelpen onzer zeên.

Echter laat het God gebeuren Bjj die andre, die ik meen.

Is dan niet dat tweede trouwen

Voller \'.iron van rijk genot,

Naar men \'t meerder moet beschouwen

Als een wonderwerk van God?

Werd zijn goedheid nooit vergeten

Bij \'t genot der eerste min:

i

i É ■

213

in ■

is: ■: •i*,.

\',:7

ll amp;

ifT\' quot;li

,k

w tfeil

1

) rij

Hem dit Wonder dank te weten Heeft iets wonder-zaligs in.

1862.

Kkkts.

-ocr page 246-

NOG EEN UKIEKONINGEN-LIED.

NOG EEN DRIEKONINGEN-LIED.

Driekoningendag is weder daar,

En doet ons dankbaar juichen,

Met Melchior, Casper, en Balthasaar,

De knieën voor Jezus buigen.

Maar nog een andre vx-eugd dan die Verheft onze harten en buigt onze knie, En doet, met blijde klanken, Ons God-almachtig danken.

Een ster van vreugde verlicht dit huis,

Een ster met hemelsche stralen;

Daar mag, voor het harde weeuwenaarskruis.

De vruchtbare bloeitak weer pralen.

Daar zit, met een rozen- en leliënkroon. De liefste vrouw op den moedertroon,

En ziet zoo zacht en teeder Op man en kindren neder.

Twee kleintjes heeft zij op haar schoot,

De zoetste kusjes haar gevende;

De een is Paus Adriaans naamgenoot.

Kleine Adriaan de Zevende.

Hij noemt zijn moeders naam alreê,

Daar doet hij krachten en wonderen meö; Wij allen, zonder pruilen,

Wij kussen zijn kleine muilen.

Het andre draagt den liefsten naam.

Die ooit in onze ooren kon stijgen;

Maar is tot nog toe niet bekwaam

Dan om de borst te krijgen.

Wat zeg ik? Neen! het wichtje lacht Zoo hartlijk vroolijk, zoo vriendelijk zacht, Als of het waarlijk zeide:

„Ik ben de kleine Aleide.quot;

Dit is haar eigen vleesch en bloed;

God zeegne die teedere bloemen!

Maar nu komt nog een heele stoet.

Die ook haar „moederquot; mag noemen. Theodorik en Krelisvaar,

Marietjen en Koosje, paar aan paar Met Netjen en Angenietje,

Die zingen te zamen dit liedje;

Dit liedje, door den vader gedicht,

Maar uit hun hart geschreven:

„O Moeder! heb dank voor het vroolijke licht.

-ocr page 247-

VONDELS nORSTIÏEELÜ. 215

,Dat gij spreidt op het pad van ons leven.

„Gij zijt een wending in ons lot,

„Ken gave des1, hemels, een zegen van God; „Wij minnen u elk om \'t zeerste;

„Ook zijt gij ons dierbaar, als de eerste.

„Wij zeegnen u met een kinderhart,

„Wij zeegnen u en bidden:

„Geen onzer verwekke u een oogenblik smart;

„O Blijf toch altijd in ons midden!

„Lief Moedertje, bewaar nog lang „Dien helderen opslag, die blozende wang;

„God krone u voor onze oogen „Met al wat uw vreugd kan verhoogen!\'\'

Mijn kindren! door uw klanken heen.

Heb ik een stem vernomen. Een welbekende, die mij scheen

Uit hooger sfeer te komen:

Eon stem zoo roerend zacht en schoon, Die instemde in uw vreugdetoon. Die meedeed in de beden Van dit gezegend heden.

VONDELS BORSTBEELD,

in mijn stüdeervertbek,

MET VIOLEN VERSIERD.

— Ghy Nyrafen, breit een stoul

Van bloemen dien, die \'l licht eersi zag in een viool. En sedert, kiesche bie, versmaende alle andre tuinen. Op Pindas heuvels en zijn spickelige kruinen Gestadigh nekter zoog,

Vondel. JVillein van Nassau\'s Geboorte.

— mijn geboortstad Keulen.

Daer heb ik eerst om honigh uitgevlogen,

Omtrent den blotiden Ryn,

Beplant met Rynsehen wijn,

En als een bie riolendau gezogen.

Vondel. Olijftak. Aan Gustaaf Adolf,

Van lkn vondel |is] te Keulen, in de straat genaamd de Wijsgas, daar de riool uithing, geboren.

Brandt. Het leven van Joost van den Vondel, bl. 8.

Die in een viool geboren werd,

VioLEsdauw heeft gezogen.

Staat hier, op \'t wenschen van mijn hart.

Met een slinger violen omtogen.

-ocr page 248-

vbldbloem en kasbloem.

Een Stichtscbe jonkvrouw heeft dat gedaan.

^Hoe zal ik naar waarde haar danken?

Kom, Vader Vondel! hef zelf eens aan Met de oude Vondéiische klanken.

Gij zwijgt; uw lippen blijven stil En strak, als uw appel\'looze oogen ?

Het faalt u wel niet aan goeden wil.

Maar enkel aan vermogen.

Ook mij, al ben ik niet van steen,

Al zal ik er nimmer in pralen!

Dies moge een erkentlijke handdruk alleen De schuld onzer harten betalen.

Een handdruk, die haar dankbaar zegt. Waar de eeuwen het zegel op drukken:

„De hand, die dichters bloemen vlecht, Is waardig de schoonste te plukken.quot;

VELDBLOEM EN KASBLOEM.

De bloemkens langs de wegen.

Die ken ik meest allo bij naam; Zij lachen mij vriendelijk tegen,

Zij groeten mij al te zaam.

De bloemen achter de ramen.

Omdat ik haar namen niet weet, Die schijnen zich mijner te schamen. En momplen: „Die domme Poëet.quot;

Uw dienaar, prentsche prinsessen!

Gij zijt schoon, zijt bevallig, vol vuur; Maar gij eischt nog al vijven en zessen. En verkoopt uwe gunsten wat duur.

Pronkziek volkje uit Japan en Bengalen,

Dingt om prijzen van zilver en goud! Ik wil ook u mijn hulde betalen.

Maar mijn hart, o mijn hart laat gij koud.

Goeden dag. Madeliefje! Gouddropje!

Eerenprijsje, zoo zedig en zacht!

Zegt eens gauw; sliept gij zoet in uw knopj En wat weer of gij heden verwacht?

-ocr page 249-

BIJ DE GITOAVE VAN MIJNE „VERSTROOIDE GEDICHTEN.quot;\' 217

„Goeden morgen! wij sliepen als rozen.quot; —

„En het weer wordt vandaag vast heel mooi.quot; — „\'k Heb een plaatsje aan uw knoopsgat gekozen, Waar ik stervend mijn bladertjes strooi.quot;

A LEIDK II. -

Eerenpr.

Goiidd.

Madel.

ALEIDE II.

Moet or, moet er een liedje zijn,

Een liedje bij \'t eerst verjaren Van dit aanminnig kindekijn,

Met oogjes zoo helder, met lipjes zoo fijn?

Welaan, zoo klinkt, mijn snaren!

Dit meisje kwam ter rechter tijd

Haar moeders hart verblijen;

Wij allen hebben haar om strijd Een jaar lang geliefkoosd, geprezen, gevrijd; Wy blijven haar prijzen en vrijen.

Het juffertje heeft een zéér ruim hart.

En deelt onder velen haar gunstjes;

Maar, hoe ook in vrijers en vrijsters verward,

Haar moeder krijgt altijd het grootste part Van haar lonkjes en lachjes en kunstjes.

Dat komt van dat zoete, zuivere zog.

Dat niemand dan zij haar kan schenken;

Zij kreeg het een rond jaar, zij krijgt het ook nog. En vraagt men: „Mama! wanneer speen je haar toch?quot; Dan zegt zij: „ik zal me eens bedenken.quot;

Het zij zoo! Het kan u voorzeker geen kwaad.

Laat vloeien de beste der dranken!

Nu doet het dit oogje, dit vroolijk gelaat:

Weldra zij dit snoeperig mondjen in staat Met woorden voor alles te danken.

BIJ DE UITGAVE VAN MIJNE „VERSTROOIDE GEDICHTEN.quot;

1862.

Verscheiden tonen hoort tnen hier.

Naar mijn verscheiden jaren.

Ik had altoos een zelfde lier.

Maar dikwijls andre snaren.

En ook de zangstof wisselde af,

Bij \'s levens wiss\'lend woelen.

-ocr page 250-

DE BLOEM VERKOOPSTER.

De bonte weg van wieg tot graf Heeft veel voor die veel voelen.

*t Verstrooide bracht mijn hand bijeen, En schikte \'t naast eikanderen;

\'t Was altijd beter, naar \'t mij scheen, Dat zij het deed dan anderen.

Zoo iemand, die den bundel ziet, Het hoofd schudt en gaat zeggen:

,\'t Verstrooide is juist het beste niet!quot; Ik zal het niet weerleggen.

\'k Heb hier en daar gekapt, geschrapt. Geschaafd, geschuurd, geschoren;

Hot slechtste is wel wat opgeknapt, Maar \'t werd niet weergeboren.

Is \'t met papieren kroost ook niet Gelijk met andre kinderen\'?

Men kan betreuren wat men ziet,

Maar niet altijd verhinderen.

Gaat thans te zaam de wereld in.

Mijn oudste en jongste telgen!

En moge uw broederlijk gezin Geen vriend of vreemde belgen.

DE BLOEMVERKOOPSTER.

(Heidelberg)

Aan \'t spoorstation te Heidelberg,

Daar staat een kind — van dertig jaar, Als mensoh gekleed, gekapt in \'t haar. Daar ik een traan voor verg.

Traan in uw oog, zoo kwijnend schoon, Jong vrouwtjen, op den huwlijkstocht! Wier ga den ruiker voor u kocht,

Door haar u aangeboön.

Traan op uw wang, zoo vol en zacht. Bevalligheid van zestien jaar!

In \'t oog van uw bewonderaar Een engel, als gij lacht.

Traan, midden in uw rijke vreugd. Gij, moeder van dit beeldschoon kind!

-ocr page 251-

HET BEGENSOHEBM.

Die in haar schoon uw schoon hei-vindt, En in haar jeugd uw jeugd.

Dit hart is ook een vrouwlijk hart, Gevormd voor wat het uwe streelt; Maar wat haar \'t arme leven teelt Is spot, verneedring, smart.

Al wat zoo zeer het schoon verhoogt. Wanneer men \'t in uw oogen leest, Belachlijk waar \'t in haar geweest, En nimmermeer gedoogd.

Geen liefdedroom, geen echtgenot.

Geen moedervreugd zijn haar bekend; \'t Zijn bloemen, bloemen, wat zij vent. Maar doornen zijn haar lot.

Vrouw naar de ziel, slechts kind in schijn; Als kind begroet, geplaagd, gesard, Door kindren, zonder hoofd of hart. Wier moeder zij kon zijn.

Beschimpt door knapen, laag van zin, Onrein van oogen, ruw van toon. Die, zoo zij rijzig ware en schoon,

Haar streelden om de kin.

En, alle dagen die God schenkt.

Door \'t reizend volk, van uur tot uur, Als wondre speling der natuur,

Bekeken en — gekrenkt.

Ach vrouwen! moeders! denkt er aan. Zij is een zuster, de arme dwerg! En stoomt niet voort langs Heidelberg, Of wijdt haar lot een traan.

HET REGENSCHERM.

(Weugeru. Berii-Oberland.)

Hans Jorgen maait zijn goudgeel graan;

Zijn wijfje bindt de schooven;

Zijn jongens dragen af en aan;

Zijn oudste dochters sloven.

Wat roert zich onder \'t regenscherm. Dat uitstaat op de velden?

219

-ocr page 252-

IIRT IIERBEKG-MEISJE.

Ik zie een handje, zie een arm, Die jeugdig leven melden.

Nu buk oens, kijk eens, zie eens goed! Is dit niet net een prentje?

Christientje houdt haar broertje zoet. Dat aardig, mollig ventje.

Het kind is dertien maanden oud, Christientje een jaartjen ouder;

Maar zie hoe stevig zij het houdt! \'t Is bij geen mensch vertrouwder.

Zij zit het, onder \'t regenscherm, Bestendig te vertellen.

De zon is hoog, de lucht is warm; Maar hen schijnt niets te kwellen.

De lucht is heet en hoog de zon, En nergens dak of boomen;

Maar deze groene champignon Belommert hen volkomen.

Zij zien zoo vroolijk, zijn zoo zoet Als iemand kan verlangen;

Zie maar die oogjes, vol van gloed. Die kuiltjes in de wangen.

En als de moeder maar eens bukt, En toeknikt uit de verte,

Dan zijn zij heel end\' al verrukt, Dan juublen zij van harte.

ilET HERBERG MEISJE.

Büsenlauï. Bern-Oberland.)

Mooi meisje, dat in \'t berghotel

lgt;e jonge heeren kluistert!

Herinnert ge u het woord nog wel. Door mij u toegefluisterd?

„Uw wang blijf rood, uw hart blijf rein

„Tot aan uw jongste stonde!

„De weg is glad en de afstand klein „Van jokkernij tot zonde.quot;

-ocr page 253-

LAUTERBRUNNKN.

Gij zeidet: ,,7a, mijnheer! ik zal „Mij naar dat woord gedragen.quot;

Zoo zij \'t. Laat nooit, ook van uw val, Dit Paradijs gewagen!

LAUTERBRUNNEN.

(Bern-Oberlaud.)

Ik dacht zoowaar dat „louter Bronnenquot; Mij ,louter Tranenquot; worden zou!

Wat had mijn dwaasheid toch begonnen, Van u te scheiden, dierbre vrouw!

Gij hadt den weg door \'t dal genomen,

Maar ik den bergweg, als een man!

Te Lauterbrunnen saam te komen.

Ziedaar het plan, \'t „verstandigquot; plan.

Ik steeg vol moed, langs woeste paden Al hooger, hooger, hooger op;

En kon mijn oogen niet verzaden Aan Eiger-, Mönch- en Jungfrau-top.

Hij die geen Scheideck heeft beklommen.

Geen Wengernalp weg in mocht slaan,

Is \'t heiligste der heiligdommen Van \'t Oberland niet doorgegaan.

O ongelijkbre wildernissen,

Waar boven \'t schittrend schouwspel praalt,

Van sneeuw- op sneeuwberg, op wier spitsen De felle zon van Juli straalt!

O Heldre beken, donkre wouden,

Diepe afgrond, vreedzaam, lachend dal!

Geen oogen, die u koel aanschouwden.

Geen hart, dat u vergeten zal!

Ik kon mijn schoonheidsdorst niet boeten. En zag wel duizendwerven om;

Toch kreeg ik vleuglen aan de voeten.

Als ik ten laatsten afwaarts klom.

Of wist ik niet, dat gij mij uren Vooruit moest zijn, en de eenzaamheid

Ook in een lustoord lang moet duren.

Wanneer men uitziet en verbeidt ï

-ocr page 254-

LAUTERBRUNNEN.

Het pad is steil, en tegen \'t zuien;

De grijze kalkwand gloeit als vuur;

üe zon, bü hangende onweersbuien,

Steekt fel in \'t heet namiddaguur.

Aan de overzijde waagt, in éénen,

De beek den sprong van duizend voet — Indien gij neerkwaamt op uw beenen, O Staubbach! ik benijdde uw moed.

Maar, beeld van hen, die God verzoeken,

Uw schittrend waagstuk wordt ten spot: Het dal ziet van den roekloos kloeken Zelfs geen ellendig overschot. \')

Zij die mij wacht, en óók haar oogen

Op u slaat, met beklemd gemoed.

Ziet u verstoven en vervlogen,

En troost zich dat ik „langzaam spoed;quot;

Ik spoed mij, lieve! ik kom u nader;

Ik spaar geen zweet; ik slaak geer. Macht; Al zwoegt mijn boezem, ik vergader Tot grooter haast mijn laatste kracht.

Nog één, één ziegzag! — Neen, nog dezen! —

En dezen! — En deze\' eenen nog! — Dit echter zal de laatste wezen.... 0! zielvermoeiend zinbedrog!

In \'t eind: ziedaar het dal gewonnen,

Waarin ik rust genieten zal.

Een dal van .loutre vreugdebronnen,quot; Aan uwe zij, mijn lief, mijn al!____

Gij zijt er niet! Vergeefsche vragen

Aan gids en voerman, waard en gast!

Geen menschlijke oogen, die u zagen.

Geen hoek, waaruit gij mij verrast!

Intusschen pakken onweerswolken

Zich saam tot ondoordringbaar zwart. En bliksems schitteren als dolken.

222

En steken naar mijn angstig hart.

1) De Staubbacii is, als bekend is, een straal water, die bij Lauterbrunnen van eene 925 voeten hoog© rots geheel vrij naar beneden stort, maar eer hy den grond bereikt, In de lucht verstuift. Den Wengernalp aan deze zijde afdalende, ziet men hem tegen zich over.

-ocr page 255-

-T

J-j\'jfi!

223

REGENDAG.

Daar wekt de dreun der donderslagen

Van honderd bergen de echo\'s op, \'•■li,

Doet de onverschrokkensten versagen, !

Kn voert mijn bange vrees ten top.

De regen stroomt, de beken klateren _ Met storting, die elks oor verdooft;

En alle golven, alle wateren Gaan over mijn verbijsterd hoofd.

Ik zie, hoe langs doorweekte wegen

Een donkre reiskoets mijwaarts jaagt;

De voerman, bukkende om den regen,

Duikt in zijn mantel, hooggekraagd.

li

De wit beschuimde paarden snuiven

En brieschen, van geen storm verschrikt; , \'i\' ,

Maar op mijn hoopvol welkomwuiven VS|

Geen antwoord dat mijn ziel verkwikt\'

f

Een^tweede volgt haar — Ach, mijn oogen,

^ Gij zoekt vergeefs! Zoo schreit nu, schreit : - iiOJi

Een derde — heeft uw hoop bedrogen, —

Een vierde — doemt tot raadloosheid.

Een vijfde.... O Hemel! heb erbarmen.

1

ICXX Y i) 1 V-l ^ .... W -LLC Lil Cl . LLC U Cl UtLL Ü1C11,

Geef hoop, geef uitkomst voor mijn hart! ....

\'t Geschiedt! Daar valt gij in mijn armen,

En weggevaagd zijn angst en smart!

Nu zweer ik dat ons niets meer scheiden.

Maar dit het reisplan wezen zal:

Eén doel, één teil, één weg voor beiden ;

Een zelfde berg, een zelfde dal!

d:

De lezer echter leer mistrouwen

Den kastelein van Grindelwoud, Die paarden toezegt aan mevrouwen. Maar die zijn woord niet altijd houdt.

REGENDAG.

li

ï

(Interlaken. Bern-Oberland.)

fc.. . A\\

Regen, regen, regen, Regen, anders niet! Overstroomde wegen. Waar men staat of ziet.

-ocr page 256-

lïKQKNDAG.

Aan de lucht ontdek je.

Noord, Zuid, Oost ot\' West,

Nergens een blauw plekje Voor een broek en vest.

Waar zijn thans uw toppen, Bergen in \'t verschiet?

Regen, regendroppen,

Kegen, anders niet!

Op de luie-stoelen Hangt het reizend heir;

Elk is van gevoelen:

,\'t Is van daag slecht weer.quot;

Brit en Nederlander, Franschman, Duitschei\', Deen,

Stemmen met elkander Lieflijk overeen.

Regen, regen, regen!

Regen, anders niet!

Niemand, die een zegen In den regen ziet.

Gids en voerman turen Op de donkre lucht;

Dat het lang zal duren Wordt door elk geducht.

Duidt hun niet ten kwade \'t Morrend onverstand!

\'t Regent enkel schade Voor hun grage hand.

Regen, regen, regen!

Regen, anders niet!

Overplaste wegen,

Waar men gaat of ziet!

Maar de paarden juichen In den vollen stal;

Zweep en zadeltuigen Rusten overal;

En ten minste heden Kan zich \'t rauwe vleesch

Der gedrukte leden Vleien: „Ik genees!quot;

Regen, regen, regen,

Wat men hoort of ziet:

Onbegaanbre wegen Zijn zoo kwaad nog niet!

En een arme stakker.

Die met tranen zag

-ocr page 257-

HET ORANJEFEEST.

Hoe zijn huislijke akkei-Droogde met den dag, Valt aanbiddend neder, Geeft den hemel lof, Die de veldvrucht weder

Oprisht uit het stof. „Regen, regen, regen!quot;

Bad hij dag en nacht — En de Bron van zegen Heeft aan hem gedacht.

HET ORANJEFEEST

TE UTRECHT GEVIERD.

\'28 November 1863.

,Hoe waait de vlag zoo vroolijk uit ) „Van Neerlands hoogsten toren? „\'t Geschut barst los, de feestklok luidt, „De juichtoon Iaat zich hooren.

„\'k Zie groen en dundoek door elkaar

„De volle straten sieren....quot;

Het is dewijl wij \'t jubeljaar Van Neerlands vrijheid vieren;

Van vrijheid, na den bangsten druk,

Die ooit een volk deed klagen, Van vrijheid van \'t uitheemsche juk. Zoo lang met smart gedragen.\'

„Wie bracht u in dat groot verdriet?

„Wat voerde u naar die keten?quot;

Och, doe ons zulke vragen niet!

Wij zouden \'t graag vergeten.

„Vergat gij mooglijk de oude leer:

„Alleen door eendracht machtig?quot;

Helaas, nog eenmaal! Des te rrieer Zij haar ons kroost indachtig!

„Verloste u eindlijk speer en zwaard?quot;

„Neen! Moed van heldenzielen.

De Hemel heeft ons bloed gespaard; Hij sprak; de banden vielen.

„In Utrecht?quot; .. Werd het ergst verwacht.

Maar Cjod beschaamde ons zorgen,

Nooit volgde er op een banger nacht Een onvergeetbrer morgen.

-ocr page 258-

het oranjefeest.

„En welk een dag?\'\' Zoo schoon als \'t kon; Een dag van vijftig jaren,

Daar schoof geen wolkje voor de zon,

Dan om weer op te klaren.

„Wat spelt de toekomst? Goed? Of kwaad?quot; Een weet het; HIJ regeere!

Wij maken op zijn bijstand staat,

Verkeere wat verkeere!

„Beschikt gij over hooger hulp?

„Verbindt gij cf Ongezienen?quot;

Wij willen, in paleis en stulp,

Hem eeren, danken, dienen.

„Wat leuze smelt nu stand in stand, „En prijkt op aller borsten?quot;

Het vrijheids-teeken voor dit land,

De kleur van onze vorsten.

„Wat dankt gij aan dat vorstlijk bloed, „In oude en nieuwe tijden?quot;

Bescherming, welvaart, orde, moed En hoop en troost in lijden.

„Wie mag Oranjes beste vrind,

„En Zjjner waardig heeten?quot;

Die, daar hij \'t vaderland bemint,

Zichzelven kan vergeten.

„Wie mint zijn land?quot; Hij die \'t betoont, Met woorden en met werken.

Zijn eer door geen moedloosheid hoont,

Zijn moed door hoop wil sterken.

„Wie is geen vriend zijns volks in schijn, „Maar waar, en hoog te schatten?quot;

Die \'t oude twistvuur uit laat zijn. En \'t nieuwe niet laat vatten.

„Wie twijfelt aan de toekomst niet?

„Wie ziet niet laag op \'t heden?quot;

Die liefderijk rondom zich ziet.

En opziet met gebeden.

„Wie vieren \'t best dit jubelfeest,

„En met de reinste klanken?quot;

Zij, die, met ootmoed in den geest.

Den hemel hartlijkst danken.

-ocr page 259-

JAN LOGICA. - JAN KLANK. — MOZES OP DEN NUL, ENZ.

JAN LOGICA.

Jan lag te slapen op zijn wagen. Schelmen komen En spannen Blesjea uit, en tijgen op deu rit.

Ten laatste, Jan ontwaakt. „Hoe?quot; roept hij uit; , Wat\'s dit? „Van tweeën een: men heeft mijn paard mij afgenomen, „Of ik nam, in mijn slaap, een wagen in bezit.quot;

Uit het Engelsch.

JAN KLANK.

\'t Is solfiëeren wat gij doet; geen spreken;

Want dat ge iets zegt, is mij nog nooit gebleken.

MOZES OP DEN NUL.

Draag, groote Nijl, wien nimmer sterflijke oogen Aanschouwden waar gij klein zijt en\' gering! \') ^ Draag op uw schoot dees kleinen zuigeling.

En spaar hem, met zijn Moeders leed bewogen.

Wieg, schommel hem voorzichtig op uw baren En drijf hem zacht naar \'t veilig hoekje voort,

Waar vorstlijk oor „het jongsken weeiienquot; hoort, Van tusscheu riet en groene lotusblaren.

En als hierna dit „knechtken der Hebreeuwenquot;

Uw godlijk nat in drabbig bloed verkeert, _ Den zegen van uw welige oevers weert,

En mensch en dier zijn noodkreet uit doet schreeuwen;

Wijt dan dit leed liet Kind niet, dat gij spaarde. En veiliger gesmoord had in uw vloed,

Maar \'t Monster, door uw vruchtbaar slib gevoed, Der dwinglandij, uw vloek, den vloek der aarde, Die overal het water maakt tot bloed.

AAN EEN „OPBNBEIEFquot;-SCHRIJ VER.

Telum imbellum sine lclu.

Uw wenkbrauw daalt, uw oog schiet stralen;

De booze lip krult vreeslijk op;

Het kort en snuivend ademhalen

Meldt een versnelden harteklop.

227

Krampachtig klemmen zich uw vingeren

LUCANDH.

l) 2ioii licult pupulis parvum te, Nile, vldere.

-ocr page 260-

VIJFKNTWINTIGJAKIU BURGEMEESTERSCHAP. — JUBELFEEST ENZ.

Te zamen om een scherpe speer;

Gij gaat dit „vaak beproefdquot; geweer Moorddadig op uw vjiand slingeren,

En dooddoen zal het als weleer!

Dees echter, \'t oude wapen ziende,

Vreest of ontzet zich niet met al;

Dit „vaak beproefdequot; is \'t .uitgediende,quot;

Dat in uw handen breken zal.

Zoo was \'t. Geen hartaar werd doorstoken;

Geen roode bloedstroom werd aanschouwd; De dufheid van \'t vermolmde hout,

Was al wat — onze neuzen roken.

VIJFENTWINTIGJARIG BURGEMEESTERSCHAP

van den Heer Mr. N. P. J. Kien te Utrecht.

1801.

VOOIÏ DE B1SANDWEEB.

De Brandweer, tuk op de eer noodlottig vuur r,e blusschen. Blaakt zelv\' van eedlen gloed.

Nu zij den Burgervader groet.

Die vijfentwintig jaar gewaakt heeft op \'t Stads-kussen,

Haar wensch is vurig dat de fakkel van zijn leven Voortbrande stil en klaar.

Om onze stad nog menig jaar liet voorrecht van haar licht en warmen gloed te geven.

Moog steeds de Burgerij hem eer en dank bewijzen. Getrouw en onverdeeld!

En waar men ooit met twistvuur speelt,

Daar sta de Brandweer klaar, eer vonk en vlammen rijzen.

JUBELFEEST VAN DEN SLAG VAN WATERLOO.

18 Juili 1865.

Hof, riollandsch Volk, het feestlied aan!

De dag is weergekojnen.

Die bij de Nederlandsche vaan

Het vruchtbaarst bloed zag stroomen; De dag, de dag, de groote dag,

Wiens ochtend droef en somber zag.

Wiens avondzon, bij \'t dalen.

Blonk van de schoonste stralen.

-ocr page 261-

JDnELFEEST VAN DEN SI,AQ VAN WATERLOO.

Steek vlaggen uit van top en trans, Om \'t heuglijk feest te melden! Versier ze met een blijden krans

Van blcemen onzer velden! De oranjestrik steke af op \'t groen En vorme een vaderlandsch festoen, Waar vijftigjarige eiken Hun deugdzaam loof toe reiken!

Één juichtoon klink van noord tot zuid.

Van oost- tot westerstranden, Kn lokke een blijden weergalm uit

Bij de omgelegen landen;

Neen! meng zich in \'t eenparig lied, Dat Belg en Brit en Muscoviet En alle Duitsche volken Doen rijzen tot de wolken!

Ée\'n danktoon stijg tot God omhoog

En prijs den Heer der Heeren, Bij welk altaar men knielen moog,

Of op wat wijs hem eeren; Een toon, waarin wat anders scheidt, Zich oplost in de eenstemmigheid Van die met ziel en zinnen God en de Vrijheid minnen!

Een danktoon uit paleis en stulp

Die uitroept allerwege:

„Van u, o God! kwam ons de hulp.

„Van u-alleen de zege.

„Van u de moed, van u de kracht, „Die \'t bloedig oorlogswerk volbracht, „Eu, na de krijgsgeruchten, „De vrede met zijn vruchten!quot;

Wat breede schaar, wat achtbre stoet.

Met zilverwitte lokken, Komt,fiervan blik,schoon stram van voet.

Naar Leidens vest getrokken V Ontbloot den schedel, jong geslacht! \'t Is de eer van Neerlands legermacht. Het overschot der helden Der Waterlooeche velden.

Daar gaan zij, vaderlandsche jeugd!

Die Hollands tuin verweerden, De vrijheid redd\'en door hun deugd. De dwinglandij verneerden.

-ocr page 262-

AAN DES tlOOai.EEnAAn G. .T. MULDER.

Uw eei-betoomrifr doet hun goed,

JJaar zij in hen \'t vertrouwen voedt, Dat, keerden de oude dagen,

Gij \'t jonge bloed zoudt wagen.

Ken traan rolt langs hun knevelbaard,

Een hulde aan die ontbreken. Die, sluimrende in den schoot der aard,

Ook door hun afzijn spreken! Gij meest, wien \'t Delftsche graf besluit. Wiens naam blijft klinken verre en luid, En in het hart zal leven Van onze jongste neven!

Zoon van dien Dappren! Vorst van \'t land,

In deze vrede-tijden I Stelde u de nood het zwaard ter hand.

Om voor ons erf te strijden;

Wij weten \'t, Koning! door wat moed, Ook gij \'t onschatbaar heldenbloed Van Nassaus eêlste zonen U waardig zoudt betoonen.

Maar God geeft vrede. O Moog zijn hand

Ons lang die weldaad kweeken.

En een eendrachtig Vaderland

Geen dankbaarheid ontbreken! De Vrede, nooit te duur gekocht Voor \'t kostlijkst bloed, dat hem bevocht, Is nooit te hoog te schatten Door die zijn heil bevatten.

AAN DEN HOOGLEERAAR G. J. MULDER,

In dank voor de vriendelijke toezending van zijn „Studium Generale.quot;

Est — commune vinculum.

Den Man, wiens wetenschap niet ligt in \'t stof begraven, Maar die haar, rijp en rjjk, en rein van haat,ijk rag. Het leven in doet treên om, op den klaren dag, Met zegenende hand haar godlijk\' aard to staven;

Den man, die \'t gouden snoer, dat kennissen en kunst Vereenigt, kent en eert. wat woestaardij \'t verhaven\', En, tegen \'t drilwerk, pleit voor \'t echte geestbeschaven; Bied ik mijn warmen dank, hoovaardig op zijn gunst.

230

-ocr page 263-

It

1

verborgen. — KL AUTERL3SSSEN. 281\'

VERBORGEN.

De deugd is een gewas, dat niemand kweekt, Ten zij de wortel zich in de aard versteekt.

s

KLAUTERLESSEN.

(Naar Rückert.) J|wj

Dat gij klautert, jonge borsten! JÉ|

Is naar mijn verlangen; ftj

\'k Haat ze, die hun tijd vermorsten \'uèj

Met in huis te hangen.

Om een nestjen uit te halen Staan er veel klimvaardig;

Uitgeblazen eierschalen.

Zijn ook zeker aardig.

Is \'t om de appels of da peren,

Dat gij wenscht te stijgen? iL

\'t Zelfde is van volwassen heeren

Ook te zien. te krijgen.

\'k Wil de pret u niet benijden; \'y#

\'k Gun haar u volkomen;

Slechts om rampen te vermyden.

Zij mijn raad vernomen.

Let steeds hierop, dat gij geenen

Loslaat van de takken, \'\'ijij\'

Eer gij tijd hadt weder eenen

Anderen te pakken.

Op een dorren tak valt nimmer.

Nimmer te vertrouwen;

Zelfs niet altijd kan een klimmer

Op de groene bouwen. ? Y

En ver boven alle twijgen Blijft de stam te kiezen;

Wil dit nooit, bij \'t hoogste stygen,

Uit het oog verliezen;

Want de takK en zelve moeten Aan den stam zich schoren.

Die alleen op eigen voeten.

Staat gelijk een toren.

Wijsheid heeft de beste kansen!

Waar uw voet zich wage.

Zorg dat nooit één tak den ganschen

Last des lichaams drage!

Steun en tegensteim, mijn vrinden!

Moet er altijd wezen;

Mocht gij genen trouwloos vinden,

i , SI-

Gij vindt troost bij dezen.

/■

-ocr page 264-

KINDKU-QODSDIENSTOEFENINO.

Altijd moeten wel de sterken Uw voornaamste stut zijn,

Maar de zwakken, zult gi] merken,

Kunnen ook van nut zijn;

Menig twijgje aan groote boomen,

Dat niet veel beteekent,

Maar, met and re saamgenomen, ^ Duchtig mederekent.

Klimt ernsthaftig (grappemnaken)

Kunsten doen berouwt u);

Zoo zult ge in den top geraken.

En het dunste houdt u.

Maar terwijl gij u op \'t moedigst

Opwerkt met de handen.

Denkt eens hoe gij weer voorspoedigst Zult omlaag belanden.

KINDER-GODSDIENSTOEFENING.

(«Naar Gerök.)

I it, den mond der jonge hinderen en der zogellngen hebt gij u lof toobereld.

Het^ plechtige luiden der klokken

Riep de ouders bijtijds naar Gods huis;

Hun kindren, met goudblonde lokken Zij blijven nog allemaal thuis.

Die gastjes, zoo vroolijk en woelig.

Zijn nog vrij wat te klein voor de kerk;

Maar toch, voor den zondag gevoelig,

Gaan ook zij, op hun wijze, te werk.

Elk van hen heett een psalmboek genomen

En houdt het verkeerd voor zich heen;

Nu juichen mijn jeugdige vromen Op het luidst en verhevenst dooreen.

Wat hij zingt, weet niet een van het troepje;

Elk heft aan uit een anderen toon —

Om het even! uw galmen, lief groepje!

Beiken ook tot den hemelschen troon.

Staan daar niet uw englen om henen.

En zingen hun lied voor een Heer,

Die^zoo gaarn van de lippen der kleenen Zijn lof hoort vermeld en zijn eer?

-ocr page 265-

1II

AAN J. J. VAN OOSTERZEE. 238

, i

||

\'li

Zingt dan voort! In den tuin, in de boschjes,

Doet, als gij, elk met zingen zijn best; j*\'|j

De sijsjes, de meesjes, de moscbjes, IML Jong en kleen, op den rand van het nest.

Zingt maar toe, in uw blinde vertrouwen!

Het is dit, wat uw\' Heiland voldoet;

0, een bart ganscb opreobt, zonder vouwen, jlLtó I

Is veel dichter bij Grod dan \'t vermoedt.

ÏM |

Zingt op maar! Wij zingen, wij ouden, kif

En lezen de Schrift, met verstand!

En toch — ach! hoe menigmaal houden fj1\':;

Wij het boek nog verkeerd in de hand !

Zingt op maar! Wij zingen en spelen ■

De liedren, naar noten, als \'t hoort!

Maar acb! door der broedren krakeelen,

Hoe vaak wordt onze eenheid verstoord!

Zingt ook gij! — Uit de statigste bogen, \'gt;»•!

Het plechtigste, krachtigste koor,

Wat is bet?... Een kinderlijk pogen; ^

Een gegons in des Eeuwigen oor! flIBJ\'i

--Hl

iBÜ

AAN J. J. VAN OOSÏEBZEE.

Na vijfentwintig jaren Evangeliedienst. | | i

12 febr. 1866.

Ga voort, en stort uw besten balsem ft

Aan Jezus voet;

Vertroost zijn ziele van den alsem, ?; S

Dien \'t ongeloof hem smaken doet.

Vervul zijn buis met de eelste geuren, |?l|

En schraag hot dak ;

Verblijd ze ^iie om Sion treuren.

En steun wa\'t moedloos is en zwak.

Of

Die vijfentwintig jaar u sterfite,

Is nog nabij:

Wat bij door u gezegends werkte,

Bevestige en vermeerdre hij!

Hij blijve u, nog een reeks van jaren.

Voor Kerk en Land,

Voor dierbaar buis, en vrienden sparen,

En overdekke u met zijn band.

L

-ocr page 266-

- WINANDERMEER.

En is de gi-oote dag gekomen,

Door Hem beloofd,

Hij zette, omringd vau al ïijn vi-omen, He schoonste kroon op \'t dankbaarst hoofd.

ZIJ ZEGGEN.

Zij zeggen: „Laai uw dwaas vooroordeel varen!

„Daar is geen God, die antwoordt op gebeên;

„\'t Oud Bijgeloof had tempels en altaren:

„De Wjjsheid onzer eeuw behoeft er geen.quot;

De honger nijpt, de pest ontvolkt de straten,

Uw kroost ligt krank en worstelt met den dood:

„Verbjjt uw leed! Wat zou uw bidden baten?...quot;

Geloof\' hen niet, en klaag aan God uw nood.

Men leerde u van een Vader, die voor allen

En alles zorgt met vaderlijke trouw;

Dat, zonder Hem, geen musoh op aarde vallen

En op uw hoofd geen haar vergrijzen zou.

„Neen!quot; zeggen zij: „Natuurwet drijft het leven

„En brengt den dood, voor beiden even blind.... „Vergeefs uw lot in hooger hand gegeven!..

Geloof hen niet, en blijf uw Vaders kind.

Men predikte u een Heiland, voor uw zonden

Gestorven, en uw Redder door zjjn bloed.

Uw schuldig hart heeft troost bij Hem gevonden. Uw kranke ziel by Hem haar kracht en moed, Zij zeggen: „IJdle troost voor noodloos vreezen!

„De mensch is goed, hoe dweepzucht hem verguiz\'! „Steun op u zelv\', en gij zult krachtig wezen!quot;

Geloof hen niet, en houd u aan zijn kruis.

Godsakker noemt gij \'t kerkhof; \'t daar gezaaide

Herleeft eenmaal in nieuwe heerlijkheid!

„Dwaas!quot; zeggen zij: „\'t stof, dat de wind verwaaide,

„Is nergens meer, of overal verspreid.

„\'t Herleeft? O ja! In gras en kruid en bloemen, „En sterft op nieuw, en wisselt eeuwig af...quot; De geest?... „Wat is die geest, waarop wi\' roemen? „Een denkbeeld!quot;... Hoor hen niet; maar plant het kruis op \'t graf.

WINANDERMEER.

(Westmoreland. Lake-district.)

Ik had nog nooit een meer aanschouwd.

Dat grootsch of schoon mocht heeten:

ZIJ ZEGGEN.

-ocr page 267-

WINANDERMKEH.

Daar zag u mijn verwonderd oog, Bespannen met een regenboog, — Ik zal het nooit vergeten.

De zomerbui was kort van duur,

En dreef voorspoedig over;

De regen, die gevallen was,

Hing als juwaelen aan het gras, En parelde van \'t loover.

\'t Was de avond van den schoonsten dag;

De stilte was volkomen;

Plechtstatig stonden van rondom De heuvlen om de waterkom. Met goudglans op hun zoomen.

En \'s morgens droeg me een vlugge boot

Op uw 7.00 heldre vloeden.

Uw oevers langs, uw bochten in.

Van \'t vredig eind naar \'t drok begin. Waar u de stroom kwam voeden.

Bekoorlijk schouwspel! Rijk genot,

In op en rond te staren! Van heuveltop tot heuveltop Trok wolk bij wolkje langzaam op, Als wierook van de altaren.

Maar \'t zonlicht, als het hooger steeg,

Kwam meer genoegen geven,

Daar \'t hout zijn licht en bruin ontving. Het spieglend meer zijn glinstering. En alles kleur en leven.

Hier keek een landhuis uit door \'t groen,

In \'t hangen van de heuvlen;

Daar nam het bonte vee zijn bad;

Ginds gleed de zeilboot over \'t nat. Met witte en bruine vleuglen.

\'k Heb schooner waatren sinds gezien, En stout en grootsch om \'t zeerste: Lac-Leman en \'t Luzerner meer, Loch-Lomond, Schotlands roem en eer; Maar gij blijft altoos \'t eerste.

235

-ocr page 268-

RA UM AN NS OROT.

DE VERMINKTEN.

(Slot Wernlngerode.)

Zij waren beiden fViscli eu sterk En in den bloei van \'t leven,

Maar onvermogend tot bet werk, Weleer door ben gedreven.

Zij waren, op een oud kasteel. Een soort van ,extra booienquot;,

Vertoonden \'t ons van deel tot deel. En leefden er van fooien;

Gelukkig, dat zoo groot een vorst\') Zich bunner aan wou trekken.

En dat de penning op bun borst Hun ban-tzeer mocbt bedekken!

De een miste een arm, eu de ander had Het lood nog in de beenen;

De fraaie vruchten waren dat Van d\'oorlog met de Denen.

BAUMANNS GROT.

(Rübeland. Harz.)

Had hij een lucifer gehad.

Hij was nog wel in leven!

Nu moest hij in een donker gat Bijkans den doodsnik geven.

Dat komt van \'t zoeken naar een schat, Door hebzucht aangedreven.

Hans Baumann, brandende van lust Om geld en goed te winnen.

Kroop, met een berglamp toegerust, \'t Ontdekte kliphol binnen. \'2)

Geen mensch ter wereld was \'t bewt.st Wat Baumann ging beginnen.

Het hol was diep; de weg was lang Door de onderaardsche krochten;

DE VERMINKTEN.

Het ging van d\' een\' in d\' andren gang, Met wendingen en bochten.

*) Dft Graaf van Wernlngerode-Stolberg. -) 1672.

-ocr page 269-

BAUMANXS GUOT. 237

Do steendrop werkte er, eeuwen lang, Aan fraaie lamstgewroohter-.

\'t Was nu een hooge kerkpilaar. En dan eea bundel speren;

Een kansel kier, een orgel daar, Een reuzenhelm met veeren;

Een tentgordijn, een feestsamaar. Een korf met monsterperen;

Wij waterbekken, outersteen. En doopvont, naar behooren;

Pistolen, dolken, wild dooreen Geschud, met pauk en horen;

En vrouwenboezems, hard van speen; En spitse paardenooren.

Maar dit was niet wat Baumann zocht, Waar op zijn oog kwam azen;

Slechts dat hi] goud-erts vinden mocht,

_ Dat voedsel voor de dwazen!....

En eensklaps heeft een felie tocht D-e berglamp uitgeblazen.

Daar stond hij in \'t stikdonker vak En gilde \'t uit. Geen wonder!

Geen vuurslag had hij in den zak.

Geen lichtontvlambaar tonder;

Geen lucifer, dat groot gemak.

Geen lucifer, bestond er.

De weergalm kaatst zijn gil weerom. Zijn angst en jammerkreten;

Zij galmen voort van dom tot dom, Door diepten, ongemeten;

En sterven, met een dof gebrom, In ongepeilde spleten.

Geen licht; geen kennis; troost noch raad;

^ Geen spijze: korst noch kruimpje!

Geen Ariadne\'s zijden draad;

Geen vinding van Klein Duimpje!

Die hier den moed niet zieken laat, Voorwaar! verdient een pluimpje.

Drie dagen werden doorgebracht Met tasten, stromplen, zwerven.

Drie dagen? Neen! Eén langen nacht. Die alle hoop deed derven.

T

-ocr page 270-

WATERVAL IN\' SAKSISCH ZWITSEKLAND. - BLIJF EEN\'.

Begraven was hij, als hij dacht, \'t Mankeerde maar aan \'t sterven.

isog sleept zich de arme stervling voort En blijft een weinig hopen.

En zie! Een flauwe scheemring gloort! Een lichtstraal komt geslopen

Door de eigen enge en lage poort.

Waar Hans is in-gekropen!

Hij kruipt weer uit; hij ziet het kreost Van Adam nog eens even;

Doet zijn verhaal; maar stottert, loost Een zucht, en laat het leven.

Alleenlijk heeft hij dezen troost,

Aan quot;t hol zijn naam te geven.

WATERVAL IN SAKSISCH ZWITSERLAND.

(Llchtenhalner en andere.)

Vijf groschen. Heeren, geeft wel acht, \'/gt;00 gij een oogenblikje wacht,

Zult gij een waterval zien stroomen.

Daar komt daar ishij. Een, twee, drie... Claudite, vivos, pueri.\'

Ik zie een nieuw gezelschap komen.

Vijf groschen! Hebt gij \'t niet gezien: Het kan onmidlijk weer geschiên.

BLIJF EEN,

Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!

Blijf één en ongeschonden.

Geen staatspartij, geen godsdiensttwist Verscheure, door geweld of list.

Wat God heeft saamverbonden.

Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!

Laat niets die kracht u rooven.

Schraag, als een eenig man, den troon, En meng geen wanklank in den toon Van \'t oud „Oranje-Doven!quot;

Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!

_ Laat niets die vreugd verbitteren.

Blijl, kleinst, maar roemrijkst volk deir aard!

-ocr page 271-

gitoote ontdekking.

Door orde en rust de vrijheid waard,

Die uw gelaat doet schitteren.

Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!

Laat niets die deugd verflauwen.

Wroet in geen eigen ingewand!

En, Leeuw van Neerland! toon geen tand Dan tegen vreemde klauwen.

GROOTE ONTDEKKING.

Felix qui potuit rerum cognoscere causas.

Eurékamen, Eurékamen! wij hebben het gevonden!

De gang der wkkeld is aan oorzaken gebonden.

Alles wordt door oorzaak en gevolg geregeerd;

Daarom gaat alles perfect en rolt als gesmeerd.

Oorzaken en gevolgen houden alles in orden;

Gevolgen, die weder oorzaken worden;

Oorzaken, die weer gevolgen genereeren;

Gevolgen, die weer tot oorzaken promoveeren;

Tot oorzaken, in gevolgen weder schatrijk,

Pulu-lu-lu leerende onophoudelijk.

Het is een systema van schakels en lussen

Kn haken en oogen; geen speld kan er tusschen;

In \'t stoflijk, in \'t zeedlijk, in hemel en aard —

En daarmee zijn alle problemen verklaard!

Onze ouden hebben voor menig probleempje gezeten;

Maar ze hebben ook van geen oorzaken geweten;

Zij^hebben om geen gevolgen gedacht;

Wij zelv\' zijn maar pas op dat denkbeeld gebracht.

\'t Was ook niemand te vergen op die hoogte te komen,

Eer hij, bij gaslicht, door tunnels mocht stoomen,

d\' Afstand „vernietigdequot; per telegraaf,

En „heer van de stofquot; werd, in plaats van haar slaaf.

Het was, wel beschouwd, een vergeeflijJce zotheid

Der vroegre geslachten, die droom van een ,godheidquot;.

Een „hoogere zorgquot;, een „voorzienig bestuur,quot;

Een „koning der wereldquot;, een „heer der natuur,quot;

Een „geest1\', een „verstandquot;, dat formeerde en regeerde,

Een „zeedlijken wilquot;, die de stof reguleerde ; —

Zij konden niet anders, zij wisten geen raad.

Zij zagen het niet, dat do plant uit het zaad.

Van de plant weer het zaad komt, en zoo in \'t onendige!

Daarom was hun wijsbegeerte ook „eene ellendige.quot;

Nu is dit wel laat, maar nog tijdig ontdekt,

En geeft ons een inzicht, dat mijlenver strekt.

\'t Is het „ei van Columbusquot;; een kind kan \'t begrijpen:

239

-ocr page 272-

AAN EKNE KUFDOCHTEK. - GRATIOSA.

Alle gevolgen dansen naar der oorzaken pijpen; En, zoo lang maar conform dat principe geschiedt, Is het leven — een dansjen, en meer ook niet.

AAN EEXB ERFDOCHTER.

Wie zal u drukken aan zijn hart,

U dragen door dit leven ?

Wie, in des levens zorg en smart,

Steun en vertroosting geven\'?

Wie, altoos met dezelfde trouw

Voor do eene en uitverkoren vrouw,

Wier min zijn ziel verblijdde.

Zich stellen aan uw zijde?

De man, die daar een hart toe heeft.

Dien zal mijn hart beminnen.

Hij zoekt wat God in \'t echtheil geeft, Én geen genot der zinnen.

Maar \'t oog, dat op uw schoon slechts vlamt.

Op \'t edel huis, waaruit gij stamt, Uw rijkdom is geslagen, —

Dat kan ik niet verdragen.

Hoe teerder \'t u zal gadeslaan,

Hoe vuriger belezen,

Hoe meer de hoon, u aangedaan Me een ergernis zal wezen:

Miskenning van uw schoonste schoon

Uw besten schat, uw hoogste kroon; Miskenning van den zegen,

In uw bezit gelegen.

GRATIOSA.

Ja enkel poëzij zijt gij.

Ja enkel schoonheid, leven, jeugd; De liefde klapwiekt u op zij.

En aan uw voetstap kleeft de vreugd; Elk der Bevalligheden Komt met u opgetreden!

Daar schittert in uw oog een vonk, Kn op uw voorhoofd glanst een gloor, Als in de onsterflijke oogen blonk Der maagden van het hemelsch koor. Die in de zangen leven.

Op Chios aangeheven.

-ocr page 273-

iemand aan eene. dorothea serena.

Maar \'t lachje, dat de rust verkondt, Den vrede van een rein gemoed. Zweeft om uw rozerooden mond. ... Ontsluit hem! Laat uit d\'overvloed Van \'t hart die lippen spreken, Haar taal ais honig leken!

IEMAND AAN EENE.

Mijn lieve beste,

74) neggen dat gij gansch voor mij geknipt zijt; \'1c Zie \'t zelf, zoo vaak ik de oogen op u veste.

Gij hebt twee oogen.

Die altijd vroolijk zien en vol gevoel zijn; Die hebben op miju hart een groot vermogen.

En tusschen dezen Een neusje, nooit voor iemand opgetrokken, Maar dat zijn volkje wel weet uit te lezen

Gij hebt twee ooren.

Steeds opener voor \'t goede dan voor \'t kwade. En met een zwak om mijn geluid te hooren.

Gij hebt twee lippen,

Die \'k overgaarne kus, en langs wier boorden [k nimmer iets wanluidends hoorde glippen.

Gij hebt twee handen. Die allerhandigst zijn en nimmer ledig.

Steeds vaster strenglen zij de liefdebanden.

Gij hebt een boezem.

Die lieve kindren voedt en sust en koestert, En wangen geeft als frissehe rozen-bloesem.

Daarbij een harte.

Zoo trouw, zoo goed voor mij in al zijn slagen. Dat ik (des noods!) den haat der wereld tartte.

DOROTHEA SERENA.

Heeft Dora nooit nog iets gehad. De kleine lieve Dora?

Had ik geen hart er voor, of had De moeder er geen oor naV

-ocr page 274-

aan dk mogendheden.

Dacht ik misschien: „Ik spaar mijn lied; De kindren luistren zeker niet,

Zing ik den lol van Dora?quot;

Kom, dat ik haar in stilte hier

Nu eens een toontje wijde, Een toontje van dezelfde lier.

Die eens haar moei verblijdde; \')

Haar petemoei____De lieve meid

Streeft, dunkt mij, door haar yroolijkheid En geest haar reeds op zijde.

Bloei, aardig kindje! leef en bloei!

Blijf ons geluk verhoogen!

Lijk naar uw lieve petemoei.

Voer ons haar beeld voor oogen! Wees: „Dobotheë,quot; een gaaf van God, En toon, verduistert zich uw lot, „Serena,quot; uw vermogen!

AAN DE MOGENDHEDEN.

NA HET VIIEDEBESLUIT TE LONDEN, VOORJAAlt 1807.

Nu doet gij wijs, dat gij den vrede wilt,

Geen kostbaar bloed uit ziedende eerzucht spilt, Het zwaard ter scheê doet keeren, en uw schild

Van smet gaat zuiveren. __

Nu eert ge u zei ven best, daar gij gehengt Dat zich de olijf in uw laurieren mengt,

En volk bij volk u zulk een hulde brengt Als niet doet huiveren.

Nu zegent u de moeder en de bruid;

De vreugd herleeft; de zangsnaar geeft geluid; \'t Geschokt vertrouwen strekt de hand weer uit; —

Met hoop van maaien,

Strooit weer de zaaier \'t zaad in de open voor; Haast wordt het groen op zijn gezegend spoor, En alle lieve bloemen breken door,

Die d\' oogst verfraaien.

212

Aldus wordt Duitschland één en eensgezind, En Erankrijk niet gevreesd meer, maar bomind; Dit zet de tronen vast, dit lokt, dit wint Het hart der volken.

1) Zie I, 157 en volgg. en elders.

-ocr page 275-

vondel.

Hier ziet God zelf in gunst op neder ... Och, Verlengt ons dezen schoonen vrede toch! Brengt over onzen blauwen hemel nog In lang geen wolken.

VONDEL.

Waar zijn de liedren, waar de tonen,

Den groeten Vondel waard? De lauwren, om een hoofd te kronen,

Waar eeuw bij eeuw op staart.

Met d\' eerbied, die aan de echte zoneii Van \'t godlijk lied weervaart?

Laat de Amstel van zijn lof weergalmen! En gij, zijn „blonde Rijn,

Beplant met rijnsohen wijn!quot;

Laat met uw ruischende oeverhalmen

Ziin naam verzelvigd zijn.

Bevlecht zijn schedel, Oosterpalmen! En gij, Germaansche Pijn!quot;

Wat snaar heeft hij niet aangeslagen?

Wat toon haar niet ontrukt? Wat anderen vermetel wagen.

Aan Vondel is \'t gelukt. De Davidsharp heeft hij gedragen, De Grieksche luit gedrukt.

Hij is ten hemel opgestegen.

Ten afgrond neergedaald;

Hij heett, op on-bezochte wegen,

Steé9s nieuwen roem behaald;

Nooit is hij machtloos neergezegen;

Nooit heeft zijn greep gefaald.

Hij heeft ons \'t \'lied der englenreien,

Der duivlen oproerklank Doen hooren; tortelduif! uw schreien,

Op een „verdorde rank;quot;

De herderlijke veldschalmeien.

En krijg- en olferzang.

,0 Kerstnacht, schooner dan de dagen!quot;

O Kankerige tak.

Van vorstelijken \'bBom geslagen,

Met zoo geduebt een „krak!quot; ,0 Pluim,quot; die Ruben rouw deed dragen, „Waarin het duifken stak!quot;

-ocr page 276-

HIT SHAKSPERE.

Hoe menig oor wist gij te boeien,

üciar \'t godentonen ving;

Hoe menig traan hebt gij doen vloeien,

Die als een parel bing;

Hoe menig edel hart doen gloeien Van verontwaardiging!

Waar zijt gij. Helden, Vorsten, Wijzen, Van Hollands schoonsten tijd.

Wie Vondels hart geen lied doed rijzen, Aan uwen lof gewijd?

Onsterflijke gezangen prijzen U, die onsterflijk zijt.

Maar Wie beeft liedren, wie heeft tonen. Den grooten Vondel waard V

Wie lauwren om hem \'t hoofd te kronen. Waar eeuw bij eeuw op staart,

Hem, wien van duizend muzenzonen Geen enkele evenaart?

Prijk op uw voetstuk, eenig zanger!

Vertoon uw aangezicht!

Uw vaderland verzaakt niet langer Zijn uitgestelden plicht.

Herinn\'ring van uw lied vervange er Ons later kreupeldicht.

UIT SHAKSPERE.

(/Is you lilee it.)

De wereld is niet dan een groot tooneel;

Acteurs zijn alle mannen, alle vrouwen;

Zij hebben hun afwisslende „up\'squot; en „a/V\'; En beurtlings speelt een zelfde vele rollen. Bedrijven zijn er zeven. Eerst een wicht,

Schreiend en spijend in malmoertjes armen.

Daarna een frissche schoolknaap met een lang Gezicht en riem vol boeken, als _een slak Ter dagschool kruipend. Dan mijnheer de minnaar, Die als oen ketel stoomt, en voor zijn liefsta Een lied vol jammer zingt. Straks, een soldaat Vol barsche vloeken; als een beer zoo ruig;

Heel fel op de eer; opvliegend; rasch tot twist; De waterbel van roem en grootheid zoekend Tot in den mond van \'t grof geschut. Nu volgt Een raadsheer, dik van buik en onderkin;

Het oog gestreng; \'t snit van den baard formeel;

-ocr page 277-

O MIHI PKAETERITOs!

Vol wijze spreuken, voorbeolden, citaten.

Aldus speelt does zijn rol. De zesde leeftijd

Komt als een maagre Pantalon, op muilen,

Een knijpbril op den neus, te voorschijn, \'t Vroeger pak

Werd wol een huis te wijd voor den scharminkel.

De volle borst-stem, eens zoo manlijk zwaar,

Kreeg nogmaals \'t hooge van een kinderkeel.

En schiet al piepende over. \'t. Laatst tooneel,

\'t Besluit van \'t drukke en voorvalrijke stuk,

Is tweede kindsheid; geen geheugen meer!

Tand-, oog-loos, oor-loos, smaak-loos, alles loos.

O MIHI PRAETERITOS!

„Mocht ik nog eens mijn leven over-levcn,

Hoe anders ware in alles mijn gedrag!

Ik zou mijn hart niet weer aan dwaasheen geven. Waarvan ik, veel te laat, de dwaasheid zag.

,\'k Zou kinderlijk mijn kindertijd genieten,

Geen andren wensch in \'t kinderlijke hart;

Verzekerd dat zijn grievendste verdrieten Slechts weelden zijn bij later levenssmart.

„Mijn jonglingstijd zon \'k niet daar heen doen snellen In velerlei gebeuzel en gedroom;

Mijn rijkdom in geen luchtkasteelen stellen,

Noch rekenen op Jona\'s wonderboom

„Ik zou geen roem, geen ijdlen lof begeeren.

Door valschen smaak aan valsch gevoel verkwist;

Noch leeren \'t laatst wat ik het eerst moest leeren : Eenvoudigheid, en waarheid onvernist.

,\'k Zou niet zoo veel verwachten van de boeken.

Niet zoo veel zien door andrer qogen; neen!

Ter rechter plaats terstond een wijsheid zoeken, Die nu, na lang een omweg, mij verscheen.

„De menschen — \'k zou van hen geen vonnis vellen, Naar d\'indruk, naar de ervaring van een dag;

Met ingebeelde smart mijn ziel niet kwellen,

Noch iemands oor met noodeloos beklag.

„Ik zonquot; — Wat zoudt gij, oude dwaas! bedrogen Door d\'eigen waan van wijsheid, vroeg en laat?

Gij zoudt veel wijzer zijn in eigen oogen.

En mooglijk heel wat dwazer metterdaad.

245

-ocr page 278-

OOTMOED. — DRIE STEMMEN.

OOTMOED.

{Naar Buntan.)

Die laag bij de aard is, ducht geen val, Geen strik van lioovaardii;

Die stil en needrig aantreedt, zal God hebben aan zijn zij.

Ik ben tevreden met mijn deel,

\'t Moog wel of kwalijk gaan;

Tevredenheid, des vraag ik veel,

Want zulken neemt God aan.

Zoo ik den weg ten hemel ga.

Strekt me overvloed tot last;

Hier weinig, en \'t geluk hierna,

Ziedaar hetgeen mij past.

DKIE STEMMEN.

Sound, sound the clarion, All, the flfel To all the sensual world proclaim — One crowded hour of glorio is life Is worth an age without a name.

Walter Sc ott.

eerste stem.

Klinkt op, trompetten! Roffel, trom!

Verkondigt aan een zinlijke aarde: Geen leeftijd, gaat hij roemloos om, Heeft bij een uur van glorie waarde.

tweede stem.

Een uur, geliefde! aan uwe zij,

Daar \'k in uw hemelseh oog mag turen, Gaat als een oogenblik voorbij.

En moest, dit wenschte ik, eeuwig duren.

deude stem.

Een oogenblik met u, o Heer!

Dat, uw gemeenschap geeft te smaken, „Een uur is in uw Huis mij meer ,Dan duizend, daar ik u ontbeer;quot; Gij kunt alleen gelukkig maken;

Gij 7A]t mijn kracht, mijn lust, mijn eer!

eerste stem.

\'t Is schoon voor \'t Vaderland te sneven —

346

-ocr page 279-

BEMOEDIGING. — BEDE. — GEEN PARTIJMAN.

mi\' f

— ft

BEMOEDIGING. (Ü:

Dat elk, die liefheeft en gelooft, \'V*

Voorts zonder zorge zij!

De Heer, zgn Heiland is nabij,

Gods zegen op zijn hoofd Hij grijpt zijn band, hij steunt zijn voet,—

Schep moed, bedrukte ziel! schep moed! yjii

Dat niemand iets voor God verzwijg, wij

Of zich zijn nooden schaam; _ Kï\'ki

Maar bede en zucht naar boven stijg,

In \'s Heilands dierbren naam.

De Vader in den hemel hoort.

Gij kent zijn trouw, en hebt zijn woord.

* Zie Filipp. IV ; 5—7.

UjU

BEDE.

Daal in do harten, Geest des Heeren,

En vorm ons naar des Heilands beeld!

Hem na te volgen is hem eeren, i]™

Hem minnen, doen wat hij beveelt.

Doordring, beziel ons, vuur ons aan,

Opdat wij naar volmaaktheid staan!

N\'

Laat ons niet weillen of vertragen.

Niet omzien naar wat achterligt;

Maar naar die blinkende eerkroon jagen.

Waar Jezus zelf\' ons oog op richt.

Beziel, doordring ons, maak ons sterk;

Dit Eéne zij ons aller werk!

4

I it

Zie Filipp. Til : 12, 13, 14.

GEEN PARTIJMAN. Partijman -wezen, wil ik niet.

Wil aan geheel mijn volk behooren.

DERDE 8TEM.

Verzekerd van zijn eeuwig lot!

TWEEDE STEM.

\'t Is zoet, voor die men mint te leven —

DERDE STEM.

Waar men tezamen leeft voor God.

-ocr page 280-

WAT WIL MEN TOCM ?

Mijn ernstig woord, mijn vroolijk lied, Moet zijn voor aller hart en ooren.

Partijman wezen wil ik niet.

Zij hebben dikwijls mij verzocht; ^Vooruitgeschoven met een buiging,

Zij hadden gaarne mij gekocht Voor 11 ikkerij en eerbetuiging;

Maar hebben \'t nooit zoo ver gebrocht.

Zij zeggen, dat zij \'t zelv\' niet zijn En voor geen schatten wezen willen;

Maar leugens haat ik, grof en fijn, En zie niet wat ze er van verschillen;

Liefst mijd ik \'t wezen en den schijn.

Zij hebben \'t somtijds mij gemaakt. Ondanks mijn dapperst tegenstreven.

Mijn wagen aan hun trein gehaakt. Ook mijn naam in hun vaan geschreven;

Maar weinig vruchts daarvan gesmaakt.

Want spoedig kwam ik met protest, En zal er altijd weer mee komen.

Partijzucht haat ik als de pest;

Zij fopt de wijzen, doekt de vromen,

En haalt den duivel in op \'t lest.

WAT WIL MEN TOCH?

O Fortunatl nlrnlum sua si bona norlntl

Wat wil men toch in Nederland?

Het zwaard bleef in de scheede;

üe welvaart deelt, naar eiken kant.

Haar gaven rijklijk mede, —

l*e tong is vrij, \'t geweten vrij.

De vrije pers dient u en mij.

Bij orde, rust, on vrede.

Wat wil men toch in Nederland,

Met praats en staatsgeschillen ?

De vorst,_ die hier de rijkskroon spant,

Wil juist hetgeen wij willen:

Geen zwaren last, geeii knellend juk.

Maar vrijheid, welvaart, volksgeluk,

En geen — vergulde pillen

248

-ocr page 281-

GKSPUKK TÜSSCI1UN DRIE. — DE BIJBEL,

Wat wil men tocli in Nederland?

Wat geeft men voor te duchten? Wat kwaad humeur, wat onverstand

Wil ons volstrekt doen zuchten?

Daar is slechts iets, dat elk verveelt; Bedilzucht, die met buskruit speelt,

Om haar verstand te luchten.

Dec. 1867.

GESPRliiC TUSSCHEN DRIE.

A.

In uwe school gelooft men op gezag.

IJ.

In de uwe, dat men niets gelooven mag.

C.

In niijue, dat zich .Tezus niet vergist,

Noch Paulns meer beweerd heeft dan hij wist.

DE BIJBEL.

(EKN lekkkdicht.)

Wie heeft ooit den Bijbel mij

Luid genoeg geprezen?

Wie naar waarde zijn waardij

Andren aangewezen?

Bron van zuiver zielsgenot,

Frissohe levensspranken.

Gaaf van God, waarvoor ik God Levenslang zal danken!

\'t Woord des Heeren is volmaakt,

Krachtig tot bekeering, _

Kijk voor wie naar wijsheid haakt.

Vol van les en leering;

Blijdschap storten ui het hart

Gods getuigenissen,

Kracht in zwakheid, troost in smart. Licht, voor die het missen.

Gods gebod is wijs en goed,

Zijn belofte heerlijk.

Zoeter dan het zoetste zoet.

Boven goud begeerlijk.

249

-ocr page 282-

DE BIJBEL.

Heei-! uw Woord behoedt uw knecht Van u af te zwerven;

Die zich houdt aan \'t geen het zegt, Zal zijn loon niet derven.

Waarmee zal de jongeling Rein te voorschijn treden

Uit den bonten tooverkring Der begeerlykheden?

Wat hem sterken in den strijd? Redden uit gevaren?

Gij, voorzeker, gij altüd,

Heiige Bijbelblarenf

Schaart u om mij kindren! Kom, Zet u neer, mijn gade!

Opgeslagen wederom \'t Woord van Gods genade!

Doornen zijn er op ons pad.

Zorgen, die ons knellen; —

Kom! een blik op 1 heilig blad Zal de rust herstellen.

Dat is nimmermeer geschied, Kostlijkst aller boeken!

Dat u ongetroost verliet,

Die uw troost kwam zoeken;

Dat gij hem geen goeden raad Gaai\'t of hadt te geven,

Die u opsloeg, vroeg of laat,

Op den wog door \'t leven.

\'k Heb gehoord dat wijze liên \'t Bijbelboek berispen,

Dwaasheên in zijn wondren zien, En zijn troostgrond gispen;

Maar den hemel dank ik dan, Die van mij begeerde

Dat ik maar een burgerman Zijn zou, geen geleerde.

Zoo \'k mijn Bijbel missen moest, Of mistrouwen konde,

Ach, hoe aaklig, dor, en woest.

Werd dit hart vol zonde!

Donker werd het om mij heen, Donkerder daar binnen!

Kn de Booze, naar ik meen,

Zon er \'t meest bij winnen.

250

-ocr page 283-

HET OUDE LIED.

Neen, mijn voetlamp! neen,mijn staf!

Dat zal nooit geschieden;

Licht mij voor tot aan mijn graf.

Blijf uw steun mij bieden!

Blijf mij spijzen, hemelsoh brood,

En mijn krachten sterken;

Laat mij, in mijn jongsten nood. Al uw invloed merken!

HET OUDE LIED.

(Vry naar het Engelsch.)

O zing mij nog eenmaal het ouda lied,

Van Christus, ihijnen Heere!

Van hemelsche dingen op aarde geschied. Van zijn liefde, zijn lijden, zijn eere.

O zing mij in eenvoud het oude lied.

Zoo als g-ij \'t een kind zoudt doen hooren! Want ook ik wil een kind zijn en anders niet. Ik hulploos, onrein, en verloren.

O zing het mij langzaam, het oude lied!

Het moet mij een laafdrank wezen.

Wiens verkwikking ik droppel voor droppel geniet, En die mij het hart kan genezen.

O zing mij toch dikwijls heê oude lied!

Ik vergeet het, helaas! zoo veel malen. De dauw, daar de morgen zoo vochtig van ziet. Verdampt met de zonnestralen.

O zing mij zoo ernstig het oude lied.

Dat mijn hart zich voelt boeien en binden! Bedenk dat gij vóór u een zondaar ziet,

Wien Jezus wil zoeken en vinden.

O zing nrij toch altijd het oude lied,

Dat alleen uiaar den moed mij kan wekken. Zoo dikwijls, in eenige zorg of verdriet.

Gij mij waarlijk tot troost wil verstrekken!

O zing mij onmiddlijk bet oude lied.

Zoo ras gij een weinig zoudt vreezen,

Dat wat de wereld grootheid hiet Mij op nieuw tot verzoeking kon wezen!

-ocr page 284-

MAANLICHT. — WAAI! NIKT?

Kn als mij eens de adem en \'t leven ontvliedt,

Ter laatster, ontzaglijkster uren:

Zing dan voor het laatst mij het oude lied Van een heil, dat oneindig zal duren!

Dit is, dit is het oude lied;

Daar is verzoening gevonden;

Ifet is volbracht, het is geschied;

Daar is vergeving van zonden.

Dit is, dit is hot oude lied:

Het dierbaarst bloed is vergoten. De macht des afgronds is te niet; De hemel is ontsloten.

Dit is, dit is het oude lied,

Ons geschonken van God hierboven: De vloek der wet deert zondaars niet, Die in den Zoon gelooven.

Dit is, dit is het oude lied:

Een Heiland moest lijden en sneven. Dat wie vertrouwend op hem ziet. Ook dankbaar voor hem zou leven.

Dit is, dit is bet oude lied;

Uw Heiland stond op uit de dooden. In den hemel verheven, vergeet hij u nist, Maar deelt in al uw nooden.

MAANLICHT.

Waarom de Maan zoo gaarn wordt aangeblikt? — Dat vriendlijk licht verblindt niet, maar verkwikt.

Die schijnt en gloort en glinstert, en niet schittirt, Geeft zoets te smaken, dat hij niet verbittert.

En die door schittrinc/ de oogon pinken doet.

Draag zorg van ook te koestren door wat gloed.

WAAR NIET?

„Wat i\'oëzie, en waar beur woon is?quot; Alom; waar \'s Levens adem gaat.

Zij is HET SCHOONE IN AI. WAT SCHOON IS ; In voorwerp, denkbeeld, woord, en daad.

252

-ocr page 285-

258

VRAAG. —

AFDALEN. —

AVON Dit EG EN.

AFDALEN.

Indien gij nut wilt stichten, wijze man! Tracht te begrijpen, die het u niet kanj

VEAAG.

Hoe komt dat we iedereen do Schepping hooren prijzen. En voor den Schepper zelf heelt menig hart geen plaats?

antwoord.

Natuur, dat tijdkleed Gods, ontdekt hem aan den wijzen, quot;Verbergt hem voor den dwaas.

AVONDREGEN.

(Naar Gerok.)

Ei, wat tikt daar aan de ruit? \'t Venster opgeschoven!

Ruischt er englenwiekgeluid Over veld on hoven?

Neen, uit donkre wolken, vliet Afgebeden zegen.

Zie, hoe zacht hij \'t loof begiet!

Wees verwelkomd met een lied. Lieflijke avondregen!

Drukkend hing, den ganschon dag, \'t Zwerk met looden zwaarte;

Zwanger van den donderslag. Dreigde \'t wolkgevaarte.

Menig onzer zag den nacht Met bezorgdheid tegen;

Maar geen onweer dat hij bracht;

Slechts uw laafnis, koel en zacht, Smeltende avondregen!

Zorgzaam wischt uw beider nat \'t Stof van blad en twijgen:

Alles blinkt weer, gaaf en glad; üankbre walmen stijgen.

Hoor! de nachtegaal vangt aan. Zingt langs veld en wegen!

Heerlijk klinkt zijn krachtig slaan

Door uw klettren op de blaan, Ruischende avondregen!

-ocr page 286-

AVONDREGEN.

Ware ook ik, te dezer stond,

Struik, of bloem der weiden, O Hoe dronk ik mij gezond,

Na zoo lang verbeiden!

O Hoe strekte ik ieder blad,

Ieder blaadje u tegen. En verzwolg uw paarlend nat, Drop voor droppel, spat voor spat, Kostlijke avondregen!

Hoe verkwiklijk en hoe friscli

Is nu \'t ademhalen!

Alles voelt uw lafenis,

Milde regenstralen! Wat verkwijnde komt weer bij. Heeft zijn kracht herkregen; Alle geuren maakt gij vrij;

Alle boezems opent gij,

Toovrende avondregen!

Wat, wat komt er even zoet.

Even mild gevloten?

Tranen, in een stroef gemoed

Veel te lang besloten;

Maar ten laatste voelde \'t hart

Zich te diep bewegen,

En een vloed van tranen werd Troost en heulsap voor de smart, Als een avondregen!

Wat is u nog meer gelijk,

Onder \'s Hemels gaven ? \'t Godswoord, dat genadiglijk \'t Dorstig hart komt laven; Dat de dorre zandwoestijn

Als een roos doet bloeien,

Ban\'e rotsen groen doet zijn. En voor elke zielepijn Balsem uit laat vloeien.

Ritsel voort dan, doe nog steeds

Grooter weldaan leken,

gehoon ook enkle sterren reeds j»Door het wolkfloers breken; En wanneer wij, wel te moe,

Zijn ter rust gezegen,

Tokkel van de vensterroe Ons een wiegedeunt.je toe, Vriendlijke avondregen!

-ocr page 287-

echte zang. — opwekking.

ECHTE ZANG.

Niets zoo lieflijk, niets zoo schoon Als een dichterlijke toon,

Aan het hart ontvloeiend.

Door dien oorsprong, waar hij klinkt En in andrer harten dringt.

Alle harten boeiend.

Onvergeetlijk is het lied,

Dat uit echte hron-aar vliet:

\'t Leeft in duizend monden.

Ook een klankrijk woordenspel Trekt, vervoert, betoovert wel,

Maar voor weinig stonden.

Nieuwe vormen, maat met maat Wisalend, rijm in overdaad.

Beelden bij getalen Geven niet wat ik verlang;

Maken geen gezang tot zang.

Maar tot ijdel pralen.

Daar is „ik en weet niet wat,quot; Dat als levens-spranken spat,

Levenwekkend, sterkend; Dat ontvonkt, verkwikt, vei\'heft. En bevredigt, waar het treft; On-weerstaanbaar werkend.

Dat is wat ik wensch en wacht. Schoonheid vraag ik, en geen pracht.

Waarheid, en geen kunsten;

Ziels-, niet enkel zin-genot.

Die met dit verlangen spot,

Weiger ik mijn gunsten.

U de krans, die u behoort,

Zanger van de rechte soort.

Onder duizend krukken!

Dien mijn woord en wenk bedoelt. Dien mijn innigst hart gevoelt.

Maar niet uit kan drukken.

OPWEKKING.

Houd vast, houd vast, met oog en hart

De poëzie van \'t leven!

Ze is overal; ze is altijd daar; —

-ocr page 288-

OP TUL». — ONHKKOtnVEMJK.

\'t Gemoed zij rein, het oog\' 7,ij klaar, Zoo ziet, geniet, verbiedt gij haar U ongemerkt te ontzweven.

Van hier, van hier \'t vroeg stokoud ras

Met doffe en vaakrige oogen.

Voor God, Natuur, en Leven koel. Aan geestdrift vreemd en zielsgevoel. Tot dom\'len in een luien-stoel Geboren en getogen!

Miskennen eerst, misvormen dan;

Ontleden, en verwerpen;

Hooghartig twiiflon, laffe spot:

Zie daar hun wijsheid, eer, en lot! En voorts wat dierlijk zingenot,

Daar zij hun geest op scherpen.

Neen! kloppe in ons nog als voorheen.

Schoon onze jaren vlieden,

Een hart vol leven, lust en vreugd In al wat schoonheid is en deugd; In de oude borst een jonger jeugd Dan bij die jeugdige oude lieden.

OP TUD.

Onmiddlijk nut sticht niemand. Meestal gaat Het langs een weg, die zich niet nagaan laat.

\'t Zaad kiemt in \'t donker, wordt gevoed, gesterkt, En breidt zijn wortels uit, eer \'t iemand merkt.

t Kind leeft, en wordt van \'s levens stroom doorspoeld, Vter maanden — eer de moeder leven voelt!

\'t Duurt negen — eer het wonder mag geschien. Dat derden \'t nieuwe schepsel mogen zien.

En vele — voor \'t zichzelven onderscheidt.

En u een glimlach biedt van dankbaarheid.

ONBEROUWELIJK.

Geen goed besluit berouwt, al kost het pijn; \'t Goede is uit God, gezegend zal het zijn.

-ocr page 289-

- GEZONDHEID KN GENOESEN STRALEN.

EEN LIED.

Laat hooren, laat hooren,

Wat u op \'t havte ligt!

Sluit haat en vrees de lippen dicht,

De liefde kan niets smoren,

Maar spreekt naar lust en plicht.

Laat praten, laat praten. Wat zwegen kan noch -will Een dwaze tong staat nimmer stil. Geen wederwoord kan baten, Of stuit een zot geschil.

Laat komen, laat komen. Wat komen zal en moet!

Gods liefde maakt het altijd goed Met zijne oprechte vromen; \'t Is wijsheid wat Hij doet.

GEZONDHEID EN GENOEGEN STRALEN.

Gezondheid en genoegen stralen Van uw gelukkig aangezicht;

Geen volle roos kan schooner pralen, Waar op de dauw des hemels ligt; Uw glinstrend oog, uw lieve lach Herschept den nacht in klaren dag.

üw kindren bloeien om u henen.

Als knoppen uit eeu zelfden steel. Die aan zijn sappen kracht ontleenen, En schoonheid erven, elk zijn deel. Groeit, lieve knoppen, zwelt, ontsluit, En drukt het beeld der moeder uit!

En hij, wiens vreugd gij komt volmaken, Wiens aardsch geluk aan \'t uwe hangt. Die aan uw zijde een lot mag smaken.

Waarvoor hij God gestadig dankt. Uw bloei, uw kracht, uw levensgloed Verjongt zijn hart, vernieuwt zijn bloed.

AAN EENE WEDUWE.

De vertroostingen Gods zijn nooit te klein; Hoe groot het leed moog wezen.

- AAN EENE WEDUWE.

-ocr page 290-

ALLES EN NIETS. — DRIE GEDICHTEN NAAK THOMAS HOOI).

De God, die ze schenkt,

en ons lijden gedenkt,

Zij eeuwig gedankt en geprezen!

Houd dan moed onder \'t kruis! Hoe zwaar het drukk, Het zal u nooit verpletten.

itijze \'t leed voor uw oog-

als gebergten omhoog:

Het geloof kan ook bergen verzetten.

ALLES EN NIETS.

Professor is geleerd, maar droog;

Hij heeft geen gaaf van mee te deelen. Zeer goede pijlen heeft hij velen; Een vollen koker; maar geen boog.

DRIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.

Thomas Hood. geb. 1798, overl. 1845, viel als dichter meest in \'t komische, en is als humoristisch prozaschrijver ook ten onzent door zijn f\'p the Rhinr bekend. Intusschen hoeft hy in enkele stukkeu getoond welke groote gaven hij had, ook voor de uitdrukking van oen ernstig en diep gevoel, eu de drie hier navolgende zijn daarvan treilende voorbeelden. Zijn „Lied van het Hemd,quot; waardoor hij de diepe ellende der arme Londensche naaisters op het hart zijner landgenooten poogde te drukken verwierf hem de grootste populariteit en, zoo ik hoop, voor deze ongelukkige lobsters eenige verbetering in haar lot. Zeker is het, dat het niet zonder grooten invloed is geweest op de afschaffing der z. g. Koren wetten. Het kwam allereerst door het weekblad Punch ter kennis van het algemeen.

HET LIED VAN HET HEMD.

Met vingertoppen, ruw en wreed,

Met oogen, dik en rood,

Zat daar een vrouw, in \'t voddenkleed. Te naaien voor haar brood.

Piok, piek, piek!

Van honger en kommer lulll\'/-iok, Van leed verteerd, door zorg beklemd, Zong zij het „Lied van \'t Hemd.

„Piek, piek, piek!

Van \'t eerste gekraai van den haan.

Piek, piek, piek!

Tot de zon is ondergegaan.

-ocr page 291-

quot;I

DRIE GEDICUTEN .NAAli THOMAS HOOU. \'259

Een heiden en een turk is er beter aan toe,

Die niet weet waarvoor hij leeft,

Dan een christenmensch, bij het werk dat ik doe,

Die een ziel te verliezen heeft.

ï

Piek, piek, piek!

\'t Wordt mij geel en groen voor \'t gezicht.

Piek, piek, piek!

Mijn oogen vallen dicht.

Zoom en oksel en strook;

Strook en oksel en zoom;

5

\'■1

Totdat ik in slaap val over een knoop,

En hem aanzet in den droom. sils

T

Gij jonkman, die naar uw liefje vrijt!

Gij man, met uw wijfje in uw schik!

Het is geen linnen, wat gij verslijt, _ f i

Maar arme schepsels als ik. Ilf i

Een naad, en weer een naad; Uk

Een naad, en weer een naad;

Voor wien is wel deze bestemd?

Geloof\' mij, ik naai, met een dubbelen draad,

Mijn lijkkleed, en uw hemd. fSt

9|SI

Wat geef ik om den dood,

Hoe aaklig en naar hij ook zij ï Voor dat magere spook is mijn vrees niet groot;

Het heeft te veel van mij; w

Het heeft te veel van mij;

Van mij, die door vasten mijn krachten sloop —

Och dat ook het brood zoo duur moet zijn,

En vleosch en bloed zoo goedkoop\'.

fk piek maar al wat ik kan!

Mijn werk is nooit ten end.

Mijn loon? Een korst brood, een bos stroo, en dan Dit mooie eqnipemènt!

Een tochtig dak, een naakte vloer.

Een stoel en tafel, dat\'s al!

Zoo kaal een muur, dat ik snak naar het uur,

Waarin er mijn schaduw op vall\'!

Piek, piek, piek!

Van uur tot uur, dat daar slaat

Piek, piek, piek!

Als in \'t werkhuis de boef voor zijn kwaad.

Zoom, en oksel, en strook;

Strook en oksel en zoom;

Tot ik wee word om \'t hart en versufd in mijn hoofd,

En ik zelf niet weet hoe \'k er koom. \' •( 1

-ocr page 292-

IXlllE OEÜICHTEN NA AU THOMAS HOOD.

Piek, piek, piek!

In den donkeren tijd om nieuwjaar.

Piek, piek, piek!

Als de hemel zoo blauw wordt en klaar. Als, tusscben de pannen, de zwaluw in-en uitvliegt keer op keer,

En mij vraagt of ik baar niet gelukkig vin-da, en mij tergt met het mooie weer.

Och of ik de groene wei Nog eens zien mocht, gelijk in mijn jeugd.

En ruiken de dorens, de dorens van Mei,

Waar de geur mij haast niet meer van heugt! Wel dwaas dat ik er naar taal!

Wel dwaas dat ik er naar taal!

Als wist ik niet wat gebrek lijden biet,

En een loopje gekocht voor een maal!

Maar toch, één uurtje van rust —

Zoo dat mij te beurte viel!

Isiet om te denken aan hoop of lust.

Maar aan mijn arme ziel;

Maar aan mijn grootste smart!

Ach! een weinig té schreien waar goed voor mijn hart!

Gelukkig zoo ik \'t mocht!

Maar aan naald en draad doet het niet dan kwaad; — Blijf weg dan, schaadlijk vocht!quot;

Met vingertoppen, ruw en wreed.

Met oogen, dik en rood.

Zat daar een vrouw, in \'t voddenkleed. Te naaien voor haar brood.

Piek, piek, piek!

Door honger en kommer halfziek.

Van leed verteerd, door zorg beklemd.

Maar op een toon zoo hoog,

(Och dat het de rijken bereiken moog!)

Zong zij dit „Lied van \'t Hemd.quot;

11.

UKT STERFBED.

Met zorg hield een bedroefde kring Den adem in, om acht te geven Hoe in haar borst de stroom van \'t leven Nog flauwtjes op en nedsr ging.

Elk onzer fluisterde zoo zacht.

En stond zoo machtloos op zijn beenen.

-ocr page 293-

DUIK UKDICHTEN NA Alt THOMAS HOOD.

Als hadden we elk zijn eigen kracbt Haar tót den doodstrijd moeten leenen.

Door vrees en hoop werd evenzeer

Ons hart misleid, bij \'t pijnlijkst wachten. Zij sliep. Wi1 zeiden: ,Ze is niet meer.quot; Zij stierf, toen sliep zij, naar wij dachten.

Want, toen de morgen koud en nat

Te voorschijn kwam met regenvlagen, Hield zij haar oogjes toe. Zij had Een schooner dag zien dagen.

HL

DE DRENKELINGE.

Weer zoo\'n beklaaglijke, Die bjj een korten dood \'t Haar onverdraaglijke Leven ontvlood!

Vat haar voorzichtig aan; Handel haar zacht!

Wees roet haar jeugd begaan; Eer haar geslacht.

Zie toch dit bleek gelaat\'. Zie hoe dit nat gewaad Kleeft om die fijne leest; Wat moet ze, in blijder staat, Schoon zijn geweest!

Hoor naar een zacht gevoel, En draag haar daadlijk Weg uit dit druk gewoel, — Liefdrijk, niet smaadlijk. Zie haar niet toornig aan; Blijf niet koelbloedig.

Wijd haar een stillen traan, Menschlijk, zachtmoedig. Damp;nk aan haar zonde niet. Haar misdaad, zoo rauw! Al wat gjj in haar ziet Zjj thans — de vrouw.

Vorsch niet nauwkeurig uit. Wat toch maar treurig luidt; Wien zou het baten? \'t Leelijke — zwijg er van. Niets heeft de dood haar dan \'t Schoone gelaten.

-ocr page 294-

DRIE GEDICHTEN NAAI! THOMAS 1IOOD.

Wat zij geweest zijn moog? Och, laat het glippen!

Wisch deze wangen droog, \'t Slijk van die lippen.

Strijk haar dit haar van \'t oog, (Weelderig haar!

\'t Schoonste dat ge immer zaagt!) Daar elk nieuwsgierig vraagt, Wie? en: Van waar?

Wat was haa-r vader?

Wie was haar moeder?

Had zij geen zuster?

Zuster ot\' broeder?

Was, door een anderen hand. Niet nog een teerder hand Haar ten behoeder?

O het is waard beschreid, Dat ge, in zoo trotsch een tijd, Echter zoo zeldzaam zijt, Mensohlievendheid!

In deze groote stad.

Op haar paleizen prat,

Wonder der aard!

Vond zij (verantwoord dat!) Geen huis of haard.

Ach. hier verloochende \'t Allesvermogende Zusterlijk, broederlijk.

Vaderlijk, moederlijk Hart zich geheel.

Smaad was haar deel.

Liefde nam wat zij gaf;

Keerde zich toornig af. Vromigheid schudde \'t hoofd Bij haar rampzalig lot;

Zelfs van den troost van God Bleef zij beroofd.

Waar der lantaarnen gloed Trilde op den breeden vloed, En licht bij licht (Blijden een blij gezicht) Flikkerde laag en hoog,

Stond zij met somber oog, Staarde zij stijf en strak, En — had geen dak!

-ocr page 295-

K GEDICHTEN NAAK THOMAS HOOD.

Rillend; van vrees niet, neen! Killend van koude alleen,

Rillend van top tot teen, In dezen guren,

Barren Novembernacht,

Hield ze op de brug de wacht, Stond zij te turen Over de leuning heen,

Waar, voor haar oogen,

In donk re bogen De stroom verdween. __

Dol van des levens pijn, Brandende om niet te zijn, Verbijstring ten buit;

Inwendig gedreven.... Waarheen? Om het even! Ergens heen, ergens heen, Dit leven uit!

Kén sprong. — Ze is verdwenen.

De kille rivier

Rolt over haar henen.

Lichtmissen! nadert hier;

Ziet wat gij doet!

Ziet wat hier nederplompt. Zinkt en weer bovenkomt, Wegzinkt voor goed.

Hebt gij dan nog den moed. Drinkt weor uit, baadt weer in, Pleegt weer verboden min. Speelt in dien vloed.

Vat haar voorzichtig aan; Handel haar zacht;

Wees met haar jeugd begaan; Eer haar geslacht.

Schik nu die leden.

Ijskoude leden,

(Ear zij verstijven)

Zoo als betaamlijk is,

Zoo als het deerenis.

Zoo als het liefde doet.... Wel! Laat ze blijven!

Zoo ligt zij goed.

Druk nu die oogen dicht. Starende zonder licht.

-ocr page 296-

kind kul ach.

Vreeselijk starende,

Ieder vervarende,

Als met dien laatsten blik, Die, met vertwijfeling.

Dood en vernietiging, Oordeelsdag, helschen schrik ^Voost onder de oogen zag, Zag en niet zag!

Koelbloedig bedorven. Wreedaardig veracht.

Ellendig gestorven —

AVie zegt wat n wacht\'?

Als of zij bade Tot God om genade,

Als of zij nog hopen dorst, Leg op haar doode borst Ootmoedig te zamen Die handjes zoo zacht en teer. Is hier groot kwaad geschied, Ons voegt het oordeel niet; Aan U verblijft het. Heer! Amen, Ja, amen.

KIND E R L A 0 H.

aan een daewinist.

AVat apenmoeder heeft voorheen Haar .jong zoo vriendlijk aangekeken. Dat de apensnoet is weggeweken. En \'t lachje van een kind verscheen?

Het kinderlachje, zoo welsprekend,

Arol leven, liefde, ziel en geest.

Dat, feitlijk, tusschen mensch en beest De onmeetlijkheid van d\'afstand tec-kent?

Laat, uit een stam nog onbekend, Sim Spitsneus naast Sim Platneus spruiten. Met menschelijke kin en kuiten.

En zonder staart aan \'t achterend;

Laat Gibbons, Orangs, en Gorillen, En Chimpanzé\'s de wellust zijn Van die volstrekt in rechte lijn Uit grijnzende apen dalen willen:

Ee\'n blik op \'t wichtjen aan de borst A\'an die zij weerhelft heeten raogan,

-ocr page 297-

VAN BACON. — ZIJT GIJ RIJK, DAT HET «LIJK, ENZ. 26i

Als zij, na \'t laven van zijn dorst.

Het\' aanziet niet haar zielvolle oogen En toelacht, en dien moederlach Betaald ziet met het zacht ontplooien

Dier lip;es versch gelaafd, vermag Dat luchtkasteel omver te gooien!

Verloren zoon! \'t is vruchteloos Verlangd eens anders zoon te wezen:

Uw werklijke afkomst staat altoos In \'t lachje van nw kind te iezen.

\'Aöa(.i Tov Utiu\'. Luk. III. 38.

EEN quot;WOORD VAN BACON.

Reading makes a full man, conference a ready man, and writing an exact man.

Lorn) Bacon,

Het lezen voedt een schoon verstand.

Waaraan niet licht iets goeds ontglipt; Het spreken maakt het bij-de-hand;

Het schrijven net en stipt.

ZIJT GIJ RIJK, DAT HET BLIJK!

Zoo gij gelukkig zijl, mijn vriend!

Hoe zoudt ge in dat geluk niet roemen ? Heeft God het niet aan u verdiend. De dingen bij hun naam te noemen?

AANquot; DIGNUS.

Zoo velen zwelgen in het Overbodige,

Of lossen zich in \'t Onbeduidende op; Gij, met uw edel hart en klaren kop.

Leef voor en door het Ware en EéneNoodige!

MAAKT PLAATS.

Naar Adelaide Anna Procter.

Gouden starrevonken

Aan des hemels blauw.

Toeft, o toeft een weinig.

Dooft niet al te gauw!.... Neen! Het starrelicht verdwijn! Dat de dag verschijn\'!

-ocr page 298-

een slechts.

Smettelooze vlokken,

Sneeuwkleed over de aard, Reine lust der oogen,

Blijft nog lang gespaard!----

Neen! Versmelte uw zilvergloor! Laat de lente door!

Bloesems, lieve bloesems,

Maakt niet zoo veel spoed! \'t Zonnetje is nog koestrend,

\'t Regentje is nog zoet----

Neen! Valt af\', naar de oude wet Dat de ykücht zich zett\'!

Vreugd, zoo trouw en teeder,

Aan mijn liart zoo dier. Wat ontplooit ge uw vleuglen?

Engel! blijf nog bier----

Neen! Een heilgee staat gereed. Die uw plaats bekleed\'!

ÉÉN SLECHTS.

Jar one chord, tlie harp ia silent;

Move one stone, the arch Is scattered; One small clarion-cry of sorrow

bids an armed host awake;

One dark cloud can hide the sunlight:

loose one string, the pearls are scattered; Think one thought, a soul may perish; say one word, a heart can break.

Adelaide Anna Pkocteiï.

Doorkerf één draad: uw parelsnoer Strooit al zijn rijkdom langs den vloer;

Ontstem één snaar; uw harp moet zwijgen; Verwrik één steen: de boog .verzet;

Één stootjen in de alarmtrompet — En duizend\'zwarte zorgen stijgen!

Één donkre wolk verbergt de zon; Één dwaasheid opent u een bron Van leed, dat zich geen hart verbeeldde; Één vonk ontsteekt wat niemand bluscht; Éen wensch verstoort de gansche rust.

Kén, ééne erin\'ring elke weelde:

Één smet bederft geheel een kleed; Één wroeging werkt wat niemand weet; Één oogenblik baart eeuwge smarte;

-ocr page 299-

GEKN HOMEKUS. — VERLIES VAN VRIENDEN.

Één spaak, gebroken, breekt liet wiel; Één enkel denkbeeld doodt een ziel; Één enkel woord verscheurt een harte.

GEEN HOMERUS.

Een Ilias, en geen Homerus! Hooggeleerde, Het zij zoo! Beter dan het omgekeerde.

VERLIES VAN VRIENDEN.

Naar Montgomery.)

Ontvalt u vrind op vrind —

Wie heeft nooit vrind betreurd?

Geen band, die harten hier verbindt.

Of hij wordt eens verscheurd.

Als alles uit was met deze aard,

lloe weinig was dit leven waard!

Daar is een beter oord.

Daar is een milder lucht,

Waar \'t leven, door geen leed gestoord.

Iets meer is dan een zucht.

En wat een menschlijk hart doet slaan Niet flikkert, om weer uit te gaan.

Daar valt geen scheiding voor;

Daar wordt geen traan geschreid; Daar heeft men lief, alle eeuwen door,

In rust en heiligheid.

\'t Geloof ziet derwaarts uit, bij \'t graf. En wischt de heetste tranen af.

Zoo dooven ster bij ster.

En wijken uit uw oog,

Als de ochtendzon steeds helderder

Verschijnt aan \'s hemels boog. Zij gaan niet onder aan den trans. Maar domplen zich in schooner glans,

-ocr page 300-

268 zijn or schijn. — AAN een h. e. h. Cl. — handen TM UI 8, ENZ.

ZIJN OF SCHIJN.

l*eu d\'hommes ont esté admlrez par lears ciomestiques.

Mcvtaigne.

Ij n\'y amp; pas de héros pour son valet de cbambre.

Mad. Cornuel. — Mad. de Sévigné.

Indien geen (/root man voor zijn kamerdienaar groot is. \'t Scheelt aan don knecht, die blind of\' van gevoel ontbloot is.

Maar dat een klein man \'t minst bedriegen zal zijn minderen, Dat geef ik gaarne toe, en voeg er bij: zijn kindereu.

AAN EEN H. E. H. G.

Hofmeester, hoog in eer.

Als een getabberd heer Aan \'t hooger end gezeten! Al voort gij aan den disch \'t gebied, Van waar de wijn is weet gij niet, Ofschoon de dienaars \'t weten.

HANDEN THUIS.

Gij de eerste mannen van het land

\'Bedillen? Hals, laat naar u kijken! Men snijdt het glas met diamant. Den diamant met zijns gelijken.

POËTISCH PROZA.

„Poëtisch prozaquot; — Ja, wij kennen dat, mijnheer! Borduren wil het zijn; maar \'t komt op broddhm neer.

AAN ....

GEEN LID DEH STATBN-ÖENEKAAL.

De woorden dienen om gedachten te uiten;

Of\' te verbergen, naai men \'t vat:

Gij, beste maat! die nooit gedachten hactt,

Kuut op den duur uw lippen sluiten.

-ocr page 301-

NAAR RÜCKEUT.

7t?.sov Ttarróg.

„Een half ei beter dan een lesge do])?\'\' Gewis! En cok veel beter dan een heel Dat u bezwaart. (Genoeg is meer dan veel.) Een kind alleen, uit sclirokzucbt, eet het op.

NAAR RÜCKEET.

1.

De schoonheid der schepping staat duidlijk on di Voor ieder natuurlijk menschengezicht;

Gy behoeft, om haar te begrijpen, Vei\'grootglas noch brillen te slijpen.

2.

Mal wicht! Gij baart u eigen pijn!

Jets kunt gij we/.en, maar alles onmooglijk. Waarom verbaast hot u dan toch zoo hooglijk, Te zien dat andren ook iets zyn.

3.

Wilt ge dat we u metterdaad

In den huismuur bouwen\'?

Steenklomp! acht hot niet zoo kwaad Dat we u wat behouwen.

4.

Zult gu de wereld gadeslaan.

Doorzien hetgeen zij stelt te prijken, Geet dan de schrale vreugd er aan Altijd u zelf te laten kijken.

Hij poëzij is tuovnarij in \'t spel;

Of echter de poëten Hetooverden of toovnaars moeten heeten Dat weet ik niet te wel.

6.

Van wat ik zag, van wat ik hoorde Voelde ik maar zelden kracht en zin. Zoolang de indruk de bezinning stoorde. Eerst bij \'t herdenken zag ik alles in.

-ocr page 302-

NAAK KÜCKERT.

Gij hadt geen genoegen, en ik had gaen pret; Wij trouwden elkander, nu hebben wij het; Hoe is dat geluk dan verkregen,

Indien niet van boven, als zegen?

8.

Een dubblen trek heeft al wat leeft:

Trek naar beneden, trek naar boven; Die best gehoor aan beiden geeft

Is allermeest te loven.

Geen hoogmoed vare u in den krop!

Laat ook den moed niet zinken!

Naar \'t licht des hemels strove uw top, En laat de wortel drinken.

-ocr page 303-

ONS VISSCHERSVOLKJE.

— graclli modulatus avena Virgilius.

-—--vS G//--

I.

JAPIKS WIEG OP \'T STHAND GEBOEND.

Gens innata salo. Sal gentl innatum.

Is \'t wonder, dat een visschersknaap

Der zee, zi}n hart moet geven?

Ze omringt hem reeds in d\' eersten slaap En mengt zich met zijn leven.

Zijn allereerste legerstee,

Het wiegje van den jongen,

Het was reeds van de zoute zee,

De zoute zee doordrongen.

II.

TRI.JXTJJiS DOLCE FAU N1KXTE.

\'t Zit in de Golf van Napels niet.

Van Napels of Tarente;

Ook \'t Zandvoortsch kind heeft, als gij ziet,

Zijn DOLCE FAR NIENTE.

„\'t Is lui, \'t is heet, \'t is brandend weer;

„Hoe kan die meeuw nog vliegen\'?

„\'li Lag liever plat op \'t water neer,

„En liet mij zachtjes wiegen.quot;

Zoo spreekt zij, en ligt plat op \'t zand.

En laai het zonlicht spelen;

Of \'t bruine vel wat meer verbrandt Kan haar geen oortje scheelen.

111.

HET BKEiaTEKTJE.

Mooi Kniertje staat van dag tot dag

Eu breit voor haar deur een kwartiertje; „Voor wien dat paar kousen wel wezen mag, „Mijn allerliefste Kniertje?

-ocr page 304-

ONS VISSCIIERSVOLKJH.

„Voor wien dat paar kousen wel raag zijn,

„Voor moertjen of voor vaartje?quot;

Zucht dag op dag die bleeke Krijn,

„Of zijn ze voor Grietjen of Saartje?quot;

„„Wel Krijnbuur! wist je dat zoo graag?

„„U wil ik het niet verzwijgen.

„„Je bent niet voor niet zoo jentig van daag, „„Om alles uit me te krijgen.

„„Beloof maar dat je \'t niemand zegt,quot;quot;

Spreekt Kniertje, hoe langer hoe zachter; „„De wereld is tegenwoordig zoo slecht;

„„Ze zocht er zeker wat achter.

„„Die kousen zijn voor me moertje niet,

„„Ze passen niet voor me vaartje; _

„„Ze zijn ook niet voor zuster Margriet,

„„Nog minder voor \'t kleine Saartje.

„„Ze zijn voor geen oompje, ze zijn voor geen meui,

„„Hoe hoeg of laag ze sprongen;

„„Ze zijn niet voor een oude kneu,

„„En niet voor een lallen jongen.

„„Ze zijn — ze zijn — ze zijn — ze zijn —

„„Je zult het maar raden moeten!

„„Oio kousjes zoo witjes, zoo netjes, zoo fijn,

„„Ze zijn — voor twee bloote voeten.quot;quot;

* Voor zang en piano op muziek gesteld door W. Hutschenruyter, (De Salon, N0. 11. Rotterdam.)

IV.

IIAKMKNS UITREIS.

Nog wuift ie met zen mutsje. Jan!

N,og wuift ie met zen mutsje.

En kijkt zoo lang ie kijken kan

Naar niemand als je zusje.

Dag Harmen! Jongen, hou je goed!

Ik zal het ook doen, Hannen!

Ik zal niet, als een weeke bloed.

Gaan krijten en gaan kermen.

\'t Is zomerdag; de nachten kort;

De buien van \'s gelijken;

Maar stïakjes, als het najaar wordt,

Dan komt wat anders kijken.

272

-ocr page 305-

ONS VISSCUISIISVOLKJE.

Dag Harmeu! Jongen, hou je goed.\'

Ik zal het ook probeeren.

God is almachtig, God is goed, Hij zorgt bij allo weêren.

Met Paschen spreek je Vader aan.

En waagt een woord van trouwen: Het zal misschien zoo grif niet gaan,

Maar wel met vol te honen. Dag Harmeu! Jongen, hou je goed!

Ik zal je helpen Vaartje!

Eer Mei in \'t land is (schep maar moed Zijn wij een vrooljjk paartje.

Nog wuift ie met zen mutsje. Jan!

Nog wuift ie met zen mutsje. En kijkt, zoo lang ie kijken kan.

Naar niemand als je zusje....

En op dat zeiltje turen wij,

En dag en uur vergeet ik — Kom jongen! geef me een zoen, want j Houdt ook van hem, dat weet ik.

V.

JANTJES EERSTE ESIS.

Klein Jantje steekt van wal; Hij doet zijn eerste reisje;

Vrees niet, malmoêrtje! dat hij vall\'; Een jongen is geen meisje. En Jantje kan het al.

Kom dan, kom dan,

Kom als een man,

Kleine Jan

Klein Jantje wendt den boeg Naar vaders open armen; Die haven is sekuur genoeg,

En wil hem graag beschermen; Kind! Kies haar laat en vroeg! Kom dan, kom dan.

Kom, als een mau,

Kleine Jan

Straks steekt hij weer in zee. En nog wel twintig keeren. Van de eene ree naar de andre ree, Met zeilen en laveeren!

-ocr page 306-

ONS VISSCUEliSVOJ.KJE.

Der oudren hai\'t vaart mee. Kom dan, liom dan,

Kom als een man.

Kleine Jan!

Bezwijkt in \'t eind de moed,

Kn wordt de kracht wat kranker. Dan strijkt hij \'t zeil en gaat voor goed Op moeders schoot voor anker; Daar is de rust zoo zoet.

Kom dan, kom dan,

Kom, als een man,

Kleine Jan!

VI.

HET BESLISSEND OOGESBLIK.

Dat zal ik van mijn leven niet,

Mijn leven niet vergeten,

Hoe aardig jji dien morgen, Griet!

In \'t venster waart gezeten.

Ik weet niet of je \'t ook nog weet.

En oi\' je er iets van merkte,

Maar Julfert Joosten kreeg het beet, En voelde dat het werkte.

Je praatte, ja! van wie weet wat?

Ik heb niet veel geluisterd;

Maar op het bankje daar ik zat,

Zat ik voor goed gekluisterd. Er was iets in je — maar misschien

Dat ik het mij verbeeldde — Dat nooit te voren was gezien,

En mij geweldig streelde.

Je bekje kende ik door en door,

Van onze vroegste jaren,

Maar voelde er niets bijzonders voor,

Dat kan ik rond verklaren.

Je was niet mooier dan je plajf,

Niet heuscher dan voordezen----

Ik kan niet zeggen wat ik zag.

Maar — \'t heeft zoo moeten wezen.

Jij snapte voort; maar ik begon

In stilte te overleggen.

Ik dacht meer dan ik zeggen kon En dan ik iiuhfdk zeggen.

-ocr page 307-

ONS VISSCHERSVOI.KJE

Maar eensklaps was je pvaatjen uit,

En mijn besluit genomen.... Je wou niet, zou niet, stelde me uit — Maar — \'t is er toe gekomen.

Dat zal ik van mijn leven niet,

Mijn leven niet vergeten, Hoe aardig jij dien morgen, Griet\'

In \'t venster waart gezeten, \'t Is zeker van den Heer geweest.

Want \'t bracht ons niets dan zegen : En, als het opkomt in mijn geest. Dan dank ik Hem terdegen.

VII.

JOOST ATLAS.

Atlas draagt het hemeldak,

Joost zijn bundel netten.

Elk zijn zorgen, elk een pak,

Dat hem zou verpletten.

Schikte niet de goede God Ieders leden naar zijn lot,

Schouders naar de vrachten, En naar \'t kruis de krachten.

Knikt het hoofd dan, trilt de hand.

Onder \'t moeizaam dragen. Heuvel-op door \'t barste zand,

In de heetste dagen:

Maakt u kracht en tijd te nut;

Klaag niet, zit niet, als Piet Lut, Neder bij de pakken, —

Zuchten is verzwakken.

VIII.

MOEDEES MIDDAGSLAAPJE. De moeder van \'t gezin Slaapt by haar vuurtjen in; Wat stervling kan het wraken? Zij heeft zoo menig nacht Aan rust noch slaap gedacht: Zij heeft zoo menig nacht met waken En zorgen doorgebracht;

Met wiegen van haar kind; Met luistren naar den wind.

-ocr page 308-

ONS yiSSCHERSVOI.KJK.

Din huis en hart deed beven;

Met bidden voor haar Geurt En Steven beurt om beurt;

Met bidden voor haar Geurt en Steven____

Haar tooh van \'t hart gescheurd!

\'t Is doodstil om haar heen;

Zij bleef geheel alleen;

Een zeldzaam rustig uurtje!

üe maaltijd is gedaan;

\'t Klein grut naar school gegaan; De maaltijd is gedaan, en \'t vuurtje Glimt nog eens even aan.

Zij zit en slaapt zoo diep,

Als zij maar zelden sliep,

Bij \'t wiegje moegezongen;

En nogmaals droomt zij van Haar overleden man,

En nogmaals droomt zij van den jongen, Die nimmer keeren kan.

Neen! Neen! Hij keert uit zee,

Hij komt met vader meê!

Daar zijn zij, bei te gader.

„\'t Was nat en koud aan boord,quot;

Zegt Steven, dat zij \'t hoort;

,\'t Was nat en ko-ud aan boord,quot; zegt Vader.... Och arme ziel! droom voort.

IX.

LANGS MOEDEBS ÖKAr.

{Verhaul vuu Krelis.)

„\'t Was de eerste thuiskomst na haar sterven;

Wij haalden hem van boord.

Hij pakte en kuste ons honderd werven,

Maar sprak geen enkel woord.

Een tijd lang stond hij in gedachten

En zag ons zwijgend aan;

Op eenmaal kreeg hij moed en krachten, En zeide „„Laat ons gaan!quot;quot;

Het kleine Stijntje werd gedragen,

Ik bij de hand gevat;

Op eens de Kerkstraat ingeslagen,

In plaats van \'t Achterpad,

276

-ocr page 309-

OSS VISSCHEllSVOLKJE.

Verwondring heb ik niet doen blijken;

Benepen zweeg ik stil,

En had het hart niet op te kijken,

Al had ik ook den wil.

Maar toen wij langs hot kerkhof togen.

Zijn hand de mijne neep,

Zag ik hem aan met vochtige oogen,

Ten blijk dat ik \'t begreep. „„Had ik dien blik maar niet geslagen!quot;quot;

Herhaal ik duizend keer,

\'t Gelaat, da^t toen mijn oogen zagen. Vergeet ik nimmermeer.quot;

X.

NETTEN BOETEN.

Die niet langer varen mag.

Kan nog netten boeten,

Maar een werklooze\' ouden dag

Wat zal dien verzoeten?

Komt hot eenmaal daarop neer-. Dan ontferme zich de Heer! Die moet zitten hangen. Mag naar bed verlangen.

XI.

WAAR BLIJFT HIJ?

Den ganschen nacht Gewaakt, gewacht. En niet geweken;

Uit al haar macht In zee gekeken -... Eén cling gedacht!

Één ding gedacht. Den ganschen nacht. En vastgehouen:

„Het is Sint-Jan; „Wij moeten trouwen; Waar blijft hij dan?quot;

-ocr page 310-

ons visdchersvoi.k jk.

XII.

HET ANKER UITGEBRACHT.

,Gij brengt uw anker uit, rechtschapen varensgasten! „Gelukkig die een anker heeft!

,Een anker, dat hem niet begeeft,

.Al steken stormen op, al kraken steng en masten!

„Wat zal uw anker zijn, op d\'oceaan van \'tleven? „Uw anker, in den bangsten nood?

„Uw anker. Broeders! in don dood?

„Plechtanker, dat u rest, als de andere u begeven?

„Die Heiland moge \'t zijn, u door mijn mond verkondigd; „Onmisbre Heiland! Denkt er aan;

„Wij moeten, zonder Hem, vergaan.

„Maar Hij wil \'t Anker zijn, al is er veel gezondigd.quot;

Zoo sprak op \'tVisschersdorp een Herder lot zijn kudde; En menigeen, in later stond.

Herdacht de woorden van zijn mond;

De schoone badgast ook, die eerst haar hoofdje schudde.

XIII.

PLEUNTJE.

„Kom Pleuntje, ga naar huis! „Gij kunt toch hier niet blijven, „De regenbuien drijven „Een ieder naar zijn kluis. „De duisternis valt neer;

„Gij hebt al zooveel uren „Vergeefs in zee staan turen; „En morgen weet gij meer.quot;

Helaas! Zij wisten \'t al; Zij hadden \'t reeds vernomen; Eén pink was weergekomen, Die kond gaf van \'t geval. Zij hadden \'t reeds verstaan:

„liet scheepje „god zai, zorgenquot; „Is, voor ons oog, vanmorgen „Met man en muis vergaan.quot;

Maar Pleuntje stond versteend; Zij kon van \'t strand niet scheiden; Wat ook de buren zeiden,

Hoe goed en welgemeend.

-ocr page 311-

ONS VISSCHEBSVOLKJE.

\'t Was of zij \'t ook al wist;

Of ze aan haar hart kon voelen: „Gij zult hem aan zien spoelen,

„Zien liggen in zijn kist.quot;

„Kon Pleuntje, wees nu wijs! „Wees nu verstandig, vrouwtje! „Het wordt te laat voor Woudje; „Te koud voor kleinen Ggs. „De kindrenquot; .... En meteen Ontwaakte ze uit haar droomcn. En heeft hen opgenomen; En langzaam sloop zij heen.

Men zag haar na met smart.

Dees schudde \'t hoofd bewogen; Die veegde een traan uit de oogen; Wat zee bouwt heeft een hart. „Och arme hals!quot; zei Krijn^ „Och arme ziel!quot; zei Steven, „Wat zou een mensch niet geven „Dat dat niet waar mocht zijn\'.quot;

Haar volgden uit den drom, Om haar in \'t oog te houen. Van verre een tweetal vrouwen; Nog eenmaal keek zij om.

Toen hielden zij zich goed, En spraken luid, en keken Naar Pleuntje niet, en weken Terug op vluggen voet.

En Pleuntje raakt uit zicht.

Zij is met loome schreden Haar woning ingetreden.

En sluit de voordeur dicht.

Daar zit zij; — (lijs op schoot; Het lieve Woudje er neven; — Een standbeeld zonder leven,

Bleek als de bieeke dood.

De kindren kijken strak

En somber voor zich henen; En Woudje wou wel weenen,

Maar meest dat moeder sjirak ... Op eens oen bittre schreeuw. Nooit dus gehoord voor dezen: „Och kindren, gij zijt weezen, „En ik een arme weeuw!quot;

270

-ocr page 312-

ONS VISSCHRRS VOLKJE.

Des morgens treedt al vroeg De jonge leeraar binnen, Die zachtjes wil beginnen .... Maar \'t komen was genoeg! „Och lieve Dominé!

„Tk hoef het niet te hooren .... „Ik heb mijn man verloren.... „Gedenk mij in uw beê!quot;

By \'t deinzen van den nacht Was \'t lijk reeds aangekomen; Nu werd het opgenomen En Pleuntje thuisgebracht.

Maar ook een losse plank Spoelde aan, dien zelfden morgen. Daarop stond: God zal zorgfn — En dat was waar. God dank!

XIV.

TOEBEREIDSELEN VOOK IJE TOEKOMST.

Natuur en waarheid spant de kroon. Blijft altijd schoon,

Zal tijd en eeuwen tarten;

Het treft, waar \'t zich ook toonen zal, Niet elk, maar al Wat oogen heeft en harten.

De aanstaande moeder, stil verblijd. Met alle vlijt Voor \'t eerste kindje aan \'t breien, Breit Israels een schooner krans Dan kunstvertoon en kleurenglans. Die om bewondring schreien.

Voor hem de roos, de palm, het lied Dat liefde biedt.

De aandoenelijke hulde Van \'t kloppend hart, dat hij doet slaan. Van \'t pinkend oog, dat met een traan. Van zacht gevoel zich vulde!

-ocr page 313-

KINDERZANGEN

NAAR

ISAAC WATTS.

DE LOF VAN GOD.

Jloe heerlijk is de Heer der Heeren, In \'t groot en glansrijk hemelhof! En durft een nietig kind hem eeren, De stem verheffen tot Zijn lof?

Geen mensch op aarde kan verhalen

De grootheid van zijn majesteit;

Geen heilige in des hemels zalen Zajn macht en goedertierenheid,

Geen ongel kan zijn raad doorgronden;

Maar al de duizende englen gaan Met vreugd waar God hen heeft gezonden, En heffen dankbaar \'t loflied aan.

\'k Wil met hun lof mijn tonen mengen;

De goede God versmaa lt toch niet Het offer, dat mijn jeugd kan brengen In haar gebrekkig kinderlied.

Zoo maar het hart mjj heeft gedrongen Tot wat de mond heeft voortgebracht, Dan heb ik mooi genoeg gezongen, Hoe zwak van stem, hoe min van kracht.

LOF AAN DEN SCHEPPER EN ONDERHOUDER.

Ik zing dien grooten God, wiens macht

De bergen heeft gegrond.

De wijde zee heeft voortgebracht En \'t ruime hemelrond;

Zijn wijsheid, die aan zon en maan

En sterrental bij tal Hun wetten voorschreef en hun baan, Die niemand schenden zal;

Zijn goedheid, die met milde hand Al \'t schepsel laaft en voedt.

-ocr page 314-

DANK AAN GOD VOOR ONZE VEULOSSINO.

Zijn woord bracht al wat is tot stand,

En al wat is, is goed.

Uw wondren. Heer! staan overal Voor mijn verwonderd oog;

llondom mij in dit aardsche dal.

En aan des hemels boog.

Daar is geen bloem, geen blad, geen kruid, Of \'t maakt uw eer bekend;

De stormwind roept uw grootheid uit. De macht van wie hem zendt.

Uw zorg slaat al wat quot; lemt ga,

Ter aller uur en tijd;

Daar is geen plekje ver of na,

Daar Gij, o God, niet zijt.

Uw goedertierenheid vervult De heemlen, en deze aard,

Waarop uw goddelijk geduld

Een zondig menschdom spaart.

Uw grond is \'t, daar mijn voet op staat. Uw lucht is \'t die ik schep.

Uw wil, dat ook mijn adem gaat,

Ook ik mijn denkkracht heb.

Uw hand beschermt mij waar ik treed, Uw oog bewaakt mijn schreên:

Den God, die nimmer mij vergeet,

Zou ik vergeten? — Neen.

DANK AAN GOD VOOR ONZE VERLOSSING.

Geprezen zij de wijze macht.

De onpeilbre liefde zij geprezen.

Die aan het menschelijk geslacht Den weg der redding heeft gewezen!

\'t Verboden ooft, dat Adam at.

Dort heel zijn nakroost kwijnend sterven;

Een kind kan ook gevoelen wat

Het zegt, de gunst van God te derven.

Geloofd zij God! Mij heeft Zijn Zoon,

\'Zijn Eengeboren Zoon gegeven!

Die bracht ons van zijns Vaders troon Vergiffenis en eeuwig leven.

282

-ocr page 315-

DANK VOOR TIJDELIJKE ES GEESTELIJKE VOO KR EC II TEN.

Zijns Vaders wet, door ons zoo stout

Geschonden, eerde Hij volkomen,

Droeg onze zonden op het hout.

En doet Gods gunst ons tegenstroomen.

O Zie Hem, daar Hij \'t graf verliet,

Zie Hem ten hemel opgerezen;

Ook daar zal Hij de Zijnen niet

Vergeten, maar hun Voorspraak wezen;

Daar, aan zijns Vaders rechterhand.

Zijn Kerk vermeerdren en bewaren. En slaken van den slavenband Die dienaars van de zonde waren.

Van daar komt Hij ten oordeel weer;

Dan wordt in \'t graf Zijn stem vernomen: De gansche wereld ziet haar Heer; En \'t heil der heil\'gen is volkomen.

O Geve God mij, dat ook ik,

In dien ontzaglijkste\' aller stonden, Den Rechter zien mag zonder schrik.

En bij zijn heil\'gen word bevonden.

DANK VOOR TIJDELIJKE EN GEESTELIJKE

VOORRECHTEN.

Wanneer ik wandel langs den weg.

Wat tal van armen kom ik tegen!

Zoodat ik dikwijls dankbaar zog:

„Hoe veel heb ik van God verkregen.quot;

Ik, die niet beter ben dan zij.

Die met gebedeld brood zich voeden,

Ken overvloed en lekkernij,

En heb van honger geen vermoeden.

Hoe menig gaat halfnaakt daar been, In haavlooze en gescheurde kleeren;

Ik steek in \'t pak van top tot teen,

En wind noch weder kan mij deren.

Hoe menig, die dos daags niet weet

Waar hij zich \'s avonds neer zal strekken;

Ik vind altijd mijn bed gereed.

En handen om mij toe te dekken.

-ocr page 316-

DANK VOOR GEBOORTE EN OPVOEIHNO IN EEN CHRISTENLAND.

Hoe menig kind leert in zijn jeugd

yleohts vloeken, schelden, liegen, stelen; Mij leidt men op het pad der deugd,

En buigt mijn wil naar Gods bevelen.

Zijn, boven andren, dit voor mij

Van dag tot dag uw goedheên, Heere! 0 Geef dat ik U dankbaar zij,

En, boven andren, diene en eere.

DANK VOOR GEBOORTE EN OPVOEDING IN EEN CHRISTENLAND.

O God, Gij schenkt mij juichensstof\'!

Mijn vroegste jeugd zij U gewijd!

\'k Begin mijn leven met uw lof;

Hij vergt geheel een levenstijd.

Uw milde goedheid gaf mij \'t licht Op Neerlands vrijen, blijen grond;

Daar hebt ge uw\' Zoon een Kerk gesticht,

Daar wordt uw godlijk Woord verkond.

Mijn Vaderland — nooit ruilde ik iat Voor \'t weeldrigst oord, de rijkste kust! \'t Bevat een eindloos grooter schat Dan in eens goudmijns aadren rust.

Hoe diep beklaag ik \'t arme kind,

Dat woont waar de afgndsdienst regeert,

Geen Bijbel kent, geen Heiland vindt.

En uw gebod niet kennen leert.

Hier ben ik in uw naam gedoopt.

Hier richt men naar uw Woord mijn schreên; Zoo \'k niet zoo goed word als men hoopt, Het zal mijn schuld zijn, mijne alleen.

Klaar wordt door mij de stem verstaan.

Die mij ten weg des levens noodt,

En duidlijk wijst uw Woord mij aan Elk pad dat afhelt naar den dood.

Uw lof moet op mijn lippen zijn.

Voor zoo veel trouw, genadig God!

Welk een afschuwlijk hart is \'t mijn,

Als \'t ooit met zulke weldaan spot!

-ocr page 317-

DANK VOOli IIET KVANOKLIE. - VOORTREFFELIJK HEID DER H. SCHRIFT.

DANK VOOR HET EVANGELIE.

0 God! ik maak uw goedheid groot,

En wil hier van geen toeval hooren, Dat ik uit Christlyke ouders sproot,

Geen Jood of Heiden ben geboren.

Wat ware \'t Isrels Vorsten, wat

Niet waard geweest aan zijn Profeten, Indien hun oor vernomen had

Wat Jezus Christus mij doet weten!

Hoe blij zou menig Heiden zijn,

Nu de afgoón dienende en verwilderd, Kon hij mijn Bijbel lezen, mijn Verlosser zien voor \'t oog geschilderd.

Zend ik dien Heiland dan voorbij.

Wil ik voor Hem mijn hart niet buigen, Hoe vreeslijk zullen tegen mij De Heiden en de Jood getuigen.

VOORTREFFELIJKHEID DER HEILIGE SCHRIFT.

Mijn God, ik sla uw werken gade,

En zie uw heerlijkheid, waar ook mijn oog zich vest; Maar al uw wijsheid en genade

Leert mij het Boek der boeken best.

De starren schittren tot uw eere;

Uw lof verkondigen de heemlen overal;

Maar hier wijst mij uw goede leere Hoe ik ten hemel ingaan zal.

De velden zijn bedekt met koren;

De halmen ruischen en verkonden: „God is goed:quot;

Hier rijzen oogsten uit de voren Tot voeding van mijn diepst gemoed.

Hier zijn mijn kostelijkste schatten;

Hier is de bron van troost, van kracht, van hoop, van deu Och dat ik beter mocht bevatten Hoe rijk ik ben, reeds in mijn jeugd,

Gods heilige geboden leeren Mij wie ik wezen moet en niet ben tot mijn smart; En \'t opgerichte kruis des Heeren

Spreekt van vertroosting tot mijn hart.

-ocr page 318-

DANK AAN GOD DAT MEN LEZEN LEERT.

Dat God zijn Zoon, zijn Eengeboren, Gegeven heeft aan de aard, en mijn behoud in Hem, Dat laat mij slechts de Bijbel hooren, Dat spreekt tot mij geen andre stem.

O Bijbelboek, u wil ik eeren;

\'k Wil, bij uw heilig licht, mijn pad geloovig gaan. En van den goeden God begeeren 0 altijd beter te verstaan.

DANK AAN GOD DAT MEN LEZEN LEERT.

Ik breng met hart en tong Mijn dank en prijs den Heer,

Dat ik, al ben ik nog zoo jong.

Zijn Woord reeds lezen leer.

Dat \'k uit dat Woord reeds weet. Dat in een zondig hart De bron ligt van het ware leed En eindelooze smart.

Dat \'k, door dat Woord, bevroed,

Als ik iets worden zal,

Dut mij Gods goedheid leiden nvoet En helpen overal.

Dat mij dat Woord vervult Met dankerkentenis Aan Jezus, die, voor mijne schuld Op \'t kruis gestorven is.

Dat ik van dag tot dag Van dezen Heiland lees,

En zie dat ik Hem naadren mag En volgen zonder vrees.

Genadig God, o schenk Dat ik maar meer en meer Met ernst mijn lezen overdenk.

En ook betrachten leer!

Laat mij geheel verstaan Hoe groot uw goedheid zij.

Wat Jezus voor mij heeft gedaan.

En wat hij eischt van mij!

-ocr page 319-

Dli ALLE6 ZIENDE GOD. — ERNSTIGE GEDACHTEN AAN GOD EN DEN DOOD.

DE ALLES ZIENDE GOD.

O God, uw al doordringend oog Kan niemand ooit verblinden,

En waar ik mij verbergen moog, Gij zult mij altoos vinden.

Al \'t kwade metterdaad begaan,

Of met het hart bedreven,

Elk zondig woord, den mond ontgaan, Staat in uw boek geschreven.

En eenmaal treedt gij in \'t gericht; Gij zult niet altijd zwijgen;

Al dit verkeerde komt aan \'t licht En zal zijn loon verkrijgen;

Tenzij ik uw genade zoek,

Vergiffenis verwerve,

En gij mijn misdaan uit uw boek Wilt wisschen, eer ik sterve.

Zoo \'k my mijn zonden waarlijk schaam, Zoo zij me oprecht doen treuren.

En \'k tot u kom in Jezus naam,

Zal mij dit heil gebeuren.

Maar dat ik tegen \'t kwade waak En strijde t\' allen dage.

Dat blijft altijd de groote taak.

Waarin ik nooit vertrage!

ERNSTIGE GEDACHTEN AAN GOD EN DEN DOOD.

Daar is een God en Schepper aller dingen.

Heer van \'t heelal, die mij het aanzijn gaf;

Ik vrees zijn toorn, ik smeek zijn goedheid af; En met mijn mond zal ik zijn lof bezingen.

Daar is een Wet, door Zijne hand geschreven, Die weerklank vindt in elk oprecht gemoed;

Zij is rechtvaardig, heilig goed;

üch dat ik gansch naar deze wet mocht leven!

Daar is een Blijde Boodschap vol genade,

Waar \'t schuldig hart zijn rüksten troost in vindt; 0 God, ook ik, ik ben een fchuldig kind.

Zoo kome ook mij dat troostrijk woord te stade!

-ocr page 320-

hemel en hel. — het voorrecht van vroeue godsvrucht.

Da,ii^ is een uut bepaald dat ik zal sterven, En niemand weet wanneer;

Hoe menig kind lei vroeg het hoofdje neer, — Gelukkig die het eeuwig leven erven!

Laat mij o God! U vroeg mijn harte schenken,

Zoo ben ik vroeg bereid.

In \'t graf is geen boetvaardigheid;

De dood beslist — O laat mij dit bedenken!

HEMEL EN HEL.

Daar is een hemel boven de aard

Voor alle oprechte vromen;

Ook \'t vrome kind, dat Jezus mint, Zal, sterft het, in dien hemel komen.

Daar is een hel, het eindlijk deel Van hen die God niet vreezen;

Daar zal, o smart! \'t onheilig hart Steeds ongelukkig wezen.

Algoede Vader! Hoed mijn ziel!

Wil mij mijn schuld vergeven!

Geef dat ik steeds u eer en vrees, En als uw kind moog leven!

Snij me in den bloei der jeugd niet af;

Leer my mijn dagen tellen!

En wil mij, achter \'t duister graf, Uw hemel open stellen.

HET VOORRECHT VAN VROEGE GODSVRUCHT.

Gelukkig \'t kind, dat in zijn jeugd Reeds vroeg naar goeden raad wil hooren,

Dat wandelt op het pad der deugd.

En dat de godsvrucht kan bekoren.

Draag vroeg uw hart den Heiland op,

En dien hom naar uw best vermogen!

Een frissche bloem, nog in den knop, Is welgevalligst in zijn oogen.

De taak, waaraan men vroeg begint,

Wordt later niet zoo zwaar bevonden;

Die God niet dienen wil als kind.

Wordt vaak geheel verhard in zonden.

-ocr page 321-

ff!

! KVAARLIJK UITSTEL. — VOORBEELDEN VAN VROEGE GODSVRUCHT. 28!)

1 1

\'t Bewaart voor menig diepen val,

Indien -wii vroeg godsdienstig waren.

\'t Geeft laa\'tre godsvrucht k racht, en zal Ons menig grievend leed besparen.

lüf\' ,

Och lieve Heiland, geef toch dat

Ons hart zich eenmaal mag verblijden, \'• . j.

Als wij terugzien op ons pad, !•..■)ƒ \'

Dat we u nrts aansrlip leven wiidden ! 1 i

Dat we u ons gansche. leven wijdden!

Maak uwe weldaad aan ons groot. Dat wij r/eheel ons hart u geven! Zoo zijn wij voor den vroegsten dood Bereid en voor het langste leven.

l{

HM

GEVAARLIJK UITSTEL.

Wie zegt daar: ,\'t Is nog t.ijds genoeg

Om voor uw eeuwig heil te zorgen!quot; Verwelkt een bloem niet soms zeer vroeg ?

m.

En kan ik rekenen op morgen ?

y»\'

Zoo \'k heden mijn belang niet ken,

Gods roepstem in mijn hart versmade,

Wie weet hoe dof ik morgen ben,

Hoe ongeschikt voor zijn genade.

Verdiende ook zulk een uitstel niet

Dat hij, die nu zich nog doet hooreu.

Mij aan mijzelven overliet En sprak: „gij wilt het; ga verloren!1\'

Noen, lieve God! van uw geduld

Wil ik geen schandlijk misbruik maken;

O houd mij van uw woord vervuld,

Eu leer mij bidden, doe mij waken.

- ■

VOORBEELDEN VAN VROEGE GODSVRUCHT.

Voorbeelden weet ik wel genoeg

In \'t heilig Bijbelboek te vinden Van jonge kindren, die reeds vroeg Den dienst van God beminden.

Mijn Heiland, op dit oogenblik

De hemelen en de aard regeerend,

Was eens een kind zoo jong als ik.

Zijns Vaders wetten eerend.

-ocr page 322-

TEGEN HET LIEGEN.

Eoe lief een beeld stelt ons zijn jeugd Voor oogen in de Heiige Blaren!

Gods Huis, Gods Woord —• ziedaar zijn vreugd En lust, op twalef jaren.

Uit blijde kindermonden steeg

\'t Hozanna, dat den Christus loofde,

Waar Schriftgeleerde en Priester zweeg. Of hem zijn eer ontroofde.

Als Samuel gespeend werd, bracht Zijn moeder Hem in \'t Huis des Heeren;

Timotheüs had vroeg getracht De Heiige Schrift te leeren.

Waarom dan uitgesteld door mij.

Wat ö \'zen zoo vroegtijdig deden?

Daar ya niet weer een dag voorbij Of \'k ben hen nagetreden!

TEGEN HET LIEGEN.

O hoe gelukkig is het kind,

Dat siddert voor de minste logen, Dat wij geheel vertrouwen mogen, Daar \'t Diet zijn hart de waarheid nint.

Een leugenaar wordt niet geloofd. Al zou hij eens de waarheid spreken; „ I )ie leugens zoekt voor zijn gebrekenquot; Laadt dubble schuld op \'t schuldig hoofd.

Hoe God de leugen straft en haat Behoeft hij waarlijk niet te vragen. Die ooit zijn oogen heeft geslagen In wat zijn Woord ons lezen laat.

Gedenk hoe Ananias stierf\',

Saf\'fira d\'adem voelde ontglippen. Een leugen op de valsche lippan, Die hen naar ziel en lijf\' verdierf.

De oprechte wordt door God ge.eid; Hij zal bem zeegnen en bewaren; Maar \'t deel van al de leugenaren Is eeuwige rampzaligheid.

-ocr page 323-

TKSEN TWISTEN EN VECHTEN. — LIEFDE TÜSSCIIEN BROEUS EN ZUSTERS. 291

0 God! beware ik dan mijn mond!

U kan ik nimmermeer bedriegen,

Gij hoort het, ook als kindren liegen En ziet hen tot op \'s harten grond.

TEGEN TWISTEN EN VECHTEN.

Krabbe het katjen, en bijte de hond;

God gaf hun klauw en gewapenden mond. Woede de tijger, verscheure de beer:

\'t Is hun natuur, en tot schande noch eer.

Gij, lieve kindren! weest anders gezind.

Krabben en bijten behoort bij geen kind.

Vinger en mond heeft wat beters te doen;

Komt, geeft elkandren de hand en een zoen.\'

Woest voor elkander toegevend en goed;

Past op de driften van \'t levendig bloed; Als boosheid of wraakzucht ontwaakt in uw geest. Denkt: „Welk een kind is mijn Heiland geweest?quot;

Zeker goedhartig en vriendlijk en zacht.

Dies, als hij toenam in wasdom en kracht, — O Zij dit voorrecht uw kinderlijk lot! — Vond hij genade bij menschen en God.

Thans, in den hemel verhoogd en verklaard. Laat hij zijn oogen nog gaan over do aard. En, waar hij kindven in liefde ziet leven.

Laat hij niet na hun zijn zegen te geven.

LIEFDE TUSSOHEN BROERS EN ZUSTERS.

Op straat zij twist en luid rumoer,

In huis moet liefde en vrede blijven;

Geen boos geschil mag tusschen broer En zuster dien verdrijven.

Do muschjes schikken zich in \'t nest,

En \'t is een droef tooneel, waar kinderen

Van \'t zelfde huis zich niet to best Verdragen en elkander hinderen.

Eerst scheldwoord, schimptaal, dreigement, Gebrom dat de ooren slechts kan kwetsen;

Maar straks de vuisten, en in \'t end De stokken en getrokken messen.

-ocr page 324-

TEGEN SMALEN EN SCFIELDEN. — TEGEN VLOEKEN, ZWEKEN ENZ.

Do Booze tergt tot arren moed

De zonen van een zelfde moeder,

En Kaïn rust niet eer hij \'t bloed

Geplengd heeft van zijn lieven broeder.

Vergeef ons, God! krakeel en strijd,

En -wil de bron der boosheid stoppen, Opdat, in later levenstijd,

Ons hart van liefde slechts moog kloppen!

TEGEN SMALEN EN SCHELDEN.

God gaf den mensch de tong en spraak,

Om tot Zijne eer die aan te wenden. En niet om, uit een booze wraak.

Eens broeders eer of rust te schenden.

Niet om met bittren schimp of smaad^

Of spotternij liem te bejegenen,

Maar om met troost en goeden raad En vriendlijkheden hem te zegenen.

Die tot zijn broeder zegt: „Gij dwaas!quot;

\'k Heb dit van Jezus zelv\' ontvangen) Verdient ter vreeselijkste plaats,

Zijn vonnis en zijn straf te erlangen.

En hij die met het heiige spot,

Met vrome lien den draak durft steken, Moet weten dat oen heilig God,

Zoo stout een snoodheid fel zal wreken.

Hoe is \'t dien kinderen vergaan.

Die oude\' Eliza „kaalkop!quot; scholden? Een berenpaar viel op hen aan;

Zij hebben \'t met hun bloed vergolden.

„Zot, Heer! een wacht voor mijne lippen; „Behoed de deuren van mijn mond, „Opdat ik mij te geener stond „Iets onbedachtzaams late ontglippen!quot;

TEGEN VLOEKEN, ZWEREN EN MISBRUIK VAN GODS NAAM.

Uw naam zoo heilig en verheven

Aanbidden de englen. Hemelheer!

De booze geesten doet hij beve.i.

En heel do schepping geeft hem eer.

-ocr page 325-

p fip

TEUEN LEDIGHEID EN MOEDWIL. - ÏEGEN SLECHT GEZELSCHAP. 293

W;quot;

Eu zal oen mensch, een kind het wagen

Dien naam te ontheilgen snood en stout,

En naar uw felle wraak niet vragen.

Of meenen dat gij doof zijn zoudt?

Afschnwiyk zweren, schriklijk vloeken:

Hoe durft hij, die zieh dat vermeet,

Ooit in \'t gebed uw aanzicht zoeken,

En hopen u tot hulp gereed?

Met welk gelaat, met welk een harte.

Zal hij, van troost en hoop beroofd, mL: Het onheil, dat hij roekloos tartte,

Zien komen op zijn schuldig hoofd? L.,

Maar ook al had hij niets te vreezen, , \'p

Al werd zijn gruwlijk kwaad verschoond,

Een vloeker zal mijn vriend niet wezen,

Ik kan niet dulden wie U hoont!

TEGEN LEDIGHEID EN MOEDWIL. Het werkzaam bijtje weet heel goed Elk zonnig uurtjen uit te koopen, En zamelt was en honigzoet Uit wat voor bloempje zich maar open\'.

Met oordeel vormt het cel bij cel,

En bouwt ze aaneen op nette wijze,

En rust niet voor zij allen wel Voorzien zijn van de winterspijze.

•Hl

Aan deeglijke\' arbeid, naar mijn staat,

Verlang ook ik mijn tjjd te schenken;

Steeds weet de Booze kwaad op kwaad Voor leège handen te bedenken.

\'k Wil tusschan nuttige oefening v quot;

En sterkend spel mijn jeugd verdeelen.

Verveling is een leelük ding,

En kan slechts leed en wroeging telen.

TEGEN SLECHT GEZELSCHAP.

Neen, ik wil mijn vreugd niet zoeken.

Waar mijn hart niet vreedzaam slaat,

Waar ik spotten, zweren, vloeken Hooren moet of v uilen praat.

rtf

-ocr page 326-

TSQEN HOOVAARDIJ OP Kr,EEDISG.

Slecht gezelschap wil ik schuwen;

\'t Maakt de besten zelfs verkeerd; Wat een zedig hart doet gruwen Wordt daar spoedig aangeleerd.

Eerst een kijkje, dan een lachje,

Straks een woordje meêgezeid — En men is welhaast het, hachje, Dat een\' ander ook verleidt.

Ziekten mijdt men die besmetten;

Daar is niemand op gesteld:

En ik zou mij niet verzet! en,

Waar \'t mijn zielsgezondheid geldt?

TEGEN HOOVAARDIJ OP KLEEDING.

Wat dwaasheid is het trotsch te zijn Op mooie kleedren, rijk en fijn:

Of hielp niet, zoo als ieder weet,

Ons de eerste zonde aan teerste kleed?

Ach, bij dat eerste kleedingstuk.

Was \'t uit met onschuld, eer, geluk! Gekleede raenschen, schaamt u dan, En maakt er toch geen ophef van!

0 Zeker, zeker, \'t staat recht mooi, Dit nieuw gewaad, dees kostbre tooi! Maar \'t sehaapjen en de zijworm stak Lang vóór mij in ditzelfde pak.

Een tulp, een vliegend ongediert\' Is prachtiger dan ik gesierd;

De stof zij rijk, de snede schoon: Een bloem, een vlinder spant de kroon,

\'tWaar best dan, zoo mijn keuze viel Op \'t sieraad van een reine ziel;

Deugd, wijsheid, waarheid, ootmo3d zij Mijn onverslijtbare eerkleedij.

Dan heeft de vergelijking uit Met wat er pronkt bij dier of kruid; Dan draag ik \'t kleed der Englen Gods; Gods Zoon op aard droeg ook dien dos.

Dit kleed veroudert noch verschiet, Het vreest de mot, den regen niet.

-ocr page 327-

GEHOORZAAMHEID AAS DE OUDERS. —

Het plekt, scheurt, slijt niet vroeg of laat, Hoe meer men \'t draagt, hoe mooier \'t staat.

Welaan! dit mijn kleed op aard.

Dit zij mijn reiskleed hemelwaart!

Als ik daarmee voor Gtod verschijn,

\'t Zal, als zijn werk, hem welkom zijn.

GEHOORZAAMHEID AAN DE OUDERS.

\'t Kind, dat godvruchtig wezen wil En gaan op \'t pad der deugd,

Zwijge, als zijn ouders spreken, stil, En doe hun wil met vreugd.

Vernaamt gij niet wat straf hem wacht Van een rechtvaardig God,

Die \'t vaderlijk gebod veracht.

Zijn moeders raad bespot?

Wat schuld zijn misdaad in zich sluit? Wat vloek hem volgen moet?

„De rave pikk\' hem de oogen uit, „En de arend zwelg zijn bloed!quot;

Maar \'t kind, dat God en Gods gebod In de ouders eert, verbeidt

Op aard een rijk gezegend lot.

Nog meer in de eeuwigheid.

KINDERKLACHT.

Hoe ben ik toch op mijn vermaak En spel zoo nauw gezet.

Maar achtloos in de beste zaak En traag in mijn gebed?

Wat baat. mij, loshoofd die ik ben. Den wil van God te zien.

Als ik hem daaglijks beter ken. En daaglijks slechter dien?

Ach, veel te weinig is mijn hart Van u, o God! vervuld;

Vergeef mij wat mij dikwijls smart, 0 God! vergeef mijn schuld!

Doordring mij van uw Geest en Woord, En schenk me in \'t bidden lust!

KINDERKLACHT.

-ocr page 328-

EEN MOKGENMED. — AVONDLIED.

Dat g-ij t gebed eens kinds verhoort, Daar ben ik op gerust.

EEN MORGENLIED.

De zon rijst op te juister tijd,

Wie zag dat immer falen ?

Begint haar loop met kracht en vlijt En zendt alom haar stralen.

Zij talmt niet, houdt zich op haar baan Niet op, als trage luiden;

Maar streeft steeds door, recht toe, recht an Van \'t oost naar \'t west, door \'t zuiden.

O Uroote Schepper van de zon!

Laat mij haar volgen mogen;

Laat me in de taak, die \'k vroeg begon. Volharden voor uw oogen.

Laat me ook dees dag met vlijt en kracht Myn werk doen, zonder tragen!

Er volgt altijd een goede nacht Op welbestede dagen.

AVONDLIED.

De dag is neergezonken.

Ik zing mijns Scheppers lof; Hij heeft mij nieuwe stof Tot lof en dank geschonken.

Ach, had mijn jeugdig leven, Mijn hart, zoo licht verleid, Tot ontevredenheid Geen nieuwe stof gegeven!

Vergeef mij, goede Vader!

De zonden van mijn jeugd. En breng mij toch der deugd En ware godsvrucht nader!

Ik leg my biddend neder,

Denk aan uw liefde, o Heer: En als ik morgen weer Ontwaak, vind ik haar weder.

-ocr page 329-

ZOSDAGMOKGEN. -

ZONDAGMORGEN.

Dit is de dag, wiens morgenstond

Den Heiland zag uit \'t gi-af verrezen;

Wat schande, zoo Vlij mij bevond Een lui en slaaprig kind te wezen!

Het christenvolk komt overal Bijeen tot danken en aanbidden.

En ik, hoe jong ik zijn moog, zal Een plaatsje vinden in hun midden.

Dat zich mijn hart aan \'t hunne paar! En, wordt Gods Heilig Woord gelezen

En voorgehouden, laat mij daar Aandachtig en eerbiedig wezen!

De Zondag zij me een heiige dag. De liefste dag van al de zeven;

Wel mij, zoo hij mij leeren mag Om eiken dag voor God te leven!

ZONDAGAVOND.

De lieve Zondag is voorbij;

Wat heeft hij zoets geschonken!

Ik ging ter kerk, waar rij aan rij In aandacht zat verzonken.

Waar alles zong met ééne stem, En zich vereende in \'t bidden

Om troost, om hulp, om kracht van Hem Die ook was in ons midden.

Daar hoorde ik door een achtbaar man Het Woord van God ontvouwen;

Schoon \'k alles niet begrijpen kan, Ik heb toch veel onthouen.

Daar kwam men van mijn kleinen schat Mij iets voor de armen vragen;

Indien ik meer bezeten had,

\'k Had milder bijgedragen.

De gansche week heeft vader \'t druk; Wij zien hem slechts bij tijden;

Den heelen Zondag — o geluk! — Kan hij aan ons zich wijden.

ZONDAGAVOND.

-ocr page 330-

Onschuldig spei,.

Hij leest ons voor, zegt op, vertelt.

Weet thuis ons te onderhouon, Of doet ons, in het open veld, De -svondren Gods aanschouwen.

Uo lieve moeder is er hij,

En kijkt met vroolijke oogen. En al de kindren zien zoo blij En glunder als zij mogen.

Zoo ging ook nu de dag weer om,

Dien wij van God verkregen. Begonnen in zijn heiligdom. Begunstigd met zijn zegen.

DE LUIAARD.

Hoor de stem van den luiaard; „Gij wekt mij te vroeg,\' Zoo kreunt hij, zoo steunt hij: „Ik sliep niet genoeg!quot; Als de deur op haar hengsels, zoo wentelt en keert Zich de luiaard op \'t bed, dat zijn krachten verteert.

„Nog even gedommeld! Nog even gedut!quot;

Zoo verslijt hij de helft zijner dagen onnut;

En is hij \'ten laatste overeind en op \'t pad.

Hij slentert daarhenen en beuzelt zoo wat.

\'k Zag den hof van den luiaard: \'t was distel en doren En melle en brandnetel van achtren tot voren;

Al zijn goed is verwaarloosd, zijn boeltje bederft,

Zijn \'bezitting teert in, tot hij bedelt of sterft.

\'k Ging den luiaard bezoeken. „Aan hart en verstand,quot; Zoo dacht ik, „voor \'t minst houdt hij nög wel de hand;quot; Maar hjj sprak mij van niets dan van_schaffen en schenken; Zijn Bijbel blijft dicht, en hij houdt niet van denken.

En ik sprak tot mijzelven; „Waardeer deze les!

Van wat f/ij konde\'t zijn, is die mensch u een schets.

Maar dank zij aan hen, die hun plicht beter kenden. En vroeg u aan werken en lezen gewenden!quot;

ONSCHULDIG SPEL.

Zie op de bruine heide

de lamm\'ren jong en klein Vast hupp\'len om de moeders

met vachtjes zacht en rein;

DE LUIAARD. —

-ocr page 331-

DB ROOS.

Zie in het zonneschijntje,

bij d\' openstaanden stal, De jonge dcifjes spelen,

de duifjes zonder gal.

Indien wij eendjes waren,

wij slobberden in \'t slijk, Of hondekens, wij keften

en beten vinniglijk;

Maar nu heet gij Wilmientjen,

en Willem is mijn naam. Nu spelen wij als duiven

en lammeren te zaam.

Nu willen wij elkander

niet plagen bij ons spel; Nu zeggen wij aan alle

geniepigheid vaarwel; Want schoon het niet die grappen

zoo boos niet zij bedoeld. Wat grap is voor die \'t aandoet.

is ernst voor die het voelt.

DE ROOS.

Hoe schoon is de roos! Op het kleed der natuur Een sieraad, daar zij wel op mag bogen!

Maar de kleur van haar blaadren verbleekt in een uur, Zij verwelkt in een dag voor uwe oogen.

Doch één eigenschap heeft zij, een deugd, en zij wordt Boven andren er luid om geprezen;

Als haar kleur gansch verbleekt is, haar bloemkroon verdord. Blijft haar geur nog zoo zoet als voordezen.

Even broos als de rozen zijn jonkheid en schoon, Hoe zorgvuldig wy beiden ook kweeken;

Haast verschieten de blosjes op voorhoofd en koon Onze frischheid en glans zijn geweken.

Dat mijn hart dan niet trotsch zij op schoonheid of jeugd. Die ik eenmaal en schielijk zal derven.

Maar verwerve ik me een naam door mijn godsvrucht en deugd, Die nog riekt als een roos, na mijn sterven.

299

-ocr page 332-

STELEN. — DE MIEIt.

STELEN.

Zou \'k mijn naasten ooit berooven Van wat God hem schonk en liet?

\'k Heb mijn handen om te sloven, Maar tot roof en plundnng niet.

Hij bedriegt zichzelf terdegen,

Die er winst of heil van wacht;

Wat oneerlijk is verkregen Heeft nooit iets dan leed gebracht.

Eva reeds kan me onderwijzen Hoe gestolen vrucht gedijt;

Doorn en distel zag zij rijzen.

Maar haar Eden was zij kwijt.

\'t Appeltje van buurmans hoornen, \'t Eitje uit buurmans hoenderkot:

Daar is vaak meê aangekomen, Wat een eind nam op \'t schavot.

Dieverij blijft nooit verholen.

Schoon men \'t hope en zich beduid\';

God aanschouwt haar, hoe verscholen. En brengt eens de misdaad uit.

Lieve God, uw kind zij eerlijk,

Niet begeerlijk,

Maar tevreden met zyn deel.

Zij het weinig, zij het veel!

Geef maar dat ik Uw beschikking In mijns naasten deel erken;

\'k Zal dan nimmer van mijn leven

Nemen wat niet wordt gegeven.

Houden wat ik schuldig ben.

DE MIEE.

Hoe klein zijn de mieren, die nietige dieren, Die, zonder ontfermen

of deernis, bij zwermen De voet van een wandlaar vertreedt; Maar deden we als wijzen,

we zouden ze prijzen,

Haar achten eu eeren

en veel van haar leeren, Dat menig te dikwijls vergeet.

-ocr page 333-

GOEDE VOORNEMENS.

Zij slijten don tijd

Met geen slapen of spelen,

vervelen, krakeelen,

Maar werken met orde en met vlijt.

Zij werken en zwoegen,

met blijkbaar genoegen,

Zij draven en dragen,

in \'t heetste der dagen.

En zorgen, hoe fel haar de middagzon steekt.

Dat \'s winters geen graan in haar i?churen ontbreekt.

Hoeveel dwazer blijk ik dan een mier op de proef, Wanneer ik geen werk maak van wat ik behoef,

Geen raad schaf voor komenden nood!

Op eens ben ik oud, overvalt mij de dood, — En verspilde ik met benzlen het best van mijn dagen. Ik zal mij te laat van die dwaasheid beklagen.

Neen thans, in den bloei van mijn jeugd en mijn kracht. Zaamle ik op wat mij dient als een ziekbed mij wacht,

Als de dagen van onlust genaken.

Wat mijn hand vindt te doen zij met ijver volbracht. En de zegen des hemels ootmoedig verwacht Op mijn bidden en werken en waken.

GOEDE VOORNEMENS:

Ik ben nu nog jong en teer.

Weet niet hoe mij God zal leiden,

Daarom wil ik meer en meer Mij op alles voorbereiden.

Worde ik immer rijk of groot.

Ik wil andrer lot verzachten,

d\' Armen deelen van mijn brood,

En geen Mindren ooit verachten.

Waar men hulploos is of zwak.

Wil ik troost en bijstand geven.

En niet slechts voor mijn gemak.

Maar tot nut van velen leven.

Als ik schimp of smaad ontmoet,

\'k Zal met schimp noch smaad betalen;

Zacht geduld is wel zoo g:oed;

Mocht het mij daar nooit aan falen!

Hoor ik leugens, zottepraat,

Vloeken, zweren, dergelijken,

\'k Zal, als geen vermaning baat,

Zulk gezelschap snel ontwijken.

30!

-ocr page 334-

ZOMh li AVOND.

Blijft mijn staat gering en klein,

\'k Wil door stille plichtbetrachting,

Zedig, needrig, eerlijk, rein.

Aanspraak maken op elks achting.

Valt mij krankte of armoe toe,

\'k Hoop men zal zich dan ontfermen.

Even als ik, blij te moe,

Kranken hielp en gaf aan de armen.

\'k Doe met opzet niemand leed;

\'k Wil ook niet te licht gekwetst zijn;

\'t Kwaad, daar ik geen raad voor weet, Stil to dragen zal het best zijn.

\'k Zorg maar dat ik meer en meer Slecht humeur en driften doode,

En al wat verkeerd is weer,

Zij \'t ook overal de mode.

Kwade mode voert ter hel.

\'k Wil haar speelbal nimmer wezen.

Hij alleen leeft waarlijk wel.

Die den dood niet hoeft te vreezen.

ZOMERAVOND.

Hoe schoon was de dag, hoe verrukk\'lijk de zon! Zij schitterde en straalde zoo vroolijk zij kon.

Ofschoon zij in neevlen haar loopbaan begon,

En de ochtend voor regen deed vreezen;

Maar nu, aan het einde der dagreis, verdooft Deze heerlijke gloed om haar luisterrijk hoofd Nog al haren vroegeren glans, en belooft Dat zij morgen nog schooner zal wezen.

Zoo gaat het den vrome. Zijn loopbaan vange aan. Als de zon in een nevel, met menigen traan,

Die berouw en bekommering schreiden;

Maar daarna blinkt zijn voorhoofd van \'t lieflijkste licht Mot een glans van genoegen op \'t vrooiijk gezicht, Vervolgt hij zijn weg eu volbrengt hij zijn plicht, Nog het schoonst en het lieflijkst bij \'t scheiden. Als een zon gaat bij onder, aan zomerschen trans, Die ons spreekt van herrijzen in heeri jker glans.

-ocr page 335-

WELKOMSTGROET

AAS DE LEDEN

VAN HET ritOVINCIiAL UÏHECHTSCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN EN WETKNSCHAl\'l\'EN

IN HUNNE

A.LGEMEENE VERGADERING.

Het lid dus Bestuurs van liet Provinciaal Utrechtscli Genootschap van Kunsten en Wetenacliappen, aan hetwelk de eer te beurt valt de eenmaal \'sjaat-s te houden Algemeeno Vergadering als Voor-xitter te mogen leiden, ziet zich daarbij de taak beschoren, de vergadering met eene redevoering te openen, waarbij de opzettelijke behandeling van een of ander wetenschappelijk onderwerp aan de eerbiedige herdenking der in den loop des jaars ontvallene loden en aan de noodige vermelding der verdere lotgevallen des Genootschaps, gedurende dat tijdsbestek, voorafgaat. Dit was met mij het geval, den 26slen Juni van het jaar 18G7.

Op dienzelfden dag, zou door de Studenten der Utrechtsche Hooge-school het 46ste lustrum van haar bestaan, met het houden van een gecostmneerden optocht, gevierd worden, een feest dat het vorige jaar had moeten plaats hebben, maar wegens de, vooral in de academie-stad, sterk heerschende cholera was uitgesteld. Uit samentreffen en de gewichtige tijdsomstandigheden van het vorige jaar (dat regenjaar!), toen de oorlog in Duitschland gevoerd en de ongehoorde voorspoed van het Pruisische naaldgeweer, aan velen hadden toegeschenen tot een algemeenen oorlog aanleiding te zullen geven, waarvan Nederland, door de „Luxemburgsche questiequot;, in de eerste plaats, een onvermijdelijk slachtoffer zou zijn, schenen mij vrijheid te geven, eenigszins van den gewonen vorm af te wijken, en mijne medeleden, in plaats van hunne aandacht voor eene verhandeling in proza te vergen, met een Welkomstgroet in verzen te ontvangen, welke eerst op dringend verzoek afzonderlijk uitgegeven, daarna in het jaarverslag des genootschaps,opgenomen, ook hier volledigheidshalve niet achterwege blijft. Dat de gecostumeerde optocht met zijn dichterlijk historisch onderwerp: de Intocht van Maximilinan van Oostenrijk en Maria van Bnurf/nnrliï, in het jaar hunner echtverbintenis, 1477, in dezen Virelkoigt;isfr/roet een belangrijke plaats besloeg, was in don bezinger der Leidsche Maskerade van 1835 te begrijpen en te vergeven.

-ocr page 336-

WELKOMSTGROET.

Zijt mij gegroet, gij Vaderlandsche Mannon,

Die wetenschap en kunst uw gaven wijdt,

Op elk gebied de neevlen wenscht te bannen.

Die fakkels op den weg der waarheid zijt,

Apollo\'s boog zoo krachtig weet te spannen,

En wederom te ontspannen op zijn tijd!

Uit eiken oord van \'t Nederlandsch geweste,

Zijt mij gegroet in Utrechts oude veste!

De zomer stort zijn vollen horen uit.

Waar „Rijn en Vecht langs boomgaard en priëelen, _ En heerensloten vloeit.quot; \') Een geurig kruid.

Een blij gebloemt lacht vriendlijk op zijn stelen.

De zegen, dien de korenaar besluit,

liuigt in den halm, waarmee de windjes spelen.

De tortel vliegt van d\'een tot d\'andren boom;

En de uier van de koeien zwelt van room.

Wat baatte \'t, zoo een vijand ons belaagde.

Een nabuur, tuk op roof, de grenzen schond,

Een hongerig soldaat de boeren plaagde,

^Zijn stampend ros in \'t rijpend graanveld zond.

Zijn sabel door den hals van \'t zuiglam jaagde?.,,.

Maar neen! de lieve vrede lacht in \'t fond.

En Tityr, in zijn beukenschaüw gelegen.

Zingt: „Melibe! God schonk ons dezen zegen!quot;

Hoe anders was die zomer, die verdween.

Neen, wegspoelde in een reeks van regenvlagen!

De wraakfiool der strenge goden scheen Zich uit te storten in een vloed van plagen.

Dood en verderf spookte aaklig om ons heen.

\'t Was jammer en ellende wat wij zagen.

En vorstentwist en krijgsrumoer en moord En doodslag wat door de ooren werd gehoord.

Rampzalig^jaar, dat nog ons \'t hart doet bloeden! —

Heel Duitschland stond in vlammen; als in de eeuw Toen Wallenstein\'s en Tilly\'s legers woedden,

Gustaaf Adolf hervoorttrad uit zijn sneeuw Om Maagdenburg door Leipzig te vergoeden.

En omging, brulde, en sneuvelde als een leeuw.

Of in dien later tijd, toen hij regeerde.

Die molens spaarde en landen annexeerde5).

\') Al

1) Zie Vondel, op de Afbeelding van UU-ecM door Zacötlkven. ?ji(

2) De Meunier de Sans-Souei Is (dani zij het talent var Andrlenx) zoo bekend

als Frederik de Groote zelf. \'

304

II

-ocr page 337-

WELKOMSTGROET.

Een broederknyg van \'t Noorden tegen \'t Zuitl,

Niet in de nieuwe wereld \'), maar in de oude,

Niet oud genoeg om wijs te zijn, hoe luid De ervaring haar heur lessen ook ontvouwde,

En hoeveel jammren dit rampzalig kruit En lood haar sinds zijn helsche vinding brouwde! Goddank! sohooa vreeslijk, slechts stroomde\'t bloed; De naaldlont doet haar gruwzaam werk met spoed.

Toch vroegen zich de volkren af met. vreezen:

„Zal \'t wapenstilstand zijn of waarlijk vreê?quot; Nog oorlogzwanger scheen het zwerk te wezen,

Schoon licht van beter hoop het splijten deê.

Schoon op het veld van Mars de bogen rezen Eens Vredetempels2), \'t werd mistrouwd; nieuw wee Aan de aard voorspeld, zoo ras de lente keerde,

Daar Pruisen meer, en Frankrijk wraak begeerde,

,Klein Nederland! wat zal uw noodlot zijn?

Begeerbre prooi voor een der Adelaren,

Eikanderen ter weerzij van den Rijn Met de oogen reeds verslindende. Laat varen

Den roem van uw zelfstandigheid, uw schijn Van weerbaarheid! Zoo snel kunt gij de baren Der zee niet dagen over beemd en veld.

Of overmacht heeft u de wet gesteld.quot;

Zoo sprak de vrees; zoo kreeg zij moed te spreken.

Als Luxemburg het ooft van Eris scheen.

De harten der kleinmoedigen bezweken;

Maar Neerlands fiere jonglingschap sprak; „Neen! Wij staan gereed ons recht, en de eer te wreken

Op ieder die ons aanrandt, een voor een!quot;

Het Sticht ging voor; maar aller hart ontbrandde.

En als een vuur liep \'t wachtwoord door den lande.

_Aan dezen trek herkent een kloek geslacht Zijn nakroost, en de dappre man zijn zonen.

Een traan verschijnt in \'t moederoog, maar \'t lacht De helden toe, en schaamt zich zorg te toonen.

\'t Jaar Dertien en \'t jaar Dertig wordt herdacht; Straks reiken hun de teedersten der schoonen Het vaandel toe, gewrocht door eigen hand — 3) 0 Scherpe spoorslag! heilig ondei-pand!

Als van 1801 tot 1863.

2) Het gebouw der Algemeene Tentoonstelling te Parijs.

Te Utrecht den 2 April 1867, aan het Weerbaarheida-Corps door de Studenten gevormd.

20

III.

-ocr page 338-

WELKOMSTGHOEÏ.

Maar hij, die \'t hart van koningen en heeren,

Naar Zijnen wil, als waterbeken leidt,

Deed hun den vree, niets dan den vreê, begeeren,

En laat ons onze rust en veiligheid.

— Neen! vraagt niet voor hoe lang! Laat God regeeren!

Smaakt dankbaar \'t goede, u door zij11 hand bereid! Weest wijs, en laat geen zorg uw vreugd verwoesten. Maar ook het zwaard, schoon \'t rusten mag, niet roesten.

Hoe rustig praalt, in vollen hoogtijdsdos,

Ons Utrecht, om het feest dier School te vieren,

Die haar groot sieraad uitmaakt en haar trots! De klokken luien en de vlaggen zwieren;

Zij plunderde den rozengaard en \'t bosch,

Om straat en gracht op \'t luisterrijkst te sieren; En vroolijk geeft in haar een kloeke jeugd Zich over aan haar uitgestelde vreugd.

Weest jong met haar en deelt in haar gsnoegen,

Gij mannen, die der wijsheid tabberd plooit!

Zich naar den toon der gulle vreugd te voegen. Misduidde zij in hare priesters nooit.

Waar zorg en vlijt de diepste rimpels ploegen Op \'t voorhoofd en de tijd zijn zilver strooit.

Misstaat geen zachte glimlach, die goedaardig Haar spelen toejuicht, maar is barer waardig.

Gij zult Maximiljaan — d\' Aartshertog niet,

Wien m\' opdrong om eens keizers rol te spelen.

En aan zichzelv\' laaghartig overliet Om straks in Iturbide\'s lot te deelen; \')

Maar dien, die op ons Nederlandsch gebied Veel eers genoot, veel leeds vond, veel krakeeleu Te slechten had, doch stierf in vollen vreè,

En toen voor \'t eerst zijn volken schreien deê2);

Dien Hertog, eerlang Graat van Holland, Koning,

Straks Keizer van het Heiige Roomsohe Rijk, Die Amsterdam, haar diensten ter belooning,

De kroon, die op haar wapen staat te prijk.

Geschonken heeft; dien zult ge in schijn vertooning

Aanschouwen, daar dat Brugge plechtiglijk Hem inhaalt, dat hem nu wel hoog zal eeren,

Maar later bij een kruidenier logeeren :i).

*) Maxlmiliaan van Oostenrijk. Metterdaad vernam men, kort na het uitspreken dezer regelen, dat ook deze kortstondige Keizer van Mexico, in deze zelfde maand, op het vonnis van eeu krijgsraad was doodgeschoten.

-) Sola inorte suis gravis. Scriverlus.

3) Nog wijst men het winkelhuisje, op den hoek van de markt, waar zy hem In de beroeringen van 14^8 gevangen zetten.

306

-ocr page 339-

WELKOMSTGKOET.

Des Stouten schoone doehter, hoog begeerd Door velen, en beloofd aan meer dan eenen,

Heelt met haa.\' keuze en liefde hem vereerd;

Dies is er vreugde in \'t keizerlijke Weenen

En gramschap aan de Seine, die haast leert Ilaav trots te buigen, als, in \'t veld verschenen,

Deze arm de heerschzuoht straft, die voor een kind Zoo dier een hand begeerd had en bezind.\')

Hoe lieflijk is de Roos weer opgeloken,

Door zoo veel leeds, door zoo veel zorgs gedrukf,

Door wreede hand haast van liaar steel gebroken.

En voor de borst eens woestaards afgeplukt!

God heeft voor \'t minst het dierbaarst recht gewroken

Der Weeze van Bourgondië! Mislukt Is \'t echtplan, daar geheel haar hart voor beefde. Als Gelre \'t hoofd voor Doornik stiet en sneefde.:)

Hij is haar beter waard, dees jonge Vorst,1)

Schoon, welgemaakt, welsprekend, edelaardig,

Met ridderlijke deugden in de borst,

Door min voor \'t schoone en reine zeên lofwaardig.

Niet blakend van een ijdlen gloriedorst.

Maar, trouw en goed, voor \'t recht en de eer strijdvaardig; Dies heeft zij \'t eens haar afgedrongen pand\' Blijmoedig ingewisseld voor haar hand.2)

Aanschouw haar in haar schoonheid; aangebeden Van dien gemaal; dat schittrend oog, dien blos Van liefde en jeugd, waarmee zij hem haar steden

En staten toont en rondvoert, blijde en trotsch! Wat kloekheid bij zoo veel bevalligheden!

Hoe moedig stiert en tergt zij \'t vurig ros, En schroomt niet. waar het schrikt van drukte en leven. .. — Pas op. Vorstin! een paard zal u doen sneven!3)

Ach! kort slechts duurt de huwlijksvreugde; lang,

Lang zal de rouw des trouwen ecbtvriends duren.

Wat is \'t geluk? Helaas! Ken overgang.

307

1

) Toen negentien jaar oud. Maria was eenentwintig.

2

) Den diamant, dien zij vroeger, op last haars vaders, aan Maximlllaan ge

3

zonden had.

-ocr page 340-

WULKOMSTOliOET.

De blijdste bloemen bloeien weinige uren.

Het slot van \'t vreugdelied is treurgezang.

Wel bem, die wijslieid uit verdriet kan puren!

Die taak is de uwe, o Vorst! Waardeer uw ga! Al uw geluk stort in haar graf haar na \').

Hoe vroolijk zweven thans haar de banieren,

In sehoone, maar bedrieglijke eendracht, voor Van \'t zestal staten, door de hand te stieren

Van dien zij tot haar heer en voogd verkoor!

AVat wijsheid eisoht de macht! wat kunst! Nu vieren

Dan teuglen; hier den breidel, daar de spoor! Blondlokkig jongling, zult gij \'t altijd raden? Het paard nooit steigren, en zijn ruiter schaden?

Vraag \'t aan de weduw van Bourgonje, vraag \'t Der zuster van dien Yorck, wien Warwick kroonde

En weer ontkroonde\'1); of, zoo \'t haar riet mishaagt, Vraag \'t haar, wie elk. reeds nu, de tanden toonde;

Aan wier gezag \'t Groot Privilegie knaagt2);

Wier raadslién geen verbolgen grauw verschoonde; Wier rouwkleed, wier ontsnoerde vlecht, gebeên En tranen krachtloos bleken op \'t geinejuquot;).

O Tijden! Strijd van staten tegen staten

Niet slechts, maar ook van steden tegen steen! Van magistraten tegen magistraten.

Verwarringen, beroerten, spoorloosheên!

Partijen, die elkander c-rflijk haten;

Nu \'t krijgsvolk, straks \'t gepeupel op de been;

Hier \'t beulszwaard, daar de dolk van moordenaren... Zegt niet dat de oude dagen beter waren.

Toch ziet gij gaarn het leven en de kracht Dier woelige eeuw voorbijgaan voor uw oogen;

Die burgers vol van toren, gloed en kracht, Die vorsten kampende om betwist vermogen;

308

1

a) Waarbij zonder goedvinden der Staten, de Vorstin geen huwelijk mocht sluiten, geen krijg voeren, enz

2

*) De gruwelen te Gent, waarbij „twee raadslieden van de Hertogin, Imbercourt en Hugonet. onschuldige siachtoflers van het woedend gepenpo! werden, wier redding Maria, met loshangend hair en in rouwgewaad op de markt gekomen, vruchteloos door tranen en gebeden beproefde.quot; (Gr. v. Pr.) waren nog versch In \'i geheugen.

-ocr page 341-

WELKOMSTGROET.

Die ridderworeld in haar laatste pracht; Dat worstlen, dringen, drijven, werken, pogen — Dat gisten van aen tijd, wiens maatschappij Zich omzet tot een andre, \'t zij hoe \'t zij!

Wol, laat dan deze Maximilianen,

Maria\'s, Margaretha\'s, heel dien stoet Van Eedlen, nu vereenigd om hun vanen,

Bourgonjers, Belgen, üuitschers hoog van moed, Dees Guliks, Cleve\'s, Nassaus, Bergs, Manen, Met Kerkprelaten van het vorstlijkst bloed.

Maar ook dees Schepens, Poorters, Gilde-deken En Kamerist tot uw verbeelding spreken!

Ja, ook die Kameristen! wier „Fonteinquot;1)

Te Brugge springt, om Vlaandren te verrukken Met sinnespel, hallade, referein,

Kluit, batement, en andre meesterstukken,

Voor \'t grootste deel Bourgondisch, voor een klein

De taal van \'t land, al vloekt het vreemde jukken! „Provinciaal westvlaamscii genootschap,quot; da:t Mij tot mijn tekst terugvoert, dien \'k vergat.

Mijn tekst, mijn taak! Ik moest u welkom heeten,

Uw raadslag leiden in dees stille zaal.

De hoofden van wie wij verwinnaars weten

Bekronen met het wachtend eermetaal;

Vergeeft, kon ik \'t een oogenblik vergeten,

Mijn broederen, vergeeft het deze maal!

Waar zeekre dingen zeekre snaren raken.

Daar schijnen de oude tonen weer te ontwaken.

Zwijgt, oude tonen, zwijgt! \'t Verleden heeft Zijn recht, maar heilige eischen heeft het heden.

Hij leeft in \'t heden, die in waarheid leeft En in de toekomst leven zal met reden.

Wat ooit verbeelding of herinring geeft. De werklijkbeid stelt slechts het hart tevreden. Igt;e taak van heden moet vandaag verricht;

En daar is niets verheevner dan de plicht.

Gij weet het. Om geen dichterlijke droomen.

Geen spelen van de jeugd in momgewaad.

Geen feestlijkheden zijt gij hier gekomen.

Maar werklijkbeid en leven, raad en daad.

309

Wordt nog van \'t een en \'t andre iets meegenomen.

\') Naam en zinnebeeld eener vermaarde Vlaamsche Rederijkerskamer.

-ocr page 342-

WELKOMSTGROET.

En ook de discli der vriendschap niet versmaad: De dienst der wetenschap is uw verlangen,

En tot den dichter spreekt gij: „Staak uw zangen!quot;

Laat hem nog slechts zoo menig dierbaar hoofd,

Als wederom ten grave zonk, beschreien!

U \'t eerst, die wat gij daar reeds hadt beloofd

Gehouden hebt, mijn tijdgenooi te Luien,

Tromp! aan de Friesche Themis wreed ontroofd! \')

En u Verdam! ontvallen aan de reien Van iS\'eerlands Archimedessen! Uw stem Heeft Huygens\' eer gewroken; leef met hem!1) —

lJaülownia Imperialis tooide

Haar kroon met paarsch gebloemte in Neerlands hof; Indien voor \'t eerst, voor u voor \'t laatst, en strooide

Haar blaadren op uw graf, met onzen lof,

Japansche Siebold!2) — Ach, hoe somber plooide

Zich veler voorhoofd, als uiv doodsmaar trof,

Pareau!3) Gij de eer van Gruno\'s godgeleerden,

Wien tot uw dood verknochte volgers eerden. —

Moest eindlijk, Wijnbeek! ons zoo lang gespaard, En dierbaar aan zou velen als beseffen

Wat gij der School, en \'t Land door deze, waart. De dood uw eerbiedwaarden schedel treffen?4) —

Kon kennis van al de artsenij der aard Geen Lub er5) aan \'t gemeene lot ontheffen? —■

Ontvielt ge ons Brunsveld, kenner van onze Oost!6) — En liappard! s) — maar wiens Broeder ons nog troost\'J).

310

1

\'2) J. G. Verdam. Hoogieeraar in de Wiskunde te Leiden. Hij handhaafde de prio-ntelt van Christiaan Huy^ons boven Burgemeester Hudde, ten aanzien van de analytische opheldering van den regel van Gardanus voor de oplossing der 3de macbts-vei ^elijkingen.

2

a) F. von Siebold, natuuronderzoelier en bijeenbrenger van het Japansch Museum te Leiden. Onder anderen bracht bij uit Japan een boom in Europa, dien hij, naar Anna Paulowna, Groot-Vorstin van Rusland en Prinses van Oranje, den naam galquot; van J\'ainclownia imptrinLis. Juist In zijn sterfjaar hadden de dagbladen met veel ophef, als een zeldzaamheid, vermeld, dat de boom in onderscbeidene hoven in de open lucht bloeide.

3

) L. G. Pareau, Hoogieeraar in de Godgeleerdheid te Groningen.

4

h) Mr. H. Wijnbeek, vele jaren Inspecteur der Latijnscho scholen en van het Middelbaar en Lager Onderwijs.

H. W. Luber, Med.-Dr. to Amsterdam.

5

\') Mr. P. Urunsveid van Huiten, oud Proc. Gen. bij het H. Gerechtshof In Ned. Indie.

6

H) F. A. Ridder van Rappard, oud Direct. Gen. van Oorlog.

v) Mr. A. G. A. van Rappard, gewezen Minister van liinnenlandsche Zaken; honorair lid van het Bestuur van het Pr. Utr. Gen.

-ocr page 343-

welkomstgroet.

üw tijd was daar. — Ook do uwe! In weinig dagen

quot;Verslond verborgen gif uw levenskracht,

Cl aas Mulder! \') — Reeds was \'t eermetaal geslagen,

Door dankbre liefde u vroolijk toegebracht,

Daar werd uw dierbaar lijk naar \'t graf gedragen,

Lafaille!5) Ruste uw beider assche zacht!

Met Z i m m e r m a u\'s, wiens dood het Weeshuis klagen

En jamm\'ren doet met al wat braafheid acht:1)

Moge aller naam in aller werken leven,

Ifun roem aan veler vlijt den spoorslag geven!

Wij leven nog, mijn Broedren! Voor hoe lang Of kort, weet Hij, die alle levensdraden

In handen heeft, en al de hulde ontvang\'

Van \'t geen wij goeds vermogen of beraden En daar wij lof voor oogsten, lof of dank!

Geslachten wisslen als in \'t woud de bladen.^

Zij, daar ons blad nog groen is, gave en tijd^

Aan de eer van God en menschlijk heil gewijd!

Brengt leliën en uitvaartgaven

Met volle handen aan!

Strooit purpren rozen op de graven

En frissche lauwerblaan!

\'t Is zoet die hulde aan hen te schenken.

Zij \'t ook vermengd met pijn,

Die velen hunner doen gedenken,

Dewijl zij \'t waardig zijn.

Maar ook de les, die \'t graf doet hooren,

Waar allen henen gaan.

Ga voor geen manlijk hart verloren.

En worde wel verstaan!

„Ghdicnkt te sterven !quot; ruischt langs zerken

En zoden ons in \'t oor;

„Gedenkt tb leven en te werken!quot;

Klinkt daar met nadruk door.

Niet iiuudir/ is het dat wij leven,

Maar dat wij werken,quot; riep

811

1

\'•\') J. Decker Zimmerman, Em. Predikant der Luth. Gem. te Utrecht, indertijd zeer werkzaam tot oprichting, en nog kort voor zijn dood tot instandhouding van het Weeshuis dier Gemeente.

-ocr page 344-

WELKOMSTGROET.

Een koning uit, door \'t vuur gedreven,

Dat nimmer in hem sliep \'). Een werkloos leven wordt tot zonde;

\'t Is ballast, hoe men \'t kleur.

Onze is de spreuk van Aldegonde:

312

„REPOS A1LLEURS!quot;

\') Frederik de Groote, In een brief aan Voltaire. 17 Sent. 1776, en derhalve 64 jarigen leeftyd.

-ocr page 345-

f.?

WEDDE.

HEILIGrERLEE.

WINSCHOTEN\'.

YADERLANDSCHK ÜITBOEZEMIKGEN.

fol

t:;

T:iL

j\'i\'

j

■ i

p|; X

TE WEDDE.

22 Mei 18Ö8.

Dat zal uw roem, uw eeuwge vreugde wezen, Noordooster-gresis van Neerlands diei-bren grond!

Dat, eerst van u, de straal is opgerezen.

Die ons den dag der Vrijheid heeft verkond.

Haar zon ging nauwlijks op, of zwarte wolken, Van onweer zwaar, en vuur, en hagelslag.

Onttrokken haar op nieuw aan \'t oog der volken, — Toch was het dag geworden, en bleef dag.

Dag, na een nacht, door rosse martelvuren Alleen verlicht en starren van geloof!

Zijn rijk heeft uit; niet eindloos zou het duren.

Schoon Gods geduld den morgenstond verschoof.

Daar breekt hij aan! Hoe kloppen alle harten Van vreugde en dank, bij \'t eerste lichtgeglim!

Een nieuwe moed zal nieuwe zorgen tarten,

Nu maar do zon gezien is aan de kim.

Na veertig jaren lijdens, tachtig jaren

Van strijd, van bange worstüng; \'t kostbaarst bloed

Bij stroomen, door steeds nieuwe heldenscharen. Vergoten, onder wonderen van moed!

Aan \'t beulszwaard als aan \'t krijgszwaard \'t hoofd geboden Den hongersnood verdragen en de pest.

En eindlijk. in den drang van duizend nooden, De vrijheid van den nieuwen staat gevest!

Huis Wedde! uw naam moet ouvergeetlijk blijven. En heilig in ons oog uw overschot!

Die d\'aanvang zaagt dier stoute krijgsbedrijven, Die eindelijk beslisten van ons lot.

Hier was de Rubicon; hier werd de teerling Geworpen; door geen Gesar, tuk op macht;

Maar door een hand, die uwiuglandij te keer ging, Z®olang ze een zwaard kon voeren, in Gods kvacM.

1 i- f i!\'::

f\'\'• i\' )■ /iii)

-ocr page 346-

op het veld dij iieiligerlee.

Die heldenhand is om dat zwaard bestorven,

Eer \'t heilgoed was bevochten, daar ze om streed;

Maar roemt ons hart die \'t ons in \'t eind verworven.

Wee onzer, zoo het Lodewijk vergeet!

Zijn naam sta in \'t gedenkboek der historie

Niet slechts, maar diep in \'t vaderlandsch gemoed! Groot is die naam, nog meer door deugd dan glorie; Door „Li.tdzaasiiieid in Ossciiuldquot; groot, en goed.

* „Patience en Innocencequot; was het persoonlijk motto van Graaf Lodewijk van Nassau, te Wedde dertig en, ten dage dat hij op de Mookerheide sneuvelde, zes en dertig jaar oud.

OP HET VELD BIJ HEILIGERLEE.

23 Mei 1808.

Weest, Vorst en Volk! weest mij gegroet.

Op dezen dag der dagen!

Nooit heeft voor \'t vaderlandsch gemoed

Een blijder uur geslagen.

Herinneringen, grootsch en schoon.

Verheffen \'t hart tot jubeltoon; De aanschouwing onzer oogen Komt onze vreugd verhoogen.

De meimaand spreidt haar rijkste pracht

Op wegen uit en velden;

Het aardrijk bloeit, de hemel lacht,

Als om Gods gunst te melden. De vaderlandsche vlag, gesierd Met biyde oranje-strikken, zwiert.... En wappert om ons henen...

— OiiANjE-zelf verschenen!

Woes welkom, welkom, Vorstenpaar,

Uit d\'eelsteu stam gesproten!

Wees welkom, onafzienbre schaar

Van Land- en Feestgenooten,

„Wien Neerlandsch bloed door de aadren vloeit, „Wier hart voor land en koning gloeit. Die, over veld en vloeden,

U naar dit punt kwaamt spoeden!

Waar staan wij? Op het heuvelzand,

Ter onvergeetbre stede.

Waar nassau \'t eerst voor neueiu.and

Het zwaard rukte uit de scheede;

Waar \'t Vrijheids-vaandel werd ontplooid, De leus weergalmde: „nu of hocit!quot;

314

-ocr page 347-

OP IIKT VELD BIJ HEILIGEIILEE.

Kn \'t „STKRVEN OF HERWINNEN!quot;\')

Door harten dreunde en zinnen.

Waar staan wijV Op don heiïgen grond,

Die \'t edelst bloed zag stroomen,

Maar aan Let zwerk, op d\' eigen stond.

Den lichtstraal door zag komen, i ,

Die, na een nacht van \'t bangste leed.

De Martelaren hopen deed.

De scheemring, die in \'t oosten De Ballingen kwam troosten.

Waar staan wij? Waar de strijd begon.

De strijd van tachtig jaren!

Die niet dan eervol einden kon

En Neerlands grootheid baren.

Waar do Eerste lauwer werd behaald.

Dien, schoon ook eerlang duur betaald5).

De hoop als pand beschouwde Van d\' oogst, die volgen zoude.

0 C4ij. „oranje\'s Rechterhandquot;,

En aan zijn hart ten zegen.

Met hem, de troost van \'t zuchtend land,

Door raad en daad en degen;

Gij, „Ridder zonder vrees oi blaam.quot;

Graaf Lodewuk! wiens dierbre naam,

Aan Neerlands naam verbonden,

Onsterflijk is bevonden!

; ■■

Uw hart was met dit volk geweest.

Van d\'aanvang van zijn lijden;

Uier stondt ge in \'t harnas, onbevreesd

Om voor zijn zaak te strijden.

Uw trouw was trouwe tot den dood!

De degen, hier door u ontbloot,

Is in uw hand gebroken.

Maar nimmer opgestoken.

Uier schaardet gij dat grimmig heir.

Dat gij alleen kondt temmen.

En, tot een strijd om eindloos meer

Dan buit en glorie, stemmen;

Gij, met don hoogen ernst van \'t woord,

Dat dringt in \'t hart van die het hoort:

315

-if1

11 } ■

ï \'

i

:i

1

) Nunc aut kunquamquot;. „Recüperare aut mokiquot; stond op de vaandels.

-ocr page 348-

op het vei.d bij heiligerlee.

Gij, op wiens open wezen.

Slechts goedheid was te lezen! \')

Hier stondt gij, in uw God gerust;

üw Broeder aan uw z.ijde Mklanchtons en der lettren lust,

Maar even boen ten strijde:

Graaf Adolf, edel, jong en schoon, Zijn vrome Moeders vierde zoon,

Kn de eerste, die zijn leven Voor \'t heiligst recht zou geven=).

Hier stond het klooster; stille wijl!:

Der Norbertijnsche vromen3)

Daar werd het eerst door lodewijk

Des vijands komst vernomen. Als hij er \'t hart gesterkt had met Een weinig spijs en veel gebed, En met gelaat en woorden De helden, die hem hoorden.

Ginds liep dat smal, dat zorglijk pad. Langs de „onbetrouwbre gronden\'4). Dat akembero voor eens betrad, En nooit heeft weergevonden ;

Hier stond hij, met verbolgen hart. Tot d\' ongeraden strijd getart,

En liet zijn koopren lïelen Het „Geuzendeuntjequot; spelen.

Hier wachtte hem dat Geuzenrot, Waarop de Spanjaard smaalde, Met rijklijko\' ernst voor laft\'en spot,

Als \'t hem op \'t vuur onthaalde Van hinderlagen wél geleid. En aanviel met een dapperheid, 1 \'ie toonde wat zij mochten. En onder Wien zij vochten!

Hier stool\' hem Adolf in \'t gemoet. Door \'t vurig ros gedragen.

\') Le Seigneur... de Sa grace vous a si richement eslargy ses dons, qn\'aveeq Ie bon vouloir et singuliere bonté que se liet. sur vostre face, vous avez aussi etc. Charles dteshove, le iils, au Comte louis nassau. Groen v. Pr., Archives dc la Mtri\'O\'i d O range-Nassau ii, 297,

-) Die moeder had liare vijf zonen (Willem, Jan, 1.odewijk, Adolf en Hendrik) allen in den gebede aan God en zijne zaak toegewijd,

;1) Een nonneklooster, naar de orde van Norbert. (Praemonstratensen.) 4) De „ Campi faLlacesquot; van Tacitus.

316

-ocr page 349-

op hkt veld bij heiligert.ee.

Het oog in vlam, het hart in gloed.

Om \'t al voor \'t al te wagen.

Hier toonde hij zijn heldenaard,

En zocht den Veldheer met ziin zwaard, \' .

Kn hadd\' hem \'t hart getroffen----

Als \'t lood hem neer deed ploïen.

,

Hier wreekte \'t heir zijn vroegen dood,

Met woede niet te toomen._

Eén worstling nog..,. De vijand vlood;

Zijn neerlaag was volkomen. ,

Naar allen kant uiteengespat. Vv\' •

Zocht hij vergeefs het veilig pad, \'f\'quot;

F,n vnjirl zif.h n.fcrftsneden.

r h

En vond zich afgesneden. Verdrongen en vertreden.

Hier heeft de bodem meegestreên

Voor die zijn vrijheid kochten, V

Met drassig moer, met brokklig veen, jj,.

En groene watertochten.

Den vrienden trouw, den vreemden valsob.

Bedroog, verzwolg hij tot den hals Meer van hun honderdtallen Dan lood of staal deed vallen.

gt;

m

Hier werd de zegevaan geplant, Die schooner nog deed hopen!

Hier ging de buit van hand tot hand,

Met \'s vjjands bloed bedropen.

Zoo was de lens gestand gedaan Van „wicueiavixnen ot vergaan,quot; — Trompetten aan de monden.

Die \'t land de maar verkonden!

Hier werd. met woeste vreugde, op \'t veld

Bespreid met duizend dooden.

Het ros van d\' overwonnen Held

Den Winnaar aangeboden;

Maar hier ook stortte lodewijk Een traan bij \'t broederlijke lijk, Een traan, als heldenoogen Om heiden schreien mogen.

„öraaf adolf is gebleven

„In Friesland, in den slag!

„Zijn ziel, in \'t eeuwig leven,

„Verwacht den jongsten dag.quot; \')

31V

\') Wllbeimuslled, 4ile couplet.

-ocr page 350-

OP HET VELD BIJ HEILIGERLEE*

Die zoo veel groots deed hopen

Voor d\' ongeboren Staat, \')

Moest niet den dood bekoopen Zijn eerste heldendaad.

Geen bloei van jonge jaren,

Geen vorstlijk edel bloed,

Geen vroege lauwerblaren,

Gewonnen door zijn moed,

Geen broederlijke zorgen,

Geen moederlijk gebed.

Heeft, op dien grootschen morgen. Dat dierbaar hoofd gered.

Dat dierbaar hoofd moest vallen,

Gelijk een bloem op \'t veld; De zegepraal vergallen,

En toonen wat zij goldt.... Gij „Herberg der Gemeente!quot;1)

Ontvang \'t roemruchtig lijk, — Eens rijze een praalgesteente,

Zijn rang en deugd ten blijk!

„Graaf adolp is gebleven

„In Friesland, in den slag;

„Zijn ziel, in \'t eeuwig leven,

„Verwacht den jongsten dag.quot; Graaf lodewijk zal volgen;

Graaf hendrik, nevens dien In \'t slaggewoel verzwolgen. En nimmer weergezien.

De barre Mookerheide

Verbergt hun eindlijk lot; Een engel voerde beide

Tot Adolf en tot god.

Graaf jan daalt, zat van dagen,

In \'t graf niet vreedzaam neer. Dan na drie zoons, verslagen Op \'t bloedig veld van eer.

En hij, die om te „ontvangen „Van God, na \'t zure, \'t zoetquot;

318

1

-) Kmbden, in Oostfriesland; dus geheeten als het toevluchtsoord van zoo veel vaderlandsche ballingen en vluchtelingen om des gewetens wil.

-ocr page 351-

OP HET V KLD BIJ UEILiaERLEE. 310

Dit eene bleef veriangon

,In \'t vorstelijk gemoed:

„Dat is, dat hii mocht sterven

„Met eeren, in liet veld, ,Een eeuwig rijk verwerven, „Als een getrouwe heldiquot; 1)

Hij, dierbrer aan de harten

Dan de andre vier te zaam, In dezer tijden smarten.

De liefste en schoonste naam: Oranje, meer dan allen

Bemind en half vergood.

Moest door een sluipmoord vallen, En stierf den marteldood.

O Hemel! toon erbarmen Aan uw ellendig volk!

Wie zal het nu beschermen?

Wie redden uit de kolk,

De zee, de diepe stroomen,

Het schip van \'t Vaderland, Nu hij is omgekomen,

Die, RUSTIG IN DES BRAND DER GOLVEN KN DER BAREN, 2)

Aan \'t roer stond, kalm en vast, Om „met Gods hulp te varen,quot; Al kraakten steng en mast\'?

Schept moed, zijn onderzaten!

Heft op \'t mistroostig hoofd! God zal u niet verlaten.

Al zijt gij nu beroofd.

Hij zal een redder vormen.

Die u ter hnlpe koom — het telgje, in spijt der stormen,

wordt mettertijd een boom. 3)

Prins Mauri ts, held der helden,

En schranderst legerhoofd! Wie zal uw roem vermelden.

Door later nooit verdoofd? De sterkste steden bogen.

Werd slechts uw Komst gemeld, En de opslag van uw oogen Sloeg legers uit het veld.

\') Wilhelmuslied, 9de couplet.

-) „Saevis tkanquillus in uxdis.quot; Motto van Prins Willem. 3) „Tandem fit suuculus aruor.quot; Motto van Prins Maürits.

\\

\'1

-ocr page 352-

320 op het veld nu heiuger1.ee.

Hoe zegende, onder \'t /.weven

Rondom zijn bloedig bed,

Graaf adolp \'t hoofd zijns neven

Bij ,Groningen gered!quot; \')

Ifoe vlocht zijn geest hem palmen

En lauwren om de kruin,

Bij \'t overwinning-galmen,

fn Nienwpoorts roemrijk duin!

Maar toen „ue stededwingeuquot; 2)

Het vrijgevochten land,

Geteekend door Gods vinger,

Gezegend door zijn hand.

Zijn gordel had geschonken Van Negen sterke steên —

En straks de vrêebazuinen klonken Zoo ver de zon dit erf bescheen;

Toen \'t tiuj gemeenebest zijn plaats En rang nam onder \'s werelds machten,

De dag des goeds den nacht des kwaads Vervangen kwam en \'t leed verzachten;

Maar toen, voor aller volken blik,

Het kleinst, maar krachtigst volk der aarde De macht der vrijheid openbaarde,

Al wat tirannen heet ten schrik;

Toen \'t, door de vrjjheid rijk en groot,

Zijn vlag vertoonde in iedre haven,

En van twee werelden de gaven

En schatten opving in zijn schoot;

Toen, toegelachen door haar gunst.

Zijn grond zich ophief, na \'t vertrappen. De kweekplaats werd der wetenschappen.

Het lievlingsoord van elke kunst;

Een toevlucht voor de Waarheid, lang Verstoeten van bebloede altaren;

Een vrijplaats allen martelaren;

Van godsdienst- en gewetensdwang:

Toen werd met volle hand gemaaid,

Ter schuur gebracht met rijken zegen.

Wat, onder zoo veel storm en regen,

Hier \'t eerst, met tranen was gezaaid.

\') De bevrijding van Groningen uit de mueht der Spanjaarden door Prins Maurits, in 1594. Is bedoeld.

-\') Eervolle bijnaam van Prins Fiiederik Hi-ndkik.

r

-ocr page 353-

op het veld bij heiligerlee.

Toen werd de gulden vrucht geplukt,

Die op den eedlen boom gegroeid was,

Wiens wortel dikwijls blootgerukt En met het kostbaarst bloed besproeid was.

En nu — hier staan wij. Vorst en Volk! Een eeuw, en nog een eeuw verdwenen;

Niet altijd heeft de zon geschenen;

Niet zelden dreigde wolk bij wolk.

Soms was de Vrijheid in gevaar;

Soms werd haar dierbaar erf geschonden;

En eenmaal werd, op haar altaar,

Het heilig vuur gedoofd bevonden.

Maar op dit veld, waar adolk viel,

Waar lode wijk zijn lauwer haalde.

Waar de eerste straal van licht op daalde, Hetuige \'t onze dankbre ziel:

Met Nassau, met okanje aan \'t hoofd, Beveiligd door zijn staf en degen,

Is ons geen voorrecht ooit ontroofd.

Maar wel \'t verloorne weergekregen.

Die hoogste macht beschikte \'t zoo,

Die over ons dees hemel welfde:

Het bloed der nassaus bleef het zelfde, Van Heilgerlee tot Waterloo.

En zoo, om \'t even van wat kant,

Een vijand dreigde of onheil baarde,

Zien zoudt gij dat het niet ontaardde,

Altijd gereed voor volk en land.

Wij weten \'t, Vorsten, die ik groet!

Waar \'t nood — des Konings bloed zou vloeien En, met het Uwe, een grond besproeien. Gedrenkt met Uwer Vaadren bloed.

Zoo lang — (o God! dat niets ons scheid\'!) -Oranje Neerlands Kroon zal dragen.

Wordt strafloos nooit een hand geslagen Aan Neerlands Onafhankelijkheid.

Maar \'s Hemels gunst schenkt ons den Vreê, En, met den Vrede, zegeningen,

Die psalmen tot zijn eer doen zingen.

Van veld tot veld, van ree tot ree.

-ocr page 354-

OP HET VEL1J HIJ HEI LIG ER LEE.

Ziet om u, Broedren! \'t Slagveld bloeit Van friasche klaver, golvend koren;

En brood en goud bedekt de voren,

Waar \'t bloed der helden heeft gevloeid.

\'t Moeras draagt oogsten, waar gij ziet; De dorpen zijn gegroeid tot steden;

Waar elk des levens lieflijkheden Met on-benepen hart geniet;

Waar elk met lust zijn post betrekt.

Zijn werk verricht en plukt de vruchten;

Waar slechts het misdrijf \'t zwaard moet duchten Dier Wet, wier schild de goeden dekt.

De wetenschap stalt ons haar licht Niet enkel uit, maar roert de handen,

En toegepaste kennis sticht Nieuwe „unie\'s van bk zeven landen.quot;

Bracht niet de stoomtrein op dit veld \') Het halve vaderland te zaraen?.., .

Een wenk!.... De telegraafdraad meldt In Spanje ons feest en nassaus namen!

Ontwikkling, welvaart, overvloed,

Nieuwe onderneming, grootsche werken:

Ziedaar; waar God de hand wil sterken;

Ziedaar, wat Vrede en Vrijheid doet.

Vrij — o mijn Volk! wie is \'t als gij,

In nw Oranje-schaüw gezeten?

De tong, de pen, de pers, \'t geweten.

Aanbidding en belijdnis vrij!

Waardeer uw voorrecht, Nederland!

Erken \'t als gift van Gods genade;

Kweek, eer, ontzie het, vroeg en spade;

Versterk het door uw eendrachtsbaml!

Sticht op dees plaats een eer tropee!

Dat een gedenkzuil rijze,

Die \'t roemrijk veld van Heilgerlee

Aan kroost en nakroost wijze,

Van adolfs lof de ziel vervuil\',

322

Van lode wijk doe hooren.

1) De spoorweg tusscben Groningen en Winsohoteu was juist sedert den eersten MeiN yeopend.

-ocr page 355-

OP HET vell) BIJ il ELL1QEULEK.

Van nassaus leeuw het eerst gebrul

Herroep voor hart en ooren!

Bestrooi met rozen d\' eersten steen,

Aan wien wij \'t welkom zingen;

Plant bloeiend hout om \'t voetstuk heen,

Meidorens en seringen;

Dat telken jaar, wanneer de Mei

tiaar bloemen weer komt schenken, Een geur zich over \'t land versprei

En hunner doe gedenken\'.

Maar ook, begraaf er d\' ouden twist

En laat geen nieuw\' ontspruiten!

\'t Volk, dat inwendige eendracht mist,

Is zonder kracht naar buiten.

Verbeurt zijn vrijheid, en \'t genot

Van al haar zegeningen,

Verstoort zijn bloei, en zal zijn God Tot harde lessen dwingen.

Gij niet aldus! De wereld zie

In u een volk, vereenigd En krachtig door een wijsheid, die Geen wonden slaat, maar lenigt;

Een volk dat, vreedzaam, vroom en vroed, Met zijne ervaring voordeel doet;

Waar allen samenwerken Om aller hand te sterken!

Waar eerbied heex\'scht voor ieders recht

En ieders rein bedoelen;

Waar arm en rijk, en heer en knecht

Zich land-genooten voelen;

Waar de eene stand den andren eert.

Geen enlile deugd haar lof ontbeert. En handen saamgeslagcn Den troon des Konings schragen.

Geen volk dat, voor zichzelven wreed

En met zijn toekomst spelend. Brooddronken zijn geluk vertreedt.

Uit weelddgheid krakeelend;

Waar hoogmoed tegen hoogmoed strijdt; Waar eerzucht afguus.t baart en spijt;

Waar lastren en verdenken Des naasten zielsrust krenken;

Waar godsdiensthaat don godsdienst moordt

En spot met broederplichten;

Maar, waar men leeft naar \'t Heilig Woord,

-ocr page 356-

op het veld dij heiliqerlee.

Dat niet dan goeds kan stichten;

Waar God gevreesd wordt, met ueii daad, Alle ongereclitigheid gehaat,

En ouders kindren leeren Het best de besten te eeren;

Een volk, door zielegrootheid groot. Wat aanzien \'t worde onthouden!

Sterk door den sterken bondgenoot.

Op wien de Vaadren bouwden; Van wien oranje schreef;\') tot wien Ook lodewijk had opgezien.

Toen hij, voor \'t oog der aarde. Den vrijheidskamp aanvaardde.

Zoo moge \'t zijn! De wereld hoor, ^ Van dees gewijde stede.

Een kreet, die door de wolken boor, _ Een duren eed, een bede:

Een kreet van vreugde uit volle borst; Een eed van trouw aan Volk en Vorst; Een bêe tot (iod hierboven.

Wiens liefde en macht wij loven!

God! die de vorsten leidt

Naar uwen wil,

Ieder zijn weg bereidt.

Woelig of stil.

God! die de volken hoedt

Naar uwen raad.

Wonderbaar wijs en goed,

In goed en kwaad;

Die ze in den smeltkroes smelt,

Loutert door druk;

Die al hun leed bestelt.

Al hun geluk:

Zegen met milde hand Koning en Vaderland;

Sterk onzen een drachtsband;

Houd Nassaus Huis in stand;

Weer ieder juk!

Weer ieder dreigend kwaad;

324

Smoor allen twist en haat;

1)Uit Dordrecht, 9 Aug. 1573, aan die van het Noorderkwartier: „metten aller-oppersten Potentaet der Potentaten alsulcken vasten vcrbo\'nt...Zlo den Brief bij bob, B. VI. 327, 8.

-ocr page 357-

te winschoten.

Stuit elke booze daad;

Ruk al wat schendt en schaadt Uit onzen hot!

Leer Voi-üt en Volk zijn plicht Spaar onsi uw strafgericht;

Laat ons het vriendlijk licht Zien van uw aangezicht! ...

U zij de lop!

TE WINSCHOTEN. 23 Mei 1873.

AAN DES KONING.

Winschotens vreugde stijgt ten top; Het slaat zijn vroolijkste oogen op; Het heeft\'de maar vernomen: Uw Koning is gekomen.

Uw koning uit denzelfden stam, Waaruit het paar zijn oorsprong nam, Dat, op de naaste heuvelen. Herwinnen kwam of sneuvelen.

Uw Koning, van hetzelfde bloed. Het zelfde hart, den zelfden moed, Die even gaarn\' zijn leven Voor uw behoud zou geven.

De Koning, aan het hart zoo dier, Die vijf en twintig jaren schier Een koningsstaf deed vonkelen. Waarom de olijven kronkelen.

Hij kwam, hij kwam op aller wensch; Ook voor dees noordelijkste grens

En grensplaats zijner staten,

Heeft hij den Haag verlaten.

Zijn wenk onthulde \'t denkgesticht. Ter heilger standplaats opgericht, — Hoe klopten toen de harten, Die alle volken tarten;

Die alle volken tarten om Te wijzen ruimer heiligdom

Voor Vrijheid. Eendracht, Orden Dan Neerland is geworden;

-ocr page 358-

f26 te winschoten.

Te wijzen vaster liefdeband Dan Nassau hecht aan Nederland, Dan Nederland blijft snoeren Aan die zijn schepter voeren!

Gegroet, dje komt op aller beê, Gegroet, die komt van Heilgerlee, Gegroet, gegroet, o Koning, Met vreugde- en dankbetooning!

Winschoten was een dorp, niets meer, Toen Nassau krenkte \'t Spaansche heir; Nu pronkt het bij uw steden.

Maar nooit zoo fier als heden!

Nooit zoo hoovaardig, zoo verblijd, Als nu gij in zijn midden zijt. In \'t midden van ziju zonen Uw aangezicht komt toonen.

Nu frissche jeugd en ouderdom U roepen mogen \'t wellekom, En maagdelijke vingeren U groen en bloemen slingeren;

Nu vaderlandsche moedermin De jongsten van uw groot gezin In de armen op mag heiïen.

Op dat ze uwe oogen treffen;

Nu u de mannen-trouw en kracht Van \'t breedgeschouderde geslacht, Dat hier mag ademhalen.

Van \'t voorhoofd toe mag stralen.

Nu, in dees langgewenschten stond. De eenstemmigheid van hart en mond, O Koning! voor uw ooren De bede mag doen hooren;

De bede: Koning! leef, regeer.

Nog lang in vrede, macht en eer. God dekke uw hoofd en wegen Met allerhande zegen!

Van waar de Dollart mot zijn slijk Deze oorden vruchtbaar maakt en rijk. Tot waar de Zeeuwsche stroomen Hun Leeuw zien bovenkomen;

-ocr page 359-

TE WINSCHOTEN.

Van waar de Rijn langs Lobith spoedt, Tot waar het Vlie de wimpels groet, De wimpels op de stengen Die de oostergaven brengen;

In Noord ea Zuiden, Oost en West, Waad- zich uw vorstlijk oog ook vest, Zie \'t Neerlands vrije zonen Plendracbtig samenwonen.

Hun vrijheid, door het dierbaarst bloed Gekocht, verworven, en behoed, En ajlen braven heilig,

Is bij uw schepter veilig.

Uw troon gegrond op dank en deugd, Die driemaal honderd jaren heugt,

Dien liefde en trouw ommuren, Zal tijd en lot verduren.

,Oranje boven!quot; blijft de kreet, In nood en dood, iti lief en leed;

Geen andre ga daar boven Dan waar wij God meê loven.

327

-ocr page 360-

PEEST-CANTATE.

VOOR DEN

DAG DER ONTHULLING

VAN HET

NATIONAAL GEDENKTEEKEN VOOU 1813

IN HET

WILLEMSPARK TE \'S-GRAVENHAGE. 17 November 1869.

Het was, aan het hoofd der „Hoofd-Commissie voor het Nationaal Gedenkteeken voor 1813quot;, het verlangen van Prins Fredurik, dat door mij de tekst zou worden geschreven voor eene Cantate uit te voeren op den dag der Onthulling, op een door Z. K. H. te geven avondfeest en waarvan de compositie aan den heer Nicolaï, Directeur der Koninklijke Muziekschool moest worden opgedragen.

Met liefde kweet ik mij naar mijn best vermogen van de vereeltende taak, en had daaraan in eene eerste plaats de aangename kennismaking en eene belangrijke briefwisseling met dezen begaafden toonkunstenaar te danken.

Ons gezamenlijk werk werd ter bepaalder ure ten gehoore gebracht, in tegenwoordigheid van den Koning, de Koningin, den Prins van Oranje, Prins Alexander, Prins Prederik, Prinses Maria de Ministers, het Corps Diplomatique, ten welks behoeve eene Fransche proza vertaling van den tekst vervaardigd was, en de verdere aanzienlijke en uitgebreide schaar der door Prins Frederik genoodigden. Een „Klavieriiiftreksnlquot; van de muziek zag te Utrecht bij Roothaan het licht. Hier geef ik de woorden, met terugneming, in het belang der lecture, van enkele geringe wijzigingen, welke de muzikale bewerking en verdeeling in het oorspronkelijke handschrift wenschelijk hadden doen voorkomen.

I.

In des aardrijks schoot,

In den arm van den dood,

Ligt de roerlooze steen.

Eeuwen aan eeuwen gaan over hem heen; Geslachten verschijnen; Geslachten verdwijnen;

Tronen verrijzen en zinken ineen; Machten en volken komen en gaan: Niets doet hem aan.

-ocr page 361-

FE EST-CA STATE.

Wat op de hoogten der aarde geschiedt, De duistere diepte verneemt het niet.

II.

Houweel en spade,

vervult uw plicht!

Werkzame handen

brengt hem aan \'t licht!

Oog van den Meester,

daal neer in gunst!

Zweet\' om hem henen,

heilige Kunst!

Raak hem met uw vleugelen aan!

Laat over den dooden uw leven gaan!

Geef\' hem ziel, geef hem sprake!

De sluimrende ontwake!

De roerlooze heffe zich op!

Hij roepe ons te zamen!

Hij sta in ons midden,

Verhoffe zijn stem!

Hij doe gedenken Aan bange dagen. Aan heilige uren,

Aan raad der wijzen. Aan moed van helden, Aan trouw van vorsten; Hij wijze ten hemel —

Van waar de hulpe kwam.

111.

Men heeft u vaak benauwd, van vroege tijden.

Mijn Vaderland! en steeds uw val gezocht. Men heeft u vaak benauwd en veel doen lijden.

Doen lijden, maar niet overmocht.

Men heeft uw rug door ploegers diep geploegd;

Die hebben wreed hun voren lang getogen. En smart bij smart tot uw verderf gevoegd:

God was uw kracht — hun wreedheid, onvermogen.

Hy telde uw tranen, zag uw bloed.

En nam uw leed ter harte.

Gaf troost en hoop, geduld en moed En \'t einde van uw smarte.

Uw recht werd niet door hem veracht;

Zijn oor vernam uw klagen;

-ocr page 362-

F EEST-C A NT ATE.

Straks deed hij uit den zwartsten nacht Den schoonsten morgen dagen.

IV.

Nog is het niet vergeten,

Al brak Gods hand ze stuk, Het klemmen van de keten.

Het knellen van het juk;

Nog leven er die weten Hoe bang der vrije ziel De zweep des drijvers viel.

Al ligt zij lang versmeten.

Dat van die bange tjjden

De erin\'ring niet verdwijn!

Den kindren der bevrjjden

Moet ze eenwig heilig zijn;

Hun lijden en hun strijden Met dieper dank herdacht,

Hoe meer zich \'t nageslacht In voorspoed mag verblijden.

V.

De wateren zijn tot de lippen gekomen .

Wee Holland! wee!

De kroon is van uw hoofd genomen;

Wee Holland! wee!

Uw Zonen vinden in verre streken

Een bloedigen dood;

De moeders schreien, van smart bezweken,

Haar oogen rood;

De wraakkreet der vaders stijgt tot de wolken, De grijsaards scholen somber saam — Uitgewischt, uitgewiacht is uw naam Op de rolle der volken.

Zet open de sluizen! Breek dammen en dijken, Bruis over den lande,

Verbolgene zee!

Verslind onze steden, verstrooi onze lijken. Verberg onze schande!

Wee Holland! wee!

VI.

0 kalme Wijsheid, vol vertrouwen,

Die daar, waar alles valt en stort, Ken grond zoekt om weer op te bouwen, Kn in geen storm verbijsterd wordt!

-ocr page 363-

FEEST-CANTATE.

Erntfeste Deugd van \'t onbevlekt geweten Van dringende eerzucht vrij en slordige eigenbaat! En Moed, tot al wat groot mag heeten Altoos bereid, geheel in staat!

Drievoudig snoer, niet haast gebroken,

Aan u hing Neerlands lot,

Ten dage dat een machtig God Het woord der redding had gesproken.

Eere den Mannen, die niet versaagden!

Eere den Vromen, die hoopten efl waagden!

Eere den Wijzen, die waakten en wachtten!

Eere den Braven, die \'t heerlijk volbrachten! Eere het Drietal, die alles bewerkten! Hun beeltenis praal In blinkend metaal!

Eere den Velen, die steunden en sterkten! De duurzame steen Voeg hun namen bijeen;

De zuile der eere vereenige en drage Hun beelden en namen ten eeuwigen dage! De zuile der eere, door niets te vernielen. Vereeuwig den dank onzer dankbare zielen!

VII.

\'t Besluit is genomen,

Het moedig besluit;

Het uur is gekomen;

Zij treden vooruit.

Het volk stroomt hun tegen;

De vijand deinst;

Nu spreekt aller wegen Het hart ongeveinsd.

Oranje boven!

Laat hooren! Laat hooren!

Oranje boven!

De kleur van den Vorst Aan hoeden en borst!

De vlag op den toren!

Oranje boven!

VIII.

Al toeft de Vorst aan \'t vreemde strand.

Zijn hart is in zijn Vaderland!

Al had hem \'t Vaderland verstooten, Het heeft reeds lang hem noode ontbeerd;

331

-ocr page 364-

FEKST-CANTATK.

Hoe wensclit het dat hij wederkeert

Tn \'t midden van zijn landgenooten!

Hij komt; hij komt; op aller beê!

Met blijden golfslag voert de zee

Hem aller open armen tegen.

Wees dierbaar vaartuig! wees gegroet!

Geen ander bracht ons van den vloed

Een grooter schat, een wisser zegen.

Hij komt! Daar is hij! tiod is groot!

Aanschouwt hem? Kindren! \'t Hoofd ontbloot!

Gij Mannen! draagt hem op uw handen!

— lien juichtoon rijst, één feestgeluid,

En hof- en hoofd-stad roept hem uil

Als „Hooi\'\'» en Redder dezer Landkn.quot;

IX.

Prins Willem! dat geen hart vergete Wat gij voor Neerland hebt verricht!... linst zacht in \'t Delftsche grafgesticht!

Maar dat de laatste nazaat wete Wat land cn volk u zijn verplicht.

Geen hoog-gezag kon u bekoren Dan afgeperkt met wijze hand;

Uw wensch was „\'t vu uk Vaderlandquot;;

Het staatsverdrag, door u bezworen, Was heilige Eendrachts zachte band.

Gij hebt een koningstroon bestegen,

Op aller liefde en wensch gegrond; De olijven groenden, waar hij stond.

De gouden halmen ruischten zegen.

De bijen vlogen vroolijk rond.

Het Oosten zond tiendubble gaven, Tiendubhle schatten wel te vrêe;

\'s Lands wimpel vloog van zee tot zee;

Daar was belooning voor den braven. Verhooring voor der armen bêe.

Uw Zonen stonden aan uw zijde.

De hand aan \'t zwaard, het hart vol moed Voor \'t land te sterven scheen hun zoet.

Waaraan hun Vader \'t leven wijdde;

Twee helden van het echte bloed!

332

-ocr page 365-

fekst-cantate.

quot;Rust\', ruste, o Vorst! uw koud gebeente,

131] zooveel Nassaus, ongestoord!

Uw hart kloppe in uw afkomst voort! üw beeld versiere ons denkgesteente!

Uw lof wordt nimmermeer gesmoord.

X.

Het juk is afgeworpen, De dwinglandij gestuit;

In steden en in dorpen Breekt vrooliik leven uit.

Aan Amstel, Maas en Sehelde, Aan Rijn en IJsselboord,

Heersobt blijdschap op den veldo En binnen vest en poort.

In \'t rond, aan al haar stranden, Besproeit de Zuiderzee

Weer Nedeulandsche landen, In vrijbeid en in vree.

En op de groote wateren Doet, als in vroeger dag.

De wind het dundoek klateren Van Neerlands vrije vlag.

XI.

Nederland is hersteld,

Is hersteld in de rije der stalen, Is verlost van het vreemde geweld, Is bevrijd van die \'t smaadden en haatten.

Nederland is hersteld;

Zijn rang en zijn eer zijn herwonnen.

Nederland is hersteld; Een nieuwe tijd is begonnen.

Nederland is hersteld! Trompetten, klaroenen, kanonnen, Vlaggen en vanen.

Dankbare tranen,

Stift der Historie, vermeldt:

„Nederland is hkustei-d!quot;

XII.

Des Heeren hand heeft groote dingen Aan land en volk gedaan;

Dies laat ons, hem ter eere, zingen.

333

-ocr page 366-

FEEST-CANTATE.

En dankbaar tot hem gaan; Nu, daar wij vroolijk juichend maaiden

En droegen in de schuur,

Wat wij met zooveel tranen zaaiden In \'t bang beproevingauur.

„Ons schild en ons betrouwen

Zijt gij, o God en Heer!quot; Op u blijft Neerland bouwen;

Verlaat ons nimmermeer!

Laat ons godvruchtig blijven,

ü dienen t\' aller stond,

Al wat onteert verdrijven Van Neerlands vrijen grond!

Behoed den Koning, Heere, Hesere!

Behoed des Konings Zoon! Dat elk van ons zijn schepter eere,

En schrage zijnen troon!

Bewaar ons vrijheid, rust en vrede. Versterk onz\' eendrachtsband. En neig uw oor tot elke bede Voor Vorst en Vaderland!

Xlll.

O bloem van onze steden, Die, tusschen bosch en zilten vloed,

lüjk in bekoorlijkheden, Dw vijverzwanen voedt!

Bevallig \'s Gravenhage,

Verblijf van vorsten, vorsten waard: Hoe klimt van dag tot dage Uw schoon vooi\' \'t oog der aard.

Uw pleinen en uw parken Breidt ge immer uit, bij \'s hemels gunst. En tooit ze met de werken Der nooit volprezen Kunst.

Gelukkigste der steden.

Op zooveel sieraad prat,

Wat rijk geschenk wordt heden Gevoegd bij uwen schat!

Een zuil rijs tot de wolken Aan \'t Scheveninger stand:

Ook gij verkondigt thans den volken:

„GOU UKDDE NKDERLAND.quot;

-ocr page 367-

feest-cantate.

üe hulde, lang ontworpen,

Verbergt zioli langer niet;

Uw Stirumü en uw Hogendorpen,

Uw van der Dnyns is recht geschied.

En Neerlands uitverkoren,

De Vorst door elk begeerd.

Staat in uw midden als herboren,

Op \'t voetstuk, dat hem dankt en eert.

XIV.

Stijg tot den hemelboog,

Schitter voor aller oog.

Opgericht teeken!

Steen der gedachtenis.

Houd in ons midden wacht.

Blijf ons. bij dag en nacht,

Blijf tot het laatst geslacht Van al wat Hollandsch is Tuigen en spreken!

Gij toont de schoonste Namen:

O dat zij nimmer, nimmermeer Bet nageslacht beschamen.

Maar prikkelen tot eer!

Gij moogt met Beelden prijken Van Vorst en vorstlijke Edelliên:

O dat zij mannen om zich zien,

Die hun in deugd gelijken.

Gij voert veel Wapenschilden, Met Nassaus schild....

„jk maintlendkal!quot;

Met Nassaus Schild in schoon verband :

O dat zij nooit iets anders wilden Dan \'t heil van \'t eenk vadeklasd!

Op uw top prijkt de Leeuw

onvervaard, vrij en groot; Dat God hem beware, zoo kent hij geen nood

Stijg tot den hemelboog\',

Schitter voor aller oog.

Opgericht teeken!

Steen der gedachtenis.

-ocr page 368-

FEEST-CANTATE.

Houd in ons midden wacht,

Blijf ona, bij dajr en nacht,

Blijf tot het laatst geslacht Van al wat Hullandsch is Tuigen en spreken!

Sta op uw breeden voet,

Sta in de stormen vast.

Lijd van geen winter last,

Splijt in geen zomergloed,

In alle wind en weer,

Strek tot uw Makers eer. Wek kracht en moed!

XV.

Dat in ons midden

de Trouw volharde,

de Kloekheid pal sta, de Wijsheid woon, De Deugd regeere,

de Godsdienst wake,

de Dank zich toon!

De toekomst brenge

voor schoone blaadren in \'s Lands Historie de rijkste stof!

De Kunst omstrengel

het hoofd der helden

met de eêlste kransen uit haren hof!

Aan al wat groot is,

aan al wat goed is,

aan al wat schoon is, zij hulde en lof!

De plaats der eere de vrije lucht,

het licht des hemels,

\'t ontzag der volken, van eeuw tol. eeuw, Neerlands Maagd, Neerlands Leeuw!

GOD ZIJ MET ONS!

XVI.

Is God met ons, wie zal tegen ons zijn? Wie tegen ons vermogen?

-ocr page 369-

feest-cantate. 337

Gerust in hem,

stijg met luider stem Het feestlied naar den hoogen!

Stort uit mijn volk, stort uit uw hart,

Laat blijde vivats rijzen!

Vervul de lucht

met uw zang en zucht Mot liefde- en vreugd-bewijzen.

De Koning leef! die d\' eersten steen

Gelegd heeft van dit eergesticht.

Vast sta zijn troon!

Hel blink zijn kroon!

De schepter val hem licht!

Do Koningin, wier vriendlijk oog

De kroon versiert, haar volk verblijdt,

De deugd vereert,

De kunst waardeert,

Zij leef, van zorg bevrijd!

De Kroonprins leef; dat over hem

De geest der groote Vaad\'ren koom!

Leve elke Loot En Stamggnoot Van d\' oude\' Oranjeboom!

Prins Freedrik leef, wiens wenk de zuil

Onthuld heeft en aan \'t oog vertoond!

De Hemel spaar Het grijze haar.

Waar Hij zijn deugd meê kroont!

De Kunstnaar leef, die \'t werk ontwierp!

De Kunstnaar leef! die \'t werk vol wrocht!

Elk die zijn tijd En kracht en vlijt Aan d\' arbeid leenen mocht!

Het vaderland, het vaderland.

Ons dierbaar neerland bloeis en leef!

Met west en oost,

Waar onverpoosd Zijn Vlag en wimpel zweef\'!

in.

13

-ocr page 370-

g-emeng-de gedichten.

ZESDE BUNDEL.

ONSTERFELIJK.

Dichtuennaam zal immei* blinken; \'t Echte lied Sterreft niet,

Eeuwig blijft het klinken.

Krijgsmanseer zal nimmer sterven, Heldenaard,

Ridderzwaard Nooit zijn eerkrans derven.

Maktlaarsbloed blijft altijd spreken; Vroeg en laat Uit dit zaad God zijn Kerke kweeken,,

Eedi.e da au gaat nooit verloren; Lang miskend Zal ze in \'t end Als \'t gesternte gloren.

Vuig vebbaad wordt nooit vergeten; \'t Laatst geslacht Blijft met kracht Schelmen schelmen heeten.

GOD LAAT GROEIEN.

God laat groeien; Die groeien laat is God. Waar roos of lelie bloeien. Waar zaadje of blaadje bot. Daar staat de naam te lazen. Waarmee verblinding spot. Die groeien laat is God. Wie zou het anders wezen? Zijn almacht zij geprezen 1 \'/.ijn goedertierenheid Zij eeuwig lof bereid!

-ocr page 371-

ooi) laat groeien. — de opperzai.e.

God laat groeien;

Do groote God alleen. Wij zaaien en besproeien ;

Maar -wasdom geven\'? Neon. Wy vragen, vorschen, zoeken, In weetlust, nooit gestuit; Wij vinden namen uit, En schrijven ze in de boeken. Maar winden \'t in geen doeken: „Ook zelfs wat groeien is „Blijft Gods geheimenis.quot;

God laat groeien;

Gezegend al wat groeit! De levensstroomen vloeien Daar vol en onvermoeid; De levenskrachten werken Daar dat men \'t ziet en tast. Gezegend al wat wast!

Het doet ons God bemerken. Den Levenden en Sterken, Die niet slechts heeft en geeft, Maar werkt in al wat leeft.

DE OPPERZALE.

En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, daar zij bleven, [namelijk] Petrns en Jacobns, en Johannes, en Andreas, Philippns en Thomas, Bartholomeus en Mat-theus. Jacobus Alphei [zone], en Slmon Ze-lótes, en Judas de broeder van Jacobus.

Deze allen waren volhardende in \'t bidden en smeeken, met de vrouwen, en Maria de moeder van Jezus, en met zijne broederen.

Hand. 1:13, 14.

Een huivering van eerbied schokt mijn leden.

Als ik met mijn gepeis Jeruzalem bereis,

En \'t waag, stille Opperzaal, u in te treden.

Daar zitten zij terneer.

De vrienden van mijn Heer,

Zich sterkende in eendrachtige gebeden.

Mijn heilige verbeelding scherpt haar oogeu.

Dat ze onderscheiden ziet.

Is dit die Petrus niet.

339

Die nu Zijn kudde weer zal weiden mogen\'?\')

l) Joh. 21: 15 en yervolg.

-ocr page 372-

DE OPPEKZALE.

En naast hem, in dien kring,

Ons allei- lieveling.

Die \'t hoofd op \'s Heilands borst had neergebogen. \')

De ziel, „waar geen bedrog in werd gevonden,quot; Spreekt, dunkt mij, uit dit oog.2)

Daar zit hij, die zich boog Naar \'t heilig merk van des Gekruisten wonden.:\') Mij trekt de kruin vooral.

Die \'t eerste vallen zal Om bloedend zijn geloofstrouw te verkonden.

Ziehier, die \'t vroegst het Godslam zoo bescheiden Navolgde -waar hij trad.

En straks het voorrecht had,

Een broeder op dien goeden weg te leiden. ■\') Zie hier den Tollenaar,

Op de eerste roepstem klaar Om lief en leed met Jezus te verbeiden.\'\')

Toont niet dit oog, waarin de vonken gloren. Van noö bedwongen gloed Eens IJveraars gemoed? — 7)

Ziedaar den mond, die ongeloovige ooren Genas door \'t „Kom en Zie!quot;3)

Ziedaar de lippen, die Het „Heer, toon ons den Vader!quot; deden hooren.\'J)

En \'t ongeduldig woord: „Wat mag het wezen. Dat ge u aan ons verklaart,

En geenszins openbaart Aan al des werelds volken ?quot; \'t kwam uit dezen.10) Nooit hoorden wij de stem Des broeders nevens hem;

Ook dien nochtans had Jezus uitgelezen.

Dit zijn zij; dit de mannen, zoo verscheiden Van gaven, aard, en naam,

Gewaardigd al te zaam Zijn godlijk Evangelie te verbreiden;

In Zijne school gekweekt Tot martlaars — Een ontbreekt.... Helaas! waar is „de plaatsequot; des misleiden?quot;)

Gelooft gij nu, gij. Broederen des Heeren? 12) Eu voegt ge u in den kring,

\') Joh. 21: 20. -) Joh. 1 : 48. =) Joh. 20 : 27. l) Hand. 12 ; 1, 3.

5) Joh. 1 : 41. 42. 0) Matt. 9:9. 7) Simon Zelotes, d. I. de Uvoraar

») Joh. 1: 46, 47. \'J) Joh. 14 : 8. quot;o) Joh. 14 : 22. quot;) Hand. 1: 26. 12) Joh.7:5.

340

-ocr page 373-

vier engelen.

Die van zijn Geest ontving \'),

Nadat ge op aard zijn aanschijn moest ontberen? — O Moeder, welk een feest Der ziele! Hier geneest De wond, die \'t zwaard u sloeg, niet af te keeren.

Hij voer ten hemel in, dien gij zaagt slachten, En die u van zijn kruis Den zoon wees, in wiens huis En hart een plaats was voor de diepste klachten Der moedersmart; maar nu!

De Zoons omhingen u!

Dit ovei\'treft gebeden en gedaehten.

En met u zijn de Zustren; deze ,Vrouwen!quot;

Haar liefde liet niet af,

Bij bloedig kruis noch graf.

Wat spelt mij hier het aanzijn dier getrouwen? Dat Jezus zijne kerk Ook door het stille werk Der moeder- en der zusterhand zal bouwen.

O Kleine schaar in de Opperzale! Vrede Zij u! - Voorspoedig zal Uw honderdtwintigtal Zich verveelvuldigen bij de eerste schrede,

Die gij daarbuiten zet!2)

Volhard in smeekgebed!

Tien dagen, en de Heer verhoort uw bede.

Dan dalen al de krachten, lichten, gaven Des Geestes op u neer.

Ten teeken dat die Heer Zijn heerlijkheid, door u, voor de aard wil staven. Dan schijnt de groote zon;

Dan zal de volle bron,

Door awen dienst, den dorst der volkren laven.

VIER ENGELEN.

(Een Recitatief).

Wie is de Engel, die daar komt?

Zijn naam is leven.

Wat zal hij ons geven?

Wat brengt hij onder zijn vleugelen mee?

Strijd of vree?

\'j Job. 20: 22. 2) Hand. 2:41.

341

-ocr page 374-

VIER ENGELEN.

Spaart uw vragen.

Plechtig zullen Een voor een Alle dagen Zich onthullen Zijn verborgenheên.

Een voor een Zal, bij \'t levenwekkend prikkelen Van elk volgend morgenlicht.

Bloem- op bloemknop üich ontwikkolen, Gistren dicht.

Heden ontloken, ontploken, ontvouwd,

Met een nieuwe geheimnis in \'t harte van goud. Staat op en nadert onbeschroomd.

Brengt hem uw groete en eeren;

Gezegend is hij, die daar koomt,

Koomt in den naam des Heeren!

Wie is de Engel die daar komt?

Zijn naam is vbeüou.

Zijn aangezicht glinstert van eeuwige jeugd.

Rozerood als \'t morgenkrieken Zijn aan zijn schoudren de donzige wieken; Blijde als de dag Is zijn lieflijke lach;

Ketenen zullen zijn zilveren voeten,

Ketens van liefde ze kluisteren moeten.

Zal hij wat blijven en stille etaan.

Hij komt om te gaan;

Hij gaat om te keeren;

Hij keert somtijds als smart vermomd. Om \'t even, wij zullen hem danken en eeren. — Gezegend is hij, die daar komt Komt in den naam des Heeren!

Wie is de Engel, die daar komt?

Zijn naam is leed.

Staat op en treedt Hem tegen om eerbiedig hem te ontvangen. Kust hem de harde hand en heet Hem welkom, schoon met bleeke wangen.

Hij zal blijven;

Den helderen hemel verdonk\'ren;

Hij zal blijven;

Lang zal de dag zijn, nog langer de nacht. Tot dat, in zijn schaduw, de taak is volbracht En de kroon in het duister gaat flonk\'ren. Treedt toe, treedt toe, neemt met geduld Den kelk, dien hij u langzaam vult,

-ocr page 375-

LIEFDE TOT JEZUS.

Zgn alsem zal niet deren;

\'t Is artsenij Vooi- u en mij.

Maar wat het zij —

Gezegend, gezegend, gezegend is hij,

Die komt in naam des Heeren!

Wie is de Engel, die daar komtï 74jn naam is dood.

Weest niet vervaard,

Maar den schedel ontbloot!

Want gij staat voor een koning zoo machtig en groet Den raaebtigsten koning der aard.

Glinstrend en kil als het kille zwaard,

Het kille zwaard, dat u zal vellen,

Is \'t oog, dat u in de oogen staart,

De lach, die u gerust wil stellen.

Bedwingt uw vreezen!

Mistrouwt hem niet!

Het is geen kwaad, dat u geschiedt;

Hij komt u bevrijden; hij komt u genezen,

Verbeidt uw lot!

Wilt ook in dezen Gezant van God Den Zender eeren.

En roept, daar zucht en klacht verstomt. Gezegend is hij, die daar komt,

Komt in den naam des Heeren!

Naar Anna Adelaide Procter.

LIEFDE TOT JEZUS.

Naur een lied uit do XVe eeuw.

(van Baerlhe de Kluizenaarster.)

Hoffman v. 1:\'. Niederl. Geistl. LIeder des XV. Jahrb. No. 92.

Horae Belg. X. 182.

Hooge vreugden zijn hierboven

En in eeuwigheid.

Waar de heilgen Jezus loven,

Die hij plaats bereidt.

Mijnen Heiland te behagen.

Kies ik voor mijn deel;

Daar voor sterven alle dagen Is mij niet te veel.

343

-ocr page 376-

VERZEN.

Die des Heilands vriend wil blijven, Zoekt met veel gebeên

Uit zijn boezem weg te drijven Lust en ijdelheên.

Die zijn Heiland mag beminnen Uit een rein gemoed,

Ziet zijn waar geluk beginnen,

Al zijn schuld geboet.

Die zijn Heiland toe mag hooren, Diens geluk beklijft;

Want zijn hart heeft uitverkoren \'t Goed, dat eeuwig blijft.

Die vrijmoedigst kan betuigen Dat hij Jezus mint.

Zal ootmoedigst nederbuigen.

Volgen als een kind.

Die voor Jezus kan verzaken Eigen wil en wensch:

Welk een loon hem rijk zal makan Raamt geen zondig mensch.

Die aan Jezus \'t hart blijft schenden. Smaakt het zoetste zoet;

Al Gods wegen, woorden, wenken Zijn hem even goed.

Hem te zien, den Heer der Heeren. In zijn heerlijkheid;

Daarnaar strekt zich mijn begeeren, — Ware ik slechts tiereid!

Wat is aan de vreugd gelegen Van een nietige aard?

\'t Innig hart vliegt Jezus tegen En wil hemelwaart.

VERZEN.

De verzen zijn bokalen.

Waarin een dichter ziju gedachten giet. Een vers is goed of niet.

Naarmate \'t vol is tot den rand, dien nie\': kan halen, Of over-vliet.

S44

-ocr page 377-

AAN ZEKEREN OUDEN BOOM.

345

ROEPSTEM. —

ROEPSTEM.

In bange dagen.

Haast, haast u, berg u, vlucht in de Ark!

Laat geen Behouder wachten! De doodsschicat vliegt des daags naar \'t merk, De peat verpest de nachten.

Vlucht, vlucht in de Ark! De vloed stijgt hoog;

Luid bruisen storm en baren;

Zwart is het zwerk; toch kan uw oog Die toevlucht nog ontwaren.

Treed in, treed in! Is \'t eens te laat.

Dan blijft gij eeuwig buiten;

De deur, die nu nog open staat,

Is op het punt van sluiten.

Naar het Engelsch.

AAN ZEKEREN OUDEN BOOM.

Ligt de bijl aan uwen wortel, Boom der boomen Opgekomen uit een heilig zaad,

In wiens loof de vooglen vroeg en laat Nestien zouden en ter ruste komen\'?

Meent men dat gij nutloos plaats beslaat? Hoopt men gansch geen vrucht meer van uw loten. Breed, maar al te welig uitgeschoten?

Schaadt uw lommer aan het jonger hout. Waar een nieuw geslacht zijn hoop op bouwt?

Ach wat krak, waar gij wordt omgehouwen, Welk een smak zal \'t geven, als gij zwicht. Welk een vak zich opdoen aan \'t gezicht! Ja, men zal ten lichten hemel schouwen,

Maar verblinden zal voortaan zijn licht. En verbrandend zal de hitte gloeien.

En de ruigte en \'t klemmerkruid verschroeien. Dat veel loot\'s en weinig wortels heeft. Van den drop slechts levend wat het leeft.

Doch men krijscbt: „Laat ons den boom verderven! „Voor zijn stam en takken geen gena!

„Wat te lang gestaan heeft, staat tot scha; „Wat zijn tijd heeft overleefd moet sterven.

„Roei hem uit, dat zelfs zijn naam verga!quot; Glinstrend rijst de bijl voor aller oogen, Kn — de zwarte misdaad wordt voltogen?

-ocr page 378-

man van den dag. — in schoonmaak stud.

Neen, mijn Boom! \'t is vrachtloos U bekampt!

Gu groeit voort; de schendige arm verlamt.

Svellerla non puote,

Se da\' cardlni suoi non svelle il Mondo.

Francesco Gianni.

MAN VAN DEN DAG.

Voor u uit, voor u uit bruisen de baren;

Achter u, achter u sluit zich de stroom; Hechts en links, rechts en links knielen de scharen, Wuiven de kransen en trillen de snaren;

Achter n, achter u eindigt de droom.

Bij uw graf, om uw graf staat men verslagen. Storten bewondraars met vrienden en rnagen

Lofspraak en klachten om \'t hartlijkst en grootst, \'t Graf wordt gesloten — onmisbre! wij weten, Heftig geprezen is haastig vergeten,

Luide gekreten is spoedig vertroost;

Snel is de keer van bewogen gemoederen;

Al te luid. al te luid loofden de broederen;

Al te stil, al te stil houdt zich hun kroost.

TN SCHOONMAAKSTIJD.

De man, die op den schoonmaak knort. Heeft geen verstand, mevrouwen!

Hij doet uw schoonste deugd te kort; Wat deed hij ooit te trouwen?

Voor mij, \'k vergrijp mij nooit zoo grof.

Maar zing uw lof,

Omringd van stof. En denk het vol te houen.

Uw netheid doet ons tweemaal \'s jaars Ter baaierd wederkeeren;

Al dunt dit haar bewonderaars.

Ik blijf uw moed vereeren.

„Tohoe wabohoe,quot; hebt geduld!

Eer drie paar weken zijn vervuld,

Zie dan eens wat gij zeggen zult. En wat u deert, mijnheeren!

Dan zien wij, na \'t verwoedst geklop, üit wolken stofs en stroomen

Van golvend vocht en schuimend nop.

-ocr page 379-

VERIiETEU, EN VERBITTER NIET. — KEN GOEDE RAAD VAN LAVATER. 347

Onze oude wereld weder op-

En boven water komen.

\'t Is allei? helder als een s\'lasj Een f\'rissche geur van kalk en was Wordt overal vernomen.

En wat varscheurd is — is verscheurd,

Wat weggevaagd — gevlogen, Wat afgekeurd is — afgekeurd,

Aan aller blik onttogen, \'t Vernieuwde... (Val nietl Deze mat

Is wel wat glad!...)

Zal uw geluk en iet of wat

De nieuwjaarsschuld verhoogen.

VERBETER, EN VERBITTER NIET.

Verbeter, en verbitter niet;

Toon goedheid, toon vertrouwen!^ Een oog, dat scherp, maar zuiver ziet. Kan bij het kwade, dat geschiedt, \'t Aanwezig goede aanschouwen.

Rechtvaardigheid alleen behoedt

Het zwakke voor versterven; Miskenning dooft den laatsten moed En helpt den struikelenden voet Te wisser ten verderven.

Gij zaagt wel menig_ strijdgenoot. Getroffen door des vijands lood,

Herstellen van de wonden.

Waarin men wijn en olie goot.

En die, al was de hoop niet groot.

Verpleegd werd en verbonden.

Maar waar men zei: ,Zoo goed als dood!quot; En hem op \'t veld liet smachten. Was niet voel heil te wachten.

EEN GOEDE RAAD VAN LAVATER.

Vertrouw hem weinig, die te mild. Met zoeten lach en streelend woord. Aan Jan en en Alleman verspilt Een lof, die enklen slechts behoort;

-ocr page 380-

UW TIJD.

Maar eindloos minder nog den man, Die altijd rondziet of hji niet Iets vindt dat hij berispen kan, En liever schrolt dan hulde biedt;

En allerminst en allerlaatst Het onverschillig koud gemoed,

Door niets geërgerd, niets verbaasd. Dat enkel trots en twijfel voedt.

Nuar Adelaide Anna PROCTEn.

UW TIJD.

Wilt ge ooit iets goeds beginnen; Uw tijd moet gij beminnen,

Uw tijd; een andren hebt gij niet. De vorige verdwenen,

De aanstaande is niet verschenen; Bemin het geen gij voor u ziet.

Vertwijflend aan het Heden,

Te leven in \'t Verleden,

Wat is het anders dan Een schaduw te vergoden.

Den levenden te dooden Voor d\' afgestorven man?

„De Toekomstquot;... Neen, mijn vrinden! Daar is geen hoop te vinden

Dan waar men liefde vindt; De moeder te verachten,

Is weinig goeds te wachten Van \'t ongeboren kind.

„Mijn tijd heeft veel gebrekenquot;.. Daar moogt gij tegen spreken;

Ik bid u, vlei hem niet.

Maar goeds kunt gij niet stichten Zoo lang men, in uw richten,

Geen richter, maar een vijand zieï.

Wilt gij uw tijd bestieren,

\'t Is beter dan hem vieren,

Hem volgen als zijn knecht;

Maar hartlijk moet gij wezen En in uw oog doen lezen:

„Ik deed u gaarne recht.quot;

348

-ocr page 381-

IN HKT NIJENBÜRGBt\'HE BOSCH. — „KENNIS IS MACHT.quot; 349

BeleedigenJ beklagen

Hoeft niemand ooit doen slagen

Tot winning van \'t gemoed; De scherpe hekelroede Veroorzaakt leed of woede,

Maar doet den minsten harten goed.

Slechts hij mag alles zeggen, Die in zijn toon kan leggen

Het harte van een man,

Door liefde altijd rechtvaardig. Grootmoedig, edelaardig.

En die in alles komen kan.

IN HET KIJENBÜRGSCHE BOSCH.

Aan mijne Vrouw.

Zoo kirde de tortel, zoo geurde het kruid,

Toen ik hier u mijn min heb beleden;

Zoo speelde het zonlicht door \'t bladrijke hout.

Toen ik hier u den nood mijner ziel heb vertrouwd. Uwe hand in de mijne is gegleden.

Tien jaren verliepen, vervlogen veeleer;

Onze liefde, ons geluk was gestadig.

Eenmaal dreigde, eenmaal ging er een zwaard door mijn ziel.

Eenmaal was \'t of, in u, mij het leven ontviel —

Maar God spaarde u en bleef ons genadig.

Sinds leeft gij, sinds straalt ge, in onschendbare jeugd, Als een beeld van gezondheid mij tegen;

In uw oogen de tintüng van levensgenot,

Op uw lippen de lach van den vrede met God,

Op uw voorhoofd het merk van zijn zegen.

Nog tien jaren, mijn dierbre! Is het leven niet zoet Voor wie \'t zoetste des levens niet derven?

Nog tien jaren; nog twintig (of vraag ik te veel?),

Met den hemel in \'t harte en met u tot mijn deel, Om daarna in uw armen te sterven.

Juli 18G9.

„KENNIS IS MACHT.quot;

Kennis zij macht: geen macht is goed geplaatst. Ten zij er Wijsheid zij, er boven, of er naast.

*

-ocr page 382-

STAR EN KITS. — AAN KEN PAS GELEERDE. — DE WII.O AAN ENZ.

STAR EN KUS.

Een star voor \'t voorhoofd van den Man,

Een eerkrans voor ziin haren,

Die, in een nacht van donkerheid. Een licht van kennis heeft verspreid. En \'t duister op doen klaren!

Een kus voor \'t voorhoofd van de Vrouw,

Door englenmond te geven.

Die kindren van een edel bloed In eedlen geest heeft opgevoed.

En in hun ziel blijft leven!

AAN EEN PAS GELEERDE.

Beschimp geen voorgeslacht, omdat het vreinig wist Van \'t geen \'t onmooglijk weten konde,

En maak \'t niet tot zoo groot een ;!onde,

Zoo \'t slechts vernuftig heeft gegist.

Zoo gij, wiens wisheid bij \'t vergaderen

Der vrucht van andrer arbeid bliift,

Geleefd hadt in den tijd dier vaderen.

Wier vonnis uw verwaandheid schrijft,

In ons waar \'t nimmer opgekomen Met u te spotten, naar ik acht;

Want vriend! van lieden van uw kracht Heeft nooit het volgende geslacht Den naam of eenig woord vernomen.

DE WILG AAN EEN DICHTER.

Zie het dichtstukje getiteld „Wilgen,quot; in ^Kunslkronijkquot;; 1869. Afl. 3. bl. 9.

Wat maakt gij, in uw schoone zangen,

Waar aan ik willig hulde doe.

Mij uit, als deugde ik nergens toe,

Dan om uw harp aan op te hangen?

Schoei ik de voeten van den schamelen Niet trouw en zorglijk met mijn hout?

Doe \'k, als mijn bloesem zich ontvouwt,

Geen overvloed van honig zamelen?

Want bloesems draag ik, talloos velen En van de besten, die al vroeg\'.

-ocr page 383-

in het diaconessenhurs te utkecht.

(Al zijn ze „een maagdquot; niet mooi genoeg l), Den smaak der jonge bijen streelen.

Beschermen mijn gevlochten twijgen,

Al steun ik tempeldak noch wand, -)

Niet heel een dierbaar vaderland,

Wanneer de felle waatren stijgen.

Een loflijke eik sohaft\' boom en duigen. Tot berging van een kostbaar nat;

Maar mijne hoepels vormen \'t vat — Zoo nuttig zijn ze, die zich buigen.

En schoon ik zaag noch schaaf verdrage. De draaibank noch den vuurhaard dien. Toch wil ik van een Dichter zien Dat hij van mij met lof gewage.

Of is mijn houtskool niet de beste?

(Getuig, vermeld het Kunstkronijk!)_

Waard dat een Kubens, een van Dijk Daarmee zijn meesterstukken schetste?

IN HET DIACONESSENHUIS TE UTRECHT.

De hemel doe zijn zegen dalen,

Zijn gunst bekljjv\'

Op dit Bethesda en zijn zalen,

Veel meer dan „vijfquot;!

Zijn Englen zende hij, zijn krachten.

Tot hulp gereed.

Voor hen, die hier genezing wachten. Uit ziekte en leed!

En Jezus zelf doe, in hun midden.

Zijn aanzijn kond,

„De maagd, die wenscht een krans te winden,

Waar meê ze borst en lokken tooit,

Weet in uw groen geen bloem te vinden.

Geen bloesem die zijn knopje ontplooit.quot;

Wilgen.

„De priester, die \'t gewelf ziet zakken

Des tempels, waar bij de offers biedt.

Zoekt staf en steun, maar uit uw takken Bouwt bij de hechte pilaars niet.

Alleen de dichter, die zijn zangen Niet voor de wereld zingen wil.

Komt aan uw twjjgen \'t speeltuig hangen;quot; enz.

Wilgen.

351

-ocr page 384-

vaderlandsche i.euxen.

En make er, op \'t ootmoedig bidden,

üe ziel gezond!

Men hoore er \'truischen Zijner schreden,

Als Troost en Baat Voor dofl\'en geest en kranke leden Hier ommegaat!

Men voel de aanraking Zijner handen,

In \'t zacht geduld,

Dat daaglijks, binnen deze wanden.

Zijn taak vervult!

Men zie Zijn liefde in de aangezichten.

Zoo blijde en stil,

Van die hier moeilijk werk verrichten, Om Zijnent wil!

Men smake er, bij de vele zorgen

En zware taak,

In bangen nacht en droeven morgen.

Iets van den smaak,

Der vreugde, die in \'thart zal stroomen,

Als \'t uur zal slaan.

Waarin de Heer zal wederkomen. En zeggen: Zusters! wel gedaan!

VADERLANDSCHE LEUZEN.

„Je maintiendrai.quot; De Koning leve! Een dankbre natie schraag zijn troon!

Haar liefde is perel aan zijn kroon. „Je maintiendrai.quot; De Koning leve!

„Vive ie gueux.quot; De Vrijheid bloeie!

Oranje in \'t hart en niemands knecht! De vrijheid is het heiligst recht.

„ Vive le gueux.quot; Zij bloeie en groeie!

„Eendracht maakt macht.quot; De Vrede blijve! Bén vorst, één volk, één wet, ée.i wil!

Geen Godsdiensttwist; geen Staatsgeschil! ^Eendracht maakt machtlquot; Haar werk beklijve

„God zij met ons.quot; Alleen Zijn zegen Geeft aan ons pogen kracht en klem. God zij met ons, en wij met Hem!

God zij met ons, in voor en tegen!

-ocr page 385-

s levens doel. — in den zomer.

\'S LEVENS DOEL.

„Iets te 74jn, iets ve ziju is de droom van den knaap, „En de worstling des mans, iets te worden;

„Maar op eens overvalt ons de oneindige slaap,

,Terwijl we ons de lenden nog gorden.

„Niets geweest, niets geworden,quot; sclirijt\' dat op de zerk „Die het stof van zoo menig komt drukken,

„En gij, volgend geslacht! drijf uw vruchteloos werk, „Tot ook gij voor uw noodlot moet bukken.quot;

„Is de doodslaap het einde, is een graf het besluit, „Welk een ijdle vermoeiing is \'t leven!

„Altijd haken naar morgen; het heden vooruit „Met begeerten, gedachten, en streven...

„En de toekomst is niets, is een eeuwige nacht,

„Is een slaap zonder droom, zonder woelen?

„O mijn God! welk een spel met het menschlijk geslacht „Met de wezens, die denken en voelen.quot;

Neen! Zoo wreed is geen God, geen Oneindige Geest Die den eindigen geest heeft doen worden;

Geen wreedaardige scherts is zijn oogmerk geweest.

Maar een school tot verhevener orden.

Neem het aan, wat de stem in uw boezem u zegt, Eu gehoorzaam de drijving des geestes.

En \'t krijgt alles zijn doel, zijn gewicht, en zijn recht. Wat tot hiertoe uw kwelling geweest is.

Neem het aan! Zet uw voet in de wegen van God, — Kn het licht gaat u op uit de nachten!

Wijs het af — en verga in uw redenloos lot, Uw onvruchtbre verspilling van krachten.

IN DEN ZOMER.

O laat mij dwalen, laat mij dwalen Door akker, veld en dreef;

Laat me onbekommerd ademhalen En voelen dat ik leef!

Laat mij de klare beek zien vloeien Door dit vergeten dal.

Waar schoone bloemen eenzaam bloeien, Eu niets ze storen zal!

Laat mij de lieve zonnestralen.

Van \'s hemels hoogen trans.

35i

Op enkel schoonheid neer zien dalen, Die zettende in haar glans!

TTF.

-ocr page 386-

IK DEN ZOMER.

Laat, in dees kostlijke oogenblikken,

De zachte harmonie Mijn zinnen en mijn ziel verkwikken,

Van \'t geen ik hoore en ziel

Het windje strijkt langs ritslend loc ver,

Waarin een vogel fluit;

Het bijtje gonst met wellust over

\'t Naar honig riekend kruid; Het speelziek vischje, \'t stil geklater

Verstorende der bron,

Vertoont aijn schubben boven \'t water, Die glinstren in de zon.

En al wat ademt, ademt vrede

En rust en stil genot,

En deelt mijn hart de kalmte mede

Van zijn gezegend lot;

En alles vraagt of schijnt te vragen,

Lucht, water, plant en dier:

„Mensch, die gevoelt! van welke slagen „Klopt U de boezem hier?quot;

Laat, laat mij hier den tijd herdenken

Van \'s levens morgenrood,

Toen niets het vol genot kon krenken.

Waar \'t hart van overvloot;

Toen alles licht was voor mijn scnreden.

En bloemen voor mijn voet. En knoppen, die zich opendeden.

Zoo rijk van geur en gloed.

Laat, laat mij, uit de rust van heden.

Terugzien op den strijd,

In \'t diepst des boezems uitgestreden,

In \'s levens heetsten tijdl Er vielen slagen, vielen wonden.

Al bracht geen voorhoofd ze uit; Zij zijn genezen en verbonden.

En heilig is de buit.

Laat hier mijn hart zich voorbereiden

Op d\' avond van mijn dag,

Dfts, eer men \'t wacht, zijn schaduw spreiden,

Zijn koelte brengen mag.

Mijn bloemen voor mijn oogen sluiten.

Mijn zon doen ondergaan.

Mijn arbeid en genoegens stuiten. Het scheidensuur doen slaan.

-ocr page 387-

wat geef ik 0j1 een werelddeel. — gebosdes stijl. 355

Ooit of mij in een oord als dezen De slaap bevangen mocht;

Mijn laatsts rustplaats hier mocht wezen,

Zoo sitil en onbezocht;

Mijn sluimien, onder gindsche zoden,

Waar langs het beekje zwiert, En afgezonderd van de dooden.

Wier graven men versiert!

Dat hier de liefde tusschenbeien —

(De liefde; zij-alleen!)

Een stillen traan bij \'t graf mocht schreien,

Waarin mijn asch verdween,

Maar ook bekomen van haar smarten,

Vertroost en opgeleid Tot een zoet voorgevoel des harten

Van \'t stil giiuk der eeuwigheid.

WAT GEEF IK OM EEN WERELDDEEL?

Wat geef ik om een werelddeel?

\'t Is mij te groot, \'t is mij te veel! Dat ééne land is mij genoeg,

Waar mij mijn lieve moeder droeg.

Mijn vaderland, mijn vaderland,

ü blijft mijn hart verpand!

Wat maal ik om de groote stad?

Ik ben ze moe, ik ben ze zat!

Mijn needrig huis, mijn lief gezin,

Daar leef ik en daar zweef ik in;

Mijn eigen haard, mijn eigen haard,

Gij zijt mij alles waard!

Wat stoft men mij van geld of eer?

Ik heb veel beter, \'k heb veel meer! Een goeden God, een vroolijk hart. Een bron van troost in zorg en smart;

tiod zij geloofd, God zij geloofd,

\'k Heb wat geen mensch me ontrooft!

GEBONDEN STIJL.

Gewis, voor wie de kuust verstaat,

Zijn rijm en maat Geen blok aan \'tbeen, maar vleugels; Doch uw „gebonden stijlquot;, mijn vriend, Die wel te recht dien naam verdient.

Vliegt — als een kind in beugels.

-ocr page 388-

366 dk kkuk op den vluchtiieuvul ingkwiju.

DE KERK 01J DEN VLUCHTHEUVEL INGEWIJD. Lv. (19 Juui 1870.)

De Kkuk oi\' ukn Vldchthkuvel is de kerk, door mijn vriend Heldhing, uit vrijwillige bijdragen, gebouwd, op den kunstmatigen heuvel, welken zijn volhardende ijver, op deze voorwaarde, door vereenigde kracht van Rijk. Provincie, en Gemeente heeft weten te doen opwerpen, onder Valburg, in het midden der Betuwe, ten behoeve der bewoners der z. g. velddorpen, d, i. van die dorpen, die te ver van den dijk liggen om, bij overstrooming en watersnood, tot dezen de toevlucht te kunnen nemen.

Die kerk is ruim genoeg, en behoorlijk ingericht om, bij dergelijk, altijd mogelijk, onheil, eene groote menigte menschen behoorlijk te kunnen herbergen en hun vee te stallen; maar in gewone tijden strekt zij tot bedehuis voor de verpleegden en verplegenden in de drie gestichten van christelijke liefdadigheid (het Asyl Stkenbeek, Talitha Kumi en Bethel) op kleiner of grooter afstand van den heuvel gelegen, alsmede voor de kweekelingen en het onderwijzend pertoneel der Nobmaalscuool voor Onderwijzeressen in Curistelijken zin en geest, van alle welke inrichtingen, in een zelfden oord, in de laatste vijfentwintig jaar, achtereenvolgens verrezen, dezelfde Heldring niet alleen de Stichter, maar ook de Hoofdbestuurder, de Leeraar en de Ziel is en lang nog blijve!

Op den zondag der plechtige inwijding van daze kerk, was de morgendienst met het zingen van Ps. 84: 1 (Hue lieflijk, hoe vol heilyenot, enz.) aangevangen, en had Heldring aanleiding tot zijne toespraak genomen uit de woorden Joh. 1: 47. „Kan uit Nazaret iets goeds zijn? — Kom en zie!quot; In den avonddienst, waarin ik de hier volgende verzen voordroeg, hadden o. a. eerst de Boetvaardigen van het Asyl Gez. 39: 1. \'2, 3, [Jezus neemt de zondaars aan, enz.), later do kinderen van Talitha Kumi (er worden er ongeveer 150 verpleegd) Gez. 62: 1, 2, 8, (Geloofsartikelen) gezongen, en de jonge dochters der Normaalschool een heerlijk koorgezang uit Psalm 84 doen hooren.

Zie verder over den Vluchtheuvel: Bethel. Alm. voor 1870, blz. 72 en volg. (Rotterdam, M. Wijt en Zn.)

De hand van God bekroont het wei k

En doet zijn goedheid prijzen:

Daar staat de heuvel, staat de kerk.

Die tot zijn eer mag rijzen.

Daar staat ze, en ziet op \'t landschap neer, Zoo rijk gezegend door den Heer,

En wijst, om Hem te loven.

Met stillen ernst naar boven.

-ocr page 389-

Dl\' KERK OP DEN VLUCHTHEUVEL INGEWIJD.

Daar staat ze, om op denzelfden ffrond

De kracht van \'t Kruis te toonen,

Waar eens het heidensch altaar stond

Van Bato\'s oudste zonen.

Daar staat zij, lieflijk middelpunt.

Dat God ons in zijn liefde gunt,

Van wat die liefde werkte,

Wier hand Hij vulde en sterkte.

Daar staat ze, een vrucht der lijdzaamheid

Van \'t onverwrikt vertrouwen.

Dat, daar \'t gedwee Gods tyd verbeidt,

Beloond wordt met aanschouwen.

Daar staat ze, en noodigt van rondom Gods kindren tot haar heiligdom,

En heeft haar deur ontsloten Voor kleinen en voor grooten.

Wij traden aan; een bonte schaar,

Door éenen Geest verbonden;

Wij hebben bij dit Gods-altaar

Ken lofzang opgezonden.

Wij hoorden de evangelie wet:

,11 et goede komt uit Nazaret;

De Goede komt tot allen,

„Die aan zijn voeten vallen.quot;

Hoe troostrijk klonk dat troostrijk lied.

Uw lied, o Magdalenen!

,De Heer verwerpt de zondaars niet,

„Die aan zijn knieën weenen.quot; Hoe schoon beleed der kindren stem Het zaligend geloof in Hem,

Die niet het zachtst ontfermen Hen opneemt in zijn armen.

Hoe treffend heeft een frissche jeugd,

Bij \'t morgenrood van \'t leven, Van godsvrucht boven wereldvreugd

Den psalmtoon opgeheven:

„Hoe lieflijk is uw woning. Heer!

„Eén uur is in uw Huis mij meer „Dan duizend elders, Heere!

„Waarbij ik u ontbere!quot;

Hier, hier is Bethel, hier „een poort

Des hemelsquot; Bethelieten!

Hier waar u \'t evangeliewoord Uit zuivre bron mag vlieten;

357

-ocr page 390-

3Ö8 UE KKKli 01\' DKN VI.UCUTHKUVEL INGEWIJD.

Hier waar de onzichtbre ladder staat, Waarlangs het op en neder gaat, Geredde zielen stijgen,

En englen nederzijgen.

O onze Heldring! Vader, Vrind,

En toevlucht van zoo velen!

Bemind door al wat God bemint.

En in uw werk mag deelen; Voorganger, voorbeeld, elk ten baat, Van trouw der liefde in woord en daad, Door rein geloof gesteven.

Wat dag is u gegeven!

Nu staat het Gonshuis opgericht

In \'t midden dier gestichten,

Waarop des hemels zegen ligt.

Om over \'t land te lichten;

De plaats der Toevlucht voor den dag Van bang gejammer en geklag (God late \'t nooit gebeuren!), Dat dijk en dammen scheuren;

Een plaats van Zogen, te aller tjjd,

Voor die vertroosting vragen, In zielenood, in boezemstrijd,

Om \'s levens last te dragen; Een plaats van Kedding, voor de ziel, Die in den strik des satans viel: Een plaats om \'t hart te sterken ïot lijden en tot werken.

Zoo zij \'t. Algoede! uw macht en kracht

Blijf met hem t\' allen tijde;

Uw oog houde over \'t huis de wacht,

Dat hij u needrig wiïdde!

Die hand, waaruit hij kracht ontving En zegening op zegening,

Die hem op al zijn wegen Gesteld heeft tot een zegen;

Die hand hou hem nog menig jaar

Staande in \'t gezegend midden Der tot uw troon gevluchte schaar,

Die aan dees plaats zal bidden; Die hand blijf zorgen vroeg en laat Voor allen waar dat hart voor slaat. Dat in zoo vele nooden Heeft troost en hulp geboden.

«\'\'

-ocr page 391-

FEESTZANG.

Komt broedren, zustren, oude en jeugd!

Op dezen dag der dagen.

Dankt allen God, en weest verheugd,

Voor wat onze oogen zagen!

Gelijk on?e aanvang zij ons slot: „Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot,

Js mij uw huis, mijn Heer, mijn God!quot; , Denkt op een dag als dezen: „Wat zal de hemel wezen?quot;

FEESTZANG,

gezongen op het Algemeen Evangelisch Nationaal Zencllngsfeest, gehouden te Heiloo. den 22 Juni 1870.

Alle heuv\'len, alle dalen

Loven \'sHeeren liefde en macht;

Waar de zon verspreidt haar stralen.

Waar de maan verlicht den nacht.

Waar geen dauw of regen falen.

Waar een bloeiende aarde lacht; —

Alle heuv\'ien, alle dalen,

Loven \'s Heeren liefde en macht.

Alle kusten, alle stranden

Prijzen Christus, onzen Heer;

Waar zijn heilgezanten landden

Met zijn kruis- en vredeleer;

Waar zijn liefde deed ontbranden

Dankbre harten tot zijn eer.

Alle kusten, alle stranden Prijzen Christus, onzen Heer.

Vrede en zegen, vrede en zegen,

Kroost der Vaadren! over \'t oord.

Waar hun heidensch ofi\'erplegen

Door uw Heiland werd gestoord;

Waar de ruwste kreten zwegen

Voor den klank van\'t zachtste woord! Vrede en zegen, vrede en zegen,

Vrede en zegen zij dit oord!

Blinkt in \'t zonlicht, Hollands duinen!

Hollands beemden, Hollands bosch! Ruischt haar \'t loflied, hoogste kruinen!

Met uw groenen bladerdos;

Bloem en vrucht van Hollands tuinen;

Spreekt ons van de Liefde Gods!

Blinkt in \'t zonlicht, Hollands duinen! Hollands beemden, Hollands bosch!

359

-ocr page 392-

Klaarder zon is nooit gerezen,

Hooger boom nooit opgegaan,

Rijker bloemhof nooit geprezen,

Schooner vrucht lacht niemand aan. Dan die n bekend mag wezen.

Sinds gij \'t Godswoord hebt verstaan! Klaarder zon is nooit gerezen,

Hooger boom nooit opgegaan!

Zos des iTKiLs, verlicht alle oogen!

Godsboom, sprei uw takken wijd! Al gij Vooglen, komt gevlogen,

Waar gij vrij en veilig zijt!

IIkiland, door uw alvermogen.

Bloei heel de aarde in God verblijd! Zon des Heils, verlicht alle oogen! Godsboom, sprei uw takken wijd.

BOEÏVAARDTGHEID.

(Naar gegeven aanleiding.)

Dogmatische tranen schrei ik niet;

Maar van smart en berouw kan ilr weenen.

Om mijn eigene zonde en mijns naasten verdriet, En het meest als zich beiden vereenen.

Niet ,omdat ik in Adam verloren ben;quot;\'

Maar omdat ik mijzelf ging verliezen

Op wegen, waarvan ik de dwaasheid erken,

En die \'t zondige hart mij deed kiezen;

Niet „omdat van de pest, die in Kurdistan woedt, AUe zonde, ook mijn zonde de schuld is,quot;

Maar wanneer door mijn toedoen een broederhart bloedt. Of van angsten en zorgen vervuld is;

Ziedaar wat mij leed doet, beschaamd maakt en smart, Wat mij de oogen kan over doen loopen.

Mijn verstand heeft geen tranen, hun bron is het hart. En \'t getroffen gevoel zet die open.

O mijn God! wees genadig, vergeef mjj de schuld, Die \'k met droefheid, in ootmoed, bel jde!

Ik besef dat gij \'t kunt; ik gevoel dat gij \'t zult, Zoo ik \'t kwaad, dat ik haat, ook bestrijde.

-ocr page 393-

OP I KM A N OS BLADVULLINGEN. - OAltfE DIEM. - JAN VEELSCHRIJVER, ENZ. Btii

OP IEMANDS BLADVULLINGEN.

Lladvullirg noemt gij \'t; ik zou meenen Dit zijn „vervullende edelsteenen.quot;

CARPB DIEM.

Waar \'t leven van gemaakt is

Zij kostlijk in ons oog! De vluchtige uren spoeden,

Niets kan den tijd vergoeden, Die eenmaal ons ontvloog.

Ontvloog ons goud en zilver,

Waarop de wereld drijft,

Schoon \'t zuchten op doe stijgen. Het is nog weer-te-krijgen. Zoo ons de tijd maar blijft.

Blijft hun de tijd maar over.

Die rozen baren kan,

Al keven goede vrinden, Zij kunnen \'t nog weer vinden; Maar is hij om, wat dan?

Dan als dat woord moet komen, Dat vreeslijk woord: te laat! Begint een leed te kwellen.

Door niets ter zij te stellen. En waar geen troost voor baat.

JAN YEELSCHIUJVER.

Jan met zijn slecht voorzienen kop

Schrijft over alles, zonder schromen; Daar zit voor hem niets anders op Om nog eens achter iets te komen.

GRAIN DE BEAUTÉ.

Quel neo, quel vago neo!

Ma ia so. Die Ma el, die soete Mael.

Huygens.

De vervallen Schoonheid spreekt.

„Ten dage van mijn bloeiend sclioon, „Verdronken in een vloed van rozen,

„ Deê \'t zwarte stipjen op mijn koon

-ocr page 394-

HOU 1Ö LIKFUK. — DE GEBROEDERS TE PADUA.

,Die niet dan des te schooner blozen;

,Maav nu ik rimplig ben en oud, „Nu schijnen de eertijds malsche konen „N/ets dan dien doodsvlek te vertoonen „Aan die mijn bleek gelaat beschouwt.quot;

Antwoord.

Zoo gaat het. Wat men gaarn vergeeft, Als duizend üefiijkheên \'t vergoeden, Kan voor hard oordeel niet behoeden.

Wanneer het blijft en ze overleeft. Onze ouderdom komt met gebreken. Maar niet slechts dit! Het oud gebrek. Elks aangeboren moedervlek Doet hij, helaas! te sterker spreken.

GOD IS LIEFDE.

God is liefde, \'t Is zijn liefde, \'t is de liefde, en niet een wet, Die de dingen draagt en koestert en hun ondergang belet.

DE GEBROEDERS TE PADUA.

Een oude en nieuwe geschiedenis.

Het wax een avond schoon en stil.

Twee broeders stonden naar \'t azuren, Gestamde firmament te turen.

Op eens ontstond, een zot geschil.

AXSELMO.

Indien ik zooveel grond bezat Als de uitgestrektheid dezer hemelen!

bartolo.

Indien ik zoo veel schapen had Als ginder zilvren starren wemelen!

anselmo.

Wat zoudt gij met uw schapen doen?

bartolo.

Op uwe weide zou ik rekenen.

anselmo.

En weigerde ik u gras en groen?

baktolo.

Dat zou bij mjj niet veel beteekenen.

ö6-2

-ocr page 395-

de gebroeders te padua.

anselmo.

Hoe dan?

bartolo.

\'k Joeg toch mijn kudde er in.

anselmo.

Dat zou ik wel beletten!

baktoi-o.

Waarmee?

anselmo.

Wel, \'k heb nog meer of min Vertrouwen op de wetten.

bartolo.

Haar \'t weiloon werd u toegeteld! Ik zou u goed betalen.

anselmo.

\'k Ben niet verlegen om uw geld.

tïatttolo.

Dat kon nog wel eens falen.

anselmo.

Elk schaap, waarmee ge in \'t mijne vielt, Zou ik den kop verpletten!

bartolo.

Tn ik de wei, die gi] ine onthieldt, Gansch onder water zetten.

anselmo.

Gij schelm!

bartolo.

Gij Vrek!

anselmo.

Pas op!

bartolo.

Geen nood!.,,.

De, twist ging altyd verier. Op \'t laatst, de degens raakten bloot, En \'t einde was — uir heider dood. Grondeigenaar en Hkkdkr!

363

-ocr page 396-

HAKT KN GKEST. —

GROOT GEMAK. —

HEB LIKF.

HART EN GEEST.

Een enkle vonk valt in de ziel;

Een snaar van \'t hart begint te trillen; Be vlam gaat op, de zang ontwaakt; De band der tong wordt losgemaakt; En \'t Hed stroomt, dat wij hooren willen.

Maar waar die vonk ontbreekt, die snaar Niet trilt, vergeefs verhit zich daar

De geest eens dichters rol te spelen;

Zijn keurigst werk voldoet ons niet.

En zijn volmaakt, maar ijskoud lied Zal ons volmaakt vervelen.

GROOT GEMAK.

Alle schoonklinkende thesen

Zijn klokspijs voor Jan Hol-van-Kop; Bewezen of niet bewezen.

Hij eet ze voor waarheid op. \'t Verwondert mij niet van dat heertje;

^ \'t Verschijnsel verklaart zich terstond

in \'t vacuum komt een veertje

En een goudstuk gelijk o;i den grond.

HEB LIEF.

(Naar Freiligkaïh.)

O Heb toch lief\' zoo lang gij kont,

Zoo lang u God nog tijd verleent;

Daar komt een dag, daar komt een stond. Dat ge aan oen grafkuil staat en weent.

Zorg dat uw hart van liefde brand\' En branden blijve en niet verkoel.

Zoo lang daar van een andren kant Iets voor u klopt met warm gevoel.

En zoo dat andre hart zich sloot,

O Rust niet voor gij \'t weder-wint!

Blijf altijd goed en welgemoed;

Bemin het tot het u bemint.

Maar ach, bedwing vooral uw tong! \'t Onvriendlijk woord ontsnapt zoo snel. \'t Was niet zoo hard gemeend als \'t klonk; Maar dien hot krenkte onthoudt het wel.

-ocr page 397-

stuozzl\'s bijschrift op michel ANÜELo\'s beeld „de nacut.quot; 365

0 Heb toch lief, zoo lang gij kont, Zoo lang u God den tijd verleent!

Daar komt een dag. daar komt een stond, Dat ge aan een grafkuil staat eu weent.

Dan knielt gij op de zode neer,

Ot\' ligt wanhopig uitgestrekt — Helaas! uw doode keert niet weer! — Op wat hem voor uw oog bedekt.

Dan kermt gij: „Zie nog eenmaal op Tot hem, die bij uw groeve weent! Vergeef hem \'t leed, dat hij u deed; \'t Was waarlijk niet zoo boos gemeend\'.quot;

Geen oor, dat hoort, geen oog, dat ziet, Geen wang, die meer uw kus ontvang! De mond, de doode mond kan niet Meer zeggen: ik vergaf \'t u lang.

Toch deed hij \'t; hij vergaf \'t u voort; Maar menig \'bittre traan vloot neer, Om u en om dat vreeslijk woord —

Maar \'t is voorbij; het deert niet meer.

O Heb toch lief, zoo lang gij kont, Zoo lang u God den tijd verleent;

Daar komt een dag, daar komt een stond, Dat ge aan een grafkuil staat en weent.

STROZZI\'S BIJSCHRIFT OP MICHEL ANÜELO\'S HEELD „DE NACHT.quot;

De Nacht, die gij hier slapen ziet,

Is, bij een Engel, uit een marmergroef geboren;

Zij leeft, want anders sliep zij niet;

Wie twijfelt, wek haar, en zij zal \'t hem zelv\' doen hooren.

Michel Anuelo\'s antwoord voou zijn beeld;

Mijn slaap is zoet; \'t ia goed van steen te wezen In dezer tijden schande en druk;

Niet zien, niet hooren is een groot geluk;

Spreek zacht; niets moet ik meer dan \'t wakkerworden vreezen. Uit het Italiaanscb.

-ocr page 398-

natuürkeüs. - bedendaagsciik metbode. - tijdens den oorlou.

NATUUEKBUS.

Aan —

Natüuk is en doet alles; dat\'s de leus;

Lang droeg zij zorg; nu heeft zij zelfs een keus:

Verkiezing ks Verwerping, harde namen Toen ze uit de pen van godgeleerden kwamen, Natuurgeleerdheid brengt ze weer in \'t land!

Maar kiezen onderstelt tocli oordeel en verstand;

Verstand is Geest, geen Stof. Een Geest, die \'t al omspant. Uit alles en voor allen kiest, de velen En \'t enkle kent en keurt en uitzoekt, is — is — God\'? üien wilt gij niet — maar wel met woorden spelen. Leenspreuken, die \'t gemis van wat men mist verhelen, De leer, waarvoor gij strijdt, ten spot.

Tntusschen doen ons deze tropen,

Door hun onmisbaarheid, op beetre wijsheid hopen.

Nature is but a name for an effect, Whose cause is God.

Cowpkr.

HEDENDAAGSCHE METHODE.

Dresseeren, dresseeren,

Schoon \'t hier en daar een geest verstompt, Ziedaar wat onzen tijd behaagt.

En met examineer en De schoonste vruchten draagt!

Eerst moet een .iongling vol-gepompt, En dan weer leeg-gevraagd.

TIJDENS DEN OORLOG.

1870, 1871.

1.

de ouklog vekklaaud.

De dag der slachting is gekomen;

Het lot der volken wordt beslist. Het schorre krijgsgeschrei vernomen.

En moed en moedwil aangehitst.

Haast dreunt de buskruitdonderknal, Waarop de bloedstroom volgen zal.

Kan niets, o God! den storm bezweren. Den toorn verbidden, die hem wekt.

-ocr page 399-

TIJDENS DEN OOKLOQ.

Den vuurvloed, eer hij uitbreekt, keeren,

En half een wereld overdekt?

Gij kunt het, elke macht te sterk.

Maar niet clan door een wonderwerk.

Of moet het, naar Uw raad, geschieden.

Wat wederzijdsche wrok verlangt?

Heet Gij de driften uit te zieden,

In \'t berstend hart vergeefs geprangd? Bereidt, door d\' onvermijdbren strijd, Uw wijsheid ons een beetren tijd?

Moet de oorlogsvlam, waar wij voor huiveren.

Die zooveel goeds verdelgen zal, Den dampkring van de smetten zuiveren,

Die krankheên telen zonder tal,

En branden distüge akkers schoon,

Opdat een beetre vrucht zich toon?

O, maak het kort! Voleindig spoedig

Uw goed, maar vreeslijk werk, o Heer! Bestraf, beteugel, maak ootmoedig,

Doe recht, en — geef den Vrede weer! Den Vrede, die, na bang gemis,

Den volken dubbel dierbaar is!

27 Juli 1870.

II.

BEMOEDIGING.

Neen! nog is Neerland niet in nood, Al hebben vorsten \'t zwaard ontbloot,

Al rees de krijg uit \'s afgronds kolken; Al had verborgen staatsmanslist Het in gedachten uitgewischt Van uit de rij der volken.

Die \'t op de rol der volken schreef, In zoo veel nooden \'t sterken bleef.

En \'t uitgered heeft zoo veel keeren; Die \'t eigen taal en volksaard schonk. Die nooit gewild heeft dat het zonk, Regeert en blijft regeeren.

En zoo een natie, onder God,

Op Vorsten zien mag, en zjjn lot

Mag toebetrouwen aan zijn helden: Oranje leeft; en \'t Neerlandsch bloed

36

-ocr page 400-

368 TIJDENS DKN OOKLOU.

Zal niet verzaken d\'ouden moed,

Waar \'fc vrijheid, recht, en eer zou gelden.

Lig waakzaam neer, zie rustig rond; Gij hebt nog tanden in den mond;

Gij hebt nog nagels aan de klauwen;

Hebt immers nog een hart in \'t lijt\', O Leeuw van Neerland? Leef, en blijf De pijlen bij elkander houen!

Aug. 1Ö70.

II [.

HET SLAGVELD VAN GRAVELLOTÏE.

Hoe liggen op de velden

Door de oorlogsplaag vernield,

De wederzijdsche helden

Verwond, verminkt, ontzield!

Als rijpe korenaren.

Na \'t vlijtig sikkelslaan.

Als dorre en — groene blaren. Na \'b woeden van d\'orkaan!

Hier is oen hoofd gevallen.

Veel honderd hoofden waard;

Het heeft die duizendtallen Gerangschikt en geschaard;

Het zag voor duizend oogen; Het dacht voor heel een heir..

Eén kogel komt gevlogen — Het ziet en denkt niet meer.

Hier ligt een hart doorschoten, Aan alle deugden rijk;

Van duizend strijdgenooten.

Geen enkle dien gelijk;

Voor kindren, gade, vrinden, Oneindig goed en trouw —

Gij zult zijn graf niet vinden. Bedrukte weduwvrouw!

Dees hand, van d\' arm geslagen Die nog voor \'t laatst vertrok

Heeft wondren op doen dagen Uit marmerblok bij blok;

En deze vuist, om \'t wapen Bestorven, dat zij droeg,

Won voor een huisvol knapen Den kost, bij spade en ploeg

-ocr page 401-

TIJDENS DKN (JOKLOO.

Dees heeft er veel genezen,

Gered uit ziekte en dood; Die, velen onderwezen,

Die, schafte duizend brood.

Dees zag zich \'t deel beschoren. Zoolang met smart verwacht; Diens zon begon te gloi-en.... Nu drukt hen ééne nacht.

0 Mannen, vaders, broedei-s, Aan huis en volk zoo nut! 0 zonen, van uw moeders Het sieraad en de stut!

Gij keur en kern van \'t heden.

En hoop der toekomst! Spreekt Wie zal uw plaats bekleeden? Wie komt, waar gij ontbreekt?

Gij kunt geen antwoord geven;

Stil zwijgt gij in uw bloed; Zooëven nog vol leven.

Vol levenskracht en moed. Gedachten, wenschen, beden.

Scherts, ernst, en luim, en lust, Op eenmaal afgesneden.

En alles uitgebluscht!

Daar ligt gij onbegraven.

Onkenbaar, wild dooreen;

Reeds zweven kraai en raven

Bloeddorstig om u heen. Wat baat u, doode helden!

Of dank en lofgeschal üw heldendood vermelden En uitbazuinen zal ?

Trompetten, pauken, trommen!

Een nieuwe dag breekt aan. \'k Zie nieuwe heldendrommen

Vol geestdrift strijdwaarts gaan. De hooge vaandels wapperen;

Het schittrend morgenlicht Blinkt op \'t kuras der dapperen -Het is een schoon gezicht.

Daar knallen do eerste schoten!

Daar rijst het woest misbaar! Daar naadren zich en stooten De legers op elkaar!....

-ocr page 402-

TIJDENS DEN OOHLOG.

Uit duizend donderslagen

Ontwart zich — zegezang!

Maar \'s Hemels Englen klagen: Hoe lang nog, Heer! hoe lang?

Aug. 1870.

IV.

tHïBOEZEMTNG.

(Na Seian.)

De Heer regeert! Een beter tijd

Is voor deze aard geboren.

Met bloed en tranen ingewijd,

Komt hij te voorschijn uit den strijd, Om als een zon te gloren.

Europa zal niet langer aan

Parijs bevelen vragen;

Niet meer aan Franschen leiband gaan; Een beter licht zal bovenstaan; Een schooner dag zal dagen.

Daar zal een hart, daar zal een hoDfd,

Daar zal een geest regeeren,

Die in den hoogen God gelooft. En \'t eindeloos gesnoef verdooft Van helsche mode-leeren.

De vrucht des denkenden verstands.

De kracht van wijze wetten,

De deugd der vrouw, de trouw des mans, Der zuivre zeden reine glans Zal \'t nieuwe voorbeeld zetten.

De wind zal uit een beter hoek

Langs alle bergen stroomen. En maken alle harten kloek. Die sidderden voor ban en vloek Van een onfeilbaar Romen.

„Italia fat-a da se.,quot;

Van \'t Fransche blok ontslagen; En Spanje, in onrust of in vreê. Beschikt zijn eigen wel of wee,

quot;Naar eigen welbehagen.

De Britsche Luipaard soheeloog vrij; Zijn hulp is overbodig;

370

-ocr page 403-

TIJDENS DEN OOKLOG.

De vrees voor Frankrijk is voorbij; Het tegenwicht aan de overzij Der war.tren niet meer noodig.

Want de Aadlaar, die nn zweven mag

Op zijn verbreede vlerken,

Houdt alle volken in ontzag Met dien geducbten vleugelslag, Waarin hem God blijf stwken.

Hij zal roofgierig zijnen blik

Op vriend noch vreemde vesten, Geen vrijen lokken in den strik,

Geen vredelievenden met schrik Opjagen van hun nesten.

Maar onder zijner vleuglen schaüw

Wat saambehoort vergaderen, Bewaken \'t met zijn oogen trouw, En weren fel met neb en klauw Al wie zijn horst durft naderen.

Ook gij, mijn Vaderland! zult vrij,

Zult onafhanklijk blijven;

Mits zich nw hart in \'t recht verblij.... Het is eens dichters profecij.

Die ge in uw boek moogt schrijven.

5 Sept. 1870.

V.

AAN LODEWIJK NAPOLEON.

Geen schimp of smaad op uw vernederd hoofd. Van Cesars krans, Augustus kroon beroofd,

Geen spotkreet bij dien glans, op eens verdoofd. Na tergend blinken!

Maar deze vraag bij \'t blusschen van een zon, Wier nedergang geen wonder schorten kon. Of God u onrecht doet, Napoleon!

In \'t roemloos zinken?

Uw vijand dreef u toornig voor zich heen; Uw leger weet zijn rampen u alleen;

Uw volk verzaakte u; u ter gunste geen Een woord dorst wagen;

371

-ocr page 404-

tuüens den ooai.oa.

üw Keizerin verborg haar machtloos schoon; \'t Rampzalig kind, veroordeeld tot uw troon, Verwenschte \'t uur, dat hem van Keizerszoon Den naam deed dragen.

En nu! \'t Is uit. Gevangen, weggevoerd; Dat trotsche hoofd geknakt, die mond gesnoerd; Gebracht waar gij zoudt komen, waar gij zwoert Te zegepralen!

Waar zijn de vleiers nu des „Grooten Mans?quot; Wat doen voor hem Europa\'s Vorsten thans? Zij koesterden zich gistren in den glans.

Dien hij deed stralen.

Ach gij bedroogt, en werdt bedrogen. Schijn, En anders niet, mocht uwe grootheid zijn.

Maar de Almacht sprak te barer tijd:,Verdwijn, „Wees niet met allen!quot;

Hier viel, getroffen door een bliksemstraal,

Geen Aadlaar uit de lucht, als de eerste maal, Alleenlijk is van zijn te hoogen paal Zijn beeld gevallen.

Gij weet het, die uzelven kennen moet;

Wiens hart alleen verachting heeft gevoed Voor wat er boog en omkroop voor uw voet, En heimlijk lachte.

Die vreugd is uit, in bitterheid verkeerd; De laatste lach is uit uw ziel geweerd; Zij lachen, die gij \'t lachen hadt verleerd — In uw gedachte!

O Kaas niet op „dien helschen keer uws lots!quot; Buig neer de kruin! Erken het oordeel Gods! Het wreekt niet slechts uw Keizerlijken trots. Uw godheid-spelen!

Het wreekt de trouw en de eer, door u verzaakt, Den meineed, die u Keizer heeft gemaakt, Den gruwelnacht, dien gij hebt doorgewaakt Met moordbevelen.

Het wreekt.... 0 gij zult weten wf-t het wreekt. Zoo maar \'t geheugen werkt, \'t geweten spreekt. De wroeging haar vert-erend vuur ontsteekt. De hamer, die het hardste hardsteen breekt. Den berg kan sloopen,

372

-ocr page 405-

tijdens dun oorlog.

Zich opheft en zijn werk doet, onverkort! Vorst! Al uw wonderboomon zijn verdord; Uw Babelstoren ligt in puin gestort: Alleen als ook uw hart verbrijzeld wordt. Staat iets te hopen.

5 Sept. 1870.

VI.

aan kom:.g wilhelm.

Vervolg uw weg, voorspoedig Held!

Wat kan uw loop beperken?

Gij hebt den Arend neergeveld:

Gij kort den Haan de \\lerken. Gij jaagt hem wreevlig binnen t hok, Bedreigt xijn sluiting en zijn stok. Verleert hem \'t koningkraaien, En laat uw toorn niet paaien.

Verschriklijk maakt uw lood en staal

Een eind aan \'t roekloos tarten. Aan hol gezwets en leugentaal

Van diepbedorven harten De Seine, bevende en in pijn.

Betaalt voor uw bedreigden Rijn;

Parijs zal aan uw voeten Berlijnsche droomen boeten.

Niet altijd zal, niet langer mag — Uw veerkracht zal het keeren — Een driest, een ingebeeld gezag

Geheel Éuroop regeeren;

Niet langer, met de hand aan \'t zwaard, Eén volk de schrik zijn van heel de aard, Maar u een waarborg schenken Van niemands rust te krenken.

Zoo zij \'t! Doe, in des vredes naam, Dien dienst aan \'s werelds volken! Een dankbaar nakroost zal uw faam

Verheiïen tot de wolken.

Maar heeft uw arm die taak volbracht, Maak, maak geen misbruik van uw kracht. Wees van \'t geslacht dergenen, Wie rockend puin doet weenen.

Bestrijd den snoever; straffe uw kling

Die vruchtloos zich verzetten;

Maar ga geen overwonneling

373

-ocr page 406-

TIJDENS DEN OOliLOO.

Met ijzren voet verpletten.

Schenk aan ootmoedigen den vreê, Eu keer een slagzwaard in de scheè, Onwillig opgeheven,

Waaraan geen smet mag kleven.

Geen smetvan heerschzucht, smet van roof

Onteer \'t rapier des braven!

Het mag geen nooit te dempen kloof

Van wrok en wrevel graven. De latawer, oie dat zwaard bedekt. Zij een, die \'s vijasds eerbied wekt, Die achting vindt bij allen, En \'s Hemels welgevallen.

Geen weekheid — gij gedenkt uw plicht

Aan zooveel heldenzielen,

Als, de oogen op uw doel gericht,

Getroost op \'t slagveld vielen! — Maar kkacht! De kracht van\'t zelf bezit, Dat, na \'t beschieten van zijn wit.

Geen nuttelooze pijlen Het wit voorbij doet ijl011-

Men kroon met onverderflijke eer,

üie steden wint en sloten;

Hij, die zijn geest beheerscht, is meer,

Is grootste van de grooten.

Die eer zij uwe, o Vorst! Zij zegt Meer dan een landwinst, die niet hecht, Dan, op uw zilvren haren.

De frissche lauwerblaren.

2 October 1870.

VIL

MOODKUEKT VAN DKN STILLKN JJUKGJEU IN \'T OETEISTEltD EllANKKIJK.

Gij Engel van den vrede.

Gij Bode van \'t geluk,

Keer weer op onze bede En red ons van den druk! Wij hebben reeds zoo lang Onze armen uitgeslagen,

Met bidden en niet kiagen En tranen op de wang.

Onze akkers zijn vertreden. Ons kudden zijn verjaagc;

374

-ocr page 407-

tijdens dus oorlog.

Verwoest zijn onze steden.

Da straten leeg gevaagd.

D«3 vaders zitten neer,

De moeders staan verslagen, De bruiden jamnierklagen,

De zonen — zijn niet meer.

Och, dat zioh God erbarrae,

En zijne slaande hand Afkeere van dit arme,

Verdrukte vaderland!

Zij heelt met recht verscheurd; Dat ze uit gexade heele!

Al zijn de zonden vele Er. alle gunst verbeurd.

December 1870. __

VIII

DE HOOFDSTAD DER BESCHAVING.

Een ruige balk, een ruwe plank Dient wel geschaafd, maarniet te lang; Verschaaf ze niet tot enkel krullen!

En is die dwaasheid eens verricht. Voorzichtig dan met vuur en licht! Want waar de vonken vallen zullen.

Ontstaat meteen een laaie gloed, Waarvan de vlam, niet licht te dooven, Met helsche schittring stijgt naar boven, En denklijk groote schade doet.

De .Hoofdstad der Beschavingquot; is Geschetst in dees gelijkenis;

Zij schijnt geheel vEuschaafd te wezen Tot fraaie krullen, licht en fijn, Die overal bewonderd zijn En om haar sierlijkheid geprezen.

Die krullen vatten dikwijls vuur;

Ook zit er harst en olie tusschen;

En siddrend wacht Europa \'t uur Dat zij niet meer zijn uit te blusschen.

1871.

IX.

PAKIJS IN OPSTAND.

Der Vaadren ondervinding baat Niet aan hun kindren, schoon zij \'t hopen; \'t Kroost wil zijn eige\' ervaring koopen,

375

-ocr page 408-

TIJDENS DEN OORLOG.

Ook dio op bloed en tranen staat. Geschiednis! vruchtloos predikt gij üw lessen voor der volkren ooren;

Een nieuw geslacht wil, vrij en blij, Alleen zijn eigen wijsheid hooren.

Gemeene onachtzaamheid vergeet De roede, die haar heeft geslagen;

En soms schijnt tegenwoordig leed Tot nieuwe dolheid op te jagen....

O Stad der Dwaasheid! viel te kort. Te licht u \'t leed, dat ge in uw muren Van vreemden vijand moest verduren.

Dat gij u-zelf ten vijand wordt?

Verlustigt ge u in smart op smarte. En strjjkt gij, met verblinde drift. Aan nieuwe dolken \'t oud vergift.

En zet ze u roekloos tegen \'t harte ^ Strooit vuur en vonken overal.

En juicht als gij de vlam ziet lichten.

Die \'t overschot vernielen zal.

Waarop gij \'t nieuw gebouw zoudt stichten?

Godloochnaresse, die uw lot In eigen handen meent te dragen

En op zijn hemeltroon bespot.

Die tot u spreekt in donderslagen!

Is dit het einde of \'t eind nog niet? Zal straks de ontzette wereld hooren;

„Wat lang gedreigd heeft, is geschied; „Parijs ligt in haar bloed te smoren?quot;

Of zal een vuist, die d\' arm verplet. Die wreevlig staat naar eigen leven, ^ Nog eens de macht zijn, die u redt.

En aan den zelfmoord uitstel geven?

Een schijn van rust, door machtloosheid, Waaruit u nieuwe toorn zal rukken En dan den gruwel doen gelukken.

Dien gij uzelf hebt opgeleid?

Of moeten nog verscheiden malen —

Dat uw verderf te wisser zij — De wisselingen zich herhalen Van machtloosheid en razernij?

Hem, dien gij loochent, is \'t bekend;

Geen sidderenden stervelingen.

Die u, in telkens nauwer kringen,

Zien wervlen naar \'t noodlottig end.

-ocr page 409-

TIJDENS DEN OORLOG.

X.

AAN EEN GEWEZEN DICHTER.

De gruwel vrereld is gekomen,

Die uw verbeelding heeft gestreeld, Do wcrklijkheid dier wilde droomen,

Door koortsig bloed in \'t brein geteeld. De hel, waarin gij zijt gedoken

Om kleuren voor uw schilderij. De gansche hel is losgebroken En dankt u voor uw poëzij.

De Thracer temde woudgedrochten

Door onweerstaanbaar citerslaan:

Gij lokt de monsters uit hun krochten En moedigt ze in hun woestheid aan. Afgrijslijk toonen ze ons de tanden

En brullend vliegen xe op den roof. Met oogen, die van bloeddorst branden. En ooren, als van de adder, doof.

O Dichter, geest van eedier orden.

Van hooger aandrift eens geblaakt, Wat is er van uw volk geworden?

Wat hebt gij van uw volk gemaakt\'? Ach, mannen zonder eer of waarde,

Ach, vrouwen zonder schaamte of tucht. Zich wentlende in het slijk der aarde, En azende op verboden vrucht!

Een jonglingschap, voor geestvervoering. Voor \'t beste eu hoogste doof en koel. Onvatbaar voor de zachte ontroering

Van eedle liefde en rein gevoel; Ontvlambaar slechts voor spoorloosheden,

Voor weelden van \'t ontuchtig bed. En met de heiligschennendste éeden Verbonden tegen orde eu wet!

Een ras van bandlooze onverlaten,

In list en misdaad uitgeleerd.

Zijn gruwlen plegende op de straten, En tegen God en mensch gekeerd. Godloochnaars, moordnaars, moordnaressen.

Brandstichters vol va-n woede eu haat, Do vrucht van de ingezogen lessen U spuwende in \'t verschrikt gelaat.

Voorwaar, de goden zijn rechtvaardig; De hand, die hen trotseert, verdort;

377

-ocr page 410-

TIJDENS DKM OOULOC.

De zanger, rang en iilaats onwaardiar,

Wordt van zijn hoogte neergestort.

De geest is lang van u geweken; De hemelgalm ontvluchtte uw lier;

Een snorkende onzin werd uw spreken, Uw zang een krijschend straatgetier.

Gij houdt van vorsten, na de onttroning, Uw smaad terug; \'t is welgedaan!

Ook zelf zijt ge een onttroonde koning, Een star geworpen uit haar baan.

Schier onherkenbaar ligt gij neder,

Met wat van vroeger lauwren rest,

Bij \'t goud, gewoekerd door die veder, Die smaak en zeden heett verpest.

Geloof niet dat ge u op kunt heffen.

Iets doen. iets zijn kunt als weleer!

De vloek, die u de kruin moest treffen,

Duldt zelfs geen schijn van grootheid meer.

Vergeefs den blik omhoog geslagen. Ten heldren lichtkreits opgestaard!

Die aadlaar, die u heeft gedragen,

Is in een borstlig zwijn ontaard.

Mei 187Ü.

XI.

i\'AllIJS IN BRAND.

\'t Groote Babel zinkt ineen,

Gaat in vlammen op en vonken;

Al zijn pracht heeft uitgeblonken.

Al zijn grootheid ligt vertreén.

Wat het krijgszwaard heeft gespaard,

Valt voor oproertoorts en dolken.

Tot een prediking den volken.

Tot een schouwspel voor heel de aard.

Waar is thans uw flonkerkroon,

Trotsche koningin der steden,

Die u knielend hulde deden,

\'t Hoofd ontblootten voor uw troon \'i Wie het waagde tegen u

Woord of vinger op te heffen.

Zou de vloek der wereld treffen ... Wie, onschendbre! schendt u nu i

Waar blijft thans de tooverkracht.

Die de koningen verleidde.

378

-ocr page 411-

TIJDENS DES OOKLOCJ.

L)ie dein volken strikken spreidde,

Allen aan uw voeten bracht? \'t Laatste spoor van schoon verdween, Is ai\'zichtlijkheid geworden,

Sinds de omhelzing woester horden, Eerlooze! u verdraaglijk scheen.

Dit is aller weg en lot.

Die niet veile schoonheên pralen; Altijd laag en lager dalen,

Eerst aanbeden, eens bespot!

Eerst vorstinnen, weeldrig, rijk. En voor vorsten slechts toeganklijk, Straks van minder liên afhanklijk; Eindlijk wentlende in het slijk!

Eindelijk vertrapt, verjaagd, Opgeofferd, prijsgegeven,

Ora op t gastnuisstroo te sneven.

Door geen eerlijk hart beklaagd ... Neen! niet dus is \'t dat gij sneeft! Doodgegeeseld door uw beulen,

Moet uw lijk op \'t mijtvuur smeulen, Dat hun woede ontstoken heeft.

\'t Groote Babel zinkt ineen.

Gaat in vlammen op en vonken;

Nero zwaait de toorts brooddronken,

Duizend Nero\'s, teelt van Een! Wat het tachtig jaren lang Heeft gezocht op al zijn wegen, Is verworven, is verkregen,

Heeft het nu; zijn onueuüanu.

Volkren! ziet gij over de aard Ginds die dikke rookwolk hangen. Telkens door een vlam vervangen.

Hie ten hoogen hemel vaart\'i Daar. daar bloeide \'t paradijs, \'t Paradijs der booze geesten.

Stad van bloed en gruwelfeesteu, \'t Hemeltergend wuft Parijs.

God ontfermt zich, en geen wind Doet de vlammen feller woeden;

Maar, om \'t vreeslijk vuur te voeden,

Uvren zinloos vrouw en kind! \'t Kwaad wil door het uiterst kwaad

-ocr page 412-

tijdens den oorlog.

Zich zijn eigen loon verschaffen; God behoeft het niet te straffen; \'t Straft zich zeiven en vergaat.

27 Mei 1871.

XIL

CAESAR TBIUMPHATOR.

Memento hominem case.

Gedenk een sterveling te wezen,

Verwinnaar, vorst en held!

üw zegeboog staat hoog gerezen;

Uw lauwer is besteld;

De J\'engd strooit bloemen voor uw voeten,

Al \'t volk verheft uw deugd;

De Schoonheid haakt uw blik te ontmoeten De Grijsheid beeft van vreugd.

Gedenk een sterveling te wezen!

Toon wijsheid, toon verstand!

Te hoog geloofd, te luid geprezen Voert op des afgronds rand.

De roem verblindt; de lof doet dwalen;

Verbijstrend is de macht;

Geur uit afgodische offerschalen Is doodlijk in zijn kracht.

Gedenk een sterveling tk wezen!

Verwacht eens stervlings lot!

Eén wolkjen aan de kim gerezen,

Maakt al uw glans ten spot.

De krans verdort; de wierookwalmen

Vervliegen; \'t is gedaan;

En, voor het luidst hozannagalraen,

Vangt „Kruist hem! Kruist hem!quot; aan.

Gedenk een sterveling te wezen!

Het eind is nimmer ver.

Zij \'t leven in uw oog te lezen:

De dood treedt naast uw kar.

Eén wenk! Uw luister is verdorven,

üw kracht voor goed geknot.

Eén wenk! De stervling is gestorven;

Do Gesar staat voor God.

Gedenk een sterveling te wezen!

Gelukkig, die \'t bedenkt;

Die \'t kan gedenken zonder vreezen.

380

-ocr page 413-

TER GEDACHTENIS.

Waar God hem grootlieid schenkt; Wiens innigst hart op keizerskronen

Noch veldheerslauwren teert, En zich indachtig -weet te toonen Wie rekenschap begeert!

Mei 1871.

TBR GEDACHTENIS.

Aan u, mijn viertal zonen, Die God\' mij gaf en nam, U wijde ik deze tonen;

U, takken van mijn stam Zoo pijnlijk afgereten,

U, perels rein en schoon. Gevallen van mijn kroon. Vervangen, niet vergeten!

Gij zijt mij vroeg ontvallen.

Mijn kleine naamgenoot!

U zag ik eerst van allen

Zoo bleek op moeders schoot; Dat mondje zoo vertrokken. Dat oogje zoo verflauwd. En met koud zweet bedauwd Die lieve, blonde lokken.

Reeds groenden drie maal zeven

Meimaanden om uw graf; Van voor mijn geest te_ zweven

Laat nog uw beeld niet af. Nog zie ik honderdmalen, In nacht en eenzaamheid, Die armpjes uitgebreid, Die zachtblauwe oogjes stralen.

Maar de engel, dierbaar zoontje!

Wier borst u had gevoed En met dat rozekooutje

Beschonken uit haar bloed. Heeft slechts een zestal jaren Uw vroegen dood beweend; Toen werd ook zij vereend Met hemelsche englenscharen.

381

Ach, Godsgaaf1), mij geschonken Toen \'t liefste mij begaf,

\') De Bcnoni van bl. 173; Zijn doopnaam Theoaorus beteekent GodsgaaJ.

-ocr page 414-

TER GEDACHTENIS.

Uw troost heeft kort geblonken,

Uw steun brak spoedig af! Gij hadt geen moed het leven \'J\'e aanvaarden moederloos;

Dies, na een korte poos. Uw zieltje heen ging zweven.

Toen ik ter aard bestelde

üw lijkje, dierbaar wicht! Een tweetal mij verzelde

Met diep bedrukt gezicht,

Mij, bij dat graf verzwolgen In onuitspreeklijk wee: Wie dacht dat een dier twee Zoo spoedig u zou volgen?

Mijn Marten, lieve Marten,

Hoe heb ik u bemind!

Gij waart de trots mijns harten,

Mijn eerstgeboren kind;

Gij hebt mij \'t eerst doen weten Wat zaligst is, wat bangst. Wat, na\'eens Echtvriends angst. Eens Vaders vreugd mag heeten.

Gij hebt mij^\'t eerst doen smaken

Dat daaglijksch zielsgenot. Dat nog mijn hart doet blaken Van gloênden dank aan God, Ah \'t oog zich mag verlusten Aan \'t zich ontwikklend -wicht, En op een lief gezicht.

Daar \'t zieltje doorbreekt, rusten.

Gij hebt mij \'t eerst gegeven

Dien vadernaam zoo zöet.

Dien gij, door al uw leven.

Ontzien hebt vroom en goed; „Wat zal van Marten groeien?\' Vroeg vol van hoop ons hart: Wee onzer! Marten werd Gestuit in \'t weligst bloeien!

Gestuit en afgesneden.

In \'t midden van mijn vreugd Om zoo veel lieflijkheden.

Verstand en kinderdeugd,

Om zoo veel kostbre gaven Van hoofd en hart tezaam.

382

-ocr page 415-

TER GEDACHTENIS.

In staat om van mijn naam Ook verdei- de eer te staven.

Haast zijn het veertien jaren,

Dat u het graf besloot,

Kn nooit rees van mijn snaren

Ken treurtoon om uw dood. Ach, \'t lied. als \'t op wou stijgen, Werd in de keel gestuit — Een kleiner leed is luid, De groote smarten zwijgen.

Wreed graf, niet om te koopen

Door welke tranen \'t zij!

Gingt gij nog eenmaal open

Eer gé opengaat voor mij? Wat deerde u, lieve jongen!

Dat ge ons op \'t onverhoedst Uw lachjes weigren moest, Hoe we u om lachjes drongen?

Uw volle koontjes bleven;

Maar ernstig zaagt ge ons aan, Als waar de lust van \'t leven

Op eenmaal u vergaan. Wij peinsden, zochten, gisten tol vrees, maar hoopten nog.... Uw oogje zei: „quot;Wil toch De rust mij niet betwisten!quot;

Neen! rust, mijn viertal zonen!

Geniet een hooger heil.

Voor goud, noch eerekronen,

Noch duizend levens veil!

Is u \'t geluk beschoren.

Dat God Zijn kindren geeft, Zoo gij bij Jezus leeft.

Heb ik u niet verloren.

Maar wat mij \'t aardsche leven Nog schenke of bonden laat. Die plaats wordt nooit vergeven.

Die ge in mijn hart beslaat. Zoo min ik uwe namen Aan uw opvolgers gaf.

Gaat van uw deel iets af.

Voor hen, die na u kwamen.

Mijn dierbren, mij ontvloden! En gij, die kwaamt en bleeft!

383

-ocr page 416-

DE VIJFTIENDE. — VOOKZIENIGIIKID.

Mijn levenden! Mijn dooden,

Die in den hemel leeft! Mijn groot, uiteen-getreden,

Maar on-verdeeld gezin! t Kon zelfde vadermin Vereenigt al uw leden.

DE VIJFTIENDE.

Kom aan mijn hart, mijn vijftiend Tnnd! Ik heb u net zoo lief ala \'t eerste; Kijke ouderharten zijn de teerste; Pin voel hoe u een vader mint.

Kom in den kring, mijn kleine pop. Den wijden kring van kleine en grooten! Hij heeft met blijdschap zich ontsloten; Hij neemt u met gejubel op.

Doe niet als kleine Willem deed. Die, voor hij loopen kon of praten. Ons zonder reden heeft verlaten En heenging, tot ons bitter leed

Doe wat de dochtertjes hier doen, Die allen \'t zelfde voorbeeld geven; Blijf vriendlijk lachen, bloeiend leven, En houd uw vaders grijsheid groen.

VOORZIENIGHEID.

Ook uwe haren des hoofds ziin aHen geteld.

O God! wat is dees nietige aard,

Dees vonk, die in \'t heelal mag gloren?

Gij ziet haar aan — zij is bewaard;

Gij wendt uw oog — zij is verloren.

Wat zijn die starren hooggeloofd,

Wat die verbijsterende hemelen.

Waaraan hun myriaden wemelen.

Meer dan de haren van mijn hoofd?

Meer dan de haren van mijn hoofd.

Die Gij geteld hebt en geschapen.

Die niet verbleeken op mijn slapen.

En die mij tijd noch zorg ontrooft.

Tenzij Gij \'t wilt, almachtig God,

384

-ocr page 417-

vookzienioiieid. —

385

het portret.

Die aan een Niet het Al doet hangen,\')

Bestuurder van zijn orde en gangen,

Regeerder van mijn leed en lot?

Ach \'t grootste en kleinste. Hemelheer!

Slechts door uw macht uit niet gerezen,

Blijft door die macht alleen in wezen,

Behoeft haar daaglijks evenzeer.

Gij houdt aan \'s hemels hoogen trans De zon in hare baan gebannen;

Gij houdt het vlerkjen uitgespannen Van \'t mugje, dansende in haar glans.

Het groeiend en het ,denkendquot; riet, -)

Gij kunt het een als \'t aar verpletten;

Maar wilt gij zijn verderf beletten,

De wind, die \'t krookt, verbreekt het niet.

Deez adem, die uw lof vermeldt,

O God almachtig! steunt op d\'uwe\';

De luchtstroom, daar \'k mijn lied aan huwe,

Gij hebt zijn trillingen geteld.

Gij telt do kloppingen van \'t hart,

Dat uwen naam noemt. God des harten!

Zijn tranen, zuchten, vreugden, smarten, Zoo wonderbaar dooreengeward.

Zijn, in hun samenhang, gewicht.

Hun vrucht en doel, uw werk, uw gaven;

Zij zullen saam uw liefde staven,

Doorschouwd bij uw toekomstig licht.

^ Maar wat geen aardsch verstand doorziet,

Gevoelt met zekerheid daar binnen

Het hart, dat u bemint en niet,

Niet anders kan dan u beminnen.

In U beweeg en leef en ben Ik, Heer en God van mijn vertrouwen! —

Het zij gelooven, \'t zij aanschouwen,

Genoeg dat ik uw liefde ken!

HEÏ PORTRET.

I.

.Uw beeltnis, lieve man! haat ook uw beeltnis maken! ,\'t Was onder dit beding, dat \'k mjjne maken liet,quot;

\') Zie Job 26 : 7.

I L\'homme n\'est qu\'un roseau, lo plus falble de la nature, mals c\'est un roaeau peasant. I\'asgal.

III. 25

-ocr page 418-

het portret.

Zoo sprak de jonge vrouw, en streelde hem de kaken,

En poogde boos te zien; maar dat gelukte niet.

„„Gij hebt mijn photogram.quot;quot; „Gij \'t mijn\'; maar daarenboven „Begeerdet gij van mij een kunstwerk, levensgroot.... „Gij fronst? Waar denkt gij aan?quot; „„Aan oude bijgelooven: „„Wiens beeltnis wordt gemaakt is dikwijls spoedig dood.quot;quot;

Hij schrikte zelf er van. „Zoo woudt gij mij vermoorden?quot; Een kus was \'t antwoord, en: „„Van vrouwen geldt het niet.\'quot;\' „Van mannen evenminquot;, hernam ze, „en zulke woorden „Zijn dwaasheid in uw mond, en doen uw vrouw verdriet.

„Goedwilligheid, en trouw aan \'t geen gij mij beloofde,

„Ziedaar wat ik verlang; geen sprookjes, heer gemaal!

„Maar \'k zie wel dat het vuur der eerste liefde doofde....quot; Zoo schertste ze en ontvlood, en liet hem in de zaal.

„„Het zal geschieden, mijn lief vrouwtje! \'k Schrijf nog heden „„Den schilder!quot;quot; riep hij in den gang haar na. En zij:

„Heel goed! Wij zullen zien—quot; maar, keerende op haar schreden: ,\'t Portret moet vroolijk zien; zoo niet, behoud het vrij.quot;

Ue beeltnis werd gemaakt; \'t „lief vrouwtjequot; was tevreden.

11.

De morgenzon scheen fel op \'t gansoh gesloten huis.

De koetsen rolden aan, waarin de volgers kwamen.

De buren staan op stoep of kijken door de ramen. De straatjeugd schoolt bijeen met min of meer gedruisch.

De zwarte lijkkoets, op wat afstands, staat gereed.

„Het is de mooie; met de pluimen; voor de rijken!quot;

„Dat deze rijk is, zal wel uit de draagplaats blijken;quot;

„\'t Was vijftien gulden bij zijn broêr!quot; zegt een, die \'t weet.

En in het donkre huis verzamelt zich de stoet;

Heel stil en statig; witte dassen; zwarte rokken;

Het aanzicht droevig, of in droeve plooi getrokken;

En fluistrend, juist zoo als m\' iu ziekenkamers doet.

„Daar \'s veel gebeurd, mijnheer! Sinds ik u laatstmaal zag.quot; „„Dat moogt gij zeggen, \'t Is verschriklijk.quot;quot; „En zoo spoedig! „Voor veertien dagen was hij bij ons; heel blijmoedig;

„Maar toch; mijn vrouw zei: toch wat anders dan hij plag.quot;

En ginds: „Wie had dit kunnen denken, waarde heer? „Mij dacht dit was een man om honderd jaar te worden.quot; „„Wel zeker! en een man van regelmaat, van orden; ,.„De maatschappij mist veel —„En de arme vrouw nog meer!quot;

386

-ocr page 419-

1IARU EN ZACHT. — MrSl\'AS.

Gelukkig zijn er hier geeu kindren, en — geen zorg!quot;quot;

„üat\'s waai*, \'t Zal evenwel een aaklig ledig wezen.quot;

„„Nu is \'t zoo erg nog niet; daar \'s veel te doen; na dezen, „„Na dezen dag, mijnheer, begint het; \'k sta u borg.quot;quot;

Gestommel in den gang; getrappel op de straat;

Een oopnen van de deur; een zacht gerol van raderen,

Die zich verwijdren, en van andre, die wat naderen, — Men spreekt wat luider, dat de stem er boven gaat.

Men ziet op \'t uurwerk; naar de deur; de deur ontsluit; Een heer in \'t kort, met bef en mantel, purpren konen En purpren neus, komt zich met deftigheid vertoonen,

En noodt „Van de eerste koets!quot; de heeren luidkeels uit.

„Het ging heel stil in \'t werk; zij heeft vast niets gehoord,quot; Zoo spreekt in de eerste koets, het viertal met vertrouwen. „Ik raadde haarquot;, zegt een, „haar kamer maar te houen, „Die achterhoven is.quot; „„Heel wijsquot;quot; is \'t wederwoord.

Maar die had opgezien naar \'t venster om den hoek Der pui, dat blinden had van buiten noch van binnen, Had, door een smalle reet van \'t neergelaten linnen,

Een schoon gelaat aanschouwd, maar bleek gelijk een doek.

En die den zonnestraal, die dit bedroefd gezicht Verlichtte, verder met het oog had kunnen volgen,

Had, achter \'t beeld van smart, in \'t wreedst gepeins verzwolgen Een vroolijk mansportret zien glinstren in zijn licht.

HARD EN ZACHT.

Spaar geen hardnekkigen,

Noch wees tegen zwakken fel;

Gisp de gebreken wel.

Maar beschimp geen gebrekkigen.

MISPAS.

Een valsche stap is ras gedaan, En, bij den spoed om voort te gaan, De onmooglijkheid om stil te staan.

Volgt al te licht een tweede; Ja ook de derde is op het punt. Indien men u den tijd niet gunt. Dat ge u eens wel bedenken kunt En letten op uw schrede.

387

-ocr page 420-

WELEEU EN THANS. — AAN BEN apostel JOHANNES.

Beschimp hem niet, die (arme ziel!) Dewijl liij zich aan \'t koord niet hiel, Pardoes van al de trappen viel, En pijnlijk ligt te kreunen;

Houd uw verwijten in den krop Maar pleister zijn bebloeden kop, En geef hem, krabt hij weder op. Uw arm om op te leunen.

WELEER EN THANS.

Eer we onze tanden hadden.

Kregen wij moeders borst.

En werden we altijd Heerlijk gevoed;

Nu wij ze hebben.

Bijten we in alles,

Maar ach! niet all 3s

Bekomt ever,, goed.

AA.N DEN APOSTEL JOHANNES.

Do Schilders in \'t gemeen, die malen of verzinnen

Een Engel bij Matthijs of Seraphijnschen Man; Bij Marcus eenen Leeuw, verhit op overwinnen, By Lucas eeuen Os, een* arend bij sint jan.

jer. de decker.

Waak oi5 mijn ziel! Paar stem en snaar.

En zing den vliegend\' Adelaar,

Die u een bode Gods mag wezen!

Des Heilands vriend, de groote ziel.

Die op zijn boezem nederviel.

En in zijn hart mocht lezen!

Die door den geest, die uit dat hart In \'t zijne drong, gedreven werd.

Als hij verkondde: „God is liei-ue.

De ziel, hie i.ikk heeft, is uit God,

Zij blijft in Gode. \'t Oud gebod En \'t nieuw gebod is liefde!quot;

O Konings-arend! met wat pracht Sloegt gij de vleuglen uit, vol kracht; Hoe hemelhoog zijt gij gevlogen;

Hoe staardet ge, in \'t gebied van \'t licht. De hoogste zon in \'t aangezicht Met onverbijsterde oogen!

388

-ocr page 421-

AAN DEN APOSTEL JOHANNES.

Raar weerglans, nimmermeer verdoofd, Blinkt heerlijk om uw bals en hoofd, Kn doet uw gulden veedren stralen; En daalt gij in ons midden neer, De balsemlucht van hooger sfeer Komt met u nederdalen.

Gi] neemt ons op; gij draagt ons voort; Gij zet ons neer in \'t heilig oord.

Waar wij den voetstap kussen mogen, Door Hem in \'t aardsohe zand geprent, Wien de engel voor zijn Heer erkent. En dient met pinkende oogen.

Gij stelt zijn beeld ons voor \'t gezicht, \'t Is alles heerlijkheid en licht.

Wat de oogen zien, wat de ooren hooren. Ons hart ontgloeit, gelooft, aanbidt, (Geen zaliger genot dan dit!)

En ademt als herboren.

Maar eensklaps voert uw stoute vlucht Ona boven wolken uit en lucht,

Eu alle starren, alle hemelen.

Tot waar de troon rijst voor ons oog. De troon, waarom een regenboog Zijn kleurenpracht doet wemelen.

De troon in \'t heiligst heiligdom Der groote schepping Gods, waarom Zijn uitverkoornen zich verdringen. Het twalefmaal-twaalfduizendtal. De schaar, die niemand tellen zal, Hun halleluja\'s zingen.

Met u slaan we ook den Afgrond ga. Gij zweeft den hemelsch\' engel na, Wiens hand, naar Gods bevelen, beide Zijn sleutel, en de keten voert.

Waar hij den Ouden Draak mee snoert, Die \'t heidendom verleidde.

En waar uw breede vleugelslag. Uw sterke klauw ons voeren mag, Fn hemel, aarde, of hellekuilen: üw levenswarmte, uw liefdegloor, Dringt koestrend tot de harten door. Die ge aan uw borst doet schuilen.

-ocr page 422-

VOOR DEN KRIJGSMANSSTAND.

Hoogvliegende Arend! merkt gij niet Wa.t pijlenzwerm men om u schiet,

Hoe felle jagers u belagen Neen! Hooger zweeft ge en geeft geen acht, Vernieuwt uw jeugd, behoudt uw kracht. En blijft ons rustig dragen.

VOOR DEN KRIJGSMANSSTAND.

Verdraagt gij \'t, dappre legerscharen, Gij belden, trouw aan eed en plicht,

IJat brabbeltaal en kreupeldicht U daaglijks scheldt voor moordenaren? Dat lafaards, blind voor deugd en eer, Beschimpen \'t ridderlijk geweer?

Hoe nu? Zijn grenzen, goedren, rechten, Is vrouw en kind, altaar en haard \'t Verdedigen niet langer waard? Of zullen zij er zelf voor vechten,

Wanneer de vijand dreigt den g;;ond. Zij met hun pen, zij met liun mond?

O Neen! Gij moogt hun \'t lijf beschermen; Ziedaar uw voorrecht en uw nut! Het levend schild, dat hen beschut,

Zijn, tot hun vreugd, uw krachtige armen: Zij reeknen op uw heldenmoed, Uw deugdlijk „ijzerquot;, kostbaar „bloed.quot;

Maar krijgskunst, krijgseer, roemverwerven Op \'t bloedig slagveld —- niets daarvan! Een moordnaar is hun de oorlogsman, Die niet zoo goed is van te sterven;

Is hij gesneuveld in \'t geweer,

Dan een vex-moorde, en weinig ir.eer.

Bewaar mij God den stand te onteeren, Die aller standen recht bewaakt;

Die, als het uur des noods genaakt.

Zijn plicht niet eerst nog heeft te leeren. Maar doet en uitvoert, en niet vraagt. Wat hij daarvoor verwerft of vraagt.

Bewaar mij God den krijg te vloeken!

Mijn vloek treft wat hem noodig maakt, Hem voedt en aanvuurt, als hij blaakt;

-ocr page 423-

AAN igt;E ARTSKN. — KKN LIED OP HET JAARFEEST ENZ.

Gij doet het mee, gij avreohts kloeken; Die oiirecht doet en oorlog kweekt.

Ook dan, als gij van vrede spreekt.

AAN DE ARTSEN.

Vervolgt met stillen heldenmoed,

Wat dood er dreig\', wat pest er woed\',

Uw weg uit de eene in de andre woning;

Biedt rijk en arm de trouwe hand Der hulp. en oogst voor da^khetooning Berispingen van \'t onverstand!

Weest, in den dag van zorg en angst, \'t Gezegend voorwerp van verlangst,

Wien \'t woord ten mond\' wordt uitgekeken,

Een engel Gods, een halve god, —

En, is dat oogenblik geweken.

Een mensoh, met wien de domste spot!

Maakt, daar de dwaas uw kunst veracht. Bekrompen vroomheid u verdacht En hoon Gods voorzorg in uw gaven:

Uw zelfverlooohning, uw geduld Verdient den handslag aller braven,

Fin \'t hart loont die zijn plicht vervult.

Maar Artsen! waar uw kunde slaagt.

Het leed verzacht, den dood vertraagt,

\'t Genot des levens weer doet keeren ;

Verheft u niet! Geeft de eer aan God!

Die d\' Eerens-waardigste niet eeren.

Miskenning is hun billijk lot.

EEN LIED OP HET JAARFEEST DER UTRECHTSCHE ZENDINGVEREENIGING.

April 1871.

Eom. XV; ie-12. Verheugt u met het volk van God,

Gij volken en geslachten!

Weest met ons vroolijk in uw lot;

Gij leeft in Gods gedachten,

Zijn roepstem klinkt van oord tot oord;

Hij stort zijn Geest, hij zendt zijn Woord;

In welk een hoek gezeten.

Geen uwer wordt vergeten.

391

-ocr page 424-

OP HET JAARFEEST DEK UTK. ZENDINGVEREENIGING.

Prijst, al gij heidnen, prijst zijn naam;

Looit, looft den Heer der Heeren!

Gij zult hem kennen al te zaam.

Uw somber lot zal keeren.

De duisternis uws nachts verdwijnt;

De dag breekt aan, de zon verschijnt; Het altaar wordt verbroken Den On-bekende ontstoken.

De Twijg, met eeuwig groene blaan, Uit Jesse\'s stam gerezen.

Zal als banier der volken staan,

Zal aller toevlucht wezen.

Een Heilbanier, die hope wekt.

Beschermt, vereenigt, overdekt,

Bezielend op zal zweven,

En vrede en ruste geven.

Al spotten Booze en Wereld luid Met heil en heilverwachting;

Al trekken christenvolken uit Ten krijg en broederslachting;

Al treft het oordeel Gods alom

Een overspelig christendom,

Op twee gedachten hinkend,

In ongeloof verzinkend:

Hij die \'t beloofd heeft is getrouw,

Getrouw en machtig beide;

En rijzen zal het godsgebouw Waar hij den grond van leide;

En wassen \'t wondre Mosterdzaad;

En werken \'t Zuurdeeg vroeg en laat;

Ook zal van kust tot kusten Het Visschersnet niet rusten.

Welzalig, die van \'t Visschersnet Een slip heeft aangegrepen ;

Die meedoet, waar \'t wordt uitgezet Om buit voor God te sleepen!

Welzalig die, van \'t oeverstrand,

Het hart mag sterken en de hand Van die de zee braveeren.

Om met dien buit te keeren i

Welzalig, die een handvol graan Aan handen \'toe mag trouwen.

Die in den naam des Heeren gaan De wildernis bebouwen!

-ocr page 425-

een lied op het jaarfeest der utr. zendingvereenig1ng.

Welzalig, die het onweer tart,

En, met de hoop in \'t biddend hart, Niet moedloos wordt te zaaien, Wat na hem andren maaien!

De graf.nkorl schijne in \'s aardrijks schoot

Verleren en verdwenen;

Eens breekt baar leven uit den dood

Door elk beletsel henen.

Gods tijd is daar; de kiem ontspruit, De volle halm, na \'t groene kruid; Haast zal het ruischend koren Den lof zijns naams doen hooren.

Niet altijd zal uw dompig bosch

Het licht des hemels keeren;

Eens wordt ook gij een planting Gods,

Een vruohtbre hof des Heeren, 0 Nieuw Guinea! \') Al begeeft Een Geissler\') u, een Jezus leeft. Die hem had uitgezonden Heeft nieuwe hulp gevonden.

Rust zacht in Vaderlandschen grond.

Nog eens aanschouwd vóór \'teterven; Man Gods! uw naam leeft in den mond

Van die u noode derven.

Gij derft niets meer, gij ziet uw Heer, Deelt in zijn heerlijkheid en eer; En wacht aan Zijne zijde Dat de oogst uw hart verblijde;

De oogst van dien akker stug en woest.

Waar gij op rotsen ploegde.

Maar \'t doen van wat gij mocht en moest

üw stil geloof vernoegde. Uw voorbeeld vuur de mannen aan, Die tot uw taak zijn ingegaan; De Geest, die in u werkte.

Zij ook hun licht en sterkte!

O Geest des Heeren! kom, daal neer

Met krachten, gaven, stralen!

Beziel de dienaars van den Heer,

Vermeerder hun getalen!

Voer alle Heidnen tot hun God!

) Voornaamst zendingveld der Utr. Zendlngvereeniglng.

) Een der eerste zendelingen op N. Guinea, kort te voren overleden.

398

-ocr page 426-

894 irAQKR ^OS. - ONTWIKKELING IIEU VRUUW. - EEN LIED DES VERTUOÜWKNS.

Wend, door bekeering, Isrels lot! Laat ons, in onze dagen, „Goeddoende niet vertragen 1quot;

HAG-EROOS.

Mijn Hageroos, mijn bloem van \'t veld!

Daar groeit in koningshoven,

Waar slaafsche zorg de bloemen giet.

Zoo\'n f\'riscb, zoo\'n vriendlijk bloempje niet, Als \'t oog der liefde in u beziet En ieders lippen loven.

Gij steekt niet uit door gloed of pracht,

Maar streelt en steelt de harten.

Laat waar zijn, wat men loflijks meldt Van bloemen, die men koopt voor geld: Mijn Hageroos, mijn bloem van \'t veld, Kan al die pronksters tarten.

ONTWIKKELING DER VROUW.

„Het vrouwlijk geslacht Dient tot een hooger ontwikkling gebracht.quot; Dat is: Dochters en Moeders behooren te weten, Wat Vaders en Zonen vergeten;

En een Vrouw dient te doen, Wat een Man van fatsoen Noodwendig moet negligeeren,

Zal hij den tijd hebben, mijnheeren!

Om in de club het land te regeeren. En over rijp en groen (Geen oordeel te hebben, maar) te redeneeren.

EEN LIED DES VERTROUWEN 3.

Mijn voorhoede en mijn achtertocht

Zijt gij, mijn God, zijt gij!

Mijn bloed en leven wordt gezocht.

Maar gij beveiligt mij.

De vijand van mijn ziel rukt aan

Met helsche list en kracht: Met U durf ik hem tegen gaan; Met ü is overmacht.

-ocr page 427-

JiU HET GKAF EN\'Z.

De wereld, die ik vlied en ducht.

Vervolgt mij, waar ik treed: Gij dekt mijn aftocht en mijn vluclit,

Steeds tot mijn hulp gereed. Die op ziokzelven niets vermocht,

Wordt sterk, zijt gij nabij.

Mijn voorhoede en mijn achtertocht, Zijt gij, mijn God! zijt gij.

\'T BESTE.

\'t Beste voedsel was voor elk Toegevloeide moedermelk.

Ongevraagd verkregen; Wat natuurlijkst, ongezocht Onzer ziel wordt toegebrocht, Is haar \'t meest ten zegen.

BIJ HET GRAF

TAN 3IK. CniUSTIAAX WILLEM JOHAN BARON VAX BOETZELAEE

VAN DUBBELDAM.

Overl. 18 April 1872.

Strooi rozen op dit graf. die na \'t verwelken geuren,

Als, na zijn dood, de deugd en liefderijke daan

Van hem, om wiens gemis wij treuren,

Wiens nagedachtnis bljjffc, en nimmer zal vergaan.

„Welzaligquot; — zegt de Schrift — „die in den Heere sterven.quot; Ja; hunner is de rust na wel volbrachten loop;

Hun heil, de troost van die hen derven,

Hen weer te zien, de hoop.

„Hun werken volgen hen.quot; Uw werken waren velen,

Getrouwe dienstknecht! en in needrigheid volbracht.

Eens in uw heerlijkheid te deelen!

Die eerzucht geeft ons moed en kracht.

Gij hadt geen eerzucht. Neen, gij hadt slechts liefde, ontstoken Aan de eerder liefde van een Ileiland, trouw en teer.

Ook deze les heeft niet ontbroken Aan \'t voorbeeld, dat ge ons gaaft: „Aan God alleen zij de eer!quot;

Kust, werkzaam vriend, rust zacht! Treurt niet, beroofde zonen! Hef, droeve weduw! \'t hoofd, van hooger hulp bewust;

God in den hemel zal u toonen AVat zegen op het huis van zijn beminden rust.

\'t beste. —

-ocr page 428-

IIOLTjAN igt;

HOLLAND.

Zoet Holland, lieflijk Holland,

mijn Holland, weet gij wat?

Ik heb ii heel mijn leven

steeds even lief gehad,

IPw hosschen en uw duinen,

Uw weidon en uw tuinen,

Zoo menig aardig dorpje,

zoo menig nette stad.

In Haarlem stond mijn wiege,

mijn eerste huis en school.

Het is een stad van bloemen,

van rozen en viool;

Stad van vergeet-mij-nieten Aan vaarten en aan vlieten,

Waartusschen ik nog dikwijls

in mijn verbeelding dool.

Naar Leiden trekt het harte

der oefengrage jeugd;

Een stad is \'t van geleerdheid

en rijke jonglingsvreugd;

\'k _Weet niet wie \'t meest mij dienden.

Mijn meesters of mijn vrienden.

Wel, dat mij beider leering

en beider liefde heugt.

Bij Alkmaar ligt een dorpje,

dat oog en hart vei-rukt;

Daar heb ik de eerste bloemen

der reinste min geplukt;

Heiloo, de zachtste banden Sloegt gij om onze handen;

Gezegend ieder plekje,

door onzen voet gedrukt!

Te Heemstee, waar het meerschuim

haast week voor golvend graan.

Daar ving mijn huislijk leven,

mijn werkzaam laven aan.

O God, de zegeningen

Vermeerdren en verdringen, •

Verdringen zich, al vergt gij

ook nu en dan een traan!

Zoet Holland, lieflijk Holland,

nu leef ik in het Sticht,

396

-ocr page 429-

GOD. — KINDEHKUSJE.

Door leiding van Gods goedheid

en nooit betreurden pliclit; \'k Zie daar den grafkuil gapen,

Waarin ik zacht zal slapen,

Als, op den Stichtschen akker,

mijn dagwerk is verricht.

Maar nooit zal ik vergeten,

zoolang ik ademhaal, Uw duinkant, dierbaar Holland,

waar ik nog daaglijks dwaal. Uw beken en uw stroomen Uw schaduwrijke boomen.

Uw steden en uw dorpen,

mij dierbaar altemaal!

GOD.

Is God een God slechts van \'t Verleden, Die eenmaal dacht, en sinds zijn raad Zich buiten hem ontwikklen laat: Of wel de God van \'t eeuwig Heden, Die, eeuwig, leven is en daad?

KINDERKUSJE.

Als een zegen daalt het neer, \'t Kusje van het kind;

Van het welbeminde kind. Gave van den Heer.

Onbewust van wat het werkt, Waar \'t als balsem viel

In een diep gewonde ziel. Die het troost en sterkt.

Onbewust van wat het kan Waar niets anders baat.

Op den radeloozen man,

Wien zijn kracht verlaat.

Onbewust van wat het doet. Ongemerkt en stil,

In \'t verbitterde gemoed. Dat geen liefde wil.

397

-ocr page 430-

398 TACTIEK. — \'T IS ALLKS (lOEU. — DE NATUUR AAN\' DEN ENZ.

Onbewust waarvan het spreekt,

Waar \'t een beeld van is,

Als .een schuldig harte breekt,

En niet hoop en vreeze smeekt Om vergiffenis.

TACTIEK.

Waar ik \'t niet winnen kan, en niet verliezen mag, Al pruttelt die mij volgt, daar lever ik geen slag.

T IS ALLES GOED.

\'i Is alles goed wat komt van God,

Al komt het door de mensohen: Verbittring van ons deel en lot,

Verijdling onzer wenschen; De hand eens vijands hou hem op: Igt;e Hemelvader vult den kop.

O zie dan, zie den mensoli voorbij,

En vest op God uw oogen! \'t Is geen vergif, maar artsenij, En zal uw kracht verhoogen. De teug zij bitter in den mond: Zij maakt het kranke hart gezond.

DE NATUUR AAN DEN NATUURONDERZOEKER DEZES TIJDS.

\'k Den in mijn neevlen niet meer veilig;

Mijn dichtste sluier dekt mij niet Voor wie mij met uw oogen ziet;

Geheim noch schuilhoek is u heilig.

Zoo ras verraden als bespied.

Toch is er iets, dat u ontvliedt:

Mijn leven ziet gij en mijn streven,

Maar niet het leven van mijn leven.

VERNUFT EN VLIJT.

Wil d\' arbeid van \'t nadenkend hoofd Uw eerbied toonen;

En gun aan \'t vlug vernuft, dat rassche lamvren rooft, Zichzelf te kronen.

-ocr page 431-

JANTJE. — ALS OU VOOK \'l LAATST. — VADERWIJSHEIU. 399

Weet dit: de krans is haast verdord,

Die al te licht veroverd wordt.

Neen, neen, door arbeid wordt geen kunst Of geest verkregen;

Maar \'t vroeg ontwaakt genie verbeurt vaak de eerste gunst, Op later wegen.

Een klein talent, gekweekt met vljit,

Braveert den nijd, verduurt den tijd.

JANTJE.

Is .lantjen opgevoed?

O neen, maar o\\gt;lt;jevidd.

\'k Wed dat ge \'t merken zult, Zoo ras gij Jantje ontmoet.

Hij heeft zoo veel in \'t lijf, Dat beenen, armen, handen

Gansch roerloos zijn en stijf. En ook — zijn mond vol tanden.

ALS GIJ VOOR T LAATST.

Als gij voor \'t laatst mij hebt gekust,

Mijn lief, mijn leven! Uw echtvriend bij de dooden rust.

Aan \'t stof hergeven;

De zerk gelegd is over \'t graf.

Daar \'k in vernachte:

O wisch dan, wisch uw tranen af. Bij dees gedachte;

Die aan mijn armen is ontgaan

En uitgedragen.

Heb ik steeds „goed, nooit kwaad gedaan.

Van dag tot dagenquot;; \')

Het lief, daar ik zijn hart door won.

Ging ver te boven Al wat hij ooit beschrijven kon.

Of ik gelooven.

VADERWIJSHEID.

Indien gij een vader van kinderen zijt. Al worden ze ook mooglijk wat velen,

) Spr. 31:12.

-ocr page 432-

SANCTUM SANCTORUM.

Dank vrij uwen God en wees hartlijk verblijd, Het maakt een half man tot een heelen;

Het doet u het leven te beter verstaan;

Het oefent in voor- en in mede- te gaan,

\'t Geeft geduld onder kibblen en spelen.

Een kinderloos man heeft wel mannenverstand, En een vader van kroost is niet wijzer;

Maar hij is weder wijs op een anderen trant,

Breekt, bij voorbeeld, met handen geen ijzer.

Een kinderloos man zij een man van de klok, Een man van zijn tijd is de vader;

Hij gaat niet gezet met de kippen op stok;

Maar hij staat aan de kuikens veel nader.

Een kinderloos man leert wel veel, maar vergeet Toch ook veel in \'t gezelschap van ouden;

Maar een vader van kroost onderhoudt wat hij weet, En \'t gezicht van de jeugd helpt onthouden.

SANCTUM SANCTOKUM.

Er is een heiligdom van \'t hart;

Ontziet het, stervelingen!

Daar woont geweten en gevoel. Bewustheid van een hooger doel, En drang naar beter dingen.

Daar zetelt zekerheid van God

En onverderflijk leven,

Daar plichtsbesef, erkentenis Van al wat goed en godlijk is,

En waar geluk kan geven.

Daar gaan de kostlijke otters op;

Gebeden, zuchten, tranen,

Die zich zoo stil en ongemerkt.

Door al wat om hen woelt en werkt. Een weg naar boven banen.

De lamp, die daar voor \'t outer hangt,

Is door God zelf ontsteken.

O, laat de reine vlam met rust\'.

Want waar haar licht is uitgebluscht. Gaat alle licht ontbreken.

■400

-ocr page 433-

UTRECHTS BLINDEN. —

i-EGENSTKIJDIG. —

ACH!

TEGENSTRIJDIG-.

\'t Is om den mooien Wkg te doen, Het frissche groen,

l)e donkre boomon,

Het wandlen langs den klaren vliet, \'t Gezicht van \'t wisslend bergverschiet — Toch wenscht gij aan te komen.

Gij zijt naar \'t Vaderihjis op weg,

Door heg en steg;

Veel zwarte wolken ziet gij drijven;

Veel doornen kwetsen u den voet; \'t Gezelschap, klaagt ge, is ver van goed, Aan \'t beuzien nu, en straks aan \'t kijven — Toch is \'t uw wensch,

Onwijze mensch!

Lang onderweg te blijven.

UTRECHTS BLINDEN

HUNNE WELDOENEES, BIJ DE OPEMNG- VAN EEN NIEUW VOOR HEN BESTEMD WEEKGEBOUW.

De dank der blinden stijgt tot God,

Voor wat, tot beetring van hun lot,

_üw liefde deed en uit blijft denken;

Zij zien hun nieuwe werkplaats niet;

Maar God, die \'t al en allen ziet,

Moge u daarvoor Zijn zegen schenken.

Zijn gunst bestrale u met haar licht;

Hij spare u \'t zintuig van \'t gezicht,

Door ons gemist met zooveel smarten;

En zij u de ondervinding zoet Dat,^ wat gij voor blinde oogen doet.

Niet is verkwist aan steenen harten!

ACH!

Ach, hoe zeldzaam is \'t uitnemende! Ach, hoe veel het daarnaar zweemende! Ach, hoe moeilijk is \'t den luiden Ooit hun wansmaak te beduiden! Ach, hoe dwaas is \'t van te toornen Dat niet zien de blindgeboornen. Dat de dooven niet begrijpen Welke snaren, welke pijpen Valsche klanken van zich geven,

-ocr page 434-

DE KUNST OM DË KüKST. — HANS AAS\' IIANSI.EIN. KOUTOM. ENZ.

Die een juist gehoor doen beven,

Dat het volk niet beter weet, Of die blaaskaakt en geraasmaakt, Is een reednaar, is poëet!

ACH !

DE KUNST OM DE KUNST.

„De kunst om de kunstquot; — zoo verkrijgt gij? — Natuur? Hei zij zoo, maar \'t schijnt me een heroïsche ouur.

HANS AAN HANSLEIN.

(Eelsherinnering.)

Die \'t hardst kan schreeuwen is de man,

In \'t land der Jonker Hansen;

Daarom, m^n zoon, schreeuw wat je kan,

Het geeft de schoonste kansen.

Schreeuw luider, Knabe! luider nog! De schreenworganen hebje toch. En \'t voorbeeld, dat we u geven,

Is maklijk na te streven.

Franzose sis; Englander lispt;

Wij krijschen, kind! wij gillen;

Vertoont zich iemand, die het gispt,

Wij weten hem te stillen.

Wij krijschen dubbel, beste maat,

Tot hoóren hem en zien vergaat;

In onze scherpe kelen.

Zijn „der ressourcen velen.quot;

En schiet de lieve keel te kort,

Wij zoeken \'t maar wat verder,

In maag en buikstreek, en het wordt

Niet mooier, maar wel harder.

En daarom „eens voor allemaalquot;.

Schreeuw door! Maar schreeuw grammaticaal! „Grammaticalischquot; krijschen Moet uw fatsoen bewijzen.

KORTOM. - IN HET KORT.

Wees in de keus tusschen dezen zorgvuldig; In het kort is beseheiden, kortom ongeduldig.

-ocr page 435-

TEB GEI/EOENII. V. H. TAALCONGR. ÏE MIDDELBURG IN SEPT. 1872. 403

TFB GELEGENHEID VAN HET TAALCONGRES TE MIDDELBURG IN SEPTEMBER 1872.

I.

AAN ZEELAND.

Hef Zeeuwsche Leeuw, den breeden kop

En schouders uit de baren,

Sobud fier en trotsch da manen op

En laat uw oogen waren Langs drom bij drom, uit elk gewest In uwe hoofdstad saamgeprest,

Waar, onder roos en palmen,

De blijdste tonen galmen.

Met dien van Holland, u getrouw

Sinds zooveel honderd jaren.

Biedt Vlaandrens Leeuw u thans den klauw,

Bij onze vrede-altaren.

De staatkunst scheidt en scheurt en deelt:

De taal vereenigt, zalft en heelt.

En Cats en Zevecoten Zijn eeuwig bondgenooten.

O Land van Cats, goed Zeeuwsch, goed rond.

Die \'t zout en \'t zoet vereende.

Waar Bellamy het speeltuig vond,

Dat Koosjes dood beweende;

O Bloemhof, rijzende op uit zee.

De vriendengroet, de zegenbee Van alle Dietsche tongen Wordt thans u toegezongen.

Uw vette klei zij meer en meer Met voedzaam goud beladen;

üw handel bloei, gelijk weleer.

Langs nieuw beproefde paden;

De ronde Zeeuw verandre nooit;

De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;

En al wat Zeeuwsch is toone Den glans van \'t Goede en \'t Schoone!

II.

HET WAPEN VAN MIDDELBÜIIG.

Aan den Heer Burgemeester SCHOEER. Op aadlaars-borst rust. Middelburg!

üw Burg van goud op keel; Uw naam worde, als op aadlaars-vlerk.

-ocr page 436-

404 TEK OELKGENH. V. H. TAALCONGR. TE MIDDELB. IN SEPT. 1872.

Gedragen door het luchtig zwerk, Naar \'s werelds verste deel.

Op aadlaars-borst praalt, Middelburg!

(Jw schild met glans en gloed; Geen arends-oog ontdekke een vlek, Maar arends-klauw en arends-bek Waak voor uw goed en bloed.

üe Keizerskroon, die \'t hoofd versiert

Uws Arends schittert schoon; Maar schooner en tot eedier vreugd, Blink \'t eikenloof der burgerdeugd Rondom uw stedekroon!

III.

IN DE ORANJERIE VAN OVERDÜIN. \')

Dat de Overduinsche bloemhof bloei,

Zijn boomgaard rijke vrucht doe plukken, Het kunsttrezoor er overvloei Van altijd nieuwe meesterstukken.

Zijn Eigenaar aan \'t zilvren haar.

Op \'t hoofd zoo ongebogen,

Nog lang den gloed van \'t ,.even paar,

Dat tintelt in zijn oogen.

Dat aan zijn zij zijn Gade p;quot;ijk.

Hem \'t levenspad blijf tooien,

Zijn Dochteren, aan gaven rijk,

\'t Met bloemen overstrooien.

Zijn Zoons den naam van zijn geslacht

Met nieuwen luister kronen.

Door \'t zwaard, den tabberd, en de kracht Der kunst in \'t rijk der tonen.

Bij zoo veel keurigs, zoo veel schats,

Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde.

Verhoog nog steeds „iets nieuws van Catsquot;

Van zijn verzamelingquot;) de waarde;

Cats\' hooge leeftijd, blijde moed

En hoop op \'t beter leven.

Meer waard dan al des werelds goed.

Zij rijklijk hem gegeven!

,) Buitengoed van den Heer de Jonge van EUemeet, Alg. Voorzitter van \'t Con* gres, te Oostkappel.

a) Museum Catsianum.

-ocr page 437-

GOEDE PREEK. — HIJ HET GUAK VAN BERNARD GEWIN.

Een dankbrc „Afdeelings-presidentquot;

Wensohfc dit den „Algemeenen,quot; En al wat ademt hieromtrent

Mset in dien wensch vereenen. „Lar.g en gelukkig leef de manquot;,

Roepe ieder duizend malen „Die ons zoo goed regeeren kan „En ons zoo gul onthalen!quot;

EEN GOEDE PREEK.

Een goede preek is als een goed portret; Zij kijkt u aan waar ge u ook nederzet.

BIJ 1 IET GRAP VAN BERNARD GEWIN.

Rust zacht! Gij zijt ter rust gelegd,

Waar niets kan deren,

Beminlijk vriend! Getrouwe knecht Des trouwsten Heeifen!

Gij naemt een vriendschap mede in \'t graf,

Van veertig jaren,

En wacht haar nieuwen morgen af,

Bij de englenscharen.

Wij wandlen hier, door lief en leed, Nog op en neder,

En gaan tot de ure, die God weet.

Door wind en weder.

Voor u was \'t weder dikwijls ruw, — Het deel der vromen! —

Maar nooit is tusschen mij en u Een wolk gekomen.

Daarboven zal geen wissling zijn Van licht en duister.

Maar een, een zelfde zonneschijn,

In vollen luister.

Wij hebben van dat heerlijk licht,

In \'t uur van scheiden.

Reeds op uw stei\'vend aangezicht. Een straal zien spreiden.

-ocr page 438-

IUJ DEN DOOD EENS UITNEMEN DEN.

Dat heeft ons hoofd omhoog gewend,

Ons hart genezen —

Kust zacht, mijn Vriend, en moge ons end\' Als \'t uwe wezen.

PRACHT.

\'t Is alles prachtig wat men hoort of leest: Een prachtig boek, lied, landschap, uitzicht, feest.... Wat altijd lief, hevallig, schilderachtig,

Door reinen eenvoud treffend is geweest,

Het moet nu prachtig heeten, \'t minst en \'t meest, \'k Moet zeggen, al die pracht verveelt mij machtig. En wordt ik dan dat oude woord indachtig.

En spreek ik \'t uit, bescliejden, maar met kracht: „Ik vraag u schoonheid, en gij geeft mij prachtquot; •-Men roept van alle kant: „dat woord is prachtig!quot;

JUBILARISSEN.

Die vijf-en-twintig jaar uw put geleegd, Uw gang gewit, uw schoorsteen heeft geveegd, Ter zelfder kroeg de borrels \'heeft geschonken, In \'t zelfde buis gegeten en gedronken, Zal Jubilaris wezen; gek of\' guit.

Een dagblad meldt het maanden lang vooruit; „Dien bravenquot; moet men „aangenaam verrassen.quot;

Een „prachtig albumquot; heeft men reeds in \'toog; Zend uw portret en wil uw duiten passen!

Als ieder wat doet, loopt het niet te hoog.

BIJ DEN DOOD EENS UITNEMENDEN.

Waar is, o Dood! uw prikkel? Uw overwinning, gulzig Graf?

Gods Engel greep den sikkel, En maait wat rijp is af.

Het zaad was uitgesprocen. Ontwikkeld, wie zal zeggen hoe? De halm was opgeschoien. De zwellende aar daartoe.

Bij vroege\' en spaden regen, Bij heeten zomerzonnebrand.

Had zij haar eisch gekregen, Op \'t welbereide lar.d.

PRACHT. — JUBILARISSEN. —

-ocr page 439-

VOOll DE UTRECUTSCHE WATERLEIDING.

De vrucht wordt rijp bevonden. En naar \'t verhonderdvoudigd zaad De sikkel uitgezonden —

De sikkel doet geen kwaad.

Nu is het uur geslagen,

Van d\'oogst der englen \'t plechtig uur; De garve wordt gedragen.

Gedragen in de schuur.

De schoof ter rechter tijde Gevoerd ter plaatse, die haar wacht, Maakt niet bedroefd; maar blijde Ziet men haar ingebracht.

VOOR DE UTRECHTSCHE WATERLEIDING.

Voert water aan, voert water aan, In frissche, heldre stroomen,

Zoo als de hooge God het geeft.

Voor nog de mensch \'t bedorven heeft;

Voert water aan, voert water aan.

Laat, laat de Godsgaaf komen!

Voert water aan, voert water aan. Uit zilvren waterwellen!

Geen drab, waar ziekte en dood uit gist. Maar zuivre bron, die \'t bloed verfrischt;

Voert water aan, voert water aan, Dat kranken doet herstellen!

Voert water aan, voert water aan.

Voor armen en voor rijken!

Voor \'s rijken goud, door kunst en kracht. Den armsten broeder toegebracht;

Voert water aan, voert water aan.

Waar liefde en trouw uit blijken!

Een burgerkroon, een liefdekrans, Die nimmer moet verflensen.

Waarin zich doorn noch distel mengt.

Voor \'t hoofd, dat deze weldaad brengt, En water schenkt, goed water schenkt, Aan zestig duizend menschen!

407

-ocr page 440-

BAAS BOVEN BAAS. — SCHOOLVERZUIM. — EENHEID, ENZ.

BAAS BOVEN BAAS.

Voorzichtigheid ziet ver, boosaardigheid nog verder; De wolf heeft fijner neus dan menig herder.

SCHOOLVERZUIM.

Nu is de groote zonde ontdekt,

De moeder aller zonden;

Het kwaad, dat alle kwaad verwekt En aanvoedt, is gevonden;

Want Hebzucht, Heerschzucht, Nijd en Haat,

Zijn slechts gevolgen van dit kwaad;

Maak iedereen schoolplichtig,

En alle ding is richtig.

Verzuim geen school, leergrage jeugd!

Wier lof wij daaglijks zingen.

Is niet de kennis macht en deugd En alle goede dingen\'?

Verzuim geen school, en moord en roof

Met leugen, ontucht, kerkgeloof En diergelijke schande.

Verdwijnen uit den lande!

De goudeneeuw, het paradijs Zal voor de wereld keeren.

Zoo maar de kindren dezes tijds Goed schoolgaan en goed leerei..

Dies prikkien wij tot schoolbezoek

Met chocolade en krentekoek.

Belovende alle straffen Geregeld af te schaffen.

EENHEID.

Breng eenheid in uw werk, wilt ge u met werking vleien; De vuist treft beter dan tien vingers uit te spreien.

BIJ HET GRAP VAN EENEN ACHTTIENJARIGE, MET EEN BLOEMKRANS BEDEKT.

Kust onder deze bloemen,

In dit vroegtijdig graf!

Uw jarental te noemen Perst ieder tranen af.

-ocr page 441-

AAN MIJN VIIOUW. 409

HE KEOENBOOG. —

HOOGKR WAARHEID. —

Te denken aan het lijden,

Dat nu geleden is,

Is oorzaak van verblijden, Bij deze droefenis.

Het oog omhoog te beuren Is balsem voor de smart, Genezing, na \'t verscheuren Van \'t arme moederhart.

Het hart in God te sterken.

En, \'t oog op \'t graf gericht. Te leven en te werken Ziedaar de taak, de plicht.

HOOGER WAARHEID.

Wat gij, onvatbaar voor bewijs,

Alleen door \'t hart kunt weten. Dat geeft gij als onbruikbaar prijs; Alsof gij zeidet: \'t Is geen spijs, Wat \'k met geen vork kan eten.

DE REGENBOOG,

{Naar Wordsworth.)

Mijn hart springt op, wanneer mijn oog Een regenboog Den trans ziet kleuren met zijn verven, Zoo was \'t, zoo vroeg mij heugen mag, Zoo is het heden nog, en ach!

Zoo blijve \'t tot mijn ouden dag,

Of — laat mij sterven!

Het kind is vader van den man.

En ik verlang niet liever dan

Mijn dagen aan elkaar te snoeren Door dat natuurlijk vroom gevoel.

Dat eens mijn jonkheid mocht vervoeren, Eu nooit verkoel!

AAN MIJN VROUW.

Zoo als God mijn hart aan u gesnoerd hoeft,

Lieve gade en weerhelft mijner ziel.

Sinds zijn liefde mij u toegevoerd heeft, En uw licht op mijne paden viel;

-ocr page 442-

AAN MIt,IN VROUW.

Hoe ik voel dat onze banden klemmen,

Bij de minste scheiding, kort of lang,

Hoe mijn hart en \'t uwe samenstemmen.

Meldt geen citer, zegt geen zang.

Dierbre, mij in \'s hemels gunst gegeven, Tot vertroosting na den diepsten rouw!

Heel uw rang en adel staat geschreven,

In dit tweetal woorden: echte vrouw.

Vrouw — wie \'t waag uw -waarde te verminderen,

Door verbastring van uw deugd en aard — Vro uw te zijn en moeder zyn van kinderen Is de kroon der kronen waard.

O Gij zijt het, lieflijk en volkomen.

Met een vreugde in \'t hart en op \'t gelaat, Die het zoetste zoet der mannendroomen

En het hoogst geluk te boven gaat.

O Gij zijt het, met een liefde, krachtig

En zachtmoedig, teeder, trouw en groot, Vriendlijk als het zonlicht, alles machtig Voor uw kroost en echtgenoot.

In uw armen, aan uw hart gedrongen,

Door uw oog bestraald, verkwikt, doorzien. Van wat nood of vijandschap besprongen,

In uw arm kan mij geen leed geschien. Rustend aan uw boezem, waar ik \'t kloppen

Hoore en telle van dat liefdrijk hE,rt,

Kan ik alle zorg en leed verkroppen,

Steekt geen doren, duurt geen smart.

Met wat teerheid moest ik u omringen,

Met wat dankgevoel u gadeslaan!

Met wat aandrift \'s hemels zegeningen Nedersmeeken op uw hoofd en paan!

Met wat zorg u op mijn handen dragen.

Dat gij aan geen steen uw voet bezeert! Met wat vreugd en innig welbehagen.

Doen al wat uw hart begeert!quot;

Gij begeert slechts liefde, ziel vol Lefde!

Hart, waaraan geen heb- of heerschzucht knaagt. Dat nooit argwaan met zijn angel griefde,

Dat met hersenschimmen zich niet plaagt! Van mijn hart verzekerd, hangt uw vrede Van geen toeval, van geen indruk af, —•

O Mijn God! vergun mij deze bede:

Koestre mij die liefde tot mijn graf!

-ocr page 443-

BIJ HET GRAF EENS EVANOEI.IEDIEXAAHS. —

BIJ HET GRAF EENS EVANGELIEDIENAARS.

Hoe zacht rust in des aardrijks schoot

Het overschot der vromen,

Tot dat het eeuwig- morgenrood

Ter kimmen uit zal komen,

Totdat, bij \'t jongst bazuingeschal, Des Heilands stem weerklinken zal, En \'t graf ten eeuwgen leven Zijn dooden wedergeven!

Hoe heerlijk zullen, met een glans

Daar sten-en bij verzinken,

De trouwe leeraars aan den trans

Des nieuwen hemels blinken !

Hoe zullen, die, door hen geleid,

Zich wendden tot de zaligheid,

Met hen aan \'t stof ontrezen,

Hun kroon en blijdschap wezen!

Inmiddels bloeien stil en zacht De bloemen op hun graven.

Die liefde en eerbied samenbracht

En dankbre tranen laven.

De naklank van hun stem en woord. Hun beeld leeft in de zielen voort. Zij spreken menig werven Nog krachtigst na hun sterven.

OPPER VLA KKIGHE [ D,

De waarheid heeft geen erger vijand dan Dien schijn van wijsheid, die niet verder ziet Dan d\' eigenwijzen neus. De wijze man Bemint den strijd met wijzen, maar ontvliedt Schermutsling met verwaanden, waar hij kan; \'t Is tijdverlies en onbeloond verdriet.

VAN BUITEN ROOD.

Van buiten rood, maar zwart in \'t hart,

Schoon op den hoogsten steel verheven, De schoone bloem verdort en wordt

Aan wind en stof ter prooi gegeven.

OPPERVLAKKIGH., ES

-ocr page 444-

412 „LION.quot; — EENS VADERS RAAD. — AUDAX. — VOOR DE VOIST.

Wat anders niet dan schijn

kan zijn,

Maar arm aan kracht is, deugd en waarde, Hoe hoog geplaatst, ontzinkt,

waar \'t blinkt. En, eer men \'t denkt, ligt plat ter aat\'de.

„LION.quot;

Proteo noveilo, dl quando In quandü Dl nome e d\' ablto cl va canplando; ra petit-mailre chiamato un dl, Poi muscadin, indi damlt/.

E fu per ultimo In Albion Ribatezzato per un Llon;

II che significa, con sua ilcenza, Ch\'egll e ia bestla per eccellenza.

Aknoi.do Füsinato.

Moderne Proteus, menigkeeren Verwisselend van naam en kleeren:

Eerst petit maitre, muscadin,

En later dandy, moest hij zijn.

Tot dat ten laatste Britsche monden Den naam van Lion voor hem vonden!

\'t Geen zeggen wil, of \'k heb h^t mis,

Dat hij het beest bij uitstek is.

EENS VADERS RAAD.

Mijn zoon, indien gij leven wilt als wijzen mannen past:

Wees steeds tot nut, niet graag vooraan, en nimmermeer tot last; Spreek nooit te vroeg, spreek niet te veel of anders dan gij denkt; Wees trouw, mistrouw niet, maar zie toe wien ge uw vertrouwen

[schenkt.

AUDAX.

„Sla toch dien mallen Audax ga! „Hij durft van alles ondernemen; „ Hij vat ter hand, waar ik voor staquot;...

Mijn vriend, laat dat u niet bevremen ; Hem die niets is, is alles even na.

VOOR DE VUIST.

„Wat voor de vuist wordt toegediend, „Komt warm op tafelquot;, zei een vriend.

-ocr page 445-

AAN SOMMIGEN. - VERKREGEN WENSC1I. - OCULUS AN1MI SPECULUM, ENZ. 413

Komt warm op tafel, dat is waar, Maar is niet alt^d even gaar.

AAN SOMMIGEN.

\'tGeen gij me op tafel zet, mijnheerenl Is al te weinig naar mijn zin:

Er zit niet heel veel voedsel in, En \'t valt nog moeilijk te verteren.

VEEKREGEN WENSCH.

\'t Verkrijgen van den wensoh Verheft ons dwaze mensehen Vaak boven onzen wensch. Niet altijd boven \'t wensohen.

OCULUS ANIMI SPECULUM.

,Geheel de mensch is in zijn stijlquot;, beweert Buffon, maar ik: De stijl bedriegt mij nog wel eens, maar nimmermeer de blik.

* „ic Style, c\'est Vhommequot; — immers dit schrijft men Buffon toe, ofschoon het woord bij hem eenigszins anders luidt, en ook verder getrokken wordt dan in zijn bedoeling lag.

NIETWAAR ?

Een witte raaf, een roode spreeuw Zijn zeldzame zaken, maar Zoo zeldzaam niet als, in onze eeuw, Welsprekendheid zonder „Nietwaar?quot;

MACHT EN ONMACHT.

Kweek al wat kiemt, laat niets dat groeit verleppen; Maar droom niet van te maken of te scheppen;

Door tijd noch vlijt, noch vrome wensch ontstaat, Uit duizend korlen zand, een enkle korrel zaad.

KUNSTVAARDIG.

A.

Jan is een ware wonderman; Hij kan

In rijm en maatval alles zeggen.

-ocr page 446-

414 ECHT EN BASTERD. — GEESTDRIFT. — EEN ROL TE SPELEN, ENZ.

JAN

B.

Ik acht hem daarvoor evenveel Als een, die in een kersenstecl Een knoop met zijne tong kan leggen.

ECHT EN BASTERD.

„Een basterd nachtegaal, die aardig in zyn soort is,

„En aanheft ongevraagd,

„Boeit dikwijls en behaagtquot;...,

Wel zeker, vriend! zoo lang maar de Echte niet gehoord is.

GEESTDRIFT.

Waar \'t hart niet voor een hooger wereld slaat,

Kan nog wel geestdrift zijn, maar die vergaat. \'

Als \'t uit is met de jeugd en schoone droomen,

Als de eerzucht is bevredigd of — benomen;

Slechts kemelsch vuur verdooft niet; vroeg noch laat.

EEN ROL TE SPELEN

„Een rol te spelen in den Staar,,quot;

„Een rol te spelen in de Kerkquot;,

Daar hebt gij steeds den mond van vol.

Dat \'s „levenstaakquot;, dat\'s „mannenwerkquot;,

Waar u het hart voor slaat! \' i\'

Vergis u niet, mijn beste maat:

Een rol is maar een rol.

WIE VAN BEIDEN GELDT

VOOR DEN GROOTSTEN HELD ?

„Ik kenquot;, zegt Jan, „geen vrees;

,\'k Blijf altijd bij mijn zinnen.quot;

„Ik ken haar welquot;, zegt Kees,

„Maar \'k weet haar te overwinnen.quot; gj

TWEEËRLEI. zij

Schudt gij \'t uit de mouw:

Dat gaat glad en gauw;

Baart gij \'t uit uw hoofd en hart.

Dat kost tijd en smart.

-ocr page 447-

JAN ZONDERLING. — NAAIi DON MANUEL. — PETER DE ÜIIOOTe\'s ENZ. 415

JAN ZONDERLING.

De zucht naar grootheid, die mij prest, Doev. mij betreden paden vloeken.

Ik kan niet beter doen dan best, Zoo wil ik \'t dan bij anders zoeken.

NAAR DON MANUEL.

1.

Waag nooit uw schat of hoogen staat Aan \'t geen een armer man u raadt.

II.

Denk nooit dat ik behagen schep In wie mij prijst om \'t geen ik mis; Ik weet te zeker dat het is Om mij te ontzeggen wat ik heb.

PETER DE GROOTE\'S GESCHENK AAN WILLEM III.

Groote Peter schonk den grooten

Willem met zijn eigen hand, Maar in grauw papier gewikkeld,

eenen grooten diamant; Was het niet een treffend zinbeeld

van den gever en zijn land?

Naar Jacobus Scheltema.

I\'eter de Groote. I. 212.

KENNIS NIET =: KRACHT.

Niet altijd mannen die veel weten,

Maar die veel hunnen eischt het werk; Te vaak, te veel. en alles te eten Maakt mooglijk vet, maar zelden sterk.

OEFENING.

Bij menigen juffer en menigen heer,

kom ik haast tot dit treurig besluit Zjj oefnen zich in den godsdienst zeer,

maar zij oefnen hem matigjes uit.

ERG.

„Erg mooiquot;, „erg lief\'\\ „erg goedquot;, „erg zachtquot;, „erg rijkquot;. Klinkt mij erg naar, erg slecht, erg erg en ergerlijk.

-ocr page 448-

41G NK£M HKÏ BESTE. — KOEKEND. — NAAR TEKSTEEGEN, ESZ.

Anders.

.Erg hef,quot; ,erg mooiquot;, ,erg zachtquot; — \'t Gaat nu, gelijk gij hoort, Van goed, gelijk weleer van kwaad, tot erger voort;

\'t Kan erf/er niet, is nu wel \'t ware woord.

NEEM HET BESTE.

Wat pijnt ge u af, mijn goede heer!

, Uw nachtrust wordt vergeefs verkwist;

Eén gram voorzichtigheid is meer Dan kilogrammen list.

ROEREND.

Jan War preekt roerend, zegt gij. Kom,

Ik wil het ook gelooven.

Hij roert een pot met woorden om, En hutst het onderst boven.

NAAR TERSTEEGEN.

Hij is niet rijk, die veel bezit. Zoolang hij daar nog bij wil voegen;

Er is geen rijker zijn dan dit: Dat ge u met God kunt vergenoegen.

FESTINA LENTE.

Door drift gedreven drijver!

Hoor wat het oude spreekwoord zegt; „Een slechte baas is de IJver, Ofschoon een beste knecht.quot;

GEEN KIND DES TIJDS.

Geen kind zijns tijds te zijn, strekt geen verwijt; Een groote geest staat boven zijnen tijd.

Maar buiten zijnen tijd, of naast zijn tijd te leven,

Dat \'s wat onvruchtbaar maakt, en niemand wordt vergeven.

-ocr page 449-

In de VIJFTIG-CENTS-EDITIE zijn verschenen;

No. i.

- Mr.

J.

Van Leunep,

De Pleegzoon.

2.

- Mr.

J.

Van Lennep,

Ferdinand Huyck.

3.

- Mr.

J.

Van Lennep,

De Roos ?an Dekama.

4.

— Mr.

J.

Van Leunep,

Elizabeth Musch.

5.

- Mr.

J.

Van Lennep,

Novellen en Vertellingen.

6.

- Mr.

J.

Van Lennep, Onze Voorouders.

7.

- Mr.

J.

Van Lennep,

Onze Voorouders.

8.

- Mr.

J.

Van Leunep,

Onze Voorouders.

9. — Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje, I.

10. — Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje, II.

11. — Mr. J. Van Lennep, De lotgevallen van Klaasje, III.

78. — Mr. J. Van Lennep, Vertellingen van vroeger en later tijd.

79. — Mr. J. Van Lennep, Nederlandsche Legenden.

Het huis ter Leede. — Adegild. — Jacoba en Bertha.

80. — Mr. J. Van Lennep, Nederlandsche Legenden.

De strijd met Vlaanderen. — Eduard van Gelre.

87. — Mr. J. Van Lennep, De Geschiedenis van Nederland, aan het Nederlandsche volk verteld, op de hoogte van den tegenwoordigen tijd gebracht door C. H. M. Vierhout. Nederland vóór den Tachtigjarigen oorlog. Geïllustreerd.

12. — J. .1. Cremer, Dokter Helmond en zijn Vrouw.

13. — J. J. Cremer, Daniël Sils.

14. — J. J. Cremer, Tooneelspelers.

15. — J. J. Cremer, Hanna de Freule.

16. — J. J. Cremer, Anna Rooze, I.

17. — J. J. Cremer, Anna Rooze, II.

18. — J. J. Cremer, Overbetuwsche Novellen.

19. — J. J. Cremer, Novellen en Vertellingen.

20. — J. J. Cremer, Novellen en Vertellingen.

21. — J. J. Cremer, Betuwsche Novellen en een Reisgezelschap.

22. — J. J. Cremer, De Lelie van \'s-Gravenhage.

23. — J. .T. Cremer, Emma Berthold en Boer en Edelman.

-ocr page 450-

24. — J. J. L. Ten Kate, Stichtelijk Huisboek. Nieuwe druk.

25. — Mr. J. Van Lennep en J. Ter Goinv, De Uitbangteekens

in het algemeen. Geïllustreerd.

26. — Mr. J. Van Lennep en J. Ter Goinv, De Uitbangteekens

in het bijzonder. Geïllustreerd.

27. — Mr. J. Van Lennep en J. Ter Goinv, De Uitbangteekens

in verband met Geschiedenis en Volksleven. Geïllustreerd.

28. — Mr. J. Van Lennep en J. Ter Goinv, liet boek der op

schriften. Geïllustreerd.

29. — K. JSennink Janssonins, Dichtwerken, Gebonden.

30. — Jan Luiken, Spiegel van het menselyk bedryf. Geïllustreerd.

31. — Jan Luiken, Het leerzaam huisraad. Geïllustreerd.

32. — Jan Luiken, Des menschen begin, midden en einde. — De

werken en vergelding der barmhertigheid en onbarmher-tigbeid. Geïllustreerd.

38. — Jan Luiken, Bykorf des gemoeds, I. Geïllustreerd. 34. — Jan Luiken, Bykorf\' des gemoeds, II. Geïllustreerd.

42. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lknnep,

herzien door J. H. W. Ungkr.

1605—161G. Hot Pascha. — Den Gulden Winckel. — De Vaderen. Geïllustreerd.

43. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1617. Vorstelycke Warande der dieren. Geïllustreerd.

44. ■- J. Van don Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1618—1G20. Hierusalem verwoest.— De Heerlyokheyd van Salomon.— Uelden Godes. Geïllustreerd.

45. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1G21—1625. Do Amsteldamaohe Ilecuba. — Palamedes. Geïllustreerd,

46. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1626—1G29. Hlppolytue. Geïllustreerd.

47. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Me. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unger.

1030—163G. Sofonipnncas. Geïllustreerd.

-ocr page 451-

48. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lf.nnep

herzien door J. H. W. Unger.

1637—1639. Gysbreght van Aemstel. — Elektra. — Maegbden. Geïllustreerd.

49. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lknnep,

herzien door J. H. W. Unger.

1639—1640. Gebroeders. — Joseph in Dothan. — Joseph in Egypten.

72. — Nicolaas Beets\' Dichtwerken.

73. — Nicolaas Beets\' Dichtwerken.

74. — Nicolaas Beets\' Dichtwerken.

76. — Bernard Ter Haar, Dichtwerken.

77. — Bernard Ter Haar, Dichtwerken.

Ter Perse:

35. — Jan Luiken, Vonken der liefde Jezus. Geïllustroerd.

36. — Jan Luiken, Beschouwing der wereld, I. Geïllustreerd.

37. — Jan Luiken, Beschouwing der wereld, 11. Geïllustreerd.

38. — Jan Luiken, Jezus en de ziel. Geïllustreerd.

39. — Jan Luiken, De onwaardige wereld. Geïllustreerd.

40. — Jan Luiken, Het overvloeiend hart, I. Geïllustreerd.

41. — Jan Luiken, Het overvloeiend hart, II. Geïllustreerd.

50. — J. Van den Vondel, uitgegeven door Mr. J. Van Lennep,

herzien door J. H. W. Unqer.

1641—1642. Peter en Pauwels. — Heldinnebrleven.

75. — Nicolaas Beets\' Dichtwerken.

De öO-Cents-Editie kost by afzonderlijke Deelen gekocht 60 Cents ingenaaid en 90 Cents gebonden.

Geïllustreerde hoeken kosten altijd lO Cents meer.

-ocr page 452-
-ocr page 453-
-ocr page 454-
-ocr page 455-
-ocr page 456-