-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

GEDICHTEN

VAN

NICOJLAAS JBEETS.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

/^3

GEDICHTEN

VAN

NICOLAAS BE

VOLLEDIGE UITGAVE, NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKT EN OPNIEUW HERZIEN.

VIJFDE DRUK.

LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INHOUD.

GEMENGDE GEUICHTKN. S3® BUNDEL.

Bladz.

verwachting................................j

Wat kinderoogen zien kunnen...........2!

Arabische menschenhaat.............4\'

De deuvik en de kompasnaald...........4.

Ontboezeming................6

Aan een onderwijzer, op zijn jubelfeest........6.

Triomfeerende argumenten ............7_

Scheppend genie..............\' g\'

Germanismen.................quot; 9\'

Het juiste midctén...............\' 9\'

Anders......................loquot;

Intuïtie....................................IO\'

Taal-censuur...............! . ! lo\'

Aan een reiziger naar overzee..................1q\'

Prijsvraag.............\'.!!!! 1L

Zangdrift................

Eens konings tranen.............. ! 12

Aan mijne eclitgenoote........... ... 19

Niet voor de wereld.............! ! 22

De Magdalene bij \'t kruis.............22quot;

Najaarslied................. ..25

Bij een beeltenis............... . 26\'

Bruidsbezoek in de pastorie.........! . ! 30

Aan mijn vader...............! 32*

Lente...........•..............33

Aan Dr. Karei Gutzlafi\'............• \' 34\'

Eva..............34\'

De Moeder des Heeren..............39\'

Navolging...........^ i !!!!!! 48.

Het Haarlemmer-meer. 1850 ................40\'

Toelichting..............! ! ! ! 44

Naamgeving aan eene landhoeve............4.^\'

Herfst................46*

„Ik betrou in Godquot;.........■ ^ ^ ! 46\'

Nachtegaal............!!!!!! 47\'

Keurigheid................quot;. . 47

Koekoek................! i 48

Zonsondergang...............! ! 48\'

-ocr page 10-

lAHOUlX

Bladz.

Aan de zee..................^9.

lieinen van harte................

Een is noodig.................

Het Oranjewater.................

Opmerking...................5^*

Simon Petrus..................

Oog en ......................

Aan mijn vader, op zijn 72sten verjaardag.......w.

Vleugels....................

Weent niet over ^ mij...............

Weerhaan-wijsheid................^

Jaargetijden..................y.?-

Op \'t ziekbed..................

Geen deel, maar \'t geheel.............J1®-

Eenvoud....................

Stijg, maar nijg.................^

Zwijgen. ......................

Morgenstond.....................

Madeliefje...................

Geen orgeltoon, maar uw persoon. . . !......\'|-

Een roos ...................

Aan eene jonge dichteresse............lA-

Ter bruiloft van Moeders Troost..........

...................................Tö.

Aan mijne echtgenoote, met een bloemstukje, enz. . . . /6.

Volkomenheid...................

Wederzien...................

De Leidsclie visscher en het Haarlemmer-meer, in 1852. . 78.

Waarschuwingen................

Herinnering.................

Het kruis...... . • . \'.........

Liedje....................

Ontdekkingen.................

Medebroeder...................

Aan eene achttienjarige.............oj-

Scheiding..........;........

Overgangen....... ■ • quot;........°S:

Voluptas flendi [drukfeil: plendij.............

Een Nederlandsch lied ..............8b.

Koperen bruiloft. Aan Aleide ...........o\'-

Suum cuique..................gg\'

88.

■ ■ ;..........89.

..........90.

..........90.

..........91.

Jan

Meizang. Aan Maria

In Mei.....

Steenvruchten . .

Aan mijne moeder.

Verpoozing............,

Niels Stockfleth, Predikant m linmarken.......Vi-

-ocr page 11-

INHOUD. Vil

Bïadz.

Bloeiende linde.................97.

Geen engel..................98.

Volkslied......................................99.

Geen genade.................99.

Het Haarlemmer-meer drooggemaakt. 1853 ............99.

Roem....................100.

Genot....................ICO.

Uit moeders naam. Ter bruiloft mijner jongste zuster. . 101.

Vlekken in de zon...............103.

Jongelingschap................103.

Drie jongelingen .... ............104.

„Met zen achtenquot;...............104.

Maat en toon.................106.

Kerstfeest...................107.

Hemelvaart..................107.

Zie opl...................10S.

Nog eens; de waarheid ligt in \'t midden.......108.

Waarheid...................108.

Begrafenis..................108.

Opvoeding..................109.

Nog een wenk.................110.

Het Zeemanshuis................110.

Aan mijne kinderen...............111.

Lotwisseling..................Hl-

Onbereikbaar .................112.

In den herfst.................112.

Een lied om bevrijding............-114.

Nog een lied om bevrijding............115.

Vaders vedeldeuntje bij de wieg..........115.

Gulden les..................117.

Liederkransje voor de jarige moeder........117.

Wie schuilt er? . . \'.............122.

De vlinder..................122.

Polemiek...................122.

Aan Jonkvrouw S. v. S..............123.

GEMENODE GEDICHTEN. 4^® BUNDEL.

De Stichtsche zwerfster.............124.

Nieuwe woning......\'.........127.

Mijn hof...................128.

Vallende sterren................129.

Wasdom tot kleiner...............129.

Tweede knop.................129.

Laatste grond.................130.

Maandroos..................130.

Weerslag...................130»

-ocr page 12-

Bladz.

Bai-tje....................130.

De taal....................131.

Vijftal gewijde liederen.

I. Het Woord is vleesch geworden........136.

II. Bede...................138.

III. Belijdenis.................139.

IVquot;. Loflied..................140.

V. Lofzegging.................141.

Galm en nagalm................141.

Aan Nederland................143.

Onze vriendschap. Aan J. P. Hasebroek.......143.

Oud en nieuw.................145.

Aan bedroefden................145.

Nog.....................145.

Vertrouwen..................146.

Niet onfeilbaar................146.

Kwikstaart................. . 146.

Twee Geneve\'s.................147.

De kleingeblevenen...............147.

In eenzaamheid................147.

Elsje....................\'.148.

In de diligence................148.

Haarlem...................154.

Heiloo....................157.

Het lied des dooden...............157.

Bij het overlijden eens leeraars..........158.

Wapen voor de gemeente „Haarlemmermeerquot;.....159.

Mijn roos...................159.

Open vensters.................160.

Betje....................161.

In de kinderkamer...............164.

Bjj haar graf.................164.

Kepos ailleurs.................165.

Nevens de bijenkorf...............165.

Jan Janszen..................168.

Nog te jong..................171.

Scherts....................172.

Slechts eéne taak................172.

Twee lichten.................174.

^ Nagedachtenis.................175.

Benöni....................178.

Nazomer...................178.

Oud en nieuw verbond..............179.

Onder \'t vreemde juk..............179.

Naar Rückert............. 1. 179, 11. 180.

-ocr page 13-

INHOUD. IX

Bladz.

Afcheid...................180.

Morgenwekker.................181.

Zomerdag...................181.

Blijvende waarde...............182.

Vrede....................182.

Aan den Heiland................183.

Johanna Gray.................183.

Eenvoud...................186.

Godsvrucht..................187.

Jong blijven..................187.

Dichtluim...................187.

\\ Wanneer de kinderen groot zijn...........188.

Eindelijk...................190.

Goedheid...................190.

Bij den dood van Or. J. J. Viotta.........191.

Geen kruis, geen kroon.............191.

In de lente..................192.

De post van eer................192.

Gemengde gedichten. Bundel.

Madelieven zijn er altijd.............193.

Tweede huwelijksdag..............193.

Een Driekoningen-lied..............194.

Zilveren echtteest...............196.

Hanna\'s lied,.................198.

Voorjaar...................199.

Hollandsch huishouden.............199.

Twee wrakken..................................200.

Mooi Kaatje..................201.

Voor de gevallenen..............................202.

Hooge school................• 202.

Doorgraving van Holland op zijn smalst..............202.

Herstelde kraamvrouw............................203.

Bij de beeltenis van Z. M. den Koning..............204,

Aan mijne landgenooten in Februari 1861..............204.

Echte dichtgeest................................205.

Vragen aan den Schepper........................206.

Waar is uw hart................................207.

De beste vriend................................207.

Bede voor de Burgerweezen te Haarlem..............208.

Zwitserland........................................209.

De twee Lutschinen...............211.

Vrouw Sijmensz................211.

Oude vriendschap................212.

Hoe langer hoe liever..............212,quot;

Niet en kander beter passen, enz..........213!

Ongewone gunstbewijzen, enx............213\'

\\

-ocr page 14-

Bladz.

Nog een driekoningen-lied............214.

Vondels borstbeeld enz..............215.

Veldbloem en kasbloem.............216.

Aleide 11.....__.....oiï\'

Bij de uitgave van mijne ,Verstrooide gedichtenquot; . . . 217.

De bloemverkoopster..............218.

Het regenscherm................219.

Het herberg-meisje..............................220.

Lauterbrunnen.................221.

Regendag...................228.

Het Oranjefeest, te Utrecht gevierd.........

Jan Logica ,..................................227.

Jan Klank . .................227.

Mozes op den Nijl . . quot;.....quot;......227.

Aan een ,Openbriefquot;-5chrijver......................227.

Vijfentwintigjarig Burgemeesterschap van den Heer Mr.

N. P. J. Kien te Utrecht............22b.

Jubelfeest van den slag van Waterloo..............228.

Aan den Hoogleeraar G. J. Mulder..................230.

Verborgen........\'.........231.

Klauterlessen.................2dl.

Kinder-godsdienstoefening............232.

Aan J. J. Van Oosterzee..........................233.

Zij zeggen..................234.

Winandermeer.................-•Tb

Ue verminkten.................

Baumanns grot ................^go-

Waterval in Saksisch Zwitserland..........^3quot;.

Blijf één .... •............................238.

Groote ontdekking..............................239.

Aan eene erfdochter............................240.

Gratiosa......................................240.

Iemand aan eene................241.

Dorothea Serena..............\' • 241.

Aan de Mogendheden............................242.

Vondel........................................243.

Uit Shakspere..................................244.

O Mihi Praeteritos!..............................245.

Ootmoed........................................246.

Drie stemmen..................................246.

Bemoediging..................................247.

Bede . .....................................247.

Geen partijman................................247.

Wat wil men toch?..............................248.

Gesprek tusschen drie . . \'......................249.

De Bijbel....................................249.

Het oude lied.................251.

Maanlicht...................quot;52.

-ocr page 15-

INHOUD. XI

Blad?.

Waar niet?....................................252.

Afdalen . . . ...............................253.

Vraag........................................253.

Avondregen....................................253.

Echte zang....................................255.

Opwekking....................................255.

Op tijd........................................256.

Onberouweljjk..................................256.

Een lied......................................257.

Gezondheid en genoegen stralen....................257.

Aan eene weduwe..............................257.

Alles en niets . ...............................258.

Drie gediohten naar Thomas Hood.

I. Het lied van het hemd........................258.

II. Het sterfbed................................260.

III. De drenkelinge...............261.

Kinderlach....................................264.

Een woord van Bacon............................265.

Zijt gij rijk, dat hetbliik!........................265.

Aan Dignus....................................265.

Maak plaats..................................265.

Eén slechts....................................266.

Geen Homerus..................................267.

Verlies van vrienden............................267.

Zijn of schijn..................................268.

Aan een H. E. H. G..............................268.

Handen thuis..................................268.

Poëtisch proza..................................268.

Aan .... Geen lid der St. Gen......................268.

tt/.ïov ïjiuLOv Ttarrós................269.

Kaar Eückert 1—8..............................269.

ONS VISSCHERSVOLKJE.

I. Japiks wieg op \'t strand geboend.......271.

II. ïrijntje\'s dolce far niente..........271,

III. Het breistertje...................271.

IV. Harmens uitreis............................272.

V. Klein Jantjes eerste reis......................273.

VI. Het beslissend oogenblik......................274.

VII. Joost Atlas. ...........................275.

VIII. Moeders middagslaapje......................275.

IX. Langs moeders graf........................276.

X. Netten boeten............................277.

XI. Waar blijft hij?............................277.

XII. Het anker uitgebracht......................278.

XIII. Pleuntje..................................278.

XIV. Toebereidselen voor de toekomst..............280.

-ocr page 16-

inhoud.

Bladz.

kinderzangen naar isaak watts.

De lof van God................281.

Lof aan den Schepper en Onderhouder.......281.

Dank aan God voor onze verlossing................282.

Dank voor tijdelijke en geestelijke voorrechten .... 283.

Dank voor geboorte en opvoeding in een christenland . 284.

Dank voor het Kvangelie..........................285.

Voortreffelijkheid der Heilige Schrift................285.

Dank aan God dat men lezen leert..................286.

De alles ziende God..............................287.

Ernstige gedachten aan God en den dood............287.

Hemel en hel..................................288.

Het voorrecht van vroege godsvrncht................288.

Gevaarlijk uitstel................................289.

Voorbeelden van vroege godsvrucht..................289.

Tegen het liegen................................290.

Tegen twisten en vechten............291.

Liefde tusschen broers en zusters..........291.

Tegen smalen en schelden........................292.

Tegen vloeken, zweren en misbruik van Gods naam . . 292.

Tegen ledigheid en moedwil......................293.

Tegen slecht gezelschap..........................293.

Tegen hoovaardij op kleeding......................294.

Gehoorzaamheid aan de ouders....................295.

Kinderklacht..................................295.

Een morgenlied................................296.

Avondlied......................................296.

Zondagmorgen..................................297.

Zondagavond..................................297.

De luiaard....................................298.

Onschuldig spel................................298.

De roos......................................299.

Stelen........................................800.

De mier......................................300.

Goede voornemens...............301.

Zomeravond..................................302.

welkomstgroet aan de leden van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap, enz. 26 Juni 1867. . . . 803.

wedde, heiligerlee, wisscHOTEN. Vaderlandsche uitboeze-

mingen. 1868 en 1873.

Te Wedde, 22 Mei 1868 ..........................313.

Op het veld bij Heiligerlee. 23 Mei 1868..............314.

Te Winschoten. 23 Mei 1873. Aan den Koning .... 325.

feestcantate voor den dag der onthulling van het Nat. Ge-

denkteeken voor 1813; 17 Nov. 1869 ..................328.

xii

-ocr page 17-

INHOUD.

Bladz.

GEMENGDE GEDICHTEN, G^e BUNDEL.

Onsterfelijk....................................338.

God laat groeien .... ......................338.

De opperzale..................................339.

Vier Engelen.................341.

Liefde tot Jezus ................................343.

Verzen........................................344.

Roepstem......................................345.

Aan zekeren ouden boom..........................345.

Man van den dag..............................346.

In schoonmaakstijd..............................346.

Verbeter, en verbitter niet........................347.

Ee,n goede raad van Lavater......................347.

Uw tijd......................................348.

In het Nijenburgscbe bosch........................349.

„Kennis is machtquot;..............................349.

Star en kus....................................350.

Aan een pas geleerde............................350.

De wilg aan een dichter..........................350.

In het diaconessenhuis te Utrecht.........351.

Vaderlandsche leuzen............\' . 352.

\'s Levens doel..................................353.

In den zomer....................................353.

Wat geel\' ik om een werelddeel?....................355.

Gebonden stijl..................................355.

De kerk op den Vluchtheuvel ingewijd..............356.

Feestzang gezongen op het Zondingsteest te Heiloo. . . 359.

Boetvaardigheid................................360.

Op iemands bladvullingen............361.

Carpe diem..................361.

Jan veelschrijver................861.

Grain de beauté................861.

God is liefde..................................362.

De gebroeders te Padua..........................362.

Hart en geest..................................364.

Groot gemak..................................864.

Heb lief......................................364.

Strozzi\'s bijschrift op Michel Angelo\'s beeld: „de Nacht.quot; 365.

Natuurkeus....................................366.

Hedendaagsche methode..........................366.

Tijdens den oorlog.

1. De oorlog verklaard........................366.

II. Bemoediging..............................367.

III. Het slagveld van Gravelotte..................368.

IV. Uitboezeming. (Na Sedan.)....................370.

V. Aan Lodewijk Napoleon...........371.

VI. Aan Koning Wilhelm........................373,

XIII

-ocr page 18-

XIV INHOUD.

BlacU

VII. Noodkreet van den stillen burger in \'t geteisterd

Frankrijk......_....................374.

VIII. De hoofdstad der beschaving..................376.

IX. Parijs in opstand. .........................375.

X. Aan een gewezen dichter....................377.

XL Parijs in brand............................378.

XII. Caesar triumphator..........................380.

Ter gedachtenis................381.

De vijftiende..................................384.

Voorzienigheid..................................384.

Het Portret....................................385.

Hard en zacht..................................387.

Mispas........................................387.

Weleer en thans................................388.

Aan den Apostel Johannes........................388.

Voor den krijgsmansstand........................390.

Aan de artsen..............._■ • 391.

Een lied op het jaarfeest der Utrechtsche Zending-

vereeniging.................391.

Hageroos......................................394.

Ontwikkeling der vrouw..........................394.

Een lied des vertrouwens..........................394.

\'t Beste......................................395.

Bij het graf van Mr. C. W. J. Baron van Boetzelaer van

Dubbeldam..................................395.

Holland......................................396.

God..........................................397.

Kinderkusje....................................397.

Tactiek......................................398.

\'t Is alles goed............. ... . 398.

De natuur aan den natuuronderzoeker dezes tijds . . . 398.

Vernuft en vlijt................................398.

Jantje........................................399.

Als gij voor \'t laatst............................399.

Vaderwijsheid..................................399.

Sanctum Sanctorum..............................400.

Tegenstrijdig.................401.

Utrechts blinden aan hunne weldoeners.......401

Ach!....................401

De kunst om de kunst............................402.

Hans aan Hanslein..............................402.

Kortom — in het kort...................402.

Ter gelegenheid van het Taalcongres te Middelburg in September 1872.

I. Aan Zeeland................................403.

II. Het wapen van Middelburg....................403.

III. In de oranjerie van Overduin..................404.

-ocr page 19-

INHOUD. XV

Bladz.

Een goede preek................105.

Bii het graf van Bernard Gewin....................405.

Pracht....................406.

Jubilarissen ..................406.

Bij den dood eens uitnemenden....................406.

Voor de Utrechtsche waterleiding..................407. \'

Baas boven baas................................408.

Schoolverzuim..................................408.

Eenheid......................................408.

Bij het graf van eenen achttienjarige................408.

Hooger waarheid. . ..........................409.

De regenboog..................................409.

Aan mijn vrouw....._......................409.

Bij het graf eens Evangeliedienaars.........411.

Oppervlakkigheid................411.

Van buiten rood................411.

,Lionquot;....................412.

Eens vaders raad................412.

Audax....................412.

Voor de vuist.................412.

Aan sommigen.................413.

Verkregen wensoh...............413.

Oculus animi speculum.............413.

Niet waar?..................413.

Macht en onmacht...............413.

Kunstvaardig.................413.

Echt en basterd................414.

Geestdrift...................414.

Een rol te spelen................414.

Wie van beiden geldt voor den grootsten held .... 414.

Tweeërlei...................414.

Jan Zonderling.................415.

Naar Don Manuel. I. II ... ..........415.

Peter de Groote\'s geschenk aan Willem III......415.

Kennis niet = kracht..............415.

Oefening...................415.

Erg........................415.

Neem het beste................416.

Roerend...................416.

Naar Tersteegen .... ...........416.

Festina lente.................416.

Geen kind zijns tijds..............416-

-ocr page 20-

VAN DB KLEINERE GEDICHTEN DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH.

Bladz.

Aan \'t spoorstation te Heidelberg...........218.

Aan u, mijn viertal zonen..............oöl.

Aardsche lust is haast genoten............100.

Ach h6.9 vele, Groene, gele..............85.

Ach, hoe zeldzaam is \'t uitnemende . ..........401.

Ach, melieve, welk een feest!............87.

Ach Moeder, welk een dag van diep en droef ontroeren . . 9U.

Al heeft het lang geduurd............................203.

Alle heuvlen, alle dalen...............

Alle schoonklinkende thesen.............ooi.

Alles in slaap! Alles in rust!..............1^4.

Als een zegen daalt het neer.............^7.

Als gij voor \'t laatst mij hebt gekust.........0JJ.

Ais ik een woord van wijsheid wist..........81.

Als ik Marie en Koos,ie zie..............}]■\'■

Als van twee gepaarde schelpen............

Ambtsbroeder — Foei! dat\'s stijf en koel!......

Amen! U zii kracht en eer..............141-

Atlas draagt het hemeldak............. • -^o.

\'k Ben in injjn neevlen niet meer veilig.........398.

Beschimp, beschimp geen vrouw, enz. . . . ......

Beschimp geen voorgeslacht, omdat het weinig wist .... ^O-

\'t Beste voedsel was voor elk.............

Bevallig Meer, volschoon Genncsaret..........5lt;J-

\'t Bezig leven sleept mij voort............91-

Bladvulling noemt gij \'t enz.............öbl.

Blinde stervling! die daar meent...........lOa.

Bloem der amandelen!...............°°-

Bloemen uit Spa..................

i

-ocr page 21-

VAN DE KLEINERE GEDICHTEN DE EERSTE HEGELS ALPHABETISCH. XVII

Bladz.

Blijf één, blyf één mijn Vaderland........... 238.

Blijf op de wieken drijven . ..............146.

Bouw een huis voor Janmaat op...........110.

Boven Limmen ligt Heiloo..............157.

Breng eenheid in uw werk, enz........................408.

Bij menigen juffer en menigen heer..........415.

Bj] poëzij is toovnarij in \'t spel........................269.

Bij \'t kruis op den heuvel, daar buigt zich.......77-

Collega heeft mij niet begrepen........................7.

Collega, \'k hoor u somtijds zuchten..........92.

Daal in de harten. Geest des Heeren....................247.

Daar is een God en Schepper aller dingen..............287.

Daar is een hemel boven de aard......................288.

Daar was een kleine jongen.............115,

Dankt allen God en weest verblijd......................204.

Dat de Overduinsche bloemhof bloei....................404.

Dat elk, die liefheeft en gelooft........................247.

Dat gij klautert, jonge borsten!............281.

Dat zal ik van mijn leven niet........................274.

Dat zal uw roem, uw eeuwge vreugde wezen.......813.

De beste Vriend is wel daarboven......................207.

De bloemkens langs de wegen............216.

De bloempjes kusten haar den voet........\' . 172.

De boomen, die de hagelslag.............129.

De Brandweer, tuk op de eer enz......................228.

De dag der slachting is gekomen......................366.

De dag is neergezonken..............................296.

De dank der blinden stijgt tot God..........401.

De deugd is een gewas, dat enz...... .....231.

De dichtluim is wel gansch en gaar..........187.

Dees werkt om roem enz...............174.

De gruwel wereld is gekomen........................377.

De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig..................7.

De hand van God bekroont het werk..................856.

De Heer regeert! Een beter tijd........................870.

De hemel doe zijn zegen dalen............851.

De hemel heett op menig hoofd............186.

De Keizer is in Frankrijk baas............199.

„De kunst om de kunstquot; — zoo verkrijgt gij? enz..........402.

De lieve Zondag is voorbij............................297.

De Lutschinen, Witte en Zwarte...........211.

De man, die op den schoonmaak knort..................346.

De man is overal weerlegd..........................8.

De moeder van \'t gezin .............................275.

De Nacht, die gij hier slapen ziet......................865.

lil

-ocr page 22-

van de kleinere gedichten

Bladz.

Den ganschen nacht................................277.

Denk nooit dat ik behagen schep...........415.

Den man, wiens -wetenschap enz........................230.

Der Vaadren ondervinding baat........................375.

De schooljeugd groet.......................6.

De schoonheid der Schepping enz.. . . _................269.

De vertroostingen Gods zijn nooit te klein..............257.

De verzen zijn bokalen..............................344.

De vriendschap, door ons hart gevoed.........143.

De waarheid heeft geen erger vijand dan........411.

De waarheid ligt in \'t midden............108.

De waarheid moet in diepe kuilen. ..........122.

De ware wijsheid gaat met needrigheid gepaard..........7.

De ware wijsheid is zich naar de omstandigheden.....63.

De wereld is een kreng, enz............................4.

De wereld is niet dan een groot tooneel................244.

De wichtjes worden daaglijks ouder..........147.

De woorden dienen enz..............................268.

De zon heeft vlekken, dat is waar...........103.

De zon is heet, de lucht is lauw...........122.

De zon rijst op te juister tijd. .......................296.

De zucht naar grootheid, die mij prest.........415.

Dichtrennaam zal immer blinken......................838.

Die in een viool geboren werd............215.

Die laag bij de aard is vreest geen val..................246.

Die niet langer varen mag..........................277.

Die niet uit alles leeren wil.............quot;02.

Diep dringt de wortel door...........\' • 97.

Die \'s Heeren zegen heeft..............82.

Die \'t hardst kan schreeuwen is de man................402.

Die vijf-en-twintig jaar uw put geleegd..................406.

Dit is de dag, wiens morgenstond......................297.

Dit\'s Willem, wiens gelaat enz..........................204.

Doet ons dit indrukwekkend wezen..........26.

Dogmatische tranen schrei ik niet...........360.

Door drift gedreven drijver..............416.

Doorkerf een draad: uw parelsnoer....................266.

Door zevendubblen muur en hemelhooge bergen.....34.

Draag, groote Nijl, wien nimmer enz....................227.

Dresseeren, Dresseeren.......................366.

Drie jongelingen togen dwars over den Rijn.......104.

Driekoningendag is weder daar............214.

Drukkend is de heete lucht.............65.

Een aardig meisje zong, enz. .....\\[\\-

Een basterdnaehtegaal, die aardig in zijn soort is.....414.

Een beeld der Hoop, voor die baar ziet.........130.

Een blik, die tot in \'t binnenst ziet..........60.

xviii

-ocr page 23-

1

DE EERSTE REGELS ALPHABET1SCH. XIX

iz. Bladz.

7. Een Deuvik, zioli terecht zijn waarde..................4.

5. Een dubblen trek heeft al wat leeft....................279.

0. Een enkle vonk valt in de ziel........................364.

5. Een goede preek is enz................................405.

6. Een half ei beter enz...............269.

9. Een huivering van eerbied schokt mijn leden..............339.

7. Een Ilias, en geen Homerus! Hooggeleerden..............267.

4. Een kind van God wordt steeds meer kind.......129.

3. Een rein gemoed, een zedig oog...........187.

1. Een rol te spelen in don Staat............414.

8. Een ruige balk, een ruwe plank......................375.

2. Een schoone leest, een edel bloed...........52.

7. Een star voor \'t voorhoofd van den man................350.

3. Een trouwen vriend in \'t oog te staren.........10.

4. Een valsche stap is ras gedaan........................387.

4. Een weinig menschenkennis schaadt..........66.

7. Een wind kwam op uit d\' Oceaan ...........181.

8. Een witte raaf, een roode spreeuw...........413.

3. Eer brengt een arme Vader enz............168.

2. Eer we onze tanden hadden..........................388.

6. Eindlijk blijft niet eeuwig uit............190.

5. Ei, wat tikt daar aan de ruit?............253.

8. „Erg mooi,quot; „erg liefquot; enz..............415.

5. Er is een heiligdom van \'t hart........................400.

6. Ernst is zwartgalligheid enz............................11.

7. Eurèkamen, Eurèkamen! Wij hebben het gevonden .... 239. 2.

7. Fier zwijgt de Vader in zijn lot........................2.

2*

2 Gaat u een meester voor..............48-

g\' Ga voort, en stort uw besten balsem....................233-

7] Gedenk een sterveling te wezen..................380-

4\' Geeft u niet over aan uw smart............145.

g\' Geen goed besluit berouwt, enz. ■......................256.

0quot; Geen kind zijns tijds te zijn, strekt geen verwijt.....416.

g\' Geen nieuwe vriendschap die voor de oude gaat.....212.

g\' Geen schimp of smaad op uw vernederd hoofd ...... 371.

4\' „Geheel de mensch is in zijn stijlquot; beweert Button .... 413.

7\' Geleerdheid zal ons niet verbazen......................7.

gquot; Gelukkig \'t kind, dat in zijn jeugd....................288.

4\' Gemoedlijk, ernstig! \'t kan wel wezen..................7.

4quot; \'t Genie maakt nog den kunstnaar niet.........77.

5\' Geprezen zij de wijze macht..........................282.

Gewis, voor wie de kunst verstaat......................355.

1. Gezondheid en genoegen stralen........................257.

4. Gouden starrevonken................................265.

0. God gaf den mensch de tong en spraak................292.

0. God laat groeien........ ....... 338.

-ocr page 24-

1

XX VAN -DK KLKINJfiKE GEDICHTEN

Bladz.

God nam zijn Meester weg van hem..........158. ]3oe

God is liefde, \'t Is zijn liefde enz........................362. jj0(

\'fc Groote Babel zinkt in een............•quot; 378. jjof

Gi\'oote Peter scbonk den grooten Willem........415. jj01

Gij brengt uw anker uit, enz..........................278. jjQf

Gij de eerste mannen van het land....................268. y0(

Gjj, die op \'t nieuw, veroverd, land..........159. fi0(

Gg, Engel van den Vrede............................374. jjof

Gi] hadt geen genoegen enz............................270.

Gij hebt mij lang gekend..............157. jjQf

Gij hebt mij, lieve Buren............................9. j.]0(

Gij klopt; ik kom! enz................180. j]oe

Gij waart zoo goed. Dat konden allen lezen.......175. jjqi

Gij wist niet wie \'t was, die zoo kort, maar zoo zacht . . • 178. j{oc

Gij zaagt u gaarne heden..............117. h0(

Gij zegt: Uw verzen hebben pit...........90. jjol

Gij ziet alleen maar moed, waar moedig wordt gesproken. . 67. Hoi

Gij zijt geen engel, maar een mensch..........98. jjjj

Haast, haast u, berg u, vlucht in de ark................345. iets

Haast trekt de spade een rechte lijn....................202. Jij

Had hij een lucifer gehad............................236.

Had ik uw adem. Nachtegalen............33.

Hans Jorgen maait zijn goudgeel graan.........219. it

Hebt gij nog een lach...............112. Uc

Heeft de Aeoolsche harp gespeeld. quot;..................205. it

Heeft Dora nooit nog iets gehad...........241.

Hef, Hollandsch Volk, het feestlied aan..................228.

Hef, Zeeuwsche Leeuw, den breeden kop ...............403.

\'s Hemels wonder. Duikt in volle schoonheid onder .... 48. ik ;

Het hart blijft jong en wordt niet oud.........187. jk

Het hart eens teedren echtgenoots...........60. ik

Het hielp niet of wij wreven.............118. ]k

Het is niet om de vreugd te storen ,.........101. in ,

Het leed dat u te beurte viel.............145. in

Het leven is een staat van oorlog enz..........192. Ind

Het lezen voedt een schoon verstand....................265. ind

Het oude, de Omhulling...............179. [ud

Het plechtige luiden der klokken......................282. [n

Het prachtig Buiten hief zijn dak...........160. In

Het vrouwlijk geslacht. Dient enz........................394. lu

Het was een avond schoon en stil......................362. lu

Het werkzaam bijtje weet heel goed....................293. \'t 1

Het wordt weer groen in Haarlems hout........123. \'t 1

Hier dient de zedigheid bestreden...........76. Is (

Hier is mijn plaats. Aan deze voeten..........22. Is i

Hier wooii ik. Zult gij met mij wonen.........127. Is ,

Hoe ben ik toch op mijn vermaak......................295. \'t I

-ocr page 25-

1

DE EERSTE REGELS ALPHABET!SCH. XXI

^7quot; Bladz.

Hoe heerlijk is de Heer der Heeren..........281.

Jg Hoe klein zijn de mieren............................300.

;?• Hoe komt dat we iedereen enz..........................253.

Hok langer hoe lievek is een kruid..........212.

.£• Hoe lieflijk staat een frissche roos...........71.

Hoe noemt gij wat wij leven noemen....................206.!

\'J- Hoe liggen op de velden............................368J

Hoe schoon is de roos!..............................299.\';

Hoe schoon was de dag enz............................302.]

q Hoe waait de vlag zoo vroolijk uit....................225J

Hoe woelt de poëzii in mij. _..........................11.

Hoe zacht rust in des aardrijks schoot.........411.

Hofmeester, hoog in eer............................268.

o- Hooge vreugden zijn hierboven........................343.

Hoor de stem van den luiaard enz......................298.\'

Houd u den slaap des doods uit de oogen........165.

Houd vast, houd vast, met oog en hart..................255.

Hij is niet rijk, die veel bezit............416,

Iets te zijn, iets te zijn is de droom van den knaap .... 353.

Ik ben de liefde zelf, enz..............................S.

|6- Ik ben nu nog jong en teer.............801,

\'S- Ik breng met hart en tong..........................286.

■9- Ik dacht zoowaar dat .louter Bronnenquot;.........221,

2- Ik had in mijn gedachten..............121?

\'5- Ik had nog nooit een meer aanschouwd................234.

Ik heb van nacht uw stem gehoord..........49,

\'8- Ik hoorde een liedjen in het Sticht..........124,

\'g- Ik ken geen schooner kleuren............25.

Ik ken, ik heb een frissche Roos...........159.

Jk ken,quot; zegt Jan, „geen vreesquot;...........414.

\'0- Ik vond een man, een man van staal.........82,

Ik zing dien grooten God, wiens macht.........281,\'

\'l- In den beginne was het Woord............136.

t5. In den ouden bolderwagen..............148,

|2. Indien geen groot man enz..............268,

Indien gij een vader van kinderen zijt..................399,

^9- Indien gij nut wilt stichten, wijze man..................253,

\'2. lii eenzaamheid gedenk ik aan mijn. Vader.......147,

gt;0. In onze dagen zij het vrede.............182.

J4. In \'t hoogste Noorden ligt een schip...................200.

gt;2- In uwe school gelooft men op gezag....................249,

\'3. \'t Is alles goed wat komt van God....................398.

\'3. \'t Is alles prachtig wat men hoort of leest............406,

\'0. Is God een God slechts van \'t Verleden..................397.

!2. Is iets voor uw bereik te hoog............112.

27- Is Jantjen opgevoed?................................399,

\'5. \'t Is Juli. Haarlems lusthof bloeit......................208.

-ocr page 26-

VAN DE KLEINERE GEDICHTEN

Bladz.

\'t Is om don mooien -weg te doen.........401.

\'t Is solfiëeren wat gij\'doet......................227.

Is \'t wonder, dat een visschersknaap........271.

\'t Is waar, hier is een glasruit stuk........99.

Ja, enkel poëzij zijt gij..........................240.

Jan is een ware wonderman...........413.

Jan is geen middelmatig man....................8.

Jan lag te slapen in zijn wagen, enz..................227.

Jan met zijn sleclit voorzienen kop.........361.

Jan rekent: „Tweemaal zes is zevenquot;........10.

Jan War preekt roerend, zegt gij. Kom.......41fi.

Jan was ter preek bij Dominus verschrimp......88.

Ja! \'t Juiste Midden! Maar waar tusschen? enz..........9.

,Je maintiendrai.quot; Ue Koning leve................352.

Jezus wordt weggeleid.............02.

Kennis zij macht; geen macht, enz....................349.

\'t Kind dat godvruchtig wezen wil.........29o.

Kindren leert u vroeg gewennen..........11;1-

Klein Jantje steekt van wal...........273.

Klinkt op trompetten! Rofl\'el trom!. _........24:6.

Kom aan mijn hart, mijn vijftiend kind..............384.

Kom Pleuntje, ga naar huis...........218.

Komt ge in uitnemendheid van woorden..............8.

Koren hier en ginder druiven...........65.

Krabbe het katjen on bijte de bond........29;..

Kweek al wat kiemt, laat enz...........413.

Laat de ketens vallen!.............114.

Laatdunkend jongling, zoo verwaten................7.

Laat booren, laat booren........................257.

Laat mij rusten aan uw boezem..........89.

Laat niets uw ader stremmen..........67.

Laat ons niet de herders gaan..........107.

Leer eerst uw taal wat beter schrijven................8.

Lieflijk prikkelt op de tongen...........145.

Ligt de bijl aan uwen wortel, Boom der boomen .... 34-p.

Looft allen, looft Gods grooten Zoon........140.

Maak een dag van den nacht, door in \'t donker enz. . . - 117.

Maakt Elburg van den Boetselaer.........46.

\' ......165.

......193.

......2d9.

......118.

......81.

XXII

Maak vlijtig honig, njjvre Bij Madelieven zijn er altijd .

Mal wicht! enz. .....

Marten is ons oudste kind. .

Met begrijpen zal \'t niet gaan _

Met een bloemkrans om de bruine lokken......loi

Met vingertoppen, ruw en wreed......... 258.

-ocr page 27-

DE EEBSTB REGELS ALPHABETISCU. XXIII

Bladz.

Met zorg bield een bedroefde kring..................260.

Midden in de stad heb ik een bof.........128.

Mocbt ik nog eens mijn leven overleven..............245.

Moderne Proteus, menjgkeeren..........412.

Moet er, moet er een liedje zijn..........217.

Mooi Kaatje, wrijf uw oogjes uit.........201.

Mooi Kniertje staat van dag tot dag........271.

Mooi meisje, dat in \'t bergbotel....................220.

Mijn God, ik sla uw werken gade..................285.

Mijn Hageroos, mijn bloem van \'t veld................894.

Mijn bart springt op, wanneer mijn oog..............409.

Mijn bof ontwaakt, wordt groen, wordt wit......199.

Mijn lieve beste...............241.

Mijn sieraad en mijn eere............164.

Mijn voorhoede en mijn achtertocht..................394.

Mijn zoon, indien gij leven wilt, enz.........412.

Maar wie hebt gij dat lief gelaat.........120-

Natuur en waarheid spant de kroon................280-

Natuur is en doeï alles; dat\'s de leus..............366-

Neem de Kroon, neem de Kroon! zeis, enz.......183-

Neem mij niet kwalijk, lieve Bet!.........161.

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongsken! u vergeet . . 79.

Neen, ik wil mijn vreugd niet zoeken................293.

Neen, niet alleen toen gij Gods Engel zaagt......39.

Neen! nog is Neerland niet in nood................367.

Neen, zonder kruis geen kroon . ........191-

Niet altijd mannen die veel weten.........415.

Niets zoo lieflijk, niets zoo schoon..................255.

Noem ze rozengaap.de.............45.

Nog wuift ie met zijn mutsje, Jan!..................272.

Nooit kon ik den kunstgreep leeren........109.

November brengt geen malsobe rozen........83.

Nu doet gij wijs, dat gij den vrede wilt..............242.

Nu is de groote zonde ontdekt....................408.

Nu is het Meer niet meer............78.

Nu kom eens uit uw graf............99.

Nu komt de zon weer schijnen........■ . 193.

Nu wordt de Slokop opgeslokt..........43.

Nu zich het aardrijk opendoet........quot; . 88.

Och, blijf met uw genade............138.

Och, Neerlands machtigen en braven........115.

Of Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte spott\'.....130.

O God, Gij schenkt mij juichensstof.................284.

O God, ik maak uw goedheid groot................285.

O God. uw aldoordringend oog....................287.

O God! wat is dees nietige aard....................384.

-ocr page 28-

1

XXIV TAN DE KLEINERE GEDICHTEN

Bladz.

O Heb toch lief zoo lang gij kont..................364. U

O Hoe gélukkig is het kind......................290. U

O Kind, van God gegeven............198.

O Laat mij dwalen, laat mij dwalen................353. U

Omkrans het hoofd, het achtbaar hoofd.......52. U

Onder vreugde en zoete smarten..........65. U

O Nederland, mijn Vaderland!..........86. U

Ongevoelig, ruw, koelbloedig...........172.

Onmiddlijk nut sticht niemand, enz..................256. ^

,Ontboezeming.quot; Ja; zoo dat waar was..............6.

Ontvalt u vrind op vrind........................267. ^

Onze oude moeder heeft verheugd.........192. ^

Onze wegen scheiden.............84. ^

Ook die harp, ook die harp dan tot zwijgen gebracht. . . 191. ^

Ook ik ben \'t land van bergen, stroomen..............209. ^

Op nadlaarsborst rust. Middelburg..................403. ^

Op een Driekoningen-avond...........194. ,

Op straat zij twist en luid rumoer.........291. \'

Op \'t ziekbed dankt u. Heer! mijn lied.......65. ^

O Zing mij nog eenmaal het oude lied........251. ^

Partijman wezen wil ik niet......................247. ^

Pluk rozen naar uw lust, en laat het boompje snoeien . . 79. 1

„Poëtisch prozaquot; — Ja, enz........................268. i

Prachtig blonk voor ons oog enz..........182. i

Professor is geleerd, enz..........................258. i

Reeds begint de spin haar rag..........178.

Kegen, Kegen, Regen..........................223.

Rust onder deze bloemen........................408.

Rust zacht! Gij zijt ter rust gelegd..................405.

\'k Schiet hoenders in de vlucht, enz.........10.

Schudt gij \'t uit de mouw............414.

Sla toch dien mallen Audax ga!.........412.

Slechts blijde tonen kunnen \'t zijn.........181.

Spaar geen hardnekkigen........................387.

Spreid vroolijk, tusschen gras en kruid.......68.

\'k Stem toe, niet ieder menschenkind........122.

Strooi rozen op dit graf, enz......................395.

Stijgt gij naar omhoog.............179.

Ten dage van mijn bloeiend schoon........361.

Tradt gij, lieve Bruid!.............30.

Treedt vroolijk, treedt met fierheid op........103.

Trippel vroolijk op uw dorre beenen........146.

Tusschen bosschen, beemden, duinen........154.

-ocr page 29-

DE EERSTE KEGELS ALi\'HABKTISCU. XXV

Bladz.

U heb ik steeds bemind............143.

Uit een vei\' verschiet.............141.

\'t Uitvoerig beeld voldoet niet recht........54.

üw beeltnis, lieve man! Laat ock uw beeltnis maken. . . 385.

Uw naam zoo heilig en verheven..................292.

Uw verzen komen tot mijn oorer;..........71.

Uw wenkbrauw daalt, uw oog schiet stralen............227.

Van buiten rood, maar zwart in \'t hart.......411.

Va n der bergen steile wanden....................1.

Van mij te verschillen, gelijk gjj ziet........146.

Van wat ik zag, enz............................269.

Verbeter en verbitter niet........................847.

Verdraagt g^ \'t, dappre legerscharen . quot;............390.

Vergeet uw vrees voor louter vreugd........12.

Verheugt u met het volk van God.........391.

Verkiesbaar zijt gij naar de wet..........10.

\'t Verkrijgen van den wensch..........413.

Verscheiden tonen hoort men hier.........217.

Vertrouw hem weinig, die te mild..................347.

Vervolgt met stillen heldenmoed.........391.

Vervolg uw weg, voorspoedig Held!................373.

Verwijt gij mij, mijn waarde!...........19.

Voer me op des Heuvels top, als uit haar slaap ontwakend . 46.

Voert water aan, voert water aan..................407.

Voorbeelden weet ik wel genoeg..........289.

Voor de wereld bloeit gij niet..........22.

Voor u uit, voor u uit bruisen de baren..............346.

Voor uw mooie oogen, Bartje..........130.

Voorzichtigheid ziet ver........................408.

Vroegtijdig zijt gij heengegaan..........120.

Vroolijke Onschuld, die niet weet.........51.

Vrouw Sijmensz kan niet scheiden van de zee.....211.

Vijf en twintig jaar getrouwd..........196.

Vijf groschen. Heeren, geeft wel acht..............238.

Waag nooit uw schat, enz............415.

Waak op mijn ziel! Paar stem en snaar..............388.

Waarheid is het lichtste spel van allen.......108.

Waar ik \'t niet winnen kan enz....................398.

Waar is, o Dood! uw prikkel?....................406.

Waar is uw hart, enz............................207.

Waar is, waar is de nachtegaal..........148.

Waarom de Maan zoo gaarn wordt aangeblikt? .... 252.

Waar \'t hart niet voor een hooger wereld slaat .... 414.

Waar \'t leven van gemaakt is..........361.

Waar zijn de liedren, waar de tonen................243.

Wanneer de kindren groot zijn, enz.........188.

-ocr page 30-

----

XXVI VAN DE KLEINERE GEDICHTEN

Bladz.

Wanneer ik wandel langs den weg..................283.

Was op myn versleten luit...........73. \'t

\'t Was de eerste thuiskomst na haar sterven..........276. Zo

Wat apenmoeder heeft voorheen....................264. Zo

Wat dwaasheid is het trotsch te zijn................294. Zo

Wat een lied kan doen behagen.........106. Zo

Wat elk behaagt op d\'eersten blik.........66. Zo

Wat geef ik om een werelddeel?..................355. Zc

Wat gij me op tafel zet, mijnheeren........413. Zc

Wat gij, onvatbaar voor bewijs........\' ■ 409. Zo

Wat is er niet te hoeren..........\' ■ 67. Zï

Wat kan, in \'t Gooi, een schuldloos kind.......104. Zi

Wat maakt gij, in uw sohoone zangen................350. Zi

„Wat Poëzie, en waar haar woon is?quot;................252. Zi

Wat pijnt ge u af, mijn goede heer........416.

Wat vleesch noch bloed............139.

Wat \'saardsche roem? enz............100.

Wat schoon is moet eenvoudig zijn.........47.

Wat \'s de schoonste en zoetste traan........86.

Wat smeedt gij. Smid? enz..........\'179.

Wat staart gij, met kortzichtige oogen.......quot;..07.

Wat voor de vuist wordt toegediend........412.

Wat wil men toch in Nederland?.........248.

Wee, die zijn „Ik ga stervenquot; spreekt........180.

Ween, trouwe liefde, ween...... .... 108.

Weer zoo\'n beklaaglijke............261.

Wees in de keus tusschen dezen zorgvuldig............402.

\'k Weet dat er twee Geneves zijn ......... 147.

Welk een vreugd in uw .jeugd, welk een gloed in uw bloed • Hl-

Wie heeft ooit den Bijbel mij..........243.

Wie is de Engel, die daar komt..........341.

Wie wordt door elk bemind? enz.....• . . . . 190.

Wie zal u drukken aan zijn hart..................240.

Wie zal uw lijden ons verhalen..........34.

Wie zegt daar „\'t is nog tijds genoegquot;................289.

Wil d\' arbeid van \'t nadenkend hoofd................398.

Wilt ge dat we u metterdaad....................269.

Wilt ge ooit iets goeds beginnen..................348.

Wilt gij zien een schoone maagd.......130.

Winschotens vreugde stijgt ten top.........3\'25.

Wordt u de aarde droef en duister.........65.

Wij waren verloren: gij hebt ons gezocht.......183.

Wij zijn kindren van ons land..........99.

Zaagt gij hoe dio ster\'verschoot?.........129.

Zeer zelden is ons de eer beschoren........48.

Zeg uw gedachte, zing uw lied..........72.

Zeven en een is acht.............121.

-ocr page 31-

DE KEESTE RUGELS ALPlIABETlSCÏi. XXVII

El adz.

Zie op de bruine heide............. 298.

\'t Zit in de golf van Napels niet.........271.

Zoet Holland, lieflijk Holland, enz.......... 390.

Zoo als God mijn hart aan u gesnoerd heeft............409.

Zoo ge u goede menschen op wilt voeden.......110.

Zoo gjj gelukkig zijt, mijn vriend!..................265.

Zoo gi] mij boeien wilt en treffen.........62.

Zoo kirde de tortel, zoo geurde het kruid......349.

Zoo velen zwelgen in het Overbodige................265.

Zou \'k mijn naasten ooit berooven..................800.

Zult gij de wereld gadeslaan......................269.

Zijt mij gegroet, Met blij gemoed.........47.

Zij waren beiden frisch en sterk....................236.

Zij zeggen: „Laat uw dwaas vooroordeel varen!..........234.

-ocr page 32-
-ocr page 33-

GEMENGDE GEDICHTEN.

DEltDIi BUNDEL.

VERWACHTING.

Van der bergen steile wanden Storten, met luidruchtig klateren, Met een onverduldig branden, Met onwederhoudbren val,

Alle Wateren Zich in \'t dal;

Daarop scheiden Zich de vloeden.

Om de landen door te spoeden; Daarop spreiden Zich de stroomen.

Langs verscheiden Bed en zoomen;

Daarop breken Honderd beken,

Mot een daverend geluid,

Haastig uit;

Zij doorkruisen

Zonder rust Alle streken,

ledre kust,

Zij doorbruisen Alle landen,

Zij bereiken alle stranden. Zij doorvorschen alle hoeken: Om den God der aard te zoeken.

En de vlammende Gloed Treedt, zooras hij ontwaakt, \'t Lage dal, waar hij blaakt, Mot den vurigen voet,

En schiet lijnrecht omhoog Naar den oppersten boog;

En zijn hoornige kop.

Immer hoogor gestrekt,

Scheurt het wolkenkleed op:

Of hij den Heer van den Hemel ontdekt.

En de Aarde schaart, als stille wachten. De reuzenbergen op hun post,

Door jaar- noch eeuwkring afgelost,

-ocr page 34-

wat kin deroog en zien kunnen.

Wier kruinen ijs en sneeuw bevrachten.

Zij zien op, zij zien uit Naar het Oost, naar het West, naar het Noord, naar het Zuid, Bij dagen,

Bi] nachten.

Bij stormen, bij stilte, bij bloei, bij verval.

En vragen \'t Heelal,

Of de groote Wereldrichter dan niet eindlijk komen zal!

* Dit stukje, onder den naam van Perzische Wereldheschouwinf), in den Muzen-Almanak van 1849 opgenomen, is ontstaan uit de lezing van het volgende in von scuubkrt\'s Grac/i/rAit; rfe?-(S. 59): „Die Wasser, so sagt ein alter persischer Spruch, sie rausohen vom Gebirge herab und eilen hinaus in alle Lande, suchend ob sie den Herrn der Erde fanden; die Flamme des Feuers, sobald sie erwachet, schaut den Boden nicht mehr an, sondern geraden Zuges richtet sie sich empor zum Himmel ob sie den Herrn des Himmels erblicken möohte; die Erde, sie hat hier, sie hat dort die hohen Warten der Gebirge aufgestellt; diese ragen weit empor und schauen sehnend hinaut\' und umher, ob der Richter der Welt noch niéht komme?quot;

WAT KINDEROOGEN ZIEN KUNNEN.

Fier zwijgt de vader in xijn lot, En leert, in \'t duister kerkerkot,

Verdragen wat hij draagt.

De klacht der moeder stijgt tot God;

Eens raakt zij uitgeklaagd... -„Ach kinderkens, mijn kinderkens! Uw moeders hart Bezwijkt van smart,

Zij heeft geen woorden meer.

Komt! handjes samen, oogjes dicht! Uw englen zien Gods aangezicht; Ontferme zich de fleer!quot;

Bij \'t venster knielt de kleine kring; In \'t midden, vaders lieveling,

In \'t midden, de oudste zoon;

Wat is zijn leeftijd nog gering.

Wat is de jongen schoon! „Ach kinderkens, mijn kinderkens! Uw moeders hart Bezwijkt van smart;

Zij heeft geen woorden meer Wat staart gij op de donkre straat?

2

-ocr page 35-

WAT KINDEROOGEN ZIEN KUNNEN.

Bidt, bidt tot God die u verstaat! Ontferme zich de Heer!quot;

De nacht is duister. Star r.och maaa Is aan den hemel opgegaan;

De kamer zonder licht.

De moeder »iet den kleinste aan....

Hoe blinkt zyn aangezicht! „Och moedertje, lief\' moedertje! Hoe schoon trekt daar Een gansche schaar Van gondbu lichtjes voort!

Zij zweven naar dcc Hertogs slot; De heilige englen zijn \'t van God, Die ons gebed verhoort!quot;

De bleeke moeder hoopt, en ducht; Zij treedt aan \'t venster met een zucht;

Maar alles wat zij ziet Is donkre huizen, zwarte lucht;

Gods englen ziet zij niet. „Ach kinderkens, mijn kinderkens!quot; Het wicht verstaat Niet wat het praat;

Lief jongske! ga ter rust.

De vromen dient Gods englenschaar; Maar in dien boozen Hertog daar Betoonen zij geen lust.quot;

Nu schudt de kleine \'t lokkig hoofd, Bedroefd dat moeder niet gelooft.

En tuurt aandachtig voort,

Tot dat de glans is uitgedoofd.

Die om zijn kopje gloort. „Ach moedertje, lief moedertje!

Gewis geschiedt Wat broertje ziet;

Der englen taak is schoon; Gehoorzaam aan zijn wijs gebod. Volbrengen zij een last van Godquot; — Zoo spreekt haar oudste zoon.

De kindren gingen tot hun rust. Het wee der moeder schijnt gesust;

Zij slaapt den ganschen nacht; Ook droomt zij dat haar de eega kust.

Die in den kerker smacht. „Ach kinderkens, mijn kinderkens! Wat toeft gij nog?

Omhelst hem tooii,

-ocr page 36-

arabische mhnschemhaat. — de deuvik en de kompasnaald

En kust zijn bleek gezicht!

Hij kwam in \'t holste van den nacht;

Due d\' Alva heeft hem thuisgebracht Met pauk en fakkellicht.quot;

Duo d\'Alva woelt op \'t ledikant;

Zijn voorhoofd gloeit, zijn boezem brandt;

Zijn mond gaapt naar \'t geluid;

Nu strekt hij de een\', dan de andre hand

Met schrik en woestheid uit.

„Laat los, laat los, gij kinderkens!

Laat los, o vrouw!

Vergeet uw rouw!

Gij hebt uws Hertogs woord;

\'kVerbreukte \'t nooit, tot goed noch kwaad; \'k Vervul het met den dageraad;

Uw beden zijn verhoord.quot;

De nacht gaat om; het morgenlicht Schijnt reeds don kleinen in \'t gezicht.

Genaderd door een scheur.

Nog zijn de zware bouten dicht....

Wiequot; klopt daar aan de deurV „Staat op, staat op, mijn kinderkens!

Sta op, vriendin,

En laat mij in!

Omhels uw echten man!

Hij, die het hart der vorsten buigt,

Heeft voor mijn goede zaak getuigd.

Hij hebbe de eer er van!quot;

Dit volksverhaal is te vinden in wolf\'s Niedcrl. Santjen S.

ARABISCHE MENSGHEÏTHAAT.

„De wereld is een Kreng; die haar begeeren, Honden,quot; Zegt de Arabier, die voor geen honden achting heeft, \'t Opzittend soort, dat pootjes geeft.

Wordt zeker niet bij hem gevonden.

DE DEUVIK EN DE KOMPASNAALD.

Een Deuvik, zich terecht zijn waarde „Als Deuvik en Geleerdequot; wel bewust,

Daar hij op een madera-fust Een reis gemaakt had om heel de aarde,

-ocr page 37-

DE DEUVIK EN DE KOMPASNAALD.

En ongetwijfeld al dien tijd (\'t Was streng verboon hem af te trekken)

Aan overdenkingen gewijd,

Waarmee slechts onverstand durft gekken; Een Deuvik dus, van d^ eêlste geesten vol,

Van rijpe ervaring daarenboven. Met wetenschap gelaafd in een stikdonker hol. Bij ,passendquot; afkeer van gelooven.

Verliet zijn „stil studeervertrekquot;

En kwam zich toonen op het dek. Het scheen zijn eerste plicht, voor allen. De Scheepskompasnaald aan te vallen: .Gij zijt gelukkig, lieve vrind!

Maar \'t is als een onnoozel kind; Onnoozelheid, die ik niet laken,

Maar evenmin b^iüden wil:

Gij meent ons, frillende op uw spil, Den koers naar \'t Noorden uit te maken. Maar al mijn studie (en ik zat Zoo lang reeds muurvast op dit vat) Bewijst de onmooglijkheid dier zaken. Vooreerst: nog is \'t mij niet gewis. Dat daar een werklijk Noorden is; Ten andren, kan ik niet ontdekken,

Hoe \'t Noorden naalden aan zou trekken, \'t Begrip van \'t Noorden laat ik staan; Dat trekt sinds lang van alles aan,

Door wat gevoeligheid te wekken;

Maar \'t Noorden zelf, hoe zou dat gaan? Gij wilt er tot bewijs van strekken;

Maar zie of u \'t bewijs niet schort,

Dat ge inderdaad getrokken wordt.

En dat ik, waar gij op durft roemen Geen malen op één punt mag noemen.

Geloof niet dat \'k uw eer verkort;

Maar hoor hetgeen ik u verklare:

Zoo daar een trekkend Noorden ware.

Het trok mij lang reeds van dit vat.... Doch neen, hoezeer ik \'t zelf begeerde, \'t Gebeurde niet; verklaar mij dat! En voorts....quot;

De Naaide sprak: „Ei wat! Gij zijt van hout, U Hooggeleerde.quot;quot;

\'t Schip kwam ter reede zoo \'t behoort. Men rolde \'t vat met wijn van boord. De wijze Deuvik, vol gepeizen En studie, rolde deftig mee.

-ocr page 38-

ONTBOEZEMING. — AAN EEN ONDE»WIJZER.

\'t Kompas bleef eervol op zijn stee.

Het schip stak af tot nieuwe reizen;

De Naald wees trouw den weg door see.

* Misschien weten niet alle lezers terstond wat een Deuvik is. \'t Ia de houten stop, waardoor een vat gesloten blijft, totdat zij plaats moet maken voor een kraan, waardoor zich de inhoud ontlast.

ONTBOEZEMING.

jONTboezeming.quot; Ja; zoo dat waar was! maar ik ducht Gij zijt er nog geboezemd afgekomen,

En schept alleen een weinig lucht.

Om straks op nieuw ons te everstroomen.

AAN EEN ONDERWIJZER,

OP ZIJN JUIiEI.FEEST.

(VOOR DE SCHOOIjKINDEKEN).

De Schooljeugd groet,

Met blij gemoed,

Den Meester\'op dit feestlijk heden;

Wat kwam er in die vijftig jaar,

Een groote, boute kinderschaar Zijn schooldeur ingetreden!

„Ik onderwees Uw ouders reeds!quot;

Denkt hij met liefde, en ziet ons naderen. Van menig onzer heugt hem, dat Zijn grootvaar op de banken zat In \'t eerste boek te bladeren.

Een zeldzaam lot Schonk hem zijn God,

Waarvoor ons hart Hem luid wil prijzen;

Die, bij \'t aanvaarden van zijn werk. Den Jonkman moedig maakte en sterk. Die zegende ook den Grijzen.

„Diens zegen zij Hem nog nabij!quot;

Zoo wil met hem ons harte smeeken:

„Hem moog geen rust, geen lust, geen kracht. En, bij het dalen van den nacht,

Geen hemelsch licht ontbreken.quot;

6

-ocr page 39-

TRIOMFEER EX DE AHÜUMKXTEN.

TR10MFEERENDE ARGUMENTEN.

1.

De ware wijsheid gaat met needrigbeid gapaard;

\'k Ben needrig — en dns v^ijs; dat \'s dunkt mij klaar bewezen; En wien ik voortaan geen orakeltje mag wezen.

Bewijst zijn domheid klaar en opgeblazen aard.

2.

AAN EEN GELEERDEN TEGENSTANDER.

Geleerdheid zal ons niet verbazen;

üe eenvoudigste is het meest verlicht.

De kennis, vriend! maakt opgeblazen;

De liefde, alleen de liefde sticht.

3.

AAN EEN GEMOEDELIJKEN TEGENSTANDER.

Geraoedlijk. ernstig! \'t Kan wel wezen!

Maai-, lieve man! hond uw gemak.. . ■

Wie weet of gij Hebreeuwsch kunt lezen!

En voorts, gij zijt geen man van \'t vak.

4.

AAN F.RN HOOGGELEERDEN TEGENSTANDER.

Collega heeft mij niet. begrepen:

\'k Bedoelde \'t juist zoo als hij wil.

\'t Verschil van rechte en kromme strepen Is, wel bezien, een klein verschil.

5

AAN EEN JEUGDIGEN TEGENSTANDER.

irtnWxn/iWfrf jongling, zoo verwaten!

\'t Bewijst niet veel wat gij bewijst.

In zulke dingen mee te praten

Past hoofden slechts, met eer vergrijsd.

fgt;.

AAN EEN GRIJZEN TEGENSTANDER.

De grijsheid blijft ons eerbiedwaardig.

Maar, is ze ook al de kluts niet k\\\\,:it.

Ze is, wat ze ook zijn moog, eigenaardig Niet op de hooqte. vnn den tijd.

-ocr page 40-

SCHEPPEND GENIE.

7.

AAN EEN WEL SPREKENDEN TEGENSTANDER.

Komt, go in uitnemendheid van woorden?

Schrijf recht en slecht, al is \'t wat grof!

Een kleed zoo schittrend om te boorden,

Bewijst niet heel veel voor de stof.

8.

AAN EEN ZAIELI.TKEN TEGENSTANDER.

Leer eerst uw faal wat beter schrijven!

Gebruik de Siegenbeeksche vijl!

Uw aanval zal niet lang beklijveii;

Hij heeft zijn vonnis in den stijl.

9.

NIET AAN, MAAR VAN EEN DUCHTBAREN TEGENSTANDER.

De man is overal weerlegd Door alle knappe luiden,

En \'t beste, dat hij schrijft en zegt.

Heeft weinig te beduiden.

Ook heeft hij onze weinigheid

Niet enkel aangevallen,

Maar zelfs (met afschuw zij \'t gezeid!)

Dien lievling va-n ons allen!

En zoo het groot publiek eens wist,

Zoo als \'t ons is gebleken,

Hoe dikwijls zich die man vergist.

Dien men zoo stout hoort spreken! Eén staaltje! Op zekere pagina,

Staat a b voor b a.

10.

AAN ADLERDEI TEGENSTANDERS.

Ik ben de liefde zelf, en zoo er iets ontbreekt Aan mijn geleerdheid — nu! wie zou zich „feilloosquot; prijzen Maar gij zijt zeedlijk slecht. En vraagt gij naar bewijzenV Dit ééne: dat gij\' mij gedurig tegenspreekt.

SCHEPPEND GENIE.

„Tan is geen middelmatig man.

Maar een genie, dat scheppen kan.quot;

Welzeker! Uit zijns meesters pan.

-ocr page 41-

GERMANISMEN. — HET JUISTE MIDDEN.

GERMANISMEN.

Gij hebt mij, lieve Bui-en! Uw toonstuk niet te sturen;

Ik zing niet gaarne op Duif ach; Houdt, daar gij mij door \'t oor boort. Met uw afgriislijk voorwoord,

Uw liedertafels thuis.

Verlost mij van de daadzaak, Waarover ik mij kwaadmaak,

Gewis niet zonder grond!

En wijs, om mij te grieven,

Niet heen naar de omloopsbrieven.

Die gij mij onlangs zondt.

Och. dat de Nederlanden Toch sporeloos verbanden

Wat voortgaat uit uw huis, In plaats van door te voeren Wat burgeren en boeren

Tot schande strekt of kruis. Ons Neerduitsch was welluidend, Zoolang gij \'t niet beduidend

Met valsche klanken schendt; Ons Neerduitsch was verstandig, Zoolang men \'t niet onhandig Verplooide naar uw mond; Ons Neerduitsch zal slechts leven, Zoolang wij \'t niet vergeven Met vruchten van uw grond.

HET JUISTE MIDDEN.

Ja, \'t Juiste Midden! Maar waar tusschen? Tusschen dwaling En dwaling, \'t Mag zoo zijn; maar geldt dit voor bepaling Van \'t juiste middelpunt der Waarheid? Die dit zeit.

Geeft haar een lucht-bestaan van loutre onzekerheid.

Van \'t aantal, van de maat der dwalingen afhanklijk.

En niet bestaande, niet erkenbaar dan door haar.

De Wijze vrage dan niet langer: Wat is waar?

Alleen\'het onderzoek: Hoe dwaalt men? is belangrijk.

Maar waar den waarborg nu te vinden, die \'t bescheid Voor nieuwe dwaling hoedt bij de oude onzekerheid?

Neen, wandlaar! zie niet om naar die den weg slechts raden. Maar vraag dien eeniglijk aan die hem weet en wijst;

Betreed hem, leidt hij ook langs onbezochte paden. Met onverschilligheid voor die u laakt of prijst.

9

-ocr page 42-

ANDERS. — INTUÏTIE. — TAAL-CENSDDB. — AAN KBN RKIZIOKR ENK

ANDERS.

Jan rekent: .Tweemaal zes is zeven.\'quot;

Maar Piet zegt: ,Zeven is wat min.quot; ,,\'t Is twalef!quot;quot; valt er Krelis in;

Maar dit acht Piet „weer overdreven;quot;

En Krelis, die dus overdrijft,

Vergeet dat dwalen menschlijk blijft,

En wil \'t maar niet gewonnen geven!

INTUÏTIE.

\'k Sehiet hoenders in de vlucht, en op den aanslag. Jan! Gi] enkel in den zit, en legt een half nur \'an.

Nochtans beschouwt ge uzelf met innig welbehagen. En noemt het u\'etegt;ischaplijk jagen.

Maar Jantje! wat is \'t mijne dan?

«Het uwe! Durft gij daar naar vragen?

Daar neemt men geen notitie van.quot;

TAAL-CENSUUR.

Verkiesbaar zijt gij naar de wet; Het dagblad doet dit daaglijks lezen. Maar onze taal is nauwgezet;

Dat blijkt in dezen.

Een uitgang maakt een groot verschil: Wees zoo verkiesbaar als je wil, Verkieslijk zulje nimmer wezen.

AAN\' EEN REIZIGER NAAR OVERZEE.

TOT AFSCHEID.

niarog èv y.axotg bvijo yytiaawv yahjvijg vocvtiXoiaiv èiaooav.

Eüripides.

„Een trouwen vriend in \'t oog te staren,

Doet ons den boezem meerder goed Dan de aanblik der gestilde baren.

Als weer en wind heeft uitgewoed.quot;

Maar zoo ons oog den blik ontmoot Van Hem, wiens wenk de zee bedaren,

-ocr page 43-

PBIJBTBAAG. - ZANGDRIFT.

Den storm zich nederleggen doet — Laat bruisen \'a levens hooge vloed! Wij weten in wiens schuts wij varen: Zijne is een liefde, die behoedt.

PRIJSVRAAG.

Ernst is zwartgalligheid; dat \'s duizendmaal verklaard. Wat kleur van gal gaat met lichtzinnigheid gepaard? En is er oorzaak, hen, die de ernstigen verdoemen, Steeds „duifjes zonder galquot; te noemen?

ZANG-DRIFT.

Hoe woelt de poëzij In mij,

En haakt aan \'t licht te komen;

Als in \'t gebergte een volle bron, Begeerig naar den glans der zon, Begeerig uit te stroomen!

Hoe voel ik mij omringd,

Omkringd,

Door beelden, geesten, schimmen Van schoonheid, liefde, waarheid, kracht. Me omzwevende in een halven nacht, Waaruit een dag wil klimmen!

Hoe ruischt mij koor op koor In \'t oor.

Verlokkend en ontroerend!

Hoe zoet weemoedig ia het mij, _ Als ware een stroom van melodij Mij op zijn golven voerend;

Als hoorde ik in \'t verschiet Een lied.

Dat hart en zin mocht kluisteren; Een nieuw gezang, dat niemand zong. En dat de gansche wereld dwong Tot opgetogen luisteren!

Mijn vrienden, neen! geen lust.

Maar rust Ontbreekt den armen zanger. Hem kwelt een lang getergde dorst Naar poëzij, zijn moede borst Is van gedichten zwanger.

11

-ocr page 44-

KENS KONINGS TRANEN.

Geeft de onbezorgde vreugd Der jeugd,

Haar zoete mijmeringen,

Tn schaduw van \'t aloud geboomt, Of waar, van munte en tijm omzoomd, De rimpelende duinbeek stroomt. Hem weer — en hij zal zingen.

EENS KONINGS TRANEN.

r.

Vergeet uw vrees voor louter vreugd. Wees, Dochter Sions! wees verheugd, En laat uw psalmen stroomen: Uw Vorst en Heer zal komen!

Hjj komt, de Koning lang verwacht. Maar houdt, eenvoudig, arm, en zacht. Op \'t needrig lastdiervolen Zijn majesteit verscholen.

Hoe trekt de schaar hem in \'t gemoet. Het hart vol vuur, het oog in gloed, Hoe schudt men met de palmen. En doet hozanna\'s galmen:

„Hozanna! zegen over Hom, „Die nadert tot Jeruzalem.

„Die komt in naam des Hoeren, „Hozanna, God zij eeren!

„Hozanna! eer zij God gebracht, „Tot in den hemel van zijn kracht, „Tot in de hoogste plaatsen!quot; Dat berg en dal \'t weerkaatsen.

Aanschouwt Hem! Goedertierenheid Ligt op zijn aanzicht uitgespreid; Genade is op de tippen Dier lachelende lippen.

Ziedaar het godlijk aangezicht Van die den blinden heeft het licht, Den stommen spraak gegeven. En Lazarus het leven!

-ocr page 45-

EENS KOSINGS TRANEN.

Valt, palmenmeien! voor dien Heer Uit de uitgestrekte handen neer; De knieën moeten buigen,

Waar hart en lippen juichen!

Hoe klopt de boezem, die Hem prijst, Wanneer men van den grond verrijst, Maar \'t opperkleed laat blijven Bij palmen en olijven!

Rijd, Koning vol zachtmoedigheid!

Rijd zacht op \'t pad, aldus bespreid, Kn laat uw oogen waren Langs de opgetogen scharen.

Trek door het bloeiend, vruchtbaar dal. Dat nooit uw hart vergeten zal,

Waar \'t liefde vond en vrede ....

Zijn nardus-geur trekt mede.

Bestijg op \'t veulen, nooit bereên, Betphages heuvlen een voor een.

Waar dadelen en vijgen U groeten met hun twijgen.

Rijd, rijd voorspoedig, naar uw woord. Tot d\'afgang der olijven voort;

Straks zal uw oog aanschouwen Jeruzalems gebouwen.

Daar ligt de stad, de koningsstad, Op tempel en paleizen prat.

Daar ligt zij, de overschoone, En vonkelt met haar krone.

Daar ligt de stad, der steden eer.

Waar zich de stammen van den Heer, Om voor zijn oog te naderen. Hem lovende, vergaderen.

Moe heerlijk pronkt, hoe vroolijk zwiert Het prachtig feestkleed, dat haar siert, Kn laat zijn breede zoomen Langs al haar bergen stroomen!

Hoe breekt de schaar, die oin u sluit, In hooger jubelkreten uit.

13

Zoo ras zij aan hun voeten Uw koningsstad begroeten \').

\') Zie Luk. XIX. 37.

-ocr page 46-

14 EENS K0NWG3 TRANEN.

Hoe hsft zij van uw wonderdaan Met dubbelde hozanna\'s aan,

En trekt er hupplend henen —

Maar \'s Konings oogen weenen.

Hoe vroolyk worden, waar zij trekt, De wedergalmen opgewekt Van Sions bergvalleien —

Maar \'s Konings oogen schreien.

Zij schreien. Wa-ut de Koning kent De stad, die Gods profeten schendt, En overdekt met wonden Wie God haar heeft gezonden.

Zij schreien. Want de Koning laat De bloedvlek op haar schoon gelaat, De lastring op haar lippen Zijn aandacht niet ontslippen.

Jeruzalem! Jeruzalem!

Gij zult het roepen dezer stem. Het galmen dezer koren,

Bij uw altaren, smoren.]

De blydste schaar zwijgt ras verschrikt, Als gij haar toornig tegenblikt;

Slechts wordt in kindermonden \'t Hozanna weergevonden \').

Maar blijve ook \'t kinderlipje stom, En doe, van uit het heiligdom, \'t Gekrijsch der lasterkreten \'t Hozanna gansch vergeten;

Zelfs daar gij met uw banvloek doemt. Wie slechts zijn naam met eerbied noemt. Hem zal geen lof ontbreken: Uw steenen zullen spreken!

Uw steenen dronken woorden in Van goddelyke menschenmin, Uw steenen zagen wonderen.

Die ze in uw ooren donderen.

Uw steenen, doof Jeruzalem!

Zij roepen, met onsmoorbre stem,

Zijn schriklijk Wee! u tegen, Ook schoon zijn lippen zwegen.

\') Zie Matth. XXI. 15.

-ocr page 47-

EENS KONINGS TRANEN.

En als uw vijand om uw wal Straks een begraving werpen z.il En u rondom benauwen,

Met kinderen an vrouwen:

Hoe zal \'t geween, \'t gejoel, \'t verward Gejammer van uw woede en smart, \'t Vertwijfelende gillen,

Door dag noch nacht te stillen;

Hoe zal het ruischelende bloed,

Dat door uw straten zijplen moet,

Waar broedermoordenaren.

Met pset en honger, waren;

Hoe zal, bij \'t steigren van den nood. Het vruchtloos zoeken van den dood, \'t Vergeefs verplettring vergen Van heuvelen en bergen;

Hoe zal de schelle wanhoopskreet Van moeders, met het staal gereed Haar kroost door \'t hart te steken, Uws Konings eere wreken!

Straks, als het heilig grondgebied. Den „gruwel der verwoestingquot; ziet. De vlam des vuurs ïal naken Tot tempelwand en daken,

Hoe schriklijk zullen wederom De muren van het heiligdom, In \'t wagglen. kraken, splijten, Tot eer uws Konings krijten!

Cieen steen van heel uw trotsche wal. Zoo vast en heerlijk, of hij za,l Van uit zijn voegen breken;

Geen steen of hij zal spreken.

Verhef dan, bij \'t verwoeste Huis, Uw klachten over \'t rookend gruis, Ween luid, de stem dier steenen Roept luider dan uw weenen.

Of smoor uw jammerklachten, zend Uw kwijnend kroost tot \'saardrijks end; De bloedige asch en kolen Kleeft wroegende aan hun zolen.

-ocr page 48-

EENS KONINGS TRANEN.

II.

Uw Koning middlerwijl volbrengt Zijn zegetochten ongekrenkt,

En gaat van oost tot westen Zijn vrederijkstroon vesten.

Verwerpt het kroost van Abraham Den leeuwenwelp uit Juda\'s stam: De heiden zal hem kronen.... Uit steenen Abrams-zonen!

Houdt Jakobs dolend huisgezin Zijn plechtige hozanna\'s in:

In honderd nieuwe talen Hoort Hij zijn lof herhalen.

Verdort het Oostersch palmenblad, Daar \'t zich terughoudt van zijn pad: Het Noord noopt pijn en eiken Hem duurzaam loof te reiken.

Het Westen, door geen zee gestuit, Rekt voor dien Vorst zijn grenzen uit, VVien \'t aangename Zuiden Begroet met bloem en kruiden.

Wat nood dan. Koning! al veracht U \'t muitend Isrel, de Aarde wacht. Reeds hoort Gij, dezer dagen. Do Grieken naar u vragen \').

Wisch vau uw stralende gelaat Dien traan, die in uw oogen staat: (ieen wederhoorig harte Verdient zoo diep een smarte.

Laat, daar gij tot een kampstrijd trekt, Die heel een\' wereld heil verstrekt. Het oog van uw getrouwen Een blij gelaat aanschouwen.

16

Geniet de hulde, die u wacht Van heel hot menschelijk geslacht; Maar spil geen kostbre tranen Aan trouwlooze onderdanen.

\') 71» .Toh. XII. 20, 21.

-ocr page 49-

KlSSjj KONINGS TltASJSN.

Is niet de grond, dien Gij betreedt, Tot drinken van uw bloed gereed? En zoudt Gij dien besproeien Met tranen?.... Maar zij vloeien.

Zij blijven vloeien.... Moordnaarskrocht, Voor ii dit godlijk tranenvocht!

Volk, dat Hem trapt op \'t harte. Voor u, voor u dees smarte!

Hij weet wat ijselijke nacht Hem in dit dal de.s Kedrons wacht, Wat perskuip Hij gaat treden,

Na dit bedrieglijk heden.

Hij weet wat strijd, wat heete strijd Hem tot der Volken koning wijdt; Hij weet in welke plassen Hij zijn gewaad moet wasschen;

Hij weet, uw Koning hoog geloofd, Aan welk een doop Hij \'t buigend hoofd En \'t krimpend lijf moet leenen:

Maar dit doet Hem niet weenen.

ü geldt zijn droefheid, u alleen, O, Israel, zijn vleesch en been,

Niets kan in West of Oosten Hem van uw afval troosten.

Geen Grieksche aanbidding, eer, en lof, Geen Adelaren in het stof.

Geen aangegroeide scharen. Verteederde Barbaren;

Geen uitgestoken heidenhand Uit Mitzra\'iem of Morenland;

Geen bloeiende woestijnen,

Waarop zijn licht gaat schijnen;

Geen heerschappij van vloed tot vloed; Geen Nieuwe wereld, aan zijn voet Met schatten neergebogen,

Kan deze tranen drogen.

Ach Sion! dat, op dees uw dag, \'t Zoolang afkeerig oog nog zag Wat tot uw vrede diende. Die koningstranen ziende!

-ocr page 50-

KbMÜ KONINGS TRANEN.

Ach. dat gij \'t onheil wenden mocht, Zich spieglende in dat tranenvocht! Ach, dat gij mocht bezwijken Voor zulke liefdeblijken!

Dat do uitgebreide vleugelschaüw U nog mocht bergen voor den klauw Des giers, die uit den hoogen TJ reeds verslindt met de oogen!

Hoe menigmaal, Jeruzalem!

Heeft u des Konings zachte stem Gezocht bijeen te gaderen.... Ach, dat gij nog kost naderen!

Gij wendt u af; gij bljjft verhard; Maar van zijn koninklijke smai\'t Zal \'t oog der Volken leken. Tot eens u \'t hart zal breken.

III.

En eenmaal breekt het. Eindlijk zullen,

Naar Gods bestel.

Ook uwe tijden zich vervullen,

O Israel!

Ook gij zult tot uw Koning_ naderen.

Ook gij aanbidden aan zijn voet, Hem kennende als de Hoop der Vaderen, Die al uw jamm\'ren enden doet.

De olijf\'stam zal, voor vreemde twijgen

Hem ingegrift,

Zijn sap in eigen hout doen stijgen,

Met nieuwe drift.

Het aaklig dal, waar \'t dor gebeente

Verworpen ligt, verstrooid, verbleekt. Zich met een levende gemeente

Bevolken, als Gods almacht spreekt.

En alle volkren, alle tongen.

Zoo verre en wijd De lof diens Konings wordt gezongen.

Wiens vleesch en been ge immers zijt, Zij zullen zich om u verdringen.

En blijde en luid Het groote Halleluja zingen.

Dat op uw groot Hozanna sluit.

-ocr page 51-

AAN MIJNE ECHTGENOOTE.

AAN MIJNE ECHTGENOOTE.

Verwijt gij mij, mijn waarde!

Dat \'k sede -t jaar en dag Mijn citer niet besnaarde, Zoo vroolijk als ik plag, Om u een lied te zingen

Op uw geboortefeest,

Die negen zonnekringen Mijn sieraad zijt geweest?

Mijn sieraad en mijn eere,

Mijn grootste schat op aard, Een gave van den Heere,

Zijn groote goedheid waard, Een onwaardeerbre zegen,

Een hulp, een troost, een vreugd: Dat zijt gij op mijn wegen. Gij, huisvrouw van mijn jeugd!

Wij plachten u te kronen,

Op menig feestgetij,

Met liederen en tonen

En luide poëzij.

Wij lieten al de stralen

Van onzen vroegsten roem Op \'t blonde hoofdje dalen.

Dat ik het mijne noem.

Mei had geen rozenknoppen,

Geen leliën genoeg,

Met perelende droppen

Bedauwd des morgens vroeg, Om u het hoofd te tooien,

Vorstinne van ons hart,

En over \'t pad te strooien.

Waar gij bewelkomd werd!

Wij riepen filomeelen Van alle zijden op,

Oin u een lied te kweelen,

Van berk en slzentop. De tortelduif moest dalen, Vol teederheid en min,

En om uw schouders dwalen. En streelen hals en kin.

Van uit de luwe bosschen,

Van veld en vijvervlak.

19

-ocr page 52-

AAN MIJNE KCHTGENOOTE.

Van tuaschen bloementrossen

En vruchtbren boomgaardtak, Moest u het lauwe luchtje De geuren, die het torst, Toevoeren met een zucktje, En sterven aan uw borst.

En allen moesten hooren

Van \'t achttienjarig kind, Dat Ik had uitverkoren

En teeder werd bemind. En allen moesten weten

Hoe zacht zij was en trouw, Die mijne Aleide heeten En mij behooren zou.

Maar sedert God u kroonde

Met kostelijker krans Dan ooit uw schoon verschoonde,

En liefelijker glans Deed op uw schedel dalen

Dan waar de poëzij Uw lokken van deed stralen. Op \'t lente-feestgetij;

Maar sedert Gods genade Uw teeder hart verblijd En de allerliefste Gade

Tot Moeder heeft gewijd;

Maar sedert spruit op spruite

Onze echtkoets heeft verheugd, Verstomde mijne luite.

Van eerbied en van vreugd.

Laat frissche maagdenwangen,

Laat oogen, vol van gloed, Den luiden lof ontvangen

Van \'t dichterlijk gemoed; Laat keur van poezgen En al wat ooren treft Om \'t minzaam lachje vrijen. Waarop zich \'t hart verheft:

Die in den bloei der jaren.

Gelukkig echtgenoot,

Zijn eegade aan mag staren.

Een zuigling op den schoot, Met neergeslagen oogen Zijn kinderljjken dorst

-ocr page 53-

AAN MIJNE ECHTGENOOTE.

Met meer dan nectartogen Verkwikkende aan haar borst,

Die laat de citer glippen,

Die stort geen maatgezang; Een bee zweeft op zijn lippen, Zijn boezem smelt in dank; Maar stem en woorden falen,

Of schijnen leeg en koel; De rijkdom aller talen Is arm bij zijn gevoel.

Maar die, met rozenwangen En oogjee vol van vreugd,

Zijn kroost in d\' arm ziet hangen Der huisvrouw van zijn jeugd; Maar die haar moeder noemen

En moeder wezen ziet: Vergankelijke bloemen Vlecht hij haar schedel niet.

Hij laat geen liedren rijzen En klinken tot haar eer, Wie eigen kindren prijzen,

Die lof heeft van den Heer. Hij wenscht niet meer te pralen

Met zijn benijdbaar lot.

Maar zegent duizendmalen Het hoofd, gekroond door God.

Mijn dierbre, die mij zonen

En lieve dochtren schonkt. En met hun frissche koonen En vroolijke oogen pronkt, Hoe prijkt gij zelve tusschen

Het vijftal uit uw schoot, En reikt mij om te kussen Mijn kleinen naamgenoot.

Hoe treedt mijn ziel u tegen

Op dees geboortedag,

Verplet van al den zegen.

Waarin zij roemen mag; Hoe dankt u dit mijn harte

Voor \'t oft\'er van uw jeugd. Voor al uw moedersmarte.

Voor al mijn vadervreugd.

Hoe stijgen mijn gebeden En zuchten hemelwaart;

-ocr page 54-

22 NIET VOOll DE WERELD. — DE MAGDALENE BIJ \'T KRUIS.

„God! die dit huwlijks-Eden

„Geplant hebt, en bewaart: „Het bloeie in uw bescherming,

,üw goedheid, nooit verpoosd!_ „Och, schenk uw rijkste ontferming „Der moeder en haar kroost!quot;

NIET VOOR DE WERELD.

Voor de wereld bloeit gij niet,

lloem der lenterozen!

\'t Zedig blosje, dat zij ziet

Op uw wangen blozen,

Zult gij, waar haar adem gloeit En het kruid des velds verschroeit, Niet verroekeloozen.

Voor de wereld gloeit het niet,

\'t Lichtje in uwe oogen.

Dat zoo zachte stralen schiet

Van zoo groot vermogen;

Koert zich niet uw reine blik. Met een heilzaam heilgen schrik. Van haar lust en logen?

Voor de wereld vloeit het niet, \'t Traantje op uw wangen!.. Vreemd aan \'t wereldsche verdriet,

\'t Wereldsche verlangen.

Zal het, in zijn zuiver schoon. Zal het aan haar trotsche kroon Niet als perel hangen.

Neen, de wereld boeit u niet, Hoe gij haar moogt boeien! Waar u\\v hart van over vliet, Wat uw oog doet gloeien,

Is een heiliger genot,

Is een blijdschap, die uit God Zielen toe mag vloeien.

DE MAGDALENE BIJ T KRUIS.

Hier is mijn plaats. Aan deze voeten.

Genageld op dit hout;_

Hier, dat de tranen vloeien moeten.

Die Gij in gunst aanschouwd. De Simons schudden \'t hoofd en smaden En lastren als weleer:

-ocr page 55-

DE MAGUALESE HIJ \'T KKUIS.

De Zondares, met schuld beladen,

Stort in aanbidding neer.

De middagzonne derft haar luister:

De dag is donkerheid.

Uw oogen zien, ook in dit duister. Wie aan uw voeten schreit.

Gij kent haar. Heer! Gij zult haar dulden, Gij leest haar tot in \'t hart.

Het is de vrouw van vele schulden. Wie veel vergeven werd.

Ook op haar arme ziele daalde Een zevendubble nacht;

Maar \'t licht, dat eens haar tegenstraalde. Behoudt, ook hier, zijn kracht.

Gij lijdt. Gij sterft; Zij voelt uw smarte, Zij siddert bij uw wee;

Maar, in het binnenst van haar harte, Behoudt Gij haar den vreê.

Haar oor vernam die bittre klachte: „Waarom verlaat gij Mij?quot;

O zielverbijstrende gedachte .... Verlaten!.... Heiland, GijV

Toch blijft Gij haar van vrede spreken, Die al uw strijd aanschouwt;

Toch voelt zij, in geen strijd bezweken. Dat haar quot;t geloof behoudt.

Ja, Gij zult Israel bevrijden;

Eens stijgt ge op Davids troon;

Daar komt een heerlijkheid na \'t lijden, En, na dit kruis, een kroon!

Eens, in uw koninkrijk gekomen.

Gedenkt Gij, naar uw woord,

De vrouw, die Gij hebt aangenomen, Bemoedigd, en verhoord.

Gewis, haar zonden zijn vergeven,

Haar schuld is weggedaan.

Haar naam in \'t levensboek geschreven; Dat zeide Uw mond haar aan;

Die mond, die lieflijke, die zachte. Die thans zoo bleeke mond.

Zich oopnend tot zoo bittre klachte,

In zoo ontzetbren stond!

Ach, Zij vertroost, en Gij verlaten; Gij smachtend. Zij onthaald;

-ocr page 56-

DE MAGDALENE BIJ \'T KKUIS.

Gij, prooi van allen die u haten,

Zij, door uw gunst bestraald!

Die alle straften Gods verdiende.

Zelfs door geen vrees benauwd!

Gods Heilgeu in een jammer ziende,

Daar God zich ver van houdt!....

Dit heilig lichaam enkel wonde,

Van koorts en pijn verteerd; En \'t sohandlijk werktuig van de zonde,

Gezond en ongedeerd!

Komt, overmoedige soldaten!

Doet recht, en spot niet meer!

Laat dezen Koning \'t kruis verlaten; Mij voegt het, niet mijn Heer.

Dit hout, met al zijn ijslijkheden.

Verdiende ik lang en steeds.

Wat toeft gij? Komt! Verscheurt dees leden.

Ontziet geen tenger vleesch!

Ik heb de wet van God geschonden.

Moedwillig, dartel, dwaas....

Komt! Laat mij sterven voor mijn zonden, Kn sterven in Zijn plaats!

Maar neen! de Onschuldige moet lijen.

Als \'t offer op \'t altaar.

Als \'t Lam der oude profecijen ....

Kn zoo Hij \'t offer waar?

Indien..,. Ja, Israels Verwachting!

Verzoener van mijn schuld!

„Men leidde u als een lain ter slachting, „Zachtmoedig, vol geduld 1quot;

Een stem roept uit: „Ons overtreden

„Kost Hem dit leed, dit bloed.

„Het zijn Onze ongerechtigheden,

„Die Zijn verbrijzling boet.

„De straf, die op ons hoofd moest wezen,

„Verdraagt Hij in dees smart.

„Door Zijne striemen zijn genezen „De wonden van ons hart.quot;

Mijn ziel geeft antwoord; „Heer! ik dwaalde

Gelijk een schaap in \'t rond;

Zijt Gij \'t, op wien mijn misdrijf daalde.

Gij Herder, die mij vondt?

Ziit frij vonr mü, voor mijne zonde

-ocr page 57-

najaakslieu.

Gelijk een lam geslacht?....quot; Annbidlijk woord, door uwen monde Gesproken: „\'t is volbkacht!quot;

NAJAARSLIED.

Ik ken seen schooner kleuren Dan die van \'t Hollandsch bosch In bruinen najaarsdos;

Ik ken geen zoeter geuren,

Dau die uit droge mos. Uit geelroode eikenbladeren Kn varenkruid dat bloeit.

Mij op het koeltje naderen, Dat met mijn lokkeu stoeit.

Ik ken g-een schooner zangen Dan vink en lijster slaakt,

Bij \'t morgenlicht ontwaakt. Eer hen de strikken vangen,

Door al wat zingt gewraakt: Den wildzang uit de twijgen Met vochtig rag omstrikt. Dat. als de dampen stijgen, Met perels blijft bestikt.

Ik ken geen schooner luchten Dan waar de herfst mee praalt, Als \'t zonlicht nederdaalt En dorpen en gehuchten

In goud en kleuren maalt. Dan rijzen blanke rotsen

En donkre bergen op.

Begroeid met ruige bosschen. Verguld aan rand en top.

Dan spelen alle verven Dooreen met stille pracht, Tot dat y,e, schoon en zacht. Versmelten en versterven.

En zeggen: /Het wordt nacht! Weer is een dag vervlogen;

Welhaast een jaargetij:

Een jaar gaat voor uwe oogen, Gelijk een damp voorbij.quot;

-ocr page 58-

BIJ £KN BEELTENIS.

BIJ EEN BEELTENIS.

Doet ons dit indrukwekkend wezen,

Die fi.jnbesneden neus en mond, De aanzienlijke geboorte lezen,

Die ons uw schoone naam verkondt; De hemel heeft u meer gegeven

Dan eedlen naam en hoogen staat,

Meer dan dien adelbrief, geschreven Op \'t onberispelijk gelaat.

Of straalt er van dien kalmen schedel,

Dien gij zoo onbedeesd verheft.

Geen gloed, meer lieflijk nog dan edel,

Die alle harten trekt en treft;

De vlucht verradende en de krachten Van dien zoo hoog- gestemden geest. Wiens leven, werken, en gedachten Men op \'t gewelfde voorhoofd leest?

Ligt de adeldom van eedle Zielen

Die, door geen sterflijk hart weerstaan. De stroefste knieën dwingt te knielen

En zinlijke oogen neer doet slaan, Om moed in \'t needrig hart te wekken

Van al wat zwak is en verdrukt.

Niet heerlijk over al de trekken.

Waarmee gij \'t starend oog verrukt?

Dit sprekende gelaat vereenigt

Ernst, reinheid, kloek verstand, en geest, Daar vrede en liefde d\' indruk lenigt.

Die licht te ontzaglijk waar geweest. Het statig schoon der strengste lijnen

Is, bij zijn regelmaat, niet koel.

Omdat er \'t leven door komt schijnen Dier ziel vol leven en gevoel.

Geen zweem van dofheid in die oogen.

Maar zachtheid, die hun felsten gloed, Als met een wolkje, houdt betogen

En vriendelijker stralen doet;

Met zulk een \'glans als doet beseften,

Dat elke vreugde en iedre smart Uw edelmoedig hart zal treffen. En weerklank vinden in dat hart.

Wij zien uw glimlach, onder \'t zweven, Aan lippen, ernstig saaingeklemd,

-ocr page 59-

BIJ EES BEELTENIS.

Eon uitdruk van genoegen geven,

Maar die den ernst niet overstemt. En zwijgend zeggen ons die lippen,

Die gaarn doen zwijgen, waar gij spreekt: „Ons zal wol nimmer iets ontglippen. Dat geest of kracht of zout ontbreekt.quot;

Wij zien... Wij zien? Helaas, wij zagenl

Dat lief aanschouwen is geweest. Wij hebben naar het graf gedragen

\'t Schoon hulsel van zoo schoon een geest. Ten hemel is die geest gevaren,

Daar God hem voor zijn zetel ziet, En waar we onze oogen blind op staren Is slechts uw Beeltnis, anders niet.

Ach, die u-zelf mocht zien, mocht hooren,

Mocht lezen in \'t grootmoedig hart; Dat oog van d\' edelste ijver gloren.

Of glinstren van de reinste smart; Die lieve lippen zich ontsluiten,

Om met een stem, zoo klaar, zoo zoet. Een stroom van vriendlijkheden te uiten. Opwellende uit een trouw gemoed.

Die, wat uw innigst hart bedoelde, Uw helder oog op eens doorzag.

Uw geest ontdekte, ried, gevoelde,

In blik en kreukje, blosje en lach,

In fijne schaduwen en stralen.

Afwisselend van stond tot stond,

Zich op \'t oprecht gelaat zag malen. Dat slechts het veinzen niet verstond;

Die in die oogen \'t wolkje stijgen. Den regendrop zich vormen zag.

Waarin, na lang en ernstig zwijgen.

Een wereld van gedachten lag;

Maar straks die neevlen weer verslonden.

Die zon weer schittrende in haar pracht, Daar reeds het troostwoord was gevonden, Nooit lang, nooit vruchtloos ingewacht:

Die u de heilleer in zag drinken

Van Gods genade en Christus bloed. Vol ootmoed in u zelf verzinken.

Of opstaan in een grooten gloed.

Om, wat uw gansche ziel deed leven En uitstraalde op \'t bezield gelaat.

-ocr page 60-

BIJ EEN BEELTENIS.

In fdoênde woorden weer te geven.

Of te beseeglen, door een daad:

Die u beleven en belijden,

Getuigen en betoonen zag,

U in de kracht dier Waarheid strijden.

Waarin uw heil verborgen lag;

Die u den Heiland na zag streven,

U zelf verloochnen, zonder trots,

Voor andren, velen, allen leven.

Steeds werkzaam, in de vreeze Gods:

Die u mocht nagaan op de wegen Der teédepste menschlievendheid, Het milde hart tot iedren zegen.

De hand tot eiken dienst bereid; De knie bij \'t krankbed neergebogen

Des schaamlen, bij zijn laatsten snik Nog opziend naar die minzame oogen, Die hem vertroostten door hun blik;

Die u uw kind aan \'t hart zag drukken

Met teerheid, die nooit weekheid werd, Met innig, moederlijk verrukken.

Maar met ootmoedig biddend hart;i Die u, in nederige wijsheid.

Den mond zag openen tot troost En raad van neergebogen grijsheid Of van een hulpbehoevend kroost;

Die, met een hemelsch vergenoegen,

quot;Van \'t liefdrijk hart den ganschen schat U uit zag storten, toe zag voegen

Aan die gij liefgekregen hadt,

En wie uw Liefde meer verheugde

Dan al haar weldaan zonder tal — Die zag der englèn lust en vreugde, En wat hij nooit vergeten zal.

O droefenis, niet uit te spreken!

Bezorgdheid, klimmend met den dag! Als men dit zacht gelaat verbleeken.

Versmallen en vermaagren zag;

Als men dat oog nog wel zag blinken,

Van \'t eigen liefdevuur ontgloeid.

Maar dieper in den schedel zinken.

Van \'t leven en zijn strijd vermoeid.

Als men uw ijver nog vermeeren,

Maar reeds vermindren zag uw kracht.

-ocr page 61-

BIJ EEN BEELTENIS.

En de olie in die lamp verteren,

Zoo helder brandïnde bij nacht; Als reeds een stem begon te fluisteren:

.Bemerkt gij niets van \'s Heeren -wil?quot; Maar \'t angstig hart niet wilde luisteren: „Ik weet het ook wel; zwijg gij stil.quot;

Op eens! Daar zonkt, daar laagt gij neder,

De geest nog krachtig, \'t lijf gesloopt; Daar laagt gjj en verreest niet weder — Vergeefs ontveinsd, vergeefs gehoopt! Vergeefs den hemel aangeloopen

Om uw behoud, gekermd, gezucht; Die hemel immers ging u open.

Gij naamt uw afscheid, en uw vlucht!

O onvergeetlijkste der nachten.

Niet dan met tranen nagedacht. Met tranen, die de wond verzachten.

Ons ongeneeslijk toegebracht;

Met tranen, die wij weder vegen

Uit de oogen, tuigen van uw smart,

Maar ook getuigen van den zegen,

Dien God u stortte in \'t stervend hart!

O nacht van lijden, nacht van pijnen.

Van doodsbenauwdheid bang en lang! Wat licht van vrede zaagt gij schijnen,

Hoe hoordet gij den zegezang.

Die door \'t geloof werd aangeheven,

Aan woorden en aan krachten rijk; Hoe bleef, in \'t sterven als in \'t leven. Dat hart vol liefde zich gelijk!

Belijdend, dankend, biddend, zegenend, —

Met spreuken troostrijk, leerzaam, trouw, Den diep bedroefden kring bejegenend,

Die gaarne met u reizen wou,

Tot ge al uw smeekingen ten laatste

Vereenigde in dat eene woord: „Kom, Heere Jezus! kom met haaste!quot; En stillezweegt, en werd verhoord.

Zoo zagen u de schreiende oogen;

Thans zien ze u in den hemel na.

Waar gij, aan \'t aardsche leed onttogen.

Den lijder ziet van Golgotha,

Dien uw Geloof ons aangewezen.

-ocr page 62-

BRUIDSBEZOEK IS DE PASTORIE.

üw Liefde ons afgeschaduwd heeft, En die alleen de troost moet wezen Van \'t hart, waarin uw beeltnis leeft.

BEIJIDSBEZOEK INquot; DE PASTORIE

TE HEEMSTEDE.

Tradt gij, lieve Bruid!

Amstels muren uit,

Kwaamt ge in onze dreven,

Waar het eerste groen Knopt aan \'t jong plantsoen, En \'t verjongde leven,

Over bosch en beemd.

Weder aanvang neemt Af en aan te zweven?

Schept ge in den lust.

Schept gij in de rust Van ons land behagen?

Komt gij, voor uw kroon. Ook het needrig schoon Van de veldbloem vragen?

Doet het lied u goed Van \'t gewiekt gebroed Tjilpende in de hagen?

Mag de frissche lucht.

Die het tegenzucht.

\'t Volle hart verkwikken ?

Rusten de oogen uit.

Die op bloem en kruid Rustig nederblikken ?

Dankt de ziel een God,

Die ook dit genot Vriendlijk wil beschikken?

En gebeurt ons huis.

Onze stille kluis,

Onzen disch die eere.

Dat zij binnentreedt.

Die zich welkom weet Wraar haar voet zich keere; Dat zij plaats neemt in Uw verheugd gezin. Dienstknecht van den Heere?

-ocr page 63-

BKUID8BEZOEK IN DE PASTORIE.

Zouden dan ook niet Met der vojglen lied, Menschelijke -wijzen, Dichterlijke galm,

Klank uit snaar en halm, Haar ter eers, rijzen?

En een zang vol gloed Van \'t oprecht gemoed Haar den dank bewijzen\'?

Klink, mijn citer! klink! Rijs, mijn zangtoon! dring Luid door bosch en hoven! \'t Vroolijkst maatgeluid Moet de liefste Bruid,

Moet dees feestdag loven, Kn een zinrijk woord En een vol akkoord Allen wildzang dooven.

Doch wat zegt de klank Van het blijdst gezang, Van de schoonste rede,

Doch wat zegt een lied, Dat als bronnat vliet, Bij de stille bede,

Die, als alles zwijgt, Fluisterende stijgt Tot den God van vrede?

Die in \'t volle hart Uitgesproken werd,

Schoon geen lippen spraken. Die het peinzend oog Tot een traan bewoog, Bigglend op de kaken. Tintiend van den gloed. Die een trouw gemoed Voor haar heil doet blaken?

Bruidje! twijfel niet Of een lieflijk lied Zulker stille beden Stjjgt van uit dit huis, Stijgt uit iedre kluis Die jjij in komt treden,

Stjjgt van uit dit oord, En, van God gehoord. Keert het weer met vreden.

-ocr page 64-

AAN MIJN VADER.

Over \'t vredig hoofd,

Dat in Hem gelooft,

Dat op Hem blijit staren (Wachtende op zijn stem, Buigende voor Hem,

Met alle englenscharen)

En, bij \'t vriendlij k licht Van zijn aangezicht.

Vreest kent noch bezwaren.

0, Mij dunkt, ons oog Ziet van God omhoog Zegen op u dalen-!

Op uw bloemenkrans Zijgt een zachte glans Van de schoonste stralen; \'t Oog van Gods gena Slaat u vriendlijk ga,

Waar uw voeten dwalen.

Keer ze wederom Tot uw Bruidegom,

Die u wacht met smarten! Strooi hem met uw hand Bloemen van ons land, Groeten onzer harten!

De echtband, dien gij knoopt, In dat licht gedoopt, Zal veel stormen tarten.

AAN MIJN VADER.

Die \'s Heeren zegen heeft In lief en leed ervaren,

Een leeftijd heeft doorleefd Van tienmaal zeven jaren.

Die dankbaar neer mag zien Op kindren en kinds-kindren.

Deed God ook hun getal vermindren. Gelukkig prijst men dien.

Gelukkig prijst men \'t hoofd. Gekroond met grijze lokken.

Van denkkracht onverdoofd. Nog kloek en onverschrokken.

Nog moedig opgericht,

Door tijd noch last gebogen i Gelukkig de onbenevelde oogen En \'t onverbleekt gezicht.

-ocr page 65-

LENTE.

Gelukkig prijst men d\'arm, Nog krachtig om te schragen,

Het hart nog even warm Ah in zijn beste dagen.

En dat zoo teeder slaat Als immer voor die gade,

Die Gods geprezene genade Het nog behouden laat.

o Dat ze, aan gunsten rijk,

ü dit geluk bestendig\',

Totdat zich eindelijk üw schoone loop volendig\'.

Mijn Vader! en uw kroost, Na \'t lang gezegend leven, U welgemoed den geest zie geven, Gelukkig door eens christens troost.

LENTE.

Had ik uw adem. Nachtegalen!

Uw zilvertoon,

Lan^s alle heuvlen, alle dalen,

Zou ik uw smeltend lied herhalen, Zoo vol, zoo schoon!

Ik prees dien God in mijn gezangen.

Die veld en woud Weer \'t groene kleed heeft omgehangen, Na zooveel maanden van verlangen Zoo blijde aanschouwd.

Ik zou dien grooten Schepper loven,

Die, ongezien.

Zijn troon gevestigd heeft daar boven. En wien de bloempjes onzer hoven Hunne offers biên.

Mijn zangtoon zou des morgens stijgen,

En \'s avonds laat;

Met u, zoude ik des nachts niet zwijgen, Daar t maantje, glurend door de twijgen, Ons gadeslaat.

En \'t oog, dat nimmer wordt gesloten,

Dat alles ziet.

Den kleinen zanger en den grooten.

Wier lofgezangen samenvloten,

In gunst bespied.

-ocr page 66-

AAN DK. KAREL GUTZLAFF. — EVA.

Mijn lied zou vrome zielen treffen,

Daar \'t woorden gaf Aan wat zij kennen en beseffen,

En logge geesten opwaarts heffen Uit stof en draf.

Ik ware een priester in dien tempel.

Die thans alom Van liefde en almacht toont den stempel — Nu zink ik zwijgende op den drempel Van \'t heiligdom.

Mei.

AAN De. KAREL GUTZLAFF.

ZENDELING IH CHINA, BIJ ZIJN BEZOEK AAN NEDERLAND,

Door zevendubhlen muur en hemelhooge bergen

En wetten eeuwenoud beveiligd en bepaald.

Meent China voor altijd al \'s Werelds macht te tergen.

Maar weert het zonlicht niet, dat van Gods Hemel straalt. Haast doet een hooger zon de Bloeiende Aarde bloeien.

En \'t Rijk des Middens prijkt met oogsten dicht en vol; Haast zal het eeuwig ijs in beken nedervloeien,

En drijven d\' ouden Draak druipstaartende uit zijn hol. Haast dreunt de grijze muur, bij \'t klinken der bazuiner.

Van \'t vorstlyk priestervolk, dat vrede brengt door \'t kruis, En stort bij \'t blij gejuich tot onherstelbre puinen ...,

Neen, levert bouwstof uit voor Gods gezegend Huis! Verspieder, op bevel van Jezus doorgebroken!

Wat tijding brengt gij uit dit Jericho ons weer. Van Rachabs-harten, reeds voor \'t heilgeloof ontloken, Van lippen, tot den lof zich oopnend van den Heer? Ja, China\'s tijd genaakt; langs alle waatrend ruischend. Wordt de adem van Gods Geest vernomen, en het geldt

Zijn zestigduizendmaal zesduizend.

Wier eerstlingen door u aanschouwd zijn en geteld! o Gutzlaff, keer tot hen; breng hun eens broeders groeten,

Van d\'oever der Noordzee, aan de uiterste oosterkust; Betuig hun hoe zijn geest hen eenmaal hoopt te ontmoeten, Tot duizenden vermeerd, in \'t Hemelsch Rijk der rust.

14 Mei 1850.

EVA.

Wie zal uw lijden ons verhalen, O Moeder! uit wier vruchtbren schoot Al \'t leven en het lijden sproot. Dat, in zijn worstlen met den dood,

-ocr page 67-

EVA.

Zijn stem verheft in de aardsche dalen? Dat zesmaalduizend jaren lang Zijn noodkreet stort en treurgezang Aan alle waatren, alle zeeën,

Of, moe van \'t nutteloos geklag.

Zijn pijn verloochent met een lach, Ot krimpende in verzwegen weeën,

Zijn stille tranen plengen mag! Ach tranen!.... Bij de tranen-bekea In zand gesmoord en eenzaamheid, Wie zal ons van de tranen spreken.

Die \'t eerst en bitterst zijn geschreid? Wie zal ons zeggen welke ellende.

En hoe ze een ziel verscheuren moesi, Die, in haar volheid, zag verwoest De zaligheden, die zij hende?

Helaas! wie heeft, bij eigen smart.

Voor de uwe ontzag, gevoel, of hart? Wie gunt, bij eigen boezemklachten,

Bij eigen doornen, eigen zweet. Een luttel tijds aan zijn gedachten,

Ter overpeinzing van uw leed?

Of zoo de poging tot vergeten

Van wat men in den boezem bergt. Met heimelijke slangenbeten De hartaar van het leven tergt,

Maar van de ziel de dwaasheid vergt Om ijdelheden, vreugd te heeten En \'t zondig wereldsche gewoel Te prijzen, met verdoofd gevoel: \'t Is ramps genoeg, zoo aan die droomen. Waarin ze een avrechts Eden smaakt. Een kreet van smart, een einde maakt, Haars ondanks, van nabij vernomen;

Wat zou er wezen, dat haar trekt Een noodeloozen blik te wijden Aan een tooneel van smart en lijden. Met zestig eeuwen leeds bedekt?

Neen, Moeder! Zoo zij u gedenken, De kindren, die gij achterliet, \'t Is zelden om uw diep verdriet Een diepgevoelden traan te schenken; Niet om zich voor den geest te wenken Het treurig beeld der schoonste vrouw. Versteend van plótselingen rouw.

Het is niet om u na te staren.

Zooals .gij Edens stroom doorwaadt, Het hoofd gebukt, de blonde haren

-ocr page 68-

EVA.

Ten sluier voor \'t verbleekt gelaat, Den rug gekeerd naar \'t laatste stralen Van \'t ondergaande zonnelicht,

En naar den oever \'t oog gericht,

Waar voorts uw voeten zullen dwalen.

De hand gelegd in Adams hand,

Niet losgelaten, niet gegrepen,

Bereid het leven voort te slepen

In \'t door den vloek gedrukte land.

Het is niet om den kreet te hooren,

Den kreet, die door \'t gebergte schalt. Om alle heemlen door te boren.

Als barenswee u overvalt;

Den gil, waarvan Gods englen ijzen.

Waar heel de schepping van versaagt, Die boschleeuwinnen op doet rijzen.

En de arendsmoêr van \'t nest verjaagt, Den gil, die \'t bloed in Adams aderen Doet stilstaan, en hem storten doet Op \'t schamel bed van mos en bladeren.

Waar \'t ingewand u scheuren moet;

Waar gij, bjj \'t wringen van uw leden.

Bij \'t splijten van uw zwangren schoot. Slechts denkt aan \'t strafgericht van Eden, En siddrend kermt; .Ziedaar den dood!quot;, \'t Is niet om met u neer te bukken,

Daar gij uw Abel — ach, hoe bleek! — Van bloed wilt zuivren in de beek. En, door hem aan Uw hart te drukken. Hem \'t leven, dat Zijn hart ontweek, — Het wondre, weggevluchte leven! — Met duizend kussen wedergeven. Een proef, waarbij uw ziel bezweek!

Het is niet om al de ijslijkheden Te voelen, in haar volle som.

Van uw verschriklijk\' ouderdom.

Vergrijsde ballinge van Eden!

Die acht geslachten voor zich heeft. Ter dood toe lijdende aan uw wonden.

En de aard vervullende met zonden,

Waarin uw eerste zonde leeft.

Die eerste, de allereerste zonde;

\'t Begeerig oog; de onwijze hand; De vrucht, zoo zoet in uwen monde.

Zoo bitter in uw ingewand;

Het luist\'ren naar de stem die vleide;

\'t Verlokken van een echtgenoot. Zoo haast verleidende als verleide.

-ocr page 69-

eva. 37

En met hem stortende in den dood —

Ziedaar wat uw verharde kinderen,

Ziedaar wat een ondankbaar kroost Zich met een koelheid blijft herinneren,

Waar wie gevoel heeft over bloost.

De naam, waarmee gij staat geschreven In de ijz\'ren harten van dees tijd,

Die alles toont wat gij hun zijt,

Die smalende op hun lip komt zweven,

Of vol van wrevel en verwet;

De naam, waarmee zè-u kennen leeren

Aan \'t kroost, hun dankbaar voor die les Van kinderliefde cn vroom vereerén,

Is anders geen dan — zondares;

Eerste, ergste, dwaaste zondaresse!

De tranen, daar uw oog van vliet,

HebV God geborgen in zijn flessche,

Op hun register zijn ze ni^t;

De tranen niet, de tranenvloeden.

Die gij hebt uitgestort voor God,

Bij \'t vreeslijk treffen van zjjn roeden,

\'t Vervullen van zijn strafgebod!

De tranen niet, de tranen-zeeën

Van deernis mei uw nageslacht,

In schrikkelijker zielcweeën

Dan lichaamssmarten voortgebracht!

Gij hebt geboet; — Zij, onboetvaardig.

Verwijten U hun zondig hart.

Gij hebt geleden om hun smart; —

Zij achten U geen deernis waardig.

Gij hebt het schandlijk zondekwaad Uit voller harte leeren vloeken, —

Zij, die het altijd meerder zoeken,

Beladen u slechts niet hun smaad.

Gij hebt vergiffenis ontvangen.

Na \'t aardsche Wee een hemelsch Wel, —

En zij verwijten u hun hel.

Die naar uw hemel niet verlangen.

\'t Is of in u hun \'t beeld verrjjst Der_ „vreemde vrouwquot; op de onschuld loerend.

Die haar gestolen waatren prijst,

En, \'t hart door teederheên ontroerend.

Met haar verboden vruchten spijst.

Terwijl haar valsche hand do dooden Verbergen blijft voor haar genooden,

Die zjj bet pad der helle wijst. \')

En immers zien zij, in uw beeld,

\') Spr. IX. 13-18.

1

-ocr page 70-

38 EVA.

Eon wijze moeder voor zicli treden,

Die met haar vurigste gebeden

Haar kroost den hemel aanbeveelt;

Die met den rimpel van de smarte,

En met haar zaclitsten, teersten blik,

Blijft smeeken tot haar jongsteu snik:

„Mijn kindren, ach! bewaakt uw harte!quot;

— Of zoudt gij niet die moeder zijn?

Of zijt gij \'t entel onzer zonde?

En danken we u, alleen de pjjn Der erfelijke boezemwonde.

Waaruit een altijd versche smaad Voor uw gebogen hoofd ontstaat,

En die van de eerste levensstonde

Ons van een liefdeplicht ontslaat?

Zijt gij geen moeder, die vermanen.

Die troosten kan wie haar vereert?

Speelt daar geen glimlach door uw tranen,

Voor hem, die van uw tranen leert?

Gaat uw betrokken mond niet open

Tot woorden van den zoetsten klank,

Die op een Paradijs doen hopen,

Waarin geen plaats is voor de Slang? f

En zijn daar lippen die u vloeken.

Die u bespotten met verwijt,

O Gij, die aller moeder zijt.

Beschermt u niet het Boek der boeken,

En wreekt u de arm niet van dien God,

Die wie zijn moeder vloekt, of spot.

Met nacht en duister «al bezoeken ?\')

Drie zonen. Eva! heeft uw schoot Geschonken aan dees droevige aarde;

En zoo gij hen met smarte baarde,

Wel bracht gij hen met kommer groot!

Uw eerste is Kaïn. Eenmaal stond Hij voor u, bleek, verwilderd, bloedig Van handen en gelaat, hoogmoedig

En woest, een glimlach om den mond.

Hij had voor al uw luide klachten *

Niets over dan een koud verachten;

Voor \'t moederlijk verwijt een blik,

Die \'t hart u stil deed staan van schrik;

Hij vluchtte in d\' ijslijkst\' aller nachten ...

En sedert werd geen troostrijk woord Van d\' eerstgeboren zoon gehoord. —

Uw tweede is in zijn bloed gesmoord.

\') Spr. XX: 20. i

-ocr page 71-

EVA

Hij scheen geboren om te lijden En vroeg te sterven; ach, hoe heeft U \'t hart des jonglings aangekleefd,

Wien zulk een dood haast af zou snijden! —

Uw derde is Seth; uw troost, uw kroon, üw kracht, uw steun in oude dagen.

Een trouwe smeeker voor den troon Diens Gods, naar wien hij leerde vragen. — Nog leeft die Kaïn, in \'t geslacht.

Dat koel „zijns vaders naam veracht En dat zijn moeders naam niet zegent;quot;

\'t Geslachte, dat zijn broedren drukt, De vroomheid met zijn haat bejegent, En voor de roede Gods niet bukt. — Nog sterft die Abel duizendwerven.

En weekt met tranen en met bloed De doornige aarde voor zijn voet.

Maar lijdt en zwijgt met zacht gemoed, Heeft lief, en zegent in zijn sterven. — En nog heft Seth, met vroom gelaat. De handen ernstig tot den Heere

En bidt vergeving voor al \'t kwaad, En predikt, dat zich \'t hart bekeere

Tot Hem, die haast te komen staat Opdat Hij de aard met vuur vertere;

Tot Hem, dio eerst uit Eva\'s schoot Een menschlijk bloed heeft aangenomen,

Dat, als Hij \'t op deze aard vergoot,

Haar beetre dingen toe deed stroomen, Dan dat uit Abels wonde vloot.

Met welk een vreugd wordt Seths geslacht In Eva\'s armen opgewacht,

In schaduw van de levensboomen.

Die God aan \'t klare stroomkj-istal Van \'t hewelsch Eden planten zal!

DE MOEDER DES HEEREN.

Neen, niet alleen toen gij Gods Engel zaagt. Wiens schoon gelaat het vredig licht der hemelen

Weerkaatste, en over \'t uwe, ontroerde maagd! Een weerglans van hun heerlijkheid deed wemelen;

Neen, niet alleen toen gij zijn groet gehoord En, diep ontsteld, zijn boodschap hadt vernomen,

Is in uw hart dat hartdoorschokkend woord: „Hoe zal dat zijn?quot; met siddring opgekomen — Het bleef u immer bij; het leefde met u voort.

-ocr page 72-

40 DE MOEDER DES BEEREN.

„Hoe zal dat zijn?quot; Het antwoord is gegeven.

Gij weet: Niots is onniooglijk bij dien God,

Wiens geest, wiens kracht, wiens schaduw scheppend zweven

En over n zal bomen, Naam en lot Stelt ge in zijn hand, en buigt het hoofd: „De Heere

Doe naar zijn woord.quot; Zijn woord is liefde en macht. U riep Hij tot een voorrecht, tot een eere,

Waarbij uw ziel bezwijkt — neen! zwijgt en wacht.

Maar zonder dat ze een straal van hooger licht begeere?

\'t Geloof verwint. Uw maagdelijke voet Trotseert gevaar en steilte op Juda\'s bergen,

Waar \'t wonderkind in moeders schoot u groet, En vreugde en dank uw ziel een lofzang vergen.

Hoe hoog, hoe triumfeerend klinkt de toon Van \'t harte, dat zich in zijn God verheugde,

Der moeder waard van Davids grooten Zoon,

Ontstoken van een Koninklijke vreugde.

Bleef steeds uw moed zoo hoog, nw hoop zoo klaar, zoo schoon?

Of daaldet ge, in uw eenzaam huiswaarts dwalen.

Somwijlen van den stralenrijken top Uws vasten bergs, en kwam in donkre dalen

_\'t „Hoe zal dat zijn?quot; weer in uw boezem op?

Die boezem zwelt, \'t Gelooven wordt aanschouwen.

Het uur genaakt. Ook Jozef leert den staat Te zeegnen der gezegendste der vrouwen.

Het slaat----Maar beeft uw hart niet als het slaat?

Uw oog aanschouwt het kind. Maar durft ge uw oog vertrouwen r

Hoe was \'t u, in dien wonderbaren nacht,

Als gij dit kind het stroo der kribbe spreidde, En herdersmond een lied van englen bracht,

Dat \'s Heeren lof en \'smenschen heil verbreidde?

Hoe was \'t u, op dien wonderbaren dag,

Als de ouderdom, hem heffende in zjjn armen,

In \'t schreiend wicht het Licht der Volken zag.

Dat Isrel zou beschijnen en verwarmen;

Maar \'t zwaard, uw\' ziel bestemd, u niet verbergen mag?

Hoe zal \'t u op dien schoonen morgen wezen,

Als Seba komt met Scheba aan zijn zij,

En zegt: „Ons is des Konings star verrezen!quot;

En wierook brengt en goud en specerij?

Die dag gaat om. Hem volgt een nacht van vreezen,

Van moederangst en vlucht in allerijl.

God echter waakt. Dit kind moet veilig wezen,

Maar is niet vaak, aan d\' oever van den Nijl,

\'t „Tloe zal dat zijn?quot; met kracht in \'t peinzend hart gerezen?

-ocr page 73-

DE MOEDER DES HEEREN. 41

\'t Geloof is strijd; het wovdt, in tijd en smart,

Door schok op schok bestreden allerwege;

Het harte zelf bekampt dien schat van \'t hart,

En zoekt zijn ergste neerlaag bij de zege.

Maar welk een strijd was de uwe, Vrouw en maagd! Die „\'t Heiligequot;, uit uw reinen schoot geboren,

_Gods Zoon genaamd, met Moeder-oogen zaagt,

Zijn dorst versloegt, zijn kinderkreet mocht hooren,

En de eerste tranen van zijn koontjes hebt gevaagd!

Een heiige wolk omnevelt voor onze oogen

Het Galileesch gebergte, \'t lage dal.

De stille stad, waar gij hebt opgetogen

Wien alle knie zich eenmaal buigen zal.

Ons bleef zijn jeugd, zijn reine jeugd verborgen;

Het woord slechts niet, waarin zijn klaar gemoed U toonde dat hij, in zijns levens morgen Alreeds, \'t geheim zijns levens had bevroed;

Maar gij, gij zaagt hem kind, afhanklijk van uw zorgen.

^ Gij zaagt hem kind, den kinderkens gelijk.

En onder kindren; spelend, leerend, wassend

Naar geest zoowel als leden; slechts geen blijk Van zonde; op uwe en Jozefs wenken passend;

Welhaast diens zweet en needrig werk gewoon; Vol wijsheid, maar eenvoudig; ingetogen;

Geen woord, geen wenk, geen stap tot Davids troon;

Geen wondergaaf, geen bovenaardsch vermogen.

Nu vroegt ge: Js dit mijn kind?quot; En straks: ,Is dit Gods zoon?quot;

Gerekte proef van dertig lange jaren,

Waarin dit stil, dit diep, dit trouw gemoed De woorden en de dingen bleef bewaren,

Waardoor uw hoop getergd werd, en gevoed.

Ach woorden, door Gods englen, Gods profeten

Gesproken en gezongen; en het woord Van \'t Heilig Kind, in \'t midden neergezeten Van wijzen, door zjjn wijne jeugd bekoord;

Woord slechts door U bevroed, door U slechts niet vergeten.

Op eenmaal, van het zuiden tot liet noord.

Doet ééne kreet vallei en bergen schateren.

De stemme van den Roepende is gehoord.

Het volk ontwaakt bij duizenden. De wateren

Weerkaatsen \'t woord, dat van hun oever stijgt: „Het Koninkrijk des Heeren komt! Gij dalen,

Verheft u! En gij trotsche bergen, \'zijgt Terneder, om den Koning in te halen!\'\'

Gij kent dien Koning, Gij aanschouwt Hem — Maar Hij zwijgt.

-ocr page 74-

42 DE MOEDER DES HEEREN.

Gij zaagt Hera niet, waar zich de hemel scheurde,

De Heiige Geest neerzweefde van omhoog.

En \'t needrig hoofd, dat uit den stroom zich beurde,

Met al den glans der hemelen omtoog.

U was het niet vergund de stem te hooren.

Die uit het diepst van \'s hemels zalen klonk, „

Wanneer, omringd van zwijgende englenkoren,

De Vader aan den Zoon getuignis schonk----

Maar Hij doolt heen, in ruigte en wildernis verloren.

Hij keert terug. Wat glans van zegepraal Blinkt om zyn hoofd en schittert uit zijn oogen!

Straks zit Hij neer aan Kana\'s bruiloftsmaal----

Daar is uw ziel zijn daad vooruitgevlogen;

Het wonder van zijn liefde, dat uw hart Reeds, in dat hart vol liefde, had gelezen.

Eer \'t op een woord, een wenk geboren werd,

Om ü slechts niet te wonderlijk te wezen,

Klonk, bij zoo grootsch een Daad, zijn ernstig Woord u hard?

Leer teedre vrouw! leer zwijgen, leer verwachten.

Leer lijden; want uw lijdenstijd vangt aan;

De tijd der openbaring der gedachten

Uws volks, wiens dag van heil is opgegaan. tr

Te midden van uw moederlijke droomen

Van heerlijkheid, die zich vervullen gaat,

Van vorsten,quot; gaven voerend langs de stroomen,

En heerschappij van zeestrand tot Eufraat —

Gedenk dat woord: „Nog is mijne ure niet gekomen.quot;

Gedenk het, als de Vorst, van God beloofd,

Miskend wordt door de zijnen en verstoeten.

Geen schuilplaats vindt voor zijn gezegend hoofd!

Gedenk het, als uw eigen stadgenooten

Hem voeren naar de steilte, dat aan dien.

Wiens vlekloosheid men dertig jaar aanschouwde.

Voor aller oog het ergste moog geschiên ...

feil, zoo gij kunt, dien afgrond, die u grquwde!

Diep is hij; dieper zult gij zijn verneedring zien.

„Zijt gij het, die zou komen, of verwachten

We een ander?quot; vraagt de Dooper in den strijd.

Het warren en het worstlen der gedachten....

Gij zwijgt; gij zegt: „Ik weet dat gij het zijt.quot;

„Toon, wreek u op ons ongeloof!quot; dus tarten

Uw zonen dezen zoon; gij zwijgt, en wacht,

En volgt, maar God slechts weet met welke smarten.

En in wat kamp der ziele, dag en nacht.

Tot uit den zwartsten nacht het licht verrijst uws harten!

-ocr page 75-

NAVOLGING. — HET HAARLEMMEEMEEK.

0 bange nacht! wat macht heeft u gebaard? Afschuwlijk kruis! hoe komt gij opgerezen?

Heeft de Almacht zelf haar meesters op deze aard? Bezwijkt de Zoon? o God! „Hoe zal dit wezen?quot;

Daar staat gij op den heuvel, koud als ijs, Versteend en stom, staroogend, zonder leven,

Totdat een wenk, een klank van „paradijs,quot; Een woord van liefde u d\' adem weer komt geven \'), En u het hart versterkt, op nooit gekende wjjs.

O gij, die niets meer ziet of wenscht te aanschouwen. Nadat uw oog dit schouwspel heeft gezien.

Die niet meer vraagt wat verder mag geschiên, üezegendste en beproefdste van de vrouwen!

Zie weder op, krijg weder oogen, kracht En moed tot leven; want gij zult nog leven.

„Zijn uurquot; breekt aan uit dezen bangsten nacht; Steun op den zoon, u door den Zoon gegeven;

Verlaat den berg van smart, en (eenmaal nog!) verwacht!

Een nacht, een dag, en nog een nacht verdwenen;

Het morgenlicht der nieuwe week breekt aan. Nu spoeden de Maria\'s grafwaarts henen;

Maar gij blijft stil, gij laat ze grafwaarts gaan. Het graf is leeg. De Magdalena\'s snikken.

De Simons naadren en verschrikken.

Johannes hoopt en vreest. Maar gij verbeidt. Een stem Roept juichende uit: Hij is verrezen!

En gij vraagt niet: „Hoe zal dat wezen?quot; Gestorven met uw Heer, rijst ge uit uw graf met Hem.

NAVOLGING.

Gaat u een meester voor. Volg, maar blijf vrij!

Treed op zijn weg, maar rij Niet in zijn spoor.

HET HAARLEMMERMEER.

1850.

43

Nu wordt de Slokop opgeslokt. Nu raakt zijn rijk ten ends; Nu ligt de grove Waterreus Zieltogend op zijn breeden neus. En jammert van ellende.

^ Naar mijne voorstelling van de volgorde der Kruiswoorden, Is dat tot den Medegekrnlslgde aan het woord tot de Moeder voorafgegaan.

-ocr page 76-

tokliühting.

Nu laat hem Oome Cruquius,

Nu kopt liem Vader Lijnden,

En de oude Eijpsche Molenaar \')

Purgeert hem sedert derd\'half jaar, Dat al zijn krachten kwijnden.

Nu slinkt zijn buik met ieder dag,

Zijn onderkin en wangen;

Nu droogt hij als een stokvisch uit,

En hoort wel dat zijn doodklok luidt In onze zegezangen.

Ja, oude Landplaag! \'t is genoeg Aan Hollands tuin geknabbeld;

Genoeg gesleept «aar diepte en krocht,

En wat gij niet verslinden mocht Bezoedeld en bezabbeld.

\'t Geduld is uit; de straf gereed; üw wisse dood gezworen;

.Uw huis en erf verbeurd verklaard;

En wat uw roofzucht heeft vergaard Zal nu der vlijt behooren.

Bukt aan, met spade en ploeg, en komt Dit watererf bezaaien.

Gij, zonen van \'t gewroken land!

Met vroolijk hart, met nijvre hand .... En doe Gods gunst u maaien!

TOELICHTING.

Ku Iaat hem Oome Cruquius enz.

44

Welk Nederlander weet niet, dat de drie groote Stoomwerktuigen waardoor de 40,000 bunders land van het Haarlemmer Meer aan den Staat en den Landbouw geschonken zijn, genoemd zijn naaide drie mannen uit drie eeuwen, wier namen overvloedig verdienen voor altijd met dien van dezen Polder vereenigd te blijven?!0. Dat aan de Kaag, naar (jas auriaansz.) leeqhwatkr. Molenaar te Rijp in Noordholland, schrijver van het Haarlemmer Meerhoek (1641), eerste ontwerper van een Plan tot uitmaling; 2 \'. dat, bjj Heemstede, naar (nicolas) cruquius, met jan noppen, Toeziener, en melchiob uor.sTRA, Landmeter van Rijnland, .als hiertoe gelast, opstellers van een uitvoerig Plan wegens de bedijking der Haarlemmer Meer, hot-walk hjj in Juli 1742 aan Dijkgraaf en Hooghe\'emraden van Rhijn-land overhandigde; 3°. dat nabij Halfweg Haarlem en Amsterdam, naar (f. o. baron van) lijnden (van hemmen), Lid van de Eerste

l) Leeghwateb.

-ocr page 77-

NAAMQEVINO AAN EENB LANDHOEVE. 45

Kamer der Staten Generaal, schrijver van een allerbelangrijkste en uitvoerige Verhandeling over de Droogmaking der Haarlemmer-meir (1820), waarin almede een plan tot de uitvoering van dit werk wordt voorgesteld, en dat inderdaad als het Hoofdwerk over dit onderwerp mag worden beschouwd.

Zie van Hasselt, Het Haarlemmermeer-boek, enz.

NAAMGEVING AAN EENE LANDHOEVE.

Noem ze kozengaarde.

Wat is meer gepast Voor een plek der aarde,

Waar geen onkruid wast;

Waar de schoonste rozen,

Van den zoetsten geur,

Van de zachtste kleur,

In Gods zonlicht blozen;

Waar men eiken vrede,

ledre liefde vindt.

Bloeiende op de bede

Van wie God bemint;

Waar steeds versche knoppen Vroolijk opengaan En bepareld staan Met de reinste droppen?

\'k Sleet zoo zoete dagen

In dien stillen hof.

Geen der woeste vlagen,

Die zijn bloemen trof;

Heilzaam, frisch en geurig Was er mij de lucht;

\'t Afscheid kostte een zucht, Want mijn hart was treurig.

Hoe gij hem wilt noemen

Uit bescheidenheid:

Ik denk aan de bloemen

Mij door u gespreid;

Stelle ons ook op aarde Menig naam te leur.

Boven uwe deur Schrijf ik: uozengaahde.

Zeist.

-ocr page 78-

46 HKKFST. — „IK UETHOU IN GODquot;.

HERFST.

Voer me op des Heuvela top, als, uit haar slaap ontwakend, En, door den zachten drang der nieuwe levenskracht.

Haar windselen en boeien slakend,

Geheel de schepping vroolijk lacht.

\'k Smaak de eerste lentelucht liefst frisch en ruim daarboven; \'k Zie gaarne \'t gansch tooneel dier nieuwe heerlijkheid. Waar alle schepslen God bij loven.

Aan mijne voeten uitgebreid.

Breng me aan den groenen rand der heldre Waterstroomen, Als \'t zonlicht in den vloed zijn felste stralen doopt.

En in de schauw der wilgenboomen.

De zwaan vergeefs op koelte hoopt.

\'k Wil, uit mijn schuilplaats, langs den bochtig\' oever staren, En zien hoe \'t bonte vee het lauwe bad geniet,

Bij \'t dobbreu van de plompeblaren En \'t zacht gewiegel van het riet.

Maar als (mijn lust van ouds!) de rijke herfsttijd nadert.

Het \'zonlicht vroeg ter kimme nijgt;

0! Laat me alleen in \'t Bosch, waar, uit verdord gebladert,

Geur als van rijpe vruchten stijgt.

\'k Wil, tegen \'t eiken groen en \'t blauw der Schotsche dennen. Aan \'t hooge geel, den berk herkennen;

Ik wil \'t getijgerd beukenhout Zijn kroon zien dragen van bruin goud;

\'k Wil \'t bloedrood loof met zwarte vlakken Zien fladdren, eschdoorn! aan uw takken;

En peinzen met bedrukt gezicht,

Waar ik den statig\' olm, die in mijn kindsche dagen Zoo menig lieven naam heeft in zijn schors gedragen,

Geblutst zie met den bijl, die aan zijn wortel ligt.

October.

„IK BETROU IN GOD.quot;

ZINSPREUK VAK ELBUEG VAN DEN BOETSELAAR,

(Abdisse te Rijnsburg 1552—1568.

Maakt Klburg van den Boetselaer \') De woorden van haar zinspreuk waar, ,Betrouwt ze in God,quot;

Dat Hij haar lot Bestiere en regel:

gt;) Zie Laar beeld op een der kerkglazen In de kerk te Gouda, en haar lof In Schotels Abdij van liijnsburg bl. 203 en volgg.

-ocr page 79-

NACHTEGAAL. — KEURIGHEID. 47

Zoo heeft ze een sleun van grooter kracht Dan rijkdom, rang en oud geslacht, Of \'s Hoogepriesters schrift en zegel Ooit in haar hard te zamen bracht;

Geen Keizer, knielende aan haar voet, \')

Ontstak haar tot een hooger moed Dan waar haar lippen van getuigen,

Als zich voor God haar knieën huigen.

De geur van haar barmhartigheid Wordt door gansch Holland uitgebreid,

Daar grijze en jeugd Haar zachte deugd Met eer bejegent;

Luid wordt zij door den vreemdeling,

Dien ze onder \'t gastvrij dak ontving,

En luid door de arme weeuw gezegend.

Die nimmer troostloos verder ging.

Maar steunt ze, ook voor haar eeuwig lot.

Niet op haar deugd, maar op haar God,

Zijn englen zullen met gezangen Haar in zijn gastvrij hof ontvangen.

NACHTEGAAL.

Zijt mij gegroet.

Met blij gemoed,

Maar niet met luide zangen!

Mijn opgewekte zangdrift zwijgt Bescheiden stil, waar do uwe stijgt, Waaraan mijn gansche ziel blijft hangen.

Ik ken er veel.

Wier schelle keel In uwen roem wil deelen;

Maar eensklaps zwijgt gij tot hun straf, En wacht den stillen avond af, Om \'t Eenig lied in eenzaamheid te kweelen.

KEURIGHEID.

Wat schoon is moet eenvoudig zijn; Maar Eenvoud mag geen ruwheid wezen.

Eenvoudig zij \'fc gevoel, maar fijn; Eenvoudig \'t woord, maar uitgelezen.

1) Eene eer, aan haar voorgangster Maria van Tautenburg door Keizer Karei V aangedaan, die haar bij die gelegenheid „zijn gebiedende Vrouwequot; noemdp.

-ocr page 80-

KOEKOEK. — ZONSONDEHaAMO.

KOEKOEK.

Zeer zelden is ons de eer beschoren, Dat iemands oog u ziet;

Maar des te meer vervult ge onze ooren Met uw eentonig lied;

En wij — wij willen \'t altijd hooven, Al zingt gij anders niet Dan: Koekoek, Koekoek!

Koekoek Eenzang!

Elk kent, mijnheer! uw ruim geweten. Uw vreemd begrip van recht;

Daar gij. om zelf\' wat rijker te eten, Uw kroost te vondling legt:

En wij — wij willen \'t aardig heeten. Al is het nog zoo slecht Van Koekoek, Koekoek,

Koekoek Eenzang!

Gij spelt ons niet dan regenbuien; Gij gilt uw blijdschap uit,

Als, op een heldren dag, in \'t zuion Een donker luchtje kruit.

Hier zou een ander \'t door verbruien; Maar wat wordt ooit misduid Aan Koekoek, Koekoek,

Koekoek Eenzang?

Gij schijnt ons deze les te leeren Van populariteit:

„Men heeft zich niet zoo zeer te keeren „Aan kunde of eerbaarheid!

„Verberg alleen met zorg uw veêren, „En zie wat kracht er leit „In Koekoek, Koekoek,

Koekoek Eenzang!quot;

ZONSONDERGANG.

\'s Hemels wonder Duikt in volle schoonheid onder, Schittert met gekleurde stralen Over heuveltop en dalen.

Dokt de kim met vuur en vonken, Troost de wereld met zijn lonken, En neemt afscheid met een lach — Morgen rijst een nieuwe dag!

-ocr page 81-

AAN DK ZBt.

Maar voor heden,

Slechts wat na-gloor hier beneden; Slechts een lichtstreep aan de kimmen, Met een rozenkleurig glimmen,

Dat den wolkjes in hun zweven Aan blijft kleven;

Straks is \'t nacht ■...

Maar de maan betrekt haar wacht.

Desgelijken Is uw glorierijk bezwijken Ook geweest,

Groote Geest!

Als een zon zijt gij gezonken.

Als een zon hadt gij geblonken En met vollen glans gepraald.

Tot gij, laat, hadt uitgestraald. Rijkbegiftigde, des gevens

Nimmer moe,

Wierpt ge ons, op de grens des levens.

Nog uw schoonste schittring toe. Eensklaps, als gij waart verdwenen, Werd het duister om ons henen....

Ja, een schoone na-gloor blijft Aan de nevelwolkjes hangen —

Maar waar of het maantje drijft, Dat van nacht u zal vervangen?

AAN DE ZEE.

To Shanldin op het Eiland lï\'igfit.

Aug. 1851.

Ik heb van nacht uw stem gehoord. Weerklinkende in dit lieflijk oord,

Waar my mijn voeten \'s avonds brachten; Hoe statig klonk die grootsche stem,

En zong met majesteit en klem,

In \'t heilig uur, de macht van Hem,

Die op u ziet in stille nachten.

\'k Heb, slaaploos op mjjn legerstee.

Naar u verlangd, geduchte Zee!

Ik zag u voor het oog der ziele.

Thans, bij des hemels vroegsten blos,

Aanschouw ik, van dees hooge rots,

ü, grootste dezer schepping Gods!

Diens Gods, voor wien ik needrig kniele.

m. i

49

-ocr page 82-

AAN DE ZB£.

Hoe prachtig blinkt, in \'t morgenlicht,

Voor mijn bewondrend aangezicht.

Dat veld van donkerblauwe baren;

gt;iiet grauw en grijs als zij, die \'t strand liespoelen van mijn Vaderland;

Kn toch, met deze hand aan hand, Ken zelfde Zee, waar de oogen staren.

Ken zelfde Zee, die Knglands vlag Naar \'s werelds einden voeren mag, Kn Neerlands dundoek op ziet wuiven; Ken zelfde, die, in \'t bloeiend Zuid, De geuren riekt van \'t geurigst kruid, Kn, boog in \'t Noord, met schor geluid, De schotsen op elkaar doet schuiven.

In Oost en West en Zuid en Noord,

Brengt al \'t gebergte stroomen voort; Zij glinstren, murmlen, ruischen, klateren, Verbreeden, vallen, scheuren \'t land,

Gaan snel en bruisende af naar t strand. Ken zelfde Zee, aan eiken kant,

Verzwelgt hen in haar zoute wateren.

Aldus, nog riekende van wijn Kn geurge klaver, gij, mijn Rijn!

Aldus de Teems, trotsch op haar krone; De Taag, doorvonkt van gouden gloed; De Niger, zwart van inenschenbloed; Kn blonde Gangéi\'s heiige vloed;

Kn de onverwinlijke Amazone.

Keu zelfde Zee vereent en scheidt De volkren, langs haar zoom verspreid; Verplaatst, verdeelt des aardrijks gaven; Ontvangt, vervoert, verzwelgt, vergeet De hooggetuigde Armade, en weet Hot schelpdier in zijn steenrotsspleet Bjjtijds te spijzen on te laven.

Ken zelfde Zee, die hier met lust \'t Groen voorgebergte omarmt en kust. Daar bruisend brandt om klip en banken. Hier monsters kweekt, daar wondren bergt, Nu schatten brengt, dan offers vergt,

Hier helden tot een noodkreet tergt, Kn ginds genezing brengt aan kranken.

Ken zelfde Zee.... Kn is dat waar,

Zoo kan zij ook, van baar tot baar.

-ocr page 83-

KEIKEN VAN HAKTE.

Voor mij een boodschap overzenden!

Ik bid u, Golven! dat gij \'t doet:

Brengt aan de lieve Vrouw mijn groet, Wio gij bij \'t Hollandsch duin ontmoet Kn \'t oog naar \'t .Zuiden heen ziet wenden.

Doet ook het Kind een weinig goed, Het knaapje met verlamden voet.

Dat zij komt baden in uw vloed,

Ln laat haar bange zorgen enden.

EEINEN VAN HARTE.

KAAR EENE SCHILDERIJ VAN ARIJ SCHEFFER.

Vroolijke Onschuld,

die niet weet.

Welk een eerplaats zij bekleedt;

\'t Licht b\'egroetend

van den dag,

Met haar blijdsten kinderlach.

Met de tintling van twee oogen,

In wier blauw Wij de oprechtheid lezen mogen En een vlekkelooze trouw.

Kuische Schoonheid,

die haar oog Vredig opslaat

naar omhoog;

\'t Efl\'en voorhoofd,

rein en schoon, Onversierbaar

door een kroon; Schoonheid, met haar kracht en waarde

Niet bekend;

Lelie, zwevende over de aarde,

d\' Open kelk naar God gewend.

Goêljjke Eenvoud,

\'t hart vervuld Van haar liefde en rijk geduld;

Liefst de laatste;

liefst geleund Op een schouder,

die haar steunt;

-ocr page 84-

ÉÉN IS NOODIG. — HET ORANJEWATfiR-

Door geen vreezen of vermoeden

Ooit ontrust;

Prooi der boozen, vreugd der goeden, Maar van beiden onbewust.

Scheur uw heemlen,

Hemelheer!

Zend beschermende englen neer!

Blinke een straal van

hooger licht Deze\' uw schepslen

in \'t gezicht!

Gun dat zich de reine blikken

Dezer Trits In de aanschouwing Gods verkwikken. Die het deel der reisen is!

ÉÉN IS NOODIG.

Een schoone leest,

Ben edel bloed,

Een rijke geest.

Een vroom gemoed:

Alles is hij waard,

Die dit samenpaart;

Maar die het laatste alleen bezit, Heeft ook genoeg aan dit.

HET ORANJEWATER.

De jonge Prins van Oranje stak op den llden November 1851, de eerste Bpade in het stuk duingrond achter het landgoed Leyduin, boven Haarlem, waarin men voorhad de eerste vergaarkom te graven voor de sedert voltooide Waterleiding ten behoeve der Hoofdstad. Eer de Prins nog vertrokken was, zalmen het gewenschte water in het door hem gegravene gat reeds opgeweld. De vergaarkom heeft den naam van Oranjewater gekregen.

Omkrans het hoofd, het achtbaar hoofd.

Gij Hoofdstad, die wij roemen,

Met klimop, dat geen winter rooft.

En late najaarsbloemen;

Vertoon uw volk een blij gelaat.

En doe van \'t sleepend feestgewaad De zoomen en de plooien Met munte en tijm bestrooien.

52

-ocr page 85-

HET OKAHJBWATEll. 53

Zie westwaarts! Hef uw oogen op

Tot waar ze ons duin aanschouwen!

De herfstwind waait, van \'s Blinkerds top,

Ons vaandel uit zijn vouwen;

Een daverend trompetgeluid Voorspelt u krijg noch oorlogsbuit,

Maar, naar uw stille bede De vruchten van den vrede.

Wat koningszoon, wat heldenbloed.

Wat middelpunt van zegen Trekt hier dees feeatelijke stoet

Met vreugde en geestdrift tegen?

Een zachte blos op \'t lief gezicht.

Biedt hem een veertienjarig wicht\')

(Maar komt hem die te stade?)

Geen degen aan, maar spade.

Aanvaard dit teeken. Vorstenspruit,

Geboren tot regeeren!

Des werelds volken prijzen luid

Hen, die den arbeid eeren.

Verstrekke \'t, in Oranjes hand.

Aan Hollands volk ten onderpand,

Dat wie zijn akkers bouwen Te recht op hem vertrouwen.

Ja, drijve uw vorstelijke voet

Dit blinkend vredewapen Den koningschatten in \'t gemoet,

Die onder de aarde slapen;

Het wijs den weg in uwe hand Tot waar, van nacht bedekt en zand.

De zilvren stroomen wachten,

Die naar het daglicht smachten.

Houdt in, trompet en feestgedruisch!

En herfstwind, zwijg en luister!

Met murmlend onderaardsch geruisch

Verbreekt de bron haar kluister.

Daar welt zij op, hand over hand.

En stort haar spranken over \'t zand.

En blinkt ons tintiend tegen.

Een beeltnis van Gods zegen.

Ja, Bron van Goedheid, God! van wien Pe goede gaven komen,

\') Sylvia Van Lennep, nu Baronesse Taets van Amerongen, jongste dochter van den onvergetelijken Dichter van den Hollandschen Duinzang.

-ocr page 86-

HET ORANJEWATER. — OPMERKING.

Gij doet ook dezen zegen zien Ook deze waatren stroomen, De wijsheid, die de bron ontdekt, De kunst, die haar tot leidsvrouw strekt. Zijn goddelijke stralen.

Die uit Uw hemel dalen.

Van U is elke waterdrop,

Die neerzijgt uit de wolken. Die afruischt van des heuvels top.

Die opbruist uit de kolken; Wat steden drenkt, wat volken spijst, Waar zich een vorst om zalig prijst. Bij overvloed en vrede —

Gij deelt het alles mede.

o. Moge uw zegen, mild en rijk.

Mot onverpoosde stralen,

In liefdeblijk op liefdeblijk

Op \'t minzaam voorhoofd dalen Van \'t vorstljjk kind, dat dezen dag Zijn naam aan waatren geven mag. Wier overvloedig vloeien Roos en olijf doe bloeien!

Barst los weer, blijde jubeltoon, Kn dreunt, gij feestbazuinen!

Jfli, klinkt en weerklinkt, vol en schoon,

Langs Haarlems grijze duinen! De donder van \'t geschut vermeld\' Aan stad en lande, bosch en veld. Dat hier de waatren vlieten,

Die naar den Amstel schieten!

Vloeit, heldre spranken, op den wenk

Van Willems zoon verkregen!

Bruist, als een koninklijk geschenk,

Zijn dankbre hoofdstad tegen;

Voert bloemen van gezondheid aan. Die fi-isch en vroolijk opengaan.

En laat uw zuivre teugen Het laatst geslacht verheugen!

OPMERKING.

\'t Uitvoerig Beeld voldoet niet recht,

\'t Moet voor een Omtrek wjjken. Portretten lijken doorgaans slecht; De meeste Charges lijken.

-ocr page 87-

SIMON PETRUS.

SIMON PETRUS.

Bevallig Meer, volschoon Gennesaret,

Dat, met een lach van moederlijk ontfermen,

Den jeugdigen Jordaan in \'t koele bed Ontvangt en streelt en ophoudt in uw armen. Dan weer ontslaat en, met een stil gepeis, Van tusschen \'t groen, nog vroolijk na blijft staren,

Onwetend hoe hij, na een korte reis,

Het Meer des Doods in d\'open muil zal varen!

\'k Wenschte u te zien, stil, donkerblauw, en klaar In \'t diepe dal met effen golfjes vloeiend,

Geen windje met de ruige gersten-aar,

Geen tochtje met de wilde haver stoeiend,

Die aan uw zoom, met blont gebloemt vermengd, Op de akkers praalt, die in de glooiing hangen,

Waarlangs u beek bij beek de schatting brengt, Van trap tot trap in \'t vallen opgevangen.

\'k Wenschte u te zien, wanneer in \'t hoog gebergt De wind ontwaakt en uitbreekt door zijn kloven,

Door \'t oponthoud verbitterd en getergd,

Om met één vlaag u al uw glans te ontrooven,

Uw waatren op te jagen, dol van schrik En wit van schuim, dat opstuift van uw zoomen,

En uren ver, in \'t eigen oogenblik.

De roosjes knakt, die van geen onheil droomen.

\'k Wenschte, aan uw rand, te denken aan den tijd, Toen gij, omringd van dichtbevolkte steden.

Nog schooner dan gij tegenwoordig zijt.

Geen graanoogst slechts uw oevers zaagt bekleeden,

Maar aan den wijn- de olijvenhof zich sloot, Het dadelbosch u schaduw toe mocht wuiven.

En \'t hart van maand tot maand werd uitgenood Op overvloed van vijgen en van druiven;

Toen \'t in uw kil, zoo stil en eenzaam thans, Bij nacht en dag van bruine zeilen krielde.

En \'s levens nood en de arbeidstaak des mans Uw oevers en uw watervlak bezielde.

Zoo heeft de zoon van Jona u aanschouwd. De visscher, aan uw boorden opgetogen.

Van jongs af met uw wateren vertrouwd.

En in gevaar, als de appel van zijn oogen,

Door God bewaard, die voor dit needrig hoofd Een last en, bij den last, een kroon bewaarde. Die (Simon! had uw hart het ooit geloofdV)

Eens schittren zou voor heinel en voor aarde!

O, welk een dag, als, uit eens broeders mond.

Door \'t vurig hart de blijmaar werd vernomen:

-ocr page 88-

SIMON PETRUS.

„De Christus, aan de Vaderen verkond,

De Christus, o mijn broeder! is gekomen;quot;

Als ge aan de \\iand diens broeders, vol ontzag Hem aanzaagt, die geheel uw ziel doorschouwde.

En in den zoon van Jona, reeds dien dag.

Den Petrus zag, dien Hij hem maken zoude!

O, welk een dag, als ge aan diens broeders zij, In \'t stille meer het vischnet uit gingt strekken,

En \'t: „Visschers van de menschen zijt gij mij!quot; \'t Ontroerde hart zijn roeping moest ontdekken!

O, welk een dag, als, na een langen nacht Van ijdle moeite en arbeid en gevaren,

De morgenstond den Meester tot u bracht.

Om van uw boord de saamgevloeide scharen Te zeegnen met zijn woorden, enkel geest En leven, kracht en balsem voor do zielen.

Maar straks daarop u, bevende en bevreesd,

Voor d\' aanblik van zijn wondren te doen knielen.

Neen, als verplet terneer te werpen, van Een diep besef van schaamte en schuld verslonden —

„Heer, wijk van mij! ik ben een zondig man....quot; Zoo spraakt gij tot den lledder van de zonden,

Maar liet zijn hand niet varen. Ach, uw hart Was \'t Zijne alreeds, om nooit van Hem te scheiden...

Vaarwel, lief Meer! Dit afscheid baart geen smart; Uw zoon gaat waar hem Jezus zal geleiden.

Vaak zal hij nog, met Hem, u wederzien. Uw watervlak op nieuw zün scheepken dragen,

Getuige van veel wondren. \'t Zal geschiên Dat Petrus in de branding zal versagen,

En Jezus sluimren; tot op eens zijn woord Uw golven, en den stormwind, en de zielen

Der zijnen stilt, en aan \'t bevredigd boord Slechts knieën vindt om voor Hem neer te knielen.

Haast.... Schriklijk is de nacht en hoog de nood, En Jezus ver. Hoe schuimen al uw baren!

Hoe dreigt en nijgt de x-anke visschersboot Elk oogenblik den afgrond in te varen.

Een hoogste golf rolt voor \'t verschrikt gezicht Plechtstatig aan, omringd van hooge golven;

Haar witte kruin, verlicht door bliksemlicht.

Blinkt altijd uit, wordt nimmer overdolven.

Zij nadert.... Keen, dat is geen waterpluim.... De stormwind speelt met breede mantelvouwen ....

Een spook der nacht waart om door \'t brandend schuim.... Hoe gilt de vrees, dit vreeslijkste aan te schouwen!

„Hebt goeden moed!quot; zoo spreekt een dierbrestem: ,Vreest niet! Ik ben \'t.quot; De vrees is weggenomen.

-ocr page 89-

simon petrus.

Het is de Heer. En Petrus zegt tot Hem:

„Indien Gij \'t zijt, zoo laat mij tot U komen!quot;

Een wenk! Hy staat op \'t om hem zwalpend nat. Een blik! Zijn voet zinkt weg; zijn knieën volgen....

En, had de Heer zijn hind niet aangevat,

De Petra waar door d\'afgrond ingezwolgen!

Heeft Simon! in dien later nacht,

Toen ge, over dieper stroomen,

Tot Jezus wildet komen!

En ge andermaal bezweekt van kracht, Om andermaal te ervaren:

„Slechts Jezus kan bewaren,quot;

Uw hart aa.n dezen nacht gedacht?

Vergunden toen de weenende oogen Te denken aan dien nacht op \'t Meer,

Waar wind en golven uwen Heer Woest in \'t gezegend aanschijn vlogen,

Maar zonder dat zijn oog of mond Zweem van ontsteltnis deed vermoeden,

Daar Hij als op een steenrots stond. Te midden van de watervloeden;

Te denken aan dien oogenblik

Van ontzetting en schrik,

Toen dondren en klateren Van bruisende wateren,

Gegons en gegier van een razend\' orkaan U den moed deed vergaan,

ü \'t geloof deed bezwijken.

En het beeld des Heeren wijken,

In wiens kracht gij slechts kondt staan! — Ach, wat dwarling greep n aan!

Voor uw oogen, welk een duister!

Zie, hoe zwerk en water wielt....

Maar een blik straalt u toe, door de liefde bezield; Uit het diepst van uw hart rijst een heilzaam gefluister „Heer behoud mij!quot;.... Hij behield.

En ook later heeft Hr u behouden,

Met dien blik, die doordrong tot nw hart —

Ach, Hij wist wel dat ze vloeien zouden.

Deze bittre tranen uwer smart.

Tegen Hom zijn stormen losgebroken Woedender dan immer op het Meer,

Maar, zichzelf vergetend, heeft de Heer

U de hand der redding toegestoken.

Hij zal den storm niet doen bedaren,

Die thans Hem tegendi-uischt;

-ocr page 90-

I

58 SIMON PETKUS.

Hi] zal niet wandlen op de baren,

Wier barning om Hem bruist;

Straks overstelpen Hem de golven

Dier opgezette zee;

\'t Gezegend hoofd wordt overdolven

Door \'t onuitspreeklijkst wee;

Straks sluiten over Hem de beken Zich dicht van dood en graf;

Maar, als Hij \'t hoofd weer op zal steken, Wischt Hij uw laatste tranen af.

Daar riist de schoonste morgenstond, Die uwe bergen ooit verguldde,

Uw vreedzame oevers in het rond In rozengloed en paarlenhulde.

Of, op het aadmen van zijn mond. Uw tintelende golijes krulde,

O Galiléa\'s lieflijk meer!

Uw borst gaat golvende op en neer.

Alsof zij klopt voor reiner sfeer,

Alsof zij trilt van hooger leven; Ken ongelijkbre heerlijkheid Ligt op uw spiegel uitgebreid.

Alsof ge een zegen Gods verbeidt En aan voelt zweven;

Alsof gij van den reinen glans,

Die eens zal schittren aan den trans Der nieuwe hemelen, reeds thans Een zuivren straal hadt opgevangen;

Alsof gij waardig waart gekeurd,

Het heil, waarom de schepping treurt. Waarnaar zij reikende armen beurt.

Reeds na te erlangen.

En immers mag u \'t heil gesuhiSn, Den Heer der heerlijkheid te zien,

Wien de englen op gebogen kniên Verlangende ten hemel wachten (Want alle dingen zijn gereed)

Maar die nog eens uw zoom betreedt, Als Hij zoo menigwerven deed,

Bi) dag en nachten!

De volle gloed der heerlijkheid. Ten hoogsten hemel Hem bereid,

Waar Hem de troon der eeuwen beidt,

Staat nog te komen;

Maar op dit hemelschoon gelaat,

-ocr page 91-

SIMON PETRUS.

Blinkt van dion dag de dageraad.

Die heel den glans vermoeden laat,

Die uit zal stroomen.

Zijn Jongren zitien zwijgend neer.

Hun ziel gevoelt: „Het is de Heer!quot; Een vraag welt op, maar smoort zich wesr; Zij wagen \'t niet een zucht te slaken;

Maar \'t hart slaat hoorbaar, klop voor klop. Hier is het als op Thabors top;

Alsof de Heer sprak; „Ik vaar op;

Ontziet, Mij aan te raken 1quot;

Zijn blikken, die in \'t ronde gaan.

Doen Thomas de oogen nederslaan: Johannes ziet hem vorschend aan; Nathanael zit opgetogen;

Maar Simon, zoon van Jona! Hij Wendt zich tot u. „Bemint gij mij?quot;

Vraagt Hij tot driemaal toe; en gij.... Toont weenende oogen;

Maar ook, een hart zijns zelfs bewust, Op zijn alwetendheid gerust.

Een liefde, die zijn voeten kust. Met ootmoed en vertrouwen beiden.

Welaan! Die liefde stelt in staat De kudde, die Hij achterlaat.

Voor Hem te hoeden en te weiden.

En Hem te .volgen, waar Hij gaat.quot;

Simon, heeft voorheen

U ons hart geprezen:

Deze liefde alleen

Doet u Petrus wezen.

Deze liefde doet

Wandlen op do baren;

Zonder overmoed

Lacht zij met gevaren.

Zij zal, in haar kracht.

Over muren springen;

In den holsten nacht Blijde psalmen zingen.

Dat nu \'s vijands haat.

Volk en hoogepriester,

Dat des Boozen raad;

Sluwer steeds en driester.

59

-ocr page 92-

60 OOG EN HAKT. — AAN MIJN VADER.

Deze liefde vrij

Aanval onder \'t wapen: Nimmer wankelt zij,

Nooit meer zal zij slapen, Nimmermeer vervaard

Wijken, vluchten, zinken, — Maar het vleeschlijk zwaard In de scheede klinken.

Deze liefde kent Roem noch eigen krachten, \'t Oog omhoog gewend,

Durft zij hulp verwachten. Deze liefde, rein

Van \'t hoogmoedig eigen. Stil voor God en klein,

Weet haar wil te neigen, Gordt zichzelv\' niet, laat Zich de handen boeien. Lijdt, en acht geen kwaad Zoo haar bloed moet vloeien.

Moet zij aan het kruis

\'s Heilands beker drinken, Uit des Vaders huis

Zal haar tegenklinken:

„Deze liefde moest,

„Uit de kroes des Heeren, „Zevenmaal getoetst,

„Zuiver wederkeeren, „Om voorts onverdoofd

„Als een kroon te pralen, „Die op Jezus hoofd „Schittert met haar stralen.quot;

OOG EN HART.

Een blik, die tot in \'t binnenst ziet....

Ach, welk een gaaf voor u en mij! Mijn Heiland! geef me uw oogen niet, Of geef me uw hart er bij.

AAN MIJN VADER,

OP ZIJN TWEEËNZEVENTIGSTEN VEEJAAUDAG.

NA DE AANVANKELIJKE liEltaïELEING MIJNE1Ï MOEDER UIT ZWA11E KltANKTÜ.

Het hart eens teedren echtgenoots Vreez\' voor zichzelf geen pijl des doods,

-ocr page 93-

AAV MIJN VADER.

Toch blijlt het beven:

Hij ademt voor een ander Ik,

En kan hij denken zonder schrik Aan dien ontzetbren oogenblik,

Als dat zal sterven, en hij leven?

De liefdeband, die nooit verslijt,

Klemt vaster na een langen tijd,

En wil niet breken.

Hoe siddren hart en ingewand Op \'t denkbeeld van de ijskoude hand, Die eens, door \'t slaken van dien band, Het levenzelf naar \'t hart zal steken!

Zoo iets, in \'s echtvriends trouw gemoed, Aan de oude liefde een nieuwen gloed

En kracht kan geven,

\'t Is dan, wanneer des Engels zwaard Een dierbre weerhelft tegenvaart,

En zij bedreigd wordt.... doch gespaard, Om als opnieuw voor hem te leven.

Hoe zevenvoudig zalig is \'t Bezit, na \'t reeds gevoeld gemis,

De rust, na zorgen;

Hoe nieuw op nieuw \'t geluk voor \'t hart. Door persende angsten lang benard; Hoe lieflijk, na een nacht van smart, Het scheemren van een stillen morgen!

Hoe vrooljjk straalt, in zulk een licht, Uw opgehelderd aangezicht Thans in ons midden;

Mijn Vader! met hoe blijde een geest. Viert gij den dag van dit uw feest. Die haast een treurdag was geweest — Maar onze God liet zich verbidden.

Hoe smelt mijn ziel met de uwe, en prijst Een liefde, die haar macht bewijst.

Door dus te sparen!

Hoe veilig, wat de toekomst baar,

Steunt ons geloovig hart op haar.

Die u, na zesmaal twalef jaar,

De vreugd gunt van een zulk verjaren!

-ocr page 94-

WEEKT NIET OVER HIJ.

VLEUGELS,

Zoo gü mij boeien wilt en treffen

Door Poëziji Zoo dwing mij \'t oog omhoog te heften:

Zweef boven mij!

Van dichters wensch ik liefst te ontmoetei)

\'t Gevleugeld soort;

Beleefd wil ik ook de andren groeten; Maar pak my voort.

WEENT NIET OVER MIJ.

Jezus wordt weggeleid: Heilige Onnoozelheid!

Is daar geen deugd of eer Bij Jood noch Heiden meer? Is daar geen moed of kracht

In tegen \'t: „Weg met hem?quot; Barst niet een menschlijk hart Los in een luide smart,

Uit in een rauwen gil?

Zwijgt ook de hemel stil? Valt, op dees onweersdag, Nergens een donderslag?

Gaat door de onreine lucht Zelfs niet een bange zucht, Die voor den Heiige spreekt. En de onschuld wreekt?

Jezus wordt weggeleid:

Heilige Lijdzaamheid! Gij droegt do doornenkroon:

Zij stond U schoon.

Gij torst het kruishout nu: Die last verheerlijkt U. Gij kunt niet schooner zijn Dan in uw hoogste pijn. Doende den diepen grond Van uwe liefde kond:

Maar wie heeft oog of hart Voor deze sohoone smart? \'t Woedend gepeupel niet. Dat zijn profeet verstiet. Dat zijn onschuldig bloed Over zich komen doet.

VLEUGELS.

-ocr page 95-

WEKRIIA AN-WIJSHEID.

Nocli ook de krijgerstoet,

Die \'t plengen moet....

Stil! In der Vrouwen drom, Gaat een gemompel om:

Stil! Uit der Vrouwen rei,

Weidt zich een luid geschrei,

Dat Jezus eer bewjjst____

Hoor, hoe het rijst!

Jezus wordt weggeleid:

Heiige Barmhartigheid!

Minst over eigen smart Bloedt Hem het hart.

Als Hij de Sioniet\'

Over Hem weenen ziet,

Vall\' Hem zijn kruis ook zwaar.

Hij weent om haar.

Want, over kruis en dood.

Ziet Hij haar hangen nood, Hoort Hij haar jammerklacht, lladeloos voortgebracht:

„Heil der versmade maagd, „Die geenen man behaagt! , Zalig de dorre schoot,

„Nimmer van kinde groot! „Uergen verplet me vrij! „Heuvlen stort over mi]!.. ..quot;

Eu die ten kruisberg gaat Spreekt met een zacht gelaat: „Klagende Sioniet\'!

„Ween over Jezus niet;

„Maar zoo gij weenen moet, „Ween over eigen bloed;

„Stort om Jeruzalem „Tranen — met Hem!quot;

WEERHAAN-WIJSHEID.

TemporI cedere — semper saplentis est habltam.

Ciciaio.

„De ware wijsheid is zich naar de omstandigheden

Te schikken.quot; Dat \'s een spreuk van Homes redenaar. Dies diende, voor een tijd, Pompejus aangebeden.

En Gesar, na diens val, verheerlijkt; dat is klaar. Nu, \'t is ook veiligst bij den winnaar; en in zegen Wordt immers liever dan in nederlaag gedeeld? Een kroontje lacht het hart wel eens zoo aardig tegen. Als traan, of schaamteblos, die door de wangen speelt.

03

-ocr page 96-

64 WEERHAAN-WIJSHEI».

De Zon gaat op! Bid aan! — Zie, zie haar hooger stijgen!

Kraai al wat kraaien kan haar morgenglorie uit! -\'t Is avond, en zij daalt. — Zwijg! Wijzen voegt het zwijgen. —

Zij zinkt, gaat onder! — Foei, nu dient zij uitgefluit. Op nachtuil, \'t is hoog tijd! — De Maan schijnt op te komen.... Is \'t Waarheid! Is zij vol? Wij smelten reeds in lof. —

Zij naakt Orion. Hoe? Zy schijnt zijn knots te schromen____

Haar wang verbleekt.... Houdt op! Daar is geen lovensstof. Dus laken? — Niet zoo snel! Daar is een soort van loven

Met laken ondermengd; waar past dat, zoo niet hier?

Zoek Nieuwland aiiddierwijl. Maar neen! de Maan haalt boven!

Weg, laffe starpoëet! Uw lichtheid deugt geen zier.

Lang leef du Maangodes! — Wel mag het haar bekomen;

Ziet gij dat wolkenheir? Haar neerlaag is gewis.

\'t Rukt aan, verdikt, verwint, heeft alles ingenomen....

Het rijk der Maan hoeft uit. — Lang leef de Duisternis! Hoe was \'t ook mooglijk dat we aan \'t licht ons zoo verwenden?

Verblinding hield ons aan een ijdlen glans geboeid.

Verga en Zon en Maan en duizend Sterrebenden:

Het Duister is \'t alleen, waarvoor ons hart ontgloeit. Ach, zotte schouwburgpronk met gloed en straalgeflonker.

Die de oogen afmat en \'t gevoelig brein ontsteekt!

Hoe veilig tasten we om in \'t hartverkwikkend donker.

En knijpen wien \'t ons lust, terwijl geen schepsel \'t wreekt. — Wat \'s dat? Een purpren gloed verschijnt aan de oosterkimmen;

De lucht wordt klaar en blauw. Wat of dat worden zal? Dat is „de blonde Auroor;quot; haar „rozenvingrenquot; glimmen....

Verwacht de Zon eerlang met schepter, kroon, en al! —

Dat \'s leelijk. Niet in \'t minst. Al toonden wij gehechtheid

Aan duisternis en nacht, wat maakt dat uit, gansch bloed! Belijd die dwaling met wat nagemaakte oprechtheid:

Die grijns is overal voorhanden, en staat goed.

Ach, \'t kost zooveel niet zich in \'s werelds spel te schikken.

Zoo knie en rug en tong maar meê wil, en \'t verstand Den juisten tact bezit der gunstige oogenblikken.

Het maakt u meester van de meesters van het land.

„Ja maar \'t geweten!quot; Wat geweten? Zulke dingen Zijn overbodig; moeit ge u daarmee? Lieve man!

Wat beeldt uw hart zich in? Wij zijn geen hemelingen,

Maar nog op de aarde thuis. Daar gaat het.... zoo als \'tkan. Volhardt gij? Ban u dan uit onze samenleving!

Gewetens zijn niet op de hoogte van den tijd.

Wij dulden veel; maar voor gewetens.... geen vergeving!

Zij zijn behoudend, achteruityaaml en, in spijt Dei\' wetenschap, geheel niet vatbaar voor ontwikkelen.

\'t Geweten acht ik niet rein menschlijk; niet geschikt De menschheid op de baan haars strevens aan te prikkelen — „Maar God heeft, dunkt mij toch....quot; Van God dient niet gekikt.

-ocr page 97-

JAAKQETIJDEN. — OP \'l ZIEKBED.

Of wilt ge een God, en ons den wiven godsdienst toonen,

Ze is liefde, en anders is \'t geer. godsvrucht zoo \'t behoort. Wat zegt uw Bjjhel\'? „Zoet en liedijk is \'t dat zonen Van \'t zelfde huisgezin als broei\'.renquot; en zoo voort. En daarom, plaag ons niet met wat wij stelsels heeten;

Wees liefdrijk; geef en neem, en knel u in geen keurs,....

Dat is: Vertrap het Recht, om meer en beter te eten ;

Verzaak Gewisse en God, maar nimmermeer uw Beurs.

JAARGETIJDEN.

(NAAK EhnST FLOÜIS).

LENTE.

Onder vreugde en zoete smarten, Scherts, gezang en minnekoozen, Vluchten ons de schoonste weken. Al wat bloeien kan, kan breken. Veldviooltjes, malsche rozen.

Blanke lelies, jonge harten.

ZOMER.

Drukkend ia de heete lucht; Dreigende onweers barsten los; Donker kleurt zich veld en bosch; Maar in stilte rijpt do vrucht.

HEBFST.

Koren hier, en ginder druiven. Die tevreden is, is wijs;

Gaarne ziet hij, tot dien prijs,

Kleur en geur verstuiven.

WINTER.

Wordt u de aarde droef en duister: Zie omhoog naar \'s hemels luister.

Leer in grauwe windeldoeken Kiemen van nieuw leven zoeken.

OP \'T ZIEKBED.

Op \'t ziekbed dankt u. Heer! mijn lied.

Dewijl \'t een bed mag zijn;

Zoovele kranken hebben \'t niet;

Maar warm en zacht is \'t mijn\'.

-ocr page 98-

GEEN DEEL, MAAR \'T GEHEEL. — EENVOUD.

Op \'t ziekbed looft u, Heer! mijn zang, Omdat een ziekbed leert;

Zooveel gezonden leefden lang,

Maar leefden lang verkeerd.

Maar wat, indien \'k ondankbaar was Kn morde en tegensprak?

\'k Verdiende dan dat \'k nooit genas. Maar sukklend bleef en zwak.

Heer, zoo gij \'t ziekvertrek ook nu Voor mij ten schoolzaal kiest,

Vertoon mij dat een kind van n Daar nimmer bij verliest!

GEEN DEEL, MAAR \'T GEHEEL.

Een weinig menschenkennis schaadt

En werkt verbittring der gemoederen; Maar hebt gij ze in een volle maat, Zoo strekt zij tot verbroederen.

EENVOUD.

Wat elk behaagt op d\' eersten blik En aantrekt op den duur,

Is Eenvoud, wars van kwik en strik, Is Eenvoud en Natuur.

De Schoonheid spot met elk sieraad. De Waarheid evenzeer;

Zoo \'t eerbaar hart het reeds versmaadt, Het vrome des te meer.

De wereld heeft haar mommerij Zoo noodig als haar geld:

Een reine ziel is vrank en vrij, En treedt in \'t open veld.

En laat zich tot den bodem zien. Gerust en zonder schrik,

Maar let op onbescheiden liên, En weert ze met een blik.

Haar valt de zegen Gods ten deel; Dat \'s alles wat zij vraagt;

En voorts bekreunt zij zich niet veel, Wien ze al of niet behaagt.

-ocr page 99-

ZWIJGEN. — MORGENSTOND.

67

8TIJG, MAAR NIJG. —

Toch rust op haai-, met stille vreugd

En zachten liefdegloed,

Het oog van ouderdom en jeugd, Die \'t Schoon vereert in \'t Goed\'.

STIJG, MAAE NIJG.

Laat niets uw ader stremmen,

Beek, zoo vol en klaar!

Niets uw vleuglen klemmen.

Moedige Adelaar!

Niets uw liedren smoren,

Zanger van het woud!

Niets uw werking storen.

Geest, zoo vrij en stout!

Oefen al uw \'krachten.

Neem uw steilste vlucht.

Waag uw zwanenschachten

Aan de hoogste lucht.

Spot met band en perken.

Die u \'t schepsel stelt____

Maar neig uw oogen, plooi uw vlerken. Waar zich de Heer der schepping meldt!

Z W IJ G E N.

Gij ziet alleen maar moed, waar moedig wordt gesproken.

Leer, Justus! leer den prijs van \'t zwijgen ook vermoên; Daartoe heelt menigmaal aan sprekers \'t hart ontbroken; Ook zwijgen is somtijds een spreken en een doen.

MORGENSTOND.

Wat is er niet te hooren,

Wat is er niet te zien.

Bij \'t eerste morgengloren.

Als nacht en nevel vliên:

Van glansen, kleuren, stralen.

Die langs den hemel dwalen;

Van rozenruode wolken.

Die \'t oost en west bevolken;

Van heldre pareldroppen Op blaadren, bloemen, knoppen;

Van blijde vogelzangen,

Luidruchtig aangevangen,

üit volle borst geslaakt....

Maar tot Arbeid is de mensch ontwaakt.

-ocr page 100-

madeliefje.

Wat is er niet te ontwaren

In \'s harten diepsten grond,

Bij \'t opgaan onzer jaren,

In \'s levens morgenstond! Te voelen, te beseffen.

Te gissen en te treffen.

Te zoeken, te verlangen, Te ontdekken, op te vangen, Te kennen en te smaken, Tot eigendom te maken.

Te droomen en te dichten. Te slechten en te stichten, Te ontginnen, nooit genoeg...

Één ding is noodig, en dat Eene vroeg.

MADELIEFJE.

\'t Is Flora\'s püge: — in every place,

In every season fresh and fair, It opens with perennial grace, And blossoms everywhere.

J. Montgomery.

Spreid vroolijk, tusschen gras en kruid, Het hagelwitte kroontje uit,

Om \'t hart van louter goude!

Al valt ons \'t voorjaar schraal en ruw. Wat, Madeliefje, deert het n?

Gij zijt niet bang voor koude.

Gij wacht niet tot, met zomerpracbt.

De zon vroeg opstaat in haar kracht,

In \'t purperkleurig oosten;

Maar komt ons, needrig als gij zyt.

Van een gerekten wintertijd Mot goelijk lachje troosten.

Als \'t Maartsch viooltje, dicht in \'t mos, In \'t warmste plekje van het bosch.

Zich huivrig aan komt melden.

Wast reeds uw knopje, rood als bloed. Het bibb\'rend paaschlam voor den voet,

In de on-beschermde volden.

Daar spoort gij, met ontploken blaan, De velerhande bloempjes aan,

Nog sluimrend of kleinmoedig.

Ze ontwaken lieflijk, een voor een.

En schittren vroolijk om u heen, —

Maar neigen \'t hoofd zoo spoedig.

-ocr page 101-

MADELIEFJE.

Zij neigen \'t hoofd, zoo jong en schoon, Hier pronkende met gouden kroon.

En ginds met bonte verven; Het blozende gelaat -wordt bleek; En \'t oogje, dat zoo geestig keek,

Breekt, in een hf.astig sterven.

Maar gy bloeit voort in \'t scheutig gras. Haast overdekt u \'t hoog gewas.

Als pluim en aren zwieren.

De hooitijd komt: die pronk ligt neer.... Gij zijt er nog, gij zijt er weer,

En zult het etgroen sieren.

Het etgroen, ja! en \'t laatste groen.

Laat vrij de najaarsstortvlaag -woên.

De winterstormen naderen:

Glimlachend ziet gij \'t woeste spel. En groet den koristen dag nog wel. Van tusschen gele bladeren.

Ik weet wie, in bevroren grond, In \'t zonnig hoekje u bloeien vond. Als sneeuw het veld reeds dekte; Ik weet, in wiens bezwijkend hart De les, die dus gegeven werd.

Een nieuwe veerkracht wekte.

0 Leeraaam bloempje, laag benaamd. Gij maakt uitnemender beschaamd,

Door onuitputbre krachten.

Die needrigst leeft, leeft veiligst voort; En die zich aan geen tijden stoort,

Hoeft op geen plaatsen te achten.

De duinroos vindt men slechts op \'t duin; De heibloem, in \'t eentonig bruin;

De korenbloem, in \'t koren;

Geen smachtende vergeet-mij-niet Dan tusschen lisch en oeverriet En waterkers verloren.

Der bloemen schoone koningin Ontziet zich met haar hofgezin

In \'t open veld te pralen;

Daar slechts in schaüw van dicht geboomt. De balsemgeur ons tegenstroomt Van \'t lelietje dor dalen!

-ocr page 102-

MADEI.TEFJE.

Maar gij, gij klimt den heuvel op, Ontplooit op \'t heideveld uw knop,

En siert des akkers zoomen; Gij spiegelt u in kreek en vliet;

En, in uw eenvoud, schroomt gij niet Den bloemhof in te komen.

Gij schuwt de schaduw noch het licht, Maar toont alom een blij gezicht;

Gij hebt geen zorg van noode; Een droppel regen, laat of vroeg, Ben weinig zons is u genoeg. Een staanplaatsje op de zode.

Veel bloempjes kiest men om hun geur Dit om zijn vorm, dat om zijn kleur;

Niet ellr behaagt aan allen;

Maar gij, aan lof noch blaam gewoon, Uw zedig, uw bescheiden schoon Toont ieder welgevallen.

U mint niet slechts de schalke maagd. Die stil uw blaadjes ondervraagt,

Om \'t zoetst geheim te ontdekken; Maar ook de ziele, stil voor God, Waarin het voorrecht van uw lot Een weinig moed kan wekken.

U mint het hart, dat, vol en zacht, Gods rijke schepping tegenlacht En \'t loflied uit doet vloeien; De wijze, wien gij ootmoed leert; De needrige armoe, die gij eert.

Door voor haar deur te bloeien.

ü mint een onbezorgde jeugd, In \'t gras, met koninklijke vreugd.

Haar boersche kransjes windend; En \'t weesje, vreemd aan spel en lust. Ter stille plek, waar moeder rust, U altijd wedervindend.

\'t Weemoedig schaapje, in de open hei. Het veulen, dartiend door de wei.

Verheugt zich u te ontmoeten. En \'t bijtje, dat uw honig ruikt,

En in uw open hartje duikt,

Om liefde en lust te boeten.

-ocr page 103-

QBEN ORGELTOON, MAAK UW PERSOON. —

71

EEN ROOS.

ü mint al \'t dichterlijk gediert: De leeuwrik, dien gij \'t nest versiert

En naoogt onder \'t steigeren; En ik, wien ge, als ik eens voor al U door mijn snaren vlechten zal. Geen wedermin zult weigeren.

GEEN ORGELTOON, MAAR UW PERSOON.

Uw verzen komen tot mijn ooren.

Maar \'k hoor een mond, geen mensch daarin; 0, geef mij ook den mensch te hooren,

Opdat ik hem hemin!

EEN ROOS.

Hoe lieflijk staat een frissche roos In d\' open hof te pralen,

En vangt in d\' op.gebarsten knop

Zoo menig heldren dauwdrop op En duizend zonnestralen.

Nu laat ze eens op den morgenwind Het hoofdje achtloos wiegelen;

Dan quot;bukt zij, om in \'t vijvernat,

Dat kabb\'lend om haar voetjes spat, Het lief gelaat te spiegelen.

En straks vergeet zij paarlenkroon En zachtgebloosde wangen;

Staat stil, en luistert, en gevoelt

Wat gindsche nachtegaal bedoelt. Met zijn verliefde zangen.

Niet anders bloeit een prille maagd, In d\' ochtendstond- van \'t leven.

Ach, pluk de tengre roos niet af.

Noch doem haar, in kristallen graf Te prijken en te sneven!

„Maar zooveel vrijheid! Dreigt zij niet Met onverwacht verleppen?quot;

Neen, lucht en vrjjheid zijn gezond;

Wijd slechts uw zorgen aan den grond. Waaruit zij kracht moet scheppen.

-ocr page 104-

AAN EENE JONGE DICHTERESSE .

AAN EENE JONGE DICHTERESSE.

(sedert overleden.)

Zeg uw gedachte, zing uw lied.

Laat ons uw gansohe ziel vernemen,

Eer u een engel Gods gebiedt

Uw steilste vlucht te nemen!

Zet voor den opgezetten vloed De sluizen van den boezem open:

Vergun een uittocht aan den gloed,

Eer u zijn vlammen sloopen!

Laat op dit voorhoofd, rein en schoon, De flikkring van den dichtgeest stralen. Op \'t fijn albast der maagdenkroon

\'t Verhoogde blosje dwalen!

Laat, laat een vonk van \'t heilig vuur. Dat hart en bloedstroom houdt bewogen, Ons tegentintlen in \'t azuur Van die zoo zielvolle oogen.

Is poëzie een gaaf van God. Een godenspijs voor menschenharten. Een teug van hooger zielsgenot.

Een laafdrank, in hun smarten;

0, pleng dien, pleng dien, stort hem uit. Laat in ons hart dien nectar glippen. Op \'t klinken van uw zilvren luit, Op d\' adem van uw lippen!

Wij zullen, met verrukt gemoed. Uw godgewijde tonen vangen;

Wij zullen drijven op dien vloed.

Van maagdelijke zangen;

Een bleekte, een blos, oen traan vooral. Een blik zal onze erkentnis toonen.

Maar eerbewijs en lofgeschal Uw zedigheid niet hoonen.

Geen weelderige mirtekrans,

Van dartlen rozengeur doortrokken.

Durft naadren tot den kuischen glans,

üie afstraalt van uw lokken;

En ook de lauwer wage \'t nooit Zich tot oen kroon voor \'t hoofd te strengelen, Dat met een schoonheid is getooid, Verwant aan die der engelen.

Ook zien we een trek op dat gelaat, Een glimlach om die lippen spelen.

-ocr page 105-

TER BRÜII.OFT VAN MOEDERS TROOST.

Die ons betoramerd hart verstaat,

En vruchtloos wil verheelen. Nog raakt uw voet een nietige aard. Nog zweeft gij, troostende, in ons midden. Maar uw verhaaste hemelvaart Zal niemand lE.ng verbidden.

O toef, vertoef nog, neem geduld! De dag, van God bestemd, zal komen. Eerst moet wat zulk een hart vervult

Van zulke lippen stroomen.

Doorzuiver onze onreine lucht Met galmen van verheven zangen ....

Klep dan uw vleuglen. neem uw vlucht. En boet uw heet verlangen.

TER BRUILOFT VAN MOEDERS TROOST

Was op mijn versleten luit

Slechts één snaar gebleven,

Kon die snaar slechts één geluid

Stervend van zich geven.

Klinken moest van daag die toon, Daar ik deze huwlijkskroon Om dit hoofd zie zweven.

0 gewis, het speeltuig, dat

Al zijn melodieën Reeds voor u ten beste had.

Op uw moeders knieën.

Galmt voor u, geliefde Bruid!

Galmt vanzelf een feestzang uit, Wacht op geen gebieën.

Duldt gij, brave Bruidegom,

Trotsch op uw vriendinne!

Dat men thans haar spreken kom

Van een oude minne.

Van een teedren liefdegloed,

Zestien jaren aangevoed.

Groot van den beginne?

Dat \'s de liefde van mijn hart.

Voor uw uitverkoren,

Die de kracht der jaren tart.

Die geen tijd zal smoren;

) Zie Dl. II. bl 31—33.

-ocr page 106-

ter bruiloft van moeders troost.

Bi-uidjellef, ziedaar de gloed, Die vandaag in mijn gemoed Dubbel op komt gloren.

Dubbel — Maar waartoe? Mijn kind,

Kan uw oogje \'t vragen?

Om den bruigom, die u mint,

\'t Harnas aan te jagen?

Ach, dat pogen ware omzonst,

Daar uw hartje voor hem bonst, Tot zijn laatste slagen.

Neen, indien wat onverpoosd

Mij het hart deed blaken.

Dezen dag voor moeders troost

Krachtig op komt waken.

Beste Bruigom, \'t is alleen Om voor haar geluk mijn been Vuriger te slaken.

„Baat eens dichters heilwensch veel?quot;\')

\'k Durfde \'t nooit betoogen;

Maar de Bruid zal \'t tegendeel

Miet beweren mogen.

Wat haar zestien jaar geleên.

Door mijn zang werd toegebeên, Is haar toegewogen.

„Liefde, vreugde, zegen,quot; werd

Rijklijk haar gegeven.

Deed wel ooit een groote smart

\'t Jeugdig hartje beven?

God heeft haar met teederheid Langs een zaohten weg geleid, Tuaschen rozendreven.

Zie de roosjes ook eens aan,

Die, bjj elk ontwaken,

Frisch en vroolijk opengaan

Op haar zachte kaken;

Zie dien heldren zonnegloed.

Die haar oogjes stralen doet.

Om elks hart te raken.

Zie die lipjes, fljn en schoon,

74

Steeds ten glimlach vaardig, Gravende in haar malscho koon

\'1 Zie t. a. p. bl. 33.

-ocr page 107-

TER BRUILOFT VAK MOUDF.RS TROOST.

Kuiltjes, diep en aardig;

Zie dat voorhootd enkel glans,

Niet versierbaar dooi- een krans,

Maar den sclioonsten waardig.

Dus is MOEDERS TROOST altOOS

Moeders troost gebleven;

In haar hand een frissche roos,

Haar van God gegeven;

Lieve ster, in iedren nacht.

Lach, te midden van de klacht.

Leven van haar leven.

Blijf, o blijf het, lieve Bruid!

Want gij kunt het blijven,

Mag de bede, die ik uit, i

Door Gods gunst beklijven. Kom, herstel u van den schrik.

Ziet ge ook in dit oogenblik Stille tranen drijven.

Kan zich \'t moederlijke hart

Niet geheel verkroppen,

Daar is zooveel vreugd als smart

In dees kostbre droppen;

Voelt zij slechts, bij \'t scheiden gaan. Tegen haren boezem aan d\' Uwen rustig kloppen.

\'t Scheiden wordt welhaast verzoet,

\'t Leed is ras vervlogen.

Zoo maar steeds een zelfde gloed

Tintelt uit uw oogen,

Zoo maar de eigen gulle lach.

Na als vóór uw huwlijksdag.

Haar houdt opgetogen.

Zoo maar op uw lief gezicht.

Zij het ook in smarten.

Steeds de glans des vredes ligt

Der voldane harten;

Zoo ze u maar een wisslend lot. Met een kalmen blik op God, Onbevreesd ziet tarten.

Zoo ge in de armen van uw vrind

Uw geluk blijft roemen. En, beminnende en bemind.

Vruchten plukt na bloemen;

-ocr page 108-

zelfcritiek. — aan mijne echtgenoote,

Zoo zij, door haar moedeus troost Ras een haar gelijkend kroost, Naar haar naam hoort noemen.

Lieve, lang geliefde Bruid!

Storte God dien zegen,

Naar zoo veler wensohen, uit

Op uw hoofd en wegeE!

Lache, als van uw vroegste jeugd, Bij uw lieflijkheid, uw vreugd En geluk ons tegen!

En gij, Bruidegom! Aanvaard

Wie wij allen minnen;

Zij is de uwe, wees haar waard;

Wijd haar hart en zinnen;

Wees haar vreugde, steun en trots, Leid met haar den zegen Gods Üwe woning binnen!

ZELFCRITIEK.

Hier dient de zedigheid bestreden; Zij vonnist zonder recht of reden; Zij geeft een valseh getuigenis.... Toch heeft zij \'t altijd juist niet mis.

AAN MIJNE ECHTGENOOTE,

Met een bloemstukje uit Spa medesebracht, voorstellende witte rozen.

Bloemen uit Spa,

Van den rand der fonteinen,

Zachten en reinen.

Breng ik mijn Ga.

Zoo zij ze ziet Met iets teêrs in haar blikken.

Meerder verkwikken *

Kan zij mij niet.

Strooide maar steeds.

Op haar wegen en paden,

Bloemen en bladen Nicolaas Beets.

76

-ocr page 109-

VOLKOMENHEI1). — WEDERZIEN.

VOLKOMENHEID.

\'t Genie maakt nog den Kunstnaar niet,

Al grijpt het naar zijn kroon.

Wien voegt zij dan dien godenzoon,

Die in de Kracht

de Maat betracht, Nauwkeurigheid in \'t Schoon?

WEDERZIEN.

(NAAR Er.NST FLORIS).

Bij \'t kruis op den heuvel, daar buigt zich

Een zwerver en leunt op zijn staf;

Daar ziet hij, met tranen in de oogen,

In het dal op de woningen af.

Ja, dat is zijn dorpje, dat gloeiend

Zich uitbreidt bij \'t avondzonrood!

Nog eens mag zijn voet het bereiken. Nog eens mag hij \'t zien voor zijn dood.

Daar staat nog het kerkje op de hoogte.

Zoo net en zoo wit als weleer;

Slechts werden do linden wat zwaarder; Slechts werden de graven wat meer.

De oude put is bezocht als tevoren;

Moeders huisje kijkt uit tusschen \'t groen; Aan wie of het thans mag behooren?

Wat of zij daarbinnen wel doen?

Daar is veel dat gansch nieuw is geworden;

\'t Jong geslacht eischt verandring en plaats; Het verbouwt zich de dorpen tot steden, En verandert de stilte in geraas.

Zie, het beekje ruischt over zijn keitjes, En het kronkelt zich zachtjes en zoet, \'t Waren eenmaal geweldige waatreu Voor het kinderlijk droomend gemoed.

Ach, de bergen, de bosschen, de velden.

Ze zijn allen gering nu en kleen;

Ook zoo krimpt voor veroudrende harten Elke vreugd en verwachting ineen.

-ocr page 110-

78 DE LEIDSCHE V1SSCHER ES HET HAARLEMMER MEER.

Zie, de huisman keert weer van den akker,

\'t Wachtend kroost kent zijn stap en zijn stem. Ook de huismoeder treedt op den dorpel.... Hij herkent haar, maar niemand kent hem.

DE LEIDSCHE VISSCHER

EN

HET HAARLEMMER MEER,

in 1852.

Nu is het Meer niet meer;

Het moet zijn water missen;

Het krijgt het nimmer weer —

En nog wil Caubes vissohen.

Het wilde-andijvie-kruid

Schudt overal zijn stengolen.

En strooit zijn pluizen uit —

En nog wil Caubes hengelen.

Het koolzaad zal eerlang

Hier veld bij velden kleuren;

Het ploegpaard komt te gang —

En nog wil Caubes peuren.

Haast hoort men hier alom

Het kraaien, tokken, kakelen Van \'t bonte hoenderdom —

En nog wil Caubes schakelen.

Och Caubes! \'t Is gedaan;

De hekken zijn verhangen!

Daar is in \'t Meer voortaan Voor u slechts slib te vangen.

* Het beweerde recht der stad Leiden op den droogvallenden bodem van het meer, op grond van haar recht van visscherjj, en de daarover gevoerde procedure gaven aanleiding tot dezen irnjnen lilden Haarlemmer-Meer-Zang, na den Isquot;quot;. in 1839, en den IId\',quot; in 1850. Zie op blz. 29, 30 van het H\'1\'\' en 60, 61 van het voorliggende Dl.

Caubes is min of meer de Leidsche uitspraak van den in die stad onder de peueraars niet ongewonen naam van Cobus, verkort voor Jacobus.

Het wilde-Andiji\'ie-kruid.

De bodem van het Haarlemmer Meer kwam nauwelijks boven, of hij was ook op vele plaatsen als overdekt met Cineraria palustris,

-ocr page 111-

waarsciiuwikqen. — herinnering. 79

Moeras-Aachkruid, dat reusachtig opschoot, rijk bloeide, en zijn zaadpluis op den wind ver en wijd overal bü wolken henanzond, ja tot in Amsterdam verspreidde. De polderlieden noemden deze \'plant Wilde Andijvie, wegens de gelijkenis van het blad.

\'t Bonte hoendtrdom.

,Dit kleine notabel stukje zal ik hier nog bij verhalen, dat men vermoedt, dat de eieren van de hoenderen en eenden in de Beemster thans meer opbrengen dan te voren al de visoh, die in de Beemster werd gevangen.quot;

Leeghwater, Haarlemmermeer-ioelc (1641) Uitgave van van Hasselt, 1838, bl. 29.

WAARSCHUWINGEN.

Pluk rozen naar uw lust, en laat het boompje snoeien; Hoe meer gij snoeit en plukt, te milder zal het bloeien.

Maar laat geen ruwe hand in \'t plukken kracht gebruiken; Want die de wortels ophaalt, doodt de struiken.

En die de struiken doodt, heeft weinig rocht tot toornen, Zoo hjj zijn vingers kwetst aan scherpe doornen.

HERINNERING.

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongske! u vergeet. Schoon reeds ten derdemaal, de herfstwind, in zijn waren. Uw grafje onkenbaar maakt met afgescheurde blaren, En immers, sinds een tweetal jaren.

Een dochtertje in ons huis uw leege plaats bekleedt.

Neen, ducht niet dat uw beeld terugwijkt uit onze oogen.

Te midden van de vreugd, die thans ons hart vervult, Waaraan we op nieuw, Godlof! van blijdschap opgetogen.

Een aardig wichtje drukken mogen____

Neen, ducht niet, dat gij ooit vergeten worden zult.

Der oudren hart is trouw: het laat zijn kroost niet varen.

Al oft\'ren zij het Gode en leggen \'t welgemoed Terneer in \'t donker graf, om voorts omhoog te staren;

Geen nacht des doods, geen macht der jaren.

Scheidt hen volkomen van hun bloed;

Geen nieuwe vadervreugd, geen andre moedersmarte.

Geen goddelijke troost, geen bovenaardsche vree

Verdooft zijn beeltnis in dat harte.

Dat nooit zjjn kindren telt, of telt de dooden mee.

Ach, \'twas me een zware gang, toen \'k, met een hart vol tranen. Uw dierbaar lijkje bracht, waar \'t rusten zou in de aard.

-ocr page 112-

HERINNERING.

Hoe lieflijk was die plek, door eikjes en platanen En bloeiende kastanje omschaduwd en bewaard!

Hoe lieflijk was dat uur. Het zonlicht was aan \'t dalen,

Maar deed zijn ondergaande pracht,

Met tintiend rood en goud, door \'t dichte lommer pralen. En wierp zijn laatste en schoonste stralen In de open grafkuil neer, waarin gij werdt verwacht.

Ik ben op \'t kerkhof thuis; \'k heb in die twalef jaren. Waarin ik voeren mocht den herderlijken staf, Er beurtelings in ieder graf Met velerlei gedachten moeten staren;

Ik wacht er al de dooden af;

En immer was \'t mij goed, in \'t wachten op een doode.

De groene heuvlen rond te gaan,

Bij menig harde zerk en menig zachte zode

Herin\'rend, peinzend, stil te staan.

Ik zwierf er veel, en lang met ongewisse treden;

Niets dan \'t geval alleen bestuurde er vaak mijn voet;

Maar, sinds dien avond, spreekt het bloed.

En gaat dat kerkhofhek niet open voor mijn schreden. Of \'k weet, waar ik het eerst mijn schreden wenden moet.

Dat hek---- Mijn kind! Wanneer, bij schoone zomerdagen.

Het lied des nachtegaals tot over \'t kerkhof klinkt, Uw moeder uitlokt om te hooren wat hij zingt.

En ze aan mijn zijde treedt langs bosch en doornehagen: Als zij dat hek genaakt, hoe zie ik haar meteen

Reikhalzend gluren door de reten,

Of zij, door \'t hooge gras en \'t lage lommer heen.

Een blik mocht werpen op den steen.

Dien wij zoo wel te vinden weten.

Dan gaan wij zwijgend voort. Een zucht mag ons ontglippen;

Doch geen van beiden spreekt, zij soms de lust ook groot. Maar eindlijk.... \'t is genoeg! Uw naam moot van do lippen,

Uw naam, mijn lieve naamgenoot!

Dan schetsen _we ons uw beeld, in \'t spelen, staamlen, koozen, In dartle kindervreugd of ongestoorde rust,

Dat zachtblauw oog vol liefde en levenslust.

Die wangen frisch als lenterozen.

Dien mond, die stervend nog ons handen heeft gekust.

En \'s winters, als de storm daar buiten

Door witbesneeuwd geboomte vaart.

En \'t ramm\'len van de vensterruiten Ons, met ons lief gezin, een dichten kring doet sluiten Rondom den huiselijken haard;

Als wij, omringd van al de spruiten.

Ons door de goedheid Gods gespaard —

-ocr page 113-

HET KRUIS. — LIEDJK.

De jongste op moeders solioot, een andre aan haar voeten Op \'t kleine stoeltje neergehult Een derdo aan vaders hart gedrukt —

Niets dan erkentnis wezen moeten Voor wat ons ondrenhart verrukt;

Dan gaat wel nooit het oog, met innig welgevallen, Van blij gezicht tot blij gezicht.

Of \'t hart gedenkt u, dierbaar wicht!

En zegt: Ziedaar zijn plaats; hier is hij uitgevallen.

Dan stijgt in moeders oog wel vaak een stille traan,

En vaders stem verflauwt, te midden van \'t verhalen;

Zijn kroost ziet hem verwonderd aan,

Onwetend dat hij denkt, hoe thans de bleeke maan Uw graf verlicht met koude stralen.

Neen, ducht niet dat ons hart, lief jongske! u vergeet Maar gij, gedenkt gij in dat Eden,

Waar gij, in Jezus arm, van smart noch tranen weet, Nog soms — ik zeg niet aan ons leed —

Maar wel aan onze teederheden ?

Daar weet gij met wat liefde ons hart u heeft hemmd;

Een liefde, die u \'t heil der heenilen niet benijdde;

Maar, als uw Heiland riep, bedroefd en nochtans blijde, Tot u kon zeggen: Ga, mijn kind!

HET KRUIS.

Met begrijpen zal \'t niet gaan: Grijp het onbegrepen aan.

LIEDJE.

Als ik een woord van wijsheid wist.

Ik zou het gaarne spreken, Om vroom bedrog en achterlist Den buigbren nek te breken.

Bezat ik kracht van scherts en luim.

Die zette ik graag op renten.

Voor die ons altijd schuim voor kruim En schijn voor wezen venten.

Zoo mij een tuchtroe waar bedeeld,

Zij zou de schouders streelen Van \'t nietig volk. dat altijd speelt. En kibbelt bij zijn spelen.

-ocr page 114-

ONTDEKKINGEN. — SlliDEIiUOEDEIt.

Had ik den toon van d\' echten troost,

Straks werd die aangeboden Aan wie vergeefsche zuchten loost, En roept tot valsche goden.

Maar wist mijn keel een lofgezang

Behoorlijk aan te stemmen,

Ik nam een kaars en zocht zoo lang, Tot ik aan \'t hart mocht klemmen

Een man, die, aan beginsels trouw

En zonder blaam of vreezen, De opgaande zon niet eeren zou.

Noch heden noch nadezen.

ONTDEKKINGENquot;.

Ik vond een man, een man van staal,

Een man van stalen moed.

Een man van onvermengd metaal — En toch van vleesch en bloed.

Ik vond een man, met ijs omschorst,

Voor lof- en naspraak koel —

Maar, in het binnenst van zijn borst Vond ik een warm gevoel.

Ik vond een man, ten strijd gereed,

Eu vaardig toe te slaan —

Maar, schoon hij van zijn wang niet gleed, Zag \'k in zijn oog een traan.

Ik vond een man met vrijen nek.

Van eedlen geest bezield —

Juist kwam hij uit zijn bidvertrek:

Hij had voor God geknield.

MEDEBROEDER.

Ambtsbroeder — Foei! dat \'s stijf en koel! Slechts Medehroeder toont gevoel. Oprechtheid, warmte, liefde, vrede,

\'t Komt alles met dat Mede mede.

-ocr page 115-

AAN EEXE ACHTTIENJARIGE.

AAN EENE ACHTTIENJARIGE.

November brengt geen malsche rozea,

Geen zilverblanke lelies aan,

Dan die op maagdenwangen blozen En op haar voorhoofd opengaan.

Hij draagb een krans van gelu bladeren Op lokken, haavloos en doorweekt, En \'t hart van \'t laatste bloempje breekt Op zijn onstuimig naderen.

Toch viert ge uw jaardag, lieve schoone! Door storm noch regenvlaag bedroefd.

Gerust dat gij noch bonte krone Noch groenen bladerkrans behoeft.

Toch brengen we u een handvol bloemen. Maar bloemen van een andre gaard, Dan die de herfstwind vaagt van de aard, En koel ter dood durft doemen.

Wij brachten gaarne \'t allen tijde Ons kransje\' aan een frissche jeugd,

Die in haar jonkheid zich verblijdde Met tintelende levensvreugd;

Maar vlochten onze schoonste rozen Het liefst om dat gezegend hoofd, Dat vroeg in hooger vreugd geloofd En \'t beste had gekozen.

Aandoenlijk straalt, bij hooge jaren, Beproefde godsvrucht met haar licht

Om \'t zilver van besneeuwde haren En eerbiedwaardig aangezicht;

Maar waar wij bruine of blonde lokken, Een voorhoofd zonder kreuk of voor Zien glinstren van dien zachten gloor, Hoe wordt daar \'t hart getrokken!

Daar zijn juweel noch goudglans noodig. Noch paarlen, kwistig uitgestort,

De bloemkrans zelfs is overbodig En deed aan \'t zedig schoon te kort.

Een reine blik uit zielvolle oogen. Een glimlach van \'t gerust gemoed Toont daadlijk den geleenden gloed Zijn blinkend onvermogen.

Melieve, daar we uw jaarfeest vieren, Eén wensch is \'t, die ons hart vervult:

-ocr page 116-

SCHEIDING.

Dat altijd u dat schoon moog sieren, Dat siert en geen versiersel duldt.

De frissche roos der maagdenkoonen,

Wat ia zij bij dien zachten gloed, Die uitstraalt, waar in \'t stil gemoed Geloof en liefde wonen?

Een ijdle jeugd is \'t eerst geweken,

Onzuivre weelde snelst aan \'t end;

Vergeefs gepoogd door duissend treken. Een schoon te redden, dat zij schendt!

Daar is geen schoonheid meer beveiligd. Daar is geen langgerekter jeugd,

Dan die bewaakt wordt door de deugd, En die de godsvrucht heiligt.

De lelie zal niet haast verwelken,

Schoon ook de hitte \'s middags prangt,

Die \'s morgens vroeg in de open kelken Den koelen dauwdrup rijklijk vangt;

Maar als de morgenwind de droppen Uit speelschheid wegkust van de roos, Dan duurt de vreugde een korte poos: Haast kwijnen bloem en knoppen.

O lieve Lelie, die onze oogen

Aanschouwen in haar morgenstond,

Van zuivren hemeldauw betogen.

Drink aan dat vocht uw hart gezond!

Streelt de uchtendkoelte ook u de bladeren, Bewaar uw schat, bewaar uw hart, En laat zjjn adem, tot uw smart. Dat heiligdom niet naderen!

Ontplooi, bjj \'t brandendst middagstralen, Geheel uw stille bloesempracht;

En, waait een stormwind door de dalen. Buig neer met ootmoed, rijs met kracht!

Vervul de lucht no^ van uw geuren.

Als de avondzon in \'t westen blinkt; God zal u, waar zij nederzinkt.

Zijn bloemhof waardig keuren.

SCHEIDING.

Onze wegen scheiden.

Maar ons hart blijft een; Immers is ons beiden Eéne hoop gemeen;

-ocr page 117-

OVERGANGEN.

Eu de dag zal komen,

Is reeds in \'t verschiet,

Die ons vereent mot alle vromeii, En voor altij:l te zamen ziet.

Onze wegen brengen Over berg en dal,

Naar het God gehengen

En besturen zal;

Liefde doet ze kronkelen,

Maakt ze ruw, en vlak; Tot waar wij \'t vrecUg licht zien vonkelen, Van onder \'t veilig vaderdak.

OVERGANGEN.

Ach, hoe vele Groene, gele.

Bruine, roode.

Bontgekleurde,

Halfverscheurde,

Levend doode,

Zwartgevlekte,

Met het stof des wegs bedekte.

Dorre blaan Kraken op de wandelpaan!

Zie ik omhoog:

Kaalheid en naaktheid en dood treft mijn oog; Hoekige takken en knoestrige armen,

Sprokkels, geschikt om den haard te verwarmen, \'t Ledige nest in den schuddenden top;

Maar aan de twijgen de wordende knop.

Heden, stormen, aarde en zee beroerend,

Morgen, regens alles met zich voerend.

Heden, luchten, ondoordringbaar grauw. Morgen, nog een plokje waterblauw;

Nog een zonnelonkje, nog een lachje. Toegeworpen aan het krimpend dagje.

Maar dat treurig wegsmelt en vergaat. Als een glimlach op een krank gelaat-

Nog weinige dagen Van vlagen en buien,

Uit zuien En westen, met gieren en jagen.

Met bin zen

-ocr page 118-

VOLUri\'AS FLENUJ. — KEN NEDERLANDSCH LIED.

En woelen,

En joelen En razen ....

En \'t Noorden laat zijn adem voelen, l)ie machtige adem overwint. Het tierende oproer is bezworen; Uit onrust wordt de rust geboren; Do winterslaap der aard begint.

Haar slaap? Haar dood;

Dus naakt en bloot Tor prooi gegeven Aan do ongena van boude en vorst, Die \'t hart doet stilstaan in de borst, En toornig optrekt tegen \'t loven.

Maar neen! de hoogste goedheid waakt. De hulp genaakt.

Zoo trouw als teeder.

Een donzen vlok, een zachle pluim (Een zweemsel van bevroren schuim).

Daalt dwarlend neder.

Straks volgt haar uit de grauwe lucht Een dichte vlucht.

Met zwervend zweven.

Gij weet niet of zij naakt of wijkt;

Maar als zij eindlijk nederstrijkt,

Is \'t koestrend winterkleéd geweven.

YOLUPTAS-FLEiNDI.

Wat \'s do schoonste en zoetste traan, Die u de oogen kan doen schitteren ï Waar een edelmoedig hart Krimpt van onverdiende smart, Zonder te verbitteren.

EEN NEDERLANDSCH LIED.

O Nederland, mijn Vaderland!

Hoe fier staat, aan uw roemrijk strand.

De oude leeuwbanier geplant,

Door Belg, noch Frank, noch Brit te rooven. Lloe sierlijk prijkt, op \'t spits der lans. De onschendbre hoed des vrijen mans. Omslingerd met een lauwerkrans —

Oranje Boven!

-ocr page 119-

1

kopeken ukuiloft. 87

O Nederland, mijn Vaderland!

Eén naam, één roem, één eendraohtsband

Omsnoert uw burgers hand aan hand.

Bij vrije vaart en volle schooven:

Hollandia, Zelandia,

Met Frisia, Brabantia,

Sticht, Oyersticht en Gelria —

Oranje Boven!

O dierbaar ert\', gehaald uit zee!

Wat vijand dreige aan grens of ree,

Gij kent de spreuk: „je maintiendbaiquot;.

Den moed door tijd noch lot te dooven, \'t Bloed, dat zoo dikwijls heelt gevloeid. Dat voor uw eer en vrijheid gloeit,

En gaarne „uw laatste schans besproeitquot; — Oranje Boven!

O Nederland, mijn Vaderland!

Doe Nassaus oud verbond gestand.

En stel uw lot in Godes hand,

Wien, als de vaadren, \'t kroost moet loven; Blijf trouw en edel, vroed en vroom,

Rust waakzaam, zonder blaam of schroom, Bij uw Oranje- en Vrijheids-boom —

Oranje Boven!

\'s Konings Verjaardag.

KOPEREN BRUILOFT.

aan aleidk.

Ach, melieve, welk een feest!

Welk een vreugde voor de harten.

Die, in voorspoed en in smarten.

Steeds gezegend zijn geweest,

Door de liefde van dien God,

Die de schaal houdt van ons lot.

Ach, melieve, welk een dag!

Daar we een zestal frissche spruiten In de minnende armen sluiten.

Met een stillen, dankbren lach,

Waar een traan zich mee vereent,

\'t Lieve jongske nageweend.

Ach, melieve, welk een dank,

Welk een schaamrood nederknielen Voor den Herder onzer zielen;

Welk een davrend lofgezang!

-ocr page 120-

\' SUUM CUIQUE. — JAN. — MEIZANG.

Hij schonk liefde en overvloed,

Gaven, krachten, troost, en moed.

En, te midden van \'t genot,

Hoeft de boezem voor zijn ooron

Deze bede niet te smoren:

«Spaar onz\' echtknoop, machtig God!

„Spaar de kindren! Schend, o Heer!

ivr ioro quot;®nzerl schoonsten krans niet weer.quot; Maart 1oü3.

SUUM CUIQUE.

(naar Rückeht.)

Bloem der Amandelen!

Gij vliegt de Lente voor en, op haar naadren,

Bestrooit gij \'t pad, waar langs haar voet zal wandelen.

Aanvallig Klokje!

Van t sneeuwkleed, dat van de aarde is opgenomen, Zi)t gij teruggebleven als een vlokje.

Bedeesd Penseetje!

Gij zegt: „De Roos zal komen als ik weg ben.quot;

Goed dat zij komt; maar blijf nog maar een beetje.

Gij zijt, te midden Der zustren, de priestresse, zilvren Lelie!

Wanneer zij godsdienst houden en aanbidden.

Maar, Lelie-stengelen!

Voor onze ruikers zijt gij niet geschapen;

Uw plaats is in de handpalm van Gods Engelen.

JAN.

Jan was ter preek bij Dominus Verschrimp.

Het stuk was „wel doorwrochtquot;, en wel verdeeld in deelen; Maar Jantje zei: „Wat kan \'t mij schelen?

„Heel lijn gekorven; maar niet\' krimp!quot;

MEIZANG.

aan maria.

Nu zich hot aardrijk opendoet Tot vroolijk groen en blijde knoppen, Nu voel ik ook in mijn gemoed De diehtaar weder kloppen.

-ocr page 121-

IN MEI.

Nu \'t nachtegaaltje wederom Een lied zingt in den hagedoren, Nu blijf ook ik niet langer stom,

Maar hef weer aan als voren.

Maar quot;t eerste liedje dat ik slaak, Maria! moet uw ooren treffen:

Het is een lang beloofde zaak,

En die ik graag vereffen.

Wat zing ik, daar het roosje knopt, En gouden regens en seringen En mei met bloemen staan gepropt, En alle vogels zingen?

Wat denk ik. als ik denk aan u.

Die \'k als achtjarig kind reeds minde. En als volwassen jonkvrouw nu Niet min beminlijk vinde?

Ik denk aan deze\' uw lentedag,

Dees schoonen voortijd van uw leven: Geniet hem, daar uw hart het mag; Hij is van God gegeven.

Pluk rechts en links zijn bont gebloemt, En hoor den wildzang onder \'t lommer; De reine vreugd, waarop hij roemt. Aanvaard ze, vrij van kommer.

Aanvaard ze, met een blijden geest. Als uit de goede hand des Heeren: Een dankbaar hart geniet het meest, En kan het best ontberen.

Gij weet: een lentedag is kort;

Zijn weelde telt maar weinige uren; \'t Gezang verflauwt, \'t gebloemte dort; De liefde Gods zal duren.

IN MEI.

Laat mij rusten aan uw boezem, Schepping Gods

in lentedos. Met dien krans van appelbloesem. Met dien zachten rozenblos!

-ocr page 122-

aan muse moeder.

Dat uw glimlach, dat uw blik,

Dat uw adem mij verkwikk\',

Dat uw stem mij toe koom fluisteren,

Waar ik eeuwig naar wil luisteren.

Van mijns levens lente spreekt gij. Lentevreugd

der blijde Jeugd!

U bemin ik nog, al weekt gij;

Gij verheugt zoo lang gij heugt.

Van de lente mijner Min Vleeht gij zoete woordjes in.

Van de bloemen, die nog geuren, Al verschoten ook haar kleuren.

Maar uw zachte fluisteringen.

Hemelzoet

Voor mijn gemoed,

Kaken goddelijker dingen Dan gij zelve smaken doet:

Van een lente, die niet vlucht,

Van een eeuwge balsemlucht.

Waar de rozen nimmer dorden,

Lelies nooit bezoedeld worden.

\'k Zag u, in mijn winterdroomen,

Met uw krans,

in vollen glans Uit de sneeuw te voorschijn komen,

Kven heerlijk, docht me, als thans;

Maar waar blijft mijn schoonste droom, Daar ik u te aatischouwen koom?

Zej;- mij, zal ik ook zoo spreken.

Als die lente me aan zal breken V

STEKNVRUCHTEN.

(jij zegt: Uw verzen hebben pit.

Ik noem \'t een steen, wat daarin zit! l*\'n wien het kraken moog behagen,

\'k Zal mijn gebit er niet aan wagen.

AAN MIJNE MOEDER.

Ach Moeder, welk een dag van diep en droef ontroeren, Als eensklaps, onverwacht, met donderend gedruisch. De koets, bestemd u uit ons midden weg te voeren. Aanrolde, naderkwam, en stilstond voor ons huis.

STEENVRUCHTEN. —

-ocr page 123-

VERPOOZINd.

\'t Portier gaat open, en de tree wordt neergelaten.

Hoe klinkt die bel en breekt de harten van uw kroost! Uw gade staat en weent; maar zucht noch tranen baten: Gij kleedt u tot den tocht, en spreekt een woord van troost.

Reisvaardig, neemt gij, met het oog op God geslagen,

Een moedig afscheid van \'t verslagen huisgezin;

Betreedt het voorvertrek, ziet voerman, paarden, wagen ... Maar wacht tot hooger wenk u zeggen zal: Stijg in!

Die wenk blijft achter. Uur aan uur vervult zijn ronde. Met pijnlijk wachten, hoop en vreeze, moed en angst, üw afreis blijft bepaald, maar onbepaald haar stonde.

Ons voorwerp steeds van schrik, Ü, dikwijls van verlangst.

Op eens, wat ommekeer! Het rijtuig, weggereden.

Haalt vrienden, zusters af, bestemd u voor te gaan. Uw diepbedroefde kring omhelst u wel te vreden; Gij glimlacht, maar met ernst, en — houdt het reiskleed aan.

VERPOOZING.

\'t Bezig leven sleept mij voort Met zijn last en lusten;

Laat mij, in dit lieflijk oord. Van mijn zorgen rusten!

Vriendschap opent mij dees deur, Tusschen loof en bloesem;

Rozen van den zoetsten geur Draagt zij aan haar boezem.

Onder \'t half verborgen dak, Lachen vreugde en vrede.

Zoo mij hier een doren stak, \'k Bracht dien zelf dan mede.

Voedsel zal hier aan \'t gemoed Noch den geest ontbreken.

Waar men van \'t waarachtig Goed, \'t Echte Schoon kan spreken.

\'t Woord des Heeren vind ik hier Tot mijn troost en stichting;

\'k Breng er zelf een deel of vier Waarheid en verdichting.

Mooglijk wordt een enkle maal Eigen dichtgeest wakker,

91

-ocr page 124-

NIELS SIOCKFLETH.

Als ik langs het mastboscli dwaal Of den boekweitakker.

Mooglyk... maar geen plannon, neen!

Thuis nioog \'t werk mijn lust zijn: Ilusten kom ik hier alleen;

En de rust moet rust zijn.

N TELS STOCKFLETII,

PREDIKANT IN FINMAIÏKEN.

Geb. 1787. Overl. 186(1.

BBIEF AAN EEN AMBTSBROEDER.

Collega, \'k hoor u somtijds zuchten

Dat gij een standplaats hebt,

Waarin uw ziel, bij weinig vruchten,

Nog al mishagen schept.

De menschen wilt gij niet betichten;

Zij meenen \'t wel met u;

Al vallen zij om u te stichten Wat onbeschaafd en ruw.

Tien jaren hebt gij reeds gesleten

In wat ik nu en dan liet eind der wereld hoorde heeten;

Ook heelt het daar wat van.

Want als de klei tot over do ooren

üquot; overdolven heeft,

Of ge in den vloed zit vastgevroren, V/ie weet er of gij leeft?

Wat mij betreft... „(jij hebt mooi sprekenquot;,

Voorzie ik dat gij zegt;

„Die in zoet Hollands schoonste streken

öw tent hebt vastgehecht;

En die, vervelen u de boeken

En boomen altemet.

En hof- en hoofdstad kunt bezoeken, En gaan nog thuis te bed.quot;

\'t Is waar; de hemel zij geprezen!

Ik kan licht dankbaar zijn.

En uw vertrooster moeilijk wezen.

Al doet uw lot mij pijn. /

Ik spaar u dus mijn wijze lessen.

Maar wil, zoo gij \'t gehengt.

-ocr page 125-

NIELS ST0CKFLET1I.

Collega StocMeths werkkring schetsen; Zie zelf waartoe dit brengt.

Collega Stockflcsh is te vinden —

Maar wie bezoekt hem ooit? — In \'t woest gebied der noordenwinden,

Met enkel sneeuw bestrooid,

Zijn oog wordt niets dan wildernissen

Met boom noch struik gewaar,

En moet ook zelfs dit uitzicht missen,

Twee maanden van het jaar.

Want dan vergeet ten eenemalen

De zon dit aaklig oord.

Waar ze anders nog wat bleeke stralen

Door mist en nevel boort.

Genoegzaam om te doen gevoelen,

Hoe naar het schouwspel zij Van grijze rotsen, bruine poelen.

Gemonsterd op een rij.

Wie onzer kan zich denkbeeld vormen

Van dien gerekten nacht. Als onophoudelijke stormen

Betoonen al hun kracht,

De jachtsneeuw giert, de stortsneeuw dondert,

En. zij ook \'t haardvuur heet,

Geen mensch zich van den rijp verwondert Aan deur- en vensterreet 1

Dan worden, voor zijn vuur gezeten,

En luistrend naar \'t geweld.

De lange jaren, hier gesleten,

Door Stockfleth nageteld.

Dan mag hij mymren aan de dagen

Van \'t schoon en drok weleer.

Die hem den degen voeren zagen Voor \'t vaderland en de eer.

Dan mag hij, als \'t uitzinnig tieren,

\'t Geraas, \'t gejoel, \'t gegons. Het beurtlings schor en gillend gieren

Hem wakker houdt op \'t dons.

Bij \'t flauwe lamplicht om zich staren.

Te midden van \'t gedruisch.

En denken aan die vóór hem waren Bewoners van dit huis.

Als hij, het heilig ambt bekleedden Met onbeneveld hoofd,

-ocr page 126-

NIELS STOCKPLETH.

Tot eenzaamheid en aakligheden Hen hadden uitgedoofd;

En die, als tintelende vonken

In grauwende asch versmoord,

Tot zinloosheid zijn weggezonken,

In dit afgrijslijk oord.

Collega Niels heeft zijn gemeente. En toont het metterdaad,

Voorzeker lief tot in \'t gebeente,

Daar hij haar nooit verlaat;

En \'t zegt niet weinig; stompe Finnen En Lappen, vuil en dom,

Een reeks van jaren te beminnen In naam van \'t christendom.

Collega Stockfleths combinatie Sluit half een Neerland in:

Zijn kudde is een geheele natie,

En alles Lap of Fin.

Hier hoort men somtijds wel eens klagen „Dat huisbezoek valt zwaar!quot;

Maar zoo wij Stockfleths arbeid zagen, Wij onderdrukten \'t maar.

Laat ons hem volgen op die reizen. Van ijskoud oord tot oord! —

Daar zit hij neer in zijn gepeizen; Het rendier trekt hem voort.

Reeds gaat de tocht met trage stappen, Want nacht eu duister daalt;

De grove tent der grove Lappen Wordt voor den dag gehaald.

Men veegt terzij de losse vlokken; Men strooit den grond met rijs;

Men spant het doek op negen stokken, Naar Finniaansche wijs.

In \'t midden zal het haardvuur branden; Reeds maakt de rook begin;

En Stockfleth kruipt op knie en handen Den lagen kegel in.

Het reisgezelschap volgt die schreden, Geen naam van schreden waard,

En slaat op kruislingsche onderleden Een cirkel om den haard.

Straks zal de houten lepel rondgaan Kn, dank zij \'t heilig vuur!

-ocr page 127-

NIELS STOCKFLETH.

Met vloeibre sneeuw van mond tot mond gaan, Voor langer dan een uur.

Terwijl die nectar zich laat pooien,

Ligt, bij denzelfden gloed,

Een groot stuk rendiervleesch te ontdooien,

Uat aanstonds dienen moet.

De kousen \') hangen vast te drogen.

En beuglen, van haar staak, Den drinkenden voor neus en oogen;

Maar dat doet niets ter zaak.

Koude en vermoeidheid zijn vergeten,

De dorst in \'t eind gelescht;

Men spitst zich slechts op \'t keurig eten.

En glimlacht al zijn best.

„God zij voor \'t warme huis geprezen!quot;

Roept ieder blij te moe;

En Stockfleth zegt, met minzaam wezen, Er bibbrend „Amenquot; toe.

De rook, het vuur, \'t getrouw betasten.

De tong vau \'t hondenpaar Zal ras een eind doen zien aan \'t vasten —

Het oogenblik is daar!

Een Lap neemt aan het vleesch te hakken;

Hij knielt, de bijl rijst op ....

En, eer de grage honden \'t pakken.

Vliegt stuk bij stuk in \'t sop.

Nu doet men \'t vuur verdubbeld knappen.

Nu wordt de gloed een hel.

Tot groot vermaak der kleine Lappen

En van hun vetleer vel.

Collega zou \'t zich minder troosten,

Zoo wijken mooglijk waar;

Maar laat in \'s hemels naam zich roosten, Een roemloos martelaar!

Zoo hij maar eens zich om kon wenden,

Zi]ni gloed was ras gebluscht;

Dat voelen zün bevroren lenden.

Waarop het tentdoek rust.

Maar vleesch en soep zijn naar behooren;

Elk pryst de lekkernij;

Den Pap 2) is zelfs een brood beschoren; Een mes en vork daarbij!

\') Eigenlek de komagen; een soort van wijde laarzen, die tot over »lo knicöu reiken, en met zacht gras aangevuld zyn.

-) Predikant.

95

-ocr page 128-

NIELS STOCKFLEÏH.

Ku is de maaltijd af\'geloopen

En öode dank betap,ld,

Dan fluks den pelszak ingekropen,

De deken opgehaald:

Men ^strekt zicli boogsgewijze neder,

Gelijk gestopte worst,

En elke Lap legt trouw en teeder \'t Hoofd onder \'s buurmans borst.

Zoo slaapt men, onder \'t dak van lijnen \'),

Gezellig en gerust.

En laat het flakkrend vuurtje kwijnen,

Of uitgaan, naar zijn lust. De morgendisoh vereischt geen stoken, r Voor d\'onverweekten Lap;

Poch zal men mooglijk nog eens poken, Ter eere van den Pap.

\'t Gebed gedaan, \'t ontbijt genoten;

De vrienden maken haast. Het rendierspan dient opgestooten,

Kn wie weet waar het graast?

Het vee te zoeken staat den Lappen

Op vrij wat zweetverlies;

De Pap, door heen en weer te stappen.

Zorgt dat hij niet bevriez\'.

In \'t eind, de dieren en de mannen

Staan hijgende in het rond;

Nu wordt er ijlings ingespannen.

En men vertrekt terstond.

Door sneeuw- op sneeuwveld gaat het verder Met klinglend belgeluid.

Het zweetend schaap, de koude herder, Elk in zijn berenhuid.

Maar de Opperherder in den hoogen

Ziet op die sledevaart Gewis met welgevallige oogen;

Want Hem zijn lief en waard De liefde, die de sneeuw durft tarten

En in geen ns bevriest,

96

\'t Geloof, dat ooli: in Lapsohe harten Zijn waarde niet verliest.

\') Lynen = linnen. Vergelijk: lynwaad.

-ocr page 129-

BLOEIENDE I.INDE.

BLOEIENDE LINDE.

Diep dringt de wortel door,

Die \'t oog ontvlucht;

Hoog stijgt de stam hervoor,

Hoog in de lucht.

Ver breiden, met een zacht ontfermen, De takken, als weldadige armen,

Zich over \'t lager groeiend kruid,

Naar alle zijden, liefdrijk uit.

De koele schaduw strekt nog verder.

En lokt de kudde met den herder,

Des middags, op den zoom van \'t bosch. Ter sluimring uit in \'t koele mos.

Maar het verst reikt de geur van de geurige bloesems. Die de twijgen bezaaien, omlaag en omhoog. Zij verbergen zich needrig en zedig voor \'t oog.

Maar verkwikken veel hoofden en zalven veel boezems. Arm en rijk vangt dien geur, en bij dag en bij nacht Wordt de linde gezegend en dank toegebracht.

\'t Blind en hulpbehoevend zieltje.

Lang van \'s levens last vermoeid,

Kuikt hem bij haar spinnewieltje:

„Kindertjes! de linde bloeit!quot;

Op het ziekbed neergezegen,

Haalt het teringachtig wicht Dezen geur nog eens terdegen

Op, en lacht met bleek gezicht.

Voor haar open venster, staken (Komt hij ook hun neusjes raken)

Broertje en zusje \'t vroolijk spel.

De oudste heft zich op de teenen.

Gluurt vernoegd naar \'t bedje henen:

„Zusje!quot; vraagt hij, „ruikt gij \'twelVquot;

Zelfs de ruiter, op de heiden,

Waar de geur hem tegenvaart,

Kort den teugel, stuit het paard.

Om het plekje te onderscheiden.

Waar de balsem wolk van stijgt.

Die zoo koestrend nederzijgt.

Als hij, met geslaakte toornen,

Toestapt op de lindeboomen.

Zien zijn bruine wangen bleek;

-ocr page 130-

ueex engel.

Beelden uit het diepst verleden,

Enkel liefde en lieflijklieden.

Maken hem den boezem week.

Onder \'t lommer zit de Wijze,

Met den leerling aan zijn voet,

Starende op den achtbren grijze,

\'t Oog vol eerbied en in gloed.

Naar den blondgelokten schedel

Wordt de stramme hand gestrekt; \'t Voorhoofd streelt zij, breed en edel, En de geest wordt opgewekt:

„Dring diep door, eedle geest!

Om te steiler te stijgen.

Maar hoe hooger gij veest,

Leer des te lager, in liefde, te nijgen Tot wat, zwak en hejiroefd. Uw bescherming behoeft,

Kn haar inroept met hopen en zwijgen.

Vermenigvuldig en verbreid

Uw kracht, uiv werk, uw zegen;

Maar glimlach zacht een lijdend menschdom tegen ■ Ver reikt de liefde, verst met lieflijkheid.quot;

Zeist, Juli.

GEEN ENGEL.

Gij zijt geen engel, maar een mensch,

Mensch vol bekoorlijkheden;

Een engel heb ik nooit aanschouwd, Een mensch, als daar ik u voor houd,

Maar zeldzaam op zien treden.

Gij zijt geen eugel, maar een mensch.

Waar menschen roem op dragen; Een mensch aantreklijk, geestig, goed. Met helder hoofd en rijk gemoed,

En \'t oog omhoog geslagen.

Gij zijt geen engel, maar een mensch.

Al hebt ge een englenharte;

Al hebt ge eens engels hulp en troost Beschikbaar, waar een menschlijk kroost Den doren voelt der smarte.

Gij zijt geen engel, maar een mensch;

O neem geen englenwieken!

98

-ocr page 131-

V®I.KSLIED, — GEEN GENADE. — HET IIAARLEMMEUMKEU DROOGGEMAAKT. 9ü

Maai- wond uw voet vaak naar mijn deur, En laat mijn huis den nardusgeur Van uwe liefde rieken.

VOLKSLIED.

Wij xijn kindren van ons land,

Vrije Batavieren!

Bloemen van den waterkant Ons den hoed versieren.

\'t Water dreigt, maar krijgt ons niet,

Achter onze dijken,

En de verste zeeplas ziet Onze vlaggen prijken.

Dankbaar dienen we onzen God,

Eeren onzen Koning,

Slechts op trouw aan \'t hoogst gebod

Wachten wij belooning.

Helden zijn wij voor het recht,

Niet in \'t oproerschreeuwen Aan de Oranjevaan gehecht, Nederlandsche leeuwen.

GEEN GENADE.

A.

\'t Is waar, hier is een glasruit stuk,

En daar is een deur, die niet sluit;

Maar \'t gansch gebouw is heerlijk....

B.

Neen!

\'t Steekt te hoog boven do anderen uit.

HET HAARLEMMERMEER DROOGGEMAAKT.

1853.

Nu, kom eens uit uw graf.

Gij puik der Molenaren,l)

\') Dat, In dezen mijn IVden Haarlemmermeer-zang (zie Nr. I, II en ixi op bl. 129, 30 van het Ilde en op bl. CO, 61 en IOC), 7 van bet voorliggende Di.) met bet puik der Molenaren, de oude Itjjpsche Molenaar van den lilden bedoeld wordt, de man die In 1011 bet eerste plan tot droogmaking van bet H. 01. beeft ingediend, beboeft evenmin bier opgemerkt te worden als dat de woorden: Xuvj haast uw long gezand Aan de uiers ran de koeien, aan bet krachtige vers van Vondel „Op het Uitmalen van het Haerlemmermeir, aan den Leeuw van Hollantquot; (H)42) ontleend zijn.

-ocr page 132-

ROEM. — GENOT.

En zak bet Zuider-Sparen Eens in een schuitje af!

Nu, klim dien dijk eens op!

Gij hoeft niet meer te vragen; Uw vijand ligt verslagen,

(Jw zielsvreugd stijgt ten top.

Ku, geef\' van vreugd een schreeuw, Nu, schud uw manen statig; Uw fierheid is rechtmatig, Oud-Hollands trotsche Leeuw!

„Zuig haast uw long gezond Aan de uiers van de koeienquot;,

Uie \'t luid triumflied loeien Op d\'overwonnen grond.

Geluk, mijn Vaderland!

Geluk, geluk, mijn Koning! Volharding vindt belooning. Volharding en verstand.

Gij rukte \'t zwaard niet bloot; Gij liet het in zijn scheede;

Gij hebt in vollen vrede quot;Uwe eer en erf vergroot.

Heb dank, almachtig Heer!

Uw gunst mocht ons bestralen; Gij deedt ons zegepralen; Aan U-alleen zij de eer.

Blijf die ge ons zjjt geweest;

Bestel het zaad den zaaier,

Ken dubble\' oogst den maaier,

Heel \'t volk een dankbren geest!

1.

ROEM.

Wat Vaardsche roem? \'t Vermolmend hout. Pat in den nacht der wereld lichtte.

Maar, bij den dag van \'t jongst gerichte, Als morsig vuilnis wordt beschouwd.

11.

GENOT.

Aardsche lust is haast genoten; Wijn is \'t, op een zeef gegoten.

TTff v-of Hooi/duitscb.

100

-ocr page 133-

UIT MOEDEUS NAAM.

UIT MOEDERS NAAM.

TER BRUILOFT iTTJÏ-ER JONGSTE ZUSTER.

Het is niet om de vreugd te storen, Die voorzit aan dees blijden disch,

Indien zich hier de stem laat hooren

Der Moedor, die afwezig is;

Niet om een wolk van smart te brengen, Waar alles licht en glans moet zijn.

En in den feestelijken wijn Een bittren drop te mengen.

Laat, lieve Bruid! dat traantje blijven,

Dat uit uw oogje dringt en breekt;

Om uit uw hartje \'t weg te drijven.

Ziedaar waarom uw Moeder spreekt. Het laatste rimpeltje moet wijken

Van \'t voorhoofd, dat een bruidskrans tooit-Kom, laat uw Moeder, nu of nooit. Het van uw slapen strijken.

Gij weet toch, lieve! dat uw rozen

Voor haar geen doornen zijn van smart. Of slechts met fletse verven blozen.

Voor \'t uw gemis betreurend hart. Betreurend? Neen! dit is geen treuren.

Dees zachte weemoed baart geen pijn: Wie op die wijs bedroefd mag zijn.

Blijf ik gelukkig keuren.

\'t Is waar... Maar waarom toch dit schreien

Ik schrei niet daar ik tot u spreek! \'t Is waar, hier is een moeilijk scheien;

Maar is uw Moeders hart zoo week? \'t Is waar, hier rijzen vele zorgen;

Maar lieve, hebt gij niet bemerkt Hoe God uw Moeder heden sterkt?

En zal Hij \'t ook niet morgen?

Hoog zyn mijn jaren, klein mijn krachten,

\'t Geschokte lichaam krank en broos, Mün dagen lang gerekt, mijn nachten

Maar al te dikwijls slapeloos.

Veel troost, veel vreugde neemt gij mede ... Doch wij genoten veel en lang;

Uw waar geluk eischt al mijn dank. En was altijd mijn bede.

-ocr page 134-

CJ1Ï MOEDERS NAAM.

Uw trouwdag heb ik vaak verschoven;

Mijn stervensuur scheen zoo nabij;

En zou ik nu mijn God niet loven,

Uie hem doet opfraan, ook voor mij? Z4jn wijsheid riep van uit ons midden Ken ander dierbaar leven af;

Maar ik mag, op den rand van \'t graf, Zijn goedheid nog aanbidden.

Aanbidden, ja; en met u allen

Op luiden toon Hem danken, dat Ilij nog zoo schoon een straal laat vallen

Op \'t haast voleindigd levenspad. Kom Bruid! dit traantje zjj het leste! Wij weenen niet; wij zijn verblijd; Wij willen dat gij vroolijk zijt.

Wij zijn het zelf, mijn beste!

Niet waar, mijn Gade! wij zijn blijde.

Wij zijn het beiden, gij en ik?

Wij juichen op dit feestgetijde;

Het is een heilig oogenblik.

Lang kondt ge aan dezen dag niet denken, Of dacht uw lijdende Eega dood;

Maar God, mijn dierbare Echtgenoot! Wilde ons dien samen, schenken.

Komt, laat ons Hem vereenigd prjjzen.

En voorts getroost zijn in ons lot!

Door duizend gunst- en trouwbewijzen

Blijft hij een algenoegzaam God.

Laat ons de lieve Dochter zegenen Voor al de vreugd ons aangedaan.

En haar met moedig hart ontslaan. Met helder oog bejegenen.

Laat ons den braven Bruigom toonen,

Hoe gansch volkomen ons gemoed Hem opneemt bij ons viertal zonen.

Hem liefheeft als ons eigen bloed;

Laat zijn gevoelig hart niet lijden,

Geen oogenblik benepen slaan.

Als deed hij daar een misdaad aan,

Zich zichtbaar te verblijden.

Komt, Zoon en Dochter! komt, knielt neder!

Hier is uw Moeder in den geest.

Hier is dat hart, zoo trouw en teeder. Dat oog, dat in uw boezem leest.

-ocr page 135-

VLEKKEN IN DE ZON. — .TONOELINOSCIIAP.

Hier is haar moedoi\'lijko zegen!

Aanvaardt dien! Hij zal met u gaan, En (hechte er Gol zijn zegel aan!) Op blijde en dohkre wegen.

VLEKKEN IN DE ZON.

T)e zon heeft vlekken; dat is waar, Maar wordt ook luid genoeg verkondigd.

Zij is \'t getroost. Dit spijt haar maar: Er wordt zoo vreeslijk op gezondigd.

JONGELINGSCHAP.

Treedt vroolijk, treedt met fierheid op, Rechtaarde Jongelingen!

En plukt den schoonsten rozenknop, Waarvan de dichters zingen.

Voor u is \'t, dat hij geurt en gloeit.

Met droppels van een dauw besproeid. Die op de blaadren wiegelt,

Waar zich Gods zon in spiegelt.

Treed vurig op, treedt moedig voort. Van God geschonken Zonen!

De lauwer, die uw oog bekoort.

Zal u den schedel kronen.

Tast toe; hij strekt zich naar u uit!

Het glinstrehd zwaard, de zilvren luit, Zoo machtig in uw vingeren.

Wil hij met loof omslingeren.

Treedt lachend op met scherts en zang. En siert de gouden lokken

Met eppenloof en wingerd-rank. Van mirtegeur doortrokken.

Gevoelt het bruisen van uw bloed,

De spanning van uw kracht en moed, En laat de zucht tot daden Zich in uw blik verraden.

Maar houdt den boezem onbesmet. En treedt op reine wegen,

Hebt eerbied voor des hemels wet, Behoefte aan \'s hemels zegen;

Beheerscht u zelve»; hebt do kracht

-ocr page 136-

„MET ZEN ACHTEN.quot;

104

DR1E JONGELINGEN. —

Te huivren, waar de zonde lacht,

Den moed om God te vreezen,

Om kuiseli en vroom te wezen.

DRIE JONGELINGEN.

(Naar Uhland.)

Drie jongelingen togen dwars over den Kijn;

In gindsche kleine herberg, daar moeten zij zijn.

rLaat proeven, kasteleinse! uw besten wijn en bier,

En breng ons zonder dralen uw mooie dochter hier!quot;

„„Mijn bier en wijn, mijnheeren! zijn krachtig, frisoh en klaar; Maar ach, mijn mooie dochtertje, ligt op de zwarte baar.quot;quot;

De knapen traden binnen, en maakten geen gedruisch;

Daar lag het mooie dochtertje, in \'t enge planken huis.

En de eerste jongling rukte den hoofddoek snel omhoog, En zag het mooie dochtertje.... Een traan blonk in zijn oog.

„Ach, waart gij blijven leven,quot; zoo sprak hij, „beeldschoon kind „\'k Had van den dag van heden u teer en trouw bemind!quot;

De tweede jongling haalde den hoofddoek weder neer. En keerde zich naar \'t venster toe, en weende zoo zeer:

„Ach, ligt gij daar ter neder, mijn allerliefste schat!

„Ik heb zoo menig jaartje u teeder liefgehad.quot;

De derde heeft den hoofddoek weer spoedig weggerukt,

En op haar bleeke lippen een stijven kus gedrukt:

„U minde ik lange jaren, u min ik ook nog nu.

„Mijn lief, mijn uitverkoren! voor eeuwig min ik u.quot;

„MET ZEN ACHTEN.quot;

(naak Wordsworth).

Wat kan, in \'t Gooi, een schuldloos kind. Met rozen op de f\'rissche kaken,

Haar \'t niets dan leven in zich vindt. Van dood of sterven maken?

t Een meisje trippelde aan mijn zij Van zes, of mooglijk zeven, jaren:

-ocr page 137-

„MET ZEN ACHTEN.quot;

Wat schitterde dat oogje blij Van onder \'t zwart der baren.

Een aardig lacbje, zacht en schoon, Ontblootte hagelwitte tanden,

En vormde een kuiltje in iedre koon, Wat bi-nin van \'t zonnebranden.

,\'k Vroeg: „Met hoe velen zijt gij wel?quot; Ze liet niet lang op \'t antwoord wachten. Maar vroolijk keek ze, en zeide snel: , „We bennen met zen achten.quot;quot;

„Zoo!quot; zeide ik, „dat \'s een heel gezin; „Dan zult ge de oudste wel niet wezen?quot; , „Neen, krek de jongste,quot;quot; viel zij in; , „Maar ik kan toch al lezen.quot;quot;

„En wat doen de andren ?quot; vroeg ik. „ „Twee Was \'t antwoord (kort, om tijd te sparen): „ „Twee onder dienst, en twee naar zee, „ „En een woont heel te Baren.

„ „Twee liggen er op \'t kerkhof neer, „ „Het eene een zusje, \'t andre een broertje „„En al der-al dernaast, mijnheer!

.„Daar woon ik met mijn moertje.quot;quot;

„Twee onder dienst, en twee naar zee, „Een heel te Baren — \'t is geen reisje!.... „Maar gij telt ze allemaal nog meê,

„Niet waar, mijn beste meisje?quot;

„ „En dan de twee op \'t kerkhof nog! „ .Want wij zijn met zen achten, weet u? „ „U ziet die hooge boomen toch ?

„ ,üe twee daaronder; die vergeet u.quot;quot;

,\'k Vergeet ze niet, maar aardig wicht! „Zoo, in de schaduw van die boomen, „Een broertje en een zusje ligt, „Is \'t achttal dan volkomen?quot;

, „Hun grafjes zijn vlak bij malkaar, „„En o! zoo dicht bij moeders huisje. „„Laat zien! Een stap of twalef maar; „ „Op ieder staat een kruisje.

-ocr page 138-

MAAT K.N TOON.

, „Ik zit er dikwijls, \'s morgens vroeg, „ „Of tussohen twaleven en tweeën; , „De kousen, die ik Zondag droeg, „„Die heb ik daar gebreeën.

, „En \'s zomers, als het avond wordt, „ „In \'t hooge gras terneergezeten,

„ „Brengt moeder daar mijn tinnen bord, „ „En schaft mijn avondeten.

„„Het eerste stierf mijn zusje Brech;

„ „VVat lag ze lang in \'t bed te klagen! „ „God nam op eens haar pijnen weg; „ „Toen werd zij uitgedragen.

„ „Toen kwam ze op \'t kerkhof, kort bij \'t hek, , „In \'t graf; vlak naast een iep; zoo\'n dikke; „„We speelden dikwijls op de plek,

„ „Mijn broertje Jan en ikke.

„„\'tWas zomer; maar toen \'t winter werd, „,(Ue sneeuw lag dik op \'t doornenhegje) „ „Kreeg Jantje ook de koorts, heel hard, „„En ging heel gauw naar Brechtje.quot;quot;

„Maar daar hij nu naast Brechtje ligt, „En nimmermeer met u kan spelen:

„Tel nog reis over, aardig wicht!

„Gij zijt — met u hoevelen?quot;

Het meisje sloeg haar oogjes neer.

En stond een poosje in gedachten;

Maar eensklaps riep ze, als de eerste keer: „„Wel heerschap! met zen achten.quot;quot;

„Maar zoo Gods englen Brechtje en Jan „Bij Jezus in den hemel brachten?quot;

„ „Ja, daar praat moeder ook wel van . „Goed! met hoevelen blijft gij dan?quot; „ „ Wel____II- zou meenen.... met zen achten.quot; quot;

MAAT EN TOON.

Wat een lied kan doen behagen Is de toon,

Is de maat.

Waar die goed zijn aangeslagen, Is een schoon Dat volstaat.

-ocr page 139-

KERSTFEEST. — HEMELVAART.

Echte Kunst, naar recht en reden,

Dringt op meerder schoonheên aan; Maar het oor is reeds tevreden, \'t Hart getroffen en voldaan.

Toon en maat doet leege galmen Klinken als verheven psalmen,

Zich in toon en maat vergissen Godentaal haar werking missen.

KERSTFEEST.

Laat ons met de herders gaan

\'t Heilig kind begroeten, Zwijgend bi] zijn kribbe staan.

Knielen aan zijn voeten,

Denken aan het hemelsch lied

Van Gods englenreien.

En bij \'t wonder, hier geschied, Dankbre tranen schreien.

Sluiten we in ons innigst hart,

Wat onze ooren hooren.

Met de maagd, die moeder werd,

In gepeins verloren;

Wijken wij niet van dit Kind,

Eer we ons vergewissen Dat ons hart het teeder mint. En niet meer kan missen.

Variant: Eer wij zeker weten

Dat ons hart het teeder mint. En niet kan vergeten.

HEMELVAART.

Wat staart gij, met kortzichtige oogen,

Op d\' ondoordringbren hemeltrans ?

Daar houdt een wolk uw Heer omtogen,

Gansch oogverblindend door haar glans. Wat wenscht ge u wieken, wenscht u krachten

Om op te varen waar Hij leeft,

Die zelfs op vleuglen van gedachten Het heiligdom niet binnenzweeft!

Aah. leer in eigen boezem delven;

Misleid u niet, tot enkel smart;

En vraag, bij hemelsch licht, uzelven:

-ocr page 140-

108 ZlE OP! - NCO KKNS : UE -Z. - WAARHEID. -

Woont reeds de Heiland in mijn hart?

Werd Hem, die opvoer in den noogen, quot; Ook daar een zetel opgericht,

Zoo dat Hij, naar zün alvermogen quot; „En liefde, ook daar een hemel sticht?

ZIE OP!

Blinde stervling! die daar meent,

Als gij weent;

„God is verre!quot;

In den donker licht de sterre.

NOG EENS; DE WAARHEID LIGT IN \'T MIDDEN.

De waarheid ligt in \'t midden:

Miin vrienden, is dat waar.

Dan ligt zij heden elders Dan heden over een jaar.

De waarheid ligt in \'t midden*

Als ik \'t gelóoven zal,

Dan ligt de waarheid nergens,

Of li\'gt ze misschien overal i

De waarheid ligt in \'t midden----

Och sukkel! zwijg toch stil!

De waarheid ligt in t midden „ „Wil zeggen; Ze ligt waar ik wil.

W A A R H E I D.

(SAAB EÜCKEBT.)

Waarheid is het lichtste spel van allen.

Doe u voor gelijk gVl.,zllt\' .

En vrees geen dan dit verwijt.

Dit uw rol te zfln gevallen.

BEGRAFENIS.

Ween, trouwe liefde, ween |

Bii \'t scheiden van uw bloetl. Gevoelloos wezen als een steen Bewiist geen vroom gemoed.

-ocr page 141-

OPVOEDING.

\'t Geloof blijft evenzeer Den blik naai boven slaan: Do christen daalt in\'t graf slechts neer Om heerlijk op te staan.

O God, ü looft ons hart,

ü prijst het bij dit graf,

Dat uw gena, bij zooveel smart. Zoo schoon een hoop ons gaf!

Het sterven is gewin.

Voor die op Jezus ziet;

Hij ziet den open hemel in, En d\' open grafkuil niet.

O Gij, die eeuwig leeft,

En eeuwig leven doet.

De troost, dien Gij in \'t sterven geeft, Is onze gansche moed!

Wij zaaien hier een zaad, Verderflijk. zwak en teer;

Maar, bij den jongsten dageraad. Wekt Gij het op in eer.

Dees prooi van \'t vuig gewormt Wordt, voor \'t verbaasd heelal, U tot een evenbeeld hervormd,

Dat U aanschouwen zal.

Vg. UlLLEli.

O P V O E DIN G.

(NAAK 11ÜCKEEÏ.)

Nooit kon ik den kunstgreep leereu Om mijn kindren te dresseeren; Daarom zijn zij opgegroeid Als hun vader, onbesnoeid.

Maar, wanneer ik \'t soms beproefde, Heeft het toch dit nut gehad.

Dat het aan mijzelf iets glad-schaafde, dat de schaaf behoefde.

Iets; niet alles; daaglijks toch Haakt het hier en elders nog. Mooglijk, dat zich Alles giadde Zoo ik meer tuchtmeesters hadde, Naamlijk kindren op te voên ....

Doch met zeven kan ik \'t doen.

109

-ocr page 142-

nog een wenk. — het zeemanshuis.

NOG EEN WENK.

Zoo ge u goede menschen op wilt voeden, Veins niet! Wie ge ook zijt, wees die gij zijt

Waar de kinderen een rol vermoeden,

Zijt gij \'t spel en al uw invloed kwijt.

Aan wiens blik de waarheid zich onttrekken, Hoe de leugen zich verbergen moog: \'t Godüjk en het Kinder-oog

Zullen beide ontdekken.

De eerste deugd is Waarheid. Heb dan moed

Waar te wezen: gij zijt groot en goed.

Vg. Paulus Silesius.

HET ZEEMANSHUIS.

Bouw een huis voor Janmaat op!

Zet een anker in den top;

Laat, om hem te praaien,

Hollands vlag er waaien.

Bouw het sierlijk, bouw het sterk,

lluim en deftig als een kerk,

13innen knap en buiten,

En met groote ruiten.

Maar verlok hem door geen mooi;

Vang hem niet gelijk een prooi;

Laat hem in zijn vrinden Ware vrinden vinden.

Janmaat is niet veel gewend!

Veeren laten zonder end,

Vijf en twintig jaren Voor zijn slaapbaas varen.

Nieuwe slaapbaas, wie gij zijt!

Schrijf je niet met dubbel krijt,

Jan zal al zijn dagen Van uw lof gewagen.

Spreid zijn kooi gelijk \'t behoort,

Houd de kapers van zijn boord.

Zorg geen lilfelaifen.

Maar wat goeds te schaffen.

Hebt gij dan nog bovendien _

Wat voor hem op \'t hart misschien, Ik wed dat hij luistert.

Waar hem liefde kluistert.

-ocr page 143-

AAN MIJNE KINDEREN. — LOTWISSELING.

AAN MIJNE KINDEREN.

Kindren! leert u vroeg gewennen

Te aller tiid,

Gods alwetendheid te erkennen,

Waar ge ook zijt.

Hen, die overal beseffen:

„God is hier!quot;

Zal geen pijl des Satans treffen, Hoe hij zwier.

Opent gij des morgens de oogen

Voor het licht,

Denkt: ,Op mij staart uit den hoogen

Gods gezicht.quot;

Op uw rustbed neergelegen,

In den nacht.

Zij dit denkbeeld u ten zegen; „God geeft acht.quot;

Waar zich ooit uw voeten keeren,

God gaat mee.

Over bergen, heiden, meren.

Zand en zee.

Niemand kan die hand ontvlieden

Of dien blik.

Baar die troost van brave lieden U geen schrik!

Ach, het is een vreeslijk vreezen,

Waar men vreest en beeft, Van dien God gezien te wezen,

Door wiens zorg men leeft. Ach, het is een hooploos hopen.

Waar men hoopt en haakt Aan die trouwe hand te ontloopen. Die gelukkig maakt

LOTWISSELING.

Welk een vreugd in uw jeugd, welk een gloed in uw bloed,

Welk een glans op den krans uwer liefde.

Welk een vonk in die oogen, vol zorgloozen moed.

Welk een speelzieke lach op die lipjes zoo zoet.

Eer de smarte des levens u griefde!

Maar waar was toen die Vreê, die uw harte thans smaakt,

Die uw hoofd met haar gloor heeft omtogen;

Waar die Kracht, die uw boezem nu nimmer verzaakt.

111

-ocr page 144-

ON lï KR EIK BAAR. —

112

IN DEN HEKFST.

Waar die Hoop, die den bios op uw wangen bewaakt,

En de tranen verdrijft uit uw oogen?

Welk een smart voor uw hart, welk een zwaard voor uw ziel,

Welk een wolk, welk een nacht op uw paden.

Welk een storm op de speelreis der zorglooze kiel,

Als uw afgod op eenmaal zijn voetstuk ontviel.

Om het ledig van \'t hart te verraden!

Maar daarna — wolk een licht voor \'t beneveld gezicht.

Welk een balsem voor \'t snerpen der wonden,

Welk een anker van troost, welk een adem van rust,

Als uw lippen de voeten uws Hollands gekust.

En uw ^iele haar tiod had gevonden!

OK BEREIKBAAR.

(NAAK EÜCKERT.)

Is iets voor uw bereik te hoog.

Gij moet den blik niet derwaarts keeren.

Tenzij dan met zoo scherp een oog Dat u doet zien; „Ik kan \'t ontberen.quot;

IN DEN HERFST.

Hebt gij nog een lach, Late Najaarsdag?

Hebt gij nog een lonkjeV

Wekt ge in mijn gemoed Weer een glimmend vonkje Van den ouden gloed?

Brengt gij aan mijn hart Weer die zoete smart. Eens mijn welbehagen.

Als ik, jongeling,

In de Octoberdagen Door de wouden ging?

Geurt mij in de lucht, Ruischt mij, in \'t gerucht Van do dorre bladen.

Zweeft mij, in het rag Van de najaarsdraden. Op dees koelen dag,

Stijgt mij, uit het bosch, Tn welks bonten dos,

-ocr page 145-

T

IN DEN HEKI\'ST.

113

ziol,

Daalt mij uit de hemelen, Uoor wiei\' bleek azuur, Alle tinten wemelen, In dit plechtig uur.

Spreekt mij, \'k weet niet hos, Heel \'t Verleden toe, Zonder stem of woorden\'?

Hoor ik, in quot;t verschiet. Nagalm der akkoorden Van mijn eigen lied\'?

\'t Lied, de mijmering Van den jongeling,

Die zijn weeke snaren Stemde naar den toon Van de vallende blaren En \'t stervende schoon ?

Wien \'t, „als de zon haar dwarse stralen,

Op lindetop en beukenkruin,

Deed lichten over rood en bruin,

Een wellust was door \'t bosch te dwalen,

En, in den koelen najaarswind.

Eens ruim en zuiver aam te halen.

Die steeds den Herfsttijd heeft bemind ?quot; \')

Hij mint hem nog. De Lente van zijn leven Is nu voorbij, met al haar geur en gloed;

De Zomer kwam, en heeft hem meer gegeven Dan ooit zijn Lente had vermoed.

O, Welk een schat van frissche liefdeknoppen En levensbloemen, rijk en bont.

Ontbloeide er vroolijk, op zijn grond,

B-ij uw licht, o mijn God, en uwe regendroppen!

Daar is geen vreugd voor \'t menschlijk hart te smaken. Geen \'t menschlijk harte waarde vreugd,

Of, meerder dan de droom der jeugd.

Mocht zij zijn hart gelukkig maken.

In liefde rijk, in zegen rijk, in hopen Nog rijker, steunende op zijn God,

Roemt hij op aard zijn zalig lot En ziet den hemel open.

\') Zie Dl. II bl. 27 en vv, Najaarsmymering. III.

8

-ocr page 146-

114 EEM LIEU OM BEVRIJDING.

Geen weemoed meer; geen mijrarend zich onthalen Op teugen van gemaakte ellend....

Wel heeft hij ook de smart gekend,

Maar als een bad, om \'t weeke hart te stalen.

En zoo dat hart ook nu het Herfstgetijde Nog liefheeft, en zijn ernstig schoon Aan de oude luite ook thans een toon Ontlokt, die toon klinkt blijde.

Want wat des jonglings hart, in stille stonden Van zoete mijmerij.

Deed zuchten is voorbij,

En wat het zocht, gevonden.

En ziende hoe de dag der dorre bladeren

Zijn schoonheid heeft, zjjn glimlach, en zijn licht. Ziet hij, ook zelf een glimlach op \'t gezicht. Met iedren Herfst, den Herfst des Levens naderen.

EEN LIED OM BEVRIJDING. 1853.

NEGEN JAA1Ï I.ATKR VERHOOIID.

Laat de ketens vallen!

Breekt, verbreekt het,juk! Vrijheid is voor allen

Noodig tot geluk. Menschelijke harten,

Die dien schat besluit, Brengt hem ook den zwarten, Stelt niet langer uit!

Laat de ketens vallen!

Breekt, verbreekt het juk Vrijheid is voor allen Noodig tot geluk.

Jezus is gekomen

Tot uw volk en huis;

Zegen doet Hij stroomen

Van zijn kribbe en kruis. Allen wil Hij nooden,

Stillen iedre pijn;

Laat zijn vredeboden Vrijheidsboden zijn!

Laat de ketens vallen!

Breekt, verbreekt het juk!

-ocr page 147-

NOG EEN LIED OM BEVRIJDING. — VADEKS VEDELDEUKTJE HIJ DE WIEO.

Vrjjheid is, voor allen,

Noodig tot geluk.

Hoort, het lied der slaven Ruischt van strand tot strand:

„Machtigen en braven „In het vrije land!

„Laat ons weldra hooren „\'t Lied van de overzij:

„„Wij zijn vrij geboren,

„„tin wij maken vrij!quot;quot;

Laat de ketens vallen!

Breekt, verbreekt het juk!

Vrijheid is voor allen Noodig tot geluk.

NOG EEN LIED OM BEVRIJDING.

MERKELIJK KOUT EK DAN HET VORIGE.

Och, Neerlauda machtigen en braven!

Verbreekt ons juk;

Brengt, brengt uw arme negerslaven Toch eindlijk, eindlijk uit den druk. Wij zijn wel zwarten.

Maar hebben harten. Zoo goed als gij.

En zoo uw harten beter zijn.

Verlost dan de onzen van de pijn! Veel lijden wij.

VADERS VEDELDEUNTJE BIJ DE WIEG.

Uaar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldie, fiedeldooi, Daar was een kleine jongen,

Zijn moeder vond hem mooi.

Zijn oogjes blauw en klaar, en

Zijn neusje lief en fijn;

Zijn mondje, voor zijn jaren.

Zoo proper, als \'t kon zijn;

Zijn handjes als satijn.

Zijn lijfje, waar men kijkt of tuurt.

Zoo wel gevormd, zoo goed gevuld; En \'t haar, dat uit zijn mutsje gluurt, \'t Is net of \'t al wat krult!

-ocr page 148-

VADERS VEDELDEUNTJE HIJ DB WIEG.

Daav was een kleine jongen,

Fiedeldo, iiedeldotn, fiedeldie, fiedeldooi, Daar was een kleine jongen,

Zijn moeder vond hem mooi,

Zijn vader zei: Wijf, wees niet mal!

üw uiltje is geen valkje.

Piedeldo, fiedeldom, wat was \'t geval? De moeder hield van \'t schalkje; De vader? — Niemendal.

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedeldie, fiedeldoet, Daar was een kleine jongen.

Zijn moeder vond hem zoet.

Hij was des nachts zoo rustig; Hij kwam een keer drie vier, niet meer; Dan zoog hij maar eens lustig, En daadlij k sliep hij weer.

Gezellig was hij zeer.

Soms lag hij, langer dan een uur. Met open kijkers, zonder dorst; Wat kon hij kraaien tegen \'t vuur, En hunkren om de bórst!

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fledeldiet, fiedeldoet, Daar was een kleine jongen.

Zijn moeder yond hem zoet.

Zijn vader zei: Wijf, wees niet mal!

Het is een lastig kwantje.

Fiedeldo, fiedeldom, wat was \'t geval? De moeder hield van Jantje, De vader? — Niemendal.

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom. fiedelstok, fiedelstreek, Daar was een kleine jongen.

Die op zijn vader leek.

Een aardje naar zijn vaartje.

Dat zat er stellig in;

Zijn hoofdje, en zijn haartje.

Zijn neusje en zijn kin,

\'t Leek alles meer of min. Als moeder hem in de oogjes zag.

Werd haar gemoed zoo vol, zoo week, Omdat hij, zei ze; met den dag Meer op zijn vader leek.

Daar was een kleine jongen,

Fiedeldo, fiedeldom, fiedelstok, fiedelstreek.

116

-ocr page 149-

HEOEHKItANSJE VOOR DE JAUIOE MOEDER. 117

Daar was een kleine jongen,

Die op zijn vader leek.

Maar vader zei: Wijlquot;, wees niet mal!

Het ia een leelijk aapje! i\'iedeldo, fiedeldom, wat was \'t geval? De moeder hield van \'t knaapje; De vader\'? - Niemendal.

GULDEN LES.

Maak eon dag van den nacht, door in \'t donker ook geen

Dan werken des lichts te verrichten.

Maak een nacht van den dag, door stilzwijgend elkeen Met uw rust en uw kalmte te stichten.

(Zie SIMON MKTAPHKASTES, OVGl* JaCOBUS JUSTUS.)

LIEDERKRANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER. I.

Gij zaagt u gaarne heden Nog eens een liedje toegedacht.

Maar hebt, om wijze reden.

Het maar niet al te vast verwacht.

Nu kom ik er met Acht.

Hier zyn er Acht, mijn waarde!

Meer dan gij ooit of ooit voorheen Op uw verjaarfeest gaarde;

Acht van uw Man-alleen.

En dit is Een.

U gelden de andre Zeven:

Daar Moeders immers gansch en gaar

In hare kindren leven.

Is \'t bij een enkle twijfelbaar:

Van u is \'t dubbel waar.

O Moeder, die wij loven

En lieven teederlijk,

U zeegne God hierboven Met liefdeblijk op blijk!

Hij is zoo rijk.

GULDEN LES. —

-ocr page 150-

L1EUEUKF.ANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER.

II.

ONZE OUDSTE,

Marten is ons oudste kind:

Wat zal van Marten groeien? Een man van geld of van bewind,

Veel koeien en veel moeien? Ken man van tabberd, zwaard, of jieuï Een man, gelijk ik zeiver ben? Een rijmelaar of preeker?

\'t Is alles gansch onzeker.

Maar schoon dit onzeker zij En lang onzeker blijve:

Dit, oudste Jongen! hopen wij

Dat vast sta en beklijve:

Dat ge edel, eerlijk, vroed en vroom, Een Man wordt, zonder blaam of schroom, In woord en daad waarachtig.

En aan zijn God gedachtig.

111.

ONZE KREUPELE.

liet hielp niet of wij wreven Met handen warm en zacht, Of borstelden met kracht, En \'t bloed naar buiten dreven.

liet hielp niet of wij baadden In water zout of zoet, »

in mout, in smout, in bloed, Naar dat ons de artsen raadden.

Het hielp niet of wij streken Met d\' uitgezochtsten koest. Met vluchtig zout of geest. Of lichtzalf deden lekeu.

liet hielp niet of wij schokten En pijnigden met kracht, Die we uit gepaarde macht Van zink en koper lokten.

Het hielp niet of wij smeekten Tot God den Heer omhoog. Of daaglijks uit ons oog Veel beete tranen leekten.

-ocr page 151-

LIEUEKKKANSJE VOOK DE JABIQE MOEDElt.

Het helpt niet of wij zuchten,

Daar \'t oog uw krukjes ziet, Of, starende in \'t ?ersohiet,

Veel droevigs voor u duchten.

Ach, schoon wij handewrongeu En schreiden dag en nacht, \'t Verlamde kreeg geen kracht!

Gij blijft een kreuple jongen.

Maar, schoon wij \'t graag verbaden. Zoo \'t zich verbidden liet, Uit blijvende verdriet

Kan niet aan alles schaden.

Gij hebt van God ontvangen Gezondheid, moed, en kracht. Een oog dat vroolijk lacht.

En rozen op de wangen.

Wil \'t met den voet niet lukken, De geest is vlug en goed. Bij velen zweeft de voet,

Maar gaat het hoofd op krukken.

En waar \'t gebrek u hinder\', Verloochning koste of smart, \'t Maakt in uws ouders hart

Do liefde vast niet minder.

En God verbond zijn zegen, Dat onwaardeerbaar goed.

Niet aan een rechten coet,

Maar aan de rechte weyen.

Een kreuple voet kan brengen Op \'t smalle levenspad. Kan voeren tot de hemel-stad....

Dat moge God geheugen.

IV.

DE OUDSTE MEIdJt.S.

Als ik Marie en Koosje zie.

Gaan mijn gedachten zweven In dagen van een toekomst, die Ik zeer graag zou beleven.

-ocr page 152-

HEDEKKKANSJE VOOR DE JARIGE MOEDER.

Mij dunkt een vader is zoo rijk, Wiens doehtren, haast volwassen,

Als rozeknoppen staan te prijk,

En op zijn wenken passen;

Die in haar frisch en blij gelaat ^ Zijn huisvrouw ziet verjongen,

En duizend trekjes gadeslaat.

Eens door zijn luit bezongen;

Die door haar geest en vroolijkheid Zjjn zorgen voelt verpoozen.

En door haar hand zijn weg bespreid Met allerhande rozen.

Die in haar hart, zoo zacht en stil, Ee« godsvrucht op ziet bloeien,

Die naar de Moeder aarden wil, En in haar schaduw groeien.

Mijn kindren! maakt die droomen waar. Lief leven van mijn leven!

En moog mijn oudste dochterpaar Het tweede een voorbeeld geven.

V.

ONZE AFWEZIGE.

Vroegtijdig zijt gjj heengegaan. Vroegtijdig hebt gij \'t goed daarboven,

Wij blijven, koste \'t menig traan. De hand, die gaf, in \'t nemen loven. Wat liefde doet is welgedaan.

En thans, lief Zoontje! roept ons\'t lot Ook van die dierbro plok te scheiden,

Waar wij uw dierbaar overschot Een plaatsje onder de aard bereidden. Ook dit kost; maar ook dit wil God,

VI.

NETJE.

Naar wie hebt gij dat lief gelaat.

Zoo zuiver omgetrokken? Dat voorhoofd, dat zoo helder staat? Naar wie die gouden lokken?

-ocr page 153-

LIEDEKKRANSJE VOOR DK JARIOË MOEDER.

Naar wie dat oog, zoo blauw en zacht,

Het stugste hart veroverend? Dat mondje, dat zoo vriendlijk lacht. Dat stemmetje zoo tooverend?

Naar wie? Wij weten \'tniet. Van wienï

Och, mocht gij \'t altijd weten; En, door op Hem, die \'t gaf, te zien. Uw lief gezicht vergeten!

VII.

AGNES.

Ik had in mijn gedachten U reeds vaarwel gezeid,

U reeds in \'t grafje neergeleid,

Waar wij uw broertje brachten, Met groote treurigheid.

Maar God heeft ons gegeven

Dat gij behouden werdt; Ken groote vreugd voor groote smart j U als op nieuw het leven.

Ons een erkentliik hart.

Tot ons geluk gespaarde!

Reeds hadt ge, in \'s Hemels licht. Een engel kunnen zijn, lief wicht! Wees \'t nu nog wat op Aarde, En sluit Ons de oogen dicht.

VIII.

COKNEL1S.

Zeven en een is acht!

Ze zeggen dat het wat veel is;

Maar wij hebben, lieve Cornelis! Met blijdschap u verwacht.

Zonen hadden wij drij;

Eentje bij God, twee beneden; Wij zijn uitermate tevreden Met nog een zoontje er bij.

Dochters hadden wjj vier;

AVaart gij als de vijfde gekomen. Wij hadden \'t niet kwalijk genomen, Maar geroepen: Welkom hier!

-ocr page 154-

wie schuilt eu? — de vlinder. — polemiek.

Zeven en een is acht.

Of de achtste de laatste zal wezen? lu wolken of sterren te lezen,

Gaat boven mijn wensch en macht.

Gij zelf, mijn kleine man!

Al ligt er u veel aan gelegen, Gil zuigt en zingt maar terdegen, En weet voorts nergens van.

Er is Een die \'t weten moet. Doe Hij naar zijn welbehagen! Wij zullen er niet naar vragen. Zoo als Hij het maakt is het goed.

WIE SCHUILT ER?

„De Waarheid moet in diepe kuilen „Voor de arge Wereld zich verschuilen.quot;

Dat \'u \'t oude liedje. Maar ik zeg: Zij schuilt zich voor de Waarheid weg.

DE VLINDER.

Do zon is heet, de lucht is lauw.

De hemel blauw,

De parelende morgendauw

Hangt glinstrende aan de knoppen; Van bloem- tot bloembed zweef ik rond. Zie roos en lelie, blank en bont, De schoonste kus ik voor den mond En zuig er amberdroppen.

Eens kroop ik vaakrig, moe en mat,

Van blad tot blad,

Der spijs niet, maar des levens zat.

Een walg in eigen oogen;

\'k Slaap in, ontwaak, verbreek mijn web, Voel dat ik vroolijk adem schep.

Voel dat ik twee paar vleuglen heb. En klapwiek naar den hoogen.

Kakel Enslin.

POLEMIEK.

\'k Stem toe, niet ieder menschenkind Is muzikaal geboren;

-ocr page 155-

T--

AAN JONK VROUW S. V. S. 123

Maar krijgsmuziek, mijn beste vrind!

Is kost voor aller ooren.

Maak staat op d\' allerhoogsten dank Voor turksche trom er; bekkenklank.

AAN JONKVROUW S. V. S.

Het wordt weer groen ia Haarlems Hout, De blijde vogels zingen,

De bloempjes komen duizendvoud Door mos en graskleed dringen.

De nachtegaal is weergekeerd.

Om oor en hart te kluistren;

Hij heeft den toon nog niet verleerd. Noch wij \'t bewondrend luistren.

Maar ik, ik sta voor goed gereed Dit oord vaarwel te heeten;

Dat is: te doen wal gij eens deedt, En velen heeft gespeten.

Naar d\' IJsel volgdet ge op haar pad Uw moeder trouw en teeder,

En ik sla straks ter Bisschopsstad Mijn tent gehoorzaam neder.

Toch laat mijn hart de hoop niet los U soms hier weer te vinden;

Wij hebben op den zoom van \'t bosch Een huis vol goede vrinden.

Maar de allertrouwste en beste vrind. Die u en mij geleid hoeft.

Maakt dat ik eens u zeker vind, In \'t huis, dat hij bereid heeft.

Hoe lieflijk zal die woning zijn, Hoe schoon en wel gelegen!

Rondom, een eeuwge zonneschijn, Van binnen, louter zegen.

Daar zal \'t verwonderd oog altoos Meer goeds en schoons ontdekken,

Daar ruischt het loflied eindeloos; En niemand mag vertrekken.

Mei.

-ocr page 156-

GEMENGDE GEDICHTEN.

VIERDE BUNDEL.

L)e omstandigheden, waaronder het volgende liedje verbeeldt afgeluisterd te zijn, waren de volgende:

Toen ik in 1854 mijn dorp met de stad Utrecht ging verwisselen, kon ik aldaar voor de eerste twee maanden van mijn verblijf nog geen huis vinden, maar werd met mijne vrouw en de drie jongste kinderen bij hartelijke vrienden geherbergd. Van het overige viertal waren wij gescheiden. Mijn oudste zonen bleven, onder opzicht van hunnen onderwijzer, op de Heemsteedsche pastorie, van de liefde mijner vorige gemeente omringd. Twee dochtertjes genoten achter-volgens te Zeist, te Driebergen, en te Ede, op buitengoederen van nabestaanden en vrienden een onthaal, waarvoor mijn hart hun dankbaar blijft.

DE STICHÏSCHE ZWERFSTER.

EEN LIEDJE, (iEZOMUEN TER BRUILOFTSTAFEL VAN EENE SCHUÜNZUBTER.

Ik hoorde een liedje in het Sticht,

\'t Werd door een hupsche vrouw gezongen; Zij hield op d\'arm een zuigend wicht. Een dikken vetten jongen.

Twee meisjes speelden aan haar schoot, En luisterden naar haar mamaatje:

\'t Een leek een roosje rozerood,

Het andere een agaatje.

Ook was de roos op moeders wang Bijlang nog niet van kleur verschoten,

Al kwam er onder haar gezang,

Een traantje langs gevloten.

„Ach kiudren!quot; zong zij; „welk een smart! „Wie had het immer durven droomen? „Uw vader heeft een steenen hart;

„Zijn wreedheid is volkomen.

„Hij heeft my uit dat lieflijk oord,

„Waarin wij woonden, sinds wij trouwden, „Zoo vreedzaam en zoo ongestoord,

„Alsof we er sterven zouden;

-ocr page 157-

DE STICHTSCIIE ZWERFSTER.

„Hij heeft mij uit dat dierbaar huis,

„Waar ik hem al zijn kindren baarde,

„Verraderlijk ontvoero, o kruis!

„En \'k zwerf en dool op aarde.

„Ik zwerf in dit mij vreemd gewest,

„\'k Dool in dees vreemde stad wanhopend,

„Daar mij geen andre toevlucht rest „Dan vreemde liefde me opent.

„Nog ware \'t mij een zoete troost,

„Indien ik bij dit ommezweven,

„Omringd mocht zijn van al mijn kroost, „Dat leven van mijn leven.

„Maar ach, niet meer dan deze drie „Liet de onverbidbre kinderrooverquot;

(Zij trok ze dichter bij haar knie)

„Mij in mijn droefheid over.

„Mijn oudste twee, mijn zoons, mijn trots, „Laat hjj in \'t ledig huis verknijzen;

„Zij zwerven om langs Meer en Bosch \') „üm lafenis en spijzen.

„Uw zusjes, foei! de wreedaard joeg „Ze \'t pad maar op met leege handen;

„Zij waren nimmer ver genoeg,

„Tot ze op de hei belandden.

„Dat had hij Koosje niet voorspeld,

„Toen ze, één jaar oud, reeds weggedwaald was,

„Kn hij mij zoo lang heeft gekweld

„Tot \'t schaap weer thuisgehaald was.

„Daar was ze! Och arme! welk een vloed „Van woorden, rijmen, tranen, kussen!

„Alsof hij z.e in zijn diepst gemoed „Beminde ... En ondertusschen!1)

„Neen, kindren! neen, hij mint u niet; „Hij kan uw bijzijn niet verdragen;

„Het eenigst dat hem vreugde biedt „Is u en mij te plagen.

„Wat let hem, zuigling! die uw dorst „Moet lesschen met vergalde togen,

125

1

) Zie Dl. II. bl. 325 en volgg.

-ocr page 158-

126 DE STICHTSCHE ZWERFSTER.

„Dat hij ii afrukt van tnijn borst, „En wegvoert uit mijn oogen?

„U wegvoert, ach! wie weet waarheen? „Ten prooi aan duizend ongelukken,

„Om, voor de moederlijke speen, „Een koude flesch te drukken ..

Hier zweeg zij stil en wisohte een traan, Zag strak en somber voor zich henen,

En toen de kleine agaatroos aan;

Dit deed op nieuw haar weenen.

„Ja vloei vrij, zilte traanatroom, vloei! „Daar ik dit wichtje kom te aanschouwen:

„Gaat niet haar lieve Petemoei,

„Mijn liefste zuster, trouwen?

„Men knoopt haar groene palm; men breit „Een aardig kransje voor haar vlechten;

„Maar d\'oudste zuster is \'tontzeid „Het op haar kruin te hechten.

„Voor mij geen bruid, geen bruiloft, neen ! „Geen plaatsje in de blijde reien;

„Mijn heer en meester gaat er heen,

„Maar ik raag zitten schreien!

„Zoo hij zich maar belasten wou „Der lieve bruid mijn groet te brengen,

„En van wat ik haar zeggen zou

„In \'t zijne een woord te mengen!

„Ik heb haar steeds zoo lief gehad „En voel die lieide sterk vermeeren,

„Hoe meer ik, op mijn levenspad,

„Haar bijzijn moet ontberen.

„Haar vreugde was mijn eigen vreugd, „Haar smart altijd mijn eigen smarte;

„Hoe juichte ik in de stille deugd „Van dat gelouterd harte!

„Hoe juichte ik in dat zacht geduld, „Dat onbezweken godsvertrouwen!

„Thans wordt haar liefste wensch vervuld: „Och, mocht mijn oog \'t aanschouwen!

„Mocht ik maar eens dat blijd gezicht „Zien aan des bruigoms zijde pralen,

-ocr page 159-

NIEUWE WONINÜ. 121

„En blinken van dat lieflijk licht,

„Dat bruiden pleegt; te omstralen!

„Zoo \'k slechts tot een, een enklen zoen „Haar eens recht zusterlijk omarmde ...

„Mijn heer gemaal zal \'t nu wel doen,

„Maar kan hij \'t met die warmte?

„Och lieve zuster, lieve bruid,

„Och lieve dochter van mijn moeder!

„Mijn hart en ziel roept voor u uit „Tot uwen Heer en Hoeder.

„Hij was met u: Hij zij met u!

„Hij leide u op gebaande wegen!

„En is de weg ook somtijds ruw,

„Ook daarin zij een zegen.

„Ik weet, uw echtvriend mint u teer;

„Zijn trouwe min duldt geen verdenken:

„En liever nog_ heeft u die Heer,

„Wien gij, als hij, uw hart mocht schenken.quot;

Het vrouwtje zweeg. Zij zag omhoog.

Mij dunkt dat ik haar moed zag grijpen.

Hoe schielijk wist zij uit haar oog Het traantje weg te knijpen.

Hoe zoet een lachje zag ik toen Om die bedrukte lipjes zweven!

Elk van haar drietal kreeg een zoen,

Maar \'t petekind wel zeven.

NIEUWE WONING.

(Utrecht, Boothsthaat, 597.)

Hier woon ik. Zult gij met mij wonen.

Mijn God en Heer, mijn kracht en troost?

Hier woon ik nu met gade en kroost,

Vier dochters en drie zonen.

Uw liefdezorg heeft mij beschoren Dit goede, ruime, stille huis.

Waar \'k, in de stad, het stadsgedruisch Kan, maar niet hoef te hooren.

Uw goedheid gunt, na dertien jaren

Zoo vreedzaam doorgebracht op \'t land,

-ocr page 160-

128 mijn hof.

Ook hier mijn oog naar eiken kant In \'t zachte groen te staren.

Heb dank, o God! mijn wenschenbleven U niet verborgen, schoon gesmoord. Een stille wensch wordt ook verhoord. Wat zijt Gij mild in \'t geven.

Wil met uw vleuglen nu ook dekken De tente, waar uw hand ons bracht, En laat uw liefdrijke oppermacht Ons vol vertrouwen wekken!

Weer ziekte en ramp van onzen drempel; En, komt zij, heilig ook de smart; Zij onze woning, zij ons hart U daaglijks meer tot tempel!

4 Aug. 1854.

MTJN HOF.

(liedje.)

Midden in do stad heb ik een hof,

Een hof met schoone bloemen; üie bloemen liefheeft, vindt er stof Tot kijken, ruiken, roemen: Bloemen zoo kleurig,

Bloemen zoo geurig,

Fijn en grof.

God laat ze groeien.

Blad voor blad, knop voor knop, En schrijft, als ze bloeien.

Zijn naam er op.

Midden in mijn huis, heb ik een hof,

Een hof met schoone rozen: Die rozen lief heeft vindt er stof Tot kussen en tot koozen.

Rozen zoo kleurig.

Rozen zoo geurig,

Fijn en grof.

God doe ze samen Opwassen zonder smart,

En schrijve al zijn namen Diep in haar hart.

-ocr page 161-

VALLENDE STEKKEN. — WASDOM TOT KLEINER. — TWEEDE KNOP. 129

VALLENDE STERREN.

Volksgeloof der Llthauwers. Zie Alb. dei- Nat. 1853 bl. 348.

Zaagt gij hoe die stei verschoot?

Denk, o Stervling! aan uw dood.

Ieder kind, op aard geboren,

Doet een nieuwe ster ontgloren.

Aan zijn dunnen levensdraad Zweeft zij, tot zijn sterfuur slaat.

Als de dood zijn oog doet breken.

Doet hij ook die ster verbleeken.

Keert zijn adem hemelwaart.

Uitgedoofd stort zij op de aard.

WASDOM ÏOÏ KLEINER.

Een kind van God wordt steeds meer kind

Of anders is \'t er geen:

Wij brengen onze kindren groot; God maakt de zijnen kleen.

TWEEDE KNOP.

(naar Rückert.)

De boomen, die de hagelslag Geteisterd heeft aan hoofd en leden.

Staan weer zoo schoon men wenschen aiag, Ja. boven wenschen en gebeden.

Verborgen knoppen loerden slechts Hun kans af, om voor \'t licht te komen:

Daar heeft de hagel links en rechts Aan elk zijn voorman weggenomen.

^ Nu staan ze in \'t eerst gelid geschaard; En wat de spits heeft afgebeten.

Wat de eerste ontmoeting wierp ter aard, Is met een enklen nacht vergeten.

Mijn hart! wat dient er meer gezeid, Wanneer de stormen om u fluiten?

\'t Verloorne geeft gelegenheid Aan \'t Nieuwe om uit te spruiten.

»

-ocr page 162-

laatste grond. — maandroos. — weerslag. bartje.

LAATSTE GROND.

Of Godgeleerdheid smale en Wijsbegeerte spott\': God-zelf is „laatste grondquot; van mijn geloof in God.

MAANDROOS.

(NAAK EÜCKEBT.)

Een beeld der Hoop, voor die haar ziet! De knop belooft hem schoone dingen —

Maar \'t üoddrig bloempje brengt ze met.

Doch wilt niet klagen, stervelingen!

Indien uw vreugd te zeer gelijkt _ Op \'t Roosje, dat zoo vluchtig prijkt.

Voor hem, die wachten kan en hopen.

Gaan maandlijks nieuwe knoppen open.

WEERSLAG.

Wilt gij zien een schoone maagd: Zie haar als zij liefde draagt.

Cats.

Wilt gij zien een schoone vrouw; Maak liaar gelukkig door uw trouw.

BARTJE.

Voor uw mooie oogen, Bartje! Had menigeen ik weet niet wat, Zijn gaaschen schat Gegeven, met zijn hartje —

Maar gij versmaaddet dat.

Waar gij uw oogjes wendde,

Daar werd een vonkje uitgestrooid, En \'t hart ontdooid.

Dat nog geen liefde kende —

Maar gij begreept het nooit.

Nu zijn die vriendlijke oogen Gesloten door een vroegen dood; De rouw is groot;

Elk hoofd gaat neergebogen, Eu ieders oog is rood.

-ocr page 163-

de taal,

Voorzaagt gij \'t, lieva Barte? En wildet ge, om een enkel jaar, Geen weeuwenaar Met een gebroken harte Doen weenen bij uw baar?

DE TAAL.

VOOKAFGAANDE TOELICHTING.

De Volmaakte Telg der Onbekende, die bij den aanvang van het volgende gedicht, met trekken van schoonheid, aan de oude Indische poëzie ontleend, geschetst wordt, mag aan vele lezers en lezeressen ook zelve wel onbekend zijn! Niemand anders is bedoeld dan Indië\'s vroegere, schoon niet vroegste, taal, onder den naam van Sanskrita bij de geleerden bekend; welke naam de beteekenis heeft van Volmaakt, Volledig, Afgewerkt, en in later tijden haar gegeven is in tegenstelling van tongvallen, uit hare meerdere of mindere verbastering geboren (Prakriet, Pali).

De Onbekende Moeder had waarschijnlijk haar verblijf gehad in het hart van Azië, benoorden het Himalaya-gebergte; de hoogleeraar Hamaker gist in het oude Sogdiana. Van daar moet de Volmaakte. Dochter, aan de hand van den godsdienst der Brahmanen, eerst tot het noorden, en van lieverlede ook tot het uiterste zuiden van Indië zegevierende doorgedrongen zijn: doch geenszins tot altijddurende, noch ook tot eene uitsluitende heerschappij. Om de beeldspraak te laten varen: De Sanskrita taal, welker vroegste gedenkstukken waarschijnlijk derdehalf duizend jaren oud zijn, die reeds vroegtijdig in Indië zelf op wetenschappelijke wijze bewerkt is, en ons eene schoone en rijke letterkunde heeft nagelaten, schijnt omstreeks den tijd der veroveringen van Alexander don Grooten opgehouden té hebben de levende taal van Indië\'s bewoners te zijn, om voortaan nog slechts in de scholen en werken der geleerden voort te leven. Bij het volk werd zij vervangen door de tongvallen der oorspronkelijke bewoners, die nooit geheel verdrongen waren geworden, maar zich met den woordenschat der Sanskrita hadden weten te verrijken. Het zijn deze spraken, die in het volgende gedicht onder de persoonsverbeelding der „Hindoe-dochter, die zich schoon yelooftquot; opgevoerd zijn; terwijl, in de eerste twee verzen van de 7lt;ie strophe gezinspeeld wordt op den aanmerkelijken invloed, dien de Sanskrita ook op de talen en letterkunde van het oostelijk Azië, met name ook van Java en den Indischen Archipel, gehad heeft.

Met de Sanskrita zijn uit dezelfde Onbekende Moeder voortge-gesproten alle talen, die, van Azië uit, geheel Europa vervuld hebben en, in hare hedendaagsche afstammelingen, de Nieuwe Wereld vervullen. De geleerden verdeelen ze onder vijf veeltakkige stammen; als, voor Azië nog, den Medopeizischen of Iraneeschén

131

-ocr page 164-

132 pe taal.

voor Europa den Grieksch-Italiaansohen, den Celtiachen, den Ger-maanschen, en den Slavoonschen. De poëzie heeft ze in het volgende gedicht als het talrijk kroost eener reisvaardige, moedige, onderwindende Zuster van Sanskrita voorgesteld, en gepoogd ze in hare ontwikkelkig te schetsen.

Met deze voorafgaande toelichting meenen wij lezers, op dit gebied ongeleerd, geen ondienst te hebben gedaan. Voor een uitvoeriger onderricht verwijzen wij hen naar de Akademische Voorlezingen van hamakek (Leiden 1838) en bepaaldelijk tot de eerste in dat boekdeel.

Misschien is het niet overbodig nog op te merken, dat Kama de naam is van den Indischen liefdegod, aan wien pauwen en flamingo\'s geheiligd zijn; dat R^mayana (Kama\'s Tocht) de titel is van een der oudste en beroemdste gedenkstukken der Sanskriet-letterkunde, en dat Kftlidasa een der uitnemendste onder de latere dichters van Indfë is geweest. Hij leefde omstreeks den tijd van Christus geboorte.

Dat de heilige boeken van het oude IJsland den naam van Edda dragen, Nibelungenlied de titel is van Duitschlands beroemd heldendicht, de zangers der Scandinaviërs Skalden, en die de;- Geiten, waaronder Ossian, Barden genoemd werden, is zekerlijk bekend genoeg.

DE TAAL.

Met een bloemkrans om de bruine lokken.

Golvend tot de heupen afgedaald.

Mond en borst van ambergeur doortrokken, d\' Open hals van paarlengloed omstraald, Bloemen om de zachtgezwollen lende,

Goudgloor om den zachtgebloosden voet, Ü Volmaakte Telg der Onbekende!

Sluimert gij aan Ganga\'s vloed.

\'t Windje speelt door hooge mango-twijgen.

En zij schomm\'len zachtkens heen en weer; Bloemenstof en roode bloesems zijgen

Als een regen om uw leger neer;

Ketaka, kakamba, en jasmijnen

Met asoka-trossen afgezet.

Die haar sneeuw te blanker uit doen schijnen, Walmen geuren om uw bed.

\'t Slaaplied zingen mommelende bijen, Zwermende om den honigzoeten buit, Purpren pauwen scharen zich in rijen.

Spreien om uw hoofd hun schaduw uit, Strijken met het zachtste van hun veeren. Ter verkoeling, langs uw bloote borst,

-ocr page 165-

DE TAAL.

Haasten zich den adder £.f te keeren,

Die uw rustplaats naadren dorst.

Blanke, blauwe, roode lotus wiegelen

Op de waatren, bruisende aan uw voet,

Waar zich zwanen en flamingo\'s spiegelen,

Kweelende van Kama\'s teedren gloed;

Buffels, evers, elefanten, leeuwen

Dringen dorstig door het hooge riet,

Doen verschrikte kranenzwermen schreeuwen — Maar het stoort uw sluimring niet.

Ja zij slaapt. Den glans, die om haar straalde,

Als ze, omringd van \'t heilige gezin, Zegepralend van uw bergen daalde,

Himalaya! trok zij sluimrig in.

En die sohoone lippen zijn gesloten,

Als een roode leliekelk bij nacht.

Van wier boord de wijsheidslessen vloten,

Waar de Brahman naar versmacht.

Ach! De stem die Rama\'s Tocht bezongen,

Kalidasa voorgezongen heeft,

Blijft voortaan in de elpen borst bedwongen,

Tot zij in den langen doodsslaap sneeft.

Pronk met klanken, vrij haar afgeluisterd,

Hindoe-dochter, die u schoon gelooft!

Wien zij toegelonkt heeft, toegefluisterd,

Schudt met droeven glimlach \'t hoofd.

Ja zij slaapt; het aangezicht naar t Oosten,

Levend bij den weergalm van haar lied; Slechts haar schoone Zuster kan ons troosten. Die, zoo fier van blik, naar \'t Westen ziet; Die, reisvaardig, moedig, onderwindend,

\'t Strakke kleed om ranke lendnen gordt, Kn, een helm op \'t goud der lokken bindend, In den drom der volkren stort;

Die, de Tigris lachend langs getrokken,

\'t Machtig Iran van haar schoon vervult.

Door geen sneeuw des Kaukasus\' verschrokken.

Noordwaarts blikt met klimmend ongeduld. Ha! Als van de hemelhooge toppen

Haar de berglucht toestroomt, koel en vrij. Voelt zij \'t hart van moed en geestdrift kloppen Tot een wereldheerschappij!

In een kloek en talrijk kroost herboren,

Roept zij: „Neen! deze eerzucht is geen droom!

laa

-ocr page 166-

DE TAAI,.

Mijne stem zal elk der bergen hooren,

Van mijn lied weergalmen iedre stroom.quot; En dat kroost, van schoonheên onderscheiden.

Maar in schoonheid één, naar zustren aard. Gaat den stroom der stammen begeleiden, In zijn splitsing over de aard.

Met Pelasgen, Celten en Ibeeren,

Scythen, Cimbren, Slaven wandlen zij.

Niet gestuit door hoogten, diepten, meren.

Zee vol ijs of barre woestenij.

Met den Stier en schoone Europa zwommen

Ze over naar den bloemrijk\' oeverkant. Met Ulysses, \'t pijnboomhout beklommen. Naar \'t Cimmerisch Schimmenland.

En alom verhieven zij haar stemmen,

Naar den eisch des levens, forsch en zacht, Met een zieldoordringend adomklemmen,

Of een weekheid, waar de weelde in lacht; Op de maat vt.n stormen en orkanen.

Of van \'t koeltje, dat met rozen stoeit; Op den toon van losgerolde vanen,

En van \'t hart in liefde ontgloeid.

En alom verwekten zij de geesten

Tot den grooten wedstrijd van \'t Gezang, En bereidden aan de volken feesten.

Waar de galm van naklinkt eeuwen lang. Haar, haar voorgang deed Homerus zingen.

Op haar wenk weerklonken, vol en schoon, Iliaden, Edda\'s, Nibelingen,

Skaldenlied en Bardentoon.

Schoone Taal! Geschenk des Allerhoogsten!

U verheft ons proza en gedicht;

Lof-en lauwren, die wij zingende oogsten.

Zijn wij u, en u alleen, verplicht. Zelfverheffing ware uw eer verkorten;

Onze kracht is de uwe; zijn wij rijk, \'t Is door uwen rjjkdom uit te storten. Eeuwig, onuitputtelijk.

Welk een lust uw ader te zien stroomen,

Met zich voerende alles dat bestaat.

Alles, dat in werklijkheid en droomen

\'t Aanzijn aan eens menschen ziel verraadt; In dien stroom, den hemel en zijn stralen. En dat Licht, waar alle licht uit welt,

134

-ocr page 167-

DG TAAL. 185

Zich te zien weerspieglen en herhalen,

Met de bloemekens van \'t veld!

Welk een vreugd, met uwo kracht gewapend.

Voor het oog der volkren op te treên, D\' oorlogsmoed, in vuige harten slapend,

Op te prikkien, door de stem alleen.

Volken, Vorsten lessen in te scherpen,

Onvergeetlijk voor een wereldtijd,

En de fierste geesten te onderwerpen Aan dien God, wiens tolk gij zijt!

Maar wat wellust ook, u op uw paden

Na te wandlen door der tijden nacht;

Met u zee en stroomen te doorwaden,

\'t Hoofd te bien aan sneeuw en hageljacht.

Met de volken, dringende en gedrongen,

D\' engen bergpas door te worstlen — maar.

Rechts en links van vijanden besprongen.

Bloot te staan aan nieuw gevaar!

Op het slagveld, \'t overschot der helden

Met u te verzaamlen, na den strijd;

Of den ploeg te drijven door de velden,

In een rustiger en beter tijd,

Als niet slechts de Jachtspriet ligt versmeten Voor den staf des Herders, zacht en trouw,

Maar, voor u, ook deze wordt vergeten, Volkenbouwende Akkerbouw!

Klimmende Behoefte roept de Konsten,

ledre Konst roept nieuwe krachten op;

Elke vondst drijft U tot nieuwe vondsten.

En voert. Vindingrijkste! uw roem ten top. Alomtegenwoordig, alomvademend,

Alvferzorgend volgt gij, stap voon stap.

Licht en leven, groei- en bloeikracht ademend. Wetenschap bij wetenschap.

Doch wie prijst het heil dier stervelingen,

Wien door God dit voorrecht werd bewaard:

Tot uw zielsgeheimnis door te dringen,

üie zoo veel geheimen ons verklaart,

\'t Raadsel van uw worden, wassen, streven

In het heilig donker te bespiên,

En den gang van uw onsterflijk leven Met een sterflijk oog te zien?

Hier vloeit, op de schemerige grenzen.

Aarde en hemel, stof en geest ineen,

-ocr page 168-

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

En aanschouwbaar breekt de ziel des menschen

Door den dicbtgeweven sluier been.

Hier. hier vallen stralen uit den hoogen,

Hartverheffend door hun godlijk licht;

Maar ook bier zweeft ons die mist voor de oogen,

Die tot needrigheid verplicht.

Gave Gods, en godlijkste aller gaven!

Gij schept volkren; gij maakt menschen; gij Blijft in ons een godlijke afkomst staven,

Hoe ons hoofd door schuld gebogen zij.

U bezitten slechts, is mensch te wezen;

U beheerscben, meester zijn van de aard;

U doorzien, het heilig schrift te lezen,

Dat het heimlijkste openbaart.

Maar die u bezitten, u waardeeren,

U doorzien, zoo ver een mensch mag zien, U beheerscben mag, door u regeeren:

Wat verwacht een prijzende aard van dien? Uwe roeping is den Mensch te dienen.

En de Menschbeid door den enklen Mensch,

Is de oneindige eer des Ongezienen,

Aller braven wit en wensch.

Komt dan Zangers, Sprekers, liedenaren.

Aan wier mond wij hangen, enkel oor! Taaldoorvorschers met bekranste baren,

Die de fakkel voordraagt in het koor!

L;iat die roeping ook uw hart bezielen;

Liefdedienst gaat boven zelfgenot;

En onze eervolste eer is neer te knielen Met een lofgezang tot God.

In de Vergadering van het Zesde Ned. Taal en Letterkundig Congres, gehouden te Utrecht, 1854, Sept.

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

I.

HET WOOED IS VLEESCII GEWORDEN. EEN BEURTGEZANG.

Verg. Joh. I.

ALLE STEMMEN.

In den beginne was het Woord;

\'t Woord was bij God; het Woord was God; Van eeuwigheid bij God en God;

In den beginne was het Woord.

136

-ocr page 169-

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

EEKE STEM.

In den beginne bracht bet Woord Deze aarde en alle heemlen voort.

ANDERE StEM.

Gods Geest zweefde op den dnistren plas: God sprak: Daar Zij licht! En \'t licht was.

ALLE STEMMEN.

O Eeuwig Woord! o Levensbron!

O Aller Geesten Licht en Zon!

Niets loeft, tenzij Gij \'t leven doet; En niemand ziet, dan bij uw gloed.

EENE STEM.

Geen licht in \'s werelds duisternis.

Dat niet aan u ontstoken is.

AKDERE STEM.

Geen blijvend duister voor de ziel,

Waarop uit u een lichtstraal viel.

EENE STEM.

De Wereld is door \'t Woord gewrocht; Het Zijne heeft hij opgezocht.

ANDERE STEM.

De Wereld heeft Hem niet gekend; Het Zijne heeft zich afgewend.

EENE STEM.

Maar die zijn hart hem opensloot.

Dien maakte Hij Gods gunstgenoot.

ANDERE STEM.

Maar die Hem aannam tot zijn Troost,

Dien voegde Hij bij \'t godlijk kroost.

ALLE STEMMEN.

Juich, zondig Menschdorn! in uw lot. Het Woord bij God, en eeuwig God. Der englen lof, der englen Heer,

Werd vleesch en daalde op aarde neer.

EENE STEM.

Het eeuwig Woord, des Vaders Zoon, Verliet zijn starrelichten troon,

En koos quot;(de ontferming Gods zij lof!)

Zijn tabernakel in dit stof.

137

-ocr page 170-

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEHEN.

andere stem.

Hoe breekt de stille majesteit Van zjin verborgen heerlijkheid In \'t licht der Waarheid, in een gloor Van stralende Genade door!

Wat milden dauw, wat overvloed Van zegen stort Hy in \'t gemoed, Dat, daar \'t zijn nood en armoe klaagt, Genade voor genade vraagt.

alle stemmen.

Geeft, hoogste heemlen, geeft God eer! Het Woord werd vleesch, Gods Zoon daalt

twee stemmen.

Gods welbehagen daalt met Hein; Behouden Mensoh! verheerlijk Hem!

alle stemmen.

Verheerlijk God op hoogen toon. God schenkt zijn Eengeboren Zoon! Zie, hoe Hij \'t zondig menschdom mint; Aanbid die liefde, en word zijn kind.

II.

BEDE.

(Naar Steegman.)

Och, blijf met uw genade, Heer Jezus, ons nabij!

Opdat ons nimmer schade Des Boozen heerschappij.

Woon met uw levenswoorden. Verlosser, bij ons in,

En trek ons met de koorden Van uwe zondaarsmin1.

Och, licht ons met uw stralen. Gij Licht der wereld, voor!

Opdat wij nooit weer dwalen, Of struiklen op ons spoor.

Och, blijf ons mot uw zegen. Nabij, schatrijke Heer!

En zend op onze wegen Uw kracht en goedheid neer.

-ocr page 171-

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

Och, neem ons in uwo hoede, Gij onverwinbaar Held!

En weer des Satans vroede, En \'svWerelds boos geweld.

Och, blijf ons met uw trouwe Nabij, Heer, groot en goed!

Op wien ons harte bonwe Met onbezweken moed.

Geleid ons allerwege,

Door \'t hachlijk levenslot;

En fluister tot den veege: „Gy zijt verzoend met God!quot;

III.

BELIJDENIS.

Wat vleesch noch bloed Mijn dof gemoed,

O Heiland! openbaarde,

Zegt mij de stem In \'t hart, van Hem, Die hemel schiep en aarde.

In U aanschouw Ik \'t Zaad der Vrouw, Op wien alle eeuwen wachtten; Den Man, wiens dag Reeds Abram zag; Den Zegen der geslachten.

Gjj zijt het. Gij AVien profecij En schaduwdienst verkondde; De Christus Gods,

De sterke Bots,

Daar ik mijn hoop op grondde.

Ja in u heeft De God die leeft Zijn Zoon aan ons gegeven. Heer! waar dan heen? Gij hebt alleen Het Woord van eeuwig leven.

139

-ocr page 172-

VIJFTAL GEWIJDE LIEDEREN.

IV.

LOFLIED.

(Naar Tersteegen.)

Looft allen, looft Gods grooten Zoon,

Door hem verloste zielen!

Komt samen voor den hoogen troon Des Overwinnaars knielen!

Prijs, lof, eer, dank, kracht, wijsheid, macht

Zij aan \'t geslachte Lam gebracht.

Wij moesten \'t licht van Gods gelaat,

Zijn gunst en leven derven;

Verzegeld was ons Godes raad.

Verzegeld zevenwerven.

Geen engel, die dien raad ontsloot;

Alleen het Lam, Gods Gunstgenoot.

De hoogste Geesten al te gaai-Voor hem de knieën huigen;

Der Englen millioenen-schaar Doet Hij aanbiddend juichen;

Al \'t schepsel roept met ééne stem:

Lof, prijs, macht, wijsheid, eer zij Heml

De Aartsvaders van den ouden tijd Begroeten hun Verlangen;

De schare der Profeten wijdt Hem nieuwe lofgezangen;

De Apostlen roepen, hoog en luid,

\'t Hozanna met ons, kindren, uit.

De Martlaarscbap, met gouden kroon.

Schudt hem de groene palmen;

Bekranste maagden, rein en schoon, Verheffen bruiloftspsalmen.

Daar is één stem in elks gemoed:

„Gij kocht ons Gode met uw bloed!quot;

De Zwervers door de woestenij Zijn vroolijk aangekomen;

Zij juublen met de ontelbre rij Door kruis beproefde vromen.

Gij, aller Liefde en Kracht en Lust,

Gij waart hun Zege, en zijt hun Bust!

En zou op aarde uw, volk dan ooit Van uwe liefde zwijgen?

Neen, dankbaar doet het, schoon verstrooid. Zijn halleluja stijgen.

-ocr page 173-

GALM EN NAGALM. 141

Eens wordt het juichend saamgebracht Uit elke natie, elk gesla-cht.

Hoe zal \'t ons zijn, wanneer wij daar

Van al uw trouw gewagen:

Hoe Ge ons gezocht hebt, wonderbaar,

Gevonden, en gedragen?

Waar aller harp vereenigd klinkt,

En elk zijn eigen danklied zingt.

V.

LOFZEGGING.

(Vg. 1 Tim. V.)

Amen! U zij kracht en eer,

Zalig, alleenmachtig Heer!

God, wien \'t gansch heelal aanbidt,

Die de onsterflijkheid bezit,

Eenig, eeuwig, onafhanklijk!

Koning, die daar boven troont,

En een heilig licht bewoont.

Voor geen sterflijk oog toeganklijk.

GALM EN NAGALM.

Uit een ver verschiet.

Uit een ver verschiet. Klinkt mij een toon:

\'t Is een vroolijk lied,

\'t Is een vroolijk lied, Vroolijk en schoon.

\'t Is het lied der vreugd,

\'t Is het lied der vreugd (Ken ik niet \'t wel?)

Van mijn eerste jeugd.

Van mijn eerste jeugd: Lachjes en spel.

\'t Komt wat naderbij,

\'t Komt wat naderbij; Hoor hoe het zwelt!

Is dit melodij,

Is dit melodij Ot\' woest geweld?

Hoe luidruchtig dreunt,

Hoe luidruchtig dreunt Wanklank op klank;

-ocr page 174-

GALil EN NAGALM.

Maar daartusschen deunt,

Maar daartusschen deunt Zuiver gezang.

Bij het lied der min,

Bij het lied der min, Smeltend en zacht,

Mengt zich weemoed in,

Mengt zich weemoed in; \'t Gloeit en versmacht.

Ook die toon verstomt.

Ook die toon verstomt; Lief blijft hij mij.

Maar een andre komt,

Maar een andre komt Op aan mijn zij\'.

In mijn vroolijk huis,

In mijn vroolijk huis. Aan zegen rijk,

Rijst een luid gedruiscn:

Rijst een luid gedruisch; Kindermuzijk.

Met een zachte klem,

Met een zachte klem, Dringen verward

Kinderstem bij stem.

Kinderstem bij stem Door tot mijn hart.

Hoor, de moeder spreekt,

Hoor de moeder spreekt! Is dit geen lied,

Dat als honig leekt.

Dat als honig leekt. Als bronnat vliet?

Lieve stemmen, zwijgt!

Lieve stemmen, zwijgt! Zwijg, zoet geklank!

In mijn boezem stijgt

In mijn boezem stijgt Een nieuw gezang.

\'t Is een diepe galm,

\'t Is een diepe galm Van rein genot;

-ocr page 175-

AAK NEDERLAHD. — ONZE VRIENDSCHAP.

\'t Is een dankbre psalm,

\'t Is een dankbre psalm, Tot u, mijn God,

AAN NEDERLAND.

U heb ik steeds bemind,

Bemind, mijn Vaderland!

\'k Heb vroeg u hart en hand verpand. Als uw erkentlijk kind.

Ik was in rijper jeugd U altijd meer verknocht;

\'k Heb in uw roem mijn eer gezocht, In uw geluk, mijn vreugd.

\'k Heb steeds dit woord geslaakt. Ik heb mijn kroost geleerd:

Dat die zijn Vaderland niet eert.

Zich zelf te schande maakt.

Ik heb van \'s werelds end.

Van \'t lieflijkst zuideroord, Een lokstem: „Kom tot ons!quot; gehoord; \') Maar de ooren afgewend.

Zoude ik mijn kracht, mijn vlijt, Mijn lied, mijn luit (mijn lust)

Gaan brengen aan een vreemde kust? Neen, zij zijn ü gewijd.

Ja U; U levenslang;

Zoo lang ik adem schep, Een droppel bloeds in de aadren heb. En in mijn luit een klank.

ONZE VRIENDSCHAP.

AAN J. P. HASEUHOEK, OP EEN KOUDEN WINÏEUDAG TOT MIJ OVEKGEKOMEN.

De Vriendschap, door ons hart gevoed

En dapper aangekweekt,

Zij is, voorwaar, geen weeke bloed,

Die van een tochtje breekt.

\'} Herhaalde beroeping (Nov. 1852 en Sept. 1853) tot Hoogleeraar te Stellen-bosch, In Zuid-Afrlka

143

-ocr page 176-

ONZE VRIENDSCHAP.

Zij is en blijft, na menig jaar,

Nog even frisoh en sterk —

Gewis de hemel zegent haar,

Of \'t is een wonderwerk.

Voor niets ter wereld is zij bang.

Al heeft zij ook misschien De Zeeuwsche Stroomen wel wat lang Bedenklijk aangezien.

Bescheen haar \'t eerste levenslicht

Op d\' allerheetsten dag:

Dat zij voor vorst noch jachtsneeuw zwicht Bewijst zij slag op slag.

Hoe gunstrijk lachte, blij te moe.

De geest der poëzij Het lieve kind in \'t wiegje toe,

En bleef haar altijd bij.

Hoe vrooiijk was haar eerste jeugd,

En schreide ze ook eens wat,

liet was een andre soort van vreugd; Zij had ze droog en nat.

Wat heeft zij menig bloem geplukt.

En menig frisschen krans Op \'t onbekommerd hoofd gedrukt, In \'s levens morgenglans!

Hoe hartlijk werd zij van rondom

Bewelkonul en begroet,

En wierf bij jeugd en ouderdom Zich gunst in overvloed!

De liefde Gods zag vriendlijk neer,

En schonk haar van omhoog. Een ernstig harte meer en meer,

En een eenvoudig oog.

Een oog voor \'t licht yol majesteit,

Dat uitstraalt van zijju Woord,

En op den weg naar de eeuwigheid Met zachte glansen gloort.

En in haar ziel ontldok een kracht.

Die uitblinkt om haar hoofd. Waardoor zij zich van Gods geslacht En onverderflijk glooft.

-ocr page 177-

ODD EN NIEUW. — AAN BEDROEFDEN — NOG. 145

Sinds ziet zij vroolijk up en om,

En maakt haar blijdschap groot,

En telt geen tijd, geen ouderdom.

En lacht met graf en dood.

Sinds is ons. in vernieuwde jeugd,

Een engel van den Heer,

En, bij zoo menig troost en vreugd,

Een troost en vreugd te meer.

OUD EN NIEUW.

Lieflijk prikkelt op de tongen. Die het lied des Oogstes zongen Met de dartelheid der jeugd, Nieuwe Most, die \'t hart verheugt.

Maar de mannen, in wier haren Wij een grijze vlok ontwaren.

Daar zij zich in \'t hoekje scharen. Waar zij uit de drukte zijn.

Prijzen luide d\' Ouden Wijn, Geurig, keurig, uitgelezen____

Zou \'t met vriendschap ook zoo wezen ?

AAN BEDROEFDEN.

Geeft u niet over aan uw Smart, Maar aan den Man van Smarte, Die al het leed van \'t menschlijk hart Gevoeld heeft in zijn menschlijk\'harte. U roept zijn stem.

Die van zijn smart zijn leven, maakt,

Dien zal de smart verslinden;

Maar die tot Hem oni troost genaakt. Zal uit den dood het leven vinden. Het is bij Hem.

NOG.

Het leed, dat u te beurte viel,

Moet gij niet, maar het moet u dienen. Het leide uw afgedwaalde ziel Van \'t zienlijke op tot d\'Ongezienen!

lo

-ocr page 178-

VEBTROUWES. — NIET ONFEILBAAR. — KWIKSTAAUT.

Het make uw neergebogen geest

Wat losser van het stof der aarde! \'t Is u wellicht wat veel geweest, En heeft zoo weinig waarde.

VERTROUWEN.

Blijf op de wieken drijven,

Die God geschonken heeft!

Zij zullen aan den schouder blijven, Ook daar waar alles u begeeft.

Durf op die wieken streven Ten hoogsten heinel heen!

Schoon door den dampkring wolken zweven, Een weinig hooger zijn er geen.

Blijf op die wieken hangen, _ Hoe zwart de nacht ook zij! Ook waar geen straal is op te vangen, Is uw getrouwe God nabij.

Mijn God, op uw genade

Vertrouw ik nacht en dag.

Sla met uw oog mij gade.

En kom mij met dat Woord te .stade, Dat zegt dat ik vertrouwen mag!

NIET ONFEILBAAR.

„Van mij te verschillen, gelijk gij ziet,

Js van domheid of onwil een blijk: „Onfeilbaar? Neen zeker! dat ben ik niet! „Maar wel heb ik altijd gelijk.quot;

KWIKSTAART.

Trippel vroolijk op uw dorre beenen, Lentebodetjè in den lichten rouw,

Daar gij niet-met-al van schijnt te meenen, Trippel vroolijk om den landman henen. En vertróbet ons van de late kou!

Hadt gij reeds de mist op \'t veld geroken?

Reeds \'t g\'ebriesch gehoord van \'t boerenpaard. Eer de ploegstaart in den ploeg gestoken

-ocr page 179-

TWEE GENÉVES. — DE KLEINGEBLEVENEN. — IN EENZAAMHEID. 147

En de taaie klei werd opgebroken,

Die eerst u, dan ons het voedsel baart?

Welkom! Nooit zijt gij te vroeg gekomen,

Kleine, fijne, trouwe menschenvrind!

Schoon ge uw eigen voordeel zoekt en vindt.

Zoek het, vind het; gij hebt niets te schromen.

Met u is de hoop in \'t veld vernomen;

Die het goede boodschapt, wordt bemind.

TWEE GENÈVES.

\'k Weet dat er twee Genèves zijn:

Een van Eousseau, een van Calvijn. Maar \'t zelfde, diepe, blauwe meer Besproeit ze beiden — God zij de eer!

DE KLEINGEBLEVENEN.

(naab Rückekt.)

De wichtjes worden daaglijks ouder, __De lieve kleintjes zachtkens groot; Zij glippen Vader van den schouder

En springen uit hun Moeders schoot. Maar gij, die, in uw eerste dagen,

Mijn Vader mij terug kwam vragen.

Blijft die gij waart en groeit niet meer: \'k Mag nog u in mijn armen dragen; En Moeder wiegt met welbehagen U in haar schoot, gelijk weleer.

IN EENZAAMHEID.

In eenzaamheid, gedenk ik aan mijn Vader, Mijns Vaders eenzaamheid.

Sinds Moeder is ter rust geleid,

En hem een dienstmaagd blijft, en niemand nader.

Veel kindren heeft hij, maar die op hun beurt Eeeds vaders zijn en moeders.

Nog eens vereenen zich de broeders En zusters om die doodbaar, zoo betreurd.

Dan gaan ze uit een. Elk vindt zijn lieve kleenen Verbaasd van \'t rouwgewaad;

Terstond verheldert hun gelaat;

Reeds boort de glimlach door de tranen henen.

-ocr page 180-

IN DE DILIGENCE.

Maar Vader blijft en treurt alleen. Helaas!

Kan hi) zijn oog gelooven?

Daar staat haar stoel terzij geschoven ... Hoe ledig is heel \'t huis door eene leege plaats!

Ach Vader! wat kan kindermin hier baten?

Neen! Zoek bij God uw troost!

De Hemelvader heeft geen kroost Dan dat Hein nooit verlaat, en nimmer wordt verlaten.

ELSJE.

Waar is, waar is de nachtegaal.

Die in het boschje zong,

En door zijn lied — Is \'t waar of niet? — Een traan in de oogen drong?

Waar is, waar is de frissche roos, Zoo bloeiende op haar steel?

Haar roode koon — Was zij niet schoon? — Beloofde nog zoo veel.

Waar is, waar is de heldre beek. Die opwelde uit het zand.

En dwars door loof en ruigte stoof, Met bloempjes op haar rand?

Waar is, waar is dat beeldschoon kind, Dat, vroolijk, bloeiend, jong,

Naar \'t beekje keek, op \'t roosje leek. En als de vogel zong?

De beek vloeide af, de beek droogde uit; De frissche roos verdween;

Het nest werd leeg, de vogel zweeg, En vloog, wie weet waarheen.

Het beeldschoon kind werd krank en zwak En wit om neus en kin;

Haar beste deel — Zegt dat niet veel? — Vloog d\' open hemel in.

IN DE DILIGENCE.

In den ouden bolderwagen,

Die van Alkmaar op Haarlem rijdt, In den wagen van Van der Hagen, Gebruik ik voortreflijk mijn tijd.

liLSJE. —

-ocr page 181-

IN DE DILIGKNCE.

Ik denlc van Heiloo tot Limmen —

Ja somtijds denk ik er om

Tot waar ik het haantje zie glimmen,

Op den toren van Castricom —

Ik denk aan die dagen en weken,

In de jaren van jonkheid en min,

Die ik met u in deze streken Heb gesleten, mijn lieve vriendin!

Ik denk aan die wandelingen,

Waarop wij, hand aan hand,

Door het bosch en het korenveld gingen,

Onder praat naar ons beste verstand.

Wij zaten terneer op een dijkje \'),

Van viooltjes en klokjes omtuild,

En genoten het vreedzame kijkje Naar het duin, waar zich Egmond verschuilt.

\'t Groote licht was gedaald, of op \'t tipje. Ons oog zag het na met ontzag....

Nog een strookje, een streepje, een stipje ... En voorbij was de heerlijke dhg.

Maar het avondrood blonk en vervulde Heel de lucht met een vlammigen gloed.

Die de toppen der duinen verguldde, En \'t schroomvallige maantje kreeg moed.

\'t Werd zoo stil langs den beemd en den akker. Alles sliep of sliep in op dat pas.

Slechts de piepende krekel bleef wakker.

En het haasje kwam spelen in \'t gras.

„Kom, mijn vriend! laat ons keeren,\'1 zoo klonk er Dan een stem; „het wordt laat, als gij ziet;

Moeder wacht ons op \'t Huis, vóór den donker; Maar vergeet onze bloemekens niet.quot;

En de ruiker, geplukt tusschen aren,

Tusschen struiken en gras van het veld,

Werd, doorvlochten van bloeiende varen, Met een kus in uw handen gesteld.

Welk een tijd, welk een tijd, mijne Aleide,

Zijn die zachte genoegens galeen!

\') Aarden wal ter afscheiding van akkers.

-ocr page 182-

IN DE DILIGENCE.

Om het even; voor u, voor ons beide,

Is de liefde nog jong als voorheen----

Maar mijn voerman steekt den horen,

En ik zie, uit mijn mijmring gewekt.

Den Castricumschen toren,

Van Engelsche kogels doorspekt1);

En Castricumsche hoornen,

Glad geschoren, gekapt, en gewit,

En tuintjes, zoo net en volkomen.

Stok- op stokroos geschaard in \'t gelid.

\'t Bonte vee graast in schaduw der heuvelen, Donker groen van den voet tot de kruin.

ïeeuwis Tijssen staat vreedzaam te keuvelen. Over \'t hek van den dam, met Jan Duin.

Jan Duin heeft twee pikzwarte kalven —

„len wit voetje heeft de ien, de aare nietquot; —

En hjj wedt om een zak met zesthalven,

„Dat je nieuwerts der wederga ziet.quot;

Dit is Guurtj-e, Teuns dochter, vrij krachtig. Kort gejakt, lang gerokt, gansch niet bleek;

Die des Zondags een kap draagt, heel prachtig, Maar een mop, als gij ziet, in de week.

Lange lanen van elzen en berken.

Ik bemin en bewonder u wel.

Maar gij schijnt wat slaapwekkend te werken Op het dichterlijk, droomend gestel!

Ik voel mijn oogen bezwaren.

Het is of ik ze sluit;

Maar nog zie ik grasgroene blaren,

En weder, en immer rechtuit!

Een opweklijke stoot in den horen!

Dit is Beverwijk, naar ik merk.

Ik ken dien heelen toren

Bij die halve, en toch dubbele kerk -).

Beverwijk! nooit vergeet ik de dagen.

Toen langs heel deze uw straat, voor \'t gemak.

\') Tot een aandenken van \'t jaar 1799.

2) De kerk te Beverwijk placht veel grooter te zyn. Wat er van het vroegere gebouw overlR 1», Is onder twee daken gebracht.

15U

-ocr page 183-

IN DE DILIGENCE.

Die moorddadige keisteenen lagen,

Daar men assen en ribben op brak \').

Ach, toen deedt gij door paarden en tnenschen, Uit elkander geschokt en ontwricht,

U van d\'ochtend tot d\'avond verwenschen; Maar uw ooren en beurs hieldt gij dicht.

Beverwijk! welk een toekomst, wat tijden. Als de hoofdstad des Rijks, met haar schaar,

Straks uw Holland-op-\'t-Smalst zal doorsnijden, Of \'t een blaadje couponpapier waar!

Als uw meer in zee zal stroomen,

Kn aan \'t sneeuwwitte strand, uit het niet.

Dat IJmuiden 1) te voorschijn zal komen.

Daar de Helder reeds donker om ziet!

Lieflijk Velzen! van u moet ik zingen.

Met uw kerkje, verscholen in \'t groen;

Uiterst punt van de wandelingen,

Die de Haarlemsche schoolknaap mocht doen.

Maar hij kwam niet tot u over Schoten, Hij kwam niet tot u door Zandpoort —

Waar werd ooit langs een straatweg genoten. Wat het hart van een schoolknaap bekoort?

Langs de Overveensche tuinen.

Door \'t Bloemendaalsche bosch.

Liep zijn pad over hobb\'lige duinen.

Begroeid met veerkrachtige mos.

En de hoogste top werd bestegen.

Welgemoed zat hij neder, en keek

Op de bosschen, de beemden, de wegen Van de schoone, welvarende streek.

Hier de Zomerzorgsche schommel;

Daar het IJ in zijn glansrijkste pracht;

En daar achter, in neevlig gedommel, Amsterdam ... Kon hij \'t zien?... Ja, hij zag \'t.

Maar meer dan \'t welvarende Heden,

151

Voor zijn oog door geen nevel bewolkt,

1

quot;) Men denke aan de profetische mijmering van Prof. Vlasering, Au. 1848. ZJj werd destyds door den Gids medegedeeld, later In het bundeltje zyner Herinne* rihgen opgenomen (Amat. 1863).

-ocr page 184-

IN DE DILIGENCE.

Trok de bouwval hem aan van \'t Verleden, Door zijn stoute verbeelding bevolkt.

\'t Oud kasteel, dat, in roemrijke dagen

Met zoo menigen toren gekroond,

Brederode! uw banier bad gedragen En uw sohildleeuw den volke vertoond.

Derwaarts beenl Dit \'s de weg. Dees moerassen.

Waar de kikvorsch uw geestdrift bespot, lliik met lisohbloem en kalmoes bewassen Waren eenmaal de grachten van \'t slot!

Dit \'s de poort; dit \'s de trap, heel versleten;

\'t Spreekt van zelf, \'t middeleeuwsche geslacht Was raet ijzer geschoeid, als wij weten. En zoo\'n ridder een vreeslijke vracht.

Op naar boven! O zalig verrukken.

Als ten laatste een bevende hand Er de goudgele muurbloem mocht plukken, Op de kruin van den schuddenden wand!

Soms heeft, in later dagen.

Het zachtkens dravend ros Den leeraar van Heemsteê gedragen Langs den duinkant en \'t Velzensche bosch;

Maar nooit zag hij op tot die muren.

Die de moker nog spaart tot zijn vreugd. Of zijn hart dacht terug aan die uren En \'t genot van zijn dwepende jeugd.

En óók in den bolderwagen.

Die van Alkmaar op Haarlem rijdt. Den wagen van Van der Hagen,

Gedenkt hij dien vreugdrijken tijd.

Als een rook, als een schim vlucht ons leven.

Men gevoelt zich nog jong, en is oud; En men vindt zyn vier kruisen geschreven. Eer men \'t weet of zijn oogen vertrouwt.

Haast is van \'t geen wij waren

Ook niet meer dan de bouwval te zien, En de dood, die ons zóó lang wou sparen, Hoe zeer kort spaart hij dezen misschien!

„Gij zijt stof, en tot stof zult gij keeren! \'t Graf is klaar, en de moederschoot wacht;

152

-ocr page 185-

IN DE DILIGENCE. 153

Zalig hij, die den vrede des Heeren Heeft tot licht bij den dalenden nacht!quot;

Dat \'s de les, die \'k verneem bij het naderen Van het kerkhof, aan \'t einde der baan \'),

Die mij wilgen met weenende bladeren En de bleeke cypres doen verstaan.

Ach! hier rust, onder \'t rustige lommer.

Een bevolking in de aard\', die een stad Heeft vervuld met haar arbeid en kommer.

Toen zij markten en straten betrad.

Groot en klein, arm en rijk, boozen, braven.

Vriend en vijand, de heer en zijn knecht.

Hebben eerst hier elkander begraven,

Daarna zelf zich ter ruste gelegd.

\'t Zuidewindje ruischt stil langs de zoden,

Met verwelklijke bloempjes bedekt:

Sluimert zacht, sluimert vreedzaam, gij dooden!

Tot de stem van den Heiland u wekt.

Sluimer zacht, sluimer zacht aan de zijde

Van het kind, met veel tranen beschreid.

Trouwe ziel, die uw zorgen mij wijdde.

Die mijn zorglooze jeugd hebt geleid!

Lieve Moeder! mijn oog zoekt de stede,_

Waar uw Gade u gelegd heeft, en wij —

Maar ons driespan draaft door, voert mij mede, En .... reeds zijn wij het kerkhof voorbij.

Dus is \'t leven. De Tijd voert den wagen;

Onder vreugd, onder smart gaat het voort! \'t Is voorbij wat wij zien, eer wij \'t zagen,

Tot wij duizlende staan voor de poort....

Dit is Haarlem; zijn kerk en zijn toren.

Dit dat plein, dit die gracht, dit die straat.

Waar men hijlikt en kindert als voren,

Als dit rood zijden lapje quot;) verraadt.

M 0e Haaiiemsche Begraafplaats, onder Schoten, draagt op de zuilen van haar hek de schriftuurplaatsen: „Gij zi/t slof, cn tut stuf zult gy tvedurkeeren,quot; cn: „Zalig zijn de duoiten, die in den lieert: sterven.quot;

-) De zoogenaamde klopper op de deur, naar oud gebruik, tot aanduiding van een kraamvrouw.

-ocr page 186-

HAARLEM.

HAARLEM.

Tusschen bosschen, beemden, duinen,

Ligt de grijze Spaarnestad,

Midden in haar rijke tuinen.

Als een steen in goud gevat;

Daar heeft mij het eerst beschenen

\'t Licht van een Septemberdag, Die op mijn mistroostig weenen Met een glimlach nederzag.

Daar heb ik geheel genoten,

Wat voor \'t vaak ondankbaar kind In het hart ligt opgesloten

Van een moeder, die het mint, Van een vader, die van \'s morgens Tot des avonds werkt en waakt. Gaarne, mits hij door veel zorgens Slechts zijn kroost gelukkig maakt.

Mannen van beroemde namen

Voerden mij van trap tot trap. Om mijn jonkheid te bekwamen

Tot een weinig wetenschap.

\'k Heb er dezen voor te prijzen

Zoo ik soms mij prijzen zag.

Dat ik, als mijn zangen rijzen.

Voel wat Hollands taal vermag.

\'k Heb het dezen dank te weten.

Maar wat laat eerst recht gedaan. Zoo ik Latiums poëten

Ook een weinig mag verstaan; Zoo ik ook wat mee mag rieken

Van den fijnen geurenschat.

Dien het heiligdom der Grieken Stort uit menig gouden vat.

Maar hoe zal ik ooit vermelden,

Stad, waarvoor mijn boezem blaakt! Wat ik in uw open Velden,

In uw Bosschen heb gesmaakt; Wat ik tusschen mos en varen.

Aan den voet van \'t ruige Duin, Op mocht zaamlen, en vergaren Van des Blinkerds kale kruin?

Niet omdat ik al de x\'lekken.

Waar de braambes weligst groeit,

-ocr page 187-

HAARLEM.

En de plaatsjes wist te ontdekken, Waar \'t verborgen beekje vloeit; Beekje, dat mijn krachten sterkte

Op mijn slingrend wandelpad. Schoon ik waarlijk niet bemerkte Dat ik sterking noodig had;

Niet, omdat ik gansche scharen

Vlinders, bevers, en gespuis. Dat mijn moeder deed vervaren, Krijgsgevangen bracht in huis;

Niet omdat ik al de bloemen.

Al de kruiden, ieder gras.

Daar uw Flora op mag roemen,

Voor mijn gapend plantboek las;

Maar naardien uw duin en dalen,

Bosch en beekjes, bloem en kruid, Stomme vlinders, nachtegalen Met hun dichterlijk geluid,

\'t Wilde torteltje in de linden,

\'t Krekeltje ond(?r tijm en mos. En \'t gesuis der avondwinden Door de toppen van het bosch;

Maar naardien het eerst ontluiken

Van de lente, jaar op jaar,

\'t Gele bloeisel aan uw struiken.

Grijze wilg en hazelaar!

Maar omdat het prachtig pralen

Van den zomer, in uw hof, \'t Geestig spel der zonnestralen Met de schaduw, onder \'t lof,

\'t Bont verkleuren, \'t langzaam dunnen,

\'t Dwarlend vallen van de blaan. Die der zon een kijkje gunnen,

Waar ze in lang geen oog kon slaan, Straks de stoïm, in \'t West geboren,

Opgekomen uit dis zee.

Die van ver haar stem mij hooren En haar spiegel glinstren deê;

Maar naardien dit groeien, bloeien

Wisslen, werken der natuur,

In mijn binnenst deed ontgloeien

Spranken van geheiligd vuur.

Door mijn ooren, door mijn oogen. Zwolg mijn jonge ziel en zin

-ocr page 188-

HAARLEM.

Goddelijke nectavtogen Met een zuivren wellust in.

0 gewis! \'t Veelvoudig leven

Van de wondre schepping Gods, Die alom mij hield omgeven,

In uw beemden, in uw bosch,

In uw hoven, waard te roemen. Op uw heuv\'len, aan uw vliet. Waar het bitterzoet zijn bloemen Slingert door \'t weemoedig riet.

Heeft het leven in mijn boezem

Deels verdubbeld, deels gewekt. Als een vroege\' amandelbloesem.

Dien het zonlicht opentrekt; Ja gewekt, gevoed, ontwikkeld.

Aangemoedigd, opgebouwd,

En met zachteu drang geprikkeld Tot genieten duizendvoud.

\'k Voel u nog, gewijde ontroering, \'t Hart doorritslend reis op reis, ZielSontvlamming, geestvervoering.

Afgekoeld tot stil gepeis. Weerklank in mijn innigst harte

Van het lied, dat alles zong, Dobbring tusschen vreugd en smarte. Traan, die in mijn oogen drong!

O mijn God! ik durf niet hopen,

Dat ik ooit u waardig prees!

Maar mijn boezem ging u open.

En mijn kinderlofzang rees. \'t Groote lied was aangevangen,

Dat geheel mijn ziel doordrong; Bron van duizend, duizend zangen, Die ik zong, en niet en zong.

Kweekplaats van mijn kindsche dagen!

Heb ik ooit, in later dag.

Op mijn luit een toon geslagen,

Daar ik lof voor beuren mag: Naklank is het van de klanken.

Die zij indronk in uw lucht.

Daar mijn hart u voor zal danken Tot mijn jongsten boezemzucht.

-ocr page 189-

HEI LOO. — IIKT LIED DES DOODEN.

HEILOO.

Boven Limmen lif^t Heiloo.

Waarom klopt het hart mij zoo,

Als ik, boven Limmen,

Op een spitsen torentop,

\'t Haantje met vergulden kop Boven \'t hout zie klimmen?

Heiloo ligt boven Limmen.

Schoone dreven heeft Heiloo. Waarom klopt het hart mij zoo.

Midden in zijn dreven,

Als, van tusschen \'t groen geboomt, \'t Witte Huis te voorschijn koomt. Statig en verheven?

Heiloo heeft schoone dreven.

Lieve vrouwtjes telt Heiloo. Waarom klopt het hart mij zoo,

Kom ik die te aanschouwen? \'t Heugt mij hoe ik. jongeling, \'t Liefste meisje uit haar kring In zijn kerk ging trouwen.

Heiloo telt lieve vrouwen.

Zeegne God u, klein gehucht! Dubbel zuivel, dubble vrucht

Lache u daaglijks tegen; Onbezoedeld, onverpoosd,

Vloeie u de evangelietroost Als een malsche regen!

Aan mij verdient gij zegen.

HET LIED DES DOODEN.

Gij hebt m^ lang gekend. En komt mij dus te aanschouwen: Ach, eer gij \'t denkt, is dit het end;

De doocUis niet te trouwen. Ik leefde een jaar of wat; niet meer; Nu lig ik op de lijkbaar neer; De nacht der graven wacht op mij — Wie zal mij volgen? Gij?

Lijkvolgers, Vriendenschaar,

Wilt over mij niet weenen!

Mjjn ziel, al schreit gij bij mijn baar.

157

-ocr page 190-

BIJ HET OVERLIJDEN EENS LEERAARS.

Is reeds voor God verschenen.

Daar smaakt zij, om baars Heilands bloed, Des hemels onverbitterd zoet — Hoe zalig is die rust voor mm Wie zal mij volgen? Gij?

Geliefdste Vriend! één bee:

Vergeet mij niet te spoedig!

Ik droeg uw beeld ten hemel mee,

En wacht u daar blijmoedig.

Daar is geen graf, geen rouw, geen smart, Geen zondesmet bedroeft er \'t hart. Volkomen vreugde streelt er mij — Wie zal mi] volgen? Gij!

Heb dank, o Vrienden saam.

Die uiij naar \'t graf geleidde!

Dat u \'t geloof in Jezus naam

Een zachten dood bereide!

Bescherme u God bij dag en nacht — Mijn aardsche dagtaak is volbracht; Het stille graf sluit, over mij —

Wie zal mij volgen? Gij.

„Frankische Volksliederquot; (Leipz. 1855).

BIJ HET OVERLIJDEN EENS LEERAARS.

(Olnet Hïmns.)

God nam zijn Meester weg van hem, Aan d\'oever der Jordaan;

Wanhopig roept Eliza\'s stem: Wat vangt nu Isrel aan?

Maar hij vergeet dat \'s Heeren macht Der zwakken lenden gordt.

En in wat maat Elia\'s kracht Op hem is uitgestort.

Hoe? Paulus endt zijn schoonen loop, Apollos daalt in \'t graf:

Is Jezus Kerk nu zonder hoop?

Sneed Hij haar leven af?

Of leeft Hij nog, die eeuwig leeft.

En ,al haar nooden kent?

Zij trooste zich met wat zij heeft. En wachte \'t geen Hij zendt.

-ocr page 191-

wapen voor db gemeknïe „haarlemmermeer.quot; — mijn roos. 159

WAPEN VOOR DE GEMEENTE „HAARLEMMERMEER.quot; Aan den Edelachtb. Heere Mr. M. S. P. Pabst, Burgemeester.

1855.

Gij, die op \'t nieuw, veroverd, land,

De vlag, in naam uws Konings plant;

Uw oog schijnt Mij te vragen:

„Wat ïeeken zal zij dragen?quot;

Zoo ik een Teeken kiezen zou,

\'t Ware, op een veld van Hemelsblauw,

Drie gulden Koren-aren.

Oprijzende uit de Baren.

Zoo gij \'t aanvaardt, en kronen wilt:

Plaats dan een Tand-rad boven \'t schild.

Symbool dier Werktuigkunde,

Die dees triumf vergunde.

Dat „Goüd uit Schuimquot; de Zinspreuk zij!

Het is eens Dichters Profecy;

De Hemel doe beleven Wat Vondels vingren schreven!

De Leeuw van Holland, nu gezond.

Zie bij dit Schild mot hoogmoed rond.

Bescherm het met zijn klauwen.

En geef het d\' aard te aanschouwen.

MIJN ROOS.

Ik ken, ik heb een frissche Roos,

Maar zonder steel of blaren;

Zij bloeit voor mij geen korte poos, Maar nu reeds vijftien jaren.

Reeds vijftien jaren bloeit zij mij. Bij dagen en bij nachten.

En stoort zich aan geen jaargetij, Aan sneeuw noch hageljachten.

Geen sneeuw of hagel, die haar stoort; En, hoe de zon mag steken,

Zij bloost en bloeit onkwetsbaar voort, En weet van geen verbleeken.

Indien zij van verbleeken wist. Zoo haar mjjn oogen zagen

-ocr page 192-

OPKN VENSTERS.

Betrokken met een valen mist, Hoe zoude ik dat verdragen?

Verdragen zoude ik eerder dat,

Waar ik mijn oogen wendde,

Mijn voetpad niets dan dorens had, Dan dorens van ellende.

Geen dorens hebt ge, o Roos, zoo zacht

Als zacht fluweel en zijde!

Hoe zedig gloeit, hoe vriendlijk lacht Uw blosje t\' allen tijde.

o Gloei en bloei mijn leven lang!

Laat niets uw glans verminderen ...

Ik meen de Roos op moeders wang; Gij raadt het, lieve kinderen.

OPEN VENSTERS.

(Naar Lonüfellow.)

Het prachtig Buiten hief\' zijn dak Stilzwijgend uit de lindeboomen; Het zonlicht deed langs top en tak Zijn goud op \'t ledig voorplein stroomen.

\'k Stond even stil bij \'t open hek.

En sloeg weemoedig \'t oog naar boven; \'k Zag van der kindren slaapvertrek De vensters alle opgeschoven.

Maar geen lief bakkesje keek uit.

Geen aardig ventje zag ik woelen.

Daar was beweging noch geluid;

Slechts leege tafels, leege stoelen.

Kardoes stond op de stoep van \'t Huis,

En tuurde goedig door de ruiten. En kwispelstaartte op \'t minst gedruisch, Maar wachtte vruchtloos^ zijn kornuiten.

Zij trippelden door \'t Huis niet om;

Zij speelden op geen beukepleintjes;

Noch zagen blijde aan de eendekom,

Hoe de oude zwommen naast hun kleintjes.

-ocr page 193-

BETJE.

\'t Gevogelt sprong van tak tot tak;

Zijn wildzang klonk door al de boomen; De stem der kindertjes ontbrak;

Zij wordt nog slechts geboord, in droomen.

Ik trok den knaap wat dichter bij,

Die aan mijn zijde bloempjes plukte;

Lang keek hij me aan; toen vroeg hij mij: „Waarom \'k zijn handje toch zoo drukte?quot;

BETJE.

Neem mij niet kwalijk, lieve Bet!

Dat \'k u eens ernstig onderhoude En vlak de waarheid zegge, net Als ik \'t mijn eigen dochter zoude.

In de eerste plaats, mijn lieve kind!

Gij moet zoo dol oprecht niet wezen. Wat gij gevoelt, bedoelt, bevindt, Is daadlijk in uw oog te lezen!

Ei, waarom veinst gü nooit eens wat?

Bescheiden zijn is ongenoegzaam; Het veinzen — zondig dunkt u dat... Maar, Betje! ieder acht hjt voegzaam.

Die \'t recht verstaat, met mond en kaak,

Dien acht men overal verstandig; Hij heeft gemak, die groote zaak! Een flapuit is verbaasd onhandig.

Dus, meisje! \'k smeek u als een gunst,

Léer met bevalligheid wat liegen; En zoekt gij \'t toppunt van de kunst, Leer bovenal uzelv\' bedriegen.

Ten tweede: schijnt zeer gezind Uw tijd voor kennis uit te geven; Gij wilt wat weten. Lieve kind!

Zij weet genoeg, die „weet te leven.quot;

Het praten, zeker, hoort daarbij. Het aardig over allés praten;

Maar die veel weet, spreekt minder vrij. Of ziet zieh als een wijsneus haten.

-ocr page 194-

BETJB.

Gij leest Fransoh, Duitsch; dat \'s naar mjjn wil

Vooral toch Engelech, moet ik hopen! „Ook Hollandscliquot;... Schepsel, houd u stil! Gij zoudt het met uw eer hekoopen.

Maar waarom leest gij V Dat \'s de zaak,

Daar \'t al op aan komt; om te lezen?

„Neen, tot mijn stichting, nut, vermaakquot;... Ik dacht wel dat het mis zou wezen.

De Bijbel is uw liefste boek.

Hetgeen ik voor alsnog niet lake;

Zoo slechts het daaglijksch onderzoek Der Schrift u tot geen dweepster make.

Gij gaat getrouw ter kerk. Zeer good!

Maar waarom, tegen aller wenschen.

Zet ge op de bals geen enklen voet?

Men ziet ook daar zijn evenmenschen.

En ook laat ge u geen lidmaatschap

Van comité-tjes welgevallen:

Melieve, nu nog mooier grap!

Die niet naar \'t bal gaan, doen dat allen.

Hoor kind! uw keus moet duidlijk zijn: Verlicht godsdienstig, zoo als wij zijn; Of wel, ten eenenmale fijn; ,,

Maar daar moet dan wat extra\'s bij zyn.

In zang en toonkunst neemt gij les.

En schijnt in beide wel te slagen,

Maar zijt verschriklijk ouderwetsch In \'t \'plaatsen van uw welbehagen.

Gij hebt, naar \'t schijnt, noch oor noch hart

Voor schitterende meesterstukken.

Die drok en dol zijn en verward,

Maar die men aanhoort met verrukken.

Beethoven, Mozart, Haendel, Bach,

Ziedaar de lui, die ffij blijft roemen;

Maar dat is, als ik \'t zeggen mag,

Üe sterren prijzen en de bloemen.

Soms zien wij u, by avondstond

Voor \'t open venster neergezeten, Een zachten glimlach om den mond. Het wereldsche gewoel vergeten;

-ocr page 195-

BETJE. 163

En somtijds weer, voor dag en dauw,

Tot stichting zeker van de boeren.

Mooi blootgesteld aan de ochtendkou,

üw duiven en uw kippen voeren.

Ot, op een ongelegen tijd,

In eenzaamheid door \'t hakhout dolen,

Waar gij uw kostlijke aandacht wijdt Aan bloeiend onkruid en violen.

Beken het maar! Is \'t waar of niet.

Dat vaak, als alles reeds ter rust is.

Het staren in het bruin verschiet Der breede lanen nog uw lust is.

En \'t opzien naar het stil gewelf.

Waar, langs de maan, de wolkjes drijven, ü dikwijls noopt, ondanks u zelf,

Nog uren op \'t balkon te blijven?

„Dan,quot; zegt gij, „hoort uw hart een stem,

Door \'t zinlijk oor niet op te vangen.

Die duidlijk tot u spreekt van Hem,

Wien de englen eeren met gezangen;

Wien gij gedeukt met diep ontzag.

En dankt met innig zielsverrukken.

Omdat het u gebeuren mag Den dorpel van zijn Huis te drukken!quot;...

Zoo zijt gij beurtlings, beste meid!

Wat ernstig, of wat kinderachtig.

Het eerste is overdrevenheid.

En \'t andre, schaap! verveelt ons krachtig.

De wereld is zoo als zij is;

Hen moet wat nemen en wat geven.

En zonder erg of ergernis.

Zoo leven als men haar ziet leven.

De kronkelbeek, die kalm en zacht

Haar weg zoekt met bescheiden bruisen,

Wat is zij, bij de fraaie gracht.

Op peil gehouden door haar sluizen V

Het bijtje, hoe tevreden \'t zij

In zijn eenvoudig, stil, bedrijfje.

Haalt immers niet in waarde bij Een weep met ingeregen lijfje?

-ocr page 196-

184 IN DE KlNDEliKAMEU. — lilJ 11 AA B GRAF.

Maar gij vergaapt u aan den schjjn,

En leeft bi] veel te liooge zaken, Die mooi en goed en kostljjk zijn,

Maar al te slechte reekning maken.

Ik hoorde soms, in \'t diepst van\'t woud,

Een vogel zingen, luide en blijde; Ik vond, verscholen onder \'t hout. Een geurig bloempje, zacht als zijde;

Ik zag een bron, vol, klaar, en frisoh. Ontspringen op een eenzaam plekje; En zie daarin uw beeltenis....

Maar wie zijn schuld is\'t, zedig bekje?

* Vergelijk Juste Olivier, Clairctte.

IN DE KINDERKAMER.

Alles in slaap!

Alles in rust!

Meisje en knaap.

Droefheid en lust!

Kleine krakeelen, en knellende zorgen Wegens de moeilijke lessen voor morgen, Eensklaps gesust!

Allen gezond.

Allen vol kracht;

Zie hoe die mond Slapende lacht!

Eén, nog één kusje gedrukt op de koonen, blozende rozen, van dochtren en zonen. En: Goeden nacht!

Ja, Goeden nacht!

Slaapt ongestoord!

God houdt de wacht.

God, die ons hoort.

Kom, leg ook gy nu het hooid maar terneder, Liefdrijke moeder! zoo zorgzaam en teeder; Slaap ook zoo zacht.

BIJ HAAR GRAF.

„Mijn sieraad en mijn eere.

Mijn grootste schat op aard. Een gave van den Heere,

-ocr page 197-

REPOS AILLEUR3. — NEVENS DEN BIJENKORF. 155

Zijn groote goedheid waard, Een onwaavdeerbre zegen,

Een hulp, een trooat, een vi-eugd:

Dat waart gij op mijn wegen,

Gij, huisvrouw van mijn jeugd.quot; \')

Thans, zijt gij van mijn zijde

Zoo droevig afgescheurd,

Och, weet gij, wat ik lijde,

En hoe mijn boezem treurt?

Gij moogt in de armen zinken Van Hem, die eeiuwig leeft:

Zou ik den kelk niet drinken.

Dien mij de Vader geeft?

Mijn kindren, lieve Zonen,

Vlucht tot dien Vader heeni Hij zal zich Vader toonen

Aan u en mij meteen.

Hij zal, in deze smarte,

Uw vader en zijn kroost Vertroosten aan zijn harte,

Gelijk een Moeder troost.

13 Mei 1856.

REPOS ATLLEURS.

Houd u den slaap des doods uit de oogen

Door werkzaamheid;

Geloof niet dat wij rusten mogen. Eer ons de Heer ter rust geleidt.

Verpoos uw geest, verkwik uw krachten, Schort d\' arbeid, maar hervat hem weer; En leg, ook zelfs in uw gedachten, Uw taak niet neer.

\') Zie bl. 19,

NEVENS DEN BIJENKORF.

Slo vos non vobls melllflcatls, apes.

Maak vlijtig honig, nijvre Bij!

Voor u niet, maar voor mij.

De schoone zon is opgegaan.

Voel duizend bloempjes zie ik staan.

-ocr page 198-

NEVENS DEN BIJENKOBF.

Hoe aardig pronken ze in \'t gelid! Dit geestig rood, dat zedig wit; üit blauw, dat geel; gestreept, bestipt; Geplooid, gekarteld, uitgeknipt,

Of glad en effen, gaaf en rond;

Hier, lachjes om den rooden mond Zoo gul en vroolijk opgeepard.

En daar, een heldre traan in \'t hart. Het eene draagt een kroon vol glans. Het andre eens Heiligs stralenkrans; Dit lijkt een kleine zon, en dat Een groote vonk op \'t gras gespat ; Een kruisje, een ring, een spitse pluim, Een droppel bloed, een vlokje schuim. Een monnikskap, een krijgsmanshoed, Een schoentje voor een poppenvoet. Een pijpje met gebogen steel, Een veldschalmei, een kermisveêl, Een leeuwenbek, een kattenstaart. Een oudje, lachende in zijn baard, Een klokje, benglende in de lucht, Een bonte vlinder in zijn vlucht, Een bekertje met goud daarin. Een oogje pinkende van min.

Of met een heldren, vrijen blik Ten hemel opziend\' zonder schrik. En iedre bloem, die zich ontsluit. Spreidt, met haar kleur, haar geuren uit, En lonkt en lokt u, nijvre Bij!

Om u niet, maar om mij;

En zet u, op uw vliegend spoor. Het nectarvocht in schotels voor; Of reikt het op een spitse roe ü, mondjesmaat, bij droppels toe; Of laat u snufflen in zijn dons. Of zuigen aan een volle spons; Ot bergt, met plaagziek overleg,

Het in een donkren kelder weg,

Maar laat het deurtje op een kier. Dat gjj moogt ingaan, gulzig dier! En zwelgen, zwelgen, nijvre Bij!

Voor u niet, maar voor mij.

Spoed heen dan met uw zoete vracht! De korf, de cel, mijn kelder wacht! Spoed heen, en stort uw rijken buit In vat op vat bij stroomen uit;

Spijs van den klimmend\' overvloed Uw zusters en het jong gebroed!

-ocr page 199-

NEVHNa DB» BIJSNKORP.

Voorzie uw vruchtbre koningin,

Haar minnaars, en haar hofgezin; Leg ook den wintervoorraad op,

In kruik bij kruik met wassen stop; Vlieg dan weer uit op vlugge vlerk. Van bloem tot bloem, van perk tot perk; Keer weer, ontlast u, vlieg weer uit, Totdat de dag zijn i-onde sluit;

Neem rust, tot de eerste straal van licht U weder opwekt tot uw plicht! Wie weet of ge op uw vroegste vlucht Niet riekt een welbekende lucht, Die lokt en zegt „de boekweit bloeit!quot; Daarheen, daarheen dan, onvermoeid! De weg is lang, maar groot het loon. Maak haast! Nog is de morgen schoon; Licht dat, op \'t midden van den dag. Een donderkop, een donderslag. Een zwarte wolk, die regen spelt, U wegdrijft van \'t welriekend veld, En noodzaakt tot gedwongen rust Haar, die in d\' arbeid vindt haar lust.

Voor mij, lief Bijtje! eens vooral Bestelde ik u dees bijenstal;

Ik heb u dezen korf gekocht,

Door nijvre menschenhand gewrocht! Ik plaats een vaantje op den top En schrijf er eigenhandig op:

Hier woont en werkt de nijvre Bij,

Voor zich niet, maar voor mij:

Want de ijzren vlijt, het taai geduld. De wijsheid, die dit pakhuis vult. De liefde voor \'t Gemeene Best In ieder bijenhart gevest.

Al de orde en eendracht, die hier heerscht, Daar ieder zwoegt en zorgt om \'t zeerst, Die spaarzaamheid bij overvloed, Die daagiyks rijker warden doet; Ik pluk de beste vrucht er van,

Ik, die geen honig maken kan,

Ik, die niet weet naar welke wet De zoetheid van het roienbed In \'t binnenst van een bijenmaag Tot honig wordt, en \'t ook niet vraag; Maar gaarn mijn brood in honig doop: Ziedaar des werelds loop.

-ocr page 200-

JAN JANSZEN\'.

JAN JANSZEN.

Eer brengt een arme Vader met vreugd zes kindren groot,

Dan dat zes rijke kinderen

hem koeatren in den nood.

Jan Janszen had gehamerd, gezaagd, geboord, geschaafd,

Bij dag en nacht gezorgd, gezweet,

geploegd, gezwoegd, geslaafd;

Zijn wijfje wist van snaren en zuinig overleg;

Zoo brachten zij zes kindren groot,

en legden nog wat weg.

De zonen kregen vrouwen, de dochtren kregen mans;

Geen vader was gelukkiger

of rijker dan Jan Jansz.

Jan Janszens haar werd grijzer, maar dat was niemendal!

Maar hij verloor zijn brave vrouw,

dat was een treurgeval;

Maar hij verloor zijn wijfje, dat was een bitter kruis;

Daar zat hij oud en eenzaam neer

in \'t uitgestorven huis.

Daar zat hij, oud en eenzaam, te suffen bij den haard;

En menig, menig dikke traan

rolde in zijn grijzen baard.

Daar zat hij, oud en eenzaam, en sloeg zich voor den kop:

„Och, dat hij maar wat Jonger waar,

hij nam het werk weer op!quot;

Hij zat zoo lang te peinzen in doffe mijmerij;

Zoo mager werd hij als een hout,

en zag den dood nabij.

Zijn kindren kwamen dikwijls en aten_aan zijn disch;

Maar dubbel woog hem de eenzaamheid

na korte lafenis.

„Kom,quot; sprak hij, ,\'k heb drie zonen, en elk zijn huisgezin;

„Kom, ik verkoop mijn have en goed,

en woon bij d\' oudsten in.quot;

Jan Jansz verkocht zijn boeltje, en deelde met zijn kroost.

„Vriend!quot; sprak hij tot zijn oudsten zoon,

„ik zoek bij u mijn troost.quot;

-ocr page 201-

.7AN .IANSZKN.

\'t Ging goed in de eerste weken, wat minder op den duur ;

En eer het jaar verstreken wa^,

kwam menig moeilijk uur.

En op een vroegen morgen, riep zoonlief vroolijk uit:

„Heeft vader niets gehoord vannacht?

Ik kreeg een jonge spruit.quot;

En eer nog de avond daalde, sprak hij zijn vader aan;

„Hoor vader, waar uw armstoel stond,

moet nu het wiegje staan.

Wij wonen wat bekrompen, en in een klein quot;bestek:

Gij moest bij broeder Gerrit gaan,

die heeft een groot vertrek.quot;

Jan Janszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heelgoed!quot;

Dies trok hij naar den tweeden zoon,

en schepte nieuwen moed.

\'t Ging best in de eerste dagen, in de eerste maand misschien :

Maar eer \'t een halfjaar verder was,

had vader \'t al gezien!

En op een kouden avond, daar hoorde de oude man:

„Gij stookt den kachel veel te heet;

ik krijg er hoofdpijn van.

Maar warmte hebt gij noodig; welnu, ik weet goed raad ;

Uw derde zoon is bakker, best

dat gij daar wonen gaat.quot;

Jan .Tanszen zuchtte in stilte; Jan Janszen zei: „Heel goed!quot;

Uus trok hij naar zijn derden zoon,

maar met een droef gemoed.

\'t Ging heerlijk de eerste dagen; \'t ging goed een week of wat;

Maar eer \'t drie maanden verder was,

was \'hem de bakker zat.

En op een schoonen morgen, sprak hij zijn huisvrouw aan,

Daar vader in don leunstoel zat,

zoodat hij \'t kon verstaan :

„Eens bakkers huis, lief wijfjen! is net een duiventil;

Een ieder loopt er in en uit,

en vader houdt van stil;

16\'J

-ocr page 202-

JAN JANSZEN.

Ik wil den man niet jagen, maar beter leek hem wis Het stille huis van Leentje-zus,

dat op den stadsmuur is.quot;

Jan Janszen zuchtte in stilte: „Maarquot;, dacht hij: ,\'t is ook waar, Een dochter hangt veel teerder aan;

veel beter ben ik daar.quot;

\'t Ging best in de eerste dagen; \'tging goed nog menig week; Maar ook het dochterhart liet los,

eer \'t eerste jaar verstreek.

En in \'t begin van \'t tweede, daar kwam de schoonzoon aan. En zei; „Hoe graag ik vader hield,

\'t is niet om uit te staan!

Mijn vrouw sterft duizend dooden, als zij baars vaders stap, Bij uitgang ot bij thuiskomst, hoort

op deze steile trap.

Zij zegt wel duizend malen: De man zou denken dat Hij ons te veel was; ver van daar:

maar anders, weetje wat?

Hij moest bij Beije wonen; die is nog wel jaloersch Dat vader ons gekozen heeft;

daar woont hij gelijkvloers.quot;

Jan Janszen dacht: „Mijn Leentje, die meent het zeker goed, En Betjen is jaloersch! Kom aan,

dat geeft een burger moed.quot;

\'t Ging extra, de eerste dagen; \'tging goed, een langen tijd; Toen ging ook Betjes teeder hart

Zijn eerste warmte kwijt.

„Och vader, lieve vader! dat booze rheumatiek!

Ik vrees het aan mijn huisje ligt;

gij zijt hier altijd ziek.

Wou Grietjes man u hebben, dat was zoo mooi als \'t kon! Haar huisje, dat bij \'t kerkhof staat,

heeft altoos lucht en zon.quot;

Jan Janszen dacht: „Mijn Betje heeft gansch geen ongelijk,quot; Dus nam hjj met een hoopvol hart

bij Grietjes man de wjjk.

-ocr page 203-

NOG TE JONÜ.

Hij was in \'t kurkdroog huisje geheel op zijn gemak.

Doodgraver was zijn Grietjes man;

dat was geen vroolijk vak.

\'t\'Ging goed in de eerste dagen; maar, na een week of wat:

„Grootvader!quot; zei het jongste kind,

daar \'t op zyn knieën zat:

„Weet u wat Leenmoai zeide, toen zjj bij Moeder was?

Dat u geen kamer beter leek

dan onder \'t groene gras;

Een kamer, zooals Vader er daagljjks maakt en sluitquot;...

„Kind!quot; riep Jan Janszen, zuchtte^ diep,

en — blies den adem uit.

Straks maakt de man van Grietje zijn kamertje gereed.

Nu komen al de kindren op,

in \'t effen zwarte kleed.

Jan Janszen wordt begraven met plechtig rouwmisbaar;

En op zijn grafsteen staat: Hier rust....

En dat is dan ook waar.

Eer brengt een arme vader, met vreugd, zes kindren groot.

Dan dat zes rijke kinderen

hem koestren in zyn nood.

NOG TE JONG.

(Naae V IC TO li Huso).

Een aardig meisje zong. Met uitgeteerde wang Lag, in het naast vertrek, de moeder op haar sponde. En sloeg ter dood benauwd een hollen blik in \'t ronde. Wij zaten bij dat bed en hoorden dat gezang.

Het kind was vijf jaar oud. Het zong zoo lief. Wij moesten Wel luistren, dat de kranke \'t zag.

Het meisje zong den ganschen dag;

Zij lag den ganschen naclit te hoesten.

Sinds gistren dekt het graf haar lief en schoon gejaat. Het meisje zingt reeds weer. En waarom zou het zwijgen\'? De droefheid is een vrucht, die God niet groeien laat Aan nog te teere twijgen.

171

-ocr page 204-

SCHERTS. — SLECHTS ÉÉNE TAAK.

SCHEETS.

Ongevoelig, ruw, koelbloedig

Mag de scherts niet zijn; Vroolijk, vriendlijk en goedmoedig,

En niet scherp, maar fijn. \'t Lachje, dat zij op doet rijzen.

Zij noch -wreed noch wrang; Glimlachje op de lip des wijzen. Kuiltje in poezle maagdenwang.

SLECHTS ÉÉNE TAAK.

De bloempjes kusten haar den voet,

Wanneer zij trad door \'t veld; De leeuwrik zong haar in \'t gemoct. Al heeft zij \'t nooit verteld.

Zacht streelde \'t windje haar de kin.

En beefde om \'t stout bestaan; Het beekje hield zijn murmlen in. En \'s dichters luit sloeg aan.

Het bijtje hield een gansche poos

Zich op zijn vlerkjes op.

En nam haar mondje voor een roos; Maar \'t was een rozeknop.

Uit haar bruine oogen straalde een vonk

Zoo liefdrijk, rein, eu zacht,

Die in de stugste harten zonk Met onweerstaanbre kracht.

Het bestje sloeg van \'t spinnewiel

Met vochtig oog haar ga,

En sprak: „Zie daar een vrome ziel!quot; En keek haar lang nog na.

De boersche kindren staakten \'t spel,

En Trijntje zei tot Jan:

.Zag jij die mooie jufter wel? Wat keek ze ons vrindlijk an.quot;

En menig, menig edel hart

Dacht: waren toij gepaard,

Ik weet wel wie gelukkig werd!

Maar ik ben ü niet waard.

-ocr page 205-

SLECHTS BENE TAAK.

Doch huwen was de laatste zaak,

Waarop haar zieltje zon;

Een kranke Moeder was haar taak,

Die haar niet missen kon.

Een moeder, aan wier bed zij zat,

Zoo menig dag en week;

Haar volgde zij van bad tot bad, Van wereldstreek tot streek.

Ach, beeldschoon kind! altiid vervuld

Van \'t geen uw plicht gebood,

Gij waart een engel van geduld.

En uwe trouw was groot.

Vergeefs. Geen kruid, geen bad, geen lucht.

En zelfs uw liefde niet,

Heeft ter genezing kracht of vrucht,

Als gij met tranen ziet. —

Zoo sleet zij jaren achtereen,

— Haar frissche jeugd vervloog —

Maar werd nog schooner dan voorheen, In elks eerbiedig oog.

\'t Kan wezen dat haar lief gezteht

Wat bleek, wat smaller -werd.

Maar \'t blonk te meer van \'t heerlijk licht, Dat voortkwam uit haar hart.

Wat is de heldre blos der jeugd,

Wat \'s levens dageraad.

Bij \'t geon een lang beproefde deugd Prent op een schoon gelaat?

Bij wat zij om den lieven mond.

Op \'t effen voorhoofd schrijft Van wie in God steeds sterkte vond.

En op Hem hopen blijft?

Bij \'t geen er hemeldcb blinken gaat

In \'t oog, dat, onbewolkt,

In dienst der rijkste liefde staat.

En haar getrouw vertolkt;

Vertolkt, hetzij ze dient of troost.

Hetzij ze draagt of lijdt,

Of dringend bidt, of vleiend koost. Of dankbaar zich verblijdt?

-ocr page 206-

TWEE LICHTEN.

Maar eindlijk is haai- taak volbracht, En \'t laatste werk verricht;

De trouwe dochterhand drukt zacht Haar moeders oogen dicht.

Nu reikt zü dan die dierhre hand Een langbeproefden vrind,

En knoopt den liefelijken band, Die harten samenbindt.

Verheven blinkt de huwlijkskroon Op \'t godgevallig hoofd;

En \'t blosje ontgloeit weer op haar koon, Slechts voor een tijd verdoofd.

De aandoenlijke ernst van \'t zacht gezicht Ontplooit zich tot een lach,

Waar al het stil geluk uit licht Van dezen huwlijksdag.

o Trouwe Dochter, thans geheel Uw\' Eega toegewijd,

Nog schooner roeping is uw deel, En die gij waardig zijt!

Wat zult gij, na een weinig pijn, — Uw liefde telt die licht —

Een trouwe en teedre Moeder zijn Van een bekoorlijk wicht!

Dat kind vergelde u, rijk en mild. Uw kinderlijke deugd

En alles wat gij \'t wezen wilt.

Door de eerste moedervreugd!

Gij smaakt die; ziet uw zuigling aan.., Hoe bleek wordt mond en kaak!

Gij sluit uw oogen ... \'t Is gedaan... Gij hadt slechts ééne taak.

TWEE LICHTEN.

Dees werkt om roem, en die om nut te stichten. Kees draagt een kaars, om andren voor te lichten; Jan, om te zien hoe lang zijn schaduw wordt. Vrij lang, mooi Jantje! maar uw Kaars is kort.

-ocr page 207-

NAGEDACHTEN IS.

NAGEDACHTENIS.

Gij waart zoo goed. Dat konden allen lezen In \'t zacht blauw oog en vriendlijk aangeziclit; Een heldre straal van lieflijk licht Speelde u om \'t blonde hoofd en onvergeetlijk wezen.

Uw Moeders vreugd; haar troost bij weduwsmarte;

Haar lief, voorbeeldig kind;

Als de appel van haar oog bemind,

En thans beweend, met een verbrijzeld harte.

Mij kreegt gij lief. Uw hart, zoo onbevangen,

Uw ziel, zoo rein en schoon Ging open op den zachten toon Van \'s jonglings luite en weemoedvolle zangen.

Gij schonkt me uw hand; wij werden saamverbouden; Gezegend uur voor mij!

Gods goedheid had mjj aan mijn zij Een engel ter bescherming toegezonden.

Hoe teeder was uw liefde, hoe zorgvuldig!

Hoe rijk en vindingrijk!

In lief en leed zichzelf gelijk;

Aanspraakloos, rein, zachtmoedig en geduldig;

Zoo trouw als goud, in woorden en in wegen.

Gij hebt mij nooit gevleid.

Door waarheid en oprechtigheid Werdt gij behoed, en waart gij mij ten zegen.

Wij poogden saam, bij \'t licht van Gods genade. Den goeden weg te gaan.

Hoe onbelemmerd tradt gij aan!

Ik wees den weg; maar gij gingt voor, mijn gade!

Gij waart zoo vroom; Uw godsvrucht had geen vouwen: De vroomheid van een kind.

Dat zijnen God en Heiland mint.

En zegt: „Hij is getrouw, dies zal ik ook vertrouwen.quot;

Ootmoedig kind! Wat andren aan u prezen Werd niets door u geacht.

Alleen de spreuk van uw geslacht:

„Mijn heil is chkisïüsquot; was uw roem, en mocht hot wezen.

Gij schonkt mij kroost. Ge omringdet mij met zonen En dochtren. Blij gedruisch

175

-ocr page 208-

NAUEUACUTKNIS.

Vervulda mijn gelukkig huis.

(iij gaaf\'t ze uw melk, en uwe rozekoonen.

o Welk een lust, in \'t midden van de velen,

\'t Lief moedertje te zien;

Een op haar zachten schoot, een aan haar kniên, Een spelende op den grond en keuvlende onder \'t spelen!

o Welk een rust, u bij do wieg te weten Van \'t krank en lijdend wicht.

Met zorg in \'t hart, maar kalmte op \'t aangezicht, Niet wijkend van uw post, en \'t bidden nooit vergeten!

o Welk een troost, waar geen gebed mocht baten.

Maar \'t offer moest gebracht.

Van \'t vast geloof de groote kracht Te lezen in uw hart, zoo stil en godgelaten!

o Welk een troost, door u getroost te worden,

En in uw arm altijd Tot elke taak, tot iedren strijd üe kracht te vinden om de lendenen te gorden!

o Welk gemis, dien troost, dien steun te missen,

En op de levensbaan Verminkt en eenzaam voort te gaan,

liet hootd vol zorg, het hart vol droefenissen!

öij waart nog jong. Geen acht en dertig jaren! Nog kleurde \'t lieflijkst rood Uw zachte wang... (jeduchte dood!

Wat wist uw adem snel mijn schoonste roos te ontblaren.

\'t Was Meimaand; alles groen in bosch en weide,

En ook in onzen hof;

De bloemen rezen uit het stof;

Ook op dat kerkhof, \'dat uw stof verbeidde.

Daar bracht ik u. Sering en goudenregen Wuifde u het welkom toe.

Hoe treurig was mijn hart te moe.

Toch sterkte God en hield mijn tranen tegen.

Sering en goudenregen liet zijn bloemen Neervallen op uw graf;

Elk bloempje viel vervolgens af.

En \'t laatste blaadje na de laatste bloemen.

176

-ocr page 209-

NAGEDACHTENIS.

De winter kwam de treurigheid volmaken.

o Akker van den dood,

Wat werdt gij doodsch, dus naakt en bloot!

Toen viel de sneenw en dekte u met haar laken.

Maar nu . ... Kan \'t zijnV Is \'t reeds een jaar geleden, Dat ik dien weg betrad,

Beroofd van \'t liefste dat ik had¥

Nu bloeit gij weer, gelijk een bloeiend Eden.

En ook mijn hof herbloeit, als in die dagen Van angst on droefheid, toen Mij zoo gedurig \'t eerste groen,

In eenzaamheid, mijn nood ann God zag klagen.

Kleine Agnes plukte een lelietje en bekeek het: „Ziequot;, sprak mijn hartedief;

„Dit bloempje vond Mama zoo liefquot; —

En ik: „Dat \'s waarheid, kind! en zij geleek het.quot;

Welnu! Gelijk dit bloempje en alle bloemen Verborgen lag in \'t stof,

En nu weer opgaat in mijn hof.

Opdat we, o God! uw liefde en almacht roemen;

Zoo zal ook eens, gekoesterd door de stralen Van meer dan zonnelicht,

Herleven voor mijn aargezicht Mijn liefste bloem, mijn Lelietje-van-dalen.

Beminlijkste en godvruchtigste der vrouwen! Die balsem zalft mijn pijn;

Ik zal daaraan gedachtig zijn,

Aleidelief! en voorts op God vertrouwen.

Och, mocht mijn kroost in uwen voetstap treden. En, ondanks uw gemis,

Mijn dochtertjes uw beeltenis Uitdrukken in een kring van stille lieflijkheden!

Mijn zoons niet van uw les en voorbeeld wijken, Zoo diep in \'t hart geprent.

En \'t wicht, dat nooit u heeft gekend.

Door aangeboren aard en inborst u gelijken!

En ik, die uw gedachtnis blijf vereeren,

o Mocht ik ook nog nu,

Verkeerende in den geest met u.

Gelijk voorheen, bestendig van u leeren.

-ocr page 210-

BENÖNI. — NAZOMER.

BENÖNI.

Gij wist niet. wie \'t was, die zoo kort, maar zoo zacht

U aan \'t hart van haar liefde mocht prangen.

Die op eenmaal verdween, in dien treungen nacht.... Maar gij scheent haar terug te verlangen.

Rondom uwe wieg werd door velen geschreid;

Doch. de reden kondt Gij niet doorgronden;

Slechts hebt gij een dubble zorgvuldigheid Bij al deze droefheid gevonden.

Gij wist niet waarom, maar gij kondt maar niet recht

U gewennen aan \'t aardsche gewemel.. • ■

Tot dat gij heel zachtjes werdt nedergelegd Op uw Moeders schoot, in den hemel.

N A Z 0 M E R.

Reeds begint de spin haar rag Overal te weven;

Korter wordt de zomerdag,

Korter wordt het leven;

Maar in \'t rijp en rijpend graan, Maar in halm en schooven,

Lacht de goedheid Gods ons aan, Die wij dankbaar loven.

Die het rozenbed beschouwt.

Wordt geneigd tot treuren;

Maar de boomgaard blinkt van goud, En de druiven kleuren.

Ook de roode lijsterbes

Gloeit zoo schoon als immer....

Vogels! volgt mijn wijze les:

Plukt haar nu — of nimmer.

Eerlang hangt de valsche boog In het vreemde lommer;

\'t Late besje lokt uw oog.

En gij ducht geen kommer.

Maar, verborgen voor uw blik.

Door den moord geweven

Gaapt de paardenharen strik Naar uw schuldloos leven.

Lieve kindren! elk genot Is aan tijd gebonden ;

178

-ocr page 211-

ondek t vreemde jük. —

naak rückert.

oud en nieuw vehbond. -

Smaakt het, met een oog op God,

En ter rechter stonden. Die van geen genoegens weet,

Die hij niet mag rekken, Zal zich een gedurig leed.

Of\' den dood verwekken.

OUD EN NIEUW VERBOND.

Het Oude, de Omhulling; Het Nieuwe, Vervulling.

In het Oude, een stok en een staf, Op den weg naar het duistere graf;

In het Nieuwe, \'t vroolijkste licht. En een opene deur in \'t gezicht.

ONDER \'T VREEMDE JUK.

(Uit Rückert\'a Geharnischte Sonnette, verschenen ten jare 1814.)

rr«lt; smeedt gij, Smid? „Wij smeden enkel keetnen.quot; Helaas, uw eigen hand omklemt een boei.quot; Wat ploegt gij Boer? „Opdat de veldvrucht groei!quot; Ja, voor den vijand tanv, voor u bmndneetten.

Wat zoekt gij, Weiman? „Haar en veer, ten buit.quot; Hoor \'t jachtrumuer van die Uw leven zoeken. — Wat doet gij, Visscher? „\'t Watervolk verkloeken.quot; Wie breekt het net, dat om uw leden sluit?

Wat wiegt gij, Moeders ! en verbiedt u \'t slapen ? „Een frissche teelt van forsch gespierde knapen.quot; Ja om, in \'s Vreemdlings dienst, hun Vaderland Ten bloede toe te slaan met eigen hand.

Wat schrijft gij, Dichter? „\'k Grif in gloênde letteren Mijn eigen en mijns volks ondelgbre schand, Dat wij aan onzen kerkerwand De onteerde hoofden niet verpletteren!quot;

NAAR RÜCKERÏ.

I.

Stijgt gij naar omhoog, Steeds wordt voor uw oog \'t Uitzicht algemeener;

-ocr page 212-

AFSOHHID.

Van liet groot Gehoel Ziet ge een grooter deel,

Maar al \'t Bijzonclre kleener.

II.

Wee, die zijn „Ik ga stervenquot; spreekt,

En niemand liefde heeft gedragen;

Den beker, die in scherven breekt.

En niemands dorst verslagen!

AFSCHEID.

(Uit het Hoogduitscb.)

Gij klopt; ik kom! Doch, eer \'k den laatsten gang Naar \'t stille graf, betrede.

Doodsengel! laat mij tijd voor één gezang.

Tot dank- en afscheidsbede.

Heb dank, o milde Vader, liefdrijk God!

Voor al \'t genot van \'t leven;

\'k Heb nooit vergeefs, bij \'t wisslen van mijn lot, Het oog tot u geheven.

Heb dank voor \'t leven, dank ook voor den dood.

Einde aller moeite en smarte:

Hoe bitter eerst, zoet wordt des stervens nood.

Leeft gij in \'t lijdend harte.

Hoe menig bloem van troost bloeit voor den voet. In \'t ondermaansch geweste;

„Uw wil geschiede; uw wil is altijd goed!quot;

Die troost is ver de beste.

Vaarwel, schoone aarde! En gij, vaartwel en leeft. Wie \'k minde en moet begeven!

Indien ik soms u heb bedroefd, vergeeft!

Het brandt me op \'t hart bij \'t sneven.

Wij scheiden, ja! maar zien elkander weer.

Waar allen zich vereenen.

Daar scheurt de vriend zich van zijn vriend niet meer Daar is geklag noch weenen.

Vaartwel! Reeds wordt het nacht voor \'t brekend oog; \'t Mag ü niet meer aanschouwen.

\'t Wovdt duister; maar mij dunkt, ik zie omhoog Eeu nieuwen morgen grauwen----

180

-ocr page 213-

1

MORGENWEKKER. — ZOMERDAG. 181

Gij roept! ik kom tot u, en draal niet meerl Geliefden, \'t hoofd naar boven!

Voorbij is \'t leed; reeds ziet mijn oog den Heer,

Wien \'k eeuwig ginds zal loven.

MORGENWEKKER.

(Naar Longfellow.)

Een wind kwam op uit d\' oceaan,

„Gij neevlen!quot; riep hij, ,maakt ruim baan!quot;

Hij praaide \'t schip en sprak: „Zeil voort! De nacht is om; de dagtoorts gloort.quot;

Hij haastte zich tot strand en kust,

En riep: „\'t Is dag! verlaat uw rust.quot;

„Juich!quot; hief hij luidkeels aan in \'t bosch: „Rol al uw loof banieren los!quot;

Hij stoorde \'t vogeltje op zijn nest: „Ontwaak, mijn zanger! zing uw best!quot;

En op de werf: „0 Kanteklaav! \')

Steek uw bazuin; de dag is daar.quot;

In \'t koren ging hij momm\'lend rond:

„Buig neer! begroet den morgenstond.quot;

En gierend door den kranken muur: „Ontwaak, o klok! verkondig \'t uur.quot;

Ook sloop hij door de kerkhofpoort,

Maar fluisterde: „Nog niet! Slaapt voort,quot;

ZOMERDAG.

Slechts blijde tonen kunnen \'t zijn, er; Die van mijn lippen vloeien,

Bij dezen heldren zonneschijn. Dit groeien en dit bloeien.

\') Canteklccr (naar het latijn cantu dar uk) Is In „Reinaert de Vos\'\' de naam vat; den Haan. Longfellow heeft Chanticleer.

s

-ocr page 214-

blijvende waarde. — vrede.

Al draagt het hart een diepe wond,

Toch kan er vreugde wezen,

Als alles rondom ons Gods liefde verkondt, En we overal vroolijkheid lezen.

Mijn geest is vrij en opgewekt;

En zou zich mijn hoofd dan buigen? De graven zelf zijn met bloemen bedekt, Die van nieuw leven getuigen.

Zij kijken den hemel zoo dankbaar aan,

Van \'t zonlicht zoo vriendlijk beschenen; Dat droogt op haar wangen den helderen traan. Dien de donkere nacht haar deed weenen.

BLIJVENDE WAARDE.

Prachtig blonk voor ons oog, met haar schittrende plui

De komeet, in kortstondigen luister;

Maar het vaste gesternte aan \'t onmeetlijke ruim Straalt nog steeds en bestendig in \'t duister.

Heerlijk schittren de gaven van schoonheid en .jeugd.

Die een dichterlijk hart doen ontgloeien;

Maar het heilig versiersel van godsvrucht en deugd Bljjft ons stichten, verlichten, en boeien.

1858. (Het jaar der komeet van Donati).

VREDE.

In onze dagen zij het Vrede,

Volmaakte vrede en stille rust! Het laatste twistvuur zij gebluscht; Het oorlogszwaard blijve in de scheede; Ontzweef ons niet, begeef ons niet, Gij Engel, die den Vree gebiedt!

De herder weide zijne schapen Langs batterijen zonder nut; In schaduw van \'t verroest geschut. Leg\' zich \'t verzadigd ooi te slapen; \'t Nieuwsgierig lam zie vroolijk op, En steke in d\' ijzren mond den kop.

Het veld zij vol van gouden halmen. Van witte zeilen \'t golfgebruis. Van bljjde liedren ieder huis.

182

-ocr page 215-

AAN DEN HEILAND. - JOHANNA GRAY.

Hot heiligdom van dankbro psalmen; De burger, die het minst bezit,

Steke ook zijn stukj e vleesch aan \'t spit!

PAX OPTIMA KERUM.

AAN DEN HEILAND.

Wij waren verloren; gij hebt ons gezocht,

Gevonden en behouden!

Gij hebt ons met uw bloed gekocht.

Opdat wij u liefhebben zouden.

Wij waren gevangen; gij hebt ons verlost,

Bevrijd op onze beden;

Die vrijheid heeft uw dood gekost;

Wij willen haar wel besteden.

Wij sliepen don doodslaap; gij hebt ons gewekt; Uw Geest kan levend maken.

Wee ons, indien deze weldaad niet strekt Om ons te doen bidden en waken!

JOHANNA GRAY.

Ik heb het geloof behouden ....

Neem do Kroon, neem de Kroon! ze is uw deel en uw lot. Door den wil van uw Koning, den wil van uw God! ü behoort zij; u voegt zij; uw godsvrucht, uw schoon Siert haar meer dan zij u; neem de Kroon, neem de Kroon!

Ach, de schoone Johanna was zestien jaar oud;

Haar gebied was de stilte van boekcel en woud;

Heel haar rijkdom Gods Woord, zoo hartgrondig geloofd; „Laat Maria regeeren! Geen Kroon past mijn hoofd.quot;

„Wat Maria?quot; riep Hertog on Rijksgraaf en Uaad:

„Op den troon is geen plaats voor \'t onwettige Zaad! „In het land is geen plaats voor de afgodische leer!

„In ons hart is geon plaats dan voor u, on den Heer!

„Onze plicht eischt uw kroning; hier staan wij gereed. „Doem geen Eedlen tot ontrouw, geen Volk tot zijn leed! „Geef Gods Waarheid niet over aan lastring en hoon;

Maar eerbiedig Gods wil! Neem de Kroon, neem de Kroon!quot;

183

I

-ocr page 216-

JOHANNA GIIAY.

Ach, de sclioouo Johanna! Hoe klopt haar het hart!

Doodlijk bleek wordt haar wang; haar gedachte verwart... Op haar oog daalt een nevel; nu voelt zij niets meer; En bezwijmd zinkt de schoone Johanna terneer.

Maar als uit die onmacht do jonkvrouw bekoomt,

Wat ziet zij rondom zich, en meent dat zü droomt? Ach, een Vader, een Moeder van koninklijk bloed. Met Hertog en Rijksgraaf geknield aan haar voet.

Ach, een Vader, een Moeder, met biddend gelaat,

Met Hertog en Rijksgraaf en Vorstlijken Raad,

Zij jamm\'ren, zij smeeken op klagenden toon:

„lied den Staat! red den Godsdienst! Getroost u de Kroon!\'

Toen verhief zij haar harte godvruchtig en stil;

Toen sprak zij: ,0 God! is \'t uw heilige wil,

„Wat ik nimmer begeerd heb en nog niet begeere? „Zoo aanvaard ik de Kroon; moge \'t zijn tot uw eere!quot;

Nu kust haar de Hertog eerbiedig de hand;

N\'u groeten haar de Eedlen gebiedster van \'t Land; Nu omhelst haar een Moeder, tot schreiens bewogen; Nu dankt haar een Vader, met tranen in de oogen.

Nu kleedt men Johanna met vorstlijke pracht;

Nu worden juweelen en paarlen gebracht;

Nu wordt op het voorplein de lijfwacht gevonden.

En men voert haar eerbiedig ten Burgslot van Londen.

Up \'t Burgslot van Londen is alles gereed;

Met ontzag draagt haar Moeder den sleep van haar kleed; De Lord van de Schatkist buigt neer aan haar voet, En reikt haar de Kroon — dat bedriegelijk goed!

Nu roepen, eer de avond de dagtaak besluit.

Herauten de doodsmaar van Eduard uit.

En Johanna, naar erfrecht en vorstlijken wil.

Tot Gebiedster van England! — Maar England zwijgt stil.

En na driemaal drie dagen — O omkeer van \'t lot! 0 Trouwloosheid der menschen! Beproeving van God! — Huimen Hertog cn llijksgraaf en Vorstlijke liaad Weder plaats op den troon voor \'t onwettige Zaad,

Weder plaats in het Land voor de afgodische leer,

Kn verzaken Johanna, hun eed, en hun eer____

Wel! Het zij zoo! De Kroon, zoo onwillig gedragen,

Legt zy willig weer neder, nn driemaal drie dagen.

-ocr page 217-

JO HANK A GRAY.

Maar na driemaal vier weken (ontzettend gezicht!)

Wordt de aohoone Johanna gevoerd voor \'t gericht.

Om haar heen woelt een volk, d.it haar smaadt en veracht, Voor haar uit zweeft de bijl van den beul, die haar wacht.

Voor haar uit zweeft de bijl, die haar vonnis voorspelt.

Maar haar schuld niet bewijst, noch haar onschuld ontstelt. Noch haar wang van \'t bekoorlijkste blosje berooft.

Noch den glans van haar deugd op haar voorhoofd verdooft.

Deugd en onschuld! wie eischt uw gerechtlijken moord? De eigen lippen, wier jamm\'ren gij eens hebt verhoord; De eigen mond, die u toeriep op smeekenden toon :

„\'t Is uw recht, \'t is uw plicht: neem de Kroon, neem de Kroon!quot;

Doch gij zwijgt; gij berust in de hardheid uws lots;

Ook de boosheid der menschen is toelating Godsj_

Ach, de liefde en de grootheid der wereld is schijn;

Verre \'t best is daarboven, bij Jezus, te zijn!

Hang de bijl van den beul over \'t schuldlooze hoofd, Wat zegt dit voor het hart dat in Jezus gelooft.

Dat hem kent, dat hem liefheeft-, en ook in het dal Van de schaduw des doods hem verheerlijken zal?

Over \'t schuldlooze hoofd hangt de bijl menig dag;

Maar men weifelt, men aarzelt, men draalt met den slag. Wat de Staatzucht verlangt, wordt door deernis betwist.

Door \'t Geweten geweigerd, maar — Staatzucht beslist.

Ja, de Staatzucht beslist en de Wreedheid voert uit. \'t Bloedig woord is geschreven; de kerker ontsluit;

„Nog twee dagen, Johanna! Bereid u ten doode!quot;

Spreekt met somber gelaat do onbarmhartige bode.

Maar na hem spreekt een Priester, op vleienden toon: „Nog een keus laat zij u, die gij staakt naar de Kroon; „De eere Gods is haar meer dan haar eigene waard;

„Zweer uw wangeloof af, en uw bloed blijft gespaard.

„Zweer uw wangeloof af, dat verwoestende werk „Van den vijand der zielen, den vijand der Kerk;

„Zweer uw wangeloof af, dat ter helle doet varen;

„Neem het heilgeloof aan, dat uw leven zal sparen!quot;

Maar zij antwoordt: „O Priester! laat varen die hoop. „Van God is mijn leven, van God is mijn doop;

„Van God mijn geloof, dat den hemel ontsluit,

„En het schild, waar de pjjl van den booten op stuit

185

-ocr page 218-

EÜNVODD.

,lk ben Jong nog van jaren, liet leven is zoet,

„Rijk mijn deel, door Gods. liefde, van gaven en goed: „Maar mijn God en mijn Heiland, Zijn Waarheid, Zijn Eer, „En de rust van mijn hart zijn mij eindeloos meer.

„\'k Heb een Midd\'laar beleden, wiens schuldeloos bloed „Al mijn schulden en zonden op \'t kruis heeft geboet; „Hem behoef ik, geen andren, en niemand met hem; „Hem bezit, hem belijd ik met hart en met stem!

„Neen! beweeg zoo meewarig het hoofd niet, noch poog „My de dwaling mijns wegs weer te stellen voor \'t oog; „Mijn geloof is halsstarrig, kortstondig mijn tijd....

„Laat me alleen, dat ik biddo en mijn zonden belijd\'!quot;

Nu verlaat haar de Priester. Zij buigt zich voor God; Hem belijdt zij haar zonden, beveelt zij haar lot.

Smeekt om kracht in haar zwakheid en hulplooze jeugd. En geniet reeds den voorsmaak der hemelsche vreugd.

Wie verstoort dien? Slechts gij, die haar leven verlengt. Die van uitstel de ontijdige tijding haar brengt;

Die nog eenmaal beproeft een geloof te verwrikken. Dat geen leven verlokt en geen dood kan verschrikken!

Neen geen sterven verschrikt haar, geen vreeslijke dood. Wees getroost, die haar lief hebt, haar voorrecht is groot! Op dit menschlijk gelaat ligt zoo hemelsch een rust. Als had haar een engel voor \'t voorhoofd gekust.

Ziet, het uur heeft geslagen; het blok is gezet; De scherprechter wacht, en zijn bijl is gewet;

Ha-ar hart is bereid, en haar oog is verbonden;

Eén slag — en haar ziel is ten hemel gezonden.

En do hemel ontsluit zich. Verrukk\'lijk gezicht!

Duizend Englen en Zaalgen in \'t vleklooze licht! Een quot;Rechtvaardige rechter gezeten ten troon;

En Zijn mond, die zich opent en zegt: „Neem de Kroon!\'\'

EENVOUD.

De Hemel heeft op menig hoofd

Een lieflijken krans laten vallen; Hij bloeit en blinkt er onverdoofd, En trekt het oog van allen.

186

-ocr page 219-

GODSVRUCHT. — JONQ BLIJVEN. — DICHTLUIM.

Maar die hem draagt weet nergens van,

En ziet zoo eenvoudig in \'V. ronde; Dat maakt haar zoo schoon als zij wezen kan, En bewaart haar voor dwaasheid en zonde.

GODSVRUCHT.

Een rein gemoed, een zedig oog. Een ziel ootmoedig voor den Heer, Ziet met vertrouwen naar omhoog. En vol van liefde neer.

Een op zijn God vertrouwend hart, Een hart vervuld met liefde en vreê. Geniet altijd meer vreugd dan smart. En dankt in wel en wee.

JONG BLIJVEN.

Hot hart blijft jong en wordt niet oud. Wanneer \'t zich frisch en open houdt Om al wat menschlijk is te voelen, Te voelen wat een kind verblijdt. En wat er door den geest moet woelen Eens jonglings, in zijn schoonsten tijd.

Die zijn verleden in zich draagt,

Blijft jong, al is hij weibedaagd. En wekt der jonkheid geen mistrouwen.

Veel kan hij hopen, wi^n veel heugt; Veel met zachtmoedig oog beschouwen; \'t Herinn\'ren is een grootr. deugd.

DICHTLUIM.

De dichtluim is wel gansch en gaai-Een Luim, \'t zij goede of kwade; Zij komt en gaat heel wonderbaar; Eer ik \'t vermoede of rade.

\'t Kan wezen dat ik jaar en dag Geen toontjen op voel stijgen, En wat ik ook beproeven mag. Genoodzaakt ben te zwygen.

187

-ocr page 220-

WANNEER DE KINDEREN GROOT ZIJN.

\'t Kan zijn dat \'k eensklaps, \'s morgens vroeg, Een liedjen op voel komen,

Alsof ik \'t, zonderling genoeg.

Bedacht had in mijn droomen.

Daar gaat, daar staat het op \'t papier!

Daar volgt aireede een tweede!...

Waar zijn uw Albums? Breng ze hier.

En ik verhoor uw bede.

WANNEER DE KINDEREN G-ROOT ZIJN.

.Wanneer de kindren groot zijn,

mijn lief, mijn levenslust!

Dan komt er, na een tijd van zorg,

ook weer een tijd van rust.

Miin haar zal wel wat grijs zijn

Uw voorhootd met zoo glad;

Maar als het hart nog jong js,

hoe weinig hindert dat!

Vier dochtren en drie zonen!

Het wil wat zeggen, wijt!

De inngste nog geen twee jaar oud,

en de oudste driemaal vi]f.

Dan is om dezen, dan om dien

het moederhart m nood;

Veel werk bij dag, veel zorg bij nacht —

maar eenmaal zijn zij groctl

.Niets zijt gij voor uw vrienden,

maar alles voor t gezin.

De huiszorg, ieder weet het wel,

neemt al uw uren in.

\'t Penseel ligt lang vergeten,

Geen boeken leest gij meer....

Maar als de kindren groot zijn,

dan komt dat alles weer.

.Ons huwlijksreisje, liefste!

was kort en gauw gestuit;

Wil reisden naar de pastorie .

van Heemstee: daarmee uit!

Nog nooit zijn wij tezamen

eens ver van huis gegaan;

Maar als de kindren groot zijn,

dan vangt ons reizen aan.

-ocr page 221-

WANNEER DE KINDEREN GROOT ZIJN.

„Ik kon maar half genieten,

als \'k in den vreemde toog;

Mijn hart was thuis, het was bij u,

en mijn gedachte vloog!

Met haast verslond ik elk genot

en keerde in \'s hemels naam!

Maar als de kindren groot zijn,

genieten wij tezaam.

„Dan wijze ik u de plekjes,

die ik bekoorlijkst vond;

Aan IUjn 611 Moezel, Clyde en Teems

leide ik u dankbaar rond;

Winandermeer en Edinburg

zijn wat ik heerlijkst zag;

Daarheen zal ik u voeren,

voor onzen ouden dag!

„Wanneer de kindren groot zijn —

Neen! zie niet dus mij aan!

liegin met dezen glimlach niet,

hij eindigt in een traan —

Wanneer de kindren groot zijni

en dat gaat immers gauw?

Dan komt er weer een gulden tijd,

mijn allerliefste vrouw!quot; —

De kindren werden grooter

en grooter, naar de rij.

Maar eer er een volwassen was,

kwam daar alweer een bij.

„Wees welkom, vierde zoontje!

gij komt nog juist bij tijds;

Ook gij zult eenmaal groot zijn,

Gods grooten naam ten prijs!

„Wees niet bezorgd; uw moeder

neemt u met blijdschap aan;

Zij heeft er zooveel grootgebracht,

het zal ook ditmaal gaan____quot;

Ai mij! daar breekt op eenmaal

dat dierbaar leven af!....

De kindren worden grooter —

maar op hun moeders graf.

aanïeekening.

Winander-meer. Gewoonlijk Windermere genaamd, een der schoonste en zeker het lieflijkste der meren van het zoÖgeAttamde Lake-district, in het Noordwesten van Engeland.

189

-ocr page 222-

EINDLIJK. — GOEDHEID.

EINDLIJK.

{NAAK \'ï HOOGDDITSCH).

„Eindlijkquot; blijft niet eeuwig uit: Eindlijk is de troost versohenen;

Eindlijk groent, o Hope! uw kruid; Eindlek houdt men op van weenen, Breekt de traankruik die men droeg; Eindlijk zegt de Dood: „Genoeg!quot;

Eindlijk wordt uit water wijn; Eindlijk komt de rechte stonde;

Eindlijk stilt de hartepijn;

Eindlijk heelt de diepe wonde;

Eindlijk maakt de slavernij Den gevangnen Jozef vrij.

Eindlijk kan de nijd, de wrok, Eindlijk ook Herodes sterven;

Eindlijk Davids herdersrok Zijnen zoom in purper verven;

Saul zelf raakt door den tijd Veerkracht en vervolglust kwijt.

Eindlijk neemt het bang getob Onzes zwervens ook een ende;

Eindlijk staat een Heiland op. Die het juk des dienstknechts wende; Eindlijk maken veertig jaar Gods beloften tijdig waar.

Eindlijk bloeit een Aloë;

Eindlijk draagt de Palmboom vruchten;

Eindlijk eindigt aller wee,

En de laatste smart moet vluchten. Eindlijk ziet men Vreugdendaal; Eindlijk, Eindlijk komt eenmaal.

GOEDHEID.

Wie wordt door elk bemind? Wie wint

Het hart, op \'t eerst aanschouwen? Het viuendlijk oog, het qoeu gelaat, De glimlach, die een hart verraadt, Oprecht en zonder vouwen.

Dat schoon, dat schooner is dan schoon, Doet ieders hart ontgloeien.

-ocr page 223-

db. johannes josefhus viotta. — geen kruis, qeen kroon. 191

Een koude schoonheid roert ons niet;

Maar deze wekt eens dichters lied,

En kan een grijsaard boeien.

BIJ DEN DOOD VAN

De. JOHANNES JOSEFHUS VIOTTA, Componist,

Overleden 6 Februari 1859.

Ook die harp, ook die harp dan tot zwijgen gebracht,

Wier geklank aan mijn zangen zich paarde,

In de dagen van jeugd en ontluikende kracht.

Die een hemel beloofden van de aarde! 1)

Die ook sinds, in \'t gedrang van des levens gewoel.

Door het lied van den man zich liet wekken.

En, in geestrijke tonen, \'t eenstemmig gevoel En het hart van den vriend deed ontdekken.!)

Nog een lied was beloofd; nog een lied werd verwacht,

Was op weg van mijn hart tot rnfln lippen —

Maar eer de adem mijns monds het had overgebracht. Kwam die harp aan den meester te ontglippen.

Zet haar neer bij zyn graf, waar des avonds de wind

Haar met smartlijke zuchten bespele.

En bereikt haar dees toon uit het hart van een vrind, Dat zij aansla en klagelijk kweele!

GEEN KRUIS, GEEN KROON.

Neen, zonder kruis geen kroon! Maar zonder kroon wel menig kruis In hart en huis.

Mijn zoon!

Waar \'t leed gedragen wordt, Maar zonder ootmoed bij de schuld, En \'t hart niet duldt,

Maar mort.

1

) Zie de Leldsche Studenten-almanakken van de jaren 1836, 37, 38.

-ocr page 224-

DE POST VAN EER.

192

IN DE LENTE. —

Waai- \'t kruis wordt nagesleept, Vertoond, verheerlijkt, opgekleurd.

Pin \'t hart niet treurt.

Maar dweept.

De lijdzaamheid des Mans,

Des Christens, die in God gelooft.

Zij slechts is \'t hoofd Een krans.

Maar dezen werpt hij neer Voor Hem, die \'t kruis droeg zonder schuld; Aan Hom de hulde en de eer!

IN DE LENTE.

Onze oude moeder heeft verheugd Haar nieuwen mantel omgeslagen.

En is zoo schoon als in do dagen, De dagen van haar prilste jeugd. De zoetste glimlach siert haar mond, Haar oogen tintien van nieuw leven,

En op haar voorhoofd, zacht en rond. Zijn al de rimpels uitgewreven.

„Ja,quot; zegt zij, onder \'t luid gezang Der vooglen in de groene blaren,

„Mijn winterkommer en bezwaren,

„Mijn kinderen, vergat ik lang.

„Doet gij als ik: vergeet uw smart; „Staakt voor een oogenblik uw zorgen; „En laat, bij \'t licht van dezen morgen, „U drukken aan mijn vroolijk hart.quot;

DE POST VAN EER.

Het leven is een staat van oorlog; tegenspoed De post van eer voor \'t echte heldenbloed.

Aan Franscli proza ontleend.

-ocr page 225-

GEMENGDE GEDICHTEN.

VIJFDE BUNDEL.

BIJ DE UITGAVE VAN MIJN DICHTBUNDEL

„MADELIEVEN.quot;

1869.

Madelieven zijn er altijd,

En die ze wil zoeken die vindt er;

We zijn ze slechts een oogenblik kwijt, In \'t barste van den winter.

En daar het voor mij nog geen quot;winter is,

Maar — zoo als gij \'t wilt noemen! —\'

Zoo leg ik heden op uwen disch.

Een handvol van deze bloemen.

Gij hebt er gewis wel eens mooier aanschouwd Uie frisscher en fleuriger blonken;

Maar hebben ook zij niet haar hartje van goud .Dat hemelschen dauw heeft gedronken ï \'

TWEEDE HUWLIJKSDAG.

Nu komt de zon weer schijnen;

Nu schijnt zij in mijn hart; De nevelen verdwijnen.

De wolken van de smart. De stormwind legt zich neder; De zee wordt klaar en stil; Een liefderijke wil Gebiedt het lieflijkst weder.

Nu heb ik weer verkregen ^ Een hulp, een steun, een troost. Een leidsvrouw op mijn wegen. Een moeder voor mijn kroost, ïwee minzame oogen stralen Mij leven toe en kracht. Een mond, die vriendlijk lacht. Stelt al mijn zorgen palen.

Nu^ zal mijn zang weer rijzen En klinken over de aard,

III.

-ocr page 226-

194 EEN DKIRKOKINaEN-LIED.

Nu wordt tot nieuwe wijzen Mijn oude lier besnaard.

God gaf, God nam, gaf weder, En kroonde op nieuw mijn hoofd)

Dies zij met mond en veder Zjjn groote naam geloofd!

Verneem die jubeltoonen.

Geliefde vriendenschaar!

Mijn dochtren en mijn zonen, \'Herhaalt ze voor elkaar!

Verzamel ze in het zachte.

Het stille hart, mijn vrouw!

En streele u de gedachte: Een dankbre ziel is trouw.

20 October 185\'J.

Heiloo.

EEN DRIEKONINGEN-LIED.

I.

Op een Driekoningen-avond,

In een Kenmerlandsehe stad,

Werd daar een kindje geboren. Dat vriendlijke oogjes had.

Het was een aardig meisje. Een dochtertje zoo zoet;

De moeder kuste haar rooden mond, En lachte zoo welgemoed.

De kaarsen stonden te branden ; Men zong het Driekoningen-lied;

De wereld gedacht aan de wonderen, Te Bethlehem geschied.

In alle christenlanden.

Gedacht men aan Gods Zoon,

Gelegerd in een voederkrib.

Geboren voor \'s hemels troon;

Gedacht men aan de sterre,

[n \'t sterrenwijs oosten aanschouwd,

En aan de gaven der koningen,

Uun wierook, hun mirre, hun goud.

Het goud vereert den Koning. De wierook den Zoon van God;

-ocr page 227-

EEN DRIEKONING EN-LIED.

Maar de bittere, bittere mirre Voorspelt zijn leed en lot.

De moeder kuste haar dochtertje, En sprak: „Mijn dierbaar wicht. Mocht ook die heldere Sterre U schijnen in \'t gezicht!

Mocht gij ook eenmaal reizen.

Naar Bethlehem en zijn stal, Kn vinden in het Kindeken Uw heil, uw troost, uw al!

Mocht gij ook eens aanbidden

Dien Lijder, dien Priester, dien Heer, Die ons van alle schuld verlost. En leven doet tot Gods eer.quot;

11.

Op een Driekoningen-morgen,

In eene stad van \'t Sticht,

Daar zat een aardig moedertje, Omringd van zoo menig wicht.

Geen kind was haar geboren,

Toch had zij er één meer dan vijf;

Die noemden haar „lieve moeder,quot; En hingen haar aan het lijf.

Die zeiden met lachjes en traantjes, En stemmetjes teeder en fijn:

„Ons moedertje heeft ons verlaten, „Maar gij zult ons moedertje zijn!

Maar gij zult ons moedertje wezen, In blijdschap en in smart;

Maar gij zult ons moedertje wezen — Gjj hebt een moederhart.

Wij lagen krank terneder.

Maar onze krankheid geneest;

Dat komt van uwe liefde;

Gij zijt ons een moeder geweest.

Gij zult ons een moeder blijven. Een leidsvrouw onzer jeugd;

Een moederlijk voorbeeld ons geven Van godsvrucht en christendeugd.

-ocr page 228-

zilveren echtfeest.

Gij zult onze harten vervullen

Met liefde en diep ontzag Voor dat beminliik Kindeken,

Dat in de kribbe lag.

Gij zult ons leeren aanbidden

Dien Gods en \'s Menschen zoon, Die niet onze eerste moeder Ons saambrengt voor Gods troon.

O Doe het, lieve tweede!

Wij zijn een dankbaar kroost. Wij zullen uw harte verblijden.

Gelijk gij het onze vertroost.

O Doe het, lieve moeder!

En blijf onze moeder altijd.

Gij weet niet hoe onmisbaar, Hoe dierbaar gij ons nijt.

O Dje het, lieve moeder!

En geve u de almachtige God Nog menig Driekoningen-avond Te danken voor uw lot.

En komt er een eigen kindje,

Een zoontje of een dochtertje bij, Hoe blijde zullen wij wezen!

Zoo blij, lieve moeder, als gij.quot;

* * *

De man, die dit liedje gemaakt heeft,

Heeft achter de deur gestaan; Een lofzang was in zijn harte.

En in zijn oog een traan.

ZILVEREN ECHTFEEST.

(aan mijne vbienden d. m. o.)

Vijf en twintig jaar getrouwd,

Twintig jaar mijn vrinden ! De echte-min geen vonk verflauwd; Ook de vriendschap niet verkoud, Die ons saam mocht binden.

Dit vereischt, aan dezen disch, Woorden, wenschen, zangen;

-ocr page 229-

zilveren echtfeest. 197

Dit, de blijde erkentenis:

„Van wat hier genoten is,

Héb ik mede ontvangen.

„Mee gedeeld in \'t zoet genot

Van dien rijken zegen,

Die een goedertieren God Uitstortte op uw huwlijkslot.

Uitstrooide op uw wegen;

„Meê genoten van de vreugd.

Klimmend nog en groeiend.

Die uw ouderhart verheugt,

Bij het neerzien op een jeugd,

In Gods gunste bloeiend.quot;

Ja, mjjn vrienden! God is goed.

Slaat zijn wegen gade!

Kalm genot bij overvloed,

Vrede en vreugde in \'t stil gemoed,

Schonk u zijn genade.

Innig aan elkaar gehecht,

Eén van ziel en zinnen,

Zegent gij den zaligste\' echt,

Klemt elkaar aan \'t hart en zegt:

„God leerde ons beminnen.

„Wat, toen hij ons samenbracht,

\'t Kloppend hart gevoelde,

Is geheiligd, kreeg zijn kracht.

Uit die bron van liefde en macht.

Die ons heil bedoelde.

„Hij maakte ons in Christus één,

Eén geloof, één hope,

Heel zijn schat is ons gemeen.

Kan die band ook scheuren? Neen;

Wat de tijd ook sloope.

„Niet voor vijfentwintig jaar,

Niet voor vijftig jaren.

Maar voor eeuwig staan wij daar,

Een in hem vereenigd paar,

Op zijn gunst te staren.

„In een zalige eeuwigheid

Z^jn geen huwlijksbanden;

Maar wat is er, dat hen scheidt,

-ocr page 230-

hasna\'s med.

Wie een zelfde kroon v-erbeidt Uit eens Heilands handen?quot;

Recht zoo! Denkt dit voorrecht in,

Chrisflijke echtgenooten!

Smaak het, christlijk huisgezin! Magen, vrienden, deelt er in! \'t Is uit God gevloten.

Hem de dank, de lof en de eer,

Hem het zielshetrouwen! Onuitputlijk is de Heer,

Dankbren doet hij meer en meer Van zijn gunst aanschouwen.

Amsterdam.

HANNA\'S LIED.

1 sam. ii.

0 kind, van God gegeven!

Wat zult gij zijn voor God? Hem loven door uw leven. Hem dienen in uw lot? Hem eeren met ds tonen. De psalmen van uw ziel. En met een staag gekniel In zijne tente wonen?

Uw moeder heeft verslonden Veel smaad en boezempijn; Haar zuchten moesten zonden In \'t Oög der heilgen zijn; Haar hart werd opgereten Door dageljjkschen hoon — Van God geschonken zoon! Gij doet het al vergeten.

De Heer doet honger lijden;

De Heer geeft overvloed; De Heer beschaamt verblijden,

En geeft bedroefden moed; Hjj doet ter helle dalen;

Zijn woord ontsluit het graf. En doet wie d\' adem gaf Weer vroolijk adem halen.

Zyn vriendlijk aangezichte Verhief hij over mij;

19?

-ocr page 231-

VOORJAAR. — IIOtXANOSOH HUISIIOÜDEN.

Zijn arm vol sterkte richtte

Mij op en blijft mij bij; Hij heeft mij u gegaven:

Ik geef aan hem u weer — Loof, loof mijn ziel den Heer, Die sterven doet en leven!

VOORJAAR.

Mijn hof ontwaakt, wordt groen, wordt wit Van bloesems aan de twijgen:

Heeds zoo veel malen zag jk dit.

Maar kon er nooit bij zwijgen.

Het blijft een wonder in mijn oog. Zoo wonderschoon te aanschouwen.

Dat krachtig opwijst naar omboog, Eu aanspoort tot vertrouwen.

Hü leeft nog, die het leven geeft En weergeeft uit de dooden!

Hem lieve en loov\' wat adem heeft, En zoek\' hem in zijn nooden!

IIOLLANDSCH HUISHOUDEN.

DE HTTISVADER SPREEKT;

De Keizer is in Frankrjjk baas, In Nederland de Komng,

Ik in mijn eigen woning;

Dat \'s ieder op zijn plaats.

De grondwet van mijn rijksgebied Is (Jod en de Ouders te eeren; Is Vrede en Rust, mjjnheeren! Ia dit en andei-s niet.

Van vrijheid is hier spraak noch schrift, Maar wel wordt zij genoten,

Door kleinen en door grooten, In groote en kleine gift.

Elk brengt tot aller vreugd wat bij; Dat is zoo alle dagen De schatting, die wjj vragen En brengen, vrjj en blij.

-ocr page 232-

200 twee whakkkn.

De hronnin onzer welvaart zijn Vlijt, en des Heeren zegen Op onbesproken wegen;

Geen goud of zilvermijn.

Van al wat goed is blijven wn Een duurzame1 invoer wenscnen, Maar weren van de grenzen Begeerte en Hoovaardij.

TWEE WRAKKEN.

(Naar Hermann Ling).

In \'t hoogste Noorden ligt een schip in d\' opgestapeld ijsberg vast;

De manschap slaapt op \'t open dek,

de sneeuw ligt om haar hoofd getast;

Hoe gillend ook de Noordwind fluit,

de zeilen hangen stijf en strak;

Geen touw beweegt, geen raastspriet kraakt, en \'t roerloos roer geeft kreun noch krak.

Maar \'t Noorderlicht verlicht den nacht en wemelt over \'t wit tooneel;

Het ledig oogbol gloeit als vuur,

de rnarm\'ren wang wordt rood en geel;

In \'t zeildoek komen bloemen op,

kristallen bloemen, koud en kil,

Zoo reuzig groot, zoo spokig vreemd, zoo onheilspellend doodsch en stil.

Van \'sijsbergs donkre toppen zien geduchte schaduws dreigend neer,

Als kwam des Voortijds monsterdracht uit zijn versteende wereld weer;

En vaak, of onder \'t \'wicht van sneeuw de kracht des vuurs \'t geduld verloor.

Rolt daar een zware donderslag,

en spljjt den ijsklomp midden door. —

En in de Zuidzee ligt een schip, in hartontzettende eenzaamheid,

In \'t blauw en windstil watervlak,

als in een open graf, geleid;

Met lijken is bet boord bemand;

die zien zoo hol en uitgebrand.

Als hadden hare mummiën

de pyramieden hier verplant.

-ocr page 233-

mooi kaatje. 201

De zandplaat werd een vuil moeras,

en uit den drassen bodem schiet Een weeldrig plantenrijk omhoog

van zeewier, schimmel, mos en riet.

Vermolmend ligt het vaartuig daar;

uit_ ieder spleet en lekgat wast Een geile groene stengel op

en rankt en slingert naar den mast.

Onkenbaar is der dooden hoofd

verward in blad en klemmertak,

En bloemen bloeien uit hun mond,

als of die \'t woord des levens sprak;

Het lange schelfblad wuift voor vlag

en, waar het scheepslicht heeft gebrand.

Vliegt \'s nachts een groene glimworm op en flonkert als een diamant.

MOOI KAATJE.

Mooi Kaatje, wrijf uw oogjes uit.

En kijk eens helder rond!

Men lacht om u, \'t zij stil of luid,

En is hst zonder grond?

U viel een knap gezicht ten deel;

Uw moeder heeft wat geld:

Maar zeg mij, zijt gij niet wat veel Op groot fatsoen gesteld?

Gij zijt een burgerdochter, kind!

En \'t strekte u niet tot scha.

Uw vader was door elk bemind — Och! kreegt gij zulk een ga!

Een eerlijk man wordt door geen schoon

En door geen schijn misleid;

Hij vraagt, — het zi] uw hoogste kroon! — Naar deugd en deeglijkheid.

Och lijk niet engelsch, speel geen fransch;

Maar reken hierop vast;

Mooi Kaatje heeft een mooie kans,

Maar Katty krjjgt een kwast.

-ocr page 234-

VOOR DE GEVALLENEN. — HOOGE SCHOOL — DOORGRAVING ENZ.

VOOR DE GEVALLENEN.

(Naar Victor Hugo.)

Beschimp, beschimp geen vrouw, van \'t pad der deugd geweken! Wie zegt u voor wat drang \'t vervolgde hart bezweken,

Door welken nood in \'t eind haar kracht is uitgeput! De storm, die de eerbaarheid dier zwakken heeft geschud. Weet best hoe bang, hoe lang, en tot wat prijs, de onteerden Krampachtig, maar vergeefs, haar dierbaarst pand verweerden. Zoo hangt een regendrop des lieven hemels, rijk In glans, aan \'t espenloof, waardoor de winden zweven, En trilt en klemt zich vast en worstelt om zijn leven.

Vóór \'t vallen parol, en na \'t vallen — morsig slijk.

Op mannen komt de schuld; op \'t goud en zijn bezitteren! Maar ook! Nog schuilt in \'t slijk die eens zoo heldi-e drop; Een straal van zon, een blik van liefde, trekk\' hem op. En met vernieuwden glans zal hij als parel schitteren.

HOOGE SCHOOL.

Die niet uit alles leeren wil.

Wil in \'t geheel niet leeren. De Hooge school staat nimmer stil.

Waarin wij saam verkeeren; \'t Is alles les, wenk, voorbeeld, vraag — Maar menig leerling valt wat traag.

Gij niet! Let op, zie af, onthoud,

En vorder \'t allen tyde!

Zorg dat de Leerzucht niet verflauwt,

Schoon de Eerzucht schipbreuk lljde! Het is om pi-ijs noch lauwergroen,

Maar om het leeren-zelf te doen.

DOORGRAVING VAN HOLLAND OP ZIJN SMALST.

Haast trekk\' de spade een rechte lijn, „In schaduw van der eiken kruinen.

Daar Holland op zijn smalst mag zijn En krimpt voor \'t stuiven van de duinen.quot;

\'t Is lang genoeg dat „Wiikermeer En Noordzee met oneven kelen

Elkaar beroepenquot; keer op keer.

Om Holland veld en vrucht te ontstelen.

-ocr page 235-

HERSTELDE KRAAMVROUW.

Thans leer de Kunst den weg aan \'t IJ Om West, als Oost, in Zee te stroomen,

Dat de Amsterdamsche Koopvaardij Met volle zeilen in mag komen.

Al blijft dan Pampus keel verzand,

IJmuiden zal die schade wreken,

En bergen in zijn havenrand De schatten van vier hemelstreken.

En hamerklop op hamerklop Sticht aan den Amstel nieuwe wonderen.

En heft zijn glorie weer in top Met ,stee« omhoogquot; op „hout van onderen.quot;

Zijn bijenkorf zal, als weleer,

Van dichte en drukke zwermen krielen.

En de oude vlijt en welvaart weer \'t Bataafsch Venetiën bezielen.

Dat kan een Gouden spade doen. Dat wetenschap en kunst bewerken;

Men kroon haar \'t hoofd met eeuwig groen. En bidde God haar hand te sterken.

HERSTELDE KRAAMVROUW.

Al heeft het lang geduurd. Het hebben komt na \'t hopen: Wij mogen \'t kleintje doopen;

\'t Ts alles wel bestuurd.

Werd menig lange nacht In bange zorg ge\'sleten: \'t Is alles nu vergeten;

De goede Hemel lacht.

Van moeders lief gezicht Was \'t roosje weggenomen. Maar \'t is weerom gekomen.

Gij streelt het, aardig wicht!

Weer zit de beste vrouw In mijner kindren midden; Het danken volgt het bidden.

Het feestkleed kwam voor rouw.

-ocr page 236-

204 BIJ I)K BEELTBNIS V. Z. M. DEN KONING. - AAN MIJNE T,ANDQEHOOTEN.

Ach, was er nu een hart,

Waar nooit het vuur van doofde, Dat in zijn vreugd God loofde, Zoo als \'t hem smeekte in smart!

Help, help mij, dierbre Ga! Met mond, en hart, en leven,

Zijn goedheid eer te geven, — En, Kindren! volgt ons na.

BIJ DE BEELTENIS VAN ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING.

IN FEBRUARI 1861.

(Jaar van Watersnood).

Dit \'s willem, wiens gelaat, en woord, en milde hand De jamm\'ren matigen van \'t Overstroomde land.

Gods hand zij met hem en bescherm hem op zijn wegen! \'s Volks liefde stroome hem, aan alle stroomen, tegen!

AAN MIJNE LANDGENOOTEN.

IN FEBRUARI 1861.

Dankt allen God en weest verblijd. Omdat gij Nederlanders zijt!

Dien Naam, die Eer, dien Zegen Hebt gij van Hem verkregen.

Die Naam, bekend van Noord tot Zuid, Schiet als een star zijn stralen uit, En licht, wat wende of keere,

U voor op \'t pad der eere.

Die Eer, het erfdeel van uw bloed, Verheft uw hoofd, verhoogt uw moed. Der Vaadren goed mocht minderen: Hun glorie kroont de kinderen.

Die Zegen tart den schoonsten schijn, Want schooner niet dan Vrij te zjjnl Laat Groote volken brallen:

De Vrije gaan voor allen.

Dankt allen God en weest verblijd, Omdat gy Nederlanders zijt!

Waar zoo veel volken klagen,

Kunt gij van heil gewagen.

-ocr page 237-

ECHTE DICHTGEEST.

Geen openbaren dwingeland Hebt gij te bieden wederstand,

Geen broederkrijg te sussen,

Geen twistvuur uit te blusschen.

Geen vijand dreigt voor grens of stad, Geen roofzucht scheert uw akkers plat, Of keert, voor de open haven, Den schat der Oostergaven.

Men ziet bij u, hoe ver men trekk\'. Geen weelde spotten met gebrek, En weduwen en weezen Wel treuren, maar niet vreezen.

Als kindren van een groot gezin.

Bindt u de band der broedermin:

Laat scheuren dam en dijken, Die band zal niet bezwijken!

Ja, dam en dijk bezwijke en zwicht\'. Die broedermin treedt meer aan \'tlicht; Tot heeling aller wonden Wordt zij geü-ouw bevonden.

Dankt allen God en weest verblijd. Omdat gij Nederlanders zijt!

Laat nooit het bloed der Vadei-en Verbastren in uw aderen!

Voert, voert der Vaadren eer in top. Richt marmerzuil en standbeeld op; Maar dat uw laatste zonen Zich hunner waardig toonen!

ECHTE DICHTGEEST.

MENS DIVINIOII

Heoft de Aeoolsche harp gespeeld, Heeft een adem uit den hoogen. Langs de snaren heengetogen, Haar zijn Leven meegedeeld;

Viel een vonk uit hooger sfeer. Die de brandstof heeft ontsteken En de vlammen uit doen breken, In dquot; ontroerden boezem neer;

-ocr page 238-

VRAGEN AAN DEN SCHEPPER.

Hoe gansch anders klinkt die toon Dan wat Kunst of Zucht tot pralen Uit haar hout en erts leert halen,

Met een oog op lof en loon! Wat is, bij dien heilgen gloed, Die zich meedeelt onder \'t blaken, \'t Vuurwerk, dat de feestvennakon Knallend, schittrend kronen moet?

VRAGEN AAN DEN SCHEPPER.

Hoe noemt gij wat wij Leven noemen, O Gij, die leven doet?

De hoogste wijsheid, waar we op roemen, Valt duizlende u te voet.

AVij zien de werkingen, wij binden Ze tot een denk-beeld zaam.

Maar kunnen \'t Leven-zelf niet vinden, En kennen slechts een Naam.

Wat zijn het, dat wij Krachten heeten? Ook dit een leege galm;

Do korte ketting van ons weten Breekt af bij dezen schalm.

Hier hangt de sluier, hier ontwaren Wij d\' afgrond, die ons stuit.

Schoon velen in de diepte staren, Wat stervling vorscht haar uit?

Wat is die Ziel, die we in ons voelen, Dit Meer-dan-vleesch-en-bloed,

Dat ons begeeren, willen, woelen, U ondervragen doet?

Hoe hangt zij met dit stof te zamen. Doordringt het, dient, beveelt?...

Spreek! Leer die wijsheid zich te schamen. Die slechts met woorden speelt.

Wat dunkt U van \'t geen wij erkennen Als Wetten voor \'t Heelal,

Zelfs door uw Almacht niet te schennen, Ot alles kwaam ten val?

Gij zwijgt. Dit is op vele vragen Uw eenig antwoord. Heer!

Maar, waar wij deze laatste wagen.

Ziet gij met Deernis neer.

206

-ocr page 239-

WAAR IS UW HART. —

WAAR IS UW HART.

Waar is uw hart, waar is uw hart, Waar is uw hart, mijn naaste?

Omringd van \'s levens weelde en smart, Verhaal mij, waar gij \'t plaatste?

Hebt gij \'t verslingerd en verstrooid, Op \'t breede pad der Zonde?

Ik dacht niet dat zij ooit of ooit Dien schat vergoeden konde.

Hebt gij \'t verloren in \'t gedrang Van duizend IJdelheden?

Mocht elke dwaasheid sedert lang \'t Verneedren en vertreden?

Of doet gij u op \'t Leed te goed, Met jamin\'rend zelfbehagen?

Verdrinkt gij \'t in een tranenvloed, Bij krachtverterend k\'agen?

Of speelt gij trouw den sterken held, En toont uw moed bijzonder.

En houdt het, met barbaarsch geweld, Uit louter hoogmoed onder?

Of wel, bekommert ge u niet veel. Wat van uw hart moog komen,

Zoo maar van \'t wereldsch goed een deel U rijklijk toe blijft stroomen?

Zoo dwaas niet, o mijn Broeder! tart Geen stem van God daarbinnen!

Zij roept: „Mijn zoon! geef Muuwhart; Gij zult oen hemel winnen.quot;

DE BESTE VRIEND.

(Naar yuHUloLCii.)

De beste Vriend is wel daarboven

Op aarde zijn de vrienden raar;

En, in ons menschlijk woelen, sloven. Loopt trouw en waarheid veel gevaar.

Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind!

De Heiland is de beste Vrind.

Bij measchen is het vloed en ebbe; De Heiland staat gelijk een rots.

DE BESTH VRIEND.

-ocr page 240-

bede voor de burgerweezen te haarlem.

En schoon ik duizend feilen hebbe,

Hij laat daarom mijn hand niet los. Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind! Do Heiland is de beste Vrind.

Hij liet voor mij aan \'t kruis zich dooden, Vergoot voor mij zijn dierbaar bloed, Staat nog mij bij m alle nooden,

En maakt mijn vele schulden goed. Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind! De Heiland is de beste Vrind.

Die Vriend heeft mij zijn hart gegeven.

Ik ben de Zijne en Hij is mijn;

Hij is mijn Vriend voor heel mijn leven,

Tot over \'t graf zal Hij het zijn.

Dies blijft het bij de spreuk, mijn kind! De Heiland is de beste Vrind.

BEDE VOOR DE BURGERWEEZEN TE HAARLEM.

IN JULI 1861.

(Tijdens de Nijverheidsfeesten.)

Ons tweede vaders klagen.

Vondel.

\'t Is Juli. Haarlems lusthof bloeit;

Zijn feestklok luidt; zijn kunstzaal boeit;

\'t Oog hangt aan wondren rij op rij Och! gaat ons Weeshuis niet voorbij!

Gedenkt den armen! Brengt uw God De rente van uw feestgenot!

Geen grooter feest voor \'t edel hart Dan \'t liefdrijk lenigen van smart.

Geen grooter smart dan die gij vindt In \'t hart van \'t ouderlooze kind,

Waar deze vrees in wakker wordt:

-Mijn tweede vader schiet te kort!quot;

Zijn tweede vader heft het oog Tot aller Vader naar omhoog;

Zijn tweede vader wanhoopt niet,

Als hij de trouwe liefde ziet.

Wier hand ook nu, naar allen schijn,

Het middel in Diens hand zal zijn.

-ocr page 241-

ZWITSERLAND. 209

ZWITSERLAND.

Die schrlkllokat van ay swijght heeft allerbest geselt.

Huygens.

Ook ik ben \'t land van bergen, stroomen

En meer bij meren doorgegaan;

Maar spraakloos ben ik weergekomen,

En bied geen dichttaafreelen aan.

Ook ik zag \'s hemels zonnestralen

In donzig schuim en klaar kristal Hun bonte regenbogen malen In waterval bij waterval;

Ook ik, de witte en zwarte vloeden,

Gekweld, gedwarsboomd, niet gestuit,

Zich kokend door hun bedding spoeden.

En storten in de vlakten uit.

O Heldre spiegels, diepe meren!

Hoe dikwijls zal, in al hun pracht.

Voor mijn verbeelding wederkeeren.

Uw zacht kobalt, uw klaar smaragd;

Uw lachende oevers, stoute zoomen,

üw klare diepte, uw zacht gebruis.

En \'t lied des roeiers op uw stroomen.

Bij \'t klappren van \'t Helvetisch kruis!

Het bergpad voert, uit boomgaarddreven.

Door notenlommer, beukenwoud.

Tot waar de dennen eenzaam leven.

De donkre pijn in d\' afgrond schouwt;

Tot waar geen takken schaduw spreiden.

Geen scherm van groen den bergwind stuit, —

Daar boven spreiden de alpenweiden Haar onbeperkte schoonheid uit.

Nog hooger schitteren de toppen

Met eeuwig ijs en sneeuw bedekt;

Ontzaggelijke reuzenknoppen,

Wier aanblik tot aanbidding wekt.

Ik zag hun sneeuwwit voorhoofd blozen,

Daar de ochtendzon hen zacht bescheen, Met gloor van verschontloken rozen,

Die ras voor heller glaos verdween, m. h

-ocr page 242-

ZWITSERLAND.

Ik zag de wolken om hen rijden,

De neevlen twisten met hun gloed,

Maar, als een mantel, nederglijden.

Zich samenrollende aan hun voet;

Hun onveranderlijke vormen.

Hun ongenaakbre majesteit.

Ten trots van eeuwen, schokken, stormen, En wetten van verganklijkheid.

Ik tastte d\' ijsberg met mijn handen.

Bij d\' oorsprong van den killen vloed. En plukte van des gletschers randen, Het alpenroosje, rood als bloed.

Ik hoorde sneeuw- op sneeuwval donderen,

Door honderd echo\'s weergekaatst, En \'t klokje aan den hals der runderen Verraden waar de kudde graast.

Nog vangt mijn oor die berggeluiden,

Nog weidt mijn oog van top tot top. Nog haalt mijn hart den geur der kruiden, De frissche lucht der bergen op.

O zaalge nasmaak, zacht herdenken. Vol zuivre geestdrift, nieuw genot, Hoe rein een weelde kunt gij schenken. Bij stillen lof en dank aan God!

Maar dichterlijke schilderingen.

Maar liedren, hooggestemd en luid .... Neen! ga mijn zwijgen voor mijn zingen; Het drukt het best mijn eerbied uit.

Laat andren groote woorden smeden,

In maat en rijm met zorg geschaard; Uw heerlijk- en uw lieflijkheden Zijn hartelijker hulde waard.

Waar mij een blik te beurt mocht vallen.

Natuur! op uw verhevenst schoon: Met leegen galm en ijdel schallen,

Bewaar mij God dat ik u hoon!

Laat andren voor uw grootsche wondren,

Zoo ernstig plechtig bij hun pracht. De kleurdoos der verbeelding plondren, En overspannen kunst en kracht:

-ocr page 243-

DE TWEE LUTSCHINKN. — VnOVtV SUM ENSZ.

Gij haat die van hun eerzucht vergen.

Waarbij hun kracht en kunst bezwijkt — Een heimwee naar het land der bergen, Ziedaar -waarin mijn liefde blijkt.

DE TWEE LUTSGHINEN.

Bern-Öborlancl.)

De Lutschinen, Witte en Zwarte,

Gaan elk haar eigen pad,

Zij maken een vreeselijk leven.

En schuimen als \'k weet niet wat.

Zij schuimen, bruisen, branden Vervaarlijk om stronk en steen;

Maar komen elkander steeds nader.

En stroomen ten laatsten inëen.

En als nu vervolgens die beiden Vereend zijn naar lichaam en geest,

Dan zet ik het u te onderscheiden.

Wie wit en wie zwart is geweest.

Gansch anders de prachtige Rhone,

Waar hij \'t meer van Genève verlaat,

En hij de Arve wol aan-, maar niet op-neemt, En niet met, ofschoon nevens haar gaat.

Mijlen ver gaan ze onwillig te zamen.

De eene blauw, de andre grauw, gram te moed\'.

Tot ze op eenmaal die koelheid zich schamen. Zich omarmen, en één zijn voor goed.

Dwaze trots, ijdle toorn, die den nooddwang. Die vereeniging eischt, wederstreeft!

Waar gij weet dat het eens toe moet komen. Doe dat liever terstond, en beleefd!

VKOÜVV SIJMENSZ.

Vrouw Sijmensz kan niet scheiden van de zee. Dat groot gezicht doet haar zoo wel en wee.

\'t Is of de golf, die aan haar voeten breekt, Zij weet niet welke woorden tot haar spreekt.

\'t Is of het schuim, dat krinkelt over \'t strand. Zij weet niet welke lettren schrijft in \'t zand.

-ocr page 244-

212 OUJgt;E VRIENDSCUAf. — HOK LANGER HOE LIKVEtt.

\'t Is of in \'t licht, dat over \'t zeevlak straalt, Zjj weet niet welk verscliijnse] riist en daalt.

Haar hart is vol, haar hoofd zoo wonder licht.... Straks draaien zwerk en zee haar voor \'t gezicht.

Een luchtje speelt, en schijnt te zeggen; .kom!quot; Vrouw Sijmensz roert de lippen, — maar blijft stom_

Haar anu zinkt naast haar neder, zwaar als lood — En kind en kleinkind vindt vrouw Sijmensz dood.

OUDE VRIENDSCHAP.

Geen nieuwe vriendschap, die vóór de oude gaat. De tjjd dooft veel, maar kan niet alles dooven, Het trouwe hart komt altoos weder boven. En staaft zijn aanzijn door de trouwe daad.

HOE LANGER HOE LIEVER. gt;)

(Solauum Dulcamara).

Hoe lanoer hoe liever is een kruid, Een kruid met purpren bloemen,

Purpren bloemen met gouden hart;

Ik wou ik hoe langer hoe liever werd.

Dan zou elk mensch mij roemen.

Hoe langer hoe liever is een kruid,

Een kruid met bittre stelen;:)

De smaak is bitter; de nasmaak zoet;

Hoe langer hoe liever moog mijn gemoed Een zoete nasmaak streelen!

Hoe langer hoe liever, dat lieve kruid.

Hangt, met zijn rank-slank lijfje.

Zoo teeder en trouw aan het schuddende riet....

Hoe langer hoe liever. — zijt gij dat niet. Wie is het dan, mijn wijqe?

1) Ook Bitieraoet, Alf- of Elf-rank en, In sommige plaatsen van ons vaderland ElgjeS\' of ook Weerhout genoemd.

a) Als Stipites Dulcamarae In de artsenijkunde bekend.

-ocr page 245-

ongewone gunstbewijzen enz.

213

niet en kander enz.

NIET EN KANDER BETER PASSEN ALS DAT T\' SAMEN IS GEWASSEN.

Als van twee gepaerde schelpen d\' Eene breeckfc of wel verliest, Niemant sal u konnen helpen,

Hoe men soeckt, hoe nau men kiest, Aen een die met effen randen

Juyst op d\' ander passen sou. d\' Outste zijn de beste panden,

Nieta en gaet voor d\' eerste trou. d\' Eerste trouw die leert het minnen,

d\' Eerste trou is enckel vreught, d\' Eerste trou die bindt de sinnen, Sy ia \'t bloemtje van de jeught; Na myn oordeel twee mael trouwen

Dat is veel niet sonder pijn, Dry-mael kan niet als berouwen;

Want hoe kander liefde zijn?

Hout u eerste lief in weerden,

Eertse met een vollen zin,

\'t Is een hemel opter eerden,

Soo je paert uyt rechte min.

ii

1G.?

Cats.

ONGEWONE GUNSTBEWIJZEN DOEN GODS GOEDHEID DUBBEL PRIJZEN.

Als van twee gepaarde schelpen De eene breekt of wel verliest,

Nog zal God u kunnen helpen,

Mits gij niet voorbarig kiest.

Aan een die met effen randen

Nog eens juist op de andre past En, gezegend door zijn handen,

Ijieflijk met haar samenwast.

Blijft gij dit onmooglijk keuren

Bij de schelpen onzer zeen,

Echter laat het God gebeuren Bij die andre, die ik meen.

Is dan niet dat tweede trouwen

Voller bron van rijk genot.

Naar men \'t meerder moet beschouwen

Als een wonderwerk van God?

Werd zijn goedheid nooit vergeten

Bij \'t genot der eerste min:

laiul

Hem dit Wonder dank te weten Heeft iets wonder-zaligs in.

1862.

Bests.

-ocr page 246-

NOG EEN DKIEKONINGEN-LIEU.

NOG EEN DRIEKONINGEN-LIED.

Driekoningendag is weder daar,

En doet ons dankbaar juichen,

Met Melchior, Casper, en Balthasaar,

De knieën voor Jezus buigen.

Maar nog een andre vreugd dan die Verheft onze harten en buigt onze knie, En doet, niet blijde klanken, Ons God-almachtig danken.

Een ster van vreugde verlicht dit huis,

Een ster met hemelsche stralen;

Daar mag, voor hot harde weeuwenaarskruis,

De vruchtbare bloeitak weer pralen.

Daar zit, met een rozen- en leliënkroon, De liefste vrouw op den moedertroon.

En ziet zoo zacht en teeder Op man en kindren neder.

Twee kleintjes heeft zij op haar schoot,

De zoetste kusjes haar gevende;

De een is Paus Adriaans naamgenoot.

Kleine Adriaan de Zevende.

Hij noemt zijn moeders naam alreê,

Daar doet hij krachten en wonderen meo; Wij allen, zonder pruilen,

\\Vij kussen zijn kleine muilen.

Het andre draagt don liefsten naam.

Die ooit in onze ooren kon stijgen;

Maar is tot nog toe niet bekwaam

Dan om de borst te krijgen.

Wat zeg ik? Neen! het wichtje lacht Zoo hartlijk vroolijk, zoo vriendelijk zacht, Als of hot waarlijk zeide:

„Ik ben de kleine Aleide.quot;

Dit is haar eigen vleesch en bloed;

God zeegne die teedere bloemen!

Maar nu komt nog een heele stoet.

Die ook haar „moederquot; mag noemen. Theodorik en Krelisvaar,

Marietjen on Koosje, paai\' aan paar Met Netjen en Angenietje,

Die zingen te zamen dit liedje;

Dit liedje, door den vader gedicht,

Maar uit hun hart geschreven:

,0 Moeder! heb dank voor het vroolijke licht.

-ocr page 247-

vondels bokstbeelu.

„Dat gij spreidt op het pad van ons leven. „Gij zijt een wending in ons lot,

„Een gave des hemels, een zegen van God; „Wij minnen u elk om t zeerste;

„Ook zijt gü ons dierbaar, als de eerste.

„Wij zeegnen u met een kinderhart,

„Wij zeegnen n en bidden:

„Geen onzer verwekke u een oogenblik smart ;

„O Blijf toch altyd in ons midden!

„Lief Moedertje, bewaar nog lang „Dien helderen opslag, die blozende wang; „God krone u voor onze oogen „Met al wat nw vreugd kan verhoogen!\'\'

Mijn kindren! door uw klanken heen.

Heb ik een stem vernomen. Een welbekende, die mij scheen

Uit hooger sfeer te komen;

Een stem zoo roerend zacht en schoon, Die instemde in uw vreugdetoon. Die meedeed in de beden Van dit gezegend heden.

VONDELS BORSTBEELD,

in mijn studeervebtrek,

MET VIOLEN VERSIERD.

— Ghy Nymfen, breit een stool

Van bloemen dien, die \'l licht eerst zag in een viool. En sedert, klesche bie, versmaende alle andre tuinen. Op Plndus heuvels en zijn spickelige kruinen Gestadigh nekter zoog,

Vondel. Willem ran Nassau\'s Geboorte,

— mijn geboortstad Keulen.

Daer beb ik eerst om bonigb uitgevlogen,

Omtrent den blonden Ryn,

Beplant met Rynschen wijn,

Eu als een bie violendau gezogen.

VoNDEii. Olijftak. Aan Gustaaf Adolf,

Van den vondel [is] te Keulen, in de straat genaamd de Wijsgas, daar de fiool uithing, geboren.

Brandt. Het leven van Joost van den Vondel, bl. 8.

Die in een viool geboren werd,

Violen dauw heeft gezogen,

Staat hier, op \'t wenschen van mijn hart,

Met een slinger violen omtogen.

215

-ocr page 248-

veldbloem en kasbloem.

Een Stichtsohe jonkvrouw heeft dat gedaan Hoe zal ik naar waarde haar danken?

Kom, Vader Vondel! hef zelf eens aan Met de oude Vondélische klanken.

Gij zwijgt; uw lippen blijven stil En strak, als uw appellooze oogen?

Het faalt u wel niet aan goeden wil,

Maar enkel aan vermogen.

Ook mij, al ben ik niet van steen,

Al zal ik er nimmer in pralen!

Dies moge een erkentlijke handdruk alleen De schuld onzer harten betalen.

Een handdruk, die haar dankbaar zegt. Waar de eeuwen het zegel op drukken:

„De hand, die dichters bloemen vlecht, Ts waardig de schoonste te plukken.quot;

VELDBLOEM EN KASBLOEM.

Do bloemkens langs de wegen.

Die ken ik meest allo bij naam;

Zij lachen mij vriendelijk iegen.

Zij groeten mij al te zaam.

De bloemen achter de ramen.

Omdat ik haar namen niet weet, Die schijnen zich mijner te schamen. En momplen: „Die domme Poëet.quot;

Uw dienaar, proutsche prinsessen!

Gij zijt schoon, zijt bevallig, vol vuur;

Maar gij eiscbt nog al vijven en zessen. En verkoopt uwe gunsten wat duur.

Pronkziek volkje uit Japan en Bengalen,

Dingt om prijzen van zilver en goud!

Ik wil ook u mijn hulde betalen.

Maar mijn hart, o mijn hart laat gij koud. —

Goeden dag, Madeliefje! Gouddropje!

Eerenprijsje, zoo zedig en zacht!

Zegt eens gauw; sliept gij zoet in nw knopje, En wat weer of gij heden verwacht?

aleidi

Eere Gom Mad

-ocr page 249-

ALEIDE II. — BIJ DE UITOAVE VAN MIJNE ,VERSTROOIDE GEDICHTEN.\'\'

„Goeden morgen! wij sliepen als rozen.quot; —

„En het weer wordt vandaag vast heel mooi.quot; — „\'k Heb een plaatsje aan uw knoopsgat gekozen, Waar ik stervend mijn bladertjes strooi.quot;

ALEIDE II.

Moet -er, moet er een liedje zijn,

Een liedje bij \'t eerst verjaren Van dit aanminnig kindekijn,

Met oogjes zoo helder, met lipjes zoo fijn?

Welaan, zoo klinkt, mijn snaren!

Dit meisje kwam ter rechter tijd

Haar moeders hart verblyen;

Wij allen hebben haar om strijd Een jaar lang geliefkoosd, geprezen, gevrijd; Wij blijven haar prijzen en vrijen.

Het juffertje heeft een zéér ruim hart.

En deelt onder velen haar gunstjes;

Maar, hoe ook in vrijers en vrijsters verward.

Haar moeder krijgt altyd het grootste part Van haar lontjes en lachjes en kunstjes.

Dat komt van dat zoete, zuivere zog.

Dat niemand dan zij haar kan schenken;

Zij kreeg het een rond jaar, zij krijgt het ook nog, En vraagt men: „Mama! wanneer speen je haar toch? Dan zegt zij: „ik zal me eens bedenken.quot;

Het zij zoo! Het kan u voorzeker geen kwaad.

Laat vloeien de beste der dranken!

Nu doet het dit oogje, dit vroolijk gelaat:

Weldra zij dit snoeperig mondjen in staat Met woorden voor alles te danken.

BIJ DE UITGAVE VAN MIJNE „VERSTROOIDE GEDICHTEN.

1862.

Verscheiden tonen hoort men hier.

Naar mijn verscheiden jaren.

Ik had altoos een zelfde lier.

Maar dikwijls andre snaren.

En ook de zangstof wisselde af,

Bij \'s levens wiss\'lend woelen.

Eerenpr.

Goudd.

Madel.

-ocr page 250-

DE BLO EU VERKOOPSTER.

Do bonte weg van wieg tot graf Heeft veel voor die veel voelen.

\'t Verstrooide bracht mijn hand bjjeen,

Ku schikte \'t naast eikanderen; \'t Was altijd beter, naar \'t mij scheen, Dat zij het deed dan anderen.

Zoo iemand, die den bundel ziet,

Het hoofd schudt en gaat zeggen: „\'t Verstrooide is juist het beste niet!quot; Ik zal het niet weerleggen.

\'k Heb hier en daar gekapt, geschrapt.

Geschaafd, geschuurd, geschoren; Het slechtste is wel wat opgeknapt, Maar \'t werd niet weergeboren.

Is \'t met papieren kroost ook niet

Gelijk met andre kinderen?

Men kan betreuren wat men ziet,

Maar niet altijd verhinderen.

Gaat thans te zaam de wereld in,

Mijn oudste en jongste telgen! En moge uw broederlijk gezin Geen vriend of vreemde belgen.

DE BLOEMVERKOOPSTER.

(Heidelberg)

Aan \'t spoorstation te Heidelberg,

Daar staat een kind — van dertig jaar, Als mensch gekleed, gekapt in \'t haar. Daar ik een traan voor verg.

Traan in uw oog, zoo kwijnend schoon. Jong vrouwtjen, op den huwlijkstocht! Wier ga den ruiker voor u kocht,

Door haar u aangeboón.

Traan op uw wang, zoo vol en zacht, bevalligheid van zestien jaar!

Jn \'t oog van uw bewonderaar Een engel, als gij lacht.

Traan, midden in uw rijke vreugd. Gij. moeder van dit beeldschoon kind!

218

-ocr page 251-

HET BEGENSOHEKM.

Die in haar schoon uw schoon hervindt, En in haar jeugd uw jeugd.

Dit hart is ook een vrouwlijk hart, Gevormd voor wat het uwe streelt; Maar wat haar \'t arme leven teelt Is spot, verneedring, smart.

Al wat zoo zeer het schoon verhoogt. Wanneer men \'t in uw oogen leest, Belachlijk waar \'t in haar geweest. En nimmermeer gedoogd.

(leen liefdedroom, geen echtgenot,

Geen moedervreugd zijn haar bekend; \'t Zijn bloemen, bloemen, wat zij vent. Maar doornen zijn haar lot.

Vrouw naar de ziel, slechts kind in schijn; Als kind begroet, geplaagd, gesard, Door kindren, zonder hoofd of hart. Wier moeder zij kon zijn.

Beschimpt door knapen, laag van zin, Onrein van oogen, ruw van toon. Die, zoo zij rijzig ware en schoon.

Haar streelden om de kin.

En, alle dagen die God schenkt,

Door \'t reizend volk, van uur tot uur, Als wondre speling der natuur,

Bekeken en — gekrenkt.

Ach vrouwen! moeders! denkt er aan. Zij is een zuster, de arme dwerg! En stoomt niet voort langs Heidelberg, Of wijdt haar lot een traan.

HET REGENSCHERM.

(Weugeru. Beru-Oberlaud.)

Hans Jorgen maait zijn goudgeel graan;

Zijn wijfje bindt de schooven;

Zijn jongens dragen af en aan:

Zijn oudste dochters sloven.

Wat roert zich onder \'t regenscherm, Dat uitstaat op de velden?

219

-ocr page 252-

UET IIERBERG-MEISJE.

Ik zie een handje, zie een arm, Die jeugdig leven melden.

Nu buk eens, kijk eens, zie eens goed! Is dit niet net een prentje?

Clu-istientje houdt haar broertje zoet, Dat aardig, mollig ventje.

Het kind is dertien maanden oud, Christientje een jaartjen ouder;

Maar zie hoe stevig zij het houdt! \'t Is bij geen mensch vertrouwder.

Zij zit het, onder \'t regenscherm. Bestendig te vertellen.

De zon is hoog, de lucht is warm; Maar hen schijnt niets te kwellen.

De lucht is heet en hoog de zon, En nergens dak of boomen;

Maar deze groene champignon Belommert hen volkomen.

Zij zien zoo vroolijk, zijn zoo zoet Als iemand kan verlangen;

Zie maar die oogjes, vol van gloed, Die kuiltjes in de wangen.

En als de moeder maar eens bukt, En toeknikt uit de verte,

Dan zijn zij heel end\' al verrukt, Dan juublen zij van harte.

HET HERBERG MEISJE.

Rosenlauï. Bern-Oberlancl.)

Mooi meisje, dat in \'t berghotel

De jonge heeren kluistert!

Herinnert ge u het woord nog wel. Door mij u toegefluisterd?

„Uw wang blijf rood, uw hart blijf rein

„Tot aan uw jongste stonde!

„De weg is glad en de afstand klein „Van jokkernij tot zonde.quot;

-ocr page 253-

IiAUTEKBRUNNKN.

Gij zeidet: ,Ja, mijnheel ! ik zal

„Mij naar dat woord gedragen.quot; Zoo zij \'t. Laat nooit, ook van uw val, Dit Paradijs gewagen!

LAUTERBRUNNEN.

(Bern-Oberlaud.)

Ik dacht zoowaar dat „louter Bronnenquot; Mij ,louter Tranenquot; worden zou!

Wat had mijn dwaasheid toch begonnen, Van u te scheiden, dierbre vrouw!

Gij hadt den weg door \'t dal genomen.

Maar ik den bergweg, als een man!

Te Lauterbrunnen saam te komen.

Ziedaar het plan, \'t „verstandigquot; plan.

Ik steeg vol moed, langs woeste paden Al hooger, hooger, hooger op;

En kon mijn oogen niet verzaden Aan Eiger-, Mönch- en Jungfrau-top.

Hij die geen Soheideok heeft beklommen.

Geen Wengernalp weg in mocht slaan,

Is \'t heiligste der heiligdommen Van \'t Oberland niet doorgegaan.

O ongelijkbre wildernissen.

Waar boven \'t schittrend schouwspel praalt,

Van sneeuw- op sneeuwberg, op wier spitsen De felle zon van Juli straalt!

O Heldre beken, donkre wouden,

Diepe afgrond, vreedzaam, lachend dal!

Geen oogen, die u koel aanschouwden,

Geen hart, dat u vergeten zal!

Ik kon mijn schoonheidsdorst niet boeten. En zag wel duizendwerven om;

Toch kreeg ik vleuglen aan de voeten.

Als ik ten laatsten afwaarts klom.

Of wist ik niet, dat gij mij uren

Vooruit moest zijn, en de eenzaamheid

Ook in een lustoord lang moet duren. Wanneer men uitziet en verbeidt?

221

-ocr page 254-

r.AUTERBRUNNES.

Het pad ia steil, en tegen \'t zuien;

De grijze kulkwand gloeit als vuur;

De zon, bij hangende onweersbuien,

Steekt fel in \'t heet namiddaguur.

Aan de overzijde waagt, in éénen,

De beek den sprong van duizend voet —

Indien gij neerkwaamt op uw beenen, O Staubbach! ik benijdde aw moed.

Maar, beeld van hen, die God verzoeken. Uw schittrend waagstuk wordt ten spot:

Het dal ziet van den roekloos kloeken Zelfs geen ellendig overschot. \')

Zij die mij wacht, en óók haar oogen Op u slaat, met beklemd gemoed.

Ziet u verstoven en vervlogen.

En troost zich dat ik „langzaam spoed;quot;

Ik spoed mij, lieve! ik kom u nader;

Ik spaar geen zweet; ik slaak geen klacht;

Al zwoegt mijn boezem, ik vergader Tot grooter haast mijn laatste kracht.

Nog e\'én, e\'én ziegzag! — Neen, nog, dezen! — En dezen! — En deze\' eenen nog! —

Dit echter zal de laatste wezen .... 0! zielvermoeiend zinbedrog!

In \'t eind: ziedaar het dal gewonnen,

Waarin ik rust genieten zal.

Een dal van „loutre vreugdebronnen/\'

Aan uwe zij, mijn lief, mijn al!....

Gij zijt er niet! Vergeefsche vragen Aan gids en voerman, waard en gast!

Geen menschlijke oogen, die u zagen.

Geen hoek, waaruit gij mij verrast!

Intusschen pakken onweerswolken Zich saam tot ondoordringbaar zwart.

En bliksems schitteren als dolken.

222

En steken naar mijn angstig hart.

\') de Staubbach is, als bekend is, een straal water, die bij Lauterbrunncn van eene 925 voeten hooge rots geheel vrij naar beneden stort, maar eer hij den grond bereikt, in de lacht verstuift. Den Wengernalp aan deze zijde afdalende, ziet men liem tegen zich over.

-ocr page 255-

223

REGENDAG.

Daar wekt de dreun dor donderslagen Van honderd bergen de echo\'s op,

Doet de onverschrokkensten versagen,

En voert mijn bange vrees ten top.

De regen stroomt, de beken klateren Met storting, die elks oor verdooft;

En alle golven, alle wateren

Gaan over mijn verbijsterd hoofd.

Ik zie, hoe langs doorweekte wegen Een donkre reiskoets mijwaarts jaagt;

De voerman, bukkende om den regen,

Duikt in zijn mantel, hooggekraagd.

De wit beschuimde paarden snuiven

En brieschen, van geen storm verschrikt;

Maar op mijn hoopvol welkomwuiven Geen antwoord dat mijn ziel verkwikt\'

Een tweede volgt haar — Ach, mijn oogen, Gij zoekt vergeefs! Zoo schreit nu, schreit! —

Een derde — heeft uw hoop bedrogen, — Een vierde — doemt tot raadloosheid.

Een vijfde.... O Hemel! heb erbarmen,

Geef hoop. geef uitkomst voor mijn hart! .. ..

\'t Geschiedt! Daar valt gij in mijn armen, En weggevaagd zijn angst en smart!

Nu zweer ik dat ons niets meer scheiden, Maar dit het reisplan wezen zal:

Eén doel, één wil, één weg voor beiden; Een zelfde berg, een zelfde dal!

De lezer echter leer mistrouwen

Den kastelein van Grindelwoud, Die paarden toezegt aan mevrouwen. Maar die zijn woord niet altijd houdt.

REGENDAG.

(Interlaken. Bern-Oberlaml.)

Regen, regen, regen,

Regen, anders niet! Overstroomde wegen, Waar men staat of ziet.

-ocr page 256-

ilEGBKDAG.

Aan de lucht ontdek je,

Noord, Zuid, Oost of West, Nergens een blauw plekje Voor een broek en vest. Waar zijn thans uw toppen,

Bergen in \'t verschiet V Regen, regendroppen,

Regen, anders niet!

Op de luie-stoelen

Hangt het reizend heir; Elk is van gevoelen:

„\'t Is van daag slecht weer.quot; Brit en Nederlander,

Franschman, Duitscher, Deen, Stemmen met elkander

Lieflijk overeen.

Regen, regen, regen!

Regen, anders niet!

Niemand, die een zegen In den regen ziet.

Gids en voerman turen Op de donkre lucht;

Dat het lang zal duren

Wordt door elk geducht. Duidt hun niet ten kwade

\'t Morrend onverstand! \'t Regent enkel schade

Voor hun grage hand.

Regen, regen, regen!

Regen, anders niet! Overplaste wegen.

Waar men gaat of ziet!

Maar de paarden juichen

In den vollen stal;

Zweep en zadeltuigen

Rusten overal;

En ten minste heden

Kan zich \'t rauwe vleesch Der gedrukte leden

Vleien: „Ik genees!quot;

Regen, regen, regen,

Wat men hoort of ziet: Onbegaanbre wegen Zijn zoo kwaad nog niet!

En een arme stakker.

Die met tranen zag

-ocr page 257-

HET OKANJEFEEST.

Hoe zijn huislijke akkei-Droogde met den dag, Valt aanbiddend nsder, Geeft den hemel lof, Die de veldvrucht weder

Opricht uit het stof. „Regen, regen, regen!quot;

Bad hij dag en nacht — En de Bron van zegen Heeft aan hem gedacht.

HET ORANJEFEEST

TE UTRECHT GEVIERD.

28 November 1863.

,Hoe waait de vlag zoo vroolijk uit

„Van Neerlands hoogsten toren? „\'t Geschut barst los, de feestklok luidt, „De juichtoon laat zich hooren.

„\'k Zie groen en dundoek door elkaar

„De volle straten sieren....quot;

Tiet is dewijl wij \'t jubeljaar Van Neerlands vrijheid vieren;

Van vrijheid, na den bangsten druk,

Die ooit oen volk deed klagen. Van vrijheid van \'t uitheemsche juk. Zoo lang met smart gedragen.\'

„Wie bracht u in dat groot verdriet?

„Wat voerde u naar die ktten?quot;

Och. doe ons zulke vragen niet!

Wij zou den \'t graag vergoten.

„Vergat gij mooglijk de oude leer:

-Alleen door eendracht machtig?quot;

Helaas, nog eenmaal! Des te nieer Zij haar ons kroost indachtig!

„Verloste u eindlijk speer en zwaard?quot;

„Neen! Moed van heldenzielen.

De Hemel heeft ons bloed gespaard; Hij sprak; de banden vielen.

„In Utrecht?quot;----Werd het ergst verwacht

Maar God beschaamde ons zorgen,

Nooit volgde er op een banger nacht Een onvergeetbrer morgen.

-ocr page 258-

HET ORANJEFEEST.

„En welk een dag?quot; Zoo schoon als \'t kon; Een dag van vijftig jaren,

Daar schoof gesn wolkje voor de zon,

Dan om weer op te klaren.

„Wat spelt de toekomst? Goed? Of kwaad?quot; Een weet het; HIJ regeere!

Wij maken op zijn bijstand staat,

Verkeere wat verkeere!

„Beschikt gij over hooger hulp?

„Verbindt gij d\'Ongezienen?quot;

Wij willen, in paleis en stulp,

Hem eeren, danken, dienen.

„Wat leuze smelt nu stand in stand, „En prijkt op aller borsten?quot;

Het vrijheids-teeken voor dit land,

De kleur van onze vorsten.

„Wat dankt gij aan dat vorstlijk bloed, „In oude en nieuwe tijden?quot;

Bescherming, welvaart, orde, moed En hoop en troost in lijden.

„Wie mag Oranjes beste vrind,

„En Zyner waardig heeten?quot;

Die, daar hij \'t vaderland bemint,

Zichzelven kan vergeten.

,Wie mint zijn land?quot; quot;-\'i6 betoont, Met woorden en met werken.

Zijn eer door geen moedloosheid hoont,

Zijn moed door hoop wil sterken.

„Wie is geen vriend zijns volks in schijn, „Maar waar, en hoog te schatten?quot;

Die \'t oude twistvuur uit laat zijn, En \'t nieuwe niet laat vatten.

„Wie twijfelt aan de toekomst niet?

„Wie ziet niet laag op \'t heden?quot;

Die liefderijk rondom zich ziet.

En opziet met gebeden.

„Wie vieren \'t best dit jubelfeest,

„En met de reinste klanken?quot;

Zij, die, met ootmoed in den geest.

Den hemel hartlijkst danken.

226

-ocr page 259-

jan logica. — jan klank. —

227

mdzes op den nul, enz.

JAN LOGICA.

Jan lag te slapen op zijn wagen. Schelmen komen En spannen Blesjen uit, en tijgen op den rit.

Ten laatste, Jan ontwaakt. „Hoe?quot; roept hij uit: ,Wat\'s dit? „Van tweeën een: men heeft mijn paard mi) afgenomen, „Of ik nam, in mijn slaap, een wagen in bezit.quot;

üit het Engelsch.

JAN KLANK.

\'t Is solfiëeren wat gij doet; geen spreken;

Want dat ge iets zegt, is mij nog nooit gebleken.

MOZES OP DEN NUL.

Draag, groote Nijl, wien nimmer sterflijke oogen Aanschouwden waar gij klein zijt en gering! \')

Draag op uw schoot dees kleinen zuigeling.

En spaar hem, met zijn Moeders leed bewogen.

Wieg, schommel hem voorzichtig op uw baren En drijf hem zacht naar \'t veilig hoekje voort.

Waar vorstlijk oor „het jongsken weenenquot; hoort, Van tusscheu riet en groene lotusblaren.

En als hierna dit „knechtken der Hebreeuwenquot; Uw godlijk nat in drabbig bloed verkeert.

Den zegen van uw welige oevers weert,

En mensch en dier zijn noodkreet uit doet schreeuwen;

Wijt dan dit leed het Kind niet, dat gij spaarde. En veiliger gesmoord had in uw vloed.

Maar \'t Monster, door uw vruchtbaar slib gevoed, Der dwinglandij, uw vloek, den vloek der aarde, Die overal het water maakt tot bloed.

AAN EEN „OPENBRIEPquot;-SCHRIJVER.

telum imbcllum sine lcta.

Uw wenkbrauw daalt, uw oog schiet stralen;

De booze lip krult vreeslijk op;

Hot kort en snuivend ademhalen

Meldt een versnelden harteklop.

Krampachtig klemmen zich uw vingeren

*) non llcuit papalis parvum te, nile, videre. luoanüh.

-ocr page 260-

228 VIJFENTWINTIGJARIG BURGEMEESTERSCHAP. — JUBELFEEST ENZ.

Te zamen om een scherpe speer;

Gi] gaat dit „vaak beproefdquot; geweer Moorddadig op uw vijand slingeren,

En dooddoen zal het als weleer!

Dees echter, \'t oude wapen ziende,

Vreest of ontzet zich niet met al;

Dit „vaak beproefdequot;\' is \'t „uitgediende,quot;

Dat in uw handen breken zal.

Zoo was \'t. Geen hartaS,r werd doorstoken;

Geen roode bloedstroom werd aanschouwd; De dufheid van \'t vermolmde hout,

Was al wat — onze neuzen roken.

VIJFENTWINTIGJARIG BURGEMEESTERSCHAP

van den Heer Mr. N. P. J. Kien te Utrecht.

1864.

VOOR DE BRANDWEER.

De Brandweer, tuk op de eer noodlottig vuur te blusschsn, Blaakt zelv\' van eedlen gloed.

Nu zij den Burgervader groet.

Die vijfentwintig jaar gewaakt heeft op \'t Stads-kussen.

Haar wensch is vurig dat de fakkel van zijn leven Voortbrande stil en klaar.

Om onze stad nog menig jaar Het voorrecht van haar licht en warmen gloed te geven.

Moog steeds de Burgerij hem eer en dank bewijzen. Getrouw en onverdeeld!

En waar men ooit met twistvuur speelt,

Daar sta de Brandweer klaar, eer vonk en vlammen rijzen.

JUBELFEEST VAN DEN SLAG VAN WATERLOO.

18 Juui 1865.

Hef, Hollandsch Volk, het feestlied aan!

De dag is weergekomen,

Die bij de Nederlandsche vaan

Het vruchtbaarst bloed zag stroomen; De dag, de dag, de groote dag,

Wiens ochtend droef en somber zag,

Wiens avondzon, bij \'t dalen,

Blonk van de schoonste stralen.

-ocr page 261-

JUBELFEEST VAN DEN SLAG 7AN WATERLOO. 229

Stoek vlaggen uit van top en trans,

Om \'t heuglijk feest te molden!

Versier ze met een blijden krans

Van bloemen onzer velden!

De oranjestrik steke af op \'t groen En vorme een vaderlandsoh festoen,

Waar vijftigjarige eiken Hun deugdzaam loof toe reiken!

Één juichtoon klink van noord tot zuid.

Van oost- tot westerstranden,

En lokke een blijden weergalm uit

Bij de omgelegen landen;

Neen! meng zich in \'t eenparig lied,

Dat Belg en Brit en Muscoviet En alle Duitsche volken Doen rijzen tot do wolken!

Eén danktoon stijg tot God omhoog

En prijs den Heer der Heeren,

Bij welk altaar men knielen moog.

Of op wat wijs hem eeron;

Een toon, waarin wat anders scheidt.

Zich oplost in de eenstemmigheid Van die met ziel en zinnen God en de Vrijheid minnen!

Een danktoon uit paleis en stulp

Die uitroept allerwege:

„Van u, o God! kwam ons de hulp,

„Van u-alleon de zege.

„Van u de moed, van u de kracht,

„Die \'t bloedig oorlogswerk volbracht;

„En, na de krijgsgeruchten,

„De vrede met zijn vruchten!quot;

Wat broede schaar, wat achtbre stoet.

Met zilverwitte lokken,

Komt, flor van blik, schoon stram van voet,

Naar Leidens vest getrokken?

Ontbloot den schedel, jong geslacht!

\'t Is de eer van Neerlands legermacht.

Hot overschot der helden Der Waterloosche velden.

Daar gaan zij, vaderlandsche jeugd!

Die Hollands tuin verweerden.

De vrijheid redd\'en door hun deugd,

De dwinglandij verneerden.

-ocr page 262-

AAN DEN ITOOQIjEERAAR O. .7. MULDER.

Uw eorbetooning doet hun goed,

Daar zij in hen \'t vertrouwen voedt, Dat, keerden de oude dagen,

Gij \'t jonge bloed zoudt wagen.

Ken traan rolt langs hun knevelbaard,

Een hulde aan die ontbreken, Die, sluimrende in den schoot der aard.

Ook door hun afzijn spreken! Gij meest, wien \'t Delftsche graf besluit. Wiens naam blijft klinken verre en luid. En in het hart zal leven Van onze jongste neven!

Zoon van dien Dappren! Vorst van \'t land,

In deze vrede-tijden!

Stelde u de nood het zwaard ter hand,

Om voor ons erf te strijden:

Wij weten \'t. Koning! door wat moed, Ook gij \'t onschatbaar heldenbloed Van Nassaus eêlste zonen U waardig zoudt betoonen.

Maar God geeft vrede. O Moog zijn hand

Ons lang die weldaad kweeken,

En een eendrachtig Vaderland

Geen dankbaarheid ontbreken! De Vrede, nooit te duur gekocht Voor \'t kostlijkst bloed, dat hem bevocht, Is nooit te hoog te schatten Door die zijn heil bevatten.

AAN DEN HOOGLEERAAR G. J. MULDER,

In dank voor de vriendeiyke toezending van zyn „Studium Generale.quot;

Est — commune vinculum.

Den Man, wiens wetenschap niet ligt in \'t stof begraven, Maar die haar, rijp en rjjk. en rein van haatlijk rag, Het leven in doet treên om, op den klaren dag, Met zegenende hand haar godlijk\' aard te staven;

Den man, die \'t gouden snoer, dat kennissen en kunst Vereenigt, kent en eert, wat woestaardij \'t verhaven\', En, tegen \'t drilwerk, pleit voor \'t echte geestbeschaven; Bied ik mijn warmen dank, hoovaardig op zijn gunst.

230

-ocr page 263-

1

VERBORGEN. — KLAUTBRLK88EN.

VERBORGEN.

De deugd is een gewas, dat niemand kweekt, Ten zij de wortel zieli in de s,ard versteekt.

KLAUTERLESSEN.

(Naak Rüokert.)

Dat gij klautert, jonge borsten!

Is naar mijn verlangen;

\'k Haat ze, die liun tijd vermorsten

Met in huis te hangen.

Om een nestjen uit te halen Staan er veel klimvaardig; Uitgeblazen eierschalen,

Zijn ook zeker aardig.

Is \'t om de appels of de peren,

Dat gij wenscht te stijgen?

\'t Zelfde is van volwassen heeren

Ook te zien te krijgen.

\'k Wil de pret u niet benijden;

\'k Gun haar u volkomen;

Slechts om rampen te vermijden.

Zij mijn raad vernomen.

Let steeds hierop, dat gij geenen

Loslaat van de takken.

Eer gij tijd hadt weder eenen

Anderen te pakken.

Op een dorren tak valt nimmer.

Nimmer te vertrouwen;

Zelfs niet altijd kan een klimmer

Op de groene bouwen.

En ver boven alle twijgen Blijft de stam te kiezen;

Wil dit nooit, bij \'t hoogste stijgen,

Uit het oog verliezen;

Want de takken zelve moeten Aan den stam »ich schoren, Die alleen op eigen voeten,

Staat gelijk een toren.

Wijsheid heeft de beste kamen!

Waar uw voet zich wage,

Zorg dat nooit één tak den ganschen

Last des lichaams drage!

Steun en tegensteun, mijn vrinden!

Moet er altijd wezen;

Mocht gij genen trouwloos vinden. Gij vindt troost bij dezen.

2811

i li

-ocr page 264-

K iNDEK-GODSDIENSTOEFENING,

Altijd moeten wel de sterken Üw vooniaamste stut zijn,

Maar de zwakhen, zult gij merken,

Kunnen ook van nut zijn;

Menig twijgje aan groote boomen,

Dat niet veel beteukent,

Maar, met andre saamgenomen.

Duchtig mederekent.

Klimt ernsthaf\'tig (grappenmaken)

Kunsten doen berouwt u);

Zoo zult ge in den top geraken.

En het dunste houdt u.

Maar terwijl gij u op \'t moedigst

Opwerkt met de handen.

Denkt eens hoe gij weer voorspoedigst Zult omlaag belanden.

KINDER,-GODSDIENSTOEFENING.

(«NA AK GTEIïük.)

Uit den mond der jonge kinderen en der zogelingen hebt gij u lof toebereid.

Het plechtige luiden der klokken

Eiep de ouders bijtijds naar Gods huis;

Hun kindren, met goudblonde lokken Zij blijven nog allemaal thuis.

Die gastjes, zoo vroolijk en woelig,

Zijn nog vrij wat te klein voor de kerk;

Maar toch, voor den zondag gevoelig,

Gaan ook zij, op hun wijze, te werk.

Elk van hen heeft een psalmboek genomen

En houdt het verkeerd voor zich heen;

Nu juichen mijn jeugdige vromen Op het luidst en verhevenst dooreen.

Wat hij zingt, weet niet een van het troepje;

Elk heft aan uit een anderen toon —

Om het even! uw galmen, lief groepje!

Reiken ook tot den hemel schen troon.

Staan daar niet uw englen om henen.

En zingen hun lied voor een Heer,

Die zoo gaarn van de lippen der kleenen Zijn lof hoort vermeld en zijn eer?

Ü32

-ocr page 265-

AAN J. J. VAN OOSTERZEE.

Zingt dan voort! In den tuin, in de bosclijes,

Doet, als gij, elk met zingen zijn best; De sijsjes, de meesjes, de moiichjes.

Jong en kleen, op den rand van het nest.

Zingt maar toe, in uw blinde vertrouwen!

Het is dit, wat uw\' Heiland voldoet;

O, een hart gansch oprecht, zonder vouwen, Is veel dichter bij God dan \'t vermoedt.

Zingt op maar! Wij zingen, wij ouden.

En lezen de Schrift, met verstand!

En toch — ach! hoe menigmaal houden Wij het boek nog verkeerd in de hand!

Zingt op maar! Wij zingen en spelen De liedren, naar noten, als \'t hoort!

Maar ach! door der broedren krakeelen, Hoe vaak wordt onze eenheid verstoord!

Zingt ook gij! — Uit de statigste bogen,

Het plechtigste, krachtigste koor,

Wat is het?... Een kinderlijk pogen; Een gegons in des Eeuwigen oor!

AAN J. J. VAN OOSTERZEE.

Na vijfentwintig jaren Evangeliedienst.

12 Febe. 1866.

Ga voort, en stort uw besten balsem

Aan Jezus voet;

Vertroost zijn ziele van den alsem.

Dien \'t ongeloof hem smaken doet.

Vervul zijn huis met de eelste geuren.

En schraag hot dak ;

Verblijd ze die om Sion treuren. En steun wat moedloos is en zwak.

Die vijtentwintig jaar u sterkte,

Is nog nabij;

Wat hij door u gezegends werkte, Bevestige en vermeerdre hij!

Hij blijve u, nog een reeks van jaren.

Voor Kerk en Land,

Voor dierbaar huis, en vrienden sparen, En overdekke u met zijn hand.

233

-ocr page 266-

ZIJ ZEGGEN. - WINANDEKMEEB.

En is de groote dag gekomen,

Door Hem beloofd,

Hij zette, omringd van al zijn vromen, De schoonste kroon op \'t dankbaarst hoofd.

ZIJ ZEGGEN.

Zij zeggen: „Laat uw dwaas vooroordeel varen!

„Daar is geen God, die antwoordt op gebeên;

,\'t Oud Bijgeloof had tempels en altaren:

„De Wjjsheid onzer eeuw behoeft er geen.quot;

De honger nijpt, de pest ontvolkt de straten.

Uw kroost ligt krank en worstelt met den dood:

„Verbjjt uw leed! Wat zou uw bidden baten?...quot;

Geloof hen niet, en klaag aan God uw nood.

Men leerde u van een Vader, die voor allen

En alles zorgt met vaderlijke trouw;

Dat, zonder Hem, geen musch op aarde vallen

En op uw hoofd geen haar vergrijzen zou.

„Neen!quot; zeggen zij: „Natuurwet drijft het leven

„Kn brengt den dood, voor beiden even blind.... „Vergeefs uw lot in hooger hand gegeven! ...quot;

Geloof hen niet, en blijf uw Vaders kind.

Men predikte u een Heiland, voor uw zonden

Gestorven, en uw Redder door zjjn bloed.

Uw schuldig hart heeft troost bij Hem gevonden. Uw kranke ziel bij Hem haar kracht en moed, Zij zeggen: „IJdle troost voor noodloos vreezen!

„De mensch is goed, hoe dweepzucht hem verguiz\'! „Steun op u zelv\', en gij zult krachtig wezen!quot;

Geloof hen niet, en houd u aan zijn kruis.

Godsakker noemt gij \'t kerkhof; \'t daar gezaaide

Herleeft eenmaal in nieuwe heerlijkheid!

„Dwaas!quot; zeggen zij: „\'t stof, dat de wind verwaaide,

„Is nergens meer, of overal verspreid,

,\'t Herleeft? O .ja! In gras en kruid en bloemen, „En sterft op nieuw, en wisselt eeuwig af...quot; De geest?... „Wat is die geest, waarop wij roemen? „Een denkbeeld!quot;... Hoor hen niet; maar plant het kruis op \'t graf.

WINANDERMEER.

(Westmoreland. Lake-district.)

Ik had nog nooit een meer aanschouwd,

Dat grootsch of schoon mocht heeten:

234

-ocr page 267-

WINANDERMKKR,

Daar zag u mijn verwonderd oog, Bespannen met een regenboog, —

Ik zal het nooit vergeten.

De zomerbui was kort van duur,

En dreef voorspoedig over;

De regen, die gevallen was,

Hing als juweelen aan het gras. En parelde van \'t loover.

\'t Was de avond van den schoonsten dag;

De stilte was volkomen;

Plechtstatig stonden van rondom De heuvlen om de waterkom, Met goudglans op hun zoomen.

En \'s morgens droeg me een vlugge boot

Op uw zoo heldre vloeden,

Uw oevers langs, uw bochten in,

Van \'t vredig eind naar \'t drok begin. Waar u de stroom kwam voeden.

Bekoorlijk schouwspel! Rijk genot,

In op en rond te staren! Van heuveltop tot heuveltop Trok wolk bij wolkje langzaam op, Als wierook van de altaren.

Maar \'t zonlicht, als het hooger steeg,

Kwam meer genoegen geven,

Daar \'t hout zijn licht en bruin ontving, Het spieglend meer zijn glinstering, En alles kleur en leven.

Hier keek een landhuis uit door \'t groen,

In \'t hangen van de heuvlen;

Daar nam het bonte vee zijn bad; Ginds gleed de zeilboot over \'t nat. Met witte en bruine vleuglen.

\'k Heb schooner waatren sinds gezien. En stout en grootsch om \'t zeerste: Lac-Leman en \'t Luzerner meer, Loch-Lomond, Schotlands roem en eer; Maar gij blijft altoos \'t eerste.

235

-ocr page 268-

DE VERMINKTEN. — RAUMANNS GROT.

DE VERMINKTEN.

(Slot Wernlngerode.)

Zij waren beiden fnsch en sterk En in den bloei van \'t leven.

Maar onvermogend tot het werk, Weleer door hen gedreven.

Zij waren, op een oud kasteel. Een soort van „extra hooienquot;,

Vertoonden \'t ons van deel tot deel. En leefden er van fooien;

Gelukkig, dat zoo groot een vorst \') Zich hunner aan wou trekken.

En dat de penning op hun borst Hun hartzeer mocht bedekken!

De een miste een arm, en de ander had Het lood nog in de beenen;

De fraaie vruchten waren dat Van d\'oorlog met de Denen.

BAUMANNS GROT.

(Rübeland. Harz.)

Had hij een lucifer gehad,

Hij was nog wel in leven!

Nu moest hij in een donker gat Bijkans den doodsnik geven.

Dat komt van \'t zoeken naar een schat, Door hebzucht aangedreven.

Hans Baumann, brandende van lust ^ Om geld en goed te winnen.

Kroop, met een berglamp toegerust, \'t Ontdekte kliphol binnen. -)

Geen mensch ter wereld was \'t bewust Wat Baumann ging beginnen.

Het hol was diep; de weg was lang Door de onderaardsche krochten;

Het ging van d\' een\' in d\' andren gang, Met wendingen en bochten.

\') De Graaf van Wei-ningerode-StolberL\'. -) 1672.

-ocr page 269-

BAUMASNS GROT.

De steendrop werkte er, eeuwen lang, Aan fraaie kunstgewrochten.

\'t Was nu een hooge kerkpilaar, En dan een bundel speren;

Een kansel hier, een orgel daar, Een reuzenhelm met veeren;

Een tentgordijn, een feestsamaar. Een korf met monsterperen;

Wijwatorbekken, outersteen. En doopvont, naar behooren;

Pistolen, dolken, wild dooreen Geschud, met pauk en horen;

En vrouwenboezems, hard van speen; En spitse paardenooren.

Maar dit was niet wat Baumann zocht. Waar op zijn oog kwam azen;

Slechts dat hij goud-erts vinden mocht, Dat voedsel voor de dwazen!....

En eensklaps heeft een felle tocht De berg!amp uitgeblazen.

Daar stond hij in \'t stikdonker vak En gilde \'t uit. Geen wonder!

Geen vuurslag had hij in den zak.

Geen lichtontvlambaar tonder;

Geen lucifer, dat groot gemak,

Geen lucifer, bestond er.

Do weergalm kaatst zijn gil weerom, Zyn angst en jammerkreten;

Zij galmen vsort van dom tot dom, Door diepten, ongemeten;

En sterven, met een dof gebrom, In ongepeilde spleten.

Geen licht; geen kennis; troost noch raad; Geen spijze; korst noch kruimpje!

Geen Ariadne\'s zijden draad;

Geen vinding van Klein Duimpje!

Die hier den moed niet zinken laat, Voorwaar! verdient een pluimpje.

Drie dagen werden doorgebracht Met tasten, stromplen, zwerven.

Drie dagen? Neen! Eén langen nacht. Die alle hoop deed derven.

237

-ocr page 270-

WATERVAL IN SAKSISCH ZWITSERLAND. — BLIJF EB.V.

Begrayen was hij, als hij dacht, \'t Mankeerde maar aan \'t sterven.

Nog sleept zich de arme stervling voort, Kn blijft een weinig hopen.

En zie! Een flauwe scheemring gloort! Een lichtstraal komt geslopen

Door de eigen enge en lage poort.

Waar Hans is in-gekropen!

Hij kruipt weer uit; hij ziet het kroost Van Adam nog eens even;

Doet zijn verhaal; maar stottert, loost Een zucht, en laat het leven.

Alleenliik heeft hij dezen troost.

Aan \'t hol zijn naam te geven.

WATERVAL IN SAKSISCH ZWITSERLAND.

(Lichtenlialner en andere.)

Vijf groschen. Heeren, geeft wol acht, Zoo gij een oogenblikje wacht,

Zult gij een waterval zien stroomen.

Daar komt daar ishij. Een, twee, drie... Claudite, rivos, pueri!

Ik zie een nieuw gezelschap komen.

Vijf groschen! Hebt gij \'t niet gezien: Het kan onmidlijk weer geschiên.

BLIJF EEN.

Blijf één, blijf e\'ón, mijn Vaderland!

Blijf één en ongeschonden.

Geen staatspartij, geen godsdiensttwist Verscheure, door geweld of list,

Wat God heeft saamverbonden.

Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!

Laat niets die kracht u rooven.

Schraag, als een eenig man, den troon, Eu meng geen wanklank in den toon Van \'t oud „Oranje-Boven!quot;

Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!

Laat niets die vreugd verbitteren.

Blijf, kleinst, maar roemrijkst volk der aard!

-ocr page 271-

guoote ontdekking.

Door orde en rust de vrijheid waard, Die uw gelaat doet schitteren.

Blijf één, blijf één, mijn Vaderland!

Laat niets die deugd verflauwen. Wroet in geen eigen ingewand! En, Leeuw van Neerland! toon geen tand Dan tegen vreemde klauwen.

GROOTE ONTDEKKING.

Eellx qni potuit reram cognoscere cauaas.

Eurékamen, Eurékanien! wij hebben het gevonden!

De gahö der wereld is aan oorzaken gebonden.

Alles wordt door oorzaak en gevolg geregeerd;

Daarom gaat alles perfect en rolt als gesmeerd.

Oorzaken en gevolgen houden alles in orden;

Gevolgen, die weder oorzaken worden;

Oorzaken, die weer gevolgen genereeren;

Gevolgen, die weer tot oorzaken promoveeren;

Tot oorzaken, in gevolgen weder schatrijk,

Pulu-lu-lu leerende onophoudelijk.

Het is een systema van schakels en lussen

En haken en oogen; geen speld kan er tusschen;

In \'t stoflijk, in \'t zeedlijk, in hemel en aard —

En daarmee zijn alle problemen verklaard!

Onze ouden hebben voor menig probleempje gezeten;

Maar ze hebben ook van geen oorzaken geweten;

Zij hebben om geen gevolgen gedacht;

Wü zelv\' zijn maar pas op dat denkbeeld gebracht.

\'t Was ook niemand te vergen op die hoogte te komen,

Eer hij, bij gaslicht, door tunnels mocht stoomen,

d\' Afstand „vernietigdequot; per telegraaf,

En „heer van de stofquot; werd, in plaats van haar slaaf.

Het was, wel beschouwd, een vergeeflijke zotheid

Der vroegre geslachten, die droom van een „godheidquot;,

Een „hoogere zorgquot;, een „voorzienig bestuur,quot;

Een „koning der wereldquot;, een „beer der natuur,quot;

Een „geestquot;, een „verstandquot;, dat formeerde en regeerde,

Een „zeedlijken wilquot;, die de stof reguleerde : —

Zij konden niet anders, zij wisten geen raad.

Zij zagen het niet, dat de plant uit het zaad,

Van de plant weer het zaad komt, en zoo in \'t onendige

Daarom was hun wijsbegeerte ook „eene ellendige.quot;

Nu is dit wel laat, maar nog tijdig ontdekt.

En geeft ons een inzicht, dat mijlenver strekt.

\'t Is het „ei van Columbusquot;; een kind kan \'t begrijpen:

239

-ocr page 272-

AAN EENE EHFDOCHTER. -

Alle gevolgen dansen naar der oorzaken pijpen; En, zoo lang maar conform dat principe geschiedt, Is het leven — een dansjen, en meer ook niet.

AAN EENE ERFDOCHTER.

Wie zal u drukken aan zijn hart,

U dragen door dit leven\'?

Wie, in des levens zorg en smart,

Steun en vertroosting geven\'?

Wie, altoos met dezelfde trouw Voor de eene en uitverkoren vrouw,

Wier min zijn ziel verblijdde.

Zich stellen aan uw zijde?

De man, die daar een hart toe heeft.

Dien zal mijn hart beminnen.

Hij zoekt wat God in \'t echtheil geeft,

En geen genot der zinnen.

Maar \'t oog, dat op uw schoon slechts vlamt, Op \'t edel huis, waaruit gij stamt. Uw rijkdom is geslagen, —

Dat kan ik niet verdragen.

Hoe teerder \'t u zal gadeslaan,

Hoe vuriger belezen,

Hoe meer de hoon, u aangedaan

Me een ergernis zal wezen:

Miskenning van uw schoonste schoon Uw besten schat, uw hoogste kroon; Miskenning van den zegen,

In uw bezit gelegen.

GRATIOSA.

Ja enkel poëzij zijt gij,

Ja enkel schoonheid, leven, .jeugd; De liefde klapwiekt u op zij.

En aan uw voetstap kleeft de vreugd; Elk der Bevalligheden Komt met u opgetreden!

Daar schittert in uw oog een vonk. En op uw voorhoofd glanst een gloor, Als in de onsterflijke oogen blonk Der maagden van het hemelsch koor, Die in de zangen leven,

Op Chios aangeheven.

GHATIOSA.

-ocr page 273-

iemand aan eene. — dorothea serena.

Maai- \'t lachje, dat de rust verkondt, Den vrede van een rein gemoed, Zjveeft om uw rozerooden mond.... Ontsluit hem! Laat uit d\' overvloed Van \'t hart die lippen spreken, Haar taal als honig leken!

IEMAND AAN EENE.

Mijn lieve beste,

Zij zeggen dat gij gansoh voor mij geknipt zijt; \'k Zie \'t zelf, zoo vaak ik de oogen op u veste.

Gij hebt twee oogen.

Die altijd vroolijk zien en vol gevoel zijn; Die hebben op mijn hart een groot vermogen.

En tusschen dezen Een neusje, nooit voor iemand opgetrokken, Maar dat zijn volkje wel weet uit te lezen.

Gij hebt twee ooren,

Steeds opener voor \'t goede dan voor \'t kwade, En met een zwak om mijn geluid te hooren.

Gij hebt twee lippen.

Die \'k overgaarne kus, en langs wier boorden Tk nimmer iets wanluidends hoorde glippen.

Gij hebt twee handen, Die allerhandigst zijn en nimmer ledig.

Steeds vaster strenglen zij de liefdebanden.

Gij hebt een boezem.

Die lieve kindren voedt en sust en koestert. En wangen geeft als frissche rozen-bloesem.

Daarbij een harte,

Zoo trouw, zoo goed voor mij in al zijn slagen. Dat ik (des noods!) den haat der wereld tartte.

DOROTHEA SERENA.

Heeft Dora nooit nog iets gehad.

De kleine lieve Dora?

Had ik geen hart er voor, of had De moeder er geen oor na?

-ocr page 274-

aan db mogendheden.

Dacht ik misscbien: „Ik spaar mijn lied; De kindren luistren zeker niet,

Zing ik den lot van Dorat1

Kom, dat ik baar in stilte bier

Nu eens een toontje wijde, Een toontje van dezelfde lier.

Die eens haar moei verblyclae ; )

Haar petemoei----De lieve meid

Streeft, dunkt mij, door baar vroohjkbeid En geest baar reeds op zijde.

Bloei, aardig kindje! leef eu bloei!

Blijf ons geluk verboogen!

Liik naar uw lieve petemoei,

Voer ons baar beeld voor oogen. Wees: „Dorothee,quot; een gaaf van Ij En toon, verduistert zicb uw lot. „Seeesa,quot; uw vermogen!

212

od.

AAN DE MOGENDHEDEN.

NA HKT VREDE BESLUIT TE LONDEN. VOOKJAAll 1867.

Nu doet gij wijs, dat gÜ den vrede ...

Geen kostbaar bloed uit ziedende eerzucht spilt, Het zwaard ter scbeê doet keeren, en uw schild

Van smet gaat zuiveren.

Nu eert ge u zeiven best, daar gij gehengt Dat zicb de olijf in uw laurieren mengt.

En volk bij volk u zulk een hulde brengt Als niet doet huiveren.

Nu zegent u de moeder en de bruid;

De vreugd herleeft; de zangsnaar geeft geluid; \'t Geschokt vertrouwen strekt de hand weer mt;

Met hoop van maaien.

Strooit weer de zaaier \'t zaad in de open voor.; Haast wordt het groen op zijn gezegend spool. En alle lieve bloemen breken door.

Die d\' oogst verfraaien.

Aldus wordt Duitscbland één en eensgezind, En Frankrijk niet gevreesd meer, maar bemind Dit zet de tronen vast, dit lokt, dit wint Het hart der volken.

ï) Zie I, 167 eu volgg. en elders.

-ocr page 275-

vondel. 243

Hier ziet God lelf in gunst op neder ... Och,

Verlengt ons dezen schoonen vrede toch!

Brengt over onzen blauwen hemel nog In lang geen wolken.

VONDEL.

Waar zijn de liedren, waar de tonen,

Den grooten Vondel waard? De lanwren, om een hoofd te kronen,

Waar eeuw bii eeuw op staart,

Met d\' eerbied, die aan de echte zonen Van \'fc godlijk lied weervaart?

Laat de Amstel van zijn lot\' weergalmen! En gij, zijn „blonde Bij11»

Beplant met riinschen wijn!quot;

Laat met uw ruisohende oeverhalmen

Zijn naam verzelvigd zijn.

Bevlecht zijn schedel, Oosterpalmen! En gij, Germaansche Pijn!quot;

Wat snaar heeft hij niet aangeslagen?

Wat toon haar niet ontrukt? Wat anderen vermetel wagen,

Aan Vondel is \'t gelukt. De Dav^dsharp heeft hij gedragen. De Grieksche luit gedrukt.

Hij is ten hemel opgestegen.

Ten afgrond neergedaald;

Hij heelt, op on-bezoohte wegen.

Steeds nieuwen roem behaald;

Nooit is hij machtloos neergezegen;

Nooit heeft zijn greep gefaald.

Hij heeft ons \'t lied der englenreien,

Der duivlen oproerklank Doen hooi-en; tortelduif! uw schreien.

Op een «verdorde rank;quot;

De herderlijke veldschalmeien.

En krijg- en offerzang.

,0 Kerstnacht, schooner dan de dagen!quot;

O Kankerige tak.

Van vorstelijken boom geslagen.

Met zoo geducht een „krak!quot; ,0 Pluim,quot; die Buben rouw deed dragen, „Waarin het duifken stak!quot;

-ocr page 276-

244 ÜIT SHAKSPERE.

Hoe menig oor wist gij te boeien,

Daar \'t godentonen ving;

Hoe menig traan hebt gij doen vloeien, Die als een parel hing;

Hoe menig edel hart doen gloeien Van verontwaardiging!

Waar zijt gij, Helden, Vorsten, Wijzen, Van Hollands sohoonsten tijd.

Wie Vondels hart geen lied deed rijzen. Aan uwen lof gewijd?_

Onsterflijlie gezangen prijzen ü, die onsterflijk zijt.

Maar Wie heeft liedren, wie heeft tonen. Den grooten Vondel waard?

Wie lanwren om hem \'t hoofd te kronen, Waar eeuw bij eeuw op staart.

Hem, wien van quot;duizend muzenzonen Geen enkele evenaart?

Prijk op uw voetstuk, eenig zanger! Vertoon uw aangezicht!

Uw vaderland verzaakt niet langer Zijn uitgestelden plicht.

Herinn\'ring van uw lied vervange er Ons later kreupeldicht.

UIT SHAKSPERE.

(ylif you like it.)

De wereld is niet dan een groot tooneel;

Acteurs zijn alle mannen, alle vrouwen;

Zij hebben hun afwisslende „op\'squot; en „a/V; En beurtlings speelt een zelfde vele rollen. Bedrijven zijn er zeven. Eerst een wicht.

Schreiend en spijend in malmoertjes armen.

Daarna een frissche schoolknaap met een lang Gezicht en riem vol boeken, als een slak Ter dagschool kruipend. Dan mijnheer de minnaar, Die als een ketel stoomt, en voor zijn liefste Een lied vol jammer zingt. Straks, een soldaat Vol barsche vloeken; als een beer zoo ruig;

Heel fel op de eer; opvliegend; rasch tot twist; De waterbel van roem en grootheid zoekend Tot in den mond van \'t grof geschut. Nu volgt Een raadsheer, dik van buik en onderkin;

Het oog gestreng; \'t snit van den baard formeel;

-ocr page 277-

O MIHI PRAETEBITOs!

Vol wijze spreuken, voorbeelden, citaten.

Aldus speelt dees zijn rol. De zesde leeftijd

Komt als een maagre Pantalon, op muilen,

Een knijpbril op den neus, te voorschijn, \'t Vroeger pak

Werd wel een huis te wijd voor den scharminkel.

De volle borst-stem, eens zoo manlijk zwaar,

Kreeg nogmaals \'t hooge van een kinderkeel.

En schiet al piepende over. \'t Laatst tooneel,

\'t Besluit van \'t drukke en voorvalrijke stuk,

Is tweede kindsheid; geen geheugen meer!

Tand-, oog-loos, oor-loos, smaak-loos, alles loos.

O MIHI PKAETERITOS!

„Mocht ik nog eens mijn leven over-leven,

Hoe anders ware in alles mijn gedrag!

Ik zou mijn hart niet weer aan dwaasheen geven. Waarvan ik, veel te laat, de dwaasheid zag.

„\'k Zou kinderlijk mijn kindertijd genieten.

Geen andren wensch in \'t kinderlijke hart;

Verzekerd dat zijn grievendste verdrieten Slechts weelden zijn bij later levenssmart.

„Mijn jonglingstijd zou \'k niet daar heen doen snellen In velerlei gebeuzel en gedroom;

Mijn rijkdom in geen luchtkasteelen stellen,

Noch rekenen op .Tona\'s wonderboom

„Ik zou geen roem, geen ijdlen lof begeeren.

Door valschen smaak aan valsch gevoel verkwist;

Noch leeren \'t laatst wat ik het eerst moest leeren : Eenvoudigheid, en waarheid onvernist.

,\'k Zou niet zoo veel verwachten van de boeken.

Niet zoo veel zien door andrer oogen; neen!

Ter rechter plaats terstond een wijsheid zoeken, Die nu, na lang een omweg, mij verscheen.

„De menschen — \'k zou van hen geen vonnis vellen, Naar d\'indruk, naar de ervaring van een dag;

Met ingebeelde smart mijn ziel niet kwellen.

Noch iemands oor met noodeloos beklag.

„Ik zouquot; — Wat zoudt gij, oude dwaas! bedrogen Door d\'eigen waan van wijsheid, vroeg en laat?

Gij zoudt veel wijzer zijn in eigen oogen.

En mooglijk heel wat dwazer metterdaad.

245

-ocr page 278-

OOTMOED. — DRIE STEMMEN.

OOTMOED.

(Naar Bunyan.)

Die laag bij de aavd is, ducht geen val, Geen strik van hoovaardij;

Die stil en needrig aantreedt, zal God hebben aan zijn zij.

Ik ben tevreden niet mijn deel,

\'t Moog wel of kwalijk gaan;

Tevredenheid, des vraag ik veel.

Want zulken neemt God aan.

Zoo ik den weg ten hemel ga,

Strekt me overvloed tot last;

Hier weinig, en \'t geluk hierna.

Ziedaar hetgeen mij past.

DÜIE STEMMEN.

Sound, sound the clarion, fill the fifel

To all the sensual world proclaim — One crowded hour of glorious life Is worth an age without a name.

Waltkr Scott.

EERSTE STEM.

Klinkt op, trompetten! Roffel, trom !

Verkondigt aan een zinlijke aarde:

Geen leeftijd, gaat hij roemloos om.

Heeft bij een uur van glorie waarde.

TWEEDE STKM.

Een uur, geliefde! aan uwe zij.

Daar \'k in uw hemelsch oog mag turen,

Gaat als een oogenblik voorbij.

En moest, dit wenschte ik, eeuwig duren.

DEKDE STEM.

Een oogenblik met u, o Heer!

Dat, uw gemeenschap geeft te smaken,

„Een uur is in uw Huis mij meer ,Dan duizend, daar ik u ontbeer;quot;

Gij kunt alleen gelukkig maken;

Gij zijt mijn kracht, mijn lust, mijn eer!

EERSTE STEM.

\'t Is schoon voor \'t Vaderland te sneven —

246

-ocr page 279-

UEMOEDIGING. — BEDE. — GEEN PARTIJMAN.

DEBDE STEM.

Verzekerd van zijn eeuwig lot!

TWEEDE STEM.

\'t Is zoet, voor die men mi at te leven —

DERDE STEM.

Waar men tezamen leeft voor God.

BEMOEDIGING.

Dat elk, die liefheeft en gelooft,

Voorts zonder zorge zij!

Üe Heer, zijn Heiland is nabij,

Gods zegen op zijn hoofd.

Hij grijpt zijn hand, hij steunt zijn voet, — Schep moed, bedrukte ziel! schep moed!

Dat niemand iets voor God verzwijg.

Of zich zijn nooden schaam;

Maar bede en zucht naar boven stijg,

In \'s Heilands dierbren naam. De Vader in den hemel hoort.

Gij kent zijn trouw, en hebt zijn woord. * Zie Filipp. IV : 5—7.

BEDE.

Daal in de harten. Geest des Heeren,

En vorm ons naar des Heilands beeld! Hem na te volgen is hem eeren.

Hem minnen, doen wat hij beveelt. Doordring, beziel ons, vuur ons aan. Opdat wij naar volmaaktheid staan!

Laat ons niet weiden of vertragen.

Niet omzien naar wat achterligt; Maar naar die blinkende eerkroon jagen.

Waar Jezus zelf ons oog op richt. Beziel, doordring ons, maak ons sterk; Dit Eéne zij ons aller werk! * Zie Filipp. IH: 12, 13, 14.

GEEN PARTIJMAN.

Partijman wezen, wil ik niet.

\'k Wil aan geheel mijn volk behooren,

247

-ocr page 280-

WAT WIL MEN TOCH?

Mijn ernstig woord, mijn vrooljjk lied, Moet zijn voor aller hart en ooren.

Partijman wezen wil ik niet.

Zij hebben dikwyls mij verzocht; Vooruitgeschoven met een buiging,

Zij hadden gaarne mij gekocht Voor flikkerij en eerbetuiging;

Maar hebben \'t nooit zoo ver gebrocht.

Zij zeggen, dat zij \'t zelv\' niet zijn En voor geen schatten wezen willen;

Maar leugens haat ik, grof en fijn, En zie niet wat ze er van verschillen;

Liefst mijd ik \'t wezen en den schijn.

Zij hebben \'t somtijds mij gemaakt, Ondanks mijn dapperst tegenstreven.

Mijn wagen aan hun trein gehaakt, Ook mijn naam in hun vaan geschreven;

Maar weinig vruchts daarvan gesmaakt.

Want spoedig kwam ik met protest. En zal er altijd weer mee komen.

Partijzucht haat ik als de pest;

Zij fopt de wijzen, doekt de vromen.

En haalt den duivel in op \'t lest.

WAT WIL MEN TOCH?

O Fortunatl ntmlum sua si bona norlnt!

Wat wil men toch in Nederland?

Het zwaard bleef in de scheede;

De welvaart deelt, naar eiken kant,

Haar gaven rijklijk mede, —

De tong is vrij, \'t geweten vrij,

De vrije pers dient u en mij,

Bij orde, rust, en vrede.

Wat wil men toch in Nederland,

Met praats en staatsgeschillen?

De vorst, die hier de rijkskroon spant.

Wil juist hetgeen wij willen;

Geen zwaren last, geen knellend juk.

Maar vrijheid, welvaart, volksgeluk,

En geen — vergulde pillen

248

-ocr page 281-

I

GESPREK TUSSCHEN DIIIE. — DE BIJBEL. 249

Wat wil men toch in Nederland?

Wat geeft men voor te duchten?

Wat kwaad humeur, wat onverstand Wil ons volstrekt doen zuchten?

Daar is slechts iets, dat elk verveelt:

Bedilzucht, die met buskruit speelt,

Om haar verstand te luchten.

Dec. 1867.

GESPREK TUSSCHEN DRIE.

A.

In uwe school gelooft men op gezag.

B.

In de uwe, dat men niets gelooven mag.

C.

In mijne, dat zich Jezus niet vergist.

Noch Paulus meer beweerd heeft dan hij wist.

DE BIJBEL.

(een lef.kedicht.)

Wie heeft ooit den Bijbel mij

Luid genoeg geprezen?

Wie naar waarde zijn waardij

Andren aangewezen?

Bron van zuiver zielsgenot,

Frissche levensspranken,

Gaaf van God, waarvoor ik God Levenslang zal danken!

\'t Woord des Heeren is volmaakt.

Krachtig tot bekeering.

Rijk voor wie naar wijsheid haakt.

Vol van les en leering;

Blijdschap storten in het hart

Gods getuigenissen.

Kracht in zwakheid, troost in smart,

Licht, voor die het missen.

Gods gebod is wijs en goed.

Zijn belofte heerlijk,

Zoeter dan het zoetste zoet.

Boven goud begeerlijk.

-ocr page 282-

250 de bijbel.

Heer! uw Woord behoedt uw knecht

Van u af te zwerven;

Die zich houdt aan \'t geen het zegt, Zal zijn loon niet derven.

Waarmeê zal de jongeling Hein te voorschijn treden Uit den bonten tooverkring

Der begeerlükhedenV Wat hem sterken in den strijd?

Redden uit gevaren? Gü, voorzeker, gij altijd,

Heiige Bijbelblaren!

Schaart u om mij kindren! Kom,

Zet u neer, mi)n gade!

Opgeslagen wederom

\'t Woord van Gods genade! Doornen zijn er op ons pad.

Zorgen, die ons knellen; — Kom! een blik op \'t heilig blad Zal de rust hsrstellen.

Dat is nimmermeer geschied,

Kostlijkst aller boeken!

Dat u ongetroost verliet.

Die uw troost kwam zoeken; Dat gij hem geen goeden raad

Gaaft of hadt te geven,

Die u opsloeg, vroeg of laat.

Op den weg door \'t leven.

\'k Heb gehoord dat wijze liên

\'t Bijbelboek berispen,

Dwaasheêu in zijn wondïen zien,

Kn zijn troostgrond gispen;

Maar den hemel dank ik dan.

Die van mij begeerde Dat ik maar een burgerman Zijn zou, geen geleerde.

Zoo \'k mijn Bijbel missen moest.

Of mistrouwen koude,

Ach, hoe aaklig, dor, en woest.

Werd dit hart vol zonde!

Donker werd het om mij heen.

Donkerder daar binnen!

En de Booze, naar ik meen,

Zou er \'t meest bij winnen.

-ocr page 283-

HET OUDE LIED.

Neen, mijn voetlamp! neen,mijn staf!

Dat zal nooit geschieden;

Licht mij voor tot aan mijn graf,

Blijf uw steun mij bieden!

Blijf mij spijzen, hemelsctt brood.

En mijn krachten sterken;

Laat mij, in mijn jongsten nood. Al uw invloed merken!

HET OUDE LIED.

(V\\rij naar het Engelsch.)

O zing mij nog eenmaal het oude lied,

Van Christus, mijnen Heere!

Van hemelsche dingen op aarde geschied. Van zijn liefde, zijn lijden, zijn eere.

O zing mij in eenvoud het oude lied,

Zoo als gij \'t een kind zoutU doen haoren! Wiint ook ik wil een kind zijn en anders niet. Ik hulploos, onrein, en verloren.

O zing het mij langzaam, het oude lied!

Het moet mij een laafdrank wejea,

Wiens verkwikking ik droppel voor^Jroppel geniet. En die mij het hart kan genezen.

O zirg mij toch dikwijls het oude lied!

Ik vergeet het, helaas! zoo veel malen. De dauw, daar de morgen zoo vochtig van ziet. VeitJampt mequot;t de zonnestralen.

O zing mij zoo ernstig het oude lied.

Dat mijn hart zich voelt boeien en binden! Bedenk dat gij vóór u oen zondaar ziet,

Wien Jezus wil zoeken en vinden.

O xing mij toch altijd liet ouda lied.

Dat alleen maar den moed mij kan wekken. Zoo dikwijls, in eenige zorg of verdriet,

Gjj mij waarlijk tot troost wil verstrakken!

O zing mij onmiddlijk het oude lied.

Zoo ras gij eoii weinig zoudt vreezen.

Dat wat de wereld grootheid hiet Mij op nieuw tot verzoeking kon wezen!

251

-ocr page 284-

MAANLICHT. — WAAB NIET?

En als mij eens de adem en \'t leven ontvliedt,

Ter laatster, ontzaglijkster uren:

Zing dan voor het laatst mij het oude lied Van een heil, dat oneindig zal duren!

Dit is, dit is het oude lied:

Daar is verzoening gevonden;

Het is volbracht, het is geschied;

Daar is vergeving van zonden.

Dit is, dit is het oude lied:

Het dierbaarst bloed is vergoten, De macht des afgronds is te niet; De hemel is ontsloten.

Dit is, dit is het oude lied,

Ons geschonken van God hierboven: De vloek der wet deert zondaars niet, Die in den Zoon gelooven.

Dit is, dit is het oude lied:

Een Heiland moest lijden en sneven. Dat wie vertrouwend op hem ziet. Ook dankbaar voor hem zou leven.

Dit is, dit is het oude lied;

Uw Heiland stond op uit de dooden. _ In den hemel verheven, vergeet hij u niet, Maar deelt in al uw nooden.

MAANLICHT.

Waarom de Maan zoo gaarn wordt aangeblikt? — Dat vriendlijk licht verblindt niet, maar verkwikt.

Die schijnt en gloort en glinstert, en niet schittert, Geeft zoets te smaken, dat hij niet verbittert.

En die door schittring de oogen pinken doet,

Draag zorg van ook te koestren door wat gloed.

WAAR NIET?

„Wat i\'oëzie, en waar heur woon is?quot; Alom; waar \'s Levens adem gaat.

Zij is HET SCHOONE IN Ab WAT SCHOON IS;

In voorwerp, denkbeeld, woord, en daad.

252

-ocr page 285-

AFDALEN. — VRAAG. — AVONDREGBN.

AFDALEN.

Indien gij nut wilt stichten, wjjze man! Tracht te begrijpen, die het u niet kanj

VEAAGr.

Hoe komt dat we iedereen de Schepping hooren prijzen, En voor den Schepper zelf heeft menig hart geen plaats?

antwoord.

Natuur, dat tijdkleed Gods, ontdekt hem aan den wijzen, verbergt hem voor den dwaas.

AVONDREGEN.

(Naar Geiïok.)

Ei, wat tikt daar aan de ruit? \'t Venster opgeschoven!

Ruischt er englenwiekgeluid Over veld en hoven?

Neen, uit donkre wolken, vliet Afgebeden zegen.

Zie, hoe zacht hij \'t loof begiet!

Wees verwelkomd met een lied. Lieflijke avondregen!

Drukkend hing, den ganschen dag, \'t Zwerk met looden zwaarte;

Zwanger van den donderslag. Dreigde \'t wolkgevaarte.

Menig onzer zag den nacht Met bezorgdheid tegen;

Maar geen onweer dat hij bracht;

Slechts uw laafnis, koel en zacht, Smeltende avondregen!

Zorgzaam wischt uw helder nat \'t Stof van blad en twijgen;

Alles blinkt weer, gaaf en glad; Dankbre walmen stijgen.

Hoor! de nachtegaal vangt aan, Zingt langs veld en wegen!

Heerlijk klinkt zijn krachtig slaan

Door uw klettren op de blaan, Ruischende avondregen!

253

-ocr page 286-

254 AVONDREQEN.

Ware ook ik, te dezer stond,

Struik, of bloem der weiden, O Hoe dronk ik mij gezond,

Na zoo lang verbeiden!

O Hoe strekte ik ieder blad,

Ieder blaadje u tegen, En verzwolg uw paarlend nat, Drop voor droppel, spat voor spat, Kostlijke avondregèn!

Hoe verkwiklijk en hoe frisch

Is nu \'t ademhalen!

Alles voelt uw lafenis.

Milde regenstralen! Wat verkwijnde komt weer bij. Heeft zijn kracht herkregen; Alle geuren maakt gij vrij;

Alle boezems opent gij,

Toovrende avondregen!

Wat, wat komt er even zoet,

Even mild gevloten?

Tranen, in een stroef gemoed

Veel te lang besloten;

Maar ten laatste voelde \'t hart

Zich te diep bewegen.

En een vloed van tranen werd Troost en heulsap voor de smart, Als een avondregen!

Wat is u nog meer gelijk.

Onder \'s Hemels gaven ? \'t Godswoord, dat genadiglijk \'t Dorstig hart komt laven; Dat de dorre zandwoestijn

Als een roos doet bloeien, Barre roteen groen doet zijn. En voor elke zielepijn Balsem uit laat vloeien.

Ritsel voort dan, doe nog steeds

Grooter weldaan leken,

Schoon ook enkle sterren reeds

Door het wolkfloers breken; En wanneer wij, wel te moe,

Zjjn ter rust gezegen.

Tokkel van de vensterroe Ons een wiegecteuntje toe, Vriendlijke avondregen!

-ocr page 287-

echte zang. — opwekking.

ECHTE ZANG.

Niets zoo lieflijk, niets zoo schoon Als een dichterlijke toon,

Aan het hart ontvloeiend.

Door dien oorsprong, waar hij klinkt En in andrer harten dringt.

Alle harten boeiend.

Onvergeetlijk is het lied,

Dat uit echte bron-aar vliet;

\'t Leeft in duizend monden. Ook een klankrijk woordenspel Trekt, vervoert, betoovert wel,

Maar voor weinig stonden.

Nieuwe vormen, maat met maat Wisslend, rijm in overdaad,

Beelden bij getalen Geven niet wat ik verlang;

Maken geen gezang tot zang,

Maar tot ijdel pralen.

Daar is „ik en weet niet wat,quot; Dat als levens-spranken spat,

Levenwekkend, sterkend; Dat ontvonkt, verkwikt, verheft, En bevredigt, waar het treft; On-weerstaanbaar werkend.

Dat is wat ik wensch en wacht. Schoonheid vraag ik, en geen pracht.

Waarheid, en geen kunsten;

Ziels-, niet enkel zin-genot.

Die met dit verlangen spot,

Weiger ik mijn gunsten.

IJ de krans, die u behoort.

Zanger van de rechte soort.

Onder duizend krukken!

Dien mijn woord en wenk bedoelt, Dien mijn innigst hart gevoelt,

Maar niet uit kan drukken.

OPWEKKING.

Houd vast, houd vast, met oog en hart

De poëzie van„\'t leven!

Ze is overal; ze is altijd daar; —

255

-ocr page 288-

op tijd. — onbeboüwei.ijk.

\'t Gemoed zij rein, het oog zij klaar, Zoo ziet, geniet, verbiedt gij haar U ongemerkt te ontzweven.

Van hier, van hier \'t vroeg stokoud ras

Met doffe en vaakrige oogen,

Voor God, Natuur, en Leven koel, Aan geestdrift vreemd en zielsgevoel. Tot dom\'len in een luien-stoel Geboren en getogen!

Miskennen eerst, misvormen dan;

Ontleden, en verwerpen;

Hooghartig twiiflen, laffe spot: Zie daar hun wijsheid, eer, en lot! En voorts wat dierlijk zingenot.

Daar zij hun geest op scherpen.

Neen! kloppe in ons nog als voorheen,

Schoon onze jaren vlieden,

Een hart vol leven, lust en vreugd In al wat schoonheid is en deugd; In de oude borst een jonger jeugd Dan bij die jeugdige oude lieden.

OP TIJD.

Onmiddlijk nut sticht niemand. Meestal gaat Het langs een weg, die zich niet nagaan laat.

\'t Zaad kiemt in \'t donker, wordt gevoed, gesterkt, En breidt zijn wortels uit, eer \'t iemand merkt.

\'t Kind leeit, en wordt van \'s levens stroom doorspoeld, Vieh maanden — eer de moeder leven voelt!

\'t Duurt negen — eer het wonder mag geschien. Dat derden \'t nieuwe schepsel mogen zien.

En vele — voor \'t zichzelven onderscheidt.

En u een glimlach biedt van dankbaarheid.

ONBEROUWELIJK.

Geen goed besluit berouwt, al kost het pijn; \'t Goede is uit God, gezegend zal het zijn.

256

-ocr page 289-

LIED. - GEZONDHEID EN GENOEGEN STRALEN. - AAN EENE WEDUWE.

EEN LIED.

Laat hooren, laat hoorec,

Wat u op \'t harte ligt!

Sluit haat en vrees de lippen dicht,

De liefde kan niets smoren,

Maar spreekt naar lust en plicht.

Laat praten. Iaat praten,

Wat zwijgen kan noch wil!

Een dwaze tong staat nimmer stil.

Geen wederwoord kan baten,

Of stuit een zot geschil.

Laat komen, laat komen,

Wat komen zal en moet!

Gods liefde maakt het altyd goed Mot zijne oprechte vromen;

\'t Is wijsheid wat Hij doet.

GEZONDHEID EN GENOEGEN STRALEN.

Gezondheid on genoegen stralen Van uw gelukkig aangezicht;

Geen volle roos kan schooner pralen.

Waar op de dauw des hemels ligt; Uw glinstrend oog, uw lieve lach Herschept den nacht in klaren dag.

Uw kindren bloeien om u henen,

Als knogpen uit een zelfden steel.

Die aan zijn sappen kracht ontleenen, Pin schoonheid erven, elk zijn deel.

Groeit, lieve knoppen, zwelt, ontsluit,

En drukt het beeld der moeder uit!

En hij, wiens vreugd gij komt volmaken,

Wiens aardsch geluk aan \'t uwe hangt. Die aan uw zijde een lot mag smaken.

Waarvoor hij God gestadig dankt,

Uw bloei, uw kracht, uw levensgloed Verjongt zijn hart, vernieuwt zijn bloed.

AAN EENE WEDUWE.

De vertroostingen Gods zijn nooit te klein; Hoe groot het leed moog wezen.

-ocr page 290-

258 alles kn niets. — drie gedichten naar thomas hood.

De God, die ze schenkt,

en ons lijden gedenkt.

Zij eeuwig gedankt en geprezen!

Houd dan moed onder \'t kruis! Hoe zwaar het drukk\', Het zal u nooit verpletten.

llijze \'t leed voor uw oog

als gebergten omhoog:

Het geloof kan ook bergen verzetten.

f

ALLES EN NIETS.

Professor is geleerd, maar droog;

Hij heeft geen gaaf van meê te deelen.

Zeer goede piji.es heeft hij velen;

Een vollen koker; maar geen boos.

DRIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.

Thomas Hood. geb. 1798, overl. 1845, viel als dichter meest in \'t komische, en is als humoristlscL prozaschrijver ook ten onzent door zijn Up tlu Uhinc bekend. Intnsschen heelt hy in enkele stak-keu getoond welke groote gaven hij had, ook voor de uitdrukking van een ernstig en diep gevoel, en de drie hier navolgende zijn daarvan treffende voorbeelden. Zijn „Lied van het Hemd,quot; waardoor ,iij de diepe ellende der arme Londensche naaisters op liet hart zyner landgenooten poogde te drukken verwierf hem de grootste populariteit en, zoo it hoop, voor deze ongelukkige tobsters eenige verbe-tering in haar Jot. Zeker is het, dat het niet zonder grooten invloed is geweest op de afschaffing der z. g. Korenwetten. Het kwam allereerst door hei weekblad Punch ter kennis van hot algemeen.

i.

het lied vax uet hemd.

Met vingertoppen, ruw en wreed,

Met oogen, dik en rood,

Zat daar een vrouw, in \'t voddenklead,

Te naaien voor haar brood.

Piek, piek, piek!

Van honger en kommer halfziek.

Van leed verteerd, door zorg beklemd,

Zong zij het „Lied van \'t Hemd.quot;

„Piek, piek, piek!

Van \'t eerste gekraai van den haan.

Piek, pi«k, piek!

Tot de zon is ondergegaan.

I

-ocr page 291-

DRIE GEDICHTEN NAAK THOMAS HOOD.

Een heiden en een turk is er beter aan toe,

Die niet weet waarvoor hij leeft,

Dan een christenmensch, bij het werk dat ik doe. Die een ziel te verliezen heeft.

Piek, piek, piek!

\'t Wordt mij geel en groen voor \'t gezicht.

Piek, piek, piek!

Mijn oogen vallen dicht.

Zoom en oksel en strook;

Strook en oksel en zoom;

Totdat ik in slaap val over een knoop,

Kn hem aanzet in den droom.

Gij jonkman, die naar uw liefje vrijt!

Gij man, met uw wijfje in uw schik!

Het is geeu linnen, wat gij verslijt,

Maar arme schepsels als ik.

Een naad, en weer een naad;

Een naad, en weer een naad;

Voor wien is wel deze bestemd\'?

Geloof mij, ik naai, met een dubbelen draad.

Mijn lijkkleed, en uw hemd.

Wat geef ik om d«n dood,

Hoe aaklig en naar hij ook zij ?

Voor dat magere spook is mijn vrees niet groot; Het heeft te veel van mij;

Het heeft te veel van mij;

Van mij, die door vasten mijn krachten sloop — Och dat ook het brood zoo duur moet zijn.

En vleesch en bloed zoo goedkoop!

Ik piek maar al wat ik kau!

Myn werk is nooit ten end.

Mijn loon? Een korst brood, een bos stroo, en dan Dit mooie equipemènt!

Een tochtig dak, een naakte vloer.

Een stoel en tafel, dat\'s al!

Zoo kaal een muur, dat ik snak naar het uur,

Waarin er mgn schaduw op vall\'!

Piek, piek, piek!

Van uur tot uur, dat daar slaat

Piek, piek, piek!

Als in \'t werkhuis de boef voor zijn kwaad.

Zoom, en oksel, en strook;

Strook en oksel en zoom;

Tot ik wee word om \'t hart en versufd in mijn hoofd. En ik zeïf niet weet hoe \'k er koom.

259

,

l:,[

lil ■

-ocr page 292-

DIIIE GEDICHTEN NAAK THOMAS HOOD.

Piek, piek, piek!

In den donkeren tijd om nieuwjaar.

Piek, piek, piek!

Als de hemel zoo blauw wordt en klaar. Als, tusschen do pannen, de zwaluw in-en uitvliegt keer op keer,

En mij vraagt of ik haar niet gelukkig vin-de, en mij tergt met het mooie weer.

Och of ik de groene wei^

Nog eens zien mocht, gelijk in mijn jeugd. En ruiken de dorens, de dorens van Mei,

Waar de geur mij haast niet meer van heugt! Wel dwaas dat ik er naar taal!

Wel dwaas dat ik er naar taal!

Als wist ik niet wat gebrek lijden hiet.

En een loopje gekocht voor een maal!

Maar toch, één uurtje van rust —

Zoo dat mij te beurte viel!

Niet om te denken aan hoop of lust,

Maar aan mijn arme ziel;

Maar aan mijn grootste smart!

Ach! een weinig te schreien waar goed voor mijnhatt

Gelukkig zoo ik \'t mocht!

Maar aan naald en draad doet het niet dan 1; waad; — Blijf weg dan, schaadlijk vocht!quot;

Met vingertoppen, ruw en wreed,

Met oogen, dik en rood.

Zat daar een vrouw, in \'t voddcukleed. Te naaien voor haar brood.

Piek, piek, piek!

Door honger en kommer halfziek,

Van leed verteerd, door zorg beklemd.

Maar op een toon zoo hoog,

(Och dat het de rijken bereiken moog!)

Zong zij dit „Lied v«,n \'t Hemd.quot;

II.

HET STEUFBED.

Met zorg hield een bedroefde kring Den adem in, om acht te geven Hoe in haar borst de stroom van \'t leven Kog flauwtjes op en neder ging.

Elk onzer fluisterde zoo zacht.

En stond zoo machtloos op zijn beenen.

260

-ocr page 293-

UUIE (JKDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.

Als hadden we elk zijn eigen kracht Haar tot den doodstrijd moeten leenen.

Door vrees en hoop werd evenzeer

Ons hart misleid, bij \'t pijnlijkst waohtefl. Zij sliep. Wij zeiden: „Ze is niet meer.quot; Zij stierf. Toen sliep zij, naar wij dachten.

Want, toen de morgen koud en nat

Te voorschijn kwam met regenvlagen, Hield zij haar oogjes toe. Zij had Een schooner dag zien dagen.

UI.

DE DRENKELINGE.

Weer zoo\'n beklaaglijko, Die bij een korten dood \'t Haar onverdraaglijke Leven ontvlood!

Vat haar voorzichtig aan; Handel haar zacht!

Wees met haar jeugd begaan; Eer haar geslacht.

Zie toch dit bleek gelaat! Zie hoe dit nat gewaad Kleeft om die fijne leest; Wat moet ze, in blijder staat. Schoon zijn geweest!

Hoor naar een zacht gevoel, En draag haar daadlijk Weg uit dit druk gewoel, — Liel\'drijk, niet smaadlijk. Zie haar niet toornig aan; Blijf niet koelbloedig.

Wijd haar een stillen taan, Menschlijk, zachtmoedig.

Denk aan haar zonde niet, Haar misdaad, zoo rauw! Al wat gij in haar ziét Zij thans — de vrouw.

Vorsch niet nauwkeurig uit, Wat toch maar treurig luidt; Wien zou het baten\'? \'t Leelijke — zwijg er van. Niets heeft de dood haar dan \'t Schoone gelaten.

261

-ocr page 294-

262 DRIE GEDICHTEN NAAR THOMAS HOOD.

Wat zi] geweest zijn moog? Och, laat het glippen!

Wiseh deze ■wangen droog, \'t Slijk van die lippen.

Strijk haar dit haar van \'t oog, (Weelderig haar!

\'t Schoonste dat ge immer zaagt!) Daar elk nieuwsgierig vraagt. Wie\'? en: Van waar?

Wat was haar vader?

Wie was haar moeder?

Had zij geen zuster?

Zuster of broeder?

Was, door een anderen band. Niet nog een teerder hand Haar ten behoeder?

0 het is waard beschreid, Dat ge, in zoo trotsch een tijd. Echter zoo zeldzaam zijt, Menschlievendheid!

In deze groote stad.

Op haar paleizen prat,

Wonder der aard!

Vond zij (verantwoord dat!) Geen huis of haard,

Ach. hier verloochende \'t Allesvermogende Zusterlijk, broederlijk,

Vaderlijk, moederlijk Hart zich geheel.

Smaad was haar deel.

Liefde nam wat zij gaf;

Keerde zich toornig af. Vromigheid schudde \'t hoofd Bij haar rampzalig lot;

Zelfs van den troost van God Bleef zij beroofd.

Waar der lantaarnen gloed Trilde op den breeden vloed. En licht bij licht (Blijden een blij gezicht) Flikkerde laag en hoog,

Stond zij met somber oog, Staarde zji stijf en strak, En — had geen dak!

-ocr page 295-

UBIE GEDICHTEN NAAK THOMAS HOOI).

Rillend; van vrees niet, neen! Rillend van koude al.\'een, Rillend van top tot teen, In dezen guren,

Barren Novembernacht,

Hield ze op de brug de wacht, Stond zij te turen Over de leuning heen,

Waar, voor haar oogen, In donkre bogen De stroom verdween.

Dol van des levens pijn. Brandende om niet te zijn, Verbijstring ten buit;

Inwendig gedreven.... Waarheen? Om het even\' Ergens heen, ergens heen, Dit leven uit!

Ee\'n sprong. — Ze is verdwenen.

De kille rivier

Rolt over haar henen.

Lichtmissen! nadert hier;

Ziet wat gij doet!

Ziet wat hier nederplompt, Zinkt en weer bovenkomt, Wegzinkt voor goed.

Hebt gij dan nog den moed, Drinkt weer uit, baadt weer in, Pleegt weer verboden min, Speelt in dien vloed.

Vat haar voorzichtig aan; Handel haar zacht;

Wees met haar jeugd begaan; Eer haar geslacht.

Schik nu die leden,

Ijskoude leden,

(Eer zij verstijven)

Zoo als betaamlijk is,

Zoo als het deerenis.

Zoo als het liefde doet.... Wel! Laat zo blijven!

Zoo ligt zij goed.

Druk nu die oogen dicht, Starende zonder licht.

263

-ocr page 296-

KIND KULACII.

Vreeselijk starende,

Ieder vervarende,

Als met dien laatsten blik, Die, met vertwijfeling,

Dood en vernietiging, Oordeelsdag, helschen schrik ^Vquot;oest onder de oogen zag, Zag en niet zag!

Koelbloedig bedorven, AVreedaardig veracht.

Ellendig gestorven —

Wie zegt wat u wacht?

Als of zij bade Tot God om genade,

Als of zij nog hopen dorst, Leg op haar doode borst Ootmoedig to zamen Die handjes zoo zacht en teer. Is hier groot kwaad geschied. Ons voegi het oordeel niet; Aan U verblijft het. Heer! Amen, .Ta, amen.

KINDERLACH.

AAN EEN DARWINIST.

Wat apenmocder heeft voorheen

Haar jong zoo vriendlijk aangekeken. Dat de apensnoet is weggeweken. En \'t lachje van een kind verscheen?

Het kinderlachje, zoo welsprekend. Vol leven, liefde, ziel en geest.

Dat, feitlijk, tusschen mensch en beest De onmeetlijkheid van d\'afstand teekent?

Laat, uit een stam nog onbekend, Sim Spitsneus naast Sim Platneus spruiten, Met menschelijke kin en kuiten.

En zonder staart aan \'t achterend;

Laat Gibbons, Orangs, en Gorillen, En Chimpanzé\'s de wellust zijn Van die volstrekt in rechte lijn Uit grijnzende apen dalen willen:

Eén blik op \'t wichtjen aan de borst Van die zij weerhelft heeten mogen.

-ocr page 297-

ken woohd van bacon. — zijt gij rijk, dat het blijk, enz. 265

Als zij, na \'t laven van zjjn dorst.

Het aanziet niet haar zielvolle oogen En toelacht, en dien moederlach Betaald ziet met het zacht ontplooien

Dier lipjes versch gelaafd, vermag Dat luchtkasteel omver te gooien!

Verloren zoon! \'t is vruchteloos Verlangd eens anders zoon te wezen:

Uw werklijke afkomst staat altoos In \'t lachje van uw kind te lezen.

\'^-lóaa rov amp;euü. Luk. III. 38.

EEN WOORD VAN BACON.

Reading makes a full man, conference a ready man, and writing an exact man.

Lord Bacon.

Het lezen voedt een schoon verstand,

Waaraan niet licht iets goeds ontglipt; Het spreken maakt hot bij-de-hand;

Het schrijven net en stipt.

ZIJT GIJ RIJK, DAT HET BLIJK!

Zoo gij gelukkig zijt, mijn vriend!

Hoe zoudt ge in dat geluk niet roemen ? Heeft God het niet aan u verdiend. De dingen bij hun naam te noemen\'?

AAN DIGNÜS.

Zoo velen zwelgen in het Overbodige,

Of lossen zich in \'t Onbeduidende op; Gij, met uw edel hart en klaren kop,

Leef voor en door het Ware en EéneNoodige!

MAAKT PLAATS.

Naar Adelaide Akna Procter.

Gouden starrevonken

Aan des hemels blauw.

Toeft, o toeft een weinig,

Dooft niet al te gauw!.... Neen! Het starrelicht verdwijn! Dat de dag verschijn\'!

-ocr page 298-

ken slechts.

Sméttelooze vlokken,

Sneeuwkleed over do aard, Ueine lust der oogen,

Blijft nog lang gespaard! .... Neen! Versmelte uw zilvergloor! Laat de lente door!

Bloesems,^!eve bloesems,

Maakt niet zoo veel spoed! \'t Zonnetje is nog koestrend, \'t Regentje is nog zoet.... Neen! Valt af, naar de oude wet Dat de vrucht zicli zett\'!

Vreugd, zoo trouw en teeder.

Aan mijn hart zoo dier. Wat ontplooit ge uw vleuglen?

Engel! blijf nog hier....

Neen! Een heilger staat gereed. Die uw plaats bekleed\'!

ÉÉN SLECHTS.

Jar one chord, the harp is silent;

Move one st®ne, the arch Is scattered; One small clarion-cry of sorrow

bids an armed host awake;

One dark cloud can hide the sunlight;

loose one string, the pearls are scattered; Think one thought, a soul may perish; say one word, a heart can break.

Adelaide Anna Procter.

Doorkerf één draad: uw parelsnoer Strooit al zijn rijkdom langs den vloer;

Ontstem één snaar: uw harp moet zwijgen; Verwrik één steen: de boog verzet;

Één stootjen in de alarmtrompet —

En d-.r\'zend zwarte zorgen stijgen!

Één donkre wolk verbergt de zon; Één dwaasheid opent u een bron Van leed, dat zich geen hart verbeeldde;

Één vonk ontsteekt wat niemand bluscht; Éen wensch verstoort de gansche rust,

Eén, ééne erin\'ring elke weelde;

Één smet bederft geheel een kleed; Één wroeging werkt wat niemand weet; Één oogenblik baart eeuwge smarte;

am

-ocr page 299-

GEEN HOMERUS. — VERLIES VAN VRIENDEN. \'2,0

Eén spaak, gebroken, breekt het wiel;

Één enkel denkbeeld doodt een ziel;

Één enkel woord verscheurt een harte.

GEEN HOMERUS.

Een Ilias, en geen Homerus! Hooggeleerde, Het zij zoo! Beter dan het omgekeerde.

VERLIES VAN VRIENDEN.

(Naar Mdntgomkry.)

Ontvalt u vrind op vrind —

Wie heeft nooit vrind betreurd?

Geen band, die harten hier verbindt.

Of hjj wordt eens verscheurd. Als alles uit was met deze aard, Hoe weinig was dit leven waard!

Daar is een beter uord.

Daar is een milder lucht,

Waar \'t leven, door geen leed gestoord.

Iets meer is dan een zucht,

Eu wat een menschlijk hart doet slaan Niet flikkert, om weer uit te gaan.

Daar valt geen scheiding voor;

Daar wordt geen traan geschreid; Daar heeft men lief, alle eeuwen door,

In rust en heiligheid.

\'t Geloof ziet derwaarts rit, bij \'t graf, En wischt de heetste tranen af.

Zoo dooven ster bij ster.

En wijken uit uw oog.

Als de ochtendzon steeds helderder

Verschijnt aan \'s hemels boog. Zij gaan niet onder aan den trans.

Maar domplen zich in schooner glans.

-ocr page 300-

\'268 zijn of schijn. — aan ken h. e. h. (i. — handen tmu1s, enz.

ZIJN OF SCHIJN.

.teu d\'hommes ont esté admirez par leurs domestiques.

Montaigne.

li n\'y u pas de héros pour son valet de chambre.

Mad. Cornuel. — Mad. de Sévigné.

Indien geen groot man voor zijn kamerdienaar groot is. \'t Scheelt aan den knecht, die blind of van gevoel ontbloot ia.

Maar dat een klein man \'t minst bedriegen zal zijn minderen, Dat geef ik gaarne toe, en voeg er bij: zijn kinderen.

AAN EEN H. E. H. G.

Hofmeester, hoog in eer.

Als een getabberd heer Aan \'t hooger end gezeten: Al voert gij aan den disoh \'t gebied, Van waar de wijn is weet gij niet, Ofschoon de dienaars \'t weten.

HANDEN THUIS.

Gij de eerste mannen van het land

Bedillen? Hals, laat naar u kijken! Men snijdt het glas met diamant. Den diamant met zijns gelijken.

POËTISCH PROZA.

,Poëtisch prozaquot; — Ja, wij kennen dat, mijnheer! Borduren wil het zijn; maar \'t komt op hroddlen neer.

AAN ....

GEEN LID DEK STATEN-GEXEltAAL.

De woorden dienen om gedachten te uiten;

Of te verbergen, naar men \'t vat; Gij, beste maat! die nooit gedac^hten hacl-t. Kunt op den duur uw lippen sluiten.

-ocr page 301-

naar rückellt.

7t?.B0V tj/LU(TV Ttavtóg.

,Een Juilf ei beter dan een leege dojiV\' Gewis! En ook veel beter din een heel Dat u bezwaart. (Genoeg is meer dan veel.) Een kind alleen, uit schrokzucht, eet het op.

NAAR RÜCKERT.

1.

De schoonheid der schepping staat duidlijk en dicht Voor ieder natuurlijk menschengezicht;

Gy behoeft, om haar te begrijpen, Vergrootglas noch brillen te slijpen.

2.

Mal wicht! Gij baart u eigen pijn!

Tets kunt gij wezen, maar alles onmooglijk. Waarom verbaast het u dan toch zoo hooglijk, Te zien dat andren ook iets zijn.

3.

Wilt ge dat we u metterdaad

In den huismuur bouwen\'?

Steenklomp! acht hot niet zoo kwaad Dat we u wat behouwen.

4.

Zult gij de wereld gadeslaan.

Doorzien hetgeen zij stelt te prijken.

Geef dan de schrale vreugd er aan Altijd u zelf\' te laten kijken.

5.

Ui) poëzij is toovnarij in \'t spel;

Of echter de poëten Hetooverden of toovnaars moeten heeten Dat weet ik niet te wel.

6.

Van wat ik zag, van wat ik hoorde Voelde ik maar zelden kracht en zin, Zoolang de indruk de bezinning stoorde.

Eerst bij \'t herdenken zag ik alles in.

269

-ocr page 302-

NAAK HÜCKERT.

Gij hadt geen genoegen, en ik had geen pret Wij trouwden elkander, nu hebben wij het; Hoe is dat geluk dan verkregen,

Indien niet van boven, als zegen?

8.

Een dubblen trek heeft al wat leeft:

Trek naar beneden, trek naar boven; Die best gehoor aan beiden geeft

Is allermeest te loven.

Geen hoogmoed vare u in den kropl Laat ook den moed niet zinken!

Naar \'t licht des hemels streve uw top, En laat de wortel drinken.

-ocr page 303-

ONS VISSCHERSVOLKJE.

— gracili modulatus avena Viröilius.

—-aö G//---

I.

JAPIKS WIEG OP \'T STRAND GEBOEND.

Geus Innata salo. Sal gentl innatum.

Is \'t wonder, dat esn visschersknaap

Der zee. ziin hart moet geven?

Ze omringt hem reeds in d\'eersten slaap En mengt zich met zijn leven.

Zijn allereerste legerstee,

Het wiegje van den jongen,

Het was reeds van de zoute zee.

De zoute zee doordrongen.

II.

ÏEIJNTJES DOLCE FA li NIEVi\'E.

\'t Zit in de Golf van Napels niet,

Van Napels of Tarente;

Ook \'t Zandvoortsch kind heeft, als gij ziet,

Zijll DOLOK FA 11 N1ENTE.

„\'t Is lui, \'t is heet, \'t is brandend weer;

„Hoe kan die meeuw nog vliegen\'!1 „\'k Lag liever plat op \'t water neer, „En liet mij zachtjes wiegen.quot;

Zoo spreekt zij, en ligt plat op \'t zand.

En laat het zonlicht spelen;

Of \'t bruine vel wat meer verbrandt Kan haar geen oortje scheelen.

IIL

HET BEEXSTEKÏJE.

Mooi Kniertje staat van dag tot dag

En breit voor haar deur een kwartiertje; „Voor wien dat paar kousen wel wezen mag, „Mijn allerliefste Kniertje?

-ocr page 304-

OKS VISSCIIERSVOLKJE.

„Voor wien dat paar kousen wel mag zijn,

„Voor moertjen of voor vaartje?quot;

Zucht dag op dag die bleeke Krijn,

„Of zijn ze voor Grietjen of Saartje?quot;

„„Wel Krijnbuur! wist je dat zoo graag?

„„U wil ik het niet verzwijgen.

„„Je bent niet voor niet zoo jentig van daag, „„Om alles uit me te krijgen.

„„Beloof maar dat je \'t niemand zegt,quot;quot;

Spreekt Kniertje, hoe langer hoe zachter; „„De wereld is tegenwoordig zoo slecht;

rZe zocht er zeker wat achter.

„„Die kousen zijn voor me moertje niet,

„„Ze passen niet voor me vaartje;

„„Ze zijn ook niet voor zuster Margriet,

„„Nog minder voor \'t kleine Saartje.

„„Ze zijn voor geen oompje, ze zijn voor geen meui,

„„Hoe hoog of laag ze sprongen;

„„Ze zijn niet voor een oude kneu,

„„En niet voor een laft\'en jongen.

„„Ze zijn — ze zijn — ze zijn — ze zijn —

„„Je zult het maar raden moeten!

„„Die kousjes zoo witjes, zoo netjes, zoo fijn,

„„Ze zijn — voor twee bloote voeten.quot;quot;

* Voor zang en piano op muziek gesteld door W. Hutschenruyter, (üc Salon, Nquot;. 11. Rotterdam.)

IV.

IIAKMENS UITREIS.

Nog wuift ie met zen mutsje. Jan!

N«g wuift ie met zen mutsje.

En kijkt zoo lang ie kijken kan

Naar niemand als je zusje.

Dag Harmen! Jongen, hou je goed!

Ik zal het ook doen, Harmen!

Ik zal niet, als een weeke bloed.

Gaan krijten en gaan kermen.

\'t Is zomerdag; de nachten kort;

De buien van \'s gelijken;

Maar strakjes, als het najaar wordt,

Dan komt wat anders kijken.

272

-ocr page 305-

ONS VISSCUEKSVOLKJE.

Dag Harmen! Jongen, hou je goed!

Ik zal het ook pi-obeeren.

God is almachtig, God is goed. Hij zorgt bij alle weênen.

Met Paschen spreek je Vader aan,

En waagt een woord van trouwen; Het zal misschien zoo grif niet gaa:i.

Maar wel met vol te houen. Dag Harmen! Jongen, hou je goed!

Ik zal je helpen Vaartje!

Eer Mei in \'tland is (schep maar moed!) Zijn wij een vroolijk paartje.

Nog wuift ie met zen mutsje, Jan!

Nog wuift ie met zen mutsje. En kijkt, zoo lang ie kijken kan,

Naar niemand als je zusje....

En op dat zeiltje turen wij.

En dag en uur vergeet ik — Kom jongen! geef me een zoen, want jjj Houdt ook van hem, dat weet ik.

V.

JANTJES EERSTE REIS.

Klein Jantje steekt van wal; Hij doet zijn eerste reisje;

Vrees niet, malmoêrtje! dat hij vall\'; Een jongen is geen meisje, En Jantje kan het al.

Kom dan, kom dan,

Kom als een man.

Kleine Jan!

Klein Jantje wendt den boeg Naar vaders open armen; Die haven is sekuur genoeg.

En wil hem graag beschermen-. Kind! Kies haar laat en vroeg! Kom dan, kom dan.

Kom, als een man.

Kleine Jan!

Straks steekt hij weer in zee. En nog wel twintig keeren, Van de eene ree naar de andre ree. Met zeilen en laveeren!

-ocr page 306-

274 ONS VISSCUERSVOLKJE.

Der ouuren hart vaart meê. Kom dan, kom dan,

Kom als een man.

Kleine .lan!

Bezwijkt in \'t eind de moed,

En wordt de kraoht wat kranker. Dan strijkt hij \'t zeil en gaat voor goed Op moeders schoot voor anker; Daar is de rust zoo zoet.

Kom dan, kom dan.

Kom, als een man,

Kleine Jan!

VI.

HET BESLISSEND OOÜENBL1K.

Dat zal ik van mijn leven niet,

Mijn leven niet vergeten,

Hoe aardig jij dien morgen. Griet! In \'t venster waart gezeten.

Ik weet niet of .je \'t ook nog weet. En of je er iets van merkte.

Maar Julfert Joosten kreeg het beet, En voelde dat het werkte.

Je praatte, ja! van wie weet wat? Ik heb niet veel geluisterd;

Maar op het bankje daar ik zat. Zat ik voor goed gekluisterd.

Er was iets in je — maar misschien Dat ik het mij verbeeldde —

Dat nooit te voren was gezien,

En mij geweldig streelde.

Je bekje kende ik door en door. Van onze vroegste jaren,

Maar voelde er niets bijzonders voor, Dat kan ik rond verklaren.

Je was niet mooier dan je plag.

Niet heuscher dan voordezen ....

Ik kan niet zeggen wat ik zag.

Maar — \'t heeft zoo moeten wezen.

Jij snapte voort; maar ik begon In stilte te overleggen.

Ik dacht meer dan ik zeggen kon En dan ik durfde zeggen.

-ocr page 307-

ons visscheksvolkje.

Maai- eensklaps was je praatjen uit,

En mijn besluit genomen.... Je wou niet, ;iou niet, stelde me uit — Maar — \'t :s er toe gekomen.

Dat zal ik van mijn leven niet,

Mijn leven niet vergeten, Hoe aardig jij dien morgen, Griet;

In \'t venster waart gezeten, \'t Is zeker van den Heer geweest,

Want \'t bracht ons niets dan zegen: En, als het opkomt in mijn geest. Dan dank ik Hem terdegen.

VII.

JOOST ATLAS.

Atlas draagt het hemeldak,

Joost zijn bundel netten,

Elk zijn zorgen, elk een pak,

Dat hem zou verpletten.

Schikte niet de goede God Ieders leden naar zijn lot,

Schouders naar de vrachten. En naar \'t kruis de krachten.

Knikt het hoofd dan, trilt de hand.

Onder \'t moeizaam dragen, Heuvel-op door \'t barste zand, In de heetste dagen;

Maakt u kracht en tijd te nut; Klaag niet, zit niet, als Piet Lut, Neder bij de pakken, —

Zuchten is verzwakken.

VIII.

MOEDERS MIDDAGSLAAPJE. De moeder van \'t gezin Slaapt bij haar vuurtjen in; Wat stervling kan het wraken? Zij heeft zoo menig nacht Aan rust noch slaap gedacht: Zij heeft zoo menig nacht met waken En zorgen doorgebracht;

Met wiegen van haar kind; Met luistren naar den wind.

27.5

-ocr page 308-

Die huis en hart deed beven;

Met bidden voor haar Geurt En Steven beurt om beurt;

Met bidden voor haar Geurt en Steven....

Haar toch van \'t hart gescheurd!

\'t Is doodstil om haar heen;

Zij bleef geheel alleen;

Een zeldzaam rustig uurtje!

Ue maaltijd is gedaan;

\'t Klein grut naar school gegaan; De maaltjjd is gedaan, en \'t vuurtje Glimt uog eens even aan.

Zij zit en slaapt zoo diep,

Als zij maar zelden sliep.

Bij \'t wiegje moegezongen;

En nogmaals droomt zij van Haar overleden man.

En nogmaals droomt zij van den jongen, Die nimmer keeren kan.

Neen! Neen! Hij keert uit zee.

Hij komt met Vader meê!

Daar zijn zij, bei te gader.

,\'t Was nat en koud aan boord,quot;

Zegt Steven, dat zij \'t hoort;

„\'t Was nat en ko«d aan boord,quot; zegt Vader ... Och arme ziel! droom voort.

IX.

LANGS MOEDERS GEAF.

(Verhaal van Krelis.)

,\'t Was de eerste thuiskomst na haar sterven; Wij haalden hem van boord.

Hij pakte en kuste ons honderd werven.

Maar sprak geen enkel woord.

Een tjid lang stond hij in gedachten En zag ons zwijgend aan;

Op eenmaal kreeg hij moed en krachten. En zeide „Laat ons gaan!quot;quot;

Het kleine Stijntje werd gedragen.

Ik bij de hand gevat;

Op eens de Kerkstraat ingeslagen,

lu plaats van \'t Achterpad,

-ocr page 309-

ONS VISSOH KRSVOLKJE.

Vei-wondring het ik niet doen blijken;

Benepen zweeg ik stil,

En had het hart niet op te kijken,

Al had ik ook den wil.

Maar toen wij langs het kerkhof togen,

Zjjn hand de mijne neep,

Zag ik hem aan met vochtige oogen,

Ten blijk dat ik \'t begreep. „„Had ik dien blik maar niet geslagen!quot;quot;

Herhaal ik duizend keer,

\'t Gelaat, dat toen mijn oogen zagen, Vergeet ik nimmermeer.quot;

X.

NETTEN BOETEN.

Die niet langer varen mag.

Kan nog netten boeten,

Maar een werklooze\' ouden dag

Wat zal dien verzoeten?

Komt het eenmaal daarop neer. Dan ontfenne zich de Heer! Die moet zitten hangen. Mag naar bed verlangen.

XL

WAAR BLIJFT HIJ?

Den ganschen nacht Gewaakt, gewacht, En niet geweken,:

Uit al haar macht In ,zee gekeken -... Eén ding gedacht!

Één ding gedacht, Den ganschen nacht. En vastgehouen:

-liet is Sint-Jan; „Wij moeten trouwen; Waar blijft hij dan?quot;

277

-ocr page 310-

ons v1sschersvolkjb.

XII.

HET ANKER ÜITGEBBACHT.

„Gij bi-ergt uw anker uit, rechtschapen varensgasten! „Gelukkig die een anker heeft!

„Een anker, dat hem niet begeeft,

rAl steken stormen op, al kraken steng en masten!

„Wat zal uw anker zijn, op d\'oceaan van \'t leven? „Uw anker, in den bangsten nood?

„Uw anker. Broeders! in den dood?

„Plechtanker, dat u rest, als de andere u begeven?

„Die Heiland moge \'t zijn, u door mijn mond verkondigd; „Onmisbre Heiland! Denkt er aan:

„Wij moeten, zonder Hem, vergaan.

„Maar Hij wil \'t Anker zijn, al is er veel gezondigd.quot;

Zoo sprak op \'tVisschersdorp een Herder lot zijn kudde; En menigeen, in later stond.

Herdacht de woorden van zijn mond;

De schoone badgast ook, die eerst haar hoofdje schudde.

XIII.

pleuxtje.

„Kom Pleuntje, ga naar huis! „Gij kunt toch hier niet blijven. „He regenbuien drijven „Een ieder naar zijn kluis. „De duisternis valt neer; „Gij hebt al zooveel uren „Vergeefs in zee staan turen; „En morgen weet gij meer.quot;

Helaas! Zij wisten \'t al; 7,ij hadden \'t reeds vernomen; Kén pink was weergekomen, Die kond gaf van \'t geval. Zij hadden \'t reeds verstaan: „Het scheepje „god zai, zorgenquot; „Is, voor ons oog, vanmorgen „Met man en muis vergaan.quot;

Maar Pleuntje stond versteend; Zij kon van \'t strand niet scheiden; Wat ook de buren zeiden,

Hoe goed en welgemeend.

278

-ocr page 311-

ONS TIS8CHERSV0LKJE.

\'t Was of zij \'t ook al wist;

Of ze aan haar hart kon voelen: „Gij zult hem aan zien spoelen, „Zien liggen in zijn kist.quot;

„Kom Pleuntje, wees nu wijs! „Wees nu verstandig, vrouwtje! „Het wordt te laat voor Woudje; „Te koud voor kleinen Ggs. „De kindrenquot; .... En meteen Ontwaakte ze uit haar droomen. En heeft hen opgenomen; En langzaam sloop zi] heen.

Men zag haar na met smart.

Dees schudde \'t hoofd bewogen; Die veegde een traan uit de oogen: Wat zee bouwt heeft een hart. „Och arme hals!quot; zei Kryn! „Och arme ziel!quot; zei Steven, „Wat zou een mensch niet geven „Dat dat niet waar mocht zijn!quot;

Haar volgden uit den drom, Om haar in \'t oog te houen, Van verre een tweetal vrouwen; Nog eenmaal keek zij om.

Toen hielden zij zich goed. En spraken luid, en keken Naar Pleuntje niet, en weken Terug op vluggen voet.

En Pleuntje raakt uit zicht.

Zij is met loome schreden Haar woning ingetreden,

En sluit de voordeur dicht.

Daar zit zij; — Gijs op schoot; Het lieve Woudje er neven; — Een standbeeld zonder leven.

Bleek als de bieeke dood.

De kindren kijken strak

En somber voor zich henen; En Woudje wou wel weenen.

Maar meest dat moeder sprak... Op eens een bittre schreeuw, Nooit dus gehoord voor dezen: „Och kindren, gij zijt weezen, „En ik een arme weeuwlquot;

279

-ocr page 312-

oss vi6schersvolkje.

Des morgens treedt al vroeg De jonge leeraar binnen, Die zachtjes wil beginnen.... Maar \'t komen was genoeg I „Och lieve Dominé!

„Tb hoef het niet te hooren____

„Ik heb mijn man verloren____

„Gedenk mij in uw beê!quot;

Bjj \'t deinzen van den nacht Was \'t lijk reeds aangekomen; Nu werd het opgenomen En Pleuntje thuisgebracht.

Maar ook een losse plank Spoelde aan, dien zelfden morgen, Daarop stond: God zal zorgkn — En dat was waar. God dank!

XIV.

toebereidselen vooe de toekomst.

Natuur en waarheid spant de kroon, Blijft altijd schoon,

Zal tijd en eeuwen tarten;

Het treft, waar \'t zich ook toonen zal, Niet élk, maar al Wat oogen heeft en harten.

De aanstaande moeder, stil verblijd, Met alle vlijt Voor \'t eerste kindje aan \'t breien, Breit Israels een schooner krans Dan kunstvertoon en kleurenglans, Die om bewondring schreien.

Voor hem de roos, de palm, het lied Dat liefde biedt,

De aandoenelijke hulde Van \'t kloppend hart, dat hij doet slaan Van \'t pinkend oog, dat met een traan Van zacht gevoel zich vulde!

-ocr page 313-

KINDERZANGEN

fAAB

ISAAC WATTS.

DE LOF VAN GOD.

Hoe heerlijk is de Heer der Heeren, In \'t groot en glansrijk hemelhof! En durft een nietig kind hem eeren, De stem verheffen tot Zijn lof?

Geen mensch op aarde kan verhalen

De grootheid van zijn majesteit;

Geen heilige in des hemels zalen Zijn macht en goedertierenheid,

Geen engel kan zijn raad doorgronden;

Maar al de duizende englen gaan Met vreugd waar God hen heeft gezonden, En heffen dankbaar \'t loflied aan.

\'k Wil met hun lof mijn tonen mengen;

De goede God versmaadt toch niet Het otfer, dat mijn jeugd kan brengen In haar gebrekkig kinderlied.

Zoo maar het hart mij heeft gedrongen Tot wat de mond heeft voortgebracht, Dan heb ik mooi genoeg gezongen, Hoe zwak van stem, hoe min van kracht.

LOF AAN DEN SCHEPPER EN ONDERHOUDER.

Ik zing dien grooten God, wiens macht

De bergen heeft gegrond.

De wjjde zee heeft voortgebracht En \'t ruime hemelrond;

Zijn wijsheid, die aan zon en maan

En sterrental bij tal Hun wetten voorschreef en hun baan. Die niemand schenden zal;

Zijn goedheid, die met milde hand Al \'t schepsel laaft en voedt.

-ocr page 314-

DANK AAN GOD VOOK ONZE VERLOSSING.

Zijn woord braobt al wat is tot stand,

En al wat is, is goed.

Uw wondren, Heer! staan overal Voor mijn verwonderd oog;

Rondom mij in dit aardsche dal,

En aan des hemels boog.

Daar is geen bloem, geen blad, geen kruid, Of \'t maakt uw eer bekend;

De stormwind roept uw grootheid uit. De macht van wie hem zendt.

Uw zorg slaat al wat ademt ga.

Ter aller uur en tijd;

Daar is geen plekje ver of na,

Daar Gij, o God, niet zijt.

Uw goedertierenheid vervult De heemlen, en deze aard,

Waarop uw goddelijk geduld

Een zondig menschdom spaart.

Uw grond is \'t, daar mijn voet op staat. Uw lucht is \'t die ik schep.

Uw wil, dat ook mijn adem gaat.

Ook ik mijn denkkracht heb.

Uw hand beschermt mij waar ik treed, Uw oog bewaakt mijn schreên:

Den God, die nimmer mij vergeet.

Zou ik vergeten? — Neen.

DANK AAN GOD VOOR ONZE VERLOSSING.

Geprezen zij de wijze macht,

Ue onpeilbre liei\'de zij geprezen,

Die aan het menschelijk geslacht Den weg der redding heeft gewezen!

\'t Verboden ooft, dat Adara at,

Doet heel zijn nakroost kwijnend sterven;

Een kind kan ook gevoelen wat

Het zegt, de gunst van God te derven.

Geloofd zij God! Hij heeft Zijn Zoon,

Zijn Eengeboren Zoon gegeven!

Die bracht ons van zijns Vaders troon Vergiffenis en eeuwig leven.

282

-ocr page 315-

BANK VOOR TIJDELIJKE EN GEESTELIJKE VOORRECHTEN.

Zijns Vaders wet, door ons zoo stout

Geschonden, eerde Hij volkomen,

Droeg onze zonden op het hout.

En doet Gods gunst ons tegenstroomen.

O Zie Hem, daar Kij \'t graf verliet,

Zie Hem ten hemel opgerezen;

Ook daar zal Hij de Zijnen niet

Vergeten, maar hun Voorspraak wezen;

Daar, aan zijns Vaders rechterhand.

Zijn Kerk vermeerdren en bewaren, Kn slaken van den slavenband Die dienaars van de zonde waren.

Van daar komt Hij ten oordeel weer;

Dan wordt in \'t graf Zijn stem vernomen: De gansche wereld ziet haar Heer; En \'t heil der heil\'gen is volkomen.

O Geve God mij, dat ook ik,

In dien ontzaglijkste\' aller stonden, Den Eeohter zien mag zonder schrik.

En bij zijn heil\'gen word bevonden.

DANK VOOR TIJDELIJKE EN GEESTELIJKE VOORRECHTEN.

Wanneer ik wandel langs den weg.

Wat tal van armen kom ik tegen!

Zoodat ik dikwijls dankbaar zeg:

„Hoe veel heb ik van God verkregen.quot;

Ik, die niet beter ben dan zij.

Die met gebedeld brood zich voeden,

Ken overvloed en lekkernij.

En heb van honger geen vermoeden.

Hoe menig gaat halfnaakt daar heen, In haavloozu en gescheurde kleeren:

Ik steek in \'t pak van top tot teen,

Kn wind noch weder kan mij deren.

Hoe menig, die des daags niet weet

Waar hij zich \'s avonds neer zal strekken;

Ik vind altijd mijn bed gereed.

En handen om mij toe te dekken.

-ocr page 316-

?84 DANK VOOR GEBOORTE ES OPVOEDING IN EEN CHRISTENLAND.

Hoe menig kind leert in zijn jeugd

Slechts vloeken, schelden, liegen, stelen; Mij leidt men op het pad der deugd,

Eu buigt mijn wil naar Gods bevelen.

Zijn, boven andren, dit voor mij

Van dag tot dag uw goedheên, Heere! O Geef dat ik U dankbaar zij.

En, boven andren, diens en eere.

DANK VOOR GEBOORTE EN OPVOEDING IN EEN CHRISTENLAND.

O God, Gij schenkt mij .juichensstof!

Mijn vroegste jeugd zij ü gewijd!

\'k Begin mijn leven met uw lof;

Hij vergt geheel een levenstijd.

Uw milde goedheid gaf mij \'t licht Op Neerlands vrijen, blijen grond;

Daar hebt ge uw\' Zoon een Kerk gesticht.

Daar wordt uw godlijk Woord verkond.

Mijn Vaderland — nooit ruilde ik dat Voor \'t weeldrigst oord, de rijkste kust!

\'t Bevat een eindloos grooter schat Dan in eens goudmijns aadren rust.

Hoe diep beklaag ik \'t arme kind.

Dat woont waar de afgodsdienst regeert,

Geen Bijbel kent, geen Heiland vindt.

En uw gebod niet kennen leert.

Hier ben ik in uw naam gedoopt.

Hier richt men naar uw Woord mijn schreên; Zoo \'k niet zoo goed word als men hoopt. Het zal mijn schuld zijn, mijne alleen.

Klaar wordt door mij de stem verstaan,

Die mjj ten weg des levens noodt,

En duidlijk wijst uw Woord mij aan Elk pad dat afbelt naar den dood.

Uw lof moet op mijn lippen zijn,

Voor zoo veel trouw, genadig God!

Welk een afschuwlijk hart is \'t mijn.

Als \'t ooit met zulke weldaan spot!

-ocr page 317-

DANK VOOK HET EVANGELIE. - VOORTUEFFKl.IJKHEID DEK U. SCHK1FT. £85

DANK VOOR HET EVANGELIE.

O God! ik maak uw goedheid groot,

En wil hier van geen toeval hooren, Dat ik uit Christlrke ouders sproot,

Geen Jood of Heiden ben geboren.

Wat ware \'t Isrels Vorsten, wat

Niet waard geweest aan zijn Profeten, Indien hun oor vernomen had

Wat Jezus Christus mij doet weten!

Hoe blij zou menig Heiden zijn,

Nu de afgoón dienende en verwilderd, Kon hij mijn Bijbel lezen, mijn

Verlosser zien voor \'t oog geschilderd.

Zend ik dien Heiland dan voorbij.

Wil ik voor Hem mijn hart niet buigen, Hoe vreeslijk zullen tegen mij De Heiden en de Jood getuigen.

VOORTREFFELIJKHEID DER HEILIGE SCHRIFT.

Mijn God, ik sla uw werken gade,

Eu zie uw heerlijkheid, waar ook mijn oog zich vest;

Maar al uw wijsheid en genade Leert mij het Boek der boeken best.

De starren sohittren tot uw eere;

Uw lof verkondigen de heemlen overal;

Maar hier wijst mij uw goede leere Hoe ik ten hemel ingaan zal.

De velden zijn bedekt met koren;

De halmen ruischen en verkonden: „God is goed:quot;

Hier rijzen oogsten uit de voren

Tot voeding van mijn diepst gemoed.

Hier zijn mijn kostelijkste schatten;

Hier is de bron van troost, van kracht, van hoop, van deugd. Och dat ik beter mocht bevatten Hoe rijk ik ben, reeds in mijn .jeugd,

Gods heilige geboden leeren Mij wie ik wezen moet en niet ben tot mijn smart; En \'t opgerichte kruis des Heeren

Spreekt van vertroosting tot mijn hart.

-ocr page 318-

PANIC AAN GOD DAT MEN LBZEN LEERT.

Dat God zijn Zoon, zijn Eengeboren, Gegeven heeft aan de aard, en mijn behoud in Hem, Dat laat mij slechts de Bijbel hooren, Dat spreekt tot mij geen andre stem.

0 Bijbelboek, n wil ik eeren;

k Wil, bij uw heilig licht, mijn pad geloovig gaan. En van den goeden God begeeren CJ altijd beter te verstaan.

DANK AAN GOD DAT MEN LEZEN LEERT.

Ik breng met hart en tong Mijn dank en prijs den Heer,

Dat ik, al ben ik nog zoo jong,

Zijn Woord reeds lezen leer.

Dat \'k uit dat Woord reeds weet. Dat in een zondig hart De bron ligt van het ware leed En eindelooze smart.

Dat \'k, door dat Woord, bevroed.

Als ik iets worden zal,

Dat mij Gods goedheid leiden moet En helpen overal.

Dat mij dat Woord vervult Met dankerkentenis Aan Jezus, die, voor mijne schuld Op \'t kruis gestorven is.

Dat ik van dag tot dag Van dezen Heiland lees.

En zie dat ik Hem naa^ren mag En volgen zonder vrees.

Genadig God, o schenk Dat ik maar meer en meer Met ernst mijn lezen overdenk.

En ook betrachten leer!

Laat mij geheel verstaan Hoe groot uw goedhgid zij,

Wat Jezus voor mij heeft gedaan,

En wat hij eischt van mij!

-ocr page 319-

DE ALLEd ZIENDE GOD. — EHNSTIGJt GEDACHTEN AAN GOD EN DEN DOOD. 287

DE ALLES ZIENDE GOD.

O God, uw aldooi\'dnngend oog Kan niemand ooit verblinden,

En waar ik mij verbergen moog,

Gij zult my altoos vinden.

Al \'t kwade metterdaad begaan.

Of met het hart bedreven,

Elk zondig woord, den mond ontgaan.

Staat in uw boek geschreven.

En eenmaal treedt gij in \'t gericht;

Gij zult niet altijd zwijgen;

Al dit verkeerde komt aan \'t licht En zal zijn loon verkrijgen;

Tenzij ik uw genade zoek,

Vergiffenis verwerve,

En gij mijn misdaan uit uw boek Wilt wisschen, eer ik sterve.

Zoo \'k mij mijn zonden waarlijk schaam.

Zoo zij me oprecht doen treuren.

En \'k tot u kom in Jezus naam.

Zal mij dit heil gebeuren.

Maar dat ik tegen \'t kwade waak

En strijde t\' allen dage.

Dat blijft altijd de groote taak,

Waarin ik nooit vertrage!

ERNSTIGE GEDACHTEN AAN GOD EN DEN DOOD.

Daar is een God en Schepper aller dingen.

Heer van \'t heelal, die mij het aanzijn gaf;

Ik vrees zijn toorn, ik smeek zijn goedheid af; En met mijn mond zal ik zijn lof bezingen.

Daar is een Wet, door Zijne hand geschreven, Die weerklank vindt in elk oprecht gemoed;

Zij is rechtvaardig, heilig goed;

Och dat ik gansch naar deze wet mocht leven!

Daar is een Blijde Boodschap vol genade,

Waar \'t schuldig hart zijn rijksten troost in vindt; O God, ook ik, ik ben een schuldig kind,

Zoo kome ook mij dat troostrijk woord te stade!

-ocr page 320-

HEMEL EN HEL. — HET VOORRECHT VAN VROEGE GODSVRUCHT.

Daar is een uur bepaald dat ik zal sterven, En niemand weet wanneer;

Hoe menig kind lei vroeg het hoofdje neer, — Gelukkig die het eeuwig leven erven!

Laat mij o God! U vroeg mijn harte schenken,

Zoo hen ik vroeg bereid.

In \'t graf is geen boetvaardigheid;

De dood beslist — O laat mij dit bedenken!

HEMEL EN HEL.

Daar is een hemel boven de aard

Voor alle oprechte vromen;

Ook \'t vrome kind, dat Jezus mint, Zal, sterft het, in dien hemel komen.

Daar is een hel, het eindlijk deel Van hen die God niet vreezen;

Daar zal, o smart! \'t onheilig hart Skeeds ongelukkig wezen.

Algoede Vader! Hoed mijn ziel!

Wil mij mijn schuld vergeven!

Geef dat ik steeds u eer en vrees, En als uw kind moog leven!

Snij me in den bloei der jeugd niet af;

Leer my mijn dagen tellen!

En wil mij, achter \'t duister graf, Uw hemel open stellen.

HET VOOERECHT VAN VROEGE GODSVRUCHT.

Gelukkig \'t kind, dat in zijn jeugd Reeds vroeg naar goeden raad wil hooren.

Dat wandelt op het pad der deugd.

En dat de godsvrucht kan bekoren.

Draag vroeg uw hart den Heiland op,

En dien hem naar uw best vermogen!

Een frissche bloem, nog in den knop, Is welgevalligst in zijn oogen.

De taak, waaraan men vroeg begint,

Wordt later niet zoo zwaar bevonden;

Die God niet dienen wil als kind.

Wordt vaak geheel verhard in zonden.

-ocr page 321-

0 EVAARLIJK UITSTEL. — VOOBBEELDEN VAN VBOEGE GODSVRUCHT. 289

\'t Bewaart voor menig diepen val,

Indien wii vroeg godsdienstig waren.

\'t Geeft laatre godsvrucht kracht, en zal Ons menig grievend leed besparen.

Och lieve Heiland, geef toch dat Ons Jiart zich eenmaal mag verblijden,

Als wij terugzien op ons pad.

Dat we u ons yansche leven wijdden!

Maak uwe weldaad aan ons groot,

Dat wij geheel ons hart u geven!

Zoo zijn wij voor den vroegsten dood Bereid en voor het langste leven.

GEVAARLIJK UITSTEL.

Wie zegt daar: ,\'t Is nog tijds genoeg Om voor uw eeuwig heil te zorgen!quot;

Verwelkt een bloem niet soms zeer vroeg ? En kan ik rekenen op morgen ?

Zoo \'k heden mijn belang niet ken, Gods roepstem in mijn hart versmade,

Wie weet hoe dof ik morgen ben, Hoe ongeschikt voor zijn genade.

Verdiende ook zulk een uitstel niet Dat hij, die nu zich nog doet hooren,

Mij aan mijzelven overliet

En sprak: „gij wilt het; ga verloren!\'\'

Noen, lieve God! van uw geduld

Wil ik geen schandlijk misbruik maken;

O houd mij van uw woord vervuld, En leer mij bidden, doe mij waken.

VOORBEELDEN VAN VROEGE GODSVRUCHT. Voorbeelden weat ik wel genoeg

In ]t heilig Bijbelboek te vindon Van jonge kindren, die reeds vroeg Don dienst van God beminden.

Mijn Heiland, op dit oogenblik

De hemelen en de aard regeerend. Was eens een kind zoo jong als ik,

Zijns Vaders wetten eerend. ni. ,

-ocr page 322-

TEGEN HET LIEGEN.

Hoe lief een beeld stelt ons zijn jeugd Voor oogen in de Heiige Blaren!

Gods Huis, Gods Woord — ziedaar zijn vreugd En lust, op twalef jaren.

Uit blijde kindermonden steeg

\'t Hozanna, dat den Christus loofde,

Waar Schriftgeleerde en Priester zweeg, Of hem zijn eer ontroofde.

Als Samuel gespeend werd, bracht

Zijn moeder Hem in \'t Huis des Heeren;

Timotheüs had vroeg getracht De Heiige Schrift te leeren.

Waarom dan uitgesteld door mij.

Wat c! \'zen zoo vroegtijdig deden\'?

Daar niet weer een dag voorbij Of \'k ben ben nagetreden!

TEGEN HET LIEGEN.

O hoe gelukkig is het kind.

Dat siddert voor de minste logen, Dat wij geheel vertrouwen mogen, Daar \'t met zijn hart de waarheid mint.

Een leugenaar wordt niet geloofd. Al zon, hij eens de waarheid spreken; „Die leugens zoekt voor zijn gebrekenquot; Laadt dubble schuld op \'t schuldig hoofd.

Hoe God de leugen straft en haat Behoeft hij waarlijk niet te vragen. Die ooit zijn oogen heeft geslagen In wat zijn Woord ons lezen laat.

Gedenk luie Ananias stierf,

Saf\'fira d\' adem voelde ontglippen. Een leugen op de valsche lippen. Die hen naar ziel en lijf verdierf.

De oprechte wordt door God geleid; Hij zal hem zeegnen en bewaren; Maar \'t deel van al de leugenaren Is eeuwige rampzaligheid.

-ocr page 323-

LIEFDE TUSSCUBN BROEKS EN ZUSIERS.

291

tegen twisten en vechten. —

0 God! beware ik dan mijn mond! U kan ik nimmermeer bedriegen, Gij hoort het, ook als kindren liegen En ziet hen tot cp \'s harten grond.

TEGEN TWISTEN EN VECHTEN.

Krabbe het katjen, en bijte de hond;

God gaf hun klauw en gewapenden mond. Woede de tijger, verscheure de beer:

\'t Is hun natuur, en tot schande noch eer.

Gij, lieve kindren! weest anders gezind.

Krabben en bijten behoort bij geen kind.

Vinger en mond heeft wat beters te doen;

Komt, geeft elkandren de hand en een zoen!

Weest voor elkander toegevend en goed;

Past op do driften van \'t levendig bloed; Als boosheid of wraakzucht ontwaakt in uw geest. Denkt: „Welk een kind is mijn Heiland geweest ï\'quot;

Zeker goedhartig en vriendlijk en zacht.

Dies, als hij toenam in wasdom en kracht,

\'ot! —

Thans, in don hemel verhoogd en verklaard. Laat hij zijn oogen nog gaan over de aard. En, waar hij kindren in liefde ziet leven. Laat hij niet na hun zijn zegen te geven.

LIEFDE TUSSOHEN BROERS EN ZUSTERS.

Op straat zij twist en luid rumoer,

In huis moet liefde en vrede blijven;

Geen boos geschil mag tusschen broer En zuster dien verdrijven.

De muschjes schikken zich in \'t nest,

En \'t is een droef tooneel, waar kinderen

Van \'t zelfde huis zich niet te best Verdragen en elkander hinderen.

Eerst scheldwoord, schimptaal, dreigement, Gebrom dat de ooren slechts kan kwetsen;

Maar straks de vuisten, en in \'t end De stokken en getrokken messen.

-ocr page 324-

292 TEGEN SMALEN EN SCHELDEN. — TEGEN VLOEKEN, ZWEREN ENZ.

De Booze tergt tot arren moed

De zonen van een zelfde moeder,

En Kaïn rust niet eer hij \'t bloed Geplengd heeft van zijn lieven broeder.

Vergeef ons, God! krakeel en strijd.

En wil de bron der boosheid stoppen,

Opdat, in later levenstijd.

Ons hart van liefde slechts moog kloppen!

TEGEN SMALEN EN SCHELDEN.

God gaf den mensch de tong en spraak, Om tot Zijne eer die aan te wenden.

En niet om, uit een booze wraak.

Eens broeders eer of rust te schenden.

Niet om met bittren schimp of smaad Of spotternij hem te bejegenen.

Maar om met troost en goeden raad En vriendlijkheden hem te zegenen.

Die tot zijn broeder zegt: „Gij dwaas!quot;

\'k Heb dit van Jezus zelv\' ontvangen)

Verdient ter vreeselijkste plaats.

Zijn vonnis en zijn straf te erlangen.

En hij die met het heiige spot,

Met vrome liên den draak durft steken.

Moet weten dat jen heilig God,

Zoo stout oen snoodheid fel zal wreken.

Hoe is \'t dien kinderen vergaan.

Die oude\' Eliza .kaalkop!quot; scholden?

Een berenpaar viel op hen aan;

Zij hebben quot;t met hun bloed vergolden.

„Zet, Heer! een wacht voor mijne lippen; „Behoed de deuren van mijn mond,

„Opdat ik mij te geener stond

„Iets onbedachtzaams late ontglippen!quot;

TEGEN VLOEKEN, ZWEREN EN MISBRUIK VAN GODS NAAM.

Uw naam zoo heilig en verheven

Aanbidden de englen. Hemelheer!

De booze geesten doet hij beven,

Rn heel de schepping geeft hem eer.

-ocr page 325-

TICOEN LEDIGHEID EN MOEDWIL. —

293

TEGEN SLECHT GEZELSCHAP.

En zal een mensch, een kind het wagen

Dien naam te ontheilgen snood en stout, En naar uw felle wvaak niet vragen. Of meenen dat gij doof zijii zoudt?

Afschuwlijk zweren, schriklijk vloeken:

Hoe durft hij, die zich dat vermeet.

Ooit in \'t gebed uw aanzicht zoeken, En hopen u tot hulp gereed?

Met welk gelaat, met welk een harte, Zal hij, van troost en hoop beroofd, Het onheil, dat hij roekloos tartte,

Zien komen op zijn schuldig hoofd?

Maar ook al had hij niets te vreezen.

Al werd zijn gruwlijk kwaad verschoond. Een vloeker zal mijn vriend niet wezen, Ih kan niet dulden wie U hoont!

TEGEN LEDIGHEID EN MOEDWIL.

Het werkzaam bijtje vreet heel goed Elk zonnig uurtjen uit te koopen.

En zamelt was en honigzoet Uit wat voor bloempje zich maar open\'.

Met oordeel vormt het cel bij cel.

En bouwt ze aaneen op nette wijze,

En rust niet voor zij allen wel Voorzien zijn van de winterspijze.

Aan deeglijke\' arbeid, naar mijn staat, Verlang ook ik mijn tjjd te schenken;

Steeds weet do Booze kwaad op kwaad Voor leêge handen te bedenken.

\'kWil tusschen nuttige oefening En sterkend spel mijn jeugd verdeelen.

Verveling is een leelük ding,

En kan slechts leed en wroeging telen.

TEGEN SLECHT GEZELSCHAP. Neen, ik wil mijn vreugd niet zoeken,

Waar mijn hart niet vreedzaam slaat, Waar ik spotten, zweren, vloeken Hooren moet of vuilen praat.

-ocr page 326-

THGEN UOOVAARDIJ OP KLEEDING.

Slecht gezelschap wil ik schuwen;

\'t Maakt de besten zelfs verkeerd; Wat een zedig hart doet gruwen Wordt daar spoedig aangeleerd.

Eerst een kijkje, dan een lachje,

Straks een woordje meêgezeid — En men is welhaast liet hachje, Dat eon\' ander ook verleidt.

Ziekten mijdt men die besmetten;

Daar is niemand op gesteld:

En ik zou mij niet verzetten,

Waar \'t mijn zielsgezondheid geldt?

TEGEN HÜOVAARDIJ OP KLEEDING.

Wat dwaasheid is het trotsch te zijn Op mooie kleedren, rijk en fijn!

Ot\' hielp niet, zoo als ieder weet,

Ons de eerste zonde aan teerste kleed?

Ach, bij dat eerste kleedingstuk,

Was \'t uit met onschuld, eer, geluk! Gekleede menschen, schaamt u dan, En maakt er toch geen ophef van!

O Zeker, zeker, \'t staat recht mooi, Dit nieuw gewaad, dees kostbre tooi! Maar \'t schaapjen en de zijworm stak Lang vóór mij in ditzelfde pak.

Een tulp, een vliegend ongediert\' Is prachtiger dan ik gesierd;

De stof zij rijk, de snede schoon: Een bloem, een vlinder spant de kroon,

\'tWaar best dan, zoo mijn keuze viel Op \'t sieraad van een reine ziel;

Deugd, wijsheid, waarheid, ootmoed zij Mijn onverslijtbare eerkleedij.

Dan heeft de vergelijking uit Met wat er pronkt bij dier of kruid; Dan draag ik \'t kleed der Englen Gods; Gods Zoon op aard droeg ook dien dos.

Dit kleed veroudert noch verschiet, Het vreest de mot, den regen niet.

294

-ocr page 327-

OBHOOnzAAMIIEID AAN DE OUDERS. — KINDEKKLACHT.

Het plekt, scheurt, slijt niet vroeg of laat, Hoe meer men \'t draagt, hoe mooier \'t staat.

Welaan! dit zij mijn kleed op aard,

Uit zij mijn reiskleed hemehraart!

Als ik daarmee voo^- God verschijn,

\'t Zal, als zijn werk. hem welkom zijn.

GEHOORZAAMHEID AAN DE OUDERS,

\'t Kind, dat godvruchtig wezen wil En gaan op \'t pad der deugd,

Zwijge, als zijn ouders spreken, stil, En doe hun wil met vreugd.

Vernaamt gij niet wat straf hem wacht Van een rechtvaardig God,

Die \'t vaderlijk gebod veracht.

Zijn moeders raad bespot?

Wat schuld zijn misdaad in zich sluit? Wat vloek hem volgen 7noet?

„De rave pikk\' hem de oogen uit, „En de arend zwelg zijn bloed!quot;

Maar \'t kind, dat God en Gods gebod In de ouders eert, verbeidt

Op aard een rijk gezegend lot.

Nog meer in de eeuwigheid.

KINDERKLAGHT.

Hoe ben ik toch op mijn vermaak En spel zoo nauw gezet.

Maar achtloos in de beste zaak En traag in mijn gebed?

Wat baat mij, loshoofd die ik ben. Den wil van God te zien.

Als ik hem daaglijks beter ken, En daaglijks slechter dien?

Ach, veel te weinig\' is mijn hart Van u, o God! vervuld;

Vergeef mij wat mij dikwjjls smart, O God! vergeef mijn schuld!

Doordring mij van uw Geest en Woord, En schonk me in \'t bidden lust!

-ocr page 328-

EEN MORGENLIED. — AVONDLIED.

Dat gij \'t gebed eens kinds verhoort, Daar ben ik op gerust.

EEN MORGENLIED.

De zon rijst op te juister tijd,

Wie zag dat immer falen\'?

Begint baar loop met kraobt en vlijt En zendt alom baar stralen.

Zij talmt niet, boudt zicb op baar baan

Niet op, als trage luiden;

Maar streeft steeds door, recbt toe, recht ■. Van \'t oost naar \'t west, door \'t zuiden.

O Groote Schepper van de zon!

Laat mij haar volgen mogen;

Laat me in de taak, die \'k vroeg begon. Volharden voor uw oogen.

Laat me ook dees dag met vlijt en kracht

Mijn werk doen, zonder tragen!

Er volgt altijd een goede nacht Op welbestede dagen.

AVONDLIED.

De dag is neergezonken.

Ik zing mijns Scheppers lof; Hij heeft mij nieuwe stof Tot lof en dank geschonken.

Ach, had mijn jeugdig leven, Mijn hart, zoo licht verleid, Tot ontevredenheid Geen nieuwe stof gegeven!

Vergeef mij, goede Vader!

De zonden van mijn jeugd, En breng mij toch der deugd En ware godsvrucht nader!

Ik leg mjj biddend neder,

Denk aan uw liefde, o Heer: En als ik morgen weer Ontwaak, vind ik haar weder.

-ocr page 329-

ZONDAGMORGEN. — ZONDAGAVOND.

ZONDAGMORGEN.

Dit is de dag, wiens morgenstond Den Heiland zag uit \'t graf verrezen;

Wat schande, zoo hij mij bevond Een lui en slaaprig kind te wezen!

Het christenvolk komt overal Bijeen tot danken en aanbidden.

En ik, hoe jong ik zijn moog, zal Een plaatsje vinden in hun midden.

Dat zich mijn hart aan \'t hunne paar! En, wordt Gods Heilig Woord gelezen

En voorgehouden, laat mij daar Aandachtig en eerbiedig wezen!

De Zondag zij me een heiige dag. De liefste dag van al de zeven;

Wel mij, zoo hij mij leeren mag Om eiken dag voor God te leven!

ZONDAGAVOND.

De lieve Zondag is voorbij;

Wat heeft hij zoets geschonken!

Ik ging ter kerk, waar rij aan rij In aandacht zat verzonken.

Waar alles zong met ééne stem. En zich vereende in \'t bidden

Om troost, om hulp, om kracht van Hem Die ook was in ons midden.

Daar hoorde ik door een achtbaar man Het Woord van God ontvouwen;

Schoon \'k alles niet begrijpen kan, Ik heb toch veel onthouen.

Daar kwam men van mijn kleinen schat Mij iets voor de armen vragen;

Indien ik meer bezeten had,

\'k Had milder bijgedragen.

De gansche week heeft vader \'t druk; Wij zien hem slechts bij tijden;

Den heelen Zondag — o geluk! — Kan hij aan ons zich wijden.

-ocr page 330-

DE LUIAARD. — ONSCHULDIG SPEL.

Hij leest ons voor, segt op, vertelt,

Weet thuis ons te onderhoucn, Of doet ons, in het open veld, De wondren Gods aanschouwen.

Da lieve moeder is er bij,

En kijkt met vroolijke oogen. En al de kindren zien zoo blij En g-lunder als zij mogen.

Zoo ging ook nu de dag weer om,

Dien wij van God verkregen, Begonnen in zijn heiligdom. Begunstigd met zijn zogen.

DE LUIAARD.

Hoor de stem van den luiaard: „Gij wekt mij te vroeg,quot; Zoo kreunt hij, zoo steunt hij: „Ik sliep niet genoeg!quot; Als de deur op haar hengsels, zoo wentelt en keert Zich de luiaard op \'t bed, dat zijn krachten verteert.

„Nog even gedommeld! Nog even gedut!quot;

Zoo verslijt hij de helft zijner dagen onnut;

En is hij ten laatste overeind en op \'t pad.

Hij slentert daarhenen en beuzelt zoo wat.

\'k Zag den hof van den luiaard: \'t was distel en doren En melle en brandnetel van achtren tot voren;

Al zijn goed is verwaarloosd, zijn boeltje bederft,

Zijn bezitting teert in, tot hij bedelt of sterft.

\'k Ging den luiaard bezoeken. „Aan hart en verstand,quot; Zoo dacht ik, „voor \'t minst houdt hij nbg wel de hand;quot; Maar hjj sprak mij van niets dan van schaffen en schenken; Zijn Bjjbel blijft dicht, en hij houdt niet van denken.

En ik sprak tot mijzelven; „Waardeer deze les!

Van wat gij kondet zijn, is die mensch u een schets.

Maar dank zij aan hen, die kun plicht beter kenden. En vroeg u aan werken en lezen gewenden!quot;

ONSCHULDIG SPEL.

Zie op de bruine heide

de lamm\'ren jong en klein Vast hupp\'len om de moeders

met vachtjes zacht en rein;

298

-ocr page 331-

DB ROOS.

Zie in het zonneschijntje,

bij d\' openstaanden stal, De jonge duifjes spelen,

de duifjes zonder gal.

Indien wij eendjes waren,

wij slobberden in \'t slijlr, Of hondekens, wij keften

en beten vinniglijk;

Maar nu heet gij Wilmientjen, __

en Willem is mijn naam. Nu spelen wij als duiven

en lammeren te zaam.

Nu willen wij elkander

niet plagen bij ons spel; Nu zeggen wij aan alle

geniepigheid vaarwel; Want schoon het met die grappen

zoo boos niet zij bedoeld, Wat grap is voor die \'t aandoet.

is ernst voor die het voelt.

DE ROOS.

Hoe schoon is de roos! Op het kleed der natuur Een sieraad, daar zij wel op mag bogen!

Maar de kleur van haar blaadren verbleekt in een uur, Zij verwelkt in een dag voor uwe oogen.

Doch één eigenschap heeft zij, een deugd, en zij wordt Boven andren er luid om geprezen;

Als haar kleur gansch verbleekt is, haar bloemkroon verdord. Blijft haar geur nog zoo zoet als voordezen.

Even broos als de rozen zijn jonkheid en schoon, Hoe zorgvuldig wij beiden ook kweeken ;

Haast verschieten de blosjes op voorhoofd en koon Onze frischheid en glans zijn geweken.

Dat mijn hart dan niet trotsch zij op schoonheid of jeugd. Die ik eenmaal en schielijk zal derven,

Maar verwerve ik me een naam door mijn godsvrucht en deugd. Die nog riekt als een roos, na mijn sterven.

299

-ocr page 332-

STELEN. — DE MIER.

STELEN.

Zou \'k mijn naasten ooit berooven Van wat God hem schonk en liet?

\'k Heb mijn handen om te sloven, Maar tot roof en plundring niet.

Hij bedriegt zichzelf terdegen,

Die er winst of heil van wacht;

Wat oneerlijk is verkregen Heeft nooit iets dan leed gebracht.

Eva reeds kan me onderwijzen Hoe gestolen vrucht gedijt;

Doorn en distel zag zij rijzen,

Maar haar Eden was zij kwijt.

\'t Appeltje van buurmans boomen, \'t Eitje uit buurmans hoenderkot:

Daar is vaak mee aangekomen. Wat een eind nam op \'t schavot.

Dieverij blijft nooit verholen.

Schoon men \'t hope en zich beduid\';

God aanschouwt haar, boe verscholen. En brengt eens de misdaad uit.

Lieve God, uw kind zij eerlijk.

Niet begeerlijk.

Maar tevreden met zijn deel.

Zij het weinig, zij het veel!

Geef maar dat ik Uw beschikking-In mijns naasten deel erken;

\'k Zal dan nimmer van mijn leven

Nemen wat niet wordt gegeven.

Houden wat ik schuldig ben.

DE MIER.

Hoe klein zijn de mieren, die nietige dieren. Die, zonder ontfermen

of deernis, bij zwermen De voet van een wandlaar vertreedt; Maar deden we als wijzen,

we zouden ze prijzen.

Haar achten en eeren

en veel van haar leeren, Dat menig te dikwijls vergeet.

300

-ocr page 333-

GOEDE VOOHNEMEKS.

Zij slijten den tijd

Met geen slapen of spelen,

vervelen, krakeelen,

Maar werken met orde en met vlijt.

Zij -werken en zwoegen,

mer, blijkbaar genoegen,

Zij draven en dragen,

in \'t heetste der dagen,

En zorgen, hoe fel haar de middagzon steekt,

Dat \'s winters geen graan in haar schuren ontbreekt.

Hoeveel dwazer blijk ik dan een mier op de proef, Wanneer ik geen werk maak van wat ik behoef,

Geen raad schaf voor komenden nood!

Op eens ben ik oud, overvalt mij de dood, — En verspilde ik met beuzien het best van mijn dagen. Ik zal mij te laat van die dwaasheid beklagen. _

Neen thans, in den bloei van mijn jeugd en mijn kracht. Zaamle ik op wat mij dient als een ziekbed mij wacht,

Als de dagen van onlust genaken.

Wat mijn hand vindt te doen zij met ijver volbracht, En de zegen des hemels ootmoedig verwacht Op mijn bidden en werken en waken.

GOEDE VOORNEMENS:

Ik ben nu nog jong en teer.

Weet niet hoe mij God zal leiden,

Daarom wil ik meer en meer Mij op alles voorbereiden.

Worde ik immer rijk of groot,

Ik wil andrer lot verzachten,

d\' Armen deelen van mijn brood,

En geen Mindren ooit verachten.

Waar men hulploos is of zwak,

Wil ik troost en bijstand geven.

En niet slechts; voor mijn gemak.

Maar tot nut van velen leven.

Als ik schimp of smaad ontmoet,

\'k Zal met schimp noch smaad betalen;

Zacht geduld is wel zoo goed;

Mocht het mij daar nooit aan falen!

Hoor ik leugens, zottepraat.

Vloeken, zweren, dergelijken,

\'k Zal, als geen vermaning baat.

Zulk gezelschap snel ontwijken.

301

-ocr page 334-

ZOMtRAVOND.

Blijft mijn staat gering en klein,

\'k Wil door stille plichtbetrachting,

Zedig, needrig, eerlijk, rein,

Aanspraak maken op elks achting.

Valt mij krankte of armoê toe,

\'k Hoop men zal zich dan ontfermen,

Kven als ik, blij te moê,

Kranken hielp en gaf aan de armen.

\'k Doe met opzet niemand leed;

\'k Wil ook niet te licht gekwetst zijn;

\'t Kwaad, daar ik geen raad voor weet. Stil te dragen zal het best zijn.

\'k Zorg maar dat ik meer en meer Slecht humeur en driften doode,

En al wat verkeerd is weer,

Zij \'t ook overal de mode.

Kwade mode voert ter hel.

\'k Wil haar speelbal nimmer wezen.

Hij alleen leeft waarlijk wel,

i)ie den dood niet hoeft te vreezen.

ZOMERAVOND.

Hoe schoon was de dag, hoe verrukk\'lijk de zon! Zij schitterde en straalde zoo vroolijk zij kon,

Ofschoon zij in neevlen haar loopbaan begon,

En de ochtend voor regen deed vreezen;

Maar nu, aan het einde der dagreis, verdooft Deze heerlijke gloed om haar luisterrijk hoofd Nog al haren vroegeren glans, en belooft Dat zij morgen nog schooner zal wezen.

Zoo gaat het den vrome. Zijn loopbaan vange aan. Als de zon in een nevel, met menigen traan.

Die berouw en bekommering schreiden;

Maar daarna blinkt zijn voorhoofd van \'t lieflijkste licht Mot een glans van genoegen op \'t vroolijk gezicht, Vervolgt hij zijn weg en volbrengt hij zijn plicht. Nog het schoonst en het lieflijkst bij \'t scheiden. Als een zon gaat hij onder, aan zomerschen trans. Die ons spreekt van herrijzen in heerlijker glans.

302

-ocr page 335-

WELKOMSTGROET

AAN DK LEDEN

VAN HET PROVINCIAAL UTUECHTSCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN

IN HUNNE

ALGEMEENE VERGADERING.

Het lid des Bestuurs van bot Provinciaal Utrecbtsoh Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, aan hetwelk de eer te beurt valt de eenmaal \'sjaars te houden Algemeene Vergadering als Voorzitter te mogen leiden, ziet zich daarbij de taak beschoren, de vergadering met eene redevoering te openen, waarbij de opzettelijke behandeling van een of\' ander wetenschappelijk onderwerp aan de eerbiedige herdenking der in den loop des jaars ontvallene leden en aan de noodige vermelding der verdere lotgevallen des Genootschaps, gedurende dat tijdsbestek, voorafgaat. Dit was met mij het geval, den 26stfm Juni van het jaar 18G7.

Op dienzelf\'den dag, zou door de Studenten der Utrechtsche Hooge-school het 46ste lustrum van haar bestaan, met het houden van een gecostumeerden optocht, gevierd worden, een feest dat het vorige jaar had moeten plaats hebben, maar wegens de, vooral in de academie-stad, sterk heerschende cholera was uitgesteld. Dit samen-trefl\'en en de gewichtige tijdsomstamligheden van het vorige jaar (dat regenjaar!), toen de oorlog in Duitschland gevoerd en de ongehoorde voorspoed van het Pruisische naaldgeweer, aan velen hadden toegeschenen tot een algemeenen oorlog aanleiding te zullen geven, waarvan Nederland, door de „Luxemburgsche questiequot;, in de eerste plaats, een onvermijdelijk slachtoffer zou zijn, schenen mij vrijheid te geven, eenigszins van den gewonen vorm af te wijken, en mijne medeleden, in plaats van hunne aandacht voor eene verhandeling in proza te vergen, met een Welkomstgroet in verzen te ontvangen, welke eerst op dringend verzoek afzonderlijk nitgegeven, daarna in het jaarverslag des genootschaps opgenomen, ook hier volledigheidshalve niet achterwege blijft. Dat de gecostumeerde optocht met zijn dichterlijk historisch onderwerp: de Intocht van Maximiliaan rem Oostenrijk en Maria van Bonrc/ondïê, in het jaar hunner echtverbintenis, 1477, in dezen Welkoinstf/roet een belangrijke plaats besloeg, was in den bezingor der Leidsche Maskerade van 1835 te begrijpen en te vergeven.

-ocr page 336-

WELKOMSTGROET.

Zijt mij gegroet, gij Vaderlandsche Mannen, Die wetenschap en kunst uw gaven wijdt.

Op elk gebied de neevlen wensoht te bannen,

Die fakkels op den weg der waarheid zijt,

Apollo\'s boog zoo krachtig weet te spannen.

En wederom te ontspannen op zijn tijd!

Uit eiken oord van \'t Nederlandsch geweste,

Zijt mij gegroet in Utrechts oude veste!

De zomer stort zijn vollen horen uit,

Waar „Rijn en Vecht langs boomgaard en priëelen, ^ En heerensloten vloeit.quot; \') Een geurig kruid, Een blij gebloemt lacht vriendlijk op zijn stelen.

De zegen, dien de korenaar besluit,

Buigt in den halm, waarmee de windjes spelen. De tortel vliegt van d\'een tot d\'andren boom; En de uier van de koeien zwelt van room.

Wat baatte \'t, zoo een vijand ons belaagde, ^ Een nabuur, tuk op roof. de grenzen schond, Een hongerig soldaat de boeren plaagde,

Zijn stampend ros in \'t rijpend graanveld zond.

Zijn sabel door den hals van \'t zuiglam jaagde?.,,.

Maar neen! de lieve vrede lacht in \'t rond. En Tityr, in zijn beukenschaüw gelegen,

Zingt: „Melibé! God schonk ons dezen zegen!quot;

Hoe anders was die zomer, die verdween,

Neen, wegspoelde in een reeks van regenvlagen!

De wraakfiool der strenge goden schoen Zich uit te storten in een vloed van plagen.

Dood _eu verderf spookte aaklig om ons heen.

\'t Was jammer en ellende wat wij zagen. En vorstentwist en krijgsrumoer en moord En doodslag wat door de ooren werd gehoord.

Rampzalig jaar, dat nog ons \'t hart doet bloeden! — Heel Duitschland stond in vlammen; als in de eeuw Toen Wallenstein\'s en Tilly\'s legers woedden,

Grustaaf Adolf hervoorttrad uit zijn sneeuw Om Maagdenburg door Leipzig te vergoeden.

En omging, brulde, en sneuvelde als een leeuw,

Of in dien later tijd, toen hij regeerde,

Die molens spaarde en landen annexeerde

Zie Vondel, op de Afbeelding van Utrecht doör Zachtlkven.

3) Üe Meunier de Sans-Souci Is (dank zij Let talent van Andrieux) zoo bekend als Frederik de Groote zelf.

304

-ocr page 337-

WELKOMSTQROBT. 305

Een broeder\'knjg van \'t Noorden tegen \'t Zuid,

Niet in de nieuwe wereld \'), maar in de oude,

Niet oud genoeg om wijs te zijn, hoe luid De ervaring haar heur lessen ook ontvouwde,

^ En hoeveel jatmnren dit rampzalig kruit En lood haar sinds zijn helsohe vinding brouwde! Goddank! schoon vreeslijk, A,\'orlt; slechts stroomde\'t bloed; De naaldlont doet haar gruwzaam werk met spoed.

Toch vroegen zich de volkren af met vreezen:

„Zal \'t wapenstilstand zijn of waarlijk vree?quot; Nog oorlogzwanger scheen het zwerk te wezen,

Schoon licht van beter hoop het splijten deê.

Schoon op het veld van Mars de bogen rezen Eens Vredetempels2), \'t werd mistrouwd; nieuw wee Aan de aard voorspeld, zoo ras de lente keerde,

Daar Pruisen meer, en Frankrjjk wraak begeerde,

„Klein Nederland! wat zal uw noodlot zijn?

Begeerbre prooi voor een der Adelaren,

Eikanderen ter weerzij van den Rijn Met de oogen reeds verslindende. Laat varen

Den roem van uw zelfscandigheid, uw schijn Van weerbaarheid! Zoo snel kunt gij de baren Der zee niet dagen over beemd en veld.

Of overmacht heeft u de wet gesteld.quot;

Zoo sprak de vrees; zoo kreeg zij moed te spreken.

Als Luxemburg het ooft van Eris scheen.

De harten der kleinmoedigen bezweken;

Maar Neerlands fiere jonglingschap sprak: „Neen! Wij staan gereed ons recht, en de eer te wreken

Op ieder die ons aanrandt, een voor een!quot;

Het Sticht ging voor; maar aller hart ontbrandde.

En als een vuur liep \'t wachtwoord door den lande.

Aan dezen trek herkent een kloek geslacht Zijn nakroost, en de dappre man zijn zonen.

Een traan verschijnt in \'t moederoog, maar \'t lacht De helden toe, en schaamt zich zorg te toonen.

\'t Jaar Dertien en quot;t jaar Dertig wordt herdacht; Straks reiken hun de teedersten der schoonen Het vaandel toe, gewrocht door eigen hand — 3) O Scherpe spoorslag! heilig onderpand!

\') Als van 1861 tot 1865.

-) Het gebouw der Algemeene Tentoonstelling te Parijs.

Te Utrecht den 2 April 1867, aan het Weerbaarheids-Corps door de Studenten gevormd.

HL 20

-ocr page 338-

306 WELKOMSTGKOET.

Maar hij, die \'t hart van koningen en heeren,

Naar Zijnen wil, als waterbeken leidt.

Deed hun den vree, niets dan den vreê, begeeren,

En laat ons onze rust en veiligheid.

— Neen! vraagt niet voor hoe lang! Laat God regeeren!

Smaakt dankbaar \'t goede, u door zijn hand bereid! Weest wijs, en laat geen zorg uw vreugd verwoesten, Maar ook het zwaard, schoon \'t rusten mag, niet roesten.

Hoe rustig praalt, in vollen hoogtijdsdos.

Ons Utrecht, om het feest dier School te vieren.

Die haar groot sieraad uitmaakt en haar trots! De klokken luien en de vlaggen zwieren;

Zij plunderde den rozengaard en \'t bosch.

Om straat en gracht op \'t luisterrijkst te sieren; En vroolijk geeft in haar een kloeke .jeugd Zich over aan haar uitgestelde vreugd.

Weest jong met haar en deelt in haar genoegen,

Gij mannen, die der wijsheid tabberd plooit!

Zich naar den toon der gulle vreugd te voegen, Misduidde zij in hare priesters nooit.

Waar zorg en vlijt de diepste rimpels ploegen Op \'t voorhoofd en de tijd zijn zilver strooit.

Misstaat geen zachte glimlach, die goedaardig Haar spelen toejuicht, maar is harer waardig.

Gij zult Maximiljaan — d\' Aartshertog niet,

Wien m\' opdrong om eens keizers rol te spelen.

En aan zichzelv\' laaghartig ovexliet Om straks in Iturbide\'s lot te deelen;1)

Maar dien, die op ons Nederlandsch gebied Veel eers genoot, veel leeds vond, veel krakeelen Te slechten had, doch stierf in vollen vreê.

En toen voor \'t eerst zijn volken schreien deê 2);

Dien Hertog, eerlang Graat van Holland, Koning,

Straks Keizer van het Heiige Roomsche Kijk, Die Amsterdam, haar diensten ter belooning.

De kroon, die op haar wapen staat te prijk,

Geschonken heeft; dien zult ge in schijnvertooning

Aanschouwen, daar dat Brugge plechtiglijk Hem inhaalt, dat hem nu wel hoog zal eeren,

Maar later bij een kruidenier logeeren

!) Maximiliaan van Oostenrijk. Metterdaad vernam men, kort na het uitspreken dezer regelen, dat ook deze kortstondige Keizer van Mexico, in deze zelfde maand, op het vonnis van eeu krijgsraad was doodgeschoten.

-) Sola jnoTte suis gravis. Scriverius.

3) Nog wyst men het winkelhuisje, op den hoek van de markt, waar zij hem in de beroeringen van Hts gevangen zetten.

-ocr page 339-

WELKOMSTGKOET.

Des Stouten schoone dochter, hoog begeei-cl Door velen, en beloofd aan meer dan eenen.

Heeft met haar keuze en liefde hem vereerd;

Dies is er vreugde in \'I. teizerlijke Weenen

En gramschap aan de Seine, die haast leert Haar trots te buigen, «Is, in \'t veld verschenen,

Deze arm de heerschiiucht straft, die voor een kind Zoo dier een hand begeerd had en bezind.\')

Hoe lieflijk is de Roos weer opgeloken.

Door zoo veel leeds, door zoo veel zorgs gedrukt,

Door wreede hand haast van haar steel gebroken,

En voor de borst eens woesfaards afgeplukt!

God heeft voor \'t minst het dierbaarst recht gewroken

Der Weeze van Bourgondië! Mislukt Is \'t echtplan, daar geheel haar hart voor beefde, Als Gelre \'t hoofd voor Doornik stiet en sneefde. -)

Hij is haar beter waard, dees jonge Vorst,s)

Schoon, welgemaakt, welsprekend, edelaardig.

Met ridderlijke deugden in de borst,

Door min voor \'t schoone en reine zeên lofwaardig.

Niet blakend van een ijdlen gloriedorst.

Maar, trouw en goed, voor \'t recht en de eer strijdvaardig; Dies heeft zij \'t eens haar afgedrongen pand Blijmoedig ingewisseld voor haar hand. 1)

Aanschouw haar in haar schoonheid; aangebeden Van dien gemaal; dat schittrend oog, dien blos Van liefde en jeugd, waarmee zij hem haar steden

En staten toont en rondvoert, blijde en trotsch! Wat kloekheid bij zoo veel bevalligheden!

Hoe moedig stiert en tergt zij \'t vurig ros. En schroomt niet. waar het schrikt van drukte en leven... — Pas op, Vorstin! een paard zal u doen sneven!2)

Ach! kort slechts duurt de huwlijksvreugde; lang,

Lang zal de rouw des trouwen echtvriends duren.

Wat is \'t geluk? Helaas! Een overgang.

307

1

) Den diamant, dien zy vroeger, op last haars vaders, aan Maximiliaan gezonden had.

2

) Binnen vyf jaar (Maart 1482), te Brugge, in welks omtrek zy, op de jacht zjjnde, achterover van \'t paard viel en aan de gevolgen overleed.

-ocr page 340-

WKLKOMSTGKOET.

De blijdste bloómen bloeien weinige uren.

Het slot van \'t vreugdelied is treurgezang.

Wel hem, die wijsheid uit verdriet kan puren!

Die taak is de uwe, o Vorst! Waardeer uw ga! Al uw geluk stort in haar graf haar na \').

Hoe vroolijk zweven thans haar de banieren,

In sehoone, maar bedrieglijke eendracht, voor Van \'t zestal staten, door de hand te stieren

Van dien zij tot haar heer en voogd verkoor! Wat wijsheid eischt de macht! wat kunst! Nu vieren

Dan teuglen; hier den breidel, daar de spoor! Blondlokkig jongling, zult gij \'t altijd raden? Het paard nooit steigren, en zyn ruiter schaden?

Vraag \'t aan de weduw van Bourgonje, vraag \'t Der zuster van dien Yorck, wien Warwick kroonde

En weer ontkroonde\'1); olquot;, zoo \'t haar niet mishaagt, Vraag \'t haar, wie elk. reeds nu, de tanden toonde;

Aan wier gezag \'t Groot Privilegie knaagt2);

Wier raadsliên geen verbolgen grauw verschoonde; Wier rouwkleed, wier ontsnoerde vlecht, gebeên En lianen krachtloos bleken op \'t gemeen 3).

O Tijden! Strijd van staten tegen staten

Niet slechts, maar ook van steden tegen steen! Van magistraten tegen magistraten,

Verwarringen, beroerten, spoorloosheên!

Partijen, die elkander erfiijk haten;

Nu \'t krijgsvolk, straks \'t gepeupel op de laeen;

Hier \'t beulszwaard, daar de dolk van moordenaren... Zegt niet dat de oude dagen beter waren.

Toch ziet gij gaarn het leven en de kracht Dier woelige eeuw voorbijgaan voor uw oogen;

Die burgers vol van toren, gloed en kracht. Die vorsten kampende om betwist vermogen;

308

1

) Margaretha van York, weduwe van Karei den Stoute, tweede moeder van Maria, was de zuster van Eduard IV, In 1461. door hulp van den zoogen. koningmaker, Warwick, Koning van Engeland; In 1474 door dezen verjaagd.

2

) Waarbij zonder goedvinden der Staten, de Vorstin geen huwelijk mocht sluiten, geen krijg voeren, enz

3

) De gruwelen te Gent, waarbij „twee raadslieden van de Hertogin, Imbercourt en Hngonet, onschuldige slachtoflers van het woedend gepeupel werden, wier redding Maria, met loshangend hair en in rouwgewaad op de markt gekomen, vruchteloos door tranen en gebeden beproefde.quot; (Gr. v. Pr.) waren nog versch In \'i geheugen.

-ocr page 341-

WELKOMSTGROET.

Die ridderwereld in haar laatste pracht; Dat worstlen, dringen, drijven, werken, pogen — Dat gisten van een tijd, wiens maatschappij Zich omzet tot een andre, \'t zij hoe \'t zi]!

Wel, laat dan deze Maximilianen,

Maria\'s, Margaretha\'s, heel dien stoet Van Eedlen, nu vereenigd om hun vanen,

Bourgonjers, Belgen, Uuitschers hoog van moed, Dees Guliks, Cleve\'s, Nassaus, Bergs, Irlanen, Met Kerkprelaten van het vorstlijkst bloed.

Maar ook dees Schepens, Poorters, Gilde-deken En Kamerist tot uw verbeelding spreken!

Ja, ook die Kameristen! wier „Fonteinquot; \')

Te Brugge springt, om Vlaandren te verrukken Met sinnespel, ballade, referein,

Kluit, hatement, en andre meesterstukken,

Voor \'t grootste deel Bourgondisch, voor een klein De taal van \'t land, al vloekt het vreemde jukken

rPllOVINCIAAL WESTVLAAMSCH GENOOTSCHAP,quot; dat

Mij tot mijn tekst terugvoert, dien \'k vergat.

Mijn tekst, mijn taak! Ik moest u welkom hosten,

Uw raadslag leiden in dees stille zaal,

De hoofden van wie wij verwinnaars weten

Bekronen met het wachtend eermetaal;

Vergeeft, kon ik \'t een oogenblik vergeten,

Mijn broederen, vergeeft het deze maal!

Waar zeekre dingen zeekre snaren raken.

Daar schijnen de oude tonen weer te ontwaken.

Zwijgt, oude tonen, zwijgt! \'t Verleden heeft Zijn recht, maar heilige eischen heeft het heden. ^ Hij leeft in \'t heden, die in waarheid leeft En in de toekomst leven zal met reden.

Wat ooit verbeelding of herinring geeft. De werklijkheid stelt slechts het hart tevreden. De taak van heden moet vandaag verricht; En daar is niets verheevner dan de plicht.

Gij weet het. Üra geen dichterlijke droomen,

Geen spelen van de jeugd in momgewaad,

Geen feestlijkheden zijt gij hier gekomen.

Maar werklijkheid en leven, raad en daad.

Wordt nog van \'t een en \'t andre iets meegenomen.

\') Naam en zinnebeeld eener vermaarde Vlaamsche BederijkerskamPi*.

-ocr page 342-

WELKOMSTGBOET.

En ook de disch der vriendschap niet versmaad: Ue dienst der wetenschap is uw verlangen,

En tot den dichter spreekt gij: „Staak uw zangen!quot;

Laat hem nog slechts zoo menig dierbaar hoofd,

Als wederom ten grave zonk, beschreien!

U \'t eerst, die wat gij daar reeds hadt beloofd

Gehouden hebt, mijn tijdgenoot te Leien,

Tromp! aan de Friesche Themis wreed ontroofd! \')

En u Verdam! ontvallen aan de reien Van Neerlands Archimedessen! Uw stem Heeft Huygens\' eer gewroken; leef met hem!quot;) —

lJaulownia Imperialis tooide

Haar kroon met paarsch gebloemte in Neerlaads hof; Indien voor \'t eerst, voor n voor \'t laatst, en strooide

Haar blaadren op uw grat, met onzen lof,

Japansche Siebold!1) — Ach, hoe somber plooide

Zich veler voorhoofd, als uw doodsmaar trof.

Pare au!2) Gij de eer van Gruno\'s godgeleerden,

VVien tot uw dood verknochte volgers eerden. —

Moest eindlijk. Wijnbeek! ons zoo lang gespaard, En dierbaar aan zoo velen als beseffen

Wat gij der School, en \'t Land door deze, waart, De dood uw eerbiedwaarden schedel treffen?3) —

Kon kennis van al de artsenij der aard Geen Lub er4) aan \'t gemeens lot ontheffen? —

Ontvielt ge ons Hrunsveld, kenner van onze Oost! 5)— Eu K appard!quot;) — maar wiens Broeder ons nog troost quot;J.

310

1

■\') F. von Siebold, natuuronderzoeker en bijeenbrenger van het Japansch Museum te Leiden. Onder anderen bracht hij uit Japan een boom in Europa, dien hy, naar Anna Paulowna, Groot-Vorstin van Rusland en Prinses van Oranje, den naam gaf van l\'auiclownia Imptrialis. Juist in zijn sterfjaar hadden da dagbladen met veel ophef, als een zeldzaamheid, vermeld, dat de boom in onderscheidene hoven in de open lucht bloeide.

2

) L. G. Parean, Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Groningen.

3

Mr. H. Wijnbeek, vele jaren Inspecteur der Latijnsche scholen en van het Middelbaar en Lager Onderwijs.

4

(;) H. W. Luber, Med.-Dr. te Amsterdam.

5

) Mr. P. Brunsveld van Huften, oud Proc. Gen. bij het H. Gerechtshof In Ned. ludie.

F. A. Ridder van Rappard, oud Direct. Gen. van Oorlog.

u). Mr. A. G. A. van Rappard, gewezen Minister van Binnenlandsche Zaken; honorair lid van het Bestuur van het Pr. Utr. Gen.

-ocr page 343-

welkomstgroet.

Uw tijd was daar. — Ook de uwe! In weinig dagen

Verslond verborgen gif uw levenskracht,

Claas Mulder!1) — Reeds was \'t eermetaal geslagen,

Door dankbre liefde u vroolyk toegebracht,

Daar werd uw dierbaar lijk naar \'t graf gedragen.

Laf aille!\';l) Ruste irv beider assche zacht! Met Zimmerman\'s, wiens dood het Weeshuis klagen

En jamm\'ren doet mee a! wat braafheid acht:2)

Moge aller naam in aller werken leven.

Hun roem aan veler vlijt den spoorslag geven!

Wij leven nog, mijn Eroedren! Voor hoe lang Of kort, weet Hij, die alle levensdraden

In handen heeft, en al de hulde ontvang\'

Van \'t geen wij goeds vermogen of beraden En daar wij lof voor oogsten, lof of dank!

Geslachten wisslen als in \'t woud de bladen.

Zij, daar ons blad nog groen is, gave en tijd Aan de eer van God en menschlijk heil gewijd!

Brengt leliën en uitvaartgaven

Met volle handen aan!

Strooit purpren rozen op de graven

En frissche lauwerblaan!

\'t Is zoet die hulde aan hen te schenken.

Zij \'t ook vermengd met pijn,

Die velen hunner doen gedenken,

Dewijl zij \'t waardig zijn.

Maar ook de les, die \'t graf doet hooren,

Waar allen henen gaan.

Ga voor geen manlijk hart verloren.

En worde wel verstaan!

„Gedenkt te steuven!quot; ruischt langs zerken

En zoden ons in \'t oor:

„Gedenkt te leven en te werken!quot;

Klinkt daar met nadruk door.

Niet noodiy is het dat wij leven,

Maar dat wij werkenquot; riep

311

1

) Claas Mulder, Em. Hoogl. in de Natuurlijke Geschiedenis te Groningen. Hij overleed ten gevolge van het onwetend eten van vieesch, afkomstig van een aan miltvuur gestorven rund.

2

■O J. Decker Zimmerman, Em. Predikant der Luth. Gem. te Utrecht, indertyd zeer werkzaam tot oprichting, en nog kort voor zijn dood tot instandhouding van het Weeshuis dier Gemeente.

-ocr page 344-

WELKOMSTGROET.

Een koning uit, door \'t vuur gedreven.

Dat nimmer in hem sliep \'). Een werkloos leven wordt tot zonde;

\'t Is ballast, hoe men \'t kleur.

Onze is de spreuk van Aldegonde:

312

„REPOS AILLEÜRS!quot;

\') Frederlk do Groote, In e«n bïlet aan Voltaire, 17 Sept. 1776, en derhalve od 64 jarigen leeftjjd.

-ocr page 345-

WEDDE.

HEILIGrERLEE.

WINSCHOTEN.

VADEELANDSCHE UITBOEZEMINGEN.

1868; 1873.

--quot;KiM-Qy\'--

TE W E D D E.

22 Mei 18G8.

Dat zal uw roem, uw eeuwge vreugde wezen, Noordooster-grens van Neerland? dierbren grond!

Dat, eerst van u, de straal is opgerezen.

Die ons den dag der Vrijheid heeft verkond.

Haar zon ging nauwlijks op, of zwarte wolken, Van onweer zwaar, en vuur, en hagelslag.

Onttrokken haar op nieuw aan \'t oog der volken, — Toch was het dag geworden, en bleef dag.

Dag, na een nacht, door rosse martelvuren Alleen verlicht en starren van geloof!

Zijn rijk heeft uit; niet eindloos zou het duren.

Schoon Gods geduld den morgenstond verschoof.

Daar breekt hij aan! Hoe kloppen alle harten Van vreugde en dank, bij \'t eerste lichtgeglim!

Een nieuwe moed zal nieuwe zorgen tarten,

Nu maar de zon gezien is aan de kim.

Na veertig jaren lijdens, tachtig jaren

Van strijd, van bange worstliug; \'t kostbaarst bloed

13ij stroomen, door steeds nieuwe heldenscharen. Vergoten, onder wonderen van moed!

Aan \'t beulszwaard als ann \'t krijgszwaard \'t hoofd geboden Den hongersnood verdragen en de pest.

En eindlijk, in den drang van duizend iiooden, De vrijheid van den nieuwen staat gevest!

Huis Wedde! uw naam moet onvergeetlijk blijven. En heilig in ons oog uw overschot I

Die d\'aanvang zaagt dier stoute krijgsbedrijven. Die eindelijk beslisten van ons lot.

Hier was de Rubicon; hier werd de teerling Geworpen; door geen Cesar, tuk op macht;

Maar door een hand, die dwinglandij te keer ging, Zsolang ze een iwaard kon voeren, in Gods kvacM-

-ocr page 346-

op het veld bij heiligerlee.

Die helclenhand is om dat zwaard bestorven,

Eer \'t heilgoed was bevochten, daar ze om streed;

Maar roemt ons hart die \'t ons in \'t eind verworven,

Wee onzer, zoo het Lodewijk vergeet!

Zijn naam sta in \'t gedenkboek der historie

Niet slechts, maar diep in \'t vaderlandsch gemoed! Groot is die naam, nog meer door deugd dan glorie; Door „Lijdzaamheid in Onschuldquot; groot, en goed.

* „Patience kn Innocencequot; was het persoonlijk motto van Graat\' Lodewijk van Nassau, te Wedde dertig en, ten dage dat hij op de Mookerheide sneuvelde, zes en dertig jaar oud.

OP HET VELD BIJ HEILIGERLEE.

23 Mel 1808.

Weest, Vorst en Volk! weest mij gegroet.

Op dezen dag der dagen!

Nooit heeft voor \'t vaderlandsch gemoed

Een blijder uur geslagen.

Herinneringen, grootsch en schoon.

Verheffen \'t hart tot jubeltoon; De aanschouwing onzer oogen Komt onze vreugd verhoogen.

De meimaand spreidt haar rijkste pracht

Op wegen uit en velden;

Het aardrijk bloeit, de hemel lacht.

Als om Gods gunst te melden. De vaderlandsche vlag, gesierd Met blijde oranje-strikken, zwiert.... En wappert om ons henen...

— OiiANJE-zelf verschenen!

Wees welkom, welkom. Vorstenpaar,

Uit d\'eelsten stam gesproten!

Wees welkom, onafzienbre schaar

Van Land- en Feestgenooten,

„Wien Neerlandsch bloed door de aadren vloeit, „Wier hart voor land en koning gloeit, Die, over veld en vloeden,

U naar dit punt kwaamt spoeden!

Waar staan wij? Op het heuvelzand,

Ter onvergeetbre stede.

Waar nassau \'t eerst voor nedehland

Het zwaard rukte uit de scheede;

Waar \'t Vrijheids-vaandel werd ontplooid, De leus weergalmde: „nu op nooit!quot;

314

-ocr page 347-

op het veld bij heiligeri.ee.

En \'t „sterven op herwinnen!quot;\')

Door harten dreunde en zinnen.

Waar staan wij? Op den heilgen grond,

Die \'t edelst bloed zag stroomen,

Maar aan het zwerk, op d\' eigen stond.

Den lichtstraal door zag komen, Die, na een nacht van \'t bangste leed. De Martelaren hopen deed.

De scheemring, die in \'t oosten De Ballingen kwam troosten.

Waar staan wij? Waar de strijd begon.

De strijd van tachtig jaren!

Dio niet dan eervol einden kon

En Neerlands grootheid baren.

Waar de Eerste lauwer werd behaald, Dien, schoon ook eerlang duur betaald1), De hoop als pand beschouwde Van d\' oogst, die volgen zoude.

O Gij, „oranjes Rechterhandquot;,

En aan zijn hart ten zegen,

Met hem, de troost van \'t zuchtend land,

Door raad en daad en degen; Gij, „Bidder zonder vrees of blaam.quot; Graaf Lodewuk! wiens dierbre naam, Aan Neerlands naam verbonden, Onsterflijk is bevonden!

Uw hart was met dit volk geweest,

Van d\'aanvang van zijn lijden;

Hier stondt ge in \'t harnas, onbevreesd

Om voor zijn zaak te strijden. Uw trouw was trouwe tot den dood! De degen, hier door u ontbloot,

Is in uw hand gebroken,

Maar nimmer opgestoken.

Hier schaardet gij dat grimmig heir.

Dat gij alleen kondt temmen,

En, tot een strijd om eindloos meer

Dan buit en glorie, stemmen;

315

Gij, met den hoogen ernst van \'t woord. Dat dringt in \'t hart van die het hoort;

1

a) Reeds den 21 Juli, by Jemmingeu.

-ocr page 348-

op het veld bij heiligerlee.

Gij, op wiens open wezen.

Slechts goedheid was te lezen! \')

Hier stondt gij, in uw God gerust;

Uw Broeder aan uw zijde Melanchtons en der lettren lust,

Maar even koon ten strijde:

Graaf Adolf, edel, jong en schoon, Zijn vrome Moeders vierde zoon,

Kn de eerstè, die zijn leven Voor \'t heiligst recht zou geven5).

Hier stond het klooster; stille wijk

Der Norbertijnsche vromen1)

Daar werd het eerst door lodewijk

Des vijands komst vernomen.

Als hij er \'t hart gesterkt had met Een weinig spijs en veel gebed, En met gelaat en woorden De helden, die hem hoorden.

Ginds liep dat smal, dat zorglijk pad. Langs de „onbetrouwbre grondenquot;2), Dat aremberg voor eens betrad, En nooit heeft weergevonden;

Hier stond hij, met verbolgen hart. Tot d\' ongeraden strijd getart.

En liet zijn koopren kelen Het „Geuzendeuntjequot; spelen.

Hier wachtte hem dat Geuzenrot, Waarop de Spanjaard smaalde, Met rijklijkc\' ernst voor laffen spot.

Als \'t hem op \'t vuur onthaalde Van hinderlagen wél geleid, En aanviel met een dapperheid, 1 \'ie toonde wat zij mochten. En onder Wien ^ij vochten!

Hier stoof hem Adolf in \'t gemoet. Door \'t vurig ros gedragen.

316

1

aj Een nonneklooster, naar de orde van Norbert. (Pracraonstrateusen.)

2

) De „Campi fallacesquot; van Tacitus.

-ocr page 349-

öp hkt veld bij heiliger leb.

Het oog in vlam, het hart in gloeil

Om \'t al voor \'t al te wagen.

Hier toonde hij zijn heldenaard,

En zocht den Veldheer met zijn zwaard, Kn hadd\' hom \'t hart getroffen.... Als \'t lood hem neer deed ploffen.

Hier wreekte \'t heir zijn vroegen dood.

Met woede niet te toornen.

Eén worstling nog..,. De vijand vlood;

Zijn neerlaag was volkomen.

Naar allen kant uiteengespat,

Zocht hij vergeefs het veilig pad,

En vond zich afgesneden.

Verdrongen en vertreden.

Hier heeft de bodem meegestreên Voor die zijn vrijheid kochten. Met drassig moer, met brokklig veen,

En groene watertochten.

Den vrienden trouw, den vreemden valsch. Bedroog, verzwolg hij tot den hals Meer van hun honderdtallen Dan lood of staal deed vallen.

Hier werd de zegevaan geplant, Die schooner nog deed hopen!

Hier ging de buit van hand tot hand,

Met \'s vijands bloed bedropen.

Zoo was de leus gestand gedaan

Van „WEUEltWINNEN of VEUGAAS,quot; —

Trompetten aan de monden.

Die \'t land de maar verkonden!

ITior werd, met woeste vreugde, op \'t veld

Bespreid met duizend dooden.

Het ros van d\' overwonnen Held

Den Winnaar aangeboden;

Maar hier ook stortte lodewijk Een traan bij \'t broederlijke lijk, Een traan, als beldenoogen Om helden schreien mogen.

„öraaf adolf is gebleven

.„In Friesland, in den slag!

„Zijn ziel, in \'t eeuwig leven,

317

„Verwacht den jongsten dag.quot; \'■)

\') Wilhelmuslied, 4de couplet.

-ocr page 350-

OP HET VELD BIJ HEILIG ERLEE,

Die zoo veel groots deed hopen

Voor d\' ongeboren Staat,\')

Moest met den dood bekoopen Zijn eerste heldendaad.

Geen bloei van jonge jaren,

Geen vorstlijk edel bloed,

Geen vroege lauwerblaren,

Gewonnen door zijn moed.

Geen broederlijke zorgen.

Geen moederlijk gebed,

Heeft, op dien grootschen morgen, Dat dierbaar hoofd gered.

Dat dierbaar hoofd moest vallen,

Gelijk een bloem op \'t veld; De zegepraal vergallen,

En toonen wat zij goldt.... Gij „Herberg der Gemeente!quot;1)

Ontvang \'t roemruchtig lijk, — Eens rijze een praalgesteente.

Zijn vang en deugd ten blijk!

„Graaf adolf is gebleven

„In Friesland, in den slag;

„Zijn ziel, in \'t eeuwig leven,

„Verwacht den jongsten dag.quot; Graaf lodewijk zal volgen;

Graaf hkndrik, nevens dien In \'t slaggewoel verzwolgen. En nimmer weergezien.

De barre Mookerheide

Verbergt hun eindlijk lot; Een engel voerde beide

Tot Adolf en tot god.

Graaf jan daalt, zat van dagen,

In \'t graf niet vreedzaam neer. Dan na drie zoons, verslagen Op \'t bloedig veld van eer.

En hij, die om te „ontvangen „Van God, na \'t zure, \'t zoet,quot;

318

1

vaderlandsche ballingen en vluchtelingen om des gewetens wil.

-ocr page 351-

op hbt vbld bij hbil1gerlee.

Dit eene bleef verlangen

,In \'t vorstelijk gemoed:

„Dat is, dat hij mocht sterven

„Met eeren, in het veld, „Een eeuwig rijk verwerven, „Als een getrouwe held;quot;1)

Hij, dierbrer aan de harten

Dan de andre vier te zaam, In dezer tijden smarten.

De liefste en schoonste naam; Oranje, meer dan allen

Bemind en half vergood,

Moest door een sluipmoord vallen, En stierf den marteldood.

O Hemel! toon erbarmen Aan uw ellendig volk!

Wie zal het nu beschermen?

Wie redden uit de kolk,

De zee, de diepe stroomen.

Het schip van \'t Vaderland, Nu hij is omgekomen,

Die, kustio in den brand dek golven en der «aren, 2)

Aan \'t roer stond, kalm en vast, Om „met Gods hulp te varen,quot; Al kraakten steng en mast?

Schept moed, zijn onderzaten!

Heft op \'t mistroostig hoofd! God zal n niet verlaten.

Al zijt gij nu beroofd.

Hij zal een redder vormen.

Die u ter hulpe koom — het telgje, in spijt der stormen,

wordt mettertijd een boom. 3)

Prins MAuuiTS, held der helden,

En schranderst legerhoofd! Wie zal uw roem vermelden,

Door later nooit verdoofd? De sterkste steden bogen,

Werd slechts uw Komst gemeld, En de opslag van uw oogen Sloeg legers uit het veld.

1

J) Wllhelmuslted, 9de couplet.

2

) „Saevis tuanquillrs in undis.quot; Motto van Prins Willem.

3

) „Tandem fit burculus ahüor.quot; Motto van Prins Maurits.

-ocr page 352-

OP IIJST VBLD BIJ HEILIGERLEE.

Hoe zegende, onder \'t zweven

Rondooi zijn bloedig bed,

Graaf adolf \'t hoofd zijns neven

Bij „Groningen gered!quot; \')

Hoe vloeht zijn geest hem palmen

En lauwren om de kruin.

Bij \'t overwinning-galmen,

Fn Nieuwpoorts roemrijk duin!

Maar toen „ue stededvvinqerquot; ^

Het vrijgevochten land,

Geteekend door Gods vinger,

Gezegend door zijn hand.

Zijn gordel had geschonken Van Negen sterke steên —

En straks de vrêebazuinen klonken Zoo ver de zon dit erf bescheen;

Toen \'t Tiiu g km eenebest zijn plaats En rang nam onder \'s werelds machten,

De dag des goeds den nacht des kwaads Vervangen kwam en \'t leed verzachten;

Maar toen, voor aller volken blik.

Het kleinst, maar krachtigst volk der aarde De macht der vryheid openbaarde,

Al wat tirannen heet ten schrik;

Toen \'t, door de vrijheid rijk en groot,

Zijn vlag vertoonde in iedre haven,

En van twee werelden de gaven

En schatten opving in zijn schoot;

Toen, toegelachen door haar guiast.

Zijn grond zich ophief, na \'t vertrappen, De kweekplaats werd der wetenschappen,

Het lievlingsoord van elke kunst;

Een toevlucht voor de Waarheid, lang Verstoeten van bebloede altaren;

Een vrijplaats allen martelaren;

Van godsdienst- en gewetensdwang:

Toen werd niet volle hand gemaaid,

Ter schuur gebracht met rijken zegen.

Wat, onder zoo veel storm en regen.

Hier \'t eerst, met tranen was gezaaid.

\') De bevrijding: vau Groningen uit de macht der Spanjaarden door Prln3 MAURiTS, in 1594. is bedoeld.

J) Eervolle bynaam van Prins Fbederik Hkndkik.

320

-ocr page 353-

op het veld bij heiligerlee.

Toen werd de gulden vrucht geplukt,

Die op den eedlen boom gegroeid was,

Wiens wortel dikwijls blootgerukt En met het kostbaarst bloed besproeid was.

En nu — hier staan wij, Vorst en Volk! Een eeuw, en nog een eeuw verdwenen;

Niet altijd heeft de zon geschenen;

Niet zelden dreigde wolk bij wolk.

Soms was de Vrijheid in gevaar;

Soms werd haar dierbaar erf geschonden;

En eenmaal werd, op haar altaar.

Het heilig vuur gedoofd bevonden.

Maar op dit veld, waar adolf viel,

Waar lodewijk zijn lauwer haalde.

Waar de eerste straal van licht op daalde, Betuige \'t onze dankbre ziel:

Met Nassau, met oranje aan \'t hoofd, Beveiligd door zijn staf en degen,

Is ons geen voorrecht ooit ontroofd,

Maar wel \'t verloorne weergekregen.

Die hoogste macht beschikte \'t zoo,

Die over ons dees hemel welfde:

Het bloed der nassacs bleef het zelfde, Van Heilgerlee tot Waterloo.

En zoo, om \'t even van wat kant.

Een vijand dreigde of onheil baarde,

Zien zoudt gij dat het niet ontaardde,

Altijd gereed voor volk en land.

Wij weten \'t. Vorsten, die ik groet!

Waar \'t nood — des Konings bloed zou vloeien En, met het Uwe, een grond besproeien. Gedrenkt met Uwer Vaadren bloed.

Zoo lang — (o God! dat niets ons scheid\'!) — Oranje Neerlands Kroon zal dragen.

Wordt strafloos nooit een hand geslagen Aan Neerlands Onafhankelijkheid.

Maar \'s Hemels gunst schenkt ons den Vreê, En, met den Vrede, zegeningen.

Die psalmen tot zijn eer doen zingen.

Van veld tot veld, van ree tot ree.

-ocr page 354-

OP HET VELD BIJ HEILIQERLEE.

Ziet om u, Broedrenl \'t Slagveld bloeit Van frissche klaver, golvend koren;

En brood en goud bedekt de voren,

Waar \'t bloed der helden heeft gevloeid.

\'t Moeras draagt oogsten, waar gij ziet; De dorpen zijn gegroeid tot steden;

Wajir elk des levens lieflijkheden Met on-benepen hart geniet;

Waar elk met lust zijn post betrekt,

Zün werk verricht en plukt de vruchten;

Waar slechts het misdrijf\'t zwaard moet duchten Dier Wet, wier schild de goeden dekt.

De wetenschap stalt ons haar licht Niet enkel uit, maar roert de handen.

En toegepaste kennis sticht Nieuwe „unie\'s van de zeven landen.quot;

Bracht niet de stoomtrein op dit veld \') Het halve vaderland te zamen?....

Een wenkl .... De telegraafdraad meldt In Spanje ons feest en nassaus namen!

Ontwikkling, welvaart, overvloed,

Nieuwe onderneming, grootsche werken:

Ziedaar; waar God de hand wil sterken; Ziedaar, wat Vrede en Vrijheid doet.

Vrij — o mijn Volk! wie is \'t als gij,

In uw Oranje-schaüw gezeten?

De tong, de pen, de pers, \'t geweten. Aanbidding en belijdnis vrij!

Waardeer uw voorrecht, Nederland!

Erken \'t als gift van Gods genade;

Kweek, eer, ontzie het, vroeg en spade;

Versterk het door uw eendraohtsband!

Sticht op dees plaats een eertropee!

Dat een gedenkzuil rijze.

Die \'t roemrijk veld van Heilgerlee

Aan kroost en nakroost wijze,

Van adolfs lof de ziel vervuil\',

322

Van lodewijk doe hoeren.

;) j)6 spoorweg tusachen amp;roningeii 011 Winschoten was juist sedert den eersten Mei geopend.

-ocr page 355-

op het veld bij 11 elligelllee.

Van nassaus leeuw het eerst gebrul

Herroep yoor hart en ooren!

Bestrooi met rozen d\' eersten steen, Aan wien wij \'t welkom zingen;

Plant bloeiend hout om \'t voetstuk heen,

Meidorens en seringen;

Dat telken jaar, wannéér de Mei

Haar bloemen weer komt schenken. Een geur zich over \'t land versprei

En hunner doe gedenken!

Maar ook, begraaf er d\' ouden twist

En laat geen nieuw\' ontspruiten!

\'t Volk, dat inwendige eendracht mist,

Is zonder kracht naar buiten,

Verbeurt zijn vrijheid, en \'t genot

Van al haar zegeningen,

Verstoort zijn bloei, en zal zijn God Tot harde lessen dwingen.

Gij niet aldus! De wereld zie

In u een volk, vereenigd En krachtig door een wijsheid, die Geen wonden slaat, maar lenigt;

Een volk dat, vreedzaam, vroom en vroed. Met zijne ervaring voordeel doet;

Waar allen samenwerken Om aller hand te sterken!

Waar eerbied heerscht voor ieders recht

En ieders rein bedoelen;

Waar arm en rijk, en heer en knecht

Zich land-genooten voelen;

Waar de eene stand den andren eert.

Geen enkle deugd haar lof ontbeert. En handen saamgeslagen Den troon des Konings schragen.

Geen volk dat, voor zichzelven wreed

En met zijn toekomst spelend. Brooddronken zijn geluk vertreedt.

Uit weeldrigheid krakeelend;

Waar hoogmoed tegen hoogmoed strijdt; Waar eerzucht afgunst baart en spijt;

Waar lastren en verdenken Des naasten zielsrust krenken;

Waar godsdiensthaat den godsdienst moordt

En spot met broederplichten;

Maar, waar men leeft naar \'t Heilig Woord,

-ocr page 356-

op het veld bij heiligerlee.

Dat niet dan goeds kan stichten;

Waar God gevreesd wordt, met der daad, Alle ongerechtigheid gehaat.

En ouders kindren leeren Het best do besten te eeren;

Een volk, door zielegrootheid groot, Wat aanzien \'t worde onthouden!

Sterk door den sterken bondgenoot,

Op wien do Vaadren bouwden; Van wien oranje schreef;1) tot wien Ook LODEwijK had opgezien,

Toen hij, voor \'t oog der aarde. Den vrijheidskamp aanvaardde.

Zoo moge \'t zijn! De wereld hoor.

Van dees gewijde stede,

Een kreet, die door de wolken boor,

Ben duren eed, een bede:

Een kreet van vreugde uit volle borst; Een eed van trouw aan Volk en Vorst; Een bêe tot God hierboven,

Wisns liefde en macht wij loven!

God! die de vorsten leidt Naar uwen wil,

Ieder zijn weg bereidt.

Woelig of stil.

God! die de volken hoedt Naar uwen raad.

Wonderbaar wijs en goed,

In goed en kwaad;

Die ze in den smeltkroes smelt, Loutert door druk;

Die al hun leed bestelt.

Al hun geluk:

Zogen met milde hand

Koning en Vaderland;

Sterk onzen eendrachtsband;

Houd Nassaus Huis in stand;

Weer ieder juk!

Weer ieder dreigend kwaad;

324

Smoor allen twist en haat;

1

)Uit Dordrecht, 9 Aug. 1573, aan die van het Noorderkwartier; „metten aller-oppersten Potentaet der Potentaten alsulcken vasten verbont...Zio deu Brief bij uoï. B. VI. 327, 8.

-ocr page 357-

TE WINSCHOTEN.

Stuit elke booze daad;

Ruk al wat schendt en schaadt Uit onzen hof!

Leer Vorst en Volk zijn plicht Spaar ons uw strafgericht;

Laat ons het vriendlijk licht Zien van uw aangezicht! ...

U zij DE lof!

TE WINSCHOTEN. 28 Mei 1873.

AAN BEÏf KONING.

Winschotens vreugde stijgt ten top; Het slaat zyn vroolijkste oogen op; Het heeft de maar vernomen: Uw Koning is gekomen.

Uw koning uit denzelfden stam, Waaruit het paar zijn oorsprong nam, Dat, op de naaste heuvelen, Hekwinnen kwam of sneuvelen.

Uw Koning, van hetzelfde bloed. Het zelfde hart, den zelfden moed. Die even gaarn\' zijn leven Voor uw behoud zou geven.

De Koning, aan het hart zoo dier, Die vijf en twintig jaren schier Een koningsstaf deed vonkelen. Waarom de olijven kronkelen.

Hij kwam, hij kwam op aller wensch; Ook voor dees noordelijkste grens

En grensplaats zijner staten.

Heeft hij den Haag verlaten.

Zijn wenk onthulde \'t denkgestieht. Ter heilger standplaats opgericht, — Hoe klopten toen de harten.

Die alle volken tarten;

Die alle volken tarten om Te wijzen ruimer heiligdom

Voor Vrijheid. Eendracht, Orden Dan Neerland is geworden;

-ocr page 358-

TE WINSCHOTEN.

Te wijzen vaster liefdeband Dan Nassau hecht\' aan Nederland, Dan Nederland blijft snoeren Aan die zijn schepter voeren!

Gegroet, die komt op aller beê, Gegroet, die komt van Heilgerlee, Gegroet, gegroet, o Koning Met vreugde- en dankbetooning!

Winschoten was een dorp, niets meer. Toen Nassau krenkte \'t Spaansche heir; Nu proftkt het bjj uw steden,

Maar nooit zoo fier als heden 1

Nooit zoo hoovaardig, zoo vei\'blijd, Als nu gij in zijn midden zijt. In \'t midden van ziju zonen üw aangezicht komt toonen.

Nu frissche jeugd en ouderdom U roepen mogen \'t wellekom, En maagdelijke vingeren U groen en bloemen slingeren;

Nu vaderlandsche moedermin De jongsten van uw groot gezin In de armen op mag heifen.

Op dat ze uwe oogen treffen;

Nu u de mannen-trouw en kracht Van \'t breedgeschouderde geslacht, Dat hier mag ademhalen,

Van \'t voorhoofd toe mag stralen.

Nu, in dees langgewenschten stond. De eenstemmigheid van hart en mond, 0 Koning! voor u-w ooren De bede mag doen hooren;

De bede: Koning! leef, regeer, Nog lang in vrede, macht en eer. God dekke uw hoofd en wegen Met allerhande zegen!

Van waar de Dollart met zijn slijk Deze oorden vruchtbaar maakt en rijk. Tot waar de Zeeuwsche stroomen Hun Leeuw zien bovenkomen;

826

-ocr page 359-

TE WIMSCHOTEN.

Van waar de Rijn langs Lobitli spoedt, Tot waar het Vlie de wimpels groet, De wimpels op de stengen Die de oostergaven brengen;

In Noord en Zuiden, Oost en West, Waai- zich uw vorstlijk oog ook vest, Zie \'t Neerlands vrije zonen Eendrachtig samenwonen.

Hun vrijheid, door het dierbaarst bloed Gekocht, verworven, en behoed, En allen braven heilig,

Is bij uw schepter veilig.

Uw troon gegrond op dank en deugd. Die driemaal honderd jaren heugt,

Dien liefde en trouw ommuren. Zal tijd en lot verduren.

.Oranje boven!quot; blijft de kreet,

In nood en dood, in lief en leed;

Geen andre ga daar boven Dan waar wij God meè loven.

-ocr page 360-

FEEST-CANTATE.

VOOR DEN

DAG DER OKTHDLLING

VAN HET

NATIONAAL GEDENKTEEKEN VOOR 1813

IN HET

WILLEMSPARK TE \'S-GRAVENHAGE, 17 November 1869.

Het was, aan het hoofd der „Hoofd-Commissie voor het Nationaal Gedenkteeken voor 1813quot;, het verlangen van Prins Fredurik, dat door mij de tekst zou worden geschreven voor eene Cantate, uit te voeren op den dag der Onthulling, op een door Z. K. H. te geven avondfeest en waarvan de compositie aan den heer Nicolaï, Directeur der Koninklijke Muziekschool moest worden opgedragen.

Met liefde kweet ik mij naar mijn quot;best vermogen van de ver-eerende taak, en had daaraan in eene eerste plaats de aangename kennismaking en eene belangrijke briefwisseling met dezen begatif-den toonkunstenaar te danken.

Ons gezamenlijk werk werd ter bepaalder ure ten gehoore gebracht, in tegenwoordigheid van den Koning, de Koningin, den Prins van Oranje, Prins Alexander, Prins Frederik, Prinses Maria, de Ministers, het Corps Diplomatique, ten welks behoeve eene Fransche proza vertaling van den tekst vervaardigd was. en de verdere aanzienlijke en uitgebreide schaar der door Prine Frederik genoodigden. Een „Klavieriiittreksdquot; van de muziek zag te Utrecht bij Tloothaan het licht. Hier geef ik de woorden, met terugneming, in het belang der lecture, van enkele geringe wijzigingen, welke de muzikale bewerking en verdeeling in het oorspronkelijke handschrift wenschelijk hadden doen voorkomen.

I.

In des aardryks schoot,

In den arm van den dood,

Ligt de roerlooze steen.

Eeuwen aan eeuwen gaan over hem heen; Geslachten verschijnen; Geslachten verdwijnen;

Tronen verrijzen en zinken ineen; Machten en volken komen en gaan: Niets doet hem aan.

-ocr page 361-

FEEST-CASTATE.

Wat op de hoogten der aarde geschiedt, De duistere diepte verneemt het niet.

If.

Houweel en spade,

vervult uw plicht!

Werkzame handen

brengt hem aan \'t licht!

Oog van den Meester,

daal neer in gunst!

Zweef om hem henen,

heilige Kunst!

Raak hem met uw vleugelen aan!

Laat over den dooden uw leven gaan!

Geef hem ziel, geef hem sprake!

De sluimrende ontwake!

De roerlooze heffe zich op!

Hij roepe ons te zamen!

Hij sta in ons midden,

Verhcffe zijn stem!

Hij doe gedenken Aan bange dagen, Aan heilige uren,

Aan raad der wijzen. Aan moed van helden, Aan trouw van vorsten; Hij wijze ten hemel —

Van waar de hulpe kwam.

III.

Men heeft u vaak benauwd, van vroege tijden.

Mijn Vaderland! en steeds uw val gezocht. Men heeft n vaak benauwd en veel doen lijden.

Doen lijden, maar niet overmocht.

Men heeft uw rug door ploegers diep geploegd;

Die hebben wreed hun voren lang getogen. En smart bij smart tot uw verderf gevoegd:

God was uw kracht — hun wreedheid, onvermogen.

Hij telde uw tranen, zag uw bloed.

En nam uw leed ter harte.

Gaf troost en hoop, geduld en moed En \'t einde van uw smarte.

Uw recht werd niet door hem veracht;

Zijn oor vernam uw klagen;

329

-ocr page 362-

FEEST-CANTATE.

Straks deed hij uit den zwartsten nacht Den schoonsten morgen dagen.

IV.

Nog is het niet vergeten,

Al brak Gods hand ze stuk, Het klemmen van de keten,

Het knellen van het juk;

Nog leven er die weten Hoe hang der vrije ziel De zweep des drijvers viel,

Al ligt zij lang versmeten.

Dat van die bange tjjden

De erin\'ring niet verdwijn! Den kindren der bevrijden

Moet ze eeuwig heilig zijn;

Hun lijden en hun strijden Met dieper dank herdacht,

Hoe meer zich \'t nageslacht In voorspoed mag verblijden.

V.

De wateren zijn tot de lippen gekomen,

Wee Hollandl wee!

De kroon is van uw hoofd genomen;

Wee Holland! wee!

Uw Zonen vinden in verre streken

Ben bloedigen dood;

De moeders schreien, van smart bezweken,

Haar oogen rood;

De wraakkreet der vaders stijgt tot de wolken. De grijsaards scholen somber saam — Uitgewischt, uitgewischt is uw naam Op de rolle der volken.

Zet open de sluizen! Breek dammen en dijken. Bruis over den lande,

Verbolgene zee!

Verslind onze steden, verstrooi onze lijken, Verberg onze schande!

Wee Holland! wee!

VI.

O kalme Wijsheid, vol vertrouwen.

Die daar, waar alles valt en stort, Een grond zoekt om weer op te bouwen. En in geen storm verbijsterd wordt!

-ocr page 363-

PBE3T-CANTATE.

Erntfeste Deugd van \'t onbevlekt geweten Van dringende eerzucht vrij en slordige eigenbaat! En Moed, tot al wat groot mag heeten Altoos bereid, geheel in staat!

Drievoudig snoer, niet haast gebroken,

Aan u hing Neerlands lot,

Ten dage dat een machtig God Het woord der redding had gesproken.

Eere den Mannen, die niet versaagden!

Eere den Vromen, die hoopten en waagden!

Eere den Wijzen, die waakten en wachtten!

Eere den Braven, die \'t heerlijk volbrachtenJ Eere het Drietal, die alles bewerkten! Hun beeltenis praal In blinkend metaal!

Eere den Velen, die steunden en sterkten! De duurzame steen Voeg hun namen bijeen;

De zuile der eere vereenige en drage Hun beelden en namen ten eeuwigen dage! De zuile der eere, door niets te vernielen, Vereeuwig den dank onzer dankbare zielen!

VII.

\'t Besluit is genomen,

Het moedig besluit;

Het uur is gekomen;

Zij treden vooruit.

Het volk stroomt hun tegen;

De vijand deinst;

Nu spreekt aller wegen Het hart ongeveinsd.

Oranje boven!

Laat hoof en! Laat hooren!

Oranje boven!

De kleur van den Vorst Aan hoeden en borst!

De vlag op den toren!

Oranje boven!

VIH.

Al toeft de Vorst aan \'t vreemde strand.

Zijn hart is in zijn Vaderland!

Al had hem \'t Vaderland verstoeten. Het heeft reeds lang hem noode ontbeerd;

-ocr page 364-

FEEST-CANTATE.

Hoe wensclit het dat bij wederkeert Tn \'t midden van zijn landgenooten!

Hij komt; hij komt; op aller beê!

Met blijden golfslag voert de zee

Hem aller open armen tegen.

Wees dierbaar vaartuig! wees gegroet!

Geen ander bracht ons van den vloed Een grooter schat, een wisser zegen.

Hij komt! l)aar is hij! God is groot! Aanschouwt hem, Kindren! \'t Hoofd ontbloot!

Gij Mannen! draagt hem op uw handen! — lien juichtoon rijst, één feestgeluid,

En hof- en hoofd-st\'ad roept hem uit Als „Hoofd es Redder dezer Landen.quot;

IX.

Prins Willem! dat geen hart vergete Wat gij voor Neerland hebt verricht!... quot;Rust zacht in \'t Delftsche grafgesticht!

Maar dat de laatste nazaat wete Wat land en volk u zijn verplicht.

Geen hoog-gezag kon u bekoren Dan afgeperkt met wijze hand;

Uw wensch was r\'t vrije Vaderlandquot;; Het staatsverdrag, door u bezworen, Was heilige Eendrachts zachte band.

Gij hebt een koningstroon bestegen,

Op aller liefde en wensch gegrond; De olijven groenden, waar hij stond. De gouden halmen ruisehten zegen,

De bijen vlogen vroolijk rond.

Het Oosten zond tiendubble gaven,

Tiendubble schatten wel te vrêe;

\'3 Lands wimpel vloog van zee tot zee;

Daar was belooning voor den braven, Verhooring voor der armen bêe.

Uw Zonen stonden aan uw zijde.

De hand aan \'t zwaard, het hart vol r.ioeü; Voor \'t land te sterven scheen hun zoet. Waaraan hun Vader \'t leven wijdde;

Twee helden van het echte bloed!

332

-ocr page 365-

FEEST-CASTATE.

Rust\', ruste, o Vorst! uw koud gebeente, Bij zooveel Nassaus, ongestoord! Uw hart kloppe ia uw afkomst voort! üw beeld versiere ons denkgesteente! Uw lof wordt nimmnrmeer gesmoord.

Hot juk is afgeworpen.

De dwinglandij gestuit;

In steden en in dorpen Breekt vroolijk leven uit.

Aan Amstel, Jlaas en Sclielde,

Aan Rijn en IJsselboord,

[leerscht blijdschap op den velde En binnen vest en poort.

In \'t rond, aan al haar stranden,

Besproeit de Zuiderzee Weer Nedeklandsche landen, In vrijheid en in vree.

Eu op de gr®ote wateren

Doet, als in vroeger dag.

De wind het dundoek klateren Van Neerlands vrije vlag.

XL

Nederland is hersteld,

Is hersteld in de rije der staten, Is verlost van het vreemde geweld, Is bevrijd van die \'t smaadden en haatten.

Nederland is hersteld;

Zijn rang en zijn eer zijn herwonnen.

Nederland is hersteld; Een nieuwe tijd is begonnen.

Nederland is hersteld! Trompetten, klaroenen, kanonnen. Vlaggen en vanen.

Dankbare tranen.

Stift dei- Historie, vermeldt;

„Nederi.and is hersteld!quot;

XII.

Des Heeren hand heeft groote dingen Aan land en volk gedaan;

Dies laat ons, hem ter eere, zingen.

333

-ocr page 366-

PEBST-CANTATE.

En dankbaar tot hem gaan; Nu, daar wij vroolijk juichend maaiden

En droegen in de schuur,

Wat wij met zo(*eel tranen zaaiden In \'t bang oeproevingsuur.

„Ons schild en ons betrouwen

Zijt gij, o God en Heer!quot; Op u blijft Neerland bouwen;

Verlaat ons nimmermeer!

Laat ons godvruchtig blijven,

U dienen t\' aller stond,

Al wat bnteert verdrjjven Van Neerlands vrijen grond!

Behoed den Koning, Heere, Heere!

Behoed des Konings Zoon! Dat elk van ons zijn schepter eere,

En schrage zijnen troon!

Bewaar ons vrijheid, rust en vrede. Versterk onz\' eendrachtsband, En neig uw oor tot elke bede Voor Vorst en Vaderland!

xni.

O bloem van onze steden. Die, _tusschen bosch en zilten vloed, Rijk in bekoorlijkheden. Uw vijverzwanen voedt!

Bevallig \'s Gravenhage,

Verblijf\' van vorsten, vorsten waard: Hoe klimt van dag tot dage Uw schoon voor \'t oog der aard.

Uw pleinen en uw parken Breidt ge immer uit, bij \'s hemels gunst, En tooit ze met de werken Der nooit volprezen Kunst.

Gelukkigste der steden,

Op zooveel sieraad prat.

Wat rijk geschenk wordt heden Gevoegd bij uwen schat!

Een zuil rijs tot de wolken Aan \'t Scheveninger stand:

Ook gij verkondigt thans den volken: „God redde Nederland.quot;

-ocr page 367-

FEEST-CANT ATE,

De hulde, lang ontworpen,

Verbergt zich langer niet;

Uw Stirums en uw Hogendorpen,

Uw van der Duyns is recht geschied.

En Neerlands uitverkoren,

De Vorst door elk begeerd.

Staat in uw midden als herboren. Op \'t voetstuk, dat hem dankt en eert.

XIV.

Stijg tot den hemelboog.

Schitter voor aller oog.

Opgericht teeken!

Steen der gedachtenis.

Houd in ons midden wacht,

Bljjf ons, bij dag en nacht,

Blijf tot het laatst geslacht Van al wat Hollandsch is Tuigen en spreken!

Gij toont de schoonste Namen: 0 dat zij nimmer, nimmermeer Het nageslacht beschamen.

Maar prikkelen tot eer!

Gij moogt met Beelden prijken Van Vorst en vorstlijke Edelliên:

O dat zij mannen om zich zien.

Die hnu in deugd gelijken.

Gjj voert veel Wapenschilden, Met Nassaua schild ....

„JE MAINTIENDUAI !quot;

Met Nassaus Schild in schoon verband;

O dat zij nooit iets anders wilden Dan \'t heil van \'t eene vaderland!

Op uw top prijkt de Leeuw

onvervaard, vrij en groot; Dat God hem beware, zoo kent hij geen nood!

Stijg tot den hemelboog,

Schitter voor aller oog.

Opgericht teeken!

Steen der gedachtenis.

335

-ocr page 368-

FEEST-CANTATE.

Houd in ons midden wacht,

Blijf ons, bij dag en nacht,

Blijf tot het laatst geslacht Van al wat Hollandsch is Tuigen en spreken!

Sta op uw breeden voet.

Sta in de stormen vast,

Lijd van geen winter last,

Splijt in geen zomergloed,

In alle wind en weer,

Strek tot uw Makers eer. Wek kracht en moed!

XV.

Dat in ons midden

de Trouw volharde,

de Kloekheid pal sta, de Wijsheid woon. De Deugd regeere,

de Godsdienst wake,

de Dank zich toon!

De toekomst brenge

voor schoone blaadren in \'s Lands Historie de rijkste stof!

De Kunst omstrengel het hoofd der helden

met de eêlste kransen uit haren hof!

Aan al wat groot is,

aan al wat goed is,

aan al wat schoon is, zij hulde en lof!

Do plaats der eere de vrije lucht,

het licht des hemels,

\'t ontzag der volken, van eeuw tot eeuw Neerlands Maagd, Neerlands Leeuw

GOD ZIJ MET ONS!

XVI.

God met ons, wie zal tegen ons zijn? Wie tegen ons vermogen?

-ocr page 369-

feest-oantate. 337

Gerust in hem,

stijg met luider stem Het feestlied tiaar den hoogen!

Stort uit m^jn volk, stort uit uw hart,

Laat blijde vrzats rijzen!

Vervul de lucht

met uw zang en zucht Met liefde- en vreugd-bewijzen.

De Koning leef! die d\' eersten steen

Gelegd heeft van dit eergesticht.

Vast sta zijn troon!

Hel blink zijn kroon!

De schepter val hem licht!

De Koningin, wier vriendlijk oog

De kroon versiert, haar volk verblijdt.

De deugd vereert,

De kunst waardeert,

Zij leef, van zorg bevrjjd!

De Kroonpuins leef; dat over hem

De geest der groote Vaad\'ren koom!

Leve elke Loot En Stamgenoot Van d\' oude\' Oraiijéboom!

Prins Freedrik leef, wiens wenk de zuil

Onthuld heeft en aan \'t oog vertoond!

De Hemel spaar Het grijze haar.

Waar Hij zijn deugd meê kroont!

De Kunstnaar leef, die \'t werk ontwierp!

De Kunstnaar leef! die \'t werkvolwrocht!

Elk die zijn tijd En kracht en vlijt Aan d\' ai-beid leenen mocht!

Het vaderland, het vaderland.

Ons dierbaar neerland bloeie en leef!

Met west eu oost,

Waar onverpoosd Zijn Vlag en wimpel zweef!

til.

-ocr page 370-

GEMENGDE GEDICHTEN.

zesde bündhl.

ONSTERFELIJK.

Dichtrennaam zal immer blinken; \'t Echte lied Sterreft niet,

Eeuwig blijft het klinken.

Kui.TCiSMANSEER zal nimmer sterven, Heldenaard,

Ridderzwaard Nooit zijn eerkrans derven.

Martlaarsbloed blijft altijd spreken; Vroeg en laat Uit dit zaad God zijn Kerke kweeken.

Eedle daad gaat nooit verloren; Lang miskend Zal ze in \'t end Als \'t gesternte gloren.

Vuig verraad wordt nooit vergeten; \'t Laatst geslacht Blijft met kracht Schelmen schelmen heeten.

GOD LAAT GROEIEN.

God laat groeien; Die groeien laat is God. Waar roos of lelie bloeien, Waar zaadje of blaadje bot, Daar staat de naani te lezen, Waarmee verblinding spot. Die groeien laat is God. Wie zou het anders wezen? Zijn almacht zij geprezen! Zijn goedertierenheid Zij eeuwig lof bereid!

-ocr page 371-

ood laat groeien. — de oppbrzai.e.

God laat groeien;

De groote God alleen. Wij zaaien en besproeien;

Maar wasdom geven? Neen. Wij vragen, vorschen, zoeken, In weetlnst, nooit gestuit; Wij vinden namen uit, En schrijven ze in de boeken. Maar winden \'t in geen doeken: „Ook zelfs wat groeien is „Blijft Gods geheimenis.quot;

God laat groeien;

Gezegend al wat groeit! De levensstroomen vloeien Daar vol en onvermoeid; De levenskrachten werken Daar dat men \'t ziet en tast. Gezegend al wat wast!

Het doet ons God bemerken, Den Levenden en Sterken, Die niet slechts heeft en geeft, Maar werkt in al wat leeft.

DE OPPERZALE.

En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, daar zij bleven, [Hamelijk] Petrus en Jacobus, en Johannes, en Andreas, Philippus en Thomas, Bartholomeus en ilat-theus, Jacobus Alphei [zone], en Simon Ze-lótes, en Judas de broeder van Jacobus.

Deze allen waren volhardende in \'t bidden en sraeeken, met de vrouwen, en Maria de moeder van Jezus, en met zijne broederen.

Hand. 1:18, 14.

Een huivering van eerbied schokt mijn leden.

Als ik met mijn gepeis Jeruzalem bereis,

Ea \'t waag, stille Opperzaal, u in te treden.

Daar zitten zij terneer.

De vrienden van mijn Heer,

Zich sterkende in eendrachtige gebeden.

Mijn heilige verbeelding scherpt haar oogen.

Dat ze onderscheiden ziet.

Is dit die Petrus niet.

339

Die nu Zijn kuddfe weer zal weiden mogen? \')

*) Jok. 21: 15 en vervolg.

-ocr page 372-

DE oppekzale.

En naast liem, in dion kring,

Ons aller lieveling,

l)ie \'t hoofd op \'sHeilands borst had neergebogen.1)

De ziel, „waar geen bedrog in werd gevonden,quot; Spreekt, dunkt mij, uit dit oog.!)

Daar zit hij, die zich boog Naar \'t heilig merk van des Gekruisten wonden.3) Mij trekt de kruin vooral,

Die \'t eerste vallen zal Om bloedend zijn geloofstrouw te verkonden.4)

Ziehier, die \'t vroegst het Godslam zoo beseheiden Navolgde waar hij trad,

En straks het voorrecht had.

Een broeder op dien goeden weg te leiden.s) Zie hier den Tollenaar,

Op de eerste roepstem klaar Om lief en leed met Jezus te verbeiden. G)

Toont niet dit oog, waarin de vonken gloren. Van noö bedwongen gloed Eens IJveraars gemoed? — \')

Ziedaar den mond, die ongeloovige ooren Genas door \'t „Kom en Zie!quot;8)

Ziedaar de lippen, die Het „Heer, toon ons den Vader!quot; deden hooren. \'J)

En \'t ongeduldig woord: „Wat mag het wezen, Dat ge u aan ons verklaart,

En geenszins openbaart Aan al des werelds volken\'?quot; \'t kwam uit dezen.10) Nooit hoorden wij de stem Des broeders nevens hem;

Ook dien nochtans had Jezus uitgelezen.

Dit zijn zij; dit de mannen, zoo verscheiden Van gaven, aard, en naam,

Gewaardigd al te zaam Zgn godlijk Evangelie te verbreiden;

In Zijne school gekweekt Tot martlaars — Een ontbreekt.... Helaas! waar is „de plaatsequot; des misleiden? quot;)

Gelooft gij nu, gij, Broederen des Heeren?12) En voegt ge u in den kring,

340

-ocr page 373-

VlElt ENGELEN. 341

Die van zijn Geest ontving \'),

Nadat ge op aard zijn aanschijn moest ontberen? — O Moeder, welk een feest Der ziele! Hier geneest De wond, die \'t zwaard u sloeg, niet af te keeren.

Hij voer ten hemel in, dien gij zaagt slachten,

En die u van zijn kruis ^ Den zoon wees, in wiens huis

En hart een plaats was voor de diepste klachten Der moedersmart; maar nu!

De Zoons omringen u!

Dit overtreft gebeden en gedashten.

En met u zijn de Zustren; deze „Vrouwen!quot;

Haar liefde liet niet af,

Bij bloedig kruis noch graf.

Wat spelt mij hier het aanzijn dier getrouwen?

Dat Jfzus zijne kerk Ook door het stille werk Der moeder- en der zusterhand zal bouwen.

O Kleine schaar in de Opperzale! Vrede Zij u! - Voorspoedig zal Uw honderdtwintigtal Zich verveelvuldigen bij de eerste schrede.

Die gij daarbuiten zet!2)

Volhard in smeekgebed!

Tien dagen, en de Heer verhoort uw bede.

Dan dalen al de krachten, lichten, gaven Des Geestos op u neer.

Ten teeken dat die Heer Zijn heerlijkheid, door u, voor de aard wil staven. Dan schijnt de groote zon;

Dan zal de volle bron.

Door uwen dienst, den dorst der volkren laven.

VIER ENGELEN.

(Een Recitatief).

Wie is de Engel, die daar komt?

Zijn naam is leven.

Wat zal hij ons geven? Wat brengt hij onder zijn vleugelen mee? Strijd of vree?

\'J Joh. 20: 22.

-) Hand. 2 :41.

-ocr page 374-

vieb engelen.

Spaart uw vragen.

Plechtig zullen Een voor een Alle dagen Zich onthullen Zijn verborgenheên.

Een voor een Zal, bij \'t levenwekkend prikkelen Van elk volgend morgenlicht,

Bloem- op bloemknop zich ontwikkelen,

Gistren dicht.

Heden ontloken, ontploken, ontvouwd,

Met een nieuwe geheimnis in \'t harte van goud. Staat op en nadert onbeschroomd,

Brengt hem uw groete en eeren;

Gezegend ia hij, die daar koomt,

Koomt in den naam des Heereu!

Wie is de Engel die daar komt?

Zijn naam is vreuod.

Zijn aangezicht glinstert van eeuwige jeugd.

Rozerood als \'t morgenkrieken Zijn aan zijn schoudren de donzige wieken; Blijde als de dag Is zijn lieflijke lach;

Ketenen zullen zijn zilveren voeten,

Ketens van liefde ze kluisteren moeten.

Zal hij wat blijven en stille staan.

Hij komt om te gaan;

Hij gaat om te keeren;

Hij keert somtijds als smart vermomd. Om \'t even, wij zullen hem danken en eeren. — Gezegend is hij, die daar komt Komt in den naam des Hesren!

Wie is de Engel, die daar komt?

Zijn naam is leed.

Staat op en treedt Hem tegen om eerbiedig hem te ontvangen. Kust hem de harde hand en heet Hem welkom, schoon met bleeke wangen.

zal blijven;

Uen helderen hemel verdonk\'ren;

Hy zal blijven;

Lang zal de dag zijn, nog langer de nacbt. Tot dat, in zijn schaduw, de taak is volbracht En de kroon in het duister gaat flonk\'ren. Treedt toe, treedt toe, neemt met geduld Pen kolk, dien hij u langzaam vult.

-ocr page 375-

liefde tot jezus.

Zijn alsem zal niet deren;

\'t Is artsenij Voor u en mij,

Maar wat het zij —

Gezegend, gezegend, gezegend is hij,

Die komt in n^am des Heeren!

Wie is de Engel, die daar komtV Zijn naam ia dood.

Weest niet vervaard.

Maar den schedel ontbloot!

Want gij staat voor een koning zoo machtig en groet Den machtigsten koning der aard.

Glinstrend en kil als het kille zwaard,

Het kille zwaard, dat u zal vellen,

Is \'t oog, dat u in de oogen staart,

De lach, die u gerust wil stellen.

Bedwingt uw vreezen!

Mistrouwt hem niet!

Het is geen kwaad, dat u geschiedt;

Hij komt u bevrijden; hy komt u genezen,

Verbeidt uw lot!

Wilt ook in dezen Gezant van God Den Zender eeren.

En roept, daar zucht en klacht verstomt. Gezegend is hij, die daar komt,

Komt in den naam des Heeren!

Naar Anna Adelaide Procteb.

L

LIEFDE TOT JEZUS.

Naar een lied uit da SVe eeuw.

(van Baerthe de Kluizenaarster.)

Hoffman v. F. Niederl. Geistl. Lieder des XV. Jahrh. No. 92.

Horae Belg. X. 182.

ilooge vreugden zijn hierboven

Eu in eeuwigheid.

Waar de heilgen Jezus loven.

Die hij plaats bereidt.

M-ünen Heiland te behagen.

Kies ik voor mijn deel;

Daar voor sterven alle dagen Is mij niet te veel.

343

-ocr page 376-

344 VERZEN.

Die des Heilands vriend wil blijven. Zoekt met veel gebeên

Uit zijn boezem weg te drijven Lust en ijdelhoên.

Die zijn Heiland mag beminnen Uit een rein gemoed,

Ziet zijn waar geluk beginnen,

Al zijn schuld geboet.

Die zijn Heiland toe mag hooren, Diens geluk beklijft;

Want zijn hart heeft uitverkoren \'t Goed, dat eeuwig blijft.

Die vrijmoedigst kan betuigen Dat hij Jezus mint,

Zal ootmoedigst, nederbuigen,

Volgen als een kind.

Die voor Jezus kan verzaken Eigen wil en wensch:

Welk een loon hem rijk zal maken Eaarnt geen zondig mensch.

Die aan Jezus \'t hart blijft schenken, Smaakt het zoetste zoet;

Al Gods wegen, woorden, wenken Zijn hem even goed.

Hem te zien, den Heer der Heeren, In zijn heerlijkheid;

Daarnaar strekt zich mijn begeeren, — Ware ik slechts bereid!

Wat is aan de vreugd gelegen Van een nietige aard?

\'t Innig hart vliegt Jezus tegen En wil hemelwaart.

VERZEN.

De verzen zijn bokalen.

Waarin een dichter zijn gedachten giet. Een vers is goed of niet,

Naarmate \'t vol is tot den rand, dien niet kan halen, Of over-yliet.

-ocr page 377-

ROEPSTEM. — AAN ZEKEREN OUDEN BOOM.

ROEPSTEM.

In bange dagen.

Haast, haast u, ber? u, vlucht in de Ark!

Laat geen Behouder wachten! De doodsschicht vliegt des daags naar \'t merk, De pest verpest de nachten.

Vlucht, vlucht in de Ark! De vloed stijgt hoog;

Luid bruisen storm en baren;

Zwart is het zwerk; toch kan uw oog Die toevlucht nog ontwaren.

Treed in, treed in! Is \'t eens te laat.

Dan blijft gij eeuwig buiten;

De deur, die nu nog open staat,

Is op het punt van sluiten.

Naar liet Engelscli.

AAN ZEKEREN OUDEN BOOM.

Ligt de bijl aan uwen wortel, Boom der boomen Opgekomen uit een heilig zaad,

In wiens loof de vooglen vroeg en laat Nestien zouden en ter ruste komen\'?

Meent men dat gij nutloos plaats beslaat? Hoopt men gansch geen vrucht meer van uw loten. Breed, maar al te welig uitgeschoten?

Schaadt uw lommer aan het jonger hout. Waar een nieuw geslacht zijn hoop op bouwt?

Ach wat krak, waar gij wordt omgehouwen. Wolk een smak zal \'t geven, als gij zwicht. Welk een vak zich opdoen aan \'t gezicht! Ja, men zal ten lichten hemel schouwen,

Maar verblinden zal voortaan zijn licht, En verbrandend zal de hitte gloeien.

En de ruigte en \'t klemmerkruid verschroeien. Dat veel loofs en weinig wortels heeft. Van den drop slechts levend wat het leeft.

Doch men krijscht; „Laat ons den boom verderven! „Voor zijn stam en takken geen gena! „Wat te lang gestaan heeft, staat tot scha; „Wat zijn tijd heeft overleefd moet sterven.

„Roei hem uit, dat zelfs zijn naam verga!quot; Glinstrend rijst de bijl voor aller oogen, Kn — de zwarte misdaad wordt voltogren?

-ocr page 378-

man van den dag. —

346

in schoon maak stud.

Neen, mijn Boom! is vruchtloos U bekampt!

Gij groeit voort; de schendige arm verlamt.

Svellerla non puote,

Se da* cardini suoi non svelle II Mondo.

Francesco Gianni.

MAÏS VAN DEN DAG.

Voor u uit, voor u uit bruisen de baren;

Achter u, achter u sluit zich de stroom; Rechts cn links, rechts en links knielen de scharen, Wuiven de kransen en trillen de snaren;

Achter u, achter u eindigt de droora.

Bij uw graf, ora uw graf staat men verslagen, Storten bewondraars met vrienden en magen

Lofspraak en klachten om\'t hartlijkst en grootst, \'t Graf wordt gesloten — onmisbre! wij weten, Heftig geprezen is haastig vergeten.

Luide gekreten is spoedig vertroost;

Snel is de keer van bewogen gemoederen;

Al te luid. al te luid loofden de broederen; Al te stil, al te stil houdt zich han kroost.

IN SCHOONMAAKSTIJD.

De man, die op den schoonmaak knort, Heeft geen verstand, mevrouwen!

Hij doet uw schoonste deugd te kort; Wat deed bij ooit te trouwen?

Voor mij, \'k vergrijp mij nooit zoo grof.

Maar zing uw lof.

Omringd van stof, En denk het vol te houen.

Uw netheid doet ons tweemaal \'s jaars Ter baaierd wederkeeren;

Al dunt dit haar bewonderaars,

Ik blijf uw moed vereeren.

„Tohoe wabohoe,quot; hebt geduld!

Eer drie paar weken zijn vervuld.

Zie dan eens wat gij zeggen zult. En wat u deert, mijnheeren!

Dan zien wij, na \'t verwoedst geklop. Uit wolken stofs en stroomen

Van golvend vocht en schuimend sop.

-ocr page 379-

VKUBETEU, EN VERHITTEK NIET. — KEN GOEDE U A AD VAN I.AVATEK. 347

Onze oude wereld weder op-

En boven water komen.

\'t Is alles helder als een glas;

Een frissche geur van kalk en was Wordt overal vernomen.

En wat verscheurd is — is verscheurd,

Wat weggevaagd — gevlogen,

Wat afgekeurd is — afgekeurd.

Aan aller blik onttogen.

\'t Vernieuwde ... (Val niet! Deze mat

Is wel wat glad!...)

Zal uw geluk en iet of wat l)e nieuwjaarsschuld verhoogen.

VERBETER, EN VERBITTER NIET.

Verbeter, en verbitter niet;

Toon goedheid, toon vertrouwen! Een oog, dat scherp, maar zuiver ziet. Kan bij het kwade, dat geschiedt, \'t Aanwezig goede aanschouwen.

Rechtvaardigheid alleen behoedt

Het zwakke voor versterven; Miskenning dooft den laatsten moed En helpt den struikelenden voet Te wisser ten verderven.

Gij zaagt wel menig strijdgenoot. Getroffen door des vijands lood.

Herstellen van de wonden,

Waarin men wijn en olie goot.

En die, al was de hoop niet groot.

Verpleegd werd en verbonden.

Maar waar men zei: ,Zoo goed als dood!quot; En hem op \'t veld liet smachten. Was niet veel heil te wachten.

EEN GOEDE RAAD VAN LAVATER.

Vertrouw hem weinig, die te mild. Met zoeten lach en streelend woord. Aan Jan en en Alleman verspilt Een lof, die enklen slechts behoort,:

-ocr page 380-

UW TIJD.

Maar eindloos minder uog den man, Die altijd rondziet of hij niet Iets vindt dat hij berispen kan, En liever schrolt dan hulde biedt;

En allerminst en allerlaatst Het onverschillig koud gemoed.

Door niets geërgerd, niets verbaasd. Dat enkel trots en twijfel voedt.

Naai- Adelaide Anna Pkoctee.

UW TIJD.

Wilt ge ooit iets goeds beginnen; Uw tijd moet gij beminnen,

Uw tijd; een andren hebt gij niet. De vorige verdwenen.

De aanstaande is niet verschenen; Bemin het geen gij voor u ziet.

Vertwijflend aan het Heden,

Te leven in \'t Verleden,

Wat is het anders dan Een schaduw te vergoden.

Den levenden te dooden Voor d\' afgestorven man\'?

„De Toekomstquot;... Neen, mijn vrinden! Daar is geen hoop te vinden

Dan waar men liefde vindt; De moeder te verachten,

Is weinig goeds te wachten Van \'t ongeboren kind.

„Mijn tijd heeft veel gebrekenquot;.. Daar moogt gij tegen spreken;

Ik bid u, vlei hem niet.

Maar goeds kunt gij niet stichten Zoo lang rasp, in uw richten,

Geen richter, maar een vijand ziet.

Wilt gij uw tijd bestieren,

\'t Is beter dan hem vieren.

Hem volgen als zijn knecht;

Maar hartlijk moet gü wezen En in uw oog doen lezen:

„Ik deed u gaarne recht.quot;

348

-ocr page 381-

in bet nijenborgsche bosch. — „kennis is macht.quot; 349

Beleedigend beklagen

Heeft niemand ooit doen slagen

Tot winning van \'t gemoed;

De scherpe hekelroede Veroorzaakt leed of woede,

Maar doet den minsten harten goed.

Slechts hij mag alles zeggen,

Die in zijn toon kan leggen

Het harte van een man,

Door liefde altijd rechtvaardig,

Grootmoedig, edelaardig,

En die in alles komen kan.

IN HET NIJEN.BURGSCHE BOSCH.

Aan mijne Vrouw.

Zoo kirde de tortel, zoo geurde het kruid.

Toen ik hier u mijn min heb beleden;

Zoo speelde het zonlicht door \'t bladrijke hout.

Toen ik hier u den nood mijner ziel heb vertrouwd. Uwe hand in de mijne is gegleden.

Tien jaren verliepen, vervlogen veeleer;

Onze liefde, ons geluk was gestadig.

Eenmaal dreigde, eenmaal ging er een zwaard door mijn ziel. Eenmaal was \'t of, in u, mij het leven ontviel —

Maar God spaarde u en bleef ons genadig.

Sinds leeft gij, sinds straalt ge, in onschendbare jeugd,

Als een beeld van gezondheid mij tegen;

In uw oogen de tintling van levensgenot.

Op uw lippen de lach van den vrede met God.

Op uw voorhoofd het merk van zijn zegen.

Nog tien jaren, mijn dierbre! Is het leven niet zoet

Voor wie \'t zoetste des levens niet derven?

Nog tien jaren; nog twintig (of vraag ik te veel?),

Met den hemel in \'t harte en met u tot mijn deel, Om daarna in uw armen te sterven.

Juli 1869.

„KENNIS IS MACHT.quot;

Kennis zij macht: geen macht is goed geplaatst.

Ten zij er Wijsheid zij, er boven, of er naast.

-ocr page 382-

AAM EBN PAS GBLEERDE. — DE Wlhd AAN ENZ.

STAR EN KUS.

Een star voor \'t voorhoofd van den Man,

Een eerkrans voor zijn haren,

Die, in een nacht van donkerheid, Een licht van kennis heeft verspreid, En \'t duister op doen klaren!

Een kus voor \'t voorhoofd van de Vrouw,

Door englenmond te geven.

Die kindren van een edel bloed In eedlen geest heeft opgevoed.

En in hun ziel blijft leven!

AAN EEN PAS GELEERDE.

Beschimp geen voorgeslacht, omdat het weinig wist Van \'t geen \'t onmooglijk weten konde.

En maak \'t niet tot zoo groot een zonde,

Zoo \'t slechts vernuftig heeft gegist.

Zoo gij, wiens wijsheid bij \'t vergaderen

Der vrucht van andrer arbeid blijft,

Geleefd hadt in den tijd dier vaderen,

Wier vonnis uw verwaandheid schrijft,

In ons \'waar \'t nimmer opgekomen Met u te spotten, naar ik acht;

Want vriend! van lieden van uw kracht Heeft nooit het volgende geslacht Den naam of eenig woord vernomen.

DE WILG AAN EEN DICHTER.

Zie het dichtstukje getiteld „Wilgen,quot; in do „Kunstkrcnijkquot;; 1869. Afl. 3. bl. 9.

Wat maakt gij, in uw schoone zangen.

Waar aan ik willig hulde doe,

Mij uit, als deugde ik nergens toe.

Dan om uw harp aan op te hangen?

Schoei ik de voeten van den schamelen Niet trouw en zorglijk met mijn hout?

Doe \'k, als mijn bloesem zich ontvouwt.

Geen overvloed van honig zamelen?

Want bloesems draag ik, talloos velen En van de besten, die al vroeg,

360 STAB EN KUS. —

-ocr page 383-

IN HET DIACONESSENHDIS TE UTRECHT.

(Al zijn ZO „een maagdquot; niet mooi genoeg\'), Den smaak der jonge bijen streelen.

Besehermen mijn gevlochten twijgen, ^

Al steun ik tempeldak noch wand,:)

Niet heel een dierbaar vaderland,

Wanneer de felle waatren stijgen.

Een loflijke eik schaff\' boom en duigen, Tot berging van een kostbaar nat;

Maar mijne hoepels vormen \'t vat — Zoo nuttig zijn ze, die zich buigen.

En schoon ik zaag noch schaaf verdrage, De draaibank noch den vuurhaard dien, Toch wil ik van een Dichter zien Dat hij van mij met lof gewage.

Of is auN houtskool niet de beste?

(Getuig, vermeld het Kunstkronijk!)_

Waard dat een liubens, een van Dijk Daarmeê zijn meesterstukken schetste?

IN HET DIACONESSENHUIS TE UTRECHT.

De hemel doe zjju zegen dalen,

Zijn gunst bekljjv\'

Op dit Bethesda en zijn zalen,

Veel meer dan_„vijfquot;!

Zijn Englen zende hij, zijn krachten,

Tot hulp gereed,

Voor hen, die hier genezing wachten. Uit ziekte en leed!

En Jezus zelf doe, in hun midden,

Zijn aanzijn kond,

„De maagd, die wenscht een krans te winden,

Waar meê ze borst en lokken tooit,

Weet In uw groen geen bloem te vinden,

Geen bloesem die zijn knopje ontplooit.quot;

Wilgen.

„De priester, die \'t gewelf ziet zakken

Des tempels, waar hü de offers biedt,

Zoekt staf en steun, maar uit uw takken Bouwt hij de hechte pilaars niet.

Alleen de dichter, die zyn zangen Niet voor de wereld zingen wil.

Komt aan uw twygen \'t speeltuig hangen;quot; enz.

Wilgen,

-ocr page 384-

vaderi.andsciik leuzen.

En make er, op \'t ootmoedig bidden,

De ziel gezond!

Men hoore er \'t ruischem Zijner schreden,

Als Troost en Baat Voor doffen geest en kranke leden Hier ommegaat!

Men voel de aanraking Zijner handen,

In \'t zacht geduld.

Dat daaglijks, binnen deze wanden.

Zijn taak vervultl Men z\' quot;quot; \'\' \' ie aangezichten.

Men smake er, bij de vele zorgen

En zware taak,

In hangen nacht en droeven morgen.

Iets van den smaak,

Der vreugde, die in \'t hart zal stroomen,

Als \'t uur zal slaan.

Waarin de Heer zal wederkomen, En zeggen: Zusters! wel gedaan!

VADEELANDSCHE LEUZEN.

„Je maintiendrai.quot; De Koning leve! Een dankbre natie schraag zijn troon!

Haar liefde is perel aan zijn kroon. „Je maintiendrai.quot; De Koning leve!

,Vive le gucux.quot; De Vrijheid bloeie!

Oranje in \'t hart en niemands knecht! De vrijheid is het heiligst recht.

„Vitte le gueux.quot; Zij bloeie en groeie!

„Eendracht maakt macht.quot; De Vrede blij-ye! Eén vorst, één volk, één wet, één wil!

Geen Godsdiensttwist; geen Staatsgeschil! „Eendracht maakt machtV\' Haar werk beklijve

„God zij met ons.quot; Alleen Zijn zegen Geeft aan ons pogen kracht en klem. God zij met ons, en wij met Hem!

God zij met ons, in voor en tegen!

352

-ocr page 385-

s levens doel. — in den zomer.

\'S LEVENS DOEL.

„Iets te zijn, iets te zijn is de droom van den knaap, „En de worstlnig des mans, iets te worden;

„Maar op eens overvalt ons de oneindige slaap,

„Terwijl we ons de lenden nog gorden.

ets geweest, s1ets geworden,quot; schrijf dat op de zerk „Die het stof van zoo menig komt drukken,

„En gij, volgend geslacht! drijf uw vruchteloos werk, „Tot ook gij voor uw noodlot moet bukken.quot;

.Is de doodslaap het einde, is een graf het besluit, „Welk een ijdle vermoeiing is \'t leven!

„Altijd haken naar morgen; het heden vooruit „Met begeerten, gedachten, en streven...

„En de toekomst is niets, is een eeuwige nacht,

„Is een slaap zonder droom, zonder woelen\'?

„O mijn God! welk een spel met het menschlijk geslacht „Met de wezens, die denken en voelen.quot;

Neen! Zoo wreed is geen God, geen Oneindige Geest Die den eindigen geest, heeft doen worden;

Geen wreedaardige scherts is zijn oogmerk geweest,

Maar een school tot verhevener orden.

Neem het aan, wat de stem in uw boezem u zegt. En gehoorzaam de drijving des geestes.

En \'t krijgt alles zijn doel, zijn gewicht, en zijn recht, Wat tot hiertoe uw kwelling geweest is.

Neem het aan! Zet uw voet in de wegen van God, — En het licht gaat u op uit de nachten!

Wijs het af — en verga in uw redenloos lot. Uw onvruchtbre verspilling van krachten.

IN DEN ZOMER.

O laat mij dwaltn, laat mij dwalen Door akker, veld en dreef;

Laat me onbekommerd ademhalen En voelen dat ik leef!

Laat mij de klare beek zien vloeien Door dit vergeten dal.

Waar schoone bloemen eenzaam bloeien, En niets ze storen zal!

Laat mij de lieve zonnestralen,

Van \'s hemels hoogen trans.

Op enkel schoonheid neer zien dalen. Die zettende in haar glans!

TTT.

-ocr page 386-

IN DEN ZOMEB.

Laat, in dees kostlijke oogenblikken,

De zachte harmonie Mijn zinnen en mijn ziel verkwikken,

Van \'t geen ik hoore en zie!

Het windje strijkt langs ritalend loover.

Waarin een vogel fluit;

Het bijtje gonst met wellust over

\'t Naar honig riekend kruid; Het speelziek vischje, \'t stil geklater

Verstorende der bron,

Vertoont zijn schubben boven \'t water. Die glinstren in de zon.

En al wat ademt, ademt vrede

En rust en stil genot,

En deelt mijn hart de kalmte mede

Van zijn gezegend lot;

En alles vraagt of schijnt te vragen.

Lucht, water, plant en dier:

„Mensch. die gevoelt! van welke slagen „Klopt U de boezem hierVquot;

Laat, laat mij hier den tijd herdenken

Van \'s levens morgenrood.

Toen niets het vol genot kon krenken.

Waar \'t hart van overvloot;

Toen alles licht was voor mijn schreden,

En bloemen voor mijn voet. En knoppen, die zich opendeden.

Zoo rijk van geur en gloed.

Laat, laat mij, uit de rust van heden,

Terugzien op den strijd,

In \'t diepst des boezems uitgestreden,

In \'s levens heetsten tijd!

Er vielen slagen, vielen wonden.

Al bracht geen voorhoofd ze uit; Zij zijn genezen en verbonden.

En heilig is de buit.

Laat hier mijn hart zich voorbereiden

Op d\' avond van mijn dag.

Die, eer men \'t wacht, zijn schaduw spreiden,

Zijn koelte brengen mag.

Mijn bloemen voor mijn oogen sluiten,

Mijn zon doen ondergaan.

Mijn arbeid en genoegens stuiten, Het scheidensuur doen slaan.

-ocr page 387-

AT GEEF IK OM EES WERELDDEEL. — GEBONDEN STIJL.

Oob of mij in een oord als dezen De slaap bevangen mocht;

Mijn laatste rustplaats hier mocht wezen,

Zoo stil en onbezocht;

Mijn sluimren, onder gindsche zoden,

Waar langs het beekje zwiert, En afgezonderd van de dooden.

Wier graven men versiert!

Dat HiEK de liefde tusschenbeien —

(De liefde; zij-alleen!)

Een stillen traan bij \'t graf mocht schreien.

Waarin miin asch verdween,

Maar ook bekomen van haar smarten,

Vertroost en opgeleid Tot een zoet voorgevoel des harten

Van \'t stil giluk der eeuwigheid.

WAT GEEF IK OM EEN WERELDDEEL?

Wat geef ik om een werelddeel\'?

\'t Is mij te groot, \'t is mij te veel!

Dat ééne land is mij genoeg,

Waar mij mijn lieve moeder droeg.

Mijn vaderland, mijn vaderland,

ü blijft mijn hart verpand!

Wat maal ik om de groote stad?

Ik ben ze moe, ik ben ze zat!

Mijn needrig huis, mijn lief gezin.

Daar leef ik en daar zweef ik in;

Mijn eigen baard, mijn eigen haard.

Gij zijt mij alles waard!

Wat stoft men my van geld of eer?

Ik heb veel beter, \'k heb veel meer!

Een goeden God, een vroolijk hart,.

Een bron van troost in zorg en smart;

God zij geloofd. God zij geloofd,

\'k Heb wat geen mensch me ontrooft!

GEBONDEN STIJL.

Gewis, voor wie de kunst verstaat,

Zijn rijm en maat Geen blok aan \'t been, maar vleugels; Doch uw „gebonden stijlquot;, mijn vriend. Die wel te recht dien naam verdient. Vliegt — als een kind in beugels.

-ocr page 388-

de kek1£ of den vluchtheuvel ingewijd.

DE KERK OP DEN VLUCHTHEUVEL INGEWIJD.

(19 Juni 1870.)

De Kerk op den Vluchtheuvel is de kerk, dooi\' mijn vriend Heldring, uit vrijwillige bijdragen, gebouwd, op den kunstmatigen heuvel, welken zijn volhardende ijver, op deze voorwaarde, door vereenigde kracht van Rijk. Provincie, en Gemeente heeft weten te doen opwerpen, onder Valburg, in het midden der Betuwe, ten behoeve der bewoners der z. g. velddorpen, d. i. van die dorpen, die te ver van den dijk liggen om, bij overstrooming en watersnood, tot dezen de toevlucht te kunnen nemen.

Die kerk is ruim genoeg, eu behoorlijk ingericht om, bij dergelijk, altijd mogelijk, onheil, eene groote menigte menschen behoorlijk te kunnen herbergen en hun vee te stallen; maar in gewone tijden strekt zij tot bedehuis voor de verpleegden en verplegenden in de drie gestichten van christelijke liefdadigheid (het Asyl Steenbeek, Talitha Kujii en Bethel) op kleiner of grooter afstand van den heuvel gelegen, alsmede voor de kweekelingen en het onderwijzend pertoneel der Normaalschool voor Onderwijzeressen in Christelijken zin en geest, van alle welke inrichtingen, in een zelfden oord, in de laatste vijfentwintig jaar, achtereenvolgens verrezen, dezelfde Heldring niet alleen de Stichter, maar ook de Hoofdbestuurder, de Leeraar en de Ziel is en lang nog blijve!

Op den zondag der plechtige inwijding van deze kerk. was de morgendienst met het zingen van Ps. 84: 1 (tlue lieflijk, hoe vol heilgenot, enz.) aangevangen, en had Heldring aanleiding ;ot zijne toespraak genomen uit de woorden Joh. 1: 47. „Kan uit Nazaret iets goeds zijn? — Kom en zie!quot; In den avonddienst, waarin ik de hier volgende verzeil voordroeg, hadden o. a. eerst de Boetvaardigen van het Asyl Gez. 39: 1. \'2, 8, {Jezus neemt de zondaars aan, enz.), later do kinderen van Talitha Kuuii (er worden er ongeveer 150 verpleegd) Gez. 52: 1, 2, 8, (Geloofsartikelen) gezongen, en de jonge dochters der Normaalschool een heerlijk koorgezang uit Psalm 84 doen hooren.

Zie verder over den Vluchtheuvel: Bethel. Alm. voor 1870, blz. 72 en volg. (Rotterdam, M. Wijt eu Zn.)

De hand van God bekroont het werk

En doet zijn goedheid prijzen:

Daar staat de heuvel, staat de kerk.

Die tot zijn eer mag rijzen.

Daar staat ze, en ziet op \'t landschap neer. Zoo rijk gezegend door den Heer,

En wijst, om Hem te loven,

Met stillen ernst naar boven.

356

-ocr page 389-

DE KERK OP DEN VLUCHTHEUVEL INGKWIJD.

Daar staat ze, om op denzelfden prond De kracht van \'t Kruis te toonen,

Waar eens het hoidensoh altaar stond Van Bato\'s ond?te zonen.

Daar staat zij, lieflijk middelpunt,

Dat God ons in zijn liefde gunt,

Van wat die liefde werkte.

Wier hand Hij vulde en sterkte.

Daar staat ze, een vrucht der lijdzaamheid Van \'t onverwrikt vertrouwenquot;.

Dat, daar \'t gedwee Gods tijd verbeidt, Beloond wordt met aanschouwen.

Daar staat ze, en noodigt van rondom

Gods kindren tot haar heiligdom.

En heeft haar deur ontsloten Voor kleinen en voor grooten.

Wij traden aan; een bonte schaar,

Door éénen Geest verbonden;

Wij hebben bij dit Gods-altaar Ken lofzang opgezonden.

Wij hoorden de evangeliewet:

„Het goede komt uit Nazaret;

De Goede komt tot allen,

„Die aan zijn voeten vallen.quot;

Hoe troostrijk klonk dat troostrijk lied, üw lied, o Magdalenen!

„De Hoer verwerpt de zondaars niet, „Die aan zijn knieën weenen.quot;

Hoe schoon beleed der kindren stem

Het zaligend geloof in Hem,

Die met het zachtst ontfermen Hen opneemt in zijn armen.

Hoe treffend heeft een frissche jeugd,

Bij \'t morgenrood van \'t leven,

V?.n godsvrucht boven wereldvreugd Den psalmtoon opgeheven;

„Hoe lieflijk is uw woning. Heer!

„Eén uur is in uw Huis mij meer „Dan duizend elders, Heere!

„Waarbij ik u ontbere!quot;

Hier, hier is Bethel, hier „een poort Des hemelsquot; Bethelieten!

Hier waar u \'t evangeliewoord Dit zuivre bron mag vlieten;

-ocr page 390-

ub kekk op dun vl.uchtheuvel ingewijd.

Hier waar de onzichtbre ladder staat, Waarlangs het op en neder gaat, Geredde zielen stiigen,

En englen nederzijgen.

0 onze Heldring! Vader, Vrind,

En toevlucht van zoo velen!

Bemind door al wat God bemint,

En in uw werk mag deelen; Voorganger, voorbeeld, elk ten baat. Van trouw der liefde in woord en daad. Door rein geloof gesteven.

Wat dag is u gegeven!

Nu staat het Gonshuis opgericht

In \'t midden dier gestichten.

Waarop des hemels zegen ligt.

Om over \'t land te lichten;

De plaats der Toevlucht voor den dag Van bang gejammer en geklag (God late \'t nooit gebeuren!).

Dat dijk en dammen scheuren;

Een plaats van Zogen, te aller tijd,

Voor die vertroosting vragen, In zielenood, in boezemstrijd.

Om \'s levens last te dragen; Een plaats van Redding, voor de ziel, Die in den strik des satans viel: Een plaats om \'t hart te sterken Tot lijden en tot werken.

Zoo zij \'t. Algoodo! uw macht en kracht

Blijf met hem t\' allen tijde;

ü.v oog houde over \'t huis de wacht,

Dat hij u needrig wijdde!

Die hand, waaruit hij kracht ontving Pjn zegening op zegening,

Die hem op al zijn wegen Gesteld hoeft tot een zegen;

Die hand hou hem nog menig jaar

Staande in \'t gezegend midden Der tot uw troon gevluchte schaar.

Die aan dees plaats zal bidden; Die hand blijf zorgen vroeg en laat Voor allen waar dat hart voor slaat, Dat in zoo vele nooden Heeft troost en hulp geboden.

-ocr page 391-

FEESTZASO.

Komt broedren, 7,ustren, oude en jeugd!

Op dezen dag der dagen,

Dankt allen God, en weest vevheugd,

Voor wat onze oogen zagen!

Gelijk onze aanvang zij ons slot; „Hoe liefljik, boe vol heilgenot.

„Is mii uw huis, mijn Heer, mijn God!quot; .. Denkt op een dag als dezen: „Wat zal de hemel wezen?quot;

FEESTZANG,

gezongen op bet Algemeen Evangelisch Nationaal Zendlngsfeest, gehouden te Helloo, den 22 Jnnl 1870.

Alle heuv\'len, alle dalen

Loven \'sHeeren liefde en macht;

Waar de zon verspreidt haar stralen,

Waar de maan verlicht den nacht,

Waar geen dauw of regen falen.

Waar een bloeiende aarde lacht; —

Alle heuv\'len, alle dalen,

Loven \'s Heeren liefde en macht.

Alle kusten, alle stranden Prijzen Christus, onzen Heer;

Waar zijn heilgezanten landden Met zijn kruis- on vredeleer;

Waar zijn liefde deed ontbranden Dankbre harten tot zijn eer.

Alle kusten, alle stranden Prijzen Christus, onzen Heer.

Vrede en zegen, vrede en zegen.

Kroost der Vaadren! over \'t oord.

Waar hun heidensch oft\'erplegen Door uw Heiland werd gestoord;

Waar de ruwste kreten zwegen Voor den klank van\'t zachtste woord!

Vrede en zegen, vrede en zegen,

Vrede en zegen zij dit oord!

Blinkt in \'t zonlicht, Hollands duinen! Hollands beemden, Hollands bosch!

Ruischt haar \'t loflied, hoogste kruinen! Met uw groenen bladerdos;

Bloem en vrucht van Hollands tuinen. Spreekt ons van de Liefde Gods!

Blinkt in \'t zonlicht, Hollands duinen! Hollands beemden, Hollands bosch!

359

-ocr page 392-

buktvaakuiüheiu.

Klaarder zon is nooit gerezen,

Hooger boom nooit opgegaan,

Rijker bloemhof nooit geprezen,

Schooner vrucht lacht niemand aan.

Dan die u bekend mag wezen,

^ Sinds gij \'t Godswoord hebt verstaan!

Klaarder zon is nooit gerezen,

Hooger boom nooit opgegaan!

Zon des hkils, verlicht alle oogen!

Godsboom, sprei uw takken wijd!

Al gij Vooglen; komt gevlogen,

Waar gij vrij en veilig zijt!

Heiland, door uw alvermogen,

Bloei heel de aarde in God verblijd!

Zon des Heils, verlicht alle oogen!

Godsboom, sprei uw takken wijd.

BOETVAARDIGHEID.

{Naar gegeven aanleiding.)

Dogmatische tranen schrei ik niet;

Maar van smart en berouw kan ik weenen.

Om mijn eigene zonde en mijns naasten verdriet, En het meest als zich beiden vereenen.

Niet „omdat ik in Adam verloren ben;quot;

Maar omdat ik mijzelf ging verliezen

Op_ wegen, waarvan ik de dwaasheid erken.

En die \'t zondige hart mij deed kiezen;

Niet „omdat van de pest, die in Kurdistan woedt,

Alle zonde, ook mijn zonde de schuld is,quot;

Maar wanneer door mijn toedoen een broederhart bloedt, Of van angsten en zorgen vervuld is;

Ziedaar wat mij leed doet, beschaamd maakt en smart, Wat mij de oogen kan over doen loopen,

Mijn verstand heeft geen tranen, hun bron is het hart. En \'t getroffen gevoel zet die open.

_0 mijn God! wees genadig, vergeef mij de schuld. Die \'k met droefheid, in ootmoed, belijde!

Ik besef dat gij \'t kunt; ik gevoel dat gij \'t zult, Zoo ik \'t kwaad, dat ik haat, ook bestrijde.

360

-ocr page 393-

OP I KM AN DS BLADVULLINGEN. - CAKPE DIEM. - J AN VEELSOHRIJ V EB, ENZ.

OP IEMANDS BLADVULLINGEN.

Bladvulling noemt gij \'t; ik zou meenen Dit zijn ,vei\'vull(inde edelsteenen.quot;

CARPE DIEM.

Waar \'t leven van gemaakt ia

Zij kostlijk in ons oog! De vluchtige uren spoeden,

Niets kan den tijd vergoeden, Die eenmaal ons ontvloog.

Ontvloog ons goud en zilver,

Waarop de wereld drijft,

Schoon \'t zuchten op doe stijgen. Het is nog weer-te-krijgen. Zoo ons de tijd maar blijft.

Blijft hun de tijd maar over,

Die rozen baren kan,

Al keven goede vrinden, Zij kunnen \'t nog weer vinden; Maar is hij om, wat dan?

Dan als dat woord moet komen, Dat vreeslijk woord: te laat! Begint een leed te kwellen.

Door niets ter zij te stellen, En waar geen troost voor baat.

JAN VEELSCHRIJVER..

Jan met zijn slecht voorzienen kop

Schrijft over alles, zonder schromen ; Daar zit voor hem niets anders op Om nog eens achter iets te komen.

GRAIN DE BEAUTÉ.

Quel neo, quel vago neo!

maui so. Die Mael, die soete Mael.

Hutgens.

De vervallen Schoonheid spreekt.

rTen dage van mijn bloeiend schoon, ,Verdronken in een vloed van rozen,

,Deê \'t zwarte stipjen op mijn koon

-ocr page 394-

Ö62 GOlgt; IS LIEPBB. — DE GEBROEDERS TB TADÜA.

„Die niet dan des te schooner blozen;

.Maar nu ik rimplig ben en oud, „Nu schi)nen_ de eertijds malsehe konen „Niets dan dien doodsvlek te vertoonen „Aan die mijn bleek gelaat beschouwt.quot;

Antwoord.

Zoo gaat het. Wat men gaarn vergeeft, Als duizend lieflijkheên \'t vergoeden, Kan voor hard oordeel niét behoeden,

Wanneer het blijft en ze overleeft. Onze ouderdom komt met gebreken. Maar niet slechts dit! Het oud gebrek, Klks aangeboren moedervlek Doet hij, helaas! te sterker spreken.

GOD IS LIEFDE.

ijod is liefde, \'t Is zijn liefde, \'t is de liefde, en niet een wet, Die de dingen draagt en koestert en hun ondergang belet.

DE GEBROEDERS TE PADUA.

Epn oude en nieuwe geschiedenis.

Het was een avond schoon en stil.

Twee broeders stonden naar \'t azuren, Gestamde firmament te turen.

Op eens ontstond een zot geschil.

ANSELMO.

Indien ik zooveel grond bezat Als de uitgestrektheid dezer hemelen!

barto^o.

Indien ik zoo veel schapen had Als ginder zilvren starren wemelen!

anselmo.

Wat zoudt gij met uw schapen doen?

bartolo.

Op uwe weide zou ik rekenen.

AKSELMO.

En weigerde ik n gras en groen?

bartolo.

Dat zou bij mjj niet veel beteekenen.

-ocr page 395-

de gebroeders te padua.

anselmo.

Hoe dan?

bartolo.

\'k Joeg toch mijn kudde er in.

anselmo.

Dat zou ik wel beletten!

bartolo.

Waarmee?

anselmo.

Wel, \'k heb nog meer of min Vertrouwen op de wetten.

baïttolo.

Kaar \'t weiloon werd u toegeteld! Ik zou u goed betalen.

anselmo.

\'k Ben niet verlegen om uw geld.

bilttolc.

Dat kon nog wel eens falen.

anselmo.

Elk schaap, waarmee ge in \'t mijne vielt, Zou ik den kop vei-pletten!

bartolo.

En ik de wei, die gij me onthieldt, Gansch onder water zetten,

anselmo.

Gij schelm!

b\'.rtolo.

Gij Vrek!

ANSELMO,

Pas op!

bartolo.

Geen nood!....

Do, twist ging altyd verder. Op \'t laatst, de degens raakten bloot, En \'t einde was — wr heider dood, Grondeigenaar en Herder!

363

-ocr page 396-

— GROOT GEMAK. —

HA UT EN GEEST.

HEB LIEF.

HART EN GEEST.

Een enkle vonk valt in de ziel;

Een snaai- van \'t hart begint te trillen; De vlam gaat op, de zang ontwaakt; De band der tong wordt losgemaakt; En \'t lied stroomt, dat wij hooren willen.

Maar waar die vonk ontbreekt, die snaar Niet trilt, vergeefs verhit zich daar

De geest eens dichters rol te spelen; 7Ajn keurigst werk voldoet ons niet. En zijn volmaakt, maar ijskoud lied Zal ons volmaakt vervelen.

GROOT GEMAK.

Alle schoonklinkende thesen

. Zijn klokspijs voor Jan Fol-van-Kop;

oewezen of niet bewezen.

Hij eet ze voor waarheid op. t Verwondert mij niet van dat heertje; T , \'t Verschijnsei verklaart zich terstond

in t vacuum komt een veertje

En een goudstuk gelijk op den grond.

IJ EB LIEP.

(Naak Fkeiwgbath.)

O Heb toch lief zoo lang gij kont.

Zoo lang u God nog tijd verleent;

Daar komt een dag, daar komt een stond.

Dat ge aan een grafkuil staat en weent.

Zorg dat uw hart van liefde brand\'

En branden blijve en niet verkoel.

Zoo lang daar van een andren kant Iets voor u klopt met warm gevoel.

En zoo dat andre hart zich sloot,

O Rust niet voor gij \'t weder-wint!

Blijt altijd goed en welgemoed;

Bemin het tot het u bemint.

Maar ach, bedwing vooral uw tong!

\'t Onvriendlijk woord ontsnapt zoo snel.

\'t Was niet zoo hard gemeend als \'t klonk;

Maar dien het krenkte onthoudt het wel.

-ocr page 397-

strozzi\'s bijschrift op michel ANGELo\'s beeld „de nacht.quot; 365

0 Heb toch lief, zoo lang gij kont, Zoo lang u God den tijd verleent!

Daar komt een dag. daar komt een stond, Dat ge aan een grafkuil staat eu weent.

Dan knielt gij op do zode neer,

Of ligt wanhopig uitgestrekt — Helaas! uw doode keert niet weer! — Op wat hem voor uw oog bedekt.

Dan kermt gij: „Zie nog eenmaal cp Tot hem, die bij uw groeve weent! Vergeef hem \'t leed, dat hij u deed; \'t Was waarlijk niet zoo boos gemeend!quot;

Geen oor, dat hoort, geen oog, dat ziet. Geen wang, die meer uw kus ontvang! De mond, de doode mond kan niet Meer zeggen: ik vergaf \'t u lang.

Toch deed hij \'t; hij vergaf \'t u voort; Maar menig bittre traan vloot neer, Om u en om dat vreeslijk woord —

Maar \'t is voorbij; het deert niet meer.

O Heb toch lief, zoo lang gij kout. Zoo lang u God den tijd verleent;

Daar komt een dag, daar komt een stond, Dat ge aan een grafkuil staat en weent.

STROZZI\'S BIJSCHRIFT OP MICHEL ANGELO\'S BEELD „DE NACHT.quot;

De Nacht, die gij hier slapen ziet,

Is, bij een Engel, uit een marmergroef geboren;

Zij leeft, want anders sliep zij niet;

Wie twijfelt, wek haar, en zij zal \'t hem zelv\' doen hooren.

Michel Angelo\'s antwoord voor zijn beeld:

Mijn slaap is zoet; \'t is goed van steen te wezen In dezer tijden schande en druk;

Niet zien, niet hooren is een groot geluk;

Spreek zacht; niets moet ik meer dan \'t wakkerworden vreezen.

üit liet Italiaansch.

-ocr page 398-

NATÜÜRKEÜS. - H ED END A AG SCIIE METHODE. - TIJDENS DEM OORLOG.

NATUÜRKEUS.

Aan —

Naxüüb is en doet ALi.Ea; dat\'s de leus;

Lang droeg zij zorg; nu heeft zij zelfs een keus:

Verkiezino en Verwerping, harde namen Toen ze uit de pen van godgeleerden kwamen, Natuurgeleerdheid brengt ze weer in \'t land!

Maar kiezen onderstelt toch oordeel en verstand;

Verstand is Geest, geen Stof. Een Geest, die \'t al omspant. Uit alles en voor allen kiest, de velen En \'t enkle kent en keurt en uitzoekt, is — is — God? Dien wilt gij niet — maar wel met woorden spelen. Leenspreuken, die \'t gemis van wat men mist verhelen, De leer, waarvoor gij strijdt, ten spot.

Tntussohen doen ons deze tropen,

Door hun onmisbaarheid, op beetre wijsheid hoper.

Nature is but a name for an effect, Whose cause is God.

COWPER.

hedendaagsche methode.

Dresseeren, dresseeren.

Schoon \'t hier en daar een geest verstompt, Ziedaar wat onzen tijd behaagt.

En met examineeren De schoonste vruchten draagt!

Eerst moet een .iongling vol-gepompt,

En dan weer \\eamp;g-gevraagd.

TIJDENS DEN OORLOG. 1870, 1871.

I.

UE OUELOG Vi;IIKLAAKD.

De dag der slachting is gekomen;

Het lot der volken wordt beslist. Het schorre krijgsgeschrei vernomen,

En moed en moedwil aangehitst. Haast dreunt de buskruitdonderknal, Waarop de bloedstroom volgen zal.

Kan niets, o God! den storm bezweren. Den toorn verbidden, die hem wekt,

-ocr page 399-

TIJDENS DEN OOKLOQ.

Den vuurvloed, eer hij uitbreekt, keeren,

En half een wereld overdekt?

Gij kunt het, elke macht te sterk,

Maar niet dan door een wonderwerk.

Of moet het, naar Uw raad, geschieden.

Wat wederzijdsohe wrok verlangt\'?

Heet Gij de driften uit te zieden,

In \'t berstend hart vergeefs geprangd? Bereidt, door d\' onvermijdbren strijd, Uw wysheid ons een beetren tijd?

Moet de oorlogsvlam, waar wij voor huiveren.

Die zooveel goeds verdelgen zal, Den dampkring van de smetten zuiveren,

Die krankheên telen zonder tal,

En branden distlige akkers schoon.

Opdat een beetre vrucht zich toon?

O, maak het kort! Voleindig spoedig

Uw goed, maar vreeslijk werk, o Heer! Bestraf, beteugel, maak ootmoedig,

Doe recht, en — geef den Vrede weer! Den Vrede, die, na bang gemis,

Den volken dubbel dierbaar is!

27 Juli 1870.

11.

BEMOKDIGING.

Neen! nog is Neerland niet in nood. Al hebben vorsten \'t zwaard ontbloot.

Al rees de krijg uit \'s afgronds kolken; Al had verborgen staatsmanslist Het in gedachten uitgewischt Vau uit de rij der volken.

Die \'t op de rol der volken schreef, In zoo veel nooden \'t sterken bleef.

En \'t uitgered heeft zoo veel keeren; Die \'t eigen taal en volksaard schonk, Die nooit gewild heeft dat het zonk. Regeert en blijft regeeren.

En zoo een natie, onder God,

Op Vorsten zien mag, en zijn lot

Mag toebetrouwen aan zijn helden; Oranje leeft; en \'t Neerlandsoh bloed

367

-ocr page 400-

368 TIJDESS DEN OOKLOG.

Zal niet verzaken d\' ouden moed,

Waar \'t vrijbeid, recht, en eer zou gelden.

Lig waakzaam neer, zie rustig rond; Gij hebt nog tanden in den mond;

Gij hebt nog nagels aan de klauwen;

Hebt immers nog een hart in \'t lijf,

O Leeuw van Neerland\'? Leef, en blijf De pijlen bij elkander honen!

Aug. 1870.

nr.

HET SLAGVELD VAN GEAVELLOXTE.

Hoe liggen op de velden Door de oorlogsplan g vernield,

Do wederzijdsehe helden

Verwond, verminkt, ontzield!

Als rijpe korenaren,

Na \'t vlijtig sikkelslaan,

Als dorre en — groene blaren, Na \'t woeden van d\'orkaan!

Hier is een hoofd gevallen,

Veel honderd hoofden waard;

Het heeft die duizendtallen Gerangschikt en geschaard;

Het zag voor duizend oogeu; Het dacht voor heel een heir...

Eo\'n kogel komt gevlogen — Het ziet en denkt\'niet meer.

Hier ligt een hart doorschoten. Aan alle deugden rijk;

Van duizend strijdgenooten.

Geen enkle dien gelijk;

Voor kindren, gade, vrindui. Oneindig goed en trouw —

Gij zult zijn graf niet vinden, Bedrukte weduwvrouw!

Dees hand, van d\' arm geslagen. Die nog voor \'t laatst vertrok,

Heeft wondren op doen dagen Uit marmerblok bij blok;

En deze vuist, om \'t wapen Bestorven, dat zij droeg.

Won voor een huisvol knapen Den kost, bij spade en ploeg.

-ocr page 401-

TIJDENS DEN OOKLOQ.

Dees heeft er veel genezen,

Gered uit ziekte en dood; Die, velen onderwezen,

Die, schafte duizend brood.

Dees zag zich \'t deel beschoren, Zoolang mot smart verwacht; Diens zon begon te gloren.... Nu drukt hen ééne nacht.

O Mannen, vaders, broeders. Aan huis en volk zoo nut! 0 zonen, van uw moeders Het sieraad en de stut!

Gij keur en kern van \'t heden,

En hoop der toekomst! Spreekt Wie zal uw plaats bekleeden? Wie komt, waar gij ontbreekt?

Gij kunt geen antwoord geven;

Stil zwijgt gij in uw bloed; Zooëven nog vol leven,

Vol levenskracht en moed. Gedachten, wenschen, beden,

Scherts, ernst, en luim, en lust, Op eenmaal afgesneden.

En alles uitgebluscht!

Daar ligt gij onbegraven.

Onkenbaar, wild dooreen;

Reeds zweven kraai en raven

Bloeddorstig om u heen. Wat baat u, doode helden!

Of danfe en lofgeschal üw heldendood vermelden En uitbazuinen zal?

Trompetten, pauken, trommen!

Een nieuwe dag breekt aan, \'k Zie nieuwe heldendrommen

Vol geestdrift strijdwaarts gaan. De hooge vaandels wapperen;

Het schittrend morgenlicht Blinkt op \'t kuras der dapperen -Het is een schoon gezicht.

Daar knallen de eerste schoten!

Daar rijst het woest misbaar! Daar naadren zich en stooten De legers op elkaar!....

-ocr page 402-

TIJDENS DKN OOKLOG.

Uit duizend donderslagen

Ontwart zich — zegezang!

Maar \'s Hemels Englen klagen: Hoe lang nog, Heer! hoe lang?

Aug. 1870.

IV.

riTBOEZEMING.

(Na Se.ian.)

De Heer regeert! Een beter tijd

Is voor deze aard geboren.

Mot bloed en tranen ingewijd,

Komt hij te voorschijn uit den strijd, Om als een zon te gloren.

Europa zal niet langer aan

Parijs bevelen vragen;

Niet meer aan Franschen leiband gaan; Een beter licht zal bovenstaan; Een schooner dag za.1 dagen.

Baar zal een hart, daar zal een hoofd,

Daar zal een geest regeeren.

Die in den hoogen God gelooft. En \'t eindeloos gesnoef verdooft Van helsche mode-leeren.

De vrucht des denkenden verstands.

De kracht van wijze wetten.

De deugd der vrouw, de trouw des mans, Der zuivre zeden reine glans Zal \'t nieuwe voorbeeld zetten.

De wind zal uit een beter hoek

Langs alle bergen stroomen, En maken alle harten kloek. Die sidderden voor ban en vloek Van een onfeilbaar Romen.

„Ttalia fara da se,quot;

Van \'t Fransche blok ontslagen: En Spanje, in onrust of in vreê, Beschikt zijn eigen wel of wee,

Naar eigen welbehagen.

De Britsche Luipaard scheeloog vrij; Zijn hulp is overbodig;

370

-ocr page 403-

tijdens den oorlog. 371

De vrees voor Frankrijk is voorbij;

Het tegenwicht aan de overzij Der waatren niet meer noodig-.

Want de Aadlaf.r, die nu zweven mag

Op zijn verbreede vlerken,

Houdt alle volken in ontzag Met dien geduohten vleugelslag,

Waarin hem God blijf sterken.

Hij zal roofgierig zijnen blik

Op vriend noch vreemde vesten,

Geen vrijen lokken in den strik,

Geen vredelievenden met schrik Opjagen van hun nesten.

Maar onder zijner vleuglen schauw

Wat saambehoort vergaderen,

TSewaken \'t met zijn oogen trouw.

En weren fel met neb en klauw Al wie zijn horst durft naderen.

Ook gij, mijn Vaderland! zult vrij.

Zult onafhanklijk blijven;

Mits zich uw hart in \'t recht verblij____

Het is eens dichters profeoij,

Die ge in uw boek moogt schrijven.

5 Sept. 1870.

V.

A AX LODEWIJK NAPOLEON.

Geen schimp of smaad op uw vernederd hoofd, Van Cesars krans, Augustus kroon beroofd,

Geen spotkreet bij dien glans, op eens verdoofd, Na tergend blinken!

Maar deze vraag bij \'t blusschen van een zon, Wier nedergang geen wonder schorten kon. Of God u onrecht doet, Napoleon!

In \'t roemloos zinken?

Uw vijand dreef u toornig voor zich heen; Uw leger weet zjjn rampen u alleen;

Uw volk verzaakte u; u ter gunste geen Een woord dorst wagen;

-ocr page 404-

tijüens den oorlog.

Uw Keizerin verborg haar machtloos schoon; \'t Rampzalig kind, veroordeeld tot uw troon, Verwenschte \'t uur, dat hem van Keizerszoon Den naam deed dragen.

En nu! \'t Is uit. Gevangen; weggevoerd; Dat trotsohe hoofd geknakt, die mond gesnoerd; Gebracht waar gij zoudt komen, waar gij zwoert Te zegepralen!

Waar zijn de vleiers nu des „Grooten Mans?quot; Wat doen voor hem Europa\'s Vorsten thans\'? Zij koesterden zich gistren in den glans.

Dien hij deed stralen.

Ach gij bedroogt, en werdt bedrogen. Schijn, En anders niet, mocht uwe grootheid zijn.

Maar de Almacht sprak te harer tijd: „Verdwijn, „Wees niet met allen!quot;

Hier viel, getroffen door een bliksemstraal,

Geen Aadlaar uit de lucht, als de eerste maal, Alleenlijk is van zijn te hoogen paal Zijn beeld gevallen.

Gij weet het, die uzelven kennen moet;

Wiens hart alleen verachting heeft gevoed Voor wat er boog en omkroop voor uw voet. En heimlijk lachte.

Die vreugd is uit, in bitterheid verkeerd; De laatste lach is uit uw ziel geweerd; Zij lachen, die gij \'t lachen hadt verleerd — In uw gedachte!

O Raas niet op „dien helschen keer uws lots!quot; Buig neer de kruin! Erken het oordeel Gods! Het wreekt niet slechts uw Keizerlijken trots. Uw godheid-spelen!

Het wreekt de trouw en de eer, door u verzaakt, Den meineed, die u Keizer heeft gemaakt, Den gruwelnacht, dion gij hebt doorgewaakt Met moordbevelen.

Het wreekt.... O gij zult weten wat het wreekt, Zoo maar \'t geheugen werkt, \'t geweten spreekt. De wroeging haar verterend vuur ontsteekt. De hamer, die het hardste hardsteen breekt, Den berg kan sloopen.

372

-ocr page 405-

TIJDENS DUN OORLOG.

Zich opheft en zijn werk doet, onverkort! Vorst! Al uw wonderboomen zijn verdord; Uw üabelstoren ligt in puin gestort; Alleen als ook uw hart verbrijzeld wordt. Staat iets te hopen.

5 Sept. 1870.

vr.

AAN KONIIvG WILHELM.

Vervolg uw weg, voorspoedig Held! Wat kan uw loop beperken?

Gij hebt den Arend neergeveld; Gij kort den Haan de \\ lerken.

Gij .jaagt hem wreevlig binnen t hok.

Bedreigt zijn sluiting en zijn stok, Verleert hem \'t koningkraaion, Kn laat uw toorn niet paaien.

Verschriklijk maakt uw lood en staal Ken eind aan \'t roekloos tarten.

Aan hol gezwets en leugentaal Van diepbedorven harten

De Seine, bevende en in pijn.

Betaalt voor uw bedreigden Rijn;

Parijs zal aan uw voeten Berlijnsche drooraen boeten.

Niet altijd zal, niet langer mag — üw veerkracht zal het keeren —

Een driest, een ingebeeld gezag Geheel Euroop regeeren;

Niet langer, met de hand aan \'t zwaard,

Eén volk de schrik zijn van heel de aard. Maar u een waarborg schenken Van niomands rust te krenken.

Zoo zij \'t! Doe, in dos vredes naam. Dien dienst aan \'s werelds volken!

Een dankbaar nakroost zal uw faam Verheffen tot de wolken.

Maar beeft uw arm die taak volbracht.

Maak, maak geen misbruik van uw kracht. Wees van \'t geslacht dergenen, Wie rookend puin doet weenen.

Bestrijd den snoever; straffe uw kling Die vruchtloos zich verzetten;

Maar ga geen overwonneling

373

-ocr page 406-

TIJDENS DES OOliLOQ.

Met jizren voet verpletten.

Schenk aan ootmoedigen den vree, En keer een sla.gzwaard in de schee, Onwillig opgeheven,

Waaraan geen smet mag kleven.

Geen smet van heerschzucht, smet van roof

Onteer \'t rapier des braven!

liet mag geen nooit te dempen kloof

Van wrok en wrevel graven. De laüwer, nie dat zwaard bedekt. Zij een, die \'s vuands eerbied wekt. Die achting vindt bij allen. En \'s Hemels welgevallen.

Geen weekheid — gij gedenkt uw plicht

Aan zooveel heldenzielen,

Als, de oogen op uw doel gericht.

Getroost op \'t slagveld vielen! — Maar kracht! De kracht van\'t zelf bezit, Dat, na\' \'t beschieten van zijn wit.

Geen nuttelooze pijlen Het wit voorbij doet ijlen.

Men kroon met onverderHljke eer,

Die steden wint en sloten;

Hij, die zijn geest beheerscht, is moer,

is grootste van de grooten.

Die eer zij uwe, o Vorst! Zij zegt Meer dan een landwinst, die niet hecht, Dan, op uw zilvren haren.

De frissche lauwerblaren.

2 October 1870.

Vil.

KOODKKEET VAN DEN STILL FIN BUKGEU IN \'T QEXEISTEBD FllANJIllIJK.

(Jij Engel van den vrede.

Gij Bode van \'t geluk,

Keer weer op onze bede En red ons van den druk! Wij hebben reeds zoo lang Onze armen uitgeslagen,

Met bidden en met klagen En tranen op de wang.

Onze akkers zijn vertreden. Ons kudden zijn verjaagd:

\'4

-ocr page 407-

TIJDENS DtóN OORLOG.

Verwoest zijn onze steden. De straten leeg gevaagd. De vaders zitten neer, De moeders staan verslagen, De bruiden jammerklagen. De zonen — zijn niet meer.

Och, dat zich God erbarme,

En zyne slaande hand Afkeere van dit arme,

Verdrukte vaderland!

Zij heett met hecht verscheurd; Dat ze uit genade heele!

Al zijn de zonden vele En alle gunst verbeurd.

December 1870.

vin.

de hoofdstad der beschaving.

Een ruige balk, een ruwe plank Dient wel geschaafd, maar niet te lang; Verschaaf ze niet tot enkel krullen! En is die dwaasheid eens verricht. Voorzichtig dan met vuur en licht! Want waar de vonken vallen zullen.

Ontstaat meteen een laaie gloed. Waarvan de vlam, niet licht te dooven. Met helsche schittring stijgt naar boven. En denklijk groote schade doet.

De „Hoofdstad der Beschavingquot; is Geschetst in dees gelijkenis; Zij schijnt geheel vEiischaafd te wexen Tot fraaie krullen, licht en fijn, Die overal bewonderd zijn En om haar sierlijkheid geprezen.

Die krullen vatten dikwijls vuur; Ook zit er harst en olie tusschen;

En siddrend wacht Europa \'t uur Dat zij niet meer zijn uit te blusschen.

1871.

IX.

i\'aiujs in opstand.

Der Vaadren ondervinding baat Niet aan hun kindren, schoon zij \'t hopen; \'t Kroost wil zijn eige\' erval-ing koopen.

375

-ocr page 408-

376 TIJDHNS DEN OORLOG.

Ook die op bloed en tranen staat. Geschiednis! vruchtloos predikt gij üw lessen voor der volkren ooren:

Een nieuw geslacht wil, vrij en blij, Alleen zijn eigen wijsheid hooren.

Gemeene onachtzaamheid vergeet De roede, die haar heeft geslagen;

En soms schijnt tegenwoordig leed

Tot nieuwe dolheid op te jagen____

O Stad der Dwaasheid! viel te kort. Te licht u \'t leed, dat ge in uw muren Van vreemden vijand moest verduren,

Dat gij u-zelf ten vijand wordt?

Verlustigt ge u in smart op smarte. En strijkt gij, mot verblinde drift. Aan nieuwe dolken \'t oud vergift-.

En zet ze u roekloos tegen \'t harte;

Strooit vuur en vonken overal.

En juicht als gij de vlam ziet lichten.

Die \'t overschot vernielen zal,

Waarop gij \'t nieuw gebouw zoudt stichten?

Godloochnaresse, die uw lot In eigen handen meent te dragen

En op zijn hemeltroon bespot.

Die tot u spreekt in donderslagen!

Is dit het einde of \'t eind nog niet? Zal straks de ontzette wereld hooren:

„Wat lang gedreigd heeft, is geschied; ,Parijs ligt in baar bloed te smoren ?quot;

Of zal een vuist, die d\' arm verplet. Die wreevlig staat naar eigen leven,

Nog eens de macht zijn, die u redt. En aan den zelfmoord uitstel geven?

Een schijn van rust, door machtloosheid, Waaruit u nieuwe toorn zal rukken En dan den gruwel doen gelukken.

Dien gij uzelf hebt opgeleid?

Of moeten nog verscheiden malen —

Dat uw verderf te wisser zij — De wisselingen zich herhalen Van machtloosheid en razernij?

Hem, dien gij loochent, is \'t bekend;

Geen sidderenden stervelingen.

Die u, in telkens nauwer kringen,

Zien wervlen naar \'t noodlottig end.

April 1871.

-ocr page 409-

TIJDENS DEN OORLOG.

X.

AAN EEN GEWEZEN lilCHTER.

De gruwelwereld is gekomen.

Die uw verbeelding heeft gestreeld, De werklijkheid dier wilde droomeu,

Door koortsig bloed in \'t brein geteeld. De hel, waarin gij zijt gedoken

Om kleuren voor uw schilderij, De gansche hel is losgebroken En dankt u voor uw poëzij.

De Thracer temde woudgedrochten

Door onweerstaanbaar citerslaan: Gij lokt de monsters uit hun krochten En moedigt ze in hun woestheid aan. Afgrijslijk toonen ze ons de tanden

En brullend vliegen xe op den roof, Met oogen, die van bloeddorst branden, En ooren, als van de adder, doof.

O Dichter, geest van eedier orden.

Van hooger aandrift eens geblaakt, Wat is er van uw volk geworden?

Wat hebt gij van uw volk gemaakt? Ach, mannen zonder eer of waarde.

Ach, vrouwen zonder schaamte of tucht. Zich wentlende in het slijk der aarde. En azende op verboden vrucht!

Een jonglingschap, voor geestvervoering, Voor \'t beste en hoogste doof en koel. Onvatbaar voor de zachte ontroering

Van eedle liefde en rein gevoel; Ontvlambaar slechts voor spoorloosheden,

Voor weelden van \'t ontuchtig bed. En met de heiligschennendste eeden Verbonden tegen orde en wet!

Een ras van bandlooze onverlaten,

In list en misdaad uitgeleerd,

Zijn gruwlen plegende op de straten, En tegen God en mensch gekeerd. Godloochnaars, moordnaars, moordnaressen,

Brandstichters vol va*n woede en haat, De vrucht van de ingezogen lessen U spuwende in \'t verschrikt gelaat.

Voorwaar, de goden zijn rechtvaardig; De hand, die hen trotseert, verdort;

-ocr page 410-

TIJDENS DKN OOUIiOtl.

De zanger, ranp en plaats onwaardig,

Wordt van zijn hoogte neergestort. De geest is lang van u geweken;

De hemelgalm ontvluchtte uw lier; Een snorkende onzin werd uw spreken, Uw zang een krijschend straatgetier.

Gi] houdt van vorsten, na de onttroning,

Uw smaad terug; \'t is welgedaan!

Ook zelf zijt ge een onttroonde koning,

Een star geworpen uit haar baan.

Schier onherkenbaar ligt gij neder.

Met wat van vroeger lauwren rest.

Bij \'t goud, gewoekerd door die veder, [)ie smaak en zeden heett verpest.

Geloof niet dat ge u op kunt heffen.

Iets doen. iets zijn kunt als weleer! De vloek, die u de kruin moest treffen,

Duldt zelfs geen schijn van grootheid meer. Vergeefs den blik omhoog geslagen,

Ten heldren liohtkreits opgestaard! Die aadlaar, die u heeft gedragen,

Is in een borstlig zwijn ontaard.

Mei 1870.

XI.

PARIJS IN BRAND.

\'t Groote Babel zinkt ineen,

Gaat in vlammen op en vonken;

Al zijn pracht heeft uitgeblonken,

Al zijn grootheid ligt vertreên.

Wat het krijgszwaard heeft gespaard,

Valt voor oproertoorts en dolken.

Tot een prediking den volken.

Tot een schouwspel voor heel de aard.

Waar is thans uw flonkerkroon,

Trotsche koningin der steden,

Die ii knielend hulde deden,

\'t Hoofd ontblootten voor uw troon? Wio het waagde tegen u

Woord of vinger op te heffen,

Zou de vloek der wereld treffen . .. Wie, onschendbre! schendt u nuï

Waar blijft thans de tooverkracht.

Die de koningen verleidde,

378

-ocr page 411-

tijdens den ooklog.

Die den volken strikken spreidde,

Allen aan nw voeten bracht\'? \'t Laatste spcor van schoon verdween, Is afzichtlijkheid geworden,

Sinds de omhelzinsr woester horden, Eerlooze! u verdraaglijk scheen.

Dit is aller weg en lot.

Die niet veile schoonheên pralen: Altijd laag en lager dalen.

Eerst aanbeden, eens bespot!

Eerst vorstinnen, weeldrig, rijk.

En voor vorsten slechts toeganklijk, Straks van minder liên afhanklijk; Eindlijk wentlende in het slijk!

Eindelijk vertrapt, verjaagd, Opgeofferd, prijsgegeven,

Om op \'t gasthuisstroo te sneven.

Door geen eerlijk hart beklaagd ... Neen! niet dus is \'t dut gij sneeft! Doodgegeeseld door uw beulen,

Moot uw lijk op \'t raijtvuur smeulen, Dat hun woede ontstoken heeft.

\'t Groote Babel zinkt ineen.

Gaat in vlammen op en vonken;

Nero zwaait de toorts brooddronken,

Duizend Nero\'s, teelt van Een! Wat het tachtig jaren lang Heeft gezocht op al zjjn wegen, Is verworven, is verkregen.

Heeft het nu: zus ondeuüang.

Volkreu! ziet gij over de aard Ginds die dikke rookwolk hangen. Telkens door een vlam vervangen.

Die ten hoogen hemel vaart\'?

Daar. daar bloeide \'t paradijs, \'t Paradijs der booze geesten.

Stad van bloed en gruwelfeesten, \'t Hemeltergend wuft Parijs.

God ontfermt zich, en geen wind Doet de vlammen feller woeden;

Maar, om \'t vreeslijk vuur te voeden,

Uvren zinloos vrouw en kind! \'t Kwaad wil door het uiterst kwand

37 J

-ocr page 412-

tijdens den oorlog.

Zich zijn eigen loon verachaffen; God behoeft het niet te straffen; \'t Straft zich zeiven en vergaat.

27 Mei 1871.

xn.

caesar tetumphator.

Memento hominem case.

Gedenk een sterveling te wezen,

Verwinnaar, vorst en held!

Uw zegeboog staat hoog gerezen;

Uw lauwer is besteld;

De J^eugd strooit bloemen voor uw voeten,

Al \'t volk verheft uw deugd; De Schoonheid haakt uw blik te ontmoeten De Grijsheid beeft van vreugd.

Gedenk een sterveling te wezen!

Toon wijsheid, toon verstand!

Te hoog geloofd, te luid geprezen Voert op des afgronds rand.

De roem verblindt; de lof doet dwalen;

Verbijstrend is de macht;

Geur uit afgodische offerschalen Is doodlijk in zijn kracht.

Gedenk een sterveling th wezen!

Verwacht eens stervlings lot!

Eén wolkjen aan de kim gerezen,

Maakt al uw glans ten spot.

De krans verdort; de wierookwalmen

Vervliegen; \'t is gedaan;

En, voor het luidst hozannagalmen,

Vangt „Kruist hem! Kruist hem!quot; aan.

Gedenk een sterveling te wezen!

Het eind is nimmer ver.

Zij \'t leven in uw oog te lezen:

De dood treedt naast uw kar.

Eén wenk! Uw luister is verdorven.

Uw kracht voor goed geknot.

Eén wenk! De stervling is gestorven;

De Gesar staat voor God.

Gedenk een sterveling tk wezen!

Gelukkig, die \'t bedenkt;

Die \'t kan gedenken zonder vreezen.

380

-ocr page 413-

TER GEDACHTENIS. 381

Waar God hem grootheid schenkt;

Wiena innigst hart op keizerskronen

Noch veldt eerslauwren teert.

En zich indachtig weet te toonen Wie rekenschap begeert!

Mei 1871. _____

TER GEDACHTENIS.

Aan u, mijn viertal zonen,

Die God mij gaf en nam,

U wijde ik deze tonen;

U, takken van mijn stam Zoo pijnlijk afgereten,

ü, perels rein en schoon.

Gevallen van mijn kroon.

Vervangen, niet vergeten!

Gij zijt mij vroeg ontvallen,

Mijn kleine naamgenoot!

U zag ik eerst van allen

Zoo bleek op moeders schoot;

Dat mondje zoo vertrokken.

Dat oogje zoo verflauwd.

En met koud zweet bedauwd Die lieve, blonde lokken.

Reeds groenden drie maal zeven

Meimaanden om uw graf;

Van voor mijn geest te zweven

Laat nog uw beeld niet af.

Nog zie ik honderdmalen,

In nacht en eenzaamheid.

Die armpjes uitgebreid,

Die zachtblauwe oogjes stralen.

Maar de engel, dierbaar zoontje!

Wier borst u had gevoed Kn met dat rozekoontje

Beschonken uit haar bloed.

Heeft slechts een zestal jaren Uw vroegen dood beweend;

Toen werd ook zij vereend Met hemelsche englei^scharen.

Ach, Godsgaaf1), mij geschonken Toen \'t liefste mij begaf,

1

De Benoni van bl. ITê; Zyn doopnaam Theodoras beteekent Godigacif.

-ocr page 414-

TEK GEDACHTENIS.

Uw troost heeft kort geblonken,

Uw steun brak spoedig af! Gij hadt geen moed het leven Te aanvaarden moederloos;

Dies, na een korte poos. Uw zieltje heen ging zweven.

Toen ik ter aard bestelde

Uw lijkje, dierbaar wicht! Een tweetal mij verzelde

Met diep bedrukt gezicht,

Mij, bij dat graf verzwolgen In onuitspreeklijk wee: Wie dacht dat een dier twee Zoo spoedig u zou volgen?

Mijn Marten, lieve Marten,

Hoe heb ik u bemind!

Gij waart de trots mijns harten,

Mijn eerstgeboren kind;

Gijhebt mij \'t eerst doen weten Wat zaligst is, wat bangstquot;, Wat, na\'eens Echtvriends angst, Eens Vaders vreugd mag heeten.

Gij hebt mij \'fc eerst doen smaken

Dat daaglijksch zielsgenot, Dat nog mijn hart doet blaken Van gloênden dank aan God, Als \'t oog zich mag verlusten Aan \'t zich ontwikklend wicht, En op een lief gezicht.

Daar \'t zieltje doorbreekt, rusten.

Gij hebt mij \'t eerst gegeven

Dien vadernaam zoo zdet,

Dien gij, door al uw leven,

Ontzien hebt vroom en goed; „Wat zal van Marten groeien?quot; Vroeg vol van hoop ons hart: Wee onzer! Marten werd Gestuit in \'t weligst bloeien!

Gestuit en afgesneden.

In \'t midden van mijn vreugd Om zoo veel lieflijkheden,

Verstand en kinderdeugd.

Om zoo veel kostbre gaven Van hoofd en hart tezaam.

382

-ocr page 415-

TER GEDACHTENIS.

In staat om van mijn naam Ook verder de eer te staven.

Haast zijn het veertien jaren,

Dat u her, graf besloot,

En nooit rees van mijn snaren

Ken treursoon om uw dood. Ach, \'t lied. als \'t op wou stijgen, Werd in de keel gestuit — Een kleiner leed is luid, De groote smarten zwijgen.

Wreed graf, niet om te koopen

Door welke tranen \'t zij!

Gingt gij nog eenmaal open

Eer ge opengaat voor mij? Wat deerde u, lieve jongen!

Dat ge ons op \'t onverhoedst Uw lachjes weigren moest, Hoe we u om lachjes drongen?

Uw volle koontjes bleven;

Maar ernstig zaagt ge ons aan, Als waar de lust van \'t leven

Op eenmaal u vergaan. Wij peinsden, zochten, gisten Vol vrees, maar hoopten nog.... Uw oogje zei: „Wil toch De rust mij niet betwisten!quot;

Neen! rust, mijn viertal zonen!

Geniet een hooger heil.

Voor goud, noch eerekronen,

!Noch duizend levens veil!

Is u \'t geluk beschoren.

Dat God Zijn kindren geeft, Zoo gij bij Jezus leeft.

Heb ik u niet verloren.

Maar wat mij \'t aardsche leven Nog schenke of houden laat. Die plaats wordt nooit vergeven.

Die ge in mijn hart beslaat. Zoo min ik uwe namen Aan uw opvolgers gaf,

Gaat van uw deel iets af.

Voor hen, die na u kwamen.

Mijn dierbren, mij ontvloden! En gij, die kwaamt en bleeft!

383

-ocr page 416-

db vijftiende. —

384

VOOltZiENiöllElD.

Mijn levenden! Mijn dooden,

Die in den hemel leeft! Mijn groot, uiteen-getreden, Maar on-verdeeld gezin! Een zelfde vadermin Vereenigt al uw leden.

DE VIJFTIENDE.

Kom aan mijn hart, mijn vijftiend kind! Ik heb u net zoo lief als \'t eerste; Rijke ouderharten zijn de teerste; En voel hoe u een vader mint.

Kom in den kring, mijn kleine pop, Den wijden kring van kleine en grooten! Hij heeft met blijdschap zich ontsloten; Hij neemt u met gejubel op.

Doe niet als kleine Willem deed, Die, voor hij loopen kon of praten. Ons zonder reden heeft verlaten En heenging, tot ons bitter leed.

Doe wat de dochtertjes hier doen. Die allen \'t zelfde voorbeeld geven; Blijf vriendlijk lachen, bloeiend leven, En houd uw vaders grijsheid groen.

VOORZIENIGHEID.

Ook uwe haren des hoofds liin allen ; geteld.

O God! wat is dees nietige aard,

Dees vonk, die in \'t heelal mag gloren?

Gij ziet haar aan — zij is bewaard;

Gij wendt uw oog — zij is verloren.

Wat zijn die stai-ren hooggeloofd,

Wat die verbijsterende hemelen.

Waaraan hun myriaden wemelen.

Meer dan de haren van mijn hoofd?

Meer dan de haren van mijn hoofd,

Die Gij geteld hebt en geschapen,

Die niet verbleeken op mijn slapen,

En die mij tijd noch zorg ontrooft,

Tenzij Gij \'t wilt, almachtig God,

-ocr page 417-

VOOKZIEmGlIEID. — HET pohtret. 385

Die aan een Niet het Al doet hangen, l)

Bestuurder van zus orde en gangen,

Regeerder van mijn leed en lotï

Ach \'t grootste en kleinste. Hemelheer!

Slechts door uw macht uit niet gerezen,

Blijtt door die macht alleen in wezen,

Behoeft haar daaglijks evenzeer.

Gij houdt aan \'s hemels hoogen trans De zon in hare baan gebannen;

Gij houdt het vlerkjen uitgespannen Yan \'t mugje, dansende in haar glans.

Het groeiend en het .denkendquot; riet,2)

Gij kunt het een als \'t aar verpletten;

Maar wilt gü zijn verderf\' beletten,

De wind, die krookt, verbreekt het niet.

Deez adem, die uw lof vermeldt,

0 God almachtig! steunt op d\'uwe\';

De, luchtstroom, daar \'k mijn lied aan huwe,

Gij hebt zijn trillingen geteld.

Gij telt de kloppingen van \'t hart,

Dat uwen naam noemt, God des harten!

Zijn tranen, zuchten, vreugden, smarten, Zoo wonderbaar dooreengeward.

Zijn, in hun samenhang, gewicht.

Hun vrucht en doel, uw werk, uw gaven;

Zij zullen saam uw liefde staven,

Doorschouwd bij uw toekomstig licht.

Maar wat geen aardsch verstand doorziet,

Gevoelt met zekerheid daar binnen

Het hart, dat u bemint en niet.

Niet anders kan dan u beminnen.

In ü beweeg en leef en ben Ik, Heer en God van mijn vertrouwen! —

Het zij gelooven, \'t zij aanschouwen,

Genoeg dat ik uw liefde ken!

HET PORTRET.

I.

.Uw beeltnis, lieve man! Laat ook uw beeltnis ijiaken! ,\'t Was onder dit beding, dat \'k mijne maken liet,quot;

\') Zie Job 26 : 7.

-j L hom me n\'est qu\'un roseau, le plus faible de la nature, mais c\'ost unroseau l,ensant- Pascal.

in. 25

-ocr page 418-

het portret.

Zoo sprak de jonge vrouw, en streelde hem de kaken, En poogde boos te zien; maar dat gelukte niet.

„Gij hebt mijn photogram.quot;quot; „Gij \'t mijn\'; maar daarenboven „Begeerdet gij van mij een kunstwerk levensgroot.... „Gij fronst? Waar denkt gij aan?quot; „„Aan oude bijgelooven: „„Wiens beeltnis wordt gemaakt is dikwijls spoedig dood.quot;quot;

Hij schrikte zelf\' er van. „Zoo wondt gij mij vermoorden?quot;_ Een kus was \'t antwoord, en: „„Van vrouwen geldt het niet.quot;quot; „Van mannen evenminquot;, hernam ze, „en zulke woorden .Zijn dwaasheid in uw mond, en doen uw vrouw verdriet.

„Goedwilligheid, en trouw aan \'t geen gij mij beloofde,

„Ziedaar wat ik verlang; geen sprookjes, heer gemaal!

„Maar \'k zie wel dat het vuur der eerste liefde doofde....quot; Zoo schertste ze en ontvlood, en liet hem in de zaal.

„„Het zal geschieden, mijn lief vrouwtje! \'k Schrijf nog heden „„Den schilder!quot;quot; riep hij in den gang haar na. En zij:

„Heel goed! Wij zullen zien—quot; maar, keerende op haar schreden „\'t Portret moet vroolijk zien; zoo niet, behoud het vrij.quot;

De beeltnis werd gemaakt; \'t „lief vrouwtjequot; was tevreden.

II.

De morgenzon scheen fel op \'t gansch gesloten huis.

De koetsen rolden aan, waarin de volgers kwamen.

De buren staan op stoep of kijken door de ramen. De straatjeugd schoolt bijeen met min of meer gedruisch.

De zwarte lijkkoets, op wat afstands, staat gereed.

„Het is de mooie; met de pluimen; voor de rijken!quot;

„Dat deze rijk is, zal wel uit de draagplaats blijken;quot;

„\'t Was vijftien gulden bij zijn broer!quot; zegt een, die \'t weet.

En in het donkre huis verzamelt zich de stoet;

Heel stil en statig; witte dassen; zwarte rokken;

Het aanzicht droevig, of in droeve plooi getrokken; En fluistrend, juist zoo als ra\'in ziekenkamers doet.

„Daar \'s veel gebeurd, mijnheer! Sinds ik u laatstmaa\'. zag.quot; .„Dat moogt gij zeggen, \'t Is verschriklijk.quot;quot; „En zoo spoedig! „Voor veertien dagen was hij bij ons; heel blijmoedig;

„Maar toch; mijn vrouw zei: toch wat anders dan hij plag.quot;

En ginds: „Wie had dit kunnen denken, waarde heer? „Mij dacht dit was een man om honderd jaar te worden.quot; „„Wel zeker! en een man van regelmaat, van orden, ,De maatschappij mist veel —„En de arme vrouw nog meer!\'

386

-ocr page 419-

HARD EN ZACHT. — MISi\'AS. 387

,„Gelukkig zijn er liier geen kindren, en — geen zorg!quot;quot;

„Lhit\'a waar. \'t Zal evenwel een aaklig ledig wezen.quot;

„„Nu is \'t zoo erg nog niet; daar \'sveel te doen; na dezen, „„Na dezen dag, mijnheer, begint het; \'k sta u borg.quot;quot;

Gestommel in den gang; getrappel op de straat;

Een qopnen van de deur; een zacht gerol van raderen.

Die zich verwijdren, en van andre, die wat naderen, — Men spreekt wat luider, dat de stem er boven gaat.

Men ziet op \'t uurwerk; naar de deur; de deur ontsluit; Een heer in \'t kort, met bef en mantel, purpren konen En purpren neus, komt zich met deftigheid vertoonen,

En noodt „Van de eerste koets!quot; de heeren luidkeels uit.

„Het ging heel stil in \'t werk; zij heeft vast niets gehoord,quot; Zoo spreekt in de eerste koets, het viertal met vertrouwen. „Ik raadde haarquot;, zegt een, „haar kamer maar te houen, „Die achterhoven is.quot; „„Heel wijsquot;quot; is \'t wederwoord. \'

Maar die had opgezien naar \'t venster om den hoek Der pui, dat blinden had van buiten noch van binnen.

Had, door een smalle reet van \'t neergelaten linnen,

Een schoon gelaat aanschouwd, maar bleek gelijk een doek.

En die den zonnestraal, die dit bedroefd gezicht Verlichtte, verder met hot oog had kunnen volgen,

Had, achter \'t beeld van smart, in \'t wreedst gepeins verzwolgen Een vroolijk mansportret zien glinsfcren in zijn licht.

HARD EN ZACHT.

Spaar geen hardnekkigen.

Noch wees tegen zwakken fel;

Gisp de gebreken wel.

Maar beschimp geen gebrekkigen.

MISPAS.

Een valsche stap is ras gedaan. En, bij den spoed om voort te gaan, De onmooglijkheid om stil te staan.

Volgt al te licht een tweede; Ja ook de derde is op het punt. Indien men u den tijd niet gunt. Dat ge u eens wel bedenken kunt En letten op uw schrede.

-ocr page 420-

388 wk 1.eer en thans. — aan den apostel johannes.

Beschimp hem niet, die (arme ziel!) Dewijl hij zich aan \'t koord niet hiel, Pardoes van al de trappen viel. En pijnlijk ligt te kreunen;

Houd uw verwijten in den krop Maar pleister zijn behloeden kop, Eu geef hem, krabt hij weder op. Uw arm om op te leunen.

WELEER EN THANS.

Eer we onze tanden hadden,

Kregen wij moeders horst. En werden we alt^d Heerlijk gevoed;

Nu wij ze hebben.

Bijten we in alles,

Maar ach! niet alles

Bekomt even goed.

AAN DEN APOSTEL JOHANNES.

De Schilders iu \'t gemeen, die malen of verzinnen

Een Engel bij Matthijs of SerapMjnschen Man; Bij Marcus eenen Leeuw, verhit op overwinnen. Bij Lucas eenen Os, een* arend bij sint jan.

jeb. de decker.

Waak op mijn ziel! Paar stem en snaar,

En zing den vliegend\' Adelaar,

Die u een bode Gods mag wezen!

Des Heilands vilend, de groote ziel,

Die op zijn boezem nederviel,

En in zijn hart mocht lezen!

Die door den geest, die uit dat hart In \'t zijne drong, gedreven werd,

Als hij verkondde; „God is liefde.

De ziel, die liep heeft, is uit God,

Zij blijft in Goue. \'t Oüd gebod En \'t nieuw gebod is liefde!quot;

O Konings-arend! met wat pracht Sloegt gij de vleuglen uit, vol kracht; Hoe hemelhoog zijt gij gevlogen!

Hoe staardet ge, in \'t gebied vam \'t licht. De hoogste zon in \'t aangezicht Met onverbijsterde oogen!

-ocr page 421-

AAN DEN APOSTEL .TOIIANNliS. 389

Haar weerglans, nimmermeer verdoofd,

Blinkt heei-lijk om uw hals en hoofd,

.hn doet uw gulden veedren stralen;

Kn daalt gij in ons midden neer.

De balsemlucht van hooger sfeer Komt met u nederdalen.

Gij neemt ons op; gij draagt ons voort;

Gij zet ons neer in \'t heilig oord.

Waar wij den voetstap kussen mogen.

Door Hem in \'t aardsche zand geprent,

Wien de engel voor zijn Heer erkent.

En dient met pinkende oogen.

Gij stelt zijn beeld ons voor \'t gezicht,

\'t Is alles heerlijkheid en licht,

Wat de oogen zien, wat de ooren hooren.

Ons hart ontgloeit, gelooft, aanbidt,

(Geen zaliger genot dan dit!)

En ademt als herboren.

Maar eensklaps voert uw stoute vlucht ^ Ons boven wolken uit en lucht.

En alle starren, alle hemelen,

Tot waar de troon rijst voor ons oog.

De troon, waarom een regenboog 0 Zijn kleurenpracht doet wemelen.

De troon in \'t heiligst heiligdom .Der groote schepping Gods, waarom Zijn uitverkoornen zich verdringen, Het twalefraaal-twaalfduizendtal.

De schaar, die niemand tellen zal.

Hun halleluja\'s zingen.

Met u slaan we ook den Afgrond ga,

Gy zweeft den hemelsch\' engel na.

Wiens hand, naar Gods bevelen, beide Zijn sleutel, en de keten voert, .

Waar hij den Ouden Draak mee snoert,

Die \'t heidendom verleidde.

En waar uw breede vleugelslag.

Uw sterke klauw ons voeren mag,

In hemel, aarde, of hellekuilen:

Uw levenswarmte, uw liefdegloor.

Dringt koestrend tot de harten door.

Die ge aan uw borst doet schuilen.

-ocr page 422-

VOOU DEN KRIJGSMANSSTAND.

Hoogvliegende Arend! merkt gij niet Wat pijlenzwerm men om u schiet, Hoe felle .jagers u belagen?

Neen! Hooger zweeft ge en geeft geen acht, Vernieuwt uw jeugd, behoudt uw kracht, En blijft ons rustig dragen.

VOOR DEN KRIJGSMANSSTAND.

Verdraagt gij \'t. dappre legerscharen, Gij belden, trouw aan eed en plicht, Dat brabbeltaal en kreupeldicht TJ daaglijks scheldt voor moordenaren? Dat lafaards, blind voor deugd en eer, Beschimpen \'t ridderlijk geweer?

Hoe nu? Zijn grenzen, goedren, rechten, Is vrouw en kind, altaar en baard \'t Verdedigen niet langer waard? Of zullen zij er zelf voor vechten.

Wanneer de vijand dreigt den grond, Zij met hun pen, zij met hun mond?

O Neen! Gij moogt hun \'t lijf beschermen; Ziedaar uw voorrecht en uw nut! Het levend schild, dat hen beschut.

Zijn, tot hun vreugd, uw krachtige armen: Zij reeknen op uw heldenmoed. Uw deugdlijk „jjzerquot;, kostbaar „bloed.quot;

Maar krijgskunst, krijgseer, roemverwerven Op \'t bloedig slagveld — niets daarvan! Een moordnaar is hun de oorlogsman, Die niet zoo goed is van te sterven;

Is hij gesneuveld in ?t geweer,

Dan een vermoorde, en weinig meer.

Bewaar mij God den stand te onteeren. Die aller standen recht bewaakt;

Die, als het uur des noods genaakt.

Zijn plicht niet eerst nog heeft te leeren, Maar doet en uitvoert, en niet vraagt, Wat hij daarvoor verwerft of waagt.

Bewaar mij God den krijg te vloeken!

Mijn vloek treft wat hem noodig maakt, Hem voedt en aanvuurt, als hij blaakt;

-ocr page 423-

AAN DE AKTSHN. — BKN I-IKD OP HET JAARFEEST ENZ.

Gij doet het raee, gij avrechts kloeken; Die onrecht doet en oorlog kweekt. Ook dan, als gij van vrede spreekt.

AAN DE ARTSEN.

Vervolgt met stillen heldenmoed, Wat dood er dreig\', wat pest er woed\', Uw weg uit de eene in de andre woning;

Biedt rijk en arm de trouwe hand Der hulp, en oogst voor dankbetooning Berispingen van \'t onverstand!

Weest, in den dag van zorg en angst, \'t Gezegend voorwerp van verlangst,

Wien \'t woord ten mond\' wordt uitgekeken, ^ Een engel Gods, een halve god, —

En, is dat oogenblik geweken,

Een mensoh, met wien de domste spot!

Maakt, daar de dwaas uw kunst veracht, ^ Bekrompen vroomheid u verdacht En hoon Gods voorzorg in uw gaven:

L\'w zelfverlooohning, uw geduld Verdient den handslag aller braven. En \'t hart loont die zijn plicht vervult.

Maar Artsen! waar uw kunde slaagt. Het leed verzacht, den dood vertraagt, \'t Genot des levens weer doet keeren;

Verheft u niet! Geeft de eer aan God! Die d\' Eerens-waardigste niet eeren. Miskenning is hun billijk lot.

EEN LIED OP HET JAARFEEST DER UTRECHTSGHE ZENDINGVEREENIGING.

April 1871.

Eom. XV: 10-12. Verheugt u met het volk van God,

Gij volken en geslachten!

Weest met ons vroolijk in uw lot;

Gij leeft in Gods gedachten.

Zijn roepstem klinkt van oord tot oord;

Hij stort zijn Geest, hy !:endt zijn Woord;

In welk een hoek gezeten.

Geen uwer wordt vergeten.

391

-ocr page 424-

392 EEN LIEU OP HET JAAItFEEST DER UTU. ZENDINGVEREENIGING.

Prijst, al gij heidnen, prijst zijn naam;

Looft, looft den Heer der Heeren!

Gij zult hem kennen al te zaam.

Uw somber lot zal keeren.

De duisternis uws nachts verdwijnt;

De dag breekt aan, de zon verschijnt; Het altaar wordt verbroken Den On-bekende ontstoken.

De Twijg, met eeuwig groene blaan. Uit Jesse\'s stam gerezen.

Zal als banier der volken staan,

Zal a/ler toevlucht wezen.

Een Heilbanier, die hope wekt,

Beschermt, vereenigt, overdekt,

Bezielend op zal zweven,

En vrede en ruste geven.

Ai spotten Booze en Wereld luid Met heil en heilverwachting;

Al trekken christenvolken uit Ten krijg en broederslachting;

Al treft het oordeel Gods alom

Een overspelig christendom,

Op twee gedachten hinkend,

In ongeloof verzinkend:

Hij die \'t beloofd heeft is getrouw,

Getrouw en machtig beide;

En rijzen zal het godsgebouw Waar hij den grond van leide;

En wassen \'t wondre Mosterdzaad;

En werken \'t Zuurdeeg vroeg en laat; Ook zal van kust tot kusten Het Visschersnet niet rusten.

Welzalig, die van \'t Visschersnet Een slip heeft aangegrepen ;

Die meedoet, waar \'t wordt uitgezet Om buit voor God te sleepen!

Welzalig die, van \'t oeverstrand.

Het hart mag sterken en de hand Van die de zee braveeren.

Om met dien buit te keeren;

Welzalig, die een handvol graan Aan handen toe mag trouwen.

Die in den naam des Heeren gaan De wildernis bebouwen!

-ocr page 425-

een lied op het jaarfeest der utr. zendingvereeniging.

Welzalig, die het onweer tart,

En, met de hoop in \'t biddend hart,

Niet moedloos wordt te zaaien.

Wat na hem andren maaien!

De graankorl sohijne in \'s aardrijks schoot

Verloren en verdwenen;

Eens breekt haar leven uit den dood

Door elk beletsel henen.

Gods tijd is daar; de kiem ontspruit.

De volle halm, na \'t groene kruid;

Haast zal het ruischend koren Den lof zijns naams doen hoore/i.

Niet altijd zal uw dompig bosch

Het licht des hemels keeren;

Eens wordt ook gij een planting Gods,

Een vruchtbre hof des Heeren,

O Nieuw Guinea! \') Al begeeft Een_ Geissler \') u, een Jezus leeft.

Die hem had uitgezonden Heeft nieuwe hulp gevonden.

Kust zacht in Vaderlandschen grond.

Nog eens aanschouwd vóór \'tsterven; Man Gods! uw naam leeft in den mond

Van die u noode derven.

Gij derft niets meer, gij ziet u-w Heer,

Deelt in zijn heerlijkheid en eer;

En wacht aan Zijne zijde Dat de oogst uw hart verblijde;

De oogst van dien akker stug en woest.

Waar gij op rotsen ploegde.

Maar \'t doen van wat gij mocht en moest

Uw stil geloof vernoegde.

Üw voorbeeld vuur de mannen aan.

Die tot uw taak zijn ingegaan;

De Geest, die in u werkte.

Zij ook hun licht en sterkte!

O Geest des Heeren! kom, daal neer

Met krachten, gaven, stralen!

Beziel de dienaars van den Heer,

Vermeerder hun getalen!

Voer alle Heidnen tot hun God!

\') Vüornaftmst zendlngveld der Utr. Zendingvereenlging.

J) Een der eerste zendellrigen op N. Guinea, kort te voren overledeD.

-ocr page 426-

394 HAGEH\')OS. - ONTWIKKELING UEK VUÜUW. - EEN LIED DES VEUTROUWENS.

Wend, doov bekeering, Isrels lot! Laat ons, in onze dagen, rGoeddoende niet vertragen!quot;

HAGEROOS.

Mijn Hageroos, mijn bloem van \'t veld!

Daar groeit in koningshoven,

Waar slaafsche zorg de bloemen giet.

Zoo\'n frisch, zoo\'n vriendlijk bloempje niet, Als \'t oog der liefde in u beziet En ieders lippen loven.

Gij steekt niet uit door gloed of pracht,

Maar streelt en steelt de harten.

Laat waar zijn, wat men loflijks meldt Van bloemen, die men koopt voor geld: Mijn Hageroos, mijn bloem van \'t veld, Kan al die pronksters tarten.

ONTWIKKELING DER VROUW.

„Het vrouwlijk geslacht Dient tot een hooger ontwikkling gebracht.quot; Dat is: Dochters en Moeders behooren te weten. Wat Vaders en Zonen vergeten;

En een Vrouw dient te doen, Wat een Man van fatsoen Noodwendig moet negligeeren,

Zal hij den tijd hebben, mijnheeren!

Om in de club het land te regeeren. En over rijp en groen (Geen oordeel te hebben, maai\') te redeneeren.

EEN LIED DES VERTROUWENS.

Mijn voorhoede en mijn achtertocht

Zijt gij, mijn God, zijt gij!

Mijn bloed en leven wordt gezocht.

Maar gij beveiligt mij.

De vijand van mijn ziel rukt aan

Met helsche list en kracht: Met ü durf ik hem tegen gaan; Met U is overmacht.

-ocr page 427-

T BESTK. — BIJ HET GlïAF enz.

De wereld, die ik vlied en duolit,

Vervolgt mij, waar ik treed: Gij dekt mijn aftocht en mijn vlucht.

Steeds \'tot mijn hulp gereed. Die op zichzelven niets vermocht,

Wordt sterk, zijt gij nabij.

ilijn voorhoede en mijn achtertocht, Zijt gij, mijn God! zijt gij.

\'T BESTE.

\'t Beste voedsel was voor elk Toegevloeide moedermelk.

Ongevraagd verkregen; Wat natuurlijkst, ongezocht Onzer ziel wordt toegebrocht, Is haar \'t meest ton zegen.

BIJ HET GRAP

TAN Mn. CimiSTIAAX WILLEM JOH AN BARON VAN BOETZELAEE VAN DUBBELDAM.

Overl. 18 April 1872.

Strooi rozen op dit graf, die na \'t verwelken geuren,

Als, na zijn dood, de deugd en liefderijke daan

Van hem, om wiens gemis wij treuren,

Wiens nagedaehtnis blijft, en nimmer zal vergaan.

„Welzaligquot; — zegt de Schrift — „die in den Heere sterven.quot; Ja; hunner is de rust na wel volbrachten loop;

Hun heil, de troost van die hen derven,

Hen weer te zien, de hoop.

„Hun werken volgen hen.quot; Uw werken waren velen,

Getrouwe dienstknecht! en in needrigheid volbracht.

Eens in uw heerlijkheid te deelen!

Die eerzucht geeft ons moed en kracht.

Gi.t hadt geen eerzucht. Neen, gij hadt slechts liefde, ontstoken Aan de eerder liefde van een Heiland, trouw en teer.

Ook deze les heeft niet ontbroken Aan \'t voorbeeld, dat ge ons gaaft: „Aan God alleen zij de eer!quot;

liust, werkzaam vriend, rust zacht! Treurt niet, beroofde zonen! Hef, droeve weduw! \'t hoofd, van hooger hulp bewust;

God in den hemel zal u toonen Wat zegen op het huis van zijn beminden rust.

-ocr page 428-

HOLLAND

HOLLAND.

Zoet Holland, lieflyk Holland,

mijn Holland, weet gij wat?

Ik heb u heel mijn leven

steeds even lief gehad, Uw bosschen en uw duinen,

Uw weiden en uw tuinen,

Zoo menig aardig dorpje,

zoo menig nette stad.

In Haarlem stond mijn wiege,

mijn eerste huis en school. Het is een stad van bloemen,

van rozen en viool;

Stad van vergeet-mij-nieten Aan vaarten en aan vlieten,

Waartusschen ik nog dikwijls

in mijn verbeelding dool.

Naar Leiden trekt het harte

der oefengrage jeugd;

Een stad is \'t van geleerdheid

en rijke jonglingsvreugd; \'k Weet niet wie \'t meest mij dienden.

Mijn meesters of mijn vrienden.

Wel, dat mij beider leering

en beider liefde heugt.

Bij Alkmaar ligt een dorpje,

dat oog en hart verrukt;

Daar heb ik de eerste bloemen

der reinste min geplukt;

Heiloo, de zachtste banden Sloegt gü om onze handen;

Gezegend ieder pietje,

door onzen voet gedrukt!

Te Heemstee, waar het meerschuim

haast week voor golvend graan, Daar ving mijn huislijk leven,

mijn werkzaam leven aaa. O God, de zegeningen Vermeerdren en verdringen.

Verdringen zich, al vergt gü

ook nu en dan een traan!

Zoet Holland, lieflijk Holland,

nu leef ik in het Sticht,

-ocr page 429-

GOD. — KISDERKUSJE.

Door leiding van Gods goedheid

en nooit betreurden plicht; \'k Zie daar den grafkuil gapen,

Waarin ik zacht zal slapen,

Als, op den Stichtsclien akker,

mijn dagwerk is verricht.

Maar nooit zal ik vergeten,

zoolang ik ademhaal, Uw duinkant, dierbaar Holland,

waar ik nog daaglijks dwaal, Uw beken en uw stroomen Uw schaduwrijke boomen,

Uw steden en uw dorpen,

mij dierbaar altemaal!

GOD.

Is God een God slechts van \'t Verleden, Die eenmaal dacht, en sinds zijn raad Zich buiten hem ontwikklen laat: Of wel de God van \'t eeuwig Heden, Die, eeuwig, leven is en daad?

KINDERKÜSJB.

Als een zegen daalt het neer, \'t Kusje van het kind;

Van het welbeminde kind, Gave van den Heer.

Onbewust van wat het werkt, Waar \'t als balsem viel

In een diep gewonde ziel. Die het troost en sterkt.

Onbewust van wat het kan Waar niets anders baat,

Op den radeloozen man,

Wien zijn kracht verlaat.

Onbewust van wat het doet, Ongemerkt en stil,

In \'t verbitterde gemoed. Dat geen liefde wil.

-ocr page 430-

TACTIEK. — \'T IS ALLES GOEU. — DE NATUUR AAS DEN ENZ.

Onbewust waarvan liet spreekt,

Waar \'t een beeld van is,

Als een schuldig harte breekt,

En niet hoop en vreeze smeekt Om vergiffenis.

TACTIEK.

Waar ik \'t niet winnen kan, en niet verliezen mag, Al pruttelt die mij volgt, daar lever ik geen slag.

\'T IS ALLES GOED.

Is alles goed wat komt van God, Al komt het door de menschen: Verbittring van ons deel en lot,

Verijdling onzer wensehen;

De hand eens vijands hou hem op: De Hemelvader vult den kop.

O zie dan, zie den mensch voorbij.

En vest op God uw oogen!

\'t Is geen vergif, maar artsenij.

En zal uw kracht verhoogen.

De teug zij bitter in den mond:

Zij maakt het kranke hart gezond.

DE NATUUR AAN DEN NATUURONDERZOEKER DEZES TLJDS.

\'k I3en in mijn neevlen niet meer veilig;

Mijn dichtste sluier dekt mij niet Voor wie mij met uw oogen ziet;

Geheim noch schuilhoek is u heilig.

Zoo ras verraden als bespied.

Toch is er iets, dat u ontvliedt:

Mijn leven ziet gij en mijn streven.

Maar niet het leven van mijn leven.

VERNUFT EN VLIJT.

Wil d\' arbeid van \'t nadenkend hoofd Uw eerbied toonen;

En gun aan \'t vlug vernuft, dat rassche lauw ren rooft. Zichzelf te kronen.

-ocr page 431-

JANTJE. — ALS GIJ VOOR \'T LAATST. — VADER WIJS HEID. 309

Weet dit: de krans is haast verdord,

Die al te licht, veroverd wordt.

Neen, neen, door arbeid wordt geen kunst Of geest verkregen;

Maar \'t vroeg ontwaakt genie verbeurt vaak de eerste gunst, Op later wegen.

Een klein talent, gekweekt met vlijt,

Braveert den nijd, verduurt den tijd.

JANTJE.

Is Jantjen opgevoed\'?

O neen, maar o\'pf/evuld.

\'k Wed dat ge \'t nierken zult. Zoo ras gij Jantje ontmoet.

Hij heeft zoo veel in \'t lijf, Dat beenen, armen, handen

Gansch roerloos zijn en stijf. En ook — zijn mond vol tanden.

ALS GIJ VOOR \'T LAATST.

Als gij voor \'t laatst mij hebt gekust.

Mijn lief, mijn leven! Uw echtvriend bij de dooden rust,

Aan \'t stof hergeven;

De zerk gelegd is over \'t graf.

Daar \'k in vernachte:

O wisch dan, wisch uw tranen af, Bij dees gedachte:

Die aan mijn armen is ontgaan

En uitgedragen.

Heb ik steeds r goed, nooit kwaad gedaan.

Van dag tot dagenquot;; \')

Het lief, daar ik zijn hart door won,

Ging ver te boven Al wat hij ooit beschrijven kon,

Of ik gelooven.

VADERWIJSHEID.

Indien gij een vader van kinderen zijt, Al worden ze ook mooglijk wat velen,

Spr. 31:12.

-ocr page 432-

SANCTUM SANCTORUM.

Dank vrij uwen God en wees hartlijk verblijd, Het maakt een half man tot een heelen;

Het doet u liet leven te beter verstaan;

Het oefent in voor- en in mede- te gaan,

\'t Geeft geduld onder kibblen en spelen.

Een kinderloos man heeft wel mannenverstand, En een vader van kroost is niet wijzer;

Maa,r hij is weder wijs op een anderen trant.

Breekt, bij voorbeeld, met handen geen ijzer.

Een kinderloos man zij een man van de Hok, Een man van zijn tijd is de vader;

Hij gaat^niet gezet met de kippen op stok;

Maar £ij staat aan de kuikens veel nader.

Een kinderloos man leert wel veel, maar vergeet Toch ook veel in \'t gezelschap van ouden;

Maar een vader van kroost onderhoudt wat hij weet, En \'t gezicht van de jeugd helpt onthouden.

SANCTUM SANCTOEUM.

Er is een heiligdom van \'t hart;

Ontziet het, stervelingen!

Daar woont geweten en gevoel. Bewustheid van een hooger doel, En drang naar beter dingen.

Daar zetelt zekerheid van God

En onverderflijk leven,

Daar plichtsbesef, erkentenis Van al wat goed en godlijk is.

En waar geluk kan geven.

Daar gaan de kostlijke otters op;

Gebeden, zuchten, tranen.

Die zich zoo stil- en ongemerkt,

Door al wat om hen woelt en werkt, Een weg naar boven banen.

De lamp, die daar voor \'t outer hangt,

Is door God zelf ontsteken.

O, laat de reine vlam met rust!

Want waar haar licht is uitgebluscht, Gaat alle .licht ontbreken.

-ocr page 433-

tegenstrijdig. — utrechts blinden. — ach ! 4Ul

TEGENSTRIJDIG.

\'fc Is om den mooien Wkg te doen,

Het frissche groen,

De donkre boomen,

Het wandlen langs den klaren vliet,

\'t Gezicht van \'t wisslend bergverschiet —

Tocb wenscht gij aan te komen.

Gij zijt naar \'t Vadkriiuis op weg,

Door heg en steg;

Veel zwarte wolken ziet gij drijven;

Veel doornen kwetsen u den voet:

\'t Gezelschap, klaagt ge, is ver van goed.

Aan \'t beuzien nu, en straks aan \'t kijven —

Toch is \'t uw wensch.

Onwijze menscli!

Lang onderweg te blijven.

UTRECHTS BLINDEN

AAN HUNNE WELDOENEKS, BIJ DE OPENING VAN EEN NIEUW VOOR HEN BESTEMD WEKKGEBOUW.

De dank der blinden stijgt tot God,

Voor wat, tot beetring van hun lot,

.Uw liefde deed en uit blijft denken;

Zij zien hun nieuwe werkplaats niet;

Maar God, die \'t al en allen ziet,

Moge u daarvoor Zijn zegen schenken.

Zijn gunst bestrale u met haar licht;

Hij spare u \'t zintuig van \'t gezicht.

Door ons gemist met zooveel smarten;

En zij u de ondervinding zoet Dat, wa,t gij voor blinde oogen doet.

Niet is verkwist aan steeneu harten!

ACH!

Ach, hoe zeldzaam is \'t uitnemende! Ach, hoe veel het daarnaar zweemende! Ach, hoe moeilijk is \'t den luiden Ooit hun wansmaak te beduiden! Ach, hoe dwaas is \'t van te toornen Dat niet zien de blindgebooracn, Dat de dooven niet begrijpen Welke snaren, welke pijpen Valsche klanken van zich geven,

-ocr page 434-

402 du kunst OM de kdnst. — hans aan hanslein. — KOKTOM. enz.

Die een juist gehoor doen beven,

Dat het volk niet beter weet, Of die blaaskaakt en geraasmaakt, Is een reednaar, is poëet!

Ach !

DE KUNST OM DE KUNST.

„De kunst om de kunstquot; — zoo verkrijgt gij? — Natuur? Hel zij zoo, maar \'t schijnt me een heroïsche cuur.

HANS AAN HANSLEIN.

(Reisherinnering.)

Die \'t hardst kan schreeuwen is de man,

In \'t land der Jonker Hansen;

Daarom, mijn zoon, schreeuw wat je kan,

Het geeft de schoonste kansen.

Schreeuw luider, Knabe! luider nog! De schreeuworganen hebje toch, En \'t voorbeeld, dat we u geven,

Is maklijk na te streven.

Franzose sis; Englander lispt;

Wij krijschen, kind! wij gillen;

Vertoont zich iemand, die het gispt,

Wij weten hem te stillen.

Wij krijschen dubbel,_ beste maat.

Tot hooren hem en zien vergaat;

In onze scherpe kelen.

Zijn „der ressourcen velen.quot;

En schiet de lieve keel te kort.

Wij zoeken \'t maar wat verder,

In maag en buikstreek, en het wordt

Niet mooier, maar wel harder.

En daarom „eens voor allemaalquot;,

Schreeuw door! Maar schreeuw grammaticaal! „Grammaticalischquot; krijschen Moet uw fatsoen bewijzen.

KORTOM. - IN HET KORT.

Wees in de keus tusschen dezen zorgvuldig; In het kort is bescheiden, kortom ongeduldig.

-ocr page 435-

TER GELEQENII. V. H. TAALCONGR. TE MIDDELBURG IN SEPT. 1872.

TFR GELEGrENHBID VAN HEÏ TAALCONGRES TE MIDDELBURG IN SEPTEMBER 1872.

I.

AAN ZEELAND.

Hef Zeeuwsche Leeuw, den breeden kop

En schouders uit de baren,

Scbud fier en trotsch de manen op

En laat uw oogen waren Langs drom bij drom, uit elk gewest In uwe hoofdstad saamgeprest.

Waar, onder roos en palmen,

De blijdste tonen galmen.

Met dien van Holland, u getrouw

Sinds zooveel honderd jaren,

Biedt Vlaandrens Leeuw u thans den klauw.

Bij onze vrede-altaren.

De staatkunst scheidt en scheurt en deelt: De taal vereenigt, zalft en heelt,

En Cats en Zevecoten Zijn eeuwig bondgenooten.

O Land van Cats, goed Zeeuwsch, goed rand,

Die \'t zeut en \'t zoet vereende,

Waar Bellamy het speeltuig vond.

Dat Eoosjes dood beweende;

O Bloemhof, rijzende op uit zee, De vriendengroet, de zegenbee Van alle Dietsche tongen Wordt thans u toegezongen.

Uw vette klei zij meer en meer Met voedzaam goud beladen;

Uw handel bloei, gelijk weleer.

Langs nieuw beproefde paden;

De ronde Zeeuw verandre nooit;

De Zeeuwsche zij zoo schoon als ooit;

En al wat Zeeuwsch is toone Den glans van \'t Goede en \'t Schoone!

II.

HET WAPEN VAN MIDDELJ3ÜHG.

Aan den Heer Burgemeester SCHOIiER. Op aadlaars-borst rust, Middelburg!

üw Burg van goud op keel; Uw naam worde, als op aadlaars-vlerk.

-ocr page 436-

404 TEB GELKGENII. V. U. TAALCONGR. TE MIDDEr.B. IN SEPT. 1872.

Gedragen door het luchtig zwerk,

Naar \'s werelds verste deel.

Op aadlaars-borst praalt, Middelburg!

üw schild met glans en gloed;

Geen arends-oog ontdekke een vlek,

Maar arends-klauw en aronds-bek Waak voor uw goed en bloed.

De Keizerskroon, die \'t hoofd versiert

Uws Arends schittert schoon;

Maar schooner en tot eedier vreugd,

Blink \'t eikenloof der burgerdeugd Rondom uw stedekroon!

III.

IX DE OIÏASJERIE VAN OVERDUIN. \')

Dat de Overduinsche bloemhof bloei,

Zijn boomgaard rijke vrucht doe plukken, Het kunsttrezoor er overvloei

Van altijd nieuwe meesterstukken.

Zijn Eigenaar aan \'t zilvren haar.

Op \'t hoofd zoo ongebogen,

Nog lang den gloed van \'t leven paar. Dat tintelt in zijn oogen.

Dat aan zijn zy zijn Gade prijk.

Hem \'t levenspad blijf tooien,

Zijn Dochteren, aan gaven ryk,

\'t Met bloemen overstrooien.

Zijn Zoons den naam van zijn geslacht

Met nieuwen luister kronen.

Door \'t zwaard, den tabberd, en de kracht Der kunst in \'t rijk der tonen.

Bij zoo veel keurigs, zoo veel schats.

Als reeds zijn hand en vlijt vergaarde, Verhoog nog steeds „iets nieuws van Catsquot;

Van zijn verzameling1) de waarde;

Oats\' hooge leeftijd, blijde moed

En hoop op \'t beter leven.

Meer waard dan al des werelds goed, Zij rijklijk hem gegeven!

1

2) Museum Catsianum.

-ocr page 437-

BIJ HET GRAF VAN BERNARD GEWIN.

405

EEN GOEDE PREEK. —

Een dankbre „Afdeelings-presldent,quot;

Wenscht dit den „Algemeenen,quot; En al wat ademt hieromtrent

Moet in dien wensoh vereenen. „Lang en gelukkig leef de manquot;,

Roepe ieder duizend malen ,l)ie ons zoo goed regeeren kan „En ons zoo gul onthalen!quot;

EEN GOEDE PREEK.

Een goede preek is als een^goed portret; Zij kijkt u aan waar ge u ook nederzet.

BIJ HET GRAP VAN BERNARD GEWIN.

Rust zacht! Gij zijt ter rust gelegd,

Waar niets kan deren,

Beminlijk vriend! Getrouwe knecht Des trouwsten Heeyen!

Gij neemt een vriendschap mede in \'t graf.

Van veertig jaren,

En wacht haar nieuwen morgen af,

Bij de englenscharen.

Wij wandlen hier, door lief en leed. Nog op en neder.

En gaan tot de ure, die God weet,

Door wind en weder.

Voor u was \'t weder dikwijls ruw, — Het deel der vromen! —

Maar nooit is tusschen mij en u Een wolk gekomen.

Daarboven zal geen wissling zijn Van licht en duister.

Maar een, een zelfde zonneschijn,

In vollen luister.

Wij hebben van dat heerlijk licht,

In \'t uur van scheiden.

Reeds op uw stervend aangezicht. Een straal zien spreiden.

-ocr page 438-

406 PltACHT. — JUBILARISSEN. — BIJ DEN DOOD EENS UITNEMENDEN.

Dat heeft ons hoofd omhoog gewend,

Ons hart genezen —

Kust zacht, mijn Vriend, en moge ons end\' Als \'t uwe wezen.

PRACHT.

\'t Is alles prachtig wat men hoort,of leest: Een prachtig boek, lied, landschap, uitzicht, feest.... Wat altijd liej\', bevallig, schilderachtig,

Dom- reinen eenvoud treffend is geweest,

Het moet nu prachtig heeten, \'t minst en \'t meest, \'k Moet zeggen, al die pracht verveelt mij machtig. En wordt ik dan dat oude woord indachtig,

En spreek ik \'t uit, bescheiden, maar m,et kracht: „Ik vraag u schoonheid, en gij geeft mij prachtquot; ■-Men roept van alle kant: „dat woord is prachtig!quot;

JUBILARISSEN.

Die vijf-en-t-wintig jaar uw put geleegd. Uw gang gewit, uw schoorsteen heeft geveegd. Ter zelfder kroeg de borrels heeft aeschonken, In \'t zelfde huis gegeten en gedronken, Zal Jubilaris wezen; gek of guit.

Een dagblad meldt het maanden lang vooruit; „Dien bravenquot; moet men „aangenaam verrassen.quot;

Een „prachtig albumquot; heeft men reeds in \'t oog; Zend uw portret en wil uw duiten passen!

Als ieder wat doet, loopt het niet te hoog.

BIJ DEN DOOD EENS ÜITNEMENDEN.

Waar is, o Dood! uw prikkel? Uw overwinning, gulzig Graf?

Gods Engel greep den sikkel, Eu maait wat rijpds af.

Het zaad was uitgesproten, Ontwikkeld, wie zal zeggen hoe? De halm was opgeschoten, De zwellende aar daartoe.

Bij vroege\' en spaden regen. Bij heeten zomerzonnebraüd.

Had zij haar eisch gekregen. Op \'t welbereide land.

-ocr page 439-

VOOK DE UTRECHTSCHE WATERLEIDING.

De vrucht wordt rijp bevonden, En naar \'t verhonderdvoudigd zaad De sikkel uitgezonden —

De sikkel doet geeu kwaad.

Nu is het uur geslagen,

Van d\'oogst der englen \'t plechtig uur; De garve wordt gedragen,

Gedragen in de schuur.

De schoof ter rechter tijde Gevoerd ter plaatse, die haar wacht. Maakt niet bedroefd; maar blijde Ziet men haar ingebracht.

VOOR DE UTRECHTSCHE WATERLEIDING.

Voert water aan, voert water aan, In frissche, heldre stroomen,

Zoo als de hooge God het geeft.

Voor nog de mensch \'t bedorven heeft;

Voert water aan, voert water aan,

Laat, Iaat de Godsgaaf komen!

Voert water aan, voert water aan. Uit zilvren waterwellen!

Geen drab, waar ziekte en dood uit gist. Maar zuivre bron, die \'t bloed verfrischt;

Voert water aan, voert water aan. Dat kranken doet herstellen!

Voert water aan, voert water aan.

Voor armen en voor rijken!

Voor \'s rijken goud, door kunst en kracht, Den armsten broeder toegebracht;

Voert water aan, voert water aan,

Waar liefde en trouw uit blijken!

Een burgerkroon, een liefdekrans. Die nimmer moet verflensen,

Waarin zich doorn noch distel mengt.

Voor \'t hoofd, dat deze weldaad brengt, En water schenkt, goed water schenkt, Aan zestig duizend menschen!

407

-ocr page 440-

408 HAAS BOVEN BAAS. — SO-HOOLVEItZUIM. — EENHEID, EXZ.

BAAS BOVEN BAAS.

Voorziclititflieid ziet ver, boosaardigheid nog verder; Ue wolf heeft fijner neus dan menig herder.

SCHOOLVERZUIM.

Nu is de groote zonde ontdekt,

De moeder aller zonden;

Het kwaad, dat alle kwaad verwekt En aanvoedt, is gevonden;

Want Hebzucht, Heerschzucht, Nijd en Haat,

Zijn slechts gevolgen van dit kwaad;

Maak iedereen schoolplichtig,

En alle ding is richtig.

Verzuim geen school, leergrage jeugd!

Wier lof wij daaglijks zingen.

Is niet de kennis macht en deugd En alle goede dingen?

Verzuim geen school, en moord en roof

Met leugen, ontucht, kerkgeloof En diergelijke schande,

Verdwijnen uit den lande!

De goudeneeuw, het paradijs Zal voor de wereld keeren.

Zoo maar de kindren dezes tijds Goed schoolgaan en goed leeren.

Dies prikkien wij tot schoolbezoek

Met chocolade en krentekoek.

Belovende alle straffen Geregeld af te schaffen.

EENHEID.

Breng eenheid in uw werk, wilt ge u met werking vlaien De vuist treft beter dan tien vingers uit te spreien.

BIJ HET GRAF VAN BENEN ACHTTIENJARIGE, MET EEN BLOEMKRANS BEDEKT.

llust onder deze bloemen,

In dit vroegtijdig graf!

Uw jarental te noemen Perst ieder tranen af.

-ocr page 441-

MOOQUH WAARHEID. — DE REGENBOOG. —

AAN MIJN VROUW. 409

Te denken aan het lijden,

Dat nu geleden is,

Is oorzaak van verblijden, Bij deze droefenis.

Het oog omhoog te beuren Is balsem voor de smart, Genezing, na \'t verscheuren Van \'t arme moederhart.

Het hart in God te sterken.

En, \'t oog op \'t graf gericht. Te leven en te werken Ziedaar de taak, de plicht.

HOOGER WAARHEID.

Wat gij, onvatbaar voor bewijs,

Alleen door \'t hart kunt weten. Dat geeft gij als onbruikbaar prijs; Alsof gij zeidet: \'t Is geen spijs. Wat \'k met geen vork kan eten.

DE REGENBOOG.

(Naar quot;Wordswobth. )

Mijn hart springt op, wanneer mijn oog Een regenboog Den trans ziet kleuren met zijn verven. Zoo was \'t, zoo vroeg mij heugen mag. Zoo is het heden nog, en ach!

Zoo blijve \'t tot mijn ouden dag.

Of — laat mij sterven!

Het kind is vader van den man,

En ik verlang niet liever dan

Mijn dagen aan elkaar te snoeren Door dat natuurlijk vroom gevoel.

Dat eens mijn jonkheid mocht vervoeren. En nooit verkoel!

AAN MIJN YROUW.

Zoo als God mijn hart aan u gesnoerd heeft,

Lieve gade en weerhelft mijner ziel,

Sinds zijn liefde mij u toegevoerd heeft, En uw licht op mijne paden viel;

-ocr page 442-

aan mijn vrouw.

Hoe ik voel dat onze banden klemmen,

Bij de minste scheiding, kort of lang,

Hoe mijn hart en \'t uwe samenstemmen.

Meldt geen citer, zegt geen zang.

Dierbre, mij in \'s hemels gunst gegeven, Tot vertroosting na den diepsten rouw!

Heel uw rang en adel staat geschreven,

In dit tweetal woorden: echte vrouw.

Vrouw — wie \'t waag uw -waarde te verminderen,

Door verhastring van uw deugd en aard — Vrouw te zijn en moeder zijn van kinderen Is de kroon der kronen waard.

O Gij zijt het, lieflijk en volkomen.

Met een vreugde in \'t hart en op \'t gelaat. Die het zoetste zoet der mannendroomen

En het hoogst geluk te boven gaat.

O Gij zijt het, met een liefde, krachtig

Kn zachtmoedig, teeder, trouw en groot, Vriendlijk als het zonlicht, alles machtig Voor uw kroost en echtgenoot.

In uw armen, aan uw hart gedrongen,

Door uw oog bestraald, verkwikt, doorzien. Van wat nood of vijandschap besprongen,

In uw arm kan mij geen leed geschien. Rustend aan uw boezem, waar ik \'t kloppen

Hoore en telle van dat liefdrjjk hart.

Kan ik alle zorg en leed verkroppen.

Steekt geen doren, duurt geen smart.

Met wat teerheid moest ik u omringen,

Met wat dankgevoel u gadeslaan!

Met wat aandrift \'s hemels zegeningen Nedersmeeken op uw hoofd en paan!

Met wat zorg u op mijn handen dragen.

Dat gij aan geen steen uw voet bezeert! Met wat vreugd en innig welbehagen.

Doen al wat uw hart begeert!quot;

Gij begeert slechts liefde, ziel vol liefde!

Hart, waaraan geen heb- of heerschzucht knaagt, Dat nooit argwaan met zijn angel griefde.

Dat met hersenschimmen zich niet plaagt! Van mijn hart verzekerd, hangt uw vrede Van geen toeval, van geen indruk af, —-O Mijn God! vergun mij deze bede:

Koestre mij die liefde tot mijn graf!

410

-ocr page 443-

BIJ HET GRAF EENS EVANGELIEDIENAARS. — OPPERVLAKKIGII., ENZ. 41 1

BIJ HET GRAF EENS EVANGELIEDIENAARS.

Hoe zacht rust in des aardrijks schoot

Het overschot dei- vromen,

Tot dat het eeuwig morgenrood

Ter kimmen uit zal komen,

Totdat, bij \'t jongst bazuingeschal,

Des Heilands stem weerklinken zal,

En \'t graf ten eeuwgen leven Zijn dooden wedergeven!

Hoe heerlijk zullen, met een glans

Daar sterren bij verzinken,

De trouwe leeraars aan den trans

Des nieuwen hemels blinken !

Hoe zullen, die, door hen geleid.

Zich wendden tot de zaligheid,

Met hen aan \'t stof ontrezen,

Hun kroon en blijdschap wezen!

Inmiddels bloeien stil en zacht De bloemen op hun graven,

Die liefde en eerbied samenbracht

En dankbre tranen laven.

De naklank van hun stem en woord,

Hnn beeld leeft in de zielen voort.

Zij spreken menigwerven Nog krachtigst na hun sterven.

OPPERVLAKKIGHEID.

De waarheid heeft geen erger vijand dan Dien schijn van wijsheid, die niet verder ziet Dan d\' eigenwijzen neus. De wijze man Bemint den strijd met wijzen, maar ontvliedt Scherrautsling met verwaanden, waar hij kan; \'t Is tijdverlies en onbeloond verdriet.

VAN BUITEN ROOD.

Van buiten rood, maar zwart in \'t hart.

Schoon op den hoogsten^ steel verheven, De schoone bloem verdort en wordt

Aan wind en stof ter prooi gegeven.

-ocr page 444-

41\'2 „LION.quot; — EENS VADERS RAAD. — AUDAX. -

Wat anders niet dan schyn

kan zijn,

Maar arm aan kracht is, deugd en waarde, Hoe hoog geplaatst, ontzinkt,

waar \'t blinkt, En, eer men \'t denkt, ligt plat ter aarde.

„LION.quot;

Proteo novello, di quando in quando Dl nome e d\'abito ci va canglando; Fu petit-maitre chlamato un di, Poi muscadin, indl dandy,

E fu per ultimo In Albion Ribatezzato per un Lion;

II cbe significa, con sua licenza, Cb\'egli e la bestia per eccellenza.

Abnoldo Füsinato.

Moderne Proteus, menigkeeren Verwisselend van naam en kleeren:

Eerst petit maitre, muscadin,

En later dandy, moest hij zijn.

Tot dat ten laatste Britsche monden Den naam van Lion voor hem vonden,

\'t Geen zeggen wil, of \'k heb het mis,

Dat hij het beest bij uitstek is.

EENS VADERS RAAD.

Mijn zoon, indien gij leven wilt als wijzen mannen past:

Wees steeds tot nut, niet graag vooraan, en nimmermeer tot last; Spreek nooit te vroeg, spreek niet te veel of anders dan gij denkt; Wees trouw, mistrouw niet, maar zie toe wien ge uw vertrouwen

[schenkt.

AUDAX.

„Sla. toch dien mallen Audax ga! „Hij durft van alles ondernemen; „Hij vat ter hand, waarikvoor staquot;...

Mijn vriend, laat dat u niet bevremen : Hem die niets is, is alles even na.

VOOR DE VUIST.

„Wat voor de vuist wordt toegediend, „Komt warm op tafelquot;, zei een vriend.

VOOH Dli VUIST.

-ocr page 445-

AAN SOMMIGEN. - VERKREGEN WENSCK. - OCULUS ANIM1 SPECULUM, ENZ. 413

Komt warm op tafel, dat is waar, Maar is nie1: altijd even gaar

AAN SOMMIGEN.

\'tGeen gij me op tafel zet, mijnheeren! Is al te weinig naar mijn zin;

Er zit niet heel veel voedsel in, Eu \'t valt nog moeilijk te verteren.

VERKREGEN WENSCH.

\'t Verkrijgen van den wensch Verheft ons dwaze mensehen Vaak boven onzen wensch, ïliet altijd boven \'t wenschen.

OCULUS ANIMI SPECULUM.

„Geheel de mensoh is io zijn stijlquot;, beweert Buffon, maar ik: De stijl bedriegt mij nog wel eens, maar nimmermeer de blik.

* „Le Sti/le, c\'est Vhommequot; — immers dit schrijft men Buffon toe, ofschoon het woord bij hem eenigszins anders luidt, en ook verder getrokken wordt dan in zijn bedoeling lag.

NIETWAAR ?

Een witte raaf, een roode spreeuw Zijn zeldzame zaken, maar Zoo zeldzaam uiet als, in onze eeuw. Welsprekendheid zonder „Nietwaar?quot;

MACHT EN ONMACHT.

Kweek al wat kiemt, laat niets dat groeit verleppen; Maar droom niet van te maken of te scheppen;

Door tijd noch vlijt, noch vrome wensch ontstaat. Uit duizend korlen zand, een enkle korrel zaad.

KUNSTVAARDIG.

A.

Jan is een ware wonderman; Hij kan

In rijm en maatval alles zeggen.

-ocr page 446-

414 ECHT KN BASTERD. — GEESTDRIFT. — EEN ROL TE SPELEN, ESZ.

B.

Ik acht hem daarvoor evenveel Als een, die in een kersensteel Een knoop met zijne tong kan leggen.

ECHT EN BASTERD.

„Een basterdnachtegaal, die aardig in zijn soort is, „En aanheft ongevraagd,

,Boeit dikwijls en behaagtquot; ...,

Wel zeker, vriend! zoo lang maar de Echte niet gehoord is.

GEESTDRIFT.

Waar \'t hart niet voor een hooger wereld slaat, Kan nog wel geestdrift zijn, maar die vergaat,

Als \'t uit is met de jeugd en sohoone droomen,

Als de eerzucht is bevredigd of — benomen;

Slechts hemelsch vuur verdooft niet; vroeg noch laat.

EEN ROL TE SPELEN.

„Een rol te spelen in den Staat,quot;

„Een rol te spelen in de Kerkquot;,

Daar hebt gij steeds den mond van vol,

Dat \'s „levenstaakquot;, dat\'s „mannenwerkquot;,

Waar u het hart voor slaat!

Vergis u niet, mijn beste maat!

Een rol is maar een rol.

WIE VAN BEIDEN GELDT

VOOR DEN GROOTSTEN HELD?

„Ik kenquot;, zegt Jan, „geen vrees; „\'k Blijf altijd bij mijn zinnen.quot;

„Ik ken haar welquot;, zegt Kees, „Maar \'k weet haar te overwinnen.quot;

TWEEËRLEI.

Schudt gij \'t uit de mouw: Dat gaat glad en gauw;

Baart gij \'t uit uw hoofd en hart, Dat kost tijd en smart.

-ocr page 447-

JAN ZONDERLING. — NAAR DON MANUEL. — PETER DE GROOTE\'s ENZ. 415

JAN ZONDERLING.

De zucht naar grootheid, die mij prest, Doet mij betreden paden vloeken.

Ik kan niet beter doen dan best, Zoo ■wil ik \'t dan bij anders zoeken.

NAAR DON MANUEL.

I.

Waag nooit uw schat of hoogen staat Aan \'t geen een armer man u raadt.

II.

Denk nooit dat ik behagen schep In wie mij prijst om \'t geen ik mis; Ik weet te zeker dat het is Om mij te ontzeggen wat ik heb.

PETER DE GROOTE\'S GESCHENK AAN WILLEM HL Groote Peter schonk den groeten

Willem met zijn eigen hand, Maar in grauw papier gewikkeld,

eenen grooten diamant;

Was het niet een treffend zinbeeld

van den gever en zijn land?

Naar Jacobus Scheltema.

l\'eter de Groote. I. 212.

KENNIS NIET = KRACHT.

Niet altijd mannen die veel weten,

Maar die veel kunnen eischt het werk;

Te vaak, te veel, en alles te eten Maakt mooglijk vet, maar zelden sterk.

OEFENING.

Bij menigen juffer en menigen heer,

kom ik haast tot dit treurig besluit; Zjj oefnen zich in den godsdienst zeer,

maar zij oefnen hem matigjes uit.

ERG.

• Erg wiooiquot;, „erg liefquot;, „erg goedquot;, „erg znchtquot;, „erg rijkquot;, Klinkt mij erg naar, erg slecht, erg erg en ergerlijk.

-ocr page 448-

KOEKEND. — NAAR TEKSTEEGEN, ENZ.

Anders.

„Erg lief,quot; „erg mooiquot;, „erg zachtquot; — \'t Gaat nu, gelijk gij hoort, Van goed, gelijk weleer van kwaad, tot erger voort;

\'t Kan erger niet, is nu wel \'t ware woord.

NEEM HET BESTE.

Wat pijnt ge u af, mijn goede heer! , Uw nachtrust wordt vergeefs verkwist; Eén gram voorzichtigheid is meer Dan kilogrammen list.

ROEREND.

Jan War preekt roerend, zegt gij. Kom,

Ik wil het ook gelooven.

Hij roert een pot met woorden om, En hutst het onderst boven.

NAAR TERSTEEGEN.

Hij is niet rijk, die veel bezit. Zoolang hij daar nog bij wil voegen;

Er is geen rijker zijn dan dit: Dat ge u met God kunt vergenoegen.

FESTINA LENTE.

Door drift gedreven drijver!

Hoor wat het oude spreekwoord zegt: „Een slechte baas is de IJver. Ofschoon een beste knecht.quot;

GEEN KIND DES TIJDS.

Geen kind zijns tijds te zijn, strekt geen verwet; Een groote geest staat hoven zijnen tjjd.

Maar buiten zijnen tijd, of naast zijn tijd te leven.

Dat \'s wat onvruchtbaar maakt, en niemand wordt vergeven.

416 NEEM HET BESTE. —

-ocr page 449-

GEDICHTEN

VAN

LEIDEN. — A. W. SIJTHOFF.

KJ COLA AS BEETS.

VOLLEDIGE UIIGAVK, KAAK TIJUSOKÜE ÜKKANUSCH1KT EN OPNIEUW HERZIEN.

-ocr page 450-
-ocr page 451-

INHOUD.

GBJIENÜDE GEDICHTEN, lie BUNDEL.

Bladz.

Goede raad...................

Niets onvermengd...............| 4\'

Vuurwapenen................quot; 4\'

Anna\'s sterfdag. Aan de beroofdeu..........\' e!

Bij Anna\'s begrafenis...............g|

Haar Bruidskrans................yj

Hopeloos onderwinden............................7\'

Bij het open graf van Daniël Chantepie de La Saussave! Theol. Dr. en Prof................§_

\'s Konings Vijfentwintigjarige Regeering; 12 Mei i874 ! 8.\'

Chassinet-versje.................9_

Zendingslied...................

Bij den dood van Henrietta Swellengrebel, I, lï . . . lo!

Cave Ganem..................Ijquot;

Opvoeding....................1L

Aan wie de schuld?...............12.

öpreek van uzelven niet..............12!

Ethische Statistiek................13^

Aan een pessimist................13\'

Aan verachters huns volks............13\'

Een van beiden.................14]

Agnes bruid..................14.

Nederland en Amerika. Ook een toepassing......16,

Verschillend oordeel...............Igl

Hygiëensche verbrandingsijver...........Ig!

Zestigste verjaardag...............X7.\'

Het ledige wiegje................I7I

Echtverjaring..................13!

Aan dezen en genen...............jg

Aan Dr. Matthijs De Vries............19.

Heilwensch...................jgquot;

Kunstmiddelen.................ig\'

De kracht bestaat slechts bij de maat........19quot;

Wereldwijsheid.................2o!

Zonder woord..................2o!

Geen opstanding, noch engel, noch geest.......20.quot;

IV.

-ocr page 452-

iiladz.

Aan mijne vrienden D. M. O. op hun veertigjarigen trouwdag 21.

Aan ,Mijn Wpquot; . . ..............oo\'

„Mijn Heer en mi)n ....................

Anna Wilhehuina....... • • \'m\' quot;

Maastricht. Feestdronk aan den disch van t ALVe laal-en

Letterkundig Congres. ,............^g\'

Zedenwet......................

Erfsmet.......................

Sine Quibus Non................24\'

Paradoxe.....................

Verkeerd effect.................

Anders..............................quot;

[jij het graf van een vader, na een jaar tijds zijn eenige

dochter daarin gevolgd.............„Jquot;

lie non verbis..............................9ri

Maartsche bruiloft...............\' \' oc\'

De Horenslak..................

Morale Indépendante...............

Ten zilveren echtfeest..............li-

Tijd = Geld ..................flt;-

Laudari a viro laudato..............f\'-

Naar Epictetus............................\'27

Onderscheiding.................gA\'

Luchtkasteelen............. \' \' \' \' 28

Verflauwing ,............ quot; quot; \' \' 9«

Otto Gerhard Heldring..............

Taal en letteren......• • • ■.......sn

Aan de versierden met het Metalen Kruis...... ■

Opschik .......................

Teleophobie .....................

Materialistische Logica..............° •

Psychologie . . . ...............

Prima, quae vitam dedit hora, carpsit....... \' 32

Wet der tranen...................

Waarschuwing.................

Zelfs dat niet!.................So\'

Katjesspel...................oo\'

Hol creëeren.....................

Aan mijn Zoon. Met een uurwerk..........;W.

Voor kort......................

Vergeefs.......... ..........pQ\'

Victuros agimus semper nee vivunus unquam.....öö.

Herinnering ••••••••..........o/

Aan een opgeworpen ïiekentrooster.........^

„Alle menschen zijn leugenaars.quot;.............

\'t Spreekt vanzelf......... • •

Aan Clara, op den dag van haar vertrek naar Oost-lndie. M.

Aan.......................

-ocr page 453-

INHOUD.

Even lief................

Openlijk verloofd. Aan...........

Queruliana, I—VIII ...........

Gestoorde bruidsvreugde..........

In liet Bosch...............

Onderwerping met voiharding........

Een Grafschrift.................31

Waarschuwing.................3\'

Jan Rek....................31

Noblesse Oblige.................4(

Aan Favellus..................4(

Een weg die uitnemender is............40\'

Teleurstelling.................4(

Eervolle uitzondering..............4;

Nieuwe stijl..................4:

Nieuwste stijl.................4]

Gulden bruidspaar................4;

Ontwikkelingstheorie..............42

Hic Rhodus. hic salta...............45

Bileams ezel..................42

Noodwendigheid.................42

Tegen Misrekening...............45

Zonsopgang..................41

Drieënzestigste verjaardag.............4c

Bij een graf in den vreemde............44

Kindertranen..................45

Beproeving...................45

Ter Begraafplaats................45

Indien ge iets goeds verricht, enz. \'t En is geen rijkdom enz. . . .

Consequent..........

Ter nagedachtenis.

Voor oudejaarsavondpredikers Werk door en woeker met uw uren, enz. .

Uw stof is arm; enz..........

Tezijnertijd komt ramp en tegenspoed, enz.

Catheder Novellisten.........

Jacobus Jan Cremer.........

Twee Sterfbedden..........

Afval..............

Mijn Zwarte tijd. ... .........

Aan J. Langelaan, veertig jaar Arts te Heemstede

Quandoqoque bonus dormitat Homerus.....

Genoeg is meer. Spreuk van Anna Roemers . .

Stichting................

Oost West, Thuis best...........

Sentimenteel...........

46 46

46

......46

Doofpot............ . . 47

\' \' \' \' 47

47 47 47

47

48 48 48

48

49 49 49

49

50

51

VII

Bla^j

. 3 . 86

. 36 . 37 . 38 39

-ocr page 454-

INHOUD.

Bladz.

Harig. . ...................5,|\'

Bis m eundem.................

Verkeerde wereld................

Ex ........................

Domme Dommekracht..............

Zie wat gij doet. ................

Op het huwelijk van mijn achtste kind........

Aan L. 11. Beynen, te Leiden mijn Contubernaal . ... oó.

„\'k Ben dwaus geweest,quot; enz........... • • \'\'*■

Ik zal \'t bewondren, wil \'t verheften, enz.......54.

Conservatief quand .................Q-

Gelukwenschen . _................

Qui bene distinguit, bene docet...........i ^

Aan wüzen van den dag.............

Hein Hoogvlieger................

Vrouwendeugd.................

Anders......................

Deugd en deugden................

Gods Borduurwerk................

God en Godsbegrip...............y®-

Incompetent....................

Bij een grafpaal................\'r)°-

Non tali auxilio.................j?®-

Stof en kracht.................

Flink.....................ö8.

Niet murmureeren................\'3°-

Bij eene schoone doode..............

Et poëma nascitur................\'jJ\'-

Taal optimisme. Aan.................

Aan Koningin Emma...............

Jan Wring....................^U.

Een woord van Labadie..............

Causa Mortis..................

Ongelijk Huwlijk................

Lachen.......................

Kunstzin...................

Twee Zusjes..................

De betere vraag................

Cramhe Recocta.................

Gezond verstand................

Stelsels .................... ^

Opgeblazen..................

Milde armoede.................

Zoo wreed beroofd. Aan ...,............

Gelukskind...................

\'k Ben jong geweest...............

Zware tijden..................

Onvermogen..................0

VIII

-ocr page 455-

INHOUD. IX

BIsdz.

gt; Mtya r!gt; tij; elme/ltilt; fvaTtjinov.............g5_

Aan Prinses Marie................gö!

Altiora contra Humaniora.............66!

Daghladstijl..................6?!

Lanjr van stof . . ..............67.

\'fquot; Hellend vlak..................67.

yap ynautta artoxTttvH Tü óé ni\'tö/.ia Zwojtutsï......67.

Evangelizeeren.................67!

Victor Hugo..................68.

Nieuwste Dichtschool..............68.

Nu en Daarna................! 68!

Den Heere De Veer...............69.

De Zondeval..................69!

Minuutwüzer..................69. ■

De Wraak van Koningin Eleonora 1173.......71,

i. Roem....................30,

i. Ontwikkeling..................gl.

I. Sursum Corda.................gl!

). De Ouden...................gl_

i. Blijde verwachting. Maart 1880......................81.

3. Klassieke wereld................gl.

3. De Verborgenheden des geloofs...........g2.

3. , Nieuwerwetsch onderwijs.............32.

i. Biecht eens oprechten..............g2.

8. Bevallig onkruid................gg!

8. Bij hot graf van mr. George Willem Vreede......83.

9. Wiegen....................gg]

0. Uw alziend oog.................g4.

0. Jonge doode. Naar Malherbe............34!

0. Illusiën....................34.

•O. Gebruik en Misbruik...............34.

10. Breek den pas!.................g5!

II. Aan Rinidius Naso................$5.

11. Blijde tijding. 31 Augustus 1880 ..........g5!

51. Treurspel...................g6!

il. Aan G. J. Loncq, Med. Doctor en Professor......g6,

51. Met een waaier. Aan.................35!

32. Tweede Jeugd.................36!

82. Met een verrekijker, aan mijn dochter, naar Madera ver-

62. \' trekkende..................37

62. IJver.....................37I

62. Over \'t paard tillen...............37I

62. Levenskracht. Arbeidsvermogen...........37]

03. Getrouwd. Aan een betrouwbaar paar........37!

63. Aan Therèse Schwartze, na \'t verlies van een geliefde zuster 88

63. Quasi.....................gg\'

64. Nog ten achteren................gg\'.

64. In een exemplaar der „Kinder- und Hausmiirchen.quot; .

-ocr page 456-

Bladz.

Plastisch...................o?\'

Nieuwste wetenschap..............

Tijdig.......................

G1SMEKGDE GEDICHTEN. 8ste BUNDEL.

, Mijn dagen zijn in \'t gele bladquot; enz. . . . . . . . ■ 91-Byron, aan wien deze eerste regel ontleend Jis, scnreet op zijn zesëndertigsten verjaardag:

My days are in the yellow leaf;

The flowers and fruits of love are gone; The worm, the canker, and the grief Are mine alone.

The fire that on my bosom preys

Is lone as some volcanic isle;

No torch is kindled at its blaze —

A funeral pile!

Wat ik verbad: „Een icintersche ouderdom.quot; Zie „\'Najaarsmijmeringquot;, 1836. Dichtw. II. 27.

Haarlems Flora................03.

Een uit velen quot;................£*•

Bij het graf eener Moeder............

Morgenstond..................

Naar Maerlant.................

Lied voor Lijkverbranders............Jb.

Profaneeren..................

Het Eigen Huis................

Onze Koningin. Aan Therèse Schwartze.......«»•

Blijmoedig. . .. • ..............

Het Tranenkruikje . ....... • ■ • • • • ^

Aan J. J. Van Oosterzee, Veertig jaar Evangelieprediker 100.

Geen rimpels.................

\'t Poëtisch Oor.................

Een woord van Pica de Mirandola.........101.

Dialecten...................,

Teksten . ..................

Aan den Heiland................

Voorzichtig!..................

Ernst....................

Tempus Actum...............

Dank voor Loon........, •........j™

Bii het graf van een Zevenëntachtigjange......iOrf.

Ab Irato...................04.

Twee vijanden.................

De ..........................104.

-ocr page 457-

quot; INHOUD. XI

Bladz.

De berken van Aberfeldy.............106.

Verheug u in den nevel niet...........107.

Kunst geen nabootsing..............107.

Zelfbewustzijn.................107.

Malcontent..................107.

f* Tusschen de regels...............108.

Alternatief. Aan..................108.

Geen nood..................108.

Uit één stuk. .................108.

Kring van denkbeelden.............109.

Onderzoeker, verzoeker..............109.

Aan mijne twee nog overige zusters........109.

De mannen van Homerus.............110.

Ken u zelven.................110.

Gods kennen en God kennen...........110.

Proefmiddel..................110.

Geluksrecept.................111.

Aan Hendrik Conscience.............111.

Onmogelijke Definities..............111.

Lof . _ .\'...................111.

Op mijn portret door Therèse Sobwartze.......111.

Het lijden van den jongen Wertber. Volgens Thackeray. 111.

De Kielen en de Wielen en de Rand van \'t Land . . . 112.

Geld.....................113.

Wees vroolijk.................114.

Uit Plato...................114.

Kerstzang...................114.

Aan God...................115.

Aan de Critiek.................115.

Aan een Recensent...............116.

Voelhorens..................116.

Alleenspraak van een wijsgeerig kuiken.......116.

Geef mee...................117,

Laat de leer voor andren staan..........118.

Echtpaar...................119.

Zielsverheffing.................119.

Groothartig..................119.

Stel tegen drift geen drift.............119.

Wat de natuur bedwingt.............119.

Pessimisme ..................119.

Vreeze des doods................120.

Gevolgtrekking.................120.

Os sublime..................120.

Coelumque tueri................120.

Het lied van de Cel...............120.

Opvliegendheid.................121.

Veel pijlen..................121.

Opschik...................121.

J

-ocr page 458-

INHOUD.

Bladz.

Niet ten halve.................121.

Vraagt gij..................121.

Blaf, trouwe hond!...............121.

Spreuken...................122.

Aan mijn Zonen................122.

Liefde na den dood...............123.

Wel goed...................124.

Gelooven en Weten...............124.

Geen Doel?..................124.

Zelfban...................125.

Vos non vobis.................130.

Bilderdijk...................130.

Geen vergeldend God..............131.

Oprechtheid............ .....^131.

Liefdes Rijkdom................131.

Driftige menschen geen verraders.........131.

Het oog verraadt den mensch...........131.

Veel leer ik steeds...............132.

Passend; maar ook gepast?............132.

Querulianum.................\'132.

Godloochening.................132.

De Dood verzoent...............132.

Wel duizendmaal................132.

Verstand en hart................133.

Geen vergoeding................133.

Vergissing..................133.

J. J. Van Oosterzee in den vreemde gestorven.....133.

Washington..................133.

In het Album, mevr. Bosboom—Toussaint aangeboden . 134.

Daar is iets tintiigs in die oogen..........134.

Invloed....................135.

Variis modis—male fit..............135.

Bekeering of bekeerdheid.............135.

Vacantiewerk.................135.

The pen is mightier than the sword........135.

Uw hart is in uw oogen.............136.

Bloemendaal. Aan Ida en Cornelia De Marez Oyens . . 136.

De Oude Olm bij „Kraantje-lekquot;..........138.

Aan den predikant J. Moll Jbz...........140.

Wij vergeten.................141.

Wees sterk en Hij zal uw hart versterken......141.

Verdraagzaam. Aan ***.............142.

Een vraag....... ...........142.

Vrije gemeente.................142.

Probleem...................148.

Aan J. P. Hasebroek, op zijn zeventigsten verjaardag. . 143.

Zware proef..................144.

Kleurloos en Kleurloos is twee...........144.

XII

-ocr page 459-

INHODD. XIII

Bladz.

Misrekening..................144.

Tijs en Gijs..................144.

„Hebbende een zwaard.quot;.............144.

Wat zoekt gij ?.................145.

Beseffen...................145.

Gij schittert..................145.

Al te fel...................146.

Raadsels. Uit bet Fransch............146.

Spreekt uw bart................147.

Casusjiositiën.................147.

Godsdienstig leven...............147.

Dat telt af..................148.

Een Nieuw Lied voor bet Nieuwe Jaar.......149.

Walter Scott.................150.

Rosabella...................154.

Stemmen der Natuur..............156.

I. Augustusnacht.............156.

II. Januarinacbt..............157.

Moed en overmoed...............157.

Geen Schepper.................157.

Michel Angelo\'s La forza d\'un bel voltoetc......158.

Wat doet gij?.................158.

Vergeet ze niet................158.

Zien.....................159.

Sledevaart..................159.

De wijsheid die aan d\' eisch voldoet........160.

Sleutelbloem..................161.

Victor Hugo\'s Soyez comme l\'oiseau........161.

Mij dunkt daar klopt geen jonger bart.......161.

Zieltje zonder zorg...............162.

Lachebekje ..................162.

Bleekneusje..................168.

Aan mijn Jonathan, op het Gedenkfeest enz......163.

Est modus in rebus sunt certi denique fines.....165.

Nemo mortalium omnibus horis sapit........165.

Quieta non movere ...............165.

Niet begrepen.................165.

Propter vitam vitae perdere causas.........165.

Laatste Schans.................166.

A Dieu ta Vie, en Dieu ta fin...........166.

Us.....................166.

Rozen. Aan Vrouwe Van Loon—Voombergh.....167.

Inga.....................167.

John Wiclifs asch...............169.

Bij een in laten herfst nog groenen treurwilg.....170.

Vertrouwen..................170.

Pijnstilling..................170.

Eens Menschen Hart..............170.

-ocr page 460-

INHOUD.

Bladz.

Naar hooger...............170.

Groepeeren ...............171.

Die altijd drinkt, enz.............171.

Partijgeest...............171.

Wie ooit?...............171.

Naooging. Aan Miss Ada Mary B. op zee naar Australië 172.

De omtuining uit!.............173.

Ontleende gedachten............174.

I. Alternatief..............174.

II. Aan een Materialist...........174.

III. Jeunesse dorée............174.

IV. Verdraagzaamst............174.

V. Verleiding..............175.

VI. „Ten eerste zuiverquot;...........175.

VII. Ontziet elkaar............175.

NAAR ARIOSTO

UIT DES

ORLANDO FÜBIOSO.

1882. 1883. i

Aartsengel Michaels boodschap.........179.

Astolfo\'s Maanbezoek............187.

Lof der Vrouwen.............198.

Lieve Vrouwen..............199.

Vrouwelijk Voorrecht............199.

Onweerstaanbaar..........................200.

Tijden en Weertijden........................200.

Geruchten..............................200.

GEMENGDE GEDICHTEN. 9ae BUNDEL.

Wat eiloofranken, trouw festoen, enz........201.

Aan mijn Volk...................203.

Aan de Nederlandsche Studenten, mij op mijn Zeventigsten

Verjaardag een Winterstuk met Zonsondergang, van ]

Duchattel vereerd hebbende..................204. J

Het sneeuwt..............................204. (

Quis separabit?............................205. i

Middelmatig. Aan................................205. (

\'t Beweren warmt niet......................205. I

Perspicua................................206. (

Twijfelen................................206. A

XIV

Ik weet niet............ . . . 206 I

J

-ocr page 461-

INHOUD. xv

Bladz.

Voor \'t Goede............................206.

Dweperij................................206.

Mijnen vriend Gr. H. De Marez Oyens..............206.

Aan Dr. J. I. Doedes........................207.

Zilveren bruiloft..........................207.

Bij de beeltenis van Prinses Wilhelmina............208.

Jozef..................................208.

Kort zij t ge..............................209.

Aan mijn meerderen . •....................209.

Hij weet te min..........................209.

Naar Thomas Moore........................209.

I. All that\'s bright must fade................209.

II. \'t Is the last rose of summer.......210.

„Wij wetenquot;..............211.

Ken zwakke...............211.

Men kan hetgeen men wil..........211.

Bijna.................211.

Populair................211.

Te uitvoerig...............211.

Sonnetten............I. 212, II. 212.

Zelfzucht................213.

De Schoonste..............213.

Aan J. J. L. Ten Kate, op zijn Gedenkfeest.....218.

Bede van het oude Orgel der Nicolaï-Kerk te Utrecht . 214.

Het Roode Kruis.............214.

Beleefdheid...............214.

Waar Geluk...............214.

Goede Raad...............215.

Het Barkschip „Nicolaas Beetsquot;........216.

Niet compleet..............216.

Aan een Vrijdenker............216.

Verhef de liefde Gods............216.

Dankbaar Ontzag.............217.

Die zegt................217!

Arme pronk...............217.

Heel dom te wezen............217!

„Du choc des opinions jaillit la véritéquot;......217.

Een.................217!

Twijfelen................218.

Een Grafschrift..............218.

Levens-beschouwing............218.

Gepeins................218.

Aan de Leidsche Hoogeschool op haar LXIIste Lustrum. 218!

Op de eerste bladzijde van een Gedenkboek .... 219.

De liefde blijft het beeld bewaren........22o!

Geef woorden aan uw leed....................220.

Wegen................22o!

Mogelijk................................220.

-ocr page 462-

INFIOUD.

I31adz.

Germania................\'^20.

Aanvaard uw geluk........................222.

Zoo zijn er..............................222.

Wee hem!..............................222.

Geen uitneming des peraoons..................222.

Non tali auxilio..........................222.

Zaak en Vorm............................223.

Gematigd................................223.

Wat beter is............................223.

Abba Vader..............................224.

Niet wat gij kunt _..........................224.

Aan een Mistroostige . . . .........22J-.

Constant Theodore Grave van Lijnden van Sandenburg . 224.

Aan Dr. Coenraad Leemans....................225.

Stijl-les................225.

Sti)l-verschil...............225.

Niets nieuws..............................226.

Onvoldoende. • .........................226.

Je, jij, en jouw in brief en boek ...............226.

Neen, \'t leven ziet niet steeds zoo zuur............226.

De godsdienst leeft met God..................226.

Waar \'t van afhangt........................227.

Het komt vanzelf niet........................227.

Een woord van Claudius......................227.

Aan mijne Vrouw..........................227.

Aan mijne Jongste..........................227.

„De Heer weegt de geesten....................227.

De Slaap................................227.

Aan............- ............228.

Aan een jonge Weduwe, uit Oost-Indië terug .... 228.

Goedhartig zijn............................228.

Versche Smart............................228.

Het Schoone is altijd schoon..................228.

Diamant en Kool..........................229.

Slechts het hart,..........................229.

Twee Levensbeschouwingen....................229.

De mortuis nil nisi bene......................230.

Dum trahimus trahimur......................230.

Aan een Overgeleerde........................230.

Les. Geen leer............................230.

Zelfs verzen! ...........................230.

Illusie. — Enthusiasme...........231.

Nardus................231.

Wat in den grijsaard omgaat..................232.

Philophrosyne............................232.

Nieuwe Leer..............................233.

Hypothesen..............................233.

Engelsch Tractaatje........................233.

XVI

-ocr page 463-

INHOUD.

Bladz.

Hoe schoon..............................234.

Onzijn..................................234.

De laatste eer............................234.

Schrijf op mijn zerk geen lofgedicht..............235.

Grafschrift voor mijzelven....................236.

Niet klagen..............................236.

Bij het graf van A. L. G. Bosboom-Toussaint .... 237.

Meer, niet = meerder........................237.

Ken dilettant gevonnisd......................237.

Doctor Umbraticus..........................237.

Als de storm is opgestoken....................237.

Nog eens Mei............................238.

Veenrook................................238.

Zelfonderzoek............................238.

Waar een wil is, is een weg..................239.

Anneke................................239.

Pieter..................................240.

Zoek waarheid............................240.

Zoek wijsheid............................240.

Meer..................................240.

Gij zijt zoo goed..........................240.

Een al te groote ramp......................240.

Kerkgebeden...............241.

Aanvang der Beeldende Kunst.........241.

Ingehouden tranen.............241.

De Eoolsche Harp.............241.

Nubem pro Junono..........................242.

Bedekselen..............................242.

Aan Leiden..............................242.

Spreek zachtzinnig..........................246.

Een slimme streek..........................246.

Slijten. . . ...........................246.

Hoe men gewoonlijk handelt..................246.

Aan een Zestienjarige........................246.

Onbevoegd oordeel..........................247.

Uitroeien................................247.

Het heeft geen haast........................247.

Deugd en geluk............................247.

Pulcheria................................248.

\'t Geluk is enkelvoud........• . . . 248.

Het Woord en de Stem......................248.

Meedeelen.....................248.

Herfstpraal..............................248.

Gevaar................................249.

Voor de Zwakken..........................249.

Naar Henri Frederic Amiel....................250.

Hohwald................................252.

Verzoening..............................256.

XVII

-ocr page 464-

INHOUD.

Bladz.

De Fakkels gaan van hand tot hand..............257.

Teleurstelling............................257.

Comma-Bacillen............................258.

Industrieels Tentoonstellers....................258.

Aan een Reiziger rondom de Wereld..............258.

Het Leven..............................258. \'

Lang en Kort............................258.

Bij een Beeltenis..........................258.

Penseel en Beitel..........................259.

Berusten is zoo maklijk niet....................259.

Daar \'s over u iets heengegaan..................260.

Het Zendingwerk..........................260.

Eenvoudig zijn..............261.

Als de kinderskens.............261.

Die tegen \'t Oosten treedt..........261.

Vernuft..............................261.

Verworven smaak.............261.

Gebeden................................262.

Een Psalm..............................262.

\'s Konings Zeventigste Verjaardag................262.

Probleem................................263.

Pijn..................................264.

Winter................................265.

Verwelkt, verdort gij, schoone bloem..............266.

Waar zijn?...............26(5.

LeelijkY Mooi?............................266.

Do Doodsklok............................267.

Een Kerkhofwandeling......................268.

Twee Pilaren............................269.

Verjaardag..............................269.

Aan mijn Vaderland........................270.

Feest-cantate bi] de viering van het tweehonderdvijftig-jarig

XVIII

bestaan der ütrechtsche hoogeschool.......271.

J

-ocr page 465-

i

z.

L 1.

i.

i.

3.

I VAN DE GEDICHTEN

3.

9. DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH.

9.

O-

0.

1, Bladz.

1. Aanbidt de kracht en \'t ruw geweld................249.

1, Aan God uw leven..............166.

1. Aanvaard, waar God ze geeft, geluk enz................222.

1. Aanvaard wat God u oplegt gansch en gaar......121.

2. Ach, welk een weefsel. Heer! zijn mijn gebeden..........262.

2, Alles begrijpen ware ook alles te vergevenquot;......56.

2. Als de oogstzon op den akker brandt........30.

3. Als de os met al zjjn kracht...........130.

4. Als de storm is opgestoken......................237.

5. Als heete zonnestralen zengen..........86.

6. Als ik een neus bezat als gij............85.

Als ik mijn zangen tot uw oor..........103.

6, Als ik omdool door de lieve streken........93.

7. Als \'t oog niet vatbaar was voor \'t licht.......159.

g. Als \'t regent daar de zon bij schijnt........11.

!lt;). Als uw verstand...............133.

9. \'t Al te overdadige..............19.

0. Al wat gij ziet, strekt u tot ergernis........107.

Al wat ik heb, en ben, en kan..........115.

Anneke, wacht u voor d\' avondwind................239.

Bedorven kind zijns tijds; fransche afgod enz......68.

Beeld u niet in, de waarheid te beschermen......58.

Begeer geen al te groote dingen..........111.

\'t Begin was beter dan \'t besluit....................228.

\'k Ben „dwaas geweest,quot; herhaalt gij duizendmalen . . 54.

\'k Ben driftig, maar Goddank! enz.........131.

„Ben je zestig?quot; Ja, ik ben \'t..........17.

\'k Ben jong geweest. Ik greep van \'t leven.....63.

Beklaag hem, die alleen voor zijn gezondheid leeft. . . . 165.

Beleefdheid jegens luiden die men acht.......214.

Berusten is zoo maklijk niet......................259.

Beschimp geen machteloozen, even.........14.

\'t Besluit onvoorbereid genomen..........199.

\'t Bestaan van \'t Roode Kruis is vast een groote zegen . .214.

é

-ocr page 466-

van de gedichten

Bevorder, zoo gij kunt, dat als een rozeknop \'t Beweren warmt niet, maar verkoelt . Bijna een dichter, bijna een stilist_ . . . Bij ruwe kracht, geweld en felle listen . Blaf, trouwe hond! waar nood is of gevaar Bleekneusje moest zoo bleek niet zijn. . Brand! brand! in \'t midden van den nacht

Comma-Bacillen zijn ontdekt . . - ■

Conscience, honderdmaal de vriend zijns volks enz,

Baal in u zeiven af.....

Daar is een maat in alle zaken .

Daar is iets tintligs in die oogen Daar is mijn groene wereld weer Daar is voor ouderdom noch jeugd Daar \'s niemand loijs dan God enz.

Daar \'s over u iets heengegaan .

Daar weent een moeder haar oogen Dat ge in de zaak verschilt .

Dat gij mij liefhebt, weet ik niet Dat \'k mij bedroeve, of mij verbaze Dat Kunst Natuur haar hulp bewijst Dat menschen sterven, werd weleer.

Dat ooit een ezel sprak enz. . . . _

Dat rei een zangrei zegt, een dansrei enz, „Dat telt af, dat telt afquot;. - .

Dat zelfs Homerus somtijds inslaapt enz.

De bekers volgeschonken.....

Do Bergstroom door gestage regenvloeden De bloodaard beeft voor \'t geen den held verheugt De dichter, die het schoone ziet .... De dichter, schoon gij \'t zoudt verwachten . De dichters hebben kwaad gedaan .... De dommekracht in zeedlijke belangen . .

De doodsklok luidt........;

De Dood verzoent. Dat we allen sterflijk zijn De eene dienst is de andre waard .... De eene een bruintje, de andere een blondje. De eoolsche harp ruischt in den nacht, . ■

Dees treurwilg blijft nog groen en weet . -De fakkels gaan van hand tot hand .

De God, door wien wij leven......

De godsdienst leeft met God enz. .... De grijsaard, die een beeldschoon aangezicht. De heldre ruit, waar gij door henenziet . . De hoop door bange vrees bestreden . . . De huwlijkstempel werd betreden ....

xx

bladz.

81.

D

\'205.

D

211.

D

4.

D

121.

D

163.

D

213.

D

Dt

258.

De

111.

De

Dc

35.

Dc

165.

De

134.

De

238.

De

214.

De

217.

„D

260.

De

99.

De

223.

De

146.

De

108.

De

19.

De

16.

De

42.

De

36.

De

148.

De

49.

De

112.

De

200.

De

119.

De

248.

De

226.

De

66.

De

51.

De

267.

De

132.

Dei

246.

De

61.

De

241.

De

170.

De

257.

De

108.

De

226.

De

232.

De

206.

De

94.

Die

97.

Die

iv

rood

-ocr page 467-

DK EBRSTE REGELS ALPHADETISCH. XXI

Bladz.

De jonge Man op eenmaal weggenomen.......144.

De jongling, die naai- Dothan toog..................208.

De kennis, ja, maakt opgeblazen.........62.

De Kinningin! Van dag tot dag..........98.

De krans van roos en leliekelken..................7.

De laatste, u gaarn bewezen eer,..................234.

De letter doodt; de geest maakt levend enz.......67.

De liefde blijft het beeld bewaren..................220.

De liefde ontwaakt in \'t menscblijk hart.......123.

De man, die hier begraven werd . . ■......39.

De man, die zestig jaar het Heilwoord enz.......140.

De mannen van Homerus storten tranen.......110.

De man is voor het goede enz......................206.

De meeuwen vliegen om de Bass.........104.

De mortuis nil nisi bene..........................230.

Den Arts, die veertig jaar geleerdheidstabberd plooide . . 86.

„De Nederlanders zijnquot; enz............41\'

De ,n ie uwste wetenschapquot; baart mij noch pijn enz. ... 89.

Den Kenmer Vries, mijn stad- en schoolgenoot.....19.

Den Koning, onder wiens bewind..................9.

Den kundige\' Arts, in bange stonden........49.

Den lof der Ouden hoor ik gaarne zingen.......81.

Den man, die veertig jaar de kruisleer enz.......218.

De omtuining uit, de wereld in . ........173.

De pen is machtiger dan \'t zwaard.........135.

De rechte weg is overal de kortste..................220.

De Roem, de Roem, de ware Roem.........80.

De Schrift tot leugenaar te maken.........84.

De slaap, de kalme slaap........................227.

De stervling schept zijn rol...........33.

De strijd om \'t leven riep de kunsten niet in \'t leven . . . 241.

De Swift ontving de gloeiende asch.........169.

De taal schijnt me optimist enz...........60.

De taal van \'t hart heeft menig dialect.......101.

De toon van echten ernst ia waardig........102.

De tijd moet ons niet altijd kort..........135.

Deugd en geluk — indien maar beiden..............247.

De vraag naar God wordt in uw boezem.......188.

De vrouwen hebben oulings groote dingen......198.

De vrouw is voor den man, wat voor enz.......119.

De wereld aan te zien, welvarend nog enz..............269.

De wind, die door het luchtruim huilde.......157.

De Winter, met zijn sneeuw en vorst................265.

De Wijsbegeerte zoekt, de Godgeleerdheid vindt .... 101.

De wijsheid, die aan d\' eisch voldoet........160.

De zangdrift schiet wel wat te kort........28.

Die altijd drinkt, kan nooit iets smaken.......171.

Die altijd drinkt, proeft niet met allen........171.

IV.

-ocr page 468-

VAN DE QEDICHTES

Bladz.

Die invloed hebben kan en wil enz.........135.

Die onrecht doet, zal onrecht dragen................222.

Die redeneerende, onderstelt. . • . ...........233.

Die tegen \'t Oosten treedt,_bii rijzend zonnelicht .... 261.

Die vnendlijkheid voegt bij geen tabberd.......111.

Die weet is kort, die zoekt is lang..................225.

Die zegt: daar is geen eerlijk man .........217.

„Dit is het nieuwste nieuws, in spijt enz........68.

Dit trouw gelaat bedriegt niet enz..........133.

Doe nooit een meisje leed enz, ................227.

Door geen woestijn hebt gij, dus veertig jaar.....21.

Draag niet edelsteen bij steen..........31.

Driemaal vijf jaren..............18.

Een al te groote ramp brengt vromen van hun stuk . . . 240.

„Een blik slechts\'quot; zegt ge in valsch vertrouwen .... 32.

Een bons op \'t hoofd — het brein lijdt last......32.

Een dilettant, maar een geleerde niet................227.

Een half ontgraven, half nog in \'t Egyptisch zand. . - . 225.

Een hellend vlak gevaarlijk? Ja gewis........67.

Een kring van denkbeelden! Wat is \'t........109.

Een nieuwe Wet, meer Leeraars, en meer vakken .... 142.

Een ondeel in het oog enz........................250.

Een parel is aan \'t snoer ontzonken........11.

Een reis rondom de wereld enz......................258.

Een slimme streek helpt slechts . . ...............246.

Een sluier, masker, dekkleed, wat het zij..............242.

Eens menschenhart is een nauwlettend instrument.... 170.

Een strijd van allen tegen allen................233.

Eens waren wij een kring van zeven . .......109.

Een toorn, hoe zwak ook, heeft wel dikwijls............200.

Eenvoudig zijn is niet zoo moeilijk enz........261.

Een vrome „wandel zonder woordquot; .........20.

Een weemoedstoon trilt door den blijden groet..........262.

Een ijver, die slechts doen wil en niethooren .... 87.

Een ziel, verlost van zonde en dood........127.

Een zuiver Rijm is \'t echtpaar zooals........89.

Een zwakke zal een sterker overmogen.......211.

En de ongelijkbre Goedheid, wie te smeeken......179.

En gij, die Kind en Moeder maalt.........99.

\'t En is geen rijkdom, die het doet.........46.

,Flink, flink en nog eens flinkquot; enz.........58.

Gansch objectief te zijn is de eisch enz.......62.

Gebruik uw kracht; zij zal vermeeren ........84.

Geduld, verdraagzaamheid, toegevendheid enz............240.

Geef mee, geef toe, geef op, laat los......- - -117.

xxir

-ocr page 469-

de eerste reqels alphabetisoh.

Eladz.

Geef woorden aan uw leed, enz..........220.

Geen afscheidssmart, geen bang Vaarwel.......44.

Geen blik meer naar omhoog, geen opzien enz.....120.

Geen nieuwe vriend vergoedt den vriend enz......133.

Geen Os Sublime meer; die tijd is lang geweest.....120.

Geen rimpels heeft uw voorhoofd nog........100.

Geen Schepper, \'t Kwam van zelf, enz........157.

Geen sterflijk mensch is te aller uur verstandig.....165.

Gegroet, gi) bleek en koud. maar zacht..............204.

„\'t Geloof m liefde werkzaamquot; enz.........25.

Gelooven wilt gij niet, noch dulden enz........142.

\'t Geluk is enkelvoud; men wil enz..................248.

Gelukkig land, met geen Samoem bekend..............238.

Gelijk men zegt: ik zoek, ik zocht.........132.

Gematigd, zjjt gij niet de man enz..................223.

\'t Gemoed zij zacht, en zacht de moed.......55.

Geniet, ook waar geen inzien is vergund.......82.

Genoeg is meer; niet slechts meer dan enz.......49.

Gepijnigd is uw stijl, en doet den lezer pijn......60.

Gerieflijk maar vreemdsoortig dier.........147.

Germania rust op haar zwaard....................220.

\'t Geschaapne heeft geen doel — \'t en enz.......31.

Gevoelen doen is meer dan zelf gevoelen..............248.

Gevoelziek volkje, smart-studenten.........51.

God, do Vader make u rijk...........19.

God mag geen recht doen; recht enz.........131.

God, over hoeveel hoofden...........131.

\'t Groepeeren van de cijfers zoo of zus.......171.

„Grijpt als \'t rijpt!quot; zij de leus enz.........90.

„Gij blijft uzelf gelijk.quot; Waarin enz.........46.

Gjj hebt den weg gewezen...........102.

Gij hebt een Gods-Begrip, gansch naar uw zin ... , 56.

Gij hebt Gods heerlijkheid aanschouwd..............6.

Gij hebt niet eens wat noodig is.........217.

Gjj hebt veel meer dan \'k bij u zoek................230.

Gij hebt ze wel of hebt ze niet..........116.

Gij jongste Telgen, aan een stam ontsprongen.....138.

Gjj klaagt: „het leven heeft niets zoets.quot;.......119.

Gij kunt a_l_ \'t goed niet doen, dat ge in enz......174.

Gij leeft bij teksten, weet er tien.........102.

Gjj meent dat over u de meening is verspreid.....216.

Gjj meent het goed, maar \'t werkt verkeerd......24.

Gjj preekt: „de tijd vliegt snelquot; enz.........47.

Gij rekent en berekent steeds, mi care!.......42.

Gjj schildert de Ondeugd zwart, maar enz.......24.

Gij schildert, meent ge, en stelt voor oogen......89.

Gj) schittert, maar verrukt ons niet........145.

Gij stierft, gij daaldet in uw graf.........46.

xxiiï

-ocr page 470-

VAN DE GEDICHTEN

Gij toetst en recenseert gedichten.....

Gij weegt de geesten, Heer! enz......

Gi) weet en gaat mij ver te boven.....

Gij wilt slechts blindelings gelooven . . Gij zegt: Dat al wat is een doel heeft, is verzinsel Gij zijt wel mannen van mijn richting. . . . Gij zijt zoo goed en zoo verstandig enz. . . .

\'k Had gaarne tot dit werk het mijne toegebracht \'k Heb eens dat woord ontmoet en laat het nimm \'k Heb in mijn hart een diep besef. . _ .

\'k Heb openhartiglijk mijn ,Zwarten tijdquot; beleden Heeft God zijn almacht, door te scheppen, uitgeput Heeft U de duivel, vriend! of hebt gij, enz. . .

Heel dom te wezen, kan geen kwaad ....

Hef aan, hef aan toch, nachtegaal!.....

Heft de oogen op, heft de oogen op ... .

Heil mij, die U. op dezen schoonen dag . . .

Hein, die veel lijdt, verwekt enz......

Hen, die de sabel moedig trekken.....

Hen, die in alle Christenlanden......

\'k Herinner hem wel duizendmaal.....

Het botsen der gevoelens enz.......

Het Echtpaar, één in kunst, in roem enz.

Het feest van de onverwinbre Zon.....

Het heeft geen haast, zegt gjj enz.....

Het hondgeblaf verstomme op aarde .... Het is met mij een vreemd geval . _ • • Het kennen Gods ia liefde-in-waarheid-en-in daad

Het knaapje schreit. _.........

Het komt van zelf niet enz........

Het leven is geen Maaltijd enz......•

Het Licht is wit; Kleur is op weg naar \'t duister Het Neerland dezes tijds; aan de overzij . . . Het onderricht kan mij \'t verstand niet geven . Het onverklaarbre is meer, dan al enz. . • .

Het oog van Hausschein brak......

Het oog verraadt den mensch, den vijand enz. . Het oude jaar is in het niet verzonken . . • Het profaneeren is aan de orde van den dag . Het schoone is altijd schoon enz. ..... Het schrandre brein, dat vijf en twintig jaren . Het veld, waar blauwe korenbloemen ....

Het was een hooge feestdag.......

Het wiegen afgeschaft; het wiegelied vergeten . Het wiegje leeg; het kindje in \'t graf. . _ ■ . Het zwierig kleed, waarin m\' uw dochter ziet .

Hier is uw strijd ten einde.......

ÏX1V

-ocr page 471-

de eerste regels alpiiabetiscu.

Cladz.

Hier liggen doode talen onder de aard.......81.

Hier, zonder vrienden of gezin..........26.

Hoe blaast nog de Oostenwind zoo guur........37.

Hoe harig is onze eeuw; de vrouwen enz.......51.

Hoe hooger ik uw gaven eer...........174.

Hoe komen, luid geprezen. ... .......252.

Hoe kweet ge u van de taak, die u enz. . \'.....110.

Hoe lieflijk komt een rozeknop.......65.

Hoe maakt thans de oude stok enz.........51.

Hoe men gewoonlijk handelt, weet elkeen..............246.

Hoe neemt gij \'tï Rein van hart enz.........175.

Hoe schoon versiert een zachte lach................234.

Hoe ver gij over zee en baren..........87.

Hoezee! Wij komen uit de Cel..........120.

Hoe zegt men mij; „Gij blijft nog jong van geest!quot; . . . 24.

Hoog vliegt ge op verbeeklings vlerken..............209.

Hoor de sleden met de bellen..........159.

Hoort toch, gij Starren! wat de Baren........156.

Hoort toe, gij Juffren! lief en schoon........154.

Houd, oude steenklomp, eenmaal op........54.

Hü, die met God een blik gewisseld heeft 45.

Hij dwaalt, die meer in u dan \'t middelmatig ziet. • • • 205.

Hij ging op reis. Waarheen? Wij dachten enz......133.

Hij had een zwaard en trok van leer........144.

Hij heeft zoolang hier omgedwaald. ........24.

Hij kan van alles; heeft zelfs verzen in de maak. . . . 230.

Hij weet heel veel, maar niet enz....................237.

Hij weet te min, hoe boud hij spreekt................209.

Hij zal zich in \'t effect vergissen.........144.

Ik ben voor \'t goede, kameraad..................222.

Ik denk aan U in stille nachten.........172.

Ik eer uw Christelijk bedoelen..........109.

Ik had in mijn gedachten.....quot;......14.

Ik neem uw ingehouden tranen..........241.

Ik wandelde over \'t kerkhof rond ..............268.

Ik weet niet, waar ik \'t heb gelezen................206.

Ik zal \'t bewondren, wil \'t verheffen........54.

In dees bedroefde wereld zijn..........95.

In derven en verwerven........................205.

Indien ge iets goeds verricht, mijn zoon!.......46.

Indien gij kunstnaar zijt, enz...........27.

Indien ge uw hart wilt hoeden enz.........110.

In Godes hand te geven. ..........39.

In hoven en hoeven..............50.

In naam van \'t nieuwe licht enz..........89.

In \'t afgaan onzer levensdagen....................249.

In \'t alpgebied der oeestelijke wereld..............7.

xxv

-ocr page 472-

xxvi van de gedichten

Bladz.

In \'t Vaderland terug, maar zonder dien..............228.

In U begon mijn leven..........................242.

In vroeger dagen vond men lieve vrouwen......199.

\'t Is alles allen niet gegund...........110.

Is door een qnvoorzienen stoot..........28.

\'t Is en zal zijn zoo \'t altijd geweest is.......171.

Is iemand sterk en heeft hij moed..................3.

\'t Is soms of het Leven de Dooden bespot......45.

Is \'t korte leven lang genoeg......................258.

Is waarlijk goed te doen enz............115.

Jan heett zijn buurman welgedaan.........34.

Jan Rek wil grooter zijn dan God hem enz.......39.

Jan Salie speelt niet meer den baas . ......41.

Ja, \'t is nog \'t oude Kraantje-lek.........138.

Je, Jij en Jouw in schrift en zelfs in druk............226.

\'t Jongste kind nog groot te zien..................227.

Koningin Elenora, uw haat is geducht........73.

Kort zijt ge en dient daarvoor geprezen..............209.

Kracht van een schoon gelaat kan mij enz.......158.

\'t Kwaad dat, waar \'t fel bestreden wordt......166.

Kweek kunstzin aan bij \'tvolk; stel enz.......61.

Laat de leer voor andren staan..........118.

Laat geen gedachten al te lang..........85.

Laat Oost en West de blij maar hooren.......85.

\'t Laatste roosje van den zomer..........210.

Laat varen uw Begoocheling...........231.

Lachebekje, die men acht............162.

Lach niet te zeer..............61.

„Leelijkquot;, zegt gij. Neen, voorwaar!.........266.

Leerkracht, leerstof, ziedaar hoe \'t heden enz.....58.

Leer toch uw taal en voegzaamheid verstaan.....67.

Leg baar bij haar Moeder neder..........22.

Leg uw hoofd aan de borst van den God enz............224.

.Levensbeschouwing.quot; Hoe versta ik \'t enz......218.

Lieve Inga, die met mij een tijd..........167.

Lofreednaars van het vroegre zijn verdacht......143.

Lof verdienen en ontvlieden...........111.

Maal deze niet, of maal haar met dien lach............258.

Maart roert zijn staart, of houdt zich stil.......25.

Maastricht, uw ster, uw zilvren ster.........28.

Meer menschen, zijn daarom geen meerdren..........237.

Meidorens zenden zoeten geur....................8.

Men heeft geen zin in uw gedachten...........227.

Men heeft voor vijftig jaar mij dezen raad . . . . . 270.

Men kan hetgeen men wil enz...........211.

-ocr page 473-

dk eerste kegels alpiiabetisch. xxvii

Bladz.

Men kan mij krijgen voor een mijt.........147.

Men klaagt en jammert luid...........64.\'

Men werpt geen steenen in de bron.........217.

Met de vlucht van den aadlaar enz.........55.

Met uw vreugde werd uw kracht.........234.

Met weten, Nicodemi! komt ge er niet.......211.

Ministers plachten at\'te treden.........4ll

Moed toont de Man, maar enz...........157.

\'t Moet bleeken al wat bleekt....................209.

Mij dunkt, daar klopt geen jonger hart.......161.

Mijn Alma Mater! neem de hulde van een zoon.....218.

Mijn al te trouwe makker. Pijn!....................264.

Mijn dagen zijn in \'t gele blad..........91.

Mijn erfsmet is mijn schuld niet enz.........24.

Myn Hekr! Laat mij uw dienstknecht zijn.......22.

Mijn Heiland is het beste waard..........231.

Mijn kleinkroost meerdert vast en klom.......85.

Mijn lijf is saatugesteld uit enkel lange graten.....146.

Mijn volk, mijn eigen dierbaar volk..................203.

Naar hooger, hooger steeds, ter heldren enz.......170.

Naar ruste trachtend.............94.

Naar \'t lichaam wat geschokt, maar enz........100.

Na tienmaal acht en zeven jaren.........103.

Neen, Kunst is geen herhalen der Natuur.......107!

Neen, \'t leven ziet niet steeds zoo zuur..............226.

Niemand randt mij strafloos aan.......150.

Niet alle vuur moet branden...........47,

Niet klagen................................236!

Niet murmureeren, liefdrijk God!.........53!

Niet rijk van inhoud, maar do vorm................226.

Niets kan het hart gewisser dooden.........62.

Niet wat gij kunt, niet wat gy wilt euz................224.

NoiiLEssu üdi.ige. Groot de GiiooTK enz........40.

Nog eenmaal, eenmaal slechts haar zien.......88.

Nogmaals jong is de frissche, de manlijke geest ... 86!

Nog zooveel schooner in uw dood.........59.

„Noodwendigheid regeert; geen wijsheid enz......42.

Novellen-makers en -uitkramers enz.........47.

Nu liet zaaien; nu de tranen...........68.

Nu maak u op om feest te vieren.........271.

Nu spreidt de hoop haar schoonste stralen......81.

Och, blijf nog wat!..............163.

Och, was daar in uw dof gemoed..................234!

Ofschoon de dood uw fakkel bluschte........28!

O, grootste der Verborgenheden..........65!

0, gij, die waarheid wilt, hebt kracht enz.......IO4!

i

-ocr page 474-

VAN DE GEDICHTEN

O, heerlijk woord voor \'t echtverbond .

Ontwikklen zou het zijn en \'t werd verdooven „OntwikMingquot; roept men. „Dit het leelijke enz Ontzettend Hein! wat zijt gij knap .

Ontziet elkaar, gij strijdende partijen! .

Onwetend zijn zij beiden.....

Op de eerste bladzijde een, die zich voor God enz Op eenmaal soms ontwaakt in mij .

Oprechtheid is voor \'t minst een deugd Op u te vuren blijft aan de orde enz. . Opvliegendheid vliegt over \'t hoofd. .

Overloop uwen vriend niet, noch zit enz.

Pas op! uw kennis is beperkt Pronk in uw najaarspracht ....

Rechtaarde jonglingschap der Nederlandsche Athenen Rechtschapen, eerlijk man, die beter enz,

\'k Reis naar den hemel, enz.....

Roept uit aan alle stranden ....

Kust, Roem van Neerlands vrouwen enz.

Rust, wakkre Staatsman! rust enz. .

Rijmlooze verzen, in het metrum van den Griek

Schaamt ge u eens zwakhoofds eerbewijzen . Schoon als haars moeders kind enz. .

Schoon een en dezelfde stof . .

Schoon in den knop en in uw volheid schoon Schoon is. Vorstin! de taak die ge op u naamt Schrijf niet al te los daarheen Schrijf op mijn zerk geen lofgedicht Slechts: Guürtjk Prijseb. Bovendien Slechts het hart is de mensch .

Slechts kan niet twijflen enz.

Slijt uw droefheid door den tijd. .

Sonnetten hier, sonnetten daar Spaar mij uw moeite, wijze man! .

Speel met den hartstocht niet Spreek als de meesten ...

Spreek dingtaal, gij, die volkstaal spreken wilt Spreek grootsche taal en stap op hooge brozen

Spreekt uw hart voor iets goeds.....

Spreek van u zeiven niet, ten goede enz. . Spreek zachtzinnig; beter is \'t enz..

Stel tegen drift geen drift, maar wacht enz. Stem naar uw overtuiging niet ■ ... \'t Stond in d\' oproepingsbrief te lezen .

-ocr page 475-

DE EERSTE REGELS ALPIIABETISCIT.

Te goeder uur geboren.....

Te laat gekend, te vroeg bezweken.

\'k Tel acht en zestig jaar. \'k Verjongde enz,

Ten vuren, ten vuren......

Te sollen met de vrouw, de Kerk enz. Te zijner tijd komt ramp en tegenspoed Toen de oproervaan gezwaaid werd enz. \'k Trad moedig op, maar bleef alleen Trouwhartig eerlijk Man! enz.

„Tussclien de regels lezenquot; sta u vrij Twee dingen heb ik willen zijn Tweemaal vier, tweemaal drie enz..

Tijd is geld en geld is \'t al .

„Tijdquot; roept gij daaglijks, „tijd is geld\'

„Uit een stuk is de manquot;.....

Uitroeien kunt gij niets, dat menschlijk is \'t Uur der geboorte zelf verkort den duui Uw alziend oog, dat mij bewaakt . Uw denken is maar dunken, Piet! .

Uw hart is in uw oogen .... Uw nauwgezetheid is beducht Uw onderwijs verloopt zich in te veel Uw rede is louter goud; geen die .

Uw stof is arm, uw stijl is breed Uw stijl, Favellus! is een nufje Uw twijflen zij een worstlen met de baren Uw vensters keeren \'t licht; toch dringt enz Lw voorgebeden zijn soms psalmen .

Vaarwel, mijn dochter, streef met moed . Valt u een blad, een lauwer op de slapen.

Van die tienmaal zeven jaar.....

Van \'t goed of \'t kwaad, dat ons \'t Gerucht Veel deugden maken nog de deugd niet uit Veel leer ik steeds, dat ik niet wist .

Veel pijlen stelt gij op uw boog. Verachtelijke zwerm van knapen enz. . Verbeelding keert zich naar \'t Weleer. Verdrijf den nacht ... ... Veredelt zich een rozenstruik, gij ziet . Vergeefs de kracht ontveinsd enz. .

Vergeet ze niet, de heerlijke idealen . Verhaast u niet te zeer met roemen Verhef de liefde Gods, maar zoek haar enz.

Verhef geen psychologen......

Verhef uw ziel! Laat haar ten hemel stijgen Verheug u in den nevel niet.....

-ocr page 476-

XXX VAN DE GEDICHTEN

Bladz.

Vernuft voegt wel bij Poezij...........261.

Versohe smart is heiige grond....................228.

Verwachten — en —• Betreuren..........81.

Verwacht van \'t volle hart geen woorden-overvloed. . . . 62.

Verwelkt, verdort gij, schoone Bloem................266,

Verzoend met God..............99.

Vier eeuwen paarde ik reeds mijn klanken......214.

\'k Voel mij al samen vrij; gedrongen enz......120.

Voor die op \'t ziekbed kwijnen..........34.

Voor drie en zestig jaar geduld..........43.

Voor Gods en aller menschen oogen........36.

Voor God en naasten leven......................229.

Voor veertig jaar mijn tentgenoot.........53.

Vraagt gij wat diep in \'t hart enz..........121.

Vreugd en droefheid gaan te zaam..................4.

Vrijdenkers, die niet vrij zijt enz....................222.

„Vr ij e Geraeenteiquot;\'t Klinkt wel zoet........142.

Vijftig jaar vereend..............41.

Waar blinkt aan \'t oog, van \'t staren moe......133.

Waar denkt gij aan met dit gefronst gezicht.....218.

Waar de Ijsberg, over de andre gluurt.......166.

Waar een wil is, is een weg......................239.

Waarmee verzoent gij ons enz......................256.

Waarom den dood gevreesd, den stervende beklaagd . . . 120.

Waar traan en glimlach samenkomen........32.

Waar \'t Sleutelbloempje zich vertoont........161.

Waar wit en rood de schoonheid maakt..............259.

Waar zijn de makkers van mijn jeugd?..............266.

Wanneer het gral mijn stof begeert........122.

Wantrouwen zij de vrucht van \'t leven..............230.

\'t Was leven eerst, nu arbeid enz..........87.

Wat afvalt van den hoogen God..........48.

Wat beter is, wat beter is........................223.

Wat de Natuur bedwingt en perken zet.......119.

Wat doet gij, mannen, die voor \'t heil enz.......158.

Wat duizendmalen is gezegd...........40.

Wat eeuw aan eeuw van mond tot mond gegaan is . . . 89.

Wat eiloofranken, trouw festoen..........201.

Wat God borduurt, door lief en leed........55.

Wat gij gehoopt hadt en gedacht.........84.

Wat is, bij schrale stof, een opgesmukte stijl......121.

Wat is mijn ik? Een wetens zien.........107.

AVat is \'t geschrevene? Wat is \'t gelezen Woord .... 242.

Wat niet kalm is, is niet groot .........122,

Wat nood is \'t mijn gemoed enz..........147.

Wat \'s, boven lof en blaam ootmoediglijk verheven . . • 147.

Wat \'s een Gedicht? Kunstminnaars, spitst uw ooren ... 60.

-ocr page 477-

i 1

I

I

!( «

de eerste regels alpharetisch. xxxi

Bladz.

Wat smaalt ge op Neerlands volk enz........13.

Wat stil is, blijve stil. .........165.

Wat toont ge ons? \'t Geen gij kunt enz..............258.

Wat wordt van ongelijke paren........, . . 61.

Wat zegt gij van dit heerlijk stuk.........16.

Wat zegt het Woord enz..........................248.

Wat zoekt gij voor uw kindren..........11.

Wat zoekt gi)? Zegepraal? Of Martlaarschap.....145.

Wat zwart op wit staat, heeft beteekenis.......108.

Wee hem, die \'t kwade goed heet ................222.

Weer nam hem \'t wiekpaard op enz.........187.

Wees als de vogel op een tak..........161.

Wees beminlijk! Al uw deugd....................232.

Wees vroolijk! \'t Is geworden dag.........94.

Wees vroolijk! Vroolijkheid is kracht........114.

Weet dit, geleerde mannen...........83.

Wek op de kracht, die in U is..........141.

JVel dichterlijk, maar niet onjuist enz..........12.

„Wel goed, maar ruwquot;. quot;...........124.

Wel hem, die zich bekeert en blijft bekeeren enz.....185.

\'k Werd zeventig; ik zag mijn jongste groot..........207.

Werk door en woeker met uw uren.........47.

Werp van uw brood voor vooglen aller veeren.....67.

Werther minde zijn Charlotte ..........111.

Wie Cremer leest, kent slechts zijn twintigst dee). ... 48.

Wie heeft ooit in Gods ooren..........171.

Wie immer als de schoonste zij geprezen.......213.

Wie is beleefdst, wie spreekt bescheidenst enz......51.

Wie moet verdraagzaamst zijn? Wie enz........174.

Wien honderd jaar werd toegeleid.........61.

Wilt gij bedrogen zijn? geef blijk enz.........170.

Word ik zeventig? Wie weet...........17.

\'k Word door de wereld niet begrepen.......165.

Wortelvast en onomstootlijk . ........■ 269.

\'k Wou weten, hoe het u zou staan................263.

Wijf. Ik weet geen boter naam..........21.

Wij gaan te zaam op \'t zelfde pad.........33.

Wjj hebben zoo veel malen . \'.........54.

Wij leven nooit; wij wachten steeds op \'t leven.....38.

Wij vergeten; God gedenkt...........141.

Wij willen liefst den Val vergeten. *.......69.

Zachtuioedigheid staat onzen vrouwen goed......55.

Zeer vreemd, voorwaar! Bijzonder zonderling. ..... 116.

Zeil uit, zeil uit, mijn naamgenoot . .......216.

Zelfonderzoek! Ach, \'k heb zoolang niet enz............238.

Zendt God u kruis, treft u zijn roe.........62.

Zes en twintig jaar vereenigd......................227.

1

-ocr page 478-

XXXII VAN DE GEDICHTEN DE EERSTE REGELS ALPHABETISCH.

Bladz.

Zeven en een was acht.............52.

\'k Zie daagliiks nieuwe vrienden in mijn ouden.....51.

Zieltje zonder zorg..............162.

Ziet men nog starren aan de lucht........43.

Zoek waarheid; vind ze en roem enz..................240.

Zoek wijsheid; vind ze enz.........\' . • 240.

Zoet, lief meisje wilt gij gaan........106.

Zoo ge als een man te handlen zijt gezind......261.

Zoo ge er niet binnen zijt geweest..................247.

Zoo gij uw weg met God wilt treen........32.

Zoo ik een vijand had, en \'t vrijstond enz.......114.

Zoolang uw levensdag mag duren.........33.

Zoo wie op vriendelijk verzoek .........219.

Zoo wreed beroofd, zoo diep bedroefd........63.

Zorg dat uw hand geen vruchtbaar twijgje knakke. . . . 51.

Zij de aard en de omvang van \'t gebeurlijke\' • . . . . 220.

Zij is met jubeltoon ontvangen ..........10.

Zij neemt haar mijmren voor gedachten..............206.

Zij rusten niet, zij rusten niet...........29.

Zij was van de aarde, waar wat schoonst enz. . • . . . 84.

-ocr page 479-

Het gladde voorhoofd onzer jeugd, Dat elk verheugt,

Krijgt met de jaren kreuken. Een lied der min Is aan \'t begin.

Maar \'t einde ervarings-spreuken.

Voor \'t minst, indien het leven doet Hetgeen het moet.

En niet vergeefs verspild is, Zoo vreugd en smart Voor hoofd en hart Werkt wat door God gewild is.

TV.

-ocr page 480-
-ocr page 481-

GEMENGDE GEDICHTEN.

ZK-VESDE BUNDEL.

GOEDE RAAD.

Is iemand sterk, en heeft hij moed: \'t Zij tot bescherming van niet-sterken,

Een hart, gedrenkt met edel bloed. Laat aan een eedlen aard zich merken.

Is iemand zwak, en heeft hij list; Hii leere voor zichzelf te vreezen.

Een listig man kan, eer hij \'t gist, In eigen strik gevangen wezen.

Is iemand wijs en hoogst geleerd: Hij wete ook somtijds niet te xceten.\')

Geleerdheid werkt wel eens verkeerd Bij wijze lui, die dit vergeten.

Is iemand onafhanklijk: hij Zoek zelf iets, dat hem mag beperken.

Gevoelt de wil zich al te vrij, De \\i\'i\\slcrac}it houdt dan op te werken^

Is iemand mooi, en heeft zij geest: Zij moet zich niet te veel betrouwen!

Bewonderd wordt zij, maar gevreesd; Voor alles wil men lieve vrouwen.

Is iemand dom, maar wel ter taal: Hij leere ook nog die gaaf verzaken.

Een gek, die zwijgt, zal menigmaal Een schrander man te schande maken.

\') Ara nesolendl.

-ocr page 482-

NIETS ONVERMENGD. — VUURWAPENEN.

Heeft iemand, denkt hij, goeden raad: Hij zij volvaardig dien te geven;

In \'t algemeen; dat kan geen kwaad; Maar in \'tbijzonder?... Wacht eens oven!

NIETS ONVERMENGD.

Vreugd en droefheid gaan te zaam In dit hachlijk leven;

Hozen, zacht en aangenaam, Worden ons gegeven;

Doornen zijn er, meer of min. Aan de onmisbre stelen;

Veel, dat zoet was in \'t begin.

Heeft aan \'t eind iets bitters in. Voor te grage kelen.

\'t Is gewaarschuwd, laat en vroeg, In gedicht en proza,

Maar nog nooit herhaald genoeg Voor den achtelooze;

\'t Wordt bevonden, vroeg en laat, Al te waar te wezen;

Maar men ziet niet dat het baat;

Ieder maakt op alles staat. En schijnt niets te vreezen.

VUURWAPENEN.

Volgens Abiosto (Orlando Fukioso, C. IX en XI.)

Bij ruwe kracht, geweld, en felle listen.

Kwam nog \'t geweer, daar de Ouden niet van wisten, Een ijzren buis van twee el, meer of min;

Daar brengt men pulver en een kogel in.

Van achtren, waar de koker schijnt gesloten.

Wordt met een lont een gaatjen aangetikt. Zoo klein, als waar het bloed uit komt gespoten.

Wanneer \'t lancet van d\'arts u nauwlijks prikt! Op eenmaal komt de kogel uitgeschoten ....

\'t Is of des hemels donder u verschrikt!

En, even als zijn bliksem, waar hij doorkomt. Verslaat, verplet, vernielt hij wat hem voorkomt.

De zwarte-kunst beschonk, te kwader uur Tot eigen doem en onzer aller schade.

-ocr page 483-

VÜURWAPENKN.

Den Duitschei\' met dit helsche tuig en vuur, De Booze-zelf kwam zijn vernuft te stade,

En leerde \'t hem, door proef en helschen raad, Het best gebruiken tot het meeste kwaad.

Itaal.ie, Frankrijk, alle strijdbre volken

Zijn spoedig door dien wreeden vond bekoord Hier vormt m\', in naar de kunst gegraven kolken, Het gloeiend brons ten vuurmond; ginder boort Men \'t ijzer tot wat, meer dan zwaard en dolken. Het menschdom dreigt met uitgebreiden moord, \'t Geschut is zwaar of licht; de namen velen Yan zinkroers en kartouwen (halve\' en heelen).

Veldslangen, donderbussen, gootling, bas — Al naar \'t den vinder smaakt; maar, waar zij raken,

Gelijklijk \'t ijzer brijzelend als glas,

En \'t marmer gruizlend, om zich baan te maken.

Soldaat! geen dagge of zwaard komt meer te pas. Verkoop ze vrij als uitgediende zaken!

Voorzie u van een snaphaan, arme vriend! •

Daar ge anders uw soldy niet meer verdient.

Hoe zijt ge in menschenhart ooit opgekomen,

Gemeene, schelmsche en allerwreedste vond?

Door u is de eer der waapnen weggenomen;

Door u gaat alle krijgsroem naar den grond;

Door u behoeft de lafste niet te schromen.

Pin vallen laagste en hoogste te eener stond;

Geen mannenmoed, geen geestdrift mogen rekenen Dat ze op het veld van eer nog iets beteekenen.

Wie telt de riddren, wie de dappre helden,

Door u alleen in \'t bloedig stof gelegd?

Wie de eedlen, die elkeen voor honderd telden,

Waar natiën om treuren, naar het recht Der smart, die weet wat hooge deugden gelden?

Gewis, \'t is veel, maar niet te veel gezegd.

Zoo \'k zeggen durf, dat hier de goddelooste Het denkend brein gespitst heeft tot het snoodste.

\'k Geloof ook, dat de Almachtige in zijn toorne Een zwaar, een vreeslijk vonnis heeft geveld, En de gevloekte ziel van dien verloorne

In \'t diepst der hel naast Judas heeft gesteld.

Zoo dacht, zoo zong, voor vierdhalf honderd zonnen,\') De zanger van Orlando fel en forsch.

) Aiiosto leefde van 1474 — 1533.

5

-ocr page 484-

ANNA\'S STBltFDAO. — BIJ ANNA\'S DEGRAFKNIS.

Onze eeuw geeft antwoord met haar Krupp-kanonnen, Torpedo\'s, Mitrailleuses, Monitors.

Mookddadio dook moorddadiger yerwonnkn,

Verwoestend door verwoestender — Vermors, O Dichter! thans geen tijd met nutloos zingen! — Ziedaar de vrucht van onze vorderingen.

ANNA\'S STERFDAGL

aan de dehoopden.

Heb ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?

Jezus.

Gjj hebt Gods heerljikheid aanschouwd In \'t vast gelooven, lijdzaam lijden,

In liefdeblijken duizendvoud Van \'t hart, dat zich ter dood moest wijden;

In d\'uitdruk van dat zielvol oog.

Ten open hemel opgeslagen,

Waar, na een leed van zoo veel dagen,

\'t Verloste zieltje henenvloog.

Gij zult, gij zult, zoo gij gelooft,

De heerlijkheid van God aanschouwer.,

In \'t geen hij schenkt, ook waar hij rooft. Aan harten, die op hem vertrouwen,

In troost, als balsem neergevloeid,

In kracht, bij \'t drinken van uw beker,

In de eedle vrucht, die, zacht maar zeker.

Aan \'s levens scherpste doornen groeit.

En eenmaal — droeve zielen! beidt.

Verbeidt zijn tijd met stil gelooven —

Zult gij des Heeren heerlijkheid,

In vollen luister, zien daarboven;

Als de engel, die gij hebt gekweekt,

Die al uw vreugd was hier beneden,

ü met een lach zal tegentreden.

Daar waar men van geen scheiden spreekt. 3 Febr. 1874. _____

BIJ ANNA\'S BEGRAFENIS.

r\'k Keis naar den hemel,quot; was het woord, Zoo troostrijk uit haar mond gehoo::d,

Om uit de smart u op te beuren.

Die nooit uw hart verlaten zal .,..

Maar nu!____Bedroefden, staakt dit treuren

Zij is er ai!

6

-ocr page 485-

haar bruidskrans. — hopeloos onderwinden.

Zij is er al. O twijielt niet.\'

Zij ziet den trouwen Heiland, ziet Wat boven denken gaat en hopen.

In Hem geloofd! Aan Haar gedacht! De weg is vvjj; de deur staat open; En zij — verwacht.

HAAR BRUIDSKRANS.

De krans van roos en leliekelken, Gevlochten voor uw bruine vlecht, Werd op uw doodkist neergelegd, En zal verwelken.

Gijzelv\', die neerligt in dit stof. Aan worm en made prijsgegeven. Verwelkte bloem van onzen hof! Gij zult herleven.

HOPELOOS ONDERWINDEN.

In \'t alpgebied der geestelijke wereld.

Waar menig spits niet schittrend ijs bedekt Zich veler blik en aller voet onttrekt,

En mist op mist voor sterflijke oogen dwerelt,

Dat we overal slechts stnksgewijïe zien, —

Mijn vrienden! spreekt, wat dunkt nw hart van dien. Die, diep in \'t dal, op ingesloten meren.

Op \'t maken van een bergkaart zich bevlijt. Uit weeke kurk daarvan modellen snijdt,

En de oreographie ons wil doceeren.

Gij ziet slechts wat uw oog hereiken kan;

Gij kent slechts waar u deze voeten dragen;

\'t Licht (van Gods Woord) beschijnt er deelen van. En toont ze u, in zijn gunstrijk welbehagen.

\'t__GeheeI, \'t ontwerp, het onderling verband Zijn zijn geheim en boven uw verstand.

Verkwik u aan de beken, aan de stroomen,

Aan \'t lommer en de bloemen der vallei.

De zuivre lucht der grazige alpenwei.

En wat er meer van zegen af moog komen,

En sla uw oog naar steilen top bij top,

Niet om te weten, maar te aanbidden op.

7

-ocr page 486-

BIJ HET OPEN GRAF ENZ. ~ \'s KONINGS VIJFENTWINTIG-JARIGE ENZ.

BIJ HET OPEN GRAF

VAN

DANIËL CHANTEPIE DE LA SAUSSAYE,

Theol. Dr. en Prof.

Te laat gekend, te vroeg bezweken,

Voor die hem kenden alles waard,

Daalt hier een sterveling ter aard.

Die na zijn dood nog lang zal spreken.

Een geest op \'t hoogste doel gericht, Aan kennis rijk en rijk aan krachten.

Vol van diepzinnige gedachten,

En door een hooger geest verlicht.

Een hart vol Ernst, als \'t hart moet. zijn Van hen, die naar den Vrede jagen En, in do gisting onzer dagen.

Het heiige schiften van zijn schijn.

Een hai-t, voor niets of niemand koud, Fijnvoelend, eerlijk, edelaardig,

\'Voor tegenstanderen rechtvaardig.

En voor zijn vrienden, trouw als goud.

Beween, gij Kerk en Vaderland!

School, die zoo kort hem hebt bezeten!

Dien rijken geest, dat rijp verstand:

Mijn hart zal nooit dat hart vergeten.

\'s KONINGS VIJFENTWINTIGJARIGE REGEERING.

12 Mei 1874.

Meidorens zenden zoeten geur Aan frissche oranjes tegen;

Lief bloemgewas van elke klem-Ontwaakt op veld en wegen;

De steden zijn met groen versierd,

Met slingers, bogen, kransen;

De feestklok luidt, de feestvlag zwiert En wappert van de transen.

De vorst heeft vijfentwintig jaar Zijn koningskroon gedragen,

En nog valt zij zijn hoofd niet zwaar,

Bij \'t klimmen van zijn dagen.

-ocr page 487-

zendingslied. 9

God spaar die kroon! God spaar dat hoofd!

Uw hart! uw huis! o koning!

Uw levenszon blinke onverdoofd,

Als op den dag der kroning!

Ga voort, trouw volk! met nieuwe vreugd,

Naar \'s hemels welbehagen.

Door kinderliefde en burgerdeugd

Zijn staf en stoel te schragen!

Strik vaster nog uw eendrachtsband,

In sohaduw van de olijven.

En raoog in \'t dankbaar Nederland Zijn kleur Oranje blijven.

CH ASSlNEr-VERSJE.

Den Koning, onder wiens bewind Zich \'t volk gerust en veilig vindt, De Vrede bleef, de Welvaart steeg. De Negerslaaf zijn vrijheid kreeg, En \'t krijgsvuur aan Sumatra\'s kust Eerlang voorspoedig zij gebluscht, Den Dkrden Willem vreugde en eer En zegen van der Heeren Heer!

ZENDINGSLIED.

Roept uit aan alle stranden, Verbreidt van oord tot oord.

Verkondigt allen landen Het Evangeliewoord!

Roept uit den Heer der Heeren, Als aller volkren vriend!

De volkren moeten leeren Wat tot hun vrede dient.

Verbreekt de vreemde altaren En bouwt des Heeren huis!

De wereld moet zich scharen, Zich scharen om het kruis.

De dooven moeten hooren. De onkundigen verstaan,

Den blinden \'t heillicht gloren. De kreuplen leeren gaan;

-ocr page 488-

bu den dood van hknkiette swellengkebel.

De treurenden vergeten Hun leed en droefenis,

En al wat arm is weten Dat daar een Heiland is!

Roept uit aan alle stranden

Verbreidt van oord tot oord, Verkondigt allen landen Het Evangeliewoord!

BIJ DEN DOOD

VAN

HENEIETÏE SWELLENGKEBEL,

sedert zijn oprichting in 1844 tot den 30sten Mei 1874, Bestuurster van het Dtaconessenhuis te Utrecht.

I.

VOOR DE DIACONESSEN.

BIJ HAAR GBAF.

Zij is met jubeltoon ontvangen In \'t nieuw Jeruzalem;

Maar hier zijn tranen op de wangen En tranen in de stem;

Daar wij de dierbre missen moeten Wie nooit ons hart vergeet,

Die neerzat aan des Heilands voeten En naar zijn voorbeeld deed.

Met welk een stroom van vreugdeklanken Zal zij, door heel den stoet

Van haar voor goed genezen kranken, Daarboven zijn begroet!

Maar wie zal waardiglijk bekleeden De plaats, die Zij begaf?

Zoo klaagt de droefheid hier beneden. En staart op \'t zwijgend graf.

Het hoofd naar boven! God zal zorgen. Op hem het oog gericht!

Uit donkren nacht verrjjst de morgen,

Als hij spreekt: Daar zij licht!

Wij willen wachten, wij vertrouwen. En houden biddend aan;

Gelijk die edelste der vrouwen Ons steeds is voorgegaan.

-ocr page 489-

cave canem. — opvoeding.

AAN HAAR BEDROEFDE ZUSTERS.

Een parel is aan \'t snoer ontzonken,

Verbroken door Gods hand,

Maar om in Jezus\' kroon te pronken:

Een rozenstruik verplant,

Om in don aoogsten hot\' te pralen. Om daar in vollen bloei te staan. Waar, bij de zachtste zonnestralen. De schoonste knoppen opengaan.

CAVE CANEM.

Het hondgeblaf verstomme op aarde! Elk mensch, één kind heeft grooter waarde

Dan al die ,trouwe hondenquot; saam. Eén dolle hond doet in zijn woeden Meer kwaad dan duizende vergoeden Van edelst ras en schoonsten naam.

Maar zonder hond kunt gy niet levenV Het zij! De vreugd zij u verbleven,

Maar houd haar voor uzelf, geheel! Uw naasten met uw beest te kwellen Of aan gevaren bloot te stellen,

Is toch een weinigje te veel.

Geen paarden worden losgelaten;

Geen stieren zwerven bij de straten;

En ook de h\'ond blijve aan den band. Dol worden kan geen mensch beletten; Maar laat ten minste wijze wetten Mijn huid beschermen voor zijn tand.

OPVOEDING.

Wat zoekt gij voor uw kindren? Veiligheid,

Zooals op aard geen\' mensch is weggeleid\'?

Afsnijding van verzoeking en gevaren,

In stilte werkzaam en alom verspreid?

Neen! Zoek hun wijsheid, kracht, zelfstandigheid,

En leer hen zich te wachten en te waren.

Bestel hun moed en waapnen, tegenwicht.

Gevoel van verantwoordlijkheid en plicht.

En prent hen in, het oog dat, altijd open.

Ook voor hun welzijn waakt, gelijk zij hopen.

Als \'t alziend oog te ontzien! — Waar d/t niet baat,

Baat niets, en wat gij anders aanvangt, schaadt.

-ocr page 490-

12 aan wie de schuld ? — spreek van uzelven niet.

Een dwaas houdt, als besmettingen regeeren, Zijn deur en vensters dicht om ze af te weren, En (wanende dat hij zijn kroost behoedt) Vergiftigt, door vervuilde lucht, hun \'t bloed. De wijze zorgt voor lucht, geregeld leven. Goed voedsel, en een onbezwaard gemoed — De rest blijft biddende in Gods hand gegeven.

AAN WIE DE SCHULD?

De naam „kinderen der zonquot; is voor de bloemen wel dichterlijk, maar niet geheel onjuist.

Het groene kleed der aarde.

In het Album der Nat. 1874.

TWel dichterlijk, maar niet onjuistquot;. Verneemt

Gij \'t dichters? Juistheid is u vreemd!

U, die slechts dichters zijl Aonx juist te wezen;

Door met één juitten trek \'t geheel als voor

Den geest te voeren en ons hart en ooi-

Te treffen door den juisten toon, gerezen

Uit de echte snaar ter juister plaats gedrukt;

Die, als gij ons betoovert en verrukt,

Ons niet verblindt door ijdlen schijn of logen.

Maar, zelfs door uw verdichtingen, onze cogen

Onthaalt op waarheid, die Gu zien leert, die de ziel

Erkent, wanneer, door u, er \'t juiste licht op viel! —

Dat \'s uwe schuld, doemwaarde poëtaster en,

Die verzen schrijft tot aller dichtren smart.

Geen dichters-oog bezit, geen dichters-hart,

Geen zalcen kent, en in de taal verwart!

Gij doet de poëzie door prozaschrijvren lasteren.

Wier brein geen wetenschap, geen helder oordeel mist,

En slechts in \'t wezen van de dichtleunst zich vergist.

SPREEK VAN UZELVEN NIET.

Spreek van uzelven niet, ten goede noch ten kwade;

Toon wie gij zijt, en elk zal wetkn wie gy zijt. Miskenning heeft haar tijd, en doet meer nut dan schade,

T

Mits gij met daden, niet met woorden, haar bestrijdt. „Zoo iemands wegenquot;, zegt de Schrift, „den Heer behagen Bevredigt hij met hem, ook die hem fel weerstond;quot; \')

\') Spr. XVI: 7.

-ocr page 491-

AAN VEEACHTERS ENZ. 13

AAN EEN PESSIMIST. —

ETHISCHE STATISTIEK. —

Maar die ziuli roert en weert en slagen keert met slagen, Mistrouwt zichzelf en God, en boort zich in den grond.

ETHISCHE STATISTIEK,

What\'s done we partly may compute, But ne\'er what is resisted.

Bubns.

Pas op! uw kennis is beperkt.

Zij weet iets van \'t gedane;

\'t Begane kwaad is ras bemerkt;

Maar ook het wederstane\'?

AAN EEN PESSIMIST.

Als \'t regent, daar de zon bij schijnt

Ziet gij alleen den regen;

Ik vestig op de zon mijn oog En op dien lieven regenboog,

En lach hem hoopvol tegen.

„Goed! Maar intusschen wordt gij nat.quot;

O ja, dat was te duchten,

Zoo ik mijn regenscherm niet had.

Dat \'k altijd meeneem op mijn pad,

Bij \'t zien van donkre luchten.

„Maar als uw regenboog verdwijnt,

„De regen door blijft stroomen; „Als giet- op gietbui nederstort, „Uw scherm ten laatste nutloos wordt...quot; \'k Zoek dan een onderkomen.

Ik schuil, maar pruil niet, beste vrind!

En mijd de lui die pruilen.

De felste bui houdt eenmaal op;

Maar van den regen in den drop Kwam, die bij U kwam schuilen.

AAN VERACHTERS HUNS VOLKS.

Wat smaalt ge op Neerlands volk, „van d\'ouden roem vervallenquot;:

Wat schimpt ge op hen, die „op dien ouden roem slechts brallen,quot;

Gij, die geen teeken geeft van beter soort of kracht?

Die dit doen, zijn er nog bij \'t levende geslacht.

Miskent hen niet, noch dooft, kwansuis op elk verbolgen,

Den moed bij die niet uw, maar beter voorbeeld volgen.

-ocr page 492-

EEN VAN BEIDEN. — AGNES BRUID.

EEN VAN BEIDEN.

Beschimp geen machteloozen, even

Alsof \'t hun schortte aan goeden wil; Bestraf den dood niet; wek het leven; En kunt gij dat niet: houd u stil.

AGNES BRUID.

„Ik had in mijn gedachten ,U reeds vaarwel gezeid,

„U reeds in \'t grafje neergeleid,

„Waar wij uw broertje brachten „Met groote treurigheid.

„Maar God heeft ons gegeven „Dat gij behouden werdt, „Een groote vreugd voor groote smart;

„U als op nieuw het leven, „Ons een erkentlijk hart.quot;

Zoo sprak, voor twintig jaren,

Mijn diepgevoelde dank.\') Nu eischt de tijd een andren klank

Van mijn verheugde snaren, Een vroolijk feestgezang.

Hoe trilt bij u te aanschouwen De vaderlijke luit.

Geliefde Dochter, schoone Bruid,

Hoe galmt zij onweerhouen Haar blijdste tonen uit!

Al brak ook dezer dagen Een dierbaar leven af.

Al keer ik van eens broeders graf.

Waar wees en weduw klagen Tot Hem, die nam en gaf:

Het floers moet weggenomen, Hoe zwaar en wettig \'t drukk\': De smart moet wijken voor \'t geluk;

De vreugd moet boven komen; God geeft haar; voet bij stuk!

14

O Bruid, zoo jong van jaren, Zoo vroolijk van gelaat!

\') Dichtwerken Ille 1)1., blz. 121.

-ocr page 493-

agnes bruid.

Hoe lacht u \'t leven toe; hoe laat

Gij alle zorgen varen En vreest geen leed of kwaad.

Want niets hebt gij te duchten In damp; armen van een vrind. Die niet geheel zijn hart u mint

En voor uw minste zuchten Den besten balsem vindt.

0 Bruigom, zoo vol leven.

Zoo vol van liefde en jeugd! Hoe haakt uw hart, met louter vreugd

De aanstaande vrouw te omgeven, Gelukkig dat gij \'t meugt.

Want wat, voor duizend weken, \'k Haar vriendlijk heb verzocht Dat zij op aarde wezen mocht.

Dat is zij u gebleken,

Hoe weinig zij \'t zich docht.\')

Hoe blij zien vriend en magen,

Lief Paar! uw echtpad in!

Want hart aan hart, één ziel en zin,

Kn \'t oog op God geslagen, Dat maakt een goed begin.

En de ouderlijke zegen Zal, met zijn vol genot,

Van vier op aarde en één\' bij God

U volgen op uw wegen En meegaan in uw lot.

Dies juichen stem en snaren U toe met luiden klank:

\'t Geluk is groot; zijn duur zij lang;

Geniet het vele jaren;

En zegt den Hemel dank!

Augustus 1874.

\') Tot ons geluk gespaarde 1

Reeds hadt ge, In \'s Hemels licht F.en Engel kunnen zyn, lief wicht!

Wees \'t nu nog wat op Aardel

Dlchtw. ITIe Dl., bl. 121.

-ocr page 494-

— VERSCHILLEND OORDEEL, ENZ.

16

NJiDERLAND EN AMERIKA

NEDERLAND EN AMERIKA.

OOK EEN TOEPASSING.

Wanneer men daar (in Amerika) sprak van Nederland, sprak men als van een roemrijk land door zijn verleden, en van een land dat tegenwoordig slechts bekend is door Schiedam. Hierop make ieder de toepassing.

Dagblad-rapport van eene bij een openbare gelegenheid gehouden Redevoering.

Het Neerland dezes tijds, aan de overzij

Alleen bekend door zijn jeneverstokerij!

En moet dit tegen Nederland bewijzen?

Of toont het Uncle Sam\'s liefhebberij?

Hoe \'t zij, onwetendheid is nooit te prijzen.

Toch was er menig onzer beter aan,

Wist hij wat minder van d\' Amerikaan.\')

VERSCHILLEND OORDEEL.

A.

Wat zegt gij van dit heerlijk stuk?

B.

Om mij te stichten, veel te druk;

Veel te hartstoohtlijk, om te ontroeren; Om schoon te wezen, te vol pracht. —

A.

Mij mocht het aan mijzelf ontvoeren!

B.

Goed! Maar waar heeft het u gebracht?

HTGIËENSCHE VERBRANDINGSIJVER.

Dat menschen sterven, werd weleer den Dood verweten; Nu zijn de dooden schuld; de Dood wordt glad vergeten.

\') Videatur de Pryscourant der Effecten, bepaaldelijk Spocrweg-dito.

-ocr page 495-

ZESTIGSTE VERJAARDAG. — UET LEDIG WIEGJE.

ZESTIGSTE VERJAARDAG.

„Ben je zestig?quot; Ja, ik ben \'t; Ik beken \'t;

Kan ik \'t wel ontveinzen?

\'t Haar mijns hoofds is dun en grijs, En (dat maakte ik niemand wijs) Niet slechts van gepeinzen.

Ook van bange zorgen niet Of verdriet,

Schoon ik \'t leed wel kende;

Maar, wat immer zij gebeurd.

Niet een smart, die hooploos treurt, Niet het hartzeer, dat verscheurt, On-verzachtbre ellende.

Vrouw en kindren, ziet mij aan! \'t Kan nog gaan.

Op mijn tweemaal dertig.

In de wangen nog wat bloeds, In deze oogen nog wat gloeds, In den boezem nog wat moeds, \'t Hoofd nog „fix und fertig.quot;

\'k Dank dit hoogstgelukkig lot Aan mijn God;

\'k Dank het u daarneven,

Die mij jong houdt en verblijdt, Die mijn kroon en sieraad zijt, En mij nog een langen tijd Wenschen doet te leven.

NASCHRIFT.

Word ik zeventig? Wie weet Lief of leed.

Hem door God beschoren? .... \'t Jongste kind nog groot te zien Is een zoete wensch, en dien Moog zijn gunst verhooren!

HET LEDIG WIEGJE.

(Schilderij van C. Bisschop). Het wiegje leeg; het kindje in \'t graf! Gods liefde gaf.

En heeft srenomen.

-ocr page 496-

Geen troost nog in dit oogenblik,

Maar snik op snik,

En tranenstroomen.

Welwijze vriendschap ziet dit aan En laat begaan —

Haar tijd zal komen.

Quts matrem, nisi mentis Inops, in funere natl Fiere vetet? non hoe lila monenda looo.

Ovidius.

ECHTVERJARING-.

Driemaal vijf jaren

Gelukkig gespaard, Van zes lieve kindren

Een vijftal gespaard; Ontelbare goedheen Genoten van God,

Nooit iets ontbroken Voor leven of lot;

De kracht niet verminderd;

De liefde on verkoeld; In leed haar vermogen

Te dieper gevoeld; Een huis, waar de vrede,

En harten, waar vreugd In wonen, in heerschen, Bij ouden en jeugd.

Ziedaar wat ons heden Vervult en vervoert. Ons dankbaar doet juichen,

Ons innig ontroert, Ons vurig doet bidden

Tot hem die \'t vermag: ,God! laat ons die weelde. Nog menigen dag.quot;

20 Oct. 1874.

AAN DEZEN EN GENEN.

Gij zijt wel mannen van mijn richting, Maar zijt geen mannen naar mijn hart; Uw werk is niet tot vredestichting, En, zij het strijden óók verplichting,

Gij doet veel meer, gij tergt en sart. Gij z^jt wel mannen van mijn richting. Maar zijt geen mannen naar mijn hart.

-ocr page 497-

aa.n dr. matth. de vries. — iietlwensch. — kunstmiddelen, enz. 19

Ik mag, ik wil u niet bestrijden,

Maar met u strijden kan ik: niet;

Veel liever uw miskenning lijden En, in de hardheid dezer tijden.

Zijn wat uw soort lafhartig hiet.

Ik mag, ik wil u niet bestrijden,

Maar met- u strijden kan ik niet.

2 Sam. 3 : 39m.

AAN DR. MATTHIJS DE VETES,

or ZTJN FEESTDAG.

Den Kenmer Vries, mijn stad- en schoolgenoot en vriend, Die vijfentwintig jaar den tabberd heeft gedragen.

Maar levenslang do zaak der Moedertaal gediend. En \'t Vaderland versierd van d\'opgang van zijn dagen, Zij op dees schoonen dag, uit eensgestemd gemoed,

Mijn heilwensch toegebracht en feestelijke groet.

HEILWENSCH.

God, de Vader, make u rijk Door zijn allerrijksten zegen.

En voorkome u vaderlijk Met zijn gunst op al uw wegen; Waar zijn hand u weidt en hoedt. Kent gij \'t Goede, hebt gy \'t goed.

KUNSTMIDDELEN.

Dat Kunst Natuur haar hulp bewijst Gansoh af te keuren, is niet recht; Waar is de Venus, die men prijst, Die zich de hulp van zeep ontzegt?

Naar Punch.

DE KRACHT BESTAAT SLECHTS BIJ DE MAAT.

\'t Al te overdadige Is \'t ongenadige.

Of gaat dien kant uit. Ik kan \'t niet roemen Als gij de bloemen Laaft met de brandspuit.

-ocr page 498-

WERELDWIJSHEID. — ZONDER WOORD, ENZ.

WERELDWIJSHEID.

Spreek als de meesten,

Denk als de minsten;

Zwijg niet een wijs gezicht;

Houd beide uw oogen Strak op den hoogen Weerhaan des tijds gericht;

Weet u te voegen Naar elks genoegen.

Mits ge er wat loons uit perst; Onnoozel kijken,

Geduldig wijken.

Brengt u het verst;

Zorg te vermijden Dat ze u benijden,

Indien gij vast wilt staan.

En bij de lieden Eens Aristiden Noodlot ontgaan.

ZONDER WOORD.

Een vrome „wandel zonder woordquot;

Gaat boven vloed van reden;

Meer wat men ziet dan wat men hoort

Werkt deugd en goede zeden;

Zoo wie met goede ivoorden spot:

\'t Goed voorbeeld brengt hem nog tot God.

Ik zegen, boven al wat preekt.

Den stillen in den lande. Die, onbespraakt, welsprekendst spreekt,

En schreeuwers maakt te schande; Die lastertaal en tegenspraak Doet zwijgen met beschaamde kaak.

GEEN OPSTANDING, NOCH ENGEL, NOCH GEEST.

Hand. 23:8.

Ontzettend, Hein! wat zijt gij knap!

Wat door die knappe Sadduceeuwe:a Geleerd werd voor pas achttien eeuwen.

Leert ge ook, maar! als de vrucht der nieuwste wetenschap.

-ocr page 499-

aan mijne vrienden d. m. o. — aan „mijn wijf.quot; 21

AAN MIJNE VKIENDEN

D. M. 0.

OP HUN VEERTIGJARIGEN TROUWDAG.

Door geen woestijn hebt gij, dus veertig jaar,

Trouw hand in hand gewandeld met elkaar;

Wel hieldt gij steeds dat Kanaan in \'t oog.

Dat God te zijner tijd u oopnen moog!

Maar kind en kleinkind ziet u vleiend aan En zegt: „Och, blijf nog wat aan dees zij der Jordaan!quot;

Ook ik, wien aan uw feestelijken disch.

Door hen gelokt, een plaats beschoren is,

Die reeds zoo menig vriend den donkren vloed Zag overgaan, met diepbedroefd gemoed.

Maar u behield en dankbaar mij verblijd Dat gij nog blijven moogt en wezen die gij zijt.

Mij dunkt, zoolang gij hand in hand te zaam Langs d\'oever treedt, is \'t blijven aangenaam;

Zoolang u zooveel liefde omringt en bidt Om uw behoud en langgerekt bezit,

Ia \'t blijven goed, is \'t blijven \'t blijven waard —

Zoo zij \'t; dit weet gij toch: het Beethb is wel bewaard.

Amsterdam.

AAN „MIJN WIJF.quot;

Wijf! ik weet geen beter naam,

Waar \'k u mee kan groeten. Koosje klinkt mij veel te fijn,

Koos te grof; wijf moet het zijn. Zal het blijven moeten.

Wifman, in de aloude taal. Der Gennaansche landen,

Wifman is de menscii die weeft,

En — du spil van \'t echtheil heeft In haar zachte handen.

Wijf, in d\'ouden Bijbelstijl,

Zegt van den beginne Niet de vrouw in \'t algemeen Of in \'t afgetrokken, neen! Wederhelft, Manninne,

Hulpe tei en oveii hem, Wien zij werd gegeven

-ocr page 500-

„mijn heer en mijn god!quot; — anna vvilhelmina.

Door een goedertieren God Tot zijn vreugd, geluk, genot,

Leven van zijn leven.

Moet dan dit de naam niet zyn.

Daar ik haar mee noeme.

Die dit alles is voor mij,

In wier liefde ik mij verblij.

Op wier trouw ik roemeï

quot;Wip daz muoz iemer sin der wibe höbsto name.

quot;WALTHEli VON DEIi VOGELWEIDE.

„MIJN HEER EN MIJN GOD!quot;

Mijn Heer! Laat mij uw dienstknecht zijn!

Mijn God! Laat mij op U vertrouwen! Uw dienstknecht, niet in valschen schijn.

Of naar het uiterlijk aanschouwen.

Maar naar mijns harten diepsten drang.

En tot de hoogste vreugd mijns harten; Uw dienstknecht, Heer! mijn leven lang! Uw dienstknecht onder vreugd en smarten.

Zij mijn vertrouwen onverwrikt,

In noodenj strijden, moeiten, zorgen, En waar mijn oog naar binnen blikt,

En \'t boezemkwaad niet blijft verborgen. Gij zit omhoog; Gij zijt nabij;

Uw kracht, uw licht zal nooit verflauwen; Mijn Heer! dat ik uw dienstknecht zij!

Mijn God! laat mij op U vertrouwen!

ANNA WILHELMINA.

Leg haar bij haar Moeder neder.

Laat haar aan haar God!

Die haar gaf, ontneemt haar weder Tot een beter lot.

Vroeg ontwikkeld, rijk in gaven.

Maar voor de aarde koel.

Komt haar dood het denkbeeld staven Van een hoogor doel.

Laat do tranen \'t graf besproeien. Die een vader schreit.

Maar in \'t hart de balsem vloeien,

Dnov een band bereid

22

-ocr page 501-

maastricht. — zedenwet.

Goed en wijs in al haar werken, \'t Zij ze rooft of schenkt, En gereed die ziel te sterken. Die haar niet verdenkt.

MAASTRICHT.

Feestdronk aan den disch van \'t XlVe Taal- en Letterkundig Congres.

(HET STADSWAPEN VOERT EEN STER.)

1875.

Maastricht, uw ster, uw zilvren ster Scheen ons zoo zacht in de oogen,

Zij lokte en lonkte ons toe van ver,

En heeft ons niet bedrogen.

Gastvrijheid, vriendschap was de gloed,

Waarmee zij koesterde ons gemoed.

Zij vuurde ons aan bi) \'t streven,

Dat hier ons hart deed leven!

O ïrecht der Maas, geen vesting meer,

Maar vredestad geworden!

Een nieuwe roeping zij uw eer.

Gij steegt tot hooger orden.

Wees, op de grens van Nederland,

Een waarborg voor den broederband Met trouwe nageburen.

En slecht de laatste muren.

De laatste scheidsmuur zwichte en vall\' — Die ergernis van velen!

De Taal vereende ons eens voor al,

Geen Tol moet ons verdeelen.

Maastricht, dat niets uw welvaart stoor!

Haar ster ga op en schittre door!

Het Noord zal zich verblijden.

En \'t Zuid — u niet benijden.

De opheffing der Tollluie tusscheu Nederland en België is een vurige wensaii van wedersz^de.

ZEDENWET.

Vergeefs de kracht ontveinsd van deze zeedlijke Orden: Uw Zijn blijkt uit uw Doen; uw Doen bepaalt uw Worden!

23

-ocr page 502-

f

24 ERFSMET. — SINK QUIBUS NON. — PARADOXE, ENZ.

ERFSMET.

Mijn erfsmet is mijn schuld niet, maar mijn lot.

\'k Ben van dit lot nochtans \'t slachtoffer niet te noemen;

Geen lijdende Onschuld; dat weet God,

Schoon ik \'t mijzelven zou verbloemen.

SINE QUIBUS NON.

Veredelt zich een rozenstruik, gij ziet Dat ze andre doornen krijgt, maar zonder wordt zij niet. Ontleend.

PARADOXE.

Hoe zegt men mij: „Gij blijft nog jong van geest!quot; — Die oud van geest wordt, is nooit jong geweest.

YERKEERD EFFECT.

Gij meent het goed, maar \'t werkt verkeerd. Voor de ondeugd wilt gij afschuw wekken, Maar beeldt haar af met zulke trekken.

Dat zij zichzelf bewondren leert.

Fier dat gij \'t zijt, die haar wil raaien.

Komt zij zich zien in uw verhalen,

Komt zij zich spieglen in uw lied.

En denkt: ,\'k Ben nog zoo leelijk niet.quot;

ANDERS.

Gij schildert de Ondeugd zwart, maar stelt haar zwart gezicht In zulk een belangwekkend licht.

Dat zij zich gaarn herkent en zeit:

„Ik ben toch mooi van leelijkheid.quot;

BIJ HET GRAF VAN EEN VADER,

NA EEN JA Alt T1JD3 ZIJN EENIGE DOCHTER DA AKIN GEVOLGD.

Hij heeft zoo lang hier omgedwaald

En kon niet scheiden.

Nu is hij zelf terneergedaald,

Waar zij haar leiden.

Vereenigd wordt nu beider stof.

Vereend die zielen.

L

-ocr page 503-

RE NON VERBIS. — MAARTSCHE BRUILOFT. 25

Die met het: ,U zij eer en lof!quot;

Voor Christus knielen,

En smeeken dat hij van omhoog

Met hemelkrachten De Weeuw en Moeder sterken moog,

Die nog blijft wachten.

RE NON VERBIS.

„\'t Geloof in liefde ;«crfczaam!quot; roept ge altijd. _ Zoo is \'t; en \'t helpt niet dat gij spraakzaam zijt.

MAARTSCHE BRUILOFT.

Maart roert zijn staart of hou zich stil,

En geve ons storm of regen, Hij houdt, hjj make \'t zoo hij wi).

Geen bruiloftsvreugde tegen,

Noch stuit den opgezetten vloed

Van hartelijke woorden,

Die opwelt uit het vol gemoed, Die uittreedt uit zijn boorden.

Een ander, tot de trouw gezind.

Verbei de zomerdagen:

Dit Echtpaar vraagt naar weer noch wind

En spot met bui en vlagen. Een ander kies de Bloeimaand uit

Om d\' eersten stap te zetten;

Dees kloeke Bruigom kroont zijn Bruid Met Maartsche violetten.

Een Maartsch viooltje, zacht en fijn,

Zoo zedig, ingetogen,

Dat mag zijn Bruidje zelf wel zijn,

Dat is zij in zijn oogen.

Zij is voor hem de liefste bloem,

Die \'t aardrijk op kon geven;

Ze zij zijn sieraad en zijn roem. En blijve \'t heel zijn leven.

Een Maartsch viooltje tart een tulp

En alle zomerrozen.

Gelijk de parel in haar schulp

Robijnen en turkoozen.

Schoon Paar! gelukkig zij uw lot,

Door zachte en reine vreugden. En dierbaar in het oog van God Uw hart, door stille deugden!

-ocr page 504-

DZ nOBENSLAK. — MORALE INDÉPENUANTE.

DE HORENSLAK.

Sana ami, comme sans familie, Ici-ba3 vlvre en étranger;

Se retlrer dans sa coquille, Au signal du molndre danger: S\'almer d\'nne amltle saus bornes; De sol seul empllr sa malson; En sortlr sulvant la saison,

Pour faire a son volsln les cornes; Signaler ses pas destructeurs Par les traces les plus Impures; Outrages les plus Impures;

Outrager les plus tendres fleurs, Par ses balsers ou ses morsures; Enfin, chez sol comme en prison, Vlellllr, de jour en jour plus trlste; C\'est l\'hlstolre de l\'égoïste Et celle du colima9on.

Arnault.

Hier, zonder vrienden of gezin,

Gelijk een vreemdling rond te sluipen;

Zorgvuldig in zijn schulp te kruipen,

Zoo ras gevaar dreigt, meer of min;

Met eigen ik en niemand meer Het huis vervullen, waar ze in wonen, En, uitgegaan bij gunstig weer,

De hoornen aan zijn buurman toonen;

Het heilloos pad, waar langs men gaat,

Aan \'t vuilste spoor te laten kennen;

De teerste bloemen, vroeg en laat,

Met valschen kus ot beet te schennen;

Gevangene onder eigen dak.

Zijn dagen vreugdloos voort te sleepon,

Ziedaar het leven, welbegrepen,

Van egoïst en horenslak.

MORALE INDÉPENDANTE.

Hen, die in alle christenlanden,

In onzen tijd.

De hand slaan aan de dierste panden,

En, zonder spijt.

De zeedlijkheid wijsgeerig moorden,

Verstaat en leest een klein getal,

Nochtans de weergalm van hun woorden Is overal.

Het standpunt, waar zij zich op plaatsen

Is ver en hoog;

\'t Vlak, waar hun woorden van weerkaatsen, Onttrekt zich \'t oog;

26

-ocr page 505-

TEN ZILVEREN ECHTFEEST. — TIJD — GELD. — LAUDARI A VIRO ENZ.

Maar, duizendwerf vermenigvuldigd

Met dof gerucht,

Wordt als orakeltaal gehuldigd Die stem der lucht.

TEN ZILVEREN ECHTFEEST

VAN

J. BOSBOOM

EN

A. L. G. TOUSSAINT.

liet Echtpaar, één in kunst, in roem, in doel, in geest. Welsprekend door \'t penseel, en schildrend met de veder, Breng ik mijn hulde en groet en heilbede op hun feest. Hun oog zie dankende op, Gods oog zio zeegnend neder!

April 18TG.__

TIJD = GELD.

„Tijdquot;; roept gij daaglijks; „tijd is geld.quot; Dit zal Daarbji uw denkbeeld zijn; „En geld is \'d al.quot;

LAUDARI A VIRO LAUDATO.

Schaamt ge u eens zwakhoofds eerbewijzen:

Verheug u vrij Waar prijzenswaardigen u prijzen,

Mits — \'t meenens zij.

NAAR EPICTETÜS.

Valt u een blad, een lauwer op de slapen. Eon eerekruis op \'t kleed; neem \'t aan in dank!

Maar buk u niet om \'t uit het stof te rapen, Noch waag uw eer aan \'t woelige eergedrang.

ONDERSCHEIDING.

Indien gy kunstnaar zijt, en wenscht te blijven, Waar gij niet schildren kunt, ga niet beschrijven.

-ocr page 506-

28 luchtkasteelen. — verflauwing. — otto gerhard heldring.

LUCHTKASTEELEN.

Is door een onvoorzienen stoot Uw kaartenhuis uiteengevallen,

De ramp is niet zoo bijster groot, En overkomt ons beurtlings allen.

En hebt ge in nieuwen huishouw zin —

Welnu, de kaarten zijn behouên;

Daar zitten nog veel huizen in.

Die gij maar hebt voor \'t bouwen.

Naar Rückert.

VERFLAUWING.

De zangdrift schiet wel wat te kort,

Bij \'t klimmen van de jaren;

Wat vroeger grif werd uitgestort,

Schijnt grooter zorg te baren.

Het hart zij vol gelijk weleer:

De hand is traag, en tast niet meer Zoo gretig naar de snaren.

Wie trekt zich \'t aan? — Een nieuw geslacht Doet nieuwe liedren rijzen.

Verlangt een andren toon en lacht Met de ouderwetsche wijzen.

Welaan, goê kindren! toont uw vlijt!

Wij zullen zonder nijd of spijt Wat goed en schoon is prijzen.

OTÏO GERHARD HELDRING,

overleden te Marienhad in Bohemcn, den llden, begraven te Zetten, op den Vluchtheuvel, den 17den Juli 1870.

Ofschoon de dood uw fakkel bluschte

In ver verwijderd oord:

Hier moest de plaats zijn van uw ruste;

Hier, waar gij thuisbehoort;

Hier, waar wij u met liefde ontvangen;

Met blijdschap bij de smart; Met tranen op de bleeke wangen;

Maar met een dankbaar hart.

Hier zult gij zacht en rustig slapen,

In vaderland,schen grond.

Te midden. Herder! van de schapen.

Die u Gods liefde zond.

Hier zult gij in de ruste deelen

-ocr page 507-

TAAI- EN LETTEREN.

Van haar die, stil en blijd\',

U, den verzorger van zoo velen,

Haar zorgen had gewijd.

Hier zal u \'t kerkje schaduw schenken,

Door uwe hand gebouwd,

Waar gij de woorden en de wenken

Des hemels hebt ontvouwd.

Hier staan, als opgerichte steenen

Eerbiediglijk geschaard,

De vier Gestichten \') om_ u henen. Die zeggen wie gij waart.

Hier zullen kindren, vrienden, broedren

Verzamen keer op keer. En diepbewogene gemoedren

Zich wenden tot den Heer, Om kracht als uwe kracht te vinden,

En moed, uw moed gelijk, Tot leven, werken, onderwinden. Volharden, koninklijk!

O Gij gezegende des Heeren,

Man Gods en Menschenvrind, Schoon voorbeeld, dat wij dankendeeren,

Hoe hebben we u bemind! De krans verwelkt, na korte stonde,

Die hier uw lijkbus tooit;

Maar \'t hart, dat u waardeeren konde, Vergeet zijn Heldring nooit.

TAAL EN LETTERENquot;.

Uitgesproken aan den Dlsch van het Taal- en Letterkundig Congres, gehouden te Brussel, Augustus 187(5.

Zij rusten niet, zij rusten niet.

Wie \'t Schoone mag verrukken,

Die ijvren op het Taalgebied,

Die worstlen met het woord en \'t lied.

Om Waarheid uit te drukken.

De kunst is lang, het leven kort:

De prijs, waar om gestreden wordt.

Dien weinigen ontvangen,

Is schoon, maar hoog gehangen.

Zij sterven niet, zij sterven nooit.

Die dezen prijs verwierven.

\') Sleenbeek, Talitha kutni. Bethel, en de Normaalschool voor Onderwyzeressen.

-ocr page 508-

AAN DE VERSIERDEN MET HET METALEN HRÜIS.

Een lijkbus met een krans getooid, Een graf met bloemen overstrooid,

Verkondig\' dat zij stierven,

Hun stof verga, verwaai — geen nood! Is Maerlant weg? Is Vondel dood? Is Bilderdijk bezweken?

— Zij leven; want zij spreken.

Van nageslacht tot nageslacht,

Van eeuw tot eeuw weerklinken Hun godenzangen, zwaar of zacht. Die met hun oude en nieuwe kracht

In open harten zinken:

Het lied der smart, het lied der vreugd. Het vroolijk lied van liefde en jeugd, Dat eeuwig jong zal blijven Zoo ver er wolken drijven.

Zij achten \'t niet, zij kennen \'t niet.

Die enkel stof bejagen:

Die waar het hart ons vol bij schiet. Ons oog een zachten traan vergiet,

Hun „maar wat geeft het?quot; vragen. Die laagheid strekt zichzelf ten straf; \'t Slijkwroetend zwijn beloont zijn draf. Klapwiekende adelaren.

Der zon in \'t oog te staren.

De schoone kunsten sieren \'t land. Waar zij haar kracht in toonen, De kunstmin, meer dan diamant

Of bloedrobijn, de kronen.

Heil vorst en volken, die \'t beseft. Den kunstnaar eert, beschermt, verheft; Uw naam zal in gezangen Onsterflijke eer erlangen!

AAN DE VERSIEEDEN

MET HET METALEN KEUIS.

Op hun jaarfeest, In Augustus 1876.

Als de oogstzon op den akker brandt,

De sikkel weidt door de aren, Herzaamlen zich in Nederland

Zijn oude heldenscharen.

De zeis des doods ging ook te keer, En dunde hun geleedren zeer,

In vijf en veertig jaren.

-ocr page 509-

opschik. — TBLEOPnOniE.

Maar die gespaard zijn, zijn gespaard,

En toonen dat zij leven,

Van de oude geestdrift niet ontaard.

Door de eigen zucht gedreven; Nog blaakt het heilig vuur hun borst; Nog is voo .\' Vaderland en Vorst Een zelfde hart gebleven.

Metalenkruisers! \'t Grijze haar Siert, met het kruis, u allen.

Nog vijf, nog tien, nog twintig jaar....

Eens zal de laatste vallen.

Dies blijft, voor die nog heden staan. Het krijgsbevel: ,sluit aan! sluit aan!quot; Met dubblen nadruk schallen.

Een nieuw geslacht leeft om u voort;

Een derde werd geboren.

Dat nooit de krijgstrom heeft gehoord.

En nimmermeer moog hooren!

Maar wordt zij voor zijn oor geroerd. Het zij van d\' eigen geest vervoerd, Die u de borst deed gloren!

OPSCHIK.

Draag niet edelsteen bij steen! Veelheid maakt waardij geringer.

Eéne diamant alleen Geldt voor echt aan uwen vinger. Waar zij schieten straal bij straal, Zal de nijd hen altemaal,

Schoon zij uit Golconda waren,

Voor geslepen glas verklaren.

Naar Bückert.

TELEOPHOBIE.

,\'t Geschaapne heeft geen doelquot;, — \'t en zij om te bewijzen Wat gij bewezen wenscht te zien.

Den Maker mag het werk niet prijzen;

Genoeg zoo \'t maar den roem des Onderzoekers dien\'! „Een plan!....quot; Het denkbeeld doet u schrikken!

\'t Is alles {jansch vanzelf gegaan,

Maar komt zich in uw stelsel schikken.

Als waar \'t alleen daarom gedaan.

31

-ocr page 510-

32 MATERIALISTISCHE LOGICA. — PSYCHOLOGIE, PIIIMA QUAE VITAM ENZ.

MATERIALISTISCHE LOGICA.

„Een bons op \'t hoofd — het brein lijdt last.

\'t Verstand bekomt er nimmer van.

„Het brein is dus \'t verstand.quot; — Wel vast;

Zooals de zaag de timmerman.

PSYCHOLOGIE.

Verhef geen psychologen!

Nakomers al te maal. Voorganger in mijn oogen Is hier alleen de Taal.

PRIMA, QUAE VITAM DEDIT HORA, CARPSIT.

\'t Uur der geboorte zelf verkort den duur Van \'t leven; \'t wordt gerekt door \'t stervensuur.

WET DER TRANEN.

Waar traan en glimlach samenkomen, Wordt steeds de traan Het eerst vernomen.

Om \'t laatst te gaan.

WAARSCHUWING.

Zoo gij uw weg met God wilt treên: Loop nooit vooruit; dan loopt ge alleen.

ZELFS DAT NIET!

„Een blik slechts.quot; zegt ge in valsch vertrouwen; „En dan niets meer!quot; — Maak \'tu niet diets! Wilt gjj den zinnen iets onthouen, Vergun hun niets.

KATJESSPEL.

Speel met den hartstocht niet. Een tijd lang ga het goed: Wat steeds te vreezen was, zal eindlijk toch gebeuren;

Gelijk het wilde dier, dat makke kunsten doet.

Toch altijd eindigt met zijn meester te verscheuren.

-ocr page 511-

HOL CBEËEKEN. — AAS MIJN ZOON. — VÜOli KORT, ENZ. 33

KOL CREËEREN.

De stervling schept ziju rol op \'t schouwfcooneel van \'t leven, En speelt haar goed of slecht. Toch was zij hem gegeven.

AAN MIJN ZOON.

MET EEN ÜÜ11WEKK.

Zoolang uw levensdag mag duren,

i)it is mijn bede, —

Wijze u dit werk gezegende uren. En welbestede!

VOOR KORT.

Wij gaan tezaam oen zelfde pad; Een zelfde deur zien we openstaan; Wat is ons scheiden? Niets, dan dat Wij een voor een naar binnen gaan.

VERGEEFS.

Uw vensters keeren \'t licht; toch dringt het door de reten;

Het duister is geweest.

Voor Jezus sluit gij \'t hart, wilt zelfs zijn naam vergeten; Toch werkt hij op uw geest.

VICTÜROS AGrIMÜS SEMPER NEC VIVIMUS UNQUAM.

Manilius.

Wij leven nooit; wij wachten steeds op \'t leven.

Dat nimmer komt, maar altijd gaat;

Het nü wordt weggedacht voor wat te komen staat. Nog vragen wij; Waar is de tijd gebleven?

HERINNERING.

Weet dit, geleerde mannen, Die andrer leeraars zijt! De boog altijd gespannen

Raakt alle spankracht kwijt; De boog verkeerd gespannen. Nog grooter ongeluk,

Breekt in uw handen stuk.

3

-ocr page 512-

34 AAN EEN OPGEWORPEN ZIEKENTROOSTER, ENZ.

AAN EEN OPGEWORPEN ZIEKENTROOSTER,

Voor die op \'t ziekbed kwijnen Zijt gij de rechte man niet, Piet!

Gij kent de medicijnen;

Maar van de dosis weet gij niet.

„ALLE MENSOHEN ZIJN LEUGENAARS.quot;

Psalm CXYI; 11.

„De Schrift tot leugenaar te maken Is zondig,quot; predikt Gijs vol vuur,

En liegt maar toe met stijve kaken.

Tot grooter glorie der Schriftuur.

\'T SPREEKT VANZELF.

Jan heeft zijn buurman welgedaan; Maar dees ontloopt hem sinds dien dag. Vanwaar die afkeer komen mag? — Elk poogt zijn crediteur te ontgaan.

AAN CLARA,

Oi* DEN DAG VAN HAAR VEllïBEK NA AU OOST-lNDlTE.

met liet Stoomschip Voorwaartsquot;

Vaarwel, mijn dochter, streef met moed Door zee en vloed

Naar \'t geurig Oosten! Ga daar eens Echtvrieuds trouw gemoed

Van \'t uitgerekt verlangen troosten, En breng mijn Zoon mijn Vadergroet!

Met ons gedachten blijven wij Het schip nabij,

Dat u mag dragen. Wij volgen u van zee tot zee,

De weken tellende en de dagen Met luiden wensch en stille beê.

Wat feest- wat dank-dag zal het zijn, A\'s, na de pijn Van \'t machtloos wachten, heimlijk schromen,

Ons hart zich ophaalt aan \'t genot Der blijde tijding; „Aangekomen —

Gezond — Vereenigd — Dank zij God.quot;

-ocr page 513-

AAN... — EVEN LIEF.

O spoedig smake \'t ouderhart üie vreugd, de smart Vergoedend-s van \'t moeilijk scheiden!

Vaarwel! Vaarwel! De „Voorwaartsquot; wacht: Gods Engler. mogen \'t schip geleiden, Beschermende u, hij dag en nacht.

£2 Dec. 1876.

AAN____

Ta ne me chercherals pas, si tu ne m\'avais deja trouvé.

Christus, bij Pascal.

Daal in uzelven af;

Gij zult er Christus vinden,

Als in een eerlijk graf,

Waar doeken hem omwinden;

En drijft de heete zondesmart U tranen langs de bleeke kaken,

Hij zal voor \'t hem behoevwul hart Als uit den doode ontwaken.

Gij hebt hem lang miskend.

Schoon veel van hem geweten;

Maar die tot hem zich wendt,

Wordt nimmer iets verweten.

Dien ge als een doode hebt vereerd,

Zal als de levende u gedenken,

En wat ge eerst nu van hem begeert,

Als \'t lang voor u gereedo u schenken.

EVEN LIEP.

Mijn kleinkroost meerdert vast en klom Al tot een viertal zonen.

Een aardig meisje leidt den drom Mot rozen op de koonen.

Grootmoeders lieven naam draagt zij — O worde \'t eene Aleide! —

Een tweetal knapen heet naar mij, — — Gods zegen ruste op beide!

Twee hebben van den andren kant Hun waarden naam verworven.

Naar mannen, voor hun vaderland En huis te vroeg gestorven.

Maar met wat namen, en naar wien Of wat, zij heeten zouden.

35

-ocr page 514-

openlijk vellloofd. — querdliana.

Ik bleef hen even gaarne zien En evenveel van deze\' als dien, Van dien als dezen houden.

OPENLIJK VERLOOFD.

Aan.....

Voor Gods en aller menschen oogen De liefde, die hun hart verheugt, Te erkennen met een fiere vreugd: Driewerf gelukkig zij die \'t mogen! Zr\\ \'t zoet geheim zoo zoet als \'t mag; Een groot geluk wil klaren dag.

Die klare dag is aangebroken; Die schoonste zon is opgegaan; De nachtegalen heffen aan,

En alle rozen zijn ontloken

Op \'t pad, ontsloten voor uw voet. Waar oog en hart u blij begroet.

Smaak uw geluk met volle togen. Verbeidende den blijden stond, Waarin een heilig echtverbond Het gaat voltooien en verhoogen; En zorg, lief Paar! dat ieder weet Hoe wijs de keus was, die gij deedt.

QÜERULIANA.

I.

Dat rei een zangrei zegt, een dansrei of een koor. En rij een reeks beduidt, drong niet tot ieder door. Dat die op \'t mos zich vlijt, gean vleier hoeft te wezen, Blijkt ons niet altijd, waar wij \'t lezen;

En wat geenssints beduiden moet.

Wordt geenszins door mijn brein bevroed.

II.

Schijfschieten heette \'t eerst wat nu Schietwedstrijd heet. Scherpschutters placht voordezen De vaste naam te wezen Van die met vaste hand zich in den Doelen kweet, \'t Is nu al juistheidswapen wat men ziet; De juiste ivoor den echter treft men niet.

-ocr page 515-

GESTOORDE BRUIDSVREUGDE. 37

III.

Een afgeworpen vrucht deed eertijds zuchten slaken.

Zij kon slechts noodrijp zijn, doorvreten van een worm, Of afgesmeten door een storm:

Thans schijnt zij iedereen te smaken.

IV.

Verplaatsen is?

„Van plaats verandren doen.quot;

Zeer goed.

Zeg nu ook wat verpakken wezen moet!

, Verpakken is nu voor «\'«pakken \'t woord..

Och! pak u voort!

V.

„Iets ten halve te zynquot; is een kwaad en een leed;

Maar uw „halfheidquot; is Duitsch, en heel üuitsch, dat gij \'t weet.

VI.

„Fax af is meer dan schennis van een wet,

Door taalgeleerden ingezet;

Moedwillige verkrachting mag het heeten Van taalgevoel en taaigeweten.

,\'k Wou af uw schoot,quot; zegt in zijn brabbeltaal het wicht. Dat aanstonds beter leert door moeders onderricht, En zeker levenslang in \'t rechte spoor zal blijven.

Zoo \'t maar geen lezen leert of schrijven.

VII.

Gij gaat er op in, gij gaat er op in!

Sta mij toe, dat ik er in trede.

Gij hebt, op zijn Duitsch, polemiek in den zin;

Maar ik, op zijn Hollandsch, houd vrede.

VUT.

Erg lief, erg mooi, erg aardig — beste man! \'t Hardnekkigst optimisme beeft er van.

Wordt alles erg, dan is \'t zoo erg als \'t kan.

GESTOORDE BRUIDSVREUGDE.

Hoe blaast nog de oostewind zoo gum-

Langs akker, veld en wegen, En houdt de ontwakende natuur In \'t wakkerworden tegen!

-ocr page 516-

i\\ het bosch.

Geen nood! Zij leeft en wacht haar dag, En zal, zoo vroolijk als zij plag.

Zich weer met bloemen kronen En al haar schatten toonen.

Wat dreiging van een dag vol leeds

Kwam hier de bruidsvreugd stuiten. En sloot door zorg en bange vrees

Haar feestlijkheden buiten?

Geen nood! De liefde leeft in \'t hart; Zij mint de vreugd, maar schuwt geen smart Zij groeit bij droefenissen.

En kan den feestdisch missen.

Doet dit uw eerste tegenspoed

U voelen en ervaren:

Lief paar! waag dan met blijden moed

Uw scheepjen aan de baren.

Is \'t ebbe en vloed op \'s levens zee.

Zijn wind en stroom niet altijd mee:

\'t Geluk is in den zegen Der trouwe min gelegen.

Doc-h is \'t geluk voor \'t wenschen veil

Van die u thans omringen,

Dan voegt zich bij dat innig heil

Nog tal van zegeningen.

Haast wijk\' de koude en bloeie \'t veld, Straks zij de kranke weer hersteld. En eerlang, eerlang dage Wat goeds uit \'s Gravenhage.\')

IN HET BOSCH.

Dichtkb:

lief aan, hef aan toch, nachtegaal! Indien ik door dees bosschen dwaal, Is \'t om uw lieve stem te hooren!

Laat duif en koekoek niet aan \'t wcord; Voor die hier gaat en u niet hoort,

Zijn schrede en tijd verloren.

Nachteoaal:

\'68

Gij dwaas! \'t is niet voor ute vermaak, Dat ik mijn zoete zangen slaak,

\') Een gehoopte bevordering.

-ocr page 517-

ONDURWERPING MET VOLHAUDING. — EEN GRAFSCHRIFT, ENZ. 39

Ofschoon \'t uw eigenwaan zoo schijne!

Mijn eenig lied is \'t lied der min;

Gij zingt het voor uw hartvriendin;

En als Ik zing, is \'t voor de mjjne.

ONDERWERPING MET VOLHARDING.

In Godes hand te (/even

Lot, uitzicht, hoop, en wensch, In dit afhanklijk leven,

Is wijsheid in den raensch.

In Godes hand te laten

Wat eens haar werd betrouwd, Is wijsheid boven maten,

Die zelden wordt aanschouwd.

EEN GRAFSCHRIFT.

Ci dessous gït un grand seigneur, Qui de sou vivanb nous apprit Qu\'un homme peut vlvre sans coeur Et mourir saus rendre l\'esprit.

La Comtfsse de Brégis.

De man, die hier begraven werd,

Bewees door sterven en door leven,

Dat men kan leven zonder hart,

En sterven, maar den geest niet geven!

WA ARSGHU WING.

Overloop uwen vriend niet, noch zit er te lang;

Voor een zegen, verwierft ge u vervloeking.

Menig vriend maakt het daardoor zijn vrienden te bang. üw bezoek zij bezoek, geen bezoeking.

JAN REK.

Jan Rek wil grooter zijn dan God hem heeft gemaakt. Dies staat hij doorgaans op zijn teenen. Vergeefsch gepoog! De sukkel raakt Toch niet aan \'t geen waarnaar hij haakt, Maar wel veelvuldig van de beenen.

-ocr page 518-

4U noblesse oblige. - aan pa vellus. - een weg die ditnemender is, enz.

NOBLESSE OBLIGE.

Devies ran de Hertogen de Levis.

Noblesse oblige. — Groot de Groote, die \'t beseft! — Maar klein de Kleine, die \'t hem voorhoudt! Hij verheft Zichzelf, of zoekt zijn voordeel te bejagen En d\' arend, dien hij vleit, tot leg-hen te verlagen.

Febr. 1877.

AAN FAVELLUS.

Uw stijl, Favellus, is een nufje.

Zij draagt altijd het nieuwste snufje; Zij rijgt zich stijfjes, schoeit zich knapjes, En tript daarheen niet kleine stapjes.

Laat luid haar hooge hakjes tikken, Trousseert haar kleedje alle oogenblikken. Om ieder vuiltjen, ieder spatje Met zorg te mijden op haar padje.

En weet maar niet hoe zich te wenden Om van de vrienden en bekenden Steeds meer de opmerkzaamheid te trekken. En elks be wondring op te wekken;

Ook gaat zij nooit voorbij, Favel!

Of ieder onzer zegt; „Wel! wel!quot;

EEN quot;WEG DIE DITNEMENDER IS.

Wat duizend malen is gezegd, Dat zegt gij slecht; CV spreken heeft geen roem te hopen; Leg u op \'t zwijgen toe, mijnheer! En \'t pad der eer Staat voor u open.

TELEURSTELLING.

\'t Stond in d\' oproepingsbrief te lezen;

De president herhaalde \'t luid: „lt;?ecf(icMe«wisslingquot; zou het wezen; Maar \'t kwam op ïfoorrfenwisslir.g uit

-ocr page 519-

EERVOLLE UITZONDERING. — NIEUWE STIJL. — NIEUWSTE STIJL, ENZ. 4)

EERVOLLE UITZONDERING.

„De Nederlanders zijnquot; — Wat zijn ze niet? Lees lionderd Couranten, lees er één: \'t is steeds hetzelfde lied: De Nederlanders deugen niet; Hun dagbladschrijvers, dat verstaat zich, uitgezonderd.

NIEUWE STIJL.

Ministers plachten af te treden;

Zij mogen weggaan — luidt het heden; Zich uit de voeten maken hier, Het zelfs bij een, die niets ontziet. Zoo spreekt, zoo schrijft mon naar uw regel. Hof van Jan Vlegel!

NIEUWSTE STIJL.

Jan Salie speelt niet meer den baas; Hij maakte voor Jan Vlegel plaats;

Hoe ploraper nu, hoe fraaier. De ruwste taal, de platste spraak Is naar den welbekenden smaak

Van boef en oproerkraaier. Weg met den liksteen en de vijl! Wij hakken met de grove bijl.

GULDEN BRUIDSPAAR.

Vijftig jaar vereend.

Lief en leed gedragen;

Dikwijls veel geweend. Zonder veel te klagen;

Dikwijls veel gesmaakt Van des Heeren goedheid;

Over \'thart gewaakt Bij \'t genot dier zoetheid; En bij bittre togen

Ook den troost gekend, Die zich uit den Hoogen

Tot de harten wendt. De Echtgenoot nog krachtig

En vol levensmoed;

Schoon nabij de tachtig

Nog vol geest en gloed; \'t Vrouwtje wel wat zwakker, Maar, hoe slecht gesteld.

-ocr page 520-

ONTWIKKELINOS-THEORIE. — I11C KHODUS, H1C SALT*, ENZ.

Levenflig- en wakker

Waai- het liefde geldt,

Liefde voor haar gade,

Liefde voor haar kroost,

Dat zij Gods genade

Opdraagt onverpoosd.

„Blijft nog wat verbonden,

„Wordt nog lang gespaard!quot;

Roepen hart en monden,

„Want gij 7.ijt het waard!quot;

Maar Gij buigt ootmoedig

\'t Hoofd, en schikt u stil (Koom hij spade of spoedig)

Naar des Heeren wil.

ONTWIKKELING S-THEORIE.

„Ontwikkling!quot; roept men. „Uit het leelijke, het schoone; ,\'t Goede uit het kwade; en de waarheid uit bedrog, „Zoo is \'t, en anders niet.quot; Ik echter twijfel nog Totdat hij, die \'t beweert, het door zichzelven toone.

IliC RHODUS, HiG S4.LTA.

Het onverklaarbre is meer dan al wat gi; verklaart; En al wat gij verklaart berust op \'t onverklaarde. Eén blik in die Geheimnis was meer waard Dan al wat proefbevinding samengaarde.

BTLEAMS EZEL.

Dat ooit een e_zel sprak, schijnt u te groot een wonder, Mij treft het niet bijzonder.

Neen. dat een ezel zwijgt, mijnheer,

Verbaast mij dikwijls meer.

NOODWENDIGHEID.

„Noodwendigheid regeert; geen Wijsheid; naar ik ben De Wijsheid, ik, die de Noodwendigheid erken.quot;

TEGEN MISREKENING.

Gij rekent en berekent steeds, mi care!

Maar rekent ge ook op \'t onberekenbare?

-ocr page 521-

— DRIBKNZESTIQSTE VERJAAHDAO.

43

ZONSOPGANG.

ZONSOPGANG.

Ziet men nog starren aan de lucht,

Wanneer de zon begint te stralen,

Voor wie niet slechts het duister zwicht.

Maar alle lichten onderhalen?

De maan verbleekt, geen star houdt stand — Maar \'t wolkje krijgt een gouden rand.

Hoort men nog zangers, waar het lied Des meesterzangers op mocht stijgen?

De stoutste zelfs verbreken niet Het algemeen, eerbiedig zwijgen —

Maar om een mond, beproefd door druk. Verschijnt een glimlach van geluk.

DRIEËNZESTIGSTE VERJAARDAG.

Voor drieënzestig jaar geduld.

Voor drieënzestig jaar genade.

Een maat met weldaan hoog gevuld, Een levenspad, dat ge overlaadde Met bloemen, waaraan niets ontbrak. En waar, zoo mij een doren stak. De balsem vloeide naast de wonde;

Voor kracht bij vreugd en troost bij smart, Voor zoo veel goeds bij zoo veel zonde. Dankt u, o (jod! mijn kloppend hart.

Nog klopt het; ja voor gade en kind,

Voor kroost en kleinkroost mij geboren;

Voor menig bijgebleven vrind,

Na velen, door den dood verloren;

Voor \'t werk, waarin ik dag aan dag U naar vermogen dienen mag.

Voor \'t Goede en Schoone, waar ik \'t vinde,

O God! nog met denzelfden gloed Waarmee mijn ziele \'t vroeg beminde, En immers eeuwig minnen moet?

\'k Ben jong geweest; \'k ben oud geworden,

Maar voor veroudren nog bewaard; Wat boomen om mij heen verdorden.

Ik voel mij sap en merg gespaard. Waartoe, o Heer van dood en leven?

Dan om een weinig vrucht te geven,

-ocr page 522-

44 eij een (jrap in den vreemde.

Een weinig^lommei*, laat als vroeg; Totdat uw bjil wordt opgeheven En \'t woord gesproken: .Lang genoeg.quot;

Nassau. a/L.,

13 Sept. 1877.

BIJ EEN GRAP IN DEN VREEMDE.

Geen afscheidssmart, geen bang Vaarwel, Beantwoord uit bedrukte monden,

Maar ingeslapen, stil en snel De rust aan de eeuwge rust verbonden —

Zoo hebt gij hier naar Gods bestel, Uw einde in \'t vreemde land gevonden.

In \'t vreemde land, in \'t verre graf,

Maar waar eendrachtig zich om scharen

De kinderen, die God u gaf. Die weenende in de groeve staren,

Doch staan u aan den hemel af. Dit denkbeeld doet de smart bedaren.

Hoe lieflijk is de heuvelkling,

Uw stof tot rustplaats aangewezen.

Besloten in een ommering Van bergen, schoon en hoog gerezen.

De rustplaats, die uw ziel ontving,

Moog veiliger en schooner wezen!

Uw leven heeft, een kalme vloed.

Zich kalm in \'t dóodsmeer uitgegoten.

Uw liefde was een zachte gloed, Uw deugd in needrig hart besloten.

Een stille geest, een rein gemoed Hoeft altijd gunst bij God genoten.

Ik heb u veertig jaar gekend; Dooreengevlochten was ons leven;

Maar gij, tot aan uw vreedzaam end,

Zijt steeds uzelf gelijk gebleven.

Uw beeld, tot ook mijn dag zich wendt, Blijft vriendlijk mij voor oogen zweven.

Nihil lonqe a Deo.

Monica.

Nassau ajL.

14 Sept. 1877.

-ocr page 523-

KISDEUTKANES. — BEPKOEVING. — TER BEGRAAFPLAATS. 45

KINDERTRANEN.

Het knaapje schreit. Een kleinigheid Kost d\' armon jongen tranen-plassen.

Zijn vader ^iimlacht bij dat leed: Is dat niet wreed? ....

Vraag \'t als hij is volwassen.

Hoe menig klacht Wordt uitgebracht Om rampen, redloos in dit leven.

Heeft God geen deernis\'? Deelt hij niet In ons verdriet ? ....

Laat de eeuwigheid het antwoord geven.

BEPROEVING.

Hij die met God een blik gewisseld heeft,

Heeft lang genoeg geleefd.

„Laat nu, o Heer! uw dienstknecht gaan in vrede!quot; Zoo luidt ook zijne bede.

Maar God beproeft dien hij gelukkig maakt. Een bange stonde naakt.

Een zwarte wolk, die \'t zonlicht komt vervangen, Begint het hart te prangen.

Daar daalt de nacht; daar dooft de laatste ster; En alle troost schijnt ver....

Neen. Wanhoop niet! Stare ook uw oog in \'t duister; Ontsluit uw hart, en luister!

Daar is een stem, die antwoordt op uw klacht; Daar is een liefdemacht.

Die steunt, en die haar liefderijk bedoelen In \'t innigst hart doet voelen.

En de overtuiging kweekt, die eenmaal zegt; „Nu ken ik God eerst recht!quot;

TER BEGRAAFPLAATS.

\'t Is soms of het Leven de Dooden bespot. Wij brengen de ontslaapnen ten Akker van God; Wij zwijgen eerbiedig, wij fluisteren zacht; Het otfer der tranen wordt snikkend gebracht;

-ocr page 524-

CONSEQUENT. — TElt NAGEDACHTENIS.

AVjj wagen een troostwoord, een ernstig vermaan ; Wij wijzen ten hemel.... Op eens kraait een haan; Een hond komt geloopen en breekt door de rij; Ken snorrende spoortrein druisoht gillend voorbij, En spreekt in dien wanklank het haastige woord: „Het leven heeft haast; staat niet stil; spoedt u voort! Spoedt u voort — tot uw werk — tot uw zaak — tot uw taak; Onze tijd heeft slechts tijd voor gewin of vermaak.

Staat niet stil bij de graven, niet stil bij uw smart;

Staat niet stil bij den hemel, niet stil bij uw hart!

Eens was \'t leven een scheepsreis, een reis langs de kust, Met een lieflijken droom van een haven der rust;

Nu, een reis met den sneltrein, steeds verder, steeds voort, Tot de stoomketel springt of de wagen ontspoort.quot;

Indien ge iets goeds verricht, mijn zoon! \'t Nog meer te willen zij uw loon.

\'t En is geen rijkdom, die het doet. De kunst is keur, geen overvloed.

CONSEQUENT.

Gij „blijft uzelf gelijk.quot; — Waarin? In de overtuiging Dat gij altijd gelijk hebt. Dit staat pal.

Daaraan is geen verwrikking of verbuiging; Standvastigheid gaat boven al!

\'k Ben zoo standvastig niet. Mij zelveu toe te schrijven;

„Ik kan niet dwalen, niets meer leerenquot; is te mal. Ik wensch in eerlijkheid mijzelf gelijk te blijven;

Want eerlijkheid gaat boven al.

TER NAGEDACHTENIS.

Gij stierft, gij daaldet in uw graf;

Een lichtglans merkt uw spoor, En glinstert voort en laat niet af

Te troosten met zijn gloor; Een lichtglans, die oen denkbeeld gaeft, Van \'t licht, waarbij gij hebt geleefd.

Licht van geloof en liefde en hoop. Vroeg schijnende om uw hoofd. Door heel uw aardschen levensloop

4G

-ocr page 525-

DOOFPOT. — VOOIl OUDEJAAltSAVOSDPREUIKERS, ENZ. 47

Versterkt, en nooit verdoofd.

\'t Omstraalde uw stervend aangezicht —

Wij zien u niet dan in dat licht.

Dat smoort dg klacht, dat stilt de smart,

Dat droogt de tranen af;

Dat is de balsem voor het hart,

De zegen bij uw graf,

Die elk doet zeggen duizendmaal:

„Och dat ook mij dat licht bestraal!quot;

DOOFPOT.

Niet alle vuur moet branden Of glimmen blijven, dat staat vast;

\'t Zijn dikwijls wijze handen.

Waarmee men naar den doofpot tast.

Wees haastig om te smoren,

Waar \'t minste twistvuur wordt gestrooid;

Geen vonkje blijve er gloren —

Maar \'t vuur der liefde, doof dat nooit.

YOOE OÜDEJAARSAVONDPEBDIKERS.

Gij preekt: rde tijd vliegt snel; het vluchtig leven slijt!quot; Och, wees gij zelf nu ook wat zuinig met den tijd.

Work door en woeker met uw uren;

Spaar gaaf noch kracht!

Straks daalt de nacht;

De roest verslijt veel meer dan \'t schuren.

Uw stof is arm; uw stijl is breed: Een maagre mensch, maar dik gekleed.

Tezijnertijd komt ramp en tegenspoed. Devreesdheid gaat ze halfweg tegemoet.

CATHEDER NOVELLISTEN.

Novellen-makers en -uitkramers, als gij weet. Die zijn er bij de vleet.

Men zou misschien als regel kunnen stellen: Die niets te zeggen heeft, komt wat vertellen.

-ocr page 526-

48 jacobus jan cremek. — twee sterfbedden. — AFVAL, enz.

JACOBUS JAN CREMER.

Een uit duizend.

Wie Cremer leest, kent slecMs zijn twintigst deel; Alleen wie Cremer hoort, kent hem geheel.

Men kan door \'t oog niet dan een weinig hoeren Van \'t geen hij ons te aanschouwen geeft, door de ooren.

TWEE STERFBEDDEN.

Het oog van Hausschein \') hrak. — Als licht ontboden werd,

Zoo wees hij op zijn hart.

„Daar heh ik lichts genoeg,quot; kwam stervend van zijn lippen. — „Meer licht!quot; riep Göthe, !) en liet den adem glippen.

AFVAL.

Wat afvalt van den hoogen God,

Moet vallen.

Een zelfde schuld: een zelfde lot

Voor allen.

\'t Gezin, \'t geslacht, het volk, de staat.

De kleinen en de grooten:

Verlaten wordt wat öod verlaat.

Wat God verstoot, verstooten. Wel hoort men daaglijks stem op stem

Weerklinken:

„Geen nood! wij redden \'t zonder Hem!quot; Maar die het zeggen — zinken.

MIJN ZWARTE TIJD.

Felix quem facluat aliena pericula cautum.

\'k Heb openhartiglijk mijn „Zwarten tijdquot; beleden. Hem met dien naam benoemd ;

Zijn dwaasheid niet verbloemd,

Gezorgd dat anderen, gewaarschuwd, hem vermeden, — Maar niet tot loon gehad,

Dat iemand hem vergat.

!) Oecolampadius f 1531. Götbe t 1832.

-ocr page 527-

aan j. langelaan. — quandoque bonüs dormitat homehus, enz. 41)

AAN J. LANGELAAN.

Veertig .jaar Arts te Heemstede.

Den kundige\' Arts, in bange stonden Steeds even trouw als wijs bevonden; Den Vriend, dien nooit mijn hart vergeet; Den Christen, onder lief en leed,

Wien Uod nog menig jaar moog sterken Met kracht tot dragen, moed tot werken. Met balsem voor een hart, dat bloedt.

Mijn warme feest- en broeder-groet!

QUANDOQUE BONUS DORMITAT HOMERUS.

„Dat zelfs Homerus somtijds inslaaptquot; is gezegd

Door Flacous; maar, mijn hemel! geeft dit recht Aan die nooit wakker zijn en iedereen doen slapen, Zich ook al aan den naam van dichter te vergapen?

Het schijnt zoo. Menig rijmwerk onzer eeuw Voere op den titel niet: Gedichten, maar; Gegeeuw.

GENOEG IS MEER.

Spreuk van Anna Roemers.

Genoeg is meer; niet slechts meer dan „te. iveinigquot;, maar Meer dan ,te veelquot;. Die \'t er meê doen kan, vindt het waar.

STICHTING.

Het was een hooge feestdag

Voor \'t vrome christendom;

De klokken luidden plechtig

En noodigden ten dom.

De dom was hoog en statig.

Het orgel diep van klank;

Na ernstige gebeden,

Kwam zielvol psalmgezang;

De preek was goed en krachtig —

Maar ik werd meer gesticht Door uw devoot gezicht.

Daar zat gij, stil en zedig,

En sloegt den blik omhoog,

De handen saamgevonwen.

Een grooten traan in \'t oog.

Dat Ootmoed en Vertrouwen

Die meerder zijn dan schijn,

IV.

4

-ocr page 528-

50 OOST WEST, THUIS BEST.

Op aarde zijn te aanschouwen,

Op aarde \'t schoonste zijn, Dat de eelste vrucht der Vroomheid

In Eenvoud wordt gekweekt, Dat hebt gij mij stilzwijgend

Door uw gelaat gepreekt.

Dat reine Zielevrede

Bij menpchen -wonen kan, Daar zong uw helder voorhoofd

Den Heer een loflied van. Dat God de blijdste Hope

Aan zacht Geduld verbond, Dien zegen sprak het lachjen

Om uw gesloten mond. Ik zou niet durven zweren

Dat gij geluisterd hadt,

Maar zag dat gij aanbadt.

OOST, quot;WEST, THUIS BEST. In hoven en hoeven,

in Oost of in West,

Moog \'t goed zijn te toeven:

te huis is het hest.

Geen plekje zoo heilig.

Geen kerk of geen kluis Zoo vreedzaam en veilig

Als \'t vreedzaam Tehuis.

\'t Zij prachtig in \'t Oosten,

\'t zij heerlijk in \'t Zuid; Natuur sprei er schatten

en wonderen uit; Het goud moge er lokken,

de wellust, of de eer; Genot moge er veel zijn;

Gemis is er meer.

Tehuis zijn mijn schatten,

mijn eer, en mijn lust; Mijn smaaklijkste maaltijd,

mijn rustigste rust. De bloem in mijn venster,

het vuur op mijn haard

Zijn al uw tooneelen

en lustoorden waard.

-ocr page 529-

SENTIMENTEEL. — HAKIG. — BIS IN EÜNDEJI — VERKEERDE WERELD, ENZ. 51

SENTIMENTEEL.

Gevoelziek volkje, smart-studenten,

Verliefd gekrenkt, mistroostig koor!

Gil gorgelr, u met sentimenten;

Maar slikt gij ooit een droppel door?

HARIG.

Hoe harig is onze eeuw! De vrouwen dragen vlechten

Van haar op \'t hoofd als Atlas\' hemelkloot;

De mannen, baarden, zwart, bruin, grijs, wit, bont, en rood — Vertooning van physieke la-aohten.

Bedreiging met barbaarsoh geweld,

Is dit, waar zij haar eer in stelt?

BIS IN EUNDEM.

\'k Zie daaglijks nieuwe vrienden in mijn ouden. Een nieuwe baard bedekt hun oud gelaat.

Eerst kijk ik vreemd; maar \'t is niet kwaad; Nu kan ik tweemaal van hen houden.

VERKEERDE WERELD.

Hoe ma.akt thans de oude stok een rijpe jeugd te schande! Onze oudste vrouwen zijn de fraaist getande.

EX UNGUE.

Wie is beleefdst, wie spreekt bescheidenst van de twee?

„Hoor reis!quot; zegt Hollands volk, maar deEngelschman: ,Isay.\'\'

DOMME DOMMEKRACHT.

De dommekracht in zeedlijke belangen.

Ter vordring van het Eijk van God, Is God verzoeken en verlangen Dat Satan zelf met onze domheid spot.

ZIE WAT GIJ DOET.

Zorg dat uw hand geen vruchtbaar twijgje knakke; Snij \'t vooze weg, maar ondersteun het zwakke.

-ocr page 530-

OP TIET HUWELIJK VAN MIJN ACHTSTE KIND.

OP HET HUWELIJK

VAN MIJN ACHTSTE KIND; Beroepen Predikant te Houten.

„Zeven en een was acht;

Ze zeiden dat het wat veel wasquot; \')

Maar schoon \'t een ordentelijk deel was, We hebben tot vijftien \'t gebracht.

Schoonzoons kregen wij twee; Zij werden met blijdschap ontvangen; Wij konden geen beetre verlangen; Wij tellen ze als eigene mee.

Schoondochters hebben wij een.

Zij is wel wat ver uit onze oogen Haar echtvriend in de armen gevlogen; Maar mochten wij \'t laken \'i Neen.:!)

Ook blijft het er geenszins bij.

Daar brengt ons Cornelis de tweede! rWij zijn uitermate te vredequot;

En haast zoo gelukkig als hij.

Naar Oost of AVest te gaan Zal hij zich met haar niet verstouten. Zü gaan vooreerst maar naar Houten, Een uur op zijn best hier van daan.

Daar staat de woning klaar,

Omgeven van needrige daken,

Waarin zy tezamen gaan smaken Het zoet van \'t eerste jaar.

De pastorie, het stil En zedig en zalig verblijfje,

Daar \'t zedig en huiselijk wijfje Een hemeltje stichten wil.

Daar staat de statige kerk.

En opent haar deur met verlangen, Om de eerstelingen te ontvangen Van \'s jeugdigen leeraars werk.

\') Zie Dlohtw.t III. bi. 121.

\'*} Zie hiervoor blz. 34, Aan Clara, enz.

52

-ocr page 531-

AAN L. 11. BEYNEN. 53

Daar ligt de herderstaf De trouwe hand te verbeiden,

Waarmee hij de kudde zai weiden,

L\'ie God hem tc weiden gaf.

Trek op, gelukkig Paar!

Met Zijn en uw Vaders zegen,

En weest, onder vóór en tegen,

Een zegen, ook voor elkaar I

9 Aug. 1878.

AAN L. K. BEYNEN,

te Leiden mijn Contübernaal.

Op zijn Veertigjarig feest.

Voor veertig jaar mijn Tentgenoot In \'t kamp der Wetenschaps-recruteii,

En sinds dien tijd tot op dees dag Een trouwe vriend van \'t echte slag,

Wiens ooren dikwijls moesten tuten,

Wanneer, in zijn afwezigheid,

In kleiner of in grooter kringen,

Zijn lof door mij werd uitgebreid,

Waar niemand had op af te dingen,

En dien ik thans op dezen dag.

Als Jubilaris groeten mag!

Wat zou mijn mond u zeggen mogen.

Dat gij niet altijd wist en steeds Gelezen hebt in \'t hart van Beets,

En nu moogt lezen in zijn oogen?

God, die ons Vrienden heeft gemaakt, En Broeders worden deed uit vrinden.

Als \'t samenwonen werd gestaakt Om elk zijn weg\' en werk te vinden;

Hij, die u thans de rust verleent, Mij mooglijk nog een weinig jaren

Aan \'t werk houdt, zoo hij \'t dienstig meent, Zoo lang dit bloed ons vloeit door de aren,

Houde ons in éénen geest vereend!

En komt de dood ons d\' adem rooven.

Mijn Laurens Reinhart! Wel, daar zij Een plaatsje dan voor u en mij In \'t Contuberniurn hierboven!

Scheveningen,

11 Sept. 1878.

.L

-ocr page 532-

54 CONSERVATIEF QUAND MÊJIE. — GELUKWESSCHES. —

qui bene enz.

,\'k Ben dwaas geweist,quot; herhaalt gij duizeudmalen,

Maar \'t let u nooit uw dwaasheen te herhalen. Zeg eenmaal: „\'k Heb gezondigd,; \'k voel mijn schuld!quot; Zoo weet ik dat gij wijzer worden zult.

Ik zal \'t bewondren, wil \'t verheften,

Indien \'t natuurlijk tot mij komt; Maar \'t is onmooglijk mij te treffen Met wat gij uitgalmt, snort en bromt.

CONSERVATIEF QUAND MÊME.

Houd, oude steenklomp, eenmaal op

ons in den weg te staan! — „Eespeot! ik heb drie eeuwen reeds

hetzelfde kwaad gedaan.quot;

GELUKWENSCHEN.

Aan ....

Wij hebben zoo veel malen

elkaar geluk gewenscht. Terwijl we een heil bezitten

Onpeilbaar, onbegrensd.

Zijt gij dan ontevreden?

ben ik nog onvoldaan? Wat blijft er steeds te wenschen,

en wat ontbreekt er aan?

Niets dan een recht ootmoedig,

Volkomen dankbaar hart; Een nooit geschokt vertrouwen.

Ook in den dag der smart; Een groot, een evenredig

besef van \'t groot bezit.... Gij, die ons rijk gemaakt hebt,

O Heiland! geef ook dtt.

QUI BENE DISTINGUIT, BENE DOCET.

Het onderricht kan mij \'t verstand nie; geven; Zoo min als \'t licht het leven en de kracht. Wel kan ik zonder licht niet leven;

Maar nooit heeft licbt-alleen het leven voortgebracht.

-ocr page 533-

vrouwendeugd, enz. 55

hein hoogvlieger. —

aan wijzen van den dag.—

AAN WIJZEN VAN DEN DAG-.

Heett God zijn aanaoht, door te scheppen, uitgeput?

Bezit tij ze ook niet tot regeer en ?

En blijft ze in hem niet werkzaam, ons tot nut: — Zoo doet gij meer dan Hij, mijnheeren i Die u geen uur van rust vergunt.

Om ons maar altijd weer te toonen wat gij kunt.

HEIN HOOGVLIEGER.

Met de vlucht van den aadlaar stijgt ge op, naar gij spreekt.

Het zij zoo; ik gun u dat stijgen.

Maar het oog van den aadlaar, den klauw, die ontbreekt.

Zult gij die door te vliegen verkrijgen\'?

VROUWENDEUGD.

Zachtmoedigheid staat onzen vrouwen goed.

Niet slechts een zacht gemoed, maar ook een zachte moed.

A n d e e s ;

\'t Gemoed zij zacht, en zacht de moed: Dat \'s vrouwendeugd en staat haar goed.

DEUGD EN DEUGDEN.

Veel deugdeu maken nog de deugd niet uit.

Veel deugden hebt gij, Jaap, en echter zijt ge een guit.

GODS BORDUURWERK.

Wat God borduurt, door lief\' en leed. In \'t weefsel van eens Christens leven, Vertoont een werk, waar niemand weet Gewisse duiding aan te geven.

Aan deze zij schijnt lijn bij lijn Dooreen te weemlen en te warren;

Aan de andre, zal \'t een bloemstuk zijn, Omgeven met een krans van starren.

-ocr page 534-

god en godsbegrip. — incompetent. — bij een grafpaal.

GOD EN GODSBEGRIP.

Gij hebt een Gods-iiEGiup, ganscli naar uw zin. Zeer wel; ik heb een God, dien ik bemin.

Uw Gods-BEGRip doet u noch kwaad noch goed. Mijn God troost, sterkt, en reinigt mijn gemoed.

Uw Gods-BEonip verandert, wijzigt gij.

Mijn steeds dezelfde God verandert mij.

INCOMPETENT.

Tout comprendre aeralt tout par-doiiner.

Mad. de Staël.

„Alles begrijpen ware ook alles te vergeven.quot; Vergeven!1 Maar daar is de vraag niet van. Gij hebt niets te vergeven, vrouw of man!

Ten zij dan zonden tegen U bedreven.

Hij, hij alleen, die recht tot straffen heeft.

Heeft recht om te vergeven en — vergeeft.

BIJ EEN GRAFPAAL.

CNaab William C. Bennett.)

Slechts: Guürtje Prijser. Boven dien Geen woord. Het jaartal zelfs vergeten.

Is \'t niet puur dwaasheid, omtezien Naar iemand, daar vrij niets van weten.

Maar \'t is niet anders; Guurtje ligt Dicht bij een weg, dien \'k vaak moet reizen;

En krijg ik Guurtjen in \'t gezicht.

Mijn hart wordt week en vol gepeizen.

Niets dat haar leeftijd melden mag.

Jong? Oud? Vergeefsch is al mijn gissen.

Een kind? Een zuigling- van een dag? Een meisje? Een vrouw? Wie zal \'t beslissen?

Maagd? Gade? Weeuw?.... Wij moeten \'tdan Maar zonder deze kennis stellen;

Hier zijn we alleen maar zeker van,

I)at wij niets hebben te vertellen.

Wat was haar lot? Dat van een kind,

Omringd van liefde en welgevallen?

Of van een jonge maagd, bemind

-ocr page 535-

BIJ KEN GKAFPAAL.

Door eenen, en gevierd door allen?

Was ze ijdel? Needrig\'? Minzaam? Hoog? Druk? Geestig? Of een stil natuurtje?

Zat daar een schalkjen in haar oog? Een heksje? Ik wil \'t niet hopen, Guurtje!

Was moedere?\'e!K/(2 of moedersmart Haar deel? Of wel, bij heurte, beide,

Waar zij een liev\'ling va,n haar hart Naar \'t echtaltaar of \'t graf geleidde?

Heeft zij haar kleinkroost groot gezien, Of uit de wieg in \'t kistje leggen?

Een dierbaar petekind misschien;

Haar eerste en schoonste? Wie zal \'t zeggen

Doch mijn verbeelding blijft maar steeds Van \'t nooit geziene Guurtje droomen,

Aan al wat ons vervult en vrees En hoop en zorg baart lang ontkomen.

Wat ze ooit gehad hebb\', hier is rust Voor haar in dezen koelen lommer;

Haar bangste strijd werd hier gesust,

Haar hoogste vreugd, haar laatste kommer.

Hoe zacht ontroert zij mij \'t gemoed, Die lang door elk vergeten doode.

Slechts niet door Hem, die hier zoo zoet Een geur doet opgaan van haar zode.

Zoo als zij hier ligt, kan \'k haar mij Slechts als een lieflijk wezen denken,

Die quot;t leven opgaf vrij en blij.

Om God haar beste deel te schenken.

Ik denk haar jeugdig, schoon eu zacht. Een effen voorhoofd, gouden lokken,

Een vriendlijk oog, een mond die lacht, Door zorg, noch vrees, noch leed vertrokken.

Niets mag voor mij van dit gelaat Den zacht weldadige\' indruk storen.

Daar \'t onbewolkter .voor mij staat. Dan wat me ooit levend kwam te voren.

Want zij die leven hebben duur Noch rust, \'t moge avond zijn of morgen!

Nooit eens een vrij, een vredig uur,

Maar altijd arbeid, drukte, zorgen.

Voor haar zijn lief en leed daarheen, Al wat ons zuchten doet en beven;

Haar laatste strijd is uitgestreèn;

Haar zonden, hopen wij, vergeven.

-ocr page 536-

NON TALI AUXILIO. —

STOP EN KRACHT. —

FUNK, ENZ.

Op Gods tijd volgden, voor en na,

Al die haar kenden en beminden Haar in het oord der ruste na, Tot wederzien en wedervinden.

Sta hier dan niets meer dan haar naam, \'t Is haar zoo wel in \'t eeuwig leven,

Als die veel gaven om een faam.

Die niet heel veel om hen zal geven.

Maar gij, die deze verzen schrijft En meent: „\'k heb wel eens iets geschreven,

üat hier en daar, als \'t hangen blijft, Mij, met mijn naam, zal overleven!quot;

Zou \'t zoo veel schelen of m\' u las Of\' niet, na jaar en dag\'?... Wees wijzer.

Vergeten ook, slaapt ge onder \'t gras Al even zacht als Guurtje Prijser.

NON TALI AUXILIO.

Beeld u niet in, de waarheid te beschermer,. Te dekken, of te waapnen! — Noodloos werk, Ze is, naakt, gezond en, cm-gewapend, sterk. Gij hoont haar door u over haar te ontfermen. Ze is onbevreesd, onkwetsbaar, en geen kind. Een vijand is haar nutter dan een vrind.

STOP EN KRACHT.

Leer-tj\'nc7(i, leer-sfe/1 — ziedaar hoe \'t Heden spreekt, \'t Wordt alles stof en kracht, waar ziel en geest ontbreekt.

FLINK.

„Flink, flink, en nog eens flinkquot;. De „welgeschapen zoonquot; Heet thans in \'t kraambericht „een flinke jongen\'.

De zelfvoldoening uit zich op dien toon.

En altijd flinker wordt het „flinkquot; hem voorgezongen.

NIET MURMUREEREN.

Niet murmureeren, liefdrijk God!

Niet twijflig vragen; Mij niet, in schijn van over \'t lot, Van U beklagen;

-ocr page 537-

BIJ EENE SCUOONE DOODE.

Niet doen als of uw liefde faalt; Haar niet verdenken;

Maar altijd haar een onbepaald Vertrouwen schenken —

Dat wil, dat doe ik, als uw kind, Wat leed me ook griefde;

Dat, niet een hart, dat u bemint Voor moe liefde;

Uw liefde, die mij \'t hoogste goed, Den zielevrede,

Geschonken heeft door Jezus tloed, En \'t al daarmede.

Maar ach, ik die mijzelven ken, Moet altoos vreezen.

Heer! doe mij blijven die ik ben, En slechts kau wezen.

Mits uw genade elk oogenblik Mij hulp bewijze.

Opdat ik tot mijn jongsten snik Uw liefde prijze.

BIJ EENE SCHOONE DOODE.

Nog zoo veel schooner in uw dood

Dan ooit in \'t leven,

Toen aan uw wang het rozerood

Zijn gloed mocht geven! Nog zoo veel dierbrer aan het hart,

Dat u moet derven.

Dan toen \'t u liefhad zonder smart, — Doet dit het sterven?

Is dit het, wat de dood vermag?

Het schoonste ontdekken? Het beste, dat het diepste lag.

Naar boven trekken?

Geheel de kracht, den ganschen schat

Ons doen waardeeren Der liefde, die ons hart bevat,

En nog vermeeren?

Zoo is dan \'t einde een nieuw begin;

Zoo sluit ons scheien Een inniger yereeuen in.

Dat door ons schreien

-ocr page 538-

taal-optim1sme, enz.

60

et poema nascituh. —

Een lach van stille blijdschap weeft,

Verzeekring gevend Dat onze liefde een toekomst heeft, Voor eeuwig levend.

ET POEMA NASCITUR.

Wat \'s een Gedicht? — Kunstminnaars, spitst uw ooren! Kunstkunde spreekt van haar verheven stoel:

„Poëtische gedachten en gevoel.

Waarvoor de kunstnaarsziel den vorm heeft uitgekoren, Die schoonst was en het dienstigt tot zijn doel.quot; — \'t Klinkt fraai; maar laat ons ook den Dichter zeiven hooren! „Xeen,quot; zegt hij, „zoo is \'t niet, indien \'k er iets van weet. \'t Gezield gedicht wordt als gedicht geboren;

De vorm? — zij is het lichaam, niet een hleecl.quot;

TAAL-OPTIMISME.

Aan ....

De taal schijnt me optimist; \'t gelaat noemt ze ook: het wezen. Maar laat ons elk gelaat altijd het wezen lezen?

Ja, bij de oprechten zijn gelaat en wezen één.

Maar, zijt gij dit? \'t Gelaat zegt „ja;quot; het wezen: „neen.quot;

AAN KONINGIN EMMA.

Schoon is, Vorstin! de taak, die ge op u naamt.

Waar Schoonheid, Jeugd, en Deugd u toe bekwaamt, Waar de Almacht zelf haar zegel op moog drukken. En Vorst en Volk de reine vrucht van plukken! De kroon, die u een Koning schenkt, zij schoon; \'t Geluk diens Konings zij uw schoonste kroon.

Januari 187\'J.

JAN WRING.

Gepijnigd is uw stijl, en doet den lezer pijn;

Gij zijt een beu!, Jan Wring, en meent een baas te zijn.

EEN WOORD VAN LABADIE.

\'k Heb eens dat woord ontmoet, en laat het nimmer los: „De God van Eden is meer waard dan \'t Eden Gods.quot;

-ocr page 539-

CAUSA MORTIS. — ONGKI.IJK IIUWLIJK. ■—

61

LACHEN, ENZ.

CAUSA MORTIS.

Wien hor.derd jaai- werd toegeleid,

Is in üljiis levens kracht bezweken.

Waar stierf hij aan? Zijn eind moog spreken: Aan rijp te zijn voor de eeuwigheid.

ONGELIJK HUWLIJK.

Wat wordt van ongelijke paren,

Van oud met jong gekald, gemald\'? De man is jong, hoe hoog van jaren, Die aan een jonge vrouw bevalt. Zie Goethe\'s Nausikaa.

LACHEN.

réZwg jut] TtQ/.v: IVrco, /(ln\\ jtoV.otg, /.ttjóh \'avecfiévog.

Epiot, Fnchir 43.

Lach niet te zeer

Lach niet om veel;

En nimmermeer Te luid van keel.

KUNSTZIN.

„Kweek kunstzin aan bij \'t volk; stel marmers, bronzen, doeken, Zoo veel gij kunt, ten toon, en kweek den bouwsmaak aan!quot; \'t Klinkt fraai, maar !t zal zoo grif niet gaan.

Natuur zin is te ver te zoeken.

TWEE ZUSJES.

De eene een bruintje, de andre een blondje, Oogjes blauw, en oogjes zwart;

Maar een zelfde stem in \'t mondje, Eechtstreeks gaande tot het hart,

Zacht ontroerend,

Stil vervoerend.

Stem die onweerstaanbaar is,

Moeders kostlijke erfenis.

Wie van dezen zal het wezen,

Die het eerst een man belezen, \'t Wiegeliedje zingen zal,

-ocr page 540-

62 DE BETERE VRAAG. — CRAMBE RECOCTA. — GEZOND VERSTAND, ENZ.

Bruintje of blondje aan \'fc harte klemmen, En een kinderkeeltje stemmen Ook zoo lief en liefgetal?

DE BETERE VRAAG.

Zendt God u kruis, treft u zijn roe: Vraag niet waarom, maar vraag ïoaw/oe.

CRAMBE RECOCTA.

Te sollen met de vrouw, de kerk, de predikanten, Getuigt van slechten smaak als oud en afgezaagd; Doch hoe het zijn moog, het behaagt ° Nog steeds aan wawelaars en schrijvers van couranten.

GEZOND VERSTAND.

Kien ne tue le coeur comme le bon sens; le bon sens tueralt aussil\'esprit si on le laissalt faire.

M. S. S AU VAGE.

Niets kan het hart gewisser doodon

Dan zoo genaamd gezond verstand;

Wordt daar geen weerstand aan geboden.

\'t Maakt eindlijk allen geest van kant.

STELSELS.

Gansch objectief te zijn is de eisch, is wenschlijk; Maar zou het mooglijk zijn?

Och! paai u met geen schijn!

De stelsels zijn persoonlijk, of niet menschlijk.

OPGEBLAZEN.

De kennis, ja, maakt opgeblazen. Met liefde niet gepaard;

Maar de opgeblazenheid van kennis-Zoose dwazen Is van den ergsten aard.

MILDE ARMOEDE.

Verwacht van \'t volle hart geen woorden-overvloed: Het gulst met woorden is het ledige gemoed.

-ocr page 541-

ZOÓ WREED BEROOFD. — GELUKSKIND. — \'K BEN JONQ GEWEEST. 63

ZOO quot;WEEED BEROOFD.

Aan ....

Zoo wreed beroofd, zoo diep bedroefd — Niet vreemd, zoo gij bij oogenblikken

Den troost ontbeert, dien gij behoeft, En niet dan tranen hebt en snikken!

Ween voort, -ween uit, en klaag uw leed! Die \'t u ontzegt is meer dan wreed.

God telt uw tranen, sterveling!

En wil diezelfde God ze wraken\'?

O Neen! maar, na verduistering, Het opzien dubbel dierbaar raaken Naar \'t altijd zacht en vriendlijk licht Van zijn barmhartig aangezicht.

GELUKSKIND.

Verhaast u niet te zeer met roemen In \'t lot, dat ge u beschoren ziet; Een vette grond maakt dubble bloemen. Maar dubble bloemen zaaien niet.

\'K BEN JONG GEWEEST.

Ps. 37 :25.

\'k Ben jong geweest. Ik greep van \'t leven Den beker moedig aan.

Met rozen was de rand omgeven En frissche wingerdblaan.

\'k Heb menig zoete teug gedronken —

Niet altijd enkel zoet!....

Die haar gemengd hadt en geschonken.

Mijn God! waart altijd goed.

\'k Ben oud geworden, \'k Heb de doornen, Het deel van Adams kroost,

Als alle van een vrouw geboornen Gekend, maar ook den troost;

Het zweet des aangezichts, de smarten En zorgen hun bereid;

Mair ook den stillen vreê des harten;

En nooit vertwijfeldheid.

Ik zag rechtvaardigen en vromen,

Door leed op leed gedrukt.

-ocr page 542-

ZWARE TIJDEN. — ONVERMOGEN.

Het water tot de lippen komen, Het dierbaarst hun ontrukt;

Belaagd, gekweld door die hen haatten,

Gelasterd en bespot,

Van hun voornaamsteu vriend verlaten. Maar nimmer van hun G-od.

Ik zag hun kroost, met smartlijk treuren,

Beroofd van steun en slaf,

\'t Bekreten oog ten hemel beuren,

Bij \'t ouderlijke graf;

Maar zegen aan hun lot verbonden,

Pok bij den hoogsten nood,

Altjjd den balsem bij de wonden.

En zeker van hun brood.

ZWARE TIJDEN.

Men klaagt en jammert luid, Men schrijft een bidstond uit, Men teemt van „nood der kerkequot;; Men schrijft, men leest, men praf.,t Van „crisis in den staatquot;;

Maar geen, zoo veel ik merke,

Wien \'t diep ter harte gaat.

Men eet, men drinkt, men speelt. Men kortswijlt en krakeelt.

Leeft weeldrig en wellustig.

Windt zich met boozen kop Van tijd tot tijd eens op,

Maar slaapt weer even rustig. En haalt zijn zeil in top.

ONVERMOGEN.

Op eenmaal soms ontwaakt in mij, Wanneer ik \'t minst verwachte. Van schoonheid en van poëzy De wordende gedachte.

Een onbepaalde en zoete lust

Sluipt hart en aadren binnen. Als werd ik in den droom gekust Door een der Zanggodinnen.

Er ruischen tonen om mij heen. En schoone vormen zweven

-ocr page 543-

AAN PKINSES MAIIIE.

In glanzig nevelwaas dooroen, L)ie mij het hart doen beven.

De schoonste wenkt mij in \'t verschiet

Om tot haar door te dringen; Ik strek mijn armen uit — zij vliedt, En al mijn snaren springen.

MEFA TO TUÏ ErZEBEIAS MrZTHPIOJV.

1 Tim. 3 ; 10.

O grootste der Verborgenheden, Uie tot godzaligheid geleidt: God openbaarde hier beneden

Zich in het kleed der sterflijkheid, Is, gerechtvaardigd in den geest, Van \'t englendom gezien geweest!

Hij is gepredikt allen volken;

De wereld heeft in hem geloofd; Hij voer ver boven lucht en wolken Ten hemel, als ons heerlijk hoofd; O Grootste der Verborgenheên. Ons heil staat vast, in U alleen!

AAN PRINSES MARIE.

9 Sept. 1870.

,2Joe lieflijk homt een Rozeknop Zich aan H Oranjeloof vertrouwen!

De Hemel (jere er zegen op En doe ze. ons lany vereend aanschouwen.\'quot;

Zoo zong mijn hart, een jaar geleen U toe, als niets uw vreugd mocht deren. \'J

En nu! — \'t Oranjeloof verdween; De Hoze moet haar steun ontberen.

Wie zal, als zich een storm verheft. Haar zorgzaam schutten en beschermen?

Wie, als de zon te hevig treft,

65

Zich liefdrijk over haar ontfermen?

K

1) Op Paushuize, aan den disch van den Commissaris des Konings, bij de fees-gt; telijke ontvangst, te Utrecht, van H. K. H. met haar beminden Gemaal; 9 Sept. 1878.

IV.

-ocr page 544-

ALTIORA CONTRA HUMANIORA.

Haar blijft de koele, heldre dauw,

Die uit den hemel neer komt dalen;

Die duldt niet dat haar \'t hart verflauwquot;, Of dat zij \'t hoofd zou onderhalen.

ALTIORA CONTRA HUMANIORA.

De dichter-s hebben kwaad gedaan, En elk vangt aan Hen te betichten.

Ze onthaalden ons op enkel waan

In hun gedichten.

Zij zouden, liet men hen begaan, \'t Gezond verstand te gronde richten, En met hun malle, murwe maan De kaarsen met verdooving slaan,

Die ons verlichten.

AVij denken \'t anders te verstaan. Zie maar dien jongen knaap eens aan

Dien wjj verplichten Den weg der wijsheid in te slaan. Ter hooger burgerschool te gaan En nut te stichten.

Hij heeft van poëzie geen last;

Zie maar die oogen;

Dien wipneus, daar een bril op past

Van sterk vermogen;

Die dikke lippen, pas omvlast

Mot pluis bij pluisje;

Dien kop, als een lokettenkast Met wetenschappen volgetast,

Elk in een huisje Van \'t brein, dat nimmer viert of vast, Maar onophoudelijk gaat te gast Op worteltrekkingen en brast

Aan kcgfkneden.

Nooit door een inval woi\'dt verrast, En nooit blijft zitten voor den mast

Der hoogste reden;

Die borst, die in de examens plast

En steeds blijft zwellen.

66

Die als een rijzend wonder wast\') Tot elks ontstellen! —

l) Plagiaat uit de Overwintering op Nova Zembla: Europa zag verbaasd het rijzend wonder wassen.

-ocr page 545-

DAGBLADSTIJL. — LAKQ VAN STOP. — UKLLEND VLAK, ESZ. 67

Zoo hier de vraag wordt ingelascht: „Wat zal er worden van dien kwast?quot;

Wi^ kan \'t voorspellen? Een „liooger burgerquot; is \'t alvast.

DAGBLADSTIJL.

De Koülngiu heeft aau een arbeider op het Loo — een goud horloge axn-geioden.

De Prins van Oranje heeft een photo-ftraphie van zijn Broeder aan diens vrienden aangeboden, enz. enz.

Leer toch uw taal, en voegzaamheid verstaan. Een Vorst schenkt, of vereert, maar biedt niet aan.

LANG- VAN STOF.

Uw rede is louter goud; geen die \'t in twijfel trekt. Ik voeg er bij: tot gouddraad uitgerelit.

HELLEND VLAK.

Een hellend vlak gevaarlijk? — Ja, gewis!

Voor al wat rolt en glijdt en afschuift, zonder leven;

Maar voor den boom niet, die geworteld is. En vaststaat waar hij staat, de kruin omhoog geheven.

Tb ytxfi y^af-ifxa aTtoy.ttim Tot öa nvtö/.ia uvortuieï.

2 Con. 3; 6.

„De letter doodt; de Geest maakt levend.quot; — Ja, voorzeker.

Maar ook de Letter, waar gij dit in leest?

„De Geest maakt levend.quot; Maar, mijnheeren, welke Geest? De „Geest des üjdsquot; toch niet, die tegenspreker Van al wat geestlijk is, mot dit besluit:

„Niets leeft er dan de stof, en daarmee uit!quot;

EV ANGELIZEEEEN.

Werp van uw brood voor vooglen aller veêren. Maar sta er niet als molik bij op \'t land. De tijd moet komen dat zij leeren En willen eten uit uw hand.

-ocr page 546-

68 victor iiügo. — nieuwste hiciitschool. — su en daarna.

VICTOR HUGO.

Bedorven kinds zijns tijds; fransche afgod; wiens gedicht

Ue diepste snaren weet te roeren,

U beurtlings streelt en kwetst, doet gruwen, kan vervoeren, Betoovert, en vertoornt, verteedert, sticht, ontsticht;

Een ziel aan zielsrust vreemd en vreerad aan hooger licht; Een groote geest, maar buiten \'t evenwicht.

NIEUWSTE DICHTSCHOOL.

„Dit is het nieuwste nieuws, in spijt van wien het grieve: In naam van wetenschap, ontwikk\'ling, kunstgevoel, Is bestialiteit te schilderen ons doel;

Zoo volgen wij natuur....quot; Dat\'s waar; ten minste de uwe. 1879.

NU EN DAARNA.

(Fbancis Kidley Havergal.)

Nu, het zaaien; nu de tranen;

Hard gewerkt en lang gewacht;

Maar daarna, de gouden granen •Tuichende in de schuur gebracht.

Nu, \'t meedoogenloos besnijden, \'t Scherpe mes door rank en loot;

Dan, des Meesters zoet verblijden Bij de vruchten veel en groot.

De in-plons nu, het overstelpen, \'t Blindling tasten, lang of kort;

Dan \'t kleinood der parelschelpen. Dat des duikers losprijs wordt.

Nu, \'t nauwlettende behouwen, \'t Zwaar verwerken van de stof;

Maar daarna, \'t volmaakt aanschouwen Van het heerlijk koningshof.

Nu, het stemmen van de snaren; Wan- bij wanklank, anders niet;

Dan — bet grootsch ten hemel varen Van het halleluja-lied.

Nu, de strijd, het sterk verweren, \'t Bloedig worstlen, bang en zwaar;

-ocr page 547-

DEN HKERE DE VEER. — DE ZONDEVAI,. — MINUUTWIJZEn.

Dan, liet vreedzaam triomfeeren. Kn de kroon der eere op \'t haar.

Nu, een donkre school doorkropen, Tucht en les naar lust noch zin; Dan, de hoogste werkplaats open, En des Meesters woord: „Treed in!quot;

DEN HEEEE DE VEER,

TE AMSTERDAM.

In antwoord op zijn vereerenfle ultiioodlglng tot medewerking aan liet voorgenomen „Usnommerquot; van „Eigen Haard.quot;

\'k Had gaarne tot dit werk het mijne toegebracht; Maar \'t was vergeefs getracht-En moeite en tijd verloren:

De Zangberg was te glad, de Hengstehron bevroren! Hoe treurig ook, ik dacht:

Ziedaar ten minste stof voor dichterlijke klacht, — Nu is de dooi gekomen En heeft me ook die benomen.

Utrecht, 30 Dec. 1879.

DE ZONDEVAL.

Wij willen liefst den Val vergeten,

En staan, in ons gevoel, zoo hoog; Maar hij betuigt zich aan \'t geweien, Als \'t zonlicht aan \'t gesloten oog.

Ontleend.

Zie Dr. Gunnings Overlevering en Wetenschap, bl. 36.

MINUUTWIJZER.

Met zestig afgepaste schreden. Doorloopt de wijzer op de plaat Den cirkel, dien hij nooit verlaat — Dan is ons weer een uur ontgleden. Gelijk de luide hamerslag Op \'t klokmetaal ons melden mag.

60

-ocr page 548-

MINUUTWIJZER.

Hoe snel, hoe schielijk is \'t vervlogen quot;Voor die genoot; maar voor die bang Verbeidde of leed, wat duurde \'t lang! Wat stelt de wijzer ook voor oogen? Den tijd? Een denkbeeld is \'t alleen; Genot en smart zijn werklijkheen.

liet is niet met een maat van uren, Maar met de maat van lief en leed, Dat elk van ons dat leven meet, Dat wij verslinden oi — verduren En elke dag is lang of kort Naar dat wat ondervonden wordt.

-ocr page 549-

DE WRAAK

VAN

KONINGIN EL EON OU A.

1173.

Naar WILLIAM C. BENNETT.

-ocr page 550-

Eleosobe uf. Guyknne, d\'aborcl reine de France, puis reine d\'An-gleterre, était fllle et héritière de Gruillaume X. dernier due d\'Aqui-taine, et naquit vers 1\'an 1122. Elle épousa, a i\'age de 15 ans, Louis VII, roi de Franco, et lui apporta en dot le duche de Guyenne, qui comprenoit alors la Gascogne, la Saintonge et le Poitou. Mais la légerite de sa conduite et son goüt pour les divertissements de-plurent bientot a Louis-le-Jeune, qui observait plus rigoureusement les pratiques religiouses. La mésintelligence s\'e\'tant accrue pendant le voyage que le Roi fit en Terre-Sainte avec Kle\'onore, lors de la seconde croisade, celui-ei obtint le divorce a son retour (1152). Six semaines après, Ele\'onore épousa Henri, comte d\'Anjou et due de Normandie, depuis roi d\'An gleterre, sous le nom de Henri II. (1154), et_ par la fit passer les riches provinces de l\'Aquitaine sous la domination de 1\'Angleterre. Toutefois le mariage ne fut pas pour les nouveaux époux plus heureux que le premier; Ele\'onore, jalouse de plusieurs dames de la cour, jeta le trouble dans la familie royale et souleva même les enfants contra leur père Henri, fatigue, la fit enfermer dans un convent.

EIouii.lkt, Diet, de Hist, ct de Geor/r. El. de Guyenne.

She (Rosamond) was the fayre daughter of Walter lord Clifford, concubine of Henri II, and poisoned by queen Elianor—Henry made for her a. house of wonderful working, so that no man or woman might come to her. This house was named Labyrinthus, and was wrought unto a knot ia a garden called a maze. But the queen came to her by a clue of thredde, and so delt with her that she lived not long after. She was burried at Godstow, in a house of nunnes.

IIihhden, Monk of Chester.

Jane Clifford was her name as books aver;

Fair Rosamond was but her nom de guerre.

Dryden. Epilogue to „Henry II.quot;

Quae de fonte vetus Rosamundae fabula plebi Narrat, et hisce locis quasi daedaleo labyrintho, Sprevimus, et quibus ista vacat confundere veris, Non invidimus.

Const. Hugeniüs.

Ue Vita propria.

-ocr page 551-

DE WRAAK VAN KONINGIN ELEONORA.

1173.

Koningin Elenora, uw baat is geducht.

Hij vervolgt als het Noodlot, dat niemand ontvlucht.

Koningin Elenora, uw gramschap is fel.

\'t Ia een gramschap ontstoken aan \'t vuur van de hel.

Beter nimmer geboren, dan doel van dien haat,

Dan de vuurblos getart op uw donker gelaat!

Liever prooi van den bloedhond tot aanval gesard,

üan de wolk. Poitevine, op uw voorhoofd getart.

Zij hij hoog, zij hij machtig: te gronde gericht Is de man, Aquitaansche, die U staat in \'t licht.

Zij ze schoon, zij ze een engel: ter aarde gestrekt.

Ligt de vrouw, Koningin, die uw ijverzucht wekt.

Wee der dochter van Clifford, zoo blozend van wang!

Want haar zoekt de Aquitaansche, haar zocht zij sinds lang.

Zocht zij lang, zocht zij hijgend, met brandend gemoed. Met een dorst, slechts te lesschen door \'t Cliffordsche bloed.

Want het bloed van Poitou eischt iets meer, waar het brandt, Dan een woeden met woorden, naar vrouwlijken trant.

Wat haar wraakzucht alleen kan voldoen deze maal,

Is een dronk uit den giftkelk, een stoot van het staal.

Is een dronk uit den kop, dien zij zelve met kracht In dat handje zal wringen, zoo tenger, zoo zacht.

Is een stoot van den dolk, dien zij zelf drukken moet In de borst van dat liefje, gekromd aan haar voet.

Een van beiden, Lord Clifford! zoo waar help haar God, Een van beiden zal wezen uw Rosamunds lot.

-ocr page 552-

DE WH AAK VAN KONINGIN KljKONOUA.

Wel diep had de Koning verborgen zijn schat.

Lang had het geduurd eer zij \'t spoor er van had;

Lang de speurhond gesnuffeld door bosch en door veld,

Eer hij lucht had gekregen, en \'t blaffend gemeld;

Maar rood goud, aas en prijs voor de afschuwlijkste daan, Heeft in \'t eind haar de schuilplaats der Clifford verrato.

O, hoe helsch is de grijnslach, hoe duivelsch de vreugd.

Waar de voorsmaak der wraak haar de ziel mee verheugt!

Grijp en kus maar, zoetliefje! den zoom van haar kleed; Het is thans om geen kussen te doen, dat gij \'t weet!

Ha, hoe zal zij dat oortjen, aan vleitaal gewoon, Overstroomen, verdooven met smaad en met hoon!

Ha, hoe zal haar bedreiging, haar vloek en haar blik Dat zoet hartje doen stilstaan van doodsangst en schrik!

\'t Is dan Woodstock, \'t is Woodstock, waar \'t oogenpaar lonkt. Dat den Koning betoovert, vervoert, en ontvonkt!

Flauw en lauw was haar haat, zoo ze een oogwenk verschoof, Zich naar Woodstock te spoên, als een gier tot de;a roof.

Want ver over zee, in den oorlog verward,

Is de man, die den weg voor haar wraak had verspard.

En moog\' God van haar weren den zegen van \'t kruis.

Zoo de Clifford nog leeft, als hij keert in zijn huis!

Voor haar goud is de draad van den doolhof gekocht,

Zijn de wachters ontwapend, de trouw overmocht.

Welk een weerlicht in \'t git van dat zuidelijk oog,

Als het gif wordt gemengd voor de gruwzame toog!

Welk een gloed, op het bruin van die wangen te zien,

Als de dolk wordt gekozen, de scherpste van tier.!

Nu wee u, blond kopje! zoo trouw en zoo teer Maar zoo vruchtloos verzorgd door uw Koning ea Heer!

Nu wee u, blauwe oogjes, zoo smeltend en zacht!

Die het hoofd van een koning op hol hebt gebracht.

-ocr page 553-

DE WRAAK VAN KONINGIN El.EOKOKA. 75

Nu wee u, malsch koontjen en lipjens zoo rood!

Die zoo spoedig zult di-agen de kleur van den dood.

Nu wee, driewerf wee u, gij weeldrige leest!

Die voor \'t laatst, door een Koning omarmd zijt geweest.

Nu wee, driewerf wee! geurige adem der lippen,

Die voor \'t laatst, die voor goed aan haar mond zult ontglippen.

Langs heimlijken uitgang ontsluipt Leonoor.

Haar rijknaap, haar pages, de paarden staan voor.

In den zaal zit haar lijfwacht, koelbloedig en stil.

Weer en wapen gereed tot haar gruwzaamsten wil.

Sohoone. Roze van Woodstock! welk lot is het uw!

Moet gij vallen in handen, zoo grof en zoo ruw?

IJzren mannen, zoo min als hun daggen bekend Met genade of verdrag, en geen sparen gewend!

Aquitaansch, Poitevijnsch als zij zelve, en in staat Al haar wensohen te lezen op \'t donker gelaat;

En wier bijl zelfs den Koning den kop had gekloofd. Op een blik van haar oogen, een knik van haar hoofd;

Ieder hunner een bloedhond, van bloeddorst vervuld. Die zich stort op zijn prooi, als haar lip zich maar krult.

Elenoor stijgt te paarde, eu jaagt voort, immer voort,

Heel een dag, door wiens neevlen geen zonnestraal boort.

Op dien dag volgt een nacht, zoo onstuimig en zwart. Als wel strookt met het opzet, dat spookt in haar hart.

Waar zjj dorpen en buurten doorrent met haar stoet.

Gaat den slapenden huisman een rilling door \'t bloed.

Uren komen en gaan, maar van uur tot uur stijgt Nog die vreeslijke haat, waar haar boezem van hjjgt.

Uren komen en gaan, veel te traag naar haar zin.... Maar daar rijdt zij het slapende Woodstock toch in!

Koud en fel is de wind die zijn boomen doorwoelt.

Maar haar voorhoofd blijft gloeien en wordt niet verkoeld.

-ocr page 554-

LIB WRAAK VAN KONISGIN ELEONORA.

Hier en daar waakt men op; venstors oopnen; verschrikt Staren oogen haar na; zij ver weegt noch verwikt.

Voor haar oog staat een beeld, dat haar voorttrekt met macht Een gelaat zonder kleur, en een hand zonder kracht.

\'t _Is bereikt! — Wat zijn kronen, wat schatten der aard, Bij de vreugd van haar ziel, als zij springt van haar paard?

(o Mijn God en mijn Heiland! gering zij \'t getal

Van wier hart ooit een vreugd als die vreugd smaken zal!)

Nog geen uur is verstreken na \'t middernachtsuur.

Of daar staat de vorstin voor d\'onzalige muur;

Eer een tweede verstrijkt, wordt daar binnen verricht, Wat het derde beschijnt met zijn schemerend licht.

Met zijn licht? Ach, waarom dekt geen eeuwige nacht, Zoo ontzettend een gruwel, zoo gruwzaam volbracht?

Men ontsluit haar de poorte. Men -wijst haar het pad.

Haar hand heeft het eind van het kluwen gevat.

Met den tred van een tijger, tot d\' aanval bereid,

Zoekt ze omzichtig haar weg langs den draad, die haar leidt.

Een huivring gaat met haar door \'t gras, waar ze op treedt. Een rilling door \'t loover, beroerd door haar kleed.

Daar is \'t hart van den hof! — Niet dan nauwlijks bedwingt Zij den kreet en den lach, waar de vreugd haar toe dringt.

Scheemrig rijst in den duister de toren omhoog.

Die de keurbloem van Woodstock onttrekt aan haar oog.

0 Keurbloem, o Roze van Woodstock zoo schoon!

\'t Jonge leven is veeg in uw stengel en kroon!

Wat verstoort, Rosamunda, uw slaap diep en vast?

Door wat plotslingen schrik wordt uw harte verrast?

Ach, uw droom was zoo aaklig van onheil en moord!

Droomt gü nog, of ia \'t werklijk en waar wat gij hoort?

Is \'t het spooksel uws drooms, dat u dreigend genaakt.

Of een voet, daar de trap naar uw kamer van Irraakt?

0!.... Van doodsangst verstijfd, zit zij op in haar bed.

Want wat zal hij haar brengen, die vreeslijke tred?

-ocr page 555-

DE WRAAK VAX K0SING1K ELEOSORA.

0!.... lioe vaart haar de doodschrik door merg en door been Want wie rukt voor haar oog de gordijnen van een\'?

Zij wil gillen; zij kan \'t niet. Eén ding is haar klaar:

Die zij lang heeft verwacht, is gekomen, is daar.

„Genade!quot; — 0 zij ziet wat dat oog haar belooft,

\'t Is het oog der wolvin, van haar jongen beroofd.

„Genade!quot; In dat één-eene woord dat zij vindt.

Gilt de vreeze des doods, die haar denkliracht verslindt.

Vluchten wil zij; ontvluchten; haar bed vliegt zij uit.... Als Lenore zich wendt en de kamerdeur sluit.

Maar, daar wankelt, daar valt zij, daar ligt zij, vernield Door den blik van dat oog, dat haar levend ontzielt;

Voor den blik van dat oog, dat met innig genot Zich vergast aan haar siddren, haar doodsangst bespot.

Voor dat oog, dat haar schamper en tartende vraagt: Wie zijt gij, die een kans tegen mij hebt gewaagd?

\'t Hachlijk spel is gespeeld, is verloren, en zij Die het won, komt om d\' inzet, die inzet zijt gij!

Hebben hemel en hel haar geloften gehoord:

\'t Was al meenens, en thans volgt de daad op het woord.

Ha! zie hier. dan dat handjen, zoo gunstig bedeeld.

Dat zijn wang heeft gekoosd, met zijn lokken gespeeld.

Ha! zie hier dan die armpjes, zoo rond en zoo malsch. Die zijn midden omvatten, zijn schouders en hals....

„Op, liefjen,quot; zoo snauwt zij, „de uiiu heeft gedaan;

„De haat is gekomen; het lief moet er aan!

„Op! Hebt gij een koning gelokt in uw net,

„Misbruikt als uw speelpop — \'t is uit met die pret!

„Op! Ziet gij den ring niet aan deze, aan mijn hand? „Daarmee had die koning zijn trouw mij verpand.

„Ik zwoer mij te wreken; mijn wraak is gereed:

„Op! eer ik u onder mijn voeten vertreed!

„Gena? Ja, voor lijf en voor ziel, zondares!

„Maar geen andre dan komt met dien kelk, of dit mes.

-ocr page 556-

DE WBAA5 VAN KONINGIN ELEONOUA.

„Gena! Ja, gij deedt daar het uwe wel toe!

„liijs op! \'k ben uw snikken, uw liandgewring moe.

,Ik lacli met uw wanhoop, de hel zij geloofd!

„Op! eer ik u optrek bij \'t haar van uw hoofd.

„Rijs op, sta en sidder! Ik, Eleonoor,

„Gebiede u, rijs op om te sterven, gj] sloor!quot;

Ala een doode rijst ze op, die haar grafzerk verbrak;

Koud en wit zijn haar lippen, haar oog stijf en strak.

Strak en wezenloos tuurt ze op dien kelk, op die dolk,

Die de wreekster haar voorhoudt, en ziet door een wolk;

Door een wolk die twee handen, dat dreigend gelaat....

Maar het komt tot haar ziel niet als waarheid en daad.

Als iets vreemds, als iets wonders, voor haar niet bestemd. Schijnt die vlijm en die kop, in die handen geklemd.

Maar die vlijm is koud ijzer, die kop vol venijn.

Drinken zal zij den dood, of verbloeden met pijn.

En die stem, die zij hoort, is een werklijke stem,

Die een vreeslijk „verkies!quot; haar in \'t oor schreeuwt met klem

Ach, wat zal zij verkiezen? Wat weigren? „Verlies „Mij den tijd niet met dralen! Kies, zeg ik u, kies!

„Doe een keus, eer dees ponjaard u zendt naar de hel,

„Waar uw mond voorts uw schande uws gelijken vertel)\'!quot;

Wat? Een stoot van die hand? Neen — die raak haar niet aan .... Schielijk grijpt zij den kelk, drinkt hem uit — \'t is gedaan;

Drinkt hem uit in één teug, voelt den dood aan haar hart. En zinkt neer voor de voeten van haar, die haar sart.

Slechts één blik naar omhoog, slechts één uitroep na dien: „O God! eer ik sterf, nog mijn jongens eens zien!quot;

78

„O mijn Hendrik!quot;.... Die naam is haar laatste geluid. ... Een snik, een vertrekking, en alles is uit. —

\'t Werk der hel is verricht, en uw wraak trof haar doel; Moordnaresse! wie schetst uw boosaardig gevoel.

-ocr page 557-

DE WRAAK VAN KONINGIN ELSONORA.

Als ge een vlammenden quot;blik werpt op \'t.lijk dat daar ligt, En u spi-akeloos afwandt met grimmig gezicht,

Maar terugkeert en straks, over \'t ofi\'er gebukt.

Met uw dolkmes haat- een van haar tressen ontrukt;

Een dier heerlijke tressen, zoo lang en zoo zacht.

— Die tres heeft een page den Koning gebracht;

Heeft een page den Koning gebracht met dees taal: ,Geschenk van een Vrouw aan haar Heer en Gemaal.quot;

Als de Koning die haarlok ontvangt en beschouwt.

Wordt hij bleek en schreeuwt uit als een leeuw in het woud;

Als een leeuw in het woud, door den jager gewond,

Met den bliksem in de oogen, het schuim op den mond;

En ontzettend is de eed, door zijn trillende kaak Uitgegild, zijner doode ter vreeslijke wraak.

Goed voor u, Koningin! dat de zee, die daar stroomt Tusschen u en den Koning, zijn woede nog toomt:

Want geveld was uw vonnis, onmiddlijk volbracht —

Waart ge hier in zijn kamp, voor zijn oog, in zijn macht.

Toch wellicht waar \'t u beter dan d\' ijslijke straf.

Die u treft, hart vol hartstocht! in \'t levende graf;

In den kerker eens kloosters, waar woede u verteert,

Tot ge in \'t eind u getemd voelt, getemd en verneêrd;

Tot ge in \'t eind u begeeft, ter bekoming van zoen, Om vergif\'nis te smeeken en boete te doen.

Op een tnmbe te Gcdstow, in \'t koor van het stift. Zag men eens quot;Stoêvl SÜÏUUbiquot; in marmer gegrift.

En een drinkschaal van marmer geplaatst op den steen. Daar vlochten zich sneeuwwitte rozen om heen.

Onder zielmis, gebeden, en nonnengezang,

Rustte daar nu de Clifford, en rustte er reeds lang.

Als een bisschop dien weg kwam en week in die kerk. En het grafgesticht zag met dien naam op de zerk,

78

-ocr page 558-

KOEM.

Maar zoo ras hij verstond, wie liet gold, wat zjj was:

„Breek het afquot; — sprak zijn mond — „en verwijder haar ascli.\'

Want dit praalgraf beschimpte de plaats, waar het stond, En haar zonden ontwijdden den heiligen grond.

Goede God in den hemel! Uw deernis is groot.

Grooter zij ze dan die ze ooit van menschen genoot.

Lieve Heiland! Uw bloed koom haar ziele te sta! — Rechtvaardige Rechter! bewijs haar gentï!

Gij weet zvut, Gij weet wie haar ten val heeft gebracht; En geen zerpzoete teug heeft bedwelmender kracht.

En geen net, waar de Satan het dieper in wart,

Dan de min van een koning voor \'t vrouwelijk hart.

Leid ons niet in verzoeking, verlos ons van \'t kwaad!

En elk onzer zie toe niet te vallen, die staat.

ROEM.

De Roem, de Roem, de ware Roem

Verstaat zich niet op liegen.

Heeft elk gewas zijn eigen bloem:

Die bloem kan niet bedriegen.

Waar zich de bloem des Roems ontsluit, Daar is een wortel, waar ze uit spruit;

Daar is een grootheid, die zich kroont

Met onverdoofbre stralen.

Wee, die haar door zijn twijflen hoont.

Of lastert door zijn smalen!

Verwierf hij ook een enkle stem:

De stem der eeuwen brandmerkt hem.

Maar noem geen Koem het luid geschreeuw.

De laft\'e huldeblijken,

\'t Dienstvaardig schepsel zijner eeuw

Gebracht door zijns gelijken.

Waar elk, voor ware grootheid blind,

Zich zeiven toejuicht in dien vrind.

-ocr page 559-

ONTWIKKELING. — SÜRSDM COBDA. — BE ODDEN, ENZ.

ONTWIKKELING.

Bevorder, zoo gij kunt, dat als een rozeknop,

Bij \'s hemels zonneschijn en frisschen morgendamve, De geest van uw jong kind zich opene en ontvouwe; Maar breek hem met geen mes, gelijk een oester, op. Zie Dickens, Dombey and Son.

SUESÜM CORDA.

Verwachten — en — Betreuren, Ziedaar, o uienschenkind! uw lot. Zoolang gij \'t hoofd niet op kunt beuren En zeker wezen van uw God.

DE OUDEN.

Den lof der Ouden hoor ik gaarne zingen; Maar hun gezag betwist ik, eens voor al; Want, als ik \'t zeggen zal. Wat waren ze in hun tijd dan Nieuwelingen?

BLIJDE VERWACHTING.

Maart 1880.

Nu spreidt de hoop haar schoonste stralen.

En doet een zachten rozengloed Op een lief kinderhoofdje dalen,

Dat ze in \'t verschiet aanschouwen doet.

Wat spruitje zal ons de Almacht geven,

Om op te wassen bij den troon? Der Moederliefde zij \'t om \'t even: De Koningin verlangt een Zoon.

Des moqg de Hemel zich ontfermen, ^ Dat Zij vol vreugd, na korte smart. Een Prins legge in haars Konings armen. Een Kind drukke aan haar Moeder-hart.

KLASSIEKE WERELD.

Hier liggen doode talen onder de aard;

Haar graven om te woelen maakt vermaard.

81

Hier zweven eedle geesten door de lucht; Te luistren naar hun stemmen heeft goê vrucht.

c

1Y.

-ocr page 560-

82 DE VERBORGENHEDEN DES GELOOFS. - NIEUWERWETSCH ONDERWIJS, ENZ.

DE VERBORGENHEDEN DES GELOOFS.

Geniet, ook waar geen inzien is vergund.

Drink uit de bron, die gij niet peilen kunt.

NIEUWERWETSCH ONDERWIJS.

Ontwikklen zou het zijn, en \'t werd verdooven. Wat groeien zou, wordt door de „leerstofquot; dood gestoven. En in dat stuifzand, dat naar alle kant verwaait, Gelaat men zich alsof men zaait!

BIECHT EENS OPRECHTEN.

Het is mot mij een vreemd geval; Mij zeiven ken ik niet, en al; Üe waarheid wil ik heelendal; En \'t allerwaarste ontveins ik mij — En gij?

Hij dwaalt, die mij baatzuchtig biet; Mijzelven zoeken wil ik niet;

Toch zie ik vaak, tot mijn verdriet, Mijzelven niet geheel voorbij — En gij?

Het blinkend lokaas, geld en goed, Heeft weinig vat op mijn gemoed; Toch kan in ruimte en overvloed Iets wezen, dat ook ik benij — En gij?

Eerzuchtig?____Watiswereldscheeer!

Een bonte waterbel, niets meer.

Toch overkomt me een enkle keer, Dat \'k heimlijk om een pluimpje vrij — En gij?

TDe wereldvreugd vergaat met haar. Ik ken dat woord en acht het waar; Ook kent mijn hart iets beters; maar Soms haak ik wel naar iets daarbij — En gij?

Mijn kruis neem ik geduldig aan. „Wat God doet, dat is welgedaan.quot;

-ocr page 561-

BEVALLIG ONKRUID. — BIJ HET GRAF ENZ.

Toeh voel ik, met mijzelf begaan,

Soms iets dat zich beklaagt in mij — En gij?

Wat hier door mij beleden werd.

Strekt me inderdaad tot groote smart; \'k Bestrij \'t en val mijzelven hard, En toch — somtijds vergeef ik \'t mij! — En gij?

BEVALLIG ONKRUID.

Het veld, waar blauwe korenbloem En roode klaproos tiert,

Al is het fraai versierd,

Gedijt den bouwman niet tot roem; Want ieder, die het ziet.

Zegt: hij heeft slecht gewied.

Bevallig onkruid is er veel. En blinkende ijdelheid, Die oogen trekt en vleit,

En lof heeft bij het meerendeel; De wijze gaat voorbij En zegt: Met fraai, voor mij.

BIJ HET GRAF

VAN

MR. GEORGE WILLEM VREEDE.

Trouwhartig, eerlijk Man, rechtschapen Nederlander,

Doorkundig, werkzaam brein, en licht ontvlamd gemoed, Waar liefde en eedle toorn niet streden met elkander, Maar blonken eyen schoon — de ruste zij u zoet! 8 Mei 1880.

WIEGEN.

Het wiegen afgeschaft; het wiegelied vergeten — Voor uwe Kindren ja, maar ook voor uw Geweten?

83

-ocr page 562-

84 UW ALZIEND OOG. — JONGE DOODE. — ILLDSIÖK, ENZ.

UW ALZIEND OOG.

Uw alziend oog, dat mij bewaakt,

Mijn God!

Aanschouwt niet slechts en wil, maar maakt Mijn lot.

Uw weten, willen, doen is één,

Is macht,

Is macht der liefde, streng meteen En zacht.

Ik buig mij met aanbidding neer,

En zwijg.

Mijn wil voert met den Uwen, Heer!

Geen krijg.

Al snerpt somtijds uw roede fel En raakt

Het teerste — steeds hebt Ge alles wel Gemaakt.

JONGE DOODE.

NAAR MAL.nERBE.

Eile étalt de la terre, etc.

Zij was van de aarde, waar wat schoonst is in onze oogen

Rampspoedigst is en teer;

Het roosje heeft geleefd, wat roosjes leven mogen, Een ochtendje — niet meer!

ILLUSIEN.

Wat gy gehoopt hadt en gedacht,

Heeft u het leven niet gegeven;

Maar hadt ge, in d\' opgang van dat leven, Ook van uzelv\' niet meer verwacht t1

GEBRUIK EN MISBRUIK.

Gebruik uw kracht: zij zal vermeeren: Misbruik uw kracht: zij gaat te leur. De maat betrachten is — regeeren; Gebrek aan wilskracht — willefcei»\'quot;.

-ocr page 563-

Rit KEK DEN I\'As! — AAN KINIDIU3 NASO. — BLIJDE TIJDIHO. 85

BREEK DEN PAS!

Laat geen gedacliten al te lang,

Eentonig, met den zelfden tred,

U door den geest gaan, zwaar en bang;

Maar wissel ze af en neem verzet.

Voor d\' aangehouden legerpas Is meer dan eena een brug bezweken,

üie denklijk niet gebroken was.

Zoo men den pas had willen breken.

AAN RINIDIUS NASO.

Als ik een neus bezat als gij,

\'k Was immer met den neus er bij, \'k Zou overal mijn neus in steken;

\'k Viel dikwijls met mijn neus in \'t vet, En maakte \'t gaarne mij ten wet Om altijd door den neas te spreken.

Dien neus te stooten, — welk een pijn. Wat schok, wat schade zou dat zijn! Dien neus te schenden — welk een zonde! \'k Schond dan mijn aanzicht inderdaad; Want niets dan neus was mijn gelaat, Met hier en daar wat haar in \'t ronde.

BLIJDE TIJDING.

31 Augustus 1880.

Laat Oost en West de blijmaar hooren,

Die Kroon en Volk vervult met vreugd: Den Kon hut is een kind geboren,

Een Dochter, die zijn hart verheugt.

Wees welkom, welkom, Koningskind!

Vóór uw geboorte reeds bemind.

God doe zijn zegen nederdalen

Op \'t wiegje waar ge in nederligt, Bewake uw sluimrend ademhalen

En \'t blosjen op uw jong gezicht!

Bloei, groei voorspoedig, Vorstenloot! Elk wenscht u schoon te zien en groot.

Met dankbren lach op \'t vriendlijk wezen, Kon straks, naar aller wensoh en hoop

-ocr page 564-

86 IBEUESPKL. — AAN G. .T. LONCQ. — MET EEN WAAIER, ENZ.

Gezond van \'t kraambed opgerezen,

De liefste Moeder u ten doop! Gelijk haar; druk, o Koningsspruit, Naar lijf en ziel haar -wezen uit!

TREURSPEL.

Magnum que loqul, nltique cothurno.

Spreek grootsche taal, en stap op hooge brozen,

Maar wees een Aeschylus.

Zoo niet, dan stiller tred en lager toon gekozen,

01\' ieder lacht u uit, mislukte tragicus.

AAN G. J. LONCQ.

Med. Doctor en Professor.

23 Sept. 1880.

Den Arts, die veertig jaar Geleerdheids tabberd plooide.

Die meer dan veertig jaar der Menschheid heeft gediend. Den dood zijn prooi betwistte en \'t lijden maankop strooide. De groet, de dankbre groet, de feestgroet vau een vriend!

MET EEN WAAIER.

Aan...

Als heete zonnestralen zengen, Zij dit geschenk u liefgetal! Het zal de Zeflrs tot u brengen; Geen Gratiën; die zijn er al.

Variant op een bekend Quatrain vau Lemière.

TWEEDE JEUGD.

Nogmaals jong is de frissche, de manlijke geest.

Die zijn bloesems tot vruchten zag rijpen; Hij is \'t eens metterdaad en in eenvoud geweest. Hij is \'t nu, door zijn jeugd te begrijpen.

-ocr page 565-

met ben vebrekijkee, aan mijn dochtek. ijvek, — enz

MET EEN VERKEKIJKER, AAN MIJN DOCHTER.

naur Madera vertrekkende.

Hoe ver gij ovei- zee en baren Ook kijken zult door deze buia,

Gij kunt, niet tot uws Vaders huis,

Niet tot in onze harten staren.

Maar zoo gij \'t kondt, gij zoudt ervaren. Hetgeen gij zonder dat wel weet, Dat niemand onzer u vergeet.

8 Oct. 1880.

IJVER.

Een ijver, die slechts doen wil, en niet hooren, Is niet uit liefde, maar uit hoovaardij geboren.

OVER \'T PAARD TILLEN.

Uw nauwgezetheid is beducht Mij „over \'t paard te tillen.quot;

Maar is er iets dat u belet Dat gij mij in den zadel zet? Gesteld — dat gij \'t zoudt willen.

LEVENSKRACHT, ARBEIDSVERMOGEN.

Touché ?

\'t Was leven eerst; nu arbeid; \'t heet vermogen, Wat kracht genaamd werd. Is het raadsel nu ontdekt,

Hoe wat heiveegt werkt op \'t geen wordt bewogen,

Wat en vanwaar het is, hetgeen beweging wekt?

Het zij zoo: wissel woorden, namen, termen,

Maar noem geen treffen, wat niet is dan schermen.

GETROUWD.

aan een beï110uw13aak paab.

O Heerlijk woord voor \'t echtverbond,

Dat zinrijk woord van trouwen! Men sluit de Trouw, men voelt de Trouw; De „oprechte Trouw van man en vrouw;quot; Daar is op \'t wisslend wereldrond Geeu trouwer trouw te aanschouwen.

87

-ocr page 566-

AAN THERÈSS SOHWABTZE.

Bewiis dit, gjj trouwhartig Paar,

Waarop wi) huizen bouwen! Het echtpad wisselt vreugd en smart; Maar steeds eenstemmig kloppe uw hart; Vertrouwt elkaar, behoudt elkaar, En, wat u \'t leven roove of spaar,

Blijft op Gods trouw vertrouwen!

AAN THERÈSE SCHWARTZE.

NA \'T VERLIES VAN EEN GELIEFDE ZÜSTEK.

„Als ik haar nog maar ééns zien mocht. Ik zou tevreden zijn.quot;

Th. s.

„Nog éénmaal, éénmaal slechts haar zien!

„Mocht dat geschiên,

„\'k Zou in mijn leed tevreden wezen.quot;

Hoe nu? Een tweede scheidens-smart.

Na de eerste, zou van \'t bloedend hart De wond genezen?

Neen, neen! Verwin dien ijdlen wensch Als God den mensch Een offer vergt, — hoe zwaar \'t moog vallen, Hij brenge \'t hem; eerbiedig; stil;

Volkomen; naar zijn eisch en wil En welgevallen.

Dan neemt hij \'t als een oifer aan.

Van \'t kind voldaan.

Dat Vaderliefde-alleen beproefde.

\'t Is ot hij \'t zacht voor \'t voorhoofd kust, — En o! nu komt de kracht, de rust,

Die \'t hart behoefde.

Nu durft, in vrede met haar lot,

Met vroom genot.

De ontprangde ziel zich overgeven Aan al wat troost en hopen doet,

Verzachting brengt, en nieuwen moed Schenkt om te leven.

Therese, sla dat donker oeg Eens blijde omhoog!

Daar is een weerzien voor Gods kindren;

Daar waar de voet op starren treedt,

En zonde, hartstocht, dood noch leed \'t Genot der liefde zal vermindren.

17 Nov. 1880.

88\'

-ocr page 567-

QUASI. — NOO TEN ACHTEREN. —

89

IN EEN EXEMPLAAR ENZ.

QUASI.

Een zuiver Rijm is \'t echtpaar zoo als \'t hoort; Een zelfde klank, en niet het zelfde woord. Te rijke rijm van twee volmaakt gelijken Is rijm in schijn, maar zal haast onrijm blijken. Twee rechterhanden maken nooit een paar; Een rechter en een linker lijkt elkaar.

NOG TEN ACHTEREN.

In naam van \'t nieuwe licht, waar h|j bij ziet,

„Geen trekschuit meer, geen duivlen, englen, wondren; Geen Christus, naar \'t geloof der oude heilverkondren!quot; Zegt Roen; maar, brave Roen! gij wilt nog altijd iet Dat, door uw mond gepredikt, godsdienst hiet. Gij zijt ten achtren, Roen! Schud af die malle droomen!

\'t Is trekschuitwerk, \'t is uit de nachtschuit komen. Indien gij \'t nieuwe wilt, waarom dan \'t nieuwste niet?

IN EEN EXEMPLAAR

DER „KINDER- UND HAUSMAEOHEN.quot;

verzameld door de Gebr. GRIMM.

BESTEMD VOOP. MIJN KLEINZOONTJE IN DE O. I.

Wat eeuw aan eeuw van mond tot mond gegaan is.

Van volk tot volk, van land tot land gebracht; Wat overal door \'t kinderhart verstaan is,

Sfcichte ook in d\' Oost een knaap van mijn geslacht.

20 Dec. 1880.

PLASTISCH.

Gij schildert, meent ge, en stelt voor oogen. Zou dit iets op mijn hart vermogen\'?

Daar \'s weinig kans toe, beste man!

Met uw tableaux — maar niet vivants.

NIEUWSTE WETENSCHAP.

De „nieuwste wetenschapquot; haart mij noch pijn noch vreezen. Ik weet te wel dat zjj de laatste niet zal wezen.

-ocr page 568-

tijdig.

TIJDIG.

Guijpt als \'t Eijpt! zij de leus; niet te vroeg; niet te laat. Als de kleur en de geur u \'t volgroeide verraadt;

Eer een vogel \'t verpikt; eer een wesp het doorknaagt; Eer het druipt van den tak, die het buigende draagt;

Eer \'t verzuurt of\' verdroogt; eer het rimpelt of rot;

Eer een wijze of — een kind met uw onverstand spot.

-ocr page 569-

„Mijn dagen zijn in \'fc gele bladquot;;

De tijd van groei en bloei is om; Nog spaart mij God, wat ik verbad; „Een wintersche\' ouderdomquot;.

Het heilig vuur, in mijn gemoed Niet uitgedoofd door wel of wee, Verwarmt mij nog, deelt van zijn gloed, Mag \'t zijn, aan andren meê.

-ocr page 570-
-ocr page 571-

GEMENGDE GEDICHTEN.

ACHTSTE BUNDEL.

HAAELEM8 FLORA.

Als ik omdool door de lieve streken,

Waar mijn blijde kindsheid is ontwaakt, Wederzie de bosschen, duinen, beken,

Waarvan de aanblik mij gelukkig maakt: \'t Zijn dezelfde kruiden, bloemen, blaren,

De eigen plantenwereld om mij heen,

Die mijn vrinden en gelieven waren.

Sinds mijn voet hun groeiplaats heeft betreen.

Tn den Hout, Bosohlievende Anemonen,

Corydalis met veelvingrig blad.

Wilde Lychnis met gesplitste kronen,

Blauwend Aardveil, langs het zonnig pad. Aan den duinkant, — scherpgespitste rozen. Windeklokjes tusschen bleekte en blozen;

Waar de duinbeek door de grasbeemd schiet, Penningkruid en blauw Vergeet-mij-niet.

Op het duin, een rijkdom van Violen,

Bij den Kruipwilg diep in \'t mos verscholen, Wilde Thym aan geur en honig rjjk,

En het scherpe Sedum, goud gelijt; Onverbleekt bij \'t felste zonnebranden.

Gouden Toortsen in de schraalste zanden;

Maar in \'t vochtig duindal, \'t week moeras, Vlekkige Orchis en Parnassisch Gras.

Overal langs vaarten, kreken, sloten.

Goudgele Iris, purpren Kattestaart;

Uit het water lijnrecht opgeschoten.

Zwanebloem, haar schoonen eernaam waard! En aan uwe bochten, kronklend Sparen! De Aster, en de Althé mot donzen blaren, \'t Paarse bloempje, dat ons de Elf-rank biedt, Slingrend door het zwartgepluimde riet.

Zal haar bloemhof steeds dezelfde blijven,

Haar verscheiden grond, jaar in, jaar uit, \'t Zelfde kruid uit de eigen kiemen drijven. De eigen kiemen uit hetzelfde kruid:

-ocr page 572-

BIJ EET GHAF EKNEIÏ MOEDEK, ENZ.

S4

EEN UIT VELEN. —

Dat dan ook de nazaat niet ontaarde, Corenherten! van uw deugd en waarde, Ripperda\'s en Kenau\'s, hoog geroemd! Waar uw stad haar parken naar benoemt.

EEN UIT VELEN.

Naar ruste trachtend; En wederom

De rust verachtend Als laf en dom.

Met alle winden De vaart beproefd;

Maar bang te vinden Wat hij behoeft.

(Jitwendig strijdend Met Schrift en Lot;

In \'t hart belijdend Het recht van God.

Zijn tijd verspillend Aan wind en waan;

Ten slotte willend Ten hemel gaan.

BIJ HET GRAP EENER MOEDER.

De hoop, door bange vrees bestreden.

Werd uitgedoofd in diepe smart,

In spijt van tranen en gebeden

Is zu ontrukt aan \'t kinderhart.

Rondom haar open grafkuil schreien

Beroofde liefde en dankbaarheid;

Maar daar is vreugd bij de englenreien

En bij den Eega, die haar beidt. Het dochtrenpaar, haar voorgetogen,

Omhelst haar voor den troon van God — Zoo is hier troost bij weenende oogen, En daar een onbewolkt genot.

MORGENSTOND.

BUITEN.

Wees vroolijk! \'t Is geworden dag;

De zon is opgekomen. Het leeuwriklied, de kwartelslag Wordt reeds van ver vernomen;

-ocr page 573-

naak maerlant.

De wazige oclitendmist trekt op;

De dauwdrop hangt aan blad en knop;

Een luchtig windje schudt den top Der frisch ontwaakte boomen.

Gij rijst, treedt uit, van ongeduld

Naar \'t wachtende genot vervuld,

En vreest te laat te komen.

BINNEN.

Wees vroolijk! Hoor! De dag vangt aan Voor straten, stegen, kaaien.

Reeds doet eens bakkers schorre haan Een poging om te kraaien;

De buurt ontwaakt; uw wekker luidt;

De melkboer schelt; een spoortrein fluit;

Een vrachtkar dreunt; een handkar kruit;

Uw dienstmaagd klopt de matten uit;

Haar bezem grist; haar glazenspuit

Komt trommlen op uw vensterruit....

Gij hoort dit alles, maar besluit ü nog eens om te draaien.

En schoon \'t geweten zegt: „Ontwaak!

Vroeg opstaan is een schoone zaak!quot;

Gij toont daarvoor in \'t minst geen smaak.

Maar antwoordt met vernieuwde vaak, En weet het wel te paaien.

NAAR MAERLANÏ.

(VAN JACOB ENDE VAN MARTINE. EERSTE MARTIJN STR. 48, 49.)

I.

In dees bedroefde wereld zijn Twee kleine woordjes, mijn en dijn;

Och kon men die verdrijven!

De vrede was dan meer dan schijn, Elk vrij, geen mensch in band of pijn,

De mannen noch de wjjven.

Men had gemeen de tarwe en wijn, En over zee noch aan den Rijn

Zou men geen ziel ontlijven.

Maar nu beneemt ons \'t zwart venijn Der hebzucht dit genot, Martijn!

Of doet het achterblijven En ander recht beschrijven.

95

-ocr page 574-

LIED VOOK LIJKVEHBRANDERS. — PROFANEER ES.

God, die het al met wijsheid doet, Gaf dit verganklijk aardsche goed

Den menschen in \'t gemeen;

Opdat zij zouden zijn gevoed, Het lijf gekleed, geschoeid de voet,

En leven rein van zeên.

Maar zie nu hoe de hebzucht woedt, Dat iedereen in arren moed

\'t Al hebben wil alleen.

Hierom vergiet men mensohenbloed, En bouwt met roekeloozen spoed Burchtsloten zwaar van steen. Tot smart van menigeen.

LIED VOOR LIJKVERBRANDERS.

Ten vuren, ten vuren Met vrouw en kroost, al klinkt het ruw! \'t Is goed voor u,

Dan kunje langer duren;

Wel eens zoo lang als nu.

De lijken, de lijken Ontvolkten veel te lang het land — \'t Is zonde en schand —

Dat zal statistisch blijken.

Zoodra men ze verbrandt.

Kaar d\' oven, naar d\' oven!

Die \'tlijk verbrandt, verbrandt den Dood, Den stervensnood.

En brengt het leven boven.... Voorwaar! onze eeuw is groot!

PROFANEEREN.

Het profaneeren is aan de orde van dan dag; Want andren heilig is, vindt geen on\';zag Bij kindren eener eeuw, die zich beroemt

Op hooge ontwikkling als zij \'t gaarne noemt____

Ja, van den geest, \'t mag zijn, maar nieL van \'t hart, Dat altijd doover, altijd doffer werd En koel en koud verwerpt, beschimpt, begekt Al wat van hooger komt, naar hooger trekt. Op hooger wijst dan \'t glinstrend stof der aard. En, zelf gevoelloos, uw gevoel niet spaart. De kerk niet slechts, niet slechts de vromen, God,

-ocr page 575-

HET EIGEN HUIS.

Godzelf en zijn regeeving -wordt bespot. Voorzienigheid, onsterflijkheid, ziedaar Voor \'t spotziek hart de meest gewilde waar. Zoo dit behoort tot wat vooruitgang doet. Wee \'t nageslacht, dat nog weer verder moet!

HET EIGEN HUIS.

EEN JEUGDIG EGHTPAAll AAN DEN BRUILOFTSDISOH TOEGEZONGEN.

De huwlijkstempel werd betreden,

De heilige echtknoop is gelegd.

Des hemels zegen afgebeden.

Waarop elk onzer Amen zegt;

Nu zal het uur van scheiden slaan; De huwlijksras vangt aan.

Twee moeders zien met vochtige oogen.

Twee vaders met een kloppend hart.

Door liefde, niet door vrees, bewogen,

U na met tranen zonder smart,

Waardoor een aangename lach Van stil genoegen spelen mag.

Zes weken zal het reisje duren.

Waarin het honigmaantje schijnt; O schoone dagen, zalige uren,

Waarvan de erinring nooit verkwijnt!

Maar is de huwlijksreis gedaan,

Dan vangt het zaligste aan.

Het zoetste zoet van \'t huwlijksleven

Neemt niet op reis, maar thuis begin; In \'t „eigen huisquot;, van God gegeven,

Ten heiligdom der echte min, Ter kweekplaats van de reinste vreugd, Bij onbesproken dcu^d.

Gelooft het, jeugdige Echtelingen!

Ervaart het lang en smaakt het recht!

Die u dit liedje toe mag zingen.

Kent wat hij zingt, weet wat hij zegt.

Deze\' eenen wensch nog brepgt hij uit: Dat gij voor hem uw deur niet sluit.

97

IV.

7

-ocr page 576-

ONZE KONINGIN.

ONZE KONINGIN.

AAN THERÈSE SCHWARTZE.

De Koningin! Van dag tot dag

Is \'t Neerlandsch hart om haar verheugd, En prijst zoo luid het prijzen mag Haar wijze jeugd,

haar rijke deugd.

Het ziet haar aan zijns Konings zij, Een frissche roos op elke kooD,__ Een vriendlijk oog, zoo vrij en blij;

Met haar den troon

zoo dubbel schoon;

Manlijke kracht bij \'t zacht der vrouw.

Zoo zedig rein, zoo vriendlijk goed; Oprechtheid zonder vlek of vouw;

Een vasten moed;

een eedlen gloed;

Den Koning trouw; een hart voor t Land

Waar zij haars Vaders huis voor liet,

Voor \'t Volk, dat ze aan haar voeten ziet; Een kloek verstand;

een open hand;

Een mond, die met bekoorbren klank

Flat Neerduitsch van den landzaat tart; Een oor, graag luistrend naar den za,ng. Waar \'t Hollandsch hart

in kenbaar werd.

Een hoofd, zich buigende voor Dien,

Die alles schiep, en \'t al regeert.

En die in gunst op Haar zal zien.

Die, hoog geëerd,

Hem eeren leert.

Van elk beminde Koningin!

De Koning juicht in uw bezit,

En heel zijn volk spreekt, eens van zin: „God nam hem veel: Hij spaar hem dit!

„Hij spaar hem haar; Hij spaar hem \'t kind

„quot;Welks vriendlijk glimlachje elk verrukt „Om hem, zichzelf, en haar bemind „Die \'t in haar moederarmen drukt!quot;

-ocr page 577-

BLIJMOEDIG. — HET TUANESKUUIKJE.

TOEËIGENING.

En gij, dio Kind en Moeder maalt!

Die taak ontsteke in n den gloed, Die, waar hij uit uw oogen straalt. Het doek bezielt en leven doet.

BLIJMOEDIG.

Verzoend met God

en met mijn lot, In sterven en in leven,

liet leven nemende als het is.

Rust, onrust, leed, bezit, gemis.

Zooals het God wil geven;

En in den dood

geen jongsten nood. Maar \'t opgaan van den morgen Begroetende van schooner dag Dan dien ik hier voleinden mag: Wat weet mijn hart van zoj\'gen?

Spreidt soms de schrik

een oogenblik Een nevel voor mijn oogen;

Het is een oogenblik, niets meer. En \'k zie \'t gelaat mijns Heilands weer, Vol liefde en mededoogen.

HET ÏRANENKRUIKJS.

UIT DE EDDA.

Naar Etlar Lang.)

Hukla (Holle) Is in de scandluaviscLe godenleer die „donkerequot;, maar vriendelijke godin der onderwereld, welke het leven geeft eii tot welke het leven ten laatste terugkeert. Haar bron is boven Ygdrasil (den Wereldboom) en daaruit stijgen de kinderzielen op, die geboren worden; van daar de sproken van de Kinderbron en van den Ooievaar, die de kindertjes uit het water vischt en aanbrengt. Vroeg gestorven kinderen keeren weder tot Hulda in de onderwereld terug, waar zij weleer liefderijk gevoedsterd en gekoesterd werden. De bijzonderheid dat, in vele sagen als deze, in den christelijken tijd de Moedermaagd in de plaats van Hulda gesteld werd, toont hoe madonna-menschlijk men zich het beeld der Hulda voorstelde.

Daar weent een moeder haar oogen rood!

Haar eenig dochtertje, eilaas! is dood.

99

-ocr page 578-

100 AAN J. J. VAN OOSTERZEE. — GEEN RIMPELS.

Zij plant op \'t grafje vei-geet-mij-niet; Zij ziet het bloeien, het troost haar niet.

Daar zweeft in \'t hofken vrouw Hulda aan, Tot wie de zieltjes der kindren gaan.

Haar volgt blijmoedig de gansche schaar; Maar ach! haar kindjen is niet met haar.

„Zoo \'k u slechts eenmaal met Hulda zag, „Hoe zou ik zeegnen dien blijden dag!quot;

Maar nog één zieltje komt achteraan; Een kruik te torsen doet langzaam gaan.

„Uw weenen, moeder, doet mij geen goed, „Die al uw tranen verzaamlen moet!quot;

De moeder hoort het; het smart haar zeer; En voortaan weent zij geen tranen meer.

1881.

AAN J. J. VAN OOSTERZEE,

VEERTIG JAAR EVANGELIEPREDIKER.

ült zijne volheid liebbeu wij allen outvangen, ook genade voor genade.

Joh. 1:16.

Naar \'t lichaam wat geschokt, maar onverzwakt van geest, Viert zielvolle Oosterzee zijn veertigjarig feest.

Maar geeft den Heiland de eer van wat hij leefde en werkte, Die „uit zijn volheidquot; hem begaafde, laafde, sterkte.

En lang nog sterken moog; die nimmer hem verlaat.

En aan zijn zij zal staan, ook als zijn rustuur slaat.

6 Febr. 1881.

Na zijne leerrede over boven-btaand schriftwoord.

GEEN EIMPELS.

Geen rimpels heeft uw voorhoofd nog; „Zij moesten toch „Daar wezen naar uw tal van jaren. „Hadt gij van zorg of leed geen deel \'i „Of zijn er door dit hoofd niet veel „Gedachten van belang gevaren!\'quot;

Ik weet het niet, mijn lieve ir.an! Zoek gij er zelf de reden van.

-ocr page 579-

\'t poëtisch oor. — een woord van pica de mirandola, enz. lOi

Misschien zult gij het rechte treffen.

Maar weet gij wat ik somtijds zeg?

God heeft een ploeg; maar ook een egg\';

De ploeg maakt voren; de egg\' maakt effen.

\'T POËTISCH OOE.

Gij toetst en recenseert gedichten;

Maar hebt gij \'t oor voor poëzy?

Om met rechtvaardigheid te richten,

Hoort dat er wel een weinig bij. Ook zonder muzikaal gehoor Kan \'t spel der tonen iemand roeren;

Maar als een kenner \'t woord te voeren Kan, zonder dat, er moeilijk door.

Ach, menigeen die vonnis spreekt Met zelfbetrouwend stemverheffen,

Ts niet bij machte te beseffen Wat hem, bij \'t geen hij heeft, ontbreekt. Hij heeft vernuft en spreekt met macht, Door ieder die hem leest bewonderd, Het gild der dichters uitgezonderd,

Dat om zijn hoogwijze\' onzin lacht.

Gij, die uzelv\' een oordeel gunt.

Lees, lees mij verzen, en \'t zal blijken Of gij een deugdlijk vonnis strijken. Of zelfs niet deugdlijk hooren kunt;

Of gij den zang in \'t dicht gevoelt, \'t Gevoel des dichters na kunt voélen,

Beseffen wat de toon bedoelt,

Of slechts uw mond met ivoorden spoelen.

EEN WOOED VAN PICA DB MIRANDOLA.

Veritatem Phllosophia quaerit, Theologia invenlt, Eeliglo possldet.

De Wijsbegeerte zoekt, de Godgeleerdheid vindt De waarheid — O mijn God! gij schenkt haar aan uw kind.

DIALECTEN.

De taal van \'t hart heeft menig dialect;

Wijs, die \'t hem min verstaanbre niet begekt.

-ocr page 580-

TEKSTEN. — AAN DEN HEILAND. — VOORZICHTia. — ERNST.

TEKSTEN.

Gij leeft bij teksten, weet ev tien, Ja twintig op een rij te scharen, \'t Bevredigt menigeen misschien; Mij niet; geef mij het wond te zien, Geen afgeplukte blaren.

AAN DEN HEILAND.

Gij hebt den weg gewezen,

Gij hebt den weg gebaand; Gij wilt de Leidsman wezen, voorkomend en meegaand. Besturende de schreden

Van die het steile pad. Het steile pad betreden Ter hooge hemelstad.

Gij hebt de poort ontsloten, Ontsloten door uw bloed. Die al de tochtgenojten

Vervult met blijden moed; Gij zult hen welkom heeten

In \'t vaderlijk paleis,

Waar spoedig zijn vergeten De moeiten van de reis.

VOOKZIGHTIG!

Dat nooit, in groote vreugd of diepe droefenis,

Een woord dat te vertrouwlijk is Uw\' onbewaakten mond door \'t hart worde uitgedreven! Men kijkt als had men \'t niet gehoord.

Maar neemt het op en draagt het voort, Als of ge er last toe hadt gegeven.

ERNST.

De toon van echten ernst ia waardig, kalm en zacht; Niet hartontzettend zwaar, noch pijnlijk scherp in de ooi Een middentoon, welluidend uitgebracht;

Men kan er \'t hart, waaruit hij komt, in hooren.

Dat is zjjn schoonheid en zijn kracht.

-ocr page 581-

ACTUM. — DANK VOOK LOON. — BIJ HET GIIAF

TEMPUS ACTUM.

Verbeelding keert zicli naar \'t Weleer; Zoo als zij \'t ziet, wenscht zii \'t ons weer; Maar kwain het weder zoo als \'t icas, \'t Bedrogen hart verwenschte \'t ras.

DANK VOOR LOON.

Als ik mijn zangen tot uw oor,

Noen, tot u.w edel hart, mocht brengen.

Brak nu en dan een traantje door. En kwam zich met uw glimlach mengen: Heb dank daarvoor!

Geen schooner loon dan zulk een traan, Zacht opgeweld uit zuivre bronnen!

Een kleine ziel doet weinig aan; Een groote, geeft zich gaarn gewonnen. Diep voelen is geheel verstaan;

Verstaan wat kracht daar in een woord, Een toon, een nadruk is gelegen.

De ziel verstaan uit wat men hoort. En hooren, ook wat wordt verzwegen Of in onzichtbre tranen smoort.

BIJ HET GRAP

EENER ZEVENENTACHTIGJARIGE.

Na tienmaal acht en zeven jaren,

Is hier dan \'t einde van de reis! Do school des levens had haar eisch; Niet langer moest de dood haar sparen.

Drie Zustere, voor deu troon van \'t Lam Haar voorgegaan sinds vele dagen, Behoeven langer niet te vragen.

Of zij, ook zij, niet eindlijk kwam?

Een liefde, tot den dood getrouw.

Deed in den dood haar uitgeleide,

Gerust, dat wat de grafkuil scheidde De hemel weer vereenen zou.

Zij oogt haar na met kalm gelaat, Bij zacht herdenken, stil verwachten.

-ocr page 582-

TWEE VIJANDEN. —

AB IRATO. —

DE liASS-ROCK ESZ.

En houdt maar altijd in gedachten Dat eerlang ook haar uurtje slaat.

Oc.h, ieders uurtjen is bepaald;

Geteld zijn alle onze oogenblikken;

Gelukkig die, als de avond daalt,

Niet schroomt de klok te hooren tikken.

AB IRATO.

Hen, die de sabel moedig trekken Om zich perfora te doen verstaan,

Ziet menig mensch met eerbied aan. Maar overtuigingen te wekken Door neus en ooren af te slaan, Zou dat juist wel zoo heel goed gaan?

TWEE VIJANDEN.

O Gij die waarheid wilt, heb kracht van ziel, wees man! Verwin partijdigheid, en ook — de vrees er van.

DE BASS-ROCK

BIJ DE KUST VAN SCHOTLAND,

(Reisherinnering)

The air quot;was diskit with the fowiis That cam with yammeris and with yowils, With skyrking, screeking, skrymming scowlis, And meikie noyls and shoutes.

Donbab.

De meeuwen vliegen om de Bass;

De Bass is voor de meeuwen;

Schere ook een enkel schaap haar gras,

De Bass is voor \'t gevederd ras.

De Bass is voor de meeuwen.

Daar heeft, voor tal van eeuwen. Een burchtslot op haar kruin gestaan:

Het is, het moest tot puin vergaan.

De Bass is voor de meeuwen;

Voor kap- en mantel-meeuwen,

Voor zilvermeeuwen blank en fijn.

En wat er meer voor meeuwen zi^n.

Zich pluizende in den zonneschijn,

In rep en roer bij \'t jagen Van storm en onweersvlagen,

-ocr page 583-

DE BASS-ROCK BIJ DE KUST VAN SCHOTLAND.

Die met hun uitgelatenst wöen De sterks rots niet wanklen doen,

De Bass-rots van de meeuwen.

Zij krijsclien er en schreeuwen,

Zij dwarlan neer, zij stuiven op.

Zij wervlen om haar woesten top.

Als teedlaars\') om de hoven;

Zij roesten in haar kloven;

Zij maken, bij en ver van \'t nest.

Haar grauw gesteente wit van mest,

Van onderen tot boven;

Zij voeden, brekende uit hun dop Met spitsen neb en harden kop,

Jaar uit, jaar in, de jongen op,

Die weer met de ouden vliegen,

Of op de golven wiegen,

Of scheren langs het ruime sop,

Dat, als met donzen pluimen.

Rondom haar voet komt schuimen,

Om wat haar fel en scherpziend oog Zich wenschlijks uitzag van omhoog Te slikken zonder smaken.

En vliegend buit te maken Al wat haar gele snavelspits Van dood of levend, vleesch of visch

Bestippen kan en raken,

Om, wederkeerend van den plas,

Als of het voor dit gulzig ras Ter spijsverduwing noodig was,

Op nieuw te zwermen kris en kras.

Links, rechts, voor, achter, om Rots Bass, Als spreeuwen om de daken____

Wat daken, en wat spreeuwen!

De Bass is voor de meeuwen.

Voor de meeuwen niet alleen, maar voor alle soort van zeevogels, bepaaldelijk ook voor den z. g. Jan van Gent, een rotspelikaan, die zijn wetenschappelijken naam, Sula liassana, aan de Bass-rock ontleent. Solan-goose noemen hem Schotten en Engelschen.

^The Bass Is an island, or rather a tremendous rock, about [400] feet in height starting out of the sea, just opposite the formidable castle of Tantallon, upon the shore of East Lothian. It is about a mile in circumference, and is conical on the one side, presenting on the other an abrupt and overhanging precipice. It may well be termed —

„An island salt and bare,

The haunt of seals and ores and sea-mews\' clangquot;.

105

Upon the top of the rock gushes out a spring of clear water, and there Is verdure enough to support a few sheep. But its chief inhabitants are sea-fowl, in

1) Sollicitanten.

-ocr page 584-

de berken van aberfeldy.

such Immense quantities, that they literally darken the air, when the discharging of a gun puts them on the wing. They are of all sizes that swim the sea, and scream in all varieties of notes. To visit the place at sunrise, when all the feathered tribes are preparing to take wing, gives one of the most extraordinary sights which Scotland affords.quot;

Walter Scott,

Prov. Antiquities of Scotland.

DE BEKKEN VAN ABERFELDY.

EEN LIED VAN ROBERT BURNS.

Een bezoek aan Aberfeldy (Perthshire) en z\\jn waterval (Falls of Moness) gaf mij lust deze coupletten tot een aandenken te vertalen. Burns schreef ze, volgens zijne eigene verklaring, op de plaats zelve, „standing under the fallsquot;, in Sep. 1787, naar het motief van een oud lied: The Birks of Ahergildij (Aberdeenshire). De waterval van Aberfeldy veretenigt al wat men in een waterval verlangen kan. Hij bestaat uit drie vallen, die zich door een nauwe kloof, over zwarte bazaltklompen heen, en tus-schen de weelderigste vegetatie door, bruisende en schuimende naar beneden spoeden. Op verscheiden plaatsen raakt het loover van de ter wederzijde groeiende boomen (veelal berken) aan elkander. De onderste val bestaat uit een reeks van kleine vallen, die een smallen stroom vormen. De middelste is de schoonste Men vergat niet mij daarbij de bank aan te wijzen, waarop gezeten, Burns zijn lied zou hebben gedicht. De bovenste, op ongeveer veertig minuten afstand van den voet der kloof, komt loodrecht met een storting van zeventig voet naar beneden. — Het lied van Burns schetst ze alle drie achtereenvolgens, naar het leven.

KOOR.

Zoet lief meisje, wilt gij gaan.

Wilt gij gaan, met mij gaan,

Waar Aberfeldy\'s herken staan,

Aberfeldy\'s herken ?

De Zomer bloeit met gullen lach;

Het stroompje ruischt zoo blij het mag:

Kom, slijten wij den langsten dag,

Bij Aberfeldy\'s berken!

Het klein gevogelt zingt zijn lied,

Waar \'t hazelloof zijn schaduw biadt,

En \'t vroolijk door de takjes schiet,

Bij Aberfeldy\'s berken.

Maar \'t bergpad rijst. Hoe schuimt, hoe zwelt, De stroom, die langs den rotswand snelt,

Waarover \'t geurig lommer helt Van Aberfeldy\'s berken.

106

-ocr page 585-

VERHEUG U IN DEN NEVKL NIET. — KUNST GEEN NABOOTSING, ENZ.

De kruin der klip, op roosjes prat.

Schouwt neer op \'t loodrecht stortend nat. Wiens wolkend stofschuim frischheid spat, Op Aberfeldy\'s berken.

Dat geld en goed nu vall\' zoo \'t vall\',

\'k Weet wien \'t geen zuchtje kosten zal!

Gij en mjin liefde zijn mij \'t al,

Bjj Aberfeldy\'s berken!

VERHEUG U IN DEN NEVEL NIET.

Verheug u in den nevel niet.

Omdat uw oog dien kan bemerken.

De zuivre lucht, die niemand ziet, Ziedaar hetgeen uw kracht moet sterken. Niet wat zich zien en tasten doet: \'t On-zichtbre doet ons \'t meeste goed.

KUNST GEEN NABOOTSING.

Neen, Xunat is geen herhalen der Natuur;

Dat zet geen hart in gloed;

Niet aan wat is, maar aan wat wezen moet Besteedt zij licht en vuur.

ZELFBEWUSTZIJN.

Wat is mijn Ik? Een wetens Zien,

Een wetens Hooren, Rieken, Smaken;

Een wetens Denken bovendien.

Dat een besluit weet op te maken;

Een Zijn, dat zijn ondeelbaarheid Erkent door wat het onderscheidt.

En zelfs zijn droomen weet te schiften van zijn waken.

MALCONTENT.

Al wat gij ziet, strekt u tot ergernis; Het beste, schoonste, liefste heeft gebreken. Te groot, te veel, te gek om van te spreken! Niets deugt bij u dan \'t geen onmooglijk is.

-ocr page 586-

108 TÜSSCHEN DE KEGELS. — ALTEKNATl EF. — GEEN

TÜSSCHEN DE REGELS.

„Tusschen de regels lezenquot; sta u vrij;

Maar daar niet naar te luistren, staat aan mij.

Vervalsching is \'t, of louter fantazy.

Wat zwart op wit staat heeft beteekenis; Niet wat vermoeden, gissing, argwaan is.

ALTERNATIEF.

Aak ....

Dat \'k mij bedroeve, of mij verbaze, Daar laat gij mij de keus slechts van; Want wat gij schrijft, geleerde man! Is uit den booze, of uit den dwaze.

GEEN NOOD.

De God, door wien wij leven.

Op wien wij ons verlaten,

Zal ons niet overgeven

Aan menschen die ons haten;

Hij zal ons niet doen bukken Voor zorgen, die ons drukken.

Voor rampen, die ons dreigen;

Daar zijn geen ongelukken Voor hen, tot wie in gunst zich godlijke oogen neigen.

Daar \'s troost bij iedre smarte

Daar \'s kracht tot alle lijden.

Zoolang \'t geloovig harte

In God zich kan verblijden.

Maar alles is verloren En alles gaat bezwaren.

Waar \'t hart zijn God laat varen.

\'t Geluk is slechts beschoren Aan hen, wier oog op God, als op hun God blijft staren.

UIT ÉÉN STUK.

„Uit één etuk is de man.quot;

Uit één slechts?

„Slechts uit één.quot;

\'t Is fraai, mits \'t ééne stuk geen kurk zjj of een steen.

NOOD, ENZ

-ocr page 587-

KRING VAN DENKBEELDEN. — ONDERZOEKER, VERZOEKER, ENZ. 109

KRING VAN DENKBEELDEN.

Een kring van denkbeelden! Wat is \'t Dan een denkbeeldige kring?

Maar, is \'t niet zonderling?

Denkbeeldige kringen zijn tusschen ons Juist de allerwerklijkste cordons;

Er in of uit te komen —

De proef wordt niet genomen.

ONDERZOEKER, VERZOEKER.

Ik eer uw christelijk bedoelen.

Maar laat mij, bid ik u, met rust. Mij telkens aan den tand te voelen üeeft mij tot bijten boezen lust.

AAN MIJNE TWEE

NOG OVERIGK ZUSTERS.

Eens waren wij een kring van zeven Drie broers, vier zusters waren wij;

Niet dan een drietal is gebleven.

Mijn lieve zusters, gij met mij.

Het was de jongste van ons allen, Een blijde bloem van twintig jaar.

Die \'t allereerst ons moest ontvallen .... Hoe lang alreeds beweent gij haar!

Toen de oudste; een lieve gade en moeder. Zoo rijk begaafd, zoo hoog geschat;

Uw tweede, straks de derde, broeder, Ter helfte van hun levenspad,

Onn levenspad begint te hellen;

De tijd des avonds nadert vast;

Och mochten we onze dagen tellen Zoo als het wijzen lieden past!

Nooit heeft de liefde last geleden.

Nooit tweedracht tusschen ons bestaan;

Die voorgegaan zijn, zijn met vreden Van onze zijde weggegaan.

Zoo zal het blijven bij die bleven. Totdat de laatste stond beslist;

Het hart, dat God ons heeft gegeven Is onbekwaam tot broedertwist.

-ocr page 588-

110 de mannen van homerus. — ken u zelvbn, enz. gei.1

Wiens uurtje zal nu \'t eerste komen?

Aan mij \'de beurt, naar \'t jarental.

Maar als wij \'t geen van drieën schromen,

Zoo is er troost, het vall\' hoe \'t vall\'.

Dan zien we elkander aan bij \'t scheiden

En zeggen: Gods wil moet geschiên Wat wij in \'t leven dikwijls zeiden Dat geldt ook nu: „Tot wederzien!quot;

----In

DE MANNEN VAN HOMERUS.

De wannen van Homerus storten tranen;

Op zijn Olymp klinkt soms een gul gelach.

Wij, die ons helden, die ons goden wanen,

Wij brengen onze grootheid aan den dag, 1!

Door ons van lachen en geween te spanen; —

Hoe later mensch, hoe min men mensich zijn mag.

KEN U ZELVEN.

\'t Is alles allen niet gegund.

Niet wat gij wilt, maar wat gij kunt. Bepaalt de maat van \'t vruchtbaar leven.

Gelukkig die \'t bereikbaar punt Niet, vruchtloos, wenscht voorbij te streven! Die naar \'t niet hem gegeevne tracht Verspilt zijn tijd, vernielt zijn kracht.

GODS KENNEN EN GOD KENNEN.

(Zie I. Kor. VIII :3.)

Het kennen Gods is lief\'de-in-waarheid-en-in-daad. God kennen gaat zoo ver als onze liefde gaat.

PROEF MIDDEL.

Indien ge uw hart wilt hoeden voor versmoring Van \'t diep gevoel van uw ellendigheid Zoo sta eens stil bij \'t onderscaeid Van \'t geen dat hart gevoelt op zeit.

Bij \'t bidden in den nood, en \'t danken voor verhooring.

-ocr page 589-

GEI.ÜKSRECEPT. — AAN HENDRIK CONSCIENCE. — ONMOGELIJKE ENZ. ill

GELUKSEECEPT.

Begeer geen al te groote dingen,

Poog nooit iets met geweld te dwingen,

Hoop veel en steeds, maar met geduld,

Zoo gij gelukkig wezen zult.

..

AAN HENDRIK CONSCIENCE,

In het Album, hem doop Kunst- en Lettervrienden vereerd, bij \'t verschijnen van zijn Hondtrdste Boekdeel.

Conscience, honderdmaal de vriend zijns Volks gebleken,

Der Fraaie Lettren en der Deugd,

Leze in eens Kunstbroers naam diens vriendschap, en een teeken Dat hij zich in zijn Eer als in zijn Werk verheugt. 1881. __

ONMOGELIJKE DEFINITIES.

Spaar vrij uw moeite, wijze man!

Uw vlijc is overbodig,

Wat niet omschreven worden kan.

Heeft geen omschrijving noodig.

Noem \'t bij den naam, dien \'t altijd droeg;

Dat slechts is mooglijk en genoeg.

LOF.

Lof verdienen en ontvlieden Is hot werk van wijze lieden.

OP MIJN PORTRET

THEKESE SCHWAKTZE.

Die vriendlijkheid voegt by geen tabberdquot;, roept men luid. Och, laat mij vriendlijk zien! Trek eer mijn tabberd uit.

HET LIJDEN VAN DEN JONGEN WBRTHER

Volgens Thackekay.

Werther minde zijn Charlotte

Meer dan hij kon exprimeeren —

Bij hun eerste ontmoeting zag hij Haar de boterhammen smeren.

-ocr page 590-

112 db kielen en de wielen en de rand van \'t land.

Een getrouwde vrouw werd Lotte.

Werther was een extra-beste —

Voor geen duizend gulden zou hij Iets doen dat de zeden kwetste.

Werther zuchtte, kwijnde, loensde,

Werthers hartstocht kookte en blaakte — Tot een kogel door zijn hersens Aan dit spel een einde maakte.

Lotte, bj] d\'ontbijtdisch staande.

Zag zijn lijk haar deur passeeren —

Altijd even onberisplijk.

Bleef zij boterhammen smeren.

DE KIELEN EN DB WIELEN EN DE RAND VAN \'T LAND.

Vadeiiandsche Feestdronk.

De bekers vol geschonken.

Geheven in de hand,

En de oude dronk gedronken:

De Kielen En de Wielen En de Hand Van \'t Land!

U moet die beker gelden.

Op krijgs- en handelsvloot, Zeerobben, wakkre helden!

Door u werd Neerland groot. De bekers vol geschonken,

Geheven in de hand,

En de oude dronk gedronken:

De Kielen En de Wielen En de Band Van \'t Land!

Den Landman en den Veeman,

Die d\' akker mest of ploegt. Hem dankt de rijke steemaa

De rust die hem vernoegt. De bekers vol geschonken.

Geheven in de hand.

-ocr page 591-

geld.

En de oude dronk gedronken: L)e Kielen En de Wielen En de Rand Van \'t Land!

Maar iun, die ons behoeden

Door kennis, kunst en vlijt, Voor zee en -watervloeden

Zii heel ons hart gewijd! De bekers vol geschonken.

Geheven in de hand.

En de oude dronk gedronken: De Kielen En de Wielen En de Rand Van \'t Land.

GELD.

„Tijd is geld, en geld is \'t al „In dit aardsche jammerdal; ,\'t Is voor \'t geld slechts dat wij leven. „Zij dan ieder ademtocht „Tot den diersten prijs verkocht, „En er nimmer aan gedocht,

„Iets omniet te geven.

„Geld is \'t al, en tijd is geld;

„Rijk zijn is honormn summum.

„Carpe dient t Carpe nummum !

vHora ruit.\' \'t Leven snelt!

„Tel uw dagen, tel uw geld!

TSine lucro nulla dies!

„Ante mortem nulla quies!

„Zij bet leven lang of kort,

„Best leeft die er rijkst in wordt.quot;

Dit, als iets het heeten mag,

Dit is \'t liedje van den dag,

Onder hoog- en laaggeboren.

\'t Wordt gezongen zacht of luid; En de handen brengen \'t uit,

Poogt men \'t in de keel te smoren.

-ocr page 592-

WEES VROOLIJK. — UIT PLATO. — KESSTZANÖ.

WEES VROOLIJK.

Wees vroolijk! Vroolijkbeid is kracht, Is kracht tot arbeid, kracht tot deugd.

Daar wordt niets goeds, niets groots volbracht Dan bij een innerlijke vreugd.

Een treurig hart maakt dof, verzwakt. Een schreiend oog ziet ver noch klaar. Gebogen, staat gij wankelbaar,

Met al wat in u is geknakt.

Vergt zware ramp of groot verdriet Een bittren traan van droefenis:

Betaal dien tol; maar kweek toch niet Wat in zichzelf slechts doodlijk is.

Het lijden heeft zijn nut en vrucht;

Het lijden, maar het kwijnen niet; \'t Veerkrachtig lijden, dat niet zucht.

Maar met een glimlach opwaart ziet,

Zich keert naar \'t licht, dat troostrijk straalt, Waarbij de vrucht van \'t leed zich zet; En dat, waar \'t diep in \'t harte daalt, De kracht verhoogt en d\'ijver wet.

UIT PLATO.

(Zie zijn öorgias.)

Zoo ik een vijand bad, en \'t vrijstond aan den haat, Van al wat onheil heet hem \'t ergste toe te wenschen, Ik wenschte hom onsterflijkheid in \'t kwaad, En in wat dwaselijk geluk heet bij de menschen. Misdadig icezen is rampzalig, sterveling!

Maar \'t ongestraft te zijn, als vloekbaarst lot te vreezen. Uw grootst geluk moet schuldeloosheid wezen,

Maar, na schuldloosheid, tuchtiging.

KERSTZANG.

Sol Deus Invictus.

Het feest van de Onverwinbre Zon,

Dat vieren wij, en zingen!

Een nieuwe licht- en levensbron

Komt door de wolken dringen.

0 Zonne der gerechtigheid!

-ocr page 593-

AAN GOD. — AAN CE CBITIEK.

Hoe hebt ge uw stralen uitgebreid, Hoe scbittren zij en schijnen, Dat nacht en mist verdwiinen.

Vaart henen, nacht en duisternis!

Vaart heen met uw verschrikking!

De morgen, die verrezen is.

Brengt blijdschap en verkwikking.

Wij zien, o God! wij smaken \'t licht

Van uw genadig aangezicht,

Wij voelen ons het leven En levens-vreugd gegeven.

Ga voort, vervolg aan \'s hemels trans. Uw pad, en schiet uw stralen,

Heldbafte Zon! met schitterglans Ver over berg en dalen!

Niets dat zich aan uw gloed onttrekk\'!

Verlicht, verwarm, beziel en wek De gaven en de krachten.

Die op uw koestring wachten!

AAN GOD.

Al wat ik heb, en ben en kan.

Zij in uw band gegeven!

Mijn gade en kroost, mijn wereldsch goed. Mijn vleesch en bloed,

Mijn hoofd, mijn hart, mijn leven!

Wat heh ik, dan uit uwe hand?

Wat hen ik, dan afhanklijk? Wat han ik, dan in uwe kracht,

Mensch zonder macht, Zoo nietig als verganklijk?

Maar die zich zwak weet, voelt zich sterk

In U, o Heer der Heeren!

Die alles in uw handen geeft.

Geruster leeft Dan die zich dapperst weren.

AAN DE CRITIEK.

Is waarlijk goed te doen uw onvermengd bedoelen, En kleeft er praal- noch vitzucht aan: Doe wat gebrekkig is aan wie u leest gevoelen, Maar wat voortreflijk is, verstaan.

-ocr page 594-

T

116 AAN EEN RECENSENT. - VOELHORENS. — ALLEENSPRAAK ENZ.

AAN EEN RECENSENT.

Hoe kweet ge u van de taak, die u werd opgedragen? Gaaft gij verslag van \'t werk, of hebt ge uw man verslagen;

VOELHORENS.

Gij hebt ze wel, of hebt ze niet.

Maar kunt ze uitbotten doen, noch maken; Er eens bij toeval aan te raken,

Is iets dat nimmermeer geschiedt;

Gij leest ze niet uit boek of blaren;

Zij komen met geen ambt ot jaren;

Door schoonheid, schatten, edel bloed.

Door niets, wordt hun gemis vergoed;

Niets dat hun taak kan overnemen ;

Waar zij ontbreken, daar vergist Zich kloeke wijsheid, schrandre list; — Een ding alleen kan niet bevremen;

Men mist ze, en voelt niet dat m\' iets mist.

ALLEENSPRAAK

TAN EEN WIJSGEEKIG KUIKEN, PAS TJiT DEN DOP.

Zeer vreemd, voorwaar! Bijzonder zonderling!

Nochtans verblijd ik mij in dees verandering:

Het duister van den kerkerdop verdwenen.

En mijn gedachten, vrij gelijk mijn beenen.

Zich roerende in een onbegrensden kring!

Niet langer zoo onredzaam ingepakt;

In staat tot onderzoeken, tot betoogen.

Waarnemen en doorzien met klaarziende oogen,

Kn, zoo zich harde knoopen opdoen mogen.

Die opgelost of, moet het, doorgehakt!

Zou een vrij denkend kuiken \'t kuikenleven In twijflen slijten, daar \'t met twijflen aanvangt? Neen! \'t Probleem moog zwaar zijn, dat zich opdoet voor mijn schreêiï Ik ben geen kuiken om het op te gev3n —

Ik ben niet blind; wie blinddoekt mij? Niet een.

Laat zien! Dit \'s de eerste vraag; Hoe nm ik ingekomen Waar \'k uitgekropen ben? De tweede is: En van waar

Kwam ik daar inquot;! De derde: Waarom daar Niet eerder uitgeraakt? \'k Beken het: ver van klaar

Is my dit drietal raadsels. Zou ik schromen Het onder \'t oog te zien? Neen! Laat mij peinzen!.... Maar

-ocr page 595-

geep msê.

Hoe tceet ik dat ik ooit geweest ben, waar ik zeide Dat \'k uitkroop? Neen, voorwaar! hoe grondiger ik denk, Hoe min vertrouwen \'k aan eene onderstelling schenk Zoo stuitend voor mijn rede en zelfbewustzijn beiden.

Met recht in opstand waar \'k mijn kuikenwaarde krenk____

Onmooglijk! Ik, met lijf en beenen, snavel, schachten. En vlerken, en dit machtig hoofd.

Die werkplaats der diepzinnigste gedachten.

Eens in zoo vuil een dop!... Een slechthoofd die \'t gelooft! Neen, neen! Laat andren zich met schijn van waarheid paaien; Ik ben geen kuiken, dat m\' een rad voor \'t oog kan draaien. Maar dat bij licht van eigen rede ziet.

En wat ik niet begrijp,_ geloof ik niet.

Doch van waar kwam ik dan? Dien doolhof uit te komen Is zoo gemaklijk niet; is deksels zwaar. Maar zacht! Natuurlijk is daar van nature een kracht. Een vormkracht, alles vormende uit atomen.

Die, ergens in de ruimte, en onverwacht (Ook onbedoeld, dat spreekt!) bijeengebracht.... Gebracht? Wat zeg ik? niet gebracht, gekomen, En, naar de ontwikklingswet — (dat schrikbeeld van de vromen, Maar sleutel van \'t heelal) — ontwikkeld, — duizend jaar -Et cetera.... Daar hebt gij \'t. \'k Zie \'t zoo klaar Als dees mijn neus-tip met dit oogenpaar.

Wat hoor ik daar? Mijn moeder kakelt tegen!...

Daar is ze een oudje voor en weinig aan gelegen;

Ze is diep onkundig, ver ten achtren, en veracht (\'t Vooroordeel toont in\'haar zijn kracht)

Het nieuwe, als ik het oude, uit alle macht.

Hoor haar eens leutren! „Diepe denker, stoute spreker! Wat zoudt gij ivezen dan een dwaas? \'k Zie \'t hij uw taal,

Zoo klaar, zoo duidlijk en zoo zeker.

Als aan uw achterst dit fragment van de eierschaal!quot; Voortreflijk! Dit fragment! Üw achterst! Wij herkennen \'t Mallootig bijgeloof van sutfe moederhennen.

Dat altijd zien wil wat het ziet!

Voor mij, hoe \'k mij bevlijt om langs mijn neus te staren, \'t Doet me aan mijn achterst\' schaal noch schaalsgelijk ontwaren, En \'k blijf standvastelijk met kuikenmoed verklaren:

Wat ik niet zie, geloof ik niet.

naar liet eugelscli.

GEEP MEE.

Geef meè, geef toe, geef op, laat los, Waar \'t eigen recht geldt, eer of goed, Waar ruwheid, hebzucht, overmoed

117

-ocr page 596-

LAAT UB LEEK VOOK ANDKEN STAAN.

Uw nadeel zoekt; gefnuikte trots En afgunst, met geweld of list, U afbreuk doet, uw roem betwist!

Mijn Christemnensoh! veel beter is \'t Dat ge onrecht lijdt dan doet.

Maar sta voor \'t recht van andren pal. Verweer de weduw, wreek den wees; Keu eigenbaat noch menschenvrees, Waar \'t hun bescherming gelden zal; Verdedig d\' aangevallen vrind, De zwakke vrouw, het weerloos kind! \'t Is de eereplicht, waaraan geen Man Van eer zich weigren kan.

LAAT DB LEER VOOR ANDREN STAAN.

Laat de leer voor andren staar,,

Daar gij langs zijt opgegaan.

Om zoo schoon een vrucht te plukken.

Als geen mensch kan gadeslaan, Zonder innig zielsverrukken.

Wijs den dwalende het pad,

Dat uw wijzer voet betrad,

Om den doolhof \'uit te komen.

Die ook u verbijsterd had En een wis verderf deed schromen.

Toon den sukkelaar \'t recept,

Dat gij tegen kraukheên hebt. Die haar aantocht merken laten,

Eer de kwaal een toestand schept. Dat geen medicijnen baten.

Zeg niet met een koel gelaat: „Elk moet weten wat hem baat, „Wat hem uithelpt, of doet slagen!quot;

Reik de hand tot raad en daad.

Waar een oog die schijnt te vragen.

118

-ocr page 597-

ECHTPAAK. — ZIELSVEBIIEFFINQ. — GROOTHARTIG, ENZ. 119

ECHTPAAR.

As unto the bow the chord Is,

So unto the man is woman,

Though she bends him, she obeys him, Though she draws him, yet she follows, Useless each without the other.

Longfellow. The song of Hiawatha,

De vrouw is voor den man, wat voor den boog, de pees. Zij buigt hem, maar gehoorzaamt hem;

zij trekt, maar dient hem steeds. Te zaam een nuttig paar,

Is zij niets zonder hem, en hij niets zonder haar.

ZIELSYEKHEFFING.

Verhef uw ziel! Laat haar ten hemel stijgen, Terwijl uw voeten nog op aardschen bodem staan! Doch niet om, duizlend van verrukking, neer te zijgen. Maar om te kloeker voort te gaan.

GROOTHARTIG.

De bloodaard beeft voor \'t geen den held verheugt. Een groote ziel versmaadt te kleine vreugd; \'t Genot der rust kan zij geen heilstaat heeten; Zij hoeft een vijand, om haar kracht te meten. En rampen, tot beproeving van haar deugd.

STEL TEGEN DRIFT GEEN DRIFT.

Stel tegen drift geen drift, maar wacht uw tijd en duik!

De hartstocht is geen kracht, maar krachtsverbruik.

WAT DE NATUUR BEDWINGT.

Wat de natuur bedwingt en perken zet. Kan geen natuurkracht zijn; is wil, geen wet.

PESSIMISME.

Gij klaagt: „het leven heeft niets zoets,quot; Nadat ge u eerst met voile teugen Door zingenieting liet verheugen —

Is \'t ook de haarpijn na den roes?

-ocr page 598-

120 vreeze des doods. — gevolgtrekking. — os sublime, enz.

VREBZE DES DOODS.

Waarorp den dood gevreesd, den stervende beklaagd?

Niets wordt een prooi des doods dan wat hem in zich draagt.

GEVOLGTREKKING.

\'k Voel mij al samen vrij; gedrongen; en verplicht. Wat zegt dit dan: daar is een God, en een Gericht?

OS SUBLIME.

Geen os sublime meer; die tijd is lang geweest;

Geen God; geen Geest; geen Mensch; nog slechts een schrander

[Beest....

— Waarvoor gij boeken schrijft en die het, hoopt gij, leest.

COELUMQÜB TÜERI.

Geen blik meer naar omhoog; geen opzien naar het Licht; Maar duiken in de Stof, met lenzen voor \'t gezicht....

— En dwepen met de cel, wie ge alles zijt verplicht.

HET LIED VAN DE CEL.

Hoezee! wij komen uit de Gel,

Wij meisjes en wij knapen, En uit dezelfde cel nog wel.

Met schimmels, oesters, apen!

\'t Ging immers langs een rechte lijn,

Vau \'t minste tot de meesten, Tot waar een epicurisch zwijn De koning is der beesten!

Natuur-kzwv ving de schaakling aan,

En, waar haar kunst bleef steken, Heeft tf/\'He-keur de rest gedaan,

Die van zich af durft spraken l).

\') Variant: Heeft wetenschap on3 borg gestaan Voor schalmen, die ontbreken.

-ocr page 599-

OPVLIEOENDHEIP. — VEE!, PIJLEN. — OPSCHIK. — NIET TEN HALVE, ESZ.

Hoezee! wat groeit, wat vliegt, wat zwemt,

Het tam gedierte en \'t wilde, \'t Is al, met ons, tot niets bestemd, \'t Groot Cellebroeders-gilde!

OPVLIEGENDHEID.

Opvliegendheid vliegt over \'t hoofd, en wordt veracht. Gerechte toorn ia kalm en doet op \'t hart zijn kracht.

VEEL PIJLEN.

Veel pijlen stelt gij op uw boog

en schiet ze her en der; Maar hun punt is niet scherp

en zij dragen niet ver; Alleen door wat wind gaan zij hoog.

Dies dient het niet gelaakt, Dat van hun mooie veeren Gij \'t meest hebt werk gemaakt.

OPSCHIK.

Wat is, bij schrale stof, een opgesmukte stijl? Een bonte veder aan een botten pijl.

NIET TEN HALVE.

Aanvaard wat God u oplegt gansch en gaar! Zwaar zij het kruis: het halve is eens zoo zwaar.

VRAAGT GIJ.

Vraagt gij wat diep in \'t hart en op zijn bodem ligt? Deze eerste plicht, van niet te twijflen aan den plicht.

BLAF, TROUWE HOND!

Blaf, trouwe hond! waar nood is of gevaar; Maar laat u uit uw hok niet peutren door misbaar.

-ocr page 600-

SPKEÜKEN. — AAN MIJN ZONEN.

SPREUKEN.

Wat niet kalm is, is niet groot; Wat niet koud is, nog niet dood; Wat niet laag is, is niet klein; Wat niet klaar is, is niet rein; Wat te zoet is, is niet zoet; Wat niet waar is, is niet goed; Wat niet goed is, is niet wijs; Wat te vroeg is, niet bijtijds; Wat niet recht is, is niet krachtig; Wat niet matig is, niet machtig.

Die driest beweert, is niet geleerd; Die graag verkettert, niet bekeerd; Die alles aandurft, niet beproefd; Die groot misbaar maakt, niet bedroefd; Die luide klaagt, heeft weinig piju; Die minst is, wil de meeste zijn.

AAN MIJN ZONEN.

Wanneer het graf mijn stof begeert. Mijn lijk gevoerd wordt langs de straten En straks ter groeve neergelaten. Wat wereld zal ik achterlaten? ....

Een wereld, waarin God regeert.

Een wereld, waarin God regeert.

Zijn almacht als van ouds zal toonen. Als altijd, bij de oprechten wonen —

Dit zij uw kracht, uw troost, mijn Zonen! Bij al wat ergert, kwetst, en deert.

Bij al wat ergert, kwetst, en deert, Bij al wat vallen zal en zinken, Met valschen glans en kleuren blinken. Godlasterlijk in de ooren klinken,

En oud\' of nieuwen afgod eert.

Een oud\' of nieuwen afgod eer\' Het kroost niet uit mijn heup gesproten. Met heilig doopvocht overgoten....

De stam behoorde U; laat de loten Niet groenen dan voor U, o Heer!

-ocr page 601-

LIEFDE NA DEN DOOD.

LIEFDE NA DEN DOOD.

De liefde ontwaakt in \'t mensclilijk hart Sterk, waar de Dood zijn werk gedaan heeft.

Wie voelde \'t niet met schaamte en smart, Die eenmaal bij een lijk gestaan heeft?

Daar laij hij, dien men had gekend, En toch niet heel en al gekend had;

Wie weet? Men vreest het! Tot op \'t end In menig opzicht wreed mis-kend had.

Nu zijn er oogen om te zien Wat schoonst en best was in dat leven,

En sterke neiging bovendien Om \'t slechtste een beetren plooi te geven.

Nu is het voor altoos gedaan Met dat lichtvaardig vonnis vellen;

Nu vullen wy \'t gebrekkige aan. Om \'t nooit gebleek\'ne te onderstellen!

Nu kunnen wij — wij konden \'t lang.

Maar deden \'t niet, in al die jaren! — Het ergste ook uit den samenhang Met iets belendend goeds verklaren.

Heel de inhoud van den liefdeplicht,

Dien we altijd kenden, schaars betrachtten.

Komt tot ons met zijn vol gewicht. En blijkt zoo zwaar niet als wij dachten.

Ach, waarom levenslang bestreen. Of slechts ten halve toegegeven,

Waarvoor het hart te pleiten scheen. En dat Gods Woord had voorgeschreven?

Ach, waarom levenslang betwist.

Wat we in een oogenblik begrijpen,

Zoo ras een doode aan dien sofist-in-\'t-hart den gorgel toe komt knijpen?

Ach, waarom gij, die met ons leeft, Is \'t noodig dat ge ons gaat begeven.

Eer onze liefde u alles geeft.

Waarop gij recht had heel uw leven?

123

-ocr page 602-

WEL GOED. — GELOOVEN EN WETEN. — GEEN DOEL?

WEL GOED.

„Wel goed, maav ruw.quot;

Waarom dat nu?

Is voor die goed zijn kan het ruw zijn onverwinlijlf? En zoo hij \'t wezen wil, waarom ook niet beminlijk?

GELOOVEN EN WETEN.

Gij weet, en gaat mij ver te boven; Ik weet alleen maar te gelooven.

GEEN DOEL?

Gij zegt: „Dat al wat is een doel heeft, is verzinsel

Van bijgeloof, verbeelding, vroom gevoel.quot; Ik zeg: Daar is een doel waar orde is, en \'t beginsel Der orde is anders niet dan juist — het doel.

-ocr page 603-

ZELFBAN.

UIT

WALTER C. SMITH\'S

HILDA; AMONG THE BROKEN GODS.

-ocr page 604-

Als de doodelijkste dwaling klinkt het nu eens in mijn oor; üan weer is het mij alsof ik enkel evangelie hoor;

Iets waar \'k zelf in staat toe ware, dan juist als \'t geloof het luidst In mijn hart spreekt van de liefde, die voor zondaars werd gekruist. Maar dan komt van achttien eeuwen weerde eenpaarge stem en schreit: „Wee den dwazen, heil den wijzen maagden, in alle eeuwigheid!quot; Mag ik op mijn hart vertrouwen, waar mij alles wederlegt?

Hilda.

-ocr page 605-

Z E L P B A N.

Een ziel verlost van zonde en dood,

En rein van smet.

Kwam. -waar zich \'s hemels poort ontsloot, Met steelschen tred.

Al de Englen zwegen stille.

Een glans lag op haar aangezicht,

Zoo vol en klaar;

Maar ook een schaduw, bij dat licht, Gansch wonderbaar.

Al de Englen zwegen stille.

Als de avondwolk, die zachtjes drijft,

Met goud omboord.

Maar schijnbaar onbeweeglijk blijft, Zoo sloop zij voort.

Al de Englen zwegen stille.

„Ontsluit de poort, ontsluit haar wijd!quot;

Hiep Petrus uit.

„Zij is van smet en vlek bevrijd;

„Niets dat haar stuit.quot;

Al de Englen zwegen stille.

,rAl kleeft mij smet noch vlek meer aan,quot;quot;

Zoo sprak zij stil,

,,lk kom niet hier om in te gaan; „„Ik mag noch wil.quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„Een blik slechts in de Stad, zoo schoon!

„„Een blik voor m^

„„Op \'t Lam, dat in den gouden troon „„Zit aan Gods zij!quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„Eén galm slechts van het Nieuwe Lied

„„Tot \'s Winnaars eer!

„„Van \'t Levend Water, dat hier vliet, ,„\'t Geruisch, niets meer!quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

-ocr page 606-

ZELFBAX.

,„Het ingaan staat niet aan mijn macht; „„Want ik moet zijn,

„„Waar een tot leed gedoemd geslacht „„Krimpt in zijn pijn.quot;quot;

Al do Englen zwegen stille.

„„En die hier inging mag tot daar „„Niet overgaan,

„„Hoe foltrend hem hun droef misbaar „„Om \'t hart moog slaan.quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„Die inging: zucht noch stomme smart „„Mag om hun nood

„„Zich niet meer melden in zijn hart, „„Hoe zwaar en groot.quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

,„Ik had twee broedren; eigen bloed „„Is \'t hart zoo dier;

„„Thans vloeken zij elkaar verwoed „„In \'t helsche vier.quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„Hoe zou \'k de gouden harpe slaan, „„Als door mijn lof

„„Zoo diep een weemoedstoon moest gaan, „„Die hen betrof?quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„Hoe nog beminnen wat versmacht, „,En zijn verblijd?

„„Hoe loven, met mijn gansche kracht, „„Als \'k om hen lijd?quot;

Al de Englen zwegen stille.

„ „O Heerlijk straalt de Gouden Straat, „„Waar \'t oog op blikt!

„„De Boom, die in het midden staat, „„Geurt en verkwikt!quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„De Heiligen met kroon en palm, „„Hoe schittren zij!

„„Hoe schoon en grootsch hun zegepsalm! „„Maa* niet voor mij.quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

Iü8

-ocr page 607-

ZELPBAN.

,„Hier is geen nacht; maai-, waar geen dag

„„Is, moet ik heen;

„„Rampzaalgen troosten wat ik mag, ,,In hun geween.quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

Sint Petrus zag haar toornig aan;

Straf klonk zijn stem:

„Mint gij den Heer, en wilt gij gaan „Zoo ver van Hem?quot;

Al de Englen zwegen stille.

„Mint gij den Heer, die voor u stierf,

„Ln mjjdt gij \'t oord,

„Waar de eerkroon, die hij zich verwierf, „Zoo schittrend gloort?quot;

Al de Englen zwegen stille.

„Die eens hier inging kent niets meer

„Waar \'t hart naar haakt:

„Niets mist hij, want hier is de Heer, „En \'t heil volmaakt.quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„Zou \'k dichter bij mijn Heiland zijn,quot;quot;

Was \'t wederwoord,

„„Met minder deernis voor de pijn,

„„Die hen doorboort?quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„Hem meer gelijken, nader staan,

„„Met min gevoel „„Voor hen, die in hun leed vergaan, ,„In gindschen poel?quot;quot;

Al de Englen zwegen stiLe.

„„Verdroeg Hij niet de schande en smart

„„Aan \'t kruis voor mij,

„„Mijn zonde dragende op zijn hart, „„Uit medelij?quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

„„Zou \'k dit vergeten, en aan Hem

„„Gelijker zijn,

„„Slechts juichende met luider stem: „„Het heil is mijn?quot;quot;

Al de Englen zwegen stille.

129

-ocr page 608-

130 VOS NON VOBIS. — BILDEBDIJK.

De Heer stond zelf dicht bij de poort, En hij verstond

Het diep gevoeld, ontroerend woord Uit haren mond.

Al de Englen zwegen stille.

Ontferming is een godlijk iet In \'t menschlijk hart;

Dat, waar Gods Eenge mensch om werd, Verzaakt hij niet.

Al de Englen zwegen stille.

,0 Liefdrijk hart!quot; heeft hij gezeid, „\'k Zal met u gaan.

„Ook mij staat enkel heerlijkheid „En macht niet aan.quot;

Al de Englen zwegen stille.

„\'t Verloorne gaan wij zoeken en „Wat diepst me ontviel —

„Die ergsten, wien ik noodigst ben, „Gaan me aan de ziel.\'

Al de Englen zwegen stille.

VOS NON VOBIS.

Als de os met al zijn kracht het akkerveld geploegd heeft: Voor andren de oogst die opgaan mocht!

Als \'t rustloos biitjen trouw de raten vol gezwoegd heeft: Voor andren \'t kostlijk honigvocht!

Voor andren \'t nestjen, dat zij ophangt aan de klippen, \'t Kiesch zwaluwtje van \'t Indisch strand!

Voor anderen de kus dier lieve maagdelippen.

Waarvoor ge uw leven hadt verpand!

Voor andren \'t wild, dat door een maagren hond met woede Vervolgd werd op de lange-jacht!

Voor andren \'t voordeel van de rijmen, daar ge op broedde, De eer der gedachten, die gij dacht.

Naar Barbier.

BILDERDIJK.

Op u te vuren blijft aan de orde, maar los kruit Bluscht geen onsterflijk leven uit.

Na de lezing van ....

-ocr page 609-

liefdes rijkdom, enz. 131

oprechtheid. —

geen vergeldend god. —

GEEN VERGELDEND GOD.

God mag geen recht doen; recht wordt onrecht, als Hu straft. Ontkomt gij \'t aardsch gericht, gij hebt niets meer te vreezen. Het hemehche (in zoo ver daar sprake van kon wezen)

Is door \'t moderne Weten afgeschaft.

OPRECHTHEID.

„Oprechtheid is voor \'t minst een deugd van onzen tijd.quot;\' \'t Is waar; men vreest geen schande, en is de schaamte kwijt.

LIEFDES RIJKDOM.

God, over hoeveel hoofden

verdeeldet gij mijn hart! En zoo er een zou zeggen:

„Ik heb het kleinste part!quot; Zij slechts een matig koortsjen,

een nietig leed zijn deel, Terstond zal hij gevoelen:

„O Neen! ik heb het heel.quot;

Is liefde zich te geven,

geheel te geven, dan Besta ik zoo veel malen

als ik beminnen kan. Vermenigvuldigd leef ik,

als ik liefhebbend leef, Bezittende mijzelven

zoo dikwijls ik mij geef.

DRIFTIGE MENSCHEN GEEN VERRADERS.

,\'k Ben driftig, maar Goddank! ook geen verrader!quot; Goed, Zoo gij noodwendig \'t een, of \'t ander wezen moet.

HET OOG VERRAADT DEN MENSCH.

Het oog verraadt den mensch, den vijand, en zijn doel. Het vlamt, of veinst (maar dat gij \'t merkt), al schijnt hij koel. Schermmeesters leerden mij, had ik \'t rapier getogen:

Volg dat uw \'s vijands niet, maar zie hemzelf in do oogen.

-ocr page 610-

passend; maak ook gepast? enz.

VEEL LEER IK STEEDS.

Veel leer ik steeds, dat ik niet wist; Nog meer, waarin \'k mij had vergist.

PASSEND; MAAR OOK GEPAST?

Het zwierig kleed, waarin m\' uw dochter ziet, Is passend — \'t past haar, maar het past haar niet.

QÜERÜLIANUM.

Gelijk uien zegt: „Ik zoek, ik zocht,

Ik breng, ik brocht,quot;

Zoo zei men ook: „Ik werk, ik wrocht,quot; Zoolang het volk zijn taal verstond.

Thans hoor ik, uit geleerden mond: „Ik wrocht, ik wrochtte, heb gewrochtquot;.... Nu ja! — oen wangedrocht!

GODLOOCHENING.

De vraag naar God wordt in uw boezem nooit gestild. Gij wordt belegerd, door hetgeen ge ontkomen wilt.

DE DOOD VERZOENT.

De Dood verzoent. Dat we allen sterflijk zijn Bezweert geen strijd, geen veede;

Maar stervens-Noou en stervens-puN, En sterven metterdaad zijn stappen tot den vrede. „Die uoede manquot; is de overleden man.

liet Graf maakt goed; de Dood heeft deeer ervan.

WEL DUIZENDMAAL.

„\'k Herinner hem wel duizendmaal „Zijn duren plicht met kracht van taal „Of onmiskenbre wenken.quot;

Mijn vriend! gij kwelt vergeefs uw geest. AVat nimmer is bedacht geweest. Kan niemand doen her-denken.

vkel leer ik steeds. —

-ocr page 611-

VKHSTAND EN HART. — GEEN VERGOEDINO. — VEliOISSING, ENZ. 133

VERSTAND EN HART.

Als uw verstand,

Die dwingeland,

Uw tavtsgeloof u duidt ten kwade,

En quot;t vonnis velt, dat u verplet:

Zoek baat bij uitvlucht noch verzot,

Maar vraag alleen genade.

GEEN VERGOEDINa.

Geen nieuwe vriend vergoedt den vriend, die u verliet, \'t Hart laat zich troosten, maar zich schaadloos stellen niet

Ontleend.

VERGISSING.

,Dit trouw gelaat bedriegt niet!quot; riep ik uit.

En toch, \'t bedroog; die \'t omdroeg bleek een guit. Wat zeg ik nu? „Vertrouw geen mensch meerquot;? Neen! „Vertrouw uw oog wat minder dan voorheen.quot;

J. J. VAN OOSTERZEE,

IN DEN VEEEMDE GESTOBVEN.

(Wiesbaden, 29 Juli 1882.)

Altius egit Iter.

Hij ging op reis. Waarheen? Wij dachten dat wij \'t wisten. Maar quot;wisten \'t waarlijk niet.

Op eenmaal bleek hoe deerlijk wc ons vergisten,

Toen hij zijn reisgenoot verlegen achterliet.

Wat was \'t? Zijn beste vriend, zijn Heiland was gekomen. En, ziende \'t reiskleed dat hij droeg.

Had hij hem eensklaps meêgenomen Naar \'t beter vaderland, daar lang zijn hart voor sloeg.

Nu zien we elkander aan met stil ontroeren;

Maar niemand keurt het af, al doet het pijn;

Want op zijn beurt wenscht elk te zijn In \'t goede land, waar hij zich heen liet voeren.

WASHINGTON.

Waar blinkt aan \'t oog, van staren moe, Dat ware grootheid vraagt.

-ocr page 612-

IN HET ALBUM, ENZ. — DAAR IS IETS TINTLIGS ENZ.

Geen glorie die bevlekt is toe, Of hoogheid die verlaagt\'?

In U het eerst, het laatst, het best.

Mijn Cincinnatus van het West!

Aan wien geen nijd zich waagt; Die ons een blos in \'t aanzicht drijft. Omdat gij de Eenge zijt en blijft.

IN HET ALBUM,

Meveouwe BOSBOOM —TOUSSAINT

AAKGEBODEN OP HAAIt ZEVENTIGSTEN VERJAARDAG.

16 Sept. 1882.

Van die tienmaal zeven jaar Hebben gij en ik elkaar Meer dan zestienduizend dagen Vriendschap, achting toegedragen.

Heeft, bij blond en grijzend haar, \'t Hart ons altijd warm geslagen

Voor wat Schoon is. Goed, en Waar.

En zoolang mijn adem gaat.

Mij \'t verstand de dingen laat In het rechte licht beschouwen,

Zal ik haar in eere houen,

Die, daar ze ijdlen lof versmaadt. Van de Nederlandsche vrouwen,

Op den top der eere staat.

DAAR IS IETS TINTLIGS IN DIE OOGEN.

Daar is iets tintligs in die oogen.

Iets donzigs op die rozewang;

Daar gloort iets wonders op de tippen Dier vriendlijk lachelende lippen,

Bereikbaar door penseel noc,.i zang.

Daar klopt een hartjen in dien boezem, Zoo vol gevoel, zoo zacht en goed. Zoo rein in wenschen en begeeren, Zoo buigzaam voor den wil des Heeren, Dat die het kwetsen kon of deren Zichzelf geheel verachten moet.

134

-ocr page 613-

INVLOED. — VARUS MODIS —MALE FIT, ENZ. 135

INVLOED.

Die invloed hebben kan en wil, bedenke steeds:

Daar ia iets sterkers dan mijn invloed: de invloedvrees.

VARUS MODIS—MALE PIT.

Gij wilt slechts blindelings gelooven,

En schuwt het onderzoek, en ducht er d\'uitslag van.

,Het mocht u de gerustheid rooven!quot;

Maar dit is uw manier van twijflen, beste man.

BBKEERING- OP BBKEERDHEID.

Wel hem die zich bekeert en blijft bekeeren. \'k Acht Bekeering hoog, maar houd bekeerdheid voor verdacht.

V A.CANTIE WERK.

De tijd moet ons niet altijd koi-t, Behoort ons somtijds lang te vallen,

Opdat er tijd gevonden word\'

Voor wat het noodigst is van allen;

En daarom dient er niet gemord, Mijnheer met groot beslag van zaken, „Waar gij niet uit of door kunt raken!quot;

Zoo God u eens op \'t ziekbed stort, Om voor dat noodigst plaats te maken.

THE PEN IS MIGHTIER THAN THE SWORD.

BULWEIi.

„De pen is machtiger dan \'t zwaardquot;

Heeft hij verklaard,

Wiens pen reeds merklijk wordt vergeten;

Maar toch, dit woord is alles waard.

Hoezee, hoezee! tnjjn prulpoëten!

De pen is machtiger dan \'t zwaard.

De pen; ow pen; die stalen punt,

Die gij vergunt Haar weg te gaan met sierlijk horton

En stooten, is \'t er op gemunt.

Kan staat en tronen in doen storten!

Met haar is \'t grensloos wat gij kunt.

-ocr page 614-

136 ÜW HART IS IN UW OOGEN. — BLOEMEND A A Ij.

Een tooverstaf, een geeselroê (Gij weet wel hoe!), Een toorts tot bai-nen, of verlichten:

Aan u staat wat ze worde of doe — En wil \'t niet lukken met Gedichten : Zoo leg u op het Dagblad toe.

UW HART IS IN UW OOGEN.

Uw hart is in uw oogen,

Een hart vol liefde, een hart vol gloed Voor al wat schoon is, groot, en goed, Een hart vol mededoogen,

Een hart vol kracht en moed.

Uw hart is in uw oogen;

(Jw oogen stralen tot in \'t hart. Tot diep in \'t innig hart; wie tart Hun wonderbaar vermogen. Wanneer gij ze openspart?

En zijn ze neergeslagen;

Wie bukt niet voor de stille ma.cht Dier zedigheid die, rein en zacht.

Niet droomt van te behagec,

En \'t doet met dubble tracht?

Maar doet een traan ze zwellen. Te lang verdrukt, vergeefs geweerd: Wien breekt het hart niet, wie begeert Niet naar u toe te snellen, Te vragen, wat u deert?

BLOEMENDAAL.

aan Ida en Cobnelia de Maeez Otïns.

\'k Tel achtenzestig jaar. \'k Verjongde quot;ijftig jaren,

Toen ik omringd van liefde, schoonhsid, deugd. En vriendschap die veel jaren heugt.

Lief lustoord van mijn vroegste jeugd!

Bekoorlijk Bloemendaal! Uw bosschen door mocht waren,

Mijn groenen duinkant wederzag.

En van des Blinkerds top mijn grijze stad aan \'t Sparen Begroette met een stillen lach!

-ocr page 615-

liLOKM KNl) A AI..

,Daar heb ik eerst om honig uitgevlogen,quot;

Omtrent dien oeverrand,

Met ruischend riet beplant,

„En als een bie violendauw gezogen.quot;\'

Daar werd me de eerste vonk in \'t hart gegeven Van \'t vuur dat, eens ontgloord,

Verdoofd wordt noch gesmoord, En \'t aanzijn tot geen duken maakt, maar leven.

Daar heb ik eerst de knie voor God gebogen;

Daar is mijn ziel ontwaakt Voor wat gelukkig maakt.

En \'t leven in doet zien met moed in de oogen.

O Dierbre Stad, wat al herinneringen Verdrongen zich verward En prikkelden mijn hart.

Op nieuwen toon uw ouden lof te zingen!

Daar laagt gij, met uw kerken, met uw huizen, Omringd van beemd en bosch In rijken najaarsdos,

En \'k zou uw heerlijke omstreek weer doorkruisen;

Weer dwalen onder \'t eik- en olmenlommer, Het beuk- en berkengroen.

Zoo als het grijsaards doen,

Die daar hun jeugd hervinden vrij van kommer.

Nog prijkten met hun kronen de oude stammen, Beschaduwend het pad,

Waar \'k op en neder trad,

Als in mijn borst het dichtvuur op kwam vlammen.

Een jonger teelt was naast hen opgeschoten.

Maar stond, zoo docht het mij,

Met eerbied aan hun zij Slechts ijvrend onderling met frisscher loten.

En de eigen bloemen lachten, steeds herboren, Van de eigen plaatsen me aan.

Waar ik ze \'t eerst zag staan,

En lonkten zoo vertrouwljjk als te voren.

De tyd is ver. Waar zijn mijn jonglingsdagen?

Mijn mannenleeftijd nijgt Ten ouderdom; reeds stijgt De nevel op, dien niemand kan vertragen.

137

-ocr page 616-

138 db oude olm bij kraantje-luk.

Maar ilc ook blijf het hoofd naar hoven steken; Ook mijn stam is niet zwak,

Al brak wel menig tak Ontijdig af en liet een jammerteeken.

En \'t jong geslacht, dat \'k om mij zag verrijzen, En eens mijn plaats vervult,

Betoont geen ongeduld,

Verveel ik niet, maar blijft mij eer bewijzen.

En o! wat rijke schat van blijde bloemen. Die liefde groeien doet,

Bloeit vroolijk voor mijn voet,

En doet mijn hart de hoogste liefde roemen;

Die hoogste liefde, die mij schraagde en leidde. En, na zoo menig vreugd,

Mij in dit Eden mijner jeugd, In \'s levens laten herfst nog lentevreugd bereidde.

toeeigening.

Gij jongste Telgen, aan een Stam ontsprongen, Myn vriendenhart zoo dier,

Aanvaardt dees klanken van mijn lier, En denkt: „ook wij, wij deden hem verjongen.quot;

Sept. 1882. _

DE OUDE OLM

bij

„KRAANTJE-LEKquot;,

aan den voet van den Blinkerd, bij Haarlem.

Ja, \'t is nog \'t oude Kraantje-lek \'),

Vaak door mijn voet betreden, Behelzende in beknopt bestek

Tal van vermaaklijkheden:

De wipplank hier, de schommel daar,

En gij, mijn Olm, die honderd jaar Het voorbeeld hebt gegeven Van op de schors te leven.

Uw Blinkerd2), door Van Walré\'s lied

Zoo luid en hoog geprezen,

Is sedert lang de Blinkerd niet.

Waarvoor zijn zangen rezen.

De mensch Leeft hem te zeer geplaagd,

-ocr page 617-

DE OUDE OLM BIJ KRAASTJE-LEK.

Zijn hooge schedel is verlaagd,

Zijn romp ineengezonken,

Zijn lenden zijn geslonken.

Maar gij, hoe hol, heft nog de kruin. En draagt uw eeuwen prachtig!

Geen storm, die aanrukt over \'t duin, Geen tijd is U te machtig.

Voor zestig jaren kende ik u;

Toen waart gij reeds zoo hol als nu, En nu, indien \'t kan wezen, Nog groener dan voordezen.

De schoolknaap, met zijn kameraads Naar Kraantje-lek getogen,

Zag in dien hollen stam een plaats, Begeerlijk in zijn oogen.

Hij daalde, als in een levend graf,

In uw ontzaglijk duister af

Met zingen en met fluiten — Gij kondt er vier besluiten.

De grijsaard, zestig jaar daarna.

Stapt weer uw heiligst\' binnen.

Genoodigd, volgen hem weldra Twee jeugdiger vriendinnen.

Ons drietal was u wellekoom,

Mijn kraantje-leksche wonderboom! Wij konden \'t wel ontwaren Aan \'t raatlen van uw blaren.

Blijf lang nog frisch en vol van kracht. Schoon holste van de hollen!

Beschaam, door kroon en bladerpracht, De volste van de vollen!

Blijf, door herbergzaamheid, de vreugd

Van Haarlems wandelgrage jeugd. En, hoe ook stormen razen.

Elk nieuw geslacht verbazen!

OPHELDERINGEN.

\') KRAANTJE-LF.K.

— „de oude herberg „het Kraantje lekquot;, het paradijs der Haarlemsche jeugd. Daar staat een der oudste en merkwaardigste voortbrengselen van het plantenrijk in Haarlems omstreken, een holle iep {l\'lmus suberosa L.) wiens korte stam een verbazenden omvang bezit. De boom is geheel hol, en uit zijn dikke, bouwvalachtige wanden groeijen van boven dikke takken en vormen een breede groene bladerkruin, zoodat hij in de verte gaaf schijnt. — Deze boom is een der dikste

139

-ocr page 618-

AAN DEN PREDIKANT J. MOLL JBZ.

van Haarlems omstreken. — Te midden van het gulle zand, aan den voet van den stulvenden Blinkert, staat deze kolos daar als het prachtigste monument van het oude Haarlemsche woud.

De stam heeft een omvang van 6 Ned. el, en de ouderdom des booms wordt door de bewoners van het oord gerekend op 500 jaren, welke berekening niets onwaarschijnlijks heeft. Hjj Is de laatste van een groep dikke boomen, waarvan In het begin dezer eeuw nog twee aanwezig waren; zijn takken moeten nog voor vijftig jaren een verbazenden omvang hebben gehad. —

Kraantje-lek ligt aan den noordeljjken uithoek van eene schilderachtige duinvlakte, vroeger uitgestrekter, lager, en met een waterplas, het Vojmeer, bedekt, waaruit waarschünlijk de Haarlemsche Beek haar oorsprong nam. Ook hier heeft men verondersteld, dat een heiligdom onzer voorvaderen geweest is, en in deze veronderstelling ligt niets ongerymds. Ja, ik zou in het denkbeeld kunnfen komen dat hier in het bosch bij het meer, en op weinig afstand van de zee, de eerste tempelhut of Harah tor eer van moeder Aarde in deze streken Is gevestigd geworden. De Zeeuwsche volksgodin had ook haar heiligdom aan den zeekant. Bij het volk is Kraantje-lek sedert onheugelijke tijden als plaats van vermaak In hooge eer.

En gelijk wy in onze bosschen nog de bloemen van het oude woud terugvinden, zoo zien wij bij het Haarlemsche volk, in zyn vroolfjke tochten naar Kraantjelek en in het vieren van den Hartjesdag de sporen van den voormallgen «eredienst van de Aarde, Hertha, onze groote en goede moeder.

Kraantje-lek, even als het Volmeer, is een der gedeelten van de oude woudstreek, die het laatst door het zand dor duinen zyn ondergestoven, en de dikke boom is daarom een zeer merkwaardig overblijfsel uit den woudtijd.quot;

F. W. van Eeden, De Bosschen van Kennemerland; in het Album der Natuur, Jg. 1867.

2) de bl1nkerd.

De Haarlemsche Dichter Jan V«,n Walre schreef in 1825 zijn „Ode aan de Blinkert.quot;

„Hef, blanke Corusca! uw luisterrijk hoofd Sicllië\'s Etna ten trotsquot;; enz.

Toen mocht nog

„(Haar) aanzien, (haar) vastheid, schoon los en als stofquot;

de lier „tot haar lofquot; stemmen, en eenlge waarheid zijn in de verzekering:

Uw wondere kracht, die Eöol niet ontziet.

Vreest ook geen Orion, Zeus donder zelfs niet.

Ik was toen elf jaren oud en zou het onderschreven hebben. Voor dertig jaar zag ik nog weinig verandering. Maar in de laatste jaren is d.e. toen nog zoo hooge en steile zandheuvel, op schromelyke wijze afgeloopen, mij dunkt, wel een vierde lager en zijn kruin veel vlakker geworden.

aan den hoogst eerwaabden haagschen pbed1kant

J. MOLL JBZ.,

op den dag, waarop hij zyn zestigjarigen evangeliedienst herdacht. (13 Oct. 1882.)

De Man, die zestig jaar het Heilwoord moclit verkonden, Die liefdevol en onverpoosd Een troostbehoevend Adamskroost,

140

-ocr page 619-

WIJ VERGETEN. — WEES STERK EN HIJ ZAL UW HART VERSTERKEN. 141

Te midden van zijn leed en zonden,

Getroost heeft met den besten troost,

Ook door hetnzelven troost bevonden;

De trouwe Herder, steeds zichzelf gelijk In stillen ernst, zachtmoedigheid, en wijsheid,

Ontvange op \'t hooger feest, dat God gunt aan zijn grijsheid. Bij die van duizenden, mijn groet en eerbiedsblijk!

WIJ VBEGETEN.

Wij vergeten; God gedenkt.

Onze daden, onze woorden.

Die wij uitten, die wij smoorden.

Wat gegriefd heeft, wat gekrenkt, Wat ons kort slechts heeft gespeten. Kort vervuld heeft met berouw. Waar we al lang niets meer van weten, Schoon \'t „ons altijd heugen zouquot;... God gedenkt het — wtj vergeten.

Wij vergeten; God gedenkt. God gedenkt, en doet gedenken Door zijn woorden, wegen, wenken.

Door de teugen, die ons drenken

Uit den beker, dien hij schenkt. Wel dengene, wel dien allen,

Die het in de schuld doet vallen,

Als Hij ernstig brengt aan \'t licht \'t Lang vergeetne, fraai verbloemde, \'t Met zoo schoonen naam vernoemde, En \'t geheugen tot zijn plicht! Wel hom, die zichzelven richt; Die ootmoedig wil beweenen,

Niet verschoonen, niet verkleenen

Wat hem God herinnerd heeft. En geen troost heeft dan dien eenen; God vergeet niet, maar — vergeeft!

gt;

WEES STERK EN HIJ ZAL UW HART VERSTERKEN.

(Psalm XXVII. v. li).

Wek op de kracht, die in u is,

En God zal grooter geven;

Die steunt op zijn Getuigenis,

Dien wordt het geest en leven.

Verhef uw stem,

Eoep uit tot Hem,

-ocr page 620-

142 VERDRAAGZAAM. — EEN quot;VRAA-G. — VRIJE GEMEENTE.

Toon moed, om moed te erlangen! Bezittenden ontvangen.

Maar buk u over d\' afgrond niet,

Noch drentel op zijn boorden! Hij trekt, die in hem nederziet,

Met zijn onzichtbre koorden. Zie naar de rots,

En laat niet los Die onontbeerlijke armen, Die steunen en beschermen!

Die mijmrend met de Wanhoop speelt,

Zal haast wanhopig worden. Het apostolisch Woord beveelt

Dat we ons de lenden gorden.

Richt ze op, en zie!

De slappe knie.

Verlamd door twijflig vreeaen, (God wil het!) is genezen.

YERDRAAG-ZAAM.

Aan * * *

Gelooven wilt gij niet, noch. dulden dat men \'t doe:

Dit heet verdraagzaam zijn; maar wat verdraagt ge, en hoe?

EEN VRAAG.

Een nieuwe Wet, meer Leeraars, en meer Vakken, Zou dat niet goed, zou \'t niet prohatum zijn ? Of is \'t wellicht, een overvloed van wijn (Nieuw, oud, rood, wit, gewoon, en fiju) Uitgieten in — te kleine zakken\'?

VRIJE GEMEENTE.

,Vrije Gemeente!quot; \'t Klinkt wel zoet. Maar laat ons zien: Ben ik niet vrij genoeg, als ik mijn Heiland dien?

-ocr page 621-

PROBLEEM. — AAN J. P. HASEBROEK.

PROBLEEM.

(SONNET MET OVERSCHAIIIGEN VERSREGEL.)

Lotreednaars van het Vroegre zij11 verdacht;

Zij maken zich illusies van \'t Verleden:

„Hun jeugd viel in den goeden tijd — maar \'t Hedenquot;... Zal ook zoo schijnen aan hun nageslacht.

Hoe komt het\'? heb ik menigmaal gedacht,

Ligt in den mensch of buiten hem de reden?

Toont zelfbedrog hier steeds op nieuw zijn kracht? Of krimpt de maatstaf in van deugd en zeden?

Zal wat nu treurig schijnt, na dertig jaar Verdraaglijk zijn, voor die \'t gelijken mogen Bij \'t geen zich dan zal opdoen aan hun oogen,

Of is \'t een -waan, verbeelden zij \'t zich maar?

Is dat het altijd heter ivordt een logen,

Of dat het altijd slechter gaat niet waar?

Een stem verheft zich: „Noch het een, noch \'t aar!quot;

AAN J. P. HASEBROEK,

01\' ZIJN\' ZEVENTIGSTEN VERJAARDAG.

O Nov. 1882.

Heil mij, die u, op dezen schoonen dag,

Den groet eens Vriends, eens Broeders zenden mag,

Die vijftig jaar heeft aan uw zij gestaan,

Des levens school met u is doorgegaan;

Bij \'t eigen Licht, bij \'t eigen Brood geleefd,

Een zelfde zucht in \'t hart gekoesterd heeft,

En nu, daar beider dag ten avond helt.

Met de eigen ernst en troost zijn uren telt!

Hij dankt u voor een vriendschap, voor een trouw.

Hij weet het, wie geen proef ontzetten zou.

Tot iedre hulp, ook ongevraagd, bereid,

Van afgunst vrij en van kleingeestigheid,

En die, wat zwichten mocht voor tijd of lot,

Nu half een eeuw verduurd heeft, dank zij God!

Hoe heugt hem nog die Februaridag,

Die hem voor \'t eerst met u te zamen zag.

Die dag, dat uur, waarin het schoon verbond

Door ons niet werd gesloten, maar ontstond.

Dat, nooit geschokt en nooit gekrenkt, van jeugd

Tot ouderdom ons leven heeft vervreugd,

143

-ocr page 622-

144 zware proef. — kleurloos en kleurloos is twee, enz.

En ongeschokt zal blijven, ongekrenkt.

Zoolang Gods gunst dat leven nog verlengt.

En zou de dag des doods — we ontveinzen \'t niet: Hij nadert uit een niet meer ver verschiet, — De dag des doods \'t verijdlen?... Chr:sten-Vuind! Daar is iets eeuwigs in wat ons verbindt.

ZWARE PROEF.

Do jonge Man op eenmaal weggenomen,

De jonge Vrouw een Weduw, en haar Kind Eeeds vaderloos, daar \'t leven pas begint — O Droefenis! O nacht, niet door te komen!

Ja toch! — Door \'t hart dat God, het ga hoe \'t ga, bemint,

Wordt uit de wolk zijn Vaderhand vernomen.

Die ze aangrijpt voelt een kracht die Allea overwint.

KLEURLOOS EN KLEURLOOS IS TWEE.

liet Licht is wit; Kleur is op weg naar \'t duister.

Hoog rood is donker rood; diep blauw is donker blauw. Het kleurloos wit is schoon door reinheid, glana en luister; Met wat gij kleurloos heet, maar vaal is, dof en grauw.

MISREKENING.

Hij zal zich in \'t effect vergissen.

Die alles schildren wil wat schoon is in \'t model.

Uitvoerig kunstnaar! weet het wel:

\'t Geheel van \'t schoone wint, door iets te willen missen.

TIJS EN GIJS.

Onwetend zijn zij beiden.

Toch zijn zij te onderscheiden, En door geen klein verschil,

Daar Tijs \'t niet weet, en Gijs \'t niet weten wil.

„HEBBENDE EEN ZWAARD.quot;

Hij had een zwaard, en trok van leer, En vond berisping bij zijn Heer.

-ocr page 623-

wat zoekt oijv — beseffen. — gij schittert. 145

\'t Was ook verkeerd; dat weten we allen.

Maar om dien Broeder hard te vallen,

Ia \'t noodig dat men eerst eens ziet Of men er ooh een heeft, of niet.

WAT ZOEKT GIJ?

Wat zoekt gij? Zegepraal? Of Martlaarsohap? Een Kruis? Een Kroon? - Zoek niets. Vervul uw plioht. betreed een donkren weg met vasten stap,

En ga op niets af dan — op \'t Licht.

BESEFFEN.

\'k Heb in mijn hart een diep besef Van veel dat \'k met geen woorden tref. Niet in kan sluiten in begrippen?

Toch laat ik dit besef niet glippen,

Noch dulde dat het iemand krenk\', Maar eer het als een Godsgeschenk.

GIJ SCHITTERT.

Gij schittert, maar verrukt ons niet,

Hoe schittrend gij ook zijt. üw blinkend woord, uw klinkend lied

Verkwikt niet, noch verblijdt. Gij_ toont u rijk, en Iaat ons arm; Gij gloeit, en maakt geen onzer warm.

Hoogt vliegt gij op verbeeldings vlerk,

_ Hoog boven aarde en zee.

Wij zien u na door \'t luchtig zwerk;

Maar niemand voert gij meê. De hoogste kracht op \'t kunstgebied Ontzet ons. maar ontroert ons niet.

Vergeefs voor haar bewonderaar

Met gouden luit gepraald!

De snaar toch, die de hartesnaar

In ons doet aanslaan, faalt. De rijkste tonen zijn verspild,

Waar deze snaar niet medetrilt.

Groot Kunstnaar, wilt gij Dichter zijn: Wees met ons menscu! — Gevoel

IV.

30

-ocr page 624-

AL Tli FEL. — IIAADSELS.

Eens menschen harte-vrcugd en pijn,

Of alles laat ons koel.

Vertolk wat in ons lacht en schreit; En oogst den traan der dankbaarheid.

AL TE FEL.

„Dat gij mij liefhebt, weet ik niet, „En wil er niets van weten

„Zoo gij \'t mij toezingt in een lied: „Ik zal dat lied vergeten.

„Zoo gij mij zendt uw beeltenis:

„Ik zal dat beeld verscheuren;

„En zegt men dat dit jammer is:

„Ik zal het nooit betreuren.

„Indien ik hoor: hij maakt het hof „Aan een der schoonste schoonen:

„Ik zal uitweiden in haar lof „En mij verheugd betoonen.

„En dreigt gij mij: „„Ik ga naar West ,„0f Oost, om nooit te koeren!\'quot;

rZoo zal ik zeggen: Opperbest!

„En wel te diverteeren!quot;

Zoo sprak ze, en dacht ze meende \'t wel, Als honderdduizend vrouwen.

De minnaar dacht: ,\'t Is al te fel, Ik meen maar vol te houen.\'

RAADSELS.

Uit het Fransch.

I.

Mijn lijf is saamgesteld uit enkel lange graten;

Ik ben mijn leven lang vel over been geweest;

\'k Blink in gezelschap uit; elk vreest mij thuis te laten.

En \'t kan zoo warm niet zijn of \'k draaf van feest tot feest. Waar ik me ontspan, daar geef ik andren groot genoegen; Ik weet me, in plooi bij plooi, naar ieders wensch te voegen: Een enkle zenuwdraad vereenigt al mijn leen,

En \'t scheidt of schaadt ze niet, al gaan zn vaak uiteen. Ik kan niet bogen op de omzichtigheid der slangen.

-ocr page 625-

spreekt uw hart, — casuspositiën. — godsdienstig letbn. 147

Maai- soms verwissel ik, gelijk de slang, mijn huid;

En heeft de nieuwe tooi den ouden dos vervangen,

Geen mensch herkent mij meer, zoo nieuw zie ik er uit,

II.

Men kan mij krijgen voor een mijt;

Maar heeft men mij, \'t kost zorg en tijd;

Die mij verliest,__verteert van spijt;

En wint men mij, men is mij kwijt.

III.

Gerieflijk, maar vreemdsoortig vriend.

Die, sc.hoon \'t in strijd met alle leer is,

Tehuisblijft, als de\' zon ons dient,

En voor ons opkomt, ais \'t slecht weer is.

SPREEKT UW HART.

Spreekt uw hart voor iets goeds:

Kort en goed zy \'t beraad. Paar de daad aan \'t besluit, Huw \'t gebed aan de daad.

CASUSPOSITIËN.

Wat nood is \'t mijn gemoed met vragen te doorwoelen: „Zoo dit gevorderd wordt, zoo dat met u geschiedt „Zult gij de kracht er toe bezitten, al of niet?quot; —\' Den plicht kan ik altijd, de kracht eerst dein gevoelen, Ala \'k haar behoeven zal, omdat de plicht gebiedt.

GODSDIENSTIG LEVEN.

Wat \'s, boven lof en blaam ootmoediglijk verheven,

Schoon duurzaam voorwerp van veel spots, Wat is t godsdienstig, dan \'t geheiligd zeedlijh leven, Ontkiemd op d\' akker der genade Gods; Opgroeiend tot Gods eer,

In alle wind en weer;

Geteisterd zonder schade, en vruchtbaar zonder trots.

-ocr page 626-

dat telt af.

DAT TELT AP.

Dat telt ap, dat telt apI Zegt de klok als zij slaat.,

Zegt de dag, als hy gaat,

Zegt de scheidende nacht,

Daar een volgende op wacht, Die, als hij weder daalt. De eigen woorden herhaalt. Dat telt af! zegt de week. Die zoo spoedig verstreek. Dat telt ap ! zegt de maand, Uit en om, eer gij \'t waant. Sint Silvester is daar:

Dat telt afI^ zegt het jaar. Als het wegzinkt in \'t niet Met zijn vreugd en verdriet. Vangt het nieuwe jaar aan Met ter kerke te gaan;

Stel het feestelijk in Met uw bloeiend gezin,

Met uw vrienden, geschaard Om uw lustigen haard.

Waar gij roemt in het lot U beschoren door C4od;

Waar gij \'t goede geniet. Dat het heden u biedt.

En bij voorbaat reeds smaakt Wat gij hoopt en naar haat; En van \'t leven verwacht In uw manlijke^ kracht. Met dien vroolijken moed. Die u tintelt in \'t bloed — Is die feestdag voorbij, _ Dat telt af! zegt ook hij.

Van de wieg tot het graf. Een gestaag: dat telt af! Wee! die \'t hoort, en niet ;elt. Wee! wien \'t pijnigt en kwelt. Wel! die \'t hoort en verstaat, Wien het loutert en baat.

-ocr page 627-

KEN NIEUW LIED VOOR HET NIEUWE JAAR.

EEN NIEUW LIED,

or EEN OUD REFEREIN VOOR

HET NIEUWE JAAR.

Het Oude Jau- is in het niet verzonken.

God geeft een nieuw: gij zaagt zijn morgenlicht; Met nieuwe kracht heeft u de slaap beschonken;

Ontwaak dan nu, sta op, en doe uw plicht!

Dank God! Gij hebt het menigmaal vergeten

Of flauw gedaan, en later weer geklaagd.

Bid God ! Hij wil uw Vader zijn geheeten,

Maar eischt van u dat ge u ais kind gedraagt, \'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goed in \'t Nieuwe Jaar.

Geef eer dien God, die tegen \'t kwaad beveiligt, Die goed leert doen en \'t booze hart herschept. Met woord en daad zij voorts zijn Naam geheiligd.

Hij weet hoe vaak gij dien ont-heiligd hebt. Hij bouwt zijn Rijk; gi), bid dat het moog komen!

Bouw meê met God, en dien hem van uw goed! Wat gij hem geeft, is uit het Zijn\' genomen; Onthoudt gij \'t hem: het brandt u op \'t gemoed, \'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goed in \'t Nieuwe Jaar.

Gods Wil geschiedt; zijn Raad moet zich voltrekken;

Buig voor dien wil in alles wat hij brengt!

Door lief en leed zal \'t al ten zegen strekken Voor wiens geloof zijn liefde niet verdenkt. Hij geeft, hij neemt; in geven en ontnemen

Is hij de God, wiens hand zich nooit vergist. Wacht, wacht uw ziel voor vragen of bevremen! Reeds veel te veel heeft zij met God getwist.

\'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goed in \'t Nieuwe Jaar.

God zal voorzien; zijn trouwe hand zal zorgen;

Wees slechts tevreên met uw bescheiden deel! Bekommer u niet om den dag van morgen;

Maar bid en werk en kies \'t genoeg voor \'t veel! V/ees goed, als God, en toon, als hij, erbarmen Voor al wat lijdt en zwak is, kleen of krank; Gedenk den wees, der wsiduw, en den armen;

Strooi uit en deel, en vraag naar loon noch dank! \'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goed in \'t Nieuwe Jaar.

149

-ocr page 628-

walter scott.

Gij wenscht dat God uw zonden moog vei-geven:

Üntveius dan niet, belijd, betreur uw schuld! Vergeef ook gij, die tegen u misdreven;

Laat los, geef toe, verdraag en toon geduld!

Geen dag, waarin Gods gunst u toe mocht stralen, Geen zon, die u verkwikt heeft door haar gloed, Moet in dit jaar voor u ter kimme dalen,

Of, was er toorn, hij week uit uw gemoed.

\'t Oude is voorbij, het IMieuwe is daar; Leg af het kwaad; doe goed in \'t Nieuwe Jaar!

Het kwaad besmet; de wereld spreidt haar strikken

Mistrouw uw hart; het is niet wat het lijkt; De booze werkt door vleien en verschrikken;

Bid God dat ge in verzoeking niet bezwijkt!

Zijne is de kracht, niet uwe; Hem zij de eere,

Zoo ge in den strijd manhaftig weerstand doet; Leef wat gij leeft in \'t Nieuwe Jaar den Heere, En stei-i in Hem, indien gij sterven moet!

\'t Oude is voorbij, het Nieuwe is daar; Leg af het kwaad; wees goed in \'t Nieuwe Jaar.

WALTER SCOTT.

Niemand randt mij strafloos aan Zie ik om den Distel staan,

Schotland! op uw wapenborden;

Maar de distel werd een bloem,

binds die eene Schot de roem Van heel Schotland is geworden;

Werd een bloem, die ieder prijst.

Ieder gunst en eer bewijst,

Waard acht in den krans te prijken. Waar de Brit zich op verheft.

Die de Shamrock overtreft,

En de Roos niet hoeft te wiiken;

Sinds, door proza en door dicht.

Deze Schot het luistrijkst licht

Op uw land en volk deed dalen; \'t Land der neevlige Ossians,

\'t Land van Burns, met nieuwen glans. Als het land van Scott deed stralen;

Waar King Arthur van zijn Seat Op Edina nederziet,

Fier dat nu er \'t licht aa.nschouwde;

-ocr page 629-

walteb scott. 151

Waai- het Dryburgh\'s grafgesteent Plaats gaf aan \'t geliefd gebeent,

Daar heel Schotland over rouwde;

Waar dat Abbotsford verrijst,

Dat hem als zijn schepper prijst

Met de bosschen die \'t omringen,

Waar zijn eiken frisch en groen,

Hunnen planter hulde doen,

Met zijn lauwren mededingen;

Waar van Melrose \'t overschot Met den tand der eeuwen spot,

Sinds zijn lied het heeft doen leven;

Waar Loch Katrin\'s blauwgroen nat Om het Ellens-eiland spat,

Trotsch dat hij \'t den naam mocht geven. —

Hoog- en Laag-land, berg en dal,

Meer en stroom en waterval,

Waar de steile klippen rijzen,

Waar, voor uw ontroerd gezicht,

„\'t Schoon in d\' arm van \'t Schriklijk ligtquot;,

Alles moet zijn Dichter prijzen.

Alles roept zyn Dichter uit.

Waar zich \'t vergezicht ontsluit.

En, voor uw verwonderde oogen.

Al zijn schoon zoo snel ontvouwt,

Dat het denkbeeld u benauwt:

\'t Wordt mij even snel onttogen;

Waar de herder, in zijn plaid.

Door het dompig moerland treedt.

Hinde en hert den vloed doorwaden;

Waar de jachthoorn de echo\'s tergt,

Waar zich \'t bloode zeekalf bergt,

Op Hebriden en Oreaden;

Waar löna\'s Kruisen staan,

Statta\'s orgeltonen gaan,

Zetlands ruige paardjes grazen;

Waar de Bals, de Bens, de Glens,

Duns en Kils een christenmensch Met hun vreemden naam verbazen;

Waar de Clyde langs den voet Van Dumbarton zeewaart spoedt,

Stirling op haar Forth terneerzief-:

ï

-ocr page 630-

WALTER SCOTT.

Waar op \'t Slot de golfslag breekt, 6de

Dat Tan schoone Mary spreekt En des Douglas\' zwijgend\' eerbied;

Waar de Tay, langs \'t bloedig veld, cae

Van Clan Chattan\'s neerlaag meldt

En aan \'t schoone kind doet denken,

Dat, door Falklands torenspleet,

Scliotlands Prins herleven deed.

Maar de kracht niet weer kon schenken;

7de (

\'t Slagveld, dat elks eerbied wekt,

\'t Kerkhof, dat de raartlaars dekt,

Kerkers waar zij in bezweken, (

Koningshof en ridderslot.

Kerk en klooster, groeve en grot.

Alles spreekt van Walter Scott,

Die van Schotland heeft doen spreken;

Spi-eken heel de wereld rond,

Van den vaderlandschen grond

Tot de verst verwijderde oorden;

Waar de Ganges \'t zand verplaatst,

Waar de Mississipi raast,

Diep in \'t Zuiden, hoog in \'t Noorden. — 10ae (

Laat dan. Schotland! op uw schild.

Zoo ge uw Distel houden wilt,

Aan zijn stekels \'t cijfer hajgen Van uw beste\' en grootsten vrind;

Niemand die mij niet bemint

Mag er de oude spreuk vervangen.

O!\'HELDERINGEN.

1ste Coupl. Niemand enz.

Nemo me impune lacesclt.

2de Coupl. Ve Shamrock. Klaverzuring {Oxalis acetoselia), zinnebeeld van Ierland; St. Patrick, de apostel van Ierland, zou zich van dit drieblad bediend hebben, om eenig denkbeeld van de H. Drieêenheld te geven; de Hoos, zinnebeeld van Engeland.

4de Coupl. Arlhur\'s Seat (spr. uit siet); een der drie bergen, die Edinburg omringen; en wel de hoogste, ten oosten. „Lofty and craggy hill, silent and lt; solitary as the grave.quot; Walter Scott. Zie The Heart of Mid-Lothian.

DrybiirglC s graf gesteent. Walter Scott, geb. 15 Aug. 1771, overl. 21 Sept. 1832, werd 26 Sept. 1832 begraven in de scbllderachtig gelegen ruïne van de Abdy van Dryburgh, overeenkomstig een oud recht zijner familie. „The 11de C grave was worthy of a poet — was worthy of Scott. — And so there he lies, amidst his own loved scenes, awaiting throughout the duration of 1

time the visits of yearly thousands.quot; R. Chambers. 1

152

-ocr page 631-

WALTER SCOTT,

5de Coupl. Waar zijn eiken. — Mqt zijn lauw ren mededingen.

„My oaks will outlive my laurels,quot; schreef Walter Scott eens aan een zyner vrienden. Maar op zijn eeuwfeest, in 1871 gevierd, aarzelde ik ulet uit te roepen: „Daar tart ik ze toe!quot; Zie mijne Sparsa, bl. 416.

6de Coupl. /raar ran Melrose (spr, uit Melrooz) \'t overschot.

De schoone ruïne van de Abdy van Melrose, zoo verheerlijkt door zijn Lay of the Last Minstrel.

Loch Katrine; een der schoonste, tusschen hooge bergen ingesloten, meren van de Hooglanden, tooneel van Scott\'s Lady of the Lake.

Ellen\'s eiland; naar de heldin in dat dichtverhaal.

7de Coupl. \'t Schoon in d\' arm van \'t Schriklyk.

„Beauty lying in the lap of Terrorquot; heet het van het schoone Perthshire, met de woorden van den dichter Gray.

8ste Coupl.

löde Coupl.

Al z\'yn schoon zoo snel ontvouwt, Dat het denkbeeld u benauwt: \'t Wordt viij even snel onttogen.

„I recollect pulling up the reins without meaning to do so, and gazing, on the scene before me as if I had been afraid it would shift like those in a theatre before I could distinctly observe its different parts, or convince myself thaf what I saw was real.quot; Zoo schreef Walter Scott, ditmaal onder het masker van Chrystal Croftangry, met opzicht tot het panorama van het Tay-dal, als het zich plotseling in al zijn schoonheid, van eene beste-gene hoogte, aan zijne oogen vertoonde. Fair Maid of Perth. Ch. I, Ik ben in den zomer van 1881 in de gelegenheid geweest de gewaarwording op de plaats zelf te verifiëeren.

lüna. Sta ff a.

Twee eilanden, behoorende tot de Hebriden: löna, beroemd en gezegend als het eiland van Columba, den apostel der Schotten en Pieten, en vol van de merkwaardigste overblijfselen uit de oudste christentijden; en Staffa, onbewoonde bazaltklip, hoog oprijzende uit de zee, vermaard door den z. g. Fingals-grot, ter eere van den verdichten Ossian, bij accomodatie zoo genoemd, daar de eigenlijke naam Uagh-na-Bhine was, d. 1. grot der muziek, naar de schoone galmen en geluiden, die de invallende winden er in opwekken.

löna\'s Kruisen.

De merkwaardigste voorwerpen op het eiland zijn een soort van hooge steenen kruisen, van 11 tot 16 voet, sierlijk in bas-relief behouwen. Er moeten er vroeger tot 3fi0 gestaan hebben. Zie Walter Scott\'s The Lord of the Isles, en de aanteekeningen op mijn opstel: löna, in de Sparsa.

153

Jfaar de Bals, de Bens, de Glens,

Duns en Kils een christen-mensch Met hun vreemden naam verbazen.

Bv. Ballalachan, Ben-muich-dhui, Glen Urquarth, Dun Dornadilla. KiiXiü-crankie, en derg.

Bal is plaats, stad; Ben, berg; Glen, kloof; Dun, versterkte heuvel; Kil, kluis, kerk.

11de Coupl. \'t Slot — Dat van schoone Mary spreekt.

Het kasteel van Lochleven, midden In het meer van dien naam, waar Maria Stuart gevangen gehouden werd, en de jonge Douglas hare ontvluchting bevorderde. Zie Walter Scott: The Abbot.

irlandi d heb-zinne-

omrin-at and

L Sept. ie van !. „The ere he ;ion of

-ocr page 632-

ROSABELLA.

12do Coupl. */ Bloedig veld Van Clan Chatlan\'s neerlaag meldt.

The North Inch, een der twee uitgestrekte publieke grasvelden, ter weerszijde van bet aan de Tav zoo scbilderacbtlg gelegen Perth; waar, onder de regeering van Robert III, de beslissende strijd gestreden werd tusscben de kampioenen van Clan Kay en de kampioenen van Clan Cbattan, die op de vernietiging van de laatste uitliep. Zie Walter Scott: The Fair Maid of Ferlh.

Falkland. Het kasteel van Falkland, waar de bertog van Rotbsay {Schot-lands [erf-]/;rin5) gevangen gehouden en uitgehongerd werd. Zie betzelfde verhaal.

14de Coupl. Waar de Ganges \'l zand verplaatst —

De boeveelheid, dagelijks door de Ganges in de Golf van Bengalen afgezet, wordt in omvang en gewicht met die der „groote pyramidequot; gelijk gesteld.

ROSABELLA.

Hoort toe, gij Juffren, lief en schoon! Ik zing geen bloedig -wapenfeit;

Droef is het lied en zacht de toon, Die Rosabella\'s lot beschreit.

„Meer, kloeke Veerman, meer uw schuit! „En schoone Jonkvrouw, wacht uw voet! „Stel d\'overtocht tot morgen uit;

„Waag u vandaag niet aan den vloed.

„De zwarte golf jaagt schuimend voort; „De meeuwen vliegen angstig i-ond;

„ L)e gil der meermin is gehoord, „Die schipbreuk, nood, en dood verkondt.

„Den grijzen ziener kwam vannacht „Ren vrouw in druipend doodskleed voor; „Geef op zoo droef een voorspook acht; „Dlijf hier, en zet de reis niet door.quot;

„,\'t Is om Lord Lindsay\'s erfzoon niet, „„Niet om den dans op \'t feestlijk bal; „„Maar om mijn moeder, -wie \'t verdriet „„Alleen te zitten in haar hal.

„„Denk niet, het mocht om \'l ringspel zijn, „„Waar Lindsay\'s zoon de kroon bij spant! „„Neen, maar mijn\' vader smaakt geen wijn „„Tenzij van Rosabella\'s hand.quot;quot;

\'t Kasteel van Roslin scheen dat uur In wonderdadig licht te staan;

\'d Was breeder dan van \'t bakenvuur; quot;t Was rooder dan de glans der maan.

154-

1

-ocr page 633-

HOS AIÏELLA.

Het gloeide om Roslin\'s steile rots, Het kleurde \'t braambosoh in de glen; Men zag \'t van Drydens eikenboscb, En van \'fc spelonkrijk Hawthomdeu.

Het gloeide om Lioslin\'s slotkapel,

Waar, ongekist en onbedekt.

Elk Heer van Roslin goed en wel Ligt in zijn rusting uitgestrekt.

Daar binnen scheen \'t op beuk en muur; Op \'t altaar; in de sacristy; Lie omkranste pijler blonk als vuur; \'t Lichtte, onder \'t wulf, de dooden bij.

En elke roos, aan boog en beer. Aan trans en tin, scheen bloedig rood — Als telken maal, wen ramp of nood Den Huize dreigde van St. Clair.

Zijn twintig Heeren zag dat Huis Uitdragen ter gewijder steê;

Geharnast slapen ze in haar kluis; — Maar Ilosatella slaapt in zee.

En geen St. Clair, \'t zij oud of jong, Is zonder lijkdienst heengegaan; —

Maar Rosabella\'s doodlied zong De schorre meeuw, de wilde orkaan.

Naar Waliee Scott.

\'t Kasteel van Husslyn ligt op den rand van een steile rots, aan den oever van de Eek, een groote vier uur zuidelijk van Edinburg. Ik zag er in 1871 de uitgebreide ruïne van. Het werd in het midden der 15de eeuw gebouwd door William St. Clair, Prins van Orkney, Hertog van Oldenburgh, Graaf van Caithness en Stratherne, Lord St. Clair, Lord Niddesdale; etc. Dezelfde machtige edelman legde ook don grond van de in de nabijheid zich bevindende kapel, een meesterstuk van rijkversierde gothische bouwkunst. Zij is nog steeds in gebruik. De overlevering zegt dat zij, in de nachten vóór den dood van een der St. Clairs zich voordeed als in brand to staan.

Dryden; een naburige Heerlijkheid, in \'t begin dezer eeuw in \'t bezit van John Mercer, zoon van Mercer of Pittchar in Perthshire: vroeger, als uit een zich daarop bevindend groot gedenkteeken blijkt, van „James Lockhart of Lee and Caruwarth, Lord of the Bedchamber of his Imp. Majesty Joseph IIquot; etc. t 1790.

\'t Spelonkrjjlc Hawthornden, Overschoon landgoed, vermaard als het verblijf van den dichter Sir John Brummond (t 1649) gentleman usher van Jacobus VI, en hoog vereerd door zijn vriend Ben Jonson. Het huis ligt op een hooge rots, van welker steilen rand het almede op de Eek neerziet. In den wand van de\'rots, beneden het huis, bevindt zich een tal van met handen gemaakte holen, waaromtrent verscheidene verhalen in omloop zijn, doch die waarschijnlijk reeds van de 13de eeuw, uit den tijd der bloedige oorlogen tusschen de Schotten en Engel-schen, dagteekenen.

155

-ocr page 634-

STEMMEN DEE NATUUR.

/raar ongekist en onbedekt enz. Het was eerst In de dagen van Jacobus VII, dat een Roslin in een doodkist ten grave ging. Al zijn voorouders waren, in volle wapenrusting, in een gewelf onder den kerkvloer ter ruste gelegd.

De omkranste pijler. Deze uitnemende proeve van gehouwen beeldwerk, een pijler waar zich op de bevalligste wijs een bloemslinger omheenwindt, heb ik ten hoogste bewonderd. Het is een der schoonste sieraden van een gebouw, waarin voor het overige geen enkele der pijlers, bogen of vensters aan de andere gelijk is. Men noemt hem „the Prentice\'s jj \'dlarquot;, en het verhaal luidt dat een bouwgezel hem gedurende het afzijn van den meester, die naar Rome gegaan was om zich een model te verschaffen, had afgewerkt; voor welken gruwel hem de afgunstige meester met den dood zou hebben doen boeten.

Elke roos aan boog en beer. Onder een overvloed en verscheidenheid van bouw-sieraden, komt hier de roos veelvuldig voor, waarschijnlijk, op den klank af, in toespeling op dien naam van Roslin. Deze heeft echter niets met rozen uitstaande. Itosslinhe is volgens Walter Scott zooveel als „promontory of the lin or waterfall.quot;

STEMMEN DER NATUUR.

Uit het Italiaansch.

i.

AUGUSTUSNACHT.

Hoort toch, gij Starren, wat de Baren U telkens zeggen stil en luid:

„Wij zijn zoo moede u aan te staren;

Komt hier! Wij strekken de armen uit.

Wij hebben duizend kostbre dingen,

Kristal en paarlen en koraal;

Wij kunnen schoone liedren zingen;

Versmaadt uw koelheid ze altemaal?

Of heeft u andre liefde ontsteken,

Eu smacht gij naar een Dageraad,

Die u doet kwijnen en verbleeken,

Als hij op u zijn oogen slaat?quot;

Ziehier wat, in de stille nachten. De Starren zeggen tot de Zee:

„Wij hoorden uw verliefde klachten. Uw doffe zuchten, luide beê.

Ook minnen we U; maar altijd vergen

Het zwijgend kerkhof, \'t eenzaam pad.

De donkre wouden, zwarte bergen

Ons troostlijk licht; ei gun hun dat.

Zoo we aan uw borst ons nederleggen En dalen tot uw schatzaal af:

Wat zullen de arme dichters zeggen. En wat de dooden in hun graf?quot;

156

-ocr page 635-

MOED EN OVERMOED. —

II.

JANUARINACHT.

De Wind, die door het luchtruim huilde, Heeft dezen nacht den Dood ontmoet.

In dichten sluierplooi verschuilde

Hij \'t aanzicht zonder vleesch of bloed.

„Van waar, mijn broeder! en. waarhene, In zulk een nacht, te dezer stond?quot;

— „„Bij \'t licht der danszaal, kuste ik eene Der schoonsten voor haar rozemond.

Ik min de rozen als zij bloeien; De roze-knoppen zijn mijn lust;

En \'k ga mij naar een wiegje spoeien, Waarin een mollig knaapje rust.

Ik zal, onvatbaar voor erbarmen. Der moeder zeggen, in haar smart:

Alle ouden vallen mij in de armen;

Maar naar wat jong is trekt mijn hart.quot;quot;

De Wind vervolgde door de vlakte Zijn weg en gierde \'t uit in \'t rond:

„Ik maakte \'t erger nog; ik knakte De bloem, die ik op \'t kerkhof vond;

\'k Befloersde \'t schijnsel der planeten En joeg de wolken voor de maan;

Ik heb de zangen der poëten

Gestoord, verstrooid, te niet gedaan.

En \'t schip dat, meer dan kostbre gaven. Dat vaders bracht naar \'t wachtend huis,

Stiet ik terug voor de open haven, Op nieuw in \'t razend golfgebruis.quot;

MOED EN OVERMOED.

Moed toont den Man, maar overmoed \'t groot Kind; En Kracht houdt op, daar waar Geweld begint.

GEEN SCHEPPER.

Geen Schepper, \'t Kwam vanzelf. Ontwikkling trap voor trap „Met gaping hier en daarlquot; — Dan schept de Wetenschap.

GEEN SCHEPPER.

-ocr page 636-

158 MICHEL ANGELo\'s ENZ. — WAT DOET GIJ? — VERGEET ZE NIET.

MICHEL ANGELO\'S

La forza d\'un bel volto al ciel ml sprona.

Kracht van eon schoon gelaat kan mij ten hemel sporen;

Een andren hemel geeft mij de aarde niet te zien;

\'k Proef wat een zaalge smaakt, tot eeuwig heil verkoren; Een godsgunst, die maar schaars een\' stervling mag geschiên.

Zoo innig stemt hier \'t werk met Hem, die \'t bracht te voren.

Dat heel mijn wezen zich van dat verheft tot Dien;

Al wat mijn hart doorkruist, al wat mijn mond doet hooren. Wordt door het schoon beheerscht, dat \'k siddrend blijf bespiên.

Waar een schoon oogenpaar mijn blik vermag te boeien.

Wat wijst het mij dan \'t pad, waarop ik God ontmoet?

Zoo \'k door hun reinen gloor mijn binnenst voel ontgloeien, Wat is \'t din dat mijn oog, in \'t tintien van dien gloed.

Iets van de vreugd ziet, die den hemel lachen doet?

WAT DOET GIJ?

Wat doet gij. Mannen, die voor \'t heil van \'t Land, Naar de uitspraak van geweten en verstand,

Zoudt zorgen, onder plicht- en eedverband? „Wij rapen steenen.quot;

Wat doet gij, daar u \'t al tot handlen noopt.

Daar de arbeid voor uw oog ligt opgehoopt,

Daar week op week en maand op maand verloopt? „Wij rapen steenen.quot;

Niet anders? „Neen, wij spelen ook met kruit; Wij schelden nu en dan elkander uit;

Maar dat is tusschenspel, dat niets beduidt; Wij rapen steenen.quot;

Februari 1883.

VERGEET ZE NIET.

Vergeet ze niet, de heerlijke idealen,

Wier gloed, in \'t hart gevoeld, uw jong gelaat deed stralen; Vergeet ze niet in later levenstijd!

\'t Zou, zoo gij \'t kondt, oneindig erger wezen.

Dan of ze in \'t jong gemoed nooit waren opgerezen.

En ge altijd waart geweest hetgeen gij heden zijt.

-ocr page 637-

ZIEN. — SLEDEVAART.

ZIEN.

Als \'t oog niet vatbaar was voor \'t licht, Hoe zou het iets van \'t licht ervaren?

Het is de zon niet, maar \'t gezicht, Dat u al \'t zichtbre doet ontwaren, \'t Hangt aan uw oogen, dat gij ziet; Of \'t licht u licht zal zijn of niet.

SLEDEVAART.

Hoor de sleden met de bellen,

Zilvren bellen,

Die van jeugd en vreugd vertellen, D\' oudsten suffer wakker schellen, \'t Al in rep en roere stellen,

Wat niet somber ziet of zuur In dit fljnkoud avonduur.

Nul min vijf van Uéaumur,

Daar aan \'s hemels hel azuur,

Alle sterren pittig pralen,

Flikkren, stralen.

Als nooit uitgeblonken vonken

Van een lustig hoogtijdvuur.

Als zoo veel deelnemende oogen Vroolijk blikkende uit den hoogen

Op dit sneeuw- en vreugdeveld. Schitterend aan alle kanten Van juweel en diamanten;

Waar het pronkpaard met zijn pluimen, Brieschende \'t gebit doet schuimen En steeds sneller voorwaarts snelt, Op \'t geklingel En getingel.

Dat het prikkelt, dat het kwelt. Dat het, met een vruchtloos wanen. Door het schudden van zijn manen Wil doen zwijgen met geweld.

Daar \'t steeds luider belt, belt, belt, Belt en schelt,

Schelt en belt.

En, in altijd hooger tonen,

Onzer doch teren en zonen

Onverdoofbre feestpret meldt.

Naar aanleiding van Edgar Pok\'s The Bells (1).

-ocr page 638-

DE WIJSHEID DIE AAN D EISCII VOLDOET.

DB WIJSHEID DIE AAN D\' EISCH VOLDOET.

De Wijsheid, die aan d\' eisoh voldoet, Die we om haarzelv\' beminnen zullen,

Die, door te werken op \'t gemoed,

Haar schoone roeping kan vervullen.

Moet vroolijk zijn zoo wel als goed.

Haar beeld laat zich niet samenvoegen Met iets dat vrees of afschrik baart,

Daar ware schoonheid, rein genoegen Haar wettig erfdeel zijn op aard.

Wie zijn \'t die, waar wij ze ooit genaken. Het Beste zoo aantreklijk maken,

Wier godsvrucht niemand schuwt of ducht; Daar de indruk van geheel hun wezen

Ona zeggen doet met stillen zucht:

„Ik zou wel willen zijn als dezen?quot;

Die schoone zielen zullen \'t zijn.

Die zielen schaarsch en uitgelezen,

Oasen in een zandwoestijn,

In wie nooit denkbeeld is gerezen

Van iets dat praal was, kunst, of schijn; Bij wie geen stroefheid wordt gevonden,

Maar alles, goed en welverbonden,

Zich als vanzelf naar \'t Beste strekt; Die naar Gods wil en raad zich voegen.

Maar met dat innerlijk genoegen,

Dat uiterlijk geen opzien wekt;

Die, daar zij \'t wereldsche verzaken.

Daarvan zoo weinig ophef maken.

Dat wie \'t niet zien wil, \'t niet ontdekt; Die, boven spot en lof verheven.

Moedwillig niemand aanstoot geven.

En, zoo zij leven naar een wet,

Den vrijen, blijen zanger sla.chten,

Die, waar hij trouw en nauwgezet Op d\'eisch van maat en rijm blijft achten,

In maat en rijm geen ketens ziet,

Maar vleuglen, vleuglen, op wier schachten Hij zweeft en opvaart met zijn lied.

Vergelijk het Engelsch van Coventry Patmobe.

160

-ocr page 639-

VICTOR HUGO S ENZ.

SLEUTELBLOEM.

Waai \'t Sleutelbloempje zich vertoont, Daar, heet het, ligt een ding van waarde Diep, diep verborgen onder de aarde — Ik zocht het, maar werd niet beloond.

Ik vond er niets, en werd verstoord Op dia de zottepraat verdicht had. Al wat ik gravende uitgericht had. Was dit: een lieve bloem vermoord.

VICTOR HUGO\'S

Soyez conime l\'oiseau, etc.

Wees als de vogel, op een tak

In \'t vliegen neergestreken.

Het takje buigt; het takje is zwak;

Het takje dreigt te breken.

Toch heft hij aan zijn vroolijkst lied

En laat zich niet beteugelen;

Toch zingt hij dóór en staakt het niet; Want — heeft hij niet zijn vleugelen?

MIJ DUNKT DAAR KLOPT GEEN JONGER HART.

Mij dunkt, daar klopt geen jonger hart

In iemands borst dan \'t mijn,

Ofschoon ik oud en onder werd

En duf en suf kon zijn.

Nog niets ter wereld laat mij koel,

En altijd voel ik wat ik voel\'

Nog even sterk en lijn.

Een lief gelaat, een zoet geluid,

Een vriendlijk oogenpaar Werkt nog in mij niets anders uit

Dan voor ruim vijftig jaar;

Op d\'aanblik van waarachtig schoon. Op \'t hooren van een hartetoon.

Trilt nog dezelfde snaar.

Schoon hij zijn helder hoofd behoudt

En weinig krachts verliest.

Die man wordt oud, wiens hart verkondt, Wiens zielsgevoel bevriest!

SLEUTELBLOEM. —■

-ocr page 640-

ZIELTJE ZONDEK ZORG. — LACHEBEKJE.

Ook, die ontijdig zich onttrekt Aan wat de jeugd des harten rekt En \'t heilig vuur tot voedsel strekt; Die oud te zijn verkiest.

ZIELTJE ZONDER ZORG.

Zielt.ie zonder zorg! Is slechts u het leven Anders dan te borg, Dan ter leen gegeven,

\'t Leven, kort van duur. Bij zoo dure plichten.

Dat gij uur op uur ü ontglippen laat.

Zonder metterdaad Heel veel uit te richten?

Wis, de jeugd is schoon. Tot genot geschonken.

Laat haar blijdste toon U het hart ontvonken!

Laat haar zoetst gevoel Tintien door uw aren!

Maar daar zij een doel, Waar de frissche kracht. De eedle gloed naar wacht Van uw jonge jaren.

Zie de wereld in Zonder vrees of zuchten.

Met een blijden zin.

Wars van ongenuchten;

Pluk de bloemen vrij, Die uw pad verfraaien;

Maar bedenk er bij; \'t Vroege jaargetij Is toch ook voor mij Mede een tijd van zaf.ien.

LACHEBEKJE.

Lachebekje, die men acht Eens zoo \'mooi, wanneer gij lacht, Als zich in uw malsche ionen \'t Aardig putje komt vertoonen.

-ocr page 641-

AAN MIJN JONATHAN, ENZ.

163

BLEEKNEUSJE. —

\'t Rozemondjen opengaat En zijn parels kijken laat;

Als het tintien van uw oogen Nog vergroot hun groot vermogen, En geheel uw lief gezicht Overgoten schijnt met licht!

Wie zou u dat schoon misgunnen, Wie die vreugd betwisten kunnen ? Wie misprijst den blijden lach Van uw heldren lentedag?

Wie en zou het niet betreuren,

Als het eenmaal moest gebeuren, Dat hij hooren moest: „Och Heer! Lachebekje lacht niet meer.quot;

Weet nochtans van maat te houen; Onmaat stuit, het meest in vrouwen; Lach, zoo als wij \'t liefst aanschouwen; Lach zoo dat gij \'t nooit verbruit. Niet te dartel, niet te luid.

Nimmer schamper, niemand uit.

BLEEKNEUSJE.

Bleekneusje moest zoo bleek niet zijn.

Zij is niet ziek; zij voelt geen pijn;

Zij kent geen zorgen, die haar prangen, En toch altijd die bleeke wangen.... Bleekneusje moest zoo bleek niet zijn.

Bleekneusje, weet gij \'t waarlijk niet.

Waar gij zoo treurig bleek van ziet\'?

En zie me eens aan, en goed in de oogen! — Nu bloost ge en maakt mijn woord ten logen. Bleekneusje, weet gij \'t waarlijk niet?

Gij weet het wél?.... Dan weet ik \'t ook. Och of de roos nog weer ontlook.

Die \'t kinderlijke bekje kleurde.

Eer wa.t gij weet haar bloei versteurde! Gij weet het; en dan weet ik \'t ook.

AAN MIJN JONATHAN,

OP HET GEDENKFEEST ONZER VIJFTIGJARIGE VRIENDSCHAP,

ua \'t verlies van eeu gemeeuschappelijken vriend.

Och, blijf nog wat!

Zoo velen zijn verdwenen;

-ocr page 642-

AAN MIJN JONATHAN, ENZ.

\'t Wordt op ons pad Zoo ledig, om ons henen. Och, blijf nog wat!

Wij waren jong,

Toen wij elkaar ontmoetten.

Gij zongt, ik zong Om \'t bruisend hart te boeten. Wij waren jong.

Een zelfde werk Eischte onze mannekraohten,

Die wij der Kerk Met vreugd ten offer brachten, In \'t zelfde werk.

Wij werden oud —

\'t Verwelken komt na\'t bloeien —

Maar nog niet koud Voor wat ons eens deed gloeien, Al werden we oud.

En zoet noch zuur.

Bij jong zijn of verouden,

Bracht nooit een uur.

Dat wij elkaar mistrouwden. Bij zoet of zuur.

Vr.r ons verbond Zijn vijftig jaar verloopen.

Is daar nog grond 0)i langer tijd te hopen Voor ons verbond?

:t Zy naar Gods wil. Wij hadden nooit iets te eischen.

Wij zullen stil Vaneengaan en verreizen.

Zoodra hij \'t wil.

Toch wensch ik dat Aandoenlijk uur verschoven;

Het „Blijf nog wat!quot;

Komt telkens weder boven. Och, blijf nog wat!

-ocr page 643-

EST MODUS IN BKBUS SUST CES TI DENIQUB FINES, ENZ.

EST MODUS IN REBUS SUNT CBRTI DENIQUE PINES.

Daar is een maat in alle zaken;

Daar ia een grens aan alle ding.

Die maat en grens te buiten ging,

Zal nimmer tot iets groots geraken.

Hjj draaft voorbij; hij schermt in \'t wild; Besteedt, verwerkt niet, maar verspilt, En broddelt door het mooi te maken.

De kracht is in de maat; de grens Bepaalt de taak. — Begaafde mensch.

Die dit miskent of wilt braveeren!

Gij moet door schade en schande leeren.

NEMO MORTALIUM OMNIBUS HORIS SAPIT.

Geen sterflijk mensch is te aller uur verstandig; En dien gij \'t meent te zijn.

Die is het slechts in schijn.

Maar, in zijn uur van dwaasheid, handig.

QÜIETA NON MOVERE.

Wat stil is hlijve stil.

In staat, in kerk, gezin, gestel,

Laat rusten wat nog rusten wil;

Van zelf ontwaakt het wel.

Maar wat ge ontijdig wakker maakt — Van \'t geen \'t misdoet, draagt gij de schuld! En \'t uur komt dat gij vragen zult,

Hoe \'t weêr in slaap geraakt.

NIET BEGREPEN.

,\'k Word door de wereld niet begrepen; „Ik blijf miskend mjjn dagen sleepen!quot;

Begreept ge uzelv\' maar eens, mijn vriend! Gij wist, waartoe miskenning dient.

PROPTER VITAM VITAE PERDERE CADSAS.

Beklaag hem, die alleen voor zijn gezondheid leeft, En, om des levens wil, geen wil van \'t leven heeft.

165

-ocr page 644-

166 LAATSTE SCHANS. — A DIED TA VIE EN DIEU TA FIN. — IJ3.

LAATSTE SCHANS.

\'t Kwaad dat, waar \'t fel bestreden wordt, Op \'t punt staat van het op te geven, Als \'t zich terugtrekt in het tort

Dat Hoogmoed heet, rekt, redt zijn leven.

A DIEU TA VIE EN DIEU TA PIN.

Devies van Jean Taffin, eersten Waalschen predikant te Haarlem.

vAan God uw leven,

In God uw endquot; —

Die leus geschreven Op vaan en tent!

Ze in \'t hart geprent, En trouw gebleven!

In deze uw kracht.

Van dag tot dagen,

Uw werk volbracht,

Uw kruis gedragen.

En, zonder klagen of versagen, Het albeslissend uur gelaten ingewacht!

L

IJS.

Waar de Us-berg over de andre gluurt En uitkijkt met zijn toppen.

Daar worden de oogen uitgetuurd. En alle harten kloppen.

Zoo ras zich op \'t verdronken land Een vlies van IJs laat merken;

Wat zegt verdronken? \'t Hart ontbrandt, En ieders voet krijgt vlerken.

En komt er IJs op \'t nagerecht,

\'t Wordt nergens afgeslagen;

Zelfs nufje Kieskauw-Maagkramp zegt: „Ik zal het toch maar wagen.quot;

Is \'t IJs dan wel een ijzig ding. Dat huivren doet en rillen?

Neen, aller menschen lieveling,

Zoo zij \'t maar weten willen.

-ocr page 645-

ROZEN. — INtiA.

ROZEN.

Aaf vrouwe van Loon- Voombergh.

Schoon in den knop, en in uw volheid schoon, En lieflijk steeds, nog geurend na \'t verwelken, Bloemkoningin! wie dringt u van uw troon?

Geen gouden tulp, geen zilvren leliekelken,

Geen modebloera van vreemde\' en weidschen naam, Geen nieuwe vondst uit verre werelddeelen. De sohoonheên, die verdeeld zijn over velen, Vereenigt gij en voegt ze zedig saam.

Bloeit in mijn hof, beminnelijke rozen!

In schoonheid ée\'n, in tinten velerhand;

Door kenners-oog met zorg en smaak gekozen.

Door huwlyksliefde of vriendschap mij geplant. Verblijde uw schoon, dat altijd verrukte.

Elk jaar op nieuw het hart, dat God mij gaf; En legge een hand, die ik nog stervend drukte. Een uwer neer op mijn eenvoudig graf.

INGA.

Lieve Inga, die met mij een tijd Hebt op den Engelberg \') gewoond,

En nu mijn oog onttrokken zijt Ten berge, daar men vorsten kroontquot;), Gedenkt gij somtijds d\' ouden man,

Die u maar niet vergeten kan?

Voor wien gij bloemkens fijn en schoon Hebt aan uw moeders zij geplukt;

Die, op zijn beurt, een bloemenkroon.

Heeft op uw jeugdig hoofd gedrukt? Gij, zelve een bloem van \'t frissche Noord1), Die aller oog en hart bekoort!

Nog ziet mijn oog dat lief gezicht Dat voorhoofd, helder als de dag,

Dat oog, waar zooveel hart in ligt,

Dien reinen blik, dien gullen lach:

Nog voelt mijn hart, met groot geluk, Van uwe hand den zachten druk.

1

) Noorwegen.

-ocr page 646-

inga.

Nog zit ik, tot onschuldig spel,

Met u terneder aan den disch.

En merk uw guitig lachje wel.

Wanneer \'t geluk u gunstig is,

Maar nooit, wanneer \'t u tegengaat. Een rimpeltje op uw blij gelaat.

Gelooft gij \'t. Inga! dierbaar kind! Dat toen, voor mij ten laatsten groet. Uw zakdoek fladderde op den wind,

En ge aan mijn oog ontgingt voor goed, Dat oog, eens grijsaards oog, lief wicht! Een wolk zag komen voor zijn licht?

Een wolk? 0 ja! een stille traan; Een traan uit een bekommerd hart,

Door wondren weemoed aangedaan,

Door vrees, zich mengende in de smart, Als moest ik beven voor het lot Van dit uw schepsel, o mijn God!

Voor \'t lot van een zoo rein, zoo zacht. Zoo wonderschoon, zoo lieflijk goed.

Die \'t leven vriend! ijk tegenlacht, En nergens kwaad of leed vermoedt; Het leven, dat de grijsaard kent,

Wiens hellend pad zich grafwac-.rts wendt.

Of staat niet, in dit aardsche dal, De schoonste bloem op d\' ergsten wind ? Hangt niet een noodlot over al Wat hoogst gevierd wordt, teerst bemind? Maar neen! Geen Noodlot, gij regeert! Gij spreekt, en \'t onheil blijft geweerd.

0 weer het van dit lieflijk hoofd!

O spaar het aan dit liet gemoed!

Al wat zoo schoon een jeugd belooft. Dat schenk\' haar \'t leven mild en goed, Als de oude man, wiens hart rij stal.

Reeds lang den doodslaap slapen zal.

-ocr page 647-

JOHN WICLIFS ASCH.

JOHN WICLIFS ASCH.

This brook (the Swift) hath conveyed his ashes into Avon, Avon into Severn, Severn Into the narrow seas, they into the main ocean: and thus the ashes of Wycliffe are the emblem of his doctrine, which is now dispersed all the world over.

Thomas Fuller, (f 1651).

De Swift ontving de gloeiende ascli

Van \'t eerbiedwaard gebeente Van die een kracht in England was,

Een licht der Godsgemeente;

Wiens ijvervuur met pen en mond Alleen de dood gebluscht had,

En die nu in gewijden grond

Schier half een eeuw gerust had.

De haat, die nimmer rusten kan.

Moest hem in \'t graf vervolgen.

Het laatste spoor van zulk een man,

Door vlam en vloed verzwolgen!

De Swift, van \'t wreed geschenk ontroerd,

Heeft, met eerbiedig beven,

Die asch aan de Avon toegevoerd,

En aan de Severn de Avon;

De Severn haar, langs breeder baan.

Ter zeestraat in doen stroomen;

Van daar is zij in d\'Oceaan,

De wereld-zee gekomen.

Niet anders \'t woord uit Wiclifs mond.

De vrucht van zijn gedachten.

Heel England door, de wereld rond,

Van na- tot nageslachten.

Wicllf was in Dec. 1381, onder \'t hooren van de mis, in zijne parochiekerk te Lutherworth ontslapen. De stoel, waarin hij den geest gegeven had, wordt er nog getoond. — Een en dertig jaar daarna, ten jare 1415, werd hij in het concilie van Constanz ketter verklaard, en bevel gegeven tot opgraving van zijn gebeente en uitwerping uit den gewijden grond. Eerst dertien jaar later (1428) werd aan dit bevel, op aanmaning van Paus Martlnus den Vden, uitvoering gegeven door Bisschop Fleming van Lincoln. Deze liet het gebeente verbranden en de asch In de Swlft werpen.

Avon; spreek uit Even. Severn; spreek uit Sev\'ern. Ter zeestraat in enz. Fuller *egt: into the narrow seas; nl. het kanaal van Bristol, en dat van St. George.

169

-ocr page 648-

170 bi.T een in latbn herfst noo groenen treurwilg, enz.

BIJ BEN IN LATEN HERFST NOG GROENEN TREURWILG.

Dees treurwilg blijft nog groen en weet van geen verkleuren,

Al bruint en geelt en dort rondom hem al \'t geboomt;

Beeld van gemaakte smart en tooneelmatig treuren.

Dat heel wat lijkt, maar dat zoo kwalijk niet bekoomt.

VERTROUWEN.

Wilt gij bedrogen zijn: geef blijk dat gij mistrouwt. Vertrouwen, niets dan dit, werkt goeds bij jong en oud.

PIJNSTILLING.

Hem die veel lijdt, verwekt de dood geen schrik. Pijn schijnt een eeuw; dood is een oogenblik.

EENS MENSOHEN HART.

Eens menschen hart is een nauwluistrend instrument. Het laat zich menig toon, die lieflijk klinkt, ontrukken,

Zoo \'t maar bespeeld wordt door een meester, die het kent,

Die \'t lief heeft, die zijn snaren weet te drukken Naar aard en eisch, met\' yingren vol gevoel;

Maar dat maar al te vaak in handen valt van krukken. Van broddlaars, die met een eerzuchtig doel Het wagen aan hun dolle meesterstukken.

En dan \'t noodwendige mislukken Zichzelf niet wijten, maar aan \'t speeltuig, dat, o smart!

Voor lang ontstemd, misschien voor goed bedorven werd.

NAAR HOOGER.

Plus hautl toujours plus haut, vers ces hauteurs sereines, Oü nos deslrs n\'ont plus de flux et de reflux;

Oü les bruits de la terre, oü la chant des sfrènes,

Oü les doutes rallleurs ne nous parviennent plusl Plus haut dans le mépris des faux dieux qu\'on adore; Plus haut dans ces combats, dont le ciel est l\'enjeu;

Plus haut dans vos amours! Montez, montez encore, Sur cette échellc d\'or qui va se perdre en Dieu.

Victor de Laprade (f Dec. 1883).

Naar hooger! hooger steeds, ter heldren hoogten henen, \'t Getij te boven der begeerten; waar \'t gerucht Der woelende aarde, waar de lokstom der sirenen,

De spot des twijflaars u niet inhaalt op uw vlucht

-ocr page 649-

groepeeren. - partijgeest. - wie ooit? 171

Naar hooger met uw smaad voor kostlijke iidelheden;

Naar hooger ia den strijd, waar \'t om den hemel gaat; Naar hooger m uw liefde! Al hooger, langs de treden Der ladder, op wier top uw God en Vader staat.

GROEPEEREN.

\'t Groepeeren van de cijfers, zoo of zus,

Maakt groot verschil, kan menigeen misleiden.

Niet elk kan „Waar \'t hem zitquot; genoegzaam onderscheiden. Is \'t met groepeeren van de teksten ook niet dus?

They never taste, who always drink; They always talk, who never think.

PRIGII.

Die altijd drinkt, kan nooit iets smaken;

Die nimmer denkt, roert steeds de kaken.

anders :

Die altijd drinkt, proeft niet met allen;

En die nooit denkt, zal eeuwig kallen.

PARTIJGEEST.

\'t Is en zal zijn zoo als \'t altijd geweest is: Partijgeest is de dood van al wat geest is.

WIE OOIT?

Wie heeft ooit, in Gods ooren, Eén goed gebed gedaan?

Wie immer, tiaar behooren,

Zijn dank hem doen verstaan?

Wie in zijn oog doen gloren Eén zuivren boetetraan?

Wie heeft, bij dag of nachte, In menschelijk gemoed.

Een enkele gedachte,

Die heilig was gevoed?

Wie heeft één woord gesproken, Wie éénen zucht geslaakt.

Waar niets aan heeft ontbroken. Die rein was en volmaakt?

Wie, in geheel zijn leven.

-ocr page 650-

HA00Q1NQ.

Een enkel liefdeblijk Aan God of mensch gegeven, Volkomen liefderijk.

Al had ik al mijn dagen

Nooit feitlijk kwaad gedaan, Toch mocht ik het niet wagen

Mijn oogen op te slaan Tot U, volheilig Wezen,

Die in mijn hart kondt lezen.

Die in mijn binnenst zaagt! Mijn vonnis is gewezen

Waar Gij naar \'t goede vraagt.

NAOOGING.

Aan Miss Ada Maky B„

op zee naar Australië.

Ik denk aan u in stille nachten,

Die op den ongemeten vloed,

\'t ü beidende echtheil te gemoet.

Drijft in de hoede des Almachten,

Die u genadig zij en goed!

Kind, dat uw hart mij hebt ontsloten,

Wiens vriendschap mij gelukkig maakt, Daar, ze in een oogenblik ontwaakt,

Gelijk een bloem kwam opgeschoten.

Door tooverschepter aangeraakt!

Kind, dat ik nimmer zal vergeten,

Schoon voor zoo kort op aarde aanschouwd! Hoe oogt mijn geest u na op \'t zout

Der zee, en wenschte wel te weten Wat koers gii door de golven houdt;

En of ze u zoo behoedzaam dragen,

Zoo zacht uw doel doen tegenspoên,

Als dees mijn armen \'t wilden doen,

En tegenwind en onweersvlagen

Uw kiel verschoonen van hun woên!

Want gij zijt een dier zóó geschapenen, Die zeggen doen aan wie se zien:

„Aan deze moet geen leed geschiên;

„Voor haar, zich al wat dreigt ontwapenen, „Haar, al wat steunt bescherming biên.quot;

-ocr page 651-

DE OMTUININO UIT!

Beminliike Eenvoud, gul Vertrouwen, Met vrees en argwaan onbekend!

U dskt een schild dat niemand schendt. De reine ziel zal God aanschouwen;

Godü oogen zijn tot haar gewend.

Moge u Zijn machtige arm beschermen, En dragen over \'t golfgebied,

Tot gij die nieuwe wereld ziet.

Waar gij, in uwer waardige armen, Een leven in Zijn gunst geniet!

DE OMTUmiNG UIT!

De omtuining uit, de wereld in, Rechtaarde christenscharen!

Laat broederliefde en menschenmin Alom zich openbaren!

Treedt ieder vriendlijk voor \'t gelaat,

In wien een ernstig harte slaat; En laat geen vormen prijken, Maar geest en leven bl^krfn.

Nooit zij, wat beter wezen kon, Als slecht ter zij geschoven.

Al \'t goede heeft een zelfde bron; Het komt van God hierboven.

\'t Betreklijk goede is ook uit hem;

Gebrekkig antwoord op de stem, Die \'t innig hart doet trillen, En \'t werken werkt als \'t willen.

Het wordt door allen niet beseft. Maar Gons geest werkt aan allen.

Waar iets tot Hooger zich verheft, Daar is hij ingevallen.

Daar heeft hij zich (nog ongekend.

Maar kennende) tot dat gewend Wat, in het hart der blinden. Door tasten, dringt tot vinden.

God brengt zijn schapen bij elkaar. Op velerlei manieren j

Niet elk wordt straks den staf gewaar, Die aanvangt hem te stieren.

Eerst waar het nadert tot de stal,

Die ze al te zaam bevatten zal, Zal elk, op eigen wijzen, Den Goeden Herder prijzen.

173

-ocr page 652-

ONTLEENDE GEDACHTEN.

Gij die liem kent, misken hem niet

In zijn geduldig werken! Hij voert zijn godlijk algebied Niet enkel in uw kerken. Vermoed ook buiten \'t heiligdom Zijn wijze hand; zij werkt alom

Aan \'t ryk van liefde en vrede. Gij, werk eerbiedig mede!

ONTLEENDE GEDACHTEN.

I.

ALÏEKNAT1EF.

Gij kunt al \'t goed niet doen, dat ge in uw eedle droomen

U voorgespiegeld hadt en als uw plicht beseft; Des moedloos, geeft gij \'t op. Moet dan, wat u betreft, Al \'t kwaad, dat komen kan, maar komen?

II.

AAN EEN MATERIALIST,

Hoe hooger ik uw gaven eer. Te dieper moet ik mij bedroeven, Zoo groot een geest te hooren snoeven Dat hij een lichaam is, niets meer.

III.

JEUNESSE DOilÉE.

Verachtelijke zwerm van knapen, los van zeden,

Verkwisters van uw jeugd, haar kracht, haar geest, haar gloed\' Die \'t leven wegsmijt voor doemwaarde nietigheden,

Geeft mij uw twinttg jaar, zoo gij er niets meê doet!

IV.

VERDRAAGZAAMST.

Wie moet verdraagzaamst zijn? Wie is het duurst verplicht? Die \'t klaarziendst oog bezit, bij \'t ruimste vergezicht.

174

-ocr page 653-

ONTLEENDE GEDACHTEN.

V.

VERLEIDING.

Heeft u de duivel, vriend! of hebt gij hem verleid, Zijn list uitlokkende door güè gelegenheid?

VI.

_TEN EERSTE ZUIVER 1quot;

Hoe neemt gij \'t? Rein van hart, of zuiver in de leer? Veel is de waarheid waard; maar waar te zijn nog meer.

VIL

ONTZIET ELKAAR.

Ontziet elkaar, gij strijdende partijen!

Bewijst elkander schuldige eer! De waarheid zal er niets bij lijen.

En gij betvacht een deugd te meer.

-ocr page 654-
-ocr page 655-

AARTSENGEL

MICHAELS BOODSCHAP.

ORLANDO FURIOSO.

Canto XIV. St, 75-97.

IQ

-ocr page 656-

Op liet bericht dat Reinoud met een hulpleger uit Engeland op de Fransche kust geland is, verzamelt de aanvoerder der Saraceneu al zijn macht om die tegen Parijs te doen aanrukken. Op het vernemen hiervan beveelt Charlemagne, dat in alle kloosters en kerken dringende gebeden tot den Allerhoogsten worden opgezonden om den aanval te verijdelen en het dreigend onheil van de Christenheid at te wenden. De vrome Keizer zelf roept met ootmoed, boetvaardigheid, en betamende geloften den bijstand des hemels in. Zijn vurig gebed bleef niet onverhoord. Zijn beschermengel voerde het voor den troon des Verlossers; en alle engelen ondersteunden het.

-ocr page 657-

MICHAELS BOODSCHAP.

En de oagelijkbre Goedheid, wie te smeeken

\'t Geloof zich nimmer vruchtloos onderwond,

Zag met ontferming neêr en gaf een teeken

Aan Michael. .Vlieg henen!quot; sprak haar mond; „Een Christenleger heeft het zeil gestreken

„Ter kust van Picardye; voer terstond „Het voor de muren van Parijs, maar zonder „Dat \'svijands kamp ieta merke van het wonder.

„Ga eerst de Stilte vinden, met bevel „Om tot dit werk aan uwe zij te kleven;

„Zij kent de middlen en de kunsten wel,

,Die aan een zaak een goeden uitslag geven.

„Ga dan naar \'t oord, alwaar de ïweedkacht, fel „En woest van aard, haar zetel heeft verheven.

„Zij volge u, toorts en tonder in de hand,

„En brenge in \'t kamp der Moren moord en brand.

„Zij strooie er, tusschen grooten en geduchten

„Door moed en kracht, haar twistvuur, en kwaad zaad, „Dat welig opsla met vergifte vruchten,

„Zoo dat de een d\' ander aanvalt, kwetst, verslaat, „En andren veel \'t verwarde kamp ontvluchten,

„Waardoor \'t groot heir zijn Koning luttel baat.quot; God sprak. De Aartsengel, voor zijn troon verschenen. Gaf niet een woord ten antwoord; maar vloog henen.

De wolkeu deinsden. Klaar werd \'s hemels trans Alom waar de Engel heendreef op zijn schachten.

Een gouden gloor omzweefde hem, in glans Den bliksemstraal gelijk bij donkre nachten.

„Waar,quot; dacht de hemelbode, „is nu de kans „Mij \'t schoonst? Waar kan ik eerst en best verwachten „Dat ik die vijandin der spraakzaamheid „Ontmoet, tot wie mijn eerste boodschap leidt?quot;

Hij overdacht haar wijzen, wegen, werken.

Doorliep met zijn gepeinzen menig oord.

Met dit besluit ten laatste: „Kloosters, kerken,

„Ziedaar waar zij wel \'t zekerst thuisbehoort.

-ocr page 658-

MICHAELS BOODSCilAP.

„Het vroom verblijf, waar zich de paters sterken

„In \'t hemelsche; waar niets van de aard hen stoort, „Waar dorme, refter, boet-, ja alle cellen,

„Elk op hun deur, \'t woord Stilte zagen stellen.quot;\')

Dit denkbeeld gaf d\' Aartsengel nieuwen lust, En nieuwe snelheid aan zijn gulden pennen.

\'t Vooruitzicht van slechts liefde, vrede en rust Deed hem het zwerk met vlugger vaart doorrennen.

Maar \'t licht dier hoop werd deerlijk uitgebluscht, Zoodra hij plaats en toestand leerde kennen.

Hier was geen Stilte; al lang ontweek zij \'t Stift; Of, was ze er nog, het was alléén in schrift.

Ach, vruchtloos met een schoon tooneel van vrede,

Van liefde, vroomheid, ootmoed zich gevleid! Zij waren er geweest, maar lang geleden.

Nu was er vraatzucht, hebzucht, toornigheid.

Nijd, luiheid, wreedheid, trots, ontuchtigheden!

De Aartsengel stond verbaasd van \'t onderscheid.

Zijn oog doorliep de onoogelijke bende ...

— Was dit de Tweediiacht niet, die hij herkende?

Hoe zij, die hij, naar \'t goddelijk bevel.

Zou zoeken, als de Stilte was gevonden.

Die hij gedacht had op den weg der Hel Te ontmoeten bij verdoemden en gebonden\':

Die vond hij, waar — afschnwlijk guichelspel! -Gebed en offer werden opgezonden!

Was \'t mooglijk? Hij vermoedde een verren tocht: En zoo nabij, en hier was, die hij zocht!

Hij kende haar aan \'t kleed van honderd kleuren,

Uit ongelijke banen saamgehaakt,

Dat hier haar dekt, daar naakt laat door zijn scheuren,

Die iedere beweging grooter maakt.

Haar, \'t onderling oneensche, haren sleuren.

Rood, wit, zwart, grauw, hier uit elkaar geraakt,

Daéir in een vlecht, ginds in een lus gevangen.

Haar over borst, en rug, en maagre wangen.

Ook torste ze, onder de armen, en in \'t kleed. Een zware vracht van wetten, decretalen,

Volmachten en adviezen, heel een vleet Dagvaardingen, verhoeren, en verbalen.

Anders:

Waar m\' overal \'t bevel om stil te zwijgen, Op muur en deur gegrift, te zien kan krijgen.

-ocr page 659-

michaels boodschap.

Als niet alleen zij die men „kleintjesquot; heet,

Maar steden met den ondergang betalen;

En vóór en achter haar en rond en om, Ken procureurs- en advocatendrom.

De Aartsengel wenkte en deed zijn last haar hoeren:

„Zij moest in \'t kamp der Moren zulk een twist, „Als op vernieling uitliep, doen ontgloren;

„Sterk tegen sterk moest worden aangehitst.

„Maar zeg me eerst waar de Stilte is op te sporen?quot;

Sprak Michael, verzekerd dat zij \'t wist.

Die \'t allen tijde in alle wereldstreken,

Nu hier dan daar, een brand had aan te steken.

Maar \'t antwoord was: „Ik weet zoo waar niet, of „Ik haar wel ooit ontmoette in stad of velde;

„Wel heb \'k haar naam vernomen en een lof, „Die overal haar schranderheid vermeldde.

„\'k Denk echter wei dat iemand van mijn hof, „Die menigmaal haar op haar weg verzelde,

,U goed bericht zal kunnen geven. — Ziequot;,

Zoo sprak ze en wees Beduoq aan: „het is Diequot;.

Een steelsche tred; zeer zachte wezenstrekken;

Een neergeslagen oog: een spraak zoo zoet En zedig, dat zij \'t denkbeeld op moest wekken

Van d\'Engel Gabriel bij \'t „Wees gegroetquot;; Het oovrig moest een lang, wijd kleed bedekken:

Mismaaktheid van den hals af tot den voet.

Nog iets verborg \'t en mocht daar nooit ontbreken: Uw dolk. Bedrog! met zwart venijn bestreken!

Haar vroeg dan nu de Aartsengel, werwaarts hij. Om Stilte te betrappen, heen moest zweven.

„Zij woonde vroeger bij de Deugdkh; zijquot; —

Was \'t antwoord — „zij beminde \'t kloosterleven,

„Toen \'t nieuw en schoon was, en bezocht de abdij, „Casino\'s kruin en Karmels hooge dreven;

„Ook had zij eertijds scholen; maar dat was „Slechts in de dagen van Pythagoras.

„Sinds Philosoof en Heilig haar ontbraken,

„Die lang haar hielden op de rechte paan,

„Zag men haar meer en meer de Deugd verzaken;

„Weldra tot schelmerijen overslaan;

,\'s Nachts met verliefden op den tril geraken;

„En straks met dieven op den strooptocht gaan;

„Veel heeft zij met Vekuaad zich opgehouen,

„En ook met Moord mocht haar mijn oog aanschouwen.

181

-ocr page 660-

michaels boodschap.

„Met valsche munters en hun loos bedrjjf „Houdt zij zich vaak in duistren hoek verscholen;

„Maar wisselt ook zoo dikwijls van verblijf, „Dat die haar wenscht te vinden, lang kan dolen.

„Toch is er kans, dat gij haar valt op \'t lijf, „Zoo gij te middernacht de diepe holen,

„De donkre grot des Si.aaps kunt hinnentreên: „Daar neemt zij rust; begeef u derwaarts heen!quot;

Ofschoon Beduog meest liegt: in \'t geen zij zeide Was deze maal toch zoo veel schijn van waar. Dat de Engel haar geloofde. Hij verbeidde

Geen oogwenk meer; maar spoedde zich van daar. Hij regelde zijn vlucht en overleide

Zijn weg, en nam zijn tijd terdege waar,

Om in \'t verblijf des Slaaps, dat hij wel kende,

Haar, die hij zocht, te vinden in het ende.

Arabië! daar ligt een eng, diep dal.

Ver van uw steden, dorpen, en woestijnen;

In schaduw van twee bergen, heel en al Bedekt met breede beuken, grijze pijnen;

Waar steeds de zon vergeefs in pogen zal Zyn vollen gloed van stralen te doer, schijnen;

Daar, dichtbegroeid en tusschen bonk en stronk. Loopt een smal pad uit op een bergspelonk.

Daar, achter \'t zwaar geboomte, ontsluit een wijde.

Zeer diepe grot zich in den harden steen, \'t Gezellig eiloof, groen ten allen tijde,

Rankt wild en dicht zich om den ingang heen.

Hier woont de logge Slaap. Aan de eene zijde.

Zit Ledigheid met haar gemeste leên Plat op den grond; en Luiheid strekt de beenen Aan de andere uit, die haar geen dienst meer leenen.

Vergetelheid houdt bij de deur de wacht;

Kent noch herkent wie ooit haar koom te voren;

Laat niemand in, geeft op geen boodschap acht. En heeft naar \'t schijnt zelf tong en spraak verloren.

De Stilte doet de ronde, en schuifelt zacht Op fulpen zool, den mantel over de ooren;

En wien ze ook zou zien naderen: zij gaf Een teeken met de hand en wees hem af.

Maar Michael trad toe en, fluistrend, zeide: ,\'t Is Godes wil, dat Reinouds legermacht „Oprukke naar Parijs, in uw geleide,

„Opdat den Keizer hulp zij toegebracht;

-ocr page 661-

miciiakls uoodschap.

„Maar zóó, dat niet zich \'t kleinst geluid verspreide,

„De Saraceen nieta hoor, waar \'t nog zoo zacht, ,T5n, eer \'t Gerucht in zijn trompet kan stoeten, „Hij zich van alle kant vinde ingesloten.quot;

De Stilte gaf geen antwoord, maar zij boog Eerbiedig \'t hoofd en, straks reisvaardig, stelde

Zich achter hem die haar gebood, en vloog Met hem naar Picardye en \'t heir te velde.

Daar zorgde de Engel dat de strijdlust hoog Opvlamde in alle rangen. Alles snelde Te wapen; naar Parijs; in éénen dag;

En niet een man, die daar iets vreemds in zag.

De Stilte ging, dan achter en dan voren,

Om \'t leger heen; op zijn geleedren zonk Een dikke mist, waardoor geen zon kon boren,

Schoon verderop de dag op \'t helderst blonk.

Die nevel was zoo dik, dat tromp noch horen

Naar buiten hoorbaar werd, hoe schel hij klonk.

Toen toog zij naar de heidenen, en diende Ze een \'k weet niet wat toe, dat elk doof maakte en atikziende.

183

-ocr page 662-
-ocr page 663-

ASTOLFO\'S MAANB EZOEK.

ORLANDO FURIOSO.

Canto XXXIV. St. 48—92. Canto XXXV, St. 10—30.

-ocr page 664-

Astolfo, woest, maar dapper Engelsoh prins, die zich mede met Karei den Groote tegen de Saracenen verbonden heeft, is onder de helden van diens gevolg, in dit dichtwerk, wel een dergenen, wier lotgevallen het verscheidenst en het ongehoordst zijn. Hij is al eens op den rug van een walvisch door cle zee naar hetquot;eiland eener toovergodin gevoerd, waar hem lief en leed wedervaren, waar hij ten slotte door deze in een mirteboom veranderd is; maar door eene andere in zijn vorige gedaante hersteld, en met een boek begiftigd, waardoor hij in de toekomst kan lezen, en met een hoorn, waarop hij slechts heeft te blazen om mensch en dier van schrik te doen verstijven en weerloos te maken. Mu vinden wij hem in den zadel op eeu hippogryf, wonderwezen, half paard, half griffioen, dat hem bevorens aan de poort der hel gebracht heeft, maar hem nu door de lucht zal voeren tot een tocht, waarvan de volgende verzen de geschiedenis en het doel doen kennen.

-ocr page 665-

ASTOLFO\'S MAANBEZOEK.

Weer nam \'hem \'t wiekpaard op en, in Je lucht gerezen, Ging \'t naar den top des bergs, die, als Astolfo dacht, Niet verre van den zoom der maansfeer af kon vrezen.

\'t Verlangen om te zien had in hem zulk een kracht, Zoo perste hem de drang ten hemel, dat voor dezen ^ Onze aard beneden hem werd voor geen ding geacht. En hooger ging het steeds, steeds hooger, tot ten laatste \'t Gedienstig vleugelpaard hem op den bergtop plaatste.

Saffieren, perlen, goudstof, diamant,

Topazen, chrysolieten en robijnen

Moest in \'t verruklijkst oord, aan iedren kant,

Het blij gebloemte in \'s Ridders oogen schijnen;

Het glanzig groen van gras en kruid en plant Deed puiksmaragden in het niet verdwijnen;

Niet minder schoon was \'t loof van boomen, rijk Aan bloemen en aan vruchten tegelijk.

Daar kwinkten vogeltjes van alle veeren,

Blauw, geel, groen, rood, maar allen even schoon;

Daar blonken luide beekjes, stille meren.

Klaar als kristal, aan stormen ongewoon.

Zóó zacht een koeltje, als bloem noch blad kon deren.

Hield daar altijd een zelfde maat en toon;

Daar \'t in de lucht juist zoo veel trilling baarde.

Dat van den dag de hitte u niet bezwaarde;

Maar wat er geurigst leefde in bloem en blad En glanzig ooft, zich wiegende op zijn stelen.

Dat mengde \'t zaam en droeg het rond, opdat Het ziel en zin op \'t aangenaamst zou streelen.

Een prachtbouw, die van verre \'t aanzien had Als mocht hem louter vuur en vlam omspelen.

Stond daar, en praalde en straalde met een gloed. Als sterflijk oog nooit had op aarde ontmoet.

Astolfo liet zijn klepper langzaam treden

Naar \'t hoog paleis, zoo grootsch als zonderling. En rechts en links op al de heerlijkheden.

Die hem omringden, \'t oog gaan. Hoe gering, Hoe leelijk werd hem de aard, die wij betreden En die van \'s hemels vloek het merk ontving,

Geleken bij dit lustoord, waar geen dampen \'t Volkomen schoon vermindren of bekampen.

-ocr page 666-

188

ASTOLFO\'S MAANBEZOE1C.

Verpletterd door bewondring, houdt hij stand Bii \'t naadren van dit puik der praal gebouwen.

Doorzichtig als karbonkel gloeit zijn wand;

Uit eenen steen is heel \'t kasteel gehouwen.

Waar mocht ooit menschenoog, in stad of land. Een wonderwerk aan dit gelijk beschouwen?

Zwicht hof van Dedalus! vergeet uw faam,

Gij \'s werelds Zeven Wondren al te zaam!

In \'t voorportaal dier woning zoo verheven,

Ontwaart Astolf een Grijs die tot hem treedt.

Zijn mantel is uit purperstof geweven,

En wit als melk \'t fijnlinnen onderkleed.

Sneeuwwit was \'t haar op d\' achtbren schedel; even

Sneeuwwit de baard, die op zijn boezem gleed. Hem docht — zoo heerlijk was \'t gelaat van dezen — Het moest een Zalige uit den hemel wezen.

Eerbiedig steeg hij af. Met bin gelaat En minzaam oog, breekt nu de Grijze \'t zwijgen:

„Baron! \'t Was niet dan naar des Hemels raad, „Dat gij tot dit aardsch Eden op mocht stijgen;

„Gij weet niet om wat reden, noch verstaat „Wat vrucht gij van dien uitstap zult verkrijgen;

„Doch, zeker, uit lichte oorzaak i,3 het niet,

„Dat gij uw noordlijk halfrond dus verliet!

„Het geldt den Grooten Karei; \'t geldt gevaren

Van \'t Heiligste Geloof. Om onderricht „En raad tot dezer redding op te garen

„Is \'t dat uw weg naar herwaarts werd gericht.

„Doch wacht u wel, dit voorrecht te verklaren „Uit eigen deugd: gij zijt het God verplicht.

„TSfoch wonderhoorn, noch vleugelpaard zou baten, „Had God de Heer uw reis niet toegelaten.

„Straks spreken wij wat rustiger te zaam „Van \'t geen waarmee zijn raadslag u belastte.

„Verkwik u eerst en schep een weinig aam „Van de ongewone reis, de lange vaste.quot;

Aldus de Grijs, Maar als daarop zijn naam, Hem meegedeeld, den jongen held verraste:

Wie schetst, hoe snel hem \'t bloed door de aadren dreef De naam diens mans die \'t Evangelie schreef?

Johannes was \'t; geliefdste, meest vertrouwde Des Heeren. Had de broederkring verstaan Dat hij alleen den dood niet smaken zoude:

\'t Was uit des Heilands mond niet uitgegaan,

Als hij tot Petrus had gezegd: „Zoo \'k woude Dat hij bleef tot ik kwam, wat ging \'t u aan?quot;

-ocr page 667-

ASTOLFO\'S MAAN BEZOEK.

Maar had hij niet gezegd: „hij zal niet sneyenquot;: Dat hij \'t bedoeld had, bleek hier door zijn leven.

Hier was hij opgenomen; hier ontmoet Door Henoch, in des werelds vroegste dagen

Door God aan de aarde onttogen; hier begroet Door die voor Isrel „ruitren was en wagenquot; \').

Alle ergernis te boven; hier vergoedt Een eeuwge lent\' hem al des werelds plagen. Tot jongst bazuingeschal aan volk bij volk Verkondt: „De Heer komt weder, op zijn wolk.quot;

Het drietal heiige mannen wees goedmoedig

Een ruim verblijf den aardschen ridder aan.

Zijn ros werd, in een ander, overvloedig

Onthaald op korlen van het edelst graan.

Hemzelv\' werd ooft geboden, dat zoo spoedig

Hij \'t proefde, \'t denkbeeld door zijn ziel deed gaan Als zulke, o Kennisboom! uw vruchten waren,

Laat de overtreding Adams zich verklaren.

Als nu de Held aan de eischen der natuur Voldaan had en, nadat hem \'t maal verkwikt had.

De rust van zijn vermoeiend avontuur Op \'t dons gesmaakt, dat hem goê zorg beschikt had,

En oprees in het hartverkwikkend uur.

Als reeds Aurore op de aarde neergeblikt had.

Zag hij terstond zijn achtbren gastheer weer.

Dien Jonger, die het liefst was aan den Heer.

11 ij heeft hem vriendlijk bij de hand genomen. En veel gesproken; maar ik meld niet wat. In \'t eind: „Mijn Zoon, uit Frankrijk hier gekomen,

„Weet ge echter niet, wat daar heeft plaats gehad. „Verneem \'t! Uw Roland heeft den weg der vromen

„Verlaten, en zijn heldenziel beklad;

„Zwaar straft de hand des Heeren den verblinde; „Het zwaarst altijd, dien hij het meest beminde.

„Uw Roland; hij, bij wiens geboorte God „Den grootsten moed met groote kracht vereende;

„Wien hij, verheven boven \'t menschlijk lot, \'t Onkwetsbaar zijn door zwaard of speer verleende;

„Vermits, gelijk hij eens een Simson tot „Verweerder van zijn Isrel spierde en zeende, „Hij dezen tot Beschermer had gewijd „Van \'t heilige Geloof dat hij belijdt;

„Uw Roland heeft zoo groote gunstbewijzen „Maar al te slecht vergolden aan zijn Heer.

Kon. II. 12.

-ocr page 668-

A3TOLFO S MAANBEZOEK.

„De heiige zaak, die eens zijn borst deed rijzen,

„Ontging zijn hart, vergat hij al te zeer.

„Voor een — wien doet zoo diep een val niet ijzen? —

„Voor een heidin verzaakt hij deugd en eer!

„Voor haar geblaakt door wulpsche en wreede tochten, „Heeft hij herhaald zijn eigen bloed bevochten \').

„Dies heeft hem God van zijn verstand beroofd, „Zoodat hij naakt heromzwerft door de velden, „Zoo zeer in \'t brein verduisterd en verdoofd,

„Dat hij niet een van die zich voor hem stelden

„Herkent, noch zelf zichzelf te zijn gelooft;

„Als zeven jaar, naar ons de Schriften melden,

„Het lot diens trotschen Konings is geweest,

„Die gras at in de weiden als een beest.

„Zoo zwart als die van deze\' is in Gods oogen

„De zonde niet van uwen christenheld;

„Dies wordt zijn straf in korter tijd voltogen.

„Drie maanden heeft de Hemel haar gesteld. „Wat tot uw reis den Heiland heeft bewogen:

„Het uur is daar, dat u mijn mond het meld\'. „Zij thans (Hij wil \'t) door u van mij vernomen, „Hoe Roland weer tot zijn verstand zal komen.

,\'t Is waar, tot nieuwen tocht moet ge aan mijn zij, „Verlatende deze aarde, u thans bereiden.

„Naar \'t schoone hemellicht, ons \'t meest nabij „Van al wat om ons zweeft, zal \'k u geleiden.

„Wat Roland afhelpt van zijn razernij „Is enkel daar te zoeken door ons beiden.

„Zoo ras dat licht ons boven \'t hoofd zal staan,

„Gaat onze reis, nog heden avond, aan.

Zoo sprak de Heilige; en de dag vlood henen In \'t onderhoud der wijsheid, diep en breed.

Maar, als de zon was in de zee verdwenen,

De maan haar blanke hoornen glinstren deed,

Is voor des Ridders oog een kar verschenen.

Tot reizen door het luchtruim toegereed.

De wagen was \'t, waarin, voor sterflijke oogen,

Elia steeg en opvoer naar den hcogen.

Vier hengsten, als een vuurvhwn rood van gloed.

Zijn door d\' Apostel in \'t gareel geslagen.

190

Hij plaatst Astolfo naast zich, grijpt vol moed De leidsels op, en stuurt den wcnderwagen De lucht door, die de raadren gonzen doet.

\') NI. Relnoud, met wien hü tweemalen om Angelica gestreden had. Zie Orlando namorato.

-ocr page 669-

ASTOLFO\'S MAASBBZOEK.

Straks worden zij den vuurkring doorgedragen;

Maar de eeuwge gloed dringt tot hun vel niet door; De wonderdoende Apostel zorgde er voor.

De sfeer d€iS vuurs ligt onder hen. Nu trekken

Ze op \'t maanveld aan. \'t Scheen hun voor\'t grooter deel Een stalen schild geliik, met roest noch vlekken;

En in hun oog verschilt het niet zeer veel Van \'t geen, in \'t groot, onze aarde geeft te ontdekken

In zee en land, vereend tot een geheel.

Ver onder hen zien zij die aarde zweven,

Van d\' oceaan, haar gordel, strak omgeven.

Twee dingen wonderden Astolfo zeer.

Hoe kon zich van nabij zoo groot vertoonen.

Wat hem een kleine schotel scheen, niets meer,

Gezien van uit den bol dien wij bewonen?

En, zag hij uit zijn koets op dezen neer:

Het mocht ter nauwernood de moeite loonen,

Zoo nietig scheen hij, die daar, zonder licht,

Zich telkenmaal onttrok aan zijn gezicht.

En ginds! Gansch andre stroomen, meren, weien.

Dan ooit het oog op aarde heeft aanschouwd,

Gansch andre bergen, heuvelen, valleien,

Met steden, burchten, huizen hooggebouwd,

En wegen, die naar alle kant zich spreien;

Ook menig uitgestrekt en donker woud,

Waarin de schoone nimfen, alle dagen.

Met opgeheven spriet de hinden jagen.

De Bidder mag niet stilstaan bij dit al.

Niet daartoe is hij herwaarts opgestegen.

De Apostel voert hem in een zeer diep dal,

Omringd van hooge bergen allerwegen.

Daar ziet bij wat hij nooit vergeten zal;

Al wat door eigen schuld, door \'t voor en tegen Van \'t lot, of door \'t geweld dès tijds, op aard Verloren werd, was hier bijeengegaard.

\'k Wil aanstonds niet aan staat of schatten denken,

Die \'t wentlend rad geeft en ontneemt om \'t zeerot; Van wat het lot te rooven noch te schenken

Vermag, gewaag ik voor uw ooren eerst:

Vermaardheen, die zich langzaam voelden krenken En straks vernielen door den geest die heerscht;

Veel ijdle wenschen; veel vergeefsche beden,

Die \'t zondig hart tot God zond van beneden.

Verliefde zuchten, klachten, jammerkreet;

De tijd, vermorst aan opschik, spel, of droornen;

191

-ocr page 670-

192 ASTOLPO\'S MAANBEZOEK.

Verzuimde tijd van \'t volk dafc nooit iets deed; Voornemens, vaak gekweekt, nooit nagekomen;

En doellooze verlangens bij de vleet,

Zijn wat hier meest de plaats heeft ingenomen.

Zoek niets meer van dit alles hier beneên.

\'t Ging maanwaarts; die \'t wil -weerzien reize er heen!

De Paladijn zag alles met verbazen,

En vroeg zijn achtbren gids nu dit dan dat.

Daar merkt zijn oog een berg van vochte blazen.

Luid rammelend, zoo vaak de wind ze vat.

De kronen waren \'t, dier gekroonde dwazen

Der oudheid, die een later eeuw vergat;

Assyriërs en Perzen, Grieken, Geten,

Wier rijk verging, wier naam wij nauwlijks weten.

Daarnevens stond geheel een hoop ten toon Van ringen, zilvren, gouden, kostbren, schoonen;

Al giften, die men gaf op hoop van loon,

Aan vorsten en hebzuchtige patronen.

Een slinger hing er, lang en ongewoon.

Geknoopt uit vleitaalstrikken. Muzenzoneu!

Een hoop geborsten krekels was hier \'t beeld Van zangen, op verkochte lier gespeeld.

Hier gouden ketens, perlen, halssieraden —

Bedrogen min! uw ras hernomen tooi!

Daar arendsklauwen, slechts tot eigen schaden.

Misbruikte macht! geslagen in uw prooi!

Blaasbalg bij balg in \'t ronde, stijf geladen

Met vorstengunst; bedriegelijke fooi.

Die zij voor ééns hun Ganymeden schenken.

Om later nooit meer hunner te gedenken!

Van menig stad en menig burchtslot lag De puinhoop hier met de uitgestorte schatten;

Vrucht van te zwak verbond, trouwloos verdrag, Of samenzwering die uiteen moest spatten.

Serpenten met een juft\'er-hoofd er. lach.

Waar dief en valsche munter moed op vatten;

Gebroken flesschen veel, en groot van ziel;

Loon voor den dienst bij hoven kaal en schriel.

Een menigte van weggeworpen sp\'jzen

Wekt \'s Ridders vraag, wat die oeduiden moet? „De weldaan zijn \'t,quot; is \'t antwoord van den Grijzen, „Die, na zijn dood, een vrek aan do armen doet.quot; Een hooge berg zag hij daarachter rijzen;

Verlept gebloemt\' droeg hij in overvloed;

Eens was zijn geur zoo zoet, nu geen verpester.

\'t Was Constantijns schenkaadje aan Paus Silvester.

-ocr page 671-

astolfo\'s 5iaasuezoek.

Lijmstokken zag de Held in groot getal; Uw schoonheên, juffers! en haar zoet vermogen...

Maar wie die \'t al naar orde noemen zal,

Wat hier zich voordeed aan Astolfo\'s oogen?

Oneindig is, wat in ons tranendal Bloeit, maar welhaast betreurd wordt als vervlogen; De dwaasheid slechts, nooit weinig, nooit genoeg. Verlaat nooit de aard en wijkt niet uit haar voeg.

Astolfo zelf zocht naar versoheiden dingen

En dagen, die ook hij verloren had.

Die echter in den hoop zijn oog ontgingen.

Tenzij dan, door den Gids, die naast hem trad.

Toen kwam hij tot waar alle stervelingen

Zich stout meê vleien, geen ooit God om bad: Verstand! — Hier lag \'t, in massa\'s niet te ramen, Maar vast zoo veel als van al \'t andre samen.

Het bleek een heldro vloeistof, fijn en rein,

Schier even ras vervluchtigd als vergoten.

Die quintessentie van het menschlijk brein Dient in een vat van rondsom dicht gesloten.

Hier zag ze Astolf in kruiken groot en klein;

Zeer klein soms; maar zijn oog ging naar de grooten. Een had een bef bevestigd aan den stop;

„Verstand van Rolandquot; stond er duidlijk op.

Zoo was aan iedre kruik de naam gebonden

Van die zijn inhoud miste. Dat een deel Ook van het zijn\' daaronder werd gevonden.

Verwonderde onzen Ridder niet te veel.

Maar dat van lieden, die \'t niet missen konden Of mochten, die hij waande in \'t vol en heel Bezit er van, hier \'t tegendeel moest blijken.

Daarvan stond onze Astolfo vreemd te kijken.

Dees had het in de liefde, die aan de eer.

Gene in \'t bejag voor \'t vullen van zijn kisten Verspild; in \'t likken van een grooten heer; In \'t zot bedrijf der droomende alchimisten,

Bouwwoede, schilderijdrift, en wat meer Een hartstocht worden kan, die \'t bloed doet gisten. Van menigen geleerde, uit menig land.

Van heel wat dichters ook, lag hier \'t verstand.

Zijn leidsman, dien we als \'s Heilands lievling loven,

Reikte aan Astolf het zijne toe; hij kreeg De kruik die \'t inhield; hield den neus er boven;

Snoof op, en voelde hoe \'t naar boven steeg! Turpijn zelf heeft geschreven te gelooven.

Dat sinds dien dag de Ridder wel terdeeg

13

-ocr page 672-

194 ASTOLFO\'S MAANBEZOEK.

Wat •wijaer leefde, en wijzer waar gestorven,

Had niet één dwaasheid alles weer bedorven.

Nu nam Astolf de groote, volle kan.

Die al \'t verstand van Roland in moest houen.

Hij vond ze, in \'t dragen, nog veel zwaarder dan Hij haar geschat had op het bloot aanschouwen.

„\'t Doel was bereiktquot;. Zoo dacht hij. Maar St. Jan Vergunde hem uit deze lichtlandouwen Nog de afreis niet, maar leidde zijnen voet Naar een paleis op d\' oever van een vloed.

Hier waren al de kamers volgeladen

Met kluwens van wol, zijde, vlas, katoen.

In de eerste trok een oudje tal van draden

Uit dezen op haar hasp, zwart, wit, geel, groen. Zoo zien wij uit lauw water, waar ze in baden,

De zijwormpoppen van haar dos ontdoen,

Wanneer des zomers, naarstige boerinnen Zich zetten om de nieuwe zij te winnen.

Zoodra deze oude een streng gereed had, was Een tweede daar en reikte ze aan een derde,

Die \'t werk bezag, \'t fijne uit let grove las. De kleuren schifte, en \'t lichte aan \'t donkre ontwarde.

„Wat doen zij toch?quot; riep onze Astolfo ras d\'Apostel toe, die niet met \'t antwoord marde: „Dit drietal zijn de Farcen, en het weeft „De levens, die gij stervelingen leeft.

„Zoolang een weefsel duurt, duurt ook het leven

„Eens menschen, en geen oogenblik daarna.

„Natuur en Dood. trouw op de wacht, slaan even

„Opmerkzaam, draad voor draad, \'t voltooien ga. „Wat uit de schoonste draden werd geweven „Moet \'s hemels zalen sieren, vroeg of spa;

„Wat uit de grauwe en zwarte, wordt tot snoeren „Om hen te binden die ter helle voeren.quot;

Een ijzren, zilvre\', of gouden plaatje gaf Den naam van ieders levensweb te lezen.

Wie plukte er hier het een na \'t andere af? Een grijsaard, die een jongling scheen te wezen,

Indien men acht sloeg op den snellen draf,

Waarmeê hij aan kwam stuiven, om met dezen Zijn mantelslip te vullen, heen te gaan. Ei», weergekeerd, een nieuwe vracht te laan.

Wie was die grijsaard, nog zoo rap van leden,

Tot zulk een spoed geheel gemaakt naar \'t scheen ? Wie was hij? Werwaarts richtte hij zijn schreden?

-ocr page 673-

ASTOLFO\'S MA AN BEZOEK.

Waar bracht hij telkens wat hij roofde heen? — Zoo ras Astolfo hier de wonderheden

Beschouwd zou hebben, en Sint Jan zijn schreên Naar buiten had gewend, op d\' oeverzoomen Des breedea vloeds, zou hij er achter komen.

Het was een stroom, die drabbig, morsig, zwart, Met zand en slijk gemengd, zijn golven rolde.

Daar kwam de Grijze, vlugger dan een hert En lichter dan een vogel aan, en holde

Naar d\' oever, en in \'t woelend water werd De gansche vracht, die hem den mantel volde,

Op eens geplonsd, als waar \'t in arren moed. De Lethe was de naam van dezen vloed.

En weder ging de Grijsaard, en kwam weder

Terug met nieuwe vracht en d\' ouden spoed.

En liet op nieuw zijn mantelslippen neder.

En schudde op nieuw den inhoud in den vloed, \'t Getal der namen die verzonken: veder

Noch tong, die \'t meldt, noch gissing die \'t vermoedt! Van vele zou geen stervling \'t ooit gelooven.

Slechts enkele, een op duizend, dreven boven.

En langs en om den stroom: ziedaar een vlucht, Ben dichte zwerm van raven, kraaien, gieren,

En wat er meer van roofgespuis gerucht Met aaklig krassen maakt en twistig tieren.

Zij schieten op den Grijs aan uit de lucht,

Omweemlen hem met telkens dichter zwieren.

Daar elk om \'t gretigst neb en klauwen slaat Naar \'t geen er uit zijn kleed te water gaat.

Maar wat zij meester werden, bleek hun krachten

Te zwaar. Zij lieten \'t vallen. Lethe\'s vloed Ving namen, mooglijk waard in elks gedachten

Te leven, op en zwolg die in voor goed.

Twee zwanen slechts, met zilverblanke schachten.

Te midden van dat zwart en grauw gebroed. Verschenen, hielden vast wat zij bekwamen, En zwommen zingend weg met enkle namen.

O ja! Zij hadden die, met blijkbre vreugd,

Aan \'t lot ontrukt, door d\' Oude zoo kwaadaardig

Hun toegedacht. Klapwiekende en verheugd.

Zoo rein als schoon, zoo schoon als edelaardig.

Doorkliefden zij den stroom, die eeuwen heugt, In zwemmen als in vliegen even vaardig;

Zij zetten \'t naar een heuvel, op wiens kruin Een tempel stond van marmer of arduin.

195

-ocr page 674-

astolfo\'s maanbezoek.

\'t Was aan de Onsterflijkhoid, dat tempelzalen

En heuvel ■waren toegewjid. Straks kwam Een schoone nimf van daar naar d\' oever dalen,

Die uit der zwanen neb de namen nam,

En ze in \'t portaal van \'t heiligdom deed pralen,

Bij \'t reine licht der zuivere outervlam.

Door ze aan een rijzige eerzuil vast te klinken, Om, even gaaf, al de eeuwen door, te blinken.

Wat gindsohe Grijs, nooit des verdervens zat,

Wiens lust was \'t al te werpen in de baren;

Wat deze nimf; wat deze tempel; wat Gindsoh roofgespuis en deze zwanen waren;

\'t Misterie, dat dit alles in zich had —

Kon zich Astolf op geene wijs verklaren.

Dies bad hij van den Godsman \'t noodig licht;

En deze heeft aldus hem onderricht:

„Weet,quot; sprak hij, „dat geen blad zich daar beneden

„Verroeren kan, dat hier geen teeken geeft.

„Wat daar van daag geschiedt, geschiedt hier heden,

„Mot d\' eigen zin, schoon \'t andre vormen heeft. „Die Oude, wit van baard, maar rap van leden,

„Wiens vaart niets kan belemren, niets weerstreeft, „Doet hier omhoog geheel dezelfde dingen,

„Die ginds de Tijd doet bij de stervelingen.

„Als van den haspel hier, de botte draan,

„Zoo wikkelt ginds zich af het menschlijk leven;

„Ginds zou geen naam, geen naamplaat hier vergaan, „Duurzaam bestaan aan beiden zijn verbleven,

„Had niet de grijsaard hier de plaat verdaan,

„De Ti.id ginds zijn gedachtnis uitgewreven.

„De een werpt, gij zaagt het, in den donkreu vloed, „Wat de ander voor altijd vergeten doet.

„En zooals hier de gieren, met hun bekken,

„En raaf en kraai, met vruchteloos gepoog,

„Zich pijnigen om aan den stroom te onttrekken „Die namen, die het schoonst zijn in hun oog: „Zoo ijvren ginds om \'t zelfde, domme gekken „En valsche vleiers, laag geplaatst of hoog,

„Rofrekels, die om vorstengunsten draven,

„Hun liever dan aan kundigen en braven.

„Wel toonen zij der hovelingen, aard,

„Wijl zij zoo goed voor zwijn en ezel spelen,

„Eu van hun heer, als hij vertrok van de aard, „Om wat hun beurs spekte en hun maag mocht streelen,

„Om Wijn en Trijn hun boven alles waard,

„Nog soms den naam voortbrengen uit hun kelen;

-ocr page 675-

ASTOLFO\'S MAANBEZOEK.

„Maar voor een enklen dag, en langer niet; „Zoo als hier gier en kraai dien vallen liet.

Maar als de penningen, met blijde tonen,

„Door \'t zwanenpaar ten tempel opgebracht.

Ziet ge ook de waardigste der mensohenzonen

„Door \'t dichterlied ontrukt aan d\'eeuwgen nacht. Wijs is het hoofd, o Vorsten, in uw kronen!

„Indien ge eens Cesara voorbeeld wel betracht; U vrienden maakt uit Dichters en, door dezen,

Geen Letheatroom hebt voor uw roem te vreezen.

„Maar, ala die zwanen, zijn de Dichters schaarsch. Althans de ware en waardige, niet velen;

„Hetzij de hemel hun bewonderaars Niet over een groot aantal wil verdeelen;

„Hetzij de vorstelijke gierigaards Het groot vernuft in arraoê doen verkwelen, „En dat de fraaie kunsten \'t land ontvliên,

„Waar zij deugd beedlen, ondeugd kronen zien.

Ik acht dat (iod dien slechten en verkeerden

„\'t Verstand ontnam en de oogen heeft verblind, „Zoodat zij zang en zangers van zich weerden, „Waardoor het graf hen nu geheel verslindt; „In plaats dat zij, die \'t werk der Muzen eerden,

„Een leven kennen, dat den dood verwint.

„Heil, heil den Vorst, om wie de Muzen treuren! „Zijn nagedachtnis blijft als nardus geuren.

„Eneas was zoo vroom niet, Feleus zoon „Zoo dapper niet, als allen hem nu loven;

„De moed en vroomheid van veel duizend doön „Ging mogelijk den hunnen ver te boven;

„Maar schenkingen, grootmoedig, rijk en schoon, „Van steden, staten, schatten, huizen, hoven,

„Huna nazaats aan de mannen van de kunst, „Verzekerden hen hunne en onze gunst.

„Augustus was zoo groot, zoo edelaardig

„Niet, als het klinkt uit Maro\'s loftrompet;

„Maar een goed vers was al zijn aandacht waardig;

„Dit maakt veel goed voor zijn verbanningswet.quot; „Wie hield een Nero voor zoo onrechtvaardig, „Zoo wreed, met zooveel gruwelijks besmet, „Wie zag hem in elk mensch een vijand vinden, „Zoo hij de Dichters had gehad tot vrinden?

„Homeer maakt de Trojanen traag en flauw; .Doet Agamemnon heerlijk zegepralen;

„ Penelopé een voorbeeld zijn van trouw,

-ocr page 676-

198 ASTOLFo\'8 MAANBEZOEK. — LOF DER VROUWEN.

„Koud jegens alle vrijers, zonder falen.

,Had hij gewild dat \'t anders wezen zou, „Men hoorde alom het tegendeel verhalen;

\'t Was llium dat won, de Griek verloor quot;\'); „Penélopé was een gemeene sloor.

„En wederom moet Dido maar gedoogen,

„Dat zij, zoo wijs als kuisoh en rein van kwaad, „Alom als manziek vrouwmensch wordt belogen,

„Alleen om dat Virgiel haar heeft gehaat.

„Maar reeds genoeg van \'s Dichters groot vermogen,

„Een stof, waarin mijn geest graag weiden gaat. „Aan hen die schrijven moet ik eere geven,

„Die zelf op aard twee boeken heb geschreven.

„Maar mij ook viel een deel daarvoor te beurt, „Dat door geen tijd of lot ooit wordt geschonden.

„Wel heeft hij mij iets heerlijks waard gekeurd, „Die Christus, wien mijn veder mocht verkonden!

„Te dieper worden zij door mii betreurd,

„Die \'t in hun tijd zoo anders ordervonden, „Die bleek en uitgeteerd en hongrende aan „Veel deuren kloppen, die niet opengaan.

„Zijn groote geesten zeldzaam: ondank moet „Waar hij regeert, ze nog veel schaarscher maken.

„De zandwoestijn, die niemand laaft of voedt „Ziet zich, door \'t wild gedierte zelfs, verzaken.quot;

Zoo sprak Johannes; \'t oog in vollen gloed; De Boanerges-vuurblos op de kaken;

Maar straks was \'t over, en de Apostel zag Den Held weer aan met d\' ouden, lieven lach.

LOF DER VROUWEN.

Le donne antique hanno mirabll cose Fatto nell\' arme e nelle sacre muse; etc.

Orl. Fur. XX. 1. 2. 3.

De vrouwen hebben oulings groote dingen

Bestaan op \'t oorlogsveld, in \'t muzenkoor.

Haar schoon bedrijf zien wij een glans omringen.

Die schittren mag de ganscae wereld door.

Camilla en Harpalice verdringen,

Om de eerepalm, elkaar in \'t heldenspoor;

l) Arlosto, die den Palad\\jn Butger van de Trojanen doet afstammen, laat nooit na dezen ten koste van de Grieken te verheffen; en wat Dido betreft: het is hem met hare verdediging, op het voetspoor van Ausonius, waarin hem Petrarca en de Spaansche dichter Ercilla gevolgd zyn, volkomen ernst.

-ocr page 677-

LIEVE VROUWEN. — VROUWELIJK VOORRECHT.

Corinne en Saffo, groote geesten boven

Veel mans! niets zal uw luistev ooit yerclooven.

De vrouwen blonken schittrend t\' allertijd In iedre kunst daar zij haar hart aan gaven.

Elk, die een uur In \'t oud geschiedboek slijt, Ziet overal haar faam en grootheid staven,

Scheen \'t anders in een later eeuw, \'t verwijt Treff\' slechts de blinden voor haar geest en gaven, \'t Was domheid bij de schrijvers, of misschien Jaloerschheid, die maar liever niet wou zien.

Maar wie ontveinst zich dat, in onze dagen.

Zooveel verdienste in eedle vrouwen blinkt, Dat ieder volgende eeuwkring zal gewagen Van namen, nu geboekt met gulden inkt? Vergeefs, vergeefs, zoo booze tongen knagen

Aan \'t geen verrukt en tot bewondring dwingt! [Schwartze! uw penseel, Toussaint! uw zwaneveder Bicht u een eerzuil op — wie werpt die neder?]

LIEVE VROUWEN.

Cortes! doime ebbe l\'antiqua otade, etc.

Orl. Fur. XXVI. i.

In vroeger dagen vond men lieve vrouwen.

Wier hart voor deugd en niet voor schatten sloeg; Maar zelden zijn ze in onzen tijd te aanschouwen.

Die zeggen: ,deugd is mij géluks genoegquot;; Die, waarlijk goed, beminlijk, edelaardig.

Een leven naar den geest der eeuw geleid Verwerpende als haar rein gemoed onwaardig,

Den zegen waard zijn der tevredenheid.

Zoolang ze ons hier haar lieflijk voorbeeld geven, En onverwelklijke eere in \'t ander leven.

VROUWELIJK VOORRECHT.

Multo conslgli de le donne sono

Megllo improvvlso, ch\' a pensarvl, usclti; etc.

Oil. Fur. XXVII. i.

\'t Besluit onvoorbereid genomen.

De keus op \'t eerst gezicht geschied.

Zijn bij de vrouw de slechtste niet.

En zullen meestal best bekomen.

Bij zooveel kostbre gaven, aan Het schoon geslacht ten deel gevallen,

Mag ook die gaaf een plaats beslaan.

En is de minste niet van allen.

199

-ocr page 678-

200 ONWEERSTAANBAAR. — TIJDRN KN WK EBTIJDEN. —

Maar nimnier worde iets goeds verwacht Van \'t geen de mannen gaan besluiten,

Indien \'t niet lang is overdacht,

Bezien van binnen en van buiten;

Zoo \'t niet behoorlijk in hun geest Geruimen tijd is omgedragen En, vóór het optreedt, om te slagen, Nog eens verworpen is geweest.

ONWEERSTAANBAAR.

Quantumque deb!l freno, etc. Oil. Far. XI. I.

Een toom, hoe zwak ook, heeft wel dikwijls \'t vurigst paard, In \'t midden van den ren, gestuit en halt doen maken;

Doch zelden heeft de kracht der Keden hier op aard d\' Ontvlamden Hartstocht zijn voldoening doen verzaken,

In \'t gunstig oogenblik, hem meer dan alles waard.

De Beer die, op haar rand, een druppel slechts mocht smaken. Wiens neus den zoeten geur van d\' inhoud binnenkreeg, Omarmt de honigkuip, duikt in en zwelgt ze leeg.

TIJDEN EN WEERTIJDEN.

Ylen tempo pol.

Orl. Far. XXXYIF. 110.

De Bergstroom, door gestage regenvloeden

En sneeuw die smolt, ontzettend, rijst, en zwelt Hoogmoedig op, bruist dondrend neer; zijn woeden

Sleept wouden mee en spaart geen oogst op \'t veld. Maar daarna komt, eer angst en schrik \'t vermoeden,

Een tijd. die aan die stoutheid palen stelt.

Een kind, een vrouw doorwaadt hem, zonder schromen. En vaak zal \'t nat niet eens tot de enkels komen.

GERUCHTEN.

O Bene o mal che la fama cl apporti, etc.

Orl. Fur. XXXVIII. 42.

Van \'t goed of \'t kwaad, dat ons \'t Gerucht laat hooren.

Vergroot het, naa.r gewoonte, steeds de maat.

Dwaas, die den moed te haastig geeft verloren.

Dwaas, die zijn hoop te ras ontvlammen laat Door maren, die zijn vrede en rust verstoren.

Wat, eer \'t ons oor bereikt, door zóó veel monden gaat. Baar minder vrees, doe min verwachting rijzen, Naarmate \'t meer tot juichen tergt of ijzen.

GERUCHTEN.

-ocr page 679-

Wat eiloofranken, trouw festoen Voor dorre linde en iepelaren,

Wat steekpalm, tuya, sparregroen. Dat droge naalden biedt voor blaren:

Daar moet, in \'t koud en laatst seizoen, Het de uitgebloeide hof mee doen, Om nog wat levens te openbaren. Verwacht den storm, die \'t boompje knakk Het eiloof scheur\' van stam en tak, De sneeuw, die \'t al zal dekken. En tot een lijkwa strekken!

-ocr page 680-
-ocr page 681-

gemeng-de gedichten.

NEGENDE BUNDEL.

AAN MIJN VOLK.

(Herinnering aan 13 Sept. 1884.)

Mijn Volk, mijn eigen dierbaar Volk,

Groed Volk der Nederlanden!

Tot aan mijn jongsten ademtocht

Blijft □ mijn hart en ziel verknocht Met sterke liefdehanden.

Al waart gij koud voor mij geweest,

Nog zou die liefde gloren;

Voor haar is \'t Hollandsch hart gemaakt;

Ze is met mijn leven zelf ontwaakt.

Haar kiem mij aangeboren.

Maar nu! Hoe hebt ge ook mij bemind. Die in uw midden woonde!

Uw liefde — diepst gevoelde ik haar.

Toen zij mijn Tienmaal Zeven jaar Met al haar goedheên kroonde.

De gunst des Konings schoot een straal Van vorstlijk welgevallen.

Geen zweem van afgunst —_o veelmeer!

Een liefdrijk ijvren voor mijn eer,

Vreugde en geluk, bij allen.

Neen! \'k Stond op dien Septemberdag,

Niet „tussohen dorre blaren.quot;

\'t Was bloem en loover wat ik zag;

De Schoonheid had haar liefsten lach; De Ernst liet zjjn rimpels varen;

De Wijsheid schonk haar vriendlijkst woord. De Kunst, haar zoetste tonen;

De Dichter bracht zijn hartlijkst dicht.

Do Jeugd haar stralend aangezicht,

Meer waard dan lauwerkronen.

Waar waren, o mijn Volk! dien dag. Uw twisten en krakeelen.

Miskenning, argwaan, nijd en spijt;

Waar iets, dat in dees droeven tijd De geesten moet verdoelen?

-ocr page 682-

204

AAN DE NEDERLANDSCHE STUDENTEN,

mij op mijn Zeventigsten Verjaardag een Winterstuk met Zonsondergang, van Ducliattel vereerd hebbende.

Rechtaarde Jonglingsohap dei- Nederlandscbe Athenen,

Ontvangt eens Grijsaards dank voor gave en eerbetoon! Zijn Winter komt, zijn Zon heeft eerlang uitgeschenen; Ga de uwe blinkende op, en zij uw Lente schoon.

HET SNEEUWT.

Gegroet, gij bleek en koud, maar zacht En maagdlijk kind van \'t kille Noorden! Uw ijskaros met stille pracht Trekt een paar beren, wit van vacht, Aan glinstrig ruigbevrorer koorden;

De hemel huift een tent.?ordijn U over \'t hoofd van grijs satijn.

In \'t hermelijn uws mantels breed, In \'t zilverkleurd fluweelen kleed,

Dat met zijn sleep en donzen zoomen Haar altijd dichter naadren zal.

Verdwijnt de wereld gansch en al,

En niets dat leeft kan bovenkomen.

Geen omtrek merkbaar; geen geluid; \'t Zwijgt alles; alles wischt zich uit, Bedolven onder \'t doodsche laken. Het sneeuwt; de sneeuw daalt stil en zacht. Maar stadig neer, den ganschen nacht. En dekt paleis en rieten daken.

Ja daalt, verbergt voor zijn gezicht

Een wereld, die in \'t bóoze ligt En lastrend spot met God almachtig.

Gij hemel-lelies! die zoo stil,

Eerbiedig, ernstig, en eendrachtig. Uw blaadren loslaat op zijn wil.

Naar een Sonnet van Richepin.

-ocr page 683-

(iUIS SEPARABIT? — MIDDELMATIG. — \'f BEWEKEN WARMT NIET.

QUIS SEPARABIT?

[n derven en verwerven Gevoelen zij uw hand;

In leven en in sterven

Blijft U hun hart verpand;

Hoe vaak zij \'t ook verkerven,

Gij maakt hen nooit te schand,

Die \'t heillot zullen erven Van \'t hemelsch vaderland.

Wat zal van U hen scheuren,

Die uwe kindren zijn?

Geen lijden en geen treuren,

Geen lijfs- of zielepijn;

Wat zorg hun vrede steuren,

Wat wolk den zonneschijn,

Daar zij het hoofd in beuren,

Die zeggen: „Gij zijt mijn!quot;

„Mijn God, mijn deel, mijn leven,

„Mijn burcht, mijn schild, mijn loon; „Gij hebt ü mij gegeven

„In Christus uwen Zoon;

„U aan te mogen kleven

„Heft boven lof en hoon;

„De vrees is uitgedreven;

„De liefde zit ten troon.quot;

MIDDELMATIG.

Aan ....

Hij dwaalt, die meer in u dan \'t middelmatig ziet. Denkbeelden hebt gij, maar een Denker zijt gij niet. Gij spreekt, gij schrijft, maar zyt geen Schrijver, ook geen Sprei En zoo gij licht verspreidt, \'t is niet als liahi-Ontsteher.

\'T BEWEREN WARMT NIET.

\'t Beweren warmt niet, maar verkoelt. En werkt niet uit wat gij bedoelt; Ik weet wel wat gij me in wilt prenten. Wilt ge op mijn stam uw overtuiging enten. Doe mij gevoelen wat gij voelt.

-ocr page 684-

PER8PICUA. — TWIJFELEN. — IK WEET KIET, ENZ.

PERSPICUA.

De heldre ruit, waar gij doorhenen ziet,

Kost aan den dommen vogel \'t leven, Die daar \'t gevoelig hoofd aan stiet, \'t Doorzichtige te zien is elk nog niet gegeven

TWIJFELEN.

Slechts kan niet twijflen, die niet denken kan. Die niet durft denken is geen ernstig man. En hij die immer twijflen wil en zal. Die twijfelt reeds niet meer; hij loochent al.

IK WEET NIET.

Ik weet niet waar ik \'t heb gelezen,

Maar \'t heeft zich in mijn ziel gezet: Tevreden zijn is dankbaar wezen. Vertrouwen, \'t wezenlijkst gebed.

VOOR \'T GOEDE.

„De man is voor het goede.quot; \'k Weet het wel; Maar is hij tegen \'t kwade wel heel fel?

Het is naar d\' ernst des weerstands tegen \'t kwaad, Dat zich de zucht voor \'t goede schatten laat.

DWEPERIJ.

Zij neemt haar mijmren voor gedachten. Haar koortsbewegingen voor krachten.

MIJNEN VRIEND

G. H. DE MAEEZ OYENS ter nagedachtenis.

Rechtschapen, eerlijk man, die \'aeter dan de velen,

Meer dan de meesten hebt gedaan, Die onbeperkt met groote woorden spelen.

Maar halverwegen blijven staan;

-ocr page 685-

AAN DR. J. I. D0EDE8. — ZII.TEREN BRUILOFT. 207

Een Christen metterdaad, zachtmoedig en grootmoedig,

Bescheiden, maar met waardigheid;

Een hart voor God, een hand m weldoen overvloedig, Een mond, die niemand ooit gesmaad heeft of gevleid.

AAN DE. J. I. DOEDES

Vijfentwintig jaar Hoogleeraar In de Godgeleerdheid.

Mini Constat.

liet schrander brein, dat vijfentwintig jaren üe Hoogeschool versierd heeft in het Sticht, l)e wetenschap beschenen met zijn licht,

En. als die School, door \'t helderst schriftverklaren

De Kerke Gods gediend heeft en gesticht;

Den Vriend sinds lang, dien God nog lang moog sparen Bij de oude kracht, breng ik mijn hulde en dicht; Nog „staat hem vastquot; hetgeen hem vast deed staan,

Sinds hij het pad der eere is opgegaan.

22 Juni 1884.

ZILVEREN BRUILOFT.

,\'kWerd Zeventig; ik zag mijn jongste grootquot;;1) Zag me op mijn feest met bloemen en laurieren Door Vorst en Volk vereeren en versieren;5)

Maar schooner feest nog mag ik heden vieren, Het Zilvren Feest met U, mijne Echtgenoot!

Van vijftien kindren zijn mij tien gespaard;

Acht aan dees disch vereend; \'k zie dochtren, zonen, quot;Reeds prijkende met eigen huwlijkskronen Tn eigen huis, waar liefde en vrede wonen. En kleinkroost, dat naar deugdzame ouders aardt.

En ik, mijn Zilvren Bruid! gedenk den dag Der groene quot;bruiloft en de blijde stonden.

Toen dit mijn hart getroost werd van zijn wonden. En halve weezen weer een moeder vonden.

Mijn huis weer vroolijk werd als \'t eertijds plag.

In lief en leed, dat God ons zenden wou —_ Bet leed trof diep, maar \'t lief dat ons verblijdde Was veel en meer — waart ge immer aan mijn zijde, In liefde en deugd dezelfde fallen tijde.

Schoon toonbeeld van: , Waar werd oprechter trouw? \'

^ Zie „Zestigste Verjaardagquot;. 2) lo Sept.

-ocr page 686-

208 BIJ DF. BEELTENIS VAN PRINSES WILHELMINA, ENZ.

En O! waar klopte een Moederhart als \'t uw,

Voor eerste en laatste, kleinste en grootste, kranke» En stervenden?... Mijn kindren, paart uw klanken Aan mijne, om haar te huldigen, te danken!

Mijn eerfeest is geweest; het hare is nu.

Bekranst haar \'t hoofd met rozen hagelwit En rein als \'t hart, dat God haar heeft gegeven; Verheft de deugd haar in \'t gelaat geschreven;

En zoo ge uw Vader liefhebt, bidt, ei bidt Dat zij, met U, haar Man moge overleven. 20 Oct. 1884.

BIJ DE BEELTENIS

VAN

P1UNSES WILHELM1NA.

Te goeder uur geboren Tot aller braven vreugd.

Om van haar eerste jeugd Heel Neerland toe te haoren. Zal, moge \'t God behagen. Dit vriendlijk aangezicht De kroon van Neerland dragen. Bestraald door \'t vriendjijkst licht;

Licht van Zijn hoogsten zegen En Onze trouwste min — Aanstaande Koningin,

Hoe klopt ons hart u tegen! Geliefde Oranjespruite, Aan Emma\'s hand gekweekt, Dat niets de ontwikkling stuite, Die uit uw oogje spreekt.

JOZEF.

Do jongling, die naar Dothan toog

Om broedren op te zoeken.

Wier haat en nijd hem tegenvloog

Mot smalen en vervloeken.

Toog toch den weg der Grootheid op. Totdat hij, op den hoogsten top. Aan Faro\'s zij verheven.

Een volk behield bij \'t leven.

-ocr page 687-

KOUT 2IJT GE. — AAN MIJN MEERDEREN, ENZ.

Vrees niets, godvruchte, van wat God

Gedoogt u te overkomen!

Gij, volg uw plicht; Hij schikt uw lot

En kroont den weg der vromen. Zie hopende op; treed rustig aan, Al moest het tot het uiterst gaan. En slechts een manlijk sterven U troon en kroon doen erven.

KORT ZIJT GE.

Kort zijt ge, en dient daarvoor geprezen \'t Is een geluk voor die u lezen;

Maar zal \'t u een verdienste wezen, \'t Is noodig dat men onderscheidt. Of \'t armoede is of spaarzaamheid.

AAN MIJN MEERDEREN.

Hoog vliegt gij op verbeeldings vlerken,

Ontdekt,_ vindt uit — Ik niet als gij. \'k Voel mij tot enger kring beperken. Zie rond, merk op, herinner mij.

HIJ WEET TE MIN.

Hij weet te min, hoe boud hij spreekt,

Wiens hoofd niet merkt dat hem een hart ontbreekt.

NAAR THOMAS MOORE.

I.

ALL THAT\'S BKIGHT MUST FADE.

\'t Moet bleeken al wat blinkt. Wat heerlijkst blinkt het eerste; Het lieflijkste is het teerste; \'t Ontluikt, bekoort, ontzinkt! De starre, die verschiet! De bloemen, die verbloeien,

Zjjn beeld van wat geschiedt Met al wat ons kan boeien.

\'t Moet bleeken al wat blinkt. Wat heerlijkst blinkt het eerste;

-ocr page 688-

NAAR THOMAS MOORE.

Het lieflijkste is het teerste; \'t Ontluikt, bekoort, ontzinkt!

Wie prijst dan nog, of tracht Naar vreugden, die doen treuren.

Naar banden teer en zacht, Die ieder uur kan scheuren?

Veel beter, in den donker

Te houden onze rust,

Dan, na een kort geflonker, Ons licht te zien gebluscht, \'t Moet bleeken al wat blinkt, Wat heerlijkst blinkt het eerste; Het lieflijkste is het teerste; \'t Ontluikt, bekoort, verzinkt.

II.

13 THE LAST ROSE OF SUMMEIl.

\'t Laatste roosje van don zomer

Bloeit hier nog, maar bloeit alleen; Al haar lieve gezellinnen

Welkten weg en zijn daarheen!

Niet een bloempje van haar maagschap,

Niet een enkle roze-knop.

Bleef haar zachten blos weerkaatsen, Zendt zijn geur nog tot haar op.

Langzaam op uw steel vervallen Laat ik u, verlaatne! niet.

Slaapt het al wat ge om u ziet. Ga dan, slaap ook gij met allen!

\'k Schud, uit liefde, uw blaadjes af, Dat ze in \'t zwijgend noodlot deelen Van de vrienden en gespelen, Neergezegen op hun graf.

Ook zoo spoedig moge ik volgen. Als de vriendschap mr begeeft. En de rijke krans van liefde

Bloem op bloem verloren heeft! Waar getrouwe harten weken,

Teedre harten niet meer slaan r Wie wenscht in zoo leê^ een wereld Nog een wjjle alleen te staan?

-ocr page 689-

WJJ WETEN.quot; — EEN ZWAKKE. — MEN KAN HETOEEN MEN WIL, ENZ. 211

„WIJ WETEN.quot;

(Zie Job. III. 3.)

Met weten, Nioodemi! komt ge ei- niet; Niet zóó ver zelfs dat gij het godsrijk ziet. Zijn eisch gaat dieper, \'t Zij voor hart on zin TiBn nieuw beginsel, en een nieuw begin.

EEN ZWAKKE.

Een zwakke zal een sterker overmogen, Die sterk is in zijn eigen oogen.

MEN KAN HETGEEN MEN WIL.

„Men kan hetgeen men wilquot;, zegt menig man. De Wijze wil alleenlijk wat hij kan.

BIJNA.

Bijna een Dichter, bijna een Stilist,

Bijna Welsprekend man, goed Violist — \'t Is admirabel; maar verdrietig is \'t. Dat zoo veel bijna\'s in zoo vele zaken, Bneengeteld, toch niets voortreflijks maken,

Vier halven maakt twee heelen, maar, o smart; Vier grauwe Schimmels daarom nog geen Zwart!

POPULAIR.

Spreek dingtaal, gij die volkstaal spreken wil;.-Geen kindertaal, zoetvoerig, kwansuis aardin-- \' De goede grond is deeglijk uitzaad waardig;\' Uw suiker-ertjes zijn vergeefs verspild.

TE UITVOERIG.

IJw onderwijs verloopt zich in te veel Bijzonderheên, die \'t oog voor kern en hoofdzaak sluiten Zaai korrels, man! die wortelen en spruiten:

Houd op ons te bestuiven met uw meel.

-ocr page 690-

SONNETTEN.

SONNETTEN.

T.

Sonnetten hier, sonnetten daar!

Een -wereld vol sonnetten!

Men is er machtig gauw mee klaar,

In spijt der stipte wetten.

Al loopt de zin wel wat gevaar,

Daar valt niet op te letten;

Het fijne van de mis is maar Ze goed ineen te zetten.

Een k 1 ink di ch t — als \'t in \'t Hollandsch heet — \')

Heeft niets te doen dan klinken;

En hebt gij daar den slag voor beet,

Uw roem zal eeuwig blinken....

Zie zoo; het mijne is ook gereed.

En hoor het eens rinkinken!

II.

Tweemaal vier, tweemaal drie, voor het rijm en de maat

E\'ie dit weet en een denkbeeld kan baren.

Voelt zich dichter en is tot een „klinkdicht\'quot; in staat.

En het klinkt (als katoen) van zijn snaren,

Lijdt het duitsch ook wat last, nu dat schaadt niet, waar \'t baat.

En een Vriend zal \'t zoo Jicht niet ontwaren.

Het verklaart zich gemaklijk uit afgunst en haat,

Heeft een booze Critiek haar bezwaren.

„Maar een denkbeeld! Het komt niet, in spijt van mijn weên!quot;

Heb geduld; het zal komen, mijn vrindje!

Zoek zorgvuldig maar vast al de rijmen bijeen,

Deze brengen, zij halen het kindje;

Zij schikken, zij kleeden, zij baakren zijn leên,

En een wiegje.... dat hebje, of dat vindje.1)

212

1

) ilea weet dat de Sonnet-dichter in de keuze van de versmaat geheel vrij Is.

-ocr page 691-

ZELFZUCHT. — BE SCHOONSTE. — AAN J. J. L. TEN KATE, ESZ. 213

ZELFZUCHT.

„Brand! brand!quot; in \'t midden van den nacht.

, Brand!quot; roept de wacht.

„Brand!quot; klept de klok. De lucht is rood; De halve stad raakt op de beenen;

Wat handen heeft wil hulp verleenen;

De schade is wis; \'t gevaar is groot.

Misschien was \'t voor die brave lieden Alreeds te laat om \'t vuur te ontvlieden!

Misschien, terwijl m\' een wakkren redt,

Verbrandt een slapende op zijn bed,

Of kost door gloed en rook te streven Aan een der toegesnelden \'t leven!

En altijd woedt de vuurzee voort....

Gij —

Knort, dewijl \'t uw nachtrust stoort.

DE SCHOONSTE.

Wie immer als de schoonste zij geprezen, Om leliewit en rozekoon;

Bevallig zijn is meer dan schoon te wezen;

Het vriendlijkste is het schoonste schoon.

Het statige doet zich met eerbied groeten, \'t Volmaakte, met bewondering;

Maar \'t hart ontsluit waar wij de lieve ontmoeten. Wier mond ten glimlachje openging;

Daar \'t oogje tintiend meelacht met de lippen, En \'t handje minzaam toegestrekt.

Als \'t zich vanzelf in onze hand laat glippen, De zachtste ontroeringen verwekt.

Moog dan de kroon der schoonheid hoofden sieren. Des kunstnaars hand en marmer waard;

De schoonste roos, die in mijn hof wil tieren, Wordt voor de vriendlijkste bewaard.

AAN J. J. L. TEN KATE,

OP ZIJN GEDENKFEEST.

6 Mei 1885.

Den man, die veertig jaar de kruisleer heeft gepreekt. Maar meer dan vijftig jaar zijn liedren heeft gezongen,

-ocr page 692-

214 BEDE VAN ÏIET OÜDE ORGEL ENZ. — HET ROODE KRÜIS. ENZ.

Waar diep en rein gevoel voor God en \'t Goede in spreekt, En \'t pleit der waarheid door de schoonheid wordt voldongen; Wiens maatgezang alt^d als gulden olie vloeit,

Maar bruist en stroomt om alles mee te sleepen.

Wanneer „de God in onsquot; zijn ziel heeft aangegrepen,

En al wat in hem is op eenmaal vlamt en gloeit; Het machtig hoofd, het teeder hart, vol tranen En blij gejuich naar leed of lief \'t ontroert;

Den geest, die beurtlings speelt, streelt, sticht, verheft, vervoert En tot in \'t stugst gemoed zich toegang weet te banen; In quot;t kort: Ten Kate, in al zijn rijkdom, waarde, kracht, Zij, op zijn feestdag, ook mijn hulde toegebracht.

Lang schittre nog zijn zon, en wete van geen tanen!

BEDE VAN HET OÜDE ORGEL

der Nicolaï-Kerk te Utrecht.

Vier eeuwen paarde ik reeds mijn klanken aan uw psalmen;

\'k Ben veel gebreks, maar van geen onwil mij bewust; Thans is mijn keel verroest en kreunt in plaats van galmen; Mijn adem weigert... . Ei, vervang me en geef mij rust!

Zie over dit Orgel, het opstel van Jhr. Mr. J. C. M. Van Riemsdijk, in het Tijdschrift der Vereeniging voor N. N. Muziekgeschiedenis D. 11. 3^8 stuk.

HET ROODE KRÜIS.

\'t Bestaan van ,\'t Roode Kruisquot; is vast een groote zegen; Maar beter was noch oorlog noch gevecht. Een kindermond zei hier met recht:

„Waarom verwondt men, die men daarna gaat verplegen?quot;

BELEEFDHEID.

Beleefdheid .jegens luiden die men acht,

Wordt best door openhartigheid betracht.

WAAR GELUK.

Daar is, voor ouderdom noch jeugd,

Hoe\'t menschlijk hart er naar moog haken,

Daar is geen onvermengde Vreugd,

Maar wel volkomen Troost te smaken;

En wat de wereld vreugde biet Haalt bij dien troost in waarde niet

-ocr page 693-

G01SDE KAAD.

De wijste wijsheid, buiten God,

Is niet dan die der pessimisten.

Te roemen in zijns levens lot Heeft enkel waarheid in den Christen. Bedwelming en ontveinzing zijn Slechts stilling voor gevoelde pijn.

Wat is de blinde vreugd van \'t kind? De dartelheid van jonge knapen?

\'t Genot uit rijkdom oiquot; bewind,

Verworven eer of rang te rapen\'?

Wat huislijk heil, zoo groot, zoo zoet, Vaak met de diepste smart geboet?

De troost der Liefde Gods, die „\'t al Doet medewerken mij ten goedequot;.

En daar mij „niets van scheiden zalquot;. Wat zee van ramp ook om mij woede; De troost der Hoop „die niet beschaamtquot;, En \'t hart tot eiken strijd bekwaamt:

Ziedaar waarin \'t geluk bestaat En slechts bestaan kan voor ons menschen.

God geeft het in een volle maat Aan hen, die niets daarboven wenschen; En ook te midden van de smart Klopt in hun borst een vroolijk hart.

GOEDE EAAD.

Aan een Lid der Staten Generaal.

Stem naar uw overtuiging niet.

Maar naar men links of rechts gebiedt.

Denk aan uw kiezers, niet aan d\' eed.

Dien gij bij God almachtig deedt.

En haal er \'s Lands belang niet bij;

Zorg slechts voor \'t welzijn der Partij.

Verklein, zoolang ge er niet aan zit,

De groene tafel, doel en wit,

Waarop gij pijlen schiet van smaad,

En oogen vol begeerte slaat.

Zoo ge anders doet, ik acht u dan

Geen staats-, maar slechts een eerljjk man

-ocr page 694-

216 HET BARKSCHIP „NICOLAAS BEETS.quot; — NIET COMPLEET, ENZ.

HET BARKSCHIP „NICOLAAS BEETSquot;

UITGEZEILD 19 MAART 1885.

Zeil uit, mijn naamgenoot! Kies zee, doorklief de baren.

Kanaal, Biscaaisohe Golf, Atlantisch\' Oceaan,

Om voorts, met ruimen zwaai het Kaapland omgevaren.

Den breeden waterweg naar \'t Oosten op te gaan!

Groet England, groet de Kaap, waar dierbre vrienden wonen. Groet met een dubblen groet het woongewest mijns zonen \'),

Heel de Eilandzee, waar zooveel harten voor mij slaan; En als gij \'t anker tot den wedertocht zult lichten.

Den boeg naar \'t Vaderland en uw bevrachters richten.

Breng goede tijdingen en rijke lading aan.

NIET COMPLEET.

Die van verrukking weet, noch opgetogenheid, Onvatbaar voor een diepe ontroering, Ontvlamming kent noch geestvervoering,

Is niet de groote man, dien hij zichzelven vleit. Op nuchtren oordeel, dat de teugels kan bewaren, Op meerderheid van geest doe zich zijn trots te goed:

Het speeltuig van zijn hart mist snaren, Waarvan zijn groot verstand de waarde niet bevroedt.

AAN EEN VRIJDENKER.

Gjj meent dat over u de meening is verspreid.

Dat gij aan niets, volstrekt aan niets, meer zoudt gelooven. Wat argwaan heeft uw geest misleid?

Geen lastertong, die ooit u de eer zal rooven.

Dat gij gelooft aan uw voortreflijkheid.

VERHEF DE LIEFDE GODS.

Verhef d ; liefde Gods; maar zoek Laar meest en eerst In eigen hart en leven Haar vollen eisch te geven.

Alom gebiedt zij, maar \'t geluk is waar zij heerscht.

*) Java

-ocr page 695-

UANKDAAR ONTZAG. — DIE ZEGT. — AliME PRONK, ENZ.

DANKBAAR ONTZAG.

Men werpt geen steenen in de bron,

Waaruit men heeft gedronken;

Men zoekt geen vlekken in de zon.

Die ons haar licht en warmte heeft geschonken.

DIE ZEGT.

Die zegt: daar is geen eerlijk man

Op heel deze aard te vinden; Die deugt, wees daar verzekerd van, Ook zelf niet veel, goê vrinden!

ARME PRONK.

Gij hebt niet eens wat noodig is, En schaft wat overbodig is.

Wat vaster kost bij minder praal Gaf degelijker maal.

HEEL DOM TE WEZEN.

Heel dom te wezen kan geen kwaad. Zoolang de domoor zich geen wijsheid dunken laat.

„DU CHOC DES OPINIONS JAILLIT LA VÉRITÉ.quot;

„Het botsen der gevoelens,quot; zegt men vaak, „Kan voeren tot het ware van de zaakquot;.

Maar waar vooroordeel met vooroordeel strijdt. Wat is het — dan verlies van tijd!

EEN.

„Daar \'s niemand wijs dan Godquot;, luidt Plato\'s leer\'). „Daar \'s niemand goed dan Eenquot;, zegt ons de Heerquot;).

\') Tlmaeus. \') Matth. 19 v. 17.

-ocr page 696-

218 TWIJFELEN. - EEN GRAFSCHRIFT. — LEVENSBESCHOUWING, ENZ.

TWIJFELEN.

Uw fcwijflen zij een worstlen met de baren,

De baak in \'t oog, de haven in \'t gemoet;

Geen speelsch en loom zich laten wieglen op den vloed,

Om de open zee half domm\'lende in te varen,

Die iu een oogenblik uw bootje zinken doet.

EEN GRAFSCHRIFT.

Hier is uw strijd ten einde, uw taak vervuld. De wereld kende uw leed; God uw geduld.

LEYENS-BESCHOUWING.

„Levens-ftesc/iO((w(Vi^quot;. Hoe versta ik \'t? Leeft men slechts

Om \'t leven te beschouwen, links en rechts.

En al of niet, naar men \'t beschouwt, te leven?

Of heeft het leven zijn beschouwing ingegeven?

Beschouwt gij \'t naar gij leeft, en leeft gij naar uw zin? Of is \'t een woord, niets meer, en kracht noch ernst daar in?

GEPEINS.

A.

Waar denkt gij aan, met dit gefronst gezicht?

B.

Ik denk aan niets; ik denk slechts over \'t denken.

A.

Laat andren daar de denkkracht zich mee krenken. Donk liever aan het leven en zijn plicht.

AAN DE LEIDSCHE HOOGESCHOOL

op liaar LXIIste Lustrum.

Mijn Alma Mater! neem de hulde van een zoon,

Wien vijfenveertig jaar niet konden doen vergeten, Hoe hij, het oog geslagen op uw kroon,

Zes jaren aan uw voeten heeft gezeten. De lessen ingedronken van uw mond, Om levenslang uw woorden en uw wenken.

-ocr page 697-

OP DE EERSTE BI.ADZIJDE VAN EEN GKUENKBOEK, ENZ.

Die hij verstond, of later eerst verstond,

Met dankbaarheid en eerbied na te denken. Hoe talrijk is, van eeuw tot eeuw, uw kroost!

Hoe schoon de taak, die gij hun leert verrichten! 0, Leef en bloei! Blijf trouw, blijf onverpoosd Elk nieuw geslacht vereedlen en verlichten!

OP DE EERSTE BLADZIJDE

VAN EEN

GEDENKBOEK.

Zoo wie, op vriendelijk verzoek.

Zijn naam wil schrijven in dit boek. Die doe \'t van harte en zonder dralen; Een woord in proze of poëzy Verhoogt de gunst en haar waardij. En \'t hart zal haar met dank betalen. Men zal, zoo vaak men \'t Schrift herleest, Het Beeld herroepen voor den geest. En met erkentlijkheid herdenken.

Wat elk door daden, woord of wenken

Voor zijne vrienden is geweest, \'t Verrassend van een eerst ontmoeten. Te zaam gesmaakte vreugd of smart, Een zitten aan elkanders voeten.

Een weerzijdsch opengaan van \'t hart; De zoete kout; het gul vertrouwen;

Een woord van ernst ter rechter tijd; Een woord van jok, niet ingehouen

Door vrees voor misverstand of spijt; De warme druk der hand bij \'t scheiden; De blijde hoop (bewolkt misschien Door bange zorg) op wederzien:

Ziedaar waarin de Erinring weiden.

Waarbij de Liefde stil zal staan,

Met hier een glimlach, da^r een traan.

Wat eigen hand hier neer zal schrijven. Hangt aan de Ervaring, hangt aan \'t Lot. Het beste zal wei tusschen God En eigen zi ele blijven.

219

-ocr page 698-

220 DE LIEFDE BLIJFT HET BEELD BEWAREN, tNZ.

DE LIEFDE BLIJFT HET BEELD BEWAREN.

De liefde blijft het beeld bewaren Zóó als zij \'t liefgekregen heeft. Het moog veroudi-en met de jaren:

Voor haar het jonge in \'t oude leeft. Die \'t jong om \'t oud gelaat vergat,

Heeft nooit dat jonge liefgehad.

Hij heeft bewonderd, heeft geprezen,

Gevleid, geliefkoosd en gespeeld; \'t Veroovren van zoo lief een wezen

Heeft zyn hoogmoedig hart gestreeld; Voor liefde nam hij d\' oogenlust — Een stroovuur, dat zichzelven bluscht.

Neen, lief! Te zamen oud geworden

En altijd dierbaar aan elkaar,

Schoon leliën en rozen dorden,

De tijd zijn zilver strooit in \'t haar.

Voor mij verandring noch gemis!

\'k Zie al wat was in al wat Is.

GEEF WOORDEN AAN UW LEED.

Geef woorden aan uw leed; de smart die niet wil spreken, Doet door haar fluistren \'t hart, dat zich geweld doet, breken Shakespeabe. _ _

WEGEN.

De rechte weg is overal de kortste;

De beste niet altijd misschien.

De langste en slechtste die, waar men zijn tijd vermorste Met altijd naar een beetren om te zien.

MOGELIJK.

Zn de aard en de omvang van \'t gebeurlijke onbetooglijk; Wat onvermijdlijk, wat verplichtend is, is mooglijk.

STaPFEB.

GERMANIA.

(Niederwald, Augustus 1885).

Germania rust op haar zwaard. En heft de Keizerskroon naar boven, Omkranst met lauwren harer waard.

-ocr page 699-

GERM A WA.

Wiev glans geen spijt of nijd kan dooven.

Haar Keizer, met zijn kloek geslacht En helden die voor krijgseer blaken,

Houdt aan haar Eijn de trouwe wacht, En zal ook aan den Moezel waken. De loftrompet blaast ver en luid Haar oogst van zegepralen uit.

Wie koenheid, kracht, en vrijheid mint, Aanschouwt haar beeld met welbehagen.

Haar lokken fladdren op den wind;

Haar oog is helder opgeslagen;

Haar schoone mond zegt vastheid aan.

Haar blik, verachting van gevaren;

Ontzag gebiedt haar rustig staan Te midden van haar adelaren;

Daar ze in haar wijdgestrekt gebied Haar een en eenig Duitschland ziet.

O Welk een dag, als op \'t geluid Der trom, haar zonen samenvloeiden.

En traan bij traan van gade en bruid De hand die \'t krijgszwaard greep besproeiden!

Ach, welke nachten, als de bloem Haars volks, in haar gevallen helden.

Alleengelaten met hun roem,

Terneerlag op bebloede velden.

En door de najaarswolken heen.

De maan bun koud gelaat bescheen!

Maar welk een dag van vreugde en eer, Als zij haar dappre duizendtalen.

Met d\' eikenlooftak op \'t geweer.

Door luid gejubel in zag halen!

Als echtgenoot en bruidegom Weer gade en bruid in de armen zonken.

En bij \'t ontroerend wellekom Geen tranen dan van blijdschap blonken.

Daar \'t „Dank zij God!quot; bij \'t lofgeschal Ten hemel steeg van berg en dal!

Die dag heeft rijkelijk vergoed Een jaar van krijg en afzijnsmarten.

Van bergen angst en stroomen bloed En zooveel rouw voor zooveel harten.

Die dag. God geve \'t! hebbe een tijd. Een schoenen tijd, een Eeuw van vrede.

Voor kroost en nakroost ingewijd.

221

-ocr page 700-

222 AANVAARD UW GELUK. — ZOO ZUS ER. — WEE HEM! ENZ.

Die \'t zwaard terughoudt in de scheede, Die broedertwist noch tweedracht duldt, En Amalthea\'s horen vult.

AANVAARD UW GELUK.

Aanvaard, waar God ze geeft, geluk en blijde tijden!

Zijn hart misgunt u niet, wat menschen u benijden. Verdenk geen liefde, op grond dat g|j ze onwaardig zijt. Berisp hem niet, die „mildlijk geeft en niet verwijt.quot;\'

ZOO ZIJN ER.

rIk ben voor \'t goede, kameraad!

Voor \'t goede, en daarom doe ik kwaad; Maar gij zijt eer- en plichtvergeten, Want gij blijft onrecht onrecht heeten.quot;

WEE HEM!

(Jez. o: 20).

„Wee hem die \'t kwade goed heet, \'t goede kwaad!quot; — Partijschap doet het, door zijn liefde en haat.

GEEN UITNEMING DES PERSOONS.

(Kol. III; 25).

„Die onrecht doet zal \'t onrecht dragen, wie hij zij!quot; Zeg dit u zeiven eerst, en da.n uw weerpartij. Uw godsvrucht en uw deugd, voor \'t oovrige onbesproken. Maakt onrecht nooit tot recht, en onrecht wordt gewroken.

NON TALI AUXILIO.

Vrijdenkers, die niet vrij zijt te gelooven, .. Geloovigen, die_ \'t denken u verbiedt.

Gij zijt ter wederzij de rechte mannen niet. Die tusschen wetenschap en godsdienst twistvuur doovon Of muren slechten zult, die ge altjjd stijgen liet.

-ocr page 701-

GEMATIGD. — WAT BETER 18.

223

ZAAK EN VORM. —

ZAAK EN VORM.

Dat ge in de Zaak verschilt, verstoort geen vrede; De Wijs, daar gij de zaak op voorstaat, dikwijls wel. Spreek luid, maar liefdrijk, krachtig, maar niet fel. \'t Goed staal kwetst niet dan door de snede.

GEMATIGD.

Gematigd, zijt gij niet de man van \'t oogenblik.

Noch van de menigte; maar overwint ten lesten.

De toekomst doet u recht, gelijk reeds nu de besten.

Men haakt naar houdbren grond, na \'t gaan door dun en dik.

WAT BETER IS.

Wat beter is, wat beter is,

wat beter is dan \'t Leven,

Dat is de Hoop der heerlijkheid,

die God ons heeft gegeven,

Dat is de hooge levens-Vreugd,

de blijde stervens-Moed Van \'t hart dat zegt: „Gij zijt mijn rots,

mijn deel, mijn eeuwig goed!quot;

Wat verder brengt, wat verder brengt,

wat verder brengt dan \'t Weten, Dat is de Liefde, die mij God

doet ,Abba, Vaderquot; heeten; De Liefde, daar ik hem door ken,

wien geen verstand verstaat, Maar die zich woning maakt in \'t hart dat voor hem opengaat.

Wat wisser baat, wat wisser baat,

wat wisser baat dan \'t klagen, Het is de Lijdzaamheid, die \'t kruis

den Heiland na doet dragen; Het is het roemen in een heil,

dat boven \'t leed verheft;

Het is het kussen van de roe,

die zegent waar zij treft.

Wat sterker is, wat sterker is,

veel sterker dan de Zonde,

Het is de Drang, de Liefdedrang

van Jezus\' bloed en wonde.

-ocr page 702-

224 ABBA VADKR. — NIET WAT GTJ KUNT. — AAN EEN MISTROOSTIGE, ENZ.

Die daaraan denkt, die daarvoor dankt,

die daar zijn moed uit schept,

Strijdt en verwint, en grijpt de krans die afvalt noch verlept.

ABBA VADER.

Leg uw hoofd aan de borst van den God, die u mint; Sla uw oog tot hem op, en gevoel u zijn kind.

NIET WAT GIJ KUNT.

Niet wat gij kunt, niet wat gij wilt, maar wat gij zijl, Bepaalt een waarde en rang, die geen betwisting lijdt.

AAN EEN MISTROOSTIGE.

Met uw vreugde, werd uw kracht

Ingeboet;

Ach, daar zit gij, zonder macht,

Zonder moed.

Tot een troost, zoo goed als groot,

U verkwikt.

En geen leed meer krenkt, geen nood Meer verschrikt.

Ga dan tot den Trooster uit,

Die u wacht.

Die zijn armen u ontsluit!

Zie hij lacht.

Lacht u tegen, peilt uw smart.

Uw verdriet;

Stort u aan zijn godlijk hart; Wanhoop niet.

CONSTANT THEODORE GRAVE VAN LIJNDEN VAN SANDENBURG

TEB GEDACHTENIS,

t 8 Nov. 1885.

Rust, wakkre Staatsman, rust! De lijksteen drukke u zacht! Een eervolle eerzucht heeft uw rijke ziel doen blaken.

Haar roeping zich bewust, haar gaven, en haar kracht. Maar ook geschapen tot grootmoedig zelfverzaken.

Waar liefde drong, waar plicht, waar wjjsheid werd betracht.

-ocr page 703-

AAN Dit. COBNRAAD LEEMAKS, ENZ. — STlJL-i.ES. — ST1JL-VEHSCH1L. 225

Rust, steun van Vorst en Volk! Uw tijd was welbesteed; Gewoekerd hebt gij met de u toebetrouwde pond«n.

Gij kost wat niemand kost; gij deedt wat niemand deed; Ach, hoeveel hulp en hoop zijn in uw graf verslonden! Ondankbaar Nederland, indien het u vergeet.

Mijn hart vergeet u niet; het heeft uw hart gekend.

Hart voor uw Koning, voor uw Land, uw Huis, uw Velenden;

Dien arm, tot steun bereid; dat oog, tot God gewend;

Dien mond, zoo minzaam voor de minste die u dienden!

Rust zacht, u wacht de kroon; gij hebt den loop volend.

AAN Dr. COENRAAD LEEMANS,

op den 3deii December 1885,

vjjftig jaar Directeur van het Museum van Oudheden te Leiden.

Een half ontgraven, half nog in \'t Egyptisch zand

Bedolven Sphinx geheimen af te vergen.

Aan \'t licht te brengen, wat alom bij volk en land. De nacht der eeuwen in zijn duister bleef verbergen,

En Heden en Verleen te stellen in verband;

Een Priester en een Eer der Wetenschap te worden;

_Den roem des Vaderlands te staven wijd en zijd;

Ziedaar de taak, waartoe \'k uw jeugd zich aan zag gorden,

De schoone vrucht van uw gerekten levenstijd. O Leemans! mij vooruit in kennis en in jaren.

Maar met wien. — sinds, bedekt met Mavors lauwerblamp;ren, ) De Leidsche Pallas in haar koor u wederzag —

\'t..Mijn als uw voorrecht was om wijsheid op te garen Bij die voor half een eeuw haar achtbre Tolken waren,

Hoe juicht mijn hart u toe op dees uw jubeldag! Nog lange ontzie de dood uw deugd en grijze haren.

STIJL-LES.

Schrijf niet al te los daarheen,

Die u wilt doen lezen. Ongemaakt, maar ongemeen Moet uw proza wezen.

STIJL-VERSCHIL.

Die weet, is kort; die zoekt, is lang; Die twijfelt, gaat een ziegzaaggang; Die overreedt, is driest en druk; Die overtuigt, houdt voet bij stuk;

IV.

-ocr page 704-

226 NIETS NIKDWS. — ONVOLDOENDE. — JE JIJ, EN JOUW IN BRIEF ENZ.

Wien \'t ernst is, spreekt met klem en kracht; Die ijdel is, zoekt woordenpracht;

Die, zonder diepte, diep wil wezen.

Omringt met neevlen die hem lezen.

NIETS NIEUWS.

De Dichter; schoon gij \'t zoudt verwachten;

De Dichter zegt niets nieuws; niets dat door uw gedachten En hart niet dikwijls ging en gaat;

Maar zegt het zóó, dat gij uzelv\' verstaat.

ONVOLDOENDE.

„Niet rijk van inhoud; maar de vorm! Hoe schoon was hij!quot; \'k Erken \'t; maar, bij \'t vertoon van zilvren schalen.

Verwacht en eisch ik mij te onthalen Op gulden appels, — niet op bellenblazer^.

JE, JIJ, EN JOUW IN BRIEF EN BOEK.

\'t Je, jij, en jouw in schrift, en zelfs in druk!

\'t Herinnert\'ons te smartlijkjt ongeluk,

AVaardoor wij \'t lieve du en dij a verloren.

\'t Natuurlijk schrijven meet zoo ver niet gaan; Laat ons veeleer naar netter spreken staan, En \'t ge, gij, uw niet enke! zien, maar hooren.

NEEN \'T LEVEN ZIET NIET STEEDS ZOO ZUUR.

Neen, \'t leven ziet niet steeds zoo zuur.

Als sombre wijzen u vertellen.

Het regentje in het morgenuur

Kan ook een lieven dag voorspellen.

De donkre wolk, die u verschrikt,

Maakt straks weer plaats voor blauwe luchten. De bui, die \'t rozenbed verkwikt,

Verdient geen traan of zuchten.

Naar het Engelsch.

DE GODSDIENST LEEFT MET GOD.

De godsdienst leeft met God, de godsdienst-twist met Menschen; De plant, onttrokken aan haar luchtkring, moet verflensen.

-ocr page 705-

WAAR \'T VAN AFHANGT. — HET KOMT VANZELF NIET, EXZ.

WAAR \'T VAN AFHANGT.

Men heeft geen zin in uw gedachte: daarom acht Men \'t geen gij voortbrengt on-doordacht. Men vindt zijn eigen denkbeeld in hot uw: 0 welk een licht van wijsheid zijt gij nu!

HET KOMT VANZELF NIET-Het komt van zelf niet, met de jaren, met do grijsheid. Wijs oud te worden is het toppunt van de wijsheid.

EEN WOORD VAN CLAUDIUS.

Doe nooit een meisje leed, naar lichaam of naar geest. Uw Moeder is het ook geweest.

AAN MIJNE VROUW.

Zes en twintig jaar vereenigd,

Uit Gods hand veel goeds gesmaakt, \'t Leed door huwlijksmin gelenigd.

En de last tot lust gemaakt,

Dalen wij den weg naar \'t graf,

\'t Oog omhoog, blijmoedig af.

AAN MIJNE JONGSTE.

„\'t Jongste kind nog groot te zien, Was een zoete wensch, en dien

Heeft mij God gegeven.quot;

Moog zij met een vroom gemoed. Wijs in \'t geen zij laat en doet. Lang mij overleven.

„DE HEER WEEGT DE GEESTEN.quot;

(Spr. XYI. 2.)

Gij weegt de geesten, Heerlen de ongerechte wagen

Zijn U een gruwel, die wij voeren in de hand. Wij echter wegen toe, en zonder eens te vragen: Heb ik van geesten en van wegen ook verstand\'?

DE SLAAP.

De slaap, de kalme slaap, een glimlach op \'t gezicht: Wat is ze? Een beeld der Hoop op dag en morgenlicht.

-ocr page 706-

AAN EEN JONGE WEDUWE, ENZ.

AAN....

\'t Begin was beter dan \'t besluit,

Als leed en zorgen weken; De rampspoed bracht uw deugden uit. De voorspoed uw gebreken.

AAN EEN JONGE WEDUWE,

uit Oost-Indië torug.

In \'t Vaderland terug, maar zonder dien.

Om wien gij \'t eens blijmoedig kondt verzaken;

Terug, om allen weer te zien,

Behalve hem, die uw geluk moest maken!

Omfloerste Weeuw! met zwijgend\' eerbied slaan We uw rouwkleed ga, diep, diep in \'t hart bewogen.

Zoo jong en schoon, nog schooner door de traan. Die staat en zwelt in de alles zeggende oogen.

Ach, \'t medelij geneest geen bloedend hart,

Al drupt het ook wat balsems in de wonde!

Indien uw hart geen God had die het konde,

Gij waart reeds lang vergaan in uwe smart.

Maar zij vergaan niet, die hij staande houdt En steunt en opbeurt en gebiedt te leven. En \'t onderpand u v\'an zijn trouw gegeven,

Hebt gij, met ons, in \'s Heilands kribbe aanschouwd.

228

Tweede Kerstdag. 1885.

GOEDHARTIG ZIJN.

Goedhartig zijn is meer dan mooi te wezen.

Men wordt om \'t een bemind, om \'t andre slechts geprezen.

Voo E Zi De D G Schi ü De : Maa En Z\'

VERSCHE SMART.

Versche smart is heiige grond.

Baak aan geen nog open wond!

Waar nog de eerste tranen leken. Troost het zwijgen, tergt het spreken.

HET SCHOONE IS ALTIJD SCHOON.

Het Sc^oone is altijd schoon, het Goede is altijd goed;

Maar schoonst bij \'t zedig oog, en best in \'t vroom gemoed.

IIB Mi li

-ocr page 707-

DIAMANT KN KOOL. — SLECHTS HET HART, ESZ. 229

DIAMANT EN KOOL.

Scboon een en dezelfde stof,

De eene schittrend, de andre dof.

Die lieiheeft is de Diamant,

Die geeft wat hij ontvangt en \'t uit laat stralen

In kleur en gloed naar eiken kant,

Wiens rechte waarde alleen de kenner kan bepalen.

Der Kool gelijk is \'t zelfziek hart,

Die, schoon gij ze ook in \'t helderst licht zoudt plaatsen, Geen straaltje door kan laten of weerkaatsen.

Maar alles opslurpt in haar zwart.

Laat haar met rust: een vuile veeg Was \'t meest, dat iemand van haar kreeg.

SLECHTS HET HART.

Slechts het hart is de Mensch, en de mensch is zijn Hart;

Niet zijn bi-ein, niet zijn tong, niet zijn handen.

Denke \'t hart, spreke \'t hart, pare \'t hart wil en daad, Strale \'t hart, door het oog, van het hartlijk gelaat, En het doet alle harten ontbranden;

Ja, ontbranden in liefde, in de heilige vreugd

In een ander zichzelven te ontdekken,

D\' eigen zin voor wat aandoet en goeddoet en treft, Wat vertroost en versterkt, en tot hooger verheft Om de schoonste verlangens te wekken.

TWEE LEVENSBESCHOUWINGEN.

DE VROEGERE. DE NIEUWSTE.

Voor God en Naasten leven. Te leven om te leven,

En naar volmaking staan; Te strijden om \'t bestaan.

Ziedaar op \'s levens baan Ziedaar wat ons voortaan

De taak u voorgeschreven. Als doel voor \'t oog moet zweven.

Den eisch aan u gedaan. En — niet ter harte gaan.

^ Gij vaardt die dankbaar aan, De rest is droom of waan.

Schoon vrees en heilig beven Waar die zijn opgeheven,

U om het harte slaan. Daar vangt de wijsheid aan...

De neigingen weerstreven; Ja! — Mits de mensch, gedreven

Maar, \'toog tot God geheven. Door wat ont-menschten schreven.

En door zijn Geest gedreven. Naar \'t voorschrift Bern gegeven,

Zwak stervling! zal het gaan. Den mensch heeft uitgedaan.

-ocr page 708-

230 DF, MORTDI8 NIL NISI BENE. — DOM TRAimitTS TRAHIMUR, ENZ.

DE MORTUIS NIL NISI BENE.

De mortuis nil nisi bene wordt geduid Als moest men niets dan goeds van hen verkonden! Neen, neen! zij hadden ook hun zonden;

Verbloem ze niet, al meet gij ze niet uit. De spreuk wil dit: Zwijg ganschlijk van de dooden, Of spreek van hen naar billijkheid en recht; Let dubbel op bij \'t geen gij van hen zegt, En wacht u voor verwerpen en vergoden.

DE MORTUIS NIL; NISI BENE.

DUM TRAHIMUS TRAHIMUR.

Toen de oproervaan gezwaaid werd. door \'t verbolgen Gepeupel van Parijs, sloeg die hem had geplant De schrik om \'t hart bij \'t zien van moord en brand. „Wat wil ik ?quot; sprak hij: ,\'k ben hun Hoofd; ik moet hen volgenquot; \')

AAN EEN OYERGELE.3RDE.

Gij hebt veel meer dan \'k bij u zoek.

Maar minder dan ik wensch. Ik voel in u geen levend Mensch, Maar hoor een sprekend Boek.

LES. GEEN LEER.

Wantrouwen zij de vrucht van \'t leven en \'t verkeer: Aanvaard de les, maar niet ten grondslag voor een leer.

ZELFS VERZEN 1

A.

Hij kan van alles; heeft zelfs verzen in de maak.

B.

Dat is van alles wel de makkelijkste zaak.

Maar verzen baren uit een dichterlijken geest. Dat is te geener tijd een ieders werk geweest.

\') Je suis leur chef; il faut blen que je les suive. Ledru Rollin, Febr. 1848,

-ocr page 709-

illusie. — enthusiasme. — nardus.

ILLUSIE. - ENTHUSIASME.

Laat varen uw beooochelinq,

Maaj- blijf\' uw «eestdhift kweeken, Be^oochling is een rozeknop,

Maar die niet loslaat aan den top

En in zijn bloei blijft steken;

Maar Geestdrift is het immergroen, Dat tiert en siert in elk seizoen.

Laat dooven uw degoociieling,

Maar houd uw geestdrift glorend! Begoochling is het tooverlicht, Dat alles kleurt waarop \'t zich richt,

Bedrieglijk en bekorend;

Maar Geestdrift is de heiige gloed \'), Die gloeien blijft, en gloeien doet.

NARDUS.

Mijn Heiland is het beste waard.

Het echte en uitgezochte. Het schoonste in hemel en op aard.

Het nooit te duur gekochte: De nardus moet voor Hem gespaard.

Moet uitgestort, moet stroomen. Moet dalen op zijn hoofd en baard En op zijn kleederzoomen.

Is Hij de Hoogepriester niet.

Door God den Heer geheiligd.

Door wien verzoening is geschied.

Die voor \'t verderf beveiligt? Wil Hjj het huis „daar liefde woontquot;

Zijn intree waardig keuren,

\'t Moet al, waar liefde liefde kroont Van d\' eèlsten nardus geuren.

Gezegend is het huldeblijk.

Gebracht ter rechter stonde Door wien, hij zij dan arm of rijk,

Gedaan is, „wat hij kondequot;.

Aan ,\'t goede werk aan Hem gewrochtquot;,

Daar \'t hart toe had gedreven.

Heeft Hij een dieper zin verknocht, En dezen naam gegeven.

-ocr page 710-

232 WAT IN DEN GRIJSAARD OMGAAT. — PHILOPHROSYNE.

WAT IN DEN GRIJSAARD OMGAAT.

De grijsaard, die een beeldschoon aangezicht, Den zachten straal die uit lieve oogen licht, Het glansrijk goud van rijke en blonde lokken. De aanminnigheid van \'t vriendlijkst wezen ziet, Gevoelt in zich de wondre ontroering niet. Die jonger hart, vaak al te diep, kan schokken;

Maar eerbied voor de zuivre maagdekroon, Ontzag voor \'t vol, nog onbeschadigd schoon, Verteedring voor een jong en argloos leven, Onzekerheid van \'t lot het voorgezet,

Brengt over hem een stemming van gebed. Een biddend hopen en een liefdrijk beven.

PHILOPHROSYNE.

Wees beminUjk! Al uw deugd

Heeft geen ingang bij de jeugd.

Heeft op d\' ouderdom geen vat. Zonder dat.

Draag een vriendlijk wezen rond;

Spreek met vriendelijken mond;

Vriendlijk zij uw oogopslag En uw lach.

Waar de jeugd haar vreugd geniet:

„Nimm ein Stock und reite mitquot; \').

Waar men zucht om zorg of smart: Toon een hart.

Maakt bedeesdheid iemand schuw:

\'t Zij voor andren, niet voor u.

Die zijn oog niet op durft slaan. Zie hem aan.

Zie hem aan met zulk een blik,

Die vertrouwen wekt voor schrik;

Die den armsten zondaar moed Scheppen doet.

Zij uw ernstigst woord nooit straf;

Stoot niet van u; snijd niet af;

Smoor, waar gij barmhartig zijt. Elks verwjjt.

\') Claudius.

-ocr page 711-

NIEUWE LEER. — HYPOTHESEN. — ENGELSCH TK ACT A AT JE.

Wees toegevend, sparend, goed;

Door oprecht zijn, toon uw moed I \'oor verdragen, toon uw kracht;

Oordeel zacht.

Wees berainlijk, gij die mint.

Liefde, die de harten wint,

— Machtloos blijkt gemaakte schijn —

Moet hot zijn.

NIEUWE LEEB.

Een strjjd van allen tegen allen.

Beding van \'t leven, en het wachtwoord der natuur

Een stelsel op dien grondslag moet bevallen;

\'t Gaat door de wereld als een loopend vuur.

\'t Is zoo geschikt de roofzucht te vertroosten,

De zelfzucht te beschermen voor verwijt.

Veel beter dan dat Woord, gekomen uit het Oostea Dat zelfverloochning eischt van die \'t belijdt;

\'t Maakt kracht tot recht, succes tot deugd, te letten Op \'t geen geschieden moest, tot dwaasheid. Wat freschie Zal les en regel zijn. Beginslen tellen niet;

Verschijnselen en feiten worden Wetten.

HYBOTHESEN.

Die, redeneerende, onderstelt,

Al komt hij ook tot resultaten,

Krijgt — noem het saldo\'s, maar geen baten Hij heeft in plaats van wichtig geld Met rekenpenningen geteld.

Die hebben ook hun nut, mijnheeren!

Mits gij ze kunt realiseeren.

BNGELSCH TEACTAATJB.

Op de eerste bladzijde, een die zich voor God niet buigt En voor de Menschen leeft in allen boozen handel;

^ Reeds op de derde, een kind, geloovig, overtuigd; Een voorbeeld, op de vierde, in leer zoowel als wandel.

-ocr page 712-

HOE SCHOON. — ONZIJN. — DE LAATSTE EER.

HOE SCHOON.

Hoe schoon versiert een zachte lach Te midden van de smarte,

Die ons den vrede melden mag

Van \'t nochtans bloedend harte!

Die glimlach zegt:

„De Heer is recht, „In spijt van duisternissen. „Hij kan zich niet vergissen.quot;

Hoe heerlijk blinkt een stille traan Te midden van de vreugde,

Die \'t volle hart zoo snel deed alaan, Het diepst der ziel verheugde!

Die traan verkondt,

Al zwijgt de mond: ,0 God! door zooveel zegen ,Maakt gij uw kind verlegen.quot;

ONZIJN.

Och, was daar in uw dof gemoed Iets dat naar hooger trok te wekken, Een vlam die uitsloeg of een gloed Voor wat het waar, te ontdekken!

Maar nu gij hart toont noch gevoel.

Voor elk en alles even koel,

Is daar niets goeds te wachten Van uw onnutte krachten.

Ik mag u van een slordig zwijn Of dartlen wulp den naam niet geven Maar toch, geen mensch-, maar dierlijk zijn

Is uw verloren leven.

Hoe lang reeds? Twintig? Dertig jaar?.... Verzwijg het maar!

\'t Deed pijn aan die \'t vernamen; U brengt het niet tot schamen.

DE LAATSTE EEE,.

De laatste, u gaarn bewezen, eer — En voorts niets meer

Aan u te geven!

Men sluit uw graf,

En wendt zich af,

Om met de levenden te leven.

234

-ocr page 713-

SCHRIJF OP MIJN ZERK GEEN LOFGEDICITT.

Of mooglijk toch Een wijle nog

Blijft ra\' u gedenken,

En aan uw werk Voor Staat of Kerk,

Een luttel van zijn aandacht schenken.

Ook dat verslijt.

Een andre tijd

Heeft andere oogen,

En weinig hart Voor wat niet werd Met hem geboren en getogen.

Wees dan tevreê Met de eertropee

Nog bij uw leven.

Laat na uw dood De tijdgenoot Zijn Nieuwen mannen eere geven.

Hebt ge iets gezaaid.

Dat niet verwaait:

Een ander maai \'t

En toon de schooven Met fier gebaar....

Wat nood? zoo maar De vruchtrijke aar,

In \'t voedzaam brood, haar deugd doet loven.

SCHRIJF OP MIJN ZEEK GEEN LOFGEDICHT.

Schrijf op mijn zerk geen lofgedicht,

Laat op mijn graf geen praalgesticht Ten hemel rijzen.

Weg eerbewijzen.

Voor d\'armen zondaar, die daar ligti

Is hij voor u, door hart of geest.

Iets meer geweest:

Gedenk het zonder taal of teeken.

God, die met andere oogen ziet —

Voor God-alwetend is hij niet Dan zondig stof gebleken.

En zoo die God met kracht en klem Zich over hem Ontfermd heeft en hem opgenomen

235

-ocr page 714-

286 GRAFSCHRIFT VOOB MI.TZELVEN. — NIKT KLAGEN.

Ter plaatse waar Ben moordenaar, Aan \'sHeilanda hand, is ingekomen: Dat geeft geen stof Om met uw lof Zijn assche te eeren.

Hef op de stem Eri loof, met hem,

Alleen den Heer der Heeren.

GRAFSCHRIFT VOOR MIJZELVEN.

Twee dingen heb ik willen zijn: Een Christen, en een Nederlander. Gebrekkig was ik \'t een als \'t ander Maar toch naar \'t wezen, niet in schijn. Zoo \'t slechts gebrekkig is geweest: God en mijn Volk moog mij :t vergeven! Maak gij het beter, die dit leest; Gij hebt nog tijd van leven.

NIET KLAGEN.

Niet klagen,

Maar dragen.

En vragen

Om kracht;

Niet zorgen Voor morgen Bij vallenden nacht!

Niet beven Voor \'t leven Gegeven

Van God;

Maar \'t heden Besteden Naar plicht en gebod!

Niet dringen In dingen Door niemand bevroed.

Tevreden Te treden

Bjj ,\'t licht op het padquot; en „de lamp voor den voet.quot;

-ocr page 715-

BIJ HET GRAF VAN A. L. Cr. BOSBOOM-TOU8SAINT, ENZ. 237

BIJ HET GBAF VAN

A. L. G. BOSBOOM-TOUSSAINT.

Rust, Boem van Neerlands vrouwen! Hoogbegaafde,

Zoo rijk aan schoone deugden, leef en rust! Het liclitspoor van uw geest wordt hier niet uitgebluscht; üe bron der hoogste kracht, daar zich uw hart aan laafde. Vloeit milder nog aan gindsohe kust.

17 April 1886.

MEER, NIET r= MEERDER.

Meer mensolien zijn daarom geen meerdren; meerdren zijn, Van wie \'k de minder ben, of in mijn oogen schijn.

qüerulcs.

EEN DILETTANT GEVONNISD.

„Een Dilettant, maar een Geleerde niet!quot;

,,Waarom niet?quot;quot; vraagt ge mij.

„Omdat hjj door een plank, daar wij niet doorzien, ziet, „En niet alleen twee voeten heeft als wij,

„Maar vleugels nog daarbij.quot;

DOCTOR UMBRATICUS.

Hij weet heel veel, maar niet wat hij moest weten. Zijn weten is geen Wijsheid, geen Verstaan. Het Leven staart hij als een weetniet aan.

Daar hij niet weet te Leven: laat hem Weten.

ALS DE STORM IS OPGESTOKEN.

Als de storm is opgestoken, Losgebroken,

\'t Schuimend zeenat kookt en bruist, \'t Schip, geslingerd naar de wolken, Neergeploft wordt in de kolken,

Daar de leviathan huist;

Als, bij \'t buldren aller winden.

Eik en linden Siddren, wanklon, nederslaan: Dan den goeden God te vinden

In den God, ook van d\' orkaan. Wordt slechts door zijn welbeminden In ootmoedigheid verstaan.

-ocr page 716-

nog eens mei. — veenrook. — zelfonderzoek.

NOG EENS MEI.

Daar is mijn groene wereld weer,

Met al haar tinten zacht en teêr,

In \'t licht der zonnestralen,

Of zacht gedommeld in de schauw Der wolkjes die aan \'s hemels blauw Als dunne sluiers dwalen.

Daar ruischt de vleugelslag door \'t hout Der boschduif die haar nestje bouwt;

Daar hoor ik de eerste slagen Van \'t heerlijk lied, dat voor zijn bruid De nachtegaal in \'t lommer uit, Om haar zijn min te klagen!

Wees, groene wereld! wees gegroet. Met de eigen liefde in \'t oud gemoed,

Als \'t jonger hart deed kloppen. Wat schooner dan de jeugd van \'t jaar. Met bloesems aan den appelaar.

En rozen in haar knoppen?

VEENROOK.

Gelukkig land, met geen Samoem bekend, Siroco noch Mistral, die de almac.it zendt, Zoo \'t ook den Veenrook miste, die zijn buren Van jaar tot jaar zijn grenzen over sturen;

Juist als de Mei haar vollen horen stort. Dan zwijgt het vooglenlied; de hof verdort; De zwarte-vlieg verknaagt de boomgaardvruchten Reeds in de kiem; nog zwakke kranken duchten (Zij hoopten maanden lang van \'t voorjaarsweer Verbeetring van hun toestand) wederkeer Van hoest of\' kramp; gezonden voelen de oogen Ontstoken, \'t hart beklemd, de huid verdrogen; En ik, ik acht de vraag niet ongepast:

Zijn daar geen wetten tegen overlast V

Mei 1886.

ZELFONDERZOEK,

Zelfonderzoek! Ach, \'k heb zoo lang n et te onderzoeken.

Maar slechts een weinig stil te staan.

Mijn zonden schuilen voor mijn oogen in geen hoeken, Maar grijnzen van den dorpel me aan.

238

-ocr page 717-

WAAR EEN WIL IS, IS EEN WEG. — ANNEKE. 239

\'k Veroordeel ze naar \'t recht. Maar wat zegt vonnis vellen\'? De doodstraf over haar voltrekken eischt de plicht.

Lafhartige! gij zoekt het ait te stellen,

£n durft Hem tarten, die de slappe rechters richt.

WAAE EEN AVIL IS, IS EEN WEG.

Waar een wil is, is een weg;

Waar een weg is, zij een wil;

Hij bekent noch weg noch steg. Die slechts toegeeft aan een gril.

Die iets deugdlijks aan wil vangen.

Moet niet meer in twijfel hangen Tusschen schromen en verlangen;

Weten moet hij wat hij wil.

Waarlijk iveten wat men wil;

Alles draait om deze spil.

Deeglijk willen wat men kan Spant de krachten, maakt den man.

Wuar gebed, en ivys beraad Wekt den moed en werkt de daad.

ANNEKE.

(Zangstukje)

Anneke, wacht u voor d\' avondwind!

Waarlijk, waarlijk.

De avondwind is heel gevaarlijk!

Wacht u voor d\' avondwind, schoon kind!

Wacht u voor d\'avondwind, schoon kind! Waarlijk, waarlijk,

De avondwind is heel gevaarlijk!

Hij is uw vijand, al schijnt hij uw vrind.

Hij is uw vijand, al schijnt hij uw vrind. Waarlijk, waarlijk.

De avondwind is heel gevaarlijk! Streelende, knakt hij de bloempjes, schoon kind!

Streelende, knakt hij de bloempjes, schoon kind! Waarlijk, waarlijk,

De avondwind is heel gevaarlijk! — Anneke sloeg het in den wind.quot;

-ocr page 718-

240 PIETJSK. — ZOEK WAARHEID. — ZOEK WIJSHEID, ENZ.

— Annelje sloeg het in den wind. Waarlijk, waarlijk. De avondwind is heel gevaarlijk!

Waar is uw bloempje, verloren kind?

PIETER.

Uw denken is maar dunken. Piet!

Slechts wanen al uw weten;

Wat gij beweert bewijst gij niet.

En wilt een wijsgeer heeten!

Maar Pieter, wat die naam bediedt Moet ge eerst ons doen vergeten;

Want wijsheid zoekt of wilt gij niet; Slechts wat, door die zoo nauw niet ziet, Voor wijsheid wordt versleten.

ZOEK WAARHEID.

Zoek waarheid, vind ze, en roem in haar waardij; Blijf waar zij is, en streef haar niet voorbij.

ZOEK WIJSHEID.

Zoek wijsheid, vind ze, en is het meer dan schijn; liewijs het door niet wijs in eigen oog te zyn.

MEER.

Geduld, verdraagzaamheid, toegevendheid te kweeken. Zegt meer dan elk de loef met weldaan af te steken.

GIJ ZIJT ZOO GOED.

Gij zijt zoo goed en zoo verstandig; zoo getrouw Een Moeder, en zoo echt een Echte- vrouw,

Dat die om \'t beste bidt dat de aard kan geven. Daarbij uw beeld moet voor den geest zien zweven.

EEN AL TE GROOÏE RAMP.

Een al te groote ramp brengt vromen van hun stuk. Men roept van raadselen, onmooglijk te doorgronden! Maar hoe? Vergeet men dan de zonden? Een grooter wonder is \'t geluk dan \'t ongeluk.

-ocr page 719-

KERKGEBEDEN. — AANVANG DER BEELDENDE KUNST, ENZ.

KERKGEBEDEN.

(Aan Voorgangers.)

Uw voorgebeden zijn soms psalmen, dikwijls preken;

Ook vaak een biecht van eige\' ervaring, eigen strijd. Vergeet niet dat ge uit naam van allen hebt te spreken; En God wel weet wie Hij ia en Gij zijt.

AANVANG DER BEELDENDE KUNST.

Anton Springer hat die Ornamente die wahren Inkunabeln der Kunst genannt, und ferner gesast nicht im Kampfe urn das Dasein sel die Kunst geboren worden, sondern aus der Freude am Dasein.

Eeees, Aegypten InBlid imd Wort. II. log;.

De strijd om \'t lecen riep de kunsten niet in \'t leven; \'t Genieten van \'t bestaan heeft haar \'t bestaan gegeven-Het leven sieren, tot vermeerdring van zijn vreugd,

Was \'t eerst en eenig werk van d\'eenvoud harer jeugd.

INGEHOUDEN TRANEN.

Ik neem uw ingehouden tranen

Aan trilling uwer lippen waar.

Och, laat ze zich hun uitweg banen.

Uw oogen vullen, mild en klaar!

\'t Verlicht, wat op de wang verschijnt;

Maar wat in \'t hart blijft, prangt en schrijnt.

Blijf op die „leege plaatsquot; niet staren,

En ondervraag de toekomst niet.

Denk aan \'t geluk der vroeger jaren.

Waar \'t dervend harte vol bij schiet;

Dan vloeit de bron, dan stijgt de vloed,

En bittre tranen worden zoet.

DE EOOLSCHE HARP.

De eoolsche harp ruischt in den nacht, Euischt op den toon der treurgezangen; Aandoenlijk als de weeke klacht Van \'t hartje, dat van liefde smacht, Of breekt van onvervuld verlangen.

241

Die doorslaapt, waar die citer slaat, Sliep zeker in met zoete droomen;

1G

-ocr page 720-

NUBEM PRO JUNONE. — BEDEKSELEN. — AAN LEIDEN.

Die slaaploos aan het venster staat Wendt naar den kant het bleek gelaat, Vanwaar de galmen óverkomen.

De nachtwind weet niet wat hij doet, Die al haar snaren dwingt te trillen,

— Zoo min als \'t oog dat, door zijn gloed, Ontroering in een rein gemoed Verwekt, maar niet vermag te stillen.

NUBEM PRO JUNONE.

Wat is \'t geschrevene, wat is \'t gelezen woord.

Bij \'t levende, uit den mond van die het dacht, gehoord? Geen Jnno; slechts een wolk, waarin men Juno niet Aanschouwt, maar — bij gedenkt, of zich herinnerd ziet.

BEDEKSELEN.

Een sluier, masker, dekkleed, wat het zij, Dat dienen moet om iets aan \'t oog te onttrekken. Kan veel, alleen zichzelven niet bedekken.

Niets is zoo openbaar als mommerij.

AAN LEIDEN.

HERINNERING;

1833—1839.

In U begon mijn leven.

Mijn leven en mijn kracht. Gij hadt zoo veel te geven. Zoo veel mij toegedacht! Tot kunnen en tot kennen.

Naar hoofd en naar gemoed. Door aan- en af te wennen, Hebt gij mij opgevoed.

In U, mijn eerste stappen

Op wijsheids vasten grond, En \'t merg der wetenschappen Geproefd met gragen mond; Door ü mijn eerste schreden

Op \'t pad der kunst bestuurd En \'t rechte krachtbesteden Gewekt en aangevuurd.

-ocr page 721-

AAN LEIDEN. 243

Voor wat mijn taak zou wezen

Hebt gij mij voorbereid,

Den weg mjj aangewezen,

Mij bi) de hand geleid;

Maar ook mjj toe doen stroomen Wat, door mijn hoofd en hart Gnwetend opgenomen,

Mij maakte wat ik werd.

Wel zocht ik in de boeken Hetgeen ik noodigst had,

Maar vond ook zonder zoeken

En zonder boeken wat.

Met lezen en studeeren

Kon alles niet gesohiên;

Er was zoo veel te leeren Door rondzien, afzien, zien.

Veel heb ik ü te danken,

Miin meesters hoogvereerd!

Op uw collegiebanken

Ontzaglijk veel geleerd;

Maar veel, naar mijn gevoelen, —

Uw schim vergeef mij dat! —

Maar veel ook op de stoelen.

Waarop men zachter zat.

\'t Ontwikklen onzer gaven Geschiê door les en leer:

Het rechte geestbeschaven

Komt door \'t beschaafd verkeer.

Bij werken, wurmen, wroeten Blijft menig blokker groen;

Het menschelijk ontmoeten Geeft klotsen hun fatsoen.

Cubicula locata1).

Langs straat en gracht verspreid, Simpliciter ornata.

Maar vol gezelligheid!

\'k Zie nog uw haardvuur glimmen,

\'k Zie nog den geurgen damp Uit thee- bij theekop klimmen,

Bij \'t zachte licht der lamp.

\'k Zie nog, met glinstrende oogen En wangen hoog gekleurd.

T) Kamers, door studenten gehuurd.

-ocr page 722-

244 AAN LEIDEN.

Bewering en betoogen

Bewonderd, en verscheurd; De geldendste systemen

Gevonnisd en verzaakt, De ontzettendste problemen Gremaklijkst uitgemaakt;

\'t Volhardend samenblijven

Bij \'t plengen van den wijn. En scherts den ernst verdrijven,

Maar even nuttig zijn; Als pijlen uit de bogen

Van grof en fijn vernuft Ons om- en tegenvlogen.

Maar niemand werd verbluft.

Heb dank, mijn jonge vrinden, Verscherpers van mijn geest! Voor wat bij u te vinden. Te smaken is geweest: Dat opengaan der harten Zoo onbekommerd vrij, Dat overmoedig tarten Van elke weerpartij;

Dat oppren van gedachten. Aan derden niet geborgd; Dat oefnen aller krachten, Zoo koen en onbezorgd; Dat wrijven, worstlen, wagen

En winnen, in den strijd. Die nutte nederlagen,

En aftocht op zijn tijd!

Ze is uit elks oog verdwenen,

Mijn eigen kleine cel\'); \'k Moest menig vriend beweenen.

Naar \'t heilig godsbestel;

Maar voor het oog mijns geesten

Herleeft al wat mij heugt, En \'k vier opnieuw de feesten Der vriendschap en der jeugd.

Maar zou ik u vergeten,

Voortreflijken, wier gunst Ik meer heb dank te weten Dan wetenschap en kunst?

i) Door opneming In grooter bouw.

-ocr page 723-

AAN LEIDEN.

Uw huizen en uw kringen,

Waar kiesche smaak en toon En fijne geest me ontvingen, Naijvrig op hun schoon?

Lofwaardigen en grijzen,

Met eerbied aangeblikt, Ervarenen en wijzen,

Wier wijsheid niet verschrikt, Beminlijke matronen.

Beleefder dan bedaagd, Bevalligen en schoenen.

Wie men zoo gaarn behaagt:

Zij geven ons de plooien,

De vormen en \'t polijst. Dat onze jeugd moet tooien. En blijvend dienst bewijst; Van zedig zelfbetrouwen Den aangenamen glans. En wat er van de vrouwen Mag wezen in de mans.

\'t Is enkel niet het ruwe,

Dat voor dien invloed zwicht. Maar ook dat bloode en schuwe,

Dat zooveel onheil sticht: Hooghartigheid — door vreezen,

Boosaardigheid — uit spijt. Hier een gramstorig wezen. En daar een hart vol nijd.

Ach, hoeveel letter-Helden En Vorsten in hun vak. Wie woord of\' blik ontstelden,

Tact missende en gemak. Geleerd, begaafd, verstandig.

Begunstigden door \'t lot.

Maar hulploos en onhandig. Hun minderen ten spot!

Hij, die de school van \'t Leven Ter Hooge school niet zocht. Heeft, spijt zijn loflijkst streven.

Te weinig thuisgebrocht. Die, voor de Zanggodinnen,

De Gratiën versmaadt, Wat eerplaats hij moog winnen, Betreurt het vroeg of laat.

-ocr page 724-

216 spukek zachtzikniu. — een slimme streek. — slijten, enz.

SPREEK ZACHTZINNIG.

Spreek zachtzinnig. Beter is \'t Dat de goedheid zich vergist,

Dan door barschheid te verbeuren \'t Doel te treffen, dat zij mist.

Liefde is nooit geheel verkwist;

Hardheid sluit zich open deuren.

In hun oogen wijze liên Zullen duizendmaal misschien „Al die goedheidquot; dwaasheid heeten;

Maar zij blijft wat ze is, bij Dien Die in niets zich kan verzien,

En voor \'t kalm geweten.

EENE SLIMME STREEK.

A cunning trick helps but once, but hlnlors ever after.

John Locke.

Ken slimme streek helpt slechts voor ééne maal; Wat springstok is geweest, wordt hinderpaal.

SLIJTEN.

Slijt uw droefheid door der. tijd, \'t Is omdat uw hart wat slijt.

HOE MEN GEWOONLIJK HANDELT.

Hoe men gewoonlijk handelt, weet elkeen; Maar hoe men handlen moet, de wijze alleen. Bishop Hall.

AAN EEN ZESTIENJARIGE.

In dank voor haar beeltenis.

De eene dienst is de andre waard.

\'k Heb uw lief gezichtje: Wel, zoo dient de lier besnaard

Voor een dankbaar dichtje. Want een dichtje moet het zijn, Aardig vleiend maagdelijn.

Zoo ik mij zal voegen Naar uw „groot genoegen.quot;

-ocr page 725-

HET HEEFT GEEN HAAST, ENZ. 247

UITROEIEN. —

OKUKVOEGÜ OORDEEL. —

Nonnie staat nog aan \'t begin

Van haar jeugdig leven,

Nonnie ziet het vroolijk in;

Blijde lachjes zweven Om haar on-betrokken mond. En haar oogjes gaan in \'t rond Met die heldre blikken.

Die een hart verkwikken.

Nonuie-liet\', geniet uw jeugd.

Smaak uw jonge jaren;

Moge ook laatre levensvreugd

Rijklijk u weervaren.

„Treed opquot; — \'t is het oude lied — „Rozen, en vergeet mij niet.quot; Wil ook niet vergeten Wien gij \'t dank moet weten.

ONBEVOEGD OORDEEL.

Zoo ge er niet binnen zijt geweest,

Zoo kunt ge er buiten niet van spreken;

Al de eigenschappen en gebreken.

Die ge onderstelt, zijn niei gebleken,

En niet dan schepsels van uw geest.

Woon eerst er in, treed dan er buiten,

Zoo zijt ge en rijp, en vrij, en moogt een oordeel uiten-

UITROEIEN.

Uitroeien kunt gü niets, dat menschlijk is, in kinderen; Maar wel, het krenken; wel, zijn groei en bloei verhinderen; Tot zwakheid maken, wat een kracht zou zijn geweest. Een ondeugd van een deugd, in een verminkten geest.

HET HEEFT GEEN HAAST.

„liet heeft geen haast!quot; zegt g:!]. \'t Heeft wel! zeg ik;

De tijd is haastig en stelt af wat uitgesteld is.

Tast toe, grijp aan, zet door! Dat oogenblik Is \'t uwe slechts, dat niet voorbij gesneld is.

DEUGD EN GELUK.

Deugd en geluk — indien maar beiden Van de echte soort! — zijn niet te scheiden.

-ocr page 726-

248 rULCnEKIA. — \'t geluk is enkelvoud, enz.

PULCHERIA.

Schoon als haar Moeders kind, en edel door haar Bloed, Door stille Ervaring wijs, en door Genade goed!

\'T GELUK IS ENKELVOUD,

\'t Geluk is enkelvoud; men wil \'t in \'t meervoud smaken:

Een saamgesteld geluk, dat nooit volledig wordt, Dat niet gelukkig kan, wel ontevreden maken,

En \'t nooit verzadigd hart tot elke dwaasheid port. „Eén ding is noodigquot;, zegt de Heer. Men wil \'t geloovon; Maar \'t Veel verlangend hart komt altijd weder boven. Dat, daar Hij rust belooft, zich steeds in onrust stort.

HET WOORD EN DE STEM.

Wat zegt het Woord, voor die geen Stem vernamen.

Die in dat Woord zich tot hun innigst keert?

Wat de inhoud van de Schriften al te zamen.

Door \'t brein gevat, maar niet door \'t hart begeerd? Vergeefs de Waarheid Gods bewezen en verdedigd:

\'t Heeft kracht noch nut voor \'thart, dat koel zich elders wendt; \'t Is overbodig, waar de geest den Geest erkent.

En \'t hart ontwaakt voor wat het hart bevredigt.

MEEDEELEN.

I.

De dichter, die het schoone ziet.

Moet wat zijn hart gevoelt in andren overgieten;

Zijn stil geluk voldoet hem niet;

Er in doen deelen is \'t genieten.

II.

Gevoelen doen is meer dan zelf gevoelen.

En zalig te gevoelen dat gij \'t rr.oogt.

\'t Ontgaat wie, boven dit, op roem of voordeel doelen. Maar \'t eerloof valt hem toe, die niet dan dit beoogt.

HERPSTPRAAL.

Pronk in uw najaarspracht, Goud en oranjedracht. Sieraad van \'t bosch!

-ocr page 727-

GEVAAR. — VOOK DE ZWAKKEN. 249

\'t Lichtgroen op \'t lentefeest Is niet zoo schoon geweest,

En ook uw zomerdos,

Glanzig en dicht,

Schitterde in \'t zonnelicht Niet met zoo rijk een gloed,

Als het dit herfstkleed doet —

Maar wees niet trotsch!

Daar hoeft geen noodorkaan Tegen u op te staan.

Die u den kranken tooi Wreed van de leden scheur,

Woest van de lenden vaag.

Wild over \'t veld verstrooi;

Daar hoeft geen regenvlaag,

Die al uw gloed en kleur üitwisch, en doe vergaan

\'t Hachlijke mooi.

Spare u geweld en macht;

\'t Vorstje van éénen nacht,

Pronk zonder pit of kracht!

Nadert u stil en zacht....

Maakt u zijn prooi.

October 188G.

GEVAAR.

In \'t afgaan onzer levensdagen,

Als veel nog toejuicht, eert, en streelt, Is groot gevaar van zelfbehagen,

Dat straks in \'t oog valt, ras verveelt. Wel mag een Grijs den hemel vragen

Dat hem de droes die part niet speelt. Van draaien heeft het hoofd veel kans Bij jonge vrouwen, oude mans.

VOOR DE ZWAKKEN.

Aamp;nbidt de kracht en \'t ruw geweld,

Gij wijzen onzer dagen!

De wereld zij u \'t oorlogsveld,

Waar slechts de sterken slagen; Uw wetenschappelijke hoop Late aan \'t verdelgingswerk zijn loop En al wat zwak is sneven — God en de Heiland leven.

-ocr page 728-

NAAR IlENHI FKKUEKIC AM1K1..

God leeft; daai\' is een God; de God

Van zwakk\' en sterken samen.

Bij hem \'t bestaan, bij bem bet lot,

Het willen en \'t beramen.

Gij schrijft uw wetten: Hij regeert. Gi| spreekt uw vonnis: Hij casseert. Het recht van dood en leven Is aan de Kroon verbleven.

Barmhartigheden acht gij wreed,

Barmhartig, wreed te wezen.

Gij ziet in \'t Ijjdeu niets dan leed.

En leed in hoop als vreezen.

Slechts wanhoop hebt gij, en geen troost Voor onderliggend menschenkroost;

Het kies voor \'t lijden \'t sneven,

Het niet zijn boven \'t leven!

Daar is een Heiland, trotach geslacht!

Der lijdend\' en verdrukten;

Wiens kracht in zwakheid wordt volbracht,

Bij die vertrouwend bukten.

Zijn hand richt op wat gij vertreedt;

Zijn oog gaat na wien gij vergeet; Hij koestert in zijn armen Wat ge aan deu weg laat kermen.

Uw wetten der Natuur zijn bard:

Des Heilands wet is liefde.

Hij geeft te danken onder smart,

ïe roemen in wat griefde.

Heft op de stem, gij die hij schraagt! Verdooft het lied, dat u beklaagt,

En toont door woord en werken: De zwakken zijn de sterken!

NAAR HENRI FREDERIC AMIEL.

1.

Een ondeel in bet oog, en \'t aanzijn is onlijdlijk,

Een enkle zwarte stip in \'t hart: \'t krimpt weg van pijn; Hoe fijner zintuig, des te kwetsbrer zal het zijn;

Want bij volkomenheid is teerheid onvermijdhjk.

2.

Ontwortel niet te licht uw leven, lotgenooten!

De eik groeit het liefst en \'t best, waar de eikel is ontsproten. Men vindt een tweede dak; geen tweede vaderland. Hot sterft niet zelden, \'t kwijnt altijd, wat gij verplant.

-ocr page 729-

NAAU HENRI FKEUEUIO AMIEL.

3.

Daar is een nuttig, en soms noodig, opgangmalcen. Men hecht niet aan zichzelf, als niemand anders \'t doet. Door \'t oog van vreemden leert het zedige gemoed Zichzelf wr.ardeeren, in zichzelven thuisgeraken.

4.

Een man te zijn zegt weinig; Man te wezen Zegt meer; De man te zijn: geen rang gaat boven dezen.

5.

KENNIS EN GEKST.

\'t Hout, dat het haardvuur voeden moet,

Kan ook zijn vlammen dooven;

Maar halen deze \'t boven,

Te schooner is de gloed.

6.

\'t Gelijkheid-schreeuwen is eon haat,

Die zich oj) liefde voorstaan laat.

7.

„Een echt genie, maar in de kiem gesmoord; een geest „Van aanleg groot, maar door de omstandigheden

,Verhinderd op te tredenquot;......

Geloof ze niet, die zulke dingen leest.

„\'t Wordt wat kan worden; wat niet wordt is niet geweestquot;.

8.

Dwaas, die wil winnen, en niet strijden.

Dwaas, die wil minnen, en niet lijden.

Dwaas, die zich vrij waant, daar hij eiken band verscheurt. Dwaas, die wil leven, en niet sterven op ziju beurt.

9.

Gij weet het, die wat weet, al wilt gij \'t ook vergeten: \'t Maatschaplijk-zijn steunt niet op \'t weten, maar \'t geweten.

10.

Op recht te hopen, op erkentlijkheid te wachten Is zieklijk; manlijk is de man.

Die recht en dank ontberen kan En leeft bij onafhanklijk plichtbetrachten.

•/51

-ocr page 730-

UOHWALD.

11.

Van verontwaardiging te blaken Om eigen onrecht? Neen, mijn vriend! Wat verontwaardiging verdient Zijn groote en algemeene zaken.

HOHWALD.

Hoe komen, luid geprezen.

Lang mijn veiiangst geweest Uw sohoonheên, o Vogezen!

Weer op in mijnen geest; Uw bergen en uw boomen, Uw rijkbegroeide grond, Uw beken en uw stroomen. Met bloemen in den mond;

Uw sombre dennewouden.

Die op de steenrots staan En \'t naar den hemel houden. En recht naar boven gaan; Uw eedle beukenbosschen,

Met stammen blank en glad. Die \'t stugger naaldhout trotsen En pronken met hun blad!

Hoe eenzaam zijn de paden,

Hoe vreemd aan elk gedruisch! De sprankjes slechts verraden Hun aanzyn door geruisch. Geen wildzang klinkt mij tegen, Geen vleugel roert de blaan... Zoo ernstig zijn de wegen. Waarlangs wij opwaarts gaan.

Maar zonnestralen breken

De schaduw van rondom, Die van den hemel spreken In \'t zwijgend heiligdom. En, waar ze een open treffen.

Verblijden met hun glans, Do bloemkens die zich heffen, En openen hun krans.

Belust om uit te munten,

Dringt hier en daar de steen. Op de allerhoogste punten. Door loof en ruigten heen.

252

-ocr page 731-

nonvrALD.

Bestijgt hem, wandelaren!

Geniet het vergezicht,

En laat uw oogen waren,

Bij \'t volle morgenlicht.

Wis ziet gij aan de kimmen

Des Schwarzwalds bruinen rand; Misschien de gletschers glimmen

Van \'t Berner Oberland. „Die derwaarts vliegen konde!quot;

Verzucht uw reisziek hart.... Die meer verlangt, pleegt zonde Aan \'tgeen geschonken werd.

Laat, laat uw oogen weien

Langs \'tgeen ge omlaag aanschouwt: De lachende valleien

Met oogsten geel als goud;

Tooneel van stil genoegen Bij welvaart en bij vlijt,

Waar die den akker ploegen Ook maaien op hun tijd!

Ziet op en om, de keten

Van groene bergen langst.

Die van veel zegen weten,

Maar ook van schrik en angst; Als in die zelfde dalen.

Waar nu de vrede lacht.

De krijg zoo menigmalen Dood en verwoesting bracht.

Langs dezen bergkam richtte

De Heiden sterkten op l); En Christen vroomheid stichtte Haar woon op ^indschen top;

Daar blijft zij \'t lijk omringen

Der Heiige, die zij eert2).

En Gode \'t loflied zingen.

Dat zeegnend wederkeert.

Euim uitzicht zal \'t beloonen.

Als ge u, door kruis en hand, \'t Begroeide pad laat toonen

Naar Eathsams scherpen tand 3);

Maar o, zie ver en verder,

Tot waar de schepping rijst Van Steinthal\'s trouwen herder4),

Wien \'t nakroost dankt en prijst!

258

-ocr page 732-

HOHWALD.

Al schijnt, aan \'fc hoofd der bergen,

Bekranst met glanzig veil, De Spesburg5) ons te tergen Door wegen woest en steil; Wij willen kracht vergaderen;

Aan moed ontbreekt het niet; En \'t heerljjk alzicht naderen. Dat ons zijn standplaats biedt.

Daar zullen we, uit den hoogen, Dien hoogen Dom6) misschien In \'t ver verschiet beoogen.

Maar zeker Andlau zien;

\'t Lief stadje, dat zich kronkelt

Naar \'t kronklen van den vloed, Wiens nat in \'t zonlicht vonkelt, Daar \'t naar beneden spoedt.

o Dappre wandeltochten.

Van dag tot dag volbracht, Met vrienden en verknochter.. Steeds vriendelijk herdacht,

Niet afgeschrikt door verte

Of paden hoog en ruw, Hoe leeft gij in mijn harte, Hoe trouw herdenk ik u!

Hoe blijft gij mij verkwikken,

Herlevende in mijn ziel. Gezellige oogenblikken,

In \'t gastvrij Sint Odiel,

Waar \'t Oudje met haar nonnen\')

Ons vriendlijk tegentrad.

Of aan den rand der bronnen En haar verfrisschend nat;

In weide- of forst-manshoeven.

Of open plekje in \'t bosch.

Waar wij \'t met u beproeven. Bed van veerkrachtig mos.\' Of op de hupsche banken,

Wier doopnaam \'t hart bekoortp), Die we aan uw zorgen danken, Verfraaiers van dit oord!

o Liedren, aangeheven

Bij \'t dalen van den voet.

Door d\' aandrang ingegeven Van \'t welgestemd gemoed,

-ocr page 733-

HOHWAT.T).

Welluidend, krachtig, treffend.

Aandoenlijk, teeder, zacht, Het hart naar boven heffend, Of waar de scherts in lacht!

o Handen vol met bloemen, Om lieven vorm of kleur Geprezen en te roemen,

Bij varens rijk van geur! o Glanzige eiloofkronen.

Op \'t grijze hoofd gedrukt! o Tuiltjes voor de schoouen In \'t oevergras geplukt!

o Vriendelijk hereenen _

Van allen aan den disch,

Als \'t klokje van halféénen

Juist koud geworden is.

Waar, met verschot van talon,

De gasten paarsgewijs Beleefdheên en verhalen Opdisschen bij de spijs!

o Zoet zich onderhouden.

Als \'t zwerk ons regen zond. Met jongen en met ouden,

En lieven kindermond!

TJ blijf ik vóór mij wenken.

Manshoofden grijs en zwart! Wier weten en wier denken Mij uitgewisseld werd.

U zal ik niet vergeten,

Beminlijk schoone vrouw! Die, naast mij aangezeten.

Me uw aandacht schenken wou; Noch \'t kind van zestien jaren,

Dat aan mijn lippen hing, En \'t ruischen van mijn snaren Met gretige ooren ving;

Ook u niet, vroolijk stoeiend,

En dravend om en om Met meisjes even bloeiend. Luidruchtig knapendom!

Maar evenmin dat kleentje.

Vol levenslust en gloed. Met haar gebroken beentje, En on-gebroken moed.

255

-ocr page 734-

HOHWALD. — VERZOENTNC}.

OPHELDERINGEN.

Langs dezen bergkam richtte De Heiden sterkten op.

De z. g. Ueidenmauer, in de 3de of 4de eeuw, van groote steenklompen gebouwd, twee a drie meter hoog en twee dik, strekt zich over een lengte van tien kilometers, nog In vrij goeden staat, over den rug van den Hohenburg uit.

2) Der Heiige, die zij eert.

St. Odllla, Beschermheilige der Elzas, dochter van dier hertog Athalrich, stichteres van het klooster op het naar haar genoemde St. Odiel-gebergte, waar zij leefde en stierf en dat haar gebalsemd lijk bewaart. (7de Eeuw).

3) Rathsam\'s scherpe tand.

Rathsamhausenstein,

4) Steinthal\'s trouwe herder.

Joh. Friedr. Oberlin (geb. 1740), die er van zijn 27s\';e tot zijn 8 Os te levensjaar werkzaam was, en de gansche woeste streek en hare bewoners, uit een toestand van ellende en stompe onwetendheid, tot een staat van voorbeeldigen bloei en een tooneel van beschaving en nijverheid heeft weten op te werken, (t 1S26.)

5) Spesburg.

Ruïne van \'t kasteel van dien naam.

6) Dien hoogen Dom.

van Straatsburg.

7) \'/ Oudje met haar nonnen.

„Frau Matterquot; werd genoemd, en teekende zich In m^n gedenkboekske de be-minlijke, nog altijd opgewekte, bijna tachtigjarige vrouw die hier aan het hoofd dezer tertlalres van St. Franclscus van Asslsl staat.

9) Wier doopnaam \'t hart bekoort.

Banc Antoinette; Banc Phylle; Banc Anna; Banc des Essoufflés; en dergel.

Met de verfraaiing van dit oord belast zich sedert 1872 de z. g. Voyezen-club.

VERZOENING.

Waarmee verzoent gij ons, Gij Gods en \'3 Menschen Zoon? Waarmee verzoent uw Woord, uw Kruis, uw Eerekroon?

Uw Woord, mijn Leeraar! onze kranke en lichtschuwe oogen. Tevreden met den schijn, en door den schijn bedrogen.

Met \'t licht der Waarheid, dat niet pijnigt, maar verkwikt, Als wat uw hand genas het dankbaar tegenblikt;

Uw Kruis, mijn Middlaar! met de Heiligheid des Heil\'gen, Voor wiens ontzaglykheid we ons door de vlucht beveil\'gen En bergen willen met een vrees gemengd met haat,

Maar wijkende als het hart het kruis, uw kruis verstaat.

256

-ocr page 735-

DE FAKKELS GAAN VAN HAND TOT HAND. — TELEURSTELLING. 257

En wilde een trotsch gemoed voor niets of niemand zwichten, Zijn eigen meester zijn, en meester van zijn plichten, CJw Kroon, mijn Koning! voor zoo scherp een levenspijn En stervenssnart gekocht, met d\' Eisch: gehoorzaam zijn 1

DE FAKKELS GAAN VAN HAND TOT HAND.

De Fakkels gaan van hand tot hand. Van eeuw tot eeuw, van land tot land. Met heilzaam licht en schoonen luister: Gezegend, die een fakkel draagt.

Die voor ons oog den mist verjaagt. En voorgaat in den duister!

Gezangen gaan van hart tot oor,

De tijden en de volken door,

In de eêlste galmen aller talen:

Gezegend, die zich hooren deed In liedren die geen eeuw vergeet,

Maar dankbaar blijft herhalen!

Een Woord gaat door de wereldrond, Dat leven uit den dood verkondt En heerlijkheid na smaad en smarten; Den hoogen God zij eer en lof,

Die \'t wil doen komen, in dit stof, Tot aller menschen harten!

TELEURSTELLING.

,\'k Trad moedig op, maar bleef alleen.

„Van vriend en geestverwant niet één „Gezind tot volgen of mijn zijde te bekleeden.

„Thans draaft een gansche kudde in \'t eens versmade spoor; „Maar niemand gunt mij de eer voorop te zijn getreden; ,\'t Is eigne wijsheid nu,_ die \'t goede pad verkoor! „Wie denkt aan mijn vergeefsche schreden?quot;

Zoo gaat het steeds, mijn vriend! en heel de wereld door; En — die zichzelv\' niet zocht is even weltevreden.

IV

17

-ocr page 736-

258 COMMA-UACirn-BN. — INDU3TUIËELE TE.NTOOSSTEI.LERS, ENZ.

COMMA-BACILLEX.

Comma-Bacillen zijn ontdekt; Men hoort er overal van spreken.

Maar Krelis, die met alles gekt. Heeft óók door \'t mikroskoop gekeken, En zegt: ,de naam voldoet mij niet; ,\'t Is al vraagteeken wat men ziet.quot;

INDUSTRIËELE TENTOONSTELLERS.

Wat toont ge ons? \'t Geen gij kunt, en niet hetgeen gydoet? Zoo tuigt het tegen u, wat voor u pleiten moet.

AAN EEN REIZIGER RONDOM DE WERELD.

Een reis rondom de Wereld (dat \'s gezeid:_

Rondom onze Aardbol) schijnt me een kleinigheid.

Wij doen van jaar tot jaar een grootre, goede man! Met d\'Aardbol, om de Zon, — en niemand spreekt er van.

HET LEVEN.

Het leven is geen Maaltijd, ons door \'t Lot

\'t Zij ruim, \'t zij karig aangericht; Het leven is een Boeping en een Plicht, Een Dienen van de Menschheid, namens God.

LANG EN KORT.

Is \'t korte leven lang genoeg Om ons tot God te keeren; Ook \'t langste leven blijkt te kort Om wat ons dan tot zont\'e wordt Volkomen af te leeren.

BIJ EEN BEELTENIS.

Maal deze niet, of maal haar met dien lach.

Dien glimlach, die haar schoonheid is, haar ziel.

Hij zag haar niet, die zonder dien haar zag;

Hij krijgt haar lief, wien die te beurte viel. i|

-ocr page 737-

EN BKITEL. — BEKUSTEN IS ZOO MAKLIJK NIET.

Die zonneschijii-alleen brengt aan den dag, Wat zedigheid aan uwen blik onthiel;

Al wat haar goeds en liefs door \'t harte gaat Straalt, in dien glans, van \'t anders koud gelaat.

PENSEEL EN BEITEL.

Waar wit en rood de schoonheid maakt, Het gloedje dat in \'t oogje blaakt. Het goud of git om blanke slapen. Het rozemondje, \'t hagelwit Ontdekkende van \'t gaaf gebit,

En als tot lach en kus geschapen:

Daar grijp de Schilder naar \'t penseel. En doe \'t lief voorwerp op \'t paneel In al zijn glans en frischheid pralen, Verzekerd dat zijn fraai portret Elk zinlijk hart in vlammen zet.

Als \'t uit zijn gulden lijst zal stralen.

Maar waar de schoonheid van \'t gelaat In \'t eedle van den vorm bestaat, In d\' eenvoud van zijn grootsche trekken. Waar de adel van een fiere ziel Zich uitdrukt in \'t volmaakt profiel. Om eerbied en ontzag te wekken:

Daar is met schildren niets gedaan.

Daar grijp de Kunst den beitel aan, En doe in \'t reinste marmer blinken Wat meer dan marmer waardig is. Waarbij wat kleur hoeft en vernis, Met al zijn liefs, in \'t niet moet zinken.

BERUSTEN IS ZOO MAKLIJK NIET.

Berusten is zoo maklijk niet.

Hij die niet kan, wil wagen. Hans Sukkei denkt te slagen, En Sijmen Allemansverdriet

Voedt hoop van te behagen.

Naar \'t „Ken u zeivenquot; hoort men niet, Maar ziet met nijdige oogen Wat anderen vermogen.

-ocr page 738-

\'SOVER U IETS HEENGEGAAN. — HET ZENDINGWEKK.

Wat eer of voordeel hun geschiedt;

En zou men zelfs niet pogen?

\'t Ziohzelven -wijten doet men niet,

Al heeft men allerwegen Den bout op \'t hoofd gekregen;

Het blijft maar bij het oude lied: _

„\'k Deed wijs; maar \'t liep mij tegen.quot;

Twaalf ambachten genoegen niet, Met dertien ongelukken.

Voor halzen en voor krukken;

En komt het veertiende in \'t verschiet:

„Het blinde lotquot;, zegt blinde Piet, „Vervolgt mij met zijn nukken.quot;

DAAR \'S OVER U IETS HEENOEGAAN.

Daar \'s over u iets heengegaan:

Ik zie \'t u aan.

Uw volle geestkracht hadt gij noodig

Tot snel besluit, na kloek beraan----

Zeg niets; het woord is overbodig,

\'k Heb d\' uitdruk van \'t gelaat verstaan.

Die iets als gij doorstaan moest, heeft

Niet slechts geleefd.

Maar \'t leven op zijn hand gewogen, Van rillingen des doods doorbeefd;

Zijn kracht gezien, en onvermogen.

En Hem behoefd, die sterkte geeft.

Dat laat op \'t voorhoofd na een spoor. Dat doet den gloor Van blinkende oogen zachter stralen;

Dat schijnt in d\' ernst van \'t lachje door, Dat we om een bleeker mond zien dwalen.... Wie ruilde er \'t vroegre weien voor?

HET ZENDINGWERK.

Verdrijf den nacht,

Verstoor zijn macht

door de Evangeliestem! De Heiden vraagt niet naar uw hulp: God vraagt door hem.

-ocr page 739-

EENVOUDIG ZIJN. — ALS DK KINDEKKEN3, ENZ. 261

De taak is zwaar, de vrucht komt traag en zorglijk voort:

Getroost u dit;

Werk door en bid;

God werkt en hoort.

EENVOUDIG ZIJN.

Eenvoudig zijn is niet zoo moeilijk, maar te blijven.

Toch brengt men \'t wel zoo ver dat men \'t vermag, in schijn, Maar met geen klein gevaar dat speeltje te overdrjjven. Die blijven \'t maklijk, die niet weten dat zij \'t zijn.

ALS DE KINDEEKENS.

Zoo ge als een Man te handlen zijt gezind: Laat u door God be-handlen als een kind.

DIE TEGEN \'T OOSTEN TREEDT.

Die tegen \'t Oosten treedt bij rijzend zonnelicht,

Bemerkt de schaduw niet, hem volgende op zijn schreden.

De schrik des doods valt weg, voor wie het oog slechts richt Op \'t voor hem dagend heil en eeuwge heerlijkheden. Ontleend.

VERNUFT.

Vernuft voegt wel bij Poëzij,

Maar mag haar niet vervangen.

Wie doet zijn maal met Kruiderij? \'t Moet Spijs zijn, uit wat keuken \'t zij (Mits geen spartaansche Zwarte Brij), Wat wij in haar verlangen.

VERWORVEN SMAAK.

Tiijtnlooze verzen, in het metrum van den Griek,

Zijn lekker als — tabak. Die maakt gezonden ziek;

Wekt walging; \'t koude zweet breekt uit; het komt tot braken, Maar \'t went wel en begint van lieverlee te smaken. Ten laatste vindt men \'t heerlijk, en het heet:

„Zoo\'n fijn sigaartje is \'t keurigst dat ik weet.quot;

-ocr page 740-

\'S KONINGS ZEVENTIGSTE VERJAARDAG.

262 GEBEDEN. —

EEN PSALM. —

GEBEDEN.

Ach, welk een weefsel, Heer! zijn mijn gebeden!

De schering zij van \'t u benoorend hart;

Maar de inslag komt van \'s levens ijdelheden.

Waarin de ziel zich altijd weer verwart.

Wie sluit haar uit, al sluit hij de oogeleden.

Wier toedrang ook den sterksten weerstand tart?.... Neen, niets hield proef, zoo ge in \'t gericht zoudt treden, Geen deugden, o mijn God! geen offers, geen gebeden: Genade alleen geeft troost, zelfkennis altijd smart.

EEN PSALM.

Heft de oogen op, heft de oogen op,

De harten opgeheven.

Tot boven berg en heuveltop.

En waar de wolken zweven. Tot boven maan en sterreglans.

Tot in des hemels hoogsten trans! Uw hulp en heil, mijn vromen. Moet van nog hooger komen!

Van Hem, van Hem, die hooge troont,

Maar lage neer wil schouwen. Die \'t ontoeganklijk licht bewoont.

Den God van uw betrouwen! Den God, die vóór en met u gaat, Die uwen voet niet wanklen laat. Die redden kan, en sparen. En uwe ziel bewaren.

Des daags zal hij ten wolkkolom.

Des nachts ten vuurzuil wezen. Zijn englen leegren zich rondom

De tent van die hem vreezen. De weg zij bar; treed rustig aan;

Zijn aangezicht zal met u gaan.

Wat schrikbeeld u moog kwellen. Om u gerust te stellen.

Nieuwjaarsmorgen.

\'S KONINGS ZEVENTIGSTE VERJAARDAG.

19 Februari 1887.

Een weemoedstoon trilt door den blijden groet, Waar Neêrlands Volk den Koning meê ontmoet. Dien God het spaarde;

-ocr page 741-

PROBLKEM.

Die, veertig jaar welhaast, ten rijkstroon zat.

Maar zeventig dat volk heeft liefgehad,

En hield in waarde.

Het juicht hem toe, verteederd en verrukt,

Daar hij die Gemalin aan \'t harte drukt.

Van God gegeven Om door haar vriendlijk oog en heuschen mond Het lieflijk licht te zijn, in d\' avondstond Van \'t vorstlijk leven.

Het voelt zijn hart vervuld van hoop en troost.

Daar Hij \'t lief voorhoofd eu de wangen koost

Van \'t Kind, geboren Om aller vreugd te wezen, liefde en lust;

Schoon roosje, door de morgenzon gekust.

En zonder doren.

\'t Looft God, mijn Koning! dat, in de achtbre rij. Uw leeftjjd dien des Oudsten komt nabij

Van al uw Vaadren;

Maar ach! die eene zorg beklemt zijn borst:

Het ziet in ü zijn laatst\' Oranjevorst Den eindpaal naadren.

De Laatste Oranje!... \'t Hart vergeet er geen; Van d\'Eersten, die een reddende Engel scheen,

Van God gezonden.

Tot Dien, wiens bloed, bij Waterloo gevloeid. Een zelfde zucht, als ze allen had ontgloeid,

Ons blijft verkonden.

En thans... Mijn Vorst! Vergeef een dankbaar Volk, Zoo \'t, op zoo schoon een dag, zoo droef een wolk

Niet kan verdrijye11-Te luider spreekt de bede in \'t vol gemoed.

Dat die, helaas! de laatste wezen moet.

Het langst moog blijven.

PROBLEEM.

\'k Wou weten hoe het u zou staan. Als zich dit voorhoofd eens ontplooide,

Dit oog eens plaats had voor een traan. Iets als een lach, die lippen plooide.... Maar daar is gansch geen denken aan.

263

-ocr page 742-

PIJN.

Wat mag van dit gefronst gelaat, Dit strak en onbeweeglijk wezen

Toch de ooi-zaak zijn? Verborgen haat? Verkropte spijt? Kleinmoedig vreezen? Of \'t wroegen van een booze daad?

Of doen we u mooglijk te veel eer

Naar sleutels van \'t probleem te vragen; En is \'t een masker, en niets meer,

Door de onbeduidendheid gedragen, Die voor deze eene keuze staat:

Die grijns — of een onwijs gelaat?

PIJN.

Naar het Engelsch.

Mijn al te trouwe makker. Pijn!

\'k Wil eens vertrouwlijk met u spreken.

Altijd wilt gy de meester zijn:

Geef nu eens van wat heuschheid teeken.

Ik had zoo graag een klaar bescheid:

Waarom gij \'t menschdom toch kwaamtkwellen

Drukte u de last der eenzaamheid.

En kondt gij \'t zonder ons niet stellen?

Of hebt gij \'t echt tirannenhart,

Zoodat gij lust schept in verdrukken.

En u verkneukelt in de smart Van die gij goedvindt te onderjukken?

Waarom mij \'t kranke brein geplaagd Met folteringen, niet te stillen;

Mij \'t koortsig bloed naar \'t hoofd gejaagd, Én elke zenuwsnaar doen trillen?

Houdt gij van oogen, dof en mat?

Van beurtlings bleeke of gloênde wangen?

Van handen, beevrig, slap en nat.

Die \'k lustloos naast mij neer laat hangen?

Of doe \'k u mooglijk onrecht aan.

En is \'t_uw roeping, om de bloeden,

Die uw mishandling ondergaan.

Voor erger onheil te behoeden?

-ocr page 743-

WINTER.

Beschermt gij ook door leed te doen Wilt gij door lyden ons bewaren

Yoor jamm\'ren, die wij niet vermoêa,

Voor doodlijk dreigende gevaren?

En komt er nog een dag misschien,

Waarop ik in uw vreeslijk wezen

Geen loutre wreedheid meer zal zien.

Maar welgemeende goedheid lezen?

Kas ik uw hand dan welgemoed?

Wordt dan met dank door mij heieden:

„Uw wegen waren alle goed,

„Hoe ruw ook schijnbaar al uw treden ?quot;

Mn dunkt, ik zie u: Dun en schraal,

Maar als tot kracht en duur geschapen.

De trekken hard, de wangen vaal.

De haren ordloos om de slapen.

Ik hoor niet dat gij nadertreedt,

Maar aan uw greep is geen ontspringen;

Ik voel uw vingren, dor en heet.

De mijne omknellen en verwringen.

Maar trekt uw hand mij dichter bij:

Ik zie in die diepliggende oogen Een schat van liefde en mededoogen____

Gewis! een zegen brengt gij mij.

Zoo zong een grijsaard, gansch gezond van lijf en leden, Een deerniswaarde na, door lichaamsleed bezwaard;

Maar roemt met dubhlen dank Diens goedertierenheden, Door wien dit middel tot zijn heil, hem bleef gespaard.

WINTER

De Winter met zijn sneeuw en vorst Komt van eens Najaars warme borst. En draagt in zijnen schoot misschien Zoo schoon een Lente als ooit gezien.

Verzaak uw lust; aanvaard de rust; Houd krachten in, om kracht te sparen; Wees op zijn tijd eens koud en hard! Zoo \'t Herfst was eer het Winter werd. De Winter zal een Lente baren.

Uit het Engelsch genomen.

265

-ocr page 744-

2Ö6 VBBWKI.KT, VERDORT GIJ, SCHOONE BLOEM. — WAAR ZIJN? ENZ.

VERWELKT, VERDORT GIJ, SCHOONE BLOEM.

Verwelkt, verdort gij, sohoone Bloem,

Gij roem

der hoven?

Heft gij, verdoofd van gloor en glans, Uw bladerkrans Niet meer naar boven?

Is \'t dat u zon of regen schort.

En wordt

onthouden ?

Of wel doorknaagt een worm uw hart?

Doet stille smart U dus verouden?

O Droef gezicht, waar Schoonheid kwijnt, Verdwijnt,

moet sterven!

Het hart verdraagt het denkbeeld niet,

De weelde, die de aanschouwing biedt.

Voor goed te derven.

WAAR ZIJN?

Waar zijn de makkers van mijn jeugd.

De vrienden van mijn jonglingsjaren, De mannen rjjp van kracht en deugd.

De tijdgenooten, grijs van haren? Een enkle staat nog aan mijn zij: Zal ik hem voorgaan, of hij mij?

Dat weet slechts hij, die \'s levens duur, Bij dag en uur Aan elk van ons heeft toegemeten. Hij antwoordt op de vragen niet.

Die hij verbiedt,

Maar leert ons wegen wat wü weten.

LEELIJK? MOOI?

„Leeljjk!quot; zagt gij. — Neen voorwaar! Veel moge aan dit schoon ontbreken;

De adel van een ziel is daar.

Die van \'t schoonste weet te spreken, En de liefde van een hart,

Dat nooit moe van weldoen werd.

-ocr page 745-

DE DOODSKLOK. 267

„Mooi!quot; verklaart gii. — Waarlijk niet!

Niets moge aan die schoonheid falen:

Die den kouden glimlach ziet Om gesloten lippen dwalen,

Die den trots voelt van dien blik,

Blijft bewondren, maar ■ - met schrik.

DE DOODSKLOK.

De doodsklok luidt.

Gezangen zwijgen. De scherts heeft uit.

De zuchten stijgen. De wang verbleekt. De doodsklok spreekt.

De doodsklok spreekt:

„Het gaat op scheiden. „Schoon \'t hart u breekt,

„Wilt u bereiden! „Vergeefsch misbaar! „De tijd is daar.

De doodsklok zegt;

„Wel moogt gij schromen, „Die voor \'t gerecht

„Eens Gods moet komen, „Wiens heilig oog „Nooit schijn bedroog.

„Geteld, gericht

„Zijn al uw zonden; „Uw deugd te licht

Voor God bevonden; „Verdiend verderf „Uw deel en erf!quot;

Maar englenzang

Klinkt luid er boven. Als om \'t geklang

Der klok te dooven: Daar is geen nood,

„Daar is geen dood,

„Voor die gelooven! „Niets kan Gods kind „Aan Hem die \'t mint „Ontrooven!quot;

-ocr page 746-

EEN KERKHOFWANDELING.

EEN KERKHOFWANDELING.

Ik wandelde over \'t kerkhof rond,

En met mij ging mijn kleinste jongen:

Ik, met mijn oogen naar den grond; Hij, lachende en met wilde sprongen.

„Lief kind!quot; vermaande ik, „\'t is niet goed, „Hier zoo onstuimig rond te draven,

„Zoo luid te schreeuwen als gij doet; „Men maakt zoo\'n leven niet bij graven.quot;

Hij kwam tot mij, voor \'t oogenblik, Kn staakte \'t blijde spel, schoon noode!

Keek bijna even sip als ik,

En hield zijn mondje als zelf een doode,

Maar \'t jonge leven werkt met drang, En wil van geen betooming weten;

Ras ging \'t opnieuw denzelfden gang,

Mijn hand geslaakt, mijn woord vergeten

Maar nu ook liet ik \'t kind begaan,

\'k Had naar den hemel \'t oog geheven;

Zijn aanblik had mij goed gedaan En beter wijsheid ingegeven.

Hij immers had geen zwart of grauw Juist boven \'t kerkhof uitgespannen.

Maar hier als ginds datzelfde blauw,

Dat al het sombre moet verbannen.

Daar zweefden vroolijk, op dit pas, Sneeuwwitte wolkjes over henen;

En nergens werd een groener gras Van rijker zonnegloed beschenen.

En uit denzelfden molm gevoed Waarin zoo vele lijken lagen,

Hield Madeliefje \'t oog vol gloed. Ten heldren hemel opgeslagen.

De wakkre kraai beschreef omhoog Met blij gekras haar fraaiste kringen,

En op een grauwen grafpaal vloog Het kneutje en zette zich tot zingen.

Neen, dacht ik, zoo veel glans had God Hier over de aard niet uitgegoten.

268

-ocr page 747-

TWEE PILAREN. — VERJAARDAG.

Noch zulk een bron van rein genot In \'t bruisend kinderhart besloten,

Indien \'t de hoogste wijsheid was

Naargeestig hier om \'t graf te dwalen, En \'t hart aan wormen, stof en asch Met nutloos mijmren op te halen.

Neen, neen! die heldre zonnestraal. Die kinderjubel, niet te smoren.

Doen denken aan een zegepraal.

Die ons een Heiland heeft beschoren,

Die zonde en dood hun buit en roof

Ontrukte en voor zijn macht deed buigen, Zoodat op \'t kerkhof, ook \'t Geloof Als een gelukkig kind mag juichen.

Uit het Engelsch.

TWEE PILAREN.

Wortelvast en onomstootlijk

rijzen voor het menschlijk oog,

Gods besluit en onze vrijheid

als twee zuilen steil omhoog.

Voor die oogen on-bereikbaar,

legt de hand van God den boog.

VERJAARDAG.

De wereld aan te zien, welvarend nog en krachtig,

Maar met een afscheidnemend oog,

De zeventig voorbij, in \'t opgaan naar de tachtig, Een leefkring dien, uit velen, een enkle slechts voltoog;

Omstuwd van een geslacht, mij over \'t hoofd gewassen,

Meest door een andren geest dan mij vervult bestierd; Op stelsels prat, die slecht bij wat ik voorsta passen; Dat weinig missen zal als \'t ook mijne uitvaart viert:

Ziedaar wat ernstig maakt; maar niet gebiedt te treuren.

Zoolang mij huwlijksmin en kinderliefde omringt, Een Godlrjk avondrood mijn westerkim blijft kleuren, Zoo menig lieve bloem mijn dalend pad doet geuren, En tusschen \'t gelend groen nog éene vogel zingt.

13 Sept. 1887.

269

-ocr page 748-

AAN MIJN VADEELAND,

AAN MIJN VADEELAND.

Men heeft voor vijftig jaar mij dezen raad gegeven:

„Kies snel een wilgetak, waar gij uw lier aan hangt!quot; Ik sloeg het in den wind, ben liereman gebleven:

270

Deed ik er kwalijk aan, of hebt gij \'t zoo verlangd?

*) Hlppokreen-Ontzwavellng.

-ocr page 749-

FEEST-CANTATE

BIJ DE

VIERING VAN HET TWEEHONDERDVIJPTIG-JAKIG BESTAAN

UTRECHTSCHE HOOGESCHOOL, 1636-1886.

Het bier volgend dichtstuk werd door mij geschreven op ver-eerende uitnoodiging van Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht, uit naam van den Raad.

Het op muziek te brengen was aan den op muzikaal gebied zoo loffelijk bekenden stadgenoot Richard Hol opgedragen, die zich, naar \'aller oordeel, uitstekend van zijne taak gekweten heeft.

De uitvoering had plaats op den 28™ Juni in de Buurkerk.

Een Klavier-uittreksel zag bij den muziekhandelaar H. Rahr het licht.

I.

Nu maak u op om feest te vieren.

Vermaarde Stad aan Vecht en Rijn!

Laat loof en bloem uw straten sieren,

In ieders woning vreugde zijn.

Ruischt citersnaren!

Schalt fanfaren!

Bazuinen, trompetten, geeft vroolijk geluid! Laat, laat u hooren,

Vereende koren,

En stort uw hoogsten jubel uit!

Streel, zuivre zangstem, streel onze ooren! Het geldt —

Het geldt —

Een troetelkind,

Voor vijfmaal vijftig jaar geboren, En vijfmaal vijftig jaar bemind.

-ocr page 750-

peest-cantate.

II.

Als \'t liefste zoet na \'t bangste leed,

Van God gegeven Vrede,

Het zwaard tot ploegschaar heeft versmeed,

Üf kluistert in de scheede,

Dat is, voorwaar, de beste tijd Voor zaaien en voor bouwen;

De geesten kunnen vrij en blijd Hun vleugelen ontvouwen.

Dan wekt de gunst, dan kweekt de moed

De gaven en de krachten;

De horen van den Overvloed

Doet lof en loon verwachten;

Daar waar de Olijfboom wortel schiet

Wil Alles welig groeien,

De Lauwer wast op elk gebied,

En alle Rozen bloeien.

Sticht dan, ontsluit mot pleeggebaar

Der Wijsheid eeretempels;

Verzamel dan haar priesterschaar

Op hun gewijde drempels!

Als voor de tabberd wijkt de kling

En niemand hoeft te schromen,

Dan is voor vlijt en oefening De rechte tijd gekomen.

III.

Spreek, wederspreek het, gij rol der Historie!

Dagen van nood waren dagen van glorie.

Klaagt niet te zeer als de olijfboom niet wast „Palmen steigren tegens last.quot;

Sterren zijn helderst in donkere nachten;

Spanning en worstling verdubblen de krachten;

Nederland heeft niet op vrede gewacht,

Heeft, onder \'t zwaarste, het grootste volbracht.

De oorlog bleef duren: toch ziaido \'t en bouwde \'t;

Niet op de Toekomst, op \'t Heden vertrouwde\'t;

\'t Zwaard aan de heupe, de handen aan \'t werk,

Voelde \'t zich weerbaar en toonde \'t zich sterk.

Eere gij vromen, gij wakkren, gij wijzen!

Daden van moed deden wondren verrijzen,

Steuenbedwinger. hoe groot was uw eeuw!

Hoe bloeiend de Tuin van den bloedigen Leeuw.

IV.

O Vorst, die in Gods gunst geboren. Aan volk en land ten zegen wierdt!

-ocr page 751-

FKBST-CAS J ATB.

Schoon ia de loopbaan u beschoren,

En groot de tijd, dien gij versiert.

„Op gouden leliën en stralen Laat trotsen Fransche en Spaansche kroon;quot;

Om daar „de perels af te halenquot;

.Braveert uw krijgsmoed „duizend doön.quot;

Maar peerlen blinken allerwegen En puikjuweelen, rein van gloed,

U in de Zeven Landen tegen.

Waar gij uw deugd beminnen doet.

üw Amstel tart de Stad der Bloemen Door Kunst van beitel en penseel.

De schoonste Dichterzangen roemen üw deugd en daden schoon en veel.

De Wetenschappen dragen kronen,

Wier glans zich heinde en veer verbreidt.

Dh School, die Leidens deugd mocht loonen. Kweekt mannen voor de onsterflijkheid.

De Wijsheid zet alom haar schreden. Verspreidt haar licht, vertoont haar schoon,

Haar krachten en bekoorlijkheden —

En ook in \'t Sticht verrijst haar troon.

V.

Ontsluit uw poorten, grijze Dom!

Voor die uw koor begeeren.

Die kennis kweekt is wellekom Bij hen die God vereeren.

Die leering zoekt, die hoort en vraagt, Zal zich tot deugd bekwamen.

Neemt toe in wijsheid, en behaagt Aan God en mensch te zamen.

Treedt op, plechtstatig ingeleid.

Waar men uw stem wil hooren.

Die een lofwaardige Overheid Heeft tot uw ambt verkoren!

Gij de eersten in de eerwaarde rij, Die altijd aan zal groeien.

En die van eeuw- tot eeuwgetij Haar stichting zal doen bloeien.

18

-ocr page 752-

feestcantate.

Met regen is de maartsche dag

En somber aangevangen;

Maar zie, daar komt een zonnelach En stemt tot blijde zangen;

Tot zangen, die gebeden zijn.

Ten hemel opgeheven,

Opdat een hooger zonneschijn Haar warmte en licht moog geven.

VI.

Gij Zonne dek Gerechtigheid,

Stort over haar uw schoonste stralen!

Laat al uw zegen nederdalen Op die eerbiedig hem verbeidt!

Bij U is licht voor hart en hoofd;

Gij wekt, gij kweekt, gij voedt het leven; Wat gij onthoudt, kan niemand geven; Uwe is een glans, die nooit verdooft.

VIL

O Hevige ommezwaai der tijden!

Hoe zwart, hoe geducht Yertoont zich de lucht!

Wolken kruien in \'t Ocst en in \'t Zuid! Onweer dreigt van alle zijden!

Daar barst het uit!

Hoe vreeslijk die donder, hoe doodlijk die schicht

Van \'t bliksemlicht!

Verwoesting, vernieling, verwildring door schrik,

Van oogenblik tot oogenblik.

Geen daad bij de vromen, geen raad bij de vroeden, Aan helpen noch hoeden Noch redden gedacht....

Hoe loodzwaar drukt gij, „Fransche Nacht!quot;

VUL

Gij hebt dien wakend doorgebracht. Gij priesters in Minerva\'s tempel!

Al schond de woestaardij den drempel,

Gij hebt aan vlucht noch overgaaf gedacht, Uw schoone taak niet afgebroken,

Uw lamp gevoed, uw licht ontstoken.

En niet vergeefs den dageraad verwacht.

-ocr page 753-

FEEST-CANTATK.

IX.

„Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen als hij vruchten maait;

Die \'t zaad draagt, dat hij zaaien zal,

Gaat weenend voort en zaait het al;

Maar hij zal, zonder ramp te schromen. Eerlang met blijdschap wederkomen. En met gejuich, te goeder uur.

Zijn schooven dragen in de schuur.quot;

X.

Een eeuw en nog een eeuw ging om. Uw leeftijd. Alma Mater, klom

Tot vijfmaal vijftig jaren;

Maar, met de jaren, klom uw kracht, En van geslachte tot geslacht Bleeft gij uw ouden roem bewaren.

Een feestgewaad, een hoogtijdskran-5 Versiert u thans;

Wij zien uw voorhoofd stralen; Uw helder oog ziet vroolijk rond;

En op den glimlach van uw mond.

Kent onze geestdrift perk noch palen.

De Schoonheid, die u zedig groet.

Sprengt voor uw voet

Een bloemenregen.

Een wakkre Jonkheid jubelt luid; De Grijsheid strekt haar armen uit, En geeft u biddend haren zegen.

De Liefde voor het Vaderland Drukt u de hand;

Beschaving heft u tot de wolken; De Godsdienst ziet u ernstig aan.

En dankt u, met een stillen traan Voor zooveel trouwe tolken.

XI.

De dwaas alleen veracht de wetenschap. De wijze juicht haar toe op d\' eeretrap.

Kennis is macht, geen macht van dwingelanden. Lofwaardig, die haar zamelt en waardeert! Gezegend, die haar uitbreidt en vermeert! Wij kussen hem eerbiediglijk de handen.

-ocr page 754-

FEEST-CANTATE.

XII.

Gij mannen, grijs van haren,

Maar vol van merg en sap!

Gjj jongeren van jaren,

Reeds rijp in wetenschap!

Gij, die ons de oude tijden

Hun denken, spreken, daan.

Hun leven en hun lijden Hertoont en doet verstaan!

Gij, die ons door doet dringen

In de eischen van het Recht,

Of van de zichtbre dingen De wetten openlegt!

Die kranten leert genezen,

Aan blinden \'t licht herschenkt.

Of van het Hoogste Wezen De orakels overdenkt!

Houdt moed, vervolgt de banen.

Waarop gij voorwa.arts snelt,

Of plant uw trotsche vanen.

Op nieuw veroverd veld!

Graaft dieper in de mijnen,

Waar gi] uw goud uit schept,

En laat het heerlijk schijnen.

Als gij \'t gezuiverd hebt!

Stijgt hooger op uw vlerken.

Streeft alle sferen door.

En laat uw vlucht bemerken Aan \'t lichten van uw spoor!

Blijft moediglijk bekampen

Onwetendheid en waan.

En troost ons van de rampen.

Die uit de zonde ontstaan!

XIII.

Eere in ons midden en eere in hun graven,

d\' Eedlen en braven.

Wier wijsheid u bracht op de plaats, die gij siert!

Uw roem is hun roem, en hun lust zijn uw gaven. Gelukkig de kiel, door han handen gestierd!

-ocr page 755-

FEE3T-CANTATE.

XI?.

En Gij, de Hoop des Vaderlands, Van wie \'t zijn naaste toekomst wacht. Zijn zonen, in den vollen glans

Dei- jonkheid en der kracht!

Schept heldre teugen uit de bron, Die hier van laafnis overvliet.

Laat, laat u koestren door de Zon, Die hier haar stralen schiet.

Smaakt al de vreugd

Der blijde jeugd,_ Der vriendschap heilig zoet! Wordt al wat edel is en goed! En viert men \'t volgend eeuwgetij, Nog \'t hoofd omhoog,

Nog gloed in \'t oog,

Woon menig uwer \'t bij.

Vivat Academial Floreant Artes,

Exsultent Musae,

Faveant Charites,

Pereat Barbaries,

Salva sit Pax;

Valeat Concordia,

Vigeat Patria,

Gaudeat Civitas ültrajectina!

XV.

O Stad, waar Willebrord het Kruis _ Geplant heeft, en den Heer een Huis

Mocht bouwen onder Wilt en Friezen, Van waar het eerst de fakkel scheen. Die lichten zou door de eeuwen heen, Eu nooit voor u haar glans verliezen!

O Stad, waar Nassau\'s wijze hand De Pjilen saamsnoerde in een band

En in den klauw des Leeuwsbestelde! Doe, doe uw oude leus gestand: Dat steeds uw kroon en dierbaarst pand. Uw Hoogeschool, u alles gelde!

0 Stad, door Vecht en Eijn besproeid, Wier helder nat door \'t lustoord vloeit. Aan rozen rjik en korenaren!

-ocr page 756-

FJiEST-CASTATE.

Geen bloem of vrucht draagt hooger lof, Dan die gekweekt wordt in den hof,

Die u bedekt met lauwerblaren.

O Stad, zoo trouw door haar bemind! Omhels, omhels uw voedsterkind;

Eén wensch, één hooi) beziele u beiden! Vernieuw, vernieuw uw schoon verbond. En dan, herhaal met blijden mond Dat plechtig woord: „wie zal oss scheiden?quot;

XVI.

\'t Kniel alles voor den Hoogen God! Hij schiep de wereld, schikt het lot

Der Scholen en der Steden.

Zijne is de wijsheid en de kracht;

Hem zij de lof in elk geslacht,

Van \'eeuw- tot eeuwigheden!

halleluja.

AANTEEKENINGEN.

III-

„Palmen steigren tegens last.quot;

Uit het motto voor Vondels Maria Stuart, met het onderschrift Prudentee; geheel in Vondels kracht en stijl, en hoogstwaarschijnlijk van hemzelven. Zie Van Lenneps Vondel-uitgave V. 500, I.

StEDENISED winger.

Stededwinger was de eernaam aan Frederik Hendrik toegekend.

IV.

„Op goude lelyen, en straelen,

Laet trotsen Fransch\' en Spaensche kroon.

Om daer een perel af te halen,

Eu streeft zoo niet, door duizent doon,quot;

Hooft, Klaghte der Prinsesse van Oranje over *t oorlogh voor \'s Hartogenbos.

Uw Amsiel tart de Stad der Bloemen Door kunst van beitel en penseel.

Florence; als Hooft in 1638 aan Maria, de Medicis, bij hare komst te Amsterdam, verlangde getoond te zien.

V.

Ontsluit uw poorten, grijze Dom I „Het koor der Domkerk was (der Hoogeschool) tot een gehoorzaal bestemd en daar zou de plechtigheid der inwijding plaats hebben.quot;

De Geer, De Dom van Utrecht blz. 40.

278

-ocr page 757-

FEEST-CANTATE.

Die leering zoekt, die hoort en vraagt,

Zal zich tot deugd bekwamen.

Neemt toe in wijsheid en behaagt Aaji God en mensch te zamen.

Luk. 2:46 was de tekst, door Voetius ten grondslag gelegd van zijn predlcatie „Over de nuttichbeydt dei- Academiën ende Scholenquot;, des Zondags voor den dag der Stichting gehouden.

Met regen is de maarlsche dag (26 Maart 1636.)

En somber aangevangen-.

Maar zie, daar komt een zonnelach.

„Des Dingsdagmorgens vroeg was de stad versierd en getooid en alles voor het feest gereed; maar nog was de hemel bewolkt en hield de regen niet op. ïe negen ure echter brak de zon helder door, en in statigen optochtquot; enz.

De Geek, T. a. p. blz. 41.

VI.

Gij Zonne der Gekechtigheid.

Sol jüstitiae illustba nos, Is de bede, die de Utrechtsche Hoogeschool in haar vaandel en op haar zegel draagt.

De Vaderen dachten daarbij aan de belofte bij den profeet Maleachl (4:2) „Ulieden — die mijnen naam vreest, zal de Zonne der Gerechtigheid opgaan.quot;

VII.

O Hevige ommezwaai der tijden!

Het jaar 1672.

Wolken kruien in \'t Oost en in *t Zuid.

Beiden de Bisschop van Keulen en de Koning van Frankryk hadden den Staten

den oorlog verklaard.

Verwoesting, vernieling, verwildring door schrik,

Van oogenblik tot oogenblik.

Geen daad by de vromen, geen raad bij de vrocden,

Aan helpen noch hoeden Noch redden gedacht.

„De Regeering radeloos, het Volk redeloos, het Land reddingloosquot;, zeggen de geschledschryvers.

„Eene genoegzaam algemeene wildheid en ongehoorzaamheid van alle de Inge-zetenen In de steden en op het platte land.quot;

Brief van Jan de Witt.

„Fransche Nacht!quot;

„\'t Is Fransche middernacht,quot; schreef In 1673 de toen 86-jarige Vondel, die hem nog zes jaren overleven zou.

VIII.

Gy hebt dien wakend doorgebracht,

Gy Priesters in Minerva\'s tempel!

„De Academische Senaat nam het besluit om zelfs gedurende de aanstaande wintervacantle de lessen niet te staken, maar geregeld te laten doorgaan.quot;

Ter Haar, Utrecht In 1672. blz. 81.

279

-ocr page 758-

feest-cantate.

Al schond de tvoesiaardij den drempel.

De groote gehoorzaal was in een soort van graanschuur, neen! erger nog, In een pakhuis of bergplaats van meel, in een werkplaats voor mulders en bakkeis

herschapen.quot; Te* Haab, blz. 30.

IX.

„Die hier bedrukt met tranen zaaitquot;, enz.

Men herkent Ps. 126 vs. 3 In onze schoone beraming.

Het eerste der 2 veraen van den Psalm zelf, was de tekst van Voetius by zün eerste predicatie in de Domkerk, na hare ontruiming door de Franschen) 16/27 Nov. 1673.

XV.

O Stad, waar Willebrord het Kruis Geplant heeft enz.

Op de helft der zevende eeuw; 650.

O Stad, waar Natsau\'s wijze hand De Pijlen saamsnoerde in een band.

En in den klauw des Leeuws bestelde.

Jan van Nassau, bij de Unie van Utrecht, 1579.

Doe, doe uw oude leut gestand:

Dat steeds uw kroon en dierbaar pand,

Uw Hoogeschool, u alles gelde.

het eeuwenlang aankleven van het aangenomen beginsel: Alles voor de Hoogeschool.quot;

[Van Asch van Wijcx.] De Stad Utrecht in hare betrekking tot de Hoogeschool. bl. 55.

„Wie zal ons scheidbn?quot;

Quis Sepababit, omschrift van den gedenkpenning, geslagen op het Tweede Eeuwfeest; 1836.

280

-ocr page 759-

Errata.

DERDE DEEL.

Bladz.

4 regel 29

V.

b. Sangen l

ees:

Sagen

V

8

11

V.

o. zekere

zeekre

V

18

V

5

V.

o. ge

n

gij

D

22

1)

16

V.

b. uwe

uw

n

22

V

16

V.

b. Lichtje

Lichtjen

V

22

«

23

V.

b. Traantje

V

Traantjen

V

32

n

9

V.

b. vreest

V

vrees

n

38

D

3

V.

o. troostrijk

V

troostlijk

n

58

V

14

V.

b. paarlenhulde

paarlen hulde

V

59

V

2

V.

o. raad;

V

raad,

n

68

V

23

V.

o. kroontje

V

kroontjen

n

71

T)

18

V.

o. hoofdje

V

hoofdjen

n

78

n

7

V.

o. 29, 30-60, 61

V

91, 92-43, 44.

*

79

7)

21

V.

o. jongske

V

jongsken

83

n

19

V.

b. kransje

kransjen

85

v

16

V.

o. knoestrige

n

knoesterige

n

86

V

4

V.

b. voelen.

V

voelen.

V

86

V

6

V.

o. oude

aloude

V

99

n

7

V.

o. 129,30-60, [61-106, 7

n

91, 92-43, 44-[78, 79-

n

97

V

8

y.

o. de

D

die

V

100

2

V.

b. schuitje

V

schuitjen

r,

100

V

10

V.

o. dubble\'

V

dubbele\'

V

104

V

13

V.

b. dochtertje

•n

dochtertjen

V

105

6

V.

o. broertje

V

broertjen

V

106

19

V.

b. Jantje

r

Jantjen

-ocr page 760-

Bladz.

112 regel

1

V.

0.

welks

lees:

wiens

V

116

6

V.

b.

uiltje

71

uiltjen

116

1)

9

V.

O.

hoofdje

7)

hoofdjen

V

120

7

V.

O.

plaatsje

n

plaatsjen

V

121

V

5

V.

0.

zoontje

V

zoontjen

V

124

V

18

V.

0.

liedje

7gt;

liedjen

V

126

V

20

V.

0.

plaatsje

plaatsjen

V

130

V

9

V.

0.

vonkje

vonkjen

V

145

V

5

V.

b.

is ons

is ze ons

r

157

7)

20

V.

b.

meisje

V

meisjen

V

160

•n

13

V.

0.

alle

V

allen

1)

161

V

17

V.

0.

Betje

V

Betjen

164

V

17

V.

b.

meisje

V

meisjen

166

10

V.

O.

deurtje

n

deurtjen

168

V

2

V.

0.

boeltje

V

boeltjen

190

V

19

V.

b.

Saul

V

Saül

n

210

V

15

V.

b.

klokje

T

klokjen

232

9

V.

b.

grappenmaker)

grappenmaken,

»

288

»

18

V.

0.

Claudite,

17

Claudite

r

242

1

V.

O.

157

7)

161

262

V

14

V.

b.

anderen

V

andren

402

V

19

V.

0.

sis

sist

406

71

12

V.

b.

wordt

V

word.

VIEEDE DEEL.

Bladz. 26 regel 12 v. b. Outrages les plus impures (moet ver-

n

68

12

V.

O.

Dan

lees; Dan, [va

7)

72

71

18

V.

b.

Convent

„ Couvent

V

148

17

V.

b.

vangt

„ vang

V

197

21

V.

0.

wie

„ wien

V

260

V

14

V.

0.

onvermoge;n

„ onvermogen.

n

269

V

10

V.

0.

velen

„ veel.

-ocr page 761-
-ocr page 762-
-ocr page 763-
-ocr page 764-